-ocr page 1-
-ocr page 2-

m

*

■ ïj*a

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

■Vaic s

iorü

ECCLESIASTES.

De Catechisms op k Kansel

NAAR ZOLLNER,

bewerkt en Yoorgedragen duor I VM Ml

BI HL1lt; HECAp i00), te ])evenie. CÜNVENTÜS _^_

pNDER ^OOFD-piRECTIE VAN

XjXJO. IvCXJILIDrHlZE^,

Kntinunik Deken en Pafttoor te Wolvegu.

MET GOEDKEURING EN AANBEVELING VAN HET

SowfoshUg ïïoogwaatiig Episcopaat van\'. Nederland.

IDEEIj -VIII.

Tweede verbeterde Uitgave.

Nijmegen. L. C. O. MALMUKKO.

-ocr page 6-

imprimatur.

OTTO ANT. SPITZEN,

/w,quot;u- Li mi. Oens.

1 Mei 1884.

-ocr page 7-

Over het Yoornemen.

Met het berouw over de zonden moet de hoop op de veryevinr/ ervan en liet qoede voornemen verbonden zijn. Al hadt ge over uw zonden ook het grootste berouw, maar de hoop op vergeving ontbrak u, dan zoudt ge niet gered kunnen worden. Judas betreurde allerbitterst, zijn Heer en Meester verraden te hebben. Hij haastte zich tot de Hoogepriesters en de Oudsten en sprak vol vermorzeling: (Matth. 27, 4. 5.) »Peccavi, tradens san-quinem justum, ik heb gezondigd, rechtvaardig bloed verradend.quot; Hij wilde hun de dertig zilverlingen teruggeven, ten einde hen te bewegen, dat zij Jesus in vrijheid zouden stellen. Maar als hij nu zag, dat zijn moeite te vergeefs was, greep de wanhoop hem aan, hij ging heen, wierp het bloedgeld in den tempel en met de gedachte; mijne zonde is te groot, dan dat zij mij zou kunnen vergeven worden, »laqueo se suspendit, heeft hij zich met eenen strop verhangen.quot; Ziet, Aand., hoe noodzakelijk de hoop is op de vergeving der zonden, zonder haar zou het grootste berouw niets baten; het leidt tot onboetvaardigheid, tot vertwijfeling en tot het eeuwig verderf. Ook voegt de zondaar, die geen vergiffenis meer hoopt, Gode de grootste beleediging toe, hij toch loochent zijne barmhartigheid, die oneindig is en geen waarlijk boetvaardigen zondaar verwerpt. Vandaar zeggen de H. Vaders, dat Judas door zijn vertwijfeling Jesus meer dan door zijn verraad heeft beleedigd; want door het verraad heeft hij slechts aan de menschheid, maar door de vertwijfeling aan de Godheid van Jesus zich vergrepen. De duivel is

-ocr page 8-

OVER HET VOORNEMEN.

er op uit, de zondaars in het verderf te storten. Aanvankelijk zoekt hij ze lichtzinnig te maken en ze zoover te brengen, dat zij hunne zonden weinig of niet tellen en ze ook niet betreuren; beginnen zij echter eenmaal, verlicht en aangedreven door de goddelijke genade, hun zonden in te zien en te betreuren, dan zoekt hij hun vertrouwen aan \'t wankelen te brengen en geeft hun gedachten van wanhoop in. Aanvankelijk fluistert hij hun toe: uw zonden hebben niets te beteekenen, God vergeeft u wel weder; op \'t laatst spreekt hij hun toe: uw zonden zijn zoo groot, dat gij geen vergiffenis meer kunt hopen; het is met u reeds te ver gekomen en gij kunt niet meer gered worden. — Geeft u alzoo aan de ingeving Satans niet over; hoedt u voor lichtzinnigheid en vermetelheid; maar neemt u ook in acht voor mistrouwen en vertwijfeling. Is de zonde eenmaal voorgevallen, dan kunt gij ze niet meer ongedaan maken; er blijft u niets anders over, dan ze hartelijk te betreuren. Wendt u echter met alle vertrouwen tot God; want zijne barmhartigheid is grooter dan uwe zonden; Hij zal u voorzeker kwijtschelding verleenen, indien gij slechts waardige vruchten van boetvaardigheid brengt.

Met het berouw moet ook het goede voornemen verbonden wezen. Zonder voornemen, d. i. zonder den ernstigen wil, zijn leven te beteren en niet meer te zondigen, is een waar berouw volstrekt niet denkbaar. Wat zoudt ge zeggen van iemand, die in dier voege van zich liet hooren: het spijt mij zeer, dat ik u heb beleedigd, ik haat en verafschuw het u aangedane onrecht; maar zoo haast ik weder de gelegenheid heb, zal ik u op nieuw beleedigen. Ellendeling, zoudt ge zeggen, gij haat mij zooveel mogelijk; het doet u geen leed mij beleedigd te hebben; want ware dit het geval, dan zoudt gij mij niet andermaal willen beleedigen! Zoo is het berouw zonder voornemen volstrekt onmogelijk en al wie zegt, dat hij

4

-ocr page 9-

OVER HET VOORNEMEN.

zijn zonden betreurt en niet ernstig\' is besloten tot de verbetering zijns levens, die spreekt onwaarheid en bespot God. Wijl berouw en voornemen wezenlijk samen behoo-ren, daarom sluit ook het Conc. v. Trente het voornemen in het berouw in, met de woorden : » Het berouw is een droefheid des harten en een verfoeiing der begane zonden, met het voornemen voortaan niet meer te zondigen.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 4.)

Over het voornemen als het derde tot het waardig ontvangen van het Sacrament der Biecht gevorderde stuk zal ik thans spreken.

I. Hoe moet het voornemen (/esleid zijn ?

Het voornemen moet evenals het berouw zijn: 1) in-wendi/ of ernslic/, 2) algemeen, 3) bovennatuurlyk. Wij zullen deze drie eigenschappen van het voornemen een weinig nader betrachten.

1) Het voornemen moet inwendig of ernstig wezen, dit wil zeggen: men moet niet enkel met ivoorden verzekeren, dat men zich wil beteren, maar men moet daartoe ook werkelijk besloten zijn. Wie enkel zegt, dat hij niet meer wil zondigen, maar hem dit niet ernstig gemeend is, die is een schandelijke bedrieger en heeft niets minder dan vergeving te verwachten. God stelt zich met geen woorden tevreden. Hij ziet tot in \'t hart en indien Hij daarin geen voornemen vindt, dan keert Hij zich van den zondaar af en sluit voor hem de bron zijner barmhartigheid. Velen nu verwekken het voornemen en zeggen: »Ik neem mij ernstig en vast voor, mijn leven te beteren en God niet meer te beleedigenmaar dit zijn slechts ijdele klanken; want zij zijn niet willens te doen, wat zij zeggen. Wat zal een zoodanig voornemen enkel met de tong hun baten ? Niet het minst; zij blijven in de zonde. Hun geldt het woord des Heeren : (Is. 29, 13.) Appro-

5

-ocr page 10-

OVER HET VOORNEMEN.

pinquat populus isle ore suo, dit volk nadert Mij met zijn mond, et labiis suis rjlorifical me, en eert Mij met zijn lippen, cor autem ejus longe est a me, maar zijn hart houdt het verre van Mij.quot; Ook zijn er Christenen, die zich voor den Priester in den biechtstoel den schijn geven, als hadden zij een heel ernstig voornemen tot verbetering huns levens. «Ik beloof u,quot; zeggen zij, »met hart en mond, dat ik deze zonde niet meer zal begaan, dat ik niet meer zal schelden en vloeken, niet meer aan spel en drank mij overgeven en het ontvreemde goed zal teruggeven.quot; Maar waarom spreken zij zoo ? Alleen, om niet zonder absolutie te worden weggezonden. Het is hun met hun beloven volstrekt geen ernst; ja zelfs zeggen zij wel : alk heb wel is waar een en ander in den biechtstoel beloofd, maar ik heb het slechts daarom gedaan, wijl ik anders niet zou zijn geabsolveerd.quot; Die verblinden ! hunne arglist valt op niemand anders dan op hun zeiven terug. God, die hun binnenste doorschouwt, zal hen eenmaal wegens hunne huichelarij en wegens de schennis van het H. Sacrament der Biecht tot de strengste rekenschap roepen.

Het voornemen most inwendig of ernstig wezen; dit wil verder zeggen ; men moet niet enkel een zwak/een, maar een krachtdadig en toil bezitten, God met meer te beleedigen. Zoo menigeen erkent, dat hij ver is afgedwaald en den weg des verderfs bewandelt; zij zijn van de noodzakelijkheid hunner bekeering overtuigd, zij koesteren vandaar den wensch, zich van hunne zondenbanden los te maken en boetvaardigheid te oefenen. Maar hun wensch bezit geen kracht; zij willen hunne verbetering niet met een vast besluit en volharding ; zij gelijken degenen in de parabel, bij wie het zaad des goddelijken woords op een steenachtigen grond en tusschen de doornen valt; vandaar houdt hunne boetvaardigheid en bekeering geen stand. Zijn zij van den biechtstoel heengegaan, dan ver-

6

-ocr page 11-

OVER HET VOORNEMEN.

vallen zij spoedig weer in hunne oude lichtzinnigheid; zij vergeten datgene, wat zij zich voorgenomen en in den biechtstoel beloofd hebben en beginnen hun vorig zondig leven op nieuw. Dit heeft bijzonder met de zondaars van gewoonte plaats. Indien zij bij hun gewetens-onderzoek bevinden, dat zij deze of gene zonde zeer dikwijls hebben bedreven, of wanneer de Priester hun in den biechtstoel hun slechten zieletoestand met scherpe woorden op het hart drukt, dan geraken zij dikwerf in eea heilzame opgewektheid en maken het voornemen, hun booze gewoonten af te leggen en den weg van boetvaardigheid te betreden. Maar ziet, nauwelijks laten de bekoringen zich weder gelden of zij worden er weder het offer van en zondigen als voorheen. Vanwaar zulk een beklagenswaardig hervallen ? Vanwaar anders dan van hun zwak en krachteloos voornemen ? Ware dit vast, dan zouden zij aan de verzoekingen een moedigen weerstand bieden en zich niet zoo licht ten val laten brengen. Indien wij derhalve zien, dat zondaars na elke Biecht zoo spoedig weder in de oude zonden terugvallen, zondaren, die sedert vele jaren met hunne booze gewoonte behept zijn geweest en bij wie niet de minste verbetering heeft plaats gevonden,dan kunnen wij onmogelijk anders oordeelen, dan dat zij bij hun biechten geen ernstig voornemen hebben en bijgevolg het H. Sacrament der Biecht altijd ongeldig en heiligschennend ontvangen.

Het voornemen moet inwendig of ernstig wezen ; dit wil verder zeggen, dat men den wil moet hebben, niet eerst later maar oogenhlikkelijk, aan de zonde ie verzaken en zich detjelijk te verbeteren. Er zijn Christenen, en hun getal is inderdaad niet gering, die zich voornemen boetvaardigheid te doen; doch niet aanstonds maar eerst in een lateren tijd. Zoo denkt menig jongmensch ; wanneer ik tot een rijperen leeftijd kom, wanneer ik eenmaal gehuwd ben, dan zal ik kuisch leven, niet meer

7

-ocr page 12-

OVER HET VOORNEMEN.

drinken en spelen. Zoo denkt menig man van zaken : wanneer ik mijne tijdelijke aangelegenheden heb geregeld, zal ik ook het werk mijner zaligheid in orde brengen, en aanvangen. God met ijver te dienen. In deze gesteldheid gaan zij jarenlang te Biecht; telkenmale hebben zij te minsten ingesloten de gedachte : nu nog niet, maar later zal ik mij degelijk bekeeren. In welk een verblindheid leven zoodanige Christenen ! Hoezeer bedriegen zij zich met hunne voornemens ! Veronderstelt: iemand, die u aan velden en boomen een groote schade heeft toegebracht, zegt tot u: ik beu voornemens, uw eigendom niet meer te benadeelen ; doch nu nog niet, maar eerst later, wanneer mijne omstandigheden er anders aan toe zijn, en het mij geschikter voorkomt. Zoudt gij met zoo\'n voornemen tevreden wezen? Voorzeker neen. En God zou u in genade aannemen, indien gij Hem als in \'t aangezicht durft zeggen ; thans wil ik U nog beleedigen, maar later zal ik daarmede ophouden ? Heet dat niet vermetel op Gods barmhartigheid zondigen ? Heet dat niet God als het ware noodzaken, dat Hij u zijne genade onttrekke en u in de zonde late sterven ? Neen, neen, een voornemen, dut de verbetering nu niet, maar eerst in de toekomst wil, is geen voornemen, en Christenen, die met zulk een voornemen biechten, ontvangen geen kwijtschelding hunner zonden, maar begaan veeleer telkenmale een heiligschennis. Zal uw voornemen goed zijn, dan moet het aan het zondige leven oogenblikkelijk paal en perk stellen, gij moet den vasten wil hebben, God van stonde af aan niet meer te beleedigen. Weet het wel, de hel is vol van zoodanigen, die zich hebben willen bekeeren, maar het nooit gedaan hebben.

Het voornemen moet inwendig of ernstig wezen ; dit wil eindelijk zeggen : men moet besloten zijn, liever alle kwaad ie verdracjen dan weer te zondüjen. De zonde is het grootste kwaad ; want zij berooft ons van de heilig-

8

-ocr page 13-

OVER HET VOOBNEMEN.

9

makende genade, laadt op ons het mishagen Gods, sluit ons den hemel en stort ons in de eeuwige verdoemenis. Waar ter wereld is een kwaad, dat aan de zonde gelijk-komt f Hieruit volgt, dat wij de zonden meer dan alle aardsche rampen on zelfs den dood moeten verafschuwen en vluchten. Wie derhalve den wil niet heeft, de zonde onder alle omstandigheden te mijden, zelfs dan, als hij alles, wat hem lief en dierbaar is, moet ten offer brengen, aan hem ontbreekt het ernstige voornemen, en hij mag niet hopen, dat God hem zal vergeving scheuken. Ook op dezen grond leggen niet weinigen slechte en ongeldige Biechten af. Zij beloven beterschap en heb -ben ook wel den wil daartoe; maar het moet geen offer kosten. Zegt de Priester hun; gij moet uwe verkeering afbreken; gij moogt dat huis, dat gezelschap niet meer bezoeken, gij moet u met uwen vijand verzoenen, het onrechtvaardige goed teruggeven, uw laster herroepen, dan worden zij kleinmoedig, evenals de jongeling in het Evangelie, die naar het woord van Jesus alles, wat hij bezat, verkoopen en de opbrengst ervan onder de armen zou verdeelen ; van dusdanige offers willen zij niets weten. Dit is een blijkbaar teeken, dat het ernstige voornemen hun ontbreekt; want was dit niet het geval, zij zouden besloten zijn, de zonde tot eiken prijs te verzaken. Wie een waar en werkdadig voornemen heeft, kan met den Apostel zeggen : (Rom. 8, 35.) «Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Verdrukking ? of beangstiging? of honger? of naaktheid? of gevaar? of vervolging? of zwaard?quot; Zulk een voornemen hadden ten allen tijde de ware boetelingen. Een voorbeeld van dien aard is het volgende. Er werd in eene zekere parochie een missie gehouden. Onder vele andere zondaren, die zich degelijk bekeerden, was ook een vrouw, die sedert jaren een zeer buitensporig leven had geleid. Zij beloofde in een generale Biecht, dat zij nimmermeer.

-ocr page 14-

OVER HET VOORNEMEN.

al zoude liet haar ook het leven kosten, een zonde van onzedighsid zou begaan. Toen zij eens een bosch doortrok, werd zij door een liederlijk mensch, die baar tot zonde verleiden wilde, aangevallen. Zij bood uit alle krachten weerstand ; nu trok dat monster zijn mes met de bedreiging haar te vermoorden, indien zij bleef wederstand bieden. Maar vastbesloten sprak zij : »Breng mij om \'t leven ; wat gij van mij vordert, zal ik niet doen; liever fterven dan zondigen.quot; De onverlaat ware waarschijnlijk een moordenaar geworden, indien gelukkig niet iemand langs dien weg was gekomen en hem op de vlucht had gejaagd.

Ziet, Aand., dit is het ernstige voornemen; men moet niet enkel met woorden verzekeren, dat men zich wil beteren, maar dit ook werkelijk van plan wezen; men moet niet slechts ten halve, maar krachtdadig zich voornemen, God niet langer te beleedigen ; men moet den wil hebben, niet eerst later, maar oogenblikkelijk de zonde te verzaken; men moet eindelijk besloten zijn, liever elke ramp te verdragen dan weder te zondigen. Denkt wel na, of uw voornemen bij uwe tot dusverre gesproken Biechten op de aangegeven wijze wel ernstig was.

2) Het voornemen moet alyemeen zijn. Dit heeft dan plaats, indien men vastelijk is besloten, minstens alle doodzonden te vermijden en wel niet enkel degene, die men begaan heeft, maar ook alle andere, die men zou kunnen begaan. Elke doodzonde berooft ons van de liefde en de genade Gods en maakt ons aan de eeuwige verdoemenis schuldig ; alzoo moeten wij, indien wij ons de liefde en de genade Gods verwerven en ons aan de eeuwige verdoemenis willen onttrekken, den ernstigen wil he\'dben, alle doodzonden te vermijden. Vandaar zegt ook de H. Thom. v. Aq.: » De boete over de doodzonden verlangt, dat de boetvaardige zich voorneme, van alle en elke doodzonde zich te onthouden.quot; Het voornemen, minstens alle

10

-ocr page 15-

OVER HET VOOBNEMKN.

11

zware zonden te mijden, bevat ook niets onmogelijks; want ieder, zelfs de grootste zondaar, ontvangt van God zooveel genaden, als hem tot het vermijden der doodzonden en tot een grondige verbetering des levens noodzakelijk zijn. Wie daarom niet ernstig besloten ware, alle doodzonden te vermijden, die zou geen goed voornemen bezitten en derhalve ook geen geldige Biecht kunnen spreken. Wij treffen er helaas, niet weinigen aan, die op dezen grond het Sacr. der Biecht onwaardig ontvangen. Ik zal mij beteren, zegt de een, maar dien mensch, die mij zoo zwaar heeft beleedigd, kan en wil ik niet vergeven. Ik zal mij beteren, zegt een ander, maar van deze persoon, aan wie geheel mijn hart toebehoort, kan ik mij niet scheiden. Ik zal mij beteren, zegt deze, maar dat vreemde goed kan ik niet teruggeven; vrouw en kinderen zouden niet meer overeenkomstig hun stand kunnen leven. Ik zal mij beteren, zegt gene, maar ik kan mij onmogelijk van vloeken en lasteren onthouden; mensch en vee staan mij te veel in den weg en men moet wel een Engel wezen, om steeds geduldig te kunnen blijven. Zoo en op dergelijke wijze spreken velen, indien ook al niet met uitdrukkelijke woorden, toch feitelijk; want zij zijn niet ernstig besloten, alle en elke zware zonde te vermijden. Stelt u derhalve, Aand., bij elke Biecht de gewichtige vraag: ben ik ernstig besloten, God met geen doodzonde meer te beleedigen ? Bestaat er geen zonde, waaraan mijn hart nog hangt ? Haat en verafschuw ik al het booze ? Kan ik in waarheid zeggen, dat ik minstens geen doodzonde meer begaan wil ? Vindt gij een zonde, waartoe gij nog een bijzondere neiging koestert, verwekt dan daarover nog bijzonder een hartelijk berouw en neemt u voor, ze in eeuwigheid niet meer te bedrijven. Gaat toch over zoodanige lievelings-en gewoonheidszonden niet onverschillig heen; gij stelt u aan het gevaar bloot, wegens gebrek aan voornemen een slechte Biecht af te leggen en in den biecht-

-ocr page 16-

OVER HET VOORNEMEN.

stoel in plaats van genade den vloek op u te laden.

Wat aangaat de dacjelyhsdie zonden, is het wel niet noodzakelijk, dat het voornemen zich tot alle zonder uitzondering uitstrekt; zooals de H. Thom. van Aq. en met hem alle godgeleerden eenparig zeggen, is het genoegzaam, dat men zich voorneemt, eenigen ervan te vermijden of hun getal te verminderen. Evenwel moet gij op uwe hoede wezen, dat gij geen doodzonde voor een dagelijksche zonde aanziet; want de Biecht ware ongeldig, indien gij een zonde, die gij wegens een schuldige onwetendheid voor een dagelijksche zonde hieldt, maar inderdaad een doodzonde ware, niet ernstig besloten waart te mijden. Het is steeds goed en raadzaam, dat gij alle dagelijksche zonden oprecht betreurt en tevens het voornemen maakt, ze met Gods hulp naar krachten te beteren. Dit voornemen moet zich voornamelijk tot die dagelijksche zonden, die gij gewoon zijt dikwijls te bedrijven en die u op den weg van deugd en volmaaktheid bijzonder hinderlijk zijn, uitstrekken. Ook moet gij u ernstig voornemen, in het vervolg willens en wetens God ook met geen dagelijksche zonde meer te beleedigen. Dit voornemen is te noodzakelijker, wijl gij u zonder dat aan het gevaar blootstelt, in zware zonden te vallen, volgens de woorden des H. Geestes: (Eccl. 19,1.) » Qui spernit modica, pau-latim decidet, die het kleine versmaadt, gaat van lieverlede ten gronde.\'\' Hebt ge enkel dagelijksche zonden te biechten, dan geldt hetzelfde, wat ik u bij het berouw heb opgemerkt; uw voornemen moet zich minstens tot een dezer dagelijksche zonden uitstrekken; want evenals het berouw is ook het voornemen bij elke Biecht, indien zij geldig zijn zal, volstrekt noodzakelijk. Om u in gevallen, waarin gij slechts dagelijksche zonden hebt te biechten, des te meer van het voornemen te verzekeren, doet ge wel, indien gij de vroegere bedreven zware zonden u herinnert, u daarover minstens in \'t algemeen voor

12

-ocr page 17-

OVER HET VOOBNEMEN.

den Priester in den biechtstoel aanklaagt en op nieuw u voorneemt, ze niet meer te begaan.

3) Eindelijk, het voornemen moet bovennatuurlijk wezen ; d. i. men moet zich voornemen, niet meer te zondigen, wijl het geloof ons leert, dat wij door de zonde God beleedigen, zijn genade verliezen, ons den hemel sluiten, de hel verdienen en dergelijke. Evenals er een natuurlijk berouw bestaat, bestaat er ook een natuurlijk voornemen. Wie alleen op natuurlijke gronden zich voorneemt, een zonde niet meer te bedrijven, bijv. wegens een tijdelijk nadeel, wegens een tijdelijke schande en straf, diens voornemen is natuurlijk. Zoo\'n natuurlijk voornemen is tot de vergeving der zonden evenzoomin als een natuurlijk berouw voldoende. Door de zonde beleedigt men God; om God moet men ze alzoo betreuren en zich voornemen, ze niet meer te begaan. Evenals het berouw moet het voornemen bovennatuurlijk wezen. Evenals vervolgens het bovennatuurlijk berouw volmaakt of onvolmaakt is, naar gelang het uit een volmaakte of onvolmaakte liefde voorkomt, zoo is dit ook met het bovennatuurlijk voornemen het geval. Is de liefde Gods in ons zoo volmaakt en werkzaam, dat zij alleen in ons het vaste besluit, de zonde te mijden, uitwerkt, dan is ons voornemen ook volmaakt; is daarentegen de liefde Gods in ons nog onvolmaakt en zwak en moet deswege de vrees voor de hel of het verlies des hemels of de hatelijkheid der zonde ons aandrijven, dat wij ernstig besluiten. God niet meer te beleedigen, dan is ons voornemen onvolmaakt. Het volmaakte voornemen is blijkbaar beter dan het onvolmaakte ; evenwel is in verbinding met de Biecht ook het onvolmaakte voornemen toereikend, om vergiffenis der zonden te erlangen. Over het algemeen geldt over het natuurlijke en bovennatuurlijke, volmaakte en onvolmaakte voornemen hetzelfde, wat ik u over het berouw heb gezegd.

13

-ocr page 18-

OVER HET VOORNEMEN.

14

Werpen wij nu een vluchtigen blik op de biechtelingen, om te vernemen of ze wel allen door een bovennatuurlijk voornemen zijn bezield. Een zieke belooft met hart en mond, dat hij zijn geheele leven lang zich niet meer wil bedrinken ; — maar waarom ? Omdat hij door zijn dronkenschap de gezondheid heeft verloren en aan den rand des grafs is gebracht. Iemand verwenscht het spelen en zweert, dat hij geen kaart meer in handen zal nemen ; — maar waarom ? Omdat hij bij het spel zijn geld heeft verloren. Dezen en vele anderen hebben wel een ernstig, maar slechts een natuurlijk voornemen, omdat zij niet om God maar alleen uit tijdelijke oorzaken tot de verbetering zijn besloten. Verwachten zij kwijtschelding van God, dan bedriegen zij zich ; want een natuurlijk voornemen is tot vergeving der zonden evenmin toereikend als een natuurlijk berouw. Men kan derhalve de ernstigste voornemens ter verbetering maken, ja, men kan zich werkelijk verbeteren, en desniettemin in de zonde blijven en louter ongeldige Biechten afleggen ; en dit heeft dan plaats, indien men alleen deswege tot verbetering besluit of ook werkelijk daartoe overgaat, wijl men zich voor dit leven heeft ongelukkig gemaakt, wijl men verschillende tijdelijke rampen vreest, ingeval men de zonde nog langer voortzet, of wijl men tot zondigen geen gelegenheid meer heeft. Vergeet daarom niet, Aand., u dikwerf, maar bijzonder bij uwe Biechten de vraag te stellen : waarom wil ik niet meer zondigen ? Kunt gij op deze vraag antwoorden : ik wil om God niet meer zondigen, wijl het geloof mij zegt, dat ik door de zonde God beleedig, mijn besten Vader, mijn strengen Rechter, die mij, indien ik mij niet beter, van den hemel uitsluit en voor eeuwig verwerpt, dan is uw voornemen bovennatuurlijk en durft gij hopen, dat gij geldig biecht en vergeving uwer zonden verkrijgt.

-ocr page 19-

OVER HET VOORNEMEN.

II. Waartoe moeten wij, indien wij een joed voornemen heiben, besloten wezen ?

Indien wij een goed voornemen hebben, moeten wij besloten zijn : I) minstens alle doodzonden en de naaste gelegenheid daartoe te vermijden; 2) de noodzakelijke middelen ter verbetering aan te wenden; 3) voldoening en alle verschuldigde vergoeding van schade te geven.

I) Dat zondaren, die een goed en ernstig voornemen hebben, moeten besloten zijn, minstens alle zware zonden te mijden, ligt voor de hand; want waren zij van dit besluit niet bezield, dan zouden zij nog in een geheele bedorven en booze stemming verkeeren, nog geheel afgekeerd zijn van God, en, daar elke doodzonde uit het hemelrijk sluit, onmogelijk kunnen zalig worden. Derhalve bedriege niemand zich zelf, die een of andere doodzonde niet ernstig wil vermijden, met de hoop, dat hij vergiffenis erlangt; hij biecht ongeldig en blijft in de zonde.

Doch het voornemen moet niet enkel tot de zonde zelf, maar ook tot de naaste gelegenheid der zonde zich uitstrekken. Hierover moet ik ietwat breedvoeriger spreken. Onder gelegenheid tot zonde verstaat men iets uitwendigs, bijv. een persoon, een plaats, een gezelschap, een verkeer, waardoor wij tot het kwade worden aangetrokken. Wij worden wel is waar ook door onze eigene kwade begeerlijkheden veelmaals tot de zonde aangetrokken ; maar deze woont in ons zelve, terwijl de gelegenheid iets is, wat zich buiten ons bevindt. De gelegenheid tot zonde onderscheidt zich in de verwijderde en de naasteyelegen-heid tot zonde. De verwijderde gelegenheid is die, welke wel is waar een kracht bezit, ons tot zonde te trekken, die echter zelden de zonde werkelijk tot zich trekt. Alles, wat er in de wereld is te vinden, zelfs wat goed en heilig is kan den mensch een verwijderde gelegenheid

15

-ocr page 20-

OVER HET VOORNEMEN.

tot kwaad zijn. Zoo bijv. kan voor iemand een heel eerbaar gezelschap, de kerkelijke godsdienst, de Biecht een gelegenheid zijn, dat hij tot ijdelheid, tot toorn, enz. wordt aangezocht. Zoodanige verwijderde gelegenheden te vermijden is niet mogelijk ; want men zou de wereld moeten uitgaan, indien men ze wilde voorkomen. Evenwel heeft men de verplichting, tegen de verzoekingen, die een verwijderde gelegenheid teweegbrengt, ernstig te strijden, en in het algemeen voorzichtig te zijn, opdat men niet door de zonde overrompeld worde.

Onder naaste gelegenheid, waarvan hier eigenlijk spraak is, verstaat men die, welke op de menschen zulk een invloed uitoefent, dat zij gewoonlijk zondigen. Zoo bijv. behooren de aanschouwing van een schandelijk voorwerp, het tezamen leven met een persoon, met wien men zich reeds dikwerf heeft bezondigd, de vertrouwelijke omgang tusschen twee personen van beiderlei geslacht of de verkeeringen, het lezen van een slecht boek, het bezoek van een onzedig theaterstuk, tot de naaste gelegenheden. Menigmaal is iets voor den een een naaste gelegenheid tot zonde, wat voor een ander het geval niet is. Zoo is voor hem, die zich gaarne bedrinkt, het bezoek des herbergs een naaste gelegenheid tot dronkenschap, terwijl dit bij een ander, die niet gewoon is zich te bedrinken, geen plaats vindt.

Wie nu een goed en ernstig voornemen heeft, die moet besloten zijn, de naaste gelegenheid tot zonde te vermijden. De grond hiervan is klaar; wie niet meer wil zondigen, moet toch ook den wil hebben, datgene te vermijden wat hem tot zonde zal verleiden. Gesteld, iemand, die niet kundig is in \'t zwemmen, springt in een diep water ea ontkont slechts daardoor, dat een ander hem nog bij tijds uit het water redt, aan het gevaar van te verdrinken. Indien hij nu terzelfder plaatse zich weder in het water stort, wat zoudt ge dan zeggen ? Wel! deze menscb legt

16

-ocr page 21-

OVER HET VOORNEMEN. 17

het er op aan, zich te verdrinken; want -wil hij dit niet, hij zou zich niet meer aan het oude gevaar blootstellen. Hetzelfde moet ge van een zondaar zeggen, die wel de zonde, maar niet de gelegenheid tot zonde wil vermijden. Zijn voornemen is niet gemeend, omdat hij de zonde niet kan vermijden, indien hij de gelegenheid daartoe niet vermijdt. Het is derhalve niets dan verblindheid, indien zoo menigeen zegt: onkuischheid zal ik niet meer bedrijven, maar mijne verkeering wil ik niet afbreken; godslasteringen en vloeken zal ik bij het spel niet meer uitbraken, maar het spel wil ik mij niet ontzeggen ; ik zal mij niet meer dronken drinken, maar de herberg bezoeken wil ik niet achterwege laten. Aangenomen, dat het hun met hunne bewering werkelijk ernst is, zullen zij woord houden? Zullen zij niet langer zondigen? Verzekert de H. Geest ons niet door den mond des wijzen Si-rachs: (Eccl. 3, 27.) » Qui amat periculum in Ulo peribit, die het gevaar lief heeft, komt er in om ?quot; » Te vergeefs,quot; zegt heel schoon een geestelijke leeraar (ürexelius), «jagen wij de vliegen van de spijzen weg, indien wij nog altijd de zoetigheden op tafel laten staan ; want nauwelijks hebt gij ze verjaagd of ze komen terug. Wegnemen moet gij alzoo de lokspijzen der zonden, de ktoade gelegenheden, of de zonde zal zelfs spoedig weder plaats vinden en u nog meer als te voren innemen en beheerschen.quot; Wij lezen in de H. Schrift van onschuldige en godvreezende personen, dat zij een diepen val deden, omdat zij zich aan de naaste gelegenheid tot zonde blootstelden. Dina, Jacobs dochter, waagt zich slechts eenmaal in het gezelschap van goddelooze menschen; zij verliest hare onschuld en komt onteerd te huis. Petrus verwijlt eenige oogenblik-ken in het voorhof des Hoogepriesters onder de vijanden van Jesus en hij verloochent tot driemaal toe zijnen Heer en Meester. De kerkelijke geschiedenis meldt ons, dat een

2

-ocr page 22-

OVER HET VOORNEMEN.

zeer brave vrouw, die vol ijver eener christelijke liefde de H. Martelaars beaardde, eens onder de lijken iemand vond, die nog ademde ; zij nam dezen in haar huis, waar hij met behulp van een arts weder herstelde, op. Maar wat gebeurde ? Deze beide heiligen (want zoo kan men ze wel noemen, wijl de een op het punt was geweest, als Martelaar voor het geloof te sterven, de andere in alle vroomheid leefde) vielen later met elkander in de zonde van onzuiverheid en verloochenden ten laatste, nadat zij herhaalde malen waren gevallen, het heilig geloof. Indien nu geheel onschuldige, ja heilige personen in de naaste gelegenheid hebben gezondigd, hoe zult gij dan, die zoo vol gebreken zijt en God reeds zoo veelmaals hebt be-leedigd, u van zonde vrijwaren? Meent ge wellicht, dat God een wonder aan u zal doen en u evenals de drie jongelingen in den vuuroven te midden van den brand der zonde, zoodat gij geen nadeel lijdt, zal beschermen ? Neen, God komt met zijn genade slechts degenen te hulp, die uit noodzakelijkheid zich somwijlen aan een gevaar moeten blootstellen; de lichtzinnigen en vermetelen echter kunnen op zulk een bijstand van Gods genade niet rekenen. gt;

Menigeen zegt tot zijne verontschuldiging : ik heb reeds dikwijls in zoodanige gelegenheden, die men mij als zeer gevaarlijk afschilderde, verkeerd, ik weet evenwel niet, dat ik er iets kwaads heb gedaan. Hierop antwoordt de H. Aug.: »Dit is een gevaarlijke vermetelheid; want velen beelden zich in, dat zij hebben gezegevierd, terwijl zij evenwel zijn overwonnen.quot; Het mag zijn, dat gij u in zoodanige gelegenheden met de werken niet hebt bezondigd, maar is er ook inwendig niet iets voorgevallen wat uw geweten bezwaart? En zijt gij ook al den een of anderen keer zonder zonde ontkomen, wie staat u borg, dat dit ook in het vervolg zoo zijn zal? Wellicht heeft de duivel u tot nu toe opzettelijk met rust gelaten, om

18

-ocr page 23-

OVER HET VOORNEMEN.

u te eeniger tijde, \'wanneer gij het het minst vermoedt, eensklaps te overvallen en in het verderf te storten.

Menigeen geeft, om in de naaste gelegenheid tot zonde te kunnen blijven, onoverkomelijke bezwaren voor en zegt; ik kan den omgang met dezen persoon er niet aangeven, want ik zou daardoor in een bitteren nood geraken; ik kan deze herberg niet vermijden, want mijn bedrijf zou nadeel lijden ; ik kan dezen mensch niet uit mijn huis verwijderen, want mijn zaak zou in verval geraken; ik kan mij van dit gezelschap niet terughouden, want mijne eer, mijn bestaan is er mede gemoeid. Aan dezen geef ik het woord van Jesus in overweging: (Matth. 18, 9.) «Indien uw oog u ergert, ruk het uit en werp het van u; het is u beter met éen oog tot het leven in te gaan, dan twee oogen te hebben en in het helsche vuur te worden geworpen.quot; De zin dezer woorden is duidelijk. Ware iets, wat uw eeuwig heil in gevaar zou brengen, u ook nog zoo noodzakelijk en zoo lief als uw oog en viel de scheiding ervan u ook even zoo smartelijk, als wanneer men u een oog uitrukte, dan moet gij het desniettemin van u verwijderen, want de ziel moet om eiken prijs gered worden. Alleen dan wanneer de naaste gelegenheid van dien aard ware, dat zij volstrekt niet zou kunnen vermeden worden, dan hebt gij de verplichting niet, ze te vermijden, want tot het onmogelijke is niemand gehouden. In dit geval moet gij echter door gebed, overweging, het dikwerf ontvangen der H. Sacramenten en in het bijzonder door het aanwenden der door den biechtvader voorgeschreven middelen de naaste gelegenheid in eene verwijderde verkeeren, d. i. het gevaar van zondigen zooveel mogelijk afweren. Zoudt ge deze verplichting niet met allen ijver nakomen en weder hervallen, dan kan geen Priester, zoolang geen degelijke verbetering volgt, u meer geldig absolveeren. Mocht het gebeuren, dat gij, ondanks

19

-ocr page 24-

OVER HET VOORNEMEN.

gij de voorgeschrevene middelen ter verbetering vlijtig aanwendt, toch weder in de oude zonden terug zoudt vallen, dan bleef er niets anders voor u over, dan de gelegenheid te vermijden, al zoadt gij ook have en goed, eer en goeden naam en zelfs het leven op \'t spel moeten zetten. Om de onsterfelijke en door het kostbaar bloed van Jesus vrijgekochte ziel te redden en aan de eeuwige verdoemenis te ontgaan, mag men geen offer schuwen.

Gij ziet alzoo, Aand., hoe noodzakelijk het is, dat gij u voorneemt en wel met allen ernst voorneemt, niet enkel de zonde zelf, maar ook de naaste gelegenheid tot zonde te vermijden. Al hadt gij bij uw biechten wel het voornemen, niet meer te zondigen, maar niet het voornemen de verkeering er aan te geven, bij dat slechte gezelschap u niet langer op te houden, dat onchristelijk huis niet meer te betreden, met die zedelooze menschen geen vertrouwe-lijken omgang meer te hebben, kortom, de naaste gelegenheid tot zoude te vermijden, dan ware uw voornemen ijdel, gij ontvingt het H. Sacrament der Biecht onwaardig en maaktet u, in plaats van vergeving uwer zonden te ontvangen, aan heiligschennis schuldig. Behartigt dit wel en gaat bij elke Biecht met alle zorgvuldigheid na, of gij ernstig zijt besloten, niet alleen de zonde, maar ook de naaste gelegenheid tot zonde te mijden.

2) Hebt gij een ernstig voornemen, dan zijt gij eveneens besloten, de noodzalceljke middelen ter verbetering aan te wenden. De zieke richt zich naar de voorschriften van den arts en gebruikt die middelen, die hem tot herstel zijner gezondheid gegeven worden. Hetzelfde doet de zondaar, die den ernstigen wil heeft, van zijn zonden vrij te raken en zich met God te verzoenen ; hij wendt die middelen, die hem tot verbetering, noodzakelijk en heilzaam zijn, vlijtig aan. Deze verbeterings-middelen zijn algemeene en bijzondere middelen. Tot de algemeene be-

20

-ocr page 25-

OVER HET VOORNEMEN.

21

hooren de waakzaamheid, het gebed, het aanhooren van Gods woord, de geestelijke lezing, het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten, het beteugelen zijner zintuigen en het versterven der kwade neigingen en voornamelijk der eigenliefde. Deze middelen moeten alle boetvaardigen, welke zonden zij ook mogen bedreven hebben, in toepassing brengen, om zich voor het hervallen te bewaren en op den weg van boete vorderingen te maken. -—■ De bijzondere middelen zijn die, welke volgens de geaardheid der zonde en den bijzonderen toestand des zondaars tot een degelijke en voortdurende verbeting gevorderd worden. Deze bijzondere middelen schrijft gewoonlijk de bieehtvader den boeteling voor. Tot den H. Berns.kwam eens een gewoonheidszondaar, die reeds sedert een langen tijd zich dagelijks tegen het zesde gebod had bezondigd. Deze zondaar verklaarde met droevige gebaren, dat hij door de kwade gewoonte zoodanig was gebonden, dat het hem onmogelijk seheen, zich ook maar éeuen dag daarvan te onthouden. De H. Berns hield hem de treurige gevolgen van dit kwaad voor tijd en eeuwigheid met de nadrukkelijkste woorden voor oogen, en gaf hem vervolgens, om hem met Gods hulp voor het hervallen te bewaren, het volgende middel aan de hand ; hij beval hem, dat hij slechts drie dagen ter eere vau het bittere lijden en sterven van Jesus zich van dit kwaad onthouden en dan weder ter Biecht zou komen. Na drie dagen kwam de zondaar terug en zeide, dat hij bij elke verzoeking, die hij tegen de kuischheid had te verduren gehad, aanstonds de smarten, die Jesus bij zijn geeseling, doornenkroning en kruisiging had uitgestaan, zich had herinnerd en daardoor zoo was gesterkt, dat hij de verzoeking kon overwinnen. De Heilige vermaande hem nu, nogmaals drie dagen ter eere der Allerheiligste Drievuldigheid rein te blijven, en vervolgens weder drie dagen ter eere der Zaligste Moeder Gods, verder ter eere zijns

-ocr page 26-

OVER HET VOOENEMEN.

H. Beschermengels, en zoo voort — van drie tot drie dagen zich te overwinnen. Het middel werd aangewend, van lieverlede was de verouderde gewoonte den boeteling steeds lichter geworden te overwinnen, tot dat hij er eindelijk geheel van vrij geraakte, zoodat hij tot aau zijnen dood een kuisch leven leidde.

Naar het voorbeeld van dezen en van de overige ware boetelingen moet ook gij, Aand., bij elke Biecht besloten zijn, niet enkel de algeineene, maar ook de bijzondere middelen, die de Priester u tot verbetering voorschrijft, nauwkeurig te volbrengen. Wilt gij u hiertoe niet laten vinden, dan ontbreekt het ware voornemen u, want wie het doel wil, moet ook de middelen willen. Al is het ook, dat uwe zinnelijkheid tegen deze middelen opkomt, toch moogt gij ze deswege niet verwaarloozen. Neemt de zieke het strengste dieet in acht, gebruikt hij de bitterste artsenijen, ja, laat hij zich snijden en branden, waarom zoudt ook gij de harde middelen, welke tot uw verbetering en bijgevolg tot redding uwer ziel noodzakelijk zijn, niet aanwenden ?

3) Eindelijk, het goede en ernstige voornemen vordert, dat de zondaar bereid zij, voldoening en alle verschuldigde vergoeding van schade te geven. Door elke zonde voegen wij aan God een onrecht toe ; want wij onttrekken aan Hem datgene, wat wij verschuldigd zijn, eerbied, liefde en gehoorzaamheid. De zonde maakt ons alzoo tot schuldenaren van God, en wij hebben derhalve de verplichting. Hem, voor zoover wij kunnen, voldoening te geven. Deze voldoening kan, zooals wij later zullen hooren, door alle goede werken, bijzonder door verstervingen en boeteoefeningen geschieden. Wie nu met een waren boetegeest is bezield, die beijvert zich, door verschillende heilzame oefeningen en goede werken zich volkomen met God te verzoenen en Hem voor zijne zouden voldoening te geven. Zoo koos de H. Maria Magdalena

22

-ocr page 27-

OVER HET VOORNEMEN.

23

na de hemelvaart van Jesus een hol tot woning, en bracht daar dertig jaren in de strengste boete en in het voortdurend beweenen barer zonden door. — Ook gebeuren er zonden, waardoor niets slechts God beleedigd, maar ook het geestelijke en lichamelijke welzijn des naasten wordt benadeeld. Hiertoe behooren alle zonden, waardoor men ergernis geeft, verder doodslag, verwonding, kwalijke bejegening des naasten, vervolgens eerafsnijding, beschimping en laster, eindelijk onrechtvaardige benadeeling van een vreemd eigendom door diefstal, roof, bedrog, woeker en dergelijke. Heeft iemand zulk een zonde begaan, dan is hij ten strengste verplicht het zija naaste toegebracht nadeel naar vermogen te vergoeden. Zou hij dezen plicht verwaarloozen, dan kan hij bij God geen kwijtschelding\' erlangen, al is het ook, dat hij zijn zonden waarlijk betreurt en zich verbetert. Van dezen plicht waren van oudsher alle ware boetelingen overtuigd ; daarom waren zij er ernstig op uit, voor hunne zonden niet slechts aan de goddelijke gerechtigheid voldoening, maar ook aan den naaste alle schuldige vergoeding te geven. Zoo sprak Zacheus: (Luc. 19, 8.) nJEcce dimidium honorum meorum, Domine, do pauperibus, zie, de helft mijner goederen, Heere, geef ik den armen; et si quid aliquem de-fraudavi, en zoo ik iemand iets heb te kort gedaan, reddo quadrwplum, geef ik het vierdubbel weder.quot; Ziet, hoe deze boeteling zijne hardheid jegens de armen door rijke aalmoezen en zijne ongerechtigheid door een vierdubbele vergoeding bereid was weder goed te maken. Een ander voorbeeld, om onder duizenden slecht éen aan te halen, hebt ge in de boetelinge Thais in Egypte. Zij had, door haar eigen moeder tot allerlei slechtheid verleid, vele jaren een zeer lichtzinnig leven gevoerd en als een openbare boeleerster groote ergernissen gegeven. Door een vromen kluizenaar Papbnutius tot inkeer gebracht, besloot zij, haar zondig leven vaarwel te zeggen

-ocr page 28-

OVER HET VOOENEMEN.

en boete te doen. En wat boete deed zij ? Zij liet alles, wat zij door haar schandelijk leven had verworven, op een openbare plaats brengen en op een daar opgerich-ten brandstapel werpen ; toen dit had plaats gevonden, verscheen zij zelve, in een boetekleed, haar hoofd met asch bestrooid met een koord om den hals, bad de lieden, die zich in een groote menigte hadden bijeen verzameld, onder een luid snikken en een stroom van tranen wegens de gegeven ergernissen om vergeving, en stak hierop den brandstapel met eigene handen in brand, zoodat alle sieraden en kostbaarheden in de vlammen opgingen. Vervolgens begaf zij zich in een zeer enge cel en liet de deur toemetselen, om zich van allen omgang met de wereld af te sluiten ; een weinig brood en water, wat men haar dagelijks bracht, was haar voedsel; de koude bodem der cel haar bed, waarop zij zich slechts weinige oogenblikken rust gunde. Zij waagde het niet, naar den hemel op te zien en den naam van God uit te spreken ; met steeds ter aarde neergeslagen oogen en liggende op haar knieën, herhaalde zij voortdurend het gebed : »Gij, die mij hebt geschapen, ontferm U m:jner!quot; Zoo deed Thais boete tot aan haren dood, die haar na drie jaren met de H. Boetelingen in den hemel vereenigde.

Ziet, Aand., zoo wischten de ware boetvaardigen hunne misdaden uit; niet alleen dat zij zich beterden, maar zij onderwierpen zich aan de strengste boetplegingen en waren er ijverigst op uit, voldoening en alle schuldige vergoeding te geven. Deze boeteijver moet ook u vervullen ; ge moet ernstig besloten wezen, het onrecht, Gode en den menschen door uwe zonden aangedaan naar krachten weder goed te maken. Hebt gij derhalve bijv. iemand belasterd, dan moet gij uwen laster openlijk herroepen ; hebt gij een onrechtvaardig goed u toegeeigend, dan moet gij dit goed teruggeven; hebt gij uwen naaste naar lichaam of eigendom op een ongeoorloofde wijze nadeel

24

-ocr page 29-

OVER HET VOORNEMEN.

toegebracht, dan moet gij dat nadeel herstellen ; hebt gij door ergernis of verleiding oorzaak gesteld, dat anderen zondigden, dan moet gij u alle moeite geven, ze op den weg van boete te brengen. Wilt gij hiertoe niet besluiten dan baten de beste voornemens u niets; ja, het zou u niets helpen, indien gij uwe voornemens werkelijk uit-voerdet en de bedreven zonden zorgvuldig vermedet. God zou u geen kwijtschending verleenen, omdat gij niet bereid waart, het nadeel, dat gij met uw zonden hebt aangericht, te herstellen.

Geeft nu, Aand., wel acht op datgene wat ik u over het voornemen gezegd heb en beproeft u bij elke Biecht of uw voornemen wel zoo gesteld is, dat gij vergiffenis uwer zonden moogt hopen. Stelt u toch niet tevreden, enkel met den mond een voornemen te verwekken; zijt veeleer ernstig besloten, uw leven in alles, waarin gij tot dusverre tekort schoot, te verbeteren en liever have en goed en zelfs het leven te verliezen, dan God nog eenmaal met een doodzonde te beleedigen. Liever sterven dan zondigen, dit vaste besluit moet u bij elke Biecht bezielen. Hebt tevens den ernstigen wil, de naaste gelegenheid tot zonde te vermijden, de noodzakelijke middelen tot beterschap aan te wenden, voldoening en alle verschuldigde schadevergoeding te geven. Zou ook al de uitvoering van dit voornemen u hard toeschijnen en vleesch en bloed zich laten gelden, wilt u daarom niet afschrikken. Een van tweën ; ge moet of liet voornemen uitvoeren en een ware boeteling worden, of in de zonde en de ongenade Gods blij ven en eeuwig ten gronde gaan; — slechts tusschen dit beide hebt gij te kiezen. Of wel gij besluit ernstig aan de zonde vaarwel te zeggen, dan wel gij gaat ten gronde; of wel gij besluit ernstig, de naaste gelegenheid tot zonde te mijden, de verkeering af te breken, dit huis niet meer te betreden, dat gezelschap, dat spel, dien omgang te vluchten, dan wel gij gaat ten gronde; of

25

-ocr page 30-

OVER HET VOORNEMEN.

wel gij besluit ernstig, die middelen, welke de biechtvader ter verbetering u voorschrijft, aan te wenden en aan zijne terechtwijzing gehoor te geven, dan wel gij gaat ten gronde; of wel gij besluit, waardige vruchten van boetvaardigheid te brengen, uw laster te herroepen, uw ononrechtvaardig goed terug te geven, het aangerichte nadeel te vergoeden, de gegeven ergernis naar vermogen te herstellen, dan wel gij gaat ten gronde. Ik zeg u nog eens: alleen tusschen dit beide hebt gij te kiezen. O kiest toch datgene, wat u tot heil verstrekt; rukt u los van de banden der zonde, bekeert u uit geheel uw hart tot God en bewandelt de wegen van boetvaardigheid, opdat aan u het woord des Evangelies in vervulling ga: (Luc. 15,7.) «Er zal in den hemel meer blijdschap zijn over eenen zondaar, die boetvaardigheid doet, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geen boetvaardigheid van noode hebben.quot;

| 5.

Over de belijdenis der zonden.

Over de drie eerste stukken van het Sacrament der Biecht, namelijk over het onderzoek des gewetens, over het berouw en het voornemen heb ik bereids de nood:ge verklaring gegeven ; ik ben thans tot het vierde stuk, dat het biechten of de belijdenis der sonden betreft, genaderd. Ik behoef nauw op te merken, dat het woord Biecht dikwijls voor het Sacrament der Biecht in het algemeen wordt genomen. Wanneer men bijv. zegt: ik ga te Biecht of ik biecht, dan beteekent dit zooveel als ik ontvang het Sacr. der Biecht. Wanneer men verder

26

-ocr page 31-

OVER DE BELIJDENIS DER ZONDEN.

zegt: biecht dikwijls; ziet toe, dat gij niet ongeldig biecht, dan beduidt dit weder: ontvangt dikwerf het Sacr. der Biecht ; ziet wel toe, dat gij het Sacr. der Biecht niet onwaardig ontvangt.

In dezen uitgebreideren zin neem ik thans het woord Biecht niet; ik spreek van de Biecht in een engeren zin, in zoover zij een tot het Sacr. der Biecht noodzakelijk stuk is. In dien zin is de Biecht de rouwmoedige belijdenis der bedreven zonden aan den Priester, om van hem de vrijspraak te ertanyen. Wij moeten namelijk, zooals ik reeds in de eerste onderrichting over het Sacr. der Biecht uitvoerig heb aangetoond, aan den Priester onze zonden openbaren, indien wij van hem de vrijspraak willen erlangen. Zoo was het ook, zoolang de Kerk staat ■; steeds deelden de Priesters slechts aan die zondaren, die hunne zonden oprecht en rouwmoedig beleden, de vrijspraak mede. — Over de biecht of de belijdenis der zonden als het vierde tot het Sacrament der Biecht noodzakelijke stuk dient het volgende :

I. Wat moet men biechten?

Men moet minstens alle doodzonden in haar soort, getal en de noodzakelijkste omstandigheden biechten.

1) Voor alles is noodzakelijk, dat gij alle zivare zonden, zij mogen in gedachten, woorden werken of door verzuimenis geschieden, nauwkeurig-biecht. Dit vordert het Conc. v. Trente uitdrukkelijk en spreekt den ban uit tegen degenen, die beweren, »dat in het Sacr. der Biecht tot vergeving der zonden volgens goddelijke verordening niet noodzakelijk is, alle en eigelijke doodzonden, die men zich na een behoorlijk en vlijtig onderzoek herinnert, te biechten.quot; (Zitt. 14. Gan. 7.) Wie alzoo uit wat oorzaak ook, bijv. uit vrees of schaamte een doodzonde opzettelijk verzwijgt, die ontvangt het H. Sacr.

27

-ocr page 32-

OVER DE BELIJDENIS

der Biecht ongeldig en laadt een heiligschennis op zijn geweten. Hier moet ik u bijzonder op de zonden in qe-dachten opmerkzaam maken. »De gedachten,quot; zegt een spreekwoord, «zijn tolvrij.quot; Dit spreekwoord is wel geldend voor den mensch. maar niet bij God. Men kan zich ook met gedachten bezondigen en zelfs zwaar bezondigen. Wanneer gij iets kwaads denkt wat in de werken een doodzonde is, bijv. iets onkuisch, en indien gij de gedachte niet afweert, maar er u vrijwillig mede ophoudt, u over het kwaad verhengt, of zelfs het verlangen koestert, ingeval het u mogelijk ware, het werkelijk te doen, dan is dit een doodzonde in gedachten of begeerten. Zoodanige gedachten en begeerten moeten daarom noodzakelijk beleden worden, of de Biecht is ongeldig. Onderzoekt u derhalve, Aand., vlijtig over alle zondige gedachten en begeerten, voornamelijk over de onkuische, afgunstige, vijandige en hoovaardige gedachten, onderzoekt vervolgens of en hoe gij er in hebt toegestemd, en klaagt u, indien gij ze als zondig erkent, in de Biecht daarover aan, opdat niet het ongeluk u overkome, een ongeldige Biecht af te leggen.

Zooals het Conc, v. Trente leert, zijn onder de zware zonden, die noodzakelijk moeten beleden worden, alleen die te verstaan, welke men zich na een behoorlijk en vlijtig onderzoek herinnert; de overige, die men zich bij een vlijtig nadenken niet herinnert, worden in \'t algemeen in dezelfde Biecht mede ingesloten. (Zitt. 14. Hoofdst. 5.) Mocht het derhalve gebeuren, dat gij, ondanks een vlijtig gewetens-onderzoek evenwel de een of ander zware zonde niet gedenkt, of dat gij die in de Biecht vergeet, dan doet dit niets ter zake ; de Biecht wordt daardoor niet ongeldig; de niet erkende of vergeten zoude wordt als in de Biecht mede ingesloten beschouwd en u tegelijk met de gebiechte zonden vergeven. Echter hebt gij, zooals ik reeds eenmaal heb opgemerkt, de verplichting,

28

-ocr page 33-

DER ZONDEN.

deze zonde, indien ze u later invalt, in de eerst volgende Biecht te openbaren. Slechts hiervoor moet gij u zorgvuldig in acht nemen, dat gij nimmer opzettelijk een zware zonde verzwijgt, omdat in dit geval de Biecht altijd ongeldig en een heiligschennis zou wezen.

2) Wijl geen zware zonde opzettelijk mag verzwegen worden daarom volgt vanzelf, dat gij ook het petoJ der doodzonden aangeven, d.i. zeggen moet, hoe dikwerf gij dezelfde zware zonde hebt bedreven. Het is toch niet onverschillig, of gij een zonde eenmaal, vijf of tienmaal, dan wel nog dikwijler begaan hebt. Indien gij een zonde, bijv. van diefstal tienmaal begaan hebt, is dit juist zooveel als of gij tien verschillende zonden hebt bedreven. Zou derhalve iemand, om de absolutie te gemakkelijker te ontvangen, een geringer getal, dan werkelijk het geval is, aangeven en bijv. zeggen : ik heb mij aan hevige gramschap tweemaal schuldig gemaakt, daar hij toch weet, dat dit viermaal is gebeurd, dan is zijn Biecht ongeldig en wel om de eenvoudige reden, wijl hij twee zware zonden willens en wetens verzwijgt. Kunt gij het getal uwer zonden niet nauwkeurig aangeven dan moet gij ze minstens zoo goed mogelijk bepalen of zeggen, hoe dikwijls gij de zonde in de maand, in de week enz. hebt bedreven. Om zeker te gaan, raad ik u aan, dat gij eerder een te groot dan te klein getal aangeeft.

3) Behalve het getal der zonden moet gij ook de noodzakelijke omstandigheden ervan biechten. Onder een omstandigheid der zonde verstaat men datgene, wat niet noodzakelijk, maar slechts toevallig met de zonde is verbonden. Iemand bijv. ontvreemdt tien gulden aan een arme of in de kerk j dit is de zonde van diefstal met bijzondere omstandigheden. Er zijn drieërlei omstandigheden van zonden, die bij de belijdenis in de Biecht in aanmerking komen : 1. zoodanig\'e, die het soort van zonde veranderen ; 2. zoodanige, die van een dagelijksche zonde een

29

-ocr page 34-

OVER DE BELIJDENIS

doodzonde maken ; 3. zoodanige omstandigheden, die een doodzonde verzwaren.

De omstandigheden, die het soort van zonden veranderen, zijn die, welke maken, dat een zonde eene geheel andere wordt, of dat de zonde een geheel anderen naam krijgt. Indien men bijv. aan iemand iets heimelijk ontvreemdt, dan is dit een diefstal; indien men echter iemand iets met geweld ontneemt, dan is dit een roof. Ontvreemdt men iets op een h. plaats, bijv. in de kerk of een h. zaak, bijv. een Miskelk, dan is dit een heiligschennis. Begaat een vrij persoon ontucht met een ander vrije persoon van beiderlei geslacht, dan is dit enkel hoererij ; begaat echter een vrijgezel ontucht met een gehuwde, dan is dit echtbreuk ; begaat iemand ontucht met een bloedverwant, dan is het bloedschande. Dit zijn omstandigheden, die het soort van zonde veranderen. Al deze omstandigheden nu, die het soort van zonde veranderen, moeten in de Biecht nauwkeurig worden uitgedrukt, zooals het Conc. v. Trente dit met duidelijke woorden gelast. Wie zoo eene het soort van zonde veranderde omstandigheid willens en wetens verzwijgt, bijv. uit schaamte, vrees, diens Biecht is ongeldig en heihg-schennend. Geeft hierop wel acht en laat nimmer een omstandigheid, die het soort van zonde verandert, achterwege.

Nog zijn er omstandigheden, die van een dac/elijlcsche zonde een doodzonde maken. Zoo bijv. is een ietwat lichtzinnige en dubbelzinnige taal op zich zelf een dagelijk-sche zonde ; geeft men echter met zoo\'n taal een groote ergenis, dan is dit een omstandigheid, die van de dage-lijksche zonde een doodzonde maakt. Beschadigt gij een boompje, dat slechts eene waarde heeft van eenige stuivers dan is dit een dagelijksche zonde; brengt ge echter daardoor den eigenaar in een hevigen toorn, zoodat hij zwaar vloekt, dan is dit weder een omstandigheid, waardoor

30

-ocr page 35-

DER ZONDEN.

de dagelijksche zonde een doodzonde wordt. Deze omstandigheden nu, die van een dagelijksche zonde een doodzonde maken, moeten evenzoo in de Biecht worden aangegeven. De grond hiertoe ligt voor de hand; men is immers verplicht, alle doodzonden te biechten ; wijl nu de dagelijksche zonde om de met haar verbondene omstandigheid een doodzonde is geworden daarom moet men er zich over aanklagen.

Eindelijk, er zijn omstandigheden, die wel is waar het soort der zonde niet veranderen, maar toch de zonde ver-zioaren. Wanneer men bijv. aan een arme iets ontvreemdt, in tegenwoordigheid van onschuldige personen of kinderen een lichtzinnige taal voert, in de kerk onkuische gedachten en begeerten toelaat, zijn eigen ouders of weldoeners beschimpt, dan zijn dit omstandigheden, die de zonde verzwaren. Wat nu deze omstandigheden aanbelangt, zoo beveelt het Conc. v. Trente wel niet, ze in de Biecht aan-te geven, evenwel is dit toch zooveel mogelijk aan te raden. De eerste grond daartoe is, wijl vele biechtelingen niet nauwkeurig weten, welke omstandigheden de zonde slechts verzwaren of ook haar soort veranderen. Ware nu de omstandigheid een zoodanige, die het soort van zonde veranderde en men gaf ze niet aan, dan stelde men zich aan het gevaar bloot een ongeldige Biecht te doen. De tweede grond is, wijl de biechtvader door een nauwkeurig aangeven van zoodanige de zonde bezwarende omstandigheden in staat wordt gesteld, den gewetenstoestand des biechtkinds des te beter te beoordeelen en hem de geschikte middelen, om het voor het hervallen te bewaren, voor te schrijven. Merkt ge alzoo bij uw gewetensonderzoek omstandigheden op, die uw zonden aanmerkelijk bezwaren, staat er dan bij stil en maakt er melding van in de Biecht. De nauwkeurigheid in het aangeven der omstandigheden behoedt u voor een onvolledige Biecht en maakt, dat gij later te geruster kunt wezen.

31

-ocr page 36-

32 OVER DE BELIJDENIS

Bij het aangeven der omstandigheden moogt ge evenwel niemand hij den naam noemen en geen onnoodige geschiedenissen verhalen, ook moet gij u zoo welvoegelijlc uitdrukken, als de geaardheid der zonde het veroorlooft.

De naam en voornamen der bij de zonde betrokken personen behooren volstrekt niet in den biechtstoel te huis; de biechtvader mag naar die namen niet vragen, en gij zelf moogt die niet aangeven. De reden hiervan is, wijl in den biechtstoel evenzoomin als op elk andere plaats de eer des naasten op een onnoodige wijze mag gekwetst worden. De biechtvader moet wel is waar van den staat, het geslacht, de hoedanigheid en de overige verhouding des persoons met of tegen wien gij gezondigd hebt, kennis dragen, om het soort en de grootheid der zonde te vernemen; maar hoe die persoon heet, behoeft hij niet te weten en dat wil hij ook niet. Indien hij u derhalve vraagt : met wien hebt gij gezondigd ? dan heeft deze vraag niet den zin, hoe die persoon heet, maar wat die is, of hij vrij of gehuwd, met u al ot niet is verwant, kind of dienstbode en dergelijke meer. In dezen zin moet ge alzoo de vraag ook beantwoorden. De benamingen van

vader, moeder, man, vrouw, zoon, dochter, broeder, zuster, (

dienstmaagd, dienstknecht enz. kunnen en moeten evenwel (

soms in de Biecht worden aangegeven, omdat dit tot aandui- ]

ding van het soort van zonde en dikwijls ook om andere ]

oorzaken noodzakelijk is. 5

Bij het aangeven der omstandigheden moet men al het ]

overdadige achterwege laten en zich zoo welvoegelijk mo- 1

gelijk uitdrukken. Het is niet noodig, dat ge de geheele g

geschiedenis, hoe de zonde zich heeft toegedragen, om- v

slachtig verhaalt, maar het is genoeg, dat gij den naam I

der zonde en datgene, wat de zonde bijzonder verzwaart, z

aangeeft. o

4) Wat ik tot nu toe gezegd heb over de Biecht, heeft n alleen betrekking op de zware zonden. Over de dagelijksche

-ocr page 37-

DER ZONDEN.

33

zonden leert de Kerk, dat het wel goed, maar niet noodzakelijk is, ze tot een voorwerp van aanklacht in de Biecht te maken. Wie zich derhalve over de dagelijksche zonden niet aanklaagt, diens Biecht is, indien zij anders geen gebreken heeft, geldig. Wij hebben evenwel gewichtige gronden, dat wij ook de dagelijksche zonden biechten. Vooreerst weten wij niet steeds zeker of datgene, wat wij voor een dagelijksche zonde houden, werkelijk enkel een dagelijksche zonde is; het zou ook een doodzonde kunnen wezen. In dit geval loopt gij gevaar, een ongeldige Biecht te doen, indien gij u over die zonde niet aanklaagt. Zijt ge in twijfel, of iets een dagelijksche zonde of een doodzonde is, dan hebt ge wel niet den strengen plicht, deze zonde te biechten, maar in zoo\'n gewichtige zaak, als het ontvangen van een Sacrament, is het toch zeer raadzaam het zekerste deel te kiezen. Ten tweede is het eveneens heilzaam, de dagelijksche zonden rouwmoedig te biechten; want omdat zij door de sacramenteele absolutie worden vergeven, daarom valt een deel der tijdelijke straffen, die wij of op aarde door boetewerken of wel in het vagevuur door lijden moeten uitwisschen, weg. Op dezen grond plachten vrome en heilige personen, ook de kleinste fouten en onvolmaaktheden te biechten. De H. Car. Borr., de H. Franc. v. Sales, de H. Aloys. de H. Ther. en vele honderden andere Heiligen biechtten zeer vaak, dikwijls alle dagen, ofschoon zij hun geheele leven door geen zware, ja niet eens een vrijwillige dagelijksche zonde hadden bedreven. Zij biechtten alzoo slechts geheel onbeduidende fouten, dingen, die wij nauwelijks voor eene onvolmaaktheid zouden houden. Wat nu de Heiligen gedaan hebben, wat de Kerk voor goed en heil-zaamt verklaart, dat behoort ook gij te doen; biecht daarom ook de dagelijksche zonden, voor zoover gij ze u herinnert, nauwkeurig en rouwmoedig.

3

-ocr page 38-

34 OVER DE BELIJDENIS

5) Ten slotte moet ik nog iets over de twijfelachtige zonden opmerken, opdat ge weet hoe daarmede te handelen. Er kan namelijk een twijfel ontstaan of men een zonde, die groot is, werkelijk begaan heeft of niet, vervolgens of datgene, wat men gedaan heeft, een doodzonde dan wel een dagelijksche zonde is, eindelijk of men een doodzonde wel heeft beleden. In de twee eerste gevallen is het raadzaam, in het laatste geval noodzakelijk, dat men zijnen twijfel in de Biecht openbare en bijgevolg de twijfelachtige zonde biechte; want is men niet zéker of de bedreven doodzonde al of niet is beleden, dan dnurt de verplichting nog voort die te biechten, en in de beide eerste gevallen kieze men den zekersten weg, die zeer is aan te raden, ten einde zich niet aan het gevaar bloot te stellen een ongeldige en heiligschennende Biecht te doen. Evenwel moeten angstige en scrupuleuze Christenen in de Biecht niet steeds weder hun oude twijfe

lingen en bezwaren voor den dag brengen, maar zich ]

volkomen tevreden stellen, wanneer de biechtvader hun |

het zwijgen oplegt. i

Ge weet nu, Aand., wat gij moet biechten. Ge moet ^

biechten alle doodzonden, elk soort, het getal en de a

omstandigheden, die het soort van zonde veranderen, of I

van een dagelijksche zonde een doodzonde maken en over v

het algemeen alles, waardoor de biechtvader in staat h

wordt gesteld, uw gewetenstoestand behoorlijk te beoor- J

deelen en u voor het hervallen te bewaren. Twijfelt gij o

of iets, wat gij gedaan hebt, een dagelijksche of een dood- ef

zonde is, of gij een of ander, wat een doodzonde is, be- zt

gaan hebt, legt dan veiligheishalve uw twijfel bloot, en al

eindelijk of gij een bedreven doodzonde wel ooit gebiecht sj

hebt, dan zijt gij verplicht dien twijfel nog in de Biecht ds

te openbaren. Goed en heilzaam is het ook, dat gij, zoo- le:

veel u mogelijk is, de dagelijksche zonden biecht. zo

-ocr page 39-

DER ZONDEN.

II. Hoe moet men biechten ?

Wij moeten biechten ; ootmoedig, oprecht en duidelijk; want dit zijn de drie voornaamste eigenschappen van een goede Biecht.

1) Wijl aan elke zonde de hoovaardij min of meer tot grondslag ligt, daarom moet de boetvaardigheid en de bekeering met den ootmoed begonnen worden. Treedt gij derhalve den biechtstoel in, om de vergiffenis uwer zonden te erlangen, dan moet een diepe ootmoed uw hart vervullen, en deze inwendige ootmoed moet zich ook uiterlijk in woord en daad openbaren. Zijt ge van een voornamen of geringen stand, rijk of arm, geleerd of ongeletterd, een vorst of bedelaar, toch moet gij u uit geheel uw hart verootmoedigen; want wie gij ook zijn moogt op de wereld, in den biechtstoel zijt gij niets anders dan een arme zondaar. Dit begreep Lodewijk IX, koning van Frankrijk, die alle Vrijdagen biechtte. Uit vrees, dat de biechtvader al te veel op zijn koninklijke waardigheid mocht acht geven, placht hij vaak te zeggen: «Mijn vader! ik bid u, zie niet op mijn waardigheid, maar alleen op mijne zonden.quot; Deze verootmoediging bij de Biecht is zoo noodzakelijk, dat wij zonder haar geen vergiffenis onzer zonden hebben te verwachten. Een bewijs hiertoe vinden wij in de parabel van den Parizeer en den Tollenaar. Beiden, de Parizeer en de Tollenaar gingen opwaarts naar den tempel; beiden legden, wel niet voor een Priester, maar toch voor God hunne biecht af. » God,quot; zoo biechtte de Parizeer, »ik dank U, dat ik niet ben als de andere menschen, roovers, onrechtvaardigen, over-spelers, of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week; ik geef tienden van al wat ik bezit.quot; De Tollenaar biechtte ook ; doch hij roemde niet op zijn deugden, zoools de Parizeer, maar sloeg vol ootmoed op zijn borst

35

-ocr page 40-

OVER DE BELIJDENIS

en zeide;»God, zij mij zondaar genadig !quot; (Lue. 18,10—13.) Wat was nu het gevolg voor deze biechtenden ? De Tollenaar vond wegens zijne verootmoediging genade, de hoogmoedige Farizeer echter ging ongerechtvaardigd uit den tempel weg. Zietdaar, Aand., hoe noodzakelijk bij de Biecht de ootmoed is. Alleen dan, als gij u van harte verootmoedigt, moogt ge hopen, dat gij kwijtschelding uwer zonden erlangt: (I Pet. 5, 5.) gt; Deus superbis resistit, God wederstaat de hoovaardigen, humïlibus autem dat f/raliam, maar den nederigen geeft Hij genade.quot;

Indien nu de ootmoed tot een goede Biecht volstrekt noodzakelijk is, hoezeer staat dan te vreezen, dat uit gebrek aan dit vereichte vele Christenen slecht biechten ? Hoe lichtzinnig, hoe ijdel en verwaand, hoe aanmatigend is de houding van zoo menig biechteling ! Zij toch bevinden zich voor den biechtstoel met een opschik en pronk, waaruit niet anders dan behaagzucht, ijdelheid en hoovaar-dij doorstraalt. Zij tooh nemen een houding, tred, voorkomen en gebaren aan, die eerder alles dan eene boetvaardige Magdalena verraden. Zij toch nemen den schijn aan, als bewezen zij God ik weet niet welken dienst, dat zij zich eens weder voor den biechtstoel laten zien. Men ziet het hun duidelijk aan, dat zij zich schamen, in de rij van den minderen man zich te bevinden en evenals deze te moeten biechten. En wat grove misslagen worden er in de Biecht zelf tegen den ootmoed niet begaan ! Menigeen Biecht niet zoozeer zijn zonden als wel zijn vermeende deugden en goede werken. »Ik heb wel niet veel kwaad gedaan,quot; zegt hij ! »ik ben een goed Christen. Ik bid ga a^e Zondagen naar de Mis, geef aalmoezen aan de armen, ben redelijk en eerlijk in den handel; overigens is niets mij meer bewust. Ik bid u Eerwaarde om de poenitentie en de absolutie.quot; Biechten zoodanigen niet in eigen persoon, zooals de Farizeer in den tempel gebiecht heeft ? Maar wat moet dit voor een Biecht we-

36

-ocr page 41-

DER ZONDEN.

37

zen ? Moet de Priester u wellicht van uwe deugden en goede werken absolveeren ? Neen, maar wel van uw zonden. De zonden derhalve hehooren in den biechtstoel te huis, niet de goede werken. Wil de Priester deze weten, dan zal hij er zelf wel naar vragen. — Zoudt ge sedert uw laatste Biecht u werkelijk geen zonde bewust zijn, gaat dan slechts in uw gedachten een weinig terug en biecht rouwmoedig een zonde uit uw vroeger leven. — Menigeen biecht wel zijn zonden, doch bij elke zonde komt een indien en een maar achter aan. Dit en dat, zeggen zij, heb ik bedreven; maar de nood heeit er mij toe gedrongen. Ik heb deze of gene zonde begaan, maar men moest wel een Engel wezen, indien men anders wilde handelen. Dergelijke verontschuldigingen toonen duidelijk aan, dat er geen ootmoed aanwezig is, want de ootmoedige kent geen indiens en geen maars ; hij klaagt zich eerder te zwaar dan te licht aan. Menigeen biecht en men moet het hun tot hunne eer nageven, zeer nauwkeurig ; maar zij gaan mank aan het euvel, dat zij niet hunne zonden, maar de zonden van anderen biechten. De Priester kan van hen, zonder dat hij het wil, alle zonden des huizes en der gemeente gewaar worden; want zij verhalen in het breede, hoe kwalijk de man, de kinderen, de dienstboden, de geburen zich gedragen eu hoe zij alles van hen hebben te verduren. Welk een dwaasheid! Uwe zonden moet gij biechten, die van anderen gaan u in den biechtstoel niets aan. Willen anderen van hun zonden ontslagen worden, dan moeten zij zelf zich daarover aanklagen ; gij kunt hun plaats niet innemen. Alleen dan, als anderen u willen verleiden of u gelegenheid tot zonde geven, of indien zij met u dermate in betrekking staan, dat uw zonde verzwaard of het soort ervan wordt veranderd, dan moet gij, in zoover dit tot de volledigheid der Biecht noodzakelijk is, van hen melding maken. Moet de biechtvader nog iets naders weten, om de grootheid of

-ocr page 42-

OYER DB BELIJDENIS

het soort irwer zonden te kennen, of u de behoorlijke middelen tot verbetering voor te schrijven, dan vraagt hij zelf er wel na; uwe zaak is het dan, dat gij daarop nauwgezet antwoordt. Een ieder neme zich derhalve in acht, de 7onde van anderen tot zijn eigen rechtvaardiging in de Biecht te openbaren ; want dit ware een hoovaar-dige en daarom een laakbare Biecht. — Eindelijk toonen eenigen zich in de Biecht zeer hoovaardig en gevoelig; zij nemen de best gemeende vermaningen des biechtvaders euvel op, zij gevoelen zich wegens erlangde terechtwijzingen beleedigd, spreken den biechtvader tegen en willen zich tot datgene, wat hij hun voorschrijft, niet laten vinden. — Meestal zit er hoogmoed in het hart en van zoodanig biechten laat, om het minste te zeggen, niets goeds zich verwachten. Verootmoedigt u alzoo, Aand., zoo vaak gij te biechten gaat, uit geheel uw hart; ziet u aan voor datgene, wat gij werkelijk zijt, arme zondaars, en onderwerpt u aan de terechtwijzingen en de oordeelen uwer biechtvaders als de piaatsbekleeders van Christus, opdat gij bij God vergeving uwer zonden en genade moogt erlangen.

2) Met den ootmoed moet de oprechtheid gepaard gaan. Bevindt gij u voor den Priester in den biechtstoel, stelt u dan voor, dat gij neerknielt voor Jesus Christus, uwen Verlosser en Rechter. Dit is geen ijdele voorstelling, maar waarheid. De goddelijke Zaligmaker toch heeft den Priesters het verzoenings- en rechterambt opgedragen ; hetgeen zij binden of ontbinden, dat is ook in den hemel gebonden of ontbonden. Elk bedrog, elke huichelarij, elke onoprechtheid, die een Christen in den biechtstoel zich veroorlooft, treft eigenlijk niet den Priester, maar Jesus Christus, den alwetenden en waarachtigen Godmensch zeiven, die niets meer verafschuwt dan valschheid en leugen. Zoo vandaar ergens onoprechtheid en bedrog niet op de rechte plaats zijn, dan is dit vooral in den biecht-

38

-ocr page 43-

DER ZONDEN.

39

stoel het geval. Ge moogt derhalve in de Biecht geen doodzonde, hoe groot en schandelijk die ook zijn moge, opzettelijk verzwijgen ; zoudt gij dit doen, dan ware uwe Biecht ongeldig en heiligschennend. Ge moogt verder het getal der zware zonden niet willens en wetens verkleinen met het doel om voor den biechtvader niet zoo strafbaar te schijnen als gij werkelijk zijt, of de vrijspraak te gemakkelijker te verkrijgen. Zoudt gij dit doen, dan ware uwe Biecht nogmaals ongeldig en heiligschennend. Ook moogt ge geen omstandigheid, die het soort van zonde verandert of van een dagelijksche zonde een doodzonde maakt, voorbedachtelijk verzwijgen; zoudt gij dit doen, dan ware uwe Biecht weder ongeldig en heiligschennend. Ge moogt eindelijk een doodzonde niet op die wijze bewimpelen en verschoonen, dat zij hare ware gedaante verliest en alleen maar als een kleine fout voorkomt ; zoudt gij dit doen, dan ware uwe Biecht evenzeer ongeldig en heiligschennend. Er worden, helaas ! uit gebrek aan oprechtheid vele ongeldige en heiligschen-nende Biechten afgelegd. Zoo biecht iemand en brengt alles, wat hij misdaan heeft, uitvoerig aan den dag; maar juist die zonde, die de schandelijkste van alle is, verzwijgt hij ; ofschoon deze zonde als een zware steen op zijn geweten ligt, kan hij het toch van zich niet verkrijgen, ze te openbaren. Zoo zegt een ander : ik heb kwade gedachten gekoesterd; en ziet ! deze slechte gedachten waren afschuwelijke zonden tegen de zuiverheid die in werken zijn bedreven. Een derde zegt: ik heb eenige malen iets te veel gedronken; maar dat had niet veel te beteekenen. In de werkelijkheid is het echter anders ; deze kleine onmatigheden waren volslagene dron-kenschappen, die dikwerf ook twist en tweedracht, allerlei schandelijke taal en het verwaarloozen der christelijke plichten en die des beroeps ten gevolge hadden. Op een dergelijke wijze verzwijgen, bemantelen en verkleinen

-ocr page 44-

OVER DE BELIJDENIS

vele biechtelingen hunne zonden en laden, doordien zij bet werk Gods bedriegelijk verrichten, den vloek op zich. Die rampzaligen ! zij begeven zich in de valstrikken des duivels die alles doet, om in den biechtstoel de oprechte belijdenis weg te nemen. Indien men er aan toe is, de zonde te bedrijven, dan stelt hij den menschen de zonde als iets aantrekkelijks en aanlokkelijks voor ; wanneer zij echter de zonde zullen biechten, dan verwisselt hij de rollen; hij toont hun het gepleegde kwaad in zulk een afschuwelijke gedaante, dat zij zich schamen en vreezen, zich daarover aan te klagen. Indien gij hebt gezondigd, kunt ge door een rouwmoedige Biecht vergiffenis verkrijgen, maar wat kan u redden, indien gij in de Biecht niet oprecht zijt en uwe zonden bewimpelt of verzwijgt? Gelijkt gij niet eenen mensch, die gelukkig aan een alles verslindenden zeestorm is ontkomen, maar aan den oever in een modderpoel zijn dood vindtquot;! — De H. Bernardinus verhaalt van een dienaar Gods, dat bij eens den duivel in de Kerk zag en hoe bij druk bezig was onder de aanwezigen een ieder iets in te fluisteren. De dienaar Gods ondervraagde hem, wat hij hier deed. De duivel antwoordde : »Ik geef terug, wat ik heb gestolen.quot; »Wat is dat ?quot; vroeg gene. » De schaamachtigheid,quot; hernam de duivel; »want deze ontnam ik die personen ten tijde, dat zij zondigden, om ze daarin te eerder te verwikkelen ; maar nu, terwijl ze willen biechten, geef ik hun die terug, opdat zij vreezen hunne zonden te belijden.quot;

O Aand., laat u door den duivel den mond niet sluiten. Al is het ook dat gij de hatelijkste en zwaarste zonde hebt bedreven, schaamt u niet en vreest niet, ze te biechten ; want dit is het eenige middet, dat voor u de kwijtschelding bewerkt en uwe ziel redt. Bidt zooveel gij wilt, onderwerpt u aan alle gestrengheden van boetvaardigheid, deelt uw algeheel vermogen onder de armen

40

-ocr page 45-

DEB ZONDEN. 41

uit, beoefent alle deugden der Heiligen; wat zal dit alles u baten ? Niets; — zoolang gij een doodzonde niet, of slechts bewimpeld en gedeeltelijk openbaart, blijft gij in staat van ongenade, al uw biechten en communi • ceeren is heiligschennend, en sterft gij zonder een rouw -moedige en oprechte Biecht, dan is voor u de eeuwige verdoemenis zeker. Ik kan niet nalaten hier een voorval, waarvan ik de waarheid op zijn plaats laat, maar dat toch heel geschikt is, u van het verzwijgen eener zonde in de biecht af te schrikken, aan te halen. Een achttien tot twintigjarige jonge dochter verzweeg, gelijk de H. Antonius verhaalt, in de Biecht uit valsche schaamte een zonde van onkuischheid, die zij van een verleidelijke speelgenoot geleerd had. Haar geweten deed haar hierover zoovele verwijtingen, zoodat zij den dag in onrust en den nacht slapeloos doorbracht; en evenwel kon zij er niet toe besluiten deze zonde te biechten. Zij ging in een klooster om haar geweten tot rust te brengen en hoopte, door strenge boete-oefen:ngen zich van den plicht, hare zonden te moeten biechten, los te kunnen koopen. Toen het eenmaal tot sterven kwam, stelde de verzwegen zonde levendiger dan ooit zich aan haren geest voor. Het steeds meer en meer ontwakende geweten folterde haar op de verschrikkelijkste wijze en drong haar tot het openbaren dezer zonde in den rechterstoel van boetvaardigheid. De genade Gods deed als het ware nog de laatste pogingen de zondares te redden. Maar zelfs in het aanschijn des doods zegevierde de rampzalige schaamachtigheid; zij zweeg en stierf in dien toestand. — Zoo waar is het, dat men sterft zooals men leeft en dat, indien men de H. Sacramenten in zijn leven heiligschennend ontvangt, men ze gewoonlijk ook bij zij n dood ontheiligt en schandvlekt. — Deze beweenenswaardige huichelares stierf, werd met eere begraven en de geheele communiteit treurde over haar verlies. Maar wat gebeurde? Drie da-

-ocr page 46-

42 OVER DE BELIJDENIS

gen na haren dood verscheen zij in een ontzetteuden toestand aan een harer vriendinnen en sprak tot haar: » Doet verder geen gebed meer voor mij; want ik ben om een zonde van onzuiverheid, die ik met mij zelve heb bedreven, voor eeuwig verloren. Ik had licht kwijtschelding dezer zonde kunnen bekomen, indien ik ze slechts gebiecht hadde, want ik betreurde ze diep; maar een rampzalige schaamte hield mij tegen, ik zweeg, misbruikte de Biecht, ontheiligde het bloed des Verlossers en bracht mij in de eeuwige verdoemenis.quot; Zoo sprak zij en verdween.

Zoo zal het lot zijn van ieder Christen, die in de Biecht een zware zonde hardnekkig verzwijgt; zijn einde is het eeuwig verderf. —■ En wat een dwaasheid, voor den Priester in den biechtstoel een zonde te verzwijgen! Is het dan niet oneindig beter, aan den Priester alleen de zonden te belijden, dan eenmaal voor de geheele wereld te schande te worden gemaakt? Weet wel, wat gij in den biechtstoel geheim houdt, zal op den gerichtsdag aan alle menschen geopenbaard worden. De Heer spreekt bij den Profeet: (Ezech. 1G, 37.) » Conyregabo omnes super te undique, Ik zal allen tegen u vergaderen van rondom, et nudabo ig-nominiam tuam coram eis, Ik zal uw schande voor hen bloot leggen, et videbunt omnem turpitudinem tuam, en zij zullen uw algeheele slechtheid zien.quot; Ach, in wat smaad en schande zult gij op dien dag daar staan! Hoe zult gij den bergen en heuvelen toeroepen dat zij over u heen storten en u bedekken! Hoe zult gij de hel uitdagen, dat zij hare vuurmonden opene en u verslinde, om uwe schande aan de oogen van de menschen te onttrekken! Ach, moet de overweging dezer verschrikkelijke waarheid u den mond niet openen, zoodat gij alles openhartig en oprecht belijdt, wat gij hebt misdreven! O, legt in de eene weegschaal de kleine beschaming in den biechtstoel, in de andere de onuitsprekelijke beschaming op den gerichtsdag en het zal u gemakkelijk vallen, elke zoude, ook dc

-ocr page 47-

I

DER ZONDEN. 43

schandelijkste in den biechtstoel bekend te maken.

En waarom zoudt gij u voor den Priester schamen ? Hij toch kent uit eigen ervaring en uit die van anderen maar al te goed de menschlijke zwakheid en de zonden, waarvan de belijdenis u zoo zwaar valt; en nog veel grooter en schandelijker zonden zijn aan hem reeds dikwerf beleden; gij biecht hem alzoo waarlijk niets opvallens of iets nieuws. Maakt n ook niet bezorgd, dat de biechtvader, indien gij openhartig biecht, u stuursch en streng zal bejegenen. De Priester moest inderdaad heel onverstandig en gevoelloos zijn, indien hij jegens een boeteling, die met een beklemd hart en met een sidderende stem zich oprecht aanklaagt over zijne zonden, liefdeloos en met eene bittere gestrengheid zou kunnen spreken. Neen, dit doet geen biechtvader; hij weet, dat men het zwakke riet niet breken en het vlammend zwaard niet mag uitdoven. Wat den Priester in den biechtstoel smart, wat hem vaak met een heilige verontwaardiging vervult, dat is de geheimhouding van den biechteling, die bij zijn aanklacht steeds gesloten blijft, alles verschoont en op elke vraag ontwijkende antwoorden geeft. De oprechtheid daarentegen verblijdt zijn hart en slechts woorden van zachtheid en troost zijn het, die hij den openhartigen boeteling toespreekt. Meent ook niet, dat gij bij den biechtvader de achting verliest, indien gij alles oprecht belijdt. Hoe toch zou hij den boeteling, die in zich keert en besloten is, voortaan braaf en christelijk te leven, verachten ? Heeft, dan Jesus de zondares Magdalena veracht en van zich afgewezen, toen zij zich aan zijn voeten nederwierp ? Neen, Hij heeft haar tegen de beschuldigingen der Parizeen in bescherming genomen en ze met de grootste bewijzen van liefde overladen. Zoo zal ook de Priester u de grootste achting betoonen, indien hij in u ware boet-vaardigen, kinderen Gods en erfgenamen des hemels ziet.

Ik zal u wel niet behoeven te zeggen, dat de Priester

-ocr page 48-

OVER DE BELIJDENIS

over datgene, wat gij hem biecht, nimmer mag spreken, noch met u, noch met anderen. Hij toch is onder de strengste kerkelijke straffen en onder verbeurte der eeuwige zaligheid gehouden al de dagen zijns levens het geheim der Biecht te bewaren. TSiet eens het goede, wat hij alleen uit de Biecht weet, mag hij bekend maken, laat staan dan de zonde. Ook hebben wij in de geschiedenis niet een eenig voorbeeld, dat ooit een Priester het geheim der Biecht heeft verbroken, en men mag zeggen, dat God zelf over het heilig houden daarvan waakt en niet toelaat, dat het geschonden wordt. Er zijn, helaas, goddelooze Priesters geweest, die voor geen slechtigheid terugdeinsden, wat meer is, die zelfs van het geloof afvielen en de ergste vijanden der Kerk werden; maar datgene, wat zij uit de Biecht wisten, openbaarden zij nooit. Daarentegen noemt de geschiedenis ons Priesters, die liever de gruwzaamste pijnen en den dood leden, dan dat zij het Biechtgeheim wilden verbreken. Een bekend voorbeeld hebben wij aan den H. Joës Nepomucenus. Hij was biechtvader der gemalin van koning Wenzeslaus van Boheme. De argwanige tiran wilde weten, wat de koningin bij den H. Joannes gebiecht had ; deze echter gaf, zooals van zelf spreekt, aan het verlangen van den god-deloozen koning geen gehoor. Wenzeslaus wendde beloften en bedreigingen aan, ten einde zijn doel te bereiken; maar te vergeefs. Nu beval de koning den Heilige in de Mol-dau te werpen. Zoo gebeurde het, en Joannes werd een Martelaar voor het Biechtgeheim. Wat deze Heilige gedaan heeft, moet nog heden in tijd van nood ieder Priester doen ; hij moet voor het geheim der Biecht goed en bloed ten offer brengen.

Gij hebt derhalve volstrekt geen reden, waarom gij in de Biecht een zonde zoudt verzwijgen; daarentegen pleit er alles voor, de valsche schaamte en vreeze af te leggen en elke zonde, die op uw geweten drukt, oprecht te be-

44

-ocr page 49-

DER ZONDEN. 45

lijden. Zoudt gij desniettemin het niet van u kunnen verkrijgen, een zonde te biechten, volgt den minstens den raad, dien ik u geef: zegt tot den Priester dat gij nog een zonde hebt, die gij niet durft belijden. De Priester zal u dan navragen en het zal hem gemakkelijk vallen de verborgen wonde te ontdekken en met Gods hulp uw zieke ziel te genezen.

Nog moet ik de vraag beantwoorden : viat heeft men te doen indien men in de Biecht iets heeft achdertoege gelaten, wat men verplicht was te biechten ? Hier moet men een onderscheid maken, of dit achterwege laten zonder of met schuld heeft plaats gevonden. Heeft men zonder schuld een zonde overgeslagen, dan heeft men niets anders te doen, dan dat men ze in de naaste Biecht, zoo men zich die herinnert, openbaart. De bereids beleden zonden behoeft men niet weder te herhalen, wijl de Biecht wegens een onschuldig vergeten zonde niet ontgeldig wordt. Anders is het gelegen, als men iets, wat men verplicht was te biechten, namelijk een groote zonde nf een noodzakelijke omstandigheid met schuld achterlaat, d. i. wijl men zich schaamt, ze te biechten, of zijn geweten zeer oppervlakkig onderzoekt. In dit geval is de Biecht ongeldig. Het is daarom volstrekt niet voldoende, dat men enkel het nage-latene achterhale, maar men moet alle reeds beleden zonden op nieuw biechten indien ze den biechtvader niet buitendien nog bekend zijn, en tevens aangeven, in hoeveel Biechten dit weglaten heett plaats gehad, vervolgens, of men en hoe dikwijls men na zoodanige Biechten gecommuniceerd of wel een ander Sacament, bijv. het Vormsel, het Huwelijk heeft ontvangen. Dit gewichtig voorschrift moet gij wel ter harte nemen en zoo noodig daarnaar handelen.

3) Eindelijk, de Biecht moet duidelijk zijn. Hiertoe wordt voor alles gevorderd, dat gij duidelijk en verstaanbaar spreekt. De aanklacht moet wel is waar niet met lui-

-ocr page 50-

OVER DS BELIJDENIS

der stemme geschieden, omdat zij voor de omgeving verborgen moet blijven; evenwel moet men steeds zoo spreken, dat de biechtvader alles goed kan verstaan. Zoudt ge opzettelijk zoo zacht spreken, dat de biechtvader u niet verstond, dan -ware dit een hoogst laakbare handelwijze ; en ge steldet u aan het gevaar bloot, heiligschennend te biechten. Spreekt, indien ook al zacht, toch steeds zoo luide en duidelijk, dat de biechtvader in staat is, alles wat gij voorbrengt, goed te verstaan. Die zich in de nabijheid van den biechtstoel bevinden, moeten zoover daarvan verwijderd blijven dat niets van datgene, wat de biechteling of de biechtvader spreekt, verstaan worde. Het zou een groote zonde wezen, indien gij nieuwsgierig zoudt toeluisteren, ten einde een en ander uit de Biecht te hooren; ge moet dit veeleer naar krachten verhinderen. Zoudt ge uit de Biecht een en ander toevallig vernemen, dan hebt gij de strengste verplichting, het gehoorde aan niemand bekend te maken.

De duidelijkheid der Biecht vordert ook, dat gij op die wijze u aanklaagt, dat de biechtvader elke zonde hennen en mo sieletoestand behoorlijk lean beoordeelen. Ge moet daarom elke zonde met bepaalde woorden uitdrukken en alles wat noodig is, om haar soort te kennen, er bijvoegen. Tegen dit voorschrift misdoen niet weinige biechtelingen. Zij zeggen : »Ik heb kwade gedachten gehad.quot; Deze beschuldiging is veel te algemeen ; want kwade gedachten zijn er in menigte. Ge moet nader aangeven, wat dit voor gedachten zijn geweest, hoovaardige, on-kuische, vijandige, nijdige gedachten enz. Maar dit is nog niet genoegzaam; ge moet er ook bijvoegen, of gij deze gedachten vrijwillig onderhouden en er in toegestemd hebt of niet. Menigeen zegt: »Ik heb kwade begeerten gehad.quot; Als nu de Priester navorscht, dan verneemt hij daaruit, dat dit geen kwade begeerten, maar hoogst zondige werken tegen de kuischheid

46

-ocr page 51-

DER ZONDEN.

■waren. Zulk een aanklacht is weder geenszins voldoende ; want men moet nauwkeurig aangeven, of men een zonde met gedachten, met begeerten, met woorden of met werken begaan heeft. Hetzelfde geldt ook over de aanklacht: »Ik heb mij tegen het tweede, derde en vierde gebod enz. bezondigd.quot; Deze beschuldiging luidt weder veel te algemeen ; met moet zeggen, hoe en waardoor men een gebod heeft overtreden. Geheel niets be-teekend zijn de beschuldigingen : «Ik heb God niet bemind, zooals ik Hem moet beminnen ; ik heb niet zoo dikwijls aan God gedacht, als ik had moeten doen ; ik heb niet zoo aandachtig gebeden als ik wel gekund hadde en dergelijkewant zoo en desgelijks kan een ieder, zelfs de braafste Christen zich aanklagen. Zoodanige algemeene beschuldigingen moet gij in de Biecht nimmer voor den dag brengen; ge moet veeleer elke zonde zoo nauwkeurig mogelijk aanduiden, opdat de biechtvader tot de kennis ervan gerake. Zoudt gij den naam eener zonde niet kennen, dan blijft niets anders u over, dan dat gij ze nader omschrijft en minstens de voornaamste kenteekenen ervan aangeeft, om op die wijze u aan den biechtvader verstaanbaar te maken.

Ik heb u thans verklaard, welke eigenschappen een goede Biecht moet bezitten. Zij moet, ootmoedig, oprecht en duidelijk zijn. Ziet toe, dat deze drie eigenschappen aan geen uwer Biechten ontbreken. Ten slotte zal ik u nog in \'t kort zeggen, hoe cjij w in den biechtstoel hebt te qedraqen. Zijt ge aan de beurt om te biechten, nadert dan met alle zedigheid en allen ootmoed den biechtstoel, knielt eerbiedig neder, maakt een kruisteeken en spreekt bijv: «Eerw. Vader gelieve mij den zegen te geven opdat ik mijne zonden oprecht belijde. Mijn laatste Biecht is geweest voor . . . Geeft telkenmale nauwkeurig den tijd aan, wanneer uw laatste Biecht heeft plaats gehad, indien gij niet bepaald kunt veronderstellen, dat dit den

47

-ocr page 52-

OVER DE BELIJDENIS

48

biechtvader buitendien reeds bekend is. Hierna klaagt gij u over uwe zonden aan. Hebt ge iets uit uwe vorige Biechten aan te halen, bijv. een vergetene of verzwe-gene zonde nog te belijden, dan moet gij dit in den beginne doen; zou u in de laatste Biecht de H. absolutie geweigerd zijn, dan verzwijgt dit niet, maar zegt het reeds aanstonds in het begin en meent niet, dat de Priester zich dit nog wel zal herinneren. Hebt ge alles, wat uwe vroegere Biechten betreft, in orde, zegt dan de zonden, die gij sedert uw laatste Biecht hebt bedreven. Gij doet wel, indien gij de zware zonden en die, waarvan de belijdenis u moeilijk valt, het eerst biecht en daarop de andere laat volgen, eensdeels, opdat gij die niet vergeet, anderdeels, opdat gij de valsche schaamte aanstonds in den aanvang overwint: «Ferm begonnen, is half gewonnen;quot; — dit spreekwoord heeft hier zijn volle beteekenis. Zijt ge met de belijdenis uwer zonden ten einde, sluit dan aanstonds de Biecht met deze of dergelijke woorden: »Met deze en al mijne zonden van mijn geheele leven, vooral van... sluit ik mijne Biecht, zij zijn mij leed uit den grond mijns harten, wijl ik God, het hoogste en beminnenswaardigste goed heb beleedigd. Ik verafschuw al mijne zonden, ik neem mij vastelijk voor mijn leven te beteren en voortaan niet meer te zondigen. Ik verzoek een zalige poenitentie en een h. absolutie, als gij, mijn biechtvader, het goed vindt.quot; — Nu luistert gij toe en geeft acht op al datgene wat de biechtvader tot u zegt; stelt hij u vragen voor, antwoordt dan in ootmoed en met alle oprechtheid ; want hij vraagt u niet uit nieuwsgierigheid of om het u lastig te maken, maar uit plichtijver en tot uwen beste, nl. om uw ietwat gebrekkige Biecht volledig te maken, uw zielstoestand nauwkeuriger te leeren kennen en zich in staat te stellen, over u een goed oordeel te vellen en u de geschikte middelen tot beterschap voor te schrijven. Zou hij zich in de treurige nood-

-ocr page 53-

DER ZONDEN.

zakelijkheid bevinden, u voor dezen keer de absolutie te weigeren, maakt u dan daarom niet boos en aan niets schuldig, wat met den eerbied, dien gij aan den biechtvader als plaatsbekleeder van God verschuldigd zijt, strijdig is. Doet niet zooals eenigen, die heel onbeschaamd worden en zeggen: »Indien gij mij nu niet helpt, kom ik niet terug!quot; Of; »Kunt gij mij niet absolveeren, dan kan dit wel een ander.quot; Dit is een hoogst onverstandige en laakbare taal, die maar al te zeer getuigt, dat aan zoodanige biechtelingen ootmoed, berouw, boetegeest, kortom alles ontbreekt, wat hen de absolutie zou waardig maken. Gelooft mij, Aaud., het veroorzaakt den biechtvader geen vreugde, als hij u zonder de absolutie moet wegzenden; het doet hem telkens grootelijks leed, indien hij zeggen moet:»Ik kan u niet absolveeren!quot; Hij toch heeft zijne wetten en voorschriften en hierover kan en mag hij zich niet heenzetten, indien hij niet zich zeiven en den biechteling in het verderf wil storten. Ik verzeker u, niet die biechtvader meent het goed met u, die allen zonder onderscheid absolveert; hij geeft aanleiding tot tallooze heiligschennende Biechten en Communiën, maakt vaische gewetens, bevordert de ouboet-vaardigheid en levert zijn biechtkinderen aan het verderf over. Ik spreek hier openlijk uit: vele zondaren zouden niet jaren lang in de kwade gelegenheid en gewoonten voortleven, vele zondaren niet eeuwig verdoemd worden, indien zij niet steeds een gemakkelijken biechtvader, door wien zij altijd geabsolveerd worden, opzochten. Dit is het grootste, ongeluk, als een lichtvaardige zondaar steeds bij een al te gemakkelijken biechtvader, die hem wellicht vreemd is en slechts ten halve kent, zijn zouden belijdt. Dankt God derhalve, wanneer gij tot een biechtvader komt, die u met een wijze gestrengheid bejegent; zegt niet: dit is mij nog nooit overkomen, dat ik de absolutie niet heb ontvangen. Wellicht is dit de grootste genade, die

4

49

-ocr page 54-

God u geeft, wellicht is dit het eenige middel om u te redden n

van uwen ondergang, dat gij ditmaal een biechtvader hebt 0j gevonden, die u niet absolveert. Onderwerpt u derhalve in

allen ootmoed aan zijn oordeel, doet, wat hij u voorschrijft en tc

komt vervolgens op den u bepaalden lijd weder tot de Biecht is

terug. Vindt hij u dan waarlijk boetvaardig, dan zal hij u e(

met vreugde de absolutie geven en ook gij kunt getroost n

wezen en zeggen:»God zij geloofd ! heden, hoop ik, een h

goeie Biecht te hebben gesproken, ik ben met God ver- g

zoend, ben weder zijn kind en een erfgenaam des hemels. zj

O, dit is een geluk, eene genade, waarvoor ik mijn lieven d God in eeuwigheid zal dankbaar wezen.quot; — God geve,

Aand., dat gij allen na elke Biecht dusdanig kunt spre- s,

ken; Hij geve, dat ge telkenmale goed biecht, vergeving h

uwer zonden erlangt, boetvaardig leeft en als boetvaardigen r

tot de zaligheid geraakt. ^

——---s

s.

I 4. /

ë

Over de generale Biecht. z

i

Over de yenerale Biecht, die zooals bekend is, hierin d

bestaat dat men alle of eenige Biechten herhaalt, ga ik c

thans spreken en beantwoord u de drie volgende vragen: z

1) Voor wien is een rjenerale Biecht noodzakelijk? 2) l

Voor loien is een cjenerale Biecht heilzaam ? 3) Wanneer c

zal men een generale Biecht afleggen ? 1

e

I. Voor wien is een (/enerale Biecht noodzakelijk ? §

■\\

Een generale Biecht is noodzakelijk, zoo dikwerf de £

vorige Biechten ongeldig waren : want ongeldige Biechten 1 kunnen op geen andere wijze worden hersteld, dan dat

L

-ocr page 55-

OVER DIS GENERALE BIECHT.

men ze herbaalt, d. i. over de bereids beleden zonden zich op nieuw aanklaagt. Men moet hier zoover teruggaan, tot dat men aan de eerste geldige Biecht komt, al zou dit ook tot aan de eerste biecht uws levens noodzakelijk wezen. Het is zelfs aan geen twijfel onderhevig, dat het afleggen van een generale Biecht voor menig Christen een volstrekt noodzakelijke vereischte is tot de zaligheid, wijl velen bij bun biechten datgene, wat tot een geldige Biecht wordt gevorderd, dikwerf niet nakomen. Er zijn gevallen en ze zijn niet zeldzaam, dat de Biechten het geheele leven door ongeldig zijn.

Ik zal u degenen, voor wie een generale Biecht vol-strekt noodzakelijk is, aanwijzen. Ik verdeel ze volgens bet voorbeeld van een groot geestelijk man en missionaris, den zaligen Leonardus van Porto Mauricio, in zes klassen en geef van elke klasse de noodige verklaring.

1) Tot de eerste klasse behooren degenen, die uit schaamte, vrees of om een andere reden een zonde ver-ziveyen waarvan zij zeker msten of minstens met grond twijfelden, dat het een doodzonde is. Wij hebben reeds gehoord, dat elke Biecht ongeldig is, waarbij een doodzonde opzettelijk wordt verzwegen. Wie alzoo weet, dat iets, wat bij gedacht, gesproken of gedaan heeft, een doodzonde is en zich daar niet van beschuldigt, die biecht ongeldig. Hetzelfde geldt van hem, die wel niet heel zeker weet, doch een sterken twijfel heeft, of dit of dat kwaad een doodzonde is, en bet niet biecht ; bij heeft de strengste verplichting, zijn twijfel te openbaren, wijl het om het waardig ontvangen van een H. Sacrament en gevolgelij k om een zeer gewichtige zaak te doen is. Ongeldig biechten ook degenen, die het getal der doodzonden voorbedachtelijk verminderen of een noodzakelijke omstandigheid der zonde niet aangeven. Wie derhalve bijv. zegt, dat hij eene doodzonde driemaal begaan

51

-ocr page 56-

OVER DE GENERALE BIECHT.

heeft, daar hij evenwel weet, rlie zonde dikwijler bedreven te hebben, die biecht ongeldig. Wanneer een gehuwde met een vrij persoon oneerbaar heeft gezondigd en er niet bijvoegt, dat hij gehuwd is, diens Biecht is eveneens ongeldig, omdat hij een omstandigheid, die het soort van zonde verandert, verzwijgt. Deze allen nu, die het een of ander, wat zij noodzakelijk moesten biechten, opzettelijk hebben verzwegen, weten heel bepaald dat zij slechte Biechten hebben gedaan, en er blijft hun, zoo zij hunne ziel willen redden, niets anders over, dan dat ongeldig biechten te herstellen, of met andere woorden, een generale Biecht af te leggen. Zij moeten, wat ik hier ten goeden verstande er nog uitdrukkelijk wil aan toevoegen, tot aan die Biecht, waarin zij iets hebben verzwegen, teruggaan, want al hunne daarop volgende Biechten zijn ongeldig ook indien zij daarin niets meer verzwegen of een ander wezenlijke fout hebben bedreven, wijl een ongeldige Biecht al andere Biechten zoolang ongeldig maakt, als zij niet wordt hersteld.

2) Tot de tweede klasse behooren degenen, c/ie hun (jeweien volstrekt niet of toch slechts hioo(/st nalatig onderzoeken en uit oor zake hiervan iets, wat noodzakelijk moet heieden worden, niet biechten. Ieder biechteling heeft de verplichting, zijn geweten nauwkeurig te onderzoeken en daaraan zooveel tijd, als tot de kennis der groote zonden met het getal en de noodzakelijke omstandigheden ervan gevorderd -wordt, te besteden. Wie nu wegens een heel nalatig of hoogst achteloos ondernomen gewetensonderzoek iets, wat hij moet biechten, niet erkent en het daarom ook niet biecht, diens Biecht is evenzoo ongeldig, als wanneer hij iets opzettelijk zou verzwijgen. Op dezen grond leggen degenen, die het biechten lang uitstellen, het jaar door, slechts éen, hoogstens tweemaal biechten, niet zelden ongeldige Biechten af. Omdat zij meestal tot het getal der lauwe Christenen behooren en in een groote

52

-ocr page 57-

OVEH DE SENERALB BIECHT.

53

vergetelheid huns heils voortleven, daarom moeten zij, om hun geweten genoegzaam te onderzoeken, daaraan een grooten ijver en een geruimen tijd besteden. Maar hoe leggen zij het gewoonlijk aan ? Zij komen in de kerk, plaatsen zich voor den biechtstoel en denken nauwelijks eenige minuten over hun zonden na. Komt de beurt aan hen, dan biechten zij. Menigmaal wachten zij niet eens, totdat zij aan de beurt komen; zij dringen voor anderen door; want biechten is hun een lastig werk en zij willen het daarom maar spoedig gedaan maken. Wat is dit nu voor een gewetens-onderzoek ? Hoe is het mogelijk, zich over een tijdruimte van een half of een geheel jaar in een paar minuten behoorlijk te onderzoeken ? Vandaar komt het dan ook, dat zoodanige biechtelingen zich slechts over weinig weten aan te klagen. Zij zeggen eenige kleine fouten of noemen de een of andere groote zonde en dat nog wel heel oppervlakkig; vele andere zonden echter halen zij met geen eukel woord aan, ook maken zij van het getal en de noodzakelijke omstandigheden ervan geen melding. De Priester zoekt wel is waar door tal van vragen die gebrekkige aanklacht volledig te maken, maar zal hij wel zoo gelukkig zijn, juist die vragen aan de biechtelingen te stellen, die noodig zijn tot de volledigheid der gebrekkige Biecht ? Eu indien hij ook werkelijk zoo gelukkig ware, zal de biechteling, die zich niet onderzocht heeft en bijgevolg van zijn zonden een zeer ongenoegzame kennis bezit, hem de noodige oplossing kunnen geven ? Zoo komt het dan, dat vele Biechten uit gebrek aan een nauwkeurig gewetens-onderzoek onvolledig en tevens ongeldig worden. — Gij kunt u alzoo, Aand., niet steeds met de gedachte gerust stellen: »Ik heb altijd gebiecht wat ik wist, ik heb nooit opzettelijk een zonde verzwegen.quot; Is dit ook al het geval, toch kunnen uwe Biechten desniettemin ongeldig zijn en dit vindt dan plaats, wanneer gij wegens een nalatig ge-

-ocr page 58-

OVER DE GENERALE BIECHT.

wetens-onderzoek iets, wat gij liadt moeten biechten, niet hebt beleden. Indien gij alzoo tot u zeiven moet zeggen: ik heb bij mijne Biecht het geweten hoogst nalatia: onderzocht en daarom iets, wat ik had moeten

D \'

biechten, vergeten, dan kunt gij niet anders oordeelen, dan dat uwe Biecht ongeldig was. Hebt ge sedert den tijd meermalen gebiecht en datgene, wat gij vergeten hebt, niet achterhaald, dan waren deze Biechten ook ongeldig, en gij kunt dit kwaad slechts door het achterhalen al uwer ongeldige Biechten of door een generale Biecht weder goed maken. Hiertoe behoort ook de onwetendheid in de christelijk leer. Indien menigeen ook al zijn geweten nauwkeurig onderzoekt, dan komt hij toch niet tot de rechte kennis zijner zonden, omdat hij in datgene, wat zonde en niet zonde is zeer onwetend is. Hij erkent veel, wat grootelijks zondig is, volstrekt voor geen zonde of toch maar voor een onbeduidende fout, en klaagt zich derhalve ook in den biechtstoel daarover niet aan. Is zijne onwetendheid eene schuldelooze onwetendheid, dan kan men niet zeggen, dat hij ongeldig biecht. Bij velen evenwel is deze onwetendheid strafbaar, want zij ver-waarloozen op Zon- en Feestdagen het bijwonen van de christelijke onderrichtingen, geven zich niet de minste moeite, zich in de leer van den godsdienst de noodige kennis te verschaffen. Met zoodanige Christenen staat het bovenmate slecht en hun zaligheid verkeert in het grootste gevaar. Willen zij het eeuwig verderf ontgaan, dan moeten zij het verwaarloosde onderricht inhalen of zich door hun zielzorger laten onderwijzen en vervolgens een generale Biecht afleggen opdat hunne onvolledige en ongeldige Biechten hersteld worden.

3) Tot de derde klasse behooren degenen die bij hun Biechten geen waar berouw hebben. Uit gebrek aan een behoorlijk berouw worden wel de meeste ongeldige Biechten gesproken. Hoevelen biechten, die volstrekt tjeen berouw

54

-ocr page 59-

OVER DE GENERALE BIECHT.

hebben ? Zij biechten slechts uit gewoonte, omdat het zoo wezen moet, welstaandshalve ; zij verafschuwen echter niet in \'t minst hun zonden ; hun gezindheid is zoo voor als na de Biecht van God af en tot de wereld en de zonde gekeerd. Hoevelen biechten, die (jeen ah/emeen berouw hebben ! Zij zijn met zekere lievelingszonden behept, waaraan zij, wel verre ze te haten en te verafschuwen, met heel hun ziel hangen en waarvan zij zich volstrekt niet willen losmaken. Hoevelen biech\'en, zonder een bove?i?taiuurIijk berouw te hebben ! Niet vrees voor God of liefde tot Hem is het, wat maakt, dat zij zich over hun zonden bedroeven, maar slechts tijdelijk nadeel, tijdelijke straf of schande. Had het zondig leven voor hen geen bittere vruchten gedragen, waren zij niet in schande, nood, ellende geraakt, ze zouden niet de minste smart gevoelen, want niet eigenlijk de zonde, maar slechts de tijdelijke rampen en de kwade gevolgen der zonde haten en verafschuwen zij. Deze allen biechten ongeldig, wijl er zonder een waar berouw geen kwijtschelding van zonden in alle eeuwigheid plaats vindt. Mogen zij in hun Biechten ook al geabsolveerd zijn. God in den hemel, die tot in het hart doorzag en daarin geen waar berouw vond, heeft hen niet geabsolveerd ; als zondaren keerden zij uit den biechtstoel terug, al was het ook, dat zij al hunne zonden heel oprecht biechtten. Er blijft hun vandaar niets anders over, dan dat zij hunne ongeldige Biechten, die zij wellicht reeds sedert tien, twintig, dertig jaren hebben afgelegd, achterhalen en door een goede, rouwmoedige Biecht weder goedmaken.

4) Tot de vierde klasse behooren degenen, aa?/. wie bij hm Biechten hei ernstige voornemen tot beterschap ontbreekt. Het voornemen als een natuurlijk gevolg van het berouw is tot de vergiffenis der zonden onvoorwaardelijk noodzakelijk ; wie niet ernstig is besloten, God minstens met geen groote zonde te beleedigen, die biecht ongeldig.

55

-ocr page 60-

OVER DE GENERALE BIECHT.

56

Wat ik over het berouw heb opgemerkt, dat geldt ook over het voornemen ; tallooze Biechten zijn uit gebrek aan voornemen ongeldig. Onderzoeken wij ietwat nader, wie degenen zijn, van wie men schier met zekerheid kan zeggen, dat met hun Biechten geen voornemen gepaard gaat. Dit zijn vooral degenen, die jaarlijks eenmaal en wel in de allerlaatste dagen van den Paaschtijd biechten. Het biechten is hun een plaag ; kwam Pascheu slechts om de drie of zes jaren, ze zouden zich ook om de drie of zes jaren aan den biechtstoel bevinden; zij biechten niet om zich te bekeeren of te verbeteren, maar omdat dit zoo hoort, Paschen te houden. Het voornemen ontbreekt verder degenen, die het jaar door wel dikwijls biechten, maar niet uit vrije beweging en ijver voor hun zielenheil, maar slechts uit dwang, uit menschelijk opzicht, uit schijnheiligheid en veinzerij. Zouden deze Christenen in een andere omgeving geraken, dan geven zij spoedig het dikwerf biechten er aan ; een duidelijk teekeu, dat het hun vroeger met hun dikwijls biechten geen ernst was. Weder hebben geen voornemen degenen, die strengere biechtvaders uit den weg gaan, uit vrees, dat zij ernstig tot verbetering des levens worden aangemaand en steeds zoodanige biechtvaders opzoeken, van wie bekend is, dat zij alles licht opnemen. Dezen zijn er volstrekt niet aan toe, hun zondig leven te veranderen, slechts daaraan ligt hun veel gelegen, dat zij een biechtvader vinden, die er hen licht doorlaat. Het voornemen eindelijk ontbreekt degenen, die na elke Biecht steeds weder in hun oude doodzonden terug vallen ; die steeds weder vloeken en God lasteren, afschuwelijke taal voor den dag brengen, onkuischheid bedrijven, zich bedrinken enz. Ware hun voornemen ernstig, dan zou het kunnen gebeuren, dat zij den een of anderen keer terugvielen, maar onmogelijk is het, dat zij altijd op nieuw en wel dikwijls aanstonds na de Biecht de oude zonden begaan. Wijl nu

-ocr page 61-

OVER DE GENEKALE BIECHT.

deze allen een ernstig voornemen missen , daarom biechten zij ongeldig en moeten, indien zij hunne ongeldige Biechten weder willen goedmaken en rust voor hunne

O 0

ziel vinden, een goede generale Biecht afleggen.

5) Tot de vijfde klasse behooren degenen die na hun Biechten de naaste gelegenheid tot zonde, die zij konden vermijden, niet vermijden en de noodzakelijke middelen ter verletering niet aanwenden. Aau dezen ontbreekt het klaarblijkelijk aan berouw en voornemen, want zouden zij hun zonden verafschuwen en tot verbetering ernstig zijn besloten, dan zouden zij ook tot datgene, wat tot hun verbetering en het zich bewaren voor het hervallen gevorderd wordt, zich gaarne leeuen. Wie derhalve in een zondige verkeering leeft en deze na de Biecht niet afbreekt, die biecht ongeldig. Wie zich in een huis, dat voor hem een naaste gelegenheid tot zonde is, bevindt, en dit huis niet verlaat, dat hij evenwel verlaten kan, die biecht ongeldig. Wie zich bij den dans of bij gelegenheid daarvan reeds meermalen grootelijks heeft bezondigd en dien niet vermijdt, deze biecht ongeldig. Wie, zoo dikwijls of schier zoo dikwijls als hij in een herberg of bierhuis komt, zich bedrinkt en van het bezoek van herberg of bierhuis zich niet zooveel mogelijk verwijderd houdt, die biecht ongeldig. Wie met een persoon, met wie hij reeds dikwijls heeft gezondigd, onder een dak leeft en dat samenwonen er niet aangeeft, die biecht ongeldig. Ongeldig biechten ook degenen, die niet van wil zijn, datgene, wat de biechtvader ter verbetering voorschrijft, in uitoefening te brengen en na de Biecht evenals er voor het gebed , het aanhooren van Gods woord , het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten en andere noodzakelijke middelen tot beterschap verwaarloozen. Voor allen, die om deze reden ongeldig biechten en van wie er bovenmate velen zijn, bestaat er weder geen ander middel, om hun zondige zieletoestand in orde te brengen

57

-ocr page 62-

58 OVER DE GENEEALE BIECHT.

en zich met God te verzoenen, dan een generale Biecht.

C) Eindelijk tot de zesde klasse beliooren degenen, die een onrecldvaarditj goed teruy geven of een nadeel herstellen moeten, en het niet doen, ofschoon zij kunnen ; verder degenen, die in handel en wandel of op wat wijze ook zich ongerechtigheden en bedriegerijen veroorloven en deze ongerechtigheden en bedriegerijen ook na de Biecht weder voortzetten ; eindelijk degenen, die in vijandschaj) leven en ze niet doen ophouden. Deze allen biechten ongeldig omdat zij de voorwaarden, die tot de kwijtschelding der zonden noodzakelijk zijn, niet verwezenlijken ; zij moeten derhalve, om hunne ongeldige Biechten goed te maken, een generale Biecht afleggen.

Werpt nu, Aand., een ernstigen blik in uw geweten en onderzoekt of alle Biechten, die gij van uw kindsheid af gedaan hebt, in orde zijn. Vraagt u: heb ik mijn geweten telkenmale naarstig onderzocht ? Heeft het mij nooit aan een waar berouw en een ernstig voornemen ontbroken ? Heb ik in de Biecht niet een en ander, wat ik noodzakelijk had moeten openbaren, verzwegen ? Heb ik na de Biecht de naaste gelegenheid tot zonde vermeden en de voorgeschreven middelen ter verbetering aangewend? Heb ik het ontvreemde goed teruggegeven , van mijne ongerechtigheden afgezien, mij met den naaste oprecht verzoend ? Moet gij de een of ander dezer vragen bepaald met neen beantwoorden, of blijft een gegronde twijfel u over, neemt dan zonder uitstel met uw biechtvader raad en doet, wat hij u voorschrijft. Zou de verleider u ook al toefluisteren, dat gij geen generale Biecht van noode hebt, of de generale Biecht een zware onderneming en onuitvoerbaar is, geeft hem dan geen gehoor; volgt de stem uws gewetens en het voorschrift uws biechtvaders en legt een generale Biecht af, indien zij voor u noodig is, want dit vordert uw eeuwig heil.

w

|

-ocr page 63-

OVER DE GENERALE BIECHT.

II. Voor roien is een generale Biecht heilzaam ?

Een generale Biecht is heihaam voor allen, die nog nooit zulk een Biecht hebben gesproken. Dit is een regel, die schier geen uitzondering toelaat. Heeft derhalve menig Christen zich geen verwijt te maken, ooit ongeldig gebiecht te hebben, dan is het hem toch aan te raden, dat hij, bijzonder wanneer hij op een gevorderden leeftijd is gekomen, een generale Siecht aflegt. De gronden hiertoe zal ik in \'t kort aanhalen.

1) De generale Biecht is een der voortreffelijkste middelen, tot de ware kennis van onzen zieletoestand teye-raken. »Met dengene, die een generale Biecht aflegt,quot; zegt de zalige Leonardus van Porto Maurizio, «gaat het even als met een jager, die in een zeer dicht woud, waar veel wild zich ophoudt, jaagt. Ge zult hem somwijlen een dag lang in dat bosch zien ronddwalen, zonder dat hij op een enkel stuk wild stoot, en nauw gelukt het hem, een- of andermaal te kunnen schieten. Indien hij echter ten laatste moede langer om te zwerven, het vuur aan de vier hoeken van het woud legt en het door den wind begunstigd zich uitstrekt, dan zult gij zien, hoe aanstonds van alle kanten zwijnen, wolven, herten en dieren van allerlei soort voor den dag springen, en van verbazing overrompeld zult ge uitroepen : ziet, ziet, wat een menigte dieren hebben zich in dat woud genesteld! Wie had dat ooit kunen denken? Nu begrijp ik het : om het bosch te leeren kennen, moet men het aan alle hoeken in den brand steken. Dezelfde uitkomst verkrijgt men door een generale Biecht. Hoevele dingen komen dan aan het licht, waaraan menigeen, bijzonder indien hij zorgeloos voortleeft, nooit had gedacht, en die hem in het oogenblik van stervens gevaar in een groote onrust zouden gebracht hebben ! Dit derhalve valt in de generale Biecht voor : men legt aan alle kanten des ge-

59

-ocr page 64-

60 OVER DE GENERALE BIECHT.

wetens het vuur, dat het volkomen zuivert.quot; De generale Biecht brengt ons bijgevolg tot zelfkennis, verwijdert de begoochelingen, waaraan wij ons hebben overgegeven, en opent ons de oogen, zoodat wij ons in onze ware gedaante aanschouwen. Daarom zegt ook menigeen, nadat hij een generale Biecht heeft gesproken : ik had niet gedacht, dat het met mij zoo slecht gesteld stond ; ik meende steeds, mijn geweten redelijk wel in orde en niet zooveel gezondigd te hebben ; maar nu zie ik in, dat ik mij zeer heb bedrogen en nauwelijks goed had kunnen sterven, indien ik deze generale Biecht niet had gesproken.

2) De generale Biecht stemt het hart tot een groo-ter berouw. Wanneer viij een gewone Biecht afleggen, is ons berouw zelden bijzonder diep, omdat wij ons niet aan vele en zware zonden schuldig kennen. Menigmaal moeten wij ons zelf een zonde uit het vorig leven te binnen brengen, ten einde geen gevaar te loopen, een Biecht zonder een bovennatuurlijk berouw te verrichten. Anders is het met een generale Biecht gelegen. Hier stellen de zonden van ons geheel leven zich gezamelijk voor onze oogen ; alles, wat wij van onze eerste kindsheid tot op dit oogenblik tegen God, den naaste en ons zelve hebben misdaan, zien wij duidelijk voor ons; al onze booze neigingen en hartstochten, al onze lichtzinnigheden en boosheden, al onze overtredingen en zonden toonen zich in haar ware gedaante. Dit aanschouwen werkt natuurlijk verrassend op ons gemoed, vervult ons met een diepe beschaming en berouw en dwingt ons met den koning Esdras (1. 9, C.) uit te roepen ; »Deus meus, eonfmdor et eruhesco levare faciem me am ad te, mijn God ! ik beu verlegen en diep beschaamd, om mijn aangezicht tot U op te heffen ; quoniam iniquiiates nos-trae multiplicatae sunt super caput nostrum, want onze misdaden zijn vele geworden en boven ons hoofd geklommen, et delicta nostra creverunt usque ad coclum en

-ocr page 65-

OVER DK GENEUALE BIECHR. 61

onze schuld is groot geworden tot aau den hemel.quot; Het nut eener generale Biecht komt ook hier weder klaar voor den dag. Hoe grooter ons berouw is, des te meer zijn wij verzekerd, dat wij het Sacr. der Biecht waardig ontvangen, en des te grooter zijn tevens de genaden, die ons in dit Sacrament ten deel vallen. Zoo kan ■ het gebeuren, dat wij door een goede, rouwmoedige generale Biecht kwijtschelding van schier alle tijdelijke zondenstraffen erlangen, en na onzen dood slechts een korten tijd in het vagevuur hebben te lijden.

3) De generale Biecht heeft meestal ook ten gevolge, dal men te vaster voornemens ter verbetering maakt, dan dit bij de gewone Biechten het geval is. Indien men eenmaal besluit, een generale Biecht af te leggen, dan heeft men ook steeds den ernstigen wil, zijn leven te beteren en voor het heil zijner ziel zorg te dragen. Dit voornemen wordt nog meer daardoor gesterkt, dat wij in den loop der generale Biecht tot een heldere kennis onzer zouden komen. Wij zeggen tot ons zeiven : ach, ik ben reeds dertig, veertig, vijftig jaren op de wereld, om God te dienen en heb Hem nog nauwelijks een dag goed gediend ; mijn leven is louter ontrouw jegens mijn Heer eu mijnen God, een voortdurende ondankbaarheid jegens mijn besten Vader en grootsten weldoener, een ononderbroken keten van zonden. Ware ik in deze jaren van lichtzinnigheid en godvergetenheid gestorven, wat hadde mij anders dan de eeuwige verdoemenis staan te wachten ? Maar God had geduld met mij en gaf mij de genade, een generale Biecht af te leggen om mij met Hem te verzoenen ; o hoe ondankbaar zou ik wezen, indien ik Hem weder beleedigde! Neen, mijn God! Dit zal niet meer gebeuren ! Van nu af zij mijn leven U toegewijd; H wil ik toebehooren, U met alle trouw tot aan mijn laatsten ademtocht dienen ! Ziet Aand., zoo is gewoonlijk de gezindheid dergenen, die een generale Biecht afleggen ;

w

-ocr page 66-

OVER DE GENERALE BIECHT.

hunne voornemens zijn veel ernstiger dan bij een gewone Biecht. Indien zij dan over de zonden van hun geheele leven de priesterlijke vrijspraak hebben verkregen en zij zeggen kunnen : nu ben ik geheel ontslagen van mijn zondenlaat, nu ben ik weder een kind Gods en een erfgenaam des hemels -— zal dit dan niet een nieuwe spoorslag voor hen wezen, aan hunne gemaakte voornemens getrouw te blijven, om de ontvangen genade niet meer te verliezen ? Ook de geschiedenis en de ondervinding getuigen, dat de generale Biechten tot een grondige en voortdurende verbetering des levens een der krachtdadigste middelen zijn. Hoevele zondaren, die jarenlang biechtten en na elke Biecht weder in de oude zonden terugvielen, hebben zich na hunne generale Biecht dermate verbeterd, dat zij nimmermeer een zware zonde begingen ? Hoevele zondaren hebben na de generale Biecht hunne zondige verkeeringen afgebroken, van hun drinken, spelen en nachtloopen afgezien, hunne kwade gewoonten afgelegd, met hunnen naaste, met wien zij jarenlang in vijandschap leefden, zich verzoend en het vreemde goed, tot vergoeding waarvan zij nooit konden besluiten, teruggegeven ? Hoevele zondaren hebben na hunne generale Biecht zoo\'n grooten boeteijver aan den dag gelegd, dat zij een hoogen trap van heiligheid bestegen en van God buitengewone genaden ontvingen ? Zij die na hun generale Biecht mochten hervallen, staan weder van hunnen Tal op; want het geweten verheft zich met alle kracht en laat hun geen rust, tot dat zij besluiten, zich door een rouwmoedige Biecht weder met God te verzoenen. Zoo is het dan de generale Biecht die vele zondaars al spoedig tot eene volhardende boetvaardigheid geleidt of toch bewerkt, dat degenen die hervallen zijn, weder in zich keeren en vervolgens niet meer zondigen.

4) Een verder voordeel der generale Biecht is, dat zij een f/roote zielsvreugde verschaft. Wilhelmus, hertog van

62

i i

-ocr page 67-

OVER DE GENERALE BIECHT.

Aquitanie, begaf zich eens in de eenzaamheid, om zich tot een generale Biecht, die hij vervolgens hij den H. Bernardus aflegde, voor te bereiden. Toen dit was afgeloo-pen, gevoelde hij zich zoo gelukkig en was zulk een zoete rust en hemelsche blijdschap zijn hart binnengedrongen als nog ooit in zijn leven, ofschoon hij alle vreugde en genoegens der wereld had genoten. Dezelfde rust, denzelfden troost, dezelfde vreugde gevoelt een ieder, die zich beijvert, een heel oprechte en rouwmoedige generale Biecht af te leggen. Het is als of een zware steen van zijn hart is weggenomen ; het is hem zoo wel, zoo licht, dat hij het niet vermag uit te drukken ; hij geniet een vrede, waarvan hij vroeger volstrekt geen begrip had ; en dien hij voor alle schatten der wereld niet zou willen inruilen. Thans begrijpt hij hoezeer de koninklijke Profeet recht heeft, als hij zegt: (Ps. 83, 2. 11.) » Quam dilecia iabernacula inu Do mine virtuüm, hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heer der heirscharen ! quia melior est dies una in atriis tuis super nnllia, ja, een dag in uwe voorhoven is beter dan duizenden elders !quot; En waarom zoude hij niet vol vreugde zijn en troost? Hij toch kan met alle vertrouwen zeggen : ik ben aan de strikken van Satan ontkomen. God heeft mij vergeven, Hij heeft mij lief, de hemel staat voor mij open ! Inderdaad, wisten de rampzaligen, de verblinde zondaars, die steeds voortleven in de ongenade Gods, wat een zoeten vrede, welk een hemelsche rust een goede generale Biecht bezorgt, dan zouden zij zonder uitstel zulk een Biecht afleggen en hun levensdagen in boete slijten.

5) Eindelijk de generale Biecht is ook daarom bovenmate van veel waarde, omdat gij het zielenheil in een jroote veiligheid brengt. Gesteld, ge hebt het ook al met uwe Biechten niet zoo licht genomen als velen, die slechts biechten, opdat zij biechten; ge weet evenwel niet of ge telkens alle voorwaarden, die tot een geldige Biecht

63

-ocr page 68-

OVISR DE GBNEBALE BIECHT.

gevorderd worden, wel hebt vervuld. Hoe licht ware het mogelijk, dat ge in uw kindsheid, in uw jeugd, op uw verderen leeftijd bij een of ander Biecht uw geweten niet genoeg onderzocht, geen oprecht berouw met een ernstig voornemen verwekt of iets, waarover gij u had moeten aanklagen, in de Biecht hebt verzwegen. Zegt nu zelf, gaat ge niet veel zekerder te werk, indien gij een generale Biecht aflegt dan indien gij dat niet doet ? Zou het geen zeer afkeuringswaardige lichtzinnigheid wezen, indien gij de vele gelegenheden, die u tot het afleggen eener generale Biecht worden aangeboden, verzuimt en zonder zulk een Biecht de eeuwigheid ingaat ? Zult ge eenmaal niet veel geruster kunnen sterven, indien gij u kunt troosten met de gedachte: ik heb een goede generale Biecht afgelegd, dan wanneer gij tot u zelf moet zeggen ; ik heb de generale Biecht steeds uitgesteld en thans ben ik niet meer in staat alles te biechten ? De zorg, zijn eeuwig heil zooveel mogelijk te verzekeren en gerust te kunnen sterven, was een hoofdoorzaak, waarom alle vrome, heilgierige Christenen een generale Biecht aflegden en zoo\'n Biecht na een korteren of langeren levenstijd steeds weder hernieuwden. Zoo legden de zalige Joannes Ribera, Aartsbisschop van VaLucia, de II. Car. Barromeus, de H. Franc. v. Sales en duizenden andere Heiligen generale Biechten af. Ook trokken zij alle jaren voor eenige dagen zich in de eenzaamheid terug, en onderzochten zich over hun begane fouten, ten einde hun geweten door een jaarlijksche Biecht te zuiveren. Op deze wijze onderhielden zij hun zielenheil steeds in de mogelijkste veiligheid en konden den naderenden dood rustig onder de oogen zien.

Ge ziet alzoo, Aand., dat een generale Biecht voor alle Christenen, die er nog geen hebben afgelegd, zeer heilzaam en raadzaam is ; want zij verschaft een grootere zelfkennis alsmede een dieper berouw en een ernstiger

64

-ocr page 69-

OVEH DE GENERALE BIECHT. 65

voornemen, dan dit bij een gewone Biecht het geval is; ook stort zij een zoete rust in \'t hart en verzekert de eeuwige zaligheid. Er behoort daarom niemand onder a hier aanwezig te zijn, die geen generale Biecht gedaan heeft of nog doet; niemand, die zonder een generale Biecht wil sterven.

III. Wanneer zal men een generale Biecht doen ?

Een generale Biecht zal men

1) In \'t algemeen dan spreken, wanneer men lot zijne verbetering ernstig is lesloten. Het doel toch eener generale Biecht is geen ander, dan de soms ongeldig gesproken Biechten te herstellen en zich zijn eeuwig heil beter te verzekeren. Maar hoe kan dit doel door een generale Biecht bereikt worden, indien men tot de verbetering zijns levens niet ernstig is besloten ? Zonder dit besluit is geen Biecht, zij moge ook al een gewone of een generale Biecht wezen, geldig. Wie derhalve eene generale Biecht spreekt, zonder het voornemen te hebben, wat het ook koste, de kwade gelegenheden te vermijden, de zondige gewoonten af te leggen, het gepleegde onrecht naar krachten goed te maken en zijn leven in boete door te brengen, die blijft in staat van zonde en zijn laatste dingen worden erger dan de eerste waren. Op dezen grond mag niemand tot een generale Biecht gedwongen worden. De biechtvaders kunnen wel den zondaar tot zulk een Biecht vermanen en hem de noodzakelijkheid daarvan voor oogen stellen; zij kunnen en moeten hem, indien zij de overtuiging bezitten, dat zijn tot nu toe gesproken Biechten ongeldig zijn, de absolutie weigeren en bij hem tot een generale Biecht aanhouden; maar verder kunnen en mogen zij niet gaan. — Ieder zondaar heeft intusschen dagen en uren, waarin hij zijn zondige ellende diep on-

5

-ocr page 70-

OVER DE GENERALE BIECHT.

dervindt en zich gedrongen gevoelt, daaraan een einde te maken. Dit zijn inderdaad dagen en uren van genade. God wil den zondaar redden; daarom verlicht hij hem en dringt en drijft hem, zich van de banden der zonden los te maken en door boete en bekeering zijn ziel te redden. Aan deze roeping der genade moet de zondaar gehoor geven en zonder uitstel een generale Biecht spreken, ten einde zich met God te verzoenen. Doet hij dit niet en laat hij de generale Biecht achterwege, dan brengt hij zijne zaligheid in het grootste gevaar; want wellicht geeft God hem zoo\'n groote genade niet meer, wellicht valt hij geheel en al der verblindheid en verstoktheid ter prooi en sterft een onboetvaardigen en rampzaligen dood. Maakt alzoo de genade, die u tot redding uwer ziel wordt aan geboden, ten nutte; betreurt uw zonden, maakt het ernstige voornemen tot verbetering uws levens en legt; vervolgens bij de naaste gelegenheid een generale Biecht af.

2) In bijzonder behoort men een generale Biecht te doen, wanneer men van staat verandert. Hiertoe be-hooren bijzonder degenen, die van plan zijn, den huwelijken staat in te tjaan. Eenige jongelieden brengen hunnen stand van vrijgezel niet zoo door, als zij dat wel moesten doen. Zij leven lichtzinnig en ongodsdienstig en geven zich wellicht aan vele buitensporigheden over en biechten uit gebrek aan berouw en voornemen zeer vaak ongeldig en heiligschennend. Hoe kwalijk zou het hun te staan komen, indien zij zonder een generale Biecht in het Huwelijk traden ? Het begin huns Huwelijks ware, het is verschrikkelijk te zeggen, met een drievoudige heiligschennis verbonden omdat zij drie H. Sacramenten, dat der Biecht, des Altaars en des Huwelijks onwaardig ontvingen. Op dusdanige wijze vingen zij den huwelijken staat niet met God maar met den duivel aan. Ach, wat laat zich van zulk een Huwelijk verwachten ! Hoe zou men kunnen hopen, dat zoodanige echtelieden met elkan-

66

-ocr page 71-

OVER DE GENERALE BIECHT.

der tevreden en gelukkig leven, hun zware plichten behoorlijk vervullen en eenmaal met hun kinderen het getal der uitverkorenen in den hemel vermeerderen. Juist daarvan komt het, dat zoovele huwelijken ongelukkig uitvallen, dat zoovele echtelieden met hun kinderen tijdelijk en eeuwig ten gronde gaan, wijl het huwelijk in staat van zonde is aangegaan. Het is derhalve aan alle verloofden ernstig aan te raden, een generale Biecht te spreken, en wel een heel oprechte, rouwmoedige generale Biecht, opdat zij hun geweten van alle zonden zuiveren en met God een staat aanvaarden, waarvan hun tijdelijk en eeuwig welzijn afhangt.

Een generale Biecht is ook voor degenen raadzaam, die hun beroep er nederlet/tjcn en in rust fjaan leven; want ook bij dezen heeft een verandering van staat plaats. Velen hunner hebben in hun beroepsleven aan God en het heil hunner ziel weinig gedacht, hebben zich naar de grondstellingen der wereld gericht en hun geweten met verschillende zonden bezwaard ; thans zijn zij reeds in jaren gevorderd en wellicht wordt de poort der eeuwigheid voor hen spoedig ontsloten. Wat kan onder zoodanige omstandigheden mesr worden aangeraden, dan dat zij een goede generale Biecht spreken, ten einde de aangelegenheden huns gewetens in orde te brengen en den tijd van rasten, die hun nog zal gegeven worden, tot afboeting hunner zonden en tot voorbereiding eens zaligen doods te besteden. Hebben zij bij hun Huwelijk of bij een andere gelegenheid bereids een goede generale Biecht afgelegd, dan kan die Biecht zooals van zelf spreekt, zich van af dien tijd uitstrekken.

3) Tot de generale Biechten is ook bijzonder geschikt de iijd eener Missie of van een Jubilé. In zoodanige tijden hebben vele geestelijke oefeningen plaats; het woord Gods wordt dikwijls en zeer nadrukkelijk verkondigd en

67

-ocr page 72-

68 OVER DE GENERALE BIECHT.

aan alle geloovigen de ernstigste vermaning gedaan, zich geestelijk te hernieuwen en waardige vruchten van boetvaardigheid te brengen. Ook hebben de biechtvaders ten tijde van een Jubilé of Missie veel grootere volmachten dan op andere tijden; zij kunnen geloften veranderen en van all» den Bisschop en zelfs van vele den Paus voorbehouden gevallen absolveeren. Bovendien verleent God gedurende de Missie en het Jubilé aan de zondaren gewoonlijk bijzondere, ja buitengewone genaden, die Hij hun op andere tijden niet pleegt te verleenen. Welke gewich

tige gronden hebben alsdan allen, die nog geen generale ,]

Biecht hebben afgelegd, een zoodanige Biecht te doen ],

en het werk hunner zaligheid in orde te brengen ! Wie t

zoodanige tijden van genade ongebruikt laat voorbijgaan, ü

die stelt zich aan het groote gevaar bloot, in de zonde 0

te volharden en een kwaden dood te sterven. In een ge- £

meente, waarin een Missie werd gehouden, bevond zich d

iemand, die vele jaren een aan God onttrokken leven n geleid en zelfs in den Paaschtijd meermalen niet gebiecht

had. Hij was bereids een zestiger; men vermaande hem z(

dat ook hij evenals veel andere zondaren de Missie tot st

zijn heil besteden en een generale Biecht zou spreken. w

Maar hiertoe was hij niet te bewegen ; de Missie ging gi

voorbij, hij nam er geen deel aan en biechtte ook niet. b(

Doch wat gebeurde ? Weinige dagen na de Missie kreeg hi hij eensklaps een beroerte; twee dagen lag hij neder

buiten kennis, en stierf hij zonder een teeken van be- h(

rouw te geven en de H. Sacramenten te kunnen ont- v(

vangen. Wijl deze mensch gedurende de Missie zich niet vi

bekeerd had, hield men algemeen zijn dood voor een Di

strafgericht Gods; het kan ook wel zoo geweest zijn. to

Maakt u derhalve den tijd eens Jubilés of eener Missie va

tot uw heil ten nutte ; legt, zoo het nog niet heeft plaats op

gehad, een goede generale Biecht af en verzoent u met ki

God; want gij weet niet, of nog eens zulk een genade- zii tijd u zal verleend worden.

-ocr page 73-

OVER D3 ÖHNERiLE BIECHT.

4) Eindelijk, een generale Biecht worde vooral op het sterfbed afgelegd. Nadert de dag en hot uur des doods, dan behoort men zich zoo zeker mogelijk te stellen ; dit eisoht de voorzichtigheid en de christelijke zelfliefde. Het geloof toch leert ons, dat van het sterven de geheele eeuwigheid afhangt: sterven wij goed, dan worden wij voor eeuwig zalig; sterven wij kwaad, dan worden wij voor eeuwig verdoemd; niets kan ons dan meer redden. Wie zou daarom niet op zijn sterfbed een generale Biecht willen doen, om de vroegere Biechten, die wellicht ongeldig waren, te herstellen, de heiligma-kende genade te ontvangen en alzoo een zaligen dood te kunnen hopen ? Ge moet evenwel uwe generale Biecht niet tot aan uw sterfbed uitstellen ; want ge weet niet of ge dan \'wel eens een gewone Biecht kunt spreken. De dood toch kan onverwachts u overvallen en u uit deze wereld wegnemen zonder Priester en zonder Sacramenten ; of ge kunt uw zinnen en spraak verliezen, zoodat het u niet meer mogelijk is te biechten. En zou dit ook al het geval niet zijn, dan is toch het sterfbed tot het afleggen eener degelijke generale Biecht weinig geschikt, wijl de krachten des lichaams en des geestes zich meestal in een toestand van groote zwakte bevinden. Heilgierige Christenen wachten vandaar met hunne generale Biecht niet tot op hun sterfbed.

Een Spaansche graaf, die aan het koninklijke hof een hooge waardigheid bekleedde, viel eens een missionaris te voet en sprak tot hem: »Mijn vader, indien gij het goed vindt, zou ik gaarne een generale Biecht willen spreken.quot; üe missionaris vraagde hem wat beweeggrond hem daartoe noopte. En zuchtend antwoordde hij hem :» Ach, mijn vader, moet ik dan niet eenmaal sterven ? Indien ik tot op dat oogenblik wacht, dan zullen mijne vrouw, mijne kinderen, de vrees, de hevigheid der ziekte mij van de zinnen berooven. Hoe groot ware dan mijne onvoorzich-

69

-ocr page 74-

OVER DE GENERALE BIECHT.

tigheid, dit werk onder zooveel zwarigheden en zoo\'n groote verwarring te voltrekken!quot; Wat deze edelman gedaan heeft, moet gij allen doen; ge moet reeds in uw gezonde dagen een generale Biecht verrichten en het hooggewichtige werk uws heils in orde brengen. Alleen in geval, dat gij dit niet hebt gedaan, moet het minstens nog op uw sterfbed geschieden; want, zooals reeds gezegd, behoort niemand zonder een generale Biecht uit dit leven te scheiden.

Ik heb u nu, Aand., verklaard wanneer een c/enerale Biecht noodzakelijk en heilzaam is en wanneer sulk een Biecht moet worden (/esproken. Noodzakelijk is een generale Biecht voor allen, die bepaald weten, of toch met grond twijfelen, dat hun vorige Biechten om een of andere oorzaak ongeldig zijn. Zouden dezen geen generale Biecht spreken, dan kunnen zij, verondersteld, dat hun twijfel gegrond is, onmogelijk zalig worden. Wijl nu vele Christenen bijzonder in hun lichtzinnige jeugd ongeldige Biechten spreken, daarom kan men zeggen, dat voor velen een generale Biecht tot de zaligheid noodzakelijk is. Heilzaam is een generale Biecht voor allen die nog nimmer er een hebben gedaan; want zij is met yele genaden verbonden en waarborgt een grooter zekerheid des heils. Daarom moet gij allen zonder uitzondering een generale Biecht spreken. Dit kan het voeglijkst geschieden, wanneer gij u daartoe door de genade voelt aangedreven en voornamelijk bij een verandering van staat, ten tijde eener Missie of eens Jubile\'s, of, indien het nog niet heeft plaats gevonden, minstens op het sterfbed. Maar legt gij wanneer ook een generale Biecht af, dan is het volstrekt noodzakelijk, dat gij niet enkel alles, wat gij hebt misdreven, met een groote oprechtheid biecht, maar ook ernstig tot verbetering zijt besloten. Zonder den ernstigen wil, uw leven te veranderen en God niet meer te belee-digen, baat een generale Biecht u even zoomin als een gewone Biecht; zij ware ongeldig en zou u in plaats van

70

-ocr page 75-

OVER DE GENERALE BIECHT.

71

de genade slechts den vloek Gods voortbrengen. Alzoo liever geen generale Biecht, hoe noodzakelijk en gewenscht zij ook is, dan een slechte generale Biecht. Maar hebt ge eenmaal een goede generale Biecht gesproken dan behoeft gij ze niet wear te herhalen, d. i. ge hebt niet meer noodig, de zonden, waarover gij u in een generale Biecht bereids hebt aangeklaagd, nogmaals te biechten. Met een goede generale Biecht is de zaak voor altijd afgedaan; want de zonden zijn vergeven, weshalve een herhaalde aanklacht daarover ounoodig is. Een gedurige herhaling van generale Biechten zou ook niet de ge-wenschte rust aanbrengen, maar uw twijfelingen en scrupules maar vermeerderen. Volgt in deze aangelegenheid den raad uws biechtvaders en stelt u volkomen gerust, dat hij u zegt, dat ge de zonden, waarover gij bereids een generale Biecht hebt afgelegd, niet meer behoeft te achterhalen. Hebt ge in de generale Biecht de een of ander zonde vergeten te biechten, dan doet dit niets ter zake; belijdt ze zoodra gij ze u herinnert in uw gewone volgende Biecht en alles is in orde. Evenwel doet ge goed, dat gij na een langer of korter verloop uws levens dikwij-ler een generale Biecht spreekt, telkens van dien tijd aanvangend, waarin gij de laatste generale Biecht hebt afgelegd. Op die wijze kunt gij ongeveer om de vijf of hoogstens om de tien jaren een generale Biecht verrichten. Aan Christenen, die zich op een volmaakt leven toeleggen, is ook de zooge-naamdejaariiec/it aan te bevelen; want deze Biechten leveren ons het bewijs, welke vorderingen wij elk jaar in het goede gemaakt hebben, versterken den geest van boetvaardigheid, verschaffen een grootere zuiverheid des harten en wekken op tot getrouwheid in den dienst van God en tot de volmaaktheid des levens. — Een geestelijke leeraar maakt melding in zijn boek over den zaligen dood van een edelman, die niet vroom en christelijk leefde. Als hij nu eenmaal in zich zeiven was gekeerd,

-ocr page 76-

72 OVER DE GENERALE BIECHT.

trok hij zich terug en hield geestelijke oefeningen, ten einde zijn geweten nauwkeurig te onderzoeken en een goede generale Biecht af te leggen. Nadat hij deze gewichtige zaak had volbracht, gevoelde hij een groote vreugde, en zoo dikwijls hij later aan deze Biecht dacht, ontsprongen tranen van blijdschap aan zijn oogen. Toen hij na vele jaren op zijn sterfbed kwam, betuigde hij openlijk aan alle omstanders :»Ik ware eeuwig ten gronde gegaan, en de vlammen der hel waren mijn aandeel geworden, hadde ik niet de roeping der goddelijke genade gevolgd en een generale Biecht gesproken. Wanneer ik aan deze Biecht denk, dan komt zij mij voor als een geleibrief in den hemel, als een onderpand der eeuwige zaligheid.quot; De stervende troostte hierop zijn jammerende vrouw en weenende kinderen met een rustig en blijd gelaat, vermaande hen, de zonde te vluchten en God ijverig te dienen. Een kwartier voor zijnen dood liet hij de goede voornemens, die hij bij zijn generale B echt had gemaakt en op geschreven, voorlezen. Bij elk daar • van straalde blijdschap uit zijn blikken, want hij was de gemaakte voornemens getrouw nagekomen, en zoo gaf hij onder alle teekenen eens goeden en zaligen doods den geest. Aand., doet, zooals deze edelman gedaan heeft : legt een goede generale Biecht af, houdt u aan de gemaakte voornemens en dient God met een onwankelbare trouw ; dan zult gij een zachteu dood sterven en zalig worden.

§ 7.

Over de voldoening.

Het vijfde stuk tot het Sacrament der Biecht is, zooals gij weet, de voldoening. Onder voldoening verstaat men

-ocr page 77-

OVER DB VOLDOENINS.

hier op de eerste plaats de boete of poenitentie, die de biechtvader ons oplegt. Met deze boete moeten wij ons echter niet tevreden stellen, maar ons er ook op toeleggen, door vrijwillige boetewerken aan de goddelijke gerechtigheid voldoening te geven. Ik moet u daarom de volgende vragen beantwoorden ;

I. Waarom wordt door den biechtvader een boete ons opgelegd ?

De boete, die de Priester ons oplegt, heeft een dubbel doel: de afboetiwj der tijdelijke zondensiraffen en de ver-beterinr/ onzes levens.

1) Wanneer wij het H. Sacr. der Biecht waardig ontvangen, dan worden de zonden en de aeuwige straffen der hel aan ons kwijtgescholden : er blijven echter in den regel nog tijdelijke strajfen, die wij op aarde dan wel in het vagevuur moeten afboeten, over. Daardoor onderscheidt de Biecht zich wezenlijk van het Doopsel; want hierdoor worden niet enkel de zonden en de eeuwige straffen, maar ook alle tijdelijke straffen vergeven. Daarom worden bij het Doopsel, ook indien volwassenen het ontvangen, nimmer boetewerken opgelegd; want deze waren geheel overdadig, wijl de goddelijke gerechtigheid volkomen verzoend en elke tijdelijke zondenstraf is uit-gewischt- Zou de gedoopte geen zonde meer bedrijven, dan zou hij aanstonds na zijnen dood in den hemel worden opgenomen. Anders is bet met het Sacr. der Biecht gelegen. Hier blijven gewoonlijk nog tijdelijke zonden-straffen, waarvoor wij aan de goddelijke rechtvaardigheid of op aarde dan wel in de zuiveringsplaats voldoening moeten geven, over.

Onze tegenpartij verwerpt deze katholieke leer en beweert, dat met de zonden steeds ook alle straffen, zoowel de tijdelijke als de eeuwige straffen worden kwijt gescholden.

73

-ocr page 78-

OVER DE VOLDOENING.

Maar dit spreekt de H. Schrift jnist tegen; want zij leert in vele voorbeelden, dat God wel de zondenschuld vergaf, maar toch nog tijdelijke straffen liet toekomen. Zoo schonk God aan de Israelieten op de voorbede van Mozes wel hun zware zonde kwijt, doch sloot hen toch buiten het beloofde land en liet hen in de woestijn omkomen. «Ik heb,quot; sprak Hij tot Mozes, (Num. 14, 20. 23. 20.) hun naar uw woord vergeven. Maar alle mannen, die mij nu tienmalen verzocht hebben, en naar mijne stem niet hebben gehoord, zullen het land, \'t welk Ik hunnen vaderen gezworen heb, niet zien. In deze woestijn zullen uwe lijken blijven liggen.quot; Zoo vergaf God aan Mozes den misslag, dien hij door zijn twijfel, of uit de rots wel water zou ontspringen, begaan had, maar strafte hem daarmede, dat ook hij het land Ghanaan niet mocht ingaan. (Num. 20, 12.) Zoo kondigde de Profeet Nathan in den naam van God den rouwmoedigen koning David de vergiffenis zijner zware misdaad aan, gaf hem evenwel te kennen, dat tot straf zijn zoon zou sterven. Hij sprak; (II. Kon. 12. 13. 14.) »Bominus quoque trans(ulii peccatum tuum, de Heer heeft uw zonde wel weggenomen,.. . verumtamen filius, qui natus est hhi) morie morietur, maar de zoon, die u is geboren, zal den dood sterven.quot; Indien nu God reeds in het Oude Verbond, toen er nog geen Sacr. des Doopsels bestond, den menschen, nadat de zondenschuld hun was vergeven, gewoonlijk nog tijdelijke straffen liet toekomen, wie zou dan nog kunnen twijfelen, dat Hij ook in het Nieuwe Verbond, waarin de zondaars wegens het misbruik van de genade des Doopsels zich voor Hem nog veel strafbaarder gedragen, niet zoo zou te werk gaan.

Dat ook in het Nieuwe Verbond degenen, die in het Sacrament der Biecht vergiftenis van zonden en van eeuwige straffen verkrijgen, gewoonlijk nog tijdelijke straffen hebben af te boeten, was altoos de leer der Kerk.

74

-ocr page 79-

OVER DE VOLDOENING.

75

Zij onderwierp daarom de zondaars, die de genade van het Doopsel hadden verloren, aan de strengste oefeningen van boete, ten einde hun gelegenheid te geven, hunne tijdelijke zondenatraffen uit te wisschen. » Door een lange en voortdurende boetvaardigheid,quot; zegt de H. Cyprianus, »moet God verzoend -worden.quot; Zeer schoon zegt de H. Aug.: »God houdt een drievoudig gericht jegens de zondaars en jegens de zonde; een gericht vol van barmhartigheid, een gericht vol van gestrengheid en gerechtigheid en een gericht gemengd van beide, d. i. waarin de strenge gerechtigheid door de barmhartigheid en de barmhartigheid door de strenge gerechtigheid is gewijzigd. Het eerste gericht vol barmhartigheid oefent Hij uit iu het Doopsel, waarin Hij gulweg door zijn genade den zondaar schuld en straf vergeeft; zonder eene voldoening te erlangen en den zondaar tot eene straf te veroordeelen, stort Hij zijn genade over hem uit. Het tweede gericht zal Jesus Christus bij het verschrikkelijke wereldoordeel, wat allerstrengst zijn zal, houden : want daarin zal Hij den zondaar laten zien, hoezeer Hij de zonde haat en verafschuwt, doordien Hij hem tot de eeuwige stralfen veroordeelt. ^iet derde gericht eindelijk is dat, wat Hij in het Sacr. der Biecht, waarin onze goedertierendste Heer zijne barmhartigheid en gerechtigheid tegelijk vertoont, uitoefent. De barmhartigheid, doordien Hij aan den zondaar de schuld vergeeft, de genade mededeelt en tegelijk de eeuwige straffen kwijtscheldt, d. i. doordien Hij hem van de hel, die hij verdiend heeft, bevrijdt. Hij wil echter tevens zijne gerechtigheid beoefenen, doordien Hij de eeuwige straffen in tijdelijke straften verandert. De zonde wordt kwijtgescholden, maar men moet boete doen.quot; Het Conc. v. Trente spreekt uitvoerig over deze geloofswaarheid en voert tevens redenen aan, waarom God wel in bet Doopsel, maar niet in de Biecht alle tijdelijke zonden-straffen vergeeft. » Het is,quot; zoo luiden de woorden,« geheel

-ocr page 80-

OVER DE VOLDOENING.

76

en al een dwaling1 en strijdig met het woord Gods, dat de schuld nimmer wordt vergeven, zonder dat ook de geheele straf wordt uitgewischt. Want er worden in de H. Schrift duidelijke en doorslaande voorbeelden, waardoor buiten de goddelijke Overlevering, deze dwaling zoo duidelijk mogelijk wederlegd wordt, gevonden. Inderdaad schijnt ook het wezen der goddelijke gerechtigheid te vorderen, dat daardoor anders in genade worden opgenomen degenen, die voor het Doopsel uit onwetendheid hebben gezondigd; anders degenen, die eenmaal van de slavernij der zonde en des duivels zijn verlost en na het geschenk des H. Geestes zich niet hebben ontzien, opzettelijk den tempel Gods te schenden en den H. Geest te bedroeven. Ook is het overeenkomstig de goddelijke barmhartigheid, ons niet zoo zonder eenige voldoening de zonden (in het Sacr. der Biecht) kwijt te schelden, dat wij, de zonden gering achtend, als vijandig en wederspan-nig tegen den H. Geest, bij voorkomende gelegenheid in grootere zonden hervallen en den toorn op den dag der wrake op ons laden.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 8.) Het Conc. geeft alzoo hiertoe gronden aan, waarom God wel in het Doopsel, maar niet ook in de Biecht, alle tijdelijke zon-denstraffen vergeeft. De zonden vóór het Doopsel \'■ujii niet zoo zwaar als die na het Doopsel; de eerste zonden zijn meer die uit zwakheid, de laatste meer zondeu uit boosheid. In het algemeen is de tweede zondenval steeds strafbaarder dan de eerste. Het is derhalve geheel overeenkomstig de wijsheid Gods, dat Hij ons in het Doopsel schuld en straf tegelijk vergeeft, in de Biecht echter een tijdelijke straf ons voorbehoudt. Vergaf Go.1 ons verder ook in de Biecht steeds alle tijdalijke straffen, dan zou licht plaats vinden, dat wij uit de zouden niet veel maakten en wij ze spoedig weder bedreven. God scheldt ons vandaar in het Sacr. der Biecht wel de zonden en de eeuwige straffen, maar niet altijd alle tijdelijke straffen

-ocr page 81-

OVER DE VOLDOENING.

kwijt, ten einde ons te doen verstaan, dat de zonde een bovenmate groot en strafbaar kwaad is en ons zooveel mogelijk voor liet hervallen bewaren.

Voor de tijdelijke zondenstraffen, die in het Sacr. der Biecht na de vergiffenis der zonden en de eeuwige straffen gewoonlijk nog overblijven moeten wij nu aan de ffoddejke gerechtiyleid voldoening geven, of met andere woorden wij moeten boetewerhen verrichten. Tegen deze katholieke geloofsleer maken de Protestanten een tweevoudig bezwaar ; zij zeggen : wij kunnen aan God geen voldoening geven, en het is ook geheel overdadig, wijl Jesus Christus voor ons voldaan heeft. Hierop is het antwoord ; wij kunnen wel is waar op geenerlei wijze uit eigen krachten voldoening geven ; want alle boete-werken hebben op zichzelf slechts een geringe waarde en zijn ons bovendien alleen met de genade Gods mogelijk. Maar onze werken van boetvaardigheid verkrijgen uit de overvloedige voldoening van Jesus Christus op een gelijke wijze hunne waarde als al onze oefeningen van deugd en goede werken hun verdienste en waarde putten uit de verdiensten van Jesus Christus. Zeer bepaald spreekt ook hier weder het Conc. v. Trente «De voldoening, die wij voor onze zonden geven, is niet dermate de onze, als of zij niet door Jesus Christus geschiedt ; wij kunnen niets uit ons zeiven, wij kunnen echter alles, indien Christus met ons werkt en ons versterkt. Van daar heeft de mensch geen reden, in zich zelf te roemen, maar alle roem is in Christus ; in Hem leven wij, in Hem verdienen wij, in Hem geven wij voldoening en werken wij waardige vruchten van boetvaardigheid. Al deze vruchten hebben van Hem hare kracht; Hij offert zich den Vader op, en om Zijnentwil worden zij door den Vader aangenomen.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 8.) Wij hunnen alzoo voor onze tijdelijke zondenstraffen voldoening geven; want onze boetewerken hebben hun

77

-ocr page 82-

OVER DE VOLDOENING.

waarde en hun verzoenende kracht uit de voldoening van Christus. Ook moeien wij echter voldoening geven ; want ofschoon Christus voor onze zonden overvloediglijk voldaan heeft, zoo baat deze voldoening toch slechts aan degenen, die zich door boetewerken daaraan deelachtig maken. Het is met de voldoening van Christus eveneens gelegen als met het geheele werk der Verlossing. Christus heeft ons verlost van de zonde en de eeuwigre ver-doemenis en voor ons de eeuwige zaligheid verdiend; maar niet in dien zin, als of wij de handen rustig in den schoot kunnen nederleggen en volstrekt niets meer behoeven te doen; wij moeten veeleer met zijn genade ijverig medewerken en doen, wat Hij ons tot het verkrijgen der eeuwige zaligheid heeft voorgeschreven. Christus heeft voor ons overvloedig voldaan, maar deze voldoening baat ons, indien wij niet zelf voldoen zooveel wij kunnen, zoo weinig als de kostelijkste artsenij den zieke baat, indien ze niet gebruikt wordt. Daarom zegt Christus: (Luc. 13, 5.) nSi poeniieniiam non egeritis, indien gij niet boete doet, omnes similiter peribitis, zult gij allen op gelijke wijze omkomen.quot; Wij moeten derhalve, Aand., de door . den biechtvader ons opgelegde boete vlijtig verrichten, opdat wij aan God voor onze zonden voldoening geven en zijne barmhartigheid ons waardig maken. Hij geeft ons wel is waar in het Sacr. der Biecht kwijtschelding van de zonde en de eeuwige straffen, maar alleen onder voorwaarde, dat wij den oprechten wil hebben zelf ook Hem voldoening te geven. Hebben wij nu het H. Sacr. der Biecht ontvangen, dan moeten wij onzen wil in het werk stellen en de poenitentie ons opgelegd zoo goed mogelijk volbrengen. Doen wij dit, dan zal God ons ook de tijdelijke straffen geheel of minstens gedeeltelijk kwijtschelden.

Doch wij hebben nog een anderen grond, waarom wij nauwkeurig de door den Priester opgelegde boete moeten

78

-ocr page 83-

OVER DE VOLDOENING.

79

verrichten en dit is de verbetering omes levens. De poe-nitentie is een straf en reeds in zoover is zij een verbe-teringsmiddel; want straf schrikt af van het kwaad. Wanneer de biechtvader ons een boete oplegt, dan spreekt hij, zoo ook al niet met woorden, toch in de daad tot ons: »Zie, deze straf hebt ge voor uw zonden te dragen, ga nu heen en zondig niet weer, opdat u niet iets ergers wedervare!quot; Indien de boeteling dit evenzoo liefdevol als ernstige woord ter harte neemt, dan zal hij zich voor de zonde wei in acht nemen. •—■ Wijl de door den Priester opgelegde poenitentie een tuchtiging is, daarom weder-streeft zij onze zinnelijke natuur en wij moeten ons min of meer geweld aandoen, om ze behoorlijk te volbrengen. Dit heeft echter op de verbetering des levens den welda-digsten invloed; want hoe meer wij onze zinnelijkheid dooden, des te vrijer wordt onze geest; des te gemakkelijker kunnen wij alzoo de verschillende bekoringen overwinnen en ons voor de zonde hoeden. Bovendien zijn alle poenitenties, die de biechtvader ons oplegt, oefeningen van deugd en goede werken en bijgevolg krachtige ver-beterings middelen ; want hoe meer wij ons in het goede oefenen, des te zwakker worden in ons de booze neigingen, des te meer wast en versterkt in ons hart de christelijke ijver en de liefde Gods, des te zekerder zijn wij bijgevolg voor de hervalling. »Zonder twijfel,quot; merkt daarom het Conc. v. Trente op, »trekken deze voldoe-nende straffen de boetelingen bijzonder van de zonde af, houden ze als met een zekeren toom in bedwang en maken zij voor de toekomst voorzichtiger en waakzamer ; zij heelen ook de overblijfselen der zonden en wisschen de door een boos leven verkregen zondige gewoonten door de tegenover gestelde oefeningen van deugd uit.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 3.) De boeten, die de Priester oplegt, bestaan in de drie bekende werken: in bidden, vasten en aalmoezen geven. Elk dezer drie werken is een krachtig

-ocr page 84-

OVER DE VOLDOENING.

middel tot verbetering. Door het gebed kunnen wij elke genade, bijgevolg ook de genade van volharding in het goede verkrijgen. Het is in bijzonder het gebed, dat Christus als middel tot overwinning der bekoringen aanduidt, doordien Hij zegt: (Matth. 26, 41.) » Vigil ate, et orate ut non intretis in tentationem, waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt.quot; «Waar geen gebed is,quot; zegt een geestelijk leeraar, »daar gaat alles op eens achterwaarts; aanstonds sluipt de lauwheid binnen, de ziel wordt moedeloos en zwak ; terstond verdwijnen alle heilige voornemens en geaardheden en alle hartstochten ontwaken.quot; Het aanhoudend en vurig gebed echter verwekt vrome gedachten, versterkt de goede voornemens, maakt hemelsch-gezind en bewaart ons in die heilige stemming, welke maakt, dat wij niets meer verafschuwen en vreezen dan de zonde. Hetzelfde laat zich van het vasten zeggen. «Het vasten,quot; zegt de H. Aug., «zuivert het gemoed, verheft den zin, onderwerpt het vleesch aan den geest, vermurwt en verootmoedigt het hart, verstrooit den nevel der zinnelijkheid, bluscht het vuur van den wellust en ontsteekt het licht der kuischheid. Het vasten is een teugel der lusten en versterving onzer hartstochten, een tucht des levens, een smoren onzer begeerlijkheid.quot; Ook het geven van aalmoezen is een heerlijk middel ter verbetering ; want dit werk wortelt in de liefde, die, zooals de Apostel zegt, de band is der volmaaktheid. Bovendien staan hem, die gaarne aalmoezen geeft, groote genaden te wachten volgens het woord van den koninklijken Profeet : (Ps. 40, 2.) »Beatus qui intellegit super egenum et pauperem, gelukzalig hij die den behoeftige en arme gedenkt ; in die mala liberahit eum Domiuus, ten kwaden dage zal de Heer hem verlossen.quot;

Om een degelijke verbetering des te zekerder tot stand te brengen, neemt de biechtvader bij het opleggen der poenitentie de geaardheid der zonde alsmede de gesteldheid

80

-ocr page 85-

OVER DE VOLDOENING.

en den toestand der boetelingen in aanmerking en snhrijft aan een ieder zoodanige boeten voor als zij hem tot het behoeden voor het hervallen het geschiktst voorkomen. Zoo legt hij den hoovaardige, gierige, onkuische, gramstorige bepaalde oefeningen of betrachtingen als boete op; den hoovaardige bijv. laat hij het voorbeeld van Jesus dagelijks eenige oogenblikken overwegen; den gierige schrijft hij aalmoezen voor en geeft hem de woorden van Jesus in overweging; »Wat baat het den mensch, indien hij de gansche wereld wint en zijner ziele verlies lijdt den onkuische legt hij op, bij elke verzoeking de heiligste namen aan te roepen en te behartigen dat ernstige woord : »Kort duurt wat vermaakt, eeuwig, wat brandtden gramstorige beveelt hij bij elke opwelling van toorn zijne oogen des lichaams of des geestes op het beeld van den Gekruiste te slaan en te bidden ; »O mijn gekruiste Zaligmaker, schenk mij een zachtmoedig hart! »Of hij legt den biechteling als boete op, alle dagen \'s morgens een paar Wees Gegroeten te bidden, met het bijzonder voornemen, deze of gene zonde gedurende den dag zorgvuldig te vermijden. Indien deze en dergelijke boeten zorgvuldig verricht worden, zullen zij haar doel zeker bereiken, de boeteling zal voor de hervalling bewaard blijven en zijne verbetering zal degelijk en volhardend wezen.

Dit ia alzoo, Aand., de tweevoudige grond, waarom de biechtvader ons een boete oplegt; wij moeten door het vlijtig nakomen dezer boete onze tijdelijke zondenstraffen zooveel mogelijk afboeten en tevens ons leven verbeteren en God niet meer beleedigen.

II. Wat moet ons bijzonder aansporen de door den biechtvader ons opgeleyde boete vlijtiy te volbrengen ?

1) Daartoe moet reeds de jehoorzaamheid, die wij aan

G

81

-ocr page 86-

OVER DE VOLDOENING.

den biechtvader verschuldigd zijn, ons aansporen. Christus heeft aan zijne Apostelen en hunne opvolgers de macht niet enkel te ontbinden maar ook om te hinden opgedragen. (Matth. 18, 18 ) Daaruit volgt van zelf, dat de biechtvaders de macht hebben, den zondaar, indien zij hem ook van zijne zonden ontslaan, zekere verplichtingen en vandaar ook boetewerken op te leggen. Deze macht kennen ook alle Kerkvaders hun toe. Zoo zegt, om er slechts éen aan te halen, de H. Leo: »De Middelaar tusschen God en de menschen heeft aan de bedienaren der Kerk de macht verleend, dat zij den biechteling boetewerken opleggen en ze, nadat zij door een heilzame voldoening zijn gezuiverd, tot het deelnemen aan de Geheimnissen door de deur der wederverzoening toelaten.quot; De biechtvaders hebben niet enkel het recht, maar zelfs de verplichting, dat zij den biechtelingen een boete opleggen. God wil ons namelijk in het H. Sacr. der Biecht niet weer zooals vroeger in het Doopsel onze zonden zonder alle voldoening kwijtschelden; Hij vordert, dat wij de tijdelijke zondenstraffen door werken van boetvaardigheid uitwis-schen. Wilde derhalve een biechtvader van de hem verleende macht geen gebruik maken en ons zonder poenitentie absolveeren en laten heengaan, dan deed hij klaarblijkelijk tegen den wil van God en maakte zich aan zonde schuldig. Vandaar verlangt ook het Conc. v. Tr. uitdrukkelijk, dat de Priester iederen biechteling een passende boete oplegge. Indien derhalve de Priester het recht en de verplichting heeft, u een poenitentie op te leggen, wat volgt hieruit voor u anders dan de plicht, deze boete aan te nemen en nauwkeurig te volbrengen. Zoudt gij dien plicht niet nakomen, dan zondigdet gij duidelijk tegen de gehoorzaamheid, die gij aan den biechtvader verschuldigd zijt.

2) Maar nog meer; wilt gij de opgelegde boete niet volbrengen, dan zou uw Biecht zelf ongeldig hunnen zijn. Dit ware het geval, indien gij reeds voor de absolutie

82

-ocr page 87-

OVEH BE VOLDOENING.

niet den wil zoudt hebben, de boete, die u wordt opgelegd, te volbrengen. Indien gij bijv. op het oogenblik, dat de Priester u de poenitentie oplegt, zoudt denken : die poeneutie volbreng ik niet, dan ware de door den Priester u medegedeelde absolutie nietig voor God, en gij ontvingt bet H. Sacr. der Biecht ongeldig en heiligschennend. De reden hiervan is, wijl de wil, voldoening te geven, een noodzakelijk bestanddeel is van het Sacr. der Biecht, en God aan niemand, wien deze wil ontbreekt, de zonden vergeeft. Hieruit volgt, dat de Priester u volstrekt niet zou kunnen absolveeren, indien gij hem verklaardet, de opgelegde boete niet te zullen volbrengen. Zou de Priester u eene boete opleggen die gij wegens bijzondere omstandigheden in het geheel niet of toch zeer moeilijk kunt verrichten, dan moogt gij hem om een andere boete vragen, en hij zal uw verzoek, indien hij het overigens als gegrond erkent, zeker inwilligen. Verder gaat echter uw macht niet; ge moogt uw poenitentie niet naar believen veranderen, zelfs nist in een betere; want het bepalen der boete is een uitsluitend recht des Priesters, dat hem als rechter toekomt. Een ander Priester kan de poenitentie alleen veranderen in geval, dat gij bij hem biecht, en hij voor die verandering gewichtige gronden heeft.

Indien gij voor de absolutie den wil hebt, de opgelegde poenitentie te volbrengen, maar ze naderhand geheel of gedeeltelijk verwaarloost, dan is de Biecht daarom wel niet ongeldig, maar gij begaat een zonde, die naar de omstandigheden een doodzonde of een dagelijksche zonde zijn kan. Gij begaat een doodzonde, indien gij de boete, die u voor gebiechte zware zonden is opgelegd, of in \'t geheel niet verricht, dan wel een beduidend deel daarvan achterwege laat. Iemand bijv. biecht een zonde van onkuischheid, waarvoor de Priester hem als boete

83

-ocr page 88-

OVER DE VOLDOENING.

84

een rozenkrans oplegt. Zoudt ge nu den rozenkrans niet bidden, dan begaat ge een doodzonde, omdat ge de poenitentie voor een gebiechte doodzonde verwaarloost. Legt de Priester iemand gedurende een maand dagelijks vijf Onze Vaders als boete op, en hij bad deze vijf Onze Vaders alleen de eerste veertien dagen, dan maakte hij zich weder aan een zware zonde schuldig, omdat hij een beduidend deel der boete, die hij voor een doodzonde heeft bekomen, niet verrichtte. Zou hij deze vijf Onze Vaders gedurende de maand slechts een paar keer niet bidden, dan bedreef hij slechts een dagelijksche zonde, omdat dit in verhouding tot het geheel maar een klein deel is. Zou iemand enkel uit vergetelheid of om een onvermijdelijke hinderpaal de boete niet volbrengen, dan beging hij, zooals van zelf spreekt, geen zonde, omdat het achterwege laten der boete niet schuldig ware. Krijgt ge een dagelijksche boete op, dan behoort ge, om ze niet te vergeten, die alle dagen zooveel mogelijk op een bepaalden tijd, het best des morgens, te verrichten. — Hier moet ik nog opmerken, dat de opgelegde boete aan den persoon is verbonden en door geen ander kan volbracht worden. De boete is evenals het berouw, het voornemen en de belijdenis een bestanddeel van het Sacr. der Biecht; zoomin derhalve een ander in uw plaats het berouw met het voornemen verwekken of uwe zonden kan biechten, zoomin kan een ander voor u de opgelegde poenitentie volbrengen. Ge moogt alzoo in de Biecht wat ook voor poenitentie erlangen, gij moet zelf deze boete verrichten. Legt bijv. de Priester u een aalmoes al? boete op, dan voldeedt ge niet aan uwen plicht, indien een ander in uw plaats de aalmoes gave; wel echter kunt ge de aalmoes, die gij van uw vermogen neemt, door andere handen laten uitdeelen. Wijl derhalve het verrichten der opgelegde boete een strenge plicht is en het ver-

-ocr page 89-

OVER DE VOLDOENING.

waarloozen ervan een zware zonde zoude kunnen zijn en zelfs de Biecht ongeldig kan maken, daarom moet gij ze nauwkeurig volbrengen.

3) Een verdere reden daartoe moet voor u wezen het fjroote nut, waarmede het nauwkeurig volbrengen der opgelegde poeniteniie is verbonden. De door den Priester opgelegde boete is een bestanddeel van het Sacrament ; zij heeft vandaar een sacramenteele kracht en werkt even-aoo onfeilbaar als de priesterlijke absolutie. Zooals de absolutie des Priesters, aangenomen, dat ge behoorlijk gesteld zijt, onfeilbaar de kwijtschelding der zonden en der eeuwige straffen uitwerkt, evenzoo onfeilbaar bewerkt de door hem opgelegde poenitentie de volledige of gedeeltelijke kwijtschelding der tijdelijke straffen. Anders is het gelegen met de boetewerken, die gij u zeiven oplegt; deze zijn wel goed en heilzaam, en ge moet er u, zooals wij later zullen hooren, ijverig op toeleggen, maar zij zijn niet zoo onfeilbaar en in dien graad werkzaam, als de door den Priester opgelegde boete, omdat zij hun kracht niet van het Sacrament hebben. Zoo kan het wel zijn dat gij met vijf Onze Vaders eener sacramenteele boete meer tijdelijke zondenstraffen uitwischt dan met een rozekrans, dien gij u zelf als boete oplegt. Wat spoorslag moet dit voor u niet wezen, dat gij de door den Priester opgelegde boete nauwkeurig volbrengt.

4) Eindelijk, overweegt de strenge boeten, die de Kerk in de vorige tijden placlit op te leggen; want ook dit zal voor u een beweeggrond zijn, de lichte boeten, die men u geeft, nauwkeurig en bereidwillig te verrichten. In vroegere tijden werden degenen, die zich aan zware misslagen hadden schuldig gemaakt en zich met God wilden verzoenen, gewoonlijk op Aschwoensdag onder het getal der boetelingen opgenomen. Als boetelingen hadden zij vier klassen door te te loopen. Tot de eerste klasse behoorden de weenenden. Dezen moesten bij de

85

9

-ocr page 90-

OVER DE VOLDOENING.

86

godsdienstige samenkomsten buiten de kerkdeur verwijlen en in zak en asch aan de binnentredende geloovigen wegens hun gegeven ergernissen om vergeving en hun voorbede smeeken. Nadat zij twee of meedere jaren in deze klasse hadden doorgebracht, werden zij in de klasse der hoorenden opgenomen. Zij mochten thans de kerk weder betreden, maar moesten in het voorportaal onder de Catechumenen staan blijven, en zich, wanneer de Mis der geloovigen begon, uit de kerk verwijderen. Daarop volgde de klasse der knielenden. Aan hen was het geoorloofd, in het ruim der eigenlijke kerk voort te treden, moesten echter bij de opoffering eveneens de kerk verlaten. In de vierde klasse bevonden zich de staanden. Dezen stonden van de geloovigen afgezonderd en mochten het H. Misoffer bijwonen, evenwel niet ten offer en tot de H. Communie gaan. De boetelingen moesten eveneens, ook wanneer zij te huis waren en hun bezigheden verrichtten, een boetekleed dragen en dikwijls, het hoofd ontbloot en met asch bestrooid, barrevoets loopen. Zij mochten geen feestmaaltijd houden, geen wijn drinken, geen vleesch eten en gedurende den boetetijd niet huwen; zij moesten hun tijd in gebed, vasten, waken en andere boeteoefeningen doorbrengen. Deze boete, waarvan geen stand en waardigheid verschoonde, duurde vaak drie, vijf, zeven, vijftien en twintig jaren, ja niet zelden zelfs tot den dood. Ik zal u hier slechts eenige voorbeelden aanhalen, om u te doen zien, wat strenge boeten de Kerk toenmaals oplegde. Wie tegen éen der zeven hoofdzonden zich grootelijks had bezondigd, moest zeven jaren boete doen. Wie een valschen eed aflegde, moest veertig dagen op water en brood vasten en vervolgens zeven jaren lang een strenge, den overigen levenstijd echter een ietwat lichtere boete op zich nemen. Wie op een Zon- of Feestdag slaafschen arbeid verrichtte, moest drie dagen, Yvde éénmaal het kerkelijk vastengebod overtrad, twintig

-ocr page 91-

OVER DE VOLDOENING.

dagen op water en brood vasten. Wie God, de zaligste Maagd of een Heilige openlijk lasterde, moest zeven Zondagen voor de kerkdeur staan, op den laatsten Zondag met bloote voeten en een koord om den hals, verder moest hij op water en brood vasten zeven Vrijdagen, en op elk dezer dagen een, twee of drie armen spijzen ; was hij zelf arm, dan moest hij in plaats van de armen te spijzigen een ander boetewerk verrichten. Wie in een kerk, waarin godsdienstoefening werd gehouden, onnoo-dig pSaatte, moest tien dagen op water en brood boete doen. Wie zijn ouders een beleediging toevoegde, dien werd een driejarige boete opgelegd. Aan een driejarige boete werden ook vrouwen onderworpen, die hun aangezicht blanketten, om aan mannen te behagen. Ziet) Aand., zoodanige strenge boeten legde de Kerk in vroeger tijden den zondaars op. Geheel kleine, onbeduidende fouten moesten destijds strenger geboet worden, dan heden ten dage de zwaarste vergrijpen en misdaden. Indien gij dit wel overweegt, zult ge dan de lichte boeten, die u tegenwoordig worden opgelegd, niet gaarne verrichten ? Waart ge niet zeer strafbaar voor God, indien gij zoodanige lichte zaken, die de Priester u voorschrijft, zooals eenige gebeden, een kleine versterving, een liefdewerk zoudt verwaarloozen ? Neemt u alzoo ernstig voor, dat ge in de toekomst de door den Priester opgelegde boete telkens ijverig en stipt zult vervullen, opdat gij u de barmhartigheid Gods waardig betoont en kwijtschelding uwer tijdelijke zondenstraffen erlangt.

III. Wanneer moeten wij de door den Priester opgelegde boete volbrengen ?

1) Hier valt voor alles op te merken : heeft de Priester den tijd, wanneer de boete moet volbracht worden, bepaald, dan moet gij u stipt aan dien tijd houden;

87

-ocr page 92-

OVER DE VOLDOENING.

want de Priester heeft het recht, niet enkel in het algemeen een poenitentie op te leggen, maar ook den tijd voor te schrijven, wanneer zij moet verricht worden. Krijgt ge derhalve bijv. tot boete op, eiken Zaterdag een rozenkrans te bidden of te vasten, dan moet gij dit boetewerk juist op Zaterdag volbrengen, en ge voldeedt niet aan uw verplichting, indien ge op een anderen dag den rozenkrans zoudt bidden of vasten. Slechts dan, indien een verhindering zou ontstaan, die u het op een bepaalden tijd te verrichten boetewerk onmogelijk maakte of toch buitengewoon bemoeilijkte, moogt gij het op een ander tijd volbrengen ; want in dit geval is het aan te nemen, dat de biechtvader daartoe zijne inwilliging verleent. Heeft de Priester u een boete voor alle dagen tot aan de naaste Biecht gegeven, bijv. een Onze Vader en een Wees Gegroet, dan moet gij deze boete dagelijks volbrengen, en het zou niet recht zijn, indien gij die Onze Vaders en Wees Gegroets te gelijk op eens bidden of ze voor eenigen tijd achterwege laten en ze dan weder zoudt achterhalen. De biechtvader heeft met de dagelijksche poenitentie hoofdzakelijk de verbetering des biechtelings op het oog; dit doel wordt evenwel niet bereikt, indien men deze dagelijksche boete niet ook dagelijks zou verrichten. Indien ge een dagelijksche boete een en andermaal vergeet te volbrengen, dan is dit geen zoude; in dit geval moet ge de boete achterhalen ; verwaarloost gij echter de dagelijksche boete meermalen uit lichtzinnigheid of lauwheid, dan begaat ge ieder keer een zonde.

2j Heeft de biechtvader voor de opgelegde poenitentie geen tijd bepaald, dan moet gij ze zoo spoedig mogelijk volbrengen. Als regel geldt hier, dat de poenitentie voor de H. Communie worde volbracht, indien zij namelijk van dien aard is, dat zij aanstonds kan gedaan worden. Kan zij voor de Communie niet worden nagekomen.

88

-ocr page 93-

OVER DE VOLDOENING.

dan moet dit later, zoodra de omstandigheden het toelaten, geschieden. Dit eischt reeds de boeteijver, waarmede men na de Biecht moet bezield wezen; want het ware inderdaad een hoogst afkeuringswaardige lauwheid en onverschilligheid, indien gij de boete van den eenen tijd tot den ander zoudt verschuiven, üe poenitentie is verder een schuld, die gij aan de goddelijke rechtvaardigheid hebt te voldoen; met de betaling der schulden moet men echter niet zuimen, maar ze zoo spoedig mogelijk voldoen. De poenitentie heeft eindelijk ook tot doel, u voor het hervallen te bewaren. Zoudt ge ze nu lang uitstellen, dan stelt ge u aan het gevaar bloot, in de oude zonden terug te vallen, omdat gij van een der krachtigste middelen, u tegen het hervallen in zekerheid te stellen, geen gebruik maakt. Zoudt ge eene voor zware zonden opgelegde boete eenige weken zonder een gewichtigen grond verschuiven, dan ware dit volgens de meening der meeste godgeleerden een beduidend uitstel en bijgevolg een groote zonde.

Is er voor de poenitentie geen tijd bepaald, toch moet men ze minstens dan volbrengen, wanneer men nog in staat van yenade is. Men voldoet wel aan zijn plicht, wanneer men de poenitentie in staat van zonde verricht, maar het nut der boete gaat veel verloren, wijl men daardoor de tijdelijke zondenstraften niet meer kan uit-wisschen. Let derhalve op deze regelen: heeft de Priester voor de boete een tijd bepaald, houdt u dan nauwkeurig aan dien tijd ; heeft hij daartoe geen tijd bepaald, volbrengt ze dan aanstonds na de Biecht of zoo spoedig mogelijk; geeft ook steeds daarop acht, dat ge ten tijde, als gij de poenitentie verricht, in staat van genade zijt.

Thans heb ik u alles verklaard, wat ge moet weten en nakomen, om de door den Priester opgelegde boete te verrichten. Met \'deze door den Priester opgelegde boete moet gij u echter niet tevreden stellen, maar ook nog

89

-ocr page 94-

OVER DE VOLDOENING.

vrijwillige boeten op u nemen, waarover wij nader zullen spreken.

IV. Waarom moeten wij ons zeiven boete opleggen ?

1) Wij moeten ons zeiven een boete opleggen, wijl de door den Priester ons opgelegde poenitentie tot delginy onzer tijdelijke zondenstraffen meestal niet toereikend is. Zooals wij vernomen hebben, werden in de vorige tijden der Kerk den boetelingen zeer strenge boeten opgelegd ; elke zonde moest door het aanvaarden van bezwaarlijke en vaak zeer langdurige boetewerken worden uitgewischt. Heden ten dage heeft dit niet meer plaats; de boeten, die de biechtvaders opleggen, staan met de bedreven zonden meestal volstrekt in geen verhouding; immers hoe gering is de boete, indien iemand, die vele doodzonden begaan heeft, een of twee rozenkransen, of eenige Onze Vaders voor vele weken of andere lichte oefeningen bekomt ? — Waarom is echter de Kerk van hare voormalige gestrengheid afgegaan? Waarom legt zij slechts nog maar zulke lichte boetewerken op ? Meent zij wellicht, dat men voorheen jegens de boetelingen te streng gehandeld en ze uit een overdreven gestrengheid met zoodanige bezwaarlijke boetewerken heeft geplaagd? Geenszins; zij weet zeer goed, dat strenge boete-oefeningen noodzakelijk zijn, om aan de goddelijke gerechtigheid voldoening te geven en de tijdelijke zondenstraffen uit te wisschen. De reden, waarom de Kerk tegenwoordig geen strenge boeten meer oplegt, is alleen in den verkoelden ijver der Christenen te zoeken. Zoo zij tegenwoordig nog met de oude, bovenmate strenge boetewetten voortging, dan zou dit de kwaadste gevolgen na zich sleepen. Velen zouden volstrekt niet meer biechten, om de strenge boete, die hen stond te wachten, niet te moeten verrichten en willicht nog meerderen zouden de boete verwaarloozen, omdat zij aan hunne zinne-

90

-ocr page 95-

OVER DB VOLDOENING.

lijkheid te zwaar viel. Op deze wijze zouden de strenge boeten oorzaak wezen, dat vele Christenen eeuwig ten gronde gingen. Dit weet de Kerk; daarom legt zij thans slechts lichte boete op en zendt de biechtelingen liever naar het vagevuur dan naar de hel.

Maar juist omdat de tegenwoordige door den Priester opgelegde boeten zoo gering zijn, verwacht de Kerk van de biechtelingen, dat zij zich zeiven boeten opleggen, om datgene, wat aan de sacramenteele boete ontbreekt, door het op zich nemen van vrijwillige boetewerken zooveel mogelijk aan te vullen. Aan deze verwachting der Kerk moet gij, Aand., met allen ijver beantwoorden; want God is rechtvaardig en gij moet Hem voldoening geven, indien Hij u geheel zal kwijtschelden. Boet gij de tijdelijke zondenstraffen niet op deze wereld af, dan blijft niets anders u over, dan dat gij ze eenmaal in het vagevuur afboet. Ge zult van de straf des vaerevuurs niet eer-der ontslagen worden, voor dat gij tot den laatsten penning toe zult voldaan hebben. — Moet deze ernstige waarheid uw boeteijver niet verlevendigen en ontvlammen ? Wat is de strengste boete op aarde tegen de pijnen des vagevuurs ? Alle H. Vaders komen hierin overeen, dat er op aarde niets zoo smartelijks en pijnlijks bestaat, dat aan het lijden, wat de arme zielen in het reinigs-oord hebben te verduren, nabij komt. Indien gij alzoo tusschen twee kwaden hebt te kiezen, eischt dan de voorzichtigheid niet, dat gij het minste kiest ? Is het niet veel raadzamer, de kleine moeilijkheden, waarmede de beoefening van boetewerken is verbonden, op zich te nemen, dan de ontzaglijke pijnen des vagevuurs te lijden? Hier kunt gij door boete, die gij eenige dagen verricht, zondenstraffen, waarvoor gij in het vagevuur wellicht vele jaren lang zoudt te lijden hebben, uitwisschen ; ja, het een of ander boetwerk, wat ge met den rechten ijver volbrengt, kan wellicht al uw tijdelijke zondenstraffen

91

-ocr page 96-

OVER DE VOLDOENING.

delgen en u, indien gij geene nieuwe schulden meer maakt, van het vagevuur geheel vrij maken. Ware het dan niet de grootste dwaasheid, indien gij de hnetewer-ken zoudt verwaarloozen ? Bedenkt verder, indien gij op deze wereld tot af boeting uwer zondenstraffen een groo-ten ijver aan den dag legt, dan zal God eenmaal genadig met u te werk gaan; want uw ijver verwerft u zijn welgevallen en heeft aanspraak op zijne barmhartigheid. Maar zoo gij u geen moeite geeft, voor uw zonden boete te doen, dan zal God jegens u zijne gestrengheid laten gelden; Hij zal u zeggen : omdat gij in het afboeten uwer zondenstraffen zoo traag zijt geweest gedurende uw aardsch leven, toen Ik bereid was u te vergeven, daarom zult gij thans mijne gerechtigheid ondervinden en in het reinigingsoord zoolang moeten verwijlen, tot dat gij den laatsten penning betaald hebt. Ach, welk een smart zal het u daar veroorzaken, dat gij in uw lichamelijk leven zoo weinige boetewerken hebt verricht !

Maar dit is nog niet alles; wanneer gij in het verrichten van vrijwillige boetewerken nalatig zijt, dan berooft gij u ook van vele verdiensten voor den hemel. De arme zielen kunnen wel krachtens hun lijden in het vagevuur de tijdelijke straffen van lieverlede afboeten ; maar meer is hun niet mogelijk. Alsdan kan niets meer verdiend worden ; zij kunnen derhalve hoeveel zij ook lijden, geen verdienste voor den hemel verzamelen, hun zaligheid niet in het minst verhoogen. Anders is het in het tegenwoordige leven. Hier hebben alle boetewerken, die wij ondernemen, een tweevoudig nut: zij wisschen de straffen des vagevuurs uit en verdienen voor ons tegelijk een grooter glorie in den hemel. Hoe ijveriger gij alzoo boete doet, des te minder hebt ge eens in het vagevuur te lijden en des te grooter loon wacht u tevens in den hemel. En hoe, gij zoudt de handen rustig in den schoot leggen en de werken van boete verwaarloozen ? Is niet

92

-ocr page 97-

OVER DE VOLDOENING.

de geringste vermeerdering der eeuwige zaligheid van zoo\'n hooge waarde, dat het niet te veel zou wezen, als wij tot het verkrijgen daarvan ons geheele leven de strengste boete deden ? — Eindelijk moet gij niet vergeten, dat het verwaarloozen van vrijwillige boete oefeningen zelfs uw eeuwig heil m gevaar brengt. Wie alle gestrengheden schuwt en het niet van zich kan verkrijgen, zijne zinnelijkheid geweld aan te doen, die zal bezwaarlijk in staat zijn, de vele bekoringen, die hem dan hier dan daar aanvallen, te overwinnen en zich voor het hervallen te bewaren. Bovendien zal God hem wegens zijn lauwheid en weekelijkheid zijn genade spaarzamer laten toevloeien, en zoo kan het licht gebeuren, dat hij in zijn oude zonden terugvalt en zich van zijnen val wellicht nimmer meer opbeurt. Ge hebt derhalve, Aand., de sterkste beweegredenen, dat gij u vrijwillige boeten oplegt; want wildet ge u met de geringe boete des biechtvaders tevreden stellen, dan zoudt gij u een langdurig en hoogst smartelijk vagevuur bereiden, uwe toekomstige zaligheid in den hemel voor u verminderen, ja, u aan het gevaar blootstellen, als hervallende zondaar verloren te gaan.

V. Welke boete moeten wij ons zeiven opleggen?

De boete, die wij ons zeiven moeten opleggen, zijn de drie bekende werken: hidclen, vasten en aalmoezen geven en buitendien heel bijzonder geduld in lijden en bedruktheid des levens. Onder bidden verstaat men hier niet enkel het mondelinge en inwendige gebed, maar ook alle oefeningen vati aandacht en godsvrucht, als het kerkbezoek, het bijwonen der H. Mis, het aanhooren van Gods woord, de aanbidding van het Allerheiligste Altaarsacrament, de vereering der Zaligste Godsmoeder en der Heiligen, de geestelijke lezing en de overweging, het dikwerf ontvangen der H. Sacramenten, het dagelijksche

93

-ocr page 98-

OVER DE VOLDOENING.

gewetens-onderzoek enz. Het vasten bevat in zich alle uitwendige en inwendige verstervingen, alzoo niet enkel de afbreuk in eten en drinken en de onthouding van vleeschprijzen, maar ook de beteugeling der zintuigen, zooals de oogen, ooren, tong, het nachtwaken, de onttrekking aan een geoorloofd genoegen, de onderdrukking eener ongeregelde neiging en dergelijke. Tot het geven van aalmoezen eindelijk behooren alle geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid.

Dat deze drie goede werken boetemiddelen zijn tot delging onzer tijdelijke zondenstraffen, ligt in de natuur der zonde. Door drie dirgen plegen wij God te beleedigen, daardoor namelijk, dat wij van de stoffelijke goederen van het lichaam en de ziel misbruik maken. Het is daarom heel passend, dat wij God door deze drie dingen weder zoeken te verzoenen, doordien wij door elk daarvan een offer brengen. Dit geschiedt nu door bidden, vasten en aalmoezen geven. Door het gebed offeren wij aan God onze ziel, door het vasten ons lichaam en door het aalmoezen geven onze stoffelijke goederen. Verder zondigen wij of tegen God, of tegen ons zelven, of tegen den naaste. Tot verzoening onzer zonden zijn volgens deze drievoudige opvatting de genoemde drie werken weder zeer geschikt; want door bidden voldoen wij voor de zonden, die wij tegen God, door het vasten voor de zonden, die wij tegen ons zelven en door het geven van aalmoezen voor de zonden, die wij tegen den naaste begaan hebben. Deze drie werken worden ons ook in de H. Schrift zeer dikwijls alle boetemiddelen aanbevolen. Zoo sprak de Engel tot Tobias: (12, 8. 9.) »Het gebed met vasten en aalmoezen is beter dan schatten gouds ophoopen ; want de aalmoes redt van den dood en zij is het, die van zonden reinigt en maakt, dat men barmhartigheid en het eeuwige leven vindt.quot; Hetzelfde leeren ook de H. Vaders. «De boete,quot; zegt de H. Cyprianus,

94

-ocr page 99-

OVER DE VOLDOENING.

»moet niet minder zijn dan de misdaad. Men moet aanhoudend bidden en smeeken, dag en nacht, aan de tranen hunnen loop laten, na het verlies van Christus\' kleed geen schoon kleed in de wereld verlangen, liever willen vasten, wijl men des duivels spijs heeft gesmaakt; men moet zich op goede werken, waardoor de zonden gedelgd worden, toeleggen; men moet vaak aalmoezen geven, waardoor de zielen van den dood bevrijd worden.quot; Eindelijk verklaart het Cone, van Tr. : »Indien iemand zegt: er kan voor de tijdelijke zondenstraffen om de verdiensten van Christus door de van Hem toegezonden en geduldig ondergane of door die van den Priester opgelegde straffen niet voldaan worden; ook niet door vrijwillige ondernomen werken van godsvrucht, te weten door bidden, vasten, aalmoezen, .... die zij in den ban.quot; (Zitt. 14. Can. 13.)

Deze drie boetewerken moet gij derhalve, Aand., vlijtig beoefenen, om uw tijdelijke zondenstraffen af te boeten. Ge hebt dikwijls gelegenheid, het eerste boetewerk, het gebed, te beoefenen. Het is voorzeker niet te veel, indieu gij menigmaal eenige oogenblikken, die gij van uw bezigheden vrij hebt, aan de godsvrucht toewijdt, op Zon- en Feestdagen het Allerheiligste eenigen tijd aanbidt of de devotie van den kruisweg houdt, dagelijks den rozenkrans bidt of een boetgebed, bijvoorbeeld eenige Onze Vaders en Wees Gegroeten bidt. — Ook tot vasten, d. i. tot oefeningen van versterving doet zich aan u een veelvuldige gelegenheid voor. Gaat soms wat later ter ruste of staat wat vroeger op, om een korten tijd tot oefeningen van godsvrucht te houden; eet den een of den anderen dag als het lichtelijk kan geschieden, ietwat minder; onderdrukt de nieuwsgierigheid in \'t zien en hooren ; onderhoudt nu en dan een vrijwillig stilzwijgen, indien hei zonder opzien kan gebeuren, of zegt iets niet, wat ge gaarne zoudt willen zeggen; ontrekt u den eeu

95

-ocr page 100-

OVER DE VOLDOENING.

of anderen keer aan een geoorloofd vermaak en denkt daarbij : dit doe ik tot afboeting mijner zonden. Wat de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid betreft, deze kunnen eveneens door iedereen beoefend worden. Zijt ge ook al arm, toch kunt gij aan uw mede-menschen desniettemin in woord en daad menigen liefdedienst bewijzen; ge kunt ze tot het goede vermanen, van het kwade afhouden, voor hen bidden, hun met een goed voorbeeld voorlichten. Zeker, indien een ware boeteijver u bezielt, zult ge alle dagen gelegenheid vinden, verschillende boetewerken te verrichten. Zonder eenig boetewerk moet ge geen dag laten voorbijgaan. Herinnert gij u \'s avonds voor het slapengaan, datge gedurende den dag nog geen boetewerk hebt gedaan, oefent minstens dan nog een en ander, knielt bijv. neder, vernedert u voor God, belijdt uwe traagheid en bidt een Onze Vader eu een Wees Gegroet. Een hoofdmiddel tot afboeting der tijdelijke zondenstraffen zijn eindelijk het verschillend lijden en de moeilijkheden des levens, die wij allen min of meer hebben te verduren. Dit lijden en die moeilijkheden laat God ons toekomen, ten einde ons in staat te stellen, onze tijdelijke zondenstraffen uit te wisschen eu ons volkomen met Hem te verzoenen. Hiertoe behooren de bezwaren van den arbeid, honger, dorst, hitte, koude, vermoeidheid en ander ongerief, verder ziekten en smarten, rampspoeden, verdrukkingen en vervolgingen van den kant der medemenschen, kortom alle wederwaardigheden des levens. Verdraagt ge dit alles met geduld en uit liefde tot God, dan kunt ge dagelijks een deel der tijdelijke straffen afboeten en u vele verdiensten voor den hemel verzamelen.

Dit is alzoo de voldoening, die God na de Biecht van u vordert; ge moet niet enkel de door den Priester opgelegde boete ijverig verrichten, maar vrijwillige boeten op u nemen en derhalve de werken van godsvrucht.

96

-ocr page 101-

OVER DE VOLDOENING.

versterving en naastenliefde vlijtig beoefenen en het lijden en de moeilijkheden des levens geduldig dragen. Een voorbeeld, aan God voldoening geven, treffen wij aan in de boetvaardige Thais van Egypte. Zij had, door haar eigen moeder tot alle slechtigheid verleid, vele jaren een zeer buitensporig leven geleid en als publieke vrouw groote ergernis gegeven. Door een vromen kluizenaar Paphnutius tot inkeer gebracht, besloot zij haar misdadig leven te eindigen en boete te doen. En wat boete deed zij? Zij liet alles, wat zij door haar schandelijk leven had verworven, op een openbare plaats brengen en op een daar opgerichten brandstapel werpeu; toeu dit geschied was, verscheen zij zelf, gekleed met een boetekleed, haar hoofd met assche bestrooid en een koord om den hals; zij bad de lieden, die zich in groote menigte verzameld hadden, onder een luid snikken en een vloed van tranen wegens de gegeven ergernissen om vergeving en stak daarop den brandstapel met eigen handen aan, zoodat al hare sieraden en kostbaarheden in de vlammen opgingen. Vervolgens begaf zij zich in een zeer enge cel en liet de deur toemaken, om zich van allen omgang met de wereld af te sluiten; een weinig brood en water, wat men haar dagelijks bracht, was haar voedsel, de koude bodem der cel haar bed, waarop zij zich slechts weinige oogenblikken rust gunde. Zij durfde niet naar den hemel opzien en den naam Gods uitspreken ; met steeds ter aarde geslagen oogen en liggend op hare knieeu, herhaalde zij gedurig dit gebed: »Gij, die mij hebt geschapen, ontferm U mijner!quot; Zoo deed Thais boete tot aan haren dood, die haar na drie jaren onder de H. Boetelingen rangschikte.

Is door uw zouden den naaste in een of ander nadeel toegebracht, dan spreekt van zelf, dat gij dit nadeel na de Biecht, indien het niet reeds te voren heeft plaats

7

97

ê

-ocr page 102-

OVER DE VOLDOENING.

gevonden, naar vermogen behoort goed te maken. Dit nu is een verplichting, die niet uit de Biecht, maar uit de gerechtigheid voortvloeit; want de gerechtigheid vordert geheel onafhankelijk van de Biecht, aan een ieder het zijne te geven en te laten en hem bijgevolg schadeloos te stellen, indien gij hem ergens in hebt benadeeld. Hebt ge alzoo een vreemd goed u wederrechtelijk toegeeigend, dan moet gij het hem teruggeven; hebt ge iemand aan zijn eigendom schade toegebracht, dan moet gij het herstellen ; hebt ge iemand de eer ontnomen, dan moet gij uw lastertaal herroepen en aan hem de eer teruggeven; hebt ge u aan ergernis of verleiding schuldig gemaakt, dan moet gij u alle moeite geven, de geergerden of verleiden weder op den weg van deugd te brengen. Zoudt ge deze plichten der gerechtigheid niet vervullen, dan deedt ge een zware zonde en kondet niet tot heil geraken. Hadt ge niet reeds voor de Biecht den wil, deze vorderingen der gerechtigheid naar krachten na te komen, dan zoudt ge het H. Sacr. der Biecht ongeldig ontvangen, wijl het u aan berouw en voornemen en over het algemeen aan de vereischte boetestemming ontbrak. Niemand kan geldig biechten, die niet ernstig is besloten, zoowei aan God als aan den naaste voor zijn zonden voldoening te geven.

Eindelijk moet ge na de Biecht die middelen, welke ter uwer verbetering noodzakelijk zijn, vlijtig aanwenden. »Ga heen en zondig niet meer!quot; is bet woord, dat Jesus ühristus door den Priester ieder biechteling toeroept, ie degelijke en voortdurende verbetering na de Biecht is de hoofdzaak. Juist daarom moet ge de middelen ter veroe-tering aanwenden, want zonder dit zoudt ge spoedig weder in de oude zonden terugvallen en de laatste dingen werden erger dan de eerste waren. Deze verbeterings-middelen zijn grootendeels in de boeten, die de Priester u oplegt en gij vrijwillig op u neemt, begrepen. Deze

98

-ocr page 103-

OVER DE VOLDOENING.

99

boeten bestaan in de oefeningen van gebed, versterving en naastenliefde, en juist deze oefeningen zijn voor ieder Christen de krachtigste middelen, hem voor het hervallen te bewaren en in staat van genade te houden. Beoefent derhalve vlijtig het gebed : laat geen dag voorbijgaan zonder uw morgen- en avondgebed behoorlijk te verrichten ; verheft gedurende den dag dikwijls uw hart tot God en roept Hem bijzonder bij elke verzoeking om zijn bijstand aan ; bezoekt op Zon- en Feestdagen vlijtig den godsdienst en maakt u tot een lievelingswerk Jesus Christus in het H. Sacr. des Altaars te aanbidden en Maria, de Zaligste Moedermaagd, dagelijks te vereeren. Onderzoekt dagelijks minstens eenige oogenblikken uw geweten en vernieuwt steeds weder het voornemen. God niet meer te beleedigen. Slechts geen zonde meer, zij de gedachte die u overal vergezelle ! Ontvangt dikwerf de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars, want het veelvuldig ontvangen dezer H. Sacramenten is en blijft steeds een der allerkrachtigste middelen tot het bewaren der heiligmakende genade. Vlucht zooveel mogelijk de gelegenheid tot zonde en maakt u los van alles, wat u op nieuw een steen des aanstoots zou kunnen wezen. Beteugelt uw zintuigen, bijzonder de oogen en de tong, en arbeidt met een onverdroten ijver aan de uitroeiing uwer booze neigingen en gewoonten. Geen dag ga u voorbij zonder een oefening van versterving! Toont u liefderijk jegens uw medemenschen en doet hun goed, zooveel gij knnt. God beloont de liefdewerken met groote genaden, en vele zondaars hebben aan deze werken hun redding te danken, denkt dikwijls aan de kortheid des levens, aan de ijdelheid van al het aardsche en herhaalt dagelijks, bijzonder des morgens en des avonds de ernstige spreuk; »Ik moet sterven; ik weet niet, wanneer ? ik weet niet, waar ? ik weet niet hoe ? maar dit weet ik, indien ik

-ocr page 104-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

in een doodzonde sterf, ben ik verloren voor eeuwig !quot;

Indien gij, Aand., deze en dergelijke middelen na uwe Biechten ijverig aanwendt, zult ge u met behulp der goddelijke genade voor de hervalling bewaren, gij zult uw tijdelijke zondenstraffen langzamerhand afboeten, u vele verdiensten voor den hemel verzamelen, op de wegen van deugd goede vorderingen maken en eindelijk eens uw plaats onder de uitverkorenen in den hemel vinden.

\'é 8.

Qver ds veslvuldige Biecht»

Indien gij, Aand., een goede Biecht spreekt, dan laat God u zijn genade toekomen ; Hij doet al uw misdaden in de zee der vergetelheid zinken en schenkt u zijn vorige liefde terug. Het H. Sacr. der Biecht toch heeft de kracht, alle na net Doopsel bedreven zonden uit te wisschen en ons met God te verzoenen. Nu is het noodzakelijk, dat wij dit H. Sacrament waardig ontvangen en derhalve de hiertoe gevorderde stukken nauwkeurig nakomen. Wij moeten namelijk, nadat wij den H. Geest hebben aangeroepen, vlijtig ons geweten onderzoeken, om tot de kennis van onzen zieletoestand te geraken en een volledige Biecht te kunnen afleggen; wij moeten vervolgens onze zonden waarlijk en bovennatuurlijk berouwen en het ernstige voornemen hebben. God niet langer te beleedigen; wij moeten verder minstens alle doodzonden, die wij ons bewust zijn, alsmede het getal en de noodzakelijke omstandigheden ervan oprecht belijden ; eindelijk moeten wij den ernstigen wil hebben aan God voor onze zonden voldoening te geven en derhalve de door den Priester ons opgelegde poenitentie vlijtig volbrengen.

100

-ocr page 105-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

Hierover heb ik u tot nu toe een uitvoerige onderrichting gegeven, en er blijft mij niets meer over, dan dat ik u nog tot het dikwijls ontvangen van dit H. Sacrament aanmaan. De vermaning is te noodzakelijker, wijl er velen zijn, aan wie niets lastiger schijnt dan het biechten. Zij stellen het uit zoolang zij kunnen ; zij biechten in den regel slechts een- en andermaal in \'t jaar, en dat meer uit dwang, dan uit een vrijen aandrang. Vraagt hen, waarom zij zoo zelden biechten, dan bezigen zij allerlei uitvluchten, om hunne nalatigheid te verontschuldigen. Ik spreek daarom over de veelvuldige Biecht en vraag u op de eerste plaats:

1. Wat nadeel brengt men zich toe, indien men met dikwijls biecht ?

Het is inderdaad niet evenveel, of men dikwijls biecht of niet, want zelden te biechten sticht een veelvuldig nadeel, het leidt tot verblindheid, begunstigt het hervallen, laat het leven zonder verdiensten en brengt niet zelden het eeuwig heil in het grootste gevaar.

1) De verblindheid is dikwerf een gevolg van de zeldzame Biecht. Christenen, die dikwijls biechten, kunnen niet licht in verblindheid vallen, want zij hebben bij het gewetens-onderzoek, dat zij bij elke Biecht moeten instellen, de beste gelegenheid, zich zelf te leeren kennen. Zij toch onderzoeken hun zonden en de bronnen ervan, hunne booze neigingen en hartstochten en in het algemeen hun geheele zieletoestand. Omdat zij dit onderzoek dikwijls herhalen, daarom dringen zij steeds dieper in de schuilhoeken huns harten en geraken steeds tot een grootere kennis van hun zelve. Maar vervolgens is het ook de Priester in den biechtstoel, die hun, zoo zij zich wellicht door de eigenliefde hadden laten verblinden, de oogen opent en ze op datgene, wat zij zelf voorbijzien, opmerk-

101

-ocr page 106-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

zaam maakt. Want omdat/ij vaak bij hem biechten, krijgt hij een nauwkeurigen blik in hun geweten, leert hun neigingen en hunne geheele gezindheid kennen en kan hun zeggen, waaraan het hun nog het meest ontbreekt en wat zij te doen hebben, om zich voor het hervallen te bewaren en op den weg van deugd goede vorderingen te maken.

Hoe geheel anders staat het met hem. die zelden, wellicht slechts eenmaal in het jaar biecht! Hij heeft geen aanleiding zijn geweten dikwijls te onderzoeken ; want men kan van hem niet veronderstellen, dat hij, zooals heilgierige Christenen plegen te doen, een dagelijksch of minstens een wekelijksch gewetens-onderzoek bij zich zeiven instelt. Hij onderzoekt zijn geweten niet dikwijler dan hij biecht, alzoo slechts eenmaal, of hoogstens tweemaal in het jaar. En hoe maakt hij het dan ? Hij denkt vluchtig over zijn zondige handelingen na, om de bronnen, waaruit deze zondige handelingen zijn voortgevloeid, om zijne ongeregelde neigingen en hartstochten bekommert hij zich niet, hij beschouwt slechts de oppervlakte en in de diepte dringt hij niet door, hij stelt zich tevreden, indien hij maar eenige zonden weet op te noemen, om stof tot biechten te hebben. Zoo is het geheele werk van het gewetens-onderzoek in weinige minuten afgedaan, een werk, waartoe uren en dagen noodig waren. Als hij nu te biechten komt, dan weet hij dikwijls over veel minder zonden zich aan te klagen dan Christenen, die dikwijls biechten. Hij noemt twee, drie zonden op en sluit dan de Biecht met de woorden : »Ik weet niet meer.quot; Vanwaar komt dit? Van zijn verblindheid. Hij zou zich over veel hebben aan te klagen, want hij heeft veel gezondigd, maar het lange uitstel der Biecht en het vluchtige onderzoek des gewetens verhinderen hem, zijn verwarden zieletoestand te kennen. Hij gelijkt eenen mensch, die een vluchtigen blik werpt op een ver-

102

-ocr page 107-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

wijderd voorwerp en die dat wat daar tasschen ligt groo-tendeels over het hoofd ziet. Ook de biechtvaders kunnen hem tot een betere zelfskennis niet veel behulpzaam wezen, want omdat hij hoogst zelden tot hen komt en zich aan hen nimmer volkomen ontsluit, in den regel ook hun vragen ontwijkend en in zijn voordeel beantwoordt, daarom leeren zij hem niet kennen en moeten hem met alge-meene goede lessen en voorschriften laten gaan. Zoo is de verblindheid een schier noodzakelijk gevolg van het zeldzaam biechten. Wie nu verblind is, wie niet weet, dat het met hem verkeerd staat, niet weet, wat en waaraan het hem ontbreekt, zal die ■rich beteren? Neen, hij zal steeds de oude lauwe en zondige mensch blijven en zijn hartstochten en kwade gewoonten nimmer afleggen. Ue ondervinding bevestigt deze treurige waarheid. De meesten hunner, die zoo zelden biechten, zijn menschen van de wereld, die slechts zin voor het aardsche koesteren en zich om het werk hunner zaligheid niet bekommeren ; indien men hun ook al honderdmaal zegt, dat zij zich op den dwaalweg bevinden, dan gelooven zij het niet, juist omdat zij verblind zijn. Zij gelijken zieken, die, omdat zij zich gezond wanen, geen arts kan helpen. Hun zielenheil verkeert werkelijk in een groot gevaar en het staat zeer te vreezen, dat zij in hunne verblindheid leven en sterven, en ten gronde gaan.

Ziet, Aand., dit is het eerste groote nadeel, dat het zeldzaam biechten teweeg brengt; het leidt tot verblindheid, waaruit lauwheid, wereldzin en heilvergetelheid voortkomt. Maar dit is niet het eenige kwaad, het zeldzaam biechten begunstigt heel bijzonder :

2) Het hervallen in de oude zonden. Zeer vele, zoo niet de meeste Christenen behouden ook aanstonds na de Biecht den ernatigen wil, de beleden zonden niet meer te bedrijven, de kwade gelegenheden te vermijden, de slechte gewoonten af te leggen en den weg van boet-

103

-ocr page 108-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

104

vaardigheid te bewandelen. De toornige neemt zich vast voor, den woesten hartstocht van toom, koste wat het wil aan banden te leggen, en een zachtmoedig Christen te worden; de ontuchtige besluit eindelijk, den verboden omgang af te breken en voortaan eerbaar te leven ; de dronkaard zweert voor zich en den Priester in den biechtstoel dat hij zich niit meer zal bedrinken; de vloeker en godslasteraar verzekert met mond en hart dat men van hem geen vloek- en lasterwoord meer zal hoo-ren. Eenige dagen nu gaat alles goed ; de boeteling haat de zonde en is hartelijk blijd, van hare banden eenmaal los te zijn ; hij vermijdt zorgvuldig elke gelegenheid, die hem weder ten val zou kunnen brengen; hij geeft zich moeite, zijn hartstochten af te breken en wendt vlijtig de middelen aan, die de biechtvader hem ter verbetering heeft voorgeschreven. Maar deze ijver verkoelt van lieverlede, en maakt plaats voor een koude lauwheid. Hij bidt niet meer zoo innig en aandachtig, hernieuwt niet meer zoo vaak zijn goede voornemens, wendt zijn blik niet meer zoo dikwijls op God en de eeuwigheid, zijn hart neigt zich bereids weder tot de wereld en vindt in haar zijn welgevallen ; intusschen neemt bij zich nog in acht voor de zonde. Zoo duurt het weder eenigen tijd. Middelerwijl echter wisschen de indrukken der genade zich meer en meer in zijn hart uit, de godsvrucht wordt steeds zwakker eu de lichtzinnigheid verheft zich van dag tot dag. Nu komt de oude verzoeking terug; hij doet wel is waar nog een poging, ze te wederstaan en te verdrijven; maar in het gevoel zijner onmacht sluit bij met de vijanden zijns heils spoedig een smadelijken vrede eu geeft zich aan hen gevangen. Hij zondigt weer en wordt Satans slaaf, die hij te voren was. Vanwaar dat beklagenswaardig hervallen? Vanwaar anders dan van het lange uitstellen der Biecht? Had deze boetvaardige de grens zijner Biecht uiet zoover getrokken, dan ware

-ocr page 109-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHE.

105

zijn ijver, op het oogenblik dat deze begon te verkoelen, nog ten rechten tijde door de sacramenteele genade en de toespraak des biechtvaders verwarmt eu gesterkt geworden ; hij zou de verzoeking overwonnen en zich voor het hervallen bewaard hebben. Omdat hij echter het biechten te lang uitstelde, viel hij in verzwakking ; de bekoring kreeg over hem de bovenhand, en hij geraakte weder in de strikken des duivels. O, gelooft mij, Aand., eene hoofdoorzaak, waarom zooveel Christenen ook met de beste voornemens toch altijd weder in de oude ellende van zonde terugvallen en zij na tien en twintig jaren zich van hunne kwade gewoonten en hartstochten niet kunnen losmaken ligt juist in het te lang uitstellen hunner Biechten. Hun ijver houdt telkens alvorens zij weer biechten op ; vandaar bezwijken zij steeds weder in de stormen der verzoeking en bezoedelen hun geweten met de oude zonde. Men kan zoodanige Christenen vergelijken met een wandelaar, die op zijn bezwaarlijke voetreis zich niet ten rechten tijde met spijs en dranif verkwikt. Wijl de herberg, waarin hij zijn intrek nemen en zich versterken wil, nog ver af is, mat hij zich te veel af en kan ze niet meer bereiken. Nu vraag ik : is dit steeds wederkeerend hervallen geen groote ramp ? Ach, wie zal het betwijfelen ? üe goddelijke Zaligmaker toch zegt uitdrukkelijk, dat de laatste dingen van zoo\'n hervallend mensch erger zijn dan de eerste. (Matth. 12, 45.) Hoe dikwijler de zondaar hervalt, des te slechter staat het met hem gesteld; want zijn zedelijke kracht verlamt steeds meer en meer, ook laat God hem zijn genade spaarzamer toevloeien, en het kan met hem ten laatste zoover komen, dat hij zich volsterkt niet meer bekeert. Daarbij komt nog, dat dour het lang uitstellen der Biecht de bekeering en verbetering buitengemeen wordt bemoeilijkt. Indien de wasch te lang ongereinigd blijft liggen, dan is het bezwaarlijk er weer gloed in te krijgen en

-ocr page 110-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

zelden erlangt ze weer haar oorspronkelijke schoonheid. Eveneens is het gelegen met den mensch, die zelden te biechten gaat. De zonden ondermijnen het goede steeds dieper in zijn hart en groeien op tot hartstochten en gewoonten die slechts zeer moeilijk zijn uit te roeien. Zulk een zondaar mag ook al wenschen, van zijn zonden vrij te worden; ook al den wil hebben, zich te beteren; dit wenschen en willen is echter krachteloos en komt zelden tot werkelijkheid. Vandaar de waarneming, dat Christenen, die zelden biechten, gewoonlijk weder in de oude zonden terugvallen. Wij kunnen derhalve niet loochenen, dat het zeldzaam biechten ook op grond, dat het de hervalling begunstigt en daardoor het zielenheil op \'t spel zet, een groot nadeel toebrengt.

3) Maar nog meer; wie zelden biecht, berooft zich van vele en groots yenaden, die hij door het veelvuldig biechten zou kunnen verkrijgen. Door elke geldige Biecht worden niet enkel de zonden met de eeuwige straffen, maar minstens gedeeltelijk ook de tijdelijke straffen, die hier of in de zuiveringsplaats zijn af te boeten, vergeven. De poenitentie, die de Priester in den biechtstoel oplegt, heeft toch, zooals wij gehoord hebben, hoofzakelijk tot doel, de overgebleven tijdelijke zondenstraffen uit te wis-schen. Ook vermaant de Priester ons zeer dikwijls, dat wij zooveel mogelijk, vrijwillige boetewerken op ons nemen, ten einde onze tijdelijke zondenstraffen des te meer af te boeten. Zoo ge nu de Biecht een langen tijd uitstelt dan wacht u na uwen dood een langdurig en smartelijk vagevuur, dat gij minstens gedeeltelijk zoudt kunnen voorkomen, indien gij dikwerf gingt biechten. Ja, zelfs in den hemel kunt ge niet tot zoo\'n groote glorie geraken als Christenen, die wel is waar ook niet onschuldig leven, maar toch dikwijler biechten dan gij, omdat de maat van zaligheid van die der heiligmakende genade afhangt, die juist door elk waardig ontvangen

106

-ocr page 111-

OVER DE VEELVULDIGE DIECHT.

van het Sacr. der Biecht, indien men ze reeds bezit, wordt vermeerderd. Bovendien kunnen degenen, die zelden biechten, ook zelden Commaniceeren, wijl de Communie in den regel door de Biecht wordt voorafgegaan. En dit is nog een veel grooter nadeel, dan de achterwege gelaten Biecht. Een eenige waardige Communie is van veel meer waarde dan alle schatten der wereld en overtreft verre alle genaden, die ons uit de overige Sacramenten toevloeien, omdat wij Jesns zelf, den Gever aller genaden, ontvangen. O, waren de Heiligen in den hemel nog in staat een verlangen te hebben, het zou voorzeker zijn, dat zij zoo dikwijls, als het hun mogelijk was, tot de tafel des Heeren naderden.

Is nu het zeldzame biechten reeds voor brave Christenen zoo nadeelig, wat zal ik dan van degenen zeggen, die dikwerf in zware zonden vallen ? O, voor deze is het nadeel nog te grooter, omdat zij zich niet enkel van vele genaden, maar ook van vele verdiensten berooven. Het is een geloofswaarheid onzer H. Kath. Kerk, dat alle goede werken, ja zelfs onze gewone werken en bezigheden voor God verdienstelijk zijn en loon voor den hemel opwerpen, zoo zij op de rechte wijze volbracht worden. Hiertoe is nu behalve de goede meening de staat van genade volstrekt noodzakelijk, d. i. wij moeten minstens van elke doodzonde vrij wezen. Rust ook maar een enkele doodzonde op ons geweten, dan is al ons werken voor de eeuwigheid verloren, en wij kunnen niet den minsten graad van zaligheid verdienen. De zondaar toch, is van Jesus, den wijnstok, gescheiden, en gelijk aan een afgesneden rank, die uit gebrek aan levenssap geen vrucht kan brengen. Vandaar betuigt de Apostel, dat zelfs de schitterendste werken en deugdbetrachtingen, zooals het overgeven van geheel ons vermogen aan de armen en de marteldood zonder de liefde, d. i. zonder de heiligmakende genade, niets baten. (I. Cor. 13, 3.)

107

-ocr page 112-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

»Zoo ik tot spijziging der armen al mijne goederen uitdeel, eu zoo ik mijn lichaam overgeef, opdat ik verbrand worde, maar ik heb de liefde niet, baat het mij niets.quot; Daarom zijn Christenen, die in staat van doodzonde hun leven slijten, werkelijk zeer te beklagen ; alle goed, wat zij doen, alle werkzaamheden, die zij verrichten, alle lijden, dat zij verduren, zijn voor de eeuwigheid verloren. Zij zijn te vergelijken met lieden, die kostbare schatten verzamelen en in bodemlooze zakken werpen. Wanneer zij eens tot den goddelijken Rechter zullen zeggen : Heer, hebben wij dan niet zeer veel goed gedaan, dat wij ledig moeten heengaan ? dan zal Hij hun tot antwoord geven: (Matth. 7, 23.) »Nunquam novi vos, Ik heb u nooit gekend : discedüe a me, gaat weg van Mij, qui operamini iniquitatem. gij die ongerechtigheid werkt.quot;

Nu ziet, Aand., dit oordeel des goddelijken Rechters hebben Christenen te vreezen, voor wie het veelvuldig biechten een last is en die alzoo het ontvangen van dit H. Sacrament zoolang mogeiijk uitstellen. Zij vallen dikwerf spoedig na de Biecht in zware zonden en leven in dien staat een half, ja, een geheel jaar zonder te biechten voort. Het treurige gevolg daarvan is, dat zij gedurende al dien tijd met al hun goede werken niet meer de minste verdienste voor den hemel kunnen verzamelen. Zoo gaat voor hen in staat van zonden het grootste deel huns levens voorbij. Menigeen telt veertig, vijftig, zestig jaren. Zou men hem vragen: hoe dikwijls hebt gij gebiecht ? dan zou hij antwoorden: jaarlijks eenmaal, alzoo veertig, vijftig, zestig maal in \'t leven. Zou men hem verder vragen (natuurlijk in den biechtstoel) hoe hebt ge u na uw biechten gedragen? dan moest hij n antwoorden : ach, niet goed, na acht of veertien dagen heb ik mij steeds weder zwaar bezondigd. Indien men hem eindelijk nogmaals vraagde: hebt ge ook iets goeds gedaan? hij zou u antwoorden: o ja, ik heb mijne morgen •

108

-ocr page 113-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

en avond-gebeden tamelijk wel verricht, ik ben op Zonen Feestdagen in de kerk geweest, ik heb de voorgeschreven vastendagen onderhouden, ik heb aan mijne me-demenschen menige weldaad en liefdedienst bewezen, ik heb vlijtig gearbeid en vele kruisen gedragen. Nu vraag ik u, Aand., wat moet men aan zoo\'n Christen ten laatste voor een antwoord geven ? Helaas, een zeer ontmoedigend antwoord. Vriend, moet men hem zeggen, gij zijt er kwalijk aan toe, gij herinnert mij aan Saai, die veertig jaren over Israel regeerde en van wien de H. Schrift zegt, dat hij slechts twee jaar geregeerd heeft, omdat hij namelijk slechts twee jaren goed, de overige acht en dertig jaren echter slecht regeerde. Enkel het goede, dat gij in staat van genade gedaan hebt, is verdienstelijk; al het overige, wat in staat van zonde is geschied, rekent God u niet aan; zijt ge ook al grijs van jaren, toch zijt ge van verdiensten een kind. Zoo, Aand,, ware het oordeel, wat wij over zulk een mensch moesten uitspreken. En waarom ? Omdat hij verwaarloosde, door een vselvuldige Biecht zich van de zoude te zuiveren en in staat van genade te leven. Zegt derhalve zelf, brengen Christenen, die zelden biechten, zich niet daardoor het grootste nadeel toe, dat zij een langen tijd, dikwerf zelfs het grootste deel huns levens in zonde doorbrengen en zich buiten staat stellen, zich door goede werken verdiensten voor den hemel te verwerven? Zullen zij, indien zij ook al zoo gelukkig zijn, zich voor hunnen dood met God waarlijk te verzoenen, niet minstens langdurige en smartelijke straften in het reinigingsoord hebben te verduren?

4) Doch dit ware nog het gunstigste geval; wie zelden biecht, heeft zelfs zijn onderyancj ie duchten. Hoe zoo ? Ik zal mij verklaren. Het is maar al te waar, dat niemand zeker is van het uur zijns doods, niet het kind, niet de jongeling, niet de man, niet de grijsaard; eensklaps, zonder dat wij het ook maar in de verte gissen,

109

-ocr page 114-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

kan de dood ieder onzer overrompelen. Vergelijkt toch Jesus Christus zelf niet den dood met eeuen dief, die des nachts als alles slaapt, het huis inbreekt? En Hij voegt er aan toe: (Luc. 12, 40.) » Vos estate parati, zijt gij bereid ; quia qua hora non putatis Jilius hominis veniet, want in de ure, waarin gij niet vermoedt, zal de Zoon des menschen komen.quot; De ervaring bevestigt schier dagelijks deze waarheid, want hoe dikwijls hooren wij niet van plotselinge sterfgevallen ? In bijzonder hebben de zondaren een onverwachten dood te vreezen. Zooals Job (21, 13) zegt: »Ducent in bonis dies suos, zij slijten hun dagen in het goede, et in puncto ad inferna descendunt, en in een ommezien zijn ze in de hel gezonken.quot; Hoe groot is daarom het gevaar des zondaars, die zelden biecht ? Daar hij het grootste deel zijns levens in doodzonden doorbrengt, hoe licht is het dan mogelijk, dat de dood hem in zonde overrompelt ? En gebeurt dit, dan is het met zijn zaligheid voor eeuwig gedaan. Moet ik alzoo met den wijzen Man niet iederen zondaar toeroepen : (Eccl. 5, 8. 9.) «Vertraag niet tot den Heer u te bekeeren en stel het niet uit van den eenen dag tot den anderen, want plotseling kan de toorn des Heeren uitvaren en in den tijd der wrake zoudt gij verdelgd worden.quot;

Doch ik neem aan, de zondaar, die het biechten steeds van den eenen tijd tot den ander uitstelt, sterft niet plotseling, maar heeft een genoegzamen tijd, zich tot den dood voor te bereiden ; is thans zijn heil buiten gevaar ? O, wie zou dit beweren ? Het staat veeleer met grond te vreezen, dat hij op zijn sterfbed een ongeldige Biecht aflegt en derhalve geen vergiffenis van zonden erlangt. Waaruit besluit ik dit ? Juist uit zijn zeldzaam biechten. Tot een goede Biecht behooren blijkbaar een bovennatuurlijk berouw, een vast voornemen, en eene beginnende liefde Gods. Laat het zich van eenen zondaar, die het biechten, zooals men dat zegt, steeds op de lange

110

-ocr page 115-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

baan schuift, wel verwachten, dat hij deze voorwaarden tot een goede Biecht zal vervullen? Bezwaarlijk; want zou hij de zonde oprecht haten en verafschuwen, hadde hij den ernstigen wil, niet meer te zondigen, ware zijn hart niet geheel van God afgekeerd, hij zou voorzeker vroeger met zijne Biechten niet zoolang hebben gewacht; had middelen en wegen opgezocht, zich van de banden der zoude los te maken en zich met God te verzoenen. Hij gevoelde zich in de zonde heel wel en vond geen behoefte, de vriendschap Gods te winnen; daarom leefde hij onboetvaardig voort en biechtte niet. En zoo hij ook al eenmaal in het jaar biechtte, dan deed hij dit niet, om zich degelijk te bekeeren, maar alleen om te wijken voor de treurige noodzakelijkheid, die hem het biechten tot een gebiedenden plicht maakte. Het is evenwel mogelijk, dat hij in het aanschijn des doods van gezindheid verandert; maar veel waarschijnlijker is het, dat hij dit niet zal doen. Wanneer hij op zijn sterfbed biecht, dan is het ook al een Biecht zooals jaarlijks omtrent Paschen, een Biecht zonder een waar, bovennatuurlijk berouw, zonder een ernstig voornemen, zonder een afkeer van de zonde en een inkeer tot God, een Biecht, die de uitwendige omstandigheden of de slaafsche vrees hem afpersen, en die hem alzoo niet van zijn ondergang kan redden.

Indien gij nu, Aand., alwat ik u gezegd heb, wel behartigt, dan moet ge zelf toegeven, dat het lang uitstellen der Biechten vele en groote nadeelen met zich brengt. Wie niet dikwijls biecht, geraakt moeilijk tot een ware zelfkennis; want hij vindt geen aanleiding, zijn geweten vaak te onderzoeken ; ook de biechtvaders kunnen hem tot een betere zelfkennis weinig behulpzaam wezen omdat zij over hem wegens zijne hoogst oppervlakkige aanklacht en wegens zijn zeldzaam biechten zich geen duidelijk oordeel kunnen vormen. Het gevolg daarvan is de verblindheid, een bovenmate gevaar-

Ill

-ocr page 116-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

lijk kwaad, wat weder onboetvaardigheid en een kwaden dood tengevolge heeft. Wie niet dikwerf biecht, zal heel licht terug vallen in de zonde en kan ten laatste daartoe komen, dat hij zich volstrekt niet meer bekeert; want hoe langer men in de zonde volhardt, des te moeilijker gaat het, zich ervan los te maken en zich degelijk en duurzaam te verbeteren. Wie niet dikwerf biecht, berooft zich van vele genaden, die hij door het waardig ontvangen van de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars zou kunnen erlangen, en stelt zich, daar hij dikwijls een langen tijd in doodzonden voortleeft, buiten staat, zich verdiensten voor den hemel te verwerven. Al zijn goede werken hebben geen waarde in de oogen van God en brengen hem namaals niet het minste loon aan. Eindelijk, wie niet dikwerf biecht, bevindt zich in een groot gevaar, in de zonde te sterven en verloren te gaan, want de dood kan hem te midden van zijn zondig leven overvallen, of hij kan in een schijn van boete, die hem niet vermag te redden, sterven. Indien alzoo het eeuwig heil u ter harte gaat, dan hebt ge voorzeker gronden te over, van heden af alle achteloosheid in het biechten af te leggen en zoo dikwijls, als het u mogelijk is en de biechtvaders het u aanraden, te biechten.

II. Hoe ijdel zijn de voorwendsels tegen de veelvuldige Biecht?

Men brengt tegen het veelvuldig biechten allerlei gronden aan ; ik zal slechts de hoofdzakelijkste aanhalen en er de nietigheid van aantoonen.

1) Men zegt: ih zou volsirekl niet loeien, waarom ik dikwijler dan eenmaal in H jaar zou biechten, de Kerk zelf toch gebiedt het niet vaker. Ik antwoord: men zondigt wel is waar niet tegen het kerkelijke gebod, indien men jaarlijks slechts eenmaal biecht, want het kerkelijke

112

-ocr page 117-

OVEB HET H. OLIESEL.

lust niet meer toegankelijk zijn, opdat zij de aanlokselen en den trek tot het kwaad versmaden, zich voor de verzoekingen sluiten, en als bereidwillige werktuigen tot den dienst van God en tot heil der ziel dienen ; zij worden gezalfd, opdat zij eenmaal zegevierend in kracht en heerlijkheid uit de dooden opstaan en als een rein vaatwerk der ziel waardig zijn, God in den hemel te aanschouwen. Wat een troost is het derhalve voor den zieke en stervende, en welk een genade, dat door de h. zalvingen alle kwaad, dat hij met zijn zintuigen en ledematen zoo veelvuldig begaan heeft, uitgewischt, en hem die reinheid en ongeschondenheid, die hem als Christen en hemelburger voegt, weder terug wordt gegeven.

3) De Priester zalft de afzonderlijke zintuigen en ledematen des zieken in den vorm van een kruis. Ook dit heeft zijn goeden grond. Het kruis is het teeken onzes heils; want aan het kruis heeft Christus het werk onzer Verlossing volbracht. Was er het kruis niet, dan zuchtten wij nog heden in de slavernij der zonde en des Satans, en de hemel bleef voor ons eeuwig gesloten. Wederom het kruis is het, dat, evenals aan de overige Sacramenten, zoo ook aan H. Oliesel zijne zondendelgende en heiligende kracht verleent. Van het kruis stroomde het goddelijke bloed ter onzer verzoening met God ; dit bloed stort zich van het kruis in de zeven H. Sacramenten als in evenzoo vele kanalen en bewerkt onze ontzondiging en heiliging. Het kruis is eindelijk een zegel, dat de zintuigen en ledematen des zieken wordt ingedrukt, opdat de booze vijand daarin niet meer indringe en ze tot zonde misbruike. O, met wat gevoelens van dank en vreugde moet de zieke naar den hemel opzien, wanneer zijn zintuigen kruisgewijze gezalfd worden ! Hoe gelukkig moet hij zich achten, aan het H. Sacr. des Oliesels, waarin het kostbare bloed van Jesus hem nog aan de

14

209

-ocr page 118-

OVER HET H. OLIESEL.

poort der eeuwigheid reinigt en heiligt, deelachtig te worden !

Opdat hij echter dit H. Sacrament zeer waardig ont-vange, moet hij, terwijl de Priester de zalvingen afzonderlijk aan hem verricht, zooveel mogelijk de passende akten van verootmoediging, berouw, liefde en vertrouwen verwekken. Zalft de Priester hem de oogen met de woorden ; »Door deze h. zalving en krachtens zijne goeder-tierenste barmhartigheid vergeve God u, wat ge door het zien hebt misdreven,quot; — dan moet hij in stilte verzuchten ; »Ach ja, mija God, vergeef mij de vele en zware zonden, die ik met mijn oogen begaan heb; ik zal ze niet meer tot het kwaad misbruiken ; zij zullen mij nu vooral dienen, om mijn zonden te beweenen en de wegen uwer geboden te bewandelen.quot; Dezelfde oefeningen moet hij verrichten, als de Priester hem de overige zintuigen zalft; bij elke zalving moet hij de barmhartigheid Gods aaaroepen, een hartelijk berouw verwekken en ernstig beloven, van nu af zich met lichaam en ziel aan den dienst des Allerhoogsten toe te wijden en zijn levensdagen in de boetvaardigheid te eindigen. Indien hij het H. Oliesel met zulk een gezindheid en onder zoodanige voornemens ontvangt zal het voorzeker niet uitblijven, of deze h. zalving zal hem verstrekken tot reiniging van ziel en lichaam, en tot bolwerk en verdediging tegen de gruwzame pijlen der onreine geesten.

IX. Welke ceremonien volyen het H. Oliesel?

1) Na de h. zalvingen met olie bidt de Priester om de goddelijke bescherming, maar doet vooraf nog eenige korte ontboezemingen, die luiden: » Heer, ontferm U onzer. Christus ontferm U onzer. Heer ontfermquot; U onzer. Onze Vader enz. En leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van den kwade. Maakt uw dienaar zalig. Mijn God,

210

-ocr page 119-

OVER HET H. OLIESEL.

211

die in U hoopt. Zend hem hulp uit de h. plaats. En bescherm hem uit Sion. Heer, wees hem een sterke toren. Tegen zijn vijand. Laat de vijand niets tegen hem vermogen. En Iaat de zoon der boosheid zich niet verstouten, hem te schaden. Heer, verhoor mijn gebed. En mijn roepstem dringe tot U door. De Heer zij met u. En met uwen geest.quot; Hierop bidt de Priester de drie volgende gebeden; » Heere God, G;j die door uw Ap. Jacobus hebt gesproken : is er iemand ziek onder u, zoo roepe hij de Priesters der Kerk, opdat dezen voor hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren en het gebed zal den zieke behouden en de Heer zal hem verlichten en zoo hij in zonde is, zullen deze hem vergeven worden; — genees, bidden wij U, onzen Verlosser, door de genade des H. Geestes de zwakheden van dezen zieke, heel zijn wonden, vergeef zijn zonden, verwijder van hem al de smarten der ziel en des lichaams en geef hem genadiglijk de volle in- en uitwendige gezondheid weder; opdat hij, door de hulp uwer barmhartigheid hersteld, tot zijne vorige bezigheden in staat gerake. Gij, die met den Vader en den H. Geest leeft en regeert, God in de eeuwen der eeuwen. Amen.quot; Laat ons bidden. »Wij smeeken U, o Heer, zie op uwen door de ziekte zijns lichaams uitgeputten dienaar neder en verkwik zijn ziel, die Gij hebt geschapen; opdat hij, door de tuchtigingen verbeterd, zich door uwe artsenij behouden gevoele. Door Christus, onzen Heer. Amen.quot; — Laat ons bidden. »H. Heer, almachtige Vader, eeuwige God, Gij, die de genade uws zegens de zieke lichamen instort en uw schepsel met een veelvuldige goedheid beschermt, help genadig op de aanroeping van uwen naam; opdat Gij uwen dienaar van de ziekte verlost en met de gezondheid begiftigd, met uw rechterhand oprichten, met uw kracht versterken, met uw macht beschermen en met allen ge-

-ocr page 120-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

lijk kwaad, wat weder onboetvaardigheid en een kwaden dood tengevolge heeft. Wie niet dikwerf biecht, zal heel licht terug vallen in de zonde en kan ten laatste daartoe komen, dat hij zich volstrekt niet meer bekeert; want hoe langer men in de zonde volhardt, des te moeilijker gaat het, zich ervan los te maken en zich degelijk en duurzaam te verbeteren. Wie niet dikwerf biecht, berooft zich van vele genaden, die hij door het waardig ontvangen van de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars zou kunnen erlangen, en stelt zich, daar hij dikwijls een langen tijd in doodzonden voortleeft, buiten staat, zich verdiensten voor den hemel te verwerven. Al zijn goede werken hebben geen waarde in de oogen van God en brengen hem namaals niet het minste loon aan. Eindelijk, wie niet dikwerf biecht, bevindt zich in een groot gevaar, in de zonde te sterven en verloren te gaan, want de dood kan hem te midden van zijn zondig leven overvallen, of hij kan in een schijn van boete, die hem niet vermag te redden, sterven. Indien alzoo het eeuwig heil u ter harte gaat, dan hebt ge voorzeker gronden te over, van heden af alle achteloosheid in het biechten af te leggen en zoo dikwijls, als het u mogelijk is en de biechtvaders het u aanraden, te biechten.

II. Hoe ij del zijn de voorwendsels tegen de veelvuldige Bieeld?

Men brengt tegen het veelvuldig biechten allerlei gron -den aan ; ik zal slechts de hoofdzakelijkste aanhalen en er de nietigheid van aantoonen.

1) Men zegt; ilc zou volstrekt niet weten, xoaarom ik dikwjler dan eenmaal in Hjaar zou biechten* de Kerk zelf toch gebiedt hel niet vaker. Ik antwoord: men zondigt wel is waar niet tegen het kerkelijke gebod, indien men jaarlijks slechts eenmaal biecht, want het kerkelijke

112

-ocr page 121-

OVER HET H. OLIESEL.

lust niet meer toegankelijk zijn, opdat zij de aanlokselen en den trek tot het kwaad versmaden, zich voor de verzoekingen sluiten, en als bereidwillige werktuigen tot den dienst van God en tot heil der ziel dienen ; zij worden gezalfd, opdat zij eenmaal zegevierend in kracht en heerlijkheid uit de dooden opstaan en als een rein vaatwerk der ziel waardig zijn, God in den hemel te aanschouwen. Wat een troost is het derhalve voor den zieke en stervende, en welk een genade, dat door de h. zalvingen alle kwaad, dat hij met zijn zintuigen en ledematen zoo veelvuldig begaan heeft, uitgewischt, en hem die reinheid en ongeschondenheid, die hem als Christen en hemelburger voegt, weder terug wordt gegeven.

3) De Priester zalft de afzonderlijke zintuigen en ledematen des zieken in den vorm van een /cruis. Ook dit heeft zijn goeden grond. Het kruis is het teeken onzes heils; want aan het kruis heeft Christus het werk onzer Verlossing volbracht. Was er het kruis niet, dan zuchtten wij nog heden in de slavernij der zonde en des Satans, en de hemel bleef voor ons eeuwig gesloten. Wederom het kruis is het, dat, evenals aan de overige Sacramenten, zoo ook aan H. Oliesel zijne zondendelgende en heiligende kracht verleent. Van het kruis stroomde het goddelijke bloed ter onzer verzoening met God; dit bloed stort zich van het kruis in de zeven H. Sacramenten als in evenzoo vele kanalen en bewerkt onze ontzondiging en heiliging. Het kruis is eindelijk een zegel, dat de zintuigen en ledematen des zieken wordt ingedrukt, opdat de booze vijand daarin niet meer indringe en ze tot zonde misbruike. O, met wat gevoelens van dank en vreugde moet de zieke naar den hemel opzien, wanneer zijn zintuigen kruisgewijze gezalfd worden ! Hoe gelukkig moet hij zich achten, aan het H. Sacr. des Oliesels, waarin het kostbare bloed van Jesus hem nog aan de

14

209

-ocr page 122-

OVER HET H. OLIESEL.

poort der eeuwigheid reinigt en heiligt, deelachtig te worden !

Opdat hij echter dit H. Sacrament zeer waardig ont-vange, moet hij, terwijl de Priester de zalvingen afzonderlijk aan hem verricht, zooveel mogelijk de passende akten van verootmoediging, berouw, liefde en vertrouwen verwekken. Zalft de Priester hem de oogen met de woorden ; »Door deze h. zalving en krachtens zijne goeder-tierenste barmhartigheid vergeve God u, wat ge door het zien hebt misdreven,quot; — dan moet hij in stilte verzuchten : »Ach ja, mijn God, vergeef mij de vele en zware zonden, die ik met mijn oogen begaan heb ; ik zal ze niet meer tot het kwaad misbruiken ; zij zullen mij nu vooral dienen, om mijn zonden te beweenen en de wegen uwer geboden te bewandelen.quot; Dezelfde oefeningen moet hij verrichten, als de Priester hem de overige zintuigen zalft; bij elke zalving moet hij de barmhartigheid Gods aanroepen, een hartelijk berouw verwekken en ernstig beloven, van nu af zich met lichaam en ziel aan den dienst des Allerhoogsten toe te wijden en zijn levensdagen in de boetvaardigheid te eindigen. Indien hij het H. Oliesel met zulk een gezindheid en onder zoodanige voornemens ontvangt zal het voorzeker niet uitblijven, of deze h. zalving zal hem verstrekken tot reiniging van ziel en lichaam, en tot bolwerk en verdediging tegen de gruwzame pijlen der onreine geesten.

IX. Welke ceremonien volyen het H. Oliesel?

1) Na de h. zalvingen met olie bidt de Priester om de goddelijke bescherming, maar doet vooraf nog eenige korte ontboezemingen, die luiden; »Heer, ontferm U onzer. Christus ontferm U onzer. Heer ontfermquot; U onzer. Onze Vader enz. En leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van den kwade. Maakt uw dienaar zalig. Mijn God,

210

-ocr page 123-

OVER HET H. OLIESEL.

211

die in U hoopt. Zend hem hulp uit de h. plaats. En bescherm hem uit Sion. Heer, wees hem een sterke toren. Tegen zijn vijand. Laat de vijand niets tegen hem vermogen. En laat de zoon der boosheid zich niet verstouten, hem te schaden. Heer, verhoor mijn gebed. En mijn roepstem dringe tot U door. De Heer zij met u. En met uwen geest.quot; Hierop bidt de Priester de drie volgende yebeden: » Heere God, G;j die door uw Ap. Jacobus hebt gesproken : is er iemand ziek onder u, zoo roepe hij de Priesters der Kerk, opdat dezen voor hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren en het gebed zal den zieke behouden en de Heer zal hem verlichten en zoo hij in zonde is, zullen deze hem vergeven worden; — genees, bidden wij U, onzen Verlosser, door de genade des H. Geestes de zwakheden van dezen zieke, heel zijn wonden, vergeef zijn zonden, verwijder van hem al de smarten der ziel en des lichaams en geef hem genadiglijk de volle in- en uitwendige gezondheid weder; opdat hij, door de hulp uwer barmhartigheid hersteld, tot zijne vorige bezigheden in staat gerake. Gij, die met den Vader en den H. Geest leeft en regeert, God in de eeuwen der eeuwen. Amen.quot; Laat ons bidden. »Wij smeeken U, o Heer, zie op uwen door de ziekte zijns lichaams uitgeputten dienaar neder en verkwik zijn ziel, die Gij hebt geschapen; opdat hij, door de tuchtigingen verbeterd, zich door uwe artsenij behouden gevoele. Door Christus, onzen Heer. Amen.quot; — Laat ons bidden. »H. Heer, almachtige Vader, eeuwige God, Gij, die de genade uws zegens de zieke lichamen instort en uw schepsel met een veelvuldige goedheid beschermt, help genadig op de aanroeping van uwen naam; opdat Gij uwen dienaar van de ziekte verlost en met de gezondheid begiftigd, met uw rechterhand oprichten, met uw kracht versterken, met uw macht beschermen en met allen ge-

-ocr page 124-

OVER HET H. OLIESEL.

wenschten voorspoed aan uwe H. Kerk moogt teruggeven. Door Christus, onzen Heer. Amen.quot;

Zooals ge ziet, wordt God in deze smeekingen herhaaldelijk gebeden, dat Hij den zieke de genade des H. Oliesels in volle mate doe toekomen. In bijzonder komt in elke bede het gebed terug, dat God de smarten des zieken verzachten, de ziekte van hem wegnemen en hem de gezondheid wille teruggeven. Nu moet het toch aan een ieder van u duidelijk wezen, hoe dwaas die zieken handelen, welke uit vrees te moeten sterven, het laatste Oliesel steeds uitstellen. De Kerk beoogt door het toedienen van het H. Oliesel niets minder dan den dood des zieken; zij bidt veeleer herhaaldelijk en met allen ijver om diens genezing. En dit gebed der Kerk zal God voorzeker verhooren en aan den zieke de gezondheid teruggeven, indien het overigens tot zijn heil dienstig is. Het zij alzoo verre van u, het laatste Oliesel uit een dwaze vrees tot aan den dood uit te stellen; ontvangt het veeleer tijdig, opdat gij, indien het Gods wil is, door de kracht van dit Sacrament en het gebed der Kerk van uwe ziekte moogt herstellen.

Is de toestand van den zieke bedenkelijk en staat het te vreezen, dat de dood onverwachts kan invallen, dan geeft de Priester hem aanstonds de generale absolutie. Deze bestaat, zooals ik u reeds verklaard heb, in een vollen aflaat, dien de Priester krachtens een pauselijke volmacht den stervende mededeelt, zoodat hij van alle tijdelijke straffen, die hij in dit leven of in het vagevuur heeft af te boeten, wordt ontslagen.

2) Onder zegewenschen verlaat nu de Priester den zieke : » Benedicat te etc., De almachtige God zegeue u, de Vader, de Zoon en de H. Geest,quot; niet echter om van hem voor goed afscheid te nemen, maar om hem spoedig weer te bezoeken. Deze bezoeken zet hij zoolang voort, totdat de zieke buiten gevaar is en zijn genezing als

2\\2

-ocr page 125-

OVER HET H. OLIESEL.

verzekerd schijnt. Hij is hem gedurende de geheele ziekte een liefdevolle vriend, die hem opbeurt en troost, hem in geduld en boetvaardigheid zoekt te bewaren, met hem en voor hem bidt, kortom, die \'alles doet, om hem tot een goed Christen te maken. Heeft daarentegen God besloten, hem uit deze wereld weg te nemen, dan verdubbelt de Priester zijn ijver en bewijst hem den krachtdadigsten bijstand. Hij verwekt met hem de akten van geloof, hoop en liefde, van berouw en voornemen, van vertrouwen en berusting in den goddelijken wil; deelt hem naar omstandigheden nog de sacramenteele absolutie mede en geeft hem nogmaals de H. Communie; hij besproeit hem met wijwater, geeft hem het beeld van den gekruisten Zaligmaker te kussen, terwijl hij hem vermaant, op Jesus, zijnen Heer en Verlosser, al aijn vertrouwen te stellen en zich aan de voorbede van Maria, van de Engelen en Heiligen aan te bevelen. Nadert de doodstrijd, dan laat hij een gewijde kaars aansteken, tot zinnebeeld, dat Jesus Christus, het Licht der wereld, don stervende in zijn gang door den duisteren doodsnacht verlichten en tot het vreugdevolle licht des eeuwigen levens moge heenleiden. Hierop bidt hij met de aanwezigen de litanie van alle Heiligen en naar gelang de doodstrijd langer of korter aanhoudt nog andere gebeden.

Het eerste dezer gebeden luidt : Proficiseere, anima christiana, vertrek christelijke ziel, uit deze wereld, in den naam van God, den almachtigen Vader, die u heeft geschapen ; in naam van Jesus Christus, den Zoon van den levenden God, die voor u heeft geleden; in den naam van den H. Geest, die in u is uitgestort; in den naam van de Engelen en Aartsengelen ; in den naam van de Tronen en Heerschappijen; in den naam van de Vorstendommen en Machten; in den naam van de Cherubijnen en Seraphijnen ; in den naam van de Patriarchen en Profeten ; in den naam van alle Apostelen en

213

-ocr page 126-

1

214 OVER HET H. OLIESEL.

Evangelisten; in naam van de H. Martelaren en Belijders ; in naam van de H. Monniken en Kluizenaars; in naam van de H. Maagden en alle Heiligen Gods. Heden zij in vrede uwe plaats, en uw woning in het H. Sion. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.quot; Slechts nog éen dezer schoone en krachtige gebeden zal ik aanhalen. Het luidt: »Wij bevelen U, o Heer, de ziel van uwen dienaar aan, en bidden U, Heer Jesns Christus, Verlosser der wereld, dat ge haar, om wie Gij barmhartiglijk op aarde zijt nedergedaald, niet weigert, in den schoot uwer Patriarchen op te nemen. Zie, Heer, uw schepsel aan, niet door vreemde goden, maar door

U alleen, levenden en waren God, geschapen; want er (

is geen ander God buiten U, en er is geen volgens uwe 1

werken. Verblijd, Heer, zijn ziel voor uw aanschijn, en 1

wil niet gedachtig wezen zijne vroegere overtredingen en s

buitensporigheden, die de drift of het vuur van een J

kwaad verlangen heeft opwekt. Al is het ook dat hij c heeft gezondigd, toch heeft hij den Vader, en den Zoon,

en den H. Geest niet verloochend, maar hij heeft ge- j

loofd, en den ijver voor God in zich bewaard, en God, i

die alles gemaakt heeft, trouw aanbeden.quot; O hoe moeder- i

lijk, hoe treffend, hoe liefde-ademend is dit gebed! Hoe e

zou God zoo een gebed onverhoord kunnen laten ! I

Is de stervende zieltogende, dan besproeit de Pries- i

ter hem dikwerf met wijwater, om hem tegen de aan- c

vallen van den boozen vijand te beschermen en bidt her- c

haaldelijk ; «Jesns, Jesus, Jesus ! in uwe handen, o Heer, c

beveel ik mijnen geest. Heer Jesus Christus, neem mijnen c

geest aan ! H. Maria, bid voor mij ! Maria, Moeder van ]

genade. Moeder van barmhartigheid, bescherm mij tegen i

den vijand, en neem mij op in de ure des doods !quot; c

Heeft de stervende zijn laatsten strijd gestreden, en is i

zijn ziel van het lichaam gescheiden, dan bidt de Pries- e

ter. » Komt te hulpe, gij Heiligen Gods, komt te gemoet, \\

I

-ocr page 127-

OVER HET H. OLIESEL. 215

gij Engelen des Hee;-en, neemt zijne ziel op en brengt ze voor het aanschijn des Allerhoogsten. Christus, die u geroepen heeft, neme u op, en de Engelen leiden u in Abrahams schoot. Heer geef hem de eeuwige rust, en het eeuwige licht verlichte hem. Heer ontferm U onzer, Christus ontferm U onzer, Heer onferm U onzer. Onze Vader enz. En leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van den kwade. Heer, geef hem de eeuwige rust. Eu het eeuwige licht verlichte hem. Van de poort der hel. Verlos, Heer, zijne ziel. Dat hij ruste in vrede. Amen. Heer, verhoor mijn gebed. En mijn roepstem dringe tot TJ door. Laat ons bidden. Wij bevelen U, o Heer, de ziel van uwen dienaar aan, opdat hij der wereld afgestorven, voor U leve; en wisch door de kwijtschelding uwer allerbarm-hartigste goedertierenheid de zonden , die hij door de zwakheid des menschelijken -wandels begaan heeft, uit. Ueor Christus, onzen Heer. Amen.quot; Vervolgens besproeit de Priester den afgestorvene met wijwater.

Zoo vergezelt onze H. Kath. Kerk den mensch van zijn wieg af tot aan het graf, en staat hem met de genadeschatten des hemels, waarvan Jesus Christus haar de uitdeeling heeft toevertrouwd, overal, waar hij haar troost en hulpe behoeft, ter zijde. Zij, de Kath. Kerk, is onze beste en liefdevolste moeder; zoo zorgt niet een moeder voor haar eenig kind, als zij voor ons zorgt ai de dagen onzes levens. Nauw geboren reinigt zij ons in het bad der wedergeboorte van de erfsmet, en maakt ons van kinderen der gramschap tot kinderen Gods en erfgenamen des hemels. Komen wij tot de jaren van verstand en verliezen wij in het gewoel der wereld en in de lichtzinnigheid des levens de genade des Doopsels, dan geeft zij ons deze genade in het Sacr. der Biecht terug. Nog meer; zij roept ons onophoudelijk tot de tafel des Heeren en spijst onze ziel met het Brood der Engelen, zoodat wij met Christus op het innigst vereenigd en als ver-

i

-ocr page 128-

OVER HET H. OLIESEL.

goddelijkt worden, en met den Apostel kunnen zeggen : (Gal, 2, 20.) «Ik leef niet meer ik, maar iu mij leeft Christus.quot; Zoo deelt zij ons in het Vormsel de volheid des H. Geestes mede, rust ons uit als strijders van Christus, en voorziet ons van de noodige wapenen, zoodat wij gesterkt worden om tegen de wereld, het vleesch en den Satan te strijden. Maar niet enkel in \'t leven, maar ook in \'t sterven is de Kerk ons eeu liefhebbende moeder.

Juist in die dagen, waarin de wereld met hare genoegens en goederen ons den rug keert, waarin zelfs degenen, die wij voor onze beste vrienden aanzien, zich ver van ons verwijderd houden, waarin wij neerliggen vol ach en wee, — ontsluit zij voor ons al den rijkdom harer liefde en genade. Zij deelt ons de H. Sacr. der stervenden mede, laat ons aan de schatten der aflaten deelachtig worden, onderricht, troost en beurt ons op in onze angsten en smarten, sterkt ons in den laatsten strijd en geleidt ons tot aan de poorten der eeuwigheid, ja, drukt onze heengevaren ziel aan hare moederborst en ijlt er mede naar haren goddelijken Bruidegom Jesus Christus, om voor haar een genadig oordeel te verwerven. Zelfs dan nog, als ons lichaam bereids tot ontbinding in het graf overgaat en onze ziel in het land der eeuwigheid woont, verlaat de Kerk ons niet; zij gedenkt ons dagelijks in hare gebeden, offert voor ons het bloed van het onbevlekte Lam op in de H. Mis, komt ons met aflaten en goede werken te hulp en houdt niet op zich voor ons tot den Vader van barmhartigheid te wenden, tot dat ons verlicht het eeuwige licht en wij rusten in vrede. O, wat een geluk, welk een troost voor ons, tot een Kerk te behooren, die met zoo\'n zorgvuldigheid over ons waakt, met zoo\'n liefde ons koestert en verpleegt, met zoo\'n opoffering ons beschermt en verdedigt, met zoo\'n aanhoudendheid ons tot onze eeuwige bestemming brengt. O, zijn wij toch goede kinderen van deze beste moeder;

216

-ocr page 129-

OVER HBT PRIESTERSCHAP IN \'t ALGEMEEN. 217

beminnen wij haar uit geheel ons hart, hangen wij haar aan met een kinderlijk gemoed, maar laten wij ons ook door haar geleiden, zooals goede kinderen door hun moeder; maken wij ons de genaden, die zij ons zoo rijkelijk mededeelt, ten nutte, en doen wij altijd met alle bereidwilligheid, wat zij ons tot plicht maakt. Komt alsdan de dood vroeg of laat, hij zal ons bereid vinden ; als goede kinderen der Kerk zal God ons een goede Vader zijn en ons opnemen in de woningen des eeuwigen vredes.

I

HET PRIESTERSCHAP.

| 1.

Over \'t Priesterschap in \'t algemeen.

Onze goddelijke Zaligmaker, Jesus Christus, is niet enkel ah Leeraar en Koning, maar ook en wel bij voorkeur als Priester op aarde verschenen en heeft zijn priesterlijk ambt op de volmaaktste wijze uitgeoefend, toen Hij aan het kruis zich zeiven tot verlossing der menschen opofferde. Christus is de eigenlijke en ware Priester; in Hem heeft alle priesterlijke macht en waarde haren oorsprong, weshalve ook de Apostel (Hebr. 7, 21) Hem i) Sacerdos in aeternum, den Priester in eeuwigheidquot; noemt. Dit zijn Priesterdom droeg Hij aan de Apostelen op, doordien Hij hun de macht mededeelde, het H. Offer op te dragen en de H. Sacramenten toe te dienen, waarin juist het Priesterschap bestaat. — Het Priesterschap kon echter met den dood der Apostelen even zoomin ophouden, als met hen de Kerk zou ophouden. Evenals Chris-

-ocr page 130-

218 OVER HET PRIESTERSCHAP

tus het immerdurende voortbestaan zijner Kerk wilde, zoo wilde Hij ook het steeds in wezen blijven van het door Hem ingestelde Priesterschap, wijl zonder dit het voortbestaan der Kerk en de redding der menschen door de Kerk niet mogelijk ware. Vandaar moest het Priesterdom zich van de Apostelen op anderen voortplanten en dit geschiedt op last van Jesus en onder den bijstand van den H. Geest in de Kath. Kerk door een eigen Sacrament, namelijk door het Priesterschap.

Over dit H. Sacrament zullen wij u het noodige onderricht mededeelen en allereerst over het Priesterschap in 7 algemeen spreken.

I. Wat is het Priesterschap ?

Het Priesterschap is, zooals de Catechismus ons zegt, dat Sacrament, ie aar door aan degenen, die het ontvangen, de priesterlijke macht wordt medegedeeld, dismede een bijzondere (jenade, het priesterambt behoorlijh waar te nemen. Om dit antwoord u goed te verklaren, moet ik u aantoonen, 1) dat het Priesterschap een waar Sacrament is, 2) dat het een Sacrament is, waardoor niet enkel genade, maar ook macht wordt medegedeeld, 3) dat het een Sacrament is, wat niet andermaal mag ontvangen worden.

ï) Dat het Priesterschap een waar door Christus ingesteld Sacrament is, heeft de Kerk in het Conc. v. Tr. in de volgende geloofstelling op het bepaaldst uitgesproken: «Zoo iemand zegt, dat het Priesterschap of de h. wijding geen waar en eigenlijk Sacrament is, door Christus, den Heer, ingesteld, of een zeker menschelijke vinding, uitgedacht door mannen, die in de kerkelijke zaken onkundig waren; of dat het slechts een zekere ritus is, om de bedienaren van het godddelijk woord en de Sacramenten uit te kiezen; die zij in den ban.quot; En weder: «Zoo iemand zegt, dat door de h. wijding de H. üeest

-ocr page 131-

in \'t algemeen.

niet wordt medegedeeld en vandaar de Bisschoppen te vergeefs spreken, ontvangt den H. Geest; of daardoor geen karakter wordt ingedrukt; of hij, die eenmaal Priester was, weer leek kan worden; die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Can. 3. 4.) Deze uitspraken der Kerk zijn gegrond op de H. Schrift en de Erfleer, die ons met duidelijke woorden getuigen, dat bij het Priesterschap alles, wat tot een Sacrament vereischt wordt, aanwezig is, het zichtbaar teelten, de onzichtbare qenade en de instelling door Christus.

Ik zeg : het zichtbare teelcen, dat voornamelijk in de handenoplegging en in het gebed des Bisschops bestaat. Krachtens dit zichtbare teeken werd reeds ten tijde der Apostelen het Priesterschap medegedeeld. Zoo lezen wij in de Hand. der Ap. (13, 3.), dat de Bisschoppen der Kerk van Antiochie Paulus en Barnabas wijdden, doordien «zij baden en hun de handen oplegden.quot; Desgelijks schrijft de H. Paulus aan zijn leerling Timotheus (1. 4, 14.) «Veronachtzaam niet de genadegave, die in u is, welke u gegeven werd met handenoplegging des Priesterschaps.quot; En weder : (II. Tim. 1, 6.) «Ik maak u indachtig, de genadegave Gods wederom aan te vuren, welke in u is door de oplegging mijner handen.quot; Uit deze en veel andere plaatsen, die nog konden aangehaald worden, is duidelijk, dat bij de Priesterwijding een zichtbaar teeken werkelijk aanwezig is, te weteu : de banden-oplegging en het gebed. Op dezen grond noemen de Grieksche Christenen het Priesterschap juist «het Sacrament der handenoplegging.quot; In het Westen is wel benevens de handenoplegging als uitwendig teeken ook het overgeven van kerkelijke benoodigdheden, namelijk van den kelk met wijn en brood voorgeschreven, maar een plechtige verklaring, of dit overgeven tot de geldigheid van het Sacrament evenzoo noodzakelijk is als de handen-oplegging, heeft de Kerk tot nu toe nog niet gegeven.

219

-ocr page 132-

OVER HET PBIESTERSCHAP

Wij vinden bij het Priesterschap verder de inwendige genade, zooals blijkt uit de zooeven aangehaalde plaatsen. De H. Ap. Paulas zegt toch met duidelijke woorden, dat Timotheus »de genadegave niet verwaarloozen,quot; en »de genadegave wederom zou aanvuren,quot; die hij door de handenoplegging had verkregen. Welke genade echter de Priesterwijding mededeelt, zult ge zoo aanstonds vernemen, wanneer ik zal hebben aangetoond, dat daarbij ook het derde tot een Sacrament vereischte stuk aanwezig is, te weten :

De instellinq door Christus. Eeeds hieruit, dat volgens het duidelijke woord der H. Schrift bij het Priesterschap een zichtbaar, met een inwendige onzichtbare genade verbonden teeken aanwezig is, volgt met noodzakelijkheid, dat het Priesterschap door Christus moet zijn ingesteld, wijl niemand dan God alleen, met een zichtbaar teeken, zooals is de handenoplegging, een genade kan verbinden. De H. Schrift meldt evenwel de goddelijke instelling van dit Sacrament met uitdrukkelijke woorden. In de Hand. der Ap. (13, 2.) heet het: »De H. Geest sprak tot hen : zondert Mij Paulus en Barnahas af tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.quot; En de H. Paulus geeft aan de Bisschoppen en Priesters de vermaning. (Hand. 20, 28.) » Hebt acht op u zeiven, en op de geheele kudde, over welke de H. Geest u tot Bisschoppen gesteld heeft, om de Kerk Gods te regeeren.quot; In deze beide plaatsen wordt de aanstelling van Bisschoppen en Priesters in den h. dienst als een werk des H. Geestes aangeduid, waaruit blijkbaar volgt, dat die handeling, waardoor Bisschoppen en Priesters worden gevormd, namelijk de h. wijding door God zelf is verordend. En wie zou nog aan de goddelijke instelling des Priesterschaps kunnen twijfelen, daar het Evangelie ons verhaalt, dat Jesus Christus bij het laatste avondmaal aan zijn Apostelen in last gaf, het H. Offer op te dragen, en hun na zijn verrijzenis de

220

-ocr page 133-

IN \'T ALGEMEEN.

macht gaf, de zonden te vergeven ? Juist in deze beide volmachten, te weten het H. Offer te verrichten en de zonden te vergeven, bestaat toch het wezen des Prieste r-schaps. Zoo is derhalve in de H. Schrift ontwijfelbaar uitgesproken, dat het Priesterschap een Sacrament is des Nieuwen Verbonds, doordien het alle tot een waar Sacrament gevorderde stukken, namelijk een zichtbaar teeken, een onzichtbare genade, en de instelling door Christus in zich bevat.

Deze leer der H. Schrift vinden wij ook in de voortdurende Overlevering volkomen bevestigd. Om slechts de uitspraken van enkele H. Vaders aan te halen, zoo zegt de H. Ambrosius: «Wie geeft de bisschoppelijke en evenzoo ook de priesterlijke genade? God of de mensch? Zonder twijfel antwoordt gij: God. Maar God geeft ze door eenen mensch; de mensch legt de handen op en God verleent de genade. De Opperpriester legt de smeekende hand op en God zegent met zijn machtige hand, de Bisschop wijdt en God verleent de waardigheid.quot; In een gelijken zin zegt de H. Ghrysostomus: «De hand wordt den man opgelegd; maar het geheel werkt God; en zijne hand is \'t, die het hoofd van hem, die gewijd wordt, treft, indien hij zooals het behoort, gewijd wordt.quot; De H. Aug. zegt ronduit: »Beide, Doopsel en Priesterschap zijn Sacramenten.quot; Zoowel bij de Grieken als bij alle sekten van het Oosten, die zich reeds vroegtijdig van de Kath. Kerk hebben losgescheurd, wordt het Priesterschap algemeen voor een Sacrament gehouden, wat bij de bekende afgekeerdheid dezer sekten van de Homeinsche Kerk een zeker bewijs is, dat alle ware Christenen van de tijden der Apostelen af de sacramenteele waardigheid van het Priesterschap erkend en geloofd hebben.

2) Na u uit de H. Schrift en de Erfleer te hebben aangetoond, dat het Priesterschap een waar Sacrament is, moeten wij de macht en de genade, die door dit Sa-

221

-ocr page 134-

OVER HET PRIESTERSCHAP

222

crament worden medegedeeld, nader leeren kennen. Degenen, die het Sacrament der Priesterwijding ontvangen, verkrijgen voornamelijk de macht, brood en wijn in het Lichaam en Bloed des Heeren te veranderen en de zonden te vergeven, een macht, welke die der aardsche machthebbers zoover overtreft als de hemel de aarde. Dit spreekt de Kerk op het Cone. v. Tr. met duidelijke woorden uit, doordien het verklaart; » Zoo iemand beweert, in het Nieuwe Verbond bestaat geen zichtbaar en uitwendig Priesterdom, of geen macht, het ware Lichaam en het ware Bloed des Heeren te consacreeren en op te offeren en de zonden te binden of te ontbinden, maar slechts een ambt en slechts enkel een dienst tot verkondiging van het Evangelie, of degenen, die niet prediken, zijn volstrekt geen Priesters, die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Can. 1.) Zooals ge ziet, spreekt de Kerk als een geloofswaarheid uit, dat de priesterlijke macht voornamelijk in zich sluit de macht, het H. Offer op te dragen en de zonden te vergeven. Hetzelfde zegt het Evangelie ons. Nadat de goddelijke Zaligmaker bij het laatste avondmaal brood en wijn in ziju Vleesch en Bloed had veranderd, sprak Hij tot zijn Apostelen: »Doet dit tot mijne gedachtenis!quot; Met deze woorden gaf Hij hun de macht en het bevel, hetzelfde te doen, wat Hij gedaan had, d. i. brood en wijn in zijn H. Vleesch en Bloed te veranderen. Evenzoo gaf Hij hun na zijn opstanding de macht, zonden te vergeven, doordien Hij op hen blies en sprak; »Ontvangt den H. Geest. Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden. (Joës20, 22. 23.) Bijgevolg bestaat de macht der Priesters volgens de woorden van Christus zelf voornamelijk hierin, dat zij brood en wijn in het Lichaam en Bloed des Heeren veranderen en de zonden kunnen kwijtschelden. Ik zeg: voornamelijk; want de priesterlijke macht strekt zich

-ocr page 135-

IN \'T ALGtEMEEN.

ook uit tot het toedienen der overige H. Sacramenten, alsmede tot het predikambt, het uitspreken van zegeningen en dergelijke, zooals gij nader, als er van de H. wijdingen afzonderlijk spraak zal -wezen, uitvoeriger zult vernemen.

Deze door het Priesterschap verkregen macht is de verhevenste macht, die aan een mensch kan verleend worden; zij is waarlijk een goddelijke macht. De H. Vaders vinden nauwelijks woorden genoeg, wanneer zij de waardigheid en verhevenheid van het christelijke Priesterdom willen afmalen. «Zoo veel voortrefl\'elijker,quot; zegt de H. Clemens van Rome, »de ziel is boven het lichaam, zoo te voortreffelijker is het Priesterdom boven de koninklijke macht.quot; En inderdaad ! eens konings macht, al ware hij ook de heerscher der geheele wereld, strekt zich slechts over de menschen uit; de Priester echter heeft macht over God zeiven. Want zoo dikwerf hij bij het H. Offer de woorden der consecratie spreekt, is de Zoon Gods zelf hem gehoorzaam, daalt oogenblikkelijk op het altaar neder en is tegenwoordig onder de gedaanten van brood en wijn. »O verheven waardigheid der Priesters,quot; roept daarom de H. Aug. uit, in wier handen de Zoon Gods, zooals eens in den maagdelijken schoot van Maria, als op nieuw het Vleesch aanneemt. Een koning kan de lichamen der menschen in boeien slaan en ze daarvan ontdoen; over hunne zielen bezit hij geen macht; maar de Priester kan de ziel binden en ze van de zonde en de slavernij van Satan ontbinden. Een koning bezit slechts macht op aarde; des Priesters macht reikt tot in den hemel: wat bij bindt of ontbindt, is ook in den hemel gebonden of ontbonden. »De Priesterszegt de H. Chrysostomus, bezitten een macht, die noch aan Engelen noch aan Aartsengelen is verleend; want tot dezen is niet gezegd: wat gij op aarde zult binden, zal ook in den hemel gebonden

223

-ocr page 136-

r

•M

■\'ê

224 OVER HET PRIESTERSCHAP

zijn ; en wat gij op aarde zult ontbinden, zal ook in den ei

hemel ontbonden zijn. Wat ook de Priesters hier op aarde d;

werken, dat alles neemt God welgevallig in den hemel zi

aan en de uitspraak zijner dienaren bevestigt de Heer.\'\' di

Een koning bezit aardsche schatten; in des Priesters in

hand echter zijn hemelsche schatten gelegd; want alle di

genadeschatten des Verlossing worden ons ten deel door te

de priesterlijke macht. Zij is het op de eerste plaats, d(

waaraan wij ons opnemen in den schoot der H. Kath. zi

Kerk danken — door het Doopsel; daardoor wordt het hi

Lichaam en Bloed des Heeren ons tot voedsel onzer ziel te

medegedeeld; daardoor worden wij met God verzoend en g

verkrijgen wij de verloren genade des Doopsels weder; te

daardoor worden wij in onzen laatsten strijd gesterkt, rr

zoodat wij alle vijanden onzes heils overwinnen en een 0

zaligen dood kunnen sterven. Door de priesterlijke macht E

wordt het verlossingswerk van Jesus Christus voortge- h

zet door alle eeuwen, en men kan in waarheid zeggen, a

dat God door de instelling van het Sacr. des Priester- n schaps als het ware aan zijn macht heeft paal en perk gesteld en ze aan de Priesters heeft overgedragen.

Maar juist om deze verhevenheid verkrijgt de priesterlijke macht ook een last die voor de menschelijke schouders veel te zwaar is te dragen. Dit nagaande, hebben v de heiligste mannen geaarzeld, het Priesterschap op zich h te nemen ; anderen bebben het slechts met vrees en angst d ontvangen. Christus weet het; daarom deelt Hij aan degenen, die het H. Sacr. des Priesterschaps ontvangen, V behalve de macht een bijzondere genade mede, ten einde r het Priesterschap behoorlijk waar te nemen. Hierover e spreekt zeer schoon de H. Thom. v. Aq. met de woor- s den : «Gods werken zijn volmaakt ; wanneer Hij dus een 1 bijzondere macht mededeelt, dan geeft Hij ook wat nood- i zakelijk is, ze goed te gebruiken. Evenals nu de genade 1 noodzakelijk is, de Sacramenten waardig te ontvangen,

-ocr page 137-

OVER HET H. OLIESEL.

ervan wil overhalen. Hier ziet ge zelf wel in, dat zoodanige valsche vertroosters onrecht plegen voor God, zich jegens den zieke aan de grootste liefdeloosheid schuldig maken en voor alle kwade gevolgen, die uit hun misleiding voortvloeien, verantwoordelijk zijn. Neemt u dus wel in acht, een zieke met een valschen troost op te heuren en oorzaak te wezen, dat hij het ontvangen des H. Oliesels steeds uitstelt. Merkt ge op, dat zijne ziekte gevaarlijk wordt, spreekt dan met hem openhartig en vermaant hem, dat hij zijne christelijke plichten ver vuile en de H. Sacramenten ontvange. Vertrouwt gij u niet, met den zieke vrij te spreken, zoo geeft minstens aan den zielzorger daarvan kennis. Nog wil ik opmerken, dat volgens het voorschrift der Kerk het laatste Oliesel eerst na de H. Teerspijs moet worden toegediend. De reden hiervan is, wijl het laatste Oliesel ten doel heeft, ons in den laatsten strijd te versterken en over het algemeen niet slechts de voleinding der boetvaardigheid, maar van het geheele christelijke leven is.

VI. Hoe dikwijls kan men het H. Oliesel ontvanyen ?

Men kan het H. Oliesel in elke gevaarlijke ziekte eenmaal ontvangen; het kan echter in dezelfde ziekte, wanneer het doodsgevaar geweken was, maar zich opnieuw voordoet, herhaald worden.

Het laatste Oliesel kan derhalve, in \'t algemeej gesproken, opnieuw worden toegediend; want Sacramenten, die niet dikwijler dan eens mogen ontvangen worden, zijn er, zooals bekend is, slechts drie, het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap. Het Oliesel echter kan en moet herhaald worden zoo vaak de zieke van een gevaarlijke ziekte, waarin hij dit H. Sacrament heeft ontvangen, volkomen is genezen en opnieuw in een gevaarlijke ziekte

13

193

-ocr page 138-

OVER HET H. OLIESEL.

valt. Dit vernemen wij uit de leer des Concilies v. Tp., dat zegt: »Indien de zieken na het ontvangen des laat-sten Oliesels zijn genezen, kunnen zij, ingeval zij weder in een ander dergelijk levensgevaar geraken, herhaaldelijk door het hulpmiddel van dit Sacrament gesterkt worden.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 3.) Het H. Oliesel kan ook in dezelfde ziekte herhaald worden, indien deze langdurig is en de ziekte beduidend beter wordt, zoodat het doodsgevaar schijnt geweken te zijn en wanneer hij dan opnieuw daarin terugvalt. Hier is alzoo niet noodzakelijk, dat de ziekte geheel ophoude en de volkomene genezing plaats hebbe, maar alleen, dat het doodsgevaar een tijdlang zij geweken en zich dan wederom vertoone. Zoo dikwijls dit doodsgevaar zich opnieuw voordoet, mag het H. Oliesel herhaald worden. Op deze wijze kan het gebeuren, dat een zieke drie- en viermaal en nog dikwijler het H. Oliesel mag ontvangen. Dit blijkt uit het Romeinsche Rituaal, waar het heet: »In een en dezelfde ziekte mag* het

\' O

Sacrament (des Oliesels) niet herhaald worden, of zij ware langdurig en de zieke genezen en weder in doodsgevaar geraakt.quot; Twijfelt men, of de toestand der ziekte werkelijk is veranderd dan mag het H. Oliesel in een dezelfde ziekte herhaald worden, indien overigens de twijfel gegrond, d. i. de waarschijnlijkheid voor zich heeft, dat de zieke het doodsgevaar reeds eenmaal is ontkomen. De grond hiervan is, wijl in dit geval het herhalen des Oliesels het gebruik der Oude Kerk voor zich heeft en de zieke een nieuwe geestelijke hulp verkrijgt. Blijft daarentegen de ziekte steeds levensgevaarlijk en Iaat het zich volstrekt niet aanzien, dat het gevaar was geweken, dan mag het laatste Oliesel niet dikwijler dan eens worden toegediend, al zou de ziekte ook langdurig wezen. In dit geval mag een herhaling van het Sacrament geen plaats hebben, om dat het om het doodsgevaar wordt toegediend en bijgevolg de kracht en de werking der genade

194

-ocr page 139-

OVER HET H. OLIESEL.

er vau voortduurt, zoolang het doodsgevaar aauhoudt.

Neemt nu, Aand., de voorschriften, die ik u omtrent het ontvangen van liet laatste Oliesel heb gegeven, getrouwelijk waar. Bezoekt de lieve God u met een zware ziekte, laat dan den Priester roepen, opdat hij u de vertroostingen van den h. godsdienst toediene. Draalt toch niet in deze gewichtige aangelegenheid en berooft noch u zelve, noch uw verwanten van een genademiddel, waaraan gij zoo zeer behoefte hebt, om in den laatsten strijd staande te blijven en een zaligen dood te sterven. Bidt God dagelijks, dat Hij u aan het einde uws levens de genade, de H. Sacramenten der stervenden en bijzonder het laatste Oliesel te ontvangen, gelieve mede te deelen. Er kan toch niets wenschelijker zijn, dan deelachtig te worden aan een genademiddel, dat de laatste overblijfselen der zonde uitwischt, dat in de dagen, als de wereld u den rug toekeert en u trouweloos wordt, u staande houdt en een hemelschen balsem in uw hart stort; dat u uitrust met een bovennatuurlijke kracht tegen alle aanvallen van den Satan, die met een groote verwoedheid op u aandringt, omdat hij weet, dat hem slechts een korten tijd, die u eindelijk de grootste aller genaden, de genade van eenen zaligen dood verzekert, meer overblijft. Wijl echter deze genadewerkingen des H. Oliesels van het waardig ontvangen ervan afhangen, daarom moet gij in uwe gezonde dagen u daartoe met allen ijver voorbereiden. Denkt dagelijks aan dat hooggewichtige uur, waarin gij deze wereld en alles, wat zij heeft en geeft, moet verlaten ; betreurt uw zonden en maakt het ernstige voornemen, de rest uw levens aan den dienst van God en het heil uwer ziel te besteden.

Wilt ge in deze voorbereiding nog verder gaan, doet dan somwijlen wat een vrome kloosterling van een verheven deugd (P. Wolfgang Grafeneg) eiken avond, al-

195

-ocr page 140-

19Ö OVER HET II. OLIESEL.

vorens hij zich ter ruste legde, gedaan heeft. Hij dacht k

namelijk op zijn sterfbed te liggen, nam een crucifix in P:

de hand en hield het eerst aan het voorhoofd, om zijn v(

inwendige zinnen te zuiveren, waarbij hij sprak : » Door di

zijn h. kruis en zijn milddadigste barmhartigheid vergeve h(

God mij de zonden, die ik door het geheugen, het ver- w

stand, den wil en de verbeelding heb bedreven.quot; Hierop ei

raakte hij met het crucifix de uitwendige zintuigen aan d(

en sprak daarbij het passende gebed. » Door dit h. Kruis re

en zijae goedertierendste barmhartigheid vergeve God mij M

de zonden, die ik door zien, hooren enz. heb begaan !quot; vi

O, wat een heilbrengende oefening zal het voor u wezen, m

indien gij naar het voorbeeld van dezen vromen Orden- b(

geestelijke voor de nachtrust aan het sterven denkt en h(

aan het H. Oliesel, waarmede de Priester, zooals gij b(

hoopt, u zal zalven ; wanneer gij u dan met het sterf- m

kruis zegent en bidt: «Door zijn h. kruis en zijne goeder- ei

tierenste barmhartigheid vergeve God mij, wat ik met st

mijne zintuigen heb gezondigd en late mij eenmaal den v

dood der rechtvaardigen sterven !quot; Voorzeker, deze dik- g

wij Is herhaalde h. oefening zal u in de vreeze Gods be- 7:

waren en maken, dat gij eens een goeden en zaligen lt;1

dood sterft. g

o

VII. Welke ceremonien (/aan het R. Oliesel vooraf ? b

li

In vroegere tijden gebeurde het niet zelden, dat de v

zieken tot het ontvangen van het H. Oliesel zich in de 0

Kerk lieten brengen, of, zoo zij nog kracht genoeg be- ^

zaten, er zelf nog heen gingen. Er bestonden vele ker- e ken, waarin tot de toediening van het laatste Oliesel

een eigen plaats bereid was. In bijzonder was het een al- \'

gemeen heerschend gebruik, dat de zieken het laatste f

Oliesel onder zeer opvallende teekenen van boetvaardig- f

heid ontvingen. Men spreidde op den grond een boete- \'

m

-ocr page 141-

OVER HET H. OLIESEL.

kleed of een soort zak van een ruwe en grove stof; de Priester strooide over dit boetekleed gewijde asch in den vorm van een kruis en besproeide het met wijwater; daarop legde men nu den zieke. De Priester maakte hem het teeken des kruises op de borst, besprenkelde hem met wijwater en sprak . »Gedenk, o rnensch, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeeren !quot; Deze wijze van toedienen des H. Oliesels was algemeen in gebruik. De eerste sporen daarvan vinden wij in het leven van den H, Bisschop Martinus van Tours. Severus Sulpitius verhaalt namelijk van hem, dat hij zich den laatsten nacht, als zijn ledematen reeds koud begonnen te worden, op den met asch bedekten bodem liet neerleggen, en als zijn leerlingen hem baden, dat hij mocht toestaan, een weinig gering bedgoed onder hem te spreiden, antwoordde hij : «Neen, mijn zonen, de Christen behoort niet anders dan in asch eneen boetekleed te sterven.quot; Iets dergelijks verhaalt de geschiedenis ons van vele anderen. Zoo wilde de abt Poppo van Stablo in den laatsten nacht op een boetekleed neergelegd worden en bad, God mocht dit als een teeken zijner oprechte boete aannemen. De H. Paus Coelestinus, die in zijn gezonde dagen het boetekleed nooit heeft afgelegd, liet zich na het H. Oliesel ontrangen te hebben op een eenvoudig bed, dat met een grof en met asch bestrooid doek bedekt was, nederleggen. Onder de wereldlijke vorsten valt bijzonder te noemen koning Ferdinand van Castilie, die twee dagen in de Kerk voor het altaar op de asch in een boetekleek neerlag alvorens hij stierf. Dit gebruik duurde op vele plaatsen tot aan de vijftiende eeuw.

Tegenwoordig ontvangen de zieken het H. Oliesel in hun huis. De Kerk maakt het den Priesters tot een strengen plicht, de zieken te bezoeken en hun de vertroostingen van den godsdienst te laten toekomen. Zij neemt zich haren goddelijken Stichter tot voorbeeld, die zich zelf als

197

-ocr page 142-

OVER HET H. OLIESEL.

een goeden herder aanduidt en niet moede werd, zijn schaapje na te ijlen, om het in den schaapstal terug te leiden. Wat een troost voor den zieken en stervenden Christen ! Hij moge zijn wie hij wil, de Kerk ontvangt hem met een gelijke liefde; zij is voor de ziel des bedelaars evenzoo bezorgd als voor de ziel des vorsten. Al is het ook, dat de zieke aan een afschuwelijke en aanstekende kwaal lijdt, ook al, dat zelfs zijne beste vrienden niets meer van hem willen weten; éen is er, die quot;ïTem niet verlaat, ja, die nu eerst vooral aanvangt, aan hem zijn liefde te besteden, — de Priester. Hij, de Priester, gaat zoowel in de hut van den daglooner als in het paleis des grooten ; zelfs hem, die in leven zijn vijand was, hem lasterde en beschimpte, bezoekt hij en is er op uit, zijne ziel te redden. O, wat een geluk voor ons, dat wij Kath. Christenen zijn! Hoe innig moeten wij God daarvoor danken al de dagen onzes levens !

Komt de Priester in de woning des zieken, ten einde hem met de Sacramenten der stervenden te voorzien, dan moet alles wel voorbereid wezen. Dit vordert niet enkel de eerbied voor den aanwezigen Priester, maar ook de heiligheid der handeling, die hij als plaatsbekleeder van Christus verricht. Tot dat einde reinige en luchte rr.en het vertrek des zieken, men overdekke zoo mogelijk diens bed met schoon linnen, spreide een tafel met een witten doek, zette daarop een crucifix met twee brandende waskaarsen en een glas of schoteltje met wijwater en een drinkvaatje met een weinig gewoon water en tevens een palmtakje en wat boomwol. Zoo uitgerust verwachtte men met vertrouwen en godsvrucht den Priester.

1) De Priester nu verschijnt en begint als afgezant Gods zijn h. ambt. Bij het ingaan van de ziekenkamer zegt hij: » Vrede dezen huize en allen, die daarin wonen/\'quot; Hij komt hierin den last van Christus na, dien Hij aan zijne discipelen gaf met de woorden: (Luc. 10,

198

-ocr page 143-

OVER HET H. OUESEL.

199

5.) In welk huis gij ook ingaat, zegt eerst : »Pax hide domui, vrede zij dezen huize !quot; en heeft tevens het voorbeeld zijns güddelijken Meesters voor oogen, die na zijn opstanding aan zijn leerlingen verscheen en bij herhaling den groet tot hen richtte: (Joes. 20, 19. 26.) » .Pfta; yoamp;\'-s, vrede zij u!quot; De vrede, dien de Priester den zieke en alle bewoners des huizes toewenscht, is drievoudig: de vrede met God, met den naaste en met zich zeiven. De vrede met God bestaat in de onderwerping van onzen wil aan dien van Hem, in de volkomene overgeving aan de goddelijke voorzienigheid, die alles op de beste wijze verordent en leidt. Ach, wat kan de Priester den zieke en zijn omgeving beter toewenschen dan dezen vrede! De zieke toch kan aan God geen aang\'enamer offer brengen, dan wanneer hij zich aan Hem volkomen overgeeft, dan wanneer hij de ziekte en al het daarmede verbonden ongerief uit zijne handen geduldig aanneemt en zelfs bereid is te sterven, indien het Hem aldus behaagt. Ook de bewoners des huizes kunnen niets beters doen dan aan God naar zijn goeddunken over te laten, hoe Hij met hen en den zieke belieft te handelen en uit de volheid huns harten te bidden: »Uw wil geschiede op aarde als ook in den hemel! Al is het ook hard en bitter, den vader, de moeder, den echtgenoot, de vrouw, den broeder, de zuster, den zoon, de dochter te zien sterven, toch zullen wij, o Heer, niet tegen U klagen; want wij weten, dat voor degenen, die U beminnen, alles ten beste gedijt.quot; De vrede men den naaste wenscht de Priester; alle bewoners des huizes moeten in vrede met elkander leven en den zieke, die hun veel zorg en moeite baart, met alle opoffering dienen. In bijzonder moet Je zieke vrede maken en houden met al zijn huigenooten, geburen en medemenschen, gedachtig de woorden des H. Geestes: (Eccl. 28, G.) i) Memento navisfmorum, gedenk aan uw uiterste, ei desine inimicari, en houd op vijandschap te

-ocr page 144-

OVER HET H. OLIESEL.

plegen !quot; Eindelijk wensoht de Priester aan allen in huis sl(

eu vooral den zieke den vrede met zich zeiven, die bestaat dt

in een goed geweten. Er bestaat inderdaad geen goed. ai

dat den zieke en stervende wenschelijker kan zijn dan w

deze vrede. O hoe rampzalig en betreurenswaardig ware V

zijn toestand, indien op zijne ziel nog zware zonden o

drukten! Hoe hard moet zijn ziek- en sterfbed hem wor- m

den ! Maar hoe rustig en getroost kan hij wezen, indien rr zijn geweten hem niets meer ten laste legt! indien hij de

aangelegenheden zijner ziel in orde gebracht en zich met e:

God heeft verzoend ! O, dan gevoelt hij zoo geheel de waar- v

heid van het spreekwoord: »Een goed geweten is een z

zacht rustkussen.quot; s

2) De Priester zet nu het busje met h. Olie op tafel, 1:

gaat tot den zieke en houdt hem de beeltenis van den é

Gekruiste voor den mond, om ze te kussen. Hoe betee- l

kenisvol, hoe troostelijk is deze ceremonie? Dit crucifix, 1

herinnert het den zieke niet aan het onuitsprekelijk geluk, 1

200

dat hij een Christen, een Kath. Christen is en als zooda- i

nig de bezielende hoop koestert, met Jesus Christus, zijn Heer en Verlosser, voor eeuwig in den hemel vereenigd te worden ? Dit Christusbeeld boezemt hem moed en vertrouwen in, doordien het hem toeroept: Zie, mijn zoon, mijne dochter, indien gij ook dikwijls gefaald hebt in uw leven, vertwijfel niet; Jesus Christus is voor u aan \'t kruis gestorven en heeft voor al uw zonden een over-rijke voldoening gegeven? Dit Christusbeeld, beurt het hem niet op in zijn jammer en ellende, daar het hem zijnen aan het kruis lijdenden en stervenden Verlosser voor oogen stelt, die tot hem spreekt: Zie, mijn zoon, mijne dochter, gij lijdt wel is waar veel, maar Ik heb nog meer geleden; gij ligt op een bed, Ik ben aan \'t kruis genageld; met u heeft men medelijden en ver-vervult uwe minste wenschen, men heeft Mij bespot en met gal en edik gelaafd; gij voldoet door ziekte eu dood

-ocr page 145-

OVER HET H. OLIESEL.

slechts uw zondenschuld, Ik heb alles onschuldig geleden, beu gestorven u ter liefde ? O wat kan de zieke anders, dan met een hart vol dankbaarheid, vol vertrouwen, vol overgeving en liefde het beeld zijns gekruisten Verlossers kussen en uit geheel zijn ziel verzuchten: o Jesus, ik erken U als mijn Heer en Verlosser, ik bemin ü, ik geet mij aan U over en wil met U lijden, om met U verheerlijkt te worden.

3) De Priester besproeit hierop den zieke, het verblijf en de aanwezigen met wijwater en spreekt daarbij de woorden: »Besproei mij met hysop en mijne ziel zal gezuiverd worden; wasch mij en ik zal witter worden dan sneeuw. Ontferm U mijner, o God, volgens uwe groote barmhartigheid en naar de menigte uwer onttermingen, delg mijn misdaad uit. Eere zij den Vader enz.quot; Deze besproeiing met wijwater en het daarmede verbonden gebed is voor den zieke en alle aanwezigen een vermaning tot boetvaardigheid. Wij allen toch hebben gezondigd en er bestaat voor ons geen ander reddingsmiddel dan de boetvaardigheid. (Luc. 13, 3.) «Nisi poenitentiam habueri-tis, indien gij niet boete doet, omnes similiter peribitis, zult gij allen op gelijke wijze omkomen.quot; De zieke te meer moet zich door een ware boete met God verzoenen, opdat hij zalig sterven en genade moge vinden voor den eeuwigen Eechter. Niet enkel de zieke en de aanwezigen, maar ook het vertrek des zieken wordt met wijwater besprenkeld, opdat de booze vijand worde afgeweerd; want het wijwater heeft, indien het met een geloovig en vertrouwvol hart wordt aangewend, de kracht, den duivel te verdrijven en zijne aanslagen te verijdelen. Eindelijk wordt de zieke met wijwater besproeid, om hem op het hart te drukken, dat Jesus Christus voor hem aan \'t kruis zijn bloed heeft vergoten en dat dit goddelijke bloed, evenals aan alle Sacramenten, zoo ook aan het laatste Oliesel, dat hij nu zal ontvangen, zijn waarde geeft.

201

-ocr page 146-

202 OVER HET H. OLIESEL.

4) Hierop richt de Priester eenir/e woorden tot den zieke. Hij onderricht hem in \'t kort over het laatste Oliesel, over de genadewerkingen en over de wijze, hoe hij het moet ontvangen. Ook legt hij den aanwezigen hun chris-telijken plicht jegens den zieke op het hart en vermaant ze, voor hem te bidden. Verlangt de zieke het, dan neemt hij hem nog de Biecht af; in elk geval spoort hij hem aan, een recht innig berouw over zijn zonden te verwekken, opdat hij in den geest van boetvaardigheid het H. Oliesel ontvange en aan de genaden van dit Sacrament deelachtig worde. Na deze voorbereiding spreekt hij, voor den zieke staande de volgende gebeden; »Onze hulp is in den naam des Heeren enz. Laat ons bidden. HeereJesus Christus, met de intrede onzer geringheid keero in dit huis een eeuwig geluk, goddelijke welvaart, ongestoorde vreugde, vruchtbare liefde, immerdurende gezondheid ; de toegang der duivelen blijve van deze plaats verwijderd; dat de Engelen van vrede tegenwoordig zijn en alle booze tweedracht dit huis verlate. Verheerlijk, o Heer, over ons uw H. Naam en zegen ons bezoek; heilig de intrede onzer geringheid; Gij die heilig en goedig zijt en blijft met den Vader en den H. Geest in eeuwigheid. Amen.quot; «Laat ons bidden en onzen Heere Jesus Christus smee-ken, dat Hij deze woning en allen, die hierin verblijven, rijkelijk zegene; hun een goeden Engel tot beschermer geve en make, dat zij Hem dienen, om de wonderen zijner wet te beschouwen; dat Hij alle tegenstrijdige machten van hen verwijdere; hen behoede voor alle vrees en alle verontrusting en Zich gewaardige, hen gezond in deze woning te bewaren ; Die met den Vader en clan H. Geest leeft en regeert God in de eeuwen der eeuwen. Amen.quot; «Laat ons bidden. Verhoor ons, H. Heere, almachtige Vader, eeuwige God, en gewaardig U, uwen H. Engel uit den hemelen te zenden, die allen, welke in dit huis wonen, bewake, behoede, bescherme, bezoeke en

i

-ocr page 147-

OVER HET H. OLIESEL.

verdedige. Door Christus onzen Heer. Amen.quot; — In deze gebeden smeekt de Priester, zooals ge ziet, voor den zieke en al de bewoners des huizes om alles, wat voor hen kan wenschelijk zijn, vreugde, geluk, liefde, gezondheid, verwijdering des boozen vijands en de bescherming der H. Engelen. Hoe vurig moeten alle aanwezigen hun gebed met de gebeden des Priesters vereenigen, dat God met de oogen zijner barmhartigheid op hen nederzie en hun gebeden genadig verhoore.

5) Vervolgens wordt het Confiteor of de algemeene zondebelijdenis gebeden, waarop de Priester het bekende Misereaiur en Indulyentiam spreekt. Beide hangen innig samen. De zieke of wie ook in diens naam legt de zondenbelijdenis af en smeekt door de voorbede van Maria en de Heiligen tot God om vergeving en genade ; de Priester, vol medelijden met den zieke, ondersteunt zijn smeeken en bidt voor hem van God barmhartigheid, vergeving der zonden en het eeuwig leven. Opdat echter dit smeeken verhooring bij God vinde, moet de zieke zich nog meer verootmoedigen en God met herhaalde verzuchtingen van boetvaardigheid om genade en barmhartigheid aanroepen.

6) Alvorens den zieke te zalven maakt de Friester over hem driemaal het teelten des h. kraises en bidt; »In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes worde in u vernietigd alle macht des duivels door de oplegging onzer handen, en door de aanroeping van alle H. Engelen, Aartsengelen, Patriarchen, Profeten, Apostelen, Martelaren, Belijders, Maagden en alle Heiligen. Amen.quot;

Het h. JcrmsteeJcen, dat de Priester over den zieke maakt, dient dezen als een ondoordringbaar schild tegen de brandende pijlen van Satan en als een bolwerk tegen alle aanslagen der hel. Door het kruis heeft Jesus Christus den duivel verwonnen en zijn rijk verwoest; door

203

-ocr page 148-

OVER HET H. OLIESEL.

het kruis overwint ook de Christen den Satan en verijdelt hij zijne verderfelijke aanvallen. »Het kruis,quot; zegt de H. Ignatius, «is een zegeteeken tegen de macht des vorsten dezer wereld ; wanneer hij het ziet, dan ontstelt hij, wanneer hij ervan hoort, dan vreest hij.quot; En de H. Aug. zegt: »Het kruis bevat in zich een wonderbare kracht; enkel de herinnering er aan slaat on/e onzichtbare vijanden op de vlucht, sterkt ons tegen hunne aanvallen en bewaart ons voor hunne strikken.quot; Met dit teeken des heils bezegeld, behoeft alzoo de zieke voor de aanvechtingen van den boozen vijand niet te vreezen; zoodra de duivel dit h. teeken verneemt, voelt hij zijn onmacht en gaat vol schrik op de vlucht.

Driemaal maakt de Priester het teeken des h. kruises over den zieke en spreekt daarbij: »In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.quot; Daardoor wordt de zieke herinnerd, dat hij aan den H. Drieeenigen God alles heeft te danken, de Schepping, de Verlossing en de Heiliging; dat hij aan de Allerheiligste Drievuldigheid geheel toebehoort en Dier volkomen eigendom is; dat hij eindelijk onder de hoede des Vaders, des Zoons en des H. Geestes staat en vandaar van de booze vijanden niets heeft te vreezen.

De Priester roept de Engelen en lleiliyen aan en stelt den zieke onder! liun bescherming, opdat zij hem met kracht bijstaan, hem als hun aanbevolene tegen de aanslagen van Satan verdedigen en voor hem bij God om genade smeeken.

Ziet, Aand., zoo doet de Kerk alles, wat in haar vermogen is, om den zieke tot het H. Sacrament des laat-sten Oliesels, dat hij ontvangen zal, behoorlijk voor te bereiden. Zij legt er zich op toe, zijn hart tot berouw en boete te stemmen; zij boezemt hem moed en vertrouwen in en vermaant hem tot geduld en berusting in den god-delijken wil; zij bidt voor hem en roept over hem God

204

-ocr page 149-

OVER HET H. OLIESEL. 205

en de Heiligen aan; zij sterkt hem tegen de aanvallen van Satan en smeekt voor hem de genade des hemels, dat hij den laatsten strijd gelukkig strijde en zijn eeuwig heil bereike.

VUL Welke ceremoniën begeleiden het 11. Oliebel?

Wanneer de Priester de oogen, ooren, neus, mond, de handen en voeten des zieken met de h. olie zalft en bij elk dezer zalvingen spreekt: «Door deze h. zalving en krachtens zijne goedertierenste barmhartigheid vergeve God u, wat gij door zien, hooren enz. hebt misdreven,quot; dan is dit, zooals wij bereids gehoord hebben, het uitwendige teeken of de materie (stof) en vorm van het laatste Oliesel en daarom tot toediening van het Sacrament wezenlijk noodzakelijk. Ceremonie is alleen datgene, wat deze zalving voorafgaat en volgt en kan vandaar ingeval van nood achterwege blijven. Leefde namelijk de zieke, niet meer zoolang, dat het H. Oliesel met alle ceremoniën hem kan worden toegediend, dan ware het genoegzaam, als de Priester aan hem slechts de zalvingen aan de afzonderlijke zintuigen verrichte en daarbij de aangegeven woorden sprak. Een op zoo\'n wijze toegediend Oliesel zou volkomen geldig wezen. Leefde de zieke nog langer, dan moesten de achtergebleven ceremonien wel achterhaald worden; maar dit slechts wegens het voorschrift der Kerk en niet om de geldigheid van het Sacrament. In het uiterste gevaar mag en moet de zieke slechts éene zalving op eenig zintuig en het raadzaamst op het voorhoofd ontvangen, met de woorden : »Door deze h. zalving enz. vergeve God u, wat ge hebt misdreven door de zintuigen, het gezicht, het gehoor, den reuk, den smaak en het gevoel. Amen.quot; Maar wijl het twijfelachtig is, of een eenige zalving tot de geldigheid van het Sacrament toereikend is, daarom moeten de afzonderlijke

-ocr page 150-

OVEE HET H. OLIESEL.

zalvingen, ingeval de zieke nog langer leeft, voorwaardelijk achterhaald worden; ook nog wanneer men twijfelt of de zieke nog leeft.

Ge moet derhalve, Aand., evenals bij alle Sacramenten, zoo ook bij het H. Oliesel het zichtbare teeken van de ceremonien wel onderscheiden; het eerste is wezenlijk noodzakelijk; de laatste echter zijn slechts door de Kerk voorgeschreven en hebben ten doel, den zieke tot het laatste Oliesel beter voor te bereiden, hem de genadewerkingen van het Sacrament aanschouwelijk te maken en hem, daar zij uit krachtige gebeden en sacramentaliën bestaan vele goederen en genaden te bezorgen. Intusschen sluit het zichtbare teeken van het H. Oliesel ook veel leerrijks in zich en verzinnelijkt tegelijk de genade, die de zieke ontvangt. Dit zullen wij iets nader beschouwen.

1) Voor alles is de vraag, waarom de zieke met olie wordt gezalfd. Dit geschiedt op grond, wijl de olie zich heel bij voorkeur leent, de genaden, die het H.Sacr. des Oliesels uitwerkt, aanschouwelijk voor te stellen. De olie heeft bijzonder drie eigenschappen : zij verlicht, heelt en sterkt. Kennelijk dient de olie vaak tot brandstof; als zoodanig verspreidt zij een zeer zacht en voor de oogen weldadig licht. Ook als geneesmiddel wordt zij menigvuldig aangewend; zij werkt oplossend, zuiverend en pijnstillend. Vele in- en uitwendige kwalen worden met olie geheeld. Eindelijk is de olie een versterkingsmiddel. De oude kampvechters plachten een geruimen tijd te voren, eer zij aan de openbare kampspelen deelnamen, zich met olie te zalven om zich te stérken en hun ledematen lenig te maken. Zelfs gedurende den strijd wreven zij zich, als zij zich verzwakt gevoelden, met olie in, om nieuwe krachten te winnen en den strijd te kunnen voortzetten. Nu ziet, Aand., deze werkingen brengt het H. Oliesel in den zieke, die het welvoorbereid ontvangt, te weeg. Het verlicht hem, zoodat hij de ijdelheid van al het aardsche inziet, zijn hart los-

206

-ocr page 151-

OVER HEN H. OLIESEL.

maakt van de wereld en met alle verlangen opwaarts ziet, waar alleen de ware rust, een volkomen tevredenheid en een voortdurend geluk is te vinden. Het geneest hem van de wonden, die de zonden hem hebben geslagen, van zijne kwade en ongeregelde neigingen en zijne onvolmaaktheden, en geeft hem zelfs de lichamelijke gezondheid weder, indien het hem tot heil verstrekt. Het beurt hem op in zijn neerslachtigheid, troost hem in zijn verlatenheid, en geeft hem moed en kracht, alle verzoekingen van den boozen vijand te weerstaan en als overwinnaar de kroon des levens te behalen. Hoe schoon duidt alzoo het H. Oliesel de genaden aan, die het bij de zalving des zieken uitwerkt!

2) Bij het laatste Oliesel worden de ooqen, de ooren, de neus, de gesloten lippen, de handen en voelen des zieken gezalfd. Waarom wordt de zalving aan deze zintuigen en ledematen gedaan? Daarom, wijl juist deze het zijn, waarvan de ziel zich als werktuigen tot het kwaad bedient, en, omdat zij tot alle zonden meer of min aanleiding geven. Tot hoeveel zonden dienen niet de oogen\'? De hoogmoed, de hebzucht, de onkuischheid, de nijd, de toorn, de traagheid, kortom, alle zonden en hartstochten, die in het hart wonen, spiegelen zich in de oogen af en zien daaruit als door vensters naar buiten. Het zijn wederom de oogen, die door hun nieuwsgierigheid de hevigste begeerten opwekken en den wil tot de schandelijkste buitensporigheden en zonden verleiden. Waren het niet de oogen, die een Cain met haat en nijd vervulden, een David tot echtbreker maakten, een Achab medesleepten, dat hij een roover en moordenaar werd? — Tot hoeveel zonden geven de ooren geen aanleiding en hoe vaak worden zij niet tot het kwaad misbruikt ? Ge geeft aan de verleiders gehoor, billijkt hun reden, doet, wat zij verlangen; ge hoort laster, vuile klap, spotternijen over godsdienst en zeden met welgevallen aan ; ge sluit daar-

207

-ocr page 152-

1

208 OVER HET H. OLIESEL.

entegen uwe ooren voor heilzame vermaningen en acht de goede lessen niet, die uw zielzorgers, ouders en vrienden u geven. Wat dereuk betreft, het heeft den schijn, als kan daardoor niet veel gezondigd worden; desniettemin is het zeker dat het reukzintuig, de neus in zeer veel opzichten wekelijk maakt en tot het kwaad misbruikt wordt. Des te opvallender zijn weder de zonden, die met de lippen, d. i. met de tong en met den smaak begaan worden. Wie telt de leugens, den eerroof en laster, de oorblazerijeE, beschimpingen, vloeken en godslasteringen, de onkuische taal en liederen, de ongodsdienstige gesprekken en spotternijen, die alle zonder uitzondering zonden

der tong zijn ? Hoeveel wordt er door den ongeregelden ]

smaak, door onmatigheid in spijs en drank gezondigd ! c

Wat zal ik van de handen zeggen, ik moge ze een- c

voudig als ledematen des lichaams of als vertegenwoor- s

digers van het gevoel beschouwen ? O hoe werkzaam zijn t

ze, die handen, als het geldt, kwaad te te doen, de on- l

geregelde hartstochten te bevredigen, God en menschen 2

te beleedigen! Hoe langzaam en traag zijn ze daaren- \'J

tegen in het volbrengen van datgene, wat godsdienst en d

beroep ons tot plicht maken ! Hoe vaak steken zij zich 1

uit tot slaan, verwonden, tot diefstal en roof, tot het vol- d

voeren der schandelijkste zonden ! Eindelijk de voeten, v

zijn niet ook zij hoofdwerktuigen van het kwaad ? Dra- Jj

gen zij den mensch niet dikwijls naar plaatsen, waar hij £

zijn God vergeet en aan zijn ziel schipbreuk lijdt ? Zijn tf

ze niet veelal lam, als het geldt, zich tot het gebed te n

buigen of God in zijn h. tempels te bezoeken ? d

Nu mogen wij alzoo niet meer vragen, waarom de vi

h. zalving, aan deze zintuigen en ledematen wordt ver- ai

richt! Zij worden gezalfd, opdat zij van de overblijfselen di

van het kwaad, die hun na de kwijtschelding der zonden di

nog aankleven, vrij en volkomen gereinigd worden ; zij di worden gezalfd, opdat zij voortaan voor de zonde én haar

I

-ocr page 153-

OVER HET H. OLIESEL.

eigenlijk niet voor die geestelijk dood zijn ingesteld, maar slechts voor zoodanigen, die het leven der genade bezitten en dientengevolge slechts met dagelijksche zonden behept zijn.

Intusschen is het toch niet te ontkennen, dat door het H. Oliesel ook doodzonden worden uitgewischt. Dit moeten wij reeds uit de woorden des Apostels besluiten : »Zoo hij in zonde is, zullen deze hem vergeven worden.quot; Had de Apostel enkel dagelijksche zonden bedoeld, dan had hij dit bepaalJer moeten uitdrukken. Ook het woordje: »Zooquot; (zoo hij in zonde is) gerechtigt ons tot het besluit, dat doodzonden niet zijn uitgesloten ; want de Apostel kon niet in twijfel trekken, of de zieke dagelijksche zonden op zich zou hebben, wijl met zoodanige ieder, zelfs de rechtvaardigste, meer of min is behept. Hiermede stemmen ook de H. Vaders, zooals Chrysostomus, Angus-tiuus overeen, doordien zij de vergiffenis der zonden in het algemeen als een werking des H. Oliesels aanduiden. Zeer algemeen luidt ook de uitspraak des Concilies v. Tr. ; »De zalving des H. Geestes (laatste Oliesel) delgt de misdaden, die soms nog vallen uit te wisschen.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 2.) Nu ontstaat echter de vraag: welke zijn de doodzonden, die door het Sacr. des Oliesels vergeven worden? Dit zijn die doodzonden, die de zieke niet meer kan biechten. «Het kan gebeuren,quot; zoo leert ingevolge van den H. Thomas de H. Carolus Barromeus,«dat een doodzonde terug blijft, omdat men zich barer niet is bewust of ze niet meer kan biechten; tot delging daarvan wordt in dit Sacrament hulpe geboden, zoodat het geval zich kan voordoen, dat daardoor iemand tot de zaligheid komt, die anders zou zijn verloren gegaan.quot; Tot de zware zonden, die de zieke niet meer kan biechten, behooren vooreerst die, welke hij niet kent, die hij zich niet herinnert of die hij vergeten heeft te biechten. Deze zonden nu worden

12

177

-ocr page 154-

OVER HET H. OLIESEL.

door het H. Oliesel kwijtgescholden. Verder gebeurt het niet zelden, dat de zieke volstrekt niet meer biechten kau, wijl de ziekte hem het gebruik der spraak en des gehoors of zijn bewustzijn heeft ontnomen. In dit geval kunnen er doodzonden op zijn geweten drukken zonder dat hij in staat is, zich daarover aan te klagen en van den Priester de sacramenteele kwijtschelding te verkrijgen. Ook deze zonden worden hem, zoo hij er een waar berouw over heeft, door het H. Sacr. des Oliesels vergeven, juist omdat zij zoodanige zonden zijn, die niet meer kunnen beleden worden. Hieruit ziet ge, Aand., dat het laatste Oliesel een gewichtig Sacrament is en dat de godgeleerden met recht zeggen, dat aan dit Sacrament niet weinige stervenden hun redding van den eeuwigen ondergang hebben te danken.

3) Het H. Oliesel delgt de overblijfselen der reeds vergeven zonden. Onder deze overblijfselen verstaat men op de eerste plaats de ongeregelde neigingen des harten, de zwakheid des wils, den tegenzin en traagheid in het goede, de onrust des geestes, kortom, alle gebrek, nadeel en onvolmaaktheden, die zelfs na de vergeving der zonden in ons nog achterblijven. Het is met de zonde, die ziekte der ziel, eveneens gelegen, als met een natuurlijke ziekte. Indien de zieke ook al is genezen, dan gevoelt hij toch nog eenigen tijd een zekere zwakheid; het is met hem, zooals men dat zegt, toch nog niet zoo gesteld, als het met hem wel wezen moet, hij lijdt nog aan de naweën der ziekte. Zoo is ook de Christen, indien zijn zonden hem bereids zijn vergeven, nog zwak; de zinnelijkheid weder-streeft den geest en het valt hem moeilijk, den weg van boetvaardigheid te bewandelen. Deze zwakte en onvolmaaktheden neemt nu het H. Oliesel van ons weg en bezorgt aan onze ziel de volkomene gezondheid.

Onder de overblijfselen der reeds vergeven zonden verstaat men ook de tijdelijke straffen der zonden. Zooals

178

-ocr page 155-

OVEE HET H. OLIESEL.

wij reeds meermalen geboord hebben, blijven na het ontvangen van het Sacrament der Biecht, waarin de zonden en eeuwige straflen ons worden vergeven, gewoonlijk nog . tijdelijke straffen, die wij of hier of in het vagevuur moeten afboeten, ons over. Ook deze tijdelijke zondenstraf-fen warden door het H. Oliesel minstens gedeeltelijk uit-gewischt. Over deze uitwissching der tijdelijke zonden-straffen valt op te merken, dat zij wel is waar krachtens het Sacrament wordt volbracht, evenwel echter met de meer of minder volmaakte stemming des zieken in verhouding staat. Hoe boetvaardiger alzoo de zieke is, des te grooter deel der tijdelijke zondenstraffen wordt hem door het H. Oliesel kwijtgescholden. Over deze in een geestelijke zwakheid en overgebleven tijdelijke straffen der zonden bestaande overblijfselen der bereids vergeven zonden zegt de H. Thomas: »Zoodanige geestelijke zwakheden zouden door boetvaardigheid zijn te heelen, zooals toch de mensch door werken van deugd, die hij tot voldoening onderneemt, van het kwade af- en tot het goede wordt heengetrokken. Maar wijl de mensch uit nalatigheid of wel om de verschillende bezigheden des levens, of ook wegens de kortheid des tijds enz. die feilen niet geheel volkomen herstelt, daarom wordt er gezorgd, dat door dit Sacrament (het H. Oliesel) die herstelling voleind en hij van de tijdelijke straffen bevrijd wordt, opdat zoo in hem niets achterblijve, wat aan de ziel bij scheiding van het lichaam in het bereiken der glorie zou kunnen in den weg staan.quot;

4) Met deze uitwerking van het H. Oliesel staat een andere werking in verband; het sterkt ons namelijk in lijden en verzoekingen, bijzonder in den doodstrijd. De toestand der zieken en stervenden is gewoonlijk zeer drukkend. Niet zelden verduurt hij groote smarten; de dagen gaan hem in jammer en ellende voorbij, de nachten wor-

179

-ocr page 156-

OVER HET 11. OLIESET,.

den hem een halve eeuwigheid. De blik op zijn verwanten, op vrouw en kinderen, die snikkend om zijn leger staan, slaat hem te neder en vervult zijn ziel met diepe smart. Gescheiden van de wereld en hare verstrooiingen is hij thans in de gelegenheid over zijn volbracht leven na te denken : zijn geweten, tot nu toe ia zeer veel opzichten ingeslapen, ontwaakt en toont hem alles, wat hij van zijn kindsche dagen af tot op dit uur met gedachten, woorden en werken heeft gezondigd. Nu overvalt hem vrees, kleinmoedigheid, ontsteltenis ; want hij weet niet, of bij ware boete gedaan en bij God vergeving erlangd beeft. Hij wendt zijnen blik voor zich uit, en verneemt tot zijn schrik, dat hij bereids aan de poort der eeuwigheid staat en voor zijn Rechter moet verschijneUj voor wien zelfs de rechtvaardige siddert. Ziet, Aand., dit is de toestand des stervenden, — niet desgenen, die in een open\'iare onboetvaardigheid zijn jaren doorbracht, maar des Christens, die, zoo ook al niet bijzonder ijverig, toch steeds tamelijk godsvruchtig geleefd heeft. Dit zal alzoo ook onze toestand wezen, wanneer wij vroeg of laat op ons sterfbed komen te liggen. Ach en wee zullen ons van alle kanten omringen en het inwendige en uit_ wendige lijden zal ons menige zucht afpersen. Maar dank den Heere ! Hij beeft ons volgens zijne milddadigste barmhartigheid een middel bereid, dat ons in die dagen van bedruktheid opbeuren, troosten en versterken zal, — het H. Sacrament des Oliesels. Dit heilbrenffend Sacrament

O

is het, dat naar de uitspraak des Concilies van Trente »de ziel des zieken verlicht en sterkt, doordien het hem een groot vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid inprent, waardoor hij opgebeurd de bezwaren en moeilijkheden der ziekte lichter draagt.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 2.) Dit Sacrament is het, wat uitwerkt, dat de zieke en stervende zich rustig aan den wil van God onderwerpt, en vol zoete hoop het oogenblik zijner ontbinding tegen-

180

-ocr page 157-

OVER HET H. OLIESEL.

gaat. In het bijzonder geeft het laatste Oliesel hem kracht, een goeden strijd te strijden, alle verzoekingen des boo-zen vijands te overwinnen en tot aan het einde toe in de genade te volharden. Deze genadewerking stelt de h. olie, waarmede de zieke gezalfd wordt, zinnebeeldig voor. Gelijk namelijk de kampvechters der oude tijden zich met olie zalfden, ten einde hun ledematen lenig te maken en te sterken tot den wachtenden strijd, zoo wordt de Christen geestelijker -wijze gezalfd en uitgerust met de wapenen des li. Geestes, opdat hij den laatsten strijd gelukkig volbrenge en de overwinning behele over de vijanden zijns heils. » De gewijde olie,quot; zegt de H. Cy-rillus, »verkrijgt door de aanroeping Gods en het gebed zulk een kracht, dat het niet slechts de sporen der zonde uitwischt en de zonde wegneemt, maar ook alle onzichtbaar geweld des boozen vijands op de vlucht slaat.quot; De H. Eleazar, van de derde Orde van den H. Franciscus, die meer het leven eens Engels dan eens menschen leidde, viel in doodsangst; zijn aangezicht, dat tot op dit oogen-blik blijmoedig geweest was, werd eensklaps heel betrokken, en men hoorde hem uitroepen: «Mijn God, hoe vreeselijk is de macht des duivels !quot; Hij ontving de H. Sacr. der stervenden, en ziet, spoedig daarop was zijn gemoed weer kalm ; hij troostte de omstanders, die zeer verschrokken waren, en sprak: «Door de genade mijns Heeren heb ik overwonnen.quot; Indien nu deze Heilige slechts door de genade van de Sacr. der stervenden den boozen vijand kon overwinnen, wat zou er dan met ons, die niets minder dan Heiligen zijn, gebeuren, zoo wij in onzen doodstijd de genade van het H. Oliesel zouden moeten ontberen ? O, danken wij God, dat Hij dit genadevol Sacrament heeft ingesteld, en bidden wij Hem dagelijks recht vurig, dat Hij het ons op het sterfbed late toekomen.

5) Eindelijk, het H. Oliesel bewerkt dikwijls verlich-

181

-ocr page 158-

OVER HET H. OLIESEL.

ting in de ziekte en zelfs de gezondheid, indien het tot het zielenheil bevorderlijk is. Dit spreekt de H. Jacobus uit met de woorden: »Het gebed des geloofs zal den zieke verlichten.quot; Dat deze woorden des Apostels niet enkel van het heil der ziel, maar ook van dat des lichaams zijn te verstaan, daarvoor getuigt de onfeilbare uitlegging der Kerk. Zoo zegt het Cone. v. TV.: »De zieke erlangt somwijlen de gezondheid des lichaams (door het laatste Oliesel); indien het voor het heil der ziel voordeelig is.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 2.) Verlichting in de ziekte is een werking van het H. Oliesel, die, zooals ieder zielzorger weet, niet slechts nu en dan, maar zelfs dikwijls voorvalt. De meeste zieken gevoelen, wanneer zij het H. Oliesel hebben ontvangen, zich veel verlicht; hun smarten zijn verminderd, zij ademen weder ruimer; zij zeggen dikwijls zelf: o, nu is het wel met mij ; zoo\'n goeden dag heb ik gedurende mijn heele ziekte nog niet genoten. Deze werking, alhoewel bovennatuurlijk in haren oorsprong, laat zich ook op een natuurlijke wijze verklaren. Heeft de Christen het H. Oliesel met een goede voorbereiding ontvangen, dan treedt de inwendige kalmte binnen; de gedachte: ik ben met God verzoend, ik mag hopen, dat ik tot Hem kom en zalig word, vervult hem met troost en vreugde. Deze troost, deze rust en vreugde der ziel werken ook weldadig op het lichaam, verlichten de ziekte en verminderen de smarten.

Somwijlen bewerkt het laatste Oliesel zelfs de volko-mene gezondheid. Voorbeelden van dien aard kwamen in de eerste tijden, toen het geloof en de godsvrucht der Christenen nog bijzonder levendig was, dikwerf voor. Men beschouwde derhalve het H. Oliesel niet enkel ais een heilmiddel der ziel, maar ook des lichaams en men beloofde zich daarvan meer dan van de natuurlijke middelen der artsen. Doch ook in onze dagen gebeurt het, dat zieken hun herstel hoofdzakelijk aan het H. Oliesel

182

-ocr page 159-

OVER HET H. OLIESEL.

hebben te dankken, zonder dat zij zich deze genade bewust zijn. Daar zij, zooals ik straks opmerkte, door dit Sacrament den inwendigen vrede des harten vinden, daarom wordt de kracht der ziekte buitendien reeds veel gebroken, de artsenijnen kunnen beter werken en zoo herstelt de zieke van lieverlede en wordt hij weder gezond. Van de vele gevallen, waarin het laatste Oliesel klaarblijkelijk redding heeft aangebracht, zal ik er slechts éen aanhalen. Een vermaard Protestantsche arts (Tissot) behandelde te Lausanne een jonge vrouw, wier ziekte een verontrustend karakter had aangenomen. Als zij haar gevaarlijken toestand vernam, werd zij van smart gekweld, het leven zoo spoedig te moeten verliezen en gaf zich aan de hevigste onrust en de uitbarstingen der wanhoop over. De arts hield het daarvoor, dat deze ontsteltenis haar leven nog meer zou verkorten en znimde niet tegen zijn ge • woonte in haar de hulp van den godsdienst te laten toekomen. Er werd een Priester geroepen, de zieke hoort hem aan en ontvangt uit zijn mond woorden van troost. Zij ■wordt rustig, houdt zich met God en haar heil bezig en ontvangt de H. Sacramenten met een groote stichting. Des anderen daags vindt de arts haar in zoo\'n rustigen toestand, dat hij verwonderd staat; de koorts is minder, alle teekenen duiden op beterschap ; spoedig is de ziekte geheel geweken. Deze arts verhaalde gaarne dit voorval en sprak met verwondering over de kracht van de Sacramenten der Katholieke Kerk. Hoe dwaas zijn derhaive die zieken, welke in den waan, dat zij sterven moeten, als zij het laatste Oliesel ontvangen, het steeds uitstellen. O, die onzinnigen! door het ontvangen van dit Sacrament is er onder de millioenen Christenen nog niet éen gestorven ; veeleer hebben duizenden daaraan gezondheid en leven te danken.

Ik behoor hier wel is waar op te merken, dat herstel van gezondheid door het H. Oliesel niet onvoorwaarde-

183

-ocr page 160-

CVER HET H. OLIESEL.

184

lijk, maar slechts dan mag verwacht worden, als het tot heil der ziel voordeelig is. »Het laatste Oliesel,quot; zegt de H. Thomas, »bewerkt de lichamelijke gezondheid niet door een natuurlijke, maar door een goddelijke kracht, die met inzicht te werk gaat; en wijl de werkende oorzaak het bijoogmerk slechts in zoover voortbrengt, als het tot het hoofddoel bevorderlijk is, daarom volgt uit dit Sacrament de gezondheid niet altoos, maar alleen dan, als het voor de gezondheid der ziel dienstig is; in dit geval roept het dit bijoogmerk altijd in het leven, in-zoover geen hinderpaal van den kant van hem, die dit Sacrament ontvangt, gesteld wordt.quot; In vele gevallen zou het voor den zieke niet goed wezen, indien hij weder gezond werd en nog langer leefde. Thans is hij goed voorbereid en sterft een goeden dood. Zou hij weer genezen, dan kon hij lichtzinnig worden, in zware zonden vallen en eeuwig ten gronde gaan. Dit en nog veel meer, wat voor ons een geheim is, weet God, daarom laat Hij het laatste Oliesel tot herstel der gezondheid niet werken. De zieke mag vandaar God zonder twijfel bidden, dat Hij hem krachtens het H. Olioscl de gezondheid terug schenke : hij moet er evenwel bijvoegen, dat God dit slechts dan inwillige, indien het tot heil zijner ziel voordeelig is. — Een andere oorzaak waarom het H. Oliesel de gezondheid veelal niet uitwerkt, is het weinige vertrouwen des zieken. De goddelijke Zaligmaker vorderde van allen, die hij wonderdadig genas, geloof en vertrouwen. »Indien gij kunt gelooven, zoo sprak hij dikwijls, »dan kunt gij geholpen worden.quot; Aan dit ge-loovig vertrouwen en vertrouwvol geloof ontbreekt het vele zieken, zij zijn heel kleinmoedig en versaagd, of stellen hun vertrouwen meer op de kunst van den geneesheer dan op de hulp Gods; daarom komt het, dat God zijn hulp aan hen onttrekt en ze niet weer gezond laat worden. Menige zieke wacht met het ontvangen van

-ocr page 161-

OVRTÏ HET H. OLIESEL.

het H. Oliesel tot het laatste oogenblik, als hij reeds ligt te zieltogen. Onder zoodanige omstandigheden werkt het laatste Oliesel voorzeker niet meer op de gezondheid; want God zou. indien er nog genezing zou plaats vinden, een openbaar wonder moeten doen ; een wonder, zeg ik, dat hij des te minder mag verwachten, als hij te langer het ontvangen van het H. Sacrament heeft uitgesteld. Vandaar dat nimmer het ontvangen van het H. Oliesel te lang moet worden opgeschort. Ontvangt de zieke dit Sacrament ten rechten tijde, dan laat zich veelmeer hopen, dat hij weder zal genezen.

Dit nu zijn, Aand., de werkingen der genade van het laatste Oliesel: het vermeerdert de heiligmakende genade, wischt de dagelijksche zonden en ook die doodzonden uit, welke de zieke niet meer kan biechten, delgt de overblijfselen der reeds vergeven zonden, sterkt in lijden en bekoringen, bijzonder in den doodstrijd en bewerkt vaak verlichting in de ziekte en zelfs de gezondheid, indien het tot zielenheil bevorderlijk is. Opdat wij echter aan deze genaden van het H. Oliesel deelachtig worden, moeten wij wel voorbereid en waardig het Sacrament ontvangen.

III. Wie kan en moet hei H. Oliesel ontvangen?

Het H. Oliesel kan en moet ieder Katholiek Christen, die tot het gebruik van zijn verstand c/ekomen en gevaarlijk ziek is, ontvangen. Dat alleen Katholieke Christenen het laatste Oliesel kunnen ontvangen behoeft wel geen verdere verklaring; slechts zij toch zijn lidmaten der Kerk en hebben vandaar aanspraak op hare genadeschatten. Zou daarom een Protestant gevaarlijk ziek zijn, dan mag geen Priester hem het H. Oliesel of een ander Sacrament toedienen, of het moest zijn, dat hij zijn dwaalgeloof afzwoer en tot de Katholieke Kerk overging.

185

-ocr page 162-

OVER HET H. OLIESEL.

Ook degenen, die niet tot het (jehruik van hun verstand zijn gekomen en bijgevolg tot geen zonde in staat zijn, kunnen het H. Oliesel niet ontvangen, wijl dit Sacrament een heilmiddel is tegen de overblijfselen der zonde. Op dezen grond mag aan kinderen, die vóór de jaren van verstand komen te sterven, het laatste Oliesel niet worden toegediend. Evenwel is tot het ontvangen van dit Sacrament niet noodzakelijk, dat de kinderen bereids gebiecht hebben. Het Sacr. der Biecht ontvangen de kinderen eerst, nadat zij het onderricht over de Biecht hebben verkregen, ofschoon zij reeds vroeger tot het gebruik van hun verstand komen. Wijl de meeste kinderen reeds met de zes en zeven jaren tnsschen recht en onrecht, tusschen goed en kwaad onderscheiden en bijgevolg kunnen zondigen, daarom zal men hun, nadat men hen tot berouw opgewekt of hun naar omstandigheden een Biecht heeft afgenomen, het laatste Oliesel toedienen. Wat de volwassenen betreft, zoo kan aan hen, indien zij nooit in hun leven een teeken van verstand hebben gegeven, het Oliesel niet worden medegedeeld; zijn zij echter eerst later van het gebruik huns verstands geraakt, of hebben zij minstens nu en dan blijk gegeven, dat zij eenige kennis der goddelijke wet bezitten, dan moet het hun worden toegediend. Evenals de overige Sacramenten, moet men ook het laatste Oliesel aan geexcommuniceerden alsmede aan onboetvaardigen, die volstrekt geen teeken van berouw te kennen geven, bepaald weigeren. Wanneer alzoo iemand met Paschen niet gebiecht en gecommuniceerd heeft en zijn plicht ondanks de herhaalde vermaning zijns zielzorgers niet is nagekomen, dan moet hem, ingeval hij gevaarlijk ziek wordt en geen teekenen van berouw laat blijken, het H. Oliesel geweigerd worden.

Tot het ontvangen des Oliesels wordt ook het ziek zijn gevorderd ; want alleen van zieken spreekt de Apostel, als hij zegt; »Is er iemand ziek onder u, zoo roepa

186

-ocr page 163-

OVER HET H. OLIESEL.

187

hij de Priesters der Kerk enz.quot; Het ziek zijn beteekent echter niet een lichte ongesteldheid, een voorbijgaande onpasselijkheid, maar een ernstig ziek zijn, een beduidende ziekte, waarmede doodsgevaar is vetbonden. Hiermede stemmen ook de kerkelijke verordeningen overeen. Het Conc. v. Tr. verklaart, »dat de zalving bij de zieken moet worden aangewend, bijzonder bij degenen, die zoo gevaarlijk daar nederliggen, dat zij aan het einde huns levens schijnen genaderd te wezen, weshalve het Oliesel ook het Sacrament der stervenden genoemd wordt.quot; (Zitt. 14. Hoofdst 3) Hieruit volgt, dat die geloovigen, wier ziekte wel smartelijk, maar zonder alle gevaar is, het laatste Oliesel niet kunnen ontvangen ; evenzoo ook zij niet, die zich wel aan levensgevaar blootstellen of een spoedigen dood tegemoetgaan, maar niet ziek zijn, zooals soldaten, die den oorlog ingaan, lieden, die een gevaarlijke zeereis of arbeid ondernemen, of misdadigers die ter gerechtsplaats geleid worden. Daarentegen mag en moet men dit Sacrament toedienen aan degenen, die door een plotseling ongeluk in een toestand van bedwelming of bewusteloosheid geraken, en van wie een nabijzijnd sterven staat te vreezen ; evenzoo hoogbejaarden ; want de hooge ouderdom zelf is vaak met een bedenkelijke ziekte gelijk te stellen, en een hoogbejaarde grijsaard staat om zoo te zeggen met het eene been in \'t graf. Overigens moet men met het ontvangen des H. Oliesels niet zoolang wachten, tot dat het gevaar op \'t hoogst is geklommen en ieder ziet, dat de dood onfeilbaar moet volgen en de zieke elk oogenblik kan sterven. Het is voldoende, dat de ziekte een gevaarlijk karakter heeft aangenomen en den dood redelijker wijze doet vreezen. Vandaar zegt het Romeinsche Rituaal: »Het laatste Oliesel moet worden toegediend aan die zieken, welke zoo zwaar ziek zijn, dat er doodsgevaar schijnt aanwezig te zijn.quot; Zou derhalve het doodsgevaar ook al niet wer-

-ocr page 164-

OTBR HET H. OLIESEL.

kelijk maar slechts schijnbaar wezen, dan moet evenwel het H. Oliesel worden toegediend.

Nog moet ik opmerken, dat het laatste Oliesel wel niet volstrekt noodzakelijk is tot de zaligheid evenals het Doopsel, maar men evenwel het ontvangen ervan niet mag verwaarloozen. Zooals wij gehoord hebben, verkrijgen wij door dit Sacrament groote genaden en worden wij bijzonder in het doodsuur gesterkt. Hoe onrechtvaardig en liefdeloos jegens ons zelve gingen wij dus te werk, indien wij uit eigen schuld ons van deze genaden beroofden en ons aan het gevaar blootstelden, in den strijd met onze zielsvijanden overwonnen te worden en een rampzaligen dood te sterven! Zooveel is zeker, dat degenen, die het H. Oliesel uit geringschatting en verachting niet ontvangen of daardoor, dat zij het ontvangen er van achterwege laten, groote ergernis geven, zich aan een zware zonde schuldig maken en vandaar niet zalig kunnen worden.

IV. Hoe moet men het 11. Oliesel ontvangen ?

Men moet het H. Oliesel ontvangen in staat van genade, weshalve men, zoo mogelijk, vooraf biechten of toch een volmaakt berouw moet verwekken ; verder met geloof, hoop en liefde en overgeving in den wil van God.

Het laatste Oliesel is uit zijn aard een Sacrament der levenden ; het ontvangen ervan vordert vandaar den staat van genade. Wie het willens en wetens in doodzonde ontvang-t, maakt zich aan heiligschennis schuldio- en stort

O \' O O

zich in het eeuwig verderf. Daarom heeft de Kerk ver-orderd, dat voor het H. Oliesel in alle gevallen, waar het mogelijk is, de Biecht en zelfs de Communie voorafga. De Christen moet door een rouwmoedige Biecht zich van zijn zonden zuiveren en Jesus Christus in de H. Communie in zijn hart opnemen, opdat hij zich niet enkel

188

-ocr page 165-

OVER HET 11. OLIESEL.

tegen het onwaardig ontvangen des laatsten Oliesels in veiligheid stelle, maar ook aan de genade van dit Sacrament in rijke mate deelachtig worde. Doet het geval zich voor, dat hij niet meer kan biechten, dan moet hij minstens een waar berouw over zijne zonden verwekken en dit berouw ook zooveel mogelijk door uitwendige teekenen aan den dag leggen. Wat de geaardheid van het berouw aanbelangt, is volgens de meening der aanzienlijkste godgeleerden het onvolmaakte berouw toereikend; want het Oliesel vervangt, indien men niet meer kan biechten, het H. Sacr. der Biecht en kan daarom evenals dit met een onvolmaakt berouw de vergiffenis der zonden bewerken. Evenwel moet ieder zich beijveren zooveel mogelijk een volmaakt berouw te verwekken ; want hoe volmaakter hij zijn zonden betreurt, des te meer zekerheid verkrijgt hij, dat hij het H. Oliesel waardig ontvangt en te rijker zullen de genaden van dit Sacrament hem toevloeien.

Bovendien moet hij geloof, hoop ea liefde verwekken; want deze drie deugden zijn tot het ontvangen van alle H. Sacramenten en dus ook tot het ontvantren van het laatste Oliesel noodzakelijk. Hij moet het geloof verwekken en uit geheel zijn hart betuigen, dat hij alles, wat God geopenbaard heeft en de Kath. Kerk te gelooven voorstelt, vastelijk en ontwijfelbaar voor waar houdt en dit geloof met Gods hulp tot den laatsten ademtocht zijns levens zal bewaren. Hij moet voor God en den hemel betuigen, dat hij in geen verzoeking tegen het geloof, waarmede de duivel hem wellicht nog in de ure des doods zal aanvallen, zal toestemmen, maar als Kath. Christen wil leven ea sterven. Hij moet vervolgens het geloof in de genadewerkingen des H. Oliesels in het bijzonder verwekken en God innigst danken, dat Hij dit heilbrengend Sacrament voor de stervenden heeft ingesteld. — Op gelijke wijze moet hij de hoop verwekken;

189

-ocr page 166-

OVER HET H. OLIESEL.

de hoop namelijk op de barmhartigheid Gods en de verdiensten van Christus in het algemeen en alsdan de hoop op de groote genaden van het laatste Oliesel in het bijzonder, die hem in staat stellen, alle vijanden des heils te overwinnen, zalig te sterven en tot het getal der uitverkorenen te geraken. — Geheel bijzonder moet men er zich op toeleggen, een recht innige, vurige en krachtige liefde te verwekken; een liefde, die het hart losmaakt van alles, wat de aarde heeft en geeft; een liefde, die geen vuriger verlangen kent, dan God in den hemel te aanschouwen en met Hem eeuwig vereenigd te worden. Eindelijk moet hij zich aan den goddelijken wil geheel en al overgeven, aan Hem leven en dood opofferen en met hart en mond spreken: » Heer, doe met mij, wat U belieft; U leef ik, U sterf ik, U behoor ik dood en levend !quot;

V. Wanneer behoort men hel H. Oliesel ontvangen ?

Men behoort het H. Oliesel ontvangen, als men nog hij verstand is en na de 11. Teerspijs.

Ieder zieke heeft meer dan éene reden, het ontvangen van het laatste Oliesel niet lang uit te stellen. Een lang uitstel is met het gevaar verbonden, de genade van dit Sacrament geheel te moeten derven. Hoe vaak neemt een ziekte, die oogenschijnlijk den dood niet als nabij laat vermoeden, eensklaps zoo de overhand, zoodat zij het levenslicht evenals de wind de kaars uitblaast ? De H. Bernardus verhaalt van een vrouw te Bangor, die den dood nabij was en den H. Malachias, Aartsbisschop van Armagh, liet roepen. Hij kwam, troostte haar met een heilzame toespraak en wilde haar het H. Oliesel geven. Maar zijn vrienden stelden hem voor, dat het beter zou zijn, de bediening van dit Sacrament tot den volgenden dag, waarop de zieke tot het ontvangen ervan beter zou

190

-ocr page 167-

OVER HET H. OLIESEL.

191

voorbereid wezen, uit te stellen. De H. Bisschop volgde ofschoon ongaarne hun raad. Hij gaf de zieke den zegen en ging heen. Maar tegen den avond geraakte het geheele huis in ontsteltenis en men hoorde slechts geschrei en weeklachten. De dienstboden gaven door een luid geween te kennen, dat zij hun meesteres hadden verloren. De Bisschop ijlt naar de kamer der zieke en vindt ze werkelijk overleden. Met ten hemel opgeheven handen klaagt hij zich weemoedig als de oorzaak van dit treurig uitstel aan. Hij bracht den geheelen nacht in het gebed door en vermaande ook de aanwezenden, hun smeeken met het zijne te vereenigen. Bij het aanbreken van den dag geeft de gestorven vrouw teekenen van leven, opent de oogen en erkent den Bisschop. De aanwezenden geraakten in verwondering en hun smart veranderde in een plotselinge vreugde. De Heilige deelde zonder uitstel aan de zieke het laatste Oliesel mede. Zij kreeg van lieverlede haar gezondheid terug, bracht hare overige levensdagen in de boetvaardigheid door en stierf later den dood der rechtvaardigen. Zulk een wonder, Aand., mag van God wel geen Christen, die uit eigen schuld het ontvangen des H. Oliesels steeds uitstelt, verwachten; sterft hij, dan zal hij wel niet weer tot het leven ontwaken. Wie zal dan met het laatste Oliesel steeds wachten op gevaar af, dat hij onbediend sterft! Al is het ook dat de zieke het H. Oliesel nog kan ontvangen, dan berooft hij zich toch door het lang uit te stellen van vele genaden. Het laatste Oliesel, tijdig ontvangen, brengt de heerlijkste vruchten aan : het vermindert de smarten der ziekte, ja geeft zelfs de gezondheid, indien het tot de zaligheid der ziel bevorderlijk is ; het stort een zoeten troost en rust in het hart des zieken, vervult hem met vertrouwen op God, maakt hem overgegeven in den wil van God en stelt hem in staat, den tijd zijner ziekte verdienstelijk door te brengen. Eindelijk valt het niet te ontkennen, dat dit Sacrament

-ocr page 168-

OVER HET H. OLIESEL.

des te genadevoller werkt, hoe beter de zieke tot het ontvangen ervan zich voorbereidt. Maar wat kan de zieke dan nog doen. als hij wacht tot dat zijn lichaams-en geesteskrachten geheel verlamd zijn? Hoe kan hij de akten van geloof, hoop, liefde, berouw en gelatenheid verwekken, indien hij in een volledig bewusteloozen toestand daar nederligt ? Inderdaad, er is van een medewerking van zijn kant volstrekt geen spraak; want meer dood dan levend is zijne medewerking bijna onmogelijk, en zijne bewegingen en verzuchtingen zijn slechts onwillekeurige uitingen van zijn zinnelijke natuur, die het naderen van den dood smartelijk kenmerken. Het ligt alzoo voor de hand, hoe kwalijk men handelt, als mea het ontvangen van het laatste Oliesel steeds uitstelt; men loopt gevaar, zonder dit Sacrament uit deze wereld te scheiden, of berooft zich minstens van vele genaden, die men door een tijdig ontvangen ervan zou erlangen.

Doch dit uitstellen van het H. Oliesel en der H. Sacr. der stervenden in het algemeen komt dikwijls minder den zieke dan zijn naaste omgeving ten laste. De zieke bemerkt zijn gevaar niet; daarom geeft hij ook geen verlangen naar de vertroostingen van den godsdienst te kennen. Diegenen, welke hem dienen of bezoeken, moeten hem daarom de oogen openen en hem op zijn gevaarlijken toestand minstens in zoover opmerkzaam maken, als het noodig is, om in hem het verlangen tot de Sacr. der stervenden op te wekken. Maar zij doen dikwijls juist het tegendeel; zij doen hem gelooven, dat het met zijn ziekte niet zoo ernstig is en dat hij spoedig weer zai genezen. Aan sterven, zeggen zij, valt volstrekt niet te denken. Zoo spreken zij uit een kwalijk begrepen geruststelling, om den zieke geen vrees aan te jagen. Vandaar komt het dat deze naar het H. Oliesel geen verlangen koestert, of zelfs daartegen bedenkingen maakt, wanneer een ware menschenvriend hem tot het ontvangen

192

-ocr page 169-

OVER DE AFLATEN.

Italië en andere landen, ja, men kan zeggen, in de geheels Katholieke wereld begonnen te verspreiden. Zij richtten den Kruisweg met veertien afzonderlijke statiën op in al hunne kerken der Orde en stelden door het bezoek ervan de geloovigen in staat, de reis naar Jerusalem, die door vrome pelgrims tot vereering der h. plaats ondernomen werd, op een geestelijke wijze le doen en daarbij te beschouwen, wat Jesus op die h. plaats ter onzer verlossing heeft geleden.

Deze zoo heilzame godsvrucht werd door vele Pausen, als door Innoc. XI en Innoc. Xil, Bened, XIII, Bened. XIV en Clemens XII goedgekeurd en verrijkt met zeer veel aflaten. Door het godvruchtig bezoek van den Kruisweg kan men deelachtig worden aan al de aflaten, die door de Pausen aan die geloovigen, welke persoonlijk de h. plaatsen zelve bezoeken, verleend zijn. Üm deze aflaten te verdienen, is het noodig. dat men, in zoover dit kan, van de eene statie naar de ander ga en niet enkel van een en dezelfde plaats uit de afzonderlijke statiën na elkander overwege. Verder moet men bij elke statie eenige oogenblikken stilstaan, terwijl men over elk Geheim nadenkt en bidt. Er zijn daartoe geen bestemde gebeden, die tot het verdienen der aflaten noodzakelijk moeten gedaan worden, zooals de Congregatie der aflaten in hare onderwijzingen van 3 April 1731 uitdrukkelijk verklaart. Men kan zich van die gebeden bedienen, welke tot het bezoek van den Kruisweg in schier alle gebedenboeken voorkomen. Men kan ook, zonder een boek te gebruiken, bij elke statie, na een oogenblik het Geheim des lijdens overwogen te hebben, een Onze Vader en een Wees Gegroet met een Glorie zij den Vader enz. aandachtig bidden. Pius VI veroorloofde dat de Kruisweg niet alleen in kerken, maar ook in huiskapellen, oratorien en zelfs in afzonderlijke plaatsen mocht worden opgericht, opdat

II

161

-ocr page 170-

OVER DE AFLATEN.

de geloovigen de daaraan verbonden aflaten des te gemakkelijker zouden kunnen verwerven. Ook kunnen zieken en zwakken, gevangenen en zoodanigen, die op zee of in landen der ongeloovigen zich bevinden en in \'t algemeen allen, die verhinderd zijn de staties^van den Kruisweg te bezoeken, de aflaten verdienen, wanneer zij een klein tot dat einde door een bevoegd geestelijke gewijd kruisje in de hand houden en daarbij veertien Onze Vaders en Wees Gegroeten, éen voor elke statie, bidden, vijf andere met vijfmaal Glorie zij den Vader, op het einde van de aandachtsoefening ter eere van de vijf h. wonden en eindelijk éen Onze Vader, éen Wees Gegroet en éen Glorie zij den Vader, ter intentie van Z. H. den Paus. Hierbij valt op te merken, dat die kruisjes, nadat zij gewijd zija, niet verkocht, weggeschonken, noch aan anderen mogen worden uitgeleend, met het oogmerk, [ze aan de aflaten van den Kruisweg deelachtig te maken.

üe H. Kruiswegaandacht moet ge dikwijls, bijzonder op Zon- en Feestdagen en in den heiligen vastentijd, ijverig verrichten, omdat zij op zichzelf een hoogst heilzame godsvrucht is en gij daarbij voor u zelf en voor de geloovige zielen vele en groote aflaten kunt verdienen. Het laat zich niet in het bijzonder aangeven, welke aflaten men door het beoefenen van den Kruisweg kan verdienen ; en de Congregatie der aflaten heeft in hare onderwijzingen over de oefening van den Kruisweg, die in de jaren 1731 en 1742 op last van Clemens XII en Bened. XIV zijn openbaar gemaakt, dit uitdrukkelijk verboden.

3) Tot de plaatselijke aflaten behooren ook de geprivilegieerde altaren. Een altaar is geprivilegieerd, indien door den H. Stoel daaraan het voorrecht en de gunst is verleend, krachtens welke een arme ziel, voor wie een Priester het H. Misoffer opdraagt, uit het vagevuur kan verlost worden. Opdat een afgestorven ziel aan den aflaat

162

-ocr page 171-

OVER DE AFLATEN.

deelachtig worde, moet de Priester de H. Mis voor haar alleen en niet voor meerdere zielen opdragen; ook moet deze opdracht voor een bepaalde ziel plaats hebben. Betrekkelijk de kleur van het Misgewaad, waarin aan eeti geprivilegieerd altaar de Mis gelezen wordt, heeft de Congregatie der Riten in \'t jaar 1661 voorgeschreven, dat deze Mis in het zwart worde gelezen. Uit een verklaring der Congregatie van aflaten echter van den 11. April 1840 blijkt, dat men den aflaat van privilegie voor de afgestorvenen ook dan, als men de Mis van den dag leest, kan verdienen.

Benedictus XIII veroorloofde voor altijd en voor al de dagen des jaars aan alle Patriarchaal-, Metropoliet- en Cathedraal-kerken een geprivilegieerd altaar. Dit altaar moest door den Patriarch, den Metropoliet en door den Bisschop worden aangeduid. Ieder Wereld- of Orden-priester kan aan zoo\'n altaar, waaraan hij de H. Mis leest voor een overledene, aan hem een vollen aflaat toevoegen. Ook de parochiale- en filiaal- (bij-)kerkeu hebben geprivilegieerde altaren. In parochie-kerken is gewoonlijk het hoogaltaar geprivilegieerd; vandaar het opschrift : AJtare prmilegiatum. De filiaal-kerken verheugen zich slechts dan over een geprivilegieerd altaar, indien daarop het Allerheiligste bewaard wordt. Ook vele broederschappen hebben een geprivilegieerd altaar. Er valt op te merken, dat slechts de Paus de macht bezit een altaar te privilegieeren, d. i. voor de afgevstorvenen een volkomen aflaat te bepalen, als de Priester daaraan het H. Misofl\'er opdraagt. Op Allerzielendag zijn alle altaren geprivilegieerd, d. i. er kan aan elk altaar voor een geloovige ziel, voor wie de Priester de H. Mis opdraagt, een vollen aflaat gewonnen worden. Overigens kan dit privilegie ook aan een Priester persoonlijk zijn gegeven; in dit geval is elk altaar, waaraan zulk een Priester het

163

-ocr page 172-

OVER DE AFLATEN.

Misoffer voor de overledenen opdraagt, geprivilegieerd. De geprivilegieerde altaren zijn een groote weldaad voor de geloovige zielen ; want uit kracht daarvan worden zij aan vele aflaten deelachtig. Deze altaren dragen tot opschrift: Allare priviler/iatum quotidianum perpetuum, geprivilegieerd altaar dagelijks en voor altijd.

VI. Over de zakelijke aflaten.

Zakelijke aflaten zijn die, loelke aan draagbare voorwerpen, bijv. aan kleine kruisen, rozenkransen, medailles of aan zekere geiteden zijn verhonden

Eeeds in de oudste tijden was het gewoonte, dat de Pausen voorwerpen van goud, zilver en andere metalen wijdden en aan de geloovigen ten geschenke gaven. Zoo wijdden en deelden zij kruisjes, rozenkransen en medailles uit; evenwel waren aan deze voorwerpen tot de zestiende eeuw nog geen aflaten verbonden. Toen echter onder Paus Sixtus V. bij de restauratie (herstelling) der kerk van Laterane op vele plaatsen der bouwvallige muren zeer veel gouden medailles met het kruis-teeken en crucifix geteekend gevonden werden, liet de Paus deze h. voorwerpen verdeelen en verleende tegelijk aan allen, die er een daarvan bij zich droegen en de opgelegde werken nakwamen, vele aflaten, zooals dit te zien is uit de Constitutie dezes Pauses van 1. Dec. 1587. Sedert dien tijd plegen de Pausen uit aanmerking, dat de geloovigen door het gebruik van zoodanige h. voorwerpen tot een levendig geloof en tot vrome^oefenin-gen ter vereering Gods, van Maria en de Heiligen worden opgewekt, niet enkel medailles, maar ook rozenkransen, kruisen enz., die zij gewijd hebben, met aflaten te verrijken.

Paus Pius IX. heeft volgens een Decreet der Congregatie der aflaten van 14 Mei 1853 aan alle geloovigen, die

164

-ocr page 173-

OVER DE AFLATEN.

kruisen, crucifixen, beelden of medailles, die door Hem of door een hiertoe gevolmachtigde gewijd zijn, bij zich bewaren, een volkomen aflaat verleend op de groote Feestdagen onzes Heeren, der Zaligste Maagd en van vele Heiligen. Tot het verdienen van deze volle aflaten is noodzakelijk, 1) dat men een der genoemde voorwerpen bijv. een medaille te huis beware of bij zich drage, 2) dat men op de Feestdagen de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars waardig ontvangt en de aflaats gebeden ter intentie des H. Vaders aandachtig verrichte; eindelijk, dat men in de week minstens eenmaal den rozenkrans van vijftien of althans van vijf tientjes of wel de zeven boetpsalmen bidde, of in plaats daarvan onderricht in de christelijke leer geve, een zieke bezoeke, een arme te hulp kome, een H. Mis bijwone enz.

Behalve deze volle aflaten kunnen degenen, die zoodanige gewijde voorwerpen bezitten, nog vele gedeeltelijke aflaten verdienen. Zoo -winnen zij een aflaat van honderd dagen, zoo dikwijls zij den rozenkrans bidden, aangenomen, dat zij dit alle weken gewoon zijn te doen ; vervolgens, zoo vaak zij \'s morgeus, of \'s middags of \'s avonds op het klokteeken den »Engel des Heerenquot; bidden ; verder zoo dikwerf zij voor de geloovigen die zich in doodstrijd bevinden, bidden of minstens een Onze Vader met een Wees Gegroet aan God opofferen. ludien zij een zieke bezoeken en hem een liefdedienst bewijzen of te buis bun kinderen, verwanten of dienstboden christelijk onderricht geven, dan verdienen zij telkenmale twee honderd dagen aflaat. Indien zij eindelijk in het doodsuur hun ziel aan God godvruchtig aanbevelen en den dood met berusting uit de hand Gods aannemen, dan verdienen zij, indien zij na het waardig ontvangen van de Sacr. der Biecht en des Altaars, of, ingeval het ontvangen der H. Sacr. bun niet meer mogelijk ware, rouwmoedig den allerheiligsten naam van Jesus met den mond

165

-ocr page 174-

OVEB DB AFLATEN.

of ook maar in het hart aanroepen, een vollen aflaat.

Opdat men deze en nog vele andere aflaten kunne verdienen, moet men de gewijde voorwerpen bij het verrichten der voorgeschreven gebeden of wel bij zich dragen, of ze op de plaats waar ze worden bewaard, aanschouwen. Paus Pius IX verordende, dat bij het uitdee-len en het gebruik van Rozenkransen en ander gewijde voorwerpen het Decreet van Alexander Vil, van den 6. Febr. 1657 werde nagekomen. Dit Decreet bevat de volgende bepalingen: de aan de gewijde voorwerpen verleende aflaten zijn slechts voor degenen geldig, voor wie zij gewijd of aan wie zij voor de eerste maal zijn gegeven. Wie zulk een voorwerp verliest, kan het niet naar eigen goeddunken door een ander vervangen ; de bestemde voorwerpen kunnen niet aan anderen uitgeleend, of aan anderen ten gebruike worden overgelaten met het doel, hun de aflaten mede te deelen ; eindelijk mogen de gewijde voorwerpen krachtens het Decreet der Congregatie van aflaten en der h. reliquiën van den 5. Juni 1721 niet verkocht worden.

Dit is het, Aand., wat gij van de met aflaten voorziene voorwerpen, als rozenkransen, kruisen, medailles enz. vooral dient te weten.

Ik heb u dan, Aand., over de verschillende soorten van aflaten, namelijk over de •persoonlijke, plaatselijke en zakelijke aflaten het noodige onderricht medegedeeld en u te gelijk aangewezen, hoe gij deze aflaten kunt verdienen. Het aantal der door de Kerk verleende aflaten is uitermate groot; er bestaat schier geen oefening van godsvrucht, geen gebed, geen goed werk, dat niet met een aflaat is begenadigd. Onze lieve moeder, de Kerk, weet, dat wij zwakke kinderen zijn en niet in staat, onze zon-denstraffen door eigen boetewerken volkomen uit te wis-schen ; daarom opent zij ons de onuitputtelijke genadeschatten der voldoening van Christus en zijn Heiligen

166

-ocr page 175-

OVER DE AFIATBN.

167

en deelt ons daarvan zoo rijk mogelijk mede. O, toont u aan de Kerk voor deze hare moederlijke liefde en zorgvuldigheid dankbaar, maakt u hare mildheid ten nutte en vervult met ijver de voorwaarden, waaronder zij u die aflaten laat toekomen. Begaat nimmer een groote zonde, of legt toch, wanneer gij het ongeluk zoudt hebben een doodzonde te bedrijven, zonder uitstel een rouwmoedige Biecht af; want de staat van genade is tot het verdienen van aflaten volstrekt noodzakelijk. Verwekt dagelijks over de vroeger bedreven zonden, alsmede over de kleine fouten, die gij uit menschelijke zwakheid van tijd tot tijd begaat, een hartelijk berouw en legt u verschillende verstervingen en boetewerken, voor zoover de omstandigheden uws levens het veroorloven, op; want hoe boetvaardiger gij zijt, in te grootere mate zullen de schatten der aflaten u toevloeien. Maakt u alsdan de vele gelegenheden, die u tot het verdienen van aflaten zijn gegeven, ten nutte en verricht met allen ijver de voorgeschreven goede werken. Maakt eiken morgen de meening, dat gij alle aflaten, die gij verdienen kunt, wilt verdienen en bidt God, dat Hij volgens zijne mildheid en barmhartigheid u die aflaten doe toekomen. Tracht bijzonder na elke Biecht en Communie een vollen aflaat te verdienen en doet datgene, wat daartoe vereischt wordt. O, wat een geluk voor u, indien gij uit de genadebronnen der Kerk ijverig put en zoovele aflaten als mogelijk verdient; ge zult uw tijdelijke zondenstrafien steeds meer en meer uitwisschen en moogt hopen, dat gij na uw verscheiden van de strafien des vagevuurs geheel vrij blijft, of toch slechts na een korte reiniging daarin tot de vreugde des hemels wordt geroepen.

-ocr page 176-

Het H. Oliesel

I. Wai is het H. Oliesel?

Het 11. Oliesel is een Sacrament, waarin aan den zieke door de zalving met h. olie en het qehed des Priesters de genade Gods tot heil der ziel en dikwerf ook des hchaams wordt medegedeeld. Zooals uit deze verklaring blijkt, heeft het li. Oliesel, of ook wel het laatste Oliesel genoemd, omdat het de laatste der in de Kerk gebruikelijke zalvingen en de voleinding van het christelijke leven is, alles, wat tot een Sacrament vereischt wordt, nl. een zichtbaar teeken, een onzichtbare genade en de goddelijke instelling. Op dezen grond heeft de Kerk ook altijd geleerd, dat het laatste Oliesel een waar door Christus ingesteld Sacrament is.

1) Het zichtbare of uitwendige teeken des H. Oliesels is de zalving met h. olie des Priesters aan de vijf zintuigen des zieken onder een bepaald gebed.

a. Tot het zichtbare teeken van het laatste Oliesel behoort op de eerste plaats heilige olie. Onder olie is olijfolie te verstaan. Deze olie heet heilige olie, omdat zij geen gewone, maar door den Bisschop gewijde olie is. De Bisschop wijdt ze namelijk evenals de overige oliën op Witten Donderdag. Deze olie onderscheidt zich ook van die, waarmede de doopelingen onmiddelijk voor het Doopsel gezalfd worden en heet deswege ter onderscheiding van de Doop- of Cathumenen-olie de ziekenolie. Evenzoo onderscheidt zij zich van het chrisma, dat uit olie en balsem bestaat, terwijl de olie der zieken een zuivere olijfolie is. De Priester mag daarom tot het toedienen van het laatste Oliesel geen Doopolie of chrisma maar alleen ziekenolie gebruiken. Zou hij bij vergissing Doop-

-ocr page 177-

OVER HET H. OLIESEL.

olie of chrisma gebruiken, dan moet hij, indien hij zijn dwaling bemerkt, de zalving met ziekenolie nogmaals verrichten. Dat de olie der zieken tot het geldig toedienen van het laatste Oliesel door den Bisschop moet gewijd wezen, schijnt niet noodzakelijk te zijn ; het is veeleer waarschijnlijk, dat ook olie, die met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming der Kerk slechts door een gewoon Priester gewijd is, tot de geldigheid van het Sacrament toereikend is. De grond hiervan ligt in de gewoonte der Grieksche Kerk, waarin het reeds sedert meer dan 1000 jaren gewoonte is, dat gewone Priesters de ziekenolie wijden zonder dat de Katholieke Kerk deze gewoonte heeft veroordeeld. Evenwel is het een voorschrift der Katholieke Kerk, dat tot het toedienen des laataten Oliesels alleen door den Bisschop gewijde olie gebruikt worde, en aan dit voorschrift moet ieder katholiek zich onderwerpen.

i. Met de door den Bisschop gewijde olie wordeu de vijf ziniuiffen des zieleen gezalfd, te weten, de oogen, ooren, neus, mond, handen en voeten. Deze zintuigen en ledematen worden gezalfd, omdat zij den menschen als werktuigen tot zonde dienen, en vandaar door de zalving gereinigd en tegelijk gesterkt moeten worden, opdat zij voortaan voor de zonde niet meer toegankelijk zijn. Bij de mannen wordt ook de borst gezalfd, wat bij de vrouwen welvoegelijkheidshalve achterwege blijft. Op dezen grond is ook de zalving der lenden, zooals vroeger gebruikelijk was, vervallen. De reden, waarom ongehinderd voor de geldigheid van het Sacrament de een of andere zalving kan achterwege blijven, ligt hierin, dat de Apostel Jacobus op de plaats over het laatste Oliesel slechts over de zalving in het algemeen spreekt, maar niet nader bepaalt, aan welke zintuigen en lichaamsdeelen zij moet plaats vinden. In geval van nood is het voldoende, dat het voorhoofd als het voornaamste deel des lichaams gezalfd

169

-ocr page 178-

OVER HET H. OLIESEL.

■wordt. Evenwel mag ook hier de Priester niet naar wille- te

keur handelen, maar moet zich aan de voorschriften van al

het Diocees houden, doordien hij als ieder geloovige ten g

strengste verplicht is aan zijn Bisschop gehoorzaamheid 1

te bewijzen. \\

c. De zalving met de h. olie der zieken moet door een ^

Priester gedaan worden. Dit spreekt de Apostel met dui- i delijke woorden uit, doordien hij zegt: »Is er iemand ziek

onder u, zoo roepe hij de Priesters der Kerk.quot; Dat de Apostel werkelijk de Priesters bedoeld heeft, volgt reeds uit den aard der zaak; want alleen aan de Priesters komt het toe, de Sacramenten toe te dienen. Indien echter hierover nog eenige twijfel zou kunnen bestaan, dan werd deze door de Overlevering volkomen opgeheven; want Origines en Chrysostomus alsmede alle Kerkvaders duiden op de plaatsen, waar zij over het H. Oliesel spreken, de Priesters als de uitdeelers van dit Sacrament aan. Van daar verklaart het (Jonc. v. Tr. ; »Zoo iemand zegt, dat de Oudsten der Kerk, die volgens de vermaning van den H. Jacobus tot de zalving des zieken moeten geroepen worden, niet de door ,\'deu Bisschop gewijde Priesters zijn, maar de ouderen in leeftijd in elke gemeente, en hierom de eigenlijke bedienaar van het laatste Oliesel niet enkel de Priester is : die zij in den ban.quot; Zitt. 14. Can. 4.

Hier ontstaat ook de vraag, of het H. Oliesel door meerdere Priesters moet worden toegediend, dan of éen daartoe toereikend is. De Apostel zegt dat men de Friesiers der Kerk moet roepen. Voorheen was het gebruikelijk, dat meerdere Priesters het H. Oliesel toedienden en in de Grieksche Kerk bestaat nog die gewoonte, het door zeven, of minstens door drie Priesters te laten mededee-len. Maar er is, zooals Paus Alexander III uitdrukkelijk heeft verklaard, tot het bedienen van het H. Oliesel éen Priester genoegzaam. De uitdrukking des Apos-

170

-ocr page 179-

OVER HET H. OLIESEL.

tels: «Hij roepe de Priesters,quot; is niet zoo te verstaan, alsof het H. Oliesel door vele Priesters moet worden toegediend, maar er is slechts in \'t algemeen gezegd, dat de Priesters er de uitdeelers van zijn. Men zegt immers ook wel in het gewone taalgebruik: hebt ge gezondigd, vervoeg u dan bij de Priesters. Wie zou dit zoo verstaan, alsof de zondaar bij meer dan een biechtvader moet biechten ? Ook is het uit de oudheid bekend, dat het laatste Oliesel reeds toenmaals door slechts éen Priester is toegediend. Zoo ontving Artemius volgens het verhaal van den H. Greg. v. Tours het H. Oliesel van den H. Nepo-tianus; evenzoo Eugenius van een der kloosterlingen, zooals de Bollandisten ons mededeelen.

d. Terwijl de Priester de afzonderlijke zalvingen aan den zieke verricht, spreekt hij de woorden : »Per istam sandam unctionem, door deze h. zalving, et suam piis-simam misericordium, en zijne milddadigste barmhartigheid, indulqeat tibi Dominus, vergeve de Heer u, quid quid per visum, per auditum etc. deliquisti, alwat gij door het gezicht, door het gehoor enz. hebt misdreven. Amen.quot; Deze woorden schrijft het Gone, van Tr. als vorm van het laatste Oliesel uitdrukkelijk voor. (Zitt. 14. Hoofdst. I.) Dat deze woorden niet in een aantoonende wijze, zooals dit bijv. bij het Doopsel en de Biecht, ik doop u. . ik ontsla u . . ., het geval is, maar bij wijze van gebed gesproken worden, is wel niet tot het wezen van dit Sacrament noodzakelijk, maar heeft desniettemin zijn goede gronden. Wanneer namelijk de zieke het H. Oliesel ontvangt, zijn de krachten van zijn geest en lichaam gewoonlijk zeer verzwakt; hij kan zich zeiven niet meer helpen eu behoeft vandaar vreemde hulp. Deze hulp wordt door de bij wijze van gebed gesproken woorden uitgedrukt. Het H. Oliesel is verder als een aanvulling van het Sacr. van Boetvaardigheid, een boete des zieken; wijl nu de zieke wegens zijn zwakte niet veel boete meer

171

-ocr page 180-

OVER HET H. OLIESEL.

doen kan, daarom heeft de Kerk met hem medelijden en beveelt hem door het grehed aan de barmhartigrheid van

O O

God aan. Eindelijk oefent het laatste Oliesel dikwijls ook op het lichaam des zieken een weldadige werking uit; het verzacht niet zelden zijne smarten, wat meer is, het schenkt hem zelfs de volle gezondheid terug. Opdat nu God aan de zieken ook deze lichamelijke weldaden, die niet noodzakelijk en niet altijd met het H. Oliesel verbonden zijn, genadig inededeele, wendt de Kerk zich tot Gods barmhartigheid en dient het Sacrament in den vorm eens gebeds toe.

Zooals ik nu verklaard heb, bestaat het zichtbare tee-ken van het H. Oliesel hierin, dat de Priester de zintuigen des zieken met de door den Bisschop gewijde ziekenolie zalft en daarbij de aangegeven woorden spreekt.

2) Het tweede tot een Sacrament noodzakelijke stuk is, zooals gij weet, de onzichtbare of imoendiyegenade. Ook dit stuk is bij het Oliesel aanwezig; want de H. Jacobus schrijft op de plaats, waar hij over dit Sacrament handelt, met duidelijke woorden : » Het gebed des geloofs zal den zieke behouden en de Heer zal hem verlichten en zoo hij in zonde is, zullen deze hem vergeven worden.quot; De uitdrukking »zondenvergevingquot; duidt ontegenzeglijk een inwendige genadewerking aan. Deze werking der genade is ook in de woorden : » De Heer zal hem (den zieke) verlichten,quot; uitgesproken. Want deze woorden hangen nanw met de volgende : »Zoo hij in zonde is, zullen deze hem vergeven worden,quot; samen en vinden daarin hun verklaring. De zin is namelijk: God zal den zieke innerlijk verlichten ; opdat echter deze innerlijke verlichting kan plaats vinden, worden aan den zieke ook zijn zonden, die hij wellicht nog niet heeft uitgewischt, vergeven ; want de zonden bezwaren het gemoed des zieken en staan zijne innerlijke verlichting in den weg. De verdere woorden des Apostels : »Het gebed des geloofs zal

172

-ocr page 181-

OVER HET H. OLIESEL.

den zieke behouden,quot; mo^en ook al op de eerste plaats betrekking hebben op het lichamelijk behoud, maar dit is van een ondergeschikt belang en komt in zoover in aanmerking, als het aan Gods wijsten wil behaagt en overeenkomstig het zielenheil des zieken is. Bijgevolg moet ook de uitdrukking : » Den zieke behoudenquot; hoofdzakelijk van een inwendige, onzichtbare mededeeling van genade verstaan worden. — Dat het H. Oliesel met een onzichtbare genade is verbonden, heeft ook de Kerk, zooals wij nog verder zullen hoeren, altijd geleerd en het Conc. v. Tr. zegt: » De zalving des H. Geestes neemt de misdaden, zoo er nog te vergeven vallen en de overblijfselen van zonde weg en verheft en versterkt de ziel des zieken, doordien zij in hem opwekt een groot vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid, waardoor de zieke verlicht wordt, die de ongemakken en de moeilijkheden der ziekte lichter draagt, aan de bekoringen van den duivel, den heilbelager, gemakkelijker weerstand biedt en somwijlen ook de gezondheid des lichaams, waar het overeenkomstig het zielenheil is, terug erlangt.quot; (Zitt. 14. Hoofdst. 2.)

3) Het laatste Oliesel bezit eindelijk ook het derde tot een Sacrament vereischte stuk : de instelling door Jesus Christus. Wij weten wel niet bepaald, wanneer Jesus het H. Oliesel heeft ingesteld, zooals wij dit ook van meer andere H. Sacramenten niet weten ; maar dat Hij het heeft ingesteld, zegt met duidelijke woorden de H. Ap. Jacobus, (5, 14, 15.) als hij schrijft: »Is er iemand ziek onder u, zoo roepe hij de Priesters der Kerk, opdat deze voor hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren, en het gebed des geloofs zal den zieke behouden en de Heer zal hem verlichten, en zoo hij io zonde is, zullen deze hem vergeven worden.quot; De Apostel geeft hier een algemeen voorschrift, dat de zieken de Priesters roepen en van hen de zalving met olie

173

-ocr page 182-

OVER HET H. OLIESEL.

moeten ontvangen ; hoe zou hij nu dit hepaald voorschrift hebben kunnen geven, indien de Heer daartoe geen last had, gegeven ? Ook zegt hij ; de Priesters moeten den zieke met olie zalven in den naam des Heeren; -wat wil dit anders zeggen, dan als plaatsbekleeders en in de kracht des Heeren, zoodat bijgevolg de zalving niet is enkel een ceremonie of een middel dat somwijlen de lichamelijke gezondheid uitwerkt, maar een door Christus verordend en krachtig teeken, waarmede een inwendige genade is verbonden. Eindelijk zegt de Apostel heel bepaald, dat uit kracht dezer zalving aan den zieke de zonden, indien hij die heeft, vergeven worden. Hoe zou de zalving, indien zij niet door Christus, maar door den Apostel verordend ware de kracht van vergeving der zonden kunnen bezitten ? Menschen kunnen wel uiterlijke teekenen, ceremoniën verordenen, maar met geen teeken kunnen zij een zondendelgende kracht verbinden; dit kan God alleen. De aangehaalde plaats bewijst alzoo ontegensprekelijk, dat Christus het laatste Oliesel heeft ingesteld. Vandaar verklaart het Conc. v. Tr. : »Zoo iemand zegt, dat het laatste Oliesel niet is een waar en werkelijk, door Christus onzen Heer ingesteld, en door den H. Ap. Jacobus verkondigd Sacrament, maar slechts een door de Vaderen aangenomen gebruik, of een men-schelijk verdichtsel ; die zij in den ban.quot; (ffitt. 14. Can. I.)

Voor de instelling van het H. Oliesel door Christus getuigt ook de voortdurends Erfleer der Kerk. De H. Chrysostomus zegt: «Niet enkel in het Doopsel, maar ook daarna kunnen de Priesters ons de zondeu vergeven. Want de Apostel zegt; is iemand ziek onder u, zoo roepe hij de Priesters der Kerk enz.quot; De H. Kerkleeraar spreekt in het werk, waarin de aangehaalde woorden zijn te vinden, in het algemeen over de waardigheid en de macht der Priesters, die onder anderen bijzonder in het vergeven der zonden bestaat. Hij gaat onmiddellijk

174

-ocr page 183-

OVER HET H. OLIESEL.

de verschillende wijzen van het vergeven der zonden na. Op de eerste plaats haalt hij de Biecht aan ; hierop toont hij de macht der Priesters, die de zonden vergeven [door het Doopsel; dan komt hij op de kwijtschelding der zonden, die de Priester door de bediening van het door den H. Jacohus aanbevolen Oliesel aan de zieken volbrengt. De H. Chrysostomus spreekt bijgevolg van een drievoudig heilmiddel, waardoor de zonden worden vergeven, en stelt de laatste wijze van zonden vergeving (door het Oliesel) met de beide voorgaande (door de Biecht en het Doopsel) op een gelijken trap. Hij duidt dus het H. Oliesel evenzoo als het Doopsel en de Biecht, als een door Christus ingesteld Sacrament aan.

Ook Paus Innoc. I, een tijdgenoot van den H. Chrysostomus, telt het Oliesel onder de Sacramenten, doordien hij aan een Bisschop, die bij hem aanvraagde, of men aan openbare boetelingen het laatste Oliesel mocht toedienen, tot antwoord gaf ; » Het mag den boetelingen niet gegeven worden, wijl het een Sacrament is. Want hoe zou men kunnen meenen, dat het kan worden toegediend aan degenen, aan wie toch de Sacramenten in \'t algemeen zijn ontzegd ?quot; Voor de sacramenteele waarde verklaren zich ook vele Conciliën ; zoo bijv. het Conc. v. Chalon in \'tjaar 813, dat van Aken in \'t jaar 836 en dat van Mainz in \'tjaar 847. Ook de reeds vroegtijdig van de Katholieke Kerk afgevallen sekten, zooals de Cop-ten en Jacobieten, alsmede de Grieksche Kerk erkennen in het H. Oliesel een waar, door Christus ingesteld Sacrament, — een klaar bewijs, dat het reeds in de oudste tijden der Kerk als Sacrament heeft gegolden. Met recht heeft derhalve de Kerk in het Conc. v. Tr. over de ge-loofs-hervormers der zestiende eeuw, die benevens meerder andere Sacramenten ook het laatste Oliesel hebben verworpen, den banvloek uitgesproken.

Ik heb u nu in het kort aangetoond, dat het laatste

175

-ocr page 184-

OVER HET H. OLIESEL.

Oliesel de drie tot een Sacrament noodzakelijke stukken bezit, te weten een uitwendig teeken, een inwendige genade en de instelling door Jesus Christus, zoodat het dus een waar Sacrament is.

II. Wat werht het 11. Oliesel uit?

Het H. Oliesel heeft, indien het waardig wordt ontvangen, hoogst heilzame uitwerkingen, want

1) Het vermeerdert de heïliqmahende genade. Wijl het laatste Oliesel uit zijn natuur een Sacrament der levenden is, daarom moet men, om het waardig te ontvangen, de heiligmakende genade bereids bezitten; d. i. minstens van elke doodzonde vrij wezen. In dit geval vermeerdert het de heiligmakende genade, d. i. het maakt den zieke heiliger, rechtvaardiger, Gode welgevalliger. Deze werking heeft het laatste Oliesel met de overige Sacramenten der levenden gemeen.

2) Een ander uitwerksel van het H. Oliesel is, dat het de dagelijksche en ook die doodzonden, die de zieke niet meer biechten kan, uitwischit. Dat door het H. Oliesel zonden worden vergeven, is volstrekt aan geen twijfel onderhevig; want de H. Jacobus zegt op de aangehaalde plaats uitdrakkelijk : »Zoo hij (de zieke) in zonde is, zullen deze hem vergeven worden.quot; Deze werking drukken ook de woorden, die bij de zalving des zieken gesproken worden, uit; want zij bevatten de bede tot God, dat Hij den zieke vergeve, wat deze door zien, hooren enz. heeft misdreven. Onder deze zonden nu, die door het H. Oliesel vergeven worden, zijn op de eerste plaats de dagelijksche zonden te verstaan. Tot de vergiffenis der doodzonden bezitten wij slechts twee Sacramenten, het Doopsel en de Biecht. Bovendien is het Oliesel uit zijn aard een artsenij ; een artsenij nu wordt alleen aan zieken, maar niet aan dooden toegediend; bijgevolg is het laatste Oliesel

176

-ocr page 185-

OVEB DE AFLATEN. 145

goede werken, die de Kerk tot het verdienen van een aflaat voorschrijft, zijn verschillend. Tot het verdienen van een vollen aflaat is gewoonlijk het waardig ontvangen van de H. Sacr. der Biecht en des Altaars voorgeschreven. Hierbij valt op te merken, dat ook degenen, die zich in staat van genade bevinden, indien zij den aflaat verdienen willen, moeten biechten, omdat de Biecht op de eerste plaats als een goed werk en niet als middel tot het erlangen der heiligmakende genade wordt aanbevolen. Behalve de Biecht en de Communie zijn nog tot het verdienen van een vollen aflaat gewoonlijk het bezoek van éen of meerdere kerken en het verrichten der aflaatsge-beden, die men moet bidden volgens de intentie (meening) van den Paus, voorgeschreven. De meening van den Paus is gewoonlijk drievoudig; verheffing der H. Kerk en des H. Steels, uitroeiing der ketterijen en vrede en eendracht onder de Christenvorsten en volken. Het is evenwel niet noodig, dat men zich die meening uitdrukkelijk en in het bijzonder herinnert, het is genoegzaam, in \'t algemeen volgens de meening van den Paus te bidden. i)e gebeden zelve zijn in den regel niet nader bepaald. Het is derhalve den geloovigen vrij gelaten, naar goedvinden gebeden te kiezen. Vijf Onze Vaders en vijf Wees Gegroeten zijn volgens het gevoelen van de meeste Godgeleerden voldoende, om deze voorwaarde te vervullen. Het is om het even, of men die voor of na de H. Communie verricht, zelfs, wanneer de aflaat aan eeuig feest is verbonden, kan men ze van de eerste vespers op den vooravond tot zonsondergang van het feest zelf elk uur naar believen verrichten. Tot het verdienen van een Jubilé-aflaat worden nog andere goede werken, als vasten en aalmoezen, voorgeschreven. Al deze werken moeten gedurende den lijd, dat de aflaat duurt, verricht worden. Wat de Biecht betreft, heeft Paus Clemens XIII door een Decreet

10

-ocr page 186-

1

146 OVER DE AFLATEN.

van den 9. Dec. 1763 aan personen, die de loffelijke gewoonte hebben, zoo zij niet rechtmatig verhinderd zijn, wekelijks te biechten, toegestaan, alle in den loop der week voorkomende aflaten met deze eene Biecht te kunnen verdienen, zonder derhalve, indien zij in staat van genade zijn, opnieuw te moeten biechten, verondersteld dat zij de overige voorwaarden vervullen. Uitzondering maken slechts die aflaten, welke in den vorm van een Jubilé worden gegeven. Een den 12. Juni 1822 door Pius VII bevestigd Decreet van de Congregatie der aflaten heeft bovendien nog toegestaan, dat men de Biecht acht dagen voor het feest, waarop men een aflaat wil verdienen, kan afleggen, aangenomen, dat men gedurende die acht dagen zich aan geen doodzonde schuldig maakt. Dezelfde Communie is voldoende, om op een en denzelfden dag twee verschillende volle aflaten, die op denzelfden dag zijn toegestaan bijv. een voor zich zeiven en een voor de overlenen te verdienen; de voorgeschreven gebeden moeten echter voor elk der beide aflaten afzonderlijk verricht worden. Wat verder de goede werken betreft, moet men minstens het laatste ervan in staat van genade doen, om den aflaat te kunnen verdienen. Ook kan de aflaat niet verdiend worden, indien men een aanmerkelijk deel der goede werken uit nalatigheid of ook maar uit vergetelheid zou achterwege laten. Tot het verdienen van gedeeltelijke aflaten is het ontvangen der H. Sacramenten meestal niet voorgeschreven; men wordt er deelachtig aan, indien men die goede werken waaraan zij verbonden zijn ijverig en in staat van genade verricht.

Behalve den staat van genade en het volbrengen der goede werken wordt tot het verdienen van een vollen en gedeeltelijken aflaat een opredde boeteijver gevorderd. Men moet de bedreven zonden niet enkel uit geheel zijn hart haten en verafschuwen, maar ook den ernstigen wil hebben, daarvoor aan God naar krachten voldoening te

-ocr page 187-

OVER DE AFLATEN.

147

geven. Deze boetvaardige gezindheid heeft de Kerk ten allen tijde gevorderd van degenen, die een aflaat willen verdienen. De H. Paulus heeft den bloedsohendigen Co-rintheër alleen na een lange en strenge boete de overgebleven straffen kwijtgescholden en hem, zooals de H. Chrysostomus en Thomas opmerken, ook vervolgens nog niet van het op zich nemen aller buetewerken vrijgesproken. De H. Cyprianus vermaant de Martelaren, zij zouden toch geen aanbevelingsbrief afgeven aan een gevallene, van wiens boetvaardigheid zij niet overtuigd waren en wiens boetetijd niet ten einde spoedde. De H. Basilius staat slechts aan degenen, die een Gods barmhartigheid waardig leven aan den dag leggen en vruchten vau boetvaardigheid voortbrengen, een kwijtschelding hunner tijdelijke zondenstraffen toe. Het Concilie van Ancyra schrijft voor, dat er voor de zonden een strenge boete gedaan worde. Eerst wanneer dit heeft plaats gevonden, veroorlooft het den Bisschoppen, met de boetelingen genadiger te werk te gaan en hun een gedeelte der boete kwijt te schelden. Het Conc. v. Tr. eindelijk verlangt van de zondaren niet enkel boetewerken, om van God de genade van boete en bekeering te erlangen, maar zegt ook in bijzonder met betrekking tot de aflaten, dat men bij het verleenen daarvan de oude tijden in aanmerking nemen en den boetegeest der Kerk moet handhaven, opdat de kerkelijke tucht niet verzwakt worde. (Zitt. 25 over de afl.) Zooals uit deze getuigenissen blijkt, heeft de Kerk ten allen tijde van degenen, aan wie zij een aflaat verleende, een vurigen boeteijver gevorderd. Het ware derhalve een grove dwaling te gelooven, dat de aflaten alle boetedoeningen overbodig maken. Niets minder dan dit; de aflaten komen slechts onze zwakheid te hulp en vergoeden, wat wij zeiven niet in staat zijn te boeten. Wanneer de Kerk ons een aflaat verleent, dan doet zij bijna hetzelfde,

-ocr page 188-

1

148 OVER DE AF-LATËN.

wat een evenzoo verstandige als liefdevolle vader doet tegenover zijn kind, dat schulden heeft, en tot hem zegt : wees zuinig en spaarzaam, en betaal van uw schulden zooveel gij kunt; datgene, wat gij volstrekt niet of slechts met de grootste moeite kunt betalen, zal ik niet rekenen. Zorgt derhalve, Aand. dat gij steeds een waren boeteijver in u onderhoudt, wijl dit een hoofdvereischte is tot het verdienen eens aflaats. Stelt u niet tevreden, enkel de voorgeschreven goede werken te verrichten ; legt ook zelve u verschillende boeten op, en hebt steeds den ernstigen wil, aan de goddelijke gerechtigheid voor uw zonden zooveel mogelijk voldoening te geven. Indien gij waarlijk boetvaardig en van een oprechten wensch zijt bezield, uw zondenstraffen af te boeten, dan zal God uw onmacht te hulpe komen en u aan de gunsten der aflaten in rijke mate deelachtig maken.

Ik eindig dit onderricht met het gebed, dat men te Rome tot het verdienen der aflaten pleegt te bidden. Het luidt: » Mijn Heere Jesus, doordrongen van de levendigste smart bij het aanschouwen mijner zonden, draag ik dit ootmoedig gebed ter uwer eere, tot uwen lof en tot welzijn uwer Kerk op. Heilig het en geef het waarde door uwe genade. Ik wil mij geheel aansluiten aan de vrome meening onzes Opperherders, die dezen aflaat tot welzijn der geloovigen verleend heeft. Vertrouwende op uwe oneindige goedheid bid ik dat het U behage, hier op aarde de ketterijen uit te roeien, vrede en eendracht onder de Christenenvorsten te bevorderen, opdat allen, herders en kudden, U met een rein hart, wederkeerige liefde en een ware godsvrucht mogen dienen. Vervul ook onzen H. Vader den Paus met uwen Geest, en bescherm hem tegen alle aanslagen. Laat mij, o mijn Verlosser, door de verdiensten der Allerzaligste Maagd en aller Heiligen deel nemen aan de schatten, waarmede Gij uwe Kerk door het vergieten van aw kostbaar bloed hebt verrijkt.

-ocr page 189-

1

OVER DB AFLATEN. 149

Verleen mij heden de vrucht van dezen h. aflaat. Vergeef mij, o God, volgens uwe oneindige barmhartigheid de straffen, die ik voor mijn zonden in dit of het ander leven moet verduren. Van nu af aan ben ik ernstig besloten, met de hulp uwer genade een rouwmoedig en boetvaardig leven te leiden. Ik zal aan uwe gerechtigheid, zooveel mij mogelijk, voldoening geven ; ik zal de zonde vluchten en ze voor alles als het grootste kwaad verafschuwen, omdat zij mijnen oneindig liefdevollen God, dien ik bemin en in eeuwigheid boven alles zal beminnen, beleedigt.quot;

IV. Over de persoonljke aflaten.

Onder persoonlijke aflaten verstaat men die aflaten, welke aan éen of meerdere personen tegel ijk verleend worden. Hiertoe behooren bijzonder de aftaat van het Jubilé, die der broederschappen en de aflaat in het doodsuur.

1) De voornaamste onder alle aflaten is die van een Jubile. Reeds de Joden hadden een Jubile of Jubeljaar, dat alle vijftig jaar terugkeerde. (Lev. 25) Volgens Gods verordening moest in dit jaar al het verkochte of verpande eigendom aan den oorspronkelijken bezitter teruggegeven, elke schuld uitgewischt en vergeven, en ieder, die uit nood slaaf was geworden, weder in vrijheid worden gesteld. Dit Joodsche Jubeljaar was een afbeeldsel van ons christelijk Jubilé. In dezen genadentijd verkrijgen wij vergiffenis onzer zondenschulden, worden wij indien wij in de slavernij des Satans zijn daarvan verlost en in den staat van kindschap Gods teruggebracht. Zoo is in een geestelijken zin het christelijke Jubile dat, wat het Joodsche Jubile was in een aardschen zin. Het eerste Jubilé schreef Paus Bonefacius VIII. uit; het zou van Kerstmis in \'tjaar 121)9 tot aan Kerstmis in quot;t jaar 1300,

-ocr page 190-

OVER DE AFLATEN.

derhalve een geheel jaar duren en alle 100 jaren terug-keeren. Clemens Vl. verordende in het jaar 1349 het vieren des Jubilaeums om elke vijftig jaren. Urbanus VI. in \'tjaar 1389 met betrekking tot de levensjaren van Christus om de drie en dertig jaren ; eindelijk Paulus II. in \'tjaar 1470 wegens de verdrukking der Kerk en om de kortheid van \'s raenschen leven alle vijf en twintig jaren. Bijgevolg valt er elke vijf en twintig jaren een gewoon Jubilé voor. Behalve het gewone Jubilaeum hebben er ook nog buiten(/eioone plaats, zooals wij in de jongst vervlogen jaren er meerdere gevierd hebben. Zoodanige buitengewone Jubilés zijn er gewoonlijk bij de troonsbestijging van een nieuwen Paus, somwijlen ook bij bijzonder blijde gebeurtenissen of groote moeilijkheden der Kerk. Het Jubilé is verder een algemeen dat voor de geheele wereld geldt, en een bijzonder Jubilé, dat slechts aan een diocees, een land of een gemeente verleend wordt.

Een Jubilaeum of Jubilé-aflaat is uit zijn aard niets anders dan een volle aflaat, d. i. zulk een, waardoor alle overgebleven tijdelijke zondenstraffen vergeven worden. Bijgevolg worden door een Jubilé-aflaat evenmin als door een gewonen aflaat de zonden en de eeuwige straffen kwijtgescholden. Zegt men, in een Jubilé worden alle zonden en straffen vergeven, dan heeft men het Jubilaeum of den Jubilé-aflaat in verbinding met het Sacr. der Biecht te verstaan, als wanneer dan van een kwijtschelding aller zonden en straffen kan spraak wezen.

De Jubilaeums onderscheiden zich evenwel van de overige volle aflaten door hunne grootere plechtigheid, verder door bijzondere, dikwijls buitengewone genaden, die God aan de geloovigen pleegt te verleenen, eindelijk door grootere volmachten, die de biechtvaders bezitten. Alle biechtvaders hebben namelijk gedurende den duur van een Jubilé de volmacht, van alle den Paus en Bissckop-pen voorbehouden zonden, alsmede van de kerkelijke straf-

150

-ocr page 191-

OVER DE AFLATEN.

fen, als exconmunicaUe, suspensie en interdict vrij te spreken. Degenen evenwel, die wegens een zwaren misstap door een kerkelijke Overheid met een kerkelijke straf geslagen of als in een kerkelijke straf vervallen openlijk zijn verklaard geworden, kunnen door gewone biechtvaders niet geabsolveerd worden. Opdat de absolutie over de voorbehouden gevallen geldig zij, moet het Sacr. der Biecht waardig ontvangen worden. Wie ongeldig biecht, omdat hij bijv. geen berouw heeft, of iets, wat hij openbaren moet, opzettelijk verzwijgt, die wordt noch van zijne niet voorbehoudene, noch van zijn voorbehouden zonden en kerkelijke straffen geldig geabsolveerd. De Priesters hebben ten tijde eens Jubilaeums ook de macht, de geloften te veranderen. De gelofte van eeuwigdurende kuischheid, vervolgens de gelofte, in een klooster te gaan of geestelijke te worden, alsmede die gelofte, door het ontslaan waarvan een derde zou benadeeld worden, kunnen evenwrel ook tijdens een Jubilé niet veranderd worden. In de aflaatsbullen heet het of alleen : mutarc — veranderen, of disjjensando mutare se. vota — door dispensatie veranderen. In het eerste geval, kunnen de biechtvaders de sreloften slechts in hetere werken veranderen ;

O y

in het laatste geval daarentegen in geringere en lichtere werken veranderen. Meestal bevatten de aflaatsbullen de uitdrukking: door dispensatie veranderen, om aan de biechtvaders in de verandering der geloften meer macht te geven.

De voorwaarden, onder welke de geloovigen een Jnbilé-aflaat kunnen verdienen zijn de volgende: zij moeten 1. de H. Sacr. der Biecht en des Altaars waardig ontvangen ; 2. naar hun vermogen een aalmoes geven; 3. een en ander keer vasten; 4. een of meerdere kerken eenige malen bezoeken en bij dit bezoek eenigen tijd volgens de meening van zijn Heiligheid den Paus bidden. Dit aflaatsgebed moet, wat ik hier bijzonder wil opmerken

151

-ocr page 192-

OVER DE AFLATEN.

en bij alle overige aflaten geldt, mondeling verricht, d. i. met woorden worden uitgesproken en het is niet voldoende slechts innerlijk of in het hart te bidden. Alleen doofstommen, die niet mondeling kunnen bidden zijn van het mondelinge gebed uitgezonderd. Degenen, die te water of te land reizen, kunnen na hun terugkeer in het vaderland den Jubilé-aflaat verdienen, indien zij de voorgeschreven werken verrichten en de kerk van hun woonplaats bezoeken. Aan de kloostervrouwen, die voortdurend binnen het kloosterslot wonen, aan gevangenen en zoodanige personen, die wegens een lichamelijke ziekte of wegens andere hindernis de voorgeschreven werken of enkele ervan buiten staat zijn na te komen, kunnen door de biechtvaders andere godvruchtige werken worden opgelegd. Ook kunnen de kinderen, die nog niet tot de eerste H. Communie zijn toegelaten, van het voorschrift te commu-niceeren ontslagen worden. Nog wil ik opmerken, dat de gewone, om de vijf en twintig jaren terugkeerende Jubilé-aflaten volgens een bul van Benedictus XIV, meer dan eenmaal kunnen verdiend worden, indien men de voorde-

\' O

schreven werken meermalen verricht; verder, dat, wanneer een Jubilé in den Paaschtijd gevierd wordt, de Paascb-Communie tot het verdienen van dien aflaat niet kan gelden, omdat deze door het kerkelijke gebod buitendien reeds is voorgeschreven ; eindelijk, dat gedurends een Jubilaeum de meeste andere aan de levenden verleende aflaten zijn opgeheven en alzoo niet kunnen verdiend worden; dat evenwel de aflaten voor de overledenen ook gedurende het Jubilé van kracht blijven. De opheffing der overige aflaten heeft haren voornaamsten grond hierin, dat de geloovigen onder voorwendsel, andere aflaten te kunnen verdienen, den Jubilé-aflaat niet verwaar-loozen.

De Jubilé-aflaten moet ieder Christen door een degelijke boete en stipte vervulling der voorgeschreven voor-

152

-ocr page 193-

OVER DE AFLATEN.

waarden zich ten nutte maken; want zij keeren zeldzaam terug en hebben dikwerf tengevolge, dat Christenen, die-ze nutteloos laten voorbijgaan, in hunne onboetvaardigheid volharden en een rampzaligen dood sterven.

2) Onder broederschap in een kerkelijken zin verstaat men een vereeniging van vele geloovigen tot een godsdienstig doeleinde, namelijk ter eere Gods, ten heil der medemenschen en tot eigen heiliging. Het ontstaan der broederschappen gaat tot aan de eerste tijden der Kerk terug, toen alle geloovigen in zulk een liefdebond leefden, dat zij slechts éen hart en éene ziel uitmaakten en om zoo te spreken slechts éene groote broederschap vormden. In de geschiedenis der eerste eeuwen komen intusschen nog geene bijzondere broederschappen voor; de eerste, waarvan wordt melding gemaakt, is de broederschap Gonfalone, gesticht in het jaar 1267 te Eome onder Paus Clemens IV. Haar doel was de door de Saracenen gevangen Christenen vrij te koopen. Spoedig ontstonden er andere broederschappen, waarvan de leden zich ten doel stelden, door boete oefeningen en godvruchtige werken elkander te ondersteunen, aan de zielen in het vage vuur hulp en troost te verschaften, de armen bij te staan, de zieken te verzorgen, de onwetenden en kinderen in den godsdienst te onderwijzen, de dooden te begraven, de aanbidding Gods en de vereering van Maria en de Heiligen te verlevendigen en te versterken. Om tot deze broederschappen te doeu toetreden en de leden ervan tot een getrouw vervullen hunner vrijwillig op zich genomen verplichtingen aan te spor-en, stonden de Pausen hun ver-schiliend; privilegiën (voorrechten) en aflaten toe.

Tot de vele broederschappen in den loop der tijden ontstaan behooren vooral de Broederschap van de Allerheiligste Drievuldic/heid van het Allerheiligste Sacrament des Altaars, van het Allerheilig sle Rarl van J es ui, van den Allerheiligsten Rozenkrans, van het vijf dubbel

153

-ocr page 194-

OVER DE AFLATEN.

schapulier en een der vermaardste en genadenvolste broederschappen der nieuwste tijden, de Aartsbroederschap vau het allerheiligste en onbevlekt hart van Maria tot bekeering der zondaren.

L)e volle en gedeeltelijke aflaten, die de leden der genoemde alsmede van alle andere broederschappen kunnen verdienen, zijn buitengewoon talrijk. Volle aflaten verdienen zij op den dag van hun opnemen in de broederschap, op de broederschapsfeesten, alsmede op de meeste Feestdagen des Heeren, der Allerzaligste Maagd en der Hsiligen, indien zij de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars waardig ontvangen en de aflaatsgebeden aandachtig en in den geest van boetvaardigheid verrichten. Bovendien worden zij door het volbrengen van verschillende gebeden en goede werken nog aan vele gedeeltelijke aflaten deelachtig. Eindelijk erlangen zij ook op hun sterfbed een vollen aflaat, indien zij de H. Sacr. der stervenden waardig ontvangen of ingeval zij dit niet meer kunnen, slechts den allerheiligsten naam van Jesus met den mond of in het hart rouwmoedig en aandachtig aanroepen. Inderdaad groote genaden, die ons in de broederschappen verleend worden! In betrekking tot de broe-derschapsregelen moet ik opmerken, det zij niet op zonde verplichten. Indien alzoo een lid der broederschap datgene, wat er wordt voorgeschreven, niet bidt of doet, dan begaat hij geen zonde ; evenwel berooft hij zich van de aflaten, die hij zou knnnen verdienen, wanneer hij het voorgeschrevene vlijtig volbrengt. Ge moet derhalve om de geestelijke voordeelen te verkrijgen uwe verplichtingen der broederschappen ijverig nakomen. Om dit te kunnen, zal het goed zijn, vooraf u ernstig af te vragen of gij de verplichtingen er aan verbonden kunt nakomen. Het is voorzeker beter slechts van éen broederschap lid te zijn en met ijver te doen, wat zij voorschrijft, dan tot tien broederschappen te behooren maar te verwaarloozen, wat zij vorderen.

154

-ocr page 195-

OVER DB AFLATEN.

155

3) Tot de persoonlijke aflaten behoort ook de stervens-aflaat of de aflaat in het doodsuur. Deze is een volle aflaat en heeft de kracht, den stervende, die dezen geheel verdient, van alle straffen des vagevuurs te ontslaan ; hij is derhalve een der grootste gunsten, waaraan wij bij ons verscheiden deelachtig kunnen worden. De aflaat in het stervensuur kan op tweederlei wijze verkregen worden, door de generale absoluiie en door andere middelen. Tegenwoordig hebben alle Priesters de macht, aan de stervenden door het geven der zoogenaamde generale absolutie een vollen aflaat te verleenen. Deze generale absolutie luidt na eenige voorbereidende gebeden: «Onze Heere Jesus Christus, Zoon van den levenden God, die aan den zaligen Petrus, zijn Apostel, de macht heeft gegeven te binden en te ontbinien, neme volgens zijne goedertierendste barmhartigheid uwe Biecht aan, en geve u het eerste kleed (der onschuld), dat gij in het Doopsel hebt ontvangen, terug; en ik verleen u, krachtens de aan mij door den Aposlolischen Stoel verleende macht, een vollen aflaat en de kwijtschelding al moer zonden in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen. Door de Hoogheilige Geheimnissen der mensche-lijke wedergeboorte vergeve de almachtige God u alle straffen van het tegenwoordige en toekomstige leven, opene u de poorten van het paradijs, en leide u binnen in de eeuwige vreugde. Amen. U zegene de almachtige God, Vader, Zoou en H. Geest. Amen,quot; Deze generale absolutie wordt aan de stervenden na het ontvangen der H. Sacramenten medegedeeld. Ook kunnen daaraan deelachtig worden die stervenden, die niet meer in staat zijn de H. Sacramenten te ontvangen, maar toch christelijk geleefd hebben en doen veronderstellen, (indieu zij geen teekenen meer kunnen geven) dat zij waarlijk rouwmoedig zijn en naar de genadeschatten der Kerk verlangens koesteren. Aan geexcommuniceerden, onboetvaardigen en

-ocr page 196-

OVER DB AFLATEN,

zoodanigen, die blijkbaar in staat van zoude sterven, moet, zooals vau zelf spreekt, de generale absolutie geweigerd worden.

Deze stervensaflaat kan nog op een andere wijze verkregen worden. Zoo zijn bijv. zooals wij later zullen hoo-ren, aan enkele rozenkransen, crucifixen, medailles aflaten in de ure des doods verbonden. In bijzonder kunnen degenen, die in een broederschap zijn ingeschreven en de voorschriften ervan ijverig nakomen, op het sterfbed een vollen aflaat verdienen, wanneer zij den h. naam Jesus met den mond, of indien zij dit niet meer kunnen, in het hart rouwmoedig en aandachtig aanroepen. Opdat men echter den aflaat in het stervensuur door de generale absolutie of op een andere wijze verdiene, is het noodzakelijk, dat men in staat van genade zij, dat men verder de opgelegde boetewerken bereids vervuld hebbe, of toch ernstig van wil zij, ze te verrichten; dat men eindelijk den dood in den geest van boetvaardigheid en volle overgeving uit de hand van God aanneme. Om den stervens-aflaat moet gij, Aand., alle dagen God vurig bidden en u altijd op een boetvaardigen wandel toe\'eggen, opdat deze groote genade, op uw sterfbed een vollen aflaat te erlangen, u eenmaal ten deel valle.

V. Over de plaaiseïijke af aten.

Onder plaatselijke aflaten verstaat men die, icclke aan zekere plaatsen, bijv. aan kerken, kapellen, aan een altaar zijn verbonden, zoodat men zich op die plaatsen moet bevinden, indien men den aflaat wil verdienen.

Van deze plaatselijke aflaten zal ik er slechts drie aanhalen : den Portiuncula aflaat, de Krniswey aflaten en aflaten van geprivilegieerde altaren.

1) Den Portimcula die alle jaren den tweeden

dag in de maand Augustus in de parochie- en

156

-ocr page 197-

OVER DE AFLATEN. 157

kloosterkerken der Pranciscanen kan verdiend worden, hebben wij aan het gebed van den H. Franc, v, Assisié te danken. Ik zal u met de geschiedenis van dezen aflaat wat nader bekend maken. In het jaar onzes Heeren 513 gingen vier kluizenaars, die de h. plaatsen in Palestina bezocht hadden, naar Italië en zetten zich in Spoleto, in de nabijheid der stad Assisie neder. Hier bouwden zij een klein kerkje, dat later in het bezit der Benedictijner monniken kwam. Men gaf aan dit kerkje verschillende namen; de meest gewone naam was: het Portiuncula-kerkje. zoo genoemd om zijn geringheid. De Benedictijnen bezaten dit kerkje tot in de dertiende eeuw. Om dien tijd leefde in Assisie een zeer vroom en heilig man, Franciscus genaamd, üeze stichtte in \'tjaar 1210 een nieuwe Orde, de Orde der Minderbroederen, thans onder den naam van Franciscaner-Orde in de geheele wereld bekend. Wijl deze Heilige de armoede en de nederigheid boven alles achtte, daarom kreeg hij het geringe Por-tiuncula-kerkje zeer lief en bad den Benedictijner-abt, hij mocht dit kerkje aan hem en zijn Ordenbroeders ten gebruike afstaan, wat deze ook gaarne inwilligde. Van dien tijd af bleef het Portiuncula-kerkje, dat in het vervolg vergroot en verfraaid werd, in het bezit der Franciscanen.

In dit kerkje was het nu, waar de H. Franciscus den Portiuncula-aflaat van God afsmeekte. Toen hij eens (het was in October 1221) in zijn cel over de arme, ongelukkige zondaren bitterlijk weende, verscheen hem eensklaps een Engrel, die hem mededeelde, dat de Zoon Grods onder

C / 7

begeleiding zijner Maagdelijke Moeder en eener groote schaar van H. Engelen in het Portiuncula-kerkje zichtbaar zich had neergelaten en hem veroorloofde, voor zijn genadetroon te verschijnen. Zonder te dralen begeeft de Heilige zich naar het kerkje en vindt daar alles zooals de Engel hem gezegd had. Vol heilige vrees werpt hij

-ocr page 198-

OVER DE AFLATEN.

158

zich op zijn aangezicht neder en aanbidt in den diepsten eerbied. Jesus ziet vriendelijk op hem neder en staat hem toe te begeeren, wat hij wil; hij zou het erlangen. De Heilige vat moed en bidt allerdringendst, dat alle zondaren, die deze h. plaats bezoeken en hunne zonden rouwmoedig biechten, volkomene vergeving erlangen. De Zaligmaker antwoordde hem: «Franciscus, gij begeert veel; Ik sta u echter nog grootere dingen tue; uw bede zij u toegestemd; maar ga naar mijnen plaatsbekleeder, den Paus en verlang op mijn woord den aflaat, dien Ik u heb ingewilligd.quot; De wonderbare verschijning verdween. Niemand was meer in extasi (verrukking) dan Franciscus. Nauwelijks schemerde de morgen van den volgenden dag, of hij ijlde onder begeleiding van een zijner broeders naar Paus Honorius III en bad hem, aan zijn voeten neergebogen, hij mocht bekrachtigen, dat ieder, die de kleine Portiuncula-kerk bezoeken en daar rouwmoedig zou biechten, zoo rein zou zijn van alle zonde en straf, als hij onmiddellijk na het Doopsel was. Honorius stond versteld over deze zonderlinge bede, en maakte zwarigheid, ze in te willigen. Franciscus echter sprak: «Wat ik vraag, vraag ik niet van mij zeiven ; mijn Heere Jesus Christus zendt mij hierheen en beveelt mij deze bede te doen.quot; Nadat de Paus zich van de waarheid zijner voorstelling overtuigd had, stond hij hem zijn bede toe; tegelijk gaf hij last dat het Portiuncula-kerkje plechtig gewijd en den aflaat op den tweeden Augustus zou worden afgekondigd. Er stroomden nu van dien tijd af pelgrims uit alle wereldstreken naar het Portiuncula-kerkje, ten einde den aflaat te verdienen, en talloos waren de bekeeringen, die in dat genadeoord plaats vonden. Om dezen aflaat voor de geloovigen meer toegankelijk te maken, strekten de Pausen dien in het vervolg tot alle Franciscaner-kerken uit. Hieruit volgt, dat men, om den Por-tiuncula-aflaat te verdienen, na waardig gebiecht en ge-

-ocr page 199-

OVEE DE AFLATEN.

coramuniceerd te hebben een Franciscaner-kerk of een andere kerk, waaraan cm bijzondere reden de Paus dezen aflaat heeft toegestaan, bezoeken en daar de aflaats-ge-beden moet verrichten.

De Portiuncula-aflaat is een volle aflaat, d. i. een zoodanige, waardoor men, wanneer wij dien aflaat geheel verdienen, kwijtschelding aller tijdelijke zondenstraffen erlangen. Wat echter dezen aflaat van andere volle aflaten bijzonder onderscheidt, is, dat op den dag, waarop hij is verleend, die aflaat meer dan eens kan verdiend worden, terwijl de overige volle aflaten des daags slechts eenmaal kunnen worden verdiend. Zoo heeft de H. Congregatie van Eaad tweemaal, den 17 Juli 1700 en den 4 Dec. 1723 besloten. Wat meer is, toen aan de H. Congregatie der aflaten de twijfel werd voorgesteld, of door de geloovigen, die den 2 Augustus de kerken der Franciscaner-Orde bezoeken, den vollen aflaat zoo dikwijls verdiend wordt, als dit bezoek wordt herhaald, — besliste de Congregatie in eene den 22 Fehr. 1847 gehouden raadpleging bevestigend en verklaarde tegelijk, dat het niet noodzakelijk is, dat de Communie in een Franciscaner-kerk ontvangen worde. Paus Pius IX bevestigde deze beslissing door middel van een Decreet (12 Juli 1849.) Het is volkomen waar, dat wij op éenen dag voor ons eelven slechts éen vollen aflaat kunnen verdienen, omdat wij toch door het verdienen van zoo\'n aflaat van alle tijdelijke zondenstraffen ontslagen worden en voor een tweeden aflaat, verondersteld dat wij hem vol verdiend hebben en ons op denzelfden dag aan geen fout schuldig maken, geen tijdelijke zondenstraffen meer tot delging aanwezig zijn; maar dit doet aan de leer, dat de Portiun-cula-:-tflaat op een en denzelfden dag dikwijler kan verdiend worden, geen afbreuk; wij kunnen toch dien aflaat, wanneer wij dien ten tweede en derde male verdienen aan de arme zielen in het vagevuur toevoegen.

159

-ocr page 200-

OVER DE AFLATEN.

De Portiuncula-dag- is derhalve een groote genadedag. Ge kunt op dien dag door het waardig ontvangen der H. Sacramenten en het godvruchtig verrichten der aflaats-gebeden, niet enkel voor u zelf een vollen aflaat verdienen, maar daardoor, dat gij de kerk dikwijler bezoekt en daar aandachtig bidt, ook aan de lijdende zielen in het zuiveringsoord veel troost en hulp verschaffen.

2) Thans een weinig over de uflalen van den Kruisweg. Onder de aandachts oefeningen, die de beschouwing van het bitter lijden en sterven onzes Heeren Jesus Christus tot onderwerp hebben, is een der voortreffelijkste de oefening van den weg naar den Calvarie-berg, gewoonlijk Kruiswe// genaamd. Ten gevolge eeuer onafgebroken overlevering ontstond deze oefening onmiddellijk na de hemelvaart van Jesus Christus te Jerusalem, doordien de eerste daar wonende geloovigen die heilige plaatsen, welke de goddelijke Verlosser door zijn lijden had geheiligd, bezochten. Zooals de H. Hieronymus ons verhaalt, begaven reeds van dien tijd af de Christenen zich schaars-gewijze daarheen, om deze eeuwig gedenkwaardige plaatsen te bezoeken ; en ten zijnen tijde duurde deze toevloed van bezoekers zelfs uit de verst afgelegen landen der aarde nog steeds voort.Zoo gebeurde het, dat deze oefening door vrome en heilige personen, die het beloofde land ter bevrediging hunner godsvrucht bezocht hadden, van lieverlede ook bij ons in Europa werd ingevoerd. Zoo lezen wij van den zaligen Alvarus van de Orde der Predikheeren, dat hij na zijn terugkeer uit het h. land vele oratorien (bedeplaatsen) oprichtte, waarin bij wijze van afzonderlijk en verschillende statiën (standplaatsen) de weg naar den Calvarie-berg met de hoofdzakelijkste voorvallen uit de lijdens geschiedenis van Christus was voorgesteld. Maar voornamelijk waren het de Franciscanen, die, nadat zij zich in \'tjaar 1342 in Jerusalem hadden neergezet, de godsvrucht van den Kruisweg in

160

-ocr page 201-

OVER DE AFLATIiN.

De gedeeltelijke of onvolkotnene aflaten zijn opzichtens den boetetijd zeer verscnillend ; er zijn aflaten van vele dagen en van vele jaren. In menig boek of op menig biljet of briefje komen aflaten voor van duizend en nog meerdere jaren, die deze of gene Paus zou verleend hebben. Zoodanige aflaten zijn zeer verdacht, en men zij opzichtens zulke aflaten op zijne hoede ; want het is hoogst twijfelachtig, of een Paus wel ooit een aflaat van duizend jaren verleend heeft. Dergelijke aflaten zijn meestal door winsbejagende en gewetenlooze lieden of geheel verdicht of minstens van eenige jaren in duizenden veranderd, doordien men bijv. aan een aflaat, die voor tien jaren gold, nog twee of drie nullen toevoegde en zoo een aflaat van duizend en tien duizend jaren bekwam. Geheel zonder zin waren intusscben aflaten van duizend en meerdere jaren niet; want iemand zou werkelijk zooveel hebben kunnen zondigen, dat hij, om naar de oude boete-wetten zijn zondenstraffen af te boeten, duizend en nog meerder jaren zou boete moeten doen. — Zooveel echter is zeker, dat de Kerk beden ten dage een aflaat van duizend jaren niet meer verleent. Dit is ook niet noodzakelijk, wijl door een vollen aflaat alle tijdelijke straffen, ze mogen veel of weinig zijn, kunnen vergeven worden.

II. Wai moeten wij van de aflaten gelooven ?

Wij moeten van de aflaten gelooven ; 1) dat de Kerk de macht heeft, ailaten te verleenen ; 2) dat het gebruik der aflaten ons zeer heilzaam is ; 3) dat de aflaten ook aan de arme zielen in het vagevuur kunnen worden toegevoegd.

1) Tot de verklaring der eerste geloofswaarheid vallen er twee vragen te beantwoorden : van ivien heeft de Kerk de macht, aflaten te verleenen ? en hoe verleent de Kerk ailaten aan ons ?

129

9

-ocr page 202-

130 OVER DE AFLATEN.

a. De macht, aflaten te verleenen, heeft de Kerk van er

Jesus Christus, die tot Petrus sprak: (Matth. 16, 19.) T

v Al wat gij op de aarde zult ontbinden, zal ook ia den A

hemel ontbonden zijn;quot; en tot de Apostelen; nAl wat v

gij op de aarde zult ontbonden hebben, zal ook ontbon- d

den zijn in den hemel.quot; Klaarblijkelijk gaf Jesus Chris- s

tus met deze woorden aan Petrus en de overige Aposte- 8

len, d. i. aan de Kerk de macht, alles, wat het ingaan 1

in den hemel verhindert, weg te nemen. Wijl nu ook i

de tijdelijke straffen het ingaan in den hemel minstens een tijdlang verhinderen daarom moet de Kerk de macht hebben, deze tijdelijke straffen kwijt te schelden, of met andere woorden, aflaten te verleenen. De macht der Kerk, aflaten te verleenen, ligt ook in de uitspraak van Christus : (Joes. 20, 21.) «Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zende Ik ook u, d. i. Ik geef u tot heil der menschen dezelfde macht, die Ik van mijnen Vader in den hemel heb ontvangen. Christus nu had, waaraan niemand twijfelt, de macht, tijdelijke zondenstraffen te vergeven of aflaten te verleenen ; bijgevolg moet ook de Kerk die macht bezitten.

De Kerk heeft van deze macht ook altijd gebruik gemaakt. Reeds de H. Paulus verleende aan den bloed-schennenden Corinthier, nadat deze een jaar lang strenge boete gedaan had, eenen aflaat, doordien hij hem, zooals hij zelf zegt, in Christus plaats, d. i. krachtens goddelijke volmacht het nog overgeblevene der boete kwijtschold. (II. Cor. 2, 10.) Dat dit niet enkel een opheffing is geweest der excommunicatie of kerkelijke straf, maar een aflaat in den eigenlijken zin, d. i. een kwijtschelding der tijdelijke zondenstraffen, toont de uitdrukking : In Christus plaats duidelijk aan; want tot de kwijtschelding enkel eener kerkelijke straf had de Apostel een goddelijke macht niet van noode; deze had hij in eigen naam kunnen vergeven. In dezen zin verlaren ook de Grieksche

-ocr page 203-

OVER DE AFLATEN. 131

en Latijnsche Kerkvaders zulks, zooals Chrysostomus, Theodoretus, Pacianus, Ambrosius; en de H. Thom. v. Aq. zegt: »De Apostel gaat in de aangehaalde plaats voort: wat ik vergeven heb, indien ik iets heb vergeven, dat geschiedde om u in Christus plaats, d. i. in den persoon of volmacht van Christus. Kon nu Christus zonder alle voldoening de straffen der zonden kwijtschelden, dan kon ook de Apostel dit doen; en ook de Paus kan het doen, omdat hij in de Kerk geen minder macht heeft dan Paulus had.quot;

Ook na de tijden der Apostelen heeft de Kerk aflaten verleend. Tijdens de verschrikkelijke vervolgingen, die in de drie eerste eeuwen der Kerk tegen de Christenen losbraken, lieten velen hunner uit vrees voor de martelingen zich tot den afval verleiden, zij verloochenden het geloof en offerden den goden. Niet weinigen echter betreurden later hun zwakheden en gingen tot de Bisschoppen en begeerden opnieuw in de Kerk te worden opgenomen. Men onderwierp hen aan een lange en strenge boete, alvorens men hun bede inwilligde. Alsdan wendden velen van hen zich tot de Martelaren in de gevangenissen, en kregen van hen brieven van aanbeveling aan de Bisschoppen, opdat dezen hunne straffen mochten verkorten. De Bisschoppen namen gewoonlijk de aanbevelingen aan en verleenden den boetelingen een aflaat, doordien zij hun de nog overgebleven straffen geheel of gedeeltelijk (aflieten) kwijtscholden. Dat ook dit ware en eigenlijke aflaten, d. i. kwijtscheldingen der tijdelijke zondenstraffen waren, blijkt uit de getuigenissen van Tertullianus, van den H. Cy-prianus en andere Kerkvaders, die den boetelingen verleende aflaten in dezen zin opnemen, alsmede uit de omstandigheid, dat deze aflaten alleen op de voorspraak der Martelaren verleend werden ; want indien de aflaten enkel kwijtschelding der kerkelijke straffen geweest waren, dan

-ocr page 204-

OVER DE AFLATEN.

hadden zij de aanbevelingen, de verdiensten der Martelaren niet noodig gehad.

Deze wijze, om op de voorbede der Martelaren aflaten te verleenen, hield met de vervolgingen der Christenen op. De Kerk ging echter desniettemin voort, de genade der aflaten aan waarlijk boetvaardige Christenen te doen toekomen. De conciliën van Ancyra in \'t jaar 314, van Nicea in \'tjaar 325 en van Carthago in \'tjaar 398 kennen aan de Bisschoppen uitdrukkelijk de macht toe, aflaten te verleenen. De H. Basilius in de vierde, Inno-centius I. in de vijfde en de H. Leo de Gr. in de zesde eeuw maken eveneens van deze macht melding. In de negende eeuw werden de oude boetewetten, die zeer streng waren, gewijzigd, en aan de boetelingen veroorloofd, hun zondenstraffen door lichtere boetewerken, zooals door psalmgebeden en aalmoezen, uit te wisschen. Dit waren weder aflaten in den strengen zin des woords. In \'tjaar 1095 gaf Paus Urbanus II. op het Conc. v. Clermont aan al degenen, die niet uit eerzucht of eigenbaat, maar uit liefde tot den godsdienst aan de kruistochten zouden deelnamen een volledige kwijtschelding d«r tijdelijke zondenstraffen. Dit is de eetste volle aflaat, dien wij in de kerkelijke geschiedenis vinden ; van dien tijd nu af werden er dikwijls zoowel volle als gedeeltelijke aflaten verleend. Het staat alzoo vast, dat de Kerk de macht heeft, aflaten te verleenen, d. i. de tijdelijke zondenstraffen kwijt te schelden.

Wanneer wij echter zeggen: de Kerk heeft de macht, aflaten te verleenen, dan verstaan wij onder de Kerk niet de gezamenlijke geloovigen, maar alleen de regeerende Kerk, te weten den Paus en de Bisschoppen\', want sleehts dezen zijn de opvolgers van Petrus en de overige Apostelen, aan wie Christus de macht van binden en ontbinden ook buiten het Sacrament der Biecht heeft opgs-(jragen. De Paus als Opperhoofd der algeheele Kerk kan

132

-ocr page 205-

OVER DE AFLATEN.

voor alle Katholieke Christenen der wereld aflaten verkenen; de Bisschoppen echter alleen voor de geloovigen hunner diocese, omdat zij slechts over dezen jurisdictie (rechtsmacht) bezitten. De Paus kan, indien hij daartoe een gewichtigen grond heeft, volle en gedeeltelijke aflüten verleenen, de Bisschoppen echter kunnen volgens het besluit van het vierde Cone. v. Laterane in \'t jaar 1^15 alleen gedeeltelijke aflaten verleenen en wel bij een kerk-consecratie (wijding) een aflaat van een jaar en buitendien aflaten van veertig dagen. Behalve de Paus en de Bisschoppen bezit niemand de macht, aflaten te verleenen, de Priesters bezitten deze macht slechts dan, wanneer zij hun door den Paus of de Bisschoppen uitdrukkelijk wordt opgedragen.

b. Nu is verder de vraag: hoe verleent de Kerk aflaten ? of met andere woorden: hoe scheldt de Ker/c ons de overyebleven tijdelijke zondensiraffen kwijt? Het antwoord is: zij doet dit doordien zij aan de (joddeljke (/e-rechtiyleid voor ons voldoening yeeft uit de onuitputtelijke schatten der voldoening van Christus en der Heiligen. Jesus Christus heeft voor ons een oneindige voldoening gegeven. Alles, wat Hij voor ons deed, was van eene oneindige waarde, omdat Hij niet enkel mensch, maar ook God was. Had Hij voor ons ook maar een kort gebed verricht, dan ware dit een overrijke voldoening geweest voor de zonde van geheel de wereld; Hij heeft echter drie en dertig jaren voor ons geleefd, gewerkt, geleden ; ja. Hij heeft voor ons den laatsten bloeddruppel aan \'t kruis vergoten. Welk een voldoening-! Deze oneindige voldoening nu van Christus is in de Kerk neergelegd als een onuitputtelijke schat, die op alle menschen, in zoover zij daartoe bekwaam, ze waardig zijn en daaraan behoefte hebben, wordt toegepast. Bij deze oneindige voldoening van Christus komt nog de voldoening der Heiligen, van wie velen veel meer goed deden, dan tot afboeting hunner zonden-

133

-ocr page 206-

OVER DE AFLATEN.

134

straffen noodzakelijk was. De H. Maagd Maria bijv. was vrij van alle zonde, zelfs van de erfsmet en toch was haar leven vol ontbering en bitterheü. De H. Joës de Dooper was in mocdersschoot gereinigd en leefde als een Engel in onschuld, desniettemin ging zijn leven in de strengste boetvaardigheid voorbij. Even zoo hebben tallooze h. klui-zenars, maagden, belijders en martelaren hun leven in zoovele oefeningen van deugd en goede werken, van verstervingen en lijden doorgebracht, dat zij ontelbare tijdelijke straffen hebben afgeboet, terwijl zij toch volstrekt gene of slechts weinige straffen hadden af te boeten. Het is volkomen waar, dat deze Heiligen voor hun goede werken, martelingen en lijden in den hemel een onuitsprekelijk loon hebben ontvangen. Maar wij moeten hier wel een onderscheid maken tusschen verdienste en voldoening. Elk goed werk, elke versterving, elk lijden heeft een tweevoudige waarde: de waarde van voldoening eu van verdienste. In zoover het werk bezwaarlijk is (en dit is meer of min elk goed werk, hetzij een oefening van godsvrucht, van versterving of naastenliefde), is het voldoening gevend, wischt derhalve de tijdelijke straffen uit; maar in zoover het goed is, is het verdienstelijk en verwerft ons alzoo een loon in den hemel. In zoover nu de goede werken der Heiligen verdienstelijk waren, zijn zij daarvoor volledig in den hemel beloond; maar in zoover hun goede werken voldoening gevend waren, hebben zij daarvoor geen volle voldoening gekregen; want zij hadden niet zoovele tijdelijke straffen af te boeten als hunne voldoening gevende werken hebben bedragen. Wij hebben derhalve ook bij de Heiligen een overmaat van voldoening, een schat, die nog tot toepassing overblijft. Deze schat bekomt steeds een nieuwen toevloed, wijl er altijd heiligen zijn, die meer doen en lijden dan er tot delging hunner zondenschulden gevorderd wordt. Nu ziet, Aand., deze voldoening der Heiligen in vereenigiug met de oneindige

-ocr page 207-

over db aflaten.

voldoening van Christus vormen een schat, waaruit de Kerk put, zoo dikwijls zij ons een aflaat verleent. Wanneer zij ols de tijdelijke zondenstraffen kwijtscheldt, dan is dit geen eenvoudige schenking; want God scheldt ook de kleinste zondenstraf niet om niet kwijt; zij geeft aan Gods gerechtigheid de schuldige voldoening uit den schat der voldoening van Christus en der Heiligen. Zij doet hier eveneens, als wanneer de ouders van het vermogen eens goeden vriends, die hun dit tot een vrije beschikking heeft gegeven, de schulden van hun kind betalen.

Nu zou men evenwel kunnen vragen: heeft de Kerk ook het recht, over dezen schat der voldoening van Christus en der Heiligen te beschikken? Ik antwoord: voorzeker; deze schat toch is haar eigendom. Jesus Christus heeft in de Kerk als in de door Hem gestichte heilsin-richting alle schatten zijner genade neergelegd en haar opgedragen, deze op de menschen toe te passen. Vandaar ook zegt de Apostel; (I Cor. 4,1.) n Six nos existimet homo ut minisiros Ckrisii, zoo houde de mensch ons als dienaren van Christus, et dispensatores mysterioriim Dei, en uitdeelers der Geheimnissen (genaden) Gods.quot; Wat de voldoening der Heiligen betreft, zoo behooren zij op zich zelf tot de voldoening van Christus : want alleen in en door Christus konden de Heiligen voldoening geven en verdienstelijke werken volbrengen. Overigens zijn de Heiligen kinderen der Kerk ; de Kerk kan alzoo over den schat hunner voldoening evenzoo, als ouders over het vermogen der onder hunne macht staande kinderen beschikken.

Ook is het aan geen twijfel onderhevig, dat voldoeningen van anderen ons kunnen worden toegevoegd. Heeft niet God de voldoening van Christus in plaats van de onze aangenomen? Berust niet het algeheele verlossingswerk op eene plaatsvervangende voldoening ? Wie zou derhalve aanstoot kunnen nemen, als de Kerk leert, dat de vol-

135

-ocr page 208-

OVER DE AFLATEN.

doening, die wij voor onze tijdelijke zondenstraffen moeten geven, uit de schatten der voldoening van Christus en der Heiligen gedekt wordt? Hier is geen spraak van boete en hekeering; dit is voorzeker iets geheel persoonlijks en niemand kan in plaats van een ander zich bekeeren : het is hier alleen te doen om de afboeting van tijdelijke zondenstraffen, die Christenen, welke bereids bekeerd, met God verzoend en door de liefde met Hem verbonden zijn, nog hebben te ondergaan. Deze tijdelijke straffen der zonden kunnen vandaar evenzoo door een vreemde voldoening worden uitgewischt, als een ander de geldschulden, die wij hebben, in onze plaats kan betalen. Zeer schoon zegt hier in betrekking tot de voldoening der Heiligen de Romeinsche Catechismus : » Daarin toont de grootste goedheid Gods zich, daarin kan de goddelijke goedertierenheid niet genoeg geloofd en geprezen worden, dat God aan de menschelijke zwakheid, aan de menschelijke onmacht genadiglijk veroorlooft, dat de een voor den ander voldoening kan geven. Evenals namelijk, wat het berouw en de belijdenis betreft, niemand voor een ander kan berouw hebben en belijden (biechten), zoo kunnen toch degenen, die vervuld zijn van de genade Gods, in den naam eens anders vergoeden en voldoen, wat hij God schuldig is, in dezen zin de een des anderen last dragen, en dit volgens de leer, krachtens welke wij een gemeenschap der Heiligen belijden.quot;

Dit is derhalve de eerste geloofswaarheid, waaraan wij moeten vasthouden : »de Kerk heeft de macht, uit de schatten der voldoening van Christus en de Heiligen aan ons aflaten te verleenen.quot;

2) De tweede geloofswaarheid is, dat het yehruik der aflaten voor ons zeer heilzaam is.

a. Het gebruik der aflaten moeten wij reeds deswege als zeer heilzaam erkennen, omdat zij de tijdelijke straffen, die wij in het vagevuur zouden ie lijden hebben, uit-

-ocr page 209-

i

OVEll L\'E AFLATEN. 137

wisschen. Wij schatten ean raiddel, dat ons van een ziekte of van een andere kwaal bevrijdt, zeer hoog en zeggen: dit is een voortreffelijk en met geen geld te betalen raiddel. En hoe ? de aflaten, die ons voor het lijden des vagevuurs bewaren, zouden wij niet waardeeren en als groote genaden beschouwen? Weten wij niet, dat de pijnen in het vagevuur veel smartelijker zijn dan alle lijden en smarten op aarde. Hoe gelukkig zouden de arme zielen in het vagevuur zich achten, indien het hun gegeven ware, een aflaat te verdienen ! Hoe ijverig zouden zij die goede werken verrichten, welke tot het verdienen van een aflaat zijn voorgeschreven ! Wij hebben alzoo alle redenen, God voor de aflaten te danken, omdat wij daarin zoo\'n gemakkelijk middel bezitten om ons voor het smartelijk vagevuur geheel of toch gedeeltelijk te bewaren.

b. Het zijn ook de aflaten, die menig en zondaar op den wei/ van boetvaardu/heid en bekeerinq brengen. Vele Christenen leven in lichtzinnigheid en godvergetenheid voort en stapelen zonde op zonde. Indien zij ook al somwijlen biechten, dan is het hun toch met de verbetering geen ernst; zij biechten zonder berouw en voornemen eu laden zich, in plaats van vergiffenis hunner zonden te erlangen, een heiligschennis op het geweten. Nu korat er echter een tijd van een grooten aflaat, ik wil stellen, een Jubilé. Hoe geheel anders gedragen zij zich m zulk een tijd van genaden ! Zij onderzoeken met zorgvuldigheid hun geweten, betreuren van harte hunne zonden en besluiten, een ander leven aan te vangen, zij leggen niet zelden een generale Biecht af, ten einde hun slechte Biechten te herstellen ; zij bekeeren zich degelijk tot God en maken zich aan geen zware zonde meer schuldig. Zoo leiden niet weinige Christenen den tijd hunner bekeering en verbetering des levens van een aflaat af; een aflaat was het, waaraan zij de redding hunner onsterfelijke ziel hebben te danken. Hoe heilzaam zijn derhalve de aflaten !

-ocr page 210-

1

1J38 OVER DE AFLATEN.

c. De aflaten bevorderen ook het dikwerf ontvangen vrij\'\' der H. Sacramenten der Biecht en des Altaars. Velen wan gingen veel zeldzamer te Biecht en te communie, indien e zij geen gelegenheid hadden, een aflaat te verdienen. Op o.an dien dag, zeggen zij, is er een vollen aflaat te verdienen; tinf ik zal daarom biechten en communiceeren. Zoo biechten ^as en communiceeren zij, en dat wel dikwijls in het jaar, ^ wijl de gelegenheid om een aflaat te verdienen dikwijls v0\' voorkomt. Op die wijze winnen zij niet enkel vele aflaten, Z1C maar, wat nog meer geldt, al die genaden, welke met st( het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten zijn verbonden.

d. Üe aflaten bezielen en vermeerderen den boeteijver. df Zij herinneren ons aan de boetelingen van den vroegeren

r

tijd, die voor hun zonden zich dikwijls vele jaren lang 1\'

aau de strengste boeteoefening moesten onderwerpen; zij herinneren ons aan de bereidwilligheid waarmede die boetelingen de hun voorgeschreven boeten op zich namen; hoe zij geheele nachten in het gebed doorbrachten, in boetekleederen, hun hoofd met asch bedekt, omliepen, dikwerf vele dagen achtereen vastten en geen warme spijs genoten, hun lichaam tot bloedens toe geeselden, op den harden grond hun nachtleger opsloegen, zich alle genoegens des levens ontzeiden, hunne goederen onder de armen verdeelden en aan zich zelf onthielden, om aalmoezen te kunnen geven ; zij herinneren ons aan den ijver, waarmede zij, nadat zij zich bereids met de Kerk hadden verzoend, hunne oefeningen van boete nog steeds voortzetten, hoe zij de gegeven ergernissen veelvuldig goedmaakten, door hun deugden iedereen stichtten en in de christelijke volmaaktheid de heerlijkste vorderingen maakten. Zal, Aand., dit voorbeeld der boetelingen uit den voortijd ons koud laten? Zullen wij ons niet voelen aangedreven, uit dankbaarheid jegens God, die ons de gunst des aflaats voor zoodanige geringe boetewerken laat toekomen, voortaan de zoude te vluchten, eenige

-ocr page 211-

OVER DE AFLATEN.

vrijwillige boete werken te oefenen en ons op een vromen wandel toe te leggen ?

c. De aflaten zetten tot beoefening van goede werken aan. Het verdienen van eiken aflaat is aan het verrichting van eenig goed werk, bijv. van een gebed, van vasten of aalmoezen geven verbonden. Wie dus een aflaat wil verdienen, die moet het voorgeschreven goed werk volbrengen. Hoeveel goeds hebben de aflaten in dit opzicht reeds gestichtquot;? en heaveel goeds stichten zij nog steeds ? Hoevele gebeden worden er niet gestort, hoevele bedevaarten eu processiëen gedaan, hoeveel vasten gehouden, hoeveel aalmoezen gegeven ! Hoevele kerken en gasthuizen, hoevele vereenigingen en inrichtingen tot het lichamelijk en geestelijk welzijn der menschen hebben hun bestaan niet te danken aan vrome schenkingen der Christenen, die, om aan de genade der aflaten deelachtig te worden, groote offers brengen! Waarlijk, het nut der aflaten is van dien kant zoo groot, dat het niet genoeg gewaardeerd kan worden.

/. Eindelijk, de aflaten verschaffen ons troost in leven en bij sterven. Of wat kan er troostelijker zijn, dan tot zich zelf te kunnen zeggen : ik heb een vollen aflaat verdiend; ik ben thans zooals ik hoop van de straffen mijner zonden vrij en volkomen met God verzoend ? En hoe troostelijk zal het voor ons wezen, wanneer wij eenmaal, staande voor de poort der eeuwigheid, tot ons zelf kunnen zeggen : ik heb gedurende mijn leven mij er op toegelegd, vele aflaten te verdienen; ik ben thans aan den aflaat in de ure des doods deelachtig geworden ; ik heb daarom het blijd vooruitzicht, dat mijne tijdelijke zondenstraffen minstens grootendeels zijn uitgewischt, en dat ik spoedig na mijn verscheiden den hemel zal binnengaan ! O, dit is een troost, waartegen alle schatten der wereld niet kunnen opwegen, een troost, die het leven rustig, en het sterven licht maakt!

139

-ocr page 212-

OVER DB AFLATEN

Deze korte opmerkingen zullen genoegzaam wezen, om u, Aand., te overtuigen, hoe zeer de Kerk recht heeft, wanneer zij de aflaten als nuttig en heilzaam verklaart, en hoe dankbaar wij moeten zijn, daar zij ons de schatten der aflaten zoo goedgunstig mededeelt.

3) Als derde waarheid moeten wij nog bespreken, dat de aflaten ook op de arme zielen in het vagevuur kannen worden toegepast. Het is onloochenbaar, dat men het H. Misoffer, gebeden, aalmoezen en andere goede werken voor de afgestorvenen kan opdragen. Nu is echter de aflaat, behalve de vrome werken, die tot het verdienen ervan noodzakelijk zijn, niets anders, dan de toepassing der voldoening van Christus en de Heiligen ; waarom zou men die niet aan God kunnen opdragen voor de afgestorvenen, die ons bijzonder ter harte gaan en onzen troost behoeven ? Waarom zou zulk een offer niet geschikt zijn, om de goddelijke gerechtigheid te ontwapenen ? Er is volstrekt geen grond aanwezig, dit in twijfel te trekken. Vandaar heeft de Kerk van oudsher niet enkel voor de levenden, maar ook voor de overledenen aflaten verleend, zooals de H. Tiiom. v. Aq. dit als een gewoonte der Kerk aanduidt, Paus Sixtus iV. veroordeelde de stelling van Petrus van Osma, die aan den Apostolischen Stoel de macht ontzeide, de straffen des vagevuurs te kunnen vergeven ; en Leo X. verklaart : de Kerk van Rome heeft altijd geleerd, dat de Paus zoowel aan de levende en overledene geloovigen uit de verdiensten van Christus en de Heiligen aflaten kan verleenen.

Intusschen kunnen niet alle, alleen dte aflaten, waarvan de Paus dat uitdrukkelijk verklaart, aan de arme zielen worden ioecjevoegd. De Christen zelf kan namelijk met de aflaten niet naar believen te werk gaan ; hij moet zich houden aan de bepaling des Pausen, aan wien de uitdeeling van den kerkdijken schat, waaruit de aflaten verleend worden, is opgedragen, en aan wien derhalve

140

-ocr page 213-

OVER DE AFLATEN.

het recht toekomt te bepalen, wie aan dezen schat zal deel hebben. Vandaar is dit bij eiken aflaat, die de arme zielen kan worden toegevoegd, uitdrukkelijk aangegeven. Indien derhalve bij een aflaat de vermelding, dat die ook aan de afgestorvenen kan worden toeg-evoegd, ontbreekt, dan is hij voor de levenden alleen bestemd en kan alleen aan dezen ten goede komen.

De toepassing der aflaten geschiedt bij de overledenen anders dan bij de levenden. Voor de levenden verleent de Paus de aflaten bij wijze van kwijtscheldinr/, voor de overledenen echter bij ivijze van voorbede. Dit heet zooveel als : wanneer de Paus aan de levenden een aflaat verleent, dan spreekt hij als hun operste Rechter van de tijdelijke zondenstraffen vrij ; wanneer hij echter aan de afgestorvenen een aflaat verleent, dan bidt hij God, dat Hij hun den aflaat moge ten goede laten komen. Hij kan bij de afgestorvenen niet meer bij wijze van kwijtschelding, maar slechts bij wijze van voorbidding te werk gaan, omdat hij over hen geen rechtsmacht meer bezit. De Paus gelijkt opzichtens den aflaat voor levenden aan iemand, die aan den in den kerker zittende het losgeld geeft, waarmede hij zich uit den kerker bevrijdt ; ten opzichte van den aflaat voor de overledenen echter gelijkt hij aan iemand, dit het losgeld aan den heer des kerkers aanbiedt met de bede, dat hij den gevangene genadiglijk in vrijheid stelle. Overigens kunnen de aflaten bij wijze van voorbidding niet enkel aan de arme zielen in het algemeen, maar ook aan de een of ander in het bijzonder worden toegevoegd. Wilt ge echter, dat een aflaat aan alle arme zielen of slechts aan een enkele toekome, dan moet gij daartoe de meening hebben, d. i. gij moet God bidden, dat Hij den aflaat, dien gij denkt te verdienen, aan dezen of genen afgestorvene in genade doe toekomen. Behoeft een overledene den aflaat niet meer, omdat hij bereids in den hemel, of als ver-

141

-ocr page 214-

OVER DB AFLATEN.

doemde daarvoor niet vatbaar is, dan zal God den aflaat aan een ander afgestorvene of aan alle arme zielen, naargelang Hij goedvindt, laten toekomen. Nog valt op te merken, dat wij zelve, wanneer wij aan de arme zielen een aflaat toevoegen, deswege niet te kort komen, want daardoor, dat wij ons zeiven van een aflaat als een vol-doeningswerk berooven en dien aan de arme zielen opofferen, leggen wij een groote liefde aan den dag, die God ons eenmaal heerlijk zal vergelden.

Dit nu zijn de drie waarbeden, die wij van de aflaten moeten gelooven, te weten; dat de Kerk de macht heeft, aflaten te verkenen, dat het gebruik er van zeer heilzaam is en dat zij aan de overledenen kunnen worden toegevoegd. De beide eerste waarbeden spreekt bet Conc. v. Tr. (Zitt. 25.) uit met de woorden : » Wijl de macht, aflaten te verleenen, door Christus aan de Kerk is medegedeeld en zij zich van deze macht, die haar door God is gegeven, sedert de oudste tijden bediende, daarom leert en beveelt de zeer Heilige Kerkvergadering, dat het gebruik der aflaten, als voor het volk zeer heilzaam en door het gezag der H. Conciliën bevestigd, in de Kerk moet worden vast gehouden en veroordeelt met den banvloek degenen, die of beweren, dat ze niet baten, of loochenen, dat de Kerk de macht beeft, ze te verleenen.quot; De derde waarheid heeft wel is waar de Kerk op bet Conc. v. Tr. niet uitgesproken; zij blijkt echter duidelijk uit de aflaatsbullen, waarin wordt gezegd, dat deze of gene aflaat aan de ge-loovige zielen bij wijze van voorbidding kan worden toegevoegd, alsmede uit de verklaringen van vele Pausen, die de tegenovergestelde leer als dwalend en valsch hebben verworpen.

III. Wal mordi tot het verdienen van een aflaat gevorderd?

Tot het verdienen van een aflaat wordt gevorderd.

142

-ocr page 215-

OVER DE AFLATEN.

1) dat men zij in staat van genade, 2) dat men de tot het verdienen van een aflaat voorgeschreven werken nauw-heurifj volbrenge.

1) Wie een aflaat wil verdienen, moet in staat van genade, d. i. minstens van elke doodzonde zuiver zijn. De aflaten zijn slechts een kwijtschelding van straffen en wel van tijdelijke straffen ; hoe zouden deze nu kunnen worden kwijtgescholden, indien de oorzaak er van, namelijk de zonde nog voortbestaat ? Wie in staat van zonde leeft, is een van Christus afgesneden tak, een dood lidmaat der Kerk ; hij kan derhalve zoolang hij in dien staat blijft, aan de gunst eens aflaats niet deelachtig worden. De aflaat is verder uit zijn aard een vaderlijke mildheid en toegevendheid, maar deze wordt alleen aan kinderen, d. i. aan zoodanigen, die in staat van genade zijn, bewezen. Voorzeker kunnen wij niet aannemen, dat de Kerk in deu naam van God aan degenen, die nog zijn vijanden en de opstandelingen zijn tegen zijne Majesteit, de strafien wil kwijtschelden. Wie alzoo een zware zonde op zijn geweten heeft, die kan geen aflaat verdienen, noch een vollen noch een gedeeltelijken aflaat. Zelfs degenen, die slechts met een of meer dagelijksche zonden behept zijn, kunnen een vollen aflaat niet geheel, d. i. op die wijze verdienen, dat zij de kwijtschelding van alle tijdelijke zondenstraffen erlangen. Er blijven minstens die tijdelijke straffen, die zij voor de niet vergeven dagelijksche zonden verdienen, hun nog over. Gedeeltelijke aflaten kunnen evenwel degenen, die alleen met dagelijksche zonden behept zijn, verdienen; want door een gedeeltelijken aflaat wordt buitendien toch een deel der tijdelijke straffen kwijtgescholden.

Nu is de vraag: wat hebben zij te doen, die instaat van ongenade zijn en een aflaat willen verdienen? Het antwoord is heel eenvoudig ; zij moeten een goede Biecht spreken. Daardoor krijgen zij vergiffenis der zonden en de

143

-ocr page 216-

OVER DE AFLATEN.

heiligmakende genade en geraken op die wijze in staat, een aflaat te verdienen. Hieruit volgen voor u twee gewichtige waarheden. De eerste is, dat ge op de dagen, waarop een aflaat kan verdiend worden, een bijzonderen ^ ijver tot een goede Biecht moet aan den dag leggen.\' Een goede Biecht toch is de eerste en noodzakelijkste voorwaarde tot het verdienen van een aflaat. Bidt, bezoekt de kerk, vast, geeft aalmoezen, kortom, volbrengt alles, wat tot het verdienen van een aflaat is voorgeschreven, allernauwkeurigst; ge wordt er volstrekt niet aan deelachtig indien ge een slechte Biecht aflegt; want aan u ontbreekt de staat van genade. De tweede waarheid is, dat gij de heiligmakende genade zorgvuldig bewaart en al zoo minstens geen doodzonde begaat, opdat ge aan de vele gedeeltelijke aflaten, die schier aan elk goed werk zijn verbonden, moogt deelachtig worden. Wie steeds de heiligmakende genade bewaart, kan dagelijks een menigte aflaten verdienen, hij behoeft slechts des morgens de meening te maken, dat God de aflaten, tot het verdienen waarvan hem gedurende den dag gelegenheid is gegeven, hem genadiglijk doe geworden. Op die wijze wischt hij dagelijks vele tijdelijke zondenstraffen uit en mag hopen, dat hij eens niet meer of slechts kort in het vagevuur behoeft te lijden. Volgt alzoo deze twee waar-hedenquot; Beijvert u en wel altijd, maar in het bijzonder op aflaatsdagen, voor een goede Biecht en onthoudt u van doodzonde en zooveel mogelijk van dagelijksche zonden opdat gij aan de gunst der aflaten deelachtig wordt.

2) Om een aflaat te verdienen, moet men ook de door de Kerk voorgeschreven (/cede werken volbrengen. De Kerk bewijst met den aflaat een gunst, zij heeft alzoo ook het recht, de voorwaarden te stellen, waaronder zij die gnnst wil bewijzen. Wie dus deze voorwaarden niet vervult, al is het ook uit onwetendheid, vergetelheid of onmogelijkheid, die kan den aflaat niet verdienen. De

144

-ocr page 217-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT. 113

gebod schrijft slechts eenmaal \'sjaars de Biecht voor. Maar weet ge ook, waarom de Kerk dit gebod heeft gegeven ? Om de lauwe en heilvergeten Christenen. Want in de dertiende eeuw, toen dit gebod voor het eerst werd gegeven, en in de zestiende, toen het op nieuw werd ingescherpt, was de christelijke ijver zoo verkoeld, dat vele Christenen jarenlang niet meer zouden gebiecht hebben, indien zij niet door een streng kerkelijk gebod daartoe waren verplicht geworden. De Kerk, die de lauwheid en den wereldzin van vele hare kinderen maar al te goed kende, wilde de Biecht niet dikwijler gelasten, om bet kwaad niet nog erger te maken en aanleiding te geven tot vele zware zonden. Zij, een goede moeder, gaf toe, zooveel zij maar steeds konde, en beperkte zich bij het minste. Daarom stelde zij ook zware straffen vast voor dengene, die dit gebod niet nakwam; hij zou buiten de kerkelijke gemeenschap gesloten, en bijaldien hij zonder een ware boetvaardigheid uit dit leven scheidde, van de kerkelijke begrafenis beroofd worden. Het gebod der jaarlijksche Biecht bestaat derhalve eigenlijk alleen voor de trage Christenen. Toen nog een vurige ijver het christelijke volk bezielde, bestond er omtrent de Biecht volstrekt geen gebod ; ieder biechtte, zoo dikwerf hij gelegenheid had of het hem als heilzaam werd aangeraden, uit eigen aandrang. Op de Hoofdfeesten des jaars plachten alle Christenen zonder onderscheid van stand, geslacht en leeftijd te biechten ; ook op de Zondagen ontvingen velen, bijzonder degenen, die den Hoogdienst bijwoonden, de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars. Behalve deze algemeene bestonden er ook nog bijzondere Biecht-tijden. Men biechtte, als men een bedevaart of een gewone reis ondernam, als men een gewichtige onderneming voorhad, als men een anderen staat aanvaardde, als men artsenij gebruikte om van een ziekte genezen te worden,

8

-ocr page 218-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

114

als men van een ziekte was genezen, als men een gevaarlijk werk moest ondernemen, als men ten oorlog trok en bij vele andere gelegenheden. Men was voor zijn zielenheil ernstig bedacht, daarom biechtte men zeer dikwijls ; en men zou het voor het grootste ongeluk hebben gehouden, deze groote genade der Biecht langen tijd te moeten ontberen. Het strekt alzoo inderdaad weinig tot eer, wanneer iemand zegt: het is genoeg, dat ik in\'t jaar slechts eenmaal biecht; want door zoo\'n taal te spreken legt hij het getuigenis af, dat hij zich onder het soort van lauwe Christenen rangschikt. De bijvoeging: minstens eenmaal \'sjaars duidt genoegzaam aan, dat de Kerk de veelvuldige Biecht dringend wenscht. Zij maakt deswege alle zielzorgers tot plicht, dat zij aan de geloovigen alle Zon- en Feestdagen gelegenheid geven te biechten, en vermaant allen met de dringendste woorden, de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars zeer dikwerf te ontvangen. Ook de H. Vaders en geestelijke leeraars laten niet na, de Christenen tot de veelvuldige Biecht aan te manen. «Biecht steeds,quot; zegt de H. Aug., «daar gij telkens wel een en ander zult te biechten hebben ; want moeilijk brengt de mensch het gedurende dit leven eenmaal zoover, dat hij niets zou te biechten hebben.quot; De H. Chrysostomus vermaande zijn toehoorders, zoo vaak te biechten als zij God door zonden beleedigden. »Ik ben,quot; sprak hij, »dag en nacht bereid, voor u de biecht te hoo-ren.quot; De H. Bernardinus van Siena vermaande ontelbare malen tot de veelvuldige Biecht en noemde, om aan zijne vermaningen ingang te geven, twaalf vruchten, die men door een goede Biecht erlangt. » De eerste vrucht,quot; zegt hij, i) is de verlichting des verstands, de tweede het verkrijgen der vergiffenis, de derde de opwekking van den dood, de vierde de verlossing van den duivel, de vijfde de reiniging der ziel, de nesde de vereeniging der ^pl met God, de zevende de vernieuwing des gewetens,

-ocr page 219-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

de achtste de beschaming^ des duivels, de negende de kwijtschelding der zondenstraffen, de tiende de voldoening voor de gepleegde misdaden, de elfde de vermeerdering der genade, de twaalfde de verheerlijking bij God.quot; Lo-dewijk IX, koning van Frankrijk, vermaande op zijn terugreis van Palestina een ieder op het schip, zelfs de matrozen, de H. Biecht te spreken. Hij voegde er bij ; )gt;Weest niet bang, dat gedurende de Biecht de zeedienst er onder zal lijden. Ik zelf wil intusschen in plaats van dengene, die biecht, zijn arbeid verrichten, zelfs het ankertouw opwinden en overigens waar ook toetasten.quot; Deze woorden werkten zoodanig op de zeelieden, dat velen, die het biechten nog lang zouden hebben uitgesteld, met alle kenteekenen eener oprechte bekeering de belijdenis hunner zonden aflegden en zich met God verzoenden. Uit dit alles, wat ik tot nu gezegd heb, moogt ge erkennen, hoe zeer degenen den geest der Kerk miskennen, die meenen, dat men in het jaar niet dikwijler dan eenmaal behoeft te biechten.

2) Men zegt: deugdzaam leven is beier dan dikwijls biechten. Ook degenen, die zeer vaak biechten, zijn geen Heiligen. Ik antwoord: het is maar al te waar, een deugdzaam leven is beter daa veelvuldig biechten, want de heiligheid des Christens bestaat niet in het dikwerf ontvangen der Sacramenten. Maar zooveel staat vast, dat de veelvuldige Biecht tot een braven en deugdzamen wandel een der beste middelen is. Wie dikwijls biecht, die leert zich zeiven steeds beter kennen, hij betreurt zijne zonden en maakt het voornemen, ze niet meer te bedrijven, hij ontvangt van den biechtvader de beste gedragsregelen en middelen tot deugd, zooals die voor zijn toestand het meest geschikt zijn, hij verkrijgt door het Sacr. der Biecht, en door de H. Communie, die hij na elke Biecht ontvangt, bijzondere genaden, die hem in staa

115

-ocr page 220-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

stellen, alle verzoekingen te overwinnen, de ongeregelde neigingen uit te roeien en op den weg van deugd goede vorderingen te maken. Vandaar zien wij ook, dat Christenen, die vaak biechten, in den regel veel braver en godvreezender leven dan degenen, die slechts eenmaal in het jaar den biechtstoel opzoeken. Terwijl dezen gewoonlijk volgens den loop der wereld wandelen, zich om God en eeuwigheid weinig of niet bekommeren en niet zelden de

O D

schandelijkste buitensporigheden begaan, zijn de zoodani-gen, die dikwijls biechten, in het vervullen hunner christelijke en beroepsplichten zeer ijverig en nemen zich niet enkel voor groote zonden maar zelfs voor kleine fouten zorgvuldig in acht. Indien er ook al hier en daar, wat niet geloochend wordt, uitzonderingen bestaan, dan bewijst dit slechts zooveel, dat ook het beste in de wereld kan misbruikt worden. Men kan gerust zeggen, dat onder tien van degenen, die eens in \'tjaar biechten, er negen zijn, die een onchristelijk leven leiden; dat daarentegen onder tien dergenen, die dikwijls biechten, nauwelijks een is te vinden, wiens wandel niet goed en lofwaardig is. Zoolang de Christen nog dikwerf biecht, wandelt hij gewoonlijk op goede wegen; maar begint hij het tijdstip zijner Biechten steeds langer uit te stellen, dan wordt hij van dag tot dag lauwer en geraakt ten laatste in de strikken van Satan. Dit is een waarheid, die niemand kan loochenen. Wie braaf wil leven, die moet dikwijls biechten.

3) Men zegt: ik heb (/een tijd voor de veelvuldige Biecht. Hoe nietig deze uitvlucht is, ligt voor de hand. Vinden anderen, die even zooveel en nog meer bezigheden hebben dan gij, tijd genoeg, vaak te biechten, waarom niet ook gij ? INiet waar, ge hebt tijd tot eten en drinken, tot rust en ontspanning; — en hoe ? ge zoudt niet vaak in \'t jaar een paar uren, die tot het ontvangen der H. Sacramenten worden gevorderd, kunnen uitwinnen ? Gij

116

-ocr page 221-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

komt mij voor als die lieden in het Evangelie, die allerlei uitvluchten maken, om niet bij het avondmaal behoeven te verschijnen. De een gaf voor zijn landhoeve, de ander zijn koppel ossen, de derde zijn vrouw, waarom hij aan de uitnoodiging tot het gastmaal geen gehoor kon geven. (Luc. 14.) Bekend het maar oprecht, uw zeldzaam biechten komt niet voort uit gebrek aan tijd, maar uit gebrek aan ijver en aan een goeden wil. Zou ieder, zoo vaak hij biecht, eenige guldens rijker worden, dan zou dit voor velen, die nu zeggen geen tijd te hebben, een voldoende reden zijn dikwijls te biechtten. Niemand zou meer zeggen: ik heb tot het biechten geen tijd; hij zou zijn bezigheden zoo weten in te richten, dat hij tijd te over vond. Mocht men alleen van drukke biecht-dagen gebruik willen maken, dan zou soms het geval kunnen wezen, dat het biechten wegens den grooten toeloop te veel tijd roofde. Maar moet er dan juist op drukke dagen gebiecht worden ? Het jaar toch heeft twee en vijftig Zondagen en vele Feestdagen en op de vooravonden ervan en de dagen zelve kunt gij biechten. Zelfs op de werkdagen zal ieder Priester, indien ge u maar aanbiedt. Biecht hooren. Op den dag zeiven komt het er niet op ann ; elke dag zal voor u een groote genadedag wezen, indien gij er u maar op toelegt een goede Biecht te doen.

4) Men zegt: ik heh niet veel kwaad ; ik behoef alzoo niet vaak te biechten ; wat meer is, ik zou oj) V laatst niet meer weten, wat ik moest biechten. Ik antwoord u met de uitspraak des H. Geestes : (Spr. 24, 16.) nSep-ties enim cadet justus, zelfs de rechtvaardige valt zevenmaal,quot; d.i. hij zelf maakt zich dikwijls aan kleine fouten schuldig. Nu vraag ik u : zijt gij wellicht rechtvaardiger dan van wie de H. Geest hier spreekt ? Moet ik integendeel u niet rangschikken onder degenen, van wie de H. Joannes (1. 1, 8.) schrijft: n Si dixerimus quoniaui pee-

117

-ocr page 222-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

catum non haiemus^ zoo wij zeggen dat -wij geen zonde hebben, tpsi nos seducimus, misleiden -wij ons zeiven, et Veritas in nobis non est de waarheid is niet in ons.quot; Het is derhalve een verblindheid, indien gij u werkelijk aan geen zonde, die gij kunt biechten, schuldig kent; en deze verblindheid komt juist van uw zeldzaam biechten voort. Indien ge dikwijls biecbtet, zoudt ge, zooals ik bereids heb opgemerkt, uw geweten dikwijls onderzoeken ; ook de biechtvader zou u op veel, wat ge tot nu toe hebt voorbijgezien, opmerkzaam en uw geweten ■wakker maken, — en zoo zoudt ge waarlijk geen reden meer hebben, uw zeldzaam biechten uit het gebrek aan zonden te verontschuldigen. Vele Heiligen, zooals de H. Franc. Xav., de H. Ther. biechtten, als zij er gelegenheid toe hadden, dagelijks, en telkenmale vonden zij iets, waarover zij zich hadden aan te klagen. Zijt gij soms volmaakter dan dezen, — omdat gij niet weet, wat gij zult biechten ? Zie hoe verblind gij zijt! En zoudt ge u werkelijk sedert uw laatste Biecht aan geen zonde schuldig kennen, wat intusschen nauwelijks is te gelooven, betreur en biecht dan slechts een zonde uit uw vorig leven ; want een zonde, die men eenmaal heeft bedreven, kan steeds weder betreurd en gebiecht worden. L)it deden juist ook de Heiligen en andere godvreezende Christenen ; kenden zij zich sedert hun laatste Biecht aan geen zonde schuldig, dan biechtten zij een fout uit hun vroeger leven, en werden zoo aan de genade van het H. Sacr. der Biecht deelachtig. Doet ook gij zoo, dan hebt ge voorzeker geen reden meer te zeggen ; ik weet niet, wat ik zal biechten.

5) Men zegt: als ik slechts eenmaal \'s jaars biecht, dan worden alle zonden mij op eens verf/even; dit is derhalve juist zooveel als wanneer ik dikwijls biecht. Dat dit juist zooveel is, wanneer gij eens in \'t jaar biecht, als wanneer gij dikwijls biecht, is niet zoo : want hoe

118

-ocr page 223-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

119

dikwijler men goed biecht en bijzonder waardig communiceert des te meer wordt de heiligmakende genade vermeerderd, en des te meer bekomt men ook nog bijzondere genaden tot deugd en volmaaktheid. Wat de kwijtschelding der zonden betreft, dan is dit, indien men ook maar eenmaal in het jaar biecht, misschien mogelijk, maar juist niet waarschijnlijk. Wie jaarlijks slechts eenmaal biecht, doet dit gewoonlijk uit noodzakelijkheid, uit mf-nschelijk opzicht; en ik betwijfel het zeer, of zoo iemand, indien het slechts om de drie of zes jaren Paasch-tijd ware, wel dikwijler dan alle drie of zes jaren zoude biechten. Zulk een Christen komt alzoo reeds zonder een ware boete^eest tot het Biechtgericht, en legt derhalve een ongeldige Biecht af. quot;V erder, wie in het jaar slechts eenmaal biecht, dien zal het zwaar vallen, een volledige Biecht af te leggen. Het jaar telt driehonderd vijf en zestig dagen, om de negen duizend uren en over een half millioen minuten, en op eiken dag, in elk uur, in elke minuut, ja, wat zeg ik ? elk oogenblik kan men zondigen, en wel niet slechts lichtelijk, maar ook zwaar zondigen. Talloos zijn onze gedachten, woorden en werken, waarmede wij God beleedigen en zijn genade kunnen verliezen. — Nu zeg mij, o Christen, zult ge in staat zijn, in eenige minuten of in een kwartieruurs (want meer tijd besteedt gij allicht niet aan uw gewetens-onderzoek), minstens alle zware zonden met getal en de noodzakelijke omstandigheden te onderzoeken, •— de zonden, die gij het geheele jaar door met gedachten, woorden en werken en verzui-menis van het verschuldigde goede hebt bedreven ? Ik betwijfel het zeer; want het is niet gemakkelijk, indien men slechts over enkele weken of een paar maanden zijn geweten nauwkeurig wil onderzoeken. Is nu uw Biecht uit eigen schuld onvolledig, dan is zij ongeldig. En uw eigen schuld zal het wel wezen, want ge hadt het biechten niet zoo lang uitstellen of minstens uw geweten

-ocr page 224-

OVER DE VEELVULDIGE BIECHT.

veel degelijker moeten onderzoeken. Over het berouw en het voornemen, die tot een goede Biecht eveneens volstrekt noodzakelijk zijn, wil ik niet verder spreken ; slechts dit wil ik opmerken, dat een mensch, die het geheele jaar lang geen behoefte gevoelt, zich door een goede Biecht met God te verzoenen, hoogst onwaarschijnlijk juist in den Paasebtijd een waar berouw en een ernstig voornemen zal hebben. Zie alzoo, hoe dwaas gij zijt te meenen, dat het eveuveel is, of men eens in \'t jaar dan wel dikwijls biecht.

6) Eindelijk, men hoort somwijlen zeggen ; biechten en sterven zijn mij de twee grootste rampen op de wereld; men moet steeds in anqst toezen, of men wel yeahsolveerd zal worden; daarom stel ik het biechten zoolang mogelijk uit. Niet geabsolveerd worden, is voorzeker een treurige zaak ; maar aan wien de schuld ? Bij u of bij den biechtvader ? Niet bij den biechtvader ; deze heeft er waarlijk geen vreugde in, als hij zich in de droeve noodzakelijkheid ziet gebracht, u zonder absolutie weg te zenden. Hij heeft zijne voorschriften, die God, de Kerk en zijn rede hem geven; volgt hij deze niet op, dan zondigt bij en heeft van God het strengste oordeel te wachten. U echter baat de absolutie des Priesters, die God in den hemel niet bekrachtigt, geenszins; er wordt niet eene zonde door vergeven, veeleer komt er nog een nieuwe, bovenmate groote zonde bij ; want gij begaat een heiligschennis en wordt bovendien in uwe lichtzinnigheid, verblindheid en onboetvaardigheid nog versterkt. Een grooter vijand uwer ziel kunt gij niet vinden, dan een toegevend biechtvader, die u telkens absolveert, indien gij voor de absolutie volstrekt niet vatbaar en ze niet waardig zijt. Hij zendt u in plaats van naar den hemel, naar de hel. Houd het daarom voor een groote genade, zoo gij een Priester aantreft, die u over uwen rampzaligen zielentoestand de oogen opent en u zegt:

120

-ocr page 225-

OVER DB VEELVULDIGE BIECHT.

mijn zoon, mijne dochter, voor ditmaal kan ik u niet absolveeren, ga heen en doe alvorens boete, geef bewijs van een ware boetvaardigheid, kom dan terug en ik zal u hartelijk gaarne van uw zonden ontslaan. Hoe, mijn Christen, is zulk een uitstel der absolutie iets vree-selijks? Moet gij God niet innig danken, een biechtvader te hebben gevonden, die u op den weg van boetvaardigheid leiden en uw arme ziel wil redden? —• Ik weet u intusschen een gemakkelijk middel aan de hand te doen, hoe ge voor de absolutie alle vrees kunt afleggen; onthoud u van de naaste gelegenheid tot zonde, doe u een heilig geweld aan, om uwe kwade gewoonten af te leggen en toon u als een ware boeteling, dan zult ge altijd geabsolveerd worden. Opdat dit nu geschiede, moet ge juist dikwijls biechten, want door het lang uitstellen der Biecht komt ge in zoo\'n rampzaligen toestand, dat de Priester u niet meer kan vrijspreken.

Dit nu, Aand., zijn de hoofdzakelijkste voorwendselen, die tegen het veelvuldig biechten worden ingebracht. Door de korte opmerkingen, waarmede ik deze uitvluchten heb ontzenuwd, zult ge tot de overtuiging zijn gekomen, dat ze gezamenlijk en in het bijzonder geen steek houden. Er blijft mij daarom ten slotte niets anders over, dan de wensch en de vermaning, dat ge voortaan dikwijls biecht. Ik kan wel is waar geen regel geven, hoe vaak een ieder het jaar door moet biechten ; want de omstandigheden uws levens en de toestand uws gewetens zijn zoo verschillend, dat dezelfde regel niet voor allen past. Alleen zooveel wil ik zeggen : Christenen, die zich in een gelegenheid tot kwaad bevinden, waaruit zij zich volstrekt onmogelijk kunnen verwijderen, moeten noodzakelijk dikwijls biechten, anders kunnen zij zich voor het hervallen niet bewaren. Hetzelfde geldt voor de zondaars uit gewoonte ; zij zullen zich van hun kwade gewoonten nimmer losmaken, indien zij niet besluiten dikwijls en wel

121

-ocr page 226-

OVER DE VEELVULDIGE HIECHT.

zoo vaak mogelijk bij denzelfden Priester te biechten.

Vervolgens moeten bijzonder de jongelieden dikwijls biechten, omdat zij juist in de jaren zijn, ■waarin zij aan de aanlokselen der zonde het meest staan blootgesteld. Gij, christ. ouders, kunt voor de onschuld uwer zonen en dochters niet beter zorgen, dan wanneer gij ze tot het dikwijls ontvangen van de H. Sacr. der Biecht en des Altaars aanspoort. — In het algemeen zou ik den raad geven, dat de jongelieden alle vier weken, de gehuwden, alsmede alle G hristenen van eiken leeftijd alle vier tot zes, hoogstens acht weken tot de H. Biecht gaan. Deze raad is voorzeker geen overdrijving, en gij kunt dien ook allen zonder eenig bezwaar opvolgen ; want in onze, alsmede schier in elke andere parochie is het mogelijk, dat de zielzorgers al hun onderhnorigen in vier tot zes weken zonder al te groote inspanning de Biecht afnemen. Ook is het recht en goed, indien sommigen alle acht dagen biechten ; zij maken zich daardoor te sterker tegen de zonde, bevorderen hun vooruitgang op den -weg van deugd en zijn alzoo gelukkige voorbeelden voor andereu ook dikwijls tot de H. Sacramenten te naderen.

Volgt nu, Aand., wat ik u tot slot van het onderricht over het H. Sacr. der Biecht gezegd heb, getrouwelijk op. Ik ben overtuigd, indien gij dikwijls te Biecht en te communie gaat, gij van de zonde en daarin terug te vallen zult bevrijd blijven, ge zult goede en ijverige Ghristenen worden en dien graad van deugd en heiligheid bereiken, die gevorderd wordt tot een zaligen dood en eene gelukzalige eeuwigheid.

122

-ocr page 227-

I 9-

Over dc aflaten.

Na liet onderricht over bet Sacr. der Biecht te hebben geeindigd, moet ik thans over üe aflaten spreken. Ik stel over den aflaat in \'zf algemeen een drietal vragen ter beantwoording; 1) wat is een aflaat? 2) wat moeten wij over den aflaat (jelooven ? 3) wat wordt er tot het verdienen van een aflaat gevorderd? om vervolgens te spreken uver de aflaten in V bijzonder, over de persoonlijke, plaatselijke en zakelijke aflaten.

I. Wat is een aflaat ?

Een aflaat is eene huilen het Sacr. der Biecht medegedeelde kwijtschelding van tijdelijke straffen, die wij na bereids vergeven zonde of hier o/ in het vagevuur nog moeten afboeten.

1) Niet ■weinige Christenen hebben over de aflaten een geheel valsche voorstelling; zij meenen, dat zij bestaan in de vergiftenis van zouden, zoodat derhalve een aflaat en de kwijtschelding der zonden eenerlei is. Maar dit is geheel en al dwaling ; door deu aflaat, zooals het woord hier verstaan wordt, worden niet de zonden, noch doodzonden noch dagelijksche zonden vergeven. De aflaat stelt de vergeving der zonden als noodzakelijk voorop. Wie een doodzonde op zijn geweten heeft, die is, zooals wij zullen hooren, voor een aflaat volstrekt niet bekwaam ; zelfs degenen, die slechts met dagelijksche zonden behept zijn, kunnen geen vollen aflaat verdienen. De zonden, zoowel de doodzonden als de dagelijksche zonden, (of-

-ocr page 228-

OVER DE AFLATEN.

schoon de dagelijksche zonden ook buiten de Biecht kunnen worden vergeven) worden in het Sacr. der Biecht, niet echter door een aflaat vergeven. Bij aldien in de aflaats bullen somwijlen gezegd wordt, dat men door bet verdienen van een aflaat vergiffenis der zonden kan verkrijgen, dan beeft men onder het woord Zonden de tijdelijke strafien der zonden te verstaan, in welke beteekenis ook in de H. Schrift het woord «Zondequot; dikwijls voorkomt, of men moet den aflaat in verbinding met het Sacr. der Biecht nemen, in welk geval alsdan van een kwijtschelding der zonde in den eigenlijken zin kan spraak wezen.

Door den aflaat worden ook niet de eeuwiffe strajfen der hel vergeven ; want de kwijtschelding dezer straften vindt eveneens slechts in het Sacr. der Biecht plaats. Wanneer namelijk iemand, die met zware zonden behept is, een goede Biecht verricht, dan worden behalve de zonden ook de eeuwige straffen hem vergeven, zoodat hij, ingeval hij niet op nieuw zwaar zondigt, niet meer ter helle vaart.

De aflaten verlossen ons ook niet van liet lijden dezes levens, zooals van ziekten en pijnen, van wederwaardigheden en rampspoeden van verschillenden aard. Dit lijden is niet altijd een straf voor zonden, maar ook een beproeving voor den rechtvaardige ; heeft alzoo niet enkel af-boetincr der zonden, maar ook het verwerven van ver-

D 7

diensten ten doel. Vandaar zien wij, dat zelfs de grootste Heiligen, die niet het minst hadden af te boeten, zooals de H. Maagd Maria, de H. Joannes, de Dooper, veel hadden te lijdeu. Dit lijden was hun verdienstelijk voor den hemel en bezorgde hun een overgroot loon.

Door de aflaten worden alleen de tijdelijke straffen der zonden vergeven. Onder die tijdelijke straffen verstaat men die, welke na bereids vergeven zonden nog overblijven en of op aarde of wel in het vagevuur

124

-ocr page 229-

OVER DE AFLATEN.

moeten worden afgeboet. Wie namelijk het H. Sacr. der Biecht waardig ontvangt, die verkrijgt, zooals wij reeds gehoord hebben, kwijtschelding der zonden, en zoo dit groote zonden waren, ook kwijtschelding der eeuwige straffen; maar er blijven meestal nog tijdelijke straffen over, die hij, bij aldien hij er zich op aarde niet van losmaakt, eenmaal in het vagevuur heeft af te boeten. Deze tijdelijke zondenstraffen hoopeti zich wegens de reeds vroeger begane en vergevene zonden, alsmede wegens de fouten, waaraan wij ons dagelijks schuldig maken, niet zelden tot zulk een menigte op dat tot de algeheele uitwissching ervan zeer harde en langdurige boetewerken worden gevorderd. Menig onzer moest wellicht zijn geheele leven door vasten op water en brood, gansche nachten in gebeden doorbrengen, zich alle genoegens ontzeggen en zich aan andere gestrengheden onderwerpen, indien hij zijne overgeblevene straften der zouden volledig wilde afboeteu. Wijl nu de meesten onzer zulk een buitengewone strenge boetvaardigheid niet kunnen beoefenen, daarom komt de Kerk ons onvermogen door middel der aflaten te hulp, doordien zij daardoor de overgebleven tijdelijke straffen goedgunstig vergeeft. Dit is derhalve het eerste, wat ge over de aflaten wel dient op te merken, nl. dat daardoor de tijdelijke straften der zonden worden vergeven.

2) De kwijtschelding der tijdelijke zondenstraffen door de aflaten vindt plaats buiten het Sacr. der Biecht. In het Sacr. der Biecht worden wel is waar ook tijdelijke straffen minstens gedeeltelijk vergeven; deze kwijtschelding echter geschiedt krachtens het Sacrament, te weten door de absolutie des Priesters. De aflaat daarentegen beeft het slechts te doen met die tijdelijke straffen, welke na het ontvangen van het Sacr. der Biecht nog overblijven. Bijgevolg is de aflaat geen bestanddeel der Biecht, maar iets op zich zelf staande, een genade die de Kerk ons

125

-ocr page 230-

OVER DE AFLATEN.

niet in dit Sacrament maar daar buiten doet toekomen. Wanneer alzoo de Priester u op een aflaatsdag in den biechtstoel absolveert, dan deelt hij u niet den aflaat mede, maar spreekt u alleen, zooals bij elke andere Biecht, van uw zonden vrij ; den aflaat verdient gij eerst later, wanneer gij de tot het verdienen van den aflaat voorgeschreven goede werken verricht. De aflaat is bijgevolg eene buiten het Sacr. der Biecht medegedeelde kwijtschelding van tijdelijke zondenstraflen.

3) Wat de tijdelijke straffen der zonden betreft, deze worden door de aflaten of wel (jeheel of gedeellelijk vergeven. Een aflaat, waardoor alle lijdelijke zondenstraffen v/orden kwijtgescholden, heet een volkomen ; een aflaat, waardoor een gedeelte ervan wordt kwijtgescholden, een onvolkomen aflaat. Wie derhalve een volkomen aflaat verdient, die wordt van alle tijdelijke zondenstraffen, die hij nog had af te boeten, geheel vrij, zoodat hij, indien hij niet meer zondigt, onmiddellijk na zijn verscheiden den hemel zou kunnen binnengaan. Het komt er niet op aan, of de tijdelijke zondenstraffen veel of weinig zijn ; door een volkomen aflaat worden zij alle uitgewischt. Veronderstelt, ge moest, om uw tijdelijke straffen der zonden af te boeten, honderd jaren in het vagevuur lijden, dan worden, zoo gij een volkomen aflaat verdient, deze zondenstraffen u vergeven, en gij erlangt weder een volmaakte zuiverheid. O wat een groote genade is alzoo een volkomen aflaat!

Niet zoo krachtig als de volkomene zijn de gedeeltelijke aflaten; want daardoor worden slechts eeu gedeelte der straffen ons vergeven. Er bestaan gedeeltelijke aflaten van veertig, honderd en tweehonderd dagen, van een, twee, drie, vijf, zeven, tien, vijftien, vijftig, honderd en meerdere jaren. In vorige tijden werd er namelijk, zooals wij in de leer over de voldoening gehoord hebben, voor elk vergrijp een boete opgelegd die een langeren of kor-

126

-ocr page 231-

OVER DE AFLATEN.

127

teren tijd duurde. Er bestonden bijzondere wetten tot boete, die nauwkeurig bepaalden, wat voor boete voor elke zoude moest worden opgelegd en hoelang ze moest duren. Wanneer men bijv. gedurende den godsdienst in de kerk praatte, moest men tien dagen op water en brood vasten. Wie aan zijne ouders niet den verschuldigden eerbied betoonde, moest drie jaren, wie ze sloeg zeven jaren boete doen. Kwaadsprekendheid werd met een zeven jarige vastenboete op water en brood, een valsch getuigenis met een zeven jarige boete, echtbreuk met een zeven- of\' tien jarige en verzet tegen de geestelijke en wereldlijke overheid met een levenslange boete gestraft. Een moordenaar moest zijn geheele leven lang aan de kerkdeur staan, en mocht eerst in zijn doodsuur de communie ontvangen. Indien de boetelingen een grooten ijver toonden, of indien een Martelaar, d. i. iemand, die ter wille van het geloof in de gevangenis zat en tot den marteldood was veroordeeld, voor hen zijn voorbede deed, dan ontsloeg de Kerk van de opgelegde boete geheel of gedeeltelijk, of met andere woorden, zij verleende hun een aflaat. Bijgevolg verstaat men ouder eeu aflaat van veertig dagen, van een, twee, vijf jaren enz. de kwijtschelding eener boete, die volgens de oude boetewetten gedurende veertig dagen of een, twee, vijf jaren enz. moest gedaan worden. Wijl nu de Kerk de boete met het oogmerk oplegde, opdat daardoor de tijdelijke zou-denstraflen voor God zouden worden afgeboet, daarom volgt van zelf, dat met de kwijtschelding der boete of met den aflaat ook de kwijtschelding van een aanmerkelijk deel der tijdelijke zondenstraöen was verbonden. Of met andere woorden : degenen, aan wie de Kerk een aflaat verleende, verkregen ook eeu volledige of gedeeltelijke kwijtschelding der tijdelijke straffen, die zij of op aarde of wel in \'t vagevuur moesten afboeten. Uit zelfde gebeurt nog tot op den huidigen dag, als de Kerk een

-ocr page 232-

OVER DE AFLATEN.

aflaat verleent. Is de aflaat volkomen, dan worden wij, aangenomen dat wij dien aflaat volkomen verdienen, van alle tijdelijke zondenstraffen, die wij hier of in het vagevuur nog te boeten hadden, vrij ; is de aflaat onvolkomen, bijv. een aflaat van honderd dagen, dan wordt zulk een deel der tijdelijke straffen, waarvoor men volgens de oude boetewetteu honderd dagen moest boete doen, ons kwijtgescholden. Indien het alzoo heet : een aflaat van veertig dagen, van zeven, vijftien jaren en dergelijke, dan moet gij dit niet zoo verstaan, alsof door zoodanige aflaten juist zooveel straffen in het vagevuur worden kwijtgescholden, of dat men dientengevolge, als men bijv. een aflaat van vijf jaren verdient, vijf jaren minder in het vagevuur zou hebben te lijden ; maar gij moet Let in dien zin opnemen, dat zulk een deel der vage-vuursstraffen wordt vergeven, als God vergaf, indien men volgens de oude boetewetten veertig dagen, zeven, tien, vijftien jaren enz. boete deed. Een straf des vagevuurs wordt derhalve door elke onvolkomene aflaat ons kwijtgescholden ; hoeveel echter weten wij niet juist omdat wij niet weten, hooveel men door de boete die men naar de oude boetewetten een langeren of korteren tijd verrichtte, kon af boeten.

Nog moet ik op de uitdrukking : » Qmdragene?^ die in de aflaatsbullen dikwijls voorkomt, opmerkzaam maken. Een quadrageen is een tijd van veertig dagen. Indien er alzoo bijv. van een aflaat van zeven jaren en zeven qua-dragenen spraak is, dan heet dit zooveel als een aflaat van zeven jaren en zeven maal veertig, d. i. 280 dagen. Volgens de oude boetewetten werd er namelijk voor vele zonden een veertig daagsche boete of eea quadrageen opgelegd. Dit getal van quadragenen vermenigvuldigde zich, als iemand meerdere met een veertig daagsche boete belegde zonden beging, en zoo ontstonden er drie, vier en zeven quadragenen.

128

-ocr page 233-

in \'t algemeen. 225

zoo is het ook noodzakelijk, ze waardig toe te dienen. Door het Priesterschap nu wordt de mensch tot de bediening der Sacramenten bestemd; bijgevolg wordt hem daardoor ook de genade medegedeeld, ze waardig mede te deelen.quot; Over deze bijzondere genade van het Priesterschap spreekt de H. Paulns, als hij op de aangehaalde plaats aan zijn leerling Timotheus (II. 1, 6) schrijft; «Ik maak u indachtig, de genadegaven Gods wederom aan te vuren, welke in u is door de oplegging mijner handen,quot; De bijzondere gave, die zij, aan wie het Priesterschap wordt medegedeeld, ontvangen, bestaat hierin, dat zij verlicht, opgewekt en versterkt worden, om alle verplichtingen van hun h. ambt ter eere Gods, tot heil der n.enschen, vooral der geloovigen en tot hun eigen zaligheid te vervullen. — Bovendien vermeerdert het Priesterschap evenals alle andere Sacramenten der leveuden de heilig maken de genade. De Priesters toch moeten (Matth. 5, 13. 14.) d Sal terrae, het zout der aarde, lux mundi, en het licht der wereldquot; zijn; (I Tim. 4, 12.) »Ewemplum fidehum, een voorbeeld der geloovigen, in verbo, in woord, in conser-saiione, in wandel, in charitaie, in liefde, in fide, in geloof, in casiiiaie, in reinheid en volgeus de uitspraak van den H. Chrysostomus door hun deugdenglans reiner schitteren dan de zon. Maar hoe zullen zij dit zonder een buitengewone vermeerdering der heiligmakende genade? Daarom zegt de H. Greg. v. Nyssa, »dat de kracht van het goddelijke woord den Priester verheerlijkt, eerwaardig maakt tot leeraar der deugd, tot uitdeeler der goddelijke Geheimenissen en ofschoon hij uitwendig naar lichaam en gestalte onveranderd blijft, toch de inwendige mensch krachtens een onzichtbare genade in een beteren mensch wordt veranderd.quot;

3) Eindelijk, het Priesterschap heeft nog het eigenaardige dat het evenals het Doopsel een onuilwischbaar merktee-

15

j

-ocr page 234-

OVER HET PitlESTEESCHAP

226

ken indrukt, -waarotn het evenzoomin als dit mag herhaald worden. Ook over deze geloofswaarheid hebben wij een duidelijke verklaring van het Cone, van Tr., die zegt: «Zoo iemand beweert, dat door de h. wijding.... geen onuitwischbaar merkteeken wordt ingedrukt, of hij, die eenmaal Priester is, weer leek kan worden, die zij in den ban.quot; Wat hier als een bepaalde geloofsstelling wordt aangewezen, heeft de Kerk over de Priesterwijding ten allen tijde vastgehouden. Eeeds de H. Aug. zegt:»Beide (Doopsel en Priesterschap) zijn Sacramenten en beide worden met een zekere heiliging medegedeeld; vandaar ook is het inj de Kath. Kerk niet geoorloofd, een van beide te herhalen.quot; Daarom zou een Priester, die eenmaal geldig gewijd, later van de Kerk afviel en tot een sekte overging, wel het recht verliezen, zijn priesterlijke macht uit te oefenen, maar de macht zelf of zijn priesterlijk karakter kan hij niet meer verliezen. Droeg hij bijv. het H. Misoffer op, dan deed hij wel een groote zonde; maar het Misoffer ware evenzoo geldig, als wanneer het door een geloofstrouwe Priester wordt opgedragen. Keerde hij in het vervolg weder in den schoot der Kath. Kerk terug, dan behoefde hij niet op nieuw gewijd te worden, even zoomin als iemand, die gedoopt is en later van het geloof afvalt, bij zijn terugkeer tot het geloof, nog eens mag gedoopt worden. Er bestaat ook geen geval, dat een wijding, die eenmaal geldig is toegediend, later nog eens is herhaald. Reeds de H. Aug. getuigt, dat alle Priesters, die van de sekte der Donatisten tot de Kath. Kerk terugkeerden, niet andermaal gewijd werden, omdat bij hen, evenals het Doopsel, zoo ook de h. wijding ongeschonden was gebleven. En indien op den huldigen dag Priesters, die tot de van ons gescheiden Grieksche Kerk behooren, zich aan de Kath. Kerk zouden aansluiten, dan werden zij evenwel niet nogmaals gewijd; een bewijs voor het geloof der Kerk, dat de Grieksche Bisschoppen

-ocr page 235-

in \'t algemeen.

hun wijdingsmacht niet hebben verloren en bijgevolg ook de door hen medegedeelde Priesterwijding geldig is. Werden daarentegen Protestantsche geestelijken Katholiek, dan moesten zij, als zij Priester wilden worden, de h. wijding ontvangen, wijl er bij de Protestanten geen geldige Priesterwijding bestaat.

Zooals ge nu, Aand., uit hetgeen wij zeiden, ziet, is het Priesterschap een waar, door Christus ingesteld Sacrament; de H. Schrift, de Overlevering en de leer der Kerk leveren ons hiertoe een onomstootelijk bewijs. Ge moet echter niet enkel het geloof in dit H. Sacrament bewaren, maar ook den goddelijken Zaligmaker voor de instelling ervan dikwijls en hartelijk danken. Zonder Priesterwijding toch waren er geen Priesters ; zonder Priesters geen H. OSer, geen zondenvergeving, geen zaligheid. In het Priesterdom wortelen alle Sacramenten en in \'t algemeen alle genaden, die God ons tot onze rechtvaardiging en heiliging laat toevloeien. Ge zijt derhalve aan Jesus Christus voorzeker den innigsten dank verschuldigd, dat Hij het H. Sacr. des Priesterschaps heeft ingesteld.

II. Wie kan het Priesterschap geldig toedienen ?

Het is de leer der H. Schrift, der Overlevering en der onfeilbare Kerk, dat alleen de Bisschoppen het H. Sacr. des Priesterschaps kunnen toedienen. Wij lezen in de Handelingen der Ap. (14, 22.), dat de Apostelen Paulus en Barnabas Oudsten, d. i. Priesters of Bisschoppen in alle gemeenten verordenden, namelijk wijdden en aanstelden. Verder zegt de H. Ap. Paulus in zijn brief aan Titus (I, 6.), die een Bisschop was, dat hij hem hoofdzakelijk daarom op het eiland Creta had achtergelaten, »opdat hij in elke stad Oudsten aanstellen,quot; d. i. in alle

227

-ocr page 236-

OVER HET PRIESTERSCHAP

steden, die het Christendom hadden aangenomen, Bisschoppen en Priesters wijden en in hun h. dienst zoude aanstellen. En wanneer deze Apostel bevelen en vermaningen geeft, die op het toedienen der Priesterwijding betrekking hebben, dan laat hij die steeds alleen voor Bisschoppen gelden. Zoo schrijft hij aan den Bisschop Timotheus (1. 5, 22.): «Leg niemand haastelijk de handen op.quot; Hij wil zeggen : deel aan niemand, dien gij niet vooraf over zijn waardigheid goed hebt beproefd, het Priesterschap mede. Aan dezen Bisschop alsmede aan Titus schrijft hij voor, welke eigenschappen degenen, die zij tot Bisschoppen en Priester wijden mogen, moeten bezitten. (I. Tim. 3, 2—10. Tit, 6—9.) Uit deze plaatsen blijkt duidelijk dat de H. Schrift alleen aan de Apostelen en de Bisschoppen de macht toekent, hel Priesterschap toe te dienen.

Deze waarheid getuigen eenparig ook de H. Vaders, en schrijven de voortreffelijkheid, die de Bisschoppen boven de Priesters bezitten, voornamelijk daaraan toe, dat zij alleen de h. wijdingen kunnen mededeelen. Zoo zegt de H. Hieronymus : »Wat doet de Bissehop met uitzondering der wijding, wat ook niet de Priester doet 1quot;\' » De rang van Bisschop,quot; schrijft Epiphanius, »heeft bij voorkeur de bestemming. Vaders te kweeken. De Priester brengt door het bad der wedergeboorte kinderen der Kerk voort, daar hij geen Vaders kan verwekken.quot; En de H. Chrysostomus zegt ronduit; » Door de wijding alleen staan de Bisschoppen hooger en hierin schijnen zij meer te bezitten dan de Priesters.quot; De H. Athanasius beweerde in zijn verdedigingsrede tegen de Arianen, dat zijn aanklager volstrekt geen Priester was, wijl deze zijn wijding niet van een Bisschop, maar slechts van een Priester had ontvangen. Alle boeken, die de voorschriften over het tóedienen van het Priesterschap bevatten, zoowel in de Westersche als Oostersche Kerk duiden eenparig alleen

228

-ocr page 237-

in \'t algemeen.

229

den Bisschop als uitdeeler van het Priesterschap aan, en wijl deze voorschriften uit de oudste tijden voortkomen, daarom leveren zij tegelijk met de getuigenissen der Kerkvaders het duidelijke bewijs, dat men van de tijden der Apostelen af en zoo voortdurend de Bisschoppen alleen voor de uitdeelers van het Priesterschap heeft gehouden. Hieruit volgt, dat Jesus Christus zelf aan de Bisschoppen, en slechts aan hen alleen de toediening van dit H. Sacrament heeft toevertrouwd; want datgene, wat van de tijden der Apostelen voortdurend geheel op dezelfde wijze geleerd en gehouden is, moet blijkbaar op een goddelijke verordening berusten. Aangenomen, Christus had aan zijn Kerk de volmacht gegeven, dat de Bisschoppen hun macht tot toediening van het Priesterschap ook aan de Priesters konden overdragen, hoe ware het dan mogelijk, dat sedert zoovele eeuwen niet éen voorbeeld zich heeft opgedaan, dat de Bisschoppen van zoo\'n volmacht gebruik hebben gemaakt, wijl toch zoo dikwijls de gelegenheid zich daartoe voordeed ? Denkt maar aan die tijden waarin de Kerk op het gruwzaamst werd vervolgd. Toenmaals waren de Bisschoppen dikwerf voor vele jaren uit hunne Bisdommen verdreven en gedwongen als bannelingen te leven. Zij konden daarom geen Priesters wijden, wat ten gevolge had, dat het zielenheil der geloovigen uit gebrek aan Priesters een groot nadeel leed. Evenwel treffen wij onder al deze verbannen Bisschoppen niet een aan, die aan een Priester de opdracht gedaan heeft, door het toedienen der h. wijdingen het Christelijke volk van de noodige Priesters en zielzorgers te voorzien. Zij wisten namelijk, dat de macht, Priesters te wijden, alleen aan hen als opvolgers der Apostelen toekwam, en de macht aan een Priester zelfs niet in den uitersten nood kon worden opgedragen. Met recht verklaart vandaar de Kerk op het Conc. v. Tr.: »Zoo iemand beweert, dat de Bisschoppen niet hooger staan

-ocr page 238-

OVER HET PRIESTERSCHAP

dan de Priesters, of zij hebben niet de macht, te vormen en te wijden ; of die, welke zij bezitten, hebben zij met de Priesters gemeen . . .; die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Can. 7.)

Hier valt echter op te merken, dat onder de wijdingen, die den Bisschoppen alleen zijn voorbehouden, slechts die wijdingen verstaan worden, die de waardigheid van een H. Sacrament in zich bevatten en door Christus zelf zijn ingesteld. Wat de mindere wijdingen betreft, die slechts door de Kerk verordend en geen Sacrament zijn, zoo zijn ook wel voor deze de Bisschoppen de eigenlijke en gewone bedienaars; evenwel kunnen zij met een pauselijke volmacht ook door een Priester gedaan worden. Aan de abten der kloosters werd reeds vroegtijdig de volmacht opgedragen, aan hunne onderhoorigen de mindere wijdingen toe te dienen en het Conc. v. Tr. heeft hun dit privilegie (voorrecht) ook verder laten behouden. Opdat evenwel een abt zich over dit privilegie kunne verheugen, moet hij zelf Priester en door den Bisschop gewijd wezen.

Voor de hoogere wijdingen, die een Sacrament zijn, is, zooals gezegd, volgens de goddelijke verordening alleen de Bisschop de uitdeeler, en wel, in zoover het de geldigheid der wijding aangaat, ieder geldig gewijde Bisschop. Zou derhalve ook al een Bisschop van de Kath. Kerk afgevallen en tot een sekte zijn overgegaan, dan waren toch die wijdingen, die hij na zijn afval van de Kerk nog ondernam, geldig en de door hem gewijden zouden ware en werkelijke Priesters zijn. Voorzeker ware het toedienen van zoodanige wijdingen hoogst zondig en

de gewijden zouden hun priesterlijke macht zonder zonde ]

niet kunnen uitoefenen; maar Priesters waren en bleven (

zij. Dit heeft zijn grond hierin, wijl een Bisschop door j

afval van de Kerk zijn macht van te wijden niet kan ]

verliezen, doordien de Priesterwijding, of wat hier hetzelfde I

is, de Bisschopswijding een onuitwischbaar merkteeken 1

230

-ocr page 239-

IN \'T ALGEMEEN.

indrukt. Van het geldig toedienen des Priesterschaps moet echter het geoorloofde wel onderscheiden worden. Geoor-loofder wijze, d. i. zonder zonde, op eene Gode welgevallige wijze en in overeenstemming met den wil der Kerk kan alleen een rechtmatig gewijde, met den Paus in gemeenschap staanden Bisschop wijden en wel slechts zoodanigen mannen, die tot zijn Diocees behooren. Die van een ander Bisdom zijn kan hij zonder toestemming van den betrokken Bisschop niet geoorloofd wijden; want de macht eens Bisschops strekt zich niet verder, dan zijn gebied gaat, uit; hij mag alzoo in de rechten van een ander Bisschop niet treden. Opdat echter de Priesterwijding steeds op een geoorloofde wijze worde toegediend, heeft de Kerk benevens andere straffen ook deze vastgesteld, dat allen, die opzettelijk op een ongeoorloofde wijze, ofschoon ook geldig gewijd zijn, onder doodzonde van hun priesterlijke macht geen gebruik mogen maken. Het spreekt van zelf, dat de Paus als Opperhoofd der geheele Kerk in alle Diocesen het Priesterschap geldig en geoorloofd toedienen, alsmede aan degenen, die gewijd zullen worden, de volmacht kan mededeelen, zich door een Bisschop, die niet de hunne is, te laten wijden.

Wijl de Bisschoppen alleen de uitdeelers van het Priesterschap zijn, daarom gaat de geestelijke macht niet van de wereldlijke overheid, van de christelijke gemeente of in \'t algemeen van het volk uit, zooals de dwaalleeraars der zestiende eeuw dit beweerd hebben. Hoe zou de wereldlijke macht of het volk een geestelijke macht mededeelen, daar zij zelve er geen bezitten? Wat men niet heeft, kan men toch niet geven. Aan de Apostelen en hun opvolgers, de Bisschoppen, heeft Christus zijn macht opgedragen en aan niemand anders; tot hen alleen sprak Hij: (Joes 20, 21.) ȟicut me misit Tater, gelijk de Vader Mij gezonden heeft, et ego mitto vos, zende Ik ook u.quot; Derhalve werd dan ook alleen door de Apostelen en volstrektMniet

231

-ocr page 240-

OVER HET PRIESTEESCHAP

door de wereldlijke of door het volk de geestelijke macht krachtens de h. wijding medegedeeld. Toen in de gemeente te Jerusalem de aanstelling van Diakenen noodzakelijk werd geoordeeld, spraken de Apostelen tot het volk: (Hand. 6, 3. 6.) i) Ziet om naar zeven mannen uit u, van goed getuigenis, ... die wij over dit werk stellen. Dezen stelden zij voor de Apostelen, die, gebeden hebbende, hun de handen oplegden.quot; Alzoo geen wereldlijke personen, maar alleen de Apostelen deelden aan de Diakenen de h. wijding mede. Evenzoo verkreeg ook Timotheus zijn bisschoppelijke wijding niet van het volk, maar van Paulus en de aanwezige Oudsten, d. i. Bisschoppen (1 Tim. 4, 14). In \'t algemeen is er in de H. Schrift geen spoor van de opdracht eener geestelijke macht door de wereldlijke overheid over het volk te vinden; maar steeds zijn het de Apostelen en hun opvolgers, de Bisschoppen, van wie het verleenen der geestelijke macht uitgaat. Weshalve verklaart ook het Conc. v. Tr.: »Zoo iemand beweert, de door de Bisschoppen toegediende wijdingen zijn zonder de toestemming of beroeping des volks of der wereldlijke macht van geen waarde; of degenen, die noch door de kerkelijke en kanonieke macht rechtmatig gewijd noch gezonden zijn, maar van elders komen, zijn rechtmatige bedienaars van het woord en de Sacramenten, die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Can. 7.)

III. Wie kan en moet het Priesterschap ontvangen ?

Het Priesterschap kan en moet hij ontvangen, die daartoe door God is geroepen. Dit is een waarheid, waarvan het duidelijk begrip voor alle geloovigen, zooals ge weldra zult inzien, een hooge beteekenis heeft.

God heeft in zijne oneindige wijze voorzienigheid ieder mensch bestemd, Hem in een bijzonderen stand te dienen ; daarom bestaat er ook voor den gewonen, wereldlijken

232

-ocr page 241-

IN \'T ALGEMEEN.

stand een zekere roeping van God. Wijl nu de priesterlijke stand in heiligheid en waardigheid al andere standen ver overtreft, daarom is hiertoe zonder allen twijfel een goddelijke roeping volstrekt noodzakelijk. Eu indien God voor het welzijn van ieder mensch is bezorgd en al zijn schreden leidt, dan zal Hij voorzeker met nog een groo-tere zorgvuldigheid over den priesterlijken stand waken, waarvan het heil niet enkel van afzonderlijke menschen en volken, maar van de geheele wereld afhangt. Hij zal derhalve ook allen, die noch de geschiktheid noch den wil hebben, de plichten ervan behoorlijk te vervullen, van dezen stand verwijderd willen houden. Indien het reeds een onderdaan niet is geoorloofd, tegen den wil zijns vorsten een overheidsambt op zich te nemen, hoe zou het dan iemand kunnen wagen, ongeroepen den Koning der koningen te naderen en zijne plaats zelve in te nemen? Wij mogen van daar ook al de H. Schrift of de Overlevering dan wel de leer der Kerk raadplegen, overal treffen wij de noodzakelijkheid aan eener goddelijke roeping tot het Priesterdom met duidelijke woorden uitgesproken.

Het Priesterdom des Üuden Verbonds was slechts schaduw en afbeelding van het Nieuwe, en evenwel koos God zelf degenen, die Hem als Priesters moesten dienen. Uit de twaalf stammen van Israels volk beroept Hij den stam Levi en stelt uit dezen stam Aaron als Hoogepries-ter en Hoofd van het geheele priesterlijke geslacht aan, doordien Hij tot Mozes spreekt: (Nam. 3, 10.) »Aaron en zijn zonen zult gij over den dienst van het Priesterschap aanstellen ; en welke vreemde daartoe nadert, die zal gedood worden.quot; Indien nu reeds tot het aanvaarden des Priesterschaps in het Oude Verbond een goddelijke roeping noodzakelijk was, wie zou dan kunnen betwijfelen, dat zulk een roeping tot het Priesterdom des Nieuwen Verbonds niet nog ongelijk noodzakelijker is, wijl

233

-ocr page 242-

Ü34 OVBR HET PRIESTEBSCHAP

dit in waardigheid en heiligheid dat des Ouden Verbonds oneindig ver overtreft ? Daarom mag niemand om de schitterendste natuurlijke gaven, die hij bezit, om zijne geleerdheid en wetenschap, noch wegens zijn deugd en braafheid zich geschikt en bekwaam achten, tot de Priesterwijding toe te treden; tot deze schrede mag alleen de overtuiging, dat hij door God is geroepen, hem bewegen. Een sprekend bewijs hiervoor hebben wij in het voorbeeld van Jesus zelf, die het hoofd en het toonbeeld is van alle Priesters. Alleen uit gehoorzaamheid jegens zijn hemelschen Vader aanvaardde Hij het Priesterdom en onderwierp zich aan alle verplichtingen, die daarmede verbonden waren. Daarom ook schrijft de H. Ap. Paulus : (Hebr. 5, 4—6.) »Niet zich zeiven neemt iemand de eer, maar geroepen wordende door God, gelijk Aaron. Zoo heeft ook Christus niet zich zeiven verheerlijkt, om Hooge-priester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U geteeld.quot; Gelijk Hij ook op eene andere plaats spreekt: »Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech.quot; Indien nu Jesus Christus, Gods Eenigboren Zoon, het Lam zonder vlek, de Oorsprong aller heiligheid, die alle schatten van wijsheid en wetenschap bezat, en aan Wien alle macht in hemel en op aarde is gegeven slechts naar den uit-drukkelijken wil zijns hemelschen Vaders het priesterlijke ambt op zich nam, hoe zou dan een zondig en gebrekkig mensch het wagen, dit verheven ambt zonder een goddelijke roeping zich toe te eigenen ?

Ook voor de Apostelen was een goddelijke roeping noodzakelijk; want bij Lucas (6,13) heet het: «Jesus riep zijn leerlingen en verkoos uit hen twaalf, die Hij ook Apostelen noemde.quot; Ja, ook maakte de goddelijke Zaligmaker de Apostelen met zeer bepaalde woorden op de noodzakelijkheid dezer goddelijke roeping opmerkzaam, doordien Hij tot hen sprak: (Joës. 15, 16.) u Non vos me

-ocr page 243-

in \'t algemeen. 235

elegistis, gij hebt Mij niet verkoren; sed ego elegi vos, maar Ik heb u verkoren.quot; Een andermaal zeide Hij tot de Apostelen; (Luc. 10, 2.) t Rog ate dominum messis, bidt den Heere des oogstes, ut mittat operarios in mes-sem suam, dat Hij arbeiders uitzende in zijnen oogst.quot; Met deze woorden toont de goddelijke Zaligmaker weder duidelijk aan, dat alleen degenen Priester moeten worden, die God heeft geroepen. Volgens dit voorschrift des Hee-ren gingen ook de Apostelen te werk, als zij de plaats van den trouweloozen Judas aanvulden. Zij kozen niet zelt een nieuwen Apostel, maar (Hand. 1, 23—-26) «stelden er twee voor, Joseph, die Barsabas heette, die bijge-genaamd werd Rechtvaardige; en Mathias ; en zij baden en zeiden: Gij, Heere! die aller harten kent, wijs van deze twee éenen aan, wien Gij hebt uitverkoren, om de plaats onzer bediening en van het Apostelschap te ontvangen. ... En zij wierpen het lot over hen en hij werd met de elf Apostelen medegerekend.quot; Zoo hebben derhalve ook de Apostelen verklaard, dat tot den priesterlijken staat een goddelijke roeping wordt gevorderd en dit heeft zich inderdaad bij de keus van den H. Mathias zeer opvallend getoond. Volgens een menschelijk oordeel zou waarschijnlijk Barsabas zijn verkoren; want hij was een aanverwant des Heeren en zijn vroomheid minstens meer bekend dan die van Mathias, en toch werd de laatste door God tot Apostel uitverkoren. Volgens de leer der H. Schrift is het bijgevolg zeker, dat noch de stem van vleesch en bloed, noch de roep van deugd en heiligheid, maar enkel en alleen de goddelijke roeping voor de keus van den priesterlijken staat mag beslissen. — De H. Ap. Paulus was van de noodzakelijkheid dezer roeping zoozeer overtuigd, dat hij in al zijne brieven vooropstelde de woorden: (Rom. I, 1.) «Paulus, geroepen Apostel,quot; of: (Gal. I, 1.) «Paulus, Apostel, niet van menschen, noch door een mensch, maar door Jesus Christus en God den Vader.quot;

-ocr page 244-

OVEE HET PRIESTERSCHAP

Hoe de Kerkvaders en andere h. mannen over de noodzakelijkheid der goddelijke roeping tot het Priesterdom hebben geoordeeld, moge ons uit eenige uitspraken en feiten duidelijk worden. De H. Cyprianus noemt het een heiligschennende vermetelheid, zonder een goddelijke roeping tot het Priesterdom toe te treden; de H. Chrysos-tomus, de grootste en onbeschaamdste eigendunkelijkheid; de H. Greg, de Gr. een roof en diefstal; de H. Aug. de allergrootste ongepastheid; de H. Berns. een onbeschaamdheid en razernij. Hoe vromer deze mannen waren, des te meer vreesden zij den h. dienst en de kerkelijke waardigheden. De H. Cyprianus hield zich schuil, toen hij vernam, dat men hem tot Bisschop van Carthago wilde maken. De H. Chrys. Basilius en Greg. v. Naziance gingen op de vlucht en namen de bisschoppelijke waardigheid eerst dan aan, als zij door het eenparig verlangen des Priesterschaps en des volks zich daartoe gedwongen zagen. De H. Ambr., die op een heel buitengewone wijze tot den bisschoppelijken Stoel van Milaan werd geroepen, wendde alle denkbare middelen aan, om aan deze waardigheid te ontkomen ; want hij vreesde, daartoe door God met geroepen te zijn. Al deze Heiligen waren van de overtuiging doordrongen, dat noch lichamelijke noch geestelijke voortreffelijkheden, noch gaven der natuur noch der genade tot het aanvaarden des priesterlijken ambts toereikend waren; maar dat hiertoe de goddelijke roeping volstrekt noodzakelijk is; daarom boden zij tot het aanvaarden van kerkelijke ambten en waardigheden zoolang wederstand, tot dat zij van de goddelijke roeping volkomen zeker waren.

Uit dit alles moogt ge, Aand., erkennen, hoe zwaar degenen zich bezondigen, die uit onzuivere inlichten in het Priesterdom zich indringen, alsmede degenen, die iemand als het ware geweld aandoen, dat hij Priester worde, ofschoon hij daartoe in zich geen roeping gevoelt.

236

-ocr page 245-

IN \'l ALGEMEEN.

237

Er zijn ouders, die voor de studiën huns zoons alles, ja menigmaal den laatsten penning opofferen, in de hoop, dat hun zoon geestelijke zal -worden. Maar de zoon heeft voor den geestelijken stand geen genegenheid en laat dit ook niet onduidelijk blijken. Wat doen nu de ouders ? Zij rekenen hem voor de uitgaven, die zij met zoo groote offers aan hem besteed hebben, zij houden hem de verplichting, om hem en zijn broeders en zusters later te kunnen ondersteunen, met overredende woorden voor oogen; zij houden met bidden, klagen en verwijten zoolang aan, tot dat hij eindelijk toegeeft en tegen zijn zin Priester wordt. Er zijn ijdele ouders, die het zich en hun familie tot een eer rekenen, een geestelijken zoon te hebben, of het inzicht koesteren, den zoon een goed bestaan te bezorgen. Zij zijn er vroeg en laat mede bezig, dat hij niet anders dan een geestelijke moet worden, zoodat hij er eindelijk toe besluit, niet zijnen, maar hunnen wil te volgen en zich te laten wijden. Er zijn somwijlen ook vrome ouders, die niets liever dan een geestelijken zoon hebben en die een hunner kinderen als het ware reeds van af de wieg tot den geestelijken stand bestemmen. Zij houden later niet op, den zoon hun wenschen en verwachtingen op het hart te drukken en houden met toespraken, smeekingen en bedreigingen niet op, zoodat hij ten laatste toegeeft en den geheiiigden drempel van het Priesterdom overschrijdt. Al deze ouders bedenken waarlijk niet, wat zij doen. Zij bezondigen zich grootelijks legen den god-delijken Zaligmaker; want zij maken een misdadige inbreuk op zijn recht, zijn Priesters zelf te kiezen en dringen Hem iemand op, dien Hij niet wil hebben. Zij bezondigen zich ook tegen de Kerk; want zij geven haar een onwaardigen dienaar, die geen herder, maar een huurling zal wezen. Zij bezondigen zich tegen hun eigen kind, dat zij ongelukkig maken voor geheel zijn leven en aan het grootste gevaar des eeuwigen verderfs bloot stellen.

-ocr page 246-

OVER HET PRIESTERSCHAP

Wie slechts uit dwang het Priesterdom binnengaat, zal steeds ontevreden en onvergenoegd zijn; want de verplichtingen en werkzaamheden, die zijn h. stand hem voorschrijft, zijn tegen zijn zin. En omdat zij dit zijn, daarom zal hij ze volstrekt niet of toch maar oppervlakkig en achteloos vervullen. Het gevolg daarvan zal allicht zijn, dat hij het heil veler zielen verwaarloost en haar een steen des aanstoots wordt. En wie draagt de schuld aan al dat onheil, dan de ouders, die den zoon noodzaakten, tegen zijn zin de Priesterwijding te ontvangen.

Bovendien legt het Priesterschap levenslange verplichtingen op, die zeer zwaar en van dien aard zijn, dat zij zonder een groote ergernis voor honderden en duizenden niet kunnen overtreden worden. Laat zich nu hopen, dat degene, die slechts gedwongen den priesterlijken stand aanvaardt, deze verplichtingen getrouw zal nakomen ? Of veeleer, kan men zich verwonderen, dat hij later niet een last zal dragen, dien hij alleen ten gevolge eens ouderlijken dwangs op zich heeft genomen ? Ja voorzeker; indien er Priesters zijn, die een hun h. stand zeer onwaar-digen wandel leiden, dan is de oorzaak daarvan veelal in de omstandigheid te zoeken, dat zij zonder roeping den priesterlijken staat zijn ingegaan. Ik vermaan u dus, Christ, ouders, in allen ernst, laat in zulk een gewichtige aangelegenheid, zooals de keus des Priesterschaps is, aan uw zonen de volste vrijheid, opdat gij niet hen zelve, en door hen vele menschen tijdelijk en eeuwig ongelukkig maakt. — Deze waarheid, dat voor het Priesterschap een goddelijke roeping volstrekt noodzakelijk is, moet nu voor u allen een krachtige opwekking zijn, God den Heer dikwijls, en bijzonder op de dagen van wijding vurig te hidden, dat Hij slechts zoodanigen in zijn priesterlijken dienst opneme, die Hij vooraf heeft geroepen, en hun verheven roeping met ijver en trouw zullen naleven.

Wat ik u thans, Aand., over het H. Sacr. des Pries-

238

-ocr page 247-

IN \'l ALGEMEEN.

239

terschaps heb voorgedragen, moet voor u weder een spoorslag zijn, dat gij het Kath. Priesterdom achting en eerbied bewijst. Daartoe verplicht u reeds de hooge waardiy-heid, die de Priesters bekleeden. Hoe grooter de macht is, die iemand bezit, des te hooger is zijn waardigheid. Nu echter is den Priester, zooals hij gehoord hebt, een dubbele macht opgedragen, die alle macht der aarde oneindig ver overtreft, — de macht over het geheimnis-volle lichaam van Christus, d. i. over de geloovigen — door de macht, hun de zonden te vergeven, en de macht over het werkelijke lichaam van Christus — door de macht, brood en wijn in het Lichaam en Bioed van Christus te veranderen. De Joden stonden verbaasd over de wonderen, die de goddelijke Zaligmaker wrochtte, en riepen uit: (Luc. 7, 16.) »Er is een groot Profeet onder ons opgestaan!quot; Nog meer waren zij verbaasd, als Jesus sprak: (Luc. 5, 20. 21.) »Uwe zonden worden u vergeven.quot; Zij hielden, en met recht, de zondenvergeving voor een goddelijk werk; daarom spraken zij: »Wie kan zonden vergeven, dan God alleen ?quot; En deze waarlijk goddelijke macht bekomt de Priester in het H. Sacr. des Priesterschaps. Dat wij ons over deze macht, zonden te vergeven, minder dan de Joden verwonderen, komt alleen daarvan, wijl God ze volgens zijne oneindige liefde en erbarming aan velen heeft opgedragen. Verbeeldt u, er ware op aarde slechts een die de macht hadde, zonden te vergeven. Hoe zouden de menschen van geheel de wereld naar hem toestroomen ? Wat kosten zou men zich niet laten welgevallen, om tot hem te komen ! Hoe vol verlangen zouden de zieken eu stervenden niet naar hem roepen, en hoe gelukkig zouden zij zich achten, indien hij aan hun leger van smarten verscheen, en ze van hun zondenlast bevrijdde ! En veel grooteren eerbied zou men hem betoonen, dan men ooit een aardschen machthebber heeft bewezen ! — Nu vraag ik, Aand., zal

-ocr page 248-

OVER HET PRIESTERSCHAP

uw eerbied jegens de Priesters, die de macht van zon-denvergeving bezitten, geringer mogen wezen, wijl degenen, die ze uitoefenen, velen zijn ? Groot is de macht der Engelen. Maar voorzeker zal voor een stervende, die in staat van zonde de eeuwigheid zal ingaan, de komst eens Priesters ongelijk troostvoller en meer welkom wezen, dan de verschijning aller Engelen ; want dezen kunnen tot hem het woord niet spreken: «Uwe zonden worden u vergeven!quot; En ge zoudt ter wille van deze macht de Priesters niet eeren ?

Nog hooger staat de Priester in zijn waardigheid door de macht der verandering van brood en wijn in het Vleesch en Bloed des Heeren. Is het wonder, dat de Priester, dagelijks in het H. Misoffer uitwerkt, niet oneindig grooter dan het wonder van Josue. Deze beval de zon aan den hemel stil te staan en ze stond stil. De Priester spreekt in den naam van Christus : «Dit is mijn Lichaam,quot; en Christus, het Licht der wereld, de Zon der gerechtigheid, komt oogenblikkelijk op het altaar neder. Kunnen wij ons een macht in den hemel of op aarde denken, die aan de macht des Priesters gelijk komt; — aan de macht des Priesters, zeg ik, die den Allerhoogste durft bevelen, dagelijks durft bevelen en zoo durft bevelen, dat Hij, de Schepper, aan zijn schepsel onvoorwaar-lijk gehoorzaamt? — Deze tweevoudige macht over het geheimnisvolle en werkelijke Lichaam van Jesus Christus verheft den Priester tot de hoogste waardigheid, die er op aarde bestaat; om harentwil verdient hij vandaar achting en eer en verdient ze zelfs dan, indien zijn wandel volstrekt niet overeenkomstig zijne hooge waardigheid zijn zoude. De macht en bijgevolg ook de waardigheid, die hij bezit, kan door zijn zedelijk gedrag, hoe het ook zijn moge, nimmer te loor gaan ; juist daarom mag ook nimmer de behoorlijke achting hem onthouden worden. Nog afkeurenswaardiger zou het zijn, indien men, wat

240

-ocr page 249-

IN \'t algemeen. 241

zoo vaak gebeurt, de fout, waaraan deze of gene priester zich schuldig maakt, tevens aan den geheelen priesterlijken stand zou ten laste leggen. Hoe mag men over alle Apostelen den staf breken, wijL er een Judas zich onder hen bevond ? En hoe gering is het getal dier Priesters, wier wandel weinig sticht in verhouding tot het getal der goede en waarlijk ijverige Priesters, die wegens hun zegenrijk werken een rechtmatige aanspraak op achting hebben ! Over het algemeen gaan alle zegeningen, die de godsdienst in zich bevat, tot de menschheid door de handen des Priesters. Het is het Kath. Priesterschap, waardoor de godsdienst van Jesus Christus over de aarde verspreid wordt; het is ook daardoor, dat die steeds bewaard blijft. Door het Kath. Priesterschap worden alle levenstoestanden des menschen geheiligd. Het is de Priester, die voor het pasgeboren kind reeds in de eerste uren zijns bestaans den hemel opent door het H. Doopsel; en weder is het de Priester die als laatste vriend en trooster den stervende ter zijde staat en hem door de Sacr. der stervenden heiligt en sterkt, zoodat hij aan gene zijde zijn doel gelukkig bereikt. Zoo is de Priester aan de uiterste grenzen des menschelijken levens, bij den aanvang en het einde ervan als vredevorst en reddingsengel werkzaam. En is het niet andermaal het Kath. Priesterdom, dat in den persoon van den Bisschop door het H. Vormsel den Christen met een bovennatuurlijke kracht uitrust en hem de wapenen in de hand geeft, opdat hij een goeden strijd strijde en de overwinning behale over al de vijanden zijns heils ? Wie kan verder de duizenden tellen, die het behoud hunner onschuld te midden van de gevaren der wereld aan de waakzaamheid en de zorgvuldigheid des Priesters hebben te danken ? En wie vermag die millioenen zondaars te noemen, die, een speelbal hunner hevige hartstochten, met misdaden bezwaard en

16

-ocr page 250-

242 OVER HET PRIESTERSCHAP IN \'T ALGEMEEN.

niet zelden aan den rand van vertwijfeling staande, in het H. Biechtgericht genade, troost en den verloren ziels-vrede hebben teruggevonden ? En hebben niet ten allen tijde de Kath. Priesters zich voor de wereld betoond als vaders der armen, troosters der bedrukten, beschermers der verdrukten en als zichtbare beschermengelen der jeugd ? Met recht vermaant daarom de Apostel: (1. Tim. 5, 17.) » Dat de Priesters, die goed voorstaan, dubbele eere waardig gekeurd worden.quot; Eu de H. Hier. zegt: «Verre zij het, dat ik iets ongepast spreke van degenen, die door de woorden van hun gewijden mond hel brood in het Lichaam van Christus veranderen, die ook den sleutel des hemelrijks bezitten en reeds voor den gerichtsdag oordeelen.quot; Eert derhalve Aand., het Priesterschap der Kath. Kerk, gedachtig het woord, dat de Heer tot zijn Apostelen en in hen aan al hun opvolgers heeft gesproken ; (Luc. 10, 16.) «Wie u hoort, hoort Mij; en wie u versmaadt, versmaadt Mij gedraagt u dankbaar jegens degenen, door wie alle genaden des hemels u toevloeien, en bewijst hun in alles, wat uw heil betreft, een bsreid-willige gehoorzaamheid, opdat gij eenmaal als goede schapen moogt gerangschikt worden onder de kudde der uitverkorenen.

I 2-

Over de kleinere en grootere Orden.

Het Priesterschap heeft onder alle Sacramenten het eigenaardige, dat men het niet op eens, maar slechts trapsgewijze ontvangt. Dit is een geloofsstelling, die het Conc. v. Tr. uitspreekt met de woorden : »Zoo iemand beweert, dat er behalve de wijding tot het Priesterschap in de Kath. Kerk geen andere wijdingen, zoowel grootere

-ocr page 251-

OVER 0E KLEINERE EN GROOTERE ORDEN.

als kleinere, waardoor men als bij zekere graden tot het Priesterschap geraakt, bestaan ; die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Gen. 2.) Hetzelfde Concilie geeft ook den grond dezer instelling aan, als het zegt ; »Wijl nu de bediening van het zoo H. Priesterschap een goddelijke zaak is, daarom was het, opdat het te waardiger en met te grootere vereering kon worden uitgeoefend, passend, dat er in de zeer geordende inrichting der Kerk meerdere en verschillende orden der dienaren, die zich plichtmatig aan het Priesterschap toewijden, bestonden, en zoo verdeeld werden, dat zij, die bereids met de geestelijke tonsuur (kruinschering) beteekend waren, van de kleinere tot de grootere wijdingen opklommen.quot; (Zitt. 23. Hoofdst. 2.) In de Kath. Kerk worden in het algemeen seven wijdingen aangenomen, te weten de vier kleinere en de drie grootere wijdingen of orden, waarover afzonderlijk ik u de noodige onderrichting zal mededeelen.

I. Over de kleinere Orden.

Als voorbereiding tot het ontvangen der wijdingen is de ionsuur verordend, die daarin bestaat, dat degene, die later gewijd zal worden, de haren \'worden afgesneden, waarna bij de geestelijke kleeding ontvangt. De tonsuur is nog geen wijding of orde, maar slechts die handeling, waardoor iemand uit den wereldlijken of leeken-siand in den geestelijken stand wordt overgeplaatst. Volgens het getuigenis van den H. Greg. v. Tours voerde reeds de H. Petrus de tonsuur in, om zich daarvan, wat de gerechtsdienaren en soldaten tot smaad en kwelling des goddelijken Zaligmakers hadden uitgedacht (daar zij Hem een kroon van doornen op het hoofd drukten), tot sieraad en roem te bedienen hoe bet ook zij, de tonsuur klimt op zeker tot in de vijfde eeuw. Later werd het den

243

-ocr page 252-

OVER DE KLEINERE

geestelijken door een bijzondere kerkelijke verordening tot een plicht gemaakt, de tonsuur te dragen; van toen af bleef zij ook voortdurend in zwang, alleen met dit onderscheid, dat tegenwoordig slechts een kleine rondte op den schedel van het hoofd wordt afgeschoren terwijl in vroegere tijdeu de haren geheel werden afgesneden, en slechts een krans of een kroon van haren volgens de wijze van vele Ordengeestelijken op het hoofd overbleef.

De ceremonien, waaronder de tonsuur wordt medegedeeld, zijn de volgende: degenen, die de tonsuur zullen ontvangen, worden bij de H. Mis na den Introïtus uit het midden des volks voor den Bisschop geroepen en wel ieder afzonderlijk bij name; alsdan treden allen naar het altaar toe, en terwijl zij op den linkerarm een koorkleed en in de rechterhand een kaars houden, knielen zij vervolgens in een halven cirkel om den Bisschop heen. üoor het oproepen bij name wordt aangeduid, dat niemand zich zeiven in den geestelijken stand indringen, maetr deze schrede alleen dan mag doen, indien de Bisschop der Kerk hem daartoe heeft geroepen. De geroepenen brengen zelf het koorkleed mede, ten teeken van hun vurig verlangen en hun oprechten wil, met dit witte kleed ook eeu nieuwen mensch in onschuld en heiligheid aan te trekken; zij houden een kaars in de hand, om daarmede te kennen te geven, dat zij een licht voor de wereld en een offer voor de Kerk worden en in haren dienst zich willen ten beste geven; zij knielen eindelijk in een halfrond om den Bisschop, om hem als hun geestelijken vader te eeren en hem als zijne zonen trouw en gehoorzaamheid te beloven.

Nadat vervolgens de Bisschop heeft laten afkondigen, dat niemand tot het ontvangen der wijdingen mag toetreden, die niet met name daartoe is geroepen, doet hij in vereeniging met de aanwezige Priesters een gebed, opdat degenen, die in den geestelijken stand willen treden, aan de wereld en hare ijdelheden verzaken, zich

244

-ocr page 253-

en guootere ouden.

in-wendig vernieuwen en door het licbt der genade van alle verblindheid des geestes mogen genezen worden; hij bidt alzoo voor hen om die genaden, welke door het afsnijden der haren, door de geestelijke kleeding en de kaars uitwendig worden voorgesteld.

Hierop volgt de werkelijke mededeeling der ionsuur. De Bisschop snijdt ieder eenige haren af op vijf verschillende plaatsen, namelijk aan hgt voorhoofd, aan het achterhoofd, bij de ooren en in \'t midden des hoofds, derhalve in de vorm van een kruis. Wijl in den aard en de wijze, waarop men het haar pleegt te dragen, de men-schelijke ijdelheid en wereldscfie gezindheid zich veelal openbaren, daarom is het snijden der haren een zinnebeeld, dat de in den geestelij kefi stand toetredenden alle ijdelheid en hoovaardij afleggeu en de wereldschgezind-heid uit hun hart moeten banneu ; de kruisvorm, waarin die haren gesneden worden, toopt aan, dat zij voortaan, verzakende aan de aardsche goederen en genoegens, onder een volhardende zelfverloochening het kruis vmi Christus, wiens plaatsbekleeders zij zullen worden, op zich moeten nemen. Daarom ook spreken zij gedurende het afsnijden der haren de woorden: (Ps. 15,5.) »De Heer is het aandeel mijner erfenis en mijns jielks (levenslot); Gij zijt het, (o God!) die mij mijn erfdeel wedergeeft.quot; Met deze woorden drukken zij het ernstige besluit uit, dat zij niet meer der wereld toebehooren, van alle gehechtheid aan het aardsche zich losmaken ei3 geheel Gods eigendom willen wezen. Deze ceremonie bevat dus het uitgaan uit den wereldlijken en de intrede in den geestelijken stand. Na het verrichten van een kort gebed trekt vervolgens de Bisschop een ieder het geestelijke, namelijk het koorkleed aan, terwijl hij spreekt: u De Heere doe u aantrekken den nieuwen mensch, die npar God is geschapen in rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid.quot; (Eph. 4, 24.) Het is toch voor den geestelijke niet genoegzaam.

245

-ocr page 254-

OVER DE KLEINERE

dat hij enkel aan de wereld verzake, hij moet zich ook

door reine zeden en een vlekkeloozen wandel onderschei- 1

den en in Christus een geheel nieuw leven leiden. Daar- ]

om zegt de Bisschop in de slotvermaning: »Dierbaarste c

zonen, zorgt door een stemmig uiterlijk, door goede zeden f

en werken Gode te behagen.quot; c

Degenen, die de tonsuur ontvangen, zijn verplicht c

steeds de teekenen van den geestelijken stand te dragen, 1

te weten de kruin en het geestelijke kleed. De kruin is £

het teeken van het koninklijke Priesterdom in de Kerk ; (

w;jl nu de Priesters de plaats van Christus bekleeden, z

daarom ook beduidt deze kruin de doornen kroon des J

goddelijken Verlossers. In het dragen der kruin heeft ii de clericus (geestelijke) een voortdurende vermaning, dat

hij als een ware koning over zijn hart en zijne harts- d

tochten beersche, dat hij met zijn goddelijken Meester d

de doornenkroon met blijdschap drage, d. i. aan alle be- k

zwaren en ontberingen, die de geestelijke stand mede- li

brengt, zich vrijwillig onderwerpe, dat hij eindelijk de v

kruin, zooals de kroon van den Zaligmaker een teeken h

van spot en smaad was, voor een teeken van eer en rcem g

aanzie. Het geestelijke kleed echter herinnert hem, dat ij

hij onvermoeid arbeide aan de uitroeiing der ongeregelde o

liefde voor de wereld, en in gezindheid en wandel aan d\'

Jesus, zijn Heer en God, gelijkvormig worde. d\'

1) Op de tonsuur volgt nu de eerste van de kleinere sl

wijdingen, namelijk het Ostiariaat, d. i. het ambt van ir

Deurbewaarder of Portier. Men verstaat daaronder die v

wijding, waardoor het ambt verleend wordt, voor de di

heiligheid van Gods huis en de orde onder den gods- as

dienst zorg te dragen. In de eerste christelijke eeuwen a]

en bijzonder ten tijde der vervolgingen had men behoefte gi

aan vertrouwde mannen, die voor de veiligheid der plaats, U

waar de geloovigen tot den godsdienst bijeen kwamen, ni

hadden te zorgen. Men noemde hen Ostiarii, d. i. Deur- z£

246

-ocr page 255-

EN GUOOTERE ORDEN.

bewaarders, omdat zij den ingang tot de godsdienstige bijeenkomsten bewaken en acht moesten geven, dat geen Heidenen en dwaalgeloovigen tot den godsdienst doordrongen. Later hadden zij de kerkdeuren te openen en te sluiten en aan de geloovigen het uur van den godsdienst bekend te maken; in den loop der tijden werd ook het luiden der klokken, het reinigen en opsieren der kerken, alsmede het handhaven der orde gedurende den godsdienst hun opgedragen. Het ambt van Ostiarius (custos, koster zeggen wij nu, maar zonder wijding) is zeer oud, en reeds de H. Paus Cornelius, die in \'t jaar 232 stierf, spreekt ervan als van een overal bekende inrichting.

Deze wijding wordt op de volgende wijze medegedeeld : gedurende de H. Mis na het Kyrie eleison worden de wijdelingen voorgeroepen. Nadat zij, gekleed met het koorkleed en een kaars in de hand, voor den Bisschop liggen neergeknield, houdt deze een toespraak tot hen, waarin hij hun de zooeven genoemde verplichtingen van han ambt uiteenzet en ze vermaant, deze ook in een geestelijken zin te vervullen, doordien hij spreekt: «Beijvert u, evenals gij de zichtbare kerk met den sleutel opent en sluit, niet minder het onzichtbare huis Gods, de harten der geloovigen door uwe woorden eu voorbeelden voor den duivel te versperren en voor God te ontsluiten, opdat zij de goddelijke woorden, die zij hooren, in het hart bewaren en in de werken volbrengen.quot; Vervolgens draagt de Bisschop hun het ambt werkelijk op, doordien hij hun den kerksleutel met de rechterhand laat aanraken en tot hen spreekt: »Zoo gaat dan te werk als zoodanigen, die over datgene, wat door dezen steutel gesloten wordt, aan God rekenschap moeten geven.quot; Een Diaken leidt hen nu naar de kerkdeur, laat hun ze openen en sluiten, geeft hun het klokkentouw over en brengt ze vervolgens tot den Bisschop terug. Hierna worden

247

-ocr page 256-

OVER DE KLEINERE

deze nieuwe ostiarii gewijd door twee gebeden, waarin de Bisschop tot God bidt, dat Hij deze zijne dienaren zegene, opdat fij, met de grootste zorgvuldigheid voor Gods huis bezield, hun verplichtingen getrouw nakomen en zoo hun eeuwig loon verwerven.

2) Aan het Ostiariaat sluit als tweede kleinere wijding het Lectoraat of het ambt van Voorlezer zich aan. Dit is onder de lagere of mindere kerkelijke ambten het oudste; want reeds de H. Justinus, Martelaar, die in de tweede eeuw leefde, maakt er melding van. Waarin dit ambt bestaat, zegt de toespraak, die de Bisschop bij het opdragen daarvan tot de wijdelingen houdt. Nadat deze evenzoo als hij het Ostiariaat bij naam zijn opgeroepen, spreekt de Bisschop tot hen : »Geliefde zonen, gij die zijt uitverkoren te lezen in het Huis van onzen God, erkent en vervult uw ambt! Een Lector moet hem, die predikt, voorlezen, de Lecties (lessen) zingen en alle nieuwe vruchten zegenen.quot; De voornaamste verplichting der Lectoren bestond alzoo in het voorlezen der H. Schrift bij godsdienstige bijeenkomsten ; dat zij ook het recht k.-e-gen, brood en nieuwe vruchten te zegeiien, mag wel daarom zijn, wijl volgens de uitdrukking van den Ap. Paulus (1 Tim. 4, 5) alles, wat God heeft geschapen geheiligd -wordt door het gebed en het Woord Gods, waarvan het lezen juist in de ambtsbevoegdheid der Lectoren lag. Nadat vervolgens de Bisschop tot de nieuwe Lectoren nog de vermaning gericht heeft, dat zij ook in het hart gelooven en in de werken moeten volbrengen, wat zij met den mond lezen, draagt hij hun werkelijk het ambt op, doordien hij hun het boek, waaruit zij te lezen hebben, laat aanraken en tot ben spreekt: «Neemt aan dit boek en zijt Voorlezer van het goddelijke woord. Vervult getrouw en met nut uw ambt, dan zult gij het loon ontvangen dergenen, die van den beginne af het woord Gods goed bediend hebben.quot; Hierop volgt de wij-

248

-ocr page 257-

EN GROOTEÏIE ORDEN.

ding zelve, die de Bisschop voltrekt in twee gebeden van den volgenden inhoud : Gode moge deze zijne dienaren tot het ambt van Lectoren inwijden en zijnen zegen rijkelijk over hen uitstorten, opdat zij duidelijk lezen, wat er in de Kerk valt te lezen, en het ook in de werken volbrengen. Zoo als ge ziet, is het Lectoraat reeds een schrede voorwaarts in het huis des Heeren ; want terwijl de Ostarius, om zoo te spreken, nog voor de deur der kerk staat, bevindt de Lector zich bereids in het heiligdom en verkondigt aan de gemeente het goddelijke woord.

3) Een nog hoogere macht verleent de derde kleinere wijding, het Exorcistaat of het ambt van Bezweerder. In de eerste tijden der Kerk waren er niet zeldzaam menschen, die door den duivel bezaten waren. God schijnt dit van den duivel bezeten zijn te hebben toegelaten, opdat het duidelijk zou blijken, dat de menschen door de zonde onder de macht van Satan waren geraakt en dat deze macht alleen door het Christendom werd gebroken en vernietigd. Christus zelf had aan zijn Apostelen de macht gegeven, de booze geesten uit te drijven en deze macht is van de Apostelen op hun opvolgers overgegaan. Tot uitoefening dezer macht heeft de Kerk reeds in de eerste eeuwen zekere mannen aangesteld en hun door een bijzondere wijding de volmacht medegedeeld, zoowel van ongedoopten als ook van Christenen door handenoplegging en bezwering de booze geesten uit te drijven. Dit ambt en de wijding, waardoor het wordt opgedragen, noemt men het Exorcistaat en die, welke het verkrijgen, Exorcisten of Bezweerders. In latere tijden kregen de Exorcisten nog andere verplichtingen, zooals uit de toespraak, die de Bisschop voor hun wijding tot hen houdt, te zien is. Hij spreekt namelijk tot hen: »Geliefdste zonen, gij die tot het ambt van Exorcisten zult gewijd worden, ge moet wel weten, wat gij op u neemt. Een Exorcist moet de booze geesten uitdrijven,

249

-ocr page 258-

OVER DE KLEINERE

aan het volk zeggen, dat het plaats make voor dengene, zorg

die te Communie wil gaan en het water bij den godsdienst tijde

in gereedheid houden. Gij ontvangt alzoo de macht, den Zij

bezetenen de handen op te leggen en krachtens uwe zijn

handenoplegging worden door de genade des H. Geestes Con

en door de woorden van bezwering de onzuivere geesten ren

uit de bezeten lichamen verdreven.quot; Alsdan reikt de Bis- den

schop aan ieder het boek over, waarin de bezweringen 4

zijn vervat, 5aat hun dat met de rechterhand aanraken 4co

en spreekt: «Neemt dit boek en prent den inhoud ervan Cyp

in uw geheugen en ontvangt de macht, den bezetenen, verl

zij mogen gedoopt zijn of niet, de handen op te leggen.quot; M\'3

Hierop verkrijgen de nieuwe Exorcisten de wijding tot nan;

hun ambt door twee gebeden , waarin de Bisschop de I

God aanroept, dat Hij zijn dienaren zegene, opdat zij de wat

macht erlangen, uit de lichamen der bezetenen de booze heg

geesten uit te drijven. -A-cc

Zoo leidt de Kerk bij elke nieuwe wijding tot een ^e

hoogeren trap van geestelijke macht. Aan de Exorcisten gen

moet bereids de macht der hel onderdanig wezen. Dit is ^

zoo\'n verheven macht dat men zou meenen, de Kerk had Bis;

ze slechts aan de hoogere Orden harer dienaren moeten en

opdragen. Maar zij is zich harer zegevierende kracht over len-

de hel, die Christus haar verleend heeft, volkomen be- ^1,3!

wust; daarom zendt zij zoodanigen harer dienaars, teni

die nog op een lageren trap staan, tegen den duivel uit, eve

vastelijk overtuigd als zij is, dat hij ook voor dezen moet 200

wijken. Wijl intusschen bij het uitoefenen vau liet be- z\'c\' zweringsambt misbruiken en misleidingen heel licbt mo-

gelijk zijn, daarom heeft de Kerk verordend, dat alleen ^al

de Bisschoppen en de Priesters, en de laatsten alleen M\'1

met toestemming huns Bisschops bezweringen aan be- aar

zetenen mogen ondernemen. Daarvoor zijn o^erde Exor- P^1

cisten andere verplichtingen, die met hun oorspronkelijk naï

ambt nauw in verbinding staan, opgedragen. Zij moeten ^

wa

250

-ocr page 259-

EN eROOTERE ORDEN.

zorgen, dat er nimmer wijwater ontbreke en ter rechter-tijde vernieuwd en door den Priester gezegend worde. Zij moeten bij het zegenen des wij waters tegenwoordig zijn en dienen. Ook moeten zij voor de geloovigen, die Communiceeren willen, den weg naar de tafel des Hee-ren banen; want het ligt in hun ambt, de harten voor den intrek van Jesus te bereiden en toegankelijk te maken.

4) De laatste van de vier lagere wijdingen is dat van Acolietaat. Dit ambt, dat reeds ten tijde van den H. Cyprianus in de Kerk bestond, was verbonden met dezelfde verplichtingen, die heden ten dage door onze Kosters of Misdienaars worden waargenomen. De Acolieten moeten namelijk de lichten in de kerk aansteken, bij de H. Mis de lichten dragen, het wierookvat hanteeren en wijn en water naar het altaar aanbrengen. Zoo waren zij ook de begeleiders der hoogere geestelijkheid en vandaar hun naam Acoliet, wat in onze spraak gezel of begeleider heet. In de Westersche Kerk noemde men ze Tichtdrat/ers, wijl het dragen van lichten een hunner voornaamste werkzaamheden was.

Hun wijding begint eveneens met een toespraak des Bissohops, waarin hij hen over hun plichten onderricht en vermaant, ze ook in een geestelijken zin te vervullen. Evenals zij namelijk het licht in hua handen dragen, zoo moeten zij ook het licht eens stichtenden wandels voor de menschen laten schijnen; en evenals zij water en wijn tot het H. Offer aanbrengen, zoo moeten zij door een kuisch leven eu goede werken zich zelve aan God ten offer geven. Vervolgens draagt de Bisschop hun het ambt op, doordien hij hun den kandelaar met een niet brandende kaars en het ledige Miskannetje laat aanraken en daarbij spreekt; «Neemt aan den kandelaar met de kaars en weet, dat op u de plicht rust, de lichten in de kerk aan te steken in den naam des Heeren!quot; Bij het toereiken van het Miskannetje spreekt hij; »Neemt aan het kannetje, om wijn en water te bereiden tot het Offer van Christus Bloed in

251

-ocr page 260-

OVER DE KLEINERE

252

den naam des Heeren.quot; Een niet aangestoken kaars en I een ledig kannetje wordt den Acoliet overgegeven, wijl get het ambt medebrengt, de kaarsen aan te steken en de zoo kannetjes met wijn en water te vullen. — De Acolieten de staan hooger dan de Exorcisten, omdat zij bereids met den altaardienst zelf bezig zijn en met het vieren des 1 Heiligen Offers in aanraking komen. Daarom ook worden de gebeden des Bisschops, waardoor zij de wijding verkrijgen, reeds langer en inniger dan bij de voorafgaande SuL lagere wijdingen. Hij smeekt tot God, dat Hij deze zijne we! dienaren tot de waardigheid van Acolieten verhefïe, opdat var zij Hem aan het altaar getrouw dienen; dat Hij hun eu geest en hart ontsteke, ze met het licht der wetenschap vee verlichte en met den dauw zijner genade besproeie, opdat akt zij het opgenomen ambt met zijne hulp zoo waarnemen, die dat zij eenmaal de eeuwige belooning ontvangen. in Dit zijn alzoo, Aand., de vier kleinere Orden, waar- kei door men langzamerhand tot de grootere wordt voorbe- we reid. In vorige tijden moesten deze lagere kerkdienaren eiken Zon- en Feestdag in de kerk de werkzaamheden ple dier wijding verrichten, waartoe zij behoorden, en in ma vele bisschoppelijke kerken is dit nu nog het geval. In ien andere kerken geschieden de meeste werkzaamheden door gei wereldlijke kerkdienaren, namelijk door kosters en mis- ter dienaars ; de Kerk heeft echter niettegenstaande dit deze ver wijdingen als kostbare gedenkteekenen barer oude instel- der lingen behouden. Zij wil daardoor tevens aan degenen, we die naar de hoogere wijdingen streven, de overtuiging we geven, dat zij zich vooraf in de lagere Kerkdiensten dri moeten beproeven, alvorens zij tot de hoogere opklimmen. dia Zij wil eindelijk aantoonen, dat de geringste diensten in gebet huis Gods verheven en de onderste trappen der wij- ho( dingen eerbiedwaardig zijn, omdat zij den weg banen, koi waarop men tot de hoogste waardigheid op aarde, tot noi het Priesterdom geraakt. nei

-ocr page 261-

EN BROOTERE OUDEN.

Indien nu degenen, die de kleinere wijdingen ontvangen hebben, hun verplichtingen ijverig nakomen en leven zooals het aan geestelijken betaamt, dan worden zij tot de hoogere wijdingen toegelaten.

II. Over de groolere Orden.

1) De eerste van de hoogere of It. wijdingen is het Subdiaconaat. Men verstaat daarouder die wijdingen, welke de volmacht mededeelen bij het plechtig opdragen van het Heiligst Offer op de eerste plaats den Diaken en middellijk den Priester te dienen. Subdiaken heet zooveel als Onderdiaken, ouderdienaar, doordien de Subdiaken onder den Diaken staat en hem allereerst moet dienen. Deze wijding kende men reeds in de derde eeuw in Afrika, Spanje en Griekenland, maar telde ze aanvankelijk tot de lagere wijdingen ; sedert de dertiende eeuw werd ze evenwel onder de hoogere wijdingen gerekend.

De mededeeling van het Subdiaconaat begint met de plechtige oproeping der wijdelingen eu met de bekendmaking des titels waarop zij gewijd worden. Wanneer iemaud enkel de vier kleinere wijdingen heeft ontvangen, kan hij weder tot den wereldlijken of leekenstand terug-keeren ; met het Subdiaconaat echter neemt men de

O \'

verplichting op zich zijn geheel leven lang in den dienst der Kerk te blijven; men kan zich niet meer tot den wereldlijken stand terugtrekken en vandaar ook geen wereldlijke bezigheden, zooals bijv. een handwerk meer drijven. Op dezen grond wordt ten dienste van alle Subdiakenen voor hun wijding een toereikenden borgtocht gevorderd, opdat zij in hun geestelijken stand naar be-hooren kunnen leven. De verzekering van zulk een inkomen, wat voor een voortdurend levensonderhoud genoegzaam is, noemt men den titel, waarop de Subdiakenenen gewijd worden, en deze wordt voor het toedienen

253

-ocr page 262-

OVER DE KLEINERE

der wijding bekend gemaakt. Deze titel (ook tafeltitel) is

hier bij ons nog gewoonlijk die der Hollandsche Missie, l\'j^

zooals die reeds van oudsher bestaan heeft. 0P

De opgeroepenen verschijnen nu in albt met schouder- %l

doek en gordel om de lendenen; over den linker arm val:

dragen zij manipel en tuniek en in de rechterhand een aal:

kaars. Zoo staan zij voor den Bisschop. Zij staan, ten re\'(

teeken, dat zij vrij en door onverbreekbare banden nog VCK: niet aan de Kerk zijn gebonden. Nu herinnert de Bisschop

hun op een treffende wijze op de eerste plaats aan den voc

gewichtigen stap, dien zij voornemens zijn te doen, met en

de woorden : » Geliefdste zonen, gij die tot de h. wijding vo\'

des Subdiaconaats verlangt verheven te worden, ge moet \'-\'0 wel bedenken, welken last gij heden vrijwillig op u wilt

nemen. Tot nu toe zijt gij nog vrij en het is u geoor- W1J loofd, in den wereldlijken stand terug te keeren. Wan-

neer gij echter deze wijding hebt ontvangen, is bet u rec niet meer geoorloofd, van uw voornemen af te zien, maar gij moet God, Wien te dienen heerschen heet, voor altijd

dienen, met zijn hulp de kuischheid beoefenen en u ten ^

allen tijde aan den dienst der Kerk toewijden. Bedenkt en

u daarom wel, wijl het nog tijd is ! Maar indien gij bij mo

uw h. voornemen blijft volharden, treedt dan nader in Se\'

den naam des Heeren!quot; En hierop doen de wijdelingen om een stap voorwaarts. Uit deze schoone en beteekenisvolle

toespraak des Bisschops ziet ge, Aand., hoe ongegrond m

het is te zeggen, dat de Kerk haar geestelijken dwingt me tot den echteloozen staat. De Kerk dwingt hiertoe even zoomin als zij in \'t algemeen iemand geweld aandoet in

den geestelijken stand te treden. Het staat aan een ieder wc

volkomen vrij, in dezen stand al dan niet toe te treden; ^ei

de Kerk is aan eiken dwang zoozeer vreemd, dat zij hen \'a in de laatste oogenblikken nog met een waarlijk roerende bezorgdheid op de plichten, die zij op zich nemen, op-

254

merkzaam maakt en tot eene ernstige bedenking aanmaant. toi

-ocr page 263-

EN GliOOTEKE ORDEN.

Na deze toespraak valt de Bisschop met zijn geestelijkheid op de knieen, de wijdelingen echter werpen zich op hun aangezicht neder en blijven uitgestrekt ter aarde liggen, terwijl de Bisschop met de Priesters de litanie van alle Heiligen bidt. Door dit zich nederwerpen op het aangezicht wordt aangeduid, dat de wijdelingen der wereld zijn afgestorven en zich den Heer geheel en zonder voorbehoud willen ten offer brengen. De litanie van alle Heiligen nu wordt gebeden, opdat de wijdelingen aan de voorbede der geheele zegevierende Kerk deelachtig worden en door deze voorbede gesterkt, het groote offer eener volkomene wereldverzaking, eener algeheele opdracht aan God kunnen brengen. Tegen het einde der litanie staat de Bisschop op, keert zich naar de voor hem liggende wijdelingen en met den mijter op het hoofd en den herderstaf in de hand, zegent hij hen driemaal met zijn rechterhand luid sprekend: » Dat Gij, U (o God) gewaar-digt deze uitverkorenen te zegenen; dat Gij U gewaar-digt deze uitverkorenen te zeyenen en te keilic/en, dat Gij U gewaardigt deze uitverkorenen te zeyenen, te heiliyen en te wijden. Door deze waarlijk aangrijpende ceremonie moet worden uitgedrukt, dat de Bisschop het offer en de gelofte der wijdelingen als het ware in ontvangst neemt, om het voor den troon des Allerhoogsten neer te leggen.

Na het voleinden der litanie knielen de wijdelingen in een halven cirkel om den Bisschop, die hun nu de met het Subdiaconaat verbonden verplichtingen voorhoudt. «Dierbaarste zonen,quot; spreekt hij, «die thans het Subdiaconaat zult ontvangen. Bedenkt met ijver, wat ambt u wordt opgedragen. De Subdiaken moet het water tot den altaardienst aanbrengen, den Diaken dienen, de palla\'s des altaars en de corporalen wasschen, den kelk en de pateen ten gebruike bij het Offer verzorgen en onder de plechtige Mis den Epistel zingen. Legt er u nu op toe, dat gij deze zichtbare ambtsverrichtingen met rein-

255

-ocr page 264-

OVER DE KLEINERE

heid en een grooten ijver -waarneemt en het daardoor aangeduide onzichtbare in uwen wandel nakomt. Nadat de Bisschop tot de wijdelingen nog verder over hun dienst uitgeweid en heilzame vermaningen gericht heeft, doet hij de werkelijke opdracht van hun ambt. Hij reikt namelijk aan ieder hunner een ledigen kelk met een gelijke pateen toe en spreekt: »Weet wel, Wiens dienst u wordt toevertrouwd ; daarom vermaan ik u, u zoo te gedragen, dat gij Gode kunt behagen.quot; Kelk ea pateen moeten de wijdelingen met de rechterhand aanraken ; vervolgens biedt de Aartsdiaken hun aan de kannetjes met wijn en water, het vaatwerk tot handenwassching en het vingerdoekje, wat alles zij op gelijke wijze moeten aanraken. Alsdan noodigt de Bisschop de aanwezigen uit, zich met hem in het gebed te vereenigen, »opdat de beroepen Subdiakenen hun ambt getrouwelijk waarnemen en het loon, dat de Heiligen wacht, mogen erlangen.quot; Hierop zegent hij hen plechtig door een gebed, waarin hij God aanroept, dat Hij den H. Geest met zijn zeven gaven op hen doe rusten, opdat zij zich bevestigen in den dienst vau God, gehoorzaam zijn in daad en bereidwillig in woord.

Na dit gebed geeft de Bisschop aan ieder der nieuwe Subdiakenen de hun ambt kenmerkende kleeding, die tegelijk de zinnebeelden zijn van den inwendigen tooi, waarmede hun zielen voor God moeten schitteren. Wanneer hij hun den schouderdoek over het hoofd trekt, spreekt hij : »Ontvang den schouderdoek, waarmede het beteugelen der tong wordt aangeduid.quot; Vervolgens doet hij hun de manipel aan en spreekt: »Ontvang den manipel waardoor de vruchten der goede werken worden aangeduid.quot; Elierna kleedt bij hen met de tuniek, zegelende: »Met het kleed der armoede en het gewaad van vreugde bekleede de Heer u !quot; Ten slotte laat de Bisschop allen het Epistelboek aanraken en spreekt : »Neemt het Epis-

256

-ocr page 265-

EN GHOOTERE ORDEN.

telboek aan en ontvangt de macht de Epistelen te lezen in de H. Kerk Gods zoowel voor levenden als overledenen.quot;

Dit zijn da ceremoniën, waaronder de wijding van het Subdiaconaat wordt medegedeeld. Van de verplichtingen, die de eerste onder de hoogere wijding medebrengt, zijn de volgende drie de voornaamsten : de Subdiaken moet geheel zijn leven lang ongehuwd blijven en de eeuwige zuiverheid onderhouden; hij moet dagelijks het brevier bidden, hij moet eindelijk de geestelijke kleeding dragen. Wijl de Subdiaken zich uitsluitend aan den dienst der Kerk wijdt, daarom moet hij ook het leven der Kerk in zijn eigen leven uitdrukken. Het leven der Kerk nu is een leven van offer en gebed. Het offerleven der Kerk stelt hij voor in de levenslange oefening der volkomen zuiverheid, die een voortdurende verzaking en een onverdeeld overgeven zijner persoonlijkheid aan de Kerk in zich sluit; het gebedsleven der Kerk echter stelt hij voor door het vlijtig beoefenen van het breviergebed of de kerkelijke getijden. En opdat hij ook uitwendig zijn afzondering van de wereld te kennen geve en zich als dienaar der Kerk vertoone, draagt hij de geestelijke kleeding.

Alhoewel het Subdiaconaat tot de hoogere wijdingen behoort en het onherroepelijk overgeven aan de Kerk vordert, zoo is het toch evenals de vier lagere wijdingen nog geen Sacrament; want afgezien daarvan, dat daarbij het uitwendig teeken des Sacraments, te weten de handenoplegging niet plaats vindt, ontbreekt de hoofdver-eischte tot een Sacrament, nl. de instelling door Christus. Het Subdiaconaat berust slechts op een kerkelijke verordening en vormt den naasten overgang tot de wijdingen van Diakenen, Priesters en Bisschoppen, waarvan aan elk de saeramenteele waardigheid toekomt. Deze drie wijdingen zijn echter, wat ge wel moet opmerken, geen drie

17

257

-ocr page 266-

OVEIt DE KLEINERE

maar slechts een eenig Sacrament; zij zijn als het ware slechts drie verschillende loten van een en denzelfden stam of drie gedeelten van een en hetzelfde geheel. Die wijding is namelijk het Sacrament, waardoor een geestelijke macht wordt medegedeeld, d. i. de macht, het H. Offer op te dragen, de H. Sacramenten toe te dienen en de overige kerkelijke bedieningen waar te nemen. Door de Bisschopswijding wordt deze geestelijke macht in hare geheele volheid medegedeeld; een geringer maat ervan verleent de Priesterwijding ; de wijding der Diakenen eindelijk bevat er den eersten aanvang van. Ge ziet al-zoo, dat aan deze drie wijdingen de sacramenteele waardigheid kan toekomen, omdat zij alle drie een zeker geestelijke macht verleenen ; dat zij echter desniettemin geen drie verschillende Sacramenten zijn, wijl de geestelijke macht, die zij mededeelen, steeds dezelfde blijft en slechts in haren graad te onderscheiden is.

2) Beschouwen wij nu onder de sacramenteele wijdingen op de eerste plaats het Diaconaat. Ouder Diaconaat verstaat men die wijding, waardoor de macht wordt medegedeeld, de Bisschoppen en Priesters bij het plechtig opdragen des H. Offers te dienen, het Évangelie te lezen en met een bijzonder toestemming te doopen en de Communie uit te deelen. Voor de sacramenteele waardigheid pleiten gewichtige gronden. Wij vinden in de H. Schrift bij het aanstellen der Diakenen een bepaald zichtbaar teeken, te weten de handenoplegging met gebed. Zoo lezen wij in de Handelingen der Ap. (G, 5. 6.) dat de bijeen zijnde menigte vrome mannen tot Diakenen uitkoos en ze aan de Apostelen, »die gebeden hebbende, bua de handen oplegden,quot; voorstelde. Deze handenoplegging was bij de wijdingen der Diakenen in de Kerk door alle eeuwen in gebruik, waaruit volgt, dat het Diaconaat op een goddelijke verordening berust, volgens den regel: wat ;n het Christendom ten allen tijde en overal op ge-

258

-ocr page 267-

EN GUOOTERE ORDEN.

259

lijke wijze is beoafend, is door Jesus Christus verordend. Ook de omstandigheid, dat de Ap. Paulus, zoo vaak hij over de Diakenen spreekt, ze altijd den Bisschoppen en Priesters ter zijde stelt, schijnt duidelijk voor de goddelijke instelling der Diakenen te pleiten. Verders laten de H. Vaders over het Diaconaat op zulk een verhevene wijze zich uit, dat men niet voorbij kan, het voor een sacramenteele wijding aan te zien. Reeds de H. Poly-carpus, een leerling van den H. Evang. Joës, zegt: » De Diakenen zijn de dienaren Gods en niet der menschen.quot; Volgens Origines zijn de Diakenen aan den goddelijken dienst gewijd. De H. Ignatius spreekt de goddelijke ia-stelling des Diaconaats met bepaalde woorden uit, doordien hij de Diakenen als door God verordend aanduidt, aan wie evenals aan de Bisschoppen en Priesters een bijzondere eer moet bewezen worden. Bedenken wij verder, dat de wijding van het Diaconaat slechts eenmaal kan ontvangen worden en ze niet meer verloren gaat, dan moet zij blijkbaar een onuitwischbaar merkteeken indrukken, wat weder een bewijs is voor hare sacramenteele waardigheid. Indien eindelijk de Kerk ook al niet juist als een geloofswaarheid heeft vastgesteld, dat het Diaconaat een Sacrament is, laat het zich toch uit vele barer beslissingen opmaken. Zoo verklaart zij in het Conc. v. Tr. ; »Zoo iemand beweert, in de Kath. Kerk bestaat geene door goddelijke verordening ingestelde hierarchie, die uit Bisschoppen, Priesters en Diakenen bestaat; die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Can. 6.) Hier is zonder twijfel uitgesproken, dat ook het Diaconaat van goddelijke instelling en bijgevolg gelijk aan het Priesterschap en het Episcopaat een Sacrament is; want onder de dienaren moeten heel zeker de Diakenen verstaan worden, omdat zij lager dan de Priesters en hooger dan alle overige dienaren staau.

-ocr page 268-

OVER DE KLEINERE

Het Diaconaat wordt in de H. Mis na het lezen van den Epistel medegedeeld. De tot nog toe zijnde Subdiakenen worden door den Aartsdiaken den Bisschop voorgesteld, met de woorden: «Hoogwaardigste Vader, de h. moeder, de Kath. Kerk, verlangt, dat gij deze aanwezige Subdiakenen tot de waardigheid van het Diaconaat wijdt.quot; Daarop antwoordt de Bisschop; »Weet gij, dat zij waardig zijn?quot; De Aartsdiaken herneemt; «Voor zoover het aan de menschelijke zwakheid is gegeven te weten, weet ik het en betuig, dat zij tot de verhevenheid van dit ambt waardig zijn.quot; De Bisschop spreekt hierop; »Gode zij dank !quot; Zooals ge ziet, wordt bij het toedienen van het Diaconaat ook teo-enwoordig: noo- alles nauwkeurig!\'

O O O O

nagekomen, wat reeds ten tijde der Apostelen is geschied. De eerste Diakenen werden door de gemeente »aan de Apostelen voorgesteldhetzelfde doet de Aartsdiaken; de Apostelen verlangden, »dat zij zeven mannen, die een goed getuigenis bezaten, zouden uitkiezen,quot; om ze tot Diakenen te kunnen wijden; evenzoo is ook de eerste vraag des Bisschops naar het waardig zijn der wijdelingen. (Hand. 6.) Om zich van dit waardig zijn zooveel mogelijk te vergewissen, richt de Bisschop tot alle aanwezigen, de geestelijkheid en het volk de volgende toespraak; «Onder den bijstand Gods en onzes Heeren en Verlossers Jesus Christus kiezen wij deze tegenwoordige Subdiaken tot den rang desDiaconaats. Zoo iemand iets tegen hen heeft, dan trede hij voor God en om God met vertrouwen nader en zegge het; doch hij zij zijn eigene zwakheid gedachtig.quot; Heeft hij eeu oogenblik opgehouden en uit het stilzwijgen der aanwezigen vernomen, dat de wijdelingen »een goed getuigenis bezitten,quot; dan legt hij hun de verplichtingen van het te ontvangen ambt voor en vermaant hen dringend, deze plichten nauwkeurig te vervuilen. Na deze vermaning werpen zij zich op hun aangezicht neder en blijven op den grond uitgestrekt neder-

260

-ocr page 269-

EN GROOTEliE ORDEN.

261

liggen, terwijl op dezelfde wijze als bij het toedienen vau het Subdiaconaat de litanie van alle Heiligen wordt gebeden. Vervolgens noodigt de Bisschop met luider stemme de geestelijkheid en het volk uit tot een gemeenschappelijk gebed voor de wijdelingen met de woorden : »Laat ons bidden, geliefdste broeders, tot God, den Almachtigen Vader, dat Hij over deze zijne dienaren de genade zijns zegens vol erbarming uitstorte en hun de gave der medegedeelde wijding goedgunstig beware.quot; Hierna staat hij op, en met het aangezicht naar de wijdelingen gekeerd, die nu voor hem op de knieen liggen, strekt hij zijn handen uit en doet een lang en vurig gebed, waarin op een verheven wijze de blijdschap der Kerk over den door de wijding volgenden wasdom aan de dienaren des h. ambts wordt uitgesproken. Nu volgt de eigenlijke handeling der wijding. De Bisschop breekt eensklaps zijn gebed af, legt een ieder de rechterhand op het hoofd en spreekt : »Ontvang den H. Geest tot sterkte en om te weerstaan aan den duivel en zijne verzoekingen. In den naam des Heeren.quot; Dit is het oogenblik, waarop de hemel zich opent en de H. Geest door het gebed en de handenoplegging des Bisschops zich over de wijdelingen uitstort. Op dezelfde wijze hebben reeds de Apostelen de eerste Diakenen gewijd ; want zij baden over hen en legden hun de handen op. De Bisschop strekt alsdan de rechterhand over allen tegelijk uit en zet het gebed om die deugden, welke den Diakenen bijzonder eigen moeten zijn, nog een langen tijd voort. Alle overige handelingen gedurende de geheele wijding zijn alzoo eigenlijk slechts ceremonien en alleen de met het g^bed verbonden handenoplegging is het, waardoor aan de Diakenen de sa-cramenteele genade der wijding wordt medegedeeld. Er volgen nu op de eigenlijke handeling der wijding nog twee ceremonien, te weten het overnemen der kleeding des Diaconaats en het overgeven des Evangelieboeks.

-ocr page 270-

OVER DE KLEINERE

De Bisschop legt een ieder der nieuwe Diakeuenen de 00l

stool over de linker schouder met de -woorden : » Ontvang pe]

de witte stool uit de hand Gods, vervul uw ambt; want jg.

God is machtig, om u zijn genade te vermeerderen.quot; q0

Daarbij maakt hij over hen het h. kmisteeken ; de ge- na,

wijden maken de stool aan beide einden onder den rech- g.e]

terarm vast. Daarna doet de Bisschop ieder de dalmatiek sei

aan en spreekt: »De Heer trekke u aan het gewaad des ^

heils en het kleed der vreugde en met de dalmatiek der j,,,,

gerechtigheid omhulle Hij u steeds.quot; Wijl de Diaken vo[

in deze geestelijke rangorde, die door God zelf is ver- jjgj

orderd, treedt, verkrijgt hij de stool als teeken zijner ]1U;

geestelijke macht, zij wordt hem echter onder den arm g,.], vastgemaakt, wijl de geestelijke macht der Diakenen nog ten zeer beperkt is. De eigenlijke reden evenwel, waarom de jg,-Diaken de stool niet zooals de Priester over de borst ^ samengevoegd draagt, mag wel deze wezen, wijl zij vroe-

ger, toen zij nog een anderen vorm had, den Diakenen tjj,]

in hunne ambtsverrichtingen meestal hinderlijk zou zijn jgg geweest, indien men ze niet onder den arm hsidde ge- T0]

bonden en vastgemaakt. Ten laatste biedt de Bisschop ^gj den gewijden het Evangelieboek aan, opdat zij het aan- erl

raken en spreekt : «Ontvang de macht, het Evangelie in ; de Kerk Gods te lezen zoowel voor de levenden als voor jpr de overledenen in den naam des Heeren.quot; De wijding -wa sluit eindelijk met twee gebeden, waarin God gesmeekt hel wordt, dat Hij de nieuwe Diakenen rijkelijk zegene, op- en dat zij treden in de voetstappen van die zeven H. Dia- dig

keuen, welke door de Apostelen gewijd werden en onder me

wie de H. Stephanus de voornaamste was. Hierop wordt dat

het H. Misoffer, waarbij een van de nieuwgewijde Dia- in

kenen het Evangelie leest, voortgezet. vir De ambtsverplichtingen der Diakenen waren in vroe- Sol

gere tijden zoo omvattend, dal zij voor de bemiddelaars ter

tusschen den Bisschop en de gemeente aangezien en »het voi

202

-ocr page 271-

EN GROOTERE ORDEN.

oog en oor, de mond, het hart en de ziel der Bisschoppenquot; genoemd werden. Zij kondigden de verschillende deelen van den godsdienst aan, konden doopen en de H. Communie uitdeelen, hadden den Bisschop en Priester de naaste diensten aan het altaar te bewijzen, de doopelin-gen aan den Bisschop voor te stellen, bij het h. Vormsel de h. olie te dragen en het voorhoofd der gevorm-den met boomwol af te vegen, den zieken de H. Communie te brengen. In bijzonder hadden zij ook de zorg voor de h. belijders, die ten tijde der vervolgingen in kerkers zaten ; de geheele armverzorging bevond zich in hun handen ; ook bewaarden en beheerden zij de kerkschatten en alle inkomsten. Bij de Priesterwijding moesten zij de namen dergenen, die verlangden gewijd te worden, bij den Bisschop brengen ; zij beproefden op diens bevel hun kennis en waardigheid en legden bij de wijding openlijk getuigenis over hen af. In den loop der tijden zijn hun ambtsbevoegdheden veel verminderd en tegenwoordig bezitten zij behalve den altaardienst en de volmacht om te prediken, slechts de macht, bij afwezigheid eens Priesters den plechtigen Doop toe te dienen en de H. Communie uit te deelen.

3) Op het Diaconaat volgt het Presbyleraat of het Priesterschap. Men verstaat daaronder die h. wijding, waardoor de macht wordt medegedeeld brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Jesus Christus te veranderen en de zonden te vergeven. Voor de sacramenteele waardigheid van het Priesterschap behoef ik geen bewijzen meer bij te brengen, wijl ik u bereids heb aangetoond, dat de wijding in \'t algemeen een Sacrament is en dit in \'t bijzonder op het Priesterschap zijn volle toepassing vindt. Zooals ge hebt gehoord, getuigt zoowel de H. Schrift als de voortdurende Overlevering, dat het Priesterschap alles heeft, wat tot een Sacrament wordt gevorderd, namelijk een uitwendig teeken, een inwendige

203

-ocr page 272-

OVER DE KLEINERE

genade en de goddelijke instelling, zoodat het bijgevolg ren

een waar Sacrament is. Wij kunnen derhalve onmiddel- den

lijk tot de Priesterwijding zelve overgaan. tanie

Zij begint na het Epistel der H. Mis met het afroe- Diac

pen der namen van de wijdelingen, die gekleed met, het wijd

kleed des Diaoonaats en het Misgewaad op den linker scho

arm dragend, door den Aartsdiaken aan den Bisschop hoof

worden voorgesteld. De Bisschop doet weder, zooals bij alle

het toedienen des Diaconaats, aan de geestelijkheid en de ,

het volk de uitnoodiging, dat zij zich over de waardig- strel

beid der wijdelingen verklaren. »Geliefdste broeders,quot; »La:

spreekt hij, »wijl de stuurman van een schip en die, alms

welke daarop varen, veiligheid en gevaar met elkander Hij

deelen, daarom moet eensgezindheid onder degenen heer- hem

schen, die een gelijk lot hebben. Het is vandaar niet te volb

vergeefs door de Vaders verordend, dat over de keus van Dit

hen, die tot den dienst des altaars zullen gedijd worden, de \\ ook de gemeente worde gevraagd. . . . Zoo derhalve iemand men iets tegen hen heeft, hij trede dan met vertrouwen op deze voor God en om God en zegge het; maar dat hij zijn ven eigen zwakheid gedachtig zij.quot; Nadat de Bisschop een Pin\' weinig heeft opgehouden, noemt hij de werkzaamheden plot en de verplichtingen der Priesters met ongeveer de kon volgende woorden; «Geliefdste zonen, gijjdie tot het ambt waf des Priesterschaps zult gewijd worden, legt er u op toe, als dit waardig te ontvangen en het ontvangene met lof Et waar te nemen. Een priester moet offeren, zegenen, he- ver sturen, prediken en doopen. Tot zulk een hooge waar- tes digheid moet men slechts opklimmen met een groote nu vrees en wel weten, dat hemelsche wijsheid, vrome ze- wa; den en een voortdurende oefening in de kerkelijke tucht Pri de daartoe uitverkorenen aanbevelen. Vandaar, geliefdste op zonen, bewaart in uw zeden de onschendbaarheid eens een kuischen en heiligen wandels. Weet, wat gij doet, volgt eeu op wat gij verricht, doordien gij, het Geheim van \'s Hee- kn

204

-ocr page 273-

EN GROOTERE ORDEN.

265

ren dood vierend, u beijvert in uw ledematen alle zonden en begeerlijkheden te dooden.quot; Nadat alsdan de litanie van alle Heiligen op dezelfde wijze als bij het Diaconaat is gebeden, volgt de eigenlijke handeling der wijding, die op de volgende wijze plaats vindt. De Bisschop legt den een na den ander beide handen op het hoofd zonder iets te zeggen ; hetzelfde doen ook na hem alle aanwezige Priesters : daarna houden de Bisschop en de Priesters de rechterhand over de wijdelingen uitgestrekt en de Bisschop, met den mijter op het hoofd, bidt: »Laat ons smeeken, geliefdste broeders, tot God, den almachtigen Vader, dat Hij over deze zijne dienaren, die Hij tot het ambt des Priesterschaps heeft uitverkoren, de hemelsche gaven vermenigvuldige, opdat zij met zijne hulp volbrengen wat zij door zijn genade ontvangen. Amen.quot; Dit is die handenoplegging met gebed, waarin volgens de uitspraak des H. Ap. Paulus (I Tim. 4, 14.) de sacra-menteele handeling der Priesterwijding bestaat. Gedurende deze hoogheilige handeling gaat bij de wijdelingen in vervulling wat bij de Apostelen te Jerusalem op het Pinksterfeest is geschied: (Hand. 2, 2—4.) »Er ontstond plotseling een gebruis uit den hemel, als van eenen opkomenden geweldigen wind en vervulde het geheele huis, waar zij zaten. En er verschenen hun verdeelde tongen als van vuur, zich nederzettende op een ieder van hen. Et repleti sunt ovines Spiritu sancto, en allen werden vervuld met den H. Geest.quot; Om de genade des H. Gees-tes in de harten der nieuwgewijden te bevestigen, spreekt nu de Bisschop tot hei altaar gekeerd twee gebeden, waarin hij tot God bidt, dat Hij de waardigheid des Priesterschaps in zijn dienaren diep doe nederdalen en ze op het pad van heiligheid beware, opdat zij eenmaal na een trouwe bediening huns h. ambts de belooningen der eeuwige zaligheid erlangen. Hierop legt hij ieder de stool kruiswijze op de borst te zamen eu spreekt; »Ontvang

-ocr page 274-

OVER DE KLEINERE

het juk des Heeren; want zijn juk is zaoht en zijn last is licht.quot; De stool is, zooals reeds is aangehaald, het zinnebeeld en onderscheidingsteeken der priesterlijke waardigheid; zij wordt den nieuwgewijde kruiselings over elkander gelegd, om aan te duiden, dat het Priesterambt zonder twijfel een kruis, een last is, maar zooals de Bisschop er aan toevoegt, «een zacht juk en een lichte last,quot; indien het gedragen wordt met die liefde, welke door het Misgewaad zinnebeeldig wordt voorgesteld, dat de Bisschop ieder aandoet met de woorden: »Ontvang het priesterlijke gewaad, waardoor de liefde wordt aangeduid ; want God is machtig, om in u de liefde en het volkomen werk te vermeerderen.quot; Het Misgewaad is rugwaarts nog opgevouwen ; want de nieuwgewijden hebben nog niet de rechterlijke macht tot toediening van het Sacr. der Biecht. Wijl alzoo hun macht nog beperkt is, daarom is ook hun priesterlijke kleeding nog niet geheel ontvouwd. Met dit aandoen der priesterlijke kleeding verbindt de Bisschop een lang gebed waarin hij smeekt dat de gewijden hun macht op een Gode welgevallige wijze uitoefenen, het genadegeschenk van hun ambt rein en vlekkeloos bewaren en in de onverbreekbare liefde mogen geraken tot een volwassen man, tot de mate des ouder-doms van Christus volheid.

Door de handenoplegging en het gebed des Bisschops is thans den gewijden het onuitwischbaar merkteeken des Sacraments ingedrukt, de priesterlijke macht en de sacra-menteele genade hun medegedeeld ; zij hebben de hehwaam-heid tot het geldig uitoefenen der priesterlijke handelingen verkregen. Opdat zij echter de bekomen macht ook op een geoorloofde wijze kunnen uitoefenen, behoeven zij de uitdrukkelijke volmachtiging des Bisschops. Daarom volgen nu nog meerdere ceremonien, waardoor zij van den Bisschop de volmacht erlangen te zegeren, te offeren en de zonden ie vergeven. De Bisschop knielt neder, heft

266

-ocr page 275-

EN (jROOTERE ORDEN.

267

den lofzang : » Veni Creator Spiritus — kom Schepper Geest!quot; aan, dien het koor voortzet en gaat vervolgens met den mijter op het hoofd op zijn zetel zitten; dan zalft hij ieder met de olie der doopelingen de beide sa-mengelegde handen kruisgewijze en spreekt : » Gewaardig TJ, o Heer, deze handen door deze zalving en onze zegening te wijden en te heiligen.quot; Terwijl hij het kruis-leeken over de handen maakt, gaat hij voort: »Opdat datgene, wat zij zullen zegenen, gezegend en wat zij wijden, gewijd en geheiligd zij in den naam onzes Hee-ren Jesus Christus.quot; Door deze zalving verleent alzoo de Bisschop de volmacht tot het uitoefenen der eerste macht, die den priester toekomt, de volmacht namelijk om te zegenen. Eerst worden de twee duimen en de beide wijsvingers, die het Heiligste Lichaam des Heeren aanraken en vervolgens de palmen der handen gezalfd. Na deze zalving legt de Bisschop een ieder de handen tot elkander en éen zijner dienaren omwikkelt ze met een linnen doekje. De olie beteekent hier de kracht des zegens, der wijding en heiliging, die van de handen des Priesters, zoo vaak hij deze volmacht aanwendt, uitgaat. De zalving wordt gedaan met die olie, waarmede ook de doopelingen gezalfd worden; want het Priesterschap is een doopsel met den H. Geest, zooals reeds de goddelijke Zaligmaker voor zijn hemelvaart tot de Apostelen sprak: (Hand. 1, 5). » Vos autem haptizabimini Spiritu sancco, gij toch zult met den H. Geest gedoopt worden,quot; een uitspraak, die op het Pinksterfeest in vervulling ging. De twee duimen en wijsvingers worden gezalfd en wel kruiswijze, wijl juist deze duimen en vingers en geheiligde werktuigen zijn, die het Allerheiligst Lichaam van Jesus aanraken en aan de geloovigen tot spijs geven en elke genade en bijgevolg ook die van het Priesterschap een uitvloeisel is der verdiensten van den voor ons aan het kruis geofferden Zaligmaker. Indien reeds het h.

-ocr page 276-

OVEE DB KLEINERE

vaatwerk, wat het Lichaam en Bloed van Christus in neu

zich zal bevatten, door den Bisschop met olie gezalfd der

wordt, zuo betaamt het voorzeker te meer, dat ook de scho

duimen en vingers des Priesters, die het Lichaam des spro

Heeren aanraken, door de bissshoppelijke zalving geze- Mis

gend en geheiligd worden. Ook de omstandigheid, dat geef

gedurende de zalving de lofgezang » Veni Creator Spi- Chri

ritusquot; wordt gezongen, heeft zijn beteekenis; want de mac

H. Geest is het, die den Priester innerlijk zalft, d. i. ven.

hem zijn genade mededeelt. een

De tweede volmacht, te weten die van offeren, wordt Fee:

den nieuwgewijden op de volgende wijze opgedragen : H.

De Bisschop reikt aan een ieder den kelk met wijn en waa

water, alsmede de pateen met de ongeconsacreerde hostie, éen

die zij moeten aanraken, toe, met de woorden ; »Ontvang in de macht, aan God het Offer op te dragen en Missen ï1

te vieren zoowel voor levenden als overledenen, ia den gew

naam des Heeren.quot; De nieuwgewijden oefenen nu deze Hee

hun opgedragen macht van offeren aanstonds uit; zij aani

lezen namelijk thans gemeenschappelijk met den Bisschop miji

de H. Mis en consacreeren tegelijk met hem; zij doen voh

alzoo hun eerst H. Misoffer. Voor de eigenlijke opdracht der

van brood en wijn offeren zij een brandende kaars, die Chr

zij twee aan twee knielend den Bisschop aanbieden, waarbij de

zij zijn ring en de kaars kussen. Daarmede beloven zij »D(

hem feitelijk, dat zij geen andere bedoeling en geen an- aan

der wensch koesteren dan aan de Kerk hun krachten te ges\'

wijden en het licht des goeden wandels en des zielen- sch;

ijvers te laten schijnen. Door den kus des Bisschoppe- of

lijken rings en der kaars betuigen zij tevens, dat zij de de

waardigheid van het Priesterschap niet gedwongen, maar fers

vrijwillig en met een blijd hart op zich hebben genomen. har

Het H. Misoffer wordt vervolgens voortgezet, waarbij de ven

Bisschop langzaam en iets luide alle gebeden uitspreekt, der

opdat de gewijden alles tegelijk met den Bisschop kun- ver

268

-ocr page 277-

EN GROOTERE ORDEN.

neu medespreken ; dit geldt voornamelijk van de woorden der consecratie, die op hetzelfde oogenblik, als de Bisschop ze uitspreekt, ook door de gewijden moeten gesproken worden. Dit gemeenschappelijk vieren der H. Mis is ongemeen zinrijk en treffend; want hier wil de geestelijke Vader zelf als de eerste aan zijn zonen in Christus tot het uitoefenen van zoo\'n gewichtige volmacht, tot het opdragen des H. Offers een leiddraad geven. Tegelijk is dit gemeenschappelijk vieren der H. Mis een herinnering aan de vroegere tijden, als op hooge Feestdagen alle Priesters tegelijk met hun Bisschop het H. Offer opdroegen, alsmede een schoon zinnebeeld der waarheid, dat de Kath. Kerk slechts éen Offer kent en éen Priesterdom, dat in zijn algeheele volheid de Bisschop in zich vereenigt.

Na de Communie des Bisschops ontvangen de nieuw-gewijden gezamenlijk uit zijne hand het Lichaam des Heeren, en nadat hij de antiphona (wisselgezang) heeft aangeheven : »Ik zal u niet meer dienstknechtsn, maar mijn vrienden noemen enz.,quot; volgt het opdragen der derde volmacht, welke bestaat ia de bediening van het Sacr. der Biecht, of in de macht van zonden te vergeven. Christus heeft bij het laatste avondmaal aan de Apostelen de macht van offeren gegeven, doordien Hij tot hen sprak : «Doet dit tot mijne gedachtenis!quot; Eerst nadat Hij zich aan het kruis had opgeofferd en uit de dooden was opgestaan, gaf Hij, verheerlijkt in hun midden verschijnend, hun ook de macht, de zonden te vergeven of te houden. Geheel zoo doet de Kerk, wanneer zij aan de nieuwgewijde Priesters eerst na het voleinden des Offers en eerst nadat Christus in de H. Communie in hun harten is nedergedaald, de macht van zonden te verger ven mededeelt. Wijl nu het vergeven der zonden veronderstelt, «dat in den naam van Jesus boetvaardigheid en vergeving van zonden onder al de volken moet verkondigd

269

-ocr page 278-

OVER DE KLEINERE

■wordenquot; (Ltic. 24, 47.), daarom moeten de Priesters vooraf het geloof, dat zij zullen prediken, voor den Bisschop openlijk belijden. Daarom wendt de Bisschop met den mijter op het hoofd en den herdersstaf in de hand als wachter van het geloof zich tot de nieuwgewijden, en laat hen staande voor het altaar met luider stemme de Apostolische Geloofsbelijdenis uitspreken. Zij leggen deze belijdenis staande af tot teeken hunner bereidwilligheid, om overal heen te gaan tot verkondiging van het h. geloof en daarvoor zelfs hun leven te geven. Op deze belijdenis legt de Bisschop hun afzonderlijk, terwijl zij voor hem nederknielen, de beide handen op en spreekt: «Ontvang den H. Geest. Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven; en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden.quot; Christus heeft aan zijn Apostelen, door dien Hij op hen Mies, de macht van zonden te vergeven medegedeeld. Hij kon dit doen; de Geest, dien Hij mededeelde, was toch de Geest, die uitgaat van Hem en den Vader. Maar wanneer de Bisschop, die niet zooals Christus God, maar slechts een mensch is, den H. Geest mededeelt, dan kan deze Geest niet. van hem, maar alleen van bovea komen; en dit wordt door de handenoplegging zinnebeeldig voorgesteld.

Wijl nu alle volmachten van het Priesterschap in de nieuwgewijden zijn ontvouwd, daarom maakt de Bisschop bij ieder het Misgewaad, wat tot nu toe rugwaarts nog was opgevouwen, los, zoodat het geheel is ontplooid en spreekt: «Met het kleed der onschuld kleede de Heer u!quot; Het oogenblik is nu gekomen, dat de Bisschop de nieuwgewijden heenzendt, opdat zij arbeiden aan het groote gebouw van Gods rijk; maar wijl geen rijk bestaan kan zonder eenheid en ondergeschiktheid, daarom vordert hij van hen, alvorens hij ze gaan laat, de belofte der kerkelijke gehoorzaamheid. Hij neemt ieders handen in de zijne en spreekt tot hem; «Belooft gij aan mij en

270

-ocr page 279-

EN GROOTERE ORDEN.

mija opvolgers eerbied en gehoorzaatnlieid ?quot; En de nienw-gewijde antwoordt: »Ik beloof.quot; Deze ceremonie is zeer beteekenisFol. De gewijden leggen hun handen in die des Bisschops, om daardoor aan te toonen, dat, evenals hun handen in elkander zijn gelegd, zoo ook hunne harten in trouw en liefde met dat des Bisschops zijn vereenigd en zij hunnen wil aan dien des Bisschops in een volkomens gehoorzaamheid onderwerpen. Terwijl dan de Bisschop de handen des nieuwgewijden nog in de zijne houdt, kust hij hem met de woorden : » De vrede des Heeren zij steeds met u.\'\' Zoo laat de Bisschop de nieuwgewijden niet als een heer zijn dienaren, maar als een vader zijn zonen heengaan. Waar deze schoone verhouding blijft voortbestaan, daar heeft de gehoorzaamheid geen bezwaren; hare oefening is veeleer een bron van den zoetsten vrede. De Bisschop richt eindelijk tot de nieuwgewijden de vermaning, het H. Offer ten allen tijde naar het voorschrift en in den geest der Kerk te vieren en zendt hen heen met den plechtigen zegen: «De zegen des almachtigen Gods, des Vaders en des Zoons en des H. Geestes kome over u neder, opdat ge zijt gezegend iu de priesterlijke waardigheid en opdraagt het Zoenoffer voor de zonden en misstappen des volks aan den almachtigen God, wien eer en lof zij in alle eeuwigheid. Amen.quot;

4) Wij hebben nog het Episcopaal of de Bisschops-wjding te beschouwen, waardoor aan een Priester de macht, de Sacramenten des Vormsels en des Priesterschaps toe te dienen en de hem toevertrouwde Kerk te regeeren, wordt medegedeeld. De Bisschopswijding is de^voltooiing en de voleinding van het Priesterschap, Door het laatste wordt de macht over het werkelijke en Geheimvolle Lichaam, d. i. de macht tot het veranderen van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus en tot het vergeven van zonden medegedeeld. Maar deze macht is beperkt en als gebonden, in zoover de Priester wel

271

-ocr page 280-

OVER DE KLEINERE

zelf ze uitoefenen, maar aan geen ander opdragen, d. i. [ie)

niemand tot Priester kan wijden. Door de Bisschopswij- W

ding daarentegen wordt het Priesterschap verder uitge- wij

strekt en in zijn vollen omvang medegedeeld, zoodat een ge-Bisschop de macht heeft, zijn volmacht ook aan anderen

op te dragen en ze tot Priesters en Bisschoppen te wij- wi;

den. Wijl door de Bisschopswijding niet een geheel nieuwe Zo:

macht verleend, maar alleen de priesterlijke macht vol- de

maakt en in hare algeheele uitgestrektheid wordt mede- teL

gedeeld, daarom maken de Bisschops- en Priesterwijding Ja)

eigenlijk slechts éene wijding uit. Uit het gezegde volgt bis

ook, dat slechts degene, die bereids Priester is, tot Bis- Bis

schop kan gewijd worden; het spreekt vanzelf dat toch ter

alleen dat, wat reeds aanwezig is, kan uitgestrekt en noj

volmaakt worden. in

Of het Episcopaat een Sacrament is, daarover heeft de rig

Kerk zich wel niet bepaald uitgesproken, doch het wordt vai

er toch algemeen voor gehouden. Hiervoor getuigt ook dei

de H. Schrift. Want die plaatsen, welke de sacramen- da;

teele waardigheid der wijding in \'t algemeen bewijzen, scl

hebben betrekking op de wijding van den H. Timotheus, bet

die Bisschop was. De H. Vaders spreken veelmaals over en eene aan de Bisschopswijding eigenaardige genaden en

hunne uitspraken, dat het Priesterschap een Sacrament wc

is, ziet dikwijls niet op de eigenlijke Priester, maar op toi

de Bisschopswijding. Ook de omstandigheid, dat de Bis- doi

schopswijding een onuitwischbaar merkteeken indrukt en kit

daarom niet meer herhaald mag worden, pleit voor hare as:

sacramenteele waardigheid. Hoe ware het eindelijk ienk- ze

baar, dat het Episcopaat geen Sacrament zou wezen, wijl cei

de Bisschoppen krachtens de goddelijke verordening hoo- zie

ger staan en veel gewichtiger en zwaarder ambtsverrich- wi

tingen hebben te vervullen dan de Priesters? Zou een ge

272

wijding, die de hoogste is en zoodanige zware verplich- h. tingen in zich sluit, geen Sacrament zijn, daar wel reeds

....

-ocr page 281-

EN GSOOTERE ORDEN.

het Diaconaat en het Presbyteraat een Sacrament is? Wij kunnen derhalve als zeker stellen dat de Bisschopswijding de waardigheid van een waar door Christus ingesteld Sacrament bezit.

Laten wij nu de cereraonien, waaronder de Bisschopswijding wordt toegediend, leeren kennen. Zij moet op een Zondag plaats vinden, wijl het een Zondag was, waarop de H. Geest met de volheid zijner genaden op de Apostelen nederdaalde, of op een feest eens H. Apostels, omdat de Bisschoppen de opvolgers der Apostelen zijn. De bisschoppelijke wijding zelf noemt men Consecratie en den Bisschop, die ze mededeelt. Consecrator. Er moeten echter behalve den consecreerenden Bisschop bij de wijding nog twee andere Bisschoppen tegenwoordig zijn eu alleen in geval, dat de samenkomst van drie Bisschoppen zwarigheden heeft, dispenseert de Paus hierin, dat de plaats van den tweeden en derden Bisschop door abten of andere gevolmachtige Priesters wrordt waargenomen. Op den dag, die de wijding voorafgaat, moeten ds te wijden Bisschop en diens Consecrator vasten en wel naar het voorbeeld der Apostelen, die eveneens vastten, toen zij Saulus en Barnabas door gebed en handenoplegging wijdden.

Op den dag der wijding zelf zijn in de kerk, waar zij wordt medegedeeld, twee Altaren, een voor den Consecrator en een voor den te wijden Bisschop, feestelijk uitgedost. Nadat alles is voorbereid, wordt de wijdeling, gekleed met de kleeding eens Priesters, door de twee assisteerende Bisschoppen geleid voor den Consecrator, die ze in het midden voor het altaar zit op te wachten. Deze ceremonie herinnert aan die tijden, als de heiligste mannen zich verborgen, weenden en smeekten, de bisschoppelijke waardigheid niet op zich te nemen en dikwijls als met geweld tot het altaar moesten gebracht worden, om de h. wijding te ontvangen. De oudste der beide assisteerende

18

273

-ocr page 282-

274 OVER DE KLEINERE

Bisschoppen spreekt tot den Consecrator; «Hoogwaardigste dn Vader, onze H. Moeder, de Kath. Kerk, verlangt, dat gij ge dezen aanwezenden Priester tot de -waardigheid van het is bisschoppelijk ambt verheft.quot; Hierop spreekt de Consecrator : » Hebt ge daartoe een apostolische volmacht ?quot; De tei assistent antwoordt: «Die hebben wij.quot; Waarop de de: Consecrator : »Dat ze gelezen worde.quot; Volgens de be- scl staande kerkelijke wet nu mag geen Priester tot Bisschop »I gewijd worden, indien zijn keus niet vooraf door den oj) Paus zelf als zoodanig is bekrachtigd. Na voorlezing der tei pauselijke bekrachting wordt de te wijden Bisschop over Bi geloof en zeden beproefd, ingevolge de vermaning des he Apostels : (I Tim. 5, 22.) » Leg niemand haastelijk de han- ve den op !quot; De Consecrator stelt op de eerste plaats acht m; vragen, die op den wandel des Bisschops en op de be- de diening zijns ambts betrekking hebben en op elke vraag w( staat de wijdeling op en antwoordt: » Ik wil.quot; De Conse- dii erator sluit zijn vragen met de woorden : » Dit alles en he de overige gaven verleene de Heer u ; Hij beware en ver- ve sterke u in alle goed.quot; Alsdan volgen negen vragen over en het geloof, waarop de wijdeling antwoordt : »Ik stem toe he en zoo geloof ik.quot; En de Consecrator spreekt: » Dit ge- do loof gelieve de Heer in u te vermeerderen tot de ware en op eeuwige zaligheid, geliefdste broeder in Christus!quot; Nu is, neemt het H. Misoffer zijn aanvang. De wijdeling bidt he ter linkerzijde van den Consecrator het trappengebed; he terwijl nu deze het altaar bestijgt, wordt de wijdeling lij door de beide assisteerende Bisschoppen naar zijn eigen tr( altaar geleid. Daar wordt hij met het bisschoppelijk schoei- ra sel, het boetekruis, de afhangende stool, de tuniek, de en dalmatiek en het Misgewaad gekleed, waarop hij met gs den Consecrator het H. Misoffer voortzet tot na den Epis- w tel. Wijl de Bisschop alle afzonderlijke wijdingen in zich pr vereenigt, daarom wordt hij met alle kleederen, die de ver- vc schillende wijdingen te kennen geven, gekleed. De stool

-ocr page 283-

EN GrUOOTEUE ORDEN.

draagt hij recht neerhang-end, uiet over de borst samengevoegd, omdat zijn macht niet gelijk die des Priesters is gehouden, maar onbeperkt en volkomen.

Na den Epistel begint de wijding zelf. De Assistenten leiden den wijdeling naar den Consecrator, die, midden voor het altaar zittend, hem de plichten des bis-schoppelijken ambts met korte woorden op het hart drukt; »De Bisschop moet oordeelen, uiileggen, wijden, ordenen, offeren, doopen en vormen.quot; Elke vermaning, deze plichten trouw te vervullen, blijft hier weg; want in den Bisschop wordt bereids zulk een duidelijke kennis van het gewicht zijner plichten en zulk een volmaaktheid verondersteld, dat hij geen verdere onderrichting en vermaning meer behoeft. Nadat de Consecrator de omstanders tot het gebed voor den wijdeling heeft verzocht, wordt op dezelfde wijze, zooals bij de voorgaande wijdingen, de litanie van alle Heiligen gebeden, opdat voor hem het gebed der strijdende en zegevierende Kerk zich vereenige. Hierop knielt de wijdeling voor den Consecrator, die hem met behulp der assisteerende Bisschoppen het open Evangelieboek op nek en schouders legt. Daardoor wordt hij herinnerd, dat hij als Bisschop wel de opziener, geestelijke wetgever en rechter der geloovigen is, maar hij zelf onder een hoogere macht staat en in het waarnemen van zijn ambt zich volgens de wet van het Evangelie heeft te gedragen. Thans volgt onmiddellijk de eigenlijke wijding, die op deze wijze wordt voltrokken : de Consecrator en de assisteerende Bisschoppen raken met beide handen het hoofd van den wijdeling aan en spreken: »Ontvang den H. Geest.quot; De Consecrator gaat voort: «Wees, o Heer, onze heden genadig en dewijl Gij over dezen uwen dienaar bereids de hoorn der priesterlijke genade hebt uitgestort, verleen hem ook de voleinding uws zegens.quot; Deze Uandenopleqc/inq en het

275

-ocr page 284-

-O

276 OVER DE KLEINERE

daarmede verbonden (/ebnd is het zichtbare teeken, waar- zal door de sacramenteele genade van het Episcopaat wordt teli medegedeeld. Op deze wijze dienden reeds de Apostelen het dit Sacrament toe. Het is vol heteekenis, dat da Bisschoppen kortweg spreken : »Ontvang den H. Geest,quot; de zonder er in het bijzonder aan toe te voegen, waartoe de nieuwe ziii Bisschop den H. Geest zal ontvangen. Dit geschiedt, wijl me de Bisschop tot alle kerkelijke ambten gewijd wordt en pn hij de bron van allen zegen en heiliging voor de geloo- ge-vigen zal wezen. Vandaar wordt niet de een of andere de gave des H. Geestes hem medegedeeld, maar hij erlangt da! den H. Geest met de geheele volheid zijner genaden.

Alsdan volgt een lang gebed, waarin de werkingen des lijl

H. Geestes geprezen en zijn genaden over den nieuwen wi

Bisschop worden afgeroepen. De slotwoorden van dit ge- mt

bed : »Voltrek in uwen Priester de volheid uwer be- op\'

diening en heilig hem met den dauw der hemelsche zal- tig

vingquot; — vormen den overgang tot de volgende ceremo- tot

nie. Den nieuwen Bisschop wordt een fijne linnen doek tig om het hoofd gewonden en de Consecrator zalft, nadat

hij knielend de hymne: »Kom Schepper Geestquot; heeft is

aangeheven, met het h. chrisma deszelfs tonsuur eerst Bi

kruiswijze en vervolgens de geheele vlakte, sprekend: sc

»Uw hoofd worde gezalfd en gewijd met den hemelscheu sti

zegen tot de bisschoppelijke waardigheid.quot; Evenals de A

olie uiteenvloeit, zoo zal de H. Geest, die door de han- dc

denoplegging over den Bisschop is nedergedaald, in zijn dn

ziel uiteenvloeien en haar geheel vervullen. Dit is ook vc

de inhoud van het daaropvolgend gebed. Vervolgens wor- d(

den ook de vingeren, die reeds bij de Priesterwijding df

gezalfd waren en de palmen der handen onder passende te

gebeden gezalfd. Van den Bisschop moet de volheid des g\'1

zegens en der wijding uitvloeien ; daarom wordt hij met k chrisma, wat een ieder weet, dat uit balsem en olijfolie

bestaat, gezalfd. Ook het hoofd des Bisschops wordt ge- ^

,

-ocr page 285-

EN GROOTERE ORDEN.

zalfd. omdat hij het hoofd is der hem onderhoorige geestelijkheid en om aau te duiden, dat het zijn ambt is, de hem toevertrouwde geloovigen met wijsheid te regeeren.

De inwendige wijding des Bisschops is thans voleind; de genade des H. Geestes doordringt hem, zoodat hij ziin verheven ambt tot heil der menschen kan waarnemen. Dit ambt, dat drievoudig is, namelijk het/eeraws-, priester- en herdersambt, wordt hem nu door het overgeven van drie passende zinnebeelden opgedragen en door de daarmede verbonden gebeden de genade voor hem daartoe afgesmeekt.

Het zinnebeeld van het herdersambt is de bisschoppelijke herdersstaf. Deze wordt door den Consecrator gewijd en vervolgens den nieuwen Bisschop overgegeven met de woorden : »Ontvang den staf des herdersambt, opdat gij bij het bestraffen der misstappen liefdevol tuchtigt, gericht houdt zonder gramschap, bij vermaningen tot deugd de gemoederen zacht aantrekt en in een rus-tigen ernst van de tucht niet afwijkt.quot;

Het zinnebeeld van het Priesterambt is de ring. Het is op de eerste plaats het teeken van de verbintenis des Bisschops met de Kerk. Maar deze inwendige band tus-schen hem en de Kerk, zijn Bruid, wordt bewaard en steeds vaster toesehaald door het H. Offer, zooals de H.

O \'

Ap. Paulus schoon opmerkt, dat Christus door zijn offerdood »zich zeiven voor de Kerk heeft overgeleverd, opdat Hij zelf aau zich zeiven volheerlijk de Kerk zoude voorstellen.quot; (Eph. 6, 25, 27). — Ook den ring zegent de Consecrator, steekt dien den nieuwen Bisschop aan den vinger en spreekt: «Ontvang den ring, d. i. het teeken van trouw, opdat gij, gesierd met een onbevlekt geloof, de bruid Gods, te weten de Kerk ongeschonden moogt bewaren.quot;

Het zinnebeeld van het leeraarsambt is het Evangelie-hoek. Dit overhandigt de Consecrator met behulp der

277

-ocr page 286-

OVER DE KLEINEHE

assisteerende Bisschoppen aan den gewijde gesloten, doordien hij spreekt: »Ontvang het Evangelie en ga been en predik het aan het u toevertrouwde volk ; want God is machtig, om in u zijne genade te vermeerderen.quot; Hierop ■wordt aan den nieuwen Bisschop door den Consecrator en de beide assistenten den vredekus gegeven ten teeken, dat hij thans hun medebroeder is, zooals ook de Bisschoppen van de oudste tijden af naar het voorbeeld der Apostelen zich onder elkander broeders noemden.

Nu wordt het H. Misoffer voortgezet, waarbij de gewijde voor de opoffering aan den Consecrator twee aangestoken kaarsen, twee brooden en twee kannetjes met wijn ten offer brengt. Dit gebruik stamt af van de eerste christelijke tijden, toen de geloovigen, die aan het H. Misoffer en bijzonder aan de H. Communiën deelnamen, datgene, wat tot het vieren daarvan noodig was, zelf medebrachten. De nieuwe Bisschop betreedt nu hetzelfde altaar, waarop de Consecrator het H. Offer viert en zet het met hem gemeenschappelijk voort. Beiden hebben slechts éene hostie en zooveel wijn in den kelk als voor beiden toereikend is. Bij de Communie deelt dan de Consecrator aan den gewijde van het Lichaam des Heeren mede en drinken beiden het H. Bloed uit denzelfden kelk. Daardoor wordt de innige vereeniging der Bisschoppen uitgedrukt, die des te duidelijker moet blijken, hoe hoo-ger de kerkelijke waardigheid is.

Voor het laatste Evangelie zegent de Consecrator den mijter, dien hij den nieuwen Bisschop opzet en de handschoenen, die hij hem aantrekt, steekt hem vervolgens den afgetrokken ring weder aan den vinger en stelt hem op den bisschoppelijken troon. Daar ontvangt de nieuw-gewijde van de ondergeschikte geestelijkheid tot teeken van hulde den handkus. Hierin bestaat het plechtig in bezit nemen van de aan hem toevertrouwde Kerk. De mijter is het zinnebeeld der geestelijke veldheerswaardig-

278

-ocr page 287-

EN GBOOTERE ORDEN.

heid des Bisschops, die zijn geloovigen in den strijd tegen de vijanden des heils oyeral moet voorgaan. De beide spitsen des mijters, die volgens den inhoud van het wijdingsgebed » de hoornen der beide testamentenquot; beteekenen, herinneren den Bisschop, dat hij als opperste leeraar een degelijke kennis van het Oude en quot;Nieuwe Verbond moet bezitten. Ook de beteekenis der handschoenen is in het wijdingsgebed uitgesproken. Evenals namelijk Jacob eens zijn handen met geitenvelletjes bedekte, om op zijn ouderen broeder te gelijken en daardoor voor zich den zegen zijns vaders Isaak verwierf, zoo verschijnt ook de Bisschop met bedekte handen aan het altaar, om in de reinheid des nieuwen menschen, die van den hemel is nedergedaald, zich aan God, den hemelschen Vader voor te stellen en door het Heiligste Offer den rijksten zegen ervan voor zich en de geloovigen te verwerven.

De Consecrator stemt thans den Ambrosiaanschen lofzang : » Te Deum laudamus, U o God loven wij,quot; aan. waarin het tot nu verweesde volk in een h. vreugde, weder een goeden herder te hebben, mede instemt. Onder dit gezang gaat de nieuwgewijde, door de Assistenten begeleid, door de ruimte der kerk, om zich aan het volk als Opperherder te vertoonen en geeft vervolgens, tot het hoogaltaar teruggekeerd, voor de eerste maal den plech-tigen bisschoppelijken zegen. Hierop nadert hij den Consecrator en zingt tot dankzegging voor de door hem ontvangen wijding, driemaal knielend en driemaal met verheffing van stem; »Ad muitos annos, nog vele jaren,quot; d. i. moge God u voor het welzijn zijner Kerk het leven sparen. Vervolgens ontvangt hij van den Consecrator en de assisteerende Bisschoppen den vredekus, leest het Evangelie van den H. Joannes: »In begin was het woord,quot; gaat dan naar zijn altaar terug en ontkleedt zich.

Dit, Aand,, zijn de voornaamste ceremonien, die bij de h. wijdingen voorkomen. Zooals ge ziet, zijn ze alle van

279

-ocr page 288-

OVER DE KLEINERE

de grootste tot de kleinste zeer leerrijk en beteekenis- van

vol. Tegelijk doen die h. wijdingen ons inzien, met welk erg0

een ware moederlijke zorgvuldigheid de Kerk er op uit ut

is, voor het toedienen der goddelijke Geheimen toch waar- u;tZi

dige dienaren te bekomen. Slechts van lieverlede en van gok

trap tot trap laat zij hen tot de hoogte van het Pries- erla!

terschap opklimmen. Met de grootste omzichtigheid kiest de

zij hen uit het getal der geloovigen en legt hun slechts bidc

dan de handen op, als hun waardig zijn veelvuldig is gesl

beproefd en door duidelijke bewijzen is gebleken. En den

indien zij een zekeren wijdingstrap hebben bestegen, be- hen

vordert de Kerk hen niet aanstonds tot een hooger, maar Om

wacht een langen tijd, om ze op nieuw te beproeven. tert

Tusschen de lagere wijdingen en het Subdiaconaat, en bij

tusschen elke hoogere wijdingen afzonderlijk moet er hee

volgens kerkelijk voorschrift altijd een jaar verloopen; PH

en alleen met een pauselijke volmacht kunnen de Bis- Aa

schoppen om rechtmatige redenen die tijden inkorten, der

evenwel zoo, dat niemand twee hoogere wijdingen op éen daj

dag mag ontvangen. Wijl de Kerk nu alles, wat in haar dei

vermogen is, aanwendt, om alleen waardige Priesters te alt

erlangen, daarom is het voorzeker niet meer dan billijk, hu

dat ge haar door uw gebed ondersteunt. Wat kan voor zij

u van meer gewicht zijn dan goede, waardige Priesters, Gt

wijl uw eeuwig heil in hunne handen is gelegd ? Wan- trc

neer God het toelaat, dat geen herders, maar huurlingen Pi

in den schaapstal zich indringen, aan wie dan het grco- be

tere nadeel dan juist aan de geloovigen ? Hoe ongeluk- m

kig is een gemeente, aan wie plichtvergeten zielzorgers H

ten deel vallen ! Geloof, godsdienstig leven en goede zeden gf

verdwijnen meer en meer, daarentegen grijpen ongods- to dienstigheid en teugelloosheid meer en meer om zich heen,

en niet weinige zielen vallen het eeuwig verderf ter prooi.

280

Ge hebt alzoo voorzeker alle redenen, God dikwijls, en vurig om goede Priesters te bidden volgens de vermaning

-ocr page 289-

EN GROOTERE ORDEN.

281

van den goddelijken Zaligmaker; (Luc. 10, 2.) v Rog ate ergo doniinum messis, daarom bidt den Heere des oogstes, ut viittat operarios in messem sunrn dat Hij arbeiders uitzende in zijnen oogst.quot; Het gebed der geloovigen is ook het krachtigste middel ten einde goede Priesters te erlangen.quot; » De zending van waardige arbeiders,quot; zegt de H. Hilarius, »is een gave des H. Geestes, die op het bidden en smeeken door God over de volken wordt uitgestort.quot; Dit wisten de eerste Christenen ; daarom hielden zij vasten en baden, als de Apostelen eenigen van hen afzonderden en hun de handen oplegden. (Htind 13, 3). Om deze reden heeft de Kerk verordend, dat op de Quatertemperdagen, die voor het toedienen der h. wijdingen bij voorkeur bestemd zijn, de Christenheid over de ge-heele wereld vaste en bidde, om van God waardige Priesters en zielzorgers af te smeeken. Laat derhalve, Aand., niet achterwege, dikwijls en vurig, maar bijzonder op de dagen der wijdingen en op de Quatertemperdagen tot God te smeeken, dat hij steeds goede arbeiders in zijnen wijngaard zende. Gedraagt u echter ook altijd eerbiedig en liefdevol jegens de Priesters, volgt hun onderwijzingen en gebruikt de genademiddelen, die zij u tol uwe rechtvaardiging en heiliging toedienen. Geloof mij, het zal u eenmaal op het sterfbed een zoete troost wezen, als gij kunt zeggen, ten allen tijde de Priesters en zielzorgers in eere gehouden en hun een bereidwillige gehoorzaamheid bewezen te hebben; gij moogt dan met vertrouwen hopen, dat Jesus Christus, de Hoogepriester in eeuwigheid, dien gij in zijn Priesters geeerjl en bemind hebt. u voor de zijnen erkennen en tot de vreugde der uitverkorenen zal beroepen.

-ocr page 290-

282 OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID

verl vol\'

OVER HET HUWEJLIJK, des

lijh

Evenals het Priesterschap, zoo is ook het Huwelijk wel met

voor het menschelijke geslacht noodzakelijk, maar het is Ilu

niet noodzakelijk, dat iedereen deze Sacramenten ontvangt; din het ontvangen ervan staat, in \'t algemeen gesproken, een ieder vrij. Wat het huwelijk betreft, zoo is het zelfs beter, dat men dit Sacrament niet ontvangt; want de maagdelijke staat is voortreffelijker dan de huwelijksstand,

weshalve de Apostel zegt: (I Cor. 7, 38.)»Die zijn maagd hui

uithuwelijkt, doet wel; maar die haar niet uithuwelijkt, bh

doet beter.quot; Vandaar verklaart ook het Conc. v. Tr. : hu. »Zoo iemand beweert, dat de huwelijksstaat moet gesteld

worden boven den maagdelijken staat of het celibaat G(

(ongehuwde staat) en het niet beter en godzaliger is, in Ac

den maagdelijken of ongehuwden staat te blijven, dan zich (G

in den echt te begeven, die zij in den ban.quot; (Zitt. 24. ve

Can. 10.) Intusschen is ook de huwelijke staat niet enkel w:

geoorloofd, maar zelfs goed en Gode welgevallig en leidt, m

indien hij goed wordt nageleefd, tot de eeuwige zaligheid. vc

Over het Huwelijk zal ik u breedvoerig onderhouden en G

spreek u eerst over de Sacramenleele waardigheid en st

onontbindbaarheid des Huwelijks. m

g\'

tf

a\'

I 1- h

ti

Over de Sacramenteek waardigheid en ononttind- z.

baarheid des Huwelijks. e

l

Om u de geloofswaarheden, dat het Huwelijk een Sa- a crament en onontbindbaar is, volledig en bevattelijk te i

I

-ocr page 291-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HÜWELIJKS. 283

verklaren, moet ik u volgens den Catechismus de vijf volgende vragen beantwoorden: 1) wat is het Sacrament des HuwelijJcs ? 2) Vamvaar toeten toij, dat het llmoe-lijk een Sacrament is ? 3) Hoe ontvangt men het Sacrament des Huioelijks ? 4) Vanwaar toeten wij, dat het Huwelijk onontbindbaar is ? o) Wat toil zeggen, scheiding van tafel en bed?

T. Wat is het Sacrament des Huioelijks ?

Het Huwelijk is dat Sacrament, waardoor twee ontjc-Imwde personen, man en vromv, zich met elkander verbinden en van God de genade ontvangen, de plichten van hun staat tot in den dood getroum te vervullen.

Het Huwelijk is zoo oud als liet menschelijke geslacht; God heeft het bereids in het paradijs ingesteld. Nadat Hij Adam en Eva had geschapen, zegende Hij hen en sprak: (Gen. 1, 28.) «Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde.quot; Adam en Eva zouden alzoo nuar den wil Gods in een echtelijke gemeenschap leven, opdat het menschelijk geslacht voortgeplant en de aarde, die Hij voor de menschen had geschapen, zou bevolkt worden. God had intusschen bij de instelling van den huwelijken staat nog een ander oogmerk: beider geslachten, het mannelijke en vrouwelijk geslacht, zouden door een innige over den langen levensbaan zich uitstrekkende verbintenis elkander wederzijds helpen en ondersteunen. De vrouw als het zwakkere deel had een steun noodig; dit zou haar door hare verbintenis met den man als den sterkeren ten deel vallen. De man behoeft in vele dingen een verzorging; dit zou hij door zijne verbintenis met de vrouw erlangen. Ook dit doel heeft God op het oog, doordien Hij spreekt: (Gen. 2, 18.) » Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; laat ons hem een hulpe maken, hem tot een wederga.quot; De huwelijke staat heeft alzoo op de eerste

-ocr page 292-

284 OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID

plaats een tweevoudige bestemming; het voortplanten van het menschelijke geslacht en de wederzijdsche ondersteuning van man en vrouw.

God heeft Adam met Eva, éen man met éene vrouw verbonden; het was vandaar zijn wil, dat éen man slechts éene vrouw zou hebben. De veelwijverij (polygamie) is bijgevolg in tegenspraak met de oorspronkelijke instelling van het huwelijk. Daarom ook zegt Christus: (Matth. 19, 4—6.) 0 Hebt gij niet gelezen, dat Hij, die iu den beginne den mensch heeft geschapen, hen man en vrouw heeft gemaakt en gezegd: hierom zal de man vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen en de twee zullen in éen vleesch zijn. Zoo zijn zij niet meer twee, maar éen vleesch.quot; Deze oorspronkelijke, door God zelf verordende eenheid des Huwelijks moest echter bij de ontaarding van het menschelijk geslacht voor de polygamie plaats maken. Reeds Lamech nam twee vrouwen; Esau had er drie en de wijze, waarop Laban zijn beide dochters, Lia en Rachel, aan Jacob bracht, bewijst, dat men het in die tijden voor onaanstootelijk hield, man te zijn van meerdere vrouwen. Men kan ook niet zeggen, dat de polygamie toenmaals zondig was; God duldde ze in het Ouds Verbond, zooals zooveel andere verkeerdheden, om nog ergere rampen te verhoeden. Christus echter, die gekomen is, de wet te volmaken en de menschen op een hooger trap van zedelijkheid te verheffen, bracht het huwelijk weder tot hare oorspronkelijke eenheid terug. Hij zegt : (Luc. 1G, 18.) «Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat en een andere huwt, doet overspel.quot; Indien reeds hij é3n overspeler is, die zijn vrouw verlaat en een andere huwt, zoo is hij het nog veel meer, die zijn vrouw houdt en daarbij nog een ander neemt. De polygamie is derhalve blijkbaar tegen de wet van Christus, weshalve ook de Kerk ze ten allen tijde allerstrengst heeft verboden.

Christus echter heeft het Huwelijk niet enkel tot zijn

-ocr page 293-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS.

oorspronkelijke eenheid teruggebracht, maar het ook tot de vxaardir/heid van een Sacrament verheven. Het Huwelijk, zooals God het in het paradijs heeft ingesteld en zooals het in het geheele Oude Verbond bestond, was slechts een natuurlijke verbintenis, een door God verordende overeenkomst tusschen man en vrouw, waardoor zij zich tot een echtelijk leven vereenigen. De echtelieden verkregen zonder twijfel den zegen Gods ; maar deze zegen was met geen heiliging verbonden, maar had alleen betrekking op de voortplanting van het menschelijk geslacht en andere aardsche goederen. Eerst Jesus Christus veiedelde en heiligde het Huwelijk, gaf er een hoogere waarde aan, maakte het tot afbeelding zijner vereeniging met de Kerk en verhoud er bovennatuurlijke gaven aan, kortom. Hij verhief het tot een Sacrament. Het Huwelijk des Christens staat derhalve ongelijk hooger dan dat der Joden. De Christenen zouden niet meer, zooals de Joden, een vleeschelijk, maar een heilig volk wezen en niet meer enkel de aarde, maar ook den hemel bevolken; daarom heiligde Christus het Huwelijk en maakte het tot een Sacrament. Bekwamen de echtelieden in het Oude Verbond van God den zegen, om het menschelijk geslacht op aarde vourt te planten, zoo verkrijgen de cbrist. echtelieden bovendien nog de genade, hunne kinderen voor den hemel op te voeden en over het algemeen de plichten van hun staat tot in den dood getrouw te vervullen.

II. Vanwaar weten wij dat het Huwelijk een Sacrament is ?

Dat het Huwelijk een Sacrament is, weten wij :

1) Uit de H. Schrift-, want de Apostel duidt het Huwelijk in de Kerk uitdrukkelijk als een groot Geheim of Sacrament aan. De hierop betrekkelijke plaats luidt: (Eph, 5, 23 enz.) «De man is het hoofd van de vrouw,

285

-ocr page 294-

286 OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID

gelijk Christus het hoofd is van de Kerk, Hij, Zaligmaker van zijn lichaam (Kerk). Maar gelijk de Kerk onderworpen is aan Christus, zoo ook de vrouwen aan hare mannen in alles. Mannen, hebt uwe vrouwen lief, gelijk ook Christus de Kerk heeft liefgehad en zich zeiven heeft overgeleverd voor haar, opdat Hij haar heilig zoude maken, .... zoo zijn ook de mannen schuldig, lief te hebben hunne vrouwen, als hunne lichamen. Die zijn vrouw lief heeft, heeft zich zeiven lief.... Hierom zal de man zijnen vader en zijnen moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen en de twee zullen in éen vleesch zijn. Sacramentum hoe magnum est, deze Geheimenis is groot, ego auiem dieo in Christo et in ecclesia, doch ik zeg in Christus en in de Kerk.quot; Zooals ge ziet, duidt hier de Apostel het Huwelijk als een afbeelding der vereeniging van Christus met zijn Kerk aan en maakt hieruit de gevolgtrekking, dat de christ. echtelieden zich jegens elkander evenzoo moeten gedragen, als Christus zich jegens de Kerk en de Kerk daarentegen zich jegens Christus gedraagt. Hierna sluit hij met de woorden : »Deze Geheimenis is groot, doch ik zeg in Christus en in de Kerk.quot; Hiermede wil hij zeggen : het Huwelijk van een christ. standpunt beschouwd, is een groot Geheim; want zij is een afbeelding, een zichtbaar teeken der vereeniging van Christus met zijn Kerk. Is nu het Huwelijk zooals de Apostel hier met duidelijke woorden uitspreekt, een zichtbaar teeken of een afbeelding der vereeniging van Christus met zijn Kerk, dan moet het noodzakelijk een Sacrament wezen. Christus heeft zich met zijn Kerk niet alleen door de menschwording, maar ook door de genade en liefde verbonden ; »Hij heeft, »zooals de Ap. op de aangehaalde plaats zegt, «haar liefgehad en zich zeiven overgeleverd voor haar, opdat Hij haar heilig zoude maken.quot; Evenals nu de vereeniging van Christus met zijne Kerk een genadevolle vereeniging is, zoo moet

-ocr page 295-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS. 287

dit ook met het Christ. Huwelijk het geval zijn, omdat zij anders geen getrouwe afbeelding der vereeniging van Christus met zijne Kerk is. Is echter het Huwelijk met een genade verbonden, dan is het klaarblijkelijk een Sacrament en deze plaats des Apostels is een bewijs hiervoor.

Dat het Christ. Huwelijk een Sacrament is, laat zich ook opmaken uit de plichten der echtelingen. Zooals ik heb opgemerkt, stellen naar de woorden des Apostels de echtelieden Christus en de Kerk voor. Zij zijn vandaar verplicht, dat zij zich evenzoo als Christus en de Kerk jegens elkander gedragen. Evenals Christus zijn Kerk voortdurend liefheeft, haar reinigt en heiligt, zoo moet ook de man zijn vrouw met een h. liefde zijn toegedaan ; evenals daarentegen de Kerk aan haren Stichter in een trouwe liefde gehoorzaam is, zoo moet ook de vrouw aan haren man in liefde en gehoorzaamheid zich onderworpen betoonen. En evenals Christus de Kerk niet verlaat, en de Kerk haren Bruidegom nimmer ontrouw wordt, zoo moeten de christ. echtelieden in alle omstandigheden des levens in een onverbreekbare trouw bij elkander blijven. Deze plichten, die aan het Huwelijk als afbeelding der vereeniging van Christus met zijn Kerk zijn verbonden, kunnen de echtelingen uit natuurlijke krachten onmogelijk volbrengen ; zij behoeven daartoe een bijzondere genade. Wie zal nu gelooven, dat God den gehuwden plichten oplegt, zonder hun ter vervulling daarvan de noodige genaden te geven ? Hoe liet dit zich met zijne goedheid en rechtvaardigheid overeenbrengen ? Neen, God vordert niets onmogelijks; Hij ondersteunt ons met zijn genade, zoodat wij ons heil kunnen bewerken. Alzoo geeft Hij ook aan degenen, die huwen, de genade, dat zij de plichten, die op hen als christ. echtelieden rusten, kunnen vervullen. Het Huwelijk is bijgevolg met bijzondere genaden verbonden en dus een Sacrament.

2) Voor deze geloofswaarheid getuigt ook de Erjleer

-ocr page 296-

288 OViR DE SACKAMENTEELE WAARDIGHEID

der Kerk. Reeds Tertullianus, omstreeks het jaar 215 gestorven, haalt het Huwelijk nevens het Doopsel, Vormsel en de Eucharistie aan en zegt, dat de woorden des Apostels, die ik pas heb aangehaald, van het Huwelijk als van een Sacrament moeten verstaan worden. Origines, Athanasius en Chrysostomus zeggen, dat aan de echtelijke verbintenis een bijzondere genade is gewaarborgd. Dit kon niet het geval zijn, indien zij geen Sacrament ware. De H. A.mbrosius vordert, dat het Huwelijk door de priesterlijke overlommering en zegen geheiligd worde, en zegt, dat een overspeler geen aandeel aan dit hemelsch Sacrament kan hebben, omdat hij door deze misdaad de genade van het Huwelijk verliest. Deze Kerkleeraar noemt alzoo het Huwelijk uitdrukkelijk een Sacrament en wel in den eigenlijken zin des woords omdat hij er bijvoegt, dat het met een genade is verbonden. Paus Sericius, een tijdgenoot des H. Ambrosius, zegt, dat echtgenooten, die nog bij hetjleven hunner wederhelft tot een nieuw Huwelijk overgaan, een heiligschennis bedrijven. Zoo had de Paus niet kunnen spreken, indien het Huwelijk slechts een burgerlijk overeenkomst ware ; want niet door het schenden van zoo\'n verdrag, maar wel door het misbruik eens Sacraments maakt men zich aan eeu heilio-schennis schuldisr. De H.

O O

Aug. noemt het Huwelijk op schier ontelbare plaatsen een Sacrament. Dat ook deze Kerkleeraar het woord i) Sacramentquot; in een eigenlijken zin van het Huwelijk gebruikt, blijkt onder anderen daaruit, dat hij alleen het Huwelijk der Christenen, niet echter dat der Heidenen als een Sacrament aanduidt, en bovendien over het Huwelijk evenzoo als over het Doopsel spreekt. Hij maakt namelijk tusschen het Doopsel en het Huwelijk een vergelijking en zegt, dat het Sacr. des Huwelijks bij degenen, die zich wederzijds scheiden en een ander Huwelijk aangaan, evenzoo blijft bestaan, als bij de Christenen, die van het geloof afvallen, het Doopsel blijft.

-ocr page 297-

EN ONONTniNDIIAATU1E1D DES HUWELIJKS.

Deze leer der Kerkvaders spreken ook de Conciliën uit. Het derde Cone. v. Laterane van het jaar 1179 on-1 der Paus Alexander III. verbiedt voor het toedienen der Sacramenten, waaronder ook het Huwelijk is aangehaald, , geld aan te nemen. Het tweede Cone. v. Lyon in \'t jaar 1274 zegt onder anderen : De H. Roomsche Kerk houdt vast en leert, dat er zeven H. Sacr. hestaan ; het eerste | is het Doopsel, een ander het Huwelijk.quot; Hetzelfde leeren de Conc. v. Constauze en Florence; en het Conc. v. Tr. verklaart: «Zoo iemand beweert dat het Huwelijk niet waarlijk en eigenlijk een van de zeven Sacr. der evange-:■ lische wet, door Christus, den Heere, ingesteld, maar door de menschen in de Kerk is uitgevonden, die zij in den ban.quot; (Zitt. 23. Can. I.)

3) Dat het Huwelijk een Sacrament is, leert ook de van ons gescheiden Griekscle Kerk. De geloofshervor-mers der 16e eeuw zonden aan den Patriarch Jeremias van Constantinopel hun geloofsbelijdenis (de Augsburger j confessie) en deden moeite de Grieksche Kerk aan hun | zijde te brengen. Toen schreef echter de Patriarch hun terug, dat hij zich met hen niet kon vereeuigen en haalde onder anderen ook als grond aan, dat zij het Huwelijk niet meer als een Sacrament lieten gelden, wat toch de Grieksche Kerk van oudsher als zoodanig: had vastsre-

O O

houdén. Later gelukte het den Protestanten wel, den Patriarch Cyrillus Lucaris voor zich te winnen en hem te bewegen, dat hij desgelijks met uitzondering van Doopsel en Avondmaal alle Sacramenten verwierp; maar , de Grieken stelden zich uit al hun krachten tegen deze nieuwigheid te weer en het Conc. te Constantinopel in ■; \'t jaar 1038 sprak over den Patriarch den banvloek uit en verklaarde plechtig, dat de Grieksche evenals de La-tijnsche Kerk het Huwelijk als Sacrament huldigde. Ook | dc Copten, Jacobieten, Nestorianen en Syriers, die zich

19

289

-ocr page 298-

OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID

reeds vroegtijdig van de Kerk hebben losgescheurd, nemen het Huwelijk als een Sacrameut aan ; — een bewijs, dat het Huwelijk van oudsher voor een Sacrament werd gehouden.

4) De geloofswaarheid, dat het Huwelijk een Sacrament is, laat zich zelfs uit Je rede opmaken.

Het Huwelijk is onontbindbaar; dit hoofdzakelijk deswege, wijl het een afbeelding is der onscheidbare ver-eenigine\' van Christus met de Kerk. Want neemt men

D D

het als een natuurlijke verbintenis tot het voortbrengen van kinderen, dan laat geen grond zich aangeven, waarom het bij de onvruchtbaarheid der vrouw niet geoorloofd zou wezen ze te ontslaan en een andere te huwen. En beschouwt men het Huwelijk als een tegen de wulpsch-heid ingesteld middel, dan laat zich niet inzien, waarom men een zieke echtgenoote niet zou kunnen heenzenden. Is echter het Huwelijk voornamelijk deswege onoplosbaar, wijl het een afbeelding is van de onscheidbare ver-eeniging van Christus met zijn Kerk, dan is het een genadevol teeken en bijgevolg een Sacrament.

Door het Huwelijk moet het menschelijke geslacht worden voortgeplant.. Dit doel is door het verwekken van kinderen nog niet bereikt; ook behoort daartoe hunne opvoeding. Juist daardoor onderscheidt het menschelijk Huwelijk zich van de geslachtsvereeniging der dieren. Maar het is ook nog niet genoegzaam de kinderen enkel tot bruikbare en nuttige lidmaten der maatschappij op te voeden, het is de plicht der christ. ouders, hun kinderen in het geloof te onderwijzen en tot goede Christenen te vormen. Wie ziet niet in, dat deze op de christ. echtelieden rustende verplichtingen van een hoogst ge-wichtigen aard zijn, die zonder de hulp der goddelijke genade zich niet laten volbrengen ? God pleegt echter, zooals ik reeds heb opgemerkt, nimmer plichten op te leggen, zonder tevens tot het vervullen daarvan de noo-

290

-ocr page 299-

EN ONONTBINDBAAUHEID DES HUWELIJKS. 291

dige genade te verleenen. Verheugt nu het Huwelijk zich over den invloed eener bovennatuurlijke genade, dan moet het een Sacrament wezen.

Het Huwelijk is volgens den goddelijken wil onder anderen ook een middel tegen de wulpsclhieid. Nu dealen alle godgeleerden de overtuiging, dat enkel een Huwelijk zonder de genade Gods geen toereikend middel is tegen de wulpschheid, eensdeels wijl de begeerlijkheid ten gevolge van het echtelijk leven veeleer ontstoken dan bevredigd wordt, anderdeels wijl het zich dikwijls voordoet, dat wegens ziekte of afwezigheid der eene wederhelft langzamerhand de wulpschheid binnentreedt. Het was dientengevolge tot heil dergenen, die in den Huwelijken stand treden, noodzakelijk, dat God met den echt een bijzondere genade verbond, en dien derhalve tot de waardigheid van een Sacrament verhief. Deze sacra-menteele genade is een vergoeding, zou men mogen zeggen, voor de toegevendheid, die God met de echtelieden in het Oude Verbond, die het gevaar van wulpschheid door het heenzenden der echtgenoote en zelfs door polygamie konden ontkomen, gebruikte.

Het Huwelijk is eindelijk van oudsher in de Kerk onder het heilige gerekend en gewoonlijk door de priesterlijke hand gedurende den godsdienst ingezegend, üe Kerkvaders spreken over het Huwelijk steeds in eerbiedvolle uitdrukkingen. De H. Ambrosius zegt: » Hoe kan daar, waar de eenheid des geloofs ontbreekt, van een Huwelijk spraak zijn, wijl het door overlommering en zegening der Priesterhand moet geheiligd worden !quot; Ter-tullianus schrijft zeer schoon; o Hoe zou ik een behoorlijk tafereel kunnen ophangen van het geluk des Huwelijks, dat de Kerk verbindt, het offer versterkt, waarvan Engelen de bezegeling melden, dat de Vader welgevallig aanneemt!quot; Ware nu het Huwelijk slechts een mensche-

-ocr page 300-

OVES DE SACRAMENTEEL 13 WAARDISHBID

lijke overeenkomst, of alleen een burgerlijke levensstaat, dan hadden de H. Vaders daarvan voorzeker niet ia zoodanige eerbiedvolle uitdrukkingen gesproken, noch het met de heiligste zaken in verbinding gebracht.

Zoo overtuigen dan de H. Schrift, de voortdurende Overlevering en zelfs de rede ons, dat het Huwelijk een waar Sacrament is. Het Huwelijk bevat dus ook de tot een Sacrament vereischte stukken, namelijk het uitwendig teeken, de inwendige genade en de instelling door Christus. Het uitwendige teeken is de wederzijdsche in-willing der verloofden in deu huwelijken staat, die voor den eigen pastoor of diens plaatsbekleeder en twee getuigen verklaard en gewoonlijk door een kerkelijke inzegening wordt bevestigd. De inwendige genade van het Huwelijk is, zooals bij elk Sacrament der levenden tweevoudig ; het vermeerdert de heiligmakende genade en verleent aan de echtelieden nog de bijzondere voor hun h. staat noodzakelijke genade, tot in dea dood in liefde en trouw met elkaar te leven en hun kinderen christelijk op te voeden. Wat het derde stuk betreft, zoo kan wel niet bepaald worden aangegeven, wanneer Christus het Sacrament des Huwelijks ingesteld of beter gezegd, wanneer Hij het door God reeds in het paradijs ingesteld Huwelijk tot de waardigheid vau een Sacrament heeft verheven, zooals wij dit ook van het Vormsel en het laatste Oliesel niet weten; dat Hij het evenwel gedaan heeft, blijkt duidelijk hieruit, wijl het Huwelijk, zooals ik u heb aangetoond, met een bovennatuurlijke genade is verbonden, wat het niet zou kunnen zijn, indien het slechts een menschelijk overeenkomst ware.

III. Hoe ontvangt men het Sacrament des Huwelijks?

De Catechismus antwoordt op de vraag, hoe men het Sacr. des Huwelijks ouhanyt, het volgende: de verloof-

292

-ocr page 301-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS. 293

den verklaren voor hm pastoor en twee [jetui//en. dat zij elkander tot man en vromv nemen, waarop de Priester hun verbintenis zegent. Hierin bestaat zonder twijfel het ontvangen van het Sacr. des Huwelijks ; er gaan echter daaraan nog eenige eeremonien vooraf en eenige volgen er op, waarover ik een en ander zal opmerken.

Zijn alle tot het aangaan des Huwelijks vereischte voorwaarden, waarover ik nog uitvoeriger moet spreken, vervuld, dan verschijnen de verloofden, bruid en bruidegom, met twee of drie getuigen in de kerk, om daar het Sacr. des Huwelijks te ontvangen. Hun pastoor of een ander door hem gevolmachtigd Priester komt, gekleed met een koorkleed of albt eu met een witte stool, aan het altaar. Voor hem zijn een weinig van het altaar of voor het Priesterkoor bruid en bruidegom geplaatst, rechts van de bruid de bruidegom, omdat hij in het Huwelijk het hoofd is en links de bruid; achter hen of aan beider zijden nemen de twee of drie getuigen hun plaats in. Ue tegenwoordigheid van den eigen pastoor of van een ander door hem gevolmachtigd Priester, alsmede der twee of drie getuigen is. zooals wij nog hooren zullen, tot de geldigheid van het Huwelijk wezenlijk noodzakelijk, wijl het Conc. v. Tr. dit uitdrukkelijk voorschrijft.

De Priester neemt de kwast met wijwater, besproeit daarmede bruid en bruidegom en spreekt tegelijkertijd; »God besproeie u met den dauw zijner genade ten eeuwigen leven.quot; Vervolgens laat de Priester bruidegom en bruid openlijk en bepaald verklaren, dat zij elkander in den echt nemen. Deze verklaring ziet op het oogenblik en niet in de toekomst, zoodat het Huwelijk gesloten eu bet Sacrament is ontvangen, zoodra de verklaring van beiden wederzijds is gegeven. Zouden zij enkel verklaren, dat zij niet nu, maar ten zijnen tijde willen huwen, dan ware dit geen sluiten van een Huwelijk, maar een Huwelijksbelofte. -— De Priester vraagt in de moedertaal

-ocr page 302-

OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID

eerst den bruidegom: »N. wilt gij N. hier tegenwoordig nemen tot uwe wettige huisvrouw volgens het gebruik van onze moeder de H. Kerk?quot; En de bruidegom antwoordt: »Ja, ik wil.quot; Daarop vraagt hij de bruid: »N. wilt gij N., hier tegenwoordig nemen tot uwen wettigen man volgens het gebruik van onze moeder de H. Kerk?quot;

En de bruid antwoordt; »Ja. ik wil.quot; In deze weder-.

zijdsche, in tegenwoordigheid des pastoors en der twee getuigen afgegeven verklaring van bruidegom en bruid, die zich in den echt begeven, bestaat het wezen des Huwelijks ; het Huwelijk is dus met deze verklaring gesloten en de verloofden zijn echtgenooten geworden. Wat er nu nog volgt, is niet meer wezenlijk noodzakelijk, maar zijn alleen, zooals bij de andere Sacramenten slechts ceremonien. Daarom ook zegt \'de Priester tot meerdere bekrachtiging van het reeds gesloten Huwelijk: «Geeft elkander de rechterhand,quot; legt daarop het eene einde zijns stools, spreekt den zegen over de gehuwden uit, zeggende; »Ik bevestig u in het Huwelijk in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, Amenquot; en besproeit hen vervolgens met wijwater. Met elkander de hand te laten geven wil de Priester als zeggen: opdat ge uw wederzijdsche toestemming in het Huwelijk nog meer aan den dag legget, zoo legt uwe handen in een; hiermede betuigt ge als met eede, dat ge tijdens uw leven elkander getrouw blijven, elkander liefderijk ondersteunen en onder geen voorwendsel hoegenaamd elkander zult verlaten. Ook verzinlijkt het ineenleggen der handen de vereeniging der harten; zoodat zij thans evenals éen lichaam, zoo ook maar éen hart moeten uitmaken. Het opleggen der stool duidt aan, dat het Huwelijk voor het aanschijn der Kerk onder hen gesloten door God wordt bevestigd en de Priester op last van Gods Kerk het als goed erkent; daarom maakt hij plechtig het kruisteeken over hen zeggende: »In den naam des

294

-ocr page 303-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS. 295

Vaders, enz.quot; en toont daarmede tevens aan, dat zij in den naam der H. Drievuldigheid het Huwelijk, waaraan evenals aan de overige Sacramenten de genade door den kruisdood van Jesus toevloeit, hebben gesloten. De Priester besproeit ten laatste de gehuwden met wijwater, om aan te duiden, dat Gods zegen in rijke mate over hen moge nederdalen.

Hierop zegent de Priester den trouwring en spreekt ; »Onze hulp is in den naam des Heeren, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Heere, verhoor mijn gebed. En mijne roepstem dringe tot U door. De Heere zij met u. En met uwen geest. Laat ons bidden. Zegen, o Heer, dezen ring, dien wij in uwen Naam zegenen, opdat zij, die hem draagt, een ongeschonden trouw aan haren bruidegom bewarende, in vrede, en in uwen wil, en in een weder-zijdsche liefde steeds leve. üoor Christus onzen Heer. Amen.quot; Daarna besproeit de Priester den ring kruiswijze met wijwater; en de bruidegom, na den ring te hebben aangenomen, steekt dien de bruid aan den linker ringvinger, terwijl de Priester spreekt : »In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.quot; De ring dient tot een geestelijk onderpand der gehuwden, zoodat evenals de ring rond, onverdeeld, zonder begin en zonder einde is, alzoo ook de echtelijke trouw nimmer door een vreemde liefde of wederzijdsche afgekeerdheid verdeeld, maar in den naam en ter eere Gods, die geen begin en geen einde neemt, begonnen, en tot het einde des levens altijd zuiver en onveranderd moet bewaard worden. De ring wordt aan de bruid gegeven, opdat de vrouw van nature zwakker dan de man gedurig het teeken barer trouw onder de oogen hebbe. Ook laat soms de bruidegom tegelijk een tweeden ring, dien hij zich zelf aan den vinger steekt, wijden, om zijne wederkeerige beloofde trouw aan de bruid nog nader te herinneren. De Priester dóet nu nog een kort gebed en spreekt: »Laat

-ocr page 304-

296 OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID

ons bidden. Zie, bidden wij U, o Heer, op deze uw dienaren neder; en verleen aan uwe instellingen, waardoor Gij de vermeerdering van het mensohelijke geslacht hebt verordend, welwillend uwe hulp ; zoodat zij, die Gij als oorsprong hebt vereenigd, door uwe hulpe gediend worden. Door Christus onzen Heer. Amen.quot; Hierop geeft hij den zegen, zeggende : » De zegen van God, den \'almaoh-tigen Vader en Zoon en den H. Geest dale op u neder en blijve altijd. Amen.quot; Daarna besproeit hij de jonggehuwden met wijwater en spreekt; «God besproeie u met den dauw zijner genade ten eeuwigen leven,quot; en de plechtigheid van het Huwelijk is ten einde.

Doch bijaldien de bruid voor de eerste maal huwt, of ook wanneer zij vroeger den plechtigen Huwelijkszegen nog niet heeft ontvangen, dan moet ook deze nog gegeven worden en wel onder de H. Mis, waarom de reeds genoemde plechtigheden onmiddellijk voor de Mis moeten plaats hebben, of er mochten gegronde redenen bestaan, dat men op een anderen tijd huwt; in dit geval geeft men den plechtigen Huwelijkszegen aanstonds na de vermelde plechtigheden, en sluit daarna op de wijze zooals wij zoo even aangaven : »De zegen van God, den almachtigen Vader enz-,quot; en «God besproeie u enz.quot; Indien men in een besloten tijd huwt, ook dan mag de plechtige Huwelijkszegen niet gegeven worden, maar moet worden uitgesteld tot dat die tijd is verstreken, indien geen wettige dispensatie daarvoor is verkregen.

De plechtige Huwelijkszegen bestaat uit drie gebeden ; de eerste twee gebeuren onmiddellijk na het Paternoster in de Mis en het derde geschiedt na het Ita Missa est, of Benedicamus Domino, waarna de Priester niets zeggende de gehuwden met wijwater besproeit en verderde H. Mis ten einde brengt. Bij de Communie communicea-ren bijna altijd ook de pas gehuwden. — Vóór de laatste besproeiing met wijwater, voor dat de Priester de Mis

-ocr page 305-

EN 0N0NTBINDBAAEHE1D DES HUWELIJKS.

eindigt, is het geschikte oogenblik daar, dat de Priester een toespraak tot de jonggehuwden houdt, en volgens het Missale Romanum (Misboek) hen in een ernstige taal vermane »tot een wederzijdsche Huwelijkstrouw ; dat zij in tijden van gebed en vooral in die der vasten en op Feestdagen zich bijzonder op heiliging toeleggen; en dat de man de vrouw en de vrouw den man steeds liefhebbe, en zij gezamenlijk steeds in de vreeze Gods leven.quot;

IV. Vanwaar weten wij, dat het Huwelijk onontbindbaar is ?

Dat het Huwelijk onontbindbaar is, d. i. duurt tot den dood der eene wederhelft, weten wij uit de H. Schrift, de Overlevering, de praktijk der Kerk en zelfs uit de rede.

1) De Farizeën traden eens op Jesus toe en stelden Hem de vraag foor: (Mare. 10, 2—9.) »Is het eenen man geoorloofd, zijne vrouw te verlaten ? Maar Hij antwoordde en sprak tot hen: wat heeft Mozes u geboden ? En zij zeiden : Mozes heeft toegelaten, een scheldbrief te schrijven en haar (de vrouw) te verlaten. Jesus antwoordde en sprak tot hen ; om de hardheid uwer harten heeft hij u dat gebod geschreven. Maar van den beginne der schepping heeft God hen, man en vrouw geschapen. Hierom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen. En de twee zullen in éen vleesch zijn. Zoo zijn zij niet meer twee, maar éen vleesch. Daarom hetgeen God heeft verbonden, scheide de mensch niet!quot; Tot verklaring dezer plaats moet ik opmerken dat de Mozaïsche wet den man veroorloofde, zijn vrouw om overspel of een dergelijke oorzaak te verlaten. Hij en de verlaten vrouw konden dan tot een nieuw Huwelijk overgaan; want het eerste Huwelijk werd van zijn banden ontbonden. Deze ontbinding des Huwelijks had echter

297

-ocr page 306-

298 OVER DE SACRAMENTEEL!! WAARDIGHEID

Mozes den Joden wegens de hardheid hunner harten veroorloofd, wijl namelijk bij hun onbuigzame en ruwe geaardheid het handhaven des Huwelijks nog grootere onheilen dan de scheiding ervan zou hebben teweeggebracht. Deze omstandigheid stelt Jesus op den voorgrond en verklaart hiermede, dat de scheiding des Huwelijks op zich zelf tegen den wil Gods aandruischte en aan de Joden alleen wegens hun ruwe vleeschelijke geaardheid was toegegeven; maar dat in de nieuwe wet, nu een volmaakter toestand was ingetreden, het Huwelijk weder tot zijn oorspronkelijken staat moest worden teruggebracht en vandaar een scheiding niet langer mocht plaats vinden. Zoo verklaarde Hij ook aan de leerlingen, toen zij Hem hierover te huis navraagden, met de uitdrukkelijkste woorden : (Mare. 10, 11. 12.) »Zoo wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, doet overspel tegen haar. En indien eene vrouw haren man verlaat en met eenen anderen huwt, doet zij overspel.quot; Met den scheidbrief, wil Christus zeggen, dien Mozes aan de Joden veroorloofde, heeft het thans een einde; in het Christendom kan en mag het Huwelijk om geen oorzaak gescheiden worden. Wie het Huwelijk breekt, man of vrouw en op nieuw zich uithuwelijkt, begaat overspel: want «hetgeen God heeft verbonden, scheide de mensch niet!quot;

Evenzoo uitdrukkelijk luidt ook de uitspraak van Christus bij Lucas : (IC, 18.) «Een iegelijk, die zijne vrouw verlaat en eene andere huwt, doet overspel.quot; Evenals op de vorige plaats, zoo verklaart de Heer ook op deze man en vrouw voor overspelers, indien zij hun Huwelijk verlaten en zich met een ander verbinden.

Dezelfde taal spreekt ook de Apostel. Hij laat den gehuwden wel een scheiding van tafel en bed toe, maar verbiedt aan hen een nieuw Huwelijk en verklaart dit uitdrukkelijk als een gebod des Heeren Jesus Christus. Hij schrijft: (I. Cor. 7, 10, 11). «Den gehuwden nu

-ocr page 307-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS. 299

gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw niet van den man scheide. En zoo zij gescheiden is, ongehuwd blijve, of met haren man wch verzoene en de man verlate de vrouw niet.quot;

De vijanden van ons geloof beroepen zich nu wel is waar op een paar plaatsen bij den H. Mattheus en willen daaruit bewijzen, dat het Huwelijk van zijn banden kan ontbonden worden ; maar afgezien daarvan, dat dit met de duidelijke verklaringen van Christus bij Marcus en Lucas, alsmede van den H. Ap. Paulus rechtstreeks in tegenspraak staat, ligt in die plaatsen niet wat zij daarin willen vinden. Deze plaatsen luiden : (Matth. 19, 9 en 5, 32). «Zoo wie zijue vrouw verlaat, tenzij om overspel en eene andere huwt, doet overspel ; en die de verlatene huwt, doet overspel.quot; Tot beter begrip dezer plaateen moet ik opmerken, dat onder de Joodsche godgeleerden over de door Mozes toegelaten echtscheiding twee tegen elkander overgestelde meeningen waren ontstaan ; de eene beweerde, dat het Huwelijk alleen wegens overspel of in soms hoogst gewichtige gevallen mocht ontbonden worden ; de andere daarentegen was, dat een scheiding des Huwelijks om elke oorzaak kon worden toegelaten. Deze beide meeningen hielden nu de Parizeen den goddelijken Zaligmaker voor en wilden hierover zijn beslissing hooren. Jesus geeft hun nu een uitlegging van de Mozaische wet en verklaart, dat niet elke oorzaak, maar alleen overspel of een aan deze misdaad gelijkko-mende grond recht geeft volgens de wet van Mozes tot echtscheiding. Nadat Hij aan de Parizeen deze uitlegging der Mozaische wet heeft gegeven, verklaart Hij hun, dat voor de toekomst op geen grond, niet eens meer wegens overspel een losmaken van den Huwelijksband mag plaats hebben, doordien Hij er aan toevoegt: »Zoo wie eene andere huwt (om het even, om wat reden hij de eerste heeft verlaten), doet overspel en die de veria-

-ocr page 308-

OVER DB SACRAMENTEELE -WAARDIGHEID

tene huwt, doet overspel.quot; Jesus wilde alzoo op deze plaats iu \'t kort het volgende zeggen ; volgens de Mozaïsche wet kan het Huwelijk wegens overspel of een ander gewichtige oorzaak ontbonden worden ; maar volgens mijn wet, die oogenblikkelijk in werking zal treden. is er van eene ontbinding des Huwelijks noch om echtbieuk noch óm een andere oorzaak sprake meer.

2) Ue onontbindbaarheid des Huwelijks blijkt ook het duidelijkst uit de Christelijke Overlevering. Ik zal vaa de Kerkvaders er slechts drie aanhalen. Tertullianus zegt: ii üe Romeinen begaan overspel, indien zij niet zijn gescheiden (en evenwel huwen) ; ons Christenen echter is \'t, ook indien wij zijn gescheiden, niet geoorloofd op nieuw te huwen.quot; De H. Basilius zegt: »Het is niet geoorloofd dat de man, die de vrouw van zich heenzendt, noch ook dat de vrouw, die van deu man gescheiden leeft, met een ander huwe.quot; De H. Aug. zegt: ii Het is alleen wegens ontucht geoorloofd de overspelige vrouw heen te zenden; maar zoolang deze leeft, mag men geen andere huwen. Evenzoomin moogt gij vrouwen, die mannen trouwen, van wie hunne vrouwen zich hebben gescheiden ; dergelijke verbintenissen zijn geen Huwelijken, maar echtbreuken.quot;

Dezelfde leer, zooals de Kerkvaders, droegen ook de Conciliën voor. Het Cone. v. Elvira in \'t jaar 305 verklaart : »Het is niet geoorloofd, dat een vrouw, die wegens overspel haar man heeft verlaten, weder huwt.quot; — Het Cone. v. Carthago in \'t jaar 407 verklaart ten dien opzichte, dat volgens de christelijke wet noch man noch vrouw, nadat zij de overspelige wederhelft hebben verlaten, weder mogen trouwen, maar ongehuwd moeten blijven of zich weder verzoenen. — Het Cone, van Nantes in \'t jaar 656 verklaart : «Zoo een man bij zijne vrouw een gepleegd en kennelijk overspel bemerkt, dan kan hij, indien hij wil, zijne vrouw heenzenden; hij mag

300

-ocr page 309-

EN ONONTBINDHAAIUIEID DES HUWELIJKS. 301

echter tijdens haar leven op geene wijze met een ander tronwen.quot; Eindelijk, om van de overige Conciliën te zwijgen, verklaart het Conc. v. Trente : »Zoo iemand beweert, dat de Kerk dwaalt, als zij leerde en leert, dat volgens de evangelische en apostolische leer wegens overspel des eenen echtgenoots de band des Huwelijks niet kan verbroken worden en dat. beiden ook de onschuldige, die geen oorzaak tot overspel heeft gegeven, bij leven des eenen echtgenoots geen ander Huwelijk zou kunnen aangaan en dat degene, die na het heenzenden der overspeelster een andere trouwt en degene, die na het verlaten des o verspelers met een ander huwt, overspel begaat, die zij in den ban.quot; (Zitt. 24, Can. 7).

3) Voor de onontbindbaarheid des Huwelijks pleit ook de voorldarendc prdktijh tier Kerk; want zij hield ten allen tijde aan de grondstelling vast, dat geen geldig gesloten en voltrokken Huwelijk uit wat oorzaak ook kon worden ontbonden, en verzette zich standvastig tegen allen, die den Huwelijksband zochten los te maken of te verbreken. Vele christenkeizers, zooals Constantijn, Honorius, Theodosius, Anastasius, Justinianus geven wel is waar in hunne wetten eene echtscheiding wegens echtbreuk of ook nog om andere gronden toe ; maar de Kerk gaf aan deze wetten nooit haar toestemming, maar duidde ze openlijk en luide als zoodanige wetten aan, die niet de wet van Christus in tegenspraak staan. Keizer Karei de Gr. maakte zich bij de Kath. Kerk ongemeen verdienstelijk ; evenwel verzette Paus Stephanus IH. zich met alle gestrengheid tegen hem, als hij willekeurig zijn rechtmatig Huwelijk wilde ontbinden. Karei had namelijk zijne gemalin Himmeltrudis verstoeten en op aanraden zijner moeder zich met Leutberga, dochter van der koning derLongo-barden, verbonden. De Paus dreigde den keizer zelfs met den ban, indien hij de Longobardische prinses niet terugzond. De bedreigingen en vermaningen des Pausen, ver-

-ocr page 310-

302 OYER DR SACRAMENTKELK WRARDIGHEID

eenigd met de voorstellen der Frankische Prelateu, brachten eindelijk den keizer er toe, dat hij Leutberga verwijderde, en zijn verstooten gemalin weder tot zich nam. Dergelijke voorbeelden lieten zich nog vele aanhalen. Slechts het geval met Hendrik VIII. koning van Engeland, zal ik nog in herinnering brengen. Deze was gehuwd met Catharina van Castilië, met wie hij vele jaren tevreden en gelukkig leefde en bij wie hij ook verscheiden kinderen had. Zij was ietwat ziekelijk geworden, waarom de koning zijn zinnen op het vrouwelijk personeel van zijn hof zette. Hij kwam zoover, dat hij het plan maakte, zich van zijne gemalin te laten scheiden en Anna Boleijn te trouwen. Hij wendde zich derhalve tot den Paus, om de echtscheiding te bewerken. Paus Clemens VII. kwam in een groote verlegenheid. Hendrik stond aan het Eomeinsche hof hoog aangeschreven, niet slechts wegens zijn uitstekenden ijver, waarmede hij zich tegen de verspreiding van Luthers leer verzette, maar ook wegens den bijstand, dien hij aan den Apostoli-schen ritoel in alle oorlogen gedurende 18jaren had bewezen. Evenwel stond toch de Paus een echtscheiding van Hendrik met Catliarina niet toe. Deze deed alles, om van zijne echtgenoote ontslagen te worden; hij zocht van de Universiteiten zoo in als buiten het land een uitspraak te winnen voor zijn echtscheiding; hij vervoegde zich bij de Duitsche vorsten, opdat zij den Paus voor zijn zaak mochten overhalen eu beloofde groote geschenken; maar de Paus bleef onverzettelijk en liet den koning weten, dat hij hem bad, niet te verlangen, om uit dankbaarheid jegens de menschen de onveranderlijke geboden Gods te schenden. Toen Hendrik al zijn pogingen verijdeld zag, brak hij alle gemeenschap met Rome af, vervolgde de Katholieken, die den Paus getrouw bleven, allergruw-zaamst en maakte een begin met de invoering van het Protestantisme in Engeland. De Paus bleef ook nu nog

-ocr page 311-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS.

standvastig bij zijn besluit en liet liever den koning met zijn volk van de Kath. Kerk afvallen, dan dat hij tegen de wet Gods een geldig Huwelijk ontbond. Zoo gaf nooit de Kerk toe, dat een geldig en voltrokken Huwelijk van zijn banden werd losgemaakt. Geen menschelijk opzicht, geen bedreiging, geen vervolging, geen afval van geloof kan haar in deze zaak tot toegeeflijkheid bewegen. Zij handelde dusdanig, niet uit eigenzinnigheid, maar omdat zij de ontbindbaarheid des Huwelijks als een goddelijk gebod erkende, dat zij niet mocht en wilde schenden.

Zoo derhalve de geschiedenis hier en daar voorbeelden levert, dat de Kerk Huwelijken van vorsten of andere personen van hun banden heeft ontbonden, dan betrof dit steeds zoodanige Huwelijken, waarvan bij een nauwkeurig onderzoek bleek, dat zij wegens een beletsel ongeldig waren aangegaan. Uit was bijgevolg geen scheiding des Huwelijks, maar slechts een rechterlijke beslissing, dat het Huwelijk van den beginne af niet geldig is geweest.

4) De onontbindbaarheid des Huwelijks doet zelfs de rede ons kennen. Het Nieuwe Verbond is de voleinding van het Oude en het terugvoeren des menschen in dien toestand, waarin onze stamouders voor de zonde zich bevonden. Het paradijsche Huwelijk nu was zooals de Schrift uitdrukkelijk zegt, onontbindbaar. Vandaar is elke scheiding tegen den wil Gods en daarom uit den booze. Door de Verlossing in het Nieuwe Verbond is echter de mensch geheiligd ; ook het Huwelijk is geheiligd en weder verheven tot zijne onontbindbaarheid, die het in \'t paradijs eigen was. Ware het derhalve nog geoorloofd, aan de vrouw den scheldbrief te geven, dan zou het Huwelijk in het Nieuwe Verbond niet volmaakter zijn dan in het Oude, wat strijdt met de leer des Evangelies; want Christus is gekomen om de wet te volmaken. —

303

-ocr page 312-

304 OVER DE SACBAMENTEELE WAARDIGHEID

Het Huwelijk is verder een beeld der vereeniging van Christus met zijn Kerk ; maar Christus blijft tot aan het einde der tijden met zijn Kerk verbonden. Zoo moeten ook de echtelieden onafscheidbaar met elkander verbonden blijven ; anders ware het geen beeld der vereeniging van Christus met zijn Kerk. — Bovendien zou het invoeren der echtscheiding veel meer het schuldige dan het onschuldige Huwehjksdeel begunstigen. Want nemen wij aan, dat het Huwelijk wegens overspel mocht ontbonden worden, dan zou de Kerk aan de echtelieden zelf het mes in handen geven, om de banden ervan willekeurig door te snijden. Indien de man zijne vrouw of deze haren man moe ware en de echtbreuk een middel om van de lastige wederhelft ontslagen te worden, zou dan niet het lichtzinnige deel /elf dikwijls den echt breken, om het doel zijns •wenschen te bereiken ? Heet dit niet blijkbaar tot zonde opwekken? Hoe zou het dan met deze zedelijkheid/ijn gelegen? De onontbindbaarheid des Huwelijks is ook klaarblijkelijk een middel tot deugd. Indien de echtelieden weten, dat zij niet meer van elkander kunnen scheiden, dan zullen zij er zich op toeleggen, hun hartstochten te beteugelen en met elkander geduld te oefenen, om niet reeds op deze wereld zich de hel te bouwen. Ook zal men bij de gedachte: met dezen persoon moet ik mijn geheele leven lang samenwonen, met de keus van zijn wederhelft voorzichtiger te werk gaan. — Eindelijk, wat zou er van de kinderen geworden, indien de echtelieden naar believen weder uit elkaar zouden kunnen gaan ? Wie zou voor hun opvoeding zorgen ? Welke nadeelen moesten hieruit niet voor de menschelijke maatschappij in \'t algemeen ontstaan ?

Zoo zeggen niet eukel het geschreven en ongeschreven woord Gods, maar zelfs de rede, dat het Huwelijk niet kan ontbonden worden. Slechts twee gevallen bestaan er, waarin een wezenlijke ontbinding des Huwelijks wordt toegelaten.

-ocr page 313-

EN OKONTBINDBAARHEII) DES HUWELIJKS. 305

Het eerste geval betreft de Huwelijken der om/eloo-vüjen, onder wie de Heidenen, Joden en in \'t algemeen alle niet-Christenen zijn te verstaan.

Zoo namelijk van een ongeloovig echtpaar het eene deel zich tot het christelijk geloof hekeert en wegens zijn bekeeriug door het ander ongeloovig deel beschimpt, mishandeld of in de uitoefening zijner christelijke plichten gehinderd wordt, dan kan het zijn Huwelijk ontbinden en op nieuw huwen, wat natuurlijk ook het on-geloovige deel vrij staat, omdat de Huwelijksband volkomen wordt ontbonden. Dit blijkt uit het woord van den Ap. Paulus. Nadat hij verklaart, dat volgens het gebod des Heeren de Christenen hun Huwelijk niet kunnen ontbinden en zij, indien zij ook al gescheiden van elkander leven, in de levensdagen van hun wederhelft niet opnieuw mogen trouwen, voegt er aan toe : (1 Cor. 7, 12\'—15). «Den overigen zeg ik, niet de Heere : indien eenig broeder, (d. i. Christen) een ongeloovige vrouw heeft en deze goedwillig is, met hem te wonen, hij verlate haar niet. En indien een geloovige vrouw een on-geloovigen man heeft en deze goedwillig is, met haar te wonen, zij verlate niet den man .... Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide; want de broeder of de zuster is in zoodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar in vrede heeft God ons geroepen.quot; De Kerk heeft vandaar ook ten allen tijde veroorloofd, dat de christelijk geworden wederhelft, wanneer zij met de niet-christelijke niet meer rustig kan samenwonen, zich scheidde en een nieuw Huwelijk aanging. Hier moet ik echter nog opmerken, dat een door Christenen gesloten Huwelijk door het afvallen der eene wederhelft van het geloof niet ontbindbaar wordt, maar onveranderd blijft voortbestaan, wijl in dit geval, zooals reeds de H. Aug. zegt, het Huwelijk door het ontvangen Sacrament tot zijn oor-

20

-ocr page 314-

306 OVER DE «ACRAMENTEELE WAARDIGHEID

spronkelijke waardigheid en onontbindbaarheid is verheven geworden. Dit geldt ook over de Huwelijken der dwaal-geloovige Christenen, bijv. de Protestanten ; zij zijn als christelijke Huwelijken tot hunne oorspronkelijke waardigheid verheven en daarom onontbindbaar. Zoo kan en mag geen Katholiek een gescheiden Protestant huwen. Zou hij het niettemin ondernemen, dan ware zijn Huwelijk ongeldig en anders niets, dan een voortdurend overspel en de straf van excommunicatie zou hem treffen.

Het tweede geval, waarin het Huwelijk van zijn banden wordt ontbonden, is dit: wanneer een Huwelijk geldig gesloten, maar (door de echtelijke samenleving\') noq niet is voltrokken, dan wordl het ontbonden, indien de eene wederhelft in een door de Kerk goedyekeurde Orde de plechtiye (jeloften aflegt. Uit is namelijk zoo te verstaan : indien twee personen met elkander huwen, maar van hunne Huwelijksrechten nog geen gebruik gemaakt, maar als broeder en zuster met elkander geleefd hebben, dan kan de man of de vrouw in een klooster gaan; het Huwelijk wordt alsdan, zoodra de in het klooster getreden wederhelft de plechtige ürdengeloften heeft afgelegd, ontbonden, zoodat de in de wereld teruggeble-vene weer mag trouwen. Een merkwaardig voorbeeld van dezen aard levert de kerkelijke geschiedenis van Engeland ons uit de 7de eeuw. De vrome Edelthryda, dochter des konings der Oostangelen, was, ofschoon tot het bewaren der maagdelijke kuischheid vast besloten, aan Egfried, koning van Northumbrië, uitgehuwelijkt. Na een twaalfjarig maagdelijk Huwelijk raadt de Bisschop Wilfrid haar het intreden in \'t klooster aan, opdat zij eenerzijds van haar besluit mocht verzekerd blijven en anderzijds de koning tot een nieuw Huwelijk zou kunnen overgaan, wat ook aanstonds gebeurde. Dit geval duidt genoegzaam aan, dat het Huwelijk wel voor een werke-

-ocr page 315-

EN ONONTBINDBAARHEID DES HUWELIJKS. 307

lijk, maar tocli ook voor zulk een Huwelijk werd aangezien, dat door de plechtige geloften kon ontbonden worden. Vandaar verklaart ook het Conc. v. Tr. : «Zoo iemand beweert, dat het geldig gesloten, maar nog niet voltrokken Huwelijk door de plechtige Ordengeloften niet wordt ontbonden, die zij in den ban.quot; (Zitt. 24, Can. 6). De godgeleerden geven van deze handelwijze der Kerk de volgende gronden aan :

a. Het is geoorloofd, van een minder volmaakten staat tot een volmaakteren over te gaan, indien het zonder krenking eens anderen kan geschieden. Nu is de Orden-stand volmaakter dan de Huwelijksstand; en het overgaan tot den Ordenstand strekt niemand tot nadeel, wijl de achterblijvende wederhelft de vrijheid behoudt, en zich weder kan uithuwelijken.

l. De band des Huwelijks is eendeels geestelijk, in zoover het uit de wederzijdsche toestemming ontstaat; anderdeels vleeschelijk, in zoover het Huwelijk wordt voltrokken. Evenals nu de vleeschelijke band door den dood wordt ontbonden, zoo wordt de geestelijke band door de Ordengeloften als een geestelijke dood ontbonden.

c. De kracht van den Huwelijksband bestaat bijzonder hierin, dat twee in éen vleesch zijn. Nu zijn echter voor de voltrekking van het Huwelijk twee nog niet eigenlijk in éen vleesch.

d. Elk Huwelijk wordt bovendien op de stilzwijgende voorwaarde aangegaan, dat aan ieder wederhelft voor het voltrekken des Huwelijks nog geoorloofd is, in den Orden-st.\'ind te treden. Werkelijk ook staat de Kerk aan de echtelieden na hun gesloten Huwelijk nog twee maanden toe, waarin zij kunnen kiezen, of zij in het Huwelijk blijven, dan wel in een klooster willen gaan; en gedurende dien tijd kan niet de een den ander tot het voltrekken des Huwelijks dwingen.

-ocr page 316-

:!08 OVER DE SACBAMENTHEI.E WAARDIGHEID

Iets anders ware het, wanneer een wederhelft, nadat bereids het Huwelijk is voltrokken, in den Ordenstand zou willen treden. Zij kan dit alleen met inwilliging der aiidere wederhelft doen en deze mag niet huwen, zoolang de in het klooster getredene nog leeft, wijl het Huwelijk in dit geval nog blijft voortbestaan.

V. Wat wil zeggen scheiding van tafel en bed ?

Scheiding van tafel en bed bestaat kennelijk hierin, dat een echtpaar om bijzonder gewichtige redenen zich van elkander scheidt, doch geen partij weder huwt, tot dat een van beiden is gestorven, wijl de band des Huwelijks niet is ontbonden. Dat zoo\'n echtscheiding kan plaats vinden, spreekt het Conc. v. Tr. uit met de woorden ; »Zoo iemand beweert, dat de Kerk dwaalt, als zij verklaart, dat om menigvuldige oorzaken tusschen de echt-genooten een scheiding met betrekking tot het bed of het samenwonen voor een bepaalden of onbepaalden tijd kan geschieden, die zij in den ban.quot; (Zitt. 24. Can. 8.) Deze scheiding kan met of zonder wederzijdsche toestemming der echtgenooten plaats hebben. Met wederzijdsche toestemming heeft zij plaats bijv., als de man met goedvinden der vrouw naar een vreemd land trekt of de Priesterwijding ontvangt, of wel wanneer de vrouw met toestemming van den man in \'t klooster gaat. Opdat echter zulk eene op wederzijdsch goedvinden gegronde scheiding kunne plaats vinden moeten beide echtgenooten tot een volledige onthouding ten strengste zich verplichten en er mag geen naast gevaar tot wulpschheid aanwezig zijn.

Er bestaan ook redenen, waarom er een scheiding zonder een wederzijdsche inwilliging kan geschieden. Zoo\'n reden is voor alles het overspel der eene wederhelft; want reeds volgens het natuurrecht verliest degene, die een

-ocr page 317-

EN ONONTBINDBBARHEID DES HÏ^WELIJKS. 309

overeenkomst het eerst verbreekt, al het door de overeenkomst verkregen recht. Doch deze grond valt weder weg, indien de eene wederhelft de ander tot overspel aanraadt; indien deze te voren zich aan een gelijke misdaad schuldig heeft gemaakt; indien het onschuldige deel het schuldige vergeven en (wat een bewijs van vergeving is) de echtelijke samenleving weder heeft toegestaan ; eindelijk wanneer het overspel tegen den wil des schuldigen deels bijv. door dwang geschied ware. Overspel is een oorzaak tot een levenslange scheiding. Hier valt evenwel op te merken, dat de onschuldige wederhelft wel het recht, maar niet de verplichting heeft, een scheiding te bewerken; wil zij met de schuldige samenleven, dan blijft dit geoorloofd en is dikwijls tot vermijding van nog grooter kwaad zelfs aan te raden.

Andere gronden tot scheiding van tafel en bed zijn: levensgevaarlijke vervolgingen, een onuitwisch-bare haat, afval der eene wederhelft van het ware geloof en gevaar der andere, verleid te worden, eindelijk een kwaadwillig verlaten. Üe scheiding mag intus-schen niet eigendunkelijk, maar alleen met toestemming der geestelijke Overheid geschieden. Zoodanige gescheiden echtgenooten moeten zich op een zedelijken wandel toeleggen en zooveel iu hen is, daarnaar streven, dat zij zich weder vereenigen; want een gescheiden Huwelijk is iets treurigs, wijl de opvoeding der kinderen en het huishouden nadeel lijdt, een slecht voorbeeld aan de gemeente wordt gegeven en de gescheiden echtgenooten zelve aan menig gevaar staan blootgesteld.

Ik heb u nu, Aand., twee gewichtige geloofswaarheden onzer H. Kath. Kerk verklaard, eerstens, dat het Huwelijk een Sacrament en tweedens, dat het Huwelijk onontbindbaar is. De huwelijke staat is een bovenmate gewichtige staat; want daarvan hangt niet alleen het welzijn der echtelieden zelf en hunne kinderen, maar ook der

-ocr page 318-

310 OVER DE SACRAMENTEELE WAARDIGHEID ENZ.

menschelijke maatschappij af. Ontaarden de Huwelijken, dan gaan geheele volken ten gronde. Dit wist Christus, daarom verhief Hij het Huwelijk tot de waardigheid van een Sacrament en deelt aan de gehuwden voortdurend de genade mede, opdat zij de plichten van hun stand wel vervullen, zich zelf heiligen en den zegen in wijde kringen mogen verspreiden. Tot bereiking van dit doel heeft Christus ook den band des Huwelijks, die zich in den loop der tijden tegen den wil van God had losgemaakt, weder toegehaald en de onontbindbaarheid des Huwelijks tot een onveranderlijke wet gemaakt. Mogen ook al de omstandigheden des levens zooals altijd veranderen, de band des Huwelijks kan niet ontbonden worden; de echtgenooten moeten bij elkander blijven zoowel in goede als kwade dagen, totdat de dood hen scheidt. » Hetgeen God heeft verbonden, scheide de mensch niet !quot; Gij ongehuwde Christenen, bedenkt dit wel en aanvaardt niet lichtzinnig en met een kwaad geweten een staat, die zoo heilig is in zijn wezen en zoo gewichtig in zijn gevolgen, een staat, die den goddeloozen vloek ea verderf en alleen den vromen geluk en zegen aanbrengt. Bedenkt ook gij dit, christelijke echtelieden, en houdt uwen stand heilig, zooals het aan Christenen betaamt. Vernieuwt dikwijls het voornemen, alle verplichtingen, die op u als echtgenooten rusten, met een nauwkeurige getrouwheid te vervullen. Een bijzonder gewichtige dag zij u de verjaardag van uw Huwelijk. Viert dezen dag jaarlijks ia een stille afzondering, zoo mogelijk door het godvruchtig ontvangen van de H. Sacr. der Biecht en des Altaars, door een ijverig gebed en wekt elkander op, de nog overige dagen van uw Huwelijksleven in eendracht en godsvrucht door te brengen. Legt er u op toe, dat uwe harten steeds zuivender, uw wandel stichtender, het getal uwer goede werken grooter en uw ijver in het goede steeds levendiger worde, opdat gij na dit leven onder de h. echtelieden in den hemel moogt gerangschikt worden.

-ocr page 319-

Oyer de gemeenscliappelpe plichten der gehuwden.

Nadat ik u, Aand., over de sacramenteele waardigheid en onontbindbaarheid des Huwelijks heb onderhouden, ga ik u thans spreken over de ffe7neenscliappelijke j\'li-chten der gehuicden en deze zijn er drie, te weten : liefde, trouw en hulpvaardigheid.

1. Liefde.

De eerste gemeenschappelijke plicht der echtelieden is de liefde. Nu is de vraag; 1) waarom moeten de echtelieden elkander liefhebben ? 2) hoe moet die liefde gesteld icezen ?

1) De gehuwden moeten elkander liefhebben, omdat het Huwelijk op de wederzijdsc/ie liefde der echtgenooten gegrond is. Christus maakt het ons tot een strengsten plicht, dat wij elkander beminnen. Deze plicht heeft bijzonder hierin zijn grond, dat wij allen kinderen zijn van éenen Vader en broeders en zusters in Christus Jesus. Dezen grond geeft de Apostel aan, wanneer hij schrijft: (Eph. 4, 25.) »Daarom afleggende de leugen, spreekt waarheid, een iegelijk met zijnen naaste,quot; d. i. vermijdt alles, wat met de liefde strijdt en doet, wat zij gebiedt; «dewijl wij leden zijn van elkander.quot; Indien nu reeds de Christenen wegens hun verhouding tot elkander wederzijds elkander moeten liefhebben, hoeveel te meer rust dan deze verplichting op de gehuwden, wijl tusschen hen eene nog nauwere verbintenis bestaat ? De ongehuwde Christen behoort nog steeds aan zich zeiven; de gehuwde echter

-ocr page 320-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

behoort zich zeiven niet meer toe; want hij is het eigendom zijner wederhelft geworden. Man en vrouw maken niet meer twee, maar slechts éen persoon uit, zooals de Schrift uitdrukkelijk zegt; (Gen. 2, 24.) »Een man zal zijn vader en zijne moeder verlaten en zijne vrouw aankleven en zij zullen tot een vleesch zijn.\' Op deze innige verbinding der echtelieden doelt ook de Apostel en maakt daaruit de gevolgtrekking, dat zij in een voortdurende liefde en eensgezindheid met elkander moeten leven. Hij voegt er aan toe; (Eph. 5, 29.) «Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat; maar hij voedt en verzorgt het.quot; Hij wil zeggen ; er bestaat toch geen redelijk mensch op de wereld, die tegen zijn eigen vleesch handelt; hij zorgt er voor zoo goed hij kan, en heeft zelts zijn ziekelijk ledemaat nog lief, en is op de genezing ervan bedacht. Zoo mag er ook geen man noch vrouw bestaan, die elkander vijandig zijn en vervolgen; zij zijn toch beiden een lichaam, en wat zij elkander aandoen, dat geldt geen vreemde, maar hun eigen persoon. Wat doen alzoo de echtelieden, die elkander haten en vervolgen ? Wat doet een man, die zijn vrouw kwalijk bejegent, haar scheldt en slaat? Wat doet een vrouw, die zich over den man verbittert, hem beschimpt en met smaadwoorden overlaadt ? Ach, zoodanige echtelieden bezondigen zich zwaar tegen hun h. verbond, en gelijken waanzinnigen, die tegen zich zelve razen en zich verwonden.

Bedenkt verder, dat het Huwelijk een afbeelding is der vereeniging van Christus met zijn Kerk. Christus nu heeft zijn Kerk lief en haar ter liefde zelfs het leven ten offer gebracht. Vandaar zegt de Apostel: (Eph. 5, 25.) «Christus heeft de Kerk liefgehad, en zich zeiven voor haar overgeleverd.quot; De Kerk heeft wederkeerig Christus, haren Bruidegom, lief, hangt Hem aan en is er op uit, aan Hem in alles zich welgevallig te toonen. Zich aan Hem in alles overgevend, spreekt zij met de bruid in

312

-ocr page 321-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

\'t Hooglied : (2, 16.) Dilecfus meus mild, et beminde is mijn, en ik ben zijne !quot; Zoudt ge derhalve, christ. echtelieden, in plaats van elkander een oprechte liefde toe te dragen . elkander haten en vervolgen , dan ware uw Huwelijk geen afbeelding der vereeniging van Christus met de Kerk, het deed voor u ophouden allen zegen, die uit deze geheimnisvolle afbeelding u toevloeit, en ge houdt om zoo te zeggen op, christ. echtge-nooten te zijn.

Het Christ. Huwelijk eindelijk is onontbindbaar. De goddelijke Zaligmaker zelf getuigt: (Luc. 16, 18.)» Een iegelijk, die zijne vrouw verlaat, eu eene andere huwt, doet overspel; en wie eene van den man verlatene huwt, doet overspel.quot; Nu vraag ik u, christ. echtelieden, waartoe verplicht deze onontbindbaarheid des Huwelijks ? Klaarblijkelijk daartoe, dat gij elkander steeds hartelijk liefhebt; want elke verbintenis der menschen stelt genegenheid en liefde voorop en kan slechts zoolang bestaan, als de wederzijdsche liefde voortduurt. Hieruit volgt met noodzakelijkheid, dat gij, zoolang ge leeft, elkander een oprechte liefde moet toedragen, wijl anders een echtelijk samenwonen bijna eene onmogelijkheid is. Wij mogen derbal re van wat kant ook al het Huwelijk beschouwen, wij komen steeds tot de slotsom, dat het de wederzijdsche liefde der echtgenooten tot grondslag heeft, en zonder deze liefde geenszins naar behooren bestaan kan.

Maar nog meer, ook het geluk des huwelijks vordert, dat de echtelieden elkander liefhebben. Alleen waar een oprechte liefde de harten verbindt, is tevredenheid en geluk ; waar echter de harten door haat en tweedracht zijn verdeeld, daar heerscht mismoedigheid, ontevredenheid en een veelvuldige ellende. De ervaring getuigt dit klaarblijkelijk. Gaat maar in een huis, waar man en vrouw in eendracht leven en elkander oprecht liefhebben; hoe benijdenswaardig is niet hun lot ! Ieder is er op uit,

313

-ocr page 322-

OVER DK GEMEENSCHA.PPELIJKE

314

den ander welgevallig te zijn, en vermijdt zorgvuldig alles, wat hem kan mishagen. Heeft de éen een fout begaan, dan gebruikt de ander toegeeflijkheid en bezigt slechts woorden van zachtzinnigheid tot onderrichting en verbetering. Mogen ook al de huiselijke bezigheden zich somwijlen op Gen hoopen en een groote inspanning vor-deren, dan worden de vreedzame echtgenooten daarom niet mistroostig en onvergenoegd ; zij helpen elkander naar krachten en dragen de lasten onder vereende schouders. Wel is waar blijven bij hen ook de kruisen niet uit; want geen stand in de wereld, het allerminst de Huwelijksstand, is zonder wederwaardigheden. Maar ook in de dagen eener harde beproeving opent de liefde hun een rijke bron van troost; zij beuren elkander op, spreken elkander moed in en wekken elkander op tot vertrouwen op God, die alles weder terecht zal brengen. Omdat zij steeds éen van hart en éen van zin zijn, en met vereende krachten werken daarom hebben hunne ondernemingen gewoonlijk ook een goed gevolg, ea hun huishouden neemt een verblijdend verkeer. Ook de kinderen groeien in godsvrucht op, en doen de schoonste verwachtingen hopen, wijl de ouders bij hun opvoeding steeds hand in hand gaan, en de een den ander in dit gewichtige werk zooveel mogelijk ondersteunt. Verbreekt eindelijk de dood den band des Huwelijks, dan is dit voorzeker voor de overblijvende wederhelft een harde slag 5 maar de gedachte : wij vinden elkander na een korten tijd terug, en dan zal er geen scheiding meer plaats vinden, — richt haar weder op en geeft haar kracht, dat zij zich aan den wil Gods geduldig en vertrouwvol onderwerpt. Ziet, Aand., dit is een zwak beeld van het geluk, dat de gehuwden, wier harten door den band der h. liefde met elkander zijn vereenigd, smaken. Recht heeft vandaar de H. Chrysostomus, als hij zegt: «Eendracht en liefde der echtelingen is de rijkdom en het

-ocr page 323-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

geluk van den huwelijken stand ; en dit zijn de ware goederen, indien man en vrouw vreedzaam en in een goede verstandhouding leven.

Hoe kwaad is het daarentegen gesteld met echtelieden, uit wier harten de wederzijdsche liefde is geweken ! Nauwelijks zijn zij des morgens opgestaan, of het verdriet en gekijf vangt aan en duurt voort, tot zij des nachts de oogen sluiten. Dikwijls spreken zij geheele dagen en weken geen woord met elkander, of zij openen slechts hun mond, om elkander te beschimpen en de bitterste verwijtingen toe te duwen. Niets valt hun zwaarder, dan steeds onder éen dak te moeten leven ; niet zelden wordt dit samenleven hun een hellekwaal. Vandaar verwenschen zij hondermaal den dag en het uur, waarop zij voor het trouwaltaar stonden, en verlangen niets vuriger dan dat de dood intrede en den ge-haten Huwelijksband verbreke. Dikwerf gebeurt het ook, dat zoodanige oneenige echtgenooten in zware zonden en misdaden, die hun tijdelijk en eeuwig verderf ten gevolge hebben, vervallen. De man wordt uithuizig, zoekt, om van zijn verdriet eenigermate ontslagen te worden, de gezelschappen op, drinkt en speelt en verwaarloost daarbij zijn zaken; of hij schendt zelfs de Huwelijkstrouw en begaat die misdaad, welke onder Christenen niet eens moet genoemd worden. De vrouw harerzijds verwaarloost uit spijt en wrevel haar plichten, laat alles maar vlotten en drijven, en slaat wellicht evenals de man verboden wegen in. Da; de kindertucht onder zoodanige beklagenswaardige omstandigheden niet kan gedijen, behoef ik nauwelijks op te merken ; hoe zouden kinderen, die volstrekt geene of toch maar een halve opvoeding erlangen, en dagelijks het kwade voorbeeld der ouders voor oogen hebben, ook goed terecht komen ? Dikwijls slaat het met zoodanig oneenige echtgenooten tot het uiterste over ; zij klagen elkander aan voor het geestelijke

315

-ocr page 324-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

of wereldlijke gericht, en rusten niet, voor dat zij van elkander zijn gescheiden, of maken zelfs, zooals in onze onchristelijke tijden, helaas, soms gebeurt, aan het ondragelijke Huwelijksleven door moord der wederhelft of zelfmoord een einde.

Zoo gaat het, Aand.. met echtgenooten, die elkander de liefde onthouden; zij bezondigen zich niet enkel tegen hun staat, die op de liefde gegrond is, maar maken zich ook hoogst ongelukkig en brengen hun zielenheil in het uiterste gevaar. Mochten alle echtelieden dit wel opmerken en behartigen en vandaar alles vermijden, wat de wederzijdsche liefde verzwakken of zelfs in afgekeerdheid en baat zou kunnen verkéeren ! Mochten zij, om den band der liefde steeds meer toe te halen en te bevestigen, elkander zoo lief hebben, als de godsdienst hun tot plicht maakt.

2) Nu is de vraag; hoe moet de liefde der christelijke echtelieden tot ellcander yeschapen wezen ? Het antwoord op deze vraag geeft de Apostel, als hij schrijft. (Eph. •gt;,

25.) »Mannen, hebt uwe vrouwen lief, gelijk ook Christus de Kerk heeft lief gehad en zich zeiven heeft overgeleverd voor haar.quot; Paulus stelt hier de liefde van Jesus tot zijn Kerk als toonbeeld der liefde, die tusschen man en vrouw moet heerschen, voor. Hoe was nu de liefde van Jesus tot zijn Kerk gesteld? Zij was heilig^ lankmoedig en duurzaam, drie eigenschappen die ook de echtelijke liefde moet bezitten.

a. De liefde, die de Heer tot zijn Kerk droeg, was heilig, want alles, wat Hij voor haar deed, had slechts hare heiliging tot doel. De Apostel zegt; (Kph. 5, 25.

26.) » Hij heeft zich zeiven overgeleverd voor haar, opdat Hij haar heilig zoude maken en zuiveren en zelf zich voor te stellen zonder smet of rimpel.quot; Hij nam de men-schelijke natuur aan, om, zooals Hij zelf verzekert, (Luc. 11), 10.) »te zoeken en zalig temaken, hetgeen verloren

310

-ocr page 325-

PLICHTIJS Dlïli OEHUWDliN.

was.quot; Hij wandelde drie jaren rond en predikte zonder ophouden het Evangelie, ten einde de mensohen tot de ware kennis en vereering Gods te brengen, opdat zij heilig en zalig worden. Hij leed ontzaglijk veel lijden en stierf ten laatste aan \'t kruis, weder om geen ander reden, dan om onze zondenschuld uit te wisscheu en ons met God te verzoenen. En wanneer Hij aan de Apostelen en hun opvolgers het bevel gaf, overal te prediken, het H. Offer op te dragen en de H. Sacramenten toe te dienen, dan had Hij daarbij weder alleen onze rechtvaardiging- en heiliging op het oog.

Op zoo\'n h. wijze, als Jesus ons lief had, moeten ook de christ. echtgenooten elkander liefhebben. Mocht hunne liefde ook al een natuurlijken grond hebben, bijv. licha.-melijke of geestelijke bevalligheden. Jan mag zij daarbij niet staan blijven; zij moet zich veredelen en de weder-zijdsche heiliging als haar hoogste en laatste doel nastreven. Christ. echtgenooten, die elkander een h. liefde toedragen, zijn elkander van harte toegedaan en geven elkander bij elke gelegenheid bewijzen hunner welwillendheid ; zij doen dit niet zoo zeer uit een natuurlijke genegenheid, als veeleer om God, omdat Hij het wil en met het doel, om zich te volmaken en te heiligen. Zij vermijden daarom zorgvuldigst alles, wat de heiligheid van hun huwelijken staat zou kwetsen en zeggen met den jongen Tobias ; (8, 9.) »O Heere, Gij weet, dat ik niet uit wulpsch-heid een vrouw heb genomen, maar alleen uit liefde tot een nakomelingschap, waardoor uw Naam van eeuwigheid tot eeuwigheid zal geprezen worden.\'1

Hoezeer derhalve bezondigen echtgenooten zich tegen de h. liefde, die in den huwelijken staat alleenlijk de bevrediging hunner wulpsche begeerten op het oog hebben en in den waan verkeeren, dat hun alles is geoorloofd en dingen doen, die hatelijk en vloekwaardig zijn in de oogen van den alzienden Rechter! »Degenen,quot;

317

-ocr page 326-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

zegt Raphael tot Tobias, (6, 17.) »die het Huwelijk zoo ondernemen, dat zij God van zich en van hun hart uitsluiten en zoo aan hun wellust zich overgeven, als het paard en de muilezel, die geen verstand hebben ; over hen heeft de duivel macht.quot; Voorzeker, er bestaat ook in den huwelijken staat een kuischheid, die onder verbeurte der eeuwige zaligheid is geboden; en gehuwden kunnen zich in het huwelijk zeer zwaar tegen de kuisch-heid bezondigen. Mochten de echtelieden dit wel beden-Ken. Mochten zij toch nimmer iets doen of toelaten, wat het doel des huwelijks verijdelt en slechts de grofste zinlijkheid ingeeft, zooals die godvergeten mannen en vrouwen, die wel echtelieden maar geen ouders willen wezen. Wee zoodanige gehuwden, zij begaan een misdaad, die heel onnatuurlijk is, schier aan een moord gelijk komt en die God reeds in het Oude Verbond aan een man daardoor strafte, dat Hij hem levend in de aarde liet wegzinken. Vreest alzoo God, christ. echtelieden, en maakt u aan niets, wat met de heiligheid van uwen staat niet is overeen te brengen, schuldig. Twijfelt ge, of een en ander u al dan niet geoorloofd is, verzuimt alsdan niet, in den biechtstoel raad te vragen, opdat gij u niet aan het gevaar blootstelt. God met zware zonden te be-leedigen. Vergeet niet, dat het verbond, wat gij hebt gesloten, heilig is en draagt daarom steeds tot elkander een h. liefde, die u bmnen de perken van zedelijkheid en godsvrucht houdt en bewaart voor alle zonde.

h. De Apostel (1. Cor. 13, 4, 7.) zegt: »De liefde is lankmoedig; zij duit alles, verduurt alles.quot; Zoo was de liefde van Jesus jegens zijn Kerk gesteld. Hoe toegevend, hoe geduldig, gedroeg Jesus zich jegens zijn Apostelen, aan wie zoovele fouten en onvolmaaktheden waren te bespeuren. Wat streng verwijt deed hij hun, als zij eens over een stad der Samaritanen, die hun hare poorten hadden gesloten, het vuur van den hemel wilden

318

-ocr page 327-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

afroepen ! Hij sprak tot hen : (Luc, 9, 55, 56). Nescitis cujus spiritus eslis, gij weet niet, van wat geest gij zijt. Filius hominis non venit anhnas per der e, de Zoon des • menschen is niet gekomen zielen te verderven, sed salvare, maar te behouden.quot; Hoe liefdevol behandelde Hij zelfs de grootste zondaars en hoe bereidwillig liet hij hun zijn genade toekomen, zoodra Hij in hun harten een oprecht berouw waarnam. En hoe lankmoedig is Hij nog heden jegens de menschen, die nimmer naar Hem omzien, Hem dagelijks met de zwaarste zonden beleedigen ! Hij verlengt hunne levensdagen en deelt hun genade op genade mede, opdat zij eindelijk eens in zich zelve keeren en door boete hunne ziel mogen redden.

Christ, echtelieden, ziet op dit verheven voorbeeld uws Heeren en Verlossers neder en draagt jegen-; elkander een liefde vol toegeeflijkheid en geduld. Gij zijt menschen en misdoet in vele zaken. Fouten heeft de man, fouten heeft de vrouw en er gaat schier geen dag voorbij, zonder dat er iets voorvalt, waarbij gij geen geduld moet oefenen.

Hoe kwalijk zou het met u gesteld zijn, indien gij niets wildet verdragen! Ach, alle vrede en opgeruimdheid zou uit uw huis verdwijnen en ge hadt reeds op aarde een waar helleleven. Zoo ooit iemand, dan geldt u de vermaning des Apostels: (Gal. 6, 1. 2.) «Broeders, zoo een mensch ook overvallen ware door eenige overtreding, brengt gij, die geestelijk zijt, den zoodanige terecht in den geest van zachtmoedigheid, acht slaande op u zeiven, dat niet ook gij bekoord wordt. Draagt elkanders lasten.quot; Verneemt gij derhalve een fout aan uw wederhelft, wees dan niet als vuur onder het dak; onderdrukt uw toorn en laat nimmer krenkende verwijtingen of smaadwoorden over uw tong gaan. Wijst elkander met zachtmoedigheid terecht en behartigt, wat de H. Franc. v. Sales zegt: «Men vangt veel meer vliegen met een lepel vol honig,

319

-ocr page 328-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

dan met een heel vat vol azijn.quot; Liefdevolle, vriendelijke vermaningen winnen den dwalende, terwijl ruwe beschimpingen hem verstokt maken en verbitteren. Komen verschillende kruisen u over, wilt dan toch daarom den echtelijken vrede niet storen. Wanneer men de echtelieden vraagt : waarom leeft gij niet vreedzaam met elkander ? waarom heerscht er onder u twist en tweedracht ? dan antwoorden zij dikwerf: »och, het is alleen de nood, die ons doet twisten.quot; Alzoo omdat gij arm zijl, omdat gij menige wederwaardigheid hebt te verduren, zijt gij ongeduldig, wrevelig en doet ge elkaar verwijtingen. Maar welk een dwaasheid ! Daardoor, dat ge twist en strijdt, verergert gij maar uw lot, en berooft u bovendien van de verdiensten, die gij u door een geduldig lijden bij God zoudt verwerven. Weest derhalve lankmoedig, houdt te zameu vast in lief en leed en bejegent; elkaar met een verontschuldigende liefde, opdat gij als navolgers van Jesus tot de goede echtelieden kunt worden gerekend.

c. De H. Joannes (13,1.) zegt van Jesus : » Ciim dilexis-set suos qui erant in mundo, daar Hij de zijnen, die in de wereld waren, had liefgehad, in fitiem dileooit eos, zoo heeft Hij hen ten einde toe liefgehad.quot; Ja, de Zaligmaker had ons liet ten einde toe ; want Hij offerde voor ons zijn leven. Hiermede nog niet tevreden, vond Hij een middel, hoe ons ook na zijn dood nog te kunnen liefhebben ; Hij stelde het Sacrament der liefde in, waarin Hij tot aan het einde der wereld tegenwoordig is, om ons te spijzen, te troosten, te sterken, met een woorc, om ons al de schatten zijner liefde mede te deelen.

Zoo moet, christ. echtelieden, ook uwe liefde geschapen wezen ^ gij moet elkander duuTzacivi lïcfhcJjhcïi^ in alle toestanden des levens, tot dat de dood u van elkander scheidt. Moge het woord des Apostels hier zijn toepassing vinden : ( I. Cor. 13, 9.) » De liefde vergaat nim-

320

-ocr page 329-

PUCHTRN DER GEHUWDEN. 821

mer; hetzij profetien, zij zullen vernietigd worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal vernietigd worden.quot; In den huwelijken stand bestaat er veel wat ophoudt; de jeugdigheid houdt op, de schoonheid houdt op, de levenskracht houdt op; maar een ding is er, dat nimmer meer mag ophouden : — uw wederzijdsche liefde. Duurt uw Huwelijksleven ook al dertig, veertig, vijftig jaren, zijt ge reeds hoogbejaard, gebrekkelijk en rijp voor den dood, toch moet ge elkander nog zoo oprecht en hartelijk, als op den dag van uw trouwen, liefhebben. »Üe liefde vergaat nimmer.quot; — Maar wat zal ik zeggen? Wij treffan somtijds echtgenooten aan, bij wie de liefde reeds spoedig na den trouwdag in koelheid, zelfs in afgekeerdheid verandert. Zij^ nemen een donker uitzicht aan, geven elkander harde, stootende woorden, vermijden zooveel \'(mogelijk den omgang met elkaar en leggen door hun houding en hun doen en laten niet onduidelijk aan den dag, dat in hun hart het laatste vonkje van genegenheid en liefde is uitgedoofd. In bijzonder heeft het geval plaats, dat, wanneer de eene wederhelft oud, gebrekkelijk of door ziekte misvormd wordt, de ander alle genegenheid verliest en niets vuriger verlangt, dan dat de dood de wederhelft moge wegnemen. Vanwaar deze zoo onbestendige en wankelbare liefde ? Meestal daarvan, omdat zij reeds van den beginne af geen ware christelijke liefde was. Deze echtelieden gingen niet met God het Huwelijk aan. Zij huwden, om een verzorging te erlangen, om een goed bestaan te bekomen, om hunne zinlijke lusten te bevredigen; zij zagen bij hun keus meer op uitwendige hoedanigheden, niet op reinheid en goedheid des harten; — geen wonder, indien in het vervolg de Huwelijksband hun lastig wordt en alle liefde uit hun hart verdwijnt. Maar met zoodanige echtgenooten is het wanrlijk niet wel gesteld; zij hebben reeds op deze

21

-ocr page 330-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

wereld een hoogst ongelukkig leven en brengen hun eeuwig heil in groot gevaar.

Indien gij derhalve, christ. echtgenooten, het met u zelve goed voor hebt en uw tijdelijk en eeuwig welzijn oprecht wenscht, houdt dan Jesus voor oogen en hebt elkander lief, zooals Hij zijn Kerk heeft lief gehad. Onthoudt u zorgvuldig van alles, wat uw geweten bevlekken en uw rekenschap voor God zou kunuen verzwaren; uwe liefde zij heilij ! Verdraagt elkanders fouten en gebreken en laat nimmer oneenigheid en tweedracht onder u opkomen; uwe liefde zij lankmoedig! Houdt uwe belofte, die gij bij uw trouwen hebt gegeven en hebt elkander lief in alle wisselvalligheden des levens tot aan uwen dood ; uwe liefde zij duurzaam! Is uwe liefde er dusdanig aan toe, dan zult ge ook uw tweeden plicht vervullen en deze is de Huwelijkstrouw.

II. 2rouw.

Eene der strengste plichten va?i (jehmoden is, dat zij jegens elkander de echtelijke trouw bewaren; zij moeten daarom alle middelen, die tot het vervullen van dezen plicht noodzakelijk zijn, aanwenden.

1) Wij kunnen het Huwelijk onder een dubbel opzicht als verdracj en als Sacrament beschouwen. Als verdrag is het een verbintenis tusschen twee personen van beiderlei geslacht tot een ondeelbare levensgemeenschap. Deze verbintenis bestaat hierin, dat de echtelieden hun persoonlijkheid aan elkander ten offer brengen; de man geeft zich over aan de vrouw; de vrouw aan den man en beiden doen afstand van het recht, dat zij als vrijgezellen over hun lichaam bezaten, ten gunste der andere wederhelft. De Apostel zegt; (I Cor. 7, 4.) »De vrouw heeft niet macht over haar lichaam, maar de man en desgelijks ook de man heeft niet macht over zijn lichaam maar de

322

-ocr page 331-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

323

vrouw.\'\' Op deze wijze worden zij als het ware éen persoon, of zooals God reeds in het O. Verbond zegt: (Gen. 2, 14.) «Twee in éen vleesch.quot; Dit Huwelijksverdrag is niet zooals andere verdragen, aan de willekeur der men-schen overgelaten, maar door God zelf voorgeschreven en kan door de verloofden niet anders gesloten worden, dan alleen op die wijze, dat zij zich geheel en levenslang aan elkander overgeven. Zouden zij bijv. overeenkomen, slechts een tijdlang samen te leven of het recht op hun persoon zich te willen voorbehouden, dan ware dit Huwelijksverdrag reeds aanstonds geheel ongeldig, wijl het tegen den wil van God aandruiscbt. Het Huwelijksverdrag wordt niet eenvoudig, maar plechtig gesloten; want bruidegom en bruid beloven voor het aanschijn der Kerk, dat zij tijdens hun leven elkander toebehooren en nimmer willen scheiden. Om hun belofte nog meer te bekrachtigen, geven zij ook elkander de hand en den trouwring. Er bestaat alzoo in waarheid geen verdrag dat op zoo\'n plechtige wijze wordt aangegaan en zoo streng verplicht als het verdrag des Huwelijks. Echtge-nooten, die tegen dit verdrag in den beloofden trouw verbreken, begaan aan hun wederhelft de grootste onrechtvaardigheid, doordien zij haar datgene onttrekken, waarop zij alleen recht heeft; zij zijn strafbaarder dan roovers en dieven, omdat zij het goed, dat zij haar onthouden, namelijk hun persoonlijk waarde alle aardsche goederen overtreft. Zij maken zich echter ook aan de zwaarste zonde tegen God schuldig, want zij scheiden, wat Hij zelf heeft verbonden en volgens zijn wil nimmer mag gescheiden worden. Nog meer, zij vergrijpen zich ook aan de Kerk, voor wier aanschijn zij hun Huwelijksverdrag hebben gesloten en toonen feitelijk, dat zij deze hun Kerk niet meer als hun Moeder erkennen. Eindelijk begaan zij niet enkel een eenvoudige trouweloosheid, maar een meineed,

-ocr page 332-

OVER DP, GEMEENSCHAPPFXIJKR

omdat zij niet eukel door een belofte, maar ook door handengeving in de plaats van den eed elkander een altijddurende trouw hebben verzekerd.

Reeds hieruit, Aand., moogt gé erkennen, hoe zwaar echtelieden zich bezondigen, die de Huwelijkstrouw schenden en aan een ander persoon hunne genegenheid en liefde schenken. Dit isjnderdaad een vergrijp, dat nauw zijns gelijke bezit. Wij mogen ons vandaar niet verwonderen, dat God reeds in het O. Verbond op het schenden der echtelijke trouw de doodstraf gesteld heeft. »Zoo een man,quot; heet het in de wet van Mozes, (Lev. 20, 21.) »overspel heeft bedreven met eens mans huisvrouw, .... zoo zullen overspeler en overspeelster met den dood gestraft worden.quot; Deze straf werd ook zonder genade voltrokken, zoodra éen der overspelers was aangewezen. Hij werd uitgeleid voor de poort der stad, de getuigen en al het volk wapenden zich met steenen en wierpen hem dood. Vreeselijk was ook de handelwijze tegen de vrouw, die men van echtelijke ontrouw verdacht hield. De man bracht haar voor den Priester en droeg voor haar een offer op. De Priester nam hierop h. water, deed van het stof, dat op den vloerbodem des tabernakels lag, daarin, sprak vervolgens vreeselijke vervloekingen over de vrouw uit, indien zij aan het overspel werkelijk zou schuldig wezen. Nadat dit was afgeloopen, moest zij het vloek-aanbrengend water drinken. Was zij onschuldig, dan schaadde dit water haar niet het minst; was zij integendeel schuldig, dan zwol haar lichaam op, hare heup viel in en zij werd tot een vloek en een afschrikkend voorbeeld in het midden haars volks. (Num. 5, 13—31). — Doch niet alleen bij het Israëlitische volk maar zelfs bij de Heidenen gold het schenden der echtelijke trouw voor de zwaarste misdaad. Lycurgus, de beroemde wetgever van Lacedamonie, bepaalde voor het overspel noch wet noch straf, omdat hij, zooals hij zeide,

824

-ocr page 333-

PLICUT3N DER GEHUWDEN.

het voor eene onmogelijkheid hield, dat zijn landslieden tot zulk een misdaad in staat waren. Keizer Aurelianus had van deze misdaad zoon afschuw, dat hij een soldaat, die zich hieraan had schuldig gemaakt, tusschen twee saamgebogen hoornen liet vastbinden en dan losgelaten, verscheuren. De oude Heidensche Saksens lieten de overspelige vrouwen wurgen, vervolgens verbranden en boven de verbrande lijken de overspelers ophangen. — Indien nu reeds de Joden en Heidenen, bij wie het Huwelijk niets meer dan een verdrag was, het overspel zoozeer verafschuwden en straften, welk een strafwaardige misdaad moet het dan wezen onder de Christenen, wier Huwelijk niet enkel een verdrag, maar tevens ook een Sacrament is.

Als Sactament is het Huwelijk verre verheven boven het Huwelijk in het O. Verbond, dat, ofschoon God ook al zelf het heeft ingesteld, toch maar een lichamelijke verbintenis was. De christ. echtgenooten hebben derhalve eene nog veel strengere verplichting, aan elkander getrouw te blijven en hun staat heilig te bewaren, dan de Joden in liet O. .Verbond. Er bestaat toch niets, wat eerbiedwaardiger en heiliger is. dan de Sacramenten. Wie een H. Sacrament misbruikt en ontheiligt, laadt een vreeselijke misdaad, een heiligschennis op zijn geweten. Aan deze zonde van heiligschennis raaken ontwijfelbaar echtelieden zich schuldig, die de echtelijke trouw schenden ; want het ontvangen Sacrament duurt voort zoolang zij leven. Zij berooven zich van de hei-ligmnkende genade, die hun is ten deel gevallen en vernietigen tegelijk alle overige genaden, die hun uit het H. Sacr. des Huwelijks toevloeien. Door het schenden der echtelijke trouw schandvlekken zij bovendien hun lichaam, dat door het Doopsel en in bijzonder door de Communie is geheiligd; zij voegen aan Jesus Christus, wiens ledematen zij zijn, den ontzettendsten smaad toe

325

-ocr page 334-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

en verwoesten in zich den tempel des H. Geestes. De Apostel zegt: (1. Cor. 3, 17). »Si quis au tem templum Dei violaverit, indien nu iemand den tempel Gods verderft, duperdet illum Deus, verderven zal God hem.quot;

Het kan ons daarom niet verwonderen, dat de christ. wet het overspel als de schandelijkste misdaad brandmerkt en met de zwaarste straffen bedreigt. De H. Pau-lus stelt het overspel met roof en moord op eene lijn en zegt in korte woorden, dat overspelers het rijk Gods niet zullen erven. (1. Cor. 6, 10). De H. Clemens v. Rome zegt: »Kan er onder alle zonden wel een grootere dan het overspel gevonden worden ?quot; De H. Chrysosto-mus zegt: »Het overspel is een doodslag, ja eene nog veel roekeloozer daad, dan vele moorden.quot; Eenige dwaal-geloovigen, met name de Montanisten, gingen zoover in hun verklaring, dat een overspeler bij God volstrekt geen hoop op vergeving meer mocht koesteren en wilden vandaar overspelers voor altijd buiten de kerkelijke gemeenschap hebben gesloten. Was dit in allen gevalle een dwaalmeening, omdat zij aan de barmhartigheid Gods paal en perk stelde, zoo kunnen wij daaruit toch zooveel opmaken, dat het overspel in de oogen der toenmalige Christenen een gruwelijke zonde was. Volgens de boete wetten van den H. Basilius was voor de zonde van overspel een vijftien-jarige boete voorgeschreven. In de eerste vier jaren moesten zoodanige boetelingen als bedelaars zich voor de kerkdeur ophouden en door verzuchting en geween de voorbede der uit- en ingaanden aanroepen ; in de daarop vier volgende jaren mochten zij wel de kerk binnengaan, maar niet om het H. Misoffer, maar alleen de preek bij te wonen ; eerst na acht jaren liet men hen weder aan het H. Offer deelnemen, zij moesten daaronder steeds op den grond liggen. Dit duurde weder vier jaren. In de laatste jaren van hun boetetijd verkregen zij ook de vrijheid, de H. Sacramenten te ontvangen,

326

-ocr page 335-

PUCHT3N DER GEHUWDEN.

evenwel met uitzondering van de H. Communie, die hun eerst na den afloop van den vijftien jarigen boetetijd werd uitgereikt. Heden ten dage bestaat wel deze langdurige en openbare boete voor het overspel niet meer, maar daarom heeft het zijn schandelijkheid en strafwaardigheid in de oogen van God niet verloren ; het is en blijft een vloekwaardig kwaad, dat, indien het door geen strenge boete wordt mtgewischt. de eeuwige verdoemenis tot zich trekt. (Spreuk Ggt; 32, 33). »Die met eens anders vrouw boeleert, stort wegens de dwaasheid (armoede) zijns harten zijn leven in \'t verderf, jammer en schandvlek vindt hij ; en zijn smaad wordt niet uitgewischt.quot;

Vlucht alzoo, christ. echtelieden, niets zoo zeer, als het schenden der echtelijke trouw. Houdt u stiptelijk aan uwe belofte, die gij elkander voor het aanschijn der kerk gegeven en God met\' zijn genade heeft bezegeld, tot aan uw laatsten ademtocht. Opdat gij echter niet ongemerkt in de strikken des verzoekers geraakt, wandelt daarom voorzichtig en bezigt de middelen, die ioi het bjwaren der Huwelijkstrouw noodzakelijk zijn.

2) Als zoodanige middelen noem ik het vermijden der kwade gelegenheid, godsdienst, godsvrucht en het dikwijls denken aan den dood.

a. De H. Geest verzekert ; (Eccl. 3, 27.) » Qui amat pericuhm, die het gevaar liefheeft, in Ulo peribit, komt -er in om.quot; Deze uitspraak geldt niet alleen voor ongehuwde, maar ook voor gehuwde personen. Ook dezen hebben geen vrijbrief tegen de zonde ; want zij houden in den huwelijken stand niet op, zwakke schepselen te zijn, en zoowel wereld als duivel spannen hun strikken, om ze ten val te brengen. Indien zij daarom niet steeds op zich zelve wel acht geven, en de kwade gelegenheden zooveel mogelijk vermijden, dan verkeeren zij in een groot gevaar, de echtelijke trouw te schenden en hun geweten met de zwaarste zonden te beladen. David dient

327

-ocr page 336-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

328

ons tot een waarschuwend voorbeeld. Deze koning was een man naar Gods hart, die alle kwaad schuwde, en met ijver op den we» van deugd wandelde. Des niettegenstaande had hij het ongeluk, de echtelijke trouw te verbreken en een diepen val te doen. Hoe is het nu gebeurd, dat deze koning zoo zwaar zondigde ? Gij zelf weet het, de kwade gelegenheid waaraan hij zich blootstelde bracht hem ten val. Hij hield zijn oogen niet in bedwang en verwijderde zich niet aanstonds van de plaats des gevaars ; daarom overweldigde de opdoemende begeerlijkheid hem en bracht hem tot misdaden, die voor hem een bron van tallooze tranen en levenslange rampspoeden werden. Wegens dergelijke oorzaken storten heden nog somtijds echtelieden zich in de diepste ellende. Zij veroorloven zich met personen van \'t ander geslacht zekere vertrouwelijkheden en verwijlen met hen dikwijls op plaatsen, waar niemand ze ziet; zij zoeken lichtzinnige gezelschappen op en nemen deel aan uitspanningen, waarbij de geest van teugelloosheid beerscht; zij zijn onbehoedzaam, en laten aan hun zintuigen, bijzonder aan hun oogen te veel vrijheid ; zij wijzen gewetenlooze personen, die in schaapskleederen tot hen komen, maar zich langzamerhand als grijpende wolven voordoen, niet met een heilige verontwaardiging van zich af. Zoo gebeurt het dan, dat zij allengskeus hun h. eed, dien zij voor het altaar hebben afgelegd, niet meer gedenken, en ten laatste verbintenissen aanknoopen, die hun hierbeneden onheil en smaad, maar namaals de eeuwige verdoemenis bereiden. — O, christ. echtgenooten, weest op uw hoede, dat gij u niet in een zoo groot verderf stort. Vlucht alle plaatsen en personen, die voor uw deugd gevaarlijk kunnen worden, gedraagt u niet lichtzinnig en onbezonnen ; want dit strijdt met de waardigheid des huwelijken staats en baant u den weg tot zonde; waakt over uwe oogen en over uw hart, en laat geen kwade begeerlijkheid in u

-ocr page 337-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

opkomen, gedachtig de woorden van Christus: (Matth. 5, 28.) »Ik zeg u, dat zoo wie eene vrouw aanziet, om haar te begeeren, alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan heeft.quot;

6. Een ander middel tot het bewaren der echtelijke trouw is godsdienst en godsvrucht. Echtelieden, die godsdienst in hun hart dragen en God vreezen, zullen nimmer, zelfs niet in het grootste gevaar, van het pad der deugd afwijken. Denkt slechts aan de eerbare Susanna. Hoe zwaar was de verzoeking, waarin de beide grijze booswichten haar brachten. Zij bezigden niet enkel vleierijen, maar dreigden zelfs, dat zij haar van overspel beschuldigen en ter dood zouden brengen. Susanna begreep zeer wel het hachelijke van haren toestand, daarom verzuchtte zij : (Dan. 13, 22. 23.) »Het is mij bang van alle zijden ; want doe ik dit, dan ben ik des doods ; en zoo ik het niet doe, zal ik uw handen niet ontvluchten.quot; Maar de godsvrucht hield haar staande in den harden strijd en deed haar de lofwaardigste overwinniug behalen. Vast besloten sprak zij : » Het is mij verkieslijker, zonder misdrijf gepleegd te hebben in uwe handen te vallen, dan te zondigen tegen den Heer.quot;

O, indien alle christ. echtgenooten met den geest van den godsdienst bezield waren zooals een Susanna, dan zou voorzeker niets in de wereld in staat zijn, hun echtelijke trouw te schokken eu hen ten val te brengen. Maar dit is juist de groote ramp van onzen tijd, godsdienst en godsvrucht is uit de harten van velen geweken, daarom is in den Huwelijken staat zoo\'n groot verderf gevaren. In vroegere tijden was het over het algemeen met de Huwelijken veel beter gesteld en maakte ooit een man of vrouw zich aan echtelijke ontrouw schuldig, dan waren zij aan de algemeene verachting prijs gegeven. Maar toen was het ook nog een tijd, dat de godsdienst minstens bij burger en landman nog in aanzien stond.

329

-ocr page 338-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

De echtelieden bezochten alle Zon- en Feestdagen den godsdienst en niet alleen de vrouwen, maar ook de mannen hoorden vlijtig het woord Gods aan, ook ontvingen zij dikwijls de H. Sacramenten en hielden zich stipt aan eenige huisaandacht. Hoezeer is dat alles veranderd ! Wij hebben tegenwoordig veelal een geslacht, dat, afgekeerd van God en het eeuwige, alleen maar zin heeft voor het aardsche; een geslacht, dat in de bevrediging zijner zinlijkheid en lusten zijn geheele zaligheid zoekt; een geslacht, dat, aangestoken van ongeloof en de verderflijke grondstellingen der wereld, over het eerbiedwaardige en heilige zich heen zet, alle begrip van zedelijkheid onderst boven keert en de schandelijkste misdaden weet te verontschuldigen en te verschoonen. Waarlijk, onder zoodanige omstandigheden moet het ons niet verwonderen, indien wij ook de echtelijke trouw zien geschonden, indien gehuwde mannen hunne oogen op anderen vestigen om hun schandelijke lusten te bevredigen en indien gehuwde vrouwen, voor de trouweloosheid hunner mannen zich schadeloosstellend, alle eergevoel en godsvrucht afleggen en zonder schaamte de wegen van zonde gaan. Hoe kan dit verderf anders hersteld worden, dan daardoor, dat de godsdienst weder opleve in de harten der Christenen en de h. vreeze Gods weder inkeere in de paleizen der grooten alsmede in de hutten des gemeenen mans ? Christ, echtelieden, laat alzoo de geest van godsdienst u bezielen en houdt God, die u overal nabij is en alle kwaad verafschuwt en straft, voor oogen, dan zult gij voorzeker nimmer iets doen of toelaten, wat de echtelijke trouw ook maar \'t minst kan kwetsen.

c. Als laatste middel tot het bewaren der echtelijke trouw beveel ik u aan het dikwerf en ernstig\' gedenken aan den dood; dit middel zal u sterken in elke verzoeking en u voor eiken onrechten stap bewaren. Ach, hoe zoudt ge op uw sterfbed er aan toe zijn, indien de

330

-ocr page 339-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

schrikkelijke misdaad der echtelijke ontrouw op uw geweten rustte! Waarlijk, de herinnering aan zulk een misdaad zou u met een onuitsprekelijken angst vervullen en uw laatste uur tot het vreeselijkste uws levens maken. Wat een rampzalig einde nemen niet de overspelers ! Herodes, die ondanks de ernstige terechtwijzing van den H. Joannes zijn overspeligeu omgang niet afbrak, stierf, van zijn rijk beroofd en van God en menschen verlaten, in wanhoop. Herodias, die schandelijke vrouw, die zich van haren rechtmatigen echtgenoot scheidde en Herodes aanhing, viel, als zij zich eens op het ijs eens vijvers bevond, er eensklaps door, en de te zamen schuivende ijsschotsen sneden haar het hoofd af, zonder dat zij nog tijd had, heur misdadig leven door boete uit te wisschen. En zoo getuigt de geschiedenis aller eeuwen, alsmede onze eigen ervaring, dat mannen en vrouwen, die gewetenloos genoeg zijn, de Huwelijkstrouw te verbreken, schier altijd een rampzaligen dood sterven en met het brandmerk der verdoemenis de eeuwiffheid ineraan.

O O

Bedenkt dus wel, christ. echtgenooten, en ziet toe, dat ge de echtelijke trouw niet schendt. Wandelt voorzichtig, vermijdt de kwade gelegenheid en schuwt de al te groo-te vertrouwelijkheid met personen van het andere geslacht. Deze voorzichtigheid gebiedt de wijsheid, gebiedt uwe zwakheid en de treurige ondervinding, dat de braafste echtelieden, omdat zij de gelegenheid niet vermeden, een diepen val gedaan hebben. Vreest God en prent de grondstellingen van den h. godsdienst diep in uw hart; want godsdienst en godsvrucht zullen u als beschermende Engelen ter zijde staan, opdat ge m uw echtelijke trouw niet wankelt. Herinnert u vaak de vergankelijkheid van al het aardsche en uw einde. Na weinige jaren moet gij van de wereld afscheid nemen, en vaarwel zeggen aan alle genot en vreugde ; de dood komt en beslist over uw lot voor de geheele eeuwigheid. Deze ernstige gedachten

331

-ocr page 340-

OVER DK GEMEENSCHAPPELIJKE

zullen gewis alle lichtzinnigbeid uit uw hart bannen en u voor alles bewaren, wat uw sterfbed hard en uwe eeuwigheid ongelukkig kan maken.

111. Hulpvaardigheid.

L)e christ. echtelieden hebben de verplichting, dat zij elkander liefderijk ondersteunen in alle aanqelec/enho-den des lichaams en der ziel.

1) Het doel des Huwelijks is niet enkel de rechtmatige voortplanting des menschelijken geslachts, maar ook het wederzijdsche hulpbetoon van man en vrouw. Op dit doel wees God reeds bij de instelling van het Huwelijk, doordien Hij sprak: (Gen. 2, 18). «Het is niet goed, dat de mensch alleen zij ; Ik zal hem eene hulpe maken, hem tot een wederga.quot; Het was derhalve reeds van den beginne af de wil Gods, dat de echtelieden in alle moeilijke omstandigheden des levens elkander bijstaan en naar krachten ondersteunen. Vandaar ook veroorlooft de Kerk zoodanige Huwelijken, waarvan geen nageslacht meer staat te verwachten, alsmede zoodanige, waarin de echt-genooten in eene volkomene onthouding, als broeder en zuster met elkander leven. Hieruit blijkt duidelijk, dat niet enkel de voortplanting des menschelijken geslachts, maar ook het wederzijdsche hulpbetoon, der echtgenooten het doel is des Huwelijks en bijgevolg echtelieden, die zich om het lief en leed der wederhelft niet bekommeren, zich aan den plicht van hun staat grootelijks bezondigen. Het Christ. Huwelijk is verder, zooals ik reeds dikwijls heb opgemerkt, een afbeelding der vereeniging van Christus e et zijn Kerk. Hoe nu gedraagt Christus zich jegens zijn Kerk? Hij koestert voor baar de innigste liefde, staat haar in allen strijd en lijden hulpvaardig ter zijde en beschermt ze tegen de poorten (machten) der hel tot het einde der dagen. Dit voorbeeld van Jesus moeten de

332

-ocr page 341-

PLICHTEN DRK GRHrWDEN.

333

echtelieden voor oogen houden en derhalve in al hun aangelegenheden elkander liefderijk ondersteunen. — Eindelijk zijn het ook de menigvuldige bezwaren en het lijden van den huwelijken staat, die een wederkeerig hulpbetoon der echtgenooten volstrekt noodzakelijk maken. Moeilijkheden en plagen zijn wel is waar aan eiken staat verbonden, aan geen echter meer dan aan den huwelijken staat. Zelfs menig kruis, dat den echtelieden vele verzuchtingen en tranen afperst, gaat daar binnen. Dan zijn het de eigen huisgenooten, kinderen en dienstboden, dan de geburen en vreemden, die hun veel kommer en verdriet veroorzaken; nu zijn het kwalen en ziekten, die in huis vallen en hun veel jammer bereiden ; dau weder een slechte vooruitgang der zaken, armoede en bedrukte tijden, die hun een groote zorg teweegbrengen; ook onverwachte rampspoeden, die hun toestand zeer verergeren. Zelfs in zoodanige Huwelijken, waarin alles goed schijnt te gaan, bevinden zich allerlei kruisen, die dikwijls des te zwaarder zijn te dragen, als zij geheim zijn en aan niemand kunnen geopenbaard worden. Vandaar komt het, dat zelfs weinige echtelieden met hun staat volkomen tevreden zijn en dat men vaak hoort zeggen: had ik geweten, wat ik thans weet, ik was ongehuwd gebleven en niets zou mij hebben kunnen bewegen, in den huwelijken staat te treden. Is nu de huwelijke staat in allen gevalle een harde en bezwaarlijke stand, hoe beklagenswaardig ware dan het lot der gehuwden, indien zij in hunne aangelegenheden en wederwaardigheden zich de wederzijdsche deelneming en hulp onthielden! Voorzeker, dan ware de Huwelijksstand een hoogst ongelukkige stand en men moest het voor een geluk houden, door den dood ervan bevrijd te worden. Werken daarentegen de echtelieden steeds liefdevol te zamen en komen zij elkander naar krachten te hulp,dan kunnen zij hun lot in veel verbeteren en ook de rampen, waarmede zii bezocht worden, lichter afkeeren, wijl een vereende

-ocr page 342-

OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

traciit steeds meer vermag dan een verdeelde. Reeds de deelneming, die de eene wederhelft aan de ander te kennen geeft, is heel geschikt, het lijden te verzachten. Het is toch voor ons steeds een groote troost, indien wij vernemen, dat anderen medelijden met ons hebben, wij gevoelen er ons beter aan toe en het is ons, alsof men ons een groot deel des kruises heeft afgenomen. Maar hoe zwaar wordt het kruis voor ons, indien wij volstrekt geen deelneming vinden; ja, indien men ons wellicht zelfs zijn afkeer te kennen geeft, ons verwijtingen doet en ons ruw bejegent. Dan vooral behoort er een groote zielskracht en een meer dan gewone deugd toe, indien wij het geduld bewaren en niet in kleinmoedigheid vervallen. De oude Tobias droeg zijn blindheid jaren lang zonder klagen en met een volkomen geduld ; maar toen zijn vrouw eens in de hitte baars toorns smaadwoorden tegen hem uitstiet, kreeg zelfs de h. man het te kwaad en bad den Heer om den dood, opdat hij van zijn ellende mocht verlost worden.

Christ, echtelieden, maakt u alzoo het kruis, wat ge hebt te dragen, daardoor niet zwaarder, dat ge elkander wederzijdsche deelneming onthoudt.; toont veeleer in woord en daad, dat ge met de lijdende wederhelft een hartelijk medelijden hebt en haar lijden u even zoo na ter harte gaat, als wanneer het u zelve had getroffen. Verre zij van u dat liefdelooze gedrag van zoo menig gehuwde, die bij het aanschouwen des lijdenden echtgenoota geheel onbewogen en koud blijven of zelfs in misnoegen en smaadwoorden uitvallen. O, zoodanige gevoellooze mannen en vrouwen handelen zeer tegen hun belofte, die zij voor God hebben afgelegd, dat zij elkander oprecht lief hebben en lief en leed met elkaar wilden deelen. — Ik weet wel, wat eenige gehuwden ter hunner verontschuldiging inbrengen. Wat baat het ook al, zeggen zij, indien ik het lijden mijns echtgenoots, mijner echtgenoote

334

-ocr page 343-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

nog zoo zeer ter harte neem ; ik kan het toch niet verhelpen. Ik antwoord : kunt gij uw wederhelft het kruis ook al niet afnemen ; zoekt het haar dan minstens door woorden van troost te verlichten. Veel vermag een vriendelijke en liefdevolle toespraak tot den lijdenden medebroeder ; zij richt hem op in zijn neerslachtigheid, en vervult hem met moed en kracht, 5;oodat hij zijn bitter lot weder gemakkelijker kan dragen. »Een warme regen,quot; zegt de H. Chrysostomus, »doet altijd goed, maar is bijzonder welkom in tijden van droogte; want hij verkwikt de dorstende aarde, en geeft aan het gewas een nieuw leven.quot; igt; Evenzoo,quot; voegt de heilige er aan toe, «is het gelegen met den troost van goede vrienden ; deze is altijd aangenaam, maar heel bijzonder in tijd van droefheid.quot; Hebt derhalve, christ. echtgenooten, medelijden met elkander, troost elkander, en wekt elkander op tot berusting in den wil van God, opdat gij uw kruis altijd geduldig moogt dragen.

Doch laat het hierbij niet blijven, maar legt bereidwillig de hand aan \'t werk en doet alles, wat in uw vermogen is, het lijden af te keeren of het ten minste te lenigen. Een recht schoon voorbeeld geeft u hier een arme handswerksman in de nabijheid van Altona, wiens vrouw ten gevolge eener ziekte geheel het gezicht had verloren. Hij spaarde geen kosten, om haar het gezicht terug te bezorgen ; maar helaas ! twee jaren lang had hij alle middelen vruchteloos aangewend. Toen hoorde hij eindelijk, dat er in een van zijne woonplaats 5 uren gelegen stad een arts was, die van de blindheid kon genezen. Aanstonds ging hij met zijn blinde vrouw op weg en bracht haar bij den arts. De arts beloofde wel hulp, maar eischte voor de\' genezing vijf en twintig gulden. Dit was te veel geld voor den armen handwerksman, wiens geheel vermogen bestond in een koe die tot nu toe hem en zijn vrouw karig had doen bestaan. Hij be-

335

-ocr page 344-

3;i6 OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE

dacht zich echter niet lang ; hij ijlde naar huis, verkocht de koe, en bracht zich in den uitersten nood, opdat de vrouw maar geholpen werd. Ziet, christ. echtelieden, zoo handelen man en vrouw, die elkander een ware liefde toedragen; geen offer is hun te zwaar, wanneer het te doen is, aan de lijdende wederhelft hulp te verschaffen. Zoo moet ook gij in alle lichamelijke nooden en aangelegenheden elkander liefderijk ondersteunen ; dit vordert van u de Huwelijksplicht.

2) Geheel bijzonder echter moet tjij u het zielenheil uwer roederlielft aantrekken en het naar krachten bevorderen. Dit is en blijft toch steeds het hoogste doel van den huwelijken staat : »Man en vrouw moeten met vereende krachten daarnaar streven, dat hun harten steeds reiner, hun wandel steeds zuiverder, het getal hunner goede werken steeds grooter en hun ijver in het goede steeds levendiger worde, opdat zij ook aan gene zijde des grafs in eene eeuwige liefde en zaligheid vereenigd blijven.quot; (Ritaal. Ratisb.) Ter bereiking van dit doel moeten zij de geschikte middelen vlijtig aanwenden, bijzonder de terechtwijzing, het i/oede voorbeeld en het gebed.

a. Bij de menschelijke zwakheid en geneigdheid tot het kwade kan het niet uitblijven, dat ook de echtelieden hier en daar struikelen en misstappen begaan. Is nu ieder Christen reeds gehouden, den dwalenden broeder terecht te wijzen dan rust deze verplichting nog meer op de gehuwden onderling, omdat zij niet enkel door den band der christelijke, maar ook door dien der echtelijke liefde met elkander zijn verbonden. Opdat echter de terechtwijzing het gewenschte gevolg erlange, moet zij ten rechten tijde en in den geest van liefde gedaan worden. Is de dwalende mensch nog in het eerste vuur van den hartstocht, dan zullen ook de beste vermaningen weinig baten ; ja, de ondervinding leert, dat zij het kwaad, in plaats van te keer te gaan, dikwijls nog erger maken.

-ocr page 345-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

Het is daarom gedwaald, indien gij, echtgenooten, aan uw mannen, wanneer zij bv. \'s nachts in een beschonken toestand te huis komen, verwijtingen doet; ge zult daarmede, al zoudt gij het ook nog zoo goed meenen, weinig of niets uitrichten ; uwe mannen zullen wellicht zelfs in vuur geraken, razen, vloeken, en ge moogt va.i geluk sprekken, indien gij niet wordt mishandeld. Hoe verstandig gedroeg zich Abigail, Nabals vrouw ! Zij hield haren man het aan David aangedaan onrecht niet aanstonds voor, maar wachtte daarmede tot den anderen dag, als hij zijnen roes uitgeslapen en voor een goede les een toegankelijk hart bezat. Ook moeten de echtgenooten bij de terechtwijzing elkander met geen barsche woorden toespreken of harde verwijting doen. Zulk een terechtwijzing schaadt altijd meer, dan dat zij baat; zij verbittert het gemoed en maakt zelfs den band der echtelijke liefde zwakker. Een goed woord daarentegen vindt ook een goede plaats ; vriendelijke en liefdevolle vermaningen, waarbij wij zien, dat zij uit een \'welmeenend hart voortkomen, en slechts ons beste beoogen, brengen ons tot bekenteais der begane fouten en bewerken een degelijke verbetering. Opdat eindelijk de kwalijk handelende wederhelft niet onnoodiger wijze beschaamd worde en haar gezag bij de ondergeschikten niet verlieze, moet de ander ■wederhelft haar niet in de tegenwoordigheid van kinderen en dienstboden\' maar zoo mogelijk onder vier oogen terechtwijzen. Deze kiesche oplettendheid zal op haar een goeden indruk maken en ze des te eerder tot het afleggen barer feilen bewegen.

b. Opdat echter de terechtwijzing een goed gevolg hebbe, moet ze met een goed voorbeeld gepaard gaan. Zijn wij zelve niet zóo als wij moeten wezen, en in menig opzicht laakbaar dan zullen wij zelfs met de schoonste woorden niet veel uitrichten ; want men zal ons zeggen :

22

337

-ocr page 346-

OVER DE GEMEBNSCHAPPEUJKE

338

(Luc. 4, 23.) »Medice cur a te ipsum, geneesmeester, genees u zelven !quot; of zooals men zich in de volkstaal uitdrukt : »Zie maar op u zelf!quot; Het goede voorbeeld is steeds de krachtigste en overtuigendste preek, en oefent op het hart des menschen een invloed uit, die hem schier onweerstaanbaar van het kwaad aftrekt en voor deugd wint. Dit geldt ook van de echtelieden, en van hen des te meer, daar zij steeds te zamen leven en de voortdurende getuigen zijn van hun wederzijdsch gedrag. Hoeveel het goede voorbeeld bij hen vermag, getuigt de geschiedenis aller tijden. Hier slechts een voorbeeld. Clodwig, koning der Franken, was nog een Heiden, als hij de vrome Christin Clotildis huwde. Hij gaf ook weinig hoop, dat hij ooit het christelijk geloof zou aannemen; want hij was van een woeste natuur en hing met geheel zijn hart aan zijn afgoden. Vandaar bood hij ook aan alle bemoeiingen der Priesters, die hem tot het Christendom zochten te bekeeren, weerstand. Maar wat dezen met al hun onderrichtingen en toespraken niet vermochten, dat bracht zijn gemalin met haar goed voorbeeld tot stand. Hij was dagelijks getuige harer hemelsche zachtmoedigheid, barer volmaakte gehoorzaamheid, baars engel-reinen wandels; dit maakte zijn versteend hart van lieverlede week, en deed hem een godsdienst, die zijn aanhangers zoo vroom en deugdzaam maakt, liefkrijgen. Als hij na een groote overwinning was terug gekeerd, verklaarde hij zich voor Christus en sprak ; »Clodwig heeft zijn vijanden verslagen, Clotildis echter heeft koning Clodwig overwonnen. Van af deze stonde zweer ik het Heidendom af en beken mij tot den christ. godsdienst, dien Clotildis door haar voorbeeld mij geleerd heeft.quot; — Christ. echtelieden, wijl het goede voorbeeld op het hart der menschen een groote macht uitoefent, verzuimt daarom toch dit middel niet tot uwe wederkeerige verbetering en volmaking. Indien uw wederhelft aan u steeds alleen

-ocr page 347-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

het goede waarneemt, indien hij dagelijks de getuige is van uw ootmoed, zachtmoedigheid en geduld, van uwe vroomheid en godsvrucht, dan zal ook hij allengs een betere gezindheid aannemen, uw deugd niet enkel bewonderen, maar ook zich eigen maken.

c. Zou echter zoowel de terechtwijzing als ook het goede voorbeeld zonder werking blijven, dan behoeft ge den moed nog volstrekt niet te laten zii.ken, er blijft u nog een middel over, om uw wederhelft op betere wegen te brengen, en dit middel is het gebed. Wijl God, onze Vader in den hemel, in niets een grooter welgevallen vindt, dan dat wij elkander hartelijk liefhebben en ons wederzijdsch heil met allen ijver bevorderen, daarom hebben wij allen grond te gelooven, dat Hij het gebed voor anderen evenzoo welgevallig, ja, nog welgevalliger zal aannemen dan het gebed voor ons zelf. Wanneer al-zoo echtgenooten voor elkander bidden, dan mogen zij niet twijfelen, dat dit gebed Hem onaangenaam is, en Hij het genadig verhoort. Ik haal u hier tot bewijs slechts een enkel voorbeeld aan. Een godvreezende vrouw was zoo ongelukkig, een man te hebben, die zich aan de dronkenschap overgaf en ook overigens een zeer ongeregeld leven leidde. Al haar bemoeiingen, hem te verbeteren, waren vruchteloos. Nu gaf de zielzorger haar den raad, tot het gebed haar toevlucht te nemen; want, zeide hij, (Jac. 5, 16j v Multum enim valet deprecatio justi assidua, het dringend gebed eens rechtvaardigen vermag veel.quot; Doch een Tangen tijd scheen ook haar gebed niet te baten; zij liet echter haar vertrouwen niet zinken, wel wetencl, dat alleen aan het volhardend gebed de verhooring is verzekerd. Zoo zat zij op een zekeren avond alleen in de kamer, zij had de kinderen ter ruste gelegd en de man was ouder gewoonte in de herberg. Als zij nu zoo alleen was en aan de toekomst dacht, werd het

339

-ocr page 348-

OVER DE GE5IUENSCHAPPRLIJK15

haar te benauwd om \'t hart. » Ach,quot; zoo jammerde zij, »die arme kinderen, wat zal er van hen geworden ? Zij zullen moeten bedelen !quot; Steeds droeviger werd het bij zoodanige gedachten in haar binnenste, en zij werd geheel door droefheid overstelpt. «Ach God! is er dan geen hulp mogelijk ?quot; verzuchtte zij, viel op haar knieën neder en klaagde met heete tranen al haar leed aan den he-melschen Vader. Geheel nu in het gebed verzonken, merkte zij haren man, die intusschen ia de kamer was gekomen, niet op. Deze bleef staan, als hij zijne vrouw op de knieën zag en hoorde nog eea gedeelte van haar gebed, dat zij stortte. Hij kon zich echter niet lang st\'1 houden; diep geroerd en beschaamd ijlde hij op haar toe, en beloofde haar met tranen in de oogen beterschap, degelijke beterschap. En hij hield woord; van stonde af deed hij afstand van zijn buitensporigheden en leidde voortaan een geregeld en echt christelijk leven. — lu een der-gelijken toestand, als deze vrouw, bevinden zich niet weinige vrouwen. Zij hebben mannen, die zich aan drank en spel hebben overgegeven, en door hun slecht bestuur de geheele huishouding ten gronde richten. Alle vermaningen, alle beden, alle terechtwijzingen aan hen zijn te vergeefs; — zij verbeteren zich maar niet. Daar moeten nu de echtgenooten het laatste en krachtigste middel aangrijpen, bidden, met een groot vertrouwen en met volharding bidden. Hetzelfde moeten uok de mannen doen, die ongelukkiger wijze met vrouwen zijn verbonden, die slechte wegen gaan en in huis veel onheil stichten. Voorwaar ! indien de echtelieden voor de booze wederhelft met een aanhoudend vertrouwen bidden, dan zal God zijne hulp hun voorzeker niet onthouden. De goddelijke Zaligmaker toch verzekert; (Matth. 7, 7) » Petite, et dabitur vobis, bidt en u zal gegeven worden.quot;

Volbrengt dan, christ. echtelieden, de gemeenschappelijke plichten, die op u rusten; draagt elkander een

340

-ocr page 349-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

oprechte h. liefde toe, bewaart onder elkander de echtelijke trouw, en verleent aan elkander in alle aangelegenheden naar lichaam en ziel een liefderijke hulp. Houdt u aan elkander, zoowel in goede als kwade dagen en zijt steeds éen van hart en éen van zin ; waar vrede is, daar woont God. Wandelt in reinheid van zeden en vlucht zorgvuldig alles, wat uw geweten bezoedelen en uw sterfbed hard zou kunnen maken. Vreest God en onderhoudt zijn geboden ; dan zal Hij met welgevallen op u nederzien, u geluk en zegen bezorgen, en u eenmaal tot de eeuwige vreugde des hemels roepen.

|3.

Over de bijzondere plichten der gehuwden.

De christ. echtelieden staan met elkander in de innigste gemeenschap des levens; want zij zijn, zooals de H. Schrift zegt, twee in een vleesch. Zij moeten derhalve elkander een hartelijke liefde toedragen, steeds den vrede bewaren en in de verschillende nooden dezes levens en bijzonder in de aangelegenheden des zielenheils elkander wederkeerig ondersteunen. Over deze plichten die zij gemeenschappeiijk hebben te vervullen, hebben wij in het breede gesproken. Behalve deze gemeenschappelijke [dichten zijn er nog andere, die ieder wederhelft in het bijzonder aangaan. Over deze bijzondere plichten der gehuwden spreek ik thans.

1. Over de plichten van den man jegens zijn vromv.

De plichten van den man jegens zijn vrouw kunnen tot iwee wordeu teruggebracht; hij moet haar namelijk

341

-ocr page 350-

OVER DE BIJZONDERE

1) met liefde leiden, 2) voor hare lenoodiydheden zorgen.

1) Het is geen aanmatiging van den man of een recht, dat enkel de menschelijke wet hem toekent, indien hij zich als den heer des huizes beschouwt en van zijn vrouw gehoorzaamheid en onderdanigheid vordert. God zelf heeft deze macht hem opgedragen ; want reeds tot de eerste vrouw, Eva, sprak Hij : (Gen. 3, 16) Sul) viri poiestate eris, gij zult onder de macht van den man staan, et ipse dominahiiur tui, en hij zal over u heerschappij hebben.quot; Eva en met haar geheel haar geslacht hebben het ook wel niet anders verdiend, dan dat God ze aan hare mannen onderwiep ; zij toch hebben haar vrijheid misbruikt en over het gansche menschelijke geslacht groote ellenden gebracht. »Adam,quot; zegt de H. Ambrosius, »is door Eva en niet omgekeerd. Eva door Adam verleid. Billijk is het daarom, dat de man heer en bestierder der vrouw zij, opdat zij niet andermaal door lichtzinnigheid v;ille.quot; In het N. Verbond, waarin het Huwelijk is een afbeelding der vereeniging van Christus met zijn Kerk, stelt de man Christus voor, de vrouw echter de Kerk; er muet daarom tusschen man en vrouw dezelfde verhouding plaats vinden, als tusschen Christus en de Kerk. Maar nu is Christus het hoofd der Kerk; Hij leidt en regeert haar deels onzichtbaar door zijn onmiddellijk inwerken, deels zichtbaar door zijne plaatsbekleeders, den Paus en de Bisschoppen, tot aan het einde der tijden ; de Kerk nu erkent Hem als haren Heer en onderwerpt zich aan Hem met een liefdevolle onderdanigheid. Evenzoo is ook de man de heer der vrouw en bezit het recht en heeft de verplichting haar te leiden en te regeeren; de vrouw echter is gehouden, den man als haren heer te erkennen en zich gewillig aan hem te onderwerpen. Vandaar schrijft de H. Ap. Paulus: (Eph. 5, 22. 23.) »Dat de vrouwen aan hare manueu onderworpen zijn, gelijk aan den Heere ;

342

-ocr page 351-

PLICHTEN DER SEHUWDEN.

want de man is het hoofd van de vrouw gelijk Christus het hoofd is van de Kerk.quot;

Indien derhalve de vrouwen zich aan de heerschappij harer mannen niet onderwerpen, maar zich zelve de macht van heerschen wilden toeeigenen, zouden zij de door God gestelde orde omkeereu en bovendien aan de christ. wet zich bezondigen. Het ware echter ook schandelijk voor den man, indien hij zijn recht varen en zijne vrouw over zich liet heerschen. Mannen, die zich aan het bestuur der vrouwen onderwerpen, geven genoegzaam te kennen, dat zij meer vrouw dan man zijn en Iaden billijk den spot en de verachting der menschen op zich. Belacht en bespot men echter zoodanige lafhartige mannen, dan is dit ook voor de vrouwen geene eer, wijl toch hare eer met die harer mannen in de nauwste verbinding staat. Vrouwenheerschappij deugt gewoonlijk ook niet veel en leidt, zeldzame gevallen uitgezonderd, niet ten goede, maar slechts ten kwade. Gaat maar in een huis, waar de vrouw de teugels in handen heeft en waar de man bij zijn vrouw in kost gaat, zooals men tegt, hoe staat het daar ? Gewoonlijk niet al te best. Bij de vrouw ontbreekt het meestal aan de behoorlijke voorzichtigheid en diepte van verstand; zij zal veel verkeerd aangrijpen en verordeningen maken, die een kwaden keer nemen. Is ook dit niet het geval, toch kan zij menige ongelegenheid niet uit den -weg ruimen; want haar ontbreekt het noodige gezag en hare bevelen worden dikwijls in \'t geheel niet, of maar ten halve volbracht. Zoo zal alles den kreeftengang gaan en het staat te vreezen, dat het bestaan er geheel onder-raakt. Maar nog meer; mannen, die hun vrouwen laten heerschen, stellen niet enkel hun tijdelijk, maar zelfs hun eeuwig welzijn aan gevaren bloot. Wijl Adam zijn vrouw Eva veroorloofde, dat zij den boom der kennisse naderde, ja, om haar te believen zelfs van de verboden vrucht at. daarom werd hij en met hem het gansche

343

-ocr page 352-

OVER DE BIJZONDERE

mensohelijke geslacht hoogst ongelukkig. Welk een voortreffelijke heerscher was niet Salomon! Een zoo\'n wijs bestuurder als hij, heeft nooit op den troon gezeten en zal er ook nimmer opzitten, zoolang de wereld staat. Maar ziet! deze zoo wijze koning werd in zijn latere regeeringsjaren een groote dwaas; hij liet in zijn rijk afgodstempels bouwen en verleidde zijn volk tot afgoderij. Wat was nu de oorzaak, dat Salomon zoo diep viel\'? Wat anders dan zijne toegeeflijkheid ten opzichte zijner buitenlandsche vrouwen? Hij kon het niet van zich ver-krijgen, haar zondig begeeren af te wijzen; haar ter liefde bouwde hij den afgoden tempels en laadde op zich Gods toorn en straffen. Desgelijks, gehuwde mannen, als met Adam en Salomon, zou het ook met u kunnen gaan, als ge aan uw vrouwen het bestuur overliet en haar alles naar den zin deedt; zij zouden u tijdelijk en eeuwig in het ongeluk storten. Daarom geeft de wijze Sirach de waarschuwing; (Eccl. 9, 2.) » Non des mulieri pot est ate m ammae tuae, geef aan uw vrouw niet de macht over uwe ziel, nc tngrediatur in virtutem tuam, dat zij niet over u heersclie, et confundaris, en gij te schande wordt.quot;

Wat ik u nu gezegd heb, zal u mannen, ik twijfel er niet aan, geheel naar uw hart zijn gesproken en misschien zal iemaiul uwer denken: »Vandaag1 noo- zal ik

O o

met mijn vrouw een woord over deze onderrichting spreken en haar doen weten, wat zij is en wie ik ben.quot; Maar wacht nog even, gij mannen, en hoort, wat ik verder zal zeggen. Gij zijt wel de heeren over uw vrouwen en u komt het bestuur toe; maar dit bestuur is geen despotisme (dwingelandij), maar rust op de wet van liefde. Wijselijk, zeggen de H. Vaders, heeft God Eva niet uit het hoofd des mans gevormd, opdat zij niet de opperheerschappij over hem zich aanmatige; evenwel ook niet uit do voeten, opdat de man ze niet als slavin behandele en zo als het ware tot een voetbank gebruike; maar uit

344

-ocr page 353-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

345

eene ribbe, die het naast aan \'t harte ligt, opdat hij ze als zijn levensgezellin hartelijk lief hebbe. De heerschappij derhalve, die de man over de vrouw voert, mag in geen geval in hardheid en ruwheid ontaarden; het moet zijn een heerschappij in liefde, naar het voorbeeld dier heerschappij, welke Christus over zijn Kerk voert. Weshalve zegt ook de Apostel; (Eph. 5, 25.) «Mannen, hebt uwe vrouwen lief, gelijk ook Christus de Kerk heeft lief gehad en zich zeiven heeft overgeleverd voor haar.quot; Welk bestuur echter is zachter en liefdevoller, dan dat, wat Christus over zijn Kerk voert? Hij heeft geduld met haar, bejegent ze met alle teederheid en leidt ze louter onder de bewijzen zijner liefde tot hare eeuwige bestemming. Deze houding van Jesus jegens zijn Kerk moet alle gehuwde mannen steeds voor oogen zweven; het juk dat zij hun vrouwen opleggen, zij niet hard en lastig, maar licht en aangenaam, of met ander woorden: alles, wat zij haar voorschrijven, kome uit een liefdevol hart. Dit maakt weder de Apostel den mannen tot plicht, als hij schrijft: (Coloss. 3,19.) «Mannen, hebt uwe vrouwen liet en wordt niet verbitterd jegens haar.quot; Maar ach, hoe vaak wordt deze plicht door de mannen geschonden! Hoe liefdeloos, hoe ruw, hoe wild en woest is dikwijls hun gedrag jegens hun vrouwen! Zij gunnen haar dikwerf heele weken geen vriendelijken blik, geen goed woord; zij zijn jegens haar zoo grof en nog grover dan jegens de geringste dienstmaagd, Is iets verdrietelijks hun wedervaren, dan moeten de arme vrouwen het misgelden en alles, wat er in de huishouding soms hapert, of wat soms verkeerd uitvalt, wordt haar ten laste gelegd. Overkomt het haar somwijlen, dat zij werkelijk iets verkeerd doen, hoe razen en tieren dan die mannen; zij stellen zich aan als waanzinnigen en houden niet op met vloeken en lasteren. Ja, zoover gaat soms hun verwoedheid, dat zij als brullende leeuwen over de vrouw heeuvallen en ze met stooten,

-ocr page 354-

OVER DE BIJZONDERE

slaau en trappen mishandelen, zoodat de buren tusschen beide komen, om aan hen het offer hunner woede te onttrekken. » Voor zoodanige mannen,quot; zegt de H. Ambrosius, «ware het beter, dat de aarde ze verzwelge, dan dat zij nog langer op de wereld rondgaan.quot; üe Heilige had gelijk ; zij zijn werkelijk niet waard, dat zij Gods lucht inademen ; want zij vertreden de plichten, die zij bij hun Huwelijk op zich hebben genomen, met voeten, spotten met den plechtigen eed, dien zij voor het aanschijn der Kerk hebben gezworen en schenden het H. Sacrament, dat zij hebben ontvangen. Maar Gods toorn zal vroeg of laat over hen uitbreken en zij zullen zijn strafgerichten niet ontgaan.

Maar nu zullen sommige gehuwde mannen mij zeggen : i) Daar behoort wel een Jobs geduld toe, indien men met vrouwen, zooals de onze zijn, goed zou willen omgaan. Zij zijn de eigenzinnigheid in eigen persoon, en eerder zou de wereld ten gronde moeten gaan, dan dat zij hun hoofd lieten breken ; zij smalen en schelden den heelen dag en maken om elke kleinigheid een helsch leven. Zij zijn vol ijdelheid en willen steeds met de laatste mode mededoen; zij zijn arbeidschuw, snoepachtig en sleepen alles, wat haar in de handen komt, het huis uit; zelfs aan de dronkenschap zijn zij overgegeven. Zoo zijn er onze vrouwen aan toe.quot; Ik antwoord : indien, mannen, uw klachten waar zijn, -—■ en ze zijn helaas dikwerf maar al te waar, dan is uw lot zonder twijfel niet benijdenswaardig, men moet u waarlijk beklagen ; want reeds Salomon, die ook wel had ondervonden, wat een booze vrouw is, zegt: (Spreuk 21, 29) «Het-is beter te wonen op een hoek van het dak, dan bij een twistziek wijf in \'t zelfde huisgezin.quot; Verneemt echter een korte geschiedenis, waaruit ge moogt leeren, hoe ge u in uw lot hebt te gedragen. Socrates, een Heidensche wereldwijze, had een vrouw, die om hare boosaardigheid wel-

346

-ocr page 355-

PLICHTEN DER GEHUWDEK.

bekend en tot een spreekwoord is geworden, met name Xantippe. Eens begon zij zonder oorzaak een ontzettend leven te maken, en er was geen smaadwoord, dat zij haren man niet toeduwde. Socrates zweeg zooals gewoonlijk, en ging, om te eerder aan dat razen een einde te maken, naar buiten. Als hij nu voor de huisdeur was, goot de booze vrouw van boven een pot met vuil water op zijn hoofd uit. Wat deed nu de wijsgeer bij dit voorval ? Hij zag heel gelaten naar zijn vrouw op en sprak : «Ik heb dat wel verwacht, op bliksem en donder moet regen volgen.quot; — Een andermaal had hij een vriend ter tafel uitgenoodigd; hij liet niet na zijn vrouw te vermanen en te bidden, dat zij zich toch jegens den gast behoorlijk gedragen en aan hare booze natuur niet zou toegeven. Zij beloofde ook alle goed. Maar nauwelijks was het tweede gerecht opgedragen, of alle booze grillen liepen weder door haar hoofd; zij nam het tafellaken met schotels en borden en wierp alles op den grond. Heel billijk geraakte hierover de gast in toorn en maakte hij zich zelfs zeer opgewonden tegen de booze vrouw. Socrates echter bracht hem tot bedaren met de woorden : «Zie, reeds twintig jaren verdraag ik deze vrouw ; laat het u toch niet te zwaar vallen, met haar een oogenblik geduld te hebben.quot;

Christ, mannen, moet dit voorbeeld eens Heidens u niet bewegen, met de fouten uwer echtgenooten toegeeflijkheid te gebruiken ? Weet ge niet, dat het een christ. plicht is, het onrecht geduldig te lijden, en hem, die u op de rechter wang slaat, ook de linker toe te houden ? Doch ik verg niet zooveel van u ; gij moogt ten aanzien uwer vrouw uw gezag laten gelden en ze terechtwijzen ; ja, ge moogt, indien ze bijzonder boosaardig is en zachte middelen niet meer baten, haar zelfs een matige kastijding laten toekomen. Doch in dit uiterste geval moet ge op de wijze der artsen te werk gaan, die, wann;er het

347

-ocr page 356-

OVER DE BIJZONDERE

noodig is, snijden en branden, doch niet uit haat of wraakzucht, maar alleen met het goede oogmerk, den zieke van zijn kwaal af te helpen en te genezen. Geen haat, geen blinde woede, geen wraakzucht, maar alleen liefde moet u leiden, indien ge somwijlen met uw echt-genooten streng te werk gaat. Zijn daarentegen haar feilen onbeduidend, of hebben zij zich ook aan een groot vergrijp schuldig gemaakt, doch niet uit boosheid, maar slechts uit menschelijke zwakheid en onwetendheid, hebt dan geduld met haar, en vergeet niet, dat ook gij fouten begaat en in vele dingen te kort schiet. Over het algemeen voert uw bestier met liefde, en zoekt u door uw liefderijk gedrag een gehoorzaamheid te bezorgen, die niet in de slaafsche vrees maar in de liefde haren grond vindt. — Dit is uw eerste plicht, mannen, jegens uwe vrouwen ; de ander is, dat gij voor hare benoodiyd-heden zorg draagt.

2) De benoodigdheden der vrouw, zooals van ieder mensch, zijn van een lichamelijkcn en geestelijken aard; voor beide moet gij zooveel mogelijk zorg dragen.

a. Het is een strenge plicht voor den man, dat hij door arbeidzaamheid, door een ijverig nakomen zijner zaken en een geregeld leven zooveel zoekt te verwerven, als tot het onderhoud van vrouw en huiss^ezin in \'t alsremeen

o O

wordt gevorderd. God heeft reeds tot den eerst gehuwden man Adam gesproken: (Gen. 3, 19.) »In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten.quot; Dit woord des Heereu ziet niet alleen op Adam, maar op alle gehuwde mannen zonder uitzondering; allen zijn tot een arbeidzaam en werkdadig leven geroepen, opdat zij zich met hun huisgezin overeenkomstig hun stand kunnen onderhouden. De H. Paulus schrijft; (Eph. 5, 28. 29.) »De mannen zijn schuldig, lief te hebben hunne vrouwen, als hunne lichamen. Die zijne vrouw lief heeft, heeft zich zeiven lief. Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat; maar

348

-ocr page 357-

PLICHTEN DEU GEHUWDEN.

hij voedt en verzorgt het gelijk ook Christus de Kerk.quot; Met deze woorden geeft de Apostel een drievoudigen grond aan, waarom de man voor het levensonderhoud zijner vrouw moet zorgen. Daartoe moet de liefde hem bewegen. De liefde toch is werkzaam en biedt alles aan, om den nood des geliefden te verhelpen en hem gelukkig te maken. Daartoe moet verder de verbinding met zijne echtgenoot, die zoo innig is, dat hij met haar slechts een lichaam uitmaakt, hem bewegen. Nu is echter niemand hard tegen zijn eigen vleesch, maar voedt en verzorgt het zoo goed hij kan. Daartoe moet eindelijk het voorbeeld van Christus hem bewegen. Christus is voor zijn Kerk als zijn geestelijke bruid op het teederst bezorgd, verschaft haar alles, wat zij behoeft, en geeft haar in de H. Communie zelfs zijn Vleesch en Bloed tot spijs en drank. Evenzoo moet ook de man, die Jesus Christus voorstelt, voor het onderhoud zijner vrouw naar vermogen zorg dragen. De vrouw kan evenwel reeds daarom haar onderhoud van den man vorderen, omdat zij hem haar persoon, haar vermogen, haar vrijheid, kortom alles, wat haar eigen was, heeft overgegeven. Dit groote offer heeft zij echter aan haren man slechts onder die voorwaarde gebracht, dat hij ze tijdens haar leven behoorlijk verzorge. Onder deze voorwaarde ook heeft de man ze tot vrouw genomen ; hij heeft voor God en de Kerk de belofte afgelegd, dat hij haar in geenen nood des levens verlaten, en geen moeite en inspanning zou sparen, om haar het noodige levensonderhoud te verschaffen.

Wat zijn derhalve dat voor mannen, die de huishouding verwaarloozen, hun werkzaamheden slecht of in het geheel niet verrichten en zich aan den lediggang overgeven? Wat zijn dat voor mannen, die heele dagen en nachten in koffiehuizen en herbergen zitten, drinken, spelen en zich te goed doen, terwijl vrouw en kinderen nauw een bete broods hebben, om hun honger te stillen?

349

-ocr page 358-

OYER DE BIJZONDERE

Wat zijn dat voor manaen, die ten gevolge van hun ongeregeld en buitensporig leven hun bestaan met zooveel schulden belasten, dat het op een failliet uitloopt en alles onderst boven gaat ? Wat zijn dat voor mannen, die zoo vasthoudend en gierig zijn, dat zij aan hun vrouwen het allernoodzakelijkste onthouden, die zich erg boos maken, zoo dikwijls zij voor huishouden, tafel, arts, medicijnen, voor een kleedingstuk of een andere onvermijdelijke behoefte eenig geld moeten uitgeven ? Mannen van dit en dergelijk slag verloochenen, zooals de Apostel getuigt, het geloof en zijn erger dan Heidenen. (I. Tim. 5, 8.) »Indien echter iematd voor de zijnen, en inzonderheid voor de huisgenooten geene zorg draagt, die heeft het geloof verloochend, en is erger, dan een ongeloovige.quot;

Christ, mannen behartigt dit ernstige woord des Apostels en geeft acht, dat ge niet eenmaal uw lot met de geloofsverzakers en Heidenen moet deelen. Vermijdt alle onnoodige uitgaaf, weest huiselijk en spaarzaam en arbeidt met een ingespannen vlijt, opdat gij u in staat stelt, vrouw en kinderen behoorlijk te onderhouden. Maar hoedt u ook voor gierigheid; laat aan uwe echtgenooten toekomen, wat zij voor zich, de kinderen en het huishouden noodig hebben, en zuinigt liever bij u zelf uit, opdat niets hun ontbreke. Dit, christ. mannen, is uw strenge plicht, over de vervulling waarvan gij eenmaal voor den eeuwigen Rechter rekenschap moet geven.

h. Ge naoet echter ook voor het zielenheil moer echtgenooten zooveel mogelijk zonj drayeii. De band, die u op aarde met uwe vrouw verbindt, wordt wel is waar door den dood ontbonden ; maar uw bestemming is, dat ge in den hemel weder met elkander wordt vereenigd. Juist deswege moet gij niet enkel zelf godvruchtig leven, maar ook uwe vrouw tot een braven en deugdzamen wandel aansporen, opdat zij haar eeuwig heil moge bereiken. Het ware toch verschrikkelijk, indien uw echt-

350

-ocr page 359-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

genoote, met wie ge \'jaren geleefd hebt, namaals voor eeuwig van u gescheiden en in den afgrond der hel werde geworpen, of gij beiden aan het eeuwig verderf zoudt ter prooi vallen. Wijl uw Huwelijk een afbeelding is der vereeniging- van Christus met zijn Kerk, daarom stelt gij als gehuwde mannen den Persoon des godde-lijken Zaligmakers voor en hebt den plicht, dat gij u jegens uwe vrouw evenzoo gedraagt als Jesus Christus zich jegens zijn Kerk. De voortdurende zorg nu van Christus strekt daartoe, de Kerk te zuiveren en te heiligen, en aan zich zei ven vol heerlijk zonder smet of rimpel voor te stellen. (Eph. 5, 28). Gij zoudt daarom Christus niet voorstellen, en volstrekt geen gelijkheid met Hem hebben, indien gij uw vrouw niet zoekt te reinigen en te heiligen, maar ze in hare smetten en rimpels laat voortleven.

Dit bedachten christelijk gezinde mannen aller tijden ernstig; daarom waren zij er ook steeds op uit, het verkeerde hunner echtgenooten aan te wijzen, hun fouten te verbeteren en ze tot godsvrucht aan te sporen. Een schoon voorbeeld geeft Thomas Morus, kanselier van Engeland hier aan ons. Deze vrome beambte werd wegens zijne verknochtheid aan de R. K, Kerk door den goddeloozen koning Hendrik VIII in den kerker geworpen en had, indien hij in de getrouwheid aan zijn geloof volhardde, den zekeren dood te wachten. Nu komt zijne gemalin bij hem en bestormt hem met vele beden en tranen, hij mocht zich toch volgens den wil des konings schikken en zoo zijn leven redden. »Hoe lang,\'\' antwoordde Thomas, »hoe lang meent ge, zal ik nog leven, indien ik den wil des konings volbreng?quot; »0 nog wel twintig jaren,quot; hernam de vrouw. »Ach, gij zijt een dwaze koopvrouw,quot; sprak Thomas met een h. ernst, »gij die van mij verlangt, dat ik om twintig vluchtige jaren de eeuwige zaligheid prijs geve.quot; En hij bleef standvastig in zijn

351

-ocr page 360-

OVER DE BIJZONDERE

geloof en ook wees hij de vrouw terecht, dat zij om het aardsche toch niet het eeuwige zou opofferen, gedachtig de woorden van Jesus: (Matth. 16, 26.) » Wat toch baat het den mensch, indien hij de gansche wereld winne, maar zijner ziele verlies lijdt ? of welken prijs zal de mensch geven voor zijne ziel ?quot;

Zoodanige en dergelijke leeringen moet ook gij christ. mannen uwe vrouwen, wanneer gij aan haar feilen ontdekt, voorhouden. Indien gij in den geest van liefde en met een voortdurenden ijver ze onderricht en terechtwijst, dan zal uwe moeite voorzeker met een goed gevolg bekroond worden. Uwe echtgenooten zullen tot de kennis harer gebreken geraken en zich van lieverlede beteren. Doch enkel tot deze onderrichting en vermaning moet uw zielenijver zich niet bepalen; ge moet zelf godsvruchtig wandelen en overal een goed voorbeeld geven. Indien gij uwe gebeden op de verschillende oogenblikken van den dag aandachtig verricht, vlijtig den godsdienst en het christ. onderricht bijwoont, dikwijls de H. Sacramenten ontvangt, op de huiselijke tucht en orde aanhoudt, en in \'t algemeen de geboden Gods en der Kerk nauwkeurig nakomt, dan zullen ook uwe echtgenooten, door uw schoon voorbeeld krachtig aangetrokken, God dienen en een braaf en deugdzaam leven leiden. Maar wat zal ik zeggen ? Er zijn zooveel gehuwde mannen, die hun echtgenooten op den weg van deugd niet alleen niet steunen, maar haar zelfs hinderpalen stellen. Zij hebben zelf geen godsdienst en godsvrucht, en willen vandaar ook niet dulden, dat hunne vrouwen hare godsdienstplichten waarnemen. Van bidden, het aanhooren van Gods woord, van dikwijls biechten en communicee-ren en van andere godvruchtige oefeningen hebben zij een afkeer, zij zoeken daarom ook hun vrouwen daarvan af te houden, en bezigen tot dat doel, indien zachtere middelen als spot en afkeuring niet baten, zelfs bedreiging

352

-ocr page 361-

PLICHTEN DEB GEHUWDEN.

en geweld. Wil de vrouw nu en dan in \'t jaar te biechten gaan, een preek gaan bijwonen, dan moet dit heimelijk geschieden, of zij heeft van den man de ruwste beschimpingen te vreezen. Ja, zoover gaat de gewetenloosheid van enkele mannen, dat zij planmatig er op uit zijn, hun echtgenooten het geloof te doen verliezen en schandelijkheden van haar vergen, die den eeuwigen ondergang tengevolge hebben. Alsdan treedt voor de vrouw de verplichting op, met een onverbiddelijke standvastigheid de gehoorzaamheid te weigeren, al zou zij ook daarom de hardste mishandeling hebben te verduren; want niets ter wereld mag ons daartoe brengen, dat wij God beleedigen en onze ziel in het verderf storten. Maar wee zoodanio-e

O

mannen, die voor hun vrouwen een steen des aanstoots zijn en ze niet tot deugd, maar tot zonde leiden; de verschrikkelijke vloek, dien de Heer over de ergernisgevers en de verleiders uitspreekt, zal met een dubbel gewicht op hun hoofd neerkomen en zij zullen hun zonden in eeuwigheid niet kunnen verantwoorden.

Indien derhalve, christ. gehuwde mannen, uw eeuwig heil u ter harte gaat, legt er u dan op toe, de plichten jegens uw echtgenooten nauwkeurig te volbrengen. God heeft u tot hoofd der vrouw gesteld; ge hebt vandaar de strenge verplichting, dat gij voor haar tijdelijk en eeuwig welzijn zorg draagt. Schuwt moeite ntich arbeid, om haar het onderhoud overeenkomstig haar stand te verschaften; bekrimpt u en ontbeert liever zelve, opdat zij en de kinderen geen gebrek lijden. Hoedt u bijzonder voor veel uitgaan en verteren, voor dronkenschap en spel ; want dit zijn rijke bronnen van verarming en nood. Uoet, wat ge kunt om uwe echtgênoote op den weg van deugd te houden, of, wanneer zij daarvan is afgeweken, er weder op terug te brengen. »God,quot; zegt de H. Chrysosto-mus, »heeft aan den man de vrouw als een beeld over-

23

353

-ocr page 362-

OVER DE BIJZONDERE

gegeven, opdat hij het afwerke en ia de meest mogelijke volmaaktheid herstelle.quot; Van hare fouten ze bevrijden, haar voor de deugd winneu, haar steeds braver en god-vruchtiger maken, haar tot de eeuwige bestemming leiden, dat, christ. mannen, is de taak, waarvan gij u naar krachten moet kwijten. Heil u, zoo gij uwe verplichting in alle opzichten met ijver en volharding ver/alt; God zal u voor zijne getrouwe dienaren erkennen en uwe bemoeiingen rijkelijk beloonen.

II. Over de plichten van de vrouw jegens haar man.

Het zijn voornamelijk twee plichten, die de vrouwen jegens hare mannen hebben te vervullen: zij moeten hun onderdanig zijn en de kuisloudini/ vlijtig waar nemen.

1) Gehoorzamen, niet heerschen is het werk van de vrouw. Zij moet den man met eerbied en in alles, wat recht en billijk is, onderdanig wezen:

a. Dat de vrouw haren man als opperhoofd erkenne en hem een gewillige gehoorzaamheid betoone, vordert reeds de natuurlijke orde; want het mannelijke geslacht staat in een welbegrepen zin hooger dan het vrouwelijke geslacht en heeft een lichamelijken en geestelijken voorrang. Het is nu heel overeenkomstig de natuur, dat zoo van twee er éen het bestuur zal voeren, dit den hoogere toekomt. Bovendien kwam Adam, onze stamvader, onmiddellijk uit de hand van God, terwijl Eva uit een rib van Adam werd gebouwd.

Eindelijk deelt God scherpzinnigheid, voorzichtigheid en sterkte aan het mannelijke geslacht gewoonlijk in een hoogere mate mede, dan aan het vrouwelijke geslacht; vandaar is het weder niet meer dan billijk, dat de vrouw zich aan den man onder-werpe.

854

-ocr page 363-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

De ondergeschiktheid der vrouw aan den man is intus-schen ook een gevolg der zonde. Eva liet zich door den duivel misleiden en at van de verboden vrucht, in de raee-ning, dat zij aan God gelijk worden en zooals Hij de hulde en aanbidding van alle schepselen zou ontvangen. Niet tevreden zelve Gods gebod te hebben overtreden, verleidde zij ook Adam en bracht over hem en het gan-sche menschelijke geslacht het groote verderf. Dit was zonder twijfel een zonde, die straf verdiende en wel een straf van vernedering, wijl bij haar hoovaardij ten gronde lag. Daarom sprak de Heer tot Eva: (Gen. 3, 16.) »Ik zal zeer vermenigvuldigen het kommerlijke uwer zwangerheid ; met smarten zult gij kinderen baren en voor uwen man zal uwe dienstvaardigheid zijn en hij zal over u heerschappij hebben.quot; «Wijl Eva,quot; zegt de H. Ephrem, »zich door des duivels ingeving liet verleiden en geloofde, dat zij door die spijze een God zou worden, daarom at zij het eerst, alvorens den man daarvan te geven; want zij was begeerig naar de opperheerschappij. Zij bood hem, eerst nadat zij gegeten had, van de verboden vrucht aan, omdat zij wilde, dat de man zijne vergoding aan haar zou hebben te danken en aan haar wegens die weldaad zou verplicht zijn.quot; «Daarom,quot; besluit Ephrem, «verdiende de vrouw maar al te zeer, dat zij geen heerschappij bezit, maar aan den man is onderworpen.quot; De vrouw zou overigens ook in geval, als zij zonder zonde ware gebleven, zich aan den man hebben moeten onderwerpen ; maar deze onderwerping ware eene hoogst blijde en welgevallige onderwerping geweest, terwijl zij tegenwoordig als straf dikwijls zeer bitter en lastig is.

Is nu de man volgens Gods bestel het hoofd des huis-gezins, wat volgt hieruit anders, dan dat de vrouw hem als haren heer erkennen en hem een eerbiedige gehoorzaamheid moet bewijzen. Deze eerbiedige gehoorzaamheid

355

-ocr page 364-

OVER DH BIJZONDERE

maakt ook de Apostel der vrouwen tot plicht, doordien hij zegt: (Eph. 5, 33.) » De vrouw vreeze haren man.quot; Deze eerbiedige gehoorzaamheid bewees Sara aan Abraham. Zij noemde hem niet haren man, maar haren heer. (Gen. 18, 12) en deed bereidwillig, wat hij haar opdroeg. Hem ter liefde verliet zij haar vaderland, hem ter liefde herbergde zij de vreemdelingen, hem ter liefde gaf zij zich in Egypte voor zijn zuster uit. Zij verdient alzoo inderdaad, dat Petrus haar als toonbeeld stelt voor alle gehuwde vrouwen. (I Pet. 3, 6.) Ook de tl. Francisca van Rome gehoorzaamde aan haren man met allen eerbied. Toen zij eens, zooals wij in hare levensgeschiedenis lezen, door haren man uit de Kerk werd geroepen, brak zij eensklaps haar psalmengebed af, spoedde zich naar huis en volbracht met de grootste bereidwilligheid haar opgelegde taak. Dit offer van gehoorzaamheid, dat zij aan haren man bracht, beloonde God haar dooreen wonder; want als zij haar gebedenboek weder in de hand nam, bevond zij, dat het gedeelte van den psalm, dat zij uit gehoorzaamheid had achtergelaten te bidden, met gouden letters stond geschreven. God wilde haar daardoor te kennen geven, dat gehoorzaamheid Hem aangenamer is dan offer en gebed. Ook onder de Heidensche vrouwen kan ik er éene noemen, die door de eerbiedige gehoorzaamheid jegens haar man bijzonder uitmuntte; het is Livia, de gemalin van keizer Augustus. Als men haar vraagde, vanwaar zij toch van haren man alles gedaan kon krijgen, gaf zij ten antwoord : »Mijne kunst, mijn gemaal te winnen en hem meer te beheerschen, dan hij de wereld beheerscht, bestaat in niets anders, dan in den diepen eerbied, dien ik hem in woord en daad aan den dag leg en in hat nauwkeurig volbrengen van alles, wat hij mij gebiedt.quot;

Nu vraag ik u, christ. vrouwen, hebt ook gij jegens uw mannen zulk een eerbiedige gehoorzaamheid ? Bejegent ge hen altijd met achting en vriendelijkheid en he-

-ocr page 365-

PLICHTEN DER GEHUWDUN.

ijvert gij u, hunne bevelen en wenschen na te komen ? Wilt ge oprecht zijn, dan zullen niet weinigen uwer deze vraag ontkennend moeten beantwoorden. Ge hebt voorzeker aan het trouwaltaar plechtig beloofd : »Dat gij aan uwen man in alle goede en billijke zaken wildet gehoorzaam en onderdanig wezen, zooals Eva, onze moeder, aan Adam, en hem eeren, zooals Sara Abraham deed; maar hoe dikwijls hebt ge reeds ^aan deze belofte ontbroken ! Of heet dit eerbiedig zijn jegens den man, wanneer gij hem bij elke gelegenheid uwe geringachting laat voelen, wanneer gij zelfs in de tegenwoordigheid van kinderen en dienstboden hem beschimpt en versmaadt, wanneer gij hem kwaad nageeft, en zijne fouten en zwakheden aan iedereen bekend maakt. Heet dit den man eerbiedig gehoorzamen, indien gij hem op een hoogen toon tegenspreekt, steeds alleen uw eigen hoofd volgt, en, ingeval gij dan toch rnoet gehoorzamen, wrevelig eu zwijgend omloopt, of beg\'int te razen en te tieren alsof het huis wilde instorten ? Weet echter wel, gij vrouwen, door zoo\'n verkeerd gedrag straft ge niemand meer dan u zelve ; want gij verliest de genegenheid uwer mannen, en gij verwekt hun toorn, zoodat zij u met hardheid behandelen. Wijl ge door uw eigenzinnigheid ergernis geeft en vele zonden begaat, daarom trekt ge ook Gods misnoegen tot u, en bereidt u een gestreng oordeel. Het geschiedt daarom alleen tot uw beste, indien ik u in allen ernst vermaan uw mannen steeds met de schuldige achting te bejegenen, eu hun bereidwillig te gehoorzamen. Indien gij deze vermaning stiptelijk opvolgt, zult gij de genegenheid en liefde uwer mannen winnen, en met hen in vrede en gelukkig leven.

b. Ge moet evenwel aan uwe mannen niet enkel een eerbiedige, maar ook een volkomene gehoorzaamheid be-tooneu, d. i. kan gehoorzamen in alles, wat recht en billijk is. Daartoe vermaant de Apostel u, als hij schrijft :

357

-ocr page 366-

OVBtl DE BIJZONDERE

(Eph. 5, 24.) » Gelijk de Kerk onderworpen is aan Christus, zoo ook de vrouwen aan hare mannen in alles.quot; De Kerk geeft zich aan haren goddelijken Bruidegom zonder voorbehoud over, en onderwerpt zich aan Hem met de volkomenste gehoorzaamheid ; evenzoo moet ook de vrouw zich aan den man onderwerpen en aan hem in alle billijke en geoorloofde zaken zonder tegenspraak gehoorzamen. Al is het ook, dat de man u iets beveelt, wat niet naar uwen zin is, dan moogt gij hem toch de gehoorzaamheid niet weigeren. Het is u wel geoorloofd, met kalme en vriendelijke woorden uwe tegenbedenkin-gen voor te brengen en uw meening te openbaren; blijft evenwel de man op zijn stuk staan, dan schiet er voor u niets anders over, dan zich naar zijn wil te voegen. Wil bijv. de man, dat gij zult zwijgen, dan moet ge, hoe zwaar het u overigens ook vallen moge, den mond houden en zwijgen ; wil de man, gij zult hier of daar niet heengaan, maar te huis blijven, dan moet ge van uw uitgaan afzien en te huis blijven ; wil de man, gij zult dezen of genen arbeid nu niet verrichten, dan moet ge zonder tegenspraak van den arbeid afzien, eu datgene doen, wat de man wil gedaan hebben. Ja. zoover strekt de macht van den man zich uit, dat hij zijne vrouw zelfs vrome oefeningen en goede werken, in zoover zij niet op zonde verplichten, om redelijke gronden kan verbieden. Wil bijv. de vrouw een aalmoes geven, of op een werkdag de H. Mis bijwonen of een bedevaart houden, maar de man maakt daartegen zwarigheid, dan moet zij zich aan hen onderwerpen.

Alleen ingeval, dat de man iets zou vorderen, wat zonder zonde niet kan geschieden, houdt de gehoorzaamheid voor de vrouw op. Heeft de man ook al de heerschappij over de vrouw, toch mag hij van die heerschappij geen misbruik maken ; gebiedt hij haar iets zondigs, dan houdt van deu kant der vrouw alle gehoor-

358

-ocr page 367-

PLICHTEN DER GEHUWDEN.

359

zaamheid op, en geldt het woord des Apostels : (Hand. 5, 29.) Obedire oporiei Deo mar/is quam hominihus. Wil bijv. de man van zijne vrouw dingen eischen, die met de echtelijke kuischheid strijden of het doel van het Huwelijk, dat bijzonier in de voortplanting van het men-schelijke geslacht bestaat, verijdelen, dan moet zij zich met alle vastberadenheid tegen zulk een toeleg verzetten en mag, indien zij het kwaad volstrekt niet kan voorkomen, daartoe nimmer hare toestemming geven. Zou een man zoo gewetenloos zijn, van zijne vrouw te verlangen, dat zij stele, liege, een valschen eed zwere, in zaken of bedrijf de menschen bedriege, dan ligt voor de hand, dat zij hem in dit alles de gehoorzaamheid moet weigeren. Kortom, kan de vrouw datgene, wat de man haar beveelt, zonder beleediging Gods niet doen, dan heeft zij de strengste verplichting, dat zij hem zegge ; » Hier mag ik ii niet te wille zijn ; want men moet Gode meer dan menschen gehoorzaam zijn.quot; Gelukkig, ja gelukkig ware de vrouw, indien zij in zulk een geval door den mau vervolgd en kwalijk werde behandeld ; want zij zou zich met de woorden van den goddelijken Zaligmaker kannen troosten: (Matth. 5, 10.) v Beati qui perseculionem pa-tiuntur propter justiliam, zalig zijn zij, die vervolgingen lijden om de gerechtigheid ; quoniam ipsormn est regnum coelorum, want hun is het rijk der hemelen.quot; Zonder twijfel heeft in dit geval de vrouw het recht tegen de ongerechte mishandelingen van den man bescherming bij de geestelijke en wereldlijke overheid te zoeken, en zelfs op scheiding van tafel en bed aan te dringen, indien de man zich niet betert. Zooals van zelf spreekt, mag de vrouw aan den man ook dan niet gehoorzamen, indien hij haar in het vervullen harer godsdienstplichten wil hinderen ; bijv. indien hij haar zoir willen verbieden, op Zon- en geboden Feestdagen de H. Mis bij te wonen, in den Paaschtijd de H. Sacr. der Biecht en des Altaart;

-ocr page 368-

OVER DE BIJZONDEKE

ta ontvangen, het kerkelijke vastengebod te houden enz., v.\'ijl deze en dergelijke oefeningen aan ieder Christen op zware zonde zijn voorgeschreven.

Het is er anders mede gelegen, zoo de man zijne vrouw van andere godsdienstige oefeningen en goede werken, die slechts aangeraden, maar niet geboden zijn, zou terughouden. In dit geval moet zij hem om des vredes wille minstens zoolang gehoorzamen, als de gehoorzaamheid aan haar zielenheil geen merkelijk nadeel toebrengt. Alzoo handelen niet goed die echtgenooten, die tot groot verdriet barer mannen alle acht dagen biechten en commu-niceeren, dagelijks verscheiden uren in het gebed doorbrengen, ver afgelegen bedevaartsplaatsen bezoeken, alle Zaterdagen waslicht branden, buitengewone aalmoezen geven en andere dergelijke w«l goede, maar geen geboden werken verrichten. Zij moeten bedenken, dat de gehoorzaamheid het Gode welgevalligste offer is en zij, indien zij zich aan hun mannen ootmoedig onderwerpen, voor God zoo vele en nog meerdere verdiensten zich verzame-Isn, dan andere vrouwen, die met goedvinding harer mannen van zoodanige vrome oefeningen zich kwijten.

Nog is er een geval, waarin de vrouw aan haren man geen gehoorzaamheid is verschuldigd; indien hij haar namelijk iets zou bevelen, wat voor hare gezondheid na-deelig zijn of zelfs haar leven in gevaar zou brengen. Wanneer derhalve de man van haar vordert, in gezegende omstandigheden een zwaren arbeid te doen of voor den tijd het kinderbed te verlaten, dan kan zij hem met recht de gehoorzaamheid weigeren, wijl dit voor haar en het kind zeer gevaarlijk zou wezen. Is daarentegen datgene, wat de man haar opdraagt, wel met bezwaren, maar met geen gevaren verbonden, dan moet zij, zoo hij op zijn punt blijft staan, er gevolg aan geven, wijl toch ook hij zich aan alle bezwaren van zijn stand moet onderwerpen, en zij boven hem geen voorrang heeft.

360

-ocr page 369-

PLICHTEN DEK OEHUWDEN.

Maakt het u in \'t algemeen, christ. vrouwen, tot regel, jegens uw mannen steeds bescheiden, toegevend, vriendelijk en gehoorzaam te zijn. Bejegent hen met eerbied, en beijvert n, niet enkel hun strenge bevelen, maar ook hun wenschen te verwezenlijken. Volbrengt gij dit voorschrift, dan laat zich verwachten, dat gij in uw huwelijken staat rustig en gelukkig zult leven. Uwe mannen zullen u wegens uwe eerbiedige gehoorzaamheid hoogachten en liefhebben en u veel veroorloven, wat ge door eigenzinnigheid en hoofdigheid nimmer zoudt gedaan krijgen.

2) Nog hebt ge een gewichtigen plicht, namelijk, dat gij de huiselijke bezigheden vlijtig loaarneemi en alle on-noodige uitgaven vermijdt.

a. Arbeiden moet niet alleen de man, maar ook de vrouw; want het heet heel algemeen ; (Job 5, 7.) » Homo naseitur ad lahorem, de mensch wordt tot den arbeid geboren, et avis ad volatum, zooals de vogel tot het vliegen.quot; «God schiep,quot; zegt de H. Chrysostouins, »den mensch tot den arbeid en gaf hem daartoe zijne ledematen. De ledigganger verzet zich alzoo tegen Gods verordening, en verijdelt het doel van zijn bestaan.quot; De man heeft zonder twijfel den plicht, aan zijn vrouw en kinderen het noodige onderhoud te bezorgen ; maar de vrouw mag daarom niet ledig gaan, beiden, man en vrouw, moeten de werkzaamheden deelen, en ieder van hen datgene doeu, wat hem past. Beroep en gewin, dat buiten \'s huis is te verzorgen, gaat gewoonlijk den man aan; de verzorging van het huishouden echter en de voorzichtige en verstandige leiding ervan is bij voorkeur de zaak der vrouw. Zij heeft om zoo te zeggen het inwendige ministerie (bediening); op haar rust de huiselijke bezigheden, voor zoover zij kan, te verrichten, het huisgezin te regelen en in huis alles in orde te houden. Wonderschoon is het beeld, dat de li. Geest van het

361

-ocr page 370-

OVER DE BIJZONDERE

huiselijk verzorgen en werken der vrouw ontwerpt. Hij spreekt: (Spreuk 31, 13—28). »Zij zoekt naar wol en vlas, en werkt volgens de kunst barer handen. Zij is gelijk de schepen des handelaars, zij doet haar brood van verre komen. En zij staat op als bet nog nacht is, en geeft spijs aan haar buisgenooten en brood aan bare maagden .... Zij steekt haar band uit naar de spil, haar palmen houden den spinrok vast. ... De sneeuwtijd boezemt baar geen vrees in voor haar huisgezin ; want heel haar huisgezin heeft dubbele kleederen. . . . Haar echtgenoot is bekend in de poorten, als hij zit bij de oudsten des lands. Zij vervaardigt fijn lijnwaad en verkoopt het, en levert gordels aan den Chananëer.....

Zij slaat de gangen bares huizes gade ; en het brood der luiheid eet zij niet. Hare kinderen komen tot stand en roemen haar gelukkig, en haar echtgenoot vermeldt haren lof.quot;

Christ, huismoeders, mocht ge dit toonbeeld eener brave vrouw steeds voor oogen hebben en tot richtsnoer uws gedrags maken. Een brave en werkzame vrouw kan veel, zeer veel goeds stichten ; zij is voor geheel het huis een sterke steun, een goed bestaan en welgesteld zijn is het loon barer moeite. De ervaring leert, dat een verstandige en arbeidzame vrouw het huishouden in een goeden stand kan hauden, al is het ook dat de man een slecht bestuurder is. Mag bij ook al drinken en spelen, en zijn arbeid veel verwaarloozen ; de vrouw weet steeds de ontstane leemten weder aan te vullen en nood en verarming af te weren. Maar hoe kwaad staat het, indien, de vrouw haar plichten verwaarloost en over het algemeen niet deugt. Arbeidt de man ook al vroeg en laat, is hij spaarzaam en geeft hij geen stuiver ten onnutte uit; hij kan er toch niet boven op komen en mag van geluk spreken, wanneer hij niet huis en hof verliest. Dit geldt bijzonder over een bedrijf van zaken ; als daar de vrouw

362

-ocr page 371-

PLICHTEN\' DER GEHUWDEN.

lichtzinnig, traag, pronkzuchtig en verkwistend is, dan kan de man met alle inspanning het verval zijns huizes nauwelijks verhinderen. Vandaar het spreekwoord: «Een vrouw kan den man, maar niet een man de vrouw op de been houden.quot;

Er zijn, helaas! vrouwen, die haar plicht verwaarloozen, in geen gering getal. Zij schuwen elke inspanning en geven zich aan een werkeloos en gemakkelijk leven over. Zij moesten de eersten des morgens zijn en zijn schier altijd de laatsten; wanneer reeds alles in het huisgezin werkzaam is, dan genieten zij nog een trage rust. Zij mogen nauw een hand uitsteken ; voor keuken- en kamerwerk zijn ze veel te. hoog, veel te teeder. Niet eens hare kinderen willen zij verzorgen; zij moeten voor dat werk, al raag: het den man ook nogf zwaar vallen, een kinder-

O D \'

meisje houden. Kortom, zij toonen zich onbekwaam voor alles, wat de plicht is eener brave.huisvrouw en schijnen slechts gehuwd te zijn, om, zooals men dat zegt, de handen rustig in den schoot te leggen. Doch ik verspreek mij; zij zijn druk in de weer en hebben de handen vol werk. Maar waarmede houden zij zich bezig ? Met pronk en kleederpracht en met de nieuwste mode; met haar en hoofd in orde te brengen en op te sieren. Zij zijn bezig, maar waarmede? Met het lezen van zinlooze romans, novellen, comediestukken, die haar langzamerhand het hoofd geheel op hol brengen en alle kern van den godsdienst uit het hart weg nemen. Zij zijn bezig, maar waarmede? Tot tijdverdrijf met fijne handwerken, die ver boven haar stand gaan en voor het huishouden geen werkelijke waarde hebben. Maar een hemd maken en uitstukken dat kunnen ze niet en moeten zij den man zijn goed verstellen, dan is er hulpe noodig. Mannen, die met vrouwen van dit soort leven en huis moeten houden, zijn werkelijk ter dege bezochte mannen en verdienen eenigo verontschuldiging, indien zij somwijlen in wrevel

363

-ocr page 372-

364 OVER DE BIJZONDERE

geraken en hunne ongeschikte wederhelften iets onrechts di

laten vernemen. k

O niet zoo, christ. vrouwen, niet zoo, ge moet geen ti

schilderij gelijken, die het heele jaar onbeweeglijk aan w

den wand hangt, maar een goed uurwerk, dat jaar in hl

jaar nit regelmatig gaat, steeds tikt en takt en nimmer b(

rust. Weest alzoo ijverig en werkzaam en verzorgt de ee

huishouding met een onverdroten ijver, opdat alles een vi

goeden voortgang hehbe en gij tot onderhoud uws huis- ea

gezins het uwe plichtmatig bijdraagt. M

h. Weest vervolgens ook huiselijk, en vermijdt alle k\'

onnoodige uifrjaven, want spaarzaamheid is er steeds noo- ui

dig, indien gij in het vervolg geen gebrek wilt lijden. to

Ik stel het geval, een brave vrouw legt daardoor, dat ds

zij zich in voeding, kleeding en andere behoeften zooveel la

mogelijk inkrimpt, alle weken ook maar eenige stuivers de

ter zijde; dan geeft dat in vele jaren reeds een bedui- w

dende som, een klein kapitaal, waarvoor een kind een gi handwerk leeren of wellicht ook levenslang kan verzorgd

worden. Hoeveel daarentegen kan een vrouw het huis- ui

houden schaden, indien zij niet huishoudelijk maar ver- di

kwistend te werk gaat! Het is volstrekt niet overdreven, re

als ik de jaarlijksche som op twintig, dertig en veertig- ze

gulden aansla. Dit is nu voorzeker een verlies, dat aan te

kleine huishoudingen een aanmerkelijk nadeel toebrengt, w

of ze van lieverlede geheel ten gronde richt. Daar de g(

spaarzaamheid der vrouwen zulk een gewichtige zaak is, df

zal men het mij niet euvel duiden, indien ik de feiten d(

wraak, waaraan zoo menige huisvrouw in dit opzicht ei

zich schuldig maakt. Niet weinige vrouwen zien al te al

zeer op de bevrediging van eet- en drinklust, dan dat di

zij zich tevreden stellen met datgene, wat de man en de ri

overige huisgenooten genieten, maar moeten steeds iets al

bijzonders hebben, om zich in de eigenlijken zin des w

woords haar leven te verzoeten. Over de dronkenschap ec

-ocr page 373-

PLICHTHX DER SEHÜWDRN.

der vrouw zal ik niet spreken. Vrouwen, .die door dit kwaad zijn aangestoken, verdienen de algemeene verachting\' en zijn een schandvlek voor de heele gemeente. En wat zal ik van den kleerenpronk zeggen ? Indien ongehuwde personen ijdel en behaagziek zijn en zich ietwat boven haar stand kleeden, dan is dit toch wel degelijk een fout, maal wat moet men denken van gehuwde vrouwen, die nog altijd met de nieuwste raoüe medegaan, ea bij wie de kostbaarste stoffen niet goed genoeg zijn 1 Mannen, die zoodanige snoepachtige, modezieke, verkwistende vrouwen tot hun last hebben, zullen, zoo zij niet door een bijzonder geluk zijn begunstigd, nimmer tot welvaart geraken ; het kan echter licht gebeuren, dat zij steeds dieper in schulden geraken, en zich ten laatste van armoede en nood nauw meer weten te redden. Maar welk een verantwoording voor vrouwen, die wegens hare onhuiselijkheid en verkwisting den onder-•rancr des huizes berokkenen.

O O

Bedenkt dit toch, chist. echtgenooten, en maakt u nimmer aan iets schuldig, wat tegen uwen plicht aan-druischt. Eert uw mannen en bewijst hun in alles, wat recht en billijk is, een gewillige gehoorzaamheid. God zelf is het, die u onder de mannen gesteld heeft; Hem ter liefde en tot uw eigen beste moet ge van uw eigen wil afstand doen en hun onderdanig wezen. Ge zijt volgens de goddelijke verordening en de menschelijke wet de hnlpe uwer mannen en moet hen naar krachten ondersteunen. Verzorgt derhalve de huiselijke bezigheden en werkzaamheden met een aanhoudende vlijt en vermijdt alle onnoodige uitgaaf; de welvaart des huizes maakt u dit tot een gebiedenden plicht. Tot slot van deze. onderrichtingen haal ik, christ. echtelieden, een h. echtpaar als voorbeeld ter navolging aan. Een zoodanig voorbeeld waren de H. Isidorus, een landman in Spanje en zijn echtgenoote, de door hare landslieden als een Heilige

365

-ocr page 374-

36f) OVER DE BIJZONDERE

vereerde Maria Torribia. Zij leefden in de twaalfde eeuw, arm aan de goederen dezer wereld maar te rijker aan deugden en voorzagen in hun karig onderhoud door een harden veldarbeid. Onder elkander heerschte steeds vrede en eendracht en nooit ontstond er een woordenwisseling of twist. Zij wekten elkander op tot alle goed en tot een geduldig verdragen van alle lijden en bezwa

ren dezes levens. De een nam des anderen last geduldig v

op zijn schouders. Hun armoedige woning was een tempel il

van een hemelschen vrede en een levend Christendom. d

Naar de kerk en uit de kerk gingen zij gewoonlijk d

samen; steeds op denzelfden dag ontvingen zij de H. n

Sacr. der Biecht en des Altaars. Gedurende hun gods- d

dienstig Huwelijk had God hun eenen zoon geschonken; il

ook dezen voedden zij van zijn teederste kindsheid in de d

christelijke braafheid op; maar de Heer nam hem reeds v

in zijn jeugdigen leeftijd weder van hen weg en van b

dien tijd af leefden zij in eene voortdurende onthouding. n

In \'tjaar 1170 scheidde de dood het h. echtpaar, door- o

dien Isidorus zacht en zalig in den Heer ontsliep. Na b

vijf jaren volgde hem ook zijne levensgezellin, om nim- g

mermeer van hem gescheiden te worden. Christ, mannen g

en vrouwen, treedt in de voetstappen van dit h. echtpaar; e leeft steeds in vrede en eendracht met elkander, houdt God voor oogen in al uw doen en laten en legt u toe

op een onbesproken en echt christelijken wandel, opdat d

ge in uwen staat tevreden en gelukkig leeft en uw einde s

hiernamaals bereikt. t

c c ó €

f (

-ocr page 375-

I 4.

Over de Huwelijksbsletsskn.

Wijl de kennis van Hnwelijksbeletselen van veel gewicht is, zoowel voor ongehuwden als gehuwden, moet ik daarover ietwat uitvoerig spreken. Evenals reeds in de Mozaische wet onderscheidene oorzaken, die verhinderden het Huwelijk aan te gaan, bestonden, zoo vindt men die ook in de christelijke wet. Zoodanige oorzaken, die verhinderen het Huwelijk te sluiten, noemt men Hu-welijksbeleiselen. Men onderscheidt ze in twee soorten: die, welke het Huwelijk als ongeoorloofd verbieden, d. i. van dien aard zijn, dat degene, die in weerwil vau dit beletsel een Huwelijk aangaat, het wel geldig sluit, maar zich daarbij bezondigt, en die, welke het Huwelijk ongeldig maken, d. i. van dien aard, dat men daardoor buiten staat wordt gesteld, het Huwelijk geldig aan te gaan, zoodat die gesloten Huwelijken nietig zijn, eu de gehuwden, indien zij niet gedispenseerd worden, zich van elkander moeten verwijderen.

Eenige Huwelijksbeletselen rusten reeds op de natuurwet, in dien zin, dat het Huwelijk onder zekere omstandigheden met de in de natuur gegronde verhoudingen strijdt en zelfs aan het licht der rede als onbestaanbaar toeschijnt. Daartoe behoort bijv. het beletsel der dwaling omtrent den persoon ; want waar geen toestemming is, daar is geen contract. Hetzelfde geldt van bloedverwantschap minstens in den eersten graad der rechte linie, en waarschijnlijk ook in den volgenden graad. Men begrijpt toch licht, dat de heilige en eerbied gebiedende verhouding tusschen kinderen en ouders door niets mag ontwijd worden. Niet te vergeefs heeft de Schepper dezen

-ocr page 376-

368 OVRR DE HUWELIJKSBELETSELEN.

heiligen afkeer in de harten der familieleden gelegd. £ Ook de ruwste volken op weinige uitzonderingen na wer- o: den op dit punt door een onweerstaanbaar gevoel geleid. L — Overigens valt op te merken, dat op een verschil- b lende wijze iets met de natuurwet in strijd kan wezen. d Een handeling is eerstens dusdanig kwaad, dat zij onder ei géene voorwaarde goed wordt, zooals bijv. een leugen, d de haat Gods enz. Of zij is tweedens wel kwaad, maar d wordt in den uitersten nood geoorloofd, bijv. het wegnemen van een vreemd goed, indien zonder dat het le- ^ ven zelf niet kan behouden blijven ; in dit geval name- J lijk kan de bezitter zijn toestemming niet onthouden. -v Of derdens de handeling is wel kwaad, maar houdt on- ^ der verschillende omstandigheden rechtmatig op, onge- ^ oorloofd te zijn ; zoo is bijv. in den oorlog het dooden z eens menschen niet ongeoorloofd. Nu ziet een ieder licht in, dat Huwelijken onder bloedverwanten ook in andere t graden van verwantschap met de natuurwet in \'t alge- j meen minder in strijd zijn; want de zoo even aangehaalde ] gronden vinden, evenwel in een minder sterkeren graad, ]

ook hier plaats. Bovendien zou de juist door het Huwelijk beoogde verbinding der verschillende familièn onder elkander niet bereikt worden, indien de Huwelijken steeds alleen tot den engen kring van verwantschap beperkt waren. Bijzondere omstandigheden moeten zich voordoen, opdat die gronden hun overwicht verliezen. In Huwelijken tus-schen broeders en zusters echter houdt men met recht dien graad voor onbestaanbaar met de natuurwet, welkeslechts door den uitersten nood, als het namelijk na de Schepping om het behoud van het menschelijke geslacht zelf te doen was, ter zijde werd gesteld. Over het algemeen laat de bewering zich vaststellen, dat de volken, hoe zediger zij waren des te meer voor verbintenissen met bloedverwanten zich in acht nemen.

Op een goddelijke wet berust het uit een reeds aangegaan

-ocr page 377-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

Huwelijk voorkomend beletsel; want krachtens de verordening van Christus is het Huwelijk onontbindbaar. In het O. Verbond waren de op goddelijke verordening berustende Huwelijksbeletselen veel talrijker; wijl echter de Mozaische wet ons slecbts in zoover verplicht, als zij een verklaring der natuurwet is, daarom hebben ook die beletselen, die niet in de natuurwet hun grond hadden, opgehouden.

De meeste Huwelijksbeletselen berusten op de kerkelijke wetgeving. Dat de Kerk de macht heeft nietigmakeude Huwelijksbeletselen te bepalen, daarover doet het Conc. v. Tr. de volgende uitspraak : »quot;W ie zegt, dat de Kerk geen nietigmakeude Huwelijksbeletselen heelt kunnen invoeren, of bij het invoeren daarvan gedwaald heeft, die zij in den ban.quot; (Zitt. 24. Can. 4.) Vooreerst moet men vasthouden, dat het Sacr. des Huwelijks op een tusschen twee personen aangegaan contract berust. Ofschoon nu de Kerk het wezen des Sacraments niet kan veranderen, kan zij zich toch bij de het contract sluitende personen laten gelden en dezen tot het aangaan ervan onbekwaam verklaren. Het Huwelijk is een contract en bijgevolg aan de bepalingen van een contract onderworpen. Evenals nu de Staat het onbetwistbare recht bezit, met het oog op het algemeen belang der burgers, tot het geldig sluiten van contracten zekere voorwaarden te verbinden en aan zekere personen, bijv. aan onmondigen, de bevoegdheid, om geldige contracten aan te gaan, geheel en al ontzegt, zoo bezit ook de Kerk het recht, in het algemeene belang der christ. maatschappij, het geldig sluiten eens Huwelijks, wat uit hoofde van zijn sacramenteele waardigheid en beteekems ontegenzeggelijk onder haar bereik valt, van het vervullen van zekere voorwaarden afhankelijk te stellen; zij heeft tevens het recht, aan zekere personen de bevoegdheid te onthouden, zonder hare inwilliging op

24

3G9

-ocr page 378-

OVEU DE HDWELIJKSBELEÏSELEN.

een geoorloofde of zelfs geldige wijze een Huwelijk te sluiten. Dit recht heeft de Kerk altijd zoowel onder de Heidensche als Christen keizers op velerlei wijze uitgeoefend. Zou men aan de Kerk het recht om Huwelijksbeletselen te stellen willen ontzeggen, dan miskent men haar macht, om datgene te verordenen, ,wat tot de waar-digheid, wijding en heiligheid} fwat tot heil van degenen, die het ontvangen en voor de geheele christ. maatschappij noodzakelijk en voordeelig is; en men zou moeten toegeven dat er in de Kerk een minder volmaakte regeling-bestaat dan destijds onder de Mozaisclie wet, waarin door God zelf verscheidene bepalingen opzichtens het Huwelijk gemaakt waren.

Opdat de bestaande beletselen te lichter ontdekt worden, hernieuwde het Cone, van Tr. de verordening, dat op drie achtereenvolgende Zon- en Feestdagen onder den H. Dienst de namen dergenen, die een Huwelijk wenschen aan te gaan, in de parochie worden afgekondigd, en een ieder, die met een Huwelijksbeletsel tusscben de verloofden mocht bekend wezen, is in geweten verplicht, daarvan den Pastoor der parochie, zoo de verloofden zelve het beletsel niet kennen of daarvan niet zouden willen weten, in kennis te stellen.

I. Over de beletselen, die het Huwelijk verbieden.

De beletselen, die het Huwelijk verbieden of ongeoorloofd maken en die wij het liefst Huwelijksverboden noemen, zijn deze zes: 1) openbare afkondiging; 2) verbod der Kerk; 3) besloten tijd; 4) qelojte; 5) Huwelijksbelofte; 6) gemengde Huwelijken.

1) Ope7ibare afkondiging. Katholieken mogen geen Huwelijk sluiten, alvorens daarvau op drie achtereenvolgende Zon- of Feestdagen de openbare afkondiging in de kerk heeft plaats gehad. Om gewichtige redenen kan er

370

-ocr page 379-

OVER DE HrWELIJKSBELETSELEN.

in de afkondiging in éene, in twee, ook in alle drie dispensatie worden verkregen. Voor éen keer kan de ZEerw. Heer Deken, voor meermalen alleen de Bisschop dispensatie verleenen.

2) Verhod der Kerk. Daardoor verstaat men het recht der geestelijke Overheid, om gewichtige oorzaken bijv. wegens het ontstaan van een Huwelijksbeletsel het trouwen der verloofden uit te stellen, tot dat de moeilijkheid is opgeheven. Op dien grond kan ook de Pastoor de inzegening, zóo daartoe een gewichtige reden bestaat, uitstellen, bijv. indien de verloofden in den godsdienst zeer onwetend zijn en eerst beter onderwezen moeten worden.

3) Besloten tijd. Onder deze benaming verstaat men den tijd, die er verloopt van den eersten Zondag van den Advent tot Driekoningen ingesloten, alsmede van het begin der Vasten tot den Zondag na Paschen ingesloten. De Kerk verbiedt alsdan niet elk Huwelijk zonder onderscheid, maar wel het plechtig Huwelijk, wijl in dien boetetijd de Christen meer aan het heil zijner ziel dan aan trouwen behoort te denken. Ook wordt dan zonder dispensatie de Huwelijkszegen over de bruid niet uitgesproken, maar tot later uitgesteld.

4) Gelofte. De gelofte bevat in zich de volgende vier eenvoudiye geloften: a. de gelofte van eeuwigdurende kuischheid ; b. de gelofte van niet te trouwen; c. de gelofte van in een geestelijke Orde te gaan; d. de gelofte van geestelijk te worden. Wie een van deze vier geloften heeft afgelegd kan op een geoorloofde wijze niet huwen, zoolang hij door het kerkelijke gezag van zijn gelofte niet is ontslagen. Wie eene dusdanige gelofte gedaan heeft voor een bepaalden tijd, kan, zoodra die tijd verstreken is, huwen. Zou iemand met de gelofte van kuischheid in het Huwelijk treden, dan begaat hij niet alleen een groote zonde, maar mag ook, zoolang hij van zijne

871

-ocr page 380-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

gelofte niet is gedispenseerd, den Huwelijksplicht niet vorderen, wel bewijzen. Moet men een aan den mensch gegeven woord heilig houden, hoeveel te meer moet dan een aan God gedane gelofte gelden. De plechtige gelofte van eeuwigdurende kuischheid maakt het Huwelijk ongeldig.

5) Huwelijksbelofte. Deze bestaat hierin, dat, zoo twee personen openlijk of in \'t geheim aan elkander een geldige Huwelijksbelofte hebben gedaan, het aan ieder van hen is verboden met een ander een Huwelijk te sluiten, zoolang die belofte niet met wederzijdsch goedvinden opgeheven of om eene andere wettige reden is vervallen.

6) Gemenijde Huwelijken. Tot de Huwelijksverboden moeten ook de gemengde Huwelijken, d. i. de Huwelijken tusschen Katholieken en dwaalgeloovigen gerekend worden. De Kerk heeft ten allen tijde dusdanige Huwelijken ten strengste veroordeeld. Reeds het Conc. van Elvira in Spanje (nog voor het jaar 340) bepaalde ; «Aan dwaalgeloovigen moeten geen kath. maagden ten Huwelijk worden gegeven; wijl een geloovige met een ongeloovige geen gemeenschap kan hebben.quot; Ouders, die tegen dit verbod in handelden en hun dochters aan ketters uithuwden, trof het Concilie met de straf eener vijfjarige kerkelijke boete. «Wacht u. Christen,quot; zegt de H. Am-brosius, »eene Heidin, Jodin of een kettersche tot vrouw te nemen.quot; Zooals deze en veel andere Kerkvaders in hun geschriften, traden ook nog de in algemeene of provinciale Synoden vergaderde Bisschoppen met hunne besluiten tegen de gemengde Huwelijken op. Het algemeene Gone. v. Chalcedon in \'t jaar 451 gaf de volgende verordening: »Met een dwaalgeloovige of Jood of Heiden mag geen echtelijke verbintenis gesloten worden, dan alleen, zoo de met het rechtgeloovige deel zich verbindende persoon belooft, tot de waargeloovige Kerk over te gaan.quot; Ook hier werd over hem, die tegen dit besluit misdeed

-ocr page 381-

OVER DE HUWELIJKSRELETSELEN.

een canonieke (kerkelijke) straf uitgesproken. Dit voor de geheele Kerk bestemde besluit werd in de volgende eeuwen, zoo dikwijls daartoe aanleiding werd gegeven, hernieuwd. Dit geschiedde zeer dikwijls ten dage der Hervorming, als de eerste verbittering voorbij was en de Protestanten die Huwelijken, welke zij aanvankelijk evenals de Katholieken voor ongeoorloofd hadden verklaard, zochten te bevorderen; en toen met de verspreiding der dwaling van den eenen kant en de onverschilligheid in het godsdienstige van den anderen kant de gemengde Huwelijken meer en meer toenamen, hielden de Paus en Bisschoppen niet op er tegen te waarschuwen, traden er tegen op in de scherpste uitdrukkingen en verklaarden, dat de gemengde Huwelijken, aangegaan tegen de beginselen der Kerk, verfoeilijke en doemwaardige Huwelijken zijn, die de Kerk altijd verboden en alleen nu en dan geduld heeft, om nog grootere rampen te voorkomen. — De Kerk nu had ook alle redenen die Huwelijken tusschen katholieken en dwaalgeloovigen tegen te gaan en te verbieden. Ik zal slechts de voornaamste gronden daartoe aangeven.

a. Van een niet geringe beteekenis zijn de gevaren, waaraan het kath. deel staat blootgesteld aan zijn geloof schipbreuk te lijden of minstens onverschillig voor zijn godsdienst te worden. Het ware geloof is voorzeker het hoogste en kostbaarste goed des Christens, de onbe-drieejeüjke regel zijner handelingen, het vaste anker zijner hoop, de onuitputtelijke bron van een hemelschen troost, de noodzakelijke voorwaarde ten eeuwigen leven. Daarom houdt de Kerk het voor haar eersten en gewich-tigeu plicht, bij al haar kinderen dat onwaardeerbare kleinood te bewaren, en ze door hare nadrukkelijke vermaningen en strenge verboden af te houden van al datgene, waardoor ze in gevaar kunnen komen, en derhalve ook vooral van een gemengd Huwelijk. — Nu is het

373

-ocr page 382-

OVER DE HUWSLIJKSBELETSELEN.

toch een bekende waarheid, dat men zich zeer licht de Wl

denkwijze toeeigent van dengene, met wien men veel pe

omgang heeft; en hoe dierbaarder de personen ons zijn, ]a

en hoe inniger onze verhouding, waarin wij tot hen staan, 0I1

met hen is, des te meer neemt die vereenzelviging toe. ge

Bestaat er wel een inniger verhouding dan de Huwe- f]j lijksverbintenis, een inniger liefde dan die tusschen man en vrouw ? Hoe licht kan nu het kath. deel in verzoe-

king geraken, met den geliefden persoon ook zijn dwa- a]

ling te deelen ? Werd niet Salomon ondanks zijn wijs- a.l

heid door Heidensche vrouwen tot den afgodendienst ver- jj;

leid ? Wel is waar zal men gewoonlijk, alvorens „

men zulk een verbintenis aangaat, gaarne de getuigenis es

geven, dat men met een onverbreekbare liefde het kath. jj,

geloof is toegedaan. Maar hoe komt het dan dat de keus „.

op een persoon valt, die dit gewenscht en zoo vurig ge- ^

liefd goed niet bezit ? Neen, die het kath. geloof met v

geheel zijn ziel lief heeft, zal bet bij zijn keus nimmer v

op zij schuiven of zelfs het van een minder gewicht Sl

achten dan soms tijdelijke voordeelen. Tertullianus duidt ^

lichtzinnighei.1, slechte raadgevers, aardsche gezindheid (;

en onverschilligheid in den godsdienst als de vier oor- g

zaken aan, waarom ten zijnen tijde Christinnen tot de J

Huwelijken met de Heidenen overgingen. Laat ten aan- j

zien der gemengde Huwelijken niet iets dergelijks zich ] zeggen ? —- Werkelijk leert ook de treurige ervaring maar al te dikwerf, dat het kath. deel door beden en toespraken van den andersdenkende tot afval van het geloof verleid wordt. Nog veelvuldiger zullen de gemengde Huwelijken onverschilligheid in zake van godsdienst ten gevolge hebben. Gewoonlijk is deze reeds van te voren in een niet geringe mate aanwezig. Hoe zou men anders met een persoon zich kunnen verbinden, van wien men overtuigd is, dat hij op den weg van dwaling en bijgevolg, indien deze als zoodanig erkend wordt, op den

374

-ocr page 383-

OVEn DE HUWELIJKS BELETSELEN.

375

weg van verderf zich bevindt ? Is de liefde zoo geschapen als zij wezen moet, dan zal men niets vuriger verlangen, dan aan gene zijde des grafs elkander weder te ontmoeten. Doch welk een bangj zorg verwekt niet de gedachte, dat er tot het leven maar éen weg bestaat, die de Kath. Kerk als de alleen zaligmakende Kerk is. Maar al te licht zal men dan, om zulk een angst te verdrijven, in plaats van \'de kath. geloofsstelling over de alleen zaligmakende Kerk deze stellen, dat elke godsdienst goed is. En ware men ook al voor het Huwelijk nog niet tot dien graad van onverschilligheid gekomen, het gedurig innige verkeer, het onafgebroken samenleven met een andersdenkende zal al heel licht daarheen leiden. Men neemt zich, deels uit vrees voor de andersdenkende omgeving, bekenden en verwanten, deels om het andersdenkende deel niet onaangenaam te stemmen en den lieven vrede te bewaren, voor alles in acht, wat den katholiek te veel zou kunnen verraden ; men ziet er tegen op en wordt soms zelfs tegengewerkt volgens het kath. gebruik te bidden, de kerk te bezoeken, de H. Mis bij te wonen, Gods woord te hooren, de Feestdagen te vieren, de H. Sacramenten te ontvangen en de onthoudings- en vastendagen te onderhouden. Bij gesprekken over godsdienst is men de verdraagzaamheid yelve, en zoo wordt van lieverlede de matte vlam des geloofs wegens gebrek aan olie uitgedoofd ; of men wordt onbekwaam, zekere tegen de Kath. Kerk opgeworpen twijfelingen te weerleggen en voor zich zelf in eiken godsdienst wantrouwend te worden ; of de bestaande innige verhouding zal, indien ook al niet tot een bepaald verwerpen van zijn eigen geloof, tot de gelijkstelling der dwaling met de waarheid leiden. — Doch waartoe behoef ik nog gronden ? Zien wij niet, dat de godsdienstige onverschilligheid met het toenemen der gemengde Huwelijken steeds hand aan hand is gegaan ? En wanneer zijn die bijzonder bevorderd ?

-ocr page 384-

376 OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

Toen men het heil der menschheid in de vermenging van te

elk godsdienstig onderscheid, d. i. in de versmelting van h(

dwaling en waarheid meende te aanschouwen. m

b. Veelvuldig wordt in een gemengd Huwelijk de leath. g

opvoeding der kinderen in gevaar gebracht. Zijn de ouders g

reeds door de natuurwet tot de zorg voor de welvaart n

der kinderen in het algemeen verplicht, dan zijn zij dit k

te meer opzichtens hun geestelijk welzijn en in bijzonder k

ten aanzien van hun godsdienstige opvoeding. Het wel n

en wee der menschheid en bijgevolg ook der Kerk hangt zf

toch op de eerste plaats van de ouders af. En indien 01

volgens de uitspraak des Apostels (I Tim. 5, 8.) »Degene g

die voor de zijnen en inzonderheid voor de huisgenooten k

geen zorg draagt, het geloof heeft verloochend en erger h

is dan een ongeloovigequot;; hoe, zal dan het geestelijk heil s;

der kinderen den ouders niet als het eerste voorwerp tl

hunner zorgen zijn? Op den vader zoowel als op de d

moeder rust deze verplichting, wijl de kinderen het eigen- ti

dom zijn van beiden. De Kerk veroordeelt ook daarom d

de gemengde Huwelijken, wijl de kath. opvoeding der a

kinderen gewoonlijk gebrekkig en bijna onmogelijk is. v

De uitbreiding van Gods rijk op aarde is de hoofdzaak n

der Kerk. Zij kan derhalve, zonder aan haar roeping on- b

trouw te worden, niet anders willen, dan dat de opko- t

mende geslachten in haar schoot worden groot gebracht. ti

Hoe zal nu die kath. opvoeding in de gemengde Huwe- I

lijken gelukken? Wat de een opbouwt zal licht de ander e

afbreken. Wij zullen van de veronderstelling uitgaan, dat d

de kath. opvoeding van alle kinderen is toegezegd. Zal nu v

het niet kath. deel het katholieke met raad en daad krachtig l

in de hand kunnen en willen werken ? Aangenomen dat de i andersdenkende waarde aan zijn godsdienst hecht, zal het

dan niet licht gebeuren, dat zijn doen en laten éen steen t

des aanstoots zal worden? Wie weet niet, wat diepen t

indruk het voorbeeld der ouders op het kind pleegt uit z

-ocr page 385-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN. 377

te oefenen? Wat zal liet van den godsdienst denken, zoo het juist hierin tusschen vader en moeder verschil opmerkt ? Zijn reeds voor het kath. deel de gevaren al zoo groot; zullen zij voor het kind. dat vooral door indrukken gestemd en door de neigingen des harten geleid wordt, niet ongelijk grooter wezen. Hoe, indien de andersdenkende moeder ondanks de gegeven belofte het hart des kinds bestormt, of de andersdenkende vader zich spotternijen veroorlooft ? Eeeds in de teedere jeugd worden niet zelden aan het onbevooroordeelde gemoed de kiemen van onverschilligheid in den godsdienst, van ongeloof medegedeeld. Zal het niet kath. deel niet verlangen, dat de kinderen in zijn godsdienst opgroeien, vooral indien daarbij het vooruitzicht op een grnoter tijdelijk voordeel in het spel komt? Is integendeel het andersdenkende deel, wat thans meest het geval is, onverschillig voor eiken godsdienst, wat staat er dan van de kath. opvoeding te wachten ? De godsdienstige onverschilligheid van den een of den ander is van een zeer verderfelijken invloed, ja zeer aanstekelijk voor de kinderen. Maar hoe zal de opvoeding, wat dikwijls het geval is, wezen, indien beiden, vader en moeder, onverschillig zijn ? Hoe, als de niet kath. vader blijft leven en de kath. moeder sterft? Hoe, als de pro-testantsche vader na den voor zijn kinderen al te vroeg-tijdigen dood zijner vrouw een tweede Huwelijk met eene Protestant aangaat ? Hoe, als beide ouders sterven en de nog onmondige kinderen onder een protestantsche voogdijschap komen te staan ? Zegt mij, wat zal er van die kinderen terecht komen ? Ach, hoeveel treurigs leert de ervaring ons niet. Ge weet het zoo goed als ik zelf.

c. Gaan wij de echtelijke verhouding zelve na, dan treedt tegen het begrip van Huwelijk een ongelijkheid van rechten op den voorgrond. Het Christ. Huwelijk is, zooals bewezen, onontbindbaar, en als zoodanig, moet het

-ocr page 386-

r

378 OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

door de kath. wederhelft beleden worden. De Protestan- wt

ten echter nemen de geloofsstelling der onontbindbaarheid we

niet aan, en bijgevolg zal de protestantsche weder- scl

helft naargelang der omstandigheden den band des Hawe- aa

lijks verbreken en worden aangezocht een anderen band eei

aan te knoopen. Maar al te vaak doet heden ten dage zij1

zoodanig geval zich voor, dat de kath. wederhelft ev(

zich ziet verlaten, zonder evenwel, wijl het aangegane He

Huwelijk werkelijk blijft voortbestaan, een ander Huwe- hel

lijk te kunnen aangaan. Klaarblijkelijk zijn onder de om- bej

standigheden van dien aard de rechten van den katho- nif

Hek niet voldoende verzekerd. Is het daarom te verwon- edi

deren, dat de Cath. Kerk de gemengde Huwelijken ver- Mi

oordeelt ? ^61

d. Wat meer is, voor de waardigheid van het Sacra- ff0 meni zelf ia niet toereikend gezorgd, want het contract des Huwelijks onder de Christenen is van het Sacrament

niet te scheiden. Indien nu eenmaal da Protestant in het I\'0\'

Huwelijk het Sacrament niet erkent, zal hij het daa stf

wel met de behoorlijke voorbereiding en gesteldheid ont- m! vangen ? Gewichtige gronden moeten aanwezig zijn, om

soms iemand tot ontwijding van het heilige ook maar dil

aanleiding te geven. Wel kan de Kerk, om grooter kwaad hii

te voorkomen, in sommige gevallen zoo\'n ontwijding, of- tei

schoon steeds met een diepe smart, toelaten ; maar kan aa

het kath. deel door dergelijke gronden zich steeds gerust-- tai

stellen ? — Ook op zich zelf stelt het gemengde Huwe- WJ

lijk de vereeniging van Christus met zijn Kerk niet zoo aa getrouw voor als het Kath. Huwelijk. Christus vereeni-

ging met de Kerk is onontbindbaar; onontbindbaar is stlt;

ook wel een gemengd Huwelijk, indien het werkelijk een sn

Christ. Huwelijk, d. i. een Sacrament is, maar het wordt zl(

toch als zoodanig door het eene deel niet erkent en wel- ze licht zal inderdaad door het aangaan van een nieuw Huwelijk tegen den bestaanden band misdadig gehandeld

de

-ocr page 387-

OVER DE HÜWELIJKSBELETSELKN.

worden. De verbinding van Christus met zijn Kerk is waarlijk innig. Kan nu daar innigheid, hartelijkheid heer-schen, waar in het meest wezenlijke, in datgene, wat aan elk geloovig hart het dierbaarst is, in den godsdienst een scheiding bestaat ? Of meent men den godsdienst op zijde te mogen schuiven ? Hoe ware dan het Huwelijk evenals de verbinding van Christus met de Kerk heilig ? Heeft bijv. slechts een tijdelijk belang of zelfs hartstocht het Huwelijk verbonden, dan is het ver van het hooge begrip eens Christ. Huwelijks verwijderd. Over het algemeen is de vriendschap te edeler of te geringer, hoe edeler of geringer de goederen zijn waarop zij berust. Maar hoe kan een gemengd Huwelijk naar Christus voorbeeld heiliging bezorgen, indien niet de band van éenen godsdienst beiden omslingert en het middel wordt elkander godsdienstige gevoelens mede te deelen ?

e. Eindelijk, een gemengd Huwelijk zal gewoonlijk het hooge geluk ontberen, dat gemeenschap van geloof in staat is te bezorgen. Het lot eener met een ongeloovigen man verbonden vrouw schildert reeds Tertullianus met de levendigste kleuren, doordien hij vooral aantoont, hoe dikwijls zij in haar godsdienstoefeningen zal worden verhinderd of het heilige zelf zal versmaad zien. Doch mochten wrijvingen ook al achterblijven er ontbreekt zooveel aan het huiselijk geluk. Men bidt niet voor hetzelfde altaar, viert niet dezelfde Feesten, roept niet op dezelfde wijze Christus, de Allerzaligste Maagd en de Heiligen aan. Zal niet de gedachte, den niet kath. man eens zonder Biecht, zonder Oliesel, zonder Teerspijs te zien wegsterven, het hart eener kath. vrouw met een matelooze smart doorboren ? Mag men in de jaren van hartstocht zich ook al over zoodanige gedachten lichtzinnig heen-zetten, op het gezicht van den naderenden dood vervliegt de hartstocht, om voor ernstige beschouwingen plaats te maken, en van lieverlede naderen de uren, waarin alleen de godsdienst nog bevrediging biedt.

379

-ocr page 388-

380 OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

Hoe moeilijk het nu ook is volgens de opmerking van Benedictus XIV., van de gemengde Huwelijken alle gevaren te verwijderen, zoo is het toch niet volstrekt onmogelijk. En werkelijk vinden wij, dat in de eerste eeuwen christ. vrouwen in een met een Heiden gesloten Huwelijk niet slechts zich zelve heiligden, maar niet zelden ook hun mannen voor da waarheid wonnen. De H. Nonna, moeder van den H. Greg. v. Nazinance, den H. Cesarius en de H. Gorgonia geeft ons onder vele andere een voorheeld. Nonna werd door haar ouders ten huwe-lijk gegeven aan een heidensch burger van Naziance, Gregorius genaamd. Deze Heiden bezat groote geestes gaven en een edel hart; maar hoe uitstekend ook, maakte dit hem toch niet aangenaam en welgevallig in Gods oogen. De vrome Nonna was hierover steeds innig bedroefd en het leven was haar daarom een kwelling. Alle pogingen wendde zij aan, alle middelen beproefde zij om haren man van zijn heidensche dwalingen af te brengen en tot den waren God te doen kesren en voor Christus en zijn Kerk te winnen. Zij bewees hem voortdurend de grootste oplettendheden, liefde en achting en wist haar voordeel te doen met de vele genegenheden die hij haar bewees. Haar gebed onder de heetste tranen steeg steeds bij dag en nacht voor hem ten hemel. Meermalen gaf zij aan Gregorius hare bezorgheid voor zijn eeuwige zaligheid te kennen en liet niet na hem te onderrichten en te vermanen met de teederste en vurigste liefde, waarg.an zij de grootste voorzichtigheid paarde, ten einde hem niet te verbitteren. Haar krachtigste middel echter, om tot haar doel te geraken, was de heiligheid baars levens, haar ijver voor braafheid en deugd. Gregorius begon den christelijken godsdienst, dien Nonna hem met de volste overtuiging door woord en daad leerde, te waardeeren, nam dien ter harte en kreeg dien lief. Spoedig hierop vraagde eu ontving hij het H. Doopsel en wedijverde met zijn h. gade

-ocr page 389-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

in liet beoefenen aller christelijke deugden. Ge ziet derhalve, Aand., veel, ja het meeste hangt van de godsdienstige gezindheid van de kath. wederhelft af; blijkbaar zijn voor haar de gevaren minder, indien zij in het geloof vast is gevestigd, goed onderwezen en de Kath. Kerk met geheel haar hart is toegedaan. Men zou ook onrechtvaardig wezen en door de ervaring zelve wederlegd worden, indien men beweerde, dat in een geqjengd Huwelijk de godsdienstige opvoeding der kinderen onmogelijk of steeds, gebrekkig zijn zoude. Het ware derhalve gedwaald te beweren, dat de gemengde Huwelijken in elk geval in strijd zijn met de natuur- of goddelijke wet. En ware dit het geval, hoe kon dan de Kerk, in iets, wat in zich zelf ongeoorloofd is. haar toestemming geven ? Eu dit doet zij bij gemengde Huwelijke in enkele en gewichtige gevallen, wel te verstaan onder zekere voorwaarden.

De Kerk stelt zoodanige voorwaarden, waardoor de bestaande gevaren zooveel mogelijk worden uU den weggeruimd of verminderd. Zij verlangt; 1) dat de Kath. wederhelft ongestoord haar godsdienst kunne naleven; 2) dat zij er zich aan gelegen late liggen, het niet kath. deel tot de ware Kerk terug te brengen; 3) dat alle kinderen in den kath. godsdienst worden opgevoed. »Hebben somwijlen de Pausen,quot; zegt Pius VIII, »van de H. Kerkwetten (opzichtens de gemengde Huwelijken) gedispenseerd, dan deden zij dit om gev/ichtige redenen en heel ongaarne, en plachten met hunne dispensatiëu de uitdrukkelijke voorwaarde te verbinden, dat voor het Huwelijk behoorlijke maatregelen van voorzichtigheid werden getroffen, opdat niet slechts de kath. wederhelft door de niet kath. niet zou kunnen verleid worden, maar veeleer de eerste zich verplicht achtte, de laatste naar vermogen van de dwaling terug te brengen en ook de uit het Huwelijk de te wachten kinderen van beiderlei geslacht in den h. kath. godsdienst zouden worden opgevoed.quot; Het-

381

-ocr page 390-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

zelfde herhaalt Greg. XVI. Beide Pausen doen met een groeten nadruk de stelling uitkomen, »dat buiten liet ware kath. geloof niemand kan zalig wordenquot; en duiden zoo het gezichtspunt aan. waarop men zoo iets moet beschouwen. Benedictus XIV verzekert aan de voeten van den Gekruiste, dat alleen » om grootere rampen van onzen h. godsdienst af te werenquot; de Kerk dispensatie verleent in de gemengde Huwelijken.

Tot het stellen dier drievoudige voorwaarden is de Kerk in elk opzicht verplicht, en wel eerstens tegenover den ZaHymaJcer. Wat kan haar Goddelijke Bruidegom billijker verlangen, dan dat zij de kinderen, die Hij haar schenkt, beware ? Indien zij eenmaal over de zielen, haar toevertrouwd, aan Hem rekenschap heeft af te leggen, moet zij dan niet alle middelen te baat nemen om ze voor gevaren te bewareL en hun het vervallen hunner godsdienstige plichten mogelijk te maken ? Waarom heeft de Zaligmaker aan zijn Kerk het onderpand des geloofs overgegeven ? Zeker met het doel, opdat zij het op de komende geslachten doe overerven en het licht der waarheid voor de geheele wereld late schijnen. Bijgevolg moet zij er voor ijveren, de nog dwalenden voor de waarheid te winnen en bijzonder het te wachten nakomelingschap der geloovigen den schaapstal van Christus binnen te leiden. En indien de Zaligmaker aan zijn Kerk het Sacr. des Doopsels, waarin de bekwaamheid tot het Sacr. des Huwelijks ligt, toevertrouwde, dan geschiedt dit voorzeker niet met dat doel, opdat eenmaal door het Huwelijk de kinderen aan de dwaling worden prijs gegeven. De Kerk zou dan een, slechte uitdeelster zijn van Gods Geheimen, indien zij die aan de dwaling dienstbaar maakte.

Het stellen der genoemde voorwaarden is de Kerk ten tweede aan haar zelve verschuldigd. Zij weet en getuigt vau de eerste eeuwen af luide, dat zij de alleen zaligmakende Kerk is. Dientengevolge kan zij niet onverschil-

382

-ocr page 391-

OVER DE HUWKLIJKSBELETSELEN.

lig wezen, dat hare kitideren aan het gevaar van afvallen en verloren gaan worden blootgesteld ; zij moet er verre af zijn, stilzwijgend als liet ware te verklaren, dat een ieder in zijn godsdienst kan zalig worden ; uit al haar krochten er op uit zijn, anderen op den weg des heils te brengen. De Kerk weet, dat zij tot het einde der dagen moet voortduren. Bijgevolg kan zij nimmer in haar eigen ondergang, in den afval der geloovigen, die ten laatste haar ondergang veroorzaken zou, toestemmen, üe Kerk eindelijk weet, dat zij geroepen is, zich steeds verder uit te breiden, steeds meer en meer de volken tot den Zaligmaker te leiden. Derhalve moet haar streven daarheen gericht zijn, de thans levende dwaalgeloovigen te bekee-ren en de toekomstige geslachten te winnen, maar bijzonder op zoodanigen te werken, die haar zoo na staan, als de niet kath. wederhelft en de uit het Huwelijk te wachten kinderen. Ook zonder de minste bedenking kan het protestantsche deel in de kath. opvoeding der kinderen toestemmen. Want zonder zijne godsdienstige beginselen te verloochenen, kan en moet hij zelfs aannemen, dat ook in de Kath. Kerk de weg tot de eeuwige zaligheid openstaat. Of met welk recht zou de Protestant zijn geloof voor het alleen zaligmakende kunnen uitgeven, daar het hem zelfs vrijstaat, bij een naarstig onderzoek van de Schrift, morgen iets anders te gelooven dan hij van daag gelooft en gisteren geloofd heeft ? Met wat recht zou hij verder kunnen beweren, dat het den Katholiek aan de ter zaligheid noodzakelijke genademiddelen ontbreekt, daar hij toch moet erkennen, dat deze ook in zijne Kerk minstens alle genademiddelen bezit, die den Protestant ten dienste staan.

De Kerk is /en derde tegenover de haar loevertrouwde geloovicjen verplicht tot het stellen der genoemde voorgaarden. Want als een liefhebbende moeder moet zij voor alles de geloovigen zelve van den ondergang terughouden

383

-ocr page 392-

384 OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

en tot de vervulling hunner verplichtingen aansporen. Mag wel een vader of eene moeder een kind zonder alle bescherming aan een gevaarlijke gelegenheid blootstellen ? En zoo door een natuurlijk en goddelijk gebod aan de ouders de godsdienstige opvoeding hunner kinderen wordt bevolen, moet dan de Kerk hun die verplichting niet op alle wijze daar, waar zij tot minachting ervan zoo licht zouden kunnen verleid worden, inprenten ? In de niet kath. opvoeding ook maar van een der uit een gemengd Huwelijk te wachtene kinderen zou de Kerk alleen dan positief (zeker) kunnen toestemmen, indien zij aan de dwaling de waarheid gelijkstelde of ophield, zich als de alleen zaligmakende Kerk te erkennen. Met recht zegt Pius VUL in de zoo even aangehaalde Breve: «Het is uitgemaakt, dat Katholieken, die met niet-katho-lieken op die wijze Huwelijken aangaan, dat zij zich zelve of de te wachtene kinderen aan het gevaar van verleiding misdadig bloot stellen, niet slechts de kerkelijke instellingen overtreden, maar ook eveneens en zeer grootelijks tegen de natuur- en goddelijke wet zich bezondigen. En hieruit valt op te maken, dat ook wij aan het zwaarste misdrijf voor God en de Kerk zouden schuldig zijn, indien wij bij zoodanige Huwelijken iets veroorloofden, waardoor zij, ook al niet in woorden, toch feitelijk gebillijkt werden.quot; — is het Huwelijk verder, zooals het wezen moet, hoe zou dan de kath. vrouw zoo onverschillig den man op den weg van dwaling mogen zien omdolen ? Zegge men niet, zooals somwijlen gebeurt: de aangelegenheden des gewetens moge een ieder met zich zeiven vereffenen. Is deze grondstelling reeds met de christ. liefde in het algemeen onvereenigbaar, hoeveel te meer geldt dit dan van de Huwelijksliefde, die heel bijzonder de wederzijdsche heiliging moet beoogen ! Met grond gevoelt derhalve de Kerk zich gedreven, hun, die haar toebe-hooren, ook dezen buitendien reeds bestaanden plicht voor

-ocr page 393-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

het zielenheil des niet-kath. deels zorg te dragen, in \'t geheugen te brengen.

Grootelijks zondigen tegen die gewichtige plichten degenen, die, doof voor de stem der Kerk, bij het aangaan van een gemengd Huwelijk de voornoemde voorwaarden buiten aanmerking laten; en bovendien maken zij zich aan een heiligschennis schuldig, doordien zij het Sacr. des Huwelijks onwaardig ontvangen. Is echter eenmaal het Huwelijk tegen de voorschriften der Kerk iu aangegaan, dan blijft het kath. deel niets anders over dan den gedanen misstap te betreuren, te biechten, door een oprechte boete uit te wisschen en zooveel in zijn vermogen is, minstens door zijn invloed de kath. opvoeding van alle kinderen te verzekeren.

Ook de ouders zijn verplicht, hun kinderen zooveel mogelijk van een gemengd Huwelijk terug te houden. Zij zijn namelijk geroepen, hun kinderen tegen de gevaren te beschermen en moeten het oordeel der Kerk in dit opzicht tot het hunne maken. Ouders, dié integendeel in zoodanige Huwelijken toestemming geven, ze aanraden of door hun gezag als \'t ware daartoe dwingen, nemen deel aan de zonde van hun kind en zijn in vele gevallen schuldiger dan het kind zelf. Van hen zal God op den oordeelsdag niet alleen de ziel van hun kind, maar ook de zielen van zijn kinderen en kindskinderen, van zijn geheele nakomelingschap opeischen.

Men ware onrechtvaardig jegens de Kerk, indien men uit het verbod der gemengde Huwelijken tot onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden wilde besluiten. De Kerk heeft slechts éen doel; zij wil het zielenheil harer kinderen in zekerheid .stellen en ze voor den afval van het geloof, dat zij als het alleen ware belijdt, bewaren. Blijkbaar is het ook de zaak der Herders, te bepalen, wat voor de kudde gevaarlijk, wat niet gevaarlijk is en de

25

385

-ocr page 394-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

middelen voor te schrijven, waardoor het bestaande gevaar dei

zooveel mogelijk wordt weggenomen. Nog veel minder ziji

wil zij tweedracht stichten. Integendeel vernietigt zij door Hi

het verbod der gemengde Huwelijken de kiem van twee- -ws

dracht, die zoo dikwerf er het gevolg van is. Volstrekt en

wil zij ook niet de wederzijdsche liefde hinderend in den Jat

weg treden; zij is er veeleer op uit, de liefde, den eenigen toe

waren grondslag van den godsdienst, te verzekeren. Waar is Jer

het; het behouden van den godsdienst, het bewaren van ien

het geloof erkent zij voor haar eersten of eenigen plicht. vro

Ware dit een misdaad? üf ware niet veeleer het verzui- var

men van dezen door den Verlosser haar opgelegden plicht On

de grootste aller misdaden? Neen, wel verre, de handel- een

wijze der Kerk te mogen afkeuren, is de algeheele mensch- hiel

heid haar den grootsten dank verschuldigd voor hare -we:

onvermoeide pogingen, ten einde de godsdienstige onver- vre

schilligheid, dien verderflijken worm van onzen tijd, door lijk

het bewaren en verlevendigen van het geloof te ver- J

stikken. als

aan

II. Over de beletselen, die het Huwelijk onyeldiy maken, kou

te :

Wij zijn, Aand., thans genaderd tot die Huwelijksbe- pen

letselen, die niet slechts het Huwelijk verbieden of onge- Hu

oorloofd, maar ook ongeldig maken. Alzoo zij, die met Joc

zulk een Huwelijksbeletsel trouwen, zijn na hun uithuwing haa

even zoomin als er vóór echtgenooten ; zij moeten, zoo doo

zij niet gedispenseerd worden, zich van elkander scheiden een

en kunnen met een ander persoon, met wien geen Huwe- son

lijksbeletsel bestaat, evenals andere vrijgezellen trouwen, daa

Deze het Huwelijk ongeldig makende beletselen zijn de wel

volgende: stai

1) Dwaling, die hierin hoofdzakelijk bestaat, dat de per- den

soon met wien men huwt, een ander is dan die, met wien dan men wil en meent te huwen. Zulk een dwaling opziehtens

386

-ocr page 395-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

den persoon of veeleer bedrog vond plaats, als Laban aan zijn neef Jacob in plaats van Rachel, die hij hem ten Huwelijk beloofd had, de gesluierde Lia gaf. Dit Huwelijk was op zich zelf ongeldig, omdat Jacob meende Rachel en niet Lia te hnwen ; het werd echter daardoor geldig, dat Jacob daarna haar voor zijn vrouw erkende. Een toevallige dwaling, d. i. opzichtens de eigenschappen van den persoon, maakt het Huwelijk niet ongeldig. Zoo bijv. iemand een persoon huwt, dien hij voor rijk, gezond en vroom heeft gehouden, zich echter na de uithuwelijking van het tegendeel overtuigt, dan is zijn Huwelijk geldig. Ongeldig ware evenwel het Huwelijk, dat iemand met een slavin, die hij bij vergissing voor een vrije vrouw hield, aanging. Deze dwaling redundeert (valt) op het wezen der zaak, want door hare afhankelijkheid van een vreemden Heer wordt aan de Huwelijks eigene afhankelijkheid nadeel berokkend.

2) Dwang of geweld. Dit Huwelijksbeletsel bestaat dan als iemand onrechtvaardiger wijze een groote vrees wordt aangejaagd met het doel, opdat het Huwelijk tot stand kome. Zou bijv. een vader zijn dochter dreigen, ze geheel te zullen onterven en verstooten, indien zij dezen of genen persoon niet huwde, dan ware het op zoo\'n wijze gesloten Huwelijk uit gebrek aan toestemming van den kant der dochter ongeldig en zou het zoo lang blijven, totdat zij haar toestemming gave. Tot een Huwelijk mag niemand door dreiging of geweld worden gedwongen; daartoe is een vrije en ongedwongen toestemming der betrokken personen volstrekt noodzakelijk. Zeer ten onrechte handelen daarom de ouders, die éen hunner kinderen tot een Huwelijk willen dwingen. Is echter de persoon zoo zelfstandig, dat hij aan bedreigingen weerstand kan bieden, of is de veroorzaakte vrees zonder groote beteekenis, dan kan er van een; beletsel geen spraak wezen.

387

-ocr page 396-

OVER DK HUWELIJKSBELETSKLIiX.

8) Gemis van den gevorderden leeftijd. Volgens dit wor beletsel kunnen jongelingen, die hun vijftiende en jonge Pe^J dochters, die haar dertiende levensjaar nog niet zijn inge- tei1\' gaan, geen geldig Huwelijk sluiten. ^er

4) In verband met het voorgaande beletsel staat de 1U c natuurlijke of toevattige onqeschiktheid, het onvermogen. 00^ Wijl het Huwelijk een contract is, daarom kan het slechts door zoodanigen worden aangegaan, die tot het sluiten van zulk een contract het vereischte inzicht, of tot bereiking van het doel ervan de wezenlijk gevorderde geschiktheid bezitten. Een met zoo\'n volstrekt onvermogen behept persoon kan geen geldig Huwelijk aang\'aan; is hij of zij evenwel uitgehuwelijkt, dan moet men, ingeval de ongeschiktheid een voortdurende is, zich van elkander scheiden. Ontstaat echter het onvermogen eerst in het Huwelijk zelf, dan is het Huwelijk geldig en kan niet meer ontbonden worden.

5) Verwantschap. Deze is vierderlei: de natuurlijke, de geestelijke, de wettelijke en de aanverwantschap of zwagerschap..

a. De natuurlijke of Uoedverwantschap en wel naar gelang den aard der linie en het getal der graden. Zij is een verbinding van uit een gemeenschappelijkea stam voortkomende personen of geslachten. Bloedverwanten zijn alzoo de ouders en hun kinderen, de kleinkinderen enz.:

verder broeders en zusters, broeders en zusterskinderen enz., omdat zij een gemeenschappelijken stam hebben.

Onder linie verstaat men een rij van volgende geslachten of geboorten. Deze linie is een rechte linie als de geslachten rechtstreeks van elkander naar beneden afstammen of opklimmen; zooals ouders, kinderen, kleinkinderen enz.

In een zijlinie staan tot elkander degenen, die wel een gemeenschappelijken oorsprong hebben, doch niet rechtstreeks maar ter zijde van elkander afstammen; zooals broeders, zusters, neven, nichten enz. Het getal graden

888

-ocr page 397-

OVBR DE HoWELIJKSBELETSELEN.

wordt bepaald door bet getal der uit een getneenschap-pelijken stam voortkomende geslachten ; zooveel geslachten, zooveel graden, hetzij in de rechte of zijlinie. De Kerk nu verbiedt de Huwelijken tusschen personen, die in de rechte linie bloedverwanten zijn, in alle graden en ook verleent zij- hierin geen dispensatie. In de zijlinie strekt het beletsel van bloedverwantschap zich uit tot den vierden graad ingesloten. Broeders en zusters is eerste graad, neven en nichten tweede graad, neven en nichtenkinderen derde graad enz. In den eersten graad der zijlinie wordt nimmer gedispenseerd; broeders en zusters, hetzij natuurlijke (onechte) of wettige kinderen kunnen nimmer te zamen huwen; in den tweeden graad (bij broeders en zusterskinderen, dus neven en nichten, of oom eu nicht en omgekeerd, wat tegelijk eerste en tweede graad is) dispenseert de. Paus zeer zelden en enkel in bijzonder gewichtige gevallen ; in den derden en vierden graad, indien maar daarbij de eerste en tweede graad niet in het spel komt, dus de derde en vierde graad met den eersten of tweeden niet gemengd is, kan ook de Bisschop dispenseeren. üpzichtens de geldigheid van het Huwelijk wordt slechts op de verst verwijderd staande leden gelet en derhalve bestaat er tusschen de geslachten van den vijfden graad en die des derden of vierden geen beletsel meer.

b. De qeestelijke venoantschap ontstaat uit het Doopsel en het Vormsel. Wie doopt en vormt wordt verwant met den gedoopte en gevormde en diens ouders; even-zoo worden de Doop- en Vormborgen verwant met den gedoopte en gevormde en diens ouders. De Doop- en Vormborgen kunnen alzoo met den gedoopte en gevormde of dier ouders geen Huwelijk aangaan. Wie de nooddoop toedient wordt eveneens verwant met den gedoopte en diens ouders, en kan vandaar met deze geestelyk verwante eveumin huwen. In liet beletsel tusschen Doop-

389

-ocr page 398-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

borgen en gedoopten wordt nimmer gedispenseerd, bijge- pant

volg kan een Doopborg zijn Doopkind ia geen geval daaro

huwen. Wanneer een vader in geval van nood zijn eigen elkan

kind doopt, dan wordt hij met zijn vrouw niet geestelijk den

verwant; maar buiten het geval van nood verliest hij gekef

het recht, den Huwelijksplicht te vorderen, en kan dit vroir

recht alleen door een bisschoppelijke dispensatie terug satie

erlangen. gersc

c. Wettelijke verwantschap ontstaat uit het aannemen der (adopteeren) van een persoon tot kind, en verbiedt het broei Huwelijk tusschen dengene, die tot kind is aangenomen, dispe zijne vrouw en zijne kinderen van den eenen kant, en tige de ouders, die hem hebben aangenomen en hun kinde- 6] ren van den anderen kant. Dit beletsel komt uiterst zei- verw den voor. delij

d. Aanverwantschap of zwarjerschap. Zij is een soort gedi van verwantschap die bestaat tusschen de eene weder- gam helft en de bloedverwanten der andere wederhelft. De waE man is alzoo verzwagerd met de moeder, dochter en zus- als ter zijner vrovw verder met de kinderen, kleinkinderen elke en achterkleinkinderen der dochter of zuster zijner vrouw de enz. Evenzoo is de vrouw verzwagerd met den vader, van den zoon. den broeder, den broederszoon enz. van haren zooi man. De zwagerschap ontstaat alzoo uit aanhuwelijking zelf en strekt zich uit, evenals bij bloedverwantschap tot en \'wij met den vierden graad. Om te weten, in welken graad en iemand met een persoon is verzwagerd, heeft men slechts zeg daarop te letten, in welken graad de verzwagerde per- uit soon met de andere wederhelft bloedverwant is; want en in dien graad waarin deze persoon met de eene weder- W helft bloedverwant is, is hij met de andere wederhelft me verzwagerd. Zoo bijv. is de zuster der vrouw met haren ka: man in den eersten graad verzwagerd, omdat broeders en he zusters in den eersten graad bloedverwanten zijn. Wijl, wi zooa18 de godgeleerden zich uitdrukken : »Ajfiinitas non

390

-ocr page 399-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

parit affinitatem, zwagerschap baart geen zwagerschap, daarom worden de bloedverwanten der echtelieden met elkander niet vermaagschapt. Er bestaat derhalve tusschen den br§eder des mans, en de zuster der vrouw en omgekeerd tusschen de zuster des mans en den broeder der vrouw geen zwagerschap, en zij kunnen zonder dispensatie te zamen huwen. In den eersten graad van zwagerschap namelijk tusschen een weduwnaar en de zuster der overleden vrouw of tusschen een weduwe en den broeder des overleden mans kan wel is waar de Paus dispenseeren, maar hij doet het niet dan om zeer gewichtige oorzaken.

G) Openbare eerbaarheid. Dit beletsel is een zekere verwantschap, die ontstaat uit geldige en onvoorwaardelijke trouwbeloften, door twee personen aan elkander gedaan en van elkander ontvangen, alsmede uit aangegane, maar nog niet voltrokken Huwelijken. Deze verwantschap in het eerste geval belet bruid cn bruidegom, als zij van elkander afzien, een Huwelijk te sluiten met elkanders bloedverwanten in den eersten graad, zoodat de bruidegom noch moeder, noch zuster, noch dochter van zijn bruid, en omgekeerd, de bruid noch vader, noch zoon, noch broeder van haren bruidegom kan huwen, zelfs dan niet indien de trouwbelofte op eene wettige wijze is opgeheven. Dit geval komt niet zelden voor, en dient daarom wel opgemerkt te worden. Zooals gezegd, ontstaat dit beletsel der openbare eerbaarheid ook uit een aangegaan, maar nog geen voltrokken Huwelijk; en hier strekt het z\'ch uit tot en met den vierden graad. Wanneer alzoo een wederhelft nog voor de echtelijke samenleving sterft, of in een Ordenstand zou treden, dan kan het andere deel met geen bloedverwant zijner wederhelft tot in den vierden graad zonder dispensatie geldiger wijze trouwen. Dit Huwelijksbeletsel ware dan zelfs aanwezig, indien het Huwelijk ongeldig zou zijn aangegaan;

301

-ocr page 400-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

alleen zoo de ongeldigheid uit gebrek aan toestemming w[j voortkwam, zou het voornoemde beletsel geen plaats 1

vinden. Het

7) De Hmoeli/jksband. Zoolang iemand gehuwd is. kan eene hij tot geen ander of tweede Huwelijk overgaan, wijl derli het Huwelijk, zooals ik u heb aangetoond, onontbindbaar der is. Op dezen grond kan en mag ook geen Katholiek een elka gescheiden protestantsch persoon huwen, wijl ook de Hu- hebl welijken der Protestanten onontbindbaar zijn. Zou een vrouw in het goede geloof, dat haar man is gestorven, gehi op nieuw huwen en de doodgewaande leefde nog, dan pers was haar tweede Huwelijk ongeldig; zij moest alzoo ha- begi ren tweeden man, ook indien zij kinderen bij hem had dit verwekt, oogenblikkelijk verlaten en tot den eerste terug- Zoo£ keeren. ovei

8) De plecldifje yelofte van kuischheid, die iemand in Hm eene door den H. Stoel geapprobeerde (goedgekearde) Orde Het heeft afgelegd. Indien derhalve iemand in het klooster vers is getreden en daar de plechtige gelofte afgelegd of de het professie heeft gedaan, dan kan hij of zij niet meer hu- den wen ; want zij zijn der wereld afgestorven en met Chris- dez! tus verloofd. De eenvoudige gelofte is slechts, zooals wij bek gehoord hebben, een Huwelijksverbod, wer:

9) De H. Wijdmt/. Degene, die de wijding van het Subdiaconaat heeft ontvangen, is door het kerkelijk gezag eeu buiten staat gesteld, een wettig Huwelijk aan te gaan troi en derhalve zooveel te meer hij, die de wijding van Dia- Wei ken of Priester heeft ontvangen. miE

10) Verschil van godsdienst. Dit beletsel maakt de dit Huwelijken tusschen Christenen en niet-christenen of on- mo( gedoopten, als Joden, Heidenen, Mahomedanen, zoolang mei zij het H. Doopsel niet hebben ontvangen, ongeldig. Zou hek alzoo een Christen een Jood huwen, dan ware dit Huwe- nan lijk van nul en geene waarde. De Huwelijken met dwaal- slec geloovige Christenen, bijv. met Protestanten, zijn, zooals gev

392

-ocr page 401-

OVER DB HUWELIJKSBELETSELEN.

wij reeds gehoord hebben, wel geldig, maar ongeoorloofd.

11) Misdaad. Dit beletsel vindt in vier gevallen plaats. Het eerste geval is; overspel met HuweljJcsbelofte. Indien eene wederhelft met een persoon overspel doet met de we-derkeerige belofte van elkander te huwen na den dood der andere wederhelft, dan kunnen zij niet geldig met elkander trouwen, omdat zij het beletsel van misdaad hebben beloopen. Het tweede geval is : overspel met het iver-kelijk ondernomen tweede Huwelijk. Indien namelijk een gehuwd persoon bij leven zijner wederhelft met een ander persoon, die daarin vrijwillig toestemt, zich in den echt begeeft en het Huwelijk hoe dan ook volbrengt, dan ware dit weder het beletsel van misdaad. In dit geval kan, zooals van zelf spreekt niet gedispenseerd worden ; het overspelige deel moet van het tweede, ongeldig gesloten Huwelijk afzien en tot zijn eerste Huwelijk terugkeeren. Het derde geval is : overspel en moord. Indien wel te verstaan de eene wederhelft de andere vermoordt met het inzicht, om met een persoon met wien zij voor den moord overspel begaat, te kunnen huwen, al zou dezs ook al van den moord niets weten en geen trouwbelofte gegeven hebben, dan kunnen zij niet geldig huwen. Eindelijk, het vierde geval is: moord van den eelti-c/enoot zonder overspel. Dit geval is dan aanwezig, indien een wederhelft en de persoon, dien de wederhelft wil trouwen, tot den moord der andere wederhelft samenwerken met het inzicht elkander te kunnen trouwen, ten minste van den kant van een van beiden. Overspel is in dit geval niet noodzakelijk; het is voldoende, dat de moord der wederhelft met wederzijdsche inwilliging en met inzicht tot een Huwelijk ten minste van een van beiden is volbracht. In de beide laatste gevallen, waarin namelijk een moord der wederhelft aanwezig is, wordt slechts uiterst zelden en wanneer de misdaad openbaar is geworden, volstrekt niet gedispenseerd. De Kerk heeft

393

-ocr page 402-

OVER DE HUWELUKSBELETSELEN.

I

dit beletsel van misdaad gesteld ter bescherming der ech- gelu

telieden en tot het bewaren der Huwelijkstrouw, om twee als

zoo vreeselijke misdaden, als overspel én moord der we- is d

derhelft zijn, zooveel mogelijk te verhoeden. zal

12) Clandestiniteit [Aeimlijkheid). Krachtens dit beletsel, valh dat het Conc. v. Trente gesteld heeft, zijn Huwelijken treft die niet in tegenwoordigheid des eigen Pastoors en van niet twee of drie getuigen worden aangegaan ongeldig. Zou- seen den nu de verloofden niet voor hun eigen Pastoor, die die het recht bezit het Huwelijk in te zegenen, maar voor brek een anderen geestelijke die daartoe geen recht heeft, of wel( zelfs maar voor den wereldlijken beambte het Huwelijk onw voltrekken, dan ware hun Huwelijk van nul en geener Unit waarde. Dit beletsel bestaat evenwel niet in die landen, als waarin de besluiten van het Gone, van Tr. niet zijn zij afgekondigd. of ^

13) Het laatste Huwelijksbeletsel, dat wel zeer zei- van den voorkomt, is de geweldadige ontvoering eener jonqe tene dochter of weduwe, ten einde een Huwelijk mei haar aan het te gaan. Dit beletsel duurt slechts zoolang als de die met geweld ontvoerde nog in de macht is van den ont- wel voerder; verkrijgt zij haar vrijheid weder, dan houdt dit die beletsel op. de

Ik heb u nu, Aand., de beletselen, die het Huwelijk bev

of ongeoorloofd of ongeldig maken nauwkeurig aange- ken

wezen, omdat de kennis ervan zoo voor gehuwden als uit^

vrijgezellen, die eenmaal zullen huwen, van een bijzon- wel

der gewicht is. Zooals ge reeds hebt kunnen opmerken, roo

wordt er ook door de Kerk dispensatie verleend, doch 14.

slechts in sommige beletselen ; maar als regel voor dege- ont;

nen, die denken te huwen, moet steeds worden vastge- geg

houden, dat zij een keus doen, waarbij geen Huwelijks- den

beletsel in \'t spel komt, want dispensatie in \'t algemeen dril

is een inbreuk op de wet die zooveel mogelijk moet ver- doe

meden worden, maar vooral bij Huwelijken, omdat het dis]

394

-ocr page 403-

OVER DE HUWELIJKSBELETSELEX.

395

geluk ervaa er meer of minder onder lijdt. Dat de Kerk als wetgeefster de macht heeft dispensatie te verleenec is duidelijk; want gelijk zij niet zonder grond beletselen zal stellen, kan zij ze ook met grond in sommige gevallen opheffen. Het Conc. v. Tr. (Zitt. 24. Can. 3.) treft met den ban degenen, die beweren, dat de Kerk niet bevoegd is, in eeniye Huwelijksbeletselen te dispenseeren. Zij kan geen dispensatie geven van beletselen, die in de nietigheid van het natuurlijke contract, in gebrek aan toestemming liggen, zooals bijv. dwaling, geweld enz., of die hun grond hebben in eene natuurlijke onwelvoeglijkheid, zooals bloedverwantschap in de rechte linie, of eindelijk in de door Christus gegeven wetten, als die van den nog bestaanden Huwelijksband, omdat zij niet de volmacht bezit van het naleven der natuur-of goddelijke wet vrij te spreken. — Wijl het aangaan van een Huwelijk, d. i. elke echtvereeniging onder de Christenen een Sacrament is, en bijgevolg het geheel buiten het bereik van den Staat ligt, wetten te vervaardigen, die de geldigheid of ongeldigheid van het Christ. Huwelijk betreffen, daarom kan deze geen beletselen stellen, die het ongeldig maken of ervan dispenseeren. Wel heeft de Staat in betrekking tot de maatschappelijke orde de bevoegdheid omtrent het Huwelijk verordeningen te maken, die slechts een burgerlijke beteekenis en burgerlijke uitwerkselen hebben, bijv. kinderen geboren uit een Huwelijk door den Staat verboden, van het erfrecht te be-rooven. Over het algemeen wil het Conc. van Tr., (Zitt. 14. Hoofdst. 5.) dat, buiten het geval, waarin iemand onbekend met het beletsel het Huwelijk reeds heeft aangegaan, volstrekt niet, of zelden en wel om goede gronden gedispenseerd worde. Ook moeten de gronden te dringender wezen, naar gelang het bestaan des beletsels doelmatiger is. Gewichtiger gronden moeten voor een dispensatie in een nadere dan in verwijderde verwant-

-ocr page 404-

396 OVER DE HUWELIJKSBELETSELEN.

schap aanwezig zijn. Over de genoegzaamheid daartoe heeft de Kerk te beslissen. Zij gebruikt toegevendheid, indien de verloofden zich in groote verlegenheid bevinden, om andere verbintenissen aan te gaan. Dit kan voorvallen in kleine plaatsen, waar de keus volgens stand zeer beperkt is, of bij adelijke en vorstelijke familiën, die zich in een engeren kring bevinden, of wel in plaatsen, waar de Katholieken in kleiner getal onder de nietkatho-lieken leven en bijgevolg licht aanleiding vinden, gevaarlijke verbintenissen met nietkatholieken aan te gaan, ingeval dat in de verwantschapsgraden geen dispensatie verleend werde. Ook dispenseert de Kerk, indien door het Huwelijk ergernissen vallen goed te maken, oneenigheden tusschen familiën uit den weg te ruimen enz. Maken dus bijzondere omstandigheden het noodig, een Huwelijksverbintenis aan te gaan, waaraan een beletsel in Jen weg staat, dan moet men dit beletsel met oprechtheid bekend maken. Verzwijgt men dit beletsel, dan begaat men niet alleen een groote zonde, maar het Huwelijk ware ook, ingeval het beletsel het ongeldig maakte, van nul en geener waarde, en men zou later in \'t geheel niet meer of toch slechts zeer moeilijk dispensatie erlangen. Weten degenen, die met elkander weuschen te huwen, dat tusschen hen een huwelijksbeletsel bestaat, dan moeten zij, alvorens met de zaak verder voort te gaan, hun Pastoor raadplegen of bij beletselen wegens geheime misslagen zich bij hun biechtvader vervoegen, ten einde te vernemen, of in hun beletsel kan al of niet gedispenseerd kan worden. Zou het een beletsel wezen, waarvan op zich zelf of wegens gebrek aan genoegzame gronden niet gedispenseerd kan worden, dan moeten zij aanstonds van hun voornemen afzien en alle verdere pogingen tot een Huwelijk eraan geven. De gronden, die tot het verkrijgen eener dispensatie worden voorgebracht, moeten op waarheid berusten ; waren zij valsch —• bijzonder de hoofdreden, dan zou de

-ocr page 405-

OVER DB HUWELIJKSBELETSELEN.

verkregen dispensatie ongeldig wezen, omdat deze steeds alleen op dien grond wordt verleend, dat de zaak zooals zij is aangegeven, zich werkelijk zoo toedraagt. Het zou derhalve niets baten, indien de verloofden de dispensatie op verdichte gronden verkregen ; zij deden een groote zonde, en hun Huwelijk evenals de dispensatie ware ongeldig. Volhardden zij in zoo\'n Huwelijk, dan waren al hun echtelijke handelingen doodzonden en zij gingen de eeuwige verdoemenis te gemoet. Eveneens mogen ook de omstandigheden, die het geven van dispensatie in den regel moeilijker maken, niet verzwegen worden. Mogen alle verloofden eu echtelieden dit alles wel behartigen !

Waarop most men bedacht zijn^ indien men wil huwen?

De intrede in het Huwelijk beslist zeer dikwijls over het wel eu wee voor tijd en eeuwigheid; daarom is bet van het grootste gewicht, zich tot dien stap goed voor te bereiden en zich wel in acht te nemen voor datgene, wat voor het Huwelijk schadelijk, ja verderflijk kan wezen. Teder die gaat trouwen, zoekt daarin zijn geluk, maar niet iéder vindt-zijn geluk daarin, en waarom niet ? Omdat dikwijls niet wordt beoogd, niet wordt in acht genomen, wat leidt tot een gelukkig Huwelijk. Velen, wij. moeten het zeggen, vinden in bet Huwelijk hun verderf, daar het hun toch een middel zijn moest tot hun eeuwige zaligheid. Ach, hoevele rampzalige Huwelijken worden er in de wereld niet aangetroffen! En zegt mij, wat grooter kruis is er in de wereld te vinden? \'t Is ook waar, men telt, Gode zij dank! ook vele gelukkige

397

-ocr page 406-

■WAAROP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

Huwelijken en waarlijk zielsgenot in \'t leven! Hier (lru

bouwt men als \'t ware den hemel, daar men ginds de ^roi

helle bouwt. Vanwaar dat onderscheid, Aand. ? Veelal 200

van de goede of kwade voorbereiding tot het Huwelijk ^

zelf. Daarom zullen wij bespreken: waarop moet men zlJi

bedacht zijn, indien men eenmaal wil limoen en aantoonen, bei dat degenen, die het Huwelijk denken in te gaan, vooral

vijf stukken moeten ter harte nemen ; zij moeten name- 800

lijk: 1) zich niet lichtzinnig verloven\', 2) behoorlijk on- die

derwezen en vrij zijn van alle Hmvelijksbeletsel; 3) in ^e\'

de bruidsdagen onschuldig leven; 4) met een zuiver en sc\'

Gode welgevallig inzicht het Huwelij/c ingaan; 5) voor is)

hun Huwelijk waardig biechten en communiceer en. ^

oo

I. Zich niet lichtzinnig verloven. de

dc

Niemand moet zich lichtzinnig verloven ; want hoe wij de Huwelijksverloving ook beschouwen of op zich zelve,

of als de naaste schrede tot het Huwelijk, is zij van het ^

grootste gewicht. b

1) De verloving is,- zooals ge allen weet, Aand., nog 6

geen uithuwelijking, maar slechts een trouwbelofte en 0

bestaat hierin, dat twee personen van beiderlei ge- 15

slacht elkander ernstig en vrijwillig beloven, dat zij 1

elkander ten huwelijk willen nemen, hetzij dit gedaan ■■

worde openlijk d. i. onder getuige of met bekendheid \'

van anderen, dan wel in 7geheim d. i. onder zich alleen. \' Deze verloving, hetzij openlijk of in \'t geheim maakt het den verloofden op doodzonde of tot een strengen plicht, dat zij met elkander werkelijk huwen, zoo niet een van beiden om bijzondere redenen het recht zou hebben, terug te keeren, waarover de geestelijke overheid heeft te beslissen. Men dient wel in het oog te houden,

dat de verkeering zelve nog geen trouwbelofte is; door de verkeering geeft men hoogstens en nog niet eens uit-

398

-ocr page 407-

INDIEN MEN quot;WIL HUWEN.

drullt;kelijk, het voornemen te kennen, elkander te zullen trouwen, vooral in deze tijden, nu, helaas, reeds personen nog zoo jong met elkander verkeeringen aanknoopen.

Opdat een Huwelijksbelofte aanwezig en deze geldig zij, wordt gevorderd : a. dat zij ernstig gemeend, door beide personen duidelijk en bepaald uitgedrukt en van weerskanten zij aangenomen, want zou iemand een persoon enkel uit schijn, zonder ernstig van plan te wezen dien te huwen, het Huwelijk beloven, bijv. om gemakkelijker te kunnen verleiden, dan ware deze belofte, ofschoon zondig, niet geldig ; omdat zij een overeenkomst is, waarvan het wezen vordert, dat beiden toestemmen, hun woord geven. Zou daarom de een de trouwbelofte ook al ernstig meenen en de ander die niet aannemen, dan ware zij ongeldig, h. De belofte moet met een voldoende kennis vrij van alle wezenlijke dwaling, onbillijke bedreiging en geweld gedaan worden, c. Het Huwelijk, dat men wil sluiten, zij geldig en geoorloofd; want tot het onmogelijke of ongeoorloofde kan men zich door geen belofte verplichten. Op dezen grond zou de belofte van een persoon, die de gelofte van kuischheid heeft afgelegd, ongeldig wezen, tenzij men de voorwaarde gesteld hadde: ingeval de Paus mij van de gelofte van kuischheid dispenseert ; want wie deze gelofte heeft afgelegd, is, zoolang de gelofte bestaat, tot het Huwelijk niet bekwaam. d. De trouwbelofte zij gedaan zonder zonde; d. i. de omstandigheden moeten van dien aard zijn, dat de belofte zelf niet zondig zij. Zou bijv. een zoon aan een persoon het Huwelijk beloven, die hij zonder infamie (eerloosheid) voor zijn ouders niet zou kunnen trouwen, dan ware de belofte zondig en tevens ongeldig, omdat men zich door een belofte zelts niet door een eed tot een zondige handeling verplichtend kan stellen.

Zijn nu de voorwaarden, die tot de geldigheid van een trouwbelofte gevorderd worden, aanwezig, dan is de be-

399

-ocr page 408-

WAAROP MOET MEN DEDACHT ZIJN,

lofte, hetzij in het openbaar of in \'t geheim gedaan, geldig. De werking van een geldige belofte is, dat, zoolang zij niet rechtmatig is ontbonden, geen der verloofden op eeu geoorloofde wijze met een ander persoon kan huwen. Zou de bruidegom of de bruid aan een ander persoon het Huwelijk beloven, dan ware deze belofte ongeldig; zou de bruidegom of de bruid met een ander persoon werkelijk huwen, dan ware het Huwelijk wel is waar geldig, maar ongeoorloofd. De trouwbeloften worden intus-schen, ze mogen openlijk of geheim zijn, weder ontbonden, indien beide verloofden daartoe hun toestemming geven;

verder, zoo een van beiden zich aan een zwaren misslaar, • •

bijv. aan doodslag, aan een beduidenden diefstal schuldig maakt, in welk geval de onschuldige kan terugtreden ; vervolgens door een voorkomende beduidende verandering, die, zoo men ze voorzien hadde, oorzaak zou geweest zijn, dat men zijn woord niet hadde gegeven eindelijk door een lange afwezigheid des bruidegoms en het niet vervullen eener gemaakte rechtmatige voorwaarde. Eene omstandigheid, die beiden niet alleen recht geeft, maar zelfs verplicht, de trouwbelofte te verbreken, is het ontdekken van een het Huwelijk ongeldig makend beletsel waarin de Kerk niet dispenseert.

Uit het gezegde blijkt, dat de Huwelijksbeloften reeds op zich zelve een zaak van gewicht zijn, eensdeels, wijl zij de verplichting opleggen, tot het Huwelijk over te gaan, anderdeels, wijl de voorwaarden, waaronder zij rechtmatig kunnen ontbonden worden, dikwerf ontbreken. Niemand moet zich vandaar lichtzinnig verloven; want hij stelt zich aan het gevaar bloot, zich grootelijks te bezondigen; ook kunnen hieruit voor hem gevolgen voortkomen, die hij later bitter heeft te betreuren. In bijzonder waarschuw ik u, zonen en dochters dat gij u voor de geheime trouwbeloften zorgvuldig in acht neemt. Ge doet reeds op zich zelf onrecht, indien gij in zoo\'n gewichtige

400

-ocr page 409-

INDIEN MEN WIT. HUWEN.

zaak als het Huwelijk is, uw ouders of andere ervaren en rechtschapen personen niet tot raad neemt; bovendien hebben zoodanige geheime trouwbeloften gewoonlijk een menigte van buitensporigheden en zonden tengevolge en kunnen dan later, wanneer een der betrokken personen van gevoelen verandert, slechts zeer moeilijk of in \'t geheel niet ontbonden worden.

2) Beschouwen wij de trouwbeloften als de naasie voorbereiding tot het iverkelyke Hmvcljk, dan springt het gewicht ervan nog meer in het oog. De Huwelijksstaat is een hoogst gewichtige staat, waarvan het tijdelijke eu eeuwige welzijn der menschen afhangt. Echtelieden, die een goede keus gedaan hebben, leven tevreden en gelukkig, voeden hun kinderen op in de vreeze des Heeren en mogen hopen, dat zij eenmaal in den hem»l voor eeuwig vereenigd worden. Maar hoe slecht staat het met die echtelieden, welke zich tegen den wil van God hebben te zaamgevoegd! Zij zijn ontevreden en vol misnoegdheid; gramstorigheid en verdriet, twist en tweedracht zijn als \'t ware hun dagelijksch brood ; hun bestaan gaat gewoonlijk achteruit, de kindertucht gedijt slecht en zelfs hun zielenheil verkeert in groot gevaar. Wijl aan het Huwelijk zooveel ligt gelegen, daarom vordert de christ. zelfliefde, dat men in het werk des Huwelijks voorzichtig te werk ga. Ten einde hier alle lichtzinnigheid te vermijden, moet men, alvorens zich te verloven, wel bedenken :

a. Of men wel door God tot den huwelijken staat is yeroepen. Tegen den goddelijken wil mag men in niets ter wereld inhandelen, in \'t minst bij de keus van staat, of men stelt zich aan het gevaar bloot, tijdelijk en eeuwig ongelukkig te worden. Om te weten, of men door God tot den huwelijken slaat is geroepen, moet men daarop letten, of men tot het Huwelijk neiging heeft of niet. Personen, die een voortdurenden afkeer van het Huwelijk in

20

401

-ocr page 410-

WAAROP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

zich waarnemen, moeten zich daartoe niet laten overreden noch dwingen; zij knnnen met grond zeggen; »Men moet Gode meer dan menschen gehoorzaam zijn,quot; want hadde God hen tot den huwelijken staat geroepen, dan zou Hij hun zonder twijfel ook genegenheid daartoe hebben gegeven. Verder moeten zij bedenken, of zij de zware verplichtingen van den huwelijken staat zullen kunnen vervullen, of zij daartoe de noodige eigenschappeu bezitten en een goede gezondheid genieten. Van den eeueu kant is het hoogst afkeuringswaardig, het Huwelijk uit te stellen met het doel om te vrijer en zorgeloozer te kunnen leven, daar het Huwelijk juist een dam moet zijn tegen de uitspattingen der jeugdige jaren, maar het is van den anderen kant niet minder te veroordeelen, indien men overhaastig, zonder de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te kennen, zonder deugd en een vast karakter te bezitten, wellicht ook zonder in staat te zijn, vrouw en kinderen te onderhouden, het Huwelijk aanvaardt. Hoe toch zal men zijn huis houden, hoe zijn zaken besturen, als men niet eens zich zeiven kan beheerschen ? Hoe de kinderen een behoorlijke opvoeding geven, indien men zelf nog moet worden opgevoed ? Zouden deze eigenschappen iemand ontbreken, dan ware dit een teeken, dat God hem niet tot den huwelijken staat heeft geroepen ; want als God ons tot een staat roept, dan laat Hij ons ook de hiertoe noodige gaven toekomen. Ontelbare Huwelijken zijn rampzalig en hebben voor tijd en eeuwigheid de treurigste gevolgen, omdat zij lichtzinnig, uit een blinden hartstocht, zonder te denken aan de verplichtingen en moeilijkheden van den huwelijken staat, worden aangegaan.

b. Heeft iemand neiging en de noodige eigenschappeu tot den huwelijken staat, dan is er alles aan gelegen, dat hij een goede keus doet. Om hierin wel te slagen, moet niemand, in bijzonder niet de jeugd op zich zelf te

402

-ocr page 411-

INDIEN MEN WIL HUWEN.

403

veel vertrouwen, maar veeleer den raad der ouders en andere ervarene en godsvruchtige jjersonen inwinnen. Daartoe vermaant de wijze Sirach, als hij zegt: (Eccl. 37, 20.) »Het begin van alle werk zij een verstandig overleg, en beraadslagen ga het bedrijven vooraf.quot; Bijzonder moet gij, christ. zonen en dochters, nimmer een keus doen, zonder vooraf de meening uwer ouders gehoord te hebben. De ouders toch zijn volgens Gods verordening uw eerste en naatste overheden, en het ware zeer te verwerpen en zondig indien gij bij de keus van : uwen staat u aan hun gezag geheel en al wildet onttrekken. Ge zijt wel niet verplicht, juist dien persoon te \' huwen, dien uw ouders willen ; maar ge moet minstens hun bezwaren aanhooren, en eerst na hun onpartijdig oordeel uw besluit nemen. Er zijn ouders, die zoeken te verhinderen, dat hun kinderen een Huwelijk aangaan, of met betrekking tot de keuze van een echtgenoot dwang gebruiken, ja zelfs aan een zware zonde zich • schuldig maken, doordien zij tegen de redelijke keuze hunner kinderen uit luim, gierigheid, hoogmoed en andere dergelijke hartstochten zioh hardnekkig verzetten ; maar er zijn ook zonen en dochters, die, wanneer zij zich eenmaal een persoon in het hoofd hebben gezet, niet alleen onredelijk en onbetamelijk maar zelfs zondig handelen, indien zij in zulk een gewichtige aangelegenheid, zonder de ouders er kennis van te geven en met hen te overleggen durven voortgaan, of door een redelijke en wel-meenende voorstelling hunner ouders van hun plan zich niet laten afbrengen. Maar wat gebeurt ? Het valt maar al te spoedig voor, wat de ouders gevreesd en hun voorspeld hebben ; zij moeten voor hun eigenzinnigheid geheel hun leven boeten. Zoo ging het Samson. Hij verlangde van zijn ouders, hem eene van de dochters der Philistij-nen ten Huwelijk te geven. De ouders kwamen hiertegen

-ocr page 412-

404 WAAROP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

op en zeiden: (Recht. 14,3.) »Is er sjeene vrouw onder do de dochteren uwer broederen, of ouder geheel uw volk, en dat gij henengaat, om eene vrouw te nemen uit de on- Al besnedene Philistijnen ?quot; Samson gaf evenwel niet toe en be nam tegen den wil zijner ouders een dochter der Philistijnen tot vrouw. Doch dit Huwelijk viel ongelukkig uit ;

want om harentwege werd Samson in vele moeilijkheden met de Philistijnen gebracht, die ten laatste het verlies van zijn roem en zijn leven ten gevolge hadden. Weest alzoo, gij jongelieden, bij de keus uwer wederhelft niet eigenzinning en verlaat u niet te veel op uw eigen zienswijze en voorzichtigheid; vraagt den raad uwer ouders en andere vrome en verstandige Christenen , opdat gij geen stap doet, dien gij later tot uw ongeluk niet meer kunt terugtrekken.

c. Wijl evenwel alle menschelijke voorzichtigheid en de beste raad voor geen misgreep waarborgen, daarom moet ge vooral uw toevlucht tot God nemen en Hem om verlichting hidden. » Daar wij niet weten,quot; sprak de vrome Josaphat, »wat ons te doen zij, daarom blijft ons slechts over, dat wij (o Heer) onze oogen op U richten.quot; (11. Paral. 20, 12.) En de wijze Man zegt: (Spreuk. 19, 14.) «Huis en goed zijn eene erve der vaderen,

maar een verstandige vrouw is van den Heere.quot; Hiernaar gedroeg zich de vrome Tobias. Hij volhardde drie dagen lang in het gebed, alvorens hij zich met Sara ten Huwelijk verbond. Daarom was nu ook zijn Huwelijk gelukkig, en God was met hem, met zijn kinderen en nakomelingschap. Indien gij derhalve, christ. zonen en dochters, van plan zijt, uwen stand te veranderen, laat dan het gebed niet achterwege. Bidt God, den Vader der lichten, bij de H. Mis, bij de H. Communie, bij de aanbidding van het Allerheiligste Sacrament, bij uw mor-gen- en avondgebeden en bij andere gelegenheden, dat Hij u moge verlichten, ten einde gij een goede keuze

-ocr page 413-

1NDI15N MEN WIL HUWEN.

doet, die volgens zijn wil is. Zoo gij aanhoudend en vertrouw vol bidt en bijzonder aan de voorspraak der Allerzaligste Maagd, de Moeder van goeden raad, u aanbeveelt, daarbij dikwijls de H. Sacramenten ontvangt en een vromen en eerbaren wandel leidt, dan moogt ge met vertrouwen verwachten, dat God uw schreden zal leiden, en u dien persoon laat vinden, met wien gij gelukkig wordt.

d. Eindelijk, om bij de keuze tot een Huwelijk niet lichtzinnig te werk te gaan, moet men miuder op geld en goed, dan wel op godsdienst en deugd acht geven. Ook bier vooral gekit het woord des Heeren : »Zoekt eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid.quot; Godsdienst en deugd zijn ontegensprekelijk de vaste grondslagen van het huiselijk geluk. Behoort de man ook al niet tot de rijken en de aanzienlijken, maar staat hij vast in het geloof, is bij trouw en standvastig in het vervullen zijner cbrist. plichten, werkzaam en ordelijk, dan zal de vrouw in hem haar steun en geluk vinden. Maar toont hij zich als een mensch zonder godsvrucht, als een ledigganger, drinker, speler, als een twistzoeker, huw hem niet, cbrist. dochter, al zou hij aan uwe oogen behagen en een schoon vermogen bezitten ; huw hem niet; gij stelt u anders aan bet grootste gevaar bloot, een ongelukkig Huwelijk te doen. Het gebeurt maar zelden, dat een menscb die niet deugt in zijn staat als vrijgezel, in den huwelijken staat zich betert. »Zooals de jongeling is de man,quot; — dit spreekwoord moet gij christ. dochter bij de keus uws bruidegoms wel iu het oog houden. Brengt de vrouw ook al niet veel geld en goed mede, zijn hare natuurlijke begaafdbeden ook al niet van de schitterendste, maar is zij rijk aan de deugden eener christ. echtgenoote, is zij vroom, zedig, bescheiden, vlijtig, huiselijk, zachtaardig, toegevend, dan heeft de man in haar een zeer kostbare parel gevonden, die zijn levens-

405

-ocr page 414-

406 WAAROP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

geluk vestigen en hem tot eer zal verstrekken. Maar is degene, christ. zoon, die gij zult trouwen, ijdel, behaagziek en zonder godsvrucht, lichtzinnig of zelfs buitensporig, eigenzinnig en twistziek, arbeidschuw, verkwistend en snoepachtig, of geheel ongeschikt en zonder begrip, trouw haar niet en zie van haar af; want gij zult u een Huwelijk bereiden waarin gij geheel uw leven veel leed zult vinden. Missen beide echtgenooten godsdieust en deugd, dan zal de schoot van het gezin, die een heiligdom van vrede en zuivere vreugde zijn moest, een ware pijnbank worden, waar de ongelukkige echtgenooten elkander gedurig kwellen. Huwt toch nimmer, gelijk zoo vaak gebeurt, om geld en goed alleen. Wat baat het u, indien gij een persoon trouwt, die wel veel vermogen bezit, maar niet werkzaam, vroom en spaarzaam is? In weinige jaren gaat dikwijls al de rijkdom, dien men door het Huwelijk verworven heeft, verloren, terwijl anderen, die niet een rijken, maar een braven, verstandigen en arbeidzamen persoon gehuwd hebben, van lieverlede vooruitgaan en welgesteld worden. Maken de omstandigheden het noodzakelijk, een partij met veel vermogen te zoeken, dan moet men toch steeds ook daarop zien, dat de persoon de overige eigenschappen bezitte, die een gelukkig Huwelijk doen hopen. Het allerminst zij bij het Huwelijk alleen schoonheid van een persoon de maatstaf; want niets is vergankelijker dan lichamelijks schoonheid ; zij gelijkt in den huwelijken staat een roos, die van lieverlede al haar blaadjes verliest en waarvan niets overblijft dan de kale stengel en de doornen.

Dit is alzoo het eerste, wat degenen, die van plan zijn te huwen, in acht hebben te nemen; zij moeten daarbij niet lichtzinnig, maar met een rijp overleg en voorzichtigheid te werk gaan, wel onderzoeken of zij genegenheid voor het Huwelijk hebben en daartoe zijn geroepen, zich daarover met hun ouders en verstandige Christenen zoe-

-ocr page 415-

INDIEN MEN WIL HUWEN.

ken te verstaan, God om inlichting bidden en steeds daarop zien, of de persoon, dien zij willen huwen, wel godsdienst en de overig-e tot het Huwelijk noodige eigenschappen bezit.

II. Behoorlijk onderwezen en vrij zijn van alle Uuwc-lijksbeletselen.

Degenen, die wenschen in het Huwelijk te treden, ■moeten ook behoorlijk ondenoezen en vrij zijn van alle Huwelijksbeletselen.

1) Eene min of meer degelijke kennis van den godsdienst is wel voor ieder Christen, maar in het bijzonder voor de te huwenen noodzakelijk. Zij toch hebben den plicht, hun kinderen en huisgenooten in de waarheden des Christendoms te onderwijzen en ze tot het vervullen hunner verplichtingen aan te sporen. Maar hoe kunnen zij aan dien plicht voldoen, indien zij zelf in den godsdienst geheel onervaren zijn ? Vandaar dan ook heeft de Kerk het zoogenaamde bruidsexamen vowgesohreven. Dit bestaat hierin, dat de Pastoor of diens plaatsbekleeder met het bruidspaar de voornaamste geloofs- en zedenwaar-heden van den h. godsdienst doorloopt en naar omstandigheden vragen tot hen richt, ten einde zich te overtuigen, of zij van het Christendom de noodige kennis bezitten. Bij dat bruidsexamen openbaart zich dikwijls eene onwetendheid in den godsdienst, die alle begrip te boven gaat. Menig bruidspaar is in den godsdienst zoo onwetend, als kinderen van zes en zeven jaren ; ze hebben van den christ. godsdienst schier geen denkbeeld ; de hoofdgeheimenissen ervan, zooals het Geheim der Allerheiligste Drievuldigheid, de Menschwording van Gods Zoon, de werken der verlossing en heiliging zijn hun volledig onbekend. Hun geheele christ. kennis bestaat in eenige gebeden, die zij zonder zin en verstand opzeggen.

407

-ocr page 416-

WAAROP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

Waarin ligt wel de grond dezer onwetendheid ? Gewoon- IS

lijk in de slechte opvoeding en ook daarin, dat de ver- E:

loofden de christ. onderrichtingen des Zondags in de kerk rr

gewoonlijk verwaarloozen. En wanneer zij ook al een h

preek aanhooren, dan baat dit hun toch weinig of niets, ti

omdat het noodige voorafgaand onderricht tot het goed g

verstaan daarvan hun ontbreekt. Zulk een bruidspaar ri

moet vooraf beter worden onderwezen; want de Pastoor n

kan met hen tot het Huwelijk niet voortgaan, zoolang g

zij in den christ. godsdienst minstens in het noodzakelijkste e:

ervan niet zijn onderwezen. Ik vermaan u derhalve, jon- v

gelieden, en bijzonder degenen onder u, die eenmaal den- n

ken te trouwen, met allen ernst, dat ge uwen Catechis- v

mus dikwijls ter hand neemt en de christ. onderrichtingen a

in de kerk vlijtig bezoekt, opdat gij u de noodige gods- z

dienstkennis verschaft. n

2) Met betrekking tot het vrij zijn van alle Huwelijks- s

beletsel, waarover wij reeds in het breede hebben gespro- d

ken, zal ik slechts nog de woorden van den H. Chrysos- h

tomus aanhalen. Hij zegt namelijk : » Als gij wilt trouwen, g

neem dan niet alleen kennis van de burgelijke, maar a

ook van de kerkelijke wet; veracht gij de eerste, dan ((

krijgt ge meestal slechts een geldboete; treedt gij deze e

met voeten, dan zal uw ziel in de kwellingen van het o

onuitbluschbaar vuur vallen.quot; k

1

III. In de bruidsda(/Bn omclmldiij leven. 1:

(

Het derde voorschrift, dat degenen, die willen huwen,

nauwkeurig moeten nakomen, is, dat zij in de bruidsdagen t onschuldig leven. » Wij zijn kinderen der Heiligeu en mogen

niet bijeenkomen gelijk de Heidenen, die God niet kennen.quot; i

(Tob. 8, 5.) Deze schoone en veelomvattende woorden, die de 1

vrome Tobias na de verloving tot Sara sprak, moet het christ. %

bruidspaar des te racer behartigen, wijl het Huwelijk in het i

408

-ocr page 417-

INDIEN MEN WIL HUWEN.

N. Verbond heiliger is, dan het was in het O. Verbond. Het is voorwaar de plicht van alle ongehuwde personen, maar bijzonder van verloofden, dat zij zich op een geheel en al kuisch en godvruchtig leven toeleggen. De trouwbelofte, die de verloofden aau elkander hebben afgelegd, geeft hun niet het minste rscht, zich wederkee-rig tegen de H. Zuiverheid in iets te bezondigen, en zij mogen zich nimmer aan de verderflijke meening overgeven, dat hun gedurende dien tijd een grootere vrijheid en vertrouwelijkheid met elkander is veroorloofd, of dat wat vroeger zonde tegen de kuischheid was, het thans niet meer is of minstens een kleinere zonde. Alle onzuivere gedachten en begeerten, alle onkuische woorden en aanrakingen, alle schandelijke omarmingen en kussen zijn hun even zoo streng verboden als aan andere personen des ongehuwden staats. Het betaamt, dat zij te strenger en te zorgvuldiger over hun hart waken en in den omgang met elkander elke gelegenheid, waardoor de heerlijke deugd van zuiverheid in gevaar zou kunnen geraken, vluchten. Daarom verbiedt de Kerk hun met alle gestrengheid «het samenwonen in hetzelfde huis,quot; (Conc. v. Tr. Zitt. 24. Hoofdst. I) en vermaant hen met even zoo ernstitre als liefdevolle woorden. God steeds voor

O \'

oogen te hebben en alles, wat de deugd van reinheid kan kwetsen, zorgvuldig te mijden en tot dat einde bij hunne bezoeken «niet te zamen alleen blijven, maar in het bijzijn van eenige bloedverwanten of anderen.quot; (Rit. Rom.)

Er zijn helaas ! niet weinige verloofden, die hun bruidsdagen niets minder dau kuisch en zedelijk doorbrengen. Velen hunner hebben reeds voor hun verloving jaren lang in een zondige verkeering geleefd en zetten hun zondig leven tot aan den dag van hun trouwen voort. Zelfs de zoodanigen, die vroeger geen verkeering onderhielden, veroorloven zich in de bruidsdagen dingen, die grootelijks

409

-ocr page 418-

410 WAAROP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

zondig: zijn. Zij zijn verblind genoeg te meenen, dat zij het met de kuischheid zoo nauw niet hebben te nemen, omdat zij toch spoedig echtgenooten worden. Wat moeten de gevolgen zijn van zoodanige bruidsdagen? Wat anders, dan dat zij meestal een heiligschennende Biecht afleggen. Want hoe laat zich veronderstellen, dat lieden, die tot aan de Biecht voortzondigen, een waar berouw hebben over hun zonden en een ernstig voornemen hun leven te beteren ? Zij gaan alzoo in staat van zonde, niet met God, maar met den duivel in \'t hart, het Huwelijk in en zulk een Huwelijk zou gelukkig uitvallen? Neen, zoodanige echtelieden vlechten zich een roede, waarvan zij de striemen smartelijk genoeg zullen gevoelen. Ontevredenheid, twist en tweedracht, een slechte gang van zaken, ellende en nood, en, indien zij geen ware boete doen, zal de eeuwige ondergang hun lot wezen. Hier slechts éen voorbeeld.

Een jongmensch en jonge dochter, die vele jnren in zondige verkeering met elkander hadden geleefd, trouwden eindelijk te zamen. Voor het Huwelijk waren zij steeds bij elkander, en het leek, dat alleen de dood aan hun vriendschap een einde zou maken. Maar spoedig daagden de straffen Gods op voor de veeljarige overtreding zijner geboden. Nauwelijks was de band des Huwelijks geknoopt, of de man kon zijn vrouw niet meer uitstaan en behandelde haar als een slavin. Zij gedroeg zich intusschen verstandig, zweeg en verduurde ; en zoo verliepen er jaren overheen. Eens gaf de woeste man zijn vrouw een trap met zijn voet, tengevolge waarvan zij binnen acht dagen een lijk was. Zij erkende maar al te zeer, dat alles, wat zij te lijden had, een straffe Gods was voor haren in buitensporigheden doorgebrachten jeugdigen leeftijd, en vermaande haar dochter, dat zij aan haar een voorbeeld nemen en hare jonge jp.ren godvruchtig zou doorbrengen. Zij stierf zeer boetvaardig.

-ocr page 419-

INDIEN MEN WIL HUWEN.

Bij haren dood ontstelde de man, wiens geweten nu ontwaakte, zoo hevig, dat hij in een zware ziekte verviel en na ettelijke dagen in een soort van vertwijfeling stierf. Zoo gaat het met echtelieden, die de jaren hunner jeugd met buitensporigheden schandvlekken en zelfs nog in de bruidsdagen hun zondig leven voortzetten. Zij laden bij hun trouwen in plaats van zegen den vloek Gods op zich en onder tien zoodanige Huwelijken is er niet éen, dat gelukkig is.

Indien gij alzoo, Christ, zonen en dochters, het goed met u zelve meent, laat dan uw eerste en laatste zorg zijn in en bij alles de kuischheid te bewaren. Bevindt ge u in de bruidsdagen, beijvert u dan nog meer voor de h. reinheid en vermijdt zorgvuldig alles, wat deze deugd slechts in het minst zoo kunnen bevlekken. Wijst elke oneerbare gedachte terstond van u af, veroorlooft u geen zondigen blik, komt niet alleen te zamen en verkeert niet in het duister. Hebt ge met elkander iets te overleggen, dat het geschiede in de tegenwoordigheid uwer ouders of andere godvruchtige Christenen. Draagt een terughoudende eerbiedige en christ. liefde jegens elkander en geeft wederzijdsche voorbeelden van Lehoedzaam-heid en zedigheid ; verricht alle dagen tot uwe inzegening het een of ander goed werk en versterft u bovendien opdat God uwe onderneming moge zegenen.

IV. Met een zuiver en Gode loelyevalliy inzicht het liuivelijk ingaan.

Als kinderen van Heiligen moeten de verloofden met een zuivere en Gode welqevallüje meening den htuwelijken staat aanvaarden. Het Huwelijk is om drie redenen ingesteld : eerstens, opdat door de echtelij ke verbintenis de kinderen worden verwekt, met vereende hulp der beide echtelieden christelijk opgevoed, het meuschelijke

411

-ocr page 420-

■WAAllOP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

412

geslacht op aarde behouden en het getal der uitverkorenen in den hemel vermeerderd worde; zoo toch was de bedoeling Gods, als Hij zeide : (Gen. I, 28.) » Cresciie ei muUiplicamini. zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt.quot; Ten tweede, opdat onder de Christenen als een door het Doopsel den Heere geheiligd volk de ongeoorloofde lusten en de hieruit voortvloeienden zonden voorkomen en ook aan de zwakheid des vleesches behoorlijk worde te gemoet gekomen, volgens de woorden des Apostels : (I Cor. 7, 9.) »Melius est enim nubere, quam uri, beter toch is, te huwen dan te branden.quot; Ten derde, opdat de echtelieden in de moeilijkheden des levens en vooral op leeftijd elkander ondersteunen; waarom God sprak ; (Gen. 2, 18.) ))Non est bonum esse hominem solum, het is niet goed, dat de mensch alleen zij; faciamus ei adjutorimi simile sibi, laat ons hem eene hulpe maken, hem tot een wederga.quot; Hiermede is nu het inzicht aangegeven, waarmede de echtelieden den huwelijken staat dienen te aanvaarden. Zij mogen huwen, om rechtmatig kinderen te verwekken en ze voor den hemel op te voeden; verder, om tegen de ongeoorloofde lusten des vleesches, tot beteugeling waarvan zij zich te zwak gevoelen, een middel te bezitten; eindelijk, om in hun leven en bijzonder op hun oude dagen een steun en verpleging te hebben. Wie om deze oorzaken of ook maar om éen ervan het Huwelijk ingaat, heeft de rechte en Gode welgevallige meening en zondigt niet. Behalve deze drie hoofdgronden tot het Huwelijk zijn er nog bijoorzaken, die eveneens, indien zij niet op zich zelf iets zondigs bevatten, worden toegelaten, bijv. tijdelijk verzorgd zijn, het betalen der op de huishouding klevende schulden, geestelijke en lichamelij ■ ke goede hoedanigheden van den persoon, dien men ten Huwelijk neemt enz. Deze bijoorzaken mogen evenwel de drie hoofdgronden niet overwegen of geheel uitsluiten ; wie derhalve enkel huwde orn verzorgd te zijn, die handelt tegen de

-ocr page 421-

INDIEN MEN WIL HUWEN. 413

bedoeling van God, die om deze reden liet Huwelijk niet heeft ingesteld, en loopt gevaar, zich te mistrouwen. Hoe dikwerf is het reeds gebeurd, dat zonen en dochters, die enkel om geld en goed, om lichamelijke schoonheid of om verzorgd te zijn huwden, dezen stap spoedig na hun trouwen bitterlijk betreurden en tijdens hun leven zich ongelukkig gevoelden ! Nog verkeerder ware het, indien, ^

zooals helaas zoo vaak geschiedt, het Huwelijk enkel tot bevrediging zijner lusten wordt gesloten. Al is het Huwelijk ook als middel tegen de zwakheid des vleesches ingesteld, dan dwalen toch degenen zeer ver af, die het Huwelijk als een instelling tot een ongestoorde bevrediging van den wellust beschouwen. \\Vie den huwelijken staat aanvaardt met de gedachten, zijne onkuische lusten naa-r believen te kunnen bevredigen, die handelt niet als Christen, ja, niet eens als mensch ; zijn zin is geheel dierlijk. Op menschen van dien aard vindt het woord van den Engel Eaphael zijn toepassing : (Tob. 6, 17.)

»Degenen, die zoo het Huwelijk ingaan, dat zij God van zich af- en buiten hun hart sluiten, en zich zoo aan den wellust overgeven als een paard en muilezel,

die geen verstand hebben, over hen heeft de duivel macht. » Wat een macht de duivel over zoodanige echtelieden uitoefent, zien wij aan de zeven mannen van Sara,

die hij alle in den eersten bruidsnacht had vermoord.

Ontneemt de duivel aan zoodanige dierlijke mannen en vrouwen heden ten dage ook al niet meer het lichamelijke leven, toch doodt hij hun ziel, doordien hij ze in een voortgezet kwaad en zonden stort of ze daartoe brengt,

dat zij een afkeer van elkander krijgen en zich wederzijds kwellen. Zoo verhaalt de Eerw. Pater Candidus, dat hij twee personen gekend heeft, die voor hun trouwen elkander zoo zeer met een onreine liefde beminden, dat het hun zwaar viel, slechts een uur lang van elkander gescheiden te zijn ; dat zij echter, zoodra zij gehuwd waren,

L

-ocr page 422-

414 .WAAROP MOET MEN ÜEDACHT ZIJN,

elkander met zulk een afkeer haatten, dat zij elkander niet meer zien en verdragen konden en evenals woedende honden met tanden en nagelen elkaar verbeten en bekrabden. Werden zij van elkander gescheiden, dan kwelde hen al spoedig de onreine liefde en begeerte en ze deden weder moeite om bij elkander te komen; maar op het eerste gezicht, dat zij elkander weder zagen, verhief weder de bittere haat en razernij zich gelijk te voren. Wel een ontzettende, maar toch gerechte kwelling tot straf hunner onkuische lusten, die zij voor hun Huwelijk steeds bevredigd en tot bevrediging waarvan zij ook gehuwd waren. O mochten toch allen, die in het Huwelijk treden, bedenken, dat zij geen Heidenen, maar Christenen zijn, wier plicht het is, het vleesch met zijne begeerlijkheden te kruisigen ! Mochten allen met een vrome stemming tot het Huwelijk overgaan, zooals de godvruchtige jongeling Tobias, die sprak: (Tob. 8, 9.) «Gij weet, o Heer, dat ik niet om den wellust mijn nicht tot vrouw heb genomen, maar alleen uit liefde tot een nakomelingschap, waardoor uw Naam van eeuwigheid tot eeuwigheid moet geprezen wordenquot; en zooals de kuische Sara, die bad; (Tob. 3, 16—18.) «Gij weet, o Heer, dat ik nooit een man begeerd en mijne ziel heb rein gehouden van alle begeerlijkheid. Nooit heb ik mij onder de rnoed-willigen gemengd, noch mij gevoegd bij degenen, die lichtzinnig wandelen. In uwe vreeze en niet uit wellust heb ik toegestemd een man te nemen!quot; Inderdaad zulk een gezindheid liet een even zoo kuisch als gelukkig Huwelijk verwachten.

V. Voor het Muwelyk waardig biechten en communiceer en.

De verloofden moeten eindelijk voor hun Hvivelyk waardig biechten en eommuniceeren. Het Huwelijk is, zooals

-ocr page 423-

INDIEN MEN WIL HUWEN.

gij weet, een Sacr. der levenden en moet dus in staat van genade ontvangen worden. Wie het Saur. des Huwelijks in staat vau zonde ontvangt, maakt zich aan hei-lig-schennH schuldio- en heeft den vloek des lieraels te

D O

vreezen. De verloofden moeten vandaar een goede Biecht verrichten, ten einde hun geweten te zuiveren en zich tot het waardig ontvangen van het Sacr. des Huwelijks behoorlijk voor te bereiden. Voor menig bruidspaar is een generale Biecht noodzakelijk. Het is maar al te waar, dat vele jongelieden in lichtzinnigheid en godvergetenheid voortleven en dat hun Biechten uit gebrek aan berouw en voornemen, of uit gebrek aaa oprechtheid bij de belijdenis dikwerf ongeldig zijn. En is dit het geval, dan moeten zij noodzakelijk een generale Biecht afleggen, wijl anders hun slechte en ongeldige Biechten niet verbeterd en in orde kunnen worden gebracht. Raadzaam is een generale Biecht in het algemeen voor allen die nog nooit zulk een Biecht hebben afgelegd; want de generale Biecht geeft hen een groote rust des gewetens, reinigt ze meer van hunne fouten en zonden, verwekt in hen een dieper berouw over hun zonden en een krachtiger voornemen tot verbetering des levens, ook kan de Priester, daar hij een beteren blik in hun inwendige krijgt, hen passender onderrichten en hun geschikter middelen tot verbetering en volmaking aan de hand doen. Maar of zij ook al een gewone dan wel een generale Biecht afleggen, steeds moeten zij zich zoo ernstig mogelijk beijveren, dat hun Biecht goed zij. Hoe ongelukkig zouden ze zijn, indien ze ongeldig biechten ? Zij begingen een drievoudige heiligschennis; de heiligschennis der ongeldige Biecht, der onwaardige Communie en van het onwaardig ontvangen van het Sacr. des Huwelijks. Laat iets zich verschrikkelijker denken ? Moet zoo\'n drievoudige heiligschennis hun niet alle genaden des hemels afsluiten en ze in de macht des duivels overleveren ? —

415

-ocr page 424-

41G WAAEOP MOET MEN BEDACHT ZIJN,

De Kerk schrijft den verloofden ook het waardig ontvangen der H. Communie voor; want Jesus Christus, die zich gewaardigde op de bruiloft te Cana te verschijnen, moet ook tot hen komen, om ze te heiligen en hun Huwelijk met genade en zegen te verrijken. Gelukkig het bruidspaar, dat Jesus, den hemelschen Gast, een waardige woning in hun hart bereidt; zij mogen hopen, dat Hij bij hen blijft, zoolang hun echtelijke staat duurt en hun de goederen zijner liefde en genade in de rijkste mate mededeelt.

Ten slotte druk ik nog eens alle verloofden de woorden op het hart, die de jongeling Tobias tot zijn bruid Sara sprak; (Tob. 8, 4. 5.) »Sara exsurr/e, et depre-cemur Deum, sta op, Sara, en laat ons God bidden ; . . . fdii quippe sanctorum sumus, wij toch zijn kinderen der Heiligen, et non posumus ita conjungi, en kunnen niet zoo te zatnen komen, sicut (jentes quae inorant Deum, als de Heidenen, die God niet kennen.quot; Christ, verloofden, gij zijt nog in een veel hoogeren zin kinderen der Heiligen dan Tobias en Sara; want gij stamt af van Christenen, die reeds in het Doopsel geheiligd en op het innigst met Christus zijn verbonden. Komt alzoo niet te zamen als de Heidenen, die God niet kennen, maar als Christenen, die kinderen Gods. ledematen van Jesus Christus, levende tempels van den H. Geest zijn. Verlooft u niet lichtzinnig, maar neemt raad met uwe ouders en andere rechtschapen Christenen en wendt u tot God in een ijverig gebed, om te vernemen of gij tot den huwelijken staat zijt geroepen, en of gij met den persoon, dien gij ten Huwelijk wilt nemen, gelukkig kunt worden. Verwerf u de noodige kennis in den h. godsdienst, opdat gij u in staat stelt, uwe plichten als echtgenoo-ten ten allen tijde te vervullen en Gode welgevallig te leven. Kiest zonder een gewichtigen grond geen persoon, met wien een Huwelijksbeletsel bestaat; en openbaart,

, —

-ocr page 425-

INDIEN MEN WIL HUWEN.

indien gij om dringende redenen zulk een persoon wilt huwen, het beletsel met alle oprechtheid, opdat gij het Huwelijk niet ongeldig aangaat en u aan een zeer zware zonde schuldig maakt. Brengt bijzonder de bruidsdagen onschuldig door en hoedt u zorgvuldig voor elke zonde tegen de h. reinheid. Treedt met een zuiver en Gode welgevallig inzicht in den huwelijken staat en maakt het ernstige voornemen, in dien h. stand steeds zoo te leven als het aan godvreezende Christenen betaamt. Beijvert u, voor het Huwelijk een degelijke en rouwmoedige Biecht af te leggen en de H. Communie waardig te ontvangen. Verricht dagelijks, zoolang gij onder de geboden staat, een zeker gebed, opdat God u door de verdiensten zijns Zoons, Jesus Christus, en door de voorspraak der heiligste echtelieden Maria en Joseph tot uw Huwelijk genade en zegen verleene. Brengt eindelijk heel bijzonder deu eersten dag van uw Huwelijk godvruchtig en heilig door ; leeft verder als christ. echtelieden in vrede en eendracht met elkander, dient God met een oprecht hart, voedt uwe kinderen op tot brave Christenen en doet steeds wat recht en goed is, opdat gij na dit vergankelijke en moeitevolle leven moogt ingaan in de vreugde des eeuwigen levens.

OVER DE SACRAMENTALIËN.

Op zekeren keer bracht men aan de voeten van Jesus een verlamde, die op een bed lag en aan wien de goddelijke Zaligmaker twee groote wonderen wrochtte, een wonder van genade en een wonder der natuur. Een wonder der genade; want Hij genas zijn zieke ziel, doordien Hij hem zijne zonden vergaf met de woorden : (Matth.

27

417

-ocr page 426-

418 OVER DE SACRAMERTALIEN

9, 2.) » Confide fiH, remittuntur tibi peccata fua, betrouw zoon, uwe zonden worden u vergeven!quot; Een wonder der natuur, want Hij genas zijn ziek lichaam, doordien Hij hem van zijne langdurige verlamming oogenblikkelijk bevrijdde, met de woorden : (Matth. 9, 6.) »Surge, sta op, folie ledum tuum, neem uw bed op, et vade in donum luam, en ga naar uw huis.quot;

Met deze tweevoudige wondergave heeft Jesus Christus ook zijn H. Kath. Kerk uitgerust. Hij heeft haar de macht gegeven de menschen te ontzondigen en te heiligen. Dit doet de Kerk door middel der Sacramenten. Hij heeft echter haar ook de macht gegeven, verschillende lichamelijke kwalen van ons af te wenden en ons verscheidene tijdelijke goederen te bezorgen. Dit doet zij, bijzonder krachtens de Sacramentaliën, waardoor zij voor ons bescherming tegen den boozen vijand, gezondheid, geluk en zegen, welvaart der ziel en des lichaams bij God afsmeekt. Over de Sacramentaliën zal ik nu, na de onderrichting over de Sacramenten gesloten te hebben, het noodige opmerken.

Sacramentaliën noemt men gewoonlijk alle voorwerpen, die de Kerk tot een godsdienstig of eigen vroom gebruik der Christenen wijdt of zegent. Zoo zijn bijv. kerken, altaren, kelken, Misgewaden voorwerpen, die tot eeu godsdienstig gebruik gewijd zijn. Er zijn echter ook voorwerpen, die door de Kerk tot een eigen vroom gebruik der Christenen gewijd worden. Hiertoe behooren bijv. zout, wijn, spijzen, kruisen, medailles. Al deze voorwerpen nu, ze mogen ook al tot een godsdienstig of tot ons eigen vroom gebruik gezegend worden, heetea Sacramentaliën. — Heel bijzonder noemt men echter de h. handelingen zelve, waardoor zekere personen of zaken gezegend, gewijd of aan den invloed des boozes vijands worden onttrokken. Sacramentaliën. Zoo bijv. zijn het wijden of consacreeren eener kerk, het wijden van water

-ocr page 427-

IN \'t algemeen.

en zout Sacramentaliën. Zoodanige h. handelingen, die Sacramentaliën heelen, zijn er bijzonder drie : de zegening^ de wijding en de bezwering.

Gezegend worden personen en zaken. Wordt een persoon gezegend, dan wordt daarbij iets goeds gewenscht en God gebeden, hem een bepaald goed naar ziel of lichaam te verleenen. Zoo wordt bij het inhalen van een kraamvrouw God aangeroepen, dat Hij genadig op haar nederzien en haar met haar kind tot de eeuwige zaligheid moge brengen. Indien de Kerk een of andere zaak zegent, dan smeekt zij tot God, dat Hij aan degenen, die deze zaak godvruchtig en met eerbied gebruiken, een zeker goed naar ziel of lichaam moge mededeelen. Zegent bijv. de Kerk medailles, dan bidt zij tot God, dat Hij degenen, die ze met vertrouwen dragen, van alle rampen en gevaren bevrijde, met de gaven zijner genade overlade en ze eenmaal door de voorspraak des Heiligen, wiens beeltenis op de medaille is ingedrukt, rijk aan goeda werken in den hemel opneme.

De wijding of consecratie wordt eveneens aan personen en zaken ondernomen. Personen verkrijgen daardoor een zekere hoogere waardigheid, zooals dit bij de wijding van koningen, abten en kloostervrouwen geschiedt. De Priesterwijding behoort, zooals van zelf spreekt, hiertoe niet; want deze is geen Sacramentale, maar een Sacrament. Zaken daarentegen worden door de wijding tot godsdienstige doeleinden bestemd. Zoo bijv. worden kerken, altaren, kelken tot het opdragen van het H. Misoffer gewijd. Ofschoon zegening en wijding dikwerf te zamen gaan en dikwijls ook met elkaar worden afgewisseld, zoo onderscheiden zij zich toch daardoor, dat de wijding steeds hooger staat dan de eenvoudige zegening en dat er bij de meeste wijdingen ook een zalving met h. olie plaats vindt.

419

-ocr page 428-

420 OVER DR SACRAMENTALIËN

De bezwering eindelijk is een plechtige eisch, dien de het Kerk tot den boozen vijand richt, dat hij zijne aanslagen teek tegen een persoon of zaak late varen en hun geen nadeel \' hem meer berokkene. Zoodanige bezwering of exorcisme komt zalif bijv. bij hei Doopsel en elke waterwijding voor.

Nadat ik u nu in \'t kort verklaard heb, wat een Sacramentale is, beantwoord ik u, doordien ik over de Sacramentaliën in het algemeen spreek, de volgende vier vragen : 1) Hoe staan de Sacramentaliën tot de Sacramenten ? 2) Waartoe zijn de Sacramentaliën ingesteld ? 3) Wat tverken de Sacramentaliën uit? 4) Wat wordt van ons gevorderd, opdat wij aan de heilzame uitwerkselen der Sacramentaliën deelachtig worden ?

I 1-

Oysr de Sacramentaliën in \'t algemeen.

I. Hoe staan de Sacramentaliën tot de Sacramenten?

De Sacramentaliën hebben, zooals de naam reeds aanduidt, wel overeenkomst met de Sacramenten, maar zijn er toch in hun ivezen van onderscheiden.

1) Overeenkomend zijn de Sacramentaliën met de Sacramenten op grond, dat daarbij hetzelfde, wat tot een Sacrament vereischt wordt, aanwezig is, te weten een \'r td\'kcn c»- onrichthare genade en in een wel-begiVijsJii / uuii de viisleUing van Jezus Christus.

Het zichtbare teeken bij de Sacramentalieo zijn de voorwerpen zelve, die gezegend of gewijd worden, en de Kerk heeft ze in de meeste gevallen zoo gekozen, dat zij de onzichtbare genade, die zij moeten voortbrengen, reeds uitwendig aanduiden. Zoo bijv. is de asch, die bij

-ocr page 429-

in \'t algemeen.

het begin van den h. Vastentijd gezegend wordt, een teeken, dat ons aan onze sterflijkheid en aan den plicht herinnert, over onze zonden boete te doen, opdat wij een zaligen dood mogen sterven. Gewijde kaarsen zijn een teeken, hetwelk ons daarop heenwijst, dat het licht des geloofs steeds in onze harten branden en onder onze medemenschen moet schijnen. Gewijde medailles zijn een teeken, dat ons oproept, het leven des daarop inged rukten Heilige te beschouwen, ons aan zijne bescherming aan te bevelen en hem getrouw na te volgen. Het water duidt uit zijn natuur reiniging aan; en juist de alzijdige reinheid, als de reiniging van zonden, de verwijdering van den onreinen geest en de wandel in zeden-reinheid is ook de onzichtbare genade, waarom de Kerk bij de waterwijding bidt.

De Sacramenten deelen aan degenen, die ze waardig ontvangen, een onzichtbare genade mede. Op een gelijke wijze brengen ook de Sacramentaliën aan degenen, die er een goed gebruik van maken, geestelijke qenadewer-Ttingen aan. Door een godvruchtig gebruik van wijwater bijv. worden wij tegen de aanvechtingen des boozen geestes werkelijk beschut; door het godvruchtig gebruik van een gewijd crucifix verkrijgen wij werkelijk de genade, naar liet voorbeeld van Jesus, onzes gekruisten quot;Verlossers, ons leven in te richten. Een kerk erlangt door de bisschoppelijke wijding werkelijk een geheimvolle kracht, die ze waardig maakt, Gods woning, de plaats des Heiligsten Offers en het tabernakel des onder de gedaante van brood tegenwoordigen Zaligmakers te zijn.

Evenals eindelijk elk Sacrament door Jesus Christus is ingesteld, zoo danken de Sacramentaliën minstens in zoover hun bestaan aan Jesus Christus, als Hij de Kerk, door wie zij voorzeker in de eerste plaats zijn verordend, met de volmacht heeft uitgerust, ook de Sacramentaliën tot genadebronnen voor alle geloovigen te maken.

421

-ocr page 430-

OVER DE SiCRAMENTALIEN

Zooals ge derhalve ziet, Aand., hebben de Sacramentaliën veel overeenkomst met de Sacramenten ; want ook daarbij zijn de drie bij een Sacrament voorkomende stukken aanwezig.

2) Maar wat op elkander gelijkend is, met elkander overeenkomst heeft, is daarom aan elkander nog niet gelijk. Zoo zijn wij menschen wel gelijkend op God; maar wie zal zeggen dat wij gelijk zijn aan God ? Hetzelfde laat zich van de Sacramentaliën zeggen ; zij zijn veel minder dan de Sacramenten, en er bestaat tusschen beide een wezenlijk onderscheid.

Onderscheiden zijn de Sacramentaliën van de Sacramenten reeds ten opzichte van het zichtbare teeken. Bij de Sacramenten is het zichtbare teeken vastgesteld en kan en mag niet veranderd worden. Zoo bijv. moet, om het Doopsel geldig toe te dienen, natuurlijk water genomen, en het kan niet door iets anders, als olie, wijn enz. vervangen worden. Anders is het met de Sacramentaliën gelegen. Daarbij is de een of andere genadewerking niet aan een bepaald zichtbaar teeken verbonden. Zoo bijv. kan de Kerk, om ons tegen de aanvechtingen des boozen vijands te beschermen, water, zout, medailles wijden en met dit zichtbaar teeken genoemde genadewerking verbinden.

Het grootste onderscheid tusschen de Sacramenten en de Sacramentaliën bestaat echter in betrekking tot hunne onzichtbare rjenadewerkinqen. Bij de Sacramenten heeft Jesus Christus de onzichtbare genade aan het zichtbare teeken verbonden; zoodra derhalve het zichtbare teeken eens Sacraments in toepassing komt, wordt ook de onzichtbare genade medegedeeld, indien hij, die het ontvangt, daaraan geen hinderpaal stelt. Niet is het zoo gelegen met de Sacramentaliën; want zij hebben de genadewerkingen niet van het zichtbare teeken, maar van de gebeden en zegenwenschingen der Kerk.

422

-ocr page 431-

IN \'t algemeen.

De Sacramenten en Sacramentaliën onderscheiden zich ook opzichtens de zekerheid hunner icerhiny. Wijl bij de Sacramenten, zooals reeds is opgemerkt, de genade aan het zichtbare taeken is verbonden, daarom werken zij altijd, aangenomen, dat hij, die ze ontvangt, geen hinderpaal stelt. Zoo zeker werken de Sacramentaliën niet, wijl hun kracht op de eerste plaats op de voorbede der Kerk berust, en het vandaar aan God blijft overgelaten, of Hij het gebed der Kerk wil verhooren. De Sacramentaliën kunnen niet zoo zeker werken als de Sacramenten, ook op grond, dat zij in den regel bestemd zijn, aan den mensch tijdelijke goederen te verleenen of tijdelijke rampen van hem af te weren. Wijl het voor ons zielenheil vaak niet goed, maar veeleer uadeelig is, indien een tijdelijk goed, bijv. de gezondheid ons soms teu deel valt, of een tijdelijke ramp, bijv. een ziekte van ons wijkt, daarom laat God de Sacramentaliën, niet altijd werken; want Hij heeft ons lief, en wil ons geen schorpioen geven, dien wij in onze onwetendheid voor een ei houden. Met de Sacramenten is het anders gelegen ; deze bevatten alleen genaden voor ous eeuwig heil, en werken vandaar, indien wij overigens geen hinderpaal stellen, ook altijd, omdat de aangeduide genaden ons steeds nuttig en heilzaam zijn.

Gelijk uit het zoo even gezegde blijkt, onderscheiden de Sacramenten zich van de Sacramentaliën bijzonder opzichtens de genaden die zij mededeelen. De H. Sacramenten verleenen ons namelijk behalve de bijzondere genaden de heiligmakende genade of vermeerderen ze, indien wij ze reeds bezitten. Zoo worden wij door het Doopsel en de Biecht uit den staat van zonde in staat van rechtvaardigheid overgebracht, of worden, wat hetzelfde is, van zondaars rechtvaardigen, kinderen Gods en erfgenamen des hemels. De overige Sacramenten echter maken ous nog rechtvaardiger en heiliger dan wij be-

423

-ocr page 432-

OVER DE SACRAMENTALIËN

reids zijn, en bewerken, dat wij ook een hoogere maat Hetzel:

van zaligheid in den hemel erlangen. Dit doen geens- zegeni:

zins de Sacramentaliën; zij hebben volstrekt niet de kracht, paar l:

ons, zoo wij zondaars zijn, met God te verzoenen en aan nog £

ons de heiligmakende genade mede te deelen. Door de- geslot(

zelve vallen slechts zoodanige genaden en goederen ons dikwij

ten deel, die wij ook door het gebed zouden kunnen dat z

verkrijgen. Hiertoe behooren alle soorten van tijdelijke ze, na

weldaden, bijv. gezondheid, verlossing van allerlei ramp Ein

en lijden; vervolgens ook geestelijke goederen, als de Sacrai

genade tot boetvaardigheid, de kracht ter overwinning Sacrai

der aanvechtingen en verzoekingen des boozen vijands. Chrisl

De Sacramentaliën deelen ons alzoo niet de genaden der wesbe

Sacramenten mede ; zij zijn evenwel bestemd, ons tot deze worde

genaden voor te bereiden en ze in ons te bevestigen, taliën

Vandaar zien wij de Sacramenten steeds in verbinding kan s

met de Sacramentaliën. Er gaat namelijk aan alle Sa- met c

cramenten een Sacramentale of vooraf, of begeleidt ze, den;

of volgt er op. Aan het H. Doopsel gaat vooraf de wij- ken j

ding van water, waarmede gedoopt wordt, de wijding mach

van zout, dat de Priester den doopeling in den mond haren

legt, het bezweren des boozen vijands, het zalven met met

h. olie; en is de doopeling wedergeboren uit water en zelf :

den H. Geest, dan volgt de zalving met het h. chrisma, Hij

wat alle Sacramentaliën zijn. Het Vormsel wordt toe- zegei

gediend met chrisma, door den Bisschop gewijd, welke zijn

wijding eveneens een Sacramentale is. Hoevele zegenin- ling«

gen van brood en wijn hebben er niet plaats, alvorens zijn

zij het Lichaam en Bloed van Christus worden. Eu dit ven,

zijn weder Sacramentaliën. Opdat de zondaar rouwmoedig elk

en oprecht biechte, zegent de Priester hem te voren met Van

de woorden ; » De Heer zij in uw hart en op uwe lippen, brui\'

opdat ge uw zonden waardig en oprecht bieohtet.quot; Bij en t

het laatste Oliesel komen vele kruisteekingen en zege- dere

ningen voor, die eveneens tot de Sacramentaliën behooren. IS

424

-ocr page 433-

IN :T ALGEMEEN.

Hetzelfde geldt van de Priesterwijding, die van talrijke zegeningen vergezeld gaat. En wanneer een christ. bruidspaar het Sacr. des Huwelijks heeft ontvangen, dan volgt nog als Sacramentale de plechtige inzegening van het gesloten Huwelijk. Zoo komen de Sacramentaliën zeer dikwijls in verbinding met de Sacramenten voor, op grond, dat zij tot de genade der Sacramenten voorbereiden en ze, nadat zij zijn ontvangen, nog meer bevestigen.

Eindelijk onderscheiden de Sacramentaliën zich van de Sacramenten ook ten opzichte hunner instellinc/. De H. Sacramenten danken hun bestaan onmiddellijk aan Jesus Christus. Hij zelf heeft de zichtbare teekenen vastgesteld, weshalve zij ook steeds zonder eenige verandering moeten worden bijgehouden. De zichtbare teekenen der Sacramentaliën daarentegen heeft de Kerk verordend en daarom kan zij ze ook weder veranderen. Bij de Sacramenten is met dezelfde teekenen steeds ook dezelfde genade verbonden ; daarentegen kan de Kerk aan een en hetzelfde tee-ken genaden van een verschillenden aard verbinden. De macht. Sacramentaliën in te stellen, heeft de Kerk van haren goddelijken Stichter, die haar ten dien opzichte met zijn eigen voorbeeld is voorgegaan, ontvangen. Hij zelf zegende de kinderen ; zegende de brooden, waarmede Hij vele duizenden menschen in de woestijn spijsde; zegende het brood, dat Hij bij het laatste avondmaal in zijn Allerheiligste Lichaam veranderde; zegende zijn leerlingen, als Hij ten hemel opvoer. Hij gaf echter ook aan zijn leerlingen in last eu de macht, duivelen uit te drijven, zieken te genezen, melaatschen te reinigen en aan elk huis, waarin zij kwamen, den vrede toe te wenschen. Van dezen last en van deze macht maakt de Kerk gebruik, indien zij tot het afweren van tijdelijke rampen en tot het verleenen van geestelijke en lichamelijke goederen de Sacramentaliën verordent.

Nog moet ik opmerken, dat er tusschen de Sacramen-

425

-ocr page 434-

OVER DE SACRAMENTALIËN

ten en de Sacramentaliën ook in betrekking tot hunne noodzakelijkheid een onderscheid bestaat. Van de Sacramenten zijn eenige, namelijk het Doopsel en voor de zonden de Biecht als middelen, de overigen met uitzondering des Priesterschaps en des Huwelijks als een goddelijk gebod tot de zaligheid noodzakelijk. Niet zoo is het met de Sacramentaliën gelegen; hun gebruik is door geen goddelijk gebod voorgeschreven; ook kunnen hun heilzame werkingen op een andere wijze, bijv. door het gebed en de goede werken meer of minder vergoed worden.

II. Waartoe zijn de Sacramentaliën ingesteld?

Wij hebben ter beantwoording der vraag; waartoe de Sacramentaliën zijn ingesteld, op de eerste plaats het hoofddoel en vervolgens de bijzondere en meer ondergeschikte doeleinden ervan in aanmerking te nemen.

I) Evenals Christus de H. Sacramenten instelde, om de tnenschen van de slavernij des boozen vijands te verlossen, ze met God te verzoenen en te heiligen, zoo stelde de Kerk de Sacramentaliën in, om de geheele zinnelijke natuur, d. i. alle redelijke en redelooze schepselen aan de heerschappij des duivels te ontrekken, ze met de men-schen te verzoenen en zooveel mogelijk in den toestand van ongeschondenheid, zooals zij zijn voortgekomen uit de hand des Scheppers, terug te brengen. Zoolang onze stamouders in onschuld wandelden, was de algeheele natuur hun onderdanig, alle schepselen waren liefelijk jegens hen gezind en bewezen hun een gewillige gehoorzaamheid. Als echter de menschen tegen God opstonden en zijn gebod overtraden, toen weigerde ook de natuur hun de gehoorzaamheid ; zij nam tegen hen een vijandige houding aan en wilde hun niet meer onderdanig wezen. Terwijl de aarde voor den zondenval aan den mensch van zelt hare vruchten bracht, zonder dat hij zich door

426

-ocr page 435-

in \'t algemeen.

den arbeid behoefde at te matten, droeg zij hem na den zondenval distelen en doornen en werd jegens hem zeer karig, zoodat hij alleen door noesten arbeid iets kon winnen. Terwijl God vóór den zondenval alle dieren der aarde tot Adam bracht, om hem als heer der algeheele natuur voor te stellen en aan te duiden, zoodat alle schepselen in liefde hem gehoorzaamden, sprak Hij na den zondenval een geheel andere taal, doordien Hij zeide : (Gen. 9, 2.) »Uwe vrees en uwe verschrikking zij op al het gedierte der aarde en op het gevogelte des hemels.quot; Zoo bleef de mensch wel ook nu nog heer der geheele natuur; maar alleen door schrik en geweld kan hij zijn heerschappij nog handhaven. Nog meer; de natuur trad na den zondenval den mensch niet enkel vijandig tegen en wilde hem niet meer gehoorzamen, zij werd ook met hem in den vloek der zonde gewikkeld. «Vervloekt,quot; sprak God tot Adam (Gen. 3, 17) «zij het aardrijk om uwentwil.quot; Wijl de natuur zij het ook willeloos door de vrucht eens booms den mensch als werktuig tot zonde diende, daarom trof Gods vloek haar eveneens, en gelijk de mensch tengevolge der zonde onder de macht des boozen vijands geraakte, zoo deelde dit lot met hem de geheele natuur, doordien de Satan alles, wat eenmaal de zonde gediend heeft, als zijn eigendom aanziet.

Dit is alzoo de toestand der natuur sedert de eerste zonde ; zij staat vijandig tegenover den mensch en wil zich aan hem niet meer onderwerpen ; zij ligt onder den vloek der zonde en bevindt zich onder den invloed van Satan. Nu was echter de taak, die Jesus Christus zich bij zijn verlossingswerk gesteld had, geen andere, dan de herstelling des oorsponkelijken toestands der algeheele schepping, zooals die geweest is vóór de zonde. Daarom delgde Hij door zijn kruisdood onze zondenschuld, verloste ons van de slavernij des duivels, verzoende ons met God eu gaf ons de oorspronkelijke heiligheid terug. Doch

427

-ocr page 436-

428 OVER DE SACRAMENTALIËN

niet alleen de raensch had behoefte aan eene verlossing zas en hernieuwing, maar ook de geheele onder den zonden- in vloek smachtende natuur. Evenals nu Christus de H. de Sacramenten heeft ingesteld, om de vrucht der Verlossing op alle menschen toe te passen, zoo heeft de Kerk doi de Sacramentaliën ingesteld, om de vrucht der Verlos- na sing aan de algeheele natuur te laten toekomen. En deze de vrucht kan blijkbaar geen andere wezen, dan de verzoe- is ning der natuur met den mensch, omdat zij hem sedert aa: de eerste zonde is vijandig geworden ; hare verlossing ws van den invloed des Satans, die tengevolge van den Sa zondenval der menschen over haar macht heeft bekomen ; ws eindelijk haar terug te brengen in den staat barer oor- ov spronkelijke ongeschondenheid of haar te heiligen, omdat mi zij door de zonde is bedorven en ontheiligd. ge Dit is derhalve het hoofddoel, dat de Kerk bij het tui aanwenden der Sacramentaliën op het oog heeft: zij wil be de natuur met den mensch verzoenen, van den invloed rir des boozen vijands bevrijden en heiligen. En ziet nu, hoe fni bewonderingswaardig de Kerk dit doel door de Sacra- al mentallen bereikt! Zij zegent door haar gebed de leven- ve\' looze voorwerpen der natuur en gewillig nemen deze haar zegen aan ; zij ontvangen en behouden de genaden (guns- aa ten), die de Kerk er aan verbindt. Toont in deze werk- oo zaamheid der Kerk niet duidelijk de oorspronkelijke heer- m( schappij des menschen over de natuur en tevens de di( verzoening ervan met zijn gebieder? Niet de heerschappij D( van macht en schrik, maar de zachte, rustige nacht des mi gebeds is het, die de Kerk in de Sacramentaliën over de lu natuur uitoefent en gewillig gehoorzaamt deze aan haar he en neemt zonder tegenstand aan, wat haar door de Kerk ge wordt medegedeeld. Hier, in de Sacramentaliën verneemt he de natuur uit den mond der Bruid van Christus de Gi stem van haren oorspronkelijken gebieder weder en ge- in hoorzaamt haar bereidwillig en juist door deze gehoor- ki:

-ocr page 437-

IN \'T ALGEMEEN.

zaamheid levert de natuur het feitelijke bewijs, dat zij in de Sacramentaliën het middel heeft gevonden, zich met de menschen weder te verzoenen.

Niet minder bewonderingswaardig is het, hoe de Kerk door de Sacramentaliën den invloed des duivels op de natuur verstoort. Christus heeft door zijn verlossingsdood de macht van Satan over de menschen en de natuur wel is waar gebroken, maar niet geheel vernietigd; Hij liet aan de Kerk over, datgene allengskens te voltrekken, wat Hij ten zijnen tijde nog onvoleind wilde laten. De Sacramentaliën en voornamelijk de bezweringen zijn het, waardoor de Kerk zich van deze door Christus haar overgelatene taak kwijt; want in de verschillende formulieren harer zegeningen en bezweringen spreekt zij haar geloof in de werkzaamheid van haar gebed en hare overtuiging van de macht, die zij over den duivel bezit, zoo bepaald uit, dat een twijfel, of deze zegeningen en bezweringen den invloed des boozen vijands ook werkelijk fnuiken, zelfs dan niet mogelijk zou zijn, indien dit ook al niet door tallooze feiten der geschiedenis werd bevestigd.

Het is echter de Kerk niet voldoende, die natuur enkel aan den invloed des duivels te onttrekken; zij heiligt ze ook, doordien zij daaraan, voor zoover het in \'t algemeen mogelijk is, haar eerste oorspronkelijke ongeschondenheid, die haar voor de zonde eigen was, weder terug geeft. De Kerk volbrengt door de Sacramentaliën aan de natuur minstens gedeeltelijk, wat volgens het woord des H. Pau-lus tot hare volledige verlossing moet geschieden. »Ook het schepsel zelf,quot; schrijft hij, (Rom. 8, 21. 2^) »zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods; want wij weten, dat al het schepsel zucht en als in barensnood is tot nu toe.quot; Deze volkomene verheerlijking der natuur, waarvan de Apostel hier spreekt, zal

429

-ocr page 438-

OVER DE SACRAMENTALIËN

voorzeker eerst voleind worden aan het einde der tijden ; maar reeds nu lenigt de Kerk eenigermate krachtens de Sacramentaliën het zuchten der schepping naar hare oorspronkelijke heerlijkheid, doordien zij daarvan het schadelijke wegneemt, ze vergeestelijkt en heiligt.

2) Derhalve bestaat het hoofddoel der Sacramentaliën in de zuivering en heiliging der natuur of het terugbrengen ervan in den staat van ongeschondenheid, waarin zij zich bevond vóór de zonde. Behalve dit hoofddoel bestaan er echter nog andere, meer ondergeschikie doeleinden, die door de Sacramentaliën moeten bereikt worden.

Ge hebt gehoord, dat de Kerk zekere voorwerpen uitsluitend tot een godsdienstig gebruik wijdt. In den Catechismus vindt ge dit bijzonder doel der Sacramentaliën aangegeven met de woorden : » De Kerk wijdt deze voorwerpen, ten einde ze te heiligen en bijzonder tot den godsdienst te bestemmen.quot; Aan alle natuurvoorwerpen, voornamelijk die tot het vieren van het H. Offer en het toedienen der H. Sacramenten noodzakelijk zijn, moet een zekere heiliging worden medegedeeld, omdat zij uit eene door de zonde onheilig geworden natuur zijn genomen, en het voorzeker in hooge mate onbetamelijk zou wezen, iets onheiligs met het Heiligste in aanraking te brengen. Deze voorwerpen verkrijgen door de wijding bovendien eene bestemming uitsluitend voor den godsdienst ; zij dienen niet meer tot een wereldlijk gebruik, omdat zij van de natuur afgezonderd en Gode zijn geheiligd.

De Kerk wil vervolgens die voorwerpen, welke zij tot een godsdienstig gebruik wijdt, zooals de Catechismus verder zegt, »voor ons eerbiedwaardig en heilzaam maken.quot; Met eerbied moeten wij vervuld worden jegens zaken, die de Allerhoogste zelf in zijn dienst heeft genomen ; heilzaam zullen zij ons worden, wijl datgene, wat zoo geheel in de nabijheid van de Allerhei-

430

-ocr page 439-

IN \'T ALGEMEEN.

ligste gebracht wordt, zoomin zonder een heiligende werking op ons kan blijven, als de mensch, die dicht bij tet vuur komt, zonder warmte blijft. Hier valt nog op te merken, dat die Sacramentaliën, welke bij het toedienen der H. Sacramenten voorkomen, ook de bestemming hebben, de ziel op het onr,vangen der Sacramenteele genaden voor te bereiden en ze tot het opnemen ervan meer bekwaam te maken. Dit beoogen bijv. de bezweringen, die het H. Doopsel vooraf gaan.

De Kerk pleegt ook verschillende zaken, als brood, wijn, veldvruchten tot een privaatgebruik te wijden of te zegenen. Zij doet dit naar het voorbeeld van Jesus Christus, opdat alle dingen aan hen, die God liefhebbeu, ten goede mogen gedijen (Rom. 8, 28,) en Gods zegen over alle schepselen zich uitstorte. Zij bevrijdt namelijk door haar zegen deze voorwerpen van den invloed des boozeu vijands en maakt, dat het gebruik ervan voor ien mensch onschadelijk, ja, nuttig en heilzaam wordt.

Doordien de Kerk verschillende zaken, bijzonder zoodanige waaraan de mensch het meest behoefte heeft, wijdt en zegent, wil zij ook alles, wat ons van alle kanten omgeeft, heiligen; want evenals de natuur vóór ien zondenval voor den mensch een h. omgeving was, zoo moet \',ij het ook weder voor ons worden en op deze wijze die h. omgeving, welke ons eens in de eeuwige heerlijkheid wacht, vooraf beelden.

Eindelijk wijdt of zegent de Kerk de verschillendste foorwerpen, om zich daardoor als de ware Katholieke Kerk voor te stellen. Want evenals zij de genade der Verlossing in alle lauden der aarde verspreidt en krachtens hare Sacramenten allen, die zich voor haar belijden, met God verzoent en heiligt, zoo omvat zij door hare Sacramentaliën alle rijken der natuur, zoodat er niets op aarde bestaat, noch levend noch levenloos, wat zij niet binnen den kring harer verlossende werkzaamheid trekt.

431

-ocr page 440-

OVER DE SACRAMENTALIËN

Zegt mij nu, Aand., moeten de Sacramentaliën wegens hunne verhevene en heilzame doeleinden, die er aan ten grondslag liggen, ons niet eerbiedwaardig en heilzaam zijn? Verdient een macht, die zoo groot is, dat zij zelfs Satans vreeselijke heerschappij vermag te vernietigen, niet onze grootste hoogschatting? En is dit niet juist de macht der Sacramentaliën ? Moeten wij niet met bewondering de handelingen der Kerk gadeslaan, waardoor zij de natuur van de banden des vloeks verlost, hare vijandige gezindheid jegens ons opheft en ze dermate omkeert, dat zij al het schadelijke voor ons verliest en ons heil en zegen brengt? Erkennen wij het daarom als een groote genade, dat wij de Sacramentaliën bezitten, waardoor de Kerk het verlossende Bloed haars goddelijken Bruidegoms in alle rijken der natuur laat stroomen, opdat hef aanschijn der aarde hernieuwd en de geheele schepping in de zoo zalige vrijheid van kinderen Gods worde teruggebracht !

III. Wat werken de Sacramentaliën uit?

Toen ik over het doel der Sacramentaliën sprak, heb ik ook reeds meermalen de werkingen ervan aancjeroerd; ik moet er evenwel nog uitvoeriger over spreken.

Wanneer de Kerk een of ander voorwerp tot een Sa-crameutale verheft, dan bidt zij God steeds in dien vorm: » Het gebruik van dit voorwerp moge den menschen naar lichaam en ziel heilzaam wezen.quot; Hieruit volgt dat de Sacramentaliën op de eerste plaats sltchts de toevallige, uitwendige en tijdelijke rampen van den mensch afweren, en hem evenzoo hoofdzakelijk tijdelijke goederen bezorgen. Ge weet, dat de eenige ware ramp voor ons de zonde en ons eigenlijk ware goed slechts het bezit der heilig-makende genade is. Tot het wegnemen van die ramp en het verkrijgen van dit goed werken nu de Sacramentaliën

432

-ocr page 441-

IN \'T ALGEMEEN\'.

niet, maar wel de Sacramenten. Evenwel hebben de Sacramentaliën de kracht, ons tot het ontvangen der heilig-makende genade voor te bereiden, alsmede ons voor de zonde te bewaren, doordien zij ons zoowel tegen de aanvechtingen des Satans als ook tegen de aanlokselen der zinnelijke natuur beschermen en ons bovendien krachtdadige genaden tot boete en volharding in het goede bezorgen.

Als hoofdwerkingen der Sacramentaliën laten intusschen de volgende zich noemen :

1) Zij bewaren onzen persoon, alsmede onze have en (joed tegen de beschadigingen des boozen vijands. Dat de duivel op de menschen, op de krachten van hun geest en lichaam, alsmede op hun eigendom een schadelijken invloed kan uitoefenen, is duidelijk in de H. Schrift uitgesproken. Was het niet de duivel, die de kinderen van den vromen Job doodde, hem van al zijn goederen beroofde, hem zelf met een verschrikkelijke ziekte sloeg, zoodat hij met den walgelijksten en smartelijksten uitslag geheel bedekt was? Was het niet de duivel, die aan de zeven mannen van Sara in den eersten bruidsnacht het leven benam ? Zijn niet de vele bezetenen, van wie het Evangelie melding maakt, sprekende bewijzen voor de macht van Satan ? De Sacramentaliën nu zijn de krachtigste middelen tegen de aanvechtingen des duivels; zij maken, dat hij ons met kan schaden en bevrijden ons van die rampen, waarvan hij de stichter is.

2) De Sacramentaliën hebben ook de kracht de duivel-sche kunsten van tooverij te verstoren. Zoo dwalend het is, elke ramp, die zich opvallend vertoont en waar tegen men zoo spoedig geen krachtige middelen kan treffen, zonder verder voor tooverij te houden, evenzoo zou men met de H. Schrift en de voortdurende Erfleer der Kerk in een openbare tegenspraak komen, indien men wilde

28

433

-ocr page 442-

OVER DE SACRAMENTALIËN

beweren, dat er volstrekt geen tooverij bestaat. Wat de rampen betreft, die de goddelooze menschen met behulp des boozen vijands aan hun naaste en diens vee en ander eigendom kunnen veroorzaken, behoef ik u slechts te herinneren, wat ge bij de verklaring van het eerste gebod gehoord hebt; ik zal hier slechts aan toevoegen, dat juist de Sacramentaliën de krachtigste middelen zijn, ons tegen zoodanige rampen te beschermen en ons, ingeval zij ons zijn overkomen, daarvan te bevrijden.

3) De Sacramentaliën bezitten verder de kracht, lichamelijke en geestelijke rampen van ons af te wenden, zelfs dan, indien deze rampen uit natuurlijke oorzaken voortkomen. De Sacramentaliën zijn alzoo heilmiddelen tegen alle ziekten, zwakheden en gebreken des lichaams, en waarborgen een zekere hulp, indien overigens aan ons zielenheil geen nadeel wordt veroorzaakt. Reeds de H. Ephrem schrijft hierover: «Waarom zoekt ge, indien ge ziek zijt, slechts hulp bij de artsen en niet bij Christus, alsof ook Hij niet de Arts uws lichaams ware ?\'\' En Origines zegt; »Indien iemand met lichamelijke kwalen is behept, twijfelt dan niet, maar nadert tot Jesus; want ook van deze gebreken geneest Hij.quot; — Buitendien zijn de Sacramentaliën krachtige middelen tegen besmettelijke ziekte, sterfte onder het vee, onweder, droogte en natheid, onvruchtbaarheid, alsmede in het algemeen tegen de verschillende rampspoeden, waarmede menschen en dieren, roerende en onroerende goederen bezocht worden ; evenwel altijd in de veronderstelling, dat het afweren van zoodanige rampen aan ons zielenbelang heilzaam is. De Sacramentaliën verwijderen van de menschen ook geestelijke rampen, zij verdrijven gemoedsbezwaren, nadee-lige droefheid, vrees, overdreven angst; zij verzwakken de hartstochten, bijv. des toorns, der vertwijfeling der onzuiverheid. Bijzonder toonen zij zich krachtdadig tegen alle aanvechtingen, zij matigen hare onstuimigheid en

434

-ocr page 443-

IN \'ï ALÖRMEEN.

nemen hare hevigheid ervan weg, om het even of zij van den boozen vijand of van den eigen boozen lust voortkomen. Zooals ik echter nauw behoef op te merken, kunnen de Sacramentaliën hier slechts dan werken, als de mensch zoodanige verzoekingen en hartstochten niet zelf in zich teweegbrengt en ze vrijwillig onderhoudt. Bijzonder verloonen de Sacramentaliën een groote kracht bij verzoekingen, die den mensch zonder zijn schuld overvallen en hem met alle macht tot godslastering, kwaadsprekendheid, ongeloof, onzuiverheid en andere zonden, die hij op het zeerst verafschuwt, aantrekken. Zij helpen dergelijke verzoekingen niet enkel lichter overwinnen, maar bewerken somwijlen ook, dat ze geheel wegblijven.

4) Eindelijk, de Sacramentaliën bezorgen ons tijdelijke en wel lichamelijke en geestelijke goederen. Zij verkrijgen voor het lichaam gezondheid en sterkte, geven aan de veldvruchten zegen en gedijen en bevorderen de aardsche welvaart; zij verleenen moed aan de ziel, vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid, maken, dat wij dikwijls aan God denken en meer moeite en vlijt aanwenden, in zijn tegenwoordigheid te wandelen; verwekken in ons goede gedachten, godsdienstige gevoelens eu h. voornemens ; bevorderen de aandacht in het gebed, moedigen aan tot geduld in lijden en rampspoeden dezes levens en vergemakkelijken in het algemeen de beoefening der christ. deugd en godsvrucht.

Aan al deze werkingen der Sacramentaliën kunnen wij geen oogenblik twijfelen, daar de H. Schrift ze ons waarborgt. Bij den Evangelist Mattheus (10, 1) heet het uitdrukkelijk : »(Jesus) zijne twaalf discipilen te zamen geroepen hebbende, gaf hun macht over de onreine geesten, om dezelve uit te drijven en om alle ziekte en alle kwale te genezen.quot; Hetzelfde lezen wij bij den Evangelist Marcus. De goddelijke Zaligmaker sprak nog kort voor zijn

*

435

-ocr page 444-

436 OVER DE SACRAMENTALIËN

glorierijke hemelvaart tot zijne leerlingen : (Mare. 16, 17. 18.) » Deze teekenen zullen degenen, die gelooven, volgen ; in mijnen naam zullen zij duivelen uitdrijven; nieuwe talen zullen zij spreken ; slangen zullen zij opnemen en indien zij iets doodelijks zullen drinken, zal het hun niet schaden ; kranken zullen zij de handen opleggen en zij zullen gezond worden.quot; Deze beloften van Jesus zijn aan de Apostelen gedaan, zij gelden alzoo voor de Kerk ten allen tijde, wijl toch alle macht der Apostelen aan hunne opvolgers is overgegaan. Zooals wij in de H. Schrift lezen, hebben de leerlingen van de macht, die de Heer hun heeft opgedragen, werkelijk gebruik gemaakt; want, zooals de H. Marcus (6, 13) ons verhaalt, dreven zij vele duivelen uit en zalfden zij met olie vele kranken en genazen hen. Dezelfde Evangelist zegt, dat de Apostelen die wonderen, waartoe de Heer hun macht had gegeven, hebben volbracht, doordien hij schrijft: (Mare. 16, 20.) »Zij gingen uit en predikten overal, de Heere medewerkende en het woord bevestigende door de teekenen, die er opvolgden.quot; Wat nu de Apostelen krachtens de hun door Christus opgedragen macht volbrachten, dat doet de Kerk nog heden, zij bevrijdt door middel der Sacramentaliën haar kinderen van talrijke rampen en bezorgt hun goederen van allerlei aard.

Voor de werkzaamheid der Sacramentaliën getuigen ook de H. Vaders. De H. Chrysostomus zegt van den heiligsten naam Jesus, die bij elke Sacramentale in toepassing komt; » Deze naam is schrikkelijk voor de hel, ziekten en zonden.quot; Ziet, hoe deze H. Kerkleeraar met weinige woorden de werkingen der Sacramentaliën beschrijft ; zij zijn hem de krachtigste middelen tegen den Satan en tegen lichaams- en zielenziekten. Over het h. kruisteeken, dat eveneens bij alle Sacramentaliën te pas komt, schrijft de H. Aug. : »Het kruis van Christus bevat in zich een wonderbare kracht; alleen de herinnering\'

-ocr page 445-

IN \'T ALGEMEEN.

er aan slaat onze onzichtbare vijanden op de vlucht, sterkt ons tegen hun aanvallen en bewaart ons voor hun strikken.quot; De H. Cyrillus v, Jerusalem zegt, dat »het kruisteeken de ziekten geneest tot op den huidigen dag.quot; Wat wonderbare kracht in dit hoogheilig teeken is gelegen, bewijzen tallooze voorbeelden der geschiedenis. De H. Martinus bluschte door het kruisteeken een verschrik-kelijken brand ; de H. Benedictus zegende een beker, die een vergiftigen wijn inhield, met het kruisteeken en oogenblikkelijk sprong deze in duizend stukken ; de H. Nicetas, Bisschop van Trier, stilde door het kruisteeken een geweldigen storm op zee; de Bisschop Fortunatus maakte het kruisteeken over een ontembaar paard en oogenblikkelijk was het dier mak. Niet ver van de stad Paula was een schip in zee, dat de danr aanwezige haven wilde binnenloopen. Maar op eens verheft zich een vreeselijke storm, die het schip verhinderde te landen,

Ien in de hooge zee stuurde, in een cirkel ronddraaide, zoodat allen, die het van de haven uit zagen, niets anders konden verwachten, dan dat het vaartuig ten gronde moest gaan. Men kwam dit den H. Franc. v. Paula me-dedeelen, die aanstonds alles liet liggen en staan en zoo snel hij kon naar de haven ijlde. Zoodra hij nu het groote gevaar van het schip had bemerkt, maakte hij in vertrouwen op God het teeken des h. kruises er over en riep met luider stemme ; »Jesus ! Jesus!quot; En ziet, de winden gehoorzaamden aan zijn bevel en legden aich ; de hemel helderde op en de lieve zon schoot weder haar vriendelijke stralen. Het vaartuig liep behouden de haven binnen. Alle aanwezigen erkenden de macht van het h. kruisteeken en van den heiligsten naam Jesus en dankten en prezen God voor de wonderbare redding van het vaartuig. Ik kan niet voorbij nog een voorbeeld over de kracht der Sacramentaliën uit den nieuwsten tijd aan te halen. Toen eeu beroemde Fransche generaal (Canrobert) tenen in de hooge zee stuurde, in een cirkel ronddraaide, zoodat allen, die het van de haven uit zagen, niets anders konden verwachten, dan dat het vaartuig ten gronde moest gaan. Men kwam dit den H. Franc. v. Paula me-dedeelen, die aanstonds alles liet liggen en staan en zoo snel hij kon naar de haven ijlde. Zoodra hij nu het groote gevaar van het schip had bemerkt, maakte hij in vertrouwen op God het teeken des h. kruises er over en riep met luider stemme ; »Jesus ! Jesus!quot; En ziet, de winden gehoorzaamden aan zijn bevel en legden aich ; de hemel helderde op en de lieve zon schoot weder haar vriendelijke stralen. Het vaartuig liep behouden de haven binnen. Alle aanwezigen erkenden de macht van het h. kruisteeken en van den heiligsten naam Jesus en dankten en prezen God voor de wonderbare redding van het vaartuig. Ik kan niet voorbij nog een voorbeeld over de kracht der Sacramentaliën uit den nieuwsten tijd aan te halen. Toen eeu beroemde Fransche generaal (Canrobert) ten

437

-ocr page 446-

438 OVER DE SACRAMENTALIËN

oorlog tegen de Russen toog, gaf zijn keizerin hem een kleine medaille van de onbevlekte ontvangenis van Maria met de woorden: »Heer generaal draag deze medaille met vertrouwen bij u, zij zal u beschermen !quot; De generaal deed, zooals de keizerin hem had aanbevolen en droeg de medaille op zijn borst. In den slag bij Alma sprong nevens hem een houtwitser uiteen, maar ziet, het stuk dat hem trof, sloeg juist op de medaille, zonder hem in het minst te schaden. Voorbeelden van dien aard laten zich nog in menigte aanhalen, doch de opgenoemde zullen genoegzaam zijn, u van de groote kracht der Sacramentaliën te overtuigen. Onder ons zijn er voorzeker velen, die aan de heilzame werkingen der Sacramentaliën, zonder het wellicht te weten of ook maar te veronderstellen, zijn deelachtig geworden. Hoe vele genaden en weldaden heeft God ons reeds verleend, hoeveel rampen en gevaren van ons afgewend door een aandachtig gebruik van wijwater, door het vertrouwvol dragen van gewijde voorwerpen als medaille, rozenkrans, kruisbeeldje, scapulier, door het ontsteken van gewijde kaarsen, door het eerbiedig uitspreken van den naam van Jesus, door den onweerszegen enz.

Ge hebt alzoo, Aand., alle redenen, de Sacramentaliën hoog te schatten en God hartelijk te danken, dat Hij ze u door de Kerk laat toekomen, want zij zijn inderdaad zeer dienstig en heilzaam.

IV. Wat wordt er van ons gevorderd, opdat wij aan de heilzame werkingen der Sacramentaliën deelachtig worden ?

1) De eerste en noodzakelijkste vereischte, om aan de heilzame werkingen der Sacramentaliën deelachtig te worden, is een vant, vertrouwvol en vurig geloof. Ge moet zonder den minsten twijfel gelooven, dat God u door

-ocr page 447-

in \'t algemeen.

middel der Sacramentaliën voorzeker geven zal, wat u waarlijk nuttig en heilzaam is. Zoo\'n geloof is volstrekt noodzakelijk, de Sacramentaliën toch werken, zooals gij gehoord hebt, op de wijze van het gebed. Nu weten wij echter, dat God slechts dat gebed welgevallig aanneemt en in genade verhoort, wat met vertrouwen verricht wordt. Zoo sprak Jesus tot zijn leerlingen : (Matth. 21, 21. 22). «Voorwaar Ik zeg u, indien gij geloof hebt, en niet twijfelt, zoo zult gij niet alleen dit aan den vijgenboom doen, (dien de Zaligmaker terstond liet verdorren, omdat Hij er geen vrucht maar alleen bladeren aan vond), maar ook, indien gij tot dezen berg zegt; verhef u, en werp u in de zee ! het zal geschieden. En al wat gij in het gebed, geloovende, zult bidden, dat zult gij ontvangen.quot; En weder: (Mare. 11, 24). »A1 hetgeen gij in het gebed vraagt, gelooft, dat gij het zult ontvang», en het zal u geworden. »Onze goddelijke Zaligmaker vorderde ook van allen, die zijn hulp inroepen, geloof en vertrouwen. «Indien gij kunt gelooven,quot; placht Hij te zeggen, »dan kunt gij geholpen worden.quot; En had Hij aan iemand een weldaad bewezen, dan voegde Hij er aan toe: »Uw geloof heeft u geholpen.quot; En als de leerlingen zich eens beklaagden, dat zij Je duivelen niet konden uitdrijven, gaf Hij hun te kennen, dat hun ongeloof daaraan de schuld was. Zoo noodzakelijk is derhalve het vaste geloof tot de werking der Sacramentaliën. Gelooven moet ge vóór, bij en na hun gebruik;

Ien dit geloof mag niet met den minsten twijfel verbonden wezen; want, zegt de Ap. Jacobus, (1, 6. 7), »die twijfelt, is gelijk een baar der zee, die van den wind ginds en derwaarts gedreven wordt; zulk een mensch meene toch niet, dat hij iets van den Heer ontvangen zal.quot; Gelooven moet ge, dat God door zijn almacht u alles geven, krachtens zijn goedheid alles, wat u dienstig is, geveu wil, en uit kracht zijner getrouwheid alles,en dit geloof mag niet met den minsten twijfel verbonden wezen; want, zegt de Ap. Jacobus, (1, 6. 7), »die twijfelt, is gelijk een baar der zee, die van den wind ginds en derwaarts gedreven wordt; zulk een mensch meene toch niet, dat hij iets van den Heer ontvangen zal.quot; Gelooven moet ge, dat God door zijn almacht u alles geven, krachtens zijn goedheid alles, wat u dienstig is, geveu wil, en uit kracht zijner getrouwheid alles,

439

-ocr page 448-

OVER DE SACRAMENTALIËN

wat Hij u beloofd heeft, geven zal. Zoudt ge u in uw geloof zwak gevoelen, roept dan veelmaals en met allen ijver tot den Heer, zooals eens de leerlingen : Luc. 17,

5). Adaur/e nobis fidem, (Heer) vermeerder ons geloof)!quot; en versterkt uw vertrouwen door een veelvuldige betrachting der voorbeelden van die mannen Gods die om hun onwankelbaar geloof alles, waarom zij God baden, erlangden. Met een geloovig vertrouwen strekte Mozes zijn staf uit over de roode zee, en zij scheidde zich, zoodat het volk Israels droogvoets er kon doortrekken; met een vertrouwvol geloof beval Josue de zon stil te staan, en de zon stond stil tot dat hij zijn vijanden had overwonnen; met een geloofvol gebed riep Elias ten hemel, en drie jaren lang viel geen druppel water meer op de dorstende aarde; vol geloof bad hij andermaal, en de hemel gat zijn regen weder; met een vurig geloof bezield sprak Petrus tot den kreupelgeborene : (Hand. 3,

6). «In den naam van Jesus Christus den Nazarener sta op, en wandel!quot; en deze sprong op, stond en wandelde. Verwekt alzoo, Aand., zoo dikwerf gij, om een of andere gunst, een Sacramentale aanwendt, het geloof, en houdt vast aan de gedachte, dat God u, indien overigens het voorwerp uws verlangens voor u goed en heilzaam is, zeker zal verhooren.

3) Opdat ge aan de heilzame werkingen der Sacramentaliën deelachtig wordt, is verder noodig, dat gij ze met een yoede meening aanwendt. De Sacramentaliën geven hoofdzakelijk slechts tijdelijke goederen en verwijderen voornamelijk aardsche rampen. Nu moogt ge echter nimmer tijdelijke goederen om hun zelve wenschen en verlangen, maar slechts in zoover zij geschikt zijn, de eer Gods en het heil uwer ziel te bevorderen. Ge moet daarom bij het gebruik der Sacramentaliën steeds de eer van God en uw zielenheil als het voornaamste doel op het oog hebben; want zoudt ge van dit oog-

440

-ocr page 449-

IN \'l ALGEMEEN.

merk afwijken en alleen naar het aardsclie streven, dan heet dit het heilige misbruiken. Hierover merkt reeds de H. Aug. op: »Alhoewel het een groote troost is, door godvreezende menschen en h. middelen gezond te worden, toch vallen zoodanige weldaden niet steeds degenen ten deel, die daarom bidden, opdat men den godsdienst niet enkel om tijdelijke goederen zoeke, daar men ze veeleer moet zoeken om het eeuwige leven, waarin volstrekt geen ramp meer bestaat.quot; Ge moogt alzoo bij het gebruik der Sacramentaliën het tijdelijke slechts om het eeuwige zoeken; want de Sacramentaliën moeten u niet daarom van een tijdelijke ramp bevrijden of u een aardsch goed bezorgen, opdat gij op aarde goede dagen hebt en daarbij uw eeuwige bestemming vergeet; zij moeten veeleer door de hulp, die zij u verleenen, uw hart hemelwaarts trekken, u met dankbaarheid jegens God vervullen en u aansporen, dat gij Hem met een te grooter ijver dient. Wanneer gij een Sacramentale aanwendt, dan moet steeds de gedachte en het voornemen u bezielen : Heer, indien Gij deze ramp van mij wegneemt, of mij dit goed ten deel laat komen, dan zal ik U geheel mijn leven daarvoor dankbaar wezen, en mij op een braven levenswandel toeleggen, ten einde U te behagen en mijn eeuwig doel te bereiken.

3) Hieruit volgt als derde vereischte, om aan de werkingen der Sacramentaliën deelachtig te worden, het zich volkomen overgeven aan den wil Gods. De werking der Sacramentaliën strekt zich, zooals ik reeds vaak heb opgemerkt, hoofdzakelijk tot het tijdelijke uit; zij bezorgen tijdelijke weldaden. Of nu het verwijderen van tijdelijke rampen en het bezorgen van een tijdelijk goed in bijzondere gevallen voor ons al of niet dienstig is en heilzaam, is aan God alleen bekend. Gods gedachten zijn niet steeds onze gedachten, en Hij leidt ons dikwerf op een weg, die, daar hij hobbelig en steil is, aan onze

441

-ocr page 450-

OVER DE SACRAMENTALIËN

442

zinlijkheid volstrekt niet behaagt. Zoo bezigt bijv. iemand een Sacramentale, om van een ziekte of van een ander drukkend lijden bevrijd te worden. God echter weet, dat deze, ingeval Hij hem de gezondheid terug schenkt of hem zijn kruis afneemt, onvermijdelijk zijn eeuwig verderf zou tegemoetgaan. Zal God nu de Sacramentaliën bij hem laten werken ? Heette dat niet zooveel, als gruwzaam jegens hem te werk gaan, en hem van een lichte en korte ramp bevrijden, om hem aan onuitsprekelijke en eeuwige pijnen prijs te geven? Zoovelen blijven getrouw in den dienst van God, zoolang zij door lijden en rampspoeden bezocht worden; ware het hun echter gegeven, in geluk en welvaart te leven, dan zouden zij God en hunne zaligheid vergeten en ten gronde gaan. Handelt God nu niet hoogst wijselijk en liefdevol, dat Hij hun bidden niet verhoort? En hoevele gelegenheden en middelen zouden wel zelfs vele Christenen missen, indien God ze krachtens de Sacramentaliën van al hun rampspoeden bevrijdde? Ge ziet derhalve, Aand., hoe noodzakelijk het is, dat wij evenals bij het gebed, zoo ook bij het gebruik der Sacramentaliën, ons aan den wil van God overgeven en het aan Hem overlaten, of, wanneer en hoe Hij ons wil verhooren. God ziet verder, en weet beter, wat ons dient dan wij; laten wij het alzoo aan Hem over naar believen te handelen, en alles zal wel gaan. Dikwerf geeft Hij ons niet, wat wij wel willen; maar Hij geeft ons daarvoor iets. beters. Gij bezigt bijv. een Sacramentale om gezond te worden; deze gunst werkt de Sacramentale niet uit; maar daarvoor geeft het u geduld in uw ziekte en stelt u in staat, uw straffen des vagevuurs af te boeten en uwe glorie in den hemel te verhoogen; en dit is voorzeker een genade, die ongelijk meer is te waardeeren dan de gezondheid. Gebruikt derhalve de Sacramentaliën met vertrouwen, maar legt de werkingen daarvan in Gods

-ocr page 451-

IN \'T ALGEMEEN.

handen en bidt met Jesus: a Vader, niet mijn, mear Uw wille geschiede!quot;

4) Eindelijk, om aan de heilzame werkingen der Sacramentaliën deelachtig te worden, moet gij ze met een rein of minstens boetvaardig hart aanwenden. De Israëlieten werden ten dage des Hoogepriesters Heli door de Phi-listijnen verslagen en verloren vier duizend man. Nu spraken de Oudsten: (I. Kon. 4, 3.) » Waarom heeft de Heer ons heden verslagen voor het aangezicht der Philistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de arke des Verbonds des Heeren ; dat zij kome in het midden van ons, en ons verlosse uit de hand onzer vijanden!quot; Men bracht nu de arke des Verbonds in het leger. Bij de aankomst ervan hieven de Israelieten zoo\'n geweldig vreugdegejuich aan, dat het geluid ervan doordrong tot in het vijandelijke leger. Zij meenden namelijk, dat zij nu, terwijl zij de Verbondsarke, dien troon van genade, in hun midden hadden, onoverwinnelijk waren. Maar hoe bedrogen zij zich! In een tweeden slag leden zij een nog grootere nederlaag; 30000 mannen bedekten het slagveld; zelfs de Verbondsarke viel in de handen der Philistijnen. Waarom waren de Israelieten, ondanks zij de Verbondsarke in hun midden hadden, zoo ongelukkig? O, om geen andere reden, dan wijl zij gezondigd hadden, en onboetvaardig in de zonde volhardden. God was hun ook niet eerder genadig, dan toen zij op vermaning van Samuel een ware boete deden. Aand., wat voor de Israelieten de arke des Verbonds was, dat ongeveer zijn voor ons Christenen de Sacramentaliën. Neemt daartoe uw toevlucht, zooals de Israelieten tot de Verbondsarke, besproeit u met wijwater, maakt het teeken des kruises, spreekt den naam van Jesus uit, draagt medailles, scapulieren, ontsteekt gewijde kaarsen, verschaft u verschillende gewijde zaken en laat door de Priesters den zegen over u geven; gij zult bij dit alles weinig of

443

-ocr page 452-

444 OVER DB SACRAMENTALIËN IN \'l ALGEMEEN.

geen baat vinden, indien gij u van de banden der zonde niet losmaakt en u degelijk bekeert. En zou een Sacramentale u een of ander tijdelijke hulp bezorgen, dan ware dit toch slechts met uitzonderintr; ook zou zulk een hulp u meer schaden dan baten, omdat gij het wegens uwe onboetvaardigheid toch allicht tot uw verderf misbruikt. Bewaart derhalve een zuiver geweten, of verwekt toch, indien gij ongelukkigerwijze in een zonde zoudt vallen, aanstonds een hartelijk berouw, en legt bij de naaste gelegenheid een rouwmoedige Biecht af, om u in staat van genade te stellen; want alleen onder deze voorwaarde moogt ge u van de Sacramentaliën voordeel beloven.

Neemt nu, Aand., wel ter harte, wat ik u over de Sacramentaliën heb voorgedragen, en beijvert u, zijne heilzame werkingen u deelachtig te maken. Stelt uw algeheel vertrouwen op God, die u door de Kerk de Sacramentaliën laat toekomen, om u in uwe lichamelijke en geestelijke nooden hulp te bezorgen. Ziet toe, dat bij het gebruik der Sacramentaliën de rechte meening u niet ontbreke, en weest ernstig besloten, de goederen, waarom gij bidt, tot eer van God en tot heil uwer ziel aan te wenden. Omdat gij niet weet of een of ander tijdelijk goed u dienstig is, daarom laat het aan God over, of Hij u wil verhooren, en bidt Hem, dat Hij u altijd datgene, en alleen datgene geve, wat Hij zalf voor u als een waar goed erkent. Vlucht de zonde en leidt een deugdzamen, echt christelijken wandel, opdat God welbehagen in u hebbe en genegen zij, u in uwe wederwaardigheden eb aangelegenheden te helpen. Komt gij deze voorschriften na, dan zullen de Sacramentaliën u rijke bronnen van zegen en genade wezen, en ge zult krachtens dezelve daardoor alles erlangen, wat u dienstig is voor tijd en eeuwigheid.

-ocr page 453-

Over de Sacramentaliën in het bijzonder.

Volgens de orde van den Catechismus ga ik thans spreken over de Sacramentaliën in het bijzonder, te weten 1) over de bezwering, 2) over de wijding, 3) over de eenvoudige zegening.

1. Over de bezwering.

Als eerste Sacramentale noem ik de bezwering. Zij is, zooals ik reeds heb opgemerkt, een plechtige opeisching aan den duivel, om in naam van den Drieeenigen God en in bijzonder van Jesus, den gekruibten Verlosser, zijne aanvechtingen op een persoon of zaak na te laten. Gelijk het Evangelie ons verhaalt, heeft Jesus Christus veel-maals duivelen uitgedreven en deze macht ook aan zijne Apostelen gegeven. Van deze macht heeft dan ook de Kerk van oudsher gebruik gemaakt en tevens een eigen staat van geestelijken, aan wie zij het ambt van duivelbezwering opdroeg, ingesteld. En dit met recht; want de Satan had ten gevolge der zonde onzer stamouders een zekere heerschappij over het menschelijke geslacht en over de geheele natuur erlangt, en kan vandaar op menschen en dieren, alsmede op levenlooze schepselen, in zoover God het toelaat, een schadelijken invloed uitoefenen. Deze macht des boozen vijands heeft Jesus door zijn kruisdood niet geheel willen vernietigen, maar slechts verzwakt; eerst aan het einde der tijden, als Hij komen zal als Rechter van levenden en dooden, zal Hij Satans rijk van grond uit verwoesten. De H. Schrift zelf leert ons, dat aan Satan na Jesus dood nog een zekere macht

-ocr page 454-

OVER DE SACRAMENTALIËN

is overgebleven; want de H. Paulus zegt dat wij te strijden hebben tegen de machten der duisternis, tegen de booze geesten in de lucht; en de H. Petrus vermaant ons tot waakzaamheid, wijl de booze vijand rondgaat als een brullende leeuw en zoekt wien hij kan verslinden. De Kerk handelt daarom op goede gronden, als zij over menschen en dieren, over levende en levenlooze schepselen bezweringen doet.

Wat den vorm der bezwering aangaat, zij geschiedt niet in den vorm van een gebed, maar als een hevel; want de Kerk heeft over den boozen vijand volle macht en hij moet haar gehoorzamen. Het bevel aan Satan wordt steeds met heenwijzing op Christus als den toekomstigen Hechter gesloten; want niets vreese-lijker voor den duivel, dan de herinnering aan genen dag, waarop zijn algeheele macht vernietigd wordt en een eeuwige smaad hem zal treffen. Het bevel, dat de bezwering bevat, is wel onmiddellijk of middellijk. In het eerste geval wordt het tot den boozen vijand rechtstreeks gericht, zooals bijv.: »lk bezweer u, onreine geest, dat gij wijkt uit dit schepsel Gods.quot; In het laatste geval gaat het bevel hoofdzakelijk tot het te bezweren schepsel, maar heeft eigenlijk betrekking op Satan zelf, bijv.: »Ik bezweer u, schepsel des waters, dat ge in staat zijt, de macht des boozen vijands te breken.quot;

Bij de bezwering valt nog op te merken, dat de Kerk, zij moge zulk een bezwering aan personen of zaken ondernemen, niet van meening is, als of deze personen ot zaken door den boozen vijand werkelijk zijn bezeten. Een zoodanig werkelijk bezeten zijn wordt heden ten dage maar zelden meer aangetroffen; maar de duivel behoeft de schepselen niet formeel in bezit te nemen; hij kan ook van buiten af er op inwerken en hun nadeel berokkenen. Ook tegen dit soort van aanvechtingen en benadeelingen zijn de kerkelijke bezweringen gericht.

446

-ocr page 455-

IN \'t bijzonder.

Ja, nog meer; de Kerk bezweert de schepselen niet enkel daarom, wijl de duivel ze bereids aanvecht en benadeelt, maar ook op grond, dat het hem voor de toekomst niet meer mogelijk zij, daarop nadeelig te werken. De bezweringen hebben derhalve een dubbel doel : de rampen, die van Satan voortkomen, te verwijderen, en zoodanigen, die in het vervolg door hem zouden veroorzaakt kunnen, te voorkomen en onmogelijk te maken.

De bezweringen worden, zooals ik reeds heb aangeduid, aan personen en zaken ondernomen. Van de eerste breng ik er slechts twee in \'t midden, de bezwerim/ van werkelijk bezetenen en die der doojjehngen.

1) Het is eene bepaald uitgesprokene leer der H. Schrift, dat de Satan met toelating Gods in het lichaam des menschen indringen, daarin verschillende ziekten en rampen teweegbrengen, en zelfs de ziel in hare geestelijke werkzaamheden, in haar denken en willen kan storen. Menschen, die in dezen treurigen toestand zich bevinden, noemt men bezetenen. Ten tijde van Christus was het getal der bezetenen bijzonder groot; want het is duidelijk, dat de hel ten tijde, dat haar rijk in puin-hoopen zou opgaan, al haar kracht aanwendde, om haar heerschappij te behouden; ook was het overeenkomstig de wijsheid Gods, het bezeten zijn juist toenmaals te veelvuldiger toe te laten, wijl de goddelijker Zaligmaker juist door het uitdrijven des duivels voor de oogen van het geheele volk als den Overwinnaar van Satans macht geheel duidelijk zich kon openbaren. Bezetenen bestonden er evenwel ten allen tijde in een grooter of kleiner getal, naar gelang God den duivel over de menschen meer of minder vrij spel liet; en bijzonder opvallend is de verschijning, dat onder die Heidensche volken, die zich tot het Christendom bekeeren, gewoonlijk zeer veel bezetenen voorkomen. Tegen dit bezeten zijn bestaat geen

447

-ocr page 456-

448 OVER DE SACRAMENTALIËN

middel dan de bezwering, zooals zij door de Kerk wordt ondernomen. In vroegere tijden was ieder, die de derde kleinere wijding, te weteu het Exortistaat had ontvangen, daartoe gerechtigd. Later echter heeft de Kerk, om bij de bezetenheid niet zelden voorkomende bedriegerijen te weren, verordend, dat de bezwering slechts door Bisschoppen en met toestemming van hen door Priesters mag gedaan worden, eu wel eerst dan, als na een nauwkeurig onderzoek is gebleken, dat er werkelijk een bezeten zijn aanwezig is. Wijl de bezwering der bezetenen voo van een grooten omvang is, daarom kan ik ze u slechts geb in de hoofdzaak mededeelen. Goc

Wanneer de bezwerende Priester het H. Misoffer heeft aan volbracht en door het gebed zich tot deze gewichtige handeling heeft voorbereid, dan laat hij den bezetene voor zich brengen. Op de eerste plaats bidt hij de litanie van alle Heiligen, vervolgens den 53sten Psalm;

Deus in nomine luo salvum me fac, God, in uwen naam red mij,quot; die eene ootmoedige bede om den bijzonder goddelijken bijstand tegen Satan bevat; hierop volgen eenige gebeden, waarin Gods barmhartigheid over den dra] bezetene wordt aangeroepen. Nadat verder de Priester Satan en zijn gezellen heeft bevolen, in den naam van Jesus gehoorzaamheid te bewijzen en zijn uitgaan door een of ander teeken te doen blijken, bidt hij den goddelijken Zaligmaker, dezelfde kracht, die Hij aan zijn leerlingen heeft gegeven, ook aan hem te verleenen. Hij spreekt over den bezetene die Schriftuur plaatsen, waarin vermeld wordt, dat Christus zelf de duivelen uitgedreven en ook aan zijne Apostelen deze macht heeft opgedragen ; alsdan maakt hij over zich en den bezetene het h. kruisteeken, slaat hem een deel der stool om den hals legt hem de hand op en spreekt: »Zie het kruis des Heeren! Vlucht gij vijanden allen; Hij heeft geze-vierd de Leeuw van Juda, de groote Spruit Davids.quot;

-ocr page 457-

in \'t bijzonder.

t De om den hals des bezetenen geslagen stool duidt de e eeuwige banden aan, waarmede Satan in de hel is gebonden ; de handenoplegging en het kruisteeken echter zeg-a gen den boozen vijand, dat hem door Christus zijn macht q is ontnomen. Na een herhaald gebed om de macht, den duivel te kunnen uitdrijven, volgt de eigenlijke bezwering, s d. i. het bevel aan den Satan, den bezetene te verlaten. De bezwering wordt onder het gedurig maken van het kruisteeken driemaal herhaald. Daarin wordt den Satan i voorgehouden alle verderf, dat hij reeds over de wereld s gebracht beeft, hij wordt onder alle schepselen, die aan God ontrouw zijn geworden, als het grootste monster t aangeduid, hij wordt onafgebroken daaraan herinnerd, dat e zijn macht gebroken en zijn rijk verwoest is door Jesus, 3 den Gekruiste, alle smaad, die ooit een schepsel kan treffen, wordt op hem geladen en hem wordt te kennen gegeven, dat hij zich spoedig van den bezetene moet verwijderen, doordien elk langer verwijl slechts zijn kwelling zou vermeerderen; eindelijk wordt hij herinnerd aan bet oordeel, wijl hij de gedachte daaraan niet kan verdragen en vandaar den bezetenene moet verlaten. Ten slotte volgt een ootmoedig gebed voor den bezetene om de genade, dat hij voor alle verdere aanslagen des boozen vijands bewaard blijve. Tallooze voorbeelden uit alle christelijke eeuwen kunnen hier worden aangehaald, hoe de menschen van het bezeten zijn, de vreeselijkste aller aardsche rampen, door de kerkelijke bezwering zijn verlost.

2) Een andere bezwering is die, welke bij de doope-linc/en plaats vindt; zij komt voort uit de oudste tijden en wordt driemaal herhaald. Bij de eerste bezwering ademt de Priester den doopeling driemaal in het aangezicht en spreekt daarbij: » Wijk van hem, onreine geest en maak plaats voor den H. Geest, den Vertrooster!quot; Dit toeademen of toeblazen kan in een tweevoudige be-

29

449

-ocr page 458-

OVER DR SACRAMENTALIËN

teekeuis worden opgevat, het stelt namelijk zoowel het weg • blazen van den Satan en zijne helsche begeerten, als ook de mededeeliug des H. Geestes en zijner genade zinnelijk voor. Bij de tweede bezwering wordt het h. kruisteeken den doopeling op het voorhoofd gemaakt met de woorden : » Dit teeken des kruises, dat wij op zijn voorhoofd maken, waag het, vervloekte duivel, nimmer te schenden.quot; Door het kruis heeft Jesus den boozen vijand verwonnen; door dit zegevierend teeken wil ook de Kerk den Satan van degenen afschrikken, die zij in het H. Doopsel tot kinderen Gods en erfgenamen des hemels maakt. Bij de derde bezwering wordt den Satan nogmaals bevolen, van den doopeling te wijken, omdat deze een tempel des levenden Gods zal worden ; vervolgens bevochtigt de Priester ooren en neus van dezen met speeksel en spreekt ten laatste; «Gij echter, duivel, vlucht, want het oordeel Gods nadert!quot; Deze bezweringen verricht de Kerk bij den doopeling natuurlijk niet in de meening, als ware de mensch voor het Doopsel werkelijk door den boozen vijand bezeten, maar op grond, wijl ieder, die door dit H. Sacrament het rijks Gods nog niet is ingelijfd, tot het rijk der duisternis behoort en bijgevolg aan de aanvechtingen des duivels voortdurend staat blootgesteld. Bovendien wordt de mensch door het Doopsel een eigendom van Christus, het is vandaar heel gepast, dat aan den duivel vooreerst alle aanspraken, die hij op ieder onverlost schepsel laat gelden, ontnomen worden.

Nog zal ik gewagen, dat de bezwering ook hij de door tooverij aangevochten schepselen in toepassing komt. Dikwijls openbaren verschillende kwalen zich bij de dieren; zij nemen bijv., ofschoon ze oogenschijnlijk gezond zijn, geen voedsel toch zich, toonen zich grootelijks schrikachtig, geven geen of slechte, onbruikbare melk en teren steeds meer en meer weg. Wilde men bij dergelijke kwalen steeds tooverij en duivelsche aanslagen veronderstellen,

450

-ocr page 459-

in \'t bijzoxdrr.

dan ware dit voorzeker een groole dwaling, want de meeste dergelijke verschijningen hebben een natuurlijken oorsprong en kunnen ook door goed gekozene, natuurlijke middelen verholpen worden. Somtijds hebben zij echter in duivelsche aanvecht\'ngen werkelijk haren grond. In dit geval kunnen en mogeu de bezweringen door de Priesters, zooals uit de door de Kerk hierover gegeven voorschriften blijkt, worden aangewend.

Dit, Aand., zijn de voornaamste bezweringen, waardoor de Kerk de van Christus ontvangen macht over Satan uitoefent. Eene dezer bezweringen is aan u allen geschied, namelijk die bij het H. Doopsel. Toenmaals werdt ge aan den invloed des duivels onttrokken, Gode gewijd en een tempel des H. Geestes. Bedenkt echter, dat de mensch ook vrijwillig aan de macht des boozen vijands zich kan overleveren. Dit geschiedt door elke doodzonde, maar heel bijzonder door de zonde van onkuischheid, weshalve de Aartsengel Raphael tot Tobias (6, 17) sprak; » Degenen, die God van zich af- en buiten hun hart sluiten en zich zoo aan den wellust overgeven als een paard en muilezel, die geen verstand hebben, over hen heeft de duivel macht.quot; Wacht u daarom voor alle onzuiverheid, opdat gij niet uit eigen schuld aan de tirannie van Satan ter prooi valt en de verheven wijding, die lichaam en ziel in het Doopsel hebben ontvangen, verliest.

II. Over de wijding.

Een tweede Sacramentale is de wijding, die aan personen en zaken wordt voltrokken.

1) onder de wijding, die aan personen wordt voltrokken, verstaat men die h. handeling, waardoor een persoon in een hem opgedragen ambt of in zekere hoogere verplichtingen wordt ingeleid en hiertoe een bijzonde-

451

-ocr page 460-

OVER DE SACRAMENTALIËN

ren zegen Gods erlangt. Zoodanige wijdingen vinden ze^

pkats. sie

a. Bij den nieuw gekozen Paus voor zijn kroning.

Iemand kan tot Paus gekozen worden, die nog geen Bisschop, ja zelfs niet eens Priester is. In dit geval

moet de nieuw gekozene eerst tot Priester en Bisschop ^ ^ gewijd worden. Deze wijding is hier niet bedoeld ; want zij is, zooals ge weet, eeu Sacrament. De wijding des

nieuwgekozen Pauses daarentegen, waarvan hier sprake va is, behoort tot de Sacramentaliën en wordt op de volgende wijze voltrokken, üe nieuwgekozen Paus wordt in

een draagstoel naar het altaar van den H. Petrus gedra- ve

gen, om daar, waar de reliquien der Apostelvorsten rus- |)0

ten, genade en sterkte te erlangen tot zijn zsgenvolle |ie

bediening zijns oppersten Herdersambts. Op weg daar- w,

heen verbrandt de ceremoniemeester voor \'s Pausen oogen re(

driemaal een wisch vlas en spreekt daarbij : »H. W(

Vader, zoo vergaat de glorie der wereld !quot; Zooals van en

zelf\' spreekt moet door deze ceremonie de op den hoogsten ^ trap van waardigheid verhevene aan de vergankelijkheid

en nietigheid van al het aardsche met nadruk herinnerd nf

worden. De Bisschoppen spreken vervolgens over den g(

gekozene vele gebeden, waarvan de hoofdinhoud is, dat q

de algeheele volheid van hemelsche zegeningen en godde- [1( lijke kracht hem ten deel kome. Hierop wordt het pal-

Hum, een bestanddeel der hoogepriesterlijke kleeding, hem sc

overgegeven met de woorden : »Ontvang het pallium, de j,

volheid van het pauselijk ambt, ter eere des almachtigen s( Gods, der glorierijke Maagd Maria, der zalige Ap. Pe-

trus en Paulus en der H. Eomeinsche Kerk.quot; Ten laatste n

draagt de Paus het H. Misoffer op, waarin Epistel en ^ Evangelie in de Latijnsche en Grieksche talen worden gelezen, tot teeken dat de Paus het Opperhoofd is der

algeheele Christenheid. Daarna volgt de kroning des ge- s kozeuen, waarbij de drievoudige kroon hem wordt opge-

452

-ocr page 461-

in \'t bijzonder.

zet met de woorden : »Ontvang de met drie kronen versierde tiara, en weet, dat gij de Vader der vorsten en koningen, de heerscher over geheel de wereld en de plaatsbekleeder van Jesus Christus, onzen Verlosser, zijt.quot; Het gezamenlijke volk breekt daarbij uit door te roepen : » Heer, ontferm U !quot; — een roepen, dat bij de beschouwing der menschelijke zwakheid, die de hoogste waardigheid op aarde zal dragen, voorzeker volkomen gerechtvaardigd schijnt.

b. De wijding wordt verder voltrokken aan koninyen en keizers wegens hunne verhevene waardigheid en groote verantwoordelijkheid, die met deze waardigheid is verbonden. Do nieuwe heerscher wordt op den troon verheven en legt de belofte af, het h. kath. geloof te bewaren en in de werken aan den dag te leggen, zijn rijk rechtvaardig te regeeren, armen en rijken, weduwen en weezen in zijn bescherming te nemen, en aan den Paus en de Kerk gehoorzaamheid te bewijzen. Vervolgens wordt de litanie van alle Heiligen gebeden, terwijl de monarch op zijn aangezicht uitgestrekt voor het altaar ligt. Hierna wordt hij aan zijn rechter arm gezalfd en daarbij geschiedt het gebed: «Christus gelieve den zegen des H. Geestes op zijn hoofd uit te storten, opdat hij, na het aardsche rijk volgens gerechtigheid bestuurd te hebben, met den Heere eeuwig in den hemel moge heer-schen.quot; Onder passende zegengebeden worden vervolgens de teekenen der koninklijke macht, zwaard, kroon en schepter hem overgegeven; ten laatste wordt het H. Misoffer opgedragen, waarbij de gekroonde de H. Communie ontvangt. Deze wijding van koningen en keizers, dio gedurende vele eeuwen algemeen in zwang was, is in onzen tijd schier geheel in onbruik geraakt.

c. Ook de abten van kloosters worden bij de aanstelling in hun gewichtig ambt gewijd, die hierin bestaat, dat den abt ouder gebeden de handen opge-

453

-ocr page 462-

OVER DE SACRAMENTALIËN

legd, de regelen der Orde overgegeven, en herderstaf worden ter hand gesteld. — Evenzoo heeft er sedert de vroegste tijden eeae wijding plaats bij die maagden, welke zich door een plechtige Ordengelofte aan God verbinden. Nadat zij de vragen hebben beantwoord, of zij de eeuwige maagdelijkheid bewaren en Christus, den Zoon des hoogsten Gods willen worden toegewijd, ontvangen zij onder het gebed sluier en ring; den eerste ten teeken, dat zij van nu af niet meer aan de wereld toebehooren ; den laatste, om aan te toonen, dat zij met Christus geestelijker wijze zijn vermaagschapt en aan Hem een onverbreekbare trouw moeten houden.

2) Door de wijding, die levenlooze voorwerpen ontvangen, worden deze aan het gebruik tot wereldsche doeleinden geheel onttrokken en tut een godsdienstig gebruik uitsluitend bestemd en gewijd.

a. Hiertoe behoort allereerst de wijding van herken en altaren. Eeeds in het O. Verbond werden de toi vereering Gods bestemde plaatsen gewijd. Zoo wijdde de Patriarch Jacob de plaats, waar God hem was verschenen, tot een heiligdom; Mozes zalfde het tabernakel; koning Salomon wijdde met een grootsche praal den tempel te Jerusalem. Wijl de christ. kerken wegens de tegenwoordigheid van Jesus Christus in het Allerheiligste Sacrament ongelijk eerbiedwaardiger en heiliger zijn dan de bedeplaatsen en de tempel der Joden, daarom is het duidelijk, dat ook zij behooren gewijd te worden. Het hoofddoel dezer wijding bestaat hierin, de kerken aan elk wereldsch gebruik te onttrekken, ze uitsluitend tot een eigendom van God te maken en daaraan zekere geestelijke werkingen mede te deelen, die daarin bestaan, dat de geloovigen reeds door een aandachtig bezoek er van verschillende genaden, bij voorkeur de genade. God daar op een waardige wijze te vereeren, erlangen. De H. Thom. van Aq. zegt, dat men door een kerk aandachtig te bezoeken, kwijtschelding van

454

-ocr page 463-

in \'t bijzonder.

dagelijksche zonden en bevrijding van duivelsche verzoekingen kan verkrijgen. Bovendien heeft de kerkwijding nog een zinnebeeldige beteekenis, doordien zij ons de heiligheid der zegevierende Kerk in den hemel en de strijdende Kerk op aarde voorstelt en ons tegelijk herinnert, dat ieder Christen zijn lichaam, dat volgens de uitdrukking des Apostels een woning Gods en een tempel des H. Geestes is, in heiligheid moet bezitten. De wijding eener kerk moet bijgevolg in ons hart het verlangen opwekken naar het ingaan in de zegenvierende Kerk der uitverkorenen, zij moet ons tot dankbaarheid stemmen, dat wij kinderen der alleenzaligmakende Kerk zijn ; zij moet ons eindelijk aanvuren, dat wij den tempel van ons eigen lichaam, dat Jesus Christus in de H. Communie zoo vaak in zich opneemt, steeds rein en onbevlekt bewaren.

h. Aan deze wijding der Kerk sluit de wijding van den Godsakker zich het naaste aan. Deze plaats maakt dikwerf de naaste omgeving der Kerk uit, waarom zij ook den naam van kerkhof draagt. De Godsakker verkrijgt met recht een hooger wijding ; want hij is een aarde, waarin een h. zaad wordt neergelegd. Daar rusten menschelijke lichamen, die in het H. Doopsel tot levende tempels Gods zijn gewijd; menschelijke lichamen, die zelfs den Godmensch Jesus Christus in de H. Communie dikwijls in zich hebben opgenomen en de kiem der toekomstige opstanding en verheerlijking in zich dragen. — Is het derhalve te verwonderen, dat de Kerk krachtig opkomt tegen de hedendaagsche richting van het ongeloof om alle kerkhoven over de geheele wereld, ouder den gezochten titel van heg ene (gezondheidsleer) af te schaffen en daarvoor brandovens tot lijkenverbraniing in plaats te stellen, en ons tot het Heidendom te willen terugbrengen? Het is daarom, dat bij Decreet der Cong. v. Inquisitie (19 Mei 1886) is verboden, toe te treden tot

455

-ocr page 464-

OVER DE SACRAMENTALIËN

de vereeniging van lijkenverbranding\' of toe te stemmen, dat men zijn lijk of die van anderen verbrande. Deze besluiten zijn door Paus Leo XIII goedgekeurd en bevestigd en deze heeft tegelijk bevolen, dat de Cbristen-geloovigen van dit verfoeilijk misbruik, menscbelijke lichamen te verbranden, met alle kracht worden afgeschrikt.

c. Nog blijft de wijding van een voorwerp over, dat voor de kerk van een hooge beteekenis is, en dit is de wijding der Hokken. De klokken in den toren der kerk zijn eigenlijk de tongen of, zooals een Kerkvergadering zich uitdrukt, de bazuinen der strijdende Kerk. Zij staan met het menschelijk hart en schier met alle voorvallen des menschelijken levens in een merkwaardige verbinding. Zij mengen zich in onze vreugde en droefheid, zij jubelen met onzen lof tot God en zuchten met ons boetvaardig smeeken. Zij brengen rust en troost in een Gode overgegeven gemoed en schokken den misdadiger in het binnenste zijner ziel. Hun geluid dringt als een roepstem uit een hoogere wereld dag aan dag door onder het we-reldsche bedrijf der menschen, ten einde hun harten te verheffen en ze op de ware bestemming huns bestaans opmerkzaam te maken. Alle gewichtige oogenblikken bijzonder in het godsdienstige leven des menschen zijn van het geluid der klokken vergezeld. Zij roepen ons in den tempel des Allerhoogsten en verkondigen het oogenblik, waarop de Zoon Gods in het H. Misoffer op het altaar nederdaalt; zij melden, wanneer een zieke de H Teerspijs ontvangt en kondigen den laatsten polslag van zijn brekend hart aan en verstommen niet eerder dan tot de Christen zijn aardschen wandel gesloten en zijn lichaam de rust in het graf heeft gevonden. Wegens deze innige verbinding met het godsdienstige leven des menschen en den gezamenlijke godsdienst verkregen de klokken van af de vroegste tijden een eigen wijding, die om de daarbii voorkomende ceremonien in de volkstaal ook hel klokken-

456

-ocr page 465-

in \'t bijzonder.

doopsel genoemd wordt. Deze benaming is evenwel niet kerkelijk ; ook staat de wijding der klokken met het H. Sacr. des Doopsels volstrekt in geen verbinding.

d. Ik kom nu aau de wijding dier voorwerpen, welke met den godsdienst in de naaste verbinding staan. Daartoe behooren de MisTcelken, patenen, corporalien en de h. Meeding. Eeeds in het O. Verbond bestond de wijding der godsdienstige benoocigdheden ; hoeveel te meer behoeven de aangeduide voorwerpen een wijding in het N. Verbond, daar zij een veel verhevener bestemming hebben, om bij het opdragen des Heiligsten Offers dienstbaar te zijn. Op dien grond erlangen ook de kaarsen, die bij den godsdienst gebruikt worden, een wijding en wel op Maria-Lichtmis, vanwaar dan ook dit feest zijn naam heeft gekregen. De brandende kaars stelt ons Christus voor die reeds bij zijn opdracht in den tempel te Jerusalem «als een licht ter verlichting der Heidenen is aangeduidquot; en zich zelf »als het licht der wereldquot; genoemd heeft. Tegelijk is de brandende kaars een krachtige vermaning voor ons, dat wij met allen ijver die deugden beoefenen, waardoor wij bij voorkeur kinderen des lichts en navolgers van Jesus worden, te weten het geloot, dat ons verlicht, de hoop die ons, aan de brandende kaars gelijk, steeds waarschuwt opwaarts te streven en de liefde, die ons hart ontvlamt tot den dienst Gods en het werk onzes heils. De kaarsenwijding zelve geschiedt onder het besprenkelen der kaarsen met wijwater, het bewierooken ervan en door vijf gebeden, waarin God om de genade gesmeekt wordt, dat allen, die deze kaarsen met godsvrucht gebruiken, door den H. Geest verlicht, van alle verblindheid der dwaling en zonde bevrijd en met liet vuur der goddelijke liefde ontstoken worden, opdat zij steeds God voor oogen hebben, de gevaarvolle en donkere wegen des levens overkomen en door Jesus Christus tot het eeuwige licht geraken.

457

-ocr page 466-

458 OVER DE SACRAMENTALIËN

e. Behalve de kaarsenwijding zijn er nog andere, die op bepaalde dagen van het kerkelijke jaar voorkomen. De eerste plaats mag de aschwijding innemen, die zooals bekend is op Aschwoensdag plaats heeft. De asch wordt gewijd, om de geloovigen tot een boetvaardig leven, dat zij in den h. vastentijd moeten leiden, op te wekken en hun hiertoe de noodige genade mede te deelen. De asch het laatste overblijfsel van datgene, wat eenmaal heeft bestaan en leven bezat, is een sprekend beeld der vergankelijkheid van al het aardsche en bijgevolg ook een beeld der vernietiging van het mensohelijke leven door den dood. Wijl echter de dood een straf der zonde is, daarom herinnert de asch ons gelijkertijd aan onze zondigheid en roept ons op tot boete. De asch geldt derhalve van oudsher als zinnebeeld van boetvaardigheid, en velen, die boete deden, bestrooiden hun hoofd met assche of sloegen daarop hun leger op. Ook was het in de eerste eeuwen der christ. jaartelling gebruikelijk, de openbare boetelingen asch op het hoofd te strooien, een gebruik, waaraan onze Aschuoens-dag zijn oorsprong ontleent. De wijding der asch, waartoe de het jaar te voren gezegende palmtakken gebezigd worden, wordt onder eenige gebeden, het besprenkelen met wijwater en het bewierooken voltrokken. De Priester bidt bij deze wijding tot God, dat de asche een heilmiddel zij voor allen, die hun zonden rouwmoedig belijden ; dat ze degenen, die zich daarmede laten bestrooien, genade en redding bewerke, dat ze allen met den geest van vermorzeling vervulle en hun kracht verleene, evenals de bewoners van Ninive boete te doen. Vervolgens wordt deze gewijde asch den geloovigen op het hoofd gestrooid met de woorden, die God tot Adam na diens zondenval heeft gesproken ; »Memento [homo), quia pulvis es, et in pulverem reverteris, gedenk (o mensch), dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeeren.quot; Daarmede wordt een ieder als \'t ware het doodvonnis op het voor-

-ocr page 467-

(j in \'t bijzonder. 459

_

hoofd gedrukt met de waarschuwing, on verzuimd en ernstig boete te doen, opdat hij niet den eeuwigen dood ter prooi valle. De werkingen van het aschkruisje bestaan voornamelijk hierin, dat ze tot het verkrijgen van een waren ootmoed, tot het verwekken van een hartelijk en bovennatuurlijk berouw en het beoefenen van een echt boeteleven zeer dienstig zijn.

Een andere hiertoe behoorende wijding is die der pal-me7i, waarvan Palmzondag- zijn naam heeft. Op dien dag heeft onze goddelijke Zaligmaker zijn plechtigen intocht in Jerusalem gehouden, waarbij het volk Hem met palmtakken ontving. Tot gedachtenis aan dit voorval heeft de Kerk verordend, dat er palm- en olijftakken, of waar er zoodanige niet bestaan, andere boomtakken gewijd en daarmede processie worde gehouden. Ook deze wijding geschiedt door eenige gebeden, het bewierooken der palmen en het besproeien ervan met wijwater. In de wijgebeden zijn de werkingen, die met deze palmtakken verbonden zijn, uitgesproken. De Kerk bidt namelijk, dat degenen, die de palmtakken in de handen houden, Christus met goede werken tegemoetg.ian en door Hem in de eeuwige zaligheid geleid worden; dat zij zegevieren over het rijk des doods en aandeel verkrijgen aan de glorierijke opstanding van Jesus; dat eindelijk de bewoners der huizen, waarin de palmtakken gebracht worden, een goddelijke bescherming en zegen naar lichaam en ziel erlangen. Ge moet daarom, Aand., bij de palm-wijding God vurig bidden dat Hij zijne hemelsche genade uwe ziel moge instorten, ten einde, evenals de palmtakken groeien en bloeien, ook gij aan goede voornemens groeien en vruchten van gerechtigheid moogt voortbrengen, zoodat ge eenmaal met Christus het hemelsche Jerusalem kunt binnentrekken.

Op Witten Donderdag heeft jaarlijks in de kathedralen (domkerken) of wel in de groote seminarien de wijding

-ocr page 468-

OVER DE SACRAMENTALIËN

der h. oliën, namelijk die der doopelingen, zieken en van het chrisma plaats. De Bisschop, omgeven van twaalf Priesters, zeven Diakenen en zeven Subdiakenen gaat na de Consecratie der Mis tot de olie, welke tot het zalven der zieken bestemd is, en spreekt eerst de bezwering daarover uit; dan wijdt hij ze, doordien hij tot God bidt, dat Hij door zijn h. zegening deze olie voor allen, die daarmede gezalfd worden, tot bescherming van ziel en lichaam, tot verdrijving aller smarten en eiker lichamelijke en geestelijke ziekte doe verstrekken. Alsdan wordt het H. Misoffer voortgezet tot aan de Communie, waarop het chrisma gewijd wordt. Zooals ge weet bestaat het chrisma uit balsem en olie, waarvan de vermenging de volheid des H. Geestes, die in de H. Sacramenten des Vormsels en des Priesterschaps wordt medegedeeld, aanduidt. Onmiddellijk daarop volgt de wijding der Doopolie. Dat deze wijding der olieu juist op Witten Donderdag geschiedt, verklaart de H. Thomas v. Aquine op de volgende wijze: »De dag, waarop de Zaligmaker het H. Sacr. des Altaars heeft ingesteld, is ook de geschiktste tot wijding dier zaken, die men tot de overige Sacramenten behoeft, wijl al deze Sacramenten met het Allerheiligste Altaarsacrament in een nadere of verdere verbinding staan.quot; Ook moeten voorzeker de twaalf Priesters de Apostelen, die bij het laatste avondmaal hun godde-lijken Meester omgaven, voorstellen. Dat echter de oliewijding onder de H. Mis voorvalt, heeft zijn grond hierin, wijl alle sterkte in den geestelijken strijd, alle genadewerkingen der H. Sacramenten en alle zegen en zelfs de heiliging der redelooze natuur een vrucht is van Jesus Kruisoffer, dat door het H. Misoffer voortdurend voorgesteld en hernieuwd wordt. Zoodra de h. oliën gewijd zijn, worden zij aan alle parochiën van het Diocees ten gebruike gezonden.

Op Paaschzaterdag heeft in alle parochie-kerken do

460

-ocr page 469-

IN T niJZONDEIi

wijding des Doopwaters plaats. Eerst wordt het water in \'t algemeen gewijd, en daarmede worden de ge-loovigen besproeid, die daarvan tot een vroom gebruik naar huis medenemen. Van dit gewijd water is ook nog van te voren afgezonderd wat tot het eigenlijke Doopwater moet dienen en een hoogere wijding ontvangt, doordien kruisgewijze daarin eerst olie der doo-pelingen, vervolgens chrisma en ten laatste beide tegelijk onder het uitspreken der voorgeschreven woorden gedaan wordt. Hiermede is de volheid der genade des H. Geestes, die dit water doordringt, aangeduid. Gelijk bekend is, geschiedt de wijding van Doopwater ook op den Zaterdag voor Pinksteren, wijl in vroegere tijden bij voorkeur op deze twee dagen den volwassenen, die het Christ, geloof aannamen, het plechtige Doopsel werd toegediend.

Op Paaschzaterdag vindt ook de wijding van het Paasch-vuwr en van de Paarsc/ikaars plaats. Wijl de Kerk alles wijdt, wat zij tot den godsdienst bezigt, daarom doet zij dit ook het licht, dat op haar altaren brandt. Zij verricht nu deze wijding juist op Paaschzaterdag, omdat het vuur, dat uit een vuursteen moet geslagen worden, het zinnebeeld is van den verrezen Zaligmaker, die zich zelf den hoeksteen genoemd heeft, op Wien alle heil rust. Van dit nieuwe vuur worden alle lichten der Kerk aangestoken, nadat te voren de nog brandende zijn uitgedaan. — De wijding der Paaschkaars is eigenlijk een lof- en prijsgezang op Christus, den Verrezene, die door deze kaars wordt afgebeeld. Hemel en aarde worden tot jubelen uitgenoodigd over de opstanding des Heeren ; de kaars, waarin tot een zinbeeldige voorstelling der h. vijf wonden van Christus vijf wierookkorrels worden aangebracht, wordt vervolgens aangestoken onder lofprijzing des Verrezenen, die het licht is der wereld. De Paarsch-kaars wordt aan de Evangeliezijde van het altaar geplaatst

401

-ocr page 470-

OVER DB SACRAMENTALIËN

en tot aan Christus-Hemelvaart bij elke plechtige gods-dienst-oefening ontstoken. Na het feest van Christus-Hemelvaart wordt zij weggenomen, tot teeken, dat de Verlosser de wereld heeft verlaten en in den hemel is ingegaan.

Zooals ge ziet, Aand., zoekt de Kerk alles, zelfs het geringste, wat tot den dienst van God is bestemd, te heiligen, opdat Hij, de Allerheiligste, ook een zijner oneindige Majesteit passende h. omgeving erlange. Dit is voor u een ernstige vermaning, dat ge u zelf door een deugdzamen wandel en bijzonder, zoo dikwijls gij ter kerke verschijnt en aan de H. Geheimnissen deelneemt, u door een diepen eerbied en ootmoed alsmede door een innige godsvrucht heiligt, opdat de Heer in zijn h. woning ook van een h. volk zij omgeven.

III. Over de eenvoudige zegening.

De eenvoudige zegenintj wordt evenals de bezwering en de wijding zoowel aan personen als aan zaken voltrokken. In het eerste geval verstaat men onder zegening die h. handeling, waardoor de Kerk onder aanroeping van den hei-ligsten naam Jesus voor een persoon Gods genade vraagt, opdat hij voor geestelijke en lichamelijke rampen bewaard blijve of zekere goederen hem naar ziel of lichaam ten deel vallen. In het laatste geval wordt de genade Gods op een levenloos voorwerp afgeroepen, opdat zij degenen, die er een goed en godvruchtig gebruik van naken, naar lichaam en ziel moge heilzaam worden. Het onderscheid tusschen wijding en zegening bestaat eigenlijk hierin, dat gewijde personen een zeker hoogere waardigheid verkrijgen en in een nauwere verbinding met God treden, terwijl gezegende personen ook na de zegening nog geheel hetzelfde blijven, wat zij te voren waren; verder, dat de gewijde voorwerpen niet meer tot een wereldsch, maar slechts tot een godsdienstig gebruik kunnen dienen, terwijl

462

-ocr page 471-

IN \'t bijzondkr.

de gezegende voorwerpen ook na de zegening nog tot een gewoon gebruik mogen gebezigd worden, zooals bijv. gezegende spijzen, die evenzoo als niet gezegende kunnen genoten worden. Alvorens wij de zegeningen afzonderlijk beschouwen, moet ik u de daarbij gebruikelijke ceremo-nien verklaren, wijl deze schier bij alle zegeningen dezelfde zijn en daarom bij elke zegening afzonderlijk niet behoeven herhaald te worden.

Elke zegening begint met de woorden : »Adjuiorium nostrum in nomine Domini, onze hulp is in den naam des Heeren, qui fecit caelum et terrain, die hemel en aarde gemaakt heeft.quot; Door deze woorden worden wij herinnerd, dat wij alle genaden en zegeningen alleen van God mogen verwachten, maar ook met een vol vertrouwen moeten verwachten; want God, die uit liefde tot ons hemel en aarde heeft geschapen, is voorzeker ook genegen, ons die genade te verleenen, waarom Hij in den naam zijns eeniggeboren Zoons wordt aangeroepen. Hierop volgt het eigenlijke zeijengebed, dat, zooals van zelf spreekt, bij de afzonderlijke zegeningen telkens anders luidt naar gelang van de verscheidenheid der genaden, waarom wordt gebeden.

Gewoonlijk worden deze gebeden gericht tot God den Vader, want wijl de Vader de eeuwige oorsprong is zijns medezelfstandigen Zoons, daarom beschouwen wij Hem als de bron aller genade en zegen, en richten derhalve tot Hem ons gebed. Gesloten echter worden de zegengebeden met de woorden : »Door Christus, onzen Heerwant wij mogen van den Vader alleen om den Zoon genade en zegen verwachten. Bij elke zegening wordt verder over den te zegenen persoon of zaak het h. kruisteeken gemaakt, een gebruik, dat men in de Kath. Kerk van oudsher voor zoo gewichtig aanzag, dat men zonder hetzelve de zegening volstrekt niet als geldig beschouwde. Ten laatste wordt de gezegende persoon

463

-ocr page 472-

OVER DR SACRAMENTALIËN

of zaak met wijivater besproeid deels om aan te duiden, dat door de zegening de goddelijke genade als een zachte dauw op ons neerdruppelt, deels ook, om aan ons, daar het water een reinigende kracht bezit, de ernstige vermaning te geven, dat wij ons hart van de zonde moeten zuiveren, indien wij aan de genade der zegening willen deelachtig worden. Bovendien heeft het besproeien met wijwater bij elke zegening tot doel de bezwering, waar die niet geschiedt, te vervangen. Bij elke zegening wordt er licht ontstoken. Het licht, zooals reeds is opgemerkt, duidt aan den goddelijken Zaligmaker der wereld, «die iegenlijken mensch verlicht.quot; Bij de zegening is het licht een zinnebeeld der verlossende kracht, waarmede Christus zelfs op de redelooze en leveuloeze natuur inwerkt. Wijl het licht opwaarts vlamt, duidt het ook het opstijgen van het gebed der Kerk tot voor den troon van God aan, zooals het ook voor degenen, aan wie de genade der zegening zal ten deel worden, een uitnoodiging is, hun verlangen op de eerste plaats niet slechts op de tijdelijke, maar op de eeuwige g\'oederen te richten. Bij elke zegening moet ook een crucifix aanwezig zijn; want de genade, die zich door de zegening over de geheele natuur uitstrekt, is aan \'t kruis verworven, en zonder dit is er geen zegen noch heil. Bij plechtige zegeningen wordt het gezegende voorwerp ook bewierookt en daardoor worden wij vermaand, dat wij met aandacht bidden en den goeden geur eens Gode aange-namen wandels verspreiden, indien genade en zegen ons ten deel zullen komen.

Nadat ik u nu de ceremonien, die schier bij alle zegeningen dezelfde zijn, en de beteekenis er/an in \'t kort verklaard heb, ga ik over tot de zegeningen afzonderlijk.

1) Zij geschieden, zooals wij gehoord hebben, aan personen en zaken. Van die, welke aan personen worden voltrokken zijn de gebruikelijkste ; de zegening van

4r,4

-ocr page 473-

in \'t bijzonder.

het bruidspaar, van kraaimromoen en de inzegening der lijken.

a. De zegening der nieulogeiuwden, waarvan reeds sprake was bij het Sacr. des Huwelijks, is voorzeker eerbiedwaardig. God zelf zegende in het paradijs reeds het Huwelijk des eersten menschenpaars, zooals wij in het eerste boek van Mozes (Gen. 1,27.28) lezen: «God schiep den mensch naar zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. En God zegende hen en God zeide tot hen: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde.quot; Wijl het Christ. Huwelijk wegens zijn Sacramenteele waarde veel verhevener is dan dat in het O. Verbond, daarom wordt reeds sedert de oudste tijden aan de nieuwgehuwden een bijzondere zegening medegedeeld, opdat God hun ter vervulling hunner zware beroepsplichten een rijkelijke genade moge mededeelen. Indien geen bijzondere redenen een uitzondering vorderen, dan moet deze zegening onder de H. Mis en wel na het Paternoster gegeven worden. Dan knielen de nieuwgehuwden op de onderste trap des altaars ; de Priester keert zich in een schuinsche richting van den Epistelkant naar hen toe en bidt eerst tot God, dat Hij die instellingen, die Hij tot behoud van het menschelijke geslacht heeft verordend, moge zegenen. Alsdan volgt een zegening, die schier uitsluitend op de bruid betrekking heeft. De Priester bidt God, dat Hij genadig nederzie op zijn dienares, die Hem om zijn bescherming aanroept. Trouw en eerbaar moge zij huwen, aan haren man beminnenswaardig zijn, zooals Rachel; wijs als Rebecca, lang en trouw leven als Sara. Vaststaand in het geloof en volhardend in het volbrengen der geboden moge zij voor alle onpassende eischen terugschrikken. Haar aanblik gebiede eerbied, hare schaamachtigheid make haar eerbiedwaardig. Zij moge onder-

30

465

-ocr page 474-

OVER DB SACRAMENTALIËN

wezen zijn in de hemelsche leer, vruchtbaar aan kinderen en vlekkeloos in haar leven; eenmaal moge zij tot de rust der zaligen in den hemel geraken. Üeze eerbiedwaardige zegening is voorzeker een dringende uitnoodiging voor degenen, die rein en schuldeloos naar ziel en lichaam den H. Hawelijkstand ingaan, ook in het echtelijk leven de tegenwoordiffheid Gods en huns H. Euvels nimmer

DO O

vergeten; alsmede voor degenen, die niet meer rein en onbevlekt voor het bruidsaltaar knielen, minstens door een nauwkeurig nakomen der echtelijke kuischheid de treurige afwijkingen van hun ongehuwden staat herstellen ; eindelijk voor degenen, die niet denken te trouwen, dat zij hun staat als vrijgezel zoo doorbrengen, Jat niet eenmaal elk woord dezer zegening een bitter verwijt voor hen worde.

b. De zegening der kraamvrouwen komt waarschijnlijk voort uit het O. Testament, waar de moeder volgens de wet van Mozes veertig dagen na de geboorte van een knaapje en tachtig dagen na de geboorte van een dochtertje in den tempel verschijnen en een offer moest brengen, om door den Priester voor rein te worden verklaard. Deze wet heeft, zooals wij in het Evangelie lezen, zslts Maria vervuld, ofschoon zij daartoe volstrekt niet verplicht was. Dit schoone voorbeeld volgen de christ. moeders na, wanneer zij hun pasgeboren kind den Heere opdragen en den zegen ontvangen, wat men »het inleiden eener kraamvrouwquot; pleegt te noemen. De moeder knielt dan voor het Priesterkoor neder, om hare onwaardigheid uit te drukken, voor God te verschijnen en haar verlangen, aan zijne erbarming deelachtig te worden. De Priester geeft de moeder een brandende kaars in de hand, ten teeken van haar vast besluit, haar kind in het licht des kath. geloofs met alle zorgvuldigheid op te voeden en het steeds met een goed voorbeeld te zullen voorlichten. Hij besproeit haar vervolgens met wijwater, om haar

-ocr page 475-

in \'t bijzonder.

vonr den zegeu der Kerk toegankelijk te maken en bidt vervolgens Psalm 23 : » Domini est terra, et plenitudo ejus, de aarde is des Heeren en hare volheid,quot; waarin zoowel de deugden zijn begrepen, waardoor een christ. moeder zich moet onderscheiden, alsook de hoogste heerschappij Gods over al het geschapene aangehaald en mede de moeder tot dankbaarheid voor den haar geschonken kleine wordt aangemaand. Alsdan geeft de Priester aan de moeder het einde der stool in de hand en leidt haar naar de trap van het altaar en dit wel tot een zinnebeeld, dat zij slechts door de verdiensten van Jesus Christus Gode welgevallig wandelen en tot hel eeuwige leven kan ingaan. Aldaar knielend ontvangt zij de zegening des Priesters, waarin deze God vurig bidt, dat Hij genadig op de dankbaarheid zijner dienares moge neder-zien en ze door de voorbede der Allerzaligste Maagd Maria tegelijk met haar kind tot het eeuwige leven doe geraken. Mochten toch alle moeders bij het ontvangen dezer zegening het h. voornemen maken, hare kinderen voor den hemel op te voeden.

c. Gelijk de Kerk hare kinderen bij de intrede in de wereld, zoo zegent zij ze ook bij hun heengaan. Dit doet zij door de zetjenincj der dooden. De Priester wacht mat zijn gevolg aan de poort van het kerkhof den verstorvene op, besproeit het lijk met wijwater en trekt, den Psalm de profundis biddende, met den stoet naar het graf. Indien men zich voorstelt, hoe de ziel des afgestorvenen zich voor den eeuwigen Rechter bevindt, dan kan zij de goddelijke barmhartigheid niet inniger om een genadig verhoor smeeken, dan in dezen Psalm geschiedt. Bij het graf genaderd bidt de Priester het gebed; »Non iutres in judicium cum servo tuo, Domine, treedt. Heer, niet in het gericht met uwen dienaar; en de »libera me Ba-mine de morte act erna, verlos mij. Heer, van den eeuwi-

467

-ocr page 476-

OVER DIS SACRAMENTALIËN

468

gen dood enz.quot; Verder zegt hij : » Heer ontterm U onzer. Christus ontferm U onzer. Heer ontferm (J onzer. Onze Vader.quot; Nu wordt voor de tweede maal het lijk met wijwater besproeid en tévens bewierookt; waarna het gebed wordt gebeden : »Deus, cui proprium, est misereri semper, et, parcere, o God, wien het eigen is, altijd genadig te zija en te sparen.quot; Daarna wordt het lijk in het graf nedergelaten ouder de bede; »In paradisum deducant te anqeli, dat de Engelen u in het paradijs inleiden enz.quot; d Hodie sit in pace locus tuus, heden zij uw plaats in vrede, et hahitatio tua in Sancta Sion en uw woning ia het H. Sion.quot; Terwijl de Priester deze woorden spreekt, besproeit hij het lijk met wijwater ; neemt vervolgens het kruis en maakt daarmede drie kruisteekenen op de lijkkist zeggende : »Sifjno corpus hoe sir/naculo sanctae crucis, ik teeken dit lichaam met het teeken des kruises, ut in die judicii resurgat, opdat het op den dag des oordeels opsta, et vitam aeternum possideat en het eeuwig leven bezitte. Door Christus onzen Heer. Amen.quot; Opdat ook alle aanwezigen hunne sterflijkheid gedachtig mogen zijn, werpt nu de Priester drie maal aarde op de in het graf neergelaten doodkist en zegt: »Be terra plas-masti eum, uit aarde hebt Gij hem gevormd, ossibus et nervis compeijisti eum, uit beenderen en spieren hebt Gij hem zamengesteld, resuscita eum in novissimo die, wek hem op ten jongsten dage. Door Jesus Christus, onzen Heer. Ameu.quot; Vervolgens gaat de Priester het graf rond met wijwater en wierook, waarna hij aanheft den lofzang van Zacharias: »Benedictus Do minus Israel, gezegend zij de God van Israel enz.,quot; welken lofzang begeleidt de belofte des Heeren ; »Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.quot; Hierna gaat de Priester met zijn gevolg heen en bidt nogmaals den Psalm : »Be profundis, uit de diepten mijner ellenden heb ik tot U, o Heer, geroepen. Heer verhoor mijne stem,quot;

-ocr page 477-

IN \'l BIJZONDER»

2) Ik moet no^ spreken over de zegeningen van leven-looze voorwerpen. Een der voornaamste is :

a. De zegening van wijwater, dat alle Zondagen voor de gezonden H. Mis plaats vindt. Eeeds in liet O. Verbond was een soort van wijwater algemeen in gebruik. Ieder Israeliet moest, als hij zich had verontreinigd, met het sproeiwater zich reinigen; evenzoo moesten met dit water alle tot het offer benoodigde voorwerpen gereinigd worden. Daardoor werd aangeduid, dat slechts reine harten voor God verschijnen en slechts reine voorwerpen tot zijn dienst mochten gebruikt worden. Wegens deze zinnebeeldige beteekenis ging het gebruik van water ter reiniging ook in \'t Christendom over. In de eerste eeuwen wieschen de geloovigen voor het ingaan in de kerk handen en aangezicht geheel en al; eerst later kwam in plaats dezer wasschingen enkel het besprenkelen. Dit water kreeg van de vroegste tijden af een eigen zegening. Deze zegening geschiedt volgenderwijze: vooreerst wordt, zooals ik reeds vroeger heb opgemerkt, water en zout bezworen. In het daaropvolgende zegengebed bidt de Priester, dat God aan dit water kracht verleene, overal waar het gesproeid wordt, de booze geesten verdrijve, de zieken geneze, de plaatsen, waar het bewaard wordt, van alle onreinheid bevrijde en alles verwijdere, wat aan de gezondheid en rust der geloovigen schadelijk mocht wezen. Alsdan wordt het. gezegende zout in het water gedaan, wat zeer beteekenisvol is. Evenals het zout de eigenschap heeft, verschillende zaken voor bederf te bewaren, zoo moet de Christen zich voor het bederf der zonde in acht nemen ; en gelijk het zout aan de spijzen den smaak geeft, zoo moet hij al zijn werken door een goede meeniug heiligen en voor God welgevallig maken. Na deze vermenging van het zout met het water volgt weder een zegengebed voornamelijk om de genade, dat het water eiken aanslag des duivels verijdele. Hieruit ziet

463

-ocr page 478-

OVEE DE SACRAMENTALIËN

ge, dat het wijwater niet enkel een zinnebeeldige be-teekenis heeft, maar ook verscheiden genadewerkingen voortbrengt, indien men het met godsvrucht aanwendt. Wijl het bijzonder tot verdrijving des boozen vijands krachtig medewerkt, daarom vervangt het, zooals ik reeds heb opgemerkt, bij alle zegeningen de bezwering, waar zulk eene niet uitdrukkelijk wordt waargenomen. Ge moet vandaar niet slechts iu de kerk, maar ook te huis dikwijls, doch niet gedachteloos en enkel uit gewoonte, maar aandachtig en met een rouwmoedig hart u met wijwater besproeien, wijl een aandachtig besproeien hiermede volgens de leer van den H. Thom. van Aq. ook de werking heeft, dagelijksche zonden kwijt te schelden.

b. Ben zegening, die algemeen is bekend, is die tegen on weder en hangelslag, of.de zoogenaamde weer-zeqen. Deze zegen bestaat in een gebed der Kerk, dat God ter wille van Jesus de aarde zegenen, en hare vruchten moge geven en bewaren. Het is ook voor allen de dringendste verelschte, dat zij den zegen, dien de Kerk over hun velden afroept, niet zelf in vloek verkeeren. Of moet het ons, Aand., niet waarlijk verwonderen, dat God ons zoo rijkelijk zijn zegen schenkt, wanneer wij nagaan, hoe zwaar Hij op vele plaatsen door uitdrukkingen eens mateloozen toorns, door gruwelijke verwen-schingen, door een schaamtelooze taal en afschuwelijke zonden tegen de h. zuiverheid wordt beleedigd \'l Zoodanige zonden moeten bijzonder de huisvaders en overheden naar krachten zoeken te verhinderen opdat zij den zegen Gods door het gebed der Kerk durven hopen.

c. Op het feest van den H. Joannes, Evangelist (27 Dec.) pleegt men op sommige plaatsen wijn te zegenen. Deze zegening is gegrond op de overlevering, dat eens den H. Apostel een beker met vergiftigden wijn is aangeboden ; dat hij dien heeft gezegend en vervolgens zonder nadeel gedronken. Een ander grond is echter ook, dat de geloovigen

470

-ocr page 479-

in \'t bijzonder.

door het gebruik van dezen gezegenden wijn aan de liefde des H. Joannes deel krijgen ; want de wijn is, zooals Joannes de Apostel, het zinnebeeld der liefde. Daarom ook spreekt de Priester, als hij den gezegenden wijn te drin ken uitdeelt; «Drinkt de liefde des H. Joannes.

d. Op het feest van den H. Blasius (3 Febr.) worden er kaarsen gewijd en daarmede kruisgewijze de hals der geloovigen aangeraakt. De oorsprong dezer zegening is te zoeken in de legende, die ons verhaalt, dat de H. Blasius in de kracht Gods verscheidene keelziekten genas. Vandaar ook luidt het gebed, dat de Priester bij het aanraken van den hals met de kaarsen spreekt; » Door de voorbede des H. Blasius, Bisschop eu Martelaar, bevrijde en beware de Heer u van alle kwalen der keel, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.quot;

e. Op het Paaschfeest worden vaak spijzen bijzonder brood, vleesch, eieren gezegend. Deze zegening herinnert ons aan het woord des H. Paulus : (I. Cor. 5, 7.) «Laat ons (Paasch) feest vieren, niet met het oude zuurdeeg, noch met het zuurdeeg van boosheid en ondeugd, maar met ongezuurde brooden van oprechtheid en waarheid.quot; Van af het Paaschfeest, toen Christus het werk onzer Verlossing heeft voleind, moeten wij zelfs in het gebruik van spijs en drank vernieuwde menschen zijn en de voeding niet tot bevrediging der zinnelijke lusten, maar slechts tot behoud onzes levens en ter vervulling onzer christelijke en beroepsplichten met matigheid en dankbaarheid jegens God tot ons nemen. Dit beoogt de zegening der spijzen op het Paaschfeest.

Behalve de aangehaalde zegeningen zijn er nog vele andere, waarvan ik eenigen slechts bij naam zal noemen. Hiertoe behooren de zegeningen van kruisen, medailles, scapulieren, rosenfcransen, heiliqenleelden, vanen; verder de zegeningen van dingen, die lot een zuiver wereldsch

471

-ocr page 480-

OVER DE SACRAMENTALIËN

gebruik bestemd zijn, bijv. voedingsmiddelen, medicijnen, zaden, nieuwgebouwde huizen, schepen, veestallen en de daarin zich bevindende dieren.

Hiermede, Aand., heb ik u de leer der Kerk over de Sacramentaliën zoo kort mogelijk verklaard. Ik eindig deze leer met eenige woorden over den aard en de wijze, hoe alle Sacramentaliën tot stand komen, omdat hierin voor u eeu heilzaam onderricht is gelegen. Bij de leer over de H. Sacramenten hebt gij gehoord, dat elk Sacrament door een zichtbare handeling en door bepaalde, deze hauling nader verklarende woorden, of anders uitgedrukt, door materie (stof) en vorm tot stand komt. Wanneer namelijk de doopeling met water wordt begoten en daarbij de woorden worden gesproken: »Ik doop uquot; enz., dan wordt het Sacr. des Doopsels toegediend. Op een gelijke wijze komen nu ook de Sacramentaliën tot stand. Wat bij de Sacramenten de zichtbare handeling is, dat is bij de Sacramentaliën het maken des kruisteekens. Er wordt namelijk over den persoon of de zaak, waaraan een Sacramentale wordt voltrokken, het h. kraisteeken gemaakt en deze zichtbare handeling is bij alle Sacramentaliën steeds dezelfde, terwijl bij elk Sacrament de zichtbare handeling of de materie, zooals bekend, een andere is. De woorden, die bij het voltrekken de\'.er Sacramentaliën gesproken worden, zijn de door de Kerk voorgeschreven gebeden, waarin de naam Jesus uitdrukkelijk voorkomt of toch daarop beroepen wordt, zoodat deze naam de eigenlijke kern der gebeden uitmaakt. Bijgevolg kan men zeggen; de Sacramentaliën worden voltrokken door het kruistceken en door den naam van Jesus. Het kruisteeken bewerkt nog geen Sacramentale; de naam Jesus moet daarbij komen; want Jesus heeft het kruis geheiligd en van het oogenblik af, dat de woorden : Jesus Naza-renus! als titel boven het kruis stonden, is het kruis een teeken des heils geworden. Zoo heeft de Kerk het

472

-ocr page 481-

IN \'r BIJZONDEK.

kruis en den Heiligsten Naam met elkander verbonden, om de zegenwerkingen der Sacramentaliën voort te brengen. Want van het kruis komt het heil slechts daarom, wijl Jesus zich daaraan heeft opgeofferd en van zijn Hoogheiligen Naam komt zegen slechts daarom, wijl het de Naam is vin den aan het kruis voor de wereld bloeden-

Iden Verlosser. Door het h. kruisteeken stelt de Kerk aan den hemelschen Vader het groote Verzoeningsoffer zijns Eeniggeboren Zoons voor ; weder herinnert zij Hem, doordien zij den hoogheiligen naam van Jesus uitspreekt, aan alle bloeddruppelen, die Deze, zijn geliefdste Zoon, voor ons heeft vergoten. Wat zou de heraelsche Vader aan de Kerk kunnen weigeren, daar zij haar gebed door zoodanige krachtige beweeggronden ondersteunt? Houdt alzoo, Aand., de Sacramentaliën in eere, stelt er een groot \\ vertrouwen in en bezigt ze volgens het- voorschrift der Kerk met een vrome stemming; God zal er u alles door geven, wat u voor tijd en eeuwigheid dienstig is.den Verlosser. Door het h. kruisteeken stelt de Kerk aan den hemelschen Vader het groote Verzoeningsoffer zijns Eeniggeboren Zoons voor ; weder herinnert zij Hem, doordien zij den hoogheiligen naam van Jesus uitspreekt, aan alle bloeddruppelen, die Deze, zijn geliefdste Zoon, voor ons heeft vergoten. Wat zou de heraelsche Vader aan de Kerk kunnen weigeren, daar zij haar gebed door zoodanige krachtige beweeggronden ondersteunt? Houdt alzoo, Aand., de Sacramentaliën in eere, stelt er een groot \\ vertrouwen in en bezigt ze volgens het- voorschrift der Kerk met een vrome stemming; God zal er u alles door geven, wat u voor tijd en eeuwigheid dienstig is.

OVER HET GEBED.

Over het yebed zal is thans spreken en daarmede den Catechismus op den handel eindigen. Het gebed is een (joed iverk en een genademiddel. Over het gebed als een goed werk, waardoor wij erenzoo als door vasten en aalmoezen geven de tijdelijke zondenstraffen uitwisschen en de eeuwige zaligheid kunneu verdienen, is reeds gesproken ; wij hebben thans het gebed nog als een genademiddel te beschouwen. Nu is de vraag voor alles: wat is het gebed ? De Catechismus antwoordt: »liet gebed is een verheffing des harten tot God, om Hem te loven, te danken, of Hem om eene genade ie vragen ; vandaar de naam lof-, dank- en smeekgebed.quot; Het gebed is meer

473

-ocr page 482-

OVEE HET GEBED IN \'T ALGEMEEN.

474

dan enkel een verheffing der gedachten tot God; want men kan aan God denken zonder te bidden. De booze geesten en de verdoemde zielen in de hel denken voorzeker ook aan God, maar zij bidden niet. Zoo denkt ook menigeen over God, over zijn eigenschappen, over zijne werken na; maar indien hij anders niets doet, dan bidt hij niet. Het denken aan God moet namelijk, als het een gebed zal wezen, met vrome gevoelens en gewaarwordingen verbonden zijn. Wijl nu het hart de zetel is van het gevoel, daarom duidt men het gebed als een verheffing des harten tot God aan. En om nader aan te geven, waarin die gevoelens bestaan, voegt men er aan toe: om God te loven, te danken of Hem om een genade te vragen. Er kunnen namelijk bij het gebed drie gewaarwor-in ons ontwaken, het kan ons dringen. God wegens zijn oneindige grootheid en heerlijkheid te loven en te prijzen, of Hem voor de ontvangene genaden en weldaden te danken, of wel in bewustzijn onzer onmacht en hulpbehoevendheid Hem om nieuwe genaden te vragen. In het eerste geval noemen wij het gebed een fo/gebed, in het tweede een sto^-gebed, in het derde geval een shieeamp;ge-bed. Zoo bijvoorbeeld is het Onze Vader voornamelijk een smeekgebed, het gebed aan tafel een dank- en smeekgebed, het Te Deum een lof-, dank- en smeekgebed tegelijk. Deze drie soorten van gebed zijn meestal meer of min met elkander verbonden, slechts treedt de een of ander soort in de verschillende gebeden bijzonder op den voorgrond. Het is ook heel natuurlijk, dat wij God op de eerste plaats loven en prijzen, vervolgens Hem voor de ontvangen weldaden danken, eindelijk Hem om nieuwe genaden smeeken. Na deze korte voorafgaande opmerking zal ik eerst spreken over het gebed in hel alyemeen, om vervolgens daarover te spreken in het bijzonder, waartoe behooren het mondelinge en inwendige gebed, het Onze Vader en het Wees Gegroet.

-ocr page 483-

11-

Oyst hst gebed in het algemeen.

I. Over de noodzakelijkheid des /jebeds.

Wij kunnen het gebed als een gebod Gods en als een middel ter zaligheid beschouwen, iu deze beide opzichten is het gebed noodzakelijk.

1) Of wij bidden of niet bidden, is aan onze willekeur niet overgelaten, tot het gebed verplicht reeds Gods gebod. De plicht van te bidden is reeds op de natuurwet gegrond en het staat bijgevolg ieder mensch in \'thart geschreven, dat hij moet bidden. Wij vinden vandaar, dat zelfs de Heidenen, die van de goddelijke Openbaring volstrekt geen kennis droegen, van den plicht te bidden overtuigd waren en ook werkelijk tot hun godheden baden. » Wanneer men,quot; zegt reeds de Grieksche geschiedschrijver Plutarchus, «over de aarde rondwandelt, dan kan men steden vinden zonder muren, zonder wetenschappen, zonder koningen, zonder geld en rijkdommen ; maar een stad, die geen tempel en geen goden heeft, van gebeden en offers niet weet, heeft niemand gezien en ik geloof, dat eerder eeu stad zonder grondslagen, dan een gemeente zonder geloof aan een godheid (en dus ook zonder gebed) zich zou kunnen vormen en bestaan.quot; In de oogen der Barbaren stellen de menschen, die niet bidden zich op de trappen der redelooze dieren.quot; Christenhond ! »zeide dagelijks een Beduin tot een Franschen officier, die zijn gevangene was geworden.quot; Eens sprak deze officier, wegens deze dagelijksche beschimping belee-digd, tot den Beduin ; » Waarom noemt gij mij een hond ? Ik ben wel is waar uw gevangene, maar toch een mensch

-ocr page 484-

OVER HET GrEBED

gelijk gij en meer dan gij !quot; \\gt; Zijt gij een mensch ?quot; antwoordde koelbloedig de Arabier aan hem; «neen, gij zijt een hond. Reeds zes maanden zijt gij mijn gevangene en ik heb u nog nooit zien bidden en ik zou u geen hond noemen?quot; De Beduin had gelijk, want alleen de dieren bidden niet. Wie de natuurwet betracht, die bidt, wijl God dit gebod ieder mensch, zoowel den Christen als den Heiden in het hart heeft geschreven. Wie derhalve niet bidt, die verloochent zijn menschelijke natuur en wordt als een redeloos dier, dat zijn Schepper niet erkent. Een schoone eer voorwaar voor een mensch, die roemt, zich van bidden geemanpiceerd (vrijgemaakt) te hebben !

God heeft ons intusschen het gebod te bidden ook met uitwendige, verstaanbare woorden dikwijls en nadrukkelijk ingeprent. Zoo liet Hij aan de Israelieten weten : {IV Kon. 17, 35. 36.) » Gij zult geen andere goden vreezen en gij zult hen niet aanbidden en gij zult hen niet dienen en gij zult hun niet offeren; maar den Heere, uwen God, die u heeft opgevoerd uit Egyptenland met groote kracht en met een uitgestrekten arm; Hem zult gij vreezen, Hem zult gij aanbidden en Hem zult gij offeren.quot; Deze uitnoodiging. God aanbidden, vindt men schier tallooze malen in het O. Verbond terug. En hoe dikwijls vermaant Jesus Christus tot het gebed ! (Matth. 7,7.) vPetiie, et dabitur vobis, bidt, en u zal gegeven worden,quot; (Mare. 14, 38.) » Viyilate et orate, waakt en bidt, ut non intretis in tentationem, opdat gij niet in bekoring valt! (Luc. 21,36,) » Vigilate, omni tempore oran-tes, waakt en bidt ten allen tijde.quot; Dezelfde vermaning spreken ook de Apostelen aan alle Christenen uit. Zoo schrijft Paulus: (1 Thess. 5, 17.) » Sine iniermissione orate, bidt zonder ophouden!quot; En weder: (Philipp. 4, 6,) «Laat in alles door het gebed en de smeeking, met dankzegging, uwe wenschen bekend worden bij God.quot;

476

-ocr page 485-

in \'t algemeen.

Deze veelvuldige uitnoodigingen tot het gebed, die in de H. Schrift voorkomen, zijn niet enkel een raad, maar een streng gebod, dat iedereen verplicht. Wie het gebed verwaarloost, zondigt evenzeer als hij, die in een of ander een gebod overtreedt en kan bijgevolg niet zalig worden.

Dat het gebed ons is geboden, zal ons nog duidelijker worden, indien wij het ïoezen des yebeds en de soorten ervan in oogenschouw nemen. Elk gebed, het moge een lof-, dank- of smeekgebed wezen, is uit zijn aard een aanbidding Gods; want wij mogen God loven, danken of smeeken, dan geven wij daarmede feitelijk te kennen, dat Hij onze Heer en Schepper, de Almachtige en de bron van alle goed is, dat wij geheel van Hem afhangen, aan Hem alles hebben te danken, in al onze benoodigd-heden naar zijn hulp zijn verwezen en dat wij Hem daarom als onzen Heer en God erkennen en ons aan Hem onderwerpen. Indien wij nu nooit baden, dan zouden wij God geheel ter zijde stellen, ons om Hem zoo weinig bekommeren, als om een vreemden vorst, die ons niet aangaat. Kan God dit toegeven 7 Kan Hij gedoogen, dat de menschen, zijn schepselen, zijn onderdanen, zijn kinderen Hem geheel minachten ? Onmogelijk, of Hij moest ophouden God te zijn. Vordert een vorst, dat zijne onderdanen hem als vorst huldigen, vordert een vader, dat zijn kinderen hem als vader erkennen, zal dan God, onze Heer en Schepper niet vorderen, dat wij Hem als onzen Heer en Schepper huldigen en erkennen? Het gebed is alzoo blijkbaar een gebod ; wie dit gebod niet volbrengt, weigert aan God de verschuldigde hulde en onderwerping en woidt een duivel in menschengedaante.

In het gebed loven wij God; dit geschiedt bijzonder in het lofgebed. Nu is de plicht voor ieder mensch, dat hij God love en prijze; want ter Zijner eere en verheerlijking keeft God de gansche wereld geschapen. Daarom ook wordt

477

-ocr page 486-

OVER HET GEBED

in de H. Schrift zoo dikwijls de uitnoodiging uitgesproken tot alle redelijke en redelooze, levende en levenlooze schepselen, God te loven en te prijzen. Indien derhalve een mensch nooit bidt, dan looft en prijst hij God nooit, hij erkent dientengevolge het doel van zijn bestaan niet, handelt tegen zijn bestemming en zondigt.

In het gebed danken wij God; dit doen wij bijzonder in -het dankgebed. Nu zegt mij, is het niet de plicht van ieder mensch. zich jegens God dankbaar te betoonen ? Zijn wij niet alles door Hem? Hebben wij niet alles van Hem ? Vorderen wij reeds dankbaarheid voor een kleinen liefdedienst, voor een stuk brood, zal dan God van ons voor zulke groote weldaden, die Hij ons bewijst, geen dank verlangen ? Neen, God ziet er met alle gestrengheid op, dat wij Hem dankbaar zijn en ondankbaarheid is een gruwel in zijn oogen. Daarom ook worden wij in de H. Schrift zoo veelvuldig vermaand. God voor zijn weldaden dank te zeggen en het Evangelie verhaalt ons van Jesus Christus, dat Hij het zeer kwalijk nam, als er van de tien melaatschen, die zijn goedheid had genezen, slechts éen op zijn schreden terugkeerde en Hem dankte. Wie alzoo niet bidt, die zondigt tegen den plicht van dankbaarheid; hij is een der verworpenste menschen, die met verdient, langer Gods aardbodem te betreden.

In het gebed vragen wij aan God; dit heeft bijzonder in het smeekgebed plaats. Wat moeten wij nu over een mensch oordeelen, die nooit bidt en bijgevolg ook nimmer iets aan God vraagt ? Klaarblijkelijk dit, dat hij denkt; God kan hem niets geven, of Hij wil hem niets geven, dan wel: hij heeft zijn hulp niet noodig doordien hij wel zelf zich alles kan verschaffen. Maar wie zoo denkt, zoo. oordeelt, die bezondigt zich blijkbaar tegen het geloof. Want is het geen geloofswaarheid, dat God almachtig is en alles vermag; dat Hij oneindig goed is en steeds bereid is, ons goed te doen ? dat wij

478

-ocr page 487-

IN \'t algemeen.

armzalige schepselen zijn, die zonder God volstrekt niets

I vermogen ? Wie derhalve niet bidt, die zondigt tegen het geloof. Bovendien heeft God het vermogen ? Wie derhalve niet bidt, die zondigt tegen het geloof. Bovendien heeft God het smeekgebed bijzonder als middel tot het verkrijgen zijner gaven en genaden aangeduid. «Bidt, en u zal gegeven worden.quot; Wie alzoo niet bidt, die handelt tegen den uitdrukkelijken wil van God, keert de orde om, waarin God zijne genaden en goederen ons wil verleeaen, en maakt zich dus tegen God aan de schandelijkste misdaad schuldig.

Ge ziet alzoo, Aand., dat bidden een gebod Gods is ; gelijk elk gebod, zoo moet een ieder ook dit volbrengen, wil hij niet verloren gaan. Dit gebod moet evenals

Ialle overige geboden ieder, die daartoe in staat is, vervullen. Bijgevolg treedt voor de kinderen de plicht van bidden in, zoodra zij tot de jaren van onderscheiding komen en God leeren kennen. Hierop moeten de ouders wel achtgeven, en vandaar hun kinderen reeds vroegtijdig in het gebed onderrichten en daartoe aanhouden. Wanneer en hoe dikwijls wij moeten bidden, om aan het gebod des gebeds le voldoen, laat zich moeilijk bepalen. Dat wij op Zon- en Feestdagen moeten bidden, is klaar, wijl op die dagen het gebed uitdrukkelijk is voorgeschreven. Wie op die dagen alle gebed lichtzinniger wijze achterwege laat, is voorzeker niet vrij van ; zonde. Goede, heilgierige Christenen bidden dagelijks dikwerf, zonder te vragen, of zij wel tot het gebed verplicht ; zijn. Wie een week of wel een maand lang in \'t geheel niet bidt, die zou van een doodzonde wel niet zijn vrij ; te pleiten. Er zijn ook zekere omstandigheden, waarin alle overige geboden ieder, die daartoe in staat is, vervullen. Bijgevolg treedt voor de kinderen de plicht van bidden in, zoodra zij tot de jaren van onderscheiding komen en God leeren kennen. Hierop moeten de ouders wel achtgeven, en vandaar hun kinderen reeds vroegtijdig in het gebed onderrichten en daartoe aanhouden. Wanneer en hoe dikwijls wij moeten bidden, om aan het gebod des gebeds le voldoen, laat zich moeilijk bepalen. Dat wij op Zon- en Feestdagen moeten bidden, is klaar, wijl op die dagen het gebed uitdrukkelijk is voorgeschreven. Wie op die dagen alle gebed lichtzinniger wijze achterwege laat, is voorzeker niet vrij van ; zonde. Goede, heilgierige Christenen bidden dagelijks dikwerf, zonder te vragen, of zij wel tot het gebed verplicht ; zijn. Wie een week of wel een maand lang in \'t geheel niet bidt, die zou van een doodzonde wel niet zijn vrij ; te pleiten. Er zijn ook zekere omstandigheden, waarin i ieder tot het gebed is verplicht. Zoodanige omstandighe-den zijn ten eerste, wanneer wij ons in staat van doodzonde bevinden; hier moeten wij bidden, omdat wij anders de heiligmakende genade niet kunnen terug erlangen; ten tweede, wanneer wij gevaar loopen, de heiligmakende genade te verliezen, omdat wij zonder het gebed de ver-

479

-ocr page 488-

OVER HET GEBED

zoeking niet kunnen overwinnen ; ten derde, in doodsgevaar, wijl hier het gebed bijzonder noodzakelijk is; ten vierde, wanneer het huisgezin, de gemeente, het vaderland, de Kerk in een groote bedruktheid en gevaar ver-keeren, wijl in dit geval de christ. liefde ons het gebed tot een plicht maakt. Zouden wij in deze en dergelijke aangelegenheden niet bidden, dan begaan wij naar gelang van het gewicht der omstandigheden tegen onzen plicht van bidden eene meer of min zware zonde. Zoudt ge derhalve in den tegenwoordigen tijd voor onzen H. Vader, die zoozeer verdrukt en vervolgd wordt, niet bidden, dan waart ge van zonde voorzeker niet vrij te spreken.

2) Het gebed is echter niet enkel een gebod, maar ook als middel tot de zaligheid voor ieder mensch een h. plicht. Bevindt gij u in staat van genade, dan is het gebed voor u het noodzakelijkste middel tot volharding in het goede; zijt ge in staat van zonde, dan kunt gij zonder het gebed de genade der bekeering niet erlangen. Ge moogt alzoo zondaar of rechtvaardiye zijn, immer moet gij bidden, opdat gij zalig wordet.

a. De H. Ap. Paulus (Philipp. 2, 12) vermaant ons, dat wij »cum metu ei tremorèquot;, met vreezen en beven onze zaligheid moeten bewerken en met recht; want wij staan, zoolang wij op aarde rondzwerven, aan de grootste gevaren onzer zaligheid blootgesteld ; geweldige vijanden omringen ons en zoeken ons elk oogenblik in het verderf te storten. Den ergsten vijand draagt wel ieder mensch in zich zelf; het is de kwade begeerlijkheid, die ons alle goed moeilijk maakt en ons schier zonder ophouden tot de zonde trekt. Over dezen vijand klaagt de Apostel, als hij schrijft: (Rom. 7,22.23.) »Ik heb naar den inwen-digen mensch een welbehagen in de wet Gods; maar ik ontwaar in mijne leden een andere wet, strijdende tegen de wet van mijn gemoed en mij gevangen voerende onder de wet der zonde, die in mijne leden is.quot; Hij wil

480

-ocr page 489-

IN \'T ALGBMEEN.

zeggen ; ik bemin wel het goede en wensch het te volbrengen; maar de kwade begeerlijkheid in mij ligt met mijn wil gedurig in strijd en zoekt mij tot het kwade te trekken. Met dezen vijand staat een ander in verbond, de Satan, die, zooals Petrus (I. 5, 8) zegt, uitgaat als een brullende leeuw, wien hij zou kunnen verslinden. Wij leven bovendien in een wereld, die geheel is bedorven en waar zoovele kwade voorbeelden en ergernissen worden gegeven, dat wij van geluk mogen spreken, indien wij in de deugd niet wankelen en op afwegen geraken.

Wat nu, Aand., is ons tot middel gegeven, dat ons beschermt tegen al die gevaren, ons staande houdt en sterkt, zoodat wij een goeden strijd strijden en de overwinning behalen? Het gebed, het geloofvolle, ootmoedige, aanhoudende gebed. Christus toch zegt uitdrukkelijk : (Matth. 26, 41.) » Viijilate, et orate, waakt en bidt, ut non intretis in tentationem, opdat gij niet in bekoring valt.quot; Door het gebed verkrijgen wij Gods genade, die ons verlicht en uitrust met kracht, om de sluwe aanslagen onzer zielsvijanden te kennen en hun een ernstigen weerstand te bieden. iiZoolang gij bidt,quot; zegt de H. Aug., »moogt ge verzekerd wezen, dat de goddelijke barmhartigheid niet in gebreke zal blijven, u te hulp te komen.quot; «Het gebrul der leeuwen,quot; zegt de H. Chrysostomus, » verdrijft niet zoo zeer de wilde dieren, als het gebed des rechtvaardigen alle vijanden.quot; De vrome kluizenaars in de woestijn van Egypte beraadslaagden eens, zooals de H. Liguorio verhaalt, welke oefening voor ieder Christen tot het erlangen des eeuwigen heils wel het noodzakelijkst zou wezen. En zij kwamen spoedig overeen, dat dit geen ander was, dan het ijverige en aanhoudende gebed. Zij besloten daarom, dat ieder van hen zeer dikwijls met David zou bidden: (Ps. 69, 2.) » Deus in adjuiorium meum intende, God, kom mij te hulpe, Bomine ad adjuvandum

31

481

-ocr page 490-

OVER HET GEBED

me festina, Heere, haast U, om mij te helpen!quot; »Deze vrome mannen,quot; voegt hij er aan toe,»hadden volkomen recht; want indien wij onophoudelijk tot den Heer roepen, zullen wij onfeilbaar tot de zaligheid geraken; zoo wij echter ophouden te bidden, zullen wij ook onfeilbaar ten gronde gaan.quot;

Deze uitspraak van den H. Bisschop bevestigt de ervaring. Zoolang de Christen met ijver en aandacht bidt, houdt hij zich op den weg van deugd. Mogen ook al de verzoekingen, die hem van binnen en van buiten bestormen, uog zoo talrijk en aanhoudend zijn, hij blijft staande, want evenals een sterke paal het boompje, zoo steunt ook het gebed den Christen. Maar indien deze eenmaal het gebed achterwege laat en het geheel verwaarloost of slechts vluchtig en louter onder verstrooiingen verricht, dan is het met hem gedaan. Hij geraakt in een hoogst gevaarlijken staat van lauwheid, die de voorloopster is van de zonde en van het verlies der genade. Petrus geeft ons hier een treurig voorbeeld. Hij had den Zaligmaker herhaaldelijk verzekerd, dat hij Hem nimmer zou verloochenen; ja, elk oogenblik bereid was, met Hem te sterven. Het is volstrekt aan geen twijfel onderhevig, dat het hem met zijne verzekering volle ernst was. Desniettegenstaande werd hij echter aan zijn Heer en Meester ontrouw en verloochende Hem driemaal na elkander op de smadelijkste wijze. Waarom doet deze Apostel, die toch bij elke gelegenheid zulk een vurige liefde had aan den dag gelegd, zoo\'n diepen val ? Waarom anders, dan omdat hij het gebed achterliet? Toen de goddelijke Zaligmaker hem zeide, dat hij zou waken en bidden, sliep hij; in een hoovaardig zelfvertrouwen verwaarloosde hij, voor het uur des gevaars den bijstand Gods af te smeeken; daarom werd hij door de verzoeking overweldigd en ten val gebracht. Gelijk het Petrus ging, zoo gaat het tallooze Christenen. Zij meenen voorwaar, dat niets in de

482

-ocr page 491-

IN \'T ALGEMEEN.

wereld in staat is hun deugd aan \'t wankelen te brengen en zeggen met Paulus: (Rom. 8, 35.) » Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Verdrukking ? of beangstiging ? of honger ? of naaktheid ? of gevaar ? of vervolging ? of zwaard ?quot; Maar onverwachts geraken zij in de strikken van Satan en verliezen den kostbaren schat der genade. Onderzoeken wij naar de oorzaak van hun val. dan bevinden wij schier altijd, dat zij in het gebed nalatig werden en bijzonder ten tijde der verzoeking achterwege lieten, God om hulp en bijstand aan te roepen. Zoolang zij met ijver baden, stonden zij gelijk onbeweeglijke rotsen, waarop de schuimende baren zich machteloos verbrijzelen ; maar als zij ophielden met bidden, werden zij zwak als een riet, dat elke windstoot ter aarde buigt. Bidt derhalve, Aand., bidt zonder ophouden ; want het gebed is het noodzakelijkste middel tot het behoud der genade en tot volharding in het goede.

h. Zucht ge echter in de boeien der sonde, bidt dan des te ijveriger, want tot een degelijke bekeering en het erlangen der genade is voor u niets noodzakelijker dan het gebed. Wij lezen in de H. Schrift van vele zondaars, die zich bekeerd hebben, maar van niet een enkelen lezen wij, die het gewichtige werk van boetvaardigheid en bekeering zonder gebed heeft tot stand gebracht. Het eerste geluid. dat uit den mond van den boetenden David voortkwam, was een rouwmoedige bekentenis zijner zonden, een gebed. Met een volle vermorzeling des harten verzuchtte hij ; (II Kon. 12, 17.) » Peccavi Domino, ik heb gezondigd tegen den Heer!quot; Mijn Heer en mijn God, wilde hij zeggen, wat heb ik gedaan? U, mijn groeten God, miju Beschermer en Weldoener van der jeugd af, heb ik beleedigd, zoo zwaar beleedigd ! Ach, heb erbarming met mij ! — En ook, nadat hij genade had gevonden, zette hij het gebed met den grootsten ijver voort. Zooals hij zelf zegt, bad

483

-ocr page 492-

OVKR HET GEBED

484

hij zevenmaal des daags den Heer en zelfs in het nachtelijk uur stond hij op en verrichtte zijn gebed met tranen. De moordenaar aan \'t kruis, hoe ving hij zijn bekeering aan ? Met het gebed. » Heere,quot; smeekte hij tot Jesus, (Luo. 23, 42) i) gedenk mijner, als Gij in uw rijk komt!quot; Hetzelfde deed ook Paulus, deze voorheen zoo\'n woedende vervolger der Kerk, hij sloot zich te Damascus drie dagen lang in een huis op en bad onophoudelijk. » Sta op,quot; sprak daarom Christus in een visioen tot Ananias (Hand. 9, 11) »en ga in de straat, de Rechte geheeten, en vraag in het huis van Judas naar eenen man uit Tarsus, met name Saulus, want zie, hij bidtquot; En zegt zelf, Aand., hebt ge ooit een zondaar ontmoet, die zich zonder het gebed waarlijk bekeerd heeft ? Voorzeker geen, allen hebben het werk van boete met het gebed aangevangen en het gebed ook daarna vlijtig beoefend. Zag men ze te voren zelden of nooit in de kerk, na hun bekeering zochten zij ze op zoo vaak het hun mogelijk was, en baden met een aandacht, die iedereen stichtte ; lieten zij vroeger schier altijd het huiselijk gebed \'s morgens en \'s avonds en op andere tijden van den dag achterwege, in \'t vervolg deden zij het met de grootste nauwkeurigheid, ja, zij onderbraken menig uur den slaap en besteedden het aan \'t gebed. Leefden zij vroeger louter in verstrooiing, zonder ook maar een goede gedachte in zich te laten opkomen of aan een opwekking der genade gehoor te geven, later verhieven zij schier elk uur hun hart tot God en oefenden ijverig het inwendige gebed. Die uren, welke zij in hun lichtzinnig werelden zondig leven aan dans, spel, herberg, koffiehuis en andere genoegens doorbrachten, wijdden zij aan de aanbidding van Jesus in het Allerheiligste Altaarsacrament, aan de devotie van den kruisweg, aan de vereering der Zaligste Maagd en der Heiligen, aan de geestelijke lezing en godsdienstige gesprekken. Zoo gedroegen en gedragen

-ocr page 493-

IN \'t algemeen.

alle Christenen zich, die den weg van boetvaardigheid hebben betreden.

Wat zal ik alzoo van zondaars zeggen, die geheele dagen en weken nauwelijks een OnzeVader bidden? Die op Zon- en Feestdagen, in plaats van volgens hun christ. plicht den godsdienst te bezoeken, gaan wandelen, bezoeken afleggen, in herbergen zitten of zich in huis met den arbeid of het lezen van slechte boeken als romans onledig houden? Wat zeggen van Christenen, die, niet tevreden, dat zij zelf den geest van godsvrucht in hun hart geheel en al hebben gedood, ook nog spotten en zich vroolijk maken over degenen, die liefde tot het gebed aan den dag leggen ? O, ik kan slechts dit zeggen: zoolang zij zich als vijanden en verachters van het gebed voordoen, blijven zij in staat van zonde en vallen heel zeker, indien zij niet van zin veranderen en beginnen te bidden, aan de eeuwige verdoemenis ter prooi. «Wij gelooven,quot; zegt Gennadius, »dat niemand tot de zaligheid komt, indien God hem daartoe niet uitnoodigt; dat niemand, die daartoe is uitgenoodigd, zijn heil bewerkt, indien God hem niet bijstaat; maar dat niemand dien bijstand verdient dan hij, die bidt. Nemen wij alzoo eenerzijds aan, dat de mensch zonder den bijstand der goddelijke genade niets vermag en anderzijds dat God dien bijstand gewoonlijk slechts aan hem verleent, die bidt, dan volgt hieruit heel natuurlijk, dat het gebed ons tot de eeuwige zaligheid volstrekt noodzakelijk is.quot;

Zoo is het, Aand. ! Het gebed is ons allen, zoowel zondaars als rechtvaardigen tot het verkrijgen des eeuwigen heils noodzakelijk. Behooren wij tot het getal der rechtvaardigen, dan moeten wij bidden, opdat wij in de gerechtigheid tot het einde toe volharden. »Het gebed toch is,quot; zooals de H. Aug. zegt, »de spijs der ziel.quot; »Zoo min het lichaam,quot; voegt deze Kerkleeraar er bij,»zonder spijs kan leven, zoo min kan ook de ziel zonder gebed haar

485

-ocr page 494-

OVER HET GEBED

leven d. i. de heiligmakende genade bewaren.quot; Zijn wij zondaren, dan moeten wij bidden, opdat wij ons kunnen be-keeren, want geeft God ook al aan ieder mensch de eerste genade, bijzonder tot het gebed, dan hangen toch de verdere genaden, die tot het werk der bekeering gevorderd worden, in den regel van het gebed af. Houdt de rechtvaardige op te bidden, dan wordt hij een zondaar, vangt de zondaar met bidden aan, dan wordt hij een rechtvaardige. Wijl derhalve het gebed als gebod en als middel volstrekt noodzakelijk is tot de zaligheid, daarom zij er onder u niemand, die het verwaarlooze. Ieder bidde met ijver en aandacht ten einde zijn ziel te redden en aan de heerlijke vruchten van het gebed deelachtig te worden.

II. Over de vruchten des q

Het gebed brengt de heerlijkste vruchten voort; want 1) het vereenigt ons met God; 2) maakt ons hemelsch gezind; 3) ster/ct ons tec/en het kwaad; 4) geeft ons kracht en tast tot het goede ; 5) troost ons in droefheid; 6) verkrijgt voor ons hulp in den dood en de yenade van volharding tot het einde toe.

Beschouwen wij thans in \'fc kort deze voortreffelijke werkingen des gebeds.

1) De H. Franc. v. Sales verklaarde eens aan de kinderen de vreugde onzer stamouders in het paradijs. «Een der zoetste genoegens,quot; sprak hij, »was dit, dat Adam en Eva met den lieven God zelf omgingen en met Hem als met een liefdevollen Vader mochten spreken.quot; Alsdan riep een knaap : »Ach, hoe jammer, dat dit nu niet ook zoo meer is! Hoe gaarne zou ik met God zelf willen spreken en hoe schoon ware het met Hem te kunnen omgaan !quot; De H. Bisschop was over deze weemoedige klacht van den knaap zeer verheugd, lachte en sprak : »Wees getroost, mijn kind! indien ook al het paradijs door de

486

-ocr page 495-

IN \'t algemeen.

487

eerste zonde verloren ging, den lieven God toch hebben wij niet verloren, overal is Hij ons nabij, telken ure en op alle plaatsen kunnen wij met Hem spreken — namelijk in het gebed. In het gebed kunnen wij omgang met Hem hebben, als kinderen met hun liefdevollen vader, en deze omgang met God heeft volgens de H. Schriftuur niets treurigs en zijn gezelschap niets afkeerigs, maar slechts lust en vreugde.quot; —• Zoo is \'t, Aand., het gebed is die geheimnisvolle ladder, waarop wij tot God opklimmen en in het innigst verkeer met Hem treden. Zoo vaak wij met aandacht bidden, komen wij God naderbij, bewonderen zijn macht, zijn majesteit, zijn liefde, huldigen Hem als onzen Fleer en Schepper, danken Hem voor de tallooze weldaden, die ons onophoudelijk uit zijn handen toevloeien, bevelen ons aan zijn vaderlijke goedheid aan en smeeken vol vertrouwen tot Hem, dat Hij ons geve, wat wij voor tijd en eeuwigheid behoeven. En God ziet vol teederheid en liefde op ons neder, luistert naar elk onzer woorden, die wij tot Hem richten en spreekt zelf door zijne inwendige inspraken tot ons, doordien Hij ons onderricht, troost, ons op onze fouten opmerkzaam maakt, ons moed inspreekt en ons vermaant, dat wij ons zonder voorbehoud aan Hem overgeven. O wat een eer, welk een genade, die ons door het gebed ten deel valt! «Dit,quot; zegt de H. Chrysostomus, »is de hoogste waardigheid en een eere, die zelfs de heerlijkheid der Engelen overtreft, dat het schepsel met zijn Schepper spreken en vertrouwelijk met hem kan omgaan.quot; Zegt zelf, zoudt ge u niet bovenmate gelukkig achten, indien het u gegund ware, elk uur van den dag bij den koning toegang te hebben en met hem zoo hartelijk als een kind met zijn vader te mogen spreken? En ziet, een ongelijk grooter geluk verschaft het gebed aan u, want het leidt u tot God, den Koning van hemel en aarde en maakt, dat gij u vertrouwelijk met Hem kunt onderhouden. Moet het gebed niet

-ocr page 496-

OVER HET GEBED

reeds op dezen grond u als de grootste genade toeschijnen? Waar toch zou de mensch liever zijn dan bij God, waar het schepsel liever dan bij zijn Schepper, waar het kind liever dan bij zijn Vader? Wij mogen ons vandaar niet verwonderen, dat de Heiligen geen zaliger genoegen vonden, dan te kunnen bidden, dat zij elk vrij oogenblik aan het gebed besteedden en zelfs in de bezigheden en de verstrooiingen der wereld dikwerf in zich zelf keerden en baden, de liefde, die in hun hart brandde, drong hen, zich steeds weder in het gebed met God te vereenigen. Zoo daarom een mensch niet mag bidden en elke gebedsbetrachting hem verveling en afkeer veroorzaakt, is dit dan niet een duidelijk teeken, dat hij slechts zin heeft voor het aardsche en het geluk, met God omgang te hebben, volstrekt niet weet te waardeeren? O bant toch die ongeregelde liefde voor de wereld uit uw hart en laat daarin de liefde Gods opleven, dan zal het gebed voor u een zeer noodzakelijke behoefte worden en ge zult in de oefeningen van godsvrucht een ongelijk grooter genoegen smaken, dan in de genoegens en vermaken der wereld.

2) Wijl het gebed ons met God vereenigt, daarom is het heel natuurlijk dat het ons hemelsch rjezind maakt. De mensch neemt schier altijd de gezindheid en zeden van diegenen aan, met wie hij veel verkeert. Beweegt hij zich steeds in het gezelschap der kwaden, dan zal hij spoedig zijn goede grondstellingen verliezen, lichtzinnig worden en zich aan de zonde in de armen werpen. Is hij daarentegen gewoon omgang met de goeden te hebben, dan zal hij naar hun voorbeeld zich richten en het pad van deugd betreden. Hoe zou het nu ook anders kunnen zijn, dan dat (Jhristenen, die in een ijverig gebed dikwijls met God verkeeren, zich naar Hem vormen, liefhebben, wat Hij liefheeft, doen, wat Hem welgevallig is? «Zoo degenen,quot; zegt de H. Chrysostomus, »die met

488

-ocr page 497-

IN \'t algemeen.

489

wijze mannen veelvuldig in aanraking komen, in een korten tijd door de wijsheid van hen tot geheel nieuwe menschen worden herschapen; wat moet er dan niet gebeuren met hen, die door het gehed in een veelvuldig verkeer zijn met de eeuwige en hoogste Wijsheid ?quot; Hoe wijs, deugdzaam, vroom en matig moeten zij niet worden door het gebed ? » Evenals het was,quot; zegt de Eerw. Lodewijk v. Granada, »in de zon uitbleekt en dagelijks reiner en witter wordt; zoo ook de ziel die zich door het gebed in de Zon der gerechtigheid stelt.quot; De H. Schrift verhaalt ons van Mozes, dat van zijn hoofd stralen uitgingen en zijn aangezicht glansde, als hij van den berg Sinai, waar hij veertig dagen bij God verwijlde, weder tot het volk nederdaalde. Zoo wordt de ziel des Christens, die in een h. aandacht met God zich vereenigt, omgekeerd en verheerlijkt. Het gebed brengt ons steeds indien wij het geheel in den geest van godsvrucht verrichten in een h. stemming; het verlicht ons, zoodat wij van den eenen kant de grootheid en beminnenswaardigheid Gods, de schoonheid der deugd en het gewicht onzes heils, amp;n van den anderen kant de hatelijkheid en het verderf der zonde en de nietigheid van al het aard-sche erkennen ; het vervult ons met afschuw voor het kwaad en met liefde tot de deugd ; het doodt in ons de ongeregelde begaerten en hartstochten, en wekt in ons de verlangens op naar de eeuwige goederen ; het moedigt ons eindelijk aan, groote dingen te doen voor God en ons aan Hem geheel ten offer te brengen. Deze werkingen bracht het gebed in alle Heiligen te weeg. Of van waar kwam het toch, dat zij de goederen en genoegens der aarde, waarnaar de menschenkinderen zoo rijkhal-zend streven, nauwelijks een blik gunden en daaraan niet zelden geheel verzaakten ; dat zij armoede, smaad, vervolging en rampspoeden van allen aard niet alleen geduldig, maar zelfs blijmoedig leden ; dat zij te midden

-ocr page 498-

OVER HET GEBED

der ■wereld hun onschuld bewaarden en meer als Engelen dan als menschen leefden ; dat zij terwijl zij zoo groote dingen onder de menschen uitwerkten en dier tijdelijk en eeuwig welzijn op alle wijze bevorderden, hun eeuwig heil onbeweeglijk in het oog hielden, en geen vuriger verlangen koesterden, dan ontbonden te worden en met Christus te zijn ? O, vanwaar anders dan van hun leven des gebeds, dat zij met een bewonderingswaardigen ijver plachten te verrichten ? En wie toch zijn nog heden die Christenen, welke dezen naam in waarheid verdienen; die Christenen, welke zich voor het bederf der wereld onbevlekt bewaren en God zoowel in goede als in kwade dagen met een gelijke trouw dienen ? Kunt gij er mij slechts een, die geen vriend van het gebed ware, met name opnoemen ? Gaat daarentegen degenen na, die van het gebed niets willen weten, of hoogstens een kort lippengebed verrichten ; hoe is er hun wandel aan toe ? Zij zijn, zooals gij allen weet, menschen, die slechts een hart voor de wereld, maar niet voor God bezitten, menschen, die gaarne van het bezit Gods en den hemel zouden afzien, indien zij slechts steeds op de aangebeden aarde zouden kunnen blijven. Ja, indien de mensch eenmaal geheel ophoudt te bidden, dan wordt hij een booswicht, en er treedt in hem een toestand van zedelijke ontaarding, die zich zelfs in zijn uitwendige afspiegelt, terwijl het voorkomen van den vromen bidder sporen van het goddelijke aan zich draagt. Bemint derhalve, Aand., het gebed, en beoefent het met ijver ten allen tijde; want het gebed maakt ons hemelsch gezind, veredelt ons en leidt onze schreden op den weg des heils.

3) Het gebed sterkt ons ook tegen het kwaad. Er was een jongeling, met name Pacho, die zich in de woestijn Scete begaf, om aldaar voor zijn zonden boete te doen. Na vele jaren werd hij echter zoo vreeselijk door vlee-schelijke bekoringen overvallen, dat hij in een soort vau

-ocr page 499-

IN ?T ALGEMEEN.

491

vertwijfeling met de gedachte omging, zich zelf het leven te benemen. »Het is beter,quot; sprak de dwaas bij zich zeiven, »dat ik aan dit ellendig leven voor goed een einde maak, daar het mij toch tot niets anders dient, dan om de straffen der verdoemenis nog te vermeerderen.quot; Zoo ging hij voort en legde zich bij de opening van een hol neder, met het oogmerk, dat twee wilde hyena\'s, die daar hun oponthoud hielden, des avonds uit haar leger zouden komen en hem verscheuren. Reeds had hij geheel ontkleed een langen tijd daar gelegen, als op eenmaal beide dieren met een groote woede op hem toesprongen. Toen zij hem echter aanraakten, waren zij plotseling als omgekeerd en heel zachtzinnig geworden, zij legden zich aan de voeten van den kluizenaar neder, begonnen hem te liefkoozen, als waren zij twee lieve hondjes. Dit wonder gaf den jongeling zooveel moed, dat hij zich weder aankleedde en geheel opgeruimd in zijn eenzaamheid terugkeerde, evenals had hij een groote overwinning behaald. Doch de helsche vijand was niet heengevloden, maar had zich slechts teruggetrokken, om hem des te heviger aan te grijpen. Spoedig kwam de oude verzoeking weer opdagen en bestormde hem meer dan te voren. De jongeling liet allen moed zinken en verviel in de vorige vertwijfeling. Hij verliet op nieuw de eenzaamheid en was er op uit, zich zoo spoedig mogelijk van kant te maken. Hij zag in \'t zand een giftige adder liggen, hief ze op, prikkelde en vertoornde ze, om ze nog woedender te maken, en legde ze met een groote onverschrokkenheid aan zijn ontbloote borst. Maar de adder had, ondanks al zijn sarren, geen woede en ook geen gif voor hem ; zij liet hem ongedeerd. Nu keerde de onwetende mensch zijn toorn tegen den hemel en klaagde bitterlijk, dat deze zoo mild met den dood is voor degenen, die hem vluchten, ea zoo karig jegens dengene, die hem zoekt. Maar ziet! eensklaps verneemt hij een stem in

-ocr page 500-

OVER HET GEBED

zijn binnenste, die hem toeroept: » Eampzalige ! wat vangt gij aan ! Meent ge, door uw eigen krachten de bekoringen te kunnen overwinnen ? Bid, lid! en wanneer gij, uw eigene rampzaligheid erkennend, al uw vertrouwen op God hebt weten te stellen, dan zult gij overwinnen.quot; De jongeling kwam nu van zijn verblindheid terug; hij ving aan te bidden, en zoo dikwijls de verzoeking weder opdoemde, bad hij andermaal met allen ijver, en kwam telkens zegevierend uit den strijd.

Zietdaar, Aan., de kracht des gebeds, het verleent ons, zwak als wij zijn, een sterkte, waar tegen alle vijanden onzes heils niets vermogen. » De macht der hel,quot; zegt de H. Bern., »is voorzeker groot, maar. het gebed is toch nog machtiger dan alle booze geesten, wijl de ziel door het gebed den bijstand Gods, die alle geschapene macht verre overtreft, erlangt.quot; Al is het daarom ook al, dat dan deze, dan gene bekoring- in uw hart opdoemt, dat ge door de hartstochten van hoogmoed, hebzucht, onzuiverheid, nijd en toorn bestormd wordt, moet ge derhalve den moed niet verliezen; neemt slechts uw toevlucht tot het gebed; want zoolang gij bidt, met ijver en vertrouwen bidt, zijt ge onoverwinlijk. God is almachtig en de hulp des Almachtigen bewerkt het gebed voor u, wat zou u ten val kunnen brengen? O, indien gij bij elke bekoring, die u overvalt, aanstonds tot God om hulp roept, is het onmogelijk, dat gij zondigt. Alle nederlaag, die vleesch, wereld en Satan u toebrengen, hebben enkel hierin hun grond, dat gij niet bidt; want indien gij het gebed achterwege laat, zijt gij strijders zonder wapenen en moet het onderspit delven. Bidt alzoo, roep ik u nogmaals toe, bidt ten allen tijde, voornamelijk op het oogenblik der verzoeking, opdat gij sterk wordt in uw zwakheid en over uwe zielsvijanden de overwinning behaalt.

4) Bidt, want het gebed (/eeft ons bovendien lust en

492

-ocr page 501-

TN \'T ALGEMEEN.

493

i kracht ten goede. kracht ten goede. Wij moeten niet enkel de zonde vermijden, maar sok het goede doen, indien wij ons eeuwig heil willen bewerken, want de hemel is een loon, dat slechts aan de vlijtige arbeiders in den wijngaard des Heeren wordt uitbetaald. Wie het goede, wat hij doen kan en moet, verwaarloost, die deelt het lot met den tragen dienstknecht, die zijn talent in de aarde begroef en derhalve geworpen werd in de uiterste duisternissen, waar geween is en knarsing der tanden. Het is dus een strenge plicht, dat wij ons volgens de vermaning des Apostels beijveren, onze roeping en uitverkiezing door de goede werken zeker te maken. (II Petr. 1, 10.) Nu zijn wij wel van nature tot het goede heel traag en het vervullen onzer godsdienst- en beroepsplichten, alsmede het beoefenen der christ. deugden baart ons vele moeilijkheden. Wij gelijken een schip, dat steeds stroomafwaarts wordt gedreven en slechts met moeite stroomopwaarts kan gebracht worden. Maar het gebed staat ons weder ten dienste en stelt ons in staat, het goede ondanks onze zwakheid en geneigdheid tot het kwade te volbrengen. Wat het voedsel is voor het lichaam, dat is het gebed voor de ziel. Zijn wij afgemat en zwak, dan bekomen wij, als wij voedsel tot ons nemen, weder kracht, zoodat wij onzen arbeid weder kunnen verrichten. Evenzoo versterkt het gebed onzen geest en stelt ons in staat met ijver en volharding den weg van deugd te bewandelen. Daarom noemt de H. Aug., het gebed het voedsel der ziel, en de H. Chryst. zegt: «Evenals de wortel noodzakelijk is, opdat er kracht en sap in den boom kome en evenals het fundament bij den bouw noodzakelijk is, opdat het huis sta en behouden blijve; zoo is het gebed ook noodzakelijk, opdat de geest krachtig, de deugd bloeiend en de volmaaktheid voltrokken worde.quot; Een evenzoo beroemde toonkunstenaar als vrome Christen, Joseph Haydn, bevond zich eens in een voornaam gezelschap en onder-

-ocr page 502-

OVER HET GEBED

hield zich daarmede. Alsdan bracht éen der aanwezigen de vraag te berde, hoe wel de inwendige krachten, iodien zij door een aanhoudenden arbeid waren afgemat, het spoedigst en het best weder konden hersteld worden. Een van het gezelschap zeide, in zoo\'n geval help ik mij het best met een flesch wijn, een ander verklaarde, dat hij, indien hij zich door den arbeid overspannen gevoelde, zich in een vroolijk gezelschap weder zocht op te wekken. Toen men den vromen toonkunstenaar vraagde, van wat versterkingsmiddel hij zich bediende hij zijne vele werk- | zaamheden, antwoordde hij bescheiden : »Ik houd er in mijn woning een kleine kapel op na, daar ga ik heen om te bidden als ik mij afgemat voel. En dit middel heeft bij mij zijn versterkende werking nog nooit nagelaten.quot;

Doet ook gij, Aand., wat deze vrome toonkunstenaar gedaan heeft, gevoelt ge u zwak en mat ten goede, begeeft u dan tot het gebed en ge zult bij de oefeningen van deugd weder lust en kracht winnen. Gaat toch Jesus zelf u niet met zijn voorbeeld voor ? Hij heeft gebeden, driemaal gebeden, als doodsangst zijne ziel aangreep. En zijn hemelsche Vader heeft Hem een Engel gezonden, die Hem oprichtte in zijn angst en sterkte, zoodat Hij in een volle rust en vastberadenheid zijn lijdensweg betrad en dien op Golgotha voleindde. Ziet, zulk een Engel zal God ook u toezenden, indien gij in uw zwakheid en onmacht met ijver bidt, Hij zal u bemoedigen en versterken, zoodat gij met een nieuwen lust de hand aan het werk : uwer zaligheid slaat en het gelukkig ten einde brengt. !

6) Het gebed troost ons in droefheid. De aarde is een dal van tranen en tallooze verzuchtingen ontboezemen zich dagelijks aan de borst der arme kinderen Eva\'s. Recht heeft de wijze Sirach, als hij zegt: (Eccl. 40, 1.) «Voor ieder mensch is groote onrust bestemd en een zwaar juk den kinderen van Adam opgelegd, van den dag huns uitgangs uit den moederlijken schoot, tot op den dag der

494

-ocr page 503-

IN \'X ALGEMEEN.

495

terugkeering tot aller raoeder (de aarde).quot; Maar ziet, in het gebed hebben wij een onverzegelde bron van troost in alle aangelegenheden en rampspoeden des levens. God zelf toch spreekt door den mond van den koninklijken Profeet: (Ps. 49, 15.) »Invoca me in die tribulatioms, roep Mij aan in den dag der benauwdheid ; eruam te, Ik zal er u uitredden, et honorificabis me, en gij zult Mij eeren.quot; En Christus noodigt met de liefelijkste woorden alle bedrukten tot zich uit en belooft hun troost en hulp, doordien Hij zegt: (Matth. 11, 28.) «Komt tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u verkwikken.quot; Wat is ook natuurlijker, dan dat wij in het gebed troost vinden ? Wordt het ons reeds ruimer om het hart, wanneer wij een deelnemenden vriend aantreffen, aan wien ■wij onze aangelegenheden kunnen openbaren, hoeveel te meer moeten wij troost uit het gebed scheppen, waarin het ons is gegeven, met. God zelf heel vertrouwelijk te spreken en aan H^m alles te ontdekken, wat ons op het hart drukt.? Dit wisten de Heiligen, daarom zochten zij in de wederwaardigheden dezes levens hun voornaamsten troost in \'t gebed. Zoo David, die van zich zeiven zegt; (Ps. 117, 5.) )) De tribulatione invocavi Dotninum, ik riep den Heer aan uit den nood; et ewaudimt me in laiitudine Dominus, en de Heer heeft mij verhoord in ruimte.quot; Ook Paulus wendt zich in elke aangelegenheid tot het gebed en wordt telkenmale getroost. Hij schrijft: (2Cor. 1,4.) »Deus consolatur nos in omni tribulatione nostra, God vertroost ons in al onze verdrukking; ut jJossimus et ipamp;i consolari eos, opdat ook wij zei ven hen kunnen vertroosten, qui in omni pressura sunt, die in allerlei verdrukking zijn.quot; Een vrome dienares Gods begaf zich altijd, indien zij ziek of soms door een of ander lijden bezocht was, aanstonds naar het Allerh. Sacr. des Altaars en stortte daar voor Jesus haar hart uit. Hem vol vertrouwen en ootmoed haar nood klagend en ziet altijd vond zij verhooring

-ocr page 504-

OVER HET GEBED

en ging zoo rustig en getroost naar huis, alsof niets onaangenaams haar was wedervaren. Doet ook zoo, Aand., neemt aanstonds tot het gebed uw toevlucht, wanneer een rampspoed u treft, ik verzeker u, ge zult u altijd verlicht gevoelen en getroost uit het gebed opstaan.

6) Doch het gebed verschaft ons niet enkel troost, maar ook hulp en heel bijzonder de yenade van volharding tot aan onzen dood. Er zouden in de geneeskunde zoo durft men beweren middelen bestaan, die alle ziekten, van welken aard ze ook zijn mogen, verdrijven en de gezondheid teruggeven. Of dit wel zoo zijn zal, betwijfel ik zeer, maar zooveel is zeker, dat de godsdienst een algemeen middel bezit tegen alle kwalen en dit is het gebed. Duidt Jesus Christus zelf het gebed niet als een algemeen middel aan, wanneer Hij zegt: (Matth. 7, 7.) »Bidt en u zal gegeven worden?quot; En nog duidelijker: (Matth. ^1, 22.) »Al wat gij in het gebed, geloovende, zult bidden, dat zult gij ontvangen.quot; Een algemeen middel tegen alle kwalen is het gebed ook volgens de H. Vaders, zooals bij den H. Chrysostomus, die zegt: »Het gebed is een verblijf van toevlucht en troost voor alle bedroefden, de korte inhoud der opgeruimdheid, een middel ter verkrijging eener zoete blijdschap; het gebed is een zeehaven voor allen, die door een storm beloopen, een anker voor die, welke op zee worden heen en weer geslingerd; een steun voor de neergeslagenen, een schat voor de armen, een bolwerk voor de rijken, een heilmiddel voor de zieken, een behoedmiddel voor de gezonden.quot; »De kracht des gebeds,quot; zegt de H. Bonaventura, »is onberekenbaar, het kan ons al het nuttige bezorgen en al het schadelijke van ons verwijderd houden. Wilt ge de wederwaardigheden geduldig dragen, geeft u over aan het gebed. Wilt ge de verzoekingen en alles, wat u in het goede hindert, overwinnen, geeft u over aan het gebed. Wilt ge de listen des boozen vijands kennen en aan zijne strikken ont-

496

-ocr page 505-

IN \'T ALGEMEKN.

komen, geeft u over aan liet gebed. Wilt ge blijmoedig leven in den dienst van God en vroolijk wandelen op de wegen van moeilijkheden en rampspoeden, neemt uw toevlucht tot het gebed.... Wilt ge eindelijk de zonden in u uitroeien en n met deugden verrijken, zoekt uw kracht in het gebed.quot; Tallooze voorbeelden der H. Schrift en der geschiedenis aller tijden bevestigen deze uitspraken en leeren ons, dat het gebed ons dan nog hulp verleent, wanneer volgens het oordeel der menschin geen redding meer mogelijk is.

Het is voornamelijk het gebed, waardoor wij deyena-de van volharding iot den dood toe verkrijgen. Alle men-schen, zelfs de rechtvaardigsten behoeven een bijzondere genade, om tot het einde toe te volharden, — een genade, die de H. Aug. een hemelsche gave noemt, een gave, die de kroon en de voleinding aller genaden is, omdat daarvan de eeuwige zaligheid afhangt. Deze grootste en gewenschtste aller genaden kan in den strengen zin des woords niemand verdienen, zij is een geschenk der erbarmende liefde Gods. De rechtvaardige kan wel verdienen, dat de heiligmakende genade in hem wordt vermeerderd, maar hij kan niet verdienen, dat bij de genade van bijstand, waarmede hij in de heiligmakende genade tot het einde toe volhardt en daarin sterft, verkrijgt. Indien iemand in zijn leven ook al kuischer dan Joseph, geduldiger dan Job, heiliger dan David geweest ware, dan kan God toch toelaten, dat hij door de verzoeking- wordt overweldigd en in de zonde valt, zooals wij dit aan David en Petrus zien. Is hij nu in de zonde gevallen, dan is God niet verplicht hem weder in zijne genade aan te nemen, Hij kan hem in de zonde laten sterven. Hieruit blijkt, dat men, zooals ik heb opgemerkt, de volharding tot den dood toe streng genomen niet kan verdienen. Zoo leert ook de H. Thomas met de woorden: «De volharding op

32

497

-ocr page 506-

OVER HET GEBED

den (laugeu) weg valt niet ouder de verdienste.quot; Wij kunnen deze genade alleen van Gods goedheid hopen op voorwaarde, dat wij vlijtig dat middel aanwenden, wat ons hiertoe door God zelf is aangegeven. En welk is dat middel? Het is het gebed, zooals Christus zegt: (Luc. 21, 36.) «Waakt en bidt ten allen tijde, dat gij waardig moogt gekeurd worden, al deze dingen, die toekomende zijn, te ontvlieden en voor den Zoon des menschen te staan.quot; «Indien alzoo iemand,quot; voegt de H. Thom. er bij, » door de genade, gerechtvaardigd is, dan heeft hij noodig, God om de genade van volharding te vragen, opdat hij namelijk tot aan zijn levenseinde voor het kwaad bewaard blijve. Want aan velen wordt de genade (van rechtvaardiging) verleend, aan wie het volharden in de genade niet wordt verleend.quot; God doet hier, wat voor tijden de bewoners der Balearische eilanden gewoon waren te doen. Om van hun zonen heel goede schutters te maken, bestond bij hen het gebruik, dat zij nimmer hun het brood in de handen gaven, maar het aan de spits van een hoo-gen staak plaatsten, hun boog en pijl gaven en vervolgens tot hen zeiden : »Zie, mijn kind, daar is het brood, verlangt gij het, dan schiet er naar.quot;

Zoo gaat ook God met ons, zijn kinderen, te werk. Hij heeft voor ons den hemel geschapen en is in den hoogsten graad bereid, ons daarin op te nemen; want Hij wil, zegt de Apostel (I Tim. 11,4), dat alle menschen zalig worden, maar Hij stelt ons tot voorwaarde, dat wij onophoudelijk moeten bidden. «Waakt en bidt ten alle tijde, dat gij waardig moogt gekeurd worden, al deze dingen, die toekomende zijn, te ontvlieden en voor den Zoon des menschen te staan.quot; Indien wij alzoo met een aanhoudenden ijver bidden, dan erlangen wij de grootste en kostbaarste aller genaden, de genade van volharding tot den dood toe en daarmede de eeuwige gelukzaligheid.

Hoe heerlijk dus zijn de vruchten des gebeds! Het is

498

-ocr page 507-

IN \'T ALGEMEEN.

499

het gebed, dat ons reeds hier in dit ballingsoord met God vereenigt, dat ons hart van alle aangehechtheid aan het aardsche losmaakt en ons een hemelschen zin instort, dat ons sterkt tot de overwinning der vijanden onzes heils, ons lust en kracht verleent tot de vervulling onzer christelijke en beroepsplichten, ons opricht en troost in eiken rampspoed, dat ons eindelijk hulp verstrekt in alle nooden des levens en de volharding verwerft tot den dood toe. Ik vermaan u ten slotte met de woorden des Apostels: (I Thess. 5, 17). » Sine intermissione cw-afe, bidt zonder ophouden!quot; «Hoeveel heeft Jesus niet gebeden. Geen gewichtig werk ondernam Hij zonder gebed, geheele nachten bracht hij door in het gebed. Hoeveel hebben de Heiligen en alle vrome Christenen niet gebeden! De H. Jacobus bad zoo dikwijls, dat de huid zijner knieen zoo hard werd als de huid eens kameels. De H. Antonius, de vader der kluizenaars, bad geheele nachten en was geheel ontstemd, \'als de opgaande zon hem in zijn aandacht stoorde. De H. Arsenius gunde zich hoogstens een uur slapens en dan verzuchtte hij nog over deze zwakheid en beklaagde zich, dat hij niet ongehinderd in het gebed kon blijven doorgaan. Zaterdags placht hij geen minuut te slapen, maar bad door tot zonsopgang. De H. Caje-tanus besteedde dagelijks acht uren aan het gebed. Alfred de Gr., koning van Engeland, wijdde eveneens dagelijks acht uren aan het gebed. Ook stond hij dikwijls des nachts op en ging in de kerk bidden. Niet minder groot was de gebedsijver van den H. Lodewijk, koning van Frankrijk, die elke vrije minuut aan het gebed wijdde. Ook bad hij dagelijks de getijden voor de overledenen, woonde dagelijks twee en nog meerdere H. Missen bij en gaf zich nog aan andere vrome oefeningen over. Laat u derhalve, Aand., door zoovele laffe Christenen van onzen tijd, die het gebed een vrome lediggang noemen en met dege-

-ocr page 508-

OVER HET GEBED

nen, die het gebed vlijtig beoefeneu, spotten, niet van uw plicht brengen, ziet liever op het voorbeeld van Jesus, van de Heiligen en vrome, heilgierige Christenen aller tijden en volgt hen na; bidt gaarne, bidt ijverig, bidt aanhoudend, opdat gij de genade Gods bewaart, uw heil bewerkt en zalig wordt.

III. Over de eigenschappen des yeheds.

Ik heb u, Aand., thans te spreken over tfe pen van het gebed en moet u de vraag beantwoorden ; hoe wij moeten bidden, om aan de vruchten des gebeds deelachtig te worden. Daartoe moeten wij bidden: a. met aandacht, b. met ootmoed, c. met vertrouwen, d. met overgeving in den wil van God, e. met volharding. Laat ons de vijf eigenschappen des gebeds wat nader beschouwen.

a. Aandacht.

De eerste eigenschap van een goed gebed is de aandacht. Nu moet ik u vooraf verklaren, wat het zeggen wil, aandachtig bidden en vervolgens, hoe cje het moet aanleggen, om een aandachtig gebed te kunnen verrichten.

1) Bij het gebed heeft niet alleen de mond, maar ook en wel bij voorkeur het hart zich onledig te houden. Ware slechts de mond bezig, d. i. zeiden wij enkel de woorden van het gebed op, zonder daarbij iets te denken of te willen, dan zou dit een echt lippengebed en zonder alle waarde zijn. Over Christenen, die zulk een lippengebed verrichten, geldt het woord des Heeren : (Matth. 15, 8.) »Populus hie labiis me humoral, dit volk eert Mij met de lippen, cor autem eorum longe est a me, maar hun hart is verre van Mij.quot; Bij het gebed moet ook het kart

500

-ocr page 509-

IN \'T ALGEMEEN.

werkzaam wezen, d. i. wij moeten met opmerkzaamheid en ijver bidden.

Wat de opmerkzaamheid betreft, zoo is deze van drieërlei aard. De eerste ziet op de vjoorden; raen moet namelijk wel acht geven, dat men de woorden niet verkeerd uitspreke, geen woord weglate, of de lettergrepen op-slikke. Aan deze gebreken maken dikwijls degenen zich schuldig, die met verstrooiing en overhaasting en met het oogmerk, om spoedig gedaan te hebben, bidden. Zij bidden met een haast, dat zij buiten adem raken, of om in een korten tijd veel te kunnen afbidden, of om het gebed, waarin zij weinig lust hebben, zoo spoedig mogelijk ten einde te brengen. Daarbij gebeurt het dan, dat zij menig woord overslaan of ze kwalijk en slechts ten halve uitspreken. Zulk een gebed kan aan God onmogelijk behagen. Verondersteld, er kwam iemand bij u, om u iets te vragen, maar hij sprak zijn verzoek slechts met halve woorden en als in den loop uit, zoudt ge u niet beleedigd achten ? En hoe ? God zal behagen scheppen in een gebed, dat Hem in groote haast, zonder zin of slot gedaan wordt? Strijdt dit niet met den eerbied, dien gij Hem verschuldigd zijt? Hoedt u dus bij het gebed voor een al te groote haast, bidt steeds zoo langzaam, dat het u mogelijk is, alle woorden volledig en duidelijk uit te spreken. Weet wel, dat een Onze Vader, behoorlijk gebeden, Gode aangenamer is dan een geheele rozenkrans, dien gij met de grootste haast en zonder alle aandacht afbidt.

De tv. eede soort van opmerkzaamheid heeft betrekking op den zin der woorden en bestaat daarin, dat wij op alles, wat wij aan God in het gebed voordragen, goed acht geven. Deze opmerkzaamheid is veel voortreöelijker dan de eerste soort: want de woorden des gebeds bezitten geest en leven en gelijken volgens de uitdrukking van den H. Berns. op honinggraten, die niet enkel een onsmakelijk was, maar ook een zoeten honing bevatten.

501

-ocr page 510-

OVER HET GEBED

Het is evenwel niet noodig, dat wij den zin van elk woord afzonderlijk nagaan, maar het is voldoende, als wij op den zin van het geheel acht geven. Men denkt toch ook, indien men tot iemand spreekt, niet aan elk woord afzonderlijk, maar slechts aan den zin van het geheel. Evenzoo vordert ook de opmerkzaamheid in het gebed, waarin wij tot God spreken, niet meer dan dat wij op den inhoud van datgene, wat wij bidden, bedacht zijn. In vele gebedsformulieren komen woorden voor, die menigeen volstrekt niet verstaat, terwijl zij toch den zin van het geheele formulier goed begrijpen en vandaar er zich met nut van kunnen bedienen. Zou men overigens op den zin van elk woord afzonderlijk moeten letten, dan ware het bij de vluchtigheid des menschelijken gees-tes noodzakelijk, dat men schier na elk woord een poos stil hield en zijn gedachten daarop vestigde, alsdan ware een doorloopend gebed volstrekt niet mogelijk en men zou bijv. tot het bidden van een rozenkrans vele urec noodig hebben en daarbij een inspanning moeten aanwenden, die het gebed tot een kwelling maakte. Men geve alzoo acht op den inhoud van het gebed in \'t algemeen en dit is genoeg.

De derde soort van opmerkzaamheid bestaat hierin, dat wij gedurende het gebed onze gedachten op God richten. Bij deze soort van opmerkzaamheid wordt niet wezenlijk gevorderd, dat men de woorden afzonderlijk, ja, den ge-heelen inhoud des gebeds versta, want men heeft den wil God te loven, te danken, de genade van Hem af te itnee-ken, in \'t kort, om tot Hem te bidden en dit strekt volkomen tot een goed en Gode welgevallig gebed. Indien daarom een kind het Onze Vader, waarvan he\'; den zin nog geenszins vat, of een kloostervrouw, die de Latijnsche taal niet verstaat, het Latijnsche brevier (getij boek) bidt, dan doen dezen een goed en heilzaam gebed, indien zij slechts daaronder hun hart tot God verheffen. Zij hebben

502

-ocr page 511-

IN \'T ALGEMEEN.

I de meening en den wil te bidden, daarom neemt God, die hoofdzakelijk op den goeden wil ziet, hun gebed welgevallig aan. Deze opmerkzaamheid is volstrekt noodzakelijk en ligt in de natuur van het gebed, dat een onderhouding is met God. Indien men in het gesprek met 3 iemand zich tot hem keert, met wien men spreekt, zoo moeten wij ons ouk tot God keeren, onze opmerkzaamheid tot Hem richten, indien wij in het gebed met Hem spreken. Wie derhalve bidt en zijn gedachten daarbij geheel elders heeft dan bij God. die bidt eigenlijk in \'t geheel niet, want hij spreekt niet met God, maar met datgene, waaraan hij zijne opmerkzaamheid.schenkt. Voorzeker kan het gebeuren en het gebeurt maar al te vaak, dat onze gedachten in den loop van het gebed van God afdwalen en zich op andere dingen vestigen, in dit geval is het onze plicht, dat wij, zoodra wij deze verstrooiing vernemen, ons weder verzamelen en onze gedachten opnieuw tot God richten. Doen wij dit, dan schaadt de verstrooiing niet, omdat zij niet vrijwillig is. Zouden wij ons echter geen moeite geven, de verstrooiingen te verwijderen, dan ontbreken wij aan den aan God verschuldigden eerbied en waren niet zonder zonde. de meening en den wil te bidden, daarom neemt God, die hoofdzakelijk op den goeden wil ziet, hun gebed welgevallig aan. Deze opmerkzaamheid is volstrekt noodzakelijk en ligt in de natuur van het gebed, dat een onderhouding is met God. Indien men in het gesprek met 3 iemand zich tot hem keert, met wien men spreekt, zoo moeten wij ons ouk tot God keeren, onze opmerkzaamheid tot Hem richten, indien wij in het gebed met Hem spreken. Wie derhalve bidt en zijn gedachten daarbij geheel elders heeft dan bij God. die bidt eigenlijk in \'t geheel niet, want hij spreekt niet met God, maar met datgene, waaraan hij zijne opmerkzaamheid.schenkt. Voorzeker kan het gebeuren en het gebeurt maar al te vaak, dat onze gedachten in den loop van het gebed van God afdwalen en zich op andere dingen vestigen, in dit geval is het onze plicht, dat wij, zoodra wij deze verstrooiing vernemen, ons weder verzamelen en onze gedachten opnieuw tot God richten. Doen wij dit, dan schaadt de verstrooiing niet, omdat zij niet vrijwillig is. Zouden wij ons echter geen moeite geven, de verstrooiingen te verwijderen, dan ontbreken wij aan den aan God verschuldigden eerbied en waren niet zonder zonde.

Tot de aandacht in het gebed wordt behalve de opmerkzaamheid nog de ijver gevorderd. Opmerkzaam bidden heet nog geen aandachtig bidden. Iemand kan heel opmerkzaam wezen op datgene, wat hij bidt en toch onaandachtig bidden. Tot de aandacht behoort, dat wij eensdeels van de volmaaktheden Gods en anderdeels van onze armzaligheid en zondigheid levendig doordrongen en derhalve van eerbied en liefde jegens God, van vertrouwen op Hem, als van berouw, boetesmart, ootmoed en goede voornemens vervuld zijn. Wanneer wij alzoo bij onze gebeden Gods oneindige maabt en heerlijkheid, wijsheid, goedheid en barmhartigheid, kortom zijne volmaaktheden bewonderen, loven en prijzen, ons zelf echter

503

-ocr page 512-

OVER HET GEBED

504

als zwakke schepselen en zondaars erkennen, ons verootmoedigen, onze zonden betreuren, om genade bidden, liefde en gehoorzaamheid beloven, — dan bidden wij met ijver en bij gevolg ook met aandacht. Deze vurigheid behoeft echter, wat wel is op te merken, niet in zinlijke gevoelens te bestaan ; het is genoeg, indien zij zich in onzen wil bevindt. De ijver kan vandaar met een zekere lusteloosheid, koudheid en dorheid, die men bij het gebed gewaar wordt, zeer wel bestaan. Zelfs de grootste Heiligen hadden bij het gebed dikwijls over een groote dorheid te klagen ; hun geest was heel ter neer gedrukt, zoodat zij zich niet tot God konden verheffen ; zij bevonden zich in een toestand, waarin zij naar het scheen, zonder liefde, zonder vertrouwen op God waren. Toch was hun gebed niettegenstaande aangenaam aan God, en zelfs aangenamer dan dat, wat zij onder groote gevoelige vertroostingen verrichtten ; want zij bezaten dat alles, wat tot een goed en vurig gebed gevorderd wordt in den wil, al ontbrak alle zinlijk gevoel hun ook. Vandaar zegt de H. Theresia, die in het leven des gebeds zoo hoogbegenadigde ziel: »Ik wensch geen ander gebed dan dat, wat mij in de deugd doet vorderen. Daarom acht ik het geded in dorheid en verzoekingen voor een der beste; want het maakt mij ootmoediger.quot; Kan men nu zeggen, dat men niet bidt, als men zijn pijnen aan God opoffert en ze overeenkomstig zijn h. wil verdraagt ? Dit is wel een veel beter gebed, dan wanneer men zijn hoofd breekt met verschillende gedachten, en zich overreedt, dat men een innig gebed verricht, als men het daarheen brengt, eenige tranen te kunnen storten ! Het ware derhalve verre gedwaald, als gij het gebed zoudt laten varen, omdat gij u daarbij koud gevoelt, en het u, zooals gij zegt, niet wil vlotten. Gesteld, ge hebt tot het gebed volstrekt geen lust, gij gevoelt daarbij niets dan dorheid en troosteloosheid, of er

-ocr page 513-

in \'t algemeen.

vallen zelfs allerlei zondige gedachten tegen God en zijne Heiligen u in ; geeft daarom het gebed er niet aan ; bidt slee,hts rustig en met ootmoed voort; God, die uw goeden wil ziet, neemt uw gebed heel welgevallig aan en beloont het met zijn rijke genaden. Let slechts hierop ; wie vurig verlangt, goed te bidden, en zich verootmoedigt, die bidt goed, hoe of zijn gebed er ook aan toe mag wezen. Is de wil goed, dan is alles goed.

2) Nu moet ik u nog eenige voorschriften yeven, die tot het verrichten van een aandachtig gebed moeten in acid loorden (/enomen. Hiertoe wordt voor alles een goede voorbereiding gevorderd, zooals reeds de wijze Sirach zegt; (Eccl. 18, 23.) »Ante orationem praepara animam tuam, alvorens gij bidt, bereid u daartoe voor; et noli esse quasi homo qui tentat Detuu, en wees niet gelijk een mensch, die God verzoekt.quot; Het heet dus God verzoeken, als men zonder alle voorbereiding aan het gebed gaat en toch goed wil bidden. Hoe moet ge u nu tot het gebed voorbereiden ? Ge moet u vaa alle aardsche gedachten zooveel mogelijk ontdoen en in u zei ven keeren. «Otn aandachtig te bidden,quot; zegt heel zinrijk de H. Luitgardus, «moet men den Patriarch Abraham navolgen. Toen deze zijn zoon Isaac op den berg Moria zou offeren, liet hij zijn ezel, de dienaren en alles, wat niet tot het offer noodzakelijk was, onder aan den berg achter, doordien hij sprak : als wij gebeden hebben, dan keeren wij tot u terug.quot; Ue verstrooiingen, die bij het gebed zoo-veelvuldig voorkomen, hebben meestal haren grond hierin, dut men te voren niet behoorlijk in zich zeiven keert; want hoe zullen de aardsche gedachten en zorgen gedurende het gebed verwijderd blijven, indien men ze niet aanstonds met allen ernst uit zijn hart bant ? » L)e tijdelijke gedachten,quot; zegt de H. Greg., gt;i hangen als een looden gewicht aan ons gebed en laten het niet ten hemel opstijgen ; daarom moet een ieder, dien het met het ge-

505

-ocr page 514-

OVER HET GEBED

bed ernst is, voor het intreden in het bedehuis er zich van ontdoen en ze achterlaten.quot; Zoo deden de Heiligen. Als de h. abt Steph. v. Citeaux in de kerk trad, drukte hij de deur vast achter zich dicht en sprak: «Gij zorgen en tijdelijke gedachten blijft intusschen hier bulten tot dat ik weerom kom; want ik heb een ernstig en gewichtig werk, ik moet met mijnen God spreken en daarbij kan ik u niet gebruiken.quot; Maakt het ook zoo, Aand., keert telkens alvorens gij bidt voor eenige oogen-blikken in u zelve en zegt: verwijdert u, gij wereldsche gedachten en zorgen ; ik heb op dit oogenblik voor u geen tijd ; want ik moet mijn hart tot God richten en denken aan datgene, wat voor mijn eeuwig heil noodzakelijk is.

Wijl het goede gebed een gave Gods is laat daarom niet achtewege, bijzonder indien gij een langaren tijd wilt bidden. God om deze gave te vrac/cn. «Mijn God,quot; kunt ge zeggen, )i ik zal thans bidden en goed bidden ; maar gij weet, dat ik van mij zeiven dit niet kan. Geef mij derhalve de genade, dat ik bidde, zooals U welgevallig en mij heilzaam is, door de verdiensten van uwen Zoon, Maria en de Heiligen.quot;

Stelt u vervokjetis in de tegenwoordigheid Gods, en tracht u daarin gedurende het gebed zooveel mogelijk te houden. De H. Basilius kent geen krachtiger middel, ingekeerd en aandachtig te bidden, dan indien men zich recht levendig in de tegenwoordigheid van God plaatst. Wie met een aardsche grootheid spreekt, die gedraagt zich zeer eerbiedig; hij is vol oplettendheid, en overlegt wel, wat hij zal zeggen. Zou de gedachte, dat wij in het gebed voor God staan en met Hem spreken, niet bewerken, dat wij ons ingetogen en aandachtig gedragen ? Men waagt het niet een aanzienlijke, die zich gewaar-digt ons toe te spreken, den rug te keeren; hoe durft men het dan wagen. God, den Koning van hemel en

506

-ocr page 515-

in \'t algemeen.

aarde, den rug1 te keeren ? En wat doet hij, die zich in het gebed lichtzinnig verstrooit, en zijn gedachten op de schepselen richt, anders dan dat hij God met den rug aanziet ?

Geraakt ge verstrooid in het gebed, dan moet gij u daarom niet in de war laten brengen of het geduld en vertrouwen verliezen, verstrooiingen toch komen ook met den besten wil dikwijls voor. Het is ook niet noodig, dat gij het gedeelte van het gebed, dat gij verstrooid verricht hebt, herhaalt; want onvrijwillige verstrooidheden doen aan het gebed geen nadeel. God heeft geduld met ons, indien Hij maar een goeden wil bespeurt, en vult door de verdiensten van Jesus Christus aan, wat aan ons gebed ontbreekt. Keert slechts, zoodra gij de verstrooidheid bemerkt, heel rustig in u zelf terug, stelt u opnieuw in de tegenwoordigheid van God en zet uw gebed weder met ijver, waarmede gij bet begonnen zijt, voort. Eu doet dit steeds weder, zoo vaak de verstrooiing bij het gebed zich opnieuw voordoet.

Hebt gij uw gebed ten einde gebracht, dan doet ge, vooral indien uw gebed een tijdlang \'geduurd heeft, goed, als gij God wegens de begane fouten om vergeving vraagt en bijv. met den Eerwaardigen Lodewijk Blosius spreekt: »0 goedigste Jesus, wees mij armen zondaar genadig; zie, ik beveel mijn lauw en verstrooid gebed aan uw honingzoet Hart aan, biddende, dat Gij zelf het verbetert. Ik offer het ü op voor het heil der menschen in vereeni-ging met die volmaakte aandacht, waarmede Gij tot uwen hemelschen Vader gebeden en Hem op aarde geloofd hebt. Ik bid U derhalve ootmoedig, vul alles aan, wat aan dit mijn gebed ontbreekt.quot;

Indien gij deze voorschriften vlijtig nakomt, zult ge een aandachtig gebed, dat God welgevallig aannemen en met rijke genaden beloonen zal, verrichten.

507

-ocr page 516-

OVEH HET GEBED

h. Ootmoed.

Wij moeten met ootmoed, d. i. met een levendige erkenning onzer zwakheid en onwaardigheid bidden. De ootmoed is een wezenlijke eigenschap des gebeds; zonder dat is een gebed volstrekt niet denkbaar. Wat doen wij, als wij bidden ? Of wij loven en prijzen God en aanbidden Hem, of wij danken Hem, of wij bidden Hem om zijn weldaden. Loven en prijzen en aanbidden wij Hem, dan betuigen wij, dat Hij is de Heer van hemel en aarde, de samenvatting van alle goed, dat wij daarentegen in vergelijking met Hem volstrekt niets zijn en wij ons aan Hem geheel en al onderwerpen. Is dit niet de uitdrukking des ootmoeds? Danken wij Hem, dan betuigen wij, dat alles, wat wij hebben en zijn, van Hem komt, dat wij ons zeiven niet kunnen helpen en wij geheel van zijne goedheid afhangen. Is dit niet weder de uitdrukking des ootmoeds? Bidden wij Hem om eene weldaad, dan betuigen wij, dat wij onmachtige schepselen zijn, die zich in hun nooden niet kunnen helpen. Is dit niet andermaal de uitdrukking des ootmoeds? Wie alzoo bij het gebed zich niet verootmoedigt, maar hoovaardij in zijn hart koestert, die bidt eigenlijk volstrekt niet, maar neemt slechts den schijn aan als of hij bidt. Wij moeten ons daarom niet verwonderen, dat God het gebed der hoo-vaardigen verwerpt en slechts dat der ootmoediger! in genade aanneemt. Deze waarheid veraanschouwelijkt Jesus aan ons in de gelijkenis van den Parizeer en den Tollenaar. Beide gingen op naar den tempel, om daar op de plaats der genade hun gebed te verrichten. De Farizeer hield een lofrede op zich zeiven, doordien hij sprak: «God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere men-schen, roovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al wat ik bezit.quot; De Tollenaar blijft in ge-

508

-ocr page 517-

IN \'T ALGEMEEN.

voel zijner zondigheid in de verte staan, hij durft zelfs de oogen niet ten hemel opheffen, vol ootmoed en vermorzeling des harten slaat hij op zijn borst en verzucht: »God, zij mij zondaar genadig!quot; (Luc. 18.) Wat gevolg had het gebed van beiden? De ootmoedig\'e Tollenaar vond genade, de hoogmoedige Parizeer echter niet, wantJesus zegt: (Luc. 18, 14.) »De eene ging af naar zijn huis gerechtvaardigd, boven den anderquot; en voegt er aan toe : » Omnis qui se emltat, humiliabitur, ieder, die zich verheft, zal vernederd, et qui se humiliat, exaltabitur en die zich vernedert, zal verheven worden,quot; Daarom ook bezigt de Apostel (Jac. 4, 6) de uitdrukking ; » Deus superbis resistü, God wederstaat de hoovaardigen, humilibm autem dat gratiam, maar den nederigen geeft hij genade.quot;

Ten tijde als de H. Simon in gebed en beschouwing op de zuil woonde, heerschte in Antiochie een heel ongewone sterfte, vele huizen stonden ledig, geheele huisgezinnen waren uitgestorven en een aanhoudende vreeselijke

I aardbeving vervulde alle Antiochianen met schrik en angst. Zij stroomden daarom tot den H. Simon naar buiten, om bij hem hulp te zoeken. Hij sprak tot hen harde woorden, verweet hun hunne roekeloosheid en zeide, dat hun hebzucht, hun wellustig zwelgen en lasteringen Gods aangezicht van hen hadden afgekeerd, zij moesten het vandaar niet langer wagen, hunne onreine en misdadige handen ten hemel op te steken. Hij intusschen bad voor hen. Als hij nog in het gebed was verzonken, werd op eens een nieuwe en hevige aardschok vernomen, de grond en de zuil des Heiligen begonnen te waggelen. Van schrik viel al het volk ter aarde en nu beval Simon hun, dat zij hun geween ten hemel zouden opzenden. Hij zelf bad mede en wel met een verdubbelden ijver. Na eenigen tijd richtte hij zich op en gaf eindelijk den volke den vrede terug. God, zeide hij, had het gebed verhoord en zou zich over de stad erbarmen, maar voegde er bij. aardbeving vervulde alle Antiochianen met schrik en angst. Zij stroomden daarom tot den H. Simon naar buiten, om bij hem hulp te zoeken. Hij sprak tot hen harde woorden, verweet hun hunne roekeloosheid en zeide, dat hun hebzucht, hun wellustig zwelgen en lasteringen Gods aangezicht van hen hadden afgekeerd, zij moesten het vandaar niet langer wagen, hunne onreine en misdadige handen ten hemel op te steken. Hij intusschen bad voor hen. Als hij nog in het gebed was verzonken, werd op eens een nieuwe en hevige aardschok vernomen, de grond en de zuil des Heiligen begonnen te waggelen. Van schrik viel al het volk ter aarde en nu beval Simon hun, dat zij hun geween ten hemel zouden opzenden. Hij zelf bad mede en wel met een verdubbelden ijver. Na eenigen tijd richtte hij zich op en gaf eindelijk den volke den vrede terug. God, zeide hij, had het gebed verhoord en zou zich over de stad erbarmen, maar voegde er bij.

509

-ocr page 518-

OVER HET GEBED

onder deze zoo talrijk verzamelde menigte bevindt zich slechts een eenige, wiens gebed tot God gekomen en door Hem is verhoord. Tegelijkertijd wees hij met de hand op een eenvoudigen landman en beval hem naderbij te treden. Als deze was toegetreden, sprak hij tot hem: «Mijn zoon, zeg mij, wat goeds hebt gij gedaan, dat gij u deze genade van God hebt waardig gemaakt ?quot; »Ik, Eerwaardige Vader,quot; antwoordde de landman, «ben niet beter dan alle anderen; ik ben een zondaar gelijk aan hen.quot; Nu erkende dan de Heilige en al het volk, dat het juist de ootmoed van dezen man was, die zijn gebed voor het aanschijn Gods gebracht en genade bewerkt had. Wij zien hier bewaarheid het woord des H. Geestes: (Eccl. 35, 21.) « Oratio humiliantis se, nubis penetrahit, het gebed van hen, die zich vernedert, dringt door de wolken; et donec propinquet non consolahitur, bet aoudt niet op tot het (voor God) is gekomen; ei non discedet donec Alhissimus aspiciat, en het gaat daar niet weg tot dat de Allerhoogste het aanziet.quot;

Helaas! er bestaat een groot getal Christenen, dat zich bij het gebed alles behalve verootmoedigt. Of zal dat ootmoed zijn, indien zoo menigeen in de Kerk het hoofd opsteekt, zich ferm in postuur zet, evenals de Parizeer in den tempel; in plaats van de handen te vouwen, den baard of knevel strijkt, om zich een voornaam\' en geleerd aanzien te geven, geen knie buigt, maar over de leuning der bank gebogen hangt, en zich gedraagt, als of hij den lieven God een grooten dienst had bewezen, dat hij zich gewaardigd heeft. Hem in de kerk zijne opwachting te maken ? Zal dat ootmoed zijn, indien zoo-velen in Gods huis verschijnen, om hun pronk en opschik te laten zien en zich door de aanwezigen te doen bewonderen ? Zal dat ootmoed zijn, indien deze en gene evenals de Farizier gebedsijver en godsvrucht huichelen, ten einde voor brave Christenen door te gaan ? O Aand.,

510

-ocr page 519-

IN \'T ALGEMEEN.

ziet toe dat hoovaardij en ijdelheid u niet van alle vrucht uws gebeds beroove ! Verootmoedigt u, zoo vaak gij bidt, allerdiepst voor de oneindige majesteit Gods; erkent u als armzalige schepselen, die niets hebben en vermogen; als arme zondaren, die slechts ongenade en straf verdienen. Toont uw ootmoed ook naar buiten ; verschijnt nimmer in de kerk met een ijdele en overdreven kleeder-pronk ; trekt uwe feestkleederen niet aan, om de men-schen te behagen, maar om God te eeren ; knielt neder en vouwt aandachtig de handen. »Een waar gebed,quot; zegt de H. Greg. »draagt aan God, den Heer, hij op, die in ootmoed erkent, dat hij slechts stof is.quot; Hoe dieper gij u verootmoedigt, met des te meer welgevallen neemt God uw gebed aan, en des te meer genaden waarborgt zijn goedheid u.

c. Vertrouwen.

Bidt met vertrouwen , want dit is de derde eigenschap van een Gode welgevallig en vruchtbrengend gebed.

1) Wij mogen met vertrouwen verwachten, dat God ons gebed, in zoover het Hem tot eer en ons tot heil verstrekt, zal verhooren. God is almachtig, wij mogen Hem vragen waarom wij willen. Hij kan het ons geven. Hij is ook oneindig goed en bemint ons meer dan een moeder haar kind. Daarom zegt Hij zelf: (Is. 49,15.) »Kan ook een vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over het kind haars boezems? En al konden zij het vergeten, nog vergete Ik u niet!quot; Wij zouden derhalve Gode een groote beleediging toevoegen, indien wij in ons gebed geen vertrouwen in Hem stelden; want wij twijfelden of aan zijn almacht of aan zijn goedheid. Bovendien heeft Jesus Christus herhaaldelijk en met de duidelijkste woorden het verhooren des gebeds ons verzekerd. (Matth, 7,7.) «Bidt en u zal gegeven worden.quot; En

511

-ocr page 520-

OVER HET GEBED

weder: (Joes 1G, 23.) «Voorwaar, Ik zeg u; indien gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen, Hij zal het u geven.quot; Wie zou na zoodanige bepaalde verzekeringen nog kunnen twijfelen, dat God ons gebed zal verhoeren? Heet dat niet Gods waarachtigheid in twijfel trekken ? Wat echter ons vertrouwen bijzonder moet verlevendigen en versterken, dat zijn de oneindige verdiensten van onzen Verlosser Jesus Christus. Wij hebben voorzeker geen verdiensten, waarop wij ons kunnen beroepen, om God tot het verhoeren van ons gebed te bewegen, wij hebben echter de verdiensten zijns Zoons, deze kunnen wij Hem voor oogen stellen en ter wille hiervan mogen wij alle goed van Hem met vertrouwen verwachten. Dit is ook de reden, waarom de Kerk al haar gebeden met de woorden sluit: «door Jesus Christus onzen Heer.quot; Bovendien is Jesus Christus ook thans nog een voorspraak voor ons, want Hij zit ter rechterhand Gods en bidt voor ons. (Rom. 8, 34.) Hoe zou de hemelsche Vader een bede, die zijn innigst geliefde Zoon voor ons doet, kunnen afslaan! Daarom ook vermaant de Apostel ons, aan God onze beden met een kinderlijk vertrouwen op te dragen, doordien hij zegt: (Hebr. 4. 16.) «Adeamus ergo cum fiducia ad tkronmn gratiae, laat ons dan toetreden met vrijmoedigheid tot den troon der genade, ut misericordiam conse-quamur, opdat wij barmhartigheid verkrijgen, etgratiam inveniamus in auxilio opportuno en genade vinden tot tijdige hulp.quot; Wij moeten alzoo met een vol vertrouwen bidden en in de stellige verwachting hopen, dat God om de verdiensten van Christus ons zal verhoeren.

2) Nu zal menigeen denken: hoe kunnen wij meteen vol vertrouwen bidden, dewijl het maar al te vaak gebeurt, dat het gebed geen verhoor vindt ? Ik antwoord : het is vóorzeker waar, dat ons gebed dikwijls niet verhoord wordt, doch de schuld ligt niet bij God, maar bij ons zelve. Wij krijgen niet altijd waarom wij bidden,

512

-ocr page 521-

IN \'T ALGEMEEN.

513

of omdat wij niet (joed bidden, clan wel omdat datgene, wat tvij beqeeren, ons niet heilzaam is, of eindelijk, omdat wij in het gebed niet volharden.

a. Wij bidden dikwerf reeds daarom niet goed, wijl het ons met het gebed (/een ernst is. Wanneer een mensch, die in het water is gevallen, wel roept:» Helpt, helpt!quot; maar de hand, die hem wil redden, afwijst, dan zult ge voorzeker niet gelooven, dat het hem met zijn roepen ernst is. Hetzelfde geldt ook van het gebed, dat wij in verschillende aangelegenheden tot God richten. Indien wij om datgene, wat wij begeeren, ons volstrekt geen moeite geven, dan is dit een duidelijk teeken, dat wij daarnaar geen oprecht verlangen koesteren. Zoodanige bidders bestaan er helaas niet weinige. Hoe velen bidden om de vergiffenis hunner zonden! Maar zij vermijden de kwade gelegenheid niet, breken den slechten omgang niet af, gaan niet te Biecht, kortom, zij doen volstrekt niets, wat tot de vergeving der zonden wordt gevorderd. Ik vraag hier: hebben zoodanige Christenen een ernstig verlangen, dat hun gebed verhoord worde? Blijkbaar niet, anders zouden zij zelve doen, wat in hun vermogen is, om zich met God te verzoenen. — Hoe velen bidden om den hemel! Maar wat doen zij, opdat hun gebed verhoord worde1? Schuwen zij de zonde? beoefenen zij de goede werken? richten zij hun leven in naar het voorbeeld van Jesus en de Heiligen? Niets minder dan dat, ze gaan veeleer rustig op de wegen van zonde voort en denken in \'t geheel aan geen boete en bekeering. Ik vraag andermaal : is het zoodanigen Christenen ernst met hun gebed ? Onmogelijk, anders zouden zij de voorwaarden, waaroiider de hemel ons beloofd is, wel nakomen. Hoe velen bidden om hun tijdelijk bestaan, om hun dagelijksch brood! Men ziet echter, dat zij, in plaats van bij hun werk te blijven en spaarzaam te zijn, zich steeds in her-

33

-ocr page 522-

OVER HET GEBED

bergen en bierhuizen ophouden en in drinken, spelen, lediggang en pleizier maken hun hoofdwerk stellen. Ik vraag nogmaals ; kan men van zoodanige Christenen zeggen, dat zij datgene, waarom zij bidden, oprecht verlangen? Voorzeker neen, omdat zij van hun kant niet doen, wat tot het verdienen van het dagelijksch brood wordt gevorderd. Desgelijks bidden duizenden onder de Christenen ; zij roepen wel dikwijls ; » Heere, Heere !quot; zij verlangen dan dit dan dat, maar verroeren geen hand, om het verlangde te bekomen. Dat zulk een onoprecht gebed geen verhoor kan vinden, behoef ik nauw op te merken. Zouden wij aan iemand te kennen geven, dat ons aan datgene, waarom wij hem vragen, niets gelegen ligt, dan zou hij ons zeker met onze bede verontwaardigd afwijzen. En God zou zich niet beleedigd achten, wanneer Hij ziet, dat wij datgene, waarom wij Hem bidden, om de waarheid te zeggen, volstrekt niet verlangen?

Velen bidden ook deswege niet goed, omdat zij steeds in de onboetvaardigheid voortleven. De zonde is wel geen absolute (volstrekte) hinderpaal, om in het gebed verhoord te worden, maar zooveel is zeker, dat de zondaren veel moeilijker en zeldzamer dan de rechtvaardigen verhooring vinden. Dit geldt in bijzonder van die zondaren, welke hun kwade gezindheid niet afleggen en zich niet willen bekeeren. Hoe ook zou God op zoodanige zondaars genadig neerzien en hunne beden inwilligen, daar zij zijn ergste vijanden zijn en Jesus door hun voortgezet zondig leven steeds opnieuw kruisigen ? Daarom spreekt Hij zelf door den mond des Profefen tot de zondige Joden: (Is. 1, 15.) «Als gij uw handen uitbreidt, dan sluit Ik mijne oogen voor u en hoe gij ook het gebed vermeert. Ik hoor u niet! — uw handen zijn volbloed!quot; Zeer beteekenisvol zegt de H. Chrysostomus: »Indien een smeekende u te voet vallen, maar vooraf zijn handen in den drek steken en zoo met bevuilde handen u zou vragen, dan zoudt

514

-ocr page 523-

IN T ALGEMEEN.

gij hem niet slechts niet verhooren, maar veeleer aan hem uwe verontwaardiging tooneu. Evenzoo is het gelegen met het gebed van hem, die met een besmeurd hart voor God verschijnt.quot; Een brave jongeling bad dagelijks een rozenhoedje ter eere van de Allerzaligste Moeder Gods en vond bij deze aandacht een grooten troost. Eens had hij het ongeluk in een zware zonde te vallen, doch hij volbracht evenwel, gelijk anders, zijn rozenkransgebed, maar nu zonder den vorigen troost. Vol harteleed sprak hij daarom tot Maria; »0 Maria, gij zijt of een andere Moeder geworden, of wel naijn gebed behaagt u niet meer.quot; Nu versoheen een wonderschoone Engel aan hem, reikte hem kostelijke vruchten in een onrein, afzichtelijk vaatwerk over en sprak; «Eet deze vruchten, want de Moeder Gods zendt ze u toe.quot; De jongeling antwoordde; »De vruchten behagen mij zeer wel, maar het onreine vaatwerk maakt, dat ze mij walgen.quot; De Engel hernam: «Zie, zoo behaagt ook uw gebed pp zich zelf aan Gods Moeder, maar wijl uwe ziel met de melaatschheid eener doodzonde is bezoedeld, daarom heeft zij er geen genoegen in.quot; Het gebed des zondaars, dat volgens deze legende aan de Zaligste Maagd niet beviel, bevalt ook aan God niet. Wilt gij derhalve, dat God uw gebed met welgevallen aanneme en verhoore, dan moet gij met een rein of minstens boetvaardig hart tot Hem bidden.

Zeer velen bidden niet goed, omdat zi] yeeti aandacht hebben. Zij bidden God om deze of gene genade, maar zij zijn in hun gebed heel verstrooid, zij denken volstrekt niet aan datgene, wat zij in het gebed tot God spreken en als hun gebed ten einde is, dan weten zij eigenlijk niet, waarom zij gebeden hebben. Hoe zou God zoo\'n koud en verstrooid gebed verhooren ? »Gij, die bidt,quot; zegt de H. Berns., »gij voegt God een groote beleediging toe,

als gij Hem bidt, dat Hij uw gebed verhoore, daar gij,

*

515

-ocr page 524-

OVER IIRT GEBED

als gij het verricht, het üelf niet hoort. Hoe? gij bidt Hem, dat Hij aan u denke en gij denkt niet aan u zeiven noch aan Hem?quot;

Eindelijk bidden velen niet goed, omdat bij het gebed het vertrouwen hun ontbreekt. Jesus Christus heeft ons het vernooren van ons gebed verzekerd, maar onder voorwaarde, dat wij geloof en vertrouwen bezitten. Hij zegt : (Mare. 11, 24.) »A1 hetgeen gij in het gebed vraagt, gelooft, dat gij het zult ontvangen, en het zal u geworden.quot; Wie alzoo bij het gebed volstrekt geen of ook maar een zwak vertrouwen koestert die zal niet verhoord worden. Weshalve zegt ook de Apostel: (Jac. 1, 6. 7.) »Wie twijfelt, is gelijk een baar der zee, die van den wind ginds en herwaarts gedreven wordt. Zulk een mensch meene toch niet, dat hij iets van den Heer ontvangen zal.quot; Zoo worden derhalve velen niet verhoord reeds ter oorzake, dat \'.ij niet goed bidden.

b. Nog meerderen wellicht bidden daarom te vergeefs, wijl datgene, waarom zij bidden, hm niet heilzaam is. Wij lezen in de H. Schriftuur, dat Rachel, de vrouw van den Patriarch Jacob, onophoudelijk om een vrucht haars lichaams tot den hemel bad. Het scheen haar onmogelijk, den smaad van onvruchtbaarheid langer te dragen. Daarom ook sprak zij tot haren man. »Geef mij kinderen, of ik sterf.quot; God verhoorde eindelijk haar har-tewensch; zij gewon een zoon. O hoe blijd riep zij nu niet uit: »God heeft den smaad van mij weggenomen.quot; Maar hiermede nog niet tevreden, bad zij om een tweede kind. »De Heerquot; sprak zij, »schenke mij ook nog een tweeden zoon !quot; Haar verlangen ging andermaal in vervulling; maar dit keer tot haar grootste nadeel; want zij stierf aan de geboortesmarten. De dwaze! zij had gemeend, van droefheid te moeten sterven, indien zij geen kinderen baarde en nu stierf zij juist omdat zij baarde. Juist datgene alzoo, wat zij voor het

-ocr page 525-

IN \'T ALQEMEEN.

grootste geluk hield, was voor haar het grootste ongeluk.

Gelijk aan Rachel gaat het ook vaak ons. Al zijn wij ook nog zoo wijs en verstandig, toch weten wij niet, wat ons waarlijk goed is en heilzaam. Wij allen zijn heel kortzichtig, en kunnen de gevolgen eeuer zaak niet be-

I rekenen; ook verblindt vaak de eigenliefde ons, zoodat wij datgene, wat onze eerzucht en zinlijkheid vleit, voor een groot en wenschenswaardig goed aanzien, wat toch niets minder dan een goed is. Wat daarentegen onze zin nelijkheid wee doet, daartegen verzetten wij ons met handen en voeten en houden het voor een kwaad, daar het toch voor ons een groot goed is. De moeder van Mozes zal wel bitterlijk geweend hebben, als zij dit haar kind aanstonds na de geboorte aan het water moest toevertrouwen ; men had haar voorzeker geen troostelijker boodschap kunnen brengen, dan in indien men haar gezegd hadde : Pharao staat u toe, dat gij den kleinen Mozes behoudt. Maar juist dit ware niet goed geweest; want Mozes zou nimmer aan het koninklijke hof zijn gekomen en had niet. de bevrijder van zijn verdrukt volk kunnen worden. rekenen; ook verblindt vaak de eigenliefde ons, zoodat wij datgene, wat onze eerzucht en zinlijkheid vleit, voor een groot en wenschenswaardig goed aanzien, wat toch niets minder dan een goed is. Wat daarentegen onze zin nelijkheid wee doet, daartegen verzetten wij ons met handen en voeten en houden het voor een kwaad, daar het toch voor ons een groot goed is. De moeder van Mozes zal wel bitterlijk geweend hebben, als zij dit haar kind aanstonds na de geboorte aan het water moest toevertrouwen ; men had haar voorzeker geen troostelijker boodschap kunnen brengen, dan in indien men haar gezegd hadde : Pharao staat u toe, dat gij den kleinen Mozes behoudt. Maar juist dit ware niet goed geweest; want Mozes zou nimmer aan het koninklijke hof zijn gekomen en had niet. de bevrijder van zijn verdrukt volk kunnen worden.

Omdat wij nu veelal niet weten, wat goed en heilzaam voor ons is, daarom gebeurt het niet zelden, dat wij om ons nadeelige dingen vragen. Zoo bidt een huisvader, die zich zeiven en de zijnen slechts met groote moeite kan staande houden, om een beter bestaan. »Ware ik,quot; zegt hij tot zich zeiven, «zoo rijk als mijn gebuur, dan zou ik de gelukkigste mensch van de wereld zijn, en ik, mijne vrouw en mijn kinderen, zouden God daarvoor recht dankbaar wezen en vroom leven.quot; Doch ik vrees zeer, dat de goede man zich deerlijk bedriegt. Zou God hem rijk maken, dan kon het licht gebeuren, dat hij en zijn huis-: gezin door lediggang en een goed leven voor tijd en eeuwigheid ten gronde ging. V«or hoevelen was de rijk-

517

-ocr page 526-

OVER HTT GEBED

dom reeds een klip, waarop hun tijdelijk en eeuwig welzijn te brijzei liep ! Zoo bidt een zieke: »O mijn God , geef mij toch de gezondheid weder; ik zal U daarvoor mijn geheele leven dankbaar wezen en U met allen ijver dienen!quot; Dit beloven is voorzeker goed; maar of de gezondheid het middel is, die belofte te houden, dat is juist de vraag. Wellicht zou de zieke in zijn gezonde dagen God vergeten, ziek worden naar de ziel en een kwaden dood sterven. Zoo zucht en jammert iemand, die vele bezigheden te verrichten en zorgen heeft te dragen en wenscht niets vuriger, dan dat God hem dien zwaren last ontneme en hem een rustig leven bezorge ; hij zou dan, zooals hij meent, een heiligen wandel leiden. Dit laatste is wel is waar wen-schenswaardig, maar of hij er wel toe zou komen, valt met grond te betwijfelen. De ervaring ten minste leert, dat velen in de dagen van rust God veel slechter dienden dan vroeger, toen zij vele en zware werkzaamheden hadden te verrichten.

Zal God na, Aand., deze en dergelijke biddenden verhoeren en hun geven, wat zij met zoo\'n grooter ijver van Hem verlangen ? Voorzeker niet, Hij toch is onze Vader die ons liefheeft en ons beste wil. Hij kan ons vandaar den steen, dien wij in ons onverstand voor brood houden, niet geven. Het gebeurt voorzeker somwijlen, dat God ook een dwaas gebed verhoort, zooals wij dit bij Rachel gezien hebben; maar dit doet Hij alleen, om onzen eigenzin te bestraffen, en ons daartoe te brengen, dat wij ons in de toekomst niet weder tegen zijn h. wil verzetten. Gewoonlijk echter verhoort Hij ons in dit geval niet. Mogen wij ook al ontaarde kinderen wezen, en luidkeels schreien. Hij geeft ons toch het mes niet, waarmede wij ons doodelijk kunnen wonden. »God,quot; zegt de H. Aug., »verhoort ons menigmalen niet; maar Hij verhoort ons daarom niet, omdat Hij ons lief heeft en aan ons zijne

518

-ocr page 527-

IM \'t algemeen.

barmhartigheid wil oefenen. Wie met een vol vertrouwen den Heer om de benoodigdheden dezes leven bidt, dien zal Hij uit ontferming verhooren, en uit ontferming ook niet verhooren ; want de geneesheer weet beter dan de zieke, wat hem dienstig is. Een geneesheer, die den zieke ter harte neemt, veroorlooft hem datgene niet, wat hem kan schaden.quot;

c. Eindelijk, velen bidden daarom te vergeefs, omdat zij in het yehed niet volharden. Hierover zal ik later, als ik over de volharding in het gebed zal spreken, het noo-dige opmerken. — Indien gij derhalve, Aand., in uw gebed somwijlen geen verhoor vindt, dan moet gij de schuld niet aan God, maar alleen aan u zelve toeschrijven. Bidt met ijver, met een rein of minstens boetvaardig hart, met aandacht en vertrouwen, dan zal God uw gebed voorzeker met welgevallen aannemen en u datgene, waarom gij Hem bidt, of in plaats daarvan iets beters, laten toekomen.

d. Overgeving in den wil van God.

Een andere eigenschap van het gebed is de overleving in den wil van God. Wij moeten namelijk aan God overlaten, wanneer en hoe Hij goed vindt ons te verhooren. Een kluizenaar, die moesgroente in zijn hofje verbouwd had, bad gedurig om regen, omdat hij dien voor zijn jonge planten voor noodzakelijk hield. En ziet, het regende. Spoedig daarop bad hij om droogte en atles ging naar wensch. Zoo had hij een langen tijd voor zijn hofje steeds dat weer erlangt, waarom hij had gebeden, evenwel tot zijn bevreemding gedijden zijne planten volstrekt niet. Aanvankelijk meende hij dat dit jaar over het algemeen een onvruchtbaar jaar was, toen hij echter later een anderen kluizenaar bezocht en in diens hof alles voortreffelijk zag staan, klaagde hij aan dezen zijnen nood en

519

-ocr page 528-

OVER HET SEBED

520

liet er op volgen: »Ik had toch juist dat weder, waarom ik heb gebeden.quot; De andere kluizenaar antwoordde hem: »Ik geloof, mijn broeder, dat God u gestraft heeft, omdat gij Hem als \'t ware hebt voorgeschreyen, wat weer Hij u zou toezenden en gij u hebt vergrepen ten aanzien der berusting in zijn h. wil.quot; Wij moeten derhalve, wanneer wij onze beden tot God richten, het voorbeeld van Jesus in den hof van Olijven voor oogen hebben, die wel zijn hemelschen Vader bad, den lijdenskelk van Hem weg te nemen, maar aanstonds met een volle overgeviüg er aan toevoegde: (Luc. 22, 42). «Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede!quot; «Wij mogen,quot; merkt zeer schoon de H. Franc. v. Sales op, «van God niet verlangen, op deze of gene plaats, up deze of gene wijze, op dezen of genen tijd, deze ot gene genade te ontvangen. Ons bidden en verlangen moet algemeen zijn. Wij mogen aan God niets voorschrijven, evenals het een onkundigen en verbijsterden zieke niet vrijstaat, den verstandigen arts voor te schrijven, welke artsenij hij hem moet voorschrijven.quot; Zooals wij uit deze woorden des H. Bisschops kunnen opmaken, ligt de oorzaak, waarom wij steeds met ons aan God over te geven moeten bidden, gedeeltelijk in onze kortzichtigheid, gedeeltelijk in de alwetendheid en goedheid Gods. Wij weten niet, of datgene, waarom wij bidden, voor ons wel goed en heilzaam is; dit geldt bijzonder bij het gebed om tijdelijke goederen, bijv. om gezondheid, een beter bestaan, bevrijding van een of andere ramp. God echter ziet verder dan wij; Hij weet nauwkeurig wat ons al of niet dienstig is; Hij heeft ons lief en meent het zeer goed met ons; daarom weigert Hij ons voorzeker geen bede, die voor ons werkelijk iets goeds is. Is het dan niet verstandig, dat wij het aan Hem overlaten, of Hij en hoe Hij ons wil verhooren ? Ware het geen groot onverstand, indien wij vol van eigenzinnigheid op onze bede staan bleven en als het ware tot God durf-

-ocr page 529-

IN \'t algemeen.

521

den zeggen : »Gij moet mijn bede verhooren, of het ook al Uw wil zij of niet?quot; Een vrome maagd had door haar afgezonderd leven van God de genade verdiend, tot den Ordenstand te zijn geroepen. Zij besloot daarom, zich in een eeuwige maagdelijkheid den Heere toe te wijden en stond reeds op het punt, in een klooster te treden, dat zich door een trouw nakomen der Ordensregelen onderscheidde. Wijl zij hare gewone afzondering intusschen minder beoefende, daarom verloor zij haren ijver, gaf de gedachte aan het klooster er aan en maakte het besluit in het Huwelijk te treden. Haar keus viel op een jongen man van adel, die haar hart had weten te winnen. En omdat zij van andere vrouwen had vernomen, dat, wie zich zich vurig aan de voorspraak der H. Catharina aanbeval, door dier bemiddeling dien bruidegom verkreeg, die voor de bidster de geschiktste zou zijn, daarom begon zij aanstonds met de aanbevolen aandacht en wilde met aanhoudende en waarlijk ernstige gebeden die h. maagd als het ware dwingen, zich tot bemiddelaarster van het gewenschte Huwelijk te maken. Bijzonder dringend bad zij op den vooravond van het Feest dier Heilige, den 24 November. Terwijl zij nu voor het beeld der Heilige op de knieen lag en met een vurigen ijver bad, viel op eens het beeld, zonder dat iemand het aanraakte, op den grond en brak hoofd en nek. De Heilige wilde door dit zinlijk verneembaar teeken de jonge dochter te verstaan geven, dat dit Huwelijk haar niet dienstig was. Maar dit ontzettend voorval was geenszins genoegzaam, de onbezonnene tot betere gedachten te brengen; zoo hard wordt somwijlen, bijzonder als het om een Huwelijk te doen is, het hoofd van een jonge dochter, dat anders onbestendig1 is als kwikzilver. Wat was nu het gevolg? Zij ging hardnekkig voort te bidden, totdat zij eindelijk verhoor vond, — maar tot haar verderf. Want als het Huwelijk was gesloten en de zich

-ocr page 530-

OVER HET GEBED

gelukkig wanende bruid, door andere vrouwen van haar familie vergezeld, des avonds naar het huis haars bruidegoms reed, stapte zij bij het uitgaan van het rijtuig mis, viel op den grond en brak hoofd en nek, op dezelfde wijze, als zij kort te voren het beeld der H. Cath. had zien breken. Zoo stierf zij ongelukkig op den drempel van dat huis, wat zij zich in plaats van het godgewijde klooster tot woning had verkozen.

Een dergelijk lot, Aand., kan ook u treffen, indien gij op uw bidden eigenzinnig aanhoudt; God zou u kunnen verhooren, om uw eigenzin op \'t gevoeligst te straffen. Hoeveel beter deed een godvreezende zieke, van wien in het leven des H. Bisschops Thom. v. Canterbury wordt gesproken. Deze bad eens op het graf van dezen Heilige om de gezondheid. Daar hij ze op een wonderbare wijze had verworven, overdacht hij, of het om zijn zielenheil niet wellicht dienstiger ware, indien hij maar ziek was gebleven. Hij keerde alzoo weder tot het graf des Heiligen terug en bad hem, ingeval de vorige ziekte voor zijn eeuwig heil wenschelijk mocht zijn, voor hem zulks bij God te bewerken, wat ook geschiedde. Let derhalve, Aand., op den regel: indien gij God om tijdelijke goederen bidt, voegt er dan altijd de voorwaarde bij, dat Hij u slechts dan verhoore, indien het voor uw zielenheil u dienstig of ten minste daaraan niet nadeelig is. Bidt gij daarentegen God om geestelijke goederen, bijv. om het heil uwer ziel, om de vergiffenis uwer zonden, om de overwinning over de bekoringen, om een afschuw tegen de zonde, om de liefde tot de deugd, om de volharding in het goede tot den dood, dan behoeft gij deze voorwaarde niet te stellen, omdat gij zeker weet, dat uw gebed overeenkomstig den wil van God is.

e. Volharding.

Bidt eindelijk met volharding; want dit is de laatste

522

-ocr page 531-

in \'t aloemeen.

52\'3

eigenschap van het goede gebed. Er zijn niet weinige Christenen, die, als zij zich in eene aangelegenheid tot God richten en niet aanstonds verhoord worden, den moed laten zinken en zeggen: ook het bidden helpt niet. Zoodanige Christenen doen niet recht. God heeft ons het verhoeren verzekerd; alleen den tijd, wanneer Hij ons zal verhooren, heeft Hij niet bepaald. Somwijlen verhoort Hij ons zonder uitstel; somwijlen echter stelt Hij het verhoeren een langeren of korteren tijd uit, zooals zijne wijsheid het juist goed vindt. Zoo werd het gebed van den hoofdman van Capharnaum oogenblikkelijk verhoord. Nauwelijks had hij den Zaligmaker gebeden, dal Hij zijn zieken knecht mocht genezen, of Jesus zeide tot hen : (Matth. 8.) »Ik zal komen en hem gezond maken.quot; En ter zelfder ure is de knecht gezond geworden. Hoe geheel anders echter gedroeg de Heer zich jegens de Chananeesche vrouw? Zij riep tot Hem: (Matth. 15). «Ontferm U mijner, Heere, Zoon van David ; mijne dochter wordt deerlijk van den duivel gekweld.quot; Jesus echter antwoordde haar niet een woord, en daar zij niet ophield te roepen, baden zelfs de Apostelen voor haar; doch, zooals het scheen, te vergeefs, want Jesus antwoordde en sprak : »Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israel.quot; Deze vrouw, scheen Hij te zeggen, is een Chananeesche, die gaat mij niet aan, want Ik ben slechts tot de Joden gezonden. Doch de vrouw hield met bidden en smeeken niet op ; zij treedt op Hem toe, valt Hem te voet en roept met een innigheid, die bewonderingswaardig is: » Heere, help mij !quot; Ook nu nog schijnt Jesus haar niet te willen verhooren, want Hij spreekt tot haar dat harde woord: » Het is niet goed, het brood der kinderen te nemen en het den honden voor te werpen.quot; Men zou mee-nen, dat de vrouw thans in haar vertrouwen op de hulp van Jesus wankelmoedig is geworden en van haar bede heeft afgezien. Maar neen, zij spreekt veeleer met eeu

-ocr page 532-

OVER HET GEBED

bewonderingswaardige openhartigheid en ootmoed. «Het is waar, Heere, maar ook de hondekens eten van de kruimels, welke van de tafel hunner heeren vallen.quot; En nu eerst verhoorde de Zaligmaker haar bede, doordien Hij sprak : »0 vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt!quot; En hare dochter werd van die ure af gezond. Had deze vrouw door de harde bejegening, die Jesus haar schijnbaar betoonde, zich laten afschrikken en opgehouden te bidden, dan ware zij niet verhoord, daar zij echter vol vertrouwen, ootmoed en vurigheid voortging te bidden, vond zij ten laatste verhooring.

Indien overigens God ons gebed dikwijls een langen tijd onverhoord laat, dan doet Hij dit niet uit hardvochtigheid, maar slechts tot ons beste. Zegt mij, waarom houdt de moeder de zoete lekkernij zoolang in de hand, zonder die aan het lieve kind, dat er zoozeer naar verlangt, te geven? Juist, omdat zij het kind zoo liefheeft. Zij verheugt zich, als zij verneemt, dat het kiad met duizend liefkozingen haar zoekt te bewegen, het verlangde te geven, of als het met zijn onschuldige handjes moeite doet, de gesloten hand der moeder te openen. Zoo doet ook God. Hij ziet, dat gij door nw bidden en smeeken aan Hem schoone bewijzen van geloof, vertrouwen, ootmoed, gehoorzaamheid en liefde geeft; daarin heeft Hij zijn welgevallen ; daarom houdt Hij een tijd lang zijne hand gesloten, om ze daarna te milddadiger te openen. Wanneer een blinde voor de deur van uw huis met een akelige stem zijn lied zingt, dan laat gij hem zoo spoedig mogelijk een aalmoes geven, en stuurt hem weg, opdat gij niet langer zijn misselijk geluid verneemt. Heeft daarentegen de blinde een aangename stem, en weet hij zijn gezang met een liefelijk snarenspel te begeleiden, dan laat gij hem een wijl zingen, en geeft hem dan een te rijker aalmoes. Zulk een liefelijk gezang voor God is uw aanhoudend en vertrouw vol gebed ; want Hij weet.

524

-ocr page 533-

IN \'T ALGEMREN.

dat zoo\'n gebed u zeer heilzaam is, omdat gij daarbij verscheidene deugden beoefent en groote verdiensten verwerft ; daarom laat Hij u het gebed een tijdlang voortzetten, tot dat Hij u verhoort.

God stelt de verhooriug van ous gebed dikwijls ook uit op grood, dat het verlangde voor dit oogenblik ons niet dienstig is, maar veeleer schadelijk zou wezen. Ook laat toch de arts aan koortszieken geen wijn of bier geven, hoezeer zij er ook naar verlangen, omdat hij weet dat zoodanige dranken hun den dood kunnen berokkenen. Kerst later, als de hevigheid der koorts voorbij en de ziekte is gebroken, veroorlooft hij hun versterkende dranken te gebruiken. Wij wenscheu dikwerf niets vuriger, dan dat God dit kruis van ons wegneme, dat goed ons geve, eu bestormen Hem met onze beden. Maar wij zijn heel onverstandig want zouden wij het gewenschte oogen-blikkelijk erlangen, dan ware dit voor ons een groot ongeluk, en wij zouden iatusschen ons heil en onze zaligheid kunnen verliezen. Dit weet God, want Hij ziet veel dieper dan wij ; daarom weigert Hij ons voor heden de bede, en verhoort ze eerst later, wanneer zij ons geen nadeel meer kan toebrengen. Eindelijk is het maar al te zeker, dat men de goederen, die men zoo spoedig en zonder inspanning kan verkrijgen, gewoonlijk niet van een bijzondere waarde worden gehouden. Den gulden, in het spel gewonnen, schat men zeker niet zoo hoog als dien, welken men door een noeste vlijt heeft verworven. Zou derhalve God ons gebed telkens op den voet verhooren, dan zouden wij zijn gaven niet veel achten. Hem daar weinig dank voor weten, en er niet bijzonder op uit zijn, ze tot zijne eer en tot ons heil te gebruiken. Moeten wij daarentegen maanden en jaren lang Hem om een of ander bidden, dan krijgt het waarde in onze oogen, en wij maken ervan, nadat wij het eindelijk verkregen hebben, een goed gebruik. Daarom ook zegt de H. Aug.:

525

-ocr page 534-

OVER HET GEBED

» Gaven waarom men een langen tijd heeft gebeden houdt men hoog in eere, en bewaart ze met een te grooter getrouwheid, indien men ze heeft verkregen ; maar wat men spoedig verkrijgt, schat men ook minder.quot;

Dit alles moet gij, Aand., wel bedenken, en vandaar niet afzien van het gebed, indien gij niet aanstonds verhoord wordt. Gaat slechts te ijveriger met het gebed voort, hoe langer God met het verhooren wacht, zooals de Chananeesche vrouw dat gedaan heeft. Richt ge met uw bidden niets uit, zoekt dan, en heeft dat zoeken geen gevolg, klopt dan aan ; ik wil zeggen : bidt steeds vuriger, steeds ijveriger, steeds vertrouw voller, en gij zult ten laatste het hart van God vermurwen, zoodat Hij u geeft, waarom gij bidt. «Wat Hij ons,quot; zegt de H. Egydius, »in eenen dag niet geeft, dat kan Hij ons in een week, in een maand, in een jaar of nog in een lateren tijd geven.quot; Genoeg is het, dat gij eenmaal, hetzij vroeg of laat verhoord wordt, indien overigens datgene, waarom gij bidt, u dienstig en heilzaam is.

Beijvert u nu, Aand., de voorschriften, die ik u over het gebed gegeven heb, te vervullen. Bidt met aandacht; houdt uw hart op God gericht en vermijdt naar krachten alle verstrooide gedachten. Bemerkt ge, dat gij \' verstrooid zijt, keert dan aanstonds weder in u zelve en zet uw gebed met een vernieuwden ijver voort. Bidt met ootmoed\', erkent, dat gij hulpbehoevende schepselen en arme zondaren zijt, niet waardig, voor het aanschijn Gods, des Heeren van hemel en aarde, te verschijnen en Hem genade af te smeeken. Vlucht bij uw kerkbezoek alle hoovaardij en ijdelheid, en legt in uw kleeding en geheel uw houding aan den dag, dat uw hart vervuld is van den diepsten eerbied jegens God. Bidt met vertromcen; verwacht zeker van God, dat Hij u zal verhooren, indien overigens het voorwerp van uw gebed Hem ter eere en u tot heil verstrekt. Hoe zoudt ge ook in deze veronder-

526

-ocr page 535-

tn \'t aloemrun, 527

stelliug aan liet verhooren uws gebeds kunnen twijfelen, daar God, de oneindig\' machtige en goede, alle goed geven kan en om de verdiensten van Jesus ook geven wil ? Bidt met overgeviny in den wil van God; laat het geheel en al aan Hem over, of Hij, wanneer en hoe Hij voor goed vindt u te verhooren. Hij weet het best, wat u goed en heilzaam is; legt derhalve uw lot vertrouw-vol in zijn handen ; Hij zal alsdan alles voor u ten beste leiden. Bidt eindelijk met volharding; laat uw vertrouwen niet zinken, indien gij niet aanstonds verhoord wordt, maar zet uw gebed met alle vertrouwen voort, tot dat het Gode behaagt, u het verlangde in te willigen. Indien gij zoo bidt, dan bidt gij goed en heilzaam, de al-goede God zal uw gebed met welgevallen aannemen, en u geven, waarom gij tot Hem smeekt, overeenkomstig de verzekering onzes goddelijken Zaligmakers : (Luc. 11, 9.) «Bidt, en u zal gegeven worden.quot;

IV. Warneer wij moeien hidden.

Volgens de vermaning van Jesus Christus moeten wij allijd bidden, maar in bijzonder moeten wij bidden in verzoekingen, bijzondere aangelegenheden, heimelijke en openbare rampspoeden, verder \'« morgens en \'s avonds, voor en na den eten en bij het teeken der hedeklokken.

1) De goddelijke Zaligmaker zegt; (Luo. 18,1). » Opor-tet semper orare et non deficere, men moet altijd bidden en niet verflauwen.quot; Evenzoo vermaant de Ap.: (I Thess. 5, 17). i) Sine intermissione or ate, bidt zonder ophouden !quot; Er zijn eenigen geweest, die dwaas genoeg waren, deze goddelijke uitspraken in een letterlijken zin op te nemen en meenden, dat men alle tijdelijke bezigheden moest ter ter zijde stellen, om steeds te kunnen bidden. Zoo kwam ten tijde, als de woestijnen van Syrië en Egypte vol van vrome kluizenaars waren, een jongeling met name Joan-

-ocr page 536-

OVER HET GKBRD

nes de Kleine, bij zijn ouderen broeder, nam afscheid van hem en zeide: »Van nu af aan wil ik een leven leiden, aan de Engelen gelijk en volstrekt niet meer werken, maar altijd door God den Heer dienen.quot; Zoo sprak hij en trok zich terug tot diep in de woestijn. Toen hij hier een week had doorgebracht, was zijn voorraad van brood op, de honger kwelde hem, maar niet minder de verveling. Nu kwam hij dan des avonds laat aan de hut van zijn eveneens heilgierigen maar verstandiger broeder terug, klopte met geweld aan en riep ; »Doe open, mijn broeder, Joannes staat voor de deur.quot; De broeder antwoordde droogjes: »Joannes is een Engel geworden, hij houdt zich onder de menschen niet meer op.quot; » Neen schreeuwde de jongeling, ik ben het werkelijk, ik ben Joannes.quot; De andere bleef echter onbeweeglijk en verloor door het herhaald roepen en kloppen zijne bedaardheid niet, eerst als de morgen schemerde, opende hij hem de deur en sprak; »Indien gij een Engel zijt, wat zoekt gij dan hier in mijn armzalige hut? zijt gij echter een mensc.h, gelijk ik en anderen, dan moet ge werken, om in uw onderhoud te voorzien.quot; — Zoo is het, Aand., wij kunnen niet altijd bidden ; want wij moeten ook arbeiden en onze beroepsplichten vervullen, om met eere door de wereld te komen en nuttige ledematen der menschelijke maatschappij te worden.

Wij kunnen evenwel het gebod, altijd te bidden, naar den geest vervullen, indien wij ons hart dikwijls tot God verheffen en aan Hem al onze werkzaamheden, yenoeyens en lijden opofferen. Alle Heiligen hadden zich tot een gewoonte gemaakt, dikwijls bij hunnen arbeid in zich te keeren en korte verzuchtingen en schietgebeden tot God op te zenden. Deze heilzame oefening is ook u heel goed mogelijk. Gij kunt dikwijls over dag aan God en uw zielenheil denken en daarbij vrome gewaarwordingen in u opwekken. Zoodanige gewaarwordingen bijv. zijn :

528

-ocr page 537-

IN \'T ALÖEMREN.

«Miju God en mijn alles!quot; «Mijn Jesus, voortaan geen zonden meer!quot; «Jesus, U leef ik; Jesus, (J sterf ik;.Jesus, ik behoor U dood en levend !quot; »Jesus, Maria, Joseph, U schenk ik mijn hart en mijn ziel!quot; Deze en dergelijke korte verzuchtingen, die gij zelfs niet met den mond, maar slechts met het hart behoeft uit te spreken, zijn u voorzeker overal en in alle omstandigheden mogelijk. Zij hebben het groote voordeel, dat zij u voor lichtzinnigheid en godvergetenheid bewaren en in uw hart den christ. ijver en het vuur der goddelijke liefde onderhouden.

Het gebod van Christus, altijd te bidden, kunt gij bij zonder daardoor volbrengen, dat ge al uw doen en laten door een (joede meenwff heiligt. Daartoe vermaant de Apostel u met de woorden: (I Cor. 10,31.) «Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles tot verheerlijking Gods!quot; Deze goede meening moet gij eiken morgen, alvorens gij aan uw werkzaamheden gaat, met allen ijver verwekken, doordien gij bijvoorbeeld bidt: i) O mijn God, ik offer aan U op quot;ü mijne gedachten, woorden en werken, en ik vereenig ze met de verdiensten van Jesus Christus, mijn Heer en Verlosser!quot; Wordt deze goede meening gedurende den dag door geen kwade onderbroken, dan heeft zij invloed op al onze gedachten, woorden en werken en maakt ze verdienstelijk voor God. Op die wijze bidden wij altijd, want wij bidden in dit geval den geheelen dag door, wijl ons hart feitelijk steeds op God gericht en tot Hem is verheven. Goed en raadzaam is het evenwel, indien wij de des morgens gemaakte goede meening dikwijls daags, bijzonder bij gewichtige werkzaamheden en wanneer een ijdelheid of ongeduld in ons hart opwelt, in \'t kort hernieuwen, zoowat met de woorden : »Mijn God, alles uit liefde tot U !quot; — Ge kunt alzoo, Aand., het gebod des tleeren, altijd te bidden, met een lichte moeite nakomen; ge behoeft

34

529

-ocr page 538-

OVER HET (rEBEn

sleclits dikwijls des daags korte en vurige schietgebeden te verrichten en de goede meening vernieuwen.

2) Er bestaan evenwel verschillende gelegenheden en tijden, waarin wij bijzonder moeten bidden. Voor alles is het gebed in de ure der verzoeking noodzakelijk. Christus zelf vermaant ons : (Matth. 26, 41.) » Vigilate et orafe, waakt en bidt, ut non intretis in tentaiionem, opdat gij niet in bekoring valt.quot; Wie in eene verzoeking: niet aan-

O O

stonds tot God zijn toevlucht neemt en Hem om zijn bijstand aanroept, die stelt zich bloot aan het grootste gevaar, in de strikken van Satan te geraken en in zonde te vallen. » Zonder het gebed,quot; zegt een Üudvader, » bestaat er geen overwinning in de bekoringen. Eene ziel, die niet bidt. is een soldaat zonder wapenen te midden van vele vijanden, die op zijn ondergang uit zijn ; zij is een stuurman op een onstuimige zee met een vaartuig zonder roer en zeil; zij is eene van alle kanten belegerde stad, waarvan de muren zonder verdediging z;jn. Wee hem, die de noodzakelijkheid van het gebed niet gevoelt ea derhalve ook niet bidt!quot; Hebben wij geen treurig voorbeeld aan Petrus? Is hij niet juist daartoe gekomen, zijn Heer en Meester driemaal te verloochenen, omdat hij Diens vermaning, te waken en te bidden, uit het oog had verloren? O, wij zijn zoo zwak en van ons zelf volstrekt niet in staat, het met de vijanden onzes heils op te nemen ; wij moeten vandaar de hulpe Gods afsmeeken, opdat wij in den strijd kunnen staande blijven. Daarom zegt de H. Franc. v. S. heel schoon: »Zoodra gij f.anvangt, in u een bekoring te gevoelen, doe dan zooals de bange kleine kinderen, die, als zij een wild dier bespeuren, aanstonds op hun vader of moeder toeloopen of ten minste tot hen om hulpe roepen; alzoo spoedt u aanstonds tot God en bidt Hem om hulp, genade en barmhartigheid.quot; Verzuimt derhalve, Aand., bij een bekoring toch nimmer, tot het gebed uw toevlucht te nemen. Wanneer

530

-ocr page 539-

ïn \'t aloemern. 531

gij liemerkt, dat een kwade lust in u opdoemt en u tot zonde trekt, keert u dan onverwijld tot God en bidt Hem met allen ijver om zijn bijstand, houdt met het gebed, zoolang de bekoring duurt, niet op. Doet ge dit, dan zal God u helpen, zoodat gij elke bekoring, zij mag ook nog zoo hevig en aanhoudend wezen, kunt overwinnen.

Maar niet enkel in verzoekingen, doch ook bij Jieime-lijke en openbare rampspoeden moet gij bidden. In alle aangelegenheden en wederwaardigheden, zij mogen ons zelf of anderen, afzonderlijke personen dan wel geheele gemeenten en staten treffen, is het gebed het krachtigste middel om de goddelijke hulp te erlangen. Was het niet het gebed, waardoor Mozes voor zijn volk de overwinning over Amelec behaalde ? (Exod. 17.) Was het niet het gebed, dat de arm van Judith sterk maakte, zoodat zij Holofernes het hoofd afsloeg en haar stad van den ondergang redde? Was het niet het gebed, waardoor Esther de redster werd van haar tot den dood veroordeeld volk? Was het niet het gebed, waardoor de eerste Christenen verwierven, dat God aan Petrus in de gevangenis een Engel zond, die hem in vrijheid stelde? (Hand. 12.) De groote kluizenaar Hilarion bevond zich eens, zooals de H. Hieronymus verhaalt, met zijne leerlingen in volle zee, als twee sterke vaartuigen, met zeeroovers bemand, op hem aanroeiden. De leerlingen alsmede de overigen, die met hem op het schip waren, verstijfden van angst; Hilarion echter sprak met een hevig gebaar: »Gij kleinge-loovigen, waarom siddert gij ? Zijn dan deze zeeroovers talrijker, dan het krijgsheir van Pharao?quot; Reeds schuimde voor hen de zee door de kielen der rooverschepen, die haar doorkliefden; reeds waren deze tot op een steenworp nabij gekomen ; nu trad Hilarion op de voorsteven van zijn vaartuig, stak zijn hand naar de roevers uit en riep; »In den naam van Jesus, tot hiertoe en niet verder!quot; En

-ocr page 540-

OVKR HET GTiniïD

ziet, aanstonds dreven de beide scliepen af en werden, ondanks alle inspanning der roeiers, haastiger dan zij waren komen opzetten naar de kust terug geslagen. Zooveel vermag het vertrouwvolle gebed! «Het gebed,quot; zegt de H. Ephrem, »is een sterke wapenrusting, een onuitputtelijke schat, een veilige haven, de grondslag des vredes, de wortel, de bron en moeder van tallooze goederen.quot; Moogt ge derhalve, Aand., van welk een ramspoed ook bezocht worden, wendt u dan tot God in een ijverig en üanhoudend gebed. Indien gij vol vuur en met een onwrikbaar vertrouwen bidt, zult gij vroeg of laat de hulp des Heeren ondervinden, zooals Hij zelf verzekert: (Ps. 49,15.) i) Itwoca me in die iribulationis, roep Mij aan in den dag der benauwdheid ; eruam ie, Ik zal er u uit redden, et honirificabis me, en gij zult Mij eeren!quot;

3) Ge moet bidden \'s morgens, zoodra gij zijt opgestaan, alvorens gij aan uwe bezigheden gaat. Dit vordert reeds de plicht van dankbaarheid. God heeft u een rustigen slaap geschonken ; Hij beeft uwe krachten op nieuw versterkt, zoodat gij weer kunt arbeiden ; Hij heeft u bewaard en alle onheil, wat gedurende den nacht u had kunnen treffen, genadig van u afgewend. Dit was bij alle menschen niet het geval. —• Ach, hoevelen, leggen zich \'s avonds evenzoo gezond neder als gij en stonden \'s morgens niet weer op ! Zij werden door een ziekte overvallen en stierven plotseling ; of er drongen goddelooze menschen hun slaapvertrek binnen en vermoordden ze. Velen brachten den nacht wel levend door, maar onder veel geschrei van ach eu wee ; zij klaagden, jammerden en weenden ; want zij konden geen oog sluiten. Anderen leden gedurende den nacht een groot nadeel aan hun have ; er brak een brand uit en legde hun gebouwen in asch ; overstroomiiigen verwoestten hun velden eu landen ; dieven ontstallen hun geld en goed. Ik vraag u, Aand., had zoo iets ook niet u kunnen over-

532

-ocr page 541-

in \'t algemeen.

komen ? Wie zou dit willen loochenen ? Indien de goede God u voor alle ongeluk bewaard en u na een ver-kwikkenden slaap een vroolijken dag heeft beschoren, is het dan niet billijk\', dat gij Hem daarvoor hartelijk dankt ?

Verder, waaneer gij \'s morgens opstaat, ligt weder een heele dag voor u, een dag met velerhande gevaren voor ziel en lichaam. Velen gaan krachtig en gezond aan den arbeid, en wanneer de avond aanbreekt, leven zij niet meer. Zij zakken eensklaps in een en sterven ; zij storten van een hoogte naar beneden en blijven dood liggen, zij worden door een val, door een slag of ander toeval gedood, door eeu roekelooze hand vermoord; kortom de dood heett tallooze wegen, waarop hij tot ons kan toetreden. Velen overvalt een hevige ziekte, die binnen weinige dagen hen ten grave sleept. Nog meer gevaren dreigen hun zielenheil. Wij zelve zijn zwak en laten ons heel licht tot het kwaad verleiden ; wij leven in een wereld, die in \'t verderf ligt verzonken ; wij komen in verschillende kwade gelegenheden en moeten omgaan met menschen, die voor ons dikwerf zeer gevaarlijk zijn. Bovendien slaapt ook de duivel niet, maar »gaat uit als een brullende leeuw, zoekende, wien hij zou kunnen verslinden.quot; (I. Patr. 5, 8,) O, hoe spoedig is het gebeurd, dat wij zondigen, de genade verliezen en den grond leggen tot ons eeuwig verderf! Aand., zegt zelf, is het onder zoodanige omstandigheden niet noodzakelijk, dat gij reeds in den vroegen morgen u met ziel en lichaam in de bescherming C4ods aanbeveelt, en Hem zeer dringend bidt, dat Hij alles, wat u voor tijd en eeuwigheid schade zou kunnen berokkenen, genadig van u moge afweren ?

Verricht derhalve van nu af aan dagelijks uw morgengebed met een godvruchtig hart. Hebt ge in uw jeugd zekere gebeden daarvoor geleerd, gaat dan daarmede voort

533

-ocr page 542-

OVER HET GEBED

te bidden; zoo niet, dan kunt ge het doen op de volgende ■wijze : bidt, nadat gij u met wijwater besproeid en het h. kruisteeken gemaakt hebt, vijf Onze Vaders en vijf Wees Gegroeten, en wel het eerste Onze Vaderen Wees Gegroet als dankgebed voor den gelukkigen nacht ter eere der H. Drievuldigheid; het tweede, ter eere der goddelijke Voorzienigheid om genade en bescherming voor den beginnenden dag; het derde, ter eere van Jesus, Maria en Joseph, opdat gij den dag goed moogt doorbrengen, zooals de H. Familie te Nazareth; het vierde, ter eere van uw Beschermengel en Naampatroon, opdat zij u hoeden naar ziel en lichaam ; het vijfde eindelijk voor de arme zielen in het vagevuur. Verwekt vervolgens de drie goddelijke deugden, dan het berouw, het voornemen en de goede meening, waardoor gij alles, wat ge gedurende den dag denkt, spreekt en doet, aan God opdraagt, en gaat hierna in Gods naam aan uwen arbeid. Dit is voorzeker een kort, gemakkelijk en kernachtig morgengebed, dat ieder kan verrichten. Wie tijd heeft, die moet wel is waar meer bidden en bijzonder met het gebed ook een korte overweging over een of ander waarheid des geloofs houden. Evenwel is bij gebrek aan tijd het aangegeven morgengebed toereikend ; doch ge moet het niet gedachteloos, maar met veel aandacht verrichten, en in bijzonder het ernstige voornemen maken, den geheelen dag goed door te brengen, en deze of gene zoude, waartoe gij een bijzondere neiging hebt, niet te begaan.

4) Verricht vervolgens evenzoo ijverig het avondyebed; want ook voor dit gebed hebt ge de gewichtigste gronden. God heeft u den dag door veel goeds bewezen. Terwijl velen uwer medemenschen met verschillende rampspoeden en zelfs met den dood zijn bezocht, heeft niet het minste ongeval u getroffen. Gij waart gezond, hadt te eten, kondet rustig arbeiden en uw dagelijksch brood en nog

534

-ocr page 543-

IN \'l ALGEMEEN.

meer verdienen. Gods genade beschermde u, zoodat gij uw geweten ten minste met geen zware doodzonde hebt bezoedeld. Leggen deze groote weldaden u niet den plicht van dankbetuiging op ? Ware het niet schandelijk gehandeld, indien gij u als de redelooze dieren zonder een vromen en dankbaren blik tot God, den Gever alles goeds, op uw leger uitstrekt ? — Ge behoeft vervolgens ook de bescherming Gods voor den nacht; ge moet Hem daarom bidden, dat Hij uw gezondheid en leven beware, en alle zichtbare en onzichtbare vijanden van u afwere en u in geen zonde late vallen. — Indien gij verder des avonds uw geweten ook maar vluchtig onderzoekt, dan ontdekt gij menige fout, die gij in uw bezigheden en in verkeer met de menschen begaan hebt. Zult gij u nu aan den slaap overgeven, zonder over het bedreven onrecht een liartelijk berouw te verwekken ? Ge moet eindelijk \'s avonds uw gedachten, woorden en werken aan God opofferen, om ze voor de eeuwigheid verdienstelijk te maken.

Ge hebt alzoo voorzeker zeer gewichtige gronden, dat gij het avondgebed vlijtig verricht en waart inderdaad zeer te laken, indien gij het uit lichtzinnigheid of traagheid zoudt achterwege laten. Ge hebt ook daartoe niet veel tijd noodig; bidt slechts weder, indien gij geen eigen avondgebed geleerd hebt. Vijf Onze Vaders en Vijf Wees Gegroeten, en offert ze op met dezelfde meening, zooals die bij het morgengebed gedaan zijn. Stelt hierop een kort gewetens onderzoek in, en denkt minstens eemge minuten na, hoe gij den dag hebt doorgebracht; verwekt vervolgens de drie goddelijke deugden met een berouw, voornemen en een goede meening. Eindelijk neemt wijwater, teekent u met het h. kruisteeken en begeeft u met goede gedachten en onder aanroeping der heiligste namen Jesus, Maria, Joseph ter ruste. Tegen dit avondgebed kan voorzeker niemand inbrengen, dat bet te lang

535

-ocr page 544-

OVER HET GEBED

is; ik verwacht daarom van u, dat gij allen het voortaan aandachtig zult verrichten.

5) Bidt ook vlijtig voor en na den eten. De spijzen, waarmede gij u verzadigt, komen van God. Bewerkt uw velden ook nog zoo goed, drijft uwe veefokkerij ook nog zoo ijverig, arbeidt in uw werkplaats vroeg en laat, draaft en zweet den geheelen dag ; dit alles zal u weinig baten indien God u zijn zegen onthoudt. »Aan Gods zegen is alles gelegen.quot; Ware God niet met u, dan deeldet gij uw lot met Jesus leerlingen, die den geheelen nacht arbeidden en geen vischje vingen. Daaraan, Aand., moet gij denken, wanneer gij u aan tafel zet en verzadigd opstaat, en juist daarom voor en na den eten bidden. — Bij het eten worden dikwijls vele zonden bedreven; ik zal hier slechts op eenige opmerkzaam maken. Menigeen eet, en weet niet, wanneer hij zal ophouden; zij eten meer dan hun noodig en dienstig is, en dezen zondigen door onmatigheid. Velen laten bij het eten al te zeer de zinlijkheid gelden ; zij eten enkel uit genotlust; ook zulk een eten is een redelijk mensch en Christen onwaardig en zondig. Velen rimpelen het voorhoofd en toonen een groot misnoegen, als de rechte spijzen niet worden op-gedischt of niet volgens hun smaak zijn toebereid. Men verhaalt, dat een man een schotel vau tafel nam en met inhoud en al onder gruwelijke vloekeu de deur uitwierp; en van een ander, dat hij den schotel met eten op het hoofd der vrouw aan stukken sloeg. Ja, Aand., zoodanige onverstandigen bestaan er. Ik loof wel niet de huismoeders, die iu het bereiden der spijzen ongeschikt en nalatig zijn ; maar ook prijs ik niet al te kieskeurige personen, en geloof, dat zij niet zonder zonde zijn. Op zijn minst heeft de Zaligmaker tot zijn leerlingen gezegd, dat zij zouden eten, wat men hun voordiende, en vele Heiligen hebben heel onsmakelijke spijzen het liefst gegeten. Bij den eten komen ook dikwijls quot;kwade

586

-ocr page 545-

IN \'T ALGEMEEN.

gesprekken, onkuische klap, leugentaal, spotternijen en twisten voor, wat alles te zamen en afzonderlijk zondig is. Opdat gij nil deze en dergelijke zonden moogt vermijden, moet ge voor tafel bidden en het voornemen maken, dat gij gedurende den eten God niet wilt beleedi-gen. •—• Op denzelfden grond moet ge ook na den eten bidden. David spreekt in zijn Psalm (90, 6.) »A daemoneo meridia.no, van den middag duivel.quot; Wat is dat voor een duivel? Dat is die, welke de men-schen na den maaltijd pleegt te verzoeken. Is ons lichaam goed gevoed en met spijs en drank gevuld, dan staat het aan de verzoekingen van onreinheid, toorn en traagheid sterk blootgesteld, en de zonde is veel toegankelijker, dan in staat van nuchterheid. Het is vandaar noodzakelijk, dat wij na den eten bidden, niet enkel, om God voor spijs en drank te danken, maar ook, om zijne genade te vragen, dat wij niet zondigen.

Een eerzame burger bevond zich eens op een bruiloft, waar ook vele voorname en jonge gasten aanv,ezig waren. Alvorens hij zich aan tafel nederzette, deed hij stil zijn gebed. Nu zeide een der gasten tot hem spottend : «Niet waar, bij u te huis bidt wel alles?quot; o Alles?quot; antwoordde de burger ; »dat wist ik niet.quot; » Hoe: niet alles? vroeg de ander. «Neen,quot; zeide de burger droogjes ; «ik heb twee zwijnen in \'t schot, zij bidden niet, wanneer men hun het voedsel geeft.quot; Nu verstomde de jonge gast en sprak geen woord meer met den christ. burger. Ik geloof, indien de dieren verstand bezaten en kennis van den lieven God hadden, dan zouden zij voor en na het voeren zeker bidden. Indien alzoo een mensch en een Christen vóór en na het eten niet bidt, dan ontdoet hij zich van zijn waarde en stelt zich op den trap der redelooze dieren. Van ondank wil ik in het geheel niet spreken. Doet vandaar, Aand., degenen niet na, die in hun onverstand het beneden tiuu waardigheid achten.

537

-ocr page 546-

OVEU HET GEBED

538

jdig is Dit i want op or niet j

de gebruikelijkelijke gebeden aan tafel te verrichten. Wiiijken zich tot bidden schaamt, die moet zich ook schamen tsMaria eten. Zet iemand zich aan tafel en eet hij, dan beken hij zich, hij mag willen of niet, als bedelaar voor God want hij spijst aan Gods tafel, en voor een bedelaar betaamt het dan toch wel, dat hij bidt en dankt. — Doeti echter niet, zooals vele bedelaars voor de deuren, die

zoo haastig, zoo gedachteloos, zoo slecht bidden, dat men Jesus

zich daarover moet ergeren. Bidt met aandacht, gunt uis, tt( den tijd en radbraakt de woorden niet, de schotels op tafel loopen vandaar niet meer weg. Gaat ook — en dit zij bijzonder tot de huismoeders gezegd — gedurende het gebed niet heen en weer, om nog het een en ander te doen, en dient niet alreeds de huisgenooten bun deel op ;

want «Niemand kan twee heeren dienen.quot; Voor alles vermaan ik u, christ. ouders, houdt bij uw kinderen tot B: een aandachtig gebed aan tafel aan en veroorlooft hun niet over tafel rond te kijken en dat zij woorden van het gebed overslaan of geheel onverstaanbaar en gebrekkig uitspreken.

b) Eindelijk, bidt bij het teeken der bedekioh. In de Kath. Kerk bestaat reeds sedert de oudste tijden het vrome gebruik, dat er driemaal daags met de klok in den toren der kerk geklept en geluid wordt, \'s morgens, op den middag en \'s avonds. Goede Christenen verrichten dan dat gebed, hetwelk onder den naam van t Amjelus Domini, of Engel des Heerenquot; bekend is en in drie gedeelten de genaderijke Geheimenis der Menschwording van Gods Zoon inhoudt. In de eerste gedeelte brengt de Aartsengel Gabriel aan de Allerzaligste Maagd Maria de boodschap, dat zij door God tot de Moeder zijns Zoons, onzes Verlossers, is uitverkoren; in het tweede geeft Maria tot de wondervolle opdracht des Engels haar toestemming en besluit Gods Moeder te worden; in het derde gedeelte aanbidden wij het Geheim der Menschwording des godde-

mens de ( den : slottf en d

zegg

» En baar van houi niet zon( liek der

bid

W8 Wi

G( no ki

-ocr page 547-

IN :T ALGEMEEN.

Rijken Woords en prijzen met de vrouw in het Evangelie tjMaria zalig, omdat zij onder alle van haar geslacht waar-mjdig is bevonden, den Zoon Gods te ontvangen en te baren. Dit is voorzeker een uitermate schoon en heilig gebed; want het heeft betrekking op de allergrootste weldaad, op onze Verlossing, waarvoor wij in alle eeuwigheid God niet genoeg kunnen danken. Wijl de Menschwording van eniJesus Christus een werk der Allerheiligste Drievuldigheid ujis, doordien namelijk de Vader den Zoon zond, de Zoon mensch werd en de H. Geest de Menschwording in Maria, de Onbevlekte Maagd, uitwerkte; — daarom wordt tot den »Engel des Heerenquot; driemaal daags geklept en ten slotte geluid, opdat wij den Drieeenigen God, den Vader en den Zoon en den H. Geest op een gelijke wijze dank zeggen.

it Bidt alzoo, Aand., dagelijks driemaal aandachtig den • Engel des Heerenquot; en herinnert u daarbij met een dankbaar hart de onuitsprekelijke genade der Menschwording van Jesus Christus en uwe Verlossing. Laat u niet terughouden door het kwade voorbeeld dergenen, die daarin niet mede doen, geen hoofd ontblooten, maar voortwerken zonder te bidden. Dat zijn inderdaad geen goede Katholieken, omdat zij de grootste aller genaden, de genade der Verlossing niet achten.

V, Waar wij moeten bidden.

Wij kunnen en moeten naar omstandigheden overal bidden, bijzonder moet dit echter in de kerk geschieden.

1) Indien er op de geheele wereld een plaatsje bestond, waar God niet zijn zou, dan konden wij daar niet bidden, want het gebed is een onderhoud, eene vereeniging met God en maakt daarom zijne tegenwoordigheid volstrekt noodzakelijk. Zoo min als wij met een afwezig mensch kunnen spreken, zoo min zouden wij tot een afwezigen

539

-ocr page 548-

OVER HET SEBED

540

God kunnen bidden. Wij zijn echter door de Openbaring onderwezen, dat God overal is, (Wijsh. 1, 7.) * Spiritus Domini replevit orbem ierrarum, de Geest des Heeren vervult het heelal; et hoe quocl continet omnia, scientiam habet vocis, en \'t geen alles samenhoudt, draagt kennis van ieder geluid.quot; Ja, God is niet alleen buiten ons, maar ook in ons; (Hand. 17, 28.) «In ipso enirn vivimus, want in Hem leven wij, et ntovemur, en bewegen wij ons, et xumus, en zijn wij.quot; Zeer schoon zegt daarom een vrome geestelijke schrijver: »De heele wereld is Gods huis en elk vroom hart is een altaar.quot; Waar wij dus ook steeds mogen wezen, daar kunnen wij tot God bidden; want overal is God ons nabij, overal verneemt Hij de verzuchtingen onzes harten, overal geeft Hij acht op onze woorden, die wij tot Hem spreken. «Men kan,quot; zegt de H. Chrysostomus, » op de markt rond gaan of in de gerechts -zaal zitten en toch veel bidden.»Iemand kan in zijn werkplaats zijn en arbeiden en toch zijne ziel steeds aan God opofferen. Een dienaar, zoo hij inkoopt, af- en aangaat, een kok en dergelijken kunnen, indien zij ook al (zonder verplicht te zijn) niet in de kerk komen, goed bidden. Want God versmaadt geen plaats, maar vordert slechts een aandachtig hart en een kalme ziel. Zoo bad de Patriarch Jacob dikwijls, als hij in het vrije veld omwandelde; Manasses in den duisteren kerker, Ezechias op zijn ziekbed, Daniel in den leeuwenkuil. Jonas in den buik van den walvisch. Job op den mesthoop, de drie jongelingen te Babyion en vele H, Martelaren in den vuuroven. En het gebed, dat op zoodanige verschillende plaatsen gestort werd, nam God welgevallig aan en verhoorde het, Jesus Christus zelf gaat ons ook hier raet zijn voorbeeld voor. Hij bad niet enkel in den tempel te Jerusalem en in de synagogen, maar ook in de woestijn, waar Hij veertig dageu vastte, op de bergen, waarheen Hij bij het aanbreken van den nacht zich dikwijls terugtrok, in du

-ocr page 549-

IN \'T ALOIÏMRRJJ.

spijszaal, in den Olijfliof en zelfs aan liet kruis. Alles, wat wij in het onmetelijke rijk der schepping aanschouwen, van het gesternte des hemels tot aan den zandkorrel der aarde, herinnert ons aan Godci almacht, wijsheid en goedheid en roept ons op, aan Hem onze hulde te brengen. Daarom ook namen de Heiligen uit de zichtbare voorwerpen der natuur dikwijls aanleiding, vrome beschouwingen te maken en tot God te bidden. Zoo, om er slechts éen te noemen, de H. Franc, van S. Zag hij de velden met heerlijke vruchten prijken, dan sprak hij: • Wij zijn velden, die God heeft bebouwd, opdat wij vruchten dragen.quot; Zag hij een prachtig versierden tempel, dan sprak hij: » Wij zijn tempels van den levenden God ; waarom zijn derhalve onze zielen niet met de h. deugden versierd ?quot; Zag hij schoone bloesems, dan sprak hij: «Waarom volgen op onze deugdenbloesems geen vruchten ?quot; Zag hij schoone, kostbare afbeeldingen, dan sprak hij : «Niets is schooner, dan de naar Gods beeld geschapene ziel.quot; Zag hij tuinen, dan sprak hij: » Wanneer zal de tuin onzer ziel met schoone bloemen en rijke vruchten prijken ?quot; Bij het aanschouwen eener bron verzuchtte hij naar den gelukzaligen dag, waarop wij zonder ophouden uit de bronnen des goddelijken Verlossers zullen drinken. Over het algemeen hij zag- niets, wat hem niet tot God, het voorwerp zijns verlangens en liefde, opvoerde en tot h. gewaarwordingen en ontboezemingen des harten opwekte.

Zoo kunt ook gij, Aand., overal uw gemoed tot God verheffen en vrome gewaarwordingen in u opwekken. Bezit ge een God minnend hart, dan zult ge daartoe dagelijks veel gelegenheid vinden. Gij gaat bijv. langs een eenzamen weg; is het nu te veel indien gij u eenige oogenblikken met heilzame gedachten onledig houdt of een rozenkrans bidt ? Gij arbeidt alleen op \'t land, in de werkplaats of ergens anders ; is het nu te veel, in-

541

-ocr page 550-

OVER HET GEBED

dien gij nu en dan een vromen Wik om hoog slaat en een kort gebed verricht ? Ge ziet hier of daar een beeld van den gekruisten Zaligmaker; zoudt ge niet in stilte verzuchten : »0 Jesus, gekruiste Verlosser, ontferm U mijner !quot; Zelfs wanneer gij u in gezelschap bevindt, met anderen spreekt of u vermaakt, kunt ge eenige malen in u zelve keeren en een kort gebed des harten tot God richten. Maakt u alzoo de tallooze gelegenheden, die zich tot het gebed voordoen, ten nutte, en verwijlt niet lang op dezelfde plaats, zonder korte oefeningen van gebed te doen.

2) Maar heel bijzonder bidt in de kerk. Alle volken der aarde, zelfs de onbeschaafdste Heidenen hebben tempels, waar zij bijeenkomen, om daar te bidden. Zooals wij uit de H. Schrift weten, heeft Salomon te Jerusalem den drukl Heere een prachtvollen tempel gebouwd, die later na zijn l\'eeft verwoesting op nieuw werd opgebouwd. Tot dien tem- G( pel stroomden de Joden van geheel het land en uit alle were oorden der wereld te zamen, om hun offers en gebeden den Koning van hemel en aarde op te dragen. Jesus \'s H Christus zelf bezocht reeds als twaalfjarige knaap dien regel tempel, en kwam later alle jaren daar; ook weten wij, ^00 dat Hij dien uitdrukkelijk als een bedehuis heeft aange-duid. (Matth. 21, 13.) Evenzoo lezen wij vandeAposte- gehe len, dat zij den tempel dikwijls bezochten. Wat de eerste Christenen betreft, hadden zij wel is waar nog geen, zooals wij heden ten dage, openbare Godshuizen, en konden die ook niet hebben, omdat de uitoefening van den christ. godsdienst op doodstraf was verboden. Er bestonden even- ^roo wel verschillende oorden, die zij als kerken zich ten nutte maakten. Zoodanige oorden waren in Rome bijzonder de roeP Catacomben, waarvan ik reeds vroeger heb gesproken ; ver der particuliere huizen, waarin tot den godsdienst afzon-derlijkequot; zalen waren ingericht. Doch reeds ten tijde der daai vervolging bouwden de Christenen, als men hun maar

542

eemg» JVlilev nus, tig k zen o de C \'ebed .loder ten, alzoo geen werel Weei ja. r

ten hart ze k daar

-ocr page 551-

TN \'T ALC.EMRKX.

eeuige rust liet, op vele plaatsen kerken. Zooals Optatus v. Mileve ons verhaalt, bezat Rome bereids voor Diocletia-nus, den laatsten vervolger der Christenen, over de veertig kerken. Toen de tijd der vervolging voorbij was, rezen overal meer of minder prachtvolle tempels op, waarin de Christenen tot het vieren des H. Offers en tot het gebed dagelijks bijeenkwamen. Zoo komen dus Heidenen, Joden en Christenen hierin overeen, dat zij kerken bezitten, waarin zij God vereeren en aanbidden. Wat zal ik ialzoo van die menschen zeggen, die voorgeven, dat men geen kerken behoeft te bezoeken, wijl toch de geheele

Iwereld een tempel Gods is, en men overal kan bidden ? Weerspreken zij niet het geloof van alle volken der aarde, ja, Jesus Christus zelf, die den tempel te Jerusalem uitdrukkelijk als een bedehuis verklaard en daar dikwijls heeft gebeden ?wereld een tempel Gods is, en men overal kan bidden ? Weerspreken zij niet het geloof van alle volken der aarde, ja, Jesus Christus zelf, die den tempel te Jerusalem uitdrukkelijk als een bedehuis verklaard en daar dikwijls heeft gebeden ?

God is wel is waar overal tegenwoordig en de geheele wereld is zijn tempel; weshalve kan en moet men ook overal bidden. Maar op een bijzonder genadevolle wijze is Hij in de kerken tegenwoordig; hier deelt Hij in den regel meerdere en grootere genaden dan daar buiten mede. Zoo heeft God het reeds aan Salomon verzekerd ; want Hij sprak tot hem: (III. Kon. 9, 3.) »Ik heb dit huis geheiligd, dat gij gebouwd hebt, om mijnen Naam aldaar Uen eeuwigen dage te stellen; en mijne oogen, en mijn ■hart zullen aldaar zijn, te allen dage !quot; Bijzonder zijn on-j ze kath. kerken Godshuizen in den strengsten zin ; want : daarin woont Jesus Christus als God en mensch onder ! broodsgedaante, die Jesus Christus, die ons nog heden zooals vroeger de menschen voor 1800 jaren, tot zich roept met de woorden: (Matth. 11,28.) «Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; O, wie zou niet gaarne ter kerke gaan, wijl hij daar zijn Heer en God, zijn Zaligmaker en Verlosser vindt en zich met Hem op de vertrouwelijkste wijze kan

543

-ocr page 552-

OVER HET GEBED

onderhouden ? Is het niet een teeken van een aan God ontvreemd gemoed, van een hart, dat voor Jesus en zijne liefde geen gevoel heeft, als men zich overal liever dan in de kerk laat vinden?

De kerk is ook deswege heel bijzonder een plaats des gebeds, wijl alles, wat daarin is en voorvalt, ons tot aandacht stemt. Daar is, zooals het geloof ons leert, Jesus Christus in het tabernakel waarachtig tegenwoordig, daar zijn wij afgesloten van het gewoel der wereld en heerscht de h. rust; daar ontmoeten onze blikken zoo vele beelden van Christus, Maria en de Heiligen, die in ons heilzame gedachten opwekken en ons hart hemel-! waarts richten ; daar hooren wij het woord Gods, h. gezangen, zien de verheven viering van den godsdienst met zijne rijke en zinvolle ceremonien, zal dat alles niet den geest van godsvrucht verlevendigen, tot ijver in \'t gebed aansporen en gevoelens en voornemens teweegbrengen, waarvan men buiten de kerk zelden een vermoeden heeft ? Hoeveel voorbeelden noemt de geschiedenis ons, dat zelfs ongeloovigen, dwaalgeloovig-en, vrijgeesten en verstokte zondaars bij het vieren van den kerkelijken godsdienst op \'t diepst werden aangegrepen, en, als door een hooger macht gedreven, zich nederwierpen en met een aandoening baden, die hun veelvuldige tranen uit de oogen perstte !quot;

In de kerk is het verder niet éen, die daar bidt, met hem bidden gewoonlijk, bijzonder bij den godsdienst velen. Is nu de biddende ook al een arme zondaar, onwaardig door God verhoord te worden, ontbreekt de rechte ijver, de innige aandacht, het ware vertrouwen hem bij het gebed, dan vergoeden vele anderen dit gebrek. Zijn gebed stijgt van daar, als gesteund en verheven door het gebed der overige geloovigen, voor den troon van God en vindt genade. Jesus Christus zelf toch zegt: (Matth. 18, 20.) »Waar er twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden.quot; »Wij komen,quot;

544

-ocr page 553-

IN \'T ALÖEMEEN.

schrijft daarom Tertullianus, »in grooten getalle te zamen, opdat wij even als een machtig krijgsheer met een vereende kracht en stem door ons gebed bij God verhooring vinden en onze beden doorzetten. Wij noodzaken op zulk een wijze als het ware den Almachtige, den Onoverwinnelijke, en doen Hem geweld aan, opdat Hij ons verhoore. En ziet, deze dwang is Hem zelfs aangenaam.quot; De H. Chrysostomus zegt: » Men kan ook wel in de eenzaamheid bidden, maar niet zoo als in de kerk, waar het roepen eenparig tot God opstijgt. Ge zult niet zoo verhoord worden, indien gij voor u alleen, als wanneer gij met uwe broeders bidt, want hier is wat meer, namelijk de eendracht, de eenstemmigheid en de band des vredes.quot;

Eindelijk, wij zijn als Christenen verplicht, van ons geloof getuigenis te geven en onzen naaste met een goed voorbeeld voor te lichten. Geschiedt dit nu niet heel bijzonder door een aandachtig kerkbezoek? Geldt niet hij, dien men zelden of in \'t geheel niet in de kerk ziet, voor een ongeloovige, voor een vrijgeest, voor eej slechten Christen? En zal zijn voorbeeld, bijzonder indien hij een huisvader, een overheid is, of zoo hij in \'t algemeen een hooger plaats inneemt, voor zijne ondergeschikten en medechristenen niet hoogst nadeelige gevolgen na zich sleepeu ? Zullen velen hunner ook niet het kerkbezoek en het gebed verwaarloozen ? Heet nu dit geen ergernis geven ?

Laat u derhalve, Aand., door lieden die zeggen, dat men overal kan bidden en niet behoeft ter kerk te gaan, niet in dwaling brengen. Degenen, die 200\'n taal voeren, zijn ellendige, heiivargeten Christenen en ge kunt verzekerd zijn, dat zij elders even zoomin als in de kerk bidden. Dit is een regel, die schier geen uitzondering duldt; wie niet gaarne naar de kerk gaat, die zal over het algemeen bijna niet bidden en verwaarloost overal de oefeningen van aandacht. Ziet op de Christenen der

35

545

-ocr page 554-

04fi OVER HKT GEBED

eerste eeuweu, zij waagden bij het kerkbezoek hun lichaam en leven ; want wanneer men ze ontdekte, bracht men ze als misdadigers op, wierp hen in den kerker en leverde hen aan den dood over. 0, wat voor Christenen waart ge, indien gij thans, terwijl ge uw godsdienstplichten heel vrij kunt nakomen, toch nog het kerkbezoek zoudt achterwege laten? Moesten niet zoovele H. Martelaren op den oordeelsdag tegen u opstaan en u om uw lauwheid en plichtvergetenheid voor den rechterstoel van God aanklagen? Gaat alzoo gaarne ter kerk, in bijzonder op Zon- en Feestdagen, waarop gij door een streng gebod tot het kerkbezoek verplicht zijt. Maar gedraagt u altijd in de kerk eerbiedig, stil, ingetogen en bidt met een innige godsvrucht, opdat gij God verheerlijkt, uwe mede-christenen sticht en genade erlangt.

VI. Voor wie wij moeten bidden.

Wij moeten voor alle menschen bidden; voor levenden en overledenen, voor vrienden en vijanden, bijzonder voor ouders, broeders en zusiers, voor -weldoeners, voor (feestelijke en tvercldljke overheid, ook voor dwaal- en onye-loomjen.

1) Wij moeten bidden voor alle menschen. Dit beveelt de Apostel ons met de woorden: (1 Tim. 2, 1.) »Ik vermaan nu allereerst, dat er gebeden, smeekingen, voorbiddingen, dankzeggingen gedaan worden voor alle menschen.quot; Dit voorschrift is gegrond op de liefde, die wij aan alle menschen zonder oiiderscheid verschuldigd zijn. Indien wij iemand oprecht liefhebben, dan wenschen wij hem alle goed en bevelen hem der genade en Gods barmhartigheid aan. Ook de innige verbintenis, waarin wij staan met alle menschen, maakt ons de voorbede tot een plicht. Wij toch allen hebben een Heer en Schepper, stammen allen van éen menschenpaar af, zijn alzoo allen, al zijn wij ook

-ocr page 555-

IN \'T ALCmMEEK.

door ruimte, burgerlijke verhouding en zelfs opzichtens het geloof zeer ver van elkander gescheiden, kinderen van éenen Vader, broeders en zusters. Wat nu betaamt voor kinderen van éen huisgezin, voor broeders en zusters meer, dan dat zij elkander liefhebben en voor elkander bidden? Alle menschen, geloovigen als ongeloovigen, rechtvaardigen als zondaars zijn voor den hemel geschapen ; God wil, dat allen zalig worden; ook heeft Christus voor allen zijn kostbaar bloed aan \'t kruis vergoten. Hieruit volgt weder, dat wij voor alle menschen moeten bidden, opdat zij hun eeuwig heil mogea bereiken.

In bijzonder moeten wij voor de rechlgetoovige Christenen bidden, want deze staan ons nog veel nader dan de overige menschen. Alle rechtgeloovigen toch hebben éene Moeder, de H. Kath. Kerk; zij hebben hetzelfde geloof, hetzelfde Offer en dezelfde Sacramenten en éen en hetzelfde Opperhoofd, den H. Vader te Eome. Ja, zij maken in Jesus Christus slechts éen lichaam uit en ieder afzonderlijk is een lidmaat aan dit geheimvol lichaam. Indien nu de ledematen van éen lichaam elkander ondersteunen, het eene voor het beste des anderen bezorgd is, zoo komt dit ook den rechtgeloovigen Christenen toe. Wij kunnen nu onze wederzijdsche liefde juist daardoor het meest betoonen, dat wij voor elkander bidden. Daarom vermaant de H. Jacobus (5, 16) de geloovigen, voor elkander te bidden, opdat zij zalig worden, wijl het volhardende gebed des rechtvaardigen veel vermag. Ook de H. Paulus beveelt zich dikwerf in het gebed der geloovigen aan en verzekert hun wederkeerig zijn voorbede. Hij schrijft: (li Thess. 3, I.) »Fr air en, or ate pro nobis, broeders, bidt voor ons, ut sermo Dei currat, opdat het woord Gods loope, et clarificetur, en verheerlijkt worde.quot; En weder: (I Thess. 1,2.) »Gratias ayimus Beo semper pro omnibus vobis, wij danken God ten allen tijde voor

547

-ocr page 556-

r

OVET! HET GEBED

u alleu, memoriam vesiri facientes in orationihus nostris sine intermissione, zijnde uwer in onze gebeden gedachtig zonder opbonden.quot;

Ons gebed moet zicli echter niet enkel tot de levenden, maar ook tot de overledenen uitstrekken. De afgestorvenen, d. i. de geloovige zielen, van wie hier sprake is, staau met ons nog in verbinding, want zij behooren tot de lijdende Kerk. Bovendien moet de grootheid huns lijdens, dat volgens de uitspraak van vele Kerkvaders alle lijden der aarde ver overtreft, verder de omstandigheid, dat zij zich zelve niet helpen en niets meer kunnen verdienen, eindelijk de dankbaarheid, die wij aan velen van hen verschuldigd zijn, een sterke uitnoodiging wezen, hun naar krachten te hulp te komen. Nu leert het geloof ons, dat het gebed eeu krachtig middel is, hun smarten te verzachten en den tijd hunner zuivering af te korten. {II Mach. 12, 40.) »Sancta et aalubris est cogitaiio pro de-funcüs exorare, het is een heilige en zalige gedachte voor de overledenen te bidden, ut a peccatis solvantur, opdat zij van hun zonden ontbonden worden.quot; De H. Aug. noemt het gebed den sleutel, waarmede voor de geloovige zielen de gesloten poort des hemels wordt geopend. Vandaar ook gedenkt de Kerk in al hare godsdienstige verrichtingen en gebeden die zielen en beveelt ze aan de barmhartigheid Gods aan. Ook viert zij alle jaren een bijzonderen dag tot gedachtenis der afgestorvenen, opdat wij in een vereend gebed voor onze in het zuiveringsoord smachtende broeders en zusters troost en hulp af-smeeken. Verzuimt derhalve, Aand., geen dag, om voor de geloovige zielen te bidden. Dit gebed der liefde zal God welgevallig aannemen en u en de arme zielen tot nut verstrekken. Ook de geloovige zielen zullen zich aan u dankbaar betoonen en voor u, bijzonder wanneer zij eenmaal in den hemel zijn, vele genaden afsmeeken, opdat ge eens een goeden dood sterft en spoedig tot het aanschouwen Gods geraakt.

548

-ocr page 557-

in \'t algemeen.

549

2) Voor wie wij in het bijzonder moeten bidden, komen op de eerste plaats onze ouders, iroeders en zusters, weldoeners en vrienden. Daartoe verplicht reeds de ohrist. liefde en dankbaarheid. Degenen, die ij liefhebben, wen-schen wij van harte al het goede. Maar hoe kunnen wij nu aan dezen wensch meer nadruk geven dan dat wij voor hen bidden? Wij hebben aan onze ouders, vrienden en weldoeners veel goeds te danken, en wij zijn niet bij machte, hun dat alles te vergelden. Zouden wij dan minstens niet voor hen bidden, opdat God hun de aan ons bewezen weldaden vergelde ? Wij wenschen eindelijk, dat wij eenmaal met hen te zamen komen en ons voor eeuwig in don hemel met elkander mogen verblijden. Moet deze wensch ons niet aansporen, dat wij niet enkel voor ons zelve, maar ook voor hen bidden, opdat God zich onzer allen erbarme en ons tot zich in den hemel opneme ? In het bijzonder moeten kinderen, die zoo ongelukkig zijn, godvergeten ouders te hebben, voor dezen vurig en aanhoudend bidden, om voor hen de genade van boetvaardigheid af te smeeken. Het ijverige en vurige gebed vermag hier ongelooflijk veel. Voor ongeveer veertig jaren werd ergens in Frankrijk een missie gehouden, \'s Avonds na het einde der preek hoorde de missionaris de mannen, die in grooten getalle zich tot God bekeerden, de Biecht af. Eens drong door hun rijen ook een zoowat twaalfjarig meisje. De biechtvader was daarover eeniger-mate verstoord, omdat bij er op stond, dat de mannen geheel ongestoord hun aandacht zouden kunnen verrichten. Toen het dochtertje tot hem gekomen was, zeide zij: «Mijn vader, ik wil niet biechten; het is iets anders, wat mij en mijn moeder op het hart ligt. Mijn vader is zeer in toorn over de missie en schimpt en lastert daarover voortdurend, en toch heeft hij het zoo noo-dig zich te bekeeren, want hij bevindt zich op slechte wegen. Mijne moeder en ik zijn zeer bekommerd voor

-ocr page 558-

550 OVER HET GEBED

zijn zielenheil, en daarom bid ik u om een goeden raad.quot; De missionaris gaf met alle zachtmoedigheid ten antwoord. »Mijn kind, gij kunt u zelve helpen. Weet gij dan niet, wat Jesus gezegd heeft»Bidt, en u zal gegeven worden ?quot; Indien gij met een rein hart en met volharding tot God smeekt, dan kunt gij zeker zijn verhoord te worden. Verlang met vertrouwen deze genade van God; herinner u zijn belofte; bid om de bekeering uws vaders met de beste verwachting, Jesus heeft ons zijn woord gegeven ; Hij moet zijn woord houden.quot; — Na enkele dagen kwam het dochtertje terug, en verhaalde den missionaris met een bekommerd hart, dat alles te vergeefs was; de vader was meer verbitterd dan ooit, en in den hevigsten toorn geraakt, toen men hem het deelnemen aan de missie had aangeraden. Nu nam de missionaris een ernstige houding aan, en zeide met een schijnbare gestrengheid tot het kind : »Daarvan zijt gij de schuld. Hadt gij gebeden, zooals ik u gezegd heb, met vurigheid en vertrouwen op de belofte van Jesus, dan ware uw vader reeds bekeerd. Ga alzoo heen en bid op nieuw beter en inniger dan gij gedaan hebt.quot; Geheel ontsteld en tot tranen toe bewogen, wierp het kind zich voor het altaar der Moeder Gods op de knieën neder en bad uit geheel haar ziel om verhooring. Na twee dagen kwam het kind weder en riep den missionaris toe: «Vader heeft zich reeds bekeerd. Hij ging naar een preek luisteren, en als hij over de barmhartigheid Gods hoorde spreken, werd zijn hart zoo getroffen, dat hij aanstonds door een rouwmoedige Biecht zich met God verzoende en zich verbeterde.quot; — Zulk een wonderbare kracht bezit het gebed ! Kinderen, hebt ge alzoo een vader, eene moeder, die naar den geest der wereld leven, bidt dan voor hen met een aanhoudenden ijver; God zal tot vreugde uws harten uw gebed vroeg of laat verhooren Ge moet ook bidden voor de overheid en wel aller-

-ocr page 559-

in \'t algemeen.

, eerst voor de ij eestelij he overheid te weten voor den H. Vader, den Paus, voor de Bisschoppen en de zielzorgers. Verplichfen reeds de liefde en de dankbaarheid u, voor \' uwe ouders en weldoeners te bidden, hoeveel te meer , zijt gij op dezen grond verplicht, voor uwe geestelijke

I overheden te bidden ? Hebt ge haar niet de allergrootste weldaden te danken ? Hebt ge niet door haar het h. kath. geloof, zonder hetwelk geen heil is te hopen ? Dienen zij u de Sacramenten, waardoor gij rechtvaardig en heilig wordt, niet toe ? Dragen zij dagelijks niet het H. Misoffer op, waarin voortdurend de verdiensten van het bloedig Kruisoffer u toevloeien? Verkondigen zij u niet onophoudelijk het woord Gods, om u in de christ. wet te onderwijzen en u tot uwe eeuwige bestemming te brengen ? In waarheid! Wie voor al deze weldaden geen hart heeft; wie, inplaats van voor de Priesters te bidden, ze vijandig bejegent, haat en lastert, die is een ondank-\' baar mensch, en draagt het brandmerk van verwerping \' als het ware op ziju voorhoofd. Betracht de eerste Christe-| nen. Hoe ijverig baden zij voor den Apostelvorst Petrus, , als deze in de gevangenis smachtte. Zij hielden niet op, j dag en nacht met hunne gebeden den hemel te bestormen, tot dat God een Engel zond, die den gevangen Petrus in vrijheid stelde. Doet ook gij, Aand., wat deze vrome Christenen gedaan hebben, overheden te bidden ? Hebt ge haar niet de allergrootste weldaden te danken ? Hebt ge niet door haar het h. kath. geloof, zonder hetwelk geen heil is te hopen ? Dienen zij u de Sacramenten, waardoor gij rechtvaardig en heilig wordt, niet toe ? Dragen zij dagelijks niet het H. Misoffer op, waarin voortdurend de verdiensten van het bloedig Kruisoffer u toevloeien? Verkondigen zij u niet onophoudelijk het woord Gods, om u in de christ. wet te onderwijzen en u tot uwe eeuwige bestemming te brengen ? In waarheid! Wie voor al deze weldaden geen hart heeft; wie, inplaats van voor de Priesters te bidden, ze vijandig bejegent, haat en lastert, die is een ondank-\' baar mensch, en draagt het brandmerk van verwerping \' als het ware op ziju voorhoofd. Betracht de eerste Christe-| nen. Hoe ijverig baden zij voor den Apostelvorst Petrus, , als deze in de gevangenis smachtte. Zij hielden niet op, j dag en nacht met hunne gebeden den hemel te bestormen, tot dat God een Engel zond, die den gevangen Petrus in vrijheid stelde. Doet ook gij, Aand., wat deze vrome Christenen gedaan hebben, eo bidt dagelijks voor uw geestelijke overheid. Bidt voor den H. Vader, die tegenwoordig zich in een dergelijken toestand bevindt, als vroeger de gevangen Petrus, bidt voor hem, dat de

IHeer in de dagen van zware beproeving en harde verdrukking hem staande boude en de aanslagen zijner vijanden te schande make. Bidt voor uwen Bisschop, dat God hem verlichte met een hemelsche wijsheid en uit-ruste met een apostolische kracht, opdat hij den herdersstaf ten beste zijner kudde drage. Bidt voor uwe zielzorgers, dat zij zelf in godsvrucht wandelen, en steedsHeer in de dagen van zware beproeving en harde verdrukking hem staande boude en de aanslagen zijner vijanden te schande make. Bidt voor uwen Bisschop, dat God hem verlichte met een hemelsche wijsheid en uit-ruste met een apostolische kracht, opdat hij den herdersstaf ten beste zijner kudde drage. Bidt voor uwe zielzorgers, dat zij zelf in godsvrucht wandelen, en steeds

551

-ocr page 560-

OVER HET GEBED

ijvervol zich onledig houden, uwe zielen te redden en in den hemel te brengen.

Maar bidt ook voor de wereldlijke overheid. Daartoe vermaant de Apostel ons uitdrukkelijk, doordien hij op de aangehaalde plaats zegt: (I Tim. 2,1—3.) »Ik vermaan, dat er gebeden, smeekingen, voorbiddingen gedaan worden voor alle menschen, voor koningen en alle overheid — opdat wij een stil en rustig leven leiden in alle godsvrucht en eenzaamheid; want dit is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker.quot; De Apostel geeft hier een tweevoudigen grond aan, waarom wij voor de wereldlijke overheid moeten bidden; eerstens, opdat wij een rustig leven mogen leiden, opdat namelijk God door ons gebed de overheid verlichtte en haar kracht en een goeden wil verleene, hare onderdanen goed en naar de christ. wet te regeeren; ten tweede, opdat wij den wil Gods volbrengen, die het gebed voor alle menschen en bijzonder voor de overheden heeft aanbevolen en welgevallig aanneemt. Op grond van dit apostolisch voorschrift hebben reeds de eerste Christenen voor hun overheden gebeden. Zoo schrijft Tertullianus: «Wij roepen den waarachtigen, eeuwigen en levenden God voor het welzijn des keizers aan, van Wien ook zij verlangen, dat Hij hun voor alle anderen genadig zij. Wij bidden voor hem, dat hij hebben moge een lang leven, een veilige regeering, een vertrouwde hofhouding, een dapper leger, een getrouwen raad, een braaf volk en een land in vrede, kortom, wat een mensch en keizer voor zich mag wen-schen.quot; De Kerk bidt ook heden op alle Zondagen voor den koning. De koning en de wereldlijke overheden hebben ons gebed ook hoogst noodig, want zij behoeven een groote wijsheid en een beproefde deugd, om hun zware plichten getrouw te vervullen en land en volk goed te regeeren. Overigens komt het gebed, dat wij voor hen verriohteu, ons ten goede; want hoe beter zij regeeren,

552

-ocr page 561-

in \'t algemeen. 553

des te meer bevorderen zij ons tijdelijk en eeuwig welzijn.

Onder degenen, voor wie wij bijzonder moeten bidden, behooren ook onze vijanden. Dit beveelt de goddelijke Zaligmaker ons uitdrukkelijk, doordien Hij zegt: (Luc. 6, 26. 28.) » Biliyile inimicos vestros, hebt lief uwe vijanden, henefacite his qui oderunt vos, doet wel degenen, die u haten ; henefacite maledicentihus vobis, zegent die u vloeken, et orate pro salumniantibus vos, en bidt voor hen, die u lasteren.quot; Hij zelt gaat ons met het heerlijkste voorbeeld voor; want wij weten, dat Hij nog aan het kruis voor zijn vijanden en moordenaars heeft gebeden met de woorden : (Luc. 23, 34) » Pater, dimitte illis. Vader, vergeef het hun : non emm sciunt quid faeiunt, want zij weten niet, wat zij doen.quot; Naar dit voorbeeld zijns goddelijken Meesters heeft ook Stephanus gebeden voor degenen, die hem steenigden. Toen hij bereids met sterven bezig was, verzamelde hij nog zijn laatste krachten, en nederknielende riep hij biddende : Hand. 7, 59.) » Domine ne statuas illis hoe peccatum, Heere I reken hun deze zonde niet toe.quot; Het gebed voor onze vijanden is noodzakelijk voor ons en voor hen, voor ons opdat wij de opwellingen van haat en vijandschap overwinnen en den plicht der vijandsliefde kunnen vervullen ; voor hen, opdat God hunne verkeerde stemming verandere en hun de genade verleene, dat zij zich met Hem en ons verzoenen. Laat derhalve niet na, ook uwe vijanden in uw gebed op te nemen, en somwijlen, maar hoofdzakelijk, wanneer haat en afkeer in uw hart opwelt, uitdrukkelijk voor hen te bidden.

Wij moeten eindelijk nog bidden voor de dwaal- en ongeloovigen. Daartoe verplicht de christ. liefde en barmhartigheid ons bijzonder. Ach, wie is ongelukkiger dan de dwaal- en ongeloovigen, die in zoo\'n groot gevaar hunner zaligheid verkeeren ? Hoe zeer staat te vreezen, dat zij in ongeloof eu ketterij volharden, en ziel en zalig-

-ocr page 562-

OVER HET GEBED

heid verliezen! Wij beschikken tevens over weinige middelen om deze ongelukkigen te redden. Wij kunnen niet tot hen gaan, en hun het Evangelie verkondigen; en indien wij het ook al deden, dan ware toch onze moeite waarschijnlijk te vergeefs. De bijdragen, die tot de mis • sie-vereenigingen strekken, werken wel is waar veel goeds ; want wij zien daardoor de missionarissen in staat gesteld, om aan de Heidenen, dwaalgeloovigen en schismatieken het h. geloof te verkondigen, maar ook dit middel is niet toereikend, want de bekeering tot het geloof is niet het werk der menschelijke pogingen alleen, maar hoofdzakelijk der goddelijke genade. Er blijft derhalve slechts éen middel, dat het krachtigste is van allen, het gebed ons over. Door het ijverige gebed smeeken wij voor de missionarissen en de dwaal- en ongeloovigen de genade van boven, voor de eersten, opdat zij hun apostolisch ambt met een goed gevolg waarnemen ; voor de laatsten, opdat zij hun hart voor de christ. waarheid ontsluiten en zich bekeeren. Dit weten de missionarissen, daarom verzoeken zij ons in hun schrijven, dat zij uit de verre gewesten der wereld tot ons richten, niet enkel om aalmoezen, maar bevelen ook zich zelve en de inboorlingen van hun apostolischen werkkring dringend in onze gebeden aan. Bewijst alzoo, Aand., ook aan de dwaal- en ongeloovigen en in \'t algemeen aan de zondaars uwe liefde, en bidt voor hen, opdat God zich hunner ontferme en ze op den weg van waarheid en deugd leide.

Ik heb u thans, Aand., de drie vragen bee-ntwoord; wanneer, waar en voor wie gij moet bidden. Bidt volgens de vermaning van Jesus altijd , verheft zeer dikwerf gedurende den dag uw hart tot God en heiligt al uw gedachten, woorden en werken door een goede mee-ning. Bidt in elke verzoeking alsmede in de verschillende nooden en bedruktheden des levens, opdat God u rnoed en kracht verleene. Hem zoowel in goede als kwade

554

-ocr page 563-

IN \'T ALGEMEEN.

dagen met een gelijke trouw te dienen. Maakt ook heden het vaste voornemen, eiken dag minstens een kort morgen- en avondgebed in mv huizen te verrichten en voor en na den eten aandachtig te bidden. Bidt evenzoo dagelijks ter eere der menschwording vau Jesus Christus drie maal den «Engel des Heeren.\'\'

Wijl de gansche wereld niets anders is dan een onmetelijke tempel dien de majesteit Gods vervult, daarom bidt overal, in en buiten\'s huis, in \'t open veld en bosch, te land en te water, alleen en onder de menschen. Alles in de wijde natuur noodigt u uit. God onzen Heer en Schepper te prijzen, alles roept u toe: aanbidt uwen grooten, goeden God, eert en bemint Hem, brengt Hem hulde en dank, roept Hem om zijne hulp aan en beveelt u in zijne genadige bescherming. Bidt bijzonder, wanneer gij alleen zijt, en trekt u somwijlen, indien het zonder nadeel aan uwe beroepsplichten kan geschieden, in de eenzaamheid terug, om eenige oogenblikken met God te verkeeren en aan het werk uws heiis te denken. Voor alles echter bidt in de kerk. Jesus Christus, uw Zaligmaker, woont in het tabernakel, och, waar zult gij liever zijn dan bij Hem ! Bezoekt derhalve zooveel mogelijk, vooral op Zon- en Feestdagen de kerk, woont den godsdienst met aandacht bij en bidt met alle vurigheid des harten. De kerk is het huis van God, de plaats van genade, daar verkrijgt ge alles, wat gij noodig hebt voor tijd en eeuwigheid. O, welk een troostelijke gedachte zal het voor u wezen, waaneer gij eenmaal op uw sterfbed kunt zeggen : ik heb altijd gaarne ter kerk gegaan, ik heb de uren, die anderen aan vermaken besteedden, aandachtig biddend in de kerk doorgebracht; met deze gedachte zult gij in vrede sterven.

Bidt voor alle menschen, voor levenden en dooden, vrienden en vijanden, bijzonder voor uwe ouders, broeders, zusters, weldoeners, voor geestelijke eu wereldlijke

555

-ocr page 564-

OVER HET GEBED

overheden, alsmede voor dwaal- en ongeloovigen. Gij zijt Christenen; ge moet alle menschen liefhebben, alzoo ook voor allen bidden. Weest verzekerd, het gebed, dat gij met een hart vol liefde voor anderen doet, neemt God welgevallig aan en kroont het met groote genaden. Ü.ior ijverige voorbiddingen kunt gij menige ziel vau den ondergang redden ; is dit niet iets groots, een gewin, waartegen de geheele wereld niet opweegt? Door de voorbidding verkrijgt ge echter ook voor u zelf vele en groote genade; dit gebed toch heeft de liefde tot grondslag en alle werken van liefde wegen het zwaarst, zijn kostbaar in Gods oogen en trekken een rijken zegen af. Bidt derhalve voor u zelve en voor anderen en volhardt in het gebed, opdat gij u altijd over de goddelijke bescherming verblijdt, uw loopbaan hier beneden gelukkig volbrengt en het doel uwer hoop, de eeuwige zaligheid, gelukkig bereikt.

2.

Over het gebsd in het bijzonder.

AJs ik zeg, over het gebed in \'t bijzonder te zullen spreken, dan bedoel ik daarmede de verschillende wijze, waarop wij het gebed verrichten, mondeling of inwendic/ en de beide gebeden het Onze Vader en het Wees Gegroet en ten slotte nog den Hm/el des Heer en.

I. Over het mondelinge gebed.

Om u, Aand., over het mondetinye gebed behoorlijk te onderrichten, dien ik u twee vragen te beantwoorden:

556

-ocr page 565-

IN \'ï BIJZONDER.

1) waarom moeten wij mondeling hidden; 2) wal moeten wij doen, om aan den plicht van het mondelinge gebed te voldoen ?

1) Tot het mondelinge gebed verplicht ons reeds het woord en voorbeeld onzes goddelijken Verlossers. Eens traden zijne leerlingen op Hem toe en vraagden, hen te leeren bidden. »Heer,quot; spraken zij, «leer ons bidden!quot; En de Heer willigde hun bede in en leerde hen het H. Onze Vader bidden. (Luc. 11, 2.) Bet Onze Vader is een mondeling gebed, omdat wij daarin God, den hemelschen Vader, onze beden met bepaalde door Jesus Christus zelf voorgeschreven woorden voordragen. Hieruit volgt blijkbaar, dat aan God het mondelinge gebed aangenaam is en dat wij zeer goed doen, indien wij mondeling tot Hem bidden. Zooals wij in het Evangelie lezen, heeft Jesus Christus dikwijls mondeling gebeden. Zoo deed Hij bij het laatste avondmaal onmiddellijk voor zijn lijden een lang gebed, dat de H. Joës (17) ons heeft opgeschreven en zoo uit het hart en liefdeademend is, dat wij het zonder ontroering niet kunnen lezen. Aan den Olijfberg bidt Hij minstens gedeeltelijk mondeling; want Hij sprak tot driemaal toe: (Matth. 26, 39.) n Pater mi, mijn Vader, si possibele est, indien het mogelijk is, transeat a me calix isle, laat dezen kelk van Mij voorbijgaan ; verum-tamen non sieut ego volo, nochtans niet, gelijk Ik wil, sed sicut tu, maar gelijk Gij wilt!quot; Evenzoo deed Hij nog aan \'t kruis een mondeling gebed, doordien Hij sprak met luider stem: (Luc. 23, 46.) »Pater, in manus tv.as commendo spiritum meum. Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest!quot; Wat Jesus gedaan heeft, mogen en moeten zonder twijfel ook wij doen; wij mogen en moeten mondeling bidden. Vandaar ook zegt de H. Aug. : «Als de Eenniggeborene des eeuwigen Vaders, gekleed in een menschelijke gestalte, voor ons bidt, dan kon Hij dit ook in stilte en verborgen met geest en hart

557

-ocr page 566-

OVER HET GEBED

doen. Maar Hij wilde, dat zijn gebed voor ons ook door ons zou gehoord en gekend worden; want wijl Hij wist, dat Hij onze Leeraar en Meester was, daarom wilde Hij ons in zijn gebed, dat Hij den eeuwigen Vader opdroeg, den aard en de wijze, hoe ook wij bidden moeten, te kennen geven.quot;

Naar het voorbeeld des goddelijken Meesters heeft ook de Kerk het mondelinge gebed ten allen tijde als goed en heilzaam aangeduid en het aan haar dienaren hij de openbare Godsvereering uitdrukkelijk voorgeschreven. Wij Priesters zouden deswege geenszins aan onze verplichting beantwoorden, indien wij de woorden der gebeden in de H. Mis en in ons brevier enkel inwendig uitspraken; wij moeten ze niet slechts denken maar met den mond bepaald en duidelijk uitdrukken; want zoo eischt de Kerk het. Ook hebben de Christenen ten allen tijde mondeling gebeden en zijn wij nog heden in het bezit van vele dier uitermate schoone en zalvende gebeden, die eens de Kerkvaders en andere Heiligen vervaardigden en plachten te spreken. Vele dezer gebeden heeft God zelfs met wonderbare genadebewijzen aangeduid, zooals bijv. het geprezen Memorare, (Gedenk, o goedertierenste Maagd, dat het nooit is gehoord), dat algemeen aan den H. Berns. wordt toegeschreven. Wie telt de genaden, die door dit gebed niet enkel den Christenen, maar zelfs den ongeloovigen zijn ten deel gevallen? Over het algemeen leert de geschiedenis aller tijden, dat de menschen door het mondelinge gebed, dat zij voor zich alleen of gemeenschappelijk met anderen deden, in hunne aangelegenheden verhooring vonden en goederen en genaden van allerlei aard hebben ontvangen. Wat laat zich hieruit anders besluiten, dan dat het mondelinge gebed aangenaam is aan God en wij het moeten beoefenen?

Het mondelinge gebed is ook overeenkomstig onze natuur. Wij bestaan uit ziel en lichaam; beide komen van

558

-ocr page 567-

IN \'T ALGtEMEEN.

God, en hebben de bestemming hun Heer en Schepper te verheerlijken. Zouden wij derhalve slechts inwendig, met de ziel bidden, dan zouden wij Hem wel is waar dienen, zooals voor de Engelen, die zuivere geesten zijn, maar niet, zooals het voor ons menschen betaamt, die ook een lichaam hebben, waarmede wij Hem eveneens moeten huldigen. Daarom ook worden wij in de H. Schrift vermaand, aan God het offer onzer lippen, wat blijkbaar alleen van het mondelinge gebed kan verstaan worden, op te dragen. (Ose. 14, 3.) In het bijzonder is het buiten alleen twijfel, dat God ons de spraak, die zoo voortreffelijke en edele gave, ook tot dat doel heeft verleend, dat wij Hem loven en prijzen. Wilden wij alzoo nimmer mondeling bidden, dan onttrokken wij aan God in zeer veel opzichten den dienst des lichaams en der tong, dien wij Hem evenzeer als den dienst der ziel en harer krachten verschuldigd zijn.

Bovendien ondersteunt en bevordert het mondelinge qe-bed bijzonder de inwendiqe aandacht. Indien wij een of ander voorwerp, bijv. een boom, een huis, een stad zelf in oogenschouw nemen, dan krijgen wij daarvan een veel levendiger voorstelling, dan wanneer wij daarvan slechts hooren spreken. Eveneens is het gelegen met de aandacht des harten. Indien wij de woorden des gebeds met den mond uitspreken, dan wordt onze opmerkzaamheid veel meer gaande gemaakt, dikwijls ons hart ook dieper aangegrepen en getroffen, dan wanneer wij enkel inwendig bidden. Zoolang onze ziel met het lichaam blijft verbonden, hangt zij in al hare werkzaamheden van de lichamelijke zintuigen af en wordt daarom, zooals de H. Aug. opmerkt, door de stem en de aandachtige houding in een hooger graad opgewekt, zich in een heilig verlangen te onsteken. Deze Heilige bekent van zich zeiven, dat hij door het gezang der hymnen en liederen en door de vrome gebeden zoo

559

-ocr page 568-

OVER HET OEBEI)

werd aangegrepen, dat hij zijn tranen niet kon inhouden.

Het is den mensch ook eigen, dat hij de r/evoelens zijns harten in woorden openbare, zooals Christus zelf zegt: (Matth. 12, 34.) d Ex ahundaniia enim. cordis os loquitur, uit den overvloed des harten toch spreekt de mond.quot; Wanneer ge vol zijt van een groote blijdschap of groote droefheid dan zult ge zeker gedrongen worden, deze in woorden uit te drukken. Evenzoo zult gij, indien uw hart van eerbied, liefde, dankbaarheid jegens God, van ootmoed en berouw is aangegrepen, u gedreven voelen, deze gewaarwordingen in woorden luide te uiten. Daarom ook voegt de koninklijke Profeet, na gezegd te hebben, dat zijn hart van vreugde overstroomde, er aanstonds aan toe, dat zijn tong had gejubeld. (Ps. 15, 9.) wLaeiatum est cor meuni mijn hart heeft zich verblijd, e/f exsultavit lingua mea, en gejubeld mijn tong.1\' Hetzelfde lezen wij van vele Heiligen. Als hun hart door het inwendige gebed geheel verwarmd en als in helle vlammen was ontbrand, dan vonden zij zich genoodzaakt, van de overweging af te zien en ze met een mondeling gebed te verwisselen.

Eindelijk is het mondelinge gebed tot de openbare Godsvereering en tot stichting des naasten noodzakelijk. Zouden wij steeds slechts inwendig bidden, dan moest alle openbare Godsvereering ophouden; er kon geen H. Mis meer gevierd, geen kerkelijke en gemeenschappelijke aandacht meer gehouden worden. Het gevolg daarvan zou wezen, dat het openbare Christendom moest vervallen, wijl daaraan door het ophouden der openbare en gemeenschappelijke Godsvereering de grondslag en het vereenigings-punt werd onttrokken. En wat kwade gevolgen zou het nalaten van het mondelinge gebed voor onze medechristenen teweeg brengen ? Velen hunner zouden alle gebed verwaarloozen en allen christelijken zin verliezen,

560

-ocr page 569-

in \'t bijzonder.

omdat zij geen voorbeeld, dat ze tot het gebed aanspoorde, meer voor oogen hadden. Als daarentegen zelfs de lauwe Christen met de oogen ziet en met de ooren hoort, hoe anderen met allen ijver zich van het gebed kwijten, dan maakt dit op hem een heilzamen indruk en hij gevoelt zich als met geweld tot het gebed heengetrokken. Hoe velen zijn er, om hier slechts een enkel geval aan te halen, die in de kerk bij de H. Mis of bij een andere godsdienstoefening schier geen Onze Vader bidden; maar toch, als er een gebed, bijv. een rozenkrans luid op wordt gebeden, hun gebed met dat der overige geloo • vigen vereenigen ?

Ge ziet dus, Aand., dat het mondelinge gebed evenzoo noodzakelijk als heilzaam is en geen Christen kan en mag het zonder nadeel voor zijn zielenheil verwaarloozen.

2) Nu komt echter de vraag ; wat moeten wij doen, om den plicht van het monderlinye (jehed ie volhrewjen ? Ik antwoord: wij moeten het ojjenhare en het afzonderlijk gebed vlijtig beoefenen.

a. Onder het openbare gebed verstaat men dit gebed, dat de Priesters in naam der geloovigen verrichten. Daartoe behooren het H. Misoffer, de Vespers, het Lof, die op Zon- en Feestdagen plaats vinden, het openbaar bidden van den rozenkrans, de kruisweg-devotie, de processie in en buiten de kerk, alsmede verschillende devotien en plechtigheden, die bij bijzondere gelegenheden gehouden worden. Al deze gebeden en aandachtsoefeningen moeten mondeling geschieden, opdat de geloovigen, voor wie zij verordend zijn, daaraan deel kunnen nemen. Deze openbare of algemeene gebeden heeft de goddelijke Zaligmaker reeds door zijn voorbeeld aanbevolen; want Hij bezocht niet enkel de synagogen der Joden, waar gemeenschappelijk werd gebeden, maar kwam ook zeer dikwijls in den tempel te Jerusalem, om de plechtigheden van den

36

561

-ocr page 570-

OVER HET SEBED

Joodscheu godsdienst bij te wonen. Hetzelfde deden ook de Apostelen en de eerste Christenen, zij volhardden,

zooals wij in de Hand. der Ap. (2,46) lezen; «dagelijks eendrachtig in den tempelquot; en kwamen ook, omdat zij nog geen eigen kerken hadden, in huizen te zamen, om

de H. Geheimnissen met elkander te vieren. Men handelt uits]

derhalve tegen het voorbeeld van Jesns en de eerste en c

Christenen en in \'t algemeen tegen den geest van het den

Christendom, dat, een geest is van eenheid en liefde, in- halv

dien wij ons van bet openbare gebed afzonderen en slechts nieti

vóór ons zelf afzonderlijk zouden bidden. hadc

Het openbare gebed is ook Gode aangenamer en heil- nam zamer voor ons dan het afzonderlijke gebed. Wanneer dede

een kind zich jegens zijn vader zwaar heeft vergrepen men

en deze in toorn het wil straffen, wat zullen dan wel de smei

overige broeders en zusters doen? Zullen zij niet allen tege

als uit éen mond bij den vertoornden vader tusschen beide die

treden ? En waarom zullen zij dit doen ? Omdat zij allen van

met elkander door den band der broederlijke liefde zijn vera

vereenigd. En zal het gemeenschappelijke smeeken aller de 1 kinderen den vader niet eerder bevredigen, dan wanneer Zoo

D \'

slechts éen hunner zijn biddende handen tot hem uitstrekt ? den En zal het op zulk een wijze gespaarde kind niet voor ieder zijner broeders en zusters een grootere liefde opvatten, wijl ieder tot zijn bevrijding van straf heeft bijgedragen ? Daardoor wordt alzoo de liefde in aller harten meer uitgestort en vaster gevestigd. Evenals het nu toegaat in een gewoon huisgezin, zoo is het ook gesteld in het groote huisgezin Gods op aarde. Wijl wij over het geheel in dezelfde behoeften leven, daarom moeten wij voor en met elkander bidden, waardoor dan ODk de afhankelijkheid en hulpbehoevendheid aller levenden ons voorgesteld en de vrucht des gebeds zekerder wordt verkregen, heb Hoeveel het vereende gebed vermag, zegt de Goddelijke erbs Zaligmaker zelf; (Matth. 18, 19.) o Si duo ex vobis con-

562

sens sami well

der,

de 1

ner

men

erba

held

redd

in c

drul

ben

hun

-ocr page 571-

in \'t bijzonder.

senserint super ierr am, indien er twee van u op de aarde

| samenstemmen, de omni re quacimque peiierint, over

; welke zaak zij ook mogen bidden, fint illis a Patre meo

j qui in coeiis est, het zal hun geschieden van mijnen Va-

i der, die in de hemelen is.quot; De waarheid dezer goddelijke

t uitspraak bevestigen tallooze voorbeelden der H. Schrift

; en de geschiedenis aller tijden. De kinderen Israels had- ,

t den eens veel onrecht in de oogen Gods bedreven, wes-

- halve Hij ze zeven jaren lang in de handen der Madia-5 nieten liet. Zij werden hard verdrukt; wanneer zij gezaaid

hadden, kwamen de Madianieten, verwoestten alles en

- namen de levensmiddelen mede. (Recht. 6, 1—7.) Wat r deden de Israelieten in deze groote verdrukking? Zij na-i men hun toevlucht tot het gemeenschappelijk gebed en » smeekten met een vereende stem tot den Heer om hulp i tegen de Madianieten. En ziet, de Heer verwekte Gedeon,

gt; die met een kleine schaar dappere mannen zijn vaderland

i van den druk der vreemde volken bevrijdde. Deze alles

i vermogende kracht des openbaren gebeds heeft zich onder

• de Israelieten ook bij andere gelegenheden doen blijken.

r Zoo ten tijde van Jephte. De kinderen Israels bewandel-

? den toenmaals weder slechte wegen, deswege vertoornde

r de Heer zich over hen en leverde ze in de handen hun-

- ner vijanden. Nu deden zij boete over hun zonden, kwa-

- men te zamen en smeekten met alle vuur om genade en i erbarming. En God verhoorde hen; Hij bezielde den

- held Jephte en gaf hem moed en kracht, zoodat hij de 1 redder zijns volks werd. Hoe vaak lezen wij overigens nog t in de H. Schrift, dat de Israelieten, als zij zich in de ver-j drukking bevonden, iu gebed vereenigd tot God om hulp heb-

- ben geroepen. Wij lezen echter ook evenzoo dikwijls, dat God

- hun door éen zijner dienaren het antwoord liet geven: »Ik . heb het roepen mijns volks gehoord, Ik zal Mij zijner

3 erbarmen en het redden.quot; In \'tjaar 433 brak in Con-

*

\'

563

-ocr page 572-

OVEU HET ÖEBED

stantinopel eeu verschrikkelijke brand uit. Het geheele noordelijk gedeelte der stad werd iu een puinhoop veranderd. Alle openbare graanzolders, magazijnen en voorraadschuren van allerlei aard, alsmede alle gebouwen van dit gedeelte der stad werden een prooi der vlammen. Slechts een kerk bleef in deze vuurzee behouden. Zeer vele bewoners van dit gedeelte der stad waren in deze kerk gevlucht. Maar reeds lekten aan de muren daarvan de vlammen ; spattende vonken en dikke rookwolken drongen door de ramen naar binnen ; alle haar omgevende ot daaraan belande gebouwen stonden in vollen gloed. Aan vluchten viel niet meer te deuken ; redding scheen onmogelijk. Nu wierpen de in de kerk gevluchten met hun Aartsbisschop aan het hoofd zich op de knieen neder, en smeekten in een vereenigd gebed om het behoud huns levens. En ziet, zij baden niet te vergeefs ; het vuur werd door Gods almacht eensklaps uitgedoofd, en geen van hen, die in de kerk gevlucht waren, had eenig letsel bekomen. Waarlijk, aan het smeeken van velen kan God geen weerstand bieden ; daarom ook nemen wij bij algemeene rampen tot het algemeene gebed onze toevlucht. Indien de hemel gesloten schijnt, en het dorstende aadrijk een langen tijd den verkwikkenden regen ontbreekt, indien de aanhoudende regen de zaden verwoest, indien ongesteldheden en ziekten woeden, oorlog het land bedreigt, kortom, indien wat voor plaag ook uitbreekt, dan begeven wij ons tot het openbare gebed; wij laten het H. Misoffer opdragen, houden verschillende aandachtsoefeningen en processien — en dat alles daarom, wijl wij weten en gelooven, dat, wanneer wij met de Kerk vereenigd bidden, ons veel eerder hulp ten deel komt, dan wanneer wij slechts afzonderlijk en ieder voor zich den Heer om ontferming aanroepen.

Het algemeene en openbare gebed draagt eindelijk ook

564

-ocr page 573-

IN \'ï BIJZONDER.

tot wederzijdsclie stichting zeer veel bij. Daarom ook vermaant de Apostel tot het gemeenschappelijk gebed, doordien hij schrijft: (Eph. 5, 19.) «Spreekt tot elkander in psalmen, en lofgezangen, en geestelijke liederen.quot; De eerbiedige houding, het liggen op de knieën, het opheffen en vouwen der handen, het op de borst kloppen, het kruis-teeken maken, het luide gebed van velen moet op de aanwezigen een diepen indruk maken. De ijverige Christen wordt daardoor in zijn aandacht gesterkt, de lauwe opgewekt, de verstrooide daartoe gebracht, dat hij zijn gedachten verzamelt en tot God richt. Juist deswege vinden wij reeds in het O. Verbond openbare gebeden ; tot dat doel werd de h. tent opgericht en de tempel gebouwd. De Kath. Kerk echter verlangt van alle ge-loovigen nadrukkelijk en legt het hun als een h. plicht op, dat zij aan den openbaren godsdienst deelnemen en zich kwijten van het gemeenschappelijk gebed. — Doet derhalve, Aand., wat de Joden in het Oude en Christenen in het Nieuwe Verhoud gedaan hebben, maakt een ijverig gebruik van het openbare gebed en blijft zonder gegronde redenen nimmer daarvan weg:.

1). Maar oefent ook vlijtig het privaatgebed-, want ook dit is Gode aangenaam en verwerft u vele genaden. Tot het privaatgebed behoort dat, wat gij te huis of met elkander of alleen en voor u zelf verricht. In christ. huisgezinnen wordt gewoonlijk driemaal daags, \'s morgens, \'s middags en \'s avonds gemeenschappelijk gebeden ; de huisvader, de huismoeder of een ander persoon bidt voor en de overigen antwoorden. Dit is een hoogst lofwaardig gebruik, dat veel goeds met zich medebrengt en niet genoeg kan worden aanbevolen. Wat is er schooner, dan indien alle leden eens huisgezins zich reeds \'s morgens in een vereenigd gebed aan de hoede Gods aanbevelen, \'smiddag op nieuw opwaarts zien en God om genade

565

-ocr page 574-

566 OVER HET GEBED

aanroepen, en \'s avonds hun dagwerk met een aandachtig gebed sluiten ? Moet de zegen Gods niet op zulk een huis rusten ? Dit gemeenschappelijk gebed heeft ook dit vooruit, dat allen in huis tot het vervullen van hun gebedsplicht aanleiding vinden. De jongelieden, zoowel kinderen als dienstboden zouden, indien zij aan zich zelf bleven overgelaten, tot een niet gering nadeel voor hun zielenheil des morgens en \'s avonds veelmaals het gebed verwaarloozen, maar indien er dagelijks op gestelde tijden gebeden wordt, dan gewennen zij aan het gebed, en beoefenen het later nog, wanneer zij reeds lang ergens anders zijn. Ja, er zijn Christenen, die geheel hun leven door die gebeden, welke zij in hun kindsheid met de ouders gemeenschappelijk verricht hebben, dagelijks met een bijzondere voorliefde blijven bidden. Dit gebed, zeggen zoodanige Christenen, heb ik reeds voor derdig, veertig, vijftig jaren met mijn ouders zaliger gebeden, en dit zal ik bidden zoolang ik leef. Daarbij herinneren zij zich ook menige heilzame les, die zij van hunne ouders hebben ontvangen, en maken goede voornemens, die te volgen.

Ik leg u alzoo, christ. huisvaders en huismoeders, zeer dringend op het hart, dat gij met uw kinderen en dienstboden alle dagen \'s morgens, \'s middags en \'s avonds gemeenschappelijk bidt. Gelooft toch niet, dat wegens dit gebed uw huishouden nadeel lijdt. De tijd, dien dit gebed inneemt, is buitendien onbeduidend ; want het is juist niet noodig, dat gij lang bidt; besteedt daaraan telkens zoowat tien minuten of een kwartier uurs, dan is het genoegzaam. Aan Gods zegen is alles gelegen. En Gods zegen zal voorzeker ook niet uitblijven, indien gij uwe christ. plichten naar behooren vervult en vlijtig bidt. Maar ziet er wel op, dat niemand in huis zich aan het gemeenschappelijke gebed onttrekke, en dat allen aandachtig mede bidden. Zoudt ge lauwheid, slaperigheid

-ocr page 575-

in \'t bijzonder.

of zelfs moedwil bij den een of ander, bij kind of dienstboden bemerken, wijst dan den overtreder terecht, en gaat zelfs ernstig te werk, indien een zachte behandeling niet toereikend is.

Met dit gemeenschappelijk gebed kunt gij u evenwel nog niet altijd tevreden stellen, gij moet ook nog afzonderlijk meer of minder bidden. In bijzonder moet ieder Christen voor zich alleen een kort morgen- en avondgebed verrichten. Bij de morgenaandacht moeten wij toch niet enkel mondeling bidden, maar ook bepaalde goede voornemens maken en tot dat doel een afzonderlijk gebed tot God richten. Evenzoo moeten wij bij het avondgebed ons geweten over den dag onderzoeken, onze fouten betreuren en opnieuw bepaalde goede voornemens maken. Maar ook dikwijls gedurende den dag moeten wij ons hart tot God verheffen, wat wij slechts voor ons alleen kunnen doen. Deze gebeden in den loop van den dag behoeven intusschen niet lang te wezen, het beste is, dat zij kort, maar vurig zijn en vaak herhaald worden. Men noemt ze schietyebeden, wijl ze aan het hart des menschen als vlammen ontbranden en tot God als vurige pijlen worden afgeschoten. Zoodanige gebeden zijn: »0 mijn God, ik bemin U! — O Jesus, TJ leef ik, U sterf ik, ik behoor U dood en levend! — O Jesus, voortaan geen zonde meer! — O mijn God, liever sterven, dan U beleedigen ! — H. Maria, wees mijne Moeder in leven en sterven ! — Jesus, Maria, Joseph, T3 schenk ik mijn hart en mijne ziel!quot; Deze schietgebedjes zijn zeer aan te bevelen en hebben boven ander lange gebeden veel voor. Zij zijn zeer kort en kunnen daarom zonder alle inspanning dikwijls herhaald worden, zij zijn, daar ze niet eens met den mond, maar slechts in het hart behoeven uitgesproken te worden, overal mogelijk, wij mogen arbeiden of rusten, alleen of in gezelschap wezen; zij zijn juist wegens hun kortheid niet aan de verstrooiing

567

-ocr page 576-

OVER HET GEBED

en verveling blootgesteld, zooals dit bij langere gebeden dikwijls het geval is, eindelijk verhefien zij het hart voortdurend tot God, voeden den christ. ijver, maken voorzichtig in wandel en dragen tot volmaking des levens ongemeen veel bij.

Alle Heiligen waren van de hooge waarde dezer schietgebeden overtuigd en beoefenden ze met den grootsten ijver. Zij maakten zich het een en ander dezer gebeden bijzonder eigen en bezigden het als een ontboezemings-woord, ten einde in hun strijden en lijden zich moed in te spreken en groote dingen voor de eer van God uit te voeren. »Mijn God en mijn alles!quot; herhaalde tallooze malen de H. Franc. v. Assisie. »Ik ben gekomen, om vuur in de wereld te brengen en wat wensch ik anders, dan het ontbrand te aanschouwen!quot; zoo bad d.kwerf de H. Dominicus. »0 glorierijke boven het gesternte verheven Moeder !quot; zoo smeekte veelmaals de H. Ant. v. Padua. » Alles tot grootere eere Gods !quot; zoo de H. Ignatius. «Lijden of sterven!quot; zoo de H. Theresia. »0 H. Drievuldigheid !quot; zoo de H. Franc. Xav. Deze schietgebedjes beveelt ook de H. Franc, van S. allen Christenen dringendst aan, doordien hij zegt: »Merk wel op, dat de werkzame vroomheid in de beoefening der geestelijke eenzaamheid des harten en der schietgebeden bestaat. Hun nut is dermate groot, dat zij de leemte van elk andere wijze van bidden kan vergoeden; daarentegen kan zij, als zij wordt verwaarloosd, schier door geen ander middel vergoed worden. Zonder haar kan men geen inwendig, beschouwend leven, zelfs niet een werkzaam leven leiden. Zonder haar ware de rust slechts lediggang en de werkzaamheid zou in verstrooiing en verwarring ontaarden. Van daar bid ik u door alles, dat gij deze oefening van ganscher harte wilt zijn toegedaan en nimmer daarvan afwijken.quot;

Laten derhalve, Aand., deze schietgebeden u van harte

568

-ocr page 577-

in \'t bijzonder.

aangelegen zijn. Verzamelt u van tijd tot tijd, ziet op tot God en stiert tot Hem uwe verzuchtingen, om a steeds weder te versterken op het pad van deugd en het doel van uwen pelgrimstocht gelukkig te bereiken.

II. Over het inwendige gebed of de overweginq.

Inwendig bidden of ovenoegen (mediteeren) heet niets anders, dan over een geheimenis van den godsdienst of een waarheid des heils nadenken en daarbij vrome gewaarwordingen en goede voornemens verwekken. Het inwendige gebed of de medidatie onderscheidt zich van het mondelinge gebed bijzonder op een tweevoudige wijze. Indien wij inwendig bidden, dan overwegen wij een of ander voorwerp van den godsdienst, bijv. een eigenschap Gods, een Geheimenis uit het leven, lijden en sterven van Jesus, een der vier uitersten, een deugd, een zonde, dringen dieper in dit voorwerp in en beschouwen het in het licht des geloofs; dit doen wij echter niet bij Let mondelinge gebed; want hierbij richten wij onze opmerkzaamheid alleen op den zin van de woorden des gebeds of op God, zonder bij datgene, wat wij met den mond uitspreken, ons langer op te houden. Zoo -wij inwendig bidden, dan maken wij zelf onze verzuchtingen en bezigen daarbij woorden, zooals juist het hart ons die ingeeft, maar wanneer wij mondeling bidden, dan bedienen wij ons van bepaalde woorden, zooals wij die in het gebedsformulier voor ons hebben. — Na deze korte voorafgaande opmerking zullen wij twee punten in oogenschouw nemen :

1) waarom wij het inwendige gebed moeten beoefenen;

2) hoe wij het volgens aanwijzing der geestelijke leeraars op de nuttigste wijze kunnen beoefenen.

1) Het inwendige gebed moeten wij reeds deswege beoefenen, omdat het een der noodzakelijkste middelen is, om de wel Gods minstens in de hoofdzaak te onderhouden.

569

-ocr page 578-

OVER HET GEBED

570

Werpen wij een vluchtigen blik op het leven der Christenen, dan vinden wij, dat velen van hen naar de grondstellingen der wereld handelen, hun hartstochten botvieren en zonden in menigte begaan, zonder daarover in hun geweten bijzonder verontrust te worden. Waarin mag deze treurige verschijning wel haren grond hebben ? Hoofdzakelijk daarin, dat zij over de waarheden van ons h. geloof nimmer een ernstige overweging houden. Het vuur bezit wel de kracht droog en dor hout te ontbranden, maar indien gij het hout er niet mede in aanraking brengt, dan zal het er niet door worden aangestoken. Evenzoo bezitten ook de waarheden van den h. godsdienst wegens het verschrikkelijke en beminnenswaardige, wat zij bevatten, alle kracht, onzen zij het ook tot het kwade geneigden wil van elke zware zonde terug te houden ; maar zij zullen dit niet uitwerken, indien men ze niet dikwijls op het gemoed legt en behartigt. Er bestaat een hel, geen geloovige twijfelt daaraan ; maar indien men daar nooit aan denkt, om een heilzame vrees in zich op te wekken, dan is dit juist zooveel, als of er geen hel bestond. De dood is onvermijdelijk, ieder mensch weet het ; maar indien men er nooit bij stilstaat om ons hart van alle ongeregelde wereldliefde los te maken, dan is dit juist zooveel, als of wij niet geloofden, dat wij eenmaal moeten sterven. De doodzonde is het verschrikkelijkste kwaad, ieder Kath. Christen is daarvan overtuigd; maar indien men ze niet recht nagaat, om afschuw en schrik daarvoor in het hart op te wekken, dan schijnt zij niets cntzettends aan zich te hebben. Wat volgt hieruit anders, dan dat de onder de Christenen heerschende zonden en overtredingen daarin haren grond hebben, dat men de waarheden van den godsdienst nooit ernstig in overweging neemt? Daarom ook zegt de Profeet: (Jeretn, 12, 11.) »Desolatione desolala est omnis terra, door de verwoes-

-ocr page 579-

IN \'t bijzonder.

ting is geheel het land verwoest; quia nullus est qui recogilet corde, wijl niemand in zich keert.quot; De geheels aarde is onbebouwd en woest, de bloesem aller deugden is verdord, overal ziet men het onkruid van zonden en roekeloosheden voortwoekeren. En dit komt, zegt de Profeet, daarvan, «wijl niemand in zich keert,quot; wijl het meerendeel der menschen hun blik slechts op het aardsche slaat, en over de waarheden des heils nooit nadenkt.

Inderdaad! wat\'Christen zou het ooit wagen, een doodzonde te bedrijven, als hij alle dagen een overweging hield over de strenge rekenschap, die hij eens voor den rechterstoel van God moet afleggen ? of over de vreugde des hemels, waarvan hij zich door de zonde berooft ? of over de vreeselijke. nimmer eindende straffen, waaraan hij zich door een enkele doodzonde schuldig maal^t ? Wie zou ooit een doodzonde begaan, indien hij over de oneindige majesteit en beminnenswaardigheid Gods, dien hij zoo verschrikkelijk beleedigt, nadacht? of over de beschimping, smaad, droefheid, het mateloos lijden en den zoo bitteren dood, dien Christus, onze liefdevolste Verlosser, om ocze zonden op zich heeft genomen ? Dit geldt van duizend andere beweegredenen, die het geloof ons voorstelt, en die allen de grootste kracht bezitten, onzen wil in bedwang te houden, opdat wij geen gebod Gods overtreden. Tot bewijs dezer waarheid zal ik u uit honderd voorbeelden er slechts een aanhalen. De geestelijke zuster Maria Bonaventura, non in een voornaam klooster te Eome, bezat eigenschappen, die eerder een voorname jonkvrouw, zooals zij was, dan een goede kloostervrouw, die zij wezen wilde, konden aanduiden. Met den adel der geboorte, een aangenaam uiterlijk, een levendigeu geest, bevalligen omgang en heerlijke talenten vereenigde zij een uitstekende kennis, die zij zich door de studie der schoone wetenschappen had verworven. Maar omdat zij bij al deze gaven niet datgene voegde, wat voor een

571

-ocr page 580-

OVER HET GEBED

572

kloostervrouw de hoofdzaak is, namelijk ingetogenbeid, godsvrucht, vroomheid en het beoefenen der Ordensrege-len, daarom hadden alle deze voortreffelijke hoedanigheden geen waarde. Zoo gebeurde het dan, dat bare medezusters zich eenige dagen zouden afzonderen, om de grondwaarheden van ons geloof volgens de geestelijke oefeningen van den H. Ignatius in overweging te nemen. Zuster Bonaventura, die voor zoodanige geestesoefenin-gen geen genegenheid bezat, maakte zich over allen vroolijk en sprak tot haar: «Trekt gij u maar terug en begeeft u in de eenzaamheid, ik hen biermede tevreden, dat ik non ben en wil geen kluizenaarster worden. Maakt maar, recht heilig te worden en in verrukking te geraken, want ge zijt geheel uit geest zamengesteld ; ik echter ben ook vleesch, en zal op aarde blijven en mijne gewone bezigheden verrichten.quot; Desniettemin ging zij, door God gedreven naar de eerste meditatie, die over het doel en het einde des menschen handelde, en dacht in haar zelve gekeerd over deze gewichtige grondwaarheid ernstig na. De indruk, dien deze overweging1 in haar gemoed achterliet, was zoo groot, dat zij aanstonds aan de voeten van den geestelijken leider der afzondering ijlde, en tot hem de weinige, maar gewichtige woorden sprak; «Vader, ik durf niet meer met God schertsen, ik heb bereids goed begrepen, wat God in mij verafschuwt, en wat Hij van mij vordert. Ik wil heilig worden ; doch ik zeg te weinig ; ik wil een groote heilige worden en spoedig ook.quot; Zij wilde nog meer spreken ; maar de aan haar oogen ontspringende tranen verhinderden het. Haar tong zweeg; maar daarvoor spraken hare werken. Zij trok zich in haar cel terug, schreef en legde een volkomen overgeven van haar zelve aan de voeten van den Gekruiste neder. Daarop verwijderde zij alles, wat aan haar ijdel was, nam uit haar cel al het overdadige weg en begon een teruggetrokken, vroom en verstorven leven tot aan haren dood toe te leiden.

-ocr page 581-

IN \'T BIJZONDER.

Nn stel ik de vraag : wist deze non wel, alvorens zij die meditatie hield, dat de mensch eenig en alleen tot den dienst van God is geschapen ? Wie zou daaraan kunnen twijfelen ? Dit is een kath. waarheid, die reeds ieder Catechismuskind kent. Waarom was dan deze waarheid zoovele jaren lang niet in staat, haar uit de gevaarlijke lauwheid te rukken en op den weg des heils te brengen ? Ge allen zult antwoorden : omdat zij over die waarheid nooit ernstig nagedacht, ze nooit met opmerkzaamheid had overwogen. Indien nu wereldgezinde Christenen eiken dag een waarheid des heils ernstig betrachtten dan zou men bij hen in een korten tijd zulk een zondig leven en zoodanige bedorven zeden niet meer waarnemen. Ik kan alzoo met recht beweren, dat de geheele verwoesting des geestes, die ons in de wereld voor oogen treedt, aan het nalaten der overweging ontspingt, en dat slechts degenen op den weg der goddelijk wet wandelen, die het inwendige gebed of de overweging op een of andere wijze betrachten. Moet dit geen grond genoeg voor u wezen, dat ge over de geheimenissen en waarheden van onze h. godsdienst, zoo dikwijls mogelijk vrome beschouwingen houdt.

Doch de meditatie is ook een der krachtigste middelen tot leoefeninc/ der christ. deuqden en over 7 alc/emeen tot de volmaaktheid. De H. Chrysostomus zegt: »Evenals een koningin, wanneer zij haar intocht in een stad houdt, niet alléén komt, maar veel andere vrouwen en jonkvrouwen en hoflieden in haar gevolg heeft, zoo trekken, wanneer de deugd des gebeds in een ziel komt d. i. indien de Christen ijverig de overweging beoefent, alle overige deugden met haar binnen.quot; Eenigen bereiden haar den weg, doordien zij de ziel uitrusten, het inwendige gebed, zooals het behoort, aan te vangen ; hiertoe behooren het geloof, üe ootmoed, de eerbied, het zuivere inzicht enz. Andere deugden zijn met het inwendige ge-

573

-ocr page 582-

OVER HET GEBED

bed zelf verbonden, en staan het als \'t ware ter zijde; zooals de liefde, de wijsheid en de overige gaven des H. Geestes, die het gebed zelf ongemeen gemakkelijk maken. Wederom anderen eindelijk en haar getal is uitermate groot volgen op het inwendig gebed, namelijk de vaste en vurige voornemens en begeerten, alle deugden te beoefenen, als: de gehoorzaamheid, het geduld, de kuischheid, de naastenliefde enz. Deze deugden vereenigen zich in de menigvuldige oefeningen op een wonderbare wijze met elkander, waardoor gebeurt, dat de eene de schoonheid der andere verheft. Aan den ootmoed paart zich de liefde en het vertrouwen, aan de liefde de ver-eering Gods en de dankzegging, aan de vereering Gods de gehoorzaamheid en de overgeving in den wil van God, en zoo ontstaat een bloemenkrans der liefelijkste deugden, waarvan de een aan de andere in de schoonste orde zich rangschikt. Deswege hebben vele H. Vaders gezegd, het gebed maakt aan de geesten der Engelen gelijk, niet enkel in zoover als daarin de hoogere zielskrachten, verstand, geheugen en wil werkzaam zijn, waardoor wij de Engelen naderen, maar ook wijl het in ons een rein, heilig, een engelleven voortbrengt. Want in een volmaakt gebed, zooals het inwendige gebed is, verkrijgen wij van de Seraphijnen de brandende liefde, van de Cherubijnen de wijsheid, van de Troonen de rust en den vrede, van de Heerschappijen de macht over de ongeregelde neigingen der zinlijke natuur, van de Machten de kracht tegen de booze geesten, van de Krachten de zie-lengrootheid, van de Vorstendommen de wijsheid in \'t re-geeren, van de Aartsengelen den moed, van de Engelen de gewillige gehoorzaamheid, van alle hemelsche geesten de wijsheid, de kloekheid en reinheid. (Lud. de Ponte.)

Van deze heerlijke werken des inwendigeu gebeds waren alle Heiligen overtuigd; daarom treffen wij onder hen ook geen aan, dat het niet met een grooten ijver

574

-ocr page 583-

IN \'T BIJZONDISR.

heeft beoefend. De H. Franc. Borgias besteedde dagelijks acht uren aan de overweging, wijl niet meer tijd door de overheid him daartoe werd veroorloofd. Waren echter de acht uren verstreken, dan bad hij om de liefde van Christus, hem nog een weinig toe te staan, dat hij zich in de overweging ophield. »Om de liefde van Christus,quot; sprak hij »nog- een kwartiertje!quot; De H. abt Ant. wijdde den geheelen nacht aan het overwegend gebed, en als de zon opging, klaagde hij er over, dat haar al te snel opgaan aan hem zijn rust in God verstoorde. Alfred de Gr., die vrome koning van Engeland, deelde zijn tijd zoo in, dat hij dagelijks acht uren aan den godsdienst, het gebed en de overweging, acht uren aan de zaken des rijks, en de overige acht uren aan de lichamelijke behoeften van slaap en voeding besteedde.

Naar het voorbeeld der Heiligen moet gij, Aand., het inwendige gebed minstens in zoover beoefenen, als het u mogelijk is, opdat gij u eenerzijds voor de zonde bewaart, en anderzijds op den weg der christ. deugd en volmaaktheid vorderingen maakt.

2) Nu blijft de vraag nog over, hoe het inwendige cjebed of de overweqinc/ volgens voorschrift der geestelijke leeraars op de nuttigste wijze kan beoefend worden.

Om uit het inwendige gebed of de overweging voordeel te trekken, moet men zich daartoe ijverig voorbereiden. Hier geldt bijzonder het woord des wijzen Sirachs: (Eccl. 18, 23.) «Alvorens gij bidt, bereid u daartoe voor, en wees niet gelijk een mensch, die God verzoekt.quot; Tot die voorbereiding behoort voor alles, dat gij u in de tegenwoordigheid Gods stelt. Dit kan bijzonder op tweederlei wijze geschieden ; of gij denkt u God, hoe Hij uit den hemel op u nederziet, u gadeslaat en nauwkeurig acht geeft op datgene, wat gij denkt, spreekt en doet, of\' gij bedenkt en behartigt, dat gij u voor God bevindt, dat God in u en gij in God zijt, dat zijne

575

-ocr page 584-

OVER HET GEBED

ontnetelijkheid alles vervult en u geheel doordringt. Hebt gij derhalve alle aardsche gedachten van u verwijderd en u in de tegenwoordigheid van God verplaatst, dan verootmoedigt gij u allerdiepst voor Hem, aanbidt Hem, verwekt een hartelijk berouw over uwe zonden en bidt Hem met vertrouwen om de genade van verlichting, beweging en versterking van uwen wil, opdat de te onder-nemene overweging u nut moge aanbrengen. Tot dat einde kunt gij een Onze Vader en een Wees Gegroet bidden.

Na deze voorbereiding begint de eigenlijke medidatie, d. i. het nadenken over dat onderwerp, wat gij reeds vooraf tot overweging bepaald hebt, of wat gij in een boek uiteengezet voor u hebt. De aard en wijze van dit nadenken is volgens de verscheidenheid des onderwerps verschillend. Beschouwt ge een geheimenis of een handeling onzes Heeren Jesus Christus, bijv. zijn lijden, dan zult ge nagaan: wie is Jesus, die lijdt? wat lijdt Hij? hoe lijdt Hij ? waarom lijdt Hij ? Maakt ge een beschouwing over een of andere deugd, dan zult ge overwegen, waarin zij bestaat, hoe zij zich voordoet, hoe schoon, beminnenswaardig, heilzaam, noodzakelijk zij is; welke middelen gij moet aanwenden, ten einde ze te kunnen beoefenen; bij welke gelegenheid ge ze bijzonder zult beoefen. Houdt ge een overweging over een of ander zonde, gaat dan na de boosheid en schandelijkheid ervan, hare kwade gevolgen voor tijd en eeuwigheid en denkt over de middelen na, die tot de vermijding ervan noodzakelijk zijn. Goed is het ook, dat gij u de geheimenissen of waarheden, die gij overweegt, door de verbeeldingskracht zoo voorstelt, alsof ze u tegenwoordig waren. Overweegt gij bijv. de geboorte Onzes Heeren, of zijn doodsangst in den hof van Olijven, dan wel zijn kruisdood, stelt u dan voor, als waart ge met de vrome herders in den stal, of met de drie leerlingen in den Olijvenhof, dan wel met Maria en Joannes op den Calvarieberg onder het

576

-ocr page 585-

IN \'t BIJZONDlili.

bloeddruipende kruis. Beschouwt gij den dood, denkt dan, dat gij op uw sterfbed ligt, de brandende kaars voor u ; en uwe bloedverwanten, die elkander toefluisteren: ach, hij zal spoedig sterven! Beschouwt gij den hemel of de hel, deukt dan, dat gij voor deze plaats staat en met uw oogen de vreugde der uitverkorenen en de kwellingen der verdoemden ziet. Zoodanige voorstellingen zijn zeer dienstig, want zij werken levendig op den geest, houden de gedachten beter bijeen en stellen ons in staat, krachtiger gewaarwordingen en voornemens te maken.

Valt het u moeilijk, zelf beschouwingen over een of ander onderwerp te houden, dan raoogt ge volgens den raad van den H. Franc. v. S. en den Eerw. Ludovicus v. Granada u van een meditatie-boek bedienen. Ge kunt daarin een enkele bladzijde of een kort gedeelte lezen, dan een weinig ophouden, over het gelezene nadenken, het u zooveel mogelijk op het hart drukken en daarbij vrome gewaarwordingen eu goede voornemens verwekken. Hierop kunt ge weder eeu klein gedeelte lezen eu daarna desgelijks vrome oefeningen houden. Op die wijze kunt ge den tijd, dien gij aan dit voortrefielijk gebed besteedt, u zeer ten nutte maken.

De overweging moet, zal zij zegen aanbrengen, steeds met vrome gewaarwordingen eu goede voornemens verbonden zijn. Deswege zeggen de geestelijke schrijvers, de meditatie zij als een doorgestoken naald, waaraan een gouden draad is bevestigd, die uit gewaarwordingen en voornemens is gevlochteu. Een naald is wel noodzakelijk om aaneen te naaien, maar niet zij, maar de draad houdt het genaaide te zamen. Daarom ware de kleermaker dwaas, indien hij den ganschen dag zou doorbrengen, de naald zonder draad in te steken eu door te trekken, want zijn arbeid zou vruchteloos wezen. Zoo maken het echter degenen, die bij de overweging niets anders doen, dan

37

577

-ocr page 586-

OVER HET GEBED

steeds slechts over het onderwerp hunner beschouwing na te denken. De overweg-ing- moet de naald gelijken, die in het doek gaat en het doorsteekt, d. i. men moet in het onderwerp der overweging dieper ingaan, het goed doordenken ; maar op den steek der naald moet de draad volgen die den naad te zamen houdt, d. i. men moet, nadat men het onderwerp der medidatie goed heeft overwogen, vrome gewaarwordingen en heilzame voornemens verwekken, opdat de verbetering des levens, dat het doel der overweging is, met de genade Gods volge.

Hebt ge alzoo een punt wel overwogen au bemerkt gij, dat ge door een stichtelijke gedachte zijt getroffen, laat dan dit goede oogenblik niet nutteloos voorbijgaan, verheft aanstonds uw gemoed tot God en verwekt vrome gevoelens, zooals juist het hart u die ingeeft. Verootmoedigt u bijv. voor God en bekent uwe armzaligheid, betreurt uw zonden, bidt om genade en barmhartigheid, dankt voor de tot dusverre ontvangen genaden en weldaden, verwekt een akte van vertrouwen, liefde en berusting in Gods wil enz. Deze en dergelijke gewaarwordingen, die men met den mond of ook alleen in \'t hart kan opwekken en eigenlijk niets anders zijn dan schietgebeden, hebben een groot nut, want daardoor wordt het hart van de wereld en de zonde losgemaakt en met God vereenigd.

Het gewichtigste deel der overweging vormen evenwel de goede voornemens. Zoudt ge over het onderwerp der meditatie tot vermoeiings toe nadenken en daarbij allerlei zoete gevoelens opwekken, dan hadt ge toch weinig of geen voordeel, indien gij geen goede voornemens maakt. Uw beschouwing geleek een gebouw, dat men met zorgvuldigheid optrekt, maar waarop men geen dak heeft geplaatst. Wil daarentegen de overweging u niet van de hand gaan, hebt ge weinig geschiktheid, in het onderwerp der overweging dieper in te dringen, gevoelt gij u

578

-ocr page 587-

IN \'ï BIJZONDER.

daarbij koud en dor, en zijt ge niet in staat, warmte in \'t hart te brengen, dan zal de overweging u desniettemin een groot voordeel aanbrengen, indien gij u maar verootmoedigt, uw vertrouwen op God stelt en goede voornemens maakt. God ziet, dat ge goed van wil zijt en dit is grond voor Hem genoeg, dat Hij u niet ledig laat heengaan.

Wat nu de voornemens betreft, zoo zijn zij of of bijzondere voornemens. Algemeene voornemens zijn bijv. geen zonde, minstens geeu doodzonde meer te bedrijven, deugdzaam te leven, zijn beroepsplichten te vervullen, God boven alles lief te hebben. Bijzondere voornemens zijn die, welke bepaalde oefeningen op het oog, en ook op plaats, tijd en omstandigheden dezer oefeningen betrekking hebben. Zoodanige bijzondere voornemens zijn : bij deze of gene gelegenheid zijn tong in bedwang houden, bij een zeker voorval de zachtmoedigheid beoefenen, met een of ander persoon geen vertrouwelijken omgang meer hebben, aan een arme een aalmoes geven, op een bepaalden dag vasten, acht dagen lang in de kerk aandachtig bidden en dergelijke. He algemeene voornemens zijn wel goed en ge moet ze evenals de gevoelige gev^aarwordingen bij elke meditatie maken, doch ge moogt u daarmede niet tevreden stellen, maar moet steeds ook een bijzonder voornemen verwekken. Bij de bijzondere voornemens moet ge heel afzonderlijk op uwe lie-velingsfouten, alsmede op de omstandigheden, waarin gij leeft, en op de gelegenheden, waarin gij vooruit ziet te komen, bedacht zijn. Ge hebt bijv. het gebrek, licht in toorn op te vliegen, gaarne over de fouten van anderen te spreken, bij uw doen en laten den bijval en lof der menschen na te jagen. Maakt dau het bijzondere voornemen : ik zal mij van daag, bijzonder bij deze of gene gelegenheid voor elk kwaadspreken met zorg in acht nemen,

57 (J

-ocr page 588-

OVliR HET GEliED

ik zal van daag alle neiging van eerzucht aanstonds onderdrukken en bij elke verzoeking bidden; «Niet mij, o Heer, niet mij, maar uwen Naam geef eer.quot; Ge leeft in eeu omstandigheid, waariu gij gevaar loopt, een zekere zonde, bijv. de zonde van leugen, ongeduld, bedrog, van een al te groote toegevendheid jegens uwe kinderen en ondergeschikten te begaan. Maakt dan het bijzondere voornemen, u voor deze zonde zorgvuldig in acht te nemen en u, zoo gij ze begaan mocht, aanstonds een boetewerk op te leggen. Ge ziet vooruit, dat ge in een gelegenheid zult raken, waarin gij licht een zekere zonde, bijv. een zonde tegen de heilige deugd van kuischheid zoudt kunnen bedrijven. Maakt nu het bijzondere voornemen, in elke gelegenheid vooral waakzaam te zijn en God voor oogen te houden, om niet in deze zonde te vallen. Deze bijzondere voornemens zijn heel noodzakelijk, indien de overweging het gewenschte nut zal dragen. Maakt echter niet te veel bijzondere voornemens op eens, maar in den regel slechts éen en preut dat diep in uw hart. Ook de jagers schieten niet in eens op vele hazen, maar slechts op éenen. Hebben zij dezen neergelegd, dan maken zij eerst jacht op een tweede. Maakt ook geen bijzonder voornemen voor geheel uw leven, maar steeds alleen voor een bepaalden tijd, bijv. voor een maand, voor een week, ja, ook maar voor eenen dag. Hernieuwt eindelijk het bij de overweging gemaakte voornemen recht dikwijls, want indien gij dit niet doet, zult ge het voornemen spoedig vergeten, de ijver zal verdwijnen en ge zult de oude fouten opnieuw begaan. De veelvuldige vernieuwing van het gemaakte voornemen is tot de verbetering en de volmaking des levens volstrekt noodzakelijk.

Zijt ge met de overweging ten einde, sluit dan met een dankzegging, met een opoffering van u zelf en met een bede. Zegt dank aan God voor de eer, die Hij u heeft bewezen, doordien Hij u in zijne tegenwoordigheid

580

-ocr page 589-

in \'t bijzonder.

duldde, en voor de verlichtingen, goede gedachten en heilzame opwekkingen, die Hij u mededeelde. Offert vervolgens uwe ziel en uw lichaam, uw verstand, uw hart, kortom alles, wat gij bezit, en bijzonder de goede voornemens, die gij gemaakt hebt, met een vertrouwvolle en kinderlijke liefde aan Hem op. Bidt Hem eindelijk om zijn zegen en genade, cat gij uwe goede voornemens getrouwelijk in oefening moogt brengen. Wendt u in uw heden nu eens tot Jesus, dan eens tot Maria, vervolgens tot een Heilige, voor wien gij een bijzondere devotie hebt, en die zich in de deugd, die u noodig is, bijzonder heeft onderscheiden. Na de overweging houdt u eindelijk zooveel mogelijk in Gods tegenwoordigheid, en overdenkt gedurende den dag dikwijls, wat op u den meesten indruk gemaakt heeft, opdat gij steeds den ohrist. ijver in uw hart bewaart.

Ik heb u nu in \'t kort verklaard, wat het zeggen wil, inwendig bidden, overwegen of mediteeren. Zooals gij ziet, is het inwendige gebed aan geen bijzondere moeilijkheid onderhevig; want ieder Christen kan over de geheimen of waarheden van onzen h. godsdienst nadenken, en daarbij vrome gevoelens en goede voornemens maken. Nu is nog de vraag : wanneer wij het inwendige gebed beoefenen en hoeveel tijd wij telkens daaraan moeten besteden. Ik antwoord : wie onzer het kan bijbrengen, doe dagelijks, het beste \'s morgens ook maar een kwartieruurs een inwendig gebed of meditatie. Vindt ge daartoe geen tijd, doet het minstens zoo vaak mogelijk, bijzonder op Zon- en Feestdagen \'s namiddags in de kerk of in huis. Op deze wijze is de overweging voor ieder uwer mogelijk ; slechts een goede wil is daartoe noodig. Zijt ge niet in staat over afzonderlijke waarheden van den godsdienst veel na te denken, en daarin wat dieper door te dringen, dan moet ge daarom de overweging volstrekt niet achterwege laten ; doet slechts, wat

581

-ocr page 590-

OVER HET GEBED

gij kunt; gaat met een goeden wil, met ootmoed en vertrouwen aan \'t werk ; God zal u ondersteunen, zoodat gij uit de meditatie zoo\'n groot en nog grooter nut trekt dan velen der grootste geleerden. Tot een goede overweging wordt geen groot verstand, maar alleen een goed hart gevorderd. Om u overigens de overweging te vergemakkelijken, kunt ge ook een goed boek ter hand nemen, bijv. de levens- en lijdensgeschiedenis van Christus, de levensgeschiedenis der Heiligen, de navolging van Christus door Thomas a Kempis, de Philotea van den H. Franc. v. S., de volmaakte Christen van den H. Li-guorio, den geestelijken strijd van Quadrupani, de vier uitersten des menschen enz. Leest, nadat gij u in Gods tegenwoordigheid gesteld, en Hem om zijn genade hebt aangeroepen, in een dezer of dergelijke boeken een korte afdeeling; komt ge aan een punt dat u bijzonder aantrekt en indruk op u maakt, houdt dan een weinig op, maakt vrome gewaarwordingen en goede voornemens, en bidt ten laatste God om de genade, dat gij datgene, wat gij u hebt voorgenomen, in uitvoering moogt brengen. Op deze wijze is het mogelijk, dat eenigen met elkander een overweging houden. Een behoeft slechts voer te lezen en de overigen opmerkzaam toeluisteren; is de lezing ten einde, dan kunt ge daarover een vroom gesprek voeren, en daarna kan ieder voor zich zelf vrome gevoelens en goede voornemens maken.

Laat derhalve, Aand., het overwegende gebed u vooral zijn aanbevolen en oefent het dagelijks, of toch alle Zonen Feestdagen en over het algemeen zoo dikwijls, als gij daartoe tijd en gelegenheid kunt vinden. Hoe ijveriger gij bidt en overweegt, des te meer zult gij uwe feilen en onvolmaaktheden afleggen ; des te meer zal alle ongeregelde wereldliefde uit uw hart verdwijnen en daarin de goddelijke liefde zich ontsteken ; met des te meer vreugde zult gij God dienen, uwe christelijke

582

-ocr page 591-

IN \'t BIJZONDEn.

en beroepsplichten vervullen en den weg van deugd bewandelen ; en zoo zal het inwendige gebed u een ladder worden, waarop gij tot de christ. volmaaktheid en eindelijk tot den hemel opstijgt.

III. Over het Onze Vader of het rjeled des Heeren.

Het Onze Vader heet ook het gebed des Heeren, wijl onze Heer en Zaligmaker zelt het heeft vervaardigd. Als de leerlingen zich eens met de bede tot Hem richtten : (Luc. 11, 1.) » Domine, doee nos orare, Heere, leer ons bidden,quot; leerde Hij hun het H. Onze Vader. Men toont volgens een oude overlevering nog heden de plaats, waar de goddelijke Zaligmaker zijn leerlingen het Onze Vader heeft voorgebeden ; het was een plaats nabij Jerusalem, waar men tegenwoordig de ruinen eener oude kapel aantreft. Het Onze Vader is het verhevenste en heiligste onder alle gebeden; want het is niet van menschen afkomstig, maar van Jesus Christus zelf, den Zoon Gods. Hij heeft het eerst gebeden, en sedert dien tijd wordt het millioenen malen door de Christenen na gebeden. Het Onze Vader is bij al zijn beknoptheid het volledigste gebed ; want het bevat alles, wat wij voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid, voor ons zelf en anderen kunnen en moeten verlangen.

Evenzoo is het het Gode aangenaamste gebed, wijl het zijn innigst geliefden Zoon tot oorsprong heeft. Indien wij een ander gebed bidden, dan weten wij niet, of God daarin zijn welgevallen vindt, omdat het een menschelijk gebed is, maar wanneer wij het Onze Vader bidden, dan bezitten wij een volle zekerheid, dat God het met welgevallen aanneemt, omdat wij zoo tot Hem bidden, als zijn Zoon ons zelf geleerd heeft. Het Onze Vader is eindelijk het noodzaTcelijksie gebed; ieder Kath. Christen moet, wanneer hij tot de jaren van verstand komt, het ken-

583

-ocr page 592-

OVER HliT GEBIiD

nen en heeft de verplichting het dikwijls te bidden. De H. Vaders en geestelijke leeraars spreken over het Onze Vader in de verhevenste uitdrukkingen en kannen geen woorden genoeg vinden, de waarde en de kracht van dit gebed aan te prijzen. Bijzonder schoon is, wat de Eerw. Thorn, a Kempis van het Onze Vader zegt: «Onder alles, wat edel is,quot; zijn zijne woorden, «bestaat er niets edelers dan de deugd; onder alles wat schoon is, niets schooner dan de kuischheid; onder alle boeken van godsvrucht niets heilzamers dan het leven van Jesus Christus; onder de gebeden en lofprijzingen Gods geen betere en heiliger dan het Onze Vader. Het gebed des Heeren overtreft alle gebeden der Heiligen, overtreft alle liefdesaandoeningen der in geestdrift ontbrande zielen, het bevat in zich alle spreuken der Profeten en de honingvloeiende woorden der psalmen en liederen. Het bidt om alles, wat noodig is, het looft God naar behooren, het doordringt de wolken, stijgt op boven de Engelen, draagt den geest ten hemel en verbindt de ziel met God. Zalig hij, die alle woorden des Heeren, de gulden woorden van het Onze Vader overweegt.quot; Over het II. Onze Vader zal ik u een korte verklaring geven, opdat gij den heerlijken inhoud ervan nader leert kennen en het voortaan met evenzoo groote liefde als aandacht moogt bidden. Het Onze Vader bestaat uit een aanspraak en zeven beden. De eerste drie beden hebben betrekking op God, de andere vier op ons zelf. Wij zullen 1) de aanspraak, 2) de beden beschouwen.

1) De aanspraak luidt; (Matth, 6,9.) * Pater nosier, qui es in coelis, Onze Vader, die in de hemelen zijt!quot; Indien wij bij een voornamen heer onze opwaohting maken of aan hem een bede voordragen, dan geven wij hem eerst den behoorlijken titel. Dit doen wij dan ook, wanneer wij tot God naderen, om Hem te aanbidden eu onze beden voor den troon zijner Majesteit neer

S84

-ocr page 593-

IN \'l BUZONDEIi.

te leg\'gen; wij geven Hem den behoorlijken titel.

a. Hoe nu luidt die titel? Wellicht: Majesteit? Heer der heirscharen ? Koning van hemel en van aarde ? Groote, vreeselijke God? Niets van dat alles, de titel luidt : » Vaderquot; Waarom juist zoo? Wijl God werkelijk onze Vader is. Het kind toch noemt dengene, die hem het leven heeft gegeven, vader; waarom zullen wij dan God ook niet Vader noemen, daar Hij ons uit het niet heeft geroepen, ons lichaam en ziel en alles, wat wij hebben en zijn, heeft gegeven? Heel bijzonder echter noemen wij Hem Vader, omdat wij door Jesus Christus zijne kinderen zijn geworden. In het O. Verbond, waarin het werk der Verlossing nog niet was volbracht, plachten de men-schen God niet Vader te noemen; zij noemden Hem meestal slechts Heer, zich zelve ecliter zijn dienstknechten. Wij noemen Hem evenwel het liefst Vader, wijl Jesus Christus ons met Hem verzoend en aan ons de macht heeft gegeven, kinderen Gods te worden. (Joes. 1, 12.) Daarom zegt de Apostel; (Rom. 8, 15.) »Gij hebt niet den geest der dienstbaarheid wederom in vreeze ontvangen, maar gij hebt den Geest der aanneming tot kinderen ontvangen, in welken wij roepen: Abba, Vader!quot; O wat eer, wat geluk voor ons, dat wij God Vader mogen noemen! Hoe kunnen wij onzen Zaligmaker genoegzaam danken, dat Hij ons armzalige schepselen en ellendige zondaars tot kinderen Gods heeft gemaakt i

Is nu God onze Vader, dan moeten wij ons jegens Hem ook zoo gedragen, als het aan goede kinderen betaamt. Het woord » Vaderquot; herinnert ons allereerst aan den plicht, dat wij Hem altijd, maar bijzonder zoo dikwijls wij tot Hem bidden, den verschuldigden eerbied betoonen. Ge kent het vierde gebod: «Eer uw vader en uwe moeder.quot; Indien gij reeds aan uw menschelijken vader eerbied moet betoonen, hoeveel te meer rust deze plicht op u jegens een Vader, die God is? «Een zoon,quot; spreekt God zelf

.585

-ocr page 594-

OVER HET GEBED

(Malach. 1, 6), eert den vader en een knecht zijnen heer, indien ik dan een Vader ben, waar is mijne eere?quot; Betuigt derhalve jegens God steeds den diepsten eerbied en betoont dezen eerbied bijzonder in het gebed ook uitwendig, doordien gij een h. rust aanneemt, de handen godvruchtig vouwt, in den regel in een knielende houding bidt en alle afwijkingen in blikken en alle verstrooiingen zorgvuldig vermijdt.

Het woord »Vaderquot; herinnert u verder aan den plicht, God uit geheel uw hart lief te hebben. Waar toch is een goed kind, dat zijn vader niet lief heeft? En ge zoudt God, uw Vader in den hemel, die louter liefde voor u is en aan Wien gij alles hebt te danken, niet liefhebben? Ach, wat waart ge voor kinderen, indien gij, in plaats van uw besten Vader in den hemel lief te hebben, jegens Hem koud en onverschillig zoudt wezen, ja Hem zijn weldaden met een snooden ondank vergelden en Hem met de zwaarste zonden zoudt beleedigen ! Moest ge niet schaamrood worden, zoo dikwerf gij het woord «Vaderquot; zoudt uitspreken? O, indien gij tot nu toe ontaarde kinderen uws hemelschen Vaders geweest zijt, verootmoedigt u dan diep voor Hem en spreekt met een hart vol berouw en boetesmart: (Luc. 15, 21.) d Paler, peccavi in coehm, et coram te, Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen CJ; jam non sim diynus vocari filius iuus, ik ben niet meer waardig, uw zoon te heeten !quot;

Wanneer ge tot God «Vaderquot; zegt, moet ge eindelijk uw hart met vertrouwen vervullen. Een kind heeft vertrouwen in zijn vader; wanneer de vader bij hem is, vreest het niets; als gevaar hem dreigt, ijlt het tot hem; als men hem iets kwaads wil aandoen, zegt het aanstonds : ik zal het mijn vader zeggen. En gij, Aand., zoudt in een of ander voorval des levens den moed verliezen en te kort schieten ? Is God, uw Vader, niet overal bij u ?

586

-ocr page 595-

in \'t bijzonder. 387

Heeft Hij geen macht genoeg, u te helpen? Of zal Hij u, zijn harteldnderen, onbarmhartig terugstooten, wanneer gij Hem uw nood klaagt? O stelt uw algeheel vertrouwen op Hera, Hij kan en zal u niet verlaten, juist omdat Hij uw Vader is!

h. De Zaligmaker laat ons hidden :» Onze Vader,quot; niet «mijn Vader,quot; om ons te leeren, dat God de Vader aller menschen is, en wij daarom allen als broeders voor elkaar moeten bidden. De Joden geloofden, dat God slechts hun als zijn uitverkoren volk in liefde was toegedaan, maar om de overige menschen zich niet bekommerde. Doch zij dwaalden, God strekt zijn liefda tot alle menschen uit, want Hij heeft ze allen geschapen ; ook is Jesus Christus voor allen gestorven, en wil, dat allen aan de ■vruchten van zijn Verlossingswerk deelachtig worden. God beschouwt zich vandaar als den Vader aller menschen en bejegent allen zonder uitzondering als zijne kinderen. Daarom zegt de Apostel : (Eph. 4. 6.) » ünus Deus et Paler omnium, een God en Vader van allen, qui est super omnes, die daar is boven allen, et per omnia, en door alles, et in omnibus nobis, en in ons allen.quot; Is nu God de Vader aller menschen, dan volgt, dat wij ieder mensch voor een kind Gods aanzien, en als zoodanig moeten eeren. Al is het ook, dat iemand arm, onwetend, wanstaltig, van een gering afkomst en zelfs een zondaar is, toch is hij steeds een kind Gods, en wegens deze waardigheid heeft hij aanspraak op onze achting. Is God Vader aller menschen, dan volgt verder, dat wij allen broeders ea zusters zijn, en dus een ware en oprechte liefde onder ons moet heerschen. Want wat betaamt voor broeders en zusters meer, dan dat zij elkander hartelijk liefhebhen? Het woordje »Onsquot; sluit derhalve alle eigenbaat, alle zelfzucht, alle afgekeerdheid en vijandschap uit, en herinnert ons den plicht, dat wij ons allen als kinderen Gods, als ledematen eens lichaams

-ocr page 596-

OVER HET GEBED

beschouwen, dat wij aan ieder alle goed oprecht gunnen en toewenschen en de hulpbehoevenden naar krachten ondersteunen. Deze liefde openbaarde zich bijzonder bij de eerste Christenen, die slechts éen van hart en éen van zin waren, weshalve de Heidenen vol verwondering uitriepen. » Ziet eens, hoe de Christenen elkaar liefhebben, en hoe de éen voor den ander bereid is te sterven!quot; Indien gij alzoo, mijn Christen, steeds maar op u zelf ziet, en u niet bekreunt om het lief en leed uws medebroeders, indien gij hem wellicht zelfs zijn geluk misgunt en gaarne ziet, dat een ongeval hem bejegent, of indien gij doof zijt voor het smeeken der bedrukten en niet helpt, daar gij toch helpen kunt; o schaam u dan, zoo dikwijls gij het Onze Vader bidt ; want het woordje »Onzequot; is een leugen in uwen mond. Maar weet wel ! zoo gij niet ieder Christen voor uw broeder en zuster aanziet, dan ziet God u ook niet voor zijn kind aan, en zal u eenmaal niet een goedertieren Vader maar een strenge Rechter wezen.

Het woordje «Onzequot; herinnert ons bijzonder den liefdeplicht, dat wij bidden voor alle menschen. »Onze Heer, zegt de H. Cyprianus, »die ons eendracht en vrede te beminnen geleerd heeft, wilde niet, dat ieder in het bijzonder zich zou tevreden stellen, voor zich zeiven te bidden. Ons gebed is daarom openlijk en gemeenschappelijk, en als wij bidden, bidden wij niet voor éen alleen, maar voor heel het christ. volk.quot; Wanneer wij alzoo het Onze Vader beginnen te bidden, dan moet telkens de gedachte ons bezielen : »God, Gij zijt mijn en aller menschen Vader; geef daarom niet enkel aan mij, maar aan al uw kinderen, waarom ik ü bid ; strek over ons allen uw zegenende hand uit, en geef ons, wat ons noodzakelijk en dienstig is !quot;

c. Wij voegen bij de woorden »Onze Vaderquot;: » Die in de hemelen zijt.quot; Waarom dit bijvoegen? Is dan God

588

-ocr page 597-

IN \'T 13IJZÜNDEU.

n enkel in den hemel ? Neen, Hij is overal. Zelf zegt Hij ; n (Jer. 23, 24.) nNmnquid non coelum et terrain ego imjjleo, ij vervulle Ik niet den hemel eu de aarde?quot; Wanneer wij n derhalve zeggen : » Die in de hemelen zijt,quot; dan loochenen wij niet, dat God ook op aarde is, maar drukken slechts uit, dat de hemel de plaats is, waar God aan Engelen en Heiligen ïich iu den vollen glans zijner heerlijkheid openbaart, de plaats, waar ook wij Hem van aangezicht tot aangezicht zullen aanschouwen : De woorden ; »Die t in de hemelen zijt,quot; herinneren ons derhalve aan ons i eeuwig einde, dat geeu ander is, dan de aanschouwing t Gods in den hemel. O, welk een vreugde, wat een troost i moet ons vervullen, zoo dikwijls wij de woorden ; »Die ; in de hemelen zijtquot; uitspreken? Zijn wij ook al arm, 1 veracht en hebben wij harde dagen op de wereld, wij ■ zijn toch voor den hemel geschapen; slechts nog een korte wijle eu onze hemelsche Vader zal ons in zijn rijk opnemen en ons als zijn geliefdst kind daar aan zijn tafel plaatsen.

De woorden: «Die in de hemelen \'■djtquot; herinneren ons echter ook daaraan, dat wij bij het gebed ons hart ten hemel moeten verheffen. Het gebed toch is een onderhoud met God, waarheen zullen wij alzoo onze gedachten bij het gebed anders keeren dan tot God, onzen Vader in den hemel. Als gij derhalve bidt en uwe gedachten niet bij God in den hemel, maar ergens anders kat ronddwalen, dan komt gij mij voor als een mensch, die voor zijn koning of een voornamen heer treedt, maar hem gedurende gij met hem spreekt, den rug toekeert. Is dat wel gedaan? Schendt hij niet blijkbaar de regels der wel-voegelijkheid en des eerbieds ? Neemt u dus wel in acht, Aand., bij uw gebed vrijwillige verstrooiingen toe te laten, keert spoedig in u zelve, zoodra gij bemerkt, dat uw gedachten van God zijn afgedwaald en bidt met aandachtigen harte.

589

-ocr page 598-

OVER HET GEBED

De woordeu ; »Die iu de hemelen zijtquot; leeren ous eindelijk, dat wij ons hart uiet aan de wereld, haar vreugde en goederen hangen, maar naar den hemel en de eeuwige goederen moeten streven, volgens de vermaning des Apostels : (Col. 3, 2.) » Qme sursum sunt sapite, betracht hetgeen boven is, non quae super terram, niet hetgeen op de aarde is.quot; (1. Cor. 7, 31.) »Fraeterit enimfigura hujus mundi, de gedaante dezer wereld toch gaat voorbij.quot; (Hebr. 13, 14.) »Non enim labemus lac maneniern civi■ iaiem, wij hebben immers niet hier eeu blijvende stad. sed fuiuram inquirimus, maar zoeken de toekomende;quot; (Joes. 14, 19.) v Adhuc modicum, nog een luttel tijds, mundus me jam non videt, en de wereld ziet (ons op aarde) uiet meer.quot; Het geloof dan leert ons, dat er na dit vergankelijk leven een ander leven bestaat, waarin de rechtvaardigen op het innigst met God werden ver-eenigd, om door de geheele eeuwigheid de onuitsprekelijke vreugde des hemels te genieten. Wat is er dus redelijker en billijker, dan dat wij bij de woorden ; » Die in de hemelen zijt,quot; opwaarts blikken en het ernstige besluit maken, ons hart van alle ongeregelde wereldliefde te zuiveren en de rest onzer levensdagen aan den dienst van God te wijden.

2) Wij zijn gekomen tot de zeven verschillende beden, verzoeken of wenschen, die in het Onze Vader zijn begrepen.

a. De eerste bede luidt : »Sanclificeiur nomen tuum, geheiligd zij Uw Naam.quot; Onder den Naam Gods, die geheiligd moet worden, verstaat men God zelf, bijzonder zooals die zich naar buiten openbaart, als den Almachtige, oneindig Wijze, Rechtvaardige, Goede en Barmhartige. Het woord »Heiligenquot; heet hier niet zooveel als heilig maken, want God is oneindig heilig en kan daarom niet heiliger worden, dan Hij reeds is. Heiligen heet hier zooveel als God vereeren, erkennen en belijden, dat Hij

590

-ocr page 599-

1m \'t bijzondek.

het hoogste en volkomenste goed is en wij Hem derhalve den diepsten eerbied betoonen. Dus drukken wij in de bede; «Geheiligd zij TJw Naamquot; den wensch uit, dat God door niemand onteerd en gelasterd, maar veeleer door ons en alle menschen steeds erkend, bemind en vereerd worde. Deze bede neemt met recht de eerste plaats in, omdat wij allen daartoe zijn geschapen, God te kennen, Hem te dienen. Hem te beminnen en te verheerlijken en omdat voor alles eerbied, liefde en gehoorzaamheid Hem als onzen Vader toekomen.

De Naam Gods kan door ons op drieërlei wijze geheiligd worden : in 7 hart, met den mond en in de werken. In 7 hart heiligen wij den Naam Gods, als wij den diepsten eerbied jegens Hem koesteren en Hem boven alles liefhebben; als wij verder vurigst wenschea, dat Hij door alle menschen gekend, geëerd en bemind worde; als wij ons eindelijk over de eer en hulde, die Hem in den hemel en op aarde ten deel valt, hartelijk verblijden. Daartoe vermaant de Apostel ons met de woorden: (I Petr. 3, 15.) »Dominum autem Christum sanctificate in cordihus vestris, heiligt toch den Heer Christus in uwe harten/\' — Met den mond heiligen wij den naam Gods, als wij God in mondelinge en gemeenschappelijke gebeden vereeren en aanbidden, in de kerk en bij den godsdienst aandachtig bidden, bij het uitspreken van den Heiligsten Naam Jesus het hoofd buigen en over God en goddelijke zaken altijd met den grootsten eerbied spreken. Zoo heiligde David den Naam Gods, als hij zegt: (Ps. 33, 2.) »Benedicam Bominum omni tempore, ik zal den Heere loven te allen tijd; semper laus in ore meo, zijn lof zal gedurig in mijnen mond zijn.quot; Zoo heiligde Franc. v. Assisie den Naam Gods, want zoo dikwijls hij den Naam van Jesus uitsprak, deed hij het niet anders dan met den diepsten eerbied. Vond hij hier of daar op den grond snippertjes papier, waarop de Naam van God

591

-ocr page 600-

OVER HEX GEBED

stond, dan nam hij die zorgvuldig op en bewaarde ze iu zijn cel met den grootsten eerbied. Ook beval hij zijn ondergeschikten, eveneens te doen.

In de werketi eindelijk heiligen wij den Naam Gods. als wij alles doen tot meerder eer van God, en onze mede-menschen met een goed voorbeeld voorlichten. Op deze wijze heiligde de H. Ignatius den Naam van God ; want hij had bij alles, wat hij deed, eenig en alleen de eere Gods op het oog en maakte voor zich en zijne medeleden der Societeit de zinspreuk : » Omnia ad majorem Dei gloriam, alles tot meerder eer van God !quot; Dezen, alsmede alle Heiligen, waren er ook steeds op uit, hun medemenschen een voorbeeld aller deugden te zijn, om ze voor God te winnen en Hem eer te bereiden.

Hoe kwaad zou het, Aand., met u gesteld wezen, indien gij jegens God heel onverschillig waart, zijn aan-biddelijken Naam, in plaats van te loven en te prijzen, met vloeken en lastereu onteerdet; of indien gij bij uw doen en laten slechts uwe eer zocht en uw medemenschen, in plaats ze door uw goed voorbeeld te stichten, ergernis zoudt geven en ze tot zonde verleiden ! O, de bede: »Geheiligd zij Uw Naamquot; ware in uwen mond een openbare leugen, en God moest met afschuw zich van u afkeeren, zoo vaak gij deze bede voor Hem zoudt uitspreken.

Ge moet echter niet enkel zelf den Naam Gods heiligen, maar ook naar krachten bijdragen, dat die door wive medemenschen geheiligd worde. Er leven nog zoo vele menschen op de wereld, die God niet kennen, en Hem vandaar ook niet eeren en beminnen. Daartoe be-hooren de ongeloovigen. Wederom zijn er velen, die God wel kennen, maar Hem desniettegenstaande toch niet eeren en liefhebben. Daartoe behooren de zondaars. Zoo dikwerf gij daarom in het Onze Vader de bede uitspreekt : ii Geheiligd zij Uw Naam,quot; moet ge van gan-

692

-ocr page 601-

in \'t bijzonder. 593

scher harte wenschen, dat God door alle menschen moge gekend, bemind en geëerd worden. Van dezen wensch

I waren alle Heiligen bezield. De H. Ignatius gloeide zoo zeer van ijver voor de eer van God, dat hij gewoon was te zeggen: »Indien de keus mij werd gelaten, of ik, onzeker mijner zaligheid, nog langer op aarde mochte blijven, om tot eer van God en tot heil mijner medemen-schen te arbeiden, of ik mochte aanstonds sterven en de hemelsche heerlijkheid binnengaan, dan zou ik waarlijk het eerste verkiezen.quot; Moge, Aand., de bevordering van Gods eer onder uwe medemenschen u ter harte gaan. Dan zoudt gij ijverig bidden voor de ongeloovigen, dwaalgeloovigen en zondaren, opdat God zich hunner erbarme en hun de genade tot bekeering geve; ge zoudt bij elke gelegenheid de onwetenden leeren en de dwa-| lenden terechtwijzen om ze op den weg van waarheid en deugd te brengen; ge zoudt u steeds op een onbesproken en echt christ. wandel toeleggen, om uwen evenmensch te stichten; ge zoudt eindelijk, indien gij overheid zijt, uwe ondergeschikten in een strenge tucht houden, over hen waken, en ze tot godsvrucht aan- waren alle Heiligen bezield. De H. Ignatius gloeide zoo zeer van ijver voor de eer van God, dat hij gewoon was te zeggen: »Indien de keus mij werd gelaten, of ik, onzeker mijner zaligheid, nog langer op aarde mochte blijven, om tot eer van God en tot heil mijner medemen-schen te arbeiden, of ik mochte aanstonds sterven en de hemelsche heerlijkheid binnengaan, dan zou ik waarlijk het eerste verkiezen.quot; Moge, Aand., de bevordering van Gods eer onder uwe medemenschen u ter harte gaan. Dan zoudt gij ijverig bidden voor de ongeloovigen, dwaalgeloovigen en zondaren, opdat God zich hunner erbarme en hun de genade tot bekeering geve; ge zoudt bij elke gelegenheid de onwetenden leeren en de dwa-| lenden terechtwijzen om ze op den weg van waarheid en deugd te brengen; ge zoudt u steeds op een onbesproken en echt christ. wandel toeleggen, om uwen evenmensch te stichten; ge zoudt eindelijk, indien gij overheid zijt, uwe ondergeschikten in een strenge tucht houden, over hen waken, en ze tot godsvrucht aan-

I sporen. Alleen dan, als gij dit doet, als gij eenerzijds zelve God vereert, liefhebt en met alle trouw dient, en anderzijds naar krachten daarheen streeft, dat ook uw evenmenschen God vereeren. Hem beminnen en dienen, kunt gij in waarheid bidden: «Geheiligd zij Uw Naam.quot; sporen. Alleen dan, als gij dit doet, als gij eenerzijds zelve God vereert, liefhebt en met alle trouw dient, en anderzijds naar krachten daarheen streeft, dat ook uw evenmenschen God vereeren. Hem beminnen en dienen, kunt gij in waarheid bidden: «Geheiligd zij Uw Naam.quot;

b. De tweede bede luidt; »Advcniat regnim luim, laat ons toekomen Uw rijk.quot; Het rijk, waarom wij bidden, is drievoudig: het rijk om. ons, of het rijk van waarheid, namelijk de Kath. Kerk op aarde; het rijk in ons, of het rijk van genade, namelijk de wandel naar de voorschriften ; van den h. godsdienst, de getrouwe navolging van Jesus;

het rijk hoven ons, of het rijk van glorie, te weten de \' eeuwige zaligheid in den hemel.

38

-ocr page 602-

OVER HET GEBED

Wanneer wij alzoo zeggen: »Laat ons toekomen Uw rijk,quot; dan bidden wij allereerst om het rijk van waarheid, namelijk: 1) dat wij zelf het ware, alleen zaligmakende geloof, waarin wij geboren en zijn opgevoed, tot het einde onzes levens mogen bewaren ; 2) dat degenen, die wel tot de Kath. Kerk behooren, maar in zake des geloofs en des heils onverschillig en koud zijn, hun geloofsijver opwekken en als goede Kath. Christenen leven ; 3) dat de dwaal- en ongeloovigen tot de ware kennis geraken en zich tot het kath. geloof bekeeren; 4) eindelijk, dat God ons in zijne erbarming vrome Opperherders en ijverige zielzorgers, die slechts Gods eer en het heil hunner kudde zoeken, moge schenken.

Met de woorden: «Laat ons toekomen Uw rijkquot; bidden wij ook om het rijk van (jenade, te weten ona afschuw van de zonde, om boete en bekeering, om liefde tot het goede, om deugd en vroomheid, om die gelukkige tijden, waarin wij en alle menschen God oprecht dienen.

In de bede : »Laat ons toekomen Uw rijkquot; smeeken wij eindelijk tot God, dat Hij ons en alle menschen na dit vergankelijke leven in zijn eeuwig rijk, in den hemel moge binnenleiden.

Zooals ge ziet, sluit de bede: «Laat ons toekomen Uw rijk\'\' heel veel in zich. Maar helaas ! er bestaan Christenen , in wier mond deze bede niets anders is dan huichelarij en leugen. Ot hoe kan het hun ernst wezen, dat het rijk van waarheid tot ons kome, daar zij, ofschoon Kath. Christenen, toch over de leer en de verordeningen der Kath. Kerk hekelend zich uitlaten, met hare inrichtingen spotten, slechte, kerkvijandige boeken, geschriften, bladen lezen en verspreiden en bij elke gelegenheid partij voor liberalen en vrijgeesten kiezen? Hoe kan het hun ernst wezen, daar zij steeds in de zonde voortleven, van boetvaardigheid en bekeering niets willen weten en om den dienst van God zich niet in het minst

594

-ocr page 603-

in \'t bijzonder.

bekommeren ? Hoe kan het hun ernst wezen, dat het rijk van glorie ons toekome, daar zij met ijzeren banden aan de wereld hangen, slechts met weerzin aan \'t sterven denken, en zeer gaarne van het bezit Gods en den hemel zouden afzien, als zij maar steeds op aarde konden blijven ? Onderzoekt u, Aand., en denkt ernstig na, of niet ook gij tot de klasse dier naamchristenen behoort. Zou het geweten u hierover eenig verwijt maken, bidt God dan ootmoedigst om vergeving en belooft Hem een oprechte verbetering. Beschouwt het als de grootste genade, dat gij lidmaten der Kath. Kerk zijt, en hangt haar met liefde aan. Eeinigt uw hart van alle ongeregelde neigingen, maakt u los van de banden der zonde en zorgt voor het heil uwer ziel. Bemint niet de wereld noch datgene wat in de wereld is; richt veeleer uwen blik opwaarts en koestert een vurig verlangen naar God en de eeuwige goederen, die u in den hemel wachten. Verzucht dikwerf met David : (Ps. 41, 1. 2.) » Quemad-modum desiderat cervus ad foniem aquarum. gelijk een hert naar waterbronnen smacht; ifa desiderat anima mea ad te Deus, zoo smacht mijn ziel naar U, o God ! Siiivit anima mea ad Demi foniem vivum, mijn ziel dorst naar God de levende bron ; quando veniam et apparebo ante faciem Dei, wanneer zal ik ingaan en verschijnen voor Gods aangezicht?quot; Alleen dan als ge goede Kath. Christenen zijt, en vrij van alle ongeregelde liefde voor de wereld, God boven alles liefhebt, dan bidt ge in waarheid en met vrucht: »Laat ons toekomen Uw rijk.quot;

c. Hat voluntas tua, sicut in coelo et in terra, Uw wil geschiede op aarde, als in den hemel.quot; In de voorgaande bede hebben wij hoofdzakelijk om den hemel als ons laatste doel gebeden; hier nu bidden wij om het voornaamste middel tot bereiking van dat doel, namelijk om de vervulling van den goddelijken wil. Slechts dan

595

-ocr page 604-

596 OVER HET GEBED

als wij den wil Gods volbrengen, kunnen wij zalig worden, Christus toch zegt uitdrukkelijk: (Matth. 7, 20). »Non omnis, qui (licit mild, Domino, Bomine, niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! intrabit in rec/num coelorum, zal ingaan in het rijk der hemelen; sed qui facit voluntatem Pa/ris mei qui in coelis est, maar wie den wil doet mijns Vaders, die in de hemelen is, ipse intrabit in reqnum coelorum, die zal in het rijk der hemelen ingaan.quot;

Wanneer wij derhalve zeggen: «Uw wil geschiede,quot; dan bidden wij, dat wij en alle menschen den wil Gods mogen volbrengen. Wat moeten wij, om den wil Gods te volbrengen, nu doen ? Wij moeten de geboden Gods en die der Kerk onderhouden, ons aan onze geestelijke en wereldlijke overheden in alles, wat recht is, gewillig onderwerpen, en onze beroepsplichten getrouw vervullen ; want dit alles wil God. Deze bede is van daar eene der omvattendste beden ; want zij is, zooals de H. Aug. opmerkt, alsof wij zeiden tot God : gt;gt; Hemelsche Vader, stark ons door uw genade, opdat wij ons geheele gedrag volgens al uwe verordeningen inrichten en alles nakomen, wat degenen, die uwe kinderen zijn, te doen verplicht zijn. Sterk ons, opdat wij voor uw aangezicht in heiligheid en gerechtigheid wandelen al de dagen onzes levens, aan de booze lusten niet inwilligen maar zonder ophouden ons geweld aandoen. Sterk ons, opdat wij met zulk een trouw als de Engelen in den hemel U dienen.quot; Op deze wijze hebben alle Heiligen des O. en N. Verbonds den wil Gods volbracht. Nauwelijks had Abraham het bevel van God vernomen, zijn zoon Isaac te slachten, of hij staat op en gaat met het kostbare slachtoffer naar Moria, bereid als hij is, den wil des Heeren te voltrekken. David kende geen grooter vreugde, dan den wil van God te doen; daarom zeide God zelf van hem ; (Hand. 13 22.) »hiveni David fdium

I

-ocr page 605-

in \'t bijzonder.

Jesse virum secundum cor meum, Ik heb David, den zoon van Jesse, eenen man naar mijn hart bevonden : (1. Kon. 13, 14.), qui faciei omnes voluntates meas, die al mijnen wil doen zal.quot; De H. Cath. v. Siena legde telkenmale als zij het Onze Vader bad een bijzonderen nadruk op de woorden: »Uw wil geschiede op aarde, als in den hemel.quot; Niet zelden hield zij op au vraagde zich af: »Hoe is het met mij gelegen ? Geschiedt ook door mij Gods wil ?quot; Doch het verhevenste voorbeeld geeft de goddelijke Zaligmaker zooals overal ons ook hier. Om den wil zijns Vaders te volbrengen, kwam Hij op aarde, leidde een arm en bedrukt leven en stierf ten laatste aan \'t kruis. Hij zegt van zich zeiven ; (Joes. 6, 38) »Des-cendi de coelo, Ik ben uit den hemel nedergedaald, non ut faciam voluntaiem meam, niet om mijnen wil te doen, sed voluntaiem. ejus qui misii we, maar den wil van Hem, die Mij gezonden heeft.quot; O, mochten ook wij den h. wil Gods in alles met vreugde volbrengen, opdat wij in waarheid kunnen bidden; »Uw wil geschied3 !quot;

In deze bede sineeken wij echter tot God tevens, dat zijn wil aan ons geschiede, d. i. dat wij ons aan Hem in alles, wat Hij ons toezendt, gewillig onderwerpen. De overgeving in den wil vun God is onze strengste plicht, wijl God onze Heer en Schepper is, en wij geheel en al Hem toebehooren. Zouden wij onzen wil tegenover den Zijne stellen, dan ware dit zooveel als ons van Hem onafhankelijk maken, aan Hem zijne heerschappij over ons ontnemen, en Hem niet meer als oppermachtig Heer willen erkennen. Wij kunnen ons echter ook met het volste vertrouwen aan zijnen wil onderwerpen; want Hij is onze Vader en wil steeds alleen ons beste. Zelfs in lijden en rampspoeden, die Hij ons laat overkomen, openbaart zijne liefde zich aan ons; want Hij wil ons daardoor van onze fouten en ongeregelde neigingen zuiveren en ons gelegenheid geven, onze tijdelijke zondestraöen al

597

-ocr page 606-

OVER HET OEBED

te boeten en onze verdiensten voor den hemel te vermeerderen. Dit wisten de Heiligen; daarom gaven zij zich volkomen aan den wil van God over. Als de H. Gertru-dis het Onze Vader bad en aan de derde bede kwam, herhaalde zij gewoonlijk meermalen de woorden: «Uw wil geschiede.quot; Toen zij eens zoo bad, verscheen de goddelijke Zaligmaker aan haar, en, in de eene hand de gezondheid en in de andere de ziekte houdend, sprak Hij tot haar : »Kies, mijne dochter, wat wilt gij, gezondheid of ziekte?quot; Wat koos zij wel? De gezondheid? Neen. Dan ziekte ? Ook niet. Omdat zij nog niet wist, wat hier de wil Gods was, daarom sprak zij : »Laat, o Heer, niet mijn, maar uw wil geschieden,quot; zij deed, wat Jesus in den hof van Olijven gedaan heeft, als Hij bad :»Vader, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!quot; Zoo, Aand., moet ook gij gezind wezen; ge moet u in elke aangelegenheid des levens in liet en leed aan den wil van God volkomen onderwerpen, opdat de bede; »Uw wil geschiede!quot; tot waarheid worde.

Doch wij voegen de woorden er aan toe: »Als in den hemel!quot; Daarmede drukken wij uit, dat wij den wil Gods zoo naarstig, zoo blijmoedig en nauwkeurig volbrengen en ons daaraan zoo bereidwillig als de Engelen en Heiligen in den hemel willen onderwerpen. Deze nu onderwerpen zich aan den wil Gods met de innigste liefde; zij volbrengen zijne bevelen met de snelheid des bliksems; zij willen niet eens de reden weten, waarom God het een of ander aan hen opdraagt, maar zij gehoorzamen eenig en alleen daarom, wijl God het wil. Zoo, Aand., moeten ook wij aan God gehoorzaam wezen, zoo ons aan Hem onderwerpen. De wil Gods moet bij ons boven alles gaan. Zij het ook, dat God iets beveelt, wat ons moeilijk valt, dan mogen wij er niet tegenop-komen; haastig, onvoorwaardelijk, ja blindelings moeten wij zijn wil doen en met David spreken : (Ps. 56, 8).

598

-ocr page 607-

in \'t bijzonder, 399

»Paratum cor meum, Deus paro.tum cor meum, bereid is mijn hart!quot; Zend God ons een beproeving over, bezoekt Hij ons met een lijden, dan moeten wij ons aan zijnen wil volkomen onderwerpen; (Rom. 8, 28). »Scimus ati-iem quoniam diliyeniihus Deum omnia cooperantur in ho-num, wij nu weten, dat aan hen, die God liefhebben, alles medewerkt ten goede.quot;

De eerste drie beden van het Onze Vader zijn even zoo verheven in haar onderwerp als schoon in de rangorde, waarin zij op elkander volgen. Wij bidden eerst, dat de Naam Gods geheiligd worde; want wij moeten voor alles God erkennen, vereeren en liethebhen, omdat wij daartoe zijn geschapen. Wij bidden Hem vervolgens, dat zijn rijk ons toekome; want indien God in ons heerscht, dan zullen wij Hem als ons hoogste goed erkennen, vereeren en liefhebben. Wij bidden eindelijk, dat zijn wil geschiede, opdat wij reeds hier beneden zijn Naam heiligen en aan zijne heerschappij ons onderwerpen, om daarna in het rijk der hemelen te komen, waar wij eeuwig zijn hoogheiligen Naam prijzen en in eene on-verbroken vereeniging met Hem zullen leven. — Thans volgen de vier andere beden, die op ons betrekking hebben, en alles bevatten, wat ons voor tijd en eeuwigheid kan wenschelijk zijn.

cl. üe vierde bede luidt; »Pancm nostrum quoiidianmi da nobis hodie, geef ons heden ons dagelijksch brood.quot; Al de woorden dezer bede zijn beteekenisvol; we zullen ze nader beschouwen.

Wij zeggen : » Geef!quot; Hiermede belijden wij dat God de uitdeeler is aller goede gaven, Hij alleen kan geven; van Hem komt alzoo ook alle goed. De menschen kunnen ons niets, wat zij zelf niet te voren van God hebben ontvangen, geven; zij zijn slechts werktuigen, de zichtbare hand, waarmede Hij ons zijne gaven toedient. Daarom ook behoort voor elke weldaad, die ons van de

-ocr page 608-

OVEE HET GEBED

meiischen toekomt, aan God de eerste en grootste dank.

Wij zeggen: «Geef ons /quot; Dit woordje »Onsquot; sluit in zich alle menschen, zoowel de armen als de rijken, de voornameren als de geringeren. Ook de grootste heeren der wereld zijn bedelaars voor God; ook zij moeten bidden: »Geef ons.quot; Maar wij zeggen ook deswege: »Geef ons,quot; en niet: »Geef mij,quot; wijl bet de cbrist. liefde eigen is, dat wij niet enkel voor ons zelve bezorgd zijn, maar ons ook aan den naaste laten gelegen liggen. Zoo bidde elkeen niet voor zich alleen, maar zooals het broeders betaamt, een ieder voor allen.

Wij zeggen; «Geef ons heden?1 Hot woord «Hedenquot; duidt aan, dat wij niet angstig voor de toekomst moeten zorgen. Daarom ook zegt de goddelijke Zaligmaker: «Zorgt niet voor morgen.quot; Wij vragen brood slechts voor den dag van heden; morgen komen wij weder tot onzen Hemelschen Vader en bidden Hem opnieuw. Hiermede is alle te angstige zorg voor het aardsche uitgesloten, maar ook te gelijk de plicht van het aanhoudende gebed aangegeven; want wijl wij dagelijks behoeften hebben, daarom is het natuurlijk, dat wij ook dagelijks ons gebed om hulpe daartoe herhalen. Doordien wij slecht voor heden bidden, neemt ons gebed zoo juist het ken-teeken van kinderlijkheid aan. Als hel kind voor heden van vader of moeder zijn eten krijgt, dan is het daarmede tevreden; het vraagt niet, om het ook morgen te hebben. Komt eenmaal de dag van morgen, en het kind krijgt honger, dan gaat het weder tot vader en vraagt er om. Zoodanige kinderen moeten ook wvj zijn; als wij heden het noodige hebben, moeten wij ons tevreden stellen en met geen angstige zorg ons afvragen ; wat zal ik morgen eten? Daarvoor zal onze Vader in den hemel zorgen. Ook weten wij niet, of wij morgen nog wel zullen leven; want wij zijn allen menschen van heden. Het ware derhalve dwaas indien wij ons met de

600

-ocr page 609-

in \'t bijzonder.

verre toekomst angstig1 zouden bezig houden, daar wij niet weten, hoelang wij nog zullen leven.

Wij bidden om brood. Daaronder is alles begrepen, wat wij voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid noodig hebben. Op de eerste plaats bevat het woord ii Broodquot; alle lichamelijke benoodigheden, bijv. spijs en drank, woning en kleeding. Brood is onder alle voedingsmiddelen het meest gewone; men kan het ook in de hut des armen vinden. Wanneer wij alzoo den lieven God om brood bidden, dan geven wij daarmede te kennen, dat wij niet iets kostbaars van Hem verlangen, maar ons met het gewone tevreden stellen. Waarom zouden wij ook het uitgezochte en kostbare wenschen, daar wij Christenen zijn en weten, dat wij alleen op den weg van versterving in het rijk Gods kunnen ingaan? De rijke brasser ligt niet in Abrahams schoot, maar wel in de vlammen der hel. Alle Heiligen hebben zich vergenoegd met den gewonen kost; ook leefden zij eenvoudig in kleeding en woning. Zoo moeten ook wij gesteld zijn; daarom bidden wij om brood.

Maar wij bidden om het dagelijksch brood. Wat be-teekent nu het woord »Dagelijksch?quot; Het beteekent, dat wij niet om overvloed, maar slechts om het nooddruftig-ste bidden. Wat baat het ons ook indien wij de tijdelijke goederen van allerlei aard in menigte bezitten? Wij kunnen daarvan in de eeuwigheid geen penning medenemen. Ook verhoogt de rijkdom de tevredenheid en het geluk des levens niet, maar vermeerdert maar de onrust en de zorgen; wanneer het op sterven aankomt, dan sterft in den regel de arme gemakkelijker dan de rijke; en zalig worden kunnen wij lichter, als wij weinig, dan wanneer wij veel bezitten. Zoo dikwerf wij dus om het dage-üjksch brood bidden dan moeten wij ons het woord des Apostels herinneren; (I Tim. 6, 8). »Hahentes autem alimenia, ei quibus iecjanmr, hebbende echter voedsel en

601

-ocr page 610-

602 OVER HET GEBED

deksel, his contenti sumus, zijn wij daarmede vergenoegd.quot;

Ook het woordje »Onsquot; staat niet te vergeefs voor dat van Brood.quot; Het toont aan, dat wij een welverdiend en eerlijk brood moeten eten. God had reeds tot Adam gesproken: (Gen. 3, 19). 11 In sudore vuUu-s tui vesceris pane, in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten.quot; Dit woord gaat ons allen aan. Wij mogen ook al arm of rijk, van een hoogeren of lageren stand wezen, wij moeten door den arbeid ons brood verdienen. Het is wel een slechte vogel, die, als hij overigens kan vliegen, toch nimmer vliegt; maar evenzoo kwaad is de mensch, die niet wil arbeiden; want (Job 5, 7), zegt; »Homo nas-citur ad laöorem, de mensch wordt tot den arbeid geboren, et avits ad volaiim, en de vogel tot vliegen.quot; De Apostel zegt ronduit: (II Thess. 3, 10). «Si quis non vuli operari, indien iemand niet wil werken, nee mandu-cat, dat hij ook niet ete!quot; Trage en arbeidschuwe Christenen handelen alzoo tegen den wil van God en moeten zich schamen, zoo vaak zij bidden : »Geef ons heden ons dagelijksch broodwant het brood dat zij eten is niet hun, maar een onverdiend en vreemd brood. Zij hebben ook te vreezen, dat zij broodeloos worden; want de grootste rijkdom krimpt in en verdwijnt indien men door den arbeid niets wint. Ten langen leste moet de ledigganger wel aan het werk gaan, wil hij honger en naaktheid niet tot zijn dagelijksche gasten hebben. Arbeidt dus vlijtig en weest werkzaam in uw bedrijf; hoedt u daarbij echter voor alle ongerechtigheid, opdat gij een eerlijk brood kunt eten. De vrome Pater Mattheus v. Bosco was eens door een advocaat tot gast uitgenoo-digd. Nu nam hij een brood, dat juist op tafel lag, en drukte er een helder bloed uit. Hij liet het zijnen gastheer zien en sprak : »Zie, zulk een brood eet gij ! Gij verteert bet zweet en bloed der armen, weduwen en weezen, en durft tot God bidden : »Geef ons heden ons

-ocr page 611-

in \'t bijzonder.

dagelijksch brood! Sidder bij deze woorden, en denk aan het vreeselijke door het bloed der onschuld rood geworden brood, dat gij gebruikt!quot; Aand., indien het brood, wat op een ongerechte wijze werd gewonnen bloedde, hoeveel bloedend brood zou er niet wezen? O, neemt u, voor een dergelijke onrechtvaardigheid zorgvuldig in acht, opdat gij het brood, wat gij eet, met waarheid uw brood kunt noemen.

Wij hebben behalve het lichaam ook een ziel, die tot behoud van haar bovennatuurlijk leven evenals het lichaam spijs behoeft. Wij smeeken vandaar ;n de vierde bede niet enkel om het lichamelijke maar ook om het geestelijk brood. Onder dit brood verstaan wij op de eerste plaats het woord Gods, zooals Christus zegt : (Matth. 4, 4). i) Non in solo pane vivit homo, de mensch leeft niet van brood alleen, sed in omni verbo quod procedil de ore Dei, maar van alle woord, hetwelk uit den mond Gods voortkomt.quot; Vandaar ook zegt de H. Aug.: »Het woord Gods, dat ons dagelijks als het ware wordt gebroken, is een dagelijksch brood.quot; Wij bidden dan in de vierde bede God, dat Hij ons door zijn goddelijke inspraken verlichte en tot het goede aanspore, opdat Hij ons ijverige Priesters, die ons zijn h. woord verkondigen, toezende en goede Christenen, die ons leeren en ten goede vermanen; dat Hij ons eindelijk nuttige boeken, die ons de waarheden des heils onderwijzen, in handen late komen. Onder brood verstaan wij verder de (jenade Gods zonder welke wij noch de zonde vermijden, noch de geboden onderhouden, noch in de gerechtigheid kunnen volharden. Eindelijk verstaan wij onder brood de H. Communie, waarvan Christus zelf zegt : (Joës 6, 52). » Panis, quem ecjo dabo, het brood, dat Ik zal geven, caro mea est pro iiiundi vita, is Mijn vleesch, voor het leven der wereld.quot; In dezen zin wordt de vierde bede in den mond veler Christeuen een leugen. Of wat heet het anders dan liegen.

603

-ocr page 612-

OVER HET GEBED

als men zegt: » Geef ons heden ons dagelijksch brood,quot; eu men wil het woord Gods niet aanliooreu, de genade tot het goede niet gebruiken, het Allerheiligste Sacr. des Altaars niet ontvangen? Ziet dus toe, Aand., dat gij u aan geen leugen schuldig maakt, als gij bidt: »Geef ons heden ons dagelijks brood!quot;

e. De vijfde bede luidt: »Dimiile nobis debit a nostra, vergeef ons onze schulden, sicut et nos dimittimus debi-toribus nosiris, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.quot; Onder de «schuldenquot; waarvan hier spraak is, hebben wij de zonden, en zoowel de dagelijksche als de doodzonden te verstaan. De zonden worden met recht schulden genoemd, omdat wij, zoo vaak wij zondigen, aan God onttrekken, wat wij Hem schuldig zijn, eerbied, liefde en gehoorzaamheid, en God derhalve met recht voldoening van ons kan vorderen. Waar is nu onder ons de mensch, die vrij is van alle zondenschuld? Zelfs de rechtvaardige, zegt de H. Schrift, valt zevenmaal, d. i. maakt zich dikwijls aan kleine fouten schuldig. En de H. Joës (I, 1, 8), schrijft; »Si dixerimus quoniam peccaium non halemus, zoo wij zeggen, dat wij geen zoude hebben, ipsi nos se-ducimus, misleiden wij uns zeiven, et Veritas in nobis non est en de waarheid is niet in ons.quot; Vandaar ook veroordeelt het Conc. v. Mileve degenen als dwaalleeraars, die beweren, dat vrome, deugdzame Christenen de woorden: «Vergeef ons onze schulden,quot; meer uit ootmoed, als naar waarheid zeggen. Want alhoewel de mensch met behulp der genade Gods geboden kan onderhouden, zoodat hij in geen doodzonde valt, zoo zal hij toch, tenzij hij een bijzondere genade ontvangt, dagelijksche zonden begaan, waarom hij reden heeft, tot God te bidden : «Vergeef ons onze schulden.quot;

Hier valt echter op te merken, dat wij door deze bede, volgens de uitspraak des H. Aug., wel kwijtschelding onzer dagelijksche geringe feilen of zonden, maar

604

-ocr page 613-

IN \'T BUZONDRR.

volstrekt geen vergiffenis der doodzonden verkrijgen ; want er is geen gebed, zoo krachtig, om de doodzonden uit te wisschen. Deze kracht hebben alleen de H. Sacr. des Doopsels en der Biecht. Indien wij alzoo bidden: «Vergeef ons onze schulden,quot; dan bidden wij God eigenlijk slechts om de genade der ware boete, d. i. om de genade, dat wij een rouwmoedige, oprechte Biecht afleggen en zoo vergeving der zonden erlangen.

De n-oddeliike Zaliffraaker heeft aan deze toegrevoea-d

O J O DO

de woorden: «Gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.quot; Onder «Schuldenaarquot; zijn onze medemenschen, die ons ergens in belee:ligd hebben, te verstaan. Wij beloven hiermede God, dat, als Hij ons vergeeft, ook wij aan onze beleedigers van harte willen vergeven. Bij deze woorden merkt de H. Aug. aan : »God heeft met ons zondaars een verdrag aangegaan, en wel op de volgende wijze : vergeeft gij degenen, die u beleedigd hebben, dan vergeef ook Ik u de zonden, waarmede gij Mij hebt be • leedigd; maar vergeeft gij hun niet, dan moogt gij ook van Mij geen vergeving verwachten.quot; Zooals wij dan jegens onze medemenschen te werk gaan, zoo zal God jegens ons handelen; vergeven wij oprechtelijk aan onze beleedigers, dan zal Hij ook ons vergeven, aangenomen, dat wij onze zonden waarlijk betreuren en verfoeien en ze biechten; willen wij echter van geen vergeven weten, dan hebben wij in geen geval van God vergeving te hopen. De Zaligmaker verzekert uitdrukkelijk : (Matth. 6, 15.) a Si autem non dimiseritis hominibus, indien gij nu den menschen niet vergeeft, nee Pater vesier dmittet vobis peccata nestra, zoo zal ook uw Vader uwe zonden u niet vergeven.quot; De H. Joannes, de Aalmoezengever, had een voornamen heer uit Alexandrie dikwijls vermaand, zich met zijn vijand te verzoenen. Daar hij aan zijne vermaningen geen gehoor gaf, bracht hij hem in een kapel en droeg daar het H. Misoffer op. Hij liet be-

005

-ocr page 614-

OVER HET GEBED

halve de Misdienaren daar niemand binnen. Toenmaals was het gebruikelijk, dat de Priester bij de H. Mis met de aanwezigen het Onze Vader overluid bad. Als hij nu aan de bede kwam : »Vergeef ons onze schuldenquot; zweeg hij en wenkte den misdienaars ook te zwijgen, zoodat die heer alleen de woorden uitbracht: «Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.quot; Nu wendde de Heilige zich tot hem, en sprak met een liefdevolle zachtmoedigheid : » Bedenk, bid ik u, wat gij daar zoo even tot God hebt gezegd ! Als gij Hem daar om vergeving badet, hebt ge betuigd, dat ook gij degenen vergeeft, die u beleedigd hebben.quot; De heer was als door den bliksem getroffen, en de in het Onze Vader gesproken woorden klonken als een donderslag in zijn ooren. Hij wierp zich onmiddellijk aan de voeten des H. Bis-schops en sprak tot hem: »Uw dienstknecht is bereid te doen, wat gij hem zult bevelen.quot; Hij ging heen, en verzoende zich aanstonds met zijn vijand. — Laat ook gij, Aand., de woorden: »Gelijk wij vergeven onzen schuldenaren, tot waarheid worden. Zegt het geweten u, dat gij jegens iemand om wat reden ook een afgekeerd-heid koestert, spreekt dan bij u zeiven: »Ja, mijn God, ik wil mijn naaste vergeven en jegens hem van harte wel zijn, opdat ook Gij mij genadig zijt en mij mijne vele en zware zonden moogt vergeven.quot;

f. In de zesde bede smeeken wij : »Et ne nos indu-cas in ientaiionem, en leid ons niet in bekoring.\'\' Ten goeden verstande dezer bede moed ik opmerken, dat het woord »Bekoringquot; in een dubbelen zin kan genomen worden, als beproeving en als aanloksel tot het kwaad. Als beproeving kan de bekoring van God komen. Hij onderwerpt namelijk de menschen aan verschillende beproevingen, om hun gelegenheid te geven, aan Hem hun liefde, hun standvastigheid in het goede en hun ijver te betoonen, verschillende deugden te beoefenen en hunne

606

-ocr page 615-

IN \'t bijzonder.

verdiensten te vermeerderen. Zoo beproefde Hij onze stamouders, doordien Hij hun van den boom der kennisse van goed en kwaad verbood te eten ; zoo Abraham, doordien Hij hem beval. Hem zijn zoon Isaac te slachten ; zoo Tobias, doordien Hij hem blind liet worden ; zoo nog heden tallooze Christenen, doordien Hij ze met een verschillend lijden en rampspoeden bezoekt. Wat deze beproevingen, bekoringen of verzoekingen in den eigenlijken zien des woords betreft, dan bidden wij God geenszins, dat Hij ons daarvan geheel bevrijde, omdat zij toch ons beste beoogen ; maar wij bidden Hem alleen om de genade, dat wij er een goed gebruik van maken en ze tot ons zielenheil mogen aanwenden.

Nemen wij de bekoringen in den eigenlijken zin als aanlokselen tot zonde, dan komen zij niet van God, ea kunnen niet van Hem komen, omdat Hij de Heiligheid zelf is, en alle kwaad haat en verafschuwt. Vandaar ook schrijft de Apostel: (Jac. 1, 13). »Nemo, cum tenta-tur, dicat quoniam a Deo tentaiur, niemand, die verzocht wordt, zegge: ik word van God verzocht; Deus enim intentator malorum est, want God kan niet tot het kwade verzocht worden; ipse autem. meminem tentat, en Hij zelf verzoekt niemand.quot; De bekoringen tot zonde komen van drie vijanden onzer ziel: van de wereld, het vleesch en den Satan. De wereld bekoort ons, d. i. de menschen door haar booze taal, gebruiken, grondstellingen, door haar slechte voorbeelden en ergernissen; het vleesch bekoort ons, d. i. de in ons ten gevolge der erfzonde wonende begeerlijkheid, die ons den dienst God veelvuldig bemoeilijkt en ons tot het zinlijke en kwade aantrekt; de Satan bekoort ons, die ons slechte gedachten inblaast, zinlijke begeerten opwekt, verwerpelijke hartstochten ontsteekt. Deze verzoekingen laat God toe, niet met het oogmerk, dat wij ons daardoor laten overwinnen en zondigen, maar om ons gelegenheid te geven, onzen ijver

607

-ocr page 616-

OVER HET GEBED

608

te toonen, verschillende deugden te beoefenen en ons bijzonder in de ootmoed te bevestigen. God heeft dus ook bij deze verzoekingen ons beste op het oog. Als wij daarom bidden : »Leid ons niet in bekoring,quot; dan bidden wij eigenlijk niet, dat God ons van alle verzoekingen bevrijde, maar dat Hij slechts die verzoekingen, die ons nadeel kunnen aanbrengen, van ons afwere, alsmede dat Hij ons in elke verzoeking met zijn genade krachtig ondersteune. Overigens laat God nimmer ons een verzoeking toekomen, die wij niet kunnen overwinnen; want indien wij Hem bidden, dan geeft Hij ons zijne genade, die ons in staat stelt, uit eiken strijd zegevierend op te treden. Daarom zegt de Apostel; (I Cor. 10, 13). »lidelis autem Deus est, getrouw nu is God, qui non patiefur vos teniari supra id quod pofestis, die niet zal toelaten, dat gij bekoord wordt boven hetgeen gij kunt, sed faciei etiam cum tentatione provenium, maar Hij zal met de bekoring ook de uitkomst geven, ut possitis suslinere, om haar te kunnen verdragen.quot; Om echter op den bijstand der genade Gods te kunnen rekenen, mogen wij ons aan de verzoeking niet lichtzinnig blootstellen en ze zelfs opzoeken. Wie zich vrijwillig in de naaste gelegenheid tot zonde begeeft, bijv. met godvergeten menschen of personen van het ander geslacht een vertrouwelijken omgang houdt, verdachte huizen bezoekt en aan zedengevaarlijke genoegens deelneemt, en daarbij de hoop koestert, dat God met zijn genade hem voor den val wel zal bewaren, die verzoekt God, en mag Diens bijstand evenzoomin verwachten, als hij, die zich van een toren naar beneden werpt in de meening, dat God hem wel geen letsel zal laten toekomen. »Er zijn,quot; zegt de H. Basilius, »tweeerlei verzoekingen, verzoekingen, die men zelf opzoekt, en verzoekingen, die men buiten schuld aantreft. In deze staat God ons bij, in gene niet.quot; Ge moet derhalve de verzoekingen zooveel mogelijk vermijden; maar eveneens

-ocr page 617-

IN \'T HTJZONDEB.

ook, zoo gij in een verzoeking geraakt, aanstonds tot een ijverig gehed uw toevlucht nemen; want alleen onder deze voorwaarde moogt ge hopen, dat God u met zijne krachtige genade ondersteunen en u in geene verzoeking zal laten vallen.

g. De zevende en laatste Lede luidt: b/SW/ libera nos a malo, maar verlos ons van den kwade.quot; Het woord »Kwaadquot; om welks verlossing* wij hier bidden, heeft een veelvuldige beteekenis. Men verstaat daaronder de tijdelijke rampspoeden, bijv. armoede, ziekte, smart en tegenspoeden van allerlei aard. Het is niet verboden. God om de bevrijding dezer rampen te bidden. Hij toch zelf zegt: (Ps. 45, 15). Invoca me in die iribulafionis, roept Mij aan in den dag der benauwdheid; eruam te. Ik zal er u uit redden, honorificabis we, en gij zult Mij eeren.quot; Maar de Heer heeft wijselijk laten voorafgaan, dat de Naam Gods geheiligd worde en zijn wil geschiede, alvorens Hij ons de bede veroorloofde: »Verlos ons van den kwade.quot; Daarmede is aangeduid, dat wij de eer en den wil Gods hooger moeten laten gelden, dan de verlossing van onze rampspoeden en het lijden. Wij bidden vandaar God niet onvoorwaardelijk om het wegnemen der tijdelijke rampen, maar slechts in zooverre, als dit overeenkomstig zijne eer en zijn wil, ons echter dienstig en heilzaam is.

Maar er bestaat nog een veel grooter kwaad, om de bevrijding waarvan wij God bidden, en dit is de zonde. De zonde is inderdaad het grootste en eigenlijk het ee-nige kwaad, wijl daaruit alles, wat kwaad heet, ontspringt. Bestond er geen zonde, er ware op de wereld geen lijden; bestond er geen zonde, er ware geen ziekte, geen dood; ja, bestond er geen zonde, er ware hiernamaals geen vagevuur, g-een hel. Indien wij dus zeggen : »Verlos ons van den kwade,quot; dan bidden wij God heel

39

-ocr page 618-

OVER HET GEBED

bijzonder, dat Hij ons alle zonden, die wij begaan hebben, genadiglijk vergeve eu ons in de toekomst voor elke zonde beware, minstens niet meer toelate, dat wij Hem met een doodzonde beleedigen. Vervolgens bidden wij Hem ook, dat Hij ons behoede voor de kwade gevolgen der zonde, namelijk voor een rampzaligen dood en de eeuwige verdoemenis, üit ware immers het allerverschrikkelijkste onheil, dat ons zou kunnen treffen, als de dood ons in de zonde overviel en ons in den afgrond der hel stortte. Opdat echter God ons gebed verhoore en ons van dit overgroot kwaad verlosse, moeten wij ons zonder uitstel en waarlijk bekeeren en voortaan de zonde met alle zorgvuldigheid vermijden. Slechts geen zonde meer ! dit moet de gedachte zijn, die ons overal vergezelt en ons niet verlaat, zoolang wij leven.

Wij sluiten het gebed des Heeren met het woord »Amen,quot; dat zooveel heet als: «Het geschiede!quot; Wij drukken daarmede nog eens het verlangen uit, dat God alles, wat wij Hem in de zeven beden van het Onze Vader gevraagd hebben, aan ons in genade doe toekomen.

Dit nu is, Aand., de korte verklaring van het gebed, dat Jesus Christus zelf ons geleerd heeft. Er bestaat niets heiliger, niets treffender, niets verhevener, niets krachtiger dan het Onze Vader. Het Onze Vader is een gouden sleutel, waarmede wij ons, zoo dikwijls wij willen, de deur tot alle genadeschatten des hemels kunnen openen. Houdt dus het Onze Vader hoog in eere, bemint het als een kostbare hemelgave en bidt het steeds met een nieuwe blijdschap. In wat toestand gij u ook mcogt bevinden, welk een genade gij ook al behoeft, bidt bij voorkeur het H. OnzeVader; want dit gebed bevat alles, wat voor u noodzakelijk, goed en heilzaam is. God, uw Vader in den hemel, zal u voorzeker geven, waarom gij Hem in het Onze Vader vraagt. »üe Vader,quot; zegt de H. Cy-priauus, »erkent toch de woorden zijns Zoons als wij dit

010

-ocr page 619-

in \'t bijzokdek.

gebed verrichten. Eu indien Hij ons zal geven al wat wij in den naam van Christus van Hem begeeren, hoe veel zekerder ontvangen wij datgene, wat wij in den naam van Christus verlangen, als wij met het gebed van Christus zelf daarom bidden!quot; Bidt echter het Onze Vader steeds met een groote aandacht, en bedenkt, dat de woorden, die gij uitspreekt, geen menschelijke, maar goddelijke woorden ziju. Maakt ook naar het voorbeeld der Heiligen bij de afzonderlijke beden dikwijls vrome beschouwingen, om in den zin er van steeds dieper door te dringen en ze met te grooter nut te kunnen bidden. Koestert eindelijk naar datgene, waarom gij God in het Onze Vader bidt, een oprecht verlangen, en streeft er naar, zoo te leven, als gij bidt. Toont u altijd als goede, volgzame kinderen uws hemelschen Vaders, eert en bemint Hem en ijvert voor de eer zijns hoogheiligen Naams; gedraagt u als ware Christenen, wier zin naar omhoog streeft en die voor den hemel leven; volbrengt uwe beroepsplichten met alle getrouwheid, maar vergeet om het tijdelijke het eeuwige niet; weest van een verzoenenden aard en leeft in genoegen en vrede met den naaste; wandelt behoedzaam en gaat elk gevaar dat uwe ziel dreigt, zooveel mogelijk uit den weg. Doet ge dit, dan zal God, uw Vader in den hemel, in liefde op u neder-zien en uw gebed goedgunstig verhooren; Hij zal u verlossen van elke ramp, bijzonder van de zonde en de eeuwige verdoemenis, en u inleiden in het rijk, waar gij als zijn geliefde kinderen Hem eeuwig zult liefhebben, loven en prijzen.

IV. Over het Wees Gegroet of de Groeienis des Engels.

Het gebed, dat ik u nu moet verklaren, heet het

(ill

-ocr page 620-

OVER HET GEBED

» Wees Geyroet of de Groetenis des Emjelsquot; wij! een groot deel daarvan bestaat uit die woorden, waarmede de Aartsengel Gabriel Maria begroette als hij haar de boodschap bracht, dat zij door God tot Moeder zijns Zoons was uitverkoren. Indien wij den oorsprong en den inhoud van het Wees Gegroet in aanmerking nemen, dan moeten wij het als een bovenmate heilig en heilzaam gebed belijden.

Het grootste gedeelte van het Wees Gegroet of de Groetenis des Engels is van goddelijken oorsprong. De woorden; (Luc. 1, 28). d Ave rjrafia plena; wees gegroet, vol van genade; Dominus tecum, de Heer is met n; lenedicta tu in mulieribus, gij zijt gezegend boven alle vrouwen,quot; heeft Gabriel tot Maria gesproken. Dit zijn waarlijk goddelijke woorden; de Engel toch sprak dit niet uit zich zeiven, maar op last van God. De volgende woorden: (Luc. 1, 42).»Ei benedictus fruc lus ventris tui, en gezegend is de vrucht uw lichaamsquot; heeft Elisabeth tot Maria gesproken. Ook dit zijn goddelijke woorden, omdat zij aan Elisabeth door God zijn ingegeven. Of hoe. had Elisabeth anders kunnen weten, dat Maria de Moeder Gods was, indien de H. Geest her, haar niet geopenbaard had? De overige woorden van het Wees Gegroet komen van de Rath. Kerk voort. Ook zij zijn eigenlijk goddelijke woorden; want de H. Kerk wordt door den H. Geest geregeerd, en wat zij leert en bidt, is haar door God ingegeven. Ook zijn die woorden van het gebed, die de Kerk aan de Groetenis des Engels toevoegde naar hun wezen overoud; want reeds de H. Vaders en de Chjistenen der eerste eeuwen hebben Maria met deze woorden aangeroepen. Wie zou alzoo bet Wees Gegroet niet hoog in eere houden en met genoegen bidden, wijl het evenals het Onze Vader een goddel.jk gebed is ?

En wat nu bevat het Wees Gegroet ? Het bevat voor

612

-ocr page 621-

IN \'t bijzonder.

alles liet Geheim der Menschwording van Gods Zoon. Zal een gebed, waarin over dit wonderbare Geheim der goddelijke liefde spraak is, ons niet uitermate eerbiedwaardig en heilig zijn ? Het bevat verder de vereering der Allerzaligste Maagd. Zullen wij Maria niet vereeren, die God zelf zoo hoog geeerd, en voor allen van haar geslacht zoo zeer heeft onderscheiden ? Het bevat eindelijk de aanroeping der maagdelijke Moeder Gods. Zullen wij Maria niet aanroepeii, daar reeds het gebed des rechtvaardigen veel vermag, zij echter de Moeder Gods, de Koningin der Engelen en Heiligen is?

Ge ziet dus, Aand., dat het Wees Gegroet zoowel om zijn oorsprong als zijn inhoud een hoogst eerbiedwaardig en heilig gebed is, en het eveuzoo redelijk is en heilzaam, dat wij het gedurig herhalen. Ook is het heel passend en goed, dat wij het Wees Gegroet gewoonlijk na het Onze Vader bidden. Iemand, die zich in de hofstad bevindt, om een gunst te vragen, draagt zijn aangelegenheid eerst aan den koning voor, vervolgens wendt hij zich tot een der hofbeambten van wien hij weet, dat deze veel bij den koning vermag, en beveelt hem aan, voor het goede gevolg zijner bede te zorgen en de verwezenlijking ervan te bewerken. Datzelfde doen ook wij. Nadat wij iu het Onze Vader onzs beden aan den Koning van hemel en aarde hebben voorgedragen, richten wij ons tot Maiia, dat zij bij God voor ons spreke en door haar machtige voorspraak de vervulling onzer beden erlange.

Het Wees Gegroet splitst zich in twee deelen, in een lof- en een smeekgebed. Het lofgebed bestaat uit de woorden van den Engel Gabriel en van de H. Elisabeth en luidt: »Wees gegroet vol van genade, de Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams.quot;

Het smeekgebed bestaat uit de woorden, die de Katli.

613

-ocr page 622-

OVER HET GEBED

Kerk er heeft bijgevoegd en luidt : » Maria; Jesus; Sanctd Maria, Mater Dei, ora pro nobis peccatorihus^ Maria ; Jesus ; H. Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, mme et in hora mortis nostrae, nu en in het uur onzes doods. Amen.quot; Wij zullen thans het Wees Gegroet volgens zijn inhoud in het kort nagaan.

1). » Wees Gerjroet.quot; Met deze woorden begint de Groetenis des Engels. Volgens de gewone opvatting kwam de Aartsengel Gabriel in \'t jaar der wereld 4004, den 25 Maart op een Vrijdag door God gezonden, tot Maria, de H. Maagd, die, gesproten uit het koninklijke geslacht van David, te Nazareth woonde in een onaanzienlijk huis. Het was, zooals vele H. Vaders zeggen, op een Vrijdag, dat Eva, door een kwaden engel verleid, de moeder des doods en des verderfs werd van haar alge-heele nakomelingschap; het was weder op een Vrijdag dat Maria, toestemmend in de opdracht eens goeden Engels, de Moeder des levens en der genade werd voor het gansche menschelijk geslacht, üp een Vrijdag eindelijk heeft ook Jesus Christus het werk onzer Verlossing aan het kruis voleind. De Engel sprak tot Maria: «Wees gegroet.quot; Indien wij iemand groeten of laten groeten, dan drukken wij hem daardoor onze achting, onze genegenheid en liefde uit. Deze beteekenis heeft ook de groet, dien in last van God Gabriel tot Maria richt. De Engel wil zeggen : verblijd u, Maria, God zendt mij tot u en laat u groeten. Zijn oog ziet met het innigst welgevallen op u neder, Hij schenkt u zijn volle liefde, Hij kiest u uit voor allen van uw geslacht en verheft u tot een waardigheid , waarover bemel en aarde verbaasd staan. O, wat blijdschap, welk een verrukking, wat zaligheid zal Maria\'s hart bij dezen groet vervuld hebben ! En voorzeker zal Maria zich verheugen, wanneer wij haar met dezelfde woorden begroeten, en haar aan het wonder der genade, dat met dezen groet verbonden was, herinneren.

614

-ocr page 623-

in \'t bijzonder.

Bij de woorden: «Wees gegroet,quot; voegt de H. Kerk den naam » Mariaquot; om nader te bepalen, wie deze groet geldt, en tegelijk in ons hart de gevoelens van liefde en vertrouwen, die zich aan den gezegenden naam vao «Mariaquot; verbinden, op te wekken. «Mariaquot; is een He-breenwsoh woord, en heet zooveel als vrouw, yebiedsler, heerscheres. Deze naam komt in zijn volle beteekenis de Allerzaligste Maagd toe. Zij is een vrouw, omdat zij Jesns Christus, den Zoon Gods, onzen Heer ontvangen en gebaard heeft en daardoor de Koningin en Gebiedster aller schepselen is geworden. Vandaar de diepe eerbied en het groote vertrouwen, dat de Kath. Kerk steeds aan den naam van Maria betoond heeft. Zoo verordende zij dat de Priester dien bij openbare gebeden niet anders dan met een hoofdbuiging zoude uitspreken. Zoo mocht in Polen de eerste 400 jaren r.a de invoering van het Christendom aan geen kind in het Doopsel dien naam gegeven worden. Zoo leerde de H. Gerardus, Bisschop v. Candia, aan de Hong-aren, dat zij den naam van Maria zelden zouden uitspreken, en daarvoor zeggen : » Onze Vrouwequot; maar indien zij hem uitspraken, zij dan het hoofd ontdekken en de knie zouden buigen. Bewijst ook gij, Aand., aan dezen h. naam den behoorlijken eerbied, en hoedt n, dien lichtzinnig en zonder aandacht uit te spreken. Roept dien naam vertrouwvol aan in gevaren en ziekten, in bekoringen en rampspoeden en bijzonder in het doodsuur, want de verheven naam van Maria is, zooals de H. Hieronymus zegt, een teeken des levens, een bron van vreugde en genaden.

2) » Vol van rje7iadequot; zoo bidden wij naar het voorbeeld des Engels tot Maria, omdat zij reeds voor haar geboorte met genaden was vervuld, aan genaden steeds toegenomen en den oorsprong der genaden gebastfd heeft. — God had Maria tot Moeder zijns Zoons bestemd; het is vandaar natuurlijk, dat Hij ze met genaden en gun-

615

-ocr page 624-

OVER HET GEBED

sten, die deze onuitsprekelijke waardigheid vorderde, uitrustte. Daarom zegt de H. Bernardinus : »Opdat Maria de Moeder Gods kon worden, moest zij vervuld worden met een genadenraaat, waarmede zij alle overige schepselen verre te boven gaat.quot; Eene der buitengewone genaden, waarover Maria zich verblijdt, is hare Onbevlekte Ontvangenis. Terwijl alle overige kinderen Adams in de erfzonde worden ontvangen, bleef zij van deze smet volkomen vrij, zij was een kind der genade en heilig in de eerste oogenblikken harer ontvangenis. Dil is een waarheid, die de Kerk op het Concilie te Rome in \'t jaar 1854 als geloofsstelling plechtig heeft uitgesproken. Maria bleef echter niet enkel van de smet der erfzonde vrij, maar was ook reeds bij hare ontvangenis een vat vol van genade. «Maria,quot; zegt Suarez, » had reeds in de eerste oogenblikken harer ontvangenis meer gunsten en geuaden verkregen, dan alle zielen der Heiligen en Koren der Engelen.quot;

Maria is echter ook steeds in genaden toegenomen. Indien alle Heiligen door hun deugden en goede werken de heiligmakende genade vermeerderden, dan moeten wij dit te meer van Maria gelooven, omdat zij toch door hare liefde tot God en haar deugdenijver alle Heiligen ver overtrof. Alle Heiligen hebben gedurende hun aard-sche loopbaan min of meer minstens kleine fouten bedreven ; niet zoo Maria; want zij heeft, zooals alle godgeleerden en met hen ook de Kerk aanneemt, haar geheel leven door van elke dügelijksche zonde, ja, van elke onvolmaaktheid zich geheel vrij gehouden. Zij (de maagdelijke Godsmoeder),quot; zegt de H. Aug. «wil ik, indien er van zonde spraak is, om de eer des Heeren hebben uitgezonderd, want aan haar werd een hoogere genade verleend, opdat zij^ van alle kanten beschouwd de zonde zou over-winnen, wijl zij Hem ontving eu haarde, die zonder zoude was.quot; Maria diende al de dagen haars levens God

616

-ocr page 625-

in \'t bijzonder.

met de volmaaktste getrouwheid; zijn wil ging haar boven alles; Hem behoorde zij geheel en al toe. en haar hart was steeds op Rem gericht. Zoo gebeurde het, dat zij elk oogenblik voor zich nieuwe verdiensten verwierf en de maat harer genaden steeds meer vergrootte. Wij kunnen daarom met recht op haar toepassen, wat in een anderen\' zin het Evangelie van Jesus zegt : (Luc. 2, 52.) »Jat Jesus proficiebat sapieniia, et actate, et r/ratia aimd Deim et homines, en Jesus nam toe in wijsheid, en in ouderdom en in genade bij God en de menschen.quot; Maar Maria verdient in bijzonder deswege den naam »Genadevolle,quot; omdat zij Jesus Christus heeft, gebaard, (Coloss. 2, 3. 9.) »In quo sunt omnes thesauri sapientiae et scientiac ahsconditi, in Wien al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn,quot; en »In ipso inhabited om-nis plenitude divinitaiis corporaliter, in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.quot; Daarom zegt ook de H. Ambrosius ; »Met aile recht wordt zijquot; »vol van genadequot; genoemd, die alleen de genade, welke aan geen ander schepsel ten deel wordt, heeft verkregen, doordien zij met den Oorsprong der genade, met God, is vervuld geworden.quot;

Wijl nu Maria zelf vol van genade is, daarom kan zij daarvan ook aan anderen mededeelen ; want »zij is,quot; zooals de H. Thom. v. Aq. zegt, «niet enkel voor zich maar ook voor alle menschen vol van genaden.quot; Ieder Heilige heeft wel is waar genaden ontvangen, om het heil van eenige medemensohen te bevorderen ; maar Maria is zoo met genaden vervuld, dat zij tot het heil der ge-heele wereld kan medewerken, wat haar na Jesus Christus alleen eigen is. Nemen wij daarom vertrouwvol onze toevlucht tot onze genadevolle Moeder, en bidden wij haar, dat zij eenige druppelen uit. de zee der genaden, die yij ontvangen heeft, aan ons mededeele. Zij de Moeder van genade, zal ous smeeken niet zonder verhoo-

617

-ocr page 626-

OVER HET GEBED

rinrr laten. Zooals reeds aan zoovele anderen, zal zij ook aan ons van den rijkdom harer genaden mededeelen, zoodat wij uit eigen ondervinding haar als de genadevolle Maagd leeren kennen.

3) » Be Heer is mei as.quot; God is met en bij alle men-schen, want Hij vervult hemel en aarde. Indien wij dus slechts Gods tegenwoordigheid in aanmerking nemen, dan kunnen wij niet alleen van Maria, maar ook van elk schepsel, zelfs van het wormpje in \'t stof zeggen : » De Heer is met u.quot; Maar op een bijzondere wijze is God met zijn genade bij zijn Heiligen. Hij slaat in hunne harten , zooals Jesus zelf verzekert, zijn woning op, en is in hen, als een heer in zijn huis, hun zijn liefde schenkend, ze dikwerf met troost en hemelsche vreugde

\' O

vervullend, hun steeds nieuwe genaden schenkend. In dezen zin kunnen wij dus zooals tot Maria, ook tot ieder Heilige zeggen : »De Heer is met u.quot; Intusschen op eene nog veel volmaakter en uitstekender wijze dan met de Heiligen en zelfs met de Engelen is God met Maria. Eeeds op het eerste oogenblik van haar bestaan was met haar God de Vader, doordien Hij ze als zijn uitverkoren Dochter beschermde en voor de smet der erfzonde bewaarde; met haar was God de \'Znon, die haar als zijn toekomstige Moeder innig beminde; met haar was God de H. Geest, die ze als zijn Bruid met zijne gaven tooide. Nog meer was de Allerheiligste Drievuldigheid met haar, als zij Moeder van Gods Zoon werd. De Vader was met haar, doordien Hij haar zijn eenig-geboren Zoon schonk ; de Zoon was met haar, doordien Hij van haar zijn vleesch aannam; de H. Geest was met haar, doordien Hij haar met zijn kracht overschaduwde. Eindelijk is God ook in den hemel op een bijzondere wijze met Maria, want de Vader beschouwt haar in alle eeuwigheid als zijn Dochter, de Zoon als zijn Moeder, de H. Geest als zijn Bruid, weshalve zij ook

618

-ocr page 627-

ik \'t bijzonder.

als Koningin der Heiligen het naast bij den troon Gods troont en in glorie en zaligheid zelfs de Cherubijnen en Se-raphijnen ver overtreft. Moge de Heer ook met ons zijn! Moge Hij steeds met zijn genade in ons wonen en ons eens tot zich in den hemel opnemen! Opdat dit eciiter geschiede, moeten wij ons minstens van elke doodzonde vrij houden en in de gerechtigheid tot het einde toe volharden. Smeeken wij dagelijks tot Maria, dat zij voor ons deze genaden van den H. Drieeenigen God erlange.

4) » Gij zijt yezerjend boven alle vrouwen.\'\'\'\' Met deze woorden prijzen wij Maria als de gelukzaligste onder allen haars geslachts, ja, als de gelukzaligste onder alle menschen en Engelen, omdat zij door God tot de Moeder zijns Zoons is uitverkoren. Wat waardigheid bestaat er die hieraan gelijk komt? Een hooge waardigheid bekleedden de Profeten en de Apostelen, want God maakte hen tot zijne gezanten op aarde en liet door hen aan de menschen zijn wil verkondigen. Nog grooter is de waardigheid van Cherubijn en Seraphijn, want hun bestemming is steeds voor den troon van God te staan en zijn macht en heerlijkheid te prijzen. Maar de Profeten en Apostelen, de Cherubijnen en Seraphijnen alsmede alle Engelen en Heiligen zijn bij al hun verhevenheid toch maar dienaren Gods, verre overtreft Maria hen in waardigheid, want zij is de Moeder Gods. Dit is de hoogste waardigheid, waartoe een schepsel kan geraken, een hoogere laat zich niet meer denken.»Maria,quot; zegt daarom de H. Bonaventura «is Gods moeder, en heeft daardoor een oneindige waardigheid verkregen. God zou wel een groo-tere wereld, dan de tegenwoordige is, hebben kunnen scheppen. Hij zou ook een grooteren hemel dan die boven ons is, hebben kunnen maken maar een grooter Moeder, dan de Moeder Gods is, kan Hij niet scheppen.quot; Wanneer wij deze wonderbare waardigheid, waartoe Maria als de Moeder van God is verheven, in aanmerking

619

-ocr page 628-

OVER HET GEBED

nemen, dan hebben wij voorzeker alle redenen, dat wij ze als de gelukzaligste onder de vrouwen, ja ouder alle Engelen en Heiligen prijzen.

En hoe is Maria de Moeder van God geworden ? Zij is het geworden, zonder op te houden. Maagd te zijn. Zij is die wonderbare Maagd van wie de door God verlichte Profeet voorzegt: (Is. 7, 14). vEcce virgo conci-piet, zie de Maagd zal ontvangen, et pariet filium, en eenen Zoon baren, ei vocabitur nomen ejus limmanuel, en noemen zijnen naam Emmanuel.quot; «Ongehoord,quot; zegt hier de H. Berns. «ongehoord is het, dat zij, die baarde, Maagd was, dat zij, die Moeder werd. Maagd bleef. Volgens den loop der natuur, bestaat daar geen maagdelijkheid, waar men vruchtbaarheid verkondigt. Hier echter is de eenige, in wie alleen maagdelijkheid en vruchtbaarheid samengaan; hier geschiedde eens, wat nooit geschied was, en nimmer meer geschieden zal; voor en na haar zag men geene aan haar gelijk, en men zal er ook geen meer aantreffen.quot; Maria heeft alzoo een voorrecht erlangd, dat nog aan geen van haar geslacht is ten deel gevallen , en ook aan niemand meer zal ten deel vallen, zij is Moeder en Maagd te gelijk. Daarom is het meer dan billijk dat wij haar als de gelukzaligste van haar geslacht prijzen.

Maria is de Moeder van God en vandaar de oorzaak onzes heils. Hadden wij geen Moeder Gods, dan hadden wij ook geen Jesus Christus, geen Verlosser ; hadden wij geen Verlosser, dan zaten wij nog allen in de duisternis en de schaduwe des doods en konden niet tot de zalisr-beid geraken. «De Moeder Gods,quot; zegt zeer schoon de H. Bisschop Fulgentius «wordt de ladder des hemels genoemd. Elke ladder heeft een dubbel gebruik. Men kan daarmede van de hoogte in de diepte nederdalen en van de diepte in de hoogte opklimmen. Op deze ladder is God tot ons op de aarde nedergedaald opdat wij men-

620

-ocr page 629-

in \'t bijzonder.

schen weder tot Hem door Maria in den hemel zouden kunnen opklimmen.quot; Hoeveel redenen hebben wij derhalve, Maria als de gelukzaligste vau haar geslacht te prijzen, daar God haar uitverkoos, den vloek, dien Eva, onze eerste moeder, over ons gebracht had, als een tweede betere Moeder van ons weg te nemen en ons den Verlosser te schenken, die voor ons de poorten des hemels weder opende ! Zegenen wij haar daarom, de Allerzaligste Godsmoeder, niet enkel om haar hooge deugden, maar in bijzonder wegens het heil, dat zij ons allen heeft aangebracht. Loven en prijzen wij haar, de verheven Maagd en Moeder Gods, zooveel wij kunnen, en roepen wij vol innige ontroering: «Gezegend zijt gij boven alle vrouwen !quot;

5) )gt;En qezeqend is de vrucht uws lichaanÉjÊJesus.quot; Den hoosdieilisfen naam «Jesus\'\'\' heeft Elisabeth, die deze

o o \'

woorden tot Maria richtte, niet uitgesproken, en kon dien ook niet uitspreken, omdat die aan haar niet was geopenbaard ; Paus Urbanus IV. voegde dezen naam er aan toe, opdat het allen duidelijk zijn zon, wie onder die vrucht is te verstaan, en opdat tegelijk de naam Jesus, die zulk een wonderbare kracht heeft, bij het Wees Gegroet door de geloovigen met aandacht uitgesproken en geprezen zou worden. Met deze woorden : »Gezegend is de vrucht uws lichaamsquot; geven wij te kennen, dat de vereering van Maria, van Christus vereering onafscheidbaar is, en wij de Moeder om den Zoon leeren. Ware Maria niet de Moeder Gods, dan zouden wij haar wel vereeren, maar slechts als de overige Heiligen ; wijl zij echter de waardigheid van het goddelijke moederschap bezit, daarom verheffen wij haar boven alle Engelen en Heiligen en geven aan haar na God de hoogste verea-ring. Hieruit volgt, dat alle eer, die wij aan Maria bewijzen, op Jesus Christus terugvalt, omdat Hij de grond is dezer eer, en dus aan zijne eer door de vereering van

()21

-ocr page 630-

OVEU HET GrEnED

Maria niet wordt te kort gedaau, maar ze veeleer wordt verhoogd.

Gezegend wordt Jesus Christus evenals Maria genoemd, maar in een veel hoogeren zin dan zij. Maria zegenen wij in dien zin, dat wij haar als Moeder van God loven en prijzen, maar aan haar volstrekt geen goddelijke, maar slechts een menschelijke veroering bewijzen. Jesus echter zegenen wij in dien zin, dat wij Hem als mensch geworden Zoon Gods aanbidden, aan Hem alzoo een goddelijke eer bewijzen. Wij zijn er dus verre af, Maria met God gelijk te stellen en haar als een godin te vereeren ; wij weten en gelooven dat zij tot het menschelijke geslacht behoort, en zij door haar goddelijk moederschap niet aan het menschelijke geslacht onttrokken en tot een godheid is verheven, maar wij vereeren haar meer dan alle Engelen en Heiligen, omdat zij als Moeder Gods meer is dan alle Engelen en Heiligen, en wij ijveren voor hare eer, omdat wij van de overtuiging uitgaan, dat, wie den Zoon eert, ook de Moeder moet eeren,

ü) Wij komen nu aan het smeekgebed dat de Kath. Kerk aan het Wees Gegroet heeft toegevoegd. Dit smeekgebed is, zooals ik reeds heb opgemerkt, wel niet naar den vorm, maar toch volgens de zaak zoo oud als de Kerk, want reeds de eerste Christenen hebben Maria als de Moeder Gods aangeroepen eu zich aan haar voorbede in leven en sterven aanbevolen.

Wij beginnen dit smeekgebed met de woorden :)gt; ife-lit/e Maria.quot; Wij noemen Maria heilig. Zij is wel niet heilig gelijk God ; want God is oneindig heilig, Maria echter als schepsel slechts in een eindige mate; God is heilig uit en door zich zeiven, maar Maria heeft evenals de overige Heiligen haar heiligheid van God ontvangen, zooals de maan haar licht van de zon ontvangt. Maria overtreft intusschen zoowel in waardigheid als in heiligheid alle Engelen en Heiligen, weshalve zij ook de Koningin

(\\22

-ocr page 631-

in \'t bijzonder.

van Engelen en Heiligen genoemd wordt. Wijl God haar tot de hoogste waardigheid verhief, daarom betaamde het, dat Hij haar een grootere maat van heiligheid mededeelde dan aan de overijje Heilisfen. Is nu Maria onder alle

o o

Engelen en Heiligen de heiligste, dan mogen wij tot haar ook het grootste vertrouwen hebben; want hoe heiliger iemand is, des te meer bemint God hem en des te meer is Hij genegen, zijne wenschen en beden te verhoeren.

Wij spreken den naam van Maria hier opnieuw uit, omdat wij gedwongen worden, dezen liefelijKen naam zeer dikwijls in den mond te nemen, en van de heilaanbrengende kracht ervan overtuigd zijn. »Want.quot; zegt de H. Berns. »de naam van Maria is van zulk een kracht en heerlijkheid dat als die wordt uitgesproken de hemelen juichen, de aarde zich verblijdt en de Engelen jubelen.\'\' Na den naam Jesus is er geen heiliger en heilaanbren-gender naam, dan de naam van Maria.

Wij voegen er bij: n Moeder Gods.quot; Deze bijvoeging is de sterkste beweeggrond van ons vertrouwen, dat wij in Maria stellen. Wat vermogen moeders niet op hare zonen! De Itomeinsche veldheer Goriolanus was onschuldig ter dood veroordeeld. Hij redde echter zijn leven dooide vlucht, en verscheen spoedig daarop met een groote krijgsmacht voor Rome, met het plan zijn ondaukbare vaderstad tot den grond toe te verdelgen. In den grootsten angst zonden de Romeiuen het eene gezantschap na het ander met groote geldsommen af en baden om verschooning. Maar alles was te vergeefs. Eindelijk ging zijne moeder tot hem en riep zijn erbarming in. En ziet, nauwelijks had zij uitgesproken, of hij stond haar alles toe. Zonder uitstel brak hij de belegering op, en Rome was gered. Indien nu, Aand., de zonen van menschen, die door honderden hartstochten beheerscht worden, de beden, hunner moeders niet weerstaan kunnen, zal dan Jesus

-ocr page 632-

OVRH HET «EBED

die de Heiligheid zelf is, aan de beden zijner Moeder weerstaan ? Indien menschen zonen, die hun moeder slechts onvolkomen liefhebben, toch aan haar verlangen voldoen, zal dan Jesus zijne Moeder, die Hij voorzeker de volmaaktste liefde toedraagt, zonder haar te verhooren van zich afwijzen ? Indien eindelijk de zonen der menschen voor de weldaden hunner moeder zich dankbaar betoonen en derhalve gaarne aan hare wenschen beantwoorden, zal dan Jesus voor het vele goede dat zijn Moeder Hem in zijn aardsch leven heeft bewezen, ondankbaar zijn, en haar begeeren afslaan? Wie kan dit gelooven? Neen, wanneer Jesus de beden van geen Engel en Heilige meer verhoort, dan verhoort Hij nog de beden zijner Moeder. Maria mag bidden, om wat zij wil, zij vindt altijd bij Hem verhooring, wijl ook zij Hem, als Hij nog op aarde wandelde, geen bede heeft geweigerd. Neen het is geen overdrijving als sommige Vaders en geestelijke leeraars aan de Allerzaligste Moeder Gods in een welbegrepen zin de almacht toeschrijven; zij is werkelijk almachtig, wel niet van nature zoo als God, maar almachtig in den zin, dat zij door haar voorbede alles vermag bij haren goddelijken Zoon. » De Zoon,quot; zegt de H. (Jyprianns, »is van natuur almachtig, de Moeder is het door de genade, d. i. zij krijgt door haar beden zooveel zij verlangt.quot; Stellen wij dan al ons vertrouwen op Maria, omdat zij de Moeder van God is, daarom laat inderdaad geen nood, waarin zij ons niet helpen, geen genade, die zij voor ons niet kan verkrijgen, zich denken.

»Bid voor orns /quot; zeggen wij verder. Daarmede geven wij te kennen, dat Maria, hoe groot ook hare waardigheid is, ons toch niet van haar zelve zou kunnen helpen, maar voor ons bij God moet bidden, indien hulpe ons zal geworden. Slechts een is er, die ons alles, wat wij noodig hebben uit de volheid zijner eigen macht kan schenken, en die is God, Maria echter met alle Engelen

()24

-ocr page 633-

IN \'T BIJZONDER.

en Heiligen kunnen ons slechts krachtens hun voorbede helpen. Wij zeggen: d Bid voor ons,quot; en niet; «Bid voor mij.quot; Daardoor geven wij te verstaan, dat Maria de voorbidster en helpster aller menschen, en in bijzonder der Christenen is, dat verder alle menschen de voorbede en de bescherming van Maria van noode hebben, dat wij eindelijk, vrij van alle zelfhaat, alle menschen in onze liefde omvatten en aan de voorbede van Maria aanbevelen.

»Zondaarsquot; wij noemen ons zondaars, en met recht, want wij zijn zondaren van moedersschoot af, zondaren door veelvuldige overtredingen der goddelijke wet. Wij noemen ons soms arme zondaars, want de zonde heeft ons van alles beroofd, wat wezenlijk waarde had, de genade en de liefde Gods, de verworven verdiensten en den hemel; ja, de zonde heeft ons zoo ellendig gemaakt, dat wij ons volstrekt niet meer zouden kunnen helpen, indien God zich niet over ons erbarmde. Wij noemen ons zondaars voor Maria, om haar des te eerder tot medelijden jegens ons te bewegen en haar moederbar\'\' te treffen. Ach, goddelijke Moeder, willen wij zeggen, wend de oogen uwer barmhartigheid niet van ons af, want zie, wij zijn heel arm en ellendig, en indien gij ons niet helpt, zijn wij verloren !

Wanneer moet Maria voor ons bidden ? » Nu en in het uur omes doods.quot; Het woordje »Nuquot; beteekent onzen levenstijd op aarde. Zoolang wij op aarde leven, behoeven wij de voorspraak van Maria, omdat wij ons zelf niet kunnen helpen. Wij komen in verschillende lichamelijke nooden, het staat niet in onze macht, ze van ons af te weren, wij bidden daarom tot Maria, opdat zij voor ons hulpe bij God erlange. Wij moeten over onze zonden een ware boetvaardigheid oefenen, alle aanvechtingen onzer zielsvijanden overwinnen en in de genade tot het einde toe volharden. Dit alles kunnen wij weder niet

40

625

-ocr page 634-

OVER HET GEBED

uit eigen krachten, wij wenden ons vandaar tot Maria, opdat zij voor ons bidde. Het woordje »Nuquot; herinnert ons ook aan het woord van Jesus : (Joes 9, 4). » Oportet operari... donee dies est, men moet werken zoolang het dag is, ve/iit nox, qmndo nemo potest operari, de nacht komt, wanneer niemand werken kan.quot; Wij hidden daarom Maria, dat zij ons nu, zoolang wij nog in leven zijn, moge te hulp komen, omdat wij na doode ons heil niet meer kunnen bewerken. Eindelijk brengt het woordje »iV«\'\' ons de kortheid onzes levens onder het oog. Ons leven hier op aarde is werkelijk slechts een nu, d. i. een oo-genblik, want wij zijn noch in het bezit van het verle-dene noch van de toekomst, maar alleen van het tegenwoordige dat steeds slechts een oogenblik is. Wilden wij onzen levenstijd met de eeuwigheid vergelijken, dan moet het ons nog duidelijker worden, dat die slechts een nu of een oogenbMk is, want wat zijn 50, 60, 70 jaren tegen de onmetelijke eeuwigheid! Wanneer wij dan het woordje «Nuquot; uitspreken, moeten wij ons de vergaake-lijkheid en kortheid onzes aardschen levens levendig herinneren, en Maria aanhoudend bidden, dat zij nog een kleine wijle onze Moeder en Beschermster zij, daar het toch met ons zoolang niet meer duurt.

itEn in het uur onzes doods.quot; Indien ooit te eenie-er tijde, dan hebben wij vooral in het doodsuur hulpe noo-dig. Het uur des doods toch is het gevaarvolste oogenblik ; wijl alsdan de duivel ziet, dat weinige oogenblik-ken meer hem tot de verzoeking overblijven, daarom verdubbelt hij zijne aanslagen en woede, om ons in \'t verderf te storten. Het doodsuur is het beslissendsts oogenblik, want daarvan hangt de eeuwigheid af, waar de boom valt, daar blijft hij liggen. Sterven wij goed, dan is alles gewonnen voor de geheele eeuwigheid, sterven wij kwaad, dan is alles verloren voor de geheele eeuwigheid. Zoo wenden wij ons dan tot Maria, en bidden

(526

-ocr page 635-

in \'t bijzonder.

haar reeds uu, dat zij ons eenmaal in den doodsnood niet verlate, dat zij voor ons bidde, opdat wij ons voor ons verscheiden oprecht met God verzoenen, alle aanvechtingen des boozen vijands overwinnen, alle ongerief der ziekte gelaten en in den geest van boetvaardigheid dragen, en in de genade tot het einde toe volharden, ten einde een goeden dood te sterven en een genadig oordeel te erlangen. Deze genade mogen wij ook vertrouwvol van Maria hopen, indien wij daarom dagelijks bidden, en ons voor een boetvaardigen en deugdzamen wandel beijveren. «Maria,quot; zegt de li. Hieronymus, «staat haar trouwe dienaren niet slechts in het doodsuur bij maar komt hun zelfs op den weg naar den hemel tegen, om hun moed in te spreken en voor den rechterstoel Gods te begeleiden.quot; Tallooze Christenen en onder dezen zelfs de grootste zondaren hebben de genade van een gelukzalig sterfuur aan de voorspraak der liefderijke Godsmoeder te danken.

Zooals het Onze Vader, sluiten wij ook het Wees Gegroet met het woord: «Amen.quot; Het geschiede! Met dit woord willen wij, zooals de H. Hieronymus zegt, ons gebed als verzegelen, zoodat het als een heiligdom gesloten blijve en ais zoodanig tot de Allerzaligste Maagd Maria opstijge. Ook willen wij met het woord «Amenquot; nog eens alles te zamenvatten, het opnieuw nader aan het hart der maagdelijke Godsmoeder leggen en ons onwrikbaar vertrouwen op hare hulp uitspreken, evenals zeiden wij : «Ja, Maria verhoort ons, zij is onze Moeder en Voorspreekster nu en in het uur onzes stervens.quot;

Bidt nu, Aand., zooals het Onze Vader, ook het Wees Gegroet zeer dikwijls en altijd met eerbied, met aandacht en vertrouwen. Groet Maria met den Engel, looft en prijst haar met Elisabeth, ea roept haar met de Kath. Kerk om hare voorspraak aan, voorzeker, zij zal u dan

627

-ocr page 636-

OVER HET GEBED

een goede en barmhartige Moeder wezen, en u :n leven eu sterven in hare bescherming nemen.

V. Over de Etujel des lieer en.

De Hjnt/el des Ileeren bestaat, zooals gij weet, uit drie gedeelten. Het eerste gedeelte heet: »Angelus Domini nuntiavit Mariae, de Engel des Heeren heeft aan Maria geboodschapt, Et coneepil de Spiriiu Sanclo, en zij heeft ontvangen van den H. Geest.quot; Het tweede is: »jEece ancilla Domini, zie de dienstmaagd des Heeren ; Hat mild secundum verbum iuum, mij geschiede naar uw ■woord!quot; En het derde: nEt verbum caro factum est, en het Woord is vleesch geworden, Et hdbitamt in nobis, en heeft onder ons gewoond.quot; Op elk dezer drie af-deelingea laten wij een Wees Gegroet volgen. Deze devotie is men gewoon met het volgende gebed te sluiten : » Ora pro nobis, sancta Dei Geniirix, bid voor ons, H. Moeder Gods. Vt digni efficiamur promissionibus Christi, opdat wij waardig worden de beloften van Christus. Gratiarn tuam, quaesimus Domine, mentibus nostris in-funde, wij bidden U, o Heer, stort de genade in onze harten, ut qui Anyelo nuntiante Chris ie lilii iui incur-nationem coqnovimus, opdat wij, die door de boodschap des Engels de menschwording van uwen Zoon gekend hebben, per passionem ejus et crucis ad resurrectionis (jloriam perducamur, door zijn lijden en kruis tot. de heerlijkheid der verrijzenis gebracht worden. Per emdem Christum Dominum nostrum. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.quot; Op deze wijze nu bidden wij «de Engel des Heeren quot; dagelijks driemaal: \'s morgens, \'s middags en \'s avonds. De Engel des Heeren is een zeer eerbiedwaardig en heihaam gebed.

1) » De Engel des Heerenquot; is eerbiedwaardig.

a. Wegens zijn hooge oudheid\', want hetgeen wij in

628

-ocr page 637-

IN \'t bijzondeb.

in dit gebed uitspreken, gebeurde op dien dag, waarop de Aartsengel Gabriel aan de zaligste Maagd verscheen en baar boodschapte, dat zij door God tot Moeder zijns Zoons was uitverkoren. Op het oogenblik, als Maria aan de opdracht des Engels haar toestemming gaf, daalde de Zoon Gods tot haar neder, en nam onder medewerking des H. Geestes in haar maagdelijk lichaam de menschelijke natuur aan. Wijl wij dus in de Engel des Heeren het geheim der Menschwording van Gods Zoon uitspreken, daarom kunnen wij met recht zeggen, dat dit gebed met de menschwording van Christus van een gelijken oorsprong is. en dus reeds bijna 1900 jaren telt.

Ook de vorm, waarin wij de Engel des Heeren tot op den huidigen dag bidden, is reeds zeer oud, en bestaat reeds honderden jaren in de Kerk. Gelijk volkomen geloofwaardige geschiedschrijvers ons verhalen, heeft bereids Urbanus II (1088) \'s morgens en \'s avonds tot dit gebed laten luiden, om van God de verovering vau het H. Land af te smeeken. Greg. IX vernieuwde in \'t jaar 1239 dit voorschrift; Calixtus III (1458) strekte eindelijk het bestaande voorschrift uit, dat ook des middags tot »de Engel des Heerenquot; moest geluid worden. Van dien tijd af bestond er in de heele Kath. Christenheid geen kerk meer, waarin op de drie voorgeschreven dagtijden tot het gebed niet is geluid geworden, en ieder vroom christen beijverde zich zoodra de Angelus- of Mariaklok luidde, de Engel des Heeren te bidden. De Engel des Heeren is alzoo wegens zijn hooge oudheid een eerbiedwaardig gebed.

b. Wat echter dit gebed nog eerbiedwaardiger moet maken, is zijn inhoud. Wat bevat dan de Engel des Heeren? Ge weet het allen, het Geheim der Menschwording van Gods Zoon, dat de grond onzer hoop en de bron onzes heils is. Ware Christus niet mensch geworden, dan smachtten wij nog heden in de ketenen van

629

-ocr page 638-

OVER HET GEBED

dwaling, wij hadden geen raiddel ter onzer redding; en de hemel bleef ons voor eeuwig gesloten. Ware Jesus Christus niet mensoh geworden , dan moesten wij alle genaden, die het Christendom ons heeft aangebracht, ontberen, en wij konden ons aan het eeuwig verderf niet onttrekken. Wijl echter Jesus Christus is mensch geworden, daarom heeft Hij ons verlicht met het licht des Evangelies en ons het ware geloof geleerd, heeft onze zondenschuld uitgewischt. ons met God verzoend en voor ons in zijne Kerk rijke genademiddelen neergelegd, waardoor wij heilig en zalig kannen worden.

Indien God, zegt een geestelijke leeraar, ons had toegestaan, zelf te bepalen, hoe wij van de zonde en den eeuwigen dood wenschten verlost te worden, ware dan wel iemand op de gedachten gekomen: Gods Zoon moet zich van zijne heerlijkheid ontdoen, in de gestalte eens dienstknechts op aarde wandelen en ten laatste den sma-delijksten en smartvolsten dood des kruises sterven ? O waarlijk, op deze gedachten was niemand gekomen; zulk een eisch aan God te stellen had niemand gewaagd. Maar waaraan geen mensch dacht en het niet eens waagde te denken, dat heeft God uitgevoerd. Hij heeft aan zijnen Zoon het werk onzer verlossing opgedragen, en de Zoon heeft den schromelijken last met blijdschap op zich genomen en is mensch geworden. O, dit is een genade, waarvoor wij God in alle eeuwigheid niet genoeg kunnen danken. Als de Heiligen dit wonderbare Geheim der Menschwording van Christus beschouwden, dan geraakten zij van verwondering geheel buiten zich zelve en konden niet anders dan uitroepen : » O liefde van onzen God, wat hebt gij gedaan, om ons zondaars te verlossen!quot; De H. Magdalena de Pazzi betrachtte schier onophoudelijk en onder veelvuldige tranen de liefde van Jesus in ziju menschwording, en was dermate door gevoelens van godsvrucht jegens dit Geheim bezield, dat

630

-ocr page 639-

in \'t bijzonder.

men op haar hart de woorden vond ingedrukt: »TLt verbum caro factum est.\'\'\'\' »En het Woord is vleesch geworden.quot; Het is dus voorzeker niet te veel, Aand., indien, ook gij het Geheim der Menschwording van Christus dikwijls betracht, en »de Engel des Heeren,quot; die dit Geheim bevat, dagelijks aandachtig bidt.

c. »De Engel des Heerenquot; is eindelijk een eerbiedwaardig gebed , omdat wij, zoo vaak wij dien bidden, de Allerheiligsie Drievuldigheid vereeren. De menschwording van Christus is namelijk een werk des Drieeenigen Gods, des Vaders, des Zoons en des H. Geestes. Zij is een werk des Vaders; want Hij had besloten zijn Zoon ter onzer verlossing op de aarde te zenden. Daarom zegt de goddelijke Zaligmaker veelmalen, dat zijn Vader Hem heeft gezonden en de H. Paulus schrijft: (Gal. 4, 4. 5). i) ühi venit plenitudo temporis, toen de volheid des tijds gekomen is, misit Deus lilium mum, heeft God zijnen Zoon uitgezonden,. . . ut eos, qui sub lege erant, redime-ret, opdat Hij hen, die onder de wet waren, zoude vrijkoo-pen.quot; Zoo dikwijls er derhalve over de menschwording van Christus spraak is, moeten wij met een dankbaar hart tot God, onzen Vader, die (Joes 3, 16)./Szc... dilexit mundum, alzoo de wereld heeft liefgehad, ut lilium stmm umgenitum daret, dat Hij zijnen Eeniggeboren Zoon gegeven heeft,quot; opzien. De menschwording van Christus is ook geheel en al een werk des tweeden Persoons, des Zoons van God, want Deze is \'t, die in den maagdelijken schoot van Maria nederdaalde en de menschelijke natuur aannam ; Hij is \'t, die in den stal van Bethlehem als een zwak Kind op de wereld kwam, die 33 jaren onder de menschen wandelde en ten laatste aan \'t kruis stierf. Deze waarheid leert de Engel ons, daar hij tot Maria sprak ; (Luc. 1, 35). » Quod nascetur ex te Sanctum, het Heilige, dat uit u zal geboren worden, vocabi-tur Filius Dei, zal Gods Zoon genoemd worden.quot; Deze

631

-ocr page 640-

OVER HET GEBED

waarheid leert Joannes ons, daar hij schrijft : »En het Woord is vleesch geworden,quot; d. i. de Zoon Gods heeft de menschelijke natuur aangenomen. Deze waarheid leert de hemelsche Vader ons zelf, daar Hij Jesus Christus als zijn Zoon plechtig erkent en van Hem het getuigenis geeft: (Matth. 3, 17), »Ilic est Hlius mem dilectus, Deze is mijn welbeminde Zoon, in quo mild complacxi, in Wien Ik mijn welbehagen heb.quot; Wie zou derhalve niet met een hart vol van dankbaarheid tot den Zoon Gods opzien, zoo dikwijls hij zich Diens menschwording herinnert? Een God wordt mensch, neemt al het lijden der menschen op zich en sterft aan \'t kruis; — is dit niet een ondoorgrondelijk geheim der goddelijke liefde? Moeten wij zoo dikwerf wij de woorden : »Menschwording van Christusquot; uitspreken of hooren uitspreken, met den H. Philippus Nerius niet uitroepen: »0 Jesus, Gij zijt liefde, geheel en al liefde!quot; — De menschwording van Christus is eindelijk ook een werk des H. Geestes, want Deze was het die Maria overschaduwde, en door Wien het eeuwige Woord in Maria, de H. Maagd, de menschelijke natuur aannam. Dit verzekert de Engel E.an de genadevolle Maagd met de woorden : (Luc. 1, 35). )) Spiritus sanctus superveniet in te, de H. Geest zal over u komen, et virtus Altissimi obumbrahit tibi, en de kracht des Allerhoogsteu zal u overschaduwen; ideoque et quod mscelur ex te sanctum, daarom ook zal het Heilige, dat uit u zal geboren worden, vocabitur Filius Dei, Gods Zoon genoemd worden.quot; De menschwording van Gods Zoon is vandaar een genade, waarvoor wij ook aan den H. Geest tot den ianigsten dank zijn verplicht, omdat zij door zijne almachtige kracht is tot s\'and gekomen.

Nu ziet, Aand., deze gewichtige waarheid van onzen h. godsdienst, dat de menschwording van Christus een werk der Allerheiligste Drievuldigheid is, wil de Kerk steeds in een levend aandenken houden; daarom hiat zij

632

-ocr page 641-

in \'t bijzonder.

ons »de Engel des Heeren,quot; alle dagen driemaal bidden. Zij noodigt ons uit, dien \'smorgens te bidden, en herinnert ons aan God den Vader, die aanstonds na den zon-denval onzer stamouders de menschwording zijn Zoons beloofd en Hem in de volheid der tijden werkelijk heeft gezonden, doordien zij ons toeroept;»Kindereu, ontwaakt en dankt uw besten Vader in den hemel, dat Hij u tot uwen Verlosser zijn Eeniggeboren Zoou heeft gegeven!quot; Zij vermaant ons, »de Eugel des Heerenquot; \'s middays te bidden, eu herinnert ons, dat de Zoon Gods uit liefde tot ons de menschheid heeft aangenomen, doordien zij ons weder toeroept: »Kinderen, houdt op met uwen arbeid en dankt uw goddelijken Zaligmaker uit het binnenste uws harten voor de genade zijner menschwording!quot; En wanneer het nachtelijke duister zich op aarde legert, dan vermaant zij ons nog eens »de Engel des Heerenquot; te bidden, en herinnert ons aan den H. Geest, doordien zij ons toeroept: «Kinderen, keert in u zelve en dankt den H. Geest, en looft en prijst Hem, want door zijn kracht is de Zoon Gods mensch geworden!quot; Zno bidden wij daags driemaal »de Engel des Heeren,quot; opdat wij ons steeds de almacht des Vaders, de wijsheid des Zoons en de liefde des H. Geestes herinneren, en niet ophouden, de Allerheiligste Drievuldigheid in de beschouwing van het Geheim der Menschwording van Christus te loven en te prijzen.

Wie zou nu nog kunnen tegenspreken, dat »de Engel des Heerenquot;\' een hoogst eerbiedwaardig gebed is, wijl het zoo oud is als het Christendom, het grootste Geheim der goddelijke liefde, de menschwording van Christus inhoudt en ons het vereenigd werken der Allerheiligste Drievuldigheid tot onze verlossing voor oogen stelt?

2) »De Engel des Heerenquot; is echter ook een zeer heilzaam gebed, want zoo dikwerf wij het uitspreken, leggen wij

633

-ocr page 642-

634 OVER HET GEBED

a. Van ons (jeloof een openlijke belijdenis af. Geen ander zich noemend Christen, veel minder een Jood of Heiden verricht dit gebed. Wanneer wij bij het Ange-Ins-lniden iemand het hoofd zien ontdekken en bidden, dan behoeven wij niet meer te vragen : wat geloof belijdt gij ? De omstandigheid, dat hij »de Engel des Hee-renquot; bidt, zegt ons, dat bij een Kath. Christen is. Dus is het bidden van »De Engel des Heerenquot; een belijdenis van het kath. geloof, het niet bidden ervan eenigermate een verloochening van het geloof. Wat staat nu Christenen te wachten, die hun geloof verloochenen ? Christus zelf geeft het antwoord; »een iegelijk toch die Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is.quot; En weder: «wie zich over Mij, en mijne woorden schaamt, over dien zal ook de Zoon des menschen zich schamen, wanneer Hij komen zal in zijne en des Vaders heerlijkheid, en die der H. Engelen.quot; Iets goeds is het dus voorzeker niet, indien men »de Engel des Heerenquot; niet bidt, en degenen, die uit verwaandheid of menschen vrees dit gebed verwaarloozen, zullen van den goddelijken Rechter zeker niet den lof van een goeden en getrouwen dienstknecht ontvangen. Ik kan daartegen met grond beweren, dat het godvruchtig volbrengen van dit gebed een zeer heilzame oefening is, omdat wij daardoor ons geloof openlijk belijden, en als het ware zeggen: »Ik ben een Kath. Christen, ik dank God uit geheel mijn hart dat ik het kath. geloof bezit, en zal met zijn genade in dit geloof leven en sterven.

h. Doch zijn heilzame werking moet u nog meer uitkomen, als ge overweegt, dat bijzonder de vereering der maagdelijke Moeder Gods er het onderwerp van is. Zoo dikwerf wij »de Engel des Heerenquot; bidden, herinneren wij Maria aan de groote genade, die zij van God heeft ontvangen, aan haar goddelijk Moederschap; wij groeten

-ocr page 643-

in \'t bijzonder.

haar, omdat ook wij het Ave Maria amheffen, met Gabriel en Elisabeth als de gezegende van haar geslacht en roepen haar met de Kath. Kerk om hare voorspraak aan in leven en sterven. Wie zou gelooven dat Maria, de goddelijke Moeder, jegens onze vereering onverschillig zal wezen? Denkt a een goeden vriend, die door zijn vorst is begunstigd en een hooge betrekking heeft erlangd; zal hij het niet met welgevallen aannemen, indien gij hem aan deze onderscheiding herinnert en hem bidt, dat hij zich voor u tot dien vorst moge wenden ? Eu Maria zou niet met welgevallen op ons neerzien, wanneer wij haar met allen eerbied als de Moeder Gods begroeten en ze om hare voorspraak bij God aanroepen? O voorzeker, zoo dikwerf wij Maria groeten, wendt zij zich vol goe-dertierenheid tot ons en is bereid, voor ons alle genaden des hemels te bewerken. »De Allerzaligste MaagJ,quot; zegt de H. BonBventura, «groet ons gaarne terug, en dat wel louter met zegeningen en weldaden, indien wij liaar dikwijls in het gebed groeten.quot;

c. »De Engel des Heerenquot; is ook deswege een zeer heilzaam gebed, wijl het ons gelegenheid geeft, dikwijls onze (ledaclden ie verzamelen en tol God te verheffen. Als de dag is aangebroken en wij de werkzaamheden van den dag beginnen of reeds zijn begonnen, noodigt de klok ons allen tegelijk tot het gebed uit. Is deze tijd niet heel bijzonder tot aandacht geschikt? Er ligt weder een geheele dag voor ons, een dag vol moeilijkheden en bezwaren, een dag, die ons heil en zegen, maar ook onheil en verderf kan aanbrengen. Wijl de Kerk nu weet, dat velen harer kinderen het gewicht van den voor hen liggenden dag niet bedenken en derhalve het gebed dikwijls achterwege laten, daarom roept zij hun door de Angelus-klok alle morgen toe: »Kinderen, hoort mijn roepen, knielt neder en bidt.\'\' En dit zoetklinkend en liefelijk roepen der Kerk oefent op ieder Christen, die nog

035

-ocr page 644-

OVER HET GEBED

een godsdienstig gevoel in zijn hart bergt, een groote macht uit, hij slaat zijn blik hemelwaarts, maakt het h. kruisteeken en bidt. Indien gij vervolgens zoo druk in de werkzaamheden zijt, indien gij arbeidt in de werkplaatsen of op het veld of waar ook, indien gij voor uw broodwinning of huishouden slaaft en u in het aardsche verdiept, dan klinkt op eens weder heel liefelijk vermanend de bedeklok daar onder, en roept u als het ware toe: «Lieve Christen, vergeet bij al dat werken en zwoegen het werk uws heils niet! Houdt even op, verzamelt uwen geest, ziet opwaarts en versterkt u door een godvruchtig gebed, opdat gij zoo door het tijdelijke gaat, dat gij het eeuwige niet verliest!quot; Gaat de dag ten einde en zoekt de moede arbeider rust, dan maant de klok hem nog eenmaal aan tot aandacht en zegt hem : » Mijn zoon, uw dagwerk is voorbij, dank den Heer voor al het goede, dat Hij u heden heeft bewezen, beveelt u aan Hem voor den aanbrekenden nacht en groet Maria, dat zij u hare moederlijke bescherming verleene nu en in den laatsten nacht uws pelgrimstochts.

Zoo nu is het vrome gebruik der Kerk, driemaal daags «de Engel des Heerenquot; te luiden, opdat wij op de drie hoofdtijden van den dag ; \'s morgens, \'s middags en \'s avonds, ons hart tot God verhefien, en ons dagwerk met God beginnen, voortzetten en voleinden. Is dit niet een zeer goed en heilzaam gebruik ? Hoe zeer zou ons hart verwilderen, hoe elke godsdienstige vonk van lieverlede in ons geheel uitdooven, indien wij steeds slechts op het aardsche dachten en nooit opwaarts zagen en baden ! Indien wij echter onze bezigheden dikwijls met vrome gedachten onderbreken en bidden, dan wordt de godsdienstzin steeds weder op nieuw opgewekt, en wij zullen onze eenwige bestemming niet zoo licht vergeten. Wij moeten vandaar bekennen, dat »de Engel des Heerenquot; ook op dezen grond een zeer heilzaam gebed is.

636

-ocr page 645-

in \'t bijzonder.

d. Eindelijk, »de Engel des Heerenquot; is ook deswege een zeer heilzaam gebed, wijl aan de godvruchtige verrichting ervan vele afialen ziju verboudeu. Zoo heelt Pans Benedictns XIII. den 14 Sept. 1724 aau al degenen, die \'s morgens, \'s middags en \'s avonds knielend en aandachtig, de Engel des Heerenquot; bidden, maandelijks eenmaal een vollen aflaat verleend, indien zij de H. Sacr. der Biecht en des Altaars waardig ontvangen en het gebruikelijke aflaatsgebed volgens de meening der Kerk aandachtig verrichten. Bovendien verdienen allen, die »de Engel des Heerenquot; bidden, zoo dikwerf zij dit doen, een aflaat van honderd dagen.

Tot het verdienen dezer aflaten is echter, wat ik uitdrukkelijk wil opmerken, noodzakelijk dat men »de Engel des Heerenquot; knielend bidde. Uitgezonderd ziju «lechts (ie Zaterdag avonden en al de Zondagen den geheelen dag; dan wordt de »Engel des Heerenquot; tot gedachtenis van Jesus opstanding staande gebeden. Gedurende den geheelen Paaschtijd tot aan Pinsteren blijft »de Engel des Heerenquot; achterwege, en men bidt daarvoor staande de Antiphona, »Rerjina coeli laeiare, Verheug u, o Koningin des hemelsquot;, enz. Wie alzoo »de Engel des Heerenquot; volgens het voorschrift der Kerk dagelijks aandachtig bidt, heeft de schoonste gelegenheid, vele aflaten te verdienen, wat hem in de eeuwigheid voorzeker groot nut zal wezen.

Indien ge nu datgene, wat ik u over ode Engel des Heerenquot; gezegd heb, opmerkzaam nagaat en behartigt, dan zult ge zeker de overtuiging erlangen, dat dit gebed hoogst eerbiedwaardig en heilzaam is. Wij moeten ons daarom niet verwonderen, dat in de tijden, toen nog een levend geloof de harten der menschen bezielde, niet slechts Christenen van een minderen stand, maar zelfs koningen en vorsten «de Engel des Heerenquot; met een groote aandacht hebben gebeden. Mochten zij zich ook op open-

637

-ocr page 646-

OVRR HET GEBED

bare plaatsen bevinden, zich in gezelschappen ophouden of gewichtige zaken verhandelen, dan vielen zij, zoodra de Angelusklok klepte, aanstonds op hun kniëeti neder en baden. De H. Carolus Barromeuj en met hem vele andere vrome Christenen stegen, als zij bij het Ave Maria-kleppen soms in het rijtuig zaten, aanstonds uit, en baden knielend »de Engel des Heeren.quot; Neemt, Aand„ een voorbeeld aan deze vrome en geloofsijverige Christenen uit den voortijd, en verricht ook gij dit gebed dagelijks, en wel \'s morgens, \'s middags en \'s avonds. Laat u door de ongodsdienstigheid en lauwheid van zoovele Christenen in deze da^en van deze vrome oefeninjr

o O

niet terug houden, gij zijt toch Kath. Christenen, die in de menschwording van Gods Zoon den grond hunner hoop en de bron huns heils erkennen; gij zijt Kath. Christenen, die een teedere liefde tot Maria, de goddelijke Moeder, dragen en op hare voorbede geheel hun vertrouwen stellen.

Met «de Engel des Heerenquot; sluit ik de onderrichtingen over de christ. geloofs- en zedenleer, die ik u, Aand.. heb medegedeeld. Ik bid en bezweer u, dat ge alles, wat ik u op het hart heb gedrukt, getrouw in beoefening moogt brengen. Ge weet het, «niet de hoorders van de wet zijn bij God gerechtvaardigd, maar die ze opvolgen zullen gerechtvaardigd worden.quot; (Rom. 2, 13). Gelooft daarom alles, wat God geopenbaard heeft en door zijn li. Kath. Kerk te geloocen voorstelt. Er bestaan helaas ! in onze dagen zoo velen die aan het h. geloof schipbreuk hebben geleden, zij verwerpen de h. Geheimenissen van het Christendom, loochenen zelfs de Godheid van Christus, de onsterfelijkheid der ziel, den eeuwigen duur der hellestraffen en veel andere waarheden van den godsdienst ; zij maken zich zelf een geloof, zooals dat met hun wereldzin en hartstochten strookt. Ach, treedt niet in de voetstappen dezer verblinden, houdt vast aan het

638

-ocr page 647-

in \'t bijzonder.

h. kath. geloof, want dit is het alleen dat Christus geleerd heeft en ons tot heil brengt.

Maar ook letjt uw qeloof aan den dag door een vromen en echt christelijken wandel.. Waart ge ook al, wat het geloof betreft, de beste katholieken, maar leeft ge niet deugdzaam en godvreezend, dan baat uw geloof u niets, want het geloof, dat de werken niet heeft, is dood. (Jao. 2, 17). Wat meer is, het geloof zou in dit geval u zelfs nog strafbaarder voor God maken, en uwe verdoemenis vermeerderen. Slechts dan komt ge tot uw heil, indien gij naar de voorschriften van uw geloof leeft, d. i. alle geboden Gods en der Kerk nauwkeurig volbrengt, de plichten van uw staat vervult, alle kwaad en zonden verafschuwt en vlucht, de christ. deugden en goede werken vlijtig in oefening brengt^ en met een aanhoudenden ijver aan uwe volmaking en heiliging arbeidt.

Opdat gij echter dit alles vermoogt, is de genade van God voor u noodzakelijk, want zonder haar kunnen wij het werk onzer zaligheid niet volbrengen. Gebruikt daarom vlijtig de genademiddelen namelijk de 11. Sacrauien-ten en het gebed. Ontvangt bijzonder de H. Sacr. der Biecht en des Altaars zoo dikwijls mogelijk en met een goede voorbereiding, want deze beide Sacramenten zijn u een onuitputtelijke bron der goddelijke genade en stellen u in staat op den weg van deugd goede vorderingen te maken. Oefent ook met liefde en ijver het gebed, want dit is de sleutel tot het hart Gods, en alle goederen en genaden, die wij voor tijd en eeuwigheid noodig hebben, zijn een vrucht van het ijverige en vertrouwvolle gebed. Weest bijzondere ijverige vereerders van de Allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria, kiest haar tot uwe Moeder, roept haar dagelijks om haar bescherming en voorspraak aan, bemint haar, als kinderen hun moeder en hebt ze steeds voor oogen, om haar voorbeeld van deugden na te volgen.

-ocr page 648-

(540 OVER HET GEBED IN \'l PIJZONDEE.

En nu wend ik mij tot U, almachtige, eeuwige God, Vader van barmhartigheid en bid U door de oneindige verdiensten uws Zoons, onzes Heeren en Zaligmakers Jesus Christus en door de verdiensten en voorbede van Maria en alle Heiligen, geef, dat wij steeds als goede Kath. Christenen leven; gelooveu, wat gij ons door de Kath. Kerk te gelooven voorstelt; doen, wat Gij ons door haar gebiedt; de genademiddelen gebruiken, die Gij ons in haar hebt neergelegd.

Geef, dat wij ons geheele leven aan uwen dienst wijden, en ons door de verderfelijke grondstellingen der wereld en de vijanden onzes heils van het rechte pad nimmermeer laten afbrengen ; geef, dat wij dagelijks aan onze volmaking en heiliging arbeiden en in uwe liefde en genade tot onzen laatsten ademstocht volharden; geef eindelijk, dat wij na dit kort en vergankelijk leven mogen worden opgenomen in uw rijk, waar wij U, H. Drieeenige God, met de Engelen en Heiligen zullen loven en prijzen in alle eeuwiggeid ! Amen.

Einde van het Achtste en Laatste Deel.

-ocr page 649-

oe

:rs in do

, INHOUD.

ie

as

j- Over het voornemen......................3

a. I. Hoe moet het voornemen gesteld zijn ?................5

II. Waartoe moeten wij, indien wij een goed voornemen

^ hebben, besloten wezen ?............15

n

ie ö

if Over de belijdenis der zonden........26

)- I. Wat moet men biechten?..... .......27

[ II. Hoe moet men biechten ?.............35

n § 6.

Over de generale Biecht.........50

I. Voor wien is een generale Biecht noodzakelijk ? . . . 50

II. Voor wien is een generale Biecht heilzaam? . . ... 59

III. Wanneer zal men een generale Biecht doen ?..........G5

§ 7.

Over de voldoening..................72

I. Waarom wordt door den biechtvader een boete ons

opgelegd ?.................73

II. Wat moet ons bijzonder aansporen dé door den biecht

vader ons opgelegde boete vlijtig te volbrengen? ... 81

III. Wanneer moeten wij de door den Priester opgelegde

boete volbrengen?..............87

IV. Waarom moeten wij ons zei ven boete opleggen? .... 90

V. Welke boete moeten wij ons zeiven opleggen?.....93

§ 8.

Over de veelvuldige Biecht.........100

I. Wat nadeel brengt men zich toe, indien men niet

dikwijls biecht?..............101

II. Hoe ijdel zijn de voorwendsels tegen de veelvuldige Biecht ? 112

-ocr page 650-

ISHOUD.

Bladz.

§ 9.

Over de aflaten...... .....123

T Wat is een aflaat?...............123

II. Wat moeten wij van de aflaten gelooven?......129

III. Wat wordt tot het verdienen van een aflaat gevorderd? . 142

IV. Over de persoonlijke aflaten............149

V. Over de plaatselijke aflaten............15G

VI. Over de zakelijke aflaten........... . 164

Het H. Oliesel.............168

I. Wat is het H. Oliesel ?.............168

II. Wat werkt het H. Oliesel uit?..........176

III. Wie kan en moet het H. Oliesel ontvangen ?.....185

IV. Hoe moet men het H. Oliesel ontvangen ?......188

V. Wanneer behoort men het het H. Oliesel ontvangen ? . . 190

VI. Hoe dikwijls kan men het H. Oliesel ontvangen? . . . 193

VII. Welke ceremonien gaan het H. Oliesel vooraf? .... 196

VIII. Welke ceremonien begeleiden het H. Oliesel ? . . . . 205 IX. Welke ceremonien volgen het H. Oliesel ?......210

Het PriMtsrschap.

§ i-

Over \'t Priesterschap in \'t algemeen......217

I. Wat is het Priesterschap?.............218

II. Wie kan het Priesterschap geldig toedienen?.....227

III. Wie kan en moet het Priesterschap ontvangen? .... 232

§ 2.

Over de kleinere en grootere Orden.....242

I. Over de kleinere Orden..............243

II. Over de grootere Orden..............253

Oyer hst Huwelijk.

§ i.

Over de Sacramenteele waardigheid en onontbindbaarheid

des Huwelijks...........282

I. Wat is het Sacrament des Huwelijks?........283

II. Vanwaar weten wij dat het Huwelijk een Sacrament is? . 285

III. Hoe ontvangt men het Sacrament des Huwelijks? .... 292

IV. Vanwaar weten wij, dat het Huwelijk onontbindbaar is ? . 297

V. Wat wil zeggen scheiding van talel en bed .......308

-ocr page 651-

INHOUD.

Blads

§ 2.

Over de gemeenschappelijke plichten der gehuwden. 311

I. Liefde.....................311

II. Trouw....................322

III. Hulpvaardigheid.................332

§ 3.

Over de bijzondere plichten der gehuwden . . . 341

I. Over de plichten van den man jegens zijne vrouw . . . 341

II. Over de plichten van de vrouw jegens haar man .... 354

§ 4.

Over de Huwelijksbeletseleu ....... 367

I. Over de beletselen, die het Huwelijk verbieden.....370

II. Over de beletselen, die het Huwelijk ongeldig maken . . . 386

§ 5.

Waarop moet men bedacht zijn indien men wil

huwen ?.............397

I. Zich niet lichtzinnig verloven...........398

II. Behoorlijk onderwezen en vrij zijn van alle Huwelijks

beletselen...................407

III. In de bruidsdagen onschuldig leven.........408

IV. Met een zuiver en Gode welgevallig inzicht het Huwelijk

ingaan...................411

V. Voor het Huwelijk waardig biechten en coramuniceeren . 414

Oyst de Sacramentaliën.

§ 1-

Over de Sacramentaliën in \'t algemeen.....420

I. Hoe staan de Sacramentaliën tot de Sacramenten ? . . . 420

II. Waartoe zijn de Sacramentaliën ingesteld ?......42G

III. Wat werken de Sacramentaliën uit ?.........432

IV. Wat wordt er van ons gevorderd, opdat wij aan de heil

zame werkingen der Sacramentaliën deelachtig worden? 438

§ 2.

Over de Sacramentaliën in het bijzonder. . . . 415

I. Over de bezwering..........,.....415

II. Over de wijding................451

III. Over de eenvoudige zegening............462

-ocr page 652-

INHOUD.

Bladz.

Over het CsbecL

§ i-

Over het gebed in het t algemeen......475

I. Over de noodzakelijkheid des gebeds.........475

II. Over de vruchten des gebeds.............486

III. Over de eigenschappen des gebeds..........500

IV. Wanneer wij moeten bidden............527

V. Waar wij moeten bidden............539

VI. Voor wie wij moeten bidden............546

§ 2.

Over het gebed in het bijzonder.......556

I. Over het mondelinge gebed............556

II. Over het inwendige gebed of de overweging......569

III. Over het Onze Vader of het Gebed desHeeren.....583

IV. Over het Wees Gegroet of de Groetenis des Engels . . . 611 V. Over de Engel des Heeren.............628

-ocr page 653-

Inteekeningslijst.

Z, D. H. Mgr.

P. M. Snickers, Aartsbisschop, Utrecht.

5gt;

A. Godschalk,

Bisschop,

\'s Bosch.

»

C. J. M. Bottemarmo,

Haarlem.

»

P. Leijten,

»

Breda.

»

Fr. A. H. Boermans,

3gt;

Roermond.

ZeerEw. Heer

G. E. van Aerssen,

Past.

Alpen.

»

H. P. J. Aertnijs,

»

Geldrop.

Tgt;

Angelluus,

Vic. Cap.

Slikgat.

»

S. Asma,

Past.

Kolmschaten.

»

A. W. van Asten,

»

Bergrijk.

»

P. H. ï. Braam,

Oldebroek.

C. H. Ballanchc,

Kap.

Duistervoorde.

»

H. Bartholemeus.

• »

Elsloo.

Hoogw. Heer

J. Baaelmans,

Abt

Heeawljk.

ZeerEw. Heer

Beerninck

Past.

Hengelo.

»

M. F. de Beer,

Dek.

Tilburg.

»

H. Bergmann,

Past.

Honten.

H. van den Berg,

»

Zandberg.

P. van den Berg,

Scboonhoven.

»

L. Berk,

Swalawebuart.

-ocr page 654-

9

INTEE K EN INGSLIJST.

ZeerEw. Heer

J. H. den Bekker,

Kap.

Rotterdam.

W. ran Berckel,

7gt;

Berlicnm.

»

J. Bless,

Past.

Uithoorn.

»

P. A. Besselink,

»

Meppel.

»

J. E. Betimer,

7gt;

Volendam.

Th. Betinis,

»

Hoogwoud.

»

J. Benrskens,

Kap.

Venlo.

ygt;

J. C. Broekmeijer,

Dek.

Nijmegen.

»

H. J. H. van den Broek,

Past.

Bemelen.

»

J. van de Boome,

»

Acht Gemeente.

Hoogw. Heer

Dr. Th. Borret,

»

Vogelenzang.

ZeerEw. Heer

A. B. van den Bosch,

»

Steenderen.

J. van den Bosch,

»

Baak.

»

C. P. BlommerJe,

»

Schoondijke.

»

C. Brom,

Kap.

Arnhem.

Hoogw. Heer Mgr. Bos,

Reet,

Rotterdam.

ZeerEw. Heer C. Bonmar,

Past.

Nienwkoop.

ygt;

H. van Bnren,

»

Maasbrée.

P. J. Bnijs,

Kap.

Lisse.

»

J. W. van de Burgt,

Vierakker.

ST. Claassen,

»

Elden.

»

Paters C\'apncijneti,

Velp bij Grave.

7gt;

jgt; Carmelieten,

Zenderen.

r-

H. Caris,

Kap.

Gennep.

»

P. X. Cretners,

»

Snateren.

y

J. Engberink,

»

Hoogland.

»

L. Deenen,

»

Lnikgestel.

»

G. Dennig,

Past.

Spanbroek.

»

G. W. Derksen,

»

Wrjtgaard.

•»

P. L. Dessens,

Kap.

Gouda.

W. J. van Dieten,

Past.

Amsterdam.

-ocr page 655-

1NTEEKENINGSL1JSÏ.

3

ZeerEw. Heer H. W. Dievelaar,

jgt; W. A. van Doorn,

» A. J. van der Drift,

» W. F. Eisen,

» H. J. H. Everts,

» L. Feddema,

» J. L. Frische,

» J. J. Graaf,

» M. Graat,

» J. H. Geerdes,

tgt; L. J. van Gent,

» A. A. H. Gerrits,

» J. M. Gerrita,

» F. P. Gbijsens,

,, C. J. van Groeningen,

« A. W. H. Godschalx,

» G. Goris,

» T. J. Goris,

» Alb. J. Govers,

» Pater Gnardiaan,

j. J. A. ten Hagen,

» J. C. Hamers,

» L. H. Hamaekers,

5gt; J, van Heesbeen,

» H. N. van Heesbeen,

» J. H. Heghnis,

» J. M. Hermans,

» L. Hermans,

i. W. A. H. Hoogveld, j A. Hoogland, j. P. J. Hogenboom,

Past.

Avereest.

»

Hedel.

»

Moordrecht

Dek.

Groningen.

Past.

Heivoort.

Kap.

Blarlcum.

»

Weert.

Dek.

Oadekerk.

Kap.

Winssen.

Past.

Blaricam.

Kap.

Utreebt.

Past.

Groessen.

Kap.

Utrecht.

»

Helmond.

Past.

Vinkeveen.

Alem.

Varik.

»

Netterden.

Kap.

Kotterdam.

quot;Velp bij Grave.

Past.

Kabaniv.

Veendam.

»

Vlodrop.

De Eerde.

Schijndel.

Albergen.

Kap.

Weert.

»

Haps.

Pust.

Goor.

Onde-Ade.

»

Dalmsholte.


-ocr page 656-

INTEEKENINGSLIJSr.

G. H. Holt,

Past.

Ovezande.

T. H. Horsman.

»

Klimmen.

P. J. ter Horst,

*gt;

Schalkwijk.

A. J. van Houten,

Hoordwijk.

P. F. Habrix,

»

Linne.

W. Janmaat,

3gt;

Einnegom.

W. G. B. Jansen,

»

Prederiksoord.

W. J. A. Jansen,

Kap.

Lntte.

M. H. Joerissen,

Past.

Delfzijl.

A. de Jong,

Kap.

Nieuw Vossemeer

J. W. Jonker,

Groenlo.

W. M. H. Joosten,

Leveroij.

H. Krabben,

Past.

Stadskanaal.

Th. de Klayer,

»

Vleuten.

H. Klauwers,

»

Rijpwetering.

P. J. Keesmeckers,

»

Eckelrade.

J. H. Kemps,

Oostelbeers.

C. B. Kerckhofs,

Kap.

Hengelo.

G. J. J. Kerstens,

Past.

Workam.

J. L. A. Kerschner,

Zevenhoven.

C. van Kessel,

Tongelre.

J. J. Keuken,

»

Bekkum.

B. J. Klekamp,

Kap.

Haarlem.

W. G. Kleijnen,

Boekei.

J. W. Kook,

»

Kabauw.

J. C. H. Kok,

Groenlo.

P. J. C. Kok,

Past.

Eenswocde. •

W. G. Kortekaas,

Kap.

Zoetermeer.

T. H. Kortenhorst,

Past.

Abcoude.

H. A. de Kruijff,

»

Eijswijk.

J. Launspacb,

Kap.

Wateringen.

4

-ocr page 657-

5

INTEEKENINGSLIJST.

ZoerEw.

Heer J. Laurent,

Past.

Duivondrecht.

»

J. van Lieshout,

»

Wijohen.

A. M. van Lottum,

»

Wateringen.

»

H. Lowes,

Eist.

»

H. J. Lucas,

»

Panningen.

»

W. Lunter,

»

Dokkum.

gt;

G. J. Lnttekhuis,

Enter.

L. Meessen,

7gt;

Ooaterholt.

W. Meuleman,

Kap.

Arnhem.

G. Muiteman,

»

Naarden.

C. Mickers,

»

Haarateeg.

V. F. A. Mocker,

Xgt;

Rotterdam.

»

J. H. Mol,

Paat.

Leerdam.

»

13. F. Mulder,

»

Dalfson.

B. C. H. Munninghoff,

Loenen.

H. M. C. Munninghoff,

Kap.

Westervoort.

»

E. Muré,

»

Tilburg.

»

A. C. F. Mntaaers,

Past.

Randenburg.

N. Nieuwenhuizen,

Kap.

Amaterdam.

»

H, A. A. Nieuwesteeg,

»

Ootmaraum.

»

J. C. Nelissen,

Paat.

Voerendaal.

ï»

L. Nijasen,

Reet.

Banholt.

H. Noij,

Kap.

Helden.

»

P. van Oers,

Dek.

\'s Prinsenhago.

G. Overwater,

Guard.

Maaatrioht.

»

6. van don Panhuizen,

Kap.

Beek.

J. 13. Pankon,

Paat.

Lage-Zwaluwo.

»

J. F. Peijpers,

Kap.

Sibbe.

P. T. Peuaena,

»

Gulpen.

»

T. van der Pol,

Everdingen.

»

W. van dor Polder,

Past.

Lutjebroek.

-ocr page 658-

(5

INTBEKENINGSLIJSï.

ZeerEw. Heer A. J. Poppe,

Past.

Bakhuizen.

A. H. Potberg,

Kap.

Schalkwijk.

G. J. W. Qaant,

Past.

Grootebroek.

A. P. Ranshnijzen,

Dek.

Werfertshoeve.

»

G. W. Reijnders,

Past.

Rotterdam.

H. Reijnen,

Kap.

Echt.

H. M. Remmers,

»

Groessen.

G. van Rijn,

»

Alphen.

»

B. Roberink,

Past.

Steenwijkerwold.

ïgt;

E. T. Roelofs,

»

N.-Schoonebeek.

»

J. Rolfes,

Kap.

Utrecht.

»

H. Rntjes,

Past.

Oosterwierum.

»

R. E. T. Rntjes,

Angeren.

A. Rntten,

»

Tholen.

J. W. v. Saagsvoldt,

»

Naaldwijk.

»

Dr. A. C. M. Sohaepman,

Seor.

Utrecht.

J. Soheerman,

Past.

Nootdorp.

5gt;

J. T. Schilderink,

»

Winterswijk.

H. F. Schoemaker,

3gt;

Oldemarkt.

J. Scholten Reimer,

»

Lutte.

»

J. Scholten Reimer,

Vroomshoop.

H. Schmeink,

Kap.

Groningen.

Hoogw.

Heer G. van Spaandonk,

Kan.

Breda.

ZeerEw. Heer B. F. ter Schouw,

Past.

Apeldoorn.

»

J. A. Schutte,

»

Steggerda.

»

J. C. Serbroek,

Kap.

Amsterdam.

Xgt;

H. H. Sinnige,

Past.

Qorssel.

P. Slaman,

7gt;

Noordzijpe.

J. J. Sletering,

»

Harlingen.

Hoogw.

Hoor Mgr. H. J. Smidt, Vic.-Gen.

Utrecht.

ZeerEw. Heer N. J. Smenlders,

Dok.

Hooru.

-ocr page 659-

INTKHK ENINGSLIJST.

ZeerEw. Heer A. P. Snelleman,

Kap.

Amsterdam.

»

T. N. H. Spierings,

Past.

\'s Bosch.

Hoogw. Heer Mgr. 0. A. Spitzen,

»

Zwolle.

D. Staas,

Pres.

W armond.

ZeerEw.

Heer J. L. G. Snijs,

ygt;

Catwijk.

»

A. G. Stmreubroek,

Kap.

Breukelen.

»

F. A. J. Taohi,

Past.

Schipluiden.

gt;

J. Terstegen,

»

Zalt Bommel.

Tgt;

E. C. A. Tense,

Weerselo.

»

C. H. Tielens,

»

Amsterdam.

»

A. J. Thelink,

Lonneker.

L. van Uden,

■P

Bokhoven.

»

J. B. te Vaarwerk,

Reet.

Rotterdam.

»

H. Verberne,

Past.

Besoijen.

V

C. P. Verbraak

Begschenhoek.

gt;

C. Verhoef,

»

Hamersveld.

A. L. Verhoeven,

Chaam.

»

P. Verhoeven,

Kap.

Oosterhout.

J. J. Vernienwe,

Past.

Amsterdam.

»

A. A. J. Vermeulen,

Kap.

Beverwijk.

»

C. P. Verstappen,

Zevenbergen.

J. Vingerhoets,

Past.

Veldhoven.

J. J. Vogels,

Kap.

üden.

»

A. Vreeswijk, R. K. Pr.

Olburgen.

7gt;

W. Vullars,

Ospel.

»

G. Waanders,

Reet.

Zwolle.

H. E. H. Wagemans,

Kap.

St. Geertruide.

J. T. Warnink,

Past.

Borne.

P. P. L. van der Wee,

»

Reusel.

W. F. Weitjeus,

Joure.

C. Weaker,

Reet.

Amsterdam.

-ocr page 660-

8

INTEEKENINGSLIJST.

ZeerEw. Heor P. J. Welters,

Past.

Echt.

P. P. M. Welters,

Dek.

Leiden.

J. W. L. van Welsum,

Past.

Olst.

H. van de Wetering,

Secr.

Utrecht.

»

G. 3. Wiegink,

Past.

Saasveld.

G. J. Wiegman,

»

Ursein.

»

P. Wijtvliet,

Gerwen.

G. Woldberg,

gt;

Kockengen.

J. A. A. Wonters,

Kap.

Lieshout.

»

N, Wonters,

»

Haaren.

7gt;

C. van de Zande,

Past.

Klein Dongen.

H. P. Zeegers,

gt;

Wognnm.

»

J. Zegers,

Kap.

Amsterdam.

C. J. van Zuijlen,

Reet.

\'s Gravenhage.

De Heer J. M. W. Waanders, 90 exempl.

Zwolle.

-ocr page 661-
-ocr page 662-
-ocr page 663-