-ocr page 1-

I gt;i. V\\ lt; gt; I) j ■1 ,

li\'ii ,i \' ■ Nmicli.ile\'

deei-

NAAK UK.S I.AAV5TKN Dlil.K I IT 11 KT I HANSCIl VFHTAALD.

KKMi.slv A ZOON\',

OVKH \'IKX DOJI TE CTRECHT,

-ocr page 2-

GUNNING 8 B

29

1

iii

lüfRIT^S/üêFfZJR 1

VV.w.LEübDEivJIi

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

GUNNING ^

COMMENTAAR

op

HET EVANGELIE VAN LÜKAS,

door

Dr. F. QOIDET,

Hoogleeraar te NeuchStel.

TWEEDE DEEL.

Naar den druk uit hkt franscii vertaald.

----------—

kemink amp; zoon,

OVER DEN DOM TE UTRECHT.

«ibliothamp;ek der nUKSUMlVF -SITEIT r - h t.

-ocr page 6-

UITGEGEVEN IN

DE GODGELEERDE BIBLIOTHEEK

OF

IIEEKS VAN WETENSCHAPPELIJK-THEOLOGISCHE WERKEN.

-ocr page 7-

TWEEDE DEEL.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VIERDE GEDEELTE.

Dk reis van Galilea naaii Jebüzalem.

9:51—19:28.

Een groot contrast beheerscht het synoptische verhaal: dat tusschen de werkzaamheid van Jezus in Galilea en de lijdensweek te Jeruzalem. De overgang van het eene dezer gedeelten tot het andere wordt volgens de drie berichten door de reis van Galilea over Perea naar Judea gevormd. Maar volgens Mattheus (19:1—20:34) en Markus (Hoofdst. 10) schijnt deze reis kort te zijn geweest; want zij omvat slechts de volgende feiten: een gesprek over de echtscheiding, het brengen van de kinderen, het gesprek met den rijken jongeling, een derde aankondiging van bet lijden, de bede der zonen van Zebedeus, en de genezing van den blinde te Jericho. Daarop volgt onmiddellijk de aankomst van Jezus te Jeruzalem. Deze gebeurtenissen kunnen in enkele dagen zijn voorgevallen. Lukas daarentegen verhaalt, van 9:51 af, een aanhoudende reis door de zuidelijke, aan Samaria grenzende streken van Galilea. Zeker blijft Jeruzalem het bestendige doel der reis; Lukas zorgt er voor, dit in herinnering te brengen, door den lezer van tijd tot tijd in den algemeenen toestand te verplaatsen, die duidelijk wordt aangewezen in de eerste woorden, 9:51 (letterlijk): „En Hij versterkte zijn aangezicht, om zich naar Jeruzalem te begeven.quot; Vgl. inzonderheid 13:22: „En Hij doorreisde de steden en vlekken, terwijl Hij leerde en zich naar Jeruzalem begaf\'; en 17:11: „En Hij begaf zich naar Jeruzalem en reisde door de streek tusschen Samaria en Galilea.quot; Maar öobkt, LuTcas, ii. 1

-ocr page 10-

J)K ItEIS VAN GALIIiEA NAAll JERUZALEM,

volgens de besclirijviug, die hij van deze reis gooft, en die bij hem tien Hoofdstukken, een derde van het geheele Evangelie, omvat, giug Jezus slechts langzaam in korte dagreizen voorwaarts, terwijl Hij op elke plaats stil hield, om te leeren en het Evangelie te verkondigen. Hij schijnt eerst oostwaarts te zijn gegaan, door de zuidelijke, aan Samaria grenzende streken van Galilea; en na over de Jordaan naar Perea te zijn overgestoken, wendde Hij zich vervolgens zuidwaarts, en kwam eindelijk van de andere zijde der Jordaan in Jeruzalem. Zulk een omzwerving moet eenige maanden bezet hebben.

De drie berichten komen dus hierin met elkander overeen, dat Jezus volgens alle drie uit Perea naar Jeruzalem is gereisd , om het laatste Paaschfeest te vieren, maar verschillen daarin van elkander, dat deze reis volgens Mattheus en Markus eenige dagen, en volgons Lukas eenige maanden kan hebben geduurd.

De meeste uitleggers [de Welle, Renss, Weizsacker, Weiss) meenen, aan dezen in het oog loopenden trek van het derde Evangelie geen werkelijke historische waarde te moeten toekennen. Volgens hun gevoelen sluiten de berichten van Mattheus en Markus een lange reis, zooals dat van Lukas onderstelt, geheel uit. Bovendien weerspreekt Lukas zichzelf, door het bezoek bij Martha en Maria te Bethanië (10:38—42) midden in deze vermeende Galileesche reis te plaatsen. Het woord van Jezus: „Jeruzalem, Jeruzalem ...quot; (13:34 en 35), dat slechts in Judea gesproken kan zijn, verbindt hij eveneens ten onrechte met deze zelfde reis. Daarom kan het bericht van Lukas niet de beschrijving van een werkelijke reis zijn. Zelfs Sabatier, die het gewicht van zulk een reis voor de overeenstemming tusschen de synoptici en Johannes erkent, eindigt met te zeggen: „Men ziet, van hoevele tegenstrijdigheden en innerlijke onmogelijkheden dit bericht (dat van Lukas) wemelt.quot; \')

2

Volgens de Welle, Reiiss e. a. zou de door Lukas ver-

1) jRssai sur les sources de la vie de J(\'sus, bl. 29.

-ocr page 11-

BE Klits VAN GALILEA NAAll JERUZAIiEM,

3

haaldo rcis uiets amleis zijn, dan ecu dcnkboclilige lijst, die hij verzonnen heeft, om daarin al do bouwstoffen in te voegen, die hij in het bericht van de Galilcesche werkzaamheid niet had kunnen opnemen. „De woorden van 9:51,quot; zegt Reuss, „zijn slechts een bloote titel, om onder dit hoofd al het volgende te rangschikken.quot; Maar zou het in dit geval voor Lukas niet eenvoudiger zijn geweest, het bericht van de Galileesche werkzaamheid eenige Hoofdstukken langer te maken, teneinde daarin al het volgende op te nemen, in plaats van tot zulk een willekeurige verdichting de toevlucht te nemen? — Ilollzmann (in zijn geschrift over de synoptici) meent, dat Lukas hier den geheelen inhoud der Logia van Mattheus, die hij als tweede bron nevens den f/r-Markus gebruikte, geplaatst heeft; en Weiss, die hierin vrij wel met hem overeenstemt, is van gevoelen, dat de vorm van een doorloopende reisbeschrijving daaruit te verklaren is, dat Lukas dezen apostolischen Mattheus (de Logia) een historische orde heeft toegeschreven, die dit geschrift in het geheel niet had, en daarin de uiteenzetting van een werkzaamheid van Jezus buiten Galilea heeft meenen te vinden. Weiz-sacker, die integendeel den vorm der Logia in de groote redenen van onzen kanonieken Mattheus (lloofdst. 5—7, 10, 12, enz.) terugvindt, neemt aan, dat Lukas aan het eerstgenoemde geschrift den inhoud dezer tien Hoofdstukken (10—19) heeft ontleend, maar dat hij deze groote leerredenen onder een menigte bijzondere gelegenheden heeft verdeeld, ten einde ze toe te passen op de voornaamste vraagstukken, die in den tijd, toen hij schreef, in de apostolische gemeenten werden behandeld. De historische inleidingen, waarmede Lukas deze bijzondere leeringen motiveert, zouden door hem verzonnen zijn. \') Het komt mij voor, dat geen van deze twee verklaringen houdbaar is; ten eerste, omdat de reisbeschrijving niet alleen woorden van Jezus bevat, maar ook feiten (de uitzending van de 70 discipelen, lloofdst. 10;

1) Holtzmann behandelt zo nauwelijks eerbiediger, hoewel zijn standpunt hem gunstiger jegens Lukas had moeten stemmen.

-ocr page 12-

DE UEIS VAN (lALIliEA NAAH JEEUZALEM.

do genezing van de 10 raelaatschon, Hoofdst. 17), hetgeen bewijst, dat Lukas verhalen wil, en niet enkel onderrichten; ten tweede, omdat de verschilpunten tusschen Mattheus en Lukas niet alleen op de omstandigheden, waaronder de woorden van Jezus werden uitgesproken, betrekking hebben, maar heel dikwijls ook op die woorden zelf en op den zin daarvan, hetgeen m. i. noodwendig op verschillende bronnen wijst; en ten derde, omdat de korte inleidingen, waaraan men zoo weinig waarde hecht, zeer dikwijls, zooals wij zien zullen, voor de exegese een beslissende beteekenis hebben, en den sleutel verschaffen tot de leeringen, waarbij zij be-hooren, hetgeen haar historisch karakter onderstelt.

Wat het gevoelen van Weiss betreft, dat Lukas den apostolischen Mattheus, zijn voornaamste bron, een chronologische orde heeft toegeschreven, die in dit geschrift niet aanwezig was, met het oog daarop zou men wel mogen vragen, boe een criticus der 19cl0 eeuw meenen kan, beter bekend te zijn met den aard van een geschrift, dat thans niet meer bestaat, dan de auteur, die het in handen heeft gehad bij de vervaardiging van zijn eigen werk. Bovendien schijnt reeds de titel, dien Weiss aan dit gedeelte van het Evangelie van Lukas geeft: „de werkzaamheid van Jezus buiten Galileaquot;, mij toe, een geheel onjuist begrip uit te drukken. Deze titel berust eigenlijk op de Alexandrijnsche lezing van Mark. 10: 1: „Hij kwam in het gebied van Judea en Pereaquot;, volgens welke Jezus in Judea schijnt gekomen te zijn, voordat Hij naar Perea ging. Maar van waar is Hij gekomen? Van Samaria? Maar Jezus werd op hetzelfde oogenblik, waarinj Hij in deze streek aankwam, weder daaruit verdreven (Luk. 9; 53); en zou Hij 70 discipelen naar Samaria hebben gezonden (10 : 1 en verv.), om daar zijn eigen bezoek voor te bereiden. Hij, die tot de apostelen zeide (Matth. 10 : 5): „Gaat niet in een stad der Samaritanen?quot; Of kwam Hij uit Perea? Maar Weiss beweert zelf, dat Jezus in Judea is geweest, voordat Hij naar Perea ging. Daarom moet de lezing van Markus: en naar Perea, of anders worden opgevat, öf plaats maken voor die der Byzantijnsche en Grieksch-

4

-ocr page 13-

DE KEIS VAN GALILEA NAAK JEBUZALEM.

Latijnscbe codd.: „door Pereaquot;, welke denzelfden zin beeft als de parallel bij Mattbeus (19 : 1). Hoewel Jezus op weg is naar Jeruzalem, denkt Hij er toch niet aan, rechtstreeks er naar toe te gaan, en is bet geenszins met dit doel, dat Hij in de volgende afdeeling Samaria aandoet; Hij begint veeleer een rondreis in de streek, waaraan Galilea en Samaria grenzen, en ricbt zicb van daar naar Perea. Dit is juist de stand van zaken, die in 17:11 beschreven wordt, en wij kunnen gemakkelijk de redenen aanwijzen, die Hem tot dezen toebt bebben bewogen.

De vorm van een reisverhaal, dien wij bij Lukas vinden, scbijnt mij toe, door de drie volgende opmerkingen gerechtvaardigd te worden:

1° Als do vermenigvuldiging der brooden in de lento beeft plaats gehad, tegen den tijd van het Paaschfeest, zooals dit uit de vier berichten voortvloeit, dan zijn de weinige door Mattbeus en Markus vermelde gebeurtenissen tusschen dat wonder en de aankomst te Jeruzalem tot viering van het laatste Paaschfeest zeer zeker niet voldoende, om do tusschenruimte van een geheel jaar aan te vullen. Er moet dus in bet bericht der twee eerste Evangelisten een zeer aanzienlijke gaping zijn. Hetgeen zij verbalen na de vermenigvuldiging der brooden, het gesprek over do reiniging en het eischen van een teeken uit den hemel, bet uitstapje naar den kant van Phoenicië, de reis naar Cesarea-Philippi met de verheerlijking op den berg, en de terugkeer naar Kapernaüm (Matth. 16—18; Mark. 8—9), kon wel het overige gedeelte van de lente en den geheelen zomer innemen, maar meer ook niet. En desniettemin plaatst ons het bericht van deze twee Evangelisten (Matth. 9:1; Mark. 10:1) aan bet begin van een reis, die, na vijf of zes zeer onbelangrijke gebeurtenissen, op de poorten van Jeruzalem uitloopt! Zij geven geen rekenschap van de herfst- en de wintermaanden van dat jaar en van de eerste maanden van het volgende.

2° Behalve deze chronologische gaping, is er een geogra-phiscbe. Bij Mattbeus en Markus zien wij Jezus Kapernaüm en de omstreken daarvan bezoeken, en daarna in drie

-ocr page 14-

6 DE BEIS VAX GALILEA NA AU JEttUZALEM.

richtingen uitgaan; naar het oosten (Gadara), naar het westen (Nazareth), naar het noorden (Phoenicië en Cesarea-Philippi). Er was dus, volgens deze Evangeliën zelf, een leemte aan te vullen, zou het Evangelie in geheel Galilea verkondigd zijn. Nog altijd had het geheele zuidelijke, aan Samaria grenzende gedeelte dezer provincie het woord des levens niet gehoord. Men kon dus verwachten, dat Jezus ook deze streek zou bezoeken, voordat Hij voor goed uit Galilea vertrok.

Ziedaar de twee postulaten, waaraan juist het bericht van Lukas beantwoordt. Het vult de gaping aan, die anders geheel onbegrijpelijk zou zijn, tusschen den zomer van het eerste jaar van de werkzaamheid van Jezus en het daarop gevolgde Paaschfeest, waarop Hij stierf, en het beschrijft ons, hoe do Heer een onafgebroken Evangelisatie-arbeid wijdt aan een gedeelte van het Galileesche land, dat verstoken is geweest van de zegeningen zijner werkzaamheid.

3° Vergelijkt men het bericht van het vierde Evangelie, waarvan de vorm zeer nauwkeurig is, dan blijkt het, dat het bericht van Lukas, op deze wijze opgevat, daardoor bevestigd wordt. Na de vermenigvuldiging der brooden en het gesprek van Cesarea-Philippi, die ook door Johannes (6:1—71) worden medegedeeld, vinden wij in Joh. 7:1 de zeer korte vermelding van een verlengde werkzaamheid van Jezus in Galilea, van de weken, die op het in Galilea doorgebrachte Paaschfeest volgden, tot aan het Loofhuttenfeest (7 : 2), d. w. z. van April tot September. Deze werkzaamheid, waarvan met zoo korte woorden gewag is gemaakt, komt overeen met den tijd van de twee uitstapjes van Jezus naar het noorden (naar Phoenicië en naar de bronnen der Jordaan), die bij de synoptici met den terugkeer naar Kapernaüm en het vertrek naar Judea over Perea eindigen, liet vertrek tot viering van het Loofhuttenfeest, dat in het bericht van Johannes volgt (Hoofdst. 7), zou daarom wel met het vertrek naar Jeruzalem, waarvan de synoptici spreken, kunnen overeenkomen. Maar dit laatste heeft met de grootste openbaarheid plaats gehad — vgl.

-ocr page 15-

DB EEIS VAN GALIJ/EA NA A11 JERUZALEM.

7

Matth. 19 : 2 en Mark. 10 ; 1: „Talrijke scharen vergezelden Hemquot;, en bij Lukas de uitzending der 70 discipelen (Hoofdst. 10)! — terwijl het vertrek tot viering van het Loofhuttenfeest als in hel verboryene (w? iv Kpmy) geschiedde, zoodat Jezus om zoo te zeggen incognito op reis ging. Dit is een volkomen tegenstelling. Het is nu de vraag, wat Jezus volgens Johannes in den tijd na het Loofhuttenfeest heeft gedaan. Bleef Hij in Jeruzalem of Judea, of keerde Hij naar Galilea terug? Johannes zegt het niet. Meestal neemt men het eerste geval aan; naar ik meen, maken alleen Luthardl en Keil hierop een uilzondering. Maar dit gevoelen is geheel in strijd met het voorafgaande bericht van Johannes. Jezus heeft heimelijk naar Jeruzalem moeten gaan, omdat men Hem daar zocht te dooden (7 : 1); hoe had Hij dan, na de heftige tooneelen van Hoofdst. 8—11, maanden lang rustig in deze hoofdstad of in haar aan de macht van het Sanhedrin onderworpene omgeving kunnen vertoeven? Dit is een vermoeden, dat werkelijk onaannemelijk is. Na deze korte verschijning moet Hij zich dus spoedig weêr verwijderd hebben en naar Galilea teruggekeerd zijn. Johannes maakt van dezen terugkeer geen melding, omdat hij vanzelf spreekt, daar Galilea het gewone verblijf van Jezus was. De toestand is dezelfde als na de reis naar Jeruzalem, waarover gesproken wordt in Hoofdst. 5, waar de daarop gevolgde terugkeer naar Galilea ook niet vermeld wordt, hoewel hij door het geheele bericht van Hoofdst. 6 wordt ondersteld. Daar Jezus nog geen afscheid had genomen van de Galileesche bevolking, in wier midden Hij gearbeid had, moest Hij natuurlijk nog eenmaal voor eenigen tijd naar dit tooneel zijner werkzaamheid terugkeeren, voordat Hij het voor altijd verliet. Hij keerde dus naar Galilea terug, na op het Loofhuttenfeest in Jeruzalem te hebben vertoefd, en in dien tijd moeten wij het vertrek en de reis plaatsen, die door de drie synoptici verhaald worden. De reis naar Perea, die bij deze volgt, valt dan nauwkeurig samen met het door Johannes (10: 40—42) vermelde verblijf in deze streek, kort vóór de laatste reis naar Jeruzalem.

-ocr page 16-

DE KE1S VAN GALILEA NAAK JERUZALEM.

Wij moeten nog melding maken van drie pogingen tot verklaring van het gedeelte, dat ons thans zal bezighouden.

Schleiennacher 1) heeft aangenomen, dat dit reisverhaal bij Lukas ontstaan is door de samensmelting van de beschrijvingen van twee verschillende reizen, die voorkwamen in het reisjournaal van twee metgezellen van Jezus. De een zou de reis naar Jeruzalem hebben beschreven, wier begin in 9 : 51 wordt verhaald; de ander, die, welke eindigde met den plechtigen intocht van Jezus in Jeruzalem. En Lukas zou deze twee berichten gecombineerd hebben. Schleiermacher meent, op deze wijze het bezoek van Jezus te Bethanië, dat Lukas midden in dit reisverhaal plaatst (10 : 38—42), te kunnen verklaren. Maar in dit geval moet men aannemen, dat Lukas in het dagboek van den een het einde der eerste reis, en in dat van den ander het begin der tweede heeft weggelaten, hetgeen onbegrijpelijk zou zijn. Toch moeten wij Schleiermacher volkomen gelijk geven, als hij, na ten onrechte te hebben gezegd; „Wij moeten het denkbeeld van een enkel doorloopend reisjournaal laten varenquot;, er bijvoegt: „Maar wij kunnen dat van een reisverhaal niet opgeven.quot;

8

Wieseler heeft gemeend, dat het bericht van Lukas eigenlijk drie reizen naar Jeruzalem bevat; de eerste zou 9 : 51 beginnen en overeenkomen met de reis tot viering van het Loofhuttenfeest, bij Johannes (H. 7); de tweede zou 13; 22 beginnen en beantwoorden aan de reis naar Bethanië van Perea uit, bij Johannes (H. 11); de derde, wier aanvang in 17 : 11 zou zijn aangeduid, zou niets anders zijn, dan de laatste reis van Ephraïm naar Jeruzalem tot viering van het Paaschfeest (11 ; 55). Deze combinatie is, voor zoover ik weet, alleen door Edersheim aangenomen. Ten eerste is het, zooals wij gezien hebben, onmogelijk, het vertrek van Luk. 9 ; 51 voor identisch te houden met het vertrek tot viering van het Loofhuttenfeest (Joh. 7). Ten tweede is Int zonneklaar, dat de twee mededeelingen Luk. 13 : 22 en

1

Veler die Schrifien des Lukas, bl. 161.

-ocr page 17-

DE BEIS VAN OALILEA. NAAU JERUZALEM.

17 : 11 niet dienen moeten, om twee verschillende vertrekken aan te duiden, maar slechts de voortzetting van dezelfde reis, wier begin zoo uitdrukkelijk vermeld was in 9 : 51, te kennen geven.

Keil heeft een gemakkelijk middel aangewend, om aan het denkbeeld van een reisverhaal te ontkomen, terwijl hij de waarheid van het bericht van Lukas blijft vasthouden. Hij meent, dat Lukas den tijd tusschen het besluit van Jezus, Galilea te verlaten, en diens aankomst te Jeruzalem op Palmzondag beschouwd heeft als het geschikte tijdstip, om alle leeringen van Jezus over het karakter en de ontwikkeling van zijn rijk, over de voorwaarden om het in te gaan en andere dergelijke waarheden, uiteen te zetten; daaruit zou dit gedeelte van het Evangelie te verklaren zijn, dat niet moet worden aangezien voor een chronologisch doorloopend verhaal. Eu dit zou zijn xotöcl-yjt;, naar volgorde, schrijven, zooals Lukas beloofd heeft! Waartoe zouden in dit geval de opmerkingen van 13 : 22 en 17 : 11 dienen, die zoo uitdrukkelijk aan de voortzetting van een reis herinneren, en waartoe dient dan vooral het woord van 9:51, dat niet alleen het besluit om te vertrekken, maar ook het feit van een vertrek, en eveneens het einddoel van de aangevangen reis met kracht doet uitkomen?

De inhoud dezer tien Hoofdstukken van Lukas is geheel in overeenstemming met den oogenblikkelijken stand van zaken. Jezus verlaat Galilea, waar Hij zijn werk voleindigd heeft, vergezeld van al de trouwe geloovigen, die Hij daar gevonden had, d. w. z. van al degenen, die eenmaal de kern zijner gemeente zouden vormen, inzonderheid van die keurbende van Evangelisten, die weldra geroepen zou worden, onder de leiding der apostelen een aanvang te maken met de verovering van de wereld. Hij bereidt hem onder weg voor deze taak voor, eerst door hen, zooals vroeger de Twaalven, een eerste proefstuk als zendelingen onder hun landgenooten te doen verrichten, en vervolgens door de verzaking van de wereld en haar goederen, zijn verlossingswerk en de verwachting van zijn wederkomst tot het onder-

9

-ocr page 18-

DE 11EIS VAN GALJIiEA NAAll JERUZAIiBM.

werp van zijn onderwijs te maken. De heldhaftige schare van zendelingen, waarover Eusebius spreekt (III, 38, ed. Lammer), en die onder Trajanus het Evangelie over de wereld uitbreidde, was als het ware de dochter van die, welke Jezus gedurende deze reis heeft gevormd.

1.

Het vekteek uit Galilea. — Het begin van de beis.

(9 : 51—13:21).

1. 9 : 51—56: De slechte ontvangst bij do Samaritanen.

Vs. 51. Inleiding: „En het geschiedde, toen de tijd vervuld wei\'d, waarop Hij uit de wereld zou worden weggenomen, dat Hij onverschrokken zijn aangezicht richtte, om zich naar Jeruzalem te begeven.quot;

De stijl van dit vers heeft iets plechtigs, en verleent aan de vermelding van dit vertrek een bijzonder ernstig karakter; tevens verraadt hij zeer duidelijk een Arameesche bron, zooals Weiss erkent. Het werkw. au^Tr^povaöxi, vervuld worden, geeft hier, evenals in Hand. 2:1, de trapsgewijze vervulling van een tijdperk, dat langzaam zijn einde nadert, te kennen; vgl. het irhyrSijvai van 2:21 en 22. Dit tijdperk is dat van de laatste dagen van het aardsche leven van Jezus. Deze laatste phase had met de eerste aankondiging van het lijden een aanvang genomen, en was nu gekomen aan een van haar gewichtigste oogenblikken, het vertrek uit Galilea. Het woord xvd^ic , wegneming, duidt het verlaten van de aardo en het terugkeeren tot den hemelschen toestand aan, maar als een werk van God; het is God, die Jezus tot zich neemt De genitivus geeft te kennen, dat

10

-ocr page 19-

9:51.

dit heengaan tot de vj^pxi behoort, als hun door God vast-gesteld einde. Wieseler heeft in zijn Synopsis het woord opgevat in de heteekenis van goede onlvangsl: „Toen de tijd van de gunstige ontvangst, die Jezus in Galilea gevonden had, geëindigd was.quot; In de Deitrcige verstaat hij er onder: „de dagen van de goede ontvangst, welke Jezus bij de menschen had moeien vinden.quot; Van deze verklaringen is de eene even gedwongen als de andere. Meyer trekt uit Hand. 1 : 2 het besluit, dat deze uitdrukking hier slechts de hemelvaart te kennen geeft. Dit is waar voor de plaats uit de Hand., omdat op dat oogenblik de dood reeds een voldongen feit was; maar hier omvat dat woord blijkbaar al wat tot het heengaan van Jezus behoort, den dood zoowel als de hemelvaart. — Het pron. «cuts\'? , dat op het subject grooteu nadruk legt, doet het vrije en doordachte van het vermelde besluit uitkomen, en het xxl, dat volgens den bekenden Hebreeuwschen vorm de apodosis aanwijst, herinnert aan het nauwe verband tusschen deze beslissing van Jezus en het goddelijk raadsbesluit, waarvan het denkbeeld in de uitdrukking uu^x^pouadxi, vervuld worden) opgesloten ligt. — Upótrcoxn (TT/jpifytv, het aangelicht stellen, zich met vastheid naar een bepaald doel richten, beantwoordt aan het Hebr. cac D^on (Gen. 31:21; Jer. 21:10). Deze uitdrukking onderstelt een vrees, die overwonnen, een geestkracht, die ontplooid moet worden. Naar Jeruzalem te gaan is, Jezus weet het, naar den dood te gaan. Zelfs de discipelen hebben een voorgevoel van het gevaar; vgl. 9:31 en Mark. 10:32.

Vs. 52 en 53. De weigering der Samaritanen: „En Hij zond boden voor zich uit: en heengegaan zijnde, kwamen zij in een vlek1) der Samaritanen, om 2) Hem (huisvesting) te bereiden.

11

1

srA lezen ttoKiv, in plaata van xwftifv.

2

x I{ lezen in plaats van ws-te.

-ocr page 20-

9 : 52 en 53.

53. En zij ontvingen Hem niet, omdat Hij zich naar Jeruzalem richtte.quot;

Deze poging van Jezus bewijst geenszins, zooals Meyer, Bleek en de meesten meenen, dat Jezus het voornemen heeft gehad, verder in Samaria door te dringen, om zich langs dezen weg naar Jeruzalem te begeven; want er waren nog vijf a zes maanden vóór het Paaschfeest, en langs dezen weg zou Jezus in drie dagen tijds te Jeruzalem aangekomen zijn. Wat zou Hij in dien tusschentijd gedaan hebben. Hij, die zelfs voor een zeer korten tijd (Joh. 7 : 1—10) niet veilig in deze stad vertoeven kon? Er is geen reden om aan te nemen, dat Lukas hier de twee andere synoptici tegenspreekt, die uitdrukkelijk zeggen, dat Jezus deze reis over Perea heeft gemaakt. Jezus wilde dus niets anders, dan in het noorden van Samaria een werk te beproeven zooals dat, hetwelk Hem zoo goed was gelukt in het zuidelijk gedeelte dezer provincie (Joh. 4). Hij gewende daardoor zijne discipelen van lieverlede er aan, het vooroordeel af te schudden, dat zulk een diepe scheiding maakte tusschen Joden en Samaritanen. — De zending van de boden was noodig, omdat Hij vergezeld was van zulk een talrijken stoet. De lezing steunt op betere gronden, dun de lezing KÓxiv. —

Gewoonlijk verhinderden de Samaritanen de Joden niet, door hun land te gaan; maar hun verdraagzaamheid strekte zich toch niet zoover uit, dat hun ook gastvrijheid werd verleend. — De uitdrukking ra npoaaTrov vropevó/jievov (D\'as DrsVirt, Ex. 33 : 14; 2 Sam. 17 ; 11) onderstelt eveneens een Arameesche oorkonde.

12

Vs. 54—56. Het aanbod der discipelen: „En toen zijne ^ discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heer! wilt gij, dat wij bevelen, dat

1) tlt;13 tateu xvtov weg.

-ocr page 21-

9 : 54—56.

er vuur van den hemel nederdale en hen vertere 1) \'i Maar Hij, zich omkeerende, bestrafte hen 2), en zeide: Weet gij niet, van welken geest gij (kinderen) zijt3)? 56, En zij gingen naar een ander vlek.quot;

Misschien waren die twee broeders ook de boden, die de weigering hadden ontvangen. Hun gedrag verraadt een toestand van bijzondere opgewondenheid, die misschien het gevolg was van het tooneel der verheerlijking en der verschijning van Elia, dat kort geleden had plaats gehad; vgl. 9 : 49 en Mark. 10 : 35 en 55. De woorden: zooals ook Elia gedaan heeft zijn waarschijnlijk niets anders, dan een verklarende glos; maar het is ook mogelijk, dat zij weggelaten werden, omdat de gnostieken deze plaats gebruikten, om het gezag van het O. T. aan te vallen {Teriiillianus, adv. Marc., IV, 23). Hoe dit ook zijn moge, de vraag der twee broeders kan in verband hebben gestaan met den indruk, dien de verschijning van Elia bij de verheerlijking op hen achtergelaten had.

Vs. 55. De uitdrukking zich omkeerende laat zich verklaren uit het feit, dat Jezus zich aan het hoofd van den stoet bevond, toen Hem het antwoord werd medegedeeld. Ondanks hetgeen Weiss zegt, geloof ik met Meyer, dat het moeilijk te verklaren is, boe de woorden; Weel gij niet, van welken geest gij (kinderen) zijt? in den tekst hebben kunnen komen, als zij onecht zijn. Dit zoo bondige en zoo treffende verwijt kan bezwaarlijk een interpolatie zijn. Het kan weggelaten zijn om de reden, die bij de voorafgaande woorden van vs. 54

13

1

T. R. leest hier wq hxi HA/a^ sxowrsv, met ACD en 13 Mjj. It, Syrsch; fc^BLE Syrcu Vg. laten die woorden weg.

2

T. R. leest hier, met I) en 6 Mjj. Syr., de woorden kui titrev ovh oiSoctz oiov irvsuiixtoq sa-re uizeic;, die door NA BC en 9 Mjj. worden weggelaten.

3

T. R. leest hier, met K en 5 Mjj. It. Syr. Cop,, de woorden o f/o? rov avQp, ovk yhüe ^vxccc; uvQp. o£7roA6lt;rai aAA# a-corxi, die in N A B C D en 9 Mjj. ontbreken.

-ocr page 22-

9 : 54—56.

werd aangevoerd; het verwijt scheen Elia to treffen. Men kan het als een vraag opvatten: „Kent gij niet den geest der genade en der zachtzinnigheid, wiens organen gij zijt?quot; of als een bevestiging, ongeveer in denzelfden zin; „Gij weet dus nog niet, van welken geest...?quot; of eindelijk in een veel strengeren zin: „Gij weet niet van welken (duivelschon) geest gij uzelf tot werktuigen maakt, door aldus te spreken.quot; Deze laatste opvatting is die van Auijuslinus en Calvijn. Zij komt mij voor, niet in overeenstemming te zijn met den eersten indruk, dien het ovx oltixre maakt, dat veeleer het aanzien van een vraag heeft. De eerste beteekenis is die, welke mij toeschijnt, het meest overeen te komen met de goedheid van Jezus. Onder het woord geest verstaat Hij do nieuwe geestelijke macht, die Hij op aarde brengt, en onder de uitdrukking: (kinderen) zijn van de afhankelijkheid, waarin de geloovigen zich stellen met betrekking tot dien geest. Elia behoort tot een ander tijdperk, dat openbaringen van een geheel anderen aard vereischte. — Men heeft gemeend, dat de bijnaam van zonen des donders, die aan Jakobus en Johannes gegeven werd, van deze gebeurtenis dagteekende. Doch Jezus zou de herinnering van een door zijn twee geliefde discipelen begane fout niet op deze wijze vereeuwigd hebben.

Vs. 56. De woorden: „Want de Zoon des menschen .... om te reddenquot; hebben een zeer krachtigen steun in de oude Mjj., waarbij ditmaal ook de Canlahrigiensis zich voegt. Zij zijn waarschijnlijk een aan 19 : 10 en Matth. 18 : 11 ontleende glos.

2. Vs. 57—62: De drie discipelen.

De twee eersten van deze drie korte tooneelen zijn ook bij Mattheus (8 : 19—22) vereenigd. Markus laat alle drie weg. Het is niet waarschijnlijk, dat zij onmiddellijk achter elkander zijn voorgevallen; zonder twijfel werden zij, evenals de Sabbats-tooneelen (6: 1—11), wegens hunne innerlijke gelijkheid bij elkander gevoegd. Zij vormden een van do groepen, waaruit

14

-ocr page 23-

9: 56-58.

do mondelinge overlevering bestond. Zij moeten evenwel onder gelijke omstandigheden, bij gelegenheid van een vertrek hebben plaats gehad. Volgens Mattheus zou het geweest zijn, toen Jezus naar Gadara (Gersa) vertrok. Volgens Lukas zou er sprake zijn van het veel plechtiger oogenblik, toen Jezus Galilea voor goed verliet, om in Judea te gaan sterven (vs. 51). Als wij de drie gesprekken wat meer van nabij hebben beschouwd, zal het ons blijken, met welke van die twee voorstellingen zij het meest in overeenstemming zijn.

Vs. 57 en 58. „En het geschiedde onderweg, terwijl zij reisden, dat iemand tot Hem zeide: Heer \')! ik zal u volgen, waar gij ook heengaat. 58. En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij het hoofd zou kunnen nederleggen.quot;

15

De woorden èv ry aSci, onder weg, worden door Meijer, Weiss, Schanz e. a. met sÏtts, zeide, verbonden. Maar het is op zichzelf natuurlijker en ook meer in overeenstemming met den samenhang, ze met Tropsvo^évav in betrekking te brengen: „terwijl zij reeds onderweg waren.quot; Deze woorden heriunoren aan den stand van zaken, die in vs. 51 vermeld is, en moeten dienen, om te kennen te geven, dat de aangekondigde reis aan den gang was. Het was dus zonder twijfel op verschillende tijdstippen, maar toch kort na het vertrek, dat de drie tooneelen hebben plaats gehad. Lukas zegt: iemand; Mattheus, die ditmaal nauwkeuriger is: een schriftgeleerde. Men zou zelfs uit de uitdrukking, waarvan Mattheus zich bedient, als hij tot het tweede gesprek overgaat (8 : 21): „een ander uit zijn discipelenquot;, de gevolg-

1) T. li. leest hier, met AC en 8 Mjj. Syr., xvpie, dat in ^BDLS ontbreekt.

-ocr page 24-

8 : 57 en 58.

16

trekking kunnen maken, dat die schriftgeleerde Jezus reeds sedert eenigen tijd als vaste toehoorder volgde. Door het zien van zijn wonderen en door de schoonheid van zijn leer voor Hem gewonnen, wenschte hij zich thans voor goed bij Hem aan te sluiten; maar hij had niet bedacht, hoe zwak zijn eigene kracht was, in vergelijking met de taak, waaraan hij zich wilde wijden. Jezus kende hem beter, dan hij zichzelf (Joh. 2:24 en 25). De uitdrukking: „waar gij ook heengaaiquot; trof Hem; want Hij weet wel, waar Hij heengaat, en wat het einde van deze reis zal zijn! Een oogenblikke-lijke geestdrift is niet genoeg, om Hem tot daarheen te kunnen volgen, maar daartoe is noodig de dood van het eigen ik, de overgave van het eigen leven, waarvan Jezus in 9 : 23 gesproken heeft. „Zijt gij besloten, de kosten, die er noodig zijn, om den toren te bouwen (14:28), zelfs zóóver te drijven? Sta stil en bedenk u nog!quot; — De zoon des menschen, de normale vertegenwoordiger der menschheid, de ware koning der schepping, heeft, ten gevolge van den ellendigen toestand, waarin de zonde ons gebracht heeft, een minder benijdenswaardig lot, dan zelfs de dieren, waarvan sommigen in de lucht, en anderen onder de aarde een woning hebben. Renan maakt uit dit antwoord op, „dat het zwervend leven van Jezus, dat in het eerst vol bekoring was, Hem begon te drukken.quot; Doch dit geschiedt ten onrechte. Want er is niets moedigers, niets mannelijkers dan deze verklaring, waarmede Hij dezen menscb op ue proef stelt. — Het komt mij veel minder natuurlijk voor, zulk een onderhoud in den tijd van een uitstapje van eenige uren te plaatsen, dan in dien, waarop Jezus de streek voor voor goed verliet.

Vs. 59 en 60. „En Hij zeide tot een anderen: Volg mij! Doch deze zeide: Heer \')! laat mij toe, eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.

1) BDV laten xvfis weg.

-ocr page 25-

9 : 59 en 60.

60. Maar Jezus zeide tot hem: Laat de dooden hunne dooden begraven; doch gij, ga heen, en verkondig het koninkrijk Gods.quot;

Lukas zegt: een anderen-, Mattheus: „een ander uit zijn discipelenquot;, hetgeen desnoods zou kunnen beteekenen: „een ander persoon, die zich onder de discipelen bevondquot;, en niet in zich zou sluiten, dat de vorige ook een discipel was. Doch deze opvatting is minder natuurlijk. — Ditmaal neemt Jezus het initiatief. Hij heeft in dezen discipel een degelijk karakter ontdekt en een bedachtzamen en zelfs overdreven omzichtigen geest; zoo iemand moest niet tegengehouden, maar aangespoord worden. Hij wil een einde maken aan zijn aarzeling en roept hem, om Hem te volgen. De verontschuldiging, die deze man aanvoert, heeft den schijn van gegrond te zijn, terwijl het antwoord van Jezus in strijd schijnt te zijn met het gevoel van natuurlijke betamelijkheid en kinderlijke piëteit. En als er sprake was van een uitstapje van een of twee dagen, zou ik zeker er van afzien dit woord te rechtvaardigen, zelfs of vooral wanneer men het opvat in den onmogelijken zin, dien Hase er aan toekent: „Sta mij toe, mijn vader, die op sterven ligt, de oogen toe te drukken, voordat ik U volgquot;. Maar de zaak wordt geheel anders, als Jezus het tooneel zijner vroegere werkzaamheid voor altijd verlaat, en vertrekt,,om niet weder te keeren. Als deze man in het beslissend oogenblik achterblijft, zal hij zich dan ooit weêr bij Hem komen voegen? Eenmaal in den kring van zijn familie en van zijn bezigheden teruggekeerd, zal hij zich spoedig weer verstrikt zien, en niet meer de kracht hebben om alles te verlaten. Er zijn in het zedelijk leven beslissende oogenblikkken, waarin men terstond moet doen wat gedaan moot worden, daar het anders nooit meer zal kunnen geschieden. De wind waait; is hij eenmaal gaan liggen, dan zal het schip niet meer de haven kunnen verlaten. Maar een vader begraven, is dit niet een heilige plicht? Zeer zeker ... als een hoogcre plicht zich Godet, Lukas. II. 2

17

-ocr page 26-

9 ; 59 en 60.

18

daartegen niet verzet. Zich onmiddelijk naar de door den vijand bedreigde grens te begeven, is een plicht, welke zelfs den voorrang heeft boven dien van een vader te begraven. Er zijn altijd menscben genoog om dezen laatsten dienst te verrichten; maar zullen er armen genoeg zijn om het vaderland te verdedigen? De wet zelf stelde den hoogepriester en de Nazireërs vrij van de verplichtingen jegens de dooden, al gold het ook een vader of een moeder (Lev. 21 : 11; Num. 6 ; G en 7). liet rijk Gods is meer, dan het vaderland en de tempeldienst. De lijkplechtigheden duurden zeven dagen, wegens de verontreiniging, die de aanraking met een doode ten gevolge had. Als zij afgeloopen waren, zou Jezus reeds heel ver weg zijn; een spoedige beslissing was hier dus de voorwaarde voor heil en leven. — De dubbelzinnigheid van de uitdrukking: de dooden, waarop het antwoord van Jezus berust, getuigt van den indruk, dien het menschelijk leven op Hem maakte, voor zoover het niet vernieuwd was door het Evangelie. Deze uitspraak staat gelijk met de volgende: „Indien gij, die hoos zijl, uw kinderen goede dingen weet te gevenquot;. Paulus zegt in denzelfden geest: „Gij waart dood in uw tekortkomingen en in uw zondenquot;. „Hunne doodenquot;, zegt Jezus. Daarmede wil Hij te kennen geven, dat zij, die dood zijn in den eigenlijken zin van het woord, tot dezelfde orde der dingen behooren als diegenen der hunnen, die niets hoogers kennen, dan de belangen en de goederen van het natuurlijke leven. — De oproeping het Koninkrijk Gods te verkondigen rechtvaardigt door de verhevenheid van dit nieuwe levensdoel het van dezen man geëischte maatschappelijke offer. Het in hiyysXXs duidt de verbreiding aan, en het au, gij, doet de diepe klove gevoelen, welke de verkleefdheid aan Jezus tusschen dezen mensch en hot geheele verleden, waarmede hij breken moet, heeft doen ontstaan.

Vs. 61 en 62. „En ook een ander zeide tot Hem: Ik zal ii volgen, Heer! Maar laat mij eerst toe,

-ocr page 27-

9 : 61 en 62.

afscheid te nemen van degenen, die in mijn huis zijn. 62. Doch Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijne \') hand aan den ploeg heeft geslagen 1), en ziet naar hetgean achter is, is geschikt voor 2) het koninkrijk Gods.quot;

Dit derde voorval komt alleen bij Lukas voor. Zelfs Weiss geeft toe, dat hij het uit de traditie moet geput hebben. Het is om zoo te zeggen de synthese van do twee anderen. Deze man biedt zichzelf aan, evenals de eerste, maar hij draalt, evenals de tweede. Jezus houdt hem niet terug, en drijft hem ook niet aan; Hij noodigt hem uit, tot een bepaald besluit te komen en een einde te maken aan de innerlijke gedeeldheid tusschen de wereld en God, die Hij bij hem waarneemt. De uitdrukkiug aTrcToivasvOxi beteekent eigenlijk: zijn gelid verlaten-, vandaar: afscheid nemen. Zij heeft nu en dan betrekking op bezittingen, zooals in 14:33, maar natuurlijker en veelvuldiger op personen (Mark. 6:4(35 Hand. 18: 18; 2 Cor. 2; 13). Hier is ongetwijfeld dit laatste het geval, daar er anders toïs h tSj oixcp zou hebben gestaan, en niet toI/; s]g rhv oJmv, dat een actieve betrekking in zich sluit (het huis in- en dan weder uitgaan). — Het door Jezus gebruikte beeld is dat van een mensch, die, in plaats van den blik te vestigen op de vore, die hij bezig is, te maken, zich omkeert, om te kijken naar een voorwérp, dat hem belang inboezemt. Daar hij maar half bij zijn werk is, zal hij het slecht doen; de vore zal van de rechte lijn afwijken en krom worden3). Zoo is het ook met hem, die zich wijdt aan het werk Gods hier beneden, terwijl hij zich nog be-

19

1

A D L lezen BvifSuhhuv j nl de anclerou: exi(3cchwv.

2

N li L E lezen ry Pxa-tAeict, in plaats van ue xifv Pxamp;ikciav.

3

Schanz haalt het woord van Plinius aan: Arator, nisi incurvus (al» hij niet over zijn ploeg gebogen ia) praevaricalitur.

-ocr page 28-

9 : 61 en 62.

koramert over de belangen en de genietingen van het tegenwoordige leven. Zijn geestelijke werkzaamheid zal door deze^e innerlijke verdeeldheid verlamd worden. Jezus zegt niet tot dezen mensch: Bedenk U! en ook niet,: Voorwaarts! maarpP Kom tot een besluit!

In de uitdrukking: Koninkrijk Gods zijn hier de twee denkbeelden van persoonlijke behoudenis en het arbeiden3 voor do bekeering van an leren vereenigd. Men zal, naai5 het mij voorkomt, moeten toegeven, dat de uitnoodiging van __

Jezus zich hier, evenals in de twee andere gevallen, beter\'1-\'!

*110

laat verklaren, als zij gedaan werd bij gelegenheid van een\' definitief vertrek zooals dat waarvan Lukas spreekt, dati^ in den tijd van een gewoon uitstapje (Mattheus).

In deze groep van verhalen had de mondelinge overlevering5 eenige voorbeelden van de veelvuldige wijsheid, waarmede Jezus de meest verschillende karakters wist te onderscheiden _ en te behandelen, bij elkander gevoegd. Hollzmcinn, die beweert, dat Mattheus en Lukas ze aan de Logia hebben ont^ leend, is gehouden te verklaren, waarom onze kanonieke ^ Mattheus de derde gebeurtenis heeft weggelaten. Zijn ant- J woord is: Mattheus heeft gemerkt, dat deze derde persoon niemand anders was, dan de rijke jongeling, wiens geschiedenis^ hij later volgens den t/r-Markus zou verhalen; Lukas is nier zoo scherpzinnig geweest, en heeft, zonder het te vermoeden^ volgens twee verschillende berichten dezelfde geschiedenis tweemaal verhaald. Het zijn inderdaad „verschillendequot; be^ richten; want het is moeilijk in te zien, wat zij met elkander gemeen hebben. De gemoedsgesteldheid van den rijken jonge\'^ ling is geheel anders, dan die van onzen derden persoon^ De eerste wenschte een goed werk te doen, waardoor hi zich de zaligheid zou kunnen verwerven; de laatste wil ziel wijden aan de prediking van het Evangelie. Even verschillend is het daaropvolgende onderhoud.

Volgons Weiss heeft Lukas, toen hij de drie gebeurtenissei op deze plaats bij den apostolischen Mattheus vond, na bericht van de reis naar Gadara volgens Markus, bij wiei zij ontbreken, te hebben medegedeeld, ze overgebracht aaiwlJ

20

-ocr page 29-

9:61 en 62.

on_bet begin van dit gedeelte, waarin hij een aanvang maakt ezeinet de beschrijving van de werkzaamheid van Jezus buiten j. ^Gtalilea- Maar ten eerste is deze verklaring niet toepasselijk arPP het derde gesprek, dat volgens Weiss zelf in de Logia jntbrak, en door Lukas uit een bijzondere geschrevene of ^mondelinge overlevering geput moet zijn. Verder moet worden le^evraagd, waarom Lukas, als hij de Logia in handen had a^ehad, deze drie gebeurtenissen niet eenvoudig aan het begin ^ai)7an de reis naar Gadara, die hij aan Markus ontleende, er ,^ijgevoegd heeft. Bovendien zou hot iets buitengewoons zijn, cerfndien Lukas juist een stand van zaken had aangetroffen, ^waarbij deze drie voorvallen veel beter passen, dan bij dien ïer Logia, die in onzen Mattheus wordt medegedeeld. Weiss ingeeft weliswaar niet toe, dat de door Lukas beschrevene 0(lgitand van zaken de voorkeur verdient. Maar welke gronden len?oert hij daarvoor aan? Deze drie geschiedenisjes zouden ^j^iet in overeenstemming zijn met de plaats, die zij bij Lukas nij.innemen, omdat het eerste bewijst, dat de kring der vaste ^discipelen nog niet gevormd was, zooals de stand van zaken ntbij Lukas onderstelt, en omdat uit het tweede voortvloeit, jjQ^at de discipelen er nog niet aan gewend waren, alles onder-Jnjgeschikt te maken aan de plichten, die de omgang met ^jgjlezus hun oplegde. De lezer oordeele zelf over de waarde en ran dergelijke argumenten. Wij achten hot eenvoudiger aan ^nijle nemen, dat deze gebeurtenissen , zooals Reuss zegt, „wegens lieovereenkomst van denkbeeldenquot; bij elkander werden gevoegd , (|ei3n dat zij behoorden tot een van de traditioneéle verhalen-i cgroepen, en wel tot een zoodanige, die Markus niet heeft ^ïekend, en die Lukas in een ietwat vollediger vorm, dan j^Mattheus bezat.

del

cncl III. 10:1—24: De uitzending der zeventig

discipelen.

isei

Hoewel Jezus langzaam van stad tot stad en van vlek tot ^ vlek ging, kon Hij toch slechts weinig tijd aan iedere plaats aa^ijden. Het was daarom voor Hem van belang, telkens zijn

21

-ocr page 30-

9 : G1 cn 62.

kommort over de belangen en de genietingen van het tegenwoordige leven. Zijn geestelijke werkzaamheid zal door deze innerlijke verdeeldheid verlamd worden. Jezus zegt niet tot dezen mensch: Bedenk U! on ook niet,: Voorwaarts! maar:

Kom tot een besluit!

In de uitdrukking: Koninkrijk Gods zijn hier de twee denkbeelden van persoonlijke behoudenis en het arbeiden voor do bekeering van an leren voreenigd. Men zal, naar het mij voorkomt, moeten toegeven, dat de uituoodiging van Jezus zich hier, evenals in de twee andere gevallen, beter laat verklaren, als zij gedaan werd bij gelegenheid van een definitief vertrek zooals dat waarvan Lukas spreekt, dan in den tijd van een gewoon uitstapje (Mattlieus).

In deze groep van verhalen had de mondelinge overlevering eenige voorbeelden van de veelvuldige wijsheid, waarmede Jezus de meest verschillende karakters wist te onderscheiden en te behandelen, bij elkander gevoegd. Holtzmann, die beweert, dat Mattheus en Lukas ze aan de Logia hebben ontleend, is gehouden te verklaren, waarom onze kanonieke Mattheus de derde gebeurtenis heeft weggelaten. Zijn antwoord is: Mattheus heeft gemerkt, dat dezo derde persoon niemand anders was, dan de rijke jongeling, wiens geschiedenis hij later volgens don ï/r-Markus zou verhalen; Lukas is niet zoo scherpzinnig geweest, en heeft, zonder het te vermoeden, volgons twee verschillende berichten dezelfde geschiedenis tweemaal verhaald. Het zijn inderdaad „verschillendequot; berichten; want het is moeilijk in te zien, wat zij met elkander gemeen hebben. De gemoedsgesteldheid van den rijken jongeling is geheel anders, dan die van onzen derden persoon. De eerste wenschte een goed werk te doen, waardoor hij zich de zaligheid zou kunnen verwerven; de laatste wil zich wijden aan de prediking van het Evangelie. Even verschillend is het daaropvolgende onderhoud.

Volgens Weiss hoeft Lukas, toen hij de drie gebeurtenissen op deze plaats bij den apostolischen Mattheus vond, na het bericht van de reis naar Garlara volgens Markus, bij wion zij ontbreken, te hebben medegedeeld, zo overgebracht aan

\'20

-ocr page 31-

9:61 en 62.

het begin van dit gedeelte, waarin hij een aanvang maakt met de beschrijving van de werkzaamheid van Jezus buiten Galilea. Maar ten eerste is deze verklaring niet toepasselijk op het derde gesprek, dat volgens Weiss zelf in de Logia ontbrak, en door Lukas uit een bijzondere geschrevene of mondelinge overlevering geput moet zijn. Verder moet worden gevraagd, waarom Lukas, als hij de Logia in handen had gehad, deze drie gebeurtenissen niet eenvoudig aan het begin van de reis naar Gadara, die hij aan Markus ontleende, er bijgevoegd heeft. Bovendien zou hot iets buitengewoons zijn, indien Lukas juist een stand van zaken had aangetroffen, waarbij deze drie voorvallen veel beter passen, dan bij dien der Logia, die in onzen Mattheus wordt medegedeeld. Wciss geeft weliswaar niet toe, dat de door Lukas beschrevene stand van zaken de voorkeur verdient. Maar welke gronden voert hij daarvoor aan? Deze drie geschiedenisjes zouden niet in overeenstemming zijn met de plaats, die zij b\'j Lukas innemen, omdat het eerste bewijst, dat de kring der vaste discipelen nog niet gevormd was, zooals de stand van zaken bij Lukas onderstelt, en omdat uit het tweede voortvloeit, dat de discipelen er nog niet aan gewend waren, alles ondergeschikt te maken aan de plichten, die de omgang met Jezus hun oplegde. De lezer oordeele zelf over de waarde van dergelijke argumenten. Wij achten het eenvoudiger aan te nemen, dat deze gebeurtenissen, zooals Reuss zegt, „wegens overeenkomst van denkbeeldenquot; bij elkander werden gevoegd , en dat zij behoorden tot een van de traditioneèle verhalengroepen , en wel tot een zoodanige, die Markus niet heeft gekend, en die Lukas in een ietwat vollediger vorm, dan Mattheus bezat.

III. 10: 1—24: De uitzending der zeventig discipelen.

Hoewel Jezus langzaam van stad tot stad en van vlek tot vlek ging, kon Hij toch slechts weinig tijd aan iedere plaats wijden. Het was daarom voor Hem van belang, telkens zijn

21

-ocr page 32-

10 : 1.

aankomst voorbereid, de geesten ontwaakt, en de harten naar zijn bezoek verlangende te vinden. Deze voorzorg was zooveel te gewichtiger, daar dit eerste bezoek ook het laatste zou zijn. Gelijk Hij dus de Twaalven naar de noordelijke streken van Galilea gezonden had, toen Hij ze voor de laatste maal bezocht, zoo roept Hij thans een talrijker schare zijner aanhangers, om een gelijke taak in de zuidelijke streken dezer provincie te volbrengen. Op deze wijze verrichtten zij om zoo te zeggen onder zijn oogen het eerste proefstuk van hun toekomstig beroep als Evangelisten. Dit gedeelte bevat: 1° het bericht van de uitzending der 70 discipelen (1—10): 2° dat van hun terugkeer (17—24).

1. Vs. 1—16: De uitzending.

Vs. 1. Het feit: „Na deze dingen wees Jezus nog\') zeventig1) anderen aan, en zond hen twee aan twee2) voor zich uit in iedere stad en plaats, waar Hij komen moest.quot;

Het (astx rxvTot., na deze dingen, verplaatst ons in den tijd onmiddelijk na het vertrek, waaraan de drie zoo even verhaalde tooneelen zich aansloten. Schleiermacher, Meyer, Weiss e. a. meenen, dat Lukas met de uitdrukking hspov;, anderen, op de zending van de twee boden (9 : 52) zinspeelt. Maar deze twee zendingen zijn van zoo verschillenden aard, dat Lukas ze zeker niet op dezelfde lijn heeft willen stellen. Bovendien zou de uitdrukking xvamp;sit-ev op geen enkele wijze bij de eerste van deze twee zendingen passen. Zij duidt een keus en een plechtige aanstelling aan tot het volbrengen van een taak, die het karakter van een ambt heeft (1 : 80).

22

1

c2) T. B. leest efidowKovTcc, met ^ACL en 13 Mjj. Syrsch Cop.; B D M R

Syrcur; sfidoiiwovTU èvo.

2

B X n lezen cwx lt;gt;vo èvo, in plaats van avx èvo.

-ocr page 33-

10 : I.

Hamp;t is dus op de in 9 : 1 en verv. medegedeelde zending van de Twaalven, dat Lukas met het woord zinspeelt

en nog duidelijker met het xxi, ook of noy, indien het echt is, zooals schijnt voort te vloeien uit de groote meerderheid der Mjj. en uit de twee oudste vertalingen , de Ilala en de Syrische van Cureton. — In de uitdrukking nog anderen ligt opgesloten, dat de Twaalven niet tot de zeventig behoorden. Jezus hield hen bij zich, ten einde hen zelf voor hunne toekomstige taak voor te bereiden. Wat de zeventig betreft» door deze zending onderscheidde Hij hen van de menigte der andere discipelen als moer bepaald geschikt tot het Evangelisatiewerk, dat de toekomstige ontwikkeling van het Rijk Gods vereischen zal. — Het verschil tusschen de lezingen 70 en 72 komt ook elders voor, b. v. in de legende aangaande de Alexandrijnsche overzetters van het O. T. De eerste lezing laat zich verklaren door het voorbeeld van de 70 oudsten, die Mozes in de woestijn had aangesteld (Num.

11 : 16—25); terwijl de tweede door de vermenigvuldiging van de in de heilige Symboliek dikwijls voorkomende getallen

12 en 6 kan zijn ontstaan. Het feit, dat de Sinaïticus, de Cod. C en de Koptische vertaling, die in den regel met de Alexandr. Mss. samengaan, de Byz. lezing (70) steunen, schijnt mij toe, de schaal ten gunste van deze te doen overhellen \').

23

de harten orzorg was het laatste noordelijke

0 voor de

1 talrijker (ïe zuide-deze wijze het eerste sten. Dit

! der 70 -24).

s nog \') ee aan plaats,

in den )o even Meyer,

hépoug ,

ispeelt. aard, stellen.

wijze dt een engen : 80).

OME

Heeft Jezus door het getal 70 op een bekend feit willen zinspelen, zooals Hij bij de verkiezing van de Twaalven zeker het oog heeft gehad op de twaalf stammen Israels? Als dit zoo is, dan zou men kunnen aannemen, dat Hij gedacht heeft aan de 70 leden, waaruit het Sanhedrin bestond, en om zoo te zeggen een auti-Sanhedrin heeft willen oprichten, gelijk Hij door de benoeming van de Twaalven een nieuw

1) De schrijver des Clementinische Homilieën (2de eeuw\') Ins weliswaar 72. Hij laat Petrus zeggen: „Eerst heeft Hij ons twaalf gekozen, die Hij apostelen noemde; daarna koos Hij nog 72 andere discipelen uit do gotrouwston.quot; Maar reeds de hier voorkomende bij-elknnder-brenging van de getallen 12 en 72 (6 maal 12) kan een zekeren invloed op den tekst hebben uitgeoefend.

-ocr page 34-

10 : 2.

Patriarchaat heeft ingesteld, wan ruit een nieuw Israël zou voortkomen. Maar deze verkiezing van de 70 was al te zeer iets voorbijgaands, dan dat men bij deze verklaring zou kunnen blijven stilstaan. Het is veel waarschijnlijker, dat Jezus met bet getal 70 heeft willen zinspelen op het in den Talmud uitgesprokene en wellicht in dien tijd reeds verbreide denkbeeld, dat de menschheid, volgens een meer of minder willekeurige optelling van do op de ethnograpbische lijst van Gen. 10 voorkomende namen, uit 70 volken en talen bestaat. In dit geval is de betrekking tusschen de benoeming van de Twaalven en de verkiezing van de 70 gemakkelijk te begrijpen. Doelt de eerste op de prediking van het Evangelie aan de 12 stammen, de laatste wijst op de zending onder alle volken der aarde. Het 2de vers bevestigt deze opvatting. Hoe meer de tijd verliep, des te meer deed Jezus de zijnen tot het inzicht komen, dat er een ruimer arbeidsveld was, dan dat van het oude volk van God. — Jezus zendt hen uit twee aan twee\\ de gaven van den een moeten die van den ander aanvullen. Bovendien zal hun taak zijn te getuigen van hetgeen thans door Jezus geschiedde; en de wettelijke spreuk luidde: „Op het woord van twee of drie getuigenquot;. — Lange vertaalt het epsMsv niet met moest, maar mot „had moetenquot;, alsof de prediking der discipelen het bezoek moest vergoeden, dat Jezus zelf dezen plaatsen niet kon brengen. Maar de uitdrukking: voor zich uil sluit deze opvatting uit. De discipelen moeten Jezus niet vervangen, maar zijn aankomst voorbereiden.

Ys. 2—12: Voorschriften voor de reis.

Eerst de noodzakelijkheid van de tegenwoordige en de toekomstige Evangelisatie: Vs. 2.

Vs. 2. „Hij zeide clan \') tot hen: De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders; bidt dan

1) N li C DL B lozen Se, in plaats vnn ow.

24

-ocr page 35-

10 : 2—4.

den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in zijn oogst uitzende.quot;

Bij Mattheus stfiat dit woord aau Let einde van Hoofdst. 9, als inleiding tot de in Hoofdst. 10 verhaalde zending van de Twaalven, Niet alleen Bleek, maar zelfs Weiss geeft de voorkeur aan de plaats, dio het bij Lukas inneemt. „ De akker is de wereldquot; had Jezus in de gelijkenis van het Onkruid gezegd. Op dit ruime gebied hebben natuurlijk de zeer sterke uitdrukkingen van dit vers betrekking. Zij herinneren aan het woord, dat Jezus in Samaria, als op den drempel der heidensche wereld, gesproken heeft: Heft uwe oogen op en aanschouwt de velden, want zij zijn reeds wit om te oogstenquot;. — Volgens de Alexandr. lezing Ss {en) knoopen zich de volgende voorschriften aan de benoeming van de 70 vast; volgens de Byz. lezing ovv {dan) zijn zij het gevolg en de aanvulling daarvan. — De zending van nieuwe en talrijker arbeiders moet de vrucht zijn van de gebeden hunner voorgangers. Juist de grootheid van de aan dezen opgelegde taak doet hen hunne ontoereikendheid gevoelen, en spoort hen aan, God met aandrang te bidden, om hun helpers en opvolgers te geven. De praep. sx in ixfixWeiv, doen uilgaan, uitzenden, kan beteekenen: uit het huis des Vaders, den hemel, van waar de roepingen uitgaan; of ook: uit het heilige land, dat het uitgangspunt is van de Evangelieverkondiging in de geheele wereld. Daar hier sprake is van een gebed, is de eerste beteekenis natuurlijker.

Ten tweede, de geest, waarin de last moet worden volbracht; vs. 3—4.

25

Vs 3 en 4, „Graat heen! Ziet, ik1) zend u als lammeren in het midden der wolven. 4. Draagt

1

N A 1) loten syai na iSov weg.

-ocr page 36-

10 : 3 en 4.

geen buidel, noch zak, noch1) schoeisel, en2) groet niemand onder weg.quot;

De geest, die de discipelen gedurende deze zending bezielen moet, is die des vertrouwens, zoowel wat hunne persoonlijke veiligheid (vs. 2), als wat hunne stoffelijke behoeften (vs. 3) betreft. Zwak en ongewapend vertrekken zij, om zich te begeven naar vijandige bevolkingen. Huu vertrouwen moet gevestigd zijn op Hem, die hen zendt; het iy£gt; van den Byz. tekst past uitnemend in dit verband. — Gelijk Hij, Jezus, op zich neemt, hen te beschermen, zoo neemt Hij ook op zich, te voorzien in hunne behoeften gedurende deze reis, waarvoor zij noch levensmiddelen, noch kleederen medenemen; zie bij 9 ; 3. — sandalen,

nl. in voorraad] deze bepaling wordt geëischt door het werkw. PxjtJiamp;iv , een last dragen. — Moeten de laatste woorden den haast aanduiden, evenals 2 Kon. 4: 29 ? Maar deze reis van Jezus heeft niets gehaasts. Of wil Hij hen daardoor, zooals men gemeend heeft, beletten, de gunst der menschen te zoeken? Maar bij deze opvatting zouden de woorden onder weg een nutteloos toevoegsel zijn. Hofmann meent, dat Jezus de afleiding wil voorkomen, die ijdele gesprekken zouden kunnen veroorzaken. Deze opvatting is dicht bij de waarheid. Zij moeten reizen als menschen, wier gedachten geheel vervuld zijn van de hoogste belangen, en hun tijd niet verliezen met nuttelooze plichtplegingen; het is bekend, hoe omslachtig en langdradig de oostersche begroetingen zijn. Den huiselijken haard moeten zij opzoeken; daar zullen zij de rust vinden, die zij noodig hebben, om hunne boodschap met goed gevolg mede te deelen. Aan deze gedachte knoopen zich de volgende voorschriften aangaande de wijze, waarop zij hunne taak moeten volbi\'engen, geheel natuurlijk vast. In de eerste plaats het voorschrift over de

26

1

N 1! D L S lezen //gt;», in plaats van wSe

2

N A laten xxi weg.

-ocr page 37-

10 : 5—7.

gedragslijn die zij volgen moeten, waar zij afgewezen worden: Vs. 5—9.

Vs. 5—7, „En in welk huis gij ook ingaat1), zegt eerst: Vrede zij dit huis! 6. En indien2) daar een 3) kind des vredea is, zoo zal uw vrede op hem rusten \'\'); maar indien niet, zoo zal hij tot u wederkeeren. 7. Blijft in dat huis, etende en drinkende van hetgeen bij hen is; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het eene huis naar het andere.quot;

Eerst is er enkel sprake van oen huis. De praep. skép-Xwde der Byz. Mss. drukt beter dan de aor, der Alexandr. de gelijktijdigheid van het ingaan en van den zegenwensch uit. De heerschende drang in het hart van den dienstknecht van Christus is het verlangen, den vrede, waarvan hij zelf {lijn vrede, vs. 6) vervuld is, mede te deelen. — Als het artikel 3 van den T. R. en van den Sinaïticus vóór y/\'sV (het kind des vredes) echt was, zou het dezen persoon als het voorwerp van een bijzonder goddelijk raadsbesluit („hij, die zich daar bevinden moetquot;) aanduiden; dit denkbeeld is weinig natuurlijk. — De uitdrukking: kind des vredes is Hebreeuwsch. In dergelijke spreekwijzen wordt het afgetrokken begrip (hier dat des vredes) voorgesteld als een wezenlijke kracht, die leven verkrijgt in het individu. De twee oudste Mss. lezen s^x^xttx^stxi , een regelmatig van den aor. sirxyv afgeleid futurum. Als daar geen ziel aanwezig is, die geschikt is, de uitwerking van den Evangelischen

27

1

T. U. leest eiTepxyrfot quot;iet A eu 12 Mjj. Syrcu; N B en 5 Mjj. It.: SKreAQyTE,

2

T. R. leest, met eenigo Mun., (zev na eav.

3

T. R leest met ^ o voor vio$.

-ocr page 38-

10 : 8 en 9.

vredegroet te ontvangen, zal deze daarom niet verloren zijn, maar hij zal met dubbele kracht terugkeeren tot hem, door wien hij in oprechtheid werd uitgesproken. — De zendbode van Christus moet zijn ingaan in dit bepaalde huis als iets providentiëels beschouwen, en het daarom voor den ganschen tijd van zijn verblijf op die plaats tot zijn woning maken; zie bij 9 : 4. \'Ev xCiry rfi ohlci beteekent niet: „in heizelfde huisquot; (sv iyi «ütj? o\'iK\'itf), maar; „in dat huis, waar gij het eerst zijt binnengegaanquot;. — Zij moeten zich terstond beschouwen als leden van de familie, en zonder angstvalligheid het brood van hun gastheer eten. Het is geen aalmoes, hun boodschap

is dit loon waard.

Tegenover een geheele stad moet dezelfde gedragslijn worden gerolgd als ten opzichte van een familie: vs. 8—9.

Vs. 8 en 9. „En in welke stad gij ook ingaat, en zij u ontvangen, eet hetgeen u aangeboden wordt, 9. en geneest de krank en, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het koninkrijk Gods is nabij u gekomen.quot;

In zulk een stad gelijkt de aankomst der discipelen op een triomftocht: men dekt de tafel voor hen, en geeft hun te eten; men brengt de kranken tot hen; zij maken openlij hun boodschap bekend, die met eerbied ontvangen wordt. Ten onrechte beschouwt men de uitdrukking van Paulus: ™ « Ttixfiurióépsvov Miers (l Cor. 10 : 27) als een toespeling op dit Bstquot; vers. De bedoeling der eene uitspraak verschilt geheel en al van die der andere. Hier is er volstrekt geen sprake van de reinheid of de onreinheid der spijzen; de zendboden bevinden zich nog in de Joodsche wereld. — Do accus. slt;p\' vpxs drukt de werking der boodschap, haar invloed op de menschen uit. Het perf. geeft te kennen, dat

de nabijheid van het koninkrijk Gods van nu aan een voldongen feit is, en wel wegens de aanwezigheid in Israel

28

-ocr page 39-

10 : 10—12.

van Hem, die zijn boden zal volgen. Welk een gespannen verwachting moest zulk een taal niet teweegbrengen!

De gedragslijn, die moet worden gevolgd ten opzichte van een stad, die hen afwijst: vs. 10—12.

Vs. 10 —12. „Maar ia welke stad gij ook ingaat en zij u niet ontvangen, gaat uit op hare straten, en zegt: 11. zelfs het stof nit uwe stad, dat zich aan1) ons gehecht heeft, schudden wij tegen u af; weet evenwel dit: Het koninkrijk God is nabij 2) gekomen. 12 \'3). Ik zeg u, dat in dien dag Sodom verdvagelijker behandeld zal worden, dan die stad.quot;

Deze bekendmaking en de symbolische handeling, waarmede zij gepaard gaat, zijn van groote beteekenis; want zij zullen een rol spelen, als deze bevolking geoordeeld zal worden. — Kxl: zelfs dit stof. De dat. drukt deze gedachte uit: „Wij geven het u terug, door het van onze voeten af te schuddenquot;. Op deze wijze wordt allo gemeenschap met de inwoners afgebroken (zie bij 9:5), — Evenals altijd, geeft hier een beporking te kennen; „Overigens hebben wij u niets anders mede te deelen, dan . . Al verhindert deze slechte ontvangst bet bezoek van Jezus, dit oogenblik blijft toch nog een beslissend tijdstip voor hen. — Het iep\' üftag van den T. R, is een glos uit vs. 9. — Do uitdrukking, in dien dag kan de verwoesting van het Joodsche volk door de Romeinen of het laatste oordeel te kennen geven Ik denk dat deze twee strafgeriohten, waarvan het eene meer nationaal, en het andere meer persoonlijk is, in

20

1

N B D R Syrcu lezen hier s/? tou? roSai;.

2

T. R. leest, hier ecp\' mot A C en 13 Mjj. Syr.; N B D L S laten het weg.

3

N B C P L S lozen eiers^n, in plaats vnn surefx^quot;^.

-ocr page 40-

10 : 13—16.

doze bedreiging des Heeren samenvloeien, zooals in die van Johannes den Dooper (3 : 9). Toch schijnt het denkbeeld van het laatste oordeel hier het voornaamste te zijn, volgens hetgeen wij in vs. 14 lezen. — Deze bedreiging van de steden, die, zonder te letten op de teekenen des tijds, de gezanten van Jezus zullen verwerpen, geeft Hem aanleiding, een terugblik te werpen op de steden, welke zoolang het voorrecht van zijn tegenwoordigheid gehad, maar zich die niet te nutte gemaakt hebben. Terwijl Hij haar nabijheid voor goed verlaat, zendt Hij haar, bij wijze van afscheidsgroet, de volgende ernstige waarschuwing.

Vs. ]3—16; Afscheidswoord aan de steden, waar Christus gepredikt had.

YSt 13 —16. „Wee u, Chorazia! wee u, Bethsaïda! Want zoo in Tyrua en Sidon de krachten geschied waren ^, die in u geschied zijn, zij zouden sedert lang berouw hebben gehad, in zak en asch zittende 1). Doch Tyrus en Sidon zullen in het oordeel verdragelijker worden behandeld, dan gij. 15. En gij, Kapernaütn! dat tot den hemel toe verhoogd zijt geweest2), gy zult tot de hel toe vernederd worden3). 16. Wie u hoort, die hoort mij; en wie u verwerpt, verwerpt mij ; en wie mij verwerpt, verwerpt Hem, die mij gezonden heeft.quot;

De stad Chorazin wordt noch in het O. T., noch bij Josephus genoemd. Maar de Joodsche overlevering vermeldt

30

1

ï) A B C en 6 Mjj. lezen in plaats van Kahncvai.

2

T. R. leest vf viiuQeitra, met AC en 13 Mjj. Syr.; N B D LItall1 Syrou: ny.., uiiaOyai.

3

DD Syrens Kcnufaw, in plaats van HuTixPipoaröiiw.

-ocr page 41-

10 : 13-16.

haar onder den naam van Chorazaïm als een plaats, die tarwe van de tweede kwaliteit voortbracht \'). Volgens Eusebius (Onomasticon) was Chorazin 12 mijlen (3 uren) — Hieronyrans zegt in de vertaling 2 mijlen (40 minuten) — van Kapernaüm verwijderd. Deze opgave is vrij nauwkeurig van toepassing op de ruïnen, die nu nog den naam van Bir-Kirdzeh dragen, ten noord-oosten van Tel-Hum. Volgens bericht van kapitein Wilson zijn deze ruïnen even aanzienlijk als die van Tel-Hum. In ieder geval moet Chorazin een belangrijke stad zijn geweest, daar Jezus haar bij Tyrus en Sidon vergelijkt en haar met Kapernaüm op ééne lijn stelt. — Wij kennen geen enkel van de talrijke wonderen, welke dit woord onderstelt. Van die van Bethsaïda is ons slechts één bekend. — Colani heeft voorgesteld, onder niet wonderen van Jezus,

maar zijn werken van heiligheid te verstaan; deze interpretatie komt in het geheel niet in aanmerking. — De twee verwoeste steden, die tot vergelijking dienen, zijn verpersoonlijkt en voorgesteld als twee vrouwen, die daar nederzitten met het boetekleed aan en met asch bestrooid, de zinnebeelden van den rouw. De Byz. lezing kxQvhasvxi is een correctie van het mascul. nxOfami, dat betrekking heeft op de inwoners der steden. Het nXvjv laat zich verklaren uit hetgeen daarbij gedacht moet worden: „Tyrus en Sidon zullen ook schuldig worden bevonden; alleenlijk in een mindere mate dan gijquot;. De verantwoordelijkheid, welke uit de afwijzing van de genade voortvloeit, is geëvenredigd aan de grootheid van de aangebodene genade.

31

Vs. 15. De toon van Jezus verheft zich, als voor zijn geest die stad van Galilea opdoemt, welke het rijkst bedeeld is geworden bij deze uitstorting van genade, nl. Kapernaüm. Daar had hij zijn vaste woonplaats, zoodat men haar zijne stad noemde (Matth. 9:1); Hij had haar tot de wieg van het rijk Gods, tot het nieuwe Jeruzalem gemaakt. — Het

1) Fr. Menachoth, fol. 85, I. Saha Bathra, fol. 15, 1 (zie Gaspari, Chronol. geogr. JSinleitung in das Lehen Jesu Christi, bl. 76).

-ocr page 42-

10 : 13—1G.

is onbegrijpelijk, hoe sommige uitleggers de woorden: tot den hemel toe verhoogd in verband konden brengen met den bloeienden handel van Kapernaüm, en nog minder hoe Stier daarin een toespeling op haar ligging op een heuvel aan den oever van het meer heeft kunnen zien. De gedachte van Jezus beweegt zich in een hoogere sfeer. Hier is sprake van het voorrecht, dat Hij aan deze plaats heeft verleend, door haar te maken tot het middelpunt van zijn aardscho werkzaamheid. Tischendorf en Hovl-Wescolt nemen de lezing van eenige Alexandr. aan: w udiuófay: „zult gij tot den hemel toe verhoogd worden?quot; Antwoord: „Neen, gij zult tot de hel toe vernederd wordenquot;. Zelfs Weiss acht deze lezing volstrekt onaannemelijk („schlechterdings unpassendquot;), en met reden. De onderstelling die in deze vraag opgesloten zou liggen, dat Kapernaüm er aanspraak op zou kunnen maken, tot den hemel toe verhoogd te worden, wordt inderdaad door niets gemotiveerd. Naar alle waarschijnlijkheid is het naar het daaropvolgende KonxfrtooiaOmy ge

vormd; en wat het w betreft, het is misschien daaruit te verklaren, dat de eind-^ van Kapernaüm verdubbeld en met de volgende verbonden is geworden. Do Byz. lezing gt;}. . . tyuDrJutx, dal verheven zijl geworden, is volkomen duidelijk en eenvoudig. — Gelijk de hemel hier het zinnebeeld is van het hoogste voorrecht, dat de goddelijke genade verleenen kan, zoo is de hel eigenlijk de Hades, dat van de diepe vernedering, waartoe de mensch, die deze genade verwerpt, veroordeeld wordt. In het O. T. is zij de onderaardsche plaats, het verblijf van duisternis en stilte, waar alle aardsche werkzaamheid heeft opgehouden, en alle menschelijke grootheid in het niet terugzinkt (Ez. 13: 9 en verv.; Jes. 31 : 17 18; 32 : 19 en verv.). — De hedendaagsche reiziger, die do plek van Tel-Hum bezoekt, ziet daar rondom zich niets anders, dan ruïnen en distelen. Diepe stilte heerscht in dit eenzame en dorre veld, dat van de naburige hoogten naai den oever van het meer afdaalt. — In plaats van xxTxPifixr-dyay, gij zuil nedergeworpen worden, lezen de Valicanus en de Cantahrigiensis, zoowel bij Mattheus als bij Lukas, xxtx-

32

-ocr page 43-

10 : 13—16.

Pwtit O\'é zuM nederdalen. Ik acht het waarschijnlijk, dat de eene uitdrukking oorspronkelijk in het eene, en de andere in het andere Evangelie gevonden werd, de eerste in dat van Lukas, de tweede in dat van Mattheus (waar xxTafiwy eenige autoriteiten van den tweeden rang meer aan zijn zijde heeft). Dit feit doet duidelijk zien, welk een invloed do tekst van het eene Evangelie op dien van het andere heeft uitgeoefend op streng parallelle plaatsen zooals deze 1).

In het eerste Evangelie (Matth. 11 : 20—23) staat deze uitspraak midden in de Galileesche werkzaamheid, na de toespraak van Jezus naar aanleiding van het gezantschap van Johannes den Dooper, De aaneenschakeling van denkbeelden, die tot deze plaatsing geleid heeft, is gemakkelijk na te gaan. De onhoetvaardighcid van het volk tegenover de werkzaamheid van Johannes was het voorspel van zijn ongeloof tegenover Jezus. Maar het springt eveneens in het oog, dat deze smartelijke afscheidswoorden beter passen op het oogenblik, toen de werkzaamheid van Jezus onder hot Galileesche volk een einde nam, en Hij voor altijd deze streek verliet — dit is de stand van zaken bij Lukas — dan toen zijn arbeid in deze pi-ovincie nog in vollen gang was.

Vs. 16, Lukas vermeldt hier een uitspraak, waarmede Jezus op de tegenwoordige zending van de discipelen terugkomt, en die al deze voorschriften op uitnemende wijze besluit, doordat zij de beloften en bedreigingen, welke zij bevatten, plechtig bekrachtigt. Daar hetgeen de discipelen

33

1

Behalve de twee voornaamste varianten (ty of w en tjylicoQytry env^coQeiira, die ook bij Mattheus voorkomen, biedt deze nog een derde aan, die in 7 Bjz. oorkonden te vinden is, door Weiss — ik weet niet, waarom — voor onzinnig verklaard wordt, maar wel (zie Keil) de sleutel ter verklaring van de twee anderen zou kunnen zijn, nl. de lezing v) dat verheven zijt

geworden. De zin is dezelfde als die van de lezing w Uit dezen

vorm (uxpcóOys) kon gemakkelijk de vorm u\\póiflt;Ty ontstaan, doordat men, onder den invloed van het parallelle werkw. HUTccfiifioia-bfay, aan het einde een y er bij voegde, hetgeen aanleiding gaf tot de verandering van # in //m (misschien ook door de verdubbeling van de slot-// van het woord Ko£7:epvcioó(i). Aan den anderen kant kan oxpuifys gemakkelijk vxl/coóétra geworden zijn, als men het pron. relativum vf voor het artikel v aanzag

Godet , LnJcas. II. 3

-ocr page 44-

10 : 13—16.

verhaalden niets anders was, dan de mededeeling van de daden en de leer van Jezus, was het Jezus zelf, dien men hoorde en zag, als men naar den discipel luisterde. De houding, die men ten opzichte van den bode aannam, stond dus gelijk met die, welke tegenover Jezus werd aangenomen; en daar Jezus slechts deed wat de Vader Hem aanwees, en slechts sprak wat de Vader Hem leerde, was de houding die men tegenover Hem aannam, die, welke tegenover God-zelf werd aangenomen. Vgl. Matth. 10 ; 40—42 en Joh. 13:20, waar dezelfle gedachte op de werkzaamheid der Twaalven is toegepast, en 1 Thess. 4:8, waar zij toegepast wordt op do Evangeliepredikers in het algemeen. Zij past bij al deze omstandigheden, in de verschillende vormen, waarin zij uitgesproken is. Niets was geschikter, de 70 discipelen bij de vervulling van hunne taak te ondersteunen, dan het besef van haar gewicht; en dit besef kregen zij door dat woord.

2. Vs. 17—24; Do terugkeer der discipelen.

Jezus had den discipelen waarschijnlijk een bepaalde plaats opgegeven, waar zij weer bij elkander zouden komen. Achter v7rf(7Tpe\\pxv, zij keerden weder, moet niet worden gedacht: op de plaats, vanwaar Hij hen uitgezonden had, maar: tot Jezus, die zijn reis langzaam had voortgezet. Het was thans zijn voornemen, achtereenvolgens al de plaatsen te bezoeken, waar zijn komst aangekondigd was; vgl. het voor zich uit van vs. 1. Dit verhaal bevat dus niet het gebrek aan samenhang of de onwaarschijnlijkheden, die men beweerd heeft daarin te vinden.

Toen de discipelen terugkeerden, sprak Jezus met hen over den goeden uitslag hunner zending (vs. 17—20), en daarop volgde een uitboezeming van het hart, die men in zijn leven geheel eenig kan noemen, over den onverwachten, maar heerlijken gang van zijn werk.

34

-ocr page 45-

1Ü : 17—20.

Vs. 17—20. De blijdschap der discipelen.

Vs. 17—20. „En de zeventigen !) keerden met blijdschap weder, zeggende: Heer! zelfs de duivelen onderwerpen zich aan ous in uwen naam. 18. En Hij zeide tot hen: Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen. 19. Ziet, ik geef1) u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over al de krachten des vijands; en niets zal u kunnen beschadigen. 20. Doch verblijdt u niet daarover, dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verblijdt u2), dat uwe namen ingeschreven zijn 3) in de hemelen.quot;

De woorden mei blijdschap drukken den toon van dit gebeele gedeelte uit; do blijdschap der discipelen doolt zich mede aan het hart van Jezus, waaruit zij gelouterd en gereinigd weer uitstroomt (vs. 21 en verv.). — Op de belofte huns Meesters vertrouwende, waren do discipelen begonnen, de kranken te genezen door zijn naam over hen aan te roepen, en hoewel Jezus hun daaromtrent geen belofte gegeven had, zooals den apostelen (9 : 1), waren zij er spoedig toe gekomen, de ernstigste ziekte aan te taston, nl. de bezetenheid, en zij waren daarin geslaagd! Huune verrassing is groot geweest; zij drukken haar uit met de levendigheid eener nog geheel versche ervaring: „Heer, zelfs (o/) de daemonen onderwerpen zich aan ons (praesehs: vttotxtïitxi)quot;. Vs. 18. De uitdrukking Meapouv, ik zny, geeft niet oen

\'ó6

1

T. II. met AD en 11 Mjj. Syr. Just. Ir.: Pgt; C L X It pier; èedcoHx

2

T. R. leest hier //aAAow, met X alleen.

3

N H L X lezen svyeypxTrnxi in plants van eypatyy.

-ocr page 46-

10 ; 17—20.

visioen te kennen — Jezus heeft sedert zijn doop geen visioen meer gehad — maar een levendige aanschouwing. De twee feiten, wier gelijktijdigheid door het iraperf. ik zag wordt aangeduid, zijn de innerlijke waarneming van Jezus en de triomfen der discipelen: „Terwijl gij de dienaren uit-dreeft, zag ik den meester vallenquot;. Het schijnt, dat de aor. TreaóvTK hier de beteekenis heeft van het partic. praes. ttItttovtx, vallende. Maar het praesens zou de gelijktijdigheid van het zien van Jezus en het vallen van den Satan te kennen geven. Dit is echter niet de gedachte, die Jezus wil uitdrukken. De aoristus daarentegen drukt werkelijk de gelijktijdigheid van het zien van Jezus en de door de discipelen verrichte uitdrijvingen uit.

quot;Wat hebben wij te verstaan onder dezen val des Satans, dien Jezus gedurende de zendingsreis zijner discipelen aanschouwde? Volgens Hofmann zou daarmede bedoeld zijn de daad, waai\'door God den Satan na zijn opstand uit het hemelsche verblijf in de diepte heeft nedergeworpen; want deze val is de reden, waarom de daemonen niet bij machte zijn, weerstand te bieden, als men hun in den naam van God beveelt, hunne prooi te verlaten. Maar zou Jezus met de uitdrukking: „ik zagquot; zinspelen op een feit, waarvan Hij getuige is geweest in den tijd van zijn voorbestaan? In dit geval had Hij althans moeten zeggen: „Ik heb gezienquot;.

Verscheidene kerkvaders denken aan de nederlaag van den Satan, die met de menschwording van Jezus een aanvang nam; en Lange denkt aan den gedwongen terugtocht van den Satan, toen Jezus in de woestijn tot hem zeide: „Ga weg van mijlquot; Niets rechtvaardigt het aannemen van toespelingen op feiten, die zoo ver verwijderd zijn. Weiss, die zich strenger aan het textverband houdt, is van gevoelen dat bier enkel sprake is van uitdrijvingen, die de discipelen tot stand hebben gebracht, en die een einde maakten aan de macht van den Satan over de genezene bezetenen. Meyer is ongeveer van hetzelfde gevoelen; hij brengt de woorden „ik zagquot; in verband met het oogenblik, waarop Jezus de discipelen uitzond, terwijl Hij zich bij voorbaat van dezen

36

-ocr page 47-

10 : 17—20.

uitslag verzekerd hield. Deze opvatting komt mij voor, veel te bekrompen en bijna armzalig te zijn tegenover zulk een plechtig, zulk een buitengewoon woord als het hier door Jezus uitgesprokene. Het schijnt uit eene diepe overtuiging te zijn voortgevloeid. Terwijl zijne discipelen deze overwinningen behaalden, had Hij de bewustheid van den val van de macht, die de Satan nog altijd op de aarde bezat, zooals men bij het eerste uitbreken van een brand het geheele huis reeds in vlammen ziet Het komt mij voor, dat hier bepaald rekening moet worden gehouden met het feit, dat volgens de H. Schrift het voornaamste werk van den Satan op aarde het heidendom is. De afgodendienst is enkel te danken aan een soort duivelsche begoocheling, en is, zooals men hem genoemd heeft, „een bezetenheid in het grootquot;. Het is den Satan en zijn engelen gelukt, de aanbidding, welke God toekomt (1 Cor. 10 : 20), op zichzelf over te brengen, waaruit men evenwel niet de gevolgtrekking mag maken, die in de H. Schrift volstrekt geen steun vindt: dat iedere heidensche godheid een bijzonderen daemon voorstelt. Het is het einde van deze ontzaglijke verblinding, datJezus aanschouwt, terwijl Hij in den geest bij het werk zijner discipelen tegenwoordig is.

De hemel zou hier, evenals in vs. 15, het zinnebeeld van een hoogen toestand kunnen zijn; maar het is waarschijnlijker, dat deze uitdrukking, evenals het \'ev houpaviots, in de hemelsche plaatsen, van Efez. 6 : 12, een locale be-teekenis heeft en de hoogere sfeer aanduidt, van waar de Satan zijn macht uitoefent over de harten der menschen. In Openb. 12: 7—9 wordt het laatste bedrijf van dezen val, waarvan Jezus hier het begin aanschouwt, beschreven. Het beeld van den bliksem, die uitgaat, als hij valt, stelt een macht met een verblindenden glans voor, die eensklaps verdwijnt. Zoo heeft Jezus in den geest de macht des Satans als in een oogwenk zien verdwijnen voor de onbeduidend kleine schare, waarvan Hij zich bedient , om hem to bestrijden.

Vs. 19. Men zou dit woord eenvoudig kunnen beschouwen als de verklaring van de door de discipelen bewerkte ge-

37

-ocr page 48-

10 : 17—20.

nezingen, en wel met het doel, om deze womlermacht tegenover een nog grooter, wezenlijker en verblijdender voorrecht, dat van hunne eigene zaligheid (vs. 20), te stellen. Zoo wordt het door Hofmann opgevat. In dit geval moet men noodwendig mot de Alexandr. ik heb u gegeven,

lezen. „Gij hebt deze werken verricht, omdat ik u daartoe de macht heb gegevenquot;. Maar het liïoó, ziet, verzot zich tegen deze opvatting, daar het iets nieuws, iets verrassends aankondigt. Meijer en Weiss lezen ook het perf. SiSwxa; maar zij geven daaraan deze verschillende beteekenis: „De macht, welke ik u gegeven heb, overtreft verre die, welke in staat stelt, de genezingen te bewerken, waarover gij u verblijdt. Gij zult in de toekomst door middel daarvan veel grootere dingen kunnen doenquot;, nl. do vs. 19 beschrevene. Doze opvatting is mogelijk. Toch komt het mij voor, dat het iïov iets aankondigt, wat nog verrassender is, en dat dus de Byz. lezing ik geef u, de voorkeur verdient. De

zin daarvan is: „Gij hebt reeds eene groote macht ontvangen ; maar ziet ik geef u van nu af aan een veel grootere, nl. do macht om al de werktuigen van den Satan onder de voeten te treden en hier op aarde zijn rijk door het rijk Gods te vervangenquot;. Het perf. is waarschijnlijk daar

door ontstaan, dat men gemeend heeft, dat Jezus hier den discipelen slechts de daden van macht, die hen zoozeer verbaasd had, wilde verklaren. — Het beeld van de slangen en schorpioenen is aan Ps. 91 : 13 ontleend. Er is niet meer enkel sprake van bezetenen, die genezen moeten worden; de zendboden van Christus zullen spoedig blootgesteld zijn aan het gevaar van op allerlei wijzen geschaad te worden. De middelen, die Satan, hetzij in de natuur, hetzij in de menschelijke samenleving, daartoe gebruikt, worden hier door deze listige en boosaardige dieren vertegenwoordigd. De volgende, meer algemeene uitdrukking: en over alle macht des vijands beteekent: „en in het algemeen over . . .quot;, en omvat, nevens do uitwendige, de zuiver geestelijke middelen, waardoor de Satan het werk der dienaren van Christus kan belemmeren. Het hl, op, hangt niet af van irxTdv, treden.

38

-ocr page 49-

10 : 17—20.

maar van het subst. è^owrix, volmacht. — Te midden van al deze innerlijke en uitwendige werktuigen des Satans bewandelt de getrouwe dienaar onkwetsbaar zijn weg, zoolang zijn Meester over zijn werk tevreden is, en zijn dienst noodig heeft. Men denke aan de gevangenneming van Petrus door Herodes, aan de adder van Malta, aan den engel des Satans, die Paulus met vuisten sloeg, enz. In Mark. 16 : 18 vinden wij dezelfde belofte, een weinig anders uitgedrukt. — Het is weinig natuurlijk, otöiv, niets, tot een object van te maken, terwijl men hvvtxiti; t. syj. als subject opvat; ovlsv is eenvoudig het subject.

Vs. 20. En toch zouden de overwinningen, die zij reeds op den Satan hebben behaal!, en zelfs de nog grootere, welke Jezus hun toezegt, geen waarde voor hen zelf hebben, als zij niet op hunne persoonlijke behoudenis berustten. Men kan daemoenen uitgedreven en allerlei wonderen in den naam van Jezus verricht hebben, zonder het heil te bezitten; vgl. Matth. 7 : 22, 23. Men denke aan Judas! In dit geval verdwijnt alle reden om zich te verblijden over de werken, die men verricht, over de overwinningen, die men behaald heeft. Het prachtigste succes, de schitterendste welsprekendheid , stikvolle kerken, bekeeringen bij duizenden, geven in de werkelijkheid hem alleen het recht om zich te verblijden, die in waarheid tot zich zelf kan zeggen: Ik ben behouden. Het is dus om dit woord te rechtvaardigen, niet noodig, een nxXXov, veeleer, na zx\'P(T£ ^ gt; maar verblijdt u, er bij te voegen, zooals de T. R. met één enkel Mj. doet. — Het tt^v , alleenlijk, moet dienen, ons deze waarheid, welke veel gewichtiger is, dan hetgeen Jezus in vs. 19 als het ware toegegeven heeft, voor te behouden. Op het persoonlijk standpunt van den arbeider is deze reden tot blijdschap inderdaad do eenige, daar elke andere daarmede verdwijnt.— Het beeld van een hemelsch register, waarin de namen der verlosten onder de menschen vooraf opgeschreven zijn, wordt in het O. T. dikwijls gebruikt (Ex. 32 : 32—33; Jes. 4:3; Dan. 12 ; 1). Het is ontleend aan het feit, dat er oen register bestond, waarin alle Israëlitische families opgeschreven

39

-ocr page 50-

10 : 21.

waren. Maar de II. Schrift brengt menigmaal ook in her-innering, dat men kan worden uitgeschrapt uit dit boek, het zinnebeeld van het goddelijk raadsbesluit (Ex. 32 : 33; Jer. 17 : 13; Ps. 69 : 29; Openb. 22 : 19). Zoo wordt de menschelijke vrijheid naast de goddelijke voorwetenschap en roeping gehandhaafd. — De lezing hysypxTtrou, ingeschreven zijn, is waarschijnlijk vervangen geworden door de meer gewone uitdrukking ê?plt;x$v, geschreven zijn.

Vs. 21—24: De blijdschap van Jezus.

Het buitengewone karakter van dit oogenblik in het leven van Jezus blijkt uit deze nauwkeurige bepaling: In die eigene ure. Het is het uur, hetwelk zoo even werd voorgesteld als dat, waarin zijn discipelen tot Hem wederkeerden, en Hij de mededeeling van hunne ervaringen vernam. Deze onwetende visschers, deze eenvoudige landbewoners, deze arme lieden, die door de machtigen en de wijzen van Jeruzalem „een vervloekt gepeupelquot; (Joh. 7:49), „het\' ongedierte der aardequot; (volgens de llabbijnsche uitdrukking) genoemd worden, zijn dus de werktuigen, die God Hem geeft, om hier beneden het rijk des Satans omver te werpen! Misscliien had Jezus zichzelf menigmaal de vraag gedaan: Hoe zal een werk, dat door geen der ontwikkelden en machtigen in Israël gesteund wordt, kunnen slagen Het succes van de zending der 70 discipelen heeft Hem zoo-eveu het goddelijk antwoord gebracht: De geringen, ziedaar de nederige werktuigen, waardoor God besloten is, het grootste werk te verrichten. In deze beschikking, die het tegenovergestelde van de menschelijke verwachtingen, maar bewonderenswaardig groot is, herkent Jezus de wijsheid des Vaders en geeft hij zich over aan anndrang tot aanbidding.

Vs. 21. „En in die eigene ure, verheugde Hij \')

I) ï. H. leest hier a met AC en \'12 Mjj.; N 13 D S It. Syrcm laten

laten het weg.

40

-ocr page 51-

10 : 21.

41

zich in den geest1), en zeide: Ik loof u, Vadex-, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de oogen der wijzen en verstandigen verborgen , en ze den kinderen geopenbaard hebt; ja, Vader! dat alzoo uw welbehagen is geweest.quot;

Als men met den T. R. kort-weg 7rveij,u,xTi leest, dan is de natuurlijke zin: in den geest. In dit geval wordt de geest van Jezus-zelf bedoeld, als bestanddeel zijner menscbe-lijke persoonlijkheid; vgl. 1 Tbess. 5:23, Hebr. 4:12)Rom. 1:9. De geest verschilt in dezen zin van , de ziel, daar deze de zetel is van de aandoeningen, die met bet natuurlijke leven in verband staim (Joh. 12 : 27), terwijl de geest het orgaan is van die, welke op de goddelijke belangen betrekking hebben; want de geest is in de menscbelijke ziel bet orgaan van het verkeer met de hoogere wereld. Bij Maria hebben wij, op het oogenblik, toen zij haar lofzang aanhief, een gemoedsbeweging van denzelfden aard gezien als die, welke zich op dit oogenblik bij Jezus openbaart; vgl. 1 : 46 en 47. Toen is ook hetzelfde werkw. xyxAAiaaêai gebruikt, ter aanduiding van het innerlijk opspringen van vreugde van de ziel, die in onmiddellijke aanraking met het goddelijk wezen is. Joh. 11 : 33 spreekt over een niet minder diepe, maar tegenovergestelde beweging in den geest van Jezus; het daar gebruikte werkw. is êiAfipi/txróxi ,■ sidderen van ontzetting. Volgens den Sinaïticus zou men sv vóór TTvsv^xTi moeten lezen, en zou er tc? xyiy op volgen; in dit geval zou er sprake zijn van den Heiligen Geest. Maar van den doop van Jezus af is mij geen enkel geval bekend, waarin op bijzondere wijze melding gemaakt wordt van de werking van den H. Geest op Hem. De eenheid tusschen

1

T. R. leest met A 13 C en 1\'2 Mjj. Tiji wevnccri, in plaats van ev ru TrvsuiteiTi, dat O en 3 Mjj. lezon. — Verder lezen ^BCD eu 5 Mjj. It. Syr. TM ccyiM na Trvevfixn,

-ocr page 52-

10: 21.

zijn geest en den Geest van God is zonder twijfel van dat oogenblik af zoo volkomen en zoo bestendig geweest, dat er geen plaats overbleef voor zulk een plotselinge en kortstondige werking. De woorden èv en xyia waren dus oorspronkelijk randglossen, die langzamerhand in den tekst gekomen zijn. Wij moeten er echter bijvoegen, dat Lukas, over den geest van Jezus sprekende, hem niet heeft willen afscheiden van den goddelijken Geest, die Hem vervulde. — De machtige werking der uitwendige gebeurtenissen op het hart van Jezus, die wij hier aanschouwen, doet duidelijk zien, dat zijn menschheid ernstig gemeend is in onze Evangelische verhalen.

Het werkw. H-oftokoyelaêxi, dat eigenlijk verklaren, belijden, beteekent, staat in de LXX voor imii, loven (Gen. 29:35). Het drukt uit, dat Jezus met vreugdevol vertrouwen des harten in de goddelijke beschikking berust. — Het woord Vader hoeft betrekking op de bijzondere liefde van God, waarvan Jezus zich het voorwerp gevoelt in den loop van zijn werk, en het woord Heer, op de verheven souvereiniteit, waarmede God, die Heer is van het heelal, wanneer het Hem behaagt, van alle menschelijke voorwaarden tot welslagen afziet, en het gelukken zijner plannen alleen aan zich zeiven te danken heeft. — Dikwijls meent men, dat de dankzegging van Jezus enkel betrekking heeft op het tweede van de twee feiten, die vermeld worden in hetgeen volgt. De zin zou dan zijn; „dat Gij, terwijl Gij verborgen hebt..., geopenbaard hebt...quot; De daad der openbaring zou het eenige voorwerp dezer lofprijzing zijn. Een dergelijke vorm is wel is waar in Jes. 50 : 2 en Hom. 6:17 te vinden. Maar met Weiss ben ik van gevoelen, dat men op deze wijze niet de geheele diepte der gedachte van Jezus bereikt. God heeft door de wijze, waarop Hij het werk van Jezus in Israël bestuurde, getoond, dat Hij de medewerking der bekwame staatkundigen en wijze wetgeleerden in Jeruzalem beslist niet wilde. Men herinnere zich het woord over de oude en de nieuwe lederen zakken (5 : 36—38), indien wij het ten minste goed begrepen hebben. De Heer moest

42

-ocr page 53-

10 : 21.

43

werktuigeu hebben, die uitsluitend in zijn school waren gevormd en geen andere wijsheid hadden, dan die, welke Hij-zelf hun van wege den Vader had medegedeeld (Joh. 17 : 8). De Rabbijnen van Jeruzalem zouden niet hebben kunnen nalaten, hunne eigene wijsheid in het goddelijk onderwijs te mengen. Daarom heeft Hij het heil aangeboden in een vorm, waarin slechts de nederigen en de kleinen het zich kunnen toeëigenen. Als Jezus ooit besluit, een geleerde tot het apostelambt te roepen, zal Hij hem eerst gebruiken, nadat Hij hem verootmoedigd heeft door de ervaring van zijn dwaasheid. Met een heilige vreugde getuigt Jezus op dezen dag van de uitnemendheid van dezen gang, die God aan zijn werk gegeven heeft, en het zijn deze eerste zichtbare resultaten, die Hij verheerlijkt in een vreugdevolle aanbidding. Wie zou het verwacht hebben? De grootste en heilzaamste omwenteling in de wereldgeschiedenis wordt tot stand gebracht door menschen, die tot hiertoe nauwelijks werden medegeteld in de •wereld! Paulus had dezelfde ervaring bij de stichting van de Corinthische gemeente (1 Cor. 1 : 25), en hij geeft de reden op (vs. 29 en 31), waarom God deze methode volgt. Aan den eenen kant worden de wijzen, die, als men hen gebruikt had, in de verzoeking zouden zijn gekomen, te roemen, daardoor vernederd, dat men hunne wijsheid niet noodig heeft; en aan den anderen kant kunnen de kleinen, die het Gode behaagt, tot zijn werktuigen te maken, zich over dit voorrecht niet verhoo-vaardigen, daar zij zich van hunne onwetendheid bewust zijn. — Met recht vestigt Hofmann er de aandacht op, dat het artikel vóór de woorden troQiïv en euverüv, wijzen en verstandig en, ontbreekt. De zin is: wijzen (niet de wijzen) en verstandigen (niet de verstandigen). De uitsluiting is in dezen vorm niet absoluut. Er kunnen onder hen gevonden worden, die, in hunne eigene oogen onwetend en arm wordende, op deze wijze tot de categorie der kinderen komen te behooren; en omgekeerd kunnen er zeer verwaande en in hunne eigene oogon wijze onwetenden zijn, aan wie Gol niets zal openbaren; daarom is het artikel ook vóór vijttIoi;

-ocr page 54-

10 : 21.

weggelaten. — Het ravroi, deze dingen, doelt natuurlijk op de nieuwe openbaring van de goddelijke dingen (vs. 22), die in den persoon en door het onderwijs van Jezus geschiedt.

Deze goddelijke handelwijze is zoo vreemd, zoo onverwacht, dat Jezus haar nog eens uitspreekt, terwijl Hij haar met een nieuwe aanbidding verheerlijkt. Hij vat haar samen in het woord outcos, ahoo. Het vxlt ja, drukt op krachtige wijze uit, dat het kinderlijk hart van Jezus dezen gang van zaken goed vindt. De nomin. o ttxtw, dat in plaats van den vocat. ■n-drep staat (in den vorigen zin), heeft een qualitatieve be-teekenis: „Gij, die als Vader jegens mij handelt, door op deze wijze mijn werk te besturenquot;. — Het \'o\'n wordt door velen in de beteekenis van omdat opgevat; Jezus zou zijn lofprijzing motiveeren. Doch in werkelijkheid wordt zij door hetgeen daarop volgt niet gemotiveerd maar herhaald. Daarom is het beter, öti in de beteekenis van dat op te vatten, en het ook nog van „ik loof Uquot; te laten afhangen. „Ja, ik loof U, dat het U behaagd heeft, aldus te handelenquot;. — De uitdrukking luhxhx s/urrpixróéu sou is Hebreeuwsch; zij komt overeen met het mm psnb (Ex. 28 : 38). Jezus verblijdt er zich over, dat „God in zijn raadsbesluit de kennis des heils niet van de mate van het weten en van de natuurlijke schranderheid des menschen afhankelijk heeft gemaaktquot; (Hofmann). Gess vat den inhoud van dit vers zeer juist te zamen in deze worden; „Op den hoogmoed van het verstand wordt met verblinding geantwoord; op den eenvoud des harten, die naar de waarheid verlangt, met openbaringquot;. — De volgende woorden moeten dienen, om het welslagen van deze gedragslijn te verklaren.

44

Vs, 22 \'). „Alle dingen zijn mij door mijnen Vader overgegeven, en niemand weet, wat de Zoon is,

1) T. B. laat hier, met H B D L M E n Itpler Syrcur, de woorden y.xi (rrpx-yrpos tovs fxccQyTOit; uttsv weg, die door AO en 11 Mjj. Syrsch gelezen worden.

-ocr page 55-

10 : 22.

dan de Vader, en wat de Vader is, dan de Zoon, en hij, wien de Zoon het wil openbaren.quot;

De woorden: En zich tot zijne discipelen gewend hebbende, zeide Hij, die de T. R. met de Alexandr. weglaat, worden wel door Tischendorf en Meyer verdedigd, die beweren, dat de weglating daarvan te danken is aan de parallel bij Mat-theus, maar zij moeten toch als onecht worden beschouwd. Hoe zou men toch de uitdrukking: zich gewend hebbende moeten verstaan? Meyer zegt: Jems wendt zich van God tot de menschen; want van dit oogenblik af houdt Hij op, te bidden. Maar zou de uitdrukking: „zich wendenquot; hier op haar plaats zijn in deze beteekenis ? Weiss daarentegen meent, en met meer reden, dat het feit van het ophouden van het gebed aanleiding heeft gegeven tot de interpolatie van die woorden. Ook zou het kunnen zijn, dat zij te danken is aan het xxt\' Id/zv, in hel bijzonder, van vs. 23, dat een onderscheid scheen te maken tusschen een eerste, meer algemeene mededeeling aan al de getuigen van het tooneel (vs. 22) en een geheel vertrouwelijke openbaring aan de discipelen alleen (vs. 23). Dit is een van de weinige gevallen, waarin de T. II. afwijkt van de 3de uitgave van Stephanus, die deze woorden heeft opgenomen.

De vreugdevolle uitstorting des harten van vs. 21 duurt nog voort; maar de eerste levendige indruk gaat nu over in een kalme overdenking. Nadat de aanbidding Jezus als in den schoot des Vaders heeft overgebracht, dompelt Hij zich daarin, en zijn woorden worden als een echo van de vreugde van het eeuwige zoonschap.

Het verband met het voorgaande is dit: De werktuigen van Jezus mogen de zwakheid en de onwetendheid zelve zijn, toch is het de wil des Vaders, dat alle dingen den Zoon zullen onderworpen worden. Daaruit zijn de pas verkregene resultaten te verklaren, die het voorspel zijn van de toekomstige overwinningen en van de eindelijke verovering van alle dingen. Verscheidene nieuwere uitleggers, Keim, Weiss e. a., brengen de woorden: Alle dingen zijn mij overgegeven slechts

45

-ocr page 56-

10 : 22.

met het geestelijk gebied, met het bezit en de mededeeling var van de kennis van God, in betrekking. En hetgeen volgt bel kan werkelijk er toe leiden, den zin van dit woord op deze Ge. wijze te beperken. Maar men moet het uitgangspunt van ma deze rede van Jezus niet vergeten; het werk der discipelen en de door hen verrichte genezingen. Daar was niet enkel ell sprake van het geven van onderwijs, maar eveneens van een on ontplooiing van kracht; en hoeveel meer moet dit niet het en geval zijn, als het de vernietiging van het rijk des Satans za op aarde geldt, waarvan Jezus hun zooeven het heerlijk w( vooruitzicht geopend heeft? Eischt het verband met hetgeen ge volgt, dat de uitdrukking alle dingen in geestelijken zin w wordt opgevat (de kennis van God en de dingen Gods), het le verband met hetgeen voorafgaat eischt niet minder gebiedend, k dat zij in een geheel algemeenen zin wordt verstaan, die d bovendien blijkbaar de natuurlijke is; vgl. Matth. 28 : 18 en d Joh. 17 : 2. Zonder twijfel zal de oprichting van het rijk \'/ Gods door Jezus op de volmaakte kennis van het goddelijk h wezen berusten, een kennis, die Hij alleen bezit, en aan de n menschen mededeelt. Maar deze openbaring gaat gepaard 1 met de macht, waardoor Hij de zielen, en daardoor de \' wereld en alle dingen, verovert. God te kennen, is ingewijd s te worden in zijn plan, met Hem te denken, en bij gevolg 1

ook te willen wat Hij wil. En te willen wat God wil, en zich als zijn werktuig aan zijn dienst te wijden, is het geheim van het deelgenootschap aan de goddelijke almacht. Dit woord van Jezus herinnert aan het antwoord , dat Hij Pilatus gaf (Joh. 18:37), waarin Hij het getuigenis, dat Hij aan de waarheid gegeven heeft, voorstelt als het middel tot vestiging van zijn rijk. Men moet daarom aannemen, dat Jezus bij de woorden: „Alle dingen zijn mij overgegevenquot; gedacht hoeft aan een uitwendige heerschappij, die in zijn oogen met zijn geestelijke heerschappij nauw samenhangt,

niet alleen als gevolg, maar ook als middel, daar de macht, die weldra aan den verheerlijkten Christus gegeven zal worden, de blijvende steun der kerk zal zijn bij de vervulling van haar taak in de wereld. Overigens mag men uit dit woord

46

-ocr page 57-

10 : 22. 47

van Jezus niet het besluit trekken, dat alle menschen tot bekeering zullen komen. Want overgegeven beteekent, zooals Gess opmerkt niet alleen „tot behoudenis toevertrouwdquot;, maar ook „tot het oordeel overgegevenquot;.

Het Kxi, en, dat de twee gedeelten van het vers aan elkander verbindt, kan aldus omschreven worden; „En wel, omdat...quot; De volmaakte kennis van God, welke Jezus bezit en mededeelt, is de sehepter, waaraan het heelal zich eindelijk zal moeten onderwerpen. — Ten opzichte van de volgende woorden bestaat er tusschen Lukas en Mattheus tweeërlei vrij gewichtig verschil in de redactie. Mattheus gebruikt het werkw. IxiyivciaKsiv, door en door kennen, den vinger op iets leggen. Lukas bezigt het eenvoudige •yivcóak.siv, dat minder krachtig is; maar bij vergoedt dit tekort door de uitbreiding, die hij aan het object daarvan geeft, door onmiddelijk van den vorm tU ïttiv, „hoedanig de Vader isquot;, „hoedanig de Zoon isquot;, d. w. z.: wat God als Vader is voor dien, die het geluk heeft, Hem als zoodanig te kennen, en wat de naam Zoon inhoudt voor Hem, die zich zoo door den Vader hoort noemen; m. a. w.: wat de Vader ten opzichte van den Zoon, en de Zoon ten opzichte van den Vader is. De verschillende vormen, die hier door de twee Evangelisten gebruikt zijn, hebben dus in den grond der zaak dezelfde iieteekenis, daar Lukas door deze omschrijving teruggeeft wat Mattheus door het ivrl uitdrukt. Alleen kan men een ietwat meer didactische tint bespeuren in den vorm van Mattheus, terwijl die van Lukas meer tot het gebied van het gevoel behoort, In ieder geval zijn deze twee vormen verschillende en van elkander onafhankelijke pogingen, om den oorspronkelijken Arameeschen vorm terug te geven. Deze was zonder twijfel de met het Latijnsche cognoscere de overeenkomende uitdrukking bi\' y-p (Job 37:16), die niet enkel de uitwendige kennis van het object, maar ook zijn innerlijke doorgronding door het subject te kennen geeft.

De volgende woorden van Jezus bevatten drie gedachten. De eerste is: dat er in zijn Zoonschap een verborgenheid ligt, die alleen de Vader doorgrondt; de tweede: dat de

J

-ocr page 58-

10 : 22.

volkomene kennis van den Vader een schat is, dien de Zoon alleen op volmaakte wijze bezit; de derde: dat niemand in deze kennis van den Vader kan worden ingewijd, buiten den Zoon om. De twee eerste zinnen geven de reden te kennen, waarom de Vader alle dingen aan den Zoon beett overgegeven, en de derde, die uit de twee eerste voortvloeit, voert de gedachte tot den feitelijken toestand terug. Want zij, die de Zoon bereid is, in de kennis van den Vader in te wijden, zijn juist de discipelen, die Hij pas kleine kinderen, of onmondig en genoemd heeft, en „wien het Gode behaagd heeft, deze dingen te openbarenquot;. Zoo vormt deze rede een samenhangend geheel, dat volkomen in overeenstemming is met de gelegenheid, die daartoe aanleiding heeft gegeven.

Het artikel vóór de woorden Vader en Zoon geven aan de betrekking, die zij uitdrukken, een geheel eenig, wezenlijk en absoluut karakter, dat niet toelaat, haar op dezelfde lijn te stellen met de andere betrekkingen, welke somwijlen door die zelfde woorden worden aangeduid, zooals die tusschen God en de menschen, of de vrome Israëlieten, of de theocratische koningen. Is God Vader voor zekere wezens, het is, omdat Hij de Vader is in absoluten zin, hetgeen een wezen onderstelt, dat voor Hem in absoluten zin de Zoon is. Zelfs het begrip van de Messiaansche waardigheid put, zooals Weizsdcker erkent, den inhoud van dat woord niet uit, Het woord Zoon kan, zooals deze geleerde zegt, slechts de uitdrukking van het persoonlijke leven van Jezus zijn; er is geen sprake van zijn gehoorzaamheid, noch van de bescherming, die Hij van den kant van God geniet, maar van die eenheid met God, welke zijn waar „ikquot; kan worden genoemd (Untersuch., bl. 434). Men heeft het weleer vreemd gevonden (zie vooral Keim, H, bl. 380 en 381), dat Jezus de uitsluitende kennis van den Zoon door den Vader vóór die van den Vader door den Zoon stelt. Keim meent, dat Jezus niet op deze wijze kan hebben gesproken, en hij geeft de voorkeur aan de omgekeerde orde. Het is een feit, dat in de geschriften der Gnostieken {Mardon, de Marcionieten, de Clementinische homilieën), en zelfs in de aanhalingen

48

-ocr page 59-

10 : 22. 49

van deze plaats bij verscheidene kerkvaders {Juslinus, Ire-naeus, Tertullianus, Epiphanius), die twee zinnen meermalen in omgekeerde orde voorkomen. Maar dit neemt niet weg, dat de kanonieke lezing, uit een critisch oogpunt beschouwd, vast staat; ook is zij het meest in overeenstemming met het verband en met den aard der zaak. De diepste reden, waarom de Vader den Zoon alle dingen onderworpen heeft, is niet de kennis, welke de Zoon van Hem heeft, maar die, welke Hij-zelf heeft. In denzelfden zin zeide de voorlooper aangaande Jezus: „De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijn handen overgegevenquot; (Joh. 3: 35). Liefhebben en kennen zijn eigenlijk slechts twee zijden van dezelfde geestelijke zaak. God geeft alle dingen den Zoon over, omdat Hij Hem als den Zoon kent en Hem als zoodanig liefheeft. De betrekking van den Vader tot den Zoon is de grondslag van de betrekking van den Zoon tot den Vader, niet omgekeerd. Het is opmerkelijk, dat Jezus niet spreekt over een openbaring, die de menschen van den Vader aangaande het wezen van den Zoon hebben ontvangen. Misschien ligt zulk een openbaring, zooals Meyer meent, stilzwijgend opgesloten in de kennis van den Vader, waarin de Zoon de menschen inwijdt. Doch ik houd het voor waarschijnlijker, dat Jezus door dit stilzwijgen heeft willen aanduiden, dat het bestaan en het wezen van den Zoon een verborgenheid is, welke niet behoort tot de openbaring, die door middel van zijn verschijning aan de menschen geschonken is, dat het een geheime en, als men zich zoo mag uitdrukken, intra-goddelijke zaak is, die God alleen kan peilen. De uitdrukking t/? iffTtv, hoedanig de Zoon is, heeft niet enkel betrekking op het zedelijk leven van Jezus, daar dit niet door God-alleen gekend wordt. De Zoon openbaart het, evenzeer als de zedelijke natuur des Vaders, door zijn ge-heele leven aan de wereld, en inzonderheid aan de geloovigen (Joh. 14 : 19). Hier is sprake van zijn eigenlijke wezen, van het geheimzinnig bestaan van een „ikquot;, dat Zoon is, in God.

De tweede gedachte staat met do eerste in onderling ver-

Godht, LuJcas. u. 4

-ocr page 60-

10 : 22.

band. Gelijk het wezen des Zoons voor het oog des Vaders y geen geheim bevat, zoo bevat ook dat des Vaders geen ge- y heim voor het oog des Zoons. De hier beschrevene, vol- d komen weêrgalooze levensgemeenschap is slechts mogelijk onder voorwaarde van volkomene wederkeerigheid. Het ver- t schil van positie, dat door de woorden Vader en Zoon wordt t uitgedrukt, lost zich op in een volmaakte eenheid van denken ^

en willen. Bij de oude schrijvers, die dit woord van Jezus aanhalen, vindt men dikwijls den aor. tyva, heeft gekend, ]

in plaats van het praesens. Dit was, zooals wij weten, de lezing, die o. a. door Marcion werd aangenomen. Zonder twijfel was zij naar zijn zin, omdat hij haar gebruiken kon,

om te bewijzen, dat Jezus de kennis van God aan de heiligen en de profeten van het O. T. onthouden had. Toch bewijst het praesens kent in den grond hetzelfde, als men het in een absoluten zin opvat. De eigenlijke beteekenis van deze uitdrukking is dezelfde als die van het woord zien in de uitspraak: „Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft ons Hem doen kennenquot; (Job. 1 : 18). De kennis, die de mensch buiten Jezus Christus om van God heeft, is een niet-kennen in vergelijking met de volmaakte kennis van den Vader, welke het uitsluitend voorrecht des Zoons is.

De derde zin wil niet te kennen geven, dat de Zoon hun,

die Hij goed vindt, in zijn eigen kennis van den Vader in te wijden, de ganscbe volheid van de kennis, die Hijzelf bezit, mededeelt; er zijn graden in deze mededeeling. Hij laat hen trapsgewijze deelnemen aan het kinderlijk bewustzijn, dat Hij van den Vader heeft, en dat als de zon zijner ziel is. De woorden u sccv fiouyvrxi duiden de volle vrijheid aan, waarmede de Zoon deze schat der kennis van den Vader uitdeelt; zij herinneren aan het ou? óéhsi, die Hij tvil, van Joh. 5: 21. Met die woorden komt Jezus tot de discipelen, die Hem omgeven, terug, en zich bepaaldelijk tot hen wendende, besluit Hij deze merkwaardige oogenblikken, die eerst aan aanbidding, en daarna aan een stille overpeinzing gewijd waren, met een toespraak van den meest

50

-ocr page 61-

10 : 22.

vertrouwelijken aard, die ten doel had, hen de grootheid van de dingen, die thans geschieden, en waarvan zijzelven de werktuigen zijn, te doen gevoelen.

Na zulke uitspraken kunnen wij geen wezenlijk verschil tusschen den Jezus der Synoptici en dien van Johannes toegeven. Men ontwaart, dat, zoowel volgens dezen als volgens gene, het bestaan des Zoons even essentiëel tot dat des Vaders behoort, als het bestaan des Vaders tot dat des Zoons, hetgeen in zich sluit, dat de eeuwigheid van den een die van den ander met zich medebrengt

Deze woorden, vs. 21—22, die, zooals wij gezien hebben, zoo volkomen in den historischen samenhang van Lukas passen, staan bij Mattheus (11: 26 en 27) na de aan de Galileesche steden gerichte waarschuwing en de rede over Johannes den Dooper. Ik kan niet begrijpen, dat er critici zijn, die deze plaatsing boven die van Lukas verkiezen. Gess weet den samenhang bij Mattheus op geen andere maaier aan te wijzen, dan door aan te nemen, dat Jezus hier de discipelen, niet tegenover de wijzen en geleerden van Jeruzalem, maar tegenover de ongeloovige bevolking van Galilea stelt, en door het woord niemand in vs. 27 aldus te omschrijven: Niemand, zelfs Johannes de Dooper niet.quot;

1) Seville herleidt den zin dezer woorden tot niet veel bijzonders. Jezus zou op zekeren dag op een weemoedigen toon hebben gezegd! ,,God alleen leest in de diepten mijns harten, en ik alleen ken Hom.quot; En onder den invloed van een „latere theologiequot; zou deze „geheel natuurlijkequot; gedachte den vorm hebben aangenomen, waarin wij haar hier vindon (II is l oir e du dogme de la divinité de J. O., bl. 17). Het bewijs daarvan is, volgens Réville, dat die uitspraak in haar tegenwoordigon vorm den draad der rede afbreekt. Wij hebben gezien, dat dit geenszins het geval is, en dat zij, integendeel, geheel in den samenhang blijft; en do nauwkeurige bestudeering van de betrekking tusschen den vorm van Lukas en dien van Mattheus hoeft ons tot een Araraeesohe en volkomen oorspronkelijke bron van het bericht gevoerd. — Uénan meent, dat wij hier te doen hebben met eon latere inlassching, die het Johanneïsche type iu het synoptische systeem invoerde. Maar hoe zou zulk een inlassching in twee verschillende goaehrifton en in al de Handschriften en al de vertalingen daarvan gekomen zijn, en dat nog wol met de verschillen, die wij gevonden hebben, en die uit het Arameesch te verklaren zijn?

51

-ocr page 62-

10 : 23—24.

Het is gemakkelijk in te zien, hoe gekunsteld deze antithesen zijn, en dat zij enkel bedacht werden, om te beproeven, de plaats te rechtvaardigen, die in het eerste Evangelie aan deze woorden is aangewezen. Mij komt het voor, onbetwistbaar te zijn, dat de samenhang bij Lukas de voorkeur verdient. Bij Mattheus vinden wij hier weder dezelfde methode, die wij in zijn geheele Evangelie aantreffen, van nl. uitspraken van Jezus bij elkander te voegen.

Vs. 23—24. „En zich tot de discipelen wendende, zeide Hij tot hen in het bijzonder1): Zalig de oogen die zien, hetgeen gij ziet! 24. quot;Want ik zeg u, dat vele profeten en koningen begeerd hebben, te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.quot;

52

Hoe hoog ook het denkbeeld was, dat de discipelen zich vormden van den persoon en het werk van Jezus, waren zij toch nog verre van deze verschijning op den rechten prijs te stellen. Jezus zocht hun de oogen te openen, maar spreekt daarbij met zachte stem tot hen. Het is een geheim, dat Hij hun toevertrouwt. Hij zelf is die volkomene openbaring van den Vader, waarnaar de beste menschen van het O. V. verlangend hebben uitgezien! Dit laatste woord besluit dit gedeelte op uitnemende wijze. Wij vinden deze zelfde uitspraak in Matth. 13 ; 16 en 17, waar zij toegepast is op het onderwijzen door middel van gelijkenissen. De uitdrukking: „Hetgeen gij hoortquot; zou des noods deze toepassing kunnen toelaten; maar de woorden: „Hetgeen gij , die ook bij Mattheus voorkomen, beslissen ontegenzeggelijk ten gunste van den stand van zaken, dien wij bij Lukas vinden; Weiss aarzelt niet, dit te erkennen. — De

1

U It. Syr cur laten de woordeu xar\' weg.

-ocr page 63-

10 : 23-24.

schoone plaats: „Komt herwaarts tot mij.. die bij Mattheus (11 : 28—30) deze geheele rede besluit, heeft Lukas niet. Zou hij deze mededoogende uitnoodiging aan de vermoeide en beladene harten, die geheél in overeenstemming is met den geest van zijn Evangelie, hebben weggelaten, als hij haar gekend had? Holtiman meent, dat Lukas, als goed Paulinist, het ten eerste aanstootelijk heeft gevonden, dat de uitdrukking TXTravó?, nederig, op den persoon van Christus werd toegepast, en de woorden juk en last, die aan de Joodsche wet herinnerden, hem bovendien tegen de borst hebben gestuit. Maar hoe is het mogelijk, tegenover woorden zooals Luk. 22 : 27: „Ik ben in het midden van u als een, die dientquot; en 16 : 17: „Het is lichter, dat de hemelen en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel der wel vallequot; dergelijke argumenten te berde te brengen? Weiss erkent ronduit de nietigheid daarvan. En hoe verklaart hij deze weglating? „De overgang van de samenspreking van Jezus met God en met zichzelf tot de toespraak, die tot het volk werd gericht, scheen den Evangelist te hard toequot;. Ik moet bekennen, dat ik dit in het geheel niet vat.

Dit gedeelte is een van die, welke de nieuwere critiek het meest mishandeld heeft. Volgens Baur heeft Lukas deze uitzending van de 70 discipelen verzonnen, om die der Twaalven te verkleinen en die van Paulus en diens medearbeiders, wier voorloopers de zeventigen als het ware zouden zijn, te verheerlijken. Met dit doel voor oogen, is Lukas zelfs zoover gegaan, dat hij voorbedachtelijk een gedeelte van de voorschriften, die bij Mattheus aan de Twaalven gegeven zijn, op die 70 discipelen heeft toegepast. Dit gevoelen zou bevestigd worden door het feit, dat de andere Evangelisten over de uitzending van deze geen enkel woord zeggen. Holhmann schrijft Lukas geen opzettelijk bedrog toe. Hij verklaart de zaak aldus: Nadat Lukas (9 : 1—6) de uitzending van de Twaalven volgens den Ur-Markus, een van zijn twee bronnen, medegedeeld had, vond hij in de andere, de Logia, de groote, tot de Twaalven gerichte instructie-rede, die in Matth, 10 te vinden is; en daar hij

53

-ocr page 64-

10 : 23—24.

meende, tlat hier van een ander feit sprake was, bedacht De hij, om daarvoor eeu geschikte aanleiding te vinden, de collei zending van de 70 discipelen. Weiss is ongeveer van het- voort zelfde gevoelen. — Maar Baur verklaart ons niet, hoe het maai komt, dat Lukas, na de zending der 70 discipelen verzonnen ^et te hebben, om de Twaalven te verkleinen, hen zoowel in het D overige gedeelte van het Evangelie als in de Hand. der mee Apostelen geheel en al vergeet, en verder alleen over de van Twaalven spreekt, die tot aan Jeruzalem het gevolg van Jezus van uitmaken en na het Pinksterfeest in zijn naam handelen. Als men zich aan een dergelijk bedrog schuldig maakt, dan doet men het met het doel, er partij van te trekken. —

Heeft Lukas de zending dor Twaalven willen verkleinen?

Maar hoe komt het dan, dat, terwijl Mattheus met geen enkel woord over den uitslag van deze zending spreekt (Hoofdst. 10, slot), Lukas er behagen in schept, dien uitslag h( uitdrukkelijk te beschrijven (Hoofdst. 9:6)? Wat zou deze oi critiek zeggen als het omgekeerde het geval was? Wat het 1( gevoelen van Holhmann en Weiss betreft, het is onvereenig- v baar met Matth. 10: 1, waar wij zien, dat in de Logia de e zending der Twaalven uitdrukkelijk voorgesteld werd als die, \\ waarvoor de instructie-rede, die in datzelfde lO11® Hoofdstuk voorkomt, bestemd was. De schrijver van den kanonieken Mattheus heeft zich hierin niet vergist; en indien Lukas deze rede aan de Logia ontleend had, dan moest hij ook,

evenals Mattheus, gezien hebben, dat zij tot de Twaalven gericht was. Verder, als Lukas een uitzending van discipelen verzonnen heeft, om van deze rede gebruik te kunnen maken, van waar heeft hij dan het juiste aantal 70? Heeft hij het ook verzonnen? Bovendien is het een feit, dat in een geschrift uit de 2de eeuw {Recognit. Clem., I, 24), welks auteur oen verbitterde tegenstander van het Paulinisme is.

Petrus de volgende woorden in den mond worden gelegd:

„Eerst heeft Hij ons, de Twaalven, gekozen, die Hij apostelen genoemd heeft, en daarna heeft Hij nog 72 andere discipelen uit de getrouwsten gekozen.quot; Is dit niet een waarborg voor de historische waarheid van het bericht van Lukas ?

54

-ocr page 65-

10 : 23—24.

De oude kerkgeschiedschrijvers hebben zonder twijfel dit college der zeventigen een weinig misbruikt, door al de voortreffelijke mannen der oudste kerk daartoe te rekenen; maar zelfs dit misbruik is een bewijs voor de waarheid van het feit.

Deze onvergelijkelijk schoone en verhevene afdeeling is het meesterstuk van Lukas, gelijk het verhaal van de genezing van het maanzieke kind dat van Markus, en de beschrijving van het verhoor van Jezus voor Pilatus dat van Johannes is.

IV. 10 : 25—27. Het gesprek met den schriftgeleerde en de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.

Jezus zet zijn reis voort, terwijl Hij op elke plaats stil houdt. Tooneelen van de grootste verscheidenheid volgen op elkander zonder innerlijken samenhang en zooals de gelegenheid ze met zich medebrengt. Weiisclcker, die uitgaat van het denkbeeld, dat de lijst niet historisch is, zoekt hier een systematisch plan, en meent te kunnen aanwijzen, naar welke orde de stof gerangschikt is. De gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan zou hetzelfde doel hebben als de uitzending van de 70 discipelen, nl. het recht der Evangelisten te bewijzen, tot welke nationaliteit zij ook mogen behooren. Maar waar is in deze gelijkenis zelfs de geringste aanduiding te vinden van een verband tusschen het werk van den barmhartigen Samaritaan en het ambt der Evangelisten in de apostolische kerk? Hollzmann meent, dat Lukas in hetgeen volgt twee verschillende berichten gecombineerd heeft: dat van den Schriftgeleerde (vs. 25—28), hetwelk wij bij Markus (12 : 28) en Mattheua (22 : 35) terugvinden, en de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan, die aan de Logia ontleend werd. Het verband, dat er volgens ons Evangelie tusschen die twee feiten bestaat (vs. 29), zou niets anders zijn, dan een vrij onhandige combinatie van Lukas. Maar niets bewijst, dat de schriftgeleerde van Lukas identisch is met dien van Markus en Mattheus. De

55

-ocr page 66-

10 : 25—26.

laatste treedt te Jeruzalem op, in de dagen, die aan het lijden voorafgaan, en bovendien is het onderwerp van het gesprek, zooals Meyer erkent, geheel verschillend. De schriftgeleerde van Jeruzalem verlangt van Jezus te vernemen, welk gebod het grootste is; dit is een theologische kwestie. Die van Galilea begeert, evenals de rijke jongeling, dat Jezus hem het middel zal aanwijzen, om de zaligheid te verwerven; dit is een zuiver practische kwestie. En waarom kan niet meer dan één Rabbijn in Israël met Jezus een onderhoud hebben gehad over dergelijke onderwerpen? Weiss, die aanneemt, dat onze schriftgeleerde identisch is met dien van Markus en Mattheus, meent, dat Lukas het bericht omgewerkt heeft. Inderdaad, dermate omgewerkt, dat het onherkenbaar geworden is en veeleer op een zuivere verdichting gelijkt! Als de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan niet reeds in het oorspronkelijke verhaal tot het gesprek met den schriftgeleerde behoord had, wat zou er dan van het geheele tooneel nog overig blijven? Het zou zoo onbeduidend worden, dat men niet zou kunnen begrijpen, waarom de overlevering het bewaard heeft. Het verband, dat het 29ste vers tusschen het gesprek en de gelijkenis vaststelt, wordt volkomen bevestigd door de leering, die door de gelijkenis moet worden toegelicht (vs. 36, 37), en waarvan de echtheid boven allen twijfel verheven is.

1°. V. 25—28: Het gesprek met de schriftgeleerde.

Vs. 25—26. „En zie, een zekere wetgeleerde stond op, Hem op de proef stellende en zeggende: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? 26. En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?quot;

In Griekenland zoekt men de waarheid, in Israël jaagt men naar het heil, en, om het te verkrijgen, naar de rechtvaardigheid. Wij vinden dan ook dezelfde vraag weder in

56

-ocr page 67-

10 : 27.

den mond van den rijken jongeling. — De uitdrukking: stond op doet zien, dat Jezus en de personen, die Hem omringden, gezeten waren. Hollzmann acht deze „vertooningquot; onvereenigbaar met het denkbeeld van een reis. Alsof Jezus op een Evangelisatie-reis altijd op de been moest zijn! De proef, die de schriftgeleerde Jezus wilde doen ondergaan, had öf op zijn rechtzinnigheid, of op zijn theologische bekwaamheid betrekking. Zijn vraag berustte op het denkbeeld van de verdienstelijkheid der goede werken. Letterlijk staat er: Welk werk gedaan hebbende zal ik zéker het eeuwige leven beërven ? De uitdrukking beërven zinspeelt op het land Kanaan, dat de kinderen Israëls als een erfenis uit de handen van God ontvangen hadden, en dat in de voorstelling van den Israëliet het type van het Messiaansche geluk bleef. De vraag van Jezus maakt onderscheid tusschen den inhoud (t/) en den tekst {vüg) der wet. Men heeft gemeend, dat Jezus bij de woorden: Hoe leest gij f gewezen heeft naar de gedenkcedel aan het gewaad van den schriftgeleerde, waarop plaatsen uit de wet geschreven stonden. Maar dan had vs. 28 moeten luiden: Gij hebt goed geleien, en niet: Gij hebt goed geantwoord. Bovendien bestaat er geen enkel bewijs voor, dat beide plaatsen op de gedenkcedels te lezen waren. Alleen de eerste schijnt daarop te hebben gedaan.

Vs. 27. „En Hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heer, uwen *) God, liefhebben uit1) geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw denkvermogen, en uwen naaste als uzelven.quot;

Het is niet bevreemdend, dat de schriftgeleerde terstond het eerste gedeelte van het kort begrip der wet uit Deut,

57

1

N B L e lezen de drie laatste keereu ev, ia plaats tan e|. — d leest de drie eerste keeren ev, en laat (met r en It.) de vierde bepaling geheel weg.

-ocr page 68-

10 : 27.

58

6 : 5 aanhaalt, daar de Joden dit woord des morgens en des avonds moesten opzeggen. Wat het tweede, aan Lev. 19 : 18 ontleende betreft, het is te betwijfelen, of hij tegenwoordigheid van geest genoeg heeft gehad, om het uit zichzelf terstond bij het eerste te voegen, en op deze wijze dit uitnemende kort begrip van den wezenlijken inhoud der wet te vormen. In Mark. 12 : 30—31 en Matth. 22 ; 37—39 is het Jezus zelf, die deze twee spreuken met elkander verbindt. Het is daarom waarschijnlijk, dat Jezus, zooals Bleek aanneemt, den schriftgeleerde door eenige vragen er toe gebracht heeft, zijn antwoord op deze wijze te formuleeren. Vs. 26 gelijkt inderdaad op het begin van een catechese. — Het eerste gedeelte van dit kort begrip der wet bevat bij Lukas vier uitdrukkingen, terwijl er in het Hebreeuwsch slechts drie zijn: ab, hart, ïjss, ziel, quot;mu, kracht. Doch het Hebr. ab duidt niet alleen het hart, maar ook het verstand aan. Deze nauwe betrekking tusschen het hart en het verstand komt zeer duidelijk uit in de LXX, die ab met tiixvoix, verstand, vertaalt, en daarom slechts drie uitdrukkingen heeft, evenals de Hebreeuwsche tekst. Bij Mattheus zijn er ook drie, waarvan havoix de laatste is. Bij Markus vier: inJi/fo-;?, in plaats van S/ai/o/as, en wel als de tweede uitdrukking. Kxplix, het hart, staat bij Markus en Lukas aan het begin; het is de meest algemeene uitdrukking, en geeft in de H. Schrift het middenpunt te kennen, vanwaar al de stralen van het zedelijk leven uitgaan, en wel in zijn drie voornaamste richtingen: de gevoelsvermogens of de neigingen, iöds, de ziel, het gevoel; vervolgens quot;nsui, de kracht, do actieve vermogens, de wil; eindelijk \'Sixvoix, het verstand, de intellectueele vermogens, zoowel de ontledende als de bespiegelende. Het verschil tusschen het hart, dat als het ware de stam is, en de drie takken, het gevoel, den wil en het verstand, komt in den Alexandrijnschen tekst sterk uit doordat de praep. ex, uit, in de drie laatste zindeelen door iv, in of door vervangen is. Het zedelijk leven gaat van het hart uit en openbaart zich naar buiten in of door de drie genoemde vormen van werkzaamheid. Zoo gaat het

-ocr page 69-

10 : 28-29.

verlangen naar God van het hart uil; en daarna wordt het verwezenlijkt door het gevoel, dat zich met dit hoogste Wezen voedt door de persoonlijke gemeenschap met Hem en door alles wat strekken kan, om haar te onderhonden, vervolgens door don wil, die zich met kracht aan de vervulling van zijn wil wijdt, en eindelijk door het verstand, dat in al zijn werken de sporen van zijn wijsheid navorscht. — Het tweede gedeelte van het kort begrip is gevolg van het eerste, en kan dan alleen worden verwezenlijkt, wanneer het daarmede verbonden is. Slechts de heerschende liefde tot God is bij machte, den mensch zóó boven de zelfzucht te verheffen, dat het ik van den naaste in zijn oogen op ééne lijn komt te staan met zijn eigen ik. Wij moeten het origineel boven alles liefhebben, zal het afbeeldsel ons toeschijnen, bij anderen evenveel achting en liefde te verdienen als bij onszelven. Zóó lief te hebben is inderdaad, zooals Jezus zegt, het middel om te leven, of liever: het leven. Het leven van God zelf is de liefde.

Vs. 28—29. „En Hij zeide tot hem: Gij hebt goed geantwoord; doe dat, en gij zult leven. 29. Maar hij, zich zelf willende rechtvaardigen \'), zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?quot;

Jezus schikt zich niet naar het wettisch standpunt van den schriftgeleerde, als Hij hem dit antwoord geeft. Het werk, dat zalig maakt, of liever: de zaligheid zelf bestaat, wat haar wezen betreft, in liefhebben. Het Evangelie verschilt op dit punt slechts hierin van de wet: dat het het middel verschaft en de kracht verleent tot vervulling van dezen hoogsten plicht.

59

Maar hoe komt men er toe. God en den naaste zóó lief te hebben? Ziedaar de vraag, die de schriftgeleerde gedaan

1) T. R, leest Sixxiovv, met A en 12 Mjj.; N B O!) eu 3 Mjj : iixxicia-ui.

-ocr page 70-

10: 28—29.

60

zou hebben, indien hij verkeerd had in de gemoedsstemming, die Paulus in Rom. 7 beschrijft, en die de innerlijke voorbereiding voor het geloof is. Hij zou zijn onbekwaamheid hebben beleden, en in een veel dieperen zin, dan aan den aanvang van het gesprek de vraag hebben herhaald: „Wat moet ik doenquot;, om op deze wijze lief te hebben? — Bleek, Meijer, Weiss, Hofman, Schanz e. a. meenen dat de woorden: zichzelf willende rechtvaardigen te kennen geven, dat de schriftgeleerde zich wilde rechtvaardigen wegens de onzinnige vraag, die hij gedaan had, en wel door aan te toonen dat zij een ernstig probleem bevat. Doch dit gevoelen is vrij kinderachtig. De schriftgeleerde heeft een beschuldiging, en zelfs een veroordeeling gevoeld in de woorden: „Doe dat, en gij zult leven.quot; Want als hij werkelijk liefhad, dan had hij niet behoeven te vragen; Wat moet ik doen....? Dan zou hij het leven reeds gehad hebben. Maar daar hij zich veroordeeld gevoelde door de volmaakte wet, die hij-zelf had uitgesproken, wendde hij zijn onwetendheid, m. a. w. de onduidelijkheid van de letter der wet voor, om zich te verontschuldigen, dat hij haar niet had nageleefd: „Wat be-teekent het woord Maas/e? Hoe ver strekt zich de toepassing daarvan uit?quot; Zoolang men niet recht weet, wat deze uitdrukking beteekent, is het immers onmogelijk het gebod te vervullen. Zoo laat zich de opmerking van Lukas: „zichzelf willende rechtvaardigenquot; op een natuurlijker wijze verklaren. Het ware doel der gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan is dus, den schriftgeleerde te doen verstaan, dat het antwoord op de door hem gestelde theologische vraag van nature in ieder rechtschapen hart geschreven is, en dat hij slechts behoeft te willen begrijpen, om te weten. Jezus wil daarmede volstrekt niet zeggen, dat de Samaritaan door zijn liefdevolle gezindheid en door zijn weldadigheid de zaligheid deelachtig is geworden. Men moet niet uit het oog verliezen, dat een geheel nieuwe vraag, nl. die over de heleekenis van het woord „naastequot;, tusschenbeide gekomen is. Enkel op dit nieuwe onderwerp heeft de gelijkenis betrekking. Jezus doet den schriftgeleerde verstaan, dat een rechtschapen hart

-ocr page 71-

10 : 30—32.

de door hem gestelde en als zoo moeilijk beschouwde vraag oplost, zelfs nog voordat het zichzelf die heeft gesteld. Deze onwetende Samaritaan bezat vanzelf {Qvitsi, Hom. 2 :14) het licht, dat de Rabbijnen niet gevonden of in hunne theologische haarkloverijen verloreu hadden. Zoo werd de verontschuldiging, die hij heeft durven opperen, krachteloos gemaakt. Er bestaat een merkwaardige overeenkomst tusschen het gedrag, dat Jezus den Samaritaan toeschrijft, en het woord van Paulus over de wet, die in het hart is geschreven, en over haar betrekkelijke vervulling door de heidenen (Hom, 2 : 14—16. — Light foot heeft aangetoond, dat de Rabbijnen over het algemeen hen, die geen leden van het Joodsche volk waren, niet als naasten beschouwden. Misschien hadden zij geleerde debatten daarover in hunne scholen. Daar het woord Tr^ariov hier zonder artikel staat, zou het ook voor een adverbium kunnen worden aangezien. Hier is echter eenvoudiger, het op te vatten als een tot een substantief gemaakt adverbium (ó Trhyaiov). Het *«/, en, waarmede do vraag begint, stelt haar in een nauwe betrekking tot het voorafgaande antwoord.

2°. Vs. 30—35: De gelijkenis van den barm-hartigen Samaritaan.

Vs. 30—32. De priester en de Leviet: „Jezus1) antwoordde, en zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en hij viel ouder struikroovers, die, nadat zij hem ook van zijn kleederen beroofd2) en hem slagen gegeven hadden, heengingen en hem halfdood 3) daar achterlieten. 31. En bij geval kwam een zeker priester den-

61

1

T. R. leest hier Ss, met AD en IS Mjj. It.; 5lt; B C Syr. laten het weg.

2

E en 6 Mjj. lezen eJeJt/a-av, in plants van enSvrxvTii;.

3

T. R. leest hier met A C en 13 Mjj., ruyxeevovra, dat N B 1) L E weglaten.

-ocr page 72-

10 : 33—35.

zelfden weg af; en hem gezien hebbende, wendde hij zich af, en ging aan de andere zijde voorbij. 32. En desgelijks ook een Leviet; aan die plaats gekomen zijnde1), en gezien hebbende2), wendde hij zich af en ging aan de andere zijde voorbij.quot;

De uitdrukking viroXaQamp;v, het woord opvattende, die in het N. T. nergens anders voorkomt, is in plaats van het gewone xmxpidih; gebruikt, om meer gewicht te geven aan hetgeen volgt. — De bergachtige en in het algemeen woeste en onbewoonde streek, waardoor de weg van Jeruzalem naar Jericho loopt, was vrij onveilig. Hieronymus {ad Jerem. III; 2) verhaalt, dat zij in zijn tijd door Arabische horden onveilig gemaakt werd. De afstand tusschen de twee steden is zeven mijlen. — Het nxl, ook, vóór \'sicSuirxvTei; (vs. 30), onderstelt als een feit, dat voorafgegaan is, hetzij dat hij werd aangehouden, of dat hem zijn beurs werd ontnomen. — Er ligt een zekere ironie in het xxra awyxuplxv, bij geval. Het is zeker niet toevallig, dat de spreker deze twee personen op het tooneel laat verschijnen. — De praep. xvt\'i in xvTirrxpyyós, hij ging aan de andere zijde voorbij, duidt een uitwijken naar den tegenovergestelden kant van den weg aan. Vgl. de tegenstelling Trpotrsyöciv, naderbij gekomen zijnde, vs. 34. — Het woord rwyxxvcvrx, dat door de Alexandr. is weggelaten, behoort zeker tot den tekst. Het drukt zeer goed den toestand van verlatenheid uit, waarin de gewonde bleef liggen.

Vs. 33—^35. De Samaritaan: „Maar een zeker Samaritaan, die op reis was, kwam dicht bij hem, en hem3) ziende, werd hij door medelyden

62

1

T. K. leest met A C en 12 Mjj., yevoi-ievot na terwijl HL XE het weglaten. — D lant eAÖaiv weg.

2

A D F A voegen uvtov er bij.

3

T. B. leest, met A C I) en 12 Mjj., avrov na iSuv; N B L E laten liet weg.

-ocr page 73-

10 : 33—35.

bewogen. 34. En naderbij komende, verbond hij zijn wonden, daarin olie en wijn gietende; en hem op zijn eigen rijbeest heffende, voerde hg hem naar de herberg en verzorgde hem. 35. En des anderen daags weggaande \'), nam hij twee penningen uit zijn beurs, en gaf ze den waard, en zeide tot hem 1): Draag zorg voor hem, en al wat gij meer besteed zult hebben, dat zal ik u wedergeven, als ik terugkomquot;.

Wegens het contrast kiest Jezus een Samaritaan, een lid van dat half-heidensche volk, dat door een ouden nationalen haat van de Joden gescheiden was. Waar de priesters niet weten, waar de schriftgeleerde nog redetwist, daar heeft dit eenvoudige en rechtschapene hart terstond een helder inzicht. Zijn naaste is ieder mensch, wie hij ook zijn moge, met wien God hem in aanraking brengt, en die zijn hulp van noode heeft. De uitdrukking óhuccv, die op reis was, herinnert, dat hij zich gemakkelijk had kunnen denken ontslagen te zijn van den plicht der barmhartigheid jegens dezen man, die geen landgenoot van hem was. — In iederen trek van de schildering, die wij in vs. 34 vinden, verraadt zich het gevoel van het teederste medelijden (iaTrXxyx^\'^^)- — Olie en wijn behoorden altijd tot de reisbenoodigdheden. — Men ziet uit hetgeen volgt, dat ttoiuSoxsTou niet een eenvoudige karavanserai aanduidt, maar een logement, waar men tegen betaling gehuisvest werd. — Het iiri van vs. 35 moet in denzelfden zin als in Hand. 3 : 1 worden opgevat: tegen den volgenden dag. De uitdrukking è^eKÓuv, naar buiten gegaan zijnde, stelt den Samaritaan voor als reeds te paard zijnde

63

1

B D L E laten uvtco weg.

-ocr page 74-

10 : 36—37.

en gereed om te vertrekken. Ten onrechte is dat woord door de Alexandr. weggelaten. — Twee penningen bedragen ongeveer 90 cents. — Nadat hij den gewonde naar de herherg gebracht had, had hij zich ontslagen kunnen achten van alle verdere verantwoordelijkheid ten aanzien van hem, en hem aan de zorg zijner eigene landgenooten kunnen overgeven met deze woorden: „Hij is meer uw naaste, dan de mijnequot;. Maar het medelijden, dat hem gedrongen heeft, om te beginnen, noodzaakt hem ook, om tot het einde toe voort te gaan. — Welk een meesterstuk is deze schilderij! Zij is blijkbaar tot ons gekomen, zonder iets van haar oorspron-lijke frischheid te hebben verloren.

3°. Vs. 36—37. Het besluit van het gesprek.

Vs. 36—37. „Wie \') van deze drie dunkt U, de naaste te zijn geweest van hem, die onder de struikroovers gevallen was? 37. En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Jezus zeide dan 1) tot hem: Ga heen en doe desgelijks!2\'

De vraag, waardoor Jezus den schriftgeleerde noodzaakt, zelf de toepassing van de gelijkenis te maken, schijnt verkeerd gesteld te zijn. Volgens het thema van de woordenwisseling: „Wie is mijn naaste?quot; (v. 29) schijnt het, dat zij had moeten luiden: En gij, wien moet gij als uw naaste beschouwen, om u zóó jegens hem te gedragen als deze Samaritaan jegens uw landgenoot heeft gehandeld? Doch daar de uitdrukking naaste een wederkeerige betrekking in zich sluit, heeft Jezus het recht, de uitdrukkingen om te keeren en de vraag te doen: „Door wien meent gij, dat gij

64

1

T. R. leest ouv, met A en 12 Mjj.j NBÜD en 5 Mjj.: h.

2

T. B. leest hier ot/v, met AC en 14 Mjj.; NBLE IIPgt;«f Syrcur laten het weg.

-ocr page 75-

10 : 36—37.

als naaste behandeld moet worden?quot; De reden, waarom Jezus aan dezen vorm de yoorkeur heeft gegeven, ligt voor de hand. Om het juiste antwoord te verkrijgen, is het beter, zichzelf af te vragen: „Van wien zou ik wenschen, een weldaad te ontvangen?quot; dan; „Wien moet ik een weldaad bewijzen?quot; Het antwoord op de eerste vraag is niet twijfelachtig. Daar de zelfzucht het geweten te hulp komt, zal men antwoorden: Van iedereen. Dit gevoelt de schriftgeleerde heel goed. Ook kan hij niet ontsnappen, nu de vraag aldus gesteld is. Maar daar zijn hart zich er tegen verzet, den gehaten naam „Samaritaanquot; met lof uit te spreken , omschrijft hij hem. Over het gebruik van (vs. 37) zie men bij 1 ; 58. In de woorden, waarmede hij eindigt, stelt Jezus het doen van den Samaritaan tegenover de ijdele casuïstiek der Rabbijnen, de onwetendheid, die weet, tegenover het weten, dat niet weet. Maar men moet er acht op geven, dat Hij ditmaal aan de woorden: Doe dal niet, zooals in vs. 28, toevoegt: en gij zult leven. De weldadigheid alleen verschaft het leven niet, brengt de zaligheid niet aan. Al ware zij ook de volkomene vervulling van het tweede gedeelte van het kort begrip der wet, toch moet in het oog worden gehouden, dat de vervulling van het eerste gedeelte, die niet minder onmisbaar is, zelfs bij den weldadigsten mensch achterwege zou kunnen blijven. Maar zeker is, dat de mensch, die in zijn gedrag de natuurlijke wet verloochent, zich op een weg bevindt, die het tegendeel is van dien, welke tot het geloof en tot de zaligheid voert. (Joh. 3 : 19—21).

De kerkvaders hebben behagen geschept in de allegorische verklaring van deze gelijkenis. De gewonde zou de mensch-heid voorstellen; de struikroovers, den duivel; de priester en de Leviet, de wet en de profeten. De Samaritaan zou Jezus zelf zijn; de olie en de wijn, de goddelijke genade; het muildier, het lichaam van Christus; de herberg, de kerk; Jeruzalem, het Paradijs; de te verwachten terugkomst van den Samaritaan, de wederkomst van Christus. Deze exegese had dezelfde waarde als die, waartoe hunne tegenstanders, de Gnostieken, menigmaal de toevlucht namen.

Godet, Lukas. II. 5

65

-ocr page 76-

10 : 3G—37.

V. 10 : 38—42: Martha en Maria.

Dit is een van de liefelijkste tooneelen, die de Evangelische overlevering ons bewaard heeft, weêr een juweel, dat Lukas in Palestina verzameld had. Hase noemt het: „een los blad van [de overleveringquot;. Hetgeen in dit verhaal bevreemdt, is de plaats, die het inneemt midden in een Gali-leesche reis. Aan den eenen kant duiden de woorden èv Kopsusaóai txuroug, terwijl lij reisden, wel aan, dat wij hier inderdaad de voortzetting hebben van de reis, waarvan het begin in 9:51 is medegedeeld; maar aan den anderen kant verheft hetgeen wij uit Joh. 11 van Martha en Maria weten het boven allen twijfel, dat de gebeurtenis in Judea, te Bethanië, dicht bij Jeruzalem, heeft plaats gehad. Hengstenberg neemt aan, dat Lazarus en zijn twee zusters eerst in Galilea hadden gewoond, en dat zij zich later in Judea zijn gaan vestigen. Maar van den herfst tot het daaropvolgende voorjaar is de tusschentijd vrij kort voor zulk een verandering van woonplaats. In Joh. 11:2 wordt Bethanië het vlek van Maria en Martha genoemd, hetgeen onderstelt, dat zij daar sedert langeren tijd woonden. Er is een andere oplossing, die natuurlijker is. In Joh. 10:22 vinden wij de aanduiding van een kort bezoek van Jezus aan Judea in de maand December van dit jaar, tot viering van het feest van de inwijding des tempels. Toen heeft het hier door Lukas verhaalde bezoek plaats kunnen vinden. Men behoeft slechts aan te nemen, dat Jezus voor een zeer korten tijd zijn Evangelisatie-reis heeft afgebroken, en dat hij een snel uitstapje naar Jeruzalem heeft gemaakt, misschien gedurende den tijd, toen de 70 discipelen hunne voorbereidende zending ten uitvoer brachten. Na deze kortstondige verschijning in de hoofdstad, zal Hij weêr weggegaan zijn en zich opnieuw aan het hoofd der karavaan hebben gesteld, om de plaatsen te bezoeken, waar de discipelen in dien tusschentijd zijn komst hadden aangekondigd. Zeker kende Lukas zelf de plaats niet, waar dit tooneel wasvoor-gevallen {in een zeker vlek). Hij deelt ons het feit mede

G6

-ocr page 77-

10 ; 38-40.

zooals hij het in zijn bronnen vond, of zooals hij het aan de mondelinge overlevering ontleend had, zonder nauwkeuriger aanwijzing van de plaats. In de overlevering stelde men meer prijs op de zedelijke leering, dan op de uitwendige omstandigheden. Het is opmerkelijk, dat het tooneel der voorafgaande gelijkenis juist cle streek tusschen Jericho •en Jeruzalem is. Zou dit ook een aanduiding zijn van een reis naar Judea, die in dien tijd heeft plaats gehad?

Men moet hier twee dingen in het oog houden: 1°. dat de mondelinge overlevering, waaruit onze geschrevene redacties (met uitzondering van die van Johannes) zijn voortgekomen, zich onmiddelijk na de werkzaamheid des Zaligmakers gevormd had, toen de handelende personen van het Evangelische drama nog leefden, en dat zij met groote omzichtigheid te werk moest gaan ten opzichte van de personen, die daarin optreden, vooral als er sprake was van vrouwen; vandaar de weglating van vele eigennamen; 2°. dat het later geschrevene Evangelie van Johannes deze namen zonder bezwaar in de Evangelische geschiedenis heeft kunnen opnemen, terwijl in den tijd, toen Lukas schreef, de noodzakelijkheid van deze soort van incognito nog voortduurde.

Vs. 38—40. De klacht van Martha: „En het geschiedde !), terwijl zij reisden, dat Hij kwam in een zeker vlek; en eene vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar1) huis. 39. En zij had eene zuster, genaamd Maria, die 2) ook aan de voeten van Jezus gezeten3), zijn woord hoorde.

67

1

NCLS lezen tgt;)v oimuv, in plaats van tov oikov, N L H laten «t/rik weg; li laat sic t. oik. weg.

2

X B C L E laten i» weg.

3

N B C L S lezen TroipciKai QsaQeiffoi irpoc;, in plaats vau TrocpccHa Qtirao-ac rotpot, en tqv Hvpiov, iu plaats van tov lyrou.

-ocr page 78-

10 : 38—40.

40. Doch Martha werd van den eenen kant naar den anderen getrokken door de vele zorgen van het dienen; en vóór Jezus staande, zeide zij: „Heer, bekommert Gij U er niet over, dat mijne zuster mij alleen heeft laten1) dienen. Zeg haar dan, dat zij mij kome helpen.quot;

De vorm van den eersten zin is Hebreeuwsch, en duidt een Arameesche bron aan. Het is onmogelijk, het xvróg op te vatten, in de beteekenis, die Weiss daaraan geeft: alleen, zonder zijn discipelen. In dit geval zou er niet zooveel dienen {haitovia vs. 40) noodig geweest zijn; en met wien

sprak dan Jezus, toen Maria aan zijn voeten kwam zitten, om Hem te hooren? — Men ziet duidelijk, dat Martha de meesteres van het huis was. Uit Matth. 26 : 6 en Mark. 14 : 3 heeft men willen opmaken, dat zij de vrouw van Simon den melaatsche was, en dat zij haar zuster Maria bij zich genomen had. Maar het kan onmogelijk bewezen worden, dat de maaltijd, waarover op die twee plaatsen gesproken wordt, bij Martha en Lazarus heeft plaats gehad; het bericht van Joh. 12:1, 2 bewijst zelfs duidelijk het tegendeel. — Als men in vs. 39 het tj in den tekst opneemt, zooals ik meen, dat geschieden moet, dan kunnen de woorden yj mi niet anders beteekenen, dan: die ook. Hofmann en Weiss vatten deze uitdrukking aldus op: zij luisterde niet alleen, maar ging ook zitten, om beter te kunnen luisteren. Maar in dit geval had het woord ook niet verbonden mogen worden met de handeling, waarvan het eerst melding is gemaakt, nl. die van het zitten. Het is daarom beter, die uitdrukking op de volgende wijze te verklaren: Maria had in het eerst ook gediend; maar zij begreep, dat deze stoffelijke dienst haar grenzen had, en dat men bij zulk een Gast iets beters kon doen, dan Hem op deze wijze te bedienen,

68

1

ABC en 12 Mjj lezeu xarcteivev, ia plaats van xxrebiirev.

-ocr page 79-

10 ; 38—40.

nl, zich door Hem te laten bedienen. Daarom kwam zij ook (na gediend te hebben) zitten, om te luisteren; vgl. het mithitttv van vs. 40. — Daar Jezus in half-liggende houding op den divan zat, met de voeten naar achteren uitgestrekt, was het achter Hem, dat zij plaats genomen had (7 : 38). Het werkw. TrepisaTrxro, zij werd van den eenen kant naar den anderen getrokken, duidt een zoowel uiterlijken als innerlijken toestand aan. — De aor. «V/aras-ai met lé geeft een plotselinge verandering van houding te kennen: op het zien van Jezus en van hare zuster, die met zalige aandacht naar Hem luistert, komt Martha eensklaps naderbij, blijft daar staan, neemt een drieste houding aan, en richt tot Jezus-zelf het verwijt: Bekommert Gij er U niet over? alsof er partijdigheid was in hetgeen Hij deed. Met de uitdrukking: mTtxnrev, zij heeft mij laten dienen (deze lezing verdient de voorkeur boven het imperf. xoiréxsms), geeft zij echter te verstaan, dat Maria tot hiertoe aan het dienen had deelgenomen. In het compositum avvtxvTi ha/tfixvetróai liggen drie gedachten opgesloten: een last op zich nemen (het Medium), voor een ander (xvtI) , en door dien met hem te deelen («rui/).

Vs. 41 — 42. Het antwoord van Jezus; „Maar Jezus \'), antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha! gij bekommert u en maakt het u druk 2) om vele dingen. 42. Maar er is slechts behoefte aan weinige dingen, of zelfs aan één ding 3). Want4) Maria heeft het goede deel gekozen, dat haar niet ontnomen zal worden.quot;

Op het verwijt van Martha antwoordt Jezus met een ander

1) N B L lezen o liupios, in plaats van o lyrovi;.

2) nBCDL lezen , in plaats van rvfpafy.

3) T. R. leest met A C en 14 Mjj. Syr., evoi; h ecrn NUL: oAiyuv Se scrri Xft\'ce *1

4) T, E , met A C en 12 Mjj.: tAafix 5e; N B L en 2 Mjj. Mctfix yup.

69

-ocr page 80-

10 : 41—42.

70

verwijt: dat zij zich schuldig maakte aan ovonlrijving in de bedrijvigheid, die zij aan den dag legde. Zij heeft zooveel moeite, omdat zij het zelf zoo hebben wil. Mefi^vxv, zich verontrusten, heeft betrekking op de innerlijke bezorgdheid; TupPccamp;aóxi, in beweging zijn, het zich druk maken, op de uitwendige drukte. Het öopufiJify van de andere lezing komt in beteekenis meer met het eerstgenoemde werkw. overeen. — De herhaling van den naam Martha in de aanspraak van Jezus heeft ten doel, haar op zachte wijze, maar met vastheid van deze uiterlijke en innerlijke verstrooidheid tot kalmte, tot zichzelf terug te brengen. Jezus rechtvaardigt zijn verwijt met een uitspraak, die in verschillende vormen tot ons gekomen is en op verscheidene wijzen verklaard wordt. Do T. K. zegt: Slechts één ding is noodig, hetgeen men zou kunnen opvatten in dezen zin: „Deze vele spijzen zijn niet noodig; een enkele zou genoeg zijn.quot; Doch deze vermaning tot eenvoudigheid bij het bereiden van den maaltijd komt mij, evenals Weiss, zeer triviaal voor in den mond van Jezus. In ieder geval zou deze zin dan alleen aannemelijk zijn, wanneer men daarin een toespeling ziet op de eenige spijze, die onontbeerlijk is voor het leven dor ziel, hetgeen zeer gezocht is. Men zou veeleer het óéne ding, dat noodig is, in geestelijken zin moeten opvatten; het heil der ziel, of Jezus en zijn woord, als het eenige middel om dat heil deelachtig te worden. Daarbij moet dan nog de goddelijke hulp worden gevoegd, die den geloovige voor de behoeften van het tegenwoordige leven is toegezegd. Deze verklaring is vrij ingewikkeld. En als dat werkelijk do gedachte van Jezus is, dan moet men erkennen, dat zij veel duidelijker door de Alexandr. lezing is uitgedrukt: „Er is slechts een klein aantal dingen (in tegenstelling met die vele spijzen, welke Martha op tafel bracht), en zelfs, als men het goed begrijpt, slechts één ding noodigquot;, de geestelijke spijze, waarvan de ziel leeft, het woord des levens, Christus zelf, die zich in dit woord openbaart en mededeelt, zooals op ditzelfde oogenblik het voorbeeld van Maria bewijst. — Dit ééne noodige, dat van de weinige dingen (de

-ocr page 81-

10 : 41—42.

ohtyx in tegenstelling met de ttoUm) onderscheiden wordt, is het goede deel, dat Maria gekozen heeft; van daar het want der Alexandr. Misschien hebben wij hier een toespeling op de eere-portie bij de maaltijden in de oudheid. Het pron. vin:, dat als zoodanig, doet de betrekking uitkomen tusschen de uitnemendheid van dat deel en de onverliesbaar-heid daarvan voor hem, die, na bet gekozen te hebben, bij deze keuze volhardt. De woorden: zal haar niet ontnomen worden hebben betrekking op het tegenwoordig oogenblik: Maria zal niet genoodzaakt worden, haar zuster te volgen. Maar deze verzekering sluit tevens die van eeuwig bezit in zich. Deze verdediging van het gedrag van Maria is te gelijkertijd een uitnoodiging aan Martha, om het terstond na te volgen.

Men \'beschouwt deze twee zusters menigmaal als de vertegenwoordigsters van twee even rechtmatige zijden van het christelijk leven, de innerlijke vroomheid en de practische werkzaamheid. Maar volgens den tekst is het goede deel niet onder beiden verdeeld; het behoort in zijn geheel Maria toe. Aan den eenen kant bewijst de gejaagdheid van Martha, hoezeer haar eigenliefde |als gastvrouw bij haar uitwendige bedrijvigheid in het spel was, en aan den anderen kant vertegenwoordigt Maria geenszins een eenzijdig quietisme, dat door uitwendige werkzaamheid moet worden aangevuld. Dit blijkt uit het feit, dat zij zelf gediend had zoolang als zij het noodig had geacht, en eveneens uit de daad, die zij eenige maanden later aan Jezus verrichtte (Joh. 12:3 en verv.), en die Jezus met deze woorden heeft gekenschetst: „Zij heeft een goed werk aan mij gedaanquot;. Door dit „goede werkquot; aan Jezus te doen, heeft zij getoond, dat zij niet alleen wist te ontvangen, maar ook te geven.

De punten van overeenkomst tusschen de schildering van deze familie in een ure van vrede en onuitsprekelijk geluk en de schildering van deze zelfde familie op een dag van smart en rouw (Joh. 11) zijn treffend. Martha, hier zoowel als daar, bedrijvig en naar buiten gekeerd; Maria daarentegen in stille overdenkingen verdiept en in zichzelf gekeerd.

71

-ocr page 82-

10: 41—42.

Dat hier van geen navolging sprake kan zijn, bewijst het volkomen stilzwijgen, dat Lukas over Lazarus bewaart.

De Tubingsche school heeft in dit verhaal diepten ontdekt, die men tevoren niet had vermoed. In den persoon van Martha heeft Lukas hot judaïseerend christendom, dat der werken, gebrandmerkt, en in den persoon van Maria het Paulinisch christendom, dat dor rechtvaardiging door het geloof alleen zonder de werken der wet, verheerlijkt. De onjuistheid dezer hypothese blijkt uit het feit, dat de werkzaamheid van Martha op den persoon van Jezus betrekking heeft, en geenszins op de vervulling van wettische plichten, en dat het Paulinisch christendom zich niet minder door zijn uitwendige werkzaamheid, dan door zijn geestelijke intensiteit onderscheiden heeft. Als dit verhaal, dat zich door zulk een keurigen eenvoud kenmerkt, een polemische of dogmatische strekking had, dan zouden de sporen van dezen theologischen oorsprong zonder twijfel daaraan te zien zijn. Er zal een tijd komen, waarin zulke oordeelvellingen der critiek openbaar zullen worden als afdwalingen van een kranke verbeelding. Is die tijd niet reeds gekomen? Zelfs Hase schroomt niet te zeggen, dat de poging, om van dit zoo eenvoudige verhaal van Lukas een allegorie met een algemeene beteekenis te maken, slechts een gevolg is van de begeerte om aan het bericht van de latere gebeurtenissen, die in Bethanië hebben plaats gehad, zijn hechten historischen bodem te ontnemen.

VI. II: 1—3. Het gebed.

Terwijl de Heer zijn reis vervolgde, bleef Hij getrouw aan zijn gewoonte om zich af te zonderen tot het gebed. Hij vergenoegde zich niet met dat onafgebrokene richten van de ziel naar God heen, waartoe men menigmaal den zin van het „bidden zonder ophoudenquot; herleiden wil. Er waren in zijn leven bepaalde oogenblikken van positief gebed. Dit bewijzen de woorden: toen Hij opjehouden had, te bidden. Het was na een van deze oogenblikken, die voor hen, die Hem omringden, ^elkens het sein tot stille overdenking

72

-ocr page 83-

10 : 41—42.

waren, dat een van zijn discipelen een meer bepaalde onderrichting over het gebed van Hem verlangde. Hollzmann is onpartijdig genoeg, op deze inleiding (vs. 1) het verwerpend oordeel, dat de critiek over de korte inleidingen van Lukas uitspreekt, niet toe te passen. Hij vindt een bewijs van echtheid in deze zoo nauwkeurige bijzonderheid: „Leer ons bidden, gelijk ook Johannes het zijn discipelen geleerd heeft.quot; Hij maakt daaruit de gevolgtrekking, dat dit een van de gevallen is, waarin de historische stand van zaken uitdrukkelijk in de Logia was aangewezen. — Het gebed des Heeren en de voorschriften over het gebed, die daarop volgen, zijn bij Mattheus in de bergrede geplaatst (6 : 9—13). Gess e. a. meenen, dat dit model gebed tweemaal werd voorgedragen. Eenige maanden na de bergrede kan een discipel het verzoek hebben gedaan, dat Hem aanleiding gaf, het te herhalen. En wat den samenhang bij Mattheus betreft, uit Luk. 20 :47 ziet men, dat de omhaal van woorden, waartegen Jezus in de bergrede te velde trekt, evenzeer de gebeden der Pharizeën als die der heidenen kenmerkte. Deze argumenten komen mij voor, zwak te zijn in vergelijking met die, welke daartegen kunnen worden aangevoerd !). Er is in het antwoord van Jezus en in het bericht van Lukas hoegenaamd niets , dat aanleiding geeft om te vermoeden, dat de Evangelist een modelgebed mededeelt, hetwelk Jezus reeds vroeger had voorgedragen. En toch zou het natuurlijk geweest zijn, dat Jezus of Lukas bij het genoemde verzoek daaraan herinnerden. Verder is het niet aan te nemen, dat de Heer, na het gebed eerst zoo volledig als het bij Mattheus voorkomt voorgedragen te hebben, het de tweede maal zoo verkort of zelfs verminkt als wij het bij Lukas vinden zou, hebben uitgesproken. Bovendien is het onmogelijk, bij Mattheus een rationeelen samenhang aan te wijzen, zooals Gess tracht te doen. Hetgeen Jezus op deze plaats van de bergrede in de Pharizeën veroordeelt, is niet de langdradigheid, die zij

1) Zie de Toox-treffelijke verhandeling van Fage, Critical Notes on the Lord\'s Prayer, The lixposiior, Juui 1888.

73

-ocr page 84-

11 : 1—2.

met de heidenen gemeen zouden hebben, maar do vertoon-makerij voor de menschen; het gebed des Heeren staat echter in geen enkel verband met het verwijt van het jagen naar eer bij de menschen. Wij hebben hier dus veeleer een van de talrijke, aan den historischen samenhang der bergrede vreemde bestanddeelen, die in deze vereenigd zijn, om een volledige uiteenzetting van de nieuwe gerechtigheid te geven. Bij Lukas daarentegen is de aanleiding tot dit onderwijs over het gebed oven eenvoudig als het verband tusschen de verschillende gedeelten daarvan natuurlijk is. Wij zullen de twee Evangelisten hier weer vinden zooals wij hen kennen; Mattheus ouderwijzende, Lukas verhalende.

Het bericht behelst: 1°. Het model van het christelijk gebed (vs. 1—4); 2°. een op de zekerheid der verhooring gegronde aanmoediging, om op deze wijze te bidden (vs. 5—13).

1°. Vs. 1—4; Het model-gebed.

Vs. 1. De aanleiding; „En het geschiedde, terwijl Hij in een zekere plaats biddende was, dat, toen Hij opgehouden had, een zijner discipelen tot Hem zeide: Heer! leer ons bidden, gelijk ook Johannes het zijn discipelen geleerd heeftquot;.

Bij de Joden bad men geregeld driemaal per dag. Johannes de Dooper schijnt deze gewoonte, evenals die van het vasten, behouden te hebben (vs. 33); en zonder twijfel had hij met het oog op deze praxis een formulier-gebed voor zijn discipelen opgesteld. Deze door Lukas alleen bewaarde bijzonderheid is belangwekkend, en kan niet anders, dan echt zijn.

74

Vs. 2 — 4. Het Gebed des Heeren; „En Hij zeide tot hen; Wanneer gij bidt, zegt dan; Vader1)!

1

T. R. leest hier met AC D en 15 Mjj. Itp!quot; Syr. (met Syrcur.), ynm o sv toi; ovpxvmc j deze woorden zijn door N B L weggelaten-

-ocr page 85-

11 : 2—4.

uw naam worde geheiligd; uw koninkrijk kome\');

3. geef 1) ons eiken dag ons 2) noodzakelijk brood;

4. en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven 3) een iegelijk, die ons schuldig is; en geef ons niet prijs aan de verzoeking 4).quot;

In de woorden: Wanneer gij bidt, zegt dan geeft Trpoaev-Jjiaêai, bidden, den toestand der aanbidding, en het woord zegt het uitgesproken gebed te kennen. — Het is duidelijk, dat Jezus met die woorden niet bedoeld heeft, dat dit formulier op slaafsche wijze door zijn discipelen zou worden herhaald, zoo dikwijls zij gingen bidden; Hij houdt hun daarmede het type voor, welks stempel op ieder gebed der zijnen te vinden moet zijn, maar op vrije, ongedwongene wijze en met verscheidenheid. Het onderscheidend karakter van dit formulier is de kinderlijke geest, die zich eerst in de aanspraak: Vader, en daarna in het voorwerp en in de orde der beden openbaart! Van de vijf beden, die het gebed des Heeren bij Lukas bevat, hebben twee rechtstreeks op de zaak Gods betrekking, en staan vooraan; de drie andere, die op de behoeften des menschen betrekking hebben, nemen do tweede plaats in. Deze aan de goddelijke belangen gegeven voorrang sluit bij den mensch, die op deze wijze bidt, een zelfverloochening, een liefde en een ijver voor God en zijn zaak in, welke een wedergeboren hart, het hart van een kind van God onderstellen, zooals dat van Jezus, hetwelk zich voor alle dingen over de goddelijke belangen bekommerde. Nadat de christen zichzelf op deze wijze ver-

75

1

ovpxvu xxi etti ylt;)5 (Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde) weg. 2quot;) N D lezen Soi; (evenals Mattheus), in plaats van SiSou.

2

Marcion las trou (uw brood, het brood Gods, Joh. 6), in plaats van

gt;ii4uv,

3

T. R. leest atpitpev, met N en 9 Mjj. Syr.; B en 15 Mjj.; x^io/xev.

4

N B L Or. Aug. laten de woorden «AAa pvo-xi yuxs uiro tou vonvipou (maar verlos ons van den booze) weg, die ï. R. mot A C D en 1* Mjj. It pier Syrcur leest.

-ocr page 86-

11 ; 2—4.

geten cn als het ware in God verloren hoeft, komt hij tot zichzelf terug; maar daar hij zichzelf in God terugvindt, vindt hij zichzelf niet alleen terug. Hij beschouwt zich als eon lid van het huisgezin Gods, en na Gij te hebben gezegd, gaat hij voort met: wij. Zoo wordt de broederlijke geest in hot tweede gedeelte van het gebed de aanvulling van den kinderlijken, die het eerste had ingegeven; de broederlijke voorbede vloeit met de persoonlijke bede te zamen. Het gebed des Heeren is dus niets anders, dan het kort begrip der wet, in den vorm van het gebed in practijk gebracht ; het wordt eerst in het hart verwezenlijkt, om vandaar in het geheele leven over te gaan.

Volgens de Mss. schijnt het zeker te zijn, dat in den tekst van Lukas de aanspraak moet worden herleid tot het enkele woord: Vader. De woorden: ome, die in de hemelen zijl zijn in ons Evangelie een inlassching uit Mattheus; maar de volkomene aanspraak bij dezen is zonder twijfel overeenkomstig den vorm, dien de Heer werkelijk gebruikt heeft. In den titel Vader spreekt zich zoowel het gevoel der onderworpenheid als dat des vertrouwens uit. Deze benaming komt in het O. T. slechts Jes. 63: 16 (vgl. Ps. 103:13) voor, en wordt slechts gebezigd met betrekking tot het volk als geheel. De vrome Israëliet gevoelde zich den dienstknecht van Jehova, en niet zijn kind. De kinderlijke betrekking van den geloovige tot God, die zich in dat woord uitdrukt, berust op de menschwording en de openbaring van den Zoon. Luk. 10:22: „Hij, wien de Zoon den Vader bekend wil makenquot;. Vgl. Joh. 1 ; 18. De woorden: die in de hemelen zijl bij Mattheus herinneren aan de almacht van dit oneindige Wezen, terwijl de naam: Vader zijn wijsheid en goedheid doet uitkomen.

De twee eerste beden hebben betrekking op de eere Gods; alleen het kind van God kan aldus bidden. Wetstein heeft eeu groot aantal plaatsen verzameld, die met deze twee beden overeenkomen en aan de Joodsche formulieren ontleend zijn. Ook het O. T. is vol dergelijke teksten. Doch de oorspronkelijkheid van dit eerste gedeelte van het Gebed

76

-ocr page 87-

11 : 2—4.

des Heeren ligt niet in de woorden, maar in het kinderlijk gevoel, dat zich hier door middel van deze reeds bekende uitdrukkingen uitspreekt. — De naam van God geeft de openbaring van het goddelijk Wezen in het hart van het schepsel, den weêrschijn van het wezen Gods in het bewustzijn des menschen te kennen. Dit is de reden, waarom deze naam slechts in één enkel Wezen ia volkomenheid te vinden is, nl. in Hem, die zelf het volmaakte evenbeeld van God is, en die alleen Hem op volmaakte wijze kent. Daarom zegt God in Ex. 23 : 21 van Hem: „Mijn naam is in Hemquot;, En ziedaar ook de reden, waarom deze naam heiliger kan en moet worden, dan hij is: hij moet — dit is de zin van de uitdrukking geheiligd — heilig gemaakt worden in alle wezens, die God nog maar op onvolkomene wijze kennen. Wat al Gode en zijn wezen onwaardige begrippen zag Jezus nog onder de menschen heerschen! Hij wil, dat zijn discipelen God bidden, om in ieder menschelijk geweten op krachtige wijze van zijn heilig wezen te getuigen, opdat alle grove of fijne afgoderijzoowel als alle Pharizeesche vormendienst, voor altijd een einde moge nemen, en ieder mensch met de Seraphijnen in aanbidding moge uitroepen: Heilig, heilig, heilig (Jes. 6)!

Als de kennis van den heiligen God tot op den bodem des harten straalt, dan kan het rijk Gods daarin opgericht worden. Want waar God recht gekend wordt, daar heerscht Hij ook. De uitdrukking koninkrijk Gods duidt de nieuwe orde der dingen aan, die historisch door Christus gegrondvest is, en die zich hier beneden door het geloof in Hem ontwikkelt, totdat iedere menschelijke wil zich uit eigen beweging aan den wil van God onderworpen heeft, en uit deze eenheid van wil die uitwendige en maatschappelijke toestand voortvloeit, welke de bestemming zal verwezenlijken, die de menschheid volgens het goddelijk plan heeft. De aor. sMstu, kome, omvat de gansche reeks van de historische feiten, die dezen staat van zaken met zich mede zullen brengen. Deze imperativus drukt het diepste verlangen van het kind Gods uit, en geeft tevens de zekerheid der verhooring te kennen.

77

-ocr page 88-

11 : 2—4.

De derde bede: „Uw wil geschiede.,.quot;, die in den T. R. volgens verscheidene Mss. gevonden wordt, is zeker uit Mattheus overgenomen. Het is niet mogelijk, een reden te ontdekken, waarom zoovele Mss. haar bij Lukas alleen zouden weggelaten hebben. Bij Mattheus omschrijft zy zoo goed den staat van zaken, die het gevolg zal zijn van de vestiging van het rijk Gods in de menschheid, dat er geen reden bestaat om te betwijfelen, of zij tot het gebed, zooals Jezus het uitgesproken heeft, behoort. Op een plaats bij Tertul-lianus staat deze bede tusschen de twee vorige. Misschien moet dit daaraan worden toegeschreven, dat zij bij Lukas verschillend geïnterpoleerd is geworden; maar de reden daarvan zou ook kunnen zijn,\'dat men, wegens de eschatologische beteekenis, die men aan de uitdrukking; koninkrijk Gods toekende, het eerste gedeelte van het gebed meende te moeten besluiten met de bede, die op dezen eindtoestand betrekking scheen te hebben.

Vs. 3. Van de zaak Gods gaat de biddende geloovige tot de behoeften van het huisgeiin Gods op aarde over. Het verband is: „En opdat wij zelf aan dit goddelijk werk, om welks vooruitgang wij U bidden, mogen kunnen arbeiden, geef ons ..., vergeef ons ..., enz.quot; — Om God te kunnen dienen, moet men in de allereerste plaats leven. De kerkvaders hebben over het algemeen de uitdrukking brood in geestelijken zin opgevat: het brood des levens (Joh. 6). Maar het komt mij voor, dat de letterlijke zin duidelijk voortvloeit uit het zeer algemeen karakter van dit gebed, dat minstens ééne bede, die op het onderhoud van het tegenwoordige leven betrekking heeft, vereischt. Jezus, die met zijn apostelen van de dagelijksche gaven zijns Vaders leefde, wist uit eigene ervaring, misschien veel beter dan zeer vele theologen, hoezeer zijn discipelen aan zulk een bede behoefte zouden gevoelen. Geen enkele behoeftige zal in twijfel verkeeren ten opzichte van den zin, waarin deze bede moet worden opgevat. Het woord èviouTioi; is aan het ongewijde Grieksch even vreemd als aan het gewijde. Het schijnt, zegt Origenes, door de Evangelisten te zijn gevormd. Men kan het afleiden

78

-ocr page 89-

11.: 2—4. 79

van eTTsi^i, ophanden zijn, vanwaar het partic. j) êiriovtrx (faspx), de komende dag (Spr. 27 : 1; Hand. 7 :26 e. a. pl.). Dan zou men moeten vertalen: „Geef ons eiken dag hel brood voor den volgenden dag.quot; Dit is zeer zeker de zin, waarin dat woord werd opgevat in het Evangelie der Hebreen, waar het volgens het bericht van Hyronymus met inü onb, het hrood voor morgen, werd teruggegeven. Van dezelfde grammaticale beteekenis van iirioult;Tiot; uitgaande, geeft Atha-nasius deze verklaring: „het brood der toekomende eeuwquot;. Maar deze twee verklaringen zijn veel te ver gezocht, vooral de tweede. De eerste ia moeielijk te vereenigen met Matth. 6 ; 34. „Weesl niet bezorgd voor den volgenden dag; de volgende dag zal voor het zijne zorgenquot;, Vgl. Ex. 16:19 en verv. Het is daarom beter, sirioóirios te beschouwen als een compositum van het subst. oiilt;rlx, wezen, bestaan, goederen. Zonder twijfel verliest êirl gewoonlijk zijn /, als het samengesteld wordt met een woord, dat met een vocaal begint. Maar er zijn vele uitzonderingen op dezen regel; b.v. sV/f/xij?, emovpos (Homerus), siriopiccTv, tTricrvji (Polybius). En in dit geval wordt de onregelmatigheid gemotiveerd door de stilzwijgende tegenstelling tusschen dit compositium en een ander analogon, Trspiowiog, overtollig. De zin is: „Geet ons eiken dag het brood, dat voor het bestaan noodig is.quot; Op deze wijze opgevat, komt die uitdrukking volkomen overeen met die van Spr. 30 : 8: ■\'pn anb, welke letterlijk beteekent: het brood van mijn rantsoen, mijn dagelijksche portie. In deze uitdrukking wordt pn, statulum, stilzwijgend tegenover het overtollige, to wsptovaiov, gesteld, dat het natuurlijk verlangen van het menschelijk hart is. Het is deze bijbelsche uitdrukking, die Jezus naar alle waarschijnlijkheid in het Arameesch heeft gebruikt; en zij verklaart de onze zeer goed. Uit het opmerkelijke feit, dat Mattheus en Lukas beiden een Grieksche uitdrukking gebruiken, die elders niet voorkomt, heeft men de gevolgtrekking gemaakt, dat de een van den ander af hankelijk is, of dat zij beiden uit een gemeenschappelijke Grieksche bron hebben geput. Maar in het zeer aanzienlijke verschil tusschen de twee redacties van dit

-ocr page 90-

11:2-4.

formuliergebed bij Lukas en Mattheus ligt juist de meest afdoende weerlegging van deze twee hypothesen. Geen enkele christelijke schrijver zou zich veroorloofd hebben, uit eigen beweging en willekeurig dergelijke veranderingen aan te brengen in een model-gebed, dat Jezus heeft aangekondigd met deze woorden: „ Wanneer gij bidl, zegt dan . ..Het verschil is hier dus onwillekeurig. Men moet derhalve aannemen dat deze Grieksche uitdrukking, die beiden met elkander gemeen hebben, tot vertaling van de Arameesche, waarvan Jezus zich bediend had, gekozen werd, toen de oorspronkelijke mondelinge overlevering in het Grieksch werd teruggegeven, ten behoeve van de talrijke Grieksch-sprekende Joden, |die in Jeruzalem en in Palestina woonden. (Hand. 6 : 1 en verv.) Toen deze vertaling eenmaal vast stond in de mondelinge overlevering, is zij van daar in onze Evangeliën overgegaan. — In plaats van „eiken dagquot;, zegt Mattheus a-wspov, heden. De uitdrukking van Lukas beantwoordt, wegens haar meer algemeenen en meer abstracten zin, misschien niet zoo goed als die van Mattheus aan het gevoel, dat men heeft, als de bede feitelijk wordt uitgesproken. Bovendien gebruikt Lukas het praesens S/Say, dat met de uitdrukking eiken dag in verband staat; want het geeft een onafgebrokene handeling te kennen: geeft ons bestendig het brood van iederen dag.quot; De aor. van Mattheus daarentegen past bij het woord heden-, hij geeft de enkele en oogenblikkelijke handeling te kennen, en verdient zonder twijfel de voorkeur. — Welk een herleiding van de menschelijke behoeften tot haar minimum, zoowel met betrekking tot de hoedanigheid (brood), als ten opzichte van de hoeveelheid (voor eiken dag noodig)!

Vs. 4. Het diepste gevoel van den discipel van Jezus, na dat van zijn afhankelijkheid ten opzichte van zijn aardsch bestaan, is het besef van zijn strafschuldigheid; en de eerste voorwaarde, om te kunnen handelen in den door de twee eerste beden aangewezen zin, is: van dezen last ontheven te worden door de vergeving. Want op de vergeving berust de vereeniging van de ziel met God. In plaats van de uitdrukking zonden (Lukas), bezigt Mattheus in het eerste

80

-ocr page 91-

11:2—4.

zindeel het woord schulden. Elke verwaarloosde plicht jegens God vormt inderdaad een schuld, die door een straf moet worden betaald. Doch deze uitdrukking kan zeer goed aan het volgende: Ome schuldenaren ontleend zijn. — In den tweeden zin zegt Lukas; Want ook wij (xinol)., .; Mattheus: Gelijk ook wij. .. Het denkbeeld van een verwensching tegen ons zelf, wanneer wij van onzen kant weigeren, te vergeven, kan eerder in den vorm van Mattheus, dan in dien van Lukas liggen. Deze bevat niet eens het begrip van een voorwaarde; hij drukt enkel een beweegreden uit, die ontleend is aan de wijze, waarop wij zeiven in onzen kring handelen. Ongetwijfeld moet deze beweegreden in denzelfden zin worden verstaan als die van vs. 13: „Indien gij, die boos zijl, uw kinderen goede gaven weel te geven...quot; „Hoe boos wij ook zijn mogen, wij maken nochtans gebruik van het recht van gratie, dat wij bezitten, en vergeven de schulden aan hen, die ons schuldig zijn; hoeveel te meer zult Gij dan, Vader, die de goedheid zelve zijt, van het Uwe gebruik maken ten opzichte van ons?quot; Het is waarschijnlijk, dat wij het „gelijk ook wijquot; van Mattheus in denzelfden zin moeten opvatten. Het eenige verschil is, dat hetgeen Lukas als beweegreden aanvoert {want ook), door Mattheus als een punt van vergelijking wordt voorgesteld {gelijk ook). Bij Lukas kan de uitdrukking: een iegelijk, die ons schuldig is evenzeer schuldenaren in financiëelen zin, als degenen, die hunne zedelijke plichten jegens ons verzuimd hebben, te kennen geven. — De zeer absolute uitdrukking van Lukas: Wij vergeven een iegelijk, die ons schuldig is onderstelt, dat de geloovige reeds leeft in die sfeer van liefde, welke Jezus is komen scheppen op de aarde, en wier grondslag in de bergrede gelegd werd. — Deze dagelijksche bede om vergeving {eiken dag, vs. 3) heeft het Gebed des Heeren het misnoegen der Plymouth-broeders op den hals gehaald, die het beschreven als een gebed, dat meer een Joodschen, dan een Christelijken toestand in het oog heeft. Vgl. echter 1 Joh. 1:9, een plaats, die zeker op geloovigen betrekking heeft: „Indien wij ome zonden belijden ..Ook hebben

godet, Lukas, 11. 6

81

-ocr page 92-

11 ; 2—4.

wij gezien, dat dit gebed van de eerste woorden af het hart van eeu kind Gods onderstelt, ccn hart, dat geleerd hoeft, de belangen Gods vóór de zijne te stellen. — De afwezigheid van alle zinspeling op het zoenoffer van Jezus Christus voor de vergeving der zonden is een zeer treffend bewijs voor de volkomene echtheid van dit formuliergebed, zoowel bij Lukas als bij Mattheus. Indien vooral Lukas zelfs het geringste van het zijne er bijgevoegd had, hoe komt het dan, dat geen enkele aan de dogmatiek van den brief aan de Romeinen ontleende uitdrukking aan zijn pen ontsnapt is?

Met de herinnering van de overtredingen, waaraan hij zich in het verledene heeft schuldig gemaakt, gaat bij den christen het bewustzijn van zijn zwakheid gepaard, en dus ook de vrees voor toekomstige overtredingen. Daarom gaat hij vanzelf van het vergeven tot het vermijden van de zonden over. Want hij gevoelt wel, dat de heiligmaking het gebouw is, dat op het fondament der vergeving moet worden opgetrokken. Het woord verzoeken beteekent: op de proef stellen. Het wordt in de H. Schrift öf in een gunstigen zin gebruikt: den mensch op de proef stellen, om hem te brengen tot een vrije keus tusschen het goede en het kwade, terwijl daarbij een beslissing voor het goede beoogd wordt; in dezen zin kan God verzoeken (Gen. 22: 1); öf in ongunstigen zin: de zedelijke kracht op de proef stellen, met het doel om haar te doen bezwijken; in dezen zin verzoekt de Satan, en „kan God niet verzoekenquot; (Jak. 1 : 13). Hetgeen het recht verstand van deze laatste bede moeilijk maakt, is de omstandigheid, dat geen van die twee beteekenissen van het woord verzoeken hier schijnt te passen. Want neemt men het in den gunstigen zin, dan kan de geloovige God niet bidden, om hem de beproevingen te besparen, welke noodig zijn tot de ontwikkeling van zijn zedelijk wezen en tot de openbaring van de kracht zijns geloofs (Jak. 1:3); en vat men het op in den ongunstigen zin, dan schijnt het een beleediging tegen God te zijn, Hem te vragen, aan ons niet een daad willen verrichten, die in de hoogste mate duivelsch is. De oplossing van dit probleem hangt af van

82

-ocr page 93-

11 : 2—4.

83

de vraag, wie de bewerker is van de in deze bede voorziene verzoekingen. Het komt mij voor, dat het tweede gedeelte der bede bij Mattheus: maar verlos ons van den booze daaromtrent geen twijfel overlaat. De bewerker van de verzoekingen, waarop deze bede betrekking heeft, is niet God, maar de Satan. De uitdrukking föctxi diró, ontrukken aan, is een krijgsterm, die de verlossing van een gevangene uit de macht des vijands te kennen geeft. De vijand is hier de booze, die zijn strikken spant op den weg der geloovigen. Daar deze zich bewust zijn van het gevaar, waaraan zij blootgesteld zijn, zoowel als van hunne zwakheid, bidden zij God, hen niet te laten vallen in de strikken van dien vijand. Men heeft aan het woord eïscpspeiv de beteekenis gegeven van: blootstellen aan, of van: verlaten in; doch deze vertalingen beantwoorden niet aan de kracht van de Grieksche uitdrukking: voeren in, prijsgeven aan. God voert ons zeer zeker niet tot het kwade; maar Hij laat ons in den strik vallen, wanneer Hij ons, door zijn hand van ons af te trekken, prijs geeft aan de macht van den vijand, die hem gespannen heeft. Het is het vxpx\'Si\'Sóvxi, overgeven, waarin God zijn toorn tegen de heidenen openbaart (Rom. 1:24, 26—28). En zeker kan God nu en dan ook met de discipelen van Jezus op deze wijze handelen. Het is dan een straf, waarmede Hij hen kastijdt wegens hun eigenwaan, hun vertrouwen op zichzelf, hun geestelijken hoogmoed. Vgl, de verloochening van Jezus door Petrus. God behoeft slechts op te houden te behoeden, en de mensch ontwaart terstond, dat hij overgeleverd is aan de macht des vijands (2 Sam. 24:1, vgl. met 1 Kron. 21:1). Dat gevoelt de geloovige ten diepste. Van daar die bede, wier zin mij voorkomt, dit te zijn: „Geef, dat ik mij heden niet overgeef aan een toestand van tevredenheid met mijzelf of van vleeschelijke gerustheid, die U noodzaken moet, mij, om mij te verootmoedigen en wakker te schudden, te laten vallen in eender strikken, die de booze zeer zeker op mijn weg zal leggenquot;.\')

■1) llet/.elfde drukt eon vrome uit in de volgende omschrijving van de

-ocr page 94-

11 : 2-4.

84

of zooals Gess zegt {Bibelst. ilher Job. 13—17, bl. Ill): „Met deze bode belijden wij, dat wij menigmaal zouden verdienen, in verzoeking geleid te worden, en vragen wij, dat bet God in zijn genade nochtans moge bebagen, ons niet op deze wijze te behandelen.quot; Het komt mij voor, dat de wijze, waarop Jezus in Getbsemané tweemaal (22 : 40 en 46) de uitdrukking: in verzoeking komen bezigt, in overeenstemming is met den zin, dien wij aan deze bede geven. — Het tweede lid van den zin: maar verlos ons ... is bij Lukas een aan Mattbeus ontleende interpolatie. Zonder dit einde is bet gebed niet werkelijk afgesloten, zooals bet wezen moet; ook hier is Mattbeus dus vollediger, dan Lukas. — De doxologie, waarmede wij bet Gebed des Heeren eindigen, komt in geen enkel Handschrift van het Evangelie van Lukas voor, en ontbreekt in de oudste oorkonden van dat van Mattbeus. Het is een aanhangsel, dat te danken is aan bet liturgisch gebruik van dit formulier, en in den tekst van bet eerste Evangelie, dat bet meest voor de openbare voorlezing gebruikt werd, is ingevoegd.

Wij meenen, aangetoond te hebben; 1° Dat Lukas de omstandigheden, waaronder dit model-gebed werd voorgedragen, Mattbeus daarentegen den vorm en inhoud daarvan het getrouwst en volledigst voor ons bewaard heeft. Deze twee resultaten weerspreken elkander volstrekt niet, zooals Gess meent. 2°. Dat de twee redacties noch de eene uit de andere, noch beide uit een gemeenschappelijke oorkonde kunnen voortgekomen zijn. Zelfs Bleek ziet zicb genoodzaakt, hier voor iederen Evangelist een bijzondere bron aan te nemen. Men kan noch de verkortingen van Lukas, noch de bijvoegingen van Mattbeus voor willekeurige veranderingen houden. Holtzmann meent, dat Mattbeus het gebed heeft uitgebreid, om bet aantal van de beden tot bet heilige getal zeven te brengen. Maar ten eerste is de verdeeling

bode: ,,Als de gelegenheid tot zondigen zich aanbiedt, geef dan , dat de lust daartoe bij mij niet aanwezig zij; en is de lust aanwezig, maak dan, dat de gelegenheid zich niet aanbiedtquot;.

-ocr page 95-

11 : 5—7.

van het gebed in zeven beden een fictie; zij beantwoordt nocli aau de klaarblijkelijke evenredigheid van de twee gedeelten daarvan, die ieder uit drie beden bestaan, noch aan de ware beteekenis der laatste bede, die men zonder eenige reden in tweeën wil verdeelen. Bovendien hebben de gedeelten , die Mattheus alleen bewaard heeft, een zeer treffende innerlijke waarschijnlijkheid. — Men heeft uit dit verschil de gevolgtrekking gemaakt, dat dit formulier niet in gebruik is geweest in den eeredienst der eerste gemeente. Maar als dit argument geldig was, zou het ook van toepassing zijn op de woorden der instelling van het heilige Avondmaal, hetgeen onhoudbaar is. Het formulier van het gebed des Heeren werd oorspronkelijk, evenals het geheele overige gedeelte der Evangelische geschiedenis, door middel van de mondelinge overlevering bewaard; daardoor was het blootgesteld aan wijzigingen van ondergeschikte beteekenis, en deze zijn eenvoudig in de eerste geschrevene redacties overgegaan, waaruit onze synoptische schrijvers hebben geput. — De oudste oorkonde, die bewijst, dat het Gebed des Heeren gebruikt werd, is btixzh tüv dcissxx dtroa-rd/ui/ (VIII, 2). In dit geschrift wordt dat gebed vrij nauwkeurig volgens Mattheus aangehaald. Overeenkomstig zijn judaïstische richting, vermaant de schrijver de geloovigen, het driemaal daags uit te spreken.

2°. Vs. 5—13: De werking van het gebed.

Nadat Jezus zijn discipelen do hoofdzakelijke voorwerpen van hun gebed heeft aangewezen, geeft Hij hun de verzekering van de werking dezer handeling. Hij bewijst haar: 1° door een voorbeeld, dat van den onbescheidenen vriend (vs. 5—8); 2° door de algemeene ervaring (v. 9 en 10); 3° door het vaderschap Gods (v. 11—13).

Vs, 5—8. De gelijkenis van den onbescheiden

vriend.

Vs. 5—7. „En Hij zeide tot hen: Indien iemand van u, die een vriend heeft, te middernacht tot

85

-ocr page 96-

11 : 5—7.

hem gaat, en tot hem zegt:1) Vriend, leen mij drie brooden; 6. Want een vriend van mij,2) die op reis is, is tot mij gekomen, en ik heb niets om hem voor te zetten; 7. en deze, van binnen antwoordende, tot hem zou zeggen: Val mij niet lastig; mijne deur is reeds gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de bedstede; ik kan niet opstaan, om u te geven;quot;

Deze geschiedenis heeft Lukas alleen. Holhmann zegt: „Aau A (de Log ia) ontleend.quot; Maar waarom zou Mattheus haar dan weggelaten hebben, terwijl hij, volgens dezen criticus, de voorafgaande en de volgende verzen (7 : 7—11) uit A teruggeeft? — Of men met Hofmann en Keil van vs. 8 het antwoord op een lange vraag (vs. 5—7) maakt, dan wel met de andere uitleggers vs. 8 als een hoofdzin beschouwt, waarop de verzen 5—7 als voorwaardelijke en gesubordineerde zin steunen, doet weinig ter zaak. Men moet in beide gevallen aannemen, dat met het flVji van vs. 5 en 7 een verandering van constructie plaats vindt, waardoor do oorspronkelijke vraag; „Wie van U zal een vriend hebben...?quot; in een voorwaardelijken zin overgaat: „en indien hij tot hem zou zeggen...quot; Het ipeï, en hij tal zeggen van vs. 5 in den Alexandrinus enz. is een poging, om deze onnauwkeurigheid te verbeteren; maar deze poging is mislukt bij het tweede s/ttj}, nl. dat van vs. 7. De vragende vorm paste beter voor het begin der rede, daar hij zich meer rechtstreeks tot den hoorder richt; maar hij kon niet te lang worden voortgezet. Vandaar cle overgang tot de andere constructie. — Het beeld van de drie broaden mag niet allegorisch verklaard worden; het is in overeenstemming met het geheele tooneel.

86

1

T. R. leest met AD en 5 Mjj.; en 12 Mjj.: eiTry.

2

ï. R. leest //cw, met NABLX It. Syisur* C en 13 Mjj. laten (jlov weg.

-ocr page 97-

11 : 8—10.

Het eene brood is voor den vreemde, het tweede voor den gastheer, die met hem aan tafel moet zitten, en het derde moet in voorraad zijn. Het daardoor uitgedrukte denkbeeld is eenvoudig dat van een voldoende hoeveelheid, hetwelk in vs. 8 met het „zooveel als hij noodig heeftquot; is teruggegeven.

Vs, 8. „ik zeg ulieden, dat Lij, al zal hy ook niet opstaan en hem geven omdat hy zijn vriend is, wegens zijne lastigheid zal hij opstaan en hem geven zooveel als \') hij noodig heeft.\'\'

Met opzet stelt Jezus allen invloed ter zijde, dien de vriendschap voor den vragenden vriend zou kunnen uitoefenen op hem, van wien gevraagd werd, ten einde de almacht van de door den eerstgenoemden betoonde volharding zooveel te beter te doen uitkomen; vgl. 18 : 1 en verv. De gevolgtrekking is: Hoeveel te meer zal het dan aldus zijn bij God, wiens goedheid men zich nooit te groot zou kunnen voorstellen!

Vs. 9 —10. De dagelijksche ervaring: „En ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden;1) 10. Want een iegelijk, die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en hem, die klopt, zal opengedaan worden. 2)

Vs. 9 bevat de toepassing van het voorafgaande voorbeeld; al de beelden zijn daaraan ontleend: dat van het kloppen, dat van het vragen, en zelfs dat van het zoeken, hetwelk herinnert aan de pogingen van den in verlegenheid ver-

87

1

T. R. leest uvoiyyiriTCti, met NABC eu 7 Mjj.; D en 9 Mjj.: xvoix-OyTSTCII.

2

T. R. leest cevoiy^reTeei, met S C en 4 Mjj.; A en 1\'2 Mjj.:

BC Syr.: «vo;yeT«/.quot;

-ocr page 98-

11 : 11—13.

keerenden vriend, om in den nacht de deur van zijn vriend te vinden en te maken, dat zij hem opengedaan wordt. Do opklimming in de beelden doet den toenemenden ijver van den biddenden vriend uitkomen, tegenover de hinderpalen, die zich vermenigvuldigen. — Jezus ontleende dit voorschrift aan zijn persoonlijke ervaring (3 : 21, 22).

Vs. 10 .bevestigt de vermaning van vs. 9 door feiten uit het dagelijksch leven. Het fut. zal opengedaan worden contrasteert met de twee praes.: ontvangt, vindt. Het is gebruikt, omdat het in het derde geval niet, zooals in de twee andere, dezelfde persoon is, die de twee met elkander verbondene handelingen verricht; het open doen van de deur geschiedt niet door hem, die klopt. Het praes. xvoiyerxi in den Vaticanus is een correctie. — Hoe zou men dit verslag van Lukas niet bewonderen, dat zoo aanschouwelijk is in al zijn bijzonderheden, en door de vastknooping van dit voorschrift aan het voorafgaande voorbeeld van den lastigen vriend de door den Heer gebruikte beelden zoo goed motiveert? Bij Mattheus staat deze uitspraak te midden van een reeks voorschriften, aan het einde der bergrede, zonder de gelijkenis, die de beelden daarvan motiveert, als een bloemkroon, die van haar steel gescheiden is en daar ligt, waar de wind haar gebracht heeft. Hoe zou men tusschen deze twee verslagen kunnen aarzelen?

Vs. 11 —13. Het vaderschap Gods: „En welk1) vader onder 2) u zal, als zijn zoon 3) hem een brood vraagt, hem een steen geven ? Of ook als hij hem een visch vraagt, hem een slang, in

88

1

N D L X lezen ti; , in plaats van nvec,

2

T. R. leest v/tuv, met E en 9 Mjj.; N A B en 7 Mjj. It.; vpav.

3

N L laten o v/o? weg.

-ocr page 99-

11 : 11—13.

plaats van een visch, geven? 12. Of ook, *) als hij hem een ei vraagt, hem een schorpioen geven? 13. Indien dan gij, die boos zijt,1) uw kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader 2) den Heiligen Geest geven, die Hem dien vragen!quot;

Zonder twijfel gebeurt het menigmaal in de menschelijke samenleving, dat de in vs. 10 uitgesprokene grondstelling geen toepassing vindt. Maar daar hier sprake is van een vaderlijke en kinderlijke betrekking als die, welke het Gebed des Heeren onderstelt, is de goede uitslag zeker. De ge-loovige bidt immers tot een Vader, en doordat hij overeenkomstig het gegeven model bidt, is hij zeker, dat hij Hem niets anders vraagt, dan dingen, die zulk een Vader zijn kind niet kan weigeren, om hem in de plaats daarvan andere te geven, die schadelijk zijn of minder waarde hebben. Zoo voert ons het einde van deze afdeeling naar het uitgangspunt terug; den titel van Vader, die aan God gegeven is, en het kindschap van den discipel van Jezus. Het Ss heeft betrekking op de gevolgtrekking a fortiori, die wij zooeven hebben uitgesproken. De lezing van eenige Alexandr.: rk ... o y/V? (of vUg), „welke zoon zal zijn vader vragen?quot; zou een beroep doen op het kinderlijk gevoel van de toehoorders; blijkbaar moet de voorkeur worden gegeven aan de lezing rivx welke vader, wien zijn zoon zal

vragen?quot; die een beroep doet op het hart der vaders onder de verzamelde menigte. — De drie door Jezus opgenoemde levensmiddelen schijnen bij den eersten blik slechts bij toeval vermeld te zijn. Maar zooals Bovel*) doet opmerken, zijn

89

1

T. E. leest uTrufXOvTtq, met A I) C en 12 Mjj.; ft D en 4 Mjj.: ovte?.

2

N li X laten o vodr e| oupxvov weg.

-ocr page 100-

11 : 11—13.

brooden, hard gekookte eieren en gebakken visschen juist de gewone bestanddeelen van het middagmaal van een reiziger in het Oosten. Bij Mattheus ontbreekt het derde; Lukas heeft het zeker niet op zijn eigen gezag er bijgevoegd. De uitwendige betrekking tusschen brood en steen, visch en slang, ei en schorpioen springt in het oog. In het onderwijs van Jezus is alles schilderachtig, treffend en zoo gepast mogelijk, tot in de kleinste bijzonderheden toe. — \'ETr/SiSeW;: van hand tot hand overgegeven. Deze uitdrukking, die in vs. 23 niet herhaald wordt, bevat deze gedachte: „Welke vader zal den moed hebben,. .. zijn kind in de hand te geven?quot;

De gevolgtrekking in vs. 13 berust op een nieuw a fortiori, en de bewijsvoering wordt versterkt met de woorden: gij, die boos zijl. De lezing unxpxovTe? duidt nadrukkelijker, dan het ovtss (aan Mattheus ontleend), den feitelijken toestand als het uitgangspunt der redeneering aan. — „Illustre testimonium de peccato originaliquot;, zegt Bengel met recht. — De lezing der Alexandrijnen, die a vóór H- ouptxvoü weglaten, zou toelaten, te vertalen: zal uit den hemel geven. Maaier is in den samenhang geen reden te vinden, die Lukas aanleiding had kunnen geven, deze nadere bepaling op zoo bijzondere wijze te doen uitkomen. \'E? oöpavov hangt zoowel van het subst. ttxtvp als van het verbum Swlt;rf; af. Wij hebben hier als het ware een vermenging van twee constructies: „de Vader, die in den hemel isquot; en „zal uit den hemel gevenquot;. Vgl Hand. 10 : 23; 17 : 11—13; Hebr. 13 : 24; en in het klassieke Grieksch, Xenophon, Anabasis, V, 2, 24. — In plaats van: den Heiligen Geest zegt Mattheus: goede gaven en de Wette meent, dat Lukas de uitdrukking van Jezus in spiritualistischen zin gewijzigd heeft. Maar dit zou juist het tegenovergestelde zijn van de handelwijze, die men hem toeschrijft bij de mededeeling van de zaligsprekingen in 6 ; 20! Is het niet zonneklaar, dat Lukas heel dit gedeelte uit een bron heeft geput, die hij alleen bezat, en die hij eenvoudig teruggegeven heeft zooals zij was? Wat de innerlijke waarde van de twee uitdrukkingen betreft, die van Mattheus is eenvoudiger en minder didactisch, terwijl die van Lukas meer

90

-ocr page 101-

11 : 11 — 13.

in overeenstemming is met het verbeven karakter van het Gebed des Heeren, dat het uitgangspunt der geheele afdeeling is. Men zou daarom in twijfel kunnen zijn, aan welke van beide de voorkeur moet worden gegeven. Het eenvoudige Sw«( (in plaats van sTriïcóirei, vs. 12) is gebruikt, omdat hier niet meer sprake is van een gave, die van hand tot hand gaat. — Dit gedeelte komt ons voor, een van die te zijn, waarin de oorspronkelijkheid en de voortreffelijkheid der bronnen van Lukas zoo duidelijk mogelijk uitkomen, hoewel de vergelijking met Mattheus onmisbaar is, om den juisten vorm en den volledigen inhoud van de woorden des Heeren te verkrijgen.

VIL — 11 : 14—36. Do lastering der Pharizeën.,

Wij hebben reeds (zie bij 6:11) de aandacht gevestigd op het opmerkelijke feit, dat do beschuldigingen, waartoe in Galilea de genezingen op den Sabbat aanleiding gaven, in denzelfden tijd vallen als die, welke te Jeruzalem door do genezing van den verlamde werden uitgelokt (Joh. 5). Er bestaat een dergelijke betrekking tusschen de nog ernstiger beschuldiging van samenwerking met Beëlzebul, die men tegen Jezus inbrengt naar aanleiding van de genezingen van bezetenen, en de beleedigingen, die Hem, bijna in denzelfden tijd, te Jeruzalem, op het Loofhuttenfeest en het feest van de inwijding des tempels, naar het hoofd worden geworpen: „Gij zijl een Samaritaan! Gij hebt een daemon!quot; (Joh. 8 ; 48); „Hij heeft een daemon en Hij is uitzinnigquot; (10:20). Mattheus (Hoofdst. 12) en Markus (Hoofdst. 3) plaatsen deze beschuldiging iets vroeger, in den loop der Galileesche werkzaamheid. Zij kan zich meermalen hebben herhaald, en wij hebben het bewijs, dat dit ook inderdaad het geval is geweest, als wij Matth. 9 ; 32—34 vergelijken.

Dit gedeelte bevat: 1° het bericht van de twee feiten, die tot de twee volgende redenen aanleiding hebben gegeven (vs. 14—16); 2° de eerste rede als antwoord op de beschuldiging der Pharizeën (vs. 17—26); 3° een episode (vs.

91

-ocr page 102-

11 : 14—16.

27—28); 4° de tweede rede als antwoord op den eisch van eeu teeken uit den hemel (vs. 29—36).

lo. Vs. 14—16: De twee feiten. „En Hij wierp een daemon uit, die stom was \'); en het geschiedde , toen de daemon uitgevaren was 1), dat de stomme sprak, en de scharen verwonderden zich. 15. Maar sommigen onder hen zeiden: Hij werpt de daemonen uit door Beëlzebul 2), den \') vorst der daemonen. 3) 16. En anderen begeerden van Hem, om Hem op de proef te stellen, een teeken uit den hemel.quot;

De vorm iji/ skPxMuv beteekent: Hij was bezig, uit te drijven. Ieder keek naar Hem, en was benieuwd, of het Hem gelukken zou. {stomp) kan zoowel de doofheid

als de stomheid te kennen geven; hier is echter, zooals blijkt uit hetgeen volgt, de stomheid bedoeld. Maar deze stomheid was van psychischen aard, het gevolg van bezetenheid. Stomme daemon, in plaats van: die stom maakte. — Daar de genezing volkomen en onmiddelijk gelukt was, begon ieder den indruk uit te spreken, dien zij op hem gemaakt had. Uit het midden van deze zich verwonderende menigte verheffen zich stemmen, die de vreeselijke beschuldiging doen booren: er bestaat een verbond tusschen Jezus en den Satan; deze heeft Hem, om Hem geloof te doen vinden, macht gegeven over zijn onderhoox\'igen. Anderen, die schijn-

92

1

T. B. leest el-eAÖovToj, met N B en 14 Mjj. Syr.; A O en 8 Mjj. lezen

fX/SAljöfVTO?.

2

N B hebben in plants van £/3oiM.

3

ADKMXn 40 Mjj voegea hier, naar Mark 3 : 2i, den zin er bij: En Hij, antwoordende, zeide: Hoe kan de Satan den Satan uitdrijven!

-ocr page 103-

11 : 14—16.

baar gematigder waren, eischen dat Jezus, om zich vau zulk een argwaan te zuiveren, eindelijk een wonder zal doen, dat niet behoort tot de sfeer van deze dagelijksche genezingen, een teeken, dat klaarblijkelijk uit den hemel komt, die de zetel van de goddelijke macht is; dan zal het bewezen zijn, dat zijn macht uit een goede bron is.

Bij Mattheus wordt deze zoo zware beschuldiging het allereerst door de Pharizeën uitgesproken (9 : 32 en verv.), bij gelegenheid van de genezing van een bezetene, die stom was, zooals hier bij Lukas; en de tweede maal, na de genezing van een bezetene, die blind en stom was, (12:22 en verv.). Bij Markus (3 : 22) laten schriftgeleerden, die uit Jeruzalem waren gekomen, die beschuldiging hooren; zij wordt aan geen enkel bijzonder feit vastgeknoopt, maar wordt vermeld bij gelegenheid van de aankomst der broeders van Jezus, met het doel om zich van Hem meester to maken, daar het gerucht zich verspreid had, „dat Hg uitzinnig (bezeten) wasquot;. Het is moeilijk te gelooven, dat dezelfde geschrevene bron aan deze drie berichten ten grondslag ligt, of dat een daarvan de twee anderen tot bron heeft gediend.

Vs. 15. Het rivii, sommigen, moet met behulp van de twee andere Synoptici nader worden bepaald. Het waren leden van de sekte der Pharizeën, die uit Judea gekomen waren. — Het êv vóór het woord Beèlzebul kan eenvoudig beteekenen: op gezag en door de kracht van; maar het kan ook een nog veel inniger betrekking aanduiden: in verbinding met den Satan, die Hem bezielt, en van wien Hij zelfs bezeten is. — Deze aan den Satan gegeven naam komt in al de oorkonden van Lukas en in bijna al die van Mattheus met den uitgang bul voor; dit is dus de juiste lezing. Maar het is waarschijnlijk, dat deze uitdrukking ontstaan is uit het Hebr. B aal-Ze hub, Vliegengod, wn , die volgens 2 Kon. 1 en verv. te Ekron, een stad der Philistijnen, werd aangebeden, en dien men met den ZsD? \'Attó^vio? der Grieken kan vergelijken. Zonder twijfel moest de aanroeping van dien god de streek voor de plaag der vliegen behoeden. Uit verachting gaven de Joden don Satan dezen naam,

93

-ocr page 104-

11 : 17—18.

terwijl zij de laatste lettergreep daarvan zóó veranderden, dat hij de beteekenis kreeg van: Mesl-god [Dahal-Zebul), Boven deze door Lighlfoot, Wetstein, Bleek e. a. aangenomen verklaring geven Meyer en Hofmann de voorkeur aan die, welke den naam afleidt van Badl-Zebul, „Heer der woningquot;; onder deze „woningquot; zou men dan den Scheol, het verblijf der dooden, moeten verstaan. Deze opvatting is weinig natuurlijk. De woning moest dan nauwkeuriger aangeduid zijn, en het werkw. Zabal, in de beteekenis van wonen, is in het Arameescb niet gebruikelijk (Keil op Matth. 10 : 25). Reuss stelt de Syrische etymologie Beël-debobo voor, „Heer der vijandschapquot;, om den Vijandin volstrekten zin te kennen te geven. Maar die uitgang van het woord Beëlzebul wijkt al te zeer daarvan af, en de zin is weinig bevredigend.

Vs. 16. Het geëischte teeken moest naar de bedoeling van hen, die het vroegen, zonder twijfel de onmacht van Jezus openbaar doen worden. — Een teeken uit den hemel, zooals het vuur, dat op het bevel van Elia uit den hemel nederdaalde (2 Kon. 1 : 10), of het manna, dat door toedoen van Mozes gegeven werd. Jesaja bood Achaz een teeken aan, öf uit den hemel, öf uit den Scheol (2 Kon. 7:11). Men eischte dus van Jezus een wonder, dat zuiver betoogend zou zijn, en aan geen enkele werkelijke behoefte zou beantwoorden. Het was in den grond der zaak niets anders, dan de derde verzoeking der woestijn; vgl. de daarmede overeenkomende eisch van Joh. 2 : 18 en G : 30. Zoodanig was het karakter, dat het wonderbegrip bij de Joden aangenomen had; men maakte van het wonder een soort goochelarij.

94

2°. De eerste rede: vs. 17—26. — Zij verdeelt zich in twee gedeelten: Eerst weêrlegt Jezus de lasterlijke verklaring, die men van zijn genezingen geeft (vs. 17—19); en daarna stelt Hij daarvoor de ware in de plaats (vs. 20—26).

Vs. 17 — 18. „Maar Hij, hunne gedachten kennende, zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zich-

-ocr page 105-

11 : 17—18.

zelf verdeeld is, wordt verwoest, en de huizen storten op elkander in. 18. En evenzoo, indien de Satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn rijk in stand blijven? — dewijl gij zegt, dat ik door Beëlzebnl de daemonen uitwerp.quot;

Om de ongerijmdheid van de tegen Hem uitgesproken beschuldiging aan te toonen, doet Jezus eerst een beroep op het gezond verstand. — Zijn beschuldigers hadden niet gedurfd, Hem-zelf hunne gedachte mede te deelen; zij hadden onder eikander er over gesproken, maar Jezus had haar begrepen. Bij Lukas haalt Hij één enkel voorbeeld aan, dat van een staal, waarin de burgeroorlog heerscht, en dat door de tweedracht te gronde gericht wordt. Het volgende xxi beteekent niet: en ook, alsof wij hier te doen hadden met een tweede voorbeeld, maar: en evemoo-, de ondergang der families is slechts het gevolg van dieu van den staat. Anders had er moeten staan: „ieder huis, dat tegen zichzelf verdeeld is. Mattheus, eindelijk, geeft een derde op, dat van een stad.

Vs. 18. Het rijk van den Satan is ook (mi) aan de wet onderworpen. Maar de Satan kan zijn eigen ondergang niet willen bewerken. Het oti, dewijl, hangt af van den zin, die er bij moet worden gedacht: „Ik zeg ditquot;. Deze vorm getuigt van verontwaardiging. Jezus geeft daardoor zijn tegenstanders te verstaan, dat Hij hunne gedachte zeer goed begrepen heeft, al hebben zij niet overluid gesproken (vs. 17: hunne gedachten kennende). Deze in het oog loopende wijze van spreken herinnert aan die van Markus (3 : 30): „Omdat zij zeiden; Hij heeft een onreinen geestquot;. Zij waren beide in de overlevering bewaard gebleven (zie vs. 24; 12 : 41; 18 : 18, vergeleken met de parallelle plaatsen bij Markus). De zoo verschillende vorm bewijst echter in al deze gevallen, dat geen van de Evangelisten den ander nageschreven heeft. — Men had Jezus evenwel kunnen antwoorden, dat dit een list des Satans was, die met geen ander doel zijn onder-

95

-ocr page 106-

11 : 19.

hoorigen uitdreef, clan om zijn hoofdvertegenwoordiger in Israël zooveel te meer geloof te doen vinden, gelijk men in den oorlog een enkelen post opoffert, om een algemeene overwinning te behalen. Het zou Jezus geen moeite gekost hebben, op deze tegenwerping een afdoend antwoord te geven. Het vloeit uit vs. 20 voort.

Nadat Jezus de ongerijmdheid der beschuldiging in het licht heeft gesteld, toont Hij aan, dat zij door en door onrechtvaardig is en uit zuivere kwaadwilligheid voortspruit:

Vs. 19. ,,Ea indien ik door Beëlzebul de daemon en uitwerp, door wien werpen uwe zonen ze uit? Daarom zullen zijzelven uwe rechters zijn.quot;

Wij weten uit het N. T. en door Josephus, dat er indien lijd zeer vele Joodsche exorcisten waren, die er een beroep van maakten, de daemonen voor geld uit te drijven; vgl. Hand. 9:13: Soinmigen van de rondtrekkende Joodsche bezweerders...quot; en Jos., Anliq. VIII, 2, 51). De Talmud spreekt ook over deze exorcisten, die David, wiens liederen Saul genazen, tot hun patroon, en Salomo tot den uitvinder

96

1

Ik heb een van mijn landgenooten, Eleazar genaamd, ia tegenwoordigheid van Vespasianus en zijn zonen, de tribunen en andere militairen, daemonen uit bezetenen zien nitdrijyen. Dit geschiedde op de volgende wijze. Hij hield zijn riug, in wiens kas een van de door Salomo aangewezene wortelen ingesloten was, onder den neus van den bezetene, liet hem daaraan ruiken, en dreef op deze wijze den daemon van lieverlede door do neusgaten uit. Toen viel die persoon op den grond, en de bezweerder beval den daemon, niet in hem terug te keeren, terwijl hij daarbij den naam van Salomo en de door dezen wijze vervaardigde formulieren uitsprak. Om de aanwezi;;e.i te overtuigen van de macht, die hij uitoefende, en hun die handtaste\'ijk te maken, plaatste Eleazar daar ook een beker of een bekken met water, en beval den daemon, bij het uitvaren dit vat om te werpen, en daardoor den ooggetuigen het bewijs te geven, dat hij werkelijk dien mensch verlaten had. Daar dit geschiedde, werden de wijsheid en de schranderheid van Salonao voor allen openbaar. Vgl. Sell. Jud., VII, 6, 3, waar de bedoelde tooverwortel, een soort ruit xvcv), Baara genoemd wordt, naar het bij de vesting

Maehaerua gelegene dal, waar men haar met oneindige moeite verzamelde.

-ocr page 107-

11 : 20—22.

van hunne bezweringsformulieren maakten. Hij zegt van hen: „Zij nemen wortelen, berooken den kranke, gieten hem water in, en de geest neemt de vluchtquot; {Tanch. f. 70, 1). Op deze menschen doelt Jezus met de uitdrukking: uwe ionen. Verscheidene kerkvaders hebben gemeend, dat Hij daarbij het oog heeft gehad op zijn eigen apostelen, die dergelijke genezingen bewerkten. Maar dan zou de redeneering geen waarde hebben gehad tegenover de Joden, daar zij niet geaarzeld zouden hebben, op de genezingen der discipelen dezelfde verklaring toe te passen, waarmede zij zoo even die des Meesters hadden gebrandmerkt. De Wette, Meijer en Neander geven aan het woord zonen de beteekenis van discipelen, die het in de uitdrukking: zonen der profeten heeft. Maar niets bewijst, dat deze exorcisten in de scholen der Pharizeën hadden gestudeerd. Het is eenvoudiger, de uitdrukking: uwe zonen in dezen zin op te vatten; „Uwe eigene landgenooten, uw vleesch en bloed, die gij niet van plan zijt, te verloochenen, maar op wie gij veeleer roem draagt, als zij daden van macht verrichten, die met de mijne gelijk staan.quot; Deze menschen gaven geen teekenen uit den hemel; en nochtans verdacht men hunne genezingen niet. Zij zyn het dus, die in den dag des oordeels de beschuldigers van Jezus te schande zullen maken; want zij zullen hen overtuigen van partijdigheid in de beoordeeling van gelijke feiten. Het vervolg zal de bewijsvoering volledig maken, door te doen uitkomen, dat er een volko-mene tegenstelling bestaat tusschen deze twee soorten van genezingen, een tegenstelling, welke den goddelijken oorsprong van die van Jezus bewijst.

Nadat Jezus door het gezond verstand en het voorbeeld der exorcisten de onjuistheid van de verklaring zijner tegenstanders heeft aangetoond, geeft Hij hun nu de ware verklaring :

Vs. 20 — 22. „Maar indien ik door den vinger van God de daemonen uitwerp, zoo is dan het konink-

(iOUET, Lukas. II. 7

97

-ocr page 108-

11 : 20—22.

rijk Gods tot u gekomen. 21. Wanneer de sterke, die goed gewapend is, zijn hof bewaart, zijn al zijn goederen in veiligheid. 22. Maar zoodra een \') sterkere dan hij, onverwacht komende, hem overwonnen heeft, ontneemt hij hem zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en deelt zijn buit uit.quot;

Als het werk van Jezus niet het werk des Satans is, dan volgt daaruit, dat het het werk Gods is en het duidelijk bewijs, dat de Satan een beslissende nederlaag heeft geleden. — Door den vinger van God, zegt Jezus: zonder die kunstgrepen en tooverformulieren, waarmede de exorcisten te werk gaan. Hij behoeft slechts den vinger op te heffen, en de Satan verlaat zijn prooi. Deze spreekwijze is het zinnebeeld van de uiterste gemakkelijkheid; vgl. de uitdrukking der toovenaars van Pharao bij het zien van de wonderen van Mozes, Ex. 8 :19.

98

Vs. 21. Als dit zoo is, dan mogen zij zich in acht nemen. Het oogenblik is ernstig. Stort het rijk van den Satan in, dit geschiedt, omdat het rijk van God gekomen is. Tot hiertoe hebben zij zich voorgesteld, dat dit rijk met gedruis zou komen. En nu is het daar, zonder dat zij het vermoeden. De bepaling slt;p\' v,ux?, tol w, doet zien, dat men het woord Cpêxveiv hier niet kan opvatten in zijn gewone betee-kenis van voorkomen, maar dat het hier de beteekenis heeft, waarin het dikwijls in het latere Grieksch en in het N. T. (Hom. 9:31; 2 Cor. 10:14; Philipp. 3:16) voorkomt, nl. die van: bereiken, komen tot. Dit £$\' vfiSh; heeft iets dreigends: het is gekomen als een oordeel, dat u treffen zal. In dit geheele gedeelte gevoelt men een verkropte verontwaardiging. Deze laatste woorden, vol majesteit, ontsluieren voor de tegenstanders al de grootheid van hetgeen in deze

1) N B D L r C(;p. laten tiet artikel o weg. dat T. R. met al de anderen leest.

-ocr page 109-

11 : 20—24.

ure geschiedt en het tragische van de houding, die zij tegenover Jezus aannemen, In plaats van: door den vinger van God, zegt Mattheus: door den Geest van God. Weizsdcker meent, dat Lukas met opzet deze uitdrukking veranderd heeft, omdat zij Jezus van den H. Geest afhankelijk scheen te maken. Weiss neemt aan, dat de plastische uitdrukking: de vinger van God, die meer met den stijl van Lukas overeenkomt, van zelf uit zijn pen gevloeid is. Wat mij betreft, ik geloof, dat Jezus, niet minder dan Lukas, van een plas-tischen stijl hield, en dat de abstracte vorm van Mattheus geenszins de voorkeur verdient (zie Bleek). — Markus laat vs. 19—20 weg. Zou hij dit gedaan hebben, als hij dezelfde oorkonde als de anderen onder de oogen had gehad?

Vs. 21 en 22 bevestigen door een grootsch beeld de gedachte, die in vs. 20 is uitgedrukt. Het eigendom van den Satan (de bezetenen) is op dit oogenblik aan plundering prijsgegeven (de genezingen van bezetenen); wat bewijst dit anders, dan dat de eigenaar zelf overwonnen is geworden door een tegenstander, die sterker is dan hij? Anders zou hij zich niet op deze wijze van het zijne laten berooven. Dit beeld van twee helden, waarvan de een goed gewapend voor zijn kasteel staat, gereed om het te verdedigen, en de ander eensklaps verschijnt, den eersten nederwerpt en al den buit des vijands onder de zijnen verdeelt, is aan Jes. 49 : 24—25 ontleend; de profeet past het toe op Jehova, die zijn volk aan de handen van den heidenschen onderdrukker ontrukt. Er bestaat een tegenstelling tusschen dé twee conjuncties oTocv, wanneer, zoolang als, en èzav U, maar, zoodra; do eerste past voor den langen tijd van veiligheid, dien de eerste eigenaar in het rustig genot van zijn eigendom heeft doorgebracht {sv siptivy); de tweede, voor de plotselinge aankomst van den held, die overwinnaar is. Het woord auhy, dat eigenlijk de afgeslotene plaats vóór het huis, ook de binnenplaats van het huis (22 : 55) te kennen geeft, duidt hier, zooals menigmaal (Matth. 26 : 3, en in het ongewijde Grieksch), het huis-zelf, het paleis, aan. Mattheus en Markus gebruiken het woord oixlx. — Het 3 vóór ivxvpiTepot;

99

-ocr page 110-

11 : 23—26.

moet worden weggelaten. „Een sterkerequot;, en niet: „de sterkerequot;. De wapenrusting is het zinnebeeld van de machtige middelen, waarover de Satan beschikt, om zich meester te maken van de ziel, en zelfs van het lichaam der menschen. De uitdrukking , uitdeelen, die ontleend is aan de

gewoonte, volgens welke de veldheer den op den vijand ge-maakten buit onder zijn soldaten verdeelt, zinspeelt misschien op de door Jezus aan zijn discipelen gegevene macht om bezetenen te genezen. Er ligt een echt epische majesteit in de beschrijving van de twee tegenstanders, en wij kennen geen uitspraak van Jezus, die op zoo aangrijpende wijze het besef uitdrukt, dat Hij van de verhevenheid zijner positie en van de grootheid van zijn werk had. — De meesten der nieuwere uitleggers, zooals Meyer, Keim, Weizsdcker en Wem, zien met recht in deze in een tweegevecht door Jezus behaalde overwinning een toespeling op de verzoeking in de woestijn. Deze eerste overwinning was inderdaad de grondslag van al de latere overwinningen van Jezus.

De volgende verzen doen het wezenlijk onderscheid gevoelen, dat er bestaat tusschen de door Jezus volbrachte genezingen en die, welke de exorcisten bewerkten; zij bevestigen dus de redeneering van v. 17 en 18.

Vs. 23—26. r,Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij vergadert, verstrooit. 24. Wanneer de onreine geest van een mensch uitgevaren is, dan doorkruist hij dorre plaatsen, rust zoekende ; en deze niet vindende \'), zegt hij: Ik zal terugkeeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben. 25. En gekomen zijnde1), vindt hij het2)

100

1

T. R. leest fAÖov, met N A B en 8 Mjj ; de anderen: fAÖwv.

2

B. C. L. R. r lezen (rxoAa^ovTu yóór (recrccpuitevov \\ uit Mattheus overgenomen.

-ocr page 111-

11 : 23—26.

101

schoongeveegd en versierd. 26. Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, hoozer dan hij zelf; en ingegaan zijnde \'), wonen zij aldaar; en de laatste toestand van dien mensch wordt erger dan de eerste.quot;

De Wette en Bleek vinden het verband tusschen vs. 23 en de voorafgaande en volgende verzen zoo duister, dat zij er van afgezien hebben, een verklaring daarvan te geven. Meyer, Weiss e.a. passen deze woorden op de Pharizeën toe, die, daar zij niet vóór Jezus zijn, noodwendig tegen Hem moeten zijn, en zoo er toe komen, Hem op onwaardige wijze te belasteren, en alles te doen, om zijn invloed op het volk te vernietigen. Schanz meent, dat Jezus zijn toehoorders in het algemeen wil doen verstaan, dat het noodzakelijk is, vóór of tegen Hem partij te kiezen. Nadat de duivel door Hem overwonnen is geworden, is neutraliteit niet meer mogelijk. Evenzoo is Hofmann van gevoelen, dat Jezus zijn toehoorders wil aansporen, zich met Hem te vereenigen in den strijd tegen den Satan, omdat zij anders vóór dezen vijand werkten en in zijn nederlaag gewikkeld zouden worden. De verklaring van Meyer en Weiss komt mij onaannemelijk voor, omdat de uitdrukking: „niet met Jezus zijnquot; veel te zwak is, om het tegenwoordig gedrag van hen, die Hem belasterden, te kenschetsen; zij zijn openlijk tegen Hem. Die van Schanz en Hofmann is wel niet onjuist, maar zij houdt zich niet streng genoeg aan den samenhang. Jezus gaat niet af van het denkbeeld der hatelijke aantijging, waarvan Hij zoo even het voorwerp was. Zijn gedachte komt hierop neer: De strijd met den Satan is zoo weinig een veinzerij, zooals de beschuldiging ?an vs. 15 onderstelde, is zoozeer een ernstige oorlog, ja zelfs een gevecht op leven en dood.

1) E en 6 Mjj. lezen e^Qovrx, in plaats van eitreAÖovTa, dat ï. R met al te anderen leest.

-ocr page 112-

11 : 23—26.

dat zij, die, evenals de Joodsche exorcisten (vs. 19), met Hem tegen den gemeenschappelijke vijand schijnen te strijden, in de werkelijkheid tegen Hem en vóór Satan arbeiden, zoolang zy zich bij hun arbeid niet met Hem verbindoc. Dit wordt bewezen door het tafereel van vs. 24 en verv. — De uitdrukkingen vergaderen en verstrooien zouden op een oogst betrekking kunnen hebben: de tarwe verzamelen of verstrooien. Maar met het oog op het verband is het beter, ze met een kudde (Joh. 10 : 13—16; 11 : 52) of met een leger in betrekking te brengen. In plaats van te arbeiden, om Israël te vergaderen, door het tot God terug te brengen, leveren de exorcisten het over aan schadelijke invloeden, die het nog meer van God verwijderen, en waarvan alleen het rijk des Satans voordeel trekt.

Vs. 25—26. Deze twee verzen zijn een soort gelijkenis, die ten doel heeft, de verderfelijke gevolgen aan te wijzen van de schijnbare genezingen, die buiten Jezus om tot stand worden gebracht. De exorcist heeft zijn kunst uitgeoefend en zijn toovermiddelen aangewend. De onreine geest heeft zijn prooi losgelaten en zijn woning ontruimd, die men hem voor het oogenblik onverdragelijk heeft gemaakt. Maar deze genezing kan niet duurzaam zijn, omdat daaraan twee dingen ontbreken. Ten eerste, is de vijand niet overwonnen, niet gebonden; hij is slechts uitgedreven, en heeft dus de vrijheid, om de wereld te doorkruisen, en derhalve terug te komen, wanneer het hem zal behagen. Het tweede gebrek is, dat de uitgedreven daemon niet vervangen is door een nieuwen bewoner, dat het huis ledig gelaten is; de Geest Gods heeft de plaats niet ingenomen van de duivelsche macht, die zich voor het oogenblik verwijderd heeft. Jezus vergenoegt er zich niet mede, den vijand uit te drijven en hem dan vrij te laten; Hij zendt hem naar zijn gevangenis, den afgrond, terug (8:31; 4:34). Dit zouden de exorcisten niet kunnen doen. Verder brengt Hij de bevrijde ziel tot God terug, en doet den H. Geest de plaats van den onreinen geest innemen, hetgeen nog veel meer buiten de macht der exorcisten is. Daaruit volgt, dat, terwijl het werk

102

-ocr page 113-

11 : 23—26.

103

van deze altijd de deur open laat voor een wederinstorting, en wel voor een, die veel erger is dan de vorige toestand, dat van Jezus inderdaad een einde maakt aan de bezetenheid en een radicale geuezing tot stand brengt. Op dit standpunt zijn wij in staat, de zoo treffende bijzonderheden van deze merkwaardige gelijkenis te verklaren. Iedere trek der beschrijving van de zoogenaamde genezingen loopt over van ironie. De uitgedreven geest gaat heen door dorre plaatsen. Deze vreemde uitdrukking werd waarschijnlijk aan de bezweringsformulieren ontleend. Men zond den geest terug naar de woestijn, het veronderstelde verblijf der booze geesten (Tob. 8:3; Baruch 4 : 35); vgl. ook hetgeen gezegd is over de wegzending van den met vloek beladenen bok naar de woestijn voor Azaiel, den vorst der daemonen (Lev. 16 : 10). — Nadat de booze geest een tijdlang rondgezworven\' heeft, begint hij het te betreuren, dat hij zijn vroegere woning niet meer heeft, en hij vraagt zich af, of hij daarheen niet zou kunnen terugkeeren. Hij is er zoo zeker van, dat hij daartoe slechts behoeft te willen, dat hij met een sarcastische vroolijkheid uitroept: „Ik zal wederkeeren in mijn huis! Hij weet in den grond zeer goed, dat hij niet opgehouden heeft, de heer en meestor daarvan te zijn, daar hij niet vervangen is geworden door een nieuwen eigenaar. Hij neemt het besluit, een onderzoek in te stellen. Het resultaat van dit onderzoek is gunstig: het huis is beschikbaar {axoXikfyvTix, Mattheus). Maar nog meer dan dit: do exorcist heeft zoo goed gewerkt, dat het huis sedert het vertrek van den daemon een zeer bevredigend aanzien van zindelijkheid, orde en gemakkelijke inrichting verkregen heeft. Do behoefte om te verwoesten en omver te werpen zal dus opnieuw vinden wat haar bevredigen kan. Daarmede wil Jezus de geestelijke en lichamelijke herstelling van den bezetene, die het gevolg is van zijn vermeende genezing, beschrijven, een herstelling, die den daemon een genot te meer belooft. Maar hij wil dit alles niet alleen genieten. Ditmaal moet het werk der verwoesting inderdaad volkomen zijn. Daarom moet hij er een feest van maken; en hiertoe

-ocr page 114-

11 : 23—26.

heeft hij vrienden nootlig. Hij noodigt zeveu geesten uit, hebl die boozer zijn dan hij. Deze laten zich niet lang smeeken, tegc en de vroolijke bende komt met gedruis in dit zoo goed die toebereide huis. Ditmaal kan men er zeker van zijn, dat kaï er niets zal ontbreken aan de physische en psychische ver- bet woesting van den ongelukkige. In dezen toestand van hope- gel looze wederinstorting had Jezus den bezetene van Gersa Ujl (8 : 29) en Maria Magdalena (8 : 2) aangetroffen. Vandaar de de uitdrukkingen legioen en zeven daemonen, die een toe- w( stand aanduiden, welke het gevolg is van een of meer weder- d( instortingen. Zoo werpt Jezus het verwijt van samenspanning zlt; met den satan en van strijd tegen God van zich af, en laat d Hij het vallen op de door zijn tegenstanders opgehemelde exorcisten. Al deze beelden waren zeker gemakkelijk te verstaan in een kring, waar dergelijke feiten iets gewoons waren. Kan men zich dan verwonderen over den geestdriftvollen uitroep van die vrouw (vs. 27), die zich geheel vrijwillig tot het orgaan van de gevoelens van het volk maakte ?

Het is duidelijk, dat Mattheus (12:43 en verv.) aan deze schildering een geheel andere beteekenis geeft. Hij ziet daarin een gelijkenis, die de geschiedenis van het Joodsche volk voorstelt, volgens Hofmann in dezen zin: dat de genezen kranke, die weder instort, Israël zou zijn, dat door zijn verkiezing en de openbaring, die het ontvangen heeft, verlost was, maar thans wegens zijn verharding en de verwerping van het door Christus gebrachte heil in een toestand vervalt, welke erger is dan die, waaraan God het onttrokken had; of volgens Slier in dezen zin: dat Israël, na door de Babylonische gevangenschap van afgoderij genezen \'te zijn,

door zijn Pharizeeschen hoogmoed in een nog ergeren toestand geraakt is; of volgens Keil in dezen zin: dat de poging, die door middel van de geheele geschiedenis van Israël in het werk is gesteld, om het te genezen, een einde neemt met de verwerping van den Messias, die zijn ondergang voltooit; of eindelijk volgens Weiss in dezen zin: dat het volk, na door de werkzaamheid van Johannes den Dooper en de aanvangen van die van Jezus een gunstige verandering te

101

-ocr page 115-

11 : 27—28. 105

hebben ondergaan, thans ten gevolge van zijn vijandschap tegen Jezus weder ingestort is en in een toestand verkeert, die erger is dan te voren, en waarvan het einde niets anders kan zijn, dan de vermoording van den Messias. — Wat mij betreft, ik kan niet gelooven, dat deze teepassing van de gelijkenis op het volk in een van deze vormen de oorspronkelijke gedachte daarvan is. De toepassing van de verschijnselen der bezetenheid op de geschiedenis van het volk Israëls is weinig natuurlijk; en als wij aannemen, dat de episode van de vrouw (vs. 27—28) onmiddellijk daarop gevolgd is, dan zou er in dezen gedachtengang niets zijn, dat haar geestdrift had kunnen opwekken.

3°. Vs. 27—28. De episode.

Vs. 27 —28. „En het geschiedde, terwijl Hij deze dingen zeide, dat eene vrouw uit de schare, de stem verheffende, tot Hem zeide: Zalig de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, die u gezoogd hebben! 28. Maar Jezus zeide: Zalig veeleer \') degenen, die het woord Gods hoeren en het2) bewaren.quot;

Had deze vrouw, hetzij persoonlijk,, hetzij door hetgeen met een van de haren geschied was, de ervaring opgedaan van het oppervlakkige en voorbijgaande der genezingen, waaraan Jezus die, welke Hij-zelf door den vinger Gods tot stand brengt, tegenover stelt? In ieder geval heeft zij terstond begrepen wat wij thans slechts door middel van lange verklaringen kunnen verstaan.

In het antwoord spreekt Jezus zich noch ontkennend.

1) ï. R. leest lisvovvys, met C U en 12 Mjj.j N A B en 3 Mjj.: pivovv, 1) A B C en 4 Mjj. later uutov weg.

-ocr page 116-

11 : 27—28.

noch bevestigend uit; Hij bepaalt er zich toe, aan te vullen en te verbeteren. De natuurlijke betrekking tot Hem heeft dan alleen waarde, wanneer zij door de liefde tot God en zijn wil geheiligd is. — Het partikel pevovv, dat wij met veeleer hebben vertaald, kent een zekere waarheid toe aan hetgeen zoo even gezegd werd (/cwv) als gevolgtrekking uit de vermelde feiten (ouv), hoewel het op krachtige wijze de volledige en werkelijke waarheid daaraan tegenover stelt: „Ja, er is reden om zich over mijn geboorte te verblijden; maar voor wien? Voor ieder, die zich bij mij aansluit, om te arbeiden aan de volbrenging van den wil van God; voor u evenzeer als voor haar, die mij gedragen en gezoogd heeft.quot;

Terecht merkt Heuss op, „dat deze kleine, overigens weinig belangrijke trek in de hoogste mate den stempel der echtheid en der oorspronkelijkheid draagt, en dienen kan, om te bewijzen, hoe rijk en nauwkeurig de traditioneele herinneringen in de eerste gemeente moeten geweest zijn.quot; Hiervan zijn ook wij overtuigd; en dit is juist de reden, waarom wij niet zoo haastig zijn met de toevlucht te nemen tot gemeenschappelijke geschreven bronnen, vooral wanneer zij, zooals in dit zoo merkwaardige gedeelte, ons zouden noodzaken om aan te nemen, dat Lukas, uit dezelfde bron als Mattheus puttende, den zin van een plaats als die van vs. 24 en 25 geheel verdraaid zou hebben.

4°. Vs. 29—36; De tweede rede.

Wij hebben hier het antwoord op den eisch van een teeken uit den hemel (vs. 16). Strauss heeft de juistheid van het bericht van Lukas in twijfel getrokken, omdat deze e:.sch minder kwaadwillig zou zijn, dan de beschuldiging, waarop Jezus zoo even geantwoord heeft. Maar wij hebben bij vs. 16 het nauwe verband tusschen dezen eisch en de voorafgaande beschuldiging aangewezen. — Jezus kondigt in zijn antwoord eerst het groote, het eenige teeken aan, dat eenigermate aan den Hem gestelden eisch beantwoorden zal (vs. 29—32); daarna toont Hij in het tweede gedeelte aan,

106

-ocr page 117-

11 : 29—30.

dat het thans aan bet volk geschonkene licht volkomen genoeg is, als het maar het zedelijk orgaan heeft om het in zich op te nemeu (vs. 33—36).

Vs. 29—32: Het eenige teeken uit den hemel.

Vs. 29—30. „Terwijl de scharen zich verzamelden, begon Hij te zeggen: Dit geslacht is een boos geslacht \'); het verlangt1) een teeken, en hun zal geen ander gegeven worden, dan het teeken van Jonas2). 30. Want gelijk Jonas voor de Ninevieten een teeken was, zoo zal ook de Zoon des menschen er een zijn voor dit geslacht.quot;

Gedurende het voorgaande tooneel had zich een schare verzameld, die hoe langer hoe talrijker werd, en voor haar legt Jezus het volgende getuigenis tegen het ongeloof van het volk af. In het Trovypx, boos, ligt een toespeling op de duivelsche gezindheid, die den eisch van een teeken had ingegeven (xeipx^ovrei;, vs. 16), een eisch, die bij Mattheus nu eerst voorkomt. — Het punt van vergelijking tusschen Jezus en Jona schijnt bij Lukas op het eerste gezicht niets anders te zijn, dan hunne prediking, terwijl het bij Mattheus (12:39, 40) blijkbaar de wonderbare redding van den een en de opstanding van den ander is. Vele uitleggers trekken uit dit verschil het besluit, dat Mattheus deze vergelijking, die door Jezus in een zuiver Redelijken zin, zooals zij bij Lukas voorkomt, gemaakt werd, gematerialiseerd heeft; Jezus zou dus noch op het verblijf van Jona in den buik van den visch en zijn wonderbare redding, noch op zijn eigen opstanding gezinspeeld hebben. Deze valsche vergelijking

107

1

^ ABLS lezen ^tsi, in plaats van STrifyTSi,

2

N B D L E laten tov trpoqyrov weg, dat T. R. met al de anderen leeat.

-ocr page 118-

11 : 29-30.

10«

zou door Mattheus in zijn woorden zijn ingebracht. Dit is liet gevoelen van Slrauss, Neander, de Wette, Bleek, Schu-zer, Colani1) en Hofmann. Maar hot sarxi, zal zijn, van Lukas verzet zich tegen deze verklaring van de uitspraak van Jezus zelfs in den tekst van Lukas. Als Jezus enkel van zijn prediking had willen spreken, zou Hij zeker gezegd hebben: is, en niet zal zijn. Daar Hij op een toekomstige gebeurtenis zinspeelt, is het duidelijk, dat deze niet anders dan zijn opstanding kan zijn, zooals Mattheus verklaart. Men verlangt van Hem een teeken uit den hemel. Zulk een teeken, antwoordt Jezus, zal zonder twijfel gegeven wordenj maar het zal van een anderen aard zgn, dan het wonder, dat men Hem vraagt, op dit oogenblik op zijn eigen gezag te doen. Het zal een goddelijke daad zijn, die een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel zal uitmaken van het werk der verlossing, dat Jezus op aarde is komen verrichten; vgl. Eom. 4 : 25. In Joh. 2 : 19 kent Jezus precies dezelfde beteekenis aan zijn opstanding toe. De zin is dus: Gelijk Jona, aan den dood ontrukt, den Ninevieten bekeering predikte, zoo zal ook de Zoon des menschen, als opgestane der geheele wereld het heil verkondigen. Wat den vorm van deze uitspraak van Jezus in Matth. 12 : 39 en 40 betreft, men zou Hem bezwaarlijk de uitdrukking: drie dagen en drie nachten in den mond hebben gelegd, nadat Hij slechts één dag en twee nachten in het graf was gebleven.

Toch zou het volk Israëls, als het geweest was wat het zijn moest, niet op een buitengewoon teeken hebben gewacht, als voorwaarde om in Jezus te gelooven; zijn bloote tegenwoordigheid zou genoeg zijn. Deze nieuwe gedachte wordt door de volgende verzen ontwikkeld. Salomo heeft geen teeken uit den hemel gegeven, en Jona heeft te Ninevé geen enkel wonder gedaan; de wijsheid van den een en de dreigende verschijning van den ander was genoeg, om heidensche toehoorders te winnen en tot berouw te bewegen.

1

Jésus-Christ et les croyances messianiques, enz,, bl. 111.

-ocr page 119-

11 : 31—32.

Vs. 31 en 32. „De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal hen veroordeelen: want zij is gekomen van de einde der aarde, om de wijsheid van Salomo te hooren; en ziet, meer dan Salomo is hier. 32. De mannen van Ninevé \') zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen het veroordeelen: want zij hebben berouw gehad op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier.quot;

Vgl. over de koningin van het Zuiden 1 Kon. 10 : 1 en verv. Scheba moet een gedeelte van Zuid-Arabië geweest zijn, het tegenwoordige Yemen. Het woord syspöijvxi geeft het oogenblik der ontwaking op den grooten dag der opstanding te kennen, en het iasto, beteekent met (tegelijkertijd), en niet tegen. Zij zal als getuige tegen de Joden optreden, voor zoover haar verlangen naar de waarheid met hunne onaandoenlijkheid een tegenstelling vormt. Men lette hier op de drievoudige opklimming: een heidin en Joden; „de einden der aardequot; en „is hierquot; onder uwe oogen; Salomo en de Zoon des menschen!

109

Vs. 32. De Ninevieten, eveneens heidenen, en zelfs die heidensche natie, welke het rijk Gods het vijandigst was. — Het woord ccvxcTfaovTou, zuilen opslaan, duidt een trap aan, die hooger staat dan iyipófasrai {zal ontwaken), vs. 31. Deze dooden richten zich op en staan daar voor den rechterstoel als aanklagende getuigen. Hoe dramatisch is alles in de woorden van Jezus! En welk een verscheidenheid zelfs in de kleinste bijzonderheden zijner schilderingen! Die twee voorbeelden vullen elkander aan; bij de Koningin van Scheba

1) T. R. leest cevdpec; Nmi//, met E en 5 Mjj. Syrcus- ^ A li en 9 Mjj. It. Syr.: ccvdpet; NweviTut.

-ocr page 120-

11 : 33—36.

de liefde tot de waarheid; bij de Ninevieten het berouw over het bedreven kwaad en de vrees voor het oordeel. Mattheus vermeldt het voorbeeld van de Ninevieten het eerst, en de meesten der nieuwere uitleggers geven hem daarin gelijk; maar ten onrechte, naar het mij voorkomt. Want de orde van Mattheus werd bepaald door het streven om het voorbeeld der Ninevieten aan het teeken van Jona (vs. 30) te verbinden; maar de twee gedachtenreeksen, die tot deze twee uitspraken voeren, verschillen geheel en al van elkander. De orde van Lukas geeft een betere zedelijke opklimming. Het is erger, ongevoelig te blijven voor het kwaad, dat meu bedreven heeft, dan niet verlangend te zijn naar nieuwe openbaringen.

En van waar komt dit gebrek aan geestelijk onderscheidingsvermogen , dat het Joodsche volk op dit oogenblik aan den dag legt, en waardoor het verhinderd wordt, in de verschijning van Jezus een goddelijke openbaring te zien? Is deze verschijning misschien niet voldoende kenbaar gemaakt? Of ontbreekt het Israël aan natuurlijk verstand? Neen; de oorzaak is elders te zoeken; zij ligt in den zedelijken toestand des volks; het is zijn hart, dat krank is. Dit is het slot van dit bewonderenswaardig onderwijs.

Vs. 33—36. Slot: „Niemand1) ontsteekt een kaars en zet haar op een verborgene plaats 2), of onder het schepel, maar op den kandelaar, opdat degenen, die binnen komen, het licht:!) mogen zien. 34. Het oog is de lamp des lichaams; wanneer 3) uw 4) oog gezond is, is uw geheele lichaam

110

1

ï. li. leest h na ouJfic, met A en lï Mjj.j N B en 4 Mjj. laten het weg.

2

T. R. leest xpuTxov, met eenige Mnn ; al de Mjj.: Kpi/TTtfv.

3

T. B. leest hier owv, met A C en 12 Mjj ; N B D L A laten het weg.

4

51 K A B O D M lezen tov; T. R. laat het weg, met E en 12 Mjj.

-ocr page 121-

11: 33—36.

verlicht, maar zoodra het krank is, is uw lichaam (hiistfir, 35. Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij. 36. Indien dan uw geheele lichaam verlicht is, en geen enkel deel heeft, dat duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp het met haar schijnsel verlicht 1).quot;

Bauer, Holtzmann e. a. zijn van gevoelen, dat Lukas dit gedeelte ten onrechte hier geplaatst heeft. Bij Mattheus staat het midden in de bergrede, in de pericoop, welke gericht is tegen de liefde tot den rijkdom, die de Pharizeën kenmerkte (6 : 21 en verv.). Lukas zelf vermeldt een dergelijke uitspraak na de gelijkenis van den Zaaier (8:16—18). Maar niets van dat alles verhindert ons, hulde te doen aan de volkomene nauwkeurigheid van Lukas, als hij deze twee apologetische redenen met deze woorden besluit. Wanneer de zon aan den gezichtseinder verschenen is, verlangt niemand, die zien kan, dat zij op een andere wijze, dan door haar glans zal bewijzen, dat zij de zon is. Hij, die „het Licht der wereldquot; is, is verschenen; Hij zendt zijn stralen uit; voor ieder, wiens zedelijk oog gezond is, zal dit voldoende zijn. — Men moet xpuirrvv lezen; een crypt, een verborgene en donkere plaats, en niet xputttóv, zooals de T. R. zonder eenige autoriteit leest. Wordt hier een verborgene plaats „onder den divanquot; (8 : 16) bedoeld? Over het schepel zie men bij 8 ; 16 2). Avxp\'ix) de kandelaar; dit is het zinnebeeld van de openbaarheid, die sedert den doop van Jezus aan zijn persoon, zijn onderwijs en zijn werk is gegeven. Van het begin zijner werkzaamheid af heeft geheel Israël, zooals Johannes zegt, in Hem kunnen zien „de volheid van genade en waarheidquot;, die den eeniggeboren Zoon van God onderscheidde.

Ui

1

D Syrcus laten dit geheole vers weg.

2

Zie Félix Sovet, Voyaye en Terre-Sainie, bl 312.

-ocr page 122-

11 ; 33—36.

Vs. 34. Maar hetgeen van het natuurlijke licht geldt, geldt ook van het geestelijke. Ons lichaam geniet het eerstgenoemde slechts door de bemiddeling van het oog, die het aan alle leden mededeelt. De handen, de voeten krijgen niet anders, dan door het oog het licht, dut zij noodig hebben bij hunne verschillende verrichtingen. Het oog is dus het licht des lichaams-, het is het orgaan, dat het licht der natuur in zich opneemt, om het geheele lichaam daarmede te vervullen. Ook de ziel heeft een orgaan, waarvan de opneming van het geestelijke licht, van de goddelijke openbaring afhangt. Daarom kon het licht, dat in Jezus verschenen is, dan alleen het deel van Israël worden, wanneer het daaraan beantwoordende innerlijke orgaan bij hen in een gezonden toestand verkeerde. Maar dit was geenszins het geval! Dat orgaan is de xxpülx, het hart, het zedelijke middenpunt, van waar de werkzaamheid van het gevoel, den wil, het verstand, de verbeelding, het geheugen, in één woord: van alle psychische vermogens, uitgaat (Matth. 6 : 21—22). Als dit hart goed gezind is en het goede en ware wil, dan eigent het zich de openbaring der goddelijke waarheid en heiligheid toe, en deelt dit licht aan alle vermogens mede; maar is dat niet het geval, dan blijft het zelf in de duisternis, en die vermogens deelen hetzelfde lot. Inzonderheid het verstand staat dan geheel in den dienst van het kwade en werkt de waarheid tegen. — Ook hier hebben wij de tegenstelling tusschen \'o\'txv en sttxv Si; zie bij vs. 21 en 22. — Het woord aarAcfc beteekent eigenlijk: zonder plooi; van daar: eenvoudig; het duidt iets aan, dat in zijn oorspronkelijken, gezonden, normalen toestand is; trovypis daarentegen, hetgeen in een verdorven toestand verkeert; hier in den zin van Trovptpüi; e%eiv, krank zijn.

Vs. 35. Bij het vernemen van deze woorden bc\'uoefden de toehoorders slechts in te keeren tot zichzelf, om te onderzoeken, wat hen verhinderde om het in Jezus verschenen licht te onderscheiden en bet tot hun licht te maken. Ts cpw to tv col, het subjectieve orgaan voor de opvanging van het licht; het hart, en niet de voü; {Meyer,

112

-ocr page 123-

11 : 33-36.

Weiss e. a.). Men kan de grootste geleerde of de vernuftigste Kabbijn zijn, en toch geen straal van dit licht ontvangen, dat enkel door middel van een eenvoudig en oprecht hart wordt opgenomen.

Vs. 36. Toch gevoelt Jezus er behoefte aan, deze strenge waarschuwing, die Hij het volk heeft gegeven, te eindigen met een aanmoedigend woord tot zijn discipelen, wier hart het licht in zich opgenomen heeft. Als vergoeding voor alles wat zij van buiten te lijden hebben en van binnen moeten opofferen, toont Hij hun het heerlijke vooruitzicht, dat hun aanhangen van Hem hun opent. Wanneer de mensch krachtens de volkomen klaarheid van het geestelijk oog geheel en al van het goddelijk licht doordrongen is, dan geeft hij den indruk van zelf vol licht te zijn, alsof een haard van uit-,, wendig licht zijn glans op hem wierp. Dit verschijnsel, door Jezus hier beschreven, is hetzelfde, dat bij de verheerlijking op den berg in den hoogsten graad aan Hem te aanschouwen is geweest. En ook met de geloovigen zal het zoo wezen, wanneer zij, door de eenheid met Hem, op volkomene wijze cpüt; èv Kupia, licht in den Heer, zullen geworden zijn, zooals Paulus zegt (Efez. 5:8). Het zal de heerlijkheid zijn, die uit de heiligheid voortvloeit.

Hofmann meent, dat de twee zinnen van vs. 36 een pleonasme vormen, dat niet toe te laten is, en verbindt den eersten als vraag met vs. 35: „Zie [ukottsI), of uw lichaam geheel en al licht is?quot; Maar men gevoelt, hoe gedwongen deze constructie is. De tautologie verdwijnt, zoodra men, overeenkomstig de orde der woorden, in den eersten zin op è\'hov, geheel en al, en in den tweeden op Qutsivov wc, verlicht, evenals, den nadruk legt. Wanneer de mensch zich geheel en al, zonder eenige terughouding, aan de werking van het licht heeft overgegeven, dan gebeurt het, dat hij zelf innerlijk en uiterlijk verlicht wordt, evenals iemand, op wien een lichthaard zijn glans werpt. Vgl. 2 Cor. 3: 18; Hom. 8 : 29.

Aan den eenen kant dus, door den tegenstand des harten aan de geopenbaarde goddelijke waarheid, een trapsgewijze

Godkt, Liikas. II. 8

113

-ocr page 124-

11 : 33—36.

toenemende verduistering van de ziel, die op den vollen nacht uitloopt; en aan den anderen kant, door de ontsluiting van het hart voor die waarheid, een geleidelijk voortgaande reiniging van het menschelijk wezen, die, als zij voleindigd is, uitloopt op den zuiveren glans der verheerlijking. Ilolhmann zegt: „Het is niet mogelijk, deze rede over het licht op eenvoudige en natuurlijke wijze met de voorafgaande uitspraak over Jona in verband te brengenquot;. Een gezonde exegese voert ons lot het volgende resultaat. Jezus wil zeggen; „Ik ben niet de bondgenoot van Beëlzebul; maar in mij is, integendeel, het rijk Gods in uw midden verschenen. Als gij een hart bezat, dat de waarheid meer liefheeft dan zichzelf, zoudt gij geen buitengewoon wonder noodig hebben, om daarvan overtuigd te worden. Zij, wier oog gezond is, zien het bij den eersten blik. Ook zal hun geheele wezen verlicht en veranderd worden door mijn verschijning, die zij in hun hart hebben opgenomenquot;.

VIII. 11 ; 37—12 ; 12. Het ontbijt bij een Pharizeër.

Overeenkomstig de door Lukas zelf aangewezene verbinding (12 : 1), vereenigen wij de twee toespraken 11 : 37—54 en 12 : 1—12 tot één geheel. Wij hebben hier het hoogtepunt van den strijd tusschen Jezus en de Pharizeesclie partij in Galilea. Met deze tooneelen van buitengewone heftigheid komt overeen wat in hetzelfde tijdperk volgens Joh. 8—10 in Judea heeft plaats gehad. De achtergrond van de botsing, die nu volgen zal, is zeker nog de hatelijke beschuldiging, die Jezus in het voorgaande gedeelte weêrlegd heeft. De gelegenheid van een maaltijd zou, volgens Hollzmann, slechts een fictie zijn, waarop Lukas door de beelden van v. 39 en 40 gekomen is. Maar is het niet natuurlijker, aan te nemen, dat de beelden van v. 39 en 40 Jezus door do gelegenheid, welke die van een maaltijd was, aan de hand werden gedaan? Een groot gedeelte van de woorden, die deze toespraak uitmaken, komt weliswaar bij Mattheus in een ander verband voor; daar behoort het tot de groote

114

-ocr page 125-

11 : 33—36.

rede, waarin Jezus, weinige dagen vóór zijn dood, don Pharizeën en Schriftgeleerden in den tempel den goddelijken vloek bekend maakte (Matth. 23). Maar ten eerste moeten wij opmerken, dat Holtzmann even weinig vertrouwen heeft voor de plaats, die deze woorden bij Mattheus, als voor die, welke zij bij Lukas innemen. En ten tweede kennen wij de groepeeringsmethode, die in het eerste Evangelie gebruikelijk is, reeds uit veel te veel voorbeelden, dan dat wij hierdoor geschokt zouden wor Jen in het vertrouwen, dat wij schenken aan het bericht van Lukas. Wij zullen daarom geheel onpartijdig onderzoeken, bij welke van de twee gelegenheden de woorden van Jezus het best passen.

Dit gedeelte behelst: 1° de veroordeeling van de Pharizeën (v. 37—44); 2° die van de Schriftgeleerden (v. 45—54); dó tot de discipelen gerichte woorden van aanmoediging tegenover den bitteren haat van deze tegenstanders (12 : 1—12.)

1°. Vs. 37—44: Tot de Pharizeën,

Vs. 37 en 38. De gelegenheid: „Terwijl Hij sprak, vroeg Hem een Pharizeër ^, bij Hem te willen ontbijten; en binnen gegaan zijnde, zette Hij zich aan tafel. 38. Maar de Pharizeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij zich vóór den maaltijd niet gewasschen had.quot;

115

Deze Pharizeër had waarschijnlijk de voorgaande toespraak gehoord, en zonder twijfel met een kwaadwillig doel Jezus tegelijk met een zeker aantal zijner partijgenooten uitgenoo-digd (vs. 45 en 53.) Daaruit laat zich de toon van Jezus verklaren van het begin van het volgende tooneel af. —• quot;Apiarov geeft den maaltijd van \'s morgens te kennen, evenals Hrfirvov den hoofdmaaltijd van den dag. De zin der uitdrukking

1) T. B. leest ti( na ipxpi^aioi;, met A C en 3 Mjj.j NUL Inten liet weg.

-ocr page 126-

11 : 39—42.

dcréMav xi/sttmsu is: Hij ging zonder plichtpleging zitten, zooals Hij binnen gekomen was, en dus zonder zijn handen en voeten te wasschen, zooals men gewoonlijk vóór den maaltijd deed (Mark. 7 : 2—4; Matth. 15 : 1—3). De Pharizeën waren zeer gehecht aan deze reinigingshandeling, wier veronachtzaming de Rabbijnen met de zonde der on-kuischheid op één lijn stellen. Toen Jezus de verbazing van zijn gastheer merkte, gaf zij Hem terstond aanleiding, de valsche pharizeesche vroomheid te brandmerken en te wijzen op de ontzaglijke verantwoordelijkheid, welke deze menschen, die zich tot leiders van het volk hebben opgeworpen, op zich laadden. Hij verschoont niets; want na hetgeen zoo even gebeurd is (vs. 15), is de oorlog openlijk verklaard. Strauss, Hollzmann, Keim e. a. beweren, dat het van den kant van Jezus een onbetamelijkheid zou geweest zijn, in het huis van zijn gastheer zulk een taal te voeren als Lukas Hem in den mond legt. Schleiermacher neemt, in strijd mot den tekst, aan, dat het tooneel na den maaltijd, buiten het huis, heeft plaats gehad. Doch Wem antwoordt zeer juist, dat in de schatting vau Jezus de plichten, welke zijn roeping met zich mede brachten, hooger moeten gestaan hebben, dan die van het gewone maatschappelijk verkeer. De Heer wijst de Pharizeën op drie zonden, die in de oogen van God al hunne schijnbare vroomheid bederven: 1°. de geveinsdheid (vs. 39—42); 2°. de zucht naar ijdele eer (vs. 43); 3°. den schadelijken invloed, dien zij door deze valsche vroomheid op het gehoele volk uitoefenen (vs. 44).

Vs. 39—42, De geveinsdheid: „Maar de Heer zeide tot hem: Ja, gij Pharizeën! gij reinigt het buitenste van den drinkbeker en den schotel, maar uw binnenste is vol van roof en boosheid. 40. Gij onverstandigen! die het buitenste heeft gemaakt, hoeft Hij ook niet het binnenste gemaakt? 41. Geeft veeleer tot aalmoes hetgeen er in is, en ziet, alle

116

-ocr page 127-

11 : 39—42.

ttGn dingen zullen u rein zijn. 42. Maar wee u,

aden Pharizeën! want gij betaalt de tiende van de

^011 munt, en de ruit, en van allerlei moeskruid, en

. eii verwaarloost het oordeel en de liefde Gods 1).

mg, amp;J \'

on- Deze dingen moest men doen2), zonder gene na

van te laten 3).quot;

de

zen God bad het volk zekere reinigingen bevolen, om bij hen

3n, den zin voor zedelijke reinheid aan te kweeken. En nu

op meenden de Pharizeën, die de toepassingen van den ritus

en naar eigen goedvinden vermenigvuldigden, dat zij daardoor

ss, ontslagen waren van de reiniging van het hart! Kon men

m meer in strijd bandelen met de goddelijke gedachte, clan op

lis deze wijze het doel door de middelen te niet te doen? Bleek,

in Meyer en Weiss geven aan bet vdv, nu, dezen zin: „Zoo

n ver is het thans met u gekomen, dat. ..quot; Maar Jezus had geen enkele reden om de aandacht te vestigen op een voor-

;, uitgang in de geveinsdheid der Pharizeën. De zin van dit

g vïiv komt mij voor eenvoudiger te zijn; „Zoo zijt gij! Ik

, betrap u op heeterdaad.quot; De volgende woorden: „Gij reinigt

r hel buitenste..zouden in geestelijken zin kunnen worden

1 opgevat. Het buitenste van den drinkbeker zou dan bet

uitwendig gedrag aanduiden, en het volgende; „maar uw binnenste (uw hart) is vol van ...quot; zou zich gemakkelijk als tegenstelling daarbij aansluiten. Maar onder de gegeven omstandigheden (een maaltijd) is het veel natuurlijker, de uitdrukking: „het buitenste van den drinkbeker en den schotel reinigenquot; in den eigenlijken zin op te vatten: „Gij zorgt er voor, uw gasten drinkbekers en schotels voor te zetten, die blinken van uitwendige reinheid.quot; Alleen wordt bij deze opvatting de tegenstelling in den volgenden zin moeilijk te verstaan, wegens het pron. vpm, uw, want de

117

1

B laat tou Qsov weg.

2

B O en 5 Mjj. lezen Ss na tccvtu.

3

B L lezen Trapiivxi, in plaats van ottpievxi (uit Mattlieus),

-ocr page 128-

11 ; 39—42.

uitrlrukking: uw binnenste kan niets anders te keunon geven, clan hot binnenste der Pharizeën zelf, en niet dat van hunne drinkbekers en schotels. Bleek, Hofmann, Keil e. a. laten, om aan deze moeilijkheid te ontsnappen, vpüv niet van eauêev, maar van ixpirayij; en novvipix: afhangen; doch de wijze, waarop de woorden geplaatst zijn, verzet zich tegen deze constructie. Men moet daarom aannemen, dat Jezus in don eersten zin de reiniging van het buitenste des drinkbekers en des schotels met de uitwendige reiniging, die de Pharizeën aan hun eigen persoon volbrachten, identificeert. Het beginsel van handelen was in beide gevallen inderdaad hetzelfde: altijd slechts de uiterlijke schijn, het buitenste! Daarna stelt Hij, in den tweeden, tegenover deze handelwijze het gebrek aan alle ernstige poging om zich te reinigen van de smetten des harten, maar niet zonder te zinspelen op de misdadige middelen, die de Pharizeën gebruikten, om zich het geld te verschaffen, dat zij noodig hadden, om hunne drinkbekers en schotels te vullen. Deze laatste, letterlijke zin is die van Mattb. 23 : 25, zooals uit het ontbreken van v/Mu duidelijk blijkt. — \'ApTrxyy, roof, de hebzucht, die handelend optreedt; Trcvypix, boosheid, de innerlijke slechtheid, die de bron daarvan is. Jezus klimt van de daad tot het beginsel op. Men moet zich hier het verwijt herinneren, dat Jezus in 20 : 47 den Pharizeën doet: dat zij „de huizen der weduwen opeten.quot;

Vs. 40. De figuurlijke beteekenis der tweo zinnen van het vorige vers (zonder uitsluiting van de letterlijke beteekenis) wordt bevestigd door dit woord, dat niet anders, dan in zedclijken zin kan worden opgevat. Die God, die het lichaam gemaakt heeft en de reinheid daarvan eischt, heeft Hij niet ook de ziel gemaakt, en eischt Hij niet zooveel te meer de reiniging daarvan? Een goed gewasschen lichaam zal een bezoedelde ziel Hem niet welgevallig maken, evenmia als een blinkende schotel een gast een onzindelijke spijze aangenaam zal maken. Het is dus het inwendige, waarop het aankomt, zoowel ten opzichte van den mensch als ten opzichte van de vaten, die do spijzen bevatten. quot;Acppoves, onverstan-

-ocr page 129-

11 : 39—42.

digen: „Weet gij dan niet, flat God geest is?quot; Dit algemeen aangenomea beginsel moest hot pharizeïsme den doodateek geven. Eenige uitleggers, Luther b.v., hebben dit vers anders verklaard: „De mensch, die het buitenste (rein) gemaakt heeft, heeft daarom nog niet het binnenste (rein) gemaakt,quot; Doch deze beteekenis van ttoisïv kan niet worden toegelaten, en het oux, dat aan het hoofd van den zin is geplaatst, doet zien, dat deze een vragende zin is.

Vs. 41. Wij hebben rhjv met veeleer vertaald. De letterlijke beteekenis, behalve, laat zich aldus verklaren: „Als al deze dwaasheden ter zijde gesteld zijn, blijft er niets anders te doen over, dan..De uitdrukking ra hovrx hetgeen er in is, kan slechts beteekenen: hetgeen in de drinkbekers en schotels is. En juist omdat dit tk êvcvrx niet hetzelfde te kennen geeft als het to hccêsv, het binnenste, in hetgeen voorafgaat, heeft Lukas een andere uitdrukking gebruikt. Jezus wil zeggen: „De besteding van uw goederen in den dienst der weldadigheid zou een beter middel zijn, om uwe maaltijden rein te maken, dan deze zoo angstvallige reiniging van uwe drinkbekers en schotels.quot; Ki*! ÏSsu, En ziet-, dit resultaat zou in een oogwenk verkregen worden. Deze uitspraak wil geenszins te kennen geven, dat de goede werken verdienstelijk zijn. Jezus zou toch niet tot het pharizeïsme vervallen zijn op hetzelfde oogenblik, dat Hij het verpletterde. Hij stelt eenvoudig de werkelijkheid van een verrichte weldaad tegenover de nietigheid der uitwendige gebruiken. Hij beveelt hier iets dergelijks aan als hetgeen Johannes de Dooper de scharen aanraadde (3: 11): „Als gij twee hemden hebt, geef er een van aan hem, die er geen heeft; dit zal het beste middel zijn, om het gebruik, dat gij van het andere maakt, te rechtvaardigen.quot; Hier is nog geen sprake van het heil, maar van de gezindheden, die daarvoor voorbereiden.

Vs. 42. Het maar, stelt de werkelijke handelwijze

der rharizeën tegenover de gedragslijn, waarover Jezus zoo even gesproken heeft : „Maar wel verre van dat ééne te doen, doet gij veeleer dit.quot; — Ieder Israëliet moest de

119

-ocr page 130-

11 ; 43—44.

tiende betalen van zijn inkomsten aan wijn, olie, tarwe, enz. (Lev. 27 : 30; Num. 18 : 21; Deut. 14 : 22). Maar om ver-tooning te maken van de stiptheid, waarmede zij de wet naleefden, hadden de Pharizeën dit voorschrift tot op de geringste voortbrengselen hunner tuinen uitgebreid, zooals de munt, de ruit en de groenten, waarvan de wet niet gesproken had. Mattheus noemt andere planten: de dille, het komijn (23 : 23). Zou een van de twee Evangelisten het nuttig geoordeeld hebben, in den tekst van den ander zulk een kinderachtige verandering aan te brengen? Tegenover deze kleingeestige en van belang ontbloote schattingen stelt Jezus de hoofdplichten, die door de wet zijn opgelegd, en die zij op onbeschaamde wijze veronachtzamen. Kpiiris, het oordeel, hier: de onderscheiding van hetgeen recht is, het „gezond verstandquot; des harten, dat het kwade veroordeelt en recht en billijkheid eischt (Sirach 33: 34); en de liefde Gods, die de ziel van deze uitwendige gehoorzaamheid moet zijn. Mattheus laat de liefde Gods weg, en voegt bij tcphn, oordeel, tXeos, barmhartigheid, en ttittis, goede trouw. — De bezadigdheid en de wijsheid van Jezus schitteren in de laatste woorden van het vers; Hij wil geenszins vóór den tijd den vorm der wet verbreken, mits men hem niet vasthoudt ten koste van haar wezenlijken inhoud.

Vs. 43. De ijdele eer: „Wee u, Pharizeën! want gij bemint het voorgestoelte in de Synagogen en de begroetingen op de markten.quot;

De voorste banken in de Synagogen waren voor de wetgeleerden bestemd. Dit verwijt komt in 20 ; 45—47 meer ontwikkeld voor.

120

Vs. 44. De aanstekelijke invloed: „Wee u1), want gij zijt gelijk de graven, die men niet opmerkt,

1

N BOL Syrcu It flor laten de woorden ypxiinxreii kxl (papirxioi uTroxpnui weg, die T. R met A D en 13 Mjj. leest.

-ocr page 131-

11 : 44.

eu de menschen \'), die daarop loopen, weten het niet.quot;

Jezus beschrijft hier deu verderfelijkcn invloed, dien het Pharizeïsme op den geest van het volk uitoefende; het is wat Hij elfiers den zuurdeesem der Pharizeën noemt. Blijkbaar moet men met de Alexandr. de uit Mattheus overge-nomene woorden: schriftgeleerden en geveinsde Pharizeën, die men in den T. R. vindt, doorschrappen. — Volgens Num. 19 : 16 maakte de aanraking van een graf, evenals die van een lijk, acht dagen lang onrein. Niets was dus gemakkelijker, dan verontreinigd te worden door met den voet een graf aan te raken, dat met den grond gelijk was, en welks aanwezigheid men niet vermoedde. Hetzelfde gelrlt van de aaur raking met de Pharizeën. Men meent met heiligen te doen te hebben; men geeft zich in volkomene gerustheid aan hun invloed over, en wordt bezoedeld door hun geest van hoogmoed en huichelarij, waartegen men niet op zijn hoede was. Bij Mattheus (23 : 27) vinden wij hetzelfde beeld, maar daar wordt het geheel anders toegepast. Iemand beschouwt met welgevallen een schoon gebouwd en wit gepleisterd graf en bewondert het. Maar als hij tot zichzelf zegt: „Daar binnen is enkel verrotting,quot; dan krijgt hij een geheel anderen indruk. Zoo gaat het ook als men de Pharizeën ziet. — Even onmogelijk het is, dat deze twee teksten aan hetzelfde dokument ontleend zijn, ot dat de een van den ander afhankelijk is, even gemakkelijk is het te begrijpen, dat in de mondelinge overlevering hetzelfde beeld op deze twee verschillende wijzen toegepast kan zijn.

2°. Vs. 45—54: Tot de Schriftgeleerden.

121

Een opmerking, die door een schriftgeleerde gemaakt wordt, geeft een nieuwe wending aan het onderhoud. De Pharizeën

1) T. R. leest 01 na cevQpMTroi, met ^ BCLM; AD en 12 Mjj. It. Syr. laten het weg.

-ocr page 132-

122 11:45—46.

waren een godsdienstige partij, maar de schriftgeleerden vormden een officiëele kaste. Zij waren de wijzen, de deskundigen, die de fijne voorschriften in de wet ontdekten, zooals b. v. dat, waarop vs. 42 zinspeelde, en ze aan hot geweten der vromen overlieten. Zij speelden de rol van geestelijke leidslieden. De meerderheid van hen schijnt tot de pharizeesche partij te hebben behoord; in het N. T. treffen wij althans slechts de zoodanigen aan. Maar hunne officiëele positie gaf hun in de theocratie een hooger gezag, dan dat van een eenvoudige partij. Zoo verklaart zich de uitroep van hem, die Jezus hier in de rede valt: „Door zoo te spreken beleedigt gij ook ons, schriftgeleerden,quot; hetgeen in zijn oogen een grooter vergrijp is, dan het beleedigen van de Pharizeën. Evenals tot de Pharizeën, richt Jezus in zijn antwoord drie verwijtingen tot hen. Hij laakt bij hen: lu het godsdienstige intellectualisme (vs. 46); 2° het vervolgende fanatisme (vs. 47—51); 3° den verderfelijken invloed, dien zij op den godsdienstigen toestand van het volk uitoefenden (vs. 52). — In vs. 53 en 54 wordt het einde van den maaltijd beschreven.

Vs. 45 en 46. De letterknechterij: „En een van de schriftgeleerden, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! als gij deze dingen zegt, beleedigt gij ook ons. 46. Doch Hij zeide tot hem: Wee ook u, schriftgeleerden! want gij belast de menschen met lasten, die moeilijk te dragen zijn, en zelf raakt gij deze lasten niet aan met een van uw vingers.quot;

Er schijnt geen wezenlijk verschil te hebben bestaan tusschen de uitdrukkingen vo^ikó;, vofioSidxexxhoi; en ypx/t/txTsu;. Zie vs. 53, en vgl. vs. 52 met Matth. 23 : 13. Toch duiden deze verschillende uitdrukkingen schakeeringen aan. Volgens de etymologie geeft vouikós den deskundige, den casuist.

IT

-ocr page 133-

11 : 47—51.

^gjj die de twijfelachtige gevallen bespreekt, den Mozaïschen

|es. jurist, zooals Meyer zegt, te kennen; vopoWavxixhos, don

jn leeraar, die onderwijs geeft in het Mozaïsch recht; ypx^iAOi-

[j0(. rfó? omvat in het algemeen allen, die zich met de H. Schriften

es_ bezig houden, hetzij voor theoretisch onderwijs, hetzij voor

c]e praktische toepassing. — Dit eerste verwijt is de tegenhanger

\'en van dat, hetwelk Jezus het eerst tot de Pharizeën richtte.

sje De letterknechterij en het formalisme zijn zuster en broeder. —

a(. De gewone schriftgeleerden waren oneindig minder achtens-waardig dan het gros der Pharizeën. Persoonlijk bekommerden zij zich niet over die kleingeestige voorschriften, die zij in

n de wet ontdekten en aan den ijver der vromen aanbevalen.

n Het weten verving in hunne oogen het doen. Deze handel-

n wijze wordt in vs. 46 door Jezus gebrandmerkt. Met een

o van zijn vingers aanraken staat tegenover het dragen op \'

s beide schouders. Zij geven zich zelfs de geringste moeite

j niet, om de plichten te vervullen, die zij den aan hunne

! zorg toevertrouwden aanbevelen.

Vs. 47—51, De vervolgende orthodoxie: „Wee u! want gij bouwt de graven der profeten, en\') uwe vaders hebben hen gedood. 48. Gij dient dus tot getuigen1), en keurt de werken uwer vaderen goed; want zij hebben hen gedood, en gij bouwt2). 49, Daarom ook heeft de wijsheid Gods gezegd: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en uit hen zullen zij dooden en vervolgen ; 50. opdat het bloed van al de proleten, dat vergoten is van de schepping der wereld af,

123

1

T. R. \'eest, met AC en 1-4 Mjj., ixxfTUfsirs, dat aau Mnttheus ontleend isj N BL: imprups; ears.

2

T. R. leest hier, met A C en 13 Mjj., xutuv rx nvy(ieix, welke woorden door al te anderen weggelaten worden.

-ocr page 134-

124 11:47—51.

van dit geslacht worde afgeëischt: 51. van het1) bloed van Abel af tot aan het bloed van Zacharia, die gedood is tusschen het altaar en den tempel; ja, ik zeg het u, dit bloed zal van dit geslacht worden afgeëischt.quot;

De godsdienst, die in het hoofd zijn zetel heeft, gaat bijna altijd gepaard met haat tegen de levende vroomheid, deu godsdienst des harten, eu wordt daarom licht vervolger. — Alle reizigers, vooral Robinson, maken melding van de merkwaardige graven, die de graven der profeten worden genoemd, en zich in de omstreken van Jeruzalem bevinden. Misschien was men juist in dien tijd met het bouwen daarvan bezig, men meende daardoor de misdaad der vaderen goed te maken. Door een stoute wending schrijft Jezus aan de uitwendige handeling een doel toe, dat het tegenovergestelde is van haar schijnbaar doel, maar met haar werkelijken geest overeenkomt: „Uwe vaderen hebben gedood; gij begraaft; gij voltooit hun werk!quot; Volgens Hofmann wil dit verwijt te kennen geven, dat zij meenen, hun plicht vervuld te hebben, wanneer zij de doode profeten door hot bouwen van deze graven eeren, hoewel zij de moeite niet namen, hun geest te doen herleven. Aldus opgevat, zou het verwijt veel te zwak zijn.

-

Vs. 48, De lezing ^txprvpsTrs, gij getuigt, van den T. R. geeft dezen zin; „Door te begraven, legt gij getuigenis af van de werkelijkheid van den door uw vaderen gepleegden moord.quot; Maar de Alexandr. lezing, papTupéi; èars, gij zijt getuigen, verdient de voorkeur: „Gij vervult in dit bloedige drama de rol van getuigen,quot; een uitdrukking, die een toespeling op de officiëele rol der getuigen bij de steeniging (Deut. 17:7; Hand. 7 ; 58) schijnt te bevatten. De twee uitdrukkingen: ftdpTus, getuige, en tnivsudoneïv, goedkeuren.

1

N B en 4 Mjj. laten beide keeren tow weg.

-ocr page 135-

11 : 47—51.

komen ook in het verhaal van den marteldood van Stephanus te zamen voor. De Alexanrlr. lezing laat de laatste woorden van den T. R. weg: xvrwv rx (tvweTa, hunne graven (vs. 48). Zij heeft door haar beknoptheid iets krachtigs. Ongelukkigerwijze lezen diezelfde Mss. met den T. II. xvtovc na xvsxteivuv\', en dit object van het eerste werkw. doet er ook een verwachten bij het tweede. — De parallelle plaats bij Mattheus (23:29—31) heeft eec zin, die tamelijk verschillend is: „Gij zegt: Indien wij in den lijd onzer vaderen geleefd hadden, wij zouden mei hen geen deel hebben genomen aan de vergieting van hel bloed der profelen. Aldus geluigl gij legen u zeiven, dal gij de zonen zijl dergenen, die de profelen gedood hebben.quot; Dat de gezindheid der zonen dezelfde is als die der vaderen wordt hier bewezen, niet door de daad van het bouwen van graven, maar enkel door de uitdrukking: onze vaderen. „Door te zeggen: onze vaderen, getuigt gij zelf, dat gij hunne zonen zijt.quot; Jezus gebruikt het woord zonen in natuurlijken en zedelijken zin tegelijk: erfgenamen van hun bloed, maar ook van hun boos gemoed. Het is mij onmogelijk, te gelooven, dat deze twee zoo verschillende toepassingen van hetzelfde beeld uit een gemeenschappelijke oorkonde of de eene uit de andere zijn voortgekomen. Men kan wel den vorm, maar niet den inhoud van de woorden des Heeren willekeurig veranderd hebben.

Aan dit verwijt van het godsdienstige leven in Israël te dooden voegt Jezus, in de volgende verzen, een zeer ernstige waarschuwing toe.

Vs. 49. töüto, daarom, d. w. z. wegens deze betrekking tusschen uw geest en dien uwer vaderen; vgl. Matth. 23:34, waar een dergelijk daarom voorkomt. Kxl, ook, beteekent: opdat deze zedelijke gelijkheid aan het licht trede in handelingen, die aan de hunne gelijk zijn. God zal door het zenden van een nieuw aantal profeten aan het tegenwoordige geslacht de gelegenheid geven, om te toonen, dat zij niet beter zijn, dan hunne vaderen. — Wat verstaat Jezus onder de wijsheid Gods ? Ewald, Bleek e. a. meenen, dat Hij hier een boek aanhaalt, dat verloren gegaan is, en dat

125

-ocr page 136-

11 : 47—51.

12ö

de wijsheid Goda aldus liet spreken, of zelf dezen titel bad. Maar door geen enkel voorbeeld kan worden aangetoond, dat Jezus een boek heeft aangehaald, dat niet kanoniek is, en de uitdrukking apostel doet duidelijk zien, dat wij hier met zijn eigen woorden te doen hebben. Bovendien is de gedachte van vs. 50 en 51 veel te ernstig en te geheimzinnig, om aan een anderen, dan Jezus-zelf te worden toegeschreven. liiggenbach meent, dat Jezus zichzelf met die uitdrukking heeft willen aanduiden, daar Hij, als Logos, de mensch gewordene wijsheid van God is (Spr. 8); zoo zou de vorm syü xirotrrsMw, „ik zendquot; bij Mattheus zich op ongedwongene wijze laten verklaren. Gess is van gevoelen, dat het de Evangelist is, die Jezus dezen titel geeft. Anderen nemen aan, dat men zich in de mondelinge overlevering er aan gewend had, bij het aanhalen van deze uitspraak het woord tydi, ik, door den eeretitel: „de wijsheid Godsquot; te vervangen. Maar noch in den mond van Jezus, noch in dien van den Evangelist, noch in de mondelinge overlevering is het gebruik van zulk een uitdrukking, in plaats van den naam van Jezus of van het pronomen van den eersten persoon, natuurlijk. Ook zou men in dezen zin het praes. zegt en niet het perf. heeft gezegd verwachten. Want het is onaannemelijk, dat Jezus hier een vroeger door Hem-zelf gesproken woord aanhaalt {Meijer). Olshausen onderstelt, dat Jezus 2 Kron. 24 : 19 heeft willen aanhalen. Als men hier een citaat uit het O. T. wil vinden, dan geloof ik, dat men veeleer aan Spr. 1 : 23—26 zou moeten denken, waar God een nieuwe uitstorting van zijn Geest vóór den dag des onheils aankondigt, en wel in een boek, dat nu en dan bij de kerkvaders \') „de Wijsheid Godsquot; genoemd wordt. Maar deze meening, die ik in de vorige uitgaven van dezen Commentaar heb uitgesproken, heeft geen bijval gevonden. Daarom schaar ik mij aan de zijde van die nieuwere uitleggers {Hofmann, Weiss, Keil), die deze uitdrukking, evenals 7 : 35, met het door het god-

1) Clemens Romanuu, Ircaacus, Hegesippus, Melito.

-ocr page 137-

11 : 47-51.

Ja(j delijk verstand beraamde plan in betrekking brengen: „God nj heeft in zijn wijsheid gezegd.quot;

ia\' Het pron. tt/m? «ótou? , in plaats van Trpog (bij Mat-aier theus), beteekent: „tot deze zonen, diemeenen, dat zij beter zijn, dan hunne vaderen.quot; Daar Mattheus iycó gezegd heeft, (jg moest hij ook upxi; zeggen. — Opdat de zonen zouden kun-ren\' nen toonen, wat zij zijn, heeft God in zijn raad besloten, ing 00\'£ ^en Pro^en zenden, die zij konden behandelen ^ naar het goeddunken van hun hart. De profeten, die Jezus riii in het oog heeft, zijn klaarblijkelijk niet die van het O. T., !ne zooals Weiss aanneemt, die meent, dat dit de reden is, (je waarom Lukas de profeten vóór de apostelen heeft genoemd. en Volgens den samenhang kunnen slechts de door den H. Geest an verlichte organen van de nieuwe openbaring, welke Jezus-r(j zelf gebracht heeft, bedoeld zijn. Do zin is: „profeten, dat Jn wil zeggen: apostelen.quot; De uitdrukking „profetenquot; vóór de en uitdrukking „apostelenquot; dient, om hunne geestverwantschap jk met die godsgezanten te doen uitkomen. Vgl. Matth. 5 : 12: ln „de profeten, die vóór u geweest zijn.quot; Door de wijze, r_ waarop zijn hoorders de nieuwe godsgezanten zullen be-ej, handelen, te vergelijken met die, waarop hunne vaderen de f oude behandeld hebben, zal men zien, dat de zonen, in

weerwil van hun schoone buitenzijde, niets beter zijn, dan 1 de vaderen. Niets verhindert aan te nemen, dat Jezus ook

jj. gedacht heeft aan hetgeen Hem-zelf zou worden aangedaan. n Vs. 50. Daarom heeft God besloten, door een laatste

e strafgericht aan dit volk een einde te maken. Het partic.

praes. èK%uvó(tmv, vloeiend, is dramatisch. Men ziet dat j bloed vloeien tot op het oogenblik, dat door het strafgericht

3 daarvoor geboet wordt. — Het is een wet van het godsbe

stuur, die zoowel het lot der volken als dat van den enkelen ( mensch beheerscht, dat God een ontwikkeling, die eenmaal

begonnen is, niet door een ontijdig gericht afbreekt. Hij waarschuwt den zondaar, maar laat de zonde rijp worden, en als de tijd daarvoor gekomen is, dan slaat Hij, niet alleen wegens het tegenwoordige kwaad, maar ook wegens al het kwaad, dat daaraan voorafgegaan is. De nakome-

127

-ocr page 138-

11 : 4V—51.

lingeu worden mede aansprakelijk voor de zouden der vaderen, wanneer zij den door dezen gebaanden weg ten einde toe bewandelen, in plaats van een andere gedragslijn te volgen. Er ligt in dit voortgaan der zonen een stilzwijgende goedkeuring opgesloten, waardoor zij zich tot medeplichtigen maken, en de verantwoordelijkheid van de geheele ontwikkeling op zich nemen. Slechts een beslist breken met den ingeslagen weg had hen van deze verschrikkelijke aansprakelijkheid kunnen ontheffen. Het is dus volgens deze wet, dat Jezus het gansche onweder, dat de van den aanvang der menschheid af vergotene stroomen van onschuldig bloed hebben vergaderd, op het Hem omgevende Israël ziet aanrukken. Vgl. de twee bedreigingen van Paulus, die slechts de commentaar op deze schijnen te zijn, Rom. 2 ; 3—5 en 1 Tbess. 2 : 15—16.

Vs. 51. Jezus haalt het eerste en het laatste voorbeeld aan van de talrijke martelaren, die in de kanonieke geschiedenis van het O. V. worden vermeld. Zacharia, een zoon van den hoogepriester Jojada volgens 2 Kron. 24 : 20, werd op bevel van den koning Joas in het voorhof des tempels gesteenigd. Daar de Kronieken waarschijnlijk het laatste boek van den Joodschen Kanon waren, was deze moord de laatste van die, welke het O. T. mededeelde, en vormde hij daardoor het natuurlijke tegenstuk van dien op Abel. Jezus zinspeelt op dit woord van Genesis (4 ; 10): „De stem van het bloed uws broeders roept van de aardequot; en op het woord van den stervenden Zacharia: „De Heer ziet het en zal het bezoeken (wp) 1quot; Vgl. het met

het èxfyó-Jiirerxi (vs. 51). Mattheus noemt Zacharia, den zoon van Barachia-, dit laat zich vereenigen met 2 Kron. 24; 20, als men aanneemt, dat Jojada, die toen 130 jaar oud was, niet zijn vader, maar zijn grootvader was, en dat de naam van zijn vader Barachia weggelaten werd, omdat deze reeds lang dood was. In ieder geval bewijst de vorm van Lukas, dat, als wij in het eerste Evangelie met een vergissing te doen hebben, deze niet aan Jezus, maar aan don Evangelist moet worden toegeschreven. De laatste

128

-ocr page 139-

11 : 52.

woorden vx) htyu v/mv, ja, ik zeg u, behooren niet meer tot de aankondiging van het goddelijk raadsbesluit, maar zijn een krachtige verzekering, waardoor Jezus zijn goedkeuring van dit besluit uitdrukt (10 : 21). — De uitdrukking dit geslacht kan volgens vs. 50 slechts in een tijdelijke be-teekenis worden opgevat. Zij beteekent dus niet; deze slechte Joodsche natie, maar: het in den tijd van Jezus en zijn apostelen levende geslacht. Evenzoo 21:32; vgl. Matth. 10 : 23, Jezus verklaart uitdrukkelijk, dat het laatste strafgericht, waardoor het Joodsche volk bedreigd wordt, het tegenwoordige geslacht zal treffen. Dit zal het antwoord Gods zijn op den aan den Messias gepleegden moord en op de vervolging van de nieuwe profeten, de apostelen.

Vs. 52. Het verkeerde gebruik, dat van de theologische kennis gemaakt wordt: „Wee u, schriftgeleerden! want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen, en gij zei ven zijt niet ingegaan, en die ingingen hebt gij verhinderd.

Het geestelijke despotisme, waarvan Jezus in de derde plaats de schriftgeleerden beschuldigt, vloeit gemakkelijk voort uit de zuiver intellectualistische gehechtheid aan de letter der wet. Dit laatste verwijt komt overeen met het derde, dat Jezus tot de Pharizeën gericht had: den ver-derfelijken invloed, dien zij op den geest van het volk uitoefenen. Jezus stelt de kennis van God en van het heil (yiwa-/?) voor onder het beeld van een heiligdom, waarin de schriftgeleerden het volk hadden moeten invoeren, maar welks poort zij gesloten hebben, en waarvan zij den sleutel bij zich houden. Deze sleutel is do H. Schrift, wier uit-legging de schriftgeleerden uitsluitend zich zeiven hadden voorbehouden. In plaats van de wet te gebruiken als een middel, om het volk door de opwekking van het zondebesef voor het heil voor te bereiden, had hun Pharizeesch onder-Godet, Lukas. 11. 9

129

-ocr page 140-

11 :52.

richt de naleving van de wet zelf tot het middel des heils gemaakt. Zoo was die diepe tegenstelling tusschen den volksgodsdienst en de openbaringen van het goddelijk heil gt; dat Jezus bracht, ontstaan. Het Godsbegrip en het begrip van de ware gerechtigheid, alles was in hen en door hen in den geest van het volk vervalscht. Dat was de reden gt; waarom het werk van Jezus bij het volk mislukte. — De genitivus riü? yvueeas, der kennis, is niet, zooals Hofmann, Keil e. a. met het oog op de parallelle plaats van Mattheus meenen, een genit. appositionis; de sleutel, die in de kennis bestaat (en die in het rijk Gods invoert). De schriftgeleerden bezaten deze kennis niet, en konden haar dus ook niet voor zichzelf behouden, noch aan anderen onttrekken. Het is een genit. objectivus: de sleutel, die het volk tot de kennis van het door Jezus gebrachte heil kon voeren (Matth. 16 ; 19; Openb. 1 ; 18; 20: 1). Vgl. 1 : 77. — Tous cUspxo^évoug; diegenen, die begeerden in te gaan.

Mattheus heeft in de groote rede, die hij Jezus in den tempel laat houden (H. 23), den inhoud van deze tot de Pharizeën en schriftgeleerden gerichte toespraken, die bij Lukaa duidelijk van elkander worden onderscheiden, tot één geheel vereenigd. Zeker heeft Jezus, zooals Mattheus verhaalt, in den tempel een toespraak tot de schriftgeleerden en de Pharizeën gehouden. Lukas zelf (20 : 45—47) vermeldt den tijd, waarop zij gehouden werd, en den korten inhoud daarvan. Maar zonder twijfel heeft het eerste Evangelie, zooals in zoovele andere gevallen, vele bij verschillende gelegenheden uitgesprokene redenen hier tot één geheel met elkander verbonden. De door Lukas opgegevene geheel bijzondere gelegenheid, de zoo in het oog loopende in-de-rede-valling van den schriftgeleerde, de zoo gepaste verdeeling van de verschillende verwijtingen onder de twee klassen van tegenstanders kunnen niet door Lukas verzonnen zijn, en getuigen van een nauwkeurige en wezenlijke historische herinnering.

130

-ocr page 141-

-

11:53-54. 131

Vs. 53 en 54. Historisch slot: „En terwijl Hij van

:il, daar wegging \'), begonnen de Schriftgeleerden en

quot;ip de Pharizecn Hem geweldig in het nauw te breugou

111 en Hem over vele dingen te doen spreken1),

De 54. Hem strikken leggende2), ten einde eenig

yi, woord uit zijn mond te verrassen \').quot;

us

is Deze verzen beschrijven een hevig tooneel, dat misschien

m geheel eenig is in het leven van Jezus. — Talrijke varianten )r leveren het bewijs, dat de tekst reeds zeer vroeg veranderd is is geworden. Volgens de lezing der voornaamste Alexandr.: s en van daar uitgegaan zijnde, heeft dit tooneel plaats gehad,\'\'

nadat Jezus het huis van den Pharizeër had verlaten. De : weglating van de woorden; en zoekende, en: ten einde Hem

le beschuldigen in den Valicanus en L maakt den gang van i den zin eenvoudiger en levendiger. Het werkw. txTroaropxTi^civ

) beteekent eigenlijk: uit zijn mond uitspreken, maar somtijds

1 ook, zooals hier: door vragen een uitspraak uitlokken.

i

3°. 12: 1—12: Tot de discipelen.

Dit heftig tooneel had buiten weerklank gevonden ; er was een aanmerkelijke samenscholing ontstaan. Door de grimmige verbittering der hoofden aangehitst, legde de schare vijandige gezindheden tegen Jezus en zijn discipelen aan den dag. Jezus gevoelt er behoefte aan, zich te wenden tot de zijnen, die bevreesd daar staan, en hun in aller tegenwoordigheid

1

LSV A ^ezen otTorToi/.i^eiv, in plaats van cnroaToijLUTi^eiv.

2

8) ^ X laten ccvtov weg, en MBL %cti ^yrovvrtc,, dat T. R. met al de anderen leest.

-ocr page 142-

12:1-3.

die aanmoedigingen te geven, welke de omstandigheden ver-eischten. Bovendien heeft Hij een woord uitgesproken, dat diep in hun hart heeft moeten weerklinken: Verscheidenen van U zullen zij vervolgen en doodcn, en Hij acht het noodig, een tegenwicht van den kant des geloofs in de schaal te werpen. Zoo verklaart zich de volgende vermaning, die ten doel heeft, den moed der apostelen weder op te wekken en hun de vrijmoedigheid tot getuigen terug te geven. Men moet toch zeer moeilijk te voldoen zijn, als men met Holz-mann weigert, de werkelijkheid van zulk een eenvoudigen stand van zaken te erkennen.

Jezus bemoedigt zijn apostelen: 1°. door de zekerheid van het welslagen hunner zaak (va. 1—3); 2°. door de verzekering, die Hij hun aangaande hun persoon geeft (vs. 4—7); 3°. door de belofte van een heerlijke belooning, waaraan Hij de straf der vreesachtigen en der tegenstanders tegenoverstelt (vs. 8—10); 4°. door de zekerheid van een machtigen bijstand (vs. 11—12).

132

Vs. 1 — 3. Eerste aanmoediging: Het toekomstig welslagen hunner werkzaamheid en de val hunner tegenstanders. „Toen intusschen duizenden van het volk bijeenvergaderd waren, zoodat zij elkander vertraden, begon Hij tot zijn discipelen te zeggen: Vóór alle dingen, wacht u voor den zuurdeesem der Pharizeën, welke is geveinsdheid. 2. Maar1) er is niets verborgens, dat niet openbaar moet worden, en niets geheims, dat niet geweten moet worden; 3. daarentegen, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het volle licht gehoord worden,

1

T. R. leest ie, met A B O en 14 Mjj.j door N en de Mnn. weggelaten.

-ocr page 143-

12 : 1—3.

en al wat gij in het oor gesproken hebt in de binnenkamer, zal op de daken gepredikt worden.quot;

De uitdrukking e\'v o\'?, inlusschen, brengt dit tooneel in nauw verband met het vorige. De toestrooming van menschen, die hier plaats vindt, laat zich, evenals die, waarvan in 11:29 gesproken is, zeer goed verklaren. Wanneer Jezus in een vlek aankwam, hield Hij daar stil, en weldra snelde de geheele bevolking toe. Het Hij begon , geeft iets

plechtigs aan de volgende woorden. Jezus richt zich tot de kleine bende zijner discipelen, en spreekt tot haar, ten aan-hoore van de geheele opgewondene menigte, een taal, die van de grootste onverschrokkenheid getuigt. Het is de kreet, Voorwaarts! met de belofte der overwinning. Men ziet dus, dat de woorden: tol zijn discipelen de sleutel van de toespraak zijn. — Het ttpütov, vóór alle dingen, moet met het volgende werkw.: wacht u worden verbonden; vgl. 9 : 61 en 10: 5. De Pharizeesche zuurdeesem was werkelijk het ernstigste gevaar, dat de Israëlitische vroomheid bedreigde (Mark. 8 : 15; Matth. 16:6). Luther, Bengel, Weiss e. a. meenen, dat men Tpürov met fipt-oiiohsyeiv moet verbinden, en het aan vs. 15 tegenover stellen, waar ten tweede te vinden zou zijn: Jezus sprak eerst tot zijn discipelen, en daarna tot het volk. Maar het in vs. 15 en verv. vervatte onderwijs over de gierigheid is uitgelokt door het onverwachte verzoek van een toehoorder, die de tusschenkomst van Jezus vraagt; het kon dus niet van het begin af voorgenomen zijn. Bovendien zou het vpuTov, aldus opgevat, met lïp^xro een pleonasme vormen. — Door het ontbreken van het artikel vóór inrbxpiai\'; verkrijgt dit subst. een qualitatieve beteekenis: een leer- en handelwijze, die niets anders dan huichelarij is. De zuurdeesem is het zinnebeeld van ieder sterk beginsel, dat assimilatie-kracht bezit, hetzij het een goed of een kwaad beginsel is. Deze waarschuwing kan meer dan eens uitgesproken zijn; vgl. Mark. 8 : 15 en Matth. 16 ; 6. Hoffmann meent, dat Jezus daardoor zijn discipelen wil aanbevelen, hun geloof niet door geveinsdheid te verbergen. Doch dat

133

-ocr page 144-

12 : 1—3.

zou geen geveinsdheid, maar lafheid zijn, daar geveinsdheid daarin bestaat, dat men het kwade onder den sluier van het goede verbergt, en niet omgekeerd.

Vs. 2. Na de voorafgaande waarschuwing kan deze spreuk niets anders zijn, dan een tegen de Pharizeesche huichelarij gerichte bedreiging. Jezus kondigt aan, dat de ondeugd, die onder dezen vromen schijn verborgen is, onmeedoogend ontmaskerd zal worden; de onreine achtergrond van deze zoozeer bewonderde heiligheid zal aan het licht komen, en dan zal het gezag van deze meesters, die thans de openbare meening beheerschen, instorten. Het Si, maar, kondigt deze omkeering aan; het stelt deze toekomstige onthulling tegenover het tegenwoordige oordeel des volks.

Vs. 3. Lukas gebruikt gaarne de uitdrukking\'wi/, die eigenlijk beteekent: waarvoor in de plaats (hetzij als belooning of als straf). Zij duidt nu en dan ook een eenvoudige tegenstelling aan; zoo b.v. Wijsh. v. Sal. 16 : 20, waar het volgens Heuss de beteekenis heeft van; daarentegen. In deze beteekenis komt zij op onze plaats voor: „De geveinsdheid der hedendaagsche heiligen en leeraars (de Phari-zeën en schriftgeleerden van H. 11) zal ontmaskerd worden; daarentegen zult gij, die thans slechts bedeesd en met zachte stem spreekt, uw stem openlijk doen hooren, zoodat zij in de geheelo wereld weerklinken zal. De Hillels en de Gamaliels zullen geheel op den achtergrond treden, en gij, mijn arme discipelen, zult de leeraars worden van een nieuwe orde der dingen!quot; Weiss geeft een geheel andere verklaring. Volgens hem zou dit vers te kennen geven: „Daarom (^ö\'«v), omdat alles aan het licht zal komen, ziet toe, dat gij in hot verborgene niets slechts zegt.quot; Maar naar welke aanleiding zou Jezus zijn discipelen gewaarschuwd hebben voor slechte woorden, die zij in het verborgene zouden kunnen spreken? Ook moest er dan, in plaats van xypvxófasTxi, zal verkondigd worden, xTromxKvcpó^tTSTxi, zal geopenbaard worden, gestaan hebben. Bovendien kan wf, al beweren Weiss zn Scham ook het tegendeel, niet beteekenen: daarom, en heeft het ook nooit deze beteekenis. De aangehaalde voorbeelden

134

-ocr page 145-

12 : 4—7.

eiquot; bewijzen niets. Ilofmann geeft het vers dezen ziu: „Het

an zou u niets baten, slechts in het verborgene over het voorwerp

van uw geloof te spreken; de wereld zal eenmaal hardop ^ over deze dingen hooren spreken.quot; Maar de tegenwoordige

ry behoedzaamheid der discipelen kan niet tegenover hunne

toekomstige vrijmoedigheid gesteld zijn; want beide zijn het d resultaat van omstandigheden, die buiten hunne macht staan.

6 Bovendien zal hun toekomstig getuigenis een van hun kant

a volkomen vrije daad zijn, en kan zij daarom niet het voor-

3 werp van een soort bedreiging wezen („het zal u niets batenquot;,

\' gezwegen te hebben). — Tx^tTov, eigenlijk de spijskamer;

van daar: de achterkamer, waar men vertrouwelijke gesprekken houdt. — De huizen in het Oosten hebben platte daken, van waar men met de menschen, die op straat zijn, spreken kan. Dit beeld geeft dus de grootste openbaarheid te kennen. — Vgl. 8 : 17 bij vs. 2, en bij vs. 2 en 3, Matth. 10 : 26 en 27, waar de discipelen vermaand worden, de leer van Jezus in de geheele wereld te verkondigen: „Hetgeen ik u zeg in de duisternis, zegt het in het lichtquot;. De zinspreuk van het tweede vers heeft bij Mattheus dus deze beteekenis: „Iedere waarheid moet aan het licht komen; maakt met luide stem bekend, wat ik u gezegd hebquot;.

135

Vs. 4—7. Tweede aanmoediging: De goddelijke bescherming , die hun verzekerd is. „ Eu ik zeg u, mijne vrienden: Vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden, en u daarna niets meer1) kunnen doen. 5. Maar ik zal u toonen, wien gij vreezen moet: Vreest 2) dien, die, na gedood te hebben, de macht heeft, in de Gehenna te werpen; ja, ik zeg het u, dien moet gij vreezen.

A en 4 Mjj. lezen Kepcicrov, in plaats van TrepicnroTgpov. 2) N ) laten het tweede (pofSydyre weg.

-ocr page 146-

12 : 4—7.

6. Worden niet vijf muschjes voor twee halve penningen verkocht1)1? En niet één van hen is voor God vergeten. 7. En zelfs de haren uws hoofds zijn allen geteld. Vreest dan2) niet: gij hebt meer waarde, dan vele muschjes.quot;

Bij de gedachte aan de toekomst, die de discipelen persoonlijk wacht, wordt het hart van Jezus bewogen. Het lot, dat hun deel zal worden, schijnt ze Hem nog dierbaarder te maken. Vandaar deze aanspraak vol teedere liefde: u, mijne vrienden. Deze woorden heeft Lukas zeker niet verzonnen; en als Mattheus, bij wien zij ontbreken (10:28 en verv.), dezelfde oorkonde als Lukas gebruikt had, zou hij ze ongetwijfeld niet weggelaten hebben, — Olshausen is op het vreemde denkbeeld gekomen, dat de persoon, die in de Gehenna kan werpen, niet God, maar de duivel is; alsof de H, Schrift ons leerde, den duivel te vreezen, en niet veeleer, hem te wederstaan (1 Petr. 5:9; Joh. 4:7). De Satan verleidt tot het kwade; maar God alleen werpt in de Gehenna. — De Mss. verdoelen zich tusschen de vormen xiroKrci/vóvrav (Aeolisch-Dorisch volgens Bleek), KiroHrsvivTuv (een corruptie van den voorgaanden), en xTroKTeivóvruv (regelmatige vorm). — De uitdrukking Gehenna beteekent eigenlijk: Dal van Hinnom (D3n Joz. 15 : 8; vgl. 18 : 16, 2 Kon. 23 : 10, Jer. 7 : 31, enz.). Het was een frisch en liefelijk dal ten zuiden van den berg Zion, waar de koninklijke tuinen zich oorspronkelijk bevonden. Maar omdat onder de afgodische koningen de Molochdiensj daar uitgeoefend werd, werd het door Josia tót een vilplaata gemaakt. Zoo werd dit dal het beeld en zijn naam een benaming voor de hel. — Wat moet men, met het oog op deze uitspraak, die op zoo duidelijke en besliste wijze de ziel van

136

1

N li lezeu TrwAot/vTai, in plaats van iroiteirui.

2

B L E Cop, laten ouv weg.

-ocr page 147-

12 : 4—7.

het lichaam onderscheidt, van de bewering van Renan denken, die ergens zegt, dat Jezus het juiste onderscheid tusschen deze twee beslanddeelen van ons wezen niet gekend heeft! Het is duidelijk, dat uit dit verschil van aard tusschen de ziel en het lichaam moet voortvloeien, dat zij niet op dezelfde wijze te gronde gaan. Het lichaam wordt aan een natuurlijk ontbindingsproces onderworpen; de ziel daarentegen, die een onstoffelijk, zedelijk wezen is, gaat op zedelijke wijze te gronde ten gevolge van een veroordeeling. Het conditionalisme heeft dus niets met deze plaats te maken.

Vs. 6 en 7. Jezus belooft zijn discipelen niet, dat hun leven altijd veilig zal zijn. Maar als zij lichamelijk omkomen, dan zal het niet zijn zonder de toestemming van hot almachtige Wezen, dat zich hun Vader noemt. De volgende woorden spreken, door de krachtigste beelden, het denkbeeld uit van een Voorzienigheid, die zich zelfs over de kleinste bijzonderheden van het menschelijk leven uitstrekt. — Lukas spreekt over vijf vogels, die te samen 2 as of ongeveer ö\'/g cent waard zijn; Mattheus, die over slechts twee vogels spreekt, schat de waarde daarvan op 1 as. Dit is dus iets duurder. Hebben vijf soms naar evenredigheid iets minder gekost dan vier? Men stelle zich voor, dat de eene Evangelist zich vermaakt met het maken van dergelijke veranderingen in den tekst van den anderen of in dien van het gemeenschappelijk dokument! — De uitdrukking: voor Gud is Hebreeuwsch; zij beteekent, dat er onder deze kleine wezens niet één is, dat niet afzonderlijk voor de oogen der goddelijke alwetendheid tegenwoordig is. Het weten van God strekt zich niet alleen over onze persoonlijkheid uit, maar ook over de onbeduidendste gedeelten van ons wezen, over die 140000 haren, waarvan wij dagelijks eenige verliezen, zonder zelfs de geringste aandacht daaraan te wijden. En daarom, weg met alle vrees! Gij kunt niet vallen zonder de toestemming van God; en stemt Hij er in toe, dan zal Hij dit doen, omdat het tot het welzijn van zijn kind zal wezen. De dienstknecht van Christus is onsterfelijk, heeft men gezegd, zoolang zijn werk nog niet volbracht is.

137

-ocr page 148-

12 : 8—10.

Vs. 8 — 10. Derde aanmoediging: Het loon der getrouwe discipelen, in tegenstelling met de straf der lafhartigen en der tegenstanders. „En ik zeg u1): Een iegelijk, die mij belyden zal voor de menschen, dien zal de Zoon des menschen ook belijden voor de engelen 2) (rods. 9. Maar wie mg verloochenen zal voor3) de menschen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods. 10. En een iegelijk, die eenig woord zal spreken tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven wordenquot;.

De belijdenis van het Evangelie kan den discipelen zonder twijfel duur te staan komen; maar als zij daarin volharden, dan zal zij hun een zeker en heerlijk loon aanbrengen. De verheerlijkte Jezus zal door hen in de tegenwoordigheid van de hemelsche vergadering voor de zijnen te verklaren, hun het getuigenis vergelden, dat zij op aarde van Hem afgelegd zullen hebben, door Hem in den tijd zijner vernedering openlijk als hun Heer te erkennen. De Gnostiek Heracleon heeft reeds opmerkzaam gemaakt op de kracht, die de praep. tv aan o\'j.oxoyelv geeft. Zij drukt het rusten van het geloof in Hem, dien men belijdt, uit. — Vs. 9 waarschuwt de discipelen voor het gevaar der verloochening van Jezus. Deze waarschuwing was in het geheel niet overbodig op dit oogenblik, toen zij omringd waren van woedende vijanden. Men lette er op, dat Jezus niet zegt, dat Hij verloochenen zal wie

138

1

N D lezen on na

2

Mnrcion en N laten twv uyythm weg.

3

AD en 3 Mjj. lezen envfoaUv, in plaats van jvwttiov.

-ocr page 149-

1

12:8—12. 139

Hem verloochend zal hebben, gelijk Hij gezegd heeft, dat Hij belijden zal wie Hem beleden zal hebben. Het werkw. staat in het passivum, alsof die daad van zelf zou geschieden als het eenvoudig gevolg van de verloochening hier beneden.

Vs. 10. Daar Jezus in het volgende vers uitdrukkelijk tot de discipelen u) terugkeert, moeten wij deze woorden

beschouwen als een waarschuwing aan het adres van de Hem omringende tegenstanders. Naar aanleiding van de zonde der verloochening van den kant der geloovigen, geeft Hij te kennen, dat er een nog zwaardere zonde en een nog grooter gevaar is, nl. den Heiligen Geest te lasteren. Met deze vreeselijke bedreiging zinspeelt Jezus zeer zeker op de hatelijke beschuldiging der Pharizeën, die aan den maaltijd voorafgegaan was (11 : 15), en waarop Hij in de toespraak van 11 : 17—26 geantwoord had. Aan Beëlzebul de werken toe te schrijven, waarin de heiligheid en de macht des Geestes schitterden, was wetens en willens dit goddelijke Wezen, uit wien alle licht en alle goed in den geest des menschen uitgaan, te beleedigen. Om de grootheid van deze misdaad van majesteitschennis bij uitnemendheid, als men zich zoo mag uitdrukken, beter te doen uitkomen, vergelijkt Jezus haar met een smaadheid, die Hem persoonlijk, als Zoon des menschen, wordt aangedaan. Hij noemt dezen smaad slechts een woord (hcyov); het is een ondoordachte uiting, en niet een lastering. Een woord uit te spreken tegen Jezus, die zich in zulk een nederige, van die van den verwachten Messias zoo geheel verschillende gestalte aan de blikken vertoont, is wel een vergrijp, maar een, dat niet noodwendig uit kwaden wil voortvloeit. Een oprecht vromen Jood, die nog altijd beheerscht werd door de veroordeelen, waarvan de Pharizeesche opvoeding hem doordrongen had, kon het inderdaad overkomen, Jezus aan te zien voor een overspannen, zinneloozen mensch, een Sabbatschender, en bij gevolg een bedrieger. Zulk een zonde herinnert aan die van de godvruchtige vrouw, welke vol vromen ijver haar bijdrage aan hout naar den brandstapel van Huss bracht, die, toen hij haar zag, uitriep: Sancta simplicitas! Zij was ook de

-ocr page 150-

12 : 8—10.

140

zonde van den jeugdigen Saulus in den tijd van zijn ongeloof. Jezus is bereid, in deze of in de andere wereld alle be-leediging van dezen aard, die slechts zijn persoon betreft, te vergeven. Maar de beleediging van het goede als zoodanig en van het levend beginsel daarvan in den boezem der menschbeid, den Heiligen Geest, de goddelooze vermetelheid, de werken van dezen Geest aan den boozen geest toe te schrijven, ziedaar wat Hij noemt den Heiligen Geest lasteren, en als een onvergefelijke zonde voorstelt. De geschiedenis van Israël heeft de waarheid dezer bedreiging duidelijk bewezen. Dit volk is niet ondergegaan, omdat het den Zoon des menschen aan het kruis had vastgenageld. Anders zou de sterfdag van Jezus de dag van zijn ondergang zijn geweest, en zou God het niet nog 40 jaren lang de vergeving van die zonde hebben aangeboden. Hetgeen de maat der zonde van Jeruzalem heeft volgemaakt, is de verwerping van de apostolische prediking, de hardnekkige tegenstand, die geboden werd aan de werkingen van den Geest, die op het Pinksterfeest werd uitgestort. En wat van Israël geldt, geldt ook van den enkelen mensch. De beslist onvergefelijke zonde is niet de verwerping van de waarheid ten gevolge van een misverstand, zooals dat van zoovele ongeloovigen, die het Christendom met een vervalschten vorm, een bloote caricatuur van het Evangelie verwarren, maar de haat tegen het heilige als zoodanig, een haat, die b. v. er toe leiden zou, den oorsprong van het Evangelie aan hoogmoed of aan bedrog, in één woord aan den boozen geest toe te schrijven. Daartoe moet men met beslistheid den verheven en heiligen indruk, dien het op ieder oprecht hart teweegbrengt, onderdrukken. Dit is niet meer tegen den persoon van Jezus zondigen, maar het goddelijk beginsel, dat in hem leeft, beleedigen Het is de haat tegen het goede in zijn hoogste openbaring. In ieder geval is hier, zooals Hofmann opmerkt, geen sprake van een op zich zelf staande daad, maar van den innerlijken toestand, waarin de mensch zich bevinden zal, wanneer hij voor God zal verschijnen. — De vorm, waarin Mattheus (12:31, 32) dit woord voor ons bewaard heeft, verschilt

-ocr page 151-

12 : 11—12.

nog al van dien van Lukas; en die van Markus (3 : 28, 29) verschilt op zijn beurt van dien van Mattheus De Evangelisten zouden zeker op hun eigen gezag geen veranderingen hebben aangebracht in zulk een ernstige en gewichtige uitspraak, indien zij een geschreven tekst daarvan onder de oogen hadden gehad. Daarentegen kan de mondelinge overlevering haar gemakkelijk in eenigszins van elkander verschillende vormen hebben teruggegeven. Wat de plaats betreft, die de drie Synoptici haar aanwijzen, die van Mattheus en Markus, terstond na de beschuldiging, waardoor zij uitgelokt werd, schijnt de voorkeur te verdienen, ofschoon het verband, waarin zij bij Lukas met het voorgaande staat, niet moeilijk te vatten is, zooals wij gezien hebben. Het is een verband van opklimming: Er is iets, dat nog veel erger is, dan Jezus als den Messias te verwerpen, nl. den Heiligen Geest, die zich in zijn werken openbaart, te lasteren. Deze uitspraak schijnt onvereenigbaar te zijn met het denkbeeld, dat alle menschen zalig zullen worden.

Na deze vreeselijke bedreiging komt Jezus tot zijn discipelen terug. Deze Geest, dien hunne tegenstanders lasteren, zal hun steun zijn. Dit is de vierde aanmoediging.

Vs. 11 en 12. „En wanneer zij u zullen doen verschijnen ^ in1) de Synagogen en voor de overheden en de machten, weest dan niet bezorgd2), wat en hoe gij antwoorden zult tot uwe verdediging, of wat gij spreken zult; 12. want de Heilige Geest zal u in dat uur zelf leeren, wat gij spreken moet.quot;

Het subject van het werkw. TrpoirQspmiv, zullen doen verschijnen, zijn zij, die behooren tot de klasse van vijanden,

141

1

N D B lezeu , in plaats van ctti.

2

T. R. met A on 11 Mjj ; iispiiivare; N li L Q K. X; iiepiixvuavfTt,

-ocr page 152-

12 : 11—12.

tot wie Jezus zooeven de waarschuwing van vs. 11 heeft gericht, Door het , u, mijne discipelen, stelt Jezus uitdrukkelijk deze twee soorten van menschen tegenover elkander. — Talrijk en verschillend zullen de rechtbanken zijn, waarvoor zij geroepen zullen worden, te verschijnen, om zich te verdedigen: de auvxyccyx!, de Joodsche rechtbanken, die een godsdienstig karakter hebben; de apXxl, de heidensche, zuiver burgerlijke overheden, van de stadhouders der provincies tot aan den keizer toe; en in het algemeen iedere macht, van welken aard ook, Ü-ovtrlxi. Maar zij behoeven hunne verdediging niet voor te bereiden. Het antwoord zal hun terstond worden verschaft, zoowel wat den vorm (ttw?, hoe), als wat den inhoud (t/, wat) betreft, Maar zij zullen nog meer doen, dan zich verdedigen; zij zullen ook aanvallend optreden, getuigenis afleggen (t/ f/Vorf, wat gij zeggen zuil); zooals Petrus en Stephanus voor het Sanhedrin en Paulus voor Felix en Festas. Deze hebben zich niet beperkt tot de verdediging van hun persoon, maar zij hebben ook het Evangelie verkondigd. Bij de volbrenging van deze dubbele taak, zal de H. Geest zóódanig in hen werken, dat zij niets anders te doen zullen hebben, dan Hem hun mond tot zijn orgaan te leenen. De parallelle plaats behoort bij Mattheus tot de voorschriften, die aan de Twaalven werden gegeven, toen zij uitgezonden werden (10: 19, 20); zij luidt zoo verschillend, dat men wel ziet, dat de twee redacties niet uit denzelfden tekst afkomstig kunnen zijn, zooals Weiss wil. Vgl. een gelijke gedachte Joh. 15 : 26, 27. — Deze uitspraak is een getuigenis voor de werkelijkheid van het psychologisch verschijnsel der inspiratie. Jezus verzekert, dat de Geest Gods werkelijk met den geest des menschen in zulk een verbinding kan treden, dat de laatste slechts de tolk des eersten wordt.

Ilollzmann ziet in al deze uitspraken (12:1—12) niets anders, dan een verzameling van bouwstoffen; die Lukas op willekeurige wijze met elkander verbonden en hier in een gekunstelde lijst heeft gebracht. Maar wij hebben bevonden, dat al de bestanddeelen van dit gedeelte, misschien met uit-

142

-ocr page 153-

12 : 13-14.

zondering van vs. 10, uitnemend passen in de historische lijst, waarin Lukas de rede heeft ingevoegd. Deze lijst is dus geen verzinsel van den Evangelist.

XI. — 12 : 15—59: De houding van den mensch en van den geloovige tegenover de aardsehe goederen.

De aanleiding tot deze nieuwe rede werd gegeven door een onverwacht feit, dat niet in verband staat met hetgeen zooeven heeft plaats gehad. Dit gedeelte behelst: 1° een historische inleiding (vs. 13—14); 2° een tot de schare gerichte toespraak van Jezus over de waarde der aardsche goederen voor den mensch in het algemeen (vs. 15—21); 3° een bepaaldelijk tot de discipelen gerichte toespraak over de houding, die zij wegens hun nieuw geloof tegen over deze goederen moeten aannemen (vs. 22—40); 4° een nog meer bijzondere toepassing van deze waarheid op de apostelen (vs. 41—53); 5° ten besluite komt Jezus op het volk terug, en geeft hun een laatste waarschuwing op grond van bet beslissend karakter der oogenblikkelijke omstandigheden (vs. 54—59).

1°. Vs. 13 en 14. De aanleiding.

Va. 13—14, „En iemand uit de schare zeide tot Hem; Meester! zeg tot mijn broeder, dat hij met mij de erfenis deele. 14. Maar Hij zeide tot hem: Mensch! wie heeft mij tot een rechter1) of verdeeler over ulieden gesteld?quot;

143

De volgende gebeurtenis heeft Lukas alleen voor ons bewaard; hij moet haar uit een bijzondere bron hebben geput.

1

ï. E. leest SiKcta-rvv, met A en IC Mjj.; NB DL: xpirtiv.

-ocr page 154-

12 : 13—14.

Deze man bevond zich onder de schare. Hij maakt van een oogenblik van stilzwijgen gebruik, om de hulp van Jezus in te roepen in een zaak, die hem zeer ter harte gaat, en die hem waarschijnlijk in de nabijheid van Jezus heeft gebracht. Volgens het Joodsche burgerlijk recht kreeg de oudste broeder een dubbel aandeel in de erfenis, met de verplichting, zijn moeder en zijn ongetrouwde zusters te onderhouden. Uit de gelijkenis van den verloren zoon schijnt voort te vloeien, dat het aandeel der jongere broeders hun in geld werd uitbetaald. Deze man was misschien een jongere broeder, die niet tevreden was met de hem aangewezen som, of haar verkwist had, en nu onder het een of ander voorwendsel een deel van de vaste goederen eischte. Evenals bij alle andere dergelijke gelegenheden (overspelige vrouw), weigert Jezus met beslistheid, het zuiver geestelijk gebied te verlaten en iets te doen, waardoor Hij den schijn op zich zou kunnen laden, alsof Hij zich in de plaats van de bestaande overheden wilde stellen. — Wie (t;V)? Antwoord: Noch God, noch de menschen. — De T. R. leest: Sixaimiv; de Alexandr. xpiTijv. Volgens Passow duidt de eerste uitdrukking den rechter aan, die naar de letter der wet uitspraak doet, en de tweede den rechter, die met de omstandigheden rekening houdt. In ieder geval heeft Jezus twee uitdrukkingen gebruikt, waarvan de eerste den persoon aanduidt, die het vonnis uitspreekt, en de tweede van nepifyiv, ver

doelen) den persoon, die voor de uitvoering daarvan zorgt.

Daar het doel van Jezus bij deze reis was gebruik te maken van al de providentiëele gelegenheden, welke zich mochten aanbieden, om het volk en zijn discipelen te onderwijzen, maakt Hij zich terstond die ten nutte, welke dit verzoek Hem verschaft, om de verschillende klassen zijner toehoorders te herinneren aan de gewichtige waarheden, die deze onverwachte gebeurtenis Hem voor den geest brengt.

Hier komt de onhoudbaarheid van de twee door Holhmann en Weizscicker aangenomene stelsels met betrekking tot dit gedeelte van het Evangelie van Lukas zoo duidelijk mogelijk uit. Beiden nemon aan, dat Mattheus en Lukas de leeringen

144

-ocr page 155-

12 : 15—19.

van Jezus uit een gemoenschappelijko bron, de Logia van Mattheus, putten. Maar twee brokstukken van de volgende toespraak staan bij Mattheus in de bergrede (6 : 25—33; 19—21), en een derde in de aan de apostelen gegevene instructie (10 : 34—36), om niet te spreken van verscheidene uitspraken, die in de groote eschatologische rede voorkomen (Matth. 24 en 25), Wie van de twee Evangelisten heeft nu den waren vorm der gemeenschappelijke oorkonde bewaard, de eerste of de derde? Weissacker antwoordt: de eerste; waaruit volgt, dat de door Lukas beschrevene stand van zaken door hem verzonnen werd, om aan al deze bouwstoffen een plaats te kunnen geven. Holtimann daarentegen erkent de werkelijkheid van de hier door Lukas vermelde gebeurtenis. Maar waarom alleen in dit geval, en niet ook in zoovele andere dergelijke gevallen? En als dit zoo is, hoe kon dan de eerste Evangelist zulk een nauwkeurige opgave der gemeenschappelijke oorkonde als die, welke bij Lukas voorkomt, geheel buiten rekening laten, en de brokstukken dezer rede zoo verstrooien door ze op zoo ongelijksoortige plaatsen in te lasschen? De eene handelwijze is even onaannemelijk als de andere. Er blijft dus niets anders overig, dan zoowel het denkbeeld van een gemeenschappelijke bron, als dat van de afhankelijkheid van den een van den ander te laten varen.

2°. Vs. 15—20. Tot het volk; dexijke dwaas.

Vs. 15 — 19. „En Hij zeide tot hen: Ziet en wacht u voor alle 1) gierigheid; want al heeft een mensch ook overvloed, hij trekt zijn2) leven niet uit zijn 3) goederen. 16. En Hij zeide tot hen eene

145

1

T. R. leest tgt;)5, met E en 7 Mjj.; X A D ï) en 9 Mjj. Tt. Syr.: rxo-tit;.

2

T. R. leest ocvtou, met N A B en 11 Mjj. It,; E en 6 Mjj.: xvtw; D Syr, laten ieder pronomen weg.

3

N A en 14 Mjj. lozen xvtov, B on 5 Mjj.: uutoi.

Gouut, Lukas. 11. 10

-ocr page 156-

12 : 15—1(J.

146

gelijkenis in deze woorden: 17. De landerijen van een rijken mensch hadden veel opgeleverd. En hij overlegde bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, daar ik geen plaats heb, om mijn oogst te verzamelen? 18. En hij zeide: Dit zal ik doen: Ik zal mijne schuren afbreken, en grootere bouwen, en ik zal aldaar verzamelen al mijne produkten en mijne goederen \'); 19. en ik zal tot mijne ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen in voorraad voor vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vroolijk.quot;

Het irpos xutovc , „Hij zeide tot henquot;, doet zien, dat hetgeen volgt tot het volk {de schare, vs. 13) gesproken is. Deze kleine bijzonderheid bevestigt de nauwkeurigheid der opgaven van Lukas; er is inderdaad ook niets, dat het geloof onderstelt bij hen, tot wie de waarschuwing van vs. 15—21 gericht is. — Men zou het er voor kunnen houden, dat de twee itnperativi ziet en wacht u slechts één denkbeeld uitdrukken: „Houdt de oogen goed open togen dezen vijand , de gierigheidquot;; maar men moet liever vertalen: „Ziet (dezen man) en neemt u in acht.quot; Jezus stelt hem het verzamelde volk tot voorbeeld. — De Grieksche uitdrukking, die wij met gierigheid vertalen, geeft eigenlijk de begeerte om meer te hebben, en niet die om te behouden wat men heeft, te kennen. Maar dit laatste denkbeeld ligt in het eerste opgesloten. Dit dubbele verlangen berust op een bijgeloovig vertrouwen op de aardsche goederen, wier bezit men met het geluk identificeert. Maar de voorwaarde tot het genot daarvan is het leven, en voor deze voorwaarde geven zij geen waarborg. De zin der Grieksche woorden is;

1)^0 Syrc,»r. lip\'6\'quot;, laten acti ren otyctOu f/.ov weg.

-ocr page 157-

12 ; 20—21.

„Al gaat zijn bezit zijn behoeften zeer verre te boven, het waarborgt hem toch het leven niet.quot; Vandaar het voorschrift van Hebr. 13 : 5. Ta Trofivaeveivi het bezitten van meer, clan men noodig heeft. Men moet waarschijnlijk Trxvy:, alle gierigheid, in plaats van rifc, de gierigheid lezen: eiken vorm van hebzucht. Met het „levenquot; wordt hier eenvoudig het aardsche bestaan bedoeld. Dit blijkt duidelijk uit het volgende voorbeeld.

Vs. 16. De uitdrukking gelijkenis kan zoowel een voorbeeld als een beeld te kennen geven. Het voorbeeld is verdicht als beeld van de abstracte waarheid. — Deze rijke grondbezitter moge een voor jaren toereikenden overvloed van goederen bezitten; deze overvloed {ro Trspi^csusiv, vs. 15) waarborgt hem het leven niet, zelfs niet tot aan den volgenden dag. — De goederen (vs. 18) zijn niet slechts de ingeoogste voortbrengselen van het land, maar ook de huizen, kudden, enz. — Het ontbreken van de woorden: en mijne goederen in den Sinaiticus is toe te schrijven aan de verwarring van het eene pov met het andere. — En ik zal tot mijne ziel zeggen-. Wanneer dit werk der herbouwing afgeloopen is, dan zal hij zoo tot zichzelf kunnen spreken; niets zal hem meer storen in het rustig genot van zijn goederen. — De ziel (tpuzv) is de zetel der genietingen van persoonlijken aard, het gevoelige gedeelte van het menschelijk wezen. Tot deze ziel zal hij spreken, alsof zij hem toebehoorde (mijne ziel); vgl. het viermaal voorkomende vs. 17 en 18.

Maar hij zal vernemen, dat zelfs zijn ziel hem niet toebehoort.

Vs. 20 — 21. „Maar Grod zeide tot hem; Gij dwaas! \') in dezen zelfden nacht zal men uwe ziel van u terugeischen 1); en hetgeen gij bereid hebt, wiens

147

1

B L Q, lezen atrovo-iv, in plants van ocTourovnv.

-ocr page 158-

12 : 20—21.

zal het zijn? 21. Alzoo is het met dien, die zich \') schatten vergadert, en niet rijk is in God.quot;

De woorden: God zeide tot Hem stellen het raadsbesluit Gods tegenover de ijdele taal, die hij tot zichzelf sprak. Het subject, dat bij xirxi rovsiv [zij eischen terug, het praesens drukt de nabijzijnde toekomst uit) moet worden gedacht, zijn noch dieven, noch de engelen, zooals men gemeend beeft. Het is het onbepaalde subject, dat met ons men overeenkomt; in de werkelijkheid wordt God-zelf bedoeld. Deze vorm is in het Arameesch zeer gebruikelijk; vgl. vs. 48 en 14: 35. — Dezen nacht: dit is het goddelijk antwoord op het vele jaren, zooals het woord terug eischen op de uitdrukking „mijne ziel.quot;

Vs. 21. Dit is de toepassing van de gelijkenis. De uitdrukking; voor zich schatten vergaderen wordt voldoende verklaard door de vier imperativi van vs. 19. Maar de .zin der uitdrukking: rijk lijn in God, of juister: voor God, is niet gemakkelijk aan te geven. Zij kan moeilijk de bestediag van de aardsche goederen met het oog op God of in dienst van God te kennen geven, en evenmin het verwerven van een schat bij God door middel van weldadigheid (volgens vs. 33 en 34). Zij schijnt hier veeleer de tegenstelling te zijn van hetgeen opgesloten ligt in el? tov KtSr/tov,

rijk zijn met betrekking tot deze wereld, zooals deze mensch het was, dien God geslagen heeft. Rijk te zijn met betrekking tot God, is een rijkdom van goddelijken aard te bezitten, dien God-zelf als rijkdom erkent: het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid (vs. 31; Matth. 6 : 33).

148

Nadat Jezus het volk op deze geheel populaire wijze gewaarschuwd heeft, richt Hij zich bepaaldelijk tot zijn discipelen , om hen naar deze aanleiding omtrent het gewichtige vraagstuk aangaande hun verhouding tot de aardsche goederen te onderrichten. Lukas zegt uitdrukkelijk (vs. 22) Trpog tou?

1) T. K. leest etxvTco, met A en 1G Mjj.; N B L: uvru.

-ocr page 159-

12 : 22—24.

IxxhiTxi;, in tegenstelling met het Trpos avrou:, lot hen (bet volk) van vs. 15. En bet is ook duidelijk te zien, dat al betgeen nu volgt enkel op geloovigen betrekking kan hebben.

3°. Vs 22—40. Tot de discipelen: bot los zijn van do aardsche goederen.

De geloovigen moeten afstand doen van bet najagen van aardsche goederen: 1°. omdat zij, ook wat hunne aardsche behoeften betreft, een volkomen vertrouwen op hun hemelschen Vader moeten hebben (vs. 22—34); 2°. omdat alleen de hoogere goederen, waarnaar zij streven, en die zij verwachten met de wederkomst van den Heer, aan wien zij zich hebben overgegeven, hunne gedachten moeten bezighouden (vs. 35—40).

Vs. 22—34: Het los zijn, het gevolg van het vertrouwen op Gods vaderlijke goedheid.

Vs. 22 — 24. „Daarna zeide Hij tot zijn ^discipelen: Daarom zeg ik u: Zijt niet bezorgd voor uw1) leven, wat gij eten zult, noch voor het2) lichaam, waarmede gij u kleeden zult. 23. Het3) leven is meer dan het voedsel, en het lichaam meer dan de kleeding. 24. Aanmerkt de raven: zij zaaien niet, en oogsten niet, en zij hebben noch 4) provisiekelder, noch ü) schuur; en Ood voedt hen. Hoeveel gaat gij de vogelen in waarde te boven!quot;

Daarom: daar het leven niet van de goederen, maar van God afhangt, moet de geloovige er niet alleen niet naar

149

1

N A B D L Q laten wog.

2

B voegt hier o/ivv bij, dat door al de andereu wordt weggelaten.

3

41 N B I) en 4 Mjj. Syr. voegen yeep er bij.

4

T. R. leest, met A B en 14 Mjj. It.: ou ... ovh; N D L Q; ovti .. . ovts

-ocr page 160-

12 : 22—24.

150

jageu, om het overvloedige (vs. 15) te bezitten, maar mag bij zich niet eens angstvallig over bet noodzakelijke bekommeren. Als dienstknechten Gods (vs. 34) mogen de discipelen van Jezus rekenen op de teedere zorg van den Meester, in wiens dienst zij arbeiden, niet alleen wat het voedsel, maar ook wat de kleeding betreft. — Vs. 22 spreekt het voorscbrift uit; vs. 23 levert het logische bewijs daarvan; vs. 24 licht het toe door een voorbeeld, aan de natuur ontleend. Het logische bewijs bestaat in een argument a fortiori; Hij, die het meerdere (het leven, het lichaam) gegeven heeft, zal nog veel zekerder het mindere geven: het middel om het leven te onderhouden, om het lichaam te kleeden. — Het is belangwekkend, in het aan de natuur ontleende voorbeeld op te merken, hoe de gebezigde uitdrukkingen: zaaien, oogsten, provisiekelder, schuur, in verband staan met de voorafgaande gelijkenis van den rijken dwaas. In de bergrede, waar Mattheus deze woorden geplaatst heeft, staan zij buiten alle verband met deze gelijkenis, waarvan het eerste Evangelie in het geheel geen melding maakt. Wij hebben hier dus wederom een bloem, die bij Mattheus van haar steel gescheiden is (zie bij Luk. 12 : 5—16).- Zeker is deze zoo treffende samenhang met de voorafgaande gelijkenis, waardoor de uitdrukkingen in het voorschrift, dat ons bezighoudt, zoo gepast en zoo fijn worden, niet door Lukas verdicht; hij moet dien in de oorkonde, die hij gebruikt heeft, gevonden hebben. Dit geschrift was dus, noch Mattheus zelf, noch dat, waaruit Mattheus geput heeft; of zou deze zoo lomp geweest zijn, zulk een verband uit te wisschen? — In de laatste woorden is het adverb. v.ciX\'Aov, hetwelk gevoegd is bij cSixQspsiv, dat reeds te boven gaan beteekent, een pleonasme, waarvan de zin is: in de hoogste mate te boven gaan; vgl. Joh. 11 : 43. — Tegenover de goddelijke almacht stelt Jezus de menschelijke onmacht, die zoo duidelijk gebleken is uit den plotselingen dood van den rijke, en voltooit daarmede het bewijs van de dwaasheid der aardsche zorgen.

-ocr page 161-

12 : 25—28.

Vs. 25—28. „Wie van u kan, met bezorgd teziju, ééne \') el aan zijne lengte toevoegen? 28. Indien gij dan zelfs1) de kleinste dingen niet doen kunt, waarom zijt gij voor de andere bezorgd? 27. Beschouwt de leliën, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet2); en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijne heerlijkheid niet gekleed was als één van haar. 28. Indien nu God het gras, dat heden op het veld is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo kleedt, hoeveel meer u, gij kleingeloovigen ?quot;

De zorgen zijn zooveel te overboiliger, omdat zij niets uitwerken. Mepi/tvüv, partic. praes.: door zich bezorgd te maken. \'Hhixlx kan den leeftijd te kennen geven; in dit geval zou men irijxui;, el, in figuurlijken zin moeten opvatten (vgl. Ps. 39 : 6). Maar omdat deze uitdrukking hier in verband met den menigmaal zoo snellen groei der planten gebruikt is, kan zij redelijkerwijze slechts ia den zin van lichaamslewjle worden opgevat (vgl. 2 : 52; 19 : 3). Zoo behoudt Trifau?, el, een maat van l3j2 voet lengte, zijn letterlijke beteekenis. „De planten, die zich over niets bezorgd maken, schieten nochtans hoogo loten op; maar gij, als gij klein van gestalte zijt, kunt gij u kwellen zooveel gij wilt; uwe zorgen zullen u toch geen voet langer maken; hoeveel te minder zult gij daardoor clan invloed kunnen uitoefenen op de dingen buiten u!quot;

Vs. 27—28. Met betrekking tot het leven heeft Jezus

151

1

T. R. leest ovre, met A en 13 Mjj.; N BLQ: ovds.

2

8) T. R., raet NAB ea 17 Mjj.: trut; av^ccvee ov kottiix ovde vvjQei\', D Syrt-,ur.; tug ovre vyQet, ovre vQocivsi.

3

N B D laten evx weg.

-ocr page 162-

12 : 29—34.

zijn voorbeeld aan het dierenrijk ontleend (vs. 24); met betrekking tot do kleeding ontleent Hij het aan het plantenrijk. Als men de prachtige beschrijving van Bovet (Voyage en Terr e—Saint e, bl. 383) gelezen heeft, kan men bijna niet nalaten, bij de leliën des velds aan de schoone roode anemone {anemone coronaria) te denken, waarmede in geheel Palestina het grastapijt in de lente versierd is. Toch is het mogelijk, dat Jezus de prachtige witte lelie {lilium candidum) op het oog heeft, of de schitterende roode lelie {lilium rubrum), die beide in Palestina groeien, hoewel zij daar zeldzamer voorkomen (Winer, Realwörterbuch, ad h. v.). — De oven, xXtfixvov, in goed Grieksch uplfixvov, waarvan Jezus spreekt, is een aarden vat, waar omheen men gloeiende kolen legt, en dat gebruikt wordt, om het deeg te bakken. Waar gebrek is aan hout, verwarmt men het vat met dor gras.

Vs. 29—34. De toepassing: „En gijlieden, vraagt niet, wat gij eten en1) wat gij drinken zult, en weest niet ongerust. 30. Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft. 31. Maar zoekt zijn 2) koninkrijk, en deze 3) dingen zullen u bovendien gegeven worden. 32. Vrees niet, gij kleine kudde! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven.quot;

Tegenover de zorgen, waarmede de menschen zich kwellen (vs. 29—30), stelt Jezus de eenige zorg, die de geloovigen moet bezighouden (vs. 31\'—32). — Kal {vs. 29): en daarom.— Het j/tsTs zou de menschen aan de als voorbeeld aangehaalde wezens der natuur, de raven en de leliën, tegenover kunnen

152

1

1gt; T. E. leest v tij met AD en 13 Mjj.; N B L Q, Syrcu\'. •. hxi ti.

2

In plaats van tov 6cov, lozen A B I) avrov.

3

i? 1! en 7 Mjj. laten ttxvtx weg, dat T. K. met A eu \'J Mjj. leest.

-ocr page 163-

1.2 : 29—34.

stellen. Maar vs. 30 doet zien, dat dit pronomen veeleer dient, om de discipelen van de ongeloovigen, de volken der wereld, te onderscheiden. Mer supine tv, verheffen, in de hoogte heffen, hoog in de lucht houden, van xyp, alupéu, heeft gewoonlijk betrekking op de aandoeningen der hoop, der eerzucht, des hoogmoeds, enz. De Vulgata vertaalt in dezen zin: Nolite in subsime tolli; Meyer eveneens: „Maakt geen hooge aansprakenquot;. Maar Jezus bestrijdt hier het gebrek aan vertrouwen, en niet de overmaat daarvan. De zin is dus veeleer: door onrust heen en weer gedreven worden, onrustig tusschen vrees en hoop zweven; vgl. Joh. 10 : 24 de uitdrukking \\}juzhv alpsiv. Lukas kan niet eigenmachtig deze kwestie in de rede, zooals zij in de Logia overgeleverd was, ingevoerd hebben; evenmin kan Mattheus haar weggelaten hebben.

Vs. 30. Met de volken der wereld bedoelt Jezus niet alleen de heidenen —• in dit geval zou Hij kort-weg de natiën hebben gezegd — maar ook de Joden, die door te weigeren, het rijk van God en den Messias in te gaan, zichzelf veroordeelen, een volk dezer wereld te worden , zooals de andere volken zijn, en buiten het ware volk van God blijven, tot welks leden alleen de woorden van vs. 30 en 31 gericht zijn.

(vs. 31): „Als al dit verkeerde zoeken ter zijde gesteld is, dan blijft er slechts één over, dat uwer waardig is.quot; Het koninkrijk Gods, de eerst innerlijke, en daarna ook maatschappelijke toestand, waarin de menschelijke wil geheel en al het vrijwillige orgaan van den goddelijken is. Al deze dingen: het voedsel en de kleeding. Zij zullen bovendien gegeven worden (ü-pa,- en TrpovTeówtTxi), als toegift bij het koninkrijk Gods. „Dit koninkrijk, dat gij zoekt, zal u gegeven worden, en behalve dat deze dingen, die gij niet zoekt, maar die God weet, dat u noodig zijn.quot; Zoo werden Salomo, behalve de wijsheid, die hij alleen gevraagd had, de aardsche goederen gegeven, waarover hij niet gesproken had. Kal: en zoo. Het kuvtx, al, van den T. R. moet waarschijnlijk weggelaten. — Deze plaats staat bij Mattheus

153

-ocr page 164-

12 : 29—34.

in een gedeelte dor bergrede, waar Jezus de Phameëu hunne hebzucht verwijt. Het komt mij voor, zonneklaar te zijn, dat de samenhang, waarin zij bij Lukas gevonden wordt, de voorkeur verdient.

Vs. 32. Jezus ziet in deze zelfde ure uit het midden van de volken dezer wereld, die zich overgeven aan het zoeken van de goederen der aarde (met inbegrip van de Joden), een nieuw volk opstaan, voor het rijk Gods en zijne hoogere belangen gewonnen, maar arm en weinig talrijk, nl. dat der geloovigen. Op het gezicht daarvan maakt een gevoel van medelijden en teedere liefde zich meester van het hart des Heeren. Hij richt tot zijn apostelen, die Hij zooeven zijn vrienden genoemd heeft (vs. 4), een woord van bemoediging „voor de oogenblikken, waarin zij zich in een toestand van tijdelijk lijden zullen bevinden,quot; (Gess). De samenhang geeft geen aanleiding om te denken, dat deze toespraak de vrees voor vervolgingen bestrijden moet {Bleek), evenmin als de bezorgdheid, welke voortvloeit uit hun gebrek aan kracht om staande te blijven hier beneden {Hofmann) en het koninkrijk Gods te handhaven {Keil). — Wij hebben hier een argument a fortiori, zooals dat van vs. 23, maar het heeft op een hooger gebied betrekking. Zal Hij, wien het behaagd heeft, u het grootste van allo goederen te geven» ziju eeuwig koninkrijk, u niet zooveel te meer verschaffen wat gij voor het aardsche leven behoeft, zoolang Hij u in deze wereld zal willen laten? Jezus zegt: uws Vaders. Een heer laat het zijn dienaar, die zich met ijver aan zijn belangen wijdt, niet aan voedsel ontbreken. En als dan deze heer een vader, en deze dienaar een zoon is! Terwijl Jezus op deze wijze aanmoedigde, sprak Hij zijn persoonlijke ervaring uit. Daarna gaat Hij nog verder dan de zoo even gegeven belofte. Het vertrouwen der zijnen moet zelfs zoodanig zijn, dat zy, als het noodig is, niet moeten schromen, zich te berooven van hetgeen zij bezitten, om daarmede wel te doen.

154

-ocr page 165-

12 : 33—34.

Vs. 33—34. „Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoezen daarvan; maakt u buidels, die niet verouden, een schat, die niet uitgeput wordt, in de hemelen, waar de dief niet bijkomt, en waar de mot niet verderft. 34. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.quot;

Dit voorschrift zou volgons de Welle de groote ketterij van Lukas zijn, of althans, volgens Keim, die der ebionitische oorkonde, waaruit hij geput heeft: bet zalig worden dooide verdienstelijkheid van bet geven van aalmoezen en van de vrijwillige armoede. Maar daarbij vergeet men, dat hier sprake is van menschen, wien het koninkrijk Gods reeds toebehoort (vs. 32), en die het dus niet behoeven te verdienen. Volgens hot verband zijn de imperativi verkoopt en geeft niet een uitdrukkelijk bevel, maar een aanmoediging: „Schroomt niet, aldus te handelen, als het rijk Gods het eischt; wel verre van u door dit offer arm te maken, zult gij daardoor in waarheid rijk worden. Zoo ver mag uw vertrouwen op dien God, die voor u zorgt, zich uitstrekken.quot; Jezus spreekt hier slechts uit, wat Hij-zelf gedaan had en wat zijn apostelen met Hem hadden gedaan (18 : 28), en wat toen ieder, die zich bij Hem wilde aansluiten, genoodzaakt was, te doen. Hoe zou voor hem, die het besluit nam zich aan zijn zijde te scharen, Hem te vergezellen en een van zijn werktuigen te worden, bet beheer van een aardsche bezitting mogelijk zijn geweest te midden van do omstandigheden, waaronder zijn werk toen geschieden moest? Later past Paulus reeds op een geheel andere wijze dezen grooten plicht om in vertrouwen op God zich los te maken van allo bezit toe. Hij zegt (1 Cor. 7 : 30): „Dat zij die koopen zijn alsof zij niet bezaten.quot; Hij laat dus toe, niet alleen te bezitten, maar ook te verwerven. Wat bij verlangt, is bet innerlijk los zijn van de aardsche goederen, zoodat de geloovige bereid is, naardat de omstandigheden

155

-ocr page 166-

12 : 33—34.

het vereiachen, vau zijn bezittingen afstand te doen of ze te beheeren met het oog op het werk Gods. Slechts de wezenlijke inhoud van het voorschrift geldt voor alle tijden; maar de wijze van uitvoering is veranderlijk. En bovendien, als wij hier de ketterij van het zalig worden door middel van het geven van aalmoezen aannemen, dan zou zij niet die van Lukas alleen zijn; want zij zou eveneens te vinden zijn in het antwoord, dat Jezus den rijken jongeling gaf, zooals het door onze drie Synoptici wordt medegedeeld. Zij zou dus een ketterij van Jezus-zelf zijn, en niet alleen die van zijn onderwijs, maar ook die van zijn leven.

Verkoopt . . . geeft ... Er ligt in deze uitdrukkingen als het ware een geestdriftvolle verachting van de goederen, waarop de aardsgezinde mensch zijn geluk laat berusten. Zij gelijken op de woorden der bergrede, waarmede Jezus niet schroomt, de aanprijzing der toegevendheid tot het uiterste toe door te voeren. Maakt u buidels. Het is duidelijk, dat Jezus zich richt tot menschen, van wie Hij weet, dat hun ingang in den hemel reeds vaststaat. Want waartoe zou het dienen, u een schat te verzamelen op een plaats, waar gij niet zult worden toegelaten? De schat, die door hot geven van aalmoezen verworven wordt, is dus niet een schat, die den hemel opent, maar hij dient om dien nog schooner te maken. Jezus weet, dat ieder offer, hetwelk gebracht wordt in den geest dos vertrouwens en der liefde tot de broederen, in den hemel overvloediglijk vergolden zal worden. Iedere gave, die op deze wijze geschonken wordt, wordt ean eeuwige liefdeband, die gever en ontvanger met elkander verbindt. En nog meer dan dit: God-zelf beschouwt zich als den schuldenaar van den edelmoedigen gever; vgl. Spr. 19 : 17 : „Alwie den arme geeft, leent den Heer, die hem zijn weldaad vergelden zalquot;. Jezus wil iedere gave , die in zijn naam wordt uitgereikt, beschouwen, alsof Hij-zelf haar ontvangen had (Matth. 25 : 34—40). Een in dezen geest aangeboden glas water dient tot vermeerdering van den schat, dien wij in God bezitten, omdat de liefde in de liefde een welgevallen heeft, en in den grond der zaak zich enkel

156

-ocr page 167-

12: 35—38.

over haar verblijdt. De liefde, die ontvangen en bewezen wordt, ziedaar de schat des hemels.

Vs. 34. Ia dezelfde mate, waarin de geloovige zich op deze wijze een schat in den hemel verwerft, wordt bij hem het innerlijke los-zijn van de aarde gehechtheid aan den hemel. Want het is een vaste wet, dat het hart den schat volgt. Daaruit vloeit de nieuwe houding van den geloovige voort, die door de volgende woorden beschreven wordt. Van den last der aardsche goederen bevrijd, stijgt het hart, evenals een luchtballon, welks touwen men doorgesneden heeft, naar boven, den Heer te gemoet, die wederkomt, en dien ieder geloovige onophoudelijk verwacht. Vs. 34 vormt op deze wijze den overgang tot de twee volgende gelijkenissen ; die van den heer, die weer thuis komt (vs. 35—38), en die van den dief (vs. 39—40),

Vs. 35—38. „Laat uwe lendenen omgord zijn, en uwe lampen brandende. 36. En zijt gij den menschen gelijk, die op hunnen heer wachten, wanneer hij van de bruiloft zal terugkomen, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. 37. Zalig die dienstknechten, die de heer, als hij komt, wakende zal vinden! Voorwaar, ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en hen zal doen aanzitten, en bij hen staande, zal Hij hen dienen. 38. En zoo hij komt \') in de tweede nachtwake, en zoo hij komt in de derde nachtwake, en hen alzoo vindt, zalig die dienstknechten 1)!quot;

157

1

li D L laten o* SovAoi vóór exetvoi weg; laat deze drie woorden weg.

-ocr page 168-

12 : 35—38.

Het lange Oostersclie gewaad moet opgenomen en de sleep onder den gordel vastgestoken worden, om zich vrij te kunnen bewegen (17 : 8). Bovendien moet men, als het nacht is, de brandende lamp in de hand houden, om snel en zeker op het doel te kunnen afgaan. Deze twee beelden zijn zoozeer van toepassing op den dienstknecht, wiens houding in de volgende verzen beschreven wordt, dat dit 35ste vers zeer zeker van den aanvang af tot de volgende gelijkenis, vs. 36—38, heeft behoord.

Vs. 36. Het: En gij stelt de innerlijke en persoonlijke houding van den geloovige tegenover de uitwendige handelwijze (vs. 35). Hij gelijkt op een dienstknecht, die gedurende den nacht onophoudelijk op de komst van zijn heer wacht, die van een bruiloftsfeest, waaraan hij deelgenomen heeft, moet terugkeeren. Om hem, als hij komt, niet te laten wachten, blijft de trouwe dienstknecht wakker, en staat hij daar met de lamp in de hand, ten einde bij het allereerste kloppen te kunnen toeloopen en de deur opendoen. Ook heeft hij een maaltijd in gereedheid; en al blijft zijn heer ook nog zoo lang uit, zelfs tot aan den morgen, hij geeft niet toe aan de vermoeidheid en volhardt in deze wachtende houding. Hot is niet noodig, hier aan yxpoi, bruiloft, de algemeene beteekenis van feestmaal te geven, die het weieens heeft (Esth. 2 : 18; 9 : 22); hier is sprake van de bruiloft van een vriend. Het woord ypyyopih, waken, duidt een zielstoestand aan, waarin zoowel de gedachte aan God en aan onze verantwoordelijkheid tegenover Hem, als de verwachting van de wederkomst van onzen Verlosser en Rechter den geest onophoudelijk bezig houdt.

Vs. 37. En wat doet nu de heer, die op deze wijze verwacht en ontvangen wordt? Door zulk een trouw geroerd, gaat hij zelf niet zitten aan de voor hem gedekte tafel, maar laat die wakkere dienstknechten daaraan plaats nemen, en zich omgordende, zooals zij zich omgord hadden, om hem te dienen, gaat hij naar hen toe (nxpsxöwv), zooals zij bij hem zouden gekomen zijn, en biedt hun de spijzen aan, die zij voor hem bereid hebben.

158

-ocr page 169-

12 : 35—38.

p Vs. 38. En hoe langer hij weggebleven is, des te leven-

B diger is zijn dankbaarheid, des te grooter zijn de blijken

t zijner tevredenheid. Bij de oude Joden had de nacht slechts

1 drie deelen (Richt. 7 : 19). Later, waarschijnlijk sedert de

i Rotneinsche overheersching, nam men er vier aan (van G—9

3 uur, van 9—12, van 12—3, en van 3—G uur). Weiss

t meent, dat Lukas hier de oude Joodsche verdeeling moet

i hebben toegepast, terwijl Markus de nieuwe Romeinsche

zou hebben ingevoerd (13: 35). Maar er is niets van aan. Lukas, of liever het bericht, waaruit hij putte, heeft geen melding gemaakt van de eerste nachtwake (G—9 uur), eenvoudig omdat de terugkeer van den heer tegen dien tijd veel te onwaarschijnlijk en het waken der dienstknechten en die uren van den avond natuurlijk was. Markus voegt bij de eerste {den avond), de tweede {middernacht) en de derde nachtwake {het kraaien van den haan) de vierde {vpwi, vroeg in den morgen). Hij gaat dus verder dan Lukas, die het wachten slechts tot 3 uur in den morgen laat duren. De vorm van Markus is waarschijnlijk uit den mond van Petrus afkomstig, die een actieve rol bij dit tooneel heeft gespeeld (vs. 41); hij verdient daarom de voorkeur. Jezus geeft in deze gelijkenis duidelijk te verstaan, dat zijn wederkomst langer, en zelfs veel langer dan de apostelen meenden, vertraagd zou kunnen worden, zoodat de standvastigheid der geloovigen op een harde proef zou kunnen gesteld worden. Dit vloeit eveneens voort uit deze in de gelijkenis van de tien maagden voorkomende woorden van Jezus (Matth. 25: 5): „ Toen de bruidegom lang uitbleefquot;, en uit deze woorden van de gelijkenis van de talenten (25:19): „En na een langen tijd kwam de heer terugquot;. Jezus heeft dus wel gezegd, dat Hij zal wederkomen, maar niet, dat deze wederkomst spoedig geschieden zou.

Reuss vraagt, of deze gelijkenis niet veeleer op den dood van iederen geloovige, dan op een eindelijke Parousie moet worden toegepast. Maar in dit geval moest het beeld gebruikt zijn van een dienstknecht, die ontvangen wordt in het huis van zijn hoer, en niet dat van een afwezigen heer.

159

-ocr page 170-

12 ; 39-40.

die weer tehuis komt. Dezo opvatting is echter in zooverre juist, dat, als de terugkomst van den heer langer uitblijft dan het leven zijner eerste dienstknechten duurt, hun eigen dood voor hen de aankomst van hun heer zal zijn. Want dan ,zullen zij, wat hun persoon betreft, van de oeconomie der genade tot die des oordeels overgaan. De verklaring van Reuss is bovendien niet toepasselijk op het woord van Jezus, dat wij 18:8 vinden. — Welk een belofte! De Heer zal in zijn heerlijkheid een iegelijk dienen, die hier beneden getrouw op Hem gewacht en Hem gediend heeft! — Het schijnt, dat hier een tegenspraak is met Luk. 17: 7—9. Maar op de laatstgenoemde plaats spreekt Jezus het gevoel uit, waarvan de dienstknecht vervuld moet zijn: „Ondanks alles wat ik gedaan heb, ben ik slechts een onnutte dienstknecht.quot; Op deze wijze neemt Jezus, in tegenstelling met het Pharizeïsme, het wettisch denkbeeld van verdienste uit het hart van den dienstknecht weg. Hier beschrijft Hij de gezindheid van den heer-zelf, en zijn wij in de sfeer der liefde, zoowel aan den kant van den dienstknecht, als aan dien van den heer. — De variant van vs. 38 verandert den zin niet. Het tegendeel is echter het geval met de lezing, die bij Marcion voorkomt, en die men in de Syrische vertaling van Cureton en bij Irenaeus terugvindt, en volgens welke Jezus eerst gezegd zou hebben: zoo hij komt in de avondwake (6—9 uur), amp;sv eyltf sv Tijj ecnspivy (puyccKijj. Dit is een poging, om bij Lukas een leemte aan te vullen, die in de werkelijkheid niet bestaat.

De Parousie, die voor de getrouwe dienaren van Jezus een heerlijke en verblijdende gebeurtenis is, is voor de wereld een ernstige en ontzaglijke crisis. Hij, die wederkomt, is niet slechts een geliefde Heer, die ieder vergoedt wat hij voor Hem heeft geofferd, maar Hij is ook als een dief, die dan allen berooven zal van hetgeen zij niet zullen kunnen bewaken.

Vs. 39 en 40. „Maar dit begrijpt gij wel, dat, indien een huisheer wist, in welke ure de dief

160

-ocr page 171-

12 : 39—40.

komen zal, hij waken zou, \') en zijn huis niet zou laten doorgraven. 40. Gij dan,1) zijt ook gij bereid: want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen.quot;

rivurKers moet eerder als indicat. dan als iraperat. worden opgevat. Deze bij den toehoorder onderstelde wetenschap is het steunpunt van de vermaning, die volgt. De toepassing, die gemaakt moet worden, is deze: Als men het uur van den aanval wist, zou men maken, dat men voor dat uur gereed was, en tot op dien tijd rustig kunnen slapen. Maar omdat men dat uur niet weet, is het eenige middel, altijd gereed te zijn. Dus niet enkel: „Waakt tot het einde toequot; (vs. 36—38), maar: „Waakt, zonder gedurende den tijd van het wachten een oog dicht te doenquot;. Het is niet onmogelijk, dat de ware plaats van deze uitspraak die is, welke Mattheus haar geeft (24:42—44), in de eschatologische redenen; Markus gaat hierin met hem mede. Er is onder al de uitspraken van Jezus niet één, wier invloed zich zoozeer laat gevoelen in de Nieuw-Testamentische geschriften, als die van deze (1 Thess. 5:1, 2; 2 Petr. 3 : 10 ; Openb. 3:3; 16 : 15); zij had zeer diep in het hart der discipelen weêr-klonken. Uit deze, verklaring van Jezus vloeit voort, dat het niet de taak der kerk is, dit tijdstip, dat niet te bepalen is, vooraf vast te stellen. Zij heeft, wegens haar onkunde in dit opzicht, niets anders te doen, dan den Heer onophoudelijk te blijven verwachten. Deze houding is haar veiligheid, haar leven, het beginsel van haar maagdelijke reinheid. Het is overbodig, in herinnering te brengen, hoezeer de kerk in haar geheel van dezen normalen toestand is afgeweken.

1G1

1

N B L Q, Syrcur. It. Cop. laten ow weg.

GoüET, Lui as. II. 11

-ocr page 172-

12 ; 41—44.

4°. Vs. 41—53; Tot de apostelen.

Jezus heeft zooeven tot alle geloovigen gesproken. Naar aanleiding van een vraag van Petrus richt Hij zich thans bepaaldelijk tot de apostelen, en herinnert hen aan de bijzondere verantwoordelijkheid, die voor hen aan het vooruitzicht van de wederkomst des Heeren verbonden is (vs. 41—46); daarna spreekt Hij het algemeene beginsel uit, waarop de beoordeeling van zijn dienaren berusten zal (vs. 47 cn 48); en herinnert hen aan de moeilijke omstandigheden, die voor hen het gevolg zullen zijn van den nieuwen toestand, die op handen is (vs. 49—53).

Vs. 41—46. De gelijkenis van de twee huishouders.

Vs. 41 — 44. „En Petrus zeide tot Hem ^; Heer! zegt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen ?

42. En 1) de Heer zeide: Wie is dan de getrouwe en 2) voorzichtige huishouder \'\'), dien de heer over zijn dienstboden zal zetten 3), om hun ter rechter tijd de toegedeelde portie koren te geven?

43. Zalig ia die dienstknecht, dien zijn heer, als hij komt, zal vinden alzoo doende. 44. Voorwaar, ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijne goederen zal zettenquot;.

Deze vraag kan geen betrekking hebben op de gelijkenis van den dief (vs. 39 en 40). Want het is blijkbaar de

162

1

N HDL lezen e/Te de, in plaats van xoei eiTre.

2

ï. R. eeat xxi tpfovi/tof, met N A eu 3 Mjj. It. Syrc»-.; B I) en 10 Mjj.:

o (ppovlfzoq

3

lezen KoiTSamp;Tyrev, in plaats van KUTCtvryrd,

-ocr page 173-

12 : 41—44.

grootheid der belofte, die hem deze vraag ingeeft. De gelijkenis, welke zijn gedachten bezighoudt, is die van vs. 36— 38, en inzonderheid de ongehoorde belofte van vs. 37. Dit verband tusschen vs. 37 en de vraag van vs. 41 bevestigt wat wij vermoed hadden: dat vs. 39 en 40 bij Lukas een inlassching is op grond van een bloote aaneenschakeling van denkbeelden. — Weiss ontzegt alle historische waarde aan de vraag van Petrus. Tot staving van zijn gevoelen haalt hij de vraag van 11 : 45 aan. Maar zij zijn beide historisch; vgl. nog Matth. 19 :17. Hofmann, Weiss en Keil verstaan onder vxvtxs alle menschen, en onder ons, alle geloovigen. Maar hoe zou Petrus hebben kunnen denken, dat alle menschen zich op den dag des oordeels in het huis des Heeren, als zijn dienaren, zouden bevinden? Men moet daarom onder kixvtxs al de dienaren van Jezus verstaan, zijn discipelen in het algemeen, en onder fruixt de apostelen in het bijzonder. Jezus gaat voort met spreken, alsof Hij in het geheel geen acht sloeg {apx, clan) op de vraag van Petrus. Doch in de werkelijkheid geeft Hij aan de volgende vermaning tot waakzaamheid een wending, die zoodanig is, dat Petrus daarin het juiste antwoord op zijn vraag vinden kan. Vgl. een dergelijken vorm in 19:25—26, Joh. 14:21-23 en elders. De vermaning tot waakzaamheid is weliswaar voor allen, want allen zullen voor hunne trouw worden beloond; maar de heerlijkste belooning wacht hen, die gedurende de afwezigheid van den Keer tot toezichthouders over hunne broeders gesteld zijn (vs. 42—44); zooals omgekeerd hij, die in deze hoogere positie zijn plicht verzuimd heeft, veel strenger gestraft zal worden, dan de dienaren, die een lagere plaats innemen (vs. 45 en 46).

De vragende vorm, die aan het volgend onderwijs gegeven is, komt ook bij Mattheus voor, ofschoon deze van de vraag van Petrus geen melding heeft gemaakt. De Welle meent, dat Jezus dezen vorm gebruikt, alsof Hij onder de zijnen dien trouwen dienaar zocht, dien Hij schilderen wil. Dit is een onderstelling, die weinig natuurlijk is. De vragende vorm is veeleer daaraan toe te schrijven, dat Jezus ieder

163

-ocr page 174-

12:41-44.

164

van de apostelen wil aansporen, van de twee schilderingen, welke volgen zullen, zelf die te kiezen, welke hij wenscht te verwezenlijken. De huishouders waren wel zelf ook slaven (vs. 45) maar bekleedden onder de dienaren een hoogeren rang. De OspxTrsitx zijn de gezamenlijke dienstboden, het Latijnsche famulilium. Deze algemeene uitdrukking beantwoordt aan het allen in de vraag van Petrus, zooals de persoon van den huishouders aan het ons in dezelfde vraag. Het fut. xaTOKTTyvst, zal zetten, drukt het denkbeeld uit, dat de gemeente der geloovigen eerst later, na het heengaan des Meesters, onder de werkelijke leiding der apostelen zal worden gesteld. Bij Mattheus staat xa.rkryire, heeft gezel, (dat de Sinatlicus ten onrechte bij Lukas heeft ingevoerd) j dit praeteritum laat zich verklaren uit het geheel van de parabolische schildering. — Kaïpfa, de rechte tijd, duidt den voor de wekelijksche of dagelijksche uitdeeling vastgestelden tijd aan, en lt;riT0/thpi0v de portie koren, waarvan ieder zichzelf brood zal bereiden. — Er is een onderscheid tusschen de belooning, welke in vs. 44 aan den getrouwen huishouder beloofd wordt, en die, welke in vs. 37 den waakzamen dienaar werd toegezegd. Deze had iets innigers; zij was de uitdrukking der persoonlijke gehechtheid, en om zoo te zeggen der dankbaarheid van den heer voor de persoonlijke liefde, die de trouwe dienaar hem bewezen had. Gene is roemrijker; zij is de openlijke, officiëele belooning voor de diensten, die aan het huis werden bewezen; het betreft een hoogen post en invloedrijke positie in de bedeeling der heerlijkheid. Het verband tusschen het tcxTaarwsi van vs. 42 en dat van vs. 44 doet uitkomen, dat er een nauw verband bestaat tusschen de nederige taak, die de dienaar hier beneden volbrengt, en de roemvolle, die hem in den herael zal worden toevertrouwd. — Deze uitspraak schijnt in zich te sluiten, dat het predikambt tot aan de wederkomst van Christus zal voortduren. De apostelen hebben dit zoo goed begrepen, dat zij, voordat zij de aarde verlieten, voor de voortzetting daarvan hebben gezorgd door de instelling van het pastoraat, dat de roeping heeft, voor de geregelde

-ocr page 175-

12 ; 45—46.

uitdeeling van het geestelijk voedsel aan de kudden, die de kerk uitmaken, aan het huis des Heeren, te zorgen; vgl. de pastoraalbrieven en 1 Petr. 5. De theorie, die het pastoraat tot een uitvloeisel en een vertegenwoordiging van de kerk maakt, is niet bijhelsch; dit ambt is veeleer een uitvloeisel van het apostolaat, dat van Christus afkomstig is. Het is dus middellijk een instelling van Jezus-zelf, en wat zijn onafgebrokens verwezenlijking in de kerk betreft een gave van den verheerlijkten Christus; vgl. Efez. 4:11: „Hijzelf heeft sommigen lol apostelen... sommigen lot herders en leeraars gegeven.quot; Van daar de geheel bijzondere verantwoordelijkheid van hen, aan wie dit ambt is vertrouwd.

Vs. 45—46. De schildering van den ontrouwen apostel: „Maar indien die dienstknecht in zijn hart zegt: Mijn heer vertoeft te komen, en zou beginnen, de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten, en te drinken, en dronken te worden, 46. dan zal de heer van dien dienstknecht komen op den dag, waarop hij het niet verwacht, en in de ure, die hij niet weet; en hij zal hem aan stukken snijden, en zal hem zijn deel geven met de ontrouwenquot;.

Deze twee verzen bevatten de beschrijving van den geweton-loozen huishouder, die, zich niet bekommerende over de voorwaarde der getrouwheid, de onafgebrokene verwachting van de wederkomst van den heer, zich zonder gewetensbezwaar aan zijn egoïstische en eigenmachtige neigingen overgeeft. Het voorwendsel, dat hij gebruikt, om den terugkeer van zijn heer te loochenen, is de lange tijd, die vcrloopen is sedert de belofte gegeven werd (2 Petr. 3: 3—4). Slaan, eten, drinken zijn natuurlijk beelden, zooals in de andere schildering de geregelde en nauwgezette uitdeeling van het

165

-ocr page 176-

12 : 45—16.

koren (vs. 42). Jezus waarschuwt hier do apostoleu en allo toekomstige hoofden der kerk tegen het misbruik, dat zij van hunne hoogere positie zouden kunnen maken, door b.v. aan do kerk hun eigen woord en hun eigen wil op te dringen, in plaats van haar het woord en den wil des Heereu bekend te maken; door de zielen te tiranniseeren, in plaats van haar te dienen, door zich zooveel te meer op hunne rechten te laten voorstaan, naarmate zij nalatiger zijn in het vervullen van hun plichten. In plaats van: en dronken te worden, z^gt Mattheus: met hen, die drinken, d. w. z.; met vrienden van buiten, drinkers, die niet tot het huis behooren.

Vs. 46. De schildering van de straf is het tegenstuk van die van de belooning (vs. 44). De uitdrukking Ii^oto^sTv , eigenlijk in tweeën splijten, verder aan stukken snijden of houwen (Ex. 29:17), duidt een wreede doodstraf aan, die in gebruik was bij de meeste oude volken, de Egyptenaren (Herodotus), de Chaldeërs (Dan. 2), de Grieken (Diodorua), de Ilomeinen (Livius en Suetonius), en bij de Joden-zelf (2 Sam. 12:31; 1 Kron. 20:3); zie Schteussner. Hebr. 11:37 wordt zij door de uitdrukking npitisiv, zagen, aangeduid. Men heeft het woord ^ixoTx,ueïv op onze plaats een verzwakte beteekenis gegeven, door het gelijk te stellen met het Latijnsche woord scindere, discindere, splijten, klooven, dat nu en dan de beteekenis heeft van jlagellis discindere, met geeselslagen verscheuren (Plautus, Martialis). Als men de strengere beteekenis aanneemt, moet men hetgeen volgt met de goddelijke straf na den dood in betrekking brengen; daarmede zou men echter de gelijkenis verlaten en tot de werkelijkheid overgaan. De tweede beteekenis daarentegen veroorlooft ons, bij het beeld te blijven: nadat de heer hem rnet roeden heeft laten verscheuren, beveelt hij, hem te werpen in den kerker, die voor de ontrouwe slaven bestemd is. Deze zin verdient dus de voorkeur. Mattheus zegt: „met de geveinsdenquot;, d. w. z. met hen, die, wat den schijn betreft, hun plicht doen, maar in het geheim zich overgeven aan hun kwade neigingen.

liet was niet moeilijk voor Petrus, uit deze twee schil-

166

-ocr page 177-

12:47—48.

deringen hot antwoord op zijn vraag of te leiden. Ja, do waakzaamheid is, met de trouw, die daaruit vloeit, voor alle geloovigen eeu heilige plicht, maar in de hoogste mate voor diegenen ouder hen, die de Ilccr met zijn bijzonder vertrouwen vereerd, en aan wie Hij het toezicht over hunne mede-dienstknechten opgedragen heeft, zooals dit bij Petrus en de andere apostelen spoedig het geval zou zijn. De trouw van deze zal op heerlijker wijze worden beloond; maar ook zal het tegenovergestelde gedrag bij hen, die de Heer op deze wijze geëerd heeft, veel schuldiger geacht worden en bun een strengere straf op den hals halen.

Vs. 47 en 48 spreken het beginsel uit, waarop dit verschil tusschen de behandeling van de huishouders en die van de gewone dienaren berust.

Vs. 47—48. „En die dienstknecht, die den wil zijns heeren geweten, en zich niet gereed gemaakt heeft om te handelen, en niet gedaan heeft naar zijn wil, zal met meer slagen geslagen geworden; 48. maar hij, die hem niet geweten, en dingen gedaan heeft, die slagen verdienen, zal met weinige slagen geslagen worden. Wien veel gegeven is, van dien zal veel geëischt worden, en wien men veel toevertrouwd heeft, van dien zal men meer eischenquot;.

De uitdrukking sxsTvog b SsDao?, die dienstlinechl, moet niet bepaaldelijk met den dienstknecht van vs. 45—46 in betrekking worden gebracht; zij duidt de geheele klasse van dienaren, waartoe ook gene behoorde, aan (Wem).

Het pronomen ixeïvo; wordt door de twee volgende participia met het artikel nader bepaald. De talrijke dienstboden, die tot het huis van den heer behooren, ontvangen geen mededeeling van zijn bijzondere voornemens. Dit voor-

167

-ocr page 178-

12 : 47—48.

recht is bestemd voor dien onder hen, dio het opzicht heeft over al de anderen. Daarom draagt deze ook de grootste verantwoordelijkheid. Dc toepassing op de apostelen lag voor de hand. Over het hier vastgestelde beginsel vergelijke men Rom. 2 : 12. Het werkw. êroifix^eiv heeft hier een intransitieve beteekenis: maatregelen nemen, om . . . Bij moet ttawxc worden gedacht.

Vs. 48. Zonder speciaal met de voornemens van den heer bekend te zijn, weet toch ieder dienstknecht van lageren rang de plichten, die hij als zoodanig vervullen moet. Als hij dus ook gestraft wordt, dan geschiedt dit geenszins, zooals Weiss meent, om een misslag, waarvan hij zich niet bewust is. Het in het tweede gedeelte van het vers uitgesproken beginsel is van uitgebreider toepassing, dan dat, hetwelk de dienstknecht betreft. Het heeft betrekking op al de maatschappelijke verhoudingen in bet algemeen. Het Passivum èliöyt, gegeven is, duidt hetzij een ambt, hetzij een verkregen kennis aan, terwijl het Medium TrxpéQevTO, men heeft toevertrouwd, betrekking schijnt te hebben op een som, die de heer van zijn eigen vermogen genomen heeft. Hetgeen van ieder geëischt zal worden, zijn niet de vruchten van den arbeid, die niet uitsluitend van den arbeider afhangen, maar is de aanhoudende trouw bij den arbeid. Meyer, Weiss, Keil e. a. meenen , dat meer beteekent: meer dan men hem toevertrouwd had, zooals in de gelijkenis van de talenten, waar de heer niet alleen zijn geld terug verlangt, maar bovendien een bedrag als winst of rente. Doch in het verband is de natuurlijke beteekenis van meer: meer dan men eischen zal van de anderen, die minder hebben ontvangen. Over het subject, dat bij nxpéósvro en uhfaoviri moet worden gedacht, zie men bij vs. 20.

Deze plaats biedt uit een litterarisch oogpunt een opmerkelijk en zeer leerrijk verschijnsel aan. Lukas deelt ons een vraag van Petrus mede: „zegt gij hetgeen gij zegt lot allen of alleen tot ons?quot; Het antwoord van Jezus is door Lukas niet uitdrukkelijk geformuleerd; de Heer stelt eenvoudig tegenover de eene vraag een andere (vs. 42). Bij

168

-ocr page 179-

12 : 49—50.

Markus (13 : 37) viuden wij na de gelijkenis vau deu deurwachter, welke die van Lukas (vs. 36—38) vervangt, de kennisgeving: „Eclgccn ik u zeg, dat zeg ik allenquot;, die op verwonderlijke wijze met de door Markus niet vermelde vraag van Petrus, waarvan Lukas gewag maakt, overeenkomt. Mattheus eindelijk (24 : 45) deelt aan bet slot der eschatologische rede, evenals Lukas, de vraag mede; „ Wie is de

getrouwe en voorzichtige huishouder____?quot; maar zonder te

spreken over de vraag van Petrus, die haar bij Lukas motiveert, en het door Markus berichte antwoord op die vraag te vermelden. Blijkbaar hebben wij hier als het ware de stukken van een uiteen genomen raderwerk, die ieder afzonderlijk bewaard werden, en zoo ook in onze oorkonden verstrooid voorkomen. Zoo weinig deze plaats zich uit het gebruik van een gemeenschappelijke oorkonde laat verklaren — in dit geval zouden wij met een gewelddadige en belachelijke verbrokkeling te doen hebben — zoo gemakkelijk is zij te verklaren als het gevolg van een mondelinge overlevering, die in de kerk in omloop was.

Nadat Jezus zich op deze wijze aan den natuurlijken gang van het onderhoud heeft overgegeven, komt Hij terug op het uitgangspunt van dit geheele tooneel (vs. 13 en 14), en legt, speciaal met het oog op de apostelen, nadruk op do uit den tegenwoordigen toestand van het werk Gods op aarde voortvloeiende noodzakelijkheid van het afzien van de aardsche goederen. Hij schildert dezen toestand eerst in verband met zijn eigen persoon (vs. 49—50) en daarna in verhand met dien der zijnen (vs. 50—53).

169

Vs. 49—50, De tegenwoordige toestand, met betrekking tot Jezus: „Ik ben gekomen, om een vuur op ^ de aarde te werpen; en hoezeer zou ik wenschen, dat het reeds ontstoken was. 50.

1) T R. Icoat ei?, met D en 10 Mjj.; X A B ou 7 Mjj.: eti.

-ocr page 180-

170 12:49—50.

Maar ik moet met een doop worden gedoopt; en in welk een angst verkeer ik, totdat hij ^ volbracht zij!quot;

„Is het de tijd,quot; zoo zeide Elisa tot den ontrouwen Gehazi, „om landerijen en vee te koopen, terwijl de hand Gods op Israël ligt (d. w. z. terwijl de Assyriërs voor de poorten van Samaria staan)?quot; Zoo zeide ook Jezus tot de zijnen, die Hem omringden: Is het voor den geloovigen de tijd om zich het rustig genot der aardsche goederen ten doel te stellen, terwijl de groote strijd een aanvang zal nemen? Deze gedachte, die veel te aangrijpend is om door een logisch partikel te worden uitgedrukt, ligt opgesloten in het asyndeton tusschen vs. 48 en 49. Weiss brengt deze aansporing tot getrouwheid in den aanstaanden strijd meer bepaald met hetgeen over de taak der dienstknechten gezegd is in verband; Schani ongeveer evenzoo. Deze betrekking schijnt mij veel te beperkt toe voor den algemeenen blik, die volgen zal. — Jezus verklaart, dat Hij gekomen is, om op de aarde te werpen een brandende stroowisch, die een algemeenen brand zal doen ontstaan. Hier is niet enkel sprake van het Joodsche volk, maar van de menschheid in het algemeen {de aarde). Is dit vuur, zooals verscheidene kerkvaders en nieuwere uitleggers gemeend hebben, de H. Geest en het van den Geest vergezelde woord van Christus? Of zou het, zooals Weiss e. a. meenen, de verdeeldheid zijn, die in vs. 51 en verv. beschreven wordt? Ik geloof, dat de waarheid tusschen deze twee verklaringen ligt. Het vuur is het nieuwe leven, de liefde tot de dingen, die boven zijn, welke Jezus in het hart der geloovigen ontsteekt, en die zij zoeken voort te planten, maar die de tegenspraak der tegenstanders opwekt, en die deze trachten uit te blusschen. Daaruit vloeit do verdeeldheid voort, welke in het volgende beschreven wordt. — De beteekenis, die algemeen aan het tweede ge-

1) T. R. leest sw; 01/, met E en 7 Mjj.! NAB en 8 Mjj.i 6«? 07-01/.

-ocr page 181-

12 : 49—50.

(leelte van het vers wordt toegekend, is: „Hoezeer zou ik wenschen, dat dit vuur reeds ontstoken was!quot; Zoo Ols-hausen, de Welle, Bleek, Weiss, Keil. Op zichzelf zou het kunnen schijnen, meer in overeenstemming te zijn met de natuurlijke beteekenis van het werkw. óèhu, ik wil, en van de woorden el en t/, aldus te verklaren: „En wat wil ik (wat kan ik nog verlangen) indien (daar) het reeds ontstoken is?quot; Jezus zou dan zinspelen op het heftige tooneel van het slot van het voorgaande en van het begin van dit Hoofdstuk. Dit is de door Meyer en vroeger ook door mij aangenomen zin. Toch knoopt zich het 50s,e vors gemakkelijker aan dezen uitroep vast, wanneer men dien in den eersten zin opvat, volgens welken het vuur nog niet aangestoken is, zooals Jezus wel wenschen zoude.

Vs. 50. Ongetwijfeld weet Jezus, welke gevolgen het aansteken van dit vuur op de aarde voor Hem-zelf met zich mede zal brengen. Er is een zekere voorwaarde, zonder welke deze geweldige en smartelijke crisis, die plaats moet vinden, niet geschieden zou. Deze voorwaarde is het kruis! Zonder dit zouden al de leeringen en al de wonderen niet voldoende zijn, om de vlam te doen uitbreken. Het Sf is adversatief: „Maar opdat dit vuur werkelijk ontstoken worde.quot; De doop, dien Jezus voorziet, is die, waarvan Hij spreekt in Matth. 20 : 22 (als namelijk de aldaar met deze overeenkomende uitdrukkingen ccht zijn). Hot is de doop, waartoe Hij zich gewijd heeft, toen Hij zich aan den waterdoop onderwierp. Want toen deze handeling aan Hem volbracht werd, aanvaardde Hij al de gevolgen van zijn vereeniging met de bezoedelde en doemwaardige menschheid, die Hij wilde redden en reinigen. Hij-zelf moet de eerste zijn, die omkomt in dit vlammenbad, welks vonken de geheele wereld in vuur zullen zetten. — Deze aangrijpende gedachte werkt krachtig op Hem terug, en met een volkoraene openhartigheid spreekt Hij do ontroering uit, die zich van Hem meester maakt. De uitdrukking aoi/sxeaöxt, geperst, gedrongen, samengedrukt worden, beteekent niet noodwendig: door angst geperst worden zooals Keil beweert, want in Philipp. 1 : 23

171

-ocr page 182-

12 : 51—53.

beteekent zij blijkbaar: tusscben twee tegenovergestelde begeerten geperst te worden, en deze zin zou zeer goed passen voor de tweede verklaring van vs. 49, die wij terzijde hebben gesteld. Bij den door ons aangenomen zin is er werkelijk van een toestand van angst sprake. De gedachte aan dien noodzakelijken smartelijken dood houdt zijn geest onafgebroken bezig; zij benauwt Hem onophoudelijk als een soort nachtmerrie, totdat dit vreeselijk lijden geleden is. Zooals Gess zegt, „werpen wij hier een blik in het lijden van Jezus, reeds voordat het gekomen is.quot; Het is hetzelfde gevoel, dat zich later in den tempel opnieuw openbaart (Joh. 12 : 27); „Nu is mijne ziel ontroerd, en wat zal ik zeggen ... ?quot; En voor de laatste maal zal het in Getbsemané in al zijn hevigheid uitbreken. Lukas alleen beeft ons de eerste uiting van dit innerlijk gevoel van Jezus bewaard. — Na dit als in het voorbijgaan uitgesproken woord, dat Hem afgeperst werd door den indruk, dien de gedachte van vs. 49 op Hem maakte, vat Jezus deze gedachte weder op en ontwikkelt haar.

Vs. 51—53. De toestand, met betrekking tot de discipelen; „Meent gij, dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde? Neen, zeg ik u, maar verdeeldheid. 52. Want van nu aan zullen er vijf in een zelfde huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie. 53. De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn 1), en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter 2), en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoederquot;.

172

1

T. R. leest hiociJ.Bpi^^aeToci^ met A en 12 Mjj.; N B en 4 Mjj.: tiicme-pivQyrovTou,

2

N B 1) lezen bvyccjepu, in plaats van övyccTpi,

-ocr page 183-

12 : 51—53.

Aoksïts, meent gij, doelt zonder twijfel op de zelfmisleiding van de apostelen, die zich nog vleiden met de hoop op een Messiasrijk, dat opgericht zou worden door middel van eenige wonderen van goddelijke macht zonder eenig lijden (19 : 11). Jezus wil met hetgeen Hij hier uitspreekt niet zeggen, dat het eindresultaat van zijn werk niet de vrede zal zijn; maar men moet niet verwachten, dat hij het onmiddellijk gevolg daarvan zal wezen. De eenvoudigste oplossing van de uitdrukking «aa\' is, haar te beschouwen als een verkorting van oüx\' V\' „niets anders, dan.. .

Vs. 52 en 53. In den geest ziet Jezus de prediking der discipelen niet enkel over Palestina, maar over de geheele aarde zich uitbreiden (vs, 51), en in elke familie een oorlog tusschen haar leden doen ontbranden. „Zelfs het vijfde gebod zal (in zekeren zin) moeten wijken voor de macht van den op Jezus gevestigden blik ... ; want Jezus brengt een nieuw beginsel, dat heiliger is, dan de natuurlijke bandenquot; (Gess). De opmerking van Iloltzmann, dat de vijf in vs. 52 aangeduide personen in vs. 58 nader worden opgesomd, kan niet als gegrond worden beschouwd, daar in het laatstgenoemde vers in de werkelijkheid van zes personen sprake is. Het sxi drukt de vijandschap uit. Deze vijandschap schijnt in hevigheid toe te nemen bij den overgang van de betrekking tusschen dochter en moeder tot die tusschen schoondochter en schoonmoeder. Dit wordt aangeduid door de afwisseling in de constructie van tirl, eerst met den dat. en daarna met den ace. In de laatstgenoemde betrekking voegt zich de godsdienstvijandschap bij de maar al te gewone natuurlijke verbittering.

5°. Tot de scharen; vs. 54—\'59.

Nadat Jesus zijn discipelen do huiselijke en maatschappelijke verdeeldheden heeft aangekondigd, waarvan Hij reeds de eerste verschijnselen ontdekt, wendt Hij zich ten slotte nog eenmaal tot de schare, die niets begrijpt van den ernst der tegenwoordige omstandigheden, en in valsche gerustheid en onboetvaardigheid verzonken blijft. Hij verwijt haar, dat zij de teekenen der tegenwoordige crisis niet weet te onder-

173

-ocr page 184-

12 : 54—56.

scheiden, en vermaant haar, haastig gebruik te maken van den tijd, die haar nog overig is, om zich in veiligheid te stellen tegen den goddelijken toorn.

Vs. 54—56. De teekenen der tijden: „En Hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij eene \') wolk ziet opgaan uit het1) Westen, zegt gij terstond: Er komt regen; en het geschiedt alzoo. 55. En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt. 56, Gij geveinsden ! het aanzien der aarde en des hemels weet gij te waardeeren, en hoe waardeert gij :) dezen tijd niet?quot;

sf kx!, En Hij zeide ook. Deze spreekwijze is, zooals wij reeds gezien hebben (I, bl. 341), de vorm, dier,. Lukas gebruikt, wanneer Jezus, na de onderwijzing, een laatste, gewichtiger woord er aan toevoegt, een woord, dat het geheele vraagstuk in het ware licht stelt; liet is de grootste slag, waarmede het geweten van den toehoorder getroffen wordt. Deze slotgedachte is hier de dringende noodzakelijkheid van een spoedige bekeering. — Ten opzichte van het weder, verbeelden zich de buitenlieden, profeten te zijn. En inderdaad, hunne voorteekenen bedriegen hen niet: Gij zegt..., gij zegt ..., en het geschiedt zooals gij zegt.quot; De regens komen in Palestina van den kant der Middeï-landsche Zee (1 Kon. 18:44). De zuidenwind daarentegen de Samoen, die van de woestijn komt, brengt droogte met zich mede. Dat weten deze menschen, en hunne berekening

174

1

ï. R. leest axo, met A ea de Mjj.j NUL: et/.

-ocr page 185-

12 : 57—59.

is spoedig gemaakt {suóeMi). En wat meer zegt, zij wordt bevonden juist te zijn (««) yhcrxi, tweemaal herhaald). Want dit alles valt voor in die orde der dingen, waarin zij belang stellen; met het oog op de bebouwing van hunne landerijen stellen zij er natuurlijk prijs op, het toekomende in het tegenwoordige te ontdekken; en daar zij het willen, kunnen zij het ook. Maar dit inzicht, waarmede de mensch begaafd is, wordt door hen niet besteed in den dienst van een hooger belang. Een Johannes de Dooper en een Jezus verschijnen, leven, sterven, en dit zedelijk onverstandige volk begrijpt in het minst niet, wat dat beteekent! Deze tegenspraak in hunne handelwijze geeft Jezus te kennen met de uitdrukking: Gij geveinsden! Niet het oog ontbreekt hun, maar de wil, om hot te gebruiken. — De uitdrukking Kxipis, het gunstige oogenblik, wordt nader verklaard door de uitdrukking: de tijd, waarin gij bezocht zijl geworden (19:44). Aoxipcifyiu, het wezen, de waarde, de beteekenis eener zaak schatten. — Mattb. 10: 1—3 kan niet beschouwd worden als een andere vorm van dezelfde uitspraak. De gedachte is geheel verschillend. DAar is sprake van een teeken uit den hemel, dat men van Jezus eischt; en als antwoord, toont Hij door een voorbeeld, dat wel ook aan de verschijnselen van do atmosfeer ontleend, maar toch geheel verschillend is, aan, dat het volk niet aan teekenen ontbreken zou, als het zich maar de moeite gaf, ze te be-studeeren, zooals het die van de natuur bestudeert. Wat vs. 56 betreft, is het gemakkelijk in te zien, dat het in den samenhang van Lukas, waar sprake is van het op handen zijnde oordeel, veel beter geplaatst is, dan in dien van Mattheus.

Vs. 57—59. De dringende noodzakelijkheid der verzoening met God, als de gevolgtrekking, die uit de teekenen des tijds moet worden gemaakt: „En waarom onderscheidt gij uit uzelven niet hetgeen recht is? 58. Terwijl gij u met uwe wederpartij

175

-ocr page 186-

12: 57—59.

naar de overheid begeeft, beijver u onderweg, om de zaak met hem bij te leggen, opdat hij misschien u niet voor den rechter slepe, en de rechter u niet den gerechtsdienaar overlevere 1), en de gerechtsdienaar u niet in de gevangenis werpe. \') 59. Ik zeg u, dat gij van daar geenszins zult uitgaan, totdat2) gij den laatsten penning betaald zult hebbenquot;.

Jezus zegt: ook, d. w. z, evenzeer op geestelijk als op natuurlijk gebied, en: uit uzelf êxvTÜv), hetgeen be-teekent: „zonder dat u iemand behoeft te herinneren aan de gevolgtrekkingen, die uit deze verschijnselen moeten worden gemaakt.quot; Weiss meent, dat dit uit uzelf een toespeling is op de ongelukkige afhankelijkheid des volks va,n de Pharizeën. Doch deze uitdrukking herinnert aan het: terstond zegt gij van vs. 54; vgl. ook 21 : 30, waar de zin niet twijfelachtig is. Ieder verstandig Israëliet moest geheel uit zich zelf, zonder dat iemand daarop zijn aandacht vestigde, uit de teekenen des tijds opmaken, dat het zijn plicht was, zich onmiddelijk met God te verzoenen. — Ta lixam-. hetgeen op zulk een tijdstip gedaan moet worden. De volgende woorden ontwikkelen dit ciixxiov.

Vs. 58. De conj. w? beteekent hier niet zooals, noch wanneer, maar, zooals het vervolg duidelijk doet zien, terwijl, evenals in Gal. 6 : 10. Zij wordt nader verklaard door de woorden iv , op den weg, die met opzet aan het begin

van den hoofdzin gesteld zijn, omdat zij de hoofdgedachte van de plaats bevatten. De zin is: „Terwijl gij en uw tegenpartij nog naast elkander onder weg zijt; voordat gij het

176

1

T. R. leest vxpuiu, met 14 Mjj. en met I en ile Mnn j N A B D T: Trapaduirei, en N R 1\' X T: patei; A en 12 Mjj : fiothy.

2

N B Tj lezen i . plaats vnn ewc ov.

-ocr page 187-

12 : 57—59.

177

gerechtshof bereikt hebtquot;. Uit vs. 59 blijkt, dat er sprake is van een geldvordering, hetzij wegens een te betalen schuld, hetzij wegens een te betalen schadevergoeding. Daar de schuldenaar heel goed weet, dat hij veroordeeld zal worden, zal hij, als hij een bedachtzaam mensch is, zich haasten, de zaak met zijn schuldeischer in der minne te schikken j want als de zaak eenmaal in handen van den rechter is, dan wordt zij naar het strengste recht behandeld. — Het Ss? èpyxaixv schijnt wel een Latinisme te zijn (operam dare). Hofmann verklaart deze woorden aklus: „Bied hem aan, een arbeid voor hem te verrichten als vergoeding voor hetgeen gij bem schuldig zijtquot;; Keil: „Bied hem aan, een goede zaak met u te deelenquot;; Theophyladus: „Betaal hem de verschuldigde rentequot;. Deze verklaringen zijn zeer onwaarschijnlijk. De uitdrukking xTryMcixQxi, zich uil de verlegenheid redden, behelst met het op den weg, de hoofdgedachte van deze plaats: „Red u uit de verlegenheid, terwijl gij het nog kunt.quot; Ieder mensch heeft een moeilijke taak te verrichten: zijn betrekking tot God in orde te maken. Als deze zaak niet geregeld is, voordat de ure des gerichts aanbreekt, dan kan de veroordeeling niet uitblijven. De teekenen des tijds verkondigen, dat de rechterstoel, waarvoor de toehoorders zullen moeten verschijnen, reeds geplaatst is. Daarom is het voor hen van het hoogste belang, ze te verstaan en zich te haasten om het met hun geduchten schuldeischer eens te worden. Want is het oogenblik van de verschijning voor het gerecht eenmaal gekomen, dan zal alleen de gerechtigheid haar loop hebben, en zij zal tot het einde toe worden doorgevoerd. — De xpirfa, rechter, is identisch met den upwov, overheidspersoon. In deze twee uitdrukkingen is de goddelijke gerechtigheid verpersoonlijkt. De gerechtsdienaar, de uitvoerder van het vonnis, stelt den arm der goddelijke almacht voor (vs. 5). — Is de delging van de schuld mogelijk? Jezus geeft op deze vraag noch een ontkennend, noch een bevestigend antwoord. Uit zijn woorden vloeit alleen voort, dat zij geen plaats zal vinden, voor dat de gerechtigheid haar volkomene voldoening heeft ontvangen. Van hoe groot belang is het Godet, LuTcat. II. 12

-ocr page 188-

12 ; 57—59.

dan niet, bet oogenblik te voorkomen, waarop ons proces van de handen der genade in die der gerechtigheid zal overgaan ! — De vorm léyu, ik zeg, het enkelvoud voi gt; u, geven deze vermaning iets bijzonder plechtigs. Zoo eindigt het tooneel, dat geopend werd met de tot Jezus gerichte bede (vs. 13). Men ziet hier, welke verhoudingen zelfs het geringste door Hem behandelde incident aannam.

Bij Mattheus staat deze uitspraak in de bergrede (5: 25— 26), waar zij toegepast wordt op de verzoening, niet van den mensch met God, maar van menschen met elkander. Het komt mij voor, dat een aarzeling in de keus tusschen deze twee voorstellingen niet mogelijk is. Reuss stemt dit toe, en toch neemt hij de toepassing niet aan, welke Lukas van deze uitspraak maakt. Volgens hen zou de zin eenvoudig zijn, dat men in geldzaken aan een minnelijke schikking de voorkeur moet geven boven een proces. Zoo zou er nog slechts aan ontbroken hebben, dat de hoorders opmerkzaam werden gemaakt op hetgeen men aan een advokaat zou moeten betalen!

X. 13:1—9. Gesprek over twee gebeurtenissen van dien tijd.

De drie volgende uitspraken (vs. 1—3; 4—5; 6—9) zijn ingegeven door Jezclfde overweging, welke de voorgaande leeringen had ingegeven, nl. die van het dreigend oordeel en van de noodzakelijkheid om het te voorkomen door boete en door geloovig aannemen van het aangeboden heil. Ook de uitwendige omstandigheden zijn dezelfde (m diemelfden tijd, vs. 1): Jezus zet zijn reis langzaam voort, gebruik makende van elke gelegenheid, die zich aanbiedt, om de harten te richten naar de dingen, die boven zijn. — Dit gedeelte komt alleen bij Lukas voor.

178

-ocr page 189-

13 : 1—3.

1°. Vs. 1—3. De door Pilatus vermoorde Galileërs.

Vs. 1—3 „Ia dienzelfden tijd bevonden zich daar eenigen, die verhaalden, wat er gebeurd was met de Galileërs, wier bloed Pilatus met dat hunner offeranden gemengd had, 2. En antwoordende, zeide Hij 1) tot hen; Meent gij, dat deze Galileërs grootere zondaars zijn geweest, dan al de andere Galileërs, omdat zij deze dingen 2) hebben ondergaan? 3. Neen, zeg ik u, maar indien gij u niet bekeert, zult gij allen desgelijks 3) omkomen,quot;

Josephus maakt geen gewag van de gebeurtenis, waarvan hier sprake is. De Galileërs waren zeer onrustig; botsingen met de Romeinsche bezetting grepen gemakkelijk plaats. De uitdrukking: hxm bloed met hunne offerande vermengen, heeft al den ophef van den verhaaltrant van het volk. Het imperf TTxpijaxv schildert: Zij waren daar en verhaalden.quot; — De profetische blik van Jezus onderscheidt terstond de betee-kenis van dit feit. In deze slachting door het zwaard van Pilatus ziet Hij het voorspel van die, welke het Romeinsche leger weldra in het geheelo heilige land, en inzonderheid in den tempel, de laatste toevlucht van het volk, volbrengen zou. Inderdaad was, 40 jaren later, al wat er van het Galileesche volk was overgebleven in den tempel verzameld en boette onder het zwaard van het Romeinsche leger voor

179

1

De woorden o lytTov;, die T. K. met A D en 13 Mjj. leest , woi-deu door N B L weggelate i.

2

T. E. met A en 13 Mjj.: toi n/vra; nBDIü reevra,

3

T. R,, met A en 13 Mjj. urxvruf, N B D L! opoi u(.

-ocr page 190-

13 : 4—5.

zijn toenmalige onboetvaardigheid. Üe uitdrukking ó/toiui, desgelijks, op dezelfde wijze, in de Alexandr. Mss. kan dus letterlijk worden opgevat. Alleen een ernsligo bekoerlug, zoowel van het volk als geheel als van ieder afzonderlijk, op de stem van Jezus was bij machte, dit vreeselijke onheil te voorkomen.

2°. Vs. 4 en 5. De personen, die door den toren van Siloam werden verpletterd.

Vs. 4 en 5. „Of die achttien, op wie de toren van Siloam viel, en die hij gedood heeft, meent gij, dat zij \') schuldiger zijn geweest, dan alle meuschen, 1) die in Jeruzalem wonen 2)? 5. Neen, zeg ik u; maar indien gij u niet bekeert, zult gij allen desgelijks \'\') omkomen.quot;

liet onheil, dat men Jezus verhaald heeft, herinnert Hem aan een ander, dat zonder twijfel koit geleden in de nabijheid van de hoofdstad gebeurd was , en dat Hij ditmaal op hare inwoners toepast. De waterleiding en de vijver Siloam liggen dicht bij de plek, waar het dal Tyropeon, dat Jeruzalem van het Noorden naar het zuiden doorsnijdt, zich naar het dal Josaphat opent, ton zuid-oosten van den tempel. Veertig jaren later heeft de instorting van de huizen der in brand gestokene hoofdstad deze profetische waarschuwing van Jezus op een niet minder treffende wijze gerechtvaardigd. — In plaats van „schuldigequot; (vs. 2) i;egt Jezus eigenlijk: meer schuldenaars; natuurlijk tegenover de

180

1

T. R. laat rov( vdür xt/Sfurovf weg, met X en 10 Mjj.; N A. B D en 5 Mjj, lezen het.

2

T. R. leest sv Tlt;5c5r lepovrabyi/., met NA en 12 Mjj.; BDLX laten het wefi.

-ocr page 191-

13 : 6-9.

goddelijke heiligheid (12:58). — Naar aanleiding van deze twee tragische gebeurtenissen, vestigt Jezus de aandacht zijner hoorders wederom op de algemeene en op hunne eigene strafwaardigheid. Om het vreeselijk onheil, dat daarvan het gevolg moet zijn, te voorkomen, moeten zij weten te onderscheiden, wat recht is (12:57), d. w. z. zich bekeeren.

3°. 6—9. Het laatste uitstel.

Vs. 6—9. „En Hij zeide deze gelijkenis: Iemand had een vijgeboom geplant in zijn wijngaard; en hij kwam, en zocht vrucht daarop, en vond die niet. 7. En hij zeide tot den wijngaardenier; Zie, ik kom nu drie jaren, \') zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet. Houw hem af; waarom maakt hij den grond1) nutteloos? 8. En hij , antwoordende, zeide tot hem: Heer! laat hem nog dit jaar, totdat ik zijn wortels ontbloot en mest 2) er op gelegd heb. 9. En indien hij in het vervolg vrucht voortbrengt. . . Maar zoo niet, dan zult gij hem afhouwen.quot;

De vorm Ss kondigt, als naar gewoonte, het laatste, ware woord over den stand van zaken van (zie bij 12:54). De boete is niet alleen noodzakelijk, maar eischt ook dringenden spoed. — De grond van een wijngaard is een uit-

181

1

\'2) li leest tov tottov, in plaats van ryv yyv,

2

T. R., met G 11 X n; KOTrficev; N A 13 cu 9 Mjj,; xoxpix.

-ocr page 192-

13 : 6-9.

muntend terrein voor vruchtboomen. De vijgeboom stelt het volk Israëls voor. God is de eigenaar, Jezus de wijngaardenier, die alb voorspraak optreedt. Bij de conj. \'ivari moet men het verbum yevyrui denken: „Opdat wat goeds zou geschieden?quot; Kas/: bovendien\', niet alleen levert hij-zelf niets op, maar hij maakt ook den grond, dien hij inneemt, nutteloos. KxTxpyhv, werkeloos maken; de beteekenis van „vernietigenquot;, dien de conditionalisten op sommige plaatsen aan dit woord willen geven, blijkt uit deze plaats onjuist te zijn. UetKjel, Wicscler en Weizsdcker zien in de drie jaren een toespeling op den reeds verstreken tijd der werkzaamheid van Jezus, en maken uit deze gelijkenis chronologische gevolgtrekkingen aangaande den duur dier werkzaamheid. Zeer ten onrechte; want dergelijke trekken moeten verklaard worden uit hun verband met het geheel van de schildering, waartoe zij behooren, en niet uit omstandigheden, die aan deze schildering volkomen vreemd zijn. In het door Jezus gekozen beeld zijn drie jaren een volledige proeftijd, waarna men besluiten mag tot de ongeneeslijke onvruchtbaarheid van den boom. Deze drie jaren stellen dus den aan Israël verleenden genadetijd voor, en het laatste jaar, dat op do bede van den wijngaardenier er bijgevoegd wordt, stelt het laatste uitstel tusschen het vonnis en de uitvoering daarvau voor, d. w. z. de 40 jaren, die Israël feitelijk verleend werden tusschen den sterfdag van Jezus en de verwoesting van Jeruzalem. Dit uitstel was de verhooring van de bede: „Vader, vergeef het hun!quot; — Men vindt in de Mss. de twee vormen nÓTrpix, van xÓTrpicv, en KOTrpitxv, van het subst. fem. KOTtpix. De zin jms ijAv ,,. is elliptisch, zooals menigmaal in het klassieke Grieksch; men moet aanvullen ê%ei: „dan

gaat alles goed.quot; De woorden sk rb (Awcv, in hel vervolg of het volgend jaar (door ho; er bij te denken) zijn in den T. R. en ia de oude vertalingen met het volgende werkw. gij zult hem afhouwen verbonden. Doch de Alexandrijnen verbinden ze met den voorafgaanden zin: „Indien hij in het vervolg vrucht voortbrengt...quot; liet is mogelijk, dat d^\'ze woorden vóór het s] S; nfae verplaatst werden, om

182

-ocr page 193-

IS : 10—13.

de ellipse in den eersten zin aan te vullen. — De buitengewone zorgen van den tuinman voor dezen kranken boom stellen de wonderen van liefde voor, die Jezus volbrengen zal, eerst door zijn dood en zijn opstanding, en daarna dooide uitstorting van den |H\'. Geest en de apostolische prediking, ten einde nog te trachten, het volk tot boetvaardigheid te brengen. Deze gelijkenis doet de hoorders verstaan, dat hun leven nog maar aan een draad hangt, en dat deze draad in de hand is van Hem, die tot hem spreekt,

XL Vs. 10—21: De vorderingen van het koninkrijk Gods.

Gedurende deze reis verzuimde Jezus niet, evemin als in geheel zijn werkzaamheid, de Synagogen te bezoeken op de Sabbatdagen. Het volgende verbaal doet eens een van deze tooneelen bijwonen. Hetgeen Lukas aanleiding gegeven heeft om deze gebeurtenis op deze plaats te vermelden, is misschien het gevoel van hot contrast tusschen Israël, dat in zijn verderf loopt, en de gemeente, die langzamerhand toeneemt. — Een heerlijke daad oefent een krachtige werking op de schare uit (vs. 10—17); en dit geeft Jezus aanleiding, in twee gelijkenissen de macht van het rijk Gods te beschrijven (vs. 18—21).

1°. Vs. 10—17. De genezing van de verlamde

vrouw.

183

Vs, 10 —13. Het wonder: „En Hij leerde op den Sabbat in een der Synagogen. 11. En ziet, daar was \') een vrouw, die achttien jaren lang een geest van zwakheid had gehad, en zij was te zamen gebogen, en kon zich in het geheel

1) N B L X laten weg.

-ocr page 194-

13 : 14—16.

niet oprichten. 12. En Jezus, haar ziende, riep haar, en zeide tot haar: Vrouw! gij zijt verlost van \') uwe zwakheid. 13. En Hij legde de handen op haar, en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.quot;

De lichamelijke toestand dezer vrouw hing samen met een psychische onmacht, welke het gevolg van een hoogere oorzaak was, die haar wil gebonden had. Dit wordt te kennen gegeven door de uitdrukking: een geesl van zwakheid. Het woord xaösviix moet hier liever in den eigenlijken zin, dan in dien van: ziekte worden opgevat. Jezus geneest eerst do oorzaak: de psychische kwaal: Gij zijt verlost-, omoXkluvKi (perf.): „het is een afgedane zaak, een feit; de daemon ia uitgedreven.quot; Uit het geloof dat de kranke aan de verklaring hecht, put zij de geestkracht, die haar ontbrak Daarna stelt Jezus, door de oplegging der handen, het organisme weder onder de heerschappij van den bevrijden wil.

Vs. 14 —16. Het onderhoud: „En het hoofd der Synagoge, er over verontwaardigd, dat Jezus op den Sabbat genezen had, antwoordde, en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, waarin men werken moet; 1) komt op die dagen,2) om u te laten genezen, en niet op den dag des Sabbats. 15. De Heer,\') clan B) antwoordde hem , en zeide: Gij geveinsden ! fi) Maakt niet ieder van u op den

184

1

B laat fv weg, en N sv epya^so-Qcci.

2

IS A B en 3 Mjj.: ev avruit;, iu plaats van ev tccutccii;.

-ocr page 195-

13 : 14—16.

Sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt; hem weg, om hem te laten drinken? 16. En deze vrouw, een dochter van Abraham, die de Satan, ziet, reeds achttien jaren gebonden heeft, moest zij niet op den dag des Sabbats van dezen band worden losgemaakt?quot;

Naar aanleiding van deze genezing meent hot hoofd der synagoge, die belast was met de handhaving van de orde, het artikel van het Reglement voor den Sabbat, dat prakti-seerende geneesheeren de behandeling van kranken op den Sabbat verbood, op dit voorval te moeten toepassen. Daar hij echter Jezus-zelf niet aandurfde, richt hij zich tot de aanwezige schare. Deze korte toespraak wordt een antwoord genoemd; het is inderdaad het antwoord op de daad van Jezus.

Vs. 15. Jezus laat dit verwijt, dat Hem-zelf treft, niet onbeantwoord. De titel lt;5 nvpios, de Heer, wordt in de Evangelische verhalen slechts zelden aan Jezus gegeven, slechts daar, waar zijn souvereiniteit aan den dag komt; vgl. Luk. 7 ; 13, 10 : 1, 17 : 5, enz. — De ware lezing is zeker het meervoud; „Geveinsden!quot; Deze aanspraak is gericht tot de geheele Pharizeesche partij, waartoe deze man behoort.

Vs. 16. De scherpte van deze aanspraak wordt gerechtvaardigd door het contrast tusschen de mildheid, waarmede zij de Sabbatswet toepassen, wanneer het hunne eigene belangen, zelfs de geringste, geldt, en de overdrevene strengheid, waarmede zij te werk gaan, als er sprake is van de belangen hunner medemenschen, zelfs van de gewichtigste, en vooral zoodra het de handelwijze van Jezus betreft. Do Talmud veroorlooft uitdrukkelijk, het vee op den Sabbat te drenken. Er is hier een drievoudige opklimming: os of ezel en dochter van Abraham-, aan de kribbe vastgebonden en door den Satan gebonden; achttien jaren van lijden en een dag lang dorst (voor het dier). In dezen laatsten trek, achttien jaren, spreekt hot gansche medelijden van Jezns met deze langdurige ellende zich uit!

185

-ocr page 196-

13 : 17—19.

Vs. 17. En terwijl Hij dit zeide, werden al zgn te«j,eu»landera beschaamd; en de geheele schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden \').

Het krachtvolle antwoord van Jezus doet de bewondering van het volk ten toppunt stijgen en sluit den mond der tegenstanders. En nu verheft zich Jezus van dezo bescheidene overwinning tot de beschouwing van de toekomstige triomfen van het koninkrijk Gods, en beschrijft ze in twee korte gelijkenissen, waarin dit denkbeeld van de kracht van het goddelijk werk uit twee verschillende, elkander aanvullende gezichtspunten wordt voorgesteld.

2°. Vs. 18—21. De twee gelijkenissen.

Het koninkrijk Gods heeft twee soorten van kracht: de kracht der uitbreiding, waardoor het van lieverlede alle volken omvat, en de kracht der herschepping, waardoor het langzamerhand het geheele menscholijke leven vernieuwt. Het natuurlijke symbool van de eerste is een zaad, dat in korten tijd een wasdom verkrijgt, die aan zijn oorspronkelijke kleinheid onevenredig is; dat van de tweede zin is een giststof, die materiëel onaanzienlijk, maar bij machte is, haar herscheppende kracht bij een groote massa te ontplooien. Deze twee gelijkenissen behooren tot \'de verzameling van Matth. 13 (vs. 31 en verv.); alleen de eerste komt bij \'Markus voor (4 : 30 en 31).

Vs. 18 en 19. De gelijkenis van het mosterdzaad: «Hij zeide dan:1) Waaraan is het koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal ik het vergelijken? 19. Het

186

1

T. R. voegt Se er bij, met A D en 15 Mjj.; B L Itp2quot; Cop.; ovv.

2

N leest Afyo/xevoi?, in plants van yivonevois.

-ocr page 197-

13: 17—19.

is gelgk een mosterdkorrel, die een mensch genomen en in zijn hof geworpen heeft; en zij wies op en werd een boom, \') en de vogelen des hemels hebben in zijn takken hun nest gemaakt.quot;

Het ovv, dat de Alexandr. lezen, brengt de woorden in verband met de gebeurtenis, die zooeven heeft plaats gehad. De kracht van het koninkrijk Gods in de menscbheid is de gevolgtrekking, die Jezus uit dit feit maakt. Er ligt veel bevalligheid, en zelfs vertrouwelijkheid, in de twee vragen, waarmede Jezus de gelijkenis inleidt. Zij duiden de werkzaamheid van den geest aan, die in de natuur de analogieën zoekt, welke hij noodig heeft. De eerste; „Waaraan is... gelijk?quot; neemt het bestaan van het gezochte zinnebeeld aan; de tweede: „Waarbij zal ik het vergelijken?quot; heeft betrekking op de ontdekking daarvan. Markus leidt deze gelijkenis met twee dergelijke vragen in, die echter zoozeer van die van Lukas verschillen, dat hier niet aan naschrijven kan worden gedacht. De traditie had de herinnering van deze manier van spreken bewaard, hoewel zij den inhoud der vragen gewijzigd hoeft. Waarschijnlijk moet men met de Alexandr. het bijvoegelijk naamwoord ,«£7«, groot, bij Sé-j\'Spov, boom, zoowel uit den tekst van Lukas als uit dien van Mattheus weglaten. Jezus wil niet een grooten boom tegenover kleine boomen stellen, maar een waren boom tegenover planten, die niets anders zijn dan groenten. De mosterd, die bij ons slechts een eenvoudige bloem is, bereikt in het Oosten de grootte van een onzer vruchtboomen. Het buitengewone in deze plant is de onevenredigheid tusschen de bijna microscopische kleinheid der zaadkorrel en de grootheid van den daaruit voortkomenden heesterachtigen en met takken versierden stam s).

2) T. R. voegt er lieyce bij, met A en 15 Mjj.; N B D L Itplquot; Syr. laten dit woord weg.

1) Een botanist verzekert ons, dat zelfs in Europa, te Hyères, een mosterd-plant (Sinapis Arvensis), die, ofschoon tot de kruiden behoorende, wat haar vruchten betreft , een hoogte van 12 voet bereikt en zeer uitgespreide takken beeft.

187

-ocr page 198-

13 : 20—21.

Deze plant is daarom het treffend zinnebeeld van de onevenredigheid tusschen den kleinen aanvang van het koninkrijk Gods, toen het nog geheel besloten was in den nederigen persoon van Jezus, en de uitgebreidheid, die het verkrijgen zal, als het eenmaal alle volken zal omvatten. De vorm der gelijkenis is, zooals Weiss erkent, eenvoudiger en oorspronkelijker bij Lukas, dan bij de twee anderen.

Vs. 20 en 21. De gelijkenis van den ztiurdeesem: En1) Hij zeide wederom: Waarbij zal ik het koninkrijk Gods vergelijken? 21 Het is gelijk een zuurdeosem, dien een vrouw genomen en in drie maten meels verborgen heeft, 2) totdat het geheele deeg gerezen was.quot;

Jezus zoekt wederom, naXiv, een beeld. Ditmaal wil Hij de kracht tot zedelijke herschepping, die eigen is aan het koninkrijk Gods, beschrijven. Dit is de andere zijde van de waarheid, waardoor de vorige wordt aangevuld; vgl. 5 : 36—• 38; 15:3—10; Matt. 13:44—46; Joh. 10:1—10. Over den zuurdeesem zie men bij 12: 1. Dit beeld is hier blijkbaar in een gunstigen zin gebruikt. De met het deeg vermengde zuurdeesem geeft hem een kracht en een smaak, die een tegenstelling vormen met zijn natuurlijke werkeloosheid en smakeloosheid. Zoo verkrijgt ook het menschelijk leven door de werking van bet Evangelie de waarde, het belang en de geestelijke kracht, die daaraan ontbraken. — De drie malen moeten, evenals de drie jaren van vs. 7, uit het geheel van het beeld worden verklaard. Dit was de hoeveelheid, die men gewoonlijk voor een ovenvol gebruikte. Men heeft daarin de Semieten, Japhetieten en Chamieten gezien; ook de Grieken, de Joden en de Samaritanen

188

1

A en 14 Mjj. laten xcti weg.

2

ï. E. loeat evsxpu^ev, met AD en 11 Mjj.; B en 4 Mjj.: expv^ev.

-ocr page 199-

13 : 20—21.

[Theodorus van Mopsuesta); eveneens het hart, de ziel en den geest {Auguslinns). Dit zijn droomerijen, waaraan tegenwoordig niemand meer denkt. De gedachte is, dat het geestelijk leven in het Evangelie vervat, hetgeheele menschelijk leven doordringen en heiligen moet, in het individu, in het huisgezin, en door dit laatste in de maatschappij.

Deze twee gelijkenissen bevatten een program van het goddelijk werk, dat de volkomenste tegenstelling vormt met de voorstelling, die de Joodsche verbeelding zich gemaakt had met betrekking tot de oprichting van het Messiasrijk. Dc slag van een tooverstaf moest in een oogwenk alles tot stand brengen. Tegenover deze oppervlakkige beschouwing stelt Jezus het denkbeeld van een zedelijke ontwikkeling, die door geestelijke middelen geschiedt en met de vrijheid rekening houdt, die dus langzaam en geleidelijk voortgaat. Hoe kan men nu tegenover zulke uitspraken beweren, dat Hij geloofd heeft, dat zijn wederkomst op handen was? — De plaats, die deze twee gelijkenissen in de groote verzameling van Matth. 13 inneemt, is zeker het gevolg van een systematische rangschikking. Lukas heeft ze teruggebracht in den historiscben samenhang, waardoor alleen zij haar ware beteekenis verkrijgen,

II.

Nieuwe eeeks van reisveuhalen.

(13: 22—17 : 10).

Het 22ste vers, dat een inleiding is tot deze nieuwe groep van verhalen, heeft ten doel, den in 9 : 51 vermelden alge-meenen stand van zaken in herinnering te brengen. Lukas geeft te verstaan, dat het nog altijd dezelfde reis is, die voortgezet wordt, terwijl er gebeurtenissen plaats vinden zooals die van de voorgaande groep.

189

-ocr page 200-

13 : 22—27.

Vs. 22. „En Hij doorreisde het land, steden en dorpen bezoekende, leereude, en voortgaande, naar Jeruzalem ^ te trekken.quot;

Ai», door, heeft betrekking op de streek in het algemeen; kktx is distributief; het geeft het stilhouden in elke kleine of groote plaats te kennen, otn daar het Evangelie te verkondigen. Met het oog op dit doel had Jezus de 70 discipelen vooruit gezonden, om zijn komst voor te bereiden (10 ; 1).

I. 13:23—30. De verwerping van Israël en het ingaan der heidenen.

Evenals in 12:13, roept een onverwachte vraag de wijsheid van Jezus le hulp. Hij maakt van deze gelegenheid gebruik, om de valsche gerustheid zijner hoorders door een ernstige vermaning aan het wankelen te brengen. Weixs meent, dat deze vraag door Lukas verdicht is, ten behoeve van de volgende leering. Dit gevoelen wordt door niets gerechtvaardigd. Moet niet Weiss zelf ieder oogenblik erkennen, dat Lukas zijn bijzondere bronnen heeft?

Vs. 23 — 27. „En iemand zeide tot Hem: Heer! zjjn het slechts weinigen, die zalig worden 1 Maar Hij zeide tot hen: 24. Beijvert u om in te gaan door de enge deur; 1) want velen, ik zeg het u, zullen zoeken in te gaan, en zullen het niet kunnen. 25. Van het oogenblik af, waarop de heer des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te

190

1

T. K. leeat met A en 14 Mjj ; (aan Matth. ontleend); ^BULt

dvfut,

-ocr page 201-

13 : 22—27.

zijn en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer! \') doe ons open, en hij, antwoordende, tot u zeggen zal: Ik weet niet, van waar gij zijt, 26. alsdan zult gij beginnen 1) te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. 27. En hij zal zeggen: Ik zeg 2) u, dat ik niet weet, van waar gij zijt. Gaat weg van mij, gij allen, die werkers3) van ongerechtigheid 4) zijt!quot;

De vraag van dezen toehoorder was tot op zekere hoogte een zaak van nieuwsgierigheid. In dergelijke gevallen geeft Jezus terstond een praktische wending aan zijn antwoord. Vgl. 12 : 41; Joh. 3 : 3. Om deze reden zegt Lukas (vs. 23): „Hij zeide tot Zien.quot; Jezus antwoordt den vrager-zelf niet; Hij richt zich tot het volk naar aanleiding van zijn vraag. — Het Messiaansche koninkrijk wordt voorgesteld onder het beeld van een huis, waarin velen wenschen binnen te gaan, om een feest bij te wonen. Maar slechts hun, die geen moeite sparen en op krachtige wijze te werk gaan, gelukt het, in het huis binnen te dringen, voordat het feest begint. De ware lezing bij Lukas is óiJpa, huisdeur, en niet (Matth.), dat meer een poort, hetzij van. een stad, hetzij van een paleis, te kennen geeft. Men heeft gemeend {Meyer en ik-zelf in de vorige uitgaven), dat het huis twee deuren had: een kleine en zeer lage, die den moeilijken ingang door middel van boete en van het ootmoedig geloof in den

191

1

T. R., mot B en 6 Mjj.; apl-slt;rSs; N AD en 8 Mjj.: cepfyTSe.

2

In plaaats van Asyw, leest B Asywv; K It. laten dit woord weg.

3

T. R. leest oi efyarcti met \\ en 5 Mjj.; K B D en 10 Mjj. laten oi weg.

4

i) N B L B laten Tt); vóór ctSixiett weg.

-ocr page 202-

13 : 23—27.

vernederenden Messias voorstelt, en de eeredeur, die een gemakkelijker en minder vernederende wijze van ingaan, hetzij de eigene gerechtigheid of de weldadigheid, hetzij het geloof in een verheerlijkten Messias, voorstelt. Doch deze zin is zeer gezocht. Het is eenvoudiger aan te nemen, dat er slechts ééne deur is, en dat de moeite, die het kost om er door te komen, zoowel aan haar nauwheid als aan het groot aantal menschen, die haar te gelijk willen doorgaan, moet worden toegeschreven; waaruit volgt, dat het slechts den vastberadenen, den geweldenaars (lonxaTx!) van Matth. 11 : 12, gelukt, in het huis door te dringen. De deur stelt in dit geval de volbrenging van Gods heiligen wil tot den prijs van de zwaarste offers voor. Deze heilige wil wordt hier een xyavl%elt;ricii genoemd, letterlijk; „met den dood worstelenquot;, waarmede de krachtigste inspanning, waartoe de mensch bekwaam is, wordt uitgedrukt. Men zou kunnen denken, dat deze uitdrukking een tegenstelling vormt met het amp;rsTv {zoeken), dat er op volgt, en dat niets meer zou te kennen geven, dan den wensch om in den hemel te komen, een wensch, die in den grond door ieder mensch wordt gekoesterd , maar niet altijd gepaard gaat met dien inspannenden arbeid, zonder welken het niet mogelijk is, te slagen. Dit ijdele fyizslv zou dus ter zelfder tijd geschieden, waarop het ingaan van hen, die slagen, plaats vindt. Maar het vervolg doet zien, dat Jezus met dit fyzelv, dat nog in de toekomst ligt {zullen zoeken), niet een blooten onmachtigen wensch te kennen geeft, maar vooral de smeekingen, waarover later gesproken wordt, en die zonder gevolg zullen blijven (vs. 25).

Vs. 25. Het xp om, van hel oogenblik af, waarop, hangt Biet af van den voorgaanden zin, hetgeen slepend zou zijn, en ook niet, zooals Hoffmann wil, van het apt-eaêe van vs. 25, dat hij volgens een ouden Homerischen vorm als gelijkstaande met een futurum (apl-eirós) beschouwt. Het hangt af van het uamp;evQe van vs. 26, waar het tóts, alsdan, duidelijk het begin aanwijst van het tragisch tooneel, dat de Heer van den aanvang af in het oog heeft gehad. De woorden: van hel oogenblik af, waarop duiden het voor de opening

192

-ocr page 203-

13 : 23—27.

van het feest vastgestelde uur aan, het beslissend oogenblik, waarop de heer des huizes, nadat hij hen, wien het gelukt was, binnen te komen, zittende ontvangen had, opstaat, en de deur laat sluiten, zoodat allen, die verzuimd hadden, een soort van geweld te gebruiken, ora in tijds binnen te komen, zich nog buiten zullen bevinden. Welk oogenblik is dit? Dat der verwerping en verstrooiing van Israël? Neon, want de Joden zijn geenszins van dat oogenblik begonnen, tot Jezus te roepen en Hem te smeeken, zooals in vs. 25 beschreven is. Het oogenblik der Parousie, wanneer het groote Messiaansche feest een aanvang zal nemen ? Dat zou mogelijk zijn, voor zoover de dan levende Joden zich in die ure zullen bekeeren en in het paleis zullen ingaan (Rom. 11 : 15—26). Maar het is beter, deze schildering toe te passen op het tijdstip van het laatste oordeel, wanneer de onboetvaardige Joden voor goed van het koninkrijk zullen worden uitgesloten. Dan zal ook het hemelsche feest in het huis des Heeren beginnen.

Vs. 26. De bedenking, die den verworpen Joden in den mond gelegd is, kenschetst op treffende wijze de neiging van dit volk, om het heil op zekere uitwendige godsdienstige voorrechten te doen berusten: „Gij zijt onze landgenoot geweest; gij kunt ons niet laten verloren gaan, ons, die met u samen geleefd hebben.quot; Maar de heer erkent dergelijke voorrechten niet. Tegenover deze geheel uiterlijke voorrechten stelt hij hun zedelijk gedrag. — De werkers van ongerechthj-heid zijn niet noodwendig boosdoeners. Daarmede wordt ieder mensch bedoeld, die op de roepstem Gods onboetvaardig blijft, en zich niet met ernst beijvert, om in te gaan, d. w. z. om verzoening en wedergeboorte te verkrijgen. Bevatten de woorden: „Ik weet niet, vanwaar gij zijtquot;, tot welke familie gij behoort, een toespeling op het valsche vertrouwen, dat do Joden op hunne afstamming van Abraham stelden? — Het is duidelijk, dat den heer des huizes aldus te laten spreken hetzelfde is als te verklaren, dat men zelf die heer is. Jezus zal deze te laat komende en baatzuchtige erkenning niet aannemen.

Godkt, Lukas. II. 13

193

-ocr page 204-

13 ; 28—30.

Vs. 28—30. „Aldaar zal zijn weening en knersing der tanden, wanneer gij Abraham en Is aak en Jakob en al de profeten \') in het koninkrijk Gods zult zien1), en uzelven buiten geworpen. 29. 2) En er zullen komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk Gods. 30. En ziet, er zjjn laatsten, die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijnquot;.

De goddelijke lankmoedigheid zal een einde nemen; dit wordt met nadruk uitgesproken door deze laatste verzen. Het geween drukt de wanhoop uit, de knersing der tanden de woede. Tusschen deze twee gewaarwordingen zal de ziel der veroordeelde Joden slingeren. Het artikel vóór de twee substantiva (lt;5 xhauö/tóc, ö fipvyftóg) geeft te kennen, dat alle vroegere indrukken van denzelfden aard niets waren in vergelijking met de hier bedoelde. De weening zal veroorzaakt worden door hunne eigene uitsluiting, en de knersing der tanden door het zien van het geluk der verwelkomde en gezaligde heidenen. — De Messiaausche zaligheid wordt in vs. 28, volgens een bij de Joden gebruikelijk beeld (14 : 15), als een feestmaal voorgesteld, waarbij de aartsvaders het voorzitterschap bekleeden. Volgens vs. 29 worden de geloovige heidenen evenzeer toegelaten als de geloovige nakomelingen van Abraham. Het is namelijk alleen de innerlijke en persoonlijke betrekking tot Jezus, die over het laatste lot beslist. Het \'M kxI, en ziet van vs. 30 drukt de verrassing uit, die niet kan uitblijven bij zulk een omkeering. — Jezus zegt niet, dat al de eersten, al de kinderen des koninkrijks,

194

1

BBX: o^ith; N: lt;Sgt;)Te; T. R. met al do anderen: o^yirSe.

2

Marciou liot do getieelo plaats ts. \'29—35 weg.

-ocr page 205-

13 ; 28—30.

de Joden, de laatsten zullen worden, en ook niet, dat al de laatsten van vroeger, de heidenen, de voor de eersten bestemde plaats zullen innemen. Hij zegt alleen, dat „er eersten zullen zijn, die. ... en laatsten , die. . . .quot;

Uit deze gelijkenis vloeit, ten eerste, een praktisch antwoord op de aan Jezus voorgelegde vraag voort. „Zijn er weinigen, die zalig worden?quot; Antwoord: „Beijvert gij u, om niet te behooren tot hen, die zichzelf van het aantal dezer gezaligden uitsluiten!quot; Ten tweede bevat zij ook een ander, meer rechtstreeksch antwoord: „Als er onder u. Joden, slechts weinigen zijn, die zalig worden, dan zal God de ontbrekende weten te vervangen. Als gij, de eerst uit-genoodigden, de moeite niet wilt nemen, om in te gaan, dan zullen toch talrijke gasten al de plaatsen innemen, die aan den aartsvaderlijken diseh bereid zijn (14 ; 23).

Een uitspraak met betrekking tot de enge poort komt bij Mattheus in de bergrede voor (7 : 14); maar deze poort is de ingang van een weg, en niet van een huis. Het moet een andere uitspraak zijn. In ieder geval moet men erkennen, dat deze zeer goed door Lukas geplaatst is. — De volgende woorden bij Lukas (vs. 26 en 27) hebben eenige overeenkomst met de plaats Matth. 7 : 21—23; maar deze heeft niet op ongeloovige Joden, maar op ontrouwe geloo-vigen betrekking. — De schildering van de wanhoop der verdoemde Joden komt ook in Matth. 8 : 11 en 12 voor, na de genezing van den knecht van den hoofdman over honderd, waar zij zeker minder goed op haar plaats is, dan in ons verhaal. — De spreuk van. vs. 30 komt tweemaal bij Mattheus voor, vóór en na de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard (19 ; 30 en 20 ; 16), waar de toepassing van de uitdrukkingen eersten en laatsten moeilijker te verstaan en zeker minder eenvoudig is, dan op onze plaats.

II. 13:31—35: Het afscheid van de theocratie.

Als het hart met een groote gewaarwording vervuld is, dan doen alle indrukken, die men van buiten ontvangt, deze

195

-ocr page 206-

13 : 31—33.

snaar trillen. Daarom is het uiet bevreemdend, dat in dezen tijd, toen de gedachten van Jezus voornamelijk door den ondergang, die zijn volk bedreigde, werden bezig gehouden, die gewaarwording bij elke nieuwe gelegenheid aan het licht kwam. Dit verschijnsel is zoo natuurlijk, dat men geen recht heeft, daaruit af te leiden, dat Lukas een systematische rangschikking bij zijn verhaal heeft gevolgd.

Vs. 31—33. „In datzelfde uur \') kwamen er eenige Pharizeën, en zeiden tot Hem: Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil u dooden. 32. En Hij zeide tot hen: Gaat heen en zegt dien vos: Zie, ik werp daemonen uit en volbreng1) genezingen, heden en morgen, en den derden dag2) voleindig ik mijn leven. 33. Maar ik moet heden en morgen en den volgenden3) dag reizen; want het betaamt niet, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt.quot;

Het was in het belang der Pharizeën, Jezus in Judea te krijgen, waar Hij onder het gezag en in de macht van het Sanhedrin zou zijn. Maar ook Herodes moet het wenschelijk hebben geacht, dat Hij zijn grondgebied verliet. Want aan den eenen kant moet de gisting, die zijn tegenwoordigheid onder het volk teweegbracht, hem verontrust hebben, en aan den anderen kant heeft hij er zeker tegen opgezien, een nieuwen moord te voegen bij dien op Johannes den Dooper, welke reeds zwaar op zijn geweten drukt. Wat Jezus aangaat, Hij kende do Pharizeën genoeg, om verzekerd te zijn,

196

1

T. R. locct et/teAw, met A ou 14 Mjj.; N R Ij XTroreAu.

2

B leest tnisfu im Tpiry.

3

4 K D A lezen Ep^-tevif, in plants vim

-ocr page 207-

13 : 31—33.

dat het geon belangstelling in zijn persoon was, die hou aldus deed spreken. Daarom vermoedde Hij, bij het hooren van hunne waarschuwing, terstond een komplot, waarvan Herodes de hoofdaanlegger was (vs. 32: dien vos). Van daar zijn antwoord. Om deze reden richt Ilij het tot Herodes zelf, door bemiddeling van de Pharizeën. Het is streng, maar verdiend: „Daar gij de tanden van den leeuw niet durft toonen, neemt gij de toevlucht tot de listen van den vosquot;. Men heeft Jezus er een verwijt van gemaakt, dat Hij met zoo weinig eerbied over den vorst van zijn volk sprak. Maar men moet in het oog houden, dat Herodes een creatuur van Caesar was en geenszins de wettige erfgenaam van den troon van David. En als de Oud-Testamentische profeten, als gezanten Gods, zich gerechtigd gevoelden, tegenover de Israëlitische koningen de bekende taal te voeren, hoeveel te meer kon dan Jezus, die zich den Messias, den waren koning van Israël wist, het gedrag van Herodes op deze wijze kenschetsen ! — De vos is in alle talen het beeld der listigheid, vooral in het Grieksch, waar alle groote schrijvers (Pindarus, Plato, Aristoteles, Sophocles, Demosthenes, Plutarchus) voorbeelden daarvan aanbieden. Men heeft in deze taal zelfs het werkw. dhcoTrexiamp;iv gevormd.

Het antwoord van Jezus bestaat uit twee deelen. Het eerste (32^) beteekent: „Stel u gerust. Herodes; mijn werkzaamheid , die enkel bestaat in het weldoen aan lijdenden, is haar einde nabij.quot; — Het verbum sttitskü , is waarschijnlijk voor het minder gebruikelijke xzorsXa, dat in de oude Mss. voorkomt, in de plaats gesteld. — De woorden: heden, morrjen en den derden dag zijn hier blijkbaar een spreekwoordelijke uitdrukking, om een zeer korten tijd te kennen te geven; vgl. Hoz. G : 2. — Het werkw. Tsteiodpai, dat Bleek voor een fut. med. atticum aanziet, is eenvoudig het praes. pass., dat hier ter aanduiding van een ophanden zijnde toekomst gebruikt is. De door Bleek aangenomen beteekenis: „Binnen weinige dagen zal ik mijne werkzaamheid in Galilea ten einde brengenquot; is veel te zwak. Deze plechtige uitdrukking kan niets anders beteekenen, dan: „Ik ben aan het einde

197

-ocr page 208-

13 : 31—33.

(consummor), hetzij wat mijn werkzaamheid, hetzij wat mijn leven aangaat.quot; — Dit woord moet Herodes volkomen gerust stellen.

Vs. 33. Maar daarna richt zich Jezus, om zoo te zeggen, in al zijn hoogheid weder op; „evenwel blijft dit nog.quot;

Omdat Hij een dienaar van God en van God alleen is , behoudt Hij zich zijn volle en algeheele vrijheid voor, met betrekking tot dien korten tijd, die Hem nog gegeven is. De boodschap van Herodes zal Hem niet verhinderen, zijn tegenwoordige reis rustig voort te zetten. Aa, ik moet. „Er is een hoogere wil dan de uwe, dien ik gehoorzaamquot;. Tropsusaóxi: voortgaan met langzaam voort te reizen, zooals ik thans doe; deze uitdrukking staat tegenover reXsiovuxi, waardoor het oogenblik werd aangeduid, waarop deze reis een einde zal nemen. Wieseler heeft de woorden: heden, morgen en den volgenden dag letterlijk opgevat, en daaruit afgeleid, dat Jezus op het oogenblik, toen Hij ze uitsprak, nog maar drie dagreizen van Bethanië, waarheen Hij zich, volgens genoemden geleerde, op deze reis begaf, verwijderd was. Dit is niets anders, dan een armzalig verkleinen van deze verhevene uitspraak. Bleek, die geen kans ziet om dit raadselachtig woord te verklaren, stelt voor, het als geïnterpoleerd te beschouwen. De Wette meent, dat de overlevering het slecht bewaard heeft. Iloltzmann houdt het er voor, dat het wegens zijn duisterheid door Mattheus werd weggelaten, en Weiisacker is van gevoelen, dat Jezus heeft willen zinspelen op do drie jaren zijner werkzaamheid. Maar waar is toch de moeilijkheid? Jezus zegt eenvoudig: „Mijn werk duurt nog slechts drie dagen (vs. 32i), maar van deze drie dagen kan niemand, zelfs Herodes niet, iets afdoen (vs, 33).quot; Welk een kalme waardigheid ligt er in dit antwoord, dat tegelijkertijd alles toegeeft en zich alles voorbehoudt! Dit is het gedeelte van het antwoord van Jezus, dat betrekking heeft op deze woorden: „Herodes wil u dooden.quot; De laatste woorden van vs. 33 betreffen de Pharizeën. Ook zij kunnen zich gerust stellen; hunne prooi zal hun niet ontsnappen. Heeft Jeruzalem niet het monopolie van den profetenmoord ?

198

-ocr page 209-

13 : 34—35.

En zou dan deze stad bij deze grootste gelegenheid van haar recht beroofd kunnen worden? De uitdrukking spSsxstui, hot betaamt, bevat, evenals deze goheele uitspraak, een bijtende ironie: „Het is niet zooals het behoort, het zou tegen de zeden en gewoonten en, om zoo te zeggen, tegen het theocratisch decorum zijn, dat een profeet zooals ik op een andere plaats dan in Jeruzalem omkomt.quot; Zeker is Johannes de Dooper buiten deze stad omgekomen. Maar dergelijke ironische uitspraken moeten niet letterlijk worden opgevat. Jeruzalem kon zich niet tweemaal binnen zulk een korten tijd zijn voorrecht laten ontnemen! — Het oti , want} geeft te kennen, dat zijn Galileesche werkzaamheid niet zal worden afgebroken door zijn dood, omdat Hij niet in Galilea, maar te Jeruzalem sterven moet.

Reeds in vs. 4 en 5 hadden zich de gedachten van Jezus naar Jeruzalem gericht, naar aanleiding van een gebeurtenis, die meer bepaald de Galileërs betrof. Thans wordt zijn hart diep geroerd door de gedachte aan die hoofdstad, die om zoo te zeggen het moordhol der profeten geworden is. Zijn droefheid breekt uit; het is het voorspel van de tranen op den dag van zijn intocht in Jeruzalem.

Vs. 34 en 35. „Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn; hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een vogel zijn broedsel1) onder zijn vleugels verzamelt, en gijlieden hebt het niet gewild! 35. Ziet, uw huis wordt u gelaten ^). Maar ik zeg u 2), dat gij mij niet

199

1

T. K. leest tgt;jv exuryt vora-ixv, met N B L en 12 Mjj.; AD eii3Mj.: ra ectvryi; voto-ix (uit Mattheus overgcaomen).

2

T. E., niet Mun. alleeu ! Se Aeywj N L Syrw.: /Eyw; ABon 7 Mjj.! Aeyw Sc.

-ocr page 210-

13 : 34—35.

meer zult zien, totdat liet oogenblik komt, waarop gij zeggen zult \'): Gezegend zjj Hij, die komt in den naam des Heeren !quot;

Bij den eersten blik is zulk een toespraak tot Jeruzalem midden in Galilea bevreemdend, en is men geneigd, met de meeste uitleggers de voorkeur te geven aan de plaats, die Mattheus aan deze woorden heeft aangewezen, in Hoofdst. 23, aan het slot van de groote rede, die in het voorhof des tempels tegen de schriftgeleerden en de Pharizeën is uitgesproken. Men moet echter niet vergeten, dat Jezus, toen Hij die woorden in Galilea sprak, Pharizeën en schriftgeleerden voor zich had, die uit alle vlekken „van Judea en van Jeruzalemquot; waren gekomen, en dat juist zij de overbrengers waren van de boodschap, die Jezus op dit oogenblik beantwoordde. Zij waren daar als de vertegenwoordigers van de hoofdstad. Zulk een toespraak tot deze uit de verte beschouwde stad is zelfs nog aangrijpender, dan wanneer zij binnen hare muren geklonken had. Dat men, zooals Mattheus doet, deze woorden bij de in den tempel gehouden rede gevoegd heeft, is waarschijnlijk toe te schrijven aan de uitdrukking: uw huis, die men met den tempel in betrekking heeft gebracht.

200

Baur heeft de uitdrukking: uwe kinderen niet op de inwoners van Jeruzalem alleen, maar op alle Israëlieten, met inbegrip van de Galileërs, toegepast; en ten gevolge daarvan heeft hij beweerd, dat deze uitspraak niet bewijzen kan wat men menigmaal daaruit heeft afgeleid, nl, dat de door Johannes verhaalde talrijke bezoeken aan Jeruzalem in de berichten der Synoptici aangeduid zijn. Maar in den samenhang is Jeruzalem juist tegenover Galilea gesteld. Daar, en niet in deze afgelegene provincie, moet de Messias sterven. Bovendien zou Jezus, als Hij over het geheeleland

1) T. R. leest, met A D en 8 Mjj.; ews (of «v) (of org eiTryrs\'y ^ B en 6 Mjj,;gw$ (of sooq ccv) eiTryre,

-ocr page 211-

13 : 34—35.

201

had willen spreken, niet gezegd hebben: Hoe menigmaal, maar: Sedert hoelang! In 19 : 44 is de beteekenis van de uitdrukking: uwe kinderen niet twijfelachtig. Alleen is het duidelijk, dat Jezus bij zulk een uitspraak als wij hier hebben onderstelt, dat het lot der hoofdstad noodwendig ook dat van het geheele volk moet worden. De tegenstelling tusschen: Ik heb u willen ... en: Gij hebt niet gewild bewijst het treurige voorrecht van den mensch, om de sterkste trekkingen der genade te kunnen wederstaan. Wat Jezus betreft, hoewel Hij met smart verklaart, dat zijn pogingen om zijn volk te redden vruchteloos zijn gebleven, blijft Hij toch voortgaan met zijn arbeid. Want Hij weet, dat zijn werk, al heeft het niet het resultaat, dat het had kunnen en moeten hebben, toch een ander heeft, waardoor het plan Gods ook volvoerd zal worden. Eenige geredde Joden zullen, daar de geheele natie het niet zijn kan, de werktuigen worden van het heil der wereld. — Evenals een roofvogel, die in de lucht boven zijn slachtoffer zweeft, bedreigt do vijand de inwoners van Jeruzalem. Jezus, die hen tot hiertoe beschermend onder zijn vleugelen nam, evenals een hen hare kiekens, trekt zich nu terug; zij blijven onbeschut en moeten zich zelf verdedigen. Dit wordt uitgedrukt door het 353to vers. Met de woorden: Uw huis wordt u gelaten ontlast zich Jezus van de taak, die zijn Vader Hem toevertrouwd had: de redding van zijn volk. Het is trek voor trek de toestand van den goddelijken herder in de beschrijving, die Zacharias (11 : 10—14) geeft van de laatste poging, welke Jehova doet, om de voor de slachtbank bestemde kudde te redden. Het is zonneklaar, dat in zulk een samenhang de toepassing van de uitdrukking uw huis op den tempel veel te speciaal is. Er is sprake van Kanaan, als de door God aan het volk geschonken woonplaats. De echtheid van het woord epv/tos, ivoest (vs. 35), is noch bij Mattheus, noch bij Lukas te verdedigen. Als dit woord echt was, zou het betrekking hebben op Jehova\'s verlaten van zijn tempel; vgl. Ezech. 1—10, waar de wolk van boven hot heiligdom oprijst en zich naar het Oosten verplaatst. Maar de pron. vpüv, uw, en ö^ïv, u, pleiten

-ocr page 212-

13 : 34—35.

tegen deze lezing, die bovendien door het ontbroken van voldoende autoriteiten wordt uitgesloten.

De adversatieve vorm: maar ik zeg u verdient do voorkeur boven dien van Mattheus: want ik zeg u. „Ik ga weg; maar meent niet, dat mijn afwezigheid kort duren zal; ik zeg u, dat ik voor een langen tijd heenga. Zal deze afwezigheid een einde nemen, dan moet gij-zelf, door de verandering van uw gezindheid jegens mij, het teeken geven tot mijn terugkeer, en mij door uw berouwvol en ootmoedig smeeken terugroepen.quot; De woorden amp;v Ijl-y, totdat het gebeurt, dat, . zijn de echte lezing. Deze grondige verandering zal zonder twijfel bij hen plaats vinden (sca?), maar men zou niet kunnen zeggen, wanneer dit geschieden zal (amp;v). Eenige uitleggers (o. a. Paulas en Wieseler) meenen, dat het bier bedoelde oogenblik dat van den Palmzondag is, toen Jezus de hulde ontving van een deel van het volk, inzonderheid van de Galileërs: „Gij zult mij niet meer zien, Galileërs, tol op het aanstaande feest, wanneer wij elkander weder zullen ontmoeten, als wij samen Jeruzalem binnengaan.quot; Maar deze dag heeft geen wezenlijke verandering aangebracht in do verhouding van het volk tot Jezus. Eu hoe onbeduidend zou de gedachte zijn, die in zulk een plechtigen vorm werd uitgesproken! De zin komt overeen met dien van Joh. 7 : 34 en 8 : 21; „Gij zult mij zoeken, en gij zult mij niet vinden; gij zult in uwe zonden sterven.quot; Alleen geeft Jezus hier met het totdat het uitzicht op het einde van dezen toestand van scheiding. — Dit woord is tot het geheele volk gericht, met inbegrip van de Galileesche toehoorders. Wordt ulieden gelalen: dit land, dat zij bewonen, zullen zij voortaan zelf moeten verdedigen, zonder goddelijke hulp. — De woorden, die Jezus het bekeerde Israël aan het einde der eeuwen in den mond legt, zijn ontleend aan Ps. 118 : 26, waar zij tot iederen getrouwen aanbidder gesproken worden. Zij zullen de uitroep zijn, waarmede Israël zijn verheerlijkten Messias ontvangen zal. — In den naam des Heeren: als zijn plaats-bekleeder. — Hoe kan Weiss beweren: „Deze plaats is niet beslissend voor de vraag, of het oogenblik der bekeering van

202

-ocr page 213-

13 : 34-35.

Israël ooit aanbreken zal?quot; Dit woord van Jezus is of niet ernstig gemeend, öf het kondigt zoowel de toekomstige be-keering van Israël als de zichtbare wederkomst van Jezus aan. — Zoo eindigt deze plaats, die begonnen was met de aankondiging van zijn nabijzijnd heengaan [tsAsioü^cxi) , als gevolg van het ongeloof van Israël, met het vooruitzicht van zijn eindelijken terugkeer tot zijn boetvaardig en geloovig volk (sus au )?£ ifi). Welk een aaneenschakeling van alle gedeelten en welk een gepastheid in ieder woord van dit bewonderenswaardig antwoord, zooals Lukas het voor ons bewaard heeft! Hoe meer men zich daarin verdiept, des te duidelijker komt de beslissende waarde van de inleiding (vs. 31) voor het recht verstand van dit geheele gedeelte aan het licht: „In datzelfde uur kwamen er eenige Pharkeen, zeggende.quot;

III. 14:1—24: Een maaltijd van Jezus.

Het volgende gedeelte stelt ons in staat, Jezus in zijn huiselijk leven en in zijn vertrouwelijke gesprekken te volgen. Het knoopt zich aan de voorgaande gedeelten in zooverre vast, dat Jezus ook hier met een Pharizeër te doen heeft. Wij wonen het geheele tooneel van den maaltijd bij: 1° men treedt het huis binnen (vs. 1—6); 2° men zet zich aan tafel (vs. 7—11); 3° Jezus houdt met den gastheer een gesprek over de keuze der gasten (vs. 12—14); 4° Hij draagt de gelijkenis van het groote avondmaal voor-, naar aanleiding van den uitroep van een der gasten (vs. 15—24).

lloltzmann meent, dat deze lijst voor een groot deel door Lukas verdicht is, om daarin de losse uitspraken te plaatsen, die hij in de Logia naast elkander vond. Dit is niets anders, dan bij Lukas evenveel bekwaamheid als willekeur te onderstellen. Uitgaande van het denkbeeld, dat de inhoud van dit gedeelte systematisch geordend en dikwijls veranderd is met het oog op de vraagstukken, die in de apostolische kerk besproken werden, beweert Weizsacker, dat dit geheele Hoofdstuk op de liefde maaltijden der oude kerk betrekking heeft; het zou ten doel hebben, deze maaltijden als oefenin-

203

-ocr page 214-

14 : 1—3.

gen in do broederlijke liefde en als onderpanden van het Lemelsche feestmaal voor te stellen. Dit als een onweerlegbaar feit beschouwende, trekt hij daaruit het besluit, dat ons Evangelie van vrij laten oorsprong is! Maar waar is zelfs het geringste werkelijk spoor van zulk een doel te vinden ?

Vs. 1—6. Het binnenkomen.

Vs. 1—3. „En het geschiedde, toen Hij in het huis van een van de hoofden der Pharizeën inging, op den Sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen. 2. En ziet, er was een zeker waterzuchtig mensch vóór Hem. 3. En Jezus antwoordende, zeide tot de schriftgeleerden en de Pharizeën:1) Is het geoorloofd, op den Sabbat te genezen, of niet2)? En zij zwegen stil.quot;

Een uitnoodiging bij een Pharizeër aan te nemen na do tooneelen, die voorafgegaan zijn, was een daad van moed en van zachtmoedigheid te gelijk. De gastheer was een der hoofden van deze partij. Men heeft geen bewijzen voor het bestaan van een rangorde in deze sekte; maar het was geheel natuurlijk, dat er een moest ontstaan uit de meerderheid van het weten, van het talent of van den rijkdom. De interpretatie van Gr alius t die tmv (pxpivxluv tot appositie van tüv xpxóvtmv maakt, kan niet worden toegelaten. De gasten, zoo lezen wij, namen Jezus waar. Het 2de vers deelt de reden van deze bijzondere oplettendheid mede; er was daar een waterzuchtige, blijkbaar in de hoop van genezen te zullen worden. Er wordt evenwel niet gezegd, zooals Weiss

204

1

T. R. leest si vóór sfytrn, met A en 13 Mjj. Syr.; N B D L laten het weg.

2

T. R. laat hier, met A en 14 Mjj., v ov weg, dat N B D L Syrcur, lozen.

-ocr page 215-

14 : 4—6.

te recht opmerkt, dat zij hem daar met opzet hadden geplaatst. Het woord JSct), zie, wijst het oogenblik aan, waarop dit onverwachte feit zich aan den blik van Jezus vertoonde. — De uitdrukking xnoKpióeh;, antwoordende (vs. 3), heeft betrekking op de vraag, die stilzwijgend in de aanwezigheid van den kranke lag opgesloten: „Zal Hij genezen, of zal Hij het niet doen?quot; — Het stilzwijgen der gasten op de vraag van Jezus verraadt hunne verlegenheid en valschheid. De lezingen van den T. R. zijn uit het bericht van Mattheus afkomstig.

Vs. 4—6. r,En zijne hand op hem leggende, genas Hij hem, en liet hem gaan. 5, Daarna antwoordde Hij ^, en zeide tot hen: Wie van u zal, als zijn zoon1) of zijn os in een put valt, hem niet terstond weêr uittrekken op den dag des Sabbats? En zij konden niets daarop antwoorden 2).quot;

Als men in vs. 5 met de Bijz. Mss. txTroxpiöels leest, dan antwoordt Jezus hier op de berisping, die de houding der tegenstanders uitdrukte. Men zou echter ook kunnen aannemen, dat Hij antwoordt op de vraag, die Hijzelf gedaan had. Met het tIucs , wiens, wendt Hij zich tot ieder van hen in \'t bijzonder. De lezing ovos, ezel, in den T.R., die in den SinaUicus en eenige Mjj. gevonden wordt (vs. 5), is zouder twijfel uit de verbinding met /3oD?, os, of uit de gelijke uitspraak van 13: 15 ontstaan. Men moet u/c?, zoon, lezen: „Indien uw zoon, of ook maar uw os...quot; In de uitdrukking zoon spreekt zich, evenals in de uitdrukking dochter van Abraham (13 : 16) een gevoel van teeder medelijden met den kranke uit. Het is niet te miskennen, dat

205

1

T. R. leest ovo; (een ezel), met N K en 3 Mjj.; A fl en 10 Mjj. Syr (met Syrcur.): wos; D: Tpopxrov (een schimp).

2

T. B. leest ceurto vóór tf-o: txutcc, met A en 13 Mjj. Syr. (met Syr\' |;0; N B 1) L laten het weg.

-ocr page 216-

14 : 7—9.

er een verband bestaat tusschen de ziekte (waterzucht) en het onderstelde ongeval (iu een put vallen). Vgl. in 13 : 15 en 16 het verband tusschen het touw, waarmede de os aan de kribbe vastgebonden was , en de kluisters, waarmede de Satan den kranke geboeid had. Wij vinden ook hier de volmaakte gepastheid, die de woorden des Heeren tot zelfs in het uitwendige decoratief kenmerkt. Matth. 12 : 11 wordt dit beeld op de genezing van een mensch met een dorre hand toegepast. Deze toepassing is minder gelukkig.

Vs. 7—11. Het oogenblik, waarop men aan tafel gaat; een vermaning tot nederigheid.

Vs. 7—9. „Bemerkende, hoe de genoodigden de eerste plaatsen kozen, zeide Hij tot hen een gelijkenis, met deze woorden: 8. Wanneer gg door iemand ter bruiloft genoodigd zijt, zet u dan niet op de eerste plaats, opdat niet misschien een, die aanzienlijker is dan gij, door hem genoodigd zij, 9. en hij die u en hem genoodigd heeft, naderbij komende, tot u zegge: Maak plaats voor deze! en gjj alsdan tot uw schande de laatste plaats moet gaan innemen.quot;

Hetgeen in deze woorden vervat is, is geenszins, zooals men dikwijls gemeend heeft, een raad van wereldsche voorzichtigheid, noch in de gedachte des Heeren, noch in die van Lukas {Ilollzmanri). Zelfs de uitdrukking gelijkenis (vs. 7) en de spreuk van vs. 11 verzetten zich tegen deze zienswijze, en laten slechts een godsdienstige beteekenis en een geestelijke toepassing van deze plaats toe; vgl. 18: 14. Onder dit bevallig en zeer passend beeld geeft Jezus den gasten een les over de nederigheid, in den diepsten zin van het woord. Ieder moet in zijn hart voor God altijd weder de laagste plaats innemen, of, zooals Paulus zegt in Philipp. 2:3,

206

-ocr page 217-

14 : 10—11.

de anderen uitneniender nr.hten dan zichzelven. Het is God, die ten slotte ieder de plaats zal aanwijzen, welke hij moet innemen. Zijn oordeel is onafhankelijk van het onze. Maar als wij ons op de laatste plaats zetten, dan stellen wij ons slechts bloot aan de kans van verhoogd te worden. — :

zijn aandacht vestigende op deze manier van doen, die bij de Pharizeën gebruikelijk was (Luk. ^0 : 46). — Ewald en Ilolliman stooten zich aan de uitdrukking bruiloft (vs. 8), die niet zou passen voor zulk een eenvuudigen maaltijd als deze. Doch Jezus spreekt in de gelijkenis in het geheel niet over den tegenwoordigen maaltijd. Hij denkt aan een feestmaal. De reden, waarom Hij een bruiloftsfeest daarvan maakt, is, dat bij zulk een gastmaal wel stipter op den rang wordt gelet, dan bij een gewonen maaltijd. — Deze man moet tot aan de laatste plaats afdalen, omdat in dien tusschentijd al de tusschenliggende zetels bezet zijn geworden.

Vs. 10 —11. „Maar wanneer gij genoodigcl zult zijn, ga heen, en zet u 1) op de laatste plaats, opdat, wanneer hij die u genoodigd heeft, komt, hij tot u zegge2): Vriend, ga hooger op zitten! En dat zal u eer aandoen in de oogen van al 3) degenen, die met u aanzitten; 11. want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.quot;

De uitdrukking; dat zal n eer aandoen zou een kinderachtige aanmoediging zijn, als zij niet op oen hemelsche werkelijkheid wees.

207

1

T. B. leest, met Mun., uvxrsirov, al do Mjj.: uvxveire

2

T. B. leest e/Tgt;(, met AD eu 12 Mjj.; N B L X Syr: epti.

3

8) N A 13 li X lezen txvtuv vddr rwv; T. B. laat het wog, met I) en 12 Mjj. It.

-ocr page 218-

14 : 12—14.

Vs. 12—14. Men heeft plaats genomen; een vermaning tot weldadigheid.

Vs. 12—14. „En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genoodigd had: Wanneer gij een ontbijt of een middagmaal zult geven, noodig dan niet uw vrienden uit, noch uw broeders, noch uw bloedverwanten, noch uw rijke buren, opdat ook zij u niet weder noodigen, en u vergelding geschiede. 13. Maar wanneer gij een gastmaal houdt, noodig dan armen, verminkten, kreupelen; 14. en gij zult zalig zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden; want1) het zal u vergolden worden bij de opstanding der rechtvaardigen.quot;

208

Toen ieder plaats genomen had, ontdekte Jezus, dat de gasten over het algemeen tot de hoogere klasse der maatschappij behoorden. Dit geeft Hem aanleiding om tot zijn gastheer een vermaning tot liefdadigheid te richten, die hij, evenals de vorige, inkleedt in den vriendelijken vorm van een aanbeveling van hetgeen vereischt wordt door het welbegrepen belang van den persoon, tot wien Hij spreekt. Het ityjiroTc, opdat niet (vs. 12), heeft iets vroolijks en bijna schertsends: „Wees op uw hoede: hetzelfde terug te ontvangen is een ongeluk, dat vermeden moet worden! Want als men hier beneden reeds vergelding ontvangen heeft, dan is het gedaan met de toekomende.quot; Jezus wil niet verbieden, degenen, die men liefheeft, bij zich te ontvangen. Hij wil enkel zeggen: „Met het oog op het toekomende leven, kunt gij het nog beter maken.quot; Het is niet zonder opzet, dat Jezus de vrienden vóór de broeders en de bloedverwanten noemt: er is sprake van een vreugde-maal. De uitnoodiging

1

N leest h, in p\'aals van y«p.

-ocr page 219-

14 : 15—IV.

der bloedverwanten is meer een zaak van plicht. —• \'AvxTrypoi: zij, die beroofd zijn van een zintuig of van een lid; meestal blinden of kreupelen; hier, waar deze twee categorieën afzonderlijk vermeld worden, verminkten in het algemeen. — De uitdrukking: opstanding der rechtvaardigen (vs. 14) sluit op zichzelf niet noodwendig in zich het onderscheid tusschen twee achtereenvolgende opstandingen, eerst die der rechtvaardigen en vervolgens, na een tusschenruimte, de algemeene opstanding. Die uitdrukking kan eenvoudig beteekenen: wanneer de rechtvaardigen zullen opstaan, bij de inwijding van het Messiaansche rijk. Daar echter uit Luk. 20 : 35 schijnt te blijken, dat dit onderscheid in de gedachte van Jezus lag (zie bij die plaats), is het natuurlijker, ook hier de uitdrukking uit dit oogpunt te verklaren; vgl. 1 Cor. 15:23; Philipp. 3 : 11; Openb. 20 : 5—6. — Dan zal, volgens het schoone beeld, dat de profeten gebruikt hebben, „ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom gezeten zijn,quot; en de uitnoodiging van zijn aardschen weldoener kunnen teruggeven.

Vs. 15—24. De gelijkenis van het groote feestmaal.

Vs. 15—17. „Toen een van degenen, die mede aanzaten, deze woorden hoorde, zeide hij tot Hem: zalig hij \'), die deel zal hebben aan den maaltijd 1) in het koninkrijk Gods. 16. En Hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde 2) een groot feestmaal, en noodigde velen uit. 17. En hij zond zijn dienstknecht uit op het uur van den maaltijd, om tot de genoodigden te zeggen: Komt, want (de maaltijd)\'3) is gereed.quot;

209

1

In plaaats vim aprov, lezen B en 6 Mjj. Syrcur. ufiirTov

2

X 15 R Syrcur lezen eyroiei, in plaats van eTroiyirtv,

3

BLPR lezen ottii;, iu plaata van o;.

-ocr page 220-

14; 15—17.

Dit onderhoud wijst op een later oogenblik van den maaltijd. Jezus heeft zoo even te kennen gegeven, dat de rechtvaardigen in het Koninkrijk Gods een vergelding zullen ontvangen, zelfs voor de geringste liefdebetooningen hier beneden. Dit woord lieeft in het hart van een der gasten hot aangename voorgevoel van de hemelsche vreugde opgewekt; of het is misschien voor hem slechts een gelegenheid om Jezus een strik te spannen en Hem er toe te brengen, oen ketterij over dit onderwerp uit te spreken. De strenge strekking der volgende gelijkenis schijnt voor deze tweede opvatting te pleiten. In ieder geval bewijst de opsomming van vs. 21 (vgl. vs. 13) het nauwe verband, dat er bestaat tusschen deze twee gedeelten van het onderhoud.

De uitdrukking aprcv (pxysTv, brood den, is Hebreeuwsch; zij beteekent: den maaltijd gebruiken. De spreker wil zeggen: „Zalig degene, die toegelaten zal worden tot het hemelsche feestmaal!quot; Jezus bespeurt, dat deze man geen begrip heeft van de zedelijke voorwaarden, waaraan men beantwoorden moet, om te worden toegelaten. „Ja, zalig de zoodanige! Maar zie toe, dat gij deze zaligheid niet van U afstoot, terwijl gij de grootheid daarvan roemt! De uitnoodiging van Godswege, die tot ü gekomen is, is niet genoeg; gij moet haar ook aannemen.quot; Do lezing sirolei, bereidde, bevat juist de gedachte, dat de maaltijd nog uitgesteld, onzeker blijft, zoolang de genoodigden niet gekomen zijn. Het woord nohhou-, vele gasten (vs. 1G), is reeds waar, als het op het Joodsche volk alleen wordt toegepast. Want deze uitnoodiging stelt de voorkomende liefde voor, die God Israël betoond heeft in alle tijdperken zijner geschiedenis. — De laatste kennisgeving aan de gasten (vs. 17) heeft betrekking op de werkzaamheid van Johannes den Dooper en op die van Jezus-zelf. Het is in het Oosten de gewoonte, een laatste waarschuwing te zenden tegen het uur van den maaltijd; zie Rosenmidler, Monjenl., V, bl. 192 en 193; Thompson, The Land and the Hook, I, bl. 9: „In de Arabische legerplaatsen en dorpen hoort men op het uur van den maaltijd de waarschuwing weerklinken: Alles is gereed!quot; Vergeten is daarom niet

210

-ocr page 221-

14 : 18—22.

mogelijk. Met de woorden: „Alles is gereedquot; spreekt Jezus de heerlijke waarheid uit, dat de zaligheid een onverdiende genadegave is.

Vs. 18 — 20. „En zij begonnen allen zich eenstemmig te verontschuldigen. De eerste zeide: Ik heb een akker gekocht, en het is volstrekt noo-dig, dat ik uitga en hem bezie \'); ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 19. En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga ze beproeven; houd mij voor verontschuldigd. 20. En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.quot;

Deze redenen van weigering zijn niet ernstig gemeend; zij bewijzen slechts den kwaden wil der genoodigden; daar zij lang te voren gewaarschuwd waren, hadden zij wel oen anderen dag voor deze verschillende bezigheden kunnen kiezen. Dat deze weigeringen slechts uitvluchten zijn, blijkt ook uit de gelijkvormigheid der antwoorden. Zij klinken als een refrein {ono /mxv , sc. Cpavijc of yvuftw, vs. 18). liet is een afgesproken zaak. De eigenlijke reden is blijkbaar, dat zij een afkeer hebben van den persoon, die hen uitnoodigt; vgl. Joh. 15 : 24; „Zij hebben mij en mijn Vader gehaal quot; — Men lette er op, dat de tweede minder beleefd is in zijn weigering dan de eerste (weglating van: ik bid u), en de derde nog minder dan de tweede (weglating van: houd mij voor verontschuldigd). Deze laatste gevoelt zich beter gedekt door den aard zijner verontschuldiging.

Vs. 21—22. „En die dienstknecht 1) teruggekeerd

211

1

N A BI) en B Mjj. laten skcivoi; weg, dat T. R. met 12 Mjj. Syr. leest-

-ocr page 222-

14 : 21—22.

zijnde, boodschapte zijn heer deze dingen. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastig uit naar de pleinen en de straten der stad, en laat de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier binnenkomen. 22. En de dienstknecht zeide: Heer, ik hob gedaan zooals \') gij bevolen hebt, en nog is er plaats.quot;

In het verslag van ilea dieustknecht over het resultaat zijner zending zegt Slier, de echo te hoeren van de smartvolle klachten van Jezus over de verharding der Joden, gedurende zijn lange nachten van gebed. — De loom van den heer (opyitOsh) is de weerstuit van den haat, dien hij op den bodem dezer weigeringen ontdekt. — De eerste van de twee nieuwe uitnoodigingen, die hij zijn dienstknecht opdraagt, stelt de oproeping voor, die Jezus gericht heeft tot de laagste klassen der Joodsche maatschappij, tot hen, die gebroken hadden met de theocratie, en in 15 : 1 de lollenaren en zondaren genoemd worden. WaxtsIxi ; de grootere straten, die zich tot pleinen verbreeden; pvpxi: de kleine dwarsstraten. Men is nog niet buiten de stad gegaan, d. w. z.: er is nog sprake van de leden van het Joodsche volk.

Vs. 23—24, „En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit op de wegen en langs de hagen, en dwing hen om in te komen, opdat mijn huis vol worde. 24. Want ik zeg ulieden, dat geen van die mannen, die genoodigd waren, mijn avondmaal smaken zal.quot;

Deze tweede nieuwe uitnoodiging stelt blijkbaar de roeping

I) N li D L li lozen o, in plaats van w;.

212

-ocr page 223-

14 : 23—24.

213

der heidenen voor; want de personen, tot wie zij gericht wordt, zijn niet meer inwoners van de stad. Omdat de liefde Gods oneindig groot is, eischt zij een groofe menigte van gasten; geen enkele zitplaats mag onbezet blijven. Het aantal der uitverkorenen is vooraf geregeld naar den rijkdom der goddelijke heerlijkheid, die zich slechts in een zeker aantal menschelijke wezens volkomen kan afspiegelen. Daarom zal de uitnoodiging en dus ook de geschiedenis van ons geslacht zoolang voortduren, totdat dit aantal bereikt is. Zoo laat zich het goddelijk raadsbesluit met de menschelijke vrijheid vereenigen. In vergelijking met het aantal geroepenen, zijn er ongetwijfeld weinigen, die zalig worden, en wel door de schuld van de eerstgenoemden; maar dit neemt niet weg, dat er, in absoluten zin, vele gezaligden zullen zijn. — Met cppxy,uoi worden bedoeld: de hagen, die de eigendommen afschutten , en waar de landloopers neerhurken. De uitdrukking: dwing ze om in te komen heeft betrekking op menschen, die gaarne zouden ingaan, maar door een natuurlijke schroomvalligheid worden teruggehouden. De Heer voorziet dit aarzelen bij deze laatsten. De dienstknecht moet hen om zoo te zeggen in het huis drijven in weerwil, van hunne bezwaren. Zij moeten dus niet van hunne vrijheid worden beroofd, maar veeleer worden vrijgemaakt van hetgeen het gebruik daarvan belemmert. Want zij zouden wel willen, maar durven niet. — Gelijk vs. 21 de tekst is van het eerste gedeelte der Handelingen (1—12, bekeering der Joden), zoo zijn vs. 22 en 23 die van het tweede gedeelte (13—28, bekeering der heidenen). Deze laatstgenoemde verzen zijn in de werkelijkheid do tekst van de geheele tegenwoordige bedeeling. Dit is zoo duidelijk dat Weizsacker Lukas beschuldigt, dat hij deze onderscheiding tusschen twee nieuwe roepingen ten gunste vau het zendingswerk van Paulus onder de heidenen aan de oorspronkelijke gelijkenis heeft toegevoegd. Indien deze uitspraak over de roeping der heidenen de eenige was, die de Evangelisten aan Jezus hebben toegeschreven, zou men misschien zulk een argwaan kunnen begrijpen, Maar dit denkbeeld werd reeds door 13; 28—30

-ocr page 224-

14 : 23-24.

uitgedrukt, en deze zelfde uitspraak komt ook bij Mattheus voor. Vgl. bovendien Matth. 24 : 14 en Joh. 10 : 16. — Volgens verscheidene uitleggers zou vs. 24 niet meer tot de gelijkenis behooren, maar de toepassing daarvan zijn, door Jezus tot de Hem omringende gasten gericht („i/c zecj uliedenquot;). Maar het subject van het „ik zeg uliedenquot; is klaarblijkelijk nog de hoer van de gelijkenis, en het pronomen ulieden doelt op de personen, die rondom hem verzameld zijn, terwijl hij het bevel geeft. Alleen deed de ernstige blik, waarmede Jezus zonder twijfel de geheele vergadering aanzag, terwijl Hij den heer van de gelijkenis deze vreeselijke bedreiging in den mond legde, de aanwezigen gevoelen, dat het in de gelijkenis geschilderde tooneel van de verachting van de goddelijke uitnoodiging op ditzelfde oogenblik tusschen Hem en hen werkelijk plaats vond.

In Matth. 22 : 1—14 komt een gelijkenis voor, welke tamelijk op deze gelijkt, maar op verscheidene punten daarvan verschilt. Daar is sprake van een koning, die het huwelijk van zijn zoon wil vieren: Tweemaal worden dienstknechten tot de genoodigden gezonden. De eerste zending doelt volgens Göbel op Johannes den Dooper, en de tweede op Jezus en zijn apostelen; maar het komt mij voor, dat de eene veeleer op de prediking van Jezus, en de andere op die der apostelen betrekking heeft. De genoodigden antwoorden niets, en gaan naar hun bezigheden, zonder zich over de uitnoodiging te bekommeren; zelfs mishandelen eenigen hunner de dienstknechten des konings. Deze laat de stad verwoesten, waar de muiters wonen (blijkbaar het beeld van Jeruzalem). Verder bevindt zich onder de gasten, die geroepen werden, om de eerstgenoodigden te vervangen, iemand, die geen bruiloftskleed aanheeft, en buiten de zaal wordt geworpen. — Weiss ziet in deze twee schilderingen twee omwerkingen van dezelfde gelijkenis, die de apostolische Mattheus bewaard had. Hilgenfeld en Weizsdcker meenen, dat Lukas de gelijkenis van Mattheus gewijzigd heeft, om de roeping der heidenen daarin in te voeren. Reuss en Göbel nemen twee verschillende gelijkenissen aan; want

214

-ocr page 225-

14 : 23—24.

waarom zou Jezus hotzelfile booM niet bij twee vurscliilletule gelegenheden gebruikt hebben? — In ieder geval zou men, als de eene vorm een omwerking van den anderen is, aan Lukas de oorspronkelijkheid moeten toekennen; want do vorm is bij hem veel eenvoudiger, terwijl dio van Mattheus verscheidene bestanddeelen bevat. Het denkbeeld van de roeping der heidenen, dut wij bij Lukas vinden, bewijst niets tegen zijn oorspronkelijkheid, daar het ook in do gelijkenis van Mattheus zelf voorkomt; vgl. vs. 8—10 met 21:41 van hetzelfde Evangelie. Zelfs vinden wij bij Mattheus, behalve de roeping der heidenen, hot denkbeeld van de schifting, die eenmaal in de uit hun midden verzamelde nieuwe gemeente moet plaats vinden, en overeenkomt met die, wolke in den kring der eerstgenoodigden in Israël voorafgegaan is. In het algemeen heeft de gelijkenis van Mattheus een meer profetisch karakter, en heeft zij meer dan die van Lukas op de toekomst betrekking (verwoesting van Jeruzalem), hetgeen in overeenstemming is met het feit, dat, volgens onze twee berichten, de eene later uitgesproken is, dan de andere. Dat er dus twee verschillende gelijkenissen zijn geweest, schijnt mij niet twijfelachtig toe; daarentegen houd ik het voor waarschijnlijk, dat eenige trekken van de eene in de schildering van de andere zijn overgegaan, en dit laat zich ook gemakkelijk begrijpen, als beide door do mondelinge overlevering bewaard zijn geworden.

IV. 14:25—35. Ee ne waarschuwing tegen overijlde belijdenissen.

De toestand is nog altijd die van een reis. Groote scharen vergezellen Jezus. Er is dus geestdrift, en menigeen laat zich medesleepen. Dit kunnen wij opmaken uit het meervoudige ox^oi, scharen, het adj. ttoMoi, vele, en het imperf. van duur avveiropsvovTo, gingen mei Uem. Deze korte inleiding verschaft, zooals gewoonlijk, den sleutel tot de volgende toespraak, die behelst; 1°. do waarschuwing (vs. 26 en 27); 2°. twee gelijkenissen, die haar bevestigen (vs. 28—32); 3°. een in een nieuw beeld ingekleed slot (vs 33—35.).

215

-ocr page 226-

14 : 25—27.

21G

1°. Vs. 25—27. De waarschuwing: „En vele scharen gingen met Hem; en zich omkeerende, zeide Hij tot haar: 26. Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters. Ja, ook zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn discipel niet zijn. 27. En \') wie zyn kruis niet draagt, en mij volgt, kan mijn discipel niet zijn.quot;

Toen Jezus de scharen zag, begreep Hij, dat er een misverstand plaats had. Het Evangelie kan, recht verstaan, niet de zaak der groote menigte zijn. Hij neemt het woord, om dezen valschen toestand in het licht te stellen; „Gij gaat met mij op naar Jeruzalem, alsof gij naar een feest gingt. Maar weet gij wel, wat het inheeft, u bij mijn gevolg aan te sluiten ? Het beteekent afstand te doen van al wat u het dierbaarst is, zelfs van uw eigen leven (vs. 26), en aan te nemen het smartelijkste, dat er is, het kruis (vs. 27).quot; — Tol mij komen (vs. 26) geeft de uitwendige aansluiting aan Jezus te kennen, terwijl mijn discipel zijn (aan het einde van het vers) de wezenlijke gehechtheid aan zijn persoon en zijn geest aanduidt. Zal het uitwendig volgen van Hem een werkelijke eenheid met Hem, en de band tusschen den belijder en Hem een innerlijke en duurzame band worden, dan moet bij den eerstgenoemde een breken met al wat hem van nature dierbaar is plaats vinden. Men geeft menigmaal aan het woord halen op deze plaats de beteekenis van; minder liefhebben. Bleek haalt voorbeelden aan, die niet zonder bewijskracht zijn, zooals Gen. 29 : 30 en 31. Dit ligt ook in de omschrijving van Mattheus (10:27): ó Qthüv,... vTrsp ê/té. Toch is het eenvoudiger, de natuurlijke beteekenis van het woord haten te behouden, als zij een aannemelijke

1) N B L laten nxi weg, dat X. R met A eu 12 Mjj. It. Syr. ca Syrciif leest.

-ocr page 227-

14 ; 25—27.

toepassing toelaat. Dit nu is hot geval, wanneer wij aannemen, dat Jezus hier de geliefde personen, die Hij opnoemt, beschouwt als vertegenwoordigers van het natuurlijke leven, van dat eigen eu in den grond zelfzuchtig leven, hetwelk zich verheft tegen het leven in God, en als tegenstanders van de gehechtheid aan zijn persoon. Deze zin vloeit voort uit de laatste uitdrukking der opsomming: ja, ook zelfs zijn eigen leven. Dit woord verklaart de uitdrukking halen. In den grond is het eigen leven het eenige, dat men haten moet. Al het andere is dan alleen hatelijk, wanneer het met dit beginsel der zonde en des doods in betrekking staat. Volgens Deut. 21 : 18—21 moeten, wanneer iemand zich beslist slecht of goddeloos betoont, zijn vaderen zijn moeder het eerst den steen opnemen, om hem te steenigen. Jezus doet hier niets anders, dan dit voorschrift op het geestelijke toepassen. De woorden: ja, ook zelfs zijn eigen leven sluiten dan ook het zondige van dezen baat uit, en laten daarin slechts een afkeer van zedelijken aard zien.

Vs. 27. Niet alleen moet men, om Jezus tot het einde toe te kunnen volgen, genegenheden opofferen en banden verbreken, maar men moet ook lijden aanvaarden. Het zinnebeeld van dit positief kwaad, dat ondergaan moet worden, is hel kruis, de vernederendste en smartelijkste straf, die sedert de Komeinsche overheersching in Israël was ingevoerd. — Men zou, zonder een ou vóór spXiTxi aan te vullen, kunnen vertalen; „Wie niet... draagt, en (nochtans) mij volgt...quot; Doch deze interpretatie is minder natuurlijk. — Wij hebben in 9 : 23 een woord gevonden, dat aan dit geheel gelijk is en ook tot de scharen gesproken werd, maar in het Noorden van Galilea. Deze goedgezinde scharen, die Jezus volgden, maar zonder waarachtige bekeering, hadden zich nooit iets dergelijks voorgesteld als Hij haar hier te kennen geeft, Hunne Messiaaasche vooroordeelen deden hen een geheel tegenovergestelde toekomst verwachten. Jezus maakt door twee gelijkenissen deze twee onmisbare voorwaarden van de ware gemeenschap met Hem voor hen aanschouwelijk (vs. 28—32).

217

-ocr page 228-

14 : 28—30.

2°. Vs. 28—32. De twee gelijkenissen.

Vs. 28 —30. De onbedachtzame bouwer: „Want wie van u, die een toren wil bouwen, zit niet eerst neder, en berekent de kosten om te zien, of hij ook heeft hetgeen tot voltooien noodig is \'); 29. opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft en den toren niet bouwen kan, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten, 30. zeggende: Deze mensch heeft beginnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen?quot;

Het op te richten gebouw is het beeld van het christelijk leven, van zijn positieve zijde beschouwd; het werk des behouds in het hart en in het leven des geloovigen. De uitdrukking toren geeft een aanzienlijk huis met een toren, dat noodwendig in het oog valt, te kennen. Het christelijk leven is, als het consequent doorgevoerd wordt, een verschijning, die buitengewoon is, en niet kan nalaten, de aandacht te trekken. Maar bouwen brengt kosten met zich mede; en als het werk eenmaal begonnen is, moet men het ook voltooien; anders stelt men zich aan de algemeene bespotting bloot. Daarom is het bepaald noodig, vooraf zijn bestek te maken en na te gaan, of men betalen kan wat zulk een arbeid zal kosten. Het benoodigde geld is voor den geloovige het eigen leven, dat hij geheel ten offer moet brengen, om de heiligmaking tot het einde toe te kunnen voortzetten. Het werk Gods kan niet met ernst worden voortgezet, zonder dat men dagelijks een gedeelte opoffert van hetgeen het natuurlijke vermogen des harten uitmaakt, inzonderheid de in vs. 26 vermelde diepgaande genegenheden. Men moet dus, voordat men als belijder optreedt, deze

1) T. B. leest tx Tfo? N A met 11 Mjj.: ra eii; aT. j

BDLEi eit; cnr, (zonder tik).

218

-ocr page 229-

14 : 31- 32.

gevolgen goed overwogen hebben en vastbesloten zijn, voor geen enkel daarvan terug te deinzen, en, als men zich zoo mag uitdrukken, de rekening tot op den laatsten cent te betalen. Zich nederzetten en berekenen zijn de zinnebeelden van de stille afzonderingen en de ernstige overpeinzing, die een ware belijdenis moeten voorafgaan. Dit is precies hetzelfde, wat Jezus-zelf in de woestijn had gedaan. Wat gebeurt er, als deze voorwaarde verouaebtzaamd is? Na zich op krachtige wijze voor Jezus te hebben uitgesproken, deinst de nieuwe belijder hoe langer hoe meer terug voor de onvoorziene en niet aanvaarde gevolgen van de nieuwe positie. Verschrikt blijft hij voor het offer van het natuurlijk leven staan; en door deze inconsequentie lokt hij de verachting en bespotting uit van de wereld, die een der haren terugvindt in hem, die zich met zooveel ophef van haar afgescheiden had. Niets doet meer schade aan het Evangelie, dan deze wereldkundige terugvallingen, die het gevolg zijn van een overijlde belijdenis.

Vs. 31 — 32. De onbedachtzame krygaman: „Of welk koning, die uitgaat om tegen een anderen koning oorlog te voeren, zet zich niet eerst neder en beraadslaagt, of hij sterk genoeg is, om met tienduizend man hem, die met twintigduizend tegen hem komt, te gemoet te gaan? 32. Zoo niet, dan zendt hij, terwijl deze nog ver is, een gezantschap naar hem toe, en vraagt hem, om vrede te sluiten

219

Wij hebben hier het zinnebeeld van het christelijk leven, uit een negatief, polemisch oogpunt beschouwd. Gelijk het christelijk leven bij een toren, die kostbaar is om te bouwen, vergeleken kan worden, zoo gelijkt het ook op een gevaar-

1) T. E. leest, met AD en 12 Mjj., tx xpo?; N: 517105; Xri:

-ocr page 230-

14 : 31—82.

220

lijken oorlog, nl. een, dien een koning tegen een vijand, die materieel sterker is dan hij, te voeren heeft. Voordat men dus zulk een tegenstander door een oorlogsverklaring, de openlijke belijdenis van het Evangelie, trotseert, moot men met zichzelf raad gehouden en zich vergewist hebben, dat men bereid is, de uiterste consequentie dezer beslissing te aanvaarden, d. w. z. voor de zaak, die men omhelsd heeft, zelfs zijn leven te geven, als het geëischt wordt; vgl. vs. 27. Zou zulk een klein volk als de Zwitsers zich niet belachelijk maken, als het Duitschland den oorlog ging verklaren, zonder besloten zijn, met eer op het slagveld te sterven? Zou Luther niet als een dwaas hebben gehandeld, indien hij de stellingen had aangeplakt of de Pauselijke bul had verbrand, voordat hij in zijn binnenste het offer van zijn leven gebracht had? Het is heldhaftig, den strijd aan te binden voor een rechtvaardige en heilige zaak, maar op ééne voorwaarde: dat uien vooraf den dood heeft aanvaard als het mogelijk einde van dezen weg; anders is deze oorlogsverklaring niets anders dan blufferij. — De woorden: of hij sterk genoeg is hebben een lichte tint van ironie: sterk genoeg, om te overwinnen, en, daar dit onder zulke omstandigheden onmogelijk is, om in dezen ongelijken strijd om te komen. — Men heeft in vs. 32 een uitnoodiging gezien, om zich rekenschap te geven van zijn zwakheid, ten einde de hulp van God te zoeken {Olshausen), of een vermaning, om zich onverwijld mei God te verzoenen {Gerlach). Deze twee verklaringen zijn onhoudbaar, omdat de vijandige koning, dien men door de belijdenis van het Evangelie tart, niet God, maar de vorst dezer wereld is. Jezus richt zich hier tot hen, die zich voor discipelen uitgeven, zonder besloten te zijn, alles ten offer te brengen, met de uitnoodiging, zoo spoedig mogelijk zich te onderwerpen aan de wereld en haar vorst, juist zooals Hij in de voorgaande gelijkenis hen, die niet besloten zijn hunne aardsche bezittingen op te offeren, uitgenoodigd heeft, geen aanvang te maken met de belijdenis van het Evangelie. Het is beter, geen „Ilozannaquot; te roepen, dan met een „Kruis Hem!quot; te eindigen; beter, een recht-

-ocr page 231-

14 : 33—35.

schapen, in godsdienstig opzicht onbekend mensch te zijn, dan te worden wat het allertreurigste in de wereld is: een ontrouwe discipel van Jezus! Voor hen, die liet gevolg van Jezus uitmaken, is het dus raadzaam, spoedig weêr bij het Sanhedrin in de gunst te komen, indien zij niet besloten zijn, hun nieuwen Meester tot aan het kruis te volgen! Ook dit voorschrift ontleende Jezus aan zijn eigene ervaring. Hij had in de woestijn met den vorst dezer wereld en met het leven afgerekend, voordat Hij openlijk zijn werk begon. Met recht zegt Gess: „Deze twee gelijkenissen doen zien, met welk een ernst Jezus-zelf zich op den dood had voorbereid.quot;

3°. Vs. 33—35. De toepassing van de twee gelijkenissen, gevolgd van een nieuw beeld, waardoor zij bevestigd wordt.

Vs. 33—35. „Alzoo dan, een iegelijk van u, die geen afstand doet van alles wat hij heeft, kan mijn discipel niet zijn. 34. Het zout is ^ iets goeds; maar 1) indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal men het zijn smaak teruggeven? 35. Het is noch als grond noch als mest nuttig; men werpt het buiten. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot;

Wij hebben hier het laatste woord van deze waarschuwing, die bestemd is, om deze ondoordachte geestdrift der menigte te doen bedaren. De uitdrukking: afstand doen van alles wat hij heeft, van het natuurlijke leven, zoowel als van al de genegenheden en al de goederen, waarin het zijn bevrediging zoekt, vat de twee voorwaarden, die in vs. 2(3 (het afstand doen van het genot) en vs. 27 (de aanvaarding van het kruis) vermeld zijn, te zamen.

221

1

T. E. leest -Je, met A en 13 Mjj.; NBDLX: 5e hui.

-ocr page 232-

14 : 33—35.

Vs. 34. Het zout neemt de smakeloosheid van zekere zelfstandigheden weg, en behoedt andere voor bederf; en de wonderbare werking daarvan op de stoffen, die aan zijn verlevendigende kracht onderworpen zijn, is iets goeds, en zelfs schoons om gade te slaan (nx^óv). Zoo is ook de rol van den discipel van Christus, die door den wrangen en scherpen smaad van het Evangelie, waarvan hij doordrongen is, een reinigende en levenwekkende werking op het krachte-looze of bezoedelde leven der hem omringende menschheid uitoefent, iets schoons. Maar aan den anderen kant is er niets treurigers, dan dat zulk een discipel niet in staat is, het eigen ik en de aardsche goederen en genietingen te verzaken, en op deze wijze de kracht tot heiligheid, die in hem gelegd was, verlamt. Maundrell (in zijn Journey from Aleppo lo Jerusalem, bl. 161—162) verhaalt, dat hij in een groeve van een zoutberg een stuk zout afgebroken heeft, dat geheel smakeloos was, hoewel het nog al het aanzien van zout had (zie Morison, Commentaar op Markus, bij 9 : 50). Zoo kan het Evangelie bij den discipel, die geen. afstand heeft gedaan van zichzelf, onder den schijn van christelijke belijdenis van lieverlede zijn kracht verliezen, totdat het eindelijk geheel krachteloos wordt, en hem niet meer in staat kan stellen, op de wereld, die hem omringt, de vernieuwende en heiligende werking uit te oefenen, waarvan hij het orgaan moest zijn. Zijn lot is alsdan veel erger, dan wanneer hij het Evangelie nooit beleden had. Als het zout eenmaal smakeloos geworden is, kan het niet weêr zoutig gemaakt worden; want het echte zout, dat men daarmede vermengen zou, zou hoegenaamd geen verandering kunnen aanbrengen in zijn bedorven toestand. Zoo is ook een afgevallen christen voor het hooger leven verloren; hij kan niet meer vernieuwd worden door het Evangelie, welks werking op hem mislukt is. Het kan niet opgevat

worden in den onpersoonlijken zin van: „Waarmede zalmen zouten?quot; Want Jezus schildert hier niet de nadeelen van zulk een ontrouw voor de wereld, maar voor den belijder zelf; vgl. het: men werpt hel buiten van vs. 35. Het subject

222

-ocr page 233-

14 ; 33—35.

van het verbum is dus to ccï-ou; , het zout zelf: „waarmede zal het zout gezouten worden?\'\' Vgl. Mark. 9 : 50: sv rlvt kvto xptujste: „waarmede zult gij hel zouten?quot;

Vs. 35. Het laf geworden zout is tot niets meer nut; het kan noch als grond tot beplanten gebruikt worden, zooals de aarde, noch tot bemesting, zooals de mest, om den wasdom te bevorderen. liet is dus tot niets anders meer goed, dan om buiten geworpen, om door de menschen vertreden le worden (Matth. 5 : 13). Ligt hierin een toespeling op het feit, dat men somtijds de glibberige wegen met zout bestrooide? Vgl. Eruhin, f. 104, 1; Spargunl salem in clivo ne nulent (pedes). Neen, de zin is eenvoudig, dat, als bet zout ophoudt te zouten, het tot niets meer geschikt is. Het natuurlijk leven kan zijn nut hebben voor het rijk Gods, hetzij in den vorm van wereldsche eerbaarheid, welke door de aarde wordt voorgesteld, hetzij zelfs in dien van een slecht gedrag, waarvan de mest het zinnebeeld is. In het eerste geval is het inderdaad nog de grond, waarin de kiem van het hooger leven kan worden geplant; en in het tweede kan het tenminste een heilzame reactie teweegbrengen bij hen, die de zonde met verontwaardiging of met walging vervult, en hen op deze wijze er toe drijven, om het heil te zoeken; terwijl de afval van een christen niets anders doet, dan hemzelf en anderen afkeer van het Evangelie inboezemen. De uitdrukking: buiten werpen (aan het verderf prijsgeven, Joh. 15 : 6) maakt den overgang tot de laatste uitnoodiging: Wie ooren heeft ... — Deze uitspraak is zonder twijfel de grondslag van de beroemde plaats Hebr. 6 :4—8. — Deze waarschuwing, welke Jezus tot de scharen richtte, die Hem volgden, alsof zij reeds gomeene zaak met Hem maakten, heeft dus dezen zin: „Het is beter een neutrale, afwachtende, en zwijgende houding tegenover mij aan te nemen, dan haastig een geestdriftvolle geloofsbelijdenis af te leggen, die spoedig door verslapping en afval gevolgd zal worden. Want deze laatste toestand zou de ziel in een grooter gevaar brengen, dan haar natuurlijke verdorvenheid.quot;

Markus plaatst deze uitspraak, evenals Lukas, tegen het

223

-ocr page 234-

15 : 1—2.

einde der Galileesche werkzaamheid (9:50); Mattheus, geheel aan het begin, in de bergrede (5 : 13), daar, waar de heerlijkheid van de roeping der geloovigen beschreven wordt. Het is duidelijk, dat zulk een waarschuwing zich beter laat begrijpen op een meer verwijderd tijdstip. Mattheus is wellicht door de analogie met de gelijke uitspraak; „Gij zijt het licht der wereldquot; (vs. 14) er toe gebracht, haar daar te plaatsen.

V. 15 i 1—32. De gelijkenissen over de genade.

Dit gedeelte bevat: 1°. een historische inleiding (vs. 1 en 2); 2°. een paar gelijkenissen zooals die van Hoofdst. 13 en 14 (vs. 3—10); en 3°. een groote gelijkenis, die de twee vorige aanvult en kroont (vs. 11—32). Het is een dergelijke betrekking als bij de drie allegorieën van Joh. 10: 1—18.

1°. Vs. 1 en 2. De inleiding.

Vs. 1 en 2. „En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te hooren. 2. En de *) Pharizeën en de schriftgeleerden murmureerden , zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.quot;

224

Deze historische inleiding geeft ons, zooals gewoonlijk bij Lukas, den sleutel tot de volgende woorden. — llollzmann ziet in den vermelden stand van zaken niets anders, dan een verdichting van Lukas. Met welk recht? Weizsacker meent, dat Lukas een in de werkzaamheid van Jezus gewonen toestand in een bijzonder feit heeft veranderd. Zonder twijfel moesten dergelijke toestanden dikwijls voorkomen; maar het is juist dit, dat in den tekst zelf door den analytischen vorm faav iyyifyvrss is aangeduid. Het bijzondere

1) N B D L lezen re, na 01.

-ocr page 235-

15 : 1—2.

feit, dat Lukas op het oog heeft, begint in de werkelijkheid eerst in vs. 3, met het sJttsv Ss , en Hij zeide: „Op zekeren dag, toen de stand van zaken weer zoo was als in vs. 1 en 2 beschreven is, sprak Hij aldus.quot; Het ttxvtss verklaart zich uit hetgeen vroeger is opgemerkt. Zoodra Jezus aan een plaats kwam, waar zijn komst vooraf aangekondigd was, stroomden de tollenaren en de slechte menschen, die daar waren, naar Hem toe; want zij vonden bij Hem hetgeen zij tot hiertoe nog nooit aangetroffen en zelfs niet vermoed hadden: een heiligheid, die vrij was van Pharizeeschen hoogmoed en met hartelijke liefde gepaard ging. — De x,u.apTaho!, zondaars, waren de slechte menschen, die, evenals de tollenaren, met bet theocratische decorum gebroken haddon. H t waren diegenen in Israël, die builen de wet stonden. Maar waren zij daarom voor goed verloren ? Zeker zou de normale weg om met God in gemeenschap te treden de getrouwheid aan het verbond zijn geweest; maar de komst des Verlossers opende een anderen voor hen, die door hunne eigen schuld den eersten voor zichzelf hadden afgesloten. En het was juist dit, dat de ijveraars voor de Levitische inzettingen ergerde. In plaats van Jezus te erkennen voordengene, die de barmhartige gedachten van God had begrepen, wilden zij liever de medelijdende wijze, waarop Hij met de zondaren omging, aan een geheim welgevallen in de zonde toeschrijven. — Om Hem le hooren, en niet maar, om zijn wonderen te zien. Het was een drang van geestelijken aard, zooals Jezus zelden elders gevonden had. Daarom verschafte het Hem ook zulk een groote vreugde, zich aan hen te wijden en de schatten der goddelijke genade voor hen te ontsluiten. Dit ligt in het 7rpo(Tlt;ls%slt;jöxi, ontvangen, van vs. 2. Het auvetrólev, eten met, moet letterlijk worden opgevat; vgl. het gastmaal, dat de tollenaar Levi Hem bereidde (5 : 29). Deze daad was bij de toenmalige zeden van meer beteekenis, dan tegenwoordig. Door aldus te handelen, trotseerde Jezus al de Israëlitische begrippen van zedelijke welvoegelijkheid, — De volgende gelijkenissen moeten dienen, om deze manier van doen te rechtvaardigen.

Godet, Lukas. 11. l.rgt;

225

-ocr page 236-

15 : 3—4.

2°. Vs. 3—10. Do twee gelijkenissen van het verloren schaap en den verloren penning. — Wij hebben weêr een van die gelijkenis/wmï, die een zelfde waarheid onder twee elkander aanvullende gezichtspunten voorstellen (zie bij 14: 28—32 en 13: 19—21). Het gemeenschappelijke denkbeeld is in dit geval de barmhartige bezorgdheid van God ten opzichte van de verloren zondaars, tot wier werktuig Jezus zich maakt door de handelwijze, die Hem op dit oogenblik verweten wordt. Het verschil tusschen die tweo gezichtspunten zal van zelf openbaar worden.

Vs. 3—7. Het verloren en wedergevonden schaap.

Vs. 3 4. „En Hij sprak deze gelijkenis tot hen, zeggende: 4. Welk mensch onder u, die honderd schapen heeft en één daarvan verliest. Iaat niet de negen-en-negentig op de weide achter, en gaat het verlorene achterna, totdat hij \') het gevonden heeft?quot;

226

De vragende vorm, dien Jezus aan zijn antwoord geeft, \'is een beroep op hun eigen geweten: „Wie van u doet niet zelf, als het oneindig minder belangrijke dingen geldt, precies hetzelfde, wat gij mij in een heel wat gewichtiger aangelegenheid tot een verwijt maakt?quot; Het avQpuTroi;, mensch, vormt een stilzwijgende tegenstelling met God (vs. 7). — Eén heeft in vergelijking met honderd niet veel te beteekenen. Daaruit vloeit reeds voort, dat de herder niet zoozeer door het eigen belang, als wel door medelijden word aangedreven, om te handelen zooals hij doet; dit blijkt ten overvloede uit al de bijzonderheden van vs. 5, die de teederheid van den herder beschrijven, en eveneens uit het epitheton to xTroXuXés, het verlorene, van vs. 4 en 6. Een verdwaald

1) ï. R. leest met N A en 4 Mnn.; R D eu 10 Mjj.: ew? ou.

-ocr page 237-

15 ; 3—4.

227

schaap is inderdaad verloren; want het heeft het noodigo instinkt niet, om zijn weg terug te vinden, noch klauwen of hoornen, om zich te verdedigen; het wordt dus de prooi van den eersten vijand, dien het ontmoet. Ziedaar wat den herder aandrijft, het verdoolde dier achterna te gaan, zonder zich te bekommeren over den vermoeienden tocht. De woestijn, $ epyiM:, waar hij de 99 achterlaat, is niets anders dan de weide. In het Oosten geeft men dezen naam (het Hebr. \'naiM) aan de onbebouwde gedeelten van hot land, waar het vee weidt. — Als men het verband met vs. 1 en 2 in het oog houdt, dan wordt het duidelijk, dat het verloren schaap niemand anders kan voorstellen, dan de tollenaren en de zondaren, waarvan deze door hun gedrag, en gene door hun beroep, en misschien óók door hun gedrag, van de voorwaarden van het goddelijk verbond zijn afgeweken. Bij gevolg kan het overige gedeelte der kudde slechts de Israëlieten te kennen geven, die uiterlijk getrouw zijn gebleven aan de wet, en waaronder de Pharizeën de eerste plaats innemen. En nu, zich met liefdevolle bezorgdheid de zondaren aan te trekken, die het erf der theocratie hebben verlaten; gebruik te maken van alle gelegenheden, om hen tot God terug te brengen, wanneer zij komen; terwijl men de anderen onder de bescherming van het goddelijk verbond laat, in welks boezem zij voedsel en goede bewaring vinden: is dit niet hetzelfde te doen, wat de herder in de gelijkenis doet? De wijze, waarop Jezus zich hier vereenzelvigt met den Herder Israels, den God des verbonds , en diens wijze van handelen als de zijne beschouwt, is zeer opmerkelijk. —• Verscheidene uitleggers (vooral onder de kerkvaders) verstaan onder de 99 schapen de engelen, die Jezus verlaten beeft, om op de aarde de verloren mensch-heid te komen zoeken. Maar de rol der engelen is in deze gelijkenis zelf geschilderd (vs. 6 en 7), is geheel anders; zij is die der gebaren van den herder; hoe zouden zij dan tegelijkertijd de kudde kunnen voorstellen? Anderen, zooals Weiss en IIo[mann, meenen, dat met de niet verloren schapen de rechtvaardigen (voor zoo ver zij er zijn) bedoeld

-ocr page 238-

15 : 5—7.

zijn, terwijl Schani daaronder de gerechtvaardigden verstaat. Maar Jezus wil zich zuiveren van het verwijt, dat Hij zijn zorgen aan verlorene Israëlieten wijdt, inplaats van om te gaan met de getrouwe Israëlieten. Daaruit volgt, dat, als het verlorene schaap, dat Hij zoekt, de eersten voorstelt, het overige gedeelte der kudde, dat men Hem beschuldigt, in den steek te laten, noodwendig de laatsten moet voorstellen. Hoe zouden de schapen, die Hij aan hun lot schijnt over te laten, rechtvaardigen, die er nog nooit zijn geweest, of gerechtvaardigden, die er toen nog niet waren, kunnen zijn? Reuss past het beeld van de 99 schapen, die op do weide zijn achter gelaten, op dezelfde wijze toe, als wij. Maar bij ziet daarin slechts een argumenlum ad hominem,: „Gij beschouwt uzelven als rechtvaardigen. Het zij zoo! Maar dan moet gij het mij ook niet euvel duiden, dat ik mij wend tot hen, die gij verloren acht.quot; Doch de bewijsvoering van Jezus kan niet louter ironisch zijn, zooals wij gezien hebben bij gelegenheid van het geheel gelijke antwoord van 5 \'• 31 en \'62, Het gedeelte van het volk, dat aan den godsdienst en aan de wet getrouw was gebleven, was werkelijk in het genot van genademiddelen, waarvan zij, die uiterlijk met het verbond hadden gebroken, zichzelveu beroofd hadden. Zij bevonden zich op de weide, en als zij trouw gebruik maakten van dezen toestand en van al de voordeden, die daarmede verbonden waren, dan konden zij zich zeer zeker voor een hoogeren geestelijken toestand, het heil, voorbereiden.

Vs. 5—7. Het vinden en de terugkeer: „En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders. G. En tehuis komende, roept hy de vrienden en de gebureu bijeen, en zegt tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap teruggevonden, dat verloren was. 7. Ik zeg ulieden, dat er evenzoo blijdschap zal zijn in

228

-ocr page 239-

15 : 5—7.

den hemel over ééu zoudaar, die zich bekeert, meer dan over negen-en-negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet noodig hebben.quot;

Iedere trek van deze schildering getuigt van de teederste liefde: de volharding in het zoeken {totdat hij . . .), de liefderijke zorgen voor het arme, vermoeide dier (op zijn schouders), de vreugde, die het dragen van dezen last hem verschaft (xxlpav), en het overloopen van deze vreugde op allen, die hem omringen {auyxxhel, hij roept hijeen). Welk een schildering van de medelijdende pogingen van Jezus tot redding van de afgedwaalde menschenkinderen, die de heffe van het volk Gods uitmaakten, van zijn barmhartig geduld met hen en van zijn teedere aanmoedigingen, en eindelijk van zijn vreugde, die overloopt bij het TrporisxsitQoci, waaraan do Pharizeën zeiven in vs. 2 herinneren! En wat, kan aandoenlijker zijn , dan dat kleine feest, waartoe hij zijn vrienden en gebaren bijeenroept, en waarbij hij met vreugde hunne gelukwenschen ontvangt! \')

229

Deze laatste trek is de overgang tot de toepassing in vs. 7. De woorden Aïyw v,uïv, ik zeg u, hebben iets zeer plechtigs; het is, alsof Hij zeide; „Hoort dan, wat in den hemel geschiedt, als datgene plaats vindt, waarover gij murmureert; men viert daar feest wegens ieder van deze verstootene menschenkinderen, die gij mijne zorgen onwaardig acht.quot; De gevolgtrekking ligt voor de band: „Gij murmureert over hetgeen den hemel met vreugde vervult. Hoe ver zijt gij dan verwijderd van de gezindheid der hemelbewoners!quot; Het fut. sarxi sluit in zich al de gevallen, waarin een dergelijk feit zicb herhalen zal. — Bij deze verwonderlijke verklaring over de bekeering der tollenaren, voegt Jezus een

l) Er worcU niet gezegd, dat de horder liet sclinap in zijn huis heeft gebracht. Het is zeer goed mogelgk, dat hij het in het voorb\\jgaim iu de schaapskooi heeft losgelaten, hoewel dit niet uitdrukkelijk vermeld is. Ik neem daarom alles terug, wat ik in de vorige uitgaven daarover gezegd heb.

-ocr page 240-

w

230 15 : 5—7.

andere, die nog verwonderlijker is, over de Pharizeesche et

gerechtigheid. Hot gt;}, dan, hangt af van een verzwegen zi

lAcixxcv, dat er bij moet worden gedacht. Tot welk een d

ongerijmdheid voert deze vergelijking, wanneer men met d

Weiss onder deze rechtvaardigen, over wie God zich niet k

verblijdt, werkelijk rechtvaardigen verstaat, hetzij zij er zijn d

of niet! Waarom dan deze grootere blijdschap over de be- v

keerde zondaren, die precies hetzelfde worden , wat die recht- e

vaardigen reeds zijn, en niets meer? TFews antwoordt; Wij c

hebben hier te doen met een anthropopathisme. De menschen ^

verblijden zich meer over hetgeen zij meenden, dat zij ver- (

loren hadden, dan over hetgeen zij in veiligheid bezitten. (

Deze opvatting zou toegelaten kunnen worden, indien deze woorden in de gelijkenis stonden en op den herder betrekking hadden. Maar bij de toepassing van de gelijkenis op God-zelf is zij volstrekt onaannemelijk. Ook llofmann gelukt het niet, deze moeilijkheid te boven te komen. Wij moeten hier de uitdrukkingen zondaar, rechtvaardigen, en zich hekeeren opvatten in de zeer uitwendige beteekenis, die de tegenstanders van Jezus daaraan toekenden: rechtvaardigen zooals gij zijt, in Levitischen zin. Deze rechtvaardigheid der Israëlieten, die aan de wet getrouw zijn, is in de oogen van God niet geheel waardeloos; maar hoever staat zij beneden dat nieuwe leven, dat straalt uit de blikken van die slechte menschen, die door de angsten der boete en door do verrukkingen der vergeving zyn doorgegaan! Ziedaar de zin van het meer dan. — Dit woord geeft den Pharizeëa te verstaan, dat, al hebben zij niet in denzelfden zin als de tollenaars bekeering van noode, zij toch behoefte hebben aan vernieuwing des harten, zij, die zich ergeren over hetgeen den hemel verblijdt. Het qualitatieve pron. o\'i\'tivs; beteekent; die, als rechtvaardigen van deze soort. — Hier treedt de dwaling van JVeiss aan het licht, die systematisch den oorlog verklaard heeft aan de toepassing van alle afzonderlijke trekken in de gelijkenissen, en eveneens die van Jülicher {Die Gleichnissreden Jesn, 1886), die hem op dezen weg volgt. Als er in de gelijkenis, die ons thans bezig houdt,

1

-ocr page 241-

15:8—10.

een trek is, die van ondergeschikte beteekenis schijnt te zijn, dan is het zeker die van de gehuren en vrienden, die de herder uitnoodigt, om deel te nomen aan zijn vreugde; deze trek zou het gemakkelijkste voor een bloote versiering kunnen doorgaan, en toch is hij juist die, waarop Jezus op de nadrukkelijkste wijze we^r terugkomt bij de toepassing van het tafereel; vgl. in vs. 7 de woorden: in den hemel, en: voor de engelen Gods. In de gedachte van Jezus zijn deze ongetwijfeld de gehuren. En moet men dan niet verdergaan, en onder de vrienden, die van de geburen worden onderscheiden (vgl. ook in vs. 9 het onderscheid tusschen do geburinnen en vriendinnen), de apostelen verstaan (12:4), die met de engelen des hemels de vreugde huns Ileeren deelen ?

Deze gelijkenis komt bij Mattheus in Hoofdst. 18 : 12—13 voor, in de rede over de wijze, waarop men handelen moet ten opzichte van de kleinen en zwakken. liet is gemakkelijk in te zien, dat niet alleen de gelegenheid, waarbij zij volgens Lukas werd voorgedragen (15 : 1 en 2), maar ook de toepassing, waartoe de samenhang, waarin zij bij hem voorkomt, leidt, de voorkeur verdient. En indien hij do volgende gelijkenis niet zelf verdicht heeft, dan zal men moeten erkennen, dat hij een andere bron heeft gehad, dan de door Mattheus gebruikte of Mattheus-zelt.

Vs. 8—10. De verloren en teruggevonden, drachme.

Vs. 8—10. Of welke vrouw, die tien drachmen heeft, ontsteekt niet lamp, als zij één drachme verliest, en veegt het huis, en zoekt naarstiglijk, totdat1) zij haar gevonden heeft, 9. en roept niet, als zij haar gevonden heeft, hare vriendinnen en hare geburinnen bijeen 2), zeggende:

231

1

T. B. leost £«; orou, met A en 12 Mjj.; N BLX: ew? ov.

2

ï. E. leest a-uyHxtenxi, met A D en 8 Mjj.; N B eu G Mjj.: tuyitxAei,

-ocr page 242-

15 : 8—10.

Weest blijde met mij, want ik heb de drachme gevonden, die ik verloren had ? 10. Alzoo, ik zeg het u, is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.quot;

Door den vragenden vorm doet Jezus ook hier een beroep op do wijze, waarop ziju hoorders zelf handelen. Alleen laat Hij hier, waar Hij over eene vrouw spreekt, het i£ vnwv van vs. 4 weg, zonder twijfel, omdat Hij zich alleen tot de mannen in de vergadering richtte. Het is een vrouw gelukt, tien drachmen terzijde te leggen, d. w. z. een som van ongeveer { 4.44, daar de drachme bijna 44 cents waard was. Volgens Matth. 20 : 2 bedroeg het dagloon van een man een penning, bijna 5 cents minder dan een drachme. Hoeveel dagen van arbeid vertegenwoordigde deze kleine schat niet voor die arme vrouw! Zij had op dit geld gerekend, om iets te koopen of een schuld af te betalen. Daar hier niet van 100 (vorige gelijkenis), maar van 10 sprake is, wordt het verlies in dit tweede voorbeeld oneindig gevoeliger. Van daar ook de groote |en volhardende zorgvuldigheid , waarmede zij haar kostbaar bezit zoekt. Het aansteken van de lamp — in het Oosten heeft de kamer der armen geen ander licht dan wat door de deur daarin schijnt — het wegschuiven van de meubelen, het vegen van de donkerste en vuilste hoeken met den bezem, — ziedaar het beeld van het goddelijk werk dat Jezus verricht, terwijl Hij de diepst gezoukene en verachtste zondaren der theocratie zoekt te redden, en het licht der waarheid en der genade in hunne oogen doet schitteren, en dat met een onvermoeibare volharding {totdat...). — Wat doet de vrouw aldus handelen? Medelijden met het verloren voorwerp? Natuurlijk niet; het lijdt immers niet, zooals het verloren schaap. Dus het eigenbelang? Zeker. Maar verkleint Jezus dan niet de grootheid der goddelijke liefde, als Hij haar door dit beeld een baatzuchtig doel toeschrijft? Het tegendeel is waar. Hij onthult ons daardoor een zijde van die liefde, die wij

232

-ocr page 243-

15 : 8—10.

nog niet hadden durven vermoeden: de waarde, welke do mcnsch voor God-zelf heeft. Toen God den mensch naar zijn beeld schiep, bestemde Hij hem tot een doel, dat voor Hem van gewicht was, zooals die vrouw haar drachme had bestemd. De zondaar is dus niet enkel een wezen, waarvoor Hij medelijden gevoelt, maar een wezen, welks verlies Hij gevoelt, en dat Hij noodig heeft. Is deze zijde der goddelijke liefde niet nog aandoenlijker, dan de andere, indien dit mogelijk is? Dit is de schakeering, die deze twee gelijkenissen van elkander onderscheidt. Hoe kan een uitlegger als Göbel haar miskennen en beweren, dat beide schilderingen precies dezelfde beteekenis hebben ? !) Dit onderscheid treedt nog in twee kleine, maar beteekenisvolle trekken aan het licht.

Volgens de Bijz. lezing, die zeer krachtig ondersteund wordt, moet men hier het Medium auyuxteÏTxi, zij tioodigt tot zich, lezen, terwijl de Alexandr. tekst machinaal het wyKxXsl van vs. 6 herhaalt. Het Medium drukt op fijne wijze de gedachte uit, dat de vrouw om der wille van zichzelf bedroefd is geweest en nu blijde is. Om dezelfde reden gebruikt Lukas, in plaats van het participium rb van

vs, 6, den actieven vorm viv xTrwhsirx, die ik verloren had. Het participium, dat hier als een adject, qualitatis is , deed denken aan de angsten van het schaap zelf, terwijl het verbum finitum op de droefheid der vrouw de aandacht vestigt. Bovendien is het niet onmogelijk dat de gelijkenis van het verloren schaap meer bepaald op de eerste van de in vs. 1 vermelde klassen van menschen, de tollenaren, en die van drachme op de tweede, de zondaren, betrekking beeft. De tollenaren hadden hnnne plaats in den boezem der theocratie verlaten, en de „zondarenquot; hadden hun karakter als Israëlieten bevlekt.

233

Vs, 10. Hoe verheven wordt het tafereel van dit kleine feest, dat deze arme vrouw met haar vriendinnen en ge-

1) Die Parahein Jesu, 2to Abth., bl. 23G.

-ocr page 244-

15 ; 8—10.

burinnen viert, wanneer men daarin liet transparant-beeld ziet van God zelf, die met zijn uitverkorenen en zijn engelen zich verblijdt over de redding van één enkelen zondaar, al was deze ook do diepst gezonkene van allen! Het êvü/riov txv uyykxm kan beteekenen: bij de engelen, naar hun oordeel; of men kan de uitdrukking blijdschap in verband brengen met de blijdschap vau God-zelf, waarvan de engelen getuigen zijn. De eerste opvatting is natuurlijker. — De nadruk, dien Jezus beide keeren (vs. 7 en 10) op dezen trek: de blijdschap in den hemel, legt, laat zich door de tegenstelling met het misnoegen der Pharizeën over dezelfde zaak (vs. 2) volkomen verklaren, en bevestigt alzoo ten volle den stand van zaken, die beschreven is in do inleiding, welke dus de sleutel is tot deze twee gelijkenissen, en niet minder tot de volgende.

• Ondanks de bewonderenswaardige wij^e, waarop Jezus deze

twee eerste beelden hoeft toegepast, blijven zij toch, daar zij aan het rijk der natuur zijn ontleend, voor zijn gevoel veel te ver van hun doel verwijderd. Wel hebben zij Hem het middel kunnen aanbieden, om eenigermate de gevoelens te beschrijven, die het hart van God jegens den zondaar vervullen, maar niet, om de innerlijke geschiedenis van den zondaar-zelf in het drama der bekeering te ontvouwen. Daarvoor heeft Hij een beeld noodig, dat aan het zedelijk gebied, en dus uit het menschenleven ontleend is. De twee eerste gelijkenissen laten zich samenvatten in het ééne woord genade; tot samenvatting van de derde zijn er twee woorden noodig; genade en geloof (vgl. Efez. 2 : 8),

3°. Vs. 11—32. De gelijkenis van den verloren en wedergevonden zoon.

Deze gelijkenis bestaat uit twee schilderijen, waarvan de eene het pendant van de andere is: 1°. die van den jongsten (vs. 11—24), en 2°. die van den oudsten zoon (vs. 25—32). Met de tweede komt Jezus, zooals wij zien zullen, op den in vs. 1 en 2 beschrevene historischen toestand terug, en op deze wijze wordt het toonecl volledig gemaakt.

234

-ocr page 245-

15 : 11—13.

Vs, 11—24, De jongste zoon.

Dit eerste gedeelte der gelijkenis bestaat uit vijf tooneelen, die overeenkomen met de vijf phasen van het leven des bekeerden zondaars; hot vertrek, vs. 11 —13; de ellende, vs. 14—16; Let berouw, vs. 17—19; de terugkeer, vs. 20— 21; de rehabilitatie, vs. 22—24. M. a, w.: de zonde, de straf, het berouw, de bekeering en de rechtvaardiging.

Vs. 11 —13. Het vertrek; „En Hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen; 12. en de jongste zeide tot hun vader: Vader!1) geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt. En hij 2) deelde hun zijn goed. 13. En niet vele dagen daarna vergaderde de jongste zoon alles bijeen en vertrok naar een veraf gelegen land, en bracht daar zijn goed door, in losbandigheid levende.quot;

Jezus gebruikt niet meer den vragenden vorm; Hij doet hier niet een beroep op het natuurlijk oordeel. liet is een waar verhaal, een rechtstreeksche openbaring van de gedachten Gods ten opzichte van den zondigen mensch. — De vader en de Iwee zonen stellen de geheele theocratische familie voor. De oudste zoon is, als de nauurlijke vertegenwoordiger van de familie, als de drager van de cjens, meer dan de jongste aan den grond van den huiselijken haard gehecht; in hem zijn de conservatieve, Levitisch onberispelijke Israëlieten, inzonderheid de Pharizeën, verpersoonlijkt. De band, die den jongsten aan de familie verbindt, is minder nauw, en hij is daarom toegankelijker voor de verzoeking om met haar te breken; hij is het beeld van hen, die aan

235

1

N laat het woord Trxrtf weg.

2

A B L: o Se, iu plaats van kxi.

-ocr page 246-

15 : 11—13.

de Joodscbe wet vaarwel hebben gezegd, van do tollenaren en de monscben van ongebondene zoden. De bode, die bij tot zijn vader ricbt, verklaart zicb uit de bepalingen van het Israëtitisch recht. Daar de oudste een dubbel aandeel in do erfenis moest ontvangen (Deut. 21 : 7), begeerde de jongste, dat zijn vader hem nu reeds de waarde van het derde gedeelte in geld zou uitbetalen; hierdoor zou dan de gebeele bezitting na den dood des vaders het eigendom van den oudsten worden. In dien tusschentijd bleven do twee derden het ondeelbaar eigendom van den vader en den oudsten zoon. Twee dingen dreven den jongsten tot dat verzoek aan: de lucht van het vaderlijk huis drukt hem, daar de tegenwoordigheid van den vader hem hindert; en bovendien trekt de buitenwereld hem aan, en wil hij genieten. Maar hiertoe waren ook twee dingen noodig: vrijheid en geld; voor zijn door de begeerlijkheid misleid hart zijn zij de twee voorwaarden tot geluk. Zoo is het ook met den zondaar; hij neemt de vlucht en hij zoekt iets: hij wil vrij worden van God, en de middelen bezitten om te doen wat hem behaagt. De vader ziet in, dat het oogenblik gekomen is, waarop deze zoon alleen door de ondervinding genezen kan worden, en hij levert hem over aan zijn eigen wil. Dit is het punt, dat de heidenen bereikt hadden, op het tijdstip, toen het oordeel van het Trxpoihihivxi Txlq , waarvan Paulus

in Rom. 1 : 24—28 spreekt, over hem kwam. Er komt inderdaad een tijd, wanneer God ophoudt, tegen de neigingen van een verdorven hart te strijden, en het aan zichzelf overlaat. — De jonge man heeft eenige dagen noodig, om zijn bezitting te gelde te maken. Het gebruik, dat hij van zijn op treurige wijze verkregene vrijheid maakt, wordt in vs. 13 beschreven. Verscheidene van de tot schildering zijner zonde gebruikte beelden kwamen, ten opzichte van de zondaren, die Jezus daar bij zich had, in een zekere mate met de werkelijkheid overeen. — Het veraf gelegen land is het zinnebeeld van een toestand, waarin de gedachte aan God niet meer in de ziel opkomt. Het woord pzupixv is niet een adjectivum, maar een adverbium (vs. 20; 7:6, enz.) — De

236

-ocr page 247-

15: 14-16.

volkomene verkwisting van hetgeen hij bezat, stelt het misbruiken van de menschelijke vrijheid tot het uiterste toe voor. Dit is wel het beeld van die tollenaren en zondaren, die, tegelijk met de wet en den godsdienst, God-zelf verworpen, en de schijnbare vrijheid, welke tot dezen prijs was verkregen, in den dienst hunner hartstochten besteed hadden.

Vs. 14—16. De ellende: „En toen hij alles verteerd had, ontstond er een groote *) hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden. 15. En hij ging heen, en verhuurde zich aan een der burgers van dat land; en deze zond hem op het land, om de zwynen te weiden; en hij begeerde zijn buik te vullen1) met de schillen, die de zwijnen aten, en niemand gaf hem daarvan.quot;

In plaats van overvloed, gebrek (vs. 14), en in plaats van vrijheid, slavernij (vs. 15).

Do vrijheid om te genieten is niet onbeperkt, zooals de zondaar zich verbeeldt, maar heeft twee soorten van grenzen. De eene soort ligt in den persoon zelf, zooals de walging, de wroeging, het gevoel van verlatenheid en verworpenheid , dat uit de ondeugd ontstaat (toen hij alles verteerd had), do tweede soort is het gevolg van zekere ongunstige omstandigheden, die hier worden vertegenwoordigd door den hongersnood, welke op dit oogenblik ontstaat: huiselijke of algemeene rampen, ongelukken, enz., die het reeds overstelpte hart volkomen breken, en dat alles, terwijl men beroofd is van allen goddelijken troost. Als deze twee oor-

237

1

T. II. leest yenirai ryv xoihiocv ccvtov, met A en 15 Mjj. Itple*; M B D L II Syrcn\':

-ocr page 248-

15 : 17—19.

238

zaken van het ongeluk samenvallen, bereikt de ellende haar toppunt. Dan geschiedt wat Jezus vcnepslaêxi, gebrek lijden, noemt, welk woord de volstrekte ledigheid aanduidt van een hart, dat, na alles aan het vermaak ten offer te hebben gebracht, in en rondom zich niets anders vindt, dan hetgeen smartelijk is, — Naar alle waarschijnlijkheid is de smadelijke afhankelijkheid van een heidenschen meester [een veraf gelegen land), waartoe deze jonge Israëliet vervalt, een toespeling op de toestand der tollenaren, die arbeiden in den dienst van het Romeinsche bestuur. Maar het algemeene feit, dat aan dezen trek beantwoordt, is de vernederende afhankelijkheid van de wereld, waartoe de ondeugende zich ten laatste genoodzaakt ziet. De uitdrukking xoXKvjüy heeft iets verachtelijks: de ongelukkige hangt als het ware aan een vreemde persoonlijkheid. De jwnj\'wew/«oectoi; het laagste werk, dat een Israëliet kan doen. Kspamv duidt een soort grove boonen met een zoetachtigen smaak aan, die men in het Oosten gebruikt, om de zwijnen vet te mesten {ceratonia siliqua). Zelfs Tischendorf geeft aan de lezing ■ys/tivxi tvjv xoihiav, den built vullen, die wij in den T. R. en de Bijz. Mss. vmden, de voorkeur boven het xopTaadijvai, verzadigd worden, der Alexandr. In dezen tijd van hongersnood was de dagelijksche portie brood, die de arme herder ontving, niet genoeg om hem te verzadigen, en het kwam zoo ver met hem, dat hij verlangde te eten van de grove peulvruchten, waarmede men met zorg de zwijnen vetmestte, als zij van het veld terug kwamen: want zij stonden hoog in prijs! Een treffend beeld van de verachting en de verwaarloozing, waarmede de ondeugende door die zelfde wereld, waaraan hij de heiligste gevoelens ten offer gebracht heeft, behandeld wordt.

Vs. 17 —19. Het berouw: „En tot zich zeiven gekomen zijnde, zeide hij \'): Hoe vele huurlingen

1) N U Ti lezen ccfjti in plants vim citsv.

-ocr page 249-

15: 17—19.

van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik kom hier1) van honger om! 18. Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor n; 192) ik ben niet meer waardig, uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw huurlingen.quot;

Hier begint de schildering van de bekeering des zondaars. Deze zedelijke verandering bestaat hoofdzakelijk in de nieuwe zienswijze, die het gevolg is van de diepe ellende {^sTxvoix, de verandering van den vovc). Het eCpv der Alexandr. is plechtiger, dan het sJttsv der Bijz., en meer in overeenstemming met dit beslissend oogenblik. De eerste stap in deze verandering is het terugkeeren tot zichzelf; want lang heeft hij geheel buiten zichzelf geleefd. De zonde is een verstrooidheid van hart en geest. Tot zichzelven inkeeren, is te beginnen, God terug te vinden. — Twee trekken kenschetsen de nieuwe zienswijze, die het gevolg is van dit oogenblik van stille overdenking. Hij verlangt naar hetgeen hij ontvlucht had (het vaderlijk huis), en hij heeft een afschuw van hetgeen hij gezocht had (het vreemde land). — De ^iaOioi, huurlingen, wier toestand hem benijdenswaardig toeschijnt, zijn niet eens de gewone knechten van het vaderlijk huis, maar daglooners, die niet tot de familie behoot-en. Zou Jezus hier niet gedacht hebben aan die talrijke proselieten uit de heidenen, die zich bij bet Jodendom hadden aangesloten, en wien in het voorhof een plaats was aangewezen, vanwaar zij uit de verte aan de godsdienstoefening deel konden nemen, terwijl de tollenaren en de ondeugenden over het algemeen van deze voordeden beroofd waren, hetzij vrijwillig, hetzij door den ban? — Uit deze verandering van zienswijze ontstaat

239

1

4) D K ü plaatsen hier cods; ^ B L, na T. R. laat het weg met

A enz.

2

T. R. leest hier Kceit met 3 Mjj. Syr.

-ocr page 250-

15 :|.20—21.

een besluit (vs. 18). Het; berust op een ver verwijderde herinnering van de goedheid ^zijns vaders; dit is het eerste schijnsel des geloofs. Om de twee uitdrukkingen: legen den hemel en voor JJ te begrijpen, moet men in het oog houden, dat wij nog in de gelijkenis zijn. In de betrekking tusschen dezen zoon en zijn vader hebben zij een verschillende betee-kenis. Tegen den hemel-, want de hemel is de wreker van al de beleedigde heilige gevoelens, inzonderheid van de met voeten getredene kinderlijke liefde; voor U: want toen hij wegging, volgde hem zijn vader met smartvolle oogen, en hij had dezen laatsten blik getrotseerd en daaraan driest den rug toegekeerd. \'Avxcrrxi;, opstaande\', er zal inspanning noodig zijn. De mogelijkheid van een onmiddellijke en volkomen rehabilatie komt niet in hem op. Hij is bereid in het huis, waar hij als zoon had geleefd, de plaats van een gewonen vreemden arbeider aan te nemen, als hij maar zijn honger kan stillen. Dit is wel het beeld van dien (in Hoofdst. 18 beschreven) tollenaar, die in den tempel-zelf, waarheen hij zich begeven had, evenals de heidensche proselieten in den voorhof bleef staan, en het aangezicht niet tot God durfde opheffen. — De hoofdzaak is, dat hij dit besluit, na het eenmaal te hebben opgevat, ten uitvoer brengt.

Vs. 20—21. De terugkeer: „En opgestaan zijnde, ging hij naar zijn vader. En terwijl hij nog verre was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende, viel hij hem om den hals, en kuste hem. 21. En de zoon zeide tot hem: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u ik ben niet meer waardig, uw zoon genoemd te worden8).quot;

1) \'1\'. E. leest Kxi voor ouxen, met E en 12 Mjj. Syr.j N A 1! en \\ MJj. laten liet weg.

2) N B D U X lezen liicr noiyaov ne w; evcc twv iiirllicov irov.

240

-ocr page 251-

15 : 20—21.

Wij hebben hier de schildering van het beslissende feit des geloofs. De ongelukkige staat op, en gaat. Het is niet een bloote gedachte, een werkeloos willen, een wensch, maar een daad; en deze daad verandert zijn geheele bestaan. Welk een indruk moest deze aandoenlijke beschrijving van hunne verledene en tegenwoordige ervaringen niet op de aanwezige tollenaars te weeg brengen! Maar hoeveel dieper moest hunne gemoedsbeweging zijn, toen zij Jezus in hetgeen volgt de gevoelens en de handelwijze van God ten opzichte van hen hoorden ontsluieren. Het eigen hart van God schijnt zich in dit verhaal uit te storten. Ieder woord trilt niet alleen van de teederste, maar ook van de heiligste aandoening. De vader heeft niet opgehouden, zijn zoon te verwachten; en hem in de verte ontdekkende, snelt hij hem te gemoet: God bespeurt zelfs de zwakste verlichting naar het goede, die zich een weg baant in een verdwaald hart; en zoodra dit hart één stap naar Hem toe doet, komt Hij het met tien schreden tegemoet, en beijvert Hij zich, om het iets van zijn liefde te aanschouwen te geven. — Er bestaat een diepgaand verschil tusschen de bekentenis, welke de verloren zoon in vs. 21 uitspreekt, en die, welke de groote ellende hem afgeperst had (vs. 18 en 19). Deze was een wanhoopskreet. Thans is de nood voorbij, en de bekentenis is de kreet der berouwvolle liefde geworden. De uitdrukkingen zijn dezelfde: ik hei gezonditjd; maar hoe verschillend is de toon! Luther heeft dit diep gevoeld. De ontdekking van het verschil tusschen het berouw der vrees en dat der liefde is het eigenlijke beginsel der hervorming geweest. — Hij kon niet alles zeggen, wat hij zeggen wilde. De zekerheid van de vaderlijke vergeving laat hem niet toe, te eindigen met de woorden; Behandel mij als een van uw huurlingen, zooals bij zich voorgenomen had. De Alexandr. hebben deze weglating niet begrepen, en hier de laatste woorden van vs. 19 herhaald.

Vs. 22—24. De rehabilitatie: „En de vader zeide

godet, Lukas. ii. 1g

241

-ocr page 252-

15 : 22—24.

tot zijn dienstknechten : Brengt \') het1) schoonste kleed, en doet het hem aan, en geeft een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten, 23. en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vroolijk zijn! 24. Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; hij was verloren, en is teruggevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn.quot;

Hetgeen Jezus hier beschrijft, is de rechtvaardiging van den boetvaardigen en geloovigen zondaar, zooals zij op dat oogenblik bij de tollenaren plaats vond. De vergeving is onverdiend en volkomen te gelijk; geen vernederende proeftijd, geen langzame opklimming. Zij brengt een onmiddellijke wederherstelling met zich mede, even volkomen als het berouw oprecht en het geloof ernstig geweest is. Al deze trekken: het kleed, de ring, do sandalen, behooren tot de gelijkenis als zoodanig, en moeten eenvoudig als de uitdrukking van de volkomene herstelling van den zondaar in het kindschap worden opgevat. De Alexandr. laten het art. tw vóór aroXw weg, en met reden. Er is opklimming: eerst een kleed, in tegenstelling met de naaktheid. Plet is het ruime, slapende kleed van den rijke, van den meester, in tegenstelling met bet nauw om het lijf sluitende slavenkleed, dat deze ongelukkige nog droeg. Dan voegt de vader tw vpccT-jv erbij: niet een kleed in het algemeen, maar het schoonste. Hoe dieper de val is geweest, des te meer moet de opheffing het karakter van een feest aannemen. — AxktvXiov: de zegelring, door middel waarvan de vrije man, die doen kan wat hij wil, zijn bevelen mededeelde. Natuurlijk had de jonge man den zijne verkocht. Eindelijk de sandalen:

212

1

\'2) N A B en 5 Mjj. laten nji\' vóór vrohyv weg.

-ocr page 253-

15 ; 22—24.

de slaven gingen barrevoets. Zoo kwam de arme boeteling terug. Moet een gezonde exegese zich er mede vergenoegen, in al deze trekken slechts de teekenen te zien van de vol-komene herstelling in het kindschap, de stichtelijke toepassing mag zich veroorloven, ze in verband te brengen met de verschillende trappen der rechtvaardiging en der aanneming tot kind, maar zonder daarbij tot spelingen van het vernuft te vervullen, evenals Uieronymis en Olshausen, die in het kleed de gerechtigheid van Christus, in den ring het zegel des II. Geestes, en in de sandalen de bekwaamheid om op de wegen Gods te wandelen, gezien hebben.

Vs. 23. De Heer zegt niet „een gemest kalf,quot; maar „het gemeste kalf;quot; dat, hetwelk men op de rijke boerenhofsteden gewoonlijk mest, om het altijd voor een feestelijke gelegenheid gereed te hebben. Jezus kent de landelijke zeden, Augustinus en Hier ony mus vinden in dezen trek de aanduiding van het offer van Christus! Volgons het geheel dei-schildering is het gemeste kalf het symbool van het voortreffelijkste , dat de goddelijke genade aan de verloste zielen schenkt (Jes. 55 : 2). Men heeft weieens tegen het leerstuk van de verzoening ingebracht, dat er in dit tooneel geen enkele voorkomt, die het offer van Christus zou kunnen voorstellen. Daarbij heeft men echter vergeten, dat wij hier een gelijkenis hebben, en dat er in de betrekking tusschen inensch en mensch geen plaats is voor zulk e.en verzoening, die behoort tot de verhouding tusschen den mensch en God als den persoonlijken vertegenwoordiger van het volstrekt goede, van het goede opzich zelf. Deze plaats neemt geen enkel mensch in (18 : 19). — Met het meerv. laai ons vroolijk zijn geeft de vader te kennen, dat hijzelf deelneemt aan de feestvreugde (evenals v. 7),

Vs. 24. De twee parallelle zindeelen beantwoorden aan de twee oogpunten, waaruit de zonde in de twee vorige gelijkenissen werd voorgesteld; hij was dood heeft betrekking op de persoonlijke ellende des zondaars (het verloren schaap); hij was verloren, op zijn verlies voor God-zelf (de verloren drachme). In de gelijkenis van den verloren zoon zijn deze

243

-ocr page 254-

15 : 25—28a.

twee oogpunten inderdaad vereenigd: de zoon was verloren, en de vader had iets verloren. Daarom is er ook blijdschap in tweeërlei opzicht: weder levend geworden en teruggevonden. Met de woorden: en zij begonnen vr ooi ijk le zijn komt de gelijkenis juist op het punt aan, waar de zaken stonden op het oogenblik, toon Jezus aanleiding kreeg om haar uit te spreken (vs. 1): de blijdschap der begenadigde tollenaren, en die van God, van Jezus en van de engelen. — Dit eerste tooneel stelt de handelwijze van Jezus jegens de zondaren in het rechte, goddelijke licht.

Vs. 25—32. De oudste zoon.

Dit gedeelte behelst: 1° het gesprek van den oudsten zoon met den knecht (vs. 25—28a); 2° zijn gesprek met zijn vader (vs. 28b—32). Hetgeen Jezus hier voor zijn hoorders ten tooneele voert, is de murmureering der Pharizeën, de ontwikkeling van het tweede vers van het Hoofdstuk, ten einde deze rechtvaardigen op deze wijze het strafwaardige van hun gedrag en het afschuwelijke van hun gezindheid te doen gevoelen.

Vs. 25—28a. „En zijn oudste zoon was op het veld; en toen hij bij zijn terugkomst het huis genaakte, hoorde hij de muziek en het gedans; 26. en een van de knechten geroepen hebbende, vroeg hij, wat dat was. 27. En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem in goeden welstand weder ontvangen heeft. 28a. Maar1) hij werd toornig en wilde1) niet binnengaan.quot;

244

1

T. E. leest hier ovv, mot P eu 13 Mjj.

-ocr page 255-

15: 286—32,

Terwijl het geheele huis feest viert, is de oudste zoon aan het werk. Een treffend beeld van den Pharizeër, die bezig is met de naleving van zijn inzettingen, terwijl het hart der boetvaardige zondaren zich voor het verblijdend licht der genade ontsluit! Alle opwelling van vreugde, onder den verkwikkenden indruk der goddelijke liefde, is aan deze afgemetene, koude en hoogmoedige geesten vreemd, en stuit hun daarom tegen de borst. — In plaats van rechtstreeks in huis te gaan, wint de oudste zoon liever eerst inlichtingen in bij een knecht; hij gevoelt zich niet le huis in dit huis (Joh. 8 : 35). De knecht zegt in zijn antwoord niet, zooals

de vader: hij was dood...., verloren.....maar eenvoudig;

hij is in goeden welstand lenigjekomen, daar dit in zijn mond de gepaste uitdrukking is. Het is het feit zonder de zedelijke waardeering, die den vader toekomt. Hoe natuurlijk is deze schildering, zelfs in de geringste bijzonderheden! — Deze weigering om binnen te gaan kenmerkt op treffende wijze de misnoegdheid dezer Pharizeën, die niets te maken willen hebben met de ondeugenden, en zelfs geen deel willen nemen aan de blijdschap over het aan deze geschonken heil. — Het imperf. faehev, „hij wilde niet,quot; verdient de voorkeur boven den aor. yfié\'/wsv; deze weigering is namelijk nog maar voorloopig, zoolang de vader-zelf den zoon niet verzocht heeft, om binnen te komen.

Vs. 28fe—32. Gesprek tusschen den vader en den oudsten zoon: „Toen ging zijn vader naar buiten, en bad hem. 29. Maar hij, antwoordende, zeide tot den vader Zie, ik dien u reeds zoovele jaren, en nooit heb ik uw gebod overtreden; en gij hebt mij nooit een geitje 1) gegeven, om met

245

1

U leest epityiov, in plaats vau epi^ov.

-ocr page 256-

15 : 28b—32.

mijne vrienden vroolijk te zijn. 30. Maar toen deze uw zoon, die zijn goed met slechte vrouwen doorgebracht heeft, terug kwam, hebt gij het gemeste kalf voor hem geslacht. 31. Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd met mij, en al het mijne is het uwe. 31. Maar men behoorde wel feest te vieren en blijde te zijn: want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden1), en hij was2) verloren, en is terug gevonden.quot;

Dit gesprek stelt de Pharizeesche denkwijze in het volle licht, en doet de tegenstelling, die zij vormt met de vaderlijke gezindheid van God, duidelijk nitkomen. Deze stap van den vader in de gelijkenis, die naar buiten tot zijn zoon gaat, en hem aanspoort, om binnen te komen, wordt in dit gesprek-zelf tusschen Jezus en zijn Pharizeesche toehoorders verwezenlijkt. Want in dezen Jezus, die met hen spreekt, staat de God des heils bij hen, en smeekt hen als het ware, om in te gaan in zijn plan van barmhartigheid en vergeving. — Het antwoord van den zoon op deze bede (v. 29 en 30) bevat twee beschuldigingen tegen den vader, waarvan de eene betrekking heeft op zijn handelwijze tegenover hem (v. 29), en de andere op zijn handelwijze ten opzichte van zijn jongsten zoon (v. 30). Het contrast, dat de een met de andere vormt, moet, volgens hem, de onrechtvaardige partijdigheid van zijn vader in het volle licht stellen. De naïeve en blinde voldaanheid met zichzelf, die het wezen van het Fharizeïsme uitmaakt, kan niet beter worden gekenschetst, dan met deze woorden: „Ik heb nooit uw gebod

246

1

N C LK A lezeu in plaats van etvefytrsv, dat T. E. met AD en 13 Mjj, It. leost.

2

A B D L R X laten w weg.

-ocr page 257-

15 : 28J—32.

overtretlenen de slaafsche, huurlingachtige houding van den weltiscben Jood niet beter, dan met deze: „Ik dien u reeds zoovele jaren.quot; Bengel teekent bij deze woorden eenvoudig aan: Servus erat, en geeft daarn.ede den sleutel tot dit geheele tweede tooneel der gelijkenis. Wat was zijn vader voor hem? Een meester. Hij telt dan ook de jaren van deze harde dienstbaarheid: reeds zoovele jaren! Ziedaar wat voor den mensch onder de wet het volbrengen van het goede is: een arbeid, die met moeite verricht wordt, en die daarom een loon verdient. Maar daardoor is hij ook geheel verstoken van al de aangenaamheden, die de arbeid verschaft, welke uit vrije liefde volbracht wordt; en wat de vreugde betreft, die hij bij den met God verzoenden zondaar aanschouwt, zij vergeet hem en vervult hem met verontwaardiging. Het geitje, dat hij mei zijn vrienden had willen eten, doelt op een dag van rust en van hartelijke vreugde te midden van dit leven van slaafsche gehoorzaamheid. Maar kan men onder de wet vrij ademhalen? Werken, altijd werken, werken, om zijn loon niet te verbeuren, dat is volgens de woorden van den oudsten zoon zelf de toestand van den wcttischen mensch, van den Pharizeër.

Tegenover dezen harden en onophoudelijken arbeid stelt hij (vs. 30) het gemakkelijke en weelderige leven van zijn broeder; voor dezen bevoorrechte eerst al de vreugden der zonden, en daarna al de liefelijkheden der begenadigingen! Dus enkel moeite in zijn eigen leven, en in dat van zijn broeder enkel genot! Hoe rechtvaardig! In de oogon van het Pharizeïsme is het goede te doen in de werkelijkheid een lijden, en de zonde een genot; daarom moot er, volgens hem, een belooning zijn voor het eerste, en voor de laatste een straf. Door deze verhouding om te keeren, heeft de vader zijn voorliefde voor den zondaar, zijn welgevallen in de zonde, duidelijk aan den dag gelegd. Uiv zoon, zegt de oudste zoon, inplaats van: mijn broeder. Daarmede doet hij zoowel de partijdigheid van zijn vader als zijn eigen afkeer van zijn broeder uitkomen. — Deze bittere woorden bevatten het bijtendste oordeel over den zielstoestand, waarin

247

-ocr page 258-

15 : 28^—32.

men don plicht vervult, terwijl men er een afkeer van heeft, en het kwade wel niet doet, maar er toch naar dorst. Men lette op de uitdrukking a vlos vov outos , fdius isle tuus, deze uw zoon. Het nerk nopvüv is een penseelstreek, die de liefderijke hand van dezen broeder aan de schilderij van vs. 13 heeft toegevoegd.

Vs. 31—32. Het antwoord van den vader richt zich in naar de twee beschuldigingen van den zoon. Vs. 31 antwoordt op die van vs. 29, en vs. 32 op die vau vs. 30. Eerst rechtvaardigt zich de vader in vs. 31 ten opzichte van het verwijt van onrechtvaardigheid jegens den zoon, die met hem spreekt; en met welk een toegevendheid! De uitdrukking rfjcwi\', is nog teederder, dan zoon. De vader stelt zijn handelwijze jegens dezen ondankbaren zoon in het rechte licht. Hij toont hem, wat zijn leven in het vaderlijk huis had kunnen zijn, als hij maar een kinderlijk hart had gehad, dat aan zijn vaderhart beantwoordde: een feest, niet van een enkelen dag, zooals het tegenwoordige, maar een, dat iederen dag weêr terugkeerde. „Alles was tot uw beschikking; gij had er vrijelijk van kunnen genieten.quot; Waartoe een bijzonder feest voor hem, die dagelijks de teedere liefde van zijn vader en al de voorrechten, die met kind-zijn verbonden zijn, genieten kon? Het is deze merkwaardige uitspraak, die Weiss e. a. tegen de door ons voorgestane zienswijze aanvoeren, volgens welke de persoonlijkheid van den oudsten zoon op de in vs. 2 genoemde Pharizeën doelt. Deze tegenwerping berust op een verkeerd begrip van hetgeen het normale Jodendom in de oogen van Jezus was. Hij was nl. van gevoelen, da: de geloovige Israëliet zeer zeker de zaligheid der gemeenschap met God genieten kon. Dit bewijzen de Psalmen; vgl. Ps. 23 en 63. Zelfs Paulus, die gewoonlijk de wet als een verdoemende macht voorstelt, ontleent wat hij zegt over de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, aan een woord van Mozes, en wel aan een, waarin de wet zelve uitdrukkelijk beschreven wordt (Rom. 10 : 6—8); waaruit wij kunnen opmaken, dat in zijn oogen het element der genade reeds op den bodem der wet te vinden was, en dat het openbaar werd

248

-ocr page 259-

15 : 286—32.

in do door de offferanden gewaarborgde vorgoving van zondon en in den bijstand van den H. Geest, die aan hem, die er om bad, in de mate van de Oud-Testamentische bedeeling was toegezegd (Ps. 51 : 9—14). Hieruit volgt, dat, als do apostel over de wet spreekt als over de tegenstelling van het geloof, hij op de wijze van zijn tegenstanders het gebod van de genade scheidt. Reuss, die deze plaats ongeveer op dezelfde wijze verklaart, leidt daaruit deze gedachte af: „Het beste loon had dat van den vervulden plicht moeten zijn.quot; Maar hij ziet voorbij, dat hij, aldus sprekende, eenvoudig het stoïcisme voor het ware Jodendom in de plaats stelt. De vader heeft gezegd: tskvov, kind, en dit woord doet al het verschil tusschen het O. T. en Zeno gevoelen. Weiss ziet in den oudsten zoon het type van de rechtvaardigen ; hij is eenvoudig een goed zoon, zooals er zoovele zijn; alleen is hij aiet geheel vrij van hoogmoedige voldaanheid met zichzelf en van jaloerscbheid ten opzichte van zijn jongsten broeder. Maar hoe kan men aannemen, dat Jezus tegenover de historische concrete persoonlijkheid van den jongsten zoon een zuiver abstracte en fictieve stelt, zooals er zou kunnen bestaan? Indien de oudste zoon slechts als in het voorbijgaan op het tooneel verscheen, dan zou men eerder kunnen denken, dat hij geen bepaalde, historische personen vertegenwoordigt. Maar Jezus wijdt hem het geheele tweede gedeelte der gelijkenis. Het Si3\'® vers laat zich bij onze opvatting geheel natuurlijk verklaren, als men maar aanneemt, dat Jezus, evenals de apostel Paulus, onderscheid maakte tusschen het normale en het Pharizeesche Jodendom.

Gelijk vs. 32 de getrouwheid aan de theocratie als een geluk, en niet als een last voorstelde, zoo stelt vs. 32 het leven in de zonde als een ongeluk, en niet als een genoegen voor. Er was dus werkelijk reden om feest te vieren over den terugkeer van hem, die aan zulk een groote ellende ontkomen was, en door wiens aankomst de familie weer voltallig, en het familieleven tot zijn vroegeren toestand hersteld werd. Uw broeder (letterlijk: deze uw broeder) is het

249

-ocr page 260-

15 ; 286—32.

antwoord op het: uw zoon (letterlijk: deze uw zoon) van den ondsten zoon (vs. 30).

Hier houdt do gelijkenis op. Jezus zegt niet, wat de oudste zoon toen gedaan heeft. Waarom niet? Omdat het de zaak der Pharizeën zelf was, te beslissen, wat zij doen zouden of zij op de uitnoodiging van God zouden binnen komen, dan wel buiten blijven. Zij moesten de gelijkenis voleindigen.

De Tubingsche school (fiaur, Zeiler, Volkmar, Uilgen-feld) ziet in den oudsten zoon, niet de Pharizeesche partij gt; maar het Joodsche volk in het algemeen, en in den jongsten, niet de tollenaren, maar de heidensche volken. Daaruit zou met noodwendigheid volgen; 1°. dat deze gelijkenis door Lukas werd verdicht werd met het doel, om het systeem van zijn leermeester Paulus te ondersteunen; 2°. dat hij bij deze verdichting een tweede heeft gevoegd, welke bestemd is, aan de eerste geloof te verschaffen, n.1. den in v. 1 en 2 beschrevenen historischen toestand. Maar: 1°. Is het denkbaar, dat de Evangelist, die voor zichzelf in 1 : 1—4 een program heeft opgesteld, zich veroorloofd zou hebben, zijn stof met zulk een willekeur te behandelen? 2°. Hebben wij in deze schildering niet een menigte fijne toespelingen gevonden op de historische omstandigheden, waaronder de gelijkenis geacht wordt, uitgesproken te zijn, die onvereenig-baar zouden zijn met de hier voorgestelde opvatting? Wanneer hebben de heidenen, om slechts een enkel voorbeeld aan te halen, het vaderhuis verlaten (vs. 15, 17 enz.)? 8°. dat Paulus, toen de gelijkenis eenmaal gegeven was, daaruit het leerstuk van de rechtvaardiging door het geloof heeft kunnen ontwikkelen, is gemakkelijk te begrijpen. Maar dat het tegendeel zoo hebben plaats gehad, dat de gelijkenis later verzonnen werd, om aan de Paulinische gedachte een gestalte te geven, dat laat zich niet vereenigen met het feit, dat in de uitvoering geen enkel dogmatisch element aanwezig is. De uitdrukkingen: berouw, bekeering, geloof, rechtvaardiging, en het denkbeeld der verzoening zouden stellig daarin gekomen zijn, indien zij de vrucht was geweest van

250

-ocr page 261-

15 : 28b - 32.

een dograatisclien arbeid uit den tijd der werkzaamheid van Paulus. — Volgens Keim bad do gelijkenis, zooals zij door Jezus werd voorgedragen, op de tollenaren en de Pharizeën betrekking, en zou Lukas do oorspronkelijke bedoeling daarvan veranderd en haar op de heidenen eu de Joden toegepast hebben. Doch deze opvatting zou dan eerst aannemelijk zijn, wanneer de gelijkenis, zooals Lukas ons die heeft overgeleverd, moeilijkheden aanbood, welk onoverkomelijk waren bij de in vs. 1 en 2 door hem zelf aangeduide toepassing, hetgeen, zooals wij gezien hebben, geenszins het geval is. — Volgens Weizsacker stelt de oudste zoon de leden der joodsch-christelijke gemeente voor, die weigerden, de door den jong-sten zoon voorgestelde hoiden-christonen aan het heil te laten deelnemen. Maar in welken zin zou men kunnen zeggen, dat de christenen uit de heidenen ooit het vaderhuis hebben verlaten, en dat de christenen uit de Joden wegens hun ingaan hebben geweigerd, binnen te gaan? — Hollzmann meent ontdekt te hebben, dut onze gelijkenis een uitbreiding is van die der twee zonen (Matth. 21 : 28—30). Doch de be-teekenis van do eene verschilt geheel van die der andere, en het zou voor Lukas een veel te groote eer zijn, hem do vervaardiging toe te schrijven van een nieesterstuk|, waarvan ieder trek het penseel van de Meestor verraadt.

VI. Hoofdst. 16. Twee gelijkenissen over het gebruik van de aardsche goederen.

Deze twee opmerkelijke leeringen komen alleen bij Lukas voor. Holzmann meent, dat zij geput zijn uit de gemeenschappelijke bron, de Logia, die Mattheus ook gebruikt heeft. Maar om welke reden zou deze ze weggelaten hebben? De tweede (vs. 31: zij hebben Mozes en dn profeten) is geheel in overeenstemming met den geest van het eerste Evangelie. Volgens Weizsacker hebben deze twee gelijkenissen door een reeks van achtereenvolgende redacties gewichtige veranderingen ondergaan. De oorspronkelijke gedachte der eerste zou zyn, dat do weldadigheid voor hem, die haar in beoefening brengt,

251

-ocr page 262-

15 : 286—32.

het middel is, om van zijn vroegere ongerechtigheden to worden vrijgesproken. Deze gelijkenis zou ouder de handen van Lukas do bestemming hebben verkregen, aan de heidenen den ingang in het koninkrijk Gods toe te zeggen, zoo zij weldadigheid oefenen jegens de Joden, de wettige erfgenamen van dit koninkrijk. De tweede gelijkenis zou eveneens oorspronkelijk de strekking van het Ebionitische Joodsch-christendom hebben gehad; zij zou de vier zaligsprekingen en het viervoudig „Wee u!quot;, waarmede de bergrede bij Lukas geopend wordt, ten tooneele voeren. Later zou men daarvan de schildering hebben gemaakt van de verwerping der ongeloovige Joden, die door den goddeloozen rijken man en diens broeders worden voorgesteld, en van de zaligheid der heidenen, wier beeld de persoon van Lazarus is (die volgens vs. 21 waarschijnlijk een heiden moet zijn). Wij zullen zien, of de exegese dergelijke onderstellingen rechtvaardigt.

Dit gedeelte behelst: 1°. de gelijkenis van den onrecht-vaardigen rentmeester met de opmerkingen, die daarmede gepaard gaan (vs. 1—13); 2°. opmerkingen, die de inleiding tot de gelijkenis van den rijken man vormen, en deze gelijkenis zelve (vs. 14—31). De eene schildering is blijkbaar het tegenstuk van de andere. Het denkbeeld, dat zij met elkander gemeen hebben, is de betrekking tusschen de besteding van de aardsche goederen en de toekomst der men-schen aan gene zijde des grafs. De rentmeester stelt den eigenaar voor, die door een verstandig gebruik van deze vergankelijke goederen zijn toekomstig lot weet te verzekeren; de goddelooze rijke daarentegen, den mensch, die door het veronachtzamen van dit juiste gebruik zijn toekomst op het spel zet.

1°. Vs. 1—13. De onrechtvaardige rentmeester.

Bestaat er een verband tusschen deze leering en de voorgaande? De formule s\'Asys Ss xxi, en Hij zeide ook (vs. 1), schijnt dit aan te duiden. Olshausen neemt aan, dat de discipelen (vs. 1), tot wie de gelijkenis van den onrecht-

252

-ocr page 263-

16 ; 1—2.

vaardigen rentmeester gericht is, de door Jezus tot God teruggebrachte tollenaren van Hoofdst. 15 zijn. Hij zou hen vermanen, voortaan een wijs gebruik te maken van deaardsche goederen, die zij op onrechtvaardige wijze hadden verkregen. Maar de uitdrukking; tol zijne discipelen (vs. 1) heeft, als men haar op een natuurlijke wijze verklaart, op de gewone discipelen des Heeren betrekking, en niet op pas bekeerden. In den laatst genoemden zin zou er een nadere bepaling bij deze uitdrukking gevoegd zijn. Als er een verband bestaat tusschen deze gelijkenis en die van Hoofdst. 15, dan is het slechts dit: dat het nieuwe leven, hetwelk uit de verzoening met God voortvloeit, zoowel hier als daar tegenover de Pharizeesche gerechtigheid en haar verborgen ondeugden gesteld wordt, daar tegenover den hoogmoed (Hoofdst. 15), hier tegenover de liefde tot het geld (Hoofdst. 16). In de bergrede gaat Jezus rechtstreeks van de eene dezer zonden tot de andere over (Matth. 6 : 18—19). Dit doet Hij ook bier. De Pharizeesche hoogmoed en huichelarij, die Hij gebrandmerkt heeft in den persoon van den oudsten zoon, gaan ia den regel hand aan baud met de trotsche hardvochtigheid van den goddeloozen rijke; gelijk het hart, dat gebroken is door de ervaringen desgeloofs, natuurlijkerwijze geneigd is tot de milddadigheid, die de onrechtvaardige rentmeester ten toon spreidt. Van daar de formule; En Hij zeide ook lot hen.

Vs. 1—9. De gelijkenis.

253

Vs. 1—2. Het misdrijf en de straf: »En hij zeide tot zijne 1) discipelen: Er was een rijk mensch, die een rentmeester bad; en deze werd bij hem verklaagd als zijne goederen verkwistende. 2. En hij riep hem, en zeide tot hem: Wat hoor ik

1

N B D L 11 laton auTou nn weg.

-ocr page 264-

16 : 1—2.

van u zeggen? Geef rekenschap van uw beheer,

want gij zult niet meer rentmeester kunnen ^ zijn.quot;

In deze schildering, evenals in eenige andere , bedient Jezus ^ich van het voorbeeld der onrechtvaardigen, om den ijver der geloovigen te prikkelen. De slechten spreiden menigmaal, te midden van een zedelijk laakbaar gedrag, inderdaad een werkzaamheid, een voorzichtigheid en een volharding ten toon, die zeer geschikt zijn om de rechtvaardigen te beschamen en aan te moedigen. De gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester is het meesterstuk van deze soort van onderwijzing. Wij zullen nu de verklaring daarvan geven, zooals zij door den samenhang zelf gemotiveerd wordt.

254

Volgens Weiss is de rijke mensch een persoonlijkheid, die enkel tot de schilderij der gelijkenis behoort, en waarvoor men in de werkelijke wereld geen equivalent moet zoeken. Maar hoe zou een persoonlijkheid, waaraan zulke handelingen als de beoordeeling van het gedrag van den rentmeester en de afzetting van dezen worden toegeschreven, niets voorstellen? Bovendien bewijst het verband tusschen vs. 8 en 9 duidelijk, dat wij in dezen persoon van de gelijkenis het beeld moeten zien van den Heer der wereld, den univer-seelen eigenaar, wiens vertegenwoordiger op aarde Jezus-zelf is. Het y.xya ook ik, en de woorden, die dezen syd\'m den mond worden gelegd, herinneren uitdrukkelijk aan het a aupio:, de Heer, van vs. 8 , en aan de uitspraak over den rentmeester, die dezen Heer daar wordt toegeschreven. De heer der gelijkenis is dus op het gebied van de tegenwoordige wereld, waar dit tooneel ons plaatst, wat God of Jezus zijn vertegenwoordiger, is, in de hoogere orde der dingen^ waartoe de kinderen des lichts (vs. 8) of de discipelen (vs. 1) behooren. Men maakt de (tegenwerping, dat God zulk een oneerlijke handelwijze als die van den rentmeester niet zou kunnen prijzen, en dat het ontslag van dezen man uit den

i) N 131) P lezcu Svvti, iu plnat» vnu Suvymi

-ocr page 265-

16 : 1—2.

dienst van God niet het middel kon worden, waardoor hij ten laatste het hemelsche koninkrijk inging. Deze bedenkingen berusten op zuiver misverstand, zooals Keil zeer goed heeft aangetoond, en wij later zien zullen. Okhausen heeft gemeend, dat de heer, die zulk een ontrouwen dienaar als de rentmeester prijst, slechts den duivel, als den vorst dezer wereld kan voorstellen. Maar deze opvatting is niet te vereenigen met het door den heer met verontwaardiging uitgesproken ontslag van den rentmeester, noch met de rekenschap, die van den rentmeester geëscht werd — waar staat in de H. Schrift te lezen, dat de mensch geroepen wordt, om hij den duivel rekenschap af te leggen? — noch met vs, 12, waar de uitdrukking „getrouw in hetgeen een ander toebehoortquot; niet beteekenen kan: getrouw in hetgeen de duivel ons van het zijne heeft toevertrouwd. Meyer heeft dan ook deze verklaring gewijzigd, en onder den heer den verpersoonlijkten rijkdom, den Mammon, verstaan. Maar hoe zou zulk een abstract ding als het geld hooren zeggen, afzeilen, prijzen? Neen, de heer kan slechts God voorstellen, zooals do oude en de meeste nieuwere uitleggers zeer juist verklaren. Is het niet God, die zegt: „Het goud eu het zilver behooren mij toequot; (Hagg. 2:8), en: „De aarde en al wat zij bevat is mijn eigendomquot; (Ps. quot;^4 : 1)? Tegenover Hem, deu eenigen wezenlijken eigenaar van alle dingen, is de mensch slechts een beheerder, een pachter. Dit zoo verhevene en toch zoo eenvoudige denkbeeld vernietigt het eigendomsrecht van den mensch tegenover God, maar geeft het zijn waren grondslag in de verhouding van den mensch tot zijn medemensch: ieder mensch moet het eigendom van zijn naaste eerbiedigen, juist omdat het God is , die bet hem heeft toevertrouwd. De renimeesler stelt iederen eigenaar en beheerder van een goed voor, van welken aard dit ook zijn moge.

Het bericht, dat de heer ontvangen heeft aangaande het bedrog van zijn rentmeester, is het zinnebeeld van de volmaakte kennis, die God van alle menschelijke handelingen heeft. — Do goederen, welke God ons toevertrouwt, getrouw

255

-ocr page 266-

16 : 1—2.

te beheeren, is: aan den dienst van God en van den naaste te wijden betgeen van ons inkomen overblijft, nadat wij daaruit genomen hebben wat er noodig is voor ons onderhoud; ze te verkwisten is: dit overtollige, alsof het ons eigendom was, in den dienst van onzen hoogmoed en van onze vermaken te besteden, of ze voor ons zelf en de onzen op te hoopen. Deze laatste handelwijze schijnt ons rechtmatig toe, maar wij hebben hier het oordeel van Jezus over een gedrag, dat ia onze oogen geheel natuurlijk is: dat van een rentmeester, die als eigenaar handelt. — Het woord quot;èiapaXXstv, geruchten verspreiden, heeft meestal betrekking op lasterlijke berichten, maar somtijds ook, zooals hier, op ongunstige, die waar zijn (zie Weiss).

Vs. 2. Met deze woorden noodigt de heer den rentmeester geenszins uit, om zich te rechtvaardigen, maar zet hem af, daar in zijn oogen diens schuld bewezen is. De rekenschap, die hij van hem cischt, is daarom de inventaris van het vermogen, dat hem toevertrouwd was, om dien aan zijn opvolger over te geven. Aan deze afzetting van den schuldige beantwoordt in de werkelijkheid de gebeurtenis, waardoor God ons de vrije beschikking over de goederen, die Hij ons toevertrouwd had, ontneemt, nl. de dood. Het vonnis der afzetting is voor ieder mensch vervat in dat, hetwelk over den eersten mensch als eersten zondaar werd uitgesproken: „Gij zult den dood sterven.quot; Maar de zondaar wordt zich dan eerst daarvan bewust, wanneer hij in de eene of andere bijzondere omstandigheid door de gedachte aan zijn eigen onvermijdelijken en nabij zijnden dood wordt aangegrepen, en daarin de straf voor zijn menigvuldige ontrouw erkent, {puvviiraq is sterker, dan jcaAfo-»?: „op een meesterachtigen toon sprekende.quot; In de uitdrukking ti toüto kan rl als een uitroep worden opgevat: „Hoe komt het, dat ik dit hooren moet!quot; of in vragenden zin, met toüto als appositie: „Wat hoor ik van u, namelijk dilfiquot; De beschuldiging zelve moet er bij worden gedacht. — Het praes. duvy in eenige Alexandr. Mss. is dat der nabijzijnde toekomst.

256

-ocr page 267-

10 : 3—4.

257

Vs. 3—4. Het plotselinge besluit: „En de rentmeester zeide bij zich zelf: Wat zal ik doen, daar mijn heer mij het rentmeesterschap ontneemt: Spitten kan ik niet; te bedelen schaam ik mij. . . 4. Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap \') afgezet zal zijn, menschen mij in hunne huizen mogen ontvangen.quot;

De woorden: hij zeide bij zichzelf hebben eenige overeenkomst met het tol zichzelf gekomen zijnde van 15 : 17, Het is een daad van inkeering tot zichzelf na een leven, dat in de bedwelming van het genot werd doorgebracht. De toestand van dezen man is hachelijk. Van de twee uitwegen, die hem voor den geest komen, is de eerste, veldarbeid, hem even onverdragelijk als de tweede, bedelen, de eene physiek, de andere zedelijk. Na een korte poos te hebben nagedacht, slaat hij zich eensklaps voor het voorhoofd en roept uit: „Ik ben er! Eyvuv: ik weel hel (vs. 4) I Het vonnis is in zijn oogen een onherroepelijk feit: Wanneer ik afgezel zal zijn. Maar die goederen, die hij spoedig aan een ander moet overgeven, hij heeft ze eenigen tijd nog in handen. Als hij zich haast, kan hij er nog partij van trekken met het oog op don tijd, waarin hij ze niet meer zal hebben, en zich b. v. een toevluchtsoord verzekeren voor den dag, waarop hij zonder dak zal zijn. Zoo kan ook de mensch, die met ernst denkt aan zijn nabij zijnden dood en aan de volkomene berooving, die daarop volgen zal, als hij verstandig is, een krachtig besluit nemen, en van de goederen zijns Meesters, die hij nog voor een korten tijd in handen heeft, zulk een gebruik maken, dat zij hem interest opleveren, wanneer zij hem zullen ontnomen zijn.

1) N Tl 1) lezeu vddr tik aiHovoiiixc, Godet, Lukas. II.

17

-ocr page 268-

16 : 5—7.

258

Vs. 5—7. De uitvoering van den bedachten maatregel: „En hij riep tot zich ieder van de schuldenaars zijns heeren in het bijzonder, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig? 6. En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschriftt), en ga gauw zitten, en schrijf: vijftig. 7. Daarna zeide hij tot een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig ? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf: tachtig.quot;

Do rentmeester zal spoetlig zonder huisvesting zijn; maar hij kent menschen, die huizon hebben. „Laat onsquot;, zoo spreekt hij, „hen tot vrienden maken; dan zullen er huizen zijn, waar men bereid is, mij te ontvangen, als ik zonder tehuis zal zijn.quot; Men lette op de uitdrukking: ieder in hel bijzonder. Hij spreekt met ieder afzonderlijk. De zaak is van dien aard, dat zij het liefst onder vier oogen moet worden behandeld. Deze schuldenaars, die hij tot zich roept, zijn kooplieden, wier voorraad door hèm geleverd wordt, en die de goederen op krediet ontvangen, totdat zij ze verkocht hebben en het daarvoor verschuldigde geld kunnen betalen. Een bath of epha had een inhoud van 20 liters (volgens velen, van 30—40). Kekent men de olie tegen 47 ^ cent por liter, dan waren de 100 baths f930 of ƒ 1900 waard, en was de kwijtschelding van de helft een geschenk van f 470 of f 950. Een kor of chomer had den inhoud van 10 baths, en kon dus 200 liters (of 400 liters) bevatten; de korting bedroeg derhalve van 2000—4000 liters, en als wij de tarwe tegen 231 cents berekenen, is dit een geschenk van f 475— f 950. De kwijtschelding van 20 kors was dus een geschenk

1) N li I) L lozon tiier on in ts. 7 tx ypa^/ixtx, in planta van to

-ocr page 269-

16 : 5—7.

van dezelfde waarde als die van de 5 baths, en er is geen roden om met Hojmann aan tc riemen, dat de grootte der schenking geëvenredigd was aan do mate van kwade trouw, die de rentmeester bij iederen koopman onderstelde, of met Göbel, dat hij do volle vrijheid, waarmede hij handohle, wilde doen blijken, en daardoor do persoonlijke dankbaarheid, dio zij hem schuldig zouden zijn, grooter maken. Ik ben vroeger ook van gevoelen geweest, dat hij de mate zijner mildheid naar die van hunno vermoedelijke dankbaarheid regelde.

Uit het hx skokttov, een iegelijk, van vs. 5 vloeit voort, dat er nog moor schuldenaars waren, en dat doze twee enkel als voorbeelden zijn aangehaald. Ook mot andere ging hij op deze wijze te werk. — Schrijf: niet door een verandering aan te brongen in den schuldbrief, een list, die gemakkelijk te ontdekken zou zijn geweest, maar door een nieuwen op te stellen. Door dezen maatregel gelukte het den rentmeester, de schuldenaars van zijn heer, met diens geld, tot zijn eigon schuldenaars te maken. Daarin bestond zijn beleid. Do weldadigheid\' wordt hier in den beiangwekkendsten vorm voorgesteld, als de besteding van het eigendom van God in ons eigen persoonlijk belang. Als een rijke zijn armen schuldenaar tot zich roept, en hem de helft van de op zijn schuldbrief aangegeven som kwijt scheldt, dan doet bij mot de goederen van God, welk hij op \'t oogenblik nog in handen hooft, precies hetzelfde, wat de rentmeester met die van zijn heer deed, maar, wat het zedelijk karakter dei-handeling betreft, met dit grooto onderscheid: dat do rijke, die aldus te werk gaat, zeer goed weet, dat hij in don goest van den goddolijken eigenaar handelt, terwijl de rentmeester het buiten weten en zonder de toestemming van zijn heer deed. Hetgeen bij den rentmeester ontrouw is, is dus ook bij dien rijke getrouwheid (vs. 12). Niets is geschikter, om aan den oenen kant alle gedachte omtrent de verdienstelijkheid der weldadigheid weg te nomen, en aan den anderen haar heerlijke gevolgen voor hot toekomende leven aan te toonen, dan hot licht, waarin zij hier door Jezus gestold wordt.

259

-ocr page 270-

16 : 8.

Vs. 8. De lofspraak van den heer: „En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hy met beleid had gehandeld. Want de kinderen dezer eeuw overtreffen de kinderen des lichts in beleid, in hun manier van handelen jegens de menschen van hun eigen geslacht.quot;

Hoe is het mogelijk, dat men de beteekenis van deze lofspraak zoo verkeerd heeft kunnen verstaan, dat men haar ook met de ontrouw van den rentmeester in betrekking heeft gebracht? De heer beperkt uitdrukkelijk de toepassing daarvan tot het beleid, waarvan de handelwijze van den rentmeester getuigt. Bovendien laakt hij deze handelwijze uit een zedelijk oogpunt, zooals duidelijk blijkt uit de uitdrukking: „de onrechtvaardige rentmeester.quot; Schleiermacher heeft wel is waar den genit. rijg xBmas van het verb, ènyvepev laten afhangen; maar het volgende Sn laat zich met deze opvatting niet vereenigen, evenmin als de uitdrukking ftxftuvx? rijs ASitclx? van vs. 9, welke klaarblijkelijk in een logisch verband staat met de uitdrukking van vs. 8. Vgl. ook de analoge uitdrukking Kpny; rijg ciïixixs in 18 : 6. De lofspraak van den heer moet dus ongeveer op de volgende wijze worden omschreven: „Hij is inderdaad een knap man. Het is jammer, dat zijn eerlijkheid zijn bekwaamheid niet evenaarde!quot;

Waarin bestond nu deze door den heer geprezene bekwaamheid? Daarin, dat hij in den korten tijd (tkxsus , gauw, vs. 6), gedurende welken hij nog beschikken kon over de goederen van zijn heer, deze zóó heeft weten te gebruiken, dat hij later, als zij niet meer onder zijn beheer zouden zijn, er voordeel van trekken kon. De toepassing op de christelijke weldadigheid springt in het oog. Als Weizïiicker beweert, dat deze lofspraak van den heer uit de gelijkenis moet worden geschrapt, dan bewijst dit slechts, dat hij de gelijkenis niet begrepen heeft. Het is zonneklaar, dat de volgende opmerking over de handelwijze van de kinderen

260

-ocr page 271-

16:8,

261

dezer eeuw on kinderen des lichts tegenover de menschen van hun geslacht een verklaring van Jezus zelf teruggeeft. — liet tweede oti heeft op Cppovl/aui; betrekking: hij heeft met beleid gehandeld, daar het beleid inderdaad de kinderen dezer eeuw gewoonlijk kenmerkt. Met deze algemeene uitspraak breidt Jezus het getuigenis van bekwaamheid, dat de heer den rentmeester zoo even gaf, tot alle wereldlingen uit. De uitdrukking a cc\'iuv ovroc, deze eeuw, duidt het tijdperk der geschiedenis aan, dat aan het koninkrijk Gods voorafgaat, met de toenmalige menschelijke leefwijze. Met cpüs wordt bedoeld het gebied van het hooger leven, waarin Jezus zijn discipelen inbrengt, en dat verricht wordt dooide openbaring der goddelijke waarheid. Deze twee sferen hebben ieder haar bevolking, zoodat ieder van haar bewoners omringd is van een zeker aantal tijdgenooten, die zedelijk op hem gelijken, en zijn ysvéx, zijn geslacht, uitmaken. Terwijl die van do eerste sfeer in het algemeen, evenals deze rentmeester, alle middelen weten te gebruiken, om in hun belang de bandon, die hen aan hunne tijdgenooten van dezelfden stempel verbinden, nauwer toe te halen, zijn die van de tweede geneigd, deze handelwijze, die van veel doorzicht getuigt, te verwaarloozen. En daarom in plaats van onverwijld de goederen Gods te gebruiken, om mot diegenen van hunne tijdgenooten, die hunne gevoelens doelen, liefdebanden aan te koopon, die hun eenmaal te stade zouden komen, genieten zij ze op zelfzuchtige wijze, of hoopon ze op, totdat zij hun ontnomen worden. Wij hebben hier, zooals menigmaal, oen dubbelen vorm van vergelijking (den comparativus van het adjectief en de praep. vTrsp), om de meerdere bekwaamheid der kinderen dezer eeuw sterk te doen uitkomen. Hot lU, jegens, hoeft betrekking op ieders gedrag tegenover de klasse van menschen, waartoe hij behoort {hun eigen geslacht). Terwijl deze uitspraak de handelwijze, die den goloovigo is aanbevolen, naast die van don rentmeester stelt, onderscheidt zij ze streng van elkander, door het contrast te doen uitkomen, dat de sferen, waartoe die twee behooren, met elkander vormen.

-ocr page 272-

16:9.

Vs. 9. De raad, die den discipelen gegeven is, als toepassing op de gelijkenis.

Vs. 9. „En ook ik zeg u; Maakt uzelven vrienden met den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal\'), zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.quot;

262

De woorden: En ook ik zey u beantwoorden uitdrukkelijk aan de lofspraak van vs. 8: En de heer prees. Gelijk Jezus zich in Hoofdst. 15 met den hemelschen Vader, die zich over de zondige menschen ontfermt, vereenzelvigd had, zoo vereenzelvigt Hij zich hier met den onzichtharen eigenaar van alle dingen; „Zoo sprak de heer van den rentmeester; en ziet hier wat ik, de Heer van het goud en het zilver in de wereld, tot u zeg : Haast u, met de goederen van een ander (van God), die gij nog maar voor een korten tijd moogt behouden, u zeiven (sxutoïï) vrienden te maken, die in het oogenblik van den dood door dankbaarheid aan u verbonden zullen zijn en hun welvaart met u zullen deelen.quot; Het sxuroTg staat tegenover deze goederen als goederen van een ander. De Alexandr. lezing ènxhy {^oi^wvxi) is blijkbaar de juiste: Wanneer u geld zal ontbreken, zooals den rentmeester zijn ambt. De lezing saxkyTs, wanneer gij er niet meer zult zijn, zou betrekking hebben op het einde van het leven. Maar deze uitdrukking zou zonder voorbeeld zijn, en zij wordt slechts door onvoldoende autoriteiten gesteund. — De vrienden zijn volgens Olshausen, Meijer, Ewald e. a. de engelen, die, door de weldadigheid van den liefdevollen tnensch getroffen, hem bij zijn overgang in de eeuwigheid bijstaan. Maar volgens de gelijkenis kunnen de vrienden slechts diegenen zijn, die zelf de voorwerpen zijn geweest van de weldadigheid des geloovigen. Het zijn dus

1) ï. R. leest sKhiTryre met 3 Mjj. (10 anderen: sxAeiTniTs); N A B en 5 Mjj.: exhiTry of gKAf/Tjf.

-ocr page 273-

16 :9.

2u3

de oiigelukkigen, die hij bier beneden ondersteund heeft, eu die zich thans in de eeuwige woningen bevinden. Welken dienst kunnen zij den stervenden discipel bewijzen? Hemden hemel binnenvoeren ? Zeker niet; want hij behoort reeds tot de wereld des lichts (vs. 8). Het is een van de in vs 1 vermelde discipelen; in vs. 3 en 4 ligt opgesloten, dat de bekeering bij hem reeds plaats gevonden heeft. Ook wordt niet gezegd, dat zij hem doen ingaan, maar dat zij hem ontvangen. Men ziet somtijds reeds op aarde, dat de arme christen, dien een medelijden le, maar godsdienstig weinig ontwikkelde rijke ondersteunt, zijn weldoener door zijn gebeden, door zijn betuigingen van dankbaarheid, door de stichting, die hij hem verschaft, oneindig meer en beters teruggeeft, dan hij van hem ontvangt. Als eenmaal door de liefde en de dankbaarheid een gemeenschap tusschen twee menschen ontstaan is, dan doet zij den minder gevorderde bij voorbaat de zegeningen genieten van een geestelijken toestand, die meer ontwikkeld is dan de zijno. Een dergelijke gedachte vindt men in 14 : 13 en 14. Mocht deze verklaring niat geheel voldoende geacht worden, dan herinnere men zich uitspraken als deze: „ H\'ie den arme geeft, leent den Heerquot;-, „Hetgeen gij één van deze minuten gedaan hebt, dat hebt gij mij gedaan.quot; Jezus en God-zelf worden do schuldenaars van hem, die in hun naam barmhartigheid geoefend heeft. Welk een voorrecht, zulke vrienden te hebben in het oogenblik, waarop men van alles beroofd wordt! — De dichterlijke uitdrukking; de eenige tabernakelen of tenten is aan de geschiedenis der aartsvaders ontleend. Do tenten van Abraham en van Isaak onder do eiken van Mamré, in hot land Kanaan, zijn in den geest aangebracht in dat toekomende leven, dat als een verheerlijkt Kanaan wordt voorgesteld. Voor de poëzie vertoont de toekomst zich altijd als het geïdealiseerd verleden. Het is minder natuurlijk met Meyer aan de tenten van Israël in de woestijn te denken. Men kan hier de iroWx) povol, vele woningen, in het huis des Vaders (Joh. 14:3) vergelijken. — Er blijft nog over, de uitdrukking ó y-xyMvx; TSjs d^inlx;, de onrechtvaardige

-ocr page 274-

16 : 9.

Mammon, te verklaren. Het woord ftxpuvüi; is niet, zooals men menigmaal gezegd heeft, de naam van een Oostersche godheid, van den god van het geld. Het komt van malhmon, een verborgen schat, afgeleid van thaman (vgl. Gen. 43 : 23), en duidt in het Syrisch en het Phoenicisch het geld zelf aan (zie Bleek op Matth. 6 : 24). liet bijvoegelijk naamw. onrecht-vaardig beteekent, volgens velen, niets anders, dan dat het verwerven van rijkdom meestal met zonde bevlekt is; volgens Bleek e. a., dat de zonde zich gemakkelijk aan het beheer van deze goederen hecht. Maar dit zijn slechts toevallige omstandigheden; de samenhang voert tot een meer bevredigende verklaring. Het oor van Jezus was zonder twijfel zeer dikwijls beleedigd geworden door de vermetelheid, waarmede de menschen ^rondom Hem konden zeggen: mijn vermogen, mijn landerijen, mijn huis. Hij, die de afhankelijkheid des menschen van God zoo diep gevoelde, zag in dit eigendomsgevoel een aanmatiging, het vergeten van den waren eigenaar; als Hij zoo hoorde spreken, dan scheen het Hem toe, alsof de pachter zich tot bezitter maakte. Deze zonde, waarvan de natuurlijke mensch zich in het geheel niet bewust is, ontbloot Hij in deze gelijkenis en kenmerkt Hij in het bijzonder door de uitdrukking: de onrechtvaardige Mammon. Het xi? xlmxs van vs. 8 en dat van vs. 9 komen nauwkeurig met elkander overeen en verklaren elkander. Het is daarom onjuist, met de Wette, de Tubingsche school, Renan e. a. in dit epitheton een veroordeeling van het eigendom als zoodanig te zien. De zonde ligt voor den mensch niet daarin, dat hij als bezitter van aardsche goederen Gods rentmeester is, maar daarin, dat hij dit laatste vergeet.

Van de talrijke verklaringen van deze gelijkenis, die voorgesteld zijn geworden, zullen wij slechts de voornaamste aanhalen. Schleiermacher ziet in den heer de Romeinsche ridders, die de tollen van Judéa pachtten en aan de inlandsche tollenaren onderverpachten, en in den rentmeester de tollenaren, die Jezus vermanen zou, de goederen, waarvan zij die vreemde hoofdpachters op slimme wijze beroofden, aan

264

-ocr page 275-

16 : 9.

205

hun landgenooten te geven lleinrich Bauer meent, dat wij bij den heer te denken hebben aan de Israëlitische overheden, en bij den ontrouwen rentmeester aan de christenen uit de Joden, die, zonder zich over de theocratische voor-oordeelen te bekommeren, zich moeten beijveren, om de weldaden des N. V, aan de. heidenen mede te deelen. Volgens Weiisücker stelde de rentmeester, naar de oorspronkelijke bedoeling der gelijkenis, een Rotneinschen overheidspersoon voor, die in zijn bestuur den Joden onrecht had aangedaan, en daarna zijn misslag weer goed trachtte te maken door zich minzaam en weldadig jegens hen te betoonen. Men begrijpt wel, dat de criticus bij deze opvatting niet weet, wat hij zal aanvangen met den lof, dien de heer zijn rentmeester toezwaait! De gedachte en het beeld zouden later veranderd zijn. Onder de handen van Lukas zou de schildering geworden zijn een tot de rijke en ongeloovige Joden gerichte vermaning, om den hemel te verdienen door weldadigheid jegens hunne arme bondgenooten, die tot het christendom zijn overgegaan. Hollzmann {Theol. Jahresber., 1881) maakt ook een onderscheid tusschen den oorspron-kelijken zin der gelijkenis en dien, welken Lukas haar geeft. Jezus zou aan de besteding van den rijkdom in het geheel

1) Chastang (iu eeu homiletisch bijvoegsel van het Tijdschrift Revue de théologie pratique, 15 Juli 1888) ziet iu deu rentmeester het beeld van een tollenaar, die door beJrog rijk ia geworden. Om zijn post te behouden, is deze rnensch genoodzaakt, afstand te doen van de oneerlijke winsten, die hij placht te maken door van do schuldenaren meer te vorderen. dan de som, waarover zij het eens waren geworden met zijn heer; evenzoo moeteu de tollenaren, die tot hiertoe de menschen meer hebben laten betalen, dan in het tarief quot;bepaald was, thaus deze handelwijze opgeven. Zij behoeven, evenals de rentmeester, niets anders te doen, dan hunne door bedrog verkregene goederen aan de armen te geven, om zich een goede ontvangst in den hemel te bereiden. Maar iu de gelijkenis is er voor den rentmeester in het geheel geen sprake vau het behouden van zijn post. Hij weet zoo goed, dat hij afgezet is en blijft, dat hij zich slechts een toevluchtsoord zoekt te verschaffen voor den tijd, die op zijn vertrek zal volgen. Chastang beweert ook nog, dat wij hier niet met een gelijkenis te doen hebben, aangezien de woorden: „En ik zeg uquot; in geen andere gelijkenis voorkomen. Heeft hij 11 :9 vergeten?

-ocr page 276-

16 : 10—13.

niet gedacht, eenvoudig over de christelijke voorzichtigheid in het algemeen gesproken hebben, in den zin van hot voorschrift van Matth. 10; IC: „Weest voorzichtig gelijk de slangen.quot; De toepassing op het gebruik van den rijkdom zou Lukas daarin gebracht hebben, en de oorspronkelijke gelijkenis zou met vs. 8 eindigen. — Het willekeurig en gedwongen karakter dezer verklaringen springt in het oog, en het is niet noodig ze in bijzonderheden te weerleggen. Het verblijdt ons, dat wij ditmaal met kunnen samen

gaan, zoowel ten opzichte van de algemeene uitlegging van de gelijkenis, als ten opzichte van de verklaring der daaropvolgende woorden (Die Euany. blz. 199).

Vs. 10—13. Algemeene beschouwingen naar aanleiding van de gelijkenis.

266

Vs. 10—13. „Die getrouw is in het kleinste, is ook in het groote getrouw; en die in het kleinste onrechtvaardig is, is ook in het groote onrechtvaardig. 11. Zoo gij dan ten opzichte van den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware toevertrouwen? 12. En zoo gij niet getrouw zijt geweest in hetgeen eens anderen is, wie zal u geven hetgeen het uwe \') is? 31. Geen huisknecht kan twee heeren dienen; want, óf hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, óf hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt God niet dienen en Mammon.quot;

1) BL; to ttnerepov, in plaats vau to vnsttfov.

-ocr page 277-

16 : 10—13.

Verscheidene uitleggers (o. a. de Welle en Bleek) nieencn, dat Lukas deze beschouwingen willekeurig hier geplaatst heeft. Weiss neemt aan, dat op de gelijkenis van den onrechtvaar-digen rentmeester een andere volgde, die handelde over het wijs gebruik van de aardsche goederen, en waaraan zich de volgende woorden op een natuurlijke wijze zouden hebben vastgeknoopt. Deze hypothesen zijn onnoodig. Om het verband tusschen de volgende leering en de voorafgaande gelijkenis te verstaan, behoeft men zich slechts te herinneren, dat hetgeen in het door Jezus gebruikte beeld als ontrouw werd voorgesteld, dezen naam niet verdient in des menschen betrekking tot God. Want als de discipelen van Jezus de goederen, welke God hun toevertrouwd heeft, onder zijn broeders verdeelt, dan handelt hij inderdaad niet, zooals de rentmeester, tegen den wil en in strijd met de belangen van zijn Heer. Integendeel; wanneer de weldadige geloovige datgene, wat hij geeft, uit de hem toevertrouwde goederen van God neemt, dan handelt hij in volmaakte overeenstemming met de bedoelingen van dezen goddelijken Eigenaar. Door deze overeenstemming verandert de schijnbare ontrouw in wezenlijke getrouwheid; en dit ware standpunt neemt Jezus nu in bij het volgend onderwijs, door de manier van spreken, die geschikt was voor het voorbeeld , dat Hij gekozen had, te laten varen.

Vs. 10 spreekt een algemeene ervaring uit, welke de grondslag is van de toepassing, die Jezus in het oog heeft (zie bij vs. 11 on 12). Het zou onjuist zijn, te zeggen, dat hij, die in het groote getrouw is, het ook in het kleine zal zijn, terwijl het omgekeerde met volle waarheid beweerd kan worden. — Het denkbeeld van rjelrouwheid beeft meer op de verhouding tot God betrekking, en dat van onrechlvaar-digheid op de verhouding tot de menschen. In vs. 11 en 12 maakt Jezus de gevolgtrekking uit de ervaring, die in vs. 10 is uitgesproken. De christen, die in het gebruik van de aardsche goederen {hel kleinsle, to shaxivtov) niet getrouw is geweest (in Gods oogen), door ze tot weldadige doeleinden te besteden, kan niet in het bezit van goederen

267

-ocr page 278-

16 : 10—13.

van een hoogere orde worden gesteld. Want hij beeft, door zijn ontrouw in het gebruik van de goederen van minder waarde, die hem toevertrouwd waren, getoond, dat bij onbekwaam is om op nuttige wijze uitnemender goederen te be-beeren, door ze te doen strekken tot de volbrenging van den wil van God en tot bet welzijn van de broederen. Aangaande de uitdrukking xliMq ftx/tüvoi;, zie men bij vs. 9. De tegenstelling met to Ahyóivév heeft vele uitleggers verleid, bier aan atiwi de geheel ongewone beteekenis van bcdriegclijk of vergankelijk te geven, hetgeen zoowel willekeurig als onnoodig is; willekeurig, omdat men voor deze beteekenis geen afdoend voorbeeld kan bijbrengen, en onnoodig, omdat de tegenstelling met xhyQiviv zich ook zonder dat laat rechtvaardigen. Deze uitdrukking geeft namelijk het goed te kennen, dat aan bet begrip „goedquot; volkomen beantwoordt, het wezenlijke goed, dat onveranderlijk is en blijft wat het is, terwijl de rijkdom van karakter kan veranderen, iets kwaads kan worden, zooals wanneer de menscb hem voor zijn eigendom aanziet. Dit wezenlijke, onveranderlijke goed is God-zelf en de hemelscbe goederen, die Hij voor de men-schelijke ziel bereidt. Dit hoogste goed nu kan niet worden gegeven aan hem, die zicb niet getrouw beeft betoond in de besteding van de aardsche goederen. De tegenstelling tus-schen bet praeteritum èyèvsads, gij zijt geweest, en ttkttsvtsi, zal toevertrouwen, doet geheel natuurlijk aan die tusschea het tegenwoordige en het toekomende leven denken. Dit vloeit ook voort uit de betrekking tusscben deze woorden en die van vs. 9. Jezus wil niet zeggen, dat de rijkdom der geestelijke gaven, welke hier beneden aan een ge-loovige worden geschonken, geëvenredigd is aan het goed gebruik, dat hij van zijn geld maakt; Hij denkt veeleer aan bet verband tusschen dit gebruik en den rijkdom der goddelijke gaven in de toekomende bedeeling; vgl. de gelijkenis van de talenten en die van de ponden (Matth. 25 en Luk. 19).

Vs. 12. Jezus zet hier dezelfde toepassing voort, en rechtvaardigt baar door een nieuwe tegenstelling: die tusschen hetgeen eens anderen en hetgeen hel uwe is. Evenals

268

-ocr page 279-

16 : 10—13.

de uitdrukkingen: het kleinste en de onrechtvaardige Mammon, kan de uitdrukking: hetgeen eens anderen is in dit verband slechts de aardsche goederen te kennen geven. Dit blijkt duidelijk uit de voorgaande gelijkenis, waaraan juist de gedachte ten goudslag ligt, dat de aardsche goederen niet ons, maar een ander toebehooren, die de eenige ware bezitter van alle dingen is. Tegen deze opvatting van do uitdrukking eens anderen brengt men in, dat hetzelfde ook van de geestelijke goederen geldt, die immers ook door God geleend zijn, en dat de uitdrukking iwórpiov, hetgeen eens anderen is, eenvoudig beteekent, dat de aardsche goederen deze wereld toebehooren en ons tegelijk met haar zullen begeven, terwijl het ö,u6Tepov, hetgeen hel uwe is, datgene te kennen geeft, wat altijd in ons bezit zal blijven. Maar de tegenstelling tusschen vergankelijk en blijvend is een geheel andere, dan die tusschen het goed van een ander en eigen goed. Een vergankelijk goed kan wel het onze zijn, b. v. een van onze zintuigen. En als men de uitdrukking: hetgeen eens anders is verklaart met: „hetgeen deze wereld toebehoortquot;, dan speelt men met de beteekenis van het woord toebehooren. De eenig mogelijke verklaring van de tegenstelling van vs. 12 is: daarin wederom de tegenstelling te zien tusschen de aardsche goederen, welke Gode toebehooren, en de goederen van geestelijken aard, die zeker ook van God komen, maar nochtans de ome zijn, voor zoo ver zij in overeenstemming zijn met onze ware natuur, ons geestelijk wezen, en met onze persoonlijkheid-zelve één worden, terwijl de aardsche goederen altijd iets uitwendigs voor ons blijven. Er is, zooals Jezus-zelf gezegd heeft, een goed, hetwelk sedert de grondlegging der wereld voor ons bereid isquot; (Matth. 25 : 34), |en waarvoor wij-zelven bereid zijn geworden door het feit van onze schepping (Gen. 2:1), het koninkrijk Gods, terwijl het geld slechts toevallig en uitwendig met ons bestaan verbonden is.

Het getrouwe of ontrouwe, rechtvaardige of onrechtvaardige, met den wil van God overeenkomende of daarmede in strijd zijnde gebruik, dat de geloovige hier beneden van zijn aardsche

269

-ocr page 280-

16 ; 10—13.

goederen maakte, beslist dus over de vraag, of zijn wa,ar erfdeel, het goeil, dat in den waren zin des woords hel groote, het ware, hel onze verdient genoemd to worden, en waarvan hij hier op aarde slechts de eerstelingen bezit, hem in het toekomende leven moet worden toevertrouwd of niet. Aan een rijken vader gelijk, die zijn zoon eerst een landgoed van mindere waarde overgeeft, om hem op de proef te stellen, voordat hij hem het kostbaarste gedeelte der erfenis toevertrouwt, schroomt God niet, de aardsche goederen aan al de gevaren van onze ontrouw bloot te stellen, opdat uit het gebruik, dat wij van deze goederen van mindere waarde maken, blijken zou, of wij bekwaam zijn, ons eeuwig vermogen te beheeren, en dus ook in bezit te nemen, of niet. Dit is een bewonderenswaardige opvatting van het doel van het aardsche leven, en zelfs van het bestaan van het stoffelijke.

Het 13de vers, waarmede dit gedeelte eindigt, staat ook in verband met het beeld der gelijkenis; de rentmeester had twee heeren, die het hem niet gelukt is, tegelijk te dienen, nl. den eigenaar van het vermogen, dat hem toevertrouwd was, en den Mammon, dien hij aanbad. De liefde tot den laatsten deed hem den eersten haten, terwijl de gehechtheid aan dezen hem een edele verachting voor den anderen zou hebben ingeboezemd. Zoo is het met den discipel van Jezus, die tussehen God en het geld is geplaatst. — Gewoonlijk neemt men aan, dat de twee zinnen van dit vers dezelfde beteekenis hebben, en alleen in den vorm de uitdrukking van elkander verschillen. Maar Bleek doet te recht opmerken , dat het ontbreken van het artikel vóór \'hoi in den tweeden zin niet toelaat, dit pronomen tot een bloote herhaling van het voorafgaande tcv hx in den eersten te maken; hij geeft het daarom een meer algemeene beteekenis, en past het zonder onderscheid op ieder van de hvee heeren toe. Het geheele verschil tussehen te twee parallelle zinnen ligt dus in de beteekenis der werkwoorden, daar aanhangen minder sterk is dan liefhebben, en verachten minder sterk dan haten: „Hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, of hij zal ten minste een van beiden meer aanban-

270

-ocr page 281-

16 : 10—13.

gen, en den dienst van den anderen verwaarloozcn.quot; Dit komt in den grond op hetzelfde neer. — Dit vers besluit deze rede op uitnemencle wijze, Bkek moge er van zeggen, wat hij wil. De plaats, die het bij Mattheus inneemt, waar het tot de bergrede behoort (6 : 24), is zonder twijfel ook gepast, maar weinig verzekerd, zooals die van het goheele gedeelte, waarin het zich bevindt. Zelfs Weiss meent, dat het Lukas is, die de oorspronkelijke plaats van deze uitspraak bewaard hoeft, en dat hij haar dus uit een andere bron heeft geput. Maar als dit zoo is, dan moest deze geleerde een andere gevolgtrekking daaruit maken, nl. deze; dat uitspraken van Jezus geheel identisch kunnen bewaard zijn, zonder dat daaruit voortvloeit, dat zij van dezelfde oorkonde afkomstig zijn. Maar dit zou zijn systeem aangaande de samenstelling der Synoptici geheel ondermijnen.

2°. Vs. 14—31. De gelijkenis van den rijken man.

Vs. 14—18. De inleiding. — Wij staan hier tegenover een reeks van uitspraken, die op het eerste gezicht niet met elkander in verband staan. Ilolt.mann meent, dat Lukas hier, om zoo te zeggen, op goed geluk af uitspraken, die in do Logici verspreid waren, en waarvoor hij tot hiertoe geen plaats heeft kunnen vinden, bij elkander heeft gevoegd. Maar deze inleiding bevat eigenlijk slechts twee gedachten: de verwerpelijkheid der Pharizeën en de voortduring van de geldigheid der wet. Dit nu zijn juist dezelfde twee gedachten, die in de volgende gelijkenis in werking gebracht zijn, de eene in de verdoemenis van den rijken man, dezen trouwen Pharizeër {„vader Abrahamquot;, vs. 24, 27, 30), de andere in het woord van Abraham, waarmede hij de onvergankelijke waarde van de wet en de profeten uitspreekt. Het verband tusschen deze twee hoofdgedachten van de inleiding en de gelijkenis kan op deze wijze worden aangeduid: De wet, die het steunpunt is van den invloed der Pharizeën, zal zelf het werktuig van hunne eeuwige verdoemenis zijn. Precies hetzelfde zegt Jezus in Joh. 5 : 45 lot de Joden: „Die Mozcs,

271

-ocr page 282-

16 : 14—15.

op wien gij hoopt, die zal uw aanklager zijn.\'quot; Wij moeten evenwel erkennen, dat deze inleiding (vs, 14—18) een zeer fragmentarisch karakter vertoont. Het zijn meer bestand-deelen eener rede, dan de rede zelf. Maar juist dit bewijst, dat Lukas zich niet veroorloofd heeft, deze inleiding willekeurig samen te stellen. Welk geschiedschrijver zou op deze wijze schrijven? Een door den Evangelist verzonnen rede zou stellig een duidelijken logischen samenhang hebben aangeboden, evengoed als de redenen, die Livius of Xenophon zijn helden in den mond legt. Deze fragmentarische redactie bewijst reeds op zichzelf, dat een rede zooals die van vs. 14 en verv. werkelijk in dien tijd gehouden werd, en dat zij de grondslag is van het onsamenhangende bericht van Lukas.

Vs. 14—15. „En de Pharizeën, die het geld lief hadden, hoorden ook1) al deze dingen, en zij bespotten Hem. 15. En Hij zeide tot hen: Gij zijt degenen, die zichzelven voor de menschen rechtvaardigen, maar God kent uwe harten; want hetgeen hoog is2) onder de menschen, is een gruwel voor God.quot;

De laatste woorden van Jezus over de onmogelijkheid, om den dienst van God met die van den Mammon te vereenigen, vielen loodrecht op de Pharizeën; want deze zoogenaamde dienaren van Jehova waren desniettemin ijverige aanbidders voor den Mammon. Weiss meent, dat Lukas hier op zijn eigen gezag de bepaalde toepassing op do Pharizeën invoert. Maar in de bergrede, zooals Mattheus ons die mededeelt, knoopt zich de plaats tegen het verkeerd gebruik van den rijkdom, die met ons l3do vers eindigt

272

1

N B D L R 3 Mini. Syr. It. laten xai vlt;5lt;5r 01 tyxpiiruioi weg, welk woord T. R. met A en 15 Mjj. leeat.

2

T. 11. leeat scttiv, met E en 2 Mjj.; N A B 1) en 7 Mjj.: laten het weg-

-ocr page 283-

16 : 14—15.

(„gij kunt God niet dienen en den Mammonquot;) juist aan de strenge schildering van de Pharizeesche huichelarij (6 : 18—19) vast; deze plaats had dus ook op de Pharizeën betrekking. Er is derhalve niets in te brengen tegen de inleiding van Lukas, vs. 14. — Het texi, ook, herinnert, dat de voorafgaande waarschuwing tegen de liefde tot het geld rechtstreeks tot de discipelen gericht werd (16 : 1). Maar zij waren niet de eenigen, die haar hoorden; er waren Pharizeën tegenwoordig, die daarmede spotten. Zeker zijn het niet de Byzant. afschrijvers, die dit beteekenisvolle Kamp;i er bijgevoegd hebben, zooals Weiw meent; veeleer hebben de Alexandr. het uit onachtzaamheid of onverstand weggelaten. — \'Ek/mxtvpIQiv (van ftuKTyp, neusgat), de neusgaten samentrekken als teeken van verachting; spottend lachen, meesmuilen. Men kan met Weiss en Hofmann aannemen, dat zij het ongerijmd vonden, dat Jezus de liefde tot het geld voor onbestaanbaar met den dienst van God verklaarde, terwijl de wet den rijkdom als een teeken van den goddelijken zegen voorstelde. Toch zou dit alleen zulk een spottend lachen niet hebben uitgelokt. De uitdrukking doet bovendien aan spotternijen denken, die op de armoede van Jezus en zijn discipelen betrekking hadden: „Het is gemakkelijk, met verachting over geld te spreken. . . . wanneer men het niet heeft, zooals gij en de uwen.quot;

Vs. 15. Het antwoord van Jezus heeft, evenals de volgende gelijkenis, ten doel, deze spottende gerustheid te vernietigen. Het oordeel van God zal een anderen maatstaf hebben, dan dat der menschen, die op dit oogenblik aan hunne voeten zijn. Deze zien de gerechtigheid, waarmede de Pharizeën pronken, voor echt aan; maar Gods oog dringt dieper door. De heerschappij van een enkelen hartstocht, zooals de geldzucht, is genoeg, om al die uitwendige gerechtigheid, die hun de gunst der wereld verwerft, en op de naleving van inzettingen berust, in zijn oogen afschuwelijk te maken. De uitdrukking: Gij zijl degenen, die zichielven rechtvaardigen beteekent: „Gij zijt degenen, die den naam van rechtvaardigen bij uitnemendheid hebben verkregen.quot; —

Gouet, Lukas. II. 18

273

-ocr page 284-

16 : 1G—18.

Het on, want, schijnt bij den eersten blik niet het begrip „kennisquot; {yii/uaxeiv), maar het begrip „verdoemenisquot;, dat in het geheel niet uitgedrukt is, te rechtvaardigen. Göiel en Keil geven deze verklaring: „God kent u. . . en het bewijs daarvan is, dat Hij niets anders dan afschuw gevoelt daar, waar de menschen bewonderen.quot; Het schijnt mij eenvoudiger toe, aan te nemen, dat het denkbeeld van „verdoemenisquot; in dat van „kennisquot; ligt opgesloten: „God kent u (en verwerpt u dus), omdat . . .quot; God laat zich door de mensche-lijke bewondering zoo weinig verblinden, dat hij, die daarvan het voorwerp is en zich de hem bewezene hulde laat welgevallen, voor hem een voorwerp van afschuw is. Want alle verheerlijking van den mensch berust op leugen.

Hetgeen de Pharizeën vooral geërgerd had, was de geestelijke zin, waarin Jezus de wet opvatte, daar Hij ernst maakte met het eerste en het groote gebod: God lief te hebben met geheel zijn hart en met zijn gansche wezen, en daardoor, ondanks hun uiterlijken schijn van heiligheid, de schandelijke hebzucht, die hen bezoedelde, veroordeelde. Aan deze gedachte knoopt zich de volgende waarschuwing over de blijvende waarde der wet (vs. 16—18) vast, en eveneens de gelijkenis, waarin Jezus hen naar de hel voert, om hen te doen zien, wat er van een rechtvaardige van hun soort wordt.

274

Vs. 16 —18. „De wet en de profeten gaan tot op1) Johannes; van dien tijd af wordt het koninkrijk Gods verkondigd, en allen worden daartoe uitge-noodigd. 17. Maar het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbygaan, dan dat één tittel der wet valle. 18. Een iegelijk, die zijne vrouw verlaat, en eene andere trouwt, doet overspel; en

1

T. 11. leest ewc, mot AD en 14 Mjj.j xBLRX: i*exiquot;-

-ocr page 285-

16 : 16—18.

alwie1) de door haar man verlatene trouwt, doet overspel.quot;

Het is waar, dat sedert Johannes de Dooper een nieuw tijdperk begonnen is; met dezen Godsgezant heeft de tijd van voorbereiding van het rijk Gods zijn einde bereikt. Wet en profeten hebben plaats gemaakt voor de roepstem der goddelijke genade, die alle zondaren uitnoodigt, om in den nieuwen staat van zaken in te gaan. Het wordt (Shx^stxi moet in dit verband in passieven zin worden opgevat: „Allen worden op krachtige wijze gedrongen, om in te gaanquot;; zoo Hofmann. De meesten nemen het in medialen zin: „Ieder dringt zich, om zoo te zeggen, met geweld er in; het is, als wanneer een dichte schare zich haastte, om door deze thans geopende deur binnen te dringenquot;. Maar zou hiermede niet te veel gezegd zijn? Zou de uitdrukking niet een sterke overdrijving bevatten? En knoopt zich het denkbeeld van dringende uitnoodiging niet natuurlijker aan de uitdrukking evayyehiamp;aOxi, de goede tijding verkondigen, vast, dan dat van aanneming? Het koninkrijk Gods is aangekondigd en geopend, en daardoor is ieder plechtig uitge-noodigd, om het in te gaan.

275

Vs. 17. Het Si is adversatief: „Nochtans is de geldigheid der wet daarom niet te niet gedaanquot;. De wet heeft een blijvende beteekenis; zij moet den mensch tot berouw, en daardoor tot geloof in het Evangelie voeren, en eenmaal zal daarnaar worden geoordeeld. — Kspxix, diminutief van xépxc, hoorn, duidt zonder twijfel de kleine haakjes der Hebreeuwsche letters aan. Het geringste element van goddelijke heiligheid, dat de wet bevat, heeft meer werkelijkheid en duurzaamheid, dan de geheele zichtbare wereld. Als dus hot Evangelie de wet vervangt, dan kan dit niet anders geschieden, dan door haar te vervullen, en bijgevolge door haar in haar wezen-

1

T. R. leest nxi txi; o, met N A en 15 Mjj.; BDL laten weg.

-ocr page 286-

16 : 16—18.

lijken inhoud to handhaveü. Over de lezing van Marcion, twi/ xöyav iMov, mijne woorden, in plaats vaa tov vópou, zie men verder beneden.

Het lö\'ie en het t7Je vers zijn door Mattheus in de toespraak van Jezus over Johannes den Dooper (11 : 12—13) geplaatst, en in andere orde, dan die waarin zij bij Lukas voorkomen. Men begrijpt gemakkelijk, hoe ons lö\'16 vers door Mattheus kon worden ingelascht in deze rede, waarvan Johannes de Dooper het onderwerp is. Maar wij hebben gezien, dat deze verklaring in diezelfde rede bij Lukas (Hoofdst. 7) op zeer voordeelige wijze door een geheel verschillende uitspraak vervangen is (vs. 29 en 30). Bleek erkent (I, bl. 454 en verv.), dat Lukas de voorkeur verdient, wat den vorm der woorden betreft. Ik denk, dat dit nog veel meer het geval is , wat de plaats aangaat, die hij daaraan geeft; want het is gewoonlijk op dit punt, dat zijn meerderheid betrekking heeft.

Vs. 18. „Zelfs zal de wet onder de nieuwe bedeeling nog strenger worden toegepast, dan onder de oudequot;. Als voorbeeld van deze grootere strengheid brengt Jezus de wet over de echtscheiding bij. Ditzelfde voorbeeld voert Hij bij Mattheus in de bergrede aan (5 ; 31 en 32), en wel met hetzelfde doel; alleen komt het mij voor, dat de eerste Evangelist daar een aaneenschakeling van denkbeelden heeft gevolgd, die hem alleen eigen is (zie I, bl. 460). Volgens de verklaring van Jezus in Matth. 19 : 3 en verv. en Mark. 10:2 en verv., had Mozes in het boek Deuteronomium de echtscheiding toegestaan, behoudens enkele beperkende bepalingen. Dit was een oogenblikkelijke opschorting var. de strengheid van het beginsel des huwelijks, zooals het in Gen. 22 was uitgesproken. Jezus herstelt de door God gewilde orde der dingen in haar oorspronkelijke reinheid, en maakt haar tot de wet van het nieuwe Verbond. Volgens den Talmud (Gittin, IX, 10) leerde Hillel, de grootvader van Gamaliël, dien men tegenwoordig tot den leermeester van Jezus wil maken, dat een man het recht heeft, zijn vrouw weg te zenden, als zij zijn eten heeft doen aan-

276

-ocr page 287-

16 : 1G—18. ,

277

branden. ^ Het is te begrijpen, dat Jezus togenover zulke vervalscbingen behoefte heeft gevoeld, op strenge handhaving van de zedelijke verplichting, die in de wet Gods vervat is, aan te dringen. — Verscheidene uitleggers vatten deze woorden geheel anders op (Olshausen, H. Bauer, Hofmann, Weiss, met eenige schakeeringen). Zij vinden hier een dergelijke gedachte als die van Paulus in Rom. 7 : 1—6. Er zou in allegorischen zin over het huwelijk gesproken zijn, en Jezus zou daarmede de betrekking van den raensch tot de wet te kennen geven. De woorden: „Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat en een andere trouwtquot; zouden beteekenen: „Een iegelijk, die, wegens den nieuwen vorm van het rijk Gods, de blijvende geldigheid der wet verwerptquot;; en de woorden: „alwie een verlatene vrouw trouwtquot; zouden te kennen geven: „hij, die, nadat de wet door het Evangelie vervangen is, de vroegere betrekking tot de oude bedeeling nog wil aanhoudenquot;. De eerste zondigt tegen vs. 17, en de tweede tegen vs. 16 (Wt\'tsi). Maar wie van de toehoorders van Jezus zou zelfs een enkel woord van een op zoo zonderlinge wijze uitgedrukt onderwijs hebben kunnen begrijpen? Het is zeer opmerkelijk, dat juist op dat tijdstip, d. w. z. in den tijd, toen Jezus, volgens de twee andere Synoptici, zich naar Perea begeven had, een vraag over de echtscheiding tot Hem gericht werd, en wel door Pharizeën (Matth. 19:3), en dat Jezus daarop geantwoord beeft met eeu uitspraak, geheel gelijk aan die, welke wij bier bij Lukas vinden. Deze parallelle plaats bepaalt den zin van de uitspraak bij Lukas en verklaart de aanwezigheid daarvan in dit gedeelte.

Het asyndeton tusschen vs, 17 en 18 laat zich verklaren uit het fragmentarisch karakter van de bron, die Lukas over de gebeurtenissen van dit tijdstip bezat. De Evangelist heeft zich er toe bepaald, haar eenvoudig terug te geven.

1) Jesus und IliUel door DeUtzsch, blz. 27, waar deze geleerde de figuurlijke verklaring weerlegt, dio de hedondaagsche Joden van deze uitspraak willen geveu.

-ocr page 288-

( 16; 16—18.

zonder zich to veroorloven, op zijn eigen gezag de leemten aan te vullen, die daarin voorkwamen. In plaats van hem het onsamenhangend karakter van zijn bericht tot een misdaad aan te rekenen, moet men daarin dus veeleer het bewijs van zijn stipte getrouwheid zien.

Om vs. 18, in den samenhang van Lukas, te rechtvaardigen, heeft Schleiermacher daarin een toespeling gezien op de scheiding van Herodes Antipas van de dochter van Aretas en op zijn ongeoorloofd huwelijk met Herodias, een misdaad, die de schriftgeleerden en Pharizeën den moed niet gehad hebben, te laken, zooals Johannes de Dooper gedaan had. Maar Herodias was geenszins door haar man weggezonden; zij had hem geheel vrijwillig verlaten. Jezus had zich dus geheel anders moeten uitdrukken, indien Hij aan dit geval had gedacht.

Daar de uitspraak van vs. 17 de eeuwige voortduring der wet verkondigt, hebben vele critici gemeend, dat zij onver-eenigbaar is met het Paulinisch karakter van het Evangelie van Lukas. Dientengevolge beweert Hilgenfeld, dat de tekst van onzen kanonieken Lukas vervalscht is, en dat de echte oorspronkelijke redactie van deze plaats, zooals van vele andere plaatsen, door Marcion bewaard is, die las; „Het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat er één streepje van een letter van mijne woorden afvalt.quot; Maar: 1°. Als men dit bijzonder geval naar Marcion\'s gewone manier van doen beoordeelt, dan moet men veeleer aannemen, dat hij den tekst van het Evangelie met zijn dogmatische zienswijze in overeenstemming heeft gebracht. 2° Jezus had de uitdrukking: streepje van een letter niet op zijn woorden kunnen toepassen, voordat zij op schrift waren gebracht. 3° De parallelle plaats Matth. 5:18 bewijst op onwedersprekelijke wijze, dat de hier gebezigde uitdrukking werkelijk door Jezus met het oog op de wet is gebruikt. Deze hypothese is dan ook door Zeiler bestreden geworden. Maar deze stelt er een andere voor in de plaats, die nog onwaarschijnlijker is, nl. dat Lukas, om de anti-Paulinische strekking van deze uitspraak te bemantelen, haar zorgvuldig

278

-ocr page 289-

10 : 19.

door twee andere heeft omgeven, die den lezer moesten overhalen, haar niet letterlijk op te vatten. Welk een listige kunstgreep! zou het niet veel eenvoudiger zijn geweest, haar geheel weg te laten?

Aan deze aanleiding knoopt zich het volgende tooneel als voorbeeld vast. Aan de woerden van vs. 15: hetgeen hoog is voor de menschen beantwoordt de schildering van het weelderige en schitterende leven van den rijken man; aan de uitdrukking; is een gruwel voor God (hetzelfde vers), de schildering van zijn straf in de onderwereld; aan de verklaring van vs. 17 over de voortduring van de wet, het antwoord van Abraham: zij hebben Mozes en de profeten. — De gelijkenis van den rijken man is het pendant van die van den onrechtvaardigen rentmeester. Want „het ontbreekt den eerstenquot;, gelijk Reuss uitnemend zegt, „juist aan de eigenschap, die bij den iaatsten geprezen werd, de voorzorg voor de toekomst en het streven om zich daarvoor voor te bereidenquot;; laat ons er bijvoegen: door het wijs gebruik van de aardsche goederen.

Vs. 19—31. De gelijkenis van den rijken man. Zij bestaat uit twee tooneelen, die al te zeer op elkander betrekking hebben, dan dat dit onderling verband niet het denkbeeld der gelijkenis zelf zou zijn. Het eene heeft op de aarde plaats (vs. 19—22), en het andere in den Hades (vs. 23—31).

Vs, 19—22. Het aardsche tooneel. Het behelst vier tafereelen: het leven van den rijken man ,(vs, 19) en dat van den armen (vs. 20 en 21); den dood van den eersten (vs. 22a) en dien van den Iaatsten (vs. 22amp;).

Vs. 19. En er was een zeker rijk mensch, die zich kleedde met purper en fijn lijnwaad, eiken dag vroolijk en prachtig levende.quot;

mouaws moet niet als praedicaat („een mensch was rijk en kleedde zich. . .quot;), maar als adject, worden opgevat; het is van zijn substantief gescheiden, om dit te beter te doen uitkomen. Het leven van dezen rijke wordt met twee trek-

279

-ocr page 290-

16 : 20—21.

ken geschetst; de pracht van zijn kleederen en de dagolijksche gastmalen. UopQupx, het bovenkleed, van purperkleurige wol; puwós, het onderkleed, een tunica van byssus, van fijn Egyptisch linnen. Aan deze trekken herkent men het leven der rijke Pharizeën van dien tijd (20 : 46 en 4.7).

Vs, 20—21. «En1) voor zijn poort was een arme geworpen, met name Lazarus, met zweren bedekt, 21. en begeerende zich te verzadigen met de kruimelsi), die van de tafel des rijken vielen 2); maar ook de honden kwamen zijne zweren lekken.quot;

De lezing van den T. R.: en er was een zeker arme. . . ., die. . . . zou van dit tweede tafereel een volkomen tegenstuk van het voorgaande maken, waardoor de persoon van den arme dezelfde beteekenis zou verkrijgen als die van den rijke, hetgeen niet juist zou zijn. Met recht stelt de Alexandr. lezing dien arme voor als een trek, welke tot de schildering van het leven des rijken behoort. Dit heeft Göbel zeer goed aangetoond. De persoon Lazarus wordt slechts geschilderd, voor zoover hetgeen hem betreft dienen kan, om het slechte van het gedrag des rijken en de rechtvaardigheid van zijn straf goed te doen uitkomen, — \'EpsfihvTO beteekent niet: hij lag, maar: hij was geworpen, achteloos daar neergelegd, als om zich van hem te ontdoen, door hem over te leveren aan het medelijden van den rijke en van hen, die zijn huis bezochten. — De ttuAwi/ is het portaal, dat uitkomt op de groote binnenplaats, die het voorste gedeelte van een groot huis uitmaakt. — In geen enkel ander geval heeft Jezus een naam gegeven aan de personen, die in zijn gelijkenissen

280

1

T. B. leest, met A en 13 Mjj., tjv ua t/?, en na Ace^xpoi;-, N B D L X laten ijv en o? weg.

2

Na tAovitiov lezen eanige Mnn. kxi ovseit esidov «vtu-, aan Luk. 15 ; 10 ontleend.

-ocr page 291-

16 : 20—21.

optreden. Men heeft aangenomen, dat Hij het hier bij Lazarus doet, om een blijk te geven van zijn bijzondere voorliefde voor de armen, of omdat Hij aan een werkelijke gebeurtenis wilde herinneren {Terlullianus, Calvijn); men heeft zelfs daarin een toespeling gezien op den broeder van Martha en Maria, alsof deze geen familie en geen woning heeft gehad! De ware verklaring van dit weêrgalooze feit moet zonder twijfel worden gezocht in de beteekenis van dezen naam, die ontstaan is uit den Hebr. naam Eleaiar, in den Talmud tot Leazar afgekort, en beteekent; God is mijn hulp. Door dezen naam maakt Jezus dezen persoon tot den vertegenwoordiger van de arme vrome Joden, van de aniim van het 0. T., die hun ellendigen toestand met de kalme berusting van het vertrouwen op God, die hun eenige steun is, verdragen. Weiisacker ziet in Lazarus den vertegenwoordiger van de door de Joden verachte heidenen. Hoe is dit te vereenigen met dezen zuiver Joodschen naam en de beteekenis daarvan: „God is mijn hulpquot;?

Vs. 21. Wij hebben hier twee trekken, die het tegenstuk zijn van die, welke in vs, 19 vervat zijn: de naaktheid van den arme tegenover de uitgezochte kleediug van den rijke; het gebrek aan voedsel en de begeerde kruimels, in tegenstelling met de gastmalen van den laatste. — Het is mij niet mogelijk, de woorden tüv xpixiuv voor een glos van een afschrijver aan te zien (zie bij vs. 24) j dat zij door eenige Alexandr. zijn weggelaten, moet veeleer worden toegeschreven aan de verwarring van het eene tüv met het andere. Het sTrtêu^üv, becjeerende, wil niet zeggen, dat men hem geheel en al aan zijn lot had overgelaten; hoe had hij in dit geval kunnen leven? Maar hij zou altijd gaarne nog meer hebben gehad. — De trek der naaktheid vloeit voort uit de bijzonderheid, dat de honden de zweren van dezen ongelukkige lekten. Het aAAii xxi, maar ook, on bovendien, laat niet toe, in dezen trek een verzachting van zijn smarten te zien. Ook wordt de hond in den bijbel en in het algemeen bij de Oosterlingen nooit in een gunstig licht gesteld. Dat deze onreine dieren in het voorbijgaan zijn niet-verbondene won-

281

-ocr page 292-

16 : 22.

den lekten, doet zoo goed mogelijk zijn naaktheid uitkomen, en voltooit de schildering van den toestand van verlatenheid, waarin hij zich bevond.

Vs. 22. De dood van beiden: „En het geschiedde, dat de arme stierf, en door de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham; en de rijke stierf ook en werd begraven.quot;

Lazarus sterft het eerst, uitgeput door ontberingen en lijden. Terstond vindt hij in de hemelsche wereld de werkzame deelneming, die hem hier beneden ontzegd was. Volgens de Rabbijnsche theologie is het de taak der engelen, de zielen der geloovige Israëlieten op te nemen en naar hare rustplaats te brengen. „De rechtvaardigenquot;, zegt de Targum op het Hooglied, „wier zielen door de engelen in het Paradijs worden gedragen.quot; Deze rustplaats wordt door Jezus de schoot van Abraham genoemd, een uitdrukking, die ook door de Rabbijnen gebruikt wordt. Het is, om haar te verklaren, niet noodig, de toevlucht te nemen tot het beeld van een feestmaal (volgens Job. 13 : 23). Zij doet zich voor als het geheel natuurlijke beeld van de innigste gemeenschap; vgl. Joh. 1:8: „De Zoon, die in den schoot des Vaders is.quot; Abraham, de vader der geloovigen, wordt voorgesteld als voorzittende bij de geleidelijke verzameling zijner kinderen , de geloovigen des O. V., die in het andere leven aankomen, zooals wij ons Jezus voorstellen als de geloovigen van het N. V. in zijn schoot opnemende (Joh. 14:3). Uit het pron. xutóv en het feit, dat er geen melding gemaakt is van de begrafenis van Lazarus, trekt Meyer bet b?8luic, dat hij volgens den tekst zooals hij was, met lichaam en ziel, in de hemelsche wereld is overgebracht. Maar deze zonderlinge opvatting zou vereischen, dat hetzelfde ook met Abraham was geschied, hetgeen uitgesloten is door het bericht van Genesis, dat uitdrukkelijk zijn begrafenis te Machpela vermeldt De plaatsen van Genesis, waar gesproken

282

-ocr page 293-

16 : 22.

wordt over den dood der aartsvaders, onderscheiden uitdrukkelijk hun begrafenis van hun verzameld worden tot de vaderen in den Scheol, en stellen ze voor als twee verschillende feiten (15 : 15; 37 : 35). Op de Rabbijnsche plaats, die wij zooeven hebben aangehaald, is ook alleen van de zielen sprake. Het is zonneklaar, dat het pron. aurov het ware „ikquot; van Lazarus, zijn ziel, te kennen geeft. Van zijn begrafenis wordt geen gewag gemaakt, omdat zij zonder eenige staatsie of zelfs inquot; het\'geheel niet heeft plaats gehad, daar het lichaam op de mestvaalt geworpen werd. In ieder geval springt de tegenstelling met de zoo uitdrukkelijk vermelde begrafenis van den rijke in het oog. Het is nutteloos, dit te ontkennen, zooals Weiss doet, of met Gó\'bel en Keil dit contrast tot dezen zin te willen herleiden: zoowel voor den een als voor den ander was alles voorbij. Neen, voor den rijke was er een prachtige lijkstoet, maar daarentegen waren er geen engelen, om de ziel van den begravene in den schoot van Abraham over te brengen.

Gewoonlijk vat men de uitdrukking schoot van Abraham op als de aanduiding van dat gedeelte van den Hades of den Scheol, waar de rechtvaardigen des O. V. verzameld waren, terwijl de rijke zou gekomen zijn in het andere gedeelte van dezelfde plaats, dat bestemd was voor hen, die de straf Gods hadden verdiend. Brnston is met kracht tegen deze zienswijze opgekomen {Revue theol., uitgegeven te Montanban, 1885, 2) in een artikel, dat getiteld is: L\'enseignement de Jesus-Chrisl sur la vie future. Volgens hem, hebben de Kabbijnen over het algemeen den „schoot van Abrahamquot; niet in den Scheol, maar in den hemel geplaatst, dien zij met het Paradijs identificeerden, of met de plaats, die „onder den troonquot; wordt genoemd; en Jezus zou hetzelfde gedaan hebben, zooals blijkt uit zijn woord tot den moordenaar aan het kruis: Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn,quot; welke uitdrukking volgens 2 Cor. 12; 2—4 slechts een hemelsche plaats kan aanduiden. Hoewel ik hulde doe aan de geleerdheid, waarvan deze verhandeling de blijken geeft, kan ik mij toch met

283

-ocr page 294-

16 : 22,

deze zienswijze niet vereenigen. Jezus volgt bij zijn onderwijs, niet de gevoelens der Rabbijnen — welke bovendien, ten minste wat hunne redactie betreft, uit een lateren tijd afkomstig zijn — maar die der H. Schrift. En als nu van de aartsvaders gezegd wordt, dat zij tol hunne vaderen verzameld werden, dan is het zeker, dat daarbij, volgens de geheele beschouwing der Schrift, aan den Scheól moet worden gedacht. Elke twijfel hieromtrent wordt door het bericht van de verschijning van Samuël, die uit de diepte der aarde opstijgt, op afdoende wijze weerlegd (1 Sam. 28), Het is volkomen duidelijk, dat in ons verhaal zelf het verblijf van Abraham en dat van den rijke tot hetzelfde gebied behooren, daar zij slechts door een diepe klove van elkander gescheiden zijn. Bovendien had Jezus den hemel nooit den schoot van Abraham had kunnen noemen. Want deze uitdrukking duidt een plaats aan, waar Abraham de hoofdpersoon is, hetgeen niet op den hemel van toepassing is. Ook is hot Paradijs, waarover Jezus met den moordenaar sprak, niet de hemel. quot;Want zelfs na zijn opstanding zegt Jezus: „Ik ben niet opgevaren tot mijnen Vaderquot; (Joh. 20:17). Het moet dus in den Hades worden geplaatst. Klaarblijkelijk is het woord Paradijs in 2 Cor. 12:4 en Openb. 2 : 7 in een anderen zin gebruikt. Toen waren in den staat van zaken aan gene zijde des grafs door de verheerlijking van Jezus veranderingen ontstaan, waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken.

Wat was in het leven van dezen rijke de oorzaak van deze afwezigheid der hemelboden en van den verscbrikkelijken toestand, die in het volgende tooneel beschreven is? Uit het feit, dat zij niet uitdrukkelijk genoemd is, maakt men op, dat het zijn rijkdom moet zijn. De Tubingsche school zegt: Hij is verdoemd als rijke, en Lazarus is zalig geworden als arme. Renan beweert, dat de gelijkenis niet de gelijkenis „van den goddeloozen rijkequot;, maar eenvoudig „van den rijkequot; moet heeten; en de Wette meent, dat wij hier de Ebionitische ketterij van Lukas terugvinden. Maar hoe heeft men kunnen voorbijzien, dat, al wordt de rijke van geen

284

-ocr page 295-

16 : 22.

bepaald misdrijf beschuldigd, zijn misdaad daarom IücL niet minder duidelijk is kenbaar gemaakt in het tafereel-zelf van den arme, die voor zijn deur ligt te sterven, zonder dat hem eenige verzachting van zijn ellende verschaft wordt? Ziedaar het corpus delicti. Elke menschelijke tegenstelling tusschen meer en minder, hetzij ten opzichte van vermogen, of van kracht, verstandelijke ontwikkeling, en zelfs van vroomheid, wordt door God slechts toegelaten en gewild, opdat zij door de vrije werkzaamheid des menschen zou worden te niet gedaan. Dit is een taak, die ons van boven is opgelegd, het middel om die liefdehanden te vormen, welke onze schat in den hemel moeten worden (12 : 33 en 34). Verzuimen wij deze door de Voorzienigheid aangebodene gelegenheid, dan bereiden wij ons in het andere leven een tegenstelling voor, die dan evenmin voor ons zal kunnen verzacht worden, als wij die van hier beneden verzacht hebben. — Indien de rijkdom als zoodanig de zonde van den rijken man was, zou het moeilijk te begrijpen zijn, hoe Abraham, de rijkste van de rijken in Israël, het voorzitterschap kon bekleeden in dit verblijf der rust. Ën wat Lazarus betreft, de ware rede van de ontvangst, die hem te beurt valt in de eeuwige woningen, is niet zijn armoede, maar hetgeen wordt aangeduid door zijn naam: God is mijn hulp, nl. zijn ootmoedige overgegevenheid aan den wil des Heeren.

v. 23—31. Het tooneel aan gene zrjde des grafs. Het vormt in tweeërlei opzicht een tegenstelling met het aard-sche tooneel. — Wij zullen geen poging doen, om te onderscheiden, wat in deze schildering in figuurlijken, en wat in eigenlijken zin moet worden opgevat. De werkelijkheden der bovenzinnelijke wereld kunnen slechts door beelden worden uitgedrukt, alleen beelden, zooals men gezegd heeft, deze beelden iets af. De kleuren schijnen bijna alle aan tie Rabbijnen te zijn ontleend; maar de gedachte, die in deze beelden is ingekleed, om haar aanschouwelijk te maken, is in ieder geval, zooals wij zien zullen, de oorspronkelijke en persoonlijke gedachte van Jezus. — Het eerste van de twee gesprekken, waaruit dit tooneel bestaat, heeft betrekking

285

-ocr page 296-

16 : 23—24.

op het lot van den rijke (v. 23—26), en het tweede op dat van zijn broeders (v. 27—31).

Vs. 23—24. De pijn en de smeeking van den rijke: „En in den Hades, terwijl hij in de pijn was, zijne oogen opheffende, zag hij Abraham in de verte, ea Lazarus in zijn schoot. 24. En hij riep en zeide; Vader Abraham! ontferm u mijner en zend Lazarus, opdat hy het uiterste van zijn vinger met water bevochtige, en mijne tong verkoele: want ik lijd smarten in deze vlam.quot;

Wij zijn bij het ontwaken van den doode tegenwoordig. En welk een ontwaken! Het sv rq ófèy moet niet met eirxpa.:, welks nadere bepaling vTrdpxuv is, maar met èpiji worden verbonden: „In den Hades zijnde..., ziet hij...quot; Het denkbeeld van lijden ligt nog niet in de woorden sv rü ffiy, die onze overzettingen ten onrechte door; in de hel teruggeven. De uitdrukking Hades duidt eenvoudig, evenals het Hebr. Scheól, het Grieksche het Latijnsche Inferi (onderste

plaatsen), het verblijf der dooden aan in tegenstelling met het land der levenden, zonder onderscheid te maken tusschen de verschillende plaatsen, die het bevatten kan. Het denkbeeld van lijden ligt in de laatste woorden: terwijl hij in de pijn was. — Over den toestand van Abraham in het doodenrijk vergelijke men Joh. 8 : 56, waar Jezus zonder beeld spreekt. — Het meerv. ro7;^ttoic , dat hier in de plaats van het enkelv. (vs. 22) is gezet, geeft de volheid te kennen, er is sprake van een uitgebreide ruimte, waar een groote menigte menschen verzameld is. — De wijze, waarop Abraham en de rijke hier sprekend worden ingevoerd (vs. 24 en verv.), herinnert aan de samenspraken der dooden bij de ouden, en inzonderheid bij de Rabbijnen. Het ocitrk, hij, geeft het oogenblik te kennen, waarop hij zich weer van zichzelf bewust wordt en zich tegen zijn toestand begint te

286

-ocr page 297-

16 ; 25—26.

verzetten. , luide roepende, is in overeenstemming

met ftuxpóóev, in de verte (vs. 23). Niets kon bijtender zijn geweest voor de toehoorders van Jezus, die Pharizeën, die een stamboom tot voorwaarde van de zaligheid maakten, dan deze aanspraak: Vader Abraham! die den verdoemde in den mond wordt gelegd. „Alle besnedenen zijn behoudenquot;, zeiden de Rabbijnen; en „besnedenequot; en „zoon van Abrahamquot; waren uitdrukkingen van dezelfde beteekenis. — In dezen verschrikkelijken toestand komt in den rijke een gedachte op, die op aarde nooit in hem opgekomen was: dat de tegenstelling tusschen overvloed en gebrek haar nut kon hebben voor hem , die in nooddruft verkeert. Deze ontdekking spreekt bij uit in een bede, waarvan men niet weet, of zij niet veeleer naïef, dan onbeschaamd moet worden genoemd. De uitdrukking ZlxTOi (ixrvsiv beteekent: den vinger in water doopen, zoodat het water daarvan afdruppelt. De droppel water, die van dezen nat gemaakten vinger afvalt, beantwoordt aan de tevergeefs begeerde kruimels van vs. 21. Over de uitdrukking deze vlam zie men Mark. 9 : 43—49. De door een onbeperkte bevrediging ontvlamde en gevoede begeerlijkheden veranderen voor de ziel in een foltering, zoodra zij beroofd is van de uitwendige voorwerpen, die op aarde daaraan beantwoordden, en van het lichaam, waardoor zij zich die toeëigende.

Vs. 25 — 26. Het antwoord: „Maar Abraham zeide: Kind! gedenk, dat gij1) uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij hier 2) vertroost, en gij wordt gepijnigd. 26. En boven3) dit alles, is tusschen ons en ulieden een groote kloof gevestigd, opdat

287

1

N B D en 4 Mjj. laten av na weg; T. R. leest het, met A (na o-Df) en 11 Mjj.

2

Alle Mjj. lezen wSs, iu plaats van oJe, dat ï. R. met eenige Mnn. leest.

3

N B L lezen ew, in plaats van etti.

-ocr page 298-

16 : 25—26.

degenen, die van hier \') tot u willen overgaan, het niet zouden kunnen, en men 1) ook niet van daar tot ons zou overkomen.quot;

De aanspraak: Kind! in den mond van Abraham is nog snijdender, dan het „Vader Abraham!quot; in den mond van den rijke. Abraham erkent de werkelijkheid van de betrekking, waaraan deze man herinnert, en nochtans is en blijft hij, zijn echte afstammeling, een prooi der Gehenna! — Het gedenk is het hoofdwoord der gelijkenis; het vormt den band tusschen de twee tooneelen, dat der aarde en dat van den Hades. — Dit antwoord van Abraham schijnt de gedachte uit te drukken, dat de een wegens zijn rijkdom op aarde verdoemd is, en de ander wegens zijn armoede hier beneden zalig is geworden. Maar men moet goed in het oog houden, dat mxpoMxhsTQcci, verlroosl worden, niet hetzelfde beteekent als zalig worden, evenmin als gepijnigd worden, olwS.aöxi, hetzelfde is als verdoemd worden. De eindtoestand van verdoemenis of zaligheid onderstelt niet alleen de komst van Christus op aarde, maar ook de bekendheid des zondaars met zijn verlossingswerk (l Petr. 4: 6). Deze voorwaarden waren noch bij den onderstelden toestand des rijken noch bij dien van den arme aanwezig. Dit vers heeft dus betrekking op twee toestanden, die voor beiden nog tot bet opvoedende en voorloopige tijdperk behooren. Het uitwendige middel, waardoor God den rijke tot zich heeft trachten te trekken, was de rijkdom, die hem tot dankbaarheid had moeten bewegen; het middel, dat Hij bij Lazarus gebruikte, was daarentegen het lijden, dat hem tot verootmoediging moet brengen. Het is rechtvaardig, dat God thans in het nieuwe| bestaan op omgekeerde wijze te werk gaat. Terwijl de goedheid bij den een de wonden zal verzachten, die zijn hart door de strenge behandeling werden

288

1

T. R. leest 01 vóór fxf/ötv, met 1G Mjj.; N B D laten 0/ weg.

-ocr page 299-

16 : 25—26.

toegebracht, zal de heiligheid met haar vreeselijke slagen het ondankbare hart des anderen treffen en het trachten te breken, en dat alles met het oog op den dag, waai\'in den een zoowel als den ander het volle heil zal worden aangeboden. — Ten opzichte van den rijke heet het; „uw {(yoü) goedquot;; ten opzichte van Lazarus eenvoudig: (r«) kwade.quot; Het uw zou, zooals de meesten verklaren, kunnen te kennen geven, dat hij de aardsche goederen tot zijn (eenige) goederen gemaakt, en nooit andere gezocht heeft. Maar ik geloof, dat dit pronomen veeleer de aandacht vestigt op de zelfzucht, waarmede hij ze genoten had: hij heeft ze alleen voor zichzelf gebruikt; hij heeft ze enkel tot zijn goederen, en niet ook tot die van anderen gemaakt. Men moet het daarom niet vreemd vinden, dat de twee keuzen in het andere leven even streng van elkander gescheiden blijven. Moet hij lijden zonder eenige verzachting te ondervinden, de oorzaak daarvan is niet zijn rijkdom, maar de wijze, waarop hij haar tot het zijne gemaakt heeft. — Dit antwoord leert dus noch de zaligheid door de armoede , noch de verdoemenis door den rijkdom. — De lezing i\'Se deze van den T. R. mist zelfs den steun der Byzant. Mjj.

Vs. 26. Maar ook wanneer men uit liefde eenige inschikkelijkheid kon betoonen ten opzichte van hetgeen de stipte rechtvaardigheid eischt, zou er een reden zijn, die kort-weg alles afsnijdt: de onmogelijkheid. De Rabbijnen stellen de twee gedeelten van den Hades voor als slechts een handbreedte van elkander verwijderd, en van elkander gescheiden door een muur, die echter niet verhindert, dat de bewoners van beide met elkander kunnen spreken; Jezus spreekt van een kloof of afgrond. Dit beeld is veelmeer in overeenstemming met dit geheele tooneel, daar een muur do sprekende personen aan beide zijden verhinderd zou hebben, elkander te zien. De klove, die yevesiigd is, is het zinnebeeld van het onveranderlijk besluit der scheiding. Alleen volgt uit het feit, dat deze kloof thans niet overschreden kan worden, geenszins, dat ook de boetvaardige Joden op den dag der openbaring van het heil het niet zouden kunnen

Godet, LuJcas, II. 19

289

-ocr page 300-

16 ; 27—29.

grijpen; vgl. Matth. 12:32. Door de weglating van o! vóór f\'xsWfi/ bij de Alexandr. worden zij, die overgaan, en zij, die overkomen, als identisch voorgesteld, zelfs wanneer zij konden gaan, zouden zij niet kunnen terugkeeren. Deze zin is zeer gezocht; die van den T. R. is veel eenvoudiger.

Ys\' 27—31. De tweede bede van den rijke.

Er bestaat geen enkele reden, om dit slot der gelijkenis voor een uitbreiding van Lukas zelf aan te zien, zooals de Tubingsche school en IFeizsdcker meenen. Er is, integendeel, niets, dat het Pharizeesche Jodendom beter kenschetst, dan deze laatste trek. Gaat hij te gronde, dan zal bij liever God, dan zichzelf daarvan de schuld geven. God heeft het rechte middel niet gebruikt, om hem te redden. Bij de beschrijving van de zonde des rijken (vs. 19—21) en van zijn straf (vs. 22—26) voegt daarom dit derde gedeelte der gelijkenis de openbaring van de ware oonaak van zijn ellende: zijn onboetvaardigheid tegenover den goddelijken wil, die in de wet en de Profeten is uitgesproken. Dit slot door te schrappen, zou daarom hetzelfde zijn als de punt af te breken van den pijl, die Jezus op het geweten van zijn Pharizeesche toehoorders afschiet, en het verband tusschea de gelijkenis en de woorden, die tot inleiding hebben gediend, op te heffen; vgl. vs. 16 en 18.

Vs. 27—29. „En hij zeide: Ik bid u dan, vader! dat gij hem zendt naar het huis mijns vaders; 28. want ik heb vgl broeders; dat hij het hun betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 29. Maar\') Abraham zeide tot hem1): zij hebben Mozes en de profeten; dat zij die hooren!quot;

290

1

N B L laten cevru weg.

-ocr page 301-

16 : 27—29.

291

Daar de rijke niets kan verkrijgen tot zijn eigen verlichting, denkt hij aan de levenden, in wie hij belang stelt; want hij is nog niet van alle natuurlijke liefde beroofd. Deze vijf broeders kunnen slechts de rijke Pharizeën voorstellen, die nog op aarde leven in den bevoorrechten en schitterenden raaatschappelijken toestand, die nog kort te voren het deel van den rijken man was. De gedachte, die in het beeld van de bloedverwantschap vervat is, is eenvoudig dit; „Zietdaar wat binnenkort ook u treffen zal, indien gij niet verandert!quot; Men heeft in deze vijf broeders de vijf zonen van den hoogepriester Annas meenen te herkennen. Maar zou Jezus zich zulke personaliteiten hebben veroorloofd? Door de met aandrang herhaalde aanspraak: vader (vs. 27), vader Abraham (vs. 30) wordt het Pharizeesche vertrouwen op de vleeschelijke afstamming van Abraham zeer duidelijk in het licht gesteld. Het woord hxitxpTupsvóxt (vs. 28) beteekent niet enkel: verklaren, maar; zoo krachtig betuigen, dat de waarhetd door alle bedeksels heen (Slt;«) tot het verhard geweten doordringt. Jezus zinspeelt hier op die zucht naar wonderen, die Hij onophoudelijk bij zijn tegenstanders aantrof en weigerde te bevredigen. In dergelijke eischen lag het verwijt tegen God opgesloten, dat de gewone middelen tot bekeering, die Hij in Israël had ingesteld, onvoldoende waren. Verscheidene uitleggers hebben, daar zij bij een verdoemde geen edele gewaarwording kunnen aannemen, aan deze bede van den rijke een egoïstisch doel toegeschreven. Hij vreesde, volgens hen, voor het oogen-blik, waarop zijn eigen lijden door het zien van dat zijner broeders verzwaard zou worden. Maar zou zelfs deze vrees niet nog een overblijfsel van liefde bij hem onderstellen? En waarom zou men hem zich moeten voorstellen als van alle menschelijk gevoel ontbloot? Hij is, zooals wij gezien hebben, nog niet verdoemd in den volstrekten zin van het woord. Het eenige egoïstische bestanddeel, dat men in deze bede zou kunnen vinden, is het streven om zichzelf te verontschuldigen, door te doen verstaan, dat hij niet zou zijn waar hij nu is, indien hij genoegzaam gewaarschuwd was

-ocr page 302-

16 : 30—31.

geworden. Het is duidelijk, dat het hier geschilderde oordeel van den rijke naar de bedoeling van Jezus terstond na zijn dood heeft plaats gehad, daar zijn broeders nog in leven zijn. Dit bewijst aan den eenen kant, dat Jezus een voor-loopig gericht na den dood aanneemt, en aan den anderen kant, dat Hij dit gericht van het laatste en algemeene onderscheidt.

Vs. 29. Dit woord stelt tegenover de oppervlakkige lezing en de scholastieke bestudeering van de H. Schriften in Israël de ernstige lezing en overdenking, die den raensch tot berouw voert, en daardoor tot geloof en tot heil; vgl. Joh. 5: 38 en 39. — De uitdrukking hooren is gekozen mot het oog op de voorlezingen in de Synagogen (Rom. 2:13).

Vs. 30—31. Het aanhouden van den rijken man: „Maar hij zeide; Neen, vader Abraham! maar zoo iemand van de dooden tot hen gaat, zullen zij boete doen. 31. Maar hij zeide tot hem: indien zij Mozes en de Profeten niet hooren, dan zullen zij zich ook niet laten overreden, al stond iemand uit de dooden op.\'

De onbewuste onbeschaamdheid van den rijke duurt tot het einde toe voort. Gelijk hij Lazarus tot zijn dienstknecht heeft gemaakt, zoo spreekt hij Abraham zelfs in diens aangezicht tegen: Neen! Hij heeft niet in tijds berouw gehad, omdat God niet het rechte raiddel heeft gebruikt. — Met de woorden: zij zullen boele doen belijdt de rijke zelf, dat niet zijn rijkdom hem verloren heeft doen gaan, maar de onboetvaardigheid, waarmede hij gepaard ging.

Vs. 31. „Een hersenschim!quot; antwoordt Jezus door den mond van Abraham. De mensch, dien de wet niet tot besef van zijn zondigen toestand heeft gebracht, diens geweten zal ook niet ontwaken door het zien van een doode, die opgestaan is; alleen zijn verbeelding zou daardoor getroffen

292

-ocr page 303-

16 ; 30-31.

worden. Na do eersto aandoeningen van verbazing en schrik, zou de critiek optreden en zeggen: zinsbedrog! En de vleeschelijke gerustheid, die een oogenblik geschokt was, zou zich spoedig weer herstellen.

Dit was het vreeselijke antwoord van Jezas op het spottend lachen der hoogmoedige en gierige Pharizeën (vs. 14). Nu weten zij, wat zij zijn in de oogen van God, en wat hen wacht na den dood. Zij kennen nu ook het eenige middel, dat hen tegen zulk een einde kan vrijwaren.

Dit onderwijs biedt in zijn drie gedeelten de volkomenste eenheid aan. Het bevat geen enkel spoor van toespelingen op de Joodsehe autoriteiten, op de arme christenen uit de Joden en de rijke christenen uit de heidenen, die hun te hulp moeten komen (de rijke, Lazarus, de honden!), zooals men ze daarin heeft willen vindon; ook is daarin zelfs niet het geringste spoor te ontdekken van een strijd tusschen het christendom (of het Joodsch-christendom) en het ongeloovige Jodendom. Het laat zich eenvoudig verklaren uit den in de inleiding beschreven stand van zaken, waarmede het volkomen in overeenstemming is. Het draagt, eindelijk, van het begin tot het einde den stempel van den machtigen geest van Jezus, die hier tegenover het voorzichtige en wijze gebruik van den rijkdom (in de gelijkenis van den onrecht-vaardigen rentmeester) de zelfzuchtige en onbedachtzame besteding daarvan stelt, en tegenover het voorbeeld van een bekeering, die ter rechter tijd plaats vindt (die van den rentmeester), dat van een onboetvaardigheid, die tot aan den dood is blijven voortduren.

Ook de vermeende Ebionitische strekking van deze gelijkenis (de veroordeeling van den rijkdom als zoodanig) is niet bevestigd geworden door de studie, die wij nu ten einde brengen. En wat de gevoelens betreft, die Jezus aan de Rabbijnen zou hebben ontleend, zij hebben in ieder geval slechts op de kleuren der schilderij betrekking. Zelfs zou men de vraag kunnen stellen, of niet juist deze schilderij op de latere denkbeelden der Joodsehe geleerden invloed heeft uitgeoefend.

293

-ocr page 304-

16 : 30—31.

VIL 17 : 1—10: Verscheidene uitspraken.

Dit gedeelte behelst vier korte leeringen; 1° over de ergernissen; 2° over het vergeven van beleedigingen; 3° over de macht des geloofs; en 4° over de onverdienstelijkheid der werken. Men heeft getracht, ze logisch aan elkander, en de eerste daarvan aan hetgeen voorafgaat, te verbinden; maar men is daarin niet geslaagd. Olshausen, Meyer, en Scham meenen, dat de ergernis, waarop Jezus in vs. 1—4 zinspeelt, die is, welke de Pharizeën den discipelen door hun spottend lachen hadden gegeven, of die, welke zij het volk op dit oogenblik geven door hun ongeloof (16 : 14). Maar het gevaar van de kleinen te ergeren (vs. 2) kan alleen de sterken betreffen; de eerste waarschuwing kan dus eukel tot discipelen (vs. 1) gericht zijn, voor zoover zij in het geloof verder waren gevorderd, dan de anderen, hetgeen met de voorgestelde verklaring in strijd is. Het voorschrift aangaande het vergeven van beleedigingen knoopt men vast aan de waarschuwing tegen de ergernis door middel van de gedachte, dat het niet-vergeven den beleediger van het geloof zou kunnen afbrengen, of door te zeggen, dat Jezus van de ergernis, welke de Pharizeën den geloovigen geven, overgaat tot die, welke deze elkander door onverzoenlijkheid kunnen geven; een vernuftige, maar gekunstelde verbinding. Dc bode der apostelen om vermeerdering van het geloof zou voortvloeien uit het gevoel, dat zij onbekwaam waren tot zulk een vergevende liefde als Jezus hun tot plicht heeft gesteld; en de leering aangaande de onverdienstelijkheid der werken zou ten doel hebben, hen te bewaren voor de hoogmoedige zelfvoldoening, die zij uit de door hun geloof verrichte wonderen zouden kunnen putten. Maar het geloof, dat de liefde inboezemt, welke in staat is, zevenmaal op één dag te vergeven, is iets geheel anders, dan dat hetwelk de uitwendige wonderen verricht; en de wonderwerken hebben niets gemeen met de zedelijke werken, die behooren tot de taak, welke de christen dagelijks te vervullen heeft.

Het is dus duidelijk dat deze vier leeringen zonder eenig

294

-ocr page 305-

17 : 1—3«.

verband met elkander en met hetgeen voorafgaat hier geplaatst zijn. Deze omstandigheid en het ontbreken van een aanwijzing omtrent het feit, dat daartoe aanleiding heeft gegeven, bewijzen, dat zij in dezen onsamenhangenden vorm voorkwamen in de bron, waaruit Lukas geput heeft. Hij heeft ze teruggegeven zooals zij waren, zonder zich te veroorloven , een stand van zaken te bedenken, die geschikt is om ze te motiveeren, hetgeen een bewijs is voorde echtheid van de in zoovele andere gevallen aangegevene aanleidingen. Weiss meent, dat hij hier zijn bron weer opneemt, aan het punt, dat bij Mattheus door 18 : 6 (over de ergernis) en 18 : 15—17 (over het vergeven) is aangeduid; daarna zou hij weêr terugkomen op Matth. 17 : 20 (over de macht des geloofs). Uolhmann is ongeveer van hetzelfde gevoelen; alleen neemt hij als hoofdbron, in plaats van den aposto-lischen Mattheus van Weiss, den in Hoofdst. 9 ; 36—50 van onzen Markus wedergegeven £/r-Markus aan. Maar in ieder geval kende Lukas de historische aanleiding tot deze voorschriften niet; anders zou hij haar medegedeeld, of de voorschriften ddar geplaatst hebben, waar zij bij de twee andere Synoptici voorkomen, in Hoofdst. 9 van zijn Evangelie. Voor het overige luiden deze voorschriften, inzonderheid dat over de macht des geloofs (vgl. Luk. vs. 6, een moerbezieboom, met Matth. 17 : 20; 20 ; 21 en Mark. 11 : 23, een berg), zoo verschillend, dat het onmogelijk ïs aan te nemen, dat Lukas ze aan dezelfde bron als de twee anderen of aan een van deze beiden ontleend heeft. Het vierde voorschrift, dat in de twee andere Evangeliën geen parallel heeft, bewijst eveneens, dat Lukas hier zijn eigen bron heeft, en dat hij haar stipt volgt, zonder te trachten, de leemten daarvan te vullen.

1°. Vs. 1—Ba. De ergenissen: „En Hij zeide tot zijne1) discipelen: Het is onmogelijk, dat er1)

295

1

{lt; A B D en 5 Mjj It. Syr. lezea ctvrov nn ; T. R. laat het

weg, met E en 8 Mjj.

ï) Al do Mjj. lezeu tov ua ea-nvj ï. R, laat het weg, alleen met Mnn.

-ocr page 306-

17 : 1—3a.

geen ergernissen komen; maar1) wee hem, door wien zij komen! 2. Het zou beter zijn voor hem dat een molensteen2) om zijn hals werd vastgemaakt , en hij in de zee werd geworpen, dan één van deze kleinen te ergeren. 3a. Geeft acht op u zeiven!quot;

De uitdrukking (Jtts Te Tipic, en Hij zeide tot, brengt de volgende uitspraak niet in nauw verband met hetgeen voorafgaat, zooals de formule steye Ss, en Hij zeide, of sfoys Ss xal, en Hij zeide ook, wier beteekenis wij meermalen bij Lukas hebben leeren kennen, gedaan zou hebben. Het is de eenvoudige historische overgang, — Het woord di/exhieriv, onaannemelijk, komt nergens elders voor; het ontbreekt bij Passow. Het uitblijven van ergernissen is een onaannemelijke onderstelling bij den zondigen toestand, waarin de wereld verzonken is. — Het art. toü is ten onrechte uit den T. 11. weggelaten. De zin is: „Er is onmogelijkheid van het niet

komen____quot; De uitdrukking: „de {ra) ergernissenquot; geeft de

geheele categorie der handelingen van dien aard te kennen. In plaats van [/.vXoc ivtxcs, een molensteen, die door een ezel in beweging wordt gebracht, zooals de T. R. naar Mattheus leest, moet men met de Alexandr. gt;Jöo; [Mhixói;, een molensteen, lezen; deze was kleiner en werd met de hand in beweging gebracht (vs. 35). — De straf, waarop in vs. 2 wordt gezinspeeld, was bij vele oude volken in gebruik, en is het nu nog in het Oosten. De lezing van verscheidene Mss. van de Itala, welke ook bij Marcion gevonden wordt: „Het zou beter zijn voor hem, dat hij nooit geboren was, of dat een steen...quot;, is zonder twijfel ontstaan uit een oude, aan Matth. 26 : 24 ontleende glos. Dit wordt bevestigd door het feit, dat de vereeniging

296

1

N 1! I) L It.; ouxi (in plaats van ovxi Se); uit Mattheus ontleend,

2

NBD\'LIt.\' lezen //Oo? huKikos, in plaats van ovmos, dat T. R. met A en 14 Mjj., naar Matth,, leest,

-ocr page 307-

17 : \'6b—i.

van de twee plaatsen Matth. 18 ; 6 en 7 (tie parallel van de onze) en Matth. 26 : 24 reeds bij Clemens llomanus, 1 Cor. 46, voorkomt. — De kleinen zijn de eerstbeginnenden in het geloof. — De waarschuwing: Geefl acht... (vs. 3a) moet blijkbaar met hetgeen vooraf gaat, en niet met hetgeen volgt in betrekking worden gebracht; zij wordt aan den eenen kant gemotiveerd, door het feit, dat er zoo licht ergernis kan worden gegeven (vs. 1) en aan den anderen kant door het vreeselijke gevaar, waaraan zij hem bloot stelt, die haar geeft (vs. 2). De ziel, die verloren is gegaan, hecht zich, als een eeuwige last, vast aan hem, die haar tot het kwade verleid heeft, en sleept hem met zich mede in den afgrond. — Dezelfde waarschuwing vinden wij in Matth. 18 : 6 en Mark. 9:42, waar zij gemotiveerd wordt, hetzij door den twist tusschen de discipelen, hetzij door de voorbarige berisping van den persoon, die daemonen uitwierp in den naam van Jezus, zonder zich onder de discipelen te scharen (Mark. 9 : 38; Luk. 9 : 49).

Vs. 3amp;—4. „Het vergeven van beleedigingen: „Indien 1) uw broeder zondigt2), bestraf hem; en indien hij berouw heeft, vergeef het hem. 4. En indien hij zevenmaal op een dag3) tegen u quot;) zondigt4), en zevenmaal tot u wederkeert, zeggende: „Het berouwt mijquot;, zult gij het hem vergeven.quot;

Dit voorschrift, dat met het voorgaande in geen logisch

297

1

N B D L X It. laten Se na seiv weg.

2

T. R leest, met D en 14 Mjj., eii; it na xnctfry of xnxfTyvy (D en 3 Mjj.); N A B L Itp\'er laten die woorden weg.

3

T. R. leest rye; , met A en IS Mjj. Syr.; N B D L X It. laten het weg.

4

A li D en 3 Mjj. lezen anapTvtTi, in plaat» van cenxfTy, dat N en II Mjj. lezen.

-ocr page 308-

17 : 36—4.

298

verband staat, komt nochtans bij Mattheus in dezelfde rede voor (18: 15—22); daaruit laat zich misschien verklaren, dat zij in de overlevering, wier vorm bij Lukas bewaard is gebleven, met elkander verbonden bleven. — Laat men in vs. 3 met de Alexandr. het sU ré, tegen u, weg, dan kan men de uitdrukking zondigen op iedere soort van misslag toepassen. Dit doen vele uitleggers, zooals Keil en llofmann-, zij beroepen zich op het sttitI^tov, bestraf hem, daar de bestraffing, volgens hen, niet door den toehoorder zou kunnen worden toegediend, indien hij-zelf de beleedigde was. Maar men zou in dit geval moeten aannemen, dat Jezus in vs. 4 plotseling tot het denkbeeld van een persoonlijke be-leediging overgaat, hetgeen gedwongen is. Men moet daarom, hetzij men sU as weglaat of niet, aannemen, dat Jezus aau een persoonlijke beleediging denkt, waarvan zijn toehoorder het voorwerp is geweest; en waarom zou hij niet kunnen trachten, zijn broeder tot zichzelf te doen inkeeren, door hem hot onrecht bloot te leggen, dat hij hem heeft aangedaan (Matth. 18 : 15)? — De heiligheid en de liefde ontmoeten elkander in dit voorschrift; de heiligheid begint mei; te bestraffen, en als de bestraffing eenmaal aangenomen is. dan vergeeft de liefde. De paradoxale vorm, dien Jezus gebruikt, geeft te kennen, dat de vergeving, die onze broederen van ons moeten ontvangen, geen andere beperking heeft, dan hun berouw en de belijdenis van hun schuld. — Niet alleen bij Mattheus (18 : 15—22) komt dit voorschrift in dezelfde rede voor als het voorgaande over de ergernis; maar ook Markus, bij wien het voorschrift over het vergeven ontbreekt, heeft in de parallele rede de volgende vermaning voor ons bewaard (9 : 50): „Hebt zout in u-zelven (weest streng jegens u-zelven), en houdt vrede onder elkander.quot; Deze uitspraak, die aan de vermaning tot vergevensgezindheid herinnert, is in overeenstemming met het feit, dat een pijnlijke twist tusschen de discipelen had plaats gehad (Mark. 9 : 33; Luk. 9 : 46). Men heeft hier een bewijs voor de fragmentarische wijze, waarop de woorden van Jezus door de overlevering bewaard werden, en eveneens voor de ver-

-ocr page 309-

17 : 5—6.

scheidenheid der bronnen, waaruit onze Evangelisten ze geput hebben.

Vs. 5—6, De macht des geloofs: „En de apostelen zeiden tot den Heer: Vermeerder ons het geloof! 6. En de Heere zeide: Indien gij geloof hadt\') zoo groot als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen1) moerbeziënboom zeggen: Ontwortel u en plant u in de zee! en hy zou u gehoorzamen.quot;

Hier is niet meer sprake van discipelen in het algemeen , maar bepaald van de apostelen (vs. 5). De opgeworpene vraag schijnt inderdaad met de apostolische taak in nauw verband te hebben gestaan. Het geloof, waarop deze bede betrekking had, was, zooals het antwoord bewijst, niet het geloof, dat de kracht verleent om te vergeven, en waardoor men zalig wordt, maar dat, waardoor men wonderen doet in den dienst van het rijk Gods; vgl. 1 Cor. 12:9 en 13 : 2. — Deze bede der apostelen kan uitgelokt zijn door de eene of andere buitengewone openbaring van de macht van Jezus, die de discipelen bij do vervulling van hun taak wenschten te kunnen navolgen, b. v. door de verdorring van den onvruchtbaren vijgeboom (Matth. 21 : 20). Hofmann meent, dat de bede zich veel natuurlijker laat verklaren uit de eene of andere ervaring, die de apostelen aangaande de machteloosheid van hun geloof hadden opgedaan, zooals die, welke in 9 : 40 verhaald is. Maar het antwoord van Jezus bevat veeleer een opklimming, in dezen zin: „Indien gij. . . . hadt, zoo zoudt gij niet alleen doen wat ik gedaan heb, b. v. maken, dat deze vijgeboom verdort, maar gij zoudt zelfs zeggen; Ontwortel u. ...quot; — Als het art. vóór Trianv stond, zou de zin zijn: „Voeg het geloof bij al de

299

1

N D L X laten rcevry weg.

-ocr page 310-

17 : 5-6.

andere dingen, dien wij reeds hebben.quot; Zonder het artikel kan de zin slechts dit zijn: „Voeg geloof bij de mate.van geloof, die wij reeds hebben; vergroot, versterk ons zwak geloof.quot;

Vs. 6. Do lezing sl eï%er£, indien gij hadl, is blijkbaar een correctie, waardoor dit werkw. met het hoofdwerkw. êhiysre a,v, gij zoudl zeggen, in overeenstemming moest worden gebracht. Men moet met de Alexandr., den Alexan-drinus en andere By zant. lezen; il (xere, indien gij hebt. Deze uitdrukking kan op tweeërlei wijze worden verklaard: „Gij vraagt om meer geloof, dan gij hebt; dat is niet noodig; hier is geen sprake van veel of weinig. Zorgt maar, dat gij geloof hebt: hoe klein het ook zijn moge, gij zult daarmede wonderen verrichten, wanneer gij daartoe geroepen wordt.quot; Zoo Buttmann {Beilrage znr Krit. und Gramm. des N. T.; Stud, und Krit., 1858, bl. 483—485). Of de zin kan zijn: „Ja, gij hebt werkelijk behoefte aan meer geloof, dan gij hebt; want als gij meer had, zoudt gij, wanneer het noodig was, dezelfde werken doen, die ik doe.quot; In dezen tweeden zin zou het: indien gij hebt voor: „indien gij hadC\' staan, zooals in vele gevallen (2 Cor. 11:4 en bij de classieken), waar het feit eerst, in den voorwaardelijken zin, als werkelijk ondersteld, en daarna, in den hoofdzin, als niet werkelijk voorgesteld is. Het komt mij voor, dat het antwoord van Jezus in den eersten zin opgevat, zich natuurlijker aan de bede der apostelen aansluit. Jezus antwoordt hun, dat het geloof, het moge sterk of zwak zijn, de deur opent voor de werking der goddelijke almacht, de eenige wezenlijke macht in de wereld, die macht, welke de wereld heeft gegrondvest, en waaraan zij onderworpen blijft. Wanneer de menschelijke wil door het geloof het geheim heeft ontdekt , om zich met deze hoogste kracht te vereenigen, dan wordt hij daardoor tot almacht verheven, en in het bewustzijn van deze stelling is hij in staat, zelfs op het gebied der natuur, en zoo dikwijls het rijk Gods het eischt, de belemmering uit den weg te ruimen (den moerbeziënboom weg te nemen), en haar in een middel te veranderen (den boom planten in het zand der zee). De aor. ÜTryxoutrsv h, hij

300

-ocr page 311-

17: 7—10.

zou gehoorzamen, is zeer opmerkelijk. Het zou geschieden zoodra het gezegd werd.

Weiss meent, dat Lukas deze uitspraak aan Matth. 17 : 20 ontleend, en naar Mark. 11 : 23 omgewerkt heeft, en dat dus de bede, die de apostelen, volgens hem, tot Jezus richten, door hem verzonnen is. Maar waarom zou Lukas in dit geval, in plaats van den berg van Mattheus en Markus, een moerbeziënboom hebben gezet? Waartoe deze verandering, die het beeld veeleer verzwakt? Jezus kan een woord als dit, dat een spreekwoordelijk karakter draagt, zeer goed meer dan eens hebben uitgesproken. Zulke onderstellingen als die van Weiss zijn de noodzakelijke gevolgen van zijn gevoelen omtrent den oorsprong onzer synoptici. — Wat mij betreft, het komt mij voor, dat heel eenvoudig moet worden aangenomen, dat de door Lukas vermelde bede der apostelen naar aanleiding van de verdorring van den vijgeboom, die den vorigen dag vervloekt werd (Mark. 11 : 20), tot Jezus gericht is geworden. Er bestaat een merkwaardig verband tusschen de vermaning, die Jezus bij Markus tot hen richt: „Hebt geloof in Godquot; (f%sTs xianv Oeov), en do bede bij Lukas: „Voeg ons geloof toe.quot; Lukas kan gemakkelijk een moerbeziënboom, in plaats van een vijgeboom hebben gezet.

Vs. 7 —10. De onverdienstelijkheid der werken: „En wie is degene onder u, die, als hij een dienstknecht heeft, die ploegt of de kudde hoedt, tot hem\') zal zeggen, wanneer hij van het veld terugkomt: Nader terstond, en zet u aan tafel? 8. Zal hij niet veeleer tot hem zeggen: Maak mijn maaltijd klaar, en omgord u, en dien mij, terwijl1) ik eet en drink, en daarna zult gij eten

301

1

A K en 5 Mjj. lezen ctv na fw?.

-ocr page 312-

17 : 7—10.

en drinken? 9, Is hij dezen dienstknecht1) ook dankbaarheid verschuldigd, omdat hij gedaan heeft hetgeen 2) bevolen was? Ik meen van neen3). 10. Al zoo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zegt dan; Wij zijn onnutte dienstknechten, omdat4) wij gedaan hebben hetgeen wij schuldig waren 5) te doen.quot;

Deze uitspraak, die alleen bij Lukas voorkomt, staat met de voorafgaande niet in verband; want de wonderen kunnen niet tot de categorie der , der bevolme dingen,

worden gerekend. Dit neemt echter niet weg, dat zij op zeer passende wijze deze geheele reeks van onderwijzingen van Jezus, die op den Pharizeeschen geest betrekking hebben , besluit. Een slaaf komt \'s avonds weêr thuis, na den geheelen dag op het land te hebben gearbeid, of de kudde te hebben gehoed. Geeft zijn heer hem bewijzen van bijzondere tevredenheid? Neen; alles blijft in het huis zijn gewonen gang gaan. Van den arbeid, dien de dienstknecht over dag te verrichten heeft, gaat hij over tot dien, welken de avond met zich medebrengt; hij maakt den maaltijd gereed en dient daarbij, zoolang (sua, of nog beter !W av) het zijn heer behaagt te eten en te drinken. En dan eerst kan hij-zelf zijn maaltijd gaan gebruiken. Het svésua, terstond, moet niet met spsl, maar met Tixps^uv avxTrsvai: „Kom bier, en neem plaatsquot; verbonden worden. De tegenstelling van die uitdrukking is het [acto. tixütx, daarna, van vs. 8. — Zoo moet zelfs de onberispelijkste mensch tot zichzelf zeggen, dat hij, als hij

302

1

ADI) LX laten cxeivu weg, dat T. R. mot li Mjj. leest.

2

T. E. leest, met 1) X, aura na al do anderen Inton het weg.

3

ï, R. leest, met A D en 13 Mjj. Itpler Syr ; ov Soku; N B L X Itnliq laten deze woorden weg.

4

T. R. leest, met 14 Mjj. Syr., oti vóór oj N A B U L Tt. laten het weg.

5

T. R. leest ocpeiAonev. met B en 9 Mjj.; NA BB en 5 Mjj. It. Syr.: Mfyeihoftsv,

-ocr page 313-

17 : 7—10.

al zijn plichten vervult, slechts zijn schuld jegens God betaalt, die van ziju kant in al zijn behoeften voorziet. Op het standpunt van het recht is men elkander dus niets meer schuldig. De uitdrukking onnulte, moet hier niet in

deuzelfden zin als Matth. 25 : 30 (onbekwaam om een nuttigen dienst te bewijzen) werden opgevat. Het verband doet zien, dat zij eenvoudig beteekent; die niets gedaan heeft, waardoor hij een bijzondere belooning zou verdienen. Deze waardeering van het menschelijk werk is juist op het standpunt van het recht, waarop het Pharizeïsme zich stelde, en vernietigt dit wettische systeem, door, tegelijk met de men-schelijke verdienste, de verplichting van God om den mensch te beloonen te ontkennen; en aan deze beschouwing moet de mensch zich altijd houden, wanneer hij de waarde van zijn werk tegenover God schat. Maar er is een hooger standpunt, dan dat van het recht, nl. het standpunt der liefde. Op dit gebied volbrengt de mensch een arbeid van een anderen aard, nl. een, die het karakter van vreugdevolle en kinderlijke toewijding draagt; en terstond heeft er een goddelijke waardeering plaats, die op een ander beginsel gegrond is, op den oneindigen prijs, waarop de liefde de liefde stelt. Dit andere standpunt heeft Jezus in 12 : 36 en 37 uitgesproken. Boltimann meent, dat deze vermaning niet, zooals in vs. 1 wordt gezegd, lot de discipelen gericht kon zijn, juist omdat zij bestemd is om den Pharizeeschen geest te bestrijden. Maar beval Jezus den apostelen niet aan, zich te wachten voor den zuurdoesem der Pharizeën, en is de gelijkenis van de op verschillende uren vau den dag in dienst genomene arbeiders, die in den grond denzolfden zin heeft als dit voorschrift, niet tot de discipelen gericht (Matth. 20 : 1 en verv.)? De vraag van Petrus na het weggaan van den rijken jongeling (Matth. 19:27): „Wat zal ons dat opleveren?quot; toont voldoende aan, dat het gevaar altijd aanwezig is voor de geloovigen. De hoogmoed hecht zich, als een knagende worm, zelfs aan de wortelen der getrouwheid. — De woorden: ou Soxw, ik meen van neen, die de Bijz. aan het einde van vs. 9 lezen, en Tischendorf, Weslcoll en

303

-ocr page 314-

17 : 7—10.

Hort weglaten, worden door Meijer, Weiss en Keil verdedigd; en met reden. Zij geven, zooals Weiss zegt, niet den indruk van een glos te zijn, en komen in de oude overzettingen voor. Zonder twijfel heeft het daarop volgende oÏitco tot de weglating daarvan aanleiding gegeven (Meyer).

De bestudeering van dit gedeelte voert ons tot de volgende slotsom: Of Lukas heeft het zooals het is in zijn bron gevonden , öf hij heeft, na tot hiertoe al de leeringen te hebben medegedeeld, waarvan de aanleiding daarin vermeld was, thans al de andere vereenigd, die hij zonder eene dergelijke aanwijzing daarin vond. Het is als een overblijfsel in zijn portefeuille, dat hij ons ongeschonden overlevert. Zulk een vernuftige geest als de zijne zou geen moeite gehad hebben, aanleidingen en inleidingen te scheppen, als hij gewoon was, op deze wijze te werk te gaan. Tevens is dit fragmentarisch karakter, dat ons bij den eersten blik bevreemdt, het duidelijkste bewijs voor de historische werkelijkheid van de ald.is medegedeelde uitspraken. Hoe zouden redenen, die den Heer door zijn discipelen in den mond worden gelegd, zulk een onsamenhangend aanzien kunnen hebben?

III.

De laatste tooneelen der reis.

(17 : 11—19 : 27).

Deze derde afdeeling voert ons tot aan Bethanië, voor de poorten van Jeruzalem, en tot aan den morgen van len Palmzondag. Het komt mij voor, duidelijk te zijn dat vs. 11, naar de bedoeling van Lukas, eenvoudig de voortzetting dei-in 9 ; 51 (vgl. 13 : 22) aangevangene reis aanduidt, en niet, zooals Wieseler wil, het begin eener nieuwe reis. Wegens de menigvuldigheid der verhaalde gebeurtenissen, brengt Lukas van tijd tot tijd den stand van zaken in herinnering. In den loop van deze derde afdeeling ontmoet zijn bericht dat van de twee andere Synoptici weder, op het oogenblik,

304

-ocr page 315-

17 : 11—14.

waarin men kinderen tot Jezus brengt, opdat Hij hen zegenen zal (18 : 15 en verv.) Daar dit feit door Mattheus en Markus uitdrukkelijk in Perea geplaatst wordt, vloeit daaruit voort, dat de volgende gebeurtenissen eerst in Galilea moeten hebben plaats gehad, op het oogenblik, toen Jezus de Jordaan zou overtrekken, en daarna in Perea, van het oogenblik af, waarop Hij de andere zijde van deze rivier had bereikt. Weiss, Hofmann e. a. zijn het met deze zienswijze niet eens. Het llde vers bevat, volgens hen, niets anders dan de inleiding tot het volgende verhaal, doordat het verklaart, hoe het kwam, dat een Samaritaan en Joden bij elkander waren. Dit zou aannemelijk zijn, indien de inleiding slechts uit de woorden: Siypxero dix ftérou, Hij ging midden door .. ., bestond. Maar daaraan gaan deze vooraf: êv Tcji nopsvsaöxi xutcv sic \'lep., terwijl Hij op weg was mar Jeruzalem, welke bij die opvatting volstrekt nutteloos zouden zijn. Zij hebben dan alleen een zin, wanneer zij dienen moeten, om den in 9:51 aangeduiden stand van zaken, zooals wij dezen hebben opgevat, in herinnering te brengen.

I. 17 : 11—19. De tien melaatschen.

Vs. 11 — 14: „En het geschiedde, terwijl Hij1) op weg was naar Jeruzalem, dat Hij midden door de streek tusschen2) Samaria en Gfaliléa ging. 12. En toen Hij in een zeker vlek inging, ontmoetten 3) Hem tien melaatschen, die van verre bleven staan4); 13. en zij verhieven de stem zeggende: Jezus, Meester! ontferm u onzer! 14. En toen Hij hen zag, zeido Hij tot hen:

305

1

}lt; B L laten xutov un rofsusirSeei weg.

2

N B L tezou Six nerov, in plaats van Jia /xcirov.

3

N L lezen vxyvr^irav, in plaats van uzyvryrctv.

4

B F lezen

Godet, IJUTccis. II. 20

-ocr page 316-

17 : 11—14.

306

Gaat heen, en vertoont u aan de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.quot;

De constructie is Hebreeuwsch; zij herinnert aan die van 9 : 51. Het kx) aütói; schijnt hier, evenals daar, een bijzondere kracht te hebben. Jezus volgt geen van de gewone wegen, waarlangs de Galileërs zich naar Jeruzalem begeven, door Samaria of door Perea, maar Hij volgt zijn eigen weg, dien Hij zich met overleg heeft afgebakend. — De uitdrukking Si* ftétrov, midden door, door hel midden van, kan boteekenen: terwijl Hij deze twee streken achter elkander doorreisde. In dezen zin vatten Olshausen en Gess haar op. Jezus zou, na te Ephraïm te hebben vertoefd (Joh. 11 : 54), in dit tijdstip Samaria voor de laatste maal, en daarna Galilea bezocht hebben, terwijl Hij beide van het Noorden naar het Zuiden doorreisde.1) Maar de uitdrukking: „op weg 7iaar Jemzalerriquot; zou in dezen zin geheel misplaatst zijn: op weg naar de stad, waaraan Hij den rug toekeerde! De ware zin is dus: tusschen Samaria en Galilea\', Jezus bereisde de streek, waar de twee provinciën aan elkander grenzen. Deze opvatting is geheel in overeenstemming met het ontbreken van het artikel vóór de twee eigennamen: tusschen Samaria en Galilea. Denzelfden zin heeft de analoge

1

De reden, die Oess voor deze opvatting heeft, ia liet tooneel van do didraehmeu (Mntt. 17:21—27), want de belasting voor den tempel we.-d in Maart betaald, en deze datum zou zeer goed overeenkomen met den terugkeer van .Tezua naar Knperuaüm, die bij deze onderatelliug onmiddelijk vóór het Paaachfeeat zou hebben plaat» gehad (zie Joh. 11:55). Maar het ia mogelijk, dat Jezna in het jaar, hetwelk aan dat van zijn dood voorafging, do belaating, die gewoonlijk in de lente betaald werd, eerat in den herfat heeft voldaan, bij zijn terugkeer van den tocht naar het Noorden van Galilea. De vorm der vraag van den ontvanger aluit op vrij natuurUJke wijze het denkbeeld van een aohtoratallige betaling in zich; het is daarom niet mogelijk, aan deze omstandigheid het bewijs voor zulk een be\'angrijk feit als dat van een terugkeer naar Galilea na het verblijf te Ephraïm te ontleenen Het nauwkeurige bericht van Johannea sluit deze onderstelling uit.

-ocr page 317-

17 : 15—19.

uitdrukking amp;v» t^saov in de LXX, Richt. 15:4; 1 Kon. 5 : 12; Ez. 22 : 26. Zij komt ook bij de klassieke schrijvers voor; zie Weiss. In den vorm Six ftsrov (Alexandr. lezing) is het woord /asjov in bijwoordelijken zin gebezigd (Weii.t). Jezus richtte zich van het Westen naar het Oosten, naar de Jordaan toe, die Hij moest overtrekken, om in Perea te komen; dit is, zooals wij\'gezien hebben, in overeenstemming met Matth. 19 : 1 en Mark. 10: 1, en zelfs met Joh. 10 : 40—42. — Terwijl Lukas dezen algemeenen stand van zaken bij een reis naar Jeruzalem in herinnering brengt, geeft hij een nauwkeurige bepaling van de streek, met het oog op het volgende verhaal, waarin een melaatsche Samaritaan onder melaatsche Joden gevonden wordt. liet gemeenschappelijk ongeluk had hen bij elkander gebracht en den nationalen slagboom tusschen hen doen wegvallen. — Minder stoutmoedig dan de melaatsche van Hoofdst. 5, blijven de ongelukkigen bij het zien van Jezus op een afstand staan, en wagen het niet, tegelijk met Hem in het vlek in te gaan, overeenkomstig de wet in Lev. 13:46; de afstand, waarop een melaatsche zich van iederen anderen persoon verwijderd moest houden, wordt door sommigen op vier, door anderen op honderd ellen geschat. Maar zij heffen allen te samen een geschrei aan, dat wel geschikt is om zijn aandacht te trekken. Zijn hart wordt diep geroerd bij het hooren van deze jammerkreten, en zonder hun eerst hun genezing aan te kondigen, beveelt Hij hun, heen te gaan en haar door den priester te laten constateeren. In dit onverwacht bevel ligt als het wave een opwelling van trium-feerende vreugde. Terwijl zij heengaan, bemerken zij de de eerste teekenén van de genezing, die bezig was, tot stand te komen.

Vs. 15—19. De dankbare Samaritaan: „Maar een van hen, ziende, dat hij genezen was, kwam terug, met luide stem God verheerlijkende. 16. En hij wierp zich op het aangezicht aan zijn voeten,

307

-ocr page 318-

17 : 15—19.

Hem daukende; en hij was eeu Samaritaan. 17. En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen anderen? 18. Zijn er niet gevonden, die weder-keeren, om God eer te geven, behalve deze vreemdeling? 19. En Hij zeide tot hem: sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.quot;

De negen Jotlen, die hunne genezing beschouwen als iets, wat hun, om zoo te zeggen, toekomt, vervolgen hun weg, gelukkig wegens de genezing, maar met een hart, dat voor de dankbaarheid gesloten is. De tiende, een Samaritaan, die diep doordrongen was van het besef van zijn onwaardigheid en van de gedachte, dat zijn genezing een onverdiend genadegeschenk was, gevoelde de behoefte om den gever zijn dankbaarheid te betuigen. Hij verheerlijkt God met luide stem (vs. 15), maar zonder het menschelijk werktuig te vergeten (vs. 16). Men lette op het verschil tusschen en svxapiïTelv, verheerlijken en dankzeggen, aanbidden en bedanken.

Vs. 17. Toen Jezus in hem een Samaritaan herkende, gevoelde Hij tot in het diepst zijner ziel het onderscheid, dat er bestond tusschen deze eenvoudige harten, waarin nog het natuurlijk gevoel der dankbaarheid trilde, en de door Phari-zeeschen hoogmoed geheel verbasterde Joodsche harten; en zonder twijfel kwam Hem terstond het toekomstig lot van zijn Evangelie in de wereld voor den geest. Dit was voor Hem een van de talrijke voorboden van de rol der Joden en der heidenen in de geschiedenis van het rijk Gods. Nochïans vergenoegt Hij er zich mede, alleen de tegenstelling van dit oogenblik uitdrukkelijk te doen uitkomen. — Met opzet is er geen uijtü, tol hem, bij sJttsv , zeide, gevoegd. Jezus spreekt in vs. 17 een overweging uit. Zijn werkelijk antwoord op de dankzegging van den Samaritaan komt eerst in vs. 18 voor (asuTw). — Het subject van het verbum

308

-ocr page 319-

17 : 20—21.

svptOyctcv is niet het partic. umcrpé^xvrci, als substantief opgevat, maar een xMot, dat er bij moet worden gedacht. — De reden, waarom Jezus dezen mensch herinnert, dat zijn geloof hem genezen heeft, is zeker, om hem het gewicht van deze zedelijke daad te doea verstaan, en de rol, die ditzelfde geloof nog kan spelen in zijn leven, door hem een uit-nemender genezing te verschaffen. Zoo haalt deze man door zijn terugkomen den band, dien de weldaad tusschen hem en den persoon van Jezus gevormd had, nauwer toe, terwijl deze band bij al de anderen door hunne ondankbaarheid geheel verbroken wordt.

De critiek houdt dit verhaal voor verdacht wegens zijn universalistische strekking. Maar als het met een didaktisch doel verdicht was geworden, zou de Paulinische les, die daaruit moet worden getrokken, zeker niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. Dan zou men ook bij Mattheus argwaan moeten koesteren tegen de genezing van den dienstknecht vau den heidenschen hoofdman over honderd; en wel met nog meer reden, daar Jezus daar aandringt op de algemeene les, die uit dit feit moet worden getrokken.

II. 17:20—18:8; De wederkomst van Christus.

Dit gedeelte behelst; 1° een vraag der Pharizeën over den tijd der verschijning van het rijk Gods en het antwoord van Jezus (vs. 20 en 21); 2° een onderwijzing, die Jezus over dit onderwerp aan zijn discipelen geeft (vs. 22—37); 3° de gelijkenis van den onrechtvaardigen rechter, die het pas behandelde onderwerp op praktische wijze op de geloovigen toepast (18 : 1—8).

1. Vs. 20 en 21: Het geestelijk karakter van het koninkrijk.

Vs. 20—21. „En door de Pharizeën gevraagd zynde,

wanneer het koninkrijk Gods komen zou, antwoordde Hij hun, en zeide; Het koninkrijk Gods komt niet

309

-ocr page 320-

17 : 20—21.

310

op zichtbare wijze; 21 en men zal ook niet zeggen: Hier is het! of: Dattr is het1)! Want ziet, het koninkrijk Gods is binnen in u.quot;

Men weet, met welk een ongeduld de Pharizeën de openbaring van het Messiaansche rijk verwachtten. Het is daarom natuurlijk, dat zij het gevoelen van Jezus omtrent dit onderwerp wenschten te vernemen. Dit behoorde waarschijnlijk ook tot het doel van het bezoek van Nikodemus (Joh. 3). De tekst geeft geen enkele aanleiding, om deze vraag als een bespotting (Calvijn) of een voor Jezus gespannen strik (Meyer) te beschouwen, hoewel het hem zonder twijfel verblijd zou hebben, als zij Hem daardoor in verlegenheid gebracht of Hem de eene of andere ketterij ontlokt hadden. — Deze vraag berustte op een zeer uitwendig begrip van het goddelijk rijk; zij stelden zich de komst daarvan voor als een groote en plotselinge tooneelverrassing. Op Evangelisch standpunt is deze verwachting ongetwijfeld niet geheel onjuist, een nieuwe uitwendige staat van zaken moet. op den tegenwoordigen volgen, maar eerst nadat hij door een geestelijken arbeid in den bodem des harten in de menschheid zal zijn voorbereid; en het is deze innerlijke komst van het koninkrijk, die Jezus goed vindt, tegenover zulke vragers op den voorgrond te stellen, zooals Hij dit ook bij Nikodemus gedaan had, die met een dergelijke vraag tot Hem kwam. De uitdrukking [mtx TrxpxT^pwsMi;, op zichtbare wijze, heeft betrekking op de waarneming van een feit, dat onder het bereik der zintuigen valt. Het praes. Ipxer/xi, komt, is het praesens van het begrip. Het koninkrijk Gods ontstaat niet op zichtbare wijze. Het zou daarom kunnen gebeuren, dat het er was, zonder dat men dit vermoedde; en dit is nu juist het geval; vgl. 11 : 20: „Het koninkrijk Gods heeft u verrast.quot; — Hier is het! Daar is het: deze

1

T. E. herhaalt iSou vóór exei, met A D en 13 Mjj. It.; N B L laten het weg.

-ocr page 321-

17 : 20—21.

311

woorden spreken ilen indruk uit van hen, die meenen, de aanwezigheid van het Messiaansche rijk aan de eene of andere zichtbare verschijoing te kunnen herkennen. Het daaropvolgende iSw yxp, want ziet, stelt tegenover deze valsche zienswijze het onfeilbare weten van Jezus en de verbazing zijner hoorders, die uit zijn mond vernemen, dat de staat van zaken, waarvan de verwachting al hunne gedachten bezig houdt, reeds aanwezig is, al is hij ook onzichtbaar. — De uitdrukking êvris v^üv wordt door bijna al de nieuwere uitleggers verklaard in den zin van: in uw midden, d. w. z. in den persoon van Jezus zelf, of in dien van Jezus en zijn discipelen. Philologisch is deze beteekenis mogelijk, on zij kan ook met het verband in overeenstemming worden gebracht. De gedachte is dan; „Dit koninkrijk komt zoo weinig op zinnelijk waarneembare wijze, dat het reeds onder u aanwezig is, zonder dat gij zijn aankomst gewaar zijt geworden.quot; Doch de ware logische tegenstelling van den eersten zin van het vers: „kier, daar...quot; is niet de plaatselijke eu zichtbare tegenwoordigheid van Jezus en de zijnen in het midden van hen, die Hem ondervragen, maar do innerlijke en geestelijke natuur van dien staat van zaken, welken zij het rijk Gods noemen, zoodat de zin: binnen in u veel beter in den samenhang past. Aan deze laatste verklaring wordt dan ook, ondanks alle bedenkingen van Weiss e. a., door Uofmann, Schanz, Keil e. a. de voorkeur gegeven. Het is duidelijk, dat bij deze opvatting het praesens sari, is, dat van het begrip, van het wezen is, evenals het epxsrxi van vs. 20. Jezus kon niet op een abstracte wijze zeggen: „binnen in den menschquot;; Hij moest zeggen tot zijn hoorders, die meenden, dat zij-zelven er deel aan zouden hebben: binnen in u (indien gij het ooit komt te bezitten).quot; Deze opvatting is meer in overeenstemming met de plaats van het ivris üftüv vóór het werkw., waardoor het den nadruk heeft; met de keuze van de praep. svTÓg, binnen in (het Lat. intus), in tegenstelling ixróg (zie Passow); en met het antwoord van Jezus aan Nikodemus: „Indien iemand niet op nieuw geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet

-ocr page 322-

17 ; 22—25.

zien.quot; Deze zin werd reeds door Chrysostomus en Calvijn aangenomen,

2. Vs. 22—37: De verschijning van het koninkrijk.

De Pharizeën moest Jezus wijzen op hetgeen zij niet wisten, het geestelijk wezen van het koninkrijk. Maar Hij heeft daarmede geenszins de eindelijke uitwendige verschijning van een goddelijke orde der dingen willen ontnemen. Om deze andere zijde der waarheid te ontwikkelen wendt Hij zich tot zijn discipelen, omdat Hij alleen met hen, die reeds eenig geestelijk leven bezitten, met vrucht over zijn wederkomst kan spreken. Bovendien vertoonde zich het denkbeeld van de komst van het koninkrijk op dit tweede standpunt als de wederverschijning van Jezus-zelf, een waarheid, die slechts aan geloovigen kon worden verkondigd. Men ziet, hoezeer de Revue de théologie het juist trof, toen zij zeide: „De twee eerste verzen (vs. 20 en 21) zijn in tegenspraak met het overige gedeelte der rede, en staan hoegenaamd niet in verband met hetgeen volgt.quot; (1867, bl. 386)!

Het onderwijs van Jezus betreft vier punten: 1° Wanneer en hoe zal Jezus wederkomen (vs. 22—25)? 2° Hoedanig zal op dat oogenblik de toestand der wereld zijn (vs. 26— 30)? 3° Wat zal bij deze beslissende crisis de zedelijke voorwaarde zijn, om behouden te worden (vs. 31—33)? 4° De schifting, die daarvan het gevolg zal zijn (vs. 34—37).

1° Vs. 22—25. Het Wanneer en het Hoe; ,;En Hij zeide tot de discipelen: Er zullen dagen komen, dat gij zult begeeren, één der dagen van den Zoon des menschen te zien, en gij zult dien niet zien. 23. En men zal tot u zeggen: Ziet, hier is Hij! of ^: ziet daar is Hij 1)! Gaat er niet

312

1

N L lezen iJow exei \\66t iSov

-ocr page 323-

17:22—25.

heen , en zoekt niet. 21. Want gelijk de bliksem die van den eenen kant des hemels bliksemt, tot aan den anderen kant toe schittert, alzoo 1) zal de Zoon des menschen wezen in zijn dag2). 25. Maar vooraf moet Hij veel lijdon en verworpen worden van dit geslacht.quot;

De gedachtengang is deze: Het koninkrijk in den uitwen-digen zin, waarin de Pharizeën het verstaan, zal niet zoo spoedig komen (vs. 22); en als het komt, dan zal men ten opzichte van zijn verschijning niet in onzekerheid verkeeren (vs. 23 en 24). Vs. 25 komt op het denkbeeld van vs. 22 terug, (vs. 22) dagen, lange dagen, gedurende welke de geloovigen tijd zullen hebben, om te zuchten en te verlangen naar de zichtbare tegenwoordigheid des Meesters. Vgl. 5 : 32. Een der dagen van den Zoon des menschen kan beteekenen; een der dagen, die hun thans gegeven zijn, terwijl zij zijn tegenwoordigheid genieten (zoo de ouden, Slier, Ewald), of: een der dagen, die tot de eindbedeeling behooren, een openbaring uit den hemel, welke zich reeds aan de heerlijke komst van Jezus vastknoopt (zoo de Wette, Bleek, Meijer, Weiss, Hofmann, Keil, e. a.). De eerste beteekenis schijnt natuurlijker te zijn, alleen mag men haar van de tweede niet afscheiden. Het missen is slechts een andere vorm van het verlangen. Wanneer de apostelen of hunne opvolgers een langen tijd in afwezigheid van hun Heer op de aarde zullen hebben doorgebracht, wanneer hunne prediking en hunne apologetische bewijsvoeringen zijn uitgeput, en rondom hen het scepticisme, het materialisme, het pantheïsme en het deïsme hoe langer hoe meer de overhand krijgen, dan zal in hunne ziel een vurig verlangen ontstaan naar dien

313

1

ï. R. voegt, met D, xai achter stTTcei,

2

B D laten de woorden ev ri) vinfx uurou weg.

-ocr page 324-

17 : 22—25.

Heer, die zwijgt en zich verbergt; zij zullen een goddelijke openbaring begeeren, al was het ook maar een enkele {.ulxv), zooals die van de oude dagen, als voorspel van de eindelijke verlossing, om hun hart te versterken en de zwakke Kerk te ondersteunen. Maar tot het einde toe zal het zijn: door geloof te wandelen. Oüx diperóe, (jij zult niet zien; het object, dat er bij moet worden gedacht, ligt voor de hand (hetgeen gij zult begeeren te zien). Zal het te verwonderen zijn, als onder dergelijke omstandigheden het geloof van het grootste aantal komt te bezwijken (18 : 8)?

Vs. 23. Deze levendige verwachting bij de geloovigen zal hen licht geloovig maken ten opzichte van de buitengewone teekenen, die zouden kunnen geschieden, en eveneens ten opzichte van de verleidelijke stemmen der leugen. De schrijver van deze regels had kunnen zeggen, dat hij driemaal in zijn leven tegenover menschen gestaan heeft, die beweerden, de verwachte hoogste openbaring te zijn, en waarvan twee aanhangers hebben gehad. Letterlijk is dit vers in tegenspraak met vs. 21. Maar vs. 21 had betrekking op het geestelijk koninkrijk, welks komst niet kan worden waargenomen, noch uitgeroepen, terwijl nu sprake is van het zichtbare koninkrijk, welks verschijning valschelijli zal worden aangekondigd. — Het volgende vers zegt ons, waarom al deze aankondigingen noodwendig bedriegelijk zullen zijn.

Vs. 24. De komst des Heeren zal algemeen en plotseling zijn. Maar loopt niet hierheen of daarheen, om een bliksemstraal te zien; zijn glans schittert in een oogenblik van den eenen kant van den horizont naar den anderen; bij rifc moet xépas worden aangevuld. Zoo zal de Heer zich op hetzelfde oogenblik aan de blikken van alle levenden vertoonen. Zijn wonderbare verschijningen na zijn opstanding in de afgeslotene opperzaal zijn bet voorspel van deze laatste komst. Maar om zóó te kunnen wederkomen, moet Hij eerst weggaan, moet Hij eerst uitgestooten zijn. Daarop wijst het 25^e vers. — De uitdrukking: dit geslacht kan slechts de Joodsche tijdgenooten van den Messias aanduiden. De breuk tusschen Israël en zijn tegenwoordigen Messias, die reeds een aanvang

314

-ocr page 325-

17 : 26—30.

genomen heeft, zal voltooid worden, en de verwerping van den Messias door zijn volk zal de verwijdering van zijn persoon en de onzichtbaarheid van zijn rijk gedurende een geheel tijdperk der geschiedenis ten gevolge hebben, en dit tijdperk zal, volgens 13 : 35, eerst met de bekeering van Israël een einde nemen. Hoe lang zal deze abnormale toestand duren? Jezus weet het zelf niet, — Daarentegen weet en verkondigt Hij, dat dit tijdperk, gedurende hetwelk de wereld Hem niet meer zien zal, zal uitloopen op een volkomen materialistischen staat van zaken (vs. 26—30), waaraan zijn komst een einde zal maken.

2° Vs. 26—30. De toestand der wereld vóór de wederkomst van Christus: „En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zyn in de dagen van den Zoon des menschen. 27. Men at, men dronk, men nam ten huwelijk en gaf ten huwelijk, tot op den dag, waarop Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam en hen allen verdierf. 28. Desgelijks ook, gelijk1) het geschiedde in de dagen van Lot: men at, men dronk; men kocht en verkocht; men plantte, men bouwde; 29. maar den dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en deed hen allen omkomen. 30. Evenzoo2) zal het zijn in den dag, waarop de Zoon des menschen verschijnen zal.quot;

Terwijl de geloovigen hoe langer hoe vuriger naar de wederkomst huns Heeren verlangen, maakt zich een vleesche-

315

1

T. R. leest, met A D en 12 Mjj, onoicoc; kxi w?; N B L E. X: ««9\' cos,

2

T, R. leest axra ruvrct, met NA en 11 Mjj.; BDKXri: axrcc rx

CCVTCC.

-ocr page 326-

17 : 26—15.

lijke gerustheid hoe langer hoe meer van de menschheid meestor. Het is een tijdperk zooals dat, hetwelk aan al de groote historische gebeurtenissen is voorafgegaan. De bezigheden van het aardsche leven gaan haar geregelden gang, maar het godsdienstig gevoel verdwijnt hoe langer hoe meer uit het hart der wereldsgezinde menschen. De uitdrukking: dagen van Noach doelt op de 120 jaren, gedurende welke de ark werd gebouwd. \'E^syxfj.ifyi/To, werden ten huwelijk gegeven: de jongedochters door hare ouders. Met de twee verba yxQiv, kwam, en xTru^sasv, verdierf, zouden twee nieuwe zinnen kunnen aanvangen (Wem); maar het schijnt mij krachtiger toe, ze nog van xxpi fa te laten afhangen: tot op den dag, waarop Noach in de ark gingen waarop de zondvloed kwam, en...quot;

Vs. 28—30. Het tweede voorbeeld. De zin ag syévero zou volgens Schanz afhangen van een hrxi, dat er bij moet worden gedacht (vs. 26). Met Weiss ben ik van gevoelen, dat de hoofdzin in vs. 30 te vinden is (mrx tkütx neemt het «pio/w? na,) w? weder op), en dat de tusschenliggende verba yaêtov enz., sfipsi-e, xTrwXsasv, apposities van en de ware subjecten van sysvero zijn, volgens de bij Lukas zoo dikwijls voorkomende Hebreeuwsche constructie. — Gewoonlijk wordt in actieven zin gebezigd: God deed het regenen.

Vgl. Gen. 19 : 24: xot) uvpto; s(3pe^sv (Matth. 5 : 45). Maar in dezen zin zou het oiipxvov een pleonasme zijn;

en daar Qpsxew bij Polybius en de andere latere Grieksche schrijvers in neutralen zin voorkomt, is het natuurlijker, het ook hier zoo op te vatten. Daardoor wordt het paralleliamp;me tusschen het txTruhsvev van vs. 27 en dat van vs. 29, en tusschen hunne twee subjecten xxTxuhwrnos en zvp x. ósïov behouden. Het praes xTroKx^vvrsTxi, verschijnt, stelt de verschijning voor als volkomen zeker, en verplaatst op levendige wijze den toehoorder in dat plechtig oogenblik. Deze uitdrukking onderstelt, dat Jezus er dan is, hoewel onzichtbaar, en dat slechts de sluier behoeft te worden weggenomen, om Hem te aanschouwen ; vgl. 1 Oor. 3 : 13 en het gebruik van het woord in 1 Cor. 1:7,2 Thess. 1 ; 7, 1 Petr.

316

-ocr page 327-

17 : 31-33,

1 : 7. Het punt van vergelijking tusschen deze gebeurtenis en de twee aangehaalde voorbeelden is de verrassing te midden van de gerustheid, met den daaropvolgenden ondergang. — Matth. 24 : 37—39 bevat een plaats, die met vs.

2G—27 parallel is (het voorbeeld van Noacb). De gedachte is dezelfde; maar de uitdrukkingen zijn zoo verschillend,

dat zij niet toelaten, aan te nemen, dat de twee redacties van denzelfden tekst afkomstig zijn.

3° Vs. 31—33. De voorwaarde, waaronder men behouden kan worden bij de wederkomst van Christus: „Wie in dien dag op het dak zal zijn,

en zijn huisraad in huis zal hebben, die kome niet af, om het weg te nemen; en evenzoo wie op het veld\') zal zijn, die keere niet terug tot hetgeen achter is. 32. Gedenkt aan de vrouw van Lot! 33. Alwie zijn leven zal zoeken te behouden1), zal het verliezen; en alwie het verliezen zal, zal het2) in stand doen blijven.quot;

Jezus schildert den zielstoestand, die in deze laatste crisis de voorwaarde der behoudenis zal zijn. De Heer gaat met zijn hemelschen stoet voorbij. Het is de zaak van een oogwenk. Hij trekt tot zich al de bewoners der aarde, die,

doordat zij los zijn van de aardsche goederen, innerlijk gereed zijn om Hem te volgen, en een vrije en vreugdevolle vlucht naar Hem toe nemen. Teruggehouden door den inner-lijkon band, die hen aan de aardsche goederen verbindt,

blijven de anderen achter. Juist op deze wijze was do vrouw (

317

1

B li lezon TZfnroHtTao-ixi, in plaats van truirxi, dat T. R. met al de anderen leeat.

2

N B 1) K laten weg.

-ocr page 328-

17 : 31—33.

van Lot omgekomen, met de goederen, waarvan zij niet scheiden kon. — Overeenkomstig zijn gewone methode, kenschetst Jezus de zielsgesteldheid, waarover Hij spreekt, door een reeks van uitwendige handelingen, waarin zij openbaar wordt. De Revue de théologie (in het aangehaalde art., hlz. 337) verwijt Lukas, dat hij hier op de Parousie den raad om te vluchten toepast, die dan alleen zin heeft, wanneer hij met de verwoesting van Jeruzalem in betrekking wordt gebracht (Matth. 24). En Weiss beschouwt vs. 31—33 als een inlassching, die afkomstig is van de pen van Lukas, daar verscheidene uitdrukkingen oorspronkelijk slechts op een vlucht in den eigenlijken zin, zooals die, welke in Matth. 24: 16—20 beschreven wordt (de christenen uit de Joden, die voor den Romeinschen inval vluchten), betrekking konden hebben. Lukas zou aan deze schildering een geestelijke be-teekenis hebben gegeven, door haar overeenkomstig zijn lievelingsdenkbeeld, op het los-zijn van de aardsche goederen toe te passen. Maar is niet juist het tegendeel waar? Is het niet veeleer de eerste Evangelist, die te midden van woorden, welke op een vlucht in den eigenlijken zin betrekking hebben, zekere uitdrukkingen heeft ingevoerd, welke oorspronkelijk betrekking hadden op het innerlijk los-zijn, en waarvan Lukas de ware beteekenis heeft bewaard? Men arbeidt niet op het veld en men zit niet rustig op het dak van zijn huis, wanneer de vijand nadert en het land reeds overweldigd heeft. Deze trekken zijn dus in het geheel niet van toepassing op de verwoesting van Jeruzalem; daarentegen zijn zij volkomen in overeenstemming met de schildering van Lukas. De Parousie overvalt de menschen. Wie in de stad, op zijn dak, zich bevindt, die kome niet af, omzijn meubelen mede te nemen, maar late alles liggen en volge den Heer onverwijld. En wie op het open veld is, keere niet terug, om zijn goederen te halen; het zou hem kunnen gaan, zooals het de vrouw van Lot is gegaan!

Vs. 33. Zijn leven willen behouden is innerlijk zich vast te klemmen aan het een of ander voorwerp, waarmede men zijn geluk vereenzelvigt. Dit is het middel om zijn waar

318

-ocr page 329-

17 : 34—37.

319

leven, het heil, te verliezen, en met de wereld te gronde te gaan. Zijn leven verliezen is de heilige geestkracht te bezitten, en terstond den rug toe te keeren aan al wat de Heer-zelf niet is; dit zal op dat oogenblik het eenige middel zijn om het te behouden. Zie bij 9 : 24. Men moet zonder twijfel met den Valicanus TrspiTrorjtrxaöai, verwerven, gewinnen , lezen, dat slechts hier voorkomt, en niet aült;rxi, redden, behouden. In plaats van aüamp;iv, zijn leven behouden (9 : 24), gebruikt Jezus in den tweeden zin de uitdrukking fyoyovsTv, letterlijk: levend ter wereld brengen. Met deze uitdrukking vertaalt de LXX den Piël en Hiphil van rrn, leven; dus eigenlijk: doen leven, of ook in een vereischten zin (Gen. 6 : 19): in hel leven behouden. Het woord ^uoyovslv wordt in dezen laatsten zin dikwijls door de LXX gebruikt o. a. Ex. 1:17; Richt. 8:19; 1 Sam. 27:9; 1 Kon. 20 : 31). Lukas zelf gebruikt het op dezelfde wijze in Hand. 7 : 19. Ik kan daarom den vroeger door mij aangenomen zin van: „het natuurlijk leven waarlijk levend maken, door het in geestelijk, verheerlijkt leven te veranderenquot; niet meer vasthouden. — De schifting, welke in die ure zal plaats vinden, zal plotseling alle aardsche banden, zelfs de innigste, verbreken. Daaruit zal een nieuwe groepeering van de menschheid ontstaan: de genomenen en de veriatenen. Dit wordt in de volgende verzen beschreven.

4° Vs. 34—37. De schifting, die door de Parousie wordt tot stand gebracht: „Ik zeg u: in dien nacht zullen er twee op een zelfde bed zijn; de een \') zal genomen en de ander zal verlaten worden. 35. Twee vrouwen zullen te zamen malen; de eene1) zal genomen, en de andere zal verlaten

1

\'2) B D R lezen v ///at, in plaats van nix.

-ocr page 330-

17 : 31—33.

van Lot omgekomen, met de goederen, waarvan zij niet scheiden kon. — Overeenkomstig zijn gewone methode, kenschetst Jezus de zielsgesteldheid, waarover Hij spreekt, door een reeks van uitwendige handelingen, waarin zij openbaar wordt. De Revue de théologie (in het aangehaalde art., blz, 337) verwijt Lukas, dat hij hier op de Parousie den raad om te vluchten toepast, die dan alleen zin heeft, wanneer hij met de verwoesting van Jeruzalem in betrekking wordt gebracht (Matth. 24). En Weiss beschouwt vs. 31—33 als een inlassching, die öikomstig is van de pen van Lukas, daar verscheidene uitdrukkingen oorspronkelijk slechts op een vlucht in den eigenlijken zin, zooals die, welke in Matth. 24: 16—20 beschreven wordt (de christenen uit de Joden, die voor den Romeinschen inval vluchten), betrekking konden hebben. Lukas zou aan deze schildering een geestelijke be-teekenis hebben gegeven, door haar overeenkomstig zijn lievelingsdenkbeeld, op het les-zijn van de aardsche goederen toe te passen. Maar is niet juist het tegendeel waar? Is het niet veeleer de eerste Evangelist, die te midden van woorden, welke op een vlucht in den eigenlijken zin betrekking hebben, zekere uitdrukkingen heeft ingevoerd, welke oorspronkelijk betrekking hadden op het innerlijk los-zijn, en waarvan Lukas de ware beteekenis heeft bewaard? Men arbeidt niet op het veld en men zit niet rustig op het dak van zijn huis, wanneer de vijand nadert en het land reeds overweldigd heeft. Deze trekken zijn dus in het geheel niet van toepassing op de verwoesting van Jeruzalem; daarentegen zijn zij volkomen in overeenstemming met de schildering van Lukas. De Parousie overvalt de menschen. Wie in de stad, op zijn dak, zich bevindt, die kome niet af, omzijn meubelen mede te nemen, maar late alles liggen en volge den Heer onverwijld. En wie op het open veld is, keere niet terug, om zijn goederen te halen; het zou hem kunnen gaan, zooals het de vrouw van Lot is gegaan!

Vs. 33. Zijn leven willen behouden is innerlijk zich vast te klemmen aan het een of ander voorwerp, waarmede men zijn geluk vereenzelvigt. Dit is het middel om zijn waar

318

-ocr page 331-

17 : 34—37.

leven, het heil, te verliezen, en met de wereld te gronde te gaan. Zijn leven verliezen is de heilige geestkracht te bezitten, en terstond den rug toe te keeren aan al wat de Heer-zelf niet is; dit zal op dat oogenblik het eenige middel zijn om het te behouden. Zie bij 9 : 24. Men moet zonder twijfel met den Valicanus Trspnrorjatxa-Qxi, verwerven, gewinnen , lezen, dat slechts hier voorkomt, en niet awrxi, redden, behouden. In plaats van ad^siv, zijn leven behouden (9 : 24), gebruikt Jezus in den tweeden zin de uitdrukking fyoyoveTv, letterlijk: levend ter wereld brengen. Met deze uitdrukking vertaalt de LXX den Piël en Hiphil van rrn, leven; dus eigenlijk; doen leven, of ook in een vereischten zin (Gen. 6 : 19): in hel leven behouden. Het woord ^uoyoveïv wordt in dezen laatsten zin dikwijls door de LXX gebruikt o. a. Ex. 1:17; Richt. 8:19; 1 Sam. 27:9; 1 Kon. 20 : 31). Lukas zelf gebruikt het op dezelfde wijze in Hand. 7 : 19. Ik kan daarom den vroeger door mij aangenomen zin van; „het natuurlijk leven waarlijk levend maken, door het in geestelijk, verheerlijkt leven te veranderenquot; niet meer vasthouden. — De schifting, welke in die ure zal plaats vinden, zal plotseling alle aardsche banden, zelfs de innigste, verbreken. Daaruit zal een nieuwe groepeering van de menschheid ontstaan: de genomenen en de verlalenen. Dit wordt in de volgende verzen beschreven.

4° Vs. 34—37. De schifting, die door de Parousie wordt tot stand gebracht: „Ik zeg u: in dien nacht zullen er twee op een zelfde bed zijn; de een \') zal genomen en de ander zal verlaten worden. 35. Twee vrouwen zullen te zamen malen; de eene1) zal genomen, en de andere zal verlaten

319

1

BDR lezen i* /j-ix , in plaats van iux.

-ocr page 332-

17 : 34—37.

worden1). 36 2). 37. En zij antwoordden, en zeiden tot Hem: Waar zal het zijn, Heer? En Hij zeide tot hen: Waar het lichaam 3) zal zijn, aldaar zullen ook \'\') de arenden vergaderd zijn.quot;

Bleek meent, dat, daar hier sprake is van des Heeren wederkomst als rechter, de uitdrukking genomen worden omkomen, en verlaten worden ontkomen moet beteekenen. Maar het Medium nxpahapfiJivcaOixi, tol zich nemen, als het zijne opnemen, kan slechts een gunstige heteekenis hebben (Joh. 14 ; 3). Paulus heeft het ook werkelijk zoo opgevat; want waarschijnlijk spreekt hij met het oog op onze plaats in 1 Thess. 4 : 7 over het opgenomen worden in de lucht van de geloovigen, die bij de wederkomst van Christus in leven zullen zijn; wij hebben hier de hemelvaart der discipelen als gevolg van die des Meesters. \'ACptêvai: verlaten, achterlaten, evenals 13 : 35. — liet voorbeeld van vs, 34 onderstelt, dat de Parousie des nachts plaats vindt, dat van vs. 35, dat zij des daags geschiedt. Wil men de verklaring minutieus doorvoeren, dan kan men zeggen, dat, daar de Parousie voor de geheele aarde op hetzelfde oogenblik zal plaats vinden, het dan voor het eene halfrond dag, en voor het andere nacht zal zijn. Maar dit doet er weinig toe; de gedachte is: De mensch moge slapen of werkzaam zijn, hij zal achtergelaten worden, indien hij zich niet van te voren van alles los gemaakt heeft, om zich onverwijld aan den voorbijgaanden Heer over te geven. — Bij de ouden gebruikte men handmolens. Als de molensteen heel zwaar was, dan werd hij door twee personen gedraaid. — Het 36slt;\') vers, dat in bijna al de Mjj. ontbreekt, is aan de parallelle plaats van Mattheus ontleend. — Zoo zullen de menschen,

320

1

N en 1 Mu. laten dit vors weg.

2

T. R. en 1) ü It. alleen lozen dit veru (aan Mattheus ontleend).

3

BOH lozen to ktuhu in plaats van to tropa; aan Mattheus ontleend.

-ocr page 333-

17 ; 34—37.

die hier beneden door de nauwste banden met elkander verbonden zijn, in een oogwenk voor altijd van elkander worden gescheiden.

De vraag der apostelen (vs. 37) is een vraag van nieuwsgierigheid. Hoewel Jezus in vs. 24 reeds daarop geantwoord heeft, maakt Hij er toch gebruik van, om het onderhoud te besluiten met een verklaring, welke te kennen geeft, dat het hier aangekondigde oordeel over de geheele wereld zal worden uitgestrekt; dit denkbeeld staat in rechtstreeksch verband met dat van vs. 24. Het natuurlijk verschijnsel, waarvan sprake is in Job 39 : 33, wordt door Jezus gebruikt als het symbool van de algemeenheid van dit oordeel. Het lichaam is de volkomen wereldsgezinde en van het leven Gods ont-bloote menschheid (vs. 26—30; vgl. 9 :60: Laat de dooden ...). De arenden stellen de straf voor, die op zulk een maatschappij nederdaalt. Er is in dit beeld hoegenaamd geen toespeling op de Romeinsche standaards, daar de voorafgaande rede niets bevat, dat op de verwoesting van Jeruzalem betrekking heeft. Vgl. Mattheus zelf, 24: 28, waar dit woord op de Parousie wordt toegepast. — Zeker leven de eigenlijke arenden niet troepswijze samen, en voeden zij zich niet met lijken. Maar usrói kan, evenals Ta:, Spr. 30: 17, den grooten gier {gyps fulvus) te kennen geven, die in grootte en in kracht aan den arend gelijk is, en dien men in de vlakte van Gennesareth bij honderden ziet (vgl. Furrer, Bedeul. der bibl. Geogr., bl. 13). Eenige kerkvaders hebben het beeld van het lichaam op den verheerlijkten Christus, en dat van de arenden op de heiligen, die Hem bij zijn wederkomst zullen vergezellen, toegepast. Deze verklaring is in het geheel niet waarschijnlijk. — Vgl. de schildering van het oordeel, dat volgens Openb. 19: 11 en verv. bij de Parousie zal plaats vinden.

Over do algemeene verhouding tusschen deze rede en die van Mattheus (IT. 24) zie men aan het einde van Hoofdst. 21. Wij zullen hier slechts één ding zeggen, nl. dat ook yVeiss erkent, dat Mattheus in H. 24 twee oorspronkelijk verschillende redenen, die in den apostolischen Mattheus

GookTj Lnhis. II. \'21

321

-ocr page 334-

17 : 34—37.

gescheiden voorkwamen, zooals Lnkas ze in H. 17 en 21 heeft bewaard, gecombineerd heeft; de eerste van deze redenen handelde uitsluitend over de Parousie, terwijl de tweede speciaal op de verwoesting van Jeruzalem betrekking had. Met recht verwerpt Weiss het door Meyer en Keil verdedigde gevoelen, dat de woorden, welke de twee redenen met elkander gemeen hebben, bij twee verschillende gelegenheden door Jezus konden herhaald zijn. Deze onderstelling kan toepasselijk zijn op zekere spreekwoordelijke gezegden, maar niet op zulke gewichtige uitspraken als die van vs. 24, 26—28, 32 en 37.

3 is : i—8: De weduwe en de onrechtvaardige rechter.

Deze gelijkenis staat in nauw verband met het voorafgaande onderwijs over de komst van het koninkrijk Gods. Jezus heeft tot de Pharizeën gezegd, dat dit rijk in de allereerste plaats iets innerlijks en geestelijks is, daarna heeft Hij den discipelen de uitwendige verschijning van dit rijk aangekondigd, na een toestand van algemeene wereldsgezindheid, waarin de menschheid gedompeld zou zijn. Thans past Hg deze waarheid op hen toe, door hen te vermanen, deze groote verlossing door hunne gebeden te verhaasten, en daarin niet te vertragen, al mocht het ook gebeuren, dat zijn komst lang uitbleef. Weiss meent, dat Lukas in zijn inleiding deze gelijkenis bij vergissing in een algemeene vermaning tot het gebed heeft veranderd. Hij zou dus de oorspronkelijke beteekenis daarvan, die rechtstreeks op de Parousie betrekking had, miskend hebben. Maar dit verband met de Parousie wordt door de inleiding van Lukas (vs. 1) geenszins ontkend; integendeel, het vloeit voort uit de formule ate?e Ss km, die zoo als altijd, een laatste woord over het juist behandelde onderwerp aankondigt, en uit het xötoïs, hetwelk aantoont, dat Jezus, volgens Lukas-zelf, voortgaat, zich tot dezelfde hoorders te richten. De plicht om met aandrang en zonder ophouden te bidden staat inderdaad in rechtstreeksch verband met het gevaar, dat de gemeente der

322

-ocr page 335-

18 : 1—5. 323

^ laatste tijden zal loopen, om zich te laten overweldigen door

,e de vleeschelijke slaperigheid, waarin dc wereld vervallen zal,

[e en die in de voorgaande schildering beschreven is. De

g houding der gemeente te midden van deze goddelooze wereld

[I zal zijn die van een weduwe, die geen ander wapen meer

n heeft, dan haar onophoudelijke bede. Wee haar, indien zij dit wapen uit haar handen laat vallen! Het volhardend

gebed zal het eenige middel zijn, waardoor zij haar geloof zal kunnen bewaren, en het einde van dezen abnormalen toestand bespoedigen.

Vs. 1—5. De gelijkenis: „En Hij zeide ook \') eene gelijkenis tot hen over hun 2) plicht om altijd te bidden en niet te vertragen3), 2. zeggende; Er was in een stad een zeker rechter, die God niet vreesde, en zich niet bekommerde over het oordeel der menschen. 3. En er was een 6) weduwe in die stad; en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegenover mijne wederpartij! 4. Eu gedurende langen tijd wilde hij 6) niet; maar

t daarna zeide hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet

11 vrees, en mij niet bekommer over het oordeel

e der menschen, 5. zal ik nochtans, omdat deze

e weduwe mij lastig valt, haar recht doen, opdat 1

)

\' 1) NBLM lateu kui wog.

t 2) N Al! eu li Mjj, Itpler, Syv. en Syi-cur. lezen avrovf na rporevXerSxi ;

T. B. lont het weg met D en 4. Mjj.

3) T. R. leest exKaxem, mot E en 8 Mjj,; N A B I) en 7 Mjj.: evxxxeiv \' I (of eyxaiceiv).

t 4) D L X lezen rif, in plaats van nvi.

I 5) T. R. leest rif, alleen met A en vertalingen.

6) ï. R. leest yUhyvev, mot II Mjj.; N A B I) en 4 Mjj. It Syr.; gt;)öfAifv.

t

-ocr page 336-

18 : 1—5.

zij niet eindige met mij in het aangezicht te slaan.quot;

quot;EXsys S* xxl: „Hoort ook nog dit.quot; — Men moet er zich voor wachten, met den Cantabrig. en eenige latere Bijz. Mss. het xCitoui;, weg te laten, dat deze gelijkenis in nauw verband brengt met het voorafgaande onderwijs. Aan deze weglating uit den T. R. is het toe te schrijven, dat verscheidene uitleggers gemeend hebben, dat vs. 1 slechts een algemeene vermaning tot het gebed aankondigt. — Het tt/w\'?, dat wij met over hebben vertaald, beteekent: met heirekking tot of ten opzichte van. De uitdrukking: altijd bidden staat in tegenstelling met de beschrijving van het goddelooze en volkomen wereldsche leven der menschheid gedurende den tijd der afwezigheid van Christus; terwijl de woorden: niet ver-tragen betrekking hebben op het gevaar van geestelijke slaperigheid, dat voor de gemeente het gevolg zal zijn van dezen toestand der wereld, in wier midden zij tot het einde toe haar loop zal moeten vervolgen. Het syxxnslv (Alexandr.) beteekent: zwak worden midden in den strijd; en het (kkdcksTv (Byz.); zwak worden door den strijd op te geven. In ieder geval is het: loslaten, voordat het doel bereikt is. — Deze vermaning herinnert aan die van Mark. 13:33; Pxevrsre, xypuTrvsïrs xxi Trpoasóxi-aSi, „Ziet toe, waakt, en bidt,quot; welke onmiddellijk op de aankondiging van de Parousie volgt. Vgl. ook bij Lukas zelf, na de behandeling van ditzelfde onderwerp, de toepassing 21 : 36: „Waakt dan, te alhn tijde biddende.quot; Hoe kan nu Weiss tegenover deze parallellen het verband veroordeelen, dat Lukas in vs. 1 tusschen de verwachting van de Parousie en de volharding in het gebed heeft aangewezen?

Vs. 2. Door van dezen rechter een mensch te maken, die hoegenaamd geen plichtgevoel heeft, wil Jezus de les versterken , die Hij over de macht van de volharding in het gebed gaat geven. Daar de weduwe noch in het hart, noch in het geweten van dezen mensch een steun vindt, en niets

324

-ocr page 337-

18 : 1—5.

van hem gedaan kan krijgen door haar vurige smeekingeu, is het duidelijk, dat, als zij eindigt met de overwinning to behalen, dit enkel te danken zal zijn aan de onweerstaanbare kracht der volharding. — \'EvTpézeirOxi met een object); tot zichzelf inkeeren, zoodat men zich schaamt voor een persoon of bij het hooren van een berisping; van daar; iemand ontzien, achting voor iemand hebben.

Vs. 3. Een weduwe: een wezen, dat van zijn natuurlijken steun beroofd is. Het imperf. iipziTs, zij kwam, duidt de herhaling van de handeling aan. — De uitdrukking sn^iKeh bevat geenszins het denkbeeld van een wraakneming, alsof deze vrouw wilde zeggen: „Straf mijn tegenpartij!quot; zij vraagt eenvoudig om recht; WSmsh is: den verdrukte (sk) door een rechterlijk vonnis (S/xgt;)) uit zijn onrechtvaardigen toestand verlossen. — De avrtiixa;, tegenpartij, is de persoon, die op onrechtvaardige wijze het eigendom der weduwe terughoudt.

Vs. 4—5. De Alexandr. lezing oï/y. yjóshev, „hij wilde nietquot;, beantwoordt aan het imperf. yjpx£T0, zy kwam. Tegenover elke dringende bede stelde hij een nieuwe weigering. — Het beperkende beteekent: alleen om deze reden. De uitdrukking vTraTndl^siv, die eigenlijk beteekent: onder de oogen slaan, het gezicht blond en blauw slaan, werd tot in de laatste tijden door de meesten figuurlijk opgevat, in den zin van; het hoofd breken, lastig vallen. Maar de nieuwere uitleggers {Bleek, Meyer, Weiss, Keil, Göbel, Hofmann, Scham) geven er de voorkeur aan, den eigenlijken zin, die alleen bewijsbaar is, vast te houden, en vatten dan dit woord van den rechter natuurlijk als scherts op: opdat zij ten laatste er niet toe kome, mij in hel aangezicht te slaan. Het Tshos beteekent veeleer ten laatste, dan tot hel einde toe, aanhoudend, dat de Grieken in den regel door Sw réAcy,-uitdrukken; vgl. echter het els rixo; van Matth. 20 : 22, dat in den eerstgenoemden zin is gebruikt. Geeft men aan sif ts\\o; de beteekenis van; tot het einde toe, dan heeft deze bepaling op êpzoftsvii, komende, betrekking; vgl. het iipx^o, zij kwam, van vs. 3. Maar neemt men het in de beteekenis van: ten laatste, dan heeft zij op betrekking.

325

-ocr page 338-

18 : 6—8.

Vs. 6—8. De toepassing; „En de Heer zeide; Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. 7. En zal God dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen, die nacht en dag tot Hem1) roepen, hoewel Hij ten aanzien van hen uitstelt2), te straffen ? Ik zeg u, dat Hij hun haastiglijk recht zal doen. Maar zal de Zoon des menschen, wanneer Hij komen zal, het geloof3) vinden op de aarde?quot;

„Hoe stuitend de taal van dozen rechter ook zij, luistert er nochtans naar; gij kunt een les daaruit trekken.quot; Deze vorm herinnert volkomen aan de verklaring van de gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester: hoe onrechtvaardig zijn gedrag ook was, zijn voorbeeld bevatte toch iets, dat behartiging verdiende (16 : 8). — In dit woord van zulk een. hardvochtigen man ligt het krachtigste getuigenis aangaande de macht van het volhardend gebed opgesloten. Hoeveel te meer zal dan niet de gemeente door ditzelfde middel het hart vermurwen van een God, die van eeuwigheid af besloten heeft, haar tot heerlijkheid te voeren! — Zijn uitverkorenen\'. degenen, die Hij in zijn voorwetenschap van eeuwigheid af als geloovigen, en daarom ook als de zijnen heeft beschouwd en liefgehad. — De uitdrukking voielv ryv UVmyaiv is plechtiger, dau het eenvoudige sk^iicsïv (vs. 3 en 5). Hier is sprake van de (rtiv) beloofde en verwachte groote beslissende verlossing. — Het woord (3cxv, roepen, duidt den krachtigsten vorm van het gebed aan, den noodkreet van de ziel, die zich aan zichzelf voelt overgelaten. Het nachl en dag herinnert aan het ttwtcits, altijd, van vs. I. Het is de krachtigste uitdrukking van de volharding.

326

1

T. B. leest tt/io? avTov, met A en 14 Mjj.i N BLQ: «i/tw.

2

T. 11. leest *«i lixxfoSvuuv, met 1quot; en 11 Mjj. Syrsch; NABD en 4 Mjj.: KCti nuKfofansi.

3

D laat njv weg.

-ocr page 339-

18 : 6—8.

327

De laatste woorden, volgens de Alexandr. lezing kx) ,uxiipii-óufteT, waaraan tegenwoordig algemeen de voorkeur wordt gegeven, z|jn op zeer verschillende wijzen verklaard geworden. Meyer en Weiss hebben er een vraag van gemaakt, die met den voorafgaanden zin overeenkomt: „En talmt Hij te hunnen opzichte (d. w. z. hun te hulp te komen) ?quot; Antwoord : Neen! Maar ten eerste past dit praesens niet in den samenhang; en daarom stelt Bleek voor, i^axpoóu^el tot een fut. attic, te maken, hetgeen blijkbaar gedwongen is. Verder: Indien wij hier te doen hadden met een tweede vraag, die door xxl met de voorgaande verbonden is, hoe kan men dan het ouw buiten rekening laten, dat aan de eerste, en dus ook aan de tweede vraag een sterk bevestigende strekking geeft? Bovendien is de gedachte, dat God zijn tusschen-komst niet uitstelt, in het geheel niet in overeenstemming met de gelijkenis, waarin de rechter wèl met de zijne talmt; vgl. ook 17 : 22: „Er zullen dagen komen .... Om deze redenen ziet Hofmann in de laatste woorden niet een tweede vraag, maar het antwoord op de eerste: „Zal Hij zijn uitverkorenen geen recht doen? Ja; en als Hij talmt, dan is het ten gunste van hen. Hij wacht met hen te verlossen, totdat zij hunne volle geestelijke rijpheid hebben bereikt.quot; Deze verklaring is nog gedwongener, dan de voorgaande. Niet alleen kan de beteekenis, die aan dit eenvoudige kxI is gegeven, niet worden toegelaten, maar er komt nog bij, dat het door Jezus op de vraag van vs. 7 gegevene antwoord blijkbaar in vs. 8 te vinden is: Af\'yw u/aïv, ik zeg u. Keil geeft ongeveer dezelfde verklaring als Hofmann; alleen maakt hij van deze laatste woorden een overweging, die bestemd is, om het bevestigend antwoord op de voorgaande vraag, dat er bij moet worden gedacht, voort te zetten. „Zal Hij geen recht doen? Ja, dat zal Hij; want door te dralen met op hun roepen te antwoorden, handelt Hij barmhartig jegens hen; d. w. z. Hij doet dit uitstel strekken tot loutering van hun geloof door het lijden.quot; Maar deze gedachte van den geestelijken vooruitgang der uitverkorenen is vreemd aan de gelijkenis; want de onrechtvaardige rechter denkt

-ocr page 340-

18 : 6—8.

zeer zeker niet aan bet welzijn der weduwe. Bovendien is zij vreemd aan den geheelen samenhang; want in bet geheels gedeelte is nergens er op gezinspeeld, dat de vertraging van de Parousie met het oog op de heiliging der uitverkorenen geschiedt. Het is dan ook te begrijpen, dat Grimm, er aan wanhopende, een behoorlijken zin te vinden, als bet «V lt;xüto7lt;; met de uitverkorenen in verband wordt gebracht, getracht heeft, het toe te passen op de vijanden der kerk, die door de tegenpartij van vs. 3 worden voorgesteld. Dit is echter grammaticaal onmogelijk. — Men moet daarom, zooals Gabel doet, de Alexandr. lezing laten varen, die geen enkelen aannemelijken zin aanbiedt, en zich voldoende laat verklaren uit de onhandige schikking van bet tweede verbum naar het eerste, en met verscheidene Byz. ax) ftanpo-öu/mv lezen, terwijl men het xal, als zoo menigmaal, in den zin van xxlirsp neemt: „Zal Hij geen recht doen . . , boewei Hij uitstelt. . .quot; Men kan in dit geval met Göbel itowpodufislv opvatten in den zin van: bet medelijden onderdrukken, dat Hem zou aandrijven, voor de zijnen te bandelen. Het is echter moeilijk, geheel zekere voorbeelden van deze beteekenis te vinden. Jer. 15: 15 en Sir. 35 : 18 bewijzen hoegenaamd niets, evenmin als 2 Petr. 3 : 15. Men moet daarom terug-keeren tot de gewone en natuurlijke beteekenis van: zijn toom inhouden, en aldus verklaren: „hoewel Hij uitstelt, ten behoeve van de zijnen aan zijn wraak den vrijen loop te geven,quot; d. w. z. met zijn gerechtigheid tusschenbeide te komen, om een einde te maken aan het leed, dat zij te verduren hebben; precies zooals de rechter, die uitstelde, de zaak der weduwe tegen baren verdrukker ter hand te nemen.

Vs. 8. Na deze voorstelling van de goddelijke lankmoedigheid, die aan de volharding der kerk beantwoordt, is het duidelijk, dat Jezus het èv raxu niet in de beteekenis van; spoedig, binnen korten tijd, kan hebben gebezigd; dit denkbeeld zou bovendien het tegendeel zijn van het stt) xpóvov, gedurende langen tijd, van vs. 4. Het beteekent dus, zooals menigmaal: zeer snel, baastiglijk. Als bet bevel tot

828

-ocr page 341-

18 : 6-8.

verlossing eenmaal gegeven is, dan zal het snel, slag op slag, worden ten uitvoer gebracht, zoodat de wereld daardoor overvallen zal worden, evenals bij den zondvloed en het gericht, dat over Sodom kwam (17 : 26—30); denzelfden zin heeft het êu tccxsi van Rom. 16 : 20, waar de beteekenis van spoedig niet mogelijk ia. Vgl. 1 Thess. 5:3, 4. — Tl^Vy alleenlijk. Hetgeen Jezus bekommering baart, is niet de geneigdheid van God om zijn uitverkorenen te hulp te komen, maar alleen de volharding van deze in het inroepen van zijn hulp. Als de weduwe aanhoudt, dan zal alles goed voor haar eindigen; alleen is het de vraag, of zij volharden zal. Zal de in 17 : 26 en verv. beschrevene vleeschelijke gezindheid der wereld zich niet van de kerk meester maken, zoodat het krachtig verlangen naar de komst van haar Hoofd in haar verstikt wordt? Zal het dan niet zijn, alsof de geheele menschheid de gedachte aan haar hemelsche bestemming en aan het heil, dat haar daartoe had teruggebracht, verloren had? De uitdrukking geloof duidt, daar zij door het artikel nader bepaald wordt, het geloof aan, waarvan sprake is in dit gedeelte, nl. dat, hetwelk gelijk is aan het geloof der weduwe, die, ondanks de schijnbare onverschilligheid van den hemelschen rechter, niet ophoudt haar recht te eischen, dat gegrond is op de beloften, die Hij haar gedaan heeft. — Op de aarde: in tegenstelling met den hemel, van waar de Zoon des menschen wederkeert. — Jezus heeft zichzelven niet misleid ten opzichte van het resultaat van zijn arbeid te midden van de menschheid. Daarvoor kende Hij het menschelijk hart en de macht der kwade neigingen veel te goed. In zijn oogen is het oordeel altijd de noodzakelijke aanvulling van de verlossing geweest.

Terwijl Hilgenfeld in de wraakzucht, die deze gelijkenis volgens hem ademt, het bewijs van haar zeer hoogen ouderdom ziet („een der oudste gedeelten van ons Evangeliequot;), vindt de Wette in deze zelfde schildering de sporen van een lateren tijd, toen de kerk reeds het slachtoffer der vervolging was. Weizsdcker ontdekt in de „tegenpartijquot; het der kerk vijandige Jodendom, en in den rechter de heidensche macht; hij is

329

-ocr page 342-

330 18:9-12.

daarom vau gevoelen, dat deze gelijkenis later door Lukas zelf werd opgesteld. — Waarlijk, deze beweringen zijn voor niets anders goed, dan om elkander te niet te doen. Hetgeen zeer eenvoudig is, maken zij noodeloos zeer ingewikkeld.

III. 18:9—14: De gelijkenis van den Pharizeër en den tollenaar.

Deze gelijkenis heeft Lukas alleen. Zij staat in geen logisch verband met hetgeen voorafgaat, noch met hetgeen volgt, en werd naar aanleiding van een in vs. 9 aangeduid reistooneel uitgesproken. Het verband met de voorgaande gelijkenis, dat Weiss (aan de uitverkorenen van vs. 7 de nederigheid aanbevelen) en Keil (het algemeene denkbeeld van het gebed) zoeken aan te wijzen, bevredigt niet.

Vs. 9 — 12. De Pharizeër: „En Hij zeide ook1) tot sommigen, die op zich zelf vertrouwden, meenende, dat zij rechtvaardig waren, en die de anderen verachtten, deze gelijkenis: 10. Twee menschen gingen op in den tempel, om te bidden; de een was een Pharizeër, en de ander een tollenaar. 11. De Pharizeër, daar staande, bad dit bij zichzelf2): O God! ik dank U, dat ik niet ben zooals de andere menschen, roovers, onrechtvaardiger!, overspelers, of ook zooals deze tollenaar. 12. Ik vast tweemaal in de week; ik geef tienden van al mijn inkomsten.quot;

Wie zijn die t/w?, sommigen, waarvan sprake is in vs. 9? Bezwaarlijk Pharizeën, zooals Reuss meent. Jezus zou een

1

A en 10 Mjj. laten k«i weg.

2

T. R. plaatst tt/xj; exvrav vóór txvtx, met A ea 14 Mjj. Syr. en Syrcur,; BL plaatsen hot achter rauTtt; laat het weg.

-ocr page 343-

18 : 13.

ander beeld, dan hen-zelf gekozen hebben, om hen voor te stellen. Bleek is van gevoelen, dat het discipelen van Jezus waren. Maar Lukas zou hen als do zoodanigen hebben aangeduid (16 : 1). Het waren veeleer menscheu uit het gevolg van Jezus, die zich nog niet openlijk voor Hem hadden verklaard, en jegens zekere zondaren, tollenaren of anderen, die Hem vergezelden, een hoogmoedige verachting aan den dag legden; vgl. 19:7. — De uitdrukking rrxdelc, daar slaande (vs. 11), duidt, wat Weiss e. a. ook mogen zeggen, zeker een onvervaarde en zelfs drieste houding aan; zooals Reuss zegt: „nadat hij zich gesteld heeft op een plaats, waar ieder hem zien kon.quot; 11/5«? èocvriv hangt niet af van sTxdsii; „afgezonderd staande, op een afstand van het gemeenquot;, — er had dan uxó\' socutóv moeten staan {Meyer) — maar van TpovyuXero: hij bad, aldus tol zichzelf sprekende ...\' Het was minder een gebed, waarin hij God dankte, dan een gelukwensch, dien hij tot zichzelf richtte. De ware dankzegging gaat altijd gepaard met een gevoel van ootmoed. — De Pharizeën vastten iedere week op Maandag en Donderdag. De uitdrukking ktuvóui duidt eerder het zich verwerven, dan het bezitten aan; zij heeft hier dus betrekking op de opbrengst der landerijen.

Vs. 13. De tollenaar: „Maar1) de tollenaar, van verre staande, durfde zelfs de oogen niet naar den hemel opheffen; maar hij sloeg op zijn borst2), zeggende: O God, wees mij, zondaar, genadig.quot;

De woorden: van verre slaande (op een grooter afstand van het brandofferaltaar) vormen blijkbaar een tegenstelling met het vTxSsli, daar staande, van vs. 10. — Zich op de borst slaan: het zinnebeeld van den doodslag, dien de zondaar gevoelt, van God te hebben verdiend. Het hart,

331

1

nBGL lezen o Se, ia plaats van kxi o, dat T. R. met AD en 13 Mjj. leest.

2

\'i) N B en G Mjj. \'aten e/j vóór to it^oc, weg.

-ocr page 344-

18 : 14.

als zetel van Let persoonlijk leveu en van de zonde, wordt geslagen. De Pharizeër zag in zichzelf slechts den rechtvaardige ; de tollenaar daarentegen ziet in zichzelf slechts den zondaar.

Vs. 14. Het resultaat: „Ik zeg ulieden: Deze ging gerechtvaardigd af in zijn huis, meer dan *) die: want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert zal verhoogd worden.quot;

In do vier andere gevallen, waarin het werkw. Sikxioïiv, rechtvaardigen, in ons Evangelie voorkomt (7:29 en 35; 10:2 en 9; 16:15), beteekent hot blijkbaar; voor rechtvaardig verklaren, en niet: rechtvaardig maken. Zoo is het ook hier, waar deze goddelijke daad het antwoord is op het IxxaOyri, wees verzoend, van den tollenaar, en een tegenstelling vormt met het vertrouwen van den Pharizeër op zijn eigene gerechtigheid (vs. 9). liet is onjuist, dit gebruik van het woord Hixxioüv Paulinisch te noemen; het komt reeds in het O. T. voor (vgl. Jes. 50:8, 53:11, Ps. 143:2), en wel op deu grondslag van het hoyKTÖijvxi s\'ig cimxiofuvyv, dat op Abraham betrekking heeft (Gen. 15: 6). — Bij de lezing gt;5 cksïvos , dan die, van den ï. R. zou het afhangen van een meer, dat er bij moet worden gedacht; maar deze lezing heeft slechts eenige Mnn. aan haar zijde. Bij die der Byz. Mjj-, gt;5 yxp sKslvci;, laat zich het % evenzoo verklaren; het yxp kan niet anders worden verklaard, dan door middel van een vraag, die er bij moet worden gedacht: „meer dan de ander; want zou deze het zelfs kunnen zijn (d. w. z. gerechtvaardigd) ?quot; Bij de Alexandr. lezing Trap1 sxehov duidt het ètcsïvov het object aan, dat de daad van het rechtvaardigen voorbijgaat, zonder het aan te raken. Als deze lezing de

332

1

T. R. -eest y exetvoc;, met eenige Mnn.; A en 15 Mjj.; ^ yup sksivoc;; N B L: Trap eKS(Vi,v.

-ocr page 345-

18 ; 15—17.

juiste is, zooals de meesten der nieuwere uitleggers meenen, dan begrijpt men niet, vanwaar het in de beide andere afkomstig is, terwijl het nxp\' der Alexandr. gemakkelijk uit het yup der Byzant. heeft kunnen ontstaan; dit heeft Tischen-dorf zeer goed ingezien. Overigens laat de Byzant. lezing de vraag onbeslist, of de Pharizeër aan de rechtvaardigheid deel heeft, of niet. De Heer eindigt gaarne zijn gelijkenissen met axioma\'s, waarin Hij de hoofdwetten van het zedelijk leven uitspreekt: God zal alle zelfverheffing verpletteren, maar zich met liefde tot alle oprechte verootmoediging neigen. Deze grondregel kan zeer goed bij verschillende gelegenheden herhaald zijn (14:11).

Indien Lukas ten doel heeft gehad, in de prediking van Jezus den historischen grondslag van het onderwijs van Paulus te doen zien, dan beantwoordt dit gedeelte zeker op geheel bijzondere wijze aan dat doel. Maar daaruit vloeit niets voort, dat tegen de waarheid van zijn bericht pleit. Want het denkbeeld van de rechtvaardiging door het geloof is, zooals wij gezien hebben, reeds in het O. T. te vinden; vgl. behalve de aangehaalde plaatsen, Hab. 2:4.

IV. Vs. 15—17: De kinderen, die tot Jezus werden gebracht.

Hier ontmoet het bericht van Lukas dat van Mattheus (19: 13) en Markus (10: 13) weder, na zich in 9 : 51 daarvan gescheiden te hebben. Jezus is in Peréa , Mattheus en Markus hebben nog maar eéa feit uit den tijd van zijn verblijf in deze provincie medegedeeld, nl. het met de Pharizeën gehouden gesprek over de echtscheiding, waarvan Lukas in Hoofdst. 16 : 17—18 kortelijk melding maakt.

333

Vs. 15—17. „En de menschen brachten ook de kinderen tot Hem, opdat hij hen zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften1) hen.

1

2S B D G L It. Syrcii\', lezen eTrerifjtcov, in plaats van eireTiiMja-ctv.

-ocr page 346-

18 : 15—17.

16. Maar Jezus riep de kinderen tot zich \'), zeggende: Laat de kinderen tot mij komen, en

4

verhindert hen niet: want hun, die zoodanig zijn, behoort het koninkrijk Gods toe. 17. Voorwaar, zeg ik u, dat al wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, daarin geenszins zal ingaan,quot;

Met de uitdrukking: „ook de kinderenquot; of „zelfs de kinderenquot; wil Lukas zeker te kennen geven, dat de achting, die men Jezus betoonde, zon hoog gestegen was, dat... — Ta fipsQi): de zuigelingen. — De apostelen bescbouwden dit als een misbruik maken van de goedheid en den tijd van hun Meester. De lezing sirtrlftuv zou aan Markus, maar de lezing eTTsrlwrav ook aan Mattheus ontleend kunnen zijn. De eerste duidt aan, dat de daad der discipelen door de tusschenkomst van Jezus gestuit werd.

Vs. 16. Lukas, dien men beschuldigt van de Twaalven in een slecht daglicht te stellen, behandelt hen hier heel wat minder streng dan Markus, die over de verontwaardiging van Jezus spreekt {yiyxvxuT^^c). Bij Lukas roept Jezus eenvoudig de kinderen, die men weêr wegbracht, terug, en daarna onderricht Hij de discipelen. Als naar gewoonte, resumeert Mattheus. De Alexandr. lezing: „Hij riep ben tot zich, zeggendequot; is blijkbaar te verkiezen boven de Byzant.: „hen tot zich geroepen hebbende, zeide Hijquot;; want de hoofdzaak is het terugroepen van deze menschen, die heengingen. — De kinderen hebben een dubbele ontvankelijkheid, een negatieve en een positieve: de nederigheid en het vertrouwen. Tot deze gezindheden, die het kind tegenover de menschen natuurlijk zijn, moeten wij tegenover God terugkeeren door

1) T. R. leest TrpoTxoi^ea-oc^evoQ avre etvrev f mot A en II Mjj. N B D G L : xpovKxhecroiTO otvrct heycov

334

-ocr page 347-

18: 18-21.

een arbeid aan ons zelf. Het pron. rïov toiovtwv, der zoo-danigen, doelt niet op andere kinderen, zooals deze, maar op alle menaohen, die zich gezindheden eigen maken, welke aan de hunne gelijk zijn. Volgens Markus heeft Jezus de kinderen met teederheid in zijn armen genomen, en zegenend de handen op hen gelegd. Mattheus spreekt alleen over de oplegging der handen. Deze aandoenlijke bijzonderheden ontbreken bij Lukas. Zou hij ze gekend en met opzet weggelaten hebben? Maar zij kwamen zoo goed overeen met den geest van zijn Evangelie I Men moet dus aannemen, dat hij een andere bron heeft gehad, dan deze twee geschriften of de bronnen daarvan. Volkmar {Die Evang., blz. 487) verklaart deze weglating uit het prosaïsme{!) van Lukas. Volgens hem zouden deze kleine kinderen de door de genade behoudene heidenen voorstellen. Dus tot in het eenvoudigste verhaal van het Evangelie de partij-dogmatiek ingevoerd! — Dit feit toont aan, dat volgens de zienswijze van Jezus geestelijke invloeden op de menschelijke ziel kunnen worden uitgeoefend, van de prilste jeugd af.

V. 18:18—30: De rijke jongeling.

In al de drie Synoptici volgt dit gedeelte onmiddellijk op het voorgaande (Matth. 19 : 16; Mark. 10 ; 17). De mondelinge overlevering had deze gebeurtenissen met elkander verbonden, zonder twijfel omdat zij werkelijk chronologisch bij elkander behoorden. — Drie afdeelingen: 1°. het gesprek met den jongeling (vs. 18—23); 2°. het gesprek over hem (vs. 24—27); 3°. het gesprek met de discipelen over hen-zelf (vs. 38—30).

1°. Vs. 18—23. Het gesprek met den jongeling.

Vs. 18 — 21. „En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester! wat zal ik doen, om het eeuwige leven te beërven? 19. Jezus zeide tot Hem: Waarom noemt gij mij goed? Niemand

335

-ocr page 348-

18 : 18—21.

is goed, dan één, namelijk God 20. Gij kent de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen valsch getuigenis geven; eer uwen vader en uwe moeder. 21. En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden 1) van mijne jonkheid af.quot;

De uitdrukking xpxav duidt waarschijnlijk het hoofd van een Synagoge aan; vgl. Matth. 9 : 18 {üpx\'»\') met Mark. 5 ; 22 en Luk. 8 : 41 {xpxiavvKywyo/;, apxuv rfj? tri/vixyvyiï?). Mattheus en Markus zeggen hier heel eenvoudig eU; later noemt Mattheus hem ó vexvhrxos, de jongeling (vs. 20). Dit verschil doet zelfs Reuss zeggen: „Meer of minder vrije en van elkander onafhankelijke redacties.quot;

De aankomst van dezen man wordt op dramatische wijze door Markus geschilderd: hij liep naar Hem toe, en voor Hem op de knieën vallende... —■ Hij verlangde in oprechtheid naar het heil, en hij stelde zich voor, dat een edelmoedige daad, een groot offer, zooals zijn rijkdom hem in staat stelde, te volbrengen, hem dat hoogste goed zou waarborgen. Deze hoop onderstelt, dat de mensch bij machte is, in eigen kracht de rechtvaardigheid te verwerven, door het goede te doen, dat hij, bijgevolg, in den grond goed is. Dit ligt ook opgesloten in de wijze, waarop hij Jezus aanspreekt; Goede Meesier; want het is de mensch, dien hij op deze wijze in Hem begroet, daar hij Hem slechts in deze hoedanigheid kent. De letterlijke zin van de vraag bij Lukas is; „Welk werk gedaan hebbende, zal ik (zeker)... beërven ?quot; Men ziet hier, dat de uitdrukking „het eeuwige levenquot; als aanduiding van het heil evenzeer tot het Synoptische, als tot het Johanneïsche spraakgebruik behoort.

336

1

N A B L lezen efyuAaZa, in p ants van ecpvAxi-apttv.

-ocr page 349-

18 : 18—21.

337

Vs. 19. Jezus antwoordt dezen man, die meent, een werk te kunnen verrichten, dat grondiglijk goed en het eeuwige leven waardig is, allereerst door voor zichzelf den titel van „goedequot;, dien hij Hem geeft, te weigeren. Dit was voor dien jongen man een krachtige roepstem tot zelfkennis en ootmoed. Maar men moet niet denken, dat Jezus, door dezen titel af te wijzen in den verkeerden zin, waarin Hem die gegeven werd, zichzelf van zonde heeft willen beschuldigen, zooals men beweerd heeft. Als zijn geweten door de eene of andere schuld bezwaard was, zou Hij het op duidelijker wijze hebben bekend. Hij, die tot de menschen zegt: „Gij, die boos zijtquot; (11:13), en: „Gij moet opnieuw geboren wordenquot; (Joh. 3:7), en: „Ik doe altijd wat mijn Vader welbebagelijk isquot; (Joh. 8:29), had zeer zeker, zooals Klein gezegd heeft, „een geweten zonder litteeken.quot; Hij wil den persoon, met wien Hij spreekt, slechts eraan herinneren, dat alle goed-zijn alleen van God, de eenige bron van het goede, kan uitgaan. Deze waarheid is de grondslag van het monotheïsme. Jezus zelf is en blijft slechts goed krachtens zijn onafgebrokene en volkomene innerlijke afhankelijkheid van den alleen goeden God (Joh. 5 : 30). Zijn goedheid is de goedheid van den in Hem werkenden God, evenals de glans van een kristal die van den zonnestraal is, welke daarop schijnt. De oude en verscheidene nieuwere uitleggers (Olshausen, Ebrard, Keil) zijn van gevoelen, dat Jezus zich in dit antwoord op het standpunt van den vrager stelt, die Hem voor een gewoon mensch houdt. De zin zou zijn: Indien ik werkelijk niets meer was, dan hetgeen gij meent (een gewoon mensch, en niets anders), zou ik den titel van „goedequot;, dien gij mij geeft, niet kunnen aannemen. Maar hoe had de jongeling dezen zin kunnen verstaan? Ulmann, Meyer, Weiss, Dorner e. a. zijn van gevoelen, dat Jezus dezen titel afwijst, omdat zijn heiligheid zich nog in den toestand van wasdom en van strijd bevindt, en omdat God alleen de absolute en onveranderlijke goedheid is, en, zooals Beza zich uitdrukt, honilalis canon el archelypus. Hofmann schijnt veeleer te meenen, dat de weigering van Jezus om Godkt, LuJras, II. 22

-ocr page 350-

18 : 18—21.

dezen titel aan te nemen moet worden toegeschreven aan het feit, dat hij Hem gegeven werd door een man, die Hem veel te weinig kende, om daarover te kunnen oordeelen. De eerste van deze verklaringen acht ik onvoldoende, en de tweede beslist onjuist. Bij Mattheus (Alexandr.-lezing) is het antwoord van Jezus aldus: „Waarom ondervaaagt gij mij over het goede? Slechts één is goed.quot; Men heeft gemeend, dat dit een correctie is, die ten doel heeft, hetgeen in den door Markus en Lukas bewaarden vorm aanstoot kon geven, weg te nemen. Maar waarom zou men in dit geval niet ook den tekst der twee laatstgenoemden verbeterd hebben? Het antwoord, dat wij bij Mattheus vinden, kan op dat van Markus en Lukas gevolgd zijn en het aangevuld hebben. Jezus zou gezegd hebben: „Geef mij niet den titel, die God alleen toekomt. En wat de zaak betreft, waarop uw vraag betrekking heeft, beeld u niet in, dat gij in eigen kracht iets kunt doen, wat waarlijk goed is. God alleen is goed,; Hem-zelf te zoeken, dat is het ware goede!quot; Maar het vervolg sluit zich niet op zeer natuurlijke wijze aan deze gedachte aan, en het is eenvoudiger, zich te houden aan den vorm, dien Markus en Lukas bewaard hebben.

Vs. 20. Na de gronddwaling van den jongeling te hebben terecht gewezen, antwoordt Jezus op zijn vraag: Het werk, dat gedaan moet worden, bestaat geenszins in de eene of andere bijzondere, buitengewone daad; het is eenvoudig de wet te vervullen. Jezus haalt slechts de tweede tafel aan, omdat zij de uitwendigste en tastbaarste werken bevat. Dit antwoord van Jezus is ernstig gemeend. Heeft Mozes niet gezegd: „Doe dat, en gij zult leven?quot; Deze dingen doen is inderdaad liefhebben, en liefhebben is leven. Jezus gaat als een goed paedagoog te werk. Wel verre van de hooge vlucht tegen te houden van hem, die in zijn eigen kracht gelooft, spoort Hij hem aan, dezen weg getrouw te vervolgen tot het einde toe, wetende, dat hij, als hij oprecht ia, door de wei-zelve der wet sterven zal, zooals Paulus zegt (Gal. 2 : 19). Zeer juist zegt Gess\\ „Volkomen ernst maken met de wet is de ware weg, om tot Jezus Christus te komen.quot;

338

-ocr page 351-

18 : 22—23.

Vs. 21. Dit antwoord van den jongeling getuigt zonder twijfel van een groote zedelijke onwetendheid, maar eveneens van een edele oprechtheid. Hij heeft nooit iets geweten van den geestelijken zin der geboden, en daarom meent hij, dat hij ze werkelijk vervuld heeft. Hier vinden wij de onnavolgbare penseelstreek van Markus: „En Jeius, hem aanziende, beminde hem.quot; Als men aanneemt, dat Markus zijn Evangelie uit de twee andere Synoptische Evangeliën heeft gecompileerd, dan moet men er toe komen , met de Welle te zeggen, dat hij-zelf dit antwoord beminnelijk vond, en zijn eigen gevoel aan Jezus heeft toegeschreven. Wij zien in dit woord veeleer een van die trekken, welke de bron verraden, die zeer dicht bij den persoon van Jezus was, en waaruit de berichten van Markus voor een deel afkomstig zijn. Er was daar een apostel, die lette op de indrukken, welke Jezus kreeg, zooals zij zich op zijn gelaat afteekenden, en die den blik van diepe genegenheid opving, welken Hij op dezen zoo oprechten en zoo naïeven mensch wierp. Deze liefdeblik was tevens een diep indringende blik (i/tpxtyxt; uvtu, Mark. vs. 21), waardoor Jezus de goede en kwade eigenschappen van dit hart ontdekte, en die Hem het volgende woord ingaf.

Vs. 22—23. „En Jezus, dit hoorendezeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u: Verkoop alles, wat gij hebt, en verdeel het 1) onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, en volg mij! 23. Maar toen hij dit hoorde, werd hij 2) geheel droevig; want hij was zeer rijk.quot;

339

1

\'2) T. R. leest SixSoi;, met HP en 12 Mjj.; NAD en 5 Mjj. It. Syr. lezen So?.

2

N B L lezen eyevyOyi, in plnnta vim eyevero.

-ocr page 352-

18 ; 22—23.

340

Toen Jezus het antwoord van den jongeling hoorde (lt;£ Kovaoti rxïnoi), nam Hij een plotseling besluit, om nl. dezen jongen man op te nemen onder het aantal zijner vaste discipelen, evenwel onder voorwaarde, dat hij er in toestemt, den band te verbreken, die hem zou kunnen verhinderen aan zijn roepstem gevolg te geven, d. w. z. van het bezit zijner goederen afstand te doen. Jezus te volgen, dat was het rl van vs. 19, hetwelk hem het eeuwige leven kon waarborgen. Gewoonlijk beschouwt men als de hoofdzaak in dit antwoord de uitnoodiging, om zijn goederen te verkoopen en te verdeelen, alsof Jezus hem daardoor op het hoofdgebrek van zijn hart wilde wijzen: zijn liefde voor zijn goederen, die al zijn vroegere gehoorzaamheid bedierf, en haar tot een bloot schijnbare naleving van de wet maakte. Maar sedert wanneer eischt de liefde, dat men zijn goederen verkoopt en aan de armen geeft? De ware inhoud van het antwoord van Jezus is niet het bevel, zijn goederen te verdeelen, maar de uitnoodiging, om Hem, Jezus, te volgen. Het weggeven van zijn rijkdommen was slechts de voorwaarde van zijn intrede in deze nieuwe loopbaan, een offer, dat hem meer kostte, dan al het andere. De jongeling had Hem gevraagd om een werk, dat hij doen zou. Goed; Jezus begrijpt zijn bedoeling, en wijst hem er een aan, dat beslissend is, in den grond het eenige, dat volkomen beantwoordt aan zijn doel om een zekeren waarborg voor zijn zaligheid te verkrijgen. Zich van alles los te maken, om zich onvoorwaardelijk en voor goed aan Jezus te verbinden, dat is het heil zelf, het leven. Dat het antwoord van Jezus zich geschikt heeft naar de gedachte van den jongeling, blijkt uit de uitdrukking : Eén ding ontbreekt u (Lukas en Markus), en nog duidelijker uit die bij Mattheus: Indien gij volmaakt will zijn, ga heen. . . . Zonder twijfel kan de mensch, volgens de bedoeling van Jezus, niet meer en niets beters doen, dan do wet vervullen; alleen moet zij niet naar de letter, maar naar den geest worden vervuld (Matth. 5). De volmaaktheid, waartoe Jezus den jongen man oproept, is dus niet de vervulling van een hoogere wet dan de eigenlijk gezegde wet,

-ocr page 353-

18 : 22—23.

341

maar de ware vervulliug van deze, waartoe hij dan alleen in staat zal zijn, wanneer hij Jezus volgt. De uitdrukking: Gij zult een schat hebben in den hemel zegt niet, dat de weldadigheid hem den hemel zal openen, maar dat hij, als hij den hemel zal zijn binnen gegaan door het ware middel, waardoor men daarin opgenomen wordt, daar wezens zal vinden, wier dankbaarheid voor hem een schat zal zijn (zie bij 16 : 9). De daad, welke in staat is, hem den hemel te openen, is aangeduid in het laatste woord, waarop alles uitloopt: „Kom herwaarts en volg mij!quot; De wijze van het volgen van Jezus verandert met de tijden. Toen moest men, om zich aan Hem te verbinden. Hem uiterlijk volgen, en bijgevolg zijn aardsche positie opgeven. Thans, terwijl Jezus niet meer lichamelijk op aarde leeft, blijft de geestelijke voorwaarde alleen over, maar met al de zedelijke gevolgen, die overeenkomstig het karakter en de positie van ieder uit de verbinding met Hem voortvloeien.

Vs. 23. De droefheid, welke dit antwoord den jongeling veroorzaakt, is op dramatische wijze door Markus uitgedrukt: aruyvdaoi?. Deze uitdrukking wordt gebezigd (Matth. 1G : 3) ter aanduiding van het weder, dat somber wordt, en, in de LXX, van het gevoel van verslagenheid, dat zich op hot gelaat afteekent (Ez. 32 : 10, en elders). Het Evangelie der Hebreen beschreef dit tooneel aldus: „Toen begon de rijke zijn hoofd te krabben, daar hem dat niet beviel; en de Heer zeide tot hem: Hoe kunt gij dan zeggen: „Ik heb de wet vervuld,quot; daar in de wet is geschreven: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven; en er zijn velen van uwe broeders, kinderen van Abraham, die in het slijk leven en van honger sterven, terwijl uw tafel rijkelijk beladen is, en daarvan niets voor hen afvaltquot; 1). Ziedaar hot geschrift, dat eenige hedendaagsche critici (b.v. Hilgenfeld en Baur) tot het origineel van onzen Mattheus, en zelfs tot de bron van onze geheele Synoptische litteratuur willen maken!

1

Door Origenes b\'u Matth. 19: 9 aaugehaald.

-ocr page 354-

18 : 24-25.

2°. Vs. 24—27. Het gesprek over den rijke.

Vs. 24—25. „En hem ziende1)» zeide Jezus: Hoe moeilijk zullen degenen, die rijkdommen hebben, in het koninkrijk Gods ingaan2)! 25. Het is lichter, dat een kameel :i) door het oog 3) van een naald 4) gaat \'\') dan dat een rijke in het koninkrijk Gods ingaat.quot;

Over Jezus sprekende, gebruikt Markus hier de uitdrukking ffepifiteipciftevoi;: rondgezien hebbende; men gevoelt, dat men hier te doen heeft met het bericht van een ooggetuige. — Het is niet het eigendom als zoodanig, dat do ziel verhindert naar de geestelijke goederen omhoog te vliegen, maar het gevoel van veiligheid, dat zich daarmede verbindt. Daarom licht Jezus bij Markus, althans volgens T. R., zijn eerste verklaring door de tweede toe: „Hoe moeilijk is het, dat degenen, die op de rijkdommen hun vertrouwen stellen, in het Koninkrijk Gods ingaan.quot; De Arabieren en ook de Rabbijnen houden er van, iets onmogelijks aan te duidsn door het beeld van een zwaar beladen kameel, dat aan een lage en enge stadspoort aankomt, waardoor het gaan moest. Nu en dan vervangen zij den kameel door een olifant. Om dit beeld een nog pikanter vorm te geven, verandert Jezua de poort in een nog kleinere opening, en stelt op deze wijze het kleinste en het grootste tegenover elkander; vgl. Matth. 23 : 24. Eenige uitleggers en afschrijvers hebben gemeend.

342

1

T. R. leeat hier, met A en 17 Mjj. Itpler Syr. (met Syrcur) do woorden TTspihvKov ysvoncvov, die N B L weglaten.

2

N B D L R lezen eKrwopeuirovTxi, in plaats van sio-e\\evo-ovTxi (dat aan Mattlieua en Markus ontleend is).

3

ï. R. leest Tpv^a^icei;, met A en 15 Mjj.; NBD: Trpyitarot

4

T. R. leest, met A en 16 Mjj., psetpidos (aan Markus en Mattheus ontleend) ; B D L; pekoviis.

-ocr page 355-

18 : 26—27.

het woord kxwKov, kameel, in m^txov {y werd als / uitgesproken) te moeten veranderen. Deze uitdrukking, die niet eens bij de oude lexicografen voorkomt, schijnt nu en dan een scheepskabel te hebben aangeduid; het gebruik daarvan in dit geval is volstrekt onwaarschijnlijk. Anderen hebben vermoed, dat de uitdrukkiag: het oog van den naald in het Oostersche spraakgebruik de kleine poort aan den ingang van een stad, die voor voetgangers bestemd was, te kennen gaf, terwijl wagens en kameelen door een grootere gingen. Het is niet noodig, tot deze vermoedens de toevlucht te nemen, als men rekening houdt raet den paradoxalen vorm, dien de Oostersche grondstellingen gaarne aannemen. — In den T. R. {TpuitocXiótt; pacpiïoi;) is \'paCptèos een correctie, die aan Markus en Mattheus ontleend is; bij Lucas is de ware lezing (IsKovyq, dat ook naald beteekent. In plaats van rputtechiii, lezen de Alexandr. rpwa. De eerste vorm kan uit Markus afkomstig zijn; maar de tweede kan ook aan Mattheus ontleend zijn, hetgeen waarschijnlijker is, omdat dit hot meest gebruikte Evangelie was. Het is daarom het best, bij Lukas te lezen: Tpu^xXixt; ftiiovyt.

De rijken van het heil uit te sluiten, dat was, naar het schijnt, iedereen daarvan uit te sluiten. Want als de ge-zegendsten onder de menschen nauwelijks zalig kunnen worden, hoe zal het dan met de anderen zijn? Deze gedachte schijnt het verband te zijn tusschen vs. 25 en 26. Meijer en de Wette verbinden op een andere wijze; de eerste: do rijken hebben meer middelen, om goede werken te doen, dan de anderen, en dus ook om het heil te verdienen; de laatste: daar ieder in meerdere of mindere mate naar rijkdom jaagt, kan niemand zalig worden.

Vs. 26—27. „En zij, die dit hoorden, zeiden: Wie

kan dan zalig worden? 27. En Hij zeide: Hetgeen

onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God.quot;

Volgens Mattheus en Markus wierp Jezus toen een zeer ernstigen blik op de discipelen (èpfixtyoK; x\'jTolg, hen aan-

343

-ocr page 356-

18 : 28—30.

gezien hebbende); „Hetgeen gij zegt is maar al te waar; maar er is een gebied, waar het onmogelijke mogelijk wordt, het gebied van de goddelijke genade en almacht.quot; Zoo treft Jezus in een oogwenk den geest zijner hoorders van het menschelijk werk, waaraan alleen de jongeling dacht, tot dat goddelijk werk der algeheele wedergeboorte op, hetwelk van den alleen Goede uitgaat, en waarvan Jezus het werktuig is. Vgl. een dergelijke en even snelle opklimming der gedachte in Joh. 3 : 2—5. — Wat zou voor dezen jongen man beter geweest zijn: zijn goederen vaarwel zeggen, om de medearbeider van een Petrus en een Johannes te worden, of die eigendommen behouden, die de Eomeinsche legioenen weldra zouden verwoesten?

3°. Vs. 28—30. Het gesprek over de discipelen.

Vs. 28—30. „En Petrus zeide: Zie, wij zijn U gevolgd, alles verlaten hebbende O- 29. En Hij zeide tot hen; Voorwaar, ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het koninkrijk Gods, 30. die niet veelmaal meer zal terug ontvangen 1) in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.quot;

De Alexandr. lezing: alles verlaten hebbende, zijn wij.., doet beter dan die van den T. R.; wij hebben alles verlaten, en... de gedachte uitkomen, dat het verlaten van alles slechts de voorwaarde van de hoofddaad, het volgen van Jezus, is geweest. Er is in het leven der discipelen inderdaad een dag geweest, waarop zij voor precies zulk een

344

1

B D M lezen in plants van

-ocr page 357-

18 : 28—30.

345

keus werden geplaatst. Maar zij bacKlen een geheel andere beslissing genomen, dan de rijke jongeling. Wat zou uit deze handelwijze voor hen voortvloeien? Op naïeve wijze vraagt Petrus dit in den naam van allen. De vorm van zijn vraag bij Mattheus: Wal zal ons daarvoor geworden ? bevat meer bepaald het denkbeeld van een verwachte belooning, dan die van Lukas en Markus. In het bericht van Mattheus begint de Heer met in de gedachte van Petrus in te gaan; Hij geeft hem en de elf andere apostelen een bijzondere belofte, een van de heerlijkste, die Hij hun gegeven heeft. Daarna waarschuwt Hij hen, in de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard, zich niet te verhoovaardigen op de omstandigheid , dat zij zijn eerste volgelingen waren. Maar men moet bekennen, dat dit verschil van zienswijze tusschen de belofte en de gelijkenis een buitengewoon plotselinge overgang is. En daar Lukas deze zelfde belofte in een geheel ander verband plaatst (22 : 28—30), waarin zij volkomen past, is het waarschijnlijk, dat Mattheus, zooals in zoo vele andere gevallen, haar hier gebracht heeft door een aaneenschakeling van denkbeelden, die gemakkelijk te begrijpen is. Volgens Lukas en Markus is de belofte, waarmede Jezus Petrus op dit oogenblik geantwoord heeft, van dien aard, dat zij op alle geloovigen toepasselijk is; en zoo moest het ook zijn, indien Jezus het gevoel van zelfverheffing, dat zich in de vraag van zijn apostel verried, niet begunstigen wilde. De vorm: Er is niemand, die .., (Markus en Lukas) verraadt juist het doel, om aan deze belofte de uitgebreidste toepassing te geven, die mogelijk is. Al de betrekkingen van het natuurlijk leven vinden haar analogon in de banden, die door de gemeenschap des geloofs worden gevormd. Daarin ligt voor een geloovige een rijke vergoeding voor bet smartelijk verbreken van de banden des vleesches, een ofifer, dat Jezus zeer goed bij ervaring kende (8:19—21; vgl. met 8:1—3). Ieder ware geloovige verkrijgt, in dit hoogere leven evenals Hij, broeders, om lief te hebben, kinderen, om op te voeden, ouders, om te vereeren en te verzorgen, een nieuwe geestelijke maagschap, die hij rijk maakt met

-ocr page 358-

18 : 31—33.

zijn liefde, eu wier wederliefde hij in de meest verschillende vormen geniet. Lukas en Mattheus spreken bovendien van huizen, en Mattheus gewaagt van akkers. De gemeenschap der christelijke liefde verschaft iederen geloovige inderdaad het genot van goederen van eiken aard, die zijn broeders toebehooren. Maar opdat de discipelen niet zouden meenen, dat Hij hen tot een aardsch Paradijs uitnoodigt, voegt Hij bij Markus er aan toe: met vervolgingen. Mattheus en Lukas hadden zeker geen enkele dogmatische reden, om dit gewichtige correctief weg te laten, als zij het gekend hadden, en vooral Lukas niet, indien hij, zooals men beweert, in een lateren tijd schreef, toen de kerk reeds aan vervolgingen ten prooi was. Lukas laat hier ook den grondregel weg: „ Vele eersten zullen de laatslen worden.. •waarmede dit gedeelte bij Markus eindigt, en die bij Mattheus de gelijkenis van de arbeiders inleidt.

Met het oog op deze afdeeling moet de kritiek erkennen, dat, als daarin werkelijk geleerd wordt, dat men door vrijwillige armoede zalig kan worden, deze leer dan evenzeer bij de twee andere Synoptici te vinden is, en dat zij bijgevolg een ketterij, niet van Lukas, maar van Jezus zelf is. Maar een gezonde exegese zal niets dergelijks vinden in het onderwijs, dat onze drie Evangelisten eenparig den Meester in den mond leggen.

VI. 18:31—43: De derde aankondiging van het lijden.

Vs. 31 — 33. De aankondiging; „En de Twaalven bij zich genomen hebbende, zeide Hij tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en al de dingen, die voor de Zoon des menschen geschreven zijn door de profeten , zullen vervuld worden. 32. Want Hij zal den heidenen worden overgeleverd, en men zal Hem bespotten, en Hem smadelijk behandelen,

346

-ocr page 359-

18:31—33.

en op Hem spuwen; 33. eu na Hem gegeeseld te hebben, zullen zij Hem dooden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.quot;

Reeds tweemaal had Jezus zijn discipelen zijn nabijzijnd lijden aangekondigd (9:21 en verv.; 43 en verv.). Toch was Hij, zooals de bede der beide zonen van Zebedeus bewijst (Mattb. 20 : 20; Mark. 10 : 35) niet begrepen geworden, en waren hunne verwachtingen nog altijd op een zeer nabijzijnd aardsch rijk gericht. Daarom acht Jezus het noodig, voor de derde maal op dit onderwerp terug te komen. Door dit te doen, zocht Hij tevens de ergernis te verminderen, die deze droevige gebeurtenis hun geven zou, en haar zelfs tot een steun van hun geloof te maken, wanneer zij haar later zouden vergelijken met de woorden, waardoor Hij hen daarop voorbereid had. Vgl. Matth. 20 : 17 en verv.; Mark. 10:32 en verv.; Joh. 13: 19. Markus leidt deze derde aankondiging op een merkwaardige wijze in: Jezus gaat voor hen uit op den weg; zij volgen, verbaasd en verschrikt. Deze schilderiug herinnert aan de uitdrukking: Hij versterkte lijn aangezicht (Luk. 9: 51), en eveneens aan de woorden der discipelen en van Thomas (Joh. 11:8, 16). Welk een overeenstemming in deze verschillende vormen! De uitdrukking Kapxhocpuv, hij zich genomen hebbende, duidt een oogenblik aan, waarop Jezus zich met zijn apostelen afzonderde, en gedurende hetwelk dit gesprek en zonder twijfel ook de bede der zonen van Zebedeus en de redenen, die in de twee andere Synoptici volgen, plaats hadden. Deze omstandigheid stemt volkomen overeen met het bericht van Johannes over de afzondering van Jezus te Ephraïm op dit zelfde tijdstip, onmiddelijk vóór zijn intocht in Jeruzalem (11 : 54). — Gewoonlijk haalt Lukas de profetieën niet aan; hij doet het hier eens voor al, en als het ware alle samenvattende. Dit woord in den mond van Jezus bewijst, hoe duidelijk Hij in de profetiën des O. T. de gestalte van den Messias, en inzonderheid die van den lijdenden Messias,

347

-ocr page 360-

18 : 34.

herkend had; vgl. Ps. 22; Jes. 53; Zach. li en 12 : 10. — De dat. tw uia kan afhangen van : „voor den Zoon

des menschen geschrevenquot;, als aanwijzing van den weg, dien Hij te volgen heeft; of van nteirófaeTxi: „zullen vervuld worden aan den Zoon des menschenquot;, aan zijn persoon. De eerste constructie is natuurlijker. Het fut. pass., dat Lukas gebruikt, duidt veel krachtiger, dan de futura activa van Mattheus en Markus de passieve onderwerping aan het lijden aan. Bij Lukas en Markus wordt niet zoo bepaald als bij Mattheus {crxvpuvoii) te kennen gegeven, welken dood Hij sterven zou. Toch zijn de bijzonderheden in deze derde aankondiging nauwkeuriger dramatischer geschilderd, dan in de twee voorgaande, hetgeen geenszins, zooals Reuss meent, uit den invloed der gebeurde feiten op den vorm van het bericht behoeft verklaard te worden. Weiss legt nadruk op het feit, dat Lukas hier melding maakt van de bespotting en van de geeseling (waarover hij in de lijdensgeschiedenis niet spreekt), en vindt daarin het bewijs, dat hij Markus naschrijft. Maar waarom zou hij in dit geval het nxpMivxi hebben weggelaten, de daad, waardoor Jezus aan de over-priesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd, en die hij later zelf verhaalt, even goed als Markus? Ook is de vorm der goheele rede zeer verschillend.

Vs. 34. De uitwerking: „En zij verstonden er niets van; het was voor hen een verborgen zaak, en zij begrepen niet hetgeen hun gezegd werd.quot;

Zie bij 9 i 45. Deze herhaling van dezelfde gedachte en de dubbele vorm, waarin zij hier wordt uitgesproken bewijzen, hoezeer de apostelen zich later over dit hardnekkig onverstand hebben verwonderd. — De uitdrukking to pij fix duidt het feit van den dood als aangekondigd aan. Voor alles, waartegen het natuurlijke hart zich verzet, ontstaat er, zooals Riggenbach zegt, een verblinding in den mensch. — Mattheus en Markus verhalen hier de bede der zonen van Zebedeus

348

-ocr page 361-

18 35—39.

on hetgeon daarop gevolgd is. Indien Lukas zoo vijandig jegens de Twaalven gezind was als men beweert, en de twee andere Synoptici gebruikt heeft, zou hij dan dezen trek hebben weggelaten? Vollmar {Die Evang., bl. 501) heeft de oplossing gevonden: Lukas past er wel voor op, de Joodsch-christelijke partij r,e kwetsen, die hij voor het Pauli-nisme wenscht te winnen. Dus: listig, wanneer hij spreekt, nog listiger, wanneer hij zwijgt, — ziedaar wat Lukas in do schatting van dezen criticus is!

VII. 18:35—43; De genezing van Bartimeus.

Het zeer nauwkeurige bericht van Johannes dient ter aanvulling van het synoptische verhaal. Het verblijf van Jezus in Perea had eensklaps een einde genomen, doordat Jezus naar Bethanië, bij Lazarus, geroepen werd (Joh. 11). Van Bethanië begaf Hij zich naar Ephraïm, aan den kant van Samaria, waar Hij zich met zijn discipelen afzonderde (Joh. 11 : 54). In dien tijd had de derde aankondiging van zijn lijden plaats, gelijk wij zoo even gezien hebben. Bij de nadering van het Paaschfeest daalde Hij het Jordaandal af, en sloot zich te Jericho bij de Galileesche karavanen aan, die door Perea aankwamen. Hij had zich voorgenomen, ditmaal met de grootste openbaarheid Jeruzalem binnen te trekken, en zich aan het volk en het Sanhedrin als Koning te vertoonen. Het was Zijne ure, de ure der openbaring van zichzelf, die Maria reeds lang verwachtte (Joh. 2:4), en die zijne broeders Hem wilden doen vooruit loopen (Joh. 7 : 6—8). Wij hebben reeds de aandacht gevestigd op het aanzien, dat Jezus op dit tijdstip genoot. Het volgende verhaal is daarvan een nieuw bewijs. Het schildert den stand van zaken (vs. 35—39), de genezing (vs. 40—42), en de uitwerking (vs. 43).

Vs. 35—39. De stand van zaken: „En het geschiedde , toen Hij Jericho naderde, dat een zeker

349

-ocr page 362-

350 18 : 35—39.

blinde bij den weg zat, een aalmoes vragende \'). 36, En de schare gehoord hebbende, die voorbijging, vraagde hij, wat dat was. 37. En men deelde hem mede, dat Jezus de Nazerener 1) voorbijging. 38. En hij riep uit, zeggende Je/ais, Zoon van David, ontferm U mijner! 39. En zij, die vooruit gingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou 2); maar hij riep zooveel te meer: Zoon van David, ontferm U mijner.quot;

De stad Joricho (deze naam beteekent: stad der geuren) moet in dit jaargetijde in haar volle schoonheid zijn geweest. Zij was het Eden van Palestina, gelijk men haar genoemd heeft (Edersheim: Een hosch van palmen, rozen en balsem -boomen). Zij lag een halve mijl ten noord-westen van het ellendig gehucht, dat heden ten dage haar naam draagt. — Men lette op de Hebr. constructie van vs. 35, die noch bij Mattheus, noch bij Markus gevonden wordt; Lukas zou haar dus zelf ingevoerd hebben, indien hij niet zijn eigen bron heeft gehad! — Het woord syylfyiv, naderen, neemt allen twijfel weg omtrent de plaats, waar het wonder geschied is. Het was voordal Jezus de stad inging. Volgens Markus en Mattheus was het, toen Hij de stad uitging. Bovendien spreekt Mattheus van Iwee blinden. Wat dit laatste punt betreft: de blindheid kwam in Palastina zoo dikwijls voor, dat de aanwezigheid van een tweede blinde niets onwaarschijnlijks heeft. Men zou alleen moeten aannemen, dat de genezing van den tweeden niets merkwaardigs aanbood, terwijl die van den anderen door eenige bijzondere omstandigheden, die in de berichten van Lukas en Markus bewaard zijn, moer de aan-

m ffii

r^i

1

D Or.: va^apyvoi;, in plaats van

2

8) B D L P X lozen triyvia-ii, in plaats van (aan Markus ontleend).

-ocr page 363-

18 : 35—39.

351

dacht trok en een dieperen indruk maakte. Wat het verschil ten opzichte van de plaats betreft: Morison meent, dat de bede der twee blinden bij het ingaan in de stad heelt plaats gehad, maar dat Jezus door de stad getrokken is, zonder daaraan gevolg te geven, en eerst toen Hij de stad weêr uitgegaan was, daaraan beantwoord heeft; Lukas zou de gebeurtenis uit het oogpunt van haar begin hebben verhaald. Markus en Mattheus daarentegen uit dat van haar afloop. Een andere verklaring {Beweis des Glauhem, 1870, VI en VII) wijst er op, dat er, volgons Josephus en Eusebius, twee Jericho\'s waren, de oude en de nieuwe stad, en dat de genezing bij het uitgaan uit de eerste en het ingaan in de laatste kon hebben plaats gehad. Keil meent, dat Lukas de genezing van den merkwaardigsten der twee blinden vóór de aankomst bij Zacheus heeft gesteld, om later het bericht van het verblijf van Jezus bij dezen tollenaar en van het vertrek uit diens huis niet af te breken. Bleek, Holhmann en Weiss zijn eveneens van gevoelen, dat Lukas met opzet de gebeurtenis verplaatst heeft, ten einde de aanwezigheid van de groote volksmenigte, die in zijn schildering een rol speelde, tot zijn beschikking te hebben. Maar deze trek was niet gewichtiger voor de schildering van Lukas, dan voor die van Markus; en waarom zou de schare zich niet weêr bij Hem bevonden hebben na den nacht, die bij Zacheus werd doorgebracht? Als men al de genoemde pogingen tot wegneming van het verschil verwerpt, dan moet men erkennen, dat het bericht van Markus in ieder opzicht de voorkeur verdient, hetzij wegens zijn waarschijnlijken oorsprong (het verhaal van Petrus), hetzij wegens de kleine bijzonderheden, waardoor het zich onderscheidt. Zoo geeft het den naam des blinden op: Zoon van Timeus, en duidt hem aan als een bekenden persoon: Bartimeus, den blinde. Men meent de kroniek van de plaats te hooren. — De aanspraak: Zoon van David kenschetst Jezus als den erfgenaam van den Israëlitischen troon; het is een onbewimpelde Messiaansche hulde. Deze trek zou voldoende zijn, om de stemming der gemoederen op dat oogenblik te doen kennen. De berisping,

-ocr page 364-

18 : 40—42.

die de leden van het gevolg tot den blinde richten (vs. 39), heeft geen betrekking op het gebruik van dien titel. Veeleer schijnt het hun toe, van den kant eens bedelaars een aanmatiging te zijn, zulk een hoogen persoon op zijn weg op te houden. De lezing ricoTrfai/i van den T. R. is waarschijnlijk aan de parallelle plaatsen ontleend. Men moet met de Alexandr. myviay lezen; dit is een uitdrukking, die zeldzamer gebruikt wordt.

Vs. 40—42. Het wonder: „En Jezus, stilstaande, beval, dat men hem tot Hem zou brengen; en toen hij nabij gekomen was, vroeg Hij hem,

41. zeggende: Wat wilt gij, dat ik u doen zal? Eu hij zeide: Heer! dat ik ziende mag worden.

42. En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.11

Niets is natuurlijker, dan de plotselinge verandering, die in het gedrag der menigte plaats vindt, zoodra zij de gunstige gezindheid van Jezus gewaar wordt; dit is wel een geloofwaardige trek, dien Markus bewaard heeft. — Men lette ook op al de bijzonderheden van zijn bericht, vs. 49. — Met een waarlijk goddelijke majesteit schijnt Jezus de schatten der goddelijke macht voor den blinde te openen: „Wat wilt gij, dat ik u doen zal?quot; Hij laat hem vrij spel, als men zich zoo mag uitdrukken. Zoo kon iemand niet antwoorden, die enkel te beschikken had over natuurlijke middelen, wier werkingen altijd zeer onzeker zijn. De blinde had hooren spreken over de talrijke genezingen, die door Jezus waren bewerkt, en zonder twijfel ook over de opwekking van Lazarus, die op eenige mijlen afstands had plaats gehad. Van daar het geloof, dat zich op zoo eenvoudige wijze in zijn antwoord uitspreekt. — In antwoord op de bede van den blinde (vs. 42), zegt Jezus: Uw geloof, en niet: mijne machl, om hem de waarde van deze zedelijke daad te doen gevoelen,

352

-ocr page 365-

18 : 43.

en wel ongetwijfeld met het oog op het veel gewichtiger geestelijk wonder, dat bij hem nog verricht moet worden.

Vs. 43. „En terstond kreeg hij het gezicht terug, en volgde Hem, God verheerlijkende; en het geheele volk, dat ziende, begon God te prijzen.quot;

Jezus laat Bartimeus toe, den vrijen loop te geven aan zijn dankbaarheid, en de schare, met luide stem haar bewondering en haar vreugde uit te drukken. De tijd der omzichtigheid is voorhij. Deze gevoelens, waaraan de menigte zich overgeeft, zijn de voorloopers van de hulde van den Palmzondag. Aot-damp;iv, verheerlijken, heeft meer op de macht, o ciïvoc;, de lofprijzing, meer op de goedheid van God (2 : 20) betrekking.

De onbetwistbare meerderheid van het bericht van Markus noodzaakt Bleek hier, althans voor een deel, zijn onhoudbare methode te laten varen, volgens welke hij Markus tot den compilator van de twee anderen wil maken. Hij erkent, dat Markus, hoewel hij gebruik gemaakt heeft van het bericht der beide anderen, hier toch een eigene en onafhankelijke bron heeft gehad. Goed, maar bevatte deze bron niets anders, dan dit ééne bericht? — Wat hen betreft, die Markus of den Ur-Markus tot de bron der beide anderen maken, dien valt het moeilijk, te verklaren, hoe dezen, als het ware om de aardigheid, het oorspronkelijk bericht zoo zijn dramatisch karakter hebben kunnen ontnemen. En wat beteekent de verklaring van de verplaatsing van het wonder bij Lukas, welke Keil, Holiimann e. a. aan Bleek ontleenen: de volgende geschiedenis van Zacheus heeft Lukas er toe gebracht, de genezing vóór Jericho te plaatsen! Het verhaal aangaande Zacheus onderstelt geenszins, dat de genezing van den blinde voorafgegaan is. Volkmar, die Lukas van Markus afleidt, en Mattheus van de twee anderen, beweert, dat Lukas den blinde heeft willen maken tot het type van de heidenen, die den Zaligmaker zoeken (van daar de naam Bar-Timeusj Timeus zou volgens hem van Thima (N»n), de

Godet , Lukas, II. 23

353

-ocr page 366-

19 ; 1—5.

onreine, afgeleid zijn), eu de leden van den stoet, die hem het stilzwijgen wilden opleggen, tot vertegenwoordigers van de christenen uit de Joden, die den heidenen den toegang tot den Messias van Israël ontzegden. De reden, waarom Lukas den naam Bartimeus weggelaten heeft, is, dat het hem geërgerd heeft, de heidenen als onreine wezens aangeduid te zien! Hij plaatst het wonder vóór Jericho, omdat hij de genezing van den mensch van die van zijn heidendom onderscheidt, welke na Jericho (in het heil, dat aan Zacheus geschonken wordt) zal worden geplaatst. Zacheus, de reine, is het tegenovergestelde van Timeus, den onreine \\ {Die Evang., bl. 502—505).!) Zulk een wegkruipertje-spel zullen de Evangelisten door middel van den persoon van Jezus hebben gespeeld.

VIII. 19: 1—10: Jezus bij Zacheus.

Zonder twijfel had Jezus, voordat Hij de stad binnenging, zichzelf afgevraagd, waar Hij den nacht zou doorbrengen. Als naar gewoonte, verwachtte Hij zijn schuilplaats van de voorzorg zijns Vaders; en het volgende verhaal doet ons zien, dat zij niet in gebreke is gebleven. Lukas vermeldt; 1° de ontmoeting van Jezus en Zacheus (vs. 1—5); 2° de ontvangst bij Zacheus (vs. 6—8); 3° de verklaring van Jezus (vs. 9—10).

1°. Vs. 1—5. De ontmoeting; „En binnengegaan zijnde, doorkruiste Hij Jericho. 2. En zie, een man, genaamd Zacheus, die het hoofd der tollenaars en rijk was1), 3. zocht te zien, wie Jezus was,

354

1

T. R. leest *«lt; ot/ro; tfv, met A en 13 Mjj ; B K IT: xm ovrof, N Li nxt yv.

-ocr page 367-

19 : 1—5.

en hij kon niet wegens de schare, omdat hij klein van gestalte was. 4. En vooruitloopende \'), klom hij op een wilden vijgeboom, ten einde Hem te zien 1), omdat Hij daarlangs 2) moest voorbijgaan. 5. En toen Jezus aan die plaats kwam, keek Hij naar boven, en zeide tot hem 3): Zacheus! kom haastig naar beneden; want ik moet heden in uw huis blijven.quot;

Dit verhaal ontbreekt bij Markns en Mattheus. Er is hier bij ben een gaping; want Jezus heeft zeker minstens één nacht in Jericho doorgebracht. De bron van Lukas was dus niet altijd van de twee andere Synoptici onafhankelijk, maar ook vollediger. Zij was van Arameeschen oorsprong, zooals de vele xxi\'s, de paratactische vorm en de uitdrukking ivófiXTi xxhouftsvoe, vs. 1 en 2, bewijzen; vgl. 1 : 61. — De naam Zacheus, van -pi, rein zijn, bewijst, wat Reuss ook zeggen moge, de Joodsche afkomst van dien man. — Er moet te Jericho een hoofdtolkantoor zijn geweest, zoowel wegens den uitvoer van balsem, die in deze oase groeide, en in alle landen der wereld verkocht werd, als wegens den aanzienlijken doorvoer van waren op dezen weg, waarlangs men van Perea naar Judea en Egypte ging. . Zacheus was het hoofd van dit kantoor. De persoon van Jezus boezemde hem een bijzonder belang in, zonder twijfel omdat hij had hooren spreken over de welwillendheid, die deze profeet menschen van zijn stand betoonde. Bleek en Wem beweren, dat het tA; «Vt/ (vs. 3) beteekent: wie het was in deze

355

1

N leest rov iSsiv, in plaats van lt;v« ijgt;gt;.

2

8) T. R. leest, met A alleen, Si\' exeiviif; de anderen:

3

N B L Sjrquot;quot;. avafiAiipx; o I. t/?rs; T. R. voegt, met A en i5 Mjj. t/Stv avrev xxi tussclien de woorden o ï. en inre er by.

-ocr page 368-

19 : 6—8.

356

voorbijtrekkende menigte; maar als hij wilde weten, wie het was, dan kon hij in ieder geval daarmede slechts ten doel hebben gehad te weten, hoedanig Hij was, d. w. z. zich een denkbeeld van zijn persoon te vormen. Alleen deze tweede zin is aannemelijk. Na den stoet een oogenblik vergezeld te hebben, zonder zijn doel te bereiken, loopt hij hen vooruit. — De wilde vijgeboom is een boom met lage takken, die met den grond evenwijdig zijn; hij is dus gemakkelijk te beklimmen. \'EksIv^ moet met did (bij de Alexandr.) en éSaD (bij allen) worden aangevuld; vgl. 5 : 19. Werd Jezus door de op den boom gerichte blikken van het volk op hem opmerkzaam gemaakt? Of keek Hij bij toeval of door een innerlijke aansporing naar boven? De eerste zienswijze is de eenvoudigste. Wat het kennen van den naam Zacheus betreft: velen (o. a. OlsJiausen en Hofmann) nemen een openbaring aan, zooals die van Joh. 4 : 17—18. Dit is volstrekt niet noodig. Jezus kan in zijn omgeving den naam hebben hooren uitspreken. — Er ligt vriendelijkheid, en zelfs vroolijkheid in dezen vorm: Kom haastig naar beneden; want ik moet heden in uw huis blijven. Dit ik moet duidt aan, dat Jezus uit het levendig verlangen van Zacheus om Hem te zien heeft opgemaakt, dat hij de gastheer was, dien zijn Vader te Jericho voor Hem gekozen had. Tegelijk wordt het Hem duidelijk, dat hier een verloren schaap te vinden is. Het is hetzelfde voortdurende bewustzijn van zijn roeping, als bij de ontmoeting met de Samaritaansche vrouw. Welk een trouwe toewijding aan het goddelijk werk, en welk een verhevene onafhankelijkheid van het menschelijk oordeel!

Vs. 6—8. De ontvangst: „En hij kwam haastig naar beneden, en ontving Hem met blijdschap. 7. En allen \'), dit ziende, murmureerden, zeggende: Hy is binnengegaan, om by een zondigen

1) T. R leest anxvrei; met KMrij ui de amleron i Ketvref.

-ocr page 369-

19 : 6-8.

man te herbergen. 8, Maar Zacheus, daar staande, zeide tot den Heer: zie, Heer, ik geef de helft *) van mijne goederen aan de armen; en indien ik iemand benadeeld heb, ik geef hem het vierdubbele terug.quot;

Jezus had tot Hem gezegd: Haast u. Er moesten namelijk toebereidselen worden gemaakt. Onder de schare, die nog altijd beheerscht werd door de Pharizoesche veroordeelen, barstte toen een algemeene ontevredenheid los, Niets duidt aan, dat de discipelen ook behoord hebben tot degenen, die murmureerden. De woorden ittxOs); Sé, „maar Zacheus daar slaande, (voor den Heer, vs. 8), brengen de volgende rede van den tollenaar in nauw verband met de murmureeringen van het volk. De uitdrukking aTxósts duidt, wat Weiss ook zeggen moge, een vaste en waardige houding aan (18 : 11, in tegenstelling met 18; 13), zooals een man aanneemt, die zijn aangetaste eer wil handhaven. Deze houding schijnt te zeggen: „Geloof mij vrij, ik ben niet iemand, die de gunst onwaardig is, welke gij mij bewijst.quot; En dit is ongetwijfeld ook de zin van de woorden, die Zacheus spreekt. Bijna al de nieuwere uitleggers zien daarin een plechtige gelofte met betrekking tot zijn toekomstig gedrag. Het woord ISsy, zie, zou een plotseling besluit te kennen geven, en men zou de twee praesentia S/Sw^/ en ciTroïiïufti, ik geef en ik geef terug, in den zin van futura moeten opvatten: „Van dit oogenblik af zal ik, uit dankbaarheid voor de mij betoonde gunst,... geven en .... teruggeven.quot; Maar indien het werkw. „ik geefquot; desnoods aldus opgevat kan worden, dit is, naar het mij voorkomt, geenszins het geval met het „ik geef terug.quot; De gedachte, dat men, zoo dikwijls men iemand benadeeld heeft, dit weêr vergoeden zal, laat zich niet uitdrukken door:

1) T. R. leeat ra met 11 Mjj.j ARA; ta mu7v\\ ^ B L Q, Ta

Vixursice,

357

-ocr page 370-

19 : 0—8.

358

ik geef terug. Het is ook nauwelijks aan te nemen, dat een boetvaardige en innerlijk veranderde zondaar met zulk een zekerheid nieuwe ongerechtigheden zal voorzien. Laat ons er bijvoegen, dat Zacheus deze woorden moet hebben uitgesproken op het oogenblik, toen Jezus zijn huis binnentrad. Want er bestaat een nauw verband door het adversatieve Si aTnOeit; sItts , hij stond daar en zeide, en de algemeenc murmureering, waarover vs. 7 spreekt. Dat nu Zacheus aan het einde van dit bezoek, en als het ware ter gedachtenis daarvan, zulk een gelofte deed, dit zou men kunnen begrijpen, maar niet, dat hij daarmede heeft aangevangen. Schleiermacher heeft dit heel goed gevoeld, en daarom voorgesteld, den tijd van het verblijf tusschen vs. 7 en vs. 8, en deze rede van Zacheus op het oogenblik van het vertrek te stellen. Maar de blijkbare antithetische betrekking tusschen vs. 7 en vs. 8 laat niets dergelijks toe. Ik geloof daarom, dat de praes. werkelijke praesentia zijn: „Ziehier wat ik doe, wat mijn gewone manier van doen is.quot; Aan den eenen kant deelt hij Jezus mede, welk gebruik hij van zijn winsten maakt, en aan den anderen kant, op welke wijze hij de onrechtvaardigheden, die hem bij zijn beheer kunnen ontsnappen, weor goed maakt. In verband met hetgeen voorafgaat, hebben deze woorden in den grond den volgenden zin: „Gij hebt u niet vergist met mij tot gastheer te kiezen, al ben ik ook een tollenaar; en datgene, waarmede ik u thans onthalen zal, is niet een goed, dat op een verkeerde wijze verkregen is.quot; Ook bij deze opvatting kondigt het een onverwachte mededeeling aan, die echter betrekking heeft op de geheimen van zijn handelwijze, waarmede deze murmureerende schare geheel onbekend is. Onder de helft van zijn goederen verstaat Zacheus natuurlijk de helft van zijn inkomsten. De wet eischte bij een ontvreemding, als de teruggave vrijwillig geschiedde, een vijfde meer dan de ontvreemde som (Lev. 5; 21, Hebreeuwsche tekst). Was het ontstolen voorwerp niet meer aanwezig en de teruggave gedwongen, dan moest zij het vierdubbele bedragen (Ex. 22 : 3 en 8, Hebr. tekst); bestond het nog, dan kon men

-ocr page 371-

19 : 9—10.

met slechts het dubbele volstaan (Ex. 21 : 37, Hebr, tekst). Zacheus past dus op zijn vrijwillige teruggave den regel toe, die voor de gedwongene teruggave, en wel voor het ernstigste geval was vastgesteld. In een beroep als het zijne kon men zich gemakkelijk aan meer of minder onwillekeurige onrechtvaardigheden schuldig maken. Weiss brengt tegen deze opvatting in, dat zulke woorden snoeverij zouden zijn. Ja, als zij niet het antwoord op lasterlijke aantijgingen waren. — Over het woord avKoCpxvTsTv zie men bij 3 : 14. — Het wltru van den T. H. is een samentrekking van vtinasx voor vi^ta-stx] deze laatste vorm is de juiste lezing.

Vs. 9—10. De verklaring van Jezus: „En Jezus zeide van hem: Heden is het heil aan dit huis geschonken, naardien ook deze een kind van Abraham is \'). 10. Want de Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.quot;

359

Jezus neemt deze zelfverdediging van Zacheus, als antwoord op de murmureeringen der schare aan; en zonder aan deze buitengewone vergoedingen en aalmoezen een verdienstelijke waarde toe te kennen, verklaart Hij , dat Zacheus evenzeer het voorwerp der goddelijke genade is, als zijne beschuldigers het zijn kunnen. Zijn komen in dit huis brengt daarin het heil. Het is zonneklaar, dat het -rrpoi xvróv, tol hem, hier beteekent: van hem, aangaande hem; want in het volgende spreekt Jezus in den derden persoon over hem: Dit huis.... deze. — In dit huis ontvangen, brengt Jezus, die het levende heil is, reeds door zijn tegenwoordigheid daarin dit hemelsche goed. Het móón, naardien, geeft de reden te kennen, waarom Jezus dat aangaande Zacheus en diens huis verzekert. Hoewel hij een tollenaar was, en

l) N L B Intcu cjTiv weg.

-ocr page 372-

19 : 9—10.

ondanks den ban, die misschien op hem, als tollenaar, lag (niet als heiden, zooals Reuss meent), bewijst zijn gedrag in het algemeen (vs. S), cn inzonderheid zijn haast om Jezus te ontvangen, de werkelijkheid der theocratische gevoelens, waarvan hij bezield is, het echt Israëlitische hart, dat in hem klopt. De uitdrukking: kind van Abraham is noch uitsluitend in geestelijken zin, zooals Reuss meent, noch uitsluitend in letterlijken zin bedoeld; zij vereenigt in zich zoowel het denkbeeld van de natuurlijke als dat van de geestelijke afstamming van den vader der geloovigen.

Vs. 10. Het yd;), want, heeft betrekking op de gedachte; heil is geschonken. Het woord, waarmede dit gedeelte eindigt, is van die woorden, welke Jezus bij meer dan ééne gelegenheid kan herhaald hebben (Matth. 18 : 11).

Hoewel het ons gebleken is, dat dit gedeelte uit een Arameesche bron is geput, moeten wij toch met Holtzmann erkennnen, dat daarin sporen van den eigen stijl van Lukas voorkomen (skslvyi;, vs. 4; dixyoy?ü%eiv, vs. 7; kxOóti , vs. 9). Dit voert ons tot het denkbeeld, dat Lukas zelf dit aan een Arameesche oorkonde ontleende bericht in hot Grieksch heeft vertaald.

IX. 19 : 11—28; De gelijkenis van de ponden.

Hoe dichter men bij Jeruzalem kwam, des te meer nam de opgewondenheid toe in den kring der discipelen, en zelfs ouder de schare, die hen vergezelde. Men stelde zich voor, dat het groote, zoo lang verwachte Messiaansche drama op handen was. Jezus beijvert zich, evenals altijd, om deze vleeschelijke opgewondenheid te onderdrukken. Niet een triomf gaan de zijnen tegemoet; betgeen hen wacht, is een lange tijd van inspannenden arbeid. De trouw, die zij gedurende dezen proeftijd aan den dag zullen leggen, zal de maatstaf zijn voor de mate van heerlijkheid en macht, die hun zal worden geschonken, wanneer de dag des triomfs werkelijk zal aanbreken. Wat het Joodsche volk als geheel betreft, het zal niet verheerlijkt maar verworpen en vernietigd worden. Dit is de zin van het volgende onderwijs.

360

-ocr page 373-

19 : 11.

Vs. 11. De inleiding: „En terwijl zij naar deze dingen luisterden, zeide Hij, een gelijkenis er bijvoegende, omdat Hij nabij Jeruzalem was, en zij zich voorstelden, dat het koninkrijk Grods terstond zou verschijnen

Door deze inleiding, die aan de bron van Lukas ontleend, maar ook door hem zelf vervaardigd kan zijn, worden wij nauwkeurig bekend gemaakt met den innerlijken toestand der discipelen op dat oogenblik, daar de gelijkenis duidelijk doet zien, dat zij vooral op hen betrekking heeft. De herhaalde aankondiging van het naderend lijdon van Jezus had hen niet genezen van hunne droomen van nabijzijnde heerlijkheid. Het uutSsv doelt dus niet op de murmureerenden van vs. 7, noch op de bevolking van Jericho, zooals Reuss meent, maar op de hoorders, die het dichtst bij Jezus waren, op zijn meest geestdriftvolle aanhangers. Het txütx, deze dingen, heeft betrekking op al de gesprekken, die Jezus onder het dak van Zacheus gehouden had met degenen, die Hem omringden, en inzonderheid op het denkbeeld van het Messiaansche heil, dat zoo duidelijk opgesloten ligt in de uidrukkingen van vs. 10: De Zoon des memchen is gekomen, om te zoeken en zalig le maken. •;. „Het heil is zeer nabij,quot; zeide men tot zichzelf, de Verlosser is verschenen, en treedt handelend op.quot; En dit heil stelde men zich natuurlijk voor met de kleuren, waarmede het altijd geschilderd was geworden. — üe uitdrukking Trxpxxpmx, terstond, oog en-hl ikke lijk , staat voorop, omdat zich daarin het denkbeeld concentreert, waartegen do gelijkenis gericht is. De vorm irpoaSsls she komt bij Polybius voor; zie Bleek op deze plaats. De uitdrukking AvixCpixivea-öxi, verschijnen, past zeer goed bij het denkbeeld van een groot schouwspel, dat men verwachtte. — Het volgende onderwijs behelst twee schilderingen; 1° het vertrek van den heer, en do proef, die zijn dienstknechten gedurende zijn afwezigheid is opgelegd (vs. 12—14);

361

-ocr page 374-

19 : 12—14.

2° zijn terugkomst en het oordeel, waarop de proef uitloopt (vs. 15—27).

1°. Vs. 12 — 14. De proef: „Hij zeide dan: Een man van hooge geboorte vertrok naar een vergelegen land, om de koninklijke waardigheid te ontvangen en weder te keeren. 13. En tien van zijn dienstknechten geroepen hebbende, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Beijvert u, om ze rentegevend te maken totdat \') ik terugkom. 14. Maar zijn medeburgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, om hem te zeggen: Wij willen niet, dat deze over onsregeere.quot;

362

Een man van hooge geboorte wil tien opperleenheer van het land, dat hij bewoont, het koningschap over zijn medeburgers gaan vragen. Voordat hij deze verre reis onderneemt — de opperleenheer woont in een ver-afgelegen land — besluit hij, daar het toekomstige bestuur van den staat zijn geest nu reeds geheel bezighoudt, de dienaren, die tot hiertoe tot zijn huis hebben behoord, gedurende zijn afwezigheid op de proef te, stellen, om hen, wanneer hij als koning terugkomt, tot zij/l jmbtenaren te maken. Ten einde te weten te komen, hoe ver hij zich op hunne trouw en bekwaamheid kan verlaten, vertrouwt hij ieder een som gelds toe, om in zijn afwezigheid rentegevend te maken. Terwijl hij met deze voorbereidingen bezig is, protesteeren zijn medeburgers, z;jn toekomstige onderdanen, bij den opperleenheer tegen zijn verheffing tot de koninklijke waardigheid. — Met de uitdrukking van hoorje geboorte (vs. 12), zinspeelt Jezus op den titel „Zoon van Davidquot;, die Hem toen algemeen werd gegeven (18:39; Matth. 21 : 9), en misschien zelfs

1) T. B. leest ew? met F ea 10 Mjj.; de auderen tv u.

-ocr page 375-

19 : 12-14.

op zijn waardigheid als de Zoon van God. — Maxpxv is een adverbium, evenals in 15 : 13. De groote afstand sluit het denkbeeld van een lange afwezigheid in zich; hij is het antwoord op het irtxpxxpijitx, terstond, van vs. 21. — De trekken der volgende schildering zijn ontleend aan den poli-tieken toestand van het heilige land in dien tijd. Josephus verhaalt, dat na den dood van Herodes den Groeten feiten zooals de hier vermelde meer dan eens hebben plaats gehad. Zoo b. v. toen Archelaus zich na den dood van zijn vader naar Rome begaf, om zijn troon te verkrijgen, of toen Antipas na den dood van ziju broeder Philippus met betzelfde dool daarheen reisde. In het eerste geval zonden do Joden een gezantschap naar Rome, om den keizer te smeeken. hun land liever bij het Romeinsche rijk in te lijven. Zeker heeft Jezus niet bepaald op een van deze feiten willen zinspelen; alleen heeft hij de kleuren zijner schilderij aan dezen algemeenen toestand ontleend. — De uitdrukking fixeitela beteekent hier niet, koninkrijk, maar; koningschap, koninklijke waardigheid. Voordat Jezus zichtbaar over Israël regeert, moet Hij in den hemel uit de hand zijns Vaders de souvereiniteit ontvangen (Matth. 28: 18). — De woorden: en weder te keeren doelen op de Parousie en op de oprichting van de uitwendige heerschappij van Christus, die daarop volgen moet.

Vs. 13. De tien dienstknechten stellen de gezamenlijke geloovigen voor, wier werkzaamheid Jezus hier beneden op de proef stelt (vgl. do tien maagden van Matth. 25). — Een mina {pond) is een onbeduidende som, zooals de uitdrukking h cKxyJartf, in weinig , van vs. 17 te kennen geeft. De Grieksch-Romeinsche mina, die waarschijnlijk toen door de Joden was aangenomen, gold ongeveer f 47,50. Ziedaar de som, waarmede ieder dienstknecht woekeren moet, schijnbaar om bet vermogen van zijn Heer te vermeerderen, maar in de werkelijkheid om hem een maatstaf voor zijn trouw te geven. Deze mina stelt de genade des heils voor, die aan alle geloovigen verleend is, met de roeping zich die toe te eigenen en haar te verbreiden, inzonderheid door middel

363

-ocr page 376-

19:15-19.

van het Evangelisch getuigenis. Bij de lezing totdat, van den T. R. duidt het werkw. êpxeirtiau, komen, alleen het oogonblik der terugkomst aan. Leest men daarentegen met de Alexandr. ïvu, dat sommigen in den zin van „gedurende hetwelkquot; (het irpxypxTsusiróxt der dienstknechten), en anderen in dien van „terwijlquot; opvatten, dan sluit het spxeaQxi do geheele reis in zich, en niet enkel de aankomst.

In vs. 14 schildert Jezus, door een beeld, dat Hij eveneens aan de toenmalige tijdsomstandigheden heeft ontleend, de hardnekkige weigering der Joden om zijn Messiaansche waardigheid te erkennen, gedurende al den tijd tusschen zijn heengaan en zijn wederkomst.

ii0. Vs. 15—27. Het oordeel.

Vs. 15 — 19. De trouwe dienstknechten: „En het geschiedde, toen hij wederkwam, nadat hij de koninklijke waardigheid ontvangen had, dat hij die dienstknechten liet roepen, aan wie hij het geld gegeven had1), ten einde te weten2), wat ieder gewonnen had3). 16. En de eerste kwam, en zeide: Heer! uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen. 17. En hij zeide tot hem: Bravo!4) goede dienstknecht; daar gij in weinig getrouw zijt geweest, ontvang de macht over tien steden. 18. En de tweede kwam, en zeide: Heer! uw pond heeft vijf ponden opgeleverd. 19. En bij

364

1

nBDL lezen SeSuxei, iu plaats van eSunev,

2

NBDL lezon yvoi, in plaats van yvu.

3

N B D L Syrcnr lezen ti dievrfciynxtetjtmto, in planta van ti; ti Six rfxyiiutsvo-ara.

4

B D lezen euye, in plaats van eu.

-ocr page 377-

19 : 15—19.

zeide tot dezen: En gij, wees gesteld over vijf steden.quot;

De verheffing van hun meester tot de heerschappij heeft natuurlijk een geheel nieuwen toestand voor de dienstknechten ten gevolge. Niet alleen ontvangen zij van hem een blijk van tevredenheid, dat geëvenredigd is aan het resultaat van hun arbeid, maar ook wijst hun heer, die thans als koning handelt, hun in het bestuur van den staat een post aan, waarvan het gewicht in overeenstemming is met den uitslag van ieders werkzaamheid. Zoo zal het ook zijn bij de Parousie in dien heerlijken staat van zaken, waardoor deze gebeurtenis zal worden ingewijd. De nederige arbeid, die gedurende deze aardsche bedeeling in den dienst van den afwezigen Heer is verricht, zal de maatstaf zijn voor de macht, die door den aanwezigen Heer aan ieder zal worden toevertrouwd. Do vijf en de tien sleden stellen groepen van zedelijke wezens voor, die de verheerlijkte geloovigen tot de hoogte van hun eigen geestelijk leven zullen moeten opvoeren. — De constructie van vs. 15 is Hebreeuwsch. — Het yvoï der Alexandr. lezing kan een samentrekking zijn, hetzij van den optativus yvolif, hetzij van den conjunct, yvüy; hier blijkbaar van den conj unctivus. — De vorm t/? rl in den T. R. laat zich verklaren uit de combinatie van deze twee vragen: „Wie heeft iets gewonnen? en; „Wat heeft hij gewonnen?quot; — Door te zeggen: uw pond, geeft de dienstknecht aan de gave van zijn heer de eer van het succes, dat hij gehad heeft. Deze gave heeft alles gedaan. En inderdaad, wat zou hij gewonnen hebben, zonder deze som, die hem werd toevertrouwd? Door de waardeering van den heer, vs. 17, wordt die van den dienstknecht aangevuld.

Vs. 17. Het fjyf, Bravo, van den Vaticanus schijnt echt te zijn; bij Mattheus staat het eenvoudige su, goed (25 : 21 en 23). Deze uitroep is vol van beloften. — Het is zonneklaar, dat deze twee dienstknechten slechts voorbeelden zijn van verscheidene anderen onder de tien, zoo is het ook met den derden.

365

-ocr page 378-

19 : 20—23.

366

Vs. 20 — 23. De ontrouwe dienstknecht: „En de ander \') kwam, zeggende: Heer! ziehier uw pond, dat ik zorgvuldig in een doek verborgen hield; 21. want ik vreesde U, omdat gij een streng mensch zijt; gij neemt wat gij niet gelegd hebt, en gij maait wat gij niet gezaaid hebt. 22. Hij2) zeide tot hem: Uit uwen mond zal ik u oordeelen, booze dienstknecht! Gij wist, dat ik een streng mensch ben, nemende wat ik niet gelegd heb, en maaiende wat ik niet gezaaid heb. 23. Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de 3) bank gegeven? En terugkomende, zou ik het met de rente daaruit teruggenomen hebben.quot;

Blijkbaar moet men met de Alexandr. o \'érspoc, de ander, lezen. Weiss meent, dat deze uitdrukking een overblijfsel is van de oorspronkelijke gelijkenis, waarin van slechts drie dienstknechten sprake was (zie de gelijkenis van de talenten bij Mattheus). Maar door de uitdrukking \'érepo? wordt de dienstnecht niet naar de volgorde van het verschijnen voor den heer, maar naar zijn ongelijkheid met de anderen aangeduid; hij is de vertegenwoordiger van een nieuwe categorie; vgl. 1 Cor. 12 : 10. — De uitdrukking ciTroxei^év^v hcteekent: zorgvuldig weggelegd en goed bewaard (Col. 1 : 5). Hij had er goed voor gezorgd, deze som niet te verliezen, en meende, dat daardoor alles in orde was tusschen hem en zijn heer; want hij kon hem het toevertrouwde geld in zijn geheel teruggeven. — De door dezen dienstknecht in vs. 21 en 22 aangevoerde reden is geen bloot voorwendsel; zijn taal is

i) B 13 L 11 leien o \\66t trsfot; T. R. laat het weg met de anderen i) T. R. leest 5t na Afy«, met A en 7 Mjj. j {lt; B en 7 Mjj. laten het weg. S) T. R. leeat rtfv, alleen met K.

-ocr page 379-

19 : 20—23.

veel te ruw, om niet de uitdrukking te zijn van hetgeen hij werkelijk meent. Maar zij is moeilijk te verstaan, daar toch de hoer met betrekking tot hem evengoed iets gelegd en gezaaid had, als ten opzichte van de anderen. In de gelijkenis van Mattheus zijn deze woorden gemakkelijk te verklaren; want de derde dienstknecht kon, omdat hij minder dan de twee anderen ontvangen had, met een zekeren schijn van recht hetgeen hem toevertrouwd was als niets beschouwen, in vergelijking met de som, die de anderen hadden gekregen. Hofmann, Göbel en Keil geven deze verklaring: „Gij eigent u de vrucht van den arbeid van anderen toe, zonder hen te laten deelen in hetgeen zij gewonnen hebben, terwijl zij voor u werkten.quot; Maar deze opvatting wordt noch door de uitdrukkingen, noch door den samenhang gerechtvaardigd. Hetzelfde geldt van die van Meyer: „Indien ik uw pond bij ongeluk verloren had, zoudt gij u zeker daarvoor schadeloos gesteld hebben door deze som uit mijn eigen geld te nemenquot;; en eveneens van die van Bleek, de Wette en Weiss: „Gij eischt terug wat gij niet toevertrouwd hebt, door niet alleen het pond te vragen, maar ook hetgeen het opgeleverd heeft.quot; Daar geen van deze verklaringen in overeenstemming is met den natuurlijken zin der uitdrukkingen, geloof ik, dat men deze woorden beschouwen moet als een spreekwoordelijke zegswijze, waarmede het volk een heer aanduidde, die buitensporige eischen stelde. Door deze geijkte spreekwijze te gebruiken, wil de dienstknecht zeggen, dat, als hij dit geld door een ongelukkige speculatie verloren had, zijn heer hem op onbarmhartige wijze voor dit verlies zou hebben gestraft.

Vs. 22. De heer antwoordt op deze stoutmoedige beschuldiging met een argumenlum ad hominem: „Hoe meer gij mij voor een hard mensch hieldt, des te meer hadt gij moeten trachten, mij te bevredigen, door een middel te gebruiken, dat u aan geen enkel gevaar blootstelde.quot; De heer wil, zooals Göbel opmerkt, daarmede niet zeggen, dat hij gedaan zou hebben al wat zijn plicht met zich medebracht, indien hy het pond aan den bankier had toevertrouwd;

367

-ocr page 380-

19 : 20—23.

maar hij zou dan ten minste in overeenstemming met het zooeven door hem uitgesproken oordeel over het karakter van zijn heer hebben gehandeld, terwijl nu zijn gedrag zoowel zijn onverschilligheid voor de belangen van dezen, als zijn onbewuste kwade trouw bewijst. Deze man stelt, naar het mij toeschijnt, een geloovige voor, die het heil, dat in Jezus Christus is, niet zoo schitterend bevonden heeft, als hij gehoopt had; een wettischeu christen, die de genade niet gesmaakt heeft, en niets anders van het Evangelie kent, dan zijn zedelijke eischen. Het komt hem voor, dat do Heer zeer weinig geeft, om zooveel te eischen. Bij deze gezindheid doet men zoo weinig mogelijk. Men meent, dat God tevreden moet zijn, als wij ons onthouden hebben van kwaad te doen, en door ons gedrag en onze woorden zijn Evangelie niet in minachting hebben gebracht. Zoo zou een Judas misnoegd spreken, omdat hij in de navolging van Christus niet de voordeelen had gehad, die hij verwacht had, als vergoeding voor de vele offers, die het geloof hem had opgelegd.

Vs. 23. Uit dit antwoord van Jezus volgt, dat de wettelijke christen, wien de liefelijke ervaring der genade ontbreekt, in plaats van zich aan onverschilligheid over te geven, veeleer het ijverigst en nauwgezetst moest arbeiden. Te vreezen, dat zijn werk niet voorspoedig zal zijn, is geen geldige reden om niets te doen. Bovendien kan men te werk gaan op een wijze, die wel minder voordeel oplevert, maar waardoor de verantwoordelijkheid van den dienstknecht toch gedekt is. Wat verstaat Jezus onder de bank? Zouden het Christelijke vereenigingen zijn, waaraan ieder geloovige do gelden kan toevertrouwen, die hijzelf niet weet te besteden? Of zouden het meer gevorderde en bekwamer personen zijn, dan hij, onder wier leiding hij zich stellen kan, om nuttig te arbeiden in den dienst van Christus (Olshausen, Lange)? Maar zijn geld aan een bankier toe te vertrouwen, is niet hetzelfde als zich onder zijn leiding te stellen, om te arbeiden; en waarom zou Jezus in dit geval van een bankier spreken, van een persoon, die aan het huis van

368

-ocr page 381-

19 : 24—26.

den heer vreemd is, en niet van een der andere dienstknechten? Hofmann denkt aan Christenen, die zelf niet bij machte zijn om te onderwijzen, daar zij hiervoor dc gave niet hebben, en in dit geval aan anderen, die meer begaafd, maar aan het geloof nog vreemd zijn, het middel moeten verschaffen, om voor het rijk Gods te worden wat zij zeiven niet kunnen wezen. Gübel ziet in deze overgave van het geld aan den bankier het opgeven van de christelijke belijdenis en de christelijke werkzaamheid, dat de plicht wordt van hem, die geen hart heeft voor de belangen des Heeren; want daardoor staat hij ten minste de plaats, die hij nutteloos inneemt, aan anderen af; vgl. 14 : 28. Dit alles is weinig natuurlijk, en komt met het gebruikte beeld zeer weinig overeen. Is het niet eenvoudiger, onder de bank de goddelijke schatkist (almacht) te verstaan, en onder de van den dienstknecht geëischte daad van het deponeeren een toestand van gebed, waarin de dienaar, die zich onbekwaam acht, zelf voor de zaak van Christus te arbeiden, ten minste God bidden kan, van hem en zijn christelijke kennis dat gebruik te maken, hetwelk Hem behagen zal. Het antwoord van Jezus zou dan hierop neerkomen: „Indien gij niet kondt arbeiden, hadt gij ten minste door te bidden uw getrouwheid kunnen betoonen.quot; Vgl. Matth, 25:9. — Tpónrefy, de tafel der wisselaars (Matth. 21 : 12; Joh. 2 : 15). — quot;ETrpafy, exegissem (3 : 13).

Vs. 24—26. De straf van den ontrouwen dienstknecht: „En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Ontneemt hem het pond, en geeft het hem, die tien ponden heeft! 25. En zij zeiden tot hem: Heer! hij heeft tien ponden. 26. Want ^ ik zeg u1), dat aan een iegelijk, die heeft, ge-

369

24

1

N laat vpiv weg. Godet, LuTcan. II.

-ocr page 382-

19 : 24—26.

geven zal worden; maar van hem, die niet heeft, van dien \') zal genomen worden ook wat hij heeft.

De vxpsiTTÜTsi; zijn de gewapende trawanten, die de bevelen van den souverein uitvoeren. De bedeeling der heerlijkheid verandert voor zulk een dienstknecht in een eeuwigheid van ontbering en schande. De heilige krachten en de middelen tot werkzaamheid, die hij niet heeft weten te gebruiken, worden hem ontnomen en aan die van den werkzamen dienstknecht, die trouw gearbeid heeft, toegevoegd. Een heidensche volksstam b. v., waaraan een jonge christen, die hier beneden de slaaf van zijn gemakzucht is gebleven, het Evangelie had kunnen verkondigen, wordt in de toekomstige bedeeling den ijverigen zendeling toevertrouwd, die op aarde getrouw zijn krachten aan den dienst van Jezus gewijd heeft. „Zijne dienstknechten zullen Hem dienenquot;, ziedaar het loon der getrouwheid (Openb. 22 : 3). — In de woorden: hem, die tien ponden heeft, heeft de uitdrukking „tien pondenquot; niet op de toevertrouwde, maar op de gewonnen som betrekking. De zielen, die door den arbeid van eer-, trouwen dienaar behouden zijn, behooren zonder twijfel in de allereerste plaats Christus toe, maar in een zekeren zin ook hem, die ze gewonnen heeft. Zij worden zijn blijdschap en zijn kroon (1 Thess. 2 : 19); zijn heerlijkheid en zijn blijdschap (vs. 20; Philipp. 4 : 1). Het pond, dat aan het bezit van dezen dienstknecht is toegevoegd, stelt een nieuw arbeidsveld voor, waar hij zijn werkzaamheid aan dan dag kan leggen, en dus ook nieuwe juweelen zal kunnen verkrijgen, die zijn kroon nog meer zullen verrijken.

370

De in de rede valling van vs. 25 is gelijk aan die van Petrus in 12:41; en het antwoord van vs. 26 gelijkt op dat van Jezus in 12 : 42. De koning gaat met spreken voort, schijnbaar zonder acht te geven op de opmerking

1) N B L Inten dj woorden air\' wjtov vreg.

-ocr page 383-

19 : 27.

van zijn trawanten, maar in de werkelijkheid antwoordt hij er toch op met den grondregel van vs. 26.

Vs. 26. Er is een wet, krachtens welke de vruchten van den verledenen arbeid de intensiteit van den toekomstigen doen toenemen. Want elke genade, die men zich door werkzaamheid toegeëigend en tot een middel van werkzaamheid gemaakt heeft, vermeerdert onze ontvankelijkheid voor hoogere genadegaven, terwijl iedere ontvangene, maar niet gebruikte genade teruggenomen wordt, hetgeen ten gevolge heeft, dat het vermogen om nieuwe gaven te ontvangen vermindert. Uit deze wet van het zedelijk leven vloeit voort, dat langzamerhand al de genadegaven zich in de trouwe arbeiders moeten concentreeren, terwijl zij aan de nalatige dienaren moeten ontnomen worden. In 8 : 18 zeide Jezus: heigeen hij meent te hebben; hier zegt Hij: hetgeen hij heeft. Beide uitdrukkingen zijn waar. Wij hebben een genade, die ons geschonken is; maar als wij haar niet door werkzaamheid in ons opnemen en ons toeëigenen, dan bezitten wij haar niet in waarheid, wij meenen dan slechts, haar te hebben.

Vs. 27. Het oordeel, dat over de vijanden komt: „Wat mijne vijanden betreft, die1) menschen, die niet hebben gewild, dat ik over hen zou regeeren, brengt hen hier en doodt hen 2) in mijn tegenwoordigheid.quot;

Het rovToui der Alexandr., dat ongetwijfeld de juiste lezing is, duidt do vijanden aan als aanwezig in de gedachte van hem, die spreekt, en van hen, die hooren (Weiss). — De uitdrukking nxTxatpcifyiv, ombrengen, vereenigt in zich de

371

1

T. E. leest iKiiMovt, mot A D en 12 Mjj. It. Syr. en Syrcur; ^ B eu 4 Mjj ,! TOVTOVf,

2

slt; B en 3 Mjj. Syr, en Syrcur lezen liier avrovt, dat T. E., met A D en 12 Mjj. It , vregtnat.

-ocr page 384-

19 : 27.

tijdelijke verwoesÜDg en de eeuwige verdoemenis. Zonder twijfel heeft het eerste dezer oordeelen lang vóór de Parousie plaats gehad; maar de verwoesting van Jeruzalem wordt dikwijls voorgesteld als het eerste bedrijf van de Parousie zelf (Matth. 10 : 23); ook blijft er altijd een verschil tusschen een gelijkenis en de werkelijkheid.

Deze gelijkenis van Lukas heeft groote overeenkomst met die van de talenten in het eerste Evangelie; Aan beide kanten een heer, die op reis gaat, die gedurende den tijd zijner afwezigheid de getrouwheid zijner dienstknechten op de proef stelt door hun geld toe te vertrouwen, om rente-gevend te maken, en bij zijn terugkomst de getrouwheid van den eenen en de ontrouw van den anderen constateert. Maar naast deze gemeenschappelijke trekken zijn er ook groote verschillen: 1° De heer is bij Lukas een rijke particulier, die van een ver-af wonenden opperleenheer de koninklijke kroon gaat ontvangen, terwijl de heer bij Mattheas een particulier is en blijft. 2° Bij Mattheus verdeelt de heer al zijn goed onder zijn dienstknechten —■ van daar de grootheid de sommen — terwijl hij hun bij Lukas slechts een klein gedeelte van zijn vermogen toevertrouwt. 3° Dit verschil hangt samen met het feit, dat de een een ander doel beoogt, dan do ander. De heer, van wien bij Mattheus sprake is, wil eenvoudig zijn geld rentegevend maken en zijn vermogen vermeerderen, terwijl die, over wien Lukas spreekt, ten doel heeft, de trouw en de bekwaamheid zijnor dienstknechten op de proef te stellen, ten einde hun in zijn toekomstig koninkrijk posten aan te wijzen, naar evenredigheid van de resultaten van hun arbeid. 4° De wijze waa::op de proef genomen wordt, en de resultaten zijn bij beiden verschillend. Bij Lukas wordt aan ieder van de dienstknechten dezelfde som toevertrouwd, en zijn de resultaten geheel verschillend; bij Mattheus daarentegen verschillen de sommen, en zijn de resultaten geëvenredigd aan het toevertrouwde bedrag. 5° Bij Mattheus ontvangt de ontrouwe dienstknecht een strenge straf, terwijl hem bij Lukas eenvoudig het toevertrouwde geld wordt ontnomen, [en hij geen

372

-ocr page 385-

19 : 27.

post krijgt in het bestuur van het koninkrijk. 6° In de gelijkenis van Mattheus is geen sprake van de vijanden, die den heer tegenwerken, en door hem gestraft worden.

Al deze bijzondere puuten van verschil staan in verband met de hoofdgedachte van ieder van de twee gelijkenissen. Bij Matthens is de hoofdgedachte, dat de minder begaafde dienaren niet boos of moedeloos mogen worden bij het zien van broeders, die rijke geestesgaven bezitten. De werkzaamheid van ieder zal beoordeeld worden naar de mate van de geestelijke gaven, die hem waren toebedeeld. Bij Lukas is de hoofdgedachte der gelijkenis, dat de bedeeling der heerlijkheid eerst na een bedeeling der beproeving kan komen, omdat ieder geloovige door de wijze, waarop hij de hem geschonkene heilsgenade productief maakt, zelf het aandeel moet bepalen, dat hij hebben zal aan de heerschappij van den Heer. En daarom, terwijl bij Mattheus de talenten de geestelijke gaven voorstellen, waarvan de grootte verschilt naar gelang van de natuurlijke bekwaamheid van ieder, stellen de ponden bij Lukas het door God geschonken heil voor, met de roeping om het te verbreiden, een genade en een taak, die in zekeren zin voor allen dezelfde zijn.

De gevoelens over de betrekking, waarin de twee gelijkenissen tot elkander staan, zijn zeer verschillend. Volgens de meesten lag aan beide gelijkenissen oorspronkelijk een enkele ten grondslag; alleen zou deze oorsponkelijke gelijkenis volgens sommigen (Calvijn, Olshausen, Hollzmann) nauwkeuriger door Lukas bewaard zijn. Holtzmann meent, dat de auteur van onzen kanonieken Mattheus, door al de be-standdeelen, die op de oproerige onderdanen betrekking hebben, uit de schildering van Lukas weg te laten, er in geslaagd is, aan de gelijkenis de schoone harmonie te geven, die zij bij hem heeft. Volgens anderen {Strauss, Meijer, Bleek, Ewald, Weiss, Reuss) daarentegen zou Mattheus de oorspronkelijke gelijkenis nauwkeurig volgens de Logia bewaard, en Lukas haar gewijzigd hebben, om haar in overeenstemming te brengen met den door hem (vs. 11) aangeduiden stand van zaken, of omdat hij haar heeft

373

-ocr page 386-

19 : 27.

374

samengesmolten met een andere (die van de wijngaardeniers, volgens Strauss), wier hoofdgedachte de tegenstand van het Joodsche volk tegen de Messiaansche aanspraken van Jezus was {Meyer, Ewald, Bleek, Weiss). — Men kan bezwaarlijk met Holhmann aannemen, dat de eenvoudiger vorm van Mattheus voortgekomen is uit de schildering van Lukas, die uit meer elementen bestaat. Aan den anderen kant moet men met hem, tegen Weiss, erkennen, dat de oorspronkelijkheid van den vorm van Lukas gewaarborgd is door de toespeling op de politieke omstandigheden van den tijd van Herodes. Deze feiten laten niet toe, aan te nemen, dat de eene vorm een omwerking van den anderen is. Dit wordt bovendien uitgesloten door het hoofdverschil tusschen de heerschende gedachte van den een en die van den ander, en eveneens door al de ondergeschikte punten van verschil, die daaruit voortvloeien, en waarover wij het oordeel van Blyschlag hebben aangehaald (zie Deel I, blz. 59 en 60). Er blijft dus niets anders over, dan met Schleiermacher, Keil en Göbel aan te nemen, dat Jezus werkelijk twee gelijkenissen heeft uitgesproken, die bestemd zijn, om twee verschillende gedachten aanschouwelijk te maken, door middel van beelden, die aan de betrekking tusschen een heer en zijn dienstknechten ontleend zijn. In de eene, die van Lukas, waarin Hij zichzelf als den souverein van het toekomstige koninkrijk voorstelde, heeft Hij heel natuurlijk, nevens de betrekking tot zijn dienaren, de toespelingen op het oproerige volk ingevoerd. Slechts een enkele trek, het gesprek tusschen den heer en den ontrouwen dienstknecht, dat in beide schilderingen bijna gelijkluidend is, zou wel uit de eene in de andere gebracht kunnen zijn, en dan blijkbaar uit die van Mattheus (waar deze trek bepaaldelijk tot de gedachte behoort) in die van Lukas.

-ocr page 387-

19 : 28.

Vs. 28. Historisch slot.

Vs. 28. „En dit gezegd hebbende, liep Hij voor

hen uit, naar Jeruzalem opgaande.quot;

Dit vers is tegelijk het slot van het ia 9:51 aangevangen reisverhaal en de overgang tot het volgende gedeelte, de aankomst te Jeruzalem. Het heeft geen zin, tenzij het ge-heele gedeelte, dat er aan voorafgaat, zooals wij het opgevat hebben, het verslag is van een aanhoudende reis, die thans haar einde bereikt. Het woord luirpixriev is van Erasmus tot aan Weiisacker door velen in den zin van : voortvaarts opgevat geworden: „Hij vervolgde zijn reis, naar Jeruzalem optrekkende.quot; Hofmann citeert Cyrop IV, 2, 23, maar geen enkel voorbeeld uit het N. T. of uit de LXX. Bovendien is deze beteekenis vrij onnut. Om deze gedachte uit te drukken, daartoe zou êiropevsTO avxpalvMv volkomen genoeg zijn geweest. Men moet daarom luTrpovósv nemen in den zin, waarin het in vs. 4 en in Joh. 1 : 15 en 27, 3 : 28, 10:4 voorkomt: „Hij liep voor zijn discipelen uit.quot; Dit is een traditioneela herinnering, die in een nog duidelijker vorm bij Markus (10 : 32) te vinden is: „Hij ging vóór hen {yv Trpoayuv xutou?), en zij verwonderden zich, terwijl zij Hem volgden, en zij waren vol vrees.quot; Vgl. ook Joh. 11:8 en vooral vs. 16, waar Thomas zegt: „Laat ons ook opgaan, om met Hem te sterven.quot; — De uitdrukkingen van ons vers herinneren aan 9 : 51: „En Hij richtte zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.quot; Do afstand van Jericho naar Jeruzalem bedroeg ongeveer zeven mijlen. — Jezus heeft nu Zuid-Galilea en bovendien Perea doorreisd. De geestdrift zijner Galileesche aanhangers heeft haar toppunt bereikt; de breuk met de heerschende partij is een voldongen feit. Hem te laten leven zou voor het Sanhedrin gelijk staan mot af te treden. Zijn tijd is gekomen. Naar Jeruzalem opgaan is hetzelfde als te gaan sterven. Jezus weet dit, en zonder te beven gehoorzaamt Hij den wil zijns Vaders.

375

-ocr page 388-

VIJFDE GEDEELTE.

Het vebblijr te Jekuzalem.

19 : 29—21 : 38.

Dit gedeelte behelst drie hoofdfeiten: 1° den intocht van Jezus in Jeruzalem (19 : 29—44); de uitoefening van zijn Messiaansche souvereiniteit in den tempel (19 : 45—21 : 4); 3° de aankondiging van den ondergang van Jeruzalem en van het Joodsche volk (21 : 5—38), — Er bestaat tusschen deze drie feiten een verband, dat gemakkelijk te vatten is. Het eerste is de laatste roepstem van Jezus tot zijn volk; aan het tweede knoopt zich de beslissende weigering vast, waarmede Israël deze roepstem beantwoordt; het derde is als het ware de uitspraak van hot vonnis, dat deze weigering ten gevolge heeft.

I.

De intocht van Jezus in Jekuzalem.

(19 ; 29—44).

Volgens Lukas en de twee andere Synoptici schijnt Jezus de karavaan der feestreizigers van Jericho tot aan Jeruzalem te hebben vergezeld, en op dienzelfden dag zijn intocht in deze hoofdstad te hebben gedaan. Johannes is nauwkeuriger. Hij deelt ons mede dat Jezus in Bethanië vertoefd heeft, waar Hem door de inwoners dezer plaats een gastmaal werd aangeboden (12 : 1—8). Het gros der feestgangers vervolgde zijn weg tot aan Jeruzalem, en verspreidde daar het gerucht

-ocr page 389-

19 :29—31.

van de aankomst van Jezus te Bethanië. Dit lokte den volgenden morgen een menigte menschen uit, om naar dit vlek te gaan, ten einde Jezus te zien, en ook Lazarus, die men zeide, dat door Hem opgewekt was. (Joh. 12: 9—12). Deze bijzonderheden alleen kunnen het tooneel van den Palmzondag, dat in onze vier Evangeliën geschilderd wordt, volkomen duidelijk maken. Dit tooneel behelst: 1° de toebereidselen voor den intocht (vs. 28—36); 2° de blijdschap van de discipelen en de schare, toen zij de heilige stad in het oog kregen (vs, 37—40); 3° de tranen van Jezus op ditzelfde oogenblik (vs. 41—44).

I. 9 : 28—36: De toebereidselen voor den intocht.

Vs. 29—31.1) „En het geschiedde, toen Hij Beth-phage en Bethanië naderde, aan den berg, die de Olijfberg genoemd wordt, dat Hij twee van zijn2) discipelen uitzond, tot hen zeggende 3): 30. Gaat in het vlek, dat tegenover is; daar inkomende, zult gij een ezelsveulen gebonden vinden, waarop geen mensch ooit heeft gezeten 4); ontbindt het, en brengt het mij. 31. En als iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij het? zult gij aldus5) zeggen: Omdat de Heer het noodig heeft.quot;

De ligging van het vlek Bethanië, tegenwoordig el-Azirieh genaamd, is ons nauwkeurig bekend. Het ligt aan de

377

1

Marcion liet het golicele gedeelte va. \'29—-46 weg.

2

\'2) N B L laten xutou weg.

3

N B D L lezen /Eywv, in plaats van enrciv.

4

BDL lezen hier kxi.

5

5 T. E. leest hier xutu, met A en 12 Mjj.; N B D en 3 Mjj. laten het weg.

-ocr page 390-

19 : 29—31.

oostelijke helling van den Olijfberg, aan den kant tegenover Jeruzalem, op 40 minuten afstands van deze stad. Do naam Bethanië kan beteekenen: „oord der armoedequot; (helh anijah), of: „oord der dadelsquot; {helh chenneh), of, zooals Gaspari!) vermoedt: „oord der kramenquot; (belh chani), omdat men ddar een begin zou hebben gemaakt met de bazars, die gedurende de feesten rondom de stad worden opgericht. — Dethphage, welks naam „oord der vijgenquot; beteekent, is ons alleen door den Talmud bekend, die dikwijls daarover spreekt als over een plaats, die ten oosten van de muren van Jeruzalem lag en tot het rechtsgebied van de stad behoorde. „Hoewel Bethphage buiten de muren ligtquot;, zoo heet het daar {Bah. Pesachim, Menachoth, Siphri, „is het daar bereide brood toch heilig, omdat het onmiddellijk tegen den heiligen berg aanleunt.quot;3) Dit is alles, wat wij van deze plaats weten. Daaruit vloeit voort, dat Beth phage in ieder geval dichter bij Jeruzalem was, dan Bethanië. De uitdrukking van Lukas schijnt het tegendeel te zeggen. Zij is nauwelijks te verklaren, tenzij men met Light fooi, Renan en Gaspari aanneemt, dat de naam „Bethphagequot; niet een dorp aanduidde, zooals Bethanië, maar het geheele rechtsgebied dei-stad aan den kant van den Olijfberg, dat als geheiligd werd beschouwd, en daarom even goed als de heilige-stad zelf tot legerplaats voor de vele duizenden pelgrims, die gedurende de feesten toestroomden, kon dienen. In dit geval zou Bethanië de eerste plaats van dit heilig rechtsgebied te kennen geven. Meent men, deze verklaring niet te kunnen aannemen, dan moet men Bethphage houden voor den naam van het vlek, waar Jezus het ezelsveulen liet halen, en de vermelding van Bethanië beschouwen als een verklaring, welke met het oog op lezers, die nog onbekend waren met den naam Bethphage, er bijgevoegd is. In ieder geval volgt uit het bericht van Johannes, dat het uitzenden van de

1) Chronologisc/i-geographische Einleitung in das Leien Jesxc, 1869, bl. 163.

2) Gaspari, t. a. p., blz. 162.

378

-ocr page 391-

19 ; 29-31.

discipelen, om het veulen te halen, tusschen Bethanië en Jeruzalem plaats heeft gehad (Joh. 12 : 12). Bij Markus (11 ; 1) ia do lezing twijfelachtig. Ondanks de groote meerderheid der Mjj., is het mogelijk, dat deze Evangelist alleen over Bethanië gesproken heeft; de naam Bethphage zou een glos zijn, die naar Mattheus en Lukas er bijgevoegd is. Wil men met den T. R. lezen: „Toen Hij Jeruzalem, Bethphage en Bethanië naderdequot;, dan moot men aannemen, dat Markus eerst het verste punt, dat het doel is, noemt, en daarna trapsgewijze weer teruggaat tot op de plaats, waar de aankomenden naar zijn meaning zich bevonden op het oogenblik, waarvan sprake is. Bij Mattheus (21 : 1) is alles eenvoudig en duidelijk: „Toen zij Jeruzalem naderden en te Bethphage kwamen, zond Hij....quot; — Het woord ehcciuv kan hier niets anders zijn, dan de nominativus sing, (èxxicov, olijfbosch), evenals 21 : 37, Hand. 1 : 12 en bij Josephus {Antiq., VII, 9, 2). Wanneer Lukas het als genit. plur. gebruikt (sAa/wf), zet hij het artikel (t«v); vgl. vs. 37 en 22 : 39.

Do zending van de twee discipelen getuigt van het bepaalde voornemen van Jezus, aan dit tooneel een bijzondere plechtigheid te geven. Tot hiertoe had Hij zich aan de huldigingen van het volk onttrokken; maar één keer ten minste wilde Hij te midden van zijn volk tot koning-Messias worden uitgeroepen (vs. 40). Dit was het oogenblik van de openbaring van zichzelf, die zijn broeders met ongeduld van Hem geëischt hadden (Joh. 7 : 3, 4), en het moest ook een laatste roepstem zijn, die tot de bevolking van Jeruzalem werd gericht (vs. 42). Deze manier van doen kon zijn werk niet meer in gevaar brengen, daar Hij zeer goed wist, dat zijn leven zijn einde nabij was (13:32, 33). Hij laat daarom den vrijen loop aan de geestdrift der menigte; ja. Hij lokt zelfs het tooneel uit, dat nu volgen zal, al geeft Hij daaraan ook den vreedzaamsten en bescheidensten vorm. — Petrus was ongetwijfeld een van die twee discipelen; dit verklaart de kleine, aanschouwelijke bijzonderheden, waardoor het verhaal van Markus zich onderscheidt. Johannes zegt een-

379

-ocr page 392-

19 : 29—31.

voudig, dat Jezus het veulen vond (Joh. 12 : 14). Dit is een beknopte uitdrukking, die het Synoptische bericht korte-lijk samenvat. Inderdaad zinspelen de volgende woorden van het verhaal van Johannes; „zij herinnerden zich, dat zij Hem deze dingen gedaan hadden\'\'\' (vs. 16) op een „doenquot; der discipelen, dat in dit verhaal niet vermeld wordt, en geen ander kan zijn, dan dat, hetwelk hun in het Synoptische bericht wordt toegeschreven. — Het vlek, dal tegenover is, zou volgens Weiss Bethanië zijn; maar niets in den tekst duidt dit aan. Halfweg tusschen Bethanië en Jeruzalem, nadat de weg zich om den voet van den Olijfberg gedraaid heeft, bevindt zich aan de helling van dezen berg een vrij diepe bocht, die een kromming van den weg, welke eenige minuten duurt, tengevolge heeft. Dit feit verklaart zeer goed het xxtsvuvti , tegenover. Kort geleden heeft men dicht bij deze plaats fondamenten van huizen en overblijfselen van regenbakken ontdekt, die oude nederzettingen op deze thans onbewoonde plaats onderstellen. De trek: waarop geen mensch ooit heeft gezeten behoort tot het decorum van de gelegenheid. De bijzonder heilige bestemming van een vooi\'-werp eischt, dat het nooit tot een ongewijd gebruik heeft gestrekt (Num. 19 : 2; Deut, 21 ; 3). Mattheus maakt niet alleen van het veulen, maar ook van de ezelin gewag. Van zijn moeder vergezeld, moest het niet gedresseerde dier rustiger gaan. Wat moet men denken van critici, zooals Strauss en Volkmar, die beweren dat Jezus, volgens den tekst van Mattheus op de twee dieren tegelijk zou gereden hebben!

Vs. 31. De laatste woorden van dit vers onderstellen, dat deze menschen Jezus reeds kenden, maar geenszins, dat Hij vooraf alles met hen afgesproken had. Dit is ook een bewijs, dat Jezus vóór dien tijd meermalen in Jeruzalem heeft vertoefd. Maar deze trek bewijst eveneens het profetische weten van Jezus, dat men niet met alwetendheid mag verwarren; vgl. 22 ; 10, 31—34, Joh. 1 : 49, 4; 17, enz. — Volgens Markus, die gaarne bijzonderheden beschrijft, was het veulen aan een poort bij een kruisweg («.«cpsèo?) vast-

380

-ocr page 393-

19 :32—37.

gebonden. Het was zonder twijfel de plaats, waar het voetpad , dat naar het huis der eigenaars van het veulen voerde, zich van den grooten weg afscheidde.

Vs, 32—36. En de gezondenen, heengegaan zijnde, vonden het, zooals Hij hun gezegd had. 33. En toen zij het veulen ontbonden, zeiden de heeren daarvan tot hen: Waarom ontbindt gij dit veulen? 34. En zij zeiden: Omdat!) de Heer het noodig beeft. 35. En zij brachten het tot Jezus; en hunne kleederen op het veulen gelegd hebbende, deden zij Jezus daarop zitten. 36. En terwijl Hij voorwaarts ging, spreidden zij hunne kleederen uit op den weg.quot;

De discipelen begrijpen de bedoeling van hun Meester, en handelen in overeenstemming met zijn gevoel; zij bewijzen Hem hulde. Door deze kleederen (ja \'i^ciTix, de boven-kleederen), die zij aan zijn gebruik wijden, willen zij de toewijding van hun persoon en van al wat zij bezitten uitdrukken; zij hadden zich gemakkelijk een dekkleed kunnen verschaffen. — Lukas en Markus, die voor Grieksche lezers schrijven, herinneren hier niet, evenals Mattheus, aan de profetie van Zacharia. Ook afgezien van de vervulde profetie, zeide Jezus door dit tooneel als met luide stem: „Ik ben een koningquot;, maar tevens voegde Hij, door het gebruik van dit onaanzienlijke rijdier, erbij; „Mijn koninkrijk is niet van deze wereldquot;.

381

Vs. 37. De intocht: „En toen Hij reeds nabij was, aan de helling van den olijfberg, begon de geheele

1) N A B en 5 Mjj. Syr. lezen hier on, dat T. B. ea 11 Mjj. weglaat.

-ocr page 394-

19 ; 37—38.

menigte der discipen, door vreugde vervoerd, God te loven met groote stem voor al \') de wonderen, die zij gezien hadden, 38, zeggende: Gezegend zij de koning, die komt1) in den naam des Heeren! Vrede in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!quot;

Eenmaal op het veulen gezeten, wordt Jezus het voor allen zichtbare middenpunt van den stoet, en het tooneel neemt hoe langer hoe meer een buitengewoon karakter aan. Het is, alsof een adem van boven, de voorlooper van dien van het Pinksterfeest, zich van deze menigte had meester gemaakt. Het gezicht van de stad en den tempel, die zich juist op deze plaats in al zijn schoonheid te aanschouwen geeft, draagt bij tot de uitbarsting van vreugde en hoop, die zoo plotseling ontstaat. Alle harten herinneren zich op dit oogenblik de wonderen, welke de loopbaan van dezen buitengewonen man hebben gekenmerkt, maar wier indruk door de dagelijksche aanschouwing verstompt scheen. Uit het bericht van Johannes weten wij, dat de opwekking van Lazarus de eerste plaats innam in de dankbare bewondering. De woorden vrpht Tfj xxTafidirei, aan de helling, hangen niet af van toen Hij nabij was; er zou dan de

accusativus hebben gestaan; zij zijn een tweede bepaling, die met het participium parallel loopt. Bij dit laatste moet Jeruzalem worden gedacht. Van deze plaats kan men het terras van den tempel geheel overzien, dat zelf 400 voet boven het dal Kedron verheven is. — Het ttxvtuv, dat de Valicanus en de Canlabrig. in plaats van ttxuuv lezen, is aan onoplettendheid toe te schrijven.

Vs. 38. Deze toejuiching is voor een deel aan Ps. 118 :26

382

1

Tussclion tvMy^TOt en tv ovopuTi leest T. E., met A en 12 Mjj,, de woorden o efxonivot fSay/AJi/jj NX: o paciMvf, B Hyi-.! c twnivot

-ocr page 395-

19 : 39—40.

ontleend. Ieder kende dit lied, het behoorde tot het groote Hallel, dat men aan het einde van het Paascbmaal en op het Loofhuttenfeest zong. Men was gewoon, de uitdrukking: Hij, die komt in den naam des Ileeren (in den Psalm heeft zij betrekking op iederen geloovige, die op het feest komt) op den Messias toe te passen. Het woord koning, als het echt is,, is onder den levendigen indruk van dit buitengewone tooneel er bijgevoegd. In den naam van hangt niet af van gezegend zij, maar van Hij die komt: „de koning, die van Godswege komt, als zijn vertegenwoordiger.quot; De vrede in den hemel is die, welke de vrucht is van de verzoening, die de Messias tusschen God en de menschen tot stand brengt, en waarvoor de engelen God prijzen rondom zijn troon. Het is beter, is aan te vullen, dan zij; het is een verklaring. Lukas laat de uitdrukking Hoianna weg, die zijn heiden-christelijke lezers niet zouden verstaan hebben.

Vs. 39—40. Murmureeringen der Pharizeën: „En sommigen der Pharizeën uit de schare zeiden tot Hem : Meester, bestraf uwe discipelen ! 40. En Hij antwoordende, zeide tot hen1): Ik zeg u, dat, indien deze zwijgen, de steenen roepen zullen 2).quot;

De in vs. 39 en 40 vermelde bijzonderheid wordt bij Lukas alleen gevonden, en bewijst, dat hij voor dit geheele verhaal een bijzondere bron bezat, want deze kon toch niet enkel genoemde bijzonderheid bevat hebben. De Pharizeën hadden zich onder de scharen gemengd, om hetgeen voorviel te bespieden. Toen zij bespeurden, dat zij niet meer het noodige gezag hadden, om aan de menigte het zwijgen op te leggen (Joh. 12 : 19), wendden zij zich tot Jezus zelf,

383

1

NBL laten uuroif weg.

2

T. R. Ipest ttixfufyvreti, met A. en 12 Mjj,; NBLt npx^ovft.

-ocr page 396-

19 : 41-44,

om van Hem te verlangen, zijn gevolg tot de orde te roepen. Zij zijn er over gebelgd, dat Hij zich niet alleen voor een Profeet uitgeeft, maar ook openlijk Messiaansche hulde durft aan te nemen. Misschien vreezen zij, dat dit tooneel door de Romeinen als een begin van opstand beschouwd zou kunnen worden. Het antwoord van Jezus ademt een verschrikkende majesteit; „Indien ik al deze monden deed zwijgen, dan zoudt gij deze zelfde toejuichingen hooren uitgaan van deze steenen, die den grond bedekken; want het is onmogelijk, dat een verschijning als deze niet ten minste één keer op aarde zóó begroet wordt, als zij het verdient.quot; — De door Jezus gebruikte uitdrukking schijnt iets spreekwoordelijks te hebben (Hab. 2 ; 11), Stier heeft de uitdrukking: de steenen toegepast op de muren van den tempel en de huizen van Jeruzalem, die, toen zij 40 jaren later instortten, aan het koningschap van Jezus hulde deden. Maar wij hebben hier slechts een onderstelling, wier verwezenlijking men niet in de feiten moet zoeken, daar de menschen immers hun plicht hebben vervuld. Het fut. perf. KiKpct^ovrxi in den T, R. komt dikwijls in de LXX voor, maar, evenals hier, zonder de bijzondere beteekenis, die het in het klassieke Grieksch heeft. De vorm van het eenvoudige fut. wordt in de LXX zeldzamer gebruikt; dit is misschien een reden om aan de Alexandr, lezing de voorkeur te geven.

Vs. 41—44, De tranen van Jezus: „En toen Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar \'), zeggende: 42, Hadt ook gij gekend, althans in dezen dag, die u gegeven is 1), hetgeen tot uwen 2) vrede dient! Maar nu is het ver-

384

1

Een groote meu\'gte varianten; T. E. met latere Mjj.: ei eyvut Hai tv KXiys cv tgt;) tfixifu aov ravrti rx irpof cipyvyv irov. K B L: éi eyvu( iv m

t ccvty hui trv ....

2

K B L laten vou weg.

-ocr page 397-

19 : 41—44.

borgen voor uwe oogen: 43. want er zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden een wal rondom u zullen oprichten1), en u zullen insluiten, en van alle kanten benauwen; 44, en zij zullen u op den grond nederwerpen, en uwe kinderen in het midden van u; en zij zullen in u den eenen steen op den anderen steen niet laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet erkend hebt.quot;

Jezus is gekomen op die plaats van den weg, van waar men onmiddellijk tegenover zich, aan gene zijde van het dal Keclron, het terras van den tempel en de heilige stad aanschouwt; zij ligt daar voor hen in de pracht van al haar schoonheid {iïcov rijv iróhiv). Welk een dag zou deze voor haar zijn, indien de blinddoek haar van de oogen viel! Maar hetgeen zooeven tusschen Hem en de aanwezige Phari-zeën is voorgevallen, heeft in zijn hart het besef doen ontwaken van den onoverwinnelijken tegenstand, waarmede Hij nog in botsing zal komen; en aangegrepen en als het ware gekneld door het contrast tusschen hetgeen had kunnen zijn en hetgeen zijn zal, kan Hij zijn droefheid niet bedwingen. quot;Exhauarsv, en niet hier is sprake van luid geween,

385

van strikken, die de stem versmoren, en niet enkel van tranen: „Hadt ook gij, evenals deze schare van eenvoudige geloovigen, die mij op dit oogenblik met zooveel vreugde begroet!quot; De woorden xxlys en vou, die bij de Alexandr. ontbreken, zijn van groote beteekenis. Het eene beteekent: „althans in dezen dag, die voor u de laatste isquot;; het andere: „die, welken God u nog geeft tot uw heil, en waarop uw lot beslist wordt.quot; Het geheele verledene had nog op dezen éénen dag weder goedgemaakt kunnen worden. Had Jezus zich op deze wijze kunnen uitdrukken, indien dit zijn eerste

25

1

NOL: ■xctfeiJ.ficiKovaiv, in plaats vau irefiPxAova-iv, Godet, Lukas. II.

-ocr page 398-

19 : 41—44,

bezoek aan Jeruzalem was geweest ? Kon Hij op den dag, waarop Hij voor de allereerste maal de stad inging, zichzelf beschouwen als voor goed rloor haar bevolking verworpen? Zulk een uitspraak bevestigt het Johanneïsche bericht aangaande het herhaald verblijf van Jezus te Jeruzalem ten volle. — Bij de woorden: hetgeen tot uwen vrede dient denkt Jezus zoowel aan het persoonlijke heil der inwoners als aan het behoud der stad. Als Israël zich aan de heerschappij van Jezus onderworpen had, zou het bewaard zijn gebleven voor den geest van vleeschelijke opgewondenheid en opstand, waardoor het in het verderf werd gestort. De vrede, waarvan hier sprake is, is die, welke de vrucht zou zijn van het verkregen heil, en niet, zooals Meyer wil, het heil zelf. — Met het vüv Ss, maar nu, komt Jezus vaa dit mogelijke heil, dat Hij in den geest heeft aanschouwd, op de treurige werkelijkheid terug. Het subject van snpufiy, is verborgen, is geenszins het in den volgenden zin aangeduide feit: „Er zullen dagen over u komen....quot; Deze constructie zou log en slepend zijn. Maar het is: „hetgeen tot uwen vrede dientquot;. In de uitdrukking supiifa ligt het denkbeeld van een goddelijk besluit, dat ten uitvoer gebracht wordt. Israël moest, daar het zoo gezind was, niet gelooven en zich het heil toeëigenen; dit wordt in Rom. 11 : 7—12 nader verklaard.

Vs. 43. Het on, want, geeft te kennen, dat de noodlottige gebeurtenis, die aanstaande is, een bewijs is van deze verblinding, waarmede Israël geslagen is. Uit het gevolg zal de oorzaak worden gekend. — In plaats van de dagen van verlossing en heerlijkheid, welke de komst van den Messias zou aanbrengen, ziet Jezus dagen naderen, waarvan het vooruitzicht zijne ziel met een bittere smart vervult (vs. 43 en 44). De hedendaagsche critiek verklaart een stemmig, dat deze beschrijving van de verwoesting van Jeruzalem trekken bevat, die veel te bepaald zijn, dan dat zij niet a\'j eventu zou zijn opgesteld; en zij trekt uit deze plaats het besluit, dat ons Evangelie na die droevige gebeurtenis vervaardigd werd. Maar dit is niets anders, dan

386

-ocr page 399-

19 : 41—44.

387

Jezus alle bovennatuurlijk weten ontzeggen en al de feiten der Evangelische geschiedenis, die het onrlerstellen, zooala b. v. de aankondiging van de verloochening van Petrus, die door al de vier Evangeliën nadrukkelijk vermeld wordt, naar het gebied der mythe of des bedrogs verwijzen. En bovendien, indien Jezus, zooals men niet loochenen kan, de verwoesting van Jeruzalem heeft voorzien en voorzegd, is het dan niet natuurlijk, dat al de bijzonderheden van een belegering, zooals zij toen geschiedde, Hem voor den geest kwamen ? Wij weten immers, hoe gaarne Jezus iedere gedachte op de concreetste wijze aanschouwelijk maakte. Zou men tegenwoordig aan een op handen zijnd beleg kunnen denken, zonder in den geest loopgraven en batterijen to zien? Het is daarvoor niet noodig, profeet te zijn. Ook moet men in het oog houden, dat Jezus hier bijna woord voor woord Jes. 39 : 3 teruggeeft: Kx) wKhuau êr) as kx) (ixhu sV/ ffè xctvxxx kx) ijau stti (rs irvpyoui;. — Xxpxï;-. een palissade van palen, met takken en aarde verbonden en meestal van een gracht voorzien, waarachter de belegeraars zich beschutten. Zulk een wal werd werkelijk door Titus opgericht. De Joden staken hem bij een uitval in brand; hij werd door een muur vervangen. — In de LXX beteekent itixtplfyiv; tegen den arond verbrijzelen, maar in goed Grieksch: met den grond gelijk mahen. De laatstgenoemde beteekenis is die welke hier past; want zij is zoowel op de gesloopte huizen als op de omgebrachte inwoners van toepassing. — Het tskvx aov, uwe kinderen, duidt de geheele bevolking van Jeruzalem aan, en het nxipoi; fVio-xwiji? den gunstigen tijd, waarin het volk met genade door zijn God bezocht wordt. Het is de ure, waarin men Hem vinden kan (Jes. 55: 6); maar deze ure is haar einde nabij. Hoe duidelijk is Jezus zich van de grootheid van zijn komst en van het beslissend gewicht van het tegenwoordig oogenblik voor Israël bewust! En welk een liefde voor dit volk, waarover Hij snikkend weent, zooals Hij geweend had bij hot graf van zijn vriend! Maar ook, welk een volkomene heerschappij over zichzelf te midden van zijn heerlijksten triomf! Terwijl

-ocr page 400-

19 : 41—44.

rondom Hem alles juicht, vooorziet Hij de droevige toekomst cn weent.

Dit verhaal is een der juweelen van ons Evangelie. Na deze aangrijpende bijzonderheden, vermeldt Lukas niet eens den intocht in de stad. Al wat hem belang inboezemt is vervat in de gebeurtenissen, die voorafgaan. Markus (11 ; 11) en Mattheus (21 ; 10) gaan anders te werk. Deze schildert de beweging, die in de geheele stad ontstond, terwijl Markus op een merkwaardige wijze de diepe indrukken van Jezus aan den avond van dien grooten dag beschrijft. Hoe zouden berichten, die in de bijzonderheden zoo verschillend zijn, uit een en dezelfde schriftelijke bron afkomstig kunnen zijn?

II.

De heerschappij van Jezüs in den tempel.

(19 : 45—21 ; 4.)

Van dit oogenblik af treedt Jezus als souverein in het huis zijns Vaders op; Hij is daar niet alleen als profeet, maar ook als wetgever en rechter werkzaam; gedurende eenige dagen schijnen de theocratische autoriteiten alle macht aan Hem te hebben afgestaan. — Deze dagen zijn als het voorspel van de heerschappij van den Messias in zijn tempel, zooals Maleachie het beschrijft (3:1 en 2).

Deze afdeeling behelst de volgende feiten: Jezus drijft de verkoopers uit (19 : 45—48); Hij antwoordt op een officiëele vraag van het Sanhedrin aangaande zijn bevoegdheid (20:1—8); Hij kondigt in de gelijkenis van de wijngaardeniers de opheffing van deze macht aan (20 : 9—19); Hij ontsnapt aan de strikken, die de Pharizeën en de Sadduceën Hem achtereenvolgens spannen (20 : 20—26 en 27—40); Hij legt hun een vraag voor over den persoon van den Messias (20 ; 41—44); Hij waarschuwt het volk voor deze verleiders (20 : 45—47); Hij stelt den waren maatstaf van het goddelijk oordeel tegenover hun valsch stelsel van zedelijke beoordeeling (20 : 1 —4).

388

-ocr page 401-

19 : 45—46.

I. 19:45—48; Uitdrijving van do verkoopers.

Vs. 45—46. „En in den tempel gegaan zijnde, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin *) verkochten1), 46. zeggende tot hen: Er is geschreven : Mijn huis is 2) een huis des gebeds; maar gij hebt het tot een roovershol gemaakt.quot;

Als wij het bericht van Markus niet hadden, zouden wij deuken, dat de uitdrijving van de verkoopers op den eigen dag van den intocht in Jeruzalem heeft plaats gehad. Maar uit dit bericht, dat hier bijzonder nauwkeurig is, zien wij, dat de intocht des namiddags geschiedde, en dat de Heer dien avond niets anders gedaan heeft, dan den tempel beschouwen. Eerst den volgenden dag, toen Hij van Bethanië terugkwam, zuiverde Hij den tempel van de heiligschennis, die openlijk daarin gepleegd werd. Als Mattheus en Lukas uit onzen Markus of uit een Z7r-Markus hadden geput, zouden zij dan beiden zijn bericht op deze wijze hebben veranderd ? Holhmann beweert, dat Mattheus door deze verandering van den dag het Hozanna der kinderen met dat der schare heeft willen verbinden. Maar Lukas, die het Hozanna der kinderen niet vermeldt, maakt dezelfde verandering! — Als de intocht van Jezus in Jeruzalem des Maandags heeft plaats gehad (zie mijn Comment■ mr l\'évang. de Jean, 3e ed., Hl, blz. 265—267), dan heeft Hij dus Dinsdagmorgen de verkoopers uitgedreven. — Met volle toestemming van de autoriteiten waren in het voorhof der heidenen de de kramen [chaniolh) opgericht. Daar werden de voor de offers be-noodigde dieren verkocht; daar vonden de pelgrims uit alle oorden der wereld het gangbare geld van het land, dat zij

389

1

T. R. voegt, met AC en 14 Mjj. It. Syr., kxi ayofce^ovtxi; er bij.

2

15 L R lezen iittxi, in plaats vau etrri.

-ocr page 402-

19 : 45—46.

noodig hadden, hetzij om hun tempelbelasting te betalen, hetzij om inkoopen te doen. In Edersheim\'s Life of Jesus (Deel I, I. III, 5) vindt men een volledig verslag van dezen handel, waarvan de Hoogepriesterlijke familie groote voordeden schijnt gehad te hebben (vgl. den naam kramen van Hanna); hij was dan ook gehaat bij het volk. Daaruit verklaart zich, dat de priesters zich niet tegen Jezus hebben verzet; deze had bij hetgeen Hij deed het volk op zijn hand. De woorden m) robe xyopxfyvTx?, en degenen, die kochten, van den T. R. zijn uit de twee andere Synoptici iu den tekst gebracht. — Het tou? vóór iruhoüvTcu; duidt deze kooplieden als bekende personen aan; het waren degenen, die voor geld van de hoofden het patent hadden gekregen.

Vs. 46. Het antwoord van Jezus is aan twee uitspraken van het O. T., Jes. 56 : 7 en Jer. 7:11, ontleend. Luk as citeert de eerstgenoemde plaats niet, zooals Markus, in haar geheel: „Miju huis zal een huis des gebeds voor alle volken {ttxiti roU sóveat) worden genoemdquot;. Hij heeft dus dit citaat, waarvan de laatste woorden met den geest van zijn Evangelie volkomen overeenstemden, niet aan Markus ontleend. — De weglating van de woorden: voor alle volken bij Lukas heeft waarschijnlijk ook de verandering van het zal genoemd worden, dat wij bij Markus en Matthens vinden, in kri, zooals de T, R. leest, bij hem ten gevolge gehad. Zoodra er slechts sprake is van de tegenwoordige bestemming van den tempel (voor de Joden), en niet, zooals in den tekst van den profeet, van zijn toekomstige bestemming (voor alle volken), verdient het praos. sari, is, blijkbaar de voorkeur. Het fut. scrrxi, zal zijn, van den Vatic, is een correctie, die te danken is aan het fut. bij Jesaja en de twee andere Synoptici. — Met de uitdrukking: roovershol zinspeelt Jezus op de bedriegerijen, die met deze verschillende soorten van handel, en inzonderheid met dien der wisselaars, gepaard gingen.

Markus voegt hier een kleinen, zeer merkwaardigen trek er bij. Jezus verbood zelfs hun, die van het eene gedeelte der stad naar het andere lasten moesten dragen, door het

390

-ocr page 403-

19 ; 45—46.

voorhof van den tempel te gaan. Hij hield om zoo te zeggen het toezicht over den tempel.

Is dit feit van de uitdrijving van de verkoopers identisch met hetgeen Johannes ons aan het begin der werkzaamheid van Jezus mededeelt (2 : 13 en verv.)? In den tijd van Origenes werd dit algemeen aangenomen (in Joh. t. X, 15). Daar de Synoptici slechts één verblijf van Jezus te Jeruzalem, het laatste, berichten, zou men wel kunnen aannemen, dat zij zekere feiten, die bij vroegere gelegenheden hebben plaats gehad, daarmede verbonden hebben. Ik heb evenwel in mijn Comment, sur l\'évang. de Jean (I, bl. 253 en 254) de redenen uiteengezet, die het waarschijnlijk maken, dat wij hier twee verschillende feiten hebben. Indien Jezus, zooals Johannes verhaalt, aan het begin van zijn werkzaamheid, toen Hij nog geen autoriteit bezat, zoo krachtig tegen deze heiligschennis is opgetreden, hoe zou Hij haar dan, nadat zij langzamerhand weêr vasten voet had gekregen, geduld hebben, zonder een woord te spreken, toen Hij, het toppunt van zijn autoriteit bereikt hebbende, om zoo te zeggen in den tempel heerschte, zonder tegenstand te ontmoeten ? In het begin van zijn werkzaamheid was deze daad een tot het volk gerichte uitnoodiging, om mot Hem aan het herstel van de theocratie te arbeiden. Aan het einde van zijn openbare loopbaan was de herhaling van deze daad de aankondiging van het oordeel, dat spoedig de aan haar roeping ontrouw gewordene priesterschap en mèt\' haar het geheele volk treffen zal. De waarheid van het Synoptische bericht wordt inzonderheid gewaarborgd door de nauwkeurige bijzonderheden, die Markus vermeldt; dat Jezus in den laten avond den geheelen tempel bezichtigt (11 : 11) en verbiedt, voorwerpen door het voorhof te dragen (11 : 16). Zulke trekken verzint men niet; zij zijn van dien aard, dat zij niet eens in de overlevering bewaard konden blijven. Men moet ze beschouwen als de persoonlijke herinneringen van een ooggetuige, die zonder twijfel niemand anders is, dan Petrus, de verhaler, wiens berichten dikwijls door Markus worden wedergegeven.

391

-ocr page 404-

19 : 47—48.

Vs. 47—48. „En Hij leerde dagelijks in den tempel; maar de hoogepriesters en de schriftgeleerden, en de voornaamsten des volks zochten Hem te dooden; 48 en zij vonden niet, wat zij doen zouden; want het geheele volk hing aan zijn lippen.quot;

Wij hebben bier de korte, samenvattende bescbrijving van de werkzaamheid van Jezus gedurende de dagen, die op de tempelreiniging volgden. Door deze daad, die de hoogepriesters ten diepste gekrenkt bad, bad Jezus de sympathie van het volk geheel gewonnen; en wat de schriftgeleerden betreft, zij waren jaloersch op de geestdrift, die zijn onderwijs gaande maakte. De voornaamsten des volks zijn of de ouderlingen, leden van het Sanhedrin — maar zij worden gewoonlijk o\'i 7rpslt;r@vTcfoi genoemd — of de rijken van het volk. Zij waren niet bestand tegen de pressie, die door do twee voorgaande klassen werd uitgeoefend. Indien Jezus er ooit aan gedacht had, een aardsch koninkrijk op te richten, was bet thans het rechte oogenblik om te trachten, die gedachte te verwezenlijken. — Mark. 11 : 18 bevat een slot, hetwelk geheel gelijk is aan dat van Lukas, maar beter het verband tusscben dezen staat van zaken en bet voorafgaande tooneel doet uitkomen; de eene van deze twee redacties kan moeilijk uit dc andere zijn voortgekomen.

II. 20 : 1—8: De vraag, die door het Sanhedrin werd gedaan.

De houding, die Jezus in den tempel aannam, was wel geschikt, bet lichaam, dat in Israël met de hoogste macht in godsdienstzaken bekleed was, aanleiding te geven om handelend tegen Hem op te treden. — Als de uitdrijving van de verkoopers op Dinsdag heeft plaats gehad, dan moet deze officicelo vraag op Woensdag in den voormiddag, kort

392

-ocr page 405-

20 : 1-4.

nadat Jezus van Bethanië naar Jeruzalem was teruggekeerd,, worden gesteld.

Vs, 1—4. De vraag van het Sanhedrin en de wedervraag van Jezus: „En het geschiedde in een van die quot;) dagen, terwijl Hij in den tempel het volk leerde en het Evangelie verkondigde, dat de priesters1) en de schriftgeleerden met de ouderlingen daarbij kwamen, 2. En zij spraken tot Hem, zeggende: Zeg ons, met welk gezag gij deze dingen doet, of wie hij is, die u dit gezag heeft gegeven. 3. En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een enkele 2) zaak vragen, en zegt mij die: 4. De doop3) van Johannes, was die uit den hemel of uit de menschen?quot;

Sedert den vorigen avond hadden de leden van het Sanhedrin te zaïnen raad gehouden (het van 19 : 47),

en een reeks van vragen vastgesteld, die geschikt waren om Jezus in verlegenheid te brengen of Hem een antwoord te ontlokken, dat Hem aan onaangenaamheden bloot zou stellen, hetzij van den kant van het volk, hetzij van dien der Joodsche of heidensche overheden. De ondervraging van vs. 2 is het eerste resultaat van deze geheime beraadslagingen. Vs. 1 somt de drie klassen van leden op, waaruit het Sanhedrin bestond; het was dus een formeele deputatie; vgl. Joh. 1 : 19 en verv. De ouderlingen worden hier enkel

393

1

A en H Mjj. lezen ispsii;-, ï. R., met N B O D on 4 Mjj. It, Syr.: ufxitftif, aan Matth. en Mark. ontleend.

2

T. R. leeat eva Aoyov of Aoyov eva, met AC D en 13 Mjj,; NBLB: \\oyov

3

N 1) 1/ B lezen ro vddr luctvvov.

-ocr page 406-

V\'

394 20 : 5—8.

als ondergeschikte personen nevens de priesters en schriftgeleerden vermeld. — De vraag heeft teu eerste betrekking op den oorsprong van het gezag, dat Jezus zich toeschrijft: „Is uw gezag van God afkomstig?quot; en ten tweede op den tusschenpersoon, door wien Hij het ontvangen heeft: „Wie heeft het u verleend?quot; Het gevaarlijke van deze vraag was, dat het antwoord, hoe het ook luiden mocht, daarna aan het oordeel van zulke rechters als deze zou zijn overgeleverd.

Vs. 3. Het antwoord van Jezus schijnt bij den eersten blik slechts eene uitvlucht te zijn, meer een handige kunstgreep, om hen in verlegenheid te brengen, dan een ernstig antwoord. Doch dit is niets anders dan schijn. Was het niet door de bemiddeling van Johannes den Dooper, dat Jezus als Godsgezant geloof heeft gevonden bij het volk? Alles hing er dus van af, of zij het profetisch gezag van Johannes erkenden. In dit geval stond de goddelijke oorsprong van het gezag van Jezus vast.

Vs. 5—8. „En zij overwogen \') onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom1) hebt gij hem niet geloofd? 6. En indien wij zeggen: Uit de menschen, dan zal het geheele2) volk ons steenigen; want het houdt zich overtuigd, dat Johannes een profeet was. 7. En zij antwoordden, dat zij niet wisten, van waar die was. 8. En Jezus zeide tot hen: Dan zeg ik u ook niet, met welk gezag ik deze dingen doe.quot;

Dit antwoord van Jezus was genoeg om hen te ontwapenen.

ï 3

i

I:

:i! ■lp !: ||

1

T. K. leest hier ouv, met N C D en 4 Mjj.

2

N B D L : xTTie;, in plaats van sra?.

3

N C D lezen a-vve^oyi^ovTO, in plaats van ruveMyitritvTO, dat T. R. met al de anderen leest.

-ocr page 407-

20 : 5—8. 395

Zij, de geleerden , de deskundigen, die zich aanmatigdei) t over alles in de theocratie te oordeeleu, zij trekken zich met schande terug tegenover zulk een hoofdfeit als do verschijning van Johannes! — Er ligt zoowel verontwaardiging als verachting in het: ik ook niel van Jezus (vs. 8): „Indien gij u onbevoegd verklaart, om te oordeelcn over de werkzaamheid van Johannes, dan zijt gij even onbevoegd, om over de mijne te oordeelen.quot; Maar Hij, Jezus, is niet onbevoegd, om over hen te oordeelen , en Hij zal bun zeggen, wat zij in Gods oogen zijn: plichtverzakers en oproerlingen. Alleen richt Hij dit plechtig protest tegen het ergerlijk gedrag der hoofden tol hel gehede volk (npo; tov axóv, vs. 9).

IH. 20 : 9—19: De gelijkenis van de wijngaardeniers.

Bij Mattheus wordt deze gelijkenis door die van de twee zonen voorafgegaan. Daar deze, zooals Jezus zelf verklaart (Matth. 21 ; 32), op het gedrag der hoofden tegenover Johannes den Dooper betrekking heeft, is bet duidelijk, dat Mattheus haar om deze reden hier heeft ingevoegd. Wat de gelijkenis van de wijngaardeniers betreft, zij volgde zeer zeker onmiddellijk op het voorafgaande tooneel.

Zij is, met die van den Zaaier, de eenige, die in al do drie Synoptici voorkomt (Matth. 21 : 33 en verv.; Mark. 12: l en verv.) De drie berichten daaromtrent verschillen genoeg van elkander, om ons de overtuiging te geven, dat zij drie van elkander onafbankelijke redacties zijn, die uit de mondelinge overlevering zijn voortgekomen.

Het is het verbevenste tafereel, dat Jezus van den ganschen loop der theocratische geschiedenis geschilderd heeft. De ware beteekenis dezer geschiedenis wordt daarin op de diepzinnigste wijze blootgelegd. Al wat geschied is van de stichting van het 0. V. af, door den tijd der profeten been, tot aan de komst van Jezus-zelf, zijn verwerping en zijn dood, ja zelfs de gevolgen van dozen dood, die nog plaats moet vinden: de verwerping van Israël en de overbrenging van

I

-ocr page 408-

20: 9.

het rijk Gods van de Joden naar de heidenen, — dit alles wordt daarin onder de eenvoudigste beelden en met de ont-zettendste duidelijkheid voorgesteld. Het is tevens het antwoord op do vraag der oversten aangaande den oorsprong van zijn gezag. Hij is de Zoon, de erfgenaam, de hoogste gezant van hun eigen Heer. — De gelijkenis van de wijn-gaardeuiers is volgens vs. 9 tot het volk gericht. Zij is de plechtige veroordeeling van het vroegere, tegenwoordige en toekomstige gedrag zijner oversten. Volgens Markus is deze verklaring tot de hoofden zelf gericht (xutoïz , het v/xTv van het vorige vers). Weiss meent, dat onze drie redacties uit den C7r-Mattheus zijn voortgekomen, waarin zij, evenals bij Lukas, tot het volk was gericht. Vs. 43 zou het bewijs zijn vau deze oorspronkelijke bestemming: „Het koninkrijk Gods zal u (den Joden) worden ontnomen en aan een volk worden gegeven, dat de vruchten daarvan leveren zal.quot; Markus zou de oorspronkelijke beteekenis daarvan veranderd hebben, door in de wijngaardeniers de Israëlitische overheden te zien, in plaats van, overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling, de Joden-zelf; en de auteur van onzen kanonieken Mattheus en Lukas zouden hem in deze toepassing gevolgd zijn. Maar in de drie Synoptici eischt de samenhang, zooals wij zien zullen, de toepassing van het beeld van de wijngaardeniers op de theocratische overheden, en niet op het geheele Joodsche volk.

De gelijkenis schildert eerst de positie van de hoofden dor theocratie, daarna hun gedrag, en eindelijk hun straf.

Vs. 9, \') De positie der hoofden: „En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een1) mensch plantte een wijngaard en verhuurde 2) hem

396

1

T. B. leest, met A en Syr., Ti? na mQpazoi;.

2

3)^NABCL lezeu efySsro, ia plaats vau efySoro.

-ocr page 409-

20:10—12. 397

aan wyngaardeniers, en hij ging gedurende een langen1) tijd weg.quot;

Het iloor Jezus gebruikte beeld is aan Jes. 5 : 1 en verv. ontleend, waar de wijngaard het volk van God voorstelt, waaraan Hij al zijne zorgen heeft ten koste gelegd. Bij Jesnja is van wijngaardeniers geen sprake. — Lukas laat do bijzonderheden, die betrekking hebben op de stichting van do theocratie, het maken van den wijnpersbak en het bouwen van den toren (Matth. en Mark.), weg. Toon het volk eenmaal in het leven geroepen was, werd het aan autoriteiten toevertrouwd, aan wie het opgedragen was, het te leiden bij de vervulling van de goddelijke wet (priesters, koningen, oudsten). De Alexandr. vorm samp;Hsto laat zich verklaren uit de bij de latere Grieken vrij dikwijls voorkomende vervanging van de conjugatie der verba op door die der overige verba op pi. — Het pachtgeld moest in den vorm van een deel van den oogst worden betaald; vgl. het xtto toïi nxpvov van vs. 10; evenzoo bij Markus. — De afwezigheid van den eigenaar stelt het ophouden van de onmiddellijke goddelijke tusscheukomst voor, na de stichting van het verbond en de vestiging van Israël in Kanaan. Van dit oogenblik af begint voor het geheele volk het tijdperk, waarin het een vrij gebruik moet maken van zijn krachten en van de genadegaven, die het ontvangen heeft (dit is de zin bij Jesaja), of de tijd, waarop de hoofden, aan wier leiding het toe-vertrouwd is, het op den weg der gehoorzaamheid aan den goddelijken wil moeten leiden; dit is de zin bij de Synoptici.

Vs. 10 — 12. Het vroegere gedrag der theocratische overheden: „En in2) den tijd der vrachten zond hij een dienstknecht tot de wijngaardeniers, opdat

1

r

1

B laat ixmovs weg.

2

N B D L laten ev vóór xxipu weg.

-ocr page 410-

20 : 10—12.

zij hem van de vrucht des wijn gaar ds zouden geven; maar de wijngaardeniers sloegen hem en zonden hem ledig weg. 11. En hij zond nog een anderen dienstknecht; en ook dezen geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen. 12. En wederom zond hij een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem buiten.quot;

Bij Lukas wordt driemaal slechts één dienstknecht gezonden, en worden de mishandelingen van den kant der wijngaardeniers steeds erger (slaan, slaan en smaden, verwonden). Bij Markus eveneens, maar met een verschil, in de mishandelingen (slaan, het hoofd verwonden, dooden) en de bijvoeging van verschillende dienstknechten bij do derde zending. Bij Mattheus wordt van slechts twee zendingen gesproken, maar telkens van verscheidene dienstknechten, en daar zijn de mishandelingen: slaan, dooden, steenigen. Men kan gemakkelijk begrijpen, dat het bericht door de overlevering geheel van zelf zulke kleine veranderingen heeft ondergaan. Men lette bij Lukas op de uitdrukking irpotrsQsTO 7répt,\\pxi, hij ginj voort, le zenden, die zooals Weiss, erkent, een zuiver Hebraïsme is (Gen. 4:2, enz,), en dus een andere bron aanduidt, dan die der twee andere Synoptici, bij wie op de parallelle plaatsen niets dergelijks te vinden is. — Het is duidelijk, dat de dienstknechten, of de groepen van dienstknechten, de profeten voorstellen, die van het volk en diens oversten de toewijding aan God en al de plichten, welke daaruit voortvloeien, eischen. Over de mishandelingen van den kant der hoofden vergelijke men het woord van Elia, 1 Kon. 19 : 14; verder do door Manasse gepleegde moorden, 2 Kon. 21:10—16; inzonderheid de voorbeelden van Jesaja, Zacharia, Jeremia, volgens do Schrift en de Joodsche overlevering; en eindelijk, betreffende de profeten in het algemeen, Hebr. 11 : 32—3H.

398

-ocr page 411-

20 : 13—15.

Vs. 13—15. Het tegenwoordige gedrag der theocratische overheden: „En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? ^ Ik zal mijn geliefden zoon zenden; zij zullen toch 1) voor dezen 2) ontzag hebben. 14. Maar toen de wijngaardeniers hem zagen, overlegden zij3) onder elkander 4), zeggende: Deze is de erfgenaam 5); laat ons hem dooden, opdat de erfenis de onze worde. 15. En hem buiten den wijngaard geworpen hebbende, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?quot;

Op dit oogenblik neemt het bericht een bijzonder plechtig karakter aan, dat bij Markus nog duidelijker uitkomt. Tegenover dezen hardnekkigen tegenstand gaat de heer des wijngaards met zich zelf te rade en neemt een besluit. — Door de uitdrukking zoon maakt Jezus een diepgaand onderscheid tusscben zichzelf en de profeten, die bloot dienaars zijn. Een zoon heeft het bloed zijns vaders in zich. En men zegge niet, dat Hij zich alleen als Messias, als drager van het hoogste theocratische ambt, den Zoon noemt. Men ziet hier duidelijk, dat Hij integendeel als Zoon gezonden is, om dit hoogste ambt te vervullen. Deze titel bevat het antwoord, dat Hij bij de voorgaande ondervraging niet heeft willen geven. — Het woord few? beteekent nu en dan misschien,

399

1

B leest tu%ov, in plaats van i™?.

2

T. R. leest, met A en 13 Mjj.: Syrsdi, iciovTes vddr evrpxiryaovTar, N B C en 3 Mjj. laten het weg (aan vs. 14 ontleend).

3

ï. R. leest SitAoyi^ovro, met N B C D en 13 Mjj.; AKri: Sishoyitrecvro,

4

T. B. leest vpoi; exvrov;, met A C en 12 Mjj.; N B D en 3 Mjj.: vfot aAAi/Aoi/?

5

ï. U. leest hier Sevre, met nCD en 11 Mjj. Syr.; A B en 4 Mjj. ItPier laten het weg.

-ocr page 412-

20:13-15.

en in deze beteekenis wordt het hier door de meesten opgevat. Maar deze beteekenis is in dezen samenhang veel te zwak. Hot moet hier worden genomen in den zin van toch, in ieder geval, zeker (zie Passow). — Het , toen

zij hem zarjen, dat bij de Alexandr. ontbreekt, werd öf onder den invloed der twee andere teksten weggelaten (Meyer), of veeleer naar vs. 15 er bijgevoegd {Weiss). — Over liet hoiXoyi^saöoii vergelijke men 19 ; 47, 48. Het impeif. schildert. Door hun deze woorden in den mond te leggen, ontbloot Jezus voor het geheelo volk de geheime berekeningen van deze huichelachtige oversten en de ware oorzaak van don haat, waarmede zij Hem vervolgen. Deze menschen hebben de theocratie tot hun eigendom gemaakt (Joh. 11 ; 48: onze plaats, ons volk); en deze macht, die zij tot hiertoe tot hun eigen voordeel hebben gebruikt, kunnen zij niet besluiten, neder te leggen in de handen vau den Zoon, die haar in den naam zijns Vaders komt terugeischen. Vooral doze woorden bewijzen, dat de wijngaardeniers niet het volk maar de hoofden voorstellen, en dat het volk eenvoudig de wijngaard is.

Vs. 15. Jezus schildert met een aangrijpende kalmte en a\'s een reeds voldongen feit de misdaad, die zij zich opmaakten, aan zijn persoon te begaan; daarmede zegt Hij hun, dat Hij in het geheel niet zal trachten, hun te ontsnappen. Zou de daad van hel werpen van den Zoon buiten den wijngaard, die, evenals bij Mattheus, aan den moord voorafgaat, den reeds tegen Jezus en zijn aanhangers uitgesproken ban (Joh. 9 : 22) te kennen geven? Het is eenvoudiger, haar toe te passen op het gebruik, den veroordeelde buiten de heilige stad te voeren, om hem ter dood te brengen. Bij Markus gaat de moord vooraf; daarna wordt het lijk naar buiten geworpen en aan zijn lot overgelaten.

Mattheus schrijft den tegenstanders een antwoord op de vraag van vs. 16 toe, dat, als het werkelijk zóó door hem uitgesproken is, slechts den volgenden ironischen zin hebben kan: „Hij zal hen laten omkomen; dat spreekt van zelf. Maar wat kan ons dat schelen? Uw geheele verhaal is niets

400

-ocr page 413-

20 ; 1G—18.

anders, clan eon fabel.quot; Het stilzwijgen, dat bij Markus en Lukas op de vraag volgt, is plechtiger. Daarna herneemt Jezus het woord, en antwoordt zelf op de door Hem gestelde vraag door de ophanden zijnde afzetting van de theocratische autoriteiten aan te kondigen.

Vs. 16—18. De straf: „Hij zal komen, en deze wijngaardeniers verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre! 17. Maar hen aanziende, zeide Hij: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is de hoeksteen geworden ? 18. Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verbrijzeld worden; en op wien bij valt, dien zal hij tot stof vergruizen.quot;

Indien de eerste wijngaardeniers de theocratische overheden voorstellen, dan kunnen de andere wijngaardeniers, aan wie de wijngaard (het koninkrijk Gods, Matth. 21 : 43) in de toekomst zal worden toevertrouwd, niemand anders zijn, dan de toekomstige hoofden der kerk, de apostelen en hunne opvolgers. Zonder twijfel schijnt deze opvatting niet in overeenstemming te zijn met Matth. 21 : 43, waar duidelijk sprake is van de overgave van den wijngaard der Joden aan de heidenen, aan een volk {Mvet), dat de vruchten daarvan leveren zal. Maar bij Mattheus-zelf, vs. 42, kunnen de slechts de hoofden van het volk voorstellen. Als dus in vs. 43 over de geheele natie gesproken wordt, dan is het, omdat de verwerping van de hoofden onvermijdelijk die van het geheele volk ten gevolge zal hebben, als het onder hunne leiding blijft. Het èKsvcenxi, zal komen, vormt een tegenstelling met het hij ging weg, van vs. 9. De terugkomst duidt een nieuwe rechtstreeksche tusschenkomst Godkt, lAikas. II. 26

40!.

-ocr page 414-

20: 16—18.

van God aan, zooals bij de oprichting van het verbond; maar ditmaal zal Hij als rechter komen. Dit is de zeer duidelijke aankondiging van de op handen zijnde afschaffing van het Sanhedrin en van het priesterschap, en eveneens van de verwoesting van tempel en volk; vgl. Matth. 10 : 23. — Ditmaal hebben de toehoorders Jezus begrepen; zij haasten zich, het omen af te wenden. Jezus verwijst hen daarop naar een schriftwoord, die sedert lang dezelfde bedreiging bevatte.

Vs. 17, Het sft[3hé\\pixc geeft, zooals gewoonlijk, een veel-beteekenenden blik te kennen. Het ovv, dan, wil zeggen; „Indien een protest tegen mijn bedreiging gegrond is, wat beteekent dan dit woord, dat geschreven is (dit geschrevene woord vormt een tegenstelling met zijn mondelinge bedreiging)?quot; Menigmaal past men Ps. 118 : 22 op het volk Israels toe, dat de heidensche machten (de bouwlieden) veracht en met voeten getreden hebben, en dat desniettemin het steunpunt van het koninkrijk Gods op aarde blijft. In het verband van den Psalm moet men die woorden veeleer op de vromen in Israël toepassen, op het Israël Gods, dat, vóór de ballingschap door de priesters en de goddelooze koningsn onderdrukt, bij zijn terugkeer het fondament is geworden van het op aarde gegrondveste Godsrijk. Deze toestand van het ware Israël is op dit oogenblik juist die van den Messias tegenover het ontaarde Israël, dat door het Sanhedrin wordt vertegenwoordigd. De accus. gt;Jöov is een uit de LXX over-genomene attractie, die bij al de drie Synoptici gevonden wordt.

Vs. 18, De uitdrukkingen van dit vers schijnen aan Jes. 8 : 14, 15 en aan Dan. 2 : 34 ontleend te zijn. De eerste zin heeft betrekking op den persoon van den Messias in zijn vernedering; „Wie zich aan Hem ergert, zal omkomenquot;; de de tweede, op den Messias, die in zijn heerlijkheid wederkomt en zijn vijanden met zijn toorn verplettert. In het eerste geval is het een steen, waartegen men verbrijzeld wordt (vs. 17); in het tweede, een steen, die van den hemel valt en tot stof vergruist. — Het resultaat van deze vreeselijke botsing met de hoofden wordt in het volgende vers geschilderd.

402

-ocr page 415-

20 : 19—22.

Vs. 19. „En de hoogepriesters en de schriftgeleerden zochten in die ure de handen aan Hem te slaan, en zij vreesden het volk; want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had.quot;

Er bestaat, naar het mij voorkomt, een onderlinge betrekking tusschen de twee axFa: aan den eenen kant zochten zij , aan den anderen werden zij teruggehouden door ... Het want aan het einde van het vers heeft op den eersten zin betrekking; het trpè; en xvtov; beteekent: met hel oog op hen, evenals in vs. ü en 19 : 18. Mattheus plaatst bier de gelijkenis van het groote gastmaal. Ik acht het weinig waarschijnlijk, dat Jezus bij ééne gelegenheid zoovele beelden van denzelfden aard heeft opgehoopt. Daartegen ligt de aaneenschakeling van denkbeelden, die den Evangelist aanleiding kan hebben gegeven, om deze gelijkenis hier in te lasschen, voor de hand.

IV. 20:20—26. De vraag der Pharizeën.

De officiëele vraag van het Sanhedrin had slechts gestrekt, om Jezus een triomf te bereiden. Van nu af treden de verschillende partijen afzonderlijk tegen Hem op; zij leggen Hem eenige zorgvuldig ingekleede strikvragen voor.

Vs. 20—26. De vraag aangaande het betalen van schatting aan den keizer.

403

Vs. 20—22, De vraag: „En zij namen Hem waar en zonden verspieders uit, die veinsden rechtvaardig te zijn, opdat zij Hem zouden vangen door een woord, door middel waarvan *) zij Hem aan de

1) T. R. leest ut to, met A on 12 Mjj ; nBCDL: utrn

-ocr page 416-

20 : 20-22.

macht en aan het gezag vau den stadhouder zouden kunnen overleveren. 21. En zij vraagden Hem, zeggende; Meester! wij weten dat gij rechtuit spreekt en leert, eu de menschen niet in aanmerking neemt, en den weg Gods volgens de waarheid leert. 22. Is het ons \') geoorloofd, den keizer schatting te betalen, of niet?quot;

De inleiding vertoont bij de drie Synoptici vrij belangrijke verschillen in de uitdrukkingen, maar de zin is dezelfde. De tegenstanders zijn terzijde gaan staan, om niet opgemerkt te worden, en toch in staat te zijn, al de uitdrukkingen van het volgende onderhoud te hooren en te staven (noipv.-■nfjosjo-avTf?, waarnemende, bespiedende). Op dit oogenblik komen er menschen aan, die volkomen op de hoogte zijn van de rol, die zij te spelen hebben (syxurciösTOu;, verspieders). Zij doen zich op huichelachtige wijze als rechtvaardig voor, d. w. z. als menschen, die door een gewetensbezwaar tot dezen stap werden gedreven; maar in de werkelijkheid komen zij, om uit zijn mond een woord te lokken, dat tot zijn verderf kon worden gebruikt. Het pron. uutoü hangt niet van xóycu af (een woord van hem), maar van het werken. srihcifiuvTou: ten einde Hem te vangen door een woord, in zijn rede. De uitdrukkingen: „aan de macht en het geiaq van den stadhouderquot; zijn veelbeteekenend: Hij zal dan in goede handen zijn.

404

Vs. 21. Het arglistige van deze lofspraken springt in het oog. De onderworpenheid der Joden aan de Romeinsche macht was niets anders, dan een aanhoudende leugen. Zij wachtten slechts op de gelegenheid om het gehate juk af te schudden. Maar terwijl zij zeiven hun masker behielden, wilden zij Jezus, in den naam van zijn volmaakte oprechtheid, noodzaken, zich bloot te geven, om Hem daarna met

1) NABIi lezen wctt, in plaata van ttpiv*

-ocr page 417-

20 ; 20—22.

den dood voor zijn moedige openhartigheid te laten boeten. Het was de Satan, die tot Hem kwam, en zeide: „Indien gij de Zoon van God zijt, springt dan van de tinne naar beneden.quot; — \'Opóü:, zonder een haarbreed van de lijn af te wijken! Asyetv en iïiïaay.siv, spreken en onderwijzen, d. w. z. beslissen, en daarna de beslissing door het aanvoeren van gronden rechtvaardigen. Upóaurrov hx/tfiavsiv, een voor Griek-sche lezers afschuwelijk barbarisme; het aangezicht aannemen, om te kennen te geven: rekening houden met de uitwendige omstamligheden, met de macht en den rijkdom der personen , met wie men te doen heeft. Deze uitdrukking komt hier alleen bij Lukas voor, die haar dus, als hij de twee andere Synoptici heeft njigescbreven, met opzet in hun bericht zou hebben ingevoerd, zonder twijfel om het oor zijner lezers te kwetsen! — \'OSè? 6sov, de weg Gods, de heilige, door God zelf in zijn wet gefeekende lijn. M. a. w.: „Wij weten het, dat de vrees voor Pilatus een man zooals gij zijt niet van den rechten weg zal doen afwijken.quot;

Vs. 22. De strik bestond in het volgende. Als Jezus een bevestigend antwoord gaf, dan was het gedaan met zijn Messiaansche aanspraken. Een Messias, die de Ilomeinsche macht huldigt... welke Jood zou zulk een ongerijmdheid aannemen ! Gaf Hij een ontkennend antwoord, dan was het met Hem-zelf gedaan. Hij zou dan vallen in de handen van den vertegenwoordiger van bet Romeinsche gezag, die niet lang zou gewacht hebben met Hem ter dood te laten brengen, en zich niet zou hebben laten terughouden door de gunst, waarmede het volk Hem omringde. Hij is verloren, hoe Hij ook moge antwoorden !).

405

Deze opvatting van den strik, die Jezus gespannen werd, wordt door de volgende omstandigheid bevestigd. Markus en

1) Nadat Weiss deze opvatting ran den roor Jezus gospamieu strik heeft bestreden {Lehen Jtsu, II, bl. 455), eindigt hij met daarop terug te komen: „Men kan hoogstens zeggen, dat Jegt;,us, door een neutrale politiek aan to bevelen, zich ten laatstu van de sympathie van het volk heeft beroofd.quot; Dit is ten naastenbij ook mijne opvatting van de zaak.

-ocr page 418-

20 : 20—22.

Mattheus berichten, dat de Pharizeën in deze aangelegenheid gemeene zaak hadden gemaakt met de Herodianen. Bleek en Weiss (Matth., hl. 475) meenen, dat de aanwezigheid van de laatsten, de aanhangers van de Herodiaanschc dynastie, ten doel had, Jezus aan to moedigen, de gestelde vraag ontkennend te beantwoorden, en de onafhankelijkheid van het volk uit te spreken, hetgeen Hem in de handen van Pilatus zou hebben overgeleverd. Maar daarbij wordt uit het oog verloren, dat de Herodianen het met de Pharizeën wel eens waren in de verdediging van het bestaan van een nationale souvereiniteit, maar geheel van hen verschilden ten opzichte van het middel om deze souvereiniteit te verwezenlijken. De Pharizeën wilden haar tegen de Romeinen; de Herodianen, met en door hen, „De Herodianenquot;, zegt Reuss1), „waren die Joden, die de partij van de familie van Herodes hadden gekozen tegen de patriotten (de Pharizeesche partij).quot; Zij waren de vazallen des keizers, terwijl de Pharizeën de gezworen vijanden van de keizerlijke heerschappij waren. Wij hebben dus in dit samengaan van Pharizeën en Herodianen niet de vereeniging van twee met elkander overeenkomende partijen, die elkander steunen, maar, gelijk zoo menigmaal in de geschiedenis, de samenspanning van twee tegenover elkander staande partijen, om een gemeenschappelijken vijand te vernietigen. In Galilea hebben wij reeds een dergelijke toenadering gevonden (Matth. 3:6; Luk. 13:31, 32). Hun taktiek is gemakkelijk te begrijpen. Als Jezus het betalen van de schatting goedkeurt, dan klagen de Pharizeën Hem bij het volk aan, als iemand, die de rechten Gods en de verwachtingen van Israël loochent, en daardoor van het Messiasschap afziet. Verbiedt Hij het betalen van de schatting, dan bemoeien zich de Herodianen met de zaak en klagen Hem als een oproermaker bij Pilatus aan. Zonder twijfel had Jezus gedurende den ganschen loop zijner werkzaamheid nog nooit in zulk een groot gevaar verkeerd als thans. Een woord kon Hem te gronde richten (vs. 20). Reeds bij

406

1

_Herzog\'a Real-EncyHopadie, XIII,ibl. 201.

-ocr page 419-

20 : 23—26.

den eersten blik ontdekt Jezus den strik, maar Hij ziet ook de zwakke zijde daarvan.

Vs. 23—26. Hftt antwoord: „Maar Hij, hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen 1): 24. Toont mij2) een penning! Wiens beeld en opschrift draagt hij? Zij zeiden3) tot Hem: Van den keizer. 25. En Hij zeide tot hen4): Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. 36. En zij konden in zijn woorden niets vinden, om tegenover het volk te berispen; en zich verwonderende over zijn antwoord, zwegen zij stil.quot;

De om zoo te zeggen onoplosbare moeilijkheid van het vraagstuk berustte op de tegenspraak tusschen het recht van het volk Gods als zoodanig en den feitelijken toestand, waarin het zich thans bevond. De toestand volgens het recht moest zijn de nationale onafhankelijkheid ten opzichte van elke heidensche macht. De feitelijke toestand daarentegen was de onderworpenheid van Israël aan de Romeinsche heerschappij. Hoe kon deze tegenspraak worden opgelost? De Galileër Judas had baar door opstand willen oplossen; hij had het feit geloochend in den naam van het recht, en zijn poging was mislukt. Moest Jezus dit avontuur herhalen? Hij zou het volk en de Pharizeën aan zijn zijde hebben gehad. Heeft Hij dan niet, door niet op deze wijze te handelen, in den naam van het feit het recht, de wet, ja God-zelf verloochend? Ja, indien het feit niet van God-zelf

407

1

T. R. leest hier mot AC I.) ea 13 Mjj., n [ie irsipx^en; uit Mattheus ovei\'Kenomen.

2

N A B D en 3 Mjj. lozen Sei^dTS, ia plaats van eTriSci^cere, dot aan Mattlieus ontleend is.

3

8) ï. R. eest ciToxfiSevTSi; h, met AC en 11 Mjj,; oi Je,

4

B L: ai/reis, in plaats ran Tpo? ai/Tiri/i;,

-ocr page 420-

20 : 23—26.

408

afkomstig was, die zijn volk aan de heidenen had overgegeven als straf voor zijn zedelijke en godsdienstige ontaarding. De weg, die in dezen abnormalen toestand moest worden ingeslagen, was dus niet die des opstands, welke onder deze omstandigheden een opstand tegen God zou geweest zijn, maar die der verootmoediging, des berouws en eener onderwerping vol geloof, terwijl men van God alleen verlossing verwachtte. De dwaling, die Jezus door zijn antwoord wegneemt, bestond dus daarin, dat men het door God met het oog op den normalen toestand van het volk vaamp;tgestelde beginsel op zijn tegenwoordigen, verdorven toestand toepaste. Jezus wil tot zijn ondervragers zeggen: „Wordt werkelijk weder van God afhankelijk, en God zal u van den keizer onafhankelijk maken. Zoolang Hij deze verlossing nog niet tot stand heeft gebracht, blijft u niets anders over, dan de plichten te vervullen, die deze vernederende toestand met zich medebrengt.quot; En wat is nu het tastbare teeken van deze afhankelijkheid van den keizer, waarin Hij Israël geplaatst heeft? Het is deze Romeinsche munt, die door Israël gebruikt wordt als gangbaar geld, volgens bet Rabbijnsche spreekwoord: Ubicumque numisma regis alicujus oblinct, illic incolae re.cjem islum pro domino agnoscunt (Maimonides). Dit geldstuk, dat in Israël in omloop is, is dus genoeg om te staven, dat onder de tegenwoordige omstandigheden Rome de roeping heeft, om de maatschappelijke orde onder het volk Gods te doen heerschen. Men geve dus aan Rome de schatting, waarop de administratieve macht van ieder land recht heeft! Maar boven het gebied van het burgerlijke staat dat van het godsdienstige leven, hetwelk tegenwoordig daarvan gescheiden is, hoewel beide vroeger vereenigd waren in de theocratie, waarin Jehova God en koning tegelijk was. Het onderscheid tusschen het eene gebied en het andere vormde zich het eerst ten tijde van de instelling van het koningschap in Israël. Dit onderscheid werd dieper, sedert de heerschappij in de handen van den heidenschen keizer overging. Vandaar twee soorten van plichten: de burgerlijke plicht tegenover den keizer, en

-ocr page 421-

20 : 23—26.

de godsdienstige plicht tegenover God, welke den eersten niet weerspreekt, maar veeleer in zich sluit, daar het God is, die Israël den keizer tot souverein gegeven heeft. Wie had in deze oplossing zelfs één woord kunnen vinden, om te berispen? Voor de niet-onderworpene Pharizeën geldt het: Geeft den keizer wat des keizers is! Voor de half-heidensche Herodianen het: Eu Gode wat Gods is! Ieder krijgt de les, die hij noodig heeft; Jezus alleen triomfeert. Wij hebben hier wederom een bewijs voor de waarheid, dat de oprechtheid van de duif de voorzichtigheid van de slang bezit. Vgl. de ontwikkeling van dit voorschrift van Jezus in Eom. 12 en 13; in Hom. 12 die van het tweede gedeelte daarvan: „Geeft Godelquot;, en in Rom. 13 die van het eerste gedeelte: „Geeft den keizer!quot;

V. 20 : 27—40: De vraag der Sadduceën over de opstanding.

Deze strikvraag, die ook door Markus en Mattheus op dit tijdstip wordt gesteld, was minder gevaarlijk, dan de vorige; zij stelde Jezus alleen aan bespotting bloot, ingeval Hij de nederlaag leed. Wij weten uit Josephus (Anliq., XVIII, 1, 4; Bell. Jud., II, 8, 14), dat de Sadduceën de wederopstanding dor lichamen, de onsterfelijkheid der ziel en alle vergelding na den dood loochenden. Uit Hand. 23 : 8 volgt, dat zij tegelijk met de opstanding het bestaan van engelen en van geesten ontkenden, terwijl zij den geest slechts beschouwden als een fijne materie, die bij den dood werd opgelost. Natuurlijk had deze theorie op het bestaan van God geen betrekking. Ook verwierpen zij het O. T. niet, noch een van de gedeelten, waaruit het bestaat. Hoe hadden zij anders zitting kunnen hebben in het Sanhedrin en het hoogepriesterschap bekleeden? Waarschijnlijk vonden zij de persoonlijke onsterfelijkheid niet voldoende geleerd in de boeken van Mozes, en aan de profetische boeken kenden zij slechts een ondergeschikt gezag toe. Zij verwierpen de over-lev oririg in hot algemeen.

409

-ocr page 422-

20 : 27—33,

Vs. 27—33. De vraag: „En eenigen van de Saddu-ceën, die betwisten ^, dat er een opstanding is, kwamen tot Hem, en vraagden Hem, 28. zeggende: Meester! Mozes heeft voor ons geschreven, dat, als iemand, die een vrouw heeft, sterft en geen kinderen nalaat1), zijn broeder diens vrouw nemen en hem een nakomelingschap geven zal. 29. Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en stierf zonder kinderen. 30. En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf kinderloos 2). 31. En de derde nam haar, en desgelijks de zeven; en zij lieten geen3) kinderen na, en stierven. 32. En na hen allen 4) stierf ook de vrouw. 33. In de opstanding dan, van wien van hen wordt zij (i) de vrouw 1 Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad.quot;

De Sadduceën gingen uit van de Loviraatswet, die door Mozes gegeven was (Deut. 25 : 5), in overeenstemming met een ouder patriarchaal gebruik (Gen. 38), dat nog bij onderscheidene volken van het Oosten in zwang is. Natuurlijk was de hier verhaalde geschiedenis verdicht, om het denkbeeld van de opstanding, en daardoor Jezus zelf, belachelijk te maken, ingeval het Hem niet gelukte, het zegevierend te

410

1

ï. R. leest aTroóxvii, met A eu 12 Mjj.j BLP: gt;gt;.

2

T. R. leest, met A eu 13 Mjj.: xeti skapev o Ssut. ryv yvv. kx, ovto; airsQ. cctskvoc, NB DL; xa» o Jeute/jo;.

3

N A B D en 7 Mjj. laten xeci vóór ou KXTe^irov weg.

4

h) N B D L laten irmraiv weg.

-ocr page 423-

20 : 34-36.

verdedigen. Het is niet noodig, van o\'i ivTixiyovTet een nominativus absolutus te maken, als onregelmatige oppositie van aoiSSouKociav, het heeft op nvss betrekking, in dezen zin: „Eenigen uit de Sadduceën, die als zoodanig loochenden...— Na het werkw. xvTiAéysiv schijnt het w overtollig te zijn. Wij hebben hier niet het dikwijls voorkomende pleonasme der dubbele negatie, maar men het object van hsyovTts van de aan te vullen nadere bepaling van AvtI onderscheiden; die beweren {héyovTss), in strijd met het aangenomen gevoelen {dnl), dat er geen.... — Het geheele verhaal heeft iets sarcastisch.

Vs. 34—36. Het antwoord: „En Jezus, antwoordende \'), zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk gegeven 1). 35. Maar zij, die waardig geacht zijn, de toekomende eeuw te verkrijgen en de opstanding uit de dooden, trouwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven 2). 36. Want zij kunnen ook niet3) meer sterven; want zij zijn den engelen gelijk, en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.quot;

Op het standpunt der Rabbijnen, die meenen, dat de opstanding de wederherstelling van het tegenwoordige lichaam en van al de voorwaarden van het aardsche bestaan is, maar in een hoogere en betere wereld, was werkelijk de tegenspraak aanwezig, welke de Sadduceën deden uitkomen. Jezus lost de moeilijkheid op, door het vraagstuk over te

411

1

N 15 Ij ; yxinaxovrxi, in plaats van skyani^ovtxi,

2

H) Zie de vorige noot.

3

T. K, leest cure, met N eu 14 Mjj.; AB_DLP: ouSs.

-ocr page 424-

20 : 34—36.

brengen op een hooger gebied, waar het van zelf wegvalt. Bij Markus en Mattheus wordt het antwoord voorafgegaan door een strenge berisping over de grove onkunde, die zulk een vraag onderstelt, zoowel ten opzichte van de bijbelsche zienswijze in het algemeen, als ten opzichte van de goddelijke macht in het bijzonder.

Jezus verklaart, dat de tegenwoordige betrekkingen niet kunnen worden overgebracht in do toekomende eeuw, waarvan het leven geheel verschillend zal zijn van dat der tegenwoordige eeuw. Terwijl Jezus aldus spreekt, onderstelt Hij, dat de laatste tot aan de opstanding zal duren, hetgeen in strijd schijnt te zijn met plaatsen als Gal. 1:4, waar de geloovigen worden voorgesteld als reeds ingetreden in de toekomende, door de komst van Christus ingewijde eeuw. Maar volgens het N. T. vindt rle door Christus tot stand gebrachte vernieuwing thans slechts op het gebied des geestes plaats. Met betrekking tot het lichamelijk bestaan duurt de tegenwoordige eeuw nog voort en zal zij blijven voortduren tot aan de wederkomst van Christus, wanneer de vernieuwing van alle dingen plaats zal vinden (Matth. 19 : 28). Het is opmerkelijk, dat Jezus in vs. 35 niet over de opstanding der dooden (van alle dooden) spreekt, maar over de opstanding uit de dooden, d. w. z. van een deel van hen, hetgeen overeenstemt met 14 : 14, waar Hij over de opstanding der rechtvaardigen sprak. Zij, die aan het voorrecht van deze opstanding geen deel hebben, treden de toekomende eeuw niet in, maar blijven in den dood tot op den dag des oordeels. En in de uitspraak van 11 : 31 en 32 stelt Jezus inderdaad de onge-loovige Joden voor als op het oogenblik van het oordeel uit hunne graven opstaande, tegelijk met de heidenen, wier voorbeeld hen veroordeelt.

Vs. 34—35. De uitdrukking: de hinderen deur eeuw doelt op alle menschen, met betrekking tot hun natuurlijk bi,isfaan. De personen die in vs. 35 als o\\ kxtx^ucUvtcc, zij die waardicj geacht zijn worden aangeduid, zijn slechts een zeker aantal van hen. Het deel hebben aan de toekomende eeuw berust werkelijk op zedelijke voorwaarden,

412

-ocr page 425-

20 : 34—36.

welke niet bij allen aanwezig zijn. Uit dit partic. aor. KXTul-icoSsvTSi, die waardig geacht zijn, en uit de tegenstelling, die het vormt met de praesentia, die daarop volgen; „Ironwen niet, worden niet ten huwelijk gegeven, kunnen niet sterven, zijn kinderen Godsquot;, meent Brustnn (Revue théol., 1885, II, bl. 507) te mogen afleiden, dat het ingaan in de toekomende eeuw een feit is, dat reeds in het heden en voortdurend plaats vindt, en overeenkomt met hetgeen wij ten opzichte van de geloovigen het ingaan in den hemel noemen, in de ure huns doods, een feit, dat geheel buiten het lichaam om geschiedt. Dienovereenkomstig zouden de patriarchen reeds opgestanen zijn geweest op het oogenblik, toen Mozes zóó over hen sprak als in het in vs. 38 aangehaalde woord te kennen wordt gegeven. Maar noch het partic. aor., noch de daaropvolgönde praesentia eischen een dergelijke opvatting. Het door het partic. aor. aangeduide oogenblik heeft niets absoluuts; het wordt enkel door de betrekking tot de volgende verba bepaald, en deze kunnen, hoewel zij in het praesens staan, heel goed op een toekomstig feit betrekking hebben, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt bij het praesens van het denkbeeld. Zoo b. v. wanneer Herodes vraagt: „Waar wordt de Christus geboren ?quot; (Matth. 2:4), hetgeen te kennen geeft: „Waar zal Hij geboren worden?quot; en niet: „Waar wordt Hij op dit oogenblik geboren?quot; Of wanneer Paulus in 1 Cor. 15 : 35 zegt: „Met hoedanig een lichaam komen de dooden weder?quot;, d. w. z. niet nu, maar op den dag der opstanding. Of wanneer de scharen zeggen (Job. 7 :27): „Als de Christus komt, weet niemand van waar Hij is....quot; Bij de opvatting van Bruston moet men zich op de eene of andere manier van de positieve uitspraak van Joh. 5:28, 29 ontdoen, en bovendien aan het woord , opstanding,

een zuiver psychologische beteekenis geven, nl. die van „terugkeer tot zelfuewustzijn spoedig na den doodquot;, welke beteekenis niet in overeenstemming is met het gebruik, dat de H. Schrift van deze uitdrukking maakt. De beteekenis, die het woord „opstandingquot; verkrijgt op de plaatsen, waar het de wedergeboorte van den geloovige tot een nieuw

413

-ocr page 426-

20: 37—38.

geestelijk leven te kennen geeft, staat in geen enkel verband met die, welke Bruston genoodzaakt is, hier te verzinnen.

Vs. 36. Het want doet het noodzakelijk verband tusschen het ophouden van het huwelijk en het ophouden van den dood uitkomen. Daar het huwelijk ten doel heeft, het menschelijk geslacht, waaraan de dood anders spoedig een einde zou maken, in stand te doen blijven, houdt het op zoodra de menschheid door de opstanding onsterfelijk geworden is. De lezingen ovts en otös zijn beide geschikt. — Na de opstanding trouwt men niet meer, omdat men niet meer sterft, en, voegt Jezus er bij, men sterft niet meer, omdat men den engelen gelijk is [want), Deze gelijkheid is evenwel geen identiteit, daar de eene natuur niet in een andere veranderd kan worden. Volgens den samenhang heeft deze gelijkenis vooral betrekking op de geslachteloosheid bij de opgestanen, en dus ook bij de engelen. De volgende woorden; kinderen Gods wijzen op een tweeden trek van gelijkheid, die met den eersten in nauw verband staat: de menschen op aarde zijn kinderen van elkander, maar dóir zal ieder zijn nieuw lichaam van God-zelf ontvangen, door een onmiddelijke goddelijke scheppingsdaad, zooals er ook bij de engelen geen kinderlijke betrekking aanwezig is; daarom worden zij dan ook bene Elohirn, kinderen Gods, genoemd. Als nadere verklaring voegt Jezus er bij: dewijl zij kinderen der opstanding zijn, in dezen zin; dat de opstanding de door God alleen bewerkte daad is, waardoor de geloovigen hun nieuw lichaam ontvangen.

Maar Jezus vergenoegt er zich niet mede, over zijn vijanden te hebben getriomfeerd. Hij weet, dat Hij te doen heeft met menschen, die in een ernstige dwaling verzonken zijn; daarom voegt Hij aan het antwoord een woord van onderricht toe.

414

Vs. 37—38. Het onderricht1)\' „En dat de dooden zullen opstaan, heeft ook Mozes aangewezen op

1

Marcion liet deze twee verzen weg.

-ocr page 427-

20 : 37—38.

de plaats aangaande het doornbosch, als hij den Heer noemt den God van Abraham 1), van Isaük en van Jakob. 38, God nu is niet een God van dooden, maar van levenden. Want allen leven voor Hem.quot;

De opstanding der dooden was wel door Jesaja (26 : 19—21), en nog volkomener door Daniël (12 : 2gt; aangekondigd. Maar de Sadduceën moesten, zoo mogelijk, door een woord van Mozes worden weerlegd. Zonder twijfel hadden de schriftgeleerden van de Pharizeesche partij dikwijls getracht, een spoor van dit leerstuk in den Pentateuch te ontdekken, maar tevergeefs. Om dit kostbare edelgesteente te kunnen ontdekken, moesten zij dieper graven, dan zij bij machte waren. — De uitdrukking èm tij? @xtou duidt de plaats in den Bijbel aan, waar de geschiedenis van het brandende braambosch te lezen staat (Ex. 3). — De keuze van de uitdrukking fMjvuu, te verstaan geven, aanwijzen, doet zien, dat Jezus-zelf duidelijk onderscheid maakte tusschen een uitdrukkelijke verklaring en een eenvoudige aanwijzing, zooals die, waarvan hier sprake is. Hij wil niet zeggen, dat dit woord van Mozes de onsterfelijkheid bewijst, maar alleen, dat als Mozes er niet aan geloofd had, hij zich niet op deze wijze zou hebben uitgedrukt. Toen de engel des Heeren

de uitdrukking: God van Abraham----gebruikte, waren de

415

aartsvaders reeds eeuwen geleden voor de aarde gestorven; waren zij het ook voor God? Dit is onmogelijk; want in dit geval kon God zich niet meer hun God noemen. God kan niet de God zijn van hetgeen niet meer bestaat. Aan deze beproeving ligt het denkbeeld ten grondslag, dat een innige betrekking tot Hem, die is (in absoluten zin), zooals die welke opgesloten ligt in de uitdrukking: „zijn Godquot;, den mensch noodwendig de onsterfelijkheid waarborgt. Dit

1

N B D L E laten het tweede en het derde rov tóói- leov weg.

-ocr page 428-

20 : 37—38.

416

is op het gebied van de theocratie (dat van het geloof in den levenden God) een bewijs zooals dat van Plato op meta-physisch gebied, als hij de onsterfelijkheid van den wijze uit diens deel hebben aan de wereld der ideën, deze eeuwige beginselen der dingen, bewijst. Naar waarheid zegt Hofmann: „Daar de dood de scheiding van God is, is hij daar uitgesloten, waar gemeenschap met God aanwezig is.quot; Zeker waarborgt dit argument slechts de onverderfelijkheid der menschelijke persoonlijkheid, maar niet rechtstreeks de lichamelijke opstanding, welke Jezus bewijzen wilde. Op deze bedenking antwoordt men somtijds, dat het voortleven der ziel noodwendig de wederherstelling van het lichamelijk orgaan, waardoor alleen de ziel handelen kan, onderstelt. Met recht protesteert Bruston tegen deze handige manier om de zaak te beslissen. Maar hetgeen men niet vergeten mag, is: dat de Sadduceën zoowel de persoonlijke onsterfelijkheid als de opstanding des lichaams verwierpen, en wel, omdat volgens hen de geest geen van het lichaam onfhankelijk bestaan kon hebben. Voor hen had dus het persoonlijk voortbestaan de wederherstelling van het lichaam tot voorwaarde. Bijgevolg was ieder bewijs voor het eerste tegelijk een bewijs voor de laatste. Voor ons is het bewijs zeker dan alleen geldig, wanneer men rekening houdt met de niet uitgesproken gedachte, dat het zelfbewuste en persoonlijke bestaan van den eindigen geest het bezit van een orgaan van werkzaamheid onderstelt. — De uitdrukking: God van Abraham, enz. geeft een dubbele betrekking te kennen: die, waardoor God Abraham onder zijn bijzondere bescherming neemt, en die, waardoor Abraham God tot het eenige voorwerp van zijn aanbidding en zijn vertrouwen maakt. — De dat. xutü, voor Hem, beteekent niet: naar zijn denkwijze, maar: in betrekking tot zijn persoon. Met de menschen, die op de aarde zijn, verkeeron zij wel niet meer, maar dit neemt toch niet weg, dat zij werkelijk in gemeenschap met God leven. Het TTcivTeg, allen, kan in den samenhang slechts beteekenen: al degenen, die tot God in een zelfde betrekking staan, als de aartsvaders, allen van wie God de God is geworden (zie

-ocr page 429-

20 : 39—40.

llofmann). Het yup, want, beeft betrekking op fyivrcov, levenden-, het wijst op het logisch verband tusschen deze uitdrukking en het woord ^aa-i: God van levenden. — Als een met de woorden van Jezus overeenkomende uitspraak, haalt men uit het geschrift, dat somtijds het vierde hoek der Makkabeé\'n genoemd wordt (16 : 25), de volgende plaats aan: „Wetende (de zeven zonen, die als martelaars stierven), dat zij, die voor God sterven, Gode leven {%ült;ri rSi kcji), zooals Abraham en Is aak en Jakob en al de aartsvaders.quot; Maar zulk een letterlijke overeenkomst doet reeds een navolging vermoeden; en de geleerde, die het laatst dit dikwijls aan Josephus toegeschreven boek heeft besproken, Freudenthal, meent het te mogen betitelen: „Een preek uit de eerste eeuw na Christus.quot; Zie Schürer, Lehrb. der Neutest. Zeit-gesch., bl. 650.

Vs. 39—40. Historisch slot: „En sommigen der schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester, gij hebt goed gesproken. 40. En!) zij durfden Hem over niets meer ondervragen.quot;

417

Op het hooren van dit snelle en verhevene antwoord kunnen de schriftgeleerden, die tevergeefs hadden gezocht wat Jezus zooeven zonder eenige moeite in het licht heeft gesteld, niet nalaten, Hem hun blijde verrassing te betuigen; en van dit oogcnblik af begrijpende, dat elke strik , die voor Hem gespannen wordt, Hem de gelegenheid zal geven tot eene nieuwe openbaring van zijn wijsheid, zien zij er van af, met deze soort van aanval voort te gaan. Zonder twijfel spreken Markus en Mattheus nog over een schriftgeleerde, die Jezus over het eerste en groote gebod ondervraagt (Mark. 12:28; Matth. 22:35). Maar uit de uitdrukkelijke verklaring van Markus ziet men, dat hetgeen hem daartoe

l) NEL: yetf, in plaats van St. Godet, LuTcas. II.

27

-ocr page 430-

20 : 41—44.

aanspoorde, de bewondering was, die de zooeven door hem gehoorde antwoorden van Jezus hem hadden ingeboezemd, en niet de begeerte om een strik voor Hem te spannen. Mattheus zegt wel, minder nauwkeurig: treipxamp;v uCitóv, Maar in deze uitdrukking ligt niet noodwendig een kwaadwillige bedoeling opgesloten; vgl. Job. 6:6, waar zij betrekking heeft op een vraag, die Jezus tot Philippus richt. Zij geeft alleen te kennen, dat de schriftgeleerde de wijsheid van Jezus nog eenmaal op de proef wilde stellen met een onderwerp , dat hem zeer ter harte ging. Wij hebben gezien, dat dit feit niet hetzelfde is als dat, hetwelk in Luk. 10 : 25 is medegedeeld. Lukas heeft het niet gekend of weggelaten, omdat het voor zijn heidensche lezers geen gewicht had. Het yxp, want, der Alexandr. aan het begin van vs. 40, dat Tischendorf en Weiss hebben behouden, en waarvan Hofmann partij zoekt te trekken, heeft in het geheel geen zin. Het is zelfs door Westcott en Hort opgegeven.

VI. 20 : 41—44: De vraag van Jezus.

Jezus vindt het goed, op zijn beurt zijn tegenstanders uit te dagen. De ondervraagde wordt nu zelf ondervrager. Wil Hij soms het contrast tusschcn zijn wijsheid en hun onwetendheid doen uitkomen? Zulk een handelwijze zou Hem onwaardig zijn. Brengt Hij hen in verlegenheid, Hij doet het niet, om het genoegen te hebben, over hen te triomfeeren, maar om hen tot nadenken te brengen en hen, zoo mogelijk, nog te onderrichten. Hij had zich kort te voren, in de gelijkenis van de wijngaardeniers, den Zoon genoemd, in tegenstelling met de dienstknechten, de profeten. Hij wil hen doen verstaan, dat Hij zich dezen titel niet zonder grond heeA toegekend. De drie Synoptici hebben met eenige onbeduidende afwijkingen do herinnering van deze belangrijke vraag bewaard (Matth. 22 : 41 en verv.j Mark. 12 : 35 en verv.).

418

Vs. 41—44:. „En Hij zeide tot hen: Hoe zegt men i),

1) A ou 3 Mjj. lezen Tlt;vt{ ua Asyouo-i.

-ocr page 431-

20 : 41—44.

dat de Christus de zoon van David is ? 42. Want1) David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heer heeft tot mijnen Heer gezegd: Zit aan mijne rechterhand, 43 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot de voetbank uwer voeten. 44. David noemt Hem dus zijn Heer; en hoe is Hij zijn zoon?quot;

Volgens Lukas richt Jezus deze vraag tot de schriftgeleerden, die zooeven hunne bewondering hebben uitgedrukt. Markus (12 : 35) spreekt niet over bijzondere toehoorders: „Jezus zeide, terwijl Hij in den tempel leerde.quot; Volgens Mattheus (22 : 41) wendde zich Jezus tot de nog verzamelde Pharizeën, hetgeen niet in tegenspraak is met de voorstelling van Lukas, daar de aanwezige schriftgeleerden tot de Pharizeesche partij moesten behooren (vgl. hun elxxt;, gij hebt goed ge

sproken, vs. 39, in tegenstelling met de Sadduceën), noch met die van Markus, volgens wien Jezus in tegenwoordigheid van het geheele volk de vraag deed (vs. 45). — Mattheus laat de Pharizeën op de vraag van Jezus de Davidische afkomst van den Messias uitspreken. Bij Markus spreekt Jezus zelf dit gevoelen als dat der schriftgeleerden uit. Bij Lukas is het subject van béyouai onbepaald: zij, die het recht hebben om te spreken; dus in den grond de schriftgeleerden. — Verder gebruikt Lukas de uitdrukking; het boek der Psalmen, waarin de inspiratie van het aangehaalde woord ligt opgesloten; Markus en Mattheus zeggen: door den Geest of door den H. Geest, hetgeen op hetzelfde neerkomt. — Het Kxi der Byz. in vs. 42 beteekent: „En tochquot;; het ?xp der Alexandr.: „Er is wel reden om deze vraag te doen, want...quot;

419

De niet-Messiaansche verklaringen van Ps. 110 zijn het meesterstuk der willekeur. Men begint met aan de uitdrukking

1

T. R. leest kxi, met AD en 13 Mjj.; Itplquot;. Syr.; LR: yttf.

-ocr page 432-

20 : 41—44.

*mb de beteekenis te geven van: „aan DiiviJ gerichtquot;, iu plaats van: „door David vervaardigdquot;, in strijd met de vaste beteekenis, die de b auctor is in de opschriften dei-Psalmen heeft, alleen om David tot het onderwerp van den Psalm te maken, hetgeen natuurlijk onmogelijk zou zijn, indien bij-zelf de auteur daarvan was; zoo Ewald. Maar omdat deze interpretatie onhoudbaar blijkt te zijn, daar David nooit priester geweest is (vs, 4; „Gij zijt priester in eeuwigheidquot;), verplaatst men de vervaardiging van den Psalm naar den tijd der Makkabeën, en neemt aan, dat hij door den een of anderen schrijver aan Jonathan, den broeder van Judas MaccabeuSj uit een priesterlijk geslacht, gericht is. Dien man, die niet eens den koningstitel heeft gehad, het kleine opperhoofd van een nietig en onbeduidend volk, zou, volgens Hitzig, een onbekende vleier voorstellen als zittende aan de rechterhand van Jehova, d. w. z. als deelnemende aan zijn heerschappij, en met goddelijke almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid bekleed I

Het vooroordeel is de eenige reden om den zin en ie echtheid van het opschrift, dat dezen Psalm aan David toeschrijft, te betwisten, en niet te erkennen , dat de persoon, aan wien hij gericht is, de roemrijke, door den profeet Nathan aan David beloofde nakomeling, de Messias is (2 Sam. 7). Deze Psalm bezit de kenmerkende eigenschappen der Davidische gedichten: krachtige en geheimzinnige beknoptheid , schitterende en frissche beelden, diepe gedachten. En wat den persoon betreft, die daarvan het onderwerp is, drie trekken verhinderen volkomen, aan iemand anders, dan den Messias te denken: 1° de titel Adonai, mijn Heer, dien David hem geeft; 2° het deelhebben aan de goddelijke heerschappij, die hij van Jehova ontvangt; 3° het gelijktijdige bezit van het koninklijk en het priesterlijk ambt, naar de wijze van Melchizedek, den koning en priester van Salem. De wet vestigde in Israël een onoverkomelijke muur tusschen het koningschap en het priesterschap. Want het eerste dezer twee ambten was aan den stam van Juda en het geslacht van David verbonden; het tweede, aan den stam van

420

-ocr page 433-

20 : 41—44.

Levi en het geslacht van Aaron. Dit feit was genoeg om de vereeniging van deze twee ambten in denzelfden persoon onmogelijk te maken, zoolang de theocratische staatsregeling bleef bestaan Daarom plaatst de profeet Zacharia, als hij deze vereeniging verwezenlijkt ziet (6 : 9—15), haar ook in de toekomst, in den persoon van hem, dien hij Spruit van Jehova (Tsemach Jahve, vs. 12) noemt, en in wien men tegenwoordig algemeen den Messias herkent, die priester is als vertegenwoordiger van het volk bij God, en koning als vertegenwoordiger van God bij het volk. Ziedaar het verheven ideaal, dat David voor den geest zweefde, toen hij den 1 IQden Psalm dichtte. Hoe dikwijls had zijn hart niet met hakend verlangen uitgezien naar de verwezenlijking van dit ideaal, sedert hij de gestalte daarvan aanschouwd had in den geheimzinnigen persoon van den koning van Salem! op hoe smartelijke wijze had hij niet de onvolkomenheid van een koningschap zonder het priesterlijk ambt gevoeld! Hoe gaarne zou hij het gouden wierookvat hebben genomen en het reukoffer hebben gebracht, die de aanbidding van het volk vergezelde! Maar de wet richtte een onoverkomelijken slagboom op tusschen hem en dit heerlijk ambt; en het was zonder twijfel onder den smartelijken indruk van dit gemis, dat zijn gedachten zich in de toekomst verplaatsten, en hij door de openbaring des Geestes den beloofden afstammeling, wien het vergund zou zijn, eindelijk het ideaal tè verwezenlijken, dat hij van verre aanschouwd had, gezien en geschilderd heeft.

Jezus doet de tegenspraak uitkomen, die er bestaat tusschen de hoedanigheid van „Heer van Davidquot;, welke David zelf den Messias toekent, en den titel van „Zoon van Davidquot;, dien de leeraars in Israël hem geven. Welk doel beoogt Hij met het stellen van deze vraag ? Wij hebben reeds gezien, dat het niet kan zijn, de aanwezige schriftgeleerden in verlegenheid te brengen. Wilde Hij hun, zooals velen gemeend hebben, aantoonen, dat men zich vergiste, als men Hem den titel van „Zoon van Davidquot; gaf, dat de Messias volstrekt niet van dezen koning moest afstammen, daar toch de nakomeling niet de Heer van zijn voorvader kan zijn?

421

-ocr page 434-

20 : 41—44.

Dit is het gevoelen van Strauss, Schenkel, Volkmar e. a. Het doel, dat Jezus met deze loochening van zijn Davidische afkomst beoogde, zou zijn, te verklaren, waarom Hij in geen enkel opzicht gelijkt op iemand, die op den troon aanspraak maakt, en op deze wijze den steen des aanstoots weg te nemen, die velen verhinderde, een mensch als Hij voor den Messias te houden. Doch Jezus zou, door aldus te bandelen, zich niet alleen tegen de gewone en algemeene denkwijze hebben aangekant, maar ook tegen de geheele profetische openbaring, die aankondigde, dat de Messias uit het geslacht van David geboren zou worden (2 Sam. 7; Jes. 9:5, 6; 11 : 1; Jer. 23 : 5; Mich. 5:2, enz), en wel zonder de minste noorlzakelijkheid; want wij hebben gezien, dat de stem van het volk niet aarzelde, Hem, ondanks zijn nederige verschijning, den nakomeling van David te noemen; vgl. Matth. 9 : 27 (de twee blinden), 15 : 22 (de Kananeesche vrouw), 12 : 23 en 20 ; 31 (het volk), 21 : 9 (de kinderen), enz. Wel verre dus van daardoor de erkenning van zijn Messiaansche waardigheid gemakkelijk te maken, zou Hij haar in groot gevaar hebben gebracht. — Of heeft Jezus, zooals vele anderen meenen, ten doel gehad, het ideaal van het volk omtrent den Messias te vergeestelijken? „Gij verwacht in den persoon van den Messias een afstammeling van David P Gij hebt gelijk; maar gaat nu niet denken, dat Hij evenals David, zijn stamvader, een machtig koning en krijgsman zal zijn. Hij moet iets anders en beters zijn, dan alleen de erfgenaam en de bloem der Davidische dynastie; Hij is haar Heer, gelijk Hij die van David zelf is, voor zoover Hij heerscht in een hoogere, hemelsche, goddelijke orde der dingen, waarin David, evenals ieder ander mensch, slechts zijn onderdaan is.quot;

Op dezen zin komen, met verschillende schakeeringen, de verklaringen van Bleek, Colani, Heuss, Weiss e. a. neder. Maar hoe zou Jezus op zulk een omslachtige en gekunstelde wijze hebben uitgesproken wat Hij op zeer eenvoudige wijze had kunnen uitdrukken? Vgl. 17 : 20, 21; Joh. 18 ; 36. En hoe gemakkelijk hadden de wetgeleerden, die Hem omringden,

422

-ocr page 435-

20 : 41—44.

423

een in dezen zin gestelde vraag kunnen beantwoorden door te zeggen: „Er bestaat niet de minste tegenspraak tegen de hoedanigheid van afstammeling van David, die wij den Messias toekennen, en zijn hoedanigheid als fleer van David, die Hem door den Psalm wordt toegekend. Want waarom zou de Messias, als nakomeling van David, niet op den godde-lijken troon verheven kunnen worden, en op deze wijze een veel hoogere plaats innemen, dan die van zijn voorvader?quot; Wat had Jezus daarop kunnen antwoorden? Het denkbeeld van het geestelijk karakter van het Messiaansche rijk kan niet op natuurlijke wijze uit de uitdrukking Heer van David worden afgeleid; alleen op gekunstelde wijze kan men het daarmede verbinden. — Hofmann en Kloslermann leggen het anders aan, Jezus zou de schriftgeleerden de noodzakelijkheid van zijn dood willen doen inzien. Als raensch is Jezus de afstammeling van David; maar Hij moet diens Heer worden, volgens dea Psalm. En daartoe moet Hij sterven en weder opstaan; dan zal Hij een verheerlijkt leven bezitten, dat niet meer bet leven zal zijn, hetwelk Hij van David had, maar een leven, dat Hij van God-zelf ontvangen heeft. Deze verklaring doet de scherpzinnigheid van hem, die haar voorgesteld heeft, eer aan, maar niets meer. Welk toehoorder van Jezus zou vermoed hebben, dat de door Jezus gestelde vraag de noodzakelijkheid van zijn dood moest bewijzen? Bovendien blijkt de onhoudbaarheid van deze verklaring hieruit: dat zij de aan den Messias toegekende waardigheid van „Heer van Davidquot; van zijn verheffing op den troon afleidt, terwijl volgens de uitdrukkingen van den Psalm de betrekking omgekeerd is; de waardigheid van „Heerquot;, die de Messias bezit is het antecedent:1 „De Heer heeft tot mijnen Heer gezegdquot;, en de verheffing op den goddelijken troon is het gevolg: „Zit {als zoodanig) aan mijne rechterhand.quot; De Messias wordt door David als zijn Heer voorgesteld, reeds vóór de goddelijke daad, waardoor Hij zijn hoogste plaats ontvangt. Strauss, met zijn helder gezond verstand, heeft gezegd {Leben Jesu, 1864, blz. 223); „öf Jezus bezat een middel, om de in de uitdrukking „zoon

-ocr page 436-

20 : 41—44.

424

van Davidquot; vervatte betrekking van minderheid met die van meerderheid, welke opgesloten ligt in de uitdrukking „Heer van Davidquot; met elkander te verzoenen, — en dit middel kon niets anders zijn, dan de oriderstelling, dat de persoon van den Messias van een hoogere natuur was, krachtens welke Hij wel naar het vleesch een afstammeling van David, maar naar den geest een hooger wezen was, onmiddelijk van God uitgegaan, — öf Hij wilde de tegenspraak als onoplosbaar voorstellen, en bijgevolg de beschouwing van den Messias als zoon van David voor onhoudbaar verklaren.quot; Strauss sluit zich bij de laatste opvatting aan; wij hebben ons zoo even van de onmogelijkheid daarvan overtuigd. Volgens Strauss zelf blijft alleen de eerste over, die ook in onze oogen de eenig mogelijke is. Volgens de wijze, waarop de benaming „zoon van Davidquot; gebruikt is, kon zij slechts op den oorsprong van den persoon van den Messias, en geenszins op het karakter van zijn rijk, betrekking hebben. Zij kon dus dan eerst aan den titel „Heer van Davidquot; tegenover gesteld worden, als deze titel eveneens op den oorsprong van dan Messias betrekking had: „Hoe kan de Messias, als Hij uit David zijn oorsprong heeft, een hooger bestaan hebben dan David, krachtens hetwelk David-zelf Hem zijn Heer noemt?quot; Dit is een volkomen duidelijke en verstaanbare vraag, en het is te begrijpen, dat de tegenstanders enkel met een stilzwijgen daarop antwoorden. Want zij konden dit probleem niet oplossen, zonder, met de geheele profetische openbaring, de goddelijke natuur van den Messias te erkennen (Jes. 9:5; Mich. 5:2; Zach. 12 : 10; Mal. 3 : 1). Maar zij zouden dan het voorwendsel hebben verloren, dat hun aanleiding gaf om Jezus te veroordeelen, de beschuldiging van Godslastering, op grond van zijn verklaring, dat hij de Zoon van God was (Joh. 5:18; Matth. 26:63). En dit openbaart ons ook het ware doel, dat Jezus zich voorgesteld heeft, toen Hij hun die vraag voorlegde. Hij antwoordde op deze wijze, terwijl Hij nog spreken, leeren en redetwisten kon, reeds bij voorbaat op de beschuldiging, die ten onrechte de oorzaak van zijne veroordeeling zou zijn.

-ocr page 437-

20 ; 45-47.

Deze door Meyer, Keil, e. a. gehuldigde opvatting is, wat de Davidische afkomst van Jezus betreft, in overeenstemming met de verklaring van de Apocalypse, die Hem den wortel en spruit van David noemt (22: 16), en met het woord van Paulus (Rom. 1:3): „Geboren uit het geslacht van David, naar het vleeschquot;; en wat zijn goddelijken oorsprong aangaat, met de verklaring, die Johannes voor ons bewaard heeft (8:58): „Eer Abraham was, ben ik.quot; Zoon van Abraham, en toch vóór Abraham! Zoon van David, en toch Heer van David!

VIL 20:45—47: De waarschuwing tegen de schriftgeleerden.

Op het slagveld, waar de schriftgeleerden zoo even de nederlaag hebben geleden, spreekt Jezus zijn oordeel uit over hen, in tegenwoordigheid van het geheele volk, dat getuige is geweest van den hevigen en hardnekkigen strijd.

Vs. 45—47. „En terwijl het geheele volk het hoorde, zeide Hij tot zijn1) discipelen: Wacht u voor de schriftgeleerden, die er behagen in scheppen, in lange kleederen te loopen, die de begroetingen op de markten beminnen, en de voorgestoelten in de Synagogen, en de eerste plaatsen bij de feestmalen, 47. die de huizen der weduwen opeten, en den schijn aannemen van lang te bidden: deze zullen een zwaardere veroordeeling ontvangen.quot;

425

Deze korte toespraak is evenals de parallel Mark. 12:38—40, slechts een korte samenvatting van de groote rede van Matth.

1

B D laten xurou weg.

-ocr page 438-

20 : 45—47,

23, waarin Jezus het Wee u! over de schriftgeleerden en Pharizeën uitsprak. Men kan haar het oordeel over de theocratische autoriteiten noemen; zij is het voorspel van de groote eschatologische rede, die daarop volgt en het oordeel over Jeruzalem, de kerk en de wereld aankondigt (Matth. 24 en 25). — In de rede van Matth. 23 zijn ongetwijfeld twee verschillende redenen met elkander verbonden, waarvan de eene ons door Lukas is medegedeeld (11; 37 en verv.), in een samenhang, die niets te wenschen overlaat, terwijl de andere in werkelijkheid uitgesproken werd op het oogen-blik, waar wij nu gekomen zijn, en dat zoowel door Markus en Lukas, als in het eerste Evangelie daarvoor aangegeven wordt. Bij Markus en Lukas hebben wij slechts een uittreksel daaruit, öf omdat zij in dezen vorm in hunne bronnen voorkwam, óf omdat zij, voor heidensche lezers schryvende, het niet noodig oordeelden, haar in haar geheel over te leveren. — QeKóvrm: die behagen scheppen in. — Op twee verschillende wijzen kan men de beroovingen verklaren, die aangeduid worden door de uitdrukking; de huizen der weduwen opeten. Of zij persten godvruchtige vrouwen aanzienlijke geschenken af, onder het voorwendsel van voor haar te bidden; of en dit is natuurlijker en pikanter wegens de dubbelzinnigheid, die de uitdrukking opeten daardoor verkrijgen zou — Jezus zinspeelt op de kostbare maaltijden, die zij zich door deze vrouwen lieten bereiden, terwijl zij de taak van biechtvaders bij haar vervulden. Bij deze laatstgenoemde opvatting zou 7rpilt;px(nc, eig. voorwendsel, veeleer schijn te kennen geven. In beide gevallen waren zij de Tartuffes van dien tijd. De woorden: een zwaardere veroordeeling zijn een korte samenvatting van al de öiW\'s van Mattheus.

VIII. 21 : 1—4: De aalmoes der weduwe.

Dit gedeelte ontbreekt bij Mattheus. Waarom zou hij het weggelaten hebben, indien hij, zooals Ilolhmann wil, de oorkonde, waaruit Markus en Lukas het geput hebben, onder de oogen had gehad?

426

-ocr page 439-

21 : 1—4.

Vs. 1—4. „En opziende, zag Hij de rijken hunne gaven in de armbus werpen. 2. En Hij zag een \') zekere zeer behoeftige weduwe twee kwartpenningen daarin werpen. 3. En Hij zeide: waarlijk ik zeg u, dat deze arme weduwe meer 1) dan allen er in geworpen heeft. 4. Want die allen hebben van hunnen overvloed aan de gaven Gods2) toegevoegd; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.quot;

Volgens Markus (12 : 41—44\') was Jezus, waarschijnlijk vermoeid van het voorgaande tooneel, gaan zitten. In het voorhof der vrouwen bevonden zich, volgens den Talmud (tr. ScheJialirriy VI, 1, 5, 13), dertien armbussen met openingen in den vorm van waldhoorns; van daar de naam miem Men noemde ze yafycpuhxicix, schatkisten. In den singularis duidde deze naam de geheele plaats aan, waar deze armbussen zich bevonden, waarop de bestemming van de gaven, die daarin geworpen werden, vermeld was (Joh. 8 : 20; Josephus, Anliq., XIX, 6, 1); in dezen zin is het woord misschien bij Markus gebruikt (vs. 41: tegenover de schatkist), Bij Lukas heeft het veeleer op de armbussen zelf betrekking. — Aeirróv, kwartpenning: de kleinste munt, waarschijnlijk het achtste gedeelte van een as, die ongeveer 3 cent gold. Twee hebben dus ten naastenbij de

waarde van een halve cent. Zeer fijn zegt Bengel aangaande de iwee kwartpenningen: waarvan zij een had kunnen terughouden. Markus brengt de uitdrukking in de Romeinsche

427

1

D en \'i Mjj. lezen yrKeiw, in plaats van jtAs/ov.

2

T. U. leest tou Heov, met A D eu 3 Mjj. It.; N B L X Syrcur lateu het weg.

-ocr page 440-

21 : 1—4.

428

: 4

f

li ff 1

munt over: hetgeen met een quadrans gelijkstaat; een kleine bijzonderheid, die Lukas vreerad is, en ons kan inlichten omtrent de plaats, waar het tweede Evangelie vervaardigd werd. — De woorden, die Jezus tot de discipelen richt, hebben ten doel, de quantitatieve waardeering van de mensche-lijke daden, die het hoofdkenmerk van het Pharizeïsme is, door de ware, die op haar zedelijke hoedanigheid let, in hun geest te vervangen. Dit wordt uitgedrukt door het: zij heeft meer in de armbus geworpen-, en wel, omdat zij, tegelijk met haar twee kwartpenningen, haar hart daarin geworpen had. De lezing nhsico, die door Tischendorf is aangenomen, omdat xteïov aan Markus ontleend kan zijn, wordt niet genoegzaam ondersteund. — Het bewijs wordt in vs. 4 gegeven: „ Want zij heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.quot; Het woord wTspypx, tekort, gebrek, duidt de bezitting van deze vrouw aan als onvoldoende voor haar eigen onderhoud. „En van dit te weinig, van deze bezitting, die op zich zelf reeds een tekort was, heeft zij niets behouden.quot; Het woord ysrsptjin?, dat Markus gebruikt, duidt niet de bezitting van deze vrouw als onvoldoende (öcrTspwtx), maar haar geheelen toestand als een toestand van voortdurend gebrek aan. Welk een tegenstelling met de hebzucht, die in het voorafgaande gedeelte aan de schriftgeleerden en Pharizeën verweten is! Dit voorval, waarvan Jezus juist op dit oogenblik getuige is, gelijkt op een bloem, die Hij eensklaps ontdekt te midden van de woestijn der officiëele vroomheid, en waarvan het gezicht en de geur zijn hart doen opspringen van vreugde. Zulk een voorbeeld is de rechtvaardiging van de zaligsprekingen (Luk. 6 : 20), gelijk de voorafgaande rede die van het Wee u! op dezelfde plaats (vs. 24 en verv.).

-ocr page 441-

21 : 5—7.

III.

De eedb over de verwoesting van Jeruzalem.

(21 ; 5—38.)

Dit gedeelte, een der gewichtigste van het Evangelie, heeft zijn parallellen in de twee andere Synoptici (Matth. 24 en Mark. 13). Het behelst in onze drie Synoptici drie afdeelingen; A. Een inleiding, die de gelegenheid, waarbij de rede werd uitgesproken, en de vraag der discipelen, die daartoe aanleiding gaf, mededeelt (Luk. v. 5—7; Mark. v. 1—4; Matth. y. 1—4); B. Het antwoord van Jezus: de eigenlijk gezegde voorspelling (Luk. v. 8—27; Mark. v. 5—27; Matth. v. 4—31); C. Het slot: een vermaning tot waakzaamheid met eenige chronologische aanwijzingen (Luk. v. 23—36; Mark. v. 28—37; Matth. v. 32—51).

Ieder van deze afdeelingen bevat dezelfde elementen bij de drie Synoptici; maar zij zijn niet bij alle drie even uitvoerig behandeld en vertoonen ook afwijkingen in de bijzonderheden.

A. Vs. 5—7: De inleiding.

Vs. 5—7. „En toen sommigen van den tempel zeiden, dat hij met schoone steenen en wijgeschenken ^ versierd was, zeide Hij: 6. Wat gij daar aanschouwt ... er zullen dagen komen, waarin niet een steen op den anderen steen1) gelaten, en niet afgebroken zal worden. 7. En zij vraagden Hem, zeggende: Meester! wanneer zullen deze dingen geschieden? En wat zal het teeken zjjn

429

1

MBL lezen uSe na Ai4m; I. R. laat het weg, met A en 13 Mjj. uit Matth. overgenomen.

-ocr page 442-

21 : 5—7.

van het oogeablik, waarop deze dingen zullen geschieden?quot;

Het was avond (v. 37), het einde van dien drukken dag (waarschijnlijk Woensdag), waarop Jezus de strikken, die zijn tegenstanders voor Hem gespannen hadden, had doen mislukken. De ondergaande zon vergulde de heilige gebouwen en de heilige stad met haar laatste stralen. — De schoone sleenen, die de bewondering opwekten, duiden de prachtige zuilengangen van wit marmer en de kolossale steenmassa\'s aan, die het geheele tempelgebouw droegen, en waarvan Jezus met geestdrift spreekt {Bell. Jud.} V, 5, 2). De nxXa, xvxöénxTx, schoone wijgeschenken, zijn de heerlijke geschenken, die den binnensten voorhof versierden, zooals b.v. de prachtige gouden wijnstok, waarmede Herodes den ingang des tempels versierd had. — De lezing xvatiépixriv moet een Hellenistische vorm voor üuaóvpoKriv zijn. Oorspronkelijk schijnen beide vormen synoniem te zijn geweest; maar langzamerhand werd de vorm avdós/tx gebruikt voor dingen, die ter vernietiging Gode gewijd waren, en de vorm xvidvtiAK voor de dingen, die te zijner eere in het heiligdom bewaard en tentoongesteld werden, zooals de wijgeschenken, de gelofte-giften (ex-voto), enz.

Vs. 6. Markus en Mattheus zeggen, dat deze woorden tot Jezus gericht werden op het oogenblik, toen Hij uit den tempel ging. Uit het stilzwijgen van Lukas trekken de meesten het besluit, dat hij het onderhoud in den tempel-zelf heeft willen overbrengen. Maar de uitdrukking: Wat gij daar aanschouwt onderstelt veeleer, dat zij reeds op een zekeren afstand van den tempel zijn en hem in zijn geheel kunnen aanschouwen. — De woorden txütx x êeupelre kunnen als een vragende zin worden beschouwd: „Zijn dat de dingen, die gij beschouwt en bewondert?quot; Maar zij hebben iets plechtigers, wanneer men daarin een gewone uitspraak ziet, door het als nominativus absolutus op te vatten:

„Deze dingen, die gij daar aanschouwt... spoedig zal daarvan . .

430

-ocr page 443-

21 : 5-7.

Vs. 7. In den tekst van Lukas wordt door niets aangeduid, dat deze vraag op datzelfde oogenblik tot Jezus gericht werd; daar men onmogelijk kan aannemen, dat de volgende rede in het openbaar gehouden is, is het waarschijnlijk, dat Jezus reeds met de zijnen alleen was, toen zij Hem ondervraagden en Hij hun met de volgende woorden antwoordde.

Volgens het bericht van Markus ()3 : 3), zat Jezus met Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas op den Olijfberg, tegenover den tempel. Dit is een van de kleine bijzonderheden, waaraan men bij Markus bet nauwkeurige bericht van den ooggetuige (zonder twijfel dat van Petrus) herkent, en die in ieder geval de zelfstandigheid zijner bron bewijzen. Wat Lukas en Mattheus aangaat, zij zouden zulk een bijzonderheid zeer zeker niet hebben weggelaten, indien zij het geschrift van Markus hadden gekend. Bij Lukas en Markus heeft de vraag der discipelen enkel betrekking op het tijdstip der verwoesting van den tempel en op het teeken, waardoor het zal worden aangekondigd. Alleen zegt Markus in den tweeden zin al deze dingen {jcivtot, txvtx), in plaats van het eenvoudige tkvtk, deze dingen, bij Lukas. Dit is een schakeering, die niet zonder gewicht is. Door de bijvoeging van het woord vxvtx vergroot Markus blijkbaar de strekking van de vraag. Het betreft al de feiten, die te samen de noodlottige gebeurtenis vormen, waarover Jezus gesproken heeft. Waarschijnlijk is het een toespeling op het einde van de geheele aardsche bedeeling, dat den discipelen toescheen, met de verwoesting van Jeruzalem te moeten samenvallen. Hetgeen Markus niet zegt, dat spreekt Mattheus uitdrukkelijk uit. Bij hem heeft de vraag bepaald eerst, zooals bij Lukas en Markus, op het tijdstip der verwoesting van den tempel betrekking, en daarna op het teeken, niet van de verwoesting van den tempel, maar van de Parousie en van de voleinding der wereld. De beperkte vorm van de vraag bij Lukas staat in rechtstreeksch verband met de omstandigheid, die tot het onderhoud aanleiding heeft gegeven; die van Markus verwijdert zich daarvan nog niet

431

-ocr page 444-

21 : 5—7.

merkbaar. Maar het is moeielijk te miskennen, dat op den vorm en den inhoud van de vraag bij Mattheus invloed is uitgeoefend door den inhoud van de volgende rede, waarin niet alleen de verwoesting van Jeruzalem, maar ook de Parousie zelf in het antwoord van Jezus vervat is. Wij zullen het verband tusschen [de twee elementen in dit antwoord moeten nagaan.

B. Vs. 8—28: De voorspelling van Jezus.

Welk een verschil er ook moge bestaan tusschen de drie verslagen, die wij van deze rede hebben, de algemeene gang is in alle drie toch dezelfde. Jezus beschrijft: 1° den staat van zaken, die op zijn heengaan zal volgen, zoowel voor de wereld in het algemeen, als voor de geloovigen in het bijzonder, Luk. v. 8—19 (Mark. v. 5—13; Matth. v. 4—14); 2° de verwoesting van Jeruzalem en haar gevolgen, v. 20—24 (Mark. v. 14—23; Matth. v. 15—28); 3° de teekenen, die aan de Parousie voorafgaan, en de Parousie zelve. Luk. 25—27 (Mark. v. 24—27; Matth. 29—31). — Het eenige verschil tusschen dezen geheel natuurlijken gang der rede bij Lukas en dien bij Markus en Mattheus bestaat hierin: dat bij de laatsten aan het einde van de tweede afdeeling eenige verzen ingelascht zijn, die de beschrijving van den toestand der wereld gedurende de afwezigheid van Jezus weêr schijnen op te nemen bij het punt, waar de aankondiging van de verwoesting van Jeruzalem haar afgebroken had, en tot aan het oogenblik der Parousie voort te zetten (Mark. v. 20—23; Matth. v. 22—28). Wij zullen zien, dat bij Lukas een uitspraak voorkomt, die met deze plaats van de twee andere Synoptici gelijk staat (zie Luk. v. 24, slot).

1° Vs. 8—19. De toestand der wereld en die der geloovigen na het heengaan van Jezus.

In de gelijkenis van de ponden (19; 12 en verv.) had Jezus gesproken over het vertrek van den heer naar een veraf-gelegen land, van waar hij als koning zou terugkeeren.

432

-ocr page 445-

21 : 8.

In dezen tijd zijner afwezigheid verplaatst ons de volgende schildering. Dit gedeelte is dus, wat den zin betreft, de parallel van 17 : 22—23 en 26—37, waar de toestand der wereld voor de Parousie beschreven wordt. Wij vinden hier dan ook dezelfde waarschuwing terug als in 17 : 23. Alleen heeft Jezus in Hoofdst. 17 den toestand der wereld uit een zedelijk oogpunt (de vleeschelijke gerustheid) beschreven, terwijl Hij hier wijst op de uitwendige rampen, waaraan zij zal zijn blootgesteld, om bepaaldelijk bij het lijden en de taak der geloovigen stil te staan. Zij moeten zich niet door moeilijkheden van dezen toestand laten overhalen, om zekere uitwendige verschijnselen als teekenen van het nabijzijnd einde te beschouwen, of bedriegers te volgen, die zich uitgeven voor den verwachten Meester, of den moed op te geven te midden van de vervolging; zij moeten door volharding hunne zielen redden. Dit is het antwoord op de vraag der discipelen; maar het is slechts negatief. Zij willen het teeken weten, dat hun de nadering van deze verwoesting van den tempel, waarover Jezus zooeven gesproken heeft, zal aankondigen. Jezus begint met hun de uiterlijke omstandigheden van dezen tijd van verwachting te schilderen, waarin zij geenszins, zooals zij geneigd zouden] zijn te doen, de teekenen van het nabijzijnd einde mogen zien; vgl 17 : 22 (het verlangen om een der dagen van den Zoon des menschen te zien).

Vs. 8. De verschijning van valsche Christussen: „En Hij zeide: Ziet toe, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben het, en de tijd nadert! Volgt hen \') niet!quot;

433

Ongeduld maakt gemakkelijk lichtgeloovig. Zonder twijfel maakt de geschiedenis in de tijden, die onmiddelijk op den

11 T. R. leest liier ovv. met A en 12 Mjj.j N B D L X Syi,»llr laten liet wep. UoiiET, Trfikas. 11. 2^

-ocr page 446-

21 : 9—11.

dood van Jezus volgden, uiet uitdrukkelijk melding van de verschijning van valsche Messiassen, die zich in hun eigen naam voor den Messias uitgaven, of beweerden, de uit den hemel teruggekomen Jezus te zijn. Maar de blik van Jezus omvat hier don toestand der wereld gedurende den geheelen tijd, die tusschen zijn heengaan en zijn wederkomst ver-loopen moet; en Hij duidt de hoofdtrekken daarvan aan. Het is bekend, hoevele verleiders, die menigmaal zelf verleid waren, van een Simon den toovenaar en een Bar-chochba af tot aan de vermeende Christussen van onze dagen toe, getracht hebben, hetzij in den boezem van het Jodendom, hetzij in de christelijke kerk de Messiasverwachting op hun persoon te richten. — De uitdrukking: onder mijnen naam doet meer aan christenen, dan aan Joden denken, ofschoon met naam ook de titel „Messiasquot; bedoeld kan zijn.

Vs. 9. De uitwendige rampen: „En wanneer gij zult hooren van oorlogen en oproeren, wordt dan niet angstig; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar het einde zal niet zoo spoedig komen.quot;

Wil Jezus hier misschien de geloovigen waarschuwen tegen een voorbarige verhuizing uit Palestina P Vgl. de tegenovergestelde aanbeveling in vs. 21 (tots , alsdan). — De tijd der verwachting zal langer duren, dan men meent. Na deze voorloopige praktische vermaning begint Jezus raet een eigenlijk onderricht, dat betrekking heeft op den geheelen tusschentijd tusschen zijn heengaan en de Parousie,

Vs. 10 —11. De sociale en physische toestand der wereld: „Toen zeide Hij tot hen: Het eene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het eene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. 11. En er zullen groote aardbevingen zijn op verschillende

434

-ocr page 447-

21 : 10-11.

435

Ik I

plaatsen, eu\') hongersnooden, en pestilentiën; er zullen ook groote en verschrikkelijke teekenen van den hemel geschieden.quot;

Wanneer de schuddingen der natuur zich vereenigen met groote maatschappelijke beroeringen (vs. 9), dan wordt de verbeelding opgewekt, en het volk wordt profeet en roept uit: Het einde is nabij! Tegen deze verleidende stem waarschuwt Jezus de geloovigen, die wegens hunne godsdienstige verwachtingen meer dan anderen aan dergelijke misleidingen blootgesteld zijn. Het is opmerkelijk, dat de tijden, die op de invoering van het christendom volgden, door vele buitengewone rampen werden gekenmerkt. Onder de regeering van Claudius woedde een vreeselijke hongersnood in het Oosten. Vulkanen, die reeds lang uitgedoofd waren, begonnen weder te werken. Een aardbeving verwoestte verscheidene steden van Klein-Azië, inzonderheid Laodicea en Hierapolis. Men zou nog veel meer kunnen opnoemen. Renan beschrijft dit rampspoedige tijdperk aldus: „De aardbevingen brachten aan alle kanten verwoestingen te weeg; de armoede woedde; een vreeselijke pestilentie teisterde de wereld; men meende, dat het de verschrikkelijkste epidemie was, die er ooit is geweestquot;.1) De Byz. lezing verbindt de bepaling kxtx tóttov:, op verschillende plaatsen, met de uitdrukking: groote aardbevingen, terwijl de Alexandr. Mss. haar bij het volgende voegen. Het komt mij voor, dat de eerste lezing de voorkeur verdient; zij doet het dikwijls zich openbarend verschijnsel van het bijna gelijktijdig ontstaan van verscheidene aardbevingen op verschillende punten der aarde zeer goed uitkomen. — De teekenen aan den hemel zijn zonder twijfel: verduisteringen, noorderlichten, kometen, een menigte van vallende sterren, verschijnselen, waaraan

I,

1

Les Emngïles blz. 149—150.

-ocr page 448-

21 : 12—19.

hot volk gaarne een profetische en dreigende bctuekenis toe kent. Maar ook deze dingen, zegt Jezus, zullen niet de ware teekenen van het nabijzijnd einde zijn. — In zulk een licht had de verbeelding der apostelen zich de toekomst van het rijk Gods, waarvan hun de leiding zou worden toevertrouwd, niet voorgesteld. Zij hadden, zooals Reuss zegt, niet gedacht, dat „het mosterdzaad te midden van het rumoer der volken, van plagen en rampen van allerlei aard in de aarde moest worden gelegd, en dat de boom, nauwelijks geboren, alle stormen te trotseeren zou hebben.quot; Nog veel minder hadden zij het lot voorzien, dat voor hen zelf was weggelegd, en hun in het volgende wordt aangekondigd.

Vs. 12 —19. De toekomst der discipelen: „Maar vóór dit alles zullen zij hunne handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende aan de Synagogen en gevangenissen, en gij zult getrokken worden 1) voor koningen en stadhouders om mijns naams wil. 13. Maar 2) dit zal voor u daarop uitloopen, dat gij van mij getuigt. 14. Neemt3) dan in uwe harten4) voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u zult verdedigen. 15. Want ik zal u een mond en een wijsheid geven, die al uw tegenstanders niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan 5). 16. En gij zult overgeleverd worden, zelfs door uw vaders en moeders, en

436

1

N B T) L lezen cn«yo[ievo\\Js, in plnats ran ayonevou^.

2

K B D laten Se weg.

3

T. R. leest öete, met r en 7 Mjj.j N A B en 6 M jj.: öfa-öf.

4

T. R. leest tui; KupSiag, met K eu 12 Mj j ; N A B en 3 Mjj.: ev

raiQ Kxphaif,

5

T. R. leest cevreiftiv ouSc avriVTyvai; NB Ij: xvTiimjvxi y a-T.-iriiv.

-ocr page 449-

21 : 12—19.

broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er uit u dooden. 17. En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; 18. en niet één haar van uw hoofd zal verloren gaan. 19. Door uw geduld zult gij uwe zielen redden \')•quot;

Tot de voorvallen, die in de godsdienstige gemeenten het meest er toe bijdragen, het fanatisme te doen ontvlammen, behooren de vervolgingen. Dit is zonder twijfel de gedachte, die het volgende met het voorgaande verbindt. De toestand van lijden, waarin de kerk verkeeren zal, zal haar vurig doen verlangen naar de wederkomst van haar Bruidegom, maar men zal niet moede mogen worden. Door al deze angsten en smarten heen moeten de geloovigen getrouw de taak vervullen, die de afwezige Bruidegom hun heeft toevertrouwd. — Het ttpo in de uitdrukking Trpo tovtoiv xttccvtuv, vóór dil alles, zou zeker kunnen aanduiden, dat het feit, hetwelk genoemd zal worden, vooral van het hoogste gewicht is; vgl. Jak. 5 : 12 en een menigte van voorbeelden uit het klassieke Grieksch bij Paasow. Maar het is natuurlijker» het npi met den tijd in verband te brengen. Vervolgingen hebben de kerk reeds in haar wieg getroffen; zij zijn te Jeruzalem begonnen, in de eerste dagen van haar bestaan; vgl. Hand. 4:3, 7; 5 : 18, 26—27; 6 : 12; 8 : 3; 9 : 2; 12:1, enz. — Er bestaat geen enkele reden om met Hollz-mann aan te nemen, dat Lukas hier de vervolgingen, die Faulus te verduren had, post eventum beschrijft. Er is in de allereerste plaats sprake van die, waarvan de kerk het voorwerp was van den kant van het Sanhedrin; en eerst in de tweede plaats van die, welke daarop gevolgd zijn.

437

Vs. 13. Verscheidene uitleggers (Bleek, Reuss, Weiss, Schani) meenen, dat het getuigenis, waarvan hier sprake is, bestaan zal in de onwankelbare trouw aan het Evangelie,

1) T. R. leest XTvcavU, met S D en 15 Mjj,; A O It. Syr ; KTya-tirit.

-ocr page 450-

21 : 12—19.

die do discipelen in dezen tijd aan den dag zullen leggen. Ik geloof niet, dat dit de natuurlijke zin is, waartoe de uitdrukking uxofixivsiv sis voert, die veeleer aan een ander positief resultaat, dan de betoonde getrouwheid doet denken (Philipp. 1 : 19). Nog onnatuurlijker is de door Keil goedgekeurde opvatting van Hofmann, die in het getuigenis de verklaring van onschuld ziet, welke de heidensche overheidspersonen, voor wie de aangeklaagde discipelen zullen verschijnen, ten gunste van hen zullen afleggen. Hoe had Jezus den zijnen kunnen beloven, dat hun proces telkens zulk een gelukkigen afloop zou hebben? Bovendien is hier niet enkel sprake van verschijningen voor heidensche koningen en stadhouders, maar ook van die, welke in het eerste gedeelte der Handelingen worden verhaald, nl. voor Joodsche rechtbanken. En het is bekend, dat de discipelen volstrekt niet altijd door deze zijn vrijgesproken. Het hier bedoelde getuigenis is dus, gelijk de Welle en Meyer aannemen, dat, hetwelk de discipelen-zelf voor de Joodsche of heidensche rechtbanken aangaande Jezus zullen afleggen, zooals dat van Petrus in den tempel en voor het Sanhedrin, en dat van Paulus in de Synagogen en voor koningen en stadhouders. Deze heel eenvoudige verklaring heeft ook het voordeel, dat zij een nauw verband doet ontstaan tusschen dit vers en de volgende verzen. Want het denkbeeld van het aldus opgevatte getuigenis voert op geheel natuurlijke wijze tot dat van den H. Geest, die het door hun mond zal afleggen.

Vs. 14—15. Jezus neemt alles op zich, ook wanneer Hij niet meer op de aarde zal zijn: èya %uau, ik zal geven. De mond is hier het zinnebeeld van de volkomene gemakkelijkheid , waarmede zij zullen uitspreken al wat de wijsheid van Jezus hun zal aangeven. De uitdrukking mvtcittsJv, tegenspreken, doelt op de onmogelijkheid, dat de tegenstanders der discipelen iets geldigs op hunne zelfverdediging zullen kunnen antwoorden; de uitdrukking wederstaan, op hunne onmacht om op hun beurt te antwoorden, wanneer de discipelen offensief zullen optreden, en hen met het zwaard des Evangelies zullen aanvallen. Bij de Alexandr. lezing,

438

-ocr page 451-

21 : 12—19.

die den iufinit. mTivTijvxi het eerst zet, moet meu ^ in den zin van of zelfs verklaren.

Bij de vervolgingen van den kant der overheden zullen zich die voegen, welke de vijandschap van den familiekring ten gevolge zal hebben (12 ; 52 en verv.). De naam van Jezus zal een diepe klove doen ontstaan tusschen hen en hunne naastbestaanden.

Vs. 17. Dit woord, dat de drie Synoptici gelijkluidend hebben bewaard, komt ook bij Johannes (15: 20, 21) voor. Men ziet, hoe diep de gedachte aan dezen algemeenen haat, waarvan zij eenmaal het voorwerp zouden zijn, in de herinnering der discipelen gegrift was.

Het 18de vers schijnt do laatste woorden van vs. 16 geheel te weêrspreken: „Zij zullen er uit u dooden.quot; De Wette meent, dat bij zal niet vallen moet worden gedacht: „Zonder den wil van God.quot; Bleek, Meijer en Weiss verklaren: „Er zal niets verloren gaan van hetgeen tot uw ware persoonlijkheid behoort.quot; Hofmann neemt de toevlucht tot het denkbeeld van de opstanding der geloovigen, waarbij hun persoon weêr volkomen hersteld zal worden. Ik ben vroeger van gevoelen geweest, dat men deze belofte op de kerk in haar geheel kon toepassen, waardoor eenige uitzonderingen niet uitgesloten zouden zijn. Maar ik zie nu de onmogelijkheid van deze opvatting in en sluit mij aan bij de verklaring van Bleek on Hofmann, terwijl ik met Heuss doe opmerken, dat wij hier een van die spreekwoordelijke gezegden hebben, wier letterlijken zin men niet drukken mag: „Wat u ook moge overkomen, gij zult ten slotte ongedeerd en behouden uit den strijd gaan.quot; Aldus verstaan, hangt dit vers op een natuurlijke wijze met de gedachte van het volgende samen.

Vs. 19. De uitdrukking: „zijn leven verwerven (redden)quot; herinnert aan de belofte van God aan Jeromia (39 : 18); „Gij zult uw leven tot buit hebben, omdat gij op mij vertrouwd hebt.quot; Het vertrouwen neemt hier zijn hoogsten vorm aan, dien der v7ro;j.crj, der volharding, die stand houdt {yévsi) onder den last (Ottó) van de zwaarste beproeving. —

439

-ocr page 452-

21 : 12-19.

Ik geloof, dat men veeleer met A eu B hot fut. ktwusQc , dan met al de anderen den imperat. XTfaaak moet lezen. Eer was bij de afschrijvers een neiging aanwezig, om den vorm der vermaning in de teksten in te voeren. Vgl. Rom. 5 : 1; 1 Cor. 15 : 49.

Hetgeen Jezus in dit eerste gedeelte van de rede over den tijd na zijn heengaan heeft willen zeggen, komt dus op het volgende neder; „Wacht er u voor, zekere noodlottige maatschappelijke of physische gebeurtenissen voor teekenen van het nabijzijnd einde aan te zien. En houdt stand onder de vervolgingen, die u wachten, onverschrokken uw geloof belijdende.quot; Markus en Mattheus voegen nog een merkwaardige uitspraak er aan toe, die zeer goed in dezen samenhang past: „Dit Evangelie des koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden, tot een getuigenis voor de heidenen.quot; Door wie? Blijkbaar: „Door u, mijne discipelen.quot; Daarmede zegt Hij tot hen; „Maakt het u toevertrouwde talent zoo rentegevend mogelijk! Vervult uw taak in de afwezigheid van uwen Heer!quot; Wij zullen weldra dezelfde gedachte bij Lukas terugvinden (vs. 24). Uit het midden van dezen tijd van verleidingen, van vervolgingen en van volhardend getuigen, waarvan de duur niet te bepalen is, ziet Jezus, als een eiland uit de diepte van een stroom, de hoofdgebeurtenis oprijzen, wier aankondiging tot dit onderhoud aanleiding gaf, en die voor een tijd een einde moet maken aan het bestaan van het uitverkoren volk. Reeds in 13 : 34—35 had Hij deze groote omwenteling in de geschiedenis van het Godsrijk aangekondigd. Hij komt er thans op terug, en duidt overeenkomstig de Hem voorgelegde vraag, het teeken aan, waaraan men met zekerheid de nabijheid daarvan zal kunnen weten. Op deze wijze vult Hij het tot hiertoe zuiver negatieve antwoord op de vraag aan. Men lette vooral op het orxv Sé, maar wanneer, van vs. 20, dat de tegenstelling tusschen de slechts schijnbare teekenen en het werkelijk en beslissend teeken met kracht doet uitkomen; „ïot op dit oogenblik kunt gij genist zijn, wat er ook moge gebeuren. Maar dun, staat op!quot;

440

-ocr page 453-

21 : 20-21.

2° Vs. 20—24. De ondergang van Jeruzalem en van het Joodscbe volk.

Vs. 20—21. „Maar wanneer gij Jeruzalem van heirlegers omringd zult zien, weet dan, dat haar verwoesting nabij is. 21 \'). Dat alsdan zij, die in Judea zijn, naar de bergen vlieden: en die in de stad wonen, er uitgaan, en die op de velden wonen, in haar niet komen.quot;

Tot hiertoe heeft Jezus de geloovigen tegen overijlde maatregelen gewaarschuwd. Nu daarentegen waarschuwt Hij hen, zich niet over te geven aan de hersenschimmen der fanatieke Joden, die zich tot het einde toe zullen inbeelden, dat God niet nalaten kan, Jeruzalem door een wonder te redden: „Er is niets van aanquot;, verklaart Jezus; „zegt op dat oogen-blik gerust, dat het met Jeruzalem gedaan, dat haar verwoesting nabij en onherroepelijk is.quot; Het door Lukas opgegeven teeken is de omsingeling van de stad door vijandelijke legers. Lukas stelt hier in de plaats van de oorspronkelijke uitdrukking: „den gruwel der verwoestingquot;, die wij bij Markus en Mattheus vinden, een uitdrukking, welke duidelijker het invallen van heidensche legers in het heilige land, die daarin verwoesting aanbrengen, te kennen geeft. — De uitdrukking: op de heilige plaats bij Markus en Mattheus duidt het geheele, door de vreemde bezetting ontwijde land aan; want als hier alleen van het terras des tempels sprake was, dan mocht, zooals Weiss opmerkt, het artikel vóór raVw ay/cj niet ontbreken. Bovendien zou het te laat zijn, aan vluchten te denken, als de hoofdstad eenmaal ingesloten was. Weiss maakt ook op het masculin. sjtwotx (de ware lozing bij Markus volgens de Alexandr.) opmerkzaam, dat, als constructie ad sensum, bewijst, dat Markus onder „den

1) Marciou liet v. 21 cu 2ü weg.

441

-ocr page 454-

21 : 22—24.

gruwel der verwoestingquot; niet het een of ander heidensch voorwerp, dat den tempel ontwijdde, verstond, maar een persoonlijk wezen, bijgevolg het vijandelijke leger. Deze opvatting wordt bevestigd door de opmerking, die Markus en Mattheus er bijgevoegd hebben: „Die dit leest, geve er acht opquot;, en die blijkbaar bestemd is, de christenen van Palestina te herinneren aan het gevaar, waaraan zij zich zouden blootstellen, indien zij dit teeken voorbijzagen en dit laatste oogenblik, om uit het land te vluchten, ongebruikt lieten voorbijgaan. Lukas heeft dus den zin der woorden van Jezus volstrekt niet veranderd; alleen heeft hij in de plaats van de duistere profetische uitdrukking een andere gesteld, die voor zijn Grieksche lezers verstaanbaarder was. — Het part. praes. KvaXo^ivviv geeft niet de voltooide insluiting te kennen, maar de trapsgewijze omsingeling van de stad door de vijandelijke legers, die naderen. — Deze uitspraak heeft de gemeente van Palestina voor de verdwaasdheid behoed, die zich, van het begin van den oorlog af, van de geheele Joodsche natie meester maakte. Zich do waarschuwing van Jezus herinnerende, vluchtten de christenen van Judea bij do aankomst de Romeinsche legers naar Pella, aan gene zijde der Jordaan, en ontsnapten daardoor aan de noodlottige gebeurtenis (Eus., Hist, eccl., III, 5, ed. Lammer). Zij pasten terecht de uitdrukking: de bergen (vs. 21) op de plateaux van Gilead toe.

De bewoners van een door den vijand bedreigd land zoeken gewoonlijk hun heil achter de muren der hoofdstad. Maar juist over deze zal in dit geval de storm in al zijn hevigheid losbarsten. Daarom zal men zich veeleer moeten haasten, om van daar te vluchten. Vs. 22 geeft de reden op, waarom dit zoo beschikt is; vgl. 11 : 50, 51.

Vs. 22 — 24. „Want deze zijn de dagen der wedervergelding , waarin alles vervuld moet worden!),

1) ï. R. eest niet CXj al de anderen;

442

-ocr page 455-

21 : 22—24.

wat geschreven is. 23. Wee 1) de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen! Want er zal een groote nood in het land zijn en toorn tegen2) dit volk. 24. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.quot;

De uitdrukking: alles wat geschreven is doelt op al de bedreigingen met ondergang, die tot het Joodsche volk werden gericht, als het volhardde in ongehoorzaamheid aan God, van die van Mozes (Lev. 26 : 14 en verv.) af, tot aan die van Zacharia (11 : 1—17) en Maleachi (4 : 6) toe.

Vs. 23. De moeilijkheid der vlucht onder zulke omstandigheden. Lukas laat de uitspraak van Mattheus over do onmogelijkheid om op een Sabbat te vluchten weg; zij had voor zijn heidensche lozers geen belang. — De uitdrukking $ yij: de aarde, moet hier genomen worden in den engeren zin van: het land, gelijk blijkt uit do woorden: tegen dit volk. Paulus schijnt in Rom. 2 : 5—8 en 1 Thess. 2 : 16 op deze uitdrukking van Jezus: toorn tegen dit volk te zinspelen.

Vs. 24. Meer dan een millioen Joden kwamen in dezen vreeselijken strijd om, en ongeveer 97000 wei-den gevankelijk weggevoerd naar Egypte en de andere provinciën van het rijk (Josephus). De uitdrukking 7rxTiiu,usvv, vertreden, geeft meer te kennen, dan inbezitneming; zij duidt onderdrukking, verpletterende overheersching aan; vgl. Openb. 11 ; 2. Bij Lukas kondigt de Heer een einde van dezen toestand aan: „de vervulling van de tijden der heidenen.quot; Sommige van

443

1

ï. U. leest Se na ouxi, mol N A C en 14 Mj j, Syr. (in navolging van Mattheus); B D L laten het weg.

2

ï. Ti. leest ev vóoi\' ra met F en igt; Mjj.; nl de onclereM lal en liet weg.

-ocr page 456-

21 : 22—24.

de nieuwere uitleggers verstaan onder deze uitdrukking: den aan de heidenen verleenden tijd om over Israël te heerschen (de Wette, Bleek, Weiss)-, anderen in het algemeen: den tijd, die hun gegeven is, om de oordeelen Gods ten uitvoer te brengen {Meijer, Oosterzee, Schanz), of om als heidenen te bestaan [Hofmann), of, eindelijk, om zelf het voorwerp der goddelijke oordeelen te worden (Olshausen)-, vgl. het juvoxv èövüv van vs. 25. Doch de eerste zin zou op een tautologie uitloopen; „De onderwerping van Jeruzalem aan de heidenen zal zoolang duren, als het tijdperk vau de overheersching der heidenen duren zal.quot; Bovendien is het veel natuurlijker, de uitdrukking xaipó? in een gunstige be-teekenis op te vatten; zij geeft gewoonlijk het geschikte oogenblik tot het aangrijpen van een oordeel, dat zich aanbiedt, te kennen; vgl. de uitdrukkingen nxipog kxpttmv, st-ayopxamp;aóxi tov Kxipou, nxipov s%siii, enz. In 19 : 44 duidt de uitdr. xxipot; ri?? aou, „den tijd, waarin gij be

zocht zijt geworden,quot; den tijd aan, toen God Jeruzalem het heil aanbood. Dit is, naar het mij voorkomt, het tegen-stuk van den nxtpo) èövüv, de tijden der heidenen, waarvan Jezus hier spreekt. Het meervoud is hier zonder twijfel gebruikt met het oog op de veelheid der tijdperken, gedurende welke het heil aan alle heidensche volken achter elkander zal worden aangeboden.

Het is een gemeenplaats der nieuwere kritiek, die om zoo te zeggen niet meer besproken wordt, dat Lukas op zijn eigen gezag dit gewichtige denkbeeld van het tijdperk der heidenen in de rede van Jezus heeft ingevoerd. Men trekt dit besluit uit het feit, dat deze uitspraak bij Markus en Mattheus ontbreekt; en dit is een van de hoofdbewijzen; die men bijbrengt, om aan te toonen, dat ons derde Evangelie na de verwoesting van Jeruzalem vervaardigd is. Lukas zou, op grond van de ondervinding, die hij opgedaan had, Jezus een woord in den mond hebben gelegd, dat geschikt was, het al te nauwe verband, dat het bericht der twee anderen tusschen deze gebeurtenis en de Parousie deed ontstaan, te verbreken. — Dit gevoelen is een natuurlijk

444

-ocr page 457-

21 : 22—24.

445

gevolg van dc hypothese, die Lukas tot den naschrijver van Markus en Mattheus of van hun bronnen maakt. Maar van het begin van ons onderzoek af hebben wij op bijna elke bladzijde de oorspronkelijkheid van Lukas aangewezen, niet alleen in de berichten, die bij hem alleen worden gevonden, maar ook in die, welke hij met de twee anderen gemeen heeft. En in dit laatste geval bleek de meerderheid der bronnen van Lukas zeer dikwijls, onloochenbaar te zijn. Zou het niet evenzoo kunnen zijn in het geval, dat ons thans bezig houdt? De toekomstige roeping der heidenen tot de kennis van Jehova en hun ingang in zijn koninkrijk was een denkbeeld, dat aan de zienswijze van Jezus niet vreemd kon zijn; zij behoorde tot het wezenlijke van zijn zending en zijn werk, en werd in de Psalmen en in de profetische geschriften herhaaldelijk aangekondigd. Jezus zelf sprak dikwijls over dit groote feit. „Er zullen er komen van Oosten en Westen, die met Abraham zullen aanzitten ..., terwijl de kinderen des koninkrijks buiten zullen geworpen worden... En ziet, er zijn eersten, die de laatsten zullen zijnquot;, en er zijn laatsten, die de eersten zullen zijnquot; (13 ; 29, 30). „Gaat uit op de wegen en langs de hagen, opdat mijn huis vol wordequot; (14:23). „Daarom zeg ik u, dat het koninkrijk van u zal worden weggenomen en aan een ander volk worden gegeven, dat de vruchten daarvan geven zalquot; (Matth. 21 : 43). Vgl. ook, in onze rede zelf, Matth. vs. 14 en Mark. vs. 10: „Dit Evangelie zal op de geheele aarde worden gepredikt, tot een getuigenis voor de heidenen.quot; Zou Jezus dezen voor de roeping der heidenen bestemden tijd in zijn gedachten vóór de verwoesting van Jeruzalem hebben gesteld? Dit is niet mogelijk, daar Hij deze gebeurtenis nog in den tijd van het toen levende geslacht verwachtte (vs. 32; 11 : 59). Hij kon redelijkerwijze niet hopen, dat het zijn apostelen binnen zoo korten tijd gelukken zou, de geheele wereld te doorreizen, van Spanje tot aanlndië, van de bewoners van het uiterste Noorden tot aan de volken van Zuid-Afrika. Weiss voert aan, dat Jezus de uitgestrektheid van den aardbol niet kende; maar mocht dit al van

-ocr page 458-

21 : 22—24.

toepassing ziju op de nieuwe wereld en op Australië, het kan zeker niet gelden van Azië en Afrika. Bovendien moet men in het oog houden, dat Jezus niet enkel over de verkondiging van het Evangelie aan deze verwijderde en talrijke volken spreekt, maar dat Hij de oprichting van het rijk Gods in hun midden onderstelt, en over de vruchten spreekt, die zij Gode zullen voortbrengen (Matth. 21 :43); dit onderstelt een historisch tijdperk van vrij langen duur. Jezus gaat zelfs zoo ver, dat Hij een verzwakking en als het ware een verdwijning van het geloof op de aarde voorziet na dit tijdperk van genade, aan de heidenen verleend (Luk. 18 : 7): „Als de Zoon des menschen komt, zal Hij ook het geloof vinden op de aarde?quot; Verder, indien het waar is, dat het rijk Gods van de Joden weggenomen moet worden, om naar de heidenen te worden overgebracht, dan volgt daaruit, dat het tijdperk der heidenen op de verwerping en den ondergang van Israël volgen moet. Eindelijk, bij Markus en Mattheus verklaart Jezus, dat Hij-zelf dien dag en die ure (van zijn wederkomst) niet weet (Matth. vs. 36; Mark. vs. 32), terwijl Hem bekend is, dat de verwoesting van Jeruzalem 30 a 40 jaren na zijn heengaan zal plaats vinden (Luk. vs. 32; Matth. vs. 34; Mark. vs, 30). Er moest derhalve een tusschentijd van onbepaalden duur tusschen deze twee gebeurtenissen liggen, over wier tijdstip Jezus zich op zoo verschillende wijze uitdrukt, en deze tusschentijd is juist de genadetijd, aan alle heidenen geschonken. — Deze feiten laten niet toe, de echtheid van de uitspraak, die Lukas Jezus in vs. 24 in den mond legt, in twijfel te trekken.

Wij ontmoeten hier het grootste verschil tusschen het bericht van Lukas en dat der twee andere Synoptici. Terwijl Lukas van vs. 25 af rechtstreeks tot de voorteekenen der Parousie overgaat, hetgeen geen enkele moeielijkheid oplevert, daar vs. 24 de twee groote feiten van de langdurige verwerping van Israël en van de geleidelijke evangeliseering van alle heidensche volken bevat, vinden wij hier bij Mattheus en Markus een plaats, waarin de verleidingen door valsche profeten en valsche Christussen worden aangekondigd, waaraan

446

-ocr page 459-

21 : 22—24.

447

L

lt;lc golooviyeu tofc aan de wederkomst des Ileoreu zullen blootgesteld zijn (Mattb. vs. 23—28; Mark. vs. 21—23); do parallel van deze plaats komt bij Lukas voor in de rede, die op de Parousie betrekking heeft (17 : 22—24), Bij den eersten blik zou men kunnen denken, dat de plaats, die deze waarschuwing bij Mattheus en Markus inneemt, de natuurlijke is. Wij zouden hier den overgang van de verwoesting van Jeruzalem tot de Parousie hebben: een aanhoudenden toestand van verleiding, waaraan de kerk tusschen deze twee gebeurtenissen zal zijn blootgesteld. Inderdaad zijn er gedurende dezen tusschentijd een reeks van valsche Christussen en profeten opgetreden. Men denke aan de valsche Christussen in de geschiedenis van het ongeloovige Israël, aan den valschen profeet Mohammed, aan de dwaalleeraars in de kerk zelf. Maar tegen deze verklaring, die het bericht van Mattheus en Markus zou rechtvaardigen en zoo goed in overeenstemming zou zijn met de strekking van deze plaats bij Lukas (Hoofdst. 17), waar zij betrekking heeft op de tijdruimte, die aan de Parousie voorafgaat, pleit een afdoende reden, nl. deze: dat de twee Evangelisten in de volgende verzen (vs. 29 bij Matth, en vs. 24 bij Markus) op de verwoesting van Jeruzalem terugkomen, om de groote gebeurtenis der Parousie rechtstreeks daarmede te verbinden. Matth. vs. 29: „En terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden. . . Mark. vs. 24: „Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon. . . .quot; De uitdrukking: die verdrukking zinspeelt blijkbaar op de verdrukking zonder wedergade, waarover de twee Evangelisten kort te voren, naar aanleiding van de verwoesting van Jeruzalem, hebben gesproken (Matth. vs. 20; Mark. vs. 19). Er is dus bij hen geen plaats voor een lange tijdruimte tusschen deze gebeurtenis en de Parousie, waarop de plaats, die wij hier bij hen vinden, betrekking zou kunnen hebben; waaruit volgt, dat deze waarschuwing bij Mattheus en Markus uit haar eigenlijken samenhang, welke geen andere kan zijn, dan door Lukas in Hoofdst. 17 aan-gegevene, gelicht en daar ingevoegd is.

-ocr page 460-

21 : 25—26.

3° Vs. 25—28: l)e Parousic.

Men vraagt zich af, wat Jezus bewogen heeft, hier dit onderwerp te behandelen, waartoe de vraag der apostelen, zooals Lukas haar geformuleerd heeft (vs. 7) geen aanleiding gaf, en die reeds in de rede van Hoofdst. 17 behandeld was. Het antwoord is gemakkelijk te geven. Volgens de zienswijze der ondervragers van Jezus kon de verwoesting van Jeruzalem en van den tempel slechts de aanduiding zijn van het einde aller dingen, van de voleinding der tegenwoordige eauw (zie de vraag zooals zij bij Mattheus, vs. 3, geformuleerd is), zoodat Jezus niet over de eerste dezer gebeurtenissen kon handelen, zonder met enkele woorden aan te wijzen, in welk verband zij met de andere stond. Bovendien knoopte zich de praktische gevolgtrekking, die Hij uit dit onderwerp wilde maken (vs. 34—36), veeleer aan het feit der Parousie, dan aan dat der verwoesting van Jeruzalem vast.

Vs. 25—26. De voorteekenen; „En er zullen1) teekenen zijn in de zon, en in de maan en de sterren, en op de aarde benauwdheid der volken, die in ontsteltenis zullen verkeeren, als de zee en de golven gedruis 2) zullen maken, 26 en de menschen den geest geven van vrees, in de ververwachting van de dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.quot;

De verbindende gedachte tusschen vs. 24 en vs. 25 is: „En wanneer deze tijd van straf voor Israël en van heil voor de heidenen voorbij zal zijn, dan zullen er. . ..quot; De

44S

1

NBD lezen ea-rai, iu plants van ca-ovroti.

2

T. II. leest N A R C eu 4 Mjj.:

-ocr page 461-

21 : 25—26.

twee oordeolea, dat ovor Isi-aël cn dat over de wereld, dio bij Mattheus eu Markus chronologisch met elkander verbonden eüDsiit;, (Matth.; [terx ryv 6hi\\piv, Mark.), maar bij Lukas (vs. 24) van elkander gescheiden zijn, zijn eigenlijk slechts één oordeel, dat in twee bedrijven voltrokken wordt. — Den toestand van vleeschelijke gerustheid, waarin de gekerstende of liever ontkerstende menschheid aan het einde der tijden gedompeld zal zijn, heeft Jezus in de rede over deParousie beschreven (17:26—30); vgl. 1 Thess. 5:3: „Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid ....quot; ïe midden van dezen diepen geestelijken slaap en van deze vleeschelijke bedwelming, zullen buitengewone verschijnselen eensklaps een van die kosmische omwentelingen aankondigen, die onze aarde meer dan eens heeft doorstaan. Evenals een schip aan alle kanten kraakt, voordat het in stukken uiteen valt, zoo zullen de door ons bewoonde aardbol (gt;} otKou^h^) en ons geheele zonnestelsel buitengewone schokken ondergaan. De tot hiertoe goed geregelde bewegende krachten {xi SiW^f/s) zullen door een onbekende macht als van hare wetten zijn vrijgemaakt. En de menschheid, verschrikt door deze omkeeringen, die schudden wat zij tot hiertoe voor onwrikbaar had aangezien en gewoon was den vasten grond te noemen, en het voorspel van zijn ondergang zijn, doorleeft een uur van weêr-galoozen angst. — Men moet liever lezen, dan jfoauir)}?, dat een correctie is. Het is de genit. van ifow, dog, en niet van yiw;, ou. Men heeft menigmaal beweerd, dat Jezus zich in deze beschrijving geheel afhankelijk betoont van de talrijke Apocalypsen, die toen onder de Joden in omloop waren, en de verschrikkelijke schilderingen van de dolores Messiae, de barensweeën van het Messiaansche rijk, bevatten; vgl. Schürer, Lehrb. der N. T. Zeitgesch., § 29, waar de Sibillynsche orakelen, het vierde hoek van Ezra, het hoek der Jubileeën, de Apocalypse van Baruch, enz. worden aangehaald. Maar men moet niet vergeten, dat het O. T. volkomen voldoende is, ter verklaring van al de trekken van het door Jezus geschilderde tafereel; vgl. Joël 2 : 10 (aardbeving); 3 ; 15 en 16 (schudding van de hemelen en ver-

Godiït, Lid-as. 11. 29

449

-ocr page 462-

21 : 27—33.

(luistering vau de sterren); Jes. 34 : 11 (de hemelen als een boek opgerold; sterren als bladeren afvallend); Zef. 1:15 (dag des Heeren; een dag van duisternis, van angst); Haggé 2:6) (hemel, zee en aarde worden bewogen); Jer. 4:23 (de aarde wordt weer een chaos). Deze profetieën zijn eveneens de bron, waaruit de Joodsche Apocalypsen hebben geput.

Vs. 27. De Parousie: „En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk, met macht en met groote heerlijkheid.quot;

Aan een lichtglans, die zich van het eene uiteinde des hemels tot het andere uitbreidt (17 : 24) zal men het komen des Heeren kennen; vgl. 1 Thess. 4: 16, 2 Thess. 1:7; 2:8, Openb. 1:7 en 19 : 11 en verv. De wolk is in de H. Schrift gewoonlijk het symbool des oordeels. Lukas spreekt niet over de verzameling van de onder de menschheid verstrooide uitverkorenen, die door Markus en Mattheus met de uitdrukking eviauvcliyeiv wordt aangeduid, waarvan Paulus zeker het woord eTricruvayuyti, dat bij hem op hetzelfde feit betrekking heeft (vgl. 2 Thess. 2 ; 1; 1 Thess. 4: 16), heeft afgeleid. — Deze plaats bevat geen enkel woord, waardoor te kennen wordt gegeven, dat Jezus op aarde terugkomt, om er te blijven, zooals het chiliasme meent. Het schijnt mij veeleer toe, dat deze komst moet worden opgevat als een vluchtige verschijning, waaraan zich de opwekking van de geloovigen (1 Cor. 15: 23; Pbilipp. 3 : 20, 21), de wegvoering van de gemeente (Luk. 17 ; 31, 35), en de volkomene zedelijke verandering van het op aarde achterblijvende gedeelte der menschheid (Openb. 20: 1—6) zullen vastknoopen.

C. Vs. 28—36. Het slot.

Va. 28—33. Uit het oogpunt van de christelijke hoop: „Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u dan weder op, en heft uwe

450

-ocr page 463-

21 : 28—33.

hoofdeu opwaarts, omdat tiwo verlossing nabjj is. 29. En Hij zeide tot hen eene gelijkenis: Ziet den vijgeboom en al de boomen; 30. wanneer zij beginnen uit te spruiten, weet gij, als gij ze ziet, uit u zeiven, dat de zomer nabij is. 31. En evenzoo, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, weet dan ook, dat het Koninkrijk Gods nabij is. 32. Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat al deze diagen zullen geschied zijn. 33, De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.

Men zou kunnen meenen, dat Jezus na de woorden, die op de Parousie betrekking bebben, op het uitgangspunt en het hoofdonderwerp der geheele rede, de verwoesting van Jeruzalem, terugkomt. In dit geval zou de uitdrukking: uwe verlossing de bevrijding van de Joodsch christelijke kerk van de vijandige macht van het Sanhedrin, en de komst van het rijk Gods (vs. 31), de voortplanting van het Evangelie onder de heidenen, te kennen geven. De uitspraak van vs. 20: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan ... zou daardoor geheel natuurlijk op de verwoesting van Jeruzalem, en het tovtuv cép%of*.évuv, wanneer deze dingen beginnen, op al hetgeen van vs. 20 af werd aangekondigd betrekking hebben (zoo Hofmann en Keil). Deze verklaring, die heel wat moeilijkheden doet verdwijnen, kan ongelukkigerwijze niet worden toegelaten. Het feit der Parousie, eenmaal ter sprake gebracht, is veel te gewichtig om in den vorm van een blooten tusschenzin te worden behandeld. De uitdrukking: hel rijk Gods schijnt in dit verband veeleer de definitieve oprichting van het Messiaansche rijk te kennen te geven, en de uitdrukking; verlossing (vs. 28) op de eindelijke

451

-ocr page 464-

21 ; 28—33.

bevrijding van de kerk door de wederkomst dos Ileoren (de verlossing van de weduwe, 18 : 1—8) te doelen. Als dit zoo is, dan duidt het toutuv, deze dingen, natuurlijk den inhoud van vs. 25—27 aan, zonder dat men tot aan vs. 20 zou kunnen teruggaan; zoo Bleek, Meyer, Weiss, Schanz, e. a. — Uit u zeiven (vs. 20): „zonder dat iemand het u zegt.quot; Het is niet noodig, het volk, dat de boomen groen ziet worden, officiëel bekend te maken, dat de zomer nabij is. — Tegen het midden van Maart beginnen de vruchten zich te vertoonen op de oude takken van den lentevijgeboom; zij worden rijp, voordat er bladeren aan den boom zijn. De eerste oogst heeft in Juni plaats.

Maar als dit de zin van vs. 30 en 31 is, hoe moet dan vs. 32 worden verklaard? Zou Jezus verwacht hebben, dat Hij binnen zoo korten tijd zou wederkomen? Om aan deze gevolgtrekking te ontkomen, heeft men aan de uitdrukking ysvex, geslacht, de beteekenis van „het menschelijk geslachtquot; (Hieronymus), of „de christelijke kerkquot; (Chrysostomus), of „het geslacht der uitverkorenquot; (Cremer), of „de Joodsche natiequot; (Dorner en Riggenbach), gegeven. Maar in dezen samenhang, waar Jezus een chronologische bepaling (is nabij, vs. 31) wil geven, kan de uitdrukking; dil geslacht slechts een temporeele beteekenis hebben; het geheel van de menschen, die in leven zijn op het oogenblik, waarvan hier sprake is. Klostermann neemt dezen zin aan; maar hij past hem niet op de tijdgenooten van Jezus toe, maar op de menschen, die in leven zullen zijn op het oogenblik, waarop de aangekondigde teekenen een aanvang zullen nemen; zij zullen zoowel van het begin als van het einde dezer korte crisis getuigen zijn. Men gevoelt het, hoe gedwongen deze verklaring is. De eenige natuurlijke opvatting is: de uitdrukking »7 ysvsa auT\'/i in verband te brengen met het geslacht, waarvan de spreker de tijdgenoot is; vgl. Matth. 11 : 16, Luk, 7 : 31; 9 : 41; 11 : 29, enz. Het is dit geslacht, dat, het bloed van den Messias en van zijn gezanten vergoten hebbende, niet alleen de straf van dezen moord moet dragen, maar ook die van ul de misdaden, welke, als voorloopers van deze, van

452

-ocr page 465-

21 ; 28—33.

453

de vermoording van Abel af werden bedreven; vgl. 11 : 50 (Matth. 23 : 36), een uitspraak, waardoor de zin van de onze ontwijfelbaar wordt vastgesteld. De Tubingsche school, die zeer goed inzag, dat de schrijver, die volgens haar post eventum, eerst in het begin der tweede eeuw, profeteerde, zulk een vergissing niet kan hebben begaan, heeft den duur van een geslacht tot een geheel menschenleven, ongeveer een eeuw, willen verlengen (Hilgenfeld, Volkmar). Maar deze uitdrukking geeft bij de Grieksche schrijvers (Herodotus, Heraclitus, Thucydides) een tijdruimte van 30 è, 40 jaren te kennen. Gewoonlijk rekent men drie geslachten per eeuw. Het woord van Irenaeus, dat op de vervaardiging van de Apocalypse betrekking heeft, en waarin hij verklaart, „dat dit visioen niet lang vóór zijn tijd gezien werd, maar bijna nog in den tijd van zijn geslacht, tegen het einde der regeering van Domitianusquot;, bewijst geenszins het tegendeel, zooals Volkmar beweert; want Irenaeus zegt uitdrukkelijk; lt;rxamp;igt;v, bijna, zeer goed gevoelende, dat hij de tijdruimte, die de uitdrukking: geslacht aanduidde, langer maakte, dan zij gewoonlijk was. Deze uitspraak moet dus, evenals die van 11 : 50 en 51, op de verwoesting van Jeruzalem betrekking hebben. Maar hoe komt het dan, dat zij in deze rede, na een plaats, die op de Parousie betrekking heeft, is overgebracht? Wij hebben reeds dikwijls bevonden, dat de uitspraken van Jezus in den vorm van losse fragmenten door de overlevering waren bewaard, en daarom in de verschillende verslagen zeer verschillend geplaatst waren, of ook van de overgangen beroofd, die in de oorspronkelijke rede duidelijk den zin daarvan bepaalden. Dat dit ook hier het geval moet zijn geweest, bewijst een andere uitspraak, die bij Markus en Mattheus onmiddellijk daarop volgt: „Wat dien dag en die ure aangaat, niemand weet ze . . . een uitspraak, die alleen op de Parousie betrekking kan hebben. Deze twee tegenstrijdige chronologische bepalingen zijn in deze beide Evangeliën slechts door een enkel vers van elkander gescheiden, en toch hebben zij klaarblijkelijk op twee verschillende gebeurtenissen betrekking.

-ocr page 466-

21 : 34-36.

De oorkonde, waaruit Lukas geput heeft, eu waarin hij zich niet veroorloofd heeft, iets te veranderen, heeft dus op dit punt een wijziging ondergaan zooals die, welke, zooals wij zien zullen, in het verslag, dat de twee andere Synoptici van deze rede gegeven, is aangebracht. Hetgeen Jezus met het oog op de Parousie had gezegd, was in de overlevering niet genoeg afgescheiden van hetgeen op de verwoesting van Jeruzalem betrekking had.

Vs. 33. Hoewel de tempel der zichtbare wereld een steviger gebouw is, dan dat hetwelk de discipelen Jezus wilden doen bewonderen (vs. 5), is hij toch vergankelijker dan de bedreigingen en de beloften van den Meester, die tot hen spreekt.

Vs. 34—36. Vermaning tot waakzaamheid: „Maar geeft acht op u zeiven, opdat uwe harten niet bezwaard worden door overdaad in eten en drinken, en door de zorgen dezes levens, en die dag u niet onvoorziens overvalle. 35. Want hij zal komen \') als een strik over al degenen, die op de oppervlakte der geheele aarde wonen. 36. Waakt dan 1) te allen tijde, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden 2), aan al deze dingen, die geschieden moeten, te ontkomen, en voor den Zoon des menschen te staan.quot;

Wij hebben hier de praktische gevolgtrekking, dio Jezus uit zijn onderwijs maakt: aanhoudende waakzaamheid. Het gevaar van geestelijke slaapdronkenheid, waartegen Hij do

454

1

B 1) le«en St, in plaats van ovv.

2

ï. R. leest KXTa%iuQiiT$, met A C JJ en 11 Mjj. It. Syr. (met Syrcur);

N B L X I HUTi7XlUlt;TVITe.

-ocr page 467-

21 : 34-36.

zijnen in vs. 34 waarschuwt, zal het gevolg zijn van den redelijken toestand der wereld in de laatste tijden, een toestand, die stellig op de kerk zijn invloed zal uitoefenen; vgl. 17 : 26—30 en 1 Thess. 5 : 1—7.

Vs. 35. Het beeld van een net, dat eensklaps nedervalt op een weide, waar een zwerm vogels op zijn gemak gelegerd is. Hier wordt niet gesproken over Judea alleen, maar over de gansche aarde (al de inwoners der aarde).

Vs. 36. Waken is het beeld van aanhoudende verwachting; bidden is de daad, waarmede zulk een ernstige verwachting gepaai\'d moet gaan. — De uitdr. htpuyeïv, ontkomen aan, zou betrekking kunnen hebben op de overwinning over de verleiding, die van de wereld uitgaat; maar er is veeleer sprake van het ontsnappen aan het oordeel, dat komen zal over hen, die daarvoor bezwijken. De uitdrukking: staan geeft een voorgevoel vau al het aangrijpende en verschrikkende, dat de aangekondigde verschijning hebben zal. Men zal door een bovennatuurlijke kracht ondersteund moeten worden, om op het gezicht van den in zijn heerlijkheid geopenbaarden Zoon des menschen niet neêr te zijgen, en uit te roepen; „Bergen valt op mij, en bedekt mij!quot; — Jezus spreekt over deze dingen tot degenen, die Hem omgeven, alsof zij zelf van deze laatste tooneelen getuigen zouden zijn. Dit komt daar van daan, dat Hij den tijd niet weet, waarop zij plaats zullen hebben, en zijn woorden betrekking hebben op al de geslachten van geloovigen, die tot het einde toe op elkander zullen volgen, en door dit eerste geslacht werden vertegenwoordigd. Bovendien staat het voor ieder daarvan vast, dat de ure des doods voor de afzonderlijke personen, waaruit het bestaat, hetzelfde is, wat de Parousie voor het laatste zal wezen.

Op dit gedeelte, waarmede de rede bij Lukas eindigt, laat Markus de kleine gelijkenis van den deurwachter volgen, welke waarschijnlijk identisch ia met die van Luk. 12 ; 36 en verv. Mattheus daarentegen plaatst hier de geheele beschrijving van den eindtoestand der wereld vóór de Parousie, die wij bij Lukas in Hoofdst. 17 : 36 en verv. hebben go-

455

-ocr page 468-

21 : 34—36.

voudeu, voorts de gelijkenis van den diof en die vau de twee dienstknechten (vgl. Luk. 12 : 42—46), en eindelijk de gelijkenis van de tien maagden en die van de talenten, en de schildering van het laatste oordeel, redenen, die hij- alleen bewaard heeft. Wederom vinden wij hier bij hem, zooals gewoonlijk, een opeenhooping van woorden van Jezus, die wel over gelijke onderwerpen handelen, maar op verschillende tijden werden uitgesproken.

OVEE DE ESCHATOLOGISCHE BEDE.

Wij hebben in de drie berichten (Luk. 21, Mattli. 24 en Mark. 13) denzelfden gang gevonden: 1° een algemeenen blik op den toestand der wereld en der kerk na het heengaan van Jezus; 2° de schildering van een treffende gebeurtenis te midden van dezen toestand: de verwoesting van Jeruzalem; 3° na deze gebeurtenis, de meer of minder duidelijke aanwijzing van een tusschentijd tot aan de Parousie; en 4° de voorteekenen der Parousie, en deze zelf. Het eenige verschil is, dat de aangeduide tusschentijd na den ondergang van het Joodsche volk bij Lukas de tijden der heidenen wordt genoemd en de evangeliseering van de geheele wereld omvat, terwijl hij bij Markus en Mattheus meer van bet standpunt der kerk wordt voorgesteld, en een tijd van onrustige verwachtingen en van gevaarlijke verleidingen, die tot aan de Parousie zal voortduren, schijnt te kennen te geven.

Wat hebben wij te denken van deze profetische rede, zoowel wat haar echtheid betreft, als wat de vervulling aangaat van de daarin vervatte voorspellingen.

I. Velen meenen, dat hetgeen over de Parousie is gezegd in het geheel niet door Jezus is uitgesproken, en dat geen enkele werkelijkheid daaraan beantwoorden zal,

456

Colani1), Hase en Schenkel nemen aan, dat Jezus met zijn scherpen politieken blik zeer goed de verwoesting van Jeruzalem heeft kunnen voorzien en aankondigen; maar zij

1

Jéuuu-Christ el les croyances messianiques de son temps, 1804

-ocr page 469-

21 : 34—36.

kuunen er niet too besluiten, Hem te bescLouwcn als een dweper, die in staat was, op zijn roemrijke wederkomst op aarde te hopen, en zichzelf aan te zien voor den persoon, die het laatste oordeel over de menschheid zou leiden. Kcim erkent niet alleen, dat Hij werkelijk de verwoesting van Jeruzalem heeft voorzegd, — dit vloeit voort uit de verklaring der valsche getuigen (Matth. 26 : 60, 61) en uit de tegen Stephanus ingebrachte beschuldiging (Hand. 6 : 14) — maar ook, dat Hij zijn wederkomst in heerlijkheid heeft aangekondigd — de uitspraak Mark. 13 : 32, die Hem niet ten onrechte in den mond kan zijn gelegd, is daarvoor een onweerlegbaar bewijs; — doch dit neemt niet weg, dat ook volgens hem deze rede niet zóó door Jezus kan gehouden zijn, als de Synoptici haar mededeelen, daar zij tegenstrijdigheden bevat. Volgens de inleiding moet de tempel verwoest, volgens de rede-zelf slechts ontwijd worden; volgens de eene verklaring weet Jezus den dag van zijn komst, volgens een andere weet Hij dien niet, enz. Uit al deze omstandigheden trekken verscheidene hedendaagsche critici het volgende besluit: Deze rede is een apocalyptisch dichtstuk, dat, wellicht op den grondslag van eenige echte uitspraken van Jezus, kort vóór de verwoesting van Jeruzalem door een gewaanden profeet werd vervaardigd. Dezen profeet houden de eenen voor een Jood — zoo Weiisdcker1), — de anderen voor een Joodsch-Christen, — zoo Colani2), Keim, Weiffenbach3), Wendt ^). Deze laatste schijnt ons toe, dit gevoelen op zeer bekwame wijze te hebben uiteengezet. Hij doet in de rede van Jezus, zooals Lukas ons die heeft overgeleverd, twee reeksen van uitspraken uitkomen, waarvan de eene in overeenstemming is met de gedachten, welke Jezus elders over dit onderwerp heeft uitgesproken, terwijl de andere tot het gebied der Joodsche Apocalyptiek behoort, en de leer en do

457

1

Untermchungen, bl. 123 en vciv.

2

Jesus-Christ et les croyancas messiuinquea, bl. \'201 en very

3

Der WiederkunHsyedanlce Jesu, 1873, bl, 09 en verv.

-ocr page 470-

21 : 34-36.

458

gedachte van Jezus vreemd is. De eerste reeks, die de echte rede van Jezus uitmaakte, werd door Markus volgens de apostolische overlevering geredigeerd. De tweede reeks omvat Mark. vs. 7—9a, 14—20, 24—27, 30—31; zij werd door Markus, die haar voor echt aanzag, volgens de kleine Joodsch-christelijke Apocalypse, wier bestaan door deze critici wordt aangenomen, ingelascht; deze reeks had op de verwoesting en op de Parousie betrekking. Maar: 1° Bij deze onderstelling moet men aannemen, dat al de andere uitspraken van Jezus, die op dezelfde onderwerpen betrekking hebben, en in onze Evangeliën voorkomen, ook aan dit geheimzinnig hoekje ontleend zijn; b. v. Luk. 11 : 50: „Opdat al het bloed .... worde teruggeëischtquot;; 13:23—27; „Wanneer de heer zal opstaan ..vs. 35: „Gij zult mij niet meer zien, totdat.. 17 : 23—24: „Ziet, Hij is hier of Hij is daar... Gelijk de bliksem schittert.. ; 18:8: „Wanneer de Zoon des menschen komen zal, zal Hij... vinden...quot;; 19:15: „En toen hij terugkwam, na het koningschap te hebben ontvangen...quot;; vs. 43: „Er zullen dagen over ü komen...quot;; 20: 16: „Hij zal deze wijngaardeniers ombrengen en den wijngaard aan anderen gevenquot;, enz. Bij Mattheus, 7 : 22: „Velen zullen in dien dag tot mij zeggen...quot;; 19 : 23: „Wanneer de Zoon des menschen zitten zal op den troon zijner heerlijkheid, bij de vernieuwing van alle dingen..,quot;; vgl. nog 21:44, 22 : 7; 25 : 31; 26 : 64, en de parallellen bij Markus. Uit deze verschillende uitspraken zou men de geheele rede, die ons bezighoudt, met uitzondering van de als voorteekenen der Parousie vermelde natuurverschijnselen (zie bijv. 25 en 26), kunnen samenstellen. Deze talrijke, in onze drie Synoptici verstrooide uitspraken kunnen blijkbaar slechts van apostolische overlevering afkomstig zijn, en niet van dat vermeende apocalyptische gedicht. 2° Een werkje zooals het vlugschrift, waarover men spreekt, had bezwaarlijk zulk een aanzien en gezag kunnen verkrijgen, dat Markus het met de erkende apostolische overlevering zou vermengd hebben, vooral wanneer het, zooals men beweert, gegevens bevatte, die met deze en met het geheele overige gedeelte van do leer van Jezus in

-ocr page 471-

21 : 34—36.

459

strijd waren. 3° Bij do bestudeering van de rede zooals zij daar vóór ons ligt, hebben zij zonder moeite den gang daarvan in de drie verslagen leeren kennen: Een toestand van beproeving voor de geloovigen, die met liet nabijzijnd heengaan van Jezus een aanvang neemt; te midden van dezen toestand een vreeselijke crisis, die Israël aangaat, nl. de verwoesting van Jeruzalem; aan het einde van dien toestand, na de roeping der heidenen, een tweede crisis, die de geheele wereld betreft, nl. de Parousie. Ziedaar het geraamte der rede. Zij maakt niet den indruk van lapwerk, maar van een organisch geheel. 4° Elke twijfel omtrent het traditioneele karakter der zoogenaamde „apocalyptischequot; uitspraken van Jezus in deze rede wordt weggenomen door de volkomen gelijksoortige elementen in de brieven van Paulus, welke lang vóór den tijd, waarin de vervaardiging van de vermeende Apocalypse (in 68) gesteld wordt, geschreven zijn; zoo, wat den ondergang van het Joodsche volk betreft, 1 ïhess. 2 : 16; wat de Parousie met de opstanding der gestorvene geloovigen en de wegvoering der nog levende christenen enz., aangaat, 4, 16 en verv., 5 : 1 en verv.; betreffende de van den Antichrist uitgaande verleiding en den eindelijken afval, 2 Thess. 2. Blijkbaar schreef Paulus deze dingen in de vaste overtuiging, dat zij met de apostolische overlevering in overeenstemming waren. 5° Doch er is meer. De Apocalypse van Johannes zelve berust geheel en al op do rede, die ons bezighoudt. De zes zegelen, waarvan sprake is in Hoofdst. 6, zijn de poëtische uitbreiding van vs, 10 en 11 van Lukas: de oorlogen, door het roode paard (Openb. 6 : 4) voorgesteld, beantwoorden aan ons 10de vers; do hongersnood, dien het zwarte paard voorstelt (Openb. 6:5), beantwoordt aan ons woord (vs. 11); de fest, dat door het vale paard wordt aangeduid (Openb. 6:8), beantwoordt aan ons woord hoiftci (vs. 11); do bloedige vervolgingen, dio door de onder het altaar roepende zielen wordt te kennen gegeven (Openb. 6:9), beantwoorden aan de beschrijving, welke Lukas in vs. 12 en 16 en 17 geeft van de vervolgingen, dio de geloovigen

-ocr page 472-

21 : 34—36.

460

wachten; en do groote aardbeving van hot zesde zegel (Openb. 6 : 12 en vorv.) beantwoordt aan de uitdrukking aeiapo) nsyuXx van Lukas (vs. 11). Later beantwoordt de beschrijving van den valschen profeet en van het heest (Openb. 13) nauwkeurig aan de uitdrukkingen ipsutixwrb en ypeulc-■jrpoQïjTxi van Mark. 13 : 22 en Matth. 24 : 24; de engel, die door de lucht vliegt, om het eeuwig Evangelie aan allo inwoners der aarde te brengen (Openb. 14 : 6), aan Matth. 24 : 14 en Mark. 13 : 10: „Dit Evangelie des koninkrijks zal aan alle volken verkondigd wordenquot;, en aan de uitdrukking „de tijden der heidenenquot; bij Lukas. Het stelsel van vertraging, dat in de geheele Apocalypse heerscht (zegels, bazuinen, fiolen), beantwoordt aan de woorden: „Het einde komt zoo spoedig nietquot; (vs. 9) en aan de uitdrukking: „een begin der smartenquot; (vs. 9 bij Markus, vs. 10 bij Mattheus); en de verschijning des Heeren op het witte paard, met heirlegers van engelen en geloovigen (Openb. 19), aan de schildering van de Parousio (Luk. vs. 27 en parallellen). Deze overeenkomst is niet toevallig; en zeer zeker zijn niet de rijke apocalyptische schilderingen de oorspronkelijke geschriften geweest, en heeft onze synoptische rede daarvan niet een uittreksel gegeven; de omgekeerde verhouding is de eenig mogelijke. De rode vau Jezus in eenvoudig proza is de grondslag geweest van de dramatische schilderingen der Apocalypse; waaruit volgt, dat deze rede in de kerk reeds erkend was als de echte reproductie van de woorden van Jezus, voordat de schrijver der Apocalypse daarvan het genoemde gebruik maakte. Brengt men hiertegen in, dat de plaats Openb. 11 : 1—2 de hoop op het behoud van den tempel in zich sluit, en dus de synoptische verklaring: „Er zal daarvan niet Óen steen op den andoren blijven . . . .quot; tegenspreekt, dan is dit een volkomen misverstand. Als men de apocalyptische schildering zoo letterlijk opvat, dan miskent men het symbolisch karakter van het boek, waarin zij voorkomt, en laat den schrijver een onbegrijpelijke ongerijmdheid zoggen, nl. dat do tempel drie jaren lang aan de verwoesting ontsnapt, terwijl de heidenen ge-

-ocr page 473-

21 : 34—36.

durende dezen goheelen tijd het voorhof bezetten, on zij, die in den tempel aanbidden, niets te eten, noch te drinken hebben!

Om al deze redenen meenen wij, te mogen zeggen, dat het apocalyptische en anonieme „vlugschriftquot;, waaruit men de geheele Synoptische rede of een gedeelte daarvan afleidt, niets anders is, dan een hersenschimmige en door en door onwaarschijnlijke vinding der hedendaagsche kritiek

II. Anderen meenen, dat Jesus wel op deze wijze over zijn Parousie heeft gesproken, maar dal de werkelijkheid niet aan zijn woorden heeft beantwoord.

461

Dit is het gevoelen van Sirauss, Renan, en ook, hoewel in een zeer verschillenden zin, van Weiss. De vroeger genoemde critici konden er niet toe besluiten, Jezus tot een opgewonden dweper te maken, die zich voor den grooten Rechter der menschheid zou hebben uitgegeven; maar Strauss en Renan vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, dit aan te nemen. Op het oogenblik, toen Jezus aldus sprak, had, zooals Renan zegt, de sombere reus van Judea den bemin-nelijken Galileeschen Rabbi vervangen. De geestdrift zijner al te naïeve vrienden had Hem-zelf bedwelmd. De uitkomst heeft heel eenvoudig de droomen van toekomstige grootheid en van wederkomst in heerlijkheid, waaraan Hij zich een oogenblik had overgegeven, gelogenstraft. — Maar als wij ons Jezus voorstellen, zooals Hij, twee dagen nadat Hij de thans voor ons liggende rede gehouden heeft, in de Paasch-zaal nederig de voeten zijner discipelen wascht en zich vrijwillig aan den dood des kruises wijdt, dan weten wij wel,

1) Om aan dozo hypothese een soort van Rroudslag te geven, tracht men dat vermeende geschrift in verband te brengen met het Orakel (xpyeitót), waarva» Busebius (II. JE., III, 5) spreekt, en dat de christenen van Judea deed besluiten, vudr het beleg vau Jeruzalem nnar Pella to verhuizen. Vgl. Wendt, bl. 20, in do noot, waar deze identificatie als een bloote mogelijkheid is voorgesteld. Maar Eusebius schrijft deze waarschuwing aan de eerwaardigste mannen der Jeruzalemsche gemeente toe, bijgevolg aan de apostelen en aan hunne onmiddellijke opvolgers; en deze mannen zouden hunne eigene verdichtsels niet op rekening van Jezus hebben gesteld.

-ocr page 474-

21 : 34—36.

462

wat wij dcüküu laoctou van dio vermeende vlaag van hoogmoed, die men Hem toeschrijft. En hebben de feiten deze rede werkelijk gelogenstraft ? Beroeringen en allerlei onheilen hebben op aarde niet ontbroken na het heengaan van Jezus; wreede vervolgingen hebben de kerk getroffen, en wel tot aan de vorige eeuw toe; aan quot;den anderen kant heeft het getuigenis der geloovigen door de kracht des Geestes stand gehouden. Jeruzalem is gevallen, en nog heden ten dage wordt haar bodem door de heidenen vertreden. Het Evangelie is gepredikt geworden, en wordt hoe langer hoe meer gepredikt in de geheele wereld. Ziedaar het drie vierde gedeelte der profetie, dat reeds vervuld is. Weten Strauss en Renan met zekerheid, hoe het met het laatste vierde gedeelte zal afloopenP — Maar in ieder geval is er, zegt men, een vergissing ten opzichte van den tijd. Want Jezus heeft voorspeld, dat Hij in den tijd van het toenmalige geslacht zou wederkomen. Er bestaat dus op dit punt ten minste een duidelijke tegenspi-aak tusschen de voorspelling en de feiten. Dit meent Weiss, te moeten erkennen; zie bij vs. 24. Vol gens hem was Jezus wel ingewijd in het raadsbesluit Gods, maar daar Hij de uitgebreidheid der aarde niet kende, wist Hij niet, hoeveel tijd de prediking van het Evangelie aan alle volken der aarde vereischen zou. — Aan hetgeen reeds bij vs. 24 op deze bewering werd geantwoord, voegen wij hier nog toe, dat onze Synoptici zeer vele uitspraken bevatten, die een veel langeren duur der afwezigheid van Christus in zich sluiten, en zelfs beslist het denkbeeld van het ophanden zijn van zijn wederkomst bestrijden. Zoo bij Mattheus: „Toen nu de bruidegom lang uitbleefquot; (25 : 5); „ Na een langen tijd kwam de heer terugquot; (25 : 19); „Mijn heer vertoeft te komenquot; (24 : 48). Bij Markus: „Gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstondquot; (13 : 35). In deze laatste uitspraak ligt opgesloten, dat de wederkomst tot het uiterste toe zou kunnen worden uitgesteld. Do aanduiding van de vier mogelijkheden, die wij in deze woorden hebben, heeft veel overeenkomst met

-ocr page 475-

21 : 34—36.

deze andere uitspraak, die eveneens door Markus bewaard is (vs. 32): „Wat dien dag aangaat, niemand weet hem, noch de engelen, noch zelfs de Zoon . . . een verklaring, die zeker echt is, en die niemand er aan gedacht zou hebben, Jezus toe te schrijven, indien Hij haar niet had uitgesproken. En dan zou Hij, terwijl Hij zijn onwetendheid op dit punt openlijk erkent, den levenstijd zijner tijdge-nooten als de uiterste grens van zijn afwezigheid hebben vastgesteld! Bij Lukas (13 : 35) laat Jezus het tijdstip zijner wederkomst met dat der bekeering van het Joodsche volk samenvallen; en deze bekeering kon volgens zijn zienswijze niet eerder plaats vinden, dan na een vrij langen tijd, dien dit volk in een toestand van verworpenheid moest doorbrengen. Vgl. nog deze uitdrukking van 19 : 2: „In een verafgelegen land.quot; De afstand is hier het beeld van een lange tijdruimte. Ook zien wij in ons Hoofdstuk, dat zijn wederkomst het einde van den aan de heidenen geschon-kenen genadetijd tot voorwaarde heeft (zie bij vs. 24). Uit dit alles vloeit voort, dat Jezus zijn wederkomst niet binnen zoo korten tijd, als Weiss meent, verwacht kan hebben, en dat Hij dus ook niet het tijdstip daarvan met dat van de verwoesting van Jeruzalem, die Hij als nabij aankondigde, kan hebben vermengd.

Maar als dit zoo is, hoe moet men dan in de berichten van Markus en Mattheus de uitdrukkingen „in die dagenquot; (Mark. vs. 24) en „terstond naquot; {cvdéwg Sf //sTi, Matth, vs. 29) verklaren? Daar de verdrukking, waarover Mattheus (vs. 29) en Markus (vs. 2i) spreken, geen andere kan zijn, dan die, welke de een in vs. 22—28, en de ander in vs. 20—23 vermeld heeft, moet men erkennen, dat deze twee Evangelisten de Parousie werkelijk zeer kort na de verwoesting van Jeruzalem hebben gesteld. Alleen komt het mij voor, dat dit feit geen reden is om Jezus-zelf deze zienswijze toe te dichten. Want daardoor zou men Hem, volgens al hetgeen ons zoo oven gebleken is, met zich zelf in tegenspraak brengen. Men moet daarom aannemen, dat de redactie der twee eerste Evangelisten de woorden des Hoeren op dit punt

463

-ocr page 476-

464 21: 34—36.

een kleino en onwillekeurige wijziging hebben doen ondergaan, en wel omdat zij niet genoeg rekening hebben gehouden met den door Hem-zelf aangeduiden tusschentijd tusschen de verwoesting van Jeruzalem en zijn wederkomst. Deze tusschentijd is bij Lukas, zooals wij gezien hebben, uitdrukkelijk vermeld in de woorden; „totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn.quot; Het kon hun zooveel te lichter overkomen, deze woorden weg te laten, daar op het standpunt der Oud-Testamentische profetieën het einde der Israëlitische theocratie in de uitdrukking: het einde der dagen met het einde der tegenwoordige bedeeling samenviel. Van deze gedachte vervuld , konden diegenen der apostelen, van wie de reproductie dezer rede, zooals wij haar bij Mattheus en Markus vinden, afkomstig is, gemakkelijk de twee gebeurtenissen dichter bij elkander brengen, dan Jezus gedaan had (zie dezelfde bij-elkander-brenging van de twee gebeurtenissen in de vraag aan het begin van deze rede, zooals zij bij Mattheus luidt). Daartoe was het genoeg, een enkele zinsnede weg te laten. Ook hier, evenals in zoovele andere gevallen, heeft het bericht van Lukas den oorspronkelijken vorm der rede van Jezus nauwkeuriger en vollediger teruggegeven.

III. Nog anderen zeggen: Jeius heeft aldus gesproken, en hetgeen Hij voorspeld heeft is tot hiertoe nauwkeurig vervuld geworden, en zal geheel en al in vervulling gaan.

Op de rede van Lukas toegepast, levert deze zienswijze, volgens hetgeen wij zooeven gezegd hebben, geen enkele moeilijkheid op, behalve op een enkel punt, nl, de plaats, die hij heeft aangewezen aan de uitspraak van vs. 32: „Dit

■ f

geslacht zal niet voorbijgaan .., waardoor zij op de Parousie schijnt te doelen, terwijl zij zeker op de verwoesting van Jeruzalem betrekking heeft. Dit is het eenige, dat op de nauwkeurigheid van zyn bericht valt af te dingen. Ik geloof, dat wij hier een zelfde geval hebben, als bij de verschillende uitspraken, die aan het begin van H. 17 (vs. 1—10) bij elkander gevoegd zijn, terwijl zij met elkander in het geheel niet in verband staan, zonder twijfel omdat zij in dezen vorm voorkwamen in de oorkonde, waaruit Lukas geput

Biü M

li

i

-ocr page 477-

21 : 34—36.

405

heeft, of omdat hij, de rechte plaats daarvan niet wetende, ze zelf daar vereenigd heeft.

Aan den anderen kant hebben wij erkend, dat deze derde zienswijze niet geheel toepasselijk is op de rede van Jezus, zooals zij door Mattheus en Markus is teruggegeven, en wij moeten dit vraagstuk nader onderzoeken, hoewel het niet rechtstreeks op de verklaring van hot Evangelie van Lukas betrekking heeft. Zooals wij gezien hebben, vloeit de moeilijkheid voort uit de uitdrukkingen: terstond na (Matth. vs. 29) en: in die dagen (Mark. vs. 24), waardoor de Parousie in zoo nauw verband wordt gebracht met de verwoesting van Jeruzalem. Op verschillende wijzen heeft men getracht, de rede van Jezus van de verantwoordelijkheid voor deze chronologische vergissing te ontheffen. Volgens Kliefoth !) zou de geheele voorafgaande plaats, Matth. 24 : 15 en verv., die men gewoonlijk op de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen toepast, op de toekomst, op de, tijden van den Antichrist, betrekking hebben. Alleen vs. 4—6 zou op de verwoesting van Jeruzalem doelen. In dit geval zou het terstond daarna van Mattheus vrij goed te verklaren zijn. Maar afgezien daarvan, dat de uitdrukkingen van Mattheus deze verklaring niet toelaten (zie Weiss), wordt zij door Lukas zelf uitgesloten, die deze plaats zeer zeker op de verwoesting van Jeruzalem heeft toegepast (zie bij vs. 24). Hengstenberg, Hofmann en Keil ontkennen niet, dat Matth. 24 : 15 en verv. op de verwoesting van het Joodsche volk door de Romeinen betrekking heeft, maar merken op, dat dit gericht in de werkelijkheid één is met dat, hetwelk aan de tegenwoordige bedeeling een einde zal maken, voor zoover beide op dezelfde zedelijke wet berusten, en het daarom te begrijpen is, dat zij in de profetische aanschouwing van Jezus met elkander vermengd werden. Maar de zoo nauwkeurige chronologische bepaling: „Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan . . .quot; (Luk. vs. 32 en parall.) sluit elke oplossing

1) Die Offenbarung des Johannes, 1874 Godet Lukas. 11.

80

-ocr page 478-

21 : 34—36.

van dien aard uit. Mazel\') meent, dut Jezus diiemaal in deze rede de beschrijving van de tijden, die op zijn beengaan zullen volgen, weer opgenomen beeft: 1° vs. 4—14, de toestanden in bet algemeen; 2° vs. 15—31, de ondergang van het Joodsche volk, gevolgd door het oordeel, dat de heidenen zal treffen, en aan de Parousie zal voorafgaan; 3° de uiteenzetting van het geheel uit een chronologisch oogpunt. Maar is bet natuurlijk gt; in een doorloopende en goed samenhangende rede zulk een teruggaan tot het begin aan te nemen, zonder dat de tekst een enkele aanwijzing daaromtrent bevat? Men zie over dit onderwerp Henriquet, Le discours prophétique de J. C. (1884). — De laatstgenoemde vindt, evenals wij, in Matth. vs. 15—28 en de parall. de beschrijving van de verwoesting van Jeruzalem en van haar gevolgen; maar bij ziet in vs. 29 die van het verval van dequot; Romeinsche macht, van de tweede eeuw dei-kerk af, en in vs. 30 en 31 en de parall. die van de prediking en de overwinning van het Evangelie in de wereld t zoodat dit gedeelte der rede geen enkel woord ovar de Parousie en alleen de schildering van de groote gebeurtenissen, die na de verwoesting van Jeruzalem in de heiden-wereld moesten plaats vinden, zou bevatten. Eerst van vs. 36 en de parall. af: „Wat dien dag betreft...quot; (met het volgende in verband gebracht) zou Jezus beginnen te spreken over het tweede onderwerp, waarover Hij (volgens Mattheus) ondervraagd was geworden, nl. de Parousie. Henriquet stemt in de verklaring van vs. 29 van Mattheus (vs. 25 en 26 van Lukas): „Er zullen teekenen in den hemel zijn...quot; met Dorner 1) overeen, die in de hier beschrevene buitengewone natuurverschijnselen de zinnebeeldige en profetische schildering van den val des heidendoms ziet. Maar hoe kan men de daaropvolgende uitspraak van Luk. vs. 27 en parall.: „En alsdan zullen zij den Zoon des menscben zien, komende op

466

1

De oratione Christi eschatologica, etc., 1884.

-ocr page 479-

r

21 : 34—36. 467

in de wolken, mot macht en een groote heerlijkbeid\'\' op de

an prediking van hot Evangelie toepassen, zooals Ilenriquet

je- doet? En als men haar met allo uitleggers met de Parousie

an in verband brengt, hoe kan men dan nog met Dorner in

en bet voorafgaande vers: „En er zullen teekenen in de zon

it- zijn ..zulk een ongelijksoortig feit vinden, als dat van

nt. den val des heidendoms? De twee verzen zijn zoo nauw

iu- met elkander verbonden, dat zij op dezelfde gebeurtenis

te betrekking moeten bebben.

ir- IV. Na al deze vruchteloos geblevene pogingen komen wij terug op de boven uitgesprokene gedachte: dat de weglating

;e- van de uitspraak aangaande de tijden der heidenen (Luk.

de vs. 24) bij Markus en Mattheus ten gevolge heeft gehad,

en dat de plaats, welke op de Parousie betrekking heeft, in

iet hun tekst in een nauwere verbinding is gekomen met die,

er waarin over de verwoesting van Jeruzalem gesproken wordt,

de dan zulks in de rede van Jezus het geval was. Daarbij

d t komt nog iets anders. Volgens Lukas heeft Jezus twee ver-

de schillende redenen over de toekomst van het rijk Gods na

;e- zijn heengaan gehouden: de eene, Hoofdst. 17, werd uitge-

n- sproken naar aanleiding van een vraag der Pharizeën, en

a,n daarin heeft Jezus in bijzonderheden den zedelijken toestand

,et der wereld vóór de Parousie en de Parousie-zelve beschreven;

an en de andere, H. 21, naar aanleiding van hetgeen aangaande

is) den tempel gezegd werd en van de vraag der apostelen, en

nt het voornaamste (niet het eenige) onderwerp daarvan was de

26 verwoesting van Jeruzalem en de ondergang van het Joodsche

iet volk. De vereeniging van deze twee redenen, die waar-

ne schijnlijk in de overlevering tot één enkele waren samenge-

□g smolten, heeft de zoo enge verbinding van de twee daarin

de aangekondigde gebeurtenissen, die wij bij Mattheus en Markus

in vinden, teweeggebracht. Wij ontmoeten ook hier weder de

}p gewoonte van Mattheus, om de uitspraken, die over gelijksoortige onderwerpen handelen, bij elkander te voegen, en eveneens die van Lukas, om elke leering in haar historisch verband te plaatsen. Toch moeten wij erkennen, dat ook bij Lukas-zelf, in de plaats, die hij in vs. 32 aanwijst, een

-ocr page 480-

468 21 ; 37—38.

spoor te vinden is van de vermenging, die de oorzaak is van den vorm der twee anderen.

Reuss maakt over dit onderwerp twee opmerkingen, waarmede wij het volkomen eens zijn. Aan den eenen kant zegt hij: „Het zou vermetel zijn, Jezus als een droomer en geestdrijver voor te stellen, terwijl zoovele ontwijfelbaar echte uitspraken het bewijs leveren van zijn verhevene wijsheid en zijner wonderbare scherpzinnigheid ten opzichte van de toekomst zijner zaakquot;; en aan den anderen kant: „Het is een feit, dat het gehoor, tot hetwelk Jezus zich richtte, doortrokken was van vooroordeelen over de toekomst, en dat deze vooroordeelen in levendigheid toenamen, naarmate de overtuigingen aangaande zijn persoon en zijn Messiaansche waardigheid krachtiger werden.

Uit dit lange onderzoek\';blijkt, dat niet Jezus de twee in deze rede aangekondigde gebeurtenissen zoo nauw met elkander verbonden heeft. Hij wist heel goed, dat de zaadkorrel een lange tijdruimte noodig zou hebben, om een groote boom te worden, waaronder de volken der aarde een schuilplaats konden vinden, en dat de zuurdeesem niet zoo spoedig het geheele leven der menschheid zou doorzuren. Maar de |geest zijner apostelen stond niet op dezelfde hoogte als de zijne, en hun blik was niet ruim genoeg, om den ganschen omvang van hetgeen Hij aanschouwde te bereiken en te bewaren. Wij weten niet, aan wien van hen Lukas de kostbare woorden van vs. 22: „Totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijnquot; te danken heeft. Zij zijn niet de eenige van groote waarde, die deze Evangelist voor ons bewaard heeft.

M |i

11 I

11

Vs. 37 en 38. Algemeen overzicht.

Vs. 37 — 38. „Des daags nu leerde Hij in den tempel, maar des nachts ging Hg uit, en vernachtte op den berg, genaamd de Olijfberg.

liiiiii

-ocr page 481-

21 ; 37—38. 469

38. En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te hooren 1).quot;

Het was waarschijnlijk op Dinsdagavond, dat Jezus de voorafgaande rede tot zijn vier discipelen richtte. Lukas geeft hier een kort overzicht van de levenswijze des Heeren gedurende de laatste dagen van zijn werkzaamheid te Jeruzalem. \'Auhiamp;cróxi: den nacht in de opene lucht doorbrengen. Het gebruik van het W.; laat zich verklaren uit het in samp;pxóftsvos vervatte denkbeeld van beweging {Bleek). Het verhaal van de overspelige vrouw, dat in eenige Mss. hier inge-lascht is, is zonder twijfel een door een afschrijver aan het Evangelie der Hebreën ontleende kantteekening, die in den tekst ingeslopen is. Overigens zou dit verhaal beter bij Lukas dan bij Johannes op zijn plaats zijn, daar het groote overeenkomst heeft met Hoofdst. 20 (de voor Jezus gespannen strikken). En een feit van dien aard kon zeer goed werkelijk voorgevallen zijn in de weinige dagen, waarvan vs. 37 en 38 den korten inhoud opgeven.

1

quot;Vier Mnn. voegen hier de woorden bij: en een iegelijlc ging naar zijn huis, en daarna het verhaal van de overspelige vrouw, zooal» het in Joh. 8:1—10 in den T. E., staat.

-ocr page 482-

ZESDE GEDEELTE.

De lijdensgeschiedenis.

Hoofdst. 22 en 23.

De Heiland was in den tempel, om zoo te zeggen, als koning opgetreden. Van nu aan doet Hij afstand van deze kortstondige heerschappij, die de normale ontluiking van zijn profetische werkzaamheid was. Hij trekt zich terug in een stilte en lijdelijkheid, waardoor de tijd, die nu volgt, den naam van lijdenstijd heeft gekregen, en wijdt zich aan het smartvolle hoogepriesterschap , dat zijn aardsche loopbaan moet besluiten, en den overgang tot zijn hemelsch koningschap moet vormen.

Wij vinden in het vierde Evangelie het verhaal van een tooneel, dat voorgevallen moet zijn op een der dagen, waarop het korte overzicht van Luk. 21 : 37 en 38 betrekking heeft; de rede, die Jezus in den tempel uitsprak, als antwoord op do bede van eenige Grieksche proselieten, die begeerd hadden, met Hem te spreken, en de goddelijke openbaring, welke bij die gelegenheid plaats had (Joh. 12 : 20 en verv.). Daarna drukt Johannes zich aldus uit (vs. 36): „En weggaande, verborg Hij zich voor hen.quot; Dit weggaan zou men voor identisch kunnen houden met dat van Matth. 24:1; vgl. de parallel Luk, 21:5. Maar het tooneel, dat bij Johinnes er aan voorafgaat, is veel te verschillend van dat, hetwelk Mattheus in H. 23 mededeelt. Dit verlaten van den tempel (Joh, 12:36), dat voor goed was, had dus een of twee dagen later plaats, dan het door Mattheus vermelde. Deze opvatting is bovendien in overeenstemming met don zin van de twee laatste verzen van Luk. 21, die niet toelaten, aan te nomen, dat Jezus na de eschatologische rede niet weer in den tempel verschenen is. Als wij dus den intocht in

-ocr page 483-

Hoofdst. 22 en 23.

Jeruzalem op Zondagnamiddag stellen, de reiniging van den tempel op Maandag (Markus), de aan Jezus voorgelegde strikvragen op Dinsdag, en de profetie over de verwoesting van Jeruzalem op den avond van dezen dag, dan moet het in Joh. 12 verhaalde tooneel in den tempel op Woensdag zijn voorgevallen; waarna Jezus don Donderdag, zijn laatsten vrijen dag, te Bethanië in afzondering met zijn discipelen doorbracht. Deze berekening van de dagen komt ons waarschijnlijker voor, dan die van Bleek en Keim. Daar de eerste den intocht op Maandag stelt, vallen al de daarop volgende gebeurtenissen een dag later voor, en zou Jezus dien ten gevolge ook nog den Donderdag in den tempel hebben doorgebracht; maar wat zou in dit geval de uitdrukking van Johannes: Hij verborg zich voor hen beteekenen, die minstens een dag van afzondering onderstelt? Keim daarentegen neemt twee dagen van afzondering aan; Woensdag en Donderdag. Maar dan worden de voorafgaande dagen al te zeer overladen.

Het bericht van de lijdensgeschiedenis bevat: I. De voorbereiding van het lijden (22 : 1—46). II. Het lijden (22 ; 47— 23 ; 46). III. De gebeurtenissen, die op het lijden volgden (23 : 47—56).

I.

De voobbereiding van het lijden.

(22 : 1—46).

Deze cyclus behelst de drie volgende feiten: Judas bereidt het lijden van Jezus voor door Hem te verkoopen (22: 1—\'6); Jezus bereidt zijn discipelen bij zijn laatsten maaltijd daarop voor (vs. 7—38); Hij bereidt zichzelf daarop voor door het gebed in Gethsemané (vs. 39—46).

I. 22:1—6: Het verraad van Judas.

liet besluit van het Sanhedrin was reeds genomen van de dagen af, die op de opwekking van Lazarus volgden (Joh.

471

-ocr page 484-

472 22 ; 1—2.

11 : 47—57): Jezus moest sterven. De eenige vraag, welke nu nog overbleef voor de vijanden van Jezus, was die aangaande het hoe (to irüt, vs. 2). Hun verlegenheid sproot voort uit de buitengewone gunst, die Jezus bij het volk genoot, inzonderheid bij de scharen, die van Galilea en van het buitenland waren gekomen; de hoofden vreesden voor een oproer van den kant van deze talrijke vrienden van Jezus, die van verre met Hem gekomen waren, en die zij niet zoo in hun macht hadden, als de bevolking van Jeruzalem. Daarom zeiden zij ook, volgens Mattheus en Markus, op hunne geheime bijeenkomsten: „Niet op het feest.quot; Dit kan beteekenen: vóór het feest, terwijl de scharen nog niet geheel verzameld zijn; of liever na het feest, als zij weêr vertrokken zijn en men weêr meester van het terrein zal wezen; vgl. Hand. 12 ; 4. Maar het behoorde juist tot het plan Gods, dat Jezus gedurende het feest {sv rjj lopiy) zou sterven; en het middel, waardoor de oversten meenden, hun doel te kunnen bereiken, werd door God gebruikt om het zijne te bereiken.

Vs. 1 en 2. „En het feest der ongezuurde brooden,

genaamd Pascha, naderde; 2. en de hoogepriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem zouden doen sterven, want zij vreesden het volk.quot;

Het woord naderde doet het natuurlijkst aan Woensdag denken, hetgeen overeenstemt met de uitdrukking na twee dagen van Matth. 26 ; 2 en Mark. 14: 1, daar het Paasch-maal, zooals wij zien zullen, dit jaar op Vrijdagavond moest plaats vinden. — Het feest der ongezuurde broaden duurde eigenlijk zeven dagen , volgens Ex. 12 : 18 en Lev. 22 : 5 en 6, van 15—21 Nisan; vgl. Josephus, Antiq, Hl, 10, 5: „Op den 15don (Nisan) volgt het feest der ongezuurde brooden op het Paschaquot; (op het Paaschmaal, dat aan den avond van den 14de11 gevierd werd). In dit woord onderscheidt Josephus het feest der ongezuurde brooden van het Pascha,

-ocr page 485-

22 : 3—6.

maar op andere plaatsen vereenigt hij ze; zoo b.v. XIV, 2, 1: „Het feest der ongezuurde brooden, dat wij Pascha noemen.quot; In deze gevallen verstaat hij onder de uitdrukking: Pascha niet alleen het Paaschraaal, maar ook het geheele feest, dat er op volgt. Zoo ook Mattheus (26: 17), Markus (14 : 12) en Lukas op onze plaats.

Het woord Pascha; ré ttxvxx , van nDS, in het Arameesch NtiOB, heteekent voorbijgang, en herinnert aan de wijze, waarop de Israëlieten in Egypte werden gespaard, toen de Heer hunne met het bloed van het lam bestrekene huizen voorbijging, zonder hunne eerstgeborenen te dooden. Dit woord, dat oorspronkelijk het lam aanduidde, werd later op het maal zelf, en daarna, gelijk wij zooeven gezien hebben, op het geheele feest toegepast. De maand Nisan, of de eerste maand, waarin het Pascha gevierd werd, komt overeen met het einde van Maart en het begin van April. Aan den avond van den 13den en in den morgen van den 14den Werd al wat gezuurd brood was uit de Israëlitische huizen verwijderd. Oorspronkelijk slachtte ieder huisvader, krachtens het Israëlitische algemeens priesterschap, zelf in zijn eigen huis het lam. Maar sedert het onder Josia gevierde Paaschfeest werden de lammeren in den tempel en met de medewerking der priesters geslacht. Dit geschiedde op den 14d0n des namiddags tusschen 3 en 6 uür. Eenige uren daarna begon de maaltijd, die tot diep in den nacht duurde. De volgende dag, de löquot;1®, was, evenals de 218te, de zevende en laatste dag der Paaschweek, een Sabbatdag. De tusschen-liggende dagen werden door godsdienstige handelingen en offers geheiligd.

473

Vs. 3—6. „En de Satan voer in Judas, Iskarioth genaamd \'), die uit het getal der Twaalven was; 4. en heengaande sprak hij met de priesters1)

1

T. R. leest sinxxkoviievov, met A C en 14 Mjj.; N 13 en 3 Mjj,: xxKounevov.

-ocr page 486-

22 : 3-6.

474

en de hoofdmannen over de wijze, waarop hij Hem aan hen zou overleveren. 5. En zij waren er blijde over, en zij zijn overeengekomen, dat zij hem geld1) zouden geven. 6. En hij werd het met hen eens, en zocht eene gunstige gelegenheid, om Hem zonder oproer aan hen over te leveren.quot;

Lulcas schrijft den stap, dien Judas doet, aan een satanischen invloed toe; hij zegt zelfs, dat de Satan in hem voer. Aldus duidt hij in het algemeen de tussclienkomst van een hooger wezen bij dit buitengewone misdrijf aan, terwijl Johannes, die de graden der misdaad wil doen uitkomen, nauwkeuriger bet oogenhlik, waarop de Satan de eerste gedachte aan de misdaad in het hart van Judas wierp (13 : 2), van dat, waarop hij in Hem voer, om zijn wil geheel in bezit te nemen (13 : 27), onderscheidt. Volgons de bijbelsohe zienswijze sluit deze tusschenkomst van den Satan geenszins de vrijheid van Judas uit. Toen deze discipel in den dienst van Jezus trad, zorgde hij er niet voor, zijn eigen leven te verloochenen, zooals Jezus dit zoo dikwijls van de zijnen eischte. Voor hen was Jezus slechts het gewenschte middel tot bevrediging van zijn eer- en hebzucht gebleven, in plaats van het doel van zijn hart te worden. En thans, terwijl hij de dingen ziet uitloopen op een geheel ander resultaat, dan dat, waarmede zijn natuurlijk hart zich gevleid had, wilde hij ten minste beproeven, partij te trekken van de valsche positie, waarin hij zich tegenover zijn volk gesteld had, en van zijn hoedanigheid als discipel gebruik maken, om de gunst der hoofden, met wie hij gebroken bad, te herwinnen. De 30 zilverlingen speelden zeker slechts een ondergeschikte rol in zijn verraad, hoewel deze rol toch een werkelijke was;

1

T. R. Icesf ctp-yufion, met N B U en 19. Mjj.j A C en i Mjj.i «pyvfix.

-ocr page 487-

22 : 3—6.

want de bijnaam van dief is hem niet door Johannes (12:6) gegeven, zonder dat hij daarbij ten doel heeft gehad, zijn gewone handelwijze met deze laatste daad in verband te brengen. — Mattheus en Markus lasschen hier het verhaal van het avondmaal te Bethanië in , hoewel deze maaltijd verscheidene dagen vroeger heeft plaats gehad (Johannes). De reden van deze inlassching is blijkbaar een aaneenschakeling van denkbeelden op grond van de zedelijke betrekking tus-schen het verraad van Judas en de rol, die hij bij dat gastmaal gespeeld had. — De arp^yoi, hoofdmannen (vs. 4), zijn de aanvoerders van het Levieten-korps, dat als politie het toezicht moest houden in den tempel (Hand. 4 : 1). Er werd een bepaalde overeenkomst aangegaan {zij kwamen overeen, hij werd het met hen eens). quot;Arsp, niet: ver van de schare, maar: zonder de schare, d. w. z. zonder een samenscholing van het volk. Dit geheel onverwachte aanbod deed het Sanhedrin besluiten, liever vóór, dan na het feest te handelen. Maar dan moest men zich haasten; het laatste oogenblik was aangebroken.

11. 22:7—38: Het laatste maal.

Wij staan bier tegenover een moeilijkheid, die van de tweede eeuw af de aandachtige lezers der H. Schrift beeft beziggehouden. Daar men op den 14lt;3ea Nisan, iu den namiddag het Paaschlam slachtte, — want het moest aan den avond van dien dag worden gegeten, — heeft men het in vs. 7 aangeduide tijdstip: „De dag der ongezuurde brooden, waarop hel Pascha moest geslacht worden, Tcwamquot; (vgl. de gelijke uitdrukkingen van Mattheus en Markus), gewoonlijk op den voormiddag van den 14dou gesteld, zoodat de in vs. 14 en verv. vermelde maaltijd aan den avond van den 14den 0p dej! lödea zou hebben plaats gehad, dus op den-zelfden tijd, waarop het geheele volk het Paaschmaal hield, en daarom als een geregeld Paaschmaal moet worden beschouwd. Deze zienswijze schijnt bevestigd te worden dooide parall. Matth. 26: 17 en Mark, 14:2, waar het de

475

-ocr page 488-

22 : 3—6.

476

discipelen zijn, die het initiatief nemen tot de toebereidselen voor den maaltijd; en het schijnt inderdaad, dat de apostelen zich eerst aan den morgen van den dag, waarop de maaltijd plaats moest vinden, met deze toebereidselen kunnen hebben beziggehouden. Maar door deze zienswijze komt men in conflict met Johannes, die op een vrij groot aantal plaatsen schijnt te zeggen, dat Jezus aan den namiddag van den 14den gekruisigd werd, in den tijd, waarop de lammeren in den tempel werden geslacht, hetgeen noodwendig onderstelt, dat Jezus aan den avond van den 13den op den l^611 den laatsten maaltijd met zijne discipelen heeft gehouden, en niet aan den avond van den lé^eu op den waarop

het geheele volk het Paaschmaal hield. Deze schijnbare tegenspraak heeft geen betrekking op den weekdag, waarop Jezus gekruisigd werd. Want onze vier Evangelisten getuigen eenstemmig, dat dit op Vrijdag geschied is. Het verschil betreft alleen de vraag, of deze Vrijdag, waarop Hij gekruisigd werd, in dat jaar de 14de of de 15de der ms,and was, d. w. z. de dag, waarop men zich voor het feest voorbereidde, of de eerste dag van het feest-zelf. quot;Want in het eerste geval zou Hij het Paaschmaal een dag vroeger, dan het volk, in het tweede zou Hij het tegelijk met hen hebben gehouden. Zeer vele uitleggers, zooals Wieseler, Hof mam, Lichtenstein, Tholuck en Riggenbach, meenen den zin der Johanneïsche plaatsen tot de gedachte, welke bij den eersten blik die van het Synoptische bericht schijnt te zijn, te kunnen terugbrengen. Zij gelooven, dat Jezus, zoowel volgens Johannes als volgens de Synoptici, aan den avond van den 14den zijn laatste maal gehouden en bij het Paaschmaal, dat Hij tegelijk met het geheele volk vierde, het heilige Avondmaal ingesteld heeft. In mijn Commentaire sur l\'évangile de Jean heb ik de redenen uiteengezet, die mij toeschijnen, deze oplossing onmogelijk te maken1). De door Langen,

1

Zie bij 13 il; 18:28; 19:14, cn tie sjiepiale Terhandeling in III, bl. 605-626,

-ocr page 489-

22 : 3—6.

477

Bdumlein, Rotermond e. a. aangevoerde argumenten hebben mijn overtuiging niet kunnen veranderen De zin, die het allereerst voor den geest komt, als men het Evangelie van Johannes leest, is en blijft exegetisch de eenig mogelijke; hij is namelijk deze: dat de dood van Jezus reeds een voldongen feit was, toen de Joden dat jaar het Paasch-feest vierden, en dat bij gevolg zijn laatste maaltijd den avond te voren had plaats gehad. Maar aan den anderen kant vraagt men zich af, wat clan de ware zin van het Synoptische bericht is, en in welke betrekking het tot het aldus opgevatte bericht van Johannes staat. Dit zullen wij onderzoeken, na vooraf den tekst van Lukas meer van nabij te hebben beschouwd.

Het bericht van Lukas behelst: 1° de toebereidselen voor den maaltijd (vs. 7—13); 2° den maaltijd zelf (vs. 14—23); 3° de gesprekken, die na den maaltijd werden gehouden (vs. 24—38).

1) Langen, Die letzten Lehenstaqe Jesa, 1Süt; Bilurnlein, Kommentar iilev das Kuangelinm Johannes, lötó; Kotermuud, Von JEphraim nach Oolgoiha, Stud. ii. Krlt., 1876. Gewoonlijk past meu de uitdrukking: vóór het feest van het Pascha (Joh. 13 : 1) op den avond vau deu 14den toe, terwijl men het eigenlijke Paaachfeest eerst aan deu morgen van den laden laat beginnen. Langen beroept zich voor deze opvatting op Deut. 16 ; 6, waar hg vertaalt: bij het opgaan der zon (in plaats vau: bij het ondergaan der zon), het is het feest vau den uittocht uit Egypte.quot; Deze vertaling is in strijd met de analogie van Gen. 28 : 11, euz. De plaats uit Josephus (Autiq., III, 10, 5), die hij er bijvoegt, heelt even weinig waarde Wij meenen aangetoond te hebben, dat Deut. 16 :2 de verklaring van Joh. 18 : 28, die den zin der uitdrukking: het Pascha eten tot het cteu van de ongezuurde broodeu en van het offervleesch der Paaschweek wil herleiden, niet kan rechtvaardigen. Wat Joh. 19 : 14 betreft, liet is boven allen twijfel ver he vei, dat, zooals Langen aantoont, het N. T. (Mark. 15 : 42), de Talmud en de kerkvaders de uitdrukking Trapaa-netiij, voorhereiding, gebruiken, om den Vrijdag als weke-lijksche voorbereiding voor deu Sabbat aan te duiden, en dat dus de uitdrukking TrcifxtTKiuy nü 7r£axx, voorbereiding van het Pu scha, iu zekere samenhangen beteekeuen kan: den Vrijdag der Paaschweek. Maar deze be-tcekenis is bij Johannes uitgesloten: 10 door de dubbelzinnigheid, die deze uitdrukking voor Grieksche lezers zou gehad hebben; en 2o door het feit, dat het geen enkelen lezer vau het Evangelie onbekend kon zijn, dat men op dat oogenblik in de Pan^ohwcek was.

-ocr page 490-

22 ! 7—9.

1° Vs. 7—13. De toebereidselen.

Vs. 7—9. „Eu de dag der ougezunrde brooden, waarop \') het Pascha geslacht moest worden, kwam; 8, en Hij zond Petrus en Johannes, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten mogen. 9. En zij zeiden tot Hem: Waar wilt gij, dat wy het bereiden1)?quot;

Er bestaat een duidelijk onderscheid tusschen het , kwam, van vs. 7 en het h\'y\'K8, naderde, van vs. 1. De uitdrukking naderde verplaatst ons in den tijd van een of twee dagen vóór het Paaschfeeat, terwijl het woord kwam het begin van den dag, waarop het lam geslacht werd, van den Nisan aanduidt. Gewoonlijk maakt men daaruit

op, dat het bier aangeduide oogenblik slechts de morgen van den l4don kan zijn; maar men doet dit ten onrechte. Volgens de Joodsche manier van rekenen begon de 14fl« wettiglijk reeds aan den vooravond van den vorigen dag, tusschen de twee avonden, tegen zonsondergang, zoodat de avond van den dag, dien wij den 13tlen noemen, en de nacht, die daarop volgde, reeds tot den 14den behoorden. De uitdr. fade, kwam, heeft dus niet op den morgen van den betrekking, maar op den avond van den vorigen

dag, tusschen 5 en 6 uur.

De uitdrukkingen van Mattheus en Markus, hoewel minder nauwkeurig, voeren niet noodwendig tot een anderen zin. Markus zegt (vs. 12): „Op den eersten dag der ongezuurde brooden, waarop men... slachttequot;, en Mattheus: „Op den eersten dag der ongezuurde brooden...; dit verschilt in de werkelijkheid niot van Lukas. Chrysostomus, Ewald e. a. hebben den datum reeds op deze wijze verstaan. De tegen-

478

1

C voegt er bij: iroi Qxyeu to tcktx*; uit Matth, ororgeuomeu.

-ocr page 491-

22 : 7—9.

werping, die Weiss aan de uitdr. èv y sSsi óóeaêai, „waarop ... geslacht moest wordenquot; ontleent, bewijst niets, want dit is evenzeer van toepassing op den vorigon avond, die reeds tot den behoorde, als op den morgen van dozen dag

(zie Sc ham, bi. 501). Keil en Chaslang maken de bedenking, dat, indien Jezus bij het bevel, dat Hij gaf, in het oog had gehad wat wij den avond van den noemen,

de apostelen den noodigen tijd niet zouden gehad hebben, om het lam to koopen, te slachten en te braden. Maar het lam moest reeds op den 10dou der maand worden gekocht\'), en van 6 tot 9 uur des avonds was er tijd in overvloed, om de noodige toebereidselen voor den maaltijd te maken 1). Het slachten en braden van het lam kon in weinige uren geschieden. Het is daarom volstrekt niet onmogelijk, de uitvoering van de door Jezus gegevene opdracht op den avond van dienzelfden dag, den vooravond van den te stellen. Doch dit is niet alleen mogelijk, maar ook waarschijnlijk, ja noodzakelijk. Want in den voormiddag van den 14tllt;\'n zou het te laat zijn geweest, om zich een vertrek voor den avond van dienzelfden dag le verschaften. Slrauss 2) erkent dit: „Wegens den toevloed van vreemde pelgrims was het natuurlijk moeilijk en zelfs onmogelijk, aan den morgen van den eersten dag van het feest (den 14den) een nog niet besteld vertrek voor dien avond te vinden.quot; Daarom zorgde men minstens één dag te voren er voor. Reeds Clemens Alexandrinus gaf den IS^\'3 om deze reden den naam van

479

1

Chastang voert tegen deze verklaring een geheelo reeks van noodzakelijke handelingen aaa, zooals den tijd, die vereischt werd, om de zaal voor den maaltijd te bespreken, om do zitplaatsen der gasten in orde te maken, om den wijn te koopen en de bittere kruiden te bereiden.... Maar Jezus had reeds voor de zaal gezorgd. Deze was geheel en nl in orde gemaakt en van het noodige voorzien, en zoo veel tyd nam het niet weg, een kruik wijn te koopen, en de bittere kruiden toe te bereiden, als de gastheer zelf niet reeds voor dit alles gezorgd had.

2

Leien Jesu für das deulsche ^ olk bl. 533.

3

Chastang vraagt, waar ik gelezen lieb, dat liet lam reeds den lOilcn moest worden afgezonderd. Weet hij dan het eerste artikel van de Paaschwet (Ex. 12: ii) niet, dat altijd met nnuwgezelheid door de Joden is nageleefd?

-ocr page 492-

22 : 10—13.

■n-poeToifixclx, vóór-voorbereiding. Do 14de was de eigenlijke voorbereiding, omdat men op dien dag het lam slachtte; de 13de, de vóór-voorbereiding, omdat men, zooals Clemens zegt, op dien dag de ongezuurde brooden wijdde en al de andere maatregelen nam, die op het Paaschmaal betrekking hadden Daaruit volgt, dat \'de vraag, die Mattheus en Markus den discipelen\'in den mond leggen: „Waar wilt gij, dat wij ü het Pascha bereiden?quot; \'veel natuurlijker op den avond van den 13de11, dan op den morgen van den 14dei1 gesteld wordt. Het doet er weinig toe, of het initiatief tot de toebereidselen aan Jezus (Lukas), dan wel aan de discipelen (Mattheus en Markus) wordt toegeschreven. Op dit punt schijnt het bericht van Lukas nauwkeuriger te zijn, daar ook hij in vs. 9 de vraag der discipelen vermeldt, terwijl hij haar in haar juisten samenhang plaatst. — Lukas alleen noemt de namen der twee gekozene apostelen. Hij heeft deze bijzonderheid dus aan zijn bijzondere bron ontleend; of zou hij haar verzonnen hebben? Maar hoe zou zulk een handelwijze te vereenigen zijn met de vijandschap tegen Petrus, die men hem toedicht1)? — Jezus heeft er zeker een reden voor gehad, waarom Hij juist deze twee discipelen koos. Wij zullen spoedig zien, dat het inderdaad een zending van vertrouwelijken aard was, die Hij alleen aan zijn vertrouwdste vrienden kon opdragen.

Vs. 10—13. „En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zult gij een mensch ontmoeten, die een kruik met water draagt;

480

1

Baur laat zich door zulk een kleinigheid niet in verlegenheid brengen. Volgens hem hebben wij hier een ondeugende streek van Lukas, die deze twee hoofden der Twaalven als vertegenwoordigers van het oude Judaïsme wil brandmerken.

-ocr page 493-

22 : 10—13. 481

volgt hem in het huis, waar \') hij ingaat. 11. En gij zult zeggen tot den heer van dat huis: De meester laat u zeggen: Waar is liet vertrek, waar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal? 12. En hij zal u een groote, toegeruste opperzaal 1) wijzen; bereidt het aldaar. 13. En heengegaan zijnde, vonden zij het, gelijk Hij hun gezegd had2), en bereidden het Pascha.quot;

Waarom noemt Jezus niet den naam van den gastheer, dien Hij in het oog heeft P Daarop is er maar één antwoord: Hij wil, dat het huis, waar Hij van plan is, den maaltijd te houden, zijn omgeving onbekend zal blijven. En waartoe deze geheimzinnige maatregelen? Jezus wist, wat Judas voornemens was te doen, zooals het geheele verhaal van den maaltijd bewijst; en daarom wilde Hij op deze wijze voorkomen, dat Hij door de trouweloosheid van zijn discipel gestoord werd in het gebruik, dat Hij van dezen laatsten avond wilde maken. — Er bestaat wellicht een bijzonder verband tusschen het aangewezen teeken en de Joodsche gebruiken. Den 13den, juist als het avond geworden was, voordat de sterren aan den hemel verschenen, moest ieder huisvader volgens het gebruik, aan de bron het zuivere water putten, waarmede men de ongezuurde broeden bereidde. Dit was een werkelijke godsdienstige handeling, die verricht werd onder het uitspreken van de woorden: „Dit is het water der ongezuurde brooden.quot; Daarna stak men een kaars aan, en doorzocht gedurende den daaropvolgenden nacht het geheele huis, om zelfs het geringste spoor van zuurdeeg

1

T. E, leest uvuyeov, met Xr; S ü A: xvuyxiov, N A B ea 13 Mjj. ctixyuiov,

2

8) T, 11, leest sipyxev, met A eu 14 Mjj.; de anderen: eififxei.

Goüet , Lulcan. II, 31

-ocr page 494-

22 : 10—13.

daaruit te verwijderen. Er schijnt dus vvid ueu verband te bestaan tusscben bet genoemde gebruik en bet aan de discipelen aangewezen teeken. — Weiss meent, dat dit woord des Heeren niet uit zijn bovennatuurlijk weten verklaard moet worden. Volgens bem was alles van te voren reeds afgesproken tusscben Jezus en den heer van bet buis. Zeer zeker moet Jezus dezen gekend hebben; anders zouden de uitdrukkingen: de Meester en mijn discipelen voor hem onverstaanbaar zijn geweest; vgl 19 : 34; en indien er voor het profetisch weten van Jezus geen ander bewijs was, dan dit ééne feit, dan zou men des noods bet vervuld worden van dit „van te voren reeds afgesprokenquot; teeken op geheel natuurlijke wijze kunnen verklaren. Maar de andere bewijzen, die wij hebben voor het hooger weten des Heeren (het gesprek met de Samaritaansche vrouw, de aankondiging van de verloochening van Petrus met al haar bijzonderheden, enz.), voeren in dit geval veeleer tot de bovennatuurlijke verklaring; deze schijnt ook beter aan het doel van bet verhaal te beantwoorden. — De uitdrukking avdyxiov of avJiysov, (in bet Attisch avcèyeuv, en bij de Alexandr. avayaiov) duidt aan wat het Hebr. alijah te kennen geeft, nl. de opperzaal, die somtijds een gedeelte van bet platte dak van bet huis inneemt. Zij wordt ook üxspcjiov genoemd; bet is bet vertrek, waar de familie zich verzamelt, en waar men zich terugtrekt, om te bidden. Geheel toegerust: voorzien van de noodige divans en tafels (het triclinium, in den vorm van een hoefijzer). Weizsacker vertaalt: geplaveid (gepflastert); maar aldus opgevat zou het epitheton niet met den samenhang in verband staan.

Mattheus (36 : 18) beeft in de boodschap van Jezus aan den heer van bet huis een woord van Jezus voor ons bewaard, dat verdient met zorg te worden overwogen: Mijn tijd is nabij; laat mij bij U hel Pascha houden met mijne discipelen. Het logische verband tusscben deze twee zinnen is moeilijk te begrijpen. Hoe kan de eerste het verzoek motiveeren, dat in den tweeden vervat is? Men heeft in de woorden: „Mijn tijd is nabijquot; een beroep op het gevoel van den

482

-ocr page 495-

22:10—13. 483

eigenaar van liet huis gezien; „Ik ga sterven, bewijs mij dezen laatsten dienst.quot; Ewald verklaart ze een weinig anders: „Weldra zal ik in mijn Iheerlijkheid zijn, en dan zal ik u dezen dienst kunnen beloonen.quot; Deze verklaringen zijn zeer gezocht. Het is natuurlijker, de gedachte van Jezus aldus te verstaan: „Mijn dood is nabij; morgen zal het voor mij te laat zijn, om het Pascha te vieren; laat mij het (nog dezen avond) met mijn discipelen bij u vieren.quot; ria/w is niet het fut, attic. {Bleek), maar het praesens (Winer). „Laat mij, en wel terstond.quot; Jezus had met den eigenaar afgesproken , dat Hij de zaal gebruiken zou, maar natuurlijk op den avond van den 14dea op den lö1^ (Jen wettigen tijd van het Paaschmaal; thans maakt Hij hem bekend, dat Hij genoodzaakt is, het een dag vroeger te houden, omdat zijn tijd nabij is. Dit woord verplaatst ons dus wel op den avond van den IS11011, en niet op dien van den 14den. — Op dien dag kon het lam niet in den tempel worden geslacht; maar daar Jezus met al zijn aanhangers in den ban was gedaan, en het Sanhedrin zelfs reeds bevel gegeven had om Hem in hechtenis te nemen (Joh. 11 : 53—57), is het te betwijfelen, of het Hem mogelijk zou zijn geweest, het lam op de ritueele wijze te laten slachten, Hij stelde zich voor, dien avond het nieuwe Pascha in de plaats van het oude te stellen. Had Hij hiertoe hot recht, dan zal het Hem zooveel te meer geoorloofd zijn geweest, zich te verheffen boven de letter der wet ten opzichte van de wijze, waarop het lam moest worden geslacht, vooral omdat, volgens de oorspronkelijke verordening, ieder huisvader zelf zijn Paaschlam in zijn huis moest slachten. Jezus maakte zich tevens vrij van het voorschrift aangaande den wettigen dag. Hij werd hiertoe genoodzaakt door het feit, dat het Sanhedrin besloten had, Hem den volgenden dag, nog vóór het feest (Matth. 26; 5), uit den weg te ruimen. Onder deze omstandigheden bleef Hem niets anders overig, dan öf van de viering van het Pascha af te zien, öf haar een dag vroeger te doen plaats vinden. Deze vervroeging behoorde reeds tot de afschaffing van het Joodsche feest, die Hij tot stand ging brengen, en

r

-ocr page 496-

22 : 14—18.

tot de instelling van het nieuw Pascha, dat Hij voornemens was, in de plaats van het oude te stellen.

2°. Vs. 14—23. De maaltijd.

Dit bericht bevat; 1° de woorden van Jezus, waarmede de maaltijd werd ingeleid, vs 14—28; 2° den maaltijd-zelf met de instelling van het heilige Avondmaal, vs. 19—20; 3° de aankondiging van het verraad van een der discipelen, vs. 21—23.

Vs. 14—18. Het begin van den maaltijd: „En toen het uur gekomen was, zat Hij aan, en de 1) apostelen met Hem. 15. En Hy zeide tot hen: Ik heb zeer begeerd, dit Pascha met u te eten, voordat ik lijd. 16. Want ik zeg u, dat ik daarvan2) niet meer 3) eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het koninkrijk Gods. 17. En een 4) drinkbeker genomen hebbende, zeide Hij, na gedankt te hebben: Neemt hem en deelt hem onder u 5); 18. want ik zeg u, dat ik van nu aan quot;) niet meer drinken zal van deze vrucht des wijnstoks, totdat het koninkrijk Gods zal gekomen zijn.quot;

Bij de drie Synoptici bevat het bericht van dezen maaltijd deze drie bestanddeelen: ten eerste, de uitdrukking van de persoonlijke gevoelens van Jezus; daarmede begint Lukas, en eindigen Mattheus en Markus; ten tweede, de instelling

484

1

T. B. leest oi ScaSexa arorroAoi, met AC en 14 Mjj. Syr.; NGD It. Syrcur laten Suhxa weg.

2

N B C Itpler Syr. (met Syrcur.) lezen ecvro, iu plaats vau aurou,

3

N A B C en 2 Mjj. laten ovxsti weg.

4

ï. R. laat, met }lt; B O en 9 Mjj. to yóór TroT^fiov weg; A 0 en 4 Mjj. lezen het.

5

T. E. leest iccvroit, met AD en 12 Mjj.; B 0 L M: e;? sxvtov; ; n; aaatjaoi?.

-ocr page 497-

22: 14—18.

van het heilige Avondmaal; zij vormt in al de drie berichten het middenpunt van het verhaal: en ten derde, de openbaring van het verraad en van den verrader; daarmede eindigt Lukas, en beginnen Mattheus en Markus. Men ziet, hoe de feiten-zelf zich diep in het geheugen der ooggetuigen hadden gegrift, maar hoe de overlevering slechts een ondergeschikte waarde aan de chronologische orde hechtte. De mythe daarentegen zou alles uit één stuk hebben geschapen, en de orde der feiten zou in alle drie dezelfde zijn geweest. Hetzelfde zou het geval zijn, als de drie berichten rechtstreeks of middellijk van elkander afhankelijk waron. — Do orde van Lukas verdient de voorkeur; het is natuurlijk, dat Jezus begint met uiting te geven aan zijn persoonlijke indrukken. Aan bet smartelijk gevoel, dat de nabijzijnde scheiding teweegbrengt, knoopt zich, door een verband, dat gemakkelijk te begrijpen is, de instelling van het heilige Avondmaal vast, dien maaltijd, die, om zoo te zeggen, de zichtbare tegenwoordigheid van Christus te midden van de zijnen na zijn heengaan vereeuwigen moet. Eindelijk openbaart zich, bij het zien van de door deze plechtige handeling tot stand gebrachte innige gemeenschap tusschen Hem en zijn getrouwe discipelen, het voor Hem zoo hartverscheurend gevoel van het contrast tusschen hen en Judas. Zoo sluit zich het derde gedeelte aan. Het komt. ons zeer weinig waarschijnlijk voor, dat Jezus het allereerst over dit laatste onderwerp zou gesproken hebben (Matth, en Mark.). Johannes laat de twee eerste elementen weg; het eerste was voor zijn verhaal niet van gewicht, het tweede, de instelling van het heilige Avondmaal, was door de overlevering voldoende bekend.

Daar in hetgeen nu volgt alles vol is van toespelingen op de gebruiken van het Paaschmaal, moeten wij een korte beschrijving geven van dezen maaltijd, zooals hij in den tijd des Heilands gehouden werd. Eerste phase: Na het gebed deed de huisvader een beker vol wijn rondgaan, den aan-vangsbeker om zoo te zeggen (volgens anderen had ieder zijn eigen beker), onder het uitspreken van de woorden: „Wees gezegend, gij, Heer onze God, Koning der wereld, die de

485

-ocr page 498-

22 : 14—18.

486

il

vrucht des wijnstoks geschapen hebt!quot; Daarna gaf men de bittere kruiden (een soort van salade) rond, die aan het lijden der slavernij in Egypte herinnerden. Men at ze, na ze gedoopt te hebben in een roodachtige en zoete saus (Charoset), die van amandelen, noten, vijgen en andere vruchten gemaakt was, en, naar men zegt, door haar kleur aan den harden arbeid van het bakken van tichelsteenen, die aan de Israëlieten was opgelegd, herinnerde, en door haar smaak aan de liefdebetooningen, waarmede Jehova de bitterheden van zijn volk verzoet. — Tweede pbase: De oudste zoon vraagt den vader naar de beteekenis van dezen maaltijd en van de bijzondere gebruiken, die daarmede verbonden zijn (Ex. 12: 14); daarop verhaalt de vader volgens Ex. 12 de instelling van het Pascha en de verlossing uit Egypte, zonder twijfel volgens een meer of minder vast liturgisch formulier; en dan zong men Psalm 113 en 114, en de vader liet den tweeden beker rondgaan. — Derde phase: De vader neemt twee ongezuurde brooden (broodkoeken), breekt een daarvan, en legt de stukken daarvan op het andere. Daarna neemt hij, onder het uisprcken van een dankzegging, een van de stukken brood, doopt het in de saus, en eet het, terwijl hij een stuk van het Paaschlam met bittere kruiden daarbij neemt. Allen volgen zijn voorbeeld. Dit is het eigenlijke maal. Het lam is het hoofdgerecht daarvan. Het gesprek is vrij. Het eindigt met de ronddeeling van een derden beker, den beker der zegening genoemd, omdat hij vergezeld werd door de dankzegging van den huisvader. — Vierde phase: De vader deelt een vierden beker rond, en daarna wordt het Hallel (Ps. 115—118) gezongen. Somtijds voegde de huisvader een vijfden beker er aan toe, die gepaard ging met het zingen van het Groote Hallel (Psalm 120—127, volgens anderen 135—137, volgens Delitsch Ps. 136). \')

■H

11

m

1

Deze gebruiken worden zeer verschillend boBchrcven door lien, die zich met dit onderwerp hebben beziggehouden. Wij hebben ons aangesloten bij de uiteenzetliug vau Langen, bi. M7 en verv.

-ocr page 499-

22 : 14—18.

De hoofdvraag is, of men met Langen moet aannemen, dat Jezus eerst al de Joodsche gebruiken ten uitvoer gebracht, en daarna de instelling van het christelijke Avondmaal daaraan vastgeknoopt heeft, of het veeleer er voor moet houden, dat Hij het Joodsche maal stuk voor stuk in het heilige maal des N. V. veranderd heeft. Deze laatste zienswijze komt mij voor, de eenige houdbare te zijn. Want: 1° Gedurende den loop van den maaltijd, hitóvruv auTÜv (Matth. en Mark.), en niet na den maaltijd (zooals Lukas enkel van den beker zegt), moet het brood des heiligen Avondmaals door Jezus rondgedeeld zijn. 2° Het zingen van den lofzang, waarover Markus en Mattheus spreken, kan niets anders zijn, dan het zingen van het Hallel, en het is op do instelling van het heilige Avondmaal gevolgd\', dit laatste is dus niet na het Paaschmaal ingesteld.

Jezus opent den maaltijd met de mededeeling van hetgeen er omgnat in zijn hart. Het zijn afscheidswoorden. De eerste phase beantwoordt aan de eerste van het Paaschmaal. Indien Jezus tegelijk met het geheele volk aan den avond van den I4d0n dit maal had gehouden, zou men onder gt;5 cipn, het uur, het door de wet of door het gebruik vastgestelde oogenblik van het begin van het feest moeten verstaan. Maar dit maal was, zooals wij gezien hebben, een door Jezus op vrije wijze aan den vooravond van den 14deu gevierd Pascha; hel uur is dus het uur, hetwelk Hij zijn discipelen had aangewezen, maar dat zonder twijfel met het gewone uur van het Paaschmaal overeenkwam. — Volgens de wet (Ex. 12 : 17) moest men het Pascha staande eten. Maar het gebruik had op dit punt een verandering ingevoerd. Eenige Rabbijnen meenen deze verandering te rechtvaardigen met te zeggen, dat staan de houding van den slaaf is, en dat Israël nu het door den uittocht uit Egypte weer vrij geworden was, zittende moest eten. Deze vernuftige verklaring werd zonder twijfel naderhand bedacht. De ware reden is, dat het maal langzamerhand grootere proporties had aangenomen. — Er ligt in de eerste woorden van Jezus, die Lukas alleen voor ons bewaard heeft (vs, 15),

487

-ocr page 500-

22 : 14—18.

488

een mengeling van hartelijke vreugde en diepe smart. Jezus gevoelt zich gelukkig, nog éénmaal dezen heiligen maaltijd te kunnen vieren, vooral omdat Hij bij zichzelf besloten heeft, hem in een blijvende herinnering aan zijn persoon en zijn werk te veranderen; maar aan den anderen kant is het zijn laatste Pascha op aarde (vs. 16)! De spreekwijze sTnóvpla èireOuwaa, is een vorm, die in de LXX dikwijls voorkomt, en aan de Hebr. constructie van den infin. absolutus met het verbum finitum beantwoonlt. Het is als het ware een verdubbeling van de gedachte, die door het werkwoord wordt uitgedrukt. Men ziet, dat Jezus reeds lang aan dit laatste maal heeft gedacht, en dat zijn geest zich bezig had gehouden met de maatregelen, die Hij nemen moest, om zich het rustig genot van deze laatste uren met de zijnen te verzekeren. — Zou de uitdrukking: dit Pascha een maal kunnen aanduiden, waarbij het Paaschlam ontbrak, en dat zich enkel door de ongezuurde brooden van de gewone maaltijden onderscheidde? Caspari en Andreae beweren dit, en ik ben vroeger ook van dit gevoelen geweest {Comment, sur Jean, eerste ed.). Chastang huldigt nu nog deze zienswijze. Het had werkelijk kunnen gebeuren, dat het aantal lammeren of jonge geiten onvoldoende was voor de ontzaglijke menigte van vreemde Joden, die in Jeruzalem kwamen. In Mischna Pesachim, 10, wordt dan ook uitdrukkelijk gesproken over een Paaschmaal zonder lam, waarbij alleen de ongezuurde brooden onmisbaar zijn. Nochtans zou het zeer moeilijk zijn, ia dit geval de uitdrukking van Lukas: dit Pascha eten te verklaren. Wij hebben gezien, dat niets ons noodzaakt tot een verklaring, die zoo in strijd is met den gewonen zin dezer uitdrukking. — Men zou onder het toekomstige Pascha in het koninkrijk Gods (vs. 16) het heilige Avondmaal, zooals het in de kerk gevierd wordt, kunnen verstaan. Maar de uitdrukking: „Ik zal daarvan niet eten, totdat..laat deze geestelijke interpretatie niet toe. Jezus wil van een nieuw feestmaal spreken, dat na de voleinding der dingen zal plaats vinden. Het heilige Avondmaal is de verbinding tusschcn het Israëlitisch Paaschmaal, dat zijn

-ocr page 501-

22 : 14—11.

einde naderde, en het toekomstige hemelsche feestmaal, evenals het heil des Evangelies, waarvan bet Avondmaal het gedenkteeken is, den overgang vormt van de uitwendige verlossing van Israël tot het zoowel geestelijke als uitwendige heil der verheerlijkte kerk.

Vs. 17. Na deze zoo eenvoudige en aandoenlijke inleiding laat Jezus, overeenkomstig het aloude gebruik, den eersten beker rondgaan, vergezeld van een dankgebed, waarin Hij zonder twijfel het boven vermelde gebed, waarmede de huisvader het maal opende, vrij omschreef. — ontvangende, nemende, schijnt aan te duiden, dat Hij den beker uit de hand van een der aanwezigen, die Hem dien reikte (na hem gevuld te hebben), nam. Men moet ongetwijfeld TTOTypiov, zonder het artikel, lezen; het is nog een gewone beker, niet de bekende, die bij de instelling van het Avondmaal werd rondgedeeld (vs. 20), al was het ook in materieel opzicht dezelfde beker, die in beide gevallen rondging. — Het ronddeeleu (Sixftsplamp;iv) kan op tweeërlei wijze hebben plaats gehad: ieder heeft uit den gemeenschappelijken beker gedronken, of een gedeelte van den wijn, in den beker, die rondging, in zijn eigen beker geschonken. De Grieksche uitdrukking is meer in overeenstemming met deze laatste zienswijze, maar de eerste is natuurlijker. — Heeft Jezus ook zelf daarvan gedronken? Bij den eersten blik schijnt bet pron. exuroït;, onder u, tegen dit denkbeeld te pleiten; maar bet is bekend, dat het pron. reflexivum in bet N. T. menigmaal het pron. reciprocum vervangt; bet is dus niet noodzakelijk, aan bet onder u een exclusieven zin te geven. Jezus kan heel goed zijn lippen aan den beker hebben gebracht, nadat Hij de discipelen bad uitgenoodigd, hem onder zich te doen rondgaan. Dit is zelfs, als men de Alexandr. lezing xtri toïi wv, van nu aan (vs. 18), aanneemt de eenig mogelijke zin, naar de voorstelling van Lukas. En dit is op zichzelf ook de natuurlijkste zienswijze. Jezus had er naar verlangd, dit Paaschmaal met de zijnen te vieren, en zou Hij dan geen deel hebben genomen aan de handeling, die moer dan elke andere het symbool is van

489

-ocr page 502-

22 : 14—18.

eenheid en broederschap, nl. het gemeenschappelijke drinken? Het feit, dat de wijn het zinnebeeld der vreugde is, terwijl het hart van Jezus op dit oogenblik vol droefheid was, bewijst niets tegen het gevoelen, dat Jezus-zelf het eerst heeft gedronken. Want naast zijn smartelijke indrukken was er op dit oogenblik bij Hem plaats voor de vreugde, die de vervulling van zijn in vs. 15 uitgedrukt verlangen Hem verschafte; van daar ook de dankzegging, waarvan sprake is in vs. 17 en 19. Daarentegen vloeit, als de woorden van nu aan echt zijn, uit het: ik zal van nu aan niet meer drinken voort, dat Jezus, volgens Lukas, niet gedronken heeft uit den beker, waarmede Hij na het avondeten het Avondmaal instelde (vs. 20). Op dit punt schijnt het bericht van Lukas in tegenspraak te zijn met Matth. 26 : 29, waar het xtt1 ipn, van nu aan, na de instelling van het Avondmaal gesproken wordt, en daarom in zich schijnt te sluiten, dat Jezus bij deze handeling mede gedronken heeft. Maar wij hebben boven gezien, dat cleze woorden, waarmede Jezus zijn persoonlijke indrukken uitspreekt, veel beter op hun plaats zijn aan het begin van den maaltijd, waar zij door Lukas gesteld worden. Want op dat oogenblik werden zijn persoonlijke indrukken nog niet beheerscht door den plechtigen ernst van de handeling, die volgen zou. De vorm van deze uitspraak bij Markus, oüxhi oiftyj, vs, 25, onderstelt niet, zooals die van Mattheus, dat Jezus bij de instelling mede uit den beker gedronken heeft. In ieder geval is de geheele orde van de woorden en feiten bij Lukas zeker het meest in overeenstemming met de psychologische waarschijnlijkheid.

Vs. 18. Het yup, want, pleit niet, zooals Weiss, Hofmann e. a. meenen, tegen het gevoelen, dat Jezus ook zelf uit den beker van vs. 17 gedronken heeft. Het kan, integendeel, beteekenen: „Want het is de laatste maal, dat wij allen gemeenschappelijk uit denzelfden beker drinken.quot; De omschrijving: vrucht des wijnstoks (vs. 18) is een echo van het ritueele gebed van den huisvader. In den mond van Jezus drukt zij het gevoel uit van het contrast tusschen de tegenwoordige aardsche natuur eu de toekomstige verheerlijkte

490

-ocr page 503-

22 : 19—20.

schepping, die na de wedergeboorte (Matth. 19; 28; vgl. Rom. 8 ; 21 en verv.) openbaar moet worden. — De uitdrukking: ik zal niet meer drinken is in overeenstemming met het: ik zal niet meer eten van vs. 16. Maar daarin ligt een opklimming. Vs. 16 beteekende: Dit is mijn laatste Paasch-feest, het laatste jaar van mijn leven; en vs. 18 beteekent; Dit is mijn laatste maaltijd, de laatste dag van mijn leven. Deze woorden, waaraan Paulus de commentaar: totdat Hij komt (1 Cor. 11 : 26) heeft ontleend. Onder den wijn van het koninkrijk der hemelen, waarop deze woorden van vs. 18 zinspelen, verstaat Jezus hetgeen in den toekomstigen staat van zaken, als element van vreugde en kracht, zal zijn wat de wijn in den tegenwoordigen is. Zonder twijfel hebben deze woorden aanleiding gegeven tot hetgeen Papias aangaande de fabelachtige wijnstokken van het duizendjarig rijk Jezus heeft toegedicht. Dit voorbeeld doet zoo duidelijk mogelijk het verschil uitkomen tusschen de soberheid van de in onze Evangeliën bewaarde overlevering en de overdrijvingen der legenden van lateren tijd. Hoe is het mogelijk, dat er critici kunnen zijn, die de vervaardiging van ons Evangelie in den tijd van Papias stellen ? Vs. 29 van Mattheus en vs. 25 van Markus geven deze woorden terug in een vorm, welke eenigszins verschillend is van dien van Lukas, en eerder aanleiding kon geven tot de legendarische uitbreiding van Papias.

Vs. 19—20. De instelling van het heilige Avondmaal: „En een brood genomen hebbende, brak Hij het, na gedankt te hebben, en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, hetwelk voor U gegeven wordt1); doet dit tot2) mijn gedachtenis. 20. Desgelijks ook den drinkbeker, na het avondeten,

491

1

SyroK. Iaat hSo^svov weg (1 Cor. 11 ;

2

B Iun( weg; zia: „Maakt dit (ot eeu heriaLeiing aan mij.quot;

-ocr page 504-

22 : 19—20.

zeggende: Deze drinkbeker is het Nieuwe Verbond in mijn bloed, hetwelk voor U vergoten wordt.quot;

De instelling van het heilige Avondmaal vormt in al de drie Evangeliën het middenpunt van het verhaal. Deze plechtige handeling schijnt te beantwoorden aan de tweede en derde phase van het Paaschmaal te zamen. Aan de uitlegging, die de huisvader van de beteekenis der gebruiken gaf, knoopte Jezus zonder twijfel die vast, welke Hij over da vervanging van het Paaschlam door zijn persoon als middel des heils, en over het verschil tusschen de eene en de andere op deze wijze tot stand gebrachte verlossing te geven had. Daarna nam Hij het brood, en heiligde het door het dankgebed tot een gedenkteeken van het door zijn dood verworven heil. — In de formule: „Dit is mijn lichaacc.quot; werd het woord hti, is, waarop men zooveel nadruk heeft gelegd, niet door Jezus uitgesproken; want in het Arameesch behoefde Hij slechts te zeggen: Tsóth haggoeschmi, dit mijn lichaam. Het is nu de vraag, welke waarde het aan te vullen begrip zijn, dat den noodzakelijken logischen band tusschen het subject en het praedicaat vormt, hier heeft. — Is er van een wezenlijke of alleen van symbolische identiteit sprake? De tweede zin is, ondanks al de tegenwerpingen van Luther, evengoed mogelijk als de eerste. Zoo is b. v., wanneer men bij het zien van een portret uitroept: „Dat is die!quot;, of wanneer Jezus zegt: „De akker is de wereldquot;, de symbolische beteekenis van het woord zijn zonneklaar. Men moet zelfs zeggen, dat zij in dit geval de wezenlijk natuurlijke beteekenis is. Want hoe had Jezus, terwijl Hij nog leefde, van een voorwerp, dat Hij in de hand hield kunnen zeggen, dat het substantiëel zijn eigen lichaam was? Zelfs bij de Katholieke en Luthersche opvatting van het Avondmaal is men daarom genoodzaakt aan dit aan te vullen is de beteekenis van het futurum te geven: „Dit zal na mijn verheerlijking mijn lichaam zijnquot;, of: „Dit zal na mijn verheerlijking met miju lichaam verbonden zijnquot;. Had de gedachte

492

-ocr page 505-

22 : 19-20.

aan een dergelijke verklaring van de woorden des Meesters in een van de discipelen kunnen opkomen? —• Het daaropvolgende toüto: „Doet ditquot; duidt niet het brood, maar de handeling van het breken daarvan aan; in deze laatste woorden ligt de instelling van een blijvenden ritus opgesloten. Zij ontbreken bij Mattheus en Markus; maar het bewezen feit, dat het heilige Avondmaal van de eerste tijden der kerk als maal ter gedachtenis van den dood van Jezus gevierd is geworden, onderstelt een bevel van Jezus daaromtrent en bevestigt de formule van Paulus en Lukas. Jezus heeft het Paaschmaal willen behouden, maar door de beteekenis daarvan te veranderen. — Terwijl Jezus met de woorden: Doet dit de plechtigheid instelt, duidt Hij tevens met de volgende: tot mijne gedachtenis den geest aan, waarin zij gevierd moet worden. Het dankbaar gedenken aan den persoon van Jezus, ziedaar de stemming, die daarbij van ons geëischt wordt, het wezenlijke van het Avondmaal voor den geloovige. Het sU avoifiv^iv herinnert aan het lezikkaron (-p-DTb) van Ex. 12 : 4 bij de inzetting van het Paaschfeest.

Het tweede gedeelte der instelling moet door een vrij langen tusschentijd van het het eerste gescheiden zijn geweest; want Lukas zegt na het avondeten (vs. 20), precies zooals Paulus. Jezus liet dus, volgens de gewoonte bij het Paaschmaal, gedurende eenigen tijd aan het gesprek den vrijen loop. Daarna nam Hij dezelfde plechtige houding weêr aan, waarin Hij het brood had gebroken. Dit verklaart het acrxuTu; ml, desgelijks ook, van vs. 20. — T« Trorvpiov, de drinkbeker, is het object van de twee verba en sSuxev aan het begin van vs. 19. Het artikel tJ is hier er bijgevoegd, omdat de beker reeds vermeld werd (vs. 17), of veeleer om te herinneren aan den bekenden beker, waarmede Jezus het Avondmaal had ingesteld. Vgl. de uitdrukking van Paulus in 1 Cor. 11 : 25. Deze beker beantwoordde zeer zeker aan den derden beker van het Paaschmaal, die den naam droeg van: beker der zegening. Daarom zegt Paulks (1 Cor. 10 : 16): De drinkbeker der zegening {svicyixi), dien wij zegenen. In deze uitdrukking is het woord zegenen herhaald.

493

-ocr page 506-

22 : 19—20.

494

omdat bet in twee verschillende beteekenissen gebruikt is. De eerste maal beeft bet betrekking op God, dien de gemeente, zooals eertijds de Israëlitische familie, prijst en aanbidt; de tweede maal op den beker, dien de gemeente zegent, terwijl zij hem wijdt, om voor het bewustzijn der geloovigen bet gedenkteeken van het bloed van Christus te worden. Hetgeen deze beker volgens de uitdrukkingen van Paulus en Lukas voorstelt, is het nieuwe, op de uitstorting van het bloed vau Jezus gegronde verbond, S/adtjwf, tusschen God en den mensch; bij Mattheus en Markus is het het hloed-zeM, waarop dit verbond is gegrond. Jezus kan bezwaarlijk de twee formules naast elkander gesteld hebben, zooals Langen beweert, die meent, dat Hij gezegd heeft: „Drinkt allen uit dezen beker; want het is de beker, die mijn bloed bevat, het bloed des nieuwen verbonds.quot; Zulk een omschrijving is onvereenigbaar met den stijl der instelling van een ritus, die altijd iets korts en bondigs heeft. Wij moeten dus kiezen tusschen den vorm van Mattheus en Markus en dien van Paulus en Lukas. En is het dan niet waarschijnlijker, dat de mondelinge overlevering en het kerkelijk gebruik veeleer gestrekt hebben, om de tweede, op den wijn betrekking hebbende formule met de eerste, die op bet brood betrekking heeft, gelijkvormig te maken, dan om ze van elkander te doen verschillen? De historische waarschijnlijkheid pleit dus voor den vorm, waarin de twee uitspraken van Jezus het minst op elkander gelijken, d. w. z. voor dien van Paulus en Lukas. — Elke overeenkomst of verbond werd bij de ouden door de eene of andere zinnebeeldige handeling bezegeld, en meestal door een zoodanige, waarbij bloed een rol speelde1). Ook bet O. V. werd op bloed gegrondvest (vgl. Gen. 15 : 9 en verv.), en in Egypte was het op dezelfde wijze vernieuwd geworden (Ex. 12 : 22—23). — Dit nieuwe verbond, dat van den kant Gods op de onver-

1

Zie het belangrijke werk The Blood Covenant van Clay Trumbull New-York, 1855.

-ocr page 507-

22 : 19-20.

diende gave des heils, en van dea kant des lueuschen op de aanneming daarvan door het geloof berust, zal voortaan tot blijvend symbool in de kerk dezen beker hebben, dien Jezus aan de zijnen reikt, en dien ieder van hen aanneemt en aan de lippen brengt. Het artikel ontbreekt tusschen dixêyy.yi, verbond, en wtó} in mijn bloed, wegens het

nauwe verband tusschen deze twee denkbeelden. De bepaling sv tïi a\'iftan berust eigenlijk op het uit het subst. Sixtyxyi af te leiden partic. hanOsithy. Daur, Volkmar en Keim beweren, dat het Paulas is, die hier op zijn eigen gezag het denkbeeld van het nieuwe verbond heeft ingevoerd, daar het het Joodsch Christendom nooit in de gedachten zou zijn gekomen, het oude verbond zoo te verwerpen en een nieuw verbond te verkondigen. Markus zou, hoewel hij Paulus naschreef, met opzet deze uitdrukking verzwakt hebben, door het al te stuitende adjectivum nieuwe weg te laten, Lukas, die een onverschrokken Paulinist was, zou haar weêr hersteld en de volledige formule van Paulus teruggegeven hebben. Maar, zoo moeten wij vragen, hoe heeft Jezus zich dan uitgedrukt P Was ook Hij niet in staat zich te verheffen tot het denkbeeld van de vervanging van het oude door een nieuw verbond, niet in staat, te doen wat Jeremia acht eeuwen te voren op zoo stoutmoedige wijze reeds gedaan had? (31:31 en verv.) Eu als men er goed over nadenkt, dan is immers de formule van Markus (welke waarschijnlijk ook bij Mattheus de echte leering is) nog krachtiger dan die van Paulus, in plaats van haar te verzwakken. Want als men de uitdrukking van Markus aldus vertaalt: „Dit is mijn bloed, dat des Ver bonds,, dan wordt daardoor aan het O. V. zelfs de naam van een verbond ontzegd. En vertaalt men: „Dit is het bloed van mijn verbond, dau wordt immers het verbond van Jezus door deze uitdrukking aan het Israëlitische tegenovergesteld, even goed als door het bijvoegelijk naamwoord nieuwe bij Paulus en Lukas. — De nominal, absol. to eK%uvt!f*evoi/, die het denkbeeld van de vergieting van het bloed grammatisch onafhankelijk ma.akt, doet het daardoor krachtiger uitkomen. Dit bijvoegsel, dat

495

-ocr page 508-

22 ; 19-20.

bij Paulus ontbreekt, brengt de formule van Lukas nader bij die der twee andere Evangelisten. — In plaats van: voor u, zeggen deze: voor velen. Het is het velen,

van Jes. 53 ; 12, het tra*) D\'ns van Jes. 52 ; 15, de vele natiën, die het bloed van den geotferden Messias besprengen zal. Jezus beschouwt in den geest de door Jesaja aangekondigde tienduizenden van geloovige Joden en heidenen, die elkander in de toekomstige eeuwen bij het feestmaal, dat Hij instelt, zullen verdringen. — Paulus herhaalt hier

het bevel: Doet dit_____ waarop de voortdurende viering van

het Avondmaal berust. Lukas laat het weg, en ook op dit punt komt zijn formule dichter bij die der twee audere Synoptici, dan die van Paulus.

Als er een plaats is, ten opzichte waarvan het zedelijk onmogelijk is, aan te nemen, dat de berichtgevers — als men ze werkelijk voor geloovigen houdt — op hun eigen gezag de woorden van Jezus veranderd hebben, dan is het wel deze plaats. Hoe moeten wij dan het verschil verklaren, dat er tusschen de vier formules bestaat P Er moet van het begin af in de Joodsch-christelijke gemeenten een algemeen aangenomene liturgische formule voor de viering van het heilig Avondmaal zijn geweest. Het is zeker die, welke Mattheus en Markus bewaard hebben. Alleen bewijst het tusschen hen bestaande verschil, dat zij geen geschrevene oorkonde hebben gebruikt, en dat de een den ander ook niet nageschreven heeft; zoo komt het bevel van Jezus: „Drinkt allen daaruir (Matth.) bij Markus in den vorm van een uitdrukkelijk feit voor: „En lij dronken allen daaruit\'1\'; en zoo laat Markus het toevoegsel: tot vergeving der zondenquot; (Matth.) weg. Wij vinden dus bij hen wel een en dezelfde overlevering, maar met afwijkingen, die het gevolg zijn van de mondelinge voortplanting. — De zeer verschillende vorm van Paulus en Lukas noodzaakt ons, tot een andere bron terug te gaan. Zij wordt door Paulus-zelf aangewezen: „Ik heb van den Heer ontvangen heigeen ik U ook overgeleverd hebquot; (1 Cor. 11 : 23). Indien Paulus hiermede geen ander gezag had willen bijbrengen, dan dat der mondelinge over-

496

-ocr page 509-

22 : 19—20.

levering, die van de apostelen afkomstig en in de kerk algemeen bekend was, dan had hij niet kunnen zeggen: „Ik heb ontvangenquot; (syoo yxp), en: „van den Heer.quot; Hij had dan moeten zeggen: „quot;Wij hebben van de apostelen ontvangen 1).quot; Zoowel deze omstandigheid, als het verschil tusschen de twee op het brood en op den wijn betrekking hebbende formulen beslist voor de formulen van Paulus en Lukas. In de onbeduidende verschillen tusschen de twee laatsten kunnen wij bovendien den invloed merken, dien de traditioneele liturgische formule, zooals zij door Mattheus en Markus bewaard is, op Lukas heeft uitgeoefend. — Wat Johannes betreft, de weglating van de instelling van het Avondmaal, die men hem als het resultaat van een berekening toedicht, zou volstrekt nutteloos zijn geweest op het oogenblik, toen hij schreef, en nog meer in de tweede eeuw, daar het Avondmaal in dien tijd in alle gemeenten gevierd werd, en een falsaris door zulk een uitlating het gezag van zijn geschrift slechts in gevaar zou hebben gebracht. Hij heeft dit feit weggelaten, omdat het voldoende bekend was.

Over de beteekenis van het heilige Avondmaal zullen wij slechts een enkel woord zeggen. Het schijnt mij toe, het gansche heil voor te stellen: het brood, de mededeeling van het leven van Christus, en de wijn, de gave van de vergeving der zonden; of, om uitdrukkingen van Paulus te gebruiken, de heiliging en de rechtvaardiging. Bij de instelling van dezen ritus is Jezus natuurlijk met het brood begonnen, daar het vergieten van het bloed het verbreken van het lichaam, dat het bevat, onderstelt. Daar echter bij de toeëigening van het heil de rechtvaardiging het middel is, om het leven van jChristus deelachtig te worden, volgt Paulus in 1 Cor. 10 : 16 en verv. de tegenovergestelde orde, en begint hij met den beker, die de eerste genade voorstelt, welke het geloof aangrijpt, ul. die van de vergeving der zonden. — In de handeling zelf zijn de twee zijden van het

497

1

Eon echte philoloog zal nooit het gebruik van aró in plaats van Ttafi, tegenwerpen.

Oodet Lulcat. II. 82

-ocr page 510-

22 : 21—23.

werk des hcils voorgesteld, de goddelijke aanbieding en het menschelijk geloof; de eerste in het toereiken van het brood en den wijn door den dienstdoenden persoon, het laatste in het aannemen van beide door den communiant. De be-teekenis van de menschelijke daad is volkomen eenvoudig en duidelijk voor het bewustzijn van hem, die haar verricht; het is, volgens de woorden der inzetting, het dankbaar gedenken van Jezus en zijn liefde, of, zooals Paulus zegt in de uitdrukking: „den dood des Heer en verkondigenquot; (l Cor. 11:26), de vreugdevolle belijdenis van het geloof in zijn verzoeningsdood. Maar anders is het gesteld met de goddelijke daad; deze is iets ondoorgrondelijks en een mysterie: „De gemeenschap van het bloed van hel lichaam van Christusquot; (1 Cor. 18 : 16). Er is daarom, naar ik meen, reden om op de goddelijke zijde van het heilige Avondmaal hot woord toe te passen: „De verborgene dingen zijn voor God.quot; Wij weten heel goed, wat wij te doen hebben, om het Avondmaal op de rechte wijze te vieren; wij kunnen aan God het geheim overlaten van hetgeen Hij ons geven zal bij een goede avondmaalsviering. Schanz noemt deze zienswijze een „keinen Rath mehr wissen.quot; Maar ik blijf gelooven, dat de kerk wel zal doen, dit tot vereenigingsformule aan te nemen, en daardoor een einde maken aan de ergernis, die zij gegeven heeft door het symbool van eenheid, dat haar Heer haar heeft nagelaten, de oorzaak van haar bitterste verdeeldheden te doen worden.

Vs. 21—2.3. De openbaring van den verrader: „Doch ziet, de hand van hem, die mij verraadt, is met mij aan tafel; 22. want1) de Zoon des menschen 2) gaat heen, volgens hetgeen besloten is; maar wee dien mensch, door wien Hij verraden wordt!

498

1

I. K. leest xxt met A en 14 Mjj.; NBDLT: oti.

2

N laat het f«v weg, dat de audere oorkonden lezen.

-ocr page 511-

22:21—23. 499

23. En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch was, die dat doen zou.quot;

Bij het zien van dezen beker, die onder de discipelen rondgaat, vestigt zich de aandacht van Jezus op Judas. Onder deze zielen, die voortaan zulk een nauwe band met elkander verbindt, is er dus een, die van het gemeenschappelijk heil uitgesloten blijft en zichzelf in het verderf stort! Dit contrast verscheurt het hart van Jezus, drukt juist de uizondering uit, die Judas in dezen vriendenkring vormt; iSau, zie, doelt op de verrassing, die zulk een onverwachte openbaring bij de discipelen moet teweegbrengen. Volgens Lukas heeft Judas dus de viering van het heilige Avondmaal bijgewoond. Do verhalen van Mattheus en Markus voeren niet tot hetzelfde resultaat. Dat van Mattheus weerspreekt het zelfs uitdrukkelijk. Want het is niet aan te nemen, dat Judas, na ontmaskerd te zijn geworden, daar zou gebleven zijn en de instelling van het Avondmaal zou hebben bijgewoond. Maar wij hebben gezien, dat de orde der drie feiten, waaruit het bericht van den maaltijd bestaat, bij Lukas natuurlijker is, dan bij de twee anderen. Wat Johannes betreft, zijn bericht toont aan, dat Jezus gedurende dezen maaltijd meermalen op het verraad van Judas is teruggekomen. Het is daarom waarschijnlijk, dat de overlevering hier, zooals in zoovele andere gevallen, woorden over hetzelfde onderwerp, die op verschillende oogenblikken werden uitgesproken, tot één geheel heeft vereenigd, en dat onze Synoptici ze in dezen vorm hebben opgenomen. Wij kunnen derhalve aannemen, dat Jezus van het begin van den maaltijd af over het verraad, waarvan Hij het voorwerp was, gesproken heeft, zonder den verrader te noemen (vgl. Joh. 13 : 11 en 18), hetgeen de orde bij Mattheus en Markus verklaart; en dat Hij na de uitdeeling van het brood opnieuw daarover gesproken heeft, en ditmaal Judas als den verrader heeft aangewezen (Joh. v. 21—27), waardoor de orde bij Lukas verklaard wordt. De eenige onnauwkeurigheid in het bericht

i,

-ocr page 512-

22 : 21—23.

van deze is, dat hij de twee handelingen der instelling van het Avondmaal te nauw met elkander verbonden heeft. Want Judas moet in den tusschentijd tusschen die twee handelingen weggegaan zijn, en de maaltijd zal met de ronddeeling van den beker een einde hebben genomen (Joh. vs. 30; Luk. vs. 20). De uitdrukking van Lukas: met mij aan tafel zijn duidt niets bijzonders aan; zij geeft hetzelfde te kennen als die van Mattheus; „de hand met mij in den schotel doopenquot;, en beteekent eenvoudig: mijn disch-genoot zijn.

Vs. 22. Intusschen weet Jezus, dat zijn lot niet in de handen van den verrader is. Wat Hem aangaat, Hij is gerust; alles is door God vastgesteld. Het is niet Judas, die Hem zal doen sterven: maar het is door een hoogere noodzakelijkheid, dat Hij sterven moet. Maar alleenlijk)

wat zal er worden van den ongelukkige, die zijn vrijheid misbruikt, om Hem te verraden? — Het on, want, der Alexandr. aan het begin van het vers is moeilijker te verklaren, dan het eenvoudige Koti, en, der Byz. Als het echt is, drukt het deze gedachte uit: dat het verraad van Judas plaats vindt, omdat het goddelijk raadsbesluit aangaande den dood van den Messias vervuld moet worden, en dit verraad het middel daartoe is; alleenlijk blijft de

persoon, die deze daad verricht, daarvoor toch niet minder verantwoordelijk.

Vs. 23. De samenspreking der discipelen na het hooren van dit woord van Jezus doet zien, hoe goed Judas zijn gezindheid heeft weten te verbergen. Het f^n iyi, ben ik het.11 der discipelen bij Mattheus en Markus vindt hier zijn natuurlijke plaats. Men heeft het onwaarschijnlijk gevonden, dat Judas ook aldus gevraagd zou hebben (Matth. vs. 25). Maar daar de anderen het deden, kon hij het immers niet nalaten, zonder zich te verraden. Het; Gij hebt het gezegd van Jezus duidt precies hetzelfde aan als Joh. 13:26: „En de bete ingedoopt hebbende, gaf Hij haar aan Judas Iska-rioth.quot; Deze handeling zelf was het antwoord van Jezus, dat Mattheus vertolkt heeft met de woorden1 Gij hebt het gezegd.

500

-ocr page 513-

22 : 24—27. 501

3°. Vs. 24—38. De gesprekken na den maaltijd.

De volgende gesprekken hebben betrekking: 1° op een twist, welke dien avond onder de apostelen ontstond, vs. 24—30; 2° op de verloochening van Petrus, vs. 31—34; 3° op het gevaar, dat hen wachtte aan het einde van dit rustige uur, vs. 35—38. — Er is hier groote overeenkomst tusschen Lukas en Johannes. Het door Lukas medegedeelde onderwijs naar aanleiding van den twist tusschen de discipelen herinnert op treffende wijze aan de rede na de voetwassching, Joh. 13 : 12—20. Volgens Mattheus en Markus geschiedde de aankondiging van de verloochening van Petrus eerst na het zingen van den lofzang en het verlaten van de zaal, om naar Gethsemané te gaan; volgens Johannes, evenals volgens Lukas, had zij plaats, terwijl zij nog in de zaal waren. Bovendien stemmen Lukas en Johannes hierin met elkander overeen, dat volgens hen na de aankondiging van de verloochening nog andere gesprekken in de zaal werden gehouden. Het is dan ook duidelijk, dat Lukas niet van de andere Synoptici afhangt en dat hij zijn eigene bronnen heeft; en de nauwkeurigheid dezer bronnen springt duidelijk in het oog, als wij zijn bericht met dat van Johannes vergelijken.

Vs. 24—30. Wie is de meeste?

Vs. 24—27. „En er ontstond onder hen ook een twist over de vraag, wie van hen de meeste scheen te zijn. 25. Maar Hij zeide tot hen: De koningen der volken heerschen over hen, en zij, die macht over hen uitoefenen, worden weldoeners genoemd. 26. Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u zij als de jongste, en die voorganger is, als hij, die dient. 27. Want wie is de meeste: die aanzit, of die dient? Is het

-ocr page 514-

22 : 24—27.

niet die aanzit? En ik ben in het midden van u als een, die dient.

De overgang 9s imI is zeer weinig nauwkeurig; hij verbindt eenvoudig de volgende woordenwisseling met de voorgaande (vs. 23), maar niet chronologisch. Zonder twijfel wist Lukas niet, op welk oogenblik zij plaats heeft gehad; het was hem alleen bekend, dat zij tot dezen maaltijd behoorde. De vergelijking van de woorden van Jezus in vs. 26 eu 27 met het bericht van Johannes schijnt mij toe, geen twijfel over te laten omtrent het verband tusschen dezen twist en de voetwassing. Hij heeft dus, zooals waarschijnlijk ook deze, veeleer aan het begin van het maal plaats gehad. Wat gaf daartoe aanleiding? Men heeft gemeend, dat het de vraag was, wie de voeten van den Meester en de andere discipelen zou wasschen. Maar in dit geval zou de vraag, waarover getwist werd, veeleer: „Wie is de minste?quot; dan: .,,Wie is de meeste?quot; geweest zijn. Daarom moet men misschien met Hofmann en Keil aannemen, dat de woordenstrijd veroorzaakt werd door de vraag, wie aan tafel de eereplaats, d. w. z, de plaats, die het (lichtst bij Jezus was, zou innemen. Vooral Petrus en Johannes hadden goede redenen om op dit voorrecht aanspraak te maken. Toen zou Jezus, naden strijd ten gunste van Johannes te hebben beslist, de voet-wassching verricht en daarna de volgende woorden gesproken hebben. — Aoks/*, schijnt: overeenkomstig de blijken van de gezindheid van Jezus, die natuurlijk voor het oordeel der discipelen het richtsnoer was. — De comparat. (tsifav staat hier in de beteekenis van den superlat.: grooter, meerder (dan de anderen) dus de meeste.

Vs. 25. Jezus laat zich door dezen twist evenmin ontstemmen, als ontmoedigen; Hij weet, dat Hij door zijn woord en zijn voorbeeld in het hart der apostelen een rein beginsel heeft neêrgelegd, dat ten laatste alle vormen der zonde bij hen zal overwinnen: „Gij zijl reeds rein ivegens hel woord, dal ik tol u gesproken heb\'quot;, zegt Hij-zelf tot hen in Joh.

502

-ocr page 515-

22 ; 2H—30.

au 15 : 3. Daarom vervolgt Hij met zachtheid het aangevangen werk. In de menschelijke maatschappij heerscht men door physieke of intelloctueolo macht; en de bijnaam suepyiTyi;, weldoener, is de titel, waarmede de vleiers zonder te blozen

ndt menigmaal de ergste tirannen eeren.

nde Vs. 26. Tegenover deze natuurlijke menschelijke maat-

kas schappij stelt Jezus het type eener nieuwe maatschappij,

lem waarin alleen de overvloed der bewezen diensten aanspraak

rer- zal geven op den titel van groot. De uitdrukking i vsurspog,

met de jongste (vs. 28), is parallel met ó DhxkovSiv , hij, die dient,

ver omdat bij de Joden de laagste en onaangenaamste werk-

de zaamheden aan de jongste leden der vergadering werden

ze, toevertrouwd (Hand. 5:6—10). De gedachte is dus: De

gaf ware grootheid openbaart zich in den ijver, waarmede men

tag zich aan het dienen van anderen wijdt.

len Vs. 27. Jezus wijst op zijn eigen voorbeeld. Als men de

/er uitspraak van dit vers niet met de in Joh. 13 verhaalde

is voetwassching in verband brengt, moet men de woorden:

iet Ik ben in het midden van u als een, die dient op het leven

or- van Jezus in het algemeen, of op het offer van zijn persoon,

ts, dat Hij op dit oogenblik brengt (vs. 19 en 20), toepassen,

sn. Dit heeft waarschijnlijk Lukas gedaan, die het in de over-

op levering verdwenen feit der voetwassching niet schijnt gekend

en te hebben. Maar op deze wijze kan men de tegenstelling

et- tusschen; „hij, die aanzitquot; en: „hij, die dientquot; niet goed

en verklaren.

3e Nadat Jezus tegenover het ideaal van grootheid van het

er natuurlijk hart het goddelijk ideaal heeft gesteld, dat Hij

at der wereld brengt, geeft Hij bevrediging aan het gegronde,

er dat er was in het verlangen der discipelen. Want al is nederige liefde ook de weg, het doel is dan toch wel de

it- heerlijkheid; vgl. Rom. 2:7: „Zij, die heerlijkheid, eer en

rd onverderfelijkheid zoeken.quot;

el

Vs. 28—30. „Maar gij zijt degenen, die met mij

503

h. volhard hebt in mijn beproevingen. 29. En ik

k

-ocr page 516-

22 : 28—30,

draag u het koninschap over, zooals mijn Vader het mij overgedragen heeft, 30 opdat gij eet en drinkt aan mijn tafel in mijn koninkrijk \'), en op tronen zit, oordeelende de twaalf geslachten Israëls.quot;

Terwijl Jezus op het woord gij den nadruk legt, denkt Hij misschien aan Judas, die niet had volhard. De woorden: gij hebt met mij volhard of standgehouden ademen dankbaarheid. — De beproevingen of verzoekingen zijn de ontberingen, het geloofsleven, de lasteringen, de belagingen, de verwerping van den kant van het volk en diens hoofden. Het was geen kleine zaak voor deze arme Galileërs, te hebben volhard in hunne gehechtheid aan Jezus, in spijt van deze algemeene antipathie en van den haat van de leiders des volks.

504

Vs. 29 en 30. Het wèyw, en ik, beantwoordt aan het üpsls, gij, van vs. 28: „Dit hebt gij voor mij gedaan; gij hebt gedeeld in mijn strijd en mijn vernedering; en dit zal ik voor u doen: ik zal u doen deelen in mijn triomf.quot; — bixTiSevêixi, bij testament of op andere wijze over het zijne beschikken. Het woord fixviheiav is blijkbaar het gemeenschappelijk object van de twee verba, en niet van het eerste alleen, zooals Bleek, Hofmann e. a. meenen, die SixTMsftcci het geheele slot van vs. 30 tot object geven. De herhaling van hetzelfde werkwoord geschiedt met opzet en laat niet toe, voor hxTlóefuxt en ^iéósto twee verschillende objecten aan te nemen. — Het ontbreken van het artikel vóór (3xm-Xelxv geeft aanleiding om onder deze uitdrukking eerder de koninklijke waardigheid (een koningschap), dan het koninkrijk zelf te verstaan. — Men zou hier aan de geestelijke heerschappij kunnen denken, die de apostelen in de wereld zullen uitoefenen door de verspreiding van het licht, waarvan

1) E. F. O. en 5 Mjj, laten do woordeu {•/ ts fimrimix nou weg.

-ocr page 517-

22 : 31—34.

zij de dragers waren. De beelden van het volgende vers zouJen öf een dergelijken zin hebben, öf op de toekomstige gelukzaligheid en heerschappij als doel (ivtx., opdat) der tegenwoordige werkzaamheid betrekking hebben. Maar de echatologische zin der twee verzen is toch de natuurlijkste: „Ik zal u een heerschappij geven, welke een overdracht zal zijn van die, welke ik zelf ontvangen heb, opdat gij, die thans bij dit Paaschmaal mijn dischgenooten zijt, ook deel moogt hebben aan mijn hemelsch gastmaal, en in mijn naam het oordeel over de twaalf stammen van Israël uitoefent.quot; Hofmann meent, dat men hier aplvstv in den zin van regeeren en niet in dien van: „oordeelenquot; moet opvatten. Doch de eschatologische strekking van deze uitspraak pleit niet voor deze verklaring, die meer moeilijkheden doet ontstaan, dan zij wegneemt. — Volgens 1 Cor. 6 : 2 en 3 „zullen de ge-loovigen de wereld en zelfs de engelen oordeelen.quot; Bij het algemeene oordeel zullen de apostelen, om zoo te zeggen, met de Israëlitische afdeeling worden belast; vgl. Openb. 20:4, Het woord van Joh. 13:20, dat in ieder geval ongeveer op denzelfden tijd als dit uitgesproken moet zijn, heeft een merkwaardige overeenkomst met vs. 29; het is, om zoo te zeggen, de vergeestelijkte reproductie daarvan. — De uitspraak van Matth. 19 : 28 is ongetwijfeld identisch met de onze. Het komt mij voor, dat zij in den samenhang van Lukas beter gemotiveerd is, dan in dien van Mattheus. — Indien Lukas jegens de Twaalven zoo vijandig gezind was, als de Tubingsche school beweert, zou hij zonder twijfel deze voor hen zoo eervolle verklaring hebben weggelaten, zooals men hem beschuldigt, dat hij andere dergelijke uitspraken weggelaten heeft.

Vs. 31—34. De aankondiging van de verloochening van Petrus: „En de Heer zeide1): Simon, Simon,

505

1

T. K. leest cive Se o xvpiof, met NAD en 15 Mjj. Tt. Sjrr, (met Syrcur) B L T ea Cop. Sah. laten die woorden weg.

-ocr page 518-

22 : 31—34.

zie, de Satan heeft ulieden zeer begeerd, om u te ziften als de tarwe. 32. Maar ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eenmaal bekeerd zult zijn, versterk dan uwe broeders! 33. En hij zeide tot Hem; Heer, ik ben bereid, met U èn in de gevangenis, èn in den dood te gaan. 34. En Hij zeide tot hem: Ik zeg u. Petrus, dat de haan heden niet kraaien zal, voordat ^ gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij mij kent.

De woorden: En de Heer zeide mogen echt zijn of niet, het is moeilijk een verband te vinden tusschen deze aan Petrus gegevene waarschuwing en de belofte, die daaraan voorafgegaan is. Hofmann neemt aan, dat Petrus gekrenkt was door den twist over de vraag, wie de meeste wat, daar zij hem toescheen, reeds lang beslist te zijn, en dat Jezus deze lichte krenking door een grootere droefheid in vergetelheid wilde brengen. Men zou eerder kunnen denken, dat Jezus door het weggaan van Judas, dat weinige oogenblikken te voren had plaats gehad, herinnerd was geworden aan de rol, die de verzoeker bij al de andere discipelen, en vooral bij Petrus, ging spelen. Johannes motiveert deze waarschuwing op een zeer eenvoudige wijze: Jezus heeft tot de discipelen gezegd: „Gij kunt mij nu niet volgen-, gij moet de scheiding aanvaarden.quot; Daarop antwoordt Petrus, dat hij, wat hem betreft, bereid is, Jezus door alles heen te vergezellen. In antwoord op deze verzekering, verkondigt Jezus hem zijn nabijzijnde verloochening aan. Volgens Johannes en Lukas is dat alles nog in de zaal van den maaltijd voorgevallen, maar volgens Mattheus en Markus is deze aan-

1) T. R. leest t/ww , met A en 9 Mjj.; LT: anderen: fw; of

f0T0V,

506

-ocr page 519-

22 : 31- 34. 507

u kondiging op den weg naar Gethsemané geschied. Het komt mij voor, dat het bericht van Johannes ten gunste van Lukas beslist. Want men kan onmogelijk aannemen, dat Jezus, \'Uj zooals sommigen willen, de voorspelling tweemaal heeft uit-an gesproken. De verzoeker is daar in de nabijheid. Na zich van Judas te hebben meester gemaaki, bedreigt hij al de discipelen; hij maakt zich gereed, om Jezus-zelf aan te vallen. „De vorst der wereld komlquot; (Joh. 14:30). In deze ;ot uren vau algemeene beproeving is het gevaar geëvenredigd e|. aan de mate van zelfzucht, die ieder in zijn hart draagt.

Om deze reden wendt Jezus zich meer rechtstreeks tot Petrus. ^ Met het tweemaal herhaalde Simon I zinspeelt Hij op zijn natuurlijk karakter, en waarschuwt hem tegen den eigenwaan, die de hoofdtrek daarvan is. Het «£ in ifyrwxTO 3t, bevat deze gedachte: hem uit de handen van Jezus in de an zijne te doen vallen. Het werkw. aivix^u, dat ons alleen an door de Grieksche lexicografen bekend is, beteekent: in een kt zeef of in een wan heen weêr schudden. De Satan verlangt ar het recht om de Twaalven op de proef te stellen; hij maakt us zich sterk tegenover God, evenals eertijds ten opzichte van ^1- Job, te bewijzen, dat zij slechts kaf zijn, dat zelfs de beste at onder hen in den grond \'niet beter is, dan Judas, Jezus en zegt niet (vs. 32)\', dat zijn verlangen afgewezen werd. Veeleer 3e vloeit uit de voorbede van Jezus voort, dat het toegestaan al werd, wat Petrus betreft, ja zelfs ten opzichte van allen .r- (Joh. 16 : 32). Alleen tracht Jezus bij Petrus, de zoo ernstige 3e gevolgen van den vreeselijken val, die hem bedreigt, te voor-et komen. De ontrouw, waaraan allen zich schuldig zullen at maken, zou den band tusschen Hem en hen kunnen verte breken. Inzonderheid die van Petrus zou hem in een wanhoop gt kunnen storten, gelijk aan die, welke Judas zal verderven, es Maar terwijl de vijand de zwakke zijde der discipelen bespiedt, r- om hen te gronde te richten, waakt en bidt Jezus, om te n- verhinderen, dat zijn slagen niet doodelijk worden voor een van hen. In navolging van Golius e. a., verklaart Langen of «norpi^i*? in den zin van aiüj: „versterk op nieuw uwe broeders.quot; Maar deze beteekenis van f7ri7Tpilt;piiv is in het

-ocr page 520-

22 : 31—34.

Grieksch onbekend; zij komt ook niet voor op de plaats van de LXX, die men gewoonlijk aanhaalt, Ps. 85 : 7. Wanneer Petrus tot God zal zijn wedergekeerd en door een ernstig berouw den verbroken band weêr aangeknoopt heeft (1 : 16), dan zal hij onder zijn broeders de steun van het gemeenschappelijk geloof zijn. Dit is inderdaad wat hij tusschen de opstanding en het Pinksterfeest is geweest. Welk een licht werpt dit woord van Jezus op de machtige werkelijkheid van de tooneelen der onzichtbare wereld en hun invloed op de aardsche dingen! Hollzmann erkent de echtheid daarvan, al is het ook door Lukas alleen bewaard. Hij schrijft het aan een bijzondere overlevering toe. Dit verhindert hem echter niet, het geheele bericht uit een gemeenschappelijke bron af te leiden.

Vs. 34. Daar Petrus meer aan zijn trouw, dan aan de waarheid van het woord van Jezus geloofde, kondigt deze, om zijn eigenwaan neêr te slaan, hem zijn nabijzijnden val aan. De naam Petrus is hier niet zonder opzet in plaats van Simon (vs. 31) gebruikt. Hij is een titel: „Gij, dien ik zoo hoog verheven, dien ik tot een Petrus gemaakt heb, zult gij dan zoo diep vallen?quot; Men onderscheidde drieërlei hanengekraai: het eerste tusschen middernacht en 1 uur, het tweede tegen 3 uur, het derde tusschen 5 en 6 uur. Daarom werd de derde nachtwake (van middernacht tot 3 uur), die tusschen het eerste en het tweede hanengekraai viel, xXiKTopoCpuvloi, hanengekraai genoemd (Mark. 13 : 35). Het woord van Jezus, zooals het bij Lukas, Mattheus en Johannes luidt, beteekent dus: „Vandaag, voordat de tweede nachtwake, de tijd van 9 uur tot middernacht, verloopen is, zult gij mij driemaal verloochend hebben.quot; Markus zegt, omstandiger en zeker ook nauwkeuriger: „Voordal de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen.quot; Dit beteekent niet meer: vóór middernacht, maar: vóór 3 uur. De vermelding van het tweemaal kraaien van den haan, terwijl reeds het eerste gekraai voor Petrus een waarschuwing had moeten zijn, doet de grootheid van zijn zonde te meer uitkomen. — Aan het denkbeeld van

508

-ocr page 521-

22 : 35-38.

het gevaar, dat Petrus bedreigt, knoopt zich op natuurlijke wijze dat van de moeilijke positie vast, waarin de dood van Jezus zijn discipelen in het algemeen tegenover hunne medeburgers zal brengen:

Vs. 35—38. De nieuwe positie der discipelen: \') „En Hij zeide tot hen: Toen ik u uitzond zonder beurs, en zak, en schoenen, beeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden tot Hem: Niets! 36. Hij zeide dan1) tot hen: Maar nu, wie een beurs heeft, die neme haar, en evenzoo een zak; en wie geen (zwaard) heeft, die verkoope2) zijn kleed, en koope3) een zwaard. 37. Want ik zeg u, dat hetgeen geschreven is: „En Hij is met de misdadigers gerekendquot; nog 4) aan mij vervuld moet worden. Want hetgeen 6) op mij betrekking heeft, is zijn einde nabij. 38, En zij zeiden tot Hem: Heer! ziehier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.quot;

Tot hiertoe hadden de apostelen, door de gunst, die Jezus bij een deel van het volk genoot, een betrekkelijk gemakkelijken tijd gehad. Maar de groote en beslissende botsing tusschen hen en de Joodsche overheden, die op het punt stond, plaats te vinden, zou dezen gunstigen toestand

509

1

De verzen 36—38 werden door Marcion weggelaten.

2

E en 7 Mjj. lezen twAvjte;, in plaats van iruKyeoiTo.

3

D E en 7 Mjj. lezen uyofxrei, in plaats van ccyopaectru.

4

N B en 4 Mjj. Syrcur, lezen to, in plaats van ru.

-ocr page 522-

22 ; 31—34.

zie, de Satan heeft ulieden zeer begeerd, om u te ziften als de tarwe. 32. Maar ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eenmaal bekeerd zult zijn, versterk dan uwe broeders! 33. En hij zeide tot Hem: Heer, ik ben bereid, met U èn in de gevangenis, èn in den dood te gaan. 34. En Hij zeide tot hem: Ik zog u. Petrus, dat de haan heden niet kraaien zal, voordat ^ gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij mij kent.

De woorden: En de Heer zeide mogen echt zijn of niet, het is moeilijk een verband te vinden tusschen deze aan Petrus gegevene waarschuwing en de belofte, die daaraan voorafgegaan is. Hofmann neemt aan, dat Petrus gekrenkt was door den twist over de vraag, wie de meeste wat, daar zij hem toescheen, reeds lang beslist te zijn, en dat Jezus deze lichte krenking door een grootere droefheid in vergetelheid wilde brengen. Men zou eerder kunnen denken, dat Jezus door het weggaan van Judas, dat weinige oogenblikken te voren had plaats gehad, herinnerd was geworden aan de rol, die de verzoeker bij al de andere discipelen, en vooral bij Petrus, ging spelen. Johannes motiveert deze waarschuwing op een zeer eenvoudige wijze: Jezus heeft tot de discipelen gezegd: „Gij kunt mij nu niet volgen; gij moet de scheiding aanvaarden.quot; Daarop antwoordt Petrus, dat hij, wat hem betreft, bereid is, Jezus door alles heen te vergezellen. In antwoord op deze verzekering, verkondigt Jezus hem zijn nabijzijnde verloochening aan. Volgens Johannes en Lukas is dat alles nog in de zaal van den maaltijd voorgevallen, maar volgens Mattheus en Markus is deze aan-

1) T. R.. leest crp/v gt;ƒ, met A en 9 Mjj.; NBLT: fws; anderen: icoq of

OTOV,

506

-ocr page 523-

22 : 31- 34.

507

kondiging op den weg naar Gethsemané geschied. Het komt mij voor, dat het bericht van Johannes ten gunste van Lukas beslist. Want men kan onmogelijk aannemen, dat Jezus, zooals sommigen willen, de voorspelling tweemaal heeft uitgesproken, De verzoeker is daar in de nabijheid. Na zich van Judas te hebben meester gemaaki, bedreigt hij al de discipelen; hij maakt zich gereed, om Jezus-zelf aan te vallen. „De vorst der wereld komlquot; (Joh. 14 ; 30). In deze uren van algemeene beproeving is het gevaar geëvenredigd aan de mate van zelfzucht, die ieder in zijn hart draagt. Om deze reden wendt Jezus zich meer rechtstreeks tot Petrus. Met het tweemaal herhaalde Simon! zinspeelt Hij op zijn natuurlijk karakter, en waarschuwt hem tegen den eigenwaan, die de hoofdtrek daarvan is. Het st; in èfyrwxTO bevat deze gedachte: hem uit de handen van Jezus in de zijne te doen vallen. Het werkw. aivixfy, dat ons alleen door de Grieksche lexicografen bekend is, beteekent: in een zeef of in een wan heen weêr schudden. De Satan verlangt het recht om de Twaalven op de proef te stellen; hij maakt zich sterk tegenover God, evenals eertijds ten opzichte van Job, te bewijzen, dat zij slechts kaf zijn, dat zelfs de beste onder hen in den grond niet beter is, dan Judas. Jezus zegt niet (vs. 32)\', dat zijn verlangen afgewezen werd. Veeleer vloeit uit de voorbede van Jezus voort, dat het toegestaan werd, wat Petrus betreft, ja zelfs ten opzichte van allen (Joh. 16 : 32). Alleen tracht Jezus bij Petrus, de zoo ernstige gevolgen van den vreeselijken val, die hem bedreigt, te voorkomen. De ontrouw, waaraan allen zich schuldig zullen maken, zou den band tusschen Hem en hen kunnen verbreken. Inzonderheid die van Petrus zou hem in een wanhoop kunnen storten, gelijk aan die, welke Judas zal verderven. Maar terwijl de vijand de zwakke zijde der discipelen bespiedt, om hen te gronde te richten, waakt en bidt Jezus, om te verhinderen, dat zijn slagen niet doodelijk worden voor een van hen. In navolging van Golius e. a., verklaart Langen èinlt;rrpé\\pxs in den zin van aiuj: „versterk op nieuw uwe broeders.quot; Maar deze beteekenis van (Trivrptcpfiv is in het

-ocr page 524-

22 : 31—34.

Grieksch onbekend; zij komt ook niet voor op de plaats van de LXX, die men gewoonlijk aanhaalt, Ps. 85 : 7. Wanneer Petrus tot God zal zijn wedergekeerd en door een ernstig berouw den verbroken band weer aangeknoopt heeft (1 : 16), dan zal hij onder zijn broeders de steun van het gemeenschappelijk geloof zijn. Dit is inderdaad wat hij tusschen de opstanding en het Pinksterfeest is geweest. Welk een licht werpt dit woord van Jezus op de machtige werkelijkheid van de tooneelen der onzichtbare wereld en hun invloed op de aardsche dingen! Holtzmann erkent de echtheid daarvan, al is het ook door Lukas alleen bewaard. Hij schrijft het aan een bijzondere overlevering toe. Dit verhindert hem echter niet, het geheele bericht uit een gemeenschappelijke bron af te leiden.

Vs. 34. Daar Petrus meer aan zijn trouw, dan aan de waarheid van het woord van Jezus geloofde, kondigt deze, om zijn eigenwaan neêr te slaan, hem zijn nabijzijnden val aan. De naam Petrus is hier niet zonder opzet in plaats van Simon (vs. 31) gebruikt. Hij is een titel: „Gij, dien ik zoo hoog verheven, dien ik tot een Petrus gemaakt heb, zult gij dan zoo diep vallen?quot; Men onderscheidde drieërlei hanengekraai: het eerste tusschen middernacht en 1 uur, het tweede tegen 3 uur, het derde tusschen 5 en 6 uur. Daarom werd de derde nachtwake (van middernacht tot 3 uur), die tusschen het eerste en het tweede hanengekraai viel, a.Xey.Topo(pügt;vtx, hanengekraai genoemd (Mark. 13 : 35). Het woord van Jezus, zooals het bij Lukas, Mattheus en Johannes luidt, beteekent dus: „Vandaag, voordat de tweede nachtwake, de tijd van 9 uur tot middernacht, verloopen is, zult gij mij driemaal verloochend hebben.quot; Markus zegt, omstandiger en zeker ook nauwkeuriger: „Voordat de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen.quot; Dit beteekent niet meer: vóór middernacht, maar: vóór 3 uur. De vermelding van het tweemaal kraaien van den haan, terwijl reeds het eerste gekraai voor Petrus een waarschuwing had moeten zijn, doet de grootheid van zijn zonde te meer uitkomen. — Aan het denkbeeld van

508

-ocr page 525-

22 : 35-38,

het gevaar, dat Petrus bedreigt, knoopt zich op natuurlijke wijze dat van de moeilijke positie vast, waarin de dood van Jezus zijn discipelen in het algemeen tegenover hunne medeburgers zal brengen:

Vs. 35—38. De nieuwe positie der discipelen; ^ „En Hij zeide tot hen; Toen ik u uitzond zonder beurs, en zak, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden tot Hem; Niets! 36. Hy zeide dan *) tot hen; Maar nu, wie een beurs heeft, die neme haar, en evenzoo een zak; en wie geen (zwaard) heeft, die verkoope 1) zijn kleed, en koope2) een zwaard. 37. Want ik zeg u, dat hetgeen geschreven is; „En Hij is met de misdadigers gerekend11 nog 3) aan mij vervuld moet worden. Want hetgeen G) op mij betrekking heeft, is zijn einde nabij. 38. En zij zeiden tot Hem; Heer! ziehier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen; Het is genoeg.quot;

Tot hiertoe hadden de apostelen, door de gunst, die Jezus bij een deel van het volk genoot, een betrekkelijk gemakkelijken tijd gehad. Maar de groote en beslissende botsing tusschen hen en de Joodsche overheden, die op het punt stond, plaats te vinden, zou dezen gunstigen toestand

509

1

E en 7 Mjj. lezen TrwAtfo-ei, in plaats van Trahya-UTO.

2

D E en 7 Mjj. lezen wyofaarei, in plaats van uyopxrxru.

3

8) T. R. leest en, met r en 11 Mjj. ItP1quot; Syr. (en Syrquot;quot;1.) al de anderen .aten het weg.

-ocr page 526-

22 : 35-38.

geheel en al veranderen; en hoe zouden dan de apostelen gedurende het geheele overige gedeelte hunner loopbaan niet den weerstuit gevoelen van hetgeen gebeuren zou? Dit is de gedachte, die den Heer thans bezighoudt, en Hij maakt haar aanschouwelijk door de volgende beelden. Om hen de verandering van toestand, waarmede Hij het noodig acht, hen in kennis te stellen, te levendiger te doen beselfen, herinnert Hij ben aan hunne eerste uitzending, die zoo vreedzaam afgeloopen is. Alleen bij deze gelegenheid vernemen wij den gunstigen uitslag van deze eerste proef, waaraan Hij hen onderworpen had. De geschiedschrijver had ons niets daarvan gezegd (9 : 6). Voortaan zullen zij met voorzichtigheid te werk moeten gaan, en in het oog houden, dat zij van vijanden omringd zijn. Het object van w Izuv is is blijkbaar (en niet Trjpoiv of amp;oc\\xvTm): „ Wie geen

(zwaard) heeft die koope er een.quot; Het is een verscherping van de voorafgaande waarschuwing. Niet alleen kunnen zij in de toekomst niet meer rekenen op de welwillende gastvrijheid, die zij genoten hebben gedurende den tijd, waarin hun Meester in gunst was, en moeten zij voortaan zich er op voorbereiden, als gewone reizigers hun vertering te betalen, maar ook zullen zij onverholen vijandschap ontmoeten. Daar zij discipelen zijn van een man, die als misdadiger behandeld is geworden, zullen zij-zelven als gevaarlijke menschen worden beschouwd, en zich met hunne landgenooten en met de geheele wereld in oorlog zien. Vgl. Joh. 15:18—23, een pericoop, waarvan deze als het ware de korte samenvatting en de parallel is. Het zwaard is hier, evenals in Mattheus 10; 34 en Luk. 12:51, niets anders, dan het zinnebeeld van den toestand van openlijke vijandschap. Het is duidelijk, dat naar de bedoeling van Hem, die gezegd heeft; „Ik zend u als schapen te midden der wolvenquot;, deze uitspraak niet in letterlijken zin moet worden opgevat. De discipel van Jezus heeft geen ander wapen, dan het zwaard des Geestes, waarvan Paulus spreekt (Efez. 6:17). Het is onbegrijpelijk, hoe Weizsacker (hl. 563) in deze plaats van Lukas het bewijs kan vinden, dat Jezus volgens een der vormen van

510

I

I

m

-ocr page 527-

22 : 35—38.

[en de overlevering, althans voor een oogenblik, het voornemen

iet heeft gehad, zich met de wapenen te verdedigen. Hij zou

i8 dus tusschen deze uitspraak en die, waarin Hij zijn discipelen

ikt verbiedt, zich van het zwaard te bedienen (vs. 51), van

de gevoelen zijn veranderd! Vgl, Matth. 26:52—53: „Zij, die

it, het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.quot; —

n, Het woord ên, nog, na on moet zeer zeker in den tekst

d- worden gehouden, al wordt het ook door al de Alexandr.

en en zelfs door A weggelaten. Deze weglating is te wijten

lij aan een verwarring van hi met het voorafgaande on (Weiss).

its De oude vertalingen (It. Syr.) pleiten voor het behoud van

h- dit woordje, dat zoo gemakkelijk over het hoofd kan worden

at gezien. Toch is het door Westcolt en Hort en zelfs door

is Tischendorf uit den tekst geworpen. — Het xx) ydp, en

;m inderdaad, kondigt aan, dat het tragisch einde der werk-

ig zaamheid van Jezus ook nadert, waaruit volgt, dat spoedig

:ij alle trekken der profetische schildering vervuld zullen zijn.

t- Vs. 3^. De discipelen vatten hetgeen Jezus aanbevolen

n heeft letterlijk op, en schijnen zichzelven zelfs geluk te

«r wenschen met hunne voorzorg. Men heeft de woorden: het

i5 is genoeg in dezen zin opgevat: „Wij zullen er verder niet

r meer over spreken; de feiten zullen u duidelijk doen worden,

d wat ik heb willen zeggenquot;. Maar het is natuurlijker, het

u ixxvóv èsTt in een eonigszins ironischen zin te nemen: „Ja

e waarlijk, voor het gebruik, dat gij te maken zult hebben

3 van wapenen van dezen aard, zijn deze twee zwaarden wel

t genoeg.quot; — Hier moeten de woorden: „Staat op, laat ons

3 van hier gaanquot;, die Jezus volgens Johannes (14 : 31) op het

; oogenblik van het beengaan naar Gethsemané spreekt, worden

, geplaatst, en niet, zooals de Syrische vertaling van Cureton

[ doet, de woorden: „Staat op, laat ons gaanquot;, waarmede

511

; Mattheus (26 : 46) het tooneel van Gethsemané besluit. — Hebben de Synoptici slechts weinig van de laatste redenen van Jezus (Joh. 14—18) bewaard, dit komt daar van daan, dat de mondelinge overlevering niet geschikt was, woorden van dezen aard voort te planten; zij waren veel te hoog voor de populaire Evangelieprediking, ten behoeve waarvan de

L

-ocr page 528-

22 : 35—38,

overlevering zich gevormd had; dit waren de schatten, die alleen een uitgelezen hart bewaren en wedergeven kon.

III. 22:39—46: Gethsemané,

Het Lam Gods moest zich van de typische slachtoffers onderscheiden door de vrijwillige aanvaarding van den dood, die de straf der zonde is. Daarom moest in zijn leven een beslissend oogenblik komen, waarop Hij in de volheid van zijn bewustzijn en van zijn vrijheid de doodstraf aanvaardde, die Hij te ondergaan had. Het is onjuist, te zeggen, dat Hij in Gethsemané den eigenlijken drinkbeker gedronken heeft. Zijn eigen woorden. Joh. 18:11, die Hij na het tooneel van Gethsemané gesproken heeft: „Zal ik den drinkbeker niet drinken, dien mijn Vader mij gegeven heeft, om te drinkenPquot; bewijzen, dat de drinkbeker voor Hem de kruisdood was. De strijd in Gethsemané was niet het offer, maar het helder vooruitzien en het vrijwillig en zelfbewust aanvaarden van het offer, en dit is menigmaal smartelijker dan het offer zelf. Dit oogenblik beantwoordt aan dat, waarop Hij in de woestijn de wereldheerschappij heeft afgewezen. Daar heeft Hij geweigerd, zonder God over ons te regeeren; hier neemt Hij aan, met God voor ons te sterven. Het is het in 4 : 13 voorziene aangekondigde oogenblik, de nieuwe gelegenheid, die de Satan afwachtte: daar deed Hij een beroep op de liefde tot het genot, hier richt Hij zich tot de vrees voor smart. — Ieder Evangelist heeft hier eenige bijzondere trekken, die de onafhankelijkheid zijner bronnen bewijzen. Mattheus laat vooral de toeneming van den strijd en van de gewillige aanvaarding van het lijden uitkomen. Markus heeft dit zeer gewichtig woord voor ons bewaard: „Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk.quot; Lukas beschrijft meer bijzonder de buitengewone pbysieke uitwerkingen van dezen zielestrijd. Zijn bericht is overigens zeer kort. Johannes laat het geheele tooneel weg, maar niet zonder uitdrukkelijk de plaats daarvan aan te wijzen (18: 1). In het belangrijke gedeelte 12 : 23—28 wijdt deze Evangelist

512

-ocr page 529-

22 : 39—40. 513

ons iu in tie ware natuur van dezen strijd, die reeds sedert verseheidono dagen in het binnenste van Jezus een aanvang nam. Deze plaats bewijst, ondanks tie tegenspraak van Keim, voldoende, dat de weglating van den strijd in Geth-semané hoegenaamd geen dogmatische bedoeling heeft. Als de feiten genoegzaam bekend zijn, dan beperkt Johannes er zich toe, het een of ander woord van Jexus mede te deelen, dat de beteekenis daarvan duidelijk maakt. Zoo wordt de doop door Hoofdst. 3 en het Avondmaal door Hoofdst. 6 toegelicht. Lukas heeft ons reeds vroeger een blik gegund in de smart, die het hart van Jezus vervulde bij de gedachte aan het lijden, dat Hem wachtte (12: 50). — De brief aan de Hebreën bevat in Hoofdst. 5:7 — 9 een zeer duidelijke toespeling op hetgeen in Gethsemané is voorgevallen, waarin de ware menschheid des Heilands zooals nergens elders uitkomt; dit is zooveel te merkwaardiger, daar dit geschrift een van die is, welke tegelijkertijd zijn Godheid het natlruk-kelijkst doen uitkomen.

Vs. 39—40. De aankomst in Gethsemané: „En uitgegaan zijnde, begaf Hij zich, volgens zijn gewoonte , naar den Olijfberg; en ook \') dea) discipelen volgden Hem. 40. En toen Hij aan de plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking moogt komen.quot;

De uitdrukking: uitgegaan zijnde (vs. 39) sluit zoowel het verlaten van de zaal als het uitgaan uit de stad in zich. De uitdrukking: Olijfberg, die onze drie Synoptici hier bezigen, duidt in ruimeren zin den voet van den berg aan, die een

1) B laat kxi weg.

2) is A B1) en 2 Mjj. laten avrou weg, dat T. B. met M en 14 Mjj. I*[gt;ler. Syr. ^en Syrtur.) leest.

Godet Lukas. 11. 38

i

-ocr page 530-

22 : 41—44.

aanvang neemt zoodra men aan de andere zijde van de Kedron is; vgl. Joh. 18: 1. De noord-westelijke hoek van de omheinde plaats, die men tegenwoordig als den hof van Gethsemané toont, is slechts ongeveer 50 schreden van de bedding der beek verwijderd. De kleine bijzonderheid: volgens zijn gewoonte beteekent: zonder te trachten, Judas te ontwijken, die Hem daar zou komen zoeken. Ook: ondanks het gevaar, dat hen dreigde.

Vs. 40. Jezus ziet voor zijn discipelen de verzoeking tot ontrouw aankomen, die ook Hem wacht; daarom spoort Hij hen aan, zich door het gebed daarop voor te bereiden. Het gebruik van het woord ehtAhw, komen in, in de beteekenis vau: bezwijken voor, laat zich verklaren, wanneer men in de gedachten dit werkw. aan Sishóelv, doorgaan, doorstaan, tegenoverstelt. — Bij Mattheus en Markus maakt Jezus zijn discipelen bekend, dat Hij voornemens is, te bidden, maar zonder hen uit te noodigen, dit ook te doen. Moest zijn voorbeeld hen daartoe niet van zelf aandrijven?

Vs. 41—44. De angst van Jezus: „En Hij verwijderde zich van hen ongeveer een steenworp, en nedergeknield zijnde, bad Hij \'), 42. zeggende: Vader! indien gij dezen drinkbeker van mij wildet wegnemen 1)...! Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede! 43. 2) En Hem verscheen een engel uit den hemel, die Hem versterkte. 44. En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger; en

mil

514

I\' \'f

Blilf ij l\'!

I

1

T. R leest Txfsvsyxeiv. met A. en 11 Mjj.; N eu 15 Mjj.: TxpcvtyKur, B 1) T Itplquot;: irufevsyxe.

2

AB RT Ifiten ts. 43 en 44 weg; E eu 4 Mjj. merken ze met een teeken van twijfel; zij komen voor in N D en 10 Mjj. It. Syr. (met Syrcur), Just, eu Iren. keuueu vs. 44. Over de andere kerkvaders zie men ïiseheudorf.

-ocr page 531-

22 : 41—4-1.

zijn zweet werd gelijk groote bloeddrnppels, die op de aarde vielen V\'

Do uitdrukking aTritTrdirCii duiilt een plotselinge en heftige beweging aan, en tevens een soort van lijdelijkheid; Hij wordt als liet ware ver van de zijnen weggerukt door de aandoening, die zich van Hem meester maakt (Hand. 21 ; 1). Lukas vereenigt hier twee oogenblikken, die Markus en Mattheus onderscheiden. Bij deze verwijdert Jezus zich eerst van de apostelen, terwijl Hij Petrus, Jakobus en Johannes met zich medeneemt, en hen bekend maakt met den angst, die Hem bevangen heeft; daarna scheidt Hij zich ook van deze, om geheel alleen te zijn. — De uitdrukking: ongeveer een steenworp komt alleen bij Lukas voor. In plaats van: neder knielende, zegt Markus; „Hij viel op de aardequot;, en Mattheus; „op zijn aangezicht.quot; — De lezingen Trxpèvsyy.e van den Vatic, en irxpevlyxxi van den Sinaït.: „Indien gij wilt, laat voorbijgaanquot; zijn aan Markus ontleend, waar zij juist in dezelfde Mss. gevonden worden. De lezing Tr/xpivsyxsTv van den T. R. en de Byzant. is, zelfs volgens Weiss, de ware. De twee varianten laten zich verklaren uit het ontbreken van den hoofdzin, die in den T. R. er bij moet worden gedacht: „Indien gij... wildot laten voorbijgaanquot;, nl. „ik zou ü prijzen.quot; Het beeld van den drinkbeker is aan al de drie berichten gemeen ; het had zich onuitwischbaar in de traditie gegrift. Deze drinkbeker, dien Jezus God bidt, ver van (xxpi, naast) zijn lippen te laten voorbijgaan, is het zinnebeeld van dien vreeselijken kruisdood, waarvan een bekwame schilder Hem op dit oogenblik met buitengewone levendigheid het akelig en bloedig tafereel voor oogen stelt. Deze schilder is dezelfde, die Hem, door een begoocheling van denzelfden aard, in de woestijn het betooverend tooneel van de heerlijkheden van het Messiasrijk te aan-

1) T. R. leest Hxr£*(3xivovTes mot D en 13 Mjj.; NX Itnliq Syrcur: Kctra-

QdttVOVTOQ,

515

-ocr page 532-

22 : 41 — 44.

516

schouwen gaf\'. — Hot gebed ondeischeidt zich bij Markus door deze merkwaardige en zeer zeker echte woorden : „Abba Vader! alle dingen zijn U mogelijkquot; Dit is het laatste en hoogste beroep op de vaderlijke liefde en tegelijk op de almacht, van God. Jezus ziet er geen oogenblik van af, het werk der verlossing te volbrengen; Hij vraagt alleen, of het kruis dan het eenige middel is, om dit doel te bereiken. Zou God met zijn onbegrensde macht niet een ander middel van verzoening kunnen vinden? Ook Jezus heeft dus moeten gehoorzamen, zonder te begrijpen, „door geloof wandelen.quot; Van daar de uitdrukkingen Hebr. 5:8; „Hij heefï gehoor zaamheid geleefdquot;, en 12 : 2; xpxv/li; rifc ttIjtsmc, Hij, die den weg des geloofs baant (de aanvoerder). — Maar bevat, in de volgende woorden, de zoo scherpe tegenstelling tussohen mijn wil en uw wil niet een wezenlijke botsing tusschen den wil van God en dien van Jezus, en daarom ook bij dezen ten minste een minimum van zonde? Neen; want hetgeen Jezus hier „mijn wilquot; noemt, is noch zijn gansche, noch zijn definitieve wil, maar alleen die van het natuurlijk instinct, dat door God-zelf in ons gelegd is, en van het lijden een afkeer beeft. Niet om ons te doen lijden heeft God ons een lichaam en een ziel gegeven. Het tegenstreven van den wil ten opzichte van een dood als die, welken Jezus vóór zich had, is dus iets natuurlijks en rechtmatigs. Het is zelfs zoo noodzakelijk, dat de gehoorzaamheid zonder dat geen offer zou zijn. Juist deze afkeer van het lijd3n maakt den Gekruisigde tot een waar slachtoffer. Zonder dien zou men als Isaak moeten vragen: „Waar is het lam. voor het brandoffer?quot; Het offer begint dus juist met dit conflict tusschen de stem der natuur en den hoogeren wil, die zich openbaart in de eischen van de taak, welke Grod oplegt. Maar dit conflict bevat niets zondigs, zoolang de stem dei-natuur zich niet vrijmaakt van die des geestes, die aan den goddelijken wil verbonden blijft en ten laatste het overwicht verkrijgt. Het is hier dus geen conflict tusschen Jezus en God, maar tusschen twee elementen in Jezus-zelf, de natuur en don geest, die geen enkel oogenblik met den goddelijken

-ocr page 533-

22 ; 41—44.

wil breekt. Zeer juist zegt Hofmann: „Jezus onderwerpt zijn wil niet alleen aan dien van God, maar ook aan zijn eigen wil, die wil, dat Gods wil zal geschieden.quot; Maar slechts van lieverlede, door een pijnlijken en moeilijken strijd, komt het zoover, dat de natuurlijke wil zich eindelijk oplost in den wil des geestes, en een volkomene innerlijke harmonie den strijd bekroont. — Evenals Markus, geeft Lukas alleen het gebed op, dat de eerste maal werd uitgesproken, en spreekt hij slechts in het algemeen over dat van de andere keeren, terwijl Mattheus ons een blik geeft in den vooruitgang van de onderwerping van Jezus; vgl. Matth. vs. 39 en 42. Hoeveel menschelijker is Jezus in onze Evangeliën, dan in de gewone dogmatiek! Een overlevering, die de strekking had om Jezus te verheerlijken, zou men niet op deze wijze hebben verdicht! — De verschijning van den ongel (vs. 43) wordt alleen door Lukas vermeld. Zonder twijfel ontbreekt dit vers, evenals hot volgende, in den Vatic, en den Alexandr., en zijn beide in eenige Byz. Mss. met een teeken van twijfel gemerkt; maar zij staan in den Sinalt. en den Cantabrig., in 13 andere Mjj. en in de twee oudste vertalingen {Itala en Peschito). Vs. 44 wordt door Justinus en Irenaeus aangehaald. Het is niet waarschijnlijk, dat men dergelijke bijzonderheden geïnterpoleerd zou hebben. Het is veel aannemelijker, dat deze verzen, die in strijd schenen te zijn met de Godheid van Jezus, werden weggelaten onder het voorwendsel, dat bij Mattheus en Markus niets dergeliiks gevonden werd. Bleek houdt deze verzen voor echt, maar meent, dat zij in het LV-Evangelie ontbraken, en dat zij door Lukas op grond van een latere overlevering werden ingevoegd. Schleiermacher onderstelt het bestaan van een poëtisch geschrift, waarin het innerlijk lijden des Heilands verheerlijkt werd, en waaraan vs. 43 en vs. 44 ontleend zouden zijn. Maar de moeilijkheid, die het der orthodoxie veroorzaakt, van dergelijke trekken rekenschap te geven, laat niet toe, aan te nemen, dat zij ze verzonnen heeft.

Do verschijning van dit hemelsche wezen moest geen einde maken aan den strijd, maar Jezus de ceno of andere

517

-ocr page 534-

22 • 41—44.

518

Hjke, en zelfs lichamelijke, verlichting aanbrengen, zooals vroeger in de woestijn. Het was geen redekunstige figuur, dat woord, dat Hij een oogenblik te voren sprak: „Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.quot; Gelijk in de woestijn, tengevolge van den honger, zoo gevoelde Hij thans, onder deu druk van den angst, dat Hij tot stervens toe uitgeput was. De tegenwoordigheid van dit hemelsche wezen doet een levenwekkenden adem over Hem heengaan. Een goddelijke verfrissching doordringt Hem naar ziel en lichaam, en alleen op deze wijze ontvangt Hij de kracht, om den strijd, voor welks hevigheid Hij op het punt was, te bezwijken, weêr op te nemen en tot het einde toe voort te zetten.

De weglating van vs. 44 in dezelfde oorkonden, waarin vs. 43 ontbreekt, moet misschien aan dezelfde oorzaak worden toegeschreven, of aan de verwarring van de twee kxi\'s aan het begin van vs. 44 en 45. In ieder geval is een weglating waarschijnlijker, dan een interpolatie,. — De strijd wordt zoo hevig, dat daaruit als het ware een begin van physische ontbinding ontstaat. De woorden : jelijk groole bloeddroppels drukken meer uit, dan een bloote vergelijking van de dichtheid van het zweet bij die van het bloed. De uitdrukking geelt te kennen, dat het zweet de kleur van bloed had. Dergelijke verschijnselen zijn bekend. Reeds een eenvoudig gevoel van sciiaamte of een opwelling van toorn doet het bloed eensklaps in het aangezicht opstijgen. En er zijn gevallen bekend, waarin het bloed, geweldig dooiden angst opgezweept, ten laatste door de vaten, waarin het zich bevindt, heendringt, en tegelijk met het zweet dooide zweetklieren naar buiten komt!). De lezing xxTxfixivcvTos van den Sinaït., die door Tischendorf aangenomen is, heeft geen innerlijke waarschijnlijkheid. Het participium moet hier veeleer op het hooidsubst., dan op de nadere bepaling daarvan betrekking hebben. — De discipelen kunnen dit verschijnsel zeer goed zelf hebben gezien, toen Jezus bij hen kwam, om

1) Zie Langen, bl. 31\'i—\'214.

-ocr page 535-

22 : 45—46.

oals hen te wekken; want de volle maan verlichtte den hof. Zij

lur, hebben eveneens de eerste woorden van het gebed van Jezus

ijne kunnen hooren, daar zij niet terstond in slaap vielen, maar

de eerst, toen het gebed eenige oogenblikken geduurd had,

ras, zooals bij de verheerlijking op den berg (9:32). Natuurlijk

toe hadden zich reeds vroeger eenige voorloopige verschijnselen

zen van dezen strijd bij Jezus geopenbaard (12 : 49, 50; Joh.

Een 12:27); maar ditmaal is de angst van dien aard, dat de

a,m, inwerking van een bovennatuurlijke macht daarin onmisken-

den baar is. De Satan had een inval gedaan in den kring der

be- Twaalven, toen hij zich meester maakte van het hart van

; te Judas, en nu zou hij al de andere discipelen gaan ziften.

Jezus-zelf ondervindt op dit oogenblik zijn werking; „Bit

ii\'in is de macht der duisternisquot;, zegt Hij in vs. 53. In de

lak woorden, waarmede het verhaal van de verzoeking eindigt

vee (4: 13): „Hij week van Hem tot op een gunstig oogenblikquot;,

. is had Lukas den terugkeer van den verzoeker bij een bepaalde

De gelegenheid uitdrukkelijk aangekondigd. Zoowel voor Jezus

gin als voor de discipelen is er KsipaayJ;.

gt;ote

ins Vs. 45 — 46. Het verwijt, dat Jezus de discipelen De

ran doet: „En van het gebed opstaande, kwam Hij

ïds bij zijn discipelen, en vond hen slapende van

ran verdriet; 46. En Hij zeide tot hen: Waarom en.

)oi. slaapt gij? Staat op, en bidt, opdat gij niet in

rin verzoeking komt!quot;

)or

to? Het driemaal herhaalde wakker maken van de discipelen

eft wordt door Lukas tot één vereenigd. Daarna zoekt hij dezen

ier geheimzinnigen slaap, die hen overmant, te verklaren, en

au doet dit in een zin, die voor hen het gunstigst is; de oorzaak

ael daarvan is geenszins onverschilligheid, maar droefheid, die

)m hen overstelpt. Het is bekend, dat een diepe smart wegens uitputting inderdaad slaperig maakt, vooral na een lange en hevige spanning.

I

519

-ocr page 536-

22 ■ 45—46.

520

lil

Vs. 46. Wat Jezus betreft, Hij richt zich na dezen strijd weder op, van de vrees verlost, zooals de brief aan de Hebreen zegt, d. w. z. in het bezit van die diepe kalmte, welke aan de ziel een volmaakte onderworpenheid mededeelt. Wel is de kruisdood gebleven wat hij was, maar de indruk, dien de verwachting daarvan op Jezus maakte, is nu anders geworden. Hij heeft zich geheel en al overgegeven; Hij heeft gedaan wat Hij-zelf aankondigde, voordat Hij over de Kedron ging: „Ik heilig mijzelf voor henquot; (Joh. 17: 19), een daad, die de brief aan de Hebreen aldus uitdrukt: „Door den eeuwigen Geest heeft Hij zichzelven vlekkeloos Gode opgeofferdquot; (9 : 14). Het aanvaarde offer doet Hem reeds bij voorbaat de rust van het volbrachte offer ondervinden. Hij gaat van nu aan met vasten tred het kruis tegemoet, waarvan de aanblik Hem een oogenblik te voren deed waggelen, Maar met de discipelen is het anders gesteld. Zij hebben het gevaar van ontrouw, dat hen dreigt, niet onder de oogen gezien, en zich er niet op voorbereid door waakzaamheid en gebed. Het is natuurlijk, dat zij daarvoor bezwijken.

II.

Het lijden. (22 : 47—23 : 46).

De dood van Jezus is in de oogen der Evangelisten en volgens de woorden, die zij Hem in den mond leggen, niet alleen het historisch resultaat van het conflict tusschen Hem en de theocratische overheden. Hem overkomt niets anders, dan hetgeen bepaald was, dat geschieden zou (22 : 22). Het moet aldus geschieden (Matth 26 : 54). Hij-zelf heeft een oogenblik getracht, tegen deze geheimzinnige noodzakelijkheid te worstelen, door de toevlucht te nomen tot die oneindige mogelijkheid, welke met de goddelijke vrijheid écn is (Mark. 14 : 36). Maar de last is met zijn gansche zwaarte op Hem teruggevallen, en Hij draagt hem nu. Hij sterft voor de vergeving van de zonden der wereld (Matth. 26:28).

-ocr page 537-

22 ; 47—48.

In den grond zegt de apostolische dogmatiek niets meer, dan hetgeen in de woorden van Jezus vervat is. Alleen is het natuurlijk, dat in de brieven meer het goddelijk plan, en in de Evangeliën de werkzaamheid der menschelijke factoren op den voorgrond treedt. De twee oogpunten vullen elkander aan; God handelt door middel van de geschiedenis, en de geschiedenis verwezenlijkt de goddelijke gedachte.

Deze cyclus behelst drie berichten: dat van de gevangenneming van Jezus (22: 47—53); dat van zijn kerkelijk en wereldlijk verhoor (22 : 54—23 : 25); dat van zijn kruisdood (vs. 36—46).

I. 22:47—53: De gevangenneming van Jezus.

Dit gedeelte bevat drie feiten: 1° de kus van Judas (vs. 47 en 48); 2° de poging, die de discipelen doen, om Jezus te verdedigen (vs. 49—51); 3° het verwijt, dat Jezus richt tot hen, die Hom komen gevangennemen (vs. 52 en 53).

Vs. 47—48. De kus van Judas: „En terwijl Hij nog sprak, zietdaar een schare; en de mensch, genaamd Judas, een van de Twaalven, ging vóór hen, en hij kwam bij Jezus, om Hem te kussen. 48. En Jezus zeide tot hem: Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?quot;

Het teeken, dat Ju.las met de schare afgesproken had, moest dienen, om te verhinderen, dat Jezus mocht ontkomen, terwijl een der zijnen in zijn plaats gegrepen werd. In de keuze van dit teeken lag opzichzelf, zooals Langen opmerkt, doortrapte huichelarij. De kus was de gewone vorm van begroeting, inzonderheid van den leermeester door de discipelen. Het doel van dezo begroeting wordt door Lukas niet vermeld; het spreekt van zelf. Bij Johannes zien wij, dat de vrijmoedige houding van Jezus, die zelf de schare tegemoet ging, dit teeken overbodig en bijna belachelijk

521

-ocr page 538-

22 : 49-51.

maakte. — Het woord van Jezus tot Judas (vs. 48) luidt bij Mattheus tamelijk verschillend, en ontbreekt bij Markus geheel en al. Ter herinnering aan dezen kus werd in de oude kerk op goeden vrijdag de broederkus achterwege gelaten. — Bij Johannes had hetgeen daarop volgt (het „Ik hen hetquot; van Jezus, met de gevolgen daarvan) enkel ten doel, te verhinderen, dat een discipel tegelijk met Jezus gevangen genomen werd.

Vs. 49—51. De poging tot verdediging \'): „En toen degenen, die met Hem waren, zagen, wat er geschieden zou, zeiden zij tot Hem1): Heer! zullen wij met het zwaard slaan? 50. En een uit hen sloeg den dienstknecht van den hoogepriester, en hieuw hem het rechteroor af. 51. Maar Jezus, antwoordende, zeide: Laat het daarbij blijven! En zijn 2) oor aangeraakt hebbende, genas Hij Hem.quot;

522

Voordat Jezus geantwoord heeft op de vraag, die de apostelen tot Hem richten, handelt Petrus op zijn eigen gezag. Hij schijnt het te doen in den naam van allen: „Zullen wij slaan F\' De Synoptici noemen noch den discipel, die slaat, noch den dienstknecht, die getrolfen is. Johannes geeft den naam van beiden op. Waarom? Zoolang het Sanhedrin nog zijn macht bezat, verbood de voorzichtigheid, den naam van Petrus te noemen. Daarom had ook de mondelinge overlevering over dit punt het stilzwijgen bewaard. Maar na den dood van Petrus en na de verwoesting van Jeruzalem werd Johannes niet meer door dezelfde vrees teruggehouden. Wat den naam van Malchus aangaat, hij was alleen bewaard gebleven in de herinnering van den

1

l2) N B en 3 Mjj. laten ocvtm weg.

2

N B en 3 jVJjj. laten ocvtou weg.

-ocr page 539-

29 Ï 49—51. 523

discipel, die, daar hij meermalen in het huis van den hoogepriester was geweest, zelf dien knecht kende. Wat zou men moeten denken van don schrijver van het vierde Evangelie, indien deze door hem opgegevene eigennamen willekeurige verdichtsels waren? — Johannes zegt, evenals Lukas: „het rechteroor.^ — De woorden èüte sus tovtov vervangen bij Lukas een lang en belangrijk antwoord van Jezus bij Mattheus, Is dit bevel tot de gerechtsdienaars gericht: „Laat mij tot aan dien man toe gaanquot; (Paulus), of: „tot aan de plaats, waar die man isPquot; Maar dan had er moeten staan: süts /te, „laat mij gaanquot;. Of moet men met de Wette en Riggenbach aldus verklaren: „Laat mij voor dit oogenblik vrijquot;? Het £«?, tof, aan, voert niet op natuurlijke wijze tot dezen zin. Bovendien bewijst het xTroicpiósh, antwoordende, dat deze woorden van Jezus veeleer met de daad van den discipel, dan met de aankomst der gerechtsdienaars in verband staan. Eerst in vs. 52 wendt zich Jezus tot de aankomenden (zpli; tovc nxpayevopivouc). Hier spreekt Hij tot de apostelen. De zin is dus, of: „Laat deze menschen (de gerechtsdienaars) tot zoover gaan (tot aan het grijpen van mij)quot;, öf (hetgeen natuurlijker is): „Gaat niet verder! Doet geen tweeden slag! Deze is meer dan genoeg.quot; Want deze daad van geweld bracht niet alleen de veiligheid van Petrus, maar ook de zaak des Heeren zelve in gevaar. Het had weinig gescheeld, of Jezus was daardoor verhinderd geworden, het voor zijn verdediging tegenover de misdaad, waarvan de Joden Hem beschuldigden, zoo gewichtige woord (Joh. 18:36) totPilatus te kunnen richten; „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars voor mij gestreden hebben, opdat ik den Joden niet werd overgeleverd.\'quot; Niets minder, dan de oogen-blikkelijke genezing van Malchus was noodig, om den door dezen misslag bedorven zedelijken toestand weêr te herstellen. — De genezing wordt alleen door Lukas medegedeeld; daarom verwijst Meyer haar naar het gebied der mythe. Maar als zij niet geschied was, zou het onbegrijpelijk zijn, dat Petrus en Jezus-zelf daarover niet zijn aangeklaagd.

-ocr page 540-

22 : 52—53.

524

Vs. 52 — 53. De aanspraak van Jezus tot de schare: „En Jezus zeide tot de hoogepriesters, en de hoofdmannen des tempels, en de ouderlingen, die gekomen waren, om Hem gevangen te nemen Gij zijt uitgegaan1) met zwaarden en stokken als tegen een struikroover; 53, en toen ik dagelijks in den tempel met u was, hebt gij de handen niet tegen mij uitgestoken! Maar dit is uwe ure, en de macht der duisternis.quot;

Tot het aantal der aankomenden rekent Lukas ook eenige hoogepriesters. Zulke menschen kunnen, wat Meyer en Bleek ook zeggen mogen, zeer goed uit haat of nieuwsgierigheid de met de gevangenneming belaste bende vergezeld hebben. Ook geldt het volgende verwijt veeleer de hoofden, dan de ondergeschikten. — Over de hoofdmannen des tempels zie men bij 22:4, en vergelijke over de (jerechtsdienaars Joh. 7 : 45 en Hand. 5 : 22, 26. Bovendien spreekt Johannes nog over de bende (18 : 3, 12). Dit woord kan, vooral als bet gepaard gaat met de uitdrukking X\'^\'^PX0*) overste over duizend (vs. 12), en door de tegenstelling tüv \'louZaiaiv nader bepaald wordt, niets anders te kennen geven, dan een afdeeling van de Romeinsche cohorte, hetgeen, zooals Langen herinnert, in overeenstemming is met een artikel in de wet voor de provinciën, volgens hetwelk geeu enkele inhechtenisneming zonder de tusschenkomst der Romeinen moch\': plaats vinden. — De zin van het verwijt van Jezus is: „Gij hebt mij niet op klaarlichten dag durven gevangen nemen.quot; De twee andere Synoptici gaan, evenals Lukas, met een maar voort; doch dit maar wijst bij hen op de noodzakelijkheid

1

?) T. B. leest e!-EAi)Au4«7-f, met A en 9 Mjj.; Ni? eu 4 Mjj.: f^ASexs; K en 3 Mjj.: efyKhre (deze twee laatste lezingen aan de parallellen ontleend).

-ocr page 541-

22 : 52—58.

van de vervulling der profetiën, terwijl het bij Lukas de overeenkomst tusschen het karakter der daad en de nachtelijke ure aanduidt. De duisternis is gunstig voor de misdaad; want de mensch moet zich niet alleen voor anderen, maar ook voor zichzelf verbergen, om te zondigen. Daarom is de nacht de tijd, waarin de Satan zijn gansche macht over de menschheid ontplooit: het is zijne ure. Derhalve voegt Jezus er bij, is het ook de uwe, daar gij zijn werktuigen zijt in de daad, die gij verricht; vgl. Joh. 8:44 en 14:30. Het komt mij voor, niet noodig te zijn, het pron. «utij te beschouwen als een attractie van gt;5 Stpx, in plaats van tovto, dit: Het werk, dat gij doet is.... De zin is veeleer: „Dit uur is het uwe, en tevens de macht van het kwade, die zich in dit oogenblik vrij kan ontplooien.quot; — Lukas spreekt niet over de vlucht der apostelen, die Mattheus en Markus hier mededeelen. Is dit ook bewijs van zijn kwaadwilligheid ten aanzien van de Twaalven? — Bovendien verhaalt Markus, met vermelding van alle bijzonderheden, het voorval van den jongeling, die de vlucht nam, met achterlating van het beddelaken, waarin hij zich gewikkeld had. Daar de moeder van Markus volgens Hand. 1:4 in Jeruzalem een huis bezat, en dit huis de plaats was, waar de gemeente in tijden van vervolging vergaderde, en het dus waarschijnlijk afgelegen was, is het niet omogelijk, dat het in het dal van Gethse-mané stond, en dat deze jongeling (zooals men reeds lang vermoed heeft) Markus-zelf was, die aangelokt was door het geraas van de schare, en die door dit kleine bericht, zoo bescheiden mogelijk, zijn handteekening heeft gezet in den hoek van de Evangelische schilderij, die hij vervaardigd heeft.

II. 22 : 54—23 ;25; Het verhoor van Jezus.

Jezus werd aan tweeërlei verhoor onderworpen: een kerkelijk en een wereldlijk; het eerst voor het Sanhedrin, het laatste voor den Romeinschen landvoogd.

A. Vs. 54—71. Het kerkelijk verhoor.

Dit bericht behelst de volgende feiten: 1° de verloochening

525

-ocr page 542-

22 : 54—57.

van Petrus, vs. 5i—62; 2° de mishandelingen, die Jezus onderging, vs. 63—65; 3° liet door het Sanhedrin uitgesproken doodvonnis, vs. 66—71.

1° Vs. 54—62. De verloochening van Petrus.

Vs. 54 — 57. De eerste verloocheuing: „En Hera gegrepen hebbende, leidden zij Hem weg, en brachten Hem in het huis \') van den hoogepriester; en Petrus volgde van verre. 55. En toen zij ^uur hadden aangemaakt1) in het midden van den hof, en er omheen zaten, zat Petrus in het midden 3) van hen. 56. En toen een zekere dienstmaagd hem bij het vuur zag zitten, en hem strak aankeek, zeide zij: Deze was ook met Hem. 57. Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw quot;), ik ken Hem niet.quot;

Volgens Lukas werd Jezus naar den hoogepriester gevoerd, waar Hij mishandeld werd door hen, die Hem bewaakten (vs. 64 en verv.) Daarna des morgens, had de zitting van het Sanhedrin plaats, waarin Hij veroordeeld werd: toen het dag werd (vs. 66). Deze morgenzitting wordt eveneens door Mattheus (27 ; 1: morgenstond geworden was) en Markus (15 : 1: terstond, legen den morgen) vermeld. Maar volgens deze twee Evangelisten was reeds gedurende den nacht bij Kajafas een zitting gehouden, waarvan zij ons een gedetailleerde beschrijving geven (Matth. 26:57—66; Mark. 14 : 53—64). Zelfs was, volgens Johannes, aan deze nachte-

526

1

t* B L T lezen vificti\'avTuv, in plaats van x^xiTuv.

-ocr page 543-

22 : 54—57.

527

lijke zitting eene andere voorbereidende voorafgegaan, die bij Annas, den schoonvader van Kajafas, had plaats gehad. Johannes verhaalt noch de tweede, noch de derde zitting, hoewel hij de plaats der tweede door het irparov iu 18 : 13 en door de opmerking van 18 ; 24 aanwijst. Volgens de vier berichten is de ware loop der dingen dus de volgende: Jezus werd, na zijn gevangenneming, tegen middernacht, naar Annas gevoerd, waar een voorloopig verhoor plaats had, waarvan het doel was, den beschuldigde de eene of andere uitspraak te ontlokken, waarop zijn veroordeeling kon worden gegrond (Joh. 18 : 19—23). Daar deze zitting geen resultaat heeft opgeleverd, maakte de overlevering er geen melding van, en spreken de Synoptici er dan ook niet over. Johannes alleen deelt haar mede, om het verhaal van het verhoor van Jezus aan te vullen, en dat van de verloochening van Petrus in het rechte licht te stellen. Gedurende dit verhoor bij Annas waren de leden van het Sanhedrin in haast en in zoo groot aantal als mogelijk was in het huis van den hoogepriester bijeengeroepen. Ia de zitting, die daarop volgde, en die bij Kajafas gehouden werd, werd Jezus ter dood veroordeeld, omdat Hij verklaard had, de Zoon van God te zijn. Deze zitting moet tegen 3 uur in den morgen hebben plaats gehad; zij is die, waarvan Mattheus (26 : 57 en verv.) en Markus (14 : 53 en verv.) een nauwkeurige beschrijving geven. Johannes heeft haar weggelaten, omdat zij door hunne geschriften voldoende bekend was. In den morgen, toen het reeds dag was, kwam het Sanhedrin opnieuw bijeen, ditmaal voltallig en in zijn gewoon lokaal in de nabijheid van den tempel. Dit is de zitting, die Lukas verhaalt, en die Mattheus en Markus, zooals wij gezien hebben, kortelijk aanduiden Drie dingen maakten haar bepaald noodzakelijk: 1. quot;Volgens een Rabbijnschen regel was een doodvonnis, dat bij nacht werd uitgesproken, niet geldig. !) 2. Bij deze eerste

1) Sanhedrin, 9, 1. Langen mankt da tegenwerping, dat volgens deze zelfde plasts ook de uitspraak van het vonnis tot den volgenden dag moest worden uitgesteld. Maar liet was veel gemakkelijker, dezen tweeden regel te

-ocr page 544-

22 : 54—57.

528

formeele reden kwam waai\'schijnlijk nog een andere, nl. dat het vonnis niet in het officiëele lokaal was uitgesproken, \'ó. Vooral was het van gewicht, met elkander te beraadslagen, hoe men van den Romeinschen stadhouder de bekrachtiging en de voltrekking van het vonnis zou kunnen verkrijgen. De geheele volgende onderhandeling met Pilatus doet zien, dat de zaak niet zoo gemakkelijk was, en verraadt, zooals ik in mijn Commenlaire sur l\'évang. de Jean heb uiteengezet, een volledig, door de Joden vooraf beraamd plan. Zonder twijfel werd dit plan in deze morgenzitting besproken en aangenomen. Daarom zegt Mattheus, als hij over deze laatste zitting spreekt (27 : 1), dat zij met elkander beraadslaagd hebben üjts óxvxtüvxi xutov, hoe zij het gedaan zouden krijgen, Hem le doen sterven. Toen kwam Judas het Sanhedrin zijn geld! in den tempel (su rp vxy, Matth. 27 : 5) terugbrengen.

Bleek neemt in het geheel slechts twee zittingen aan, een voorbereidende, die ten huize van Annas gehouden werd (Johannes), en gedurende welke de verloochening van Petrus plaats had, en een officiëele, beslissende, waaraan het geheele Sanhedrin deelnam, welke door de Synoptici wordt medegedeeld, die echter ten onrechte de verloochening van Petrus daarmede verbinden, en door Mattheus en Markus, eveneens ten onrechte, in twee verschillende zittingen verdeeld zou zijn. Langen daarentegen houdt, evenals vele andere uitleggers, het verhoor bij Annas (Joh. 18 : 13, 19—23) voor identisch met de nachtelijke zitting, die Mattheus en Markus in bijzonderheden beschrijven. De verklaring van Langen heeft tegen zich: i. het volkomen verschil tusschen den gang van de eene zitting en dien van de andere: bij Johannes een eenvoudig verhoor zonder vonnis, bij Mattheus eu Markus een formeel uitgesprokene veroordeeling tot de doodstraf; 2. het 24ste vers van Johannes: „Annas zond Jezus gebonden naar Kajafasquot;, welk vers in ieder geval in zich sluit, dat er in denzelfden nacht twee zittingen

ontwijken, dan den eeraten. Men kon immers om bijzondere redenen verklaren, (Jat de zaak dringenden spoed vereisehte.

-ocr page 545-

22 : 54—57.

worden gehouden, de ccao bij Annas, de andorc bij Kajafas. Het gevoelen van Bleek zou aannemelijker zijn. Maar wij zouden dan eerst het recht hebben, aan de twee eerste Synoptici de onjuiste verdeeling van de eene zitting in twee zittingen en de verwarring van het huis van Annas met dat van Kajafas, die hij hun toedicht, toe te schrijven, als deze twee zittingen, die van den nacht en die van den morgen, niet voldoende gemotiveerd waren. Maar wij hebben zooeven gezien, dat het daarmede geheel anders gesteld is. Een kleine bijzonderheid onderscheidt ze en bevestigt haar historische werkelijkheid; in de nachtelijke zitting is er eenstemmigheid geweest (Mark. 14 : 64), maar volgens Lukas (23 ; 51) heeft Jozef van Ariamathea niet met de meerderheid gestemd, waaruit men, als Lukas de waarheid spreekt, de gevolgtrekking moet maken, dat Jozef bij de nachtelijke zitting ten huize van Kajafas niet tegenwoordig is geweest, en dat hij slechts die van den morgen, in den tempel, heeft bijgewoond. Deze bijzonderheid is in overeenstemming met het feit, dat Mattheus (27 : 1) door het woord xxvrss de vergadering uitdrukkelijk als voltallig aanduidt. De twee zittingen moeten dus inderdaad van elkander worden onderscheiden. Lukas vermeldt slechts de laatste, die van den morgen, misschien omdat het toen uitgesproken vonnis alleen weltig was, en zijn bronnen hot om deze reden alleen hadden medegedeeld. Deze opeenhooping van zittingen binnen zoo korten tijd laat zich verklaren uit het door de trouweloosheid van Judas veroorzaakte besluit van het Sanhedrin, om het proces te bespoedigen, en uit de noodzakelijkheid om zooveel mogelijk de voorgeschrevene rechtsvormen in acht te nemen.

Wat de verloochening van Petrus betreft, het bericht der Evangelisten daaromtrent biedt onoplosbare moeilijkheden aan, als Annas en Kajafas niet hetzelfde huis bewoonden. Want volgens Mattheus en Markus, die van het verhoor bij Annas geen gewag maken, moet zij bij Kajafas hebben plaats gehad, terwijl zij volgens Johannes, die de zitting bij Kajafas niet vermeldt, bij Annas moet zijn voorgevallen. Maar is

godet, Lukas. ii. 31

529

-ocr page 546-

22 : 54—57.

530

het onmogelijk of onwaarschijnlijk, dat Annas en Kajafas, zijn schoonzoon, het hoogepriesterlijk paleis tezamen hebben bewoond? Annas en Kajafas, waarvan de eerste tot aan het jaar 14 en de laatste van het jaar 18 af hoogepriester is geweest, werden door de openbare meening zoozeer vereenzelvigd, dat Lukas (3 ; 2) hen vermeldt als gelijktijdig en gemeenschappelijk het hoogepriesterlijk ambt uitoefenende, den een als titularis, den ander als feitelijken hoogepriester. Evenzoo wordt in Hand. 4: 6 gezegd: „Annas, de hoogepriester en Kajafasquot; \'). Doch wij hebben hier niet met een bloote mogelijkheid of waarschijnlijkheid, maar met een positief feit te doen. Het ingaan van Petrus in het paleis, waar de verloochening plaats heeft gehad, was volgens hot getuigenis van Johannes (18 : 15) daaraan te danken , dat de discipel, die hem daarbinnen voerde, een bekende van den hoogepriester was. In dit verband (vgl. v. 13 en 24) kan deze titel niemand anders, dan Kajafas aanduidei, en nochtans is er, volgens vs. 12, van het huis van Annas sprake. Dit bericht zou geheel onverklaarbaar zijn, indien Annas en Kajafas niet hetzelfde huis bewoonden. — Er ligt omzichtigheid in de wijze, waarop Lukas zich uitdrukt: „Zij brachten Hem in het huis van den hoogepriester.quot; Hij noemt Kajafas niet, zooals Mattheus; hij zegt niet: bij den hoogepriester, gelijk Markus; hij spreekt alleen over het hoogepriesterlijk paleis, waar de twee nauw met elkander verbondene en verwante hoogepriesters woonden.

Een overdekt portaal {ttuXuv) voerde van buiten in den binnenhof («v^j), waar het vuur aangemaakt was. — De eerste verloochening wordt door Johannes verhaald op een wijze, die te verstaan geeft, dat zij gedurende het verhoor bij Annas heeft plaats gehad. Vgl. de herhaling van 18:18 in vs. 25, die dienen moet, om te doen uitkomen, dat de

1) Op deze plants is du titel ifxisfeCq in de algemeene beteekenia gebruikt, die hij in het N. T. dikwijls heeft, allen, die dit ambt bekleed hebben, omvattende. Annas staat vooraan, omdat hij toen de invloedrijkste persoonlijkheid van het Sanhedrin was. Zie Schiirer, hl 12 (eerste uitg.).

-ocr page 547-

22 : 58—60.

eerste verloochening gelijktijdig met doze eerste zitting heeft plaats gehad. De twee andere verloocheningen worden door Johannes na de zitting gesteld; bij gevolg hebben zij plaats gehad tusschen het verhoor bij Annas en de terstond daarop gevolgde zitting van het Sanhedrin bij Kajafas.

Vs. 58—60. De twee laatste verloocheningen: „En kort daarna zeide een ander, hem ziende: Ook gij zijt uit hen. En Petrus zeide ^: Mensch! ik ben niet. 59. En toen ongeveer een uur ver-loopeu was, verzekerde een ander, zeggende: In waarheid ook deze was1) met Hem: want Hij is ook een Galileër. 60. Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond terwijl hij nog sprak, kraaide een 2) haan.quot;

Na de eerste verloochening had zich Petrus, alsof hij bang was voor zichzelf naar het portaal {ttuXuv, Matth.) of naaiden vóór het portaal gelegenen voorhof (n-poxuMov, Mark.) teruggetrokken. Hoewel hij daar meer afgezonderd is, wordt hij toch het voorwerp van een kleine vervolging van den kant van de portierster, die hem binnen gelaten had (Mark.), van een andere dienstmaagd (Matth.), van een anderen persoon (érepo;, Luk.), van de aanwezigen in het algemeen («Vei/, zij zeiden, Joh.). De beschuldiging ging waarschijnlijk uit van de portierster, die zijn nauwe betrekking tot den discipel, die hem toegang verschaft had, kende; zij verried hem aan een andere dienstmaagd, en deze vestigde de aandacht der dienstboden op hem. Eindelijk, een uur later (Luk.), herkent hem een bloedverwant van Malcbus (Joh.) en begint

531

1

N laat gt;)v weg.

2

3_t In plaata van o «texrap, dat ï. B. met eenige Mun. leest, lezen al do Mjj. «texTUf,

-ocr page 548-

22 : 61—62.

een gesprek met hem. Het antwoord van Petrus doet hem door zijn tongval als Galileër en daarom ook als discipel van Jezus bekend worden, en de derde verloochening heeft plaats; het gekraai van een haan weerklinkt (Matth., Luk., Joh.), en wel voor de tweede maal (Mark.). De lezingó dAsxrap, de haan, is zeker onjuist; men moet kaUtup lezen, zonder het artikel (een haan kraaide).

Vs. 61—62. Het berouw van Petrus: „En de Heer, zich omkeerende, zag Petrus aan, en Petrus herinnerde zich het woord \') des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan heden 1) gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. 62. En naar buiten gaande 2), weende hij bitterlijk.quot;

Als uit een droom ontwakende, ontmoet Petrus, op het oogenhlik, waarop hij het hoofd opheft, den blik van Jezus (Lukas). Hoe kon de Heer zich daar bevinden P Het was het oogenhlik, waarop Hij, na het verhoor bij Annas, naar de zitting van het Sanhedrin bij Kajafas gevoerd werd. Hij liep juist door den hof, die de twee woningen van elkander scheidde; en dit wil Johannes te verstaan geven, als hij hier de opmerking maakt (18 : 24): „Annas nu zond Jeius gebonden naar Kajafasquot;. — Men begrijpt den diepen indruk, dien het zien van zijn gebondenen Meester en de blik, dien Hij in het voorbijgaan hem toewierp, op den discipel maakten. Markus maakt van deze bijzonderheid geen gewag; Petrus zal dit bij zijn prediking zeer zeker weggelaten hebben. Markus zegt alleen: sKifiaXuv saXxis (het imperf.): naar buiten ijlende, weende hij, weende zonder ophouden. De

532

1

NB en 6 Mjj. lezen ryixipov vuói\' (puvyrai; ï. K. laat liet weg, met A en 10 Mjj. (naar Matth. eu Mark.).

2

N B en 7 Mjj. laten o ntrpo; weg, dat T. B. met A en 9 Mjj. na ei-u leest.

-ocr page 549-

22 : 63—65.

andere Evangelisten gebruiken den aor., ter aanduiding van het eenvoudige feit, dat hij geweend heeft. Toen werd hij voor wanhoop en de gevolgen daarvan behoed door de voorbede van zijn Meester: „Ik heb voor u gebeden...quot; De verhooring van het gebed van Jezus had voor een deel door dezen blik plaats, die een blik van verwijt, maar tevens van vergeving was, en den armen discipel weer oprichtte, hoewel hij zijn hart deed breken. Dit was het middel, waarvan God zich bediende, om zijn geloof te ondersteunen, en te verhinderen, dat hij tot een toestand verviel, gelijk aan dien van Judas.

In de drie Synoptische berichten is het karakter van het traditioneele verhaal daarin te herkennen, dat zij de drie verloocheningen in één enkel tafereel vereenigen; het was het dTTOftvv/MiveufM, het verhaal, van de verloochening. Johannes heeft, als ooggetuige, aan het historische feit zijn natuurlijke geledingen wedergegeven. — Maar ondanks het gemeenschappelijke type der Synoptische berichten, heeft ieder daarvan zijn fijne schakeeringen en bijzondere trekken, die verhinderen, ze uit dezelfde geschrevene bron af te leiden. Mattheus doet het best de opklimming in de verloocheningen uitkomen, evenals in Gethsemané die in de gebeden van Jezus.

2° Vs. 63—65. De mishandelingen.

Vs, 63—65. „En de mannen die Jezus bewaakten, bespotten Hem, terwijl zij Hem sloegen. 64. En Hem met een sluier bedekt hebbende \'), vraagden zij Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft! 65. En zij zeiden vele andere dingen tot Hem, terwijl zij Hem hoonden.quot;

533

De hier vermelde mishandelingen zijn dezelfde als die.

1) N B en 3 Mjj. lezen TrepiKocAvyliavres otvrov; T. R. leest mot al de anderen: tsptxcca* ccvtov ervyrrov uvtov to 7rpolt;tmt0v kou ., ,

-ocr page 550-

22 : 66—69.

welke Mattheus en Markus mededeelen en na de zitting van het Sanhedrin bij Kajafas plaatsen. Aipovrsc, Hem blond en blauw slaande, Hem wondende.

3° Vs. 66—71. De veroordeeling door het Sanhedrin.

Vs. 66—69. „En toen het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de hoogepriesters, en 1) de schriftgeleerden, en zij lieten Hem in hunne vergadering brengen2), zeggende; Indien gij de Christus zijt, zeg3) het ons! 67. En Hij zeide tot hen: Indien ik het u zeg, gij zult het niet gelooven; 68. en indien 4) ik u ondervraag, gij zult mij niet antwoorden, noch mij loslaten 5). 69. Van nu aan 6) zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods.quot;

De uitdrukking TrperfiuTspiov toü Xxoü herinnert aan ol Trpea-ftutspcii toü (1 Makk. 1 : 26 enz.), en duidt niet het geheele Sanhedrin aan, dat daarna in twee bestanddeelen, de hoogepriesters en de schriftgeleerden, verdeeld zou zijn, maar alleen de eigenlijk gezegde ouderlingen, die als een

534

1

T. R. leest, met \'NAR en 6 Mjj., re vóór xxi; E en 7 Mjj. laten het wog.

2

NI? DKT lezen av^yxyov, T. K. met A en 13 Mjj.:

3

N B L T lezen eiTOv, in plaats van cme.

4

T. R. leest x«lt; eav, met A en 13 Mjj.; NBLT: eav Se.

5

N B L T laten de woorden i-coi v) «ToAi/o-gt;gt;Te weg, die T. R. met A D en IS Mjj. It. Syr. (mot Syrcur) leest.

6

N A B D en 3 Mjj. lezen na utto rov vvv\\ T. R. laat hst weg met r cu 11 Mjj.

-ocr page 551-

22 : 66—69.

535

afzonderlijk lichaam worden beschouwd, en een van de drio klassen vormden, waaruit de leden van dit hoogste gerechtshof des volks bestonden. — Hetzij men dvfaxyov, zij brachten naar hoven, of xTt^ya.yov, zij voerden weg, leest, er wordt toch kennelijk een algeheele verandering van plaats bedoeld. Men bracht Jezus van de woning van Kajafas in de officiëele zaal van het Sanhedrin, Lischkalh Haggazilh genaamd, dio menigmaal in het voorhof van den tempel gesteld wordt, maar die zich waarschijnlijk meer westelijk bevond, daar, waar de brug, die van de bovenstad naar den tempelberg voerde, in het voorhof uitliep, maar buiten dit laatste (zie Riehm, Handwörterbuch, II, bl. 1596).\') — De laatste woorden van vs. 66 kunnen beteekenen, of: „Zijt gij de Christus? Zeg het ons (dan)!quot; of: „Indien gij de Christus zijt, zeg het ons!quot; öf: „Zeg ons, of gij de Christus zijt!quot; — Het is niet mogelijk, te bepalen, in hoever datgene, wat (volgens Mattheus en Markus) des nachts, in de zitting van het Sanhedrin bij Kajafas was voorgevallen, in de morgenzitting herhaald moest worden. Maar niets verhindert, aan te nemen, dat eenige trekken van de eene zitting door de overlevering of door onze Evangelisten in de andere werden overgebracht. — Op zichzelf was het volstrekt niet Godslasterlijk, zich den Christus te noemen. De aanspraak op dezen titel was, ook wanneer zij valsch was, geen aanranding van de eere Gods. Dat do verklaringen van Jezus aangaande zijn Messiasschap naar het oordeel der Joden een Godslasterlijk karakter hadden, is dan ook daaraan toe te schrijven, dat de titel „Zoon van Godquot;, waarmede Hij zichzelf had

1) Wij geven hier do beschrijping van eea zitting vim dit gereclithof, volgens Schiirer, Neutesiamenil, Zeitgesch. (eerste ed. bl. 417). Do leden zitten in eea halven cirkel, zoodat zij elkander vau weêrskanton kuanen zien. Vóór hen zitten twee secretarissen , de een ter rechter-, de ander ter linkerzijde, die de redevoeringen der leden voor en tegeu den aangeklaagde opschrijven. Vóór deze zitten, in drie rijen, de schriftgeleerden. De beschuldigde verschijnt in rouwkleederen. Voor do stemming staat ieder op; het jongste lid stemt het eerst. Eou vrijsi roak kan op dienzelfden dag plaats vinden; een veroordeeling mag eerst den volgenden dag worden uitgesproken.

-ocr page 552-

22 : 66—69,

aangeduid, in zijn mond een veel hoogere beteekeuis, dan de titel „Messiasquot; in zich sloot. Dit is de reden, waarom de hoogepriester, in de door Mattheus en Markus beschrevene zitting, niet enkel vroeg: „Zijt gij de Christus?quot; maar er uitdrukkelijk aan toevoegde: „de loon van God?quot; Want hij wist welj dat een bevestigend antwoord op de eerste vraag dè,n alleen een doodvonnis ten gevolge kon hebben, wanneer het aangevuld en nader verklaard werd door het bevestigend antwoord op de tweede. Dit blijkt ook zeer duidelijk bij Lukas uit de opklimming in de vraag van vs. 70 in vergelijking met die van vs. 65. Wij moeten daarom de eerste enkel beschouwen als de inleiding van het verhoor.

Vs. 67. De Wette critiseert het antwoord, dat hier aan Jezus wordt toegeschreven (vs. 67 en 68), De woorden: „Indien ik u ondervraagquot; schijnen hem toe, in den mond van een beschuldigde niet op hun plaats te zijn. Maar hetgeen het antwoord van Jezus te kennen wil geven, is dit: „Ik kan tot u niet sproken als tot rechters, die ik zou trachten te overtuigen, daar gij reeds besloten zijt, aan mijn verklaringen geen geloof te hechten, noch als tot discipelen, die ik zou trachten te onderrichten, daar gij niet in een eerlijke woordenwisseling met mij zoudt willen treden.quot; Had Hij hen niet reeds bij twee gelegenheden ondervraagd, nl. over den oorsprong van den doop van Johannes en over de betoekenis van Ps. 110? Maar zij hadden zich verschansd achter een voorzichtig stilzwijgen! Jezus voorziet hetzelfde resultaat, indien Hij thans met hen in discussie wilde treden, zooals een aangeklaagde, die zich verdedigen wil, altijd het recht heeft om te doen. — De laatste woorden van vs. 68 duiden de tweo dingen aan, waartusschen zij zouden te kiezen hebben, indien Jezus hen wilde ondervragen. Zij zouden nl. moeten antwoorden of vrijspreken. Maar Hij weet, dat zij noch het een, noch het ander zullen doen, en dat zijn veroordeeling al besloten is, zij moge rechtvaardig zijn of niet. De woorden ,

noch mij loslaten, die het tweede alternatief aanduiden,

536

-ocr page 553-

22 : 70—71.

zijn tegelijk met het pron. i^oi, dat er aan voorafgaat, door de Alexandr. weggelaten. De bewijsvoering, zooala wij die zooeven hebben uiteengezet, is zoo logisch, dat zij moeilijk door de Byz. afschrijvers Jezus in den mond kan zijn gelegd. De weglating van die woorden uit den Alexandr. tekst moet daarom zonder twijfel worden toegeschreven aan de verwarring van het eene yre met het andere in den uitgang der twee verba. Dit wordt bevestigd door het feit, dat het pron. poi hetzelfde lot heeft ondergaan.

Vs, 69. Daar Jezus aan al deze draaierijen en einde wilde maken en de beslissing, die Hij wist, dat onherroepelijk was, wilde verhaasten, gaat Hij in deze verklaring veel verder, dan de inhoud van de Hem gestelde vraag, en getuigt, dat Hij niet alleen de Christus is, maar ook een Wezen, dat deel heeft aan de goddelijke heerlijkheid. Daardoor verschaft Hij-zelf den Joden het houvast, dat zij noodig hadden. „Ziehierquot;, wil Jezus zeggen, „het volledig antwoord op uw vraag. God-zelf zal het geven, door mij, den armen Zoon des menschen, dien gij hier voor uw rechtbank laat verschijnen, op den troon zijner kracht te verheffen.quot; Hij zinspeelt op de schildering van het oordeel, dat wij vinden in Dan. 7 : 13. Door deze uitspraak was de toestand zeer vereenvoudigd. Nu was het niet meer er om te doen, het recht van Jezus op de Messiaansche waardigheid te onderzoeken. De aanspraak op het bezit van goddelijke heerlijkheid , die opgesloten ligt in hetgeen Hij zooeven verklaarde, en die de rechters terstond met den titel „Zoon van Godquot; uitdrukken (vs. 70), biedt hun een voldoenden grondslag aan voor hot vonnis, waarmede zij niet lang willen wachten. Alleen moeten zij hem nog er toe brengen, zijn godslastering uitdrukkelijk uit te spreken. Vandaar de collectieve vraag van vs. 70.

Vs. 70—71. „En zij zeiden allen tot Hem: Zijt gij dan de Zoon van God? En Hij zeide tot hen: Gij zegt het, ik ben het. 71. En zij zeiden:

537

-ocr page 554-

22 : 70—71.

Wat hebben wij nog getuigenis noodig? Want

wij zeiven hebben het uit zijn mond gehoord.quot;

De formule Gij zegt het is in het Grieksch niet gebruikelijk, maar in den Rabbijnschen stijl wordt zij dikwijls gebezigd. Als men op deze wijze antwoordt, dan neemt men den geheelen inhoud der gestelde vraag als zijn eigene verklaring aan. Wem geeft er de voorkeur aan, er/ in den zin van opdat te nemen, hetgeen mij weinig natuurlijk voorkomt (zie mijn Comment, sur Jean, bij 18:32). Wel verre dus dat uit dit verhoor, zooals men beweert, zou blijken, dat de uitdrukking Zoon van God volgens de zienswijze der Joden of volgens die van Jezus hetzelfde te kennen geeft als de titel Christus, bewijst de blijkbare opklimming in de vraag van vs. 70, in vergelijking met die van vs. 67, zoo als zij door het koene antwoord van Jezus (vs. 69) veroorzaakt is, zeer duidelijk, dat er verschil bestaat tusschen die twee uitdrukkingen.

Het verschil tusschen de nacht- en de morgenzitting betrof slechts den vorm. In de laatste was de manier van handelen veel korter en voerde zij sneller tot het doel; het vonnis was voorbereid. Zeer juist zegt Keim: „In de morgenzitting behoefde het Sanhedrin niets meer te onderzoeken; er bleef alleen nog over, het gedurende den nacht genomen besluit goed te keuren en te bevestigen.quot; De woorden; „Wat hebben wij nog getuigenis noodig?quot; herinneren aan het gebrek aan bepaalde getuigenissen, dat zich, volgens het bericht der twee andere Synoptici, in de nachtzitting had doen gevoelen. Zou het niet mogelijk zijn, dat de plechtige verklaring van Jezus (vs. 69), die het voorwendsel tot de veroordeeling was, niet door Jezus-zelf in de morgenzitting werd uitgesproken, maar bij het lezen van het protokol dor nachtzitting herhaald en door Jezus slechts bevestigd werd? Zij, die aannemen, dat Jezus in den namiddag van den grooten feestdag, d. w. z. van den ISden, en niet in dien van den 14den, een werkdag, gekruisigd is geworden, moeten

538

-ocr page 555-

22 : 70-71,

de gevangenneming van Jezus en de drie terechtzittingen, die daarop gevolgd zijn, in den nacht van den op

den 15den stellen, derhalve reeds in den loop van den Sabbat-en feestdag, en onmiddellijk na het Joodsche Paaschmaal. Maar is dit aannemelijk? Langen meent, dat niet het uitspreken, maar alleen het opschrijven en voltrekken van een vonnis op een Sabbat verboden was. En niets bewijst, zegt hij, dat het vonnis van Jezus opgeschreven was; en wat de menschen betreft, die het ten uitvoer gebracht hebben, zij waren geen aan de wet onderworpen Joden, maar heidensche soldaten. — Deze antwoorden zijn vernuftig; maar met dat al is de aan het Sabbatkarakter van den nacht van den 15dea Nisan ontleende bedenking toch niet weêrlegd. Zoo kort na het Paaschmaal hadden al deze gerechtelijke zittingen onmogelijk kunnen plaatsvinden. De verhandeling Beza, in de Mischna, verbiedt op den feestdag uitdrukkelijk al wat op den Sabbat niet geoorloofd is, zooals paardrijden, in een boom klimmen, en iedere zitting van een rechtbank.

B. 23:1 —25. De wereldlijke rechtbank.

quot;Wij hebben hier het verhaal, aan den eenen kant van de velerlei kunstgrepen, die de Joden te baat hebben genomen, om van Pilatus de voltrekking van het vonnis te verkrijgen, en aan den anderen kant van de velerlei middelen, welke Pilatus heeft aangewend, om zich af te maken van deze zaak, die hem moeite veroorzaakte. Het was hem niet onbekend, dat de oversten der Joden hem uit nijd Jezus overleverden (Matth. 27 : 18; Mark. 15 : 10), en het stuitte hem tegen de borst, zijn macht tot dezen gerechtelijken moord te leenen. Bovendien gevoelde hij een geheime vrees voor Jezus. Vgl. Joh. 19 : 8: „Toen Pilatus dan dit tvoord hoorde (nl. „Hij heeft zichzelven Gods Zoon gemaaktquot;), werd Hij nog meer bevreesdquot;, en de vraag van vs. 9: „ Van waar zijt gij?quot; die niet op het aardsche vaderland van Jezus betrekking kan hebben, daar dit hem reeds bekend was (Luk. 23 : 6), en die in den samenhang niets anders kan

539

-ocr page 556-

23 : 1—5.

beteekenen, dan; uit den hemel of van de aarde? Ook de boodschap zijner vrouw (Matth, 27 : 19) moest cr toe bijdragen, de bijgeloovige vrees, die hij gevoelde, te doen toennemen.

Vs. 1—5. Eerste kunstgreep der Joden, volgens de Synoptici.

Vs. 1—2. „En de geheele menigte van hen stond op en voerde Hem naar Pilatus. 2. En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende; Wij hebben bevonden, dat deze ons ^ volk tot opstand verwekt, en verbiedt, den keizer schatting te geven 1), zeggende, dat Hij-zelf Christus, koning, is.quot;

Sedert Judea tengevolge van de afzetting van Archelaüs, in het jaar 7 onzer tijdrekening, een Romeinscbe provincie geworden was, had de Joodsche overheid wettelijk het jus gladii verloren, dat de Romeinen in al de bij het rijk ingelijfde provincies zich voorbehielden. Misschien hadden de landvoogden, die bet laatst zijn voorafgegaan, zooals Langen met waarschijnlijkheid uit Joh. 18: 30 en 31 opmaakt, op dit punt de wet niet zoo streng gehandhaafd, en was Pilatus de eerste, die de Joden weêr terugbracht binnen de grenzen van de bevoegdheid, die de Romeinscbe wet hun toekende. In den Talmud komt inderdaad de overlevering voor, „dat 40 jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem (dus eerst tegen het jaar 30 onzer tijdrekening) het recht om doodvonnissen uit te spreken Israël ontnomen werdquot; {Cant. 24, 2). Daaruit laat zich de stap der Joden verklaren (vs. 1), die Jezus naar Pilatus voerden. De andere beweegredenen, waaruit men dezen maatregel heeft zoeken te verklaren.

I III li

■ ■ |

I

I li

540

1

i i {;

. i

||

|

1

N B L T lozen xai vóór Aeyoyra.

-ocr page 557-

23 : 1—5,

541

zooals de begeerte om de verantwoordelijkheid voor dezen dood op Pilatus alleen te laten rusten (Mosheim), of om Jezus de bijzonder wreede straf der kruisiging, die bij de Romeinen in zwang was, te doen ondergaan (Chrysoslomus), of eindelijk om de rust van het feest niet te storen [Auguslinus), zijn door Langen weerlegd (bl. 246—251). — Men kan niet met zekerheid zeggen, of Pilatus in het prachtige paleis van Herodes den Grooten, in de bovenstad, dan wel in den burcht Antonia, ten noord-westen van den tempel, woonde. De overlevering laat de Via dolorosa van de laatstgenoemde plaats uitgaan. — Door Johannes weten wij, dat de door de Joden op den voorgrond gestelde grief (vs. 2) niet het ware uitgangspunt van deze lange onderhandeling was. Zij begonnen met te beproeven, van Pilatus de uitvoering van het vonnis te verkrijgen, zonder het aan zijn bekrachtiging te onderwerpen. Sluwer dan zij, betoont Pilatus zich zeer voldaan over deze wending, die het proces neemt, en verklaart, dat hij met genoegen er in toestemt, in deze zaak niet tusschenbeide te komen, en dat Hij hun Jezus overlaat, om met Hem te doen, wat zij wilden, wel te verstaan binnen de grenzen hunner bevoegdheid (de toepassing van zuiver Joodsche straffen, zooals de verbanning uit de Synagoge, de geeseling, enz.). Daar dit niet aan liet doel der Joden beantwoordde, die tot eiken prijs zijn dood wilden, moesten zij hun trotsche houding laten varen, en hun vonnis aan het oordeel van Pilatus onderwerpen. Toen brachten zij de politieke beschuldiging te voorschijn (vs. 2 en parall), en hier vereenigt zich het bericht der Synoptici met dat van Johannes. De door de Joden aangevoerde beschuldiging was een grove leugen; want Jezus had de vraag, of men den keizer schatting moest betalen, bevestigend beantwoord, en zich altijd zorgvuldig onthouden van al wat het volk in opstand kon brengen. De schijn van waarheid, die in elke beschuldiging aanwezig moet zijn, lag alleen in de laatste woorden: Hij heeft gezegd, dat Hij de Christus is, welken titel zij slecht genoeg zijn, met koning te verklaren. Heeft Hij nu den titel van „Christusquot; aangenomen, waaraan zij

-ocr page 558-

22 : 70—71.

Wat hebben wij nog getuigenis noodig? Want

wij zeiven hebben het uit zijn mond gehoord.quot;

De formule Gij zegt hel is in het Grieksch niet gebruikelijk, maar in den Rabbijnschen stijl wordt zij dikwijls gebezigd. Als men op deze wijze antwoordt, dan neemt men den geheelen inhoud der gestelde vraag als zijn eigene verklaring aan. Weiss geeft er de voorkeur aan, oti in den zin van opdat te nemen, hetgeen mij weinig natuurlijk voorkomt (zie mijn Comment, sur Jean, bij 18:32). Wel verre dus dat uit dit verhoor, zooals men beweert, zou blijken, dat de uitdrukking Zoon van God volgens de zienswijze der Joden of volgens die van Jezus hetzelfde te kennen geeft als de titel Christus, bewijst de blijkbare opklimming in de vraag van vs. 70, in vergelijking met die van vs. 67, zoo als zij door het koene antwoord van Jezus (vs. 69) veroorzaakt is, zeer duidelijk, dat er verschil bestaat tusschen die twee uitdrukkingen.

Het verschil tusschen de nacht- en de morgenzitting betrof slechts den vorm. In de laatste was de manier van handelen veel korter en voerde zij sneller tot het doel; het vonnis was voorbereid. Zeer juist zegt Keim: „In de morgenzitting behoefde het Sanhedrin niets meer te onderzoeken; er bleef alleen nog over, het gedurende den nacht genomen besluit goed te keuren en te bevestigen.quot; De woorden: „Wat hebben wij nog getuigenis noodig?quot; herinneren aan het gebrek aan bepaalde getuigenissen, dat zich, volgens het bericht der twee andere Synoptici, in de nachtzitting had doen gevoelen. Zou het niet mogelijk zijn, dat de plechtige verklaring van Jezus (vs. 69), die het voorwendsel tot de veroordeeling was, niet door Jezus-zelf in de morgenzitting werd uitgesproken, maar bij het lezen van het protokol der nachtzitting herhaald en door Jezus slechts bevestigd werd? Zij, die aannemen, dat Jezus in den namiddag van den grooten feestdag, d. w. z. van den 15deQ, en niet in dien van den 14deQ, een werkdag, gekruisigd is geworden, moeten

538

i I

Ir

I tl

I

i\\§

I

I

m-

I _

-ocr page 559-

22 ; 70—71.

de gevaDgennemiug van Jezus en de drie terechtzittingen, die daarop gevolgd zijn, in den nacht van den Hden op den lö^en stellen, derhalve reeds in den loop van den Sabbat-en feestdag, en onmiddellijk na het Joodsche Paaschmaal. Maar is dit aannemelijk? Langen meent, dat niet het uil-spreken, maar alleen het opschrijven en voltrekken van een vonnis op een Sabbat verboden was. En niets bewijst, zegt hij, dat het vonnis van Jezus opgeschreven was; en wat de menschen betreft, die het ten uitvoer gebracht hebben, zij waren geen aan de wet onderworpen Joden, maar heidensche soldaten. — Deze antwoorden zijn vernuftig; maar met dat al is de aan het Sabbatkarakter van den nacht van den 15don Nisan ontleende bedenking toch niet weêrlegd. Zoo kort na het Paaschmaal hadden al deze gerechtelijke zittingen onmogelijk kunnen plaatsvinden. De verhandeling Beza, in de Mischna, verbiedt op den feestdag uitdrukkelijk al wat op den Sabbat niet geoorloofd is, zooals paardrijden, in een boom klimmen, en iedere lilting van een rechtbank.

B. 23:1—25. De wereldlijke rechtbank.

Wij hebben hier het verhaal, aan den eenen kant van de velerlei kunstgrepen, die de Joden te baat hebben genomen, om van Pilatus de voltrekking van het vonnis te verkrijgen, en aan den anderen kant van de velerlei middelen, welke Pilatus heeft aangewend, om zich af te maken van deze zaak, die hem moeite veroorzaakte. Het was hem niet onbekend, dat de oversten der Joden hem uit nijd Jezus overleverden (Matth, 27 : 18; Mark. 15 : 10), en het stuitte hem tegen de borst, zijn macht tot dezen gerechtelijken moord te leenen. Bovendien gevoelde hij een geheime vrees voor Jezus. Vgl. Joh. 19 : 8: „Toen Pilatus dan dit woord hoorde (nl. „Hij heeft zichzelven Gods Zoon gemaaktquot;), werd Hij nog meer bevreesdquot;, en de vraag van vs. 9: „Van waar zijl gij?quot; die niet op het aardsche vaderland van Jezus betrekking kan hebben, daar dit hem reeds bekend was (Luk. 23 : 6), en die in den samenhang niets anders kan

539

-ocr page 560-

23 : 1—5.

beteekenen, dau: uit den bomel of van de aarde? Ook de boodschap zijner vrouw (Matth. 27 : 19) moest er toe bijdragen, de bijgeloovige vrees, die bij gevoelde, te doen toennemen.

Vs. 1—5. Eerste kunstgreep der Joden, volgens de Synoptici.

Vs. 1—2. „En de geheele menigte van hen stond op en voerde Hem naar Pilatus. 2. En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wy hebben bevonden, dat deze ons *) volk tot opstand verwekt, en verbiedt, den keizer schatting te geven 1), zeggende, dat Hij-zelf Christus, koning, is.quot;

Sedert Judea tengevolge van de afzetting van Arcbelaüs, in het jaar 7 onzer tijdrekening, een Romeinsche provincie geworden was, had de Joodsche overheid wettelijk het jus gladii verloren, dat de Romeinen in al de bij het rijk ingelijfde provincies zich voorbehielden. Misschien hadden de landvoogden, die het laatst zijn voorafgegaan, zooals Langen met waarschijnlijkheid uit Joh. 18 : 30 en 31 opmaakt, op dit punt de wet niet zoo streng gehandhaafd, en was Pilatus de eerste, die de Joden weer terugbracht binnen de grenzen van de bevoegdheid, die de Romeinsche wet hun toekende. In den Talmud komt inderdaad de overlevering voor, „dat 40 jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem (dus eerst tegen het jaar 30 onzer tijdrekening) het recht om doodvonnissen uit te spreken Israël ontnomen werdquot; (Cant. 24, 2). Daaruit laat zich de stap der Joden verklaren (vs. 1), die Jezus naar Pilatus voerden. De andere beweegredenen, waaruit men dezen maatregel heeft zoeken te verklaren.

540

1

N B L T lezen x«i vóór Myovra.

-ocr page 561-

23 : 1—5,

541

zooals de begeerte om de verantwoordelijkheid voor dezen dood op Pilatus alleen te laten rusten (Mosheim), of om Jezus de bijzonder wreede straf der kruisiging, die bij de Romeinen in zwang was, te doen ondergaan (Chrysostomus), of eindelijk om de rust van het feest niet te storen {Auguslinus), zijn door Langen weerlegd (bl. 246—251). — Men kan niet met zekerheid zeggen, of Pilatus in het prachtige paleis van Herodes den Grooten, in de bovenstad, dan wel in den burcht Antonia, ten noord-westen van den tempel, woonde. De overlevering laat de Via dolorosa van de laatstgenoemde plaats uitgaan. •— Door Johannes weten wij, dat de door de Joden op den voorgrond gestelde grief (vs, 2) niet het ware uitgangspunt van deze lange onderhandeling was. Zij begonnen met te beproeven, van Pilatus de uitvoering van het vonnis te verkrijgen, zonder het aan zijn bekrachtiging te onderwerpen. Sluwer dan zij, betoont Pilatus zich zeer voldaan over deze wending, die het proces neemt, en verklaart, dat hij met genoegen er in toestemt, in deze zaak niet tusschenbeide te komen, en dat Hij hun Jezus overlaat, om met Hem te doen, wat zij wilden, wel te verstaan binnen de grenzen hunner bevoegdheid (de toepassing van zuiver Joodsche straffen, zooals de verbanning uit de Synagoge, de geeseling, enz.). Daar dit niet aan het doel der Joden beantwoordde, die tot eiken prijs zijn dood wilden, moesten zij hun trotsche houding laten varen, en hun vonnis aan het oordeel van Pilatus onderwerpen. Toen brachten zij de politieke beschuldiging te voorschijn (vs. 2 en parall.), en hier vereenigt zich het bericht der Synoptici met dat van Johannes. De door de Joden aangevoerde beschuldiging was een grove leugen; want Jezus had de vraag, of men den keizer schatting moest betalen, bevestigend beantwoord, en zich altijd zorgvuldig onthouden van al wat het volk in opstand kon brengen. De schijn van waarheid, die in elke beschuldiging aanwezig moet zijn, lag alleen in de laatste woorden: Hij heeft gezegd, dat Hij de Christus is, welken titel zij slecht genoeg zijn, met koning te verklaren. Heeft Hij nu den titel van „Christusquot; aangenomen, waaraan zij

-ocr page 562-

23 : 3—5.

een politieke beteekenis toekennen, dan is het duidelijk, dat Hij, om consequent te zijn, het geven van de schatting heeft moeten verbieden. Heeft Hij het niet werkelijk gedaan, logisch had Hij het moeten doen. Men kan dus rekenen, dat Hij het gedaan heeft. Deze overzetting van den titel Christus in den titel koning voor Pilatus is vooral merkwaardig, als men haar vergelijkt met die van denzelfden titel in den titel Zoon van God voor het Sanhedrin. Door de eerste vertolking wordt de beschuldiging van muiterij gemotiveerd, gelijk de tweede die van Godslastering gemotiveerd had. Er ligt geslepenheid in dezen haat. Voor Pilatus is er dus sprake van een geheel andere beschuldiging, dan van die, welke zij zeiven als voorwendsel hebben gebruikt, om Hem te veroordeelen.

Vs. 3 — 5. Het verhoor van Jezus door Pilatus: „En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? En Hij antwoordde hem, en zeide: Gij zegt het! 4. En Pilatus zeide tot de hoogepriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen mensch. 5. Maar zij hielden aan, zeggende: Hij ruit het volk op, leerende *) door geheel Judea1), begonnen hebbende van Galilea tot hiertoe.quot;

De vier berichten ontmoeten elkander in deze vraag, die Pilatus tot Jezus richt. Door Johannes weten wij, dat Jezus in het rechthuis was, terwijl de Joden op het plein stonden; Pilatus ging van hen naar Jezus, en van Jezus naar hen toe. Het korte antwoord van Jezus: Gij zegt het! is bevreemdend. Maar uit Johannes zien wij, dat dit woord slechts de korte

542

1

N Iaat SiSairxm weg.

-ocr page 563-

23 : 6—7.

samenvatting is van een vrij lang onderhoud tusschen Jezus en Pilatus, dat de mondelinge overlevering niet bewaard had. Pilatus had doorzicht genoeg, om te weten, wat hij denken moest van dezen plotselingen ijver van het Sanhedrin voor de Romeinsche heerschappij in Palestina, en zijn in Joh. 18 : 33—38 uitvoerig medegedeeld gesprek met Jezus over dit hoofdpunt van de aanklacht overtuigde hem geheel en al, dat hij niet te doen had met een mededinger van den keizer. Daarom maakt hij aan de Joden bekend, dat hunne beschuldiging ongegrond is. Maar deze houden aan (vs. 5), en noemen als bewijs de volksbeweging, waarvan Galilea het uitgangspunt was i/«?), en die zich zeer

kort geleden tot aan de poorten van Jeruzalem (sug w5f) heeft voortgeplant; een toespeling op den plechtigen intocht van Palmzondag. Op deze nieuwe, meer bepaalde en tegelijk meer uitgebreide beschuldiging wordt in Matth. 27 : 12 en Mark. 15 : 3 en 4 gedoeld. Jezus zweeg daarop. Nu komt Pilatus een ander middel om deze zaak van zich af te schuiven in de gedachten, nl. het zenden van den beschuldigde naar Herodes, den vorst van Galilea.

Vs. 6—12. Zending van Jezus naar Herodes.

Vs. 6—7. „Toen nu Pilatus over Galilea1) hoorde spreken, vroeg hij, of deze mensch een Galileër was. 7. En vernomen hebbende, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond Hij hem naar Herodes, die in die dagen ook zelf in Jeruzalem was.quot;

543

Deze merkwaardige trek wordt alleen door Lukas medegedeeld. De sluwe Romein bereikte door dezen maatregel twee doeleinden tegelijk. Ten eerste schoof hij deze zaak,

1

T. R. leest VxAtXcttav ua uKovaon;, met A en 15 Mjj. It. Syr ; N B Ij T laten het weg.

-ocr page 564-

23 : 8—12.

die hem moeite veroorzaakte, van zich af, en ten tweede deed hij daarmede den eersten stap tot een verzoening met Herodes (vs. 12). De oorzaak van de vijandschap, die er tusschen hen bestond, was waarschijnlijk een kwestie van bevoegdheid. Het beste middel om den vriendschapsband weêr aan te knoopen was dus, hem zelfs in de stad Jeruzalem een bevoegdheid toe te kennen. Evenals Pilatus, bevond zich Herodes wegens het feest in de hoofdstad. Hij bewoonde gewoonlijk het oude paleis der Hasmoneesche koningen, in de bovenstad, die (ten onrechte) de berg Zion genoemd wordt.

Vs. 8—12. „Toen Herodes Jezus zag, was hij zeer blijde; want hij begeerde reeds lang \'), Hem te zien, omdat hij veel1) over Hem hoorde spreken, en hoopte, dat hij Hem eenig teeken zou zien doen. 9. En hij deed Hem een groot aantal vragen; doch Hij antwoordde hem niets. 10. En de hoogepriesters en de schriftgeleerden stonden daar ook, en beschuldigden Hem met heftigheid.

11. En Herodes, met zijn soldaten Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem 2) een blinkend kleed aan, en zond Hem terug naar Pilatus.

12. En Pilatus en Herodes3) werden op dien dag vrienden met elkander; want zij waren te voren vijanden.quot;

Voor Herodes en zijn geblaseerd hof was Jezus niets anders,

544

1

N C en 0 Mjj. SyrCquot;4\'. laten xoAAa na axoveiv weg.

2

8) N B Ij T laten avrov weg.

3

N B L ï Syrcnr plantaen o HpuSiff vóóv riiAXTOf.

4

T. R. leeat ixuvov, met A en 10 Mjj.j D en 4 Mjj, Itpieriq Syr (on gyrcur): eï ixcevov xpovov; HBDLT: ikxvuv xpovuiv,

-ocr page 565-

23 : 13—19.

dan hetgeen een bekwame goochelaar voor dergelijke lieden is: een voorwerp van nieuwsgierigheid. Maar Jezus leende zich daartoe niet; Hij had noch woorden, noch wonderen voor iemand, die zoo gezind was, en in wien Hij bovendien den afschuwelijken moordenaar van Johannes den Dooper aanschouwde. Voor dezen mensch, die een gedrochtelijk samenstel was van bloeddorstige lichtzinnigheid en somber bijgeloof, bewaarde Hij een stilzwijgen, dat zelfs de beschuldigingen van het Sanhedrin (vs. 10) Hem niet konden bewegen, af te breken. Gekwetst en vernederd, wreekt Herodes zich door Hem te verachten. De uitdrukking: blinkend kleed (vs. 11) duidt niet een purperen kleed aan, maar een witten mantel, zooals de Joodsche koningen en de Romeinsche grooten bij plechtige gelegenheden droegen. Vgl, Hand. 12: 21.!) Wij kunnen hier niet met Riggenbach een bespottende toespeling op het witte kleed van den hoogepriester vinden. Het was een parodie van de aanspraken van Jezus op de koninklijke waardigheid, maar tevens een zijdelingsche verklaring aangaande zijn onschuld, althans uit een politiek oogpunt. — De stpxtsu^xtx, soldalen van Herodes, kunnen slechts zijn trawanten zijn, zijn lijfwacht, die hem naar de hoofdstad mocht vergezellen. — Deze wederkeerige betooning van hoffelijkheid was genoeg, om deze twee mannen, die de hoogmoed gescheiden had, weer bij elkander te brengen.

Vs. 13—19. Nieuwe middelen, die Pilatus te baat neemt.

Vs. 13 —16. „En Pilatus, de hoogepriesters en de oversten en het volk bijeengeroepen hebbende, zeide tot hen: 14. Gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als een, die het volk afkeerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uwe tegenwoordigheid

545

1) Langen, blz. \'2/0, in do noot (Joaophua, Bell, J ad,, II, 1, 1; Tacitus, nist, II, 89).

35

ünnKT LuJcas. II.

-ocr page 566-

23 ; 13—16.

ondervraagd, en heb dezen mensch in niets schuldig bevonden aan de dingen, waarvan gij Hem beschuldigt \'); 15. ja, ook Herodes niet; want hij heeft Hem tot ons teruggezonden 1), en ziet, er is door Hem niets bedreven, dat des doods waardig is. 16. Ik zal Hem dus kastijden en loslaten.quot;

Pilatus begint met het resultaat van al wat tot hiertoe gedaan is samen te vatten. — Behalve de hoogepriesters, hadden ook de aanzienlijken des volks, de xpxovret;, zitting in het Sanhedrin. De schriftgeleerden worden hier niet genoemd. Het volk stond op het plein; rondom zijn Loofden verzameld. — \'Avo^rpicpovTx: het volk van de gehoorzaamheid aan den keizer afkeerig makende.

Vs. 15. Volgens de lezing van den T. R.t Want ik heb u tot hem gezonden zou Pilatus het zenden van Jezus naar Herodes als een bewijs van zijn onpartijdigheid vermelden; hij heeft zelfs een beroep gedaan op het oordeel van den nationalen vorst. Volgens de lezing der Alexand.: Want hij heeft Hem lot ons teruggezonden beroept zich Pilatus op het oordeel van Herodes zelf, die Jezus blijkbaar onschuldig heeft gevonden, daar hij Hem tot Pilatus heeft teruggezonden, zonder Hem te veroordeelen. Deze laatste lezing is meer in overeenstemming met den eersten zin van het vers: „Ook Herodus niet.quot; Bij de Alexandr. lezing zou men het met den tweeden zin van het vers in betrekking moeten brengen en dezen aldus moeten verklaren; „En ziet, men heeft Hem niets gedaan, waaruit te zien is, dat Hij des doods waardig geacht is. Maar bij deze opvatting moest men in dezen zin een veel te aanzienlijke ellips aannemen.

546

1

T. K. leest aveTrs^cc vuuc; TrpOQ ccvrov gt; met A D ealO Mjj.; Itplw Syrcur; NB en 5 Mjj.: avsTrei^ev yup avrov Trpoq

-ocr page 567-

23 : 17—19.

Het is natuurlijker, hem volgens een bekende Grieksche constructie aldus te verklaren: „En ziet, Hij (Jezus) heeft niets gedaan, dat des doods waardig is (zoowel volgens het oordeel van Herodes, als volgens het mijne).quot; — Pilatus verklaart dus zonder omwegen en met beslistheid, dat deze geheele reeks van onderzoekingen slechts gestrekt heeft, om de onschuld van Jezus ten opzichte van de tegen Hem ingebrachte beschuldigingen te doen uitkomen. Maar waarom trekt hij dan daaruit het besluit {dus, vs. 16), dat hij Hem zal geeselen, om Hem daarna los te laten? Het was reeds eenigszins een rechtsweigering, Jezus naar Herodes te zenden , nadat hij zijn onschuld erkend had; maar het is een nog veel grootere, zonder eenige reden daarvoor aan te voeren, een straf voor Hem vast te stellen, en vooral een straf als de geeseling, die bijna met den dood gelijk stond. Deze eerste betooning van inschikkelijkheid verraad zijn zwakheid en levert hem reeds bij voorbaat over aan den wil van tegenstanders, die vastberadener zijn dan hij.

Vs. 17 —19. „En hij was verplicht, hun op ieder feest iemand los te laten. *) 18. De menigte riep dan eenstemmig uit1): Weg met dezen, en laat ons Barabbas los! 19. Deze was iemand, die wegens een oproer, dat in de stad had plaats gehad, en om een moord in de gevangenis 2) geworpen was 3)quot;.

Als vs. 17 echt was, zou het verband dit zijn: „Ik zal Hem loslaten, want ik ben zelfs volgons de gewoonte verplicht, u een gevangene los te laten.quot; Hij zou zich dan

547

1

ï. R. leest cevexfx^xv, met A en 15 Mjj.; nHIjT: xvexpxyov.

2

N B en 3 Mjj. lezen sv ry (fnMnxji, in plaats van f/? ^uAaxtfv.

3

B L T lezen in plaats Tan N laat dit woord weg.

-ocr page 568-

23 : 17—19.

houden, alsof hij overtuigd was, dat het volk Jezus eischen zal. Doch dit vers moet waarschijnlijk als onecht worden doorgehaald. Het is zonder twijfel naar Matth. 27 ; 15 en Mark. 15:6 gevormd, om Lukas, die over dit gebruik zwijgt, op dit punt aan te vullen. De eisch van het volk: „Laat ons Barahbas losquot; knoopt zich bij hem eenvoudig aan het: „Ik zal Hem loslatenquot; van vs. 16 vast. Toch zou men kunnen aannemen, dat Pilatus reeds in vs. 16 aan deze gewoonte gedacht heeft, en dat het volk in vs. 18 op die gedachte is ingegaan. Hetgeen de weglating van vs. 17 een weinig verdacht zou kunnen maken, is de omstandigheid, dat zij zich vrij gemakkelijk uit de verwarring van het tweemaal voorkomende AN aan het begin van vs. 17 en 18 laat verklaren. — Bij Johannes biedt Pilatus rechtstreeks het volk aan, Jezus los te laten, terwijl hij het aan deze gewoonte herinnert. Dit was waarschijnlijk de ware gang van zaken. Bij Mattheus geeft hij de keuze tusschen Jezus en Barabbas, hetgeen minder natuurlijk is. Bij Markus stoort het volk de op Jezus betrekking hebbende beraadslaging, door eensklaps de loslating van een gevangene te eischen, hetgeen nog minder natuurlijk is. — De oorsprong van de hier vermelde gewoonte is onbekend. Het is wel niet waarschijnlijk, dat zij door de Romeinen werd ingevoerd. Tegen deze onderstelling beroept Langen zich met recht op de uitdrukking van Pilatus (Joh. 18 : 39): „Gij hebt eene gewoonte.quot; Misschien was dit gebruik een gedeckteeken van de groote nationale bevrijding, den uittocht uit Egypte, die op het Paaschfeest werd gevierd. De Romeiner., die er prijs op stelden, de gebruiken der overwonnen volken te eerbiedigen, hadden zich naar die gewoonte geschikt. — De keus van het volk wordt als eenstemmig en vrijwillig (vxfiTrfyóei) voorgesteld, terwijl Mattheus en Markus, die op dit punt nauwkeuriger zijn, haar toeschrijven aan de door de hoofden en hunne handlangers uitgeoefende pressie; dit is in overeenstemming met Joh. 19:6.

Vs. 19. Markus en Lukas stellen Barabbas voor als iemand, die zich bij een oproer aan moord had schuldig

548

-ocr page 569-

23 : 20—23.

gemaakt; hij was dus een vertegenwoordiger van denzelfden revolutionairen geest, waarvan het Sanhedrin Jezus beschuldigde. Jezus aan het kruis overleveren en Barabhas terug-eischen, dat was met één slag twee beteekenisvolle daden verrichten. Het was het verwerpen van den geest van onderwerping en geloof, die het gansche werk van Jezus had gekenmerkt en het volk had kunnen redden; maar het was tegelijk het vieren van de teugels aan den geest van opstand, die het ten verderve moest voeren. — De naam Barabbas komt van ia en iON, zoon van Abba, en beteekent volgens de meesten, zoon van den vader, namelijk God. Keim verklaart: zoon van den Rabbi, terwijl hij Abba de beteekenis van vader in zedelijken zin geeft. De naam Jezus, die bovendien door 4 Mnn. bij Mattheus aan dezen man wordt gegeven, en die volgens het zeggen der kerkvaders in een vrij groot aantal Mss. voorkwam, werd waarschijnlijk aan den naam Barabbas toegevoegd, om hot parallelisme tusschen de twee personen nog treffender te maken. — Leest men met de Alexandr. ptyósis en iv ry dan moet men

deze laatste bepaling met Jjv, en 9/« ctmiv met (3^6ellt;; verbinden; „die in de gevangenis was, waarin hij wegens oproer en moord was geworpen.quot; Daar de invrijheidstelling van Barabbas een rechterlijke handeling was, moest Pilatus, om haar te volbrengen, op zijn rechterstoel plaats nemen. Het was waarschijnlijk op dit oogenblik, dat hem de boodschap zijner vrouw, waarvan Mattheus spreekt, werd overgebracht; vgl. vs. 19: „Terwijl hij op den rechterstoel zat, zond zijne vrouw tot hem...quot; ïoen al deze middelen, die Pilatus te baat nam, om zich van de zaak af te maken, mislukt waren, trachtte hij nog eenigen tegenstand te bieden, maar te vergeefs; de vijanden weten thans, dat zij de overwinning zullen behalen.

549

Vs. 20—23, „En \') Pilatus sprak hun wederom

1) In plaats vnu ouv, dat T. R. met 11 Mjj, loeat, lozen N A B en 3 Mjj. It. Syi-. Si.

-ocr page 570-

23 : 20-23.

toe1), willende Jezus loslaten. 21. Maar zij riepen, zeggende: Kruis, kruis Hem!J) 22. En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Ik heb bij Hem niets gevonden, dat des doods waardig is; ik zal Hem dus kastijden en loslaten. 23. Maar zij hielden aan met groot geroep, eischende, dat Hg gekruisigd zou worden; en hun geroep (en dat van de hooge-priesters) 2) werd geweldiger.quot;

De inhoud der door het TtaXiv Ss irporeCpcivyirs t en hij sprak hun wederom toe (vs. 20), aangeduide toespraak wordt niet vermeld; maar hij kan worden opgemaakt uit de woorden: „willende Jezus loslaten.quot; Pilatus werd echter, nog voor dat hij zijn gedachten geheel uitgesproken had, door het geschreeuw der Joden in de reden gevallen (vs. 21). Zijn antwoord (vs. 22) ademt verontwaardiging. Het rptrov, ten derden male, zinspeelt op de verklaring van vs. 4 en die van vs. 14—15. Het yxp, want, heeft betrekking op het denkbeeld der kruisiging (vs. 21): „Hem kruisigen? Want welk kwaad Hij heeft gedaan?quot; Ongelukkigerwijze gaat do verontwaardiging van Pilatus gepaard met een lafheid, die haar verlamt. Want nog eens, waarom wil hij iemand laten geeselen, die hij erkent, dat onschuldig is? Deze eerste zwakheid wordt door de Joden op prijs gesteld, en zij maken er terstond gebruik van. Hier moet het tooneel der geeseling worden geplaatst, zooals het ons verhaald wordt door Johannes, die ons daarvan de aangrijpendste beschrijving heeft gegeven, en het ook juist op dit oogenblik plaatst. Maar volgens Mattheus en Markus zou de geeseling eerst veel later, na

550

1

N B L T Syrcur. Toegen avroig, na TpovsQui/ycre.

2

N B L laten de woorden xa» rwy cicpxilPeav weg.

-ocr page 571-

23 : 20—23.

551

de uitspraak van het vonnis, hebben plaats gehad, en, overeenkomstig de Eomeinsche gewoonte, als inleiding tot de kruisiging. Hieronymus zegt inderdaad: „Men moet weten, dat Pilatus de Romeinsche wetten gehoorzaamde, welke bevalen, dat zij, die gekruisigd werden, vooraf met roeden werden geslagen.quot; *) Ongetwijfeld gehoorzaamde Pilatus in dit geval de wet niet, daar Jezus nog niet veroordeeld was. Hij bood den Joden de geeseling aan als een vergoeding voor de kruisiging, die zij eischten, in de hoop, dat de meer gematigden bij het zien van den bloeken en bloedenden Jezus voldaan zouden zijn, en dat het uiterste niet van hem geëischt zou worden (zie Johannes). De woorden kx) tüv xpxupscov, en der hoogeprtesters, zijn waarschijnlijk aan de parallelle plaatsen ontleend.

Vs. 23 is de korte samenvatting van een geheele reeks van onderhandelingen, waarvan Johannes alleen do verschillende phasen bewaard heeft (19 : 1—12). Met bloed bedekt, verschijnt Jezus voor het volk. Maar do hoofden en hunne dienaren woten de stem des medelijdens bij de menigte te versmoren. Pilatus, die op de uitwerking van dit schouwspel gerekend had, is gebelgd over deze buitengewone hardheid en ongevoeligheid. Hij machtigt hen, de kruisiging op hun eigen verantwoordelijkheid zelf te laten voltrekken; zij weigeren dit. Zij willen hem tot hun beul maken; en zij hebben nog twee middelen om dat gedaan te krijgen. Eensklaps van taktiek veranderende, eischen zij den dood van Jezus als Godslasteraar: „IJij heeft zich lol den Zoon van God gemaaktquot; Maar bij het hooren van deze beschuldiging betoont zich Pilatus nog veel minder geneigd, Jezus te veroordeelen, wiens persoon hem van het begin af een geheimzinnige vrees inboezemde. Do Joden nemen thans het besluit, het wapen te gebruiken, dat zij voor het uiterste geval haddon bewaard, waarschijnlijk omdat het in hunne oogon het onedelste was, nl. dat der bangmakerij. Zij dreigen

1) Vgl. Cicero, In Flaccum, § 10.

-ocr page 572-

23 : 24—25.

hem, hem bij den keizer te zullen aanklagen als iemand, die een oproermaker onder zijn bescherming heeft genomen. Pilatus weet, hoe gewillig Tiberius aan zulk een aanklacht het oor zal leenen, en hij begrijpt, dat hem niets anders overblijft, dan toe te geven, indien hij ambt en leven behouden wil. Op dit oogenblik ontmoeten de vier berichten elkander opnieuw. Pilatus gaat voor de tweede maal naar zijn rechterstoel, die op eene verhevene plaats op het plein vóór het rechthuis stond. Hij wascht zijn handen (Matth.), doet nog eenmaal uitdrukkelijk uitkomen, dat hij geen deel heeft aan dezen gerechtelijken moord, die gepleegd zal worden, en levert Jezus aan zijn vijanden over.

Vs. 24—25. Het vonnis. „En Pilatus besliste, dat hun eisch geschieden zou. 25. En hij liet1) Barabbas los, die wegens oproer en moord in de gevengenis geworpen was, dien zij eischten, en Jezus gaf hij aan hunnen wil over.quot;

552

|;k|| Sm*

If

m

li 11

Deze plaats is de eenige in het geheele verhaal, waar de persoonlijke indruk van den geschiedschrijver door de objectiviteit van het bericht heenbreekt. De bijzonderheden aangaande het karakter van Barabbas zijn herhaald (zie vs. 19), om al het afschuwelijke van de keus van Israël te doen uitkomen, terwijl de uitdrukking: hij qaf Hem aan hunnen wil over met nadruk de aandacht vestigt op de lafheid van den rechter, die daardoor zijn roeping als beschermer van de onschuld verzaakt. Mattheus en Markus plaatsen hier de mishandelingen, die Jezus van de Romeinsche soldaten te lijden had; dit is zonder twijfel het door Johannes (19 ; 1—3) verhaalde tooneel, dat hij met recht vóór de geeseling geplaatst had. Volgens Markus is het in de binnenplaats van het rechthuis voorgevallen, hetgeen met Johannes

i

ï i ;

I

1

1

T. E. voegt, met K Mn ItP\'quot; Syr., hier «uro/; er bij.

-ocr page 573-

23 : 26. 553

overeenstemt. Deze bespotting gold minder Jezus-zelf, dan wel den Joodschen Messias, die in zijn persoon vertegenwoordigd was.

III. 23:26—46: De terdoodbrenging van Jezus.

Wij splitsen dit bericht in drie afdeelingen: 1° de wegleiding naar de strafplaats (vs. 26—32); 2° de kruisiging (vs. 33—38); de tijd, die aan het kruis werd doorgebracht (vs. 39—46).

1° Vs. 26—32. De wegleiding naar de strafplaats.

Vs. 26. „En terwijl zij Hem wegleidden, namen zij een zekeren Simon van Cyrene, die van het veld kwam, en legden het kruis op hem, om het achter Jezus te dragen.quot;

Het oogenblik, waarop Pilatus het doodvonnis uitsprak, duidt Johannes als de zesde ure aan, terwijl volgens Markus de derde ure de tijd was, waarop Jezus gekruisigd werd. Volgens de bij de ouden gewone wijze om de uren te tellen (van 6 uur \'s morgens af), zou de door Johannes opgegeven tijd de middag, en de door Markus aangeduide des voormiddags 9 uur zijn. De tegenspraak schijnt zoo schreeuwend mogelijk te zijn: Jezus om 12 uur veroordeeld (Johannes), en om 9 uur \'s morgens gekruisigd (Markus)! Langen ondersteunt een meermalen aangewende poging tot verzoening met nieuwe argumenten: Johannes zoude uren tellen, zooals wij doen, d. w. z. van middernacht af. De zesde ure zou bij hem dus 6 uur \'s morgens zijn, hetgeen iets beter met de opgave van Markus zou overeenstemmen, de tusschentijd tusschen 6 en 9 uur zou voor de noodige toebereidselen gebruikt zijn1). Maar is het waarschijnlijk, dat Johannes

1

liBugen beroept zich op drie plaatsen, waarvan de eene in de Mist,nat. (II, 70) van den onderen Plinius, de tweede in de Epist. (III, 5) van den iongeren Plinius, en de derde in do Acta (o. 7) van den marteldood T»n

-ocr page 574-

23 : 26.

een manier van tellen heeft aangenomen, welke verschillend is van die welke algemeen in gebruik was, en wel zonder zijn lezers op de eene of andere wijze daarmede in kennis te stellen?1) Wij zijn veeleer geneigd, met Langen {Leben Jesu) aan te nemen, dat Markus het oogenblik, waarop de geeseling heeft plaats gehad, die volgens de wet het eerste bedrijf van de voltrekking van het vonnis moest zijn, als het begin van deze heeft beschouwd. Markus volgde daarin een zienswijze, die noodwendig uit de Romeinsche gewoonte scheen voort te vloeien, terwijl Johannes, die een grondiger kennis had van den werkelijken loop van het proces, de geeseling van Jezus in het rechte licht stelt en haar ook op het juiste oogenblik doet plaats vinden (zie boven). Zoo is het gekomen, dat Markus de kruisiging den geheelen tusischen-tijd tusschen het tooneel van het Ecce homo en bet uitspreken van het vonnis en de voltrekking daarvan te vroeg gedag-teekend heeft. Het is bepaald onmogelijk, dat de geheele zoo lange en ingewikkelde onderhandeling tusschen de Joden en Pilatus tusschen de laatste zitting van hot Sanhedrin (die plaats had, toen het reeds dag werd, Luk, 22 : 66) en 6 uur \'s morgens voorgevallen zou zijn. Zie mijn Comment, sur Jean, 3do ed., III, bl. 572—574.

Polyearpus Toorkomt, cn die bewijzen zouden, dat in liet begin der christelijke tijdrekening onze tegenwoordige manier van tellen (van middernacht en van den middag af) in het gewone leven, zelfs in Klcin-Azië, reeds gebrui-kelijk was. De derde plaats heeft inderdaad een zekere bewijskracht; en zij is zooveel te gewichtiger, omdat zij afkomstig is uit dezelfde streek, waar Johannes schreef.

1) Een belangrijke, aan de Heilige redevoeringen van Aelius Aristides, een Griekschen sophist uit de tweede eeuw, ontleende inlichting ten aanzien van dit vraagstuk hebben wij aan André Chorbuliez te danken. Aelius Aristides was een tijdgenoot van Polyearpus, dien hij op de straten van Smyrna heeft kunnen ontmoeten. In het eerste boek beveelt hem do God in den droom, een koud bad te nemen; het is winter; en hij kiest, als het geschikste uur, het zesde; zeker, omdat het do warmste tijd van den dag is. Daarna richt hij zich tot zijn vriend Bassus, die hem laat wachten, en zegt tot hem, terwijl hij naar de zuilen wijst: „Ziet gij ? De schaduw keert zich reeds naar den anderen kant.quot; Ongetwijfeld duidt dus bij hem het zesde uur den middag aan, en niet 6 uur \'s morgens of \'s avonds.

554

-ocr page 575-

23 : 26.

De kruisstraf was bij verscheidene oude volken (Perzen, Assyriërs, Egyptenaren, Indiërs, Scythen, Grieken) in gebruik. Bij de Romeinen werd zij alleen op slaven {servile supplicium, Horatius) en op de grootste misdadigers (moordenaars, roevers, oproermakers) toegepast. Constantijn heeft haar afgeschaft. De geeseling geschiedde of voor het heengeen naar de strafplaats, öf op weg derwaarts (Liv. XXXIII, 36). quot;Volgens Plutarchus ^, droeg ieder misdadiger zelf zijn kruis. Een witte plaat, waarop zijn misdrijf vermeld was (litulus, oW?, ah la), werd voor hem uit gedragen of om zijn hals gehangen, In den regel werd de straf buiten de bewoonde plaatsen 1), dicht bij een weg, voltrokken, opdat zooveel menschen mogelijk daarvan getuige konden zijn. De Jeruzalemsche Talmud deelt mede dat men den veroordeelde vóór de kruisiging een bedwelmenden drank aanbood, dien medelijdende personen, gewoonlijk dames van Jeruzalem, op hun kosten lieten bereiden3), Het kruis bestond uit twee stukken, waarvan het eene rechtstandig (staticulum), en het andere horizontaal (antenna) was. Aan het eerste was, ongeveer in het midden, een pin van hout of van hoorn [cornu of sedile) aangebracht, waarop de gekruisigde schrijlings rustte2). Anders zou de zwaarte van het lichaam spoedig het uitscheuren der handen en zyn val hebben veroorzaakt. Gewoonlijk werd eerst het kruis opgericht en vastgemaakt (Cic., in Verr., V, 66; Jos., Bell. Jud., VII, 6, 4); en daarna hief men met touwen het lichaam tot aan de hoogte van den dwarsbalk op, en spijkerde de handen daaraan vast. Het gebeurde zelden , dat meu den veroordeelde aan het nog liggende kruis vastnagelde, om het daarna op te richten. — Het kruis schijnt niet zeer hoog

555

1

Bah. Sanh. f, 43, 1: „Een korrel wierook in een beker wijn, ut turbaret,ar ejus intelleetus.quot;

2

Just. Mart., Dial. 91: iip\' amp; lroi%oOvTXi ol c-Tccvfiipevor, Tertuü., Confr, Marc. III, 18.

-ocr page 576-

w

23 : 26.

I!

I

556

te zijn geweest. Langen meent, dat het twee manslengten had. Dit is het maximum, en het is waarschijnlijk, dat het gewoonlijk minder hoog was; want de hysopstok, waarmede men Jezus de spons toereikte, kan niet meer dan 2 a 3 voet lang zijn geweest. Paulus, Lücke, Winer e. a. hebben meer of minder beslist ontkend, dat ook de voeten vastgenageld waren. Men beroept zich voor dit gevoelen, op het feit, dat van de voeten geen melding gemaakt wordt (Joh. 20 : 25). Maar zou het dan niet een zonderlinge pedanterie van Thomas zijn geweest, hier te spreken over de teekenen der nagelen aan de voeten ? Hij somt de litteekenen op, die onmiddelijk onder het bereik van zijn hand zijn. Zoo is het ook met het antwoord, dat Hij Thomas geeft (vs. 27). Verder voert men aan, dat de keizerin Helena, na het ware kruis te hebben teruggevonden, haar zoon de nagels toezond, waarmede de handen van Jezus vastgespijkerd waren 1). Maar er wordt niet gezegd, dat zij hem alles zond, wat zij gevonden had. Het tegendeel blijkt veeleer uit het bericht in zijn geheel (zie Meyer op Matth. 27 : 35). Hug, Meyer en Langen hebben het, door een reeks citaten uit Xenophon, Plautus, Lucianus, Justinus, Tertullianus, enz,, boven allen twijfel verheven, dat het de gewoonte was, ook de voeten vast te nagelen; en Luk. 24 ; 39 (een plaats, die geschreven is zonder het minste verband met de profetie van Ps. 22) laat niet toe in twijfel te trekken, dat dit gebruik ook bij Jezus werd opgevolgd. Want hoe hadden zijn voeten tot bewijs van zijn identiteit kunnen strekken {on xurU syii), indien het niet was door de litteekenen der wonden P — Het plankje {suppedaneum), waarop de voorstellingen van de kruisiging gewoonlijk de voeten dos Heeren laten rusten, is een latere uitvinding, die om zoo te zeggen noodzakelijk was geworden door de weglating van de sedile op deze schilderijen. De voeten werden of op elkander, met één enkelen spijker, vastgenageld, hetgeen het epitheton rplertitog, met drie nagelen, dat Nonnus (4^« eeuw) in zijn paraphrase van

■i

!

( i ifi lilB

Iff

quot;I\'ll

I fill

nil

I if

I ill i

I

li t

■n i

Mill

1

Socrates, Eist. eccl., I, 17.

-ocr page 577-

23 : 2G.

557

het Evangelie van Johannes in verzen het kruis geeft, verklaren zou, öf naast elkander, zoodat er in het geheel vier spijkers noodig waren, gelijk men uit Plautus \') zou kunnen opmaken, indien men niet, hetgeen ook mogelijk was, een nagel in den vorm van een hoefijzer en mot twee punten voor de voeten gebruikte. Drukten de voetzolen tegen het hout door een sterke buiging van de knieën, of raakten de beenen in hun volle lengte hot kruis aan, zoodat de voeten de natuurlijke houding behielden? Waarschijnlijk hingen deze bijzonderheden van de willekeur van den scherprechter af. — De gekruisigden leefden gewoonlijk nog 12 uren, nu en dan zelfs tot op den tweeden en derden dag. De koorts, die spoedig ontstond, veroorzaakte een brandenden dorst. De toenemende ontsteking van de wonden aan rug, handen en voeten, de opstijging van het bloed naar het hoofd, de longen en het hart, de zwelling van alle aderen, een onbeschrijfelijke benauwdheid, verschrikkelijke hoofdpijnen, het verstijven van do leden door de gedwongene, onnatuurlijke houding van het lichaam: alles vereenigde zichj om deze doodstraf, volgens de uitdrukking van Cicero {in Ferr., V, 64), crudelissimim teterrimumqwe supplicium te doen zijn.

Van het begin af had Jezus voorzien, dat dit het einde van zijn leven zou zijn. Hij bad het aan Nicodemua (Joh. 3:14), aan de Joden (12:23), en meermalen aan zijn discipelen bekend gemaakt. Het was dit vooruitzicht, dat Hem in Gethsemané zulk een doodsangst veroorzaakte. Geen enkele manier van sterven was meer geschikt, om zulk een levendigen indruk op de verbeelding te maken. Maar juist om deze reden was geen andere ook zoo geschikt, om bet doel te verwezenlijken, dat God zich met den dood van Christus voorstelde. Hij moest, zooals Paulus zegt (Hom. 3 ; 25, 26), der zondige wereld een volkomene voorstelling ((vSsign;) geven van het recht der goddelijke gerechtigheid tegenover de zondaren. Door haar verschrikkelijkheid beantwoordt deze manier van sterven aan de afschuwelijkheid

1) MosteU., ir, 1, 13.

-ocr page 578-

23 : 27—32.

der zonde; door haar langzaamheid laat zij den gestrafte den tijd, om het recht Gods ten volle te erkennen; en door haar dramatisch karakter maakt zij een onuitwischbaren indruk op het geweten van den toeschouwer. — Onder de vele bekenden soorten van doodstraf was de kruisiging die, welke op het Lam Gods moesl worden toegepast.

De doodstraf moest buiten de stad worden ondergaan (Lev. 24 : 14); dit was het zinnebeeld van de uitsluiting uit de menschelijke samenleving (Hebr. 13 : 12). Joh. 19 : 17 zegt ons, dat Jezus de stad uitging, volgens het gebruik (Matth. 10 : 38) zelf zijn kruis dragende. Maar wij weten niet, wat de Romeinsche soldaten, die met de voltrekking van het vonnis waren belast, bewogen heeft, weldra op Simon van Cyrene beslag te leggen. Dreigde Jezus te bezwijken onder den last, of heeft Simon wat al te luide zijn medelijden met Hem te kennen gegeven? Cyrene, de hoofdstad van Libië, had een talrijke Joodsche bevolking, waarvan velen zich in Jeruzalem kwamen vestigen (Hand. 6:9). Het is natuurlijk, uit de woorden: die van het veld kwam af te leiden, dat hij na zijn arbeid naar de stad terugkeerde. Het was dus geen feestdag. Langen antwoordt, dat hij een eenvoudige wandeling kon hebben gemaakt I Mark. 15 : 11 bewijst, dat dit voorval Simon aan den Heiland verbond, en dat hij zich spoedig daarna met zijn familie bij de gemeente aansloot. Zijne vrouw en zijn twee zonen waren te Rome gevestigd, toen Markus schreef (Rom. 16 : 13).

Vs. 27—32. „En Hem volgde een groote menigte van volk en van vrouwen, die zich ook \') op de borst sloegen en over Hem weenden. 28. En zich tot haar omkeerende, zeide Jezus: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent

1) T. R leest hier kxi , met P eu 13 Mjj ; A B C en 3 Mjj laten het weg; in N ontbreekt at xai.

558

-ocr page 579-

23 ; 27—32.

over uzelven en over uwe kinderen. 29. Want ziet, er komen dagen, waarin men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren ^, en zij, die niet gebaard hebben , en de borsten, die niet gezoogd hebben ! 30. Alsdan zullen zij beginnen, tot de bergen te zeggen: Valt op ons! en tot de heuvelen: Bedekt ons! 31. Want indien zij dit doen aan het1) groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? 32. En er werden ook twee andere kwaaddoeners weggeleid, om met Hem gedood te worden.quot;

Al deze bijzonderheden komen alleen bij Lukas voor. In vs. 27 zien wij de gezindheid van het volk openbaar worden door den mond van de vrouwen, niet, zooals de Pressensé meent, van die, welke Jezus van Galiléa af vergezeld hadden, maar van de inwoonsters van Jeruzalem. Het klt;xI, ook, van de T. R. is veeleer weggelaten, dan er bijgevoegd: „die Hem niet alleen vergezelden, maar ook weeklaagden.quot; — De woorden van Jezus getuigen, dat Hij ih deze vreeselijke uren zichzelf geheel en al vergeten had; zij bevatten een toespeling op Hos. 10 : 8. Het groenehout is Jezus, dien de Joden ter dood laten brengen door den hand der Romeinen, in weerwil van zijn onafgebrokene onderwerping aan het heidensche gezag; het dorre hout is het Joodsche volk, dat door zijn oproerigen geest zich zooveel te meer de Romeinsche wraak op den hals zal halen. Zonder twijfel staat op den achtergrond van het menschelijk gericht, dat het volk zal treffen, evenals bij alle dergelijke uitspraken (vgl. o, a. Luk. 3:9), het goddelijk gericht, waardoor ieder persoon in het

559

1

8) B C laten tu vóór vypu weg.

-ocr page 580-

23 : 33—34®.

bijzonder getroffen zal worden. Dit laatste vloeit voort uit het verband tusschen vs. 30 en 31 Het beeld van het groene en van het dorre hout is aan Ez. 21 : 3 en 8 ontleend. — De twee boosdoeners waren waarschijnlijk metgezellen van Barabbas. Misschien had Jezus deze vermeerdering van zijn smaad aan den haat der hoofden te danken; maar God heeft haar doen strekken tot verheerlijking van zijn Zoon. Natuurlijk moet men verklaren: „twee andere personen, die boosdoeners waren.quot;

2°. Vs. 33—38. De kruisiging.

Vs. 33—Biquot;. „En toen zij gekomen waren1) op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en eveneens de twee kwaaddoeners , den eenen aan zijn rechter-, den anderen aan zijn linkerzijde, 34®. En Jezus zeide: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen 2).quot;

Is de plaats waar Jezus gekruisigd werd, die, welke men thans als zoodanig aanwijst in het binnenste gedeelte van de kerk van het heilige graf? Deze vraag schijnt neg niet beslist te zijn. Zonder twijfel ligt deze plaats tegenwoordig binnen de muren der stad, maar het zou mogelijk zijn, dat zij zich toen nog er buiten bevond. Dit schijnt bewezen te worden door de sporen van graven, die men onlangs in de nabijheid van het heilige graf heeft gevonden, en eveneens

560

1

ï) NBO en 2 Mjj. It. Syr. (met Syrcur.) lezen yMov, in plaat van dat T. K. met al de anderen leest.

2

B D Itnl\'l Snh. laten de woorden o Se lyroui;. .. tot aan mnouiTiv weg.

-ocr page 581-

23 : 33—34«.

door het feit, dat de rots op deze plaats niet, zooals iu het geheele overige gedeelte der tegenwoordige stad, met puin-hoopen bedekt is. Als dit niet de ware plek is, dan moet deze hoogstwaarschijnlijk in het noorden der stad, een weinig buiten de poort van Damaskus worden gezocht (zie Edersheim, II, 585). — De naam Hoofdschedelplaats (hoofdschedel in het Hebreeuwsch Gulgoleth, nbiba, en in het Arameesch Gulgallha, Nnbaba, van bba, rollen) is niet ddaruit ontstaan, dat men de schedels der ter dood gebrachten daar zou hebben laten liggen; want dan had, in plaats van het enkelvoud xpaviov, het meervoud moeten staan. Bovendien is het niet aan te nemen, dat men de beenderen daar onbegraven zou hebben gelaten. De naam is veeleer te danken aan den afgeronden en kalen vorm van den heuvel. — Mattheus en Markus berichten hier, dat Jezus den verdoovenden drank, die Hem aangeboden word, weigerde. Volgens Markus was het met myrrhe vermengden wyn; volgens Mattheus, aziju met gal gemengd\'). Wij weten uit den Talmud, dat er te Jeruzalem een damesvereeniging bestond, welke ten doel had, den veroordeelden deze verlichting te verschaffen (zie bl. 522).

Van de zeven woorden, die Jezus aan het kruis heeft gesproken, hebben de drie eerste betrekking op de Hem omringende personen: zijn vijanden, zijn medegekruisigde en zijn vertrouwdsten vriend onder de discipelen; zij zijn als het ware zijn testament. De drie volgende; „Mijn God, mijn God .; Ik heb dorsl: liet is volbrachtquot; hebben betrekking op zijn lijden en op het werk der verlossing, dat voleindigd wordt; de twee eerste op de angsten zijner ziel en op de smarten zijns lichaams, en het derde op de vrucht van dit volmaakte offer. liet zevende en laatste: „Vader, in uwe handen beveel ik . . . .quot; is do uitroep van het volkomen vertrouwen te midden van de diepste onmacht. Drie van deze zeven woorden, alle drie woorden van genade en van geloof, worden door Lukas, en doorhem alleen vermeld.

1) Dc oude natuurkundigen Dioscoridea en Galenus schrijven een verdoo-vende werking toe ann wierook en myrrhe {Langen, bl. 30?.).

Godet, Isiikas. II. 30

561

-ocr page 582-

23 ; 34»—38.

Die in vs. 34 raeflogedeolile lidle van Jezus ontbreekt in den Vatic., don Cantabriy., en in conige Mss van de Itala. Dit moet waarschijnlijk aan een bloot toeval worden toegeschreven. Want de Peachito en do meeste oorkonden der Itala ^ benevens de groote meerderheid der Mjj., waarborgen de echtheid van dit woord; en de bede, die de moordenaar eenige oogenblikken later tot Jezus richt, laat zich wel niet anders verklaren, dan uit den indruk, dien deze kinderlijke aanroeping van God op bom gemaakt had. — Do personen, die Jezus in zijn bede bedoeld beeft, kunnen niet de Romeinsche soldaten zijn, die niets anders doen, dan blindelings de ontvangen bevelen ten uitvoer brengen; het zijn zeer zeker de Joden, die zichzelven den doodsteek toebrengen door hun Messias te verwerpen en te kruisigen (Joh. 2: 19). Het is dus letterlijk waar, dat zij, aldus handelende, niet weten, wat zij doen. Deze bede van Jezus is verhoord geworden; want de vrucht daarvan was de 40-jarige genadetijd, gedurende wolken Israël de apostolische prediking heeft kunnen hooren, voordat bot te gronde ging. De toorn Gods had immers ook terstond over bet schuldige volk kunnen losbarsten.

Vs. 34\'\'—38. Bespottingen: „En zijn kleederen ver-deelende, wierpen zij het lot.1) 35. En het volk stond daar en zag het aan; en ook 2) de hoofden spotten met Hem 3), zeggende: Anderen heeft Hij verlost; dat Hij nu zichzelven verlosse, indien Hij de Christus is, de uitverkorene Gods! 36. En ook de soldaten dreven den spot4) met Hem, tot Hem

562

n

l\'f

rl

M

1

A X lozen in plaats vnu K^pov.

2

N D latcu hui weg.

3

ï. R leest hier o-uv avroif, met A en 13 Mjj. Syr.; deze woorden zijn door N B C 4 Mjj. luliq. Syrcur weggelaten.

4

NBLi svevui^av, in plaata van eveTrcei^ov,

-ocr page 583-

23 ; 34^—38,

komende en1) Hem edik aanbiedende, 37, en tot Hem zeggende: Indien gij de koning der Joden zijt, verlos Uzelven! 38. En er was ook een opschrift2) boven Hem 3): Deze is de koning der Joden.quot;

Het werpen van het lot over do kleederen, waardoor de gekruisigde tot een soort speelgoed gemaakt wordt, behoort tot dezelfde reeks van feiten als de in vs. 35 en verv. vermelde bespottingen. De kleederen der cruciarii behoorden volgens de Romeinsche wet aan de scherprechters. Ieder kruis werd zonder twijfel door een afdeeling van vier soldaten, een rsTpihov (Hand. 12 : 4), bewaakt. Men moet xh-Jpou; lezen, en niet het enkelvoud, dat aan de parall. ontleend is. Tweemaal werd het lot geworpen, eerst om de vier tamelijk gelijke deelen, die van de kleederen van Jezus waren gevormd (mantel, muts, gordel, sandalen), en daarna om zijn rok of tunica, die te veel waarde had, om bij een van de vier deelen te worden gevoegd. — Het woord Qsupslv, aanschouwen, geeft geen vijandige gezindheid te kennen; maar als men in het volgende het mi, ook, na Si leest, en het lt;tvv xutoT:, mei hen, na apxeurs;, dan moet men toch aannemen, dat het volk eveneens spotte. Ik voor mij ben geneigd, deze woorden, die de T. R. leest, voor toevoegsels te houden, waardoor men het bericht van Lukas met dat van Markus (vs. 29) en van Mattheus (vs. 39) in overeenstemming wilde brengen, hoewel dit hulpmiddel niet noodig was, daar de twee laatste berichten de bespottingen geenszins aan de geheele menigte, maar alleen aan de voorbijgangers toe-

1

N A B en 2 Mjj. laton xcei wog.

2

T. K. leest hier yeypx^nevyi, met Af) en 13 Mjj. Syr. (met Syrcur); N B L laten het weg.

3

T. R leest hier, met NA en 10 Mjj. Itp\'er Syr., ypx^i^airiv sAAifvixoi; xai funaikok; kxi e/Spaixoif; BOL Syrf\'i\'\'■ Cop. laten deze woorden weg, die waarschijnlijk aan Johannes ontleend zijn.

-ocr page 584-

23 : 39—43.

schrijven. Weiss behoudt het y.xl, ook, en verklaart het aldus: „De hoofden zagen het niet alleen aan, maar spotten ook nog.quot; Deze zin is gezocht. De uitdrukking: de uit verkorene Gods duidt den Christus aan als van te voren er toe besterad, het goddelijk plan ten aanzien van Israël en de geheele wereld te verwezenlijken; vgl. 9 : 35. — De spotternijen der soldaten hebben moer op het Israëlitische koningschap als zoodanig, dan op Jezus persoonlijk betrekking (Joh. 19 : 5, 14, 15). — Men heeft dikwijls gemeend, dat de door de soldaten Jezus aangeboden wijn die was, welke voor hun eigen gebruik bestemd was {It-os, een gewone wijn). Maar de spons en de bysopstok, die zich daar ook bevonden (zie Matth., Mark., en Joh.), verheffen het boven allen twijfel, dat men gezorgd had voor een verkwikking voor de gekruisigden. — De soldaten nemen de houding aan, Jezus te behandelen als een koning, wien bij het feestmaal de beker wordt aangeboden. Deze spothulde wordt dan ook in verband gebracht met het opschiift, dat de Romeinsche soldaten, volgens het bevel van Pilatus (Joh. 19:19—22), hoven het kruis hebben gezet, een ironisch opschrift, dat echter meer het Joodsche volk en zijn hoofden, dan Jezus belachelijk moest maken. Dezen samenhang van denkbeelden drukt het: Er was ook van vs. 38 uit. Door dit voor de Joden zoo krenkende opschrift wreekte zich Pilatus er over, dat zij hem genoodzaakt hebben, iemand ter dood te laten brengen, dien hij voor onschuldig verklaard had. De vermelding van de drie talen is een aan Johannes ontleende interpolatie.

3° Vs. 39—46. De tijd, die aan het kruis werd doorgebracht.

564

Vs. 39—43. „En eon van de gekruisigde kwaaddoeners hoonde Hem, zeggende: Zijt gij niet ^

1) NB CL Ituliq Cop. Syrquot;quot; lezen: ovx\' w *\'i T. E., met A ea 15 Mjj. Syr.: ei trv et.

-ocr page 585-

23 : 39—43. 565

de Christus? Verlos uzelven en ons! 40. En de ander, hem bestraffende, zeide tot hem *): Vreest dan ook gij God niet, gij, die hetzelfde oordeel ondergaat? 41. En wij ondergaan het recht-vaardiglijk, want wij ontvangen het loon van hetgeen wij gedaan hebben; maar deze heeft niets kwaads gedaan. 42. En hij zeide tot Jezus1): Gedenk mijner 2), wanneer gij in uw rijk 3) zult komen. 43. En Hij 4) zeide tot hem: Voorwaar ik zeg u, dat gij heden 5) met mij in het Parad gs zult zijn.quot;

Mattheus en Markus schrijven de spotredenen aan beide moordenaars too. Die uitleggers, die tot eiken prijs de berichten met elkander in overeenstemming willen brengen, zeggen, dat in het eerst beiden hebben gelasterd, en dat een van hen later tot zichzelf is ingekeerd. In dit geval moet men aannemen, dat Mattheus en Markus met deze verandering van gezindheid onbekend zijn geweest. Waarom zouden zij haar anders niet vermeld hebben P Het komt mij echter natuurlijker voor, aan te nemen, dat zij de spotters naar categorieën groepeeren, en dat het bijzondere, door Lukas medegedeelde feit hun onbekend was. Hoe werd de moordenaar getroffen en overtuigd? Zonder twijfel had het contrast tusschon de heiligheid, die van Jezus uitstraalde,

1

T. E. leest 7w met A en 15 Mjj. It Syr. (met Syr™); NBCI/i

I)} (TOW.

2

T. B. leest hier Kvfie, met A en 13 Mjj Itpler. Syr.; N B C R L M laten het weg.

3

B L Itnl\'l loz.en Ti)i/ pxriteim o-ov, in plants van ev Pceeikeix lt;rov.

4

T. E. leest hier o Iija-ou?, met AC en 15 Mjj. Itplcr Syr.

5

L Syr. hebben on \\66r u^infov, Syr oir plaatst hot er achter.

-ocr page 586-

23 :39—43.

566

en zijn eigen misdrijven reeds van den aanvang af een diepen indruk op hem gemaakt (vs. 40 en 41). Verder had de zachtmoedigheid, waarmede Jezus zich naar de strafplaats liet voeren, en vooral zijn gebed voor zijn moordenaren, zijn geweten en zijn hart aangegrepen. De naam van Vader, dien Jezus aan God gaf op het oogenblik zelf, waarop Hij aan zulk een wreede behandeling was overgeleverd, had hem Jezus geopenbaard als een wezen, dat in de innigste gemeenschap met Jehova leefde, en hem een voorgevoel van zijn goddelijke grootheid gegeven. Het geloof, dat hij hechtte aan don titel van: „koning der Jodenquot;, die boven het kruis was geschreven, was het natuurlijk gevolg van dergelijke indrukken. — De vragende vorm bij de Alexandr.: Zijl gij niet de Christus? is grievender dan de voorgaande spotternijen, en verdient de voorkeur boven de gewone lezing. De woorden; Vreest dan ook gij God niet... stellen dezen mensch, die beven moest voor den goddelijken rechterstoel, waarvoor hij nu zou verschijnen, tegenover de hem omringende menigte, die niet ter dood was veroordeeld, en wie het dus meer geoorloofd was, zich op deze wijze te gedragen — De bede, die hij tot Jezus richt (vs. 42), is hem ingegeven door het geloof aan een barmhartigheid, waarvan het voorgevoel in hem ontwaakt is bij het hooren van de voorbede van Jezus voor zijn moordenaren. Het getuigenis der oude vertalingen ten gunste van de Byz. lezing; „Hij zeide tot Jezus: Gedenk mijner, Heerquot;, komt mij veel te gewichtig voor, dan dat men hier de voorkeur zou mogen geven aan de Alexandr. lezing: „Hij zeide: Jezus, gedenk mijner..De verandering van den dat. tw in een rechtstreeksche aansprf.ak was gemakkelijk, en natuurlijk heeft zij do weglating van het woord Kupis, Heer, tengevolge gehad. — De bede van den misdadiger; Gedenk mijner laat zich vorklaren uit de lijdensgemeenschap, welke hem toeschijnt, een onverbreekbaren band tusschen hen aan te leggen. Hoe zou deze Jezus, die zooeven voor zijn beulen gebeden heeft, zijn armen lotgenoot kunnen vergeten ? — Men moet er zich voor wachten, met velen te vertalen: „als gij in uw rijk zult gekomen zijnquot;,

-ocr page 587-

23 : 39—43.

of: „in uw koninkrijkquot;, of met Oltrarnare: „als gij in uw rijk zult zijnquot;, alsof du moordenaar aan een hemolach rijk dacht, dat Jezus op het oogenblik van zijn dood zal ingaan. Hij zegt Stxv £A%, wanneer gij zuil komen-, hij denkt uan een glorierijke wederkomst van Jezus op aarde als koning-Messias (Jv rjj fixaitely fov), of tot oprichting van zijn koninkrijk, volgens de lezing van den Vaticanus (el? ryv (3xlt;Ti?,siav crou). Deze man kan over de heerlijke wederkomst van Jezus hebben hooren spreken, waarover de Heer zoo uirnigmaal tot de zijnen gesproken had, of hij kon daarvan een voorgevoel hebben gekregen door het contrast tusschen dezen dood als misdadiger en zijn waardigheid als Messias, waaraan hij niet twijfelde. De Messias zou, zooals men zich algemeen voorstelde, volgens Jesaja (2G : 19) en Daniël (12:2) die Israëlieten opwekken, die waardig geacht werden, met de aartsvaders aan het Messiaansohe feest deel te nemen (vgl. 14 : 14; 20 : 35). Want Hij zou „den sleutel van de opstanding der doodenquot; medebrengen (Sanhcdr., 113n).

Vs. 43. Het antwoord des Heeren overschrijdt verre de verhooring van deze bede, maar het sluit haar in zich. Met het vooraan staande aj^spov, heden, stelt Jezus de nabijheid van de zaligheid, die Hij hem toezegt, met nadruk tegenover do verre toekomst, waaraan de moordenaar dacht. „Heden nog, voordat deze zon, die ons verlicht, verdwenen is.quot; Het is van allo beteekenis ontbloot, dit heden met het werkw. ik zeg u te verbinden. De uitdrukking Paradijs schijnt af te stammen van een Perzisch woord, dat lusthof beteekent. Zij wordt in den vorm pardes (diib, Pred. 2:5; Hoogl. 4 : 13) gebruikt, om een koninklijken tuin aan te duiden. In den vorm Trxpxdsicrtiz komt zij in de LXX overeen met het woord -p, tuin of hof (Gen. 2 : 8 en 3 ; 1). Daar het aardsche Eden voor den mensch verloren was, werd de uitdrukking Paradijs toegepast op dat gedeelte van den Hades, waar de geloovigen worden opgenomen, en in eenige geschriften van het N. T. (2 Oor. 12 : 4; Openb. 2: 7) op het verblijf van den verheerlijkten lieer en van zijn geloovigen: den derden hemel. Hier is sprake van het Paradijs als

567

-ocr page 588-

23 ; 44—45.

gedeelte van den Hades. Vgl. de opmerkingen over dit onderwerp op bl. 268. Het s^, met mij, sluit dus ia zich de nederdaling van Jezus-zelf in den Hades {Meyer). Hij is daarin, evenals in alles, kamp;tx zkvtx (Hebr. 2 : 17), een tnensch geweest zoo als wij zijn.

Vs. 44—45. Buitengewone teekenen; „Het was ^ reeds 1) omtrent de zesde ure; en er werd duisternis over het geheele land, tot de negende ure toe, 45. daar de zon haar licht verloor2); en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.quot;

Blijkbaar hebben deze verschijnselen een buitengewoon karakter, hetzij men het aan een bovennatuurlijke oorzaak toeschrijft, of daarin slechts een providentiëele samenloop van omstandigheden ziet. Er bestaat onmiskenbaar een diepe betrekking, aan den eenen kant tusschen den mensch en de natuur, en aan den anderen kant tusschen de mensch-heid en Christus. Want de mensch is de ziel der wereld, gelijk Christus de ziel der menschheid is. — De woorden i!0\' \'óxyv Tyv yw, over de geheele aarde, hebben, evenals 21 : 33, op het heilige land betrekking, en misschien ook op de omliggende landen. De oorzaak van deze verdonkering kan geen zonsverduistering zijn geweest, daar het de tijd der volle maau was. Maar zij stond misschien, zooals dikwijls gebeurt, met de aardbeving in verband. Het zou ook kunnen zijn, dat zij een atmosferische of kosmische oorzaak had. ^ Aan deze verdonkering van het uitwendige

568

1

B C L voegen ySy er bij, dat T. R. met al de anderen weglaat.

2

NBL lezen tov gt;(A«u fxA/jtohtoj . in plaats van xai eaKonadii o , dat T. B. met A en 10 Mjj. It. Syr. (met Syr\'3quot;) leest,

3

NBCDL leien xa» in plaats van gt;)v Je

-ocr page 589-

23 : 44—45.

licht beantwoordde de innerlijke duisternis, waaraan het hart van Jezus leed: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Dit oogeublik, waarop Paulus zinspeelt (Gal. 3 : 13: „Hij werd voor ons tot een vloek gemaaktquot;), was juist dat, waarop in den tempel het Paaschlam geslacht werd. — Hoewel op deze plaats de overzettingen voor de Byz. lezing pleiten, maakt de tautologie der uitdrukkingen cncóroc en èanoriaó^ haar toch verdacht, en doet zij ons de voorkeur geven aan de Alexandr.; letterlijk: „daar de zon ontbrak.quot; Lukas maakt van de aardbeving geen gewag. Men kan daaruit afleiden, dat bij Markus niet onder de oogen heeft gehad, zooals Weiss meent. — Het scheuren van het voorhangsel, dat door al de drie Synoptici vermeld wordt, moet waarschijnlijk met de aardbeving in verband worden gebracht. Wordt hier het voorhangsel bedoeld, dat zich aan den ingang van het Heilige bevond, of dat, hetwelk het Allerheiligste bedekte? Daar alleen het laatste een typische beteekenis bad en eigenlijk kztxitstixj/mx !) heette, is het natuurlijker, aan dit te denken. De gedachte, die men gewoonlijk in dit symbolische voorval vindt, is: De weg tot den troon der genade is voortaan voor allen open. Maar heeft God daardoor niet veeleer willen aantoonen , dat de tempel van dit oogenblik af niet meer zijn woning was? Gelijk de hoogepriester bij het zien van een groote ergernis zijn

dat het ia do zesde ure van den dag nacht was geworden, zoodat men de sterren aan den hemel zag schitteren. Deze datum komt het waarschijnlijke sterfjaar van Jezus (783) zeer nabij. Maar het moeat in de maand November zijn. — De bekende natuurkundige Liais bericht, dat op den llden April 18C0 iu de provincie Fcrnambuco, bij een volkomen helderen hemel, de zon tegen den raiddag eensklaps zoozeer verduisterde, dat men haar eenige seconden lang kon aankijken. De zonneschijf scheen omringd te zijn van een krans met de kleuren van den regenboog, en heel dicht bij haar zag men een ster fonkelen, die geen andere, dan Vcnus kou zijn. Het verschijnsel duurde eenige minuten, Liais schrijft het toe aan kosmische wolken, die in de ruimte buiten onzen dampkring zweefden, Eeu dergelijk natuurverschijnsel moet in de jaren 1100, 1208, 1517 en 1706 voorgekomen ziju {Revue ger-maniqve, 1S60).

1) Philo noemt het andere xxAvimx (Neauder, Leien Jem, bl, 640).

569

-ocr page 590-

23 : 46.

kleed versclieimle, zoo verscheurt God het voorhangsel, dat het Allerheiligste bedekt, waar Hij zich vroeger opeubaarde. Hij verklaart daarmede, dat er geeu Allerheiligste meer is; en als er geen Allerheiligste meer is, dan is er ook geen Heilige meer, en dus ook geen voorhof, geen altaar, en zijn er ook geen geldige offers meer. De tempel is door God-zelf ontheiligd, afgesciiaft. De werking van het offer is overgegaan op een ander bloed, een ander altaar, een ander priesterschap. Dat had Jezus den Joden aangekondigd, toen Hij tot hen zeide: Doodt mij, en gij zult daarmede den tempel verwoest hebben! — Zoowel de Joodsche als do christelijke overlevering maakt melding van gebeurtenissen als deze, die omstreeks dit tijdstip moeten zijn voorgevallen. In het door Hieronymus {in Matth. XXVII, 51) aangehaalde Joodsch-christelijke Evangelie werd medegedeeld, dat op het oogenblik der aardbeving een dikke balk boven de poort des tempels in tweeën brak. De Talmud zegt, dat, 40 jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem, de deuren des tempels van zelf opengingen. Jochanan Ben Zacchai bestrafte ze, en zeide: „Tempel, waarom gaat gij van zelf open? Ik maak daaruit op, dat bet einde nabij is; want er staat geschreven (Zaeh. 11 : 1): „Libanon, ontsluit uwe poorten, opdat het vuur uwe ceders verterequot;.\') — Ten tijde van de bovenvermelde zonsverduistering verwoestte een groote aardbeving in Bithynië een gedeelte van de stad Nicea.1) Men kan haar tot in Palestina hebben gevoeld. — Deze natuurverschijnselen, die Lukas vóór het oogenblik van den dood van Jezus stelt, zijn volgens Mattheus en Markus onmiddelijk daarop gevolgd; dit bewijst, dat zij niet dezelfde bronnen hebben gebruikt.

Vs. 46. De dood; „En Jezus, roepende met luide stem, zeide: Vader, ik geef2) mijnen geest in

570

1

Zie Nennder\'s Leien Jem, bl. (HO.

2

ï. K. leest Ti-xfx!)gt;jlt;roiicei, met E cu 7 M jj.; N A I! O en 7 Wjj It. Syr. (met Syrcu\') irxfUTiüsiJ.ai.

-ocr page 591-

23 : 46.

uwe handen over. En toen Hij dat1) gezegd had, blies Hg den laatsten adem uit.quot;

Hier moeten de twee door Johannes vermelde woorden: „Ik heb dorstquot;, en: „Het is volbrachtquot; worden geplaatst. Men zou kunnen meenen, dat in de woorden: roepende met luide stem het woord: Hel is volbracht, dat volgens Johannes oniniddelijk aan den laatsten adem is voorafgegaan, opgesloten ligt. Het is echter waarschijnlijker, dat het (pavfaxi; naar de bedoeling van Lukas niets meer te kennen geeft, dan het sJtts , zeide, en dat beide verba op het laatste woord betrekking hebben: „Vader, ik geef... over.quot; Dit woord drukt het feit uit, dat Johannes mededeelt met de woorden: Hij gaf den geest. — Het laatste kruiswoord is een citaat uit Ps. 31 : 6. Het fut. Trxpxd^tro^xi, ik zal overgeven, in den T. R. is aan de LXX ontleend. Dit futurum was natuurlijk in den mond van David, die nog ver van den dood was; hij spreekt uit, op welke wijze hij hoopte, eenmaal te mogen sterven. Alleen het praesens is in overeenstemming met den tegenwoordigen toestand van Jezus. Op het oogenblik, waarop Hij het zelfbewustzijn zal verliezen, en gevoelt, dat het bezit van zijn geest Hem ontvalt, vertrouwt Hij hem als een in bewaring gegeven goed aan zijn Vader toe. Want de goddelijke heerschappij strekt zich ook over den Hades uit (Wetss). De uitdrukking Vader doet zien, dat zijn ziel thans al haar helderheid heeft teruggekregen. Kort te voren lag de goddelijke almacht en heiligheid zwaar op Hem {Mijn God, mijn God!) Thans is de duisternis verdwenen; Hij heeft zijn licht, het aangezicht zijns Vaders teruggevonden. Dit is de eerste uitwerking der volbrachte verlossing, het heerlijke voorspel der opstanding.

571

Keim beschouwt geen van de zeven kruiswoorden van Jezus als historisch. Het gebed voor zijn vijanden zou geen

1

N U O )) en 4 Mjj. Iczeu toutü, iu plnatu vau txvtu, dat T. E. met A en 11 Mjj. leest.

-ocr page 592-

572 23 : 46.

zin hebben, noch met het oog op de heidensche soldaten, die slechts blinde werktuigen waren, noch met betrokking tot de Joden, wie Hij nog kort geleden het goddelijk gericht aankondigde. Bovendien zou stilzwijgen Jezus beter voegen, dan een gedwongene en bovenmenschelijke heldenmoed. De geschiedenis van den moordenaar heeft tegen zich, dat deze onmogelijk kennis kan hebben gehad van de onschuld en de te verwachten wederkomst van Jezus, en dat Jezus hem het Paradijs heeft toegezegd, dat in de handen van zijn Vader is. liet tot Johannes en tot Maria gesprokene woord is niet historisch, daar deze twee personen niet aan den voet van het kruis hebben gestaan (Synopt.), en Johannes nooit een buis heeft bezeten, waarin bij Maria kon opnemen. De bede: Mijn God mijn God... is uit Ps. 22 in de lijdensgeschiedenis ingevoegd; Jezus was veel te oorspronkelijk, om de uitdrukking van zijn gevoelens aan het O. T. te ont-leenen. Om dezelfde reden kan ook de echtheid van het laatste woord: „Vader, ik geef.. . overquot; niet worden aangenomen. Het woord: Het is volbracht is slechts de beknopte uitdrukking van de Dogmatiek, die de schrijver van het vierde Evangelie reeds in de afscheidsreden in den mond beeft gelegd: „Ik heb het werk voleindigd ...quot; Als werkelijk historisch moeten daarom slechts twee uitroepen van Jezus worden beschouwd, de smartkreet, dien Johannnes vertolkt heeft met het woord: Ik heb dorst, en een laatste kreet in het oogenblik van den dood. Op deze wijze wordt, op grond van vermeende moeilijkheden, wier oplossing een kind na eenige oogenblikken van nadenken vinden kan, het heiligste en verhevenste, dat de Evangelische geschiedenis bevat, daaruit geschrapt. Zijn de bedreiging van Jezus en zijn voorbede dan onvereenigbaar met elkander? Juist het tegendeel is waar. Zou de gedachte van Jezus haar oorspronkelijkheid verliezen doordat zij in een uitdrukking van den lijdenden David is ingekleed? De bede des moordenaars laat zich, gelijk wij gezien hebben, op zeer natuurlijke wijze verklaren, enz. Men zou de oude kerk te veel eer aandoen als men haar het verzinnen van zulke woorden

ill I

-ocr page 593-

23 ; 47—49.

tooschreef. Zij zouden, als zij verdicht waren, niet zoo sober, zoo beknopt, zoo eenvoudig zijn. Ook hier vergelijke men de Apocrieven!

III.

De feiten, die op den kruisdood volgden.

(23 : 47—56).

Deze feiten zijn: de uitwerking van den dood van Jezus op hen, die daarvan getuige waren (v. 47—49); de begrafenisquot; van Jezus (vs. 50—53); de toebereidselen der vrouwen (vs. 54—56).

Vs. 47—49. De uitwerking op de ooggetuigen: „Toen de hoofdman over honderd \') zag, wat er geschied was , verheerlijkte hij 1) God, zeggende: Waarlijk, deze mensch was rechtvaardig! 48. En al de scharen die te zamen gekomen waren, om dit schouwspel bij te wonen, ziende 2), wat er geschied was, gingen heen, zich op de borst slaande 3). 49. En allen, die Hem gekend hadden, en eveneens de vrouwen, die Hem van Galilea hadden vergezeld 4), stonden van verre B), en zagen deze dingen aan.quot;

573

1

N B D L B lezen eSo*a%ev, in plaats van eSotcca-e, dat 1\'. R., met A O en 13 Mjj. Itnliq Syr. (met Syrcuf\') Sah., leeat.

2

N B C D en 3 Mjj. Syr. (met Syrcur) lezen öeupiia-xvTet, in plaats van OeMpovvrec, dat T. R. met P en 13 Mjj. Itplquot; leest. A laat de woorden Qeup. ra yevoiicva weg.

3

N A B C en 3 Mjj. laten exvruv vóór ra Tryiy weg.

4

T. B. leest amp;uvaitoAouSiilt;riiia-ai, met A D eu 12 Mjj. It.; N B C en 3 Mjj.: rvvaKoAovSouirxi.

-ocr page 594-

23 :47 —49.

Dezo verzen beschrijven lt;le onmiddellijke uitwerking van den dood dos Heeren, eerst op den Romeinschen hoofdman (vs. 47), daarna op bot volk (vs. 48), en eindelijk op de aanhangers van Jezus (vs. 49). — Markus zegt van deu hoofdman: toen hij zag. Bij hem hebben deze woorden, zooals hij zelf zegt, op den laatsten uitroep van Jezus en op zijn dood betrekking. Bij Mattheus en Lukas doelt deze zelfde uitdrukking op al de gebeurtenissen, die voorgevallen waren. — Lukas geeft het woord van den heiden in den eenvoudigsten vorm terug: Deze mensch was rechtvaardig, d. w. z.: Hij was geen boosdoener, zooals men beweerd heeft. Hoe kan Meyer zeggen, dat deze vorm het resultaat is van het latere nadenken. Hij is veeleer de uitdrukking van het oogenblikkelijk gevoel. Maar deze buide sloot een andere in zich; want daar Jezus zich voor den Zoon van God had uitgegeven, moest Hij, als Hij een rechtvaardige was, nog meer dan dit zijn. Dit wordt uitgedrukt door den uitroep van den hoofdman bij Mattheus en Markus. Tweemaal had Jezus aan het kruis God zijn Vader genoemd; de hoofdman kon zich dus wel aldus uitdrukken; „Hij was een rechtvaardige; Hij was werkelijk de Zoon van God.quot; — Met imperf. êtióf-xamp;v der Alexaudr. is minder natuurlijk, dan de aor. van den T. R., van de Byzant., van de oude vertalingen, en zelfs van de Syrische van Cureton. — Gelijk de uitroep van den hoofdman een voorspel is van de bekeering der heidenwereld, zoo is de ontsteltenis, welke zich meester maakt van de Joden, die van dit tooneel getuige waren (vs. 48), een voorspel van de boete en de eindelijke bekeering van het Joodsche volk (vgl. Zach. 12 : 10—14). De uitdrukking ósap\'ix, schouwspel, zinspeelt op de nieuwsgierigheid, die deze menigte naar Golgotha gedreven had.

Vs. 49. Onder de bekenden van Jezus, waarvan dit vers spreekt, moesten zich ook eenigen van de apostelen hebben bevonden. Dit blijkt, naar het ons voorkomt, uit het woord iTOiVTSi, allen. Het ftxKpóêev, van verre (vooral met het xttó der Alexandr.), verraadt de vrees, die hen bebeersebte. Johannes en Maria waren in het begin dichter bij het kruis

574

-ocr page 595-

23 : 50—53,

gekomen (Joh. 19: 2G, 27). — Eerst later noemt Lukas eenigen van do aanwezige vrouwen. Mattheus en Markus noemen hier Maria Magdalena, over wie ook Johannes spreekt, Maria, do moeder v»n Jakobus en Joses, waarschijnlijk dezelfde, die Johannes „Maria, de vrouw van Klopasquot; noemt, en die de tante vau Jezus, was, en de moeder der zonen van Zebedeus, die Markus Salome noemt, en over wie Johannes het stilzwijgen bewaart, zooals altijd, wanneer er sprake is van de leden zijner familie. — Do Synoptici spreken niet over de moeder van Jezus Waarschijnlijk moet de uitdrukking: „ Van die ure af nam haaide discipel in zijn huisquot; (Joh. 19 : 27) letterlijk worden opgevat. Toen Maria het zoo teedere en liefdevolle woord hoorde, dat Jezus tot haar richtte, werd zij er zoo diep door getroffen, dat zij zich terstond verwijderde, zoodat zij bij den dood van Jezus, toen do vrienden van Jezus en de andere vrouwen naderbij kwamen, niet meer aanwezig was. — Ehryineiaxv, zij stonden daar, vormt een tegenstelling met uTréarpeCpov, zij gingen weg, (vs. 48). Terwijl het volk het kruis verliet, kwamen de vrienden van Jezus zich langzamerhand rondom het lijk groepecren. De woorden: en zagen deze dingen aan doelen niet alleen op de omstandigheden van den dood van Jezus, maar ook op het heengaan van het ontstelde volk. Deze kleine trek, die te danken is aan den onmiddellijken indruk der ooggetuigen, verraadt een bron, die zeer dicht bij de feiten is; en als hij bij de andere oorspronkelijke bijzonderheden van deze schildering gevoegd wordt, dan voert hij tot een geheel andere slotsom, dan die van Weiss, die hier over „een zeer vrije omwerking van het bericht van Mark. 15: 33—47quot; spreekt.

Vs. 50—53. De begrafenis van Jezus: „En zie, een man, Jozef genaamd, die lid van den raad was \'), een goed en 1) rechtvaardig man, 51. die

575

1

B laat xtxi vóór diKatot; weg.

-ocr page 596-

23 :47 —49.

Deze verzen beschrijven de onmiddellijke uitwerking van den dood des Heeren, eerst op den Romeinsclien hoofdraau (vs. 47), daarna op bet volk (vs. 48), en eindelijk op de aanhangers van Jezus (vs. 49). — Markus zegt van den hoofdman; loen hij zag. Bij hem hebben deze woorden, zooals hij zelf zegt, op den laatsten uitroep van Jezus en op zijn dood betrekking. Bij Mattheus en Lukas doelt deze zelfde uitdrukking op al de gebeurtenissen, die voorgevallen waren. — Lukas geeft het woord van den heiden in den eenvoudigsten vorm terug: Deze mensch ivas rechtvaardig, d. w. z.: Hij was geen boosdoener, zooals men beweerd heeft. Hoe kan Meyer zeggen, dat deze vorm bet resultaat is van het latere nadenken. Hij is veeleer de uitdrukking van het oogenblikkelijk gevoel. Maar deze hulde sloot een andere in zich; want daar Jezus zich voor den Zoon van God had uitgegeven, moest Hij, als Hij een rechtvaardige was, nog meer dan dit zijn. üit wordt uitgedrukt door den uitroep van den hoofdman bij Mattheus en Markus. Tweemaal had Jezus aan het kruis God zijn Vader genoemd; de hoofdman kon zich dus wel aldus uitdrukken; „Hij was een rechtvaardige; Hij was werkelijk de Zoon van God.quot; — Het imperf. sSó^x^v der Alexandr. is minder natuurlijk, dan de aor. van den ï. R., van de Byzant., van de oude vertalingen, en zelfs van de Syrische van Cureton. — Gelijk de uitroep van den hoofdman een voorspel is van de bekeering der heidenwereld, zoo is de ontsteltenis, welke zich meester maakt van de Joden, die van dit tooneel getuige waren (vs. 48), een voorspel van de boete en de eindelijke bekeering van het Joodsche volk (vgl. Zaoh. 12: 10—14). De uitdrukking ösapix, schouwspel, zinspeelt op de nieuwsgierigheid, die deze menigte naar Golgotha gedreven bad.

Vs. 49. Onder de bekenden van Jezus, waarvan dit vers spreekt, moesten zich ook eenigen van de apostelen hebben bevonden. Dit blijkt, naar het ons voorkomt, uit het woord ttuvtss, allen. Het ftztcpóQev, van verre (vooral met het xttó der Alexandr.), verraadt de vrees, die hen beheerschte. Johannes en Maria waren in het begin dichter bij het kruis

574

-ocr page 597-

23 : 50—53.

gekomen (Joh. 19; 2G, 27). — Eerst later noemt, Lukas eenigon van de aanwezige vrouwen. Mattheus en Markus noemen hier Maria Magdalena, over wie ook Johannes spreekt, Maria, do moeder van Jakobus en Joses, waarschijnlijk dezelfde, die Johannes „Maria, de vrouw van Klopasquot; noemt, en die de tante van Jezus, was, en de moeder der zonen van Zehedaus, die Markus Salome noemt, en over wie Johannes het stilzwijgen bewaart, zooals altijd, wanneer er sprake is van de leden zijner familie. — Do Synoptici spreken niet over de moeder van Jezus. Waarschijnlijk moet de uitdrukking: „Van die ure a/quot; nam haaide discipel in zijn huisquot; (Joh. 19 ; 27) letterlijk worden opgevat. Toen Maria het zoo teedere en liefdevolle woord hoorde, dat Jezus tot haar richtte, werd zij er zoo diep door getroffen, dat zij zich terstond verwijderde, zoodat zij bij den dood van Jezus, toen de vrienden van Jezus en de andere vrouwen naderbij kwamen, niet meer aanwezig was. — EiVrijjcf/ov.i\', zij stonden daar, vormt een tegenstelling met vxitiTfeCpov, zij gingen weg, (vs. 48). Terwijl het volk het kruis verliet, kwamen de vrienden van Jezus zich langzamerhand rondom het lijk groepeeren. De woorden: en zagen deze dingen aan doelen niet alleen op de omstandigheden vau den dood van Jezus, maar ook op het heengaan van het ontstelde volk. Deze kleine trek, die te danken is aan den onmiddellijken indruk der ooggetuigen, verraadt een bron, die zeer dicht bij de feiten is; en als hij bij de andere oorspronkelijke bijzonderheden van deze schildering gevoegd wordt, dan voert hij tot een geheel andere slotsom, dan die van Weiss, die hier over „een zeer vrije omwerking van het bericht van Mark. 15: 33—47quot; spreekt.

Vs. 50—53. De begrafenis van Jezus: „En zie, een man, Jozef genaamd, die lid van den raad was \'), een goed en1) rechtvaardig man, 51. die

575

1

C laat kui vodr Jixaio? weg.

-ocr page 598-

23 ; 50—53.

niet mede bewilligd had ^ in de beslissing en de handelwijze der anderen, van Arimathea, een Joodsche stad, die ook zelf ^ het rijk Gods verwachtte, 52. deze ging tot Pilatus en verzocht om het lichaam van Jezus. 53. En het1) afgenomen hebbende, wikkelde hij het in eon doodlaken en legde hetquot;) in een graf, dat in een rots was uitgehouwen, en waarin nog nooit 2) iemand gelegd was.quot;

Volgens Johannes verzochten de Joodsche overheden Pilatus, de lijken te laten wegnemen vóór het begin van den volgenden dag, die een buitengewone Sabbat was. Want al waren Jezus en zijn medegekruisigden nog niet gestorven zij konden toch sterven vóór het einde van den aankomenden dag, die daardoor verontreinigd zou worden, en wel zooveel te meer, omdat men, daar het een Sabbat was, de lichamen moest laten hangen (f)eut. 21 ; 22). — Het door Pilatus bevolene crucifragium had niet ten doel, den onmiddellijken dood der gekruisigden te veroorzaken, maar dien te verhaasten en onvermijdelijk te maken. Als dat geschied was, mochten zij van het kruis worden afgenomen. Daaruit verklaart zich de verwondering van Pilatus, toen Jozef van Arimathea hem kwam mededeelen, dat Jezus reeds gestorven was, en hem om het lichaam verzocht (Mark. 15 ; 44). — De verborgen vrienden des Heeren komen te voorschijn op bet ocgenblik

576

1

N K C D L laten ocvto weg.

2

A B L lezen oudeit; ovttco (D: outtco ov$eilt;;), in plaats van ovèsirco ovcgt;eist dat T. R met E en 8 Mjj. leest, of ovdeis ovdeTru, dat N C en 5 Mjj. lezen.

-ocr page 599-

23 : 50—53.

van zijn rliepsten smaad. Reeds wordt het woord van Paulus vervuld (2 Cor. 5 : 14): „De liefde van Christus dringl ons.quot; Ieder Evangelist kenschetst Jozef op zijn eigene wijze. Door Lukas wordt hij genoemd: een rjoed en rechtvaardig raadsheer; dit is het Grieksche rnxhoi; xpyxQoi;, het Grieksche ideaal; door Markus: een eerwaardig raadsheer, het Romeinsche ideaal; door Mattheus; een rijk man; is dit niet het Joodsche ideaal? Lukas doet ook nog uitkomen, dat hij niet mede bewilligd had in het vonnis {(Sou^Ji), noch in de schandelijke praktijken (irpdi-si), waardoor de toestemming van Pilatus tot de terdoodbrenging van Jezus verkregen was geworden. \'Api/txöaïx is de Grieksche vorm van Ramathaïm (1 Sam. 1 : l), den naam der geboortestad van Samuël, in het gebergte van Ephraïin, dus buiten de natuurlijke grenzen van Judea gelegen. Maar sedert den tijd, waarvan sprake is in 1 Makk. 10 : 38 en 1.1 : 34, was de stad bij deze provincie ingedeeld; van daar de uitdrukking: stad der Joden. Wat Jozef betreft, hij woonde reeds sedert eenigen tijd te Jeruzalem, daar hij daar een graf bezat. — De Alexandr. lezing mi KpoadsxsTo is wel de kortste, maar kan niet de echte zijn, wat Weiss ook zeggen moge. Want zij kan geen rekenschap geven van de verschillende toevoegsels, die in al de andere teksten voorkomen. Het is in dit geval waarschijnlijker, dat de varianten uit de langste lezing, door weglating van een gedeelte daarvan, zijn voortgekomen, bij gevolg uit den T. R. \'óg kx) TrpcaeiéxiTO xx) xóró?, die op verschillende wijzen werd afgekort wegens het pleonasme, dat hij scheen te bevatten. De afschrijvers hebben de beteekenis van dit xx), ook, en van het xx) xurós, ook zelf, niet begrepen. Met het eerste ook voegt Lukas aan do hoedanigheden, welke hij Jozef reeds toegekend had, nog die van geloovige toe; en met het ook zelf onderscheidt hij hem van de vrienden van Jezus, die zich reeds openlijk als zoodanig hadden verklaard. Ook hij was een der zijnen, hoewel bij schijnbaar nog tot zijn vijanden behoorde.

Markus (15 : 4C) deelt mede, dat het lijnwaad, waarin het lichaam van Jezus werd gewikkeld, toon door Jozef

Godet Intkas. II. 37

577

-ocr page 600-

23:54—56.

daarvoor gekocht werd. Hoe laat zich zulk een aankoop verklaren, als die dag een Sabbat, de 15Je Nisan was? Langen antwoordt, dat Ex. 12 : 16 ten opzichte van de toebereiding van spijzen een verschil vaststelde tusschon den I5den Nisan en den eigenlijk gezegden Sabbat, en dat dit verschil zich ook tot andere omstandigheden van het leven, b.v. tot noodzakelijke aankoopen, had kunnen uitstrekken; ook kon men koopen, zonder op dien zelfden dag tu betalen. Maar er bestaat geen enkele reden om de in Ex. 12 gegevene vergunning verder uit te breiden, dan door de uitdrukkingen van den tekst zelf wordt aangeduid.

Volgens de Synoptici werd dit graf gebruikt, omdat hot Jozef toebehoorde. Volgens Johannes, omdat het zich nabij de strafplaats bevond, en do Sabbat ophanden was. Maar deze twee beweegredenen weerspreken elkander zoo weinig, dat zij veeleer ten nauwste met elkander samenhangen. Want hoe had de nadering van den Sabbat op de keuze van deze grafspelonk invloed kunnen uitoefenen, indien zij niet een der vrienden van Jezus had toebehoord? — De Synoptici spreken niet over de deelneming van Nicodemus aan do begrafenis des Hoeren. Deze bijzonderheid, dio dooide overlevering was voorbijgezien, heeft Johannes aan de vergetelheid ontrukt.

Vs. 54—56. De laatste oogenblikken van dien dag: „En die dag was de voorbereiding 1), en de Sabbat zou beginnen. 55. En ook2) de vrouwen, die met Hem uit Galilea waren gekomen, volgden, en aanschouwden het graf, en hoe zijn lichaam daarin gelegd werd. 56. En wedergekeerd zijnde,

578

1

T. R. Iccat TrafxTHsvfi, met A en li Mjj.; N H C li It.: %cifcf.iriteuw.

2

T. R. leest Je kxi, met eonige Man.; N A en 13 Mjj. laten koii weg; BLPX; Se «lt;.

-ocr page 601-

23 : 54—50.

bereidden zij specerijen en oliën; en gedurende den Sabbat rustten zij naar het gebod.quot;

Leest men den nominat. TrxpxansvJi, voorbereiding, clan moet deze uitdrukking waarschijnlijk in den zin van Vrijdag, den dag der voorbereiding van den Sabbat, worden genomen; vgl. de Syrische overzetting van Cureton, waar het woord in den zin van feria sexla vertaald is. Bij de Alexandr. lezing nxpwxdjyji; zou het woord dezelfde beteekenis kunnen hebben; maar het kan ook enkel het karakter van den aldus aatigo-duiden dag te kennen geven, en bijgevolg betrekking hebben pp den vooravond van den een of anderen feestdag, die een voorbereiding vereischt. Deze kwestie aangaande den zin van 7r«:p«!75(fugt;j is gewichtiger dan het schijnt. Want indien Jezus op den feestdag zelf, den löd6quot; Nisan, gekruisigd is, dan kan Trxpx^xsuyi slechts nog den Vrijdag aanduiden, ds gewone voorbereiding van den Zaterdag, den wekelijkschen Sabbat. Maar hoe kan men aannemen — zoo vragen wij met Gaspari (bl. 172) — dat de groote dag van hel feest, die zelf een Sabbat was, evenals ieder gewone Vrijdag, als voorbereiding van den wekelijkschen Sabbat, is aangeduid? Laat ons opmerken, dat de verklarende uitdrukking vóórsabbat, die Markus er bijvoegt, niet ailoen den vooravond van den Vrijdag, maar ook dien van eiken als Sabbat te vieren dag beteekenen kan, en dat in het onderhavige geval beide beteekenissen samenvielen, daar, volgens ons gevoelen, de dag na den dood van Jezus zoowei een Zaterdag als do eerste groote dag van het feest was. Blijft men volhouden, dat de sterfdag van Jezus, die hier TrxpxvKsuyi genoemd wordt, de lö1!0 Nisan zelf was, een feestdag, maar tegelijk de voorbereiding van den Sabbat, dan verwikkelt men zich in een onoplosbare tegenspraak. Want hoe zou men zich moeten haasten, het lichaam to begraven, omdat de Sabbat zou beginnen, indien de dag zelf, waarop dat geschieden zou, oen Sabbat was? Weiss erkent deze tegenspraak (Markus-evang., bl. 505), en antwoordt eenvoudig: „Markus heeft het niet gemerkt.quot; Maar men moet ook erkennen, dat dezelfde

-ocr page 602-

23 : 54—56.

tegenspraak eveneens Viij Mattheus te vinden is; want 27 : (32 zegt hij: „Op den volgenden dag (na den dood van Jezus), welke is na dn voorbereiding.quot; Is het denkbaar, dat hij daarmede heeft willen zeggen; op don volgenden dag, die de dag na den Vrijdag is? Hoe kan men den dag, die op den sterfdag van Jezus volgt, den dag noemen, die na den Vrijdag is? Daarentegen is er niets natuurlijker, dan deze uitdrukking, als Trxpaaxsvy de voorbereiding van het Paaschfeest beteekent. Mattheus noemt den grooten dag van het feest, den 15don, „den dag, die op den dag der voorbereiding volgde, omdat de laatste, de 14de, in zijn oogen de gewichtigste geworden is door het feit, dat hij de sterfdag van Jezus was. Daarmede spreekt hij indirect uit wat Johannes mededeelt: dat Jezus gestorven ia op den dag der voorbereiding van het Paaschfeest, d. w. z. op den lé\'iequot;, en niet op den 15de11 Nisan. Weiss zegt (in Meyer-Weiss, Mark. 15 : 42), „dat de oorspronkelijke overlevering ten opzichte van den sterfdag van Jezus met het bericht van Johannes overeenstemde.quot; Zeer goed! Maar na zulk een bekentenis zou het niet meer dan billijk zijn, het in zwang zijnde gevoelen over den ziu van het Synoptische bericht aangaande den sterfdag van Jezus te herzien (zie het aanhangsel aan het einde van dit hoofdstnk), — De uitdrukking begon te lichten, laat zich verklaren, of uit het feit, dat de burgerlijke dag bij de Jodeu des avonds begon, óf daaruit, dat dit het oogenblik was, waarop de sterren zichtbaar werden (Keil), of waarop het licht werd opgestoken.

Vs, 55. Deze vrouwen volgden {rnxTxy-ohovówixcrxi) hen, die het lichaam van Jezus in het graf overbrachten, en beschouwden de plaats, met het doel, na den Sabbat terug te komen, om de balseming te voltooien, die in haast was geschied. Het xxi vóór yvvxïKs- is ongetwijfeld een corruptie van het (Alexandr.) x\'i.

Vs. 56. De zijn welriekende kruiden, en ftvpa

duidt welriekende olieën aan. — Wij vragen opnieuw, wat dit rusten van de vrouwen gedurende den Sabbat, die nu een aanvang zou nemen, beteekenen zou, indien de dag.

580

-ocr page 603-

23 : 54—56.

waarop men het zooevcn genoemde werk heeft verricht, de groote feestdag van den ló11611 was geweest. — Markus zegt, een weinig verschillend (16 : 1), dat zij hare voorbereidingen maakten, toen de Sabbat voorbij was, d. w. z. eerst aan den avoud van den volgenden dag. Waarschijnlijk hadden zij aan den avond van den sterfdag van Jezus slechts een aanvang gemaakt met de voorbereidingen, en voleindigden zij deze den volgenden avond. — Men heeft gevraagd, hoe de vrouwen er toe konden komen, voorbereidingen te maken tot het balsemen van het lichaam van Jezus, indien Hij zijn opstanding voorzegd had. Maar wij hebben het aan het voorbeeld van den boetvaardigen moordenaar gezien: men verwachtte wel een glorierijke wederverschijning van Jezus na zijn dood, maar niet de herleving van zijn in het graf gelegd lichaam. — De vrome en nederige getrouwheid dezer Israëlitische vrouwen ten opzichte vau de wet komt sterk uit in deze woorden van Lukas: En op den Sabbat rustten zij naar het gebod. Men kan zeggen, dat deze Sabbat de laatste was van het oude Verbond, dat met den dood van Christus een einde nam. Hij werd met nauwgezetheid ge-eerbiedigd door allen, die zonder het te weten, het nieuwe gingen inwijden.

De sterfdag van Jezus.

Wij hebben ons zooeven overtuigd, dat de sterfdag van Jezus, zoowel volgons de Synoptici als volgens Johannes, niet de eerste en groote dag van het Paaschfeest, de 15de Nisan, was, maar de dag te voren, de 14de, die de voorbereiding van het Paaschfeest werd genoemd. Dat jaar viel deze dag op een Vrijdag, zoodat de volgende dag een dubbele feestdag was, ten eerste als wekelijksche Sabbat, en ten tweede als eerste dag der Paaschweek. Dit doet Johannes uitkomen in de woorden (19 ; 31): „Want die dag des Sabbats was groot.quot; Daaruit volgt, dat de laatste maaltijd van Jezus, waarbij Uij hot Avondmaal instelde, niet aan den avond van den 14du)1 op den 15dua, waarop het volk Paaschmaal

581

-ocr page 604-

23 : 54—56.

hield, heeft plaats gehad, maar op den avond te voren, nl. dien van deu l^0quot; op don Nisan. Tot dit resultaat

voeren al de besprokene plaatsen: 22:7—9, 10—13, 66; 23 : 26, 53—54, 55—56; Matth. 26 : 5, 8; 27 : 62; Mark. 14 : 2; 15 : 42, 46; zoodat er, wat het eigenlijke vraagstuk betreft, nergens een wezenlijk verschil tusschen onze vier Evangelische verhalen bestaat. De loop der zaak was als volgt: Den 1S^011, tegen den avond, zond Jezus zijn twee discipelen, die zijn vertrouwen het meest verdienden, uit, om het Paaschmaal voor te bereiden; volgens de meening van al de andere apostelen geschiedde dit met het oog op den avond van den volgenden dag, waarop het nationale feest eerst gevierd moest worden. Maar Jezus wist, dat dan de tijd om dit Paaschfeest te vieren voor Hem voorbij zon zijn, en daarom gaf Hij de twee discipelen, die Hij zond, de noodige aanwijzingen. Dienzelfden avond, eenige uren na hun vertrek, volgde Hij hen naar Jeruzalem, en zette zich aan den door hen en den heer des huizes bereiden disch. Voor de apostelen, die bij Hem gebleven waren, was dit een verrasssing, waarop waarschijnlijk het woord van Luk. 22 : 15 betrekking heeft; „Ik heb vurig verlangd dit Pascha mei u le eten, voordat ik lijd.quot; Vooral voor Judas, die besloten had, Hem dien zelfden avond over te leveren, moet het eeno verassing zijn geweest.

Dit exegetisch resultaat is met de Joodsche traditie in overeenstemming. In Dab. Sanhedr. 43, 1 wordt uitdrukkelijk gezegd (Caspari, bl. 156): „Jezus op den dag vóór het Paaschfeest opgehangen. Een omroeper had 70 dagen lang bekend gemaakt, dat een man moest worden gesteenigd, omdat hij Israël verblind en tot een scheuring verleid had, en dat hij, die iets tot zijn rechtvaardiging te zeggen had, zich moest vertoonen, om voor hem te getuigen; maar er kwam niemand, om hem to rechtvaardigen. Toen hebben zij hem aan den avond (vooravond) van het Paaschfeest (nos aim) gekruisigd.quot; Deze laatste uitdrukking kan niets anders te kennen geven, dan den avond vóór het Paaschfeest, gelijk rouin my, avond van den Sabbat, altijd slechts den

582

-ocr page 605-

23 ; 54—56.

Vrijdagavond aanduidt. — Deze zienswijze schijnt ook het allereerst in de kerk te hebben geheerscht, zooals wij uit Clemens van Alexandrië zien, die leefde in een tijd, toen de oorspronkelijke overlevering nog niet verdwenen was, en die zonder te aarzelen deze verklaring huldigt. — Zij is ook in overeenstemming met het symbolisch karakter van de daden Gods. Jezus sterft des namiddags van den 14den; het was het oogenblik, waarop het Paaschlam in den tempel geslacht werd. Op den 15den Nisan rust Hij in het graf; het was een dubbele Sabbat, als Zaterdag en als eerste dag van het feest: de rustdag, die de eerste schepping van de tweede moest scheiden. Jezus staat den lö\'1611 Nisan weder op; het was de dag, waarop men in den tempel den koek, die gemaakt was van de eerste garve, die in dit jaar was geoogst, Gode ten offer bracht, de dug der eerstelingen. Denkt Paulus niet aan dit symbolisme, als hij zegt (1 Oor. 15 : 23): „Maar een iegelijk staat op in zijn eigene orde: de eersteling Christus; daarna die van Christus zijn, bij zijne komstquot;? Laat ons hier nog opmerken, dat indien Paulus den nacht, waarin Jezus het heilige Avondmaal instelde, beschouwd had als dien, waarin geheel Israël het Pascha vierde, bij hem niet eenvoudig als den nacht, rvaarin de Heer verraden werd (1 Cor. 11 : \'.\'3), zou hebben aangeduid.

De eenige kwestie, die na het gezegde nog twijfelachtig zou kunnen schijnen. is de vraag, of de redacteurs van onze drie Synoptische verhalen zich duidelijk rekenschap hebben gegeven van dezen werkelijken loop der dingen. Zij hebben ons de feiten en de woorden, waaruit wij hem kunnen opmaken getrouw overgeleverd; maar hebben zij alles helder voor den geest gehad? Is de laatste maaltijd van Jezus, waarbij Hij, in aansluiting aan de gebruiken van het Paaschmaal, het Avondmaal instelde, in het traditioneele verhaal niet met het nationale Paaschmaal van dat jaar vereenzelvigd geworden? En heeft deze verwarring geen invloed uitgeoefend op de voorstelling, die de Synoptici van de feiten geven, inzonderheid op den aanvang van het bericht (Luk. 22 ; 7 en parall.)? Daaruit zou de schijn van een tegenspraak, niet alleen met

583

-ocr page 606-

23 ; 54—56.

Johannes, maar ook met zichzelf zijn ontstaan. Feitelijk kan de geheele moeilijkheid tot het volgende worden herleid; de Synoptici verhalen eenvoudig, zonder zich in te laten mot het verschil tusschen dezen laatsten maaltijd van Jezus en het Israëlitische Paaschmaal, terwijl Johannes, die de verwarring heeft gezien, welke op dit punt heerschte, uitdrukkelijk het verschil tusschen het eene maal en het andere doet uitkomen. — Wij hebben het genoegen, in deze kwestie overeen te stemmen met Krümmel (in het Literalurblalt van Darmstadt, Febr. 1868), met Baggesen {Der ApostelJohannes, sein Leben und seine Schriften, 1868), en, wat de hoofdzaak betreft, met Caspari en Beysohlag {Leben Jesu, 1885, I, hl. 372), van wien wij de volgende plaats aanhalen: „Het vermoeden dringt zich hier op, dat er een verwarring heeft plaats gehad, waarvan onze Synoptici zich niet bewust zijn geweest. Zij wisten, dat Jezus op het Paaschfeest gekruisigd werd, zonder over den dag een bepaalde opgave te hebben. Zij wisten ook, dat Hij den avond vóór zijn dood nog het Pascha met de zijnen gegeten en het heilige Avondmaal ingesteld had, terwijl Hij zekere bestanddeelen van het Paaschmaal daarmede combineerde... Maar de omstandigheid , dat Hij, zijn dood voorziende, het Paaschmaal vervroegd, of, als men dit liever wil, een afscheidsmaal in den vorm van het Paaschmaal gehouden had, was door de mondelinge overlevering, die zich weinig over chronologische gegevens bekommerde, niet bewaard geworden,quot; Weiss {Leben Jesu, II, hl. 489—498) daarentegen neemt aan, dat men, omdat er zulk een groote menigte lammeren te slachten waren, reeds in den namiddag van den hiermede een aanvang

maakte, waarvan het gevolg was, dat een zeker aantal familiën het Paaschmaal aan den avond van den 13den op den 14dm vierden. Met het oog op zijn op handen zijnden dood, zou Jezus zich bij dit gebruik hebben aangesloten. Doch er is in de geschiedenis zelfs niet het geringste spoor te vinden van een dergelijke willekeurige afwijking van de wettelijke verordening, — De toedracht der zaak is volgens ons gevoelen wel die, welke Weiss aanneemt, maar krachtens

584

-ocr page 607-

23 : 54—56.

fie souvereiniteit van Jezus zelfs over do wet, zoo dikwijls de omstandigheden eene afwerping van baar letter gebiedend vereiscbten. „De Zoon des nienscben is Heer ook van den Sabbatquot;, had Jezus verklaard; van den Sabbat, de heiligste van alle wettelijke inzettingen. Hij was daarom ook Heer van het Paaschmaal. En daar Hij het in dit geval of in het geheel niet, öf een dag te voren vieren moest, heeft Hij aan het laatste de voorkeur gegeven; en als stichter van het nieuwe Verbond had Hij daartoe het volste recht, daar dit maal zoowel de afschaffing van het oude als de inzetting van het nieuwe Paaschfeest moest zijn.

Over het verband tusschen deze kwestie aangaande den sterfdag van Jezus en den strijd, die in de tweede eeuw (tusschen 160 en 190) over het Paaschfeest werd gevoerd, zie men mijn Commentaire sur Cévangile de Jean, III, bl. 619—625.

585

Er blijft nog over, uit deze bepaling van den sterfdag van Jezus een gevolgtrekking te maken betreffende het jaar, waarin Hij stierf. Wij hebben gezien, dat de 14de Nisan, die tegelijk de voorbereiding van het Paaschfeest en de dag der kruisiging was, dat jaar op een Vrijdag viel, en de eerste dag van het Paaschfeest, de 15de Nisan, op een Zaterdag. Nu blijkt uit de berekeningen van Wurm (Bengel\'s Archiv., 1816, II) en van Oudemann, Prof. in de sterre-kunde te Utrecht {Revue de Ihéol., 1883, bl. 221), wier resultaten slechts weinige minuten van elkander verschillen, dat in de jaren 28—36 van onze tijdrekening, in een waarvan de dood van Jezus noodzakelijk moet zijn voorgevallen, de eerste dag van het Paaschfeest, de 15(1« Nisan, alleen in 30 en 34 (783 en 787 na de stichting van Home) op een Zaterdag viel \'). Als dus Jezus (Zie I, bl. 26) aan het

i) Men haalt somtijds lt;le berekening van Wurm in een teficuovergeateldcn zin aan. Maar men moet niet vergoten, dat hij de dagen, evenals wij, van middernacht af rokent, en niet, zooals do Joden, van den ondergang der zon af. i)ozo omstandigheid oefent in hot onderhavige geval eon beslissenden invloed uit {Gaspari, bl. 1G).

-ocr page 608-

23 : 54—56.

586

einde van het jaar 749 of aan het begin van het jaar 750 na de stichting van Rome, 3—4 jaren vóór onze tijdrekening, geboren, en in den loop van zijn 30ste jaar gedoopt is (Luk. 3:23); als zijn openbare werkzaamheid ongeveer 21/3 jaar heeft geduurd (Johannes); en als zijn dood, zooals al de Evangelisten getuigen, tegen het Paaschfeest heeft plaats gehad, dan moet het jaar 30 onzer tijdrekening (783 na de stichting van Rome) het sterfjaar van Jezus geweest zijn. Het resultaat der astronomische berekening bevestigt dus de opgaven der Evangeliën, inzonderheid die van Johannes, en wij kunnen als datum van den dood van Jezus Vrijdag den 14den Nisan (7 April) van het jaar 30 vaststellen \').

1

Caspari stelt evenals w.j, den doop van Jezus in het jaar 28, en zijn dood in het jaar 30; Beyschlaff stelt den doop in 27, en den dood in 29; Keim, het begin der openbare werkzaamheid in het voorjaar van 31, don dood van Johannes den Dooper in den herfst van 34, den dood van Jezus op hot Paaschfeest van 36; Eitzig, den dood van Jezus in 36.

-ocr page 609-

ZEVENDE GEDEELTE.

Dp, Opstanding en de Hkmelvaabt.

Hoofdst. 24.

In dit gedeelte der Evangelische geschiedenis wijken de vier berichten het meest van elkander af. Gelijk vrienden, die een tijdlang met elkander gereisd hebben, aan het einde der reis uiteengaan, om ieder afzonderlijk den weg in te slaan, die hen naar den huiselijken haard voert, zoo oefent in dit laatste gedeelte het bijzondere doel van iederen Evangelist, dat, zooals wij gezien hebben, tot hiertoe een bijzonderen stempel op zijn verhaal gedrukt heeft, een nog duidelijker invloed, dan vroeger op de vier berichten uit. Lukas die van plan is, de trapswijze toeneming van het werk van Christus, van Nazareth tot Jeruzalem en van Jeruzalem tot Rome te schilderen, bereidt in deze laatste verhalen van zijn Evangelie de beschrijving van de apostolische prediking en van de stichting der kerk, die hij in de Handelingen der apostelen geven zal, voor. Mattheus, die zich voorgesteld heeft, het bewijs voor de Messiaamche waardigheid van Jezus te leveren, en Hem als den stichter van het koninkrijk Gods voor te stellen, kroont deze bewijsvoering door het bericht van de verschijning van den opge-stanen Jezus, waarbij Hij zijn gemeente met zijn verhooging tot de wereldheerschappij bekend maakte, en zijn apostelen in hunne zending als veroveraars van de wereld installeerde. Johannes die de geschiedenis van de ontwikkeling van hel geloof bij de stichters der kerk parallel mot die van het ongeloof iu Israël verhaalt, besluit zijn bericht met de ver-

-ocr page 610-

24 : 1—3.

schijning, waarbij de belijdenis van Thomas in den kring der apostelen den triomf van het geloof over het ongeloof voltooide. Hoewel het slot van het werk van Markus afgeknot is, vindt men daarin toch nog den karakteristieken trek van zijn geheele verhaal: Jezus, de werkzame en machtige Evangelist, die van den hemel uit bij de verkondiging van het heil met zijn apostelen samenwerkt.

Ieder Evangelist weet dus, wat bij beoogt en wat hij wil, en dit is de reden, waarom de berichten meer van elkander afwijken, terwijl zij hun einde naderen. Onder de vier berichten zijn de twee, die het meest uiteenloopen, dat van Mattheus, die al den nadruk legt op de groote Galileesche verschijning, en van Lukas, die slechts de verschijning in Judea mededeelt. De twee anderen zijn als de middenste termen tusschen deze uitersten. Het verbaal van Markus schijnt in dit gedeelte (van 16 : 9 af) dat van de twee anderen te combineeren. Johannes vereenigt ze in zich, doordat hij, evenals Lukas, de verschijningen te Jeruzalem bericht, maar ook, evenals Mattheus, een merkwaardige verschijning in Galilea vermeldt. Want indien Hoofdst. 21 niet door de hand van Johannes geschreven is, dan berust het toch in ieder geval op een traditie, die van hem is uitgegaan. liet feit, dat er zoowel in Judea als in Galilea verschijningen hebben plaats gehad, wordt, zooals wij zien zullen, zijdelings ook door Paulus bevestigd.

Het bericht van Lukas behelst: 1° Het bezoek der vrcuwen en van Petrus aan het graf (vs. 1 —12); 2° de verschijning aan de twee discipelen op den weg naar Emmaüs (vs. 13—32); 3° de verschijning aan de apostelen aan den avond van den dag der opstanding (vs. 44—49); 4° de laatste onderrichtingen van Jezus (vs. 44—49), 5° de Hemelvaart (vs. 50—53).

I. Vs. 1—12: Het bezoek der vrouwen en van Petrus aan het graf.

Vs. 1—3. De aankomst der vrouwen: „En op den eersten dag der week, /eer vroeg in den morgen-

588

-ocr page 611-

24 : 1—3.

stondt), kwamen zij aan het grafa), dragende de specerijen, die zij bereid hadden1); 2. en zij vonden den steen van het graf afgewenteld. 3. En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heer Jezus 2) niet,.quot;

Spelen de vrouwen in het verhaal van de opstanding de eerste rol, dit is daaraan toe te schrijven, dat een bijzondere plicht haar naar het graf roept. — Deze vrouwen waren volgens Mattb. 28 ; 1 Maria Magdalena en de andere Maria (de tante van Jezus); volgens Markus (16: 1), deze zelfde twee, en bovendien Salome, de moeder van Jakobus en Johannes; volgens Lukas (vs. 10), do twee eersten, en bovendien Johanna, de vrouw van Chuza, den rentmeester van Herodes (8 : 8). Johannes noemt alleen Maria Magdalena bij name. Maar behalve dat bet weinig waarschijnlijk is, dat zij in dit vroege morgenuur alleen aan het graf zou gekomen zijn, zinspeelt zij zelf op de aanwezigheid van andere personen, als zij zegt: „Wij welen niet, waar men hem gelegd beeft,quot; Dat Johannes haar in het bijzonder noemt, geschiedt met het oog op de verschijning, die hij in al haar bijzonderheden wilde mededeelen, en die de overlevering of voorbijgezien (Lukas), of algemeen gemaakt had door haar op al de vrouwen betrekking te doen hebben (Mattheus). Voor Maria Magdalena had deze verschijning, als de eerste, een bijzonder gewicht. — Aangaande het tijdstip der aankomst zegt Lukas: bij het krieken van den dag. Het (Sxösccc der Alexandr. is een adverbium. De uitdrukking o^js (rx(3(3xTcov van Mattheus zou op zichzelf kunnen beteekenen: „aan den avond van den Sabbatquot;, waardoor do

589

1

T. B. leest hier met AD eu 13 Mjj. Syr,, xxi nvf? ruv auraii;, welke woorden door N B O L It. Vg. warden weggelaten.

2

D It. laten rou Kvfiov Itia-ou weg.

-ocr page 612-

24 : 1—3.

opstanding op Zaterdagavond zou worden gesteld. Maar de door Bleek aangehaalde uitdrukkingen: ó\\p£ (tvaTypim, per-aclis mysteriis, oxfjs tmv Tpuïxüv, na den Trojaanschen oorlog, enz. bewijzen, dat de zin ook kan zijn: toen de Sabbat voorbij was; en de volgende nadere verklaring Tijj sTritpur-xovay ei? verheft het boven allen twijfel, dat Matthous den tijd van de morgenschemering wil te kennen geven. Markus zegt: „toen de zon opgegaan wasquot;, hetgeen een later oogen-blik aanduidt. Dit is een verschil, dat de onafhankelijkheid der berichten aantoont, en zich laat verklaren uit het feit, dat de verschillende groepen achtereenvolgens zijn aangekomen, en wel zooveel te meer, daar haar doel verschillend kan zijn geweest. Volgens Mattheus kwamen zij slechts, om het graf te bezoeken; volgens de twee andere Synoptici, om het lichaam te balsemen. — De woorden: en eenigen met haar van den T. R. zijn ongetwijfeld een interpolatie, welke ten doel heeft, de verzoening van het bericht van Lukas met dat van de twee anderen, waarin nog andere vrouwen genoemd worden, gemakkelijk te maken.

Het feit der opstanding zelf is door geen van de Evangelisten verhaald, daar niemand daarvan getuige is geweest. Alleen de Opgestane is gezien geworden, en van Hem getuigen zij. Mattheus is degene, die het verst begint. Volgens zijn verhaal had er een aardbeving plaats ten gevolge van {yxp) het feit, dat een engel, uit den hemel nederdalende, den steen wegwentelde; daarna ging de engel er op ziitea en namen de wachters de vlucht. Zonder twijfel heeft dit bericht een poëtische tint, die zich zelfs in den stijl openbaart (het parallelisme van vs.). Maar een feit van dien aard moet noodwendig hebben plaats gehad. Want waaraan zou het anders zijn toe te schrijven, dat het graf bij de aankomst der vrouwen open was? Met dit oogenblik vangen de andere berichten aan. Bij Johannes komt Maria Magdalena met de andere vrouwen aan, en van verre den steen afgewenteld ziende, meent zij, dat het lichaam weggenomen was, en loopt weg, om Petrus en Johannes daarmede in kennis te stellen. De andere vrouwen, op wie zij zinspeelt als zij

590

-ocr page 613-

24 : 4—7.

zegt: Wij welen niet..., blijven bij dat graf, en naderbij komende, zien zij de verschijning van den engel, en keeren daarna naar huis terug. Eerst nadat zij weggegaan zijn, komt Maria Magdalena met Petrus en Johannes terug (Joh. 21 : 1—9), en toen deze weêr weg waren, zag zij de twee engelen, en daarna den Heer zelf. Verhaalt Mattheus een verschijning van Jezus, welke haar gezellinnen, die vóór haar naar de stad terugkeerden, te beurt viel, de woorden der twee Emmaüsgangers (vs. 22—23) en het bericht van Mark. 16: 7 en 8 bewijzen duidelijk dat deze verschijning in de werkelijkheid geen andere is, dan die aan Maria Magdalena, welke hij algemeen heeft gemaakt. Dit wordt ook nog bevestigd door de treffende overeenkomst in de bijzonderheden, die er tusschen de twee berichten van deze verschijning bij Johannes en Mattheus bestaat: de vrouwen omvatten zijne voeten, evenals Maria; Jezus draagt haar, evenals deze, op, zijn opstanding aan zijn discipelen te gaan boodschappen.

Vs. 4—7. De verschijning en de boodschap der engelen: „En het geschiedde, toen zij niet wisten, wat zij daarvan denken moesten 1), dat, zie, twee mannen in blinkende kleederen2) bij haar stonden. 5. En terwijl zij zeer bevreesd waren en het aangezicht3) naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dooden? 6. Hij is hier niet, maar hij is opgestaan. Herinnert u, hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog in Galilea was, 7. zeggende: De Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de

591

1

N B C 1) L lezen ctxcpeiTftoii lt; in plaais van hoexopsurQai.

2

tfBD It. lezen eröyr/ xa-TpaTrrovrti, in plaats van het meervoud.

3

NBC en 5 Mjj. lezen ra Trpoa-Mra; T. R., met A en 41 Mjj. It.:

TO TTpOrCOTTOV.

-ocr page 614-

24 : 8—12.

handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan.quot;

Het neigen vau het aangezicht ter aarde is het teeken van eerbiedige vrees. — Reeds vóór zijn dooil heeft Jezus er aan gedacht, de geloovigen weder te verzamelen, en wel in Galilea (Mark. 14 : 28; Matth. 26 : 32). Deze samenkomst, die Jezus beloofd had, en die de engel thans aau-kondigt, betrof niet alleen de apostelen, maar al de geloovigen. Want de belofte van vs. 7 (Markus en Mattheus): „Daar zult gij Hem zienquot; geldt ook de vrouwen. Dit blijkt uit de woorden van Markus: „zooals Hij u gezegd heeft,quot; die niet meer behooren tot de woorden, die Jezus tot de apostelen gericht had, en vooral uit deze woorden bij Mattheus: „Ziet, ik heb het u gezegd.quot; Bij Lukas, die geen enkele verschijning van Jezus in Galiléa verhaalt, is van deze grooto samenkomst geen sprake. Galiléa wordt bij hem slechts vermeld (vs. 6) naar aanleiding van de herinnering aan de woorden, die Hij over zijn nabijzijnden dood had gesproken. — Lukas spreekt van twee mannen, twee hemelache wezens in menschengedaante; Johannes, van twee engelen, die aan Maria verschijnen; Mattheus en Markus vermelden slechts één engel, die aan de vrouwen verschenen is. De vermelding van twee mannen bij Lukas hangt wellicht samen met de verschijning van de twee engelen aan Maria Magdalena (Johannes). — De uitdrukking: avlpss txv.xpToj\'/.oi zondige menschen (vs. 7), duidt volgens het Joodsche spraakgebruik de heidenen aan, terwijl de uitdrukking overleveren aan de zonde der Joden herinnert.

Vs. 8—12. Het heengaan der vrouwen en de aankomst van Petrus: „En zij herinnerden zich zijne woorden. 9. En van het graf wedergekeerd zijnde, boodschapten zij al deze dingen aan de elven en aan al de anderen. 10. Het waren Maria

592

-ocr page 615-

24 : 8—12.

Magdalena, en Johanna, en Maria \'), (de moeder) van Jakobus, en de anderen met haar, die1) dat aan de apostelen zeiden. 11. En hare woorden schenen hun een sprookje toe, en zij geloofden haar niet. 12. 2) Maar Petrus, opstaande, liep naar het graf, en nederbukkende, (zag hij alleen de linnen doeken liggen, en) ging weg, zich bij zichzelven verwonderende.quot;

Over de verschijning van Jezus aan de vrouwen, die volgens Mattheus plaats had, terwijl zij van het graf weêr weggingen, zie men boven. — Het bericht van Lukas: Zij boodschapten. .. is naar de letter in tegenspraak met dat van Markus (v. 8): „Zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.quot; Maar deze twee mededeelingen hebben op twee verschillende oogenblikken betrekking; die van Lukas, welko v. 22—23 weêr uit den mond van de twee discipelen van Emmaus vernomen wordt, valt, zooals het slot van het vers aantoont, samen met de iets later door Maria Magdalena gebrachte tijding, die Petrus on Johannes deed besluiten, naar het graf te gaan. Het is duidelijk, dat toen eenmaal de eerste verrassing voorbij was, zoowel de apostelen als Maria Magdalena van het graf waren teruggekomen, de vrouwen haar stilzwijgen verbraken en niet langer bevreesd waren, te verhalen, wat haar overkomen was. Dit werd zonder twijfel door Markus medegedeeld in het ontbrekende echte vervolg van zijn verbaal.

593

1

T. R. leest T(5lt;5r e^eyov, met K en 5 Mjj. N A B en 10 Mjj. laten liet weg.

2

1) Ituliq Syr\'iier en waaracliijnlijk Eusebius laten dit vers weg 1)6 T. R. berust op N A B I L X F A A n en 9 Mj j. Syr. (met Syrcur) Vg. cn do andere OTerzettingen. — Maar NB laten Ksinevct weg; N A K n laten /xova weg; A

eest «tgt;)ov, in plaats van «TrijAflev.

Godet , LuTcas. II. 38

-ocr page 616-

24 : 8-12.

Vs. 10. Het k\'i van den T. K, en de latere Byz. Mss. (van 8 af, die uit de 8stfi eeuw is) ontbreekt wel in al do oudere Mjj., maar is toch de echte lezing. Zonder dit x\'i zou men moeten vertalen; „Het waren Maria Magdalena, Johanna . . . (nl. die dat verkondigden); en de anderen zeiden het met haar. .Maar waartoe dient het, de vrouwen in twee groepen te verdeelen ? Ik donk, dat de afschrijvers begonnen zijn mot het faxv op te vatten in den zin van; „Het waren . .Daarna heeft men cA honral tot het subject van heyov gemaakt, en het pron. xl moest doorgehaald worden.

Vs. 12. Het ontbreken van dit vers in den Cantabrigiensis en in oenigo oorkonden der Latijnsche en eener latere Syrische vertaling scheen Tischendorf zoo gewichtig toe, dat hij het in zijn 8ste editie geheel en al weggelaten heeft. Men zou inderdaad kunnen meenen, dat het een interpolatie naar Joh. 20 : 1—10 is. Maar het zou toch zeer bevreemdend zijn, als de apostelen na een bericht als dat der vrouwen (Luk. vs. 9 en 10) rustig te huis waren gebleven, en geen van hen opgestaan was, om naar het graf te gaan en te zien, wat er van aan was. En waarom zou men alleen van Petrus hebben gesproken, indien vs. 12 naar Johannes er bijgevoegd was? Ook zou men de uitdrukking 7rapxxó\\pxi;, die in het vierde Evangelie alleen op Johannes-zelf betrekking heeft en uitdrukkelijk zijn aarzelende houding aan de vastberadone handelingen van Petrus tegenoverstelt, niet op dezen hebben toegepast. Bovendien zou men de uitdrukking Tnareusiv, gelooven, niet vervangen hebben door het veel zwakkere amp;xu;/,ixamp;iv , zich verwonderen. Men zou zeer sterke inwendige gronden moeten hebben, om aan den éénen cod. I)., die in den regel zeer willekeurig en achteloos is, boven al de andere Mjj. te zamen de voorkeur te geven. En in dit geval heeft hij gelijk wij zooeven gezien hebben, de innerlijke criteria veeleer tegen zich. Ik kan daarom niet nalaten, te gelooven, dat er in dit vers een echte kern is, al moet ik ook toegeven, dat het naar den tekst van Johannes omschreven moet zijn geworden. Waarschijnlijk

594

-ocr page 617-

24 : 13—14.

moet het aldus worden gelezen: O nerpog avx^rx:; s\'Spxf/.sv em TO i/,vm/,siov KOCI TrxpawJuai; xxvtXamp;s Tcpos SXUTOV OxufAX^cov TO yeyovos, UxpxwTrTinv, zich bukken om met den blik nauwkeurig te onderzoeken (1 Tetr. 1 : 12); pivx, alleen, zonder het lichaam.

II. Vs. 13—32: De verschijning op den weg naar Emmaüs.

Dit schoone verhaal heeft alleen Lukas voor ons bewaard. Het is het tegenstuk van dat van de verschijning aan Maria Magdalena in het Evangelie van Johannes. Het korte bericht van Mark. 16 : 12—13 is slechts een uittreksel uit dat van Lukas. Zelfs Strauss, die er op uit is, aan dit feit een zuiver natuurlijk karakter te geven, kan niet nalaten te erkennen, dat het een kern heeft, die werkelijk historisch is.

Vs. 13 —14. De twee reizigers: „En ziet, twee ^an hen waren dienzelfden dag op weg naar een vlek, dat zestig1) stadiën van Jeruzalem was, welks naam Emraaüs is. 14. En zij spraken met elkander over al deze dingen, die er gebeurd waren.quot;

595

Het y.x) (Say kondigt iets onverwachts aan. De naam van een van do twee reizigers was Kleopas (vs. 18). Deze naam schijnt een verkorting van den Griekschen naam KI cop air os te zijn, en niet, zooala IOmkx: (Joh. 19 : ^5), een reproductie van den Hebrceuwschen naam sbn. Is dit zoo, dan doet die naam vermoeden, dat hij, die hem droeg, een proseliet van Grieksche afkomst was. Wat zijn metgezel betreft, Theophylaclus en anderen meenen, dat het Lukas-zelf was, ten eersten omdat hij niet genoemd wordt, en ten

1

N I K N n lozeu exuTOv efynovTa, in plaats van i^Kovrx

-ocr page 618-

24 : 13—14.

596

tweede, omdat het karakter van het verhaal zoo bijzonder dramatisch is (vgl, vooral vs. 32). Luk. 1 : 2 bewijst niets tegen deze zienswijze. Want op deze plaats onderscheidt zich de auteur niet van de ooggetuigen in volstrekten zin, maar van degenen, die van het begin af ooggetuigen zijn geweest; en deze aanraking met Jezus, die heel kort duurde, zou hem niet het recht hebben gegeven, zich onder de laatston te rangschikken. Maar is de Arameesche tint van het verbaal niet in strijd met die zienswijze? — De naam Emmaüs beteekent waarschijnlijk: „warme baden.quot; Hij werd door zeer vele plaatsen gedragen. Hier kan daarmede niet, zooals Eusebius en Hieronymus aannamen, Ammaiis (later Nicopolis), tegenwoordig Amwas, dat 180 stadiën, 7 mijlen) ten Westen van Jeruzalem, aan den kant van Jaffa, gelegen is, bedoeld zijn. Want hoe zouden dan de twee feestreizigers nog denzelfden dag te Jeruzalem zijn teruggekomen? Bovendien is deze afstand meer dan het dubbele van dien, welken Lukas opgeeft, tenzij men de lezing van den Sinaïiicus aanneemt. Sepp, Gaspari (bl. 207) e. a. houden Emmaüs voor identisch met Kolonieh, een gehucht, dat eveneens ton Westen van Jeruzalem ligt, op den weg naar Jaffa, maar slechts 45 stadiën (iets minder dan twee mijlen) van deze stad verwijderd. Hier wees Titus, volgens het bericht van Josepbus (Bell. Jud., VH, 6, 6), 800 veteranen van zijn leger het noodige land aau, om een kolonie te stichten. Vandaar de naam Kolonieh, waardoor de naam Emmaüs vervangen werd. Volgens den Talmud (Succa, IV, 5) ging men daar (te „Mauzaquot;, met het artikel; Hammauza) do groene takjes voor het Loof huttenfeest halen, en op een andere plaats wordt gezegd: „Mauza is Koloniehquot;. Daar echter de afstand tamelijk kleiner is, dan de 60 atadiën (21/2 mijl), die Lukas opgeeft, is het waarschijnlijk, dat men ons Emmaüs iets verder naar het noord-westen toe moet zoeken, hetzij met Conder {Palest. Explor. Fund, Oct. 187G) in het ten noord-westen van Kolonieh gelegene Kubeibeh, dat reeds de kruisvaarders voor het ware Emmaüs van Lukas hielden, hetzij met Edersheirn (II, bl. 639) in

-ocr page 619-

24 ; 15—17.

het gehucht Hamoza of Beit-Mizza, dat in het bekoorlijke dal Wady Buwai, halfweg tusschen Kolonieh en Kubeibeh, ligt. De naam Hamoza komt den naam Eraraaüs nabij, en zoo laat het zich verklaren, dat Emmaüs en Kolonieh bij Josephus en in den Talmud als identisch worden voorgesteld. Want de militaire kolonie kon zich gemakkelijk tot aan Hamoza hebben uitgestrekt, dat slechts ongeveer 10 stadiën van Kolonieh verwijderd is. — Waar gingen die twee pelgrims naar toe? Misschien keerden zij na den grooten dag van het feest naar de woning van een hunner terug.

Vs. 15 —17. De aankomst van Jezus: „En het geschiedde, terwijl zij in gesprek waren en met elkander van gedachten wisselden, dat Jezus zelf \') bij hen kwam en met hen ging. 16. Maar hunne oogen werden weerhouden, zoodat zij Hem niet herkenden. 17. En Hij zeide tot hen: „Wat zijn dat voor woorden, die gij onder het loopen met elkander wisselt? En gij ziet er geheel droevig uit1).quot;

Zij hadden niet alleen een gesprek, maar ook een woordenwisseling met elkander; deze kon op niets anders betrekking hebben, dan op den zin en de waarde der beloften van Jezus; vgl. vs. 21. — Het koc) xütó; is een zuiver Hebraïsme, dat varianten zonder gezag hebben uitgewischt. — Bij hem kometide, waarschijnlijk door hen van achteren in te halen (Meyer). — Het passivum vau xpxrtTv wordt menigmaal gebruikt, om de belemmering van de werking der organen van het lichaam aan te duiden; daarom noodzaakt ons niets,

597

1

T. R. leest xxi errs aKvQpcüTroi, met N en 15 Mjj. It. Vg. Syrour • N A (?) B lezen kxi so-roi^jav (TKvQpuTroi. — D leest a-KvQpuTrot alleeu.quot;

-ocr page 620-

24 : 18—20.

dezo belemmering hier aan een bovennatuurlijke oorzaak toe te schrijven. Zij laat zich aan don eenen kant verklaren uit de verandering, die de opstanding in den geheelen persoon van Jezus had teweeggebracht (èv hépcf. Mark. 16 : 12),

en aan den anderen kant uit Let gebrek aan geloof bij de discipelen, dat hen in het geheel niet aan een weder lovend worden van hun Meester deed denken; vgl. Joh. 20:15: „meenende, dat het de hovenier was.quot; Het tov w onderstelt niet noodwendig een persoonlijke bedoeling; het is het impediri quin.

Vs. 17. Als een goed paedagoog, vraagt Jezus, voordat Hij onderwijst. Die wil, dat men naar hem luisteren zal, moet eerst laten spreken. — Het is mij onmogelijk, de voorkeur te geven aan de lezing der oude Mjj., Alexandr. en Byz.: „En zij bleven geheel droevig staan.quot; Wanneer blijft men geheel droevig staan? Wanneer men, grooten haast hebbende, eensklaps verhinderd wordt, voort te gaan. Maar wij hebben hier niets dergelijks. Men moet met de latere Byzant. lezen: en gij zijt (wegens deze dingen, waarover gij met elkander van gedachten wisselt) geheel droevig. Uit is eeu tweede feit, waarop Jezus nog op een half vragenden toon wijst, als op het natuurlijk gevolg van dat, waarop zijn eerste vraag betrekking had. Deze vorm, die eigenlijk Hebreeuwsch is, is door de afschrijvers niet begrepen geworden.

Vs. 18—20. Het verhaal der twee discipelen: „En een van hen \'), wiens naam \') Kleopas was, zeide tot Hem: Zijt gij de eenige, die in Jeruzalem woont1), en niet weet de dingen, die deze dagen daar geschied zijn? 19. En Hij zeide tot hen:

598

1

T. R. leoat en vóói lepot/o-aAifft, met A alleen.

-ocr page 621-

24 : 21—24.

Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus, den Nazarener, die een profeet was, machtig in werken en woorden voor God en al het volk; 20. hoe onze hoogepriesters en onze oversten Hem overgeleverd hebben tot de doodstraf, en Hem gekruisigd hebben.quot;

Jezus heeft hen door zijn vraag er toe gebracht, hun *• hart voor Hem te openen; Hij gaat voort met vragen. — Het antwoord betreft eerst het verledene. Wij ontmoeten hier wederom de paratactische constructie, die het Ilebreeuwsch eigen is; „Zijt gij de eenige, die... woont, en niet weet . . Het póvo:, eenige, behoort tot beide, nauw met elkander verbondene verba; „de eeuige, die, hoewel hij . . . woont, niet weet...quot; UxpotMlv. als vreemdeling, voor een tijd, ergens wonen. Zij houden Hem voor een pelgrim, die naar Jeruzalem gegaan is, om het feest te vieren.

Vs. 21—24, Het slot van het verhaal der discipelen: „ En wij hoopten *), dat Hij was degene, die Israël verlossen zou; maar met dat al1) is dit2) de derde dag, die voorbijgaat sedert deze dingen gebeurd zijn. 22. Maar eenige vrouwen onder ons hebben ons zeer verbaasd; vroeg in den morgenstond naar het graf gegaan zijnde, 23. en zijn lichaam niet gevonden hebbende, kwamen zij terug, zeggende, dat zij ook een verschijning van

599

1

N B D L lezen xai na ye\\ T. R. laat het weg, met al de anderen.

2

«BL Syrcur laten lt;rgt;in£pov weg, dat ï. B., met A en 14 Mjj. It., na ayei leest.

-ocr page 622-

24 : 21—24.

engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. 24. En eenigen van hen, die met ons zijn, gingen heen naar het graf, en bevonden de dingen zooals ^ de vrouwen hun gezegd hadden; maar Hem hebben zij niet gezien.quot;

Si/i/ Ttxai toutoic , mei dat al, cl. w. z. ondanks de in vs. 19 beschrevene buitengewone hoedanigheden van dezen man en de verwachtingen, die zij in ons hadden opgewekt. — quot;Ayei kan in een onpersoonlijke beteekenis worden opgevat, Kooals het Latijnsche agit diem (voor agilur dies). Maar men kan ook Jezus tot subject daarvan maken, in den zin, waarin men zegt: ayei Ismxtov hos, hij is in zijn tiende jaar. — Toch blijven, naast deze ontmoedigende dingen, nog [iiwx xai) eenige redenen tot hoop over.

600

Vs. 23. Aéyovtnxi — ol xkyovciv. Het eene „hooren zeggenquot; na het andere! Men gevoelt, dat zij weinig geloof hechten aan al deze geruchten; vgl. vs. 11 en vs. 24. Het wi?, eenigen, doet zien, dat Petrus volgens hun voorstelling van de zaak niet alleen was, ofschoon hij alleen in het bericht (vs. 12) genoemd is. Zooals wij weten, was Johannes bij hem (Joh. 20: 3). Dit is een van de vele voorbeelden, hoe de eenvoudige en naïve verhaaltrant dor gewijde schrijvers, zonder het te willen, strikken voor de kritiek spant; zij zeggen bij iedere gelegenheid slechts datgene, wat de samenhang vereischt, en laten alles weg, wat verder gaat; en als later een andere samenhang daartoe aanleiding geeft, dan vermelden zij hetgeen zij in het eerst hadden weggelaten, en vullen op deze wijze hun bericht aan; vgl. Joh. 3 : 22 en 4 ; 2. De laatste woorden: Hem hebben zij niet gezien\'\'\'\' bewijzen, dat deze twee discipelen Jeruzalem verlaten hadden, voordat het gerucht van de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena hen bereikt had.

1) B D It. Syrcur laten «ai na kxOu; weg.

-ocr page 623-

24 : 25—27.

Vs. 25—27, De onderwijzing: „En Hij zeide tot hen: 0 onverstandigen en tragen van hart, om al de dingen te gelooven, die de profeten gezegd hebben! 26. Moest de Christus deze dingen niet lijden, en daarna in zyn heerlijkheid ingaan? 27. En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun in1) ala) de Schriften uit hetgeen op Hem betrekking had.quot;

Het kx) ccutóc, en Hij, geeft te kennen, dat zijn beurt van spreken nu gekomen was. Zij hebben hun hart uitgestort; Hij zal het weer vol maken. Eerst richt Hij een bestraffing tot hen (vs. 25). De uitdrukking \'Avoyroi heeft op het verstand, ppaSsTg op het hart betrekking. Indien zij de beloften van Jezus en de macht van den levenden God met meer geloof hadden omhelsd, zou het feit van een opstanding niet zoover van hunne gedachten zijn geweest (Mark. 12 ; 21). — Daarna komt de onderwijzing (vs. 2ö en 17). Vs, 26 is het middenpunt van dit verhaal. — De commentaar op het eSf;, moest, was ongetwijfeld meer exegetisch, dan dogmatisch, een uiteenzetting van de profetische uitspraken (vs. 27). Lijden en ingaan beteekent hier: niet eer Ier ingaan, dan na geleden te hebben. De opstanding wordt door Jezus beschouwd als het ingaan in den staat zijner verhooging, maar daarom nog niet als zijn volledige verhooging. — Jezus had een schoon veld voor zich, van het Protevangelie af tot aan Mal. 4 toe. Terwijl Hij voor zichzelf de Schriften bestudeerde, vond Ilij daar overal zich zelf (Joh. 5 : 39, 40). Hoe vele uitleggers van het O. T. zijn er tegenwoordig niet, wier exegese een door-loopende logenstraffing is van die, welke Jezus volgens dit

601

1

N L lezeu n w ev, in plaats van ev.

-ocr page 624-

24 : 28—31.

vers die twee discipelen aanbood I Het tweede octó (vs. 27) geeft te verstaan, dat het betoog bij iederen profeet weêr opnieuw begon. Jezus beschouwt Mozes als den grondslag van het profetisme; en het geheele profetisme is inderdaad niets anders, dan een terugroeping tot de wet.

Vs. 28—31. De herkenning: „En zij kwamen nabij het vlek, waar zij naar toe gingen; en Hij hield zich *), alsof Hij verder zou gaan. 29. Maar zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons, want de avond nadert, en de dag is reeds1) gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. 30. En het geschiedde, toen Hij met hen aanzat, dat Hij het brood nam en het zegende; en het gebroken hebbende, gaf Hij het hun. 31. En hunne oogen werden geopend, en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun gezicht.quot;

Het imperf, TrpovevoisTro, eigenlijk: „Hij schreef zich toe .. is wellicht passender, dan de aor. der Alexandr. en oude Byzant. Mss. Dit was geen veinzerij, maar een proef, waarop Hij zijn metgezellen stelde. Hij zou werkelijk verder gegaan zijn en hen verlaten hebben, zonder zich aan hen te openbaren, indien zij niet een soort van dwang op Hem hadden uitgeoefend, om Hem bij zich te houden. Het zou hun gegaan zijn als iemand, die zich met een eersten zegen vergenoegt, en verzuimt, de gansche volheid, die volgen moest, te vragen; vgl. 2 Kon. 13 : 14—19. — Was het huis, waarin zij te zamen gingen, de woning van een van die twee discipelen?

602

1

iS B L Itplcr lezen hier dat T. R. met al do anderen weglaat,

-ocr page 625-

24 : 32—35.

Vs. 30. Het werkw. wuKhiOiivxi, zich aan tafel zeiten, heeft op een gewonen maaltijd betrekking; noch deze uitdrukking, noch de volgende bijzonderheden doen aan het heilige Avondmaal donken. Als huisvader handelende, neemt Jezus het brood en spreekt een dankgebed uit. De meerderheid, die Hij door de voorafgaande onderwijzing verkregen had, gaf Hem het recht, hier de rol van huisvader op zich te nemen. — De uitdrukking Smvolxfatrxv, werden geopend, staat tegenover het werden weerhouden van vs. 16. Zij duidt een goddelijke daad aan, die de uitwerking der bij de verklaring van dit vers genoemde oorzaken ophief. Zeker werd dit ontwaken van het innerlijk zintuig bij hen voorbereid door den invloed, dien het voorafgaande onderhoud en het dankgebed van Jezus op hun hart uitoefenden, en door de wijze, waarop Hij het brood brak en uitdeelde. Schleiermacher heeft de woorden ü^xvroi; èyèvsTO aldus verklaard: „Hij verwijderde zich ongemerkt.quot; Maar de Evangelist schrijft blijkbaar een bovennatuurlijk karakter toe aan deze plotselinge verdwijning. Het opstandingslichaam van Jezus was niet meer aan dezelfde voorwaarden van bestaan onderworpen als gedurende zijn vroeger leven; het gehoorzaamde vrijer den wil des geestes. Men moet zich herinneren, dat Jezus eigenlijk reeds niet meer bij hen was (vs. 44), en dat het wonderbare dus meer in de verschijning, dan in de verdwijning lag.

Vs. 32—35. Historisch slot: „En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons \'), toen Hij onderweg tot ons sprak, en 1) toen Hij ons de Schriften opende? 33. En opgestaan zijnde ter zelfder ure, keerden zij weder naar Jeruzalem, en vonden de elven te zamen ver-

603

1

N B D Ij laten xxi weg.

-ocr page 626-

24:32—35.

604

gaderd en degenen, die met hen waren , 34. welke zeiden: De Heer is waarlijk *) opgestaan, en is door Simon gezien. 35. En zij vertelden hetgeen op den weg gebeurd was, en hoe Hg door hen herkend was geworden bij het breken van het brood.quot;

De inhoud van vs. 32 is zoo innig, dat hij slechts afkomstig kan zijn van het bericht van een der twee discipelen zelf, hetzij deze de schrijver is van de oorkonde, waaruit Lukas geput heeft, hetzij hij Lukas zelf is. In het laatste geval moeten de Arameïsnieu van het bericht, die bijua allo in den dialoog voortkomen, op rekening worden gesteld van do taal, waarin het onderhoud heeft plaats gehad. — De verschijning aan Petrus, waarvan sprake is in vs. 34, wordtin de drie andere Evangeliën niet vermeld; maar Paulus maakt er gewag van in 1 Cor. 15: 5, waar zij aan het hoofd van al de andere gesteld is. Want het betreft in dit Hoofdstuk de apostolische getuigenissen, waarop het geloof der kerk berust (vs. 11); en noch de verschijning aan Maria Magdalena, noch die op den weg naar Eumiaüs behoorden tot deze catagorie, terwijl de verschijning aan Petrus in het verband van Paulus van het grootste gewicht was. Het is zeer waarschijnlijk, dat Paulus door Petrus-zelf met dit feit in kennis werd gesteld gedurende de 14 dagen, die hij met hom en met Jakobus te Jeruzalem doorbracht, drie jaren na zijn bekeering (Gal. 1 : 18, 19). Ook zal hij in dienzelfden tijd door Jakobus bekend zijn geworden met de verschijning, die dezen te beurt viel, en waarvan bij eenige verzen later (vs. 7) melding maakt, Indien de overlevering verdicht had, zou zij zonder twijfel vooral een verschijning aan Johannes, den geliefden apostel, verzonnen hebben.

-ocr page 627-

24 : 36—37.

Indien wij, op grond van vs. 32, ondanks de Arameïsraen in bet verslag van do gesprekken, het gevoelen huldigen, dat Lukas de metgezel van Kleopas was, dan zien wij ons tot het belangwekkende resultaat gevoerd, dat ieder Evangelist, evenals do schilders, in een hoek van zijn schilderij als het ware zijn handteekening heeft aangebracht: Mattheus in den tollenaar, die terstond aan de roepstem van Jezus gehoor geeft; Markus in den jongeling, die in Gethsemané naakt de vlucht neemt; Johannes in de gesluierde gestalte van den discipel, dien Jezus liefhad; Lukas in den anoniemen Emmaüsganger.

III. Vs. 36—43: De verschijning aan de apostelen.

Vs. 36—37. „En terwijl zij deze dingen mededeelden, stond Hij-zelf1) in het midden van hen, (en Hij zeide tot Hen: Vrede zij ulieden!)\') 37. En zij, verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zy een gcost zagen.quot;

Deze verschijning aan de discipelen aan den avond van den dag der opstanding, is blijkbaar dezelfde als die, welke in Joh. 20 : 19—23 verhaald wordt. Het ftm;, stond daar, duidt een plotselinge verschijning aan, zooals de verdwijning, waarvan sprake is in vs. 31 (aQxvrtx; èyèvsTo). Het wonderbare karakter dezer verschijning komt in het bericht van Johannes nog duidelijker uit door de woorden: terwijl de deuren gesloten waren, die de verklaring niet toelaten, volgens welke de reeds geslotene deuren zich voor Hem

605

1

T. R. leest hier o litrmf, met A en 11 Mjj.

-ocr page 628-

24 : 38—40.

zouden geopend hebben. De ontroering en de vrees, die zich van de discipelen meester maken, onderstellen ook een plotselinge en bovennatuurlijke manier van binnenkomen. De groet is volgens den T. R. in beide berichten dezelfde: Vrede zij ulieden! Maar het is waarschijnlijk, dat deze woorden uit den tekst vau Lukas moeten uitgeschrapt worden Want al ontbreken zij ook alleen in de oorkonden, die de Grieksch-Latijnsche lezing vertegenwoordigen, de waarschijnlijkheid eener interpolatie uit den tekst van Johanues is in dit geval toch zoo groot, dat het voorzichtiger is, ze weg te laten. Dit is niet het eenige geval, waarin de Canlabrig., ondanks zijn groote en onafgebrokene onvolmaaktheden, bevonden wordt, den waren tekst te hebben bewaard. In onzen Commentaar op den eersten brief aan de Corinthiörs (l Cor. 9 : 10) hebben wij op een onweersprekelijk voorbeeld van dezen aard de aandacht gevestigd. — De uitdrukking msvaot, geest, duidt hier de ziel aan van den gestorvene, die uit den Hades terugkomt en zich in een zichtbare gedaante, maar zonder een werkelijk lichaam aan de levenden vertoont, het is datgene, wat de ouden een schim {umbra) of een spooksel (CpxvTixiTftx) noemden (Matth. 1-4:20); vgl. 1 Petr. 3:19, enz. Het was zonder twijfel in dozen zin, dat Thomas de verschijning opvatte, waarvan zijn medeapostelen hem verhaalden.

Vs. 38—40. „En Hij zeide tot hen; Waarom zijt gij ontroerd ? En waarom1) komen er twijfelingen in uwe harten 2) op? 39. Ziet mijne handen en mijne voeten; want ik ben het zelf. Betast mij en ziet: want een geest heeft noch vleesch 3), noch beenderen, zooals gij ziet, dat ik heb. 40. (En

606

1

T. R. leest hxrt, met N A en 13 Mjj.; B: rnxi ri\\ DL; nou ivxti.

2

B D Itp\'er lezen ev ry aoifiict, in plaats van ev rous *coip$iaie.

3

N D lezen (rcepHac gt; in plaats van (rupKa,

-ocr page 629-

24 : 41—43.

terwijl Hij dit zeide, toonde Hij hun zijn handen en zijn voeten) V\'

Het woord duidt de inuerlijke redeneeringen

voor en tegen aan; dus: de twijfelingen. — In vs 39 bewijst Jezus met den eersten zin zijn identiteit, en met den tweeden de werkelijkheid zijner verschijning. Het eerste on is eigenlijk het object van quot;SfTf: „Ziet (en overtuigt u), dat. het tweede beteekent want. Het volgende is namelijk een alge-meeno zin, dien de gevolgtrekking, welke uit het \\py]\\x(püv gemaakt moet worden, rechtvaardigen moet. Uit deze woorden blijkt duidelijk: 1° dat de voeten evenzeer als de handen vastgenageld zijn geweest; en 2° dat Jezus zijn verheerlijkt lichaam nog niet had, maar nog het oude lichaam, dat evenwel door de opstanding tot een geheel nieuwen toestand verheven was.

Is het 40s\'e vers, dat de Cantabrig., verscheidene Mss. van de Itala en de oude Syrische overzetting weglaten, eveneens een glos uit Johannes (20 : 20) P Men zou tegen deze onderstelling kunnen aanvoeren, dat Johannes niet over de voeten, maar over de zijde van Jezus spreekt. Dit argument heeft echter niet veel kracht, daar het voorafgaande vers van Lukas, waar van de voeten sprake is, op den vorm van den geinterpoleerden zin invloed heeft kunnen uitoefenen. Het is waarschijnlijk dat wij ook hier met een interpolatie te doen hebben.

Vs. 41—43. „En toen zij het van blijdschap niet geloofden, en zich verwonderden1), zeide Hij tot hen; Hebt gij hier iets om te eten? 42. En zij gaven Hem een stuk gebraden visch 2). 43. En Hij nam het en at het voor hunne oogen.quot;

60?

1

A plaatst dxvi^ce^ovraiv vóór «to tv; xxpzt;.

2

T. R. voegt hier, met E en U Mjj. Itpler Syrcur, xai ccko neaitririou Wfiov er bij; N A li D L FI laten deze woorden weg.

-ocr page 630-

24 : 41—43.

Door hen te laten zien en aanraken, heeft Hij hun de werkelijkheid zijne lichamelijke verschijning bewezen. Maar juist door hunne overgroote vreugde over dit feit kunnen zij het nog niet gelooven. Om hen volkomen te overtuigen, eet Jezus voor hunne oogen, en ontneemt hun daardoor allen twijfel. Gelijk Lukas den slaap der apostelen in Grethsemané met hunne buitensporige droefheid verontschuldigd had, zoo verontschuldigt hij hier de moeite, die zij hebben, om te gelooven, met hunne buitensporige blijdschap Hij, die aldus schrijft, is geen vijand van de Twaalven. — De woorden ivo ftehlwlou wpiou, van een honigraat, in den T. R. (vs. 42) worden wel, behalve door de Byzant. Mjj. van de 8s\'e eeuw af, door verscheidene Mss. van de Itala en door de Syrische overzetting van Cureton gesteund j maar zij ontbreken in alle oude Mss. der drie familiën, en het zou moeilijk zijn, een aannemelijken grond te vinden ter verklaring van zulk een algemeene weglating, indien zij echt waren. — Het svuttiov kutuv, m hunne tegenwoordig huid, drukt op zeer natuurlijke wijze de herinnering der ooggetuigen uit; vgl. Hand. 10: 41, een woord, dat ons een van deze oogetuigen, die ons de werkelijkheid van het feit waarborgen (Petrus), doet kennen. — De bestaansvoorwaarden van een lichaam zooals dat van Jezus op dit oogenblik zijn ons niet genoeg bekend, om te mogen beweren, dat het hier verhaalde feit niet historisch kan zijn, vooral wanneer een man als Petrus de werkelijkheid daarvan verzekert. — Het _is duidelijk dat het Jezus hier niet te doen was om zijn lichaam te voeden, maar alleen om de discipelen van de werkelijkheid van dit lichaam te overtuigen.

IV. Vs. 44—49: De laatste onderrichtingen van Jezus.

Dit gedeelte behelst twee korte samenvattende berichten van do onderrichtingen, die Jezus zijn apostelen na zijn opstanding gaf. Het eerste deelt mede, hoe Hij hun aan zijn vroeger onderwijs herinnerde, en hen de betrekking

608

-ocr page 631-

24 : 44—45,

daarvan tot de profetieën des O. T.\'s deed verstaan. Ilij verlichtte hun geest met zulk een nieuw en wonderbaar licht, dat zij in de geheele H. Schrift een helder inzicht kregen. In het tweede bericht zijn de onderrichtingen samengevat, waardoor Jezus hunne gedachten op hunne toekomstige taak, hunne roeping ten opzichte van de menschheid, vestigde, en hun de goddelijke hulp beloofde, die hen in staat zou stellen om haar te vervullen (vs. 46—49).

Vs. 44—45. „En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden \'), die ik tot u sprak, toen ik nog bij u was, (zeggende): dat al de dingen, die van mij geschreven zijn in de wet van Mozes, en in de Profeten, en in de Psalmen, vervuld moesten worden. 45. Toen opende Hij hun verstand om de schriften te verstaan.quot;

Het komt mij voor dat de natuurlijkste wijze om de uitdrukking outo oi kéyoi OTi te verklaren is: ovrot te beschouwen als een attractie va» xóyot, in plaats van een txvtx ; „Deze dingen (die geschied zijn, en die u zoo zeer verrast hebben) zijn niets anders, dan de vervulling van de woorden, die ik vroeger tot u gesproken hebquot;; vgl. 9 : 22; 18 : 31; 22 : 37 en very. Het schijnt mij gedwongen toe, dit outoi met hetgeen volgt in betrekking te brengen. — De uitdrukking: „toen ik bij u wasquot; bewijst dat Jezus nu reeds zijn scheiding van hen als een voldongen feit beschouwt; zijn woonplaats is elders; slechts bij wijze van uitzondering verschijnt Hij in hun midden. — Van de uitdrukkingen; Wet, Profeten} Psalmen duiden de twee eersten de twee voornaaraate gedeelten van den Kanon aan, terwijl de derde het voornaamste boek van het derde gedeelte, de Hagiographa, te kennen

1) A B en 6 Mjj. lezeu (j-ov ua Aoyoi; T. R. kat het weg met en 9 Mjj. It, Syr.

Godkt, Lukas. II. 39

609

-ocr page 632-

24 : 46—49.

geeft. Natuurlijk is Daniël bij deze indeeling onder de profeten gerangschikt.

Vs. 15. Dit licht, dat voor hen op het geheele O. ï. valt, is het gevolg van een werking des H. Geestes, die de in het voorgaande vers vermelde onderrichtingen hadden voorbereid, terwijl zij hun geloof versterkten. Dit oogenblik komt blijkbaar overeen met dat, hetwelk Johannes met deze woorden beschrijft (20:22): „Hij blies op hen {lve(pvlt;rylt;rev auroT:), zeggende (letterlijk): „Ontvangt Heiligen Geest!quot; De Geest opende bij hen het innerlijk zintuig van den vovz, waardoor de mensch de waarheid onderscheidt, en verlichtte hen dermate, dat zij in staat werden gesteld, de gedachten Gods aangaande het heil der wereld te verstaan, en daarom ook de openbaring der H. Schrift, die de verwezenlijking daarvan had voorbereid. Volgens de thans door velen aan-genomene interpretatie van het O. T. had Lukas, in plaats van: „om de Schriften te verstaanquot;, moeten zeggen: om den zin daarvan geheel en al te vervalschen.

Vs. 46—49. „En Hij zeide tot hen: Alzoo is er geschreven dat de Christus moest lijden en op den derden dag van de dooden opstaan, 47. en dat boete en1) vergeving der zonden in zijn naam aan alle volken moeten worden gepredikt, beginnende 2) van Jeruzalem. 48. En \'\') gij zijt3) getuigen van deze dingen. 49. En zietB) ik

1

2; N 13 lezen luravoixv eif «(psa-iv.

2

N B C on 3 Mjj. lezen af^apevoi, en D leest ufi-anevuv, iu plnats van Uft-aptvov.

3

B D laten etrre weg.

-ocr page 633-

24 ; 46—49.

zend!) de belofte mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad 1)totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.quot;

Dit tweede overzicht, dat door een nieuw kx) elirsv, en Hij zeide, van het vorige gescheiden is, schijnt een andere onderrichting, die niet het verledene, maar de toekomst betrof, samen te vatten. — Het on heteekent eenvoudig dat, en niet omdat. — Het eerste ovtcoc, alzoo, kondigt \'\' aan hetgeen volgt. — De woorden ovtus sSei van den T. R. worden verdacht geïnterpoleerd te zijn. De infinitivi vrxöeïv en avoKjTïjvtxi schijnen niet rechtstreeks van ytypaTrrxi, er is geschreven, te kunnen afhangen. Maar als men rekening houdt met het feit, dat het: er is geschreven volgens de zienswijze van den spreker de noodzakelijkheid der vervulling van hetgeen voorzegd is in zich sluit, dan kan men de kortste lezing wel verstaan. Het stt) ra Sviftxri heteekent: „Op grond van alles, wat u van mijn persoon en mijn werk bekend is.quot; — Van de twee lezingen: „boete en vergevingquot; (Byz.) en „boete tol vergevingquot; (Alexandr.), schijnt de eerste mij toe, de voorkeur te verdienen, omdat het niet waarschijnlijk is, dat Jezus bepaaldelijk de boete als het doel van de prediking zou hebben voorgesteld. De Alexandr. lezing is misschien van 3 ; 3 en Mark. 1 : 45 afkomstig — Aan alle volken: hetzelfde heerlijke vooruitzicht als Matth. 28 : 19 en Mark. 16 : 15; vgl. ook Joh. 20 : 21, 23 («v tivmv). — Het apZxy.svov der Byz. is een adverbiale acc. neutr., in den zin van het Lat. gerundiv. incipiendo. Bij de Alexandr. lezing xpi-ciftsvoi heeft het partic. betrekking op een er bij te denkeu Kyipuira-ovTe^ of Kypua-axTe, dat aan den infin. nyip^x^vxi moet worden ontleend, hetgeen niet alleen zeer gedwongen, maar ook, wat den zin betreft, onnauwkeurig is, daar het

611

1

T. R. leest hier, met A en 42 Mjj. Syr., het woord lepoutrahyij., dat N B C D Ij Itpler weglaten.

-ocr page 634-

24: 46—49.

xyipuxtiwxi op zichzelf staat. De speciale toepassing van deze uitdrukking op de apostelen begint eerst in vs. 48 met het vy.sTc (Alexandr.) of ifziTt (Byz.) — Het woord \'leptwaXw is zeker een glos. Men begrijpt, waarom het er bijgevoegd is, maar niet, waarom het weggelaten zou zijn.

Vs. 48. De weglating van het Sf\' geeft het üi/ms meer nadruk: „Deze ontzaglijke taak moet gij vervullen.quot; Op welke wijze? Eenvoudig door le getuigen van hetgeen zij gezien hebben gedurende den tijd, dien zij met Jezus hebben doorgebracht. Zij hebben dus niets te ontdekken en niets uit te vinden! — Zonder het eVts, dat de Vatic, en de Caniabrig. weglaten, is de zin veel krachtiger.

Vs. 49. Een groote belofte, die geëvenredigd ia aan het gewicht van die taak. Het ISsu, dat bij de Alexandr. ontbreekt, doet de grootheid der volgende belofte goed uitkomen. Het eyu staat tegenover het v^slq van vs. 48: „Ziedaar uw taak en ziehier de mijne!quot; Leest men met den Vaticanus è^xTrojré^a, dan is de nadere bepaling, die bij « moet worden gedacht, de hemel, die voortaan de woonplaats van Jezus zal zijn (StW/zi? f£ üüov;). Jezus heeft een volkomen helder bewustzijn van de goddelijke verhooging, die Hem wacht; vgl. Joh. 16 : 7: „Indien ik heenga, zal ik hem tot u zendonquot; en 15 : 26: „De steun, dien ik u zenden zal van den Vader.quot; — De belofte is hier het voorwerp daarvan, gelijk de uitdrukking „hoopquot; dikwijls het voorwerp der hoop aanduidt (Rotn. 8 ; 24; Col. 1 ; 5).

De zending van den H. Geest was in het O. T. het doel, waarop al de andere goddelijke beloften uitliepen. Vandaar de absolute uitdrukking: „de belofte des Vadersquot;, zijn belofte bij uitnemendheid. Wat zou het werk van den Messias-zelf, zijn leven op aarde en zelfs zijn verzoenend bloed zonder de komst van den herscheppenden en vernieuwenden Geest zijn? De vergeving der zonden is slechts een middel; het doel is de wederherstelling der heiligheid, d. w. z. het werk des Geestes. Met het fytsTs komt Jezus van zijn werk op dat der discipelen terug. De beloofde bijstand is voor hen zoo onontbeerlijk, dat zij er zich voor wachten moeten, met

612

-ocr page 635-

24 : 46—49.

de vervulling van de hun opgedragene taak te beginnen, voordat zij aangegord zijn met deze goddelijke kracht, die hun toegezegd is. Naar aanleiding van dit bevel zeggen Weiss en de meeste uitleggers zonder te aarzelen: „Indien de apostelen tot aan de uitstorting van den H. Geest in Jeruzalem moeten blijven, dau zijn de verschijningen van Jezus in Galilea daardoor van zelf uitgesloten.quot; Maar de vraag is, van welken tijd af dit blijven in Jeruzalem, dit móiamp;iv, dat tot aan de komst van den Geest moet voortduren, te dagtcekenen is. Is het van den avond van den dag der opstanding af, dan is de gevolgtrekking, die deze uitleggers gemaakt hebben, onbetwistbaar; maar indien de woorden van vs. 48 en 49 eerst later gesproken zijn, toen Jezus zich gereed maakte, definitief afscheid van de zijnen te nemen, dan verhindert niets, de drie Galileesche verschijningen» waarvan de eene door Mattheus (op den berg, 28 : 16), de tweede door Johannes (aan den oever van de zee van Tiberias, 21 : 1 en verv.), en de derde door Paulus (die der 500 broeders, 1 Oor. 15:6) vermeld wordt, in den tijd tusschen den opstandingsdag en den dag, waarop dat bevel werd gegeven, te stellen. Deze vraag zullen wij in het volgende aanhangsel nader onderzoeken.

De aan de kleeding ontleende beelden worden in het hijbelsche en klassieke spraakgebruik dikwijls gebruikt, om zedelijke feiten aan te duiden (Rom. 13:14; Gal. 3:27; Col. 3 : 12, enz). — De kracht uit de hoogte is niet hetzelfde als de H. Geest. De Geest is het beginsel der kracht-, vgl. 1 : 35.

OVKE HET BEVEL OM TB JERUZALEM TE BLIJVEN.

Strauss, Bleek, Meyer, Holhmann, Weiss e. a. nemen aan, dat volgens Lukas al de in v. 44—49 samengevatte redenen aan den avond van den opstandingsdag door Jezus moeten gehouden zijn, en dat bij gevolg ook de hemelvaart volgens dezen Evangelist op dien zelfden avond heeft plaats gehad. Voert Lukas in de Hand. der apostelen (1:3)

613

-ocr page 636-

24 : 46—49.

614

een tusschentijd van 40 dagen tusschen de opstanding en de hemelvaart in, dit is daaraan toe te schrijven, dat na de vervaardiging van zijn Evangelie een nieuwe overlevering tot hem gekomen was, waaraan hij bij het opstellen van zijn tweede werk de voorkeur heeft gegeven. Maar dwingt ons de exegetische onpartijdigheid werkelijk, zooals men beweert, om den tekst van Lukas in het Evangelie aldus te verklaren ? Men mag de uitdrukking m) cIttsv kutoTs , en Hij zeide tot hen of Hij leide ook tot hen, en de formules Ss of ax) \'ixsysv, en Hij zeide, die wij meermalen ontmoet hebben, wanneer Jezus het behandelde onderwerp met algemeene overweging wilde besluiten, niet voor identisch houden. Het gebruik van het imperf. in deze gevallen duidde een geheel bijzonder verband met het voorgaande aan. De hier gebruikte o. a. kondigt een nieuw begin aan na het in vs. 45 vermelde historische feit, dat den draad der rede heeft afgebroken. Er is sprake van een nieuwe mededeeling, die hetzij op dienzelfden dag, hetzij eerst later kan hebben plaats gehad. Maar wat hier vooral in aanmerking komt, is, dat het een handelwijze zou zijn, die geheel zonder voorbeeld is, indien een ernstige geschiedschrijver, die tot het inzicht is gekomen, dat hij zijn lezers tot een ernstige dwaling heeft verleid, niet de moeite zou nemen, zijn vroeger bericht te rectificeeren, hetzij door het te wijzigen in de latere exemplaren van zijn boek, die hij in omloop brengt, hetzij door in zijn tweede geschrift, waarin hij de juiste voorstelling van de zaak geeft, een toespeling te maken op de onwillekeurige dwaling, die hij in zijn eerste werk heeft begaan. En nu zien wij hier, dat Lukas, wel verre van zijn eerste bericht te verbeteren, als hij in het begin van de H a n d e-lingen Theophilus zijn npÜTix; hoyog in herinnering brengt, het ten volle bevestigt: „In mijn eerste boek heb ik u, o Theophilus, al de dingen verhaald, die Jezus begonnen heeft te doen en te leeren, tot op den rlag, waarin Hij opgenomen is, nadat Hij aan de apostelen bevelen had gegevenquot;. Is dit de toon van een schrijver, die een grove dwaling te belijden en te rectificeeren hoeft? Daarna gaat hij voort on

-ocr page 637-

24 : 46—49.

spreekt zonder de geringste verlegenheid over de veertig dagen, gedurende welke Jezus den zijnen vele bewijzen van zijn opstanding gegeven heeft, doordat Hij hun verschenen is. Is dit de manier, waarop een eerlijk man een dwaling herstelt? Eindelijk vrage men zich af, of men aannemen kan, dat Lukas, die, voordat hij zijn Evangelie schreef, met Paulus van Troas naar Philippi, van Philippi naar Jeruzalem, en van Cesarea naar Rome gereisd, en die zelfs het eerste gedeelte van zijn gevangenschap te Rome met hem gedeeld had, volkomen onbekend was gebleven met de overlevering van den apostel, die deze in de gemeenten leerde, en die, zooals hij zelf verzekert, de overlevering der apostelen was (1 Cor. 15 : 1 en verv.)P Deze overlevering nu bevatte, volgens het uitdrukkelijk getuigenis van Paulus, een bijna volledige opsomming van de verschijningen van den opgestanen Jezus. Onder deze door Paulus vermelde verschijningen is er een aan 500 personen, een aan Jakobus, en een tweede aan al de apostelen. Wie zou nu durven beweren, dat al deze verschijningen volgens Paulus in den nacht, die op den opstandingsdag gevolgd is, hebben plaats gehad ? Deze den apostel zoo goed bekende feiten moet Lukas bij de vervaardiging van zijn Evangelie wel gekend hebben, nadat hij zoo lang met hem geleefd had. Dat Paulus met Lukas daarover gesproken had, blijkt uit de vermelding van de verschijning aan Petrus, die alleen bij hen gevonden wordt. Het is dus een tastbare ongerijmdheid, te beweren, dat Lukas eerst in den tijd tusschen de vervaardiging van zijn Evangelie en die van de Hand. bekend is geworden met den afstand tusschen de opstanding van Jezus en zijn laatste verschijning. Zoo is dan het denkbeeld uitgesloten, dat volgens het verhaal van Lukas in het Evangelie de hemelvaart op den avond van den opstandingsdag zou hebben plaats gehad.

Daar deze oplossing zonder eenige aarzeling ter zijde moet worden gesteld, zooals Beyschlag erkent, blijft er slechts ééne over, die bovendien voor de hand ligt: dat Lukas reeds bij de vervaardiging van het Evangelie zich voorgenomen had, in zijn tweede werk het feit der hemelvaart

615

-ocr page 638-

23 : 46—49.

616

nog eenmaal uitvoeriger te behandelen, daar het voor het laatstgenoemde geschrift het natuurlijke uitgangspunt was, en dat hij daarom aan het slot van het Evangelie heel kort daarover gesproken en zich beperkt heeft tot de vermelding van hetgeen bepaald noodzakelijk was, om den overgang van het eene werk tot het andere te vormen. Het is inderdaad gemakkelijk te zien, dat de door het tweede en Hij zeide tot hen aangekondigde rede in een kort begrip den hoofdinhoud bevat van al de laatste mededeelingen van den opgewekten Christus aan de apostelen, die in de andere Evangeliën voorkomen; vgl. de rede van Jezus tot de discipelen op den berg (Matth. 28 : 18—20), het onderhoud van Joh. 20 : 20—23, en eindelijk Mark. 16 : 15 en 16. Zoo laat zich zonder moeite de hervatting van vs. 46 verklaren, die anders geheel onnut zou zijn. Wat het gevoelen van Bengel en Wieseler betreft, die meenen, de 40 dagen, waarvan in de Hand. der apostelen sprake is, tusschen vs. 43 en 44 van onze pericoop te kunnen plaatsen, het is duidelijk, dat het niet met de gedachte des schrijvers overeenkomt. Men kan daarop met recht de uitdrukking „zonderling hulpmiddel der harmonistiekquot;, waarmede Weiss het onze kenschetst, toepassen. ^

1) Eeuss vindt het bewijs vau de oude overlevering, die de hemelvaart op den avond va i den opstandingsdag zon hebben gesteld, in de volgende plsata uit don zoogenaamden brief van Barnabas: „Wij vieren met blijdschap den achtsten dag (den Zondag), waarop Jezus van de dooden is opgestaan, en, nadat Hij zich geopenbaard had, ten hemel gevaren is.quot; Maar de acbryver kende het Evangelie van Mattheus; hij schreef daaraan zelfs goddelijk gezag toe, zooals blijkt uit de formule .gelijk geschreven is, waarmede hij Matth. 20 : 16 en \'22 ; 14 aanhaalt. Hoe had hij dan kunnen meenen., dat de hemelvaart op den dag der opstanding had plaats gehad? De verschijning op den berg in Galilea, waar Jezus zijn discipelen bescheiden had, en waar Hij zich als den Heer van het heelal aan hen openbaarde, dit groote feit, dat het Evangelie van Mattheus kroont, kan niet op den avond van den opstandingsdag hebben plaats gehad. Bovendien behoorde de nacht, die daarop volgde, reeds niet meer tot den achtsten, maar tot den volgenden dag. Men moet clanrom aannemen, óf dat de schrijver een chronologische fout heeft gemaakt, toen hij de hemelvaart op een Zondag stelde, terwijl zij op een Donderdag voorviel, (M dat hij onder do uitdrukking: ten hemel gevaren het verdwijnen vau den

-ocr page 639-

24: 46—49.

Het bevel van vs. 49: „Blijft in de stad, totdat . . werd eerst bij het gesprek, dat onmiddellijk aan de hemelvaart voorafging (blz. 717—718), gegeven, en biedt dus geen enkele moeilijkheid meer aan. Dit blijkt ook uit de volkomene overeenkomst tusschen vs 48 en 49 van onze plaats en de woorden van Hand. 1 : 4—8: „En hen verzameld hebbende (op het oogenblik, dat aan de hemelvaart voorafging), beval Hij hun, zich niet uit Jeruzalem te verwijderen, maar daar de belofte des Vaders af te wachten.quot; Dit is wel hetzelfde verbod als in het Evangelie te vinden is.quot; Jezus kan niet bevolen hebben, dat de apostelen gedurende den geheelen tijd tusschen de opstanding en de hemelvaart in Jeruzalem moesten blijven; zij konden daar nog niets doen. Hetgeen Hij wilde, was, dat zij hunne zendingstaak niet zouden aanvangen, voordat zij waren toegerust met den H. Geest, die alleen hen tot de vervulling daarvan bekwaam kon maken.

Er blijft nu nog de moeilijkheid over, dat de Galileesche verschijningen in het bericht van Lukas ontbreken. Wij zullen deze kwestie behandelen in het volgende aanhangsel over de opstanding.

Over de opstanding van Jezus.

617

Wij hebben hier vier punten te onderzoeken: 1° de betrekking tusschen den inhoud dér vier Evangelische berichten en de opsomming van de verschijningen, welke Paulus in den eersten brief aan de Corinthiërs geeft (1 Cor. 15 : 5—7); 2° de werkelijkheid van het feit; 3° den aard van het lichaam van den opgestanen Jezus; 4° den oorsprong van en de betrekking tusschen de vier verhaalvormen, die onze Evangeliën ons aanbieden.

Opgestane na zijn eerste verschijningen op den dag der opstanding verstaan heeft. Het woord van Joh. 20 ; 17: „Ik ben nog niet opgevaren . . maar ik vaar op. . .quot; kon gemakkelijk aanleiding geven, om zich uit te drukken zooals de auteur van dat geschrift doet.

-ocr page 640-

24 : 46-49.

1. De inhoud der berichten.

Verscheidene nieuwere uitleggers (o. a. Weiss en Beyschlag) beschouwen het bericht van Markus als de eerste bron der Synoptische verhalen. Ongelukkigerwijze bezitten wij het niet meer volledig. Want het is zonneklaar, dat het slot van 16:9 af door een vreemde hand er bijgevoegd is, om het werk van Markus volledig te maken, hetzij omdat het echte slot door een toeval verloren was gegaan, of omdat de schrijver-zelf zijn boek onvoltooid had gelaten. In het eerste gedeelte van het Hoofdstuk wordt een wederzien van Jezus in Galilea door den engel aan de vrouwen en aan de discipelen beloofd, en de echte tekst breekt in vs. 9 eensklaps af, zonder een verschijning vermeld te hebben. In het onechte slot zijn drie verschijningen verhaald, die aan Maria Magdalena, die aan de twee Emmaüsgangers, en die aan de elf discipelen aan den avond van den opstandingsdag. Dit geheele slot schijnt grootendeels een uittreksel uit de twee andere Synoptici en uit Johannes te zijn.

Matlheus bericht, evenals Markus, de door den engel gegevene belofte van een wederzien in Galilea. Maar voordat hij deze verschijning verhaalt, vermeldt hij een andere, die aan de vrouwen dicht bij het graf te beurt viel. Daarna eindigt het Evangelie met het bericht van de plechtige verschijning, die op den Galileeschen berg plaats had. Als getuigen daarvan noemt Mattheus slechts de elf apostelen; maar de woorden, waarmede de engel haar bekend maakt (Matth. en Mark.), duiden aan, dat de belofte ook tot de vrouwen, en dus eveneens tot de andere Galileesche geloo-vigen, gericht werd.

Lukas vermeldt uitdrukkelijk drie verschijningen, die hij in Judea en op den dag der opstanding stelt: die aan de Emmaüsgangers, aan Petrus, en des avonds aan de apostelen. Het komt ons voor, dat in zijn bericht zelfs een vierde ligt opgesloten, nl. van vs. 50 af, waar de Heer van zijn discipelen afscheid neemt, en daarna in de nabijheid van Betbanië ten hemel vaart.

618

-ocr page 641-

24 : 46—49.

Johannes verhaalt in het eigenlijk gezegde Evangelie drie verschijningen, een aan Maria Magdalena bij het graf, een aan de apostelen op den avond van den opstandingsdag, en een acht dagen later aan de apostelen, ditmaal met Thomas er bij,; alle drie in Jeruzalem. — In het Aanhangsel, H. 21, dat in ieder geval middelijk of onmiddellijk van hem afkomstig is, verhaalt hij een vierde, die vijf apostelen en twee gewonen discipelen aan den oever van het meer Gennesareth ten deel viel.

Het is gemakkelijk in te zien, dat deze dertien verschijningen (Mark. 3, Matth. 2, Luk. 4, Joh. 4) zich tot acht laten herleiden. Van de drie bij Markus is de eerste bij Johannes, de tweede bij Lukas, de derde bij Lukas en Johannes weder te vinden. Die aan de vrouwen bij Mattheua is, zooals wij gezien hebben, niets anders dan de door Johannes met meer nauwkeurigheid medegedeelde verschijning aan Maria Magdalena, die hij algemeen heeft gemaakt; en die aan de apostelen aan den avond vau den opstandingsdag is op alle punten bij Lukas en bij Johannes gelijk.

In welke betrekking staan nu deze acht in onze Evangeliën vermelde verschijningen tot de vijf, welke Paulus in 1 Cor. 15:5—7 opsomt? Laat ons eerst opmerken, dat hij de twee eerste, die aan Maria Magdalena en die aan de Emmaüsgangers , weglaat. Moet men daaruit de gevolgtrekking maken, dat hij daarvan niet had hooren spreken, of dat hij ze als fabelen beschouwde? Geenszins; hij wilde op deze plaats aantoonen, dat hetgeen hij te Corinthe aangaande de opstanding verkondigd had, in overeenstemming was met het apostolisch getuigenis (vgl. 3 en 11). Daarom kon hij slechts die feiten in herinnering brengen, die de apostelen tot getuigen hebben gehad; en dat doet hij hier, door het eerst van de verschijning aan Petrus melding te maken, waarin hij met Lukas overeenstemt, die haar onmiddellijk na de twee zoo even genoemde stelt. Dan volgt die aan de Twaalven, welke natuurlijk dezelfde is als die, welke Markus, Mattheus en Lukas op den avond van den opstandingsdag stellen. Die, welke acht dagen later, ten behoeve van Thomas, plaats had en alleen door Johannes verhaald wordt,

619

-ocr page 642-

24 : 46—49.

smolt in de overlevering zonder twijfel met de vorige samen; de persoonlijke herinnering van Johannes was noodig, om haar weer aan de vergetelheid te ontrukken door haar uitdrukkelijk van de vorige te onderscheiden. Paulus maakte er evenmin gewag van, als de Synoptici. De apostel vermeldt voorts een verschijning aan meer dan 500 personen, waarvan velen nog in leven waren op het oogenblik, waarop hij schreef. Zulk een groote vergadering onderstelt noodzakelijk een bijeenroeping en een aangewezen plaats van samenkomst, en deze omstandigheid leidt ons er toe, deze verschijning voor identiseh te houden met die, welke Mattheus zegt, dat op den berg in Galilea heeft plaats gehad, waar Jeius hen bescheiden had, gelijk hij zich uitdrukt. Spreekt Mattheus alleen over de elven, dit is daaraan toe te schrijven, dat Jezus de groote opdracht der evangeliseering van alle volken, die een der voornaamste doeleinden van dit tooneel was, tot hem heeft gericht. Zooals wij gezien hebben, waren de vrouwen door de boodschap des engels ook uitgenoodigd, om daarbij tegenwoordig te zijn. Alles geeft er dus aanleiding toe, de verschijning aan de 500 personen, waarvan Paulus spreekt, voor identiseh te houden met het laatste tooneel van het eerste Evangelie. Het was het afscheid van Jezus aan zijn Galileesche gemeenten.

Paulus spreekt verder over een verschijning aan Jacobus, waarvan onze Evangeliën geen melding maken, maar die later door de Apocrieven met allerlei verzinsels opgesmukt is geworden. Waarschijnlijk had hij dit feit uit den mond van Jakobus zelf vernomen, gedurende de 14 dagen, die hij met hem en Petrus te Jeruzalem doorbracht, drie jaren na zijn bekeering (Gal. 1 : 18 en 19). Zonder twijfel was het ook toen, dat Petrus hem verhaalde van de verschijning, die hem te beurt viel, en waarvan de bijzonderheden, zooals gemakkelijk te begrijpen is, niet in de overlevering waren overgegaan. Eindelijk vermeldt Paulus een verschijning „aan al de apostelenquot;. Over de uitdrukking „aiquot; is er getwist geworden, Men heeft gevraagd, of zij misschien niet aanduidt, dat Jakobus of eenige personen, die later apostelen

620

-ocr page 643-

24 : 46—49.

genoemd werden, tegenwoordig zijn geweest. Misschien wil Paulus veeleer te kennen geven, dat de elven ditmaal voltallig waren, hetgeen een toespeling zou zijn op de afwezigheid van Thomas bij de vorige verschijning (vs. 5). — Deze verschijning, waarvan Paulus in vs. 7 spreekt, en waarop die, welke hem zelf te beurt is gevallen (vs. 8), gevolgd is, kan geen andere zijn, dan die van den dag der hemelvaart, welke in Hand. 1: 1—12 in bijzonderheden beschreven wordt, en onderstelt, zooals wij gezien hebben, dat Luk. 24:50 betrekking heeft op een nieuwe verschijning, welk verschillend\' is van die op den avond van den opstandingsdag.

Er bestaat dus geen enkel bezwaar tegen, de vijf door Paulus vermelde verschijningen met de reeks van die, welke onze Evangeliën verhalen, in verband te brengen. Hij laat alleen die weg, welk geen apostelen betroffen (Maria Magda-lena en de twee Emmaüsgangers), en die, welke hij niet met juistheid of in het geheel niet kende (Thomas, aan het meer Gennesareth), eu hij voegt er bij die aan Jakobus, een apostolische persoonlijkheid, waarvan hij door persoonlijke mededeeling kennis gekregen had, en die dus de negende wordt.

Gess {Christi Zeugniss, I, bl. 193—194) heeft doen opmerken, hoe natuurlijk de innerlijke opklimming is, die in de mededeelingen van den opgestanen Jezus aan zijn discipelen bij deze negen ontmoetingen is waar te nemen. Bij de drie eerste (Maria, de twee Emmaüsgangers, Petrus) heeft Hij met verslagene en moedelooze harten te doen; Hij troost en beurt op. Van Maria en de Emmaüsgangers weten wij het; van Petrus mogen wij het onderstellen. Bij de vier volgende heeft Hij zijn toekomstige getuigen voor zich (de elven, Thomas, do zeven in Galilea, Jakobus), en legt Hij in hen den grondslag van het onwankelbaar geloof aan het feit der opstanding; want dit geloof is de ziel van het werk, dat Hij hun opgedragen heeft. Daarna herstelt Hij het apostolaat, door het zijn hoofd terug te geven. Men kan zelfs zeggen, dat Hij, met het oog op de toekomstige zending onder Israël, het apostolaat aanvult, door Jakobus tot zijn dis-

621

-ocr page 644-

24: 46—49.

cipel, bijna tot een zijner apostelen, te maken. Bij de twee laatste verschijningen eindelijk, (op den berg in Galilea, in Bethanië), neemt Hij afscheid, daar van zijn gemeente, hier van zijn apostelen in het bijzonder. Toen boezemde hij den laatstgenoemden dien machtigen zendingsijver in, dien zij aan de gemeente hebben overgedragen, en die nu nog voortduurt.

Gess voegt de volgende opmerking er bij: „Deze zoo wijze opklimming laat niet toe, aan de verschijningen van Jezus een zuiver subjectieven oorsprong toe te schrijven. Waren zij alle door een en denzelfden Evangelist medegedeeld, dan zou men kunnen beproeven, in den verhaler den auteur van zulk een goed geordend plan te zien. Maar daar deze trapswijze opklimming op een combinatie van het eerste, het derde en het vierde Evangelie berust, is een dergelijke verklaring uitgesloten.quot; Deze opmerking behoort reeds tot het tweede punt, dat wij te behandelen hebben.

II. De werkelijkheid der lichamelijke opstanding van Jezus Christus.

1. Deze werkelijkheid is, in de eerste plaats, bestreden geworden door hen, die de verschijningen van den opge-stanen Jezus beschouwen als verzinsels van de apostelen, die daardoor hunne eigene zaak en die van den godsdienst huns Meesters wenschten te redden. Dit werd eertijds cioor de Joden beweerd (Matth. 28:13—-15), en Reimarus heeft het herhaald in de door Lessing uitgegevene Wolfenbullel-sche Fragmenten.

Maar het is niet te begrijpen, hoe feiten, die de discipelen zelf hebben verzonnen, hen konden verlossen uit den toestand van neêrslachtigheid, waarin de dood van hun Meester hen gedompeld had, en hun die opgetogene vreugde, dat triomfee-rend gevoel konden mededeelen, waarmede zij den naam van den opgestanen Zoon van God in de wereld verkondigd, en om zijnentwil smart, gevangenis en dood gewillig aanvaard hebben. In ieder geval zou het een zonderling middel zijn

622

-ocr page 645-

24:46-49.

geweest, om de verhevene zedeleer van Jezus voor de wereld te bewaren, als de apostelen de prediking daarvan op een leugen hadden gegrond, die zooveel te onbeschaamder zou geweest zijn, daar zij zich in hun verzonnen berichten den schijn zouden hebben gegeven, alsof het hun groote moeite gekost had, de door hen verdichte gebeurtenis voor werkelijkheid aan te nemen. Baur heeft onomwonden erkend, dat de opstanding van Jezus voor de apostelen een zaak was van de onwrikbaarste zekerheid, hoewel hij er van afziet, te verklaren, hoe zij aan deze overtuiging gekomen zijn. Ook\' Slrauss heeft niet geaarzeld, te erkennen, dat de onweêr-staanbare geestdrift, waarmede de discipelen na den dood van Jezus zich aan hunne taak wijdden, zich enkel laat verklaren uit de eene of andere buitengewone gebeurtenis, op grond waarvan zij omtrent zijn opstanding zelfs niet den geringsten twijfel meer koesterden. Ieder gevoelt inderdaad, hoezeer de ernst, de geestkracht, de toewijding, de belangeloosheid en de zelfverloochening, waarmede de apostelen het Evangelie hebben gepredikt, onvereenigbaar zijn met de rol van bedriegers, die men getracht heeft hun toe te dichten.

Wat kan het buitengewone feit zijn, dat zelfs Strauss voor noodzakelijk houdt, om het geloof der apostelen aan de opstanding van Jezus te verklaren?

2. Volgens verscheidene theologen, waaronder Paulus, Herder, Schleiermacher en Base de meest bekenden zijn, zou het een onschuldige dwaling wezen, waarin zij vervallen zijn. De apostelen zouden een meer of minder natuurlijke herleving van Jezus voor een wonderbare opstanding hebben aangezien. De rust en de koelte van het graf, de werking der aromatische geuren, en, volgens Hase, een ontplooiing van de buitengewone geneeskracht, die Jezus-zelf bezat, zouden Hem na verloop van eenigen tijd aan den toestand van flauwte, dien men voor den dood had aangezien, onttrokken hebben, en zoo zou Hij weêr in het midden der zijnen verschenen zijn. Maar in welk een toestand weêr verschenen? Als men in de geneeskracht, welke Jezus bezat, slechts een natuurlijke, op de zenuwen der kranken werkende kracht

023

-ocr page 646-

24; 46—49.

624

wil zien, dan kan men onmogelijk gelooven, dat zij Hem in staat heeft gesteld, zoo frisch en gezond weêr uit het graf te voorschijn te komen, dat Hij op de zijnen, die Hem met verrukking begroetten, den indruk maakte van een Levens-vorst. Gesteld eens, dat Hij zelf zijn graf had kunnen openen, dan zou men Hem hebben zien aankomen, zich met moeite voortslepende, krachteloos, half dood, behoefte heli-bende aan de zorgvuldigste en aanhoudendste verpleging, om niet te bezwijken; en aan dit deerniswaardig schouwspel zou de apostolische overlevering het verhaal van de heerlijke verschijningen van Jezus en het bewijs van de beslissende overwinning, die het leven in zijn persoon over den dood heeft behaald, ontleend hebben! Men ziet dat deze verklaring onvermijdelijk tot de hypothese van bedrog van den kant dei-discipelen terugvoert. Maar nog meer dan dit; zij leidt er ook toe, Jezus-zelf aan dit bedrog medeplichtig te maken. Want waarom zou Hij niets gedaan hebben, om zijn discipelen, die in den waan verkeerden, dat Hij werkelijk opgestaan was, uit die dwaling te helpen? Eu wat zou er van Hem geworden zijn, nadat Hij met moeite weêr hersteld was? Hij zou volgens den eenen geleerde in een Esseesch klooster zijn gaan sterven, volgens anderen in een herberg, in Phoenicië, waar Hij aanhangers zou zijn gaan zoeken onder de heidenen van die streek; maar dit droevig einde zou Hij voor zijn apostelen verborgen hebben gehouden, zoodat Hij hen met opzet in hun dwaling heeft gelaten. Strauss heeft deze tweede hypothese, evenzeer als de eerste, op een beslissende wijze afgemaakt!).

Tegenwoordig heeft men deze hypothesen algemeen opgegeven , en om zonder opstanding het vaste geloof der apostelen aan de opstanding te kunnen verklaren, neemt men de toevlucht tot de onderstelling van zuiver innerlijke verschijningen.

1) Het denkbeeld van Of rarer, dat liet lichaam van Jezus door Jozof en Nicodemua naar het huis van een van hen zou gebracht zijn, om daar verpleegd te worden, en dat het daar op natuurlijke wijze herleefd zou zijn, voert tot dezelfde zedelijke gevolgtrekkingen, om niet te spreken van de uitwendige onmogelijkheden.

-ocr page 647-

24:46—49.

die men of met Strauss voor bloots voortbrengselen der verbeelding, voor visioenen in don zin van hallucinaties houdt, öf, zooals Wieme voorstelt, voor feiten van pneumatischen aard, voor werkelijke verschijningen, doch niet van den opge-stanen, maar van den geestelijk en onzichtbaar levenden Jezus.

3. De volgende uiteenzetting van de hypothese aangaande de subjectieve visioenen is een korte samenvatting van de verschillende vormen, die zij bij haar talrijke aanhangers gehad heeft, van Celsus af (2\'^ eeuw) tot aan Slrauss, Ewald, Eausrath, Hols ten, Pjleiderer en Renan toe. Moeten wij ook de namen van Saba tier en Weizsackcr er bijvoegen? Wij verkeeren daaromtrent nog in twijfel; misschien behooren zij tot de volgende groep.

Na de eerste oogenblikken van diepe verslagenheid grepen de apostelen weder moed; zij herinnerden zich de beloften, die Jezus hun gegeven had, dat Hij terug zou komen, om zijn rijk op aarde op te richten, en vonden in do H. Schriften profetieën, die hen in de hoop op dezen nabijzijnden triomf versterkten. Zoo herstelde zich hun geloof spoedig weder door een krachtige reactie. En daar zij (althans volgens sommigen van deze geleerden) uit vrees voor de Joden onmiddellijk vóór of na den dood van Jezus naar Galilea gevlucht waren, kwam zijn beeld hier in deze streken, waar zij met Hem geleefd hadden, zoo levendig voor den geest, dat zij meenden, Hem in verheerlijkte gestalte te aanschouwen, in den toestand, waarin zij zijn wederkomst op aarde verwachtten. Aanvankelijk waren het in hunne eigene oogen slechts visoenen, zooals die, waarmede de geschiedenis ran bet O. T. hen gemeenzaam maakte. Maar langzamerhand, terwijl men deze innerlijke tooneelen verhaalde, vatte men ze als iets lichamelijks op, en zag daarin uitwendige verschijningen van den Opgestane. Zoo stellen de Duitsche critici over het algemeen don loop der dingen voor. Zij maken Petrus tot den schepper van de eerste visioenen

1) Zie Weizsaclcer, Das apostolische Zeitaller bl. i—16 j JPJleiderer, Das Urchristenthum, seine Schriften und Lehren, bl. 3—11.

Godet Lukas, II. 40

625

-ocr page 648-

24; 46—49L

Op het voorbeeld van Celsus, houdt Renan zich meer aan het bericht van Johannes. Volgens hem was het Maria Magdalena, die de eerste hallucinaties heeft gehad, en wel in de nabijheid van het graf zelf. Deze droomen vonden spoedig ingang bij de discipelen, en gaven aan de oorspronkelijke kerk de machtige visionaire neiging, die haar in haar aanvangen beheerschte. Toen eenmaal de beweging in deze richting begonnen was, zette zij zich gedurende een langeren of korteren tijd voort. Nog in den loop van den eersten dag hadden de twee Emmaüsgangers, en daarna, des avonds, de elven verdere verschijningen van Jezus. Een soort koorts maakte zich meester van de kleine schare der geloovigen, terwijl de een den ander zijn droomerijen mededeelde. Zoo geraakten zij allen te zamen in een toestand van voortdurende geestvervoering, en wel in zulk eene mate, dat na verloop van enkele weken meer dan 500 personen tegelijk zich verbeeldden , den verheerlijkten Heer te hebben gezien. Deze toestand duurde zoolang voort, totdat de eerste verrukking van lieverlede bedaarde, en toen nam men de toevlucht tot den H. Geest als tot den Trooster, die de gemeente de verschijningen van haar Hoofd vergoeden moest, en zoo volgde de naam van het Pinksterfeest op dien der Opstanding. Aldus stelt zich de Fransche geleerde den loop der dingen voor.

Het exegetische steunpunt van de hypothese aangaande de visioenen heeft Strauss in 1 Cor. 15:5—8 gevonden, waar Paulus, na de verschijningen van den Opgestane aan de apostelen te hebben opgesomd, over die spreekt, waarvan hij zelf getuige is geweest op den weg naar Damascus. Deze verschijning kan volgens Strauss niets anders zijn geweest, dan een zuiver innerlijk tooneel, zooals het verschil tusschen de berichten in het boek der Handelingen bewijst, en reeds het zenuwachtige temperament van Paulus doet onderstellen. Zeker beschouwde de apostel zelf de zaak niet op deze wijze; hij meende werkelijk, den Heer te hebben gezien. En indien hij in dit geval een bloot visioen voor een werkelijke verschijnig heeft gehouden, dan volgt daaruit, dat betzelfde ook gezegd moet worden van al de verschijningen

626

-ocr page 649-

24: 46—49.

aan de apostelen, die hij opgesomd heeft, en die hij op dezelfde lijn stelt met die, welke hem ten deel is gevallen.

Het is niet moeilijk, de fout in deze bewijsvoering van Strauss te ontdekken. Zoolang hij niet bewezen heeft, dat Paulus-zelf de verschijning op den weg naar Damascus als een bloot visioen beschouwde, heeft hij niet het recht, uit de genoemde plaats een gevolgtrekking te maken tegen de uitwendige werkelijkheid der verschijningen, die hij vooraf heeft opgesomd. Men moet veeleer uit het getuigenis van Paulus aangaande de verschijning van Jezus aan hem do gevolgtrekking maken, dat hij ook de andere verschijningen voor werkelijkheid heeft gehouden, en dat zij hem als zoodanig waren medegedeeld.

Weizsacker heeft de fout in de bewijsvoering van zijn voorganger zeer goed gevoeld, en hij heeft getracht, daarin de noodige verbetering aan te brengen. Hij meent, dat Paulus zelf de verschijning op den weg naar Damascus voor een zuiver tooneel heeft aangezien, en dat hij haar zelfs niet anders heeft kunnen beschouwen. Want daar volgens Paulus de verheerlijkte Heer een pneumatisch (1 Cor. 15:44—46), d. w. z. een onstoffelijk lichaam had, vloeit daaruit voort, dat hij zich niet heeft kunnen verbeelden. Hem met de oogen des lichaaras te hebben gezien, dat hij dus deze verschijning als iets innerlijks heeft beschouwd, en bijgevolg ook de verschijningen aan de apostelen, die hij in herinnering bracht, op dezelfde wijze heeft opgevat.

Laat ons onze studie over dit onderwerp beginnen met het getuigenis van Paulus te onderzoeken. Dan rijst in de eerste plaats de vraag: Heeft Paulus zelf de verschijning op den weg naar Damascus voor een zuiver innerlijke gebeurtenis gehouden? Als dit zoo was, zou het niet te begrijpen zijn, hoe hij aan de Corinthiërs heeft kunnen schrijven (1 Cor, 9: 1): „Ben ik niet een apostel? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heer, gezien?quot; Don Heer in een visioen te zien, was een zaak, die volgens de zienswijze der oude kerk lederen gewonen geloovige, b.v. een Ananias, kon te beurt vallen, zonder dat daaruit eenig recht op het apostelschap

627

-ocr page 650-

24; 46—49.

voortvloeide; hoogstens kon men daaruit afleiden, dat do profetische gave aanwezig was bij hem, wien deze onderscheiding te beurt was gevallen. De redeneering van Paulus zou dus geen steek hebben gehouden, en in Corinthe geen ander resultaat hebben gehad, dan een glimlach van zijn tegenstanders. De zin, dien wij aan deze plaats geven, wordt bevestigd door het begin van den brief aan de Galaten: „Paulus, een apostel, niet van menschen geroepen, noch door de bemiddeling van een mensch, maar door Jezus Christus en God den Vaderquot;; en hij voegde er bij: „die Hem uit de dooden opgewekt heeft.quot; Paulus wil zeggen, dat hij, evengoed als de andere apostelen, rechtstreeks door God en door Jezus Christus tot het apostelschap werd geroepen, alleen met dit verschil: dat zij door Jezus werden geroepen, toen Hij nog op aarde leefde, terwijl hij door den opgestanen Jezus Christus geroepen is. Had Paulus zich ooit op deze wijze kunnen uitdrukken, indien hij de verschijning van Jezus als een bloot visioen had beschouwd? Vgl. ook Rom. 4:5. — Tegenover dergelijke uitspraken heeft de tegenwerping, die Baur aan Gal. 1:15 ontleent, niets te beteekenen: „Toen het Gode behaagde, zijn Zoon in mij te openbarenquot;; alsof dit vin mijquot; te kennen gaf, dat de verschijning een zuiver innerlijk feit is geweest! Do uitdrukking: zijn Zoon openbaren heeft hier volstrekt niet enkel op het feit der uitwendige verschijning betrekking, maar op de geheele verlichting, die daarop volgde, en door middel waarvan Paulus tot de volkomene kennis van Jezus als don Zoon van God geraakte; het is die innerlijke arbeid, die geschieden moet in het hart van iederen christen, en waarvan hij 1 Cor. 12:3 zegt: „Niemand kan Jezus Heere noemen, dan door den H. Geest.quot;

Hetgeen volstrekt verhindert, aan te nemen, dat Paulus de in 1 Cor. 15 vermelde verschijningen voor bloote visioenen heeft aangezien, is het doel, dat hij met de opsomming daarvan beoogt. Hij wil de Corinthiërs onze eigene opstanding bewijzen, en wel in den gewonen zin van een herleving van het aardsche lichaam. Men spotte in Corinthe met dit

628

-ocr page 651-

24: 46-49.

denkbeeld. Door hefc beeld van de zaadkorrel, die, in de aarde gelegd, daar eerst vergaat, maar om zich daarna in een nieuw organisme te ontplooien, bewijst de apostel, dat de verwachting van een lichamelijke opstanding niet zoo ongerijmd is als men meent. Er is dus wèl sprake van een weder levend worden van het in de aarde gelegde lichaam, en het bewijs voor dit toekoycistig feit vindt hij in de opstanding van Jezus en in de verschijningen, die de werkelijkheid daarvan hebben aangetoond. Als hij deze feiten niet voor objectieve en lichamelijke werkelijkheid had aangezien, zou de bewijsvoering geen zin hebben. Hoe kan men met een innerlijk visioen de werkelijkheid van do toekomstige opstanding des lichaams bewijzen! Letten wij nog op een veelbe-teekenend woord van doze plaats. Onder de feiten, die Paulus aanvoert als behoorende tot de voornaamste bestand-deelen van het apostolisch getuigenis, noemt hij uitdrukkelijk, tusschen den dood en de opstanding van Jezus, zijn begrafenis (vs. 4). Deze woorden: ax) k/idv, en dat Hij begraven is kunnen in dezen samenhang geen andere beteekenis hebben, dan: Na zijn dood werd zijn lichaam in het graf gelegd, en uit dit graf is zijn lichaam weêr levend te voorschijn gekomen. Wij hebben dus van de hand van Paulus-zelf het bewijs van den zin, waarin zoowel hij als de andere apostelen de volgende woorden verstonden: „En Hij is ten derden dage opgestaan, naar de Schriftenquot;.

De verklaring van Paulus (1 Oor. 15:1—11) aangaande het apostolisch getuigenis is in deze kwestie van het hoogste gewicht. Want zij sluit met beslistheid een gevoelen uit, dat kort geleden werd uitgesproken, en ten doel heeft, alle waarde te ontnemen aan die feiten in onze Evangelische verhalen, welke noodzaken, de verschijningen van den opge-stanen Heer als werkelijkheid te beschouwen. Men heeft gezegd: De apostelen hebben van slechts één feit getuigd, nl. dat zij visioenen hebben gehad, waarin zij den verheerlijkten Heer hebben gezien; en het is de latere legende, die deze innerlijke gebeurtenissen in uitwendige, in werkelijke verschijuingen heeft veranderd. Nu hebben wij hier het ge-

629

-ocr page 652-

24 : 46—49.

tuigenis van een man, die met de apostelen zelf in recht-streeksche betrekking is geweest. „Ik heb u overgeleverdquot;, zegt hij tot de Corinthiërs, „wat ik ook ontvangen heb.quot; Van wien ontvangen? Wij weten het. Paulus had zelf met Petrus en Jakobus over deze dingen gesproken (Gal. 1:18, 19), en het zou zeer bevreemdend zijn, als gedurende de 14 dagen, die hij met hen te Jeruzalem doorbracht, niet ook de opstanding van Jezus het onderwerp hunner gesprekken was geweest. Paulus heeft dus niet uit de troebele wateren der legende geput, maar uit de zuivere bron der apostolische mederleeling zelve. In de overlevering, zooals hij ons die aanbiedt, bezitten wij dus het apostolisch getuigenis in zijn oorspronkelijksten en zuiversten vorm.

Wat de bedenking van Weizsacker betreft, dat de uitdrukking „geestelijk lichaamquot;, die de apostel gebruikt, om het verheerlijkt lichaam aan te duiden, volgens Pauluszelf zou bewijzen dat de Heer, die hem verschenen is, voor hem niet het voorwerp eener zinnelijke waarneming kan geweest zijn, — zij berust op een zuiver misverstand. Evenmin als de uitdrukking „psychisch lichaamquot; een lichaam van psychische substantie te kennen geeft — hetgeen een gedachte zou bevatten, die met zichzelf in tegenspraak is — evenmin beteekent „geestelijk lichaamquot; een lichaam van geestelijken aard, hetgeen ongerijmd zou zijn. Er is sprake van een stoffelijk lichaam (maar van hoogere orde), geschikt om het orgaan van een geest te zijn, zooals ons tegenwoordig lichaam (dat uit een stof van lagere orde bestaat) het orgaan van een is. Juist met het oog op dit begrip heeft Paulus

eenige verzen vroeger het verschil ontwikkeld tusschen de velerlei soorten van lichamelijke substanties, waarvan de natuur ons voorbeelden aanbiedt. Bovendien bewijst het geheele Hoofdstuk, dat de apostel een nauw verband aanneemt tusschen ons tegenwoordig lichaam en het geestelijk lichaam, waarmede wij door de opstanding bekleed zullen worden; dit verband zou geheel verbroken worden, indien het nieuwe lichaam volstrekt onstoffelijk was. Er zou in-de-plaats-stelling zijn, en niet verandering van gedaante. En

630

-ocr page 653-

24 : 46—49.

de apostel verkondigt met nadruk, dat dit nieuwe lichaam evenmin van het verheerlijkt lichaam van Jezus verschillen zal, als ons tegenwoordig lichaam van dat van den eersten Adam verschilt (vs. 48 en 49). Dit alles zouden slechts valsche sluitredenen zijn bij de beteekenis, die Weizsacker aan de uitdrukking „geestelijk lichaamquot; geeft; vgl. nog het auitariKas (Col. 2 : 9).

Paulus en de andere apostelen hebben dus zonder eenigen twijfel aan de lichamelijke werkelijkheid der verschijningen van Jezus geloofd. Maar zelfs in dit geval blijft nog altijd een mogelijkheid over, nl. dat zij het slachtoffer zijn geweest van hunne eigene verbeelding, en dat zij in hunne liefde voor hun Meester en met hunne vurige begeerte om Hem weder te zien bloote visioenen voor lichamelijke verschijningen hebben gehouden.

Laat ons ook deze kwestie onderzoeken met de zorgvuldigheid, die zij verdient. En dan beginnen wij met de vraag: Vanwaar die krachtige aandrift, die in den geest der discipelen en later in dien van Paulus zulk een levendig beeld van den opgestanen Jezus zou hebben doen opkomen, dat zij het voor Hem-zelf, met vleesch en been, hebben gehouden? Toen Paulus zich naar Damascus begaf, verwachtte hij blijkbaar eene dergelijke verschijning in het geheel niet; hij dacht slechts aan de verwoesting van de kleine kudde van geloovigen, die zich daar bevond. De vrouwen, die in den vroegen morgen van den tweeden dag na den dood van Jezus naar zijn graf gingen, hadden geen ander doel, dan de balseming van zijn lichaam te voltooien; zij waren dus vast overtuigd, dat dit lichaam bestemd was, in het graf te blijven. Als Maria Magdalena Jezus ziet, meent zij, dat het de hovenier is, d. w. z.: zij verwacht eerder eiken anderen persoon, dan juist Hem te zien. Indien de Emmaüsgangers en de apostelen nog iets hoopten, clan was dit zooals ook de moordenaar aan het kruis het meende, de glorierijke wederkomst van Jezus uit den hemel als Koning-Messias. Maar aan een terugkeer van zijn dood lichaam tot het leven dachten zij zoo weinig, dat zij, toon Jezus hun voor de eerste maal

631

-ocr page 654-

24 : 46—49.

verscheen, volgens huu eigen getuigenis hebben gemeend, een geest te zien, en Jezus genoodzaakt was, in hunne tegenwoordigheid te eten, om hen van zijn lichamelijke tegenwoordigheid te overtuigen. Er was tlus noch in den gemoedstoestand der vrouwen (inzonderheid van Maria Mag-dalena), noch in dien der apostelen (men denke vooral aan Thomas), noch later in dien van Paulus, iets hoegenaamd, dat hen vatbaar kon maken voor het innerlijk visioen van een opgestane. Men verwachtte wellicht iets, dat op een Parousie geleek, maar volstrekt geen opstanding.

Wij hebben gezien, dat de Duitsche critici de hypothese van Renan aangaande de rol van Maria Magdalena verwerpen , en Petrus, die volgens hen naar Galilea gevlucht was, de eerste visioenen toeschrijven. Op deze wijze meenen zij, de verklaring van den oorsprong van dit psychologisch verschijnsel gemakkelijk te maken. Maar deze vlucht van Petrus is, evenals die van de andere apostelen naar Galilea, een verzinsel, waarvoor geen enkel ernstig argument kan worden aangevoerd. De vrees, die men den discipelen toeschrijft, wordt niet gerechtvaardigd door de eene of andere tegen hen gerichte vervolging. Petrus verlaat de binnenplaats van den hoogepriester, zonder dat iemand er aan gedacht had, de hand op hem te leggen, hoewel het allen bekend was geworden, dat hij een discipel van Jezus was, Het vermeende onmiddellijk vertrek der discipelen op het oogen-blik zelf, waarop hun Meester zulk een wreede doodstraf onderging, is zoo onwaarschijnlijk mogelijk; bovendien is het in lijnrechten strijd met al onze berichten, die ons mede-deelen, dat de eerste verschijningen in de nabijheid van het graf, in Jeruzalem en dicht bij deze stad hebben plaats gehad, en wel reeds op den tweeden dag na den dood van Jezus, en niet eerst weken daarna. Dat vertrek is eveneens in tegenspraak met het getuigenis van Paulus zelf, die, op grond van hetgeen de apostelen hebben medegedeeld, verklaart, dat slechts een enkele dag, door Jezus in bet graf doorgebracht, zijn dood van zijn eerste verschijningen gescheiden heeft (1 Cnr. 15 : 4).

632

-ocr page 655-

24 : 46—49.

De verklaring, die de Duitscbe critici van den oorsprong der visioenen geven, is dus even onhoudbaar als die van den Franschen geleerde. Laat ons bovendien nog de aandacht vestigen op eenige trekken, die op do verschijningen van den opgestanen Jezus positief het zegel der objectiviteit en der uitwendige werkelijkheid drukken.

a. Zij zijn, zooals wij gezien hebben, uitermate beperkt in aantal, hoogstens negen. Wat moet men dan zeggen van de beschrijving, die Renan geeft, als hij spreekt over die „hevige koortsquot;, die uitbreekt, over die geloovigen, die elkander dronken maken en hunne droomen op elkander doen overgaanquot;, over dat tijdperk, waarin „de visioenen zich onophoudelijk vermenigvuldigden.,,quot; enz. {Les apttres, bl. 25)? Bij wien vinden wij hier spelingen der verbeelding? En aan welke zijde bespeurt men de hersenschimmen?

633

b. De verschijningen zijn niet door een of twee, maar door zeven, twaalf en zelfs vijfhonderd personen waargenomen. Zou bij al deze personen hetzelfde zinsbedrog hebben plaats gehad? Men haalt als voorbeelden aan de convulsio-naire epidemieën der middeleeuwen, de zinsbegoochelingen der Camisarden, welke menigmaal door groote scharen gedeeld werden. Maar juist zulke voorbeelden doen het contrast tusschen deze toestanden van groote opgewondenheid, waartoe zij behooren, en de kalmte, de zelfbeheersching, den praktischen ernst en de onberispelijke goede orde der apostolische kerk te meer uitkomen. Niets is zoo ongelijk aan een onwetende volksmenigte, die dweepziek gemaakt is, als de eerste christelijke gemeente. De goddelijke kalmte van Jezus schijnt de apostelen en de andere geloovigen nog altijd te beheerschen. Men kent de verschijnselen van zenuwachtige opgewondenheid, die zoo menigmaal de zoogenaamde opwekkingen hebben gekenmerkt, Maar geen spoor van dergelijke verschijnselen is in de Pinkstergemeenten te ontdekken.1)

1

Men heeft somtijds het spreken met tongen aangevoerd; maar dit verschijnsel doet zich slechts eenmaal voor, op den eersten Pinksterdag, en

-ocr page 656-

24:46-49.

634

c. Indien de verschijningen van den opgestanen Jezus bloote visioenen zijn, hoe komt liet dan, dat zij van den dag der hemelvaart af, 40 dagen nadat zij begonnen waren, eensklaps hebben opgehouden? Zou dit plotselinge eindigen daarvan te verklaren zijn, als zij het voortbrengsel waren van een toestand van opgewondenheid ? Zou de christelijke verbeelding, nadat zij eenmaal zulk een richting genomen had, zoo eensklaps weer tot rust zijn gekomen? De Monta-nistische beweging, die aan veel minder machtige oorzaken te danken was, heeft een volle halve eeuw geduurd. Sabalier beweert wel, dat er volgens 1 Cor. 15:8, waar Paulus na de verschijningen aan de apostelen die vermeldt, welke hemzelf na alle anderen te beurt is gevallen, tusschen de eersten en deze laatste een geheele reeks van andere verschijningen moet zijn geweest. Maar deze gedachte vindt men daa eerst in den tekst van den apostel, als men haar tot eiken prijs daarin vinden wil. Waarom zou Paulus van deze vermeende verschijningen, die in dien langen tusschentijd van verscheidene jaren zouden hebben plaats gehad, geen enkele vermeld hebben P Het ophouden van de verschijningen was dus zeker plotseling en duidelijk begrensd. De verschijning op den dag der hemelvaart was de negende en de laatste van die, welke aan die aan Paulus voorafgingen. Dit feit dwingt den onpartijdigen geschiedschrijver, deze verschijningen aan een uitwendige oorzaak toe te schrijven, die om de eene of andere

met geheel andere kcnteekenen, dan later in de Corinthiache gemeente. Daarna openbaart zij zich eerst na verloop van verscheidene jaren weder in de eerste gemeente, toen Petrus bij Cornelius te Cesarea predikte; oa het woord van dezen apostel, dat op deze gebeurtenis betrekking heeft (Hand. 11 : 15): ,.De H. Geeat viel op hem, zooals Hij in den beginne ook op ons gevallen wasquot; bewijst duidelijk, dat het een buiteogewoon feit was, hetwelk zich in den tusschentijd niet herhaald had. Eindelijk ontmoet men eerst verscheidene jaren later een dergelijk feit weder, nl. te Hfcze (Hand. 19:6). Men kan daarom geen enkele gevolgtrekking daaruit maken ten opzichte van den gewonen toestand der eerste gemeente te Jeruzalem. Do apostelen vervulden daar den dienst des woords eu des gebeds (Hand. 1G:4)j dit ia alles, wat wij or van weten.

-ocr page 657-

24: 46—49.

reden van dien dag af, heeft opgehouden haar werking te doen. \')

d. De verschijningen van Jezus zouden ook uit subjectieve visioenen verklaard kunnen worden, indien zij enkel bestaan hadden in de onbestemde waarneming van een in de verte zwevende lichtgestalte,, of in het vernemen van eenige verwarde tonen, zooals de trommelslagen of de Psalmgezangen, die de vervolgde Hervormden somtijds boven hunne hoofden meenden te hooren, en die zij toeschreven aan engelen, die hun geloof kwamen ondersteunen. Maar Jezus blijft niet op een afstand van de zijnen, maar komt in hun midden, eet voor hunne oogen, noodigt Thomas uit, Hem aan teraken, en blaast op hen. Zijn woorden zijn duidelijk en nauwkeurig; Hij leert hen de Schriften verstaan; Petrus begrijpt zeer goed zijn driemaal herhaalde vraag en de verklaring, die hem weêr aan het hoofd der apostelen plaatst; de instelling van den doop, de belofte aangaande de uitstorting van den H. Geest, het gaan van de apostelen naar Bethanië, — dit alles is zoo duidelijk en zoo positief, dat er tegenover deze feiten slechts twee mogelijkheden overblijven: öf opzettelijke verdichting, öf uitwendige werkelijkheid.

Zou wellicht iemand, onder den invloed van de jongste ervaringen, op de gedachte kunnen komen, dat wij hier met hypnotische suggesties te doen hebben? Maar wie zou dan de magnetiseur, de bewerker van deze vreemde suggesties zijn? Jezus, die na zijn dood teruggekomen zou zijn, om deze rol te spelen? Het is gemakkelijker, de werkelijkheid zijner opstanding, dan zulk een gevoelen aan te nemen.

635

4. Al deze overwegingen hebben op den geest van verscheidene hedendaagsche critici zoo sterk gewerkt, dat zij zich genoodzaakt hebben gezien, een objectieve oorzaak van deze innerlijke verschijnselen aan te nemen. Om den moed en het geloof der apostelen weder op te richten, heeft God

1) Niemand heeft dit bewijs beter uiteengezet, dan Keim in zijn Geschicht-licher Christus. Hij heeft voor de visioenen-hypothese gedaan, wat Strauss voor de hypothese aangaande don schyndood Tan Jezus gedaan had.

-ocr page 658-

24; 46-49.

toegelaten, dat de gestorven, maar in den geest weer levend gemaakte Jezus uit de hemelsche woningen hun verscheen, en hun de verzekering kwam geven van zijn verheerlijkt leven, hetgeen geenszins het wonder der lichamelijke opstanding in zich sluit. Deze zuiver geestelijke verschijningen waren, volgens de uitdrukking van Keim, als hemelsche telegrammen, die God tot hen richtte. Dit is ook het gevoelen van Schenkel, Mex-Schweizer en Lolze, den schrijver van den Microcosmus. Moeten -wij hier de namen van Weiz-sacker en Sabatier er bijvoegen? Hunne verklaringen zijn op dit punt zoo onduidelijk, dat men niet recht weet, of men hen tot de aanhangers van de hypothese aangaande de zuiver subjectieve visioenen, dan wel tot die van de hypothese aangaande de pneumatische verschijningen moet rekenen.

Ten opzichte van deze laatste verklaring moeten wij in de eerste plaats doen opmerken, dat Paulus en de andere apostelen, zooals wij bij het bespreken van de vorige hypothese hebben aangetoond, het met elkander daarover eens waren, dat de Heer hun niet in een visioen was verschenen, maar dat zij Hem gezien hebben, bekleed met zijn levend uit het graf uitgegaan lichaam. Men vergelijke ook nog Rom. 8:11, Philipp. 3 : 21 en 1 Petr. 3 : 19—22, en dan zal men wel, als men door het voorgaande nog niet overtuigd is geworden, tegenover deze plaatsen niet langer in twijfel kunnen verkeeren omtrent hunne overtuiging op dit punt. De uitdrukkingen opstanding en verandering, die op deze plaatsen voorkomen, kunnen niet op een bloot geestelijke opwekking betrekking hebben, maar sluiten de opstanding des lichaams in zich. Men denke verder aan het belangrijke feit, waarop wij naar aanleiding van de visioenen-hypothese de aandacht hebben gevestigd: dat de apostelen wel een wederkomst van den verheerlijkten Jezus, maar geenszins zijn lichamelijke opstanding verwachtten; dat zij dus veeleer geneigd zouden zijn geweest, lichamelijke verschijningen voor visioenen te houden, dan omgekeerd, gelijk te zien is uit de moeite, die Jezus zich geven moet, om hen te overtuigen, dat Hij, die voor hen staat, niet een geest, maar lichamelijk

636

-ocr page 659-

24:46—49.

daar tegenwoordig is; en men zal begrijpen, dat zij een geestelijk visioen niet als een lichamelijke verschijning hebben kunnen opvatten. Dit argument verkrijgt nog grootere kracht, als meu rekening houdt met het feit, dat de apostelen, inzonderheid Paulus, zeer goed wisten te onderscheiden tusschen een visioen en een werkelijke verschijning, terwijl zij de objectiviteit van het eerste vasthielden. In de Hand. der apostelen namelijk worden verscheidene visioenen vermeld, waarin de Heer-zelf den apostel verschenen is; zoo b.v. in den tempel te Jeruzalem (22 : 17—21); te Corinthe (18 : 9);\' in de citadel te Jeruzalem (23 : 11). Maar niets bewijst, dat hij in een van deze gevallen iets anders heeft meenen te zien, dan een zuiver geestelijk visioen; veeleer zegt bij-zelf, dat bij in het eerste den Heer èv swrotvsi zag, en in de tweede Si\' opx^oirof, het derde had plaats des nachts (vukti); uitdrukkingen, die wel een visioen, maar niet een werkelijk zien in zich sluiten. De verschijning op den weg naar Damascus daarentegen behoort volgens hem tot een geheel andere categorie van feiten. Zijn reisgenooten hebben iets gezien en gehoord. Daarom stelt hij haar ook op ééne lijn met de verschijningen aan de andere apostelen; en met de uitdrukking; in de laatste plaats (1 Cor. 15 ; 8) scheidt bij haar geheel en ai af van alle visioenen, die hem later te beurt kunnen zijn gevallen. Indien dit niet de zin was van de woorden: eaxxTov vxvTay xxuoi, in de laatste plaats, na allen, ook mij, zouden zij feitelijk een onjuistheid uitdrukken. Want in den vorm van een visioen is de Heer na de bekeering van Paulus nog aan anderen verschenen, b,v. aan Ananias. Het is derhalve duidelijk, dat in de oogen van den apostel, die het onderscheid tusschen deze twee soorten van feiten kent, de verschijning op den weg naar Damascus tot een geheel andere categorie behoort, dan de visioenen. Bovendien blijkt dit uit de uitdrukking crco/txriKÜlt;;, lichamelijk, Col. 2:9, welke Paulus zeker werd ingegeven door de herinnering aan den indruk, dien hij van deze geheel eenige gebeurtenis ontvangen had.

Wij komen nu aan het hoofdfeit, dat zoowel de hypothese

637

-ocr page 660-

24 : 46—49.

aangaande de pneumatische verschijningen , als die aangaande de psychologische visioenen schipbreuk doet lijden: de plotselinge verdwijning van het lichaam des Heeren. Zij wordt niet alleen door het getuigenis der vrouwen en der apostelen, die aan het graf kwamen, gestaafd, maar ook door het onder de Joden verbreide gerucht, dat het lichaam van Jezus des nachts door de discipelen werd weggedragen. Hoe moet deze geheimzinnige verdwijning worden verklaard? Als het de discipelen zijn, die het lichaam hebben weggenomen en doen verdwijnen, om de tijding aangaande de opstanding van Jezus geloof te doen vinden, dan zijn zij niets anders, dan onbeschaamde leugenaars; want zij hebben dan voor het aangezicht der wereld een feit als waarheid verkondigd, waarvan zij wisten, dat het een leugen was, daar zij het bewijs hiervoor onder de oogen hadden. En welk feit? Een daad Godsl „Wij zouden danquot;, zegt Paulus, „valsche getuigen zijn van de ergste soort, valsche getuigen ten opzichte van Godquot; (1 Cor. 15 : 15). Of zouden de Joden dezen roof hebben gepleegd? Maar dan zouden zij zichzelf tegengewerkt en hun vijanden in de hand gewerkt hebben; want het meest afdoende middel om den mond van de predikers der opstanding te sluiten was immers, het lichaam te toonen. Daar deze twee hypothesen beide onaannemelijk zijn, heeft men de toevlucht genomen tot een andere, die er tusschen ligt. Vrienden van Jezus, die nog niet zijn verklaarde discipelen waren, zooals b v. Jozef en Nicodemus, zouden het lichaam weggenomen hebben, om het te verplegen, en het spoedig heimelijk begraven hebben, toen zij zagen, dat het dood was. Maar noe hadden zij over deze daad tegenover de apostelen het stilzwijgen kunnen bewaren, terwijl zij hen toch met overtuiging de opstanding van Jezus zagen prediken? En als zij daarna weder tot het Jodendom waren teruggekeerd, was het toen dan niet de tijd om te spreken, en zou hun stilzwijgen in dit geval niet nog onbegrijpelijker zijn?

Wat is er dan van het lichaam van Jezus geworden? Hoe is het verdwenen, mot achterlating van het laken, waarin het gewikkeld was, en van den zweetdoek, dat om zijn hoofd

638

-ocr page 661-

24 : 46—49.

was gebonden. En gesteld eens, dat het weggenomen is geworden, zou men dan het laken, waarin het gewikkeld was, hebben achtergelaten? Wat moet men op deze vragen antwoorden ? Sahahev redt zich uit de verlegenheid door heel eenvoudig te zeggen: „De stoffeliike bestanddeelen van bet lichaam, waarin Jezus hier beneden geleefd had, zijn tot de aarde teruggekeerdquot; \'). Maar hoe moet men zich dezen terugkeer voorstellen? Zijn zij van zelf tot de aarde teruggekeerd? Maar er moeten eerst jaren verloopen, voordat de aarde een lijk zoo volkomen in zich opgenomen heeft, dat daarvan geen spoor meer overblijft. En het graf werd twee dagen na de begrafenis ledig gevonden, volgens bet getuigenis van Paulus en de andere apostelen. Zou bet de geestelijke Opgestane geweest zijn, die op aarde terugkeerde, om met zijn hemelsche handen een graf voor zijn lichaam te graven? — Het is bedroevend, zulk een vraagstuk op zulk een lichtzinnige wijze te zien oplossen. Even bedroevend is het, de groote woorden en de holle phrasen te lezen, waarmede deze godgeleerde uit de engte zoekt te geraken, waarin bij zich gedreven ziet, aan den eenen kant door zijn eerbied voor het zedelijk karakter der apostelen, die hem niet veroorlooft, hun een bedrog toe te schrijven, en aan den anderen kant door het onafhankelijk van alle historisch onderzoek bij hem vaststaande besluit, een wonder als de lichamelijke opstanding des Heeren niet aan te nemen.

Men spreekt van „onoplosbare moeilijkhedenquot;, van de neiging om „het verhevenste en kostelijkste, dat er isquot; te materialiseeren, van „populaire symbolenquot;, waaronder „diepe waarhedenquot; verborgen zijn. Men verschanst zich achter „het onbekendequot;, „bet onverklaarbarequot;, — en waartoe dat alles? Om een feit, dat men niet wil zien, in nevelen te hullen, en het onbetwistbare te kunnen betwisten. Dit alles is eveneens van toepassing op de gelijke metbode van Weit-sacker in zijn jongste, overigens zoo voortreffelijke werk3).

1) Christianisme au XIX\' siècle, avril 1800.

2) Das apostolische Zeitaller, 1886.

639

-ocr page 662-

24; 46—49.

De zaak is, dat dit ledige graf, „waarop de kerk gegrond isquot;, enkel te verklaren is door het vrije uitgaan van Hem 1 die daarin gelegen had.

III. De aard van het lichaam van den opgestanen Jezus.

Er bestaan tegenwoordig over dit punt twee gevoelens, die lijnrecht tegenover elkander staan, en waarvan het eene door Reuss, en het andere door Weiss wordt vertegenwoordigd.

Volgens het eene zou het opgestane lichaam van Jezus niets anders zijn, dan zijn aardsch lichaam, met nieuw leven bezield, zoodat deze opstanding ongeveer van denzelfden aard zou zijn als die van het dochtertje van Jaïrus of van Lazarus. Doch niet alleen zou deze zienswijze ertoe leiden, te moeten aannemen, dat Jezus voor de tweede maal gestorven is, hetgeen de bovengenoemde (bl. 727) gevolgen met zich mede zou brengen, maar ook is zij onvereenigbaar met de wijzo, waarop Jezus na zijn opstanding aan de zijnen verscheen en plotseling weder verdween, en eveneens met de algeheele verandering, die zijn persoon moet hebben ondergaan, zooals wij kunnen opmaken uit het feit, dat de zijnen Hem met moeite herkennen. Jezus is door de opstanding zeker tot een bestaansvorm overgegaan, die hooger is dan de aardsche. Dit onderstelt ook de uitdrukking, die Hij-zelf gebruikt, als Hij tot zijn discipelen spreekt: „Toen ik nog met u wasquot; (Luk. 24 : 44). Zijn lichaam is voortaan aan geheel nieuwe voorwaarden van bestaan onderworpen.

Kan men aan den anderen kant met Weiss e. a. aannemen , dat Jezus door de opstanding ten volle zijn toestand van heerlijkheid is ingetreden, en dat Hij bekleed is geworden met verheerlijkt, geestelijk lichaam, dat Hij nu in den hemel bezitP Ook deze opvatting schijnt ons toe, de feiten tegen zich te hebben. Om te kunnen verklaren hoe Jezus, met dit hemelsch lichaam bekleed, voor de oogen der apostelen heeft kunnen eten, en Thomas kon uitnoodigen, Hem met zijn hand aan te raken. {Weiss neemt de echtheid van het

640

-ocr page 663-

24: 4G—49.

vierde Evangelie aan), hoe Hij aau de discipelen do litteekenen van zijn handen en voeten heeft kunnen toonen, zeggende: „Ziet, ik ben het zelf; een geest heeft noch vleesch, noch beenderen zooals gij ziet, dat ik hebquot;, — om dit alles te kunnen verklaren, daartoe is Weiss genoodzaakt, aan te nemen, dat Jezus, telkens wanneer Hij verscheen, zich in een zichtbare gestalte hulde, die in ieder opzicht aan zijn vroeger lichaam herinnerde, en dat Hij haar weêr aflegde, als de verschijning voorbij was. Maar hoe? Zijn doorboorde handen en voeten, die Hij Thomas deed aanraken, om hem. van de werkelijkheid zijner tegenwoordigheid te overtuigen, zouden slechts een valsche schijn zijn, en die van leven en liefde stralende gestalte, waarin Hij aan de discipelen verscheen , zou slechts een masker zijn, en, als men zich zoo mag uitdrukken, niets anders, dan een soort van zinsbegoocheling? Waarlijk dan ware het nog beter, tot het gevoelen van Rothe terug te keeren, die meent, dat de verheerlijkte Jezus bij iedere verschijning zijn oud lichaam weêr uit het graf ging halen, om zich daarvan weêr te ontdoen, als Hij naar don hemel terugkeerde.

Wij bezitten woorden van Jezus en feiten uit zijn vroeger leven, die ons, naar het mij voorkomt, tot een derde zienswijze voeren, die natuurlijker is en tevens geschikter, om de schijnbaar elkander tegensprekende trekken in de verschijningen van Jezus met elkander in overeenstemming te brengen. Hij-zelf zegt tot Maria bij de eerste verschijning (Joh. 20:17): „Ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ik vaar op.quot; Dit woord schijnt mij toe, aan te duiden, dat Jezus zich toen in een toestand van overgang gevoelde, die met zijn opstanding een aanvang had genomen en nog op zijn voltooiing wachtte. Zijn lichaam was nog wel het lichaam van vroeger, maar het was aan geheel nieuwe wetten onderworpen, en gehoorzaamde, zooals wij gezien hebben, den wil des geestes met een vrijheid, die het vroeger niet bezat. Twee feiten uit het aardsche leven van Jezus ver-toonen zich aan ons als een voorspel van dezen tusschen-toestand tusschen het aardsche leven en de volmaakte heer-

Godet Lukas. II. 41

641

-ocr page 664-

24: 4G—49.

lijkbeid: zijn wandelen op de zee, waarbij wij zijn lichaam door den wil des gccstes de wet der zwaarte zien overwinnen , en de verheerlijking op den berg, waardoor Hij ons toeschijnt, reeds op weg te zijn, de hemelsche heerlijkheid deelachtig te worden, zonder het aardsche lichaam nog te hebben afgelegd.

Men zal misschien de bedenking maken, dat wij ons van deze gemengde bestaanwijze, die de overgang is van den psychischen tot den pneumalischen toestand, in het geheel geen voorstelling kunnen maken. Deze opmerking, die volkomen waar is, kan alleen hèm verontrusten, die zou rneenen, iets te weten aangaande liet wezen der stof en het verband tusschen het lichaam en den geest, wiens werktuig het is.

IV. De oorsprong der berichten en hunne betrekking tot elkander.

Reeds bij de bestudeering van de lijdensgeschiedenis hebben wij er op kunnen wijzen, dat de mondelinge overlevering in dit gedeelte niet zulke vaste vormen had aangenomen als in dat over de Galileesche werkzaamheid. De berichten aangaande de opstanding vertoonen een nog veel grootere vrijheid, en wij hebben reeds de voornaamste reden van dit feit aangegeven, toen wij met dit gedeelte een aanvang maakten. Wij moeten thans doze moeilijke kwestie nader onderzoeken.

Do oorsprong der overlevering, welke Paulus bezat en leerde, is niet twijfelachtig; zij was van de apostelen afkomstig, hoofdzakelijk van Petrus en Jakobus. Hoewel het bericht van Lukas zich door opmerkolijko eigenaardigheden kenmerkt, is het toch zoozeer in overeenstemming met de opsomming van de verschijningen, die wij bij Paulus vinden, dat wij den invloed niet kunnen miskennen, dien de verhalen van zijn leermeester op zijn voorstelling van do zaak hebben uitgeoefen-i, al heelt hij ook met zorg inlichtingen verzameld, waardoor zij konden worden aangevuld. Het bericht van Markus biedt ons in zijn echt gedeelte het zuiverste en oorspronkelijkste type dor apostolische overlevering aan, zooals

G42

-ocr page 665-

24; 46—49.

zij in Jeruzalem in stand was gebleven; zoo is het ook met dat van Mattheus, welke eerste helft met htt echte gedeelte van Markus bijna identiscb is, en dus denzelfden oorsprong moet hebben gehad. Tusscben het bericht van Mattheus en dat van Lukas vinden wij het verschil, dat het moeilijkst te verklaren is. Terwijl Lukas drie vevscbijniugon verhaalt, die alle drie in of bij Jeruzalem hebben plaats gehad, en daarna alleen nog die der hemelvaart (van vs, 50 af), concentreert zich de aandacht van Mattheus op een verschijning, die op een berg in Galilea is voorgevallen. Johannes eindelijk, di^ onafhankelijk van de overlevering en volgens zijn eigene persoonlijke herinneringen verhaalt, reikt, en dit is zeer vreemd, aan den eenen kant Lukas de hand, terwijl hij drie verschijningen in Judea mededeelt, en aan den anderen kant Mattheus, terwijl hij een verschijning, die in Galilea heeft plaats gehad, omstandig verhaalt; maar dat alles zóó, dat hij daarbij tegenover de berichten zijner voorgangers zijn volle onafhankelijkheid behoudt. Vergelijk de verschijning aan Maria Magdalena, waarover Lukas in bet geheel niet spreekt, en die aan den oever van het meer Gennesareth, welke Mattheus niet vermeldt.

Bij dezen stand van zaken is het probleem, hetwelk moet worden opgelost, dat aangaande do betrekking tusscben Lnkas en Mattheus. Het bericht van Mattheus sluit niet, zooals men beweert, elke andere verschijning dan die op den berg in Galilea, en vooral niet de drie eerste door Lukas verhaalde verschijningen uit. Want 1° vermeldt Mattheus zelf een verschijning, die aan de vrouwen bij het graf te beurt viel; en 2° spreekt hij over een bevel van Jezus aan zijn discipelen, om zich op een bepaalden berg van Galilea te verzamelen, hetgeen tevens een opgave van den dag, waarop deze bijeenkomst moest plaats vinden, onderstelt. Deze mededeelingen nu sluiten een voorafgaand onderhoud met de apostelen of met een van hen, na de opstanding, in zich. Jezus had reeds vóór zijn dood aan deze samenkomst gedacht (Mattb. 2G : 32; Mark. 14 ; 28). Hij wilde op deze wijze het door don dood des Herders verstrooide kuddeke

G43

-ocr page 666-

24 : 46—49.

weer verzamelen. Deze samenkomst was dus in zijn oogon van zeer groote beteelccnis. Daarom herinnert de engel rle vrouwen, en door haar de apostelen er aan, en wol in bewoordingen, die te verstaan geven, dat zij een geheel algemeen karakter had. Het doel van Jezus was namelijk, zich vóór zijn scheiden van de aarde aan al de geloovigen, die Hij in Israël gevonden had, als den beloofden, met de wereldheerschappij bckleeden Messias te openbaren, door do instelling van den doop het zichtbaar teeken der nieuwe gemeenschap vast te stellen, en den apostelen op plechtige wijze do volmacht te geven, in de nu gestichte kerk niet alleen do geloovigen uit Israël, maar ook die uit allo andere volken der wereld op te nemen. Het verhaal van de samenkomst, waarbij zulke gewichtige handelingen geschiedden, was inderdaad het echte slot van een Evangelie als dat van Mattheus, hetwelk van het begin tot het einde door het theocratisch standpunt beheerscht wordt, en met deze woorden aanvangt: „Jezus, de Christus, zoon van David, zoon van Abraham.quot; Het onderling verhand tusschen de eerste woorden en het eindtooneel is onmiskenbaar. Er bestaat dus geen enkele reden om aan te nemen, dat do schrijver, door zijn Evangelie op deze wijze met het bericht van deze zoo gewichtige en tevens zoo geheel bijzondere verschijning te eindigen, elke andere verschijning van den opgestanen Jezus heeft willen uitsluiten.

Lukas daarentegen had zich voorgesteld, de trapswijze ontwikkeling van het werk des Heeren te beschrijven. Zijn maatstaf daarbij was de geleidelijk voortgaande opklimming van hen, die Jezus tot zijn werktuigen gekomen had, tot de hoogte van hun toekomstig apostelschap (vgl. onze uiteenzetting van het plan van het derde Evangelie). Het doel, waarop hij het gemunt had, was daarom niet de voorstelling van Jezus als den aan Israël beloofden Messias, maar de voortplanting van het door Jezus aangebrachte heil over de geheele wereld, van Nazareth tot Jeruzalem, en van Jeruzalem tot aan Rome. Hij moest derhalve een geheel bijzonder gewicht hechten aan do verschijningen, waardoor Je;;us de

644

-ocr page 667-

24 : 46—49.

opvoeding zijner toekomstige zendboden voltooid bad, door bun moed weer op te richten, bun geloof te versterken gt; bun bet program van bun arbeid voor te houden, on hun den bijstand te beloven van den Geest, die ben tot aan bet einde der wereld bij deze ontzaglijke taak zou ondersteunen. Dit is bet oogpunt, waaruit de verschijningen van Jezus in de eerste verzen van de Hand. der Apostelen zijn voorgesteld; en uit hetzelfde oogpunt zijn ook do verschijningen beschreven, die in het Evangelie van Lukas voorkomen. Was de plechtige, door Mattbeus vermelde verschijning het eindpunt, waarop bet verbaal van dezen Evangelist moest uitloopen, de door Lukas medegedeelde openbaringen van Jezus aan de apostelen waren als do palen ter afbakeuing op den weg, die bet Evangelie van Jeruzalem tot aan de poorten van de hoofdstad der heidenscbe wereld voerde; zij vormden dus den overgang tot de nieuwe gfiscbiedems, die zich ging openen, en die Lukas zich voorstelde, in zijn tweede boek te verbalen.

Het denkbeeld, dat wij ons aangaande onzo Evangeliën vormen, moet geen vooraf opgevatte meening zijn, zooals b.v. deze: dat de schrijvers daarvan ten doel hebben gehad, alles te verhalen wat zij wisten. liet moet zich veeleer naar deze geschriften zeiven vormen, door zorgvuldige bestudeering van hun bijzonder doel en karakter.

De opstanding van Jezus ia niet maar de terugkeer van een monschelijken persoon tot bet aardsche leven; bet is de menschheid zelve, die, na in den persoon van baar Vertegenwoordiger de straf der zonde te hebben ondergaan, gerechtvaardigd weêr verschijnt en den boogeren toestand intreedt, dien God voor den menscb bestemd bad als bet heerlijk einde van zijn aardsch bestaan. — Deze wijze van verhooging was niet de normale weg, die ons van bet aardsche leven naar do homelscbe heerlijkheid had moeten voeren; bet tooneel der verheerlijking op den berg heeft ons op dit punt de noodige inlichting gegeven. Volgens de uitdrukking van Jezus, „moest de Christus al deze dingen lijden, om in zijne heerlijkheid in te gaanquot;; maar dit is

645

-ocr page 668-

24 : 50—53.

646

cldaraan too te schrijven, dat de zonde, en dooi- haar do dood, in do wereld gekomen was. Zonder dat zou het zinnebeeld van de verandering, die de mensch moet ondergaan, niet do graankorrel zijn, die in de aarde sterven moet, om weder op te leven, maar de rups, die, na zich in zijn zijden graf te hebben gewikkeld, door een zachten overgang als luchtwezen weder daaruit te voorschijn komt, zonder het mysterie van den dood to hebben gekend. Toen eenmaal do zonde bedreven en de heerschappij des doods onder do menschheid gevestigd was, kon die verandering niet meer in dozen zachten vorm plaats vinden, maar zij vereischte een bloedig en smartvol drama, nl. dat van den dood en do opstanding van één voor allen (2 Cor. 5 : 15). — Nemen wij voor een oogenblik aan, dat het gordijn na het eerste bedrijf van dit drama, don dood des kruises, gevallen, en niet weer opgetrokken was, om de wereld het schouwspel van den Opgestane te laten zien, dan zou „c?e sterke1\', ofschoon door „den Sterkere\'quot; overwonnen, nog in de gestalte van den dood aan den ingang van zijn vesting staan, met zijn gebondene en goed bewaakte gevangenen achter zich, en spotten met den overwinnaar, die niet weder verschenen is. Maar dan zou men moeten ophouden, bet triomflied aan te heffen: „Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinningPquot; Ja, nog meer; men zou dan zelfs het woord van Paulus op de lippen moeten nemen (1 Cor. 15 : 17): „Ons geloof is tevergeefs, en wij zijn nog in onze zondenquot;. Want indion werkelijk do verdoemenis opgeheven en de zonde overwonnen was, dan had de overwinning van don dood op die van de zonde moeten volgen; de overwinning van den dood nu is de opstanding.

V. Vs. 50—53: De Hemelvaart. Vs. 50—53. „En Hij leidde hen buiten \') tot om-

1

N H C L laten s\'^oi wep.

-ocr page 669-

24 : 50—53.

trent \') Bethanië, en zijne handen opheffende, zegende Hij hen. 51. En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde1).

52. En zij (Hem aangebeden hebbende) 2) keerden weder naar Jeruzalem met groote3) blijdschap.

53. En zij waren altijd in den tempel, lovende (en dankende)4) God t5).quot;

Gelijk de voorafgaande onderrichtingen een korte samenvatting zijn van de gesprekken van Jezua met zijn apostelen tusschen de opstanding en de hemelvaart, zoo is ook dit bericht aangaande de hemelvaart niets anders, dan de korte inhoud van het gedetailleerde verhaal van deze gebeurtenis, dat Lukas voor de Hand. der Apostelen bewaard hoeft. Het Ss beteekent: „En toen deze onderrichtingen geëindigd waren, leidde Hij hen....quot; De plaatsbepaling, die bij èy. in behoort, is in vs. 49 vervat (de stad).

De. Alexandr. lezing JV Trpfa, tot omtrent, schijnt beter aan de gedachte van Lukas te beantwoorden, dan het Byz. su( eU, tot aan; vgl. Hand. 1:12 7). Deze vergadering der apostelen was uitdrukkelijk door Jezus bijeengeroepen (auvx-XttyiMvos, Hand. 1:4). — Gelijk een vader, die van zijn kinderen gaat scheiden, hen nog eenmaal verzamelt, hun toespreekt, en hen daarna zegent, zoo legt Jezus op het oogenblik, waarin Hij voorgoed naar de onzichtbare wereld

647

1

T. B. leest hier, mot ABC en 13 Mjj. Syr., kxi uvscptfeTO sis rov ovpetvov, N D laten deze woorden weg.

2

D Itnüq laten do woorden Trpaa-KUvyiravTee avrov weg, die N ABC en 13 Mjj. lezen.

3

B lant ij.syceï.yi; weg.

4

T. R. leeat ccivovvtbs kui evKoyomre/;, met A en 1\'2 Mjj. Syr.; NBCL: st/AoyotivTe?; T) Ituliqj xivovvrec;.

-ocr page 670-

24 : 50-53.

terugkeert, op het hoofd der apostelen een zegen, die op de gansche kerk zal blijven tot aan zijn wederkomst. — De woorden xx) xvsQépcro s\'n tIv ovpxvsv, Hij werd opgenomen in den hemel, ontbreken in den Sinaït. en den Cantabrig., en in eenige oorkonden van de Ilala. Deze weglating laat zich wel verklaren uit de overhaasting der afschrijvers tegen het einde van hun arbeid; maar het is altijd gemakkelijker, een interpolatie aan te nemon dan een verkorting, waarvoor men geen enkele reden kan ontdekken. Die woorden kunnen uit het slot van Markus (16 : 19) of uit het begin van de Handelingen (1 : 9—11) door de afschrijvers er bijgevoegd zijn. Het is blijkbaar veiliger, ze weg te laten. Het S;£a-T)) duidt een verwijdering aan, die steeds toeneemt en op verdwijnen uitloopt.

Vs. 52. Van de woorden TrpocxuvfaavTsj xMv, Hem aangebeden hebbende, geldt tot op zekere hoogte wat wij zooeven van kx) xveCpépsTo sis tov oöpocuóv hebben gezegd. Toch bestaat er tusschen de twee varianten dit belangrijke onderscheid: dat de weglating ditmaal niet door den Sinaït. gesteund wordt. Maar al zijn de Cantabrig. en de Itala ook de eenige autoriteiten ten gunste van de weglating, wij zijn toch meer geneigd, aan te nemen, dat die woorden geïnterpoleerd , dan dat zij weggelaten zijn. — De groote blijdschap der apostelen was die, welke Jezus in het door Joh. 14; 28 aangeduide oogenblik bij hen had willen zien: „Indien gij mij liefhadt, zoudt gij u er over verblgden, dat ik naar mijn Vader heengaquot;. Deze blijdschap gevoelen zij nu. De zegen, dien zij zoo even van Hetn ontvingen, heeft baar in hun hart doen nederdalen.

Vs. 53. Het verhaal van Lukas was in den tempel begonnen en eindigt in den tempel; het is dus alles behalve anti-theocratisch. Ondanks hun nieuw geloof, dachten de discipelen van Jezus er niet aan, te breken met den natio-nalen godsdienst, dien zy nog beschouwden als den weg, waarop Israël tot de erkenning van zijn Messias zou geraken. — Het woord altijd moet natuurlijk in relatieven zin worden opgevat; telkens wanneer de gebedsuren en de

648

-ocr page 671-

24 : 50—53.

godsdienstige handelingen hen naar den tempel riepen. (Hand. 3:1). Dexe ijver verhinderde hen niet, elders samen te komen of bezig te zijn. (Hand. 1:13, 15 on verv.). — Moet men ook hier aan de lezing uIvouvtss van den Cantabrig en do Itala de voorkeur geven boven het cüloyoüi/Tss der Alexandr. en het ocivoZvtc? xxi sihoyoiivtss van een deel der Byz. ? Zonder twijfel geeft deze laatste uitdrukking meer volheid aan den laatsten zin van het boek. Maar alvsïv is een geliefkoosde uitdrukking van Lukas, terwijl het in het geheele overige gedeelte van het N. ï. slechts tweemaal voorkomt, één keer in den brief aan de Romeinen en één keer in de Apocalypse. Ik acht het daarom waarschijnlijk, dat het (ii^oyoïivTs;, een uitdrukking, die meermalen voorkomt, eerst in de plaats van ctlvoüvTsi; (Alexandr.) is gezet, en later daaraan toegevoegd werd (Byz.). Het suhoyeTv, danken, vloeit meer uit de dankbaarheid voor een weldaad van God voort, en het aivslv, loven, uit de zuivere bewondering van zijn volmaaktheden. — Het woord Amen is een liturgisch toevoegsel ten behoeve van de openbare voorlezing, zooals het dikwijls in do oorkonden gevonden wordt.

Over de Hemelvajvet.

Als men uit den tekst van Lukas de weinige glossen, die in deze laatste verzen gekomen zijn, weglaat, dan wordt het tooneel der hemelvaart, zooals het daarin beschreven wordt, zeer eenvoudig. Dit laatste heengaan onderscheidt zich van de vorige verdwijningen door zijn minder plotseling karakter en door den zegen, dien Jezus den zijnen achterlaat. Zou dit een reden zijn om bij den Evangelist een verandering van zienswijze aan te nemen in den tijd tusschon de vervaardiging van zijn eerste boek en dat van de Hand. der Apostelen? Het komt mij voor, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwooi\'d. Het eenigo wezenlijke verschil tusschen de twee berichten bestaat hierin: dat in de Hand. der Apostelen sprake is van een wolk, die eensklaps tusschen-beide komt, en van de verschijning van de twee personen

649

-ocr page 672-

24: 50—53.

uit den hemel en van de boodschap, die zij brengen. De eerste trek laat zich gemakkelijk met de uitdrukking S/éVtij, Hij scheidde., van het Evangelie in overeenstemming brengen; want het is moeilijk te gelooven, dat Jezus alleen door den steeds grooter wordenden afstand tusschen Hem en zijn discipelen uit hunne oogen verdween. Het is veel gemakkelijker aan te nemen, dat er een wolkensluier scheiding maakte tusschen Hem en hen, en Hem aan hunne oogen onttrok. Wat de twee hemelsche gezanten betreft, dezo trek herinnert aan het daarmede overeenkomend verschijnsel bij de verheerlijking op den berg, en wel zooveel te meer, omdat deze twee personen, zoowel hier als daar, twee mannen (9 : 30), en niet twee engelen worden genoemd. Dienovereenkomstig moet deze trek, evenals die van de verheerlijking op den berg, tot die klasse van verschijnselen behooren, welke, zooals de verschijning va,n den engel Gabriël aan Zacharias (H. 1), objectief en subjectief te gelijk zijn, en alleen door middel van het innerlijk zintuig waargenomen kunnen worden. Ik donk dat dit visioen slechts aan een of twee discipelen te beurt is gevallen, en dat het daarom niet in de algemeene overlevering is overgegaan en Lukas enkel door persoonlijke mededeeling bekend is geworden. Daar het niet meer tot de geschiedenis van Jezus, maar alleen tot het innerlijk leven der apostelen behoorde, bewaarde hij het, om het op te nemen in het tafereel, dat het verhaal van het werk der apostelen zou openen.

Er is dus in de betrekking tusschen de twee berichten hoegenaamd niets, dat de werkelijkheid van het feit der hemelvaart verdacht zou kunnen maken. En als men dat der opstanding in den schriftuurlijken zin en zooals wij hot verklaard hebben aanneemt, dan moet men zelfs erkennen, dat de hemelvaart daarvan de noodzakelijke aanvulling is. Indien Jezus niet opgestaan, maar alleen van een flauwte weer bijgekomen was, of indien zijn opstanding slechts de terugkeer der levenskracht in zijn ontzield lichaam was geweest, dan zou ons niets noodzaken, een einde als do hemelvaart te onderstellen. Men zou dan moeten aannemen

650

-ocr page 673-

24 : 50—53.

dat Hij ua verloop van eenige weken, maanden of jaren weer gestorven is, evenals de dooden, die Mij-zelf had opgewekt. Maar is de opstanding voor Hom de ingang in het voor den mensch bestemde onvergankelijke en volmaakte leven geweest, dan moest zulk een feit noodwendig op zijn volkomene opneming in de hemelsche heerlijkheid, door de hemelvaart, uitloopen.

Niet zonder ironie zegt Beyschlag, dat de wetenschap ons niet geleerd heeft, dat men den eeuwigen God en zijn rijk van heerlijkheid naderbij komt, door naar den gesternden hemel, in de oneindige ruimte, te worden opgeheven. Dit is volkomen waar; de Evangelist zegt dan ook niet, dat de wolk den Heer tot wagen heeft gediend, om Hem naar don gesternden hemel te voeren, zelfs niet, dat zij een sluier is geweest, om de eene of andere verandering van plaats, die op zijn persoon betrekking bad, voor hunne blikken te verbergen. Het was een verandering van toestand, die zij aan hunne oogen onttrok. Volgens de gewone, in het N. T. voorkomende uitdrukking is Jezus „aan de rechterhand Gods gezeten.quot; De „rechterhand Godsquot; nu duidt in het bijbelsche spraakgebruik niet een hoogere plaats, dan die der sterren aan, maar is een figuurlijke uitdrukking, die de overal tegenwoordige en werkende almacht van God te kennen geeft. Op de verhooging van Jezus toegepast, beteekent deze uitdrukking dus niet, dat Hij tot midden onder de nevelsterren is opgeheven, maar dat Hij zijn plaatselijke, aan het een of ander gedeelte der ruimte gebondene bestaanswijze met de onbeperkte der goddelijke alomtegenwoordigheid en almacht verwisseld heeft. Het was die heerlijke verandering, waarvan de discipelen het voorspel hadden gezien bij de verheerlijking op den berg. Hetgeen Jezus toen uit liefde tot ons verzaakt had, wordt Hem thans teruggegeven, en wel honderdvoud; want Hij ontvangt het niet enkel voor zichzelf, maar voor al de zijnen. Zijn gebed vol teedere liefde (Job. 17 : 24): „Vader, ik wil, dat degenen, die gij mij gegeven hebt, de heerlijkheid zien, welke gij mij gegeven hebt, omdat gij mij liefgehad hebt vóór de grondlegging der

651

-ocr page 674-

24 : 50—53.

wereldquot;, kan nu bij zijn Parouaie voor hen allen vervuld worden.

Maar deze verheffing tot de goddelijke heerlijkheid, zoo luidt de tegenwerping van Wew-s, was reeds door de opstanding zelve een voldongen feit. Zegt Jezus niet tot de Emmaüsgangers, dat Hij door hetgeen Hij geleden heeft „in zijne heerlijkheid ingegaan isquot;P Een feit als de hemelvaart, ter aanvulling van de opstanding, is dus niet meer noodig. — Maar wij hebben gezien, tot welke zonderlinge gevolgtrekkingen deze opvatting van de opstanding Weiss heeft gevoerd. Door zijn zienswijze aangaande den zuiver pneumatischen toestand van het lichaam van Jezus ziet hij zich genoodzaakt, de verschijningen en de handelingen van den opgestanen Heer tot een soort zinsbegoocheliug te maken, hetgeen met de volstrekte waarheid zijner woorden geheel onvereenigbaar ia. Zulk een consequentie achten wij geheel onhoudbaar, en nemen, overeenkomstig den natuurlijken zin der apostolische berichten, liever aan, dat de opstanding slechts de ingang van Jezus in den volmaakten toestand is geweest, en dat na een tijd van wachten, die tot voltooiing van de opvoeding der apostelen bestemd was, de door het oogenblik der hemelvaart aangeduide volkomene verandering heeft plaats gehad.

De eenige waarlijke ernstige bedenking, die men tegen de werkelijkheid der hemelvaart als uitwendig feit zou kunnen inbrengen, is het stilzwijgen, dat Mattheus daarover bewaart. Maar dezelfde redenen, die ons het ontbreken van de meeste verschijningen van den opgestanen Jezus in dit Evangelie hebben verklaard, verklaren ons ook dat van het tooneel der hemelvaart. Deze laatste verschijning behoorde tot die, welke meer bepaald op de verhouding van Jezus tot zijn apostelen betrekking hadden. Het afscheid van Jezus van zijn gemeente en de hoogste openbaring, die Hij haar van zijn souvereiniteit heeft willen geven, hebben op den berg in Galilea plaats gehad; het onzichtbare feit, dat het eigenlijk wezen der hemelvaart is, de verbooging van Jezus tot de goddelijke almacht, was daar door Hem-zelf mot duidelijke woorden bekend gemaakt. Dit was het slot,

652

-ocr page 675-

24 : 50—53.

dat met het verhaal van het eerste Evangelie in overeenstemming was.

Overigens is Lukas niet de eenige, die van het uitwendige feit der hemelvaart gowag maakt. De apostel Paulus vermeldt, na de verschijningen aan Petrus, aan de elven, aan de vijfhonderd en aan Jakobus te hebben opgesomd, nog ééne verschijning, die aan al de apostelen ten deel viel, nl. die, welke onmiddellijk aan die, welke hem-zelf vergund werd, voorafgegaan is. Het is bepaald onmogelijk, deze verschijning met een ander feit dan de verschijning bij de hemelvaart, zooals zij door Lukas verhaald is, in betrekking te brengen. — Evenzoo zinspeelt Johannes zeer duidelijk op de hemelvaart in dit woord van Jezus (6 : 62); „Wat zal het zijn, als gij den Zoon des menschon zult zien opvaren, waar Hij te voren was?quot; Men kan niet aannemen, dat de woorden: gij zult zien tot het Joodsche volk in het algemeen gericht zijn; zij zijn in den kring der discipelen uitgesproken, en het partic. praes. otvx^aivovT» doet duidelijk zien, dat er sprake is van een feit, waarvan eenigen onder hen getuigen zullen zijn. — Op een menigte van plaatsen in het N. T. wordt over de hemelvaart gesproken als over een feit, dat mot zijn opstanding in verband staat, maar daarvan geheel verschillend is. Zie Hand. 2 : 32—33; Rom. 8 : 34; Efez, 1 : 20 en 2:6; Col. 3:1; 1 Petr. 3 : 21, 22; vgl. Openb. 11 : 12, waar de toespeling op de opstanding en de hemelvaart van Jezus ontwijfelbaar is. Vgl. ook Mark. 16; 19. Als er geen uitwendige gebeurtenis had plaats gehad, zou de uitdrukking „gezeten aan de rechterhand Godaquot; bezwaarlijk als technische term in het spraakgebruik van het N. T. zijn overgegaan. Bij de apostelen zijn de leerstukken slechts commentaar op de feiten.

Wij kunnen thans de geheele beteekenis van het feit der hemelvaart verstaan Zij is, wat den persoon van Jeius-zelf betreft, do noodzakelijke voltooiing zijner geschiedenis. Met betrekking tot zijn menschwording is zij wat de opstanding ten opzichte van zijn dood was. Door de opstanding heeft Hij zijn vrijwillig aan den dood overgegeven menschelijk leven teruggenomen, en door de hemelvaart herkrijgt Hij zijn

653

-ocr page 676-

24 : 50—53.

654

Leuielscli leven, zijn Godsg est alle, nooals Paulus zegt (Phil. 2:6), (1. w. z. zijn goddelijke bestaanswijze, waarvan Hij zich ontdaan had, toen Hij mensch werd. En in den nieuwen toestand, waarin Hij door zijn verhooging is overgebracht, is zijn inenschelijk leven zoozeer van hot goddelijk leven doordrongen, dat het eerste de adaequate en eeuwige verschijningsvorm van het laatste wordt. „Ik ziequot;, zegt de stervende Stephanus, „den Zoon des menschen staande ter rechterhand Godsquot; (Hand. 8 : 5, 6). „In Hem woont al de volheid Gods lichamelijk (o-w^amw?)quot;, verklaart de apostel (Col. 2:9). — Het is onjuist, met Sabatier te zeggen, dat Jezus door zijn verheerlijking in eeu hooger toestand is gekomen, dan die, waarin Hij zich vóór zijn menschwording bevond {L\'apólre Paul, blz. 236). De uitdrukking /^opcpit Ssoïi, Godsgeslalte, waarmede Paulus den toestand van den praeëxistenten Christus aanduidt, geeft heel wat anders te kennen, dan hetgeen Sabatier daarin zien wil: een bloota werkende kracht, „een ledigen vorm.quot; Zij beantwoordt aan de uitdrukking ftopcph loóhov, dienstknechtsgestalle (vs, 7); deze nu duidt zeer zeker den werkelijken toestand aan, dien Jezus intrad, zoodat de uitdrukking „God.sgestaltoquot; den oven werkelijken goddelijken toestand, dien Hij prijsgegeven had, te kennen moet geven. Hoe zou de apostel anders kunnen zeggen, dat Christus den eenen toestand met den anderen verwisseld heeftP üe toestand, dien Jezus door zijn hemelvaart intrad, kan dus niet hooger zijn dan die, waarin Hij vóór zijn menschwording verkeerd heeft. Jezus heeft zijn Vader teruggevraagd (Joh. 17 : 5) „de heerlijkheid, die Hij bij Hem had, eer de wereld wasquot;. En de Vader heeft Hem die teruggegeven: „Ik ben van den Vader uitgegaanquot;, zegt Hij (Joh. 16 : 28), „en ben in de wereld gekomen; en nu verlaat ik de wereld, en ga heen naar den Vader.quot; Hot ware verschil tusschen zijn tegenwoordigen verheerlijkten toestand en zijn toestand in de praeëxistentie bestaat hierin: dat Hij thans de goddelijke heerlijkheid bezit eu van de voorrechten daarvan gebruik maakt als Zoo» des menschen, en niet meer alleen als Zoon van God.

-ocr page 677-

24 : 50—53.

Daaruit vloeit dan ook de beteekenis voort, die de hemelvaart voor de menschheid heeft. Dit feit is de voltooiing van haar schepping. Het doel, dat God met de schepping van den mensch beoogde, was, hem tot het zelfbewuste en vrije werktuig zijner volmaakte heiligheid en liefde, tot het persoonlijk orgaan van zijn oneindig leven, tot den drager van zijn gelukzaligheid en heerlijkheid te maken. Toen de mensch zondigde, belemmerde hij de verwezenlijking van dit plan; maar hij heeft hot niet opgeheven. In de opstanding van Christus zien wij den mensch van de verdoemenis én den dood verlost, en daardoor gerehabiliteerd. Maar dit is nog niet het volle heil. Door de hemelvaart laat God den gerechtvaardigden mensch in Christus aan de goddelijke heerlijkheid deelnemen, en verwezenlijkt op deze wijze in Hem zijn oorspronkelijk scheppingsplan. Nu eerst kan men zeggen, dat de schepping voltooid is.

Voltooid, doch eerst nog in Christus alleen; maar God blijft daarbij niet stilstaan. Nadat de hemelvaart het werk dos iieils voor ons voltooid heeft, legt zij den grondslag van zijn verwezenlijking in allen, die gelooven. Dit is haar be-teekenis voor de gemeente. Er zijn nu nog twee feiten noodig, opdat allen, die zich door het geloof met Christus verbinden, kunnen deelen in zijn heerlijkheid en daardoor in zichzelf de scheppingsgedachte verwezenlijken. Deze feiten zijn in de taal des bijbels het Pinksterfeest en de Parousie, de twee onmisbare aanvullingen van de hemelvaart. Door het eerste deelt de verheerlijkte Jezus aanhoudend zijn Geest mede aan de geloovigen, die zijn leden worden, aan de gemeente, die zijn lichaam wordt; Hij laat haar aan zijn doop deelnoinen, en doet haar zijn geestelijk leven, d. w. z. zijn heiligheid deelachtig worden. Door het tweede, zijn wederkomst, zal Hij haar doen deelen in zyn hemelvaart en tot deelgenoot van zijn heerlijkheid maken. Dat had Hij aan den Vader gevraagd, toen Hij bad: „Vader, ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die gij mij gegeven hebt, omdat gij mij liefgehad hebt vóór de grondlegging

655

-ocr page 678-

24 ; 50—53.

656

der wereldquot;. Aldus is het goddelijk plan geweest: eerst alles in Één; daarna alles in dezen Eén; en daardoor eindelijk God alles in allen. In dit verhevene plan neemt de hemelvaart een zeer duidelijke eu gewichtige plaats in.

-ocr page 679-

CRITISCHE RESULTATEN.

I. Wat de vebvaaediging van uet boek bbtbeft.

II. Wat de instandhouding van den tekst aangaat.

I.

Onze studie van het derde Evangelie voert ons tot de volgende slotsommen aangaande de vraagstukken, die op den oorsprong van dit geschrift betrekking hebben.

Wat de bronnen betreft, is het resultaat het volgende:

1. Zij zijn zeer rijk van inhoud. — Men kan al de stof, die in de verhalen der drie Synoptici vervat is, in 169 afdeelingen verdeelen. 58 afdeelingen vormen de kern, die de drie verhalen met elkander gemeen hebben; bovendien heeft Mattheus er 20, die hem alleen eigen zijn. Markus 5, en Lukas 45. Het overige gedeelte is zoodanig onder hen verdeeld, dat dezelfde afdeelingen bij twee tegelijk voorkomen; Lukas en Mattheus hebben er 20 met elkander gemeen, Lukas en Markus 6, Mattheus en Markus 15!). Dit wil zeggen, dat het Evangelie van Lukas bijna drie vierden van de geheele stof bevat, en ongeveer een vierde gedeelte daarvan alleen bezit; zoodat het vierde gedeelte der Evangelische

1) De wijze, waarop men de stof verdeelt en de overeenkomst tusselien de afdeelingsu bepaalt, is natuurlijk vrij willekeurig. Itiuss neemt 124 stukkeu aan, waarvan Mattheus 78 bezit (17 gel;eel alleen), en Lukas 93 (38 geheel alleen). Het resultaat verschilt nauwelijks van dat, waartoe onze indeeling voert.

Godet, Lukas. II. 42

-ocr page 680-

CBITISCHE RESULTATEN,

geschiedenis, zooals de Synoptici ons die hebbenovcrgoleverd, ontbreken zou, indien wij het niet hadden \').

2. De bronnen van Lukas zijn even voortreffelijk, als rijk, Dit is ons gebleken bij de vergelijking van zijn berichten met die der twee anderen. Zeer dikwijls hebben de berichten van Lukas een nieuw licht op deze geworpen. De woorden van Jezus hebben al hunne doelmatigheid teruggekregen, doordat hij ze in hun waren samenhang heeft overgebracht; de inleidingen, die aan de leeringen voorafgaan, hebben telkens de praktische strekking daarvan openbaar doen worden 1).

3. Deze twee resultaten voeren ons tot een derde, nl. dit: dat de bronnen van Lukas geheel onafhankelijk zijn van de twee andere Synoptici en hunne bronnen. Dit is ons ook gebleken uit een feit, waaraan de critiek, naar het ons voorkomt, meer gewicht zal moeten hechten, dan zij tot hiertoe gedaan heeft. Wij bedoelen de Hebraïsmen, die den stijl van Lukas door het geheele boek heen op meer of minder duidelijke wijze kenmerken2). Tiele heeft uit dit

658

1

Tgl. de bijzonderheid van het gebed van Jezus bij den doop en by de verheerlijking op den berg; de vermelding van het onderwerp van het gesprek van Jezus met Mozes en Elia; de juiste plaats van de afscheidswoorden aan de steden van öalilea en van de gesprekken met do drie discipelen, die zich bij Hem willen aansluiteu; de toespraak bij den terugkeer der 70 discipelen; de onderscheiding van de rede over de Parousie van die over de verwoesting van Jeruzalem; het verband tusschen het voorschrift aangaande het gebed en de gelijkenis van den onbescheiden vriend, en tusschen het onderwijs aangaande de Voorzienigheid en de gelijkenis van den rijken dwaas. Over de inleidingen zie men bij 9:1, 2 (het gebed des Heeren); 13 ; 23; 14 : 25; 15 : 1—2; 16 : 1 en 14. Vgl. ook 17 ! 1—10, over de afwezigheid van alle inleiding en over de gevolgtrekkingen, die daaruit aangaande de getrouwheid van Lukas moeteu worden gemaakt.

2

Vgl. de zeer zorgvuldige opsomming, die Eollzmmn daarvan gegeven heeft [Vie synoptifchen Evangelien, blz. 332—334).

-ocr page 681-

CEITJSCHE BESUIiTATEN.

feit zelfs afgeleid, dat Lulcas van Israëlitische afkomst was \'). Maar uit den Proloog en uit het tweede gedeelte der Handelingen ziet men, dat Lukas een volkomen zuiver Grieksch kon scbrijven. Holtzmann weêrle^t die hypothese op afdoende wijze. Maar het is vreemd, dat hij niet inziet, dat deze talrijke Hebraïsmen even onvereenigbaar zijn met zijn hypothese aangaande den oorsprong van Lukas. Daar hij de bronnen van Lukas voor identisch houdt met die der twee andere Synoptici (de t/r-Markus en de Logia van Mattheus), moet hij, om het ontbreken van deze Arameïsmen bij Markus en Mattheus te kunnen verklaren, aannemen, dat Lukas ze willekeurig heeft ingevoerd. Zonder twijfel kon hij zuiver Grieksch schrijven, maar hij wilde het niet altijd doen; het scheen hem toe van eenig gewicht te zijn, zijn bericht Hebreeuwsche vormen te gevenquot;1). Wat kan men al niet bedenken, om zich van een lastig feit af te maken! Lukas zou zich dus, terwijl hij dezelfde teksten als Mattheus en Markus afschreef, de belachelijke moeite hebben gegeven, deze vreemde, voor de ooren der Grieksche lezers, voor wie hij schreef, aanstootelijke vormen in zijn boek op te nemen! Is bet niet natuurlijker, vooral wanneer men dezen trek met de twee voorgaande verbindt, daarin een bewijs te zien voor de onafhankelijkheid der bronnen van Lukas van de twee andere Synoptici en van hunne bijzondere bronnen P

4. Eindelijk leiden wij uit al deze karaktertrekken de hooge oudheid af van de oorkonden, waaruit Lukas geput, en van de inlichtingen, waardoor hij de gegevens daarvan aangevuld heeft. Indien de door Lukas ingewonnen inlichtingen niet uit een tijd waren, welke het tijdstip, waarin de feiten voorvielen, zeer nabij was, hoe zou het hem dan mogelijk zijn geweest, het historisch verband van zoovele woorden en toespraken van Jezus, die in de overlevering als bloemen zonder stengels waren bewaard, op zoo bewonderenswaardige

659

1

Indem er etwas dar au f hielt seinem Bericht Aebraische Formen zu geien (blz. 334).

-ocr page 682-

CBITISCHE BESULTATEN.

wijze terug te vinden? En hoe wil men, als men het tegenovergesteld gevoelen vasthoudt, het ontbreken van al die legendarische elementen verklaren, welke wij reeds bij Papias en in de apocriefe Evangeliën uit het begin der tweede eeuw (het Evangelie der Hebreen, het Protevangelie van Jakobus), en eveneens bij Justinus en bij Irenaeus vinden? Wij sluiten hiervan ook de verhalen van de kindsheid niet uit, wier zoo sterk uitkomende Arameesche kleur, evenals opmerkingen gelijk die van 2:19 en 51, het beslist oorspronkelijk karakter daarvan openbaren.

Het komt mij voor, dat het niet mogelijk is, de bronnen van Lukas nauwkeuriger te bepalen. De apostolische overlevering heeft zonder twijfel de kern van zijn geschrift verschaft. Heeft hij haar in haar oorspronkelijken mondelingen vorm verzameld, of reeds schriftelijk opgeteekend gevonden? De inleiding van het boek leidt er toe om aan te nemen, dat hij haar in beide vormen heeft bezeten, en de zeer verschillende schakeeringen van den stijl doen, ondanks den stempel van eenheid, dien hij vertoont, onderstellen, dat hier aan een combinatie van verschillende elementen moet worden gedacht. Het reisverhaal (9 : 51—19 ; 28) vormt zulk een afgerond geheel, dat Lukas het waarschijnlijk in dezen vorm gevonden heeft. Wat het Ebionitisch geschrift betreft, dat een van zijn voornaamste bronnen zou geweest zijn, het is niets anders dan een verdichtsel der critiek, dat enkel op de onjuiste verklaring van eenige uitspraken van Jezus aangaande de vrijwillig9 armoede berust.

Aangaande den tijd, waarop ons Evangelie vervaardigd werd, hebben wij niets toe te voegen aan hetgeen wij in de inleiding hebben gezegd. De exegese heeft geen enkel feit aan het licht gebracht, dat ons zou kunnen noodzaken, de vervaardiging daarvan na de verwoesting van Jeruzalem te stellen. Het bij Lukas zoo duidelijk uitkomende onderscheid tusschen de reden over de Parousie (H. 18) en die over de verwoesting van Jeruzalem (H. 21) bewijst in dit opzicht hoegenaamd niets, daar het, zooals wij gezien hebben, niet van Lukas, maar van Jezus afkomstig is. Evenmin kunnen

660

-ocr page 683-

CBITISCHE RESULTATEN.

de vermelde bijzonderheden aangaande die gebeurtenis hier iets bewijzen, daar zij, toen doze eenmaal voorzien was, niets bevatten, wat iemand, die oen helderen blik heeft, niet had kunnen voorspellen. De nauwe betrekking tusscheu het Evangelie van Lukas en hot werk van Paulus onder de heidenen springt zoo duidelijk in het oog, dat het altijd het natuurlijkst zal zijn, ze met elkander in nauw verband te brengen, en derhalve do vervaardiging vau dit boek togen liet einde van het leven en het werk des apostels te stellen. Dit wordt bevestigd door de merkwaardige zuiverheid en de bijzondere frischheid van het verhaal, en eveneens door het feit, dat de twee andere Synoptici niet gebruikt zijn. Want indien deze in den tijd, toen Lukas schreef, reeds oen aantal jaren bestaan haddon, zou hij ze zeker gekend en gebruikt hebben.

Geen enkele ernstige bedenking is in den loop der exegese tegen de samenstelling van dit Evangelie door den auteur, aan wien de kerkelijke overlevering het van de vroegste tijdon af heeft toegekend, gerezen. Do geschiedenis maakt althans geen melding van den een of anderen schrijver, wiens naam naast dien van Lukas genoemd werd. Dit feit is zooveel te overtuigender, daar Lukas niet behoord heeft tot de persoonlijkheden, die in den apostolischen tijd een bijzondere rol hebben gespoeld. In de Hand. der Apostelen wordt hij geen enkelen keer genoemd, omdat zijn naam opgesloten ligt in het Wij, dat hij gebruikt in die gedeelten der geschiedenis, die hij zelf heeft bijgewoond.

In het Evangelie zelf is geen enkele aanduiding te vinden aangaande do plaats, waar het vervaardigd werd. Alles wat wij weten, is (zie de Inleiding, blz. 28—29), dat Lukas, na de gevangenschap van Paulus te Rome gedeeld te hebben, zich naar het Oosten moet hebben begeven, wellicht naar Antiochië, waar hij rustiger aan zijn geschrift kon arbeiden, dan hem te Rome, bij den gevangenen Paulus, mogelijk geweest is.

De kwestie aangaande den gcMl en hot doel van het derde Evangelie schijnt ons toe, goenazins die moeilijkheden te

661

-ocr page 684-

CBITISCHE RESULTATEN.

bevatten, welke de critiek daarin gevonden beeft. Bij een onpartijdig onderzoek van de feiten bebben wij ieder spoor van vijandschap tegen de Twaalven, inzonderheid tegen Petrus, of tegen de wet en het Jodendom in bet algemeen, die men daarin beeft meenen te ontdekken, zien verdwijnen. Dit boek is, integendeel, van het eerste tot het laatste woord, een hulde aan de heiligheid der wet en aan de goddelijkheid van het O. V. Maar tevens blijkt daaruit, hoe Jezus gedurende zijn aardsche werkzaamheid in dezen vruchtbaren bodem de veelbelovende kiemen van een nieuwe orde der dingen gelegd beeft, van een heil, dat alleen op het geloof berust, en voor allen, zelfs voor de grootste zondaren, die berouw hebben, open staat. De geest van dit geschrift is dus dezelfde, die het gansche werk van Paulus bezield beeft, van dien dag af, waarop het, volgens zijn eigene uitdrukking, „Gode behaagde, hem zijn Zoon Jezus Christus te openbaren, opdat bij Hem onder de heidenen zou verkondigen.quot; Nadat dit licht den apostel herschapen bad, verlichtte het degenen, die hem omringden en met hem arbeidden. Het bestraalde voor hen zoowel bet verledene als de toekomst» zoowel het werk des Heeren gedurende zijn aardsche werkzaamheid als de uitgebreide vooruitzichten, die zich voor de uitbreiding van bet Godsrijk openden. Onder den invloed van dit goddelijk licht werd het werk van Lukas beraamd en ten uitvoer gebracht, dat groote uit twee deelen bestaande werk, zonder hetwelk ons niet alleen, zooals wij gezien bebben een vierde gedeelte van het werk van Jezus, maar zonder twijfel ook het grootste gedeelte van dat der apostelen onbekend zou zijn geweest.

Bij de nauwkeurige beschouwing van deze twee geschriften, die in zoo menig opzicht slechts één vormen, worden wij getroffen door do groote overeenkomst tusschen het plan van het eene en dat van het andere. Drie phasen in den arbeid van Jezus: de eerste, waardoor de grondslag van het werk wordt gelegd, is zijn werkzaamheid in Galilea; de tweede, die den overgang vormt, is de reis van Galilea naar Jeruzalem; de derde, het tragisch einde van deze geheel

662

-ocr page 685-

CBITISCHB RESULTATEN.

onvergelijkelijke geschiedenis, is het lijden. In den arbeid der apostelen eveneens drie phasen, die om zoo te zeggen aan de eerstgenoemde beantwoorden: in de eerste legt Petrus door de stichting der Joodsch-christelijke gemeente te Jeruzalem den grondslag van den nieuwen vorm van het Godsrijk; de tweede, die den overgang vormt tusschen do voorgaande en de volgende, omvat de geheele reeks der gebeurtenissen, die tot voorbereiding van de Evangelieprediking in de heidenwereld hebben gediend; de derde, die\'als het ware het besluit van den apostolischen arbeid is. omvat de stichting van de heiden-christelijke kerk door Paulus, van Antiochië uit, over Corinthe en Efeze tot aan Rome,

De hoofdgedachte van het werk van Lukas kan aldus geformuleerd worden: Het rijk Gods, zooals het van de Joden op de heidenen overgaat, eensdeels door het ongeloof der eersten, en anderdeels door het geloof der laatsten in den Heer Jezus Christus.

II.

Wij hebben in ons Evangelie verschillende tekststroomingen ontdekt, vooral twee, die bijna gerégeld tegenover elkander staan: den tekst, dien wij den Alexandrijnschen noemen, die inzonderheid door den Vaticanus (B) en eenigo jongere Mss , zooals de codex L te Parijs, vertegenwoordigd wordt, en waaraan de Sinaïlicm (n) zich meestal aansluit; en den Byzantijnschen of Syrischen tekst, die vooral door don Alexandrinus (A), door de meerderheid der Majusculi van de 88te tot de lO^6 eeuw, en door bijna al de Minusculi vertegenwoordigd wordt. De zoogenaamde Grieksch-Latijnsche of westersche tekst, die zich in de brieven van Paulus zoo duidelijk van de beide voorgaande onderscheidt, speelt in ons Evangelie een zeer ondergeschikte rol; voorzoover hij als bijzondere strooming bestaat, is het vooral in den Canta-brigiensis (D), dat men daarvan de sporen vindt.

De twee uitsterste typen zijn dus aan den eenen kant de tekst van den Vaiicanus, en aan den anderen kant die der

G63

-ocr page 686-

CRITISGHE RESULTATEN.

Minusculi, wier om zoo te zeggen stereotyp geworden vorm bijna onafgebroken in den Textus receptus is teruggegeven.

De eerste tekst, die het midden houdt tusschen deze twee uitersten en het dichtst bij den Vaticanus staat, is die van den Sinaïticus. Onder de ongeveer 1000 varianten, die wij in de noten hebben opgegeven, zijn er ongeveer 150, waarin deze twee Mss. van elkander afwijken. B bevat een 40-tal lezingen, die daaraan eigen zijn, en n een 50-tal. Bovendien gaat B 20 maal en n ongeveer 40 maal met den Byzantijnschen mede. Reeds hieruit ziet men, dat n den Byzantijnschen tekst een weinig meer nabij komt. 30 maal gaan beido samen, en van al de anderen gescheiden.

Op een grooteren afstand van B staat D, die tusschen de twee hoofdteksten weifelt, maar toch meer naar den Alexandrijnschen overhelt, waarmede hij ongeveer 250 maal samengaat, terwijl hij nauwelijks 190 lezingen met den Byzantijnschen tekst gemeen heeft. Onder de door ons opge-gevene varianten zijn er twintig gevallen, waarin hij alleen staat. Als men alle varianten optelde, zou men bevinden, dat een veel aanzienlijker aantal hem uitsluitend toebehooren.

De cod. C nadert nog meer dan D de Byzantijnen; hij gaat ongeveer 120 maal met hen mede en bijna 100 maal met de Alexandrijnen. Het is daarom natuurlijk, dat hij N ook meermalen (35 maal), dan B (20 maal) nabijkomt, terwijl D het omgekeerde doet, en 60 maal met B en ruim 40 maal met N medegaat.

A vertegenwoordigt vrij geregeld den Byzantijnschen tekst (450 maal op 550 gevallen, waarin de twee teksten zich duidelijk laten onderscheiden); toch staat hij 120 maal aan do zijde der Alexandrijnen. Hij vertoont meer verwantschap met n, dan met B, daar hij 60 maal met den eerste en iets meer dan 30 maal met den laatste medegaat. Hij is de oudste en zonder twijfel de meest normale vertegenwoorder van het Byzantijnsche type.

De Textus receptus, die gewoonlijk met do jongste Mnjusculi medegaat, berust 20 maal alleen op Minusculi.

Natuurlijk kan men deze cijfers slechts een approximatieve

G64

-ocr page 687-

CEIT1SCHE RESULTATEN.

waarde toekennen. Zelfs wanneer men nergens een fout maakte in de berekening, zou het resultaat toch niet streng nauwkeurig kunnen zijn, omdat het berust op de wijze, waarop de groepeering van de Mss. plaats vindt, terwijl zij zoo onstandvastig mogelijk is.

Overigens is de waarde der varianten van meer gewicht, dan deze geheele statistiek. Gaat men van de bestendige meerderheid van den Alexandrijnschen tekst als van een dogma uit, dan behoeft men zich met deze kwestie het hoofd niet te breken; zij is dan reeds vóór de exegese geheel opgelost. Dit is het geval bij Westcolt en Hort. Van de 30 lezingen, die ik verder beneden aangehaald, en als beslist onjuist in den Alexandrijnschen tekst van Lukas ter zijde gesteld heb, verwerpen zij er slechts ééne, die volstrekt ongerijmd is, en plaatsen er twee tusschen haakjes •V Weiss gaat vrij dikwijls op deze summarische wijze te werk: „Men lezequot;, zegt hij, „met de beste Handschriften....quot;; en dan volgt de Alexandr. lezing. Maar desniettemin bespreekt hij een menigte lezingen met een bewonderenswaardige zorgvuldigheid en scherpzinnigheid. Onder de 30 zooeven vermelde Alexandr. lezingen zijn er minstens 10 gevallen, waarin mijn ongunstig oordeel met het zijne overeenstemt. Met Tischendorf stem ik nog veel meer overeen (15 van de 30 keeren). — Behalve de 30 gevalen, waarin de Alexandr. tekst mij voorkomt, zeker foutief te zijn1), zijn er onder de

665

1

De 30 gevallen, die ik bedoel, z\'\\jn de volgende. Bedoor JFejss erkende fouten zijn met één sterretje gemerkt, en de door Tischendorf erkende met twee.

1: 17 ♦i ♦* irpotrehevrtTcci (BOL). — 1 : 66 xai yap (NBC enz.). — 1 : 78 ** eTia-KsJ/at ({lt; B L). — 2:15, weglating van oi avQpuiro/ (N B L enz.). — 4 :44 ♦* IovSaix( (H B C). — 6:1**, weglating van SevTspovpaiTu B L). — 7 ; 39 ♦* o yöÓT vpo^rm (BS). — 10 ; 15 \' fitj i/tpaSta-ti (H B D). — 13 ! 35 *, *♦ «v si5rgt;)T£ (n B enz.). — 15:16** (N B D). — 15:21 *, **

xoiqtrov ... (NB D). — 16 : 12 *♦ to (B L). — 16 : 26 ♦ ev (n B L). —

1/ : 9 *, weglating van ov Soxa (ilt; R L). — 18 : 1, weglating van xxi (N BL).— 18 : 7 lixxpoSupei (N A B D). — 18 : 14 *♦ nup sxeivov (N B L). — 20 : 27 *, ♦♦ AsyovTE? (N B C D). — 20 : 40 (N B L). — 21 : 6 ♦, ♦♦ uh (N B L), —

-ocr page 688-

CBITISCHE RE8ULTATKN.

1000 in de noten opgegevene varianten 150—170, waarin het, volgens mijn gevoelen, waarschijnlijk is, dat aan den Alexandr. tekst de voorkeur moet worden gegeven; ik heb ze meerendeels in den loop der exegese aangewezen.

Eindelijk moet worden opgemerkt, dat onder de ongeveer 20 gevallen, waarin wij in cod. D een variant hebben gevonden , die hem eigen is, er wel 3 of 4 zijn, waarin deze lezing, door de Itala of ook door n gesteund, waarschijnlijk voor den waren tekst moet worden gehouden i).

Ik aarzel niet, met al de hedendaagsche critici in het algemeen de meerderheid van den Alexaudr. tekst, inzonderheid die van den Vaticanus te erkennen. Maar ik denk, dat de hier vermelde feiten voldoende zijn, om te bewijzen, dat iedere variant, van waar zij ook afkomstig moge zijn, het recht heeft om gehoord te worden.

22 :10 *, ** weglating van ovksti (N A. B C). — 22; 34 ♦, *♦ i-ts afxpvytry SiSêveei (nBIj). — 22:87 * weglating vaa en (N A B D). — 22:4\'2* vcepsveyxé

(of ____t:ui) (N B). — 22: 68 not y c, Ttohva-yre (N B L). — 23 : 51 05 rpotre-

Ssxero (tlt; B C D). — 2t:10, weglating van xi (N A. B D). — 24 : 17 so-ra-Qillt;ruv A B). — 2\'t : 51 *, ** xxi av£lt;p, eif t. cvp, (A B C). — 24 : 53 ** eu*.o%ovvTei; (N B C).

1) Ygl. 24:12; vs. 51 (met N); 52; 53,

666

-ocr page 689-
-ocr page 690-

CBITISCHE RESULTATKN.

1000 in de noten opgegevene varianten 150—170, waarin het, volgens mijn gevoelen, waarschijnlijk is, dat aan den Alexandr. tekst de voorkeur moet worden gegeven; ik heb ze meerendeels in den loop der exegese aangewezen.

Eindelijk moet worden opgemerkt, dat onder de ongeveer 20 gevallen, waarin wij in cod. D een variant hebben gevonden , die hem eigen is, er wel 3 of 4 zijn, waarin deze lezing, door de Itala of ook door n gesteund, waarschijnlijk voor den waren tekst moet worden gehouden i).

Ik aarzel niet, met al de hedendaagsche critici in het algemeen de meerderheid van den Alexandr. tekst, inzonderheid die van den Vaticanus te erkennen. Maar ik denk, dat de hier vermelde feiten voldoende zijn, om te bewijzen, dat iedere variant, van waar zij ook afkomstig moge zijn, het recht heeft om gehoord te worden.

22 : Ifi », *♦ weglating van ovksti (N A B C). — 22; 34 ♦, ** /-4« ceTrafvtfa-ti EiSeva, (N B L)- — 22 : 37 * weglating Tan en (N A B D). — 22:42* ircep$veyice

(of ____ueci) (N B). — 22 : 68 ij.oi 11 c. (N B L). — 23 : 51 0; rpore-

iexero (N B C D). — 24:10, weglating van ai (N A B D). — 2i:17e(rr«-Cya-av A B). — 24 : 51 *, ** kxi ave(p, eif r. ovf, (A B O). — 24 : 53 ** £UA0^01/VTS5 (X B C).

1) Vgl. 24:12; T8. 51 (met N)j 52; 53.

666

-ocr page 691-
-ocr page 692-
-ocr page 693-
-ocr page 694-
-ocr page 695-