-ocr page 1-

HERDENKING

VAN

Vijftigjarige!! Evangeliedienst

NAAR AANLEIDING VAN

flAND. XXVI vs. 22, 23 DOOR

J. C. VBRIlOliFF,

Predikant hij de Nederduitsche Hcrvornide Gemeenie te l \'trceJit.

\'.—•■-fis—

UTRECHT,

J. BIJLEVELD. 1895.

I*!

-ocr page 2-
-ocr page 3-

Op aandrang van mijne vrienden geef ik het op 15 Dec. j.l. in de Domkerk gesprokene in het licht. Ook op de lesing er van ruste des Heer en negen!

18 Dec. 1895, y

-ocr page 4-

Gelezen; 2 Cor. IV en V.

Voorzang; Psalm 103 vs. 1, 2 Tusschenzang: Gezang 55 vs 1, 2 Nazang; Psalm 118 vs. 7.

Na het uitspreken van den Apostolischen zegen, aan het einde der Godsdienstoefening, zong de Gemeente Gezang 96.

-ocr page 5-

Hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en gioot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude: namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de eerste uit de opstanding der docden zijnde, een licht zoude verkondigen dezen volke, en den Heidenen.

Handel. 26: 22, 23.

In deze ure, Mijne Geliefden! wensch ik tot u te spreken over het getuigenis, door den Apostel Paulus afgelegd bij het terugzien op een langdurig t ij dpe rk van arbeid in het evangelie.

Laat ons zien, onder welke omstandigheden hij het heeft afgelegd, en wat van dat getuigenis de inhoud en het doel geweest is.

Op het oogenblik, waarop Paulus dit getuigenis aflegt, waren er sedert zijne bekeering 24 jaren verloopen, jaren van rusteloozen arbeid in het Evangelie.

Al weten wij weinig van de bijzonderheden van dien arbeid gedurende de eerste jaren, met name van zijn verblijf in Arabiö en in zijne vaderstad Tarsus, reeds wat wij weten toont ons den man, die zijne ziel had overgegeven voor den naam en zaak van den Heer Jezus, en die daaraan al zijn tijd en al de van God hem verleende gaven en krachten gewijd had. Zooals

-ocr page 6-

6

hij daar in Damascus en vervolgens te Jeruzalem optreedt met de besliste en kloekmoedige prediking van het Evangelie van Christus als den Zoon Gods, zoo vinden wij hem overal. Als Apostel der heidenen, — en dat is zijn glorie, — vangt hij te Antiochië aan, om weldra in een drietal veldtochten een groot deel der toen bekende wereld voor zijnen Heer te veroveren, en veel te lijden, — want dat is steeds het karakter van zijnen arbeid, — voor den naam van zijnen Zender. Op Cyprus heeft hij zijn tegenstander in het bijgeloof, in Pisidisch Antiochië in het Jodendom. Te Iconium bedreigt men hem met steeniging, te Lijstre wordt de bedreiging tot daad, en wordt hij voor dood buiten de stad gesleept. Na eene reis door geheel Klein-Azië bereikt hij Philippi, en wordt er gegeeseld, geboeid en in den kerker gezet. In Thessalonica drijft men hem ter stad uit; in Athene is hij het voorwerp van den spot der Grieksche beschaving; in Corinthe moet hij om des broods wil zijn tijd tusschen Evangelieverkondiging en tente-makersarbeid verdeden. Te Efeze brengt een oproer zijn leven in gevaar. Te Caesarea verneemt hij de aankondiging, dat hem in Jeruzalem de haat der Joden wacht, maar niets kan hem weerhouden, want hij is bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven voor den naam van den Heer Jezus. De aankondiging wordt bewaarheid. Israël vergrijpt zich aan den Apostel der heidenen, en zou hem hebben gedood, had niet de

-ocr page 7-

7

overste der bezetting den Romeinschcn burger aan de woede van het volk ontrukt cn te Caesarea in veiligheid gebracht. Wil hij niet vallen als het slachtoffer van dweepzucht, zoo is hij genoodzaakt tot een beroep op het keizerlijk gerechtshof. Voorden Procurator Felix handelt hij van matigheid, en rechtvaardigheid, en toekomend oordeel, maar al blijft hij daarbij een gevangen man, hij is doof voör het verleidelijk aanbod, om voor een losgeld zijne vrijheid te koopen.

Ziedaar enkele trekken, die van zijn Evangeliearbeid en van zijn lijden om dien arbeid spreken, voor zoover zij in ile Handelingen der Apostelen zijn opgeteekend, maar die aangevuld worden door dat aangrijpend, alles zeggend getuigenis, dat hij zelf daarvan heeft afgelegd : „van de Joden heb ik veertig slagen min één vijfmaal ontvangen, driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gestee-nigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebracht. In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, van moordenaars, van mijn geslacht, van de heidenen ; in gevaren in de stad, in de woestijn, op de zee, onder de valsche broeders; in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid ; zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de gemeentenquot;, — van die gemeenten, aan welke hij, met name aan de Thessa-lonicensen, aan de Corinthiërs, aan de Romeinen, onder

-ocr page 8-

8

dat alles zijne onvergelijkelijke brieven geschreven heeft. En zoo staat hij dan nu op verzoek en ter inlichting van Porcius Festus voor koning Herodes Agrippa met datzelfde Evangelie „van de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is, om hunne oogen te openen, en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God, opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in dien Jezus van Nazareth, die hem was verschenen, en hem tot een Getuige en Dienaar van dit evangelie gesteld had.quot;

Welk een beteekenis krijgt nu in het licht van deze herinneringen het woord, waarmede hij zijne rede voor Agrippa besluit: ,,hulp van God ontvangen hebbende tot op dezen dag, sta ik onbezweken, door Hem onder alle gevaren behoed, uit alle nooden gered, door Hem tot alles bekrachtigd, en nooit beschaamd; door zijne genade ben ik, die ik ben.quot; —

En wat is nu de inhoud van de verklaring, welke hij onder die omstandigheden aflegt, en waarin hij zijn gansche leven en prediking te samen vat ? Dat hij, gelijk ook de Heer hem daartoe geroepen en gesteld had, een getuige Gods geweest is, een „uitverkoren vat, om den naam zijns Heeren te dragen voor de Heidenen, en de Koningen, en de kinderen Israöls.quot;

Getuige „bij kleinen en grootenquot;, zoowel naar de wereld als in ontwikkeling; Joodsche Schriftgeleerden en

-ocr page 9-

9

heidensche wijsgeeren, priesters, stadhouders, koningen, overheden, rechters, maar ook slaven, handwerkslieden, matrozen, soldaten, volksmenigten. Aan die allen en overal: in gerechtshoven en tempels, op pleinen en schouwplaatsen, in gevangenissen en op schepen. En overal, en altijd datzelfde getuigenis, in vorm en stijl verschillende naar de behoeften van hen, tot wie het komt, maar wat den inhoud betreft onveranderd, „niets zeggende buiten hetgene de profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zoudequot;. Paulus\' evangelieverkondiging kent geen anderen grondslag, clan dien der openbaring Gods aan Israel, geen anderen weg des heils, dan die daardoor is aangewezen; geen andere waarheid, dan die daarin is nedergelegd; geen ander evangelie, zelfs al ware het verkondigd door een engel Gods. Niets kan hem bewegen, om ook maar éene schrede daarbuiten te gaan, geen eer van menschen, geen dreigingen van tegenstanders, geen zucht tot zelfbehoud, geen woelingen van Joden, die „teekenen begeerenquot; en geen anderen godsdienst kennen, dan eenen wettischen, maar ook geen spitsvondige redeneeringen van Grieken, die „wijsheid zoekenquot;. Want het is geen grootspraak, maar door zijn leven bevestigde waarheid: „ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien gekruisigdquot;.

Het Evangelie van den Christus, den aan de Vaderen beloofden, den door de Profeten en Mozes toegezegden

-ocr page 10-

10

Messias, in Jezus van Nazareth verschenen, om den raad Gods te vervullen; die daarom „de lijdendequot;, de gekruisigde Christus moest wezen, maar tevens „de eerste uit de opstanding der doodenquot;, de Vorst des levens en de bron van het waarachtige, eeuwige leven een\' iegelijk, die in Hem gelooft.

Door dat Evangelie des kruises en der opstanding is het licht opgegaan, het licht der waarachtige Godskennis, het licht des eeuwigen vredes den volke, voor Israël, het volk der verkiezing, het volk der openbaring, en den heidenen.

Met welke gewaarwordingen zal de Apostel er dat laatste aan hebben toegevoegd. Daaraan toch was al die arbeid gewijd geweest, daarom was in Jeruzalem de woede der Joden tegen hem losgebroken, daarvoor had hij zooveel miskenning en wantrouwen moeten verduren, en was hij nu een gevangen man, en stond hij voor Agrippa, met ijzeren ketenen aan de handen.

En wat was nu van dat getuigenis het doel?

Allerminst eigen eer. Het is geen zelfbehagen, dat hem zoo doet spreken. Geen woord over het lijden, dat hij doorgestaan heeft, over den ondank, die hem betoond is, komt over zijne lippen, en evenmin een woord om zijne trouw, zijnen ijver te verheerlijken. En zoo was het altijd bij hem, want als hij genoodzaakt wordt, te verklaren, dat hij „overvloediger had gearbeid dan al de apostelen,quot; voegt hij er dadelijk aan

-ocr page 11-

11

toe: „doch niet ik, maar de genade God.s, die met mij iswant in mijzelven ben ik „de minste van de apostelen, die niet waardig ben, een apostel genaamd te worden, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb.quot;

Neen, het is hem om de rechtvaardigheid zijner zaak, om de eer van zijnen koning en diens Evangelie te doen, waar hij door een Romeinschen stadhouder en den koning der Joden tot verantwoording geroepen wordt. De dienaar van Jezus Christus mag in hun oogen geen misdadiger zijn, die „den Joden onrecht gedaan zou hebben, of iets bedreven zou hebben, dat des doods waardig was.quot; Hem moet niet ten laste kunnen gelegd worden, dat hij „oproer zou hebben verwekt,quot; en daarom vraagt hij geen gunst, maar recht. Er moet niet langer smadelijk kunnen gesproken worden van „eene secte, die overal wordt tegengesproken,quot; want hij, „de opperste voorstander van deze sectequot;, heeft „noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer in eenig opzicht gezondigdquot;. En het Evangelie, dat hij predikt, is niet het getuigenis van den waanzin, maar van „waarheid en gezond en verstand,quot; het getuigenis aangaande het heil des Heeren, den eenigen weg des behouds, „het licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van zijn volk Israël.quot;

Bovenal is het Paulus te doen om zijnen God groot te maken, door wiens hulp tot op dezen dag hij onder alles is staande gebleven. Hoe rijk toch was zijn geheele

-ocr page 12-

12

loopbaan geweest in ervaring van deze goddelijke hulp en nabijheid, van het oogenblik af, waarop dat: Saul! Saul, waarom vervolgt gij mij ? hem in het hart had gegrepen, hem de blinde oogen voor de heerlijkheid van Jezus van Nazareth had geopend. Zijn God had hem ingeleid in de diepten zijner liefde en genade, hem mond en wijsheid gegeven, zoo dikwijls hij geroepen was, dat Evangelie tegenover wijzen en grooten naar de wereld te verdedigen, hem in de ernstigste oogen-blikken van zijn bediening gesterkt en getroost. Was niet, toen hij zijn eigenlijken arbeid zou aanvangen, „als hij in den tempel bad, en in eene verbreking van zinnen was, de Heer hem verschenen met het bevel: ga in der haast uit Jeruzalem, want Ik zal u tot de heidenen afzenden.quot; Had hij niet, als hij de eerste zou worden van allen, die ooit met het Evangelie den bodem van Europa betreden zouden, door de leiding des Geestes tot Troas moeten doorreizen, en daar in den nacht een gezicht gezien, en de stem van den Macedonischen man vernomen: „kom over, en help ons.quot; Was niet, toen te Corinthe de vervolging zou losbreken, „de Heere hem verschenen met het woord der bemoediging: „wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet, want niemand zal de hand aan u leggen, om u kwaad te doen.quot; En toen „de doorn in het vleeschquot; begon te steken, en de „engel des satans hem voortdurend met vuisten sloegquot;, had niet toen in antwoord op zijn herhaald gebed de Heer tot

-ocr page 13-

13

Hem gezegd; mijne genade is u genoeg, mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.quot; Zoo is hij staande gehouden onder zijn lijden, beveiligd onder zijne verzoekingen, bekrachtigd onder alle moeiten en ontberingen, gered uit alle doodsgevaren, en in zijn geloof nooit beschaamd. Dat moet hem, al staat hij ook tot zijne verantwoording voor zijnen rechter, te midden van dit koninklijk gehoor, en in tegenwoordigheid van de oversten over duizend en de voornaamste:! der stad, vóór alle dingen van het hart; „hulpe tot op dezen dag van God verkregen hebbende, sta ik.quot;

En wanneer dan nu een Evangelie-dienaar mag terugzien op een langdurig tijdperk van arbeid in dat Evangelie, en zijner gemeente naar aanleiding van die herinnering iets te zeggen heeft, is het dan niet als onwillekeurig, dat hij dat Apostolisch woord overneemt? Toch kan hij het niet doen, dan met zekeren schroom. De plaats, waar hij staat, is bestemd voor dc verkondiging van het Evangelie, en niet voor de vermelding van bijzondere levenservaringen. Bij de Evangelieprediking treedt daarom dc dienaar des Woords op den achtergrond, of hij loopt gevaar, het woord van dezen zelfden Paulus te vergeten: „wij prediken niet onszelven, maar Christus den Heer, en onszelven, dat wij uwe dienaren zijn om

-ocr page 14-

14

Jezus wil,quot; en alleen in zoover mag hij van zijnen arbeid iets zeggen.

Daar is nog eene oorzaak van schroomvalligheid, en zij ligt in het besef van den grooten afstand, die er is tusschen dezen Apostel en de latere Evangeliepredikers, Als zij zichzelven eenigszins kennen, en over hun werk naar waarheid zullen spreken, dan kan er van vergelijking met Paulus geen sprake zijn, dan om hen diep te beschamen; dan treden de wijsheid, de geloofskracht, de toewijding, de volharding, de zelfverloochening van dezen Apostel aanklagend tegen hen op, en dan zouden zij liefst in de eenzaamheid op het aangezicht nedervallen, en met den tollenaar uitroepen: „o God! wees mij, den zwakke, den verdeelde van hart, den schijnbaar getrouwe, maar in uw oog ontrouwe genadig!quot;

En toch zijn er in hunne bediening oogenblikken van herinnering, waarin zij tot spreken, in zekeren zin tot verantwoording gedrongen worden, waarin zij bovenal niet kunnen nalaten, den Heer groot te maken, die hen in de bediening gesteld heeft, en hen daarin onverdiend heeft gezegend cn voortdurend heeft bijgestaan,

Zulk een oogenblik. Gel.! is voor mij gekomen, cn daarom heb ik dien schroom overwonnen, en wensch ik te spreken, en moet ik mijnen God groot maken, van wien ik tot op dezen dag hulpe ontvangen heb.

Ik kan het met te meer blijmoedigheid doen, omdat ik het doe onder zoo geheel andere o m s t a n d i g h ed e n, dan

-ocr page 15-

IS

Paulus. Ik sta niet voor u als „een gezant Gods in een ketenquot;, maar heb tot hiertoe onverhinderd het Woord Gods mogen prediken, en heb, buiten den smaad, die in de oogen van wereld en wereldliefde altijd aan de prediking des Evangelies verbonden is, gedurende den tijd mijner bediening nooit eenig persoonlijk nadeel geleden of aan eenige vervolging bloot gestaan. Ik sta hier niet voor eene rechtbank, tot verdediging tegen eenige beschuldiging geroepen, maar om te getuigen van de groote barmhartigheid Gods in de redding van zondaren. Ik sta hier niet tegenover vijanden, joden en ongeloovige heidenen, maar te midden van eene christelijke gemeente, waaronder zoovelen, met wie ik mij, als broeders en zusters in het geloof, één gevoel in Christus Jezus.

Overigens mag ik door Gods genade, wat i n h o u d en doel aangaat, Paulus\' getuigenis overnemen.

Met was gisteren juist een halve eeuw geleden, dat ik in de bediening gesteld werd. Reeds dit. waar zulk een voorrecht aan weinige Evangeliepredikers beschoren is, stemt tot ootmoedigen dank. Als de dag van gisteren staat hij nog levendig in al zijne bijzonderheden voor den geest, die dag mijner bevestiging in die kleine, slechts 180 zielen tellende gemeente van Elden in de Betuwe, waar de Meer den jeugdigen man leerde verstaan, wat het zegt, dat een dienstknecht Gods alleen aansprakelijk is voor hetgeen hij zaait, niet voor den oogst. Na drie jaren waren mij in de mij onvergetelijke

-ocr page 16-

i6

gemeente van Sluis geheel andere ervaringen bereid in de aanschouwing van de liefelijkste werkingen des ge-loofs en des Heiligen Geestes. Na tien jaren riep mij de Heer naar de Gemeente te Amersfoort, om er slechts vijftien maanden te blijven, maar om er onder veel opzien tegen den grooteren werkkring te ondervinden, dat Hij, die roept getrouw is, en ook aan een kort-stondigen dienst zegen kan verbinden. Daar kwam, nu 35 jaren geleden, de roepstem naar deze gemeente, over de aanvaarding waarvan onder vreeze en beving ik nooit één oogenblik berouw heb gehad. Het is hier de plaats niet, om van persoonlijk gemoedsleven te spreken, over zegeningen op huiselijk of maatschappelijk gebied, mij ten deel gevallen; ik zal alleen iets zeggen in betrekking tot de bediening van het Evangelie, maar dit acht ik mij dan ook verplicht te zeggen. Ik ben mij niet bewust, dat ik in de verkondiging van den predikstoel aan kleinen en grooten, en in het godsdienstonderwijs aan mijne leerlingen, wat den inhoud betreft, -— want de vorm was gebrekkig, de ijver zwak, het hart dikwijls afwezig, — iets gezegd heb „buiten hetgene de Heer en zijne Apostelen gezegd hebben, dat geschied isquot; dat ik iets verzwegen zou hebben van den ,,raad Gods tot behoudenis van zondarenquot;, van de verlossing van dood en verderf, die in Christus Jezus is, in den lijdenden en uit den dood verrezen Christus, — van het licht der kennis en des eeuwigen levens, opgegaan ook over het

-ocr page 17-

17

heidendom, en van den eenigen weg des geloofs en der bekeering tot het deelgenootschap aan die verlossing. Na die 50 jaren sta ik vaster dan ooit in de overtuiging, dat de dienaar van het Evangelie geen andere roeping heeft dan deze, en geen ander Evangelie kan of mag brengen, omdat er geen ander is, en dus niet heeft te vragen naar goedkeuring of afkeuring van men-schen, om naar dien maatstaf iets te verzwijgen of iets daaraan toe te voegen. En telkens werd ik bevestigd in de ervaring, dat wie dezen weg volgt, onder goed gerucht of kwaad gerucht er voor bewaard wordt, een dienstknecht van menschen te worden, en de blijmoedigheid tot den arbeid, en voor zijn hart de vrijmoedigheid en den vrede Gods behoudt. En daartoe, — laat het zijn, om Gods genade bovenal eere te geven, — heb ik tot op dezen dag hulpe van God verkregen; — als Paulus deze dingen in de Christelijke gemeente had gesproken, zou hij gezegd hebben, daartoe heb ik genade van God ontvangen. Nooit heeft het mij, — laat mij het in de gemeente mogen zeggen, — nooit heeft het mij daaraan ontbroken. Voor Hem en ook voor u, geliefden! heb ik mij te schamen en schuld te belijden over wat m ij in dien heerlijken arbeid en bij de vervulling van die groote taak ontbrak, maar van de zijde van mijnen God was er vervulling van al mijne behoeften boven bidden en denken, kracht en leiding des Heiligen Geestes onder allerlei toestanden. Voor

-ocr page 18-

18

den onervaren jeugdigen dienaar bij de eerste schreden op zijn weg. In dagen van ernstige krankheid was Hij mijn geneesmeester, in dagen van doodelijke pestilentie mijn schild, in tijden van inspannenden arbeid ook in ruimer kring, dan den gemeentelijken, mijn steun, — in uren van lijden voor mij en mijn gezin een God van vertroosting.

Hulp ook door menschen. Door een trouwe echtgenoot, die mij, waar het de belangen der gemeente en harer armen gold, naar vermogen ter zijde stond, — door ambtgenooten, die steeds tot hulp bereid waren, en mij door de betooning van hun liefde en hun vertrouwen hebben verkwikt, —door ijverige medearbeiders, in het besturen van de gemeente, in de zorg voor hare weezen en hare behoeftigen, in het brengen van den zegen des Evangelies tot de heidenen, — en niet het minst door broeders en zusters in den Heer, in wier hart de drang is, om voor hun leeraars en voorgangers te bidden.

Zullen wij ons straks vereenigen, om den Heer te danken, ik kan dit ons samenzijn niet besluiten, zonder H, geliefde Gemeente! en onder deze u inzonderheid, mijne trouwe vrienden, in gemeenschap des Geestes aan mij verbonden, mijnen dank voor zooveel liefde te brengen, als gij mij in al dien tijd, dat ik onder u was, en inzonderheid in deze laatste dagen bewezen hebt. Hare betooning heeft mijn hart verkwikt, en mij klein gemaakt, want dit toch moet de vrucht zijn van eiken zegen Gods, dit doet alle eere voor zijn aangezicht uit-

-ocr page 19-

19

loopen in ecrc van Hem, in verheerlijking van zijnen heiligen Naam.

Vijftig jaren, — laat mij het nog eens mogen zeggen, dat ik het mij niet voorstellen kan. Toch ziet de reiziger, die een zoo langen en niet altijd gemakkelijken weg heeft afgelegd, onwillekeurig niet slechts achter zich om, maar ook voor zich uit, en wordt het zijne vraag, „wat nu ?quot;

Toen de Apostel Paulus deze woorden sprak, was het hem niet bekend, dat hij nog acht jaren zijn arbeid zou voortzetten, en dat die jaren tot de moeielijkste, maar de niet minst gezegende zijner Apostolische werkzaamheid zouden behooren, om in den marteldood door het zwaard van den Romeinschen Keizer te eindigen. Op het dezer dagen uitgesproken vermoeden, dat ik nu mijne bediening zou neerleggen, kan ik niet anders zeggen, dan dat ik er niet aan denk, zoolang de Heer mij den lust en de krachten blijft schenken, waaraan het mij door zijne goedertierenheid nooit heeft ontbroken. Dit eéne begeer ik van mijnen God, dat, — hij zij dan lang of kort, — de laatste tijd mijner bediening onder u moge dienstbaar zijn aan de bekeering, de heiliging, de onderwijzing, vermaning en vertroosting van velen, aan de uitbreiding van zijn koninkrijk, aan de groot-making van zijnen driewerf heiligen Naam, den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. — Amen.