HET NIEUWE LIED DER GEZALIGDEN,
LEERREDE OVER OPENB, V : 9, 10,
DOOR
Herder en Leeraar bij de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Utrecht.
A. H.
Uitgesproken op Zondag 27 Octobep 1889, des voormiddags, in de Domkerk,
UTRECHT TEN BOKKEL HÜININK. 1889.
SKELPEKSDRUK VAK H, C. A. THIEME TE NIJJIESEN.
\'t Is om te voldoen aan \'t verlangen van velen, die deze predikatie gehoord hebben, dat ik haar \'t licht doe zien. Moge zij een middel zijn in de hand des Heer en % om hen, die haar lezen, te versterken in de overtuiging, — zoo zij aan zulk eene versterking nog behoefte hebben, — van \'t alleszins plichtmatige om bij de openbare Godsdienst-oefeningen \'t Lam, dat geslacht is, óók door gewijde Gezangen te verheerlijken, met ivoorden gegrond op \'t vervulde Evangelie, en die getuigen van de getromvheid Gods ten aanzien van \'t geen Hij in den ouden dag heeft beloofd.
Mocht deze leerrede ook in handen komen van dezidken, die zich aan die verheerlijking tot hiertoe hebben onttrokken, dan opene de Heilige Geest hunne oogen voor de groote zonde, waaraan zij zich hebben schuldig gemaakt, en nog schuldig maken, en tegen welke op Bijbclsch standpunt, geene enkele verontschuldiging kan worden aangevoerd! —
Psalm 97 : 1.
Openb. 4 ; 5; 15 ; 22.
Psalm 98: 1. 2. Gezang 46: 48, 49, 50, 51. Gezang 50: 3.
Psalm 89: 8.
GELIEFDE GEMEENTE!
In deu ge wijden bundel onzer Psalmen treffen wij er niet weinigen aan, te beginnen met den tweeden, die den naam dragen van Messiaansche. Zij dragen dien naam wel niet als een opschrift, zooals met de liederen sHammaülothquot; \'t geval is, maar zij hebben dat ook niet noodig. Uit hun inhoud toch blijkt \'t genoegzaam, dat zij met \'t volste recht dien naam, hun door de kerk des Nieuwen Verbonds gegeven, ontvangen hebben; \'t zij die inhoud geheel en al, \'t zij slechts voor een grooter of kleiner gedeelte op den door God beloofden Messias heenwijst. En dat met \'t volste recht hun de naam van Messiaansche gegeven is, vanwege hun gelieelen, of vanwege hun gedeeltelijken inhoud, blijkt voor een iegelijk, die op een geloovig bijbelsch standpunt staat, overvloediglijk daaruit, dat, wat wij in die Psalmen, door den Geest der profetie, van den Heere Christus vinden bezongen, in de boeken des Nieuwen Testaments, die op de vervulling der profetie wijzen, als zoodanig wordt erkend. Wordt zulks gedaan door Apostelen en Evangelisten, — de Heere Jezus Christus zelf, in Wien \'t woord der profetie is vervuld geworden, en Die de Schriften kende in haren inhoud, beteekenis, kracht en waarde, oneindig beter dan ooit een Profeet van den ouden dag die gekend had, ging in die erkenning van bedoelde Psalmen, als op Hem ziende, als in Hem vervuld, als Messiaansch alzoo, Zijnen jongeren
6
vToor. Om geene andere bewijzen daarvoor bij te brengen,, 500 herinneren wij n alleen aan \'t geen de Heiland, in den ivond van den dag Zijner opstanding, tot de vergaderde ;lven, en die met hen waren, zeide: »Dit zijn de woorden,
lie Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, (namelijk) dat iet alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven s in de wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen 1).quot;
Wordt dus de Heere Christus, in de taal der profetie, in mderscheidene Psalmen bezongen, gelijk door \'t geheele Dude Testament heen, in klimmende mate, onder steeds luidelijker en helderder schijnend licht des Heiligen Geestes,
)p Hem gezinspeeld, op Hem heengewezen wordt, — wij lebben, dan daarin de liefde-zorg Gods voor Zijn volk )nder den ouden dag op te merken en te erkennen, Die nede langs dien weg, gelijk óók door de offeranden en ieremoniën der wet, Zijn volk wilde voorbereiden voor de comst van den gezegenden Heiland in het vleesch. En o!
net welk een bijzonder zielsgenot zullen de vromen onder i
sraël, zullen zij wier hope op den Messias, Die komen \'Ou, gevestigd was, en wier gansche zielsbegeerte naar Zijne iomst uitging, voor zoovelen hunner met genoemde Psalmen n kennis kwamen, die gelezen hebben, en mede ingestemd lebben, als zij, bij \'t geklank van godgewijde muziek-instru-aenten, in \'s Heeren Heiligdom door de Levieten werden gezongen. Dat kunnen wij zoo begrijpen Gel., als wij beienken, dat die door God beloofde Heilaanbrenger en Ver-osser, hoe meer zij van Hem mochten vernemen, hoe meer van Godswege aangaande Hem hun ontdekt werd, ook des te heerlijker en te dierbaarder werd in hunne schatting. Met vreugde en dankbaarheid zullen zij dan ook zeker telkens hebben voldaan, wanneer een nieuwe Psalm, die over den toegezegden Zaligmaker handelde, hun in harden werd gegeven, aan de opwekking; »Zingt den Heere een
Luk. 24 : 44.
nieuw lied,quot; zooals wij deze boven den 98sten Psalm, en elders, beschreven vinden. Want zij konden nooit genoeg van dien Zaligmaker hooren, nooit genoeg naar hartelust van Hem zingen 1 Immers, schoon zij Hem nog niet kenden bij den in zalige beteekenis onuitputtelijk rijken, Hem door Zijnen Vader zeiven gegeven, allerdierbaarsten naam Jezus, en een schat Zijner heerlijkheden, ons door \'t vervulde Evangelie ontdekt, hun nog onbekend was, nochtans waren zij volkomen éénes geestes met dien innig vromen zanger, die noch wat zijn naam, noch wat zijn lied betreft, ons een vreemdeling is, waar hij zingt:
„Zonder einde geeft Uw lof, Jezus, ons de rijkste stof.quot;
Dien naam, dien schat Zijner heerlijkheden, die voor \'t oude Israël was verborgen, te mogen kennen, was weggelegd voor \'t geestelijk Israël des Nieuwen Testaments ! Wat in den ouden dag slechts in betrekkelijk geringe mate was bekend, en wat voor een voornaam deel in nevelen was gehuld, dat werd verduizendvoudigd bekend, en in \'t volste en heerlijkste daglicht geplaatst, toen de hope van Israëls vaderen en vromen was verschenen, en \'t alles aan Hem volbracht was, wat van Hem geschreven stond. Maar geen wonder dan ook Gel., dat dat geestelijk Israël des Nieuwen Testaments, waar \'t den Heere was toegebracht in allerlei landen, en onder allerlei volkeren en talen, van de vroegste tijden der nieuwe bedeeling af, de innigste zielsbehoefte gevoelde, en daarnaar ook handelde, om nevens Davids Psalmen bij hunne samenkomsten óók te zingen wat de Heilige Geest in \'t hart en in de pen had gelegd, met woorden aan \'t vervulde Evangelie ontleend, van geloovige zangers die onder dat Evangelie leefden, of reeds ontslapen waren. Zoo schrijft Plinius secundus, landvoogd van Bithynië
8
en Pontus, een heiden, in een zijner brieven \') aan keizer Trajanus, omstreeks \'t jaar 100, dat »de Christenen op zekeren dag, vóór zonnen opgang, gewoon waren te zamen te iomen, en tot Christus, als God, een lied te zingen.quot; Dit ;e doen, óók trots de gruwelijkste en wreedaardigste vervolgingen, was hun lust en hun leven. En door den Zoon, levens den Vader, in de duidelijke taal des Nieuwen Tes-;aments, lof, eere en heerlijkheid te zingen, vingen zij reeds lier op aarde dat hemel-werk aan, dat zij, verlost van tonde en lijden, en »hunne kleederen wit gewassehen in het jloed des Lams ■),quot; daarboven in volmaaktheid voortzetten, vomt, laat ons te dezer ure zulk een Hemelsch lied be-uisteren. Geve de Heere \'t ons te doen met geheiligde )oren en harten ! Smeeken wij daartoe om een zegen, in \'t )otmoedig
GEBED.
„EN ZIJ ZONGEN EEN NIEUW LIED, ZEGGENDE: „GIJ ZIJT WAAR-)IG HET BOEK ÏE NEMEN, EN ZIJNE ZEGELEN TE OPENEN ; WANT UJ ZIJT GESLACHT, EN HEBT ONS GODE GEKOCHT MET UW BLOED IIT ALLE GESLACHT, EN TAAL, EN VOLK, EN NATTE ;
EN GIJ HEBT\' ONS ONZEN GOD GEMAAKT TOT KONINGEN EN \'KIESTEEEN ; EN WIJ ZULLEN ALS KONINGEN HEERSCHEN OP DE .ARDE.quot;
Heb ik mij, geliefde Gemeente, onder herhaalde gebeden n smeekingen gesterkt en voorbereid, om \'t hemelsch ied, u daar als de stof onzer overdenking voor deze ure
1) De 97»- brief.
2) Openb. 7 : 14.
9
voorgelezen, en dat de hulde behelst, die de gezaligdeu aan \'t Lam Gods toebrengen, te vertolken, zoo gevoel ik desniettemin mijne blijvende onbekwaamheid om dat zóó te doen, als ik \'t vurig zou wenschen te kunnen doen. De rijkdom toch en heerlijkheid dier stoffe is zoo overstelpend groot, dat de verlegenheid om haar te behandelen, de beschroomdheid om haar tot onderwerp eener predikatie te maken, slechts te meer bij mij toenam, naar mate ik te meer in haar zocht in te dringen. Ach ! hoe zou een zondaar, al raag hij, door genade, ook een geloovige zijn, die eenigs-zins ingeleid is in de kennis der onuitsprekelijke heerlijkheid en dierbaarheid van den Verlosser, — hoe zou een zondaar, al mag hij ook een geloovige zijn, die \'t diep gevoelt, dat hij slechts, als een kindeken, gebrekkig kan stamelen, waar hij zich onderwindt om \'t Lam, dat geslacht is, glorie toe te brengen, een vertolker kunnen wezen, naar de volle be-teekenis van dit woord, van dien lof, die door de gezalig-den, in den Hemel, die door de gemeente der «volmaakte rechtvaardigen,quot; \') die door de triumfeerende kerk, aan \'t Lam Gods wordt toegebracht? Om die, om zulk een vertolker te kunnen wezen, zou hij niet alleen de beteekenis, maar óók de kracht moeten verstaan der heiuelsche woorden, die van hunne zalige lippen vloeien ; zou hij ook gevoelen moeten wat zij gevoelen, die daar, in den Hemel, voor den troon Gods en des Lams, ten volle mogen smaken en genieten de heerlijkheid der vrucht hunner vrijkooping, en hunner eeuwige verlossing door ;t bloed van dat Godslam. En dat te gevoelen, dat te smaken, dat te genieten, is slechts voor den Hemel weggelegd ! Maar neen, (nog meer moeten wij zeggen. Een ten volle vertolken van dien lof zou zelfs daar niet mogelijk wezen ! Want wat ook in den Hemel, oneindig beter dan hier op aarde, gezegd, verklaard, ondervonden wordt van de vrucht der verlossing door Christus\' bloed, — ;t zalige gevoel, \'t zalige genot dier vrucht is toch, en blijft
1) Hebr. 12: 23.
10
ook da;tr te groot, te heerlijk om vertolkt, om in woorden verklaard te worden. Zelfs de taal des hemels is daartoe te arm en te zwak ! O ! bedenkt zulks, Gel., als gij mijn gebrekkig en nietig stamelen hoort te dezer ure.
Toch, al is \'t dan zoo, als wij daar zeiden Gel., toch gevoelde ik mij telkens, en telkens opnieuw, krachtig aangetrokken tot behandeling van de u voorgelezen tekstwoorden. En zulks óók met \'t doel, om, zoo \'t den Heere belieft, u de allerduurste verplichting te doen beseffen, voor \'t eerst, of meer en meer, om al blijft dat zingen hier beneden ook altijd hoogst gebrekkig, toch ook dat Lam lof te zingen, dat Lam ook, niet minder dan den Vader en den Heiligen Geest, dat hierboven in eeuwigheid de Hallelujah\'s der verlosten ontvangt. Zulk een diep besef te zoeken te wekken, èn te versterken, is in onzen tijd, en in onze kerk ook, helaas! maar al te noodzakelijk ! —
»Trek uwe schoenen uit van uwe voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land!quot; 1) — Zóó hoorde Mozes zich toeroepen uit het midden van het brandende braambosch, toen de Engel des Heeren hem daarin verscheen in een vuurvlam, en hij zich daar henen wendde, am dat wonderbare gezicht te bezien. Voorwaar Gel., ook 3ns voegt, en niets minder, de allerdiepste eerbied, \'t hei-igst ontzag, waar wij geroepen worden, om, zij \'t dan ook in den geest, te zien en te hooren, wat des Heilands meest geliefde jonger, door bijzondere openbaring aan hem, zien ;n hooren mocht op \'t eiland zijner ballingschap. En o 1 :oo Johannes ook nu en dan al \'t droevige en smartelijks gevoelde van een banneling te zijn in zulk een ruw en •otsig oord, en afgescheurd te zijn van zijne geliefde ge-neente, — toen zeker, toen hij die openbaring ontving, vas \'i akelig Patmos voor hem als herschapen in eene poort les Hemels. Hij zag toch, naar \'t eerste vers van \'t vierde loofdstuk »eene deur geopend in den Hemel,quot; en \'t werd
Exod. 3 ; 5.
11
hem vergund te zien en te hooren wat aan geen sterveling vóór hem, of na hem, hoe grootelijks ook begenadigd, al-zóo te zien en te hooren vergund is geworden. Zouden wij trachten bij dat alles met u stil te staan, gel., zooals ^t u straks uit de Schrift is voorgelezen, de tijd zou daartoe veel, veel te kort zijn. En van wege den rijkdom van \'t door ons gekozen onderwerp moeten wij ons zooveel mogelijk bekorten. Genoeg, hij zag dan in dien voor hem ontsloten Hemel een troon, en in de rechterhand Desgenen, Die op dien troon zat, en bij Wien wij aan God, den Vader, te denken hebben, naar \'t eerste vers van ons teksthoofdstuk, een »boek, geschreven vau binnen en van buiten.quot; Wij hebben daaronder te verstaan een boekrol, geen boek alzoo met bladeren, zooals onze boeken zijn, maar zooals die in Johannes\' tijd, en vroeger, en later ook nog, gebruikelijk waren, naar de wijze der wetrollen in de Synagogen.
En dat »boek,quot; of die rolle, was niet, zooals bij menschen de gewoonte was, alleen beschreven aan de binnen-zijde, maar óók aan de buiten-zijde, geheel en al dus beschreven zoodat er geen plaats meer op was voor nog ander of meer schrifts. Immers, \'t bevatte Gods raadsbesluiten ten opzichte van de kerk Zijns Zoons, genomen vóór de grondlegging der eeuwen, en voor tijd en eeuwigheid vastgesteld, onvatbaar alzoo voor vermeerdering. Werd dit beteekend door \'t van binnen en van buiten beschreven zijn van die rolle, er wordt voorts van haar getuigd, dat zij was »verzegeld met zeven zegelen.quot; Zij was dus niet opengerold, noch geheel noch voor een gedeelte, maar geheel en al opgerold, en volkomen gesloten bovendien, wat aangeduid werd door \'t getal der zegelen, waarmede zij verzegeld was. \'t Zevental toch is in de H. Schrift \'t symbolische getal der grootst-mogelijke volkomenheid. Wat die rolle van Gods raadsbesluiten behelsde was dus ten eenenmale onleesbaar, voor de Hemelingen zoowel als voor Johannes; de toekomst der kerk, de toekomst van \'t Godsrijk, hoe \'t daarmede gaan zou, wat God daarover in Zijn eeuwigen raad had besloten,
12
\'t lag alles voor de Hemelingeu eu voor Johannes in \'t duister. O! wij kunnen \'t begrijpen wat wij in \'t vierde vers lezen, dat de discipel des Heeren »zeer weende1\', omdat er niemand, noch in den hemel, noch op de aarde, noch jnder de aarde, »waardig gevonden werd om het boek te }penen, en te lezen, noch het zelve in te zien.quot; De toe-itand der kerk, de gruwelijke vervolgingen, die reeds ang voor haar waren aangebroken, en waarin hij ook :elf deelde, drukten zijne ziel; en ;t »hoe lange, Heere ?quot; 10e lange zal dat zoo duren, en wat zal \'t einde wezen ■an dat schrikkelijk brullen des satans tegen Uwe kerk ? leze vragen lagen op den bodem van zijn gemoed, deze vragen ladden haar antwoord in die rolle, maar gesloten was zij, n scheen zij te zullen blijven ! Van daar Gel., die groote roefenis van Johannes. Maar ziet, wat gebeurt er ? Een der ierentwintig ouderlingen, der vertegenwoordigers van de ezaligden uit Israël, die den troon omringen, wordt zijn rooster in zijne smart. »Ween niet,quot; zoo spreekt hij hem De, »zie, de Leeuw, die uit den stam van Juda is, de Wor-ïl Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en ijne zeven zegelen open te breken.quot; Wie onder die beide enamingen door den ouderling bedoeld werd, Johannes \'ist \'t uit de Schriften. Hij werd er door aangeduid. Die aar Zijne menschelijke natuur uit Juda was gesproten, en i die natuur, met leeuwenmoed en leeuwenkracht, de zonde, e wereld en den duivel bestreden en overwonnen had ; lij ook, Die, naar Zijne goddelijke natuur, Davids Schep-3r en Heere was, de Heere Jezus Christus alzoo, waar-ihtig mensch en waarachtig God in éénigheid des per-ions. Hij, Hij had overwonnen om dat boek te openen, en n Gods raadsbesluiten te lezen niet alleen, maar die ook n uitvoer te brengen, en ze ook, voor zooverre Johannes e weten mocht, aan Zijn\' geliefdsten jonger bekend te aken. En nu zag Johannes Hem naderen tot den troon, a te doen wat Hij, Hij alléén te doen waardig was, waar-e Hij ook geleden had, en Zijnen Vader was gehoorzaam
13
geweest tot in den dood, ja, tot den dood des krnises, maar om wat te kunnen doen Hij óók de bezitter was, gelijk Hij die zijn moest, van volkomen goddelijke kracht, en van volkomen goddelijke alwetendheid. Een en ander werd aan Johannes op zinnebeeldige wijze, naar \'t 6° vers, te zien gegeven. Daar toch lezen wij : »En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren,quot; — de vier levende wezens, gelijk er eigenlijk staat, waarbij wij te denken hebben aan de vertegenwoordigers der gezaligden uit de volkeren buiten Israël, — »en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht,quot; — levend alzoo, maar met de kenteekenen van Zijn bloedigen kruisdood, uit welken Hij was opgewekt, — »hebbende zeven hoornen, en zeven oogen; dewelke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.quot; Dat Lam nu, toegerust met die kracht en alwetendheid, die door de zeven hoornen en zeven oogen werden voorgesteld, kwam tot den troon des Eeuwigen, en nam »het boek uit de rechterhand Desgenen die op den troon zat,quot; met \'t doel om \'t te openen, door de ontsluiting, of verbreking, van de zeven zegelen. Die opening wordt ons van \'t Ge hoofdstuk af medegedeeld met al de gevolgen, die de opening van elk zegel in \'t bijzonder had, gevolgen vreeselijk voor de vijanden, heerlijk, troostvol en zalig voor de ware leden der Kerk. Maar vóór nog \'t eerste zegel door \'t Lam ontsloten was, en Johannes met \'t gezicht daarvan werd verwaardigd, werd \'t hem vergund nog iets anders te zien, nog iets anders te hooren ook, iets te zien en te hooren dat al de snaren zijner ziel, die met de allervurigste en innigste liefde, en met den allerdiepsten eerbied voor den Heiland, als voor dat Lam, dat ook voor hem geslacht was, verbonden was, moest doen trillen, ja in de heerlijkste verrukking\' brengen moest. Immers, wat zag hij ? Dat lezen wij in \'t vers, dat. onzen tekst onmiddellijk voorafgaat. »En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen,quot; — de vertegenwoordigers alzoo der gezaligden uit
14
le volkeren en uit Israël, — »voor het Lam neder, hebbende elk citeren, en gouden fiolen,quot; — schalen, zooals loor de Priesters in den Tempel des Heeren bij \'t reukoffer werden gebezigd, — »zijnde vol reukwerks,quot; — aangestoken, en in de geurigste wolken opstijgend reukwerk, — »welke zijn de gebeden der heiligen.quot; Wordt dit laatste, ils eene verklaring van de beteekenis dier schalen met •eukwerk, door Johannes er bijgevoegd, zoo wil de Apos-el daarmede geenszins zeggen, gelijk de Roomsche kerk be-veert, en waarop zij hare valsche en afgodische leer bouwt ran de aanroeping der heiligen in den hemel, opdat die \'oor de geloovigen op aarde zouden bidden, dat die schalen net reukwerk \'t overbrengen aan \'t Lam zouden beteeke-len van de gebeden, die door de heiligen, of geloovigen, op tarde tot de gezaligden in den hemel worden opgezonden ! V erre daarvan af! Zulk eene afgoderij bestond toen nog niet n de Christelijke kerk, en zoo ze bestaan had, zou Johannes iaar met zijne gansche ziel verfoeid hebben. Maar Johannes ;eloofde, gelijk wij dat óók belijden, aan de éénheid der ;erk hierboven met die hier op aarde; aan de ééne, heilige Igemeene, Christelijke kerk; aan één geestelijk lichaam van Christus, met Hem, als met haar Hoofd, verbonden, waar-an \'t gevolg is, dat de gebeden der heiligen in den hemel iet de ware gebeden der heiligen, of geloovigen op aarde, Is gebeden van één en \'t zelfde geestelijk lichaam, van éne en dezelfde kerk, door Christus wordeu aangemerkt. ]n had Johannes, gelijk wij vernamen, óók gezien, dat elk an de gezaligden, die zich voor \'t Lam neerbogen, ook en citer had, zij hadden die, om, bij de klanken van dat he-lelsche speeltuig, dat lied te zingen, dat hij hen nu hoorde anheffen, en waarbij wij nu verder te dezer ure wenschen Lil te staan, o ! moge \'t zijn met ware geheiligde aandacht ! moge \'t zijn, dat daarbij, door de krachtige werking des [eiligen Geestes, onze zielen als citers zijn, wier snaren van efde en lof, van aanbidding en dank voor \'t Lam, dat geacht is, maar dat ook overwonnen heeft, trillen. Doch
Gel., laat ons, voor wij trachten u dat hemelsch lied te vertolken, er mede instemmen, door \'t te zingen zooals \'t in dichtmaat is overgebracht in een onzer Gezangen. Gevoelt de kerk des Heeren daarboven zich één met de kerk hier beneden, — de kerk hier beneden moet zich één gevoelen met die daar boven. En gij, bij wie die eenheid nog niet bestaat, gij die dus wat in dat lied, dat wij bedoelen, wordt verklaard en beleden, nog niet op u zeiven persoonlijk kunt toepassen, zullen wij u toeroepen : zwijgt gijlieden maar! ? Maar dan zoudt gij ook moeten zwijgen als er gezongen wordt: »Wij steken \'t hoofd omhoog en zullen d\' eerkroon dragen !quot; Neen u vermanen wij, dat gij onder \'t medezingen uwe harten biddend en smeekend zoekt te verheffen, dat de Heere bij u moge waar maken, naar den heerlijken rijkdom Zijner genade, wat gij als de taal der geloovigen en verlosten medezingt. Zoo doende behoeft er ook bij u geen stilzwijgen te weren. Komt, zingen wij dan \'t 48e, en de drie volgende verzen, uit \'t 46e Gezang.
Laat ons nu nagaan Gel.,
I. Wat Johannes, volgens onzen tekst, de gezaligden hoorde zingen, en
II. Welk voorbeeld de gezaligden ons door hun zingen geven.
I. »En zij zongen een nieuw lied,quot; zoo schrijft dan de Apostel allereerst. Dat moet ons volstrekt niet verwonderen Gel.! In den Hemel, waar de volle levensstroom des Heiligen Geestes voortvloeit uit den troon Gods en des Lams, die levensstroom, die alle gezaligden voortdurend, en tot in eeuwigheid, bezielt, en leven doet, leven doet in de ware en in de hoogste beteekenis van dat woord, is \'t gelukkig anders dan hier beneden. Hier beneden is \'t in de kerk zóó gesteld, dat duizenden, ja tienduizenden, in Nederland
16
althans, \'t alleen bij \'t oude willen gelaten hebben. En voorzeker, wat betreft de oude, eeuwig onveranderlijke waarheid tot zaligheid van zondaren geopenbaard, is zulks ten zeerste te prijzen, en zijn wij \'t van ganscher harte met dezulken eens. Maar wat betreft den vorm, en de wijze, en de stof van verheerlijking, door \'t gemeenschappelijk gezang der Gemeente, van den Vader, en den Zoon, en den Heiligen Geest, zijn wij \'t met dezulken volstrekt niet eens; maar gevoelen en verklaren wij ons eens met de gezaligden in den Hemel, en met die ontelbaren hier beneden, in de Christelijke kerkgenootschappen van alle landen, die door Gods genade volharden bij \'t oud, algemeen, en ongetwijfeld Christelijk geloof, maar daarbij niet verwerpen wat de Geest des Heeren, tot stichting der Gemeente, en tot verheerlijking van Zijnen Naam, en op \'t Evangelie der vervulling gegrond, in den heiklag des nieuwen Testaments, door middel van geloovigen uit allerlei volken der Christenheid, ten gebruike van de Gemeente heeft gewerkt en geschonken. De gezaligden hadden \'t lied der schepping gezongen, zoo als wij dat vermeld vinden in \'t laatste vers van \'t vorige hoofdstuk. Maar bleven zij nu bij dat lied der schepping ? Hoorde Johannes en niets anders dan dat lied der schepping, hoe heerlijk ok, en hartverheffend, èn Gode-waardig ook, zingen ? Dat eert onze tekst wel anders ! Zij zongen ook een »nieuw lied,quot; leuw van vorm, en nieuw van inhoud. En geen hunner was r, die daarbij zweeg, of had kunnen zwijgen, of ook maar quot;t allerminst er aan had kunnen denken om te zwijgen, oo is \'t ook in \'t 14e hoofdstuk, waar wij van de honderd ler en veertig duizend, die Gode en \'t Lam tot eerstelingen it de menschen zijn gekocht, lezen: »En zij zongen als en nieuw gezang voor den troon.quot; \') En zoo zal \'t in \'t ieuwe Jeruzalem,quot; 2) waar God »alle dingen nieuw maakt,quot; elijk er van geschreven staat, voortgaan tot in de eindelooze
17
eeuwigheid. Geen wonder ook ! Want waar de gezaligden eindeloos zullen voortgaan in de kennis van God en van \'t Lam; waar telkens en telkens opnieuw, tot in eeuwigheid, nieuwe, vroeger hun onbekende heerlijkheden van God en van \'t Lam zullen ontdekt worden, daar zullen zij ook zonder ophouden nieuwe stof hebben, en nieuwen aandrang in zich gevoelen, ora in nieuwe hemelsche gezangen dien God en \'t Lam te verheerlijken. Zoo was \'t dan ook bij die »vier dierenquot;, gelijk zij genoemd worden, en bij die «vierentwintig ouderlingenquot; van wie in onzen tekst wordt gesproken. Zij allen, al die vertegenwoordigers van alle ge-zaligden , zongen een »nieuw liedquot;, zooals er tot hiertoe geen gezongen was in den Hemel, \'t Was \'t lied der verlossing, zooveel heerlijker, en godverheerlijkender dan dat der schepping, dat Johannes ook uit hunnen mond had vernomen, als de verlossing zelve van arme en in zich zeiven gansch verloren en doemwaardige zondaren, eeu heerlijker en godverheerlijkender werk is dan dat der schepping van alle dingen. Ja, dat lied der schepping zouden ze niet hebben kunnen zingen, zoo Gods genade er niet voor gezorgd had, dat zij ook \'t verlossingslied konden aanheffen. Want zonder verlossing zou er ook geen hemel .voor hen bestaan hebben; zonder verlossing ware \'t ook wenschelijk, dat \'t menschdom, nu eenmaal gevallen niet ware geschapen. En wat was nu de inhoud van dat »nieuwe liedquot;, van dat lied der verlossing?
»Gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie. En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren ; en wij zullen als koningen heerschen op de aarde.quot;
»Gij zijt waardig,quot; zóó klonk \'t dan allereerst, ter eere van \'t Lam, uit hunnen mond. Hier, op aarde, was aan dat Lam vervuld geworden, wat er dooi- den Geest der profetie gesproken was: »Hij was veraciit, en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten en verzocht in krank-
18
heid ; en (een iegelijk) was als verbergende het aangezicht voor Hem ; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.quot; \') Hier, op aarde, was \'t, en hoorde Hij \'t ook over Zich uitroepen: »Hij is des doods schuldig!quot; Dit werd óók door Israëls vertegenwoordigers gedaan, en \'t werd bekrachtigd door de «heidenen,quot; als de vertegenwoordigers uit de volkeren, aan wie Israël Hem had overgeleverd. Maar o ! welk eene verandering, welk een verschil. Nu is \'t Lam gekroond met eer en heerlijkheid aan Gods rechterhand 1 Nu is \'t: «Gij zijt waardig,quot; waardig »het boek te nemen cn zijne zegelen te openen.\'1 En zeer zeker werd dat »Gij zijt waardigquot; nu ook mede aangeheven door dezulken uit Israël en de Heidenen, die Hem eerst onwaardig hadden geoordeeld om te leven, en Hem gekruisigd hadden, maar die, geloovig geworden in Zijnen Naam, en tot Hem bekeerd, en gewasschen in Zijn bloed, nu voor Hem dankend en aanbiddend neervielen, en nu, voor eeuwig door Hem behouden en gezaligd, Hem \'t »Gij zijt waardig,quot; toezongen. En heeft de Heiland, als »de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs, »voor de vreugde die Hem was voorgesteld,quot; en die Hij, na lijden ging beërven, »het kruis verdragen en de schande veracht,quot; 2) o! Gel. die hemelvreugde v:in den Verlosser zal gewis niet in de minste plaats ook toen door Hem gesmaakt zijn, toen Hij dat »Gij zijt waardig,quot; door Zijne verlosten Zich hoorde toezingen. En waarom rekenden zij Hem nu die groote, goddelijke eere waardig, om dat boek te nemen, en zijne zegelen te openen, die eere, om welke te ontvangen niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, waardig gevonden was, zelfs niet een Gabriël, die voor God stond ? Dat hoorde Johannes hen nu belijden en zingen, en o ! hoe zal zijne ziel hebben medegejubeld, en hoe zal hij ook nu hebben geweend, maar nu geen tranen van droefheid, maar tranen van de zaligste
Jes. 53 : 3.
Hebr. 12 : 2.
19
vreugde, eu van \'t zaligst dankgevoel! Want wat hij nu hoorde als aan \'t Lam volbracht, maar ook als door \'t Lam volbracht, dat was ook voor hem, ja voor hem ook volbracht ! »Want Gij zijt geslacht,quot; zoo hoorde hij de gezalig-den zingen. En in dat ééne woord, waarin de nameloos groote, de eeuwig onbegrijpelijke liefde des Verlossers voor verlorenen in schuld en zonde, werd verheerlijkt, werd aan Johannes voor den geest geroepen, gelijk ook de aanschouwing van »\'t Lam, staande als geslacht,quot; \') hem gedaan had, al dat vreeselijke lijden, al die onuitsprekelijke smarten, naar ziel eu lichaam beide, die de Verlosser had willen uitstaan, tot in den gevloekten kruisdood toe, en waarvan hij, Johannes, staande bij \'t kruis, getuige was geweest. Maar wat hij toen nog niet verstond, wat hij toen, bij \'t kruis, gewis met heete tranen beschreide, dat geslacht worden van Hem, Die hem zoo dierbaar was aan zijn harte, dat verstond hij nu, en had hij leeren verstaan, sints de Heilige Geest ook zijn geest had bestraald met de kennis van \'t allergenadigst, en van \'t allerheerlijkst en allerzaligst doel, waartoe dat zachtmoedig, onschuldig en heilig Lam geslacht werd, en Zich slachten liet. En dat doel, en de vrucht van dat gruwzaam lijden des doods, werd nu vervolgens door de gezaligden vermeld in hun nieuw lied, waar zij zongen : »en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie.quot; Ja, daartoe was de Zoon Gods gekomen, dat was \'t hoofddoel van Zijne komst in menschelijk vleesch, »niet om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.quot; Daarto.e was \'t, naar den eisch der goddelijke gerechtigheid, noodig, dat Hy Zijn bloed vergoot, en, door dat vergieten van Zijn bloed. Zijne ziel, of Zijn leven, uitstortte in den dood, en zulks in de plaats van zondaren, opdat zij daardoor van de rechtvaardig verdiende straf zouden verlost worden. Zóó kocht Hij hen Gode, d. i. voor God. Zoo kocht
1) vs. 6.
20
Hij hen vrij, verloste Hij hen van alle ellende voor tijd en eeuwigheid, opdat zij Gode zonden kunnen dienen, en Hem toebehooren zouden voor eenwig. En Hij deed dal niet uit Israël alleen, maar »uit alle geslacht, en taal, en volk, en natiequot;! Dat had Hij ook hen gedaan, die Johannes daar zag neergevallen, welke allen, die reeds zalig waren, en die in den loop der eeuwen nog zalig zouden worden, in aanbidding eu lofzegging van quot;t Lam vertegenwoordigden. Maar nog meer hoorde Johannes hen zingen ! Neen, zij waren niet alleen van alle ellende verlost, maar ook gebracht tot de hoogste eer eu zaligheid ! Waren zij hier beneden, vóór hunne bekeering en vóór dat zij den Heere Jezus, door \'t geloof, als hun Redder en Zaligmaker leerden kennen, slaven der zonde geweest, dienaren dei-wereld en des satans, mi waren zij in volkomenheid wat zij op aarde bij aanvang waren geworden, nu waren zij vrijen niet alleen, maar ook, hunnen God ter eere, «gemaakt tot koningenquot;! Ook dat had dat Lam gedaan, en erkenden zij met lofgezang. Want dat Lam bad hen leeren strijden tegen al hunne geestelijke vijanden. Dat Lam had bun kracht geschonken tot dien strijd; hen opgericht als zij vielen; hen bezield met moed en volharding als de strijd bun zwaar viel, en eindelijk hun de overwinning geschonken, zoodat zij, als Paulus, konden roemen in den Heere: iGode zij dank, Die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onzen Heere !quot; 1) En nu, nu hadden zij de zegepraal behaald, nu waren zij koningen Gode, tot in eeuwigheid, en zouden ook eens »als koningen heerschen op de aardequot;. Zongen alzoo de gezaligden, ter eere van \'t Lam, niet alleen van den hoogen rang, dien zij nu reeds, in den Hemel, bekleedden, maar ook in verzekering van \'t geen hun eens op de aarde zou gegeven worden te doen, zoo hebben wij daarbij niet te denken aan deze xondige aarde, maar aan de aarde zooals zij eens nieuw zal zijn, en met den Hemel
I Gov. 15 ; 57.
21
in onmiddellijke gemeenschap zal worden gebracht, als wanneer, naar Openb. 21 : 2, »de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, zal neerdalen van God, uit den Hemelquot;. Dan zullen de gezaligden, deelende in de koninklijke heerschappij van Christus, op die aarde ook daarin deelen, gelijk zij nu reeds in den Hond tot koningen waren gemaakt.
Maar tot nog eene andere heerlijke waardigheid waren zij verheven! Hun lied toch luidt aldus: »Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren!quot; Dat zij ook priesteren waren gemaakt was reeds aangeduid door \'t priesterlijk werk, dat Johannes hen zag uitoefenen voor den troon, in \'t offeren van \'t reukwerk der gebeden. Ook dat werk hadden zij hier beneden reeds leeren aanvangen, maar was, zoolang zij uitwoonden van den Heere, gelijk al hun werk der dankbaarheid, gebrekkig en bezoedeld. Nu was \'t dat echter niet meer! Nu waren hunne dankzeggingen en gebeden, nu was ook hunne toebrenging van lof eu heerlijkheid aan \'t Lam, dat geslacht was, zonder éenig inmengsel van zonde of gebrek. Nu steeg \'t reukwerk hunner gebeden uit hun gouden fiolen in de allerreinste en geurigste dampen opwaarts. En op \'i hagelwitte priesterkleed kwam nu in eeuwigheid niet \'t geringste vlekje meer! Zoo waren zij priesters als geen zoon van Aiiron, hoe vroom ook, hier beneden, in \'t aardsche Heiligdom, ooit geweest was, ooit had kunnen zijn. En die ook waren zij geworden door dat Lam, dat hen gekocht had door Zijn bloed! O! hoe kon \'t anders of zij moesten ook, door eeuwige dankbaarheid voor die eer, voor die zaligheid gedrongen, dat Lam lofzingen? Komt, Gel., laat ons ook nogmaals, vóór wij verder gaan, den lof van dat Lam bezingen. Doen wij \'t nu met \'t 3e vs. uit \'t 50° Gezang.
22
II. Wij hebben nu nog, ten besluite, de vraag te beantwoorden welk voorbeeld de gezaligden ons door hun zingen geven ?
\'t Antwoord op die vraag Gel., kan waarlijk wel niet moeilijk zijn. Dat antwoord zou ook zeer kort kunnen wezen.\' Maar wij achten \'t evenwel alleszins noodig om \'t niet met een paar woorden af te doen. Neen, niemand die waarlijk rechtzinnig is, en die zich buigt voor \'t heilig Woord des Heeren, óók ten aanzien van alles wat in dat Woord ons van den Heere Jezus Christus geschreven staat, en wat wij overeenkomstig dat Woord ook te dezer ure beschouwd hebben, niemand, die alzóó is, zal \'t zeggen : die gezaligden in den Hemel, die leden van de triumfeerende kerk, die vertegenwoordigers van de gekochten door \'t bloed des Lams, uit Israël en uit »alle geslacht, en taal, en volk, en natie,quot; hadden \'t evengoed kunnen laten bij den scheppingspsalm, dien Johannes vóór dat nieuwe lied had hooren aanheffen. Dat toch zou niet alleen eene dwaze, maar ook eene misdadige afkeuring wezen van \'t geen z-ij doen, die boven alle misvatting en dwaling, die boven alle verkeerde handelingen voor eeuwig verheven zijn ! Neen, aan zulk eene afkeuring van wat door de verlosten in den Hemel geschiedt, maakt zelfs niemand zich schuldig, die nog eenigszins op den Christen-naam durft aanspraak maken. Maar daar bestaat nog eene andere wijze van afkeuren, dan die niet woorden geschiedt. Daar bestaat ook een afkeuren door zwijgen, ook zelfs waar hart èn mond \'t toestemmen en erkennen, dat, wat anderen doen, een goed, een heilig, een godverheerlijkend werk is. Zoo is \'t nu, o! duizendmaal droevig en jammer, met ontelbaren ook in onze vaderland-sche kerk gesteld. Zij keuren \'t goed, ze vinden \'t heerlijk, wat de kerk daar boven doet, zooals wij dat te dezer ure gehoord hebben, — ze erkennen \'t: ja, dat Lam, dat geslacht is, is waardig f1ieu lof te ontvangen ! Maar toch zwijgen zij, als hier beneden door anderen met dien lof
23
zingende wordt ingestemd ! En evenwel bidden zij : »Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, al zoo ook op aarde.quot; Maar ofschoon die wil des Hemelschen Vaders ook deze is, dat »allen den Zoon zullen eerea gelijk zij den Vader eeren,quot; zoo zwijgen ze nochthans in de vergaderingen der gemeente, wanneer die Zoon verheerlijkt wordt met woorden, als in den Hemel worden gebezigd. Dat hemelsch voorbeeld volgen zij niet na. Zij houden zich, om zoo te spreken, alleen aan \'t scheppingslied; aan \'t geen vóór de komst van den Heere Christus in \'t vleesch, in profetische en in zinnebeeldige taal van Hem gezongen is. En in dat hun doen worden zij, helaas ! niet weinig versterkt, niet slechts door hen, die onze kerk, \'t zij vroeger, of in onze dagen, bij duizenden verlaten hebben, maar ook door dezulken in onze kerk, van wie men met grond, ook krachtens hun ambt en hunne roeping, tegendeel zou mogen verwachten. Wij betreuren zulks, hebben \'t steeds betreurd, en zullen \'t blijven betreuren tot onzen jongsten snik, met ons geheele hart, dat \'t alzoo onder ons gesteld is, ja, \'t is voor onze ziel eene voortdurende droefenis, -j-) Wij weten \'t alles wel, wat er
quot;jquot;) Aan dio mijner medebroeders in do H. Bediening, die handelen alsof de Heilige Geest in den dichter van den jongsten Psalm Zijne laatste gaven heeft uitgestort voor \'t gemeonschappelijk zingen der gemeente, en die voor hun niet opgeven van een Evangelisch Gezang uitgaan van de stelling: „in de kerk niets dan Gods Woord!quot; doe ik deze twee vragen :
lo. Meet gij niet met twee maten, wanneer gij in de kerk wèl zingt en zingen laat do berijming van Psalm 1—Psalm 150, maar niet die van Openb. V : 9, 10 (Gez. 46 : 48—51); wèl zingt en zingen laat — ofschoon er ook zijn die dit zelfs niet meer doen! — de berijming van de tien geboden des Hoeren, gelijk ook van de lofzangen, en van \'t gebed des Hoeren, achter den Psalm-bundel, maar niet, om niet meer op te noemen, de berijming van den Engelen-zang (Gez. 117)?
Of, zult gij misschien zeggen, dat de berijming van die gedeelteji des Nieuwen Testaments, die gij ongeschikt schijnt te achten voor gemeentelijk gezang, niet naar de letter is van den tekst des Bijbels ?
Maar laat dan van nu af aan óók \'t zingen na van al de Psalmen, wier berijming evenmin woordelijk is, en welke berijming, wat betreft de zuiverheid van leer, volstrekt niet boven onze Evangelische Gezangen staat.
24
door dezulken voor hunne wijze van doen, of liever nalaten, wordt aangevoerd. Maar zullen zij hunne gronden ook kunnen aanvoeren tegenover die gezaligden, die \'t lied des Lams zingen, en wier woorden zij weigeren op de lippen te nemen, of oj) de lippen te leggen van do gemeente ? Zullen zij hunne gronden ook kunnen aanvoeren tegenover dat Lam Gods zelf? O! wij vinden \'t eene verschrikkelijke zaak, dat \'t »nieuwe lied,quot; \'t lied des Lams, dat geslacht is, in onze vaderlandsche kerk verstomd is, en in zoo vele gemeenten hoe langer zoo meer gedoemd wordt om te verstommen, bij duizenden en duizenden, en dat men zich tevredenstelt, en Iaat stellen, met \'t zingen van niets anders, dan wat ook in de synagoge, waar de Heere Jezus verworpen en gevloekt wordt, gezongen wordt, gezongen wordt zonder de minste terughouding, omdat in de Messiaansche Psalmen geene enkele uitdrukking zelfs wordt gevonden, die den Jood tot eene ergernis is. \'t Lied des Lams, dat geslacht is; de naam Jezus waarbij de Jood spuwt van verachting ; \'t bloed des kruises, waarmede de Heiland Zijn volk heeft gekocht ; en zooveel meer als \'t vervulde Evangelie ons van den Heiland heeft ontdekt, en waarvoor Hij waardig is tot in eeuwigheid te worden verheerlijkt, is in de Psalmen niet te vinden, hoe heerlijk ze ook, als profetische Psalmen, mogen wezen, en hoe ze ook terecht als zoodanig bij de kerk in gebruik moeten blijven. Maar evenmin als de gezaligden in den Hemel
2o. „In do kerk\'\' (go bodoélt in onze kerkgebouwen) ..niets dan Gods Woordquot; zegt gij. Maar zijn dan de Formulieren van don H. Doop en van \'t II. Avondmaal, en de andere gebruikelijke Formulieren, gelijk ook de Ilci-ielbergsche Catechismus, „dncls Woord\'quot;! Zijn dan uwe predikaties, jwe gebeden en dankzeggingen, die gij toch ook in de kerk doet, en ivaarin gij, zoo \'t wel is, uwe geloofsovertuiging uitspreekt, „Gods Woord\'\'\'! Of, meent f/ij wel door Gods Geest, en op Gods Woord ge-;rond, te bidden en te spreken; maar hebben oen van Lodenstei/n, een Vollenhooe, een Sluiter, een vim Aljihc», een van de Kasleele, een ichulte, een l,itUier en run! Gerhardt, om van anderen te zwijgen, niet loor Gods Geest in hunne liederen gesproken, getuigd, geboden? Acht ;ij wellicht uwe taal wèl, do hunne niet geschikt ten gebruike en ten lutte van de gemeente, als zij in hare kerkgebouwen vergaderd is?
25
genoeg hebben aan \'t lied der schepping, evenmin moet de Christelijke gemeente op aarde voor haar gezang genoeg hebben aan wat de kerk in den ouden dag bezat. Haar was nog niet gegeven wat in den heildag des Nieuwen Testaments door God aan de kerk gegeven is. Zij had die stoffe niet voor haar gewijde zangen, die wij hebben, hebben in zulk een heerlijken overvloed ! En zonden wij nu die stoffe alléén gebruiken om er over te prediken, en er over te spreken, maar niet om haar ook te bezingen in de gemeentelijke samenkomsten ? O ! Gel., bijaldien dat zoo ware, en de kerk hierboven kennis droeg aan wat de kerk hierbeneden deed, zij zou zich zeker bedroeven over die jammerlijke ongelijkvormigheid aan haar, en \'t gebrek aan samenstemming met haar; zeker er zich over bedroeven, dat zpovelen hier beneden niet, gelijk zij \'t wel doet, \'t nieuwe lied des Lams willen zingen ! Daarom, Gel,, maar meer nog om de eere, en om de liefde, en om den dank, dien de Heere Jezus over-waardig is van ons te ontvangen, Hij, Die wél kennis draagt van \'t geen Zijne gemeente op aarde doet, o! laat u, bidden wij U, nimmer in één gareel binden, wat hen na te volgen betreft, met dezulken, die \'t in hun lofzingen nog niet verder hebben gebracht dan de synagoge, of die daarin tot de synagoge zijn weergekeerd. Laat \'t u ook geen onverschillige zaak wezen, of er al of niet Evangelische gezangen tot eere des Heeren Jezus worden gezongen, gelijk er zijn die zeggen: »als ik maar eene goede preek hoor, dan scheelt \'t mij niet, of er al of niet Gezangen gezongen worden.quot; Gij moet niet alleen ter kerk gaan voor u zeiven, om te hoeren, maar ook om den Vader, en den Zoon, en den Heiligen Geest lofzingend te verheerlijken; den Zoon ook, niet naar Zijne godheid alleen, die ook in de Psalmen voorkomt, maar zoo als Hij ook als het Lam, dat geslacht is, lofzingend verheerlijkt wordt door de gezaligden in den Hemel. Zoekt dan, dat gij, zooveel in u is, \'t voorbeeld dier gezaligden moogt navolgen. Doet dat in de kerk, doet dat ook in uwe huizen. En opdat \'t niet maar een nazingen
26
moge zijn, maar een, met uw gansche hart en met uwe gansche zie], gelijk met uwen mond, medezingen met hen, mede-samenstemmen met hen, voor zooverre zulks hier beneden mogelijk is, zoo rust niet, voor dat gij de zalige geloofs-verzekering in uwe harten omdraagt, bijaldien gij die nog mist, dat dat- Lam Gods ook voor u »geslacht is, u ook Gode gekocht heeft door Zijn bloed, u ook gemaakt heeft tot koningen en priesteren/\' Als gij daarvan moogt verzekerd . wezen, waarlijk verzekerd, niet maar in uw hoofd, maar ook in uw hart, en gij u dus één moogt gevoelen met uwe gezaligde broederen in den hemel, o ! dan zult gij ook met des te dieper en inniger gevoel des harten uwe stamelende klanken doen samensmelten met hunne volmaakte Hallelujah\'s en met hun volmaakt: \') »Gij, o ! Lam Gods, zijt waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.quot; Zoo zult gij meer en meer worden toebereid voor dé zaligheid, die »geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, noch in eens menschenhart is opgekomen,quot; en waarin gij met de vier dieren, en de vier-en-twintig ouderlingen, zult neervallen voor Hem, Die op den troon zit, en voor \'quot;t Lam, om daór volmaakt voorttezetten wat gij hier gebrekkig hebt mogen beginnen. Dat geve u en mij Gods genade in \'t bloed des Heeren Jezus Christus. Amen !
quot; °1) Openb. 5 : 12.