-ocr page 1-
-ocr page 2-

GUNNING

43

1

J.M.fiüNNIN^JHi

■üCTllTÊSAÏêFfnR |

w.w.L-EtibDet^jli

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

BESCHOUWING OVER DE OPENBARING.

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

-ocr page 7-

gunning /■

BESCHOUWING

OVER DE

OPENBARING,

DOOR

H. C. VOORHOEVE JZN.

\'s GtRAVENHAGE , H. C. VOOEHOEVE JZN. 1 8 8 5.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

UTRECHT.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

J^ll OTTI).

Bladz.

Inleiding............................1

Hoofdstuk 1:1—9....................10

Eerste Afdeeling.

Hoofdstuk I : 9—20..........25

Tweede Afdeeling.

Hoofdstuk II en III..........39

Derde Afdeeling.

A. 1. Hoofdstuk IV en V........99

2. „ YI—TUI : 1......127

3. „ VIII : 2—XI : 18.....157

li. 1. Hoofdstuk XI : 19—XII : 17.....201

2. „ XII : 18 en XIII.....^28

3. „ XIY..........250

4. „ XV en XVI.......263

5. „ XVII en XVIII.....281

- 6. „ XIX—XXI : 1—8.....314

7. „ XXI : 9—XXII : 5 .... 369 Besluit.

Hoofdstuk XXII : 6—21.........384

-ocr page 10-
-ocr page 11-

BESCHOUWING OVER DE OPENBAEING.

INLEIDING.

„Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift van eigene uitlegging is. Want de profetie werd eertijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven, hebben gesproken.quot; (2 Petr. I : 20, 21.) Onder den indruk van deze woorden des Apostels zetten wij ons neder om een verklaring te schrijven van de Openbaring. Geen profetie der Schrift is van eigene uitlegging. Dezelfde Geest, door Wien de heilige menschen Gods gesproken hebben, moet ons de uitlegging hunner profetieën geven. Niet eenzijdig, niet uit hun verband gerukt, noch op zichzelf beschouwd, moeten die voorzeggingen worden uitgelegd; maar als vormende gezamenlijk één geheel, opgesteld naar het plan des Heiligen Geestes, moet de eene profetie door de andere worden verklaard en aangevuld. Hoe nauwgezetter wij hierin tewerkgaan, des te beter zullen wij de bedoelingen en de plannen Gods leeren verstaan. Onder verschillende vormen, door menschen van zeer uiteenloopend karakter en aanleg, in zeer onderschei-

1

-ocr page 12-

BESCHOUWING OVER DE OPENBARING.

dene bewoordingen heeft het Gode behaagd ons zijnen wil, zijne gedachten en plannen mede te deelen; doch hoe onderscheiden ook, hoe schijnbaar tegenstrijdig soms, het vormt alles één schoon, hannomsch geheel; en het komt er slechts op aan om, voorgelicht door den goddelijken Auteur, de verschillende stralen op te vangen en de onderscheidene kleuren te rangschikken, zoodat het geheel in al zijn schoonheid en harmonie ons helder voor den geest staat.

Deze regel geldt stellig ook van de Openbaring;ja, dient wel in dubbele mate bij de Openbaring in acht genomen te worden, daar wij licht geneigd zouden kunnen zijn om bij een boek des Nieuwen Testaments een anderen regel te volgen, dan wij bij de boeken des Ouden Verbonds in acht nemen. De Openbaring nu kan onmogelijk recht verstaan en uitgelegd worden, indien »vij haar niet in verband beschouwen met de profetieën des Ouden Verbonds. Wel is waar worden ons hier geheel nieuwe tooneelen voor de oogen geschilderd, en bekende gebeurtenissen in een nieuw, verrassend licht gesteld; doch dit geschiedt op een wijze en in een taal, die geheel in overeenstemming is met die van de profeten der oude bedeeling, en die daarom zonder vergelijking met hunne geschriften niet te begrijpen is. Door de profetieën des Ouden Verbonds moet veel, wat in de Openbaring staat, worden verklaard; terwijl de Openbaring ons vele dingen mededeelt, die in de oude profeten of in het geheel niet, of slechts gedeeltelijk te vinden zijn. De een vult den ander aan; en eerst door de Openbaring krijgen wij een volledig overzicht van de aanstaande gebeurtenissen en van de eindelijke overwinning over het kwaad.

2

-ocr page 13-

INLEIDING.

Niet minder belangrijk is het onze aandaclifc te bepalen bij de plaats, die de verschillende boeken in den gewijden canon innemen. Zoo wij al niet spreken mogen van inspiratie ten dezen opzichte, zoo is het toch zeker, dat de volgorde dier boeken onder de leiding des Heeren is tot stand gekomen, en geregeld is naar een door God vastgesteld plan. Hoe meer wij deze volgorde be-studeeren en indenken, des te meer zullen wij overtuigd worden van hare schoonheid en juistheid. Niet naar tijdorde zijn die boeken gerangschikt, maar in overeenstemming met hunnen inhoud naar de trapsgewijze ontwikkeling der waarheid. Ton aanzien van de Openbaring komt dit treffend uit. Johannes schreef zijne Brieven en zijn Evangelie later dan de Openbaring, en toch komt de Openbaring het laatst van allen, ja, vormt den sluitsteen van het geheele gebouw der Heilige Schrift. Waar de Bijbel begint met ons de schepping van hemel en aarde te verhalen, daar eindigt hij met ons den nieuwen hemel en de nieuwe aarde te schilderen, waarin de gerechtigheid wonen zal; en waar in den beginne de Zoon Gods verheerlijkt wordt als de Schepper des heelals, daar zien wij aan het slot de vervulling van Gods eeuwig voornemen, om namelijk in de bedeeling van de volheid der tijden alles onder één hoofd te zamen te brengen in Christus, wat in den hemel en wat op de aarde is.

En hiermede hebben wij vanzelf het plan en het doel van dit boek aangegeven. Christus, de Zoon des men-schen, het geslachte Lam, is het Hoofd boven alle dingen, de Koning der koningen en de Heer der heeren. Onder Hem moeten naar Gods voornemen alle dingen te zamengebracht worden. Voor hem moet alle knie

3

-ocr page 14-

BESCHOUWiNG OVER DE OPEXBA.RING.

4

zich buigen, eu alle tong moet belijden, dat Hij Heer is. Aan Hem moeten zich allen onderwerpen, en Hem moet iedereen gehoorzamen. Onder zijnen schep ter moeten alle yolken gebracht worden, en al zijne vijanden moeten gelegd worden tot een voetbank zijner voeten. Dat is het resultaat van al Gods plannen en wegen. Den Zoon, in quot;Wien God al zijn welbehagen vindt, te verheerlijken, is de lust en de vreugde van Gods hart. Welnu, dat is ook het eind van de Openbaring. Christus\' heerlijkheid als Israël\'s en der volken Koning; Christus\' heerlijkheid tot in alle eeuwigheid; zijne overwinning over alle machten en krachten, die tegen Hem zijn; de aanvaarding zijner koninklijke heerschappij, zoowel hier beneden voor duizend jaren, als eenmaal aan het einde aller dingen tot in eeuwigheid in den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde — ziedaar het einde van al de gebeurtenissen, welke ons, in zinnebeeldige taal, in dit boek worden geschilderd. In het negentiende hoofdstuk komt Christus van den hemel om zijne heerschappij te aanvaarden; in het twintigste vinden wij een korte beschrijving van de duizend jaren, en daarna van het laatste oordeel; terwijl in het een en twintigste hoofdstuk de heerlijkheid der eeuwige gelukzaligheid in korte trekken wordt geschilderd. Al wat aan de beschrijving dezer heerlijkheid voorafgaat, moet strekken om de komst van Christus in heerlijkheid voor te bereiden en mogelijk te maken. Het kwaad komt tot zijne volle ontwikkeling, en bereikt in den mensch der zonde zijn toppunt. Die mensch der zonde is, als \'t ware, de incarnatie van den satan en de imitatie van Christus als koning. Door hem worden de volken der aarde in vollen opstand tegen

-ocr page 15-

ISLEIDING.

God en zijnen Gezalfde gebracht, zoodat ten slotte de legerscharen der gansche aarde rondom Jeruzalem vergaderd zijn, en daar hun schrikkelijk einde vinden doer de komst van Christus, die met vlammend vuur wraak doet over hen, die God niet kennen, en over hen, die het evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzamen.

Hierbij moeten wij voornamelijk twee dingen in het oog houden. Vooreerst dat de gemeente van Christus, welke is zijn lichaam en zijne bruid, zich reeds in het vierde hoofdstuk, onder het beeld van vier en twintig oudsten , in den hemel bevindt, om in het negentiende hoofdstuk met Christus den hemel te verlaten en op aarde aan zijne koninklijke heerschappij deel te nemen. quot;Wel wordt de opstanding der ontslapen en de verandering der levend overgebleven heiligen en hunne gezamenlijke opneming , den Heer te gemoet in de lucht, (zie 1 Thess. IV.) in de Openbaring niet beschreven; maar die wordt als gebeurd voorondersteld. In hoofdstuk IV en V vinden wij die heiligen, als de vier en twintig oudsten, in den hemel; en in de beschrijving der gebeurtenissen, welke op aarde zullen plaats hebben vóór de openbaring van Christus\' koninklijke heerlijkheid worden die heiligen ons meermalen in den hemel getoond; (zie Hfst. VII, XI, XIV en XIX.) als \'t ware om ons telkens bij vernieuwing toe te roepen: Zoekt toch de gemeente van Christus niet op aarde gedurende de gebeurtenissen, die hier beschreven worden. Heeft men dit begrepen, dan is aan een eerst vereischte omtrent de uitlegging der Openbaring voldaan. Zoolang men toch de gemeente van Christus na het 4e en 5e hoofdstuk, en derhalve gedurende de oordeelen, welke over de wereld komen

-ocr page 16-

BESCHOUWING OVER DE OPENBARING.

zullen, op aarde zoekt, komt men in de grootste verwarring, en is een goede verklaring van deze profetie onmogelijk. De meeste uitleggers, die dit hoofdbeginsel niet verstonden, zijn er daardoor toe gekomen om allerlei berekeningen te maken, die telkens door de uitkomst zijn gelogenstraft, zoodat velen, ten gevolge daarvan, de Openbaring voor een onbegrijpelijk boek houden. Heeft men evenwel het bovenstaande begrepen, dan is de uitlegging der verschillende profetieën, op sommige kleine bijzonderheden na, gemakkelijk en eenvoudig.

Ten tweede moeten wij in het oog houden, dat Christus, Gods Gezalfde, de Koning Israëls is, en dat dientengevolge het Israëlietische volk het middelpunt is van al Gods plannen en raadsbesluiten ten opzichte van deze wereld; terwijl Jeruzalem, de stad des grooten Konings, het centrum is der geheele aarde. Aldus vinden wij het in de Openbaring na het vijfde hoofdstuk. Het joodsche volk, dat nu door God verworpen Lo-Ammi en Lo-Euchama is, treedt weer op het tooneel en is in Palestina teruggekeerd; Jeruzalem en de tempel zijn weer herbouwd, en worden opnieuw de steen des aanstoots voor de volken der aarde. Het onderscheid tusschen Israël en de volken, \'t welk thans geheel is opgeheven, woi\'dt weer door God erkend, gelijk zulks in het Oude Testament het geval was. Dezelfde macht, die ten tijde van Jezus\' omwandeling op aarde de wereld regeerde, treedt weer te voorschijn, en verbindt zich met den Antichrist, die in dit boek de valsche profeet genoemd wordt. Dit alles moet strekken om het Koninkrijk te bereiden voor den waren Christus, die zijne vijanden verdoen, en de ware Is-

6

-ocr page 17-

INLEIDING.

raëlieten uit de verdrukking verlossen zal, om hen deel te geven aan zijne gezegende heerschappij.

Verder moeten wij opmerken, dat de Openbaring een boek des oordeels is. Behalve de weinige plaatsen in hoofdst. I en XXII, waar de bruid des Lams hare gevoelens van genegenheid voor en verlangen naar haren hemelschen Bruidegom uitdrukt, en behalve hoofdstuk XXI, waarin de heerlijke toestand der bruid als het hemelsche Jeruzalem wordt geschilderd, kenmerkt zich dit boek door de beschrijving der oordeelen, die over deze aarde komen zullen, en die de heerlijke regeering van Christus voorafgaan en voorbereiden. De mensch is, ten aanzien van hetgeen God hem toevertrouwd heeft, een verantwoordelijk wezen. Zelfs de gemeente wordt in hare verantwoordelijkheid beschouwd. De Zoon des menschen, die in het eerste hoofdstuk als de Hechter der gansche aarde verschijnt, doorwandelt de gemeenten, beoordeelt haren toestand, en kondigt het oordeel over haar aan. Daarna zien wij Grod als de Rechter der aarde bezig om zijnen Zoon de heerschappij te verleenen. (hoofdst. IV—XIX.) In het negentiende hoofdstuk wordt de machtsverleening als een voldongen feit gezien. De bruiloft des Lams heeft plaats; het oordeel over de levenden wordt door Christus en zijne heiligen voltrokken, en eindelijk staat de groote witte troon voor onze oogen, voor welken alle dooden verschijnen, om geoordeeld en in den poel dos vuurs geworpen te worden.

In overeenstemming hiermede worden ons God en Christus op een geheel andere wijze voorgesteld in de Openbaring als in de Evangeliën en de Brieven. De naam „Vaderquot; komt in dit boek slechts driemaal voor,

7

-ocr page 18-

BESCHOUWING OVER DE OPENBARING.

(H. 1:6; III : 5; XIV : 1.) en dan nooit in betrekking tot ons, maar uitsluitend ten aanzien van Christus. Wij vinden in dit boek God als een Heerscher op zijnen troon, die met de bewoners der aarde handelt als met verantwoordelijke wezens , en dientengevolge — daar allen gefaald hebben — zijne oordeelen over hen brengt. Christus aanschouwen wij hier niet als het Hoofd der gemeente of als de Heiland van zondaren, maar als „de getrouwe en waarachtige Getuige,quot; die alles doorzoekt en beoordeelt; als „het Lam , dat geslacht isquot;, \'t welk de wereld om hare verwerping van Hem bezoekt in zijnen toorn; en eindelijk als „de Koning der koningen en de Heer der heerenquot;, die de volken hoeden zal met een ijzeren roede, en die den wijnpersbak van Gods toorn treedt. En de Heilige Geest komt in dit boek niet voor als wonende in de gemeente, maar als „de zeven Geesten Gods, die uitgezonden worden in alle landenquot; om alles goddelijk te onderzoeken en aan het licht te stellen, opdat daarnaar het oordeel zou kunnen uitgeoefend worden.

In de verdeeling van het Boek kunnen wij ons niet vergissen, daar die door den Heer zeiven in hoofst. I vs. 19 gegeven wordt. „Schrijf,quot; zoo zegt hij tot Jo-hannnes, „hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na deze dingen.quot; Hierdoor is het Boek in drie hoofdafdeelingen gesplitst:

I. Hetgeen gij gezien hebt. Dit vinden wij in hoofdst. I vs. 9—20. Christus verschijnt aan Johannes als de Rechter der gansche aarde. Hij komt om te oordeelen. Zijne geheele openbaring geeft daarvan blijk, en is een gepaste inleiding voor hetgeen volgt.

II. Hetgeen is. Dit lezen wij in het tweede en

8

-ocr page 19-

INLEIDIJiG.

derde hoofdstuk. Het bevat een profetische beschrijving van de geschiedenis der Christelijke Kerk op aarde, van het begin tot op \'sHeeren wederkomst.

■III. Hetgeen geschieden zal na deze dingen. Deze afdeeling is de grootste, en bevat het verdere gedeelte van dit Boek, van hoofdstuk IV tot aan het eind. Zij is weer in twee deelen verdeeld: a. hoofdstuk IV tot XI : 18 en hoofdstuk XI : 19 tot XXII : 6, terwijl in de laatste verzen het Boek besloten wordt met eenige waarschuwingen cn aanmoedigingen.

De twee deelen dezer afdeeling loopen beide tot aan het einde aller dingen. In hoofdstuk XI: 15—18 vernemen wij uit den mond der vier en twintig oudsten een korte beschrijving van de heerschappij van Christus, welke zich uitstrekt van zijne komst op aarde tot na het ooi-deel der dooden, \'t welk in hoofdstuk XX uitvoerig beschreven wordt, \'t Spreekt vanzelf, dat deze twee deelen weer hunne onderverdeelingen hebben, doch wij zullen daarover hier niet uitweiden, maar zulks liever opgeven bij de behandeling van het Boek zelf.

9

-ocr page 20-

BESCHOUWING OVER DE OPENBARING.

zullen, op aarde zoekt, komt men in de grootste verwarring, en is een goede verklaring van deze profetie onmogelijk. De meeste uitleggers, die dit hoofdbeginsel niet verstonden, zijn er daardoor toe gekomen om allerlei berekeningen te maken, die telkens door de uitkomst zijn gelogenstraft, zoodat velen, ten gevolge daarvan, de Openbaring voor een onbegrijpelijk boek houden. Heeft men evenwel het bovenstaande begrepen, dan is de uitlegging der verschillende profetieën, op sommige kleine bijzonderheden na, gemakkelijk en eenvoudig.

Ten tweede moeten wij in het oog houden, dat Christus , Gods Gezalfde, de Koning Israels is, en dat dientengevolge het Israclietische volk het middelpunt is van al Gods plannen en raadsbesluiten ten opzichte van deze wereld; terwijl Jeruzalem, de stad des grooten Konings, het centrum is der geheele aarde. Aldus vinden wij het in de Openbaring na het vijfde hoofdstuk. Het joodsche volk, dat nu door God verworpen Lo-Ammi en Lo-Euchama is, treedt weer op het tooneel en is in Palestina teruggekeerd; Jeruzalem en de tempel zijn weer herbouwd, en worden opnieuw de steen des aanstoots voor de volken der aarde. Het onderscheid tusschen Israël en de volken, \'t welk thans geheel is opgeheven, wordt weer door God erkend, gelijk zulks in het Oude Testament het geval was. Dezelfde macht, die ten tijde van Jezus\' omwandeling op aarde de wereld regeerde, treedt weer te voorschijn, en verbindt zich met den Antichrist, die in dit boek de valsche profeet genoemd wordt. Dit alles moet strekken om het Koninkrijk te bereiden voor den waren Christus, die zijne vijanden verdoen, en de ware Is-

6

-ocr page 21-

INLEIDING.

raëlieten uit de verdrukking verlossen zal, om hen deel te geven aan zijne gezegende heerschappij.

Yerder moeten wij opmerken, dat de Openbaring een boek des oordeels is. Behalve de weinige plaatsen in hoofdst. I en XXII, waar de bruid des Lams hare gevoelens van genegenheid voor en verlangen naar haren hemelschen Bruidegom uitdrukt, en behalve hoofdstuk XXI, waarin de heerlijke toestand der bruid als het hemelsche Jeruzalem wordt geschilderd, kenmerkt zich dit boek door de beschrijving der oordeel en, die over deze aarde komen zullen, en die de heerlijke regeering van Christus voorafgaan en voorbereiden. De mensch is, ten aanzien van hetgeen God hem toevertrouwd heeft, een verantwoordelijk wezen. Zelfs de gemeente wordt in hare verantwoordelijkheid beschouwd. De Zoon des menschen, die in het eerste hoofdstuk als de Rechter der gansche aarde verschijnt, doorwandelt de gemeenten, beoordeelt haren toestand, en kondigt het oordeel over haar aan. Daarna zien wij God als de Rechter der aarde bezig om zijnen Zoon de heerschappij te verleenen. (hoofdst. IV—XIX.) In het negentiende hoofdstuk wordt de machtsverleening als een voldongen feit gezien. De bruiloft des Lams heeft plaats; het oordeel over de levenden wordt door Christus en zijne heiligen voltrokken, en eindelijk staat de groote witte troon voor onze oogen, voor welken alle dooden verschijnen, om geoordeeld en in den poel des vuurs geworpen te worden.

In overeenstemming hiermede worden ons God en Christus op een geheel andere wijze voorgesteld in de Openbaring als in de Evangeliën en de Brieven. De naam „Vaderquot; komt in dit boek slechts driemaal voor,

7

-ocr page 22-

BESCHOUWING OVER DE OPENBAR1JJG.

(H. 1:6; III : 5; XIV : 1.) en dan nooit in betrekking tot ons, maar uitsluitend ten aanzien van Christus. Wij vinden in dit boek God als een Heerscher op zijnen troon, die met de bewoners der aarde handelt als met verantwoordelijke wezens , en dientengevolge — daar allen gefaald hebben — zijne oordeelen over hen brengt. Christus aanschouwen wij hier niet als het Hoofd der gemeente of als de Heiland van zondaren, maar als „de getrouwe en waarachtige Getuige,quot; die alles doorzoekt en beoordeelt; als „het Lam , dat geslacht isquot;, \'t welk de wereld om hare verwerping van Hem bezoekt in zijnen toorn; en eindelijk als „de Koning der koningen en de Heer der heerenquot;, die de volken hoeden zal met een ijzeren roede, en die den wijnpersbak van Gods toorn treedt. En de Heilige Geest komt in dit boek niet voor als wonende in de gemeente, maar als „de zeven Geesten Gods, die uitgezonden worden in alle landenquot; om alles goddelijk te onderzoeken en aan het licht te stellen, opdat daarnaar het oordeel zou kunnen uitgeoefend worden.

In de verdeeling van het Boek kunnen wij ons niet vergissen, daar die door den Heer zeiven in hoofst. I vs. 19 gegeven wordt. „Schrijf,quot; zoo zegt hij tot Jo-hannnes, „hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na deze dingen.quot; Hierdoor is het Boek in drie hoofdafdeelingen gesplhst:

I. Hetgeen gij gezien hebt. Dit vinden wij in hoofdst. I vs. 9—20. Christus verschijnt aan Johannes als de Hechter der gansche aarde. Hij komt om te oordeelen. Zijne geheele openbaring geeft daarvan blijk, en is een gepaste inleiding voor hetgeen volgt.

II. Hetgeen is. Dit lezen wij in het tweede en

8

-ocr page 23-

INLEIDIJJG.

derde hoofdstuk. Het bevat een profetische beschrijving van de geschiedenis der Christelijke Kerk op aarde, van het begin tot op \'sHeeren wederkomst.

■III. Hetgeen geschieden zal na deze dingen. Deze afdeeling is de grootste, en bevat het verdere gedeelte van dit Boek, van hoofdstuk IV tot aan het eind. Zij is weer in twee deelen verdeeld: a. hoofdstuk IV tot XI : 18 en ö hoofdstuk XI : 19 tot XXH : 6, terwijl in de laatste verzen het Boek besloten wordt met eenige waarschuwingen cn aanmoedigingen.

De twee deelen dezer afdeeling loopen beide tot aan het einde aller dingen. In hoofdstuk XI: 15—18 vernemen wij uit den mond der vier en twintig oudsten een korte beschrijving van de heerschappij van Christus, welke zich uitstrekt van zijne komst op aarde tot na het oordeel der dooden, \'t welk in hoofdstuk XX uitvoerig beschreven wordt, \'t Spreekt vanzelf, dat deze twee deelen weer hunne onderverdeelingen hebben, doch wij zullen daarover hier niet uitweiden, maar zulks liever opgeven bij de behandeling van het Boek zelf.

9

-ocr page 24-

BESCHOUWING OVER

10

H. I: 1.

Hoofdstuk I: 1—9.

Doze weinige verzen vormen de inleiding van ons Boek. Zij zijn uiterst belangrijk en eigenaardig. Het karakter van het Boek komt er duidelijk in uit. Geheel verschillend van de andere schriften des Nieuwen Testaments vernemen wij hier een taal, die ons door vorm en inhoud herinnert aan de lang vervlogen dagen der heilige mannen Gods in de oude bedeeling. Het is de verheven taal van een profeet, die in symbolen, in zinnebeeldige voorstellingen, de oordeelen Gods aankondigt.

Ten onrechte wordt de Openbaring genoemd: de Openbaring van Johannes; het is volgens het eerste vers „de openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft.quot; Onze Heer Jezus Christus wordt ons hier niet voorgesteld als de eenig-geboren Zoon, die in den schoot des Yaders is, noch als het quot;Woord, dat in den beginne bij God en God was; maar als de Zoon in zijne afhankelijke positie van dienstknecht. Het is zijne openbaring, maar nochtans de openbaring, die God hem gegeven heeft. Eeni-germate gelijkluidend met de merkwaardige verklaring in Markus XIII; 32: „Doch van dien dag of ure weet

-ocr page 25-

DE OPENBARING.

11

H. I: 1.

niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.quot; In het Evangelie van Markus is Christus de dienstknecht van God; en het is de volmaaktheid van een dienstknecht niet te weten, wat zijn heer doet; alleen datgeen te weten, wat hem gezegd wordt. Zoo ook hier. Christus ontvangt een openbaring van God. Hij is Gods dienstknecht, in alles afhankelijk van den wil des Yaders. Als zoodanig wordt Hij ons in dit Boek voorgesteld; en Zijne heerlijkheid als mensch wordt hier in heerlijke trekken geschilderd. En dit is te meer merkwaardig, omdat dezelfde Johannes ons in zijn Evangelie de goddelijke heerlijkheid des Zoons voor oogen stelt en verheft. Zoo vult het eene deel der Schrift het andere aan, om zoo doende de schoonste harmonie te vormen.

In overeenstemming hiermede is de verhouding van Christus tot de zijnen een gansch andere. Zegt de Heer in Joh. XV: „Ik heet u niet meer slaven .... maar ik heb u vrienden genoemd,quot; zoo lezen wij hier: „Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zijnen slaven te toonen hetgeen haast ge-geschieden moet.quot; Ook is de profetische mededeeling niet direct, door de werking des Heiligen Geestes, maar door middel van een engel. „Hij heeft het door zijnen engel gezonden,quot; zoo lezen wij. En eindelijk vinden wij hier niet den vertrouwelijken omgang van den Heer met den discipel, dien Jezus liefhad, die ook in zijnen schoot lag, daar Christus zijne openbaring te kennen gaf „aan zijnen slaaf Johannes, die het woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, al wat hij gezien heeft.quot;

Merkwaardig zijn deze laatste woorden. Het met de

-ocr page 26-

BESCHOUWISG OVER

12

H. I: 1 — 3.

getuigenis van Jezus Christus verbonden quot;Woord Gods heeft hier een zeer bijzonder karakter. Terwijl in het Evangelie van Johannes Christus zelf het woord is, dat bij God en God was, de volkomene en persoonlijke uitdrukking van God; niet alleen als de Schepper aller dingen, maar ook in genade; zoo vinden wij in de Openbaring, zelf daar waar van Christus als van het Woord Gods gesproken wordt, dat het de uitdrukking is van het goddelijk oordeel: „Hij was bekleed met een kleed in bloed gedoopt; en zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.quot; (Openb. XIX; 13.) Kortom, de grond, waarop wij gewoon zijn tot God te naderen, is hier niet te vinden; en ons oog, een nieuwe richting uitziende, aanschouwt Jezus, dien God als den Zoon des menschen, als den verworpen Messias en als het geslachte Lam in zijne rechten wil stellen, om als het Hoofd over alle dingen te worden erkend.

„quot;Welgelukzalig hij, die leest, en zij, die hooren de woorden der profetie, en die bewaren hetgeen daarin geschreven is; want de tijd is nabij.quot; (vs. 3.) Met welk een plechtigen ernst legt de Geest Gods dit kostbare boek in onze handen! En hoezeer moedigt Hij ons aan om de woorden der profetie ijverig en nauwkeurig te onderzoeken! \'t Is alsof de Heer reeds vooruit heeft willen waarschuwen tegen nalatigheid in het lezen en onderzoeken van dit boek; een nalatigheid, waaraan de christelijke kerk zich, helaas! eeuwen lang heeft schuldig gemaakt, en waarvan velen in onze dagen nog niet genezen zijn. Menigeen houdt de Openbaring voor een gesloten boek, voor een boek, dat onmogelijk kan

-ocr page 27-

DE OPENBARING.

H. I; 3.

13

worden begrepen, en in \'t welk zy daarom maar liever niet lezen. Anderen vinden het niet belangrijk genoeg om er zich mede bezig te houden, daar het tot hunne zaligheid niets af of toe doet, en zij maar nietbegrij- • pen kunnen, welk praktisch nut er in het lezen en onderzoeken van dit boek kan gelegen zijn. quot;Wij zouden ons terecht mogen verwonderen over dergelijke gedachten en meeningen, welke door de woorden van het derde vers zoo uitdrukkelijk worden weersproken, indien wij niet zeiven ondervonden hadden, hoe de duivel er op uit is om onzen blik van de toekomstige gebeurtenissen af te wenden, wel wetende dat zulks tot noodzakelijk gevolg heeft een verslapping in den geestelijken toestand der geloovigen. Johannes zegt in zijnen eersten brief: „Die deze hoop op hem heeft, die reinigt zich, gelijk hij rein is.quot; Het tegenovergestelde is: quot;Wie deze hoop uit het oog verliest, vergeet zich te reinigen. En dit wordt ons de geheele Schrift door geleerd. Reeds de Heer Jezus heeft gezegd, dat, zoodra de knechten beginnen te zeggen: mijnheer vertoeft te komen, zij, als noodzakelijk gevolg daarvan, beginnen naar hunne eigene gedachten te leven en hunne medeknechten te slaan , en te eten en te drinken met de dronkaards; terwijl daarentegen die knechten geprezen worden, welke steeds wakende bevonden worden in afwachting van de komst huns meesters. quot;Wel verre dus dat het onderzoek der profetieën een onverschillige zaak zou zijn, is het integendeel een zaak van groot praktisch nut en van groote vreugde voor de ziel. Allen, die lezen en hooren en bewaren, wat in dit boek geschreven staat, wörden welgelukzalig geprezen door den Heer. En aan het slot van de

-ocr page 28-

BESCHOUWING OVER

H. I: 3.

14

Openbaring lezen wij de volgende woorden, die dit in allen deele bevestigen, en ons opnieuw de belangrijkheid en heerlijkheid der profetische waarheid voor oogen stellen: „Zie, ik kom haastelijk! welgelukzalig die de woorden der profetie dezes boeks bewaart!quot;

\'t Spreekt vanzelf, waar de Heer zulke woorden tot ons richt, dat de inhoud van dit boek door ons moet kunnen verstaan worden. Hoe zouden wij welgelukzalig kunnen genoemd worden door het hooren en het bewaren van de woorden der profetie, indien die woorden niet door ons zouden kunnen worden begrepen! Uit de heerlijke woorden van het derde vers blijkt ten klaarste, dat de profetie van dit boek door ons verstaan en genoten kan worden, natuurlijk niet met het men-schelijk verstand, maar door de voorlichting des Heiligen Geestes, van Wien Jezus zeide, dat Hij zijne discipelen in al de waarheid leiden en hun de toekomende dingen verkondigen zou. Bidden wij om het licht van dien Geest! Het profetische woord is als een lamp, schijnende in een duistere plaats. De overwinning over het ongeloof, over de zonde en den satan; het einde der wereld; het oordeel over Israël en over de groote hoer worden ons achtereenvolgens voorgesteld; en bovenal wordt ons aangetoond, hoe de ware geloovigen, de Bruid des Lams, in heerlijkheid in den hemel wonen, terwijl deze aarde het tooneel is van strijd en oordeel; zoodat de duistere toekomst, in elk opzicht, voor ons is opgehelderd, en wij te midden van het lijden dezes tegenwoordigen tijds vol vreugde onzen blik omhoog kunnen heffen, in het blijde vooruitzicht van weldra daar te zijn, waar geen tranen meer vloeien, omdat er geen leed meer zijn zal.

-ocr page 29-

H. I; 3—5. DE OPENBARING.

„Want de tijd is nabij!quot; dat wordt er zoo heerlijk aan toegevoegd. Het is de laatste ure. Het beslissende oogenblik nadert met rassche schreden. Al heeft ook onze God eeuwen lang de vaten des toorns, tot het verderf toebereid, met geduld gedragen, nochtans is het de laatste ure. Geen nieuwe openbaring zal er meer gegeven worden. Ten aanzien van zijne plannen heeft God zijn laatste woord gesproken, en de tijd van de volvoering dier plannen is nabij. „Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.quot;

Uit de woorden van het derde vers blijkt tevens, dat de geheele Openbaring profetie is, zoodat wij hierdoor tot het besluit komen moeten, dat de brieven aan de zeven gemeenten in Azië een profetisch karakter dragen, al is het ook, dat zij den toestand beschrijven, waarin die gemeenten op dat oogenblik zich bevonden.

„Johannes aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, die is, en die was, en die komt; en van de zeven Geesten, die voor zijnen troon zijn; en van Jezus Christus, den getrouwen Getuige, den Eerstgeborene uit de dooden, en den Overste van de koningen der aarde.quot; Ziedaar de groetenis en de opdracht, waarmede Johannes zich tot de zeven gemeenten wendt. Duidelijk blijkt hieruit het eigenaardig karakter van dit boek, en tevens dat de profeet zich niet wendt tot de gemeente in haar normalen toestand, gelijk zulks in de Brieven het geval is, maar tot de gemeente, zooals zij door haren afval van God en Christus het oordeel over zich heeft ingeroepen.

15

-ocr page 30-

BESCHOUWING OVER H. I; 3—5.

De profeet toch spreekt hier niet van God, die als Vader in de nauwste en innigste betrekking tot de Gemeente, als hot lichaam van Christus, staat, maar van God, die het verledene, het tegenwoordige en\'net toekomende in zijn wezen omvat, die nooit met Zich-zelven in tegenspraak zijn kan, en daarom al zijne toezeggingen en beloften te zijner tijd vervullen zal. Hij spreekt van Hem, „die is, en die was, en die komt.quot; Door de woorden „die is,quot; wordt het wezen Gods in het volste licht gesteld; Hij is „de zijnde,quot; de onwankelbare, de eeuwige. En Hij, die is, is ook degene „die was,quot; die zich in vorige dagen aan de aarde en de menschen bekend maakte; en tevens degene „die komt,quot; om al zijne raadsbesluiten en plannen te volvoeren. Gelijk Hij zich vroeger aan de kinderen Israels als Jehovah, de Eeuwige, de „Ik benquot; openbaarde, zoo treedt Hij ook nu in ditzelfde karakter op om zich weder met zijn oude volk in betrekking te stellen. Nadat Gods oordeelen over de belijdende kerk zullen gekomen zijn, en den weg tot de volvoering van Gods plannen zullen gebaand hebben; nadat aldus de tegen de natuurlijke takken roemende Christenheid uit den olijfboom is afgehouwen; zullen de nakomelingen van Abraham, op grond eener onvoorwaardelijke genade, als de natuurlijke takken weder in hunnen eigenen olijfboom worden ingeënt. (Rom. XI.) Dan wordt niet meer, zooals thans, uit Joden en Heidenen één lichaam verzameld, maar zal Israël integendeel weer zijne plaats als Gods volk op aarde innemen, en de heerschappij over de volken der aarde bekomen.

Dit is de reden, waarom in afwijking van de Brieven van don Heiligen Geest gesproken wordt, niet als van

16

-ocr page 31-

H. I: 4, 5. DE OPENBARING.

den éénen Geest, die allo geloovigen tot één lichaam doopt, maar in overeenstemming met het Oude Testament van „de zeven Geesten, die voor den troon zijn.quot; Het is één en dezelfde Geest, dat spreekt vanzelf, die in de Gemeente woont, en die hier als de zeven Geesten, die voor den troon zijn, wordt voorgesteld; doch het karakter, waarin Hij hier verschijnt, is geheel verschillend van dat, waarin wij Hem in de Brieven aantreffen. Uit Jesaja XI blijkt, dat de Heilige Geest, in zijne door het getal „zevenquot; aangeduide volheid, de uitvoerder is van Gods macht en de drager der wijsheid en des lichts; en dit bewijst, dat niet de genade, maar de regeering van God het voorname doel en hot verheven onderwerp van de Openbaring uitmaakt.

Merkwaardig is het voorts, dat Christus hier de laatste plaats bekleedt. Dit is geheel anders dan in de Brieven, waar altijd aan de heiligen wordt toegebeden: de genade des Heeren Jezus Christus, en do liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes. De roden hiervan is, dat Christus ons hier niet wordt voorgesteld als onze Heer, ook niet in zijne goddelijke heerlijkheid als de eeuwige Zoon des Vaders; maar in zijne betrekking tot de aarde als de Zoon des men-schen. Hij is „de getrouwe Getuige.quot; Alle andere getuigen waren ontrouw geweest; Hij alleen was de getrouwe Getuige voor God op deze aarde, die om zijn getuigenis gedood, en daarna uit de dooden opgewekt is. Dientengevolge is Hij „de Eerstgeborene uit de dooden ,quot; de eerste, die in het opstandingsleven is ingegaan , zoodat het verderf Hem niet meer treffen kan. „Opgewekt zijnde uit de dooden, sterft Hij niet meer; do dood

2

17

-ocr page 32-

18

heersclit niet meer over Hem.quot; En eindelijk is Hij „de Overste van do koningen der aarde.quot; Hem, die eerst hier de Knecht was, is nu gegeven alle macht in hemel en op aarde. Alle vijanden zullen gelegd worden tot een voetbank zijner voeten. Alles komt onder zijne heerschappij, onder zijnen schepter. Zelfs het oordeel is Hem door den Vader gegeven. „Do Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel don Zoon overgegeven, opdat zij allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren.quot;

Christus wordt dus hier aan de Gemeente niet voorgesteld als Heer en Bruidegom , als Verlosser en Vriend, maar als „de getrouwe Getuigequot;, als „de Eerstgeborene uit de doodenquot;, als „de Overste van de koningen dei-aarde,quot; die dientengevolge als Rechter de wereld zal oordeelen. Vervult vrees hare ziel? Klopt haar hart onrustig bij deze voorstelling zijner heerlijkheid? O neen! Integendeel, nauwelijks heeft de profeet zijn naam genoemd en van zijne macht en heerlijkheid gesproken, of zij stemt een loflied aan, en geeft in heerlijke bewoordingen uitdrukking aan het gevoel, dat hare ziel vervult. Die Jezus, welke hier als de Rechter der ganschc aarde zich aan haar vertoont, is haar Jezus, haar Verlosser en Heer, haar Vriend en Bruidegom. Onverschillig in welk karakter Hij zich voorstelt, zij kan niet anders dan Hem loven en prijzen, en zich in zijne liefde verblijden. Van vrees voor Hem is bij haar geen spraak. Al zit Hij ook op den rechterstoel, zij is van zijne liefde verzekerd, en gevoelt zich onweerstaanbaar tot Hem aangetrokken. „Hem, die ons liefheeft,quot; — zoo jubelt zij — „en ons van onze zonden gewasschen heeft in

-ocr page 33-

DE OPENBARING.

H. I: 5,6.

19

zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijnen God en Vader, hem zij de heerlijkheid en de kraoht tot in alle eeuwigheid! Amen.quot; (vs. 5, 6.)

Heerlijk loflied! Door don Heiligen Geest zeiven de Gemeente ingegeven! En daarom zoo volkomen uitdrukkende haar standpunt, hare voorrechten, hare heerlijkheid. „Hem, die ons liefheeft;quot; niet „die ons lief gehad heeft,quot; zooals in den gewonen tekst staat, maar „die ons liefheeft,quot; altijd door, zonder ophouden , tot in eeuwigheid. Hoe zoet voor het hart! Welk een heerlijk bewustzijn! Nu of dan, Hij is altijd dezelfde. Zijne teedere genegenheid verkwikt hare ziel. Van zijne voortdurende, onveranderlijke liefde is zij volkomen verzekerd. In het genot dier liefde verheugt zij zich met onuitsprekelijke vreugde. Maar dan niet „die ons wascht,quot; maar „die ons gewasschen heeft van onze zonden in zijn bloed,quot; want dat is eenmaal geschied, en wordt nooit meer herhaald. Wel moeten wij, zoolang wij nog op aarde onze voeten bezoedelen, door water worden gereinigd, maar de reiniging van al onze zonden door Jezus\' bloed geschiedt eenmaal, en behoudt hare geldende kracht. Evenzoo „die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijnen God en Vader.quot; Wij zullen niet koningen en priesters worden, maar wij zijn het geworden, en zullen het eeuwig blijven. Hij, die als Koning en Priester de hoogste plaats inneemt, en zich in de onmiddellijke nabijheid van God bevindt, heeft ons tot een koninkrijk, tot een volk van koningen, en tot priesters voor zijnen God en Vader gemaakt. Wanneer al zijne vijanden tot een voetbank zijner

-ocr page 34-

BESCHOUWING OYER

H. I: 7.

20

voeten gelegd zijn, en Hij door de „eeuwige deurenquot; als Koning der heerlijkheid zijnen triomftocht houdt, dan zullen wij zijn de medegenooten zijner overwinning en zijner heerlijkheid. Onuitsprekelijke genade! Ja, Hem, die eerst om onzentwil in verachting en zwakheid was, wordt juist daarom door de Gemeente de heer 1 ijkheid en de kracht tot in a 1 le eeuwig-heid toegebeden.

Nadat de tonen van dit wonderschoone lied zijn weggestorven , ontvouwt zich een geheel ander tooneel voor onze oogen in de ernstige, maar heerlijke woorden: „Ziet, hij komt met de wolken, en alle oog zal hem zien, ook zij die hem doorstoken hebben; en alle stammen des lands zullen over hem weeklagen. Ja, amen!quot; Deze woorden staan in onmiddellijk verband met hetgeen in vs. 5 van Jezus gezegd wordt. De getrouwe Getuige van God op aarde, en dientengevolge de Eerstgeborene uit de dooden, en daardoor de Overste van de koningen der aarde, wordt nu nog verworpen door de wereld, en veracht en gehoond door de Joden; doch het oogen-blik komt, dat Hij op de wolken verschijnen zal met groote kracht en heerlijkheid, dan zal alle oog Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben, en dan zal vrees en schrik ieders hart bevangen, omdat de Rechter der gansche aarde verschenen is om recht te doen, cn alle stammen des joodschen lands, door welke Hij werd verworpen en ter dóód gebracht, zullen over Hem weeklagen.

Welk een vreugde voor de Gemeente! Haar door de wereld verworpen Heer zal als de Overste van de

-ocr page 35-

DE OPENBARIÏJGr.

H. I: 7.

21

koningen der aarde in heerlijkheid verschijnen. Dan zullen zijne vijanden beven en sidderen, en tot een voetbank zijner voeten gelegd worden. De verachte Zoon des menschen zal verheerlijkt zijn. De gekruisigde zal zitten op den troon, en de geheele wereld zal zich voor Hem neerbuigen. Zou zij zich daarover niet verheugen? Hoe zou het anders kunnen? Zijne heerlijkheid is hare vreugde. En bovendien, zij zal die heerlijkheid met Hem deelen; zij zal met Hem verschijnen, als Hij komt; zij zal zitten op den troon en met Hem het oordeel uitvoeren. „Wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die uw leven is,quot; zegt Paulus in Kol. III, rdan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid,.\'\'\'\' En Johannes zegt: „Wij weten, dat, als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk zijn.quot; En Judas: „Zie, de Heer is gekomen niet zijne heilige duizendtallen om gericht te houden tegen allen.quot;

Hieruit blijkt tevens, dat de opname der Gemeente aan deze ernstige gebeurtenis \' noodzakelijk moet voorafgaan. Hoe zou toch de Heer kunnen komen met zijne heilige duizendtallen om gericht te houden, indien Hij die heiligen niet eerst tot zich had opgenomen ? Zullen zij met Hem geopenbaard worden, dan moeten zij eerst met Hem zijn. Welnu, dit wordt hun beloofd. Voor zijne verschijning in heerlijkheid zal de Heer komen in de lucht om de ontslapenen in Hem op te wekken en de levend overgeblevenen te veranderen en hen allen te zamen op te nemen in den hemel, in de voor hen bereide woning des Yaders. (Zie 1 Kor. XV: 51—58; 1 Thess. IV: 13—18.) En nadat zij daar hunne plaats hebben ingenomen,

-ocr page 36-

BESCHOUWING OVER

H. I: 7.

22

zullen zij Hem volgen, wanneer Hij komt met de wolken, om gericht te houden en de aarde in gerechtigheid te regeeren. (Zie ook Openb. XIX: 11—16.)

Deze opname is de eigenlijke hoop der Gemeente. Op haar wacht zij; naar haar verlangt zij; in hare spoedige vervulling verheugt zij zich. Want dan zal zij Hem zien, Dien hare ziel bemint; en zij zal Hem gelijk zijn. Jezus1 komst op aarde evenwel is het onderwerp van haar getuigenis in de wereld. Zich verblijdende in de komst van haren Bruidegom en van hare opname Hem te gemoet in de lucht, waarschuwt zij de wereld, die Hem nog verwerpt, voor zijne spoedige verschijning in heerlijkheid en voor het schrikkelijk oordeel, dat haar bij die verschijning wacht.

Belangrijk is het verschil tusschen \'s Heeren komst op aarde en zijne komst in de lucht ter opname zijner heiligen. „Ziet, hij komt met de wolken,quot; zegt de Profeet, waar hij van Jezus\'komst op aarde spreekt-Zulks wordt nooit gezegd, wanneer er sprake is van zijne komst om ons op te nemen. Toen de Heer ten hemel voer, kwam er een wolk om Hem te ontvangen. Zoo zal het ook zijn, wanneer wij ten hemel varen: wij zullen in wolken worden opgenomen, den Heer te gemoet in de lucht. Wanneer Jezus evenwel geopenbaard zal worden om de wereld, en voornamelijk de Joden, te oordeelen, dan zal Hij „komen met de wolken,quot; „komen op de wolken des hemels met kraciit en groote heerlijkheid;quot; (Matth. XXIV: 30.) en dan komen wij met Hem.

En in de tweede plaats, als Hij komt met de wolken, dan „zal alle oog Hem zien.quot; Dit zal niet het geval zijn, als Hij komt om zijne Gemeente op te

-ocr page 37-

H. I: 7, 8. DE OPENBARING.

nemen. Dan zullen alleen diegenen Hem zien, welke Hij komt opnemen. De wereld zal Hem eerst zien, als Hij komt in heerlijkheid met al zijne heiligen. De Apostel leert ons dit uitdrukkelijk, als hij zegt: „Wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid.quot; (Kol. III: 4.) Dit zou niet waar zijn, indien de wereld Jezus zag komen om zijne heiligen op te nomen. Dan toch zou zij Hem zien zonder hen en vóór hen, terwijl juist hot oogenblik van zijne vcrscliijning het oogen-blik is van onze verschijning met Hem. Christus is nu verborgen in God, en ons leven is met Christus verborgen; doch Christus zal geopenbaard worden, en dan zullen wij met Hem geopenbaard worden; en dan, maar ook eerst dan, zal allo oog Hem zien, ook zij die liem doorstoken hebben, naar het woord des Hoeren in Matth. XXHI: 39: „Want ik zeg u: gij zult mij van nu aan geenszins zien, totdat gij zult zeggen: Gezegend hij, die komt in den naam des Hoeren.quot;

Nu volgt nog één woord, en de inleiding is ten einde, en de eigenlijke Openbaring begint. „Ik ben de alpha en de oméga, zegt de Heere God, die is, en die was, en die komt, de Almachtige.quot; (vs. 8.) Wondervolle woorden, vooral wanneer wij ze in verband beschouwer met de woorden in het twee en twintigste hoofdstuk, waar Jezus zegt: „Ik ben de alpha en de oméga!quot; Jezus is het beeld des onzienlijken Gods, het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het afdruksel zijner zelfstandigheid — God geopenbaard in het vleesch; en nad Ide Heilige Geest ons in de vorige verzen Hem had voorgesteld als Monsch, zoo stelt

23

-ocr page 38-

BESCHOUWING OVER

H. I: 8.

24

Hij Hem liier voor als God zelf. Hij is „de alpha en de oméga; Hij is „die is, die was, en die komtHij is „de Almachtige.quot; Aldus spreekt de Schrift overal. In 1 Tim. VI: 14—16, b. v., wordt van Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont, en die Jezus Christus vertoonen zal, gezegd, dat Hij is de Koning dei-koningen en de Heer der heeren; terwijl in Openh. XIX: 16 Jezus zelf genoemd wordt „de Heer der heeren en do Koning der koningen,quot; zoodat, wanneer Jezus vertoond wordt. Hij verschijnt met de titels van Dengene, die Hem vertoont. Onuitsprekelijk heerlijke openbaring! Vol aanbidding buigen wij ons neer. Wij eeren den Zoon, gelijk wij den Yader eeren. Hij, die mensch werd om ons te redden van het verderf, en die als mensch het middelpunt aller dingen zal zijn, onder wien alles als onder één hoofd zal te zamen gebracht worden, is God over alles, gezegend tot in eeuwigheid. Amen.

-ocr page 39-

DE OPENBARING.

25

H. I : 9.

EERSTE AEBEELING.

„HETGEEN GIJ GEZIEN HEBT.quot; Hoofdstuk I : 9—20.

Na de inleiding in de aclit eerste verzen begint de Openbaring zelve in het negende vers , en wel met ons mede te deelen, wie de man is, die door den Heer verwaardigd werd deze Openbaring te ontvangen en te boek te stellen, en in welke omstandigheden die man zich bevond, toen Jezus hem verscheen. „Ik, Johannes-, uw broeder en medegenoot in de verdrukking en in hetkoninkrijken in de volharding in Jezus, was op het ei 1 and, genaamd Pat mos, om het woord Gods en de getuigenis van Jezus Christus.quot; (vs. 9.)

Merkwaardige woorden! Zoo geheel verschillend van hetgeen wij in de Brieven vinden. Niet als een door God gezonden Apostel komt de Profeet tot de heiligen, maalais een uit hun midden, als hun broeder en medegenoot in de verdrukking. De Christen wordt geroepen n deze wereld te lijden en geenszins te heerschen. De wereld heeft Christus verworpen, en zij verwerpt ook

-ocr page 40-

26 BESCHOUWING OVEE H. I : 9.

de Zijnen. „De wereld kent ons niet, omdat zij hem niet gekend heeftquot;, zegt Johannes in zijnen eersten brief, en do Heer zelf heeft gezegd: „Zij hebben mij gehaat, zij zullen • ook u haten.quot; Zoodra \'s Heeren gemeente een plaats in deze wereld begon in te nemen en zich de heerschappij begon aan te matigen, verliet zij haar standpunt buiten de legerplaats en hare eigenaardige roeping als volgelinge van Jezus. — Doch Johannes was niet alleen medegenoot in de verdrukking, maar ook „in het koninkrijk en in de volharding in Jezus.quot; Het koninkrijk van Christus, waarvan dc Profeten des Ouden Testaments hebben gesproken, zal in kracht en heerlijkheid geopenbaard worden, als de verdrukking en dientengevolge de volharding voorbij zullen zijn. Doch nu brengt de toestand, waarin dat koninkrijk verkeert, vanzelf verdrukking mede. Toen Christus kwam om als Israëls koning zijne heerschappij te aanvaarden, werd Hij door de Zijnen verworpen, en keerde Hij naar den hemel terug, en dientengevolge is lijden en verdrukking het deel van de kinderen des konink-rijks. Wanneer Christus in heerlijkheid verschijnt, komt daaraan een einde , en zullen wij met Hem heerschen. O]) dat oogenblik wacht de Heer, en wij wachten met Hem. Wij hebben gemeenschap met Jezus in zijn geduldig wachten op de openbaring zijner heerlijkheid. Vandaar dat merkwaardige woord: „volharding in, d. i. in gemeenschap met, Jezus.quot;

Johannes, en met hem de getrouwe heiligen onder zijne tijdgenooten, droegen de litteekenen van die verdrukking in zijn lichaam. Gedurende de schrikkelijke vervolging, die onder de regeering van den romeinschen keizer Domitianus over de Christenen was losgebroken,

-ocr page 41-

DE OPENBARING.

H. I : 9.

27

bevond zich de Apostel als banneling op liet in de Aegeïsche zee gelegen eiland Patmos, en wel, zooals hijzelf zegt, „om het woord Gods en de getuigenis van Jezus Christus.quot; Deze woorden dienen evenwel geenszins om de oorzaak zijner door de raenschen bewerkte verbanning, maar veelmeer om het door God daarmede beoogde doel aan te duiden. Dit eenzame eiland was de plaats, welke God had uitgekozen, om voor de geestesoogen zijns dienaars de verborgenheden zijner raadsbesluiten ten opzichte van de wereld te onthullen, (vs. 2.) Voorwaar, de keizer vermoedde in zijne vervolgingswoede niet, welk een groote dienst hij de heiligen Gods door deze verbanning des Apostels bewees; en zoowel het Woord Gods, als ook de latere geschiedenis der Kerk bevat tal van soortgelijke voorbeelden ten bewijze van het feit, dat de vijanden Gods dikwerf tegen hunnen wil tot volvoerders van Gods raadsbesluiten moeten dienen.

„Ik was in den Geest op den dag des H e e r e n,quot; zoo gaat de Profeet voort. De dag des Heeren is hier niet de dag van \'s Heeren komst op aarde, maar de dag, die don Heere toebehoort. De grieksche woorden bewijzen dit. Als er van den dag van Jezus\' komst op aarde gesproken wordt, zooals in 1 Thess. V : 2 en 2 Petr. III : 10, dan staat er in het oorspronkelijke: gt;5 yulpx y.upiou dat is, de dag van den Heer; terwijl hier staat; ^ xupixxy -faspx , dat is, des Heeren dag, in den zin van den dag, die den Heere toebehoort, evenals er van het Avondmaal gesproken wordt als van „des Heeren avondmaalquot;, dat wil zeggen, het avondmaal , dat den Heere behoort of aan den Heer gewijd is. — De dag nu, die den Heere toebehoort of den Heere

-ocr page 42-

BESCHOUWING OVER

H. I : 9.

28

gewijd is, kan geen andere dag zijn dan de eerste day der week. Het is toch een dag, die niet aan God, maar aan den Heer Jezus gewijd is, evenals zulks met het Avondmaal het geval is. Welnu, de eerste dag der week is Zijn dag. Het is de dag zijner opstanding, en daarom de eerste dag der nieuwe schepping. Het is de dag, op welken Jezus tweemaal in het midden zijner discipelen verscheen om hun vrede toe te roepen, en welke daarom .door de Apostelen, onder de leiding des Heiligen Gees-tes, bestemd werd tot den dag, waarop de geloovigen te zamen kwamen om het brood te breken. De sabbat is de laatste dag der week, de rustdag der eerste schepping, die evenwel nooit gehouden is, en in een wereld vol zonde en ellende niet gehouden kon worden, gelijk de Heer Jezus gedurende zijne omwandeling op aarde telkens uitdrukkelijk heeft in het licht gesteld. En zoo weinig kan de sabbat de dag des Heeren genoemd worden, dat de Heer Jezus den sabbat in het graf doorbracht, ten bewijze dat er onder de eerste schepping geen rust, dan de rust des doods mogelijk was; terwijl Hij, na alles volbracht te hebben, op den eersten dag der week , als de Overwinnaar over duivel, zonde, dood en graf opstond, om het Hoofd der nieuwe schepping, de Eerstgeborene veler broederen te zijn. Dien dag wijden wij derhalve aan Hem toe, evenals wij het Avondmaal des Heeren onderscheiden van eiken anderen maaltijd. En waar de Jood den zevenden dag moest heiligen, en dus daar eindigde, waar de Christen begint, namelijk in de rust van God; daar vieren wij den eersten dag dei-week , en verrichten, ons door Gods genade verheugende in het volbrachte werk van Christus en rustende in de liefde Gods, ons dagelijksch werk; zoodat de

-ocr page 43-

DE OPENBARIXG.

H. I : 9.

29

eerste dag, als \'s Hoeren dag, de ware wijding geeft aan de overige dagen der week.

Op dezen dag nu was Johannes in den Geest, dat wil zeggen: hij ondervond in een buitengewone mate de macht en de werking des Heiligen Geestes. „En ik hoorde achter mij een groote stem als van een bazuin.quot; (vs. 10.) Dezelfde stem, die in het vierde hoofdstuk uit den hemel den Profeet tegen-klinkt, wordt hier vernomen op aarde. Hij ziet nog niets, maar de stem achter hem beveelt hem hetgeen hij ziet te schrijven in een boek, en dat boek te zenden aan de zeven gemeenten in Azië: naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pérgamus, e n n a a r T h y-atire, en naar Sardis, en naar Fil a delf ia, en naar Laodicéa. (vs. 11.) Merken wij op, dat Johannes derhalve al, wat hij zag, moest schrijven in een hoek, en dat hij dat hoek moest zenden aan de zeven gemeenten in Azië. Dat boek bevat ook de zeven brieven aan die gemeenten, zoodat die brieven niet elk afzonderlijk gezonden zijn aan de gemeente, aan welke hij gericht was, maar oen deel uitmaken van de geheele Openbaring, en als zoodanig gezonden zijn aan de zeven gemeenten. Voorzeker wel een duidelijk bewijs voor het profetisch karakter dier brieven.

„En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met m ij sprak; en m ij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden luchters.quot; (vs. 12.) Dit herinnert ons aan den luchter met zeven lampen in den tabernakel. Die luchters zjjn de dragers van het licht Gods, en zijn bestemd om hun licht op de aarde te doen schijnen. Zij stellen dus niet de Gemeente voor in hare eenheid, als het lichaam van Christus, want

-ocr page 44-

BESCHOUWING OVER H. I : 13, 14,

die is volmaakt en heeft hare plaats in den hemel; maar zij stellen de Gemeente voor in hare verantwoordelijkheid als de draagster van het licht oj) de aarde; een verantwoordelijkheid, waarin de Gemeente, helaas! gefaald heeft, tengevolge waarvan de Heer het oordeel over haar brengen zal. Doch hoewel de „zeven gouden luchtersquot; het hoofdonderwerp van dit visioen uitmaken, zoo wordt nochtans de opmerkzaamheid van den Profeet terstond gericht op Hom, die in het midden van de zeven luchters wandelt, den Zoon des menschen gelijk. Christus vertoont zich voor de blikken van den verbaasden Profeet niet als de Verlosser der wereld of als de Voorspraak der zijnen, maar als de Erfgenaam van al Gods beloften, die gesteld is over al de werken van Gods handen. Als Zoon des menschen kwam Hij de eerste maal op aarde om te zoeken en te behouden, wat verloren is; als Zoon des menschen zal Hij wederkomen om het oordeel in gerechtigheid uit te voeren —• eerst over de zeven gemeenten, en daarna, achtereenvolgens , over de wereld. De Vader heeft al het oordeel den Zoon overgegeven, opdat allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. God wil, dat de Zoon geërd zal worden in dezelfde natuur, waarin de mensch Hem onteerd heeft.

De beschrijving, welke van den Zoon des menschen gegeven wordt, is geheel in overeenstemming met het karakter, waarin Hij hier verschijnt, als de Rechter der gansche aarde. Hij was „bekleed meteenlang kleed tot aan de voeten,quot; \'t welk koninklijke en priesterlijke majesteit uitdrukt. Hij was „omgord aan de borsten met een gouden gordel;quot; waardoor zijne goddelijke gerechtigheid wordt voorgesteld.

30

-ocr page 45-

H. I ; 14 —16. DE OPENBARING.

31

„Goudquot; is in de Schrift hot symbool van goddelijke gerechtigheid. Men denke slechts aan het gouden altaar en aan de arke des verbonds, geheel met goud over-togen. „Fijn lijnwaadquot; daarentegen is het symbool van menschelijke gerechtigheid. (Zie Openb. XIX : 8.) „Zijn hoofd en haar was wit als witte wol, gelijk sneeuw,quot; de volheid zijner goddelijke wijsheid aanduidende. Wat in Daniël VII don Oude van dagen kenmerkt, wordt hier van den Zoon des menschen gezegd. In Daniël zien wij den Zoon des menschen verschijnen voor den Oude van dagen, en aan hom wordt de heerschappij opgedragen; hier is de Zoon des menschen do Oude van dagen zelf. Johannes, die in zijn Evangelie schreef: „Het Woord was bij God en het Woord was God,quot; en: „het Woord is vleesch geworden,quot; aanschouwt ook hier, ineen profetisch gezicht, don Zoon des menschen met de zinnebeelden aan de Godheid eigen. —- „Zijne oog en als een vlam vuursquot; stellen voor, hoe Hij alles doorzoekt en alles oordeelt, daar het vuur steeds voorkomt als het zinnebeeld van het oordeel; terwijl zijne onbuigzame gestrengheid en zijne onbewegelijke beslistheid in de uitvoering van het oordeel hunne uitdrukking vinden in „zijne voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven.quot; Het koper toch is het symbool van Gods oordeel over de zonde, gelijk duidelijk blijkt uit het koperen altaar en het koperen waschvat, welke beiden dienen moesten ter verzoening der zonden. — En eindelijk was „zijne stem als de stem van vele wateren,quot; die doordringen kon tot de einden dolaarde, om met de macht en de majesteit eens Geweldigen het oordeel uit te spreken.

-ocr page 46-

BESCHOUWING OVER H. I : 16, 17.

„En hij had in zijne rechterhand zeven sterren; en uit zijnen mond ging een scherp, tweesnijdend zwaard; e n z ij n a a n g e z i c h t w a s gelijk de zon schijnt in hare kracht.quot; (vs.16.) De „zeven sterren,quot; welke de Heer zelf later als de symbolen der zeven engelen aanduidt, zijn in de hand van Hem, die het gericht door het woord zijns monds uitvoert, Wien niemand vermag te weerstaan. „Het Woord Gods is levend en krachtig, en scherper dan eenig tweesnijdend zwaard,quot; zegt Paulus in Hehr. IV; en het is door dit Woord, dat de Zoon des menschen oor-deelen zal, en wel in de eerste plaats de van Hem afgeweken en afgevallen gemeente, waarvan het noodwendig gevolg wezen zal, dat men voor zijn aangezicht niet kan bestaan, evenmin als het mogelijk is te staren in de zon, wanneer zij schijnt in hare kracht.

Welk een majesteit en heerlijkheid straalt ons uit eiken trek van dezen hoogverheven Persoon tegen! Hij, de Zoon des menschen, wiens voeten eenmaal in oneindige genade deze aarde betraden, staat hier in al de waardigheid en gestrengheid eens rechtvaardigen rechters en met het gezag eens konings voor de verlichte oogen van den Profeet. Kon Johannes den verblindenden glans dezer goddelijke Majesteit verdragen zonder tevens in Hem te zien den Heiland van zondaren, die door zijn verlossingswerk de Zijnen volkomen zeker gesteld heeft? Onmogelijk. Voor zijn aangezicht kan niemand bestaan, tenzij daartoe in staat gesteld door de genade Gods en door het volbrachte werk van Christus. Daarom lezen wij ook hier: „Eu toen ik hem zag, viel ik als dood aan zijne voeten.quot; (vs. 17.) Ernstig getuigenis! Zelfs de dis-

-ocr page 47-

BE OPENBARING.

H. I : 18.

33

cipel, dien de Heer liefhad, de man, die het dichtst bij Jezus verkeerde, kon de heerlijkheid van den Rechter der gansche aarde niet aanschouwen, maar viel onder den overweldigenden indruk dier heerlijkheid als dood aan zijne voeten neer. Doch hoe heerlijk en vertroostend is hetgeen volgt! De Heer legt zijne rechterhand op den verschrikten discipel, en roept hem de geruststellende en vertroostende woorden toe: „Vrees niet; ik ben de eerste en de laatste, en de levende; en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend tot in alle eeuwigheid; en ik heb de sleutels van den dood en den hades.quot; (vs. 18.) Het is, alsof de Heer wil zeggen: „Gij behoeft voor mij niet te vreezen, Johannes; ik ben wel de eerste en de laatste, en de levende, Jehovah, Is-raëls Verbondsgod; maar ik ben tevens uw Heiland en Verlosser. Die hier voor u staat als de Rechter der aarde is dezelfde, die gehangen heeft aan het kruis, en daar voor uwe zonden is gestorven; dezelfde, die uit de dooden is opgewekt tot uwe rechtvaardiging, en die nu leeft tot in alle eeuwigheid. Ik ben de Overwinnaar. Ik heb door mijnen dood den duivel, die de macht des doods had, te niet gedaan, en daarom heb ik de sleutels van den dood en den hades. Bfj mij zijt gij veilig. Al staat gij ook voor den Rechter, zoo behoeft gij toch niet te vreezen, want die Rechter oordeelt u niet meer, daar Hij uw oordeel in zijn eigen lichaam op het kruis gedragen heeft.quot; Heerlijke woorden, niet waar? geliefde broeders! Uit Jezus\' eigen mond de bevestiging van Johannes\' woorden in zijnen eersten brief: „Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, opdat wij vrijmoedigheid hebben in den dag

3

-ocr page 48-

BESCHOUWING OVER H. I : 18.

des oordeels, dat, gelijk hij is, ook wij zijn in deze wereld.quot; Zoodra dan ook de Profeet deze geruststellende woorden uit Jezus\' mond vernomen had, was hij in staat om onbevreesd de heerlijkheid des Heeren te aanschouwen en de mededeeling te ontvangen van Gods oordeelen over de kerk en de wereld.

Eer wij verder gaan, moet ik een enkel woord zeggen over den „hadcs.quot; Dit woord komt elfmaal in het Nieuwe Testament voor. De oorspronkelijke beteekenis is onzienlijk; doch in het Nieuwe Testament wordt het gebruikt voor de plaats, waar de zielen der menschen na den dood heengaan, in onderscheiding van yehenna, de plaats der eeuwige straf, en dus de hel, ook genoemd de poel des vuuvs. Dat hades en (jehennn niet hetzelfde zijn, en derhalve niet beiden door hel mogen vertaald worden, blijkt duidelijk uit Openb. XX: 14, waar wij lezen; „En de dood en de hades werden geworpen in den poel des vuurs.quot; Vertaalden wij daar „hadesquot; door „helquot;, dan zou er staan, dat de hel geworpen werd in de hel. Hoewel nu „de hadesquot; de plaats is, waar de zielen van alle menschen na den dood heengaan, zoo moeten wij evenwel niet meenen, dat die zielen bijeen zijn. De zielen der ontslapen heiligen zijn in den hades door een onoverkomelijke kloof van de zielen der ongeloovigen gescheiden. De eersten zijn gelukzalig; de laatsten zijn in de pijn. De Heer leert ons dit in de gelijkenis van den rijken man en Lazarus. Hij noemt daar dat gedeelte van den hades, waar de zielen der heiligen zijn: de schoot van Abraham; terwijl Hij aan het kruis tot den moordenaar zegt; „Heden zult gij met mij in het paradijs zijn.quot; Jezus\' eigen ziel ver-

34

-ocr page 49-

de openbaring.

H. I ; 19.

35

toefde in de drie dagen, dat zijn lichaam lag in het graf, in den hades, evenwel in dat gedeelte, \'twelk Hij-zelf paradijs genoemd en tot een \'paradijs, een lusthof, gemaakt heeft. (Zie Hand. II ; 27, 81.) Daar is Hij ook nu als de levende met de Zijnen naar luid van Paulus\' woorden: „uitwonende uit het lichaam, wonen wij in bij den Heer; ontbonden te zijn en bij Christus te zijn, is zeer verre het beste.quot;

„Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na deze dingen,quot; (vs. 19.) zoo spreekt de Heer tot den Profeet; en hiermede heeft Hij-zelf, gelijk ik reeds in de Inleiding opmerkte, de verdeeling van het Boek aangegeven. Er zijn dus drie hoofdafdeclingen.

lo. „Hetgeen gij gezien hebt.quot; Den Zoon des men-schen — den Oude van dagen — Jehovah — toegerust ten oordeel; doch tevens den Gestorvene en Opgewekte, die de zijnen in volkomene veiligheid stelt, zoodatzjj zonder vrees zijne heerlijkheid aanschouwen en met moed en vertrouwen den dood te gemoet gaan kunnen.

2o. „Hetgeen is.quot; De Christelijke kerk op aarde, die in hare verantwoordelijkheid heeft gefaald, en daarom het oordeel zal vinden, voorgesteld in den toestand van de te dier tijd bestaande zeven gemeenten van Azië.

3o. „Hetgeen geschieden zal na deze dingen,quot; namelijk na „hetgeen is.quot; In deze afdeeling — de grootste van de drie — wordt onze aandacht bepaald bij de gebeurtenissen, waarvan God zich, nadat de geschiedenis der kerk ten einde is, bedienen zal om de wereld en Israël te oordeelen, en zijnen Eenigge-borene als Hoofd der geheele schepping te verheerlijken.

„De verborgenheid der zeven sterren, die

-ocr page 50-

BESCHOUWING OVER H. I : 20.

36

gij gezien hebt in mijne rechterhand, en de zeven gouden luchters: de zeven sterren zijn engelen der zeven gemeenten, en de zeven luchters zijn zeven gemeenten.quot; (vs.20.) Het laatste behoeft geen verklaring. De zeven gemeenten, die bedoeld worden, vinden wij in het elfde vers met name genoemd. Wat de engelen bcteekenen, is niet zoo gemakkelijk te verklaren. Nochtans meenen wij, dat bij nauwkeurige lezing der zeven brieven en bij vergelijking van andere plaatsen der Schrift de bedoeling des Heeren duidelijk aan het licht treedt. In die brieven toch worden deze engelen dan eens als één met de Gemeente beschouwd, en dan weer als geheel van haar onderscheiden gezien. In het begin van eiken brief wendt de Heer zich tot den engel, doch aan het eind zegt Hij telkens: „wat de Geest tot de gemeenten zegt.quot; Zoo wordt somtijds het enkelvoud in het meervoud veranderd, en in plaats van tot den engel der gemeente tot sommigen in de gemeente gesproken. (Hfdst. II : 24—28.) Ook vinden wij uitdrukkingen als de volgende: „Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen;quot; en: „Ik zal u geven een iegelijk naar uwe werken;quot; en: „Zie, ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand mijne stem hoort;quot; (II: 10, 23; III: 20.) welke uitdrukkingen ontwijfelbaar bewijzen, dat de verantwoordelijkheid niet op de schouders van den engel, maar op die der gemeente rust. Uit dit alles blijkt, dat de engel met de gemeente vereenzelvigd wordt; en dat, ofschoon hij als de vertegenwoordiger der gemeente voorgesteld wordt, het nochtans de toestand der gemeente is, waarmede de Heer zich bezighoudt. quot;Wij moeten derhalve niet denken aan bepaalde per-

-ocr page 51-

DE OPENBARING.

H. I : 20.

37

sonen, die door den Heiligen Geest in de gemeente aangesteld en als zoodanig verantwoordelijk waren; nog veel minder aan de zoodanigen, die in onze dagen onder den een of anderen titel zich. dit reclit hebben aangematigd; maar wij hebben in deze engelen te zien de zedelijke vertegenwoordigers der gemeente, in wie de Heer, als het ware, de geheele gemeente verpersoonlijkt ziet, zoodat Hij, schrijvende aan den engel der gemeente, zich richt tot de gemeente zelve. Dit is geheel in overeenstemming met het doorgaand gebruik der Schrift, die menigwerf „engelenquot; als vertegenwoordigers voorstelt. Zoo lezen wij in het Oude Testament van den engel van Jehovah, van den engel des verbonds, enz., en in Daniël van engelen, die Israël vertegenwoordigden. En in het Nieuwe Testament hooren wij den Heer Jezus van de kinderen zeggen: „Hunne engelen in de hemelen zien altijd het aangezicht van mijnen Vader, die in de hemelen is.quot; Terwijl de ge-loovigen, die tot het gebed vergaderd waren, toen Petrus, na zijne bevrijding uit de gevangenis, voorde deur stond te kloppen, zeiden; „Het is zijn engel.quot; Zoodat het boven allen twijfel verheven is, dat in de Schrift de engelen, wanneer zij niet als boden des hemels verschijnen, steeds de uitdrukking zijn van een vertegenwoordiging of plaatsvervanging van\'lietgeen niet gezien, of als niet persoonlijk aanwezig gedacht wordt. — Men zou nu nog kunnen vragen, waarom de Heer zich dan niet rechtstreeks tot de gemeente gewend heeft; en dan is mijn antwoord, dat de Openbaring een profetisch boek is, waarin alles op zinnebeeldige wijze wordt voorgesteld; en ten tweede, dat de gemeente zich niet meer in een normalen, maar in een abnor-

-ocr page 52-

38

malen toestand bevond, in een toestand van verval, zoodat de Heer niet op dezelfde vertrouwelijke wijze als vroeger tot de gemeente spreken kon.

Hiermede is de eerste afdeeling van de Openbaring gesloten. Wat Johannes gezien en gehoord had op den dag des Heeren, heeft hij ons medegedeeld, zoodat hij nu kan overgaan tot de beschrijving \\an „HETGEEN IS.quot;

-ocr page 53-

DE OPENBARING.

39

H. II; 1.

TWEEDE AEDEELING.

„HETGEEN IS.quot; Hoofdstuk II en III.

De Openbaring is een boek des oordeels, zoo merkten wij in de Inleiding op; dat oordeel gaat niet alleen over de wereld, maar ook over de gemeente. Als de Recliter der gansche aarde staat de Heer in het midden van de zeven gouden luchters, en heeft de zeven sterren, welke zijn de engelen der zeven gemeenten, in zijne rechterhand, om den toestand dier gemeenten te onderzoeken en te oordeelen. Reeds bij het begin van den eersten brief treedt het karakter dezer Blieven duidelijk op den voorgrond. Green woord vinden wij hier over do genade van het verheerlijkte Hoofd der gemeente, waarmede de leden zijns lichaams worden gezegend; geen woord over de innige betrekking, waarin Hij tot de Zijnen staat of over de door den Heiligen Geest bewerkte eenheid. Hij „die de zeven sterren in zijne rechterhand houdt, die in het midden der zeven gouden luchters wandelt,quot; vestigt zijnen door-

-ocr page 54-

BESCHOUWING OVER

H. II: 1.

40

dringenden blik op de gemeente, en roept haar toe: „Ik weet uwe werken.quot; Hoe ernstig, hoe plechtig! De gemeente op aarde is verantwoordelijk voor het haar geschonken licht\', en is daarom aan het oordeel van den scherpzienden Rechter onderworpen. Als de draagster van het licht is zij geroepen om haar licht te laten schijnen, en zoowel van de genade in Christus als van het toekomend oordeel te getuigen. Heeft zij aan deze roeping beantwoord, of heeft zij in hare verantwoordelijkheid gefaald? Helaas! het laatste is het geval; en daarom wacht haar het oordeel, gelijk dit in deze zeven brieven over haar wordt uitgesproken.

Om dit recht te verstaan, houde men in het oog, dat in het Nieuwe Testament op drieërlei wijze over de gemeente van Christus gesproken wordt. De gemeente is het lichaam van Christus, en zij is een heilige tempel in den Heer, gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus zelf hoeksteen is. Dit leert Paulus ons in het eerste en tweede hoofdstuk van zijnen brief aan de Efeziërs; en Petrus zegt ons, dat de geloovigen als levende steenen worden opgebouwd tot een geestelijk huis. Nu spreekt het vanzelf, dat tot het lichaam van Christus slechts wedergeborenen kunnen behooren; en dat in den heiligen tempel in den Heer slechts levende steenen kunnen worden ingevoegd; zoodat er in dit opzicht van geen afval sprake kan zijn. Doch in den brief aan de Korinthiërs spreekt Paulus van de gemeente als van Gods tempel hier op aarde, die onder de verantwoordelijkheid van den mensch is geplaatst. In die gemeente is de mensch Gods medearbeider; en zoodra dit het geval is, kan er sprake zijn van afval.

-ocr page 55-

DE OPENBARING.

H. II: 1.

41

Men kan op het eenmaal gelegde fondament gond, zilver en kostelijke steenen , maar ook hout, hooi en stoppelen bouwen. Uit dit laatste oogpunt wordt de gemeente in deze zeven brieven beschouwd. Zij is de draagster van het licht, en als zoodanig verantwoor-delyk voor haar gedrag. Wanneer de ontrouwe knecht den wil zijns meesters niet gedaan heeft, dan wordt hij niet behandeld, alsof hij geen knecht ware, maalais een huichelaar; natuurlijk niet, als ware hij een ware knecht, want in werkelijkheid heeft hij nooit gediend, maar overeenkomstig de plaats, die hij innam. Er wordt niet tot hem gezegd: „gij zijt geen dienstknecht;quot; maar „werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis, en zet zijn deel met de huichelaars.quot; Hij wordt geoordeeld naar zijne belijdenis.

Met Israël is het evenzoo gegaan. Zij waren door God bestemd om zijnen naam in de wereld te bewaren en te verheerlijken; zij vielen; zij werden als verantwoordelijk behandeld en ter zijde gesteld. De vijgeboom had wel bladeren, doch toen de Heer kwam, vond Hij geen vrucht, en Hij zeide: „Van u kome in eeuwigheid geen vrucht meer.quot; En de vijgeboom verdorde. Israël is verworpen. Dit doet geenszins te kort aan de getrouwheid van God. De genade neemt uit hen een overblijfsel, het ware zaad van Abraham; maar het volk als zoodanig wordt ter zijde gesteld en verworpen. Er is hierbij geen kwestie van de zaligheid dei-enkele personen, maar van het vat, waarvan God zich bedient om zijnen naam in de wereld te doen dragen. Die gelooven gaan naar den hemel; maar het vat, dat aan zijne bestemming niet beantwoordt, wordt verbroken. God is lankmoedig; doch als de wijnstok, na alle aange-

-ocr page 56-

BESCHOUWING OVER

H. II: 1.

42

wende pogingen, geen vruclit wil voortbrengen, wordt hij afgesneden. En nit Rom. XI leeren wij, dat God den olijfboom, die een christelijke gedaante heeft aangenomen, op déze aarde heeft geplant, en hem behandelt, gelijk Hij eertijds Israël behandelde. „Zie dan de goedertierenheid en de gestrengheid van God: gestrengheid over hen, die gevallen zijn, maar goeder-tierenheid Gods over u, indien gij in de goedertierenheid blijft, anders zult ook gij tvorden afgehouwen.\'1\'\' God kan verwerpen, zonder in het minst te kort te doen aan zijne getrouwheid, omdat hierbij geen sprake is van zijne genade en goedheid, of van de zaligheid der enkele personen, maar enkel en alleen van verantwoordelijkheid. God zal voorzeker al zijne beloften aan Israël letterlijk vervullen; maar nochtans kennen wij het onloochenbare feit, dat Hij Israël als zichtbaar getuigenis op aarde verworpen heeft. En evenzoo zal Hij de gemeente verwerpen, indien zij in hare verantwoordelijkheid faalt. Het is deze ernstige waarheid, welke ons in de zeven Brieven wordt voorgesteld.

Deze overwegingen brengen ons vanzelf tot het vermoeden, dat deze brieven ons een profetisch overzicht geven moeten van de geschiedenis der christelijke kerk, van haar begin tot het einde. Indien toch de Heer zijn oordeel uitspreekt over de gemeente, gelijk dit oordeel werkelijk komen zal, zooals andere plaatsen der Schrift duidelijk leeren, dan kan men hier niet blijven denken aan een oordeel uitgesproken over deze plaatselijke gemeenten, zonder dat zij den algemeenen toestand dei-Kerk in hare verschillende opeenvolgende tijdperken voorstellen. Doch dit vermoeden wordt tot zekerheid, zoodra wij op de volgende by zonderheden letten.

-ocr page 57-

DE OPENBARING.

43

H. II: 1.

1°. Door de woorden in Hfdst. I: „quot;Welgelukzalig is hij, die leest, en zijn zij, die hooren, de woorden der profetie,quot; is het geheele boek der Openbaring, en dus

ook het tweede en derde hoofdstuk als profetie gekenschetst.

2°. De zeven brieven moesten niet elk afzonderlijk naar de verschillende gemeenten worden verzonden, maar moesten worden geschreven in een boek bij al het andere, wat Johannes zag en hoorde; welk boek dan in zijn geheel aan die zeven gemeenten moest worden verzonden: zoodat de zeven brieven een deel uitmaken van het hoek der Openharing.

3°. Hoewel het geschiedkundig zeker is, dat in de dagen van Johannes deze zeven gemeenten zich in den toestand bevonden, welke hier beschreven wordt; en hoewel zij leeringen en waarschuwingen bevatten voor alle heiligen ten allen tijde, voor een ieder, die ooren heeft om te hooren en een hart om te verstaan, zoo is het nochtans opvallend, dat juist deze gemeenten gekozen zijn, en dat hun getal op zeven is bepaald geworden. Zeven is het getal, dat heel dikwijls in de Openbaring voorkomt: zeven Geesten, zeven zegelen, zeven bazuinen, zeven schalen — en hetwelk algemeen in de beteekenis van geestelijke volmaaktheid genomen wordt. En zooals wij weten, waren er meer gemeenten in Azië dan de hier genoemde, zoodat deze zijn genomen en de anderen zijn iceggelaten, omdat deze zich in toestanden bevonden, welke de Heilige Geest noodig had, om ons een volkomene schilderij van de geschiedenis der christelijke kerk op aarde te kunnen geven.

4°. Er is in deze brieven een zedelijke volgorde. Men kan zien, dat de Heer een vast plan voor oogen

-ocr page 58-

44 BESCHOUWING OVER H. II: 1.

had. Het kwaad begint heel klein, alleen voor het oog des Heeren zichtbaar, in Efeze, en neemt langzamerhand toe, zoodat na de vervolgingen in Smyrna de vereeniging met de wereld in Pergamus en de afgodendienst in Thyatire wordt beschreven, terwijl eindelijk in Laodicéa de gemeente uit den mond des Heeren gespuwd wordt. Wij kunnen dus moeielijk anders dan aan op elkander volgende toestanden in de christelijke kerk denken. De gemeente op aarde, als voor God verantwoordelijk, wordt van het begin tot aan het einde van haar bestaan, in de verschillende toestanden, waarin zij achtereenvolgens komen zou, profetisch beschreven.

5°. Dit wordt nog nader bewezen door de belangrijke overweging, dat er na het ticeede en derde hoofdstuk (jeen melding meer gemaakt wordt van de gemeente als op aarde bestaande. In de waarschuwingen en vermaningen, welke het boek besluiten, (Hfdst. XXII: 16.) zegt de Heer, dat Hij zijnen engel gezonden heeft, om deze dingen te betuigen in de gemeente. Doch gedurende al de voorzeggingen van dé gebeurtenissen, die op aarde zullen plaats hebben, wordt een volkomen stilzwijgen bewaard omtrent de gemeente op aarde. Niets is natuurlijker, indien hare geschiedenis is afge-loopen; niets zou verwonderlijker zijn, indien hare geschiedenis nog voortduurde. Waaruit dus volgt, dat de geschiedenis der gemeente op aarde in het derde hoofdstuk tot een einde gekomen is, en zij voortaan als niet meer op aarde bestaande beschouwd wordt. Dit komt geheel overeen met de verdeeling van het Boek. Xa „hetgeen is,quot; namelijk de gemeente op aarde, komt „hetgeen geschieden zal na deze dingen,quot; na de din-

-ocr page 59-

DE OPEXBARIXG.

H. II: 1.

45

gen van „hetgeen is.quot; Nadat de geschiedenis der christelijke kerk is afgehandeld , en zij als zoodanig niet meer op aarde gezien wordt, begint het direct profetisch deel van dit boek, en wel met een voorstelling van de ware gemeente in den hemel. (1)

6°. De zeven brieven zijn in tweeën verdeeld; de eerste afdeeling bevat de eerste drie en de tweede afdeeling de volgende vier brieven. In de drie eerste brieven komt de vermaning: „Wie ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt,quot; vóór de beloften, die aan den overwinnaar gegeven worden; in de volgende vier brieven komt die vermaning na de beloften. Dit bewijst opnienw, hoe de Heer een bepaald plan voor oogen had met het schrijven dezer brieven. In de drie eerste brieven richt de Heer zich tot de Gemeente in het algemeen; tot heiligen, die, hoewel zij nog moeten overwinnen, nochtans beschouwd worden als een deel van het geheel; terwijl in de volgende brieven de heiligen, als een getrouw overblijfsel, gescheiden van het geheel worden gezien. In de eerste brieven is nog spraak van herstel, terwijl van Thyatire af de toestand der Gemeente, als één geheel, als onherstelbaar wordt beschouwd. Do ware geloovigen worden gezien als een overblijfsel, dat van het geheel afgezonderd is, terwijl de gemeente als een geheel aan het oordeel wordt prijs gegeven.

Wij hebben dus drie dingen in acht te nemen bij de verklaring van de brieven aan de zeven gemeenten:

1

Hoofdstuk XVII en XVIII bevatten een beschrijving en oordeel van de Christenheid als wereldstelsel; doch men h oude wel in het oog, dat daar gesproken wordt van de groote hoer en van Babyion, en het woord „gemeentequot; zorgvuldig vermeden wordt.

-ocr page 60-

BESCHOUWING OVER

H. II: 1.

46

Vooreerst, dat deze zeven gemeenten in de dagen van Johannes werkelijk in Azië bestonden in den toestand, waarin zij liier besclireven worden.

Ten ticeede , dat liet daarin gegeven onderwijs tot besturing en Termaning dient voor alle Christenen in alle eeuwen.

En ten derde, dat deze brieven een profetische beschrijving bevatten van de verschillende toestanden, waarin de christelijke kerk op aarde, achtereenvolgens, komen zou, van de dagen van Johannes af tot het einde toe. Behalve de vele praktische vermaningen en vertroostingen, in alle tijden toepasselijk, hebben wij hier voor ons een geïnspireerde geschiedenis der christelijke kerk. God zelf deelt ons mede, wat er in de christelijke kerk zal plaats hebben, en Hij beoordeelt dit in zijn licht en naar zijne wijsheid en heiligheid; zoodat wij dedingen zien, zooals zij werkelijk zijn. Dit geschiedt evenwel op een aan de profetie eigenaardige wijze, zoodat men eerst na de vervulling zeggen kan: ziedaar, wat er bedoeld is. Wanneer toch de bedoeling van den beginne aan zoo doorzichtig geweest ware als thans; wanneer er, als ik mij zoo mag uitdrukken, een geregelde en chronologische geschiedenis ware gegeven, (1) dan zou daardoor gehandeld zijn in strijd met het standpunt, waarop de gemeente behoort te staan in voortdurende verwachting van \'s Heeren komst. Nooit heeft de Heer één enkel woord gesproken, waaruit men noodzakelijk tot het besluit komen moest, dat de gemeente eeuwen lang op aarde zou vertoeven. Hij wist, dat dit gebeu-

1

Dit heeft evenmin plaats bij de profetie van liet Oude les-tament, waar, bij voorbeeld, hetgeen er met onzen Heer zou gebeuren, hier en daar verspreid aangetroffen wordt.

-ocr page 61-

DE OPENBAR Ilfö.

47

H. 11: 1.

ren zou, en daarom kon Hij een profetische beschnj-ying van hare geschiedenis geven; doch Hij doet dit op zoodanige wijze, dat er in geen opzicht op de verwachting van Jezus\' komst inbreuk wordt gemaakt.

Laat my nog enkele opmerkingen over het algemeen karakter dezer Brieven hieraan toevoegen. De wyze, waarop de Heer zich aan elke gemeente voorstelt, staat in verband met den toestand, waarin die gemeente zich bevindt; evenals zulks het geval is met de beloften, die den overwinnaars geschonken worden. Nochtans moeten wij niet vergeten, dat de Heer voor de geheele Gemeente, ten allen tijde, is, zooals Hij hier achtereenvolgens beschreven wordt; en dat de beloften, die in eiken brief aan de overwinnaars gegeven worden, eenmaal het deel van alle heiligen zijn zullen.

In één opzicht komen alle brieven met elkander overeen. In eiken brief wordt Christus voorgesteld in het bijzonder karakter, waaronder Hij het oordeel zal uitvoeren. Vervolgens vernemen wij van de eigenaardige beproevingen der heiligen. Daarna worden bijzondere beloften gegeven om het geloof van hen, die zich in deze beproevingen bevinden, te sterken, waardoor de genade en de barmhartigheid, welke bij de bijzondere omstandigheden der gemeente noodig zijn, geopenbaard worden. En eindelijk worden de blikken der getrouwen gericht op den tijd der eindelijke zegepraal, en op het heerlijke deel van allen, die overwinnen zullen.

Bij de beschouwing van den inhoud der zeven Brieven zullen wij overvloedige gelegenheid hebben om op deze algemeene beginselen terug te komen. De Heer geve ons een oor om te hooren en een hart om te verstaan!

-ocr page 62-

48 BESCHOUWIUG OVER H. II: 1.

1. Efeze. — Hoofdstuk II: 1—7.

„Schrijf aan den engel der gemeente te Efeze: Dit zegt hij, die de zeven sterren in zijne rechterhand houdt, die in het midden der zeven gouden luchters wandelt.quot; (vs. 1.) Als rechter verschijnt de Heer aan de gemeente. Hij heeft alle gezag en alle macht. Hij wandelt in het midden der zeven luchters, om te zien, of de luchters helder branden en het waarachtige licht verspreiden, \'t welk Hij-zelf had aangestoken. De karaktertrekken zijn dus algemeen. In de volgende brieven komen de bijzondere. Dit is geheel in overeenstemming met het profetisch karakter dezer brieven. In den brief aan de gemeente te Efeze wordt de toestand beschreven, waarin zich de gemeente in het algemeen in de dagen van Johannes bevond. Niet de toestand, zooals die van den beginne geweest was, maar zooals die aan het eind der apostolische eeuw geworden was. Om dit duidelijk in het licht te stellen, koos de Heer de gemeente te Efeze, die in den beginne in zulk een ge-zegenden toestand verkeerde, en in zoo rijke mate zijne liefde genoot, gelijk zulks uit den brief van Paulus aan haar blijkt. Voorwaar, dit is hoogst ernstig! Het roept ons luide toe, dat alleen in voortdurende gemeenschap met den Heer, in waken en bidden , onze kracht bestaat.

„Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe volharding, en dat gij de boozen niet kunt verdragen; en gij hebt beproefd dege-

-ocr page 63-

H. II: 2, 3.

49

DE OPENBARING.

nen, die zeggen, dat zij apostelen zijn, en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden; en gij hebt volharding, en gij hebt verdragen om mijns naams wil, en zijt niet moede geworden.quot; (vs. 2, 3.) Hoe onuitsprekelijk groot is de liefde van Jezus! Hoewel zijn hart bedroefd, en zijne liefde — als ik mij zoo mag uitdrukken —- teleurgesteld is, zoo noemt Hij toch vol goedheid alles op, wat door Hem geprezen kan worden; met de teederheid eens vriends doet Hij de zijuen te Efeze gevoelen, hoe zijn hart niet opgehouden heeft in onveranderlijke liefde voor hen te kloppen. Hij kent hunne werken, hunnen arbeid, hunne volharding. Hij weet, dat zij de boozen niet konden verdragen, en dat zij de valsche apostelen, die na den dood van de Apostelen des Heeren gemakkelijk konden optreden, hadden ontmaskerd en verworpen. Hij weet, dat zij om zijns naams wil veel hadden geduld, en dat zij in dit lijden niet moede geworden waren. Doch hoe prijzenswaardig dit alles ook was, zoo ontbrak nochtans datgene, wat voor het hart des Heeren alleen begeerlijk is. Werken, arbeid en volharding waren aanwezig, maar waar waren het geloof, de liefde en de hoop, die drie grondslagen des Christendoms? Helaas! die waren niet te vinden. Tot de Efeziërs kon niet gezegd worden, wat Paulus zeide tot de Thessalom\'kers: „Zonder ophouden gedenkende uw werk des geloofs, en don arbeid der liefde en de volharding der hoop op onzen Heer Jezus Christus.quot; ÏTaar menschelijke schatting zou de toestand der efezi-sche gemeente zeker als een gezonde en geestelijke zijn geprezen geworden; doch de Heer ziet niet aan, wat voor oogen is, maar dringt door tot den bodem

4

-ocr page 64-

BESCHOUWING OVER H. II: 2—4.

des harten; en Hij zag, hoe bij al het goede, wat in die gemeente gevonden werd, de ware beweegreden, die aan alles een liefelijken geur moest verleenen, ontbrak. „Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten.quot; (vs. 4.) Hoe bedroevend en pijnlijk was dat voor Hem ! Al is een vrouw nog zoo zorgvol, ijverig en ordelievend ; al tracht zij op alle mogelijke wijze haar huis goed te besturen; zoo is nochtans voor het hart van den man het kostelijkste , ja, alles verdwenen, wanneer zij hare eerste liefde verlaten heeft. Al moge een vreemde de deugden van zulk een vrouw hoogschatten en prijzen, haar man kan slechts met kommer en smart aan haar denken. De band der liefde, welke vroeger hunne harten samensnoerde, is verslapt, en kan slechts door terugkeer tot de eerste liefde worden hersteld. Aldus is het met Christus en de gemeente. Het getuigenis van de gemeente moge naar buiten nog zoo krachtig en beslist zijn — de Heer erkent slechts datgeen, wat in het Hem toegewijde hart de vrucht is van zijne eigene, zelfopofferende liefde. Hij heeft zijne gemeente, die Hij zich op aarde met zijn bloed heeft gekocht, lief met een liefde, die sterker is dan alle haat en vijandschap der wereld; en daarom verlangt zijn hart, dat Hij het eenige voorwerp barer liefde zij , en zij zich om Zijnentwil van de wereld afzondere en rein beware.

Dikwerf verstaat men onder „de eerste liefdequot; de blijdschap en opgewondenheid van pas bekeerde zielen over het heil, dat hun deel geworden is, en zegt dan later, als deze blijdschap kalmer en rustiger geworden, en de opgewondenheid verdwenen is: hij heeft de eerste

50

-ocr page 65-

H. II: 4, 5. DE OPENBARING.

liefde verlaten. Doch hierin vergist men zich schromelijk. Dat gelukkige gevoel van verlost te zijn en vergeving te hebben is geenszins de eerste liefde; en het kan zeer wel zijn, dat menige ziel die eerste liefde nooit gekend heeft. De eerste liefde is het gehecht-zijn aan Jezus, zoodat men zeggen kan met Paulus; „Het leven is voor mij Christus,quot; en: „ik acht alle dingen schade en drek om de uitnemendheid van de kennis van Jezus Christus, mijnen Heer.quot;

„Gedenk dan, waarvan gij afgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken.quot; Van de eerste liefde was de gemeente te Efeze — en in profetischen zin de geheele gemeente op aarde — afgevallen ; en het eenige, wat haar nog redden kon, was zich te bekeeren. Iets minder kon de Heer niet verlangen. Slechts een berouwvolle terugkeer tot de „eerste liefde,quot; en, als vrucht daarvan, tot „de eerste werkenquot; — de werken, uit die liefde voortgevloeid, kon zijn hart bevredigen. Helaas! de gemeente heeft zich niet bekeerd, en is niet tot de eerste liefde teruggekeerd. Al zijn er ook vele getrouwe zielen, die in de eerste liefde stonden, na dien tijd in de gemeente geweest, de gemeente als zoodanig is niet teruggekeerd, maar heeft zich verder van den Heer afgewend. „En zoo niet, ik kom tot u, en zal uwen luchter van zijne plaats wegnemen, indien gij u niet bekeer t.quot; (vs. 5.) De Heer kan onmogelijk de gemeente, die de draagster van het licht en de predikster van zijne waarheid moet zijn, in deze wereld laten, indien zij ophoudt het waarachtige licht te vertoonen. Daarom zegt Hij : „Ik zal uwen luchter van zijne plaats wegnemen;quot; dat is, gij zult ophouden mijn getuige te zijn op aarde.

51

-ocr page 66-

52 BESCHOUWING OVEE H. II: 6, 7.

Schoon en vertroostend voor onze harten is het, na deze bedreiging, de woorden uit \'sHeeren mond te vernemen: „Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Ni col aï et en haat, die ik ook haat.quot; (vs. 6.) Wat te prijzen valt, kan de Heer, die zijne gemeente zoo teeder bemint, onmogelijk voorbijgaan. Hoewel de harten der Efeziërs in hunne liefde verkoeld waren, zoo bestond er toch tusschen hen en den Heer overeenstemming in het veroordeelen van de valsche leeraars. De Nicolaïeten misbruikten de genade om hunne vleeschelijke begeerlijkheden te kunnen botvieren ; en maakten zoo doende Christus tot een dienstknecht der zonde. Hetzelfde doen de antinomianen. De Heer haat de zoodanigen. Bedenken wij dit wel! Soms ligt dit zeer fijn. Onheiligheid te vergoelijken , omdat niemand vrij van zondigen is, is niets anders dan dat. Gelukkig als wij haten, wat de Heer haat, en omdat Hij het haat.

„Wie ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt,quot; zoo roept de Heer waarschuwend den Efeziërs toe; en geeft dan voor de overwinnaars de heerlijkste beloften: „W^ie overwint, dien zal ik te eten geven van den boom des levens, die inhetparadijs Gods is.quot; (vs. 7.) De mensch in het aardscho paradijs is gevallen; Israël, het aardsche volk van God, is om zijne ontrouw verworpen; en de gemeente op aarde, beschouwd als een verantwoordelijk lichaam, snelt meer en meer den volkomenen afval, en dientengevolge het verderf, te gemoet. Doch, geprezen zij zijn Naam! de Heer heeft voor do overwinnaars een nieuwe plaats van rust en verkwikking bereid, niet in het verdwenen paradijs

-ocr page 67-

H. II: 7—9. DE OPEUBARING.

des menschen, maar in het paradijs Gods. Heerlijke ruil! In \'smenschen paradijs sloop de zonde binnen, en de menscli, bedrogen door de slang, werd er uit verjaagd; het paradijs Gods opent zijne poorten voor den van de zonde vrijgemaakten mensch, die nimmermeer daaruit verdreven kan worden. Daar staat geen boom der kennis des goeds en des kwaads, welke den bewoners dood en verderf kon brengen; maar alleen de boom des levens — de onuitputbare bron van het leven uit God, waaraan wij deel hebben, niet op grond onzer verantwoordelijkheid, maar op grond van de verlossing, die in Christus Jezus is, naar de gedachten en raadsbesluiten van God zeiven.

2. Smyrna. — Hoofdstuk II: 8—11.

In dezen brief vinden wij geen enkel woord van vermaning of bestraffing. Verdrukking en armoede is het deel der gemeente geworden. „Ik weet uwe verdrukking en uwe armoede, (maar gij zijt rijk) en de lastering van hen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zij zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.quot; (vs. 9.) Hoe heerlijk, dat de Heer alle dingen weet. „Tk u-eet uwe verdrukking en uwe armoede.quot; Geen haar valt van ons hoofd zonder den wil des Vaders. Dit te gelooven, troost ons in het leed. Maar behalve dat: wij treuren nooit als dezulken, die geen hoop hebben; want al worden wij nog zoo verdrukt en geplaagd, al is onze armoede nog zoo groot; nochtans zijn wij rijk: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus.

53

-ocr page 68-

BESCHOUWING OVER

H. II: 8, 9.

54

Doch behalve door verdrukking en armoede leden zij ook door de lastering van hen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zij zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans. Ik geloof, dat wij dit zinnebeeldig moeten opvatten, en er onder verstaan moeten dezulken , die beweren kinderen Gods te zijn, doch het niet zijn, en zich tot kettersche leeringen gewend hebben, en dientengevolge de ware heiligen lasteren. Dit is zeker een erg soort van lijden. Het is gemakkelijker de lastering te verdragen der heidenen, dan van hen, die de plaats van Christenen innemen en den naam van Christus dragen. Gewoonlijk ook is hunne vijandschap grooter dan van hen, die bepaald buiten zijn.

Geheel in overeenstemming met den toestand dezer gemeente is de wijze, waarop de Heer zich tot haar wendt. „Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest en levend geworden is.quot; (vs. 8.) Hij is God zelf. De Geest zegt hier van Jezus, wat Jesaja van Jehovah getuigt. (Jes. XLI: 4.) Maar Hij is mensch tevens; Hij is dood geweest; doch heeft getriomfeerd, want Hij is levend geworden. Welk een vertroosting voor hen, die in verdrukking zijn! Wie spreekt tot hen in hunne verdrukking? Dezelfde, die in de diepste ellende hier beneden geweest is, en de smarten des doods heeft gesmaakt. Ja, de eerste en de laatste, de almachtige God, de Schepper des hemels en der aarde, is dezelfde, die dood geweest en levend geworden is! En Hij is het, tot wien wij in onze smart de toevlucht nemen kunnen. Hoe heerlijk! Omdat Hij God is, kan Hij ons helpen en redden, indien zulks met zijnen wil overeenkomt; en omdat Hij mensch is, en leed en stierf, kan Hij medegevoel

-ocr page 69-

H. II: 8—10.

55

DE OPEXBARING.

met ons hebben in onze verdrukking en ellende.

Wij moeten evenwel niet vergeten, dat er een groot onderscheid is tusschen de verdrukking, die over den Heer kwam en die over ons komt. Hij is tot den bloede toe door verdrukking en lijden verzocht; doch bij Hem diende zulks uitsluitend om zijne volmaaktheid in elk opzicht te doen uitkomen. Bij ons daarentegen hebben de verdrukkingen een tweeledig doel. De Heer kastijdt ons, wanneer er het een of ander kwaad bij ons gevonden wordt; en Hij kastijdt ons om ons te bewaren voor de zedelijke gevaren, die ons bedreigen. „Het zwaard zal van uw huis niet wijken,quot; werd tot David gezegd, toen Hij tegen den Heer gezondigd had. En Paulus had „een doorn in het vleesch,quot; om zelfverheffing te voorkomen. Nochtans is er een ander soort van lijden, een gemeenschap aan het lijden van Christus, \'t welk wij wel moeten onderscheiden van de kastijding des Heeren, hoewel het mogelijk is, dat beiden in hetzelfde lijden te zamen gaan. (Zie den brief aan de Hebreërs.)

„Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij beproefd wordt.quot; (vs. 10.) De duivel wordt, door Gods genade, oen middel in Gods hand tot zegen voor Gods kinderen. De geschiedenis van Job levert ons daarvan een schoon en treffend voorbeeld. De Heer gebruikte de vijandschap des satans tegen Gods kinderen om zijnen knecht Job zichzelven te leeren kennen, en hem van de hoogte zijner eigengerechtigheid af te brengen, en hem zichzelven te doen verfoeien in stof en assche voor Gods heilig aangezicht. Xoehtans worden wij niet in de hand des duivels overgegeven, maar blijven in

-ocr page 70-

56

\'s Heeren hand. Zonder zijnen wil kan de duivel ons geen haar krenken en geen dag langer plagen, dan de Heer heeft bepaald. „En gij zult een verdrukking-hebben van tien dagen.quot; Heerlijk bewustzijn! Vertroostende zekerheid! Al wordt het den duivel of den men-schen toegestaan ons te plagen, zij kunnen geen stap verder gaan dan onze God toelaat.

„Wees getrouw tot den dood, en ik zal u de kroon des levens geven.quot; Heerlijke belofte! Onder Gods toelating kan de duivel zóó ver gaan, dat de heiligen hun leven moeten geven voor den naam des Heeren, en als martelaren voor zijne zaak op vaak schrikkelijke wijze moeten sterven; doch geen nood! ik zal u de kroon des levens geven, zegt de Heer. De getrouwe getuigen, die hier een verachtelijken dood sterven, worden eenmaal heerlijk gekroond. Doch niet alleen dit. Maar nimmer zal de tweede dood — de dood des oordeels -— het schrikkelijk deel van alle goddeloozen — zijne hand naar de overwinnaars uitstrekken. „Die overwint, zal op geen er lei wijze van den tweeden dood beschadigd worden.quot; (vs. 11.) De eerste dood, het gaan uit deze wereld, is voor de geloovigen een dienaar, die hen voert in de eeuwige rust en tot het volle genot van de tegenwoordigheid Gods. „Alles is uw,quot; roept Paulus den Korinthiërs toe, en noemt ook „leven en doodquot; als hun deel. Hebben de geloovigen iets te vreezen ? O neen! want „sterven is gewin.quot; De Heer Jezus heeft de bittere wateren des doods zoet gemaakt, en ze veranderd in een stroom van zegen. Achter den dood straalt in oneindigen, eeuwig on verbleekten glans de heerlijkheid van Hem, die zijne getrouwe dienstknech-

-ocr page 71-

H. II: 10, 11. DE OPENBARING.

ten opneemt, en de volhardende trouw van de overwinnaars naar de mate huns arbeids rijkelijk zal be-loonen. Al worden zij vervolgd tot in den dood, de kroon des levens zal hun deel zijn, en de tweede dood hen niet beschadigen.

Beschouwen wij nu dezen brief uit een profetisch oogpunt , dan wordt ons door de gemeente te Smyrna de christelijke kerk in de ticeede en derde eeuw voorgesteld. De Christenen dier dagen zuchtten onder den druk der gruwelijkste vervolgingen van den kant der Romeinsche keizers. Het bloed der martelaren stroomde in tien op elkaar volgende vervolgingen, waarvan de laatste onder keizer Diocletianus juist tien jaar duurde; merkwaardige vervulling van \'sHeeren woord: gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. (1) Het lijden en de dood voor Christus waren, om zoo te zeggen, gedurende deze periode in de christelijke kerk de eenige lichtpunten, welke Johannes met het oog eens zieners aanschouwd, en als sterksprekende getuigenissen van het inwendig leven aangeduid heeft.

57

In Efeze wordt het verlaten der eerste liefde aan het eind der apostolische eeuw geschilderd; in Smyrna vinden wij de vervolgingen in de tweede en derde eeuw. Deze historische volgorde is duidelijk genoeg; doch behalve die vinden wij ook een zedelijke volgorde. Waar de eerste liefde is verlaten, en de harten dus niet meer alleen met Christus vervuld en aan Christus gehecht zijn, daar moet het noodzakelijk gevolg wereldschgezindheid en afwijking van de zuivere

1

Zie: Miller\'s Algemeene Gescliiedenis der Christelijke kerk, deel I bladz. 315—357.

-ocr page 72-

BESCHOUWING OYER H. II: 12, 13.

leer zijn. Om dit, zoo mogelijk, te voorkomen, en de gemeente tot bekeering te brengen en tot de eerste liefde terug te voeren, doet de Heer, in zijne genade, vervolgingen ontstaan, opdat bet bart door de vuurproef gelouterd en hemelwaarts getrokken zou worden. Zoo vinden wij het in de geschiedenis van ieder in het bijzonder, en zoo hier in de geschiedenis der christelijke kerk. Helaas! de vervolging heeft de kerk in haar geheel niet tot de eerste liefde doen terugkee-ren; de kerk is integendeel, gelijk wij in den volgenden brief zien zullen, verder afgeweken en aan de wereld gelijkvormig geworden.

3. Pergamus. — Hoofdstuk II: 12—17.

„Dit zegt hij, die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft,quot; zoo begint de Heer zijnen brief aan de gemeente te Pergamus. In een geheel ander karakter dan in de vorige brieven vertoont Hij zich aan deze gemeente. Hij is hier niet de rustige beoordeelaar, die in het midden der zeven luchters wandelt, gelijk in Efeze; en ook niet de trooster der verdrukten en vervolgden, gelijk in Smyrna; maar de rechter, die met het zwaard des goddelijken Woords verschijnt , om de gedachten en gezindheden der harten te oordeelen. Dit brengt ons reeds tot het besluit, dat de toestand van Pergamus veel treuriger is dan die van de vorige gemeente.

En zoo is het dan ook werkelijk. Hoort maar, wat de Heer zegt. „Ik weet, waar gij woont, daar waaide troon des satans is.quot; (vs. 13.) De satan is de

58

-ocr page 73-

DE OPENBARING.

59

H. II: 13.

overste dezer wereld. Het is er verre vandaan, dat de satan —■ zooals sommigen meenen — opgehouden heeft de overste dezer wereld te zijn, nadat Christus gekruisigd werd; integendeel hij is toen eerst, in den vollen zin van het woord, de overste dezer wereld geworden. Voorzeker, hij was dat lang van te voren; maar tot op Christus\' verwerping bestond nog altijd de mogelijkheid — menschelijkerwijze gesproken — dat de mensch zich tot God zou wenden; door het kruis is het evenwel ten volle gebleken, dat de mensch een vijand van God en een onderdaan van den satan is; door de verwerping van Christus heeft de mensch zich geheel aan den duivel onderworpen, en is de satan als overste dezer wereld geopenbaard. De Heer Jezus heeft hem als zoodanig aangewezen: „Nu is het oordeel dezer wereld, nu zal de overste dezer trereld buitengeworpen worden.quot; En: „de overste der wereld komt\' en heeft in mij niets.quot; De gemeente nu is uit de wereld verlost. Zij behoort niet tot de wereld. Zij is verbonden met den Overste in den hemel. quot;Wanneer dus de Heer zegt: „Ik weet, waar gij woont, daar waar de troon des satans is,quot; dan is het duidelijk, dat de gemeente de plaats verlaten heeft, welke de Heer haar heeft aangewezen, en dat zij zich met de wereld vereenigd heeft. In plaats van vervolgd te worden door de wereld, heeft zij in de wereld, daar waar de troon des satans is, een rustplaats gevonden, zoodat van haar kan gezegd worden, dat zij daar woont.

Nochtans kan de Heer zeggen: „Aan mijnen naam houdt gij vast, en mijn geloof hebt gij niet verloochend, ook in de dagen, waarin Antipas mijn getrouwe getuige was, die ge-

-ocr page 74-

BESCHOUWING OVER H. II: 14, 15.

dood werd bij u, daar waar de satan woont.quot; Gelijk Lot, hoewel liij in Sodom woonde, nochtans had vastgehouden aan God, zoo hadden ook zij den naam des Heeren niet prijsgegeven en het christelijk geloof niet verloochend, zelfs niet in dagen van groote verdrukking. Al woonden zij ook in de wereld, en al moesten zij ook hunne ziel kwellen door de goddelooze dingen, die in hun midden gevonden werden, zoo waren zij nochtans niet van het geloof en van Christus afgevallen, maar hielden nog altijd aan den naam van Jezus en liet geloof vast.

Twee schrikkelijke boosheden zag de Heer in Per-gamus: de leer van Bileam en de leer der Nicolaïeten. „Maar ik heb weinige dingen tegen u: dat gij aldaar hebt, die de leer van Bileam houden, die Balak leerde den zonen Israëls een aanstoot voor te werpen, om afgodenoffer te eten en te hoeree ren. Zoo hebt gij ook desgelijks, die de leer der Nicola ï eten houden.quot; (vs. 14, 15.)

Wij weten, dat Bileam, nadat God hem verhinderd had het volk Israël te vloeken, den koning Balak overhaalde, om de Israëlieten tot zijn offerfeest uit te noodigen, en tot hoererij met de dochteren van Moab te verleiden, en hen zoo doende te verderven. (Num. XXIII — XXV; XXXI: 16.) Echt satanische boosheid! quot;Wetende, dat zulks tegen Gods wil en aan Israël stellig verboden was, tracht hij, om het loon der ongerechtigheid te verdienen, het heilige zaad met de onheilige afgodendienaars te vereenigen. Deze zelfde leer was in Pergamus. De satan, die in Smyrna vervolger was, is in Pergamus verleider. Hij geeft de

60

-ocr page 75-

H. II: 14, 15. DE OPENBARING.

gemeente zooveel van de wereld, als hij kan, doet haar met de wereld boeleeren, brengt een vermenging tusschen de heilige gemeente en de onheilige wereld tot stand, zoodat zij zich in de wereld, waar de satan heerseht, op haar gemak gevoelt.

Ook de leer der Nicolaïeten had haar gif verspreid. In Efeze vinden wij hunne werken, doch in Pergamus hadden deze den vorm eener leer aangenomen. Terwijl in Efeze, en dat wel tot droefheid der gemeente, door enkelen de genade als dekmantel hunner boosheid werd misbruikt, zoo vinden wij hier een stelsel, waardoor het kwade goed genoemd, en niet alleen tegen de wet, maar tegen Christus gezondigd werd. Den naam van Christus te dragen, aan de christelijke voorrechten deel te nemen, en dan in de zonde te leven of de wereld te dienen, is niets anders dan dat.

Het is waarlijk niet moeielijk om in den toestand, waarin de gemeente te Pergamus zich bevond, de profetische voorstelling te vinden van hetgeen in de vierde eeuw in de christelijke kerk plaats vond. De eerste liefde was verlaten, en de vervolgingen hadden een einde genomen. Had de Heer zijn doel bereikt? Helaas, neen! De vervolgingen hadden er niet toe gediend om de gemeente tot de eerste liefde terug te voeren; integendeel, de gemeente was verder afgedwaald, en had hare plaats van afzondering van de wereld niet weten te bewaren. De duivel veranderde nu van taktiek. De wereld had door hare vijandschap tegen de waarheid de gemeente verre van zich gestoo-ten, en haar op alle mogelijke wijze vervolgd; doch nu rustte het zwaard der vervolging in de schcede; en trachtte de duivel haar op andere manier ten val

G1

-ocr page 76-

BESCHOUWING OVER H. II: 14, 15.

te brengen. Wat hij door zijne gruwelen niet vermocht, beproefde liij door vleierij. Het brullen van den leeuw had opgehouden, en het sissen der slang was begonnen. En helaas! wat de storm der vervolging niet had kunnen te weeg brengen, dat werd tot stand gebracht door den verblindenden glans van uitwendige rust; en het licht, dat naar allo kanten had moeten schijnen, verbergde zich steeds meer onder de korenmaat.

De Eomeinsche keizer Constantijn ging in het jaar 311 tot het Christendom over, onder voorwaarde evenwel van eerst aan het eind zijns levens den doop te mogen ontvangen, om daardoor, gelijk hij meende , van de zonden zijns ganschen levens te worden reinge-wasschen. Voorwaar, een duidelijk bewijs van den treurigen toestand, waarin de christelijke kerk zich bevond. Gevleid door do toetreding van den machtigen keizer en door de vele eerbewijzen, welke hij aan de kerk verleende, vergat zij zich onbesmet van de wereld te bewaren, en nam langzamerhand het geheele romeinsche keizerrijk in haar midden op. Natuurlijkerwijze verloor zij nu hare eenvoudigheid en haar geestelijk karakter. De prachtigste tempelgebouwen werden van toen af voor hare godsdienstoefeningen ingeruimd; allerlei gebruiken en feesten, aan joden- of heidendom ontleend, werden ingevoerd, en in de nieuw gestichte gemeenten rijk bezoldigde predikers aangesteld; terwijl de bisschoppen, op wie men het vroeger bij de vervolgingen vooral gemunt had, met eerbe wij zingen en waardigheden werden overladen. Ja, zoozeer verloochende de gemeente haar karakter van vreemdelinge hier beneden , dat zij zicli onder de bescherming van de staatsmacht stelde, en den keizer toeliet als voorzitter

62

-ocr page 77-

DE OPENBARING.

H. II: 16.

63

in hare vergadering te handelen, en hare aangelegenheden naar zijnen wil te regelen. Geen wonder, dat haar getuigenis krachteloos werd, en dat er allerlei dwalingen in haar midden ontstonden. Al was zij ook in uiterlijk aanzien en macht toegenomen, hare inwendige schoonheid had zij verloren; ja, zooverre was zij van de eenvoudigheid des geloofs afgeweken, dat zij voor een heerlijken triomf over de wereld hield, wat niets anders was dan haar schande en oneer. Helaas! ook nog in onze dagen vindt deze vermenging van de gemeente met de wereld hare verdedigers — zelfs onder ware Christenen.

Doch keeren wij tot onzen brief terug. „Bekeer u dan,quot; zoo gaat de Heer voort, „en zoo niet, ik kom haastelijk tot u, en ik zal tegen hen krijgvoeren met het zwaard mijns monds.quot; (vs. 16.) Keer terug van uw boeleeren met de wereld, geef hare gemeenschap prijs, zonder u van haar af. Doet gij dit niet, dan komt het oordeel. Doch let nu wel op, dat de Heer niet zegt: „dan zal ik tegen«f,quot; maar „dan zal ik tegen henquot; — tegen die verleiders, die den tempel Gods verderven — „krijgvoeren.quot; Aan de getrouwen denkt Hij steeds met onveranderlijke liefde. Al begon ook het zuurdeeg meer en meer de geheele massa te doorzuren, en de harten voor de duistere middeleeuwen voor te bereiden, in welke de kerk zich, in plaats van haar hemelsch Hoofd, in den Paus een zichtbaar Opperhoofd, een plaatsbekleeder van Christus verkoor, zoo vestigt de Heer nochtans onafgebroken zijnen blik op de zijnen, en opent voor hunne oogen het heerlijkst verschiet. „Die overwint, ik zal hem geven van het manna, dat ver-

-ocr page 78-

BESCHOUWING OVER H. II: 17.

borgen is, en ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen eennieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.quot; (vs. 17.)

Drie dingen worden hier aan den overwinnaar beloofd; het verborgen manna, een witte keursteen en een nieuwe naam, alleen gekend door hem, die hem ontvangt. Evenals het karakter, waarin Jezus aan deze gemeente zich openbaart, is ook de belofte, aan de overwinnaars gegeven , geheel in overeenstemming met den toestand der gemeente. Yolgens het Evangelie van Johannes is Christus het manna, het levende brood, dat uit den hemel is neergedaald. Het manna regende buiten het leger, en de Israëlieten moesten het eiken dag opzoeken; zoo moet ook Christus ons dagelijksch voedsel zijn gedurende onze reis door de woestijn. Doch het verborgen manna is iets anders. Een weinig manna werd in een gouden kruik in de ark bewaard tot een herinnering voor de Israëlieten, als zij in Kanaan zouden gekomen zijn, aan hetgeen zij in de woestijn hadden genoten. Zoo wil ook Christus in de heerlijkheid het „verborgenquot; manna voor den overwinnaar zijn, opdat deze, zich den verzoekingsrijken en smart-vollen weg van den Heer hier beneden herinnerende, een eeuwig genot zou smaken in Gods vermakingen in Christus, die zich zoo diep vernederde en in die vernedering zoo groot en zoo heerlijk was.

De „witte keursteenquot; is het teeken van goedkeuringen vrijspreking, en de „nieuwe naam, welken niemand kent, dan die hem ontvangt,quot; drukt de bijzondere gemeenschap uit, waarin ieder overwinnaar zich in den hemel verblijden zal. Er is in den hemel een vreugde,

64

-ocr page 79-

DE OPENBAEIKG.

H. II: 18.

65

waaraan allen gelijkelijk zullen deelnemen; myriaden stemmen mengen zich daar in het harmonisch lofgezang. Maar evenals hier beneden een ieder zijne bijzondere gemeenschap met Christus en zjjne bijzondere vreugde heeft, zoo zal het ook daarboven zijn. Mijne vreugde in Christus wordt door een auder niet gekend en genoten. Ik ontvang een naam, die voor ieder ander zonder beteekenis is, en daarom alleen door mij zal gekend worden. Welk een onuitsprekelijk heerlijk vooruitzicht !

4. Thyatire. — Hoofdstuk II: 18—29.

Het kwaad, dat in Pergamus reeds een tamelijke hoogte had bereikt, heeft zich in Thyatire zoozeer uitgebreid, dat de geheele gemeente er door bedorven was, en de Heer alle hoop had opgegeven om de gemeente tot bekeering te brengen. Geen poging wordt daartoe aangewend, maar het oordeel uitgesproken, \'t welk de gemeente onherroepelijk treffen zou. Dientengevolge worden hier de ware geloovigen geheel afgezonderd gezien en toegesproken; en komen, zooals ik reeds in de Inleiding tot de zeven brieven opmerkte, (bladz. 45.) de beloften vóór de woorden: „wie ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.quot; De heiligen, die tot hiertoe als een deel van het geheel werden beschouwd, zijn hier van het geheel afgezonderd, en vormen een overblijfsel; terwijl het geheel als] onherstelbaar beschouwd en aan het oordeel prijs gegeven wordt.

Geheel in overeenstemming hiermede is de wijze,

5

-ocr page 80-

BESCHOUWIKG OVER H. II: 18, 19.

waarop de Heer zich aan de gemeente voorstelt. „Dit zegt de Zoon van God, die zijne oogen heeft als een vlam vujirs, en zijne voeten zijn aan blinkend koper gelijk.quot; (vs. 18.) Het vuur is het symbool van het oordeel, \'t welk onfeilbaar is en alles doordringt; terwijl het koper de gerechtigheid van God tegenover de zonde voorstelt. Waar de toestand der gemeente zoo slecht is, daar komt de Heer als de Rechter in haar midden, voor Wiens rechterstoel allen verschijnen moeten, om door Hem aan het oordeel te worden overgegeven. Doch eer de Heer zijn oordeel uitspreekt, staat Hij stil bij het goede , dat er in hun midden gevonden wordt. „Ik weet uwe werken, en uwe liefde, en uw geloof, en uwe dienst, en uwe volharding, en dat uwe laatste werken meer zijn dan de eerste.quot; (vs. 19.) Het strekt Hem tot vreugde het goede, \'twelk zijn oog bij de zijnen ontdekt, en waardoor zijn hart wordt verblijd en vérkwikt, op te noemen. Het kleinste bewijs van getrouwheid aan en liefde voor Hem wordt door Hem niet onopgemerkt voorbijgegaan, maar met blijdschap vermeld. En hier vindt de Heer zelfs veel te prijzen. Wat in Efeze ontbrak, dat wordt hier gevonden — geloof en liefde; en van de werken kan de Heer zeggen, dat de laatste meer waren dan de eerste. De treurige toestand van Thyatire bracht de ware geloovigen tot een ijver en toewijding, welke vroeger onbekend waren.

„Maar ik heb tegen u, dat gij de vrouw Isébel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en verleidt mijne slaven om te hoeree ren en afgodenoffer te

66

-ocr page 81-

DE OPENBARING.

H. II: 20.

67

eten.quot; (vs. 20.) Wij worden herinnerd aan de duistere dagen van Achab, Israël\'s koning, toen diens godde-looze vrouw Isébel al haar invt«ed en koninklijke macht gebruikte om de schrikkelijke afgodendienst van Baal in te voeren, en allen, die zich aan de dienst van Jehovah bleven toewijden, met een bitteren en bloedigen haat te vervolgen. Zoo bevond zich ook in Thyatire een erkende macht, die met aangematigd gezag de gruwelijkste dwalingen als goddeljjke waarheden invoerde, en de menschen in verbinding met den duivel bracht. Waar toch hoererij en overspel zinnebeeldig een goddelooze vermenging met de wereld voorstelt, daar wordt onder het eten van afgodenoffer de invoering van de afgodendienst en derhalve de verbinding met de macht des duivels verstaan. „Wat de volken offeren, dat offeren zij aan de duivelen,quot; zegt Paulus in 1 Kor. X: 20.

Wie herkent niet in deze weinige, maar duidelijke kenteekenen den toestand der christelijke kerk in de Middeleeuwen? Sedert het Keizerrijk het Christendom had aangenomen, en het kruis — eens het symbool van smaad en schande — als het teeken der overwinning op de keizerlijke banier borduurde, drongen van alle kanten allerlei goddelooze menschen en dwaalleeraren de kerk binnen, en ontstond langzamerhand de toestand, die het best bij de schrikkelijke dagen van Isébel te vergelijken was. Dwaling, goddeloosheid en afgodendienst werden niet alleen in de kerk geduld, maar openlijk geleerd en als stelsel aangenomen; en als noodzakelijk gevolg daarvan werden de ware ge-loovigen vervolgd en ter dood gebracht. Van deze geloovigen zegt de Heer, dat hunne laatste werken

-ocr page 82-

BESCHOUWING OVER H. 11: 21—23.

meer waren dan de eersten. Waren de vervolgingen door de pauselijke macht heftiger en gruwelijker dan de heidensche, zoo blonk de standvastigheid en getrouwheid der geloovigen zooveel te heerlijker uit. Zonder uitwendige macht, waarop zij steunen konden, bespot en gehoond door priesters en burgers, gemarteld door de schrikkelijkste folterwerktuigen , gaven zij roem en eer, vaderland en leven, ja, alles, wat de aarde geven kan, en de natuur liefheeft, prijs, om het getuigenis van God te bewaren en te verbreiden. Doch hoe heerlijk hun getuigenis ook was, Isébel volhardde in hare goddeloosheid; ook toen de Heer door de gezegende Hervorming zoo luide deed getuigen tegen hare dwalingen en goddeloosheid. „Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich bekeere; en zij wil zich van hare hoererij niet bekee-ren.quot; Tot op den huldigen dag is de kerk van Rome gebleven, wat zij in de Middeleeuwen was; in geen enkel opzicht heeft zij hare beginselen prijsgegeven; integendeel zij heeft die, zelfs in onze eeuw, nog aanmerkelijk verscherpt; en indien de omstandigheden zulks toelieten, zou zij de ware geloovigen nog even heftig vervolgen.

Dientengevolge wordt het oordeel over haar uitge-gesproken. „Zie, ik werp haar op een bed, en die met haar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne werken; en hare kinderen zal ik door den dood ombrengen.quot; (vs. 22, 23.) De Heer onderscheidt verschillende graden van gemeenschap met Isébel. Behalve haarzelve, de oorsprong der dwaling , vinden wij dezulken, die in hare wegen wan-

68

-ocr page 83-

H. II: 21—23. DE OPENBARING.

delen en tot een ongeoorloofde gemeenschap met de wereld zijn verleid geworden; en dan „hare kinderen diegenen namelijk, die uit haar geboren zijn, en die zij in haren geest opgevoed en met hare beginselen doordrongen heeft. De eersten zullen, zoo zij zich niet bekeeren van hunne werken, dat wil zeggen, zoo zij hare gemeenschap niet verlaten, in groote verdrukking komen; terwijl de laatsten, hare kinderen, door den dood zullen omgebracht worden. Dit oordeel zal stellig worden uitgevoerd, wat daar ook tegen aangevoerd moge worden. De roomsche kerk zal haar oordeel niet ontgaan. Zij heeft zich niet willen bekeeren, maar is in hare goddeloosheid blijven volharden, en daarom zal het oordeel des Heeren haar zekerlijk treffen. Plechtig voegt de Heer aan zijn vonnis over haar de volgende woorden toe: „En al de gemeenten zullen weten, dat ik het ben, die nieren en harten doorzoek; en ik zal u geven een iegelijk naar uwe werken.quot;

Behalve deze twee klassen van personen in Thyatire vinden wij nu nog een derde, over welke wij hierboven reeds gesproken hebben, en welke op de meest besliste wijze van de massa onderscheiden is. Het is het getrouwe overblijfsel te midden der afgevallen kerk. Niet moeielijk valt het in hen geloovigen als de Waldenzen en de Albigenzen te herkennen, die op zoo schrikkelijke wijze in de Middeleeuwen door de roomsche kerk werden vervolgd, en die zich nochtans verre hielden van de ongerechtigheid dier kerk. „Maar tot u zeg ik, tot de overigen te Thyatire, zoovelen deze leerquot; — namelijk overspel te bedrijven en afgodenoffer te eten — „niet hebben, die de diepten

69

-ocr page 84-

70

des satans, gelijk zij zeggen, niet gekend hebben; ik leg op n geen anderen last.quot; (vs. 24.) De afvallige kerk beweerde in trotsche zelfgenoegzaamheid \'en schrikkelijke verblinding, dat deze getrouwe volgelingen des Heeren, omdat zij „de diepten des satans,quot; zijne listen en lagen, niet kenden, inde macht des satans waren gevallen, en meende daarom gerechtigd te zijn hen te vuur en te zwaard te vervolgen. „Ik leg op u geen anderen last,quot; zegt de Heer. Hoewel Hij zich verblijdt over hunne afzondering van het kwaad, zoo wil Hij nochtans geen anderen last op hen leggen, daar Hij in de groote duisternis, welke hen omringde, niet verwachten kon dat licht en dat inzicht, \'t welk Hij in gunstige omstandigheden zou verwacht hebben. Daarom zegt Hij alleen; „Hetgeen gij hebt, houdt dat vast, totdat ik kom.quot; Er is geen uitzicht meer, dat de gevallen kerk tot de eerste liefde terugkeeren — geen uitzicht, dat haar kandelaar op zijne plaats hersteld worden zal; en daarom blijft er niets anders over dan het oog der getrouwen te richten op \'s Heeren komst, die een eind maken zou aan alle ellende en zonde. De kinderen van Isébel worden omgebracht, en de getrouwen worden door \'s Heeren komst verlost en de hemelsche woning ingeleid.

De beloften aan de overwinnaars volgen nu. Zij zijn , zooals in de vorige brieven, geheel in overeenstemming met den toestand der gemeente. „En die overwint, en mijne werken tot het einde toe bewaart, ik zal hem macht geven over de volken; en hij zal hen weiden met een ijzeren staf, gelijk pottebakkersvaten verbrijzeld wor-

-ocr page 85-

H. II: 27, 28. de openbaring.

71

den, gelijk ook ik van mijnen Vadex- ontvangen heb; en ik zal hem de morgenster geven.quot; (vs. 27. 28.) De belijdende kerk vervolgde de heiligen, en zocht zonder Christus de heerschappij en de genietingen der wereld; doch dit alles zal zij verliezen; alle macht zal uit hare handen genomen worden; zij zal van haren troon gestooten en aan het oordeel prijsgegeven worden; en wanneer dan alle aardsche macht gelijk pottebakkersvaten verbrijzeld zal zijn, dan zal het verachte overblijfsel, de door haar vervolgde getrouwen, met Christus deelen zijne heerschappij en zijne heerlijkheid. Maar nog meer zal hun geschonken worden. De Heer zal hun „de morgensterquot; geven. Niet eerst ten dage zijner macht, als alle vastigheden der menscheu in puinhoopen zullen veranderd zijn, zal de vereeniging met Hem plaats vinden; maar vóór het aanbreken van dien grooten en heerlijken dag zullen wij tot Hem worden opgenomen, om daar te wonen, waar Hij ons plaats bereidde, in de vele woningen van het Vaderhuis. De Heer zegt: „Ik ben de blinkende Morgenster,quot; .en: „Ik zal hem de morgenster geven.quot; Als „Zon der gerechtigheidquot; zal Christus bewonderd worden in allen, die geloofd hebben; de heiligen zullen bij Hem zijn, gezien door de wereld; want wanneer Hij zal geopenbaard worden, dan zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. De „morgensterquot; echter wordt slechts gezien door hen, die gedurende den donkeren nacht als kinderen des lichts en des daags, niet slapen, maar waken. Heerlijke belofte! Jezus, de blinkende Morgenster, komt. Hij komt om ons tot Zich te nemen en in zijne heerlijkheid in te leiden. „Vader, ik wil, dat, waar ik

-ocr page 86-

BESCHOUWING OVER H. Ill: 1.

ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Grij mij gegeven hebt.quot; — „Ik ga heen om u plaats te bereiden; èn wanneer ik heengegaan ben, en uplaats bereid heb, kom ik weder, quot;en zal u tot mij nemen opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben.quot; Laat ons onzen blik op die heerlijke toekomst vestigen, en ons reeds vooruit verheugen in het onuitsprekelijk genot, dat ons bij Jezus wacht.

5. Sardis. — Hoofdstuk III: 1—6.

Voor iederen aandachtigen lezer zal het duidelijk zijn, dat in dezen brief een geheel nieuwe toestand van zaken beschreven wordt. Uit een profetisch oogpunt beschouwd, stelt ons Sardis een geheel nieuwe periode in de geschiedenis der christelijke kerk voor. De vier eerste gemeenten beschrijven den toestand der kerk. vóór de Hervorming. In Thyatire zagen wij, tot welk een schrikkelijke hoogte het verderf gestegen was. De kerk was geworden een moeder en bron van allerlei ongerechtigheid, zoodat zij zelfs de vervolgster was der ware heiligen. De Middeleeuwen met haar afgoderij en gruwelen; het Pausdom met zijn aanmatiging en vervolgingswoede werd ons daar beschreven, en tevens het eindoordeel over de roomsche kerk, die van geen bekeering weten wil, aangekondigd. Doch, gelijk wij weten, toen de duisternis, als het ware, haar toppunt had bereikt, deed de Heer de heldere stralen zijner waarheid zich overal verspreiden; en een levendmakende, verfrisschende geest waaide door de afgodi-

72

-ocr page 87-

DE OPENBARING.

H. Ill: 1.

73

sche kerk. De gezegende Hervorming begon. Het onder menschelijke overleveringen en inzettingen begraven Woord van God werd weer op den kandelaar gesteld, en verspreidde met verrassende snelheid in alle landen van Europa liclit en leven, afscheiding van de hoererijen van Isébel en toewijding aan Christus. De fundamen-teele leer des Christendoms, de rechtvaardiging uit het geloof zonder de werken der wet, werd door duizenden aangenomen, en was voor duizenden het middel ten eeuwigen leven. En al verhief ook de zoogenaamde onfeilbare, alleen zaligmakende kerk haar reuzenarm; al toonde zij haren heftigen haat tegen Christus en zijn Woord in de gruwelijkste vervolgingen en moord-tooneelen; de beweging, die uit God was, was daardoor niet tegen te houden; maar nam veeleer in uitgestrektheid toe, zoodat welhaast half Europa van de moederkerk zich had afgescheiden.

Doch, helaas! de frischheid en het geloof van de eerste dagen der ontwaking uit den langen middel-eeuwschen slaap duurden niet lang. Eeeds in Luther\'s dagen begonnen de verslapping en het verval zich duidelijk te vertoonen, en spoedig waren de luthersche en gereformeerde kerken tot dat levenloos formalisme geraakt, \'t welk in dezen brief aan Sardis beschreven wordt. W ij moeten dus zorgvuldig uit elkander houden het machtige en gezegende werk van Gods Geest door middel van de Hervormers, en den treurigen toestand, die later in de protestantsche kerk ontstond. Gelijk ons in den eersten brief het verval der kerk aan het eind der apostolische eeuw wordt voorgesteld , zoo wordt hier het verval van het protestantisme aan het eind van het leven der Hervormers beschreven. Nochtans is er

-ocr page 88-

BESCHOUWING OYER

H. Ill : 1.

74

een groot verscliil tusschen den apostolischen tijd en dien der Hervormers. Predikten genen de volle waarheid Gods, en leidden zij de Gemeente in alle opzichten overeenkomstig Gods gedachten, dezen verkeerden bij al het licht, dat hun geschonken was, omtrent vele punten van leer en kerkinrichting in dwaling, en waren daarom zelf schuld aan het komende verval. Vooral bleef hun het ware karakter der Gemeente, als burgeres des hemels en vreemdelinge op aarde verborgen; en dientengevolge vervielen zij, na de bevrijding van Rome\'s verdrukking, tot een anderen vorm van slavernij onder de machten der wereld. Had tot daartoe de Kerk ge-heerscht over den Staat, van nu af aan heerschte de Staat over de kerk. Christus, het eenige Hoofd der Gemeente, werd de macht en het gezag ontnomen, om dit te stellen in handen van den Staat.

Daarom verschijnt Christus hier aan de gemeente op zulk een wijze, dat daardoor het oog wordt afgewend van alles, wat de mensch gedaan heeft om het te richten op Hem, die de eenige bron van geestelijke kracht en de bezitter van alle geestelijk gezag is. „Dit zegt hij, die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren.quot; (vs. 1.) Christus heeft de volheid des Heiligen Geestes Ier zijner beschikking; en Hij heeft eveneens alle gezag in de gemeente. Hoe ook de gemeente moge falen; hoe zij ook met de wereld zich moge verbonden hebben, het blijft altijd waar, dat de volheid des Heiligen Geestes haar deel is onder Hem, die het Hoofd is der gemeente, welke Hij liefheeft, voedt en onderhoudt. — Eveneens behoudt Hij, wat er ook gebeure, alle gezag en macht in handen. Hoewel de sterren hier niet, gelijk in Efeze,

-ocr page 89-

DE OPENBARING.

75

H. Ill: 1.

in \'s Heereu rechterhand gezien worden, omdat de toestand veel slimmer was geworden, zoo zegt Hij nochtans: ik heb de zeven sterren. De Heer heeft ze niet losgelaten, dit kan Hij niet doen; Hij heeft ze steeds onder zijn opzicht en bestuur.

De groote dwaling der Hervorming was de terzijdestelling van het gezag van Christus. In hun ijver om volkomen bevrijd te worden van de gevreesde macht des Pausen, die gesteund werd door de katholieke vorsten, stelden de Hervormers zich onder de bescherming van de protestantsche vorsten. Dientengevolge rustte spoedig het tweesnijdende zwaard van Gods quot;Woord, \'twelk leven onder de doodsbeenderen had doen ontstaan , wederom in de scheede, en de wapenen des vleesches blonken in de hand der strijders. Men ontnam den Heiligen Geest, den eenigen Leidsman in de waarheid, de teugels, en legde ze in de hand van vorsten en krijgslieden om langs dien weg de Hervorming een zekere plaats op aarde te verschaffen. En bovendien ontstonden te midden van het protestantisme zelf door de verscheidenheid der meeningen haat, tweedracht en oorlog. Doodigheid was van dit alles het natuurlijk en noodzakelijk gevolg. „Ik weet uwe werken,quot; zegt de Heer, „dat gij den naam hebt van te leven, en gij zijt dood.quot;

Wel is waar vertoont zich in Sardis niet het verderf en de afgodendienst van Thyatire; doch de toestand is zeker niet minder treurig. Terwijl Rome zich kenmerkt door een taai vasthouden aan eenmaal aangenomen leerstellingen en vormen, is het protestantisme gevangen in het schijnleven eener trage orthodoxie, of werpt zich in de armen van het ongeloof.

-ocr page 90-

BESCHOUWING OVER H. Ill: 2, 3.

en do algeheele ontkenning van de fundamenten des christelijken geloofs; gepaard met het stoute voorgeven van helderder licht en dieper inzicht in de waarheid.

Hierbij komt nog, dat het protestantisme, terecht de werken als ter zaligheid noodzakelijk verwerpende, tot het andere uiterste verviel, van namelijk de werken als vruchten des geloofs op den achtergrond te stellen. Vandaar dat de Heer zegt: „Ik heb uwe werken niet volkomen gevonden voor mijnen God.quot; (vs. 2.) De Hervorming had de waarheid der rechtvaardiging door het geloof zonder de werken der wet tegenover de werkheiligheid van Rome na zwaren kamp als een goddelijke leer vastgesteld; doch in plaats van deze leer als uitgangspunt te erkennen, vanwaar de discipel van Christus zijne loopbaan beginnen moest, werd zij veelmeer als einddoel beschouwd; waardoor vanzelf de praktische heiligheid en het vragen naar \'s Heeren wil in alle dingen schade leed. Dit werd vooral openbaar in het volgen van eigen meening en inzicht ten aanzien van de inrichting der christelijke gemeente. In plaats van zich hierin te onderwerpen aan het Woord van God heeft elk land zijn eigen kerkinrichting en vormen van eere-dienst; ja, bijkans zooveel verschillende afdeelingen der christelijke kerk als er zijn, zooveel verscheidenheid van inrichting zal men aantreffen. Gelijk in de dagen der Richteren, zoo doet ook nu een ieder naar zijn eigen goedvinden.

„Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het en bekeer u.quot; (vs. 3.) De protestantsche kerk heeft uit de hand des Heeren iets ontvangen, waarvan zij is afgeweken, en wat

76

-ocr page 91-

H. Ill : 3, 4. DE OPENBARING.

zij zich herinneren, \'t welk zij bewaren en tot hetwelk zij terugkeeren moet. In haar midden bevindt zich het Woord Gods, de eenig ware, onbedriegelijke bron der waarheid, der kracht en des troostes. Tot dat Woord\'* moet zij terugkeeren; aan dat Woord moet zij zich onderwerpen; en hare eigene instellingen prijsgeven. Wanneer zij evenwel geen afstand doet van hare gelijkvormigheid aan de wereld; wanneer zij voortgaat gemak en eer te zoeken en in de wereld hare woning te planten, dan blijft er niets anders over, dan haar met de wereld te oordeelen. „Indien gij dan niet waakt, zal ik tot u komen als een dief, en gij zult niet weten, in welke ure ik tot u komen zal.quot; Christus zal haar onverwachts overvallen, gelijk een dief in den nacht. (Zie 1 ïhess. Y: 3.) Het is duidelijk, dat hiermede niet \'s Heeren komst tot opname zijner gemeente bedoeld wordt. Terwijl de He^r der wereld den dag zijner komst als een plotseling verderf, gelijk de barensnood over een zwangere, aankondigt, roept Hij den zijnen toe: „Maar gij,broeders! zijt niet in de duisternis, zoodat u die dag als een dief overvallen zou.quot; De ware heiligen zijn zonen des lichts en zonen des daags; voor hen kan er geen sprake zijn van het komen van een dief in den nacht; doch het naam-Christendom, dat aan de wereld gelijkvormig is, zal als de wereld worden behandeld en geoordeeld.

Evenals in Thyatire worden ook hier de getrouwen als een overblijfsel afzonderlijk beschouwd. „Maar gij hebt weinige namen te Sardis, die hunne kleederen niet bevlekt hebben; en zij zullen met mij wandelen in witte kleederen, want zij zijn het waardig.quot; (vs. 4.) De werken der ge-

77

-ocr page 92-

BESCHOUWING OVER H. Ill : 4—6.

meente zijn niet „volkomenquot; gevonden voor God; doch zij, die als ware Christenen gewandeld en hunne reinheid bewaard hebben, zullen naar goddelijke schatting waardig gekeurd worden om met den Heer te wandelen in witte kleederen, d. i. in de volkomene gerechtigheid der heiligen. (Zie hfdst. XIX : 8.) Aan deze belofte wordt voor de overwinnaars toegevoegd: „Ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne engelen.quot; (vs. 5.) Dit is en blijft het deel der getrouwen, hoe bedroevend de toestand der gemeente in het algemeen ook zijn moge. Als de kerk in haren laatsten vorm, nadat de ware geloovigen zijn opgenomen, met de wereld hetzelfde oordeel deelen zal, dan zal zelfs haar naam verdwijnen; terwijl de naam der overwinnaars eeuwig-lijk in het boek des levens zal blijven staan. Christus zelf belijdt dezen naam voor zijnen Vader en voor de engelen in den hemel. Wel een ernstige aansporing voor ons om van al wat kwaad is, ons af te zonderen , en ons eenig en alleen te onderwerpen aan het gezag van Gods heilig en onbedriegelijk Woord !

6. Piladelfia. — Hoofdstuk III: 7—13.

In Sardis werd ons, profetisch, de toestand der pro-testantsche kerk na de Hervorming beschreven. Den naam te hebben van te leven, maar dood te zijn — ziedaar, wat die kerk in het algemeen kenmerkte. Doch gelijk er in de donkerste dagen der Middeleeuwen, te midden van den bloeitijd van het Romanisme,

78

-ocr page 93-

H. Ill: 7. DE OPENBARING.

een getrouw overblijfsel gevonden werd, zoo zijn er ook in Sardis weinige namen, die hunne kleederen niet bevlekt hebben. Deze weinige getrouwen worden in Filadelfia afzonderlijk beschouwd en toegesproken, terwgl de anderen, die den naam hebben van te leven, maar dood zijn, in Laodicéa tot een nog schrikkelijker toestand vervallen, en daarom uit des Heeren mond gespuwd worden.

In Tiladelfia wordt derhalve een geheel nieuwe en bijzondere toestand beschreven. De Heer ziet de zijnen, die in het midden der protestantsche kerk leven, afgezonderd van de naamchristenen, als een getrouw overblijfsel, dat zijn woord bewaart en zijnen naam niet verloochent. Dit getrouwe overblijfsel wordt hier afzonderlek toegesproken en als zijne ware gemeente aangemerkt. In hoeverre dit bij een ieder, die gelooft, verwezenlijkt is, is een andere vraag. De Heer ziet, van zijn standpunt uit, al de zijnen als één geheel voor zijn aangezicht, afgezonderd van de naambelijders, beschrijft hun toestand en wat hen kenmerkt, troost en bemoedigt hen, en richt hun oog op zijne heerlijke komst. Geen enkel woord van berisping vinden wij in dezen brief. Dit vooral doet ons duidelijk zien, uit welk oogpunt de heiligen beschouwd worden. Niet uit het oogpunt der menschelijke zwakheid, maar uit het oogpunt van Gods heerlijke gedachten over de zijnen. In denzelfden zin als Jehovah van het israëlietische volk in Moab\'s velden deed getuigen; „Hoe schoon zijn uwe woningen, o Israël! hoe liefelijk uwe tenten, o Jakob!quot; De Heer ziet de zijnen afgezonderd van de naambelijders, al is het ook, dat nog niet allen praktisch die plaats hebben ingenomen; zoodat wij vrij kunnen zeg-

79

-ocr page 94-

BESCHOUWING OVER

H. Ill : 7.

80

gen, dat deze brief meer hi^zondiev aan degelooviyen in onze dagen gericht is, en van een nieuw werk van Gods Geest in het midden der protestantse he kerk getuigt.

Het nieuwe werk van Gods Geest in onze dagen is, in overeenstemming met Gods gedachten over de heiligen, de afzondering der ware geloovigen van de massa der belijders en hunne toebereiding voor de komst des Heeren. De inhoud van dezen brief zal ons dit duidelijk aantoonen. De Heer komt op een geheel andere wijze tot deze gemeente als tot de anderen. Hij spreekt niet over hetgeen Hij heeft, maar over hetgeen Hij is. „Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en die sluit, •. en ni emand zal openen.quot; (vs. 7.) De persoon van Christus is het middelpunt van de vereeniging der kinderen Gods en het voorwerp hunner verwachting. Onze vereeniging met Hem is onverbreekbaar. Aan Hem zijn wij verbonden met al de genegenheid onzer ziel. Al het andere, ook de instellingen der menschen en de kerkelijke vormen, verliest daarbij zijne waarde. Door zijn gezegenden Persoon aangetrokken, wordt men bevrijd van den invloed der doode vormen. Hij is „de Heilige,quot; die afgezonderd is van al, wat niet is uit God; en de geloovigen moeten op een bijzondere wijze hiermede in overeenstemming zijn; want hoe meer gelijkvormigheid zij met Hem aan den dag leggen, des te gezonder zal hun oordeel zijn over de gedaante der godzaligheid in onze dagen. Hij is „de Waarachtigequot; — de ware openbaring van hetgeen God is. Hy is waarachtig in zijn woord, waarachtig in zijne beloften, zoodat wij steeds op Hem rekenen kunnen. In

-ocr page 95-

H. Ill: 7, 8.

81

DE OPENBARING.

een geheel eenigen zin van hot Woord zien wij de waarheid in den persoon van Hem, die zeggen kon: „Ik lieilig mijzelven voor lien, opdat ook zij geheiligd mogen zijn door de waarheid.\'! (Joh. XVII: 19.)

Hij bezit absoluut gezag in zijn huis en over alle koninkrijken der aarde. Hij heeft den sleutel van David, naar het profetisch woord van Jesaja: „Ik zal den sleutel van het huis van David op zijnen schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten.quot; Gelijk de macht van God zich in David in hare onbewegelijkheid heeft bewezen, zoodat geen vijand in staat was hem te overweldigen, zoo aanscliouwen wij de volkom ene openbaring dezer macht in Christus. Hij heeft alle macht in hemel en op aarde, en geen macht der hel kan Hem verhinderen de deur te openen of te sluiten.

„Ik weet uwe werken, zie, ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn woord bewaard, en mijnen naam niet verloochend.quot; (vs. 8.) Met den sleutel van David in zijne hand beeft de Heer voor zijne zwakke dienstknechten een geopende deur gegeven. Zij bobben kleine kracht, en kunnen zelf de deur niet openen, daarom komt Hij om hun een geopende deur te geven, opdat zij er zonder krachtsinspanning zouden kunnen ingaan. Yele landen der aarde, die geheel in Rome\'s bijgeloof verzonken lagen, en door Rome voor de prediking des evangelies waren gesloten, heeft de Heer op merkwaardige wijze opengesteld, zoodat hot evangelie zijner genade er nu vrijelijk mag verkondigd worden. De revolutiegeest der volkeren werd door Hem gebruikt om de grendels, die Rome op de deuren ge-

6

-ocr page 96-

BESCHOUWING OVER H. Ill: 8.

sclioven had, open te breken; ook hierin weer bewijzende, dat Hij over de macht des duivels weet te triomfeeren. .

„ Gij hebt kleine kracht.quot; Het is geenszins Gods wijze van doen om groote kracht te geven in een tijd van algemeen verval. Na Israels terugkeer uit de babylonische ballingschap handelde de Heer in groote genade, maar er was geen uitwendige macht; integendeel de Israëlieten waren zoo machteloos, dat hunne vijanden hen bespotten, en zeiden, dat een vos hun steenen muur wel zou kunnen verscheuren. Doch zij stoorden zich niet aan hunne vijanden, maar bouwden den Heere een altaar. Jehovah nam de eerste plaats in hunne harten in, en oj» Hem ziende liet het hoongelach der vijanden hen koud. En wat zouden wij in onze dagen anders kunnen doen, dan in de ootmoedige erkentenis onzer zwakheid op Hem te vertrouwen, die der zwakken kracht is? Wij hebben „kleine kracht.quot; quot;Waar vinden wij den vurigen ijver van Petrus? Waar de energie van Paulus ? Waar vernemen wij de krachtige belijdenis der martelaren? Waar zijn de wonderen en gaven en vreemde talen der eerste gemeente ? Dit alles is verdwenen; maar nochtans geen nood! Hij, die den sleutel Davids heeft, blijft onveranderlijk in trouw en macht. Op Hem slechts ons oog gevestigd, en zijne kracht wordt in onze zwakheid volbracht.

Hoewel er „kleine krachtquot; is, zoo vindt de Heer toch twee dingen, die kostelijk zijn voor zijn hart: „Gij hebt mijn woord bewaard, en mijnen naam niet verloochend.quot; In een tijd van algemeen verval, waar bij- en ongeloof hun hoofd steeds stouter opsteken, is zijn Woord niet alleen het middel om don mensch tot

82

-ocr page 97-

DE OPEXBARING.

H. Ill : 8.

83

Christus te leiden, maar ook het eenige lioht, waar-^ door men te midden der verwarring de waarheid van

de leugen onderscheiden kan. En het is een verblijdend teeken in onzen tijd, dat zoovele geloovigen met toenemende belangstelling het Woord des Heeren onderzoeken , en zich voor het gezag van dat Woord buigen; zoodat zij alles verwerpen, wat daarmede in strijd is, al moge dit ook nog zoo eerbiedwaardig en oud zijn. Menschelijke instellingen en vormen moeten wijken voor de geboden des Heeren. En waar de Schrift onderzocht wordt onder de leiding des Heiligen Geestes, daar zal de kostbaarheid van den Naam van Jezus steeds meer gekend en genoten worden. In dezen ITaam vinden zij hunne eeuwige behoudenis ; in dezen Naam bidden zij; in dezen Naam vergaderen zij zich tot opbouwing des \' ^ geloofs en tot verheerlijking van Grod; ja, aan dezen

Naam klemmen zij zich te vaster, naarmate de grondslagen der christelijke kerk worden weggerukt, en de stroom des ongeloofs zich overal verspreidt. Jezus\' hart wordt verkwikt, als Hij ziet, dat wij te midden van zooveel ongeloof en verwerping van zijn Woord, aan dat Woord ons vasthouden ; en dat bij de algemeene verachting van zijnen Naam, die Naam ons dierbaar is. En naarmate het, door de verwerping van Jezus, moeielijker is in onze dagen aan het Woord en den Naam des Heeren ons vast te houden, naar die mate is het kostelijk voor het hart onzes Heilands, als wij ons onvoorwaardelijk aan dat Woord onderwerpen, en ons aan Hem alleen vasthouden en in zijnen Naam ons vergaderen, s» De geloovigen te Filadelfia hadden wel behoefte aan

zulke troostwoorden, daar zij den hoon en de verachting te verduren hadden van hen , wier godsdienst op

-ocr page 98-

BESCHOUWING OVER H. Ill : 9, 10.

mensclielijke instellingen en niet op Christus gegrond was, en die daarom tot de synagoge des satans behoorden. Zij gaven zich uit voor de ware Joden, voor het ware volk van God, terwijl zij integendeel een eigenwillige godsdienst hadden en de werkelijke geloo-vigen vervolgden. Doch, zegt de Heer, „Ik zal maken, dat zij komen en zich neerbuigen voor uwe voeten, en bekennen, dat ik u heb liefgehad.quot; (vs. 9.) Door Gods wegen en leidingen zullen deze tegenstanders er toe gebracht worden om te erkennen , dat die verachte, kleine kudde, hoe zwak van kracht zij ook moge geweest zijn, aan zijn Woord en aan zijnen Naam was getrouw gebleven, en zich in het genot van \'sHeeren liefde mocht verheugen.

Een nieuwe belofte volgt. „Omdat gij het woord mijner volharding bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.quot; (vs. 10.) De Heer heeft beloofd te zullen wederkomen. Hij heeft gezegd tot den Yader: „Ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt.quot; Doch tot nu toe wacht Hij op het door den Yader bepaalde oogenblik. Hij wacht, totdat de laatste zijner vrienden, die Hij met zich in hemelsche heerlijkheid vereenigen wil, zal zijn ingezameld. Hij wacht ook, totdat al zijne vijanden gelegd zijn tot een voetbank zijner voeten. En omdat Hij wacht, wachten ook wij. Ook hierin drukken wij zijne voetstappen. Daarom spreekt de Heer van het woord Zijner volharding. Mochten wij dat woord steeds bewaren, en geduldig en volhardend uitzien naar zijne heerlijke komst!

quot;Wie nu het woord zijner volharding bewaart, zal

84

-ocr page 99-

DE OPENBARING.

H. Ill: 10.

85

door Hem bewaard worden uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal. Deze ure dei-verzoeking is welbekend in de Schrift. In het Oude Testament wordt er gedurig van gesproken; de Heer spreekt er van in Matth. XXIV, waar Hij zegt, dat er zulk een verdrukking nog nooit op aarde geweest is, en nooit meer op aarde komen zal; in de Brieven wordt er meermalen melding van gemaakt, en de Openbaring geeft ons de uitvoerige beschrijving van dien schrikkelijken tijd. Het zijn de dagen van den Antichrist, voor wien de heele wereld zich buigen zal, en die door allerlei ontzettende oordeelen Gods zullen gekenmerkt zijn, om te eindigen in de vernietiging van dien valschen profeet en van allen, die hem hebben gevolgd en gediend. Welnu, de Heer belooft hier, dat die Hem verwachten, uit de ure der verzoeking zullen bewaard worden. Letten wij wel op, dat de Heer niet zegt: „ ik zal u in de ure der verzoeking bewaren maar „ uit de ure der verzoeking.quot; Het eerste zou willen zeggen : gij zult die ure der verzoeking beleven, maar ik zal u te midden daarvan bewaren. Het tweede daarentegen : gij zult in de ure der verzoeking niet zijn, ik zal u, eer de ure der verzoeking komt, wegnemen. Dit is geheel in overeenstemming met de doorgaande leer der Apostelen. Jezus zal komen van den hemel met al zijne heiligen; doch daartoe moet Hij eerst al zijne heiligen bij zich in den hemel hebben; welnu Hij komt om hen van deze aarde op te nemen, opdat zij altyd met Hem zijn zouden. (Zie 1 Thess. Ill en IV.) Gelijk Henoch in den hemel werd opgenomen , eer de zondvloed kwam, zoo zullen wij worden opgenomen in het Vaderhuis , eer de ure der verzoe-

-ocr page 100-

BESCHOUWING OVER

H. Ill: 10.

86

king aanbreekt. Evenals Abraliam op den berg de verwoesting van Sodom aanschouwde, zullen wij in den hemel de\' oordeelen zien komen over de godde-looze wereld. Het overblijfsel van Israël zal, evenals ïsoach, gedurende de oordeelen door den Heer bewaard, en, evenals Lot, ternauwernood uit de verdelging der goddcloozen gered worden. Het vervolg der Openbaring zal ons overvloedige aanleiding geven om op dit laatste terug te komen. Wat wij hier vinden, is do duidelijke, voor geen tegenspraak vatbare belofte, dat allen, die Christus\'verschijning liefhebben, door Hem zullen worden weggenomen van deze zondige aarde, eer de dag der wraak zal aanbreken.

Heerlijke belofte! gevolgd door de niet minder heerlijke verzekering des Heeren: „Ik kom haastelijk!quot; In geen der vorige brieven heeft de Heer op zulk een wijze van zijne komst gesproken. Sardis bedreigt Hij met zijne komst ten oordeel; doch hier spreekt Hij als de Bruidegom, die zijne geliefde bruid vertroosten bemoedigt, en tot volhardend wachten aanspoort: „houd wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme.quot; En als wij dan bedenken, dat het middernachtelijk uur voorbij is, dat het geroep: „de Bruidegom komt, gaat uit Hem te gemoet,quot; reeds een vijftigtal jaren in de christelijke kerk heeft weerklonken, dat vele maagden zich voor de komst van den Bruidegom hebben gereed gemaakt, dan hooren wij hier in dezen brief, als het ware, ons toeroepen door onzen geliefden Heer: „Ik kom haastelijk!quot; \'t Is dan niet meer een woord, voor achttien honderd jaren gesproken, maar een woord in onze day en gericht tot ons, die te midden van de doodigheid van Sardis het woord van Jezus\' volharding bewaren.

-ocr page 101-

H. III. 11, 12. DE OPENBARING.

Ten slotte komen de beloften. „Die OYerwint, ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en ik zalophemschrijvendennaam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel afdaalt van mijnen God, en mijnen nieuwen naam.quot; (vs. 12.) Een drievoudige belofte. Wij hebben nu „kleine kracht;quot; doch dan, in de heerlijkheid, zal ieder overwinnaar een pilaar zijn in den tempel Gods. Een pilaar is het zinnebeeld van kracht. Gods tempel wordt er door ondersteund. Wij, die hier geen deur vermochten te openen, wij zullen daar steunpilaren zijn van Gods tempel. En dat blijven wij eeuwiglijk. Geen struikelen is daar meer mogelijk. „En hij zal niet meer daaruit gaan.quot; Onze positie is onveranderlijk en onwrikbaar.

Bovendien zal de Heer op den overwinnaar den naam zijns Gods en den naam der stad zijns Gods schrijven. Wie zijn woord heeft bewaard, zal in gemeenschap verkeeren met zijnen God. Zijn God is hun God, zijn Vader hun Yader. Wie een vreemdeling op aarde was, en de stad verwachtte, die fondamenten heeft zal eenmaal wonen in do stad zijns Gods, in het nieuwe Jeruzalem, dat uit den hemel van zijnen God afdaalt.

En eindelijk zal de Heer hem „zijnen nieuwen naamquot; geven. Do door de menschen verworpen en gesmade Naam, dien zij op aarde niet verloochenden, zal in do heerlijkheid openlijk op hun voorhoofd geschreven worden. Het is de nieuwe naam van Christus, dien de Joden niet kenden; niet zijn naam van Messias, maar den naam, dien Hij aannam als uitdrukking van het resul-

87

-ocr page 102-

BESCHOUWING OVER H. Ill: 12, 13.

taat eener lienielsclie verlossing, doordat Hij „dood was en weder levend geworden is.quot;

Een drievoudig zegel zal derhalve gedrukt worden op hen, die hier beneden werden veracht en bespot, en daardoor worden zij openlijk door God en Christus als overwinnaars gekroond. Zij, die aan het Woord en den Xaam van Christus vasthielden, omdat het .zyM quot;Woord en zijn Naam was, zullen ook in de heerlijkheid in verbinding gesteld worden met hetgeen van Hem is; — met den tempel zyns Gods, met den naam zijns Gods, met de stad zijns Gods, en met zijnen nieuwen naam. Die op aarde het woord zijner volharding bewaarden , zullen in den hemel zijne heerlijkheid genieten.

In deze beloften is alles persoonlijk. Zoolang de gcloovige op aarde vertoeft, is zjjn standpunt dat van Christus. De Heer werd hier veracht en verworpen, en wel het hevigst door zijn eigen volk; zoo wandelen ook wij te midden van hen, die beweren tot Gods volk te behooren, doch die de getrouwen verachten en vervolgen. In den hemel zal deze persoonlijke verbinding met Christus voortduren. Ieder overwinnaar zal in persoonlijke gemeenschap met Christus verkeeren, en persoonlijke vreugde in zijne tegenwoordigheid smaken. Heerlijk deel den overwinnaars beloofd!

7. Laodicéa. — Hoofdstuk III: 14—22.

De laatste periode van de geschiedenis der christelijke kerk op aarde wordt in dezen brief beschreven. Het onderscheid tusschen Laodicéa en Filadelfia is veel grooter dan tusschen Thyatire en Sardis. Vinden wij

88

-ocr page 103-

DE OPENBARING.

H. Ill: 14.

89

in Thyatire ca Sardis nog een getrouw overblijfsel, \'t welk door den Heer getroost en bemoedigd wordt, in Laodicéa is geen spoor daarvan te vinden. quot;Wel roept do Heer de gemeente nog eenmaal op om zich te bekeeren, maar Hij staat buiten voor de deur, en van getrouwen in liet huis is geen spraak. En terwijl in den brief aan Filadelfia geen woord van bestraffing over de lippen des Heeren komt, vernemen wij in dien aan Laodicéa van niets anders dan ellende en afval, welke het oordeel van \'s Heeren wege na zich slepen.

In Thyatire werd ons — profetisch beschouwd — de toestand der christelijke kerk in de Middeleeuwen geschilderd. Het Ilomanisme met al zijn dwalingen en gruwelen wordt daar beschreven, en het oordeel des Heeren over hetzelve aangekondigd. Dit oordeel moet nog komen, want de roomsche kerk is blijven bestaan, en heeft in geen enkel opzicht zich van hare booze wegen bekeerd. In Sardis vonden wij den toestand der protestantsche kerk na de Hervorming; een toestand, die nog altijd voortduurt. In Filadelfia zagen wij de ware geloovigen afgezonderd van de massa der belijders, den Heer verwachtende en door Hem getroost en bemoedigd door do belofte zijner spoedige wederkomst. Zij worden bewaard uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal, en den Heer te gemoot gevoerd in de lucht om daar te wonen, waar Hij nu reeds is, in het heerlijk Yaderhuis. In Laodicéa vinden wij de naambelijders, noch koud noch heet, maar lauw, en hun oordeel: „ik zal u uit mijnen mond spuwen.quot; Nadat Filadelfia is opgenomen, blijft Laodicéa over; of met andere woorden: nadat de ware geloovigen door den Heer in den hemel opgenomen

-ocr page 104-

BESCHOUWING OVER

H. Ill: 14.

90

zijn, blijven do naamchristenen over, die zich geheel van Christus losscheuren en dan door Hem geoordeeld worden. Uit Thya\'tire is Sardis voortgekomen, en Sardis splitst zich in Filadelfia en Laodicéa. En gelijk aan de getrouwen in Thyatire de Morgenster beloofd wordt, d. i. de komst van Christus vóór den dag des oordeels, zoo wordt tot Filadelfia gezegd, dat zij uit de ure der verzoeking zal worden bewaard. Daarna wordt Laodicéa uit den mond des Heeren gespuwd, en komt het oordeel over Thyatire, de „groote hoerquot;, het afgodische „Babyion.quot;

Staan wij nu stil bij de verschillende bijzonderheden in dezen brief aan Laodicéa. En dan moeten wij in de eerste plaats onze aandacht bepalen bij het karaktér, waarin de Heer aan deze gemeente verschijnt. „Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Grods.quot; (vs. 14.) De Heer verschijnt hier in dat karakter, \'t welk de gemeente geheel en al heeft verloochend. Al is ook alles bedorven en afgevallen, in Hem aanschouwen wij steeds de reine, onuitputtelijke en goddelijke volheid van hetgeen de gemeente hier beneden had behooren te openbaren. Al is ook de belijdenis der kerk verdwenen, zoo blijft Hij nochtans de „Amen,quot; de bevestiging en de vervulling van al Gods beloften; „want zoo vele beloften Gods er zijn, in Hem is het ja, en in Hem het amen, Gode tot heerlijkheid door ons.quot; (2 Kor. I: 20.) Hij is de getrouwe, onwankelbare „Getuige,quot; de Openbaarmaker van Gods verborgenheden, ook dan als het getuigenis der gemeente geheel tot zwijgen gebracht is. Hij is „het Beginquot; dei-nieuwe schepping. Dezelfde plaats, die Adam als het voorbeeld Desgenen, die komen zou, in de eerste

-ocr page 105-

DE OPENBARING.

H. Ill: 14.

91

schepping iimam, bekleedt Christus in do nieuwe schepping. Do geloovigen zijn de eerstelingen dier nieuwe schepping. „Indien iemand in Christus is — een nieuwe schepping; het oude is Yoorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.quot; (2 Kor. V: 17.) Hoewel nu Laodicéa nog den naam van gemeente draagt, en als zoodanig verantwoordelijk is, zoo is toch de eigenlijke grond des Christendoms onder de voeten der belijders weggerukt. Alles heeft hier de gedaante en den vorm van de oude schepping, nergens ontdekt men het goddelijke en nieuwe in den mensch; nergens openbaart zich de kracht der nieuwe schepping, dooiden Heiligen Geest te voorschijn geroepen.

Gelijk ik reeds opmerkte, wordt de toestand van Laodicéa niet gekenmerkt door zwakheid en onwetendheid, maar veelmeer door lauwheid en onverschilligheid, gepaard met eigenwaan en aanmatiging. „Ik weet uwe werken, dat g ij noch koud z ij t, noch heet. Och! of g ij koud waar tof heet! Zoo dan, omdat gij lauw zij t, en noch koud noch heet, zal ik u uit mijnen mond spuwen.quot; En verder: „Gij zegt: ik ben rijk, en verrijkt, en heb aan geen ding gebrek; en gij weet niet, dat g ij z ij t ellendig e n j a m m e r-lijk en arm en blind en naakt.quot; (vs. 16, 17.) Ziedaar, het karakter van de Christenheid in de laatste dagen. Hoewel reeds nu bij velen een dergelijke toestand aanwezig is, zoo kan toch nu nog niet van de gemeente als één geheel gezegd worden, wat hier van haar wordt getuigd. Zoolang er nog ware leden van Christus in de gemeente zijn, kan de Heer niet van het geheel zeggen: gij zijt ellendig en jammerlijk

-ocr page 106-

BESCHOUWIKG OVER H. Ill: 16, 17.

en arm en blind en naakt. Wanneer evenwel de ware geloovigen opgenomen, en er alleen naamchristenen overgebleven zijn, dan is er geen ander getuigenis van haar te geven. Derhalve is het duidelijk, dat de toestand, die hier profetisch beschreven wordt, eerst na de opname der ware gemeente zal aanwezig zijn. Die toestand is voor den Heer walgelijk. Onverschilligheid voor de waarheid, als men de waarheid heeft gekend, is Hem ondragelijk. Onwetendheid kan Hij met verschooning behandelen, maar onverschilligheid en lauwheid kunnen door Hem niet worden geduld. Daarom zal Hij hen uit zijnen mond spuwen, en hetgeen nog altijd den naam van zijne gemeente draagt, voor immer van zijn aangezicht verwijderen. De vermaning, in Rom. XI: 22 der Christenheid gegeven, is zonder uitwerking gebleven; zij heeft in de goedertierenheid niet volhard, en daarom zal zij worden afgesneden. In hare verblinding beroemt zij zich, in het bezit te zijn van al de schatten van kennis en wetenschap; zij is er trotsch op over de geheele aarde den naam van God bekend gemaakt, en haar macht en aanzien vermeerderd te hebben, terwijl het geweten doof is, en het hart heeft opgehouden voor Christus te kloppen. Dit is voor den Heer onuitstaanbaar. Lauw te zijn is het ergste, wat Hij kent. Wtj oordeelen anders. Wij zouden over Thyatire een veel harder oordeel hebben nitgesproken dan over Laodicéa. Doch voor den Heer is geen toestand zóó slecht als die van Laodicéa.

Nochtans hoe treurig de toestand der gemeente ook zijn moge, zoo verneemt zij toch tot den einde toe de liefdevolle stem des Heeren. „Ik raad u van mij te koopen goud, beproefd in het vuur, opdat

92

-ocr page 107-

H. Ill: 17, 18. DE OPENBARING.

gij rijk wordt, en witte kleederen, opdat gij bekleed wordt,en de schandeuw er naaktheid niet openbaar worde, en oogenzalf om uwe oogen te zalven, opdat gij ziet.quot; (vs. 18.) De Laodicéërs waren ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt, en konden derhalve slechts toegesproken worden, zooals men onbekeerde zondaren toespreekt. Hun ontbrak alles, wat een waar geloovige in Christus kenmerkt. Wie toch is rijk zonder het goud, dat in het vuur beproefd is, dat is, zonder de beproefde, goddelijke gerechtigheid, die het deel is van den waren Christen ? Wie is bekleed zonder de „witte kleederen,quot; dat is, zonder de praktische heiligheid, waarin wij door den Heiligen Geest geleid worden? Wie heeft geopende oogen zonder „de oogenzalf,quot; dat is, zonder de zalving van den Heiligen Geest, die alleen in staat stellen kan om alle dingen geestelijk te onderscheiden ? En dit alles biedt de Heer hier de gemeente te Laodicea aan; en voegt er aan toe: „Allen, die ik liefheb, bestraf ea kastijd ik; wees dan ijverig en bekeer u.quot;

Doch hoewel Hij aldus spreekt, zoo verwacht Hij nochtans niet, dat zjj naar zijne stem luisteren en zich bekeeren zal. Integendeel. Hij heeft reeds het oordeel over haar uitgesproken: „Ik zal u uit mijnen mond spuwen.quot; En hoewel dit nog niet in vervulling getreden is, zoo woont Hij toch niet meer in haar midden. Hij heeft het huis verlaten, en staat voor de deur. Als de ware geloovigen opgenomen, en er slechts naamchristenen overgebleven zijn, heeft de Heer de gemeente op aarde verlaten. Hij bevindt zich buiten de deur; en als Hij klopt, dan is het niet met

93

-ocr page 108-

BESCHOUWIJfG OVER H. Ill: 19,21.

het doel om weer binnen gelaten te worden, maar om in te keeren bij een iegelijk, die Hem nog zou willen ontvangen. „Zie, ik sta aan de deur en ik klop ; indien iemand mijne stem hoort en de deur opendoet, ik zal tot hem inkomen, en met hem het avondbrood eten, en hij met mij.quot; (vs. 20.) Niet meer tot de gemeente als zoodanig spreekt Hij, maar tot de enkele personen, die nog naar zijne stem luisteren willen.

„Dié overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk ook ik overwonnen, en mij gezet heb met mijnen Vader in zijnen troon.quot; (vs. 21.) Van al de beloften, die aan het eind dezer Brieven den overwinnaars gegeven worden, is deze de minste, al moge zij sommigen toeschijnen de anderen te overtreffen. Er is hier geen sprake van persoonlijke vereeniging met Christus, gelijk in de beloften aan Pergamus of aan de getrouwen in Sardis en Thyatire. Heerschen met Christus is geheel onderscheiden van de innigheid der gemeenschap, die ligt opgesloten in het eten van het verborgen manna en het ontvangen van den witten keursteen met den nieuwen naam. Hoewel alles, wat wij van Christus ontvangen en met Christus deelen zullen, heerlijk en begeerlijk is, zoo bekleedt toch de gemeenschap met den Persoon van Christus onder alles de eerste plaats, terwijl het deelen in zijne heerschappij in de laatste plaats genoemd wordt.

Dit is in overeenstemming met den toestand van hem, die overwint. De Heer heeft de kerk verlaten; Hij staat buiten de deur, gereed om haar uit zijnen mond te spuwen; Hij klopt aan de deur, of er misschien nog iemand is, die Hem wil opendoen; is er

94

-ocr page 109-

H. Ill: 21, 22. DE OPENBARING. 95

iemand, dan zal Hij tot den zoodanige inkeeren, en met hem gemeenschap aanknoopen, en hem deel geven aan zijne heerschappij. Dit wordt ook gezegd van hen, die gedurende de oordeelen gedood zijn, en hij \'s Heeren komst op aarde worden opgewekt.

De geschiedenis der Kerk is hiermede afgehandeld. Johannes heeft in de zeven Brieven „hetgeen isquot; voor onze oogen geschilderd. Ongetwijfeld staan de daarin vervatte waarschuwingen en beloften in verband met de toenmaals in die zeven gemeenten heerschende toestanden; gelijk zij eveneens ten doel hebben om den geloovigen in alle eeuwen tot regel en richtsnoer te dienen, en hunnen blik op Christus en zijn Woord te vestigen. Maar even ontwijfelbaar is het, dat deze Brieven een historische beschrijving bevatten van de verschillende tijdperken in de geschiedenis dei-kerk , vooral met het oog op het toenemend verval en de eindelijke verwerping van hetgeen op aarde den naam van Christus gedragen had. Een kort overzicht dezer tijdperken zal dit nog nader aantooneu.

1. In Efeze heeft de gemeente hare eerste liefde verlaten. Indien zij zich niet bekeert, zal de Heer haren luchter van zijne plaats wegnemen. Dit is de toestand der gemeente aan het eind der apostolische eeuw.

2. Daarop volgen, in Smyrna, de vervolgingen, welke duurden van Wero tot Diocletianus.

3. Nadat de vervolgingen hebben opgehouden, dringt de leer van Bileam de gemeente binnen. De gemeente vermengt zich met de wereld, woont, waar de troon des satans is, en leeft in allerlei ongerechtigheid. Hoewel reeds vroeger begonnen, zoo is dit toch eerst onder

-ocr page 110-

BESCHOUWING OVER H. 111:21,22.

Constautijn de algemeeno toestand der kerk geworden.

4. Langzamerhand ontstaat hieruit het Pausdom. In Thyatire wordt dit duidelijk beschreven. Isebel geeft niet slechts den boozen raad om het Christendom met de wereld te vermengen, maar verleidt de dienstknechten van Christus tot hoererij en afgodendienst, en verwekt kinderen des verderfs. Het toppunt dezer boosheid is bereikt in de Middeleeuwen; doch de toestand duurt voort tot aan het oordeel, dat over de kerk komen zal; en de komst des Heeren is de toevlucht des geloofs.

5. In Sardis komt het Protestantisme, zooals het na de Hervorming geworden is. Het heeft den naam van te leven, maar is dood, en zal gelijk de wereld worden geoordeeld.

6. In Füadelfia zien wij de ware geloovigen van do massa der belijders afgezonderd. Zij hebben kleine kracht, maar houden vast aan het woord der volharding van Christus, en zullen vóór de ure der verzoeking in den hemel worden opgenomen.

7. Eindelijk komt in Laodicéa de beschrijving van den toestand der naamchristenen. Zij zijn noch koud, noch heet, en zullen uit den mond des Heeren gespuwd worden.

Waarmede de gemeente in het begin wordt bedreigd, namelijk, dat haar luchter van zijne plaats zou worden weggenomen, komt over haar in Thyatire en Laodicéa. De roomsche zoowel als de protestantsche kerk zal, nadat de ware heiligen den Heer te gemoet in de lucht zijn opgenomen, aan het oordeel worden prijsgegeven. Yol lankmoedigheid heeft de Heer de gemeente tijd gegeven om zich te bekeeren, doch daar zij zich niet bekeert, is het oordeel over haar besloten.

96

-ocr page 111-

DE OPENBARING.

H. IV : 1.

97

DEEDE AFDEELING.

„HETGEEN GESCHIEDEN ZAL NA DEZE DINGEN.quot;

Hoofdstuk IV — XXII.

Deze afdeeling beschrijft de dingen, die zullen plaats vinden na hetgeen is. De geschiedenis der Kerk, als een verantwoordelijk lichaam op aarde, van het begin tot aan haar afval en oordeel, werd ons in het tweede en derde hoofdstuk profetisch medegedeeld; en de profeet wendt zich nu, op goddelijke aanwijzing, naar „hetgeen geschieden zal na deze dingen.quot; Gelijk vanzelf spreekt, vindt men de gemeente van Christus, in deze afdeeling, niet meer op aarde, maar in den hemel. De komst van Jezus in de lucht om de zijnen tot Zich op te nemen wordt niet beschreven, maar als gebeurd voorondersteld; terwijl het heerlijk resultaat daarvan in hoofdstuk IV en V wordt medegedeeld. De heiligen omringen, verheerlijkt en gekroond, den troon van God en van het Lam, en komen aan het eind met den Heer van den hemel, om zijne vijanden

7

-ocr page 112-

BESCHOUWING OVER

H. IV : 1.

98

te verdelgen en zijn heerlijk koninkrijk hier beneden op te richten. Wat er gebeuren zal tusschen de opname der gemeente en \'s Heeren komst op aarde wordt in de overige hoofdstukken in zinnebeeldige taal voorgesteld, welke voorstelling besloten wordt met een kox-te schildering van het koninkrijk van Christus, van het laatste oordeel en van de eeuwige gelukzaligheid.

Deze afdeeling is weer verdeeld in twee groote deelen, welke beide tot aan het einde aller dingen doorloopen.

A. Hoofdstuk IV tot XI: 18.

£. Hoofdstuk XI: 18 tot XXII.

Aan het slot van het elfde hoofdstuk vernemen wij uit den mond der vier en twintig oudsten een korte beschrijving van de heerschappij van Christus, welke zich uitstrekt van zijne komst op aarde tot na het oordeel der dooden, welk oordeel in hoofdstuk XX uitvoerig beschreven wordt.

A heeft drie onderafdeelingen:

1. Hoofdstuk IV en V;

2. Hoofdstuk VI—VIII: 1;

3. Hoofdstuk VIII: 2 — XI: 18.

-ocr page 113-

DE OPENBARING.

H.-IV : 1.

99

A.

1. Hoofdstuk IV en V.

„Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel, en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin met mij sprekende, zeide; kom hier op, en ik zal u toonen, hetgeen na dezen geschieden moot.quot; (vs. 1.) Die „eerste stemquot; is de stem, welke Johannes in hoofdstuk I gehoord had als de stem van Hem, die in het midden van de zeven gouden luchters stond. Gelijk toen zoo klonk zij ook nu als een bazuin. Thans evenwel werd zij niet op aarde vernomen, maar kwam zij uit den hemel. Er was een deur in den hemel geopend, en do stem sprak van daar. De Profeet werd uitgenoodigd om naar den hemel te komen, en van daaruit de dingen te zien, die op aarde geschieden zouden. Toen God voornemens was Sodom en Gomorra te verderven, riep Hij Abraham tot Zich op den berg, deelde hem zijne plannen mede, en deed hem de verwoesting dier steden op dien berg aanschouwen. Evenzoo werd het Johannes vergund, en zal het ons eenmaal vergund worden, om van den hemel, waar wij in \'s Heeren tegenwoordigheid verkeeren, de oordeelen te aanschouwen, die over de aarde komen.

Onmiddellijk na deze woorden van Jezus was Johannes „in den Geest,quot; dat wil zoggen: hij was geheel onder de macht des Heiligen Geestes, en daardoor

-ocr page 114-

BESCHOUWING OVER H. IV : 1 2.

geschikt om de dingen te aanschouwen, die hem zouden getoond worden.

En wat werd Johannes het eerst getoond? Begint de profetie omtrent „hetgeen na deze dingen geschieden zal,quot; met de mededeeling van de gebeurtenissen, welke op aarde zullen plaats vinden, en van de oor-deelen, welke over de wereld zullen worden uitgestort ? O neen! het allereerst wordt den Profeet getoond, hoe het in den hemel wezen zal; in welk karakter de Heere God zich openbaart, en welke de plaats is, die de heiligen gedurende de komende gebeurtenissen zullen innemen.

„En ziet, een troon stond in den hemel, en er zat een op den troon; en die daarop zat, was in het aanzien een jaspis- en sardius-steen gelijk.quot; (vs. 2, 3.) God wordt niet genoemd; nochtans is het God, die op den troon zit, wiens heerlijkheid symbolisch voorgesteld wordt onder een jaspis- en sardius-steen. In hoofdstuk XXI daalt het nieuwe Jeruzalem, de bruid, de vrouw des Lams, uit den hemel neder, „hebbende de heerlijklieM Gods,quot; en „haar licht was aan het kostelijkst gesteente gelijk, als een jaspissteen, schitterende gelijk kristal.quot; Het spreekt vanzelf, dat hier niet gedacht wordt, of gedacht worden kan, aan de innerlijke, laat mij liever zeggen, aan de wezens-heerlijkheid van God; want die kan aan niemand worden getoond, en nog veel minder aan iemand worden medegedeeld. God woont in een ontoegankelijk licht; en tot in alle eeuwigheid zal er een oneindige afstand blijven tusschen God en den meest bevoorrechte zijner schepselen. De heerlijkheid, waarvan hier gesproken wordt, is die heerlijkheid,

100

-ocr page 115-

H. IV : 3, 4. DE OPENBARING.

welke staat tegenover de heerlijkheid der schepping. Er is in God een heerlijkheid, welke niet kan worden gezien en medegedeeld, maar er is in Hem ook een heerlijkheid, die zich aan ons vertoonen zal, en die ons zal worden geschonken. De Heer zeide in Joh. XVH: „De heerlijkheid, die Gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven,quot; en Paulus zegt in Rom. V; „Wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.quot;

Doch nevens deze openbaring der goddelyke heerlijkheid vinden wij het symbool dor goddelijke trouw. „En rondom den troon was een regenboog, in het aanzien een smaragd gelijk.quot; (vs. 3.) De regenboog herinnert ons aan het verbond, dat God met Noach gemaakt heeft, belovende dat Hij de aarde niet meer door water zou verderven. Welk een troost voor den Profeet! Waar de donderslagen en de bliksemen de ontzettendste oordeelen over de aarde zullen brengen, wordt zijn oog gevestigd, niet alleen op Gods heerlijkheid en majesteit, maar ook op Gods onveranderlijke getrouwheid, welke gedurende de oordeelen het fondament zijner handelingen zijn zal. Die regenboog was in het aanzien een smaragd gelijk. Zoo schitterend, verblindend zelfs, als de edelsteenen zijn, die ons de heerlijkheid van God moeten voorstellen, zoo liefelijk en weldadig is de aanblik van den smaragd, die een symbool is van Gods eeuwige trouw.

„En rondom den troonquot; — zoo gaat de Profeet voort met de beschrijving van dit tooneel van heerlijkheid, zooals nimmer te voren door menschenoogen was aanschouwd — „waren vier en twintig tronen, en op die tronen zaten vier en twintig oudsten;quot; (vs. 4.) personen, die begaafd waren met he-

101

-ocr page 116-

BESCHOUWING OVER H. IV : 4.

melsche wijsheid, en daardoor de gedachten en raadsbesluiten Gods konden begrijpen. Zij zijn „bekleed met witte kleederen,quot; en hebben nop hunne hoofden gouden kronen,quot; waardoor hunne priesterlijke en koninklijke waardigheid wordt aangeduid. Zij worden in den hemel gezien rondom den troon van God, voordat het oordeel over de wereld begint. Hun getal is vier en twintig naar de vier en twintig priesterorden in Israël. Toen de voorlooper van onzen Heer zou geboren worden, was zijn vader Zaeharia een priester uit de dagorde van Abia. Uit 1 Kronijken XXIV weten wij, dat deze orde van Abia de achtste was. De priesters in Israël waren in deze orden verdeeld, opdat achtereenvolgens ieder priester zijne priesterlijke bediening zou waarnemen. Elke orde had haar opperpriester. Onze Hooge-priester wordt hier niet genoemd, omdat de Heer Jezus , in het volgende hoofdstuk, als het Lam, dat geslacht werd, wordt voorgesteld.

Een hoogst belangrijke vraag doet zich nu aan ons voor, namelijk: wie stellen deze vier en twintig oudsten voor? Evenals al het andere in dit visioen is ook deze voorstelling symbolisch. Die vier en twintig oudsten moeten niet in letterlijken zin als vier en twintig personen genomen worden; want in het volgende hoofdstuk zingen zij: „Gij hebt Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie.quot; Zij zijn dus de vertegenwoordigers eener groote schaar — niet van engelen, maar van heiligen, die uit alle volken en geslachten der aarde gekocht zijn door het bloed van Jezus. En deze heiligen zien wij \\aGV in den hemel. Zij omringen Gods troon. Zij zijn bekleed en gekroond.

102

-ocr page 117-

I

H. IV : 4. DE OPENBARING. 103

Niet vele geloovigen zullen tegen deze verklaring opkomen. Over het algemeen ziet men in deze oudsten de vertegenwoordigers der hemelsche heiligen. Doch nu doen zich weer nieuwe vragen op. Stellen die oudsten voor de ontslapen heiligen, die nu met Christus zijn? Of vertegenwoordigen zij de heiligen gedurende de duizend jaren? Ik geloof, dat wij beide vragen ontkennend moeten beantwoorden; en dat de tijd, in hoofdstuk IV en V bedoeld, begint na de opstanding-der in Christus ontslapenen, en vóór den aanvang van het duizendjarig rijk. En dat wel om de volgende redenen.

Vooreerst is het duidelijk, dat de symbolische voorstelling van vier en twintig oudsten doelt op het geheel van de hemelsche heiligen; niet op een gedeelte, hoe groot ook, maar op het geheel. Er waren juist zóóveel priesterorden, en niet meer. Zoolang er zich nog leden van Christus op aarde bevinden, zijn de gezamenlijke heiligen niet in den hemel; en tot op Jezus\' komst in de lucht blijven er leden van Christus op aarde, „want,quot; zegt de Apostel, „wij zullen niet allen ontslapen ;quot; met andere woorden, er zullen tot op \'s Hee-ren komst leden van Christus op aarde blijven. Wanneer evenwei de Heer komt, dan zullen de ontslapenen eerst opgewekt, en daarna wij, die levend zijn overgebleven, veranderd worden, om gezamenlijk met de anderen den Heere te gemoet in de lucht te worden opgenomen. Begrijpen wij derhalve de symbolische voorstelling goed, dan moeten al de leden van Christus vereenigd en in denzelfden toestand zijn; en daar dit niet het geval is, en nooit het geval zijn kan, zoolang de ontslapenen nog niet opgewekt, en wij nog

-ocr page 118-

BESCHOUWING OVER

H. IV : 4.

104

niet veranderd zijn, zoo volgt hieruit, dat dit gezicht

eerst dan in vervulling zal getreden zijn, wanneer quot;T*

\'s Heeren Gemeente in den hemel is opgenomen.

Bovendien, deze vier en twintig oudsten zijn bekleed met witte kleederen, en hebben gouden kronen op hunne hoofden. Zij worden derhalve voorgesteld als verheerlijkte heiligen met nieuwe, heerlijke lichamen.

En de verheerlijking der heiligen heeft eerst plaats bij Jezus\' komst in de lucht; want alsdan worden de ontslapenen opgewekt en de levend overgeblevenen veranderd, en dan eerst hebben allen een onsterfelijk, onverderfelijk lichaam, gelijkvormig aan het heerlijk lichaam van Jezus. — Derhalve kunnen deze oudsten onmogelijk de ontslapen heiligen voorstellen, maar moeten de vertegenwoordigers zijn van de geheele schaar der hemelsche heiligen.

En in de ticeede plaats deze vier en twintig oudsten kunnen onmogelijk de hemelsche heiligen gedurende het duizendjarig rijk voorstellen; want het duizendjarig rijk komt eerst in hoofdstuk XX; en de vier en twintig oudsten zijn in den tijd der zegelen, bazuinen en schalen, derhalve in den tijd der oordeelen, die aan het duizendjarig rijk voorafgaan, in den hemel. In hoofdstuk IV en V wordt ons aangetoond, welk een gezegende plaats en positie zij in den hemel innemen,

en daarna ontmoeten wij hen telkens weder gedurende de oordeelen in den hemel, als het ware, om ons de verzekering te geven, dat zij hunne plaats van rust en heerlijkheid in den hemel niet hebben verlaten. (Zie hoofdst. VII: 13; XI: 16; XIV: 3; XIX: 4.) Na hoofdstuk XIX: 4 hoeren wij niet meer van hen, aangezien in dat hoofdstuk de symbolische voorstelling

-ocr page 119-

H. IV : 4, 5.

105

DE OPENBARING.

verandert in de werkelijkheid, en de hemelsche hei-•V ligen (die van het vierde hoofdstuk af als oudsten

worden voorgesteld) met Christus, den Koning der eere, den hemel verlaten, om het heerlijk vrederijk hier beneden op te richten.

De vier en twintig oudsten stellen derhalve de ontelbare schare der heiligen voor, die bij Jezus\' komst in de lucht zullen worden opgenomen in den hemel. Niet in het karakter van de gemeente of de bruid van Christus vertoonen zij zich hier aan ons oog, maar als koningen en priesters. In volkomene rust en volmaakt geluk omringen zij Gods troon. Terwijl toch „bliksemen en stemmen en donderslagenquot; van den troon uitgingen, waardoor de schrikkelijkste oordeelen over de aarde worden uitgestort, blijven zij kalm en rustig zitten op hunne tronen. Al wat er gebeurt, verschrikt hen niet, boezemt hun geene vreeze in; integendeel, het stemt hen, gelijk wij zien zullen, tot lof en dank aan God, in wiens raadsbesluiten en daden zij zich verheugen.

„En van den troon gingen uit bliksemen en stemmen en donderslagen; en zeven vurige lampen brandden voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods.quot; (vs. 5.) Welk een verandering in Gods wegen zal er plaats gevonden hebben, wanneer deze troon is opgericht! Het is zoo klaar als de dag, dat deze troon niet is de troon, tot welken wij naderen; want dat is de troon der genade, terwijl dit de troon des oordeels is. Deze troon heeft niets met de genade van doen. De symbolen, die hier gebruikt worden, duiden het oordeel aan. Uit den troon der genade, tot welken wij naderen, vlooien stroomen van zegen, zoodat wij ter rechter tijd kunnen geholpen

-ocr page 120-

BESCHOUWING OYER H. IV ; 4, 5.

worden; terwijl van dezen troon uitgaan „bliksemen en stemmen en donderslagen.quot; De troon, dien wij hier zien, is dezelfde, voor welken eenmaal alle menschen zullen verschijnen, en voor welken de dooden zullen gedaagd worden om hun schrikkelijk vonnis te vernemen. Maar niet alleen gingen er bliksemen en stemmen eu donderslagen van den troon uit, „vóór dien troon brandden zeven vurige lampen, welke zijn de zeven Geesten Gods.quot; De Heilige Geest vertoont zich hier niet in de gedaante van een duif, gelijk toen Hij op den Heer Jezus nederdaalde. Hij vertoont zich ook niet, zooals op den Pinksterdag, toen de kracht Gods geschonken werd om in vreemde talen de groote daden Gods te verkondigen. Maar wij zien Hem hier onder het symbool van „zeven vurige lampen.quot; Vuur is het welbekende zinnebeeld van de onderzoekende en oor-deelende heiligheid van God. „De zeven vurige lampenquot; stellen dus voor : de Heilige Geest in zijne volmaaktheid als een ontdekkend licht en een verterend vuur. Derhalve niet om de menschen tot bekeering te brengen, maar om in overeenstemming met Gods heiligheid alles te onderzoeken en aan het oordeel prijs te geven, zijn de zeven Geesten Gods voor den troon.

\'tls duidelijk genoeg, dunkt mij, dat dit alles niet toepasselijk is op den tegenwoordigen tijd; want nu staat de genadetroon open , en de dag der genade duurt voort. Evenmin kan dit toegepast worden op het duizendjarig rijk, dewijl alsdan een stroom van levend water, klaar als kristal, uit den troon voortkomt. (Zie hfst. XXII: 1.) Het kan dus alleen betrekking-hebben op het korte tijdperk, \'t welk verloopt tusschen de opneming der gemeente in den hemel en den aan-

106

-ocr page 121-

H. IV : 6 — 8. DE OPENBARING.

vang der duizendjarige heerlijkheid. Dit tijdperk is gekenmerkt door de oordeelen , die over de aarde zullen worden uitgestort. De geheele aarde zal beven eu sidderen, als deze bliksemen en stemmen en donderslagen beginnen, gelijk achtereenvolgens voor onze blikken zal worden ontvouwd.

Doch de heiligen in den hemel zijn hier boven verheven. Zij zijn verheerlijkt en gekroond. Zij zitten rondom den troon in volmaakte rust. De overwinning is door hen behaald. De tijd van moeite en verdriet, van lijden en zorgen, van verzoeking en zonde is voor eeuwig voorbij.

Niet meer een koperen zee met vloeiend water zien wij voor den troon, maar een glazen zee, gelijk kristal. (vs. 6.) De heiligen zitten rondom den troon zonder vlek of rimpel of iets dergelijks; en daarom is het vloeibare water, dat hier beneden tot reiniging en voetwassching dient, een vaste, kristalheldere massa geworden, waarin zij zich spiegelen kunnen zonder beschaming. Wonderbaar voorrecht! Onuitsprekelijke genade! Hoe heerlijk zulks nu reeds te weten, en daarop onzen blik te mogen vestigen! Zelfs voor den troon des gerichts behoeven wij niet te vreezen, want die in den Zoon gelooft, komt niet in het oordeel, maar is uit den dood overgegaan in het leven.

„En in het midden des troons en rondom den troon waren vier dieren, vol oogen van voren en van achteren. En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gel ij k, en het derde dier had het aangezicht als van een mensch, en het vierde dier was een vliegenden arend g e 1 ij k.

107

-ocr page 122-

BESCHOUWING OVER H. IV : 6 — 8.

108

En de vier dieren hadden elkeen voor zich zes vleugelen; rondom en van binnen waren zij vol oogen, en zij hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig, Heer, Grod, Almachtige, die was, en die is, en die komt!quot; (vs. 6—8.)

Deze vier dieren doen ons het ware, met Gods heiligheid overeenkomend karakter van den troon kennen, en stellen ons zinnebeeldig de wijze van uitvoering des goddehjken oordeels voor. Hunne verschijning, zoowel als hunne werkzaamheid herinnert ons aan de cherubijnen, welke in Ezech. X met Gods troon in verbinding staan! (1) De geheele Schrift door staan zij

1

De cherubijnen beslaan een gewichtige plaats in de Schrift. In Genesis III wordt voor het eerst melding van hen gemaakt. Een cherub met een vlammend zwaard werd door God bij den hol Eden geplaatst, om den weg van den boom des levens te bewaren. In het tweede boek van Mozes vinden wij de cherubijnen op het verzoendeksel. Heerlijk is de wijze, waarop zij daar voorgesteld worden. Waarheen richten zij hunne blikken? Naar binnen* Hadden zij voor zich uitgezien , dan zouden zij zondaren hebben aanschouwd; hadden zij in de ark gezien, dan zouden zij hun oog op de wet geslagen hebben; maar nu zij naar binnen zagen» was hun blik gevestigd op het verzoendeksel en op het bloed, dat daar gesprengd was. In Salomo\'s tijd vinden wij een belangrijk onderscheid. De stand der cherubijnen is geheel veranderd; zij zien niet meer naar binnen , maar naar buiten. Salomo\'s dagen toch schaduwen den heerlijken tijd van Jezus\' regeering op aard© af; en dan zal de zonde geoordeeld zijn, en de goedertierenheid des Heeren over de gansche aarde neerdalen gelijk de zegen op het dorre gras. Eindelijk in Ezechiël vinden wij de cherubijnen als werktuigen van het oordeel Gods, dat over Israël komen zal, omdat zij den genadetroon hebben verworpen; en het is op de laatste wijze, dat ook in de Openbaring van deze cherubijnen wordt melding gemaakt.

-ocr page 123-

H. IV : 6 — 8. DE OPENBAR1KG.

in betrekking tot de oordeelende en besturende macht van God. Zij zijn „vol oogen van voren en van achteren,quot; en daarom als werktuigen tot het gericht in staat om alles te zien en te beoordeelen. Zij worden ons voorgesteld als de hoofden van vier klassen van geschapen wezens op aarde; wij zien den mensch, de wilde dieren, de tamme dieren en de vogelen des hemels. De leeuw is het symbool van kracht en majesteit; het kalf of de jonge stier van geduldige volharding; de mensch van verstand, en de arend van snelheid. Zij stellen dus zinnebeeldig voor: de kracht, de volharding, het verstand en de snelheid, waarmede God zijne oordeelen zal uitvoeren. De „zes vleugelenquot; duiden aan de bovennatuurlijke vlugheid, waarmede zij de oordeelen Gods uitvoeren; terwijl „de oogen rondom en van binnenquot; voorstellen hunne inwendige bekwaamheid om alle dingen te beoordeelen en aan het licht te brengen. En evenals de almachtige en oneindige God, de Koning der gansche aarde en de Schepper aller dingen, van den beginne af is geprezen en verheerlijkt geworden, zoo hebben ook zij geen rust dag en nacht, maar roepen onophoudelijk: „Heilig, heilig, heilig. Heer, God, Almachtige, die was, en die is, en die komt!quot; Zij prijzen de volkomene heiligheid Gods, die niets onreins in hare tegenwoordigheid dulden kan, en die het uitgangspunt is van zijn oordeel, waardoor Hij zijne natuur en zijn karakter, als de God, „die leeft tot in alle eeuwigheid,quot; onder de kinderen der menschen zal rechtvaardigen.

Doch een nieuw tooneel vertoont zich aan onzen blik — een tooneel van onvergelijkelijke schoonheid en heerlijkheid voor ons. De hemelsche heiligen, die

109

-ocr page 124-

BESCHOUWING OVER H. IV : 9—11.

no

zonder vrees, geheel op hun gemak, in Gods tegenwoordigheid verkeeren; die onbewegelijk op hunne tronen blijven zitten, waar de oordeelen over de aarde worden uitgestort; verlaten hunne fgt;hiats, zoodra zij hooren, dat do dieren „heerlijkheid en eer en dankzegging geven aan Hem, die op den troon zit, die leeft tot in alle eeuwigheid.quot; Zij vallen neder voor Hem, die op don troon zit, en aanbidden Hem. De bliksemen en stemmen en donderslagen konden hen niet bewegen hunne plaats te verlaten; want het oordeel kan niet treffen degenen, die Gods gerechtigheid in Christus geworden zijn; doch zoodra de heerlijkheid Gods wordt geprezen, kunnen zij onmogelijk op hunne tronen blijven zitten, maar moeten aan den drang huns harten gevolg geven, on zich neerbuigen voor den Almachtige, en Hem aanbidden, die leeft tot in alle eeuwigheid. De dieren, als de uitvoerders van Gods oordeelen, prijzen de heerlijkheid des Almachtigen; maar de hemelsche heiligen aanbidden. Zij kennen God; zij begrijpen zijne wegen; zij stemmen in met zijne plannon en raadsbesluiten. Geestelijk inzicht is hun gegeven; der goddelijke natuur zijn zij deelachtig. En daarom, in het volle bewustzijn van Gods grootheid en macht, aanbidden zij; in het diep gevoel hunner onwaardigheid nemen zij hunne kronen van het hoofd, en werpen ze neder voor den troon, als willen zij zeggen: De kroon der eere, die Gij ons op het hoofd gezet hebt, komt ons eigenlijk niet toe; U alleen komt van alles toe de lof en de eer en de dankzegging. „Gij zijt waardig, o onze Heer en onze God! te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want Gij hebt alle din-

-ocr page 125-

H. IV : 9—11. DE OPEHBAEING.

gen geschapen, en door uwen wil waren zij, en zijn zij geschapen geworden.quot; (vs. 9—11.) In het volgende hoofdstuk prijzen zij de waardigheid en het werk van het Lam, dat geslacht is, maar hier verheffen zij God als Schepper en Bestuurder aller dingen, en geven daardoor blijk, dat zy de ware kennis van Gods wezen en macht bezitten.

Bedenken wij wel, dat God ons deze dingen geopenbaard heeft, opdat wij er ons nu reeds in verheugen zouden. Deze heerlijkheid is ons reeds geschonken, hoewel wij haar nog niet genieten kunnen. Doch door het geloof weten wij, dat zij ons deel is , en dat wij haar eenmaal in al hare volheid zullen genieten. Wat stelden de oudsten in staat om zoo rustig en kalm te midden der oordeelen te zijn? Niets anders dan, wat God gedaan heeft door het kruis van Christus. En dat is nu reeds volbracht. Wat in den hemel onze vreugde en zekerheid uitmaakt, is onze zekerheid en vreugde op aarde. In beginsel is er geen onderscheid; alleen zullen wij dan beter kennen en meer genieten. Vandaar dat wij nu reeds aanbidden kunnen op dezelfde wijze, als wij het eenmaal in den hemel zullen doen; en stellig heeft de Heer ons dit tooneel te aanschouwen gegeven, opdat wij nu reeds weten zouden, op welke wijze Hij wil aangebeden en verheerlijkt worden; en opdat wij als ware aanbidders den Vader aanbidden zouden in geest en in waarheid. Onuitsprekelijke genade ! Heerlijk voorrecht! Door Gods volmaakte liefde is de vrees buitengedreven; en zijn wij, zelfs vóór den rechterstoel, vol vreugde en dankbaarheid, en denken aan niets anders dan aan het verheerlijken van Hem, die als de Rechter der gansche aarde zijne oordeelen uitvoert.

111

-ocr page 126-

BESCHOUWING OVER

H. V : 1.

112

Hoofdstuk V. — Voorwaar! het is Gods ontfermende liefde, die ons in het vorige hoofdstuk veroorloofde om de rust van de hemel sche heiligen gedurende de komende oordeelen te aanschouwen. Doch deze schilderij zou onvoltooid gebleven zijn, indien de Heilige Geest er geen nieuwe schoonheden aan toegevoegd had. Want hoewel de heiligen, die den troon omringen, met geestelijk inzicht God aanbaden, en zijne heerlijkheid in de schepping en regeering der aarde verstonden , zqo openbaarde God zich daar toch in een zekere gelieimnisvolle majesteit, welke den aanbidder niet veroorloofde verder te gaan dan het prijzen van Gods scheppingsmacht. In dit hoofdstuk vinden wij evenwel meer dan de heerlijkheid der schepping. Hier treffen wij de heerlijkheid der verzoening aan, en dat wel in verbinding met Gods wegen en gedachten ten aanzien van de aarde. Ons oog aanschouwt het geslachte Lam; en de heiligen, in heilige geestdrift ontvonkt, heffen een nieuw lied aan, het verlossingslied des Lams.

Op treffende wijze wordt dit ingeleid. Zoolang nog alleen de scheppingsmacht van God werd verheerlijkt, was er geen spraak van een boek; doch nu het Lam zal verschijnen, ziet de profeet „in de rechterhand van Hem, die op den troon zat, een boek, beschreven van binnen en van buiten, met zeven zegelen verzegeld.quot; Een boek was in dien tijd een rol, in gewone gevallen slechts aan ééne zijde beschreven. Doch hier was een overvloeiende mate van openbaring der raadsbesluiten en plannen van God met betrekking tot de aarde. Daarom was deze rol van binnen en van buiten beschreven; en aangezien het boek vol was, was het met zeven

-ocr page 127-

H. V : 3—5. DE OPENBARING.

zegelen verzegeld. Niemand was waardig dat boek te openen. Op de vraag des engels; „Wie is waardig het boek te openen en zijne zegelen te verbreken ?quot; is liet antwoord, dat geen schepsel, in den hemel of op de aarde, op deze waardigheid aanspraak maken kan. (vs. 2, 3.) Wie zou ook bekwaam zijn om Gods raadsbesluiten en plannen te ontvouwen en uit te voeren? l)e profeet weent hierover. Hij was nog op aarde, en verstond Grods gedachten nog niet volkomen. Doch een van de oudsten als vertegenwoordiger der heniolsche heiligen, die in de gedachten en wegen Gods zijn ingeleid, roept den weenenden profeet toe: „Ween niet, zie, de leeuw uit den stam van Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen en zijne zeven zegelen.quot; (vs. 5.)

Merkwaardig is de beschrijving, die hier van den Heer Jezus gegeven wordt. Hij is uit den stam van Juda gesproten, wat hot vleesch aangaat; en Jakob\'s voorspelling, op zijn sterfbed uitgesproken, vindt in Hem hare vervulling; Hij toch is do leeuw uit den stam van Juda, vol majesteit en kracht zich vertoo-nende. Maar Hij is niet alleen uit Davids geslacht voortgekomen, Hij is ook de wortel Davids. Davids zoon is Davids Heer. Gelijk ook Johannes de dooper getuigde: „die na mij komt, is vóór mij geworden.quot; Als God en Mensch en Israëliet staat Jezus hier voor ons. Maar tevens als de Overwinnaar. O voorzeker, de Heer Jezus zou ten allen tijde krachtens zijne persoonlijke heerlijkheid waardig geweest zijn het boek te openen; maar dan zou hot openen van dat boek voor ons al zijne beteekenis verloren hebben. Doch nu Hij waardig is dat boek te openen krachtens de over-

S

113

-ocr page 128-

BESCHOUWING OVER

H. V ; 6.

114

winning, door Hem behaald over zonde, dood en duivel, kunnen wij zonder vreeze luisteren naar den geheimnisvollen inhoud van dit verzegelde boek.

Na dit antwoord zal Johannes zeker verwacht hebben een leeuw te zien verschijnen; doch, neen! in plaats van het symbool der kracht vertoont zich voor zijn oog het zinnebeeld van zwakheid en dood. „En ik zag in het midden van den troon en van de vier dieren, en in het midden van de oudsten, een Lam, staande als geslacht.quot; (vs. C.) En dat Lam, staande als geslacht, is bekleed met volkomene macht, want het heeft „zeven hoornen,quot; en het bezit volmaakte wijsheid en inzicht, daar het „zeven oogenquot; heeft, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over do geheele aarde; zoodat het geslachte Lam alle macht heeft in hemel en op aarde, en Hij de uitvoerder is van al Gods plannen, terwijl Hij de oordeelen Gods brengt over deze aarde. Wondervolle aanblik! De Koning der koningen en de Heer der heeren staat in het midden van den troon als het Lam, dat geslacht is! De verzoening is de grondslag van alles. Niet alleen de grondslag van onze aanneming bij God, van do vergeving onzer zonden, van de eeuwige heerlijkheid, welke ons deel zal zijn; maar ook van de herstelling aller dingen. Hij, die ons met Zichzelven verzoend heeft door den dood van Christus, zal ook eenmaal alle dingen tot Zichzelven verzoenen, hetzij de dingen, die op de aarde , hetzij de dingen, die in de hemelen zijn, daar Hij door het bloed van Christus vrede gemaakt heeft. En Christus heett om de vreugde, welke voor Hem lag, namelijk ons een plaats te kunnen geven aan het hart en in het huis des Vaders,

-ocr page 129-

DE OPENBARING.

H. V : 6.

115

het kruis verdragen, en de schande veracht; maar tevens heeft Hij zich door dienzelfden dood het recht verworven om over hemel en aarde te regeeren, en al zijne vijanden te leggen tot een voetbank zijner voeten.

Doch bovendien, Grod wil ons toonen, dat alle heerlijkheid vereenigd is in dien Christus, die hier beneden gesmaad en verworpen was. Hetgeen aan alle verwachtingen der geloovige Israëlieten den bodem scheen in te slaan, heeft den weg geopend voor de openbaring van verhevener plannen en raadsbesluiten. Menschelijkerwijze beschouwd , spraken kruis en graf van nederlaag en vernietiging. Hij, die zegenen, duivelen uitdrijven, ziekten genezen en zonden vergeven kon, was verworpen en een prooi des doods geworden; zoodat alle aan Hem geknoopte verwachtingen, als het ware, in rook vervlogen waren. Doch juist dezen weg sloeg Gods ontfermende liefde in, om zijne heerlijkheid in haren vollen glans te kunnen openbaren, en ons naar zijn hart te kunnen zegenen. Dat is de vreugde Gods. Gelijk zijn Zoon van alle eeuwigheid af zijne vreugde en zijn welbehagen was; gelijk zijn Zoon, mensch geworden, de blijdschap zijner ziel was, toen Hij hier beneden wandelde en Hem verheerlijkte, zoo is die Menschgoworden Zoon, nu met eer en heerlijkheid gekroond, tot in eeuwigheid het middelpunt des heelals, het welbehagen zijns harten en het voorwerp zijner voortdurende vermaking. Wonderbaar voorrecht, ons geschonken, van aan die vreugde en aan dat welbehagens des Vaders deel te mogen hebben! Tot in eeuwigheid zullen wij ons in Hem verblijden, en Hem in het midden zien als het Lam, dat geslacht is. Nooit zal Hij ophouden mensch te zijn.

-ocr page 130-

BESCHOUWING OVER H. V : 6—8.

Alle eeuwigheden door zullen de teekenen van zijn lijden en sterven aan zijn gezegend en heerlijk lichaam te zien zijn.

Wonderbaar is het tooneel, dat zich hier voor ons oog vertoont. Het middelpunt van alles is het Lam, dat geslacht is. Op den troon zit de Heere God, de Almachtige, die was, en die is, en die komt. En in het midden van den troon staat het geslachte Lam. Rondom den troon zijn de vier en twintig tronen der oudsten. Daarom heen staan de tien duizend maal tien duizenden engelen geschaard, en eindelijk beschrijft alle schepsel den laatsten kring rondom den troon en het Lam. Zoodat het Lam , dat geslacht is, niet alleen is het middelpunt der heiligen, het middelpunt dei-engelen en der schepping, maar zelfs het middelpunt van Gods troon en regeering. Zoo zal het zyn tot in alle eeuwigheid. Zoo is het reeds nu in de gemeente op aarde — al is het in groote zwakheid verwezenlijkt. „Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen,quot; zeide de Heer. Onze eeredienst op aarde moet een navolging zijn van de eeredienst daarboven. Alleen dan is zij den Heere waardig, en voor zijn hart verkwikkend.

Waarin deze eeredienst bestaat, welke de stemming en de gezindheid der heiligen is, die daaraan deelnemen , leert ons dit onovertroffen tooneel op treffend schoone wijze. Zoodra het Lam het boek genomen had uit de rechterhand van Hem, die op den troon zat, ontstond er een groote beweging onder de bewoners des hemels. Evenals in het vorige hoofdstuk, toen de vier dieren den lof des Heeren vertelden, de vier en twintig oudsten zich neerbogen voor Hem, die op den

116

-ocr page 131-

H. Y : 9, 10. DE OPENBARING.

117

troon zat, zoo vallen zij ook hier, in vereeniging met de vier dieren, voor het Lam neder, en brengen Hem hunne dankzegging en aanbidding. Hoe onuitsprekelijk heerlijk is het dit te aanschouwen! Het boek toch, dat hot Lam in zijne hand houdt, is het boek des oordeels; zoodra het geopend wordt, worden de eerste gerichten over de aarde uitgestort; en in plaats van vrees of schrik vervult blijdschap en dankzegging de harten der heiligen. Het Lam heeft overwonnen, en de verzoening, door Hem aangebracht, heeft elke verwijdering tusschen God en zijne vrijgekochten voor eeuwig weggenomen, zoodat er niets anders overblijft dan lof, dank en aanbidding te brengen aan Hem, die dat groote werk heeft volbracht. Deze aanbidding van het Lam is de hoogste trap van verheerlijking van Hem, die op den troon zit, aangezien Hij in het Lam, dat geslacht is, al zijne hoedanigheden en eigenschappen op het hoogste verheerlijkt ziet. En gelijk vroeger in den tabernakel in de woestijn bij feestelijke gelegenheden zilveren bazuinen, en later onder David de harpen hunne tonen deden weerklinken, zoo dragen ook de vier en twintig hoofden des koninklijken pries-terdoms gouden harpen in hunne handen; en terwijl uit gouden schalen hun reukwerk — de gebeden der heiligen — tot God opstijgt, weerklinkt, begeleid van de zachte tonen der harpen, het loflied der bevrijding door de zalen des hemels: „Gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want gij zijt geslacht, en hebt Go de gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie, en hebt hen gemaakt koningen en priesters voor onzen God; en zij zul-

-ocr page 132-

BESCHOUWING OVER H. V : 9, 10.

len over de aarde heerschen!quot; (vs. 9, 10.)

Dit loflied der bevrijding wordt het nieuwe lied genoemd, stellig niet in dien zin, dat wij het dan eerst zullen \'kennen, en het dan voor de eerste maal zullen zingen; want het wordt hier medegedeeld, opdat wij ons nu reeds verblijden zouden in de heerlijke positie, die ons deel geworden is; en wij hebben het reeds duizende malen oj) aarde gezongen. Het is een nieuw lied in tegenstelling met de oude liederen dei-oude bedeeling, waarin van een volbrachte verlossing en van een deelen met Christus in zyne heerlijkheid geen sprake kon zijn. Voorzeker het zal dan op volmaakte wijze, zonder stoornis en gebrekkigheid door ons gezongen worden; maar toch is de inhoud van het lied, dat wij nu aanheffen, gelijk aan dien van het hemelsch lofgezang. De merkwaardige overeenstemming tusschen het lied, dat in het eerste hoofdstuk de gemeente op aarde aanheft, met dat, \'t welk in den hemel zal gezongen worden, getuigt daarvan op treffende wijze.

Eer wij verder gaan, vereischt nog ééne bijzonderheid onze aandacht. Yan de vier en twintig oudsten (niet van de vier dieren) wordt gezegd, dat zij elk een harp en gouden schalen vol reukwerk hebben. Deze gouden schalen vol reukwerk stellen zinnebeeldig voor de gebeden der heiligen. De oudsten brengen dus de gebeden der heiligen als reukwerk voor God. Dat deze gebeden der heiligen geen gebeden van de oudsten zeiven kunnen zijn, zal ieder toestemmen, die bedenkt, dat de verheerlijkte heiligen in den hemel — en die worden, gelijk wij gezien hebben, door de vier en twintig oudsten voorgesteld — wel danken, maar niet meer bidden. Al hunne gebeden toch zijn

118

-ocr page 133-

H. V : 11, 12. DE OPEXBARING.

verhoord, en al hunne behoeften bevredigd. Derhalve moeten de heiligen, wier gebeden door de oudsten voor den troon worden gebracht, zich op aarde bevinden. Het zijn de heiligen, die na de opneming dei-Gemeente onder de regeering van den Antichrist zijn bekeerd geworden, en tot Grod roepen om verlossing uit hunne ellende. In het verdere gedeelte van de Openbaring zullen wij hen meermalen, in verschillende omstandigheden, aantreffen; en wij kunnen de oordee-len, die over Gods vijanden worden uitgestort, en de eindelij ke verlossing dier heiligen door de komst van den Koning der volken, als een verhooring beschouwen van de gebeden, die door de tusschenkomst der hemelsche priesterschaar voor den troon des Almach-tigen gebracht worden.

Na de vier en twintig oudsten komen de tienduizend maal tienduizende engelen om het geslachte Lam te loven en te prijzen. Treffend bewijs van onze innige gemeenschap met God! Tusschen den troon van God en van het Lam en de hemelsche heiligen bevindt zich niemand. De hemelsche heiligen omringen dien troon onmiddellijk. De engelen vormen den tweeden kring. Zij staan verder van den troon dan wij. De verlosten zijn tusschen hen en den troon. Met blijdschap — want in den hemel is geen jaloezie — erkennen zij, dat den vrijgekochten en door het bloed des Lams met Christus verbonden heiligen de eerste plaats toekomt. De engelen toch kunnen onmogelijk met dei-heiligen diep gevoelden dank voor de hun geschonken verlossing instemmen, want zij hebben aan die verlossing geen deel. Zij bleven in hunnen eersten toestand, zoodat zij geen verzoening, geen verlossing

119

-ocr page 134-

BESCHOUWING OVER H. V I 11 —13.

behoefden. Doch zij verlustigen zich in de heerlijkheid van Jezus, en verheugen zich in de door Hem volbrachte verlossing. Toen Jezus geboren was, verkondigden zij zijnen lof in Bethlehem\'s velden; gedurende Jezus\' omwandeling op aarde daalden zij van den hemel neder om Hem te dienen en te sterken; en wanneer Jezus van den hemel neerdaalt om zijne vijanden te verdoen, dan volgen Hem do engelen zijner kracht; terwijl in het koninkrijk van Christus Gods engelen zullen opklimmen en nederdalen op den Zoon des menschen. En waar Petrus ons leert, dat do engelen begeerig zijn om in de heilgeheimen Gods in te zien, daar vernemen wij hier, hoe zij, de oorzaak alles heils en aller zegeningen voor de verlosten en voor het gansch heelal kennende, de macht en de heerlijkheid prijzen en verheffen van het Lam, dat door de wereld was gesmaad en verworpen, en met groote stem uitroepen : „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wij s-heid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.quot; (vs. 11, 12.)

Doch de Profeet verneemt niet alleen de lofzeggingen der engelen, hij hoort ook „alle schepsel, dat in den hemel en op de aarde en onder de aarde, en op de zee is, en alles wat daarin is,quot; met dien lof instemmen, en zeggen: „Hem, die op den troon zit, cn het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht tot in alle eeuwigheid.quot; (vs. 13.) Heerlijke tegenstelling met het zuchten der schepping, \'t welk thans vernomen wordt! Wel is waar, Johannes ziet nog slechts het begin der eindeloozc heerlijkheid

120

-ocr page 135-

H. V : 13, 14. DE OPENBARING.

en lofzeggingj nog veel moet er gebeuren, eer de werken des duivels volkomen verbroken, eu de gevolgen der zonde uit God? schoone schepping verdwenen zijn; maar toch verneemt zijn oor reeds nu, bij het lofgezang der oudsten en bij de lofzegging der engelen, de verheerlijking des Lams uit alle deelen der schepping. Hoe zou het anders kunnen! Zou de schepping, die zoovele eeuwen om de zonde van Adam onder den vloek verkeerde, en als in barensnood zuchtte, verwachtende de openbaring der heerlijkheid der kinderen Gods, zich niet onuitsprekelijk verheugen, nu het Lam, als de Overwinnaar van zoude, dood en duivel, in het midden van den troon verschijnt, om ook haar te bevrijden van de slavernij der verderfelijkheid ?

Allen stemmen dus in met den lof en de verheer-lijking van het Lam, dat geslacht is. De heiligen, de duizende engelen , de geheele schepping verheugen zich in Hem, die het Middelpunt is van Gods gedachten, het Voorwerp van Gods welbehagen, de Overwinnaar van dood en duivel, van zonde en hel, het Hoofd aller dingen, de Koning der koningen en de Heer der heeren.

121

Doch hoe groot ook de algemeene vreugde zijn moge, alleen de heiligen gevoelen de grootte en diepte dei-genade, tentoongespreid in de volbrachte verzoening; en daarom, waar de vier dieren hun „Amenquot; doen hooren, vallen de oudsten neder om te aanbidden. Zij toch alleen zijn de voorwerpen dier genade; zij alleen hebben deel aan de verzoening; zij alleen smaken de vreugde van Gods onuitsprekelijke liefde, in hunne X verlossing geopenbaard.

Vatten wij nu nog kortelijk den inhoud dezer Hoofdstuk-

-ocr page 136-

BESCHOUWING OVEK H. V : 1 — 14.

ken te zamen. Drie lioofdpunten werden ons voorgesteld:

1°. God zit op den troon, en van dien troon gaan uit bliksemen, donderslagen en stemmen;

2°. Alle dingen worden gesteld in de handen van het Lam, dat geslacht werd, \'t welk de plannen en raadsbesluiten van God ten uitvoer brengt;

3°. In volmaakte zekerheid en rust omringen de hemelsche heiligen den troon, en verheugen zich in Gods tegenwoordigheid gedurende de uitstorting van de oordeelen over de goddelooze wereld; en derhalve langen tijd, voordat de dag des Heeren komen zal, op welken zij met Hem in heerlijkheid zullen verschijnen.

Staan wij nog een oogenblik bij dit laatste punt stil. De komst des Heereu om de heiligen op te nemen, en ze in de voor hen bereide woning des Vaders in te voeren, en Jezus\' verschijning met zijne heiligen in heerlijkheid op aarde zijn twee zeer verschillende gebeurtenissen , die natuurlijkerwijze door een zekeren tusschentijd van elkander gescheiden ziju. Wanneer toch de Heer met zijne vele (luizende heiligen van den hemel verschijnen zal op aarde, met groote kracht en heerlijkheid, om zijne vijanden te oordeelen en zijn koninkrijk hier beneden op te richten, dan moeten die heiligen vooraf in den hemel zijn opgenomen, en dan verloopt er eenige tijd tusschen hunne opneming tot Hem en hunne komst met Hem. Yan dien tusschentijd spreekt ons de Openbaring. In geen ander gedeelte der Schrift wordt ons zóó duidelijk als hier die tusschentijd aangegeven, en de gebeurtenissen, welke daarin plaats vinden, geregeld beschreven. quot;Wij zullen later zien, bij de behandeling der volgende Hoofdstuk-

122

-ocr page 137-

H. V : 1—14. DE OPENBARING.

123

ken, hoe de profetie in de Openbaring door de voorzeggingen van de Profeten des Ouden Verbonds wordt aangevuld; doch alleen in de Openbaring wordt ons een geregelde voorstelling gegeven van de toekomende gebeurtenissen. Wij vinden in de Openbaring geen beschrijving van de opneming der heiligen in den hemel, omdat dit boek zich niet met de daden dei-genade , maar integendeel met die der gerechtigheid en des oordeels bezighoudt; doch deze opneming, profetisch aangekondigd in den brief aan Filadelfia, wordt als gebeurd voorondersteld; en in de nu door ons behandelde Hoofdstukken vinden wij als resultaat daarvan de heiligen, verheerlijkt — bekleed en gekroond, en dus niet als zielen — in den hemel, rondom den troon van God en van het Lam. In het negentiende Hoofdstuk verlaat de Heer den hemel en wordt gevolgd door zijne heiligen. Hij verschijnt in heerlijkheid, vernietigt zijne vijanden en begint zijne heerlijke regeering op aarde, aan welke regeering de met Hem van den hemel gekomen heiligen deelnemen. De gebeurtenissen, welke ons in de Hoofdstukken tusschen het vierde en vijfde en het negentiende Hoofdstuk worden medegedeeld, vinden derhalve plaats tusschen de opneming der heiligen in den hemel en hunne komst met Jezus van den hemel. Wie dus gedurende deze gebeurtenissen de hemelsche heiligen op aarde zoekt, kan zich van die gebeurtenissen geen begrip vormen, en komt er noodzakelijk toe om in de verloopen eeuwen naaide vervulling dier voorzeggingen te zoeken; waarvan het natuurlijk gevolg is, daar alleen vervulde pro-fetiën A\'oor een ieder duidelijk en klaar zijn, dat er zoovele verklaringen dier voorzeggingen zijn, als er

-ocr page 138-

124 BESCHOUWING OVER H. V : 1 —14.

uitleggers gevonden worden. Heeft men evenwel begrepen, dat de hemelsclie heiligen reeds verheerlijkt en als één geheel — door de vier en twintig oudsten

voorgesteld — in den hemel zijn vóór de beschrijving der

oordeelen, die over de aarde komen zullen, dan is alles eenvoudig en duidelijk, en vindt men in de Hoofdstukken VI — XIX een geregelde mededeeling van hetgeen er tusschen de opneming der heiligen in den hemel bij \'s Heeren komst in de lucht en de wederkomst des Heeren op aarde met zijne heiligen zal

plaats vinden.

Ieder nadenkend Christen zal het groot praktisch belang van deze zaak gevoelen. Het wordt ons toch hierdoor mogelijk, om evenals de eerste Christenen den Heer Jezus dagelijks van den hemel te verwachten, en met Paulus te zeggen: „Wij, de levenden, die overblijven tot de komst des Heeren, zullen niet voorkomen hen, die ontslapen zijn.quot; Zullen al de gebeurtenissen , die in de Profeten des Ouden en Xieuwen Verbonds voorspeld zijn, plaats hebben na de opneming der Gemeente in den hemel bij \'s Heeren komst in de lucht, dan behoeven wij op de vervulling van geen enkele dier voorzeggingen te wachten, maar kunnen elk oogenblik uitzien naar de komst van onzen hemel-schen Bruidegom. Terwijl wij ons, integendeel, de komst van Jezus, noodzakelijkerwijze, nog ver verwijderd denken, indien wij meenen, dat er vóór dien tijd een deel van de profetieën omtrent de laatste dingen moet worden vervuld. Xu is het duidelijk genoeg, dat de eerste Christenen in de verwachting van \'s Heeren wederkomst leefden. Van de geloovigen te Thessalonika wordt gezegd, dat zij van de afgoden bekeerd waren

-ocr page 139-

H. V : 1 —14. DE OPENBARING.

125

tot God, om den levenden en waaraclitigon God te dienen en zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten. En de Brieven van Paulns toonen ons klaar, hoe het oog des Apostels op deze heerlijke toekomst gericht, en zijne ziel met deze zalige verwachting vervuld was. Hij spreekt er over, alsof zulks nog gedurende zijn leven zou plaats vinden. „Wij willen niet ontkleed, maar overkleed worden. — Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden. — De dooden in Christus zullen eerst opstaan, daarna zullen wij, de levenden, die overblijven, te zamen met hen in wolken opgenomen worden don Heer te gemoet in de lucht.quot; En wil men nu niet tot de voor den Apostel zoo onwaardige vooronderstelling, als zou hij zich hebben vergist, de toevlucht nemen — een vooronderstelling, die ons geloof aan de goddelijke ingeving der Heilige Schrift doet wankelen — dan weet men met dit sterk uitgedrukt verlangen van Paulus en met dit leven in de verwachting van \'s Heeren wederkomst geen weg, zoo men de reeks van voorspelde gebeurtenissen stelt vóór de komst des Heeren om de Gemeente op te nemen; terwijl alles eenvoudig en duidelijk wordt, zoodra men heeft ingezien, dat de eerste gebeurtenis, welke plaats vindt, de opneming der heiligen is, en dat daarna de oordeelen komen en de gebeurtenissen plaats hebben, die in do Profeten voorspeld zijn, aan het eind van welke de Heer komt met zijne hemelsche heiligen om gericht te houden en het vrederijk te beginnen. De Openbaring maakt dit alles duidelijk. Na de profetische geschiedenis der Christelijke kerk op aarde zien wij de heiligen in den hemel als gevolg van de vervulling van \'s Heeren be-

-ocr page 140-

BESCHOUWING OYEE H. V ; 1 —14.

126

lofte in Joh. XTV en van de voorzeggingen van Paulus. Daarna volgt de beschrijving van de gebeurtenissen, welke de komst van Christus in heerlijkheid op aarde moeten voorbereiden, en eindelijk verschijnt de Heer van den hemel met de heiligen. Onze ziel kan zich dus ongestoord verheugen in de verwachting van \'sHeeren komst in de lucht, om ons in zijne heerlijkheid op te nemen. Niets staat die komst in den weg. Geen enkele profetie moet vóór dien oogenblik in vervulling treden. Green gebeurtenis vertraagt onze opname. De Heer komt. Hem mogen wij verwachten. Naar zijne komst kunnen wij uitzien. Op zijne belofte: Ziet, ik kom haastelijk! mogen wij vol vreugde hopen. En dit doende, reinigen wij ons, gelijk Hij rein is.

-ocr page 141-

DE OPENBARING.

H. VI : 1.

127

2. Hoofdstuk VI—VIII: 1.

In de beide vorige Hoofdstukken zagen wij de hemel-sche heiligen, de Gemeente van Christus, verheerlijkt in den hemel. Wij hoorden hen het verlossingslied des Lams zingen, en vernamen de lofzeggingen der engelen en der gansche schepping. Zij omringen in volmaakte rust en ongestoord geluk den troon van God, den schrikkelijken rechterstoel, van welken bliksemen en donderslagen en stemmen — de symbolen des oordeels — uitgaan. In de volgende Hoofdstukken wordt ons do beschrijving dier oordeelen gegeven. De duistere wolken van het goddelijk wraakgericht, die zich nu reeds over de met vloek en zonde beladen aarde te zamen pakken, doch die nog altijd door do aanwezigheid dei-Gemeente des Heeren worden tegengehouden, worden nu , nadat de hemelsche heiligen in veiligheid gebracht en hunne eeuwige woning ingegaan zijn, met vernielend geweld over de goddelooze menschen uitgestort. Achtereenvolgens worden de zeven zegelen geopend, de zeven bazuinen geblazen en de zeven schalen uitgegoten.

Staan wij hier een oogenblik stil, en donken wij met dankbaarheid en vreugde aan do onuitsprekelijke

-ocr page 142-

BESCHOrWING OVER

128

H. YI ; 1.

genade, die ons deel is. Voordat het eerste oordeel Gods over de goddelooze en ongeloovige wereld wordt uitgestort, zijn wij opgenomen in het heerlijk Vaderhuis, waar de Heer Jezus ons plaats bereidde; en terwijl deze aarde het tooneel is van de schrikkelijkste plagen — er komen toch dagen, zooals zij van het begin der wereld af niet geweest zijn — en de men-schen vol angst en vreeze zijn, zoodat zij hunne tong kamven van pijn, genieten wij do rust en de vreugde des hemels en de ongestoorde gemeenschap van God en het Lam. \'s Heeren belofte, in don brief aan Fila-delfia, aan de heiligen van onze dagen gegeven, is in vervulling getreden. Uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal, bewaard, aanschouwen wij in den hemel de gebeurtenissen, die op aarde zullen plaats hebben. Gezegend voorrecht, ons in oneindige genade geschonken!

Het is van belang hierbij op te merken, dat de oordeelen, die na onze verheerlijking in den hemel over de wereld komen, een geheel ander karakter dragen dan de plagen, die nu over de wereld komen, en waarin ook de Gemeente deelt. Voor de Gemeente — ik bedoel hiermede de ware geloovigen — zijn de oorlogen, pestilentiën, enz., die nu gedurig op aarde heerschen, kastijdingen van de hand eens liefhebbenden Vaders, die wil, dat wij zijner heiligheid zullen deelachtig worden, en die ons door dezelve bewaart van met de wereld verloren te gaan; (zie Hobr. XII en 1 Petr. IV: 17, 18.) voor de wereld zijn deze plagen roepstemmen van den God aller genade, die wil, dat alle menschen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. De plagen echter, die dan over

-ocr page 143-

H. YI : 1. DE OPENBARING. 129

de wereld zullen komen, zijn straffen en oordeelen van Grod, omdat de wereld zijnen Zoon gedood en voortdurend verworpen heeft. Het is de toorn des Lams, die dan over de wereld wordt uitgegoten. Deze overweging is daarom van zoo groot gewicht, omdat daaruit duidelijk blijkt, dat de Gemeente, die aan deze verwerping van Christus geen deel heeft, maar, integendeel, uit de wereld is uitverkoren, onmogelijk meer op aarde zijn kan, wanneer de wereld om hare verwerping van Christus door God wordt gestraft. In den tweeden brief aan de Thessalomkers wordt dit dooiden Apostel klaarlijk bewezen. Sommige valsche leeraars hadden getracht de Christenen te Thessalom\'ka in verwarring te brengen door hun te zeggen, dat de vervolgingen en verdrukkingen, welke zij moesten ondergaan, een bewijs waren, dat de dag des Heeren, de dag des oordeels, reeds aanwezig was; en Paulus komt met de meeste kracht hiertegen op, eu bewijst hun, dat de vervolgingen cn verdrukkingen, welke zij te verduren hadden, van een geheel ander karakter waren dan de oordeelen, die den dag des Heeren zouden kenmerken. „Zoodat wijzelven in de gemeenten Gods in u roemen, wegens uwe volharding en uw geloof in al uwe vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt: een bewijs van het rechtvaardig oordeel Gods, opdat gij waardig geacht wordt het koninkrijk Gods, waarvoor gij ook lijdt.quot; De verdrukkingen, welke zij moesten verduren, kwamen dus over hen, omdat zij in Jezus yeloofden. De oordeelen evenwel, die den dag des Heeren zullen kenmerken, komen over de wereld, omdat zij de Christenen vervol yd. en Christus oer worpen heeft. „Indien het namelijk, recht is bij God

9

-ocr page 144-

BESCHOUWING OVER H. VI : 1.

hun, die u verdrukken, verdrukking te vergelden.quot; Voorwaar, een hemelsbreed verschil! En welke belofte wordt den Christenen hierop gegeven? „En u, die verdrukt wordt, rust met ons, hij de openharing des Tlee-ren Jezus van den hemel met de engelen zijner kracht in vlammend vuur wraak nemende over hen, die God niet kennen, en over hen, die het evangelie onzes Heer en Jezus Christus niet gehoorzamend Wamieer derhalve de oordeelen over de wereld komen, en de Heer wraak nemen zal over hen, die God niet kennen, dan zal de Gemeente rust hebben. Welnu, de Openbaring toont ons, op welke wijze dit geschieden zal. In Hoofdstuk IV en V is de Gemeente verheerlijkt in den hemel, en in Hoofdstuk VI begint de beschrijving van de oordeelen , die over de aarde komen zullen.

De oordeelen, welke in Hoofdstuk VI beschreven worden, zijn, als ik mij zoo uitdrukken mag, nog maar een begin der smarten. Zij hebben oen bijzonder karakter. Hoewel toch het Lam, \'twelk hot boek, met de zeveu zegelen verzegeld, uit de hand van Hem, die op den troon zit, ontvangen had, om het te openen eu de zegelen te verbreken, hier begint met het openou van die zeven zegelen, zoo worden toch de oordeelen, die dientengevolge over de aarde worden uitgestort, niet door Hemzelven uitgevoerd, maar zijn veeleer het gevolg van Gods voorzienig bestuur. Er komt oorlog, hongersnood en pestilentie. Geheel in overeenstemming hiermede vernemen wij, dat, toen het Lam één van de zeven zegelen opende, de Profeet één van de vier dieren hoorde zeggen met een stem als een donderslag : Kom en zie! De vier dieren nu stellen ons, gelijk wij vroeger opmerkten, symbolisch

130

-ocr page 145-

131

voor: de oordeelende en besturende macht van God; en zooals zij hier optreden, komen zij later niet meer voor.

Sa het openen der vier eerste zegelen ziet de Profeet telkens een paard verschijnen. In de Schrift worden gedurig twee zinnebeelden gebruikt om de macht voor te stellen: het eene is de troon, en het andere het paard. Reeds werden wij voor den oppersten troon gesteld in het vierde hoofdstuk, en thans vinden wij een paard met zijn ruiter. Wordt er gesproken van een macht, die tot onderwerping van oproerige elementen gebruikt wordt, dan verschijnt die onder het zinnebeeld van een tot den strijd toegerust paard. Is evenwel dit doel bereikt, is de overwinning behaald, en is er dus geen spraak meer van strijd, maar van regeering en oordeel, dan is de troon het gepaste zinnebeeld. Het negentiende en twintigste hoofdstuk bevestigen dit. Trekt Christus uit ter bestrijding zijner vijanden, dan aanschouwen wij Hem, gezeten op een paard. (H. XIX.) Heeft Hij evenwel de overwinning behaald en zijne vijanden vernietigd, dan worden er tronen gezet en de regeering over de aarde begint. (H. XX.) Zoo is dan ook hier het paard do zinnebeeldige voorstelling van de goddelijke macht, welke tot vervulling van Gods wegen en bedoelingen op aarde gezonden wordt.

„En ik zag; en zie, een wit paard, en die daarop zat, had een boog; en hem werd een kroon gegeven, en hij ging uit overwinnende en om te overwinnen.quot; (vs. 2.)

Dit witte paard met zijn ruiter is het zinnebeeld van een voorspoedige, zegepralende macht. Zonder bloedvergieten, alleen door den roem zijns naams en

-ocr page 146-

BESCHOUWING OVER H. VI : 2—4.

door den roep zijner macht, behaalt hij overwinning op overwinning. Zonder slag of stoot onderwerpen zich zijne tegenstanders. Hij heeft geen zwaard, maar een boog in zijne hand. De in de verte vliegende pijl is voldoende om hem de overwinning te schenken. Zoodra hij verschijnt, is de zegepraal zeker.

Sommigen hebben gemeend, dat de ruiter, die op dit witte paard gezeten is, Christus voorstelt; en beroepen zich dan op het negentiende hoofdstuk, waar wij Christus, gezeten op een wit paard, den hemel zien verlaten. Deze verklaring gaat evenwel meer op den klank af, dan dat zij op den samenhang let. Het is toch het Lam, \'t welk achtereenvolgens de zegelen verbreekt; zoodat wanneer do ruiter op het witte paard Christus moet voorstellen, Christus gezonden wordt als overwinnaar door bet Lam! quot;Wie een weinig hierover nadenkt, zal lichtelijk do ongerijmdheid dezer verklaring inzien. Bovendien merke men op, dat het witte paard in Openb. XIX uit den hemel komt, waarvan hier in het geheel geen spraak is.

Toen het tweede zegel geopend was, „ging een ander paard uit, dat rood was; en aan hem, die daarop zat, werd gegeven den vrede van de aarde weg te nemen, en te maken dat zij elkander zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven.quot; (vs. 4.)

Dit oordeel is klaarblijkelijk schrikkelijker dan het eerste. Deze overwinnaar is niet zoo voorspoedig als zijn voorganger. Hij moet een heftigen strijd voeren om de overwinning tc behalen. Niet door den roem zijns naams, gelijk bij het witte paard, onderwerpen zich de volkeren, maar ten gevolge van het vreeselijke

132

-ocr page 147-

H. YI : 5 , 6. DE OPENBARING.

bloedblad, dat hij aanricht, waarvan het „roodequot; paard een gepast zinnebeeld is. Hij neemt den vrede weg van de aarde; hitst de volkeren tegen elkander op, zoodat zij elkander slachten, en in plaats van een boog heeft hij een groot zwaard in zijne hand.

Na het openen van het derde zegel verschijnt „een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijne hand. En ik hoorde als een stem in het midden der vier dieren, die zeide: Een maat tarwe voor een denaar, en drie maten gerst voor een denaar; en beschadig de olie en den wijn niet.quot; (vs. 5, 6.)

Dit zwarte paard is het beeld van rouw. Niet de boog of het zwaard eens veroveraars zijn hier de straffende werktuigen der gerechtigheid Gods; maar duurte van levensmiddelen en hongersnood verbreiden hunne plagen over de kinderen der menschen. De onontbeer-lijkste levensmiddelen — tarwe en gerst — stijgen in prijs tot een ongekende hoogte; terwijl de producten van weelde — olie en wijn — onaangetast blijven; zoodat deze plaag in al zijn zwaarte drukt op het volk.

Naar de tegenwoordige waarde van het geld gerekend, zou men eer geneigd zijn aan bij zonderen overvloed, dan aan schaarschte van levensmiddelen te denken, wanneer men leest van een maat tarwe voor een denaar. Een denaar toch is zoo wat 3 stuivers; en een maat of een choenix ongeveer l1^ kop. Doch in dien tijd was een choenix tarwe voor een denaar heel duur; want niet veel vroeger kon men 7 a 8 choenix voor denzelfden prijs krijgen, en somtijds eens zooveel.

Op het verbreken van het vierde zegel treedt een vaal paard te voorschijn. „En ik zag, en zie, een

133

-ocr page 148-

BESCHOUWING OVER H. VI : 7 , 8.

vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en de hades volgde hem; en hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde, -om te dooden met het zwaard, met honger, en met den dood, en door de wilde dieren der aarde.quot; (vs. 8.)

Dit vierde oordeel is het zwaarste van allen. De vier schrikkelijke plagen van God — het zwaard, de honger, de dood (pestilentie) en de wilde dieren der aarde — worden vereenigd uitgestort over het vierde deel der aarde. In Ezechiël XIV worden dezelfde plagen over Israël bedreigd. Vreeselijk zal de ellende zijn onder degenen, waar die plagen heerschen. Overal is dood en verderf. De kleur van het paard is daarom vaal, en de naam van den ruiter, die er op zit, „de dood,quot; en de hades, waarin de zielen der gevallenen worden opgenomen, volgde hem.

Gelijk wij reeds opmerkten, zijn deze vier oordeelen slechts een begin der smarten. Het is de voorbereiding voor de schrikkelijke dingen, die later komen zullen. De Heere God is lankmoedig, ook in zijne oordeelen. Hij begint langzaam. Den menschen wordt tijd gegeven zich nog te bekeeren. Daarom zijn deze oordeelen nog niet buitengewoon. Honderde malen zijn dergelijke dingen op aarde gebeurd. Nochtans houde men wel in het oog, dat zij hier voorkomen als profetie voor de toekomst, en eerst in vervulling treden, nadat de Gemeente in den hemel is opgenomen.

Het tooneel, dat nu volgt, is hoogst merkwaardig. Bij de opening van het vijfde zegel wordt de stem der dieren niet meer vernomen. Er volgt geen nieuw oordeel. Nochtans is er iets vreeselijks gebeurd. Vele

134

-ocr page 149-

DE OPENBARING.

H. YI : 9.

135

heiligen zijn door de vijanden des Heeren ter dood gebracht. „En toen het [Lam] het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden.quot; (vs. 9.) Hieruit blijkt dus , dat de Heer in den tijd der oordeelen, terwijl de ware Gemeente in den hemel verheerlijkt is, een volk hier op aarde heeft. Uit ons onderzoek van het IVde en Vde Hoofdstuk toch is gebleken, dat de heiligen, die nu op aarde wonen, dan met de reeds ontslapenen in den hemel zijn opgenomen en verheerlijkt Gods troon omringen; en hier aanschouwen wij onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden. Deze heiligen zijn derhalve na de opneming der Gemeente bekeerd ge-Avorden, en werden gedurende de oordeelen, wier beschrijving wij in do eerste verzen van dit hoofdstuk vonden, om het woord Gods, \'t welk zij geloofden en predikten, en om de getuigenis, die zij hadden, namelijk van discipelen des Heeren te zijn, door Gods vijanden geslacht, om welke oorzaak hunne zielen gezien worden onder het altaar, op hetwelk zij, in symbolische taal uitgedrukt, zijn geofferd geworden.

Dit is geheel in overeenstemming met wat wij in Matth. XXIV lezen, waar de Heer, profeteerende over de groote verdrukking, die in de laatste dagen komen zal, zegt van zijne discipelen, die alsdan zullen leven: „Dat dan, die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen! En bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.quot; Uit deze vermaningen toch blijkt zoo klaar als do dag, dat de Heer niet tot de leden

-ocr page 150-

BESCHOUWING OVER H. VI : 9.

der Gemeente, maar tot andere heiligen spreekt. Hoe zou- tot de Gemeente kunnen gezegd worden: „die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen!quot; terwijl zijniet in Judéa is. Hoe zou de Gemeente den joodschen sabbat of den Zaterdag als den heiligen dag kunnen beschouwen?

Op welke wijze deze heiligen bekeerd geworden zijn, en tot welke volken zij behooren, zullen wij thans niet onderzoeken, omdat wij daarbij in het verdere gedeelte van ons boek bepaald worden. Voor het tegenwoordige is het genoeg vast te stellen, dat er na de opneming en verheerlijking der Gemeente andere heiligen op aarde zullen zijn, die de oordeelen doorgaan, en van welke velen zullen gedood worden. Tot recht verstand der Openbaring en der Profetieën des Ouden Verbonds is het van het uiterste belang dit beginsel goed te verstaan. Velen toch kunnen maar niet begrijpen , dat de Gemeente vóór de oordeelen in den hemel zal opgenomen zijn, aangezien zij gedurende de oordeelen van geloovigen op aarde lezen. Zij komen er dan óf toe om de opneming der heiligen vóór de oordeelen te verwerpen; óf zij behelpen zich met de gedachte, dat alleen die leden der Gemeente, die den Heer verwachten, zullen worden opgenomen, terwijl de anderen blijden leven en de oordeelen doorgaan. Dat dit laatste geheel in strijd is met wat wij in het vierde en vijfde Hoofdstuk vinden, is duidelijk genoeg; bovendien de Gemeente wordt niet opgenomen, omdat zij zoo getrouw en zoo naar den Heer verlangende is, maar omdat zij de Gemeente, de bruid van Christus, is. Doch alle zwarigheden dienaangaande zijn opgelost, zoodra men heeft ingezien, dat de heiligen, die gedu-

136

-ocr page 151-

H. VI: 9, 10. DE OPENBARING.

rende de oordeelen op aarde vertoeven, in een geheel anderen toestand zicli bevinden, en een gansch andere gezindheid openbaren dan de Gemeente des Heeren.

Wat ons van de heiligen onder het altaar wordt medegedeeld, maakt dit zoo duidelijk mogelijk. quot;Wat toch roepen zij? „Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerscher! oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van hen, die op de aarde wonen?quot; Zij roepen dus tot God om wraak over hunne vijanden. Zij smeeken Gods oordeel af over degenen, door wie zij waren geslacht. Zou zulk een gebed passen in den mond van de leden van Jezus\' Gemeente ? O neen! in geenen deele. Het was niet de taal van Petrus en zijne medeapostelen, toen zij verwaardigd werden voor den naam van Jezus smaad-heid te lijden. Het was niet de gezindheid van Paulus, die begeerde deel te hebben aan het lij (Ten van Christus, en zelfs wenschte zijnen dood gelijkvormig te worden. Geheel andere woorden vernemen wij uit den mond van den eersten Christen-martelaar. Evenals zijn Heer en Heiland riep Stefanus stervende: „Heer! reken hun deze zonde niet toe.quot; De toestand der heiligen moet dus wel geheel veranderd zijn, zal een roepen om wraak over hunne vijanden Gode welgevallig zijn. Want dit houde men wel in het oog: het wraakgeroep van deze zielen onder het altaar is geheel in overeenstemming met de gezindheid des Heeren; in plaats van afkeuring toch vernemen zij woorden van troost en bemoediging. Werd evenwel thans zulk een bede om wraak door een Christen tot God opgezonden, dan zou de Heer tot hem, evenals gedurende zijne omwandeling op aarde tot Jakobus en

-ocr page 152-

BESCHOUWING OVER H. VI : 9, 10.

Johannes, toen deze vroegen om vuur van den liemel te doen nederdalen over de Samaritanen, zeggen: „Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt.quot;

Het onderscheid is dus groot. Terwijl wij, geleid door den Geest van Christus, bidden om vergeving voor onze vijanden, roepen zij, overeenkomstig den wil des Heeren, Gods rechtvaardige vergelding over de goddeloozen in. Zij staan klaarblijkelijk niet voor den genadetroon des evangelies, maar bevinden zich voor den rechterstoel des rechtvaardigen Rechters. Al zijn zij ook op dezelfde wijze wedergeboren als wij; al worden zij ook op gelijke wijze behouden, zoo bevinden zij zich toch in een geheel andere bedeeling. De tijd der genade is voorbij; de dag des oordeels is gekomen. Zij zijn in den toestand van de bedeeling des Ouden Verbonds, toen ook recht en gerechtigheid heerschten. Zij drukken dezelfde gevoelens uit, welke wij in de Psalmen vinden, en met welke allen, die deze Psalmen als de uitdrukking van onze gezindheid aanmerken, geen raad weten. Zoolang God den rijkdom zijner genade openbaart, moet ook in ons de genade heerschen; wanneer evenwel de verschrikkingen zijns grooten toorns komen, dan zullen ook de heiligen in volle overeenstemming hiermede zijn, en geleid door den Geest van Christus, roepen: „Tot hoelang!quot; Het was eenmaal een heilige, door God gebodene zaak, de Kanaanieteu uit te roeien; het was in de oude bedeeling overeenkomstig Gods wil \'s Heeren vijanden te verslaan; en het zal later, wanneer het oordeel over deze aarde aanbreekt, wederom een heilige zaak voor de discipelen des Heeren zijn, om zich in de uitstorting van dien toorn te verblijden en met den Heer dezelfde gevoelens te deelen.

138

-ocr page 153-

H. VI : 11.

„En aan een iegelijk hunner werd gegeven een lang wit kleed.quot; De getrouwheid dezer martelaren wordt openlijk door God erkend. Zij ontvangen een lang wit kleed, \'twelk volgens Hoofdst. XIX : 8 „de gerechtigheden der heiligenquot; voorstelt. Als rechtvaardigen zijn zij ter dood gebracht; en als rechtvaardigen worden zij door God beloond. Hun wordt evenwel gezegd, „dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne medeslaven en hunne broeders, die gedood zouden worden, evenals zij, voltallig zouden zijn.quot; Tot zoolang moesten zij in het Paradijs vertoeven. Eerst daarna zouden zij worden opgewekt uit de dooden. De goddeloosheid moest haar hoogste punt bereikt hebben, voordat de laatste bliksemstraal des goddelijken toorns de aarde zou treffen, en gedurende dien tijd zouden er voortdurend heiligen door \'s Heeren vijanden worden gedood. In de volgende hoofdstukken zullen wij telkens van dezen vernemen; totdat zij allen gezamenlijk in het begin van Christus\' regeering op aarde uit de dooden worden opgewekt om duizend jaren met Christus te heerschen. In Hoofdstuk XXhooren wij, dat zoowel zij, wier zielen hier onder het altaar gezien worden, als hunne broeders, die later gedood worden, uit de dooden worden opgewekt, (zie vs. 4.)

Wij mogen dus niet alleen uit hetgeen ons uit Hoofdst. IV en V gebleken is, maar ook uit het ons hier medegedeelde besluiten, dat de hemelsche heiligen , de Gemeente van Christus, de aarde hebben verlaten en in den hemel zijn opgenomen, voordat de oordeelen beginnen. De heiligen toch, die onder de oordeelen leven, zijn in een geheel anderen toestand dan wij, en wie van hen gedurende de oordeelen ge-

139

-ocr page 154-

beschouwing over H. VI:li2—14.

dood worden, blijven in hunne graven tot de komst van Christus op aarde, terwijl wij dan reeds lang opgewekt, bekleed en gekroond den troon van God omringen.

Het is ook nog van belang op te merken, dat deze zielen onder het altaar den Heer Jezus niet aanspreken als „Heer,quot; maar als „Heerscher.quot; (zie ook Luk. II : 29; Hand. IV : 24; 2 Petr. II : 1; Judas vs. 4.) quot;Wij vinden hier niet de nauwe betrekking, waarin wij tot Hem als tot „onzen Heerquot; staan, maar de alge-meene betrekking van gezag, in welke de Heer is de Heerscher over de geheele wereld — over alle men-schen, hetzij boozen of goeden.

Het zesde zegel, dat nu geopend wordt, brengt groote omwentelingen en dientengevolge een schrikkelijke verwarring over de aarde. De oordeelen, welke hierdoor over de vijanden des Heeren komen, kunnen wij wel beschouwen als een gedeeltelijke verhooring van het geroep om wraak der onder het altaar wachtende zielen. „En er werd een groote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd geheel als bloed, en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij door een harden wind geschud wordt. En de hemel week weg als een boek, dat sa-mengerold wordt, en elke berg en elk eiland werden van hunne plaats gerukt.quot; (vs 12—14.) Bij eenig nadenken zal men inzien, dat wij dit niet letterlijk moeten opvatten; want dan zouden wij moeten aannemen, dat de sterren des hemels werkelijk op de aarde zullen vallen, en wel in zoo groote menigte, dat het

140

-ocr page 155-

H. VI : 12—14. DE OPENBARING.

gelijk kan zijn aan een vijgeboom, die, door een harden wind geschud, zijn onrijpe vijgen afwerpt. Hiervan zou dan evenwel niet minder dan de algeheele vernietiging der aarde het gevolg moeten zijn. Zulk een schok zou de aarde niet kunnen weerstaan. En toch de aarde wordt niet vernietigd ; want de koningen dei-aarde zullen zich na deze gebeurtenis in de spelonken en in de steenrotsen der bergen versteken. quot;W ij moeten het dus in zinnebeeldigen zin nemen. En dit is in overstemming met hetgeen wij menigwerf in het Oude Testament vinden; zoodat wij tot geen willekeurige, eigen verzonnen verklaring de toevlucht behoeven te nemen. In Jozefs droom stellen zon, maan en sterren zijn vader, moeder en broeders voor. In de Profeten worden vorsten en grooten, machtigen onder do engelen en menschen , voorgesteld onder hot beeld van een ster of van een berg.

Deze voorstelling dus zinnebeeldig opgevat, verstaan wij onder de groote aardbeving een groote, schrikkelijke revolutie, door welke „de zon,quot; dat is de hoogste macht, en „de maan,quot; die van de zon hare macht ontleent, worden terneergeworpen, terwijl „de sterren,quot; als kleinere machten van hunne tronen gestooten worden. De hemel, voorstellende het politieke regeerings-stelsel op aarde, wijkt weg als een boek, dat samen-gerold wordt, terwijl elke berg en elk eiland, elke hooggeplaatste, zoowel als allo geringen, van hunne plaats worden gerukt. De geheele wereld is dus in beweging. Alle klassen der maatschappij zijn in opstand. De vreeselijkste omwentelingen vinden paats. Tronen worden omvergostooten; machten en overheden vallen; de hoogste zoowel als de laagste autoriteiten hebben

141

-ocr page 156-

BESCHOUWING OVER H. VI: 15—17.

al hun invloed verloren. Een sociale revolutie, zooals er tot daartoe niet geweest is, vervult de menschen met angst en schrik. En zoo schrikkelijk is de ellende, dat de door vrees gefolterde menschen denken, dat de groote oordeelsdag en het einde aller dingen gekomen is. „En de koningen der aarde, en de grooten, en de oversten, en de rijken, en de sterken, en iedere slaaf en iedere vrije verborgden zichzelven in de spelonken en in de steenrotsen der bergen; en zij zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, di-e op den troon zit, en voor den toorn des Lams, want de groote dag zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?quot; (vs. 15—17.)

Doch de dag des Heeren is nog niet gekomen. Tot de zielen onder het altaar werd gezegd, dat zij nog eenigen tijd moesten wachten. Het zevende zegel moet nog worden geopend. Grrootere oordeelen en schrikke-lijker gebeurtenissen zullen nog op aarde plaats hebben. Niet de Heer, maar het verschrikte geweten der god-delooze menschen zegt, dat de groote dag zjjns toorns gekomen is. Hoe ontzettend zullen die dagen zijn! Maar bovenal hoe ontzettend zal de groote dag van den toorn des Lams zijn, als die in werkelijkheid over de goddelooze aarde komen zal! Welk een genade, dat wij in volkomene rust en ongestoord geluk in onze hemelsche woning zullen vertoeven, terwijl deze arme aarde het tooneel van zooveel ellende en jammer zijn zal! Lof en dank zij Gods onuitsprekelijke goedertierenheid daarvoor toegebracht!

142

-ocr page 157-

H. VII : 1. DE OPENBARING.

Hoofdstuk VIL

Dit Hoofdstuk maakt geen deel uit van den loop der gebeurtenissen, die in de Openbaring beschreven wordt. Het behoort noch tot de zegelen, noch tot de bazuinen, noch tot de schalen. In het vorige Hoofdstuk werden zes zegelen geopend, en eerst in Hoofdstuk VIII : 1 wordt het zevende verbroken. Dit i Hoofdstuk vormt derhalve een soort van tusschenzin, waarin het den Profeet vergund wordt Gods gedachten te leeren kennen over het volk des Heeren, \'t welk door de komende oordeelen gaan zal.

In het vorige Hoofdstuk vonden wij onder het altaar de zielen der heiligen, die gedurende de eerste oordeelen waren geslacht. Op hun geroep tot God om wraak over hunne vijanden werd hun geantwoord, dat zij nog een tijd lang moesten wachten, totdat ook hunne broeders zouden voltallig zijn. Van deze broeders spreekt dit Hoofdstuk. Een bepaald getal verzegelden uit Israël en een ontelbare schaar uit alle volken der aarde wordt den Profeet in dit visioen voorgesteld. Evenals de Heere God ons in het IVde en Vde Hoofdstuk de hemelsche heiligen verheerlijkt rondom den troon doet aanschouwen, zoo toont Hij ons hier als een door Hem verzegelde en dus voor Hem afgezonderde schaar de heiligen, die gedurende de oordeelen op aarde zullen leven, en aan het eind door de komst van Christus in heerlijkheid worden verlost.

Dit is, naar mijn gevoelen, de algemeene beteekenis

143

-ocr page 158-

BESCHOUWING OVER H. VII : 1.

van dit Hoofdstuk. De heiligen, die gedurende de oor-deelen op aarde leven, en door \'s Heeren komst uit hunne ellende worden verlost, zien wij hier, voordat zij als zoodanig optreden, eer zij op het tooneel dei-getuigenis verschijnen, door God verzegeld en als rechtvaardigen erkend en beloond. Wij deelen in het hooge en heerlijke voorrecht van Gods gedachten te mogen kennen. Evenals tot Abraham gezegd werd, wordt het ook tot ons gezegd: „Zou Ik voor hen verbergen, wat Ik doe?quot; Dat dit zoo is, bewijst, dunkt mij, vooreerst de bijzondere plaats, die dit Hoofdstuk inneemt. De mededeeling omtrent den loop der gebeurtenissen wordt afgebroken. Het zesde zegel is geopend , en vóór de opening van het zevende zegel krijgen wij dit visioen. Doch dit wordt in de tweede plaats bewezen door de omstandigheid, dat wij in het verdere gedeelte der Openbaring gedurig vernemen van heiligen uit Israël en uit de volken, die in de groote verdrukking op aarde leven , en door God worden bewaard; terwijl wij zelfs eenmaal, in Hoofdstuk XIV, de 144,000 verzegelden uit Israël letterlijk terugvinden, en in Hoofdstuk XXI : 24—26 de volken ontmoeten, die in het licht van het hemelsche Jeruzalem zullen wandelen.

Hoogst belangrijk, en tot recht verstand der pi-ofetie noodzakelijk, is het op tc merken, hoe wij in dit Hoofdstuk in een geheel andere bedeeling verplaatst worden, als waarin wij thans leven. Het kenmerkende van de tegenwoordige bedeeling is, dat Israël als volk door God terzijdegesteld, en Niet-Mijn-Volk geworden is; terwijl de Heer uit Israël en uit de volken een volk voor Zich heeft geroepen, waarin alle

144

-ocr page 159-

H. VII : 1. DE OPENBARING. 145

nationaal onderscheid is opgeheven, en allen, hetzij zij uit de Joden of uit de Grieken zijn, één zijn in Christus. Dit volk is de Gemeente Gods, „waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije, maar Christus alles en in allen.quot; (Kol. III : 11.) Deze Gemeente is „de verborgenheid, die in andere geslachten den zonen der menschen niet bekend gemaakt is, gelijk zij nu is geopenbaard aan zijne heilige apostelen en profeten in den Geest;quot; welke verborgenheid juist daarin bestaat, dat de ge-loovigen uit de volken met do geloovigen uit Israël zijn „medeërfgonamen en medeingelijfden en mededeel-genooten zijner belofte in Christus Jezus door het evangelie.quot; (Efez. III : 3—7; zie ook Kol. I : 24— 29.) Daartoe deed Christus in zijn vleesch op het kruis de vijandschap, de wet der geboden, bestaande in inzettingen , te niet, en verbrak zoo doende den middelmuur der omtuining, waardoor Israël van de volken afgezonderd was, en maakte beiden, de geloovigen uit Israël en de geloovigen uit de volken, één. (Efez. II; 13—16.) Keeds op den weg naar Damaskus zeide do verheerlijkte Heer tot Saulus: „U nemende uit het volk (Israël) en uit de volken, tot welke ik u zend,quot; met deze merkwaardige woorden het groote beginsel aangevende, \'t welk Paulus als Apostel zijn geheele leven door heeft gepredikt, en voor welks verdediging hij zoo veel geleden heeft. Zoolang dus de Gemeente des Heeren op aarde vertoeft, kan er bij geen mogelijkheid van een erkenning van Israël als volk en van een onderscheid tusschen hen en de volken spraak zijn. Het is derhalve zoo klaar als de dag, dat, waar wij in dit Vilde Hoofdstuk en in de volgende Hoofdstuk-

10

-ocr page 160-

BESCHOUWING OVER H. VII : 1 — 3.

ken der Openbaring, het Israëlietische volk als volk weer erkend zien, en de volken als van hen gescheiden aanschouwen, de bedeeling geheel moet zijn veranderd, en de Gemeente van Christus van de aarde moet zijn weggenomen.

Gaan wij nu, na deze algemeene opmerkingen, over tot het onderzoek van ons Hoofdstuk. „En hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, vasthoudende de vier winden der aarde, opdat er geen wind zou waaien op de aarde, noc hop de zee, noch op een i-gen boom.quot; (vs. 1.) Gods oordeelen moeten voor een oogenblik ophouden. Yoordat er nieuwe oordeelen worden uitgestort, moeten eerst de heiligen worden verzegeld. „En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een groote stem tot de vier engelen, aan welke gegeven was de aar de en de zee te beschadigen, zeggende: Beschadig do aarde niet, noch do zee, noch de hoornen, totdat wij de slaven onzes Gods aan hunne voorhoofden zullen verzegeld hebben.quot; (vs. 2 , 8.) Deze engel stelt niet Christus voor, zooals sommigenmoenen, maar wordt door Christus gezonden. Hij komt van het Oosten, vanwaar de Zon der gerechtigheid zal opgaan over de aarde. Gedurende de opening der zegels, en derhalve ook in dezen tusschenzin, verschijnt Christus als het Lam-, en eerst bij de bazuinen zien wij den Heer in de gedaante van een engel te voorschijn treden. En dat de woorden: „totdat wij . . . zullen verzegeld hebben,quot; :niet kunnen hoenduiden op de Godheid,

146

-ocr page 161-

H. VII : 2, 3. DE OPENBARING. 147

zooals ia Gen. I : 26, blijkt uit hetgeen er volgt. Zou de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, (want als deze verklaring juist is, moeten wij onder „wijquot; de Drioeenheid verstaan) kunnen zoggen: „Totdat wij de slaven omes Gods zullen verzegeld hebben ?quot; Onmogelijk. Zelfs wanneer men meeueu zou, dat de Heer Jezus alleen sprak, zou zulk een wijze van zich uit te drukken geheel met zijne waardigheid in strijd zijn. De Heer leert wel zijne discipelen: „Onze Vader,quot; zeggen, maar Hij zegt het nooit met hen. En wanneer Hij, opgestaan uit de dooden, zich met hen één verklaart, dan zegt Hij toch nooit „onze God; maar wel: „Mijn Vader en uw Vader, mijn God en uw God.quot;

Voordat er dus verdere oordeelen over de aarde komen, wordt er een volk voor God verzegeld. Evenals de verwoesting over Sodom niet komen kon, eer Lot in veiligheid was, mogen ook de vier engelen hunne plagen niet zenden, voordat dit volk des Heeren is verzegeld. Zij worden verzegeld aan hunne voorhoofden, waaronder wij geen uiterlijk teeken hebben te verstaan, maar waardoor aangegeven wordt, dat zij openlijk door God als de zijnen worden afgezonderd , en als zoodanig op aarde zijn gekend. Wij hebben een zegel in ons. „Nadat gij geloofd hebt, zjjt gij verzegeld geworden mot den Heiligen Geest der belofte.quot; Hot zegel, dat zij ontvangen, is „het zegel des levenden Gods,quot; dat is van den God, die het leven heeft, en niet de God des oordeels.

En wie zijn nu die verzegelden? Vooreerst een bepaald getal uit Gods oude volk Israël. „En ik hoorde het getal der verzegelden: honderd vier en veertig duizend verzegelden uit alle

-ocr page 162-

BESCHOUWING OVER H. VII: 4—8.

stammen der zonen Israëls.quot; (vs. 4.) Het getal 144,000 drukt een bepaald getal uit, hoewel wij het, naar het mij voorkomt, niet letterlijk behoeven op te vatten. Hef getal „twaalfquot; heeft steeds betrekking op de volkomenheid in goddelijke dingen, die aan het bestuur van den mensch zijn toevertrouwd. Zoo vinden wij twaalf geslachten Israëls, twaalf patriarchen, twaalf apostelen, ja zelfs twaalf poorten en ^««^fondamenten van het nieuwe Jeruzalem. En hier hebben wij 12 X 12, vermenigvuldigd met 1000 = 144,000 als het volle getal, voor zooverre het Israël betreft, van hen, aan wie God het bestuur over de aarde zal toevertrouwen.

Op de vraag, of wij hier aan de twaalf stammen Israëls in letterlijken zin te denken hebben, is mijn antwoord bevestigend. Ik zie geen enkele reden, waarom wij dat niet doen zouden. De weglating van den stam Dan komt mij voor veeleer een bewijs vóór dan tegen de letterlijke opvatting te zijn. Trouwens als deze weglating voor een bewijs van de zinnebeeldige opvatting moet gelden, dan moet men eveneens om de uitlating van den stam Simeon in Mozes\' zegen in Deut. XXXIII die opgave der stammen in zinnebeeldigen zin verklaren! Maar bovendien wat zou toch wel de beteekenis zijn van Ruben, Grad, Aser, enz. in zinnebeeldigen zin? Wie gelooft in Israël\'s herstel; wie in de laatste Hoofdstukken van Ezechiël de verdeeling van Palestina, zooals die in de toekomst wezen zal, gevonden heeft; zal er geen het minste bezwaar in zien om hier te denken aan de twaalf stammen Israël\'s, zooals zij gedurende de regeering van den Messias op aarde het beloofde land zullen bezitten.

148

-ocr page 163-

H. VII : 4—8. DE OPENBARING.

Waarom de stam Dan is weggelaten, is moeielijk te zeggen. Wel is het duidelijk, dat wij hier een geheel bijzondere volgorde hebben. Eerst hebben wij: de twee zonen van Lea, Juda en Ruben; daarna Gaden Aser, de zonen van Zilpah, Lea \'s dienstmaagd; vervolgens Nafthali, de zoon van de dienstmaagd Bilhah, en in plaats van Dan, haar andere zoon, Manasse, de eerstgeborene van Jozef; daarna de vier zonen van Lea: Simeon, Levi, Issaschar en Zebulon; en eindelijk de twee zonen van Rachel, Jozef en Benjamin. Jakob\'s zonen komen dus hier niet voor in hunne natuurlijke volgorde, naar hunne geboorten; maar gerangschikt naar een geheel andere orde, misschien om aan te toonen, dat de Heere God hen maakt tot een geestelijk volk, op \'t welk Hij zijn zegel drukt. De stam Dan heeft zich het meest aan afgoderij overgegeven. Mogelijk is dit de reden van zijne weglating, hoewel uit Ezech XLVIII : 1,32 blijkt, dat Dan niet zal onterfd worden.

ïfa de 144,000 verzegelden uit Israël aanschouwt de Profeet „een groote schaar, die niemand tellen kan, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon en voor het Lam.quot; (vs. 9.) Hier wordt geen getal genoemd; het is een ontelbare menigte uit alle volken der aarde. Voorwaar, dat is een heerlijke gedachte! Want hoewel God nu een volk voor zijnen naam toebereidt, zoo zijn toch millioenen, ja honderden milli-oenen menschen gezeten in duisternis en schaduwe des doods, die den Xaam des eenigen, waarachtigen Gods nimmer vernomen hebben; maar dan, in dien tijd der

149

-ocr page 164-

BESCHOUWING OYER H. VII: 9, 10.

oordeelon, wanneer de goddelooslieid zoo schrikkelijk en het ongeloof zoo stout zijn zal, zal de Heere God zich niet alleen over duizende Israëlieten, maar ook over een ontelbare schaar van heidenen ontfermen, en hen brengen tot zijne kennis. Hoe wonderbaar is zijne genade! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijne wegen !

Deze heiligen uit de volken „xijn bekleed met lange witte kleederen;quot; de gerechtigheden dei-heiligen is hun deel, en de „palmtakkenquot; der overwinning houden zij in hunne hand. Zij zingen evenwel het nieuwe lied niet. Hunne vreugde kan zich niet verheffen tot de hoogte van die der oudsten in het vijfde hoofdstuk; want zij zijn geen koningen en ju\'ies-ters, en zij hebben geen schalen vol reukwerk in hunne handen. Zij roepen met een groote stem: „Het heil zij onzen God, die op den troon zit en het Lam!quot; (vs. 10.) Hun lofzegging is in overeenstemming met hun standpunt. Zij kennen God, als den God der macht en der verlossing uit de hand hunner vijanden; zij kennen het Lam, \'twelk door zijn offer die verlossing heeft mogelijk gemaakt, en hen door zijn bloed heeft gereinigd; en daarom prijzen zij God en het Lam. Maar van de innige betrekking, waarin de Gemeente staat tot God en het Lam, kennen zij niets.

Het tooneel, dat volgt, geeft ons dit nog duidelijker te aanschouwen. Rondom den troon en de oudsten en de vier dieren staan al de engelen. De hemelsche heiligen omringen onmiddellijk God troon, evenals in het 4de en 5de Hoofdstuk, en rondom dezen zijn de engelen geschaard. De groote menigte uit de volken staat evenwel niet rondom den troon, maar voor den

150

-ocr page 165-

H. VII : 11 , 12. DE OPENBARING.

troon en voor het Lam. Zij bevinden zich niet in den hemel, maar op de aarde. En terwijl in Hoofdstuk IV en V de oudsten nedervallen, en Grod en het Lam aanbidden, blijven hier de oudsten zitten op hunne tronen, en vallen al de engelen op hun aangezicht neder voor den troon, en aanbidden God, zeggende: „Amen! De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God tot in alle eeuAvigheid! Amen.quot; De hemelsche heiligen kennen en aanbidden den Vader en den Zoon; doch de engelen zijn geen zonen; zij aanbidden God, den almachtigen Schepper van hemel en aarde. En daarom, waar de heiligen uit de volken, die ons hier voorgesteld worden, aan God en aan het Lam lof toebrengen, daar stemmen niet de oudsten, maar de engelen met hen in.

Dit tooneel is tevens een nieuw en merkwaardig bewijs voor de waarheid, waarop ik reeds menigmaal de aandacht vestigde, dat namelijk de Gemeente gedurende de oordeelen in den hemel is, en dat er, terwijl de Gemeente in den hemel vertoeft, heiligen op aarde zijn, die evenwel in een gansch anderen toestand ver-keeren, als waarin de leden van Christus nu zijn. Voor wie een oogenblik nadenkt, is dit zoo klaar als de dag. De oudsten, als do vertegenwoordigers der hemelsche priesterschaar, zijn met de vier dieren, de symbolen van Gods oordeelende macht, rondom den troon Gods in den hemel. Om hen heen staan al de engelen. En voor den troon, en dus ook voor hen, staat de ontelbare schaar uit de volken. Die schaar behoort dus noch tot de Gemeente, noch tot de engelen, noch

151

-ocr page 166-

BESCHOUWING OVER H. VII: 13, 14.

tot Israël, gelijk uit de vorige verzen blijkt. Het is weer een nieuwe schaar van heiligen, die wel eenmaal deelen zullen in de eeuwige heerlijkheid, doch die nochtans geheel onderscheiden is zoowel van Israël als van de heiligen der Gemeente.

Uit het antwoord, \'t welk door één der oudsten aan Johannes gegeven wordt, zien wij dit duidelijk. De oudsten zijn in Gods wegen en gedachten ingeleid; zij kennen die; en zij worden gebruikt om den Profeet die wegen en gedachten te leeren verstaan. Heerlijk voorrecht ons geschonken! En wat zegt nu die oudste van deze schaar, met lange witte kleederen bekleed? Hij zegt: „Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen.quot; Hierdoor zien wij yooreers#, dat deze schaar niet de Gemeente is. Aan de Gemeente toch wordt beloofd, dat zij verlost worden zal uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal. Dezen daarentegen zijn in de groote verdrukking, in die ure der verzoeking geweest, en komen er hier uit. Ten tweede, dat deze schaar ons wordt voorgesteld, niet gedurende zij zich in de groote verdrukking bevindt, maar op het oogenblik, dat zij er uitkomt. Wij slaan hier derhalve een blik in de toekomst. Terwijl de zeven bazuinen nog moeten blazen en de zeven schalen nog moeten uitgegoten worden, gedurende welken tijd deze schaar op aarde vertoeven en lijden zal, wordt ons reeds vooruit getoond, hoe deze heiligen, door den Heer beschermd, bewaard en eindelijk verlost uit de groote verdrukking komen, om het koninkrijk van Christus in te gaan. En in de derde plaats, vernemen wij door deze woorden, wie deze heiligen zijn, en vanwaar zij komen.

152

-ocr page 167-

DE OPENBARING.

H. VII : 14.

153

Bij dit laatste moeten wij nog een oogenblik stilstaan.

„Dezen komen uit de (jroote verdrukkingEi- wordt niet gezegd: „uit een groote verdrukking,quot; maar „uit de groote verdrukking.quot; Dat is een in de Schrift duidelijk aangegeven tijd. Er kan onmogelijk spraak zijn van de verdrukkingen, die thans het deel der geloovigen zijn, want dan zou de heele tijd tusschen Jezus\' hemelvaart en wederkomst de groote verdrukking moeten zijn; en dit zal wel door niemand worden aangenomen. De groote verdrukking is, wat gezegd wordt tot de gemeente in Thyatire: „Zie, ik werp haar op een bed, en die met haar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne werken.quot; Nadat de ware Gemeente is opgenomen, komt de afval der belijdende Christenheid, welke tot afgoderij vervalt, in de groote verdrukking geworpen wordt, en omkomt. Doch terwijl zij omkomt, zal God een volk hebben uit de heidenen, dat, tot Hem bekeerd, in de groote verdrukking gespaard en daaruit verlost zal worden.

In het Oude Testament wordt menigvuldig over deze verdrukking gesproken. Een paar aanhalingen zullen volstaan. In Jeremia XXX : 7 lezen wij: „O wee! want die dag is zoo groot, dat zijns gelijke niet geweest is, en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.quot; En in Daniël XII : 1: „A/s het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.quot; Breng dit nu in verband met de voorspelling van onzen Heer in Matth. XXIV,

-ocr page 168-

BESCHOUWING OVER H. Vil: 14 , 15.

waar Hij, wijzende op de profetie van Daniël, zegt: „Want alsdan zal yroote verdrukking zijn, hoedanige niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet weer zijn zal.quot; In deze plaatsen wordt dus uitdrukkelijk over de groote verdrukking gesproken, onder welke de Joden zullen zuchten, en die voor de uitverkorenen onder ken zullen verkort worden; en het is deze zelfde groote verdrukking, waaruit wij hier de schaar der heiligen uit de volken zien komen.

Doch de Profeet wordt nog nader ingelicht omtrent deze ontelbare schaar. „Zij hebben hunne lange kleed er en gewasschen, en ze wit gemaakt in het bloed des Lams.quot; (vs. 14.) Er is slechts één weg ter behoudenis. Welk onderscheid er ook onder de heiligen wezen moge, hierin zijn allen aan elkander gelijk — het bloed des Lams reinigt hen allen van de zonden, en maakt hen witter dan de sneeuw. In dit opzicht, wat de hoofdzaak betreft, waarop alles aankomt, zijn zij dus aan ons, en wij aan hen gelijk; maar overigens is er een groot verschil van positie en heerlijkheid. Hetgeen volgt toont ons dit aan.

„Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijnen tempel.quot; Wij zitten op tronen rondom den troon in den hemel; dezen zijn voor den troon. Voor ons is er geen tempel. In de beschrijving van het hemelsche Jeruzalem, de bruid des Lams, wordt uitdrukkelijk gezegd; „En ik zag geen tempel in haar.quot; (Hoofdst. XXI : 22.) De Gemeente is zóó nabij gebracht, dat er tusschcn God en haar niets en niemand is, dan Christus alleen, indien wij namelijk van #«ssc/ïe/« spreken kunnen, waar Christus zelf is het beeld des onzienlijken Gods, Degene

154

-ocr page 169-

H. YII:15—17. DE OPENBARING.

die ons God openbaart, en die God zelf is. Daarom wordt er zoo heerlijk gezegd: „De Heer, God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam.quot;

„En die op den troon zit, zal zijne tent over hen uithreiden.,\' (vs. 15.) Evenals Israël in de woestijn onder de wolk veilig was, zoo zal God over hen zijne tent uitbreiden. Hij zal hen overschaduwen, zegenen en beschermen, zoodat al hunne behoeften bevredigd worden en de gloed des oordeels hen niet kan schaden. „Zij zullen niet meer hongeren, en zij zullen niet meer dorsten, en do zon zal op hen niet vallen, noch eenige hitte.quot; (vs. 16.) Hetzelfde wordt in Jes. XLIX van Israël gezegd. Wij daarentegen wonen, als ik mij zoo mag uitdrukken, in de wolk, in de woning des Heeren. Bij Jezus\' verheerlijking op Thabor gingen Mozes en Elia — die daar de hemelsche heiligen voorstellen — in de wolk.

„Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en hen leiden tot fonteinen van de wateren des levens, en God zal elke traan van hunne oogen afwisschen.quot; (vs. 17.) Het Lam zal hun Herder zijn; Hij zal hun het water des levens doen drinken; en daar zij voor Hem geleden hebben, zal Hij elke herinnering aan dat lijden wegnemen. Dit is ook ons deel; maar toch is ous nog grooter voorrecht geschonken; want reeds nu vloeien uit ons, door den Heiligen Geest, stroomen des levenden waters. (Zie Joh. VII.)

Ziedaar dus de voorrechten van de heiligen uit de volken, die, gedurende de groote verdrukking door God bewaard, het heerlijk koninkrijk van Christus hier beneden zullen beërven. Zij zijn onderscheiden van de

155

-ocr page 170-

BESCHOuwiifamp; OVER H. VII : 17.

verzegelden uit Israël, en evenzeer van de heiligen in den hemel, die onder het beeld van de vier en twintig oudsten den troon van Gods Majesteit omringen. In Matth. XXY ontvangen zij als de schapen, bij Jezus\' komst op aarde, het koninkrijk, dat hun van de grondlegging der wereld af bereid was, en in Openb. XXI wandelen zij op aarde, in het duizendjarig rijk, in het licht van het hemelsche Jeruzalem.

De in Hoofdstuk VI afgebroken draad wordt nu wederom opgevat; en het Lam opent het zevende zegel. (Hoofdst. VIII : 1.) Daarop volgt een stilzwijgen in den hemel van omtrent een half uur, hetwelk tot inleiding dient van een nieuwe reeks van verdrukkingen, die over de aarde komen zullen.

156

-ocr page 171-

H. VIII : 2.

157

DE OPENBARING.

3. Hoofdstuk VIII : 2—XI : 18.

In deze afdeeling hooren wij het geklank der zeven bazuinen. Na het stilzwijgen in den hemel van omtrent een half uur, zag Johannes „de zeven engelen, die voor God staan,quot; als de gezanten van Gods macht en majesteit, „en hun werden zeven bazuinen gegeven,quot; (vs. 2.) opdat zij met luider steni de oordeelen Gods over de aarde zouden aankondigen. Deze zeven engelen met hunne bazuinen treden uit het zevende zegel te voorschijn, waaruit blijkt, dat zij niet gelijktijdig, maar na de opening der zeven zegelen hun geklank doen hooren. De oordeelen, welke zij brengen, zjjn veel schrikkelijker dan die tot hiertoe werden uitgestort. Zij komen meer rechtstreeks van God. Het zijn geen rampen, welke Gods Voorzienigheid over de aarde beschikt, maar plagen, die de Rechter der gansche aarde als gerichten over de goddelooze en ongeloovige wereld zendt.

Voordat evenwel de zeven engelen zich bereidden om te bazuinen, aanschouwen wij een anderen engel, die als hoogepriester staat bij het altaar. „En een andere engel kwam, en stond bij het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd

-ocr page 172-

BESCHOUWING OVER

H. VIII : 3.

158

veel reukwerk gegeven, opdat hij kracht gave aan de gebeden van al de heiligen op het gouden altaar, dat voor den troon was.quot; (vs. 3.) Deze engel-hoogepriester is onze Heer Jezus Christus. Wie anders dan Hij kan kracht geven aan de gebeden der heiligen? quot;Wel brengen de vier en twintig oudsten, in Hoofdstuk V, de gebeden der heiligen voor den troon; maar zij konden aan die gebeden niets toevoegen ; dat kan Hij alleen, die de overwinning over alles behaald heeft. De Heer Jezus Christus treedt derhalve hier in een geheel andere gestalte voor ons. De zeven zegelen worden geopend door het Lam, dat geslacht werd. Doch gedurende de bazuinen vernemen wij niets van het Lam. Hij wordt ons hier voorgesteld onder de gedaante van een engel. Dit is hoogst merkwaardig. Wat zou wel de reden van deze verandering-zijn? Mij dunkt, zij heeft haren grond hierin, dat de zeven bazuinen zich uitsluitend met de wereld bezighouden , zonder gewag te maken van de heiligen, die op aarde zijn. Voorzeker, er zijn ook in dien tijd heiligen op aarde. Hunne gebeden, die door den engel voor God gebracht worden, bewijzen zulks. Maar wij vernemen niets van hen in de beschrijving der oordeelen, die door de bazuinen over de wereld komen. Zij gaan door die oordeelen heen, zonder dat zij afzonderlijk vermeld worden. Welnu overal waar wij de lijdende heiligen op aarde aantreffen, vinden wij het Lam; (zie Hoofdst. VI, VII, XIV.) terwijl hier alleen van de wereld wordt gewag gemaakt, en de Heer daarom niet als het Lam, maar als een engel voor ons veï-schijnt.

Doch hoewel wij gedurende deze oordeelen niets van

-ocr page 173-

DE OPENBARING.

H. VIII: 3.

159

de heiligen op aarde vernemen, zoo is liet toch bijzonder vertroostend te hooren, hoe de Heer aan hen denkt, zijn oog op hen gericht heeft, naar hunne gebeden luistert, en die gebeden brengt voor God. Nochtans -welk een onderscheid tusschen hen en ons! Ja, welk een verschil tusschen onzen Hoogopriester en den engel-hoogepriester, die hier voor ons staat! Voor ons is Jezus, de Zoon van God, de hemelen doorgegaan, en is een Hoogepriester, die in alle dingen verzocht is geworden gelijk als wij, uitgenomen de zonde. Hij stierf voor onze zonden; Hij kan medelijden hebben met onze zwakheden , daar Hij zoowel in de verzoeking als bij de verzoening geleden heeft. Onze God zit dientengevolge op den troon der yenade, van welken barmhartigheid en genade uitgaat, tot tijdige hulp. (Hebr. IV). Daarom zenden wij smeekingen, geboden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mcnschen ten hemel. Hier evenwel is geen genade, maar oordeel. De gebeden dezer heiligen zijn gebeden om wraak over hunne vijanden; en het antwoord op die gebeden is de uitstorting van een nieuwe reeks van schrikkelijke oordeelen.

Merkwaardig is het ook, dat wij hier van twee altaren hooren. Do engel stond bij het altaar met een gouden wierookvat in zijne hand; en nadat hem veel reukwerk gegeven was, legt hij dat op het gouden altaar, dat voor den troon was. In den tabernakel waren ook twee altaren; het gouden reukofforaltaar in het heilige, en het koperen altaar, waarop de zond- en schuldoffers verbrand werden, in het voorhof. Het altaar, voor hetwelk de engel stond, is het koperen altaar. Hij staat voor hot altaar, waarop de zondoffers werden aangestoken; terwijl hij de gebeden der heiligen als reukwerk legt op het

-ocr page 174-

BESCHOUWING OVER H. VIII : 3.

gouden altaar, dat voor den troon was. En nadat de rook des reuk works was opgestegen met do gebeden der heiligen voor God, nam hij het wierookvat, en vulde dat met hot vuur van het koperen altaar, en wierp het op aarde; en er gescliieddeu stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving — de bekende zinnebeelden van het oordeel. Deze heiligen zijn, evenals wij, door het offer van Christus, waarvan dit koperen altaar het symbool is, met God verzoend, en hunne gebeden kunnen dientengevolge als reukwerk voor God worden gebracht. De wereld daarentegen heeft Christus verworpen en zijn offer versmaad; en daarom gaan van datzelfde altaar, \'t welk voor de heiligen het middel ter verzoening is, voor haar uit de oordeelen des Heeren. Treffend is de vergelijking van hetgeen hier plaats heeft met het tooneel in Jesaja TI. Daar vinden wij ook het koperen altaar voor den troon, en ook daar wordt vuur van dat altaar genomen, en daarmede de lippen des profeten aangeroerd. Doch wat vernemen wij daar? „Zie, deze heeft uwe lippen aangeroerd; alzoo is uwe misdaad van u geweken, en uwe zonde is verzoend.quot; Een stroom van genade vloeit daar voort uit het koperen altaar; terwijl hier de stormen des gerichts over de godvergetene wereld losbreken.

Heerlijk is het te vernemen, dat de Heer niet alleen de gebeden der heiligen brengt voor God, maar dat Hij aan die gebeden kracht geeft, en daardoor hunne uitwerking verzekert. Dit toch is de beteekenis van de hier gebezigde uitdrukking, welke in het Griekseh gelijkluidend is met de woorden in Hoofdst. XI : 3 : „Ik zal aan mijne twee getuigen macht geven.quot; Voor ons doet Hij nog meer. Hij is onze Voorspraak bij den

160

-ocr page 175-

DE OPENBARING.

H. VIII : 7.

101

Vader; en Hij heeft ons in zulk een innige gemeenschap met den Vader gebracht, dat Hij zeggen kan: „Ik zeg niet, dat ik den Vader voor u vragen zal; want de Vader zelf heeft u lief.quot; (Joh. XVI : 26.)

Nadat de engel het vuur, dat hij van het altaar genomen had, op de aarde had geworpen, bereidden zich de zeven engelen om te bazuinen. „En de eerste bazuinde; en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en zij werden op de aarde geworpen; en het derde deel der aarde verbrandde, en het derde deel der boomen verbrandde, en al het groene gras verbrandde.quot; (vs. 7.)

Evenals bij de beschrijving van de oordeelen in het zesde Hoofdstuk, hebben wij ook hier zinnebeeldige voorstellingen, welker beteekenis wij door vergelijking met andere Schriftuurplaatsen moeten trachten te verklaren. Ook hier vinden wij een duidelijk bewijs, dat er aan geen letterlijke toepassing moet gedacht worden. Een berg, die in de zee geworpen wordt, zal toch nimmer de zee in bloed veranderen, gelijk zulks in vs. 8 gezegd wordt. Wij moeten bij al deze beschrijvingen wel in het oog houden, dat Johannes in een visioen deze dingen voor zich zag, zooals hij ze beschrijft, en dat wij, door den Heiligen Geest verlicht, moeten trachten de ware beteekenis te verstaan.

De zinnebeelden nu, welke in dit eerste oordeel worden gebruikt, zijn niet moeielijk te verstaan. Het gras is in de Schrift het beeld van den mensch in zijne zwakheid. „Al de heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras; het gras verdort en zijne

11

-ocr page 176-

beschot;wing over H. VIII: 8, 9.

bloem valt af.quot; Het groene gras stelt dus den mensch voor in zijn voorspoed en rykdom. „Boomenquot; zijn zinnebeelden van menschen, die een booge plaats innemen, en door hunne macht grooten invloed uitoefenen. Ieder, die Ezeeh. XXXI : 3 en Daniël IV leest, zal zich daarvan kunnen overtuigen. De „aardequot; beteekent dan een geordenden, geregelden staat van zaken — een gebied, waar door geregelde regeering orde en tucht heerschen. Op het geklank der bazuin worden dezen getroffen door een allesvernielende (hagel en vuur) en bloedige plaag. Zoowel de machtigen als de geringen, zoowel de lage als do hooge standen worden door dit oordeel getroffen. Al wat hoog en machtig is, wordt terneergeworpen, en aardsch geluk en welvaart verdwijnen.

„En de tweede engel bazuinde; en als een groote berg, van vuur brandende, werd in de zee geworpen, en het derde deel der zee werd bloed; en het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, stierf; en het derde deel der schepen verging.quot; (vs. 8, 9.) Uit Hoofdst. XVII : 15 weten wij, dat de wateren voorstellen volken en scharen en natiën en tongen; zoodat de zee met hare golven en baren een beeld is van den toestand van verwarring en regeeringloosheid, waarin zich de volken der aarde bevinden. Terwijl dus het eerste oordeel over dat gedeelte der aarde wordt uitgestort, waar orde en tucht heerschen, komt dit oordeel daar, waar alles in verwarring is.

En wat een herg beteekent, leert ons Jeremia. In het LIste Hoofdstuk zijner profetie, vs. 25., lezen wij : „Ziet, Ik wil aan u , gij verdervende berg, spreekt

162

-ocr page 177-

H. VIII : 9 , 10. DE OPENBARING.

de Heer, gij, die de gansche aarde verderft! ea Ik zal mijne hand tegen u uitstrekken, en n van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg des brands.quot; Deze berg is Babyion. Jeremia profeteert van Babyion, dat het „een berg des brandsquot; worden zal en van zijne hoogte zal afgestooten worden; zoodat „een van vuur brandende bergquot; voorstelt een groote macht, welke zich onder het oordeel Gods bevindt. Deze macht wordt hier, in de Openbaring, gebruikt tot tuchtiging der volken; want de van vuur brandende berg wordt geworpen in de zee, ten gevolge waarvan een derde deel der zee bloed werd. Een groote macht, welke zelve door het oordeel Gods getroffen is, wordt geworpen te midden van de massa der volken, en veroorzaakt daar een schrikkelijke verwoesting en een groote slachting.

Bij de „derde bazuinquot; viel er „uit den hemel een groote ster, brandende als een fakkel.quot; (vs. 10.) In Hoofdstuk VI zagen wij reeds, dat „een sterquot; voorstelt een regeerende macht op aarde, die haar gezag en haren invloed aan een grootere macht ontleent. Hier zien wij een groote ster, een macht, die onder de afhankelijke rijken een eerste plaats inneemt, en die het werktuig had moeten zijn om licht en orde te verbreiden, zich losrukken uit de haar door God aangewezen standplaats, en zich met groot geweld en met een „brandendenquot; ijver werpen op een deel van de rivieren en de fonteinen der wateren. Zijn de „waterenquot; een zinnebeeld van de „volken, natiën en tongen,quot; dan is het niet moeielijk onder de „fonteinenquot; te verstaan de bronnen van de zedelijke beginselen dier volken, en onder de „rivierenquot; den loop, dien

163

-ocr page 178-

BESCHOUWING OVER H. VIII : 11 , 12.

deze beginselen nemen. Zoodat deze macht de zedelijke gevoelens en de gezindheid der volken verderft, en daardoor die volken in een verkeerde, tegen Grod vijandige richting stuurt. De naam van de ster is „Alsem;quot; zij deelt hare „bitterheid,quot; hare booze beginselen, aan den geest des menschen mede, zoodat deze, geheel daarvan doordrongen, spoedig hetzelfde karakter van bitterheid openbaart. Het is een vergiftiging van alles, wat als een middel des zegens en der welvaart voor den mensch had moeten dienen.

De „vierde bazuinquot; bi-engt het oordeel over de hoogste machten op aarde. „De zon,quot; als de opperste macht, en „de maanquot; en „de sterren,quot; als de van haar afhankelijke en aan haar onderworpen machten, ondervinden Gods straffende hand, en houden op den loop der dingen op aarde te regelen. In Hoofdstuk XII: 4 hooren wij, dat de groote, roode draak, met zeven hoofden en tien hoornen het derde deel van de sterren des hemels op de aarde werpt. Die roode draak is het Romeinsche rijk. Het zal dus wel niet gewaagd zijn om aan te nemen, dat het hier vermelde „derde deelquot; het Romeinsche gebied voorstelt, waarover het oordeel des Heeren gebracht wordt. Medegesleept door de macht des satans verliezen deze overheden en machten de hun door God gegeven plaats; en veroorzaken daardoor zulk een duisternis, dat de menschen in algeheele verwarring en ellende verkeeren, en, beroofd van het hun besturende licht, en onbekend met den wil van God, in den duisteren nacht rondtasten, (vs. 12.)

Door de oordeelen der „vier bazuinenquot; zijn derhalve alle deelen der symbolische schepping geslagen: het

164

-ocr page 179-

H. VIII : 13. DE OPENBARING.

groene gras, de zee, de rivieren en fonteinen der wateren en eindelijk de laemellichamen. De slagen waren zwaar en vernietigend. Doch er komen nog schrikke-lijker oordeelen. De profeet aanscliouwt een nieuw visioen. Hij wordt voorbereid op het hooren en aanschouwen van nog aangrijpender gebeurtenissen. „En ik zag, en ik hoor de een arend, vliegende in het midden des hemels, zeggende met een groote stem: Wee, wee, wee, hun die op de aarde wonen, wegens de overige stemmen van de bazuin der drie engelen, die bazuinen zullen.quot; (vs. 13.) Dit is voor de derde maal, dat wij in de Openbaring hooren van hen, die op de aarde wonen; en het schijnt mij toe, dat er een onderling verband is tusschen deze drie keeren, dat er van hen gewag wordt gemaakt. In den brief aan Filadelfia wordt aan de gemeente beloofd, dat zij bewaard zal worden uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen; in Hoofdstuk YI roepen de zielen onder het altaar om wraak over hen, die op de aarde wonen; welnu die verzoeking, die wraak komt hier; het driewerf wee wordt uitgeroepen over hen, die op de aarde iconen.

Hoofdstuk IX. — De vorige oordeelen werden uitgestort over het quot;VVesterseh Eomeinsche rijk; hier worden wij verplaatst in het Oosten, en wel vooreerst in het land Kanaan. Wij hooren toch in vs. 4 van de verzegelden uit de twaalf stammen Israëls, en in vs. 14 van de rivier den Eufraat. Hoewel het hier niet uitdrukkelijk gezegd wordt — wij vinden dit eerst later — zoo blijkt toch iiit alles, dat de Joden in hun land

165

-ocr page 180-

BESCHOITVVIKG OVER H. IX : 1—3.

zijn teruggekeerd, en voor het grootste gedeelte van God zijn afgevallen.

„En de vijfde engel bazuinde, en ik zag een ster gevallen uit den kemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds; en zij opende den put des afgronds; en rook steeg op uit den put als rook eens grooten ovens; en de zon en de lucht werden verduisterd door den rook des puts.quot; (vs. 1, 2.) Een macht, die haar gezag van God ontvangen had om een werktuig des lichts en der orde op aarde te zijn, valt van God af, en ontvangt kracht en gezag van den satan. De zinnebeeldige voorstelling schijnt ontleend aan Jesaja XIV : 12, waar tot den koning van Babylon gezegd wordt: „Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! . . . . Gij zult in de hel nedergestooten worden, aan de zijden van den kuil.quot; Het onderscheid is, dat hier niet het oordeel over deze macht wordt aangekondigd, maar haar de sleutel van den put des afgronds gegeven wordt, opdat zij aan de duistere, helsche invloeden des duivels den vrijen loop geve. Zij opent dan ook den put des afgronds; en uit dien put stijgt rook als rook eens grooten ovens. Die rook is het zinnebeeld van de bedriegerijen des satans, die den menschelijken geest verduistert en in verwarring brengt, waardoor de „zonquot; als opperste macht verhinderd wordt hare heerschappij over de aarde uit te oefenen, en „de lucht,quot; dat is, de atmosfeer die den menschelijken geest omringt wordt verduisterd, om eiken heilrijken invloed weg te nemen.

Doch dit is niet alles. „Uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht

166

-ocr page 181-

H. IX : 4, 5. DE OPENBARING.

gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.quot; (vs. 4.) Dat wij hier niet aan werkelijke sprinkhanen — die plaag van het Oosten — moeten denken, blijkt uit hetgeen hun gezegd werd, dat zij, namelijk, het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch eenig groen, noch eenigen boom, waaruit juist het voedsel van sprinkhanen bestaat. Er worden bedoeld werktuigen des satans, die de menschen zullen kwellen en pijnigen. In Nahum III: 17 wordt gezegd: „Uwe gekroonden zijn als de sprinkhanen;quot; en in Ezech. II : 6 worden de goddeloozen „schorpioenenquot; genoemd. Hun werd macht gegeven over de menschen om hen vijf maanden lang te pijnigen, terwijl hun verboden werd hen te dooden. (vs. 4, 5.)

Staan wij hier een oogenblik stil, en letten wij op sommige belangrijke dingen, welke in deze profetie voorkomen. Yooreerst, ontmoeten wij hier de verzegelden van het zevende Hoofdstuk. Den sprinkhanen werd macht gegeven te beschadigen de menschen, die het zegel Gods niet aan hunne voorhoofden hebben. Wij bevinden ons derhalve hier klaarblijkelijk in Palestina. De Joden zijn in hun land. Een klein gedeelte is verzegeld door Grod. Het meerendeel staat onder den invloed van den duivel, en wordt door hem gepijnigd. De Heer bewaart de zijnen. Hoe groot de macht des satans ook wezen moge, niemand mag een hand aan die verzegelden slaan. Dit leidt ons vanzelf tot de tweede opmerking, dat, namelijk. God de teugels van het bewind voortdurend in handen heeft. De Heer gebruikt den duivel tot kastijding zijner kinderen, gelijk wij uit de geschiedenis van Job leeren; Hij bezigt hem ook om de goddelooze menschen te kwellen, gelijk wij hier en

167

-ocr page 182-

BESCHOUWING OVER H. IX ; 6, 7.

elders zien; doch in beide gevallen kan hij niet verder gaan dan God het toelaat. Bij Job wordt hem uitdrukkelijk gelast niet aan het leven te raken; en hier mag hij zijne hand niet slaan aan de verzegelden, en zijne pijniging niet langer dan vijf maanden doen duren. Gode zij dank, wij zijn niet onder de macht des satans, al is hij soms het instrument om ons te kastijden; wij bevinden ons onder do trouwe zorg en hoede eens liefhebbenden Vaders, die alle dingen ten goede doet medewerken. En wat de regeering der wereld betreft: de teugels van het bewind zijn in Gods hand, en eenmaal komt alles onder het bestuur van onzen Heiland, Gods geliefden Zoon, en wordt den duivel voorgoed allo macht en heerschappij ontnomen.

Merkwaardig is het ook, wat wij in het 6de vers lezen: „En in die dagen zullen de menschen den dood zoeken, en dien geenszins vinden; en zij zullen begeeren te sterven, en de dood vliedt van hen.quot; Welk een angst en ellende zal er dan zijn! De mensch, die zoo gaarne leeft, die alle mogelijke moeite inspant om den dood te ontvluchten, zal liever sterven, dan nog langer den angst des harten, do wroeging des gewetens en de kwalen eener gefolterde ziel te doorstaan, welke het gevolg zijn van het goddelijk gericht, \'t welk door de boosheid des duivels wordt uitgevoerd!

Doch gaan wij verder, en zien wij, hoe de sprinkhanen beschreven worden. Als een krijgsheir worden zij ons voorgesteld. Zij zijn „gelijk aan paarden, toegerust ten oorlog,quot; die snel ter verwoesting voortdringen. „Op hunne hoofden waren als kronen, aan goud gelijk,quot; \'twelk aanduidt, hoe

168

-ocr page 183-

H. IX : 8—11. DE OPENBARING.

169

zij den schijn aannemen van koninklijke gerechtigheid, misschien voorgevende dat die goddelijk is. „Hunne aangezichten als aangezichten van men-schenquot; geven te kennen, dat zij verstand en inzicht hebben; terwijl zy nochtans aan anderen, ja, aan den satan zeiven onderworpen zijn, \'t welk wordt aangeduid door het „haar van vrouwen,quot; dat zij dragen. „Hunne tanden als van leeuwenquot; getuigen van hunne hardheid en ongevoeligheid; „het geruisch hunner vleugelen als het geruisch van wa-genen met vele paarden, die ten strijde loop en,quot; van de snelheid en behendigheid, waarmede zij optreden. De staarten, den schorpioenen gelijk, en angels, waarvan gezegd wordt: „hunne kracht was in hunne staarten, om de menschen te beschadigen vijf maanden,quot; stellen voor de slechte beginselen en de valsche leeringen, welke zij onder de menschen verbreiden. In Jesaja IX : 14 lezen wij: „De profeet, die valschheid leert, die is de staart.quot; Een schrikkelijke, gruwelijke, allerlei boosheid en ketterij verbreidende macht wordt ons derhalve hier voorgesteld, die dan bovendien staat onder de leiding van den engel des afgronds. „Zij hadden over zich tot koning den engel des afgronds, wiens naam in liet Hebreeuwsch is Abaddon; en in het Grieksch heeft hij den naamApol-1 y o n.quot; (vs. 11.) Apollyon beteekent „verderver;quot; zoodat hieruit, zoowel als uit de aanduiding „engel des afgronds ,quot; blykt, dat deze koning onder den rechtstreek-schen invloed van den satan staat, zoo hij al niet de satan in eigen persoon is. Uit de omstandigheid, dat zijn naam in het Hebreeuwsch wordt opgegeven, volgt

-ocr page 184-

BESCHOUWING OVER H. IX : 13, 14.

klaarbljjkehjk, dat hij in Palestina regeeren zal, terwijl zijn grieksche naam genoemd wordt, aangezien hij in verbinding staat met het grieksche of oostersche deel van het Romeinsche rijk.

De geweldige hand Gods doet het met schuld beladen geweten der goddeloozen steeds meer de scherpte zijner oordeelen ondervinden; doch hoe benauwd en beangst de menschen ook zijn zullen, het is nog geenszins het eindgericht; integendeel, er komen nog schrik-kelijker dingen. Grods toorn is ontbrand, en zal in volle mate over de godvergetene wereld worden uitgestort. „Het ééne wee is voorbij, ziet, er komen nog twee weeën na dezen.quot;

Het tweede wee heeft een meer uitwendig karakter. Hoewel wij ook hier de macht en den invloed des satans erkennen, zoo staat nochtans niet deze macht, maar Gods voorzienigheid op den voorgrond. Het too-neel der handeling is het Oostersch-Romeinsche rijk, gelijk uit de vermelding van de rivier, den Eufraat, duidelijk blijkt.

„En de zesde engel bazuinde; en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was, zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de groote rivier, den Eufraat.quot; (vs. 13, 14.) Deze stem, die uit de vier hoornen des gouden altaars kwam, is ongetwijfeld de stem des Heeren. Hoogst merkwaardig is deze voorstelling. Gewoonlijk toch is het gouden altaar de bepaalde getuigenis van Jezus\' alvermogende voorspraak. Daarom stijgt zijn reukwerk op tot God. Op

170

-ocr page 185-

H. IX : 13, 14. DE OPENBARING.

de hoornen van het koperen altaar werd het bloed van het zondoffer gestreken, wanneer een bijzonder persoon, hetzij een overste of een gewoon mensch, gezondigd had. quot;Wanneer evenwel de geheele vergadering had gezondigd, dan moest het bloed van het zondoffer aan de hoornen van het gouden altaar gedaan worden; want de gemeenschap van het volk, als één geheel, was afgebroken, en moest weer worden hersteld. Doch hier is het geheel anders. Een stem uit de vier hoornen des gouden altaars beveelt den engel der zesde bazuin, om de vier engelen, die gebonden zijn bij de groote rivier, den Eufraat, los te laten, opdat het oordeel Gods de menschen treffen zou.

Merkwaardig is tevens de overeenstemming en het onderscheid tusschen hetgeen na het openen des zesden zegels en na het blazen der zesde bazuin gebeurde. In beide gevallen is er een oogenblik van rust. Doch waar na het zesde zegel vier engelen op de vier hoeken der aarde staan, om de vier winden der aarde vastte houden, daar worden na het blazen der zesde bazuin vier engelen ontbonden, om hun werk der verwoesting te beginnen. In het eerste geval was het een tusschenbeide treden van Gods ontferming, dewijl God in genade de oordeelen tegenhoudt, om de 144,000 uit de twaalf stammen Israels te verzegelen, en het oog des profeten te richten op de ontelbare schaar uit de volken, die onbeschadigd uit de groote verdrukking te voorschijn treden. Hier daarentegen dient de rust niet om het oordeel tegen te houden, maar integendeel om door het ontbinden der vier engelen den loop der gebeurtenissen te bespoedigen.

Deze werktuigen des goddelijken gerichts „waren

171

-ocr page 186-

BESCHOUWING OVER H. IX : 15, 16.

bereid tegen de ure en dag en maand en jaar, om het derde deel der menschen te do oden.quot; (vs. 15.) Het oordeel is op liet nauwkeurigst door den Heer vastgestèld en te voren bepaald. Het is de Heer, die spreekt, en die het bevel aan den engel geeft. Die engel ontbindt de vier engelen aan den Eufraat. Het kwaad kan slechts in zooverre werkzaam zijn, als het door den Heer wordt veroorloofd. Niemand kan een hand verroeren zonder zijnen wil. Alles staat onder zijn bestuur.

Een woord uit \'s Heeren mond — en onafzienbare scharen van ruiterij treden te voorschijn en werpen de oorlogsfakkel in het uitgestrekte gebied des Ro-meinschen rijks (vs. 16.) Dit tweede wee overtreft het eerste in uitgestrektheid en vernielende kracht. Tei-wijl toch bij de eerste wee-bazuin een plaag zonder doode-lijke uitwerking den menschen trof, die niet als Gods dienstknechten aan hunne voorhoofden verzegeld waren, zoo komt nu vernieling en dood over de menschen-kinderen. Het eerste wee draagt meer een geestelijk, dit meer een uitwendig karakter. De werktuigen van het eerste stonden meer onder den onmiddellijken invloed van de list en de macht des satans; terwijl dezen, hoewel hunne gewetens, woorden en daden onder den duivelschen invloed zich bevinden, meer als de uitvoerders des goddelijken gerichts optreden en den dood brengen.

Uit het vervolg blijkt, dat de paarden, veelmeer dan de ruiters, aan dit heirleger zijn ware karakter ver-leenen. „En ik zag in het gezicht de paarden; en die daarop zaten, aldus: zij hadden vurige en purper blauwe en zwavelkleurige

172

-ocr page 187-

H. IX : 17 —19. DE OPENBARING.

harnassen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging uit vuur en rook en zwavel.quot; (vs. 17.) Het is niet moeielijk om in deze zinnebeelden de hel-sche macht te aanschouwen. Hunne harnassen zijn klaarblijkelijk uit de hel genomen en dragen de kleuren van het helsche vuur; en terwijl zij met de krachten de roofzucht van een leeuw uittrokken, openen zij, om zoo te zeggen, den „poel des vuurs, die van zwavel brandt.quot; „Door deze drie plagen werd het derde deel der menschen gedood, door het vuur en den rook en den zwavel, die uit hunne monden uitgingen.quot; (vs. 18.) Doch dit is nog niet alles. De plaag was nog schikkelijker. De „angels aan de staarten der schorpioenenquot; van het eerste wee bereidden, door de boosheid des duivels, onnoemelijke kwalen in het hart en geweten der menschen; doch het gericht van het tweede wee brengt veel grootere ellende en duivelsch verderf. „De kracht der paarden is in hunnen mond en in hunne staarten; want hunne staarten zijn aan slangen gelijk, en hebben hoofden; en zij beschadigen daarmede.quot; (vs. 19.) Er stroomt derhalve niet alleen het doodelijk verderf van satan\'s macht uit hunnen mond, maar zij brengen ook het vergift van valsche leeringen des duivels; zij beschadigen zoowel door de kracht van hunnen mond als door de staarten, die aan slangen gelijk zijn. Die staarten hebben „hoofden,quot; \'t welk hoogstwaarschijnlijk aanduidt, dat het werk des ver-derfs naar een te voren welberaamd plan wordt uitgevoerd.

En wat is de uitwerking van al deze schrikkelijke

173

-ocr page 188-

BESCHOUWING OVER H. IX: 20, 21.

174

gerichten op het hart des menschen ? Helaas! de mensch verhardt zich meer en meer, zelfs in die dagen dei-ellende. God Iaat het eene oordeel op het andere volgen; de roede in zijne hand treft eerst de omstandigheden, waarin de mensch zich bevindt, en dan den mensch zeiven; het eene wee veroorzaakt schrik en verslagenheid in de beangstigde ziel; het andere brengt door duivelsche werktuigen den dood. Doch alles is tevergeefs! In het verduisterde hart des menschen vertoont zich noch ten aanzien van het godsdienstige, noch ten opzichte van het zedelijke kwaad een spoor van berouw of bekeering. „En de overige menschen, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich niet van de werken hunner handen, dat zij niet aanbaden de duivelen,en de gouden en zilveren en koperen en steenen en houten afgoden, die noch zien, noch hoeren, noch wandelen kunnen; en zij bekeerden zich niet van hunne doodslagen, noch van hunne tooverijen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen.quot; (vs.20,21.) Wat er ook gebeure, in welke omstandigheden de mensch ook gebracht wordt, wat ook over hem komt, hij blijft steeds onverbeterlijk slecht. De genade moge hem in al hare schoonheid en kracht worden voorgesteld, Gods oordeelen mogen zijn hart beangstigen en verschrikken; ja men stelle hem aan den i-and der hel, en toone hem de pijn van hen, die tevergeefs naar een droppel water smachten, om hunne brandende tong te verkoelen, hij bekeert zich niet. Wanneer God zich niet op bijzondere wijze aan zijne ziel openbaart, dan verhardt hij zich tegen alles in. De afgodendienst en

-ocr page 189-

H. IX : 20, 21. DE OPENBARING.

de tegen God en mensclien zondigende ongerechtigheid zijn en blijven zijn lust en zijn leven. Voorwaar, een verootmoedigend en vernederend getuigenis voor ons allen!

Hoewel het mij voorkomt, dat wij in de achter ons liggende geschiedenis der wereld gebeurtenissen aantreffen, welke als een vervulling van de in dit Hoofdstuk vervatte profetieën kunnen aangemerkt worden, zoo moeten wij evenwel niet uit het oog verliezen, dat dit altijd slechts een gedeeltelijke vervulling is. Het is hiermede als met de profetie van Joël. Op den Pinksterdag zegt Petrus: „Dit is het, wat gesproken is door den profeet Joëlterwijl het duidelijk genoeg is, dat de algeheele vervulling dier profetie nog in de toekomst ligt, wanneer aan het Israëlietische volk de Heilige Geest zal geschonken worden, en het zich verheugen zal in de gelukkige regeering van hunnen Messias. Nog duidelijker blijkt dit uit de profetie in Daniël XI, die tot op zekere hoogte is vervuld geworden onder de regeering van de opvolgers van Alexander den Groote, en voornamelijk van den boozen koning An-tiochus Epifanes; terwijl uit het slot dier profetie blijkt, dat er nog een andere tijd komen moet, waarin de algeheele vervulling dier voorzeggingen kan worden verwacht. — Zoo kan men dan ook hier de gewone verklaring van de sprinkhanen en de paarden, als zouden die de Saraceenen en de Turken voorstellen, welke het Joodsche land en het Oostersch Eomeinsche rijk hebben ingenomen, gerust aannemen, indien men slechts bedenkt, dat dit niet meer dan een voorloopige en gedeeltelijke vervulling was, en dat de werkelijke en alge-

175

-ocr page 190-

BESCHOUWING OVER H. IX: 20, 21.

heele vervulling nog komen moet, nadat de Gemeente van Christus in den hemel opgenomen en verheerlijkt is.

Hoe deze laatste vervulling wezen zal, is in groote trekken gemakkelijk aan te geven. Het „eerste weequot; wordt over Palestina uitgestort, waar alle niet verge-zegelden zijne pijnlijke plagen ondervinden; het „tweede weequot; bezoekt de bewoners van het Oostersch Romein-sche rijk; terwijl de vier eerste bazuinen hunne oor-deelen uitstorten over het Westersche gedeelte van dit rijk; zoodat wij in deze profetieën het geheele Romein-sche gebied door Gods gerichten getroffen zien, totdat het, zooals de zevende bazuin ons leert, geheel zal worden overwonnen en vernietigd door den grooten Overwinnaar der duivelsche macht, onzen Heer Jezus Christus.

Hoofdstuk X — XI : 14.

Dit gedeelte der Openbaring vormt opnieuw een tus-schenzin, welke een nieuwe profetie bevat. In Hoofdstuk YIII en IX hoorden wij het geklank van zes bazuinen, en zagen wij bij de vijfde en zesde bazuin het „eerstequot; en „tweede weequot; over de aarde zich uitstorten, terwijl de „zevende bazuinquot; en het „derde weequot; eerst in Hoofdstuk XI vs. 15 komen.

De profeet „zag een anderen sterken engel, nederdalende uit den hemel, bekleed met een wolk, en de regenboog op zijn hoofd, en zijn aangezicht als de zon, en zijne voeten als vuurzuilen.quot; (vs. 1.) Evenals in Hoofdstuk VHI de engel- hoogepriester Christus voorstelt, zoo wordt ook hier Christus zelf klaarblijkelijk door dezen sterken

176

-ocr page 191-

H. X : 1, 2.

177

DE OPENBARING.

ougel vertegenwoordigt. De „wolkquot; is het welbokonclo teeken van Jehovah\'s tegenwoordigheid. In de woestijn ging Hij-zelf als de ongel des verbonds voor zijn volk henen, en wel verborgen in een wolk, die als het uitwendige beeld zijner heerlijkheid aan de verlossing van Israël herinnerde. De „regenboogquot; is het onderpand van Gods onveranderlijk verbond met de schepping. De „zonquot; is het symbool van Gods hoogste Majesteit in de regeering der wereld. Het aangezicht van den engel was als de zon. Evenzoo was het op den heiligen berg, (Matth. XVII : 2.) en zóó zag Johannes zijnen Heer en Meester op het eiland Patmos. (Openb. I : 16.) „Zijne voeten als vuurzuilenquot; duiden aan de sterkte en de onbewegelijkheid van de komende oor-deelen. „Hij zette zijnen rechter voet op de zee,quot; door welke de ongeordende volksstammen worden aangeduid; „en den linker op de aarde,quot; welke dat doel der wereld voorstelt, waar Gods getuigenis bekend is en Gods regeering gevonden wordt. Onze Heer Christus verschijnt dus hier om zijne rechten op de regeering der wereld te proclameeren. Krachtens zijnen titel en zijne macht eischt Hij het bestuur, niet over de Gemeente, maar over de aarde op, om zich weldra in al zijne heerlijkheid aan haar te vertoon on.

Merkwaardig is het onderscheid tnsschen hetgeen wij hier en hetgeen wij in Hoofdstuk V vindon. Daar zit God op zijnen troon met een verzegeld boek in zijne rechterhand, en het Lam, hetwelk daartoe alleen waardig was, opent dat boek. Hier hebben wij daarentegen een owyeraef/eMboek. De engel „had in zijne hand een geopend boeksken.quot; (vs. 2.) Yan dit oogenblik af komt er een groote verandering in de

12

-ocr page 192-

BESCHOUWING OVER H. X : 2, 3.

manier van voorstelling in de Openbaring. Niet langer aanschouwen wij gebeurtenissen, die de verborgen werking zijn van Gods onzichtbare hand, maar wij worden getuigen van de volle openbaring van Gods bedoelingen en handelingen ten aanzien van zijn volk. Wij vinden niet langer zinnebeeldige sprinkhanen, of symbolische paarden en ruiters, enz.; maar de duidelijke, voor geen misvatting vatbare daden des Heeren. Dit is, naar ik vermeen, het onderscheid tusschen de twee boeken. Het eerste was in de hand van God, en was verzegeld, zoodat niemand het openen kon, dan Hij, die ter heerlijkheid Gods alles volbracht had; het tweede was een geopend boek, \'twelk de profeet ontving uit de hand des engels. En onmiddellijk daarop hooren wij, in plaats van de zinnebeeldige taal der vroegere visioenen, van den tempel, van de heilige stad, van de volken, die het heiligdom vertreden; en dat alles in zulke duidelijke bewoordingen, dat er van geen vergissing spraak kan zijn. Ook verschijnt het Beest op het tooneel, en strijdt met ongekende woede tegen God en zijne dienaren; terwijl eindelijk de Heer Jezus aankondigt, dat de tijd nadert, waarin Hij alle dingen in zijne handen nemen zal. Het is dus een geopend boek, omdat de dingen, welke het bevat, volkomen duidelijk zijn; en het is een klein boek, omdat er nog slechts een weinig tijds moet verloopen.

„En hij riep met een groote stem, gelijk een leeuw brult; en toen hij riep, deden do zeven donderslagen hunne stemmen hooren.quot; (vs. 3.) Deze woorden herinneren ons vanzelf aan de profetie van Amos: „Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeftZal een jonge leeuw

-ocr page 193-

DE OPEXBARIXG.

H. X : 4—6.

179

uit zijn hol zjjuo stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hehbe? .... Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heer niet doet? Gewis-selijk do Heere Heere zal geen ding doen, tenzij Hij zijne verborgenheid aan zijne knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. De leeuw heeft gebruld, wie zon niet vreezen? De Heere Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteeren ?quot; (Amos 111.) Het brullen van den leeuw duidt dus aan de aankondiging van liet oordeel, terwijl de donderslagen, gelijk zulks overal in de Schrift voorkomt, de uitdrukking zijn van Gods macht in het oordeel. Vrees en schrik worden overal verspreid. De leeuw, uit Juda\'s stam gesproten, valt binnenkort op zijne prooi, en de oordeelen des Heeren vernietigen de vijanden.

Johannes wilde hetgeen de donderslagen gesproken hadden, opschrijven, doch wordt daarin door een stem uit den hemel verhinderd. Hij mocht de bijzonderheden niet mededeelen van hetgeen de Heer nu ging doen. Doch de engel, dien hij zag staan op de zee en op de aarde, „hief zijne rechterhand op naar den hemel, en zwoer bij hem, die leeft tot in alle eeuwigheid . . . . dat er geen uitstel meer zijn zal.quot; (vs. 6.) De lankmoedigheid Gods neemt een einde. Tevergeefs heeft Hij eeuwen lang het kwaad geduld en de vaten des toorns met lankmoedigheid gedragen. Zijn geduld is uitgeput. Niet langer wil Hij het toenemen der boosheid en des ongeloofs aanzien. Het eindgericht nadert met spoed. Zes bazuinen hebben reeds hun geschal doen hooren; twee weeën zijn reeds gekomen; het derde en laatste wee is in aantocht.

-ocr page 194-

ISO

Bij het geklank der zevende bazuin zal „de verborgenheid Gods voleindigd worden.quot; (vs. 7.) „De verborgenheid Godsquot; — niet te verwarren met „de verborgenheid van zijnen wil,quot; waarover Paulus spreekt — is, naar het mij toeschijnt, de toelating door God van het kwaad, van de macht dos satans, van den eigenwil des menschen. Want hoewel do Heer altijd in zijne voorzienigheid alle dingen bestuurt en regelt, zoo is het toch nu de tijd voor de openbaring van satau\'s macht en boosheid. Daaraan komt dan een einde. De dag des Heeren komt; en in volle kracht ontvouwen zich zijne regeering, zijne orde en zijne zegeningen op de aarde. Zijne rechten zullen overal worden erkend. Zoolang Christus nog zit ter rechter-hand Gods, toeft het gericht; doch hier staat Hij op van zijnen troon, en „zijne voeten als vuurzuilenquot; zullen weldra op do kampplaats verschijnen om zijnen vijanden vergelding te doen. Diep gevoelt Hij het lijden der zijnen; en onmogelijk kan Hij langer de boosheid en vijandschap der menschen laten voortduren. Het uitstel is voorbij, en de dag der wrake verschijnt.

De profeet wordt nu uitgenoodigd om het boekske, dat geopend is in de hand des engels, te nemen en op te eten. (vs. 8, 9.) Hij gehoorzaamt, en vindt het „in zijnen mond zoet als honig.quot; Het is een zoet en kostelijk voorrecht voor een dienstknecht des Heeren, in goddelijke verborgenheden te worden ingewijd. Doch evenals de profeet, nadat hij het boekske gegeten had, bitterheid in zijnen buik gewaar werd; zoo verwekken zulke mededeelingen, wanneer hun inhoud overwogen en hun resultaat gekend wordt, een smartelijk gevoel in het hart. Zoo was het bij Johannes,

-ocr page 195-

DE OPENBARING.

H. XI : 1.

181

die de aanwijzing ontving: „Gij moet wederom profeteeren over volken en natiën en talen en vele koningen;quot; (vs. 11.) en zoo zal liet altijd zijn. Het is een onschatbaar voorrecht de woorden dei-profetie te lezen en te hooren; doch het is voor ons gevoel aangrijpend en pijnlijk, te denken aan de schrikkelijke dingen, die over de goddeloozc menschen, tengevolge van hunne boosheid en ongerechtigheid, zullen komen. Helaas! maar al te spoedig zal tot honderd duizenden worden gezegd: „Er is geen uitstel meer! De tijd der genade is voorbij; de dag der wrake is aangebroken!quot;

Hoofdstuk XI. — Van het oogenblik, dat God openlijk met de aarde begint te handelen, zooals ons uit het vorige Hoofdstuk gebleken is, treedt zijn volk Israël weer op den voorgrond, en hooren wij van de volken, in zooverre zij met Israël in verbinding staan. Merkwaardig zijn in dit opzicht de woorden in Deut. XXXII: 8, 9: „Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen van één scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls; want des Heeren deel is zijn volk, Jakob is het snoer zijner erve.quot; Deze woorden verspreiden niet alleen veel licht over de profetie , maar ook over de geschiedenis in het Oude Testament. Er volgt toch uit, dat de aardrijkskunde in den Bijbel tot uitgangspunt heeft het Joodsche land, en dat alleen van die volken ons de geschiedenis (of gedeelten hunner geschiedenis) wordt medegedeeld, welke met het Israëlietische volk in aanraking kwamen.

Wij worden dientengevolge in de eerste verzen van

-ocr page 196-

182

dit Hoofdstuk verplaatst in Judéa ou Jeruzalem. „En m ij werd een rietstok gegeven, ge 1 ij k een staf, en gezegd: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en die daarin aanbidden. En liet voorhof, dat huiten den tempel is, werp dat uit, en meet het niet; want het is den volken gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.quot; (vs. 1, 2.)

Uit deze profetie blijkt, dat do Joden in hun land zijn teruggekeerd; dat Jeruzalem en de tempel zijn herbouwd; dat de Joden zich nog steeds onder de macht der volken bevinden, daar deze de heilige stad vertreden; en dat er een getrouw overblijfsel is,\'t welk God kent en aanbidt; terwijl tevens wordt opgegeven, dat de hier beschreven toestand twee en veertig maanden of S\'/s jaar zal duren. Staan wij bij deze belangrijke bijzonderheden eenige oogenblikken stil, en onderzoeken wij, wat ons daaromtrent in andere plaatsen der Schrift geleerd wordt.

De profeten des Ouden Verbonds voorspellen duidelijk den terugkeer van de Joden naar hun land. Nemen wij uit de talrijke profetieën dienaangaande de belangrijke en duidelijke voorzeggingen van Jeremia en Eze-chiël. In Jeremia XXX lezen wij: „Want zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat Ik de gevangenis van mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt de Heer; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.quot; En om te voorkomen, dat men van deze woorden, en van hetgeen volgt, een vergeestelijkende verklaring geven zou, wordt er bijgevoegd: „En dit

-ocr page 197-

H. XI : 1,2. de opexbarinx}.

zijn de woorden, die de Heer gesproken lieeft van Israël en van Juda.quot; En welke zijn die woorden ? „Zoo zegt de Heer: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over liunne woningen ontfermen ; en de stad zal herbouwd worden op haren hoop, en het paleis zal liggen naar zijne wijze.quot; Dat de terugkeer uit de babylonische ballingschap de vervulling dezer profetie niet zijn kan, volgt duidelijk daaruit, dat deze terugkeer slechts een zeer gedeeltelijke was, en Israël daarna steeds onder de macht der volken gebleven is, totdat het na de verwoesting van Jeruzalem door Titus ouder alle volken dor aarde is verstrooid geworden. Even duidelijk is Jeremia XXXI. „Terzolver tijd, spreekt de Heer, zal Ik alle geslachten Israëls tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.quot; — „Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwan-geren en barenden te zamon, mot een grooto gemeente zullen zij herwaarts wederkecren.quot; Alle volken zijn getuige geweest van Israel\'s verwerping, van zijne ellende en schande; doch nu worden zij uitgenoodigd om de barmhartigheid Gods te aanschouwen in de herstelling van zijn volk. „Hoort des Heeren woord, gij volken! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt; Hij, die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijne kudde.quot;

In Ezechiël XXXVI lezen wij: „Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al

183

-ocr page 198-

BESCHOUWING OVER H. XI : 1,2.

uwe onreinigheden on van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in liet binnenste van u . . . . En liet verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de oogen van een ieder, die er doorging.quot; — Het XXXVIIste Hoofdstuk bevat de welbekende beschrijving van de opwekking der doodsbeenderen. Die doodsbeenderen stellen de Joden voor, die dor, geheel verdorven, geheel dood zijn. Als volk bestaan zij op het oogenblik niet; zij zijn overal verstrooid. Doch zij zullen uit de graven der volken te voorschijn worden geroepen, en naar het beloofde land terugkeeren. De doodsbeenderen krijgen eerst vleesch en daarna een geest] dat wil zeggen: do Israëlieten zullen zoowel uit- als inwendig hersteld worden; zij zullen hunne plaats als volk weer innemen, en tegelijkertijd een nieuw hart en een nieuwen geest bekomen. — In de tweede helft van datzelfde Hoofdstuk wordt dan, onder het beeld van twee houten, de ver-eeniging van Juda met Israël voorgesteld, gelijk die plaats zal vinden bij de komst A-an Christus op aarde. (Zie ook Jes. XIV en Jer XVI en vele anderen.)

Al deze profetieën behandelen de zaak evenwel in het algemeen. Voor de bijzonderheden moeten wij ons tot andere voorzeggingen wenden. Een vergelijking van Zach. XIII met Ezech. XX doet ons zien, dat de twee stammen geheel, en wel ongeloovig, naar hun land zullen terugkeeren, terwijl van de tien stammen alleen het overblijfsel in het land zal komen. In het eerste vers van Zach. XIII lezen wij, dat de profetie is voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, derhalve voor de twee stammen. En in vs. 8 en 9 zegt de

184

-ocr page 199-

H. XI : 1,2. DE OPENBARING.

Profeet, dat van dezen in het land twee derde gedeelten zullen uitgeroeid worden, terwijl één derde gedeelte, na door het vuurs des oordeels gelouterd te zijn, behouden zal worden. In Ezech. XX : 38 daarentegen lezen wij, dat de wederspannigen van het huis Israels zullen gedood worden in het land hunner vreemdelingschappen^ en in het land Kanaiin niet zullen wederkomen, terwijl alleen het overblijfsel daarin zal gebracht worden. De twee stammen worden dus in het land, de tien stammen huiten het land geoordeeld. Het overblijfsel der twee stammen wordt in, dat der tien stammen buiten het land gelouterd, en eerst daarna in het land gebracht. (Zie voor dit laatste Matth. XXIV: 31.)

Aangezien de tien stammen niet in het land terug-keeren , is er derhalve in de Openbaring vóór de komst van Christus alleen spraak van de twee stammen. Deze zijn in het land gedurende de gebeurtenissen, welke in dat Boek beschreven worden, en worden daar geoordeeld. Hoe zij in het land gekomen zijn, deelt ons de Openbaring niet mede. Ook vinden wij daaromtrent slechts weinig in de Profeten. Nochtans komt het mij voor, dat Jesaja XVIII een voorstelling bevat van de wijze, waarop de Joden (de twee stammen) naar hun land zullen gebracht worden. Het volk toch, dat getrokken is en geplukt, dat wonderbaar is van dat het was en voortaan, is klaarblijkelijk Israël. Geen ander volk toch kan den Heere der heirscharen als een geschenk worden gebracht tot den berg Sion, zooals in het 7de vers staat. Welnu, dit volk zal door een groot en machtig volk, dat heerschappij heeft over de zee, in bescherming genomen en naar Palestina gebracht worden. En dat dit niet steelsgewijze, onopgemerkt.

185

-ocr page 200-

BESCHOUWING OVER H. XI : 1,2.

zoo nu en clan eenigen, zal plaats hebben, maar met een groote beweging, blijkt nit vs. 3. Evenwel zal bet doel, \'t welk die machtige natie met de wederbrenging der Joden in bun land beeft, worden gemist. Hoewel tocb de Heer in den beginne niet tusscbenbeide zal treden, zoo zal Israël dan nog niet zeker wonen : integendeel er zullen vele oordeelen over ben worden uitgestort. „Zij zullen te zamen gelaten worden den roofvogelen der bergen, en den dieren der aarde; en do roofvogelen zullen op bon overzomeren en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren.quot; (vs. 6.) Dit komt gebeel overeen met betgeen wij in ons hoofdstuk in de Openbaring lezen, dat namelijk de volken de heilige stad zullen vertreden. Nochtans zal dit slechts kort duren (42 maanden), en de profetie eindigt met de belofte der bevrijding en verlossing. De een of andere zeemogendheid zal dus de Joden naar bun land terugbrengen, en dat geenszins uit vreeze des Heeren, maar om staatkundige redenen, welke gemakkelijk te raden zijn. Aangezien Palestina de weg is van Europa naar Indië, is het meer dan waarschijnlijk, dat de Joden naar hun land zullen worden teruggebracht om te voorkomen, dat een der Europesche volken dit land in bezit neemt, en daardoor hot geheele Oosten onder zijne macht brengt.

Wij spraken daar van den tijd, die in Openb. XI wordt aangegeven. De volken zullen de heilige stad Jeruzalem vertreden twee en veertig maanden. Deze tijdsbepaling vinden wij in de profetieën van Daniël nauwkeurig terug. In Hoofdst. VII lezen wij van „een tijd en tijden en een halven tijd,quot; een tijdperk, \'t welk, als wij „een tijdquot; nemen voor een jaar, drie en een

186

-ocr page 201-

187

half jaar of twee en veertig maanden duurt. Docli vooral in Hoofdst. IX vinden wij deze tijdsbepaling nauwkeurig. In antwoord op zijne sclmldbelijdenis en zijn smeekgebed ontvangt Daniël de volgende belangrijke mededeoling van God: „Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad . . . . Van den uitgang des woords om Jeruzalem te herstellen en te bouwen tot op Messias, den vorst, zijn zeven weken en twee en zestig weken: de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na de twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, en hij zal niets hebben; en een volk van den vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom verwoesten, en haar einde zal zijn met een overstroomenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vast beslotene verwoestingen. En hij zal don velen het verbond versterken ééne weck; en in dc helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden , en vanwege de bescherming van den gruwel zal er een verwoester zijn, die tot aan de vastbeslotene voleinding (des oordeels) over de verwoeste zal worden uitgestort.quot; (vs. 24—27.)

Zeventig profetische jaarweken zijn dus bestemd over het volk en de heilige stad. Zij worden in drie tijdvakken verdeeld — in 7 weken, 62 weken en 1 week. Van het bevel tot Jeruzalems herbouwing, door Arthasasta aan Nchemia gegeven, (zie Neh. II.) tot op Messias, den Vorst, zijn 7 weken en 62 weken. In 7 weken of 49 jaren werden de straten en de grachten wederom gebouwd, doch in benauwdheid der tijden. Van toen af tot op Christus verliepen 62 weken of 434 jaar. Na die 62

-ocr page 202-

BESCHOUWING OVER H. XI : 1,2.

188

weken is de Messias uitgeroeid geworden, en heeft niets ontvangen. De Joden hebben Hem verworpen, en als Zoon Davids heeft Hij niets ontvangen. Hij moest zijne erfenis en de heilige stad in de handen van den mensch overgeven, en ging naar den hemel terug, om eerst veel later zijn koninkrijk in bezit te nemen. Daarna kwam onder Titus het volk (de Romeinen) van den vorst, die komen zal, om de stad en het heiligdom te verwoesten. Tot dusverre is de profetie vervuld. Doch nu blijft er nog ééne week over. Dat deze ééne week niet terstond op de 69ste volgen zou, blijkt uit de mededeeling, dat de Messias na de 62ste week uitgeroeid, en daarna Jeruzalem door de Romeinen verwoest zou worden. Die verwoesting duurt tot op het tegenwoordige oogenblik voort. Zoodat er tusschen dc 69ste en de 70ste week een tijdperk ligt, waarvan het einde nog niet is gekomen. Na de opname der Gemeente evenwel gaan de Joden, gelijk wij gezien hebben, naar hun land terug, herbouwen de stad en den tempel ; en alsdan zal de vorst van het volk, \'t welk onder Titus de stad heeft verwoest, met de Joden een verbond oprichten, \'t welk ééne week of zeven jaren zal duren. Die vorst zal eerst door vleierijen de Joden aan zich onderwerpen, (zie Dan. XI: 32.) maar daarna in de helft der week zich in zijn ware karakter ver-toonen, het slacht- en spijsoffer doen ophouden , aan de joodsche eeredienst een einde maken en zichzelven in den tempel Gods als een God plaatsen. De tijd is dan gekomen, van welken de Heer Jezus spreekt in Matth. XXIV : 15 : „Wanneer gij zult zien den gruwel dei-verwoesting — waarvan gesproken is door Daniël, den profeet — staande in de heilige plaats.quot; En vanwege

-ocr page 203-

11. XI : 1, 2. DE OPENBARING.

de bescherming van dien gruwel, namelijk een afgodsbeeld, \'t welk de vorst in den tempel Gods zal plaatsen, zooals wij later zien zullen, zullen Gods oordeelen andermaal over Jeruzalem worden uitgestort.

De laatste, de zeventigste week van Daniël, moet dus nog komen. Eer die week begint, moeten de Joden in hun land zijn teruggekeerd, en Jeruzalem en den tempel hebben herbouwd. De vorst toch, die over hen regeeren zal, zal met hen het verbond versterken óéne week. Hieruit volgt dus duidelijk, dat er tusschen de opname der Gemeente en het oordeel over Israël dooide komst dos Heeren op aarde, op zijn minst genomen zeven jaren verloopen. Deze zeventigste week nu is in twee helften verdeeld. Van do eerste helft hooren wij in de Openbaring niet. Evenwel blijkt uit hetgeen ons in dit Hoofdstuk wordt medegedeeld, dat de gebeurtenissen , die ons in Hoofdst. VI, VIII en IX beschreven worden, in die eerste helft, of voor een gedeelte misschien vóór don aanvang van de zeventigste week, zullen plaats hebben. Van de laatste halve week — de tijd, waarin de vorst, gelijk wij later zien zullen de Antichrist, op het toppunt zijner macht zal komen, en zich in al zijne boosheid vertoonen zal, wordt hier en in de verdere profetieën der Openbaring gesproken. Telkens wanneer wij lezen van een tijd en tijden en een hal ven tijd — van twee en veertig maanden — van twaalf honderd en zestig dagen — wordt deze laatste halve week bedoeld.

In dit elfde Hoofdstuk vernemen wij alleen, dat er gedurende dezen duisteren tijd, waarin bijna iedereen zich voor den Antichrist zal neerbuigen, toch nog een getuigenis voor God wezen zal. Vooreerst toch hooren

189

-ocr page 204-

190

■wij van sommigen, die in den tempel God aanbidden; maar dan vernemen wij verder van twee getuigen, dio duizend twee honderd zestig dagen, en derhalve de heele halve week, profoteeren zullen. De Heer geeft hun den schoonen naam van mijne getuigen; en om aan te duiden, hoezeer Hij hun getuigenis waardeert, spreekt Hij niet van drie en een halfjaar, of van twee en veertig maanden, maar van duizend twee honderd zestig dagen. Deze twee getuigen profeteeren tegen de goddeloosheid en de afgoderij in Israël, gelijk liimne broeders, de profeten in het Oude Testament, zulks doden. Zij zijn „met zakken bekleed,quot; als een teeken van hun droefheid en rouw over de schrikkelijke dingen, die hunne oogen aanschouwen.

„Dezen zijn de twee olijfboomen en de twee luchters, die voor den Hoer der aarde staan.quot; (vs. 4.) Klaarblijkelijk wordt hier gedoeld op de profetie in Zacharia IV, waar wij evenwel twee olijfboomen en één luchter vinden. In Zach. wordt ons in zinnebeeldige taal Christus, de luchter, voorgesteld, wiens koningschap en priesterschap (de twee olijfboomen) het joodsche volk ondersteunt en voedt. Zoo zal het zijn, als alles in zijn koninkrijk in orde zal wezen. Doch hier is het nog niet in orde. Er moet nog worden getuigd. Daarom zijn er twee luchters, twee getuigen, daar in den mond van twee of drie getuigen alle woord bestaat. Deze twee luchters staan voor den Heer dei aarde. De tijden der heidenen loopen ten einde; God zal zich als de Heer der aarde openbaren. Hij had de aarde aan de heidenen gegeven. (Dan. II : 37.) Zijn troon had Jeruzalem geoordeeld en verlaten. (Ezech. X : 18; XI : 22.) Hij gaf de heerschappij

-ocr page 205-

H. XI : 4—6. DE OPENBARIXGt.

over de aarde aan Nebukadnezar, aan de volken. En totdat de tijden der volken zullen vervuld zijn, zal Jeruzalem door de volken vertreden worden. (Luk. XXI ; 24.) Doek God zal zijne plaats als Heer der aarde wederom innemen; en deze twee getuigen geven getuigenis van zijn recht op de heerschappij.

Zij worden door God bewaard, opdat zij hun getuigenis zouden kunnen voleindigen; want „indien iemand hen wil b c s c li a d i g e n, zoo g a a t v u u r uit hunnen mond, en verslindt hunne vijanden.quot; (vs. 5.) Een nieuw bewijs, dat wij hier geen eigenlijk gezegd christelijk \' getuigenis hebben, maar een, dat overeenkomt met de oud-testamentische bedeeling. Zij deden toch juist hot tegenovergestelde van hetgeen de Heer deed op aarde; eu hun werd gegeven te doen, wat aan Jakobus en Johannes door Jezus verboden werd. Bovendien het karakter van hunne bediening en van de wonderen, die zij verrichten, is gelijk aan hetgeen wij van Mozes en Elia lezen. Evenals Elia hebben zij macht den hemel te sluiten, opdat geen regen valle in de dagen hunner profeteering; en evenals Mozes kunnen zij de wateren in bloed veranderen , en vermogen zij de aarde te slaan met allerlei plage, zoo dikwerf zij willen, (vs. 6.) Evenals Elia in zijne dagen, zoo zullen ook deze twee getuigen Israëls lot twee en veertig maanden zien in de handen van een heerscher, die de schrikkelijkste afgoderij zal invoeren; en evenals in de dagen van Mozes in Egypte, zal ook dan het volk zich in de macht der volken bevinden, die Jeruzalem vertreden.

„En wanneer zij hunne getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit

191

-ocr page 206-

192

den afgrond opstijgt, krijg met lien voeren, en zal hen overwinnen en hen dooden. En hun dood lichaam zal liggen op de straat der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egyte, waar ook hun Heer gekruisigd is.quot; (vs. 7, 8.) De plaatsbepaling is duidelijk genoeg. Jeruzalem, de eenmaal zoo geliefde stad, het middelpunt van Gods handelingen en getuigenis, zal aan de verdorvenheid van Sodom en aan de slavernij van Egypte overgegeven zijn. En gelijk de Heer door Jeruzalem verworpen eu gekruisigd word, zoo zullen ook zijne getuigen in die dagen worden gedood, terwijl hun niet eens de eer eener begrafenis zal worden gegund. (vs. 9.) „En die op do aarde wonen, verblijden zich over hen, en zijn vroolijk, en zenden elkander geschenken, omdat deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.quot; (vs. 10.) De overwinning van het beest schijnt een volkomene te ziju.

Wie is evenwel dat beest, \'twelk hier op eenmaal, zonder eenige aanduiding of voorbereiding, op het tooneel verschijnt, als waren wij reeds lang te voren met hetzelve bekend geworden? Mij dunkt, het is niet moeielijk om in dit beest een van de vier dieren uit Daniël \'s welbekende profetie te ontdekken. Wij zullen ons herinneren, dat Daniël vier groote dieren uit de zee zag opstijgen. Het eerste dier was aan een leeuw, het tweede aan een beer, het derde aan een luipaard gelijk; terwijl wij van het vierde dier lezen, dat het „schrikkelijk was en gruwelijk, en zeer sterk: en het had groote ijzeren tanden, het at en verbrijzelde; ... en het had tien hoornen.quot; (Dan. VII: 4—7.)

-ocr page 207-

H. XI : 7—10. DE OPENBARING. 193

Deze vier dieren stellen — zooals den Profeet verklaard wordt — de vier op elkander volgende wereldrijken voor — het baby Ionische, medo-perzische, grieksche en romeinsche rijk. Met dit laatste dier, het romein-sche rijk, houdt zich de Openbaring bezig. In de volgende Hoofdstukken komt het telkens voor, en wordt het in al zijne kenmerkende bijzonderheden geschilderd. Wij zullen derhalve gelegenheid hebben nog meermalen daarbij stil te staan. Wat hier evenwel onze bijzondere aandacht vereischt, is, dat het niet, gelijk in Hoofdst. XIII uit de zee, maar gelijk in Hoofdst. XVII uit den afgrond opstijgt. Wij lezen daar: „Het beest, dat gij gezien hebt, was, en is niet, en zal uit den afgrond opstijgen.quot; Het romeinsche rijk bestond ten tijde van Johannes; daarna kwam het in verval en werd vernietigd ; doch in de laatste dagen zal het wederom te voorschijn treden, en dan onder den onmiddellijken invloed van den duivel staan. Sedert dit rijk van het tooneel dezer aarde verdwenen is, zijn alle pogingen om het weer op te richten vruchteloos gebleven; doch het zal eenmaal door de macht des satans wederom worden hersteld. Zoolang do Heer nog in genade op deze aarde neerziet, en de vaten dos toorns met lankmoedigheid verdraagt, moeten wij de overheden en do machten onder alle omstandigheden als dienaressen van God beschouwen, hun gehoorzamen, en den keizer geven, wat des keizers is; doch de tijd nadert met reuzenschreden, dat God zijne hand zal terugtrekken, en zal toelaten, dat alle overheden zich aan den duivel zullen onderwerpen en zich door hem zullen laten leiden; en wanneer dan de maat der ongerechtigheid vol zal zijn, zendt Hij Jezus van den hemel om allo

13

-ocr page 208-

BESCHOUWING OVER H. XI: 11 , 12.

Hem vijandige machten te verdoen, en het koninkrijk des vredes en der gerechtigheid op te richten.

Het vooruitzicht daarop wordt ons hier reeds geopend. Het beest denkt een volkomene overwinning behaald te hebben. De twee getuigen zijn gedood. Hunne doode lichamen liggen op de straat van Jeruzalem, en zijn een voorwerp van smaad en spot voor zijne goddelooze inwoners. Doch opeens treedt de Heer tusschenbeide. Xa drie en een hal ven dag komt een geest des levens uit God in hen; zij staan op hunne voeten, en een groote vrees valt op hen, die hen zagen. Opgeroepen door een stem uit den hemel, stijgen zij voor de blikken hunner vijanden op naar den hemel in de wolk. (vs. 11, 12.) De wolk, het bekende zinnebeeld van Jehovah\'s tegenwoordigheid, waarmede de engel in Hoofdst. X bekleed was, noemt de twee getuigen op; waardoor getuigenis gegeven wordt, dat „de Heer des hemelsquot; evenals „de Heer der aardequot; over hen waakte en hen in alle omstandigheden, in nood en dood, nabij was. Hun opstijgen ten hemel heeft veel gelijkheid met de hemelvaart onzes Heeren Jezus, alleen met dit verschil, dat de hemelvaart des Heeren voor het oog zijner vijanden verborgen bleef, gelijk zulks ook met de hemelvaart der Gemeente het geval zijn zal, terwijl zij in den hemel werden opgenomen ten aanschouwe hunner vijanden, opdat zij daardoor een getuigenis zijn zouden, zoowel van Gods goedkeuring op hunne daden, als van de goddeloosheid hunner tegenstanders.

Geweldige omwentelingen vergezellen deze merkwaardige gebeurtenis. „En in die ure geschiedde een groote aardbeving, en het tiende deel der stad viel, en zeven duizend namen van menschen werden in de

194

-ocr page 209-

H. XI: 13, 14.

195

DE OPENBARING.

aardbeving gedood: en de overigen werden zeer bevreesd, en gaven heerlijkheid aan den God des hemels.quot; (vs. 13.) Den Heer der aarde hebben zij veracht; doch als zij de gedoode getuigen door de goddelijke macht gerechtvaardigd zien, dan willen zij den God des hemels eere geven. IJdele waan! Zij meenen, dat zij zich kunnen redden; doch bewijzen slechts, dat zij God noch zijne wegen kennen. Gelijk de menschen in onze dagen het getuigenis verwerpen van Hem, die op aarde kwam om zondaren te zoeken en te behouden, en tegelijkertijd van een God des hemels, zelfs van een hemelschen Vader spreken, dien zij niet kennen, zoo zullen ook de menschen in de laatste dagen, door vrees gedreven, zich uitwendig tot den God des hemels be-keeren, doch zonder waarachtig berouw en zonder een werkelijke aanneming van het getuigenis, dat Hij op aarde gegeven heeft.

„Het tweede wee is voorbij; ziet, het derde wee komt haastelijk;quot; zoo zegt de Profeet in vs. 14; en hiermede wordt de laatste gebeurtenis, welke op deze aarde zal plaats vinden, aangekondigd.

Hoofdstuk XI : 15—18.

Het „eerste weequot; werd, gelijk wij vroeger opmerkten, over Palestina uitgestort; het „tweede weequot; bezoekt de bewoners van het Oostersch Romeinsche rijk; terwijl de vier eerste bazuinen, die daaraan voorafgingen, hunne oordeelen uitstortten over het Westersch gedeelte van dit rijk; doch nu komt het „derde wee,quot; en wordt het geklank van de zevende en laatste bazuin

-ocr page 210-

BESCHOUWING OVER

H. XI : 15.

196

vernomen, en hiermede komt aan het Romeinsche rijk en aan alle andere rijken der aarde een einde. „En de zevende engel bazuinde, en er geschiedden groote-stemmen in den hemel, zeggende: Het koninkrijk der wereld van onzen Heer en van zijnen Christus is gekomen, enhij zal heerschen tot in alle eeuwigheid.quot; (vs. 15.)

Het groote en heerlijke resultaat van Jezus\' komst op aarde met groote kracht en heerlijkheid wordt door deze stemmen in den hemel aangekondigd. Op welke wijze deze komst zal plaats vinden, en welke gebeurtenissen daaraan onmiddellijk voorafgaan en daarmede zullen gepaard zijn, wordt ons in het verdere gedeelte van dit Boek medegedeeld; hier vernemen wij alleen het resultaat; „het koninkrijk der wereld van onzen Heer en van zijnen Christus is gekomen, en hij zal heerschen tot in alle eeuwigheid.quot; Bij de bijzonderheden staat de Profeet hier niet stil; zijn blik wordt gevestigd op het einde van al de gebeurtenissen hier beneden; op het doel van al Gods plannen en raadsbesluiten ten opzichte van deze aarde; op do verheerlijking van God zeiven en van zijnen gezalfden Koning in de inbezitneming van alle koninkrijken dei-aarde.

Nochtans is het van belang om te letten op het verband, waarin dit resultaat ons hier wordt medegedeeld. Wij zullen daaruit zien, dat wij hier werkelijk reeds aan het einde/Ier gebeurtenissen op aarde gekomen zijn. In het begin van dit Hoofdstuk worden wij verplaatst in de laatste drie en een half jaar van de regeering van den Antichrist. Jeruzalem is door de volken vertreden twee en veertig maanden; het getrouwe

-ocr page 211-

DE OPEXBARISG.

H. XI : 15.

197

overblijfsel van Israël houdt vast aan zijn geloof in God en aan de aanbidding des Heeren, doch wordt dientengevolge verdrukt en vervolgd; tot aan het einde van de regeering van den Antichrist zijn er twee getuigen in Jeruzalem, die 1260 dagen profeteeren; deze worden door den Antichrist gedood, doch door God na dag levend gemaakt en in den hemel opgenomen. Daarop komt een aardbeving, waardoor het tiende deel der stad wordt verwoest en zeven duizend menschen omkomen, \'t welk hoogstwaarschijnlijk plaats heeft bij de komst des Heeren op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. De regeering van den Antichrist toch, die zeven jaren geduurd heeft, neemt dan een einde; en zooals wij uit andere plaatsen der Schrift weten, de Antichrist wordt verdaan door de komst des Heeren. Door die komst van Jezus wordt de profetie van Daniël vervuld, dat namelijk het groote statenbeeld van Nebukadnezar door den steen, zonder handen afgehouwen, zal worden omvergeworpen; en er een koninkrijk zal worden verwekt, dat in dei-eeuwigheid niet zal worden verstoord. Hierop sluit dan — zonder in bijzonderheden te treden — wat wij in vs. 15 uit den hemel vernemen; „Het koninkrijk der wereld van onzen Heer en van zijnen Christus is gekomen, en hij zal heerschen tot in alle eeuwigheid.quot;

Merkwaardig is de uitdrukking; het koninkrijk der wereld van onzen Heer en zijnen Christus. In het begin van de Openbaring toch wordt van het koninkrijk in een geheel anderen toestand gesproken. Johannes zegt in het eerste hoofdstuk: „ik uw broeder en medegenoot in de verdrukking en in het koninkrijk en in de volharding in Jezus.quot; Het koninkrijk van Christus

-ocr page 212-

BESCHOrWING OYER

198

H. XI: 15.

is reeds nu aanwezig; doch het is gekenmerkt door, of ten minste vergezeld van verdrukking en volharding. Het wordt alleen gekend door het geloof, en roept tot volharding; en bij gevolg is het bij de wereld onbekend en kan de wereld er niet aan gelooven. Welk een dwaasheid voor de wereld — een koninkrijk, welks onderdanen lijden, en waarvan de koning zijne onderdanen laat lijden, in plaats van zijne rechten te handhaven! En toch, dit is de toestand, waarin de kinderen des koninkrijks nu verkeeren. Lijden is hun deel, en geenszins heerschen. Zij moeten buiten de legerplaats uitgaan om Christus\' smaadheid te dragen. Doch dan zal het geheel anders zijn. Het koninkrijk der wereld van onzen Heer en van zijnen Christus is dan gekomen. In plaats van een koninkrijk, \'t welk slechts door het geloof gekend en door het geloof gewaardeerd wordt; in plaats van een koninkrijk, waarin het deel der onderdanen is verdrukking en volharding tot \'s Heeren wederkomst; zal God een koninkrijk in heerlijkheid doen komen, \'t welk door de geheele wereld zal worden aanschouwd en over de geheele wereld zich zal uitstrekken. Niet langer zal de ongerechtigheid worden geduld en de satan heerschen, maar Jehovah zelf en zijn gezalfde Koning zullen de teugels des bewinds in handen nemen en, na alle vijanden tot een voetbank zijner voeten gelegd te hebben, regeeren tot in eeuwigheid.

In dat koninkrijk zullen wij , die nu medegenooten zijn in de verdrukking en in het koninkrijk en in de volharding in Jezus, geen bloote onderdanen zijn van Jezus, maar koningen met Hem. Wij, die door de wereld verworpen worden, zijn verworpen koningen.

-ocr page 213-

H. XI : 16 , 17. DE OPENBARING.

„Hij heeft ons liefquot; — zoo zingen de heiligen — „en \' heeft ons gemaakt tot een koninkrijk, tot priesters voor

zijnen God en Vader.quot; Evenals de metgezellen van David in de spelonk van Adullam, na het lijden en de verdrukking van Israël\'s verworpen koning te hebben gedeeld, met hem deelden in zijne verhooging en heerlijkheid, zoo zullen ook wij, die nu het lijden en de verdrukking van Jezus ondergaan, met Hem heersehen als koningen in het rijk, dat de Vader Hem gegeven heeft.

Zoodra nu deze stemmen in den hemel vernomen worden, vallen de vier en twintig oudsten op hunne aangezichten en aanbidden. Opnieuw wordt ons hier getoond, hoe de vier en twintig oudsten, de vertegenwoordigers der hemelsche heiligen, zijn ingeleid in de gedachten en raadsbesluiten van God. Gelijk zij in het vierde hoofdstuk de heerlijkheid van don Schepper des heelals prijzen, en in het vijfde hoofdstuk de heerlijkheid van het geslachte Lam, als den Verlosser, verheffen, zoo aanbidden zij hier den God des hemels, en zeggen: „Wij danken U, Heer, God, Almachtige, die is, en die was, dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen, en hebt ge-heerscht!quot; (vs. 16, 17.) Zij verheugen zich over de overwinning, die behaald is, en over de vernietiging van \'s Heeren vijanden. „En de volken zijn toornig geworden, en uw toorn is gekomenquot; — zoo spreken zij verder — „en de tijd der doodon om geoordeeld te worden, en om het loon te a geven aan uwe slaven, de profeten, en aan

de heiligen, en aan hen, die uwen naam vreezen, aan de kleinen en de grooten, en

199

-ocr page 214-

BESCHOinVIIfG OVER

200

H. XI : 18.

ora te verderven, die de aarde verderven.quot; (vs. 18.)

In korte, krachtige trekken worden alle gebeurtenissen geschilderd, die voor en in en na het duizendjarig rijk zullen plaats vinden, waarop in het verdere gedeelte van dit Boek in bijzonderheden wordt teruggekomen. De toorn van God treedt op tegen den toom en den openbaren opstand dor goddelooze volken, want Gods barmhartigheid heeft een einde. De tijd der dooden om geoordeeld te worden is gekomen. De profeten en de heiligen vinden hunne belooning; de god-deloozen het verderf. Heerlijke wetenschap voor ons, die nu nog als vreemdelingen en bij weners hierbeneden wandelen, en evenals onzen Heer en Heiland worden gehaat en vervolgd door de wereld! De overwinning is bij God en bij zijnen Christus. De overwinning is, door Hem, aan ons. AVeldra zal de satan onder onze voeten worden verpletterd. Weldra zal de ongerechtigheid een einde nemen. Verdrukking en benauwdheid zal plaats maken voor heerschappij en vreugde; want „het koninkrijk der wereld van onzen Heer en van zijnen Christus is gekomen, en hij zal heerschen tot in alle eeuwigheid.quot;

-ocr page 215-

DE OPENBARING.

H. XI : 19.

201

DEEDE AFDEELING.

B.

Hoofdstuk XI : 19 — XXII.

Dit is het tweede gedeelte van de derde afdeeling van dit Boek. Zooals wij gezien hebben, zijn wij in Hoofdstuk XI : 18 reeds aan het einde van alle dingen gekomen; doch de Geest gaat er nu toe over om in dit tweede gedeelte van de derde afdeeling afzonderlijk de verschillende gebeurtenissen te beschrijven, welke in en na de drie en een half jaar, waarvan in Hoofdstuk XI gesproken werd, zullen plaats hebben.

Dit tweede gedeelte is gesplitst in de volgende onder-afdeelingen:

1. Hoofdstuk XI : 19 — XII : 17.

2. Hoofdstuk XII ; 18 en XIII.

3. Hoofdstuk XIV.

4. Hoofdstuk XY en XVI.

5. Hoofdstuk XVII en XVIII.

6. Hoofdstuk XIX — XXI ; 1—8.

7. Hoofdstuk XXI : 9 — XXII : 5;

terwijl dan in Hoofdstuk XXII : 6—21 het Boek besloten wordt met tal van waarschuwingen en aanmoedigingen.

-ocr page 216-

BESCHOUWING OVER H. XI : 19.

202

1. Hoofdstuk XI : 19 — XII : 17.

Alvorens tot de behandeling van dit Hoofdstuk over te gaan, moet ik een opmerking maken over de ver-deeling in hoofdstukken en verzen van het Nieuwe Testament. Gelijk in de Voorrede tot onze nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament wordt gezegd, bezit de verdeeling in hoofdstukken en verzen hoegenaamd geen goddelijk gezag, daar zij niet van de heilige schrijvers afkomstig, maar het werk van lateren tijd is. De verdeeling in hoofdstukken geschiedde eerst in de dertiende, die in verzen omtrent het midden der zestiende eeuw. Dat men bij die indeeling menigmaal zeer slordig en onnadenkend is te werk gegaan , blijkt uit dit gedeelte der Openbaring zeer duidelijk. Met het 18Je vers van Hoofdstuk XI toch is dat deel der Openbaring gesloten, zoodat het 19\'le vers geenszins tot het elfde Hoofdstuk behoort, maar integendeel het begin is van een nieuw gezicht, en derhalve het twaalfde Hoofdstuk had beboeren te beginnen met vs. 19 van Hoofdstuk XI. Evenzoo is het duidelijk, dat het ISJe vers van Hoofdstuk XII bij het dertiende Hoofdstuk behoort, en dit Hoofdstuk dus daar had moeten aanvangen. Tot recht verstand dezer profetieën is het noodig dit in het oog te houden.

-ocr page 217-

DE OPESBARIXG.

H. XI : 19.

203

Het gezicht, \'t welk den Profeet getoond werd, verplaatste hem in den hemel, in den geopenden tempel. „En de tempel Grods in den hemel werd geopend, en de ark zijns verbonds werd gezien in zijnen tempel; en er geschiedden bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel.quot; In Hoofdstuk IV vonden wij Gods troon, en rondom dien troon een regenboog. Hier vinden wij den geopenden tempel in den hemel, en in dien tempel de ark zijns verbonds. Dit geeft het onderscheid aan tusschen deze beide voorstellingen. In Hoofdstuk IV aanschouwen wij Gods macht over de schepping. De oordeelen van Gods voorzienigheid zouden over de aarde worden uitgestort, en de regenboog toont aan, dat de Heer, eer er een enkel oordeel werd gezonden, aan zijne genade zou gedenken. De regenboog rondom den troon in Hoofdstuk IV, en rondom het hoofd van den sterken engel in Hoofdstuk X vóór het blazen der zeven bazuinen, gaven den waarborg, dat God niet werkzaam was tot verderving, maar tot bevrijding der aarde. Hier evenwel vinden wij geheel iets anders. Voordat de boosheid zich had vertoond, genieten wij de vreugde van te vernemen, dat niets de ark zijns verbonds kan aantasten, en dat alle dingen betreffende het volk des Heeren in den hemel zijn vastgesteld en bevestigd. In zijne handelingen met zijn volk bindt de Heer zich aan Zichzelven. Dit is de beteekenis van de ark. De macht en de heiligheid van God moeten ten opzichte van zijn volk geopenbaard en ten hunnen gunste ontvouwd worden. Voordat God de boosheid aan hot licht brengt, openbaart Hij voor het oog des geloofs zijnen tempel eu de ark zijns ver-

-ocr page 218-

BESCHOUWING OVER H. XI : 19.

bonds, waar alle dingen vast staan, waar niets kan aangetast worden. De bliksemen en de donderslagen mogen op de aarde vallen, zij kunnen Gods tempel en Gods ark niet bereiken.

Duidelijk toont ons dit aan, dat het volgende visioen het Israëlietische volk tot onderwerp heeft. Aan geen ander volk had de Heer een tempel en een ark gegeven; met geen ander volk had Hij een verbond gesloten. Hebben wij dit begrepen, dan is hetgeen volgt gemakkelijk te verklaren; dan zullen wij bewaard blijven voor al die dwaze en onmogelijke uitleggingen, welke van dit visioen gegeven zijn. Wij denken er dan niet aan om in de vrouw, die een mannelijken zoon baarde, de gemeente van Jezus te zien, hetwelk trouwens geheel in strijd is met de geschiedenis, aangezien Christus, die dan toch de mannelijke zoon is, niet de Gemeente, maar Israël tot moeder had. Hij is uit Israël voortgekomen, en de Gemeente kwam uit Hem voort. Opgestaan uit de dooden werd Hij de eersteling der nieuwe schepping. De eerstgeborene uit de dooden is ook de eerstgeborene veler broederen. Het tarwegraan, in de aarde gevallen en gestorven, bracht vrucht voort; zoodat Hij, uit de dooden verrezen , tot de zijnen kon spreken als tot zijne broeders, en zijn God hun God, zijn Vader hun Vader noemen kon.

De geopende hemel geeft ons den sleutel tot verklaring van dit Hoofdstuk in handen. Israël, gezien naaide gedachten en raadsbesluiten Gods, betreedt het tooneel. Het oog van den Profeet, zoo even nog geboeid door de ark des verbonds, wordt nu gericht op twee teekenen in den hemel, die in hunne natuur en in hunne wegen elkander vlak tegenovergesteld zijn.

204

-ocr page 219-

H. XII : 1 , 2. DE OPENBARING.

Vooreerst verscliijnt voor zijne verbaasde blikken een vrouw. „En er werd een groot teeken gezien in den hemel: een vrouw, bekleed met de zon, en de maan onder hare voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. En zij was zwanger, en riep, zijnde in arbeid en in pijn om te baren.quot; (vs. 1, 2.) Yanzelf denken wij hierbij aan Jozefs welbekenden droom, waar de zon, de maan en de twaalf sterren zijne ouders en broeders voorstellen; alleen zijn de symbolen hier meer algemeen. De zon is het zinnebeeld van de hoogste macht, welke God aan Israël heeft toevertrouwd. De maan, welke de vrouw onder hare voeten heeft, stelt voor de macht, welke van die hoogste macht haar gezag ontleent, en welke aan Israël is onderworpen. Terwijl de kroon van twaalf sterren aanduidt , dat ook de ondergeschikte machten onder Israels gezag zijn gesteld. Bedenken wij echter wel, dat Israël hier niet gezien wordt, zooals het toen in werkelijkheid bestond, maar zooals het naar Gods gedachten, in Gods oog, is, en eenmaal, bij de vervulling aller profetieën, in werkelijkheid op aarde wezen zal. In het koninkrijk van Christus op aarde, in het duizendjarig rijk, als alles zal zijn in orde gebracht, is het Israëlietische volk het middelpunt der aarde, en gaat van Jeruzalem alle heerlijkheid, alle zegen en alle gezag uit.

Nadat nu den Profeet de vrou w is getoond in barensnood, verschijnt een tweede teeken voor zijne oogen. „En er werd een ander teeken gezien in den hemel, en zie, een groote, roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen,

205

-ocr page 220-

BESCHOUWING OVER H. XII : 3, 4.

206

en op zijne hoofden zeven diademen.quot; (vs. 3.) De groote tegenstander -van God staat hier voor ons. Het is niet „het beest,quot; maar een veel schrikkelijker macht; het is „de groote, roode draak.quot; Want dat de draak niemand anders is dan de duivel of satan, wordt op de meest stellige wijze in het negende vers gezegd. En gelijk de vrouw met de symbolen der macht van Boven bekleed was, zoo is de groote, roode draak in het bezit van de volheid der aardsche autoriteit. Hij heeft „zeven hoofdenquot; — het zinnebeeld eener met verstand handelende macht; „tien hoornenquot; — welke machten of koninkrijken voorstellen; terwijl op zijne „hoofden,quot; als koningen, zeven diademen gezien worden. Beslister dan ooit treedt de satan hier op als de vorst dezer wereld, die zich met al de macht, welke met deze aarde verbonden is, omgeeft. Uit het dertiende Hoofdstuk blijkt, dat het Romeinsche rijk de zichtbare vertegenwoordiging is van deze macht des satans. Daar toch worden bij de beschrijving van dat rijk dezelfde zinnebeelden gebezigd, die hier gebruikt worden om ons de macht des satans voor te stellen. Het beest heeft zeven hoofden en tien hoornen en even zooveel diadémen. Met dit onderscheid alleen, dat terwijl de groote roode draak op zijne zeven hoofden zeven diademen draagt, het beest de diadémen heelt op zijne tien hoornen, \'twelk ons wel zal moeten aantoonen, dat terwijl aan het beest, het Romeinsche rijk, de uitvoerende macht is toevertrouwd, nochtans de leiding in handen is van den duivel, en de drijfveeren en beweegredenen uit hem hun ontstaan hebben. „En zijn staart sleepte het derde deel van de sterren des hemels mede, en wierp ze op de aarde.quot;

-ocr page 221-

H. XII : 4, 5. DE OPÈNBARING.

(vs. 4.) Gelijk wij vroeger reeds opmerkten wordt in Jesaja IX gezegd, dat de profeet, die leugen spreekt, de staart is, zoodat liier derhalve bedoeld wordt, dat de duivel door valsche leeringen, door leugens en dwalingen hen, die een plaats van gezag en van licht op aarde innemen, had verleid om tot zijne doeleinden te dienen. Niets evenwel stelt ons het ware karakter des satans in zulk een helder licht als de wijze, waarop hij tracht Gods plannen te verijdelen. „En de draak stond vóór de vrouw, die baren zou; opdat, wanneer zij baren zou, hij haar kind zou verslinden.quot; (vs. 4.)

Op hoe wondervolle wijze is de Schrift samengesteld! Wie anders dan God zelf kan haar hebben ingegeven! Wanneer wij toch de eerste bladzijden van Gods Boek opslaan, dan vinden wij daar den duivel staan tegenover de vrouw om haar te verleiden en van God te vervreemden; en toen hem dit gelukt was, en hij de overwinning had behaald, vernemen wij de heerlijke belofte van God voor Adam\'s gevallen geslacht: „het zaad der vrouw zal de slang den kop vermorzelen.quot; En hier aan het eind, bijkans op de laatste bladzijden dor Schrift, worden ons beide partijen opnieuw voorgesteld, doch met een ontzachelijk groot verschil. In het paradijs behaalde de duivel de overwinning; hier aanschouwen wij Gods triomf; daar openbaarde zich de list en de macht des satans; hier zien wij Gods almachtige kracht, na lang geduld, triomfeerende over alles.

De draak, die vóór de vrouw stond, wist maar al te goed, wie de mannelijke zoon zijn zou, wolken de vrouw zou baren; hij wist, dat hij, „die al de volken zou hoeden met een ijzeren staf,quot; niemand

207

-ocr page 222-

BESCHOUWING OVER H. XII ; 5.

anders was, dan liet zaad der vrouw, \'twelk hem den kop zou vermorzelen; en daarom tracht hij, in woede ontstoken, Gods plannen te verijdelen, en het kind, \'twelk geboren zou worden, te verslinden. Zijn hoogmoed en goddeloosheid bereiken hun toppunt. Doch wat baat zijn woeden ? De Heer van den hemel lacht over al zijne trotsche pogingen; „en haar kind werd weggerukt tot God en tot zij nen troon.quot; (vs. 5.)

Wij vinden derhalve hier de geschiedenis van den Heer Jezus. Dit is duidelijk genoeg. Niemand anders dan Hij kan de mannelijke zoon zijn, die al de volken zou hoeden met een ijzeren staf. Geboren uit Israël, als het zaad der vrouw, onder de regeering van den romeinschen keizer, werd Hij door den duivel vervolgd en gedood, doch door God opgenomen in den hemel. Herodes was zeer zeker een werktuig in de hand van den draak, die het kind, zoodra het geboren was, zonder de tusschenkomst van God, zou hebben gedood; doch deze gebeurtenis kan hier niet bedoeld zijn; aangezien Hij toen niet door opneming in den hemel, maar dooide vlucht naar Egypte, aan zijne woede werd ontrukt. Hier wordt klaarblijkelijk Jezus\' dood aan het kruis, waardoor de duivel een triomf dacht te behalen, bedoeld, al wordt die dood ook niet genoemd, om reden dat anders Israël\'s schande openbaar zou worden, en Jehovah hier van zijn volk spreekt naar zijne gedachten van vrede en heerlijkheid. De mannelijke zoon is geboren; doch heeft het tooneel verlaten, waar de draak zich tegen Hem verzette, en heeft zich gezet aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hoogste hemelen, „wachtende, totdat zijne vijanden gelegd zijn tot een voetbank zijner voeten.quot; Alsdan zal Hij plaats

208

-ocr page 223-

H. XII : 5, 6. DE OPENBARING.

nemen op den troon zijner heerlijkheid, en zijne rechten op deze aarde doen gelden, welke rechten Hij niet alleen als Schepper bezit, maar welke Hij zich ook verworven heeft als Zoon des menschen door de verzoening. Hij zal alle volken hoeden met een ijzeren staf; en over zijn volk Israël evenals over de gansche aarde zijne zegeningen uitstorten.

Wij denken hierbij vanzelf aan al de heiligen, die de Gemeente vormen, daar deze op de nauwste en innigste wijze met Christus verbonden zijn. De hemelvaart van Christus sluit de hemelvaart der Gemeente in zich. Christus en de Gemeente zijn naar de gedachten en raadsbesluiten van God nooit gescheiden; want anders zou het Hoofd zonder zijn lichaam zijn. Daarom zegt Paulus ook, dat de Gemeente niet alleen met Christus mede levend gemaakt en mede opgewekt is, maar reeds nu in Christus gezet is in de hemelsche gewesten. De Gemeente zal dan ook met Christus deelen in al zijne heerlijkheid. En waar wij in het Oude Testament alleen den Christus vinden, die „de volken verpletteren zal met een ijzeren schepter,quot; (Ps. H.) daar leeren wij in het Nieuwe Testament, dat de Gemeente met Gods gezalfden Koning aan deze heerlijkheid en macht zal deelnemen. „Die overwint, ik zal hom macht geven over de volken, en hij zal hen weiden met een ijzeren staf.quot; (Openb. II.)

Doch keeren wij tot ons hoofdstuk terug. Na de woorden: „en haar kind werd weggerukt tot God en tot zijnen troon,quot; lezen wij: „En de vrouw vluchtte in de woestijn, waar zij een plaats had.door God bereid, om daar gevoed te worden duizend twee honderd zestig dagen.quot; (vs. 6.) Hoe

14

209

-ocr page 224-

BÈSCHOÜWING OVER H. XII : 6.

210

merkwaardig is dit! quot;Wij liebben vroeger (blz. 186—189.) bewezen, dat de duizend twee honderd zestig dagen, van welke in de Openbaring gesproken wordt, de laatste helft van Daniel\'s zeventigste week uitmaken, en de tijd is, wanneer de Antichrist zich in zijno ware gedaante en in al zijne goddeloosheid zal openbaren. Deze laatste helft der zeventigste week nu wordt hier onmiddellijk verbonden aan de hemelvaart van Christus, en de tijd, die daar tusschen ligt, met al zijn gebeurtenissen eenvoudig weggedacht. Dit is een hoogst belangrijke omstandigheid, die wij recht behooren te verstaan, zullen wij de profetie goed begrijpen, en ons van de wegen des Heeren met Israël een juiste voorstelling maken kunnen. Door Israel\'s verwerping van don Messias is dat volk door God verworpen, en doolt nu rond onder alle volken der aarde. In dien tijd wordt de Gemeente vergaderd. De steen, door de bouwlieden verworpen, is geworden tot het hoofd des hoeks van een nieuw, geestelijk gebouw, de Gemeente van Christus. Deze Gemeente was de verborgenheid, van alle eeuwen en geslachten her verborgen in God, en aan de kinderen der menschen niet bekend gemaakt, zoodat zij geen deel uitmaakt van de Profetieën. Tevergeefs zal men haar in hot Oude Testament zoeken. Dientengevolge wordt, wanneer Israëls geschiedenis ons wordt voorgesteld, hetgeen in de laatste dagen gebeuren zal in onmiddellijk verband gebracht met hetgeen vroeger plaats had. De draad van Israëls geschiedenis, die door zijn ongeloof en verwerping van Christus was afgebroken, wordt weer opgevat; doch zóó, dat men op vele plaatsen niet bemerken kan, dat hij is afgebroken geworden. Zóó is het hier ook. Leest men deze profetie,

-ocr page 225-

DE OPENBARING.

H. XII : 6.

211

dan zou men denken, dat die 1260 dagen onmiddellijk op de hemelvaart van Christus gevolgd zijn; en wij weten toch, dat er nu reeds een tijdperk van meer dan 1800 jaar tusschen ligt. Een ander merkwaardig voorbeeld hiervan is Jesaja LXI, \'twelk door den Heer in de synagoge te Nazareth werd voorgelezen. In dat Hoofdstuk volgt op „het jaar van het welbehagen des Heerenquot;, onmiddellijk „de dag der wraak onzes Gods zoodat bij de lezing van deze profetie niemand iets anders kon vooronderstellen dan dat de daquot;\' der wraak

O

terstond volgen zou op het jaar van het welbehagen des Heeren. En toch weten wij, dat er nu reeds meer dan 1800 jaar tusschen die twee gebeurtenissen verloopen zijn. De Heer liield dan ook, toen Hij deze profetie voorlas, midden in den zin op, en — zoo lezen wij — „nadat Hij het boek opgerold en aan den dienaar weder gegeven had, zette hij zich neer, en begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld.quot; (Luk. IV.) Hij kwam om het jaar van het welbehagen dos Heeren te prediken; terwijl de dag-der wraak onzes Gods nog eeuwen zou worden uitgesteld.

Wij vinden derhalve in de eerste verzen van ons Hoofdstuk een volledige schildering van het Israëlieti-sche volk naar Gods gedachte in verbinding mot Christus. Naar Gods raadsbesluit is „de vrouwquot; bekleed met de zinnebeelden dor macht, welke alleen door den Heer haar kan worden verleend; terwijl do keerzijde der schilderij ons de vrouw, nadat zij den mannelijken zoon gebaard heeft, voorstelt in zwakheid, en verplicht om voor haar leven te vluchten in de woestijn, waar haar door God een plaats van ontkoming is bereid.

-ocr page 226-

BESCHOUWING OVER H. XII: 7 — 9.

En evenals wij reeds bij een andere gelegenheid opmerkten, zoo zien wij ook hier, met hoeveel zorg de Heer voov haar vervuld is, daar Hij in plaats van te spreken over „een tijd en tijden en een halven tijd,quot; de dagen harer verdrukking telt.

Doch wat is de oorzaak van deze vlucht? Het antwoord op deze vraag wordt ons in de volgende verzen gegeven. „En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijne engelen streden tegen den draak, en de draak streed en zijne engelen; en hij o vermocht niet, en hunne plaats werd in den hemel niet meer gevonden. En de groote draak werd neder ge worpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan, die het geheele aardrijk verleidt; hij werd neder ge worpen op de aarde, en zijne engelen werden met hem nederge-worpen.quot; (vs. 7—9.) Deze gebeurtenis vindt niet plaats na, maar voor de duizend twee honderd en zestig dagen, welke de vrouw in de woestijn bewaard wordt; en de vervolging van de vrouw door den op de aarde nedergeworpen satan is de oorzaak van die vlucht. Vóór zijnen val aanschouwen wij den satan in zijne pogingen om het kind van de vrouw te verslinden; doch hoewel hij hierin door den Heer werd verhinderd, aangezien het kind in den hemel werd opgenomen , zoo werd hij toch geenszins uit zijne woonplaats in den hemel verdreven. quot;Wanneer evenwel Christus met zijne heiligen — het Hoofd met het lichaam — als de hemelsche, tot de heerschappij geroepen Mensch volkomen bij God zijn zal, dan vindt de krijg in den hemol plaats, en wordt de satan met al zijne dienaren

212

-ocr page 227-

H. XII ; 7 — 9. DE OPENBARING.

voorgoed uit de hooge sfeer zijner macht nedergewor-pen op de aarde.

Dit is, voorwaar, een hoogst merkwaardige gebeurtenis ! De duivel uit den hemel geworpen op de aarde! Wij leeren hieruit, dat de algemeene voorstelling van den duivel en van de plaats zijns verblijfs geheel in strijd is met de mededeelingen der Schrift. De duivel woont geenszins in de hel. Wel lezen wij, dat de hel voor den duivel en zijne engelen is bereid, maar tot op dit oogenblik is hij nog niet in de hel, maar in de hemelsche gewesten. Zelfs zullen er in de hel menschen geworpen worden, voordat de duivel er is, zooals wij uit Openb. XIX : 28 leeren. Ook woont de duivel thans niet op de aarde. Hij is wel de vorst dezer wereld; hij verleidt wel de menschen, en plaagt hen, en zet ze op tegen God, natuurlijk onder \'s Hee-ren toelating; maar zijn verblijfplaats is nog altijd de hemel. Eerst wanneer de Gemeente, met Christus verheerlijkt, het huis des Vaders bewonen zal, zal de duivel uit den hemel op de aarde worden nedergewor-pen, om later, nadat hij eerst duizend jaren zal gebonden, en dan weer een korten tijd zal losgelaten zijn, voor eeuwig geworpen te worden in den poel van vuur en zwavel. (Openb. XX.) De Heer Jezus zag deze gebeurtenis in den geest als profeet, toen Hij zeide: „Ik zag den satan gelijk een bliksem uit den hemel vallen.quot; (Luk. X : 17.)

Al wat de Schrift ons omtrent den satan mededeelt, is hiermede in volkomene overeenstemming. In het boek van Job, in 1 Kon. XXII en waarschijnlijk ook in Zach. III zien wij den satan in de tegenwoordigheid van God als de aanklager der geloovigen optreden.

213

-ocr page 228-

BESCHOUWING OVER H. XII: 7 — 9.

En mocht men soms deze bewijzen niet toegeven, omdat ons in deze plaatsen profetisclio gezichten vertoond worden, dan leze men slechts do duidelijke woorden van Paulus in Efeze VI, om volkomen overtuigd te worden, dat de satan en zijne engelen hun verblijf hebben in de hemelsche gewesten. Paulus toch zegt: „Wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed — d. i. tegen do menschen op aarde — maar tegen do overheden , tegen de machten, tegen de wereldbeheerschers dezer duisternis , togen de geestelijke machten der boosheid in de hemelsche gewesten.\'\'\'\' Wij hebben niet een strijd tegen de Kanaanieten, gelijk Israël, toen het in het beloofde land introk; maar wij hebben een strijd tegen geestelijke machten der boosheid, die in de hemelsche gewesten wonen, en die ons hot genot van onze geestelijke zegeningen in den hemel in Christus Jezus trachten te ontrooven. Wij zijn in Christus gezet in de hemelsche gewesten. Door het geloof verkeeren wij daar, en genieten Gods gemeenschap en al de zegeningen , die er in Christus voor ons zijn. Doch de duivel tracht ons te hinderen, te storen, onze gemeenschap te verbreken, ons genot te rooven; en daarom moeten wij, aangedaan met de geheele wapenrusting Gods, den strijd tegen hem aanbinden.

Verschillende plaatsen der Schrift, die anders moeie-lijk te verstaan zijn, worden hierdoor geheel begrijpelijk. Woont de duivel nog in de hemelsche plaatsen, dan zijn dus die hemelsche plaatsen verontreinigd, en moeten zij gereinigd worden. Welnu , Paulus zegt in Hebr. IX : 23: „Het was dan noodig, dat de zinnebeelden van de dingen, die in de hemelen zijn, hierdoor gereinigd werden, maar de hemelsche dingen zelve

214

-ocr page 229-

DE OPENBARING.

H. XII: 7—9.

215

door hetere slachtoffers dan deze.\'\'\'\' En in Kol. I : 20: „En door hem alle dingen tot zichzelve te verzoenen, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn.quot; Zoodra dan ook de duivel uit den hemel geworpen is, is er groote vreugde in den hemel. De aanklager der broederen is nedergeworpen op de aarde, en de hemelsche plaatsen zijn gereinigd en verzoend.

Ik behoef hier, dunkt mij, nauwelijks bij te voegen, dat de duivel niet is, waar God woont. Do Heere God woont in een ontoegankelijk licht. In den derden hemel, in welken Paulus werd opgetrokken, heeft de duivel geen toegang. Nochtans kan hij dicht genoeg bij God komen, om als de aanklager der broederen voor zijnen troon op te treden.

De geschiedenis van den satan, zooals ons die in de Schrift wordt medegedeeld, is dus als volgt. De satan was een vorst onder de engelen, volmaakt in schoonheid en volkomen in al zijne wegen. Hij verhief zich op zijne schoonheid, en stond tegen den Heer op, en werd daarom uit \'s Heeren tegenwoordigheid verdreven. (Zie Ezech. XXVIII.) Van dat oogenblik af is hij de verklaarde vijand van God, een verderver, een leugenaar , een menschenmoordenaar. Als vorst dezer wereld, onder de toelating des Heeren, voert hij de menschen aan in hunnen strijd tegen God, en is bovendien de aanklager der geloovigen. Na de opname der Gemeente in de heerlijkheid wordt hij uit den hemel geworpen op de aarde, en maakt in den persoon des Antichrists aan alle dienst van God een einde, doet de goddeloosheid der volken ten toppunt stijgen, en verleidt hen

-ocr page 230-

BESCHOUWING OVER H. XII: 7—9.

tot openlijken afval en opstand tegen God. Bij Jezus\' komst op aarde wordt hij voor duizend jaar gebonden, om daarna een kleinen tijd te worden losgelaten; en eindelijk, nadat hij als laatste uitstorting zijner gramschap de volken tegen Christus heeft aangevoerd, wordt hij voor eeuwig geworpen in den poel van vuur en zwavel, om daar dag en nacht tot in alle eeuwigheid te worden gepijnigd.

Staan wij nu nog stil bij de bijzonderheden, welke ons in dit Hoofdstuk worden medegedeeld: „Michaël en zijne engelen streden tegen den draak,quot; zoo lezen wij. Michaël is de eenige aartsengel, van welken de Schrift melding maakt. In den brief van Judas lezen wij van hem, dat hij met den duivel streed om het lichaam van Mozes. quot;Waarschijnlijk wilde de duivel het lichaam van Mozes hebben om den kinderen Israëls daarmede afgoderij te doen plegen. Doch evenals hier in den hemel, zoo behaalde ook toen Michaël de overwinning. Uit die merkwaardige mededeeling van Judas leeren wij tevens, dat de duivel een overheid onder de engelen was; want Michaël durfde daarom geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zeide alleen: „De Heer bestrafte u!quot;

Toen nu door Michaël de overwinning over den satan behaald, en deze uit den hemel op de aarde geworpen was, hoorde Johannes een groote stem in den hemel, zeggende: „Nu is het heil en de kracht en het koninkrijk geworden van onzen God en het gezag van zijnen Christus; want de aanklager onzer broederen, die hen dag en nacht voor onzen God aanklaagde, is nedergeworpen. En zij, zij heb-

216

-ocr page 231-

H. XII: 10, 11. DE OPENBARING.

ben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis; en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.quot; (vs. 10, 11.) Johannes hoorde slechts ééne stem in den hemel; doch die ééne stem is, als het ware, de vertegenwoordigster van vele stemmen; want die stem zegt: „onze Godquot; en „onze broeders.quot; Zij is de uitdrukking van de vreugde, welke uit vele harten der hemelbewoners stroomt, die, zich verheugende in de oprichting van het koninkrijk huns Gods en van het gezag van zijnen Christus, het bewustzijn in zich omdragen van hunne nauwe betrekking tot God, en die tevens met andere personen, welke zij hunne „broedersquot; noemen, bezig zijn. Drie klassen staan dus hier voor ons: vooreerst, zij die hunne stem verheffen, dan hunne broeders, en eindelijk de vrouw en de overigen van haar zaad.

Zij, die hunne stem verheffen om hunne vreugde over de overwinning over den satan luide te verkondigen, zijn de heiligen, die van alle moeielijkheden en gevaren ontheven zijn; terwijl de broeders, van welke zij spreken, voordat de duivel uit den hemel is geworpen, aan zijne aanklachten zijn blootgesteld, en in het genot hunner zegeningen worden verhinderd. En van welke heiligen kan worden gezegd, dat zij van elke list en van eiken aanval des duivels zijn verlost? Is het niet van hen, die met den „mannelij-ken zoonquot; vereenigd en in den hemel opgenomen zijn ? (1)

217

1

Het is van gewicht om telkens op te merken, hoevele bewijzen er zijn, dat de Gemeente vóór de groote verdrukking in den hemel zal zijn opgenomen. Zoo ook hier. Wanneer de duivel op de aarde geworpen is, kau de Gemeente niet meer hier beneden

-ocr page 232-

BESCHOCWING OVER H. XII: 10, 11.

218

En de „broedersvan welke zij spreken, wie zouden zij anders zijn, dan die heiligen, welke na de opname der Gemeente in den hemel, gedurende de oordeelen op aarde leven? Het zijn ongetwijfeld de heiligen, wier gebeden in Hoofdstuk V door de vier en twintig oudsten voor den troon worden gebracht; het zijn de heiligen, wier zielen in Hoofdstuk VI onder het altaar worden gezien, benevens hunne broeders, die later om het getuigenis, dat zij aflegden, zouden worden gedood. Door de genade hadden zij de overwinning behaald. Al hadden zij ook door de hand van hem, die het geweld des doods had, hun leven verloren, zoo waren zij desniettegenstaande overwinnaars over den duivel, evenals Christus zulks was, die, hoewel in zwakheid gekruisigd, nochtans den triomf over de macht des satans behaalde. Het bloed des Lams, als de grondslag van alles, en het woord hunner getuigenis , het in hen werkende woord Gods door de kracht des Heiligen Geestes, waren de oorzaken van hunne zedelijke overwinning, al moesten zij ook hun leven voor den naam des Heeren afleggen.

Heerlijk is het te weten, dat, waar de duivel de aanklager der broederen is, de Heer Jezus onze Voorspraak is bij den Vader. Wat do duivel ook tegen ons moge inbrengen voor God, Jezus, de rechtvaardige, het zoenoffer voor onze zonden, maakt alle aanklachten des satans nietig, en leeft altijd om voor ons bij God tusschenbeide te treden. Doch eenmaal zullen

zijn, om de eenvoudige reden, dat het dan niet meer waar zou zijn, dat wij den strijd hebben tegen de overheden, tegen de geestelijke machten der boosheid in de hemelsche geivesten.

-ocr page 233-

DE OPENBARING.

H. XII : 12.

219

zijne aanklacliten ophouden. Hij zal uit den hemel worden geworpen om nooit meer daar terug te keeren. Geen wonder, dat de bewoners dos hemels in luid gejuich losbarsten, zoodra de oude slang op aarde is nedergeworpen. „Daarom w e e s t v r o o 1 ij k, g ij hemelen en gij, die daarin woont!quot; Maar geen wonder ook, dat zij met schrik en ontzetting denken aan de vreeselijke ellende, die over de aarde komen zal, zoodra de duivel tot haar nedergekomen is. „ W e e de aarde en de zee! want do duivel is tot u nedergekomen, en heeft groote gramschap, wetende, dat hij maar een kleinen tijd heeft.quot; (vs. 12.) Van liet oogenblik af toch, dat de satan zal verhinderd zijn, zijne hooge plaats als we-reldbeheerscher dezer duisternis in de hemelsche gewesten langer in te nemen, worden de „aardequot; en de „zee,quot; d. i. de volken, die in een geordenden staat, zoowel als de volken, die in opstand verkeeren, aan het geweldige woeden zijns toorns prijsgegeven. De groote verdrukking begint. De tyd, zooals die niet geweest is van liet begin dor wereld tot nu toe, en ook niet meer zijn zal, neemt een aanvang.

Met de nederwerping van den duivel op de aarde begint de laatste halve week van Daniël. Zoodra de duivel zijne plaats in den hemel verloren heeft, tracht hij al zijne macht en boosheid op aarde te ontwikkelen; en kiest daartoe als instrument den koning te Jeruzalem, die door vleierijen de Joden aan zich heeft weten te onderwerpen, en die nu door den invloed des satans tot Antichrist, tot den mensch der zonde, den zoon des verderfs gemaakt wordt. Terstond daarop begint de schrikkelijke vervolging van de aan God

-ocr page 234-

BESCHOUWING OVER H. XII : 13 , 14.

220

getrouwe Joden. „En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, vervolgde hij de vrouw, die-het jongske had gebaard.quot; (vs. 13.) Hiermede keeren wy tot het zesde vers terug. De daar afgebroken draad wordt hier weer opgevat. Van het 7de tot het 12de vers worden ons de oorzaken medegedeeld van de heftige vervolging, waaraan de vrouw en haar zaad in de laatste dagen zal zijn blootgesteld. De vrouw vlucht in de woestijn. Dit is het eenige, wat zij doen kan. „En aan de vrouw werden de twee vleugelen van den grooten arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen aan hare plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.quot; (vs. 14.) De Heer Jezus voorspelde dit in Matth. XXIV. Zoodra de gruwel der verwoesting staan zal in de heilige plaats, verloopen er drie en een half jaar tot aan de verlossing; en bij het begin van deze drie en een half jaar moeten de discipelen vlieden naar de bergen. God beschermt de zijnen. Doch de duivel Iaat zijne prooi niet zoo spoedig los. Hij weet te goed, dat het zaad der vrouw hem den kop zal verpletteren, en dat dit zaad bestemd is om al de volken te hoeden met een ijzeren staf; en daarom wendt hij zich in ontembare woede tegen de vrouw. Heeft de Heer de vlucht der vrouw doen gelukken , en haar een plaats bereid in de woestijn buiten het gezicht der slang, de slang verzint een nieuwe list. Groote volksmassaas, die onder den onmiddelbaren invloed des duivels staan, worden door dezen trotschen vijand van God opgestookt, om zich evenals een bergstroom op het joodsche volk te werpen en het van den

-ocr page 235-

H. XII: 15, 16. DE OPENBARING.

221

\\ «1gt;

aardbodem te doen verdwijnen. Dit is de beteekenis van de woorden in vs. 15: „En de slang wierp achter de vrouw water uit haren mond als een rivier, om haar door den stroom te doen wegvoeren.quot; Leest Jesaja VIII : 7, 8, waar de koning van Assyrië, die met al zijne heerlijkheid komt om het joodsche land in te nemen, wordt voorgesteld onder het beeld van een overstroomenden vloed. Doch de beschermende hand van God breidt zich wederom over zijn volk uit. De „aardequot; — het tooneel van goddelijke orde in deze wereld — opent haren mond, verzwelgt de rivier, die de draak uit zijnen mond geworpen had, en stuit zoo doende de woeste, verderf aanbrengende scharen, welke de Joden op de een of andere wijze trachten te verdelgen. Ter verklaring van hetgeen hier bedoeld wordt, is het zeker niet ondienstig te wijzen op de schrikkelijke gebeurtenissen ten gevolge van den Jodenhaat, waarvan wij in onzen leeftijd getuigen geweest zijn. Deze gebeurtenissen, evenals zoovele anderen, zijn evenwel slechts het voorspel van hetgeen onze arme aarde te wachten staat, wanneer de duivel in al zijne woede zal zijn losgelaten.

Het getrouwe overblijfsel van Israël, dat onder de bijzondere hoede des Heeren staat, is derhalve in veiligheid gebracht, en kan door de woede dos satans niet meer worden getroffen. Nochtans houdt de vervolging niet op. Zoolang er nog een zaad dor vrouw op

aarde aanwezig is,

len, voert hy tegen hen krijg.

waaraan hij zijne woede kan koe-„En de draak werd vertoornd op de vrouw, en hij ging weg om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de

1

-ocr page 236-

BESCHOUWING OVEE H. XII : 17.

222

getuigenis van Jezus hebben.quot; (vs. 17.) Dit zijn eveneens Joden, die evenwel niet aan de vlucht van het overblijfsel in de woestijn hebben kunnen deelnemen; en die, geleid door den geest der profetie, (zie Openb. XIX : 10.) de wederkomst van Jezus als den Koning der gansche aarde verkondigen, en zich vanwege hun getuigenis don haat des duivels op den hals halen. Doch wat de aartsvijand van God en zijn volk ook beproeven moge, het zal hem niet gelukken. Al moet de Heer ook vanwege hunne goddeloosheid en verwerping van Christus zware tijden over zijn volk doen komen, en schrikkelijke oordeolen over hen uitstorten, in het eind zal Hij hen toch weer aannemen, en alle listen en aanslagen des vijands to schande maken. Gods roeping en verkiezing zijn onberouwelijk.

-ocr page 237-

H. XIII : 1 , 2. DE OPENBARING. 223

2. Hoofdstuk XII : 18 en XIII.

Nadat Israel\'s goscliierlenis in algemoene trekken den profeet was voorgesteld, en nadat liij den duivel en zijne engelen uit den hemel had zien nederwerpen op de aarde, wordt hem nu een gansch ander tooneel voor oogen gesteld, \'t welk evenwel in onmiddellijk verband met het voorgaande staat. De duivel, die uit den hemel is verbannen, en daar zijn goddeloos werk niet meer uitvoeren kan, is op de aarde nedergewor-pen, en heeft, wetende dat hij maar een kleinen tijd heeft, groote gramschap, zoodat hij zich niet alleen ten strijde aangordt tegen de uitverkorenen Gods, maar ook tracht de geheele wereld in opstand te brengen tegen den Almachtige. In dit dertiende Hoofdstuk nu worden ons de gebeurtenissen, welke hier op aarde tengevolge van de nederwerping des satans zullen plaats vinden, in profetische taal medegedeeld.

„En ik stond op het zand der zee; en ik zag uit de zee een beest o pst ij gen, hebbende tien hoornen en zeven hoofden, en op zijne hoornen tien diademen, en op zijne hoofden namen van lastering. En het beest, dat ik zag, was aan\'een luipaard gelijk, en zijne

mm

-ocr page 238-

BESCHOUWIIfG OVER H. XIII: 1 , 2.

voeten als van een beer, en zijn mond als de mond van een leeuw.quot; (vs. 1, 2.) Bij onze beschouwing\' van het elfde Hoofdstuk zagen wij reeds, dat dit beest het herstelde Romeinsche rijk voorstelt, en ons duidelijk herinnert aan de profetie in Daniël VII. De bijzonderheden, welke ons hier worden medegedeeld , bevestigen dit geheel. Dezelfde dieren, van welke Daniël spreekt, worden hier aan Johannes getoond. Het beest, dat Johannes uit de zee zag opstijgen, was gelijk aan een luipaard, had de voeten van een heer, en den mond van een leeuw. De luipaard stelt volgens Daniël\'s profetie het Grieksche, de beer het Medisch-Perzische, en de leeuw het Babylonische rijk voor. Evenwel komen deze dieren hier in omgekeerde orde voor, aangezien Daniël deze rijken in de toekomst, Johannes ze daarentegen in het verleden zag. Daniël, die onder de Babylonische heerschappij leefde, zag, vooruitziende, nA het Babylonische rijk het Medisch-Perzische, het Grieksche en het Romeinsche rijk; Johannes daarentegen, die in het Romeinsche rijk leefde, zag, terugziende, eerst het Grieksche, daarna het Medisch-Perzische en eindelijk het Babylonische rijk.

Het Romeinsche rijk omvat dus het grootste gedeelte van de drie voorgaande wereldrijken. Dit is geheel in overeenstemming met de geschiedenis. Het Babylonische rijk ging over in het Medische, het Medische in het Grieksche, en het Grieksche in het Romeinsche. Maar niet alleen dit. De geschiedenis leert ons, hoe het een kenmerkende karaktertrek van de Romeinen was, om al wat zij goeds aantroffen in de door hen veroverde rijken, in hun regeeringsstelsel en wijze van doen over te nemen. In plaats van hunne eigene

224

-ocr page 239-

H. XIII : 1, 2. DE OPENBARING.

gewoonten aan andere volken op te dringen, gebruikten zij integendeel hetgeen hun goed en nuttig toescheen ten hunnen eigenen voordeele. Daarom had dit beest, \'t welk Johannes aanschouwde, do gelijkenis van een luipaard, de voeten als van een beer en den mond als van een leeuw. De snelheid van verovering en van onderwerping der andere machten, welke het Grieksche rijk kenmerkte, de volharding en hardnekkigheid, waarmede het Perzische rijk streed, en de roofzucht van het Babylonische rijk waren allen ver-eenigd in dat Eomeinsche rijk, \'t welk naar Daniel\'s profetie schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk was.

Het is derhalve zoo duidelijk als de dag, dat het beest, \'t welk Johannes uit de zee zag opstijgen, het Komeinsche rijk is, het vierde dier van Daniël VII, het ijzer van Nebukadnezar\'s Statenbeeld. Eu even duidelijk is het, dat ons dit Romeinsche rijk hier voorgesteld wordt niet in den toestand, waarin het eenmaal geweest is, maar in een geheel nieuwe gestalte , zooals het in de laatste dagen zal te voorschijn treden. Wanneer wij bedenken, dat Johannes ouder de heerschappij van het Romeinsche rijk leefde, en zelfs door de vijandschap van Rome\'s keizer op het eiland Patmos verbannen was, dan kan hij onmogelijk anders dan van het herstelde Romeinsche rijk spreken. Hij profeteerde voor de toekomst; en waar hij dus een beest zag opkomen uit de zee, en dit beest het Romeinsche rijk voorstelt, daar profeteert hij van het opkomen van dit rijk in later tijd; eu dan volgt hieruit —Jfgelijk wij straks zien zullen — dat hot rijk, waaronder hij leefde, zou te niet gaan, en later wederom zou worden hersteld.

225

15

-ocr page 240-

BESCHOUWING OVER H. XIII : 1 , 2.

De profeet stond op het zand der zee, en zag uit de zee een beest opstijgen. Gelijk wij reeds vroeger opmerkten, is de zee met hare onstuimige golven het zinnebeeld van de volken, die door allerlei omwentelingen en bewegingen in beroering zijn. In Hoofdst. XVII : 15 lezen wij: „De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tongen.quot; En in Jesaja XVII : 12, 13 en LVII ; 20 wordt hetzelfde beeld gebruikt. Wanneer wij derhalve in Dan. VII : 2 lezen, dat de vier dieren opklommen uit „de groote zee,quot; dan wil dit zeggen, dat deze rijken hun ontstaan te danken hebben aan groote volksbewegingen, wat door de geschiedenis van het ontstaan dier rijken bewezen wordt; en dan vernemen wij hier, dat het herstelde Eomeinsche rijk eveneens uit den revolutiegeest der volken zal opkomen.

Wij behoeven ons daarover waarlijk niet te verwonderen. Hadden al de wereldrijken hun ontstaan te danken aan groote volksbewegingen, hoeveel te meer zal dit het geval zyn bij het herstel van het Romein-sche rijk. Nemen wij het gebied van het Romeinsche rijk in zynen hoogsten bloei, dan waren de Donau en de Rijn de noordelijke grens van dat rijk, en de woestijn van Afrika de zuidelijke grens; zoodat de Romeinsche heerschappij zich uitstrekte over de volgende landen, die ik naar hunnen tegenwoordigen naam opgeef: — Italië, Griekenland, Europeesch Turkije, Oostenrijk tot aan den Donau, Zwitserland, Frankrijk, Spanje, Portugal, de Rijnprovinciën, België, Engeland zonder Schotland en Ierland, Palestina, Egypte en de Noordkust van Afrika. Er zal dus heel wat moeten gebeuren, eer de kaart van Europa een verandering zal

226

-ocr page 241-

H. XIII : 1 , 2. DE OPENBARING.

hebben ondergaan, gelijk die voor het herstel van het Eomeinsche rijk noodig is. En het spreekt wel vanzelf, dat deze verandering niet zal plaats vinden zonder hevige volksbewegingen en groote revolutiën. Niet alleen moeten er gedeelten, welke tot dat rijk be-hooren, van de andere deelen, welke er niet toe behoo-ren, worden losgescheurd; maar het geheele Romeinsche gebied zal in tien koninkrijken worden verdeeld. Dit toch is volgens Hoofdstuk XVII de beteekenis van de tien hoornen, welke Johannes op het beest zag. Verschillende vorsten zullen van hunne tronen gestooten worden; sommige koninkrijken zullen ophouden te bestaan, terwijl anderen daarentegen zullen worden gesticht; zoodat er zulk een tooneel van verwarring en oproer wezen zal, dat de zee met hare woedende golven daarvoor een zeer gepast zinnebeeld is.

Dit herstelde Romeinsche rijk nu zal zich in een zeer bijzonder karakter openbaren. Wat bij zijn vroeger bestaan niet geweest is; ja, wat tot nu toe nog nooit op aarde is gezien, dat zal dan plaats hebben. Dat rijk zal staan onder den rechtstreekschen invloed van den duivel. „En de draak gaf hem zijne macht en zijnen troon en groot gezag.quot; (vs. 2.) Als de duivel uit den hemel op de aarde geworpen is, heeft er een groote verandering in den oorsprong der regeering plaats. De overheid is nu Gods dienares. Hoewel de duivel de vorst dezer wereld is, zoo gaat toch de regeering der wereld door middel van de overheden van God uit. Doch als de duivel uit den hemel op de aarde zal geworpen zijn, dan geeft God, als oordeel over de van Hem afgevallen volken, het bestuur dei-wereld over aan den satan, en het herstelde Romein-

227

-ocr page 242-

BESCHOUWING OVER

H. XIII : 3.

228

sche rijk ontvangt van den satan zijne macht en zijnen troon en groot gezag. De duivel moet een instrument hebben om te werken op de menschen in het middelpunt van de zoogenaamde beschaafde wereld, voor den korten tijd, dat het hem veroorloofd wordt om op aarde te doen, wat hij wil; en dit instrument is het uit den revolutiegeest der volken weer opgestane en herstelde Romeinsche rijk.

Evenwel toen Johannes de Openbaring schreef, bestond het lloineische rijk nog. Wanneer hij dus van een hersteld Romeinsch rijk profeteert, dan moest het bestaande eerst te niet gaan. Welnu, dit wordt hem te aanschouwen gegeven. „En ik zag één van z ij n e hoofden, als tot den dood verwond; en zijne doodelijke wonde werd genezen; en de geheele aarde verwonderde zich over het beest.quot; (vs. 3.) Het beest, \'t welk de Profeet uit de zee had zien opstijgen, had zeven hoofden, welke volgens Hoofdstuk XVII : 10 zeven koningen voorstellen, die achtereenvolgens over het Romeinsche rijk regeerden. Het zijn, dunkt mij, zeven regeeringsvor-men, waarvan er één, zooals wij hier zien, zal te niet o-aan, om later als ware het uit het stof des doods

O \'

weer te verrijzen. Dit kan niet anders dan de keizerlijke regeeringsvorm zijn, die bestond, toen Johannes profeteerde, en gebleven is, totdat het Romeinsche rijk ophield te bestaan. Geen wonder, dat de geheele aarde verbaasd zal zijn over de herleving van dat rijk, \'t welk zoovele eeuwen is verdwenen, en tot welks herstel zoovele vergeefsche pogingen zijn aangewend.

Vergelijken wij het hier gezegde met de voorstelling, welke ons van het Romeinsche rijk in Nebukadnezar\'s

-ocr page 243-

DE OPENBARING.

H. XIII: 3.

229

Stfitenbeeld gegeven wordt, dan vinden wij een treffende overeenstemming. De sclienkelen van dit beeld zijn van ijzer. „Het vierde koninkrijkquot; — zoo luidt Daniël\'s uitlegging — „zal hard zijn, gelijk ijzer: aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk het ijzer, dat zulks alles verbreekt, zoo zal het vermalen en verbreken.quot; Het Romeinsche rijk was eeuwen lang één groot, sterk, onoverwinbaar geheel; voorzjjn ijzeren macht moest alles buigen; geen andere macht was tegen hetzelve bestand. Doch in de vijfde eeuw na Christus veranderde deze toestand geheel. Heir-scharen van barbaren vielen van alle kanten dit machtige rijk aan, overstroomden het als een vloed, eu vernietigden zijne heerschappij. Doch hoe sterk deze barbaren ook waren in het vernietigen van de onoverwinlijk geachte macht des Romeinschen rijks, zoo waren zij toch niet in staat om een nieuw groot rijk op te richten, maar brachten het niet verder dan tot het stichten van afzonderlijke koninkrijken; en sedert dien tijd is niemand in staat geweest, om de afzonderlijke deelen tot één geheel te vereenigen. De voeten des beelds waren eensdeels van ijzer en eensdeels van leem, waarvan de volgende verklaring gegeven wordt: „En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menschelijk zaad vermengen , maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengd.quot; Wat men ook heeft aangewend om het Romeinsche rijk weer te herstellen — oorlogen, huwelijken, staatkundige verbintenissen — alles bleef tevergeefs; zoodat tot op dit oogenblik de geest van onafhankelijkheid en jaloezie de eenmaal vereenigde deelen van dit

-ocr page 244-

BESCHOUWING OVER H. XIII: 3 , 4.

rijk gescheiden houdt en in vijandschap met elkander doet leven. Doch wat de menschen niet vermogen te doen, dat-zal de Heer doen op den door Hem bepaalden tijd. „Ik zag één van zijne hoofden, als tot den dood verwond, en zijne doodehjke wonde werd genezen.quot; Het Romeinsche rijk zal worden hersteld. Als één geheel zal het weer op het tooneel verschijnen onder een machtig hoofd. Nochtans zal het zich niet in denzelfden toestand van vroeger bevinden; het zal geenszins staan onder de leiding Gods, maar door de macht des satans worden bestuurd. En de menschen, die God geheel verworpen hebben, zullen zich niet alleen over het beest verwonderen, maar zullen „den draak aanbidden, omdat hij aan het beest gezag gegeven heeft, en zij aanbidden het beest, zeggende: „Wie is aan het beest gelijk? en wie kan tegen hetzelve krijg voeren?quot; (vs. 4.)

Hoe veranderlijk is de mensch! Vóór het herstel van het Romeinsche rijk is Europa het tooneel van de schrikkelijkste revolutiën. Vorsten worden van hunne tronen gestooten. Lang bestaande rijken verdwijnen van het tooneel. Alleen in volksregeering — indien het dien naam dragen mag — wordt heil gezocht. De menschen beloven zich ongekend geluk en nooit ge-hoorden voorspoed. Doch evenals na de eerste fransche revolutie de vrijheidsidealen spoedig in rook verdwenen , en de koningsmoordenaars zich bogen onder den ijzeren schepter van den eersten Napoleon, zoo zullen ook dan de volken juichen, wanneer te midden van de algemeene verwarring en regeeringloosheid een man zal opstaan, die met sterke hand de teugels des be-winds zal aangrijpen en zich de keizerskroon op het

230

-ocr page 245-

DE OPENBARING.

H. XIII : 5.

231

hoofd zal drukken. Zóó is de mensch! Heden zoekt hij de meest overdreven ideeën van vrijheid te verwezenlijken, en morgen buigt hij zich onder den schepter van een despoot, en bewondert diens macht en grootheid.

De Profeet gaat nu voort om ons het beest, dat hij uit de zee had zien opstijgen nog nader te beschrijven. Het staat geheel onder de macht en den invloed van den satan; het is een instrument des satans om zijne woede tegen God en menschen te koelen. „En aan hetzelve werd een mond gegeven, die groote dingen en lasteringen sprak.quot; (vs. 5.) Om de beteekenis dezer woorden recht te begrijpen moeten wij nogmaals Daniël VII opslaan, waar ons tot in de kleinste bijzonderheden wordt medegedeeld, wat hier slechts met één enkelen trek geschilderd is. Nadat Daniël het vierde dier als geheel van de vorigen onderscheiden had voorgesteld, zegt hij: „En het had tien hoornen. Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tusschen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven^ en ziet, in dienzei ven hoorn waren oogen als menschen oogen, en een mond, groote dingen sprekende.quot; (Dan. VII : 7, 8.) De uitlegging hiervan is: „Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken; en het zal de gansche aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen. Belangende nu de tien hoornen; uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen. En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hooge plaatsen verstoren.quot; (Dan.

-ocr page 246-

BESCHOUWING OVER H. XIII : 5.

VII : 23—25.) Naar Daniël\'s profetie zal derhalve uit het herstelde Romeinsche rijk als tienhoofdig koninkrijk, een koning opstaan, die drie van de tien koningen zal vernederen en verdringen, en zich als hoofd van het geheele rijk zal opwerpen. Door dezen zal de duivel zijne lasteringen tegen den Allerhoogsten God uitbraken.

Van dezen „kleinen hoornquot; vindon wij in de Openbaring niets; doch wat in Daniël aan dezen kleinen hoorn wordt toegeschreven, dat deelt Johannes ons mede van het beest zelf; waaruit volgt, dat in dezen kleinen hoorn, die drie koningen verdringt, en dan zelf het hoofd des geheelon rijks wordt, de gansche macht des rijks zich samentrekt, gelijk wij later by de beschouwing van Hoofdstuk XVII opnieuw zullen ziengt; Bij Daniël is het de kleine hoorn, die lasteringen spreekt tegen den Allerhoogste; terwijl Johannes ons mededeelt, dat aan het beest een mond werd gegeven, die groote dingen en lasteringen sprak. De tijd, wanneer zulks gebeuren zal, is in beide profetieën dezelfde. Het is de laatste helft van Daniël\'s zeventigste jaarweek. Het is de tijd, waarin de vrouw vlucht in de woestijn, om daar door God te worden bewaard buiten het gezicht der slang. Terwijl Johannes ons zegt, dat aan het beest macht gegeven werd om God te lasteren twee en veertig maanden, lezen wij in Daniël, dat die koning een tijd en tijden en een gedeelte eens tijds zijne lasteringen zal uitbraken.

Johannes daarentegen deelt ons veel uitvoeriger dan Daniël mede, waarin de boosheid van dit hoofd des Romeinschen rijks zal bestaan. Het zal zich richten tegen God en tegen de heiligen, die in den hemel

232

-ocr page 247-

H. XIII : 6. DE OPENBARING.

wonen; en liet zal de heiligen, die dan nog op aarde zijn, vervolgen. Merkwaardig is dit onderscheid! Geheel in overeenstemming trouwens met al wat uit ons onderzoek tot hiertoe gebleken is. De duivel is uit den hemel geworpen op de aarde. Zijne aanklachten tegen de heiligen in den hemel hebben voor altijd opgehouden. Het eenige, wat hij nog doen kan, is zijne lasteringen van de aarde naar den hemel te slingeren. „En het opende zijnen mond tot lasteringen tegen God, om zijnen naam te lasteren, en zijnen tabernakel, en hen, die in den hemel w o n e n.quot; (vs. 6.) Schrikkelijke boosheid! Zoolang do satan nog in de hemelsche gewesten vertoeft, is hij de aanklager der broederen; zoodra hij evenwel uit den hemel op de aarde geworpen is, kan hij niet nalaten het door hem geïnspireerde beest aan te zetten tot lastering van Gods naam en van de bewoners des hemels.

Deze hemelbewoners worden in twee klassen verdeeld. Vooreerst Gods tabernakel, en dan zij, die in den hemel wonen. Uit Hoofdstuk XXI vs. 3 weten wij, dat de tabernakel Gods de bruid des Lams, de Gemeente onzes Heeren Jezus Christus is. En zij, die in den hemel wonen, zijn óf do andere heiligen, die, hoewel niet tot de Gemeente behoorende, nochtans reeds in den hemel zijn, óf de engelen, óf beiden gezamenlijk.

Doch de woede van het beest bepaalt zich niet tot het uitbraken van lasteringen, maar openbaart zich ook in het vervolgen van de heiligen, die dan op de aarde wonen. „En aan hetzelve werd macht gegeven krijg te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen, en aan hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en volk,

233

-ocr page 248-

BESCHOUWING OVER H. XIII: 7 , 8.

en taal, en natie.quot; (vs. 7.) In Hoofdstuk XII hebben wij uitvoerig over deze heiligen gesproken, zoodat wij • hier volstaan kunnen met te herinneren, dat het aan God getrouwe Israëlieten en door hen tot bekeering gebrachten uit de volken zijn, die weigeren de macht van het beest te erkennen en den draak te aanbidden.

Belangrijk is het opnieuw op te merken, hoe in de Openbaring het onderscheid tusschen de heiligen in den hemel en die op de aarde steeds wordt volgehouden , en hoe duidelijk ook hier weder blijkt, dat in de twee en veertig maanden der groote verdrukking de Gemeente des Heeren niet op aarde, maar in den hemel is. De tabernakel Gods, de Gemeente des Heeren , is in den hemel, en met haar vele anderen heiligen van vroeger en later tijd; terwijl de heiligen op aarde worden vervolgd en overwonnen.

Dat de macht eu de invloed van het beest ontzaglijk groot zullen zijn, blijkt uit de mededeeling in vers 8: „En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, een ieder, wiens naam, van de grondlegging der wereld af, niet geschreven staat in het boek des levens, des Lams, dat geslacht is.quot; Slechts een heel klein overblijfsel zal er gevonden worden, als de Heer komt, \'t welk de aanbidding van het beest heeft geweigerd. Men ver-gete hierbij niet 1°. dat er vele duizenden gedurende de groote verdrukking om huns geloofs wil worden gedood; 2°. dat anderen door den Heer in de woestijn worden bewaard, zoodat die hier niet in aanmerking komen; en S3. dat wij onder „de aardequot; verstaan moeten „de profetische aarded. i. het Romeinsche

234

-ocr page 249-

H. XIII : 7 , 8. DE OPENBARING.

gebied. Hoe zoovele millioenen er toe komen om liet beest te aanbidden, zullen wij in het tweede gedeelte van dit Hoofdstuk verklaard vinden. Hier vinden wij het woord des Heeren Jezus bewaarheid: „De Zoon des menschen, als hij komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde?quot; (Luk. XVIII : 8.) Allen buigen zich in aanbidding voor het beest, en daarom zal Hij, het geroep der weinige getrouwen verhoorende, niet langzaam zijn ten hunnen opzichte, maar hun haastelijk recht doen.

Eer wij verder gaan, wil ik nog opmerkzaam maken op de veranderde woordvoeging in vers 8, waardoor wij niet meer lezen, gelijk in de Staten-Vertaling, van het Lam, dat geslacht is van de grondlegging der wereld af ■ maar van een ieder, wiens naam, van de grondlegging der wereld af, niet geschreven staat in het boek des levens, des Lams, dat geslacht is.

Vertroostende woorden voor den geloovige! Onze naam staat van de grondlegging der wereld af geschreven in het boek des levens. Onze verlossing en zaligheid, ons deelnemen aan de heerlijkheid en aan Christus\' koninkrijk, \'t heeft alles zijn grond in Gods uitverkiezende liefde. Voor de grondlegging der wereld heeft Hij reeds aan ons gedacht, en toen reeds onzen naam geschreven in het boek des levens. En dat boek des levens is het boek des Lams, dat geslacht is, ons daardoor voorstellende niet alleen de onuitsprekelijke liefde van Christus, die zichzelven voor ons overgaf en de onuitsprekelijke liefde van God, den Vader, die zijnen geliefden Zoon voor ons afstond, maar tevens de diepte der ellende, waarin wij verzonken waren, die het daarom noodzakelijk maakte, dat Gods eenig-geboren Zoon den smadelijken kruisdood stierf.

235

-ocr page 250-

BESCHOUWING OVER H. XIII: 9 , 10.

Johannes voegt nu aan zijne profetische voorstelling van het beest de vermaning toe: „Indien iemand ooren heeft, die hoore! Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof der heiligen.quot; (vs. 9, 10.) Voorwaar, een noodzakelijke vermaning voor de heiligen in de dagen der groote verdrukking. Hoe licht konden zij naar het zwaard grijpen, waar hot beest met zoo groote woede hen vervolgt. Doch dat ware niet de weg der gehoorzaamheid. Daarom worden zij vermaand geduld te hebben en te lijden, totdat de ure der wedervergelding slaat. God laat een tijd lang het beest toe in de gevangenis te leiden en met het zwaard te dooden; doch Hij zal te zijner tijd de getrouwen uit de verzoeking weten te verlossen. Tot dat oogenblik werd de volharding en het geloof der heiligen op de proef gesteld. Beharti-gingswaardige woorden, ook voor ons! Als toch deze plaats der volharding en des geloofs den heiligen uit Israël, die naar de vervulling der hun geschonken aardsche beloften uitzien, wordt aangewezen, hoeveel te meer behooren wij dan, die hemelsche zegeningen en beloften deelachtig zijn, ten allen tijde en onder alle omstandigheden deze gezindheid aan te kweeken.

In het volgende gedeelte van ons Hoofdstuk verschijnt een tweede beest op het tooneel. Het opstijgen van dit tweede beest is geheel verschillend van dat van het eerste. Terwijl liet eerste beest opsteeg uit de zee, stijgt het tweede op uit de aarde. „En ik

236

-ocr page 251-

DE OPENBARING.

H. XIII: 11.

237

zag een ander beest opstijgen uit de aarde.quot; Als het zevenhoofdig monster verschijnt, dan bevindt zich op de profetische aarde alles in een toestand van verwarring en regeeriDgloosheid; bij het opstijgen van het tweede beest evenwel zijn de woedende golven der revolutie tot zwijgen gebracht, en ziju orde en regel teruggekeerd. Het tweede beest verschijnt dus eerst ten tooneele, nadat het Romeinsche rijk is hersteld en de geheele aarde onder zijne heerschappij heeft gebracht.

Dit beest nu „had twee hoornen, aan die van een lam gel ij k, en het sprak als een draak.quot; (vs. 11.) Het is niet moeielijk uit deze beschrijving op te maken, wie er door dit beest wordt voorgesteld. Het kan niemand anders zijn, dan de Antichrist, de valsche profeet, de in zijnen eigenen naam komende koning der Joden. Deze toch is in alles het tegenovergestelde van Christus, hoewel hij tracht Hem in alles na te bootsen; zoodat een beest met twee hoornen, aan die vau een lam gelijk, voor hem het gepaste symbool is. Ook spreekt dit beest als de draak. Van het eerste beest wordt gezegd, dat de draak het groote macht gaf; doch dit beest spreekt als de draak. De duivel woont in dit beest, en spreekt door dit beest. De Antichrist zal, als het ware, de incarnatie, de vleeschwording des satans zijn, gelijk Christus is de vleeschwording des Woords.

Als wij nagaan hetgeen de Schrift ons omtrent den Antichrist leert, dan zal ons dit in al zijne schrikkelijke werkelijkheid voor oogen treden. In de brieven van Johannes, in welke alleen het woord „Antichristquot; voorkomt, wordt ons veel omtrent dezen verleider me-

-ocr page 252-

BESCHOUWING OVER H. XIII: 11.

degedeeld. In zijnen eersten brief zegt hij ter waarschuwing der kinderen in het geloof: „Kinderkens! het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen geworden, waaruit wij weten , dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet van ons.quot; Hieruit blijkt, dat er reeds ten tijde van Johannes vele antichristen geworden waren, die tot de christelijke gemeente behoord, maar deze verlaten hadden. De persoonlijke Antichrist evenwel moest nog komen. In Hoofdst. IV zegt hij: „Vele valsche profeten zijn

uitgegaan in de wereld.......Iedere geest, die

niet Jezus Christus als in het vleesch gekomen belijdt, is niet uit God; en dit is de geest van den antichrist, welken gij gehoord hebt, dat komen zal, en hij is nu reeds in de wereld.quot; Eerst is het de geest van den Antichrist, die werkt in de wereld; daarna komt de Antichrist zelf om zich openlijk tegen den Heer te verzetten. Hoe dichter wij bij het einde komen, des te meer ontwikkelt de satan zijne macht. Van de dagen van Johannes tot nu toe zien wij, hoe de antichristelijke geest in steeds schrikkelijker mate en op steeds stouter toon zich openbaart; hoe alles, wat heilig is door zijnen vergiftigenden adem wordt bezoedeld; en in onzen tijd niet alleen het werk, maar bovenal de persoon onzea Heeren door hem wordt aangetast. Wel is dit een bewijs, dat het einde met rassche schreden nadert. De Antichrist toch is „de leugenaar, die loochent, dat Jezus de Christus is;quot; die zich bi^ de ongeloovige Joden aansluit, en zich in hunne verwerping van den Gezalfde des Heeren aan hun hoofd plaatst. Maar bovendien „deze is de antichrist, die

238

-ocr page 253-

DE OPENBARING.

H. XIII: 11.

239

den Vader en den Zoon loochent.quot; De Antichrist loochent niet alleen, dat Jezus de Gezalfde des Heeren is, maar hij loochent ook, dat Jezus is de Zoon van God; dat al de volheid der Godheid in Hem lichamelijk woont; dat Hij, van eeuwigheid bestaande, in het vleesch gekomen is. „quot;Want er zijn vele verleiders uitgegaan in de wereld, die niet Jezus Christus als in het vleesch gekomen belijden. Deze is de verleider en de antichrist.quot; (2 Joh. vs. 7.) Op allerlei wijzen, zoowel door de modern-liberalen als door de modern-evangeli-schen, tracht de duivel de belijders van Christus van de waarheid af te trekken en tot allerlei dwalingen omtrent den iiersoon des Heeren te vervoeren, opdat zij zich bij de komst van den Antichrist zonder tegenspraak in zijne armen werpen, en zich geheel aan zijne leiding overgeven zouden. Al de beginselen, die den Antichrist kenmerken, zijn reeds nu in de christelijke kerk aanwezig, en het is slechts noodig, dat de ware geloovigen deze aarde verlaten om don persoonlijken Antichrist te zien verschijnen.

Paulus spreekt eveneens zeer uitvoerig over dezen verleider, hoewel hij het woord „antichristquot; niet ge-gebruikt. In 2 Thess. II zegt hij: „Dat niemand u op eenigerlei wijze misleide! Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen zij, en geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich verzet en verheft tegen al wat God genaamd wordt, of een voorwerp van vereering is, zoodat hij zich in den tempel Gods nederzet, znhzelven vertoonende, dat hij God is.quot; Eerst komt de afval — de afval van het christelijk geloof, de verwerping van de kenmerkende waarheden des Christendoms, en bovenal de

-ocr page 254-

BESCHOUWING OVEK H. XIII: 11.

loochening van den persoon des Zoons; en daarna komt als straf voor deze verwerping de Antichrist, die hier als de mersch der zoude, als de zoon des verderfs wordt voorgesteld. Deze verzet en verheft zich tegen al wat God genaamd wordt, of een verwerp van vereering is. Hij schaft dus elke godsdienst af, vernietigt alle plaatsen van godsvereering, en doet den naam zelf des Christendoms verdwijnen. Daarna werpt hij zichzelven op als god. Hij zet zich in den tempel Gods te Jeruzalem neder, vertoont zich, dat hij God is, en doet zich door de heele wereld aanbidden.

Dit is geheel in overeenstemming met hetgeen wij in Daniël\'s profetie gevonden hebben. In de helft dei-ze ventigste week zal de vorst het slacht- en spijsoffer doen ophouden en een gruwelijken vleugel in den tempel te Jeruzalem stellen. £n in Daniël XI, waarvan het eerste gedeelte in do geschiedenis der Ptole-meüssen (zuiden) en der Seleucieden (noorden) in vervulling getreden is, wordt aan het eind de koning beschreven, die doen zal naar zijn welgevallen, en die zichzelven zal verheffen en groot maken boven allen God, en die tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken zal. (vs. 3G.) Van hem wordt dan verder gezegd: „En op do goden zijner vaderen zal hij geen acht gevendat is, hij zal zich geheel van de godsdienst der vaderen afwenden en een eigen godsdienst instellen. „Ook zal hij geen acht geven op de begeerte dei-vrouwen ,quot; dat is op den Messias, die bij alle vrouwen des Ouden Verbonds het voorwerp des verlangens was. „En hij zal den god Mauzzim (der vestingen) in zijne standplaats eeren: den god, welken zijne vaders niet gekend hebben, zal hij eeren met goud en met zilver

240

-ocr page 255-

H. XIII : 12, 13. DE OPÈNBAEING.

en met kostelijk gesteente en met gewenschte dingen.quot; Het is duidelijk genoeg, dat dit het beeld beteekent, \'t welk hij in de heilige plaats zal oprichten.

Keeren wij nu tot ons hoofdstuk in de Openbaring terug. Wij zullen dan zien, hoe het daar medegedeelde geheel in overeenstemming is met hetgeen uit ons onderzoek der bovenbehandelde Schriftuurplaatsen gebleken is, terwijl het tevens vele belangrijke bijzonderheden er aan toevoegt. Vooraf merk ik op, dat ons hier drie personen, welke op het nauwst met elkander verbonden zijn, worden voorgesteld: de draak, het eerste en het tweede beest; waarin wij een imitatie aanschouwen van de heilige Drieëenheid. Het eerste beest is de uitvoerende macht; het wordt door het tweede beest geleid en bezield; terwijl van alle machtsontwikkeling en van elke uitgieting der boosheid de satan zelf bron en oorzaak is.

Als eerste bijzonderheid wordt ons medegedeeld, dat dit tweede beest ten nauwste verbonden is met het eerste beest. „En het oefent al de macht van het eerste beest uit voor hetzelve; en het maakt, dat de aarde, en die daarop wonen, het eerste beest aanbidden, welks doode-lijke wonde genezen was.quot; (vs. 12.) De Antichrist , die, gelijk wij gezien hebben, tevens koning is in Jeruzalem, zal met het Romeinsche rijk een verbond sluiten; en door zijnen invloed de macht van dit rijk vergrooten en overal doen erkennen. Hij is de geestelijke kracht, waardoor dit rijk zich in zijne vijanschap tegen God en in duivelsche ongerechtigheid openbaart.

„En het doet groote teekenen, zoodat het zelfs vuur uit den hemel doet nederdalen op de aarde, voor de menschen.quot; (vs. 13.)

16

241

-ocr page 256-

BESCHOUWING OVER H. XIII ; 13.

quot;Waren de teekenen en wonderen in de dagen der Apostelen een bewijs van de tegenwoordigheid én van de macht des Heiligen Geestes; dan zullen zij getuigen van de macht, den duivel voor een korten tijd verleend. De duivel is, zooals wij in het vorige Hoofdstuk zagen, uit den hemel op de aarde geworpen; en maakt zich op om zijne volle macht te ontwikkelen. Hij vaart in den koning te Jeruzalem; maakt dezen tot Antichrist, tot den mensch der zonde, den zoon des verderfs, en geeft hem de macht om allerlei wonderen en teekenen te doen, zelfs om, zooals wij straks zien zullen, den adem des levens mede te doelen. Reeds in het Oude Testament lezen wij, b. v. in de geschiedenis van Job, dat de duivel, indien God zulks toelaat, een ontzettende macht heeft; doch in do laatste dagen zal hij zijne volle macht ontwikkelen. En de indruk, door die wonderen en teekenen gemaakt, zal des te grooter zijn, daar zij een nabootsing zijn van de openbaring van Gods macht. Toen op Karmel moest worden uitgemaakt, wie er God was — Jehovah of Baal; toen beslistte het vuur, dat Elia uit den hemel deed komen, en \'t welk zijn offer verteerde, dat de Heere God was. Evenzoo lezen wij, dat toen Salomo, bij de inwijding des tempels, zijn gebed geëindigd had, er vuur uit den hemel kwam, en het brandoffer en de slachtoffers verteerde, zoodat de heerlijkheid van Jehovah den tempel vervulde. Evenzoo zal het beest vuur uit den hemel doen nederdalen op de aarde.

Geen wonder, dat de bewoners der aarde hierdoor verleid worden. „En het verleidt hen, die op de aarde wonen, door de teekenen, die aan hetzelve gegeven zijn voor het beest te

242

-ocr page 257-

H. XIII : 14 , 15. DE OPENBARING.

doen, zeggende tot hen, die op de aarde wonen, dat zij voor het beest, dat de wonde des zwaards had en weder leefde, een beeld zonden maken.quot; De teekenen en wonderen, door den Antichrist verricht, bereiden den weg voor de schrikkelijkste afgoderij, die deze aarde ooit heeft aanschouwd. Als wij alles te zamen nemen, wat ons in de verschillende plaatsen, die hierover handelen, wordt medegedeeld, dan blijkt daaruit, dat de Antichrist in den tempel te Jeruzalem — in de heilige plaats, daar waar het niet behoort te staan — een beeld zal oprichten, en wel een beeld ter verheerlijking van den keizer des Eomoinschen rijks; en dat hij allen tot de aanbidding van dit beeld zal bewegen.

Dit zal hem te gemakkelijker vallen, daar hem macht gegeven wordt „aan het beeld van het beest adem te geven, oj)dat het beeld van het beest ook zou spreken.quot; (vs. 15.) Mij dunkt, er zal in dat beeld een duivel varen, zoodat dit beest ademen en spreken zal. Green wonder, dat de heele wereld in aanbidding neervalt. Reeds nu zijn duizenden en milli-oenen verrukt over de wonderen van het spiritisme, \'t wolk niets anders is dan een openbaring van de macht des satans; en wat zal het dan wol niet zijn, wanneer niet alleen door den Antichrist vele wonderen en teekenen gedaan worden, maar wanneer zij voor hunne oogen zien zullen, dat een beeld van goud of steen begint te leven en te spreken. „Welke macht is den menschen gegeven!quot; zal de wereld uitroepen; „het tot nu toe onmogelijke is mogelijk geworden; zelfs het leven te geven staat voortaan in de handen van den mensch!quot;

Geen wonder dan ook, dat zij zich niet alleen neer-

243

-ocr page 258-

BESCHOrWING OVER H. XIII : 15.

buigen voor het levend geworden beeld des Romein-scben keizers; maar dat zij als God aanbidden hem, dien de macht gegeven werd om dooden levend te maken. De Antichrist zet zich als God neder in den tempel des Heeren te Jeruzalem, en doet zich als God aanbidden. De mensch aanbidt dan in hem zich-zelven. De beginselen daarvan zijn thans reeds duidelijk zichtbaar. Onze Heer Jezus Christus wordt hoog verheven door de modernen; niet hoog genoeg kan Hij geprezen worden; als de beste, braafste, kundigste, verlichtste aller menschen moogt gij Hom roemen; mits gij Hem maar niet als God verheerlijkt, maar als den man van Nazareth prijst; want dan verheft gij in Hem de menschheid, den mensch, dat is uzelven. En buigt gij u dan voor Hem neer, dan buigt gij u neer voor den besten aller menschen, en aanbidt alzoo den mensch. „Kinderkens! bewaart uzelven van de afgoden,quot; zegt daarom Johannes aan het slot van zijnen eersten brief.

Mochten er evenwel sommigen gevonden worden, die voor den gruwel van een mensch te aanbidden terugschrikken, dan zal vrees voor de doodstraf er hen wel toe brengen. De Antichrist toch zal maken, „dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, zouden gedood worden.quot; Evenals ten dage van Daniël allen, die weigerden het gouden beeld te aanbidden, dat Nebukadnezar in het dal van Dura had opgericht, bedreigd werden met den oven des brandenden vuurs; zoo zullen ook dan allen, die weigeren het beeld des Romeinschen keizers te aanbidden, worden gedood. Slechts enkele weinige getrouwen zullen er overblijven, die, evenals de drie jongelingen in den vurigen oven, door den Heer zullen worden bewaard.

244

-ocr page 259-

H. XIII : 16 , 17. DE OPENBARING.

245

De Antichrist zal derhalve zijne geestelijke heerschappij over de heele aarde uitoefenen. Allen worden gedwongen zijn afgodsbeeld en hemzelven te aanbidden. „En hij maaktquot; — zoo lezen wij verder — „dat men aan allen, kleinen en grooten, en rijken en armen, en vrijen en slaven, een merk-teeken geve op hunne rechterhand of op hun voorhoofd; en dat niemand kan koopen of verkoopen, dan die het merkteeken heeft: den naam van het beest, of het getal van zijnen naam.quot; (vs. 16, 17.) Schrikkelijke dwingelandij ! Wie zich niet voor de godsdienst van den Antichrist verklaart, wordt van al zijne rechten als burger beroofd, en kan zelfs zijn leven verliezen. Ziedaar waar de zoo hoog geroemde en zoo stout geëischte godsdienstvrijheid der zoogenaamde vrijzinnigen op neer komt! Als zij eenmaal de macht in handen hebben, doordien de groote meerderheid alle geloof aan God opgegeven en elke godsvereering verworpen heeft, dan zullen zij, ter bevordering van de rust en de eenheid des staats, allen vervolgen, die nog vasthouden aan hun geloof in den waarachtigen en levenden God, en die daarom weigeren aan hunne goddeloosheid mede te doen. Wat reeds honderde malen in het klein is voorgevallen; waarvan de geschiedenis der wereld, en vooral de geschiedenis van onzen tijd, tal van voorbeelden weet aan te halen; dat zal dan in het groot plaats vinden: „vrijheid, vrijheid! maar slechts voor hen, die denken zooals wij, die leven zooals wij, die handelen zooals wij! Alle anderen zijn domme, dweepzieke, geesteskranke menschen, gevaarlijk voor de rust van den staat en voor het heil van het Algemeen!quot;

-ocr page 260-

BESCHOUWING OVER H. XIII: 17, 18.

Daartoe heeft de duivel den mensch gebracht, \'t Is de ijzeren consequentie van de oude geschiedenis in het Paradijs. De zucht naar onafhankelijkheid van God bracht den mensch onder de macht van de zonde en den satan. Los van God werd de mensch een slaaf des duivels. Zich vrij wanende, is hij aan de schrik-kelijkste slavernij onderworpen; en vervalt daardoor vanzelf tot de uitoefening der grootste tirannie. Wie daar buiten staat; wie door Gods genade aan de macht des satans is ontrukt, en nu, door het geloof in Jezus Christus tot God teruggebracht, in afhankelijkheid van God de ware vrijheid heeft leeren kennen en beoefenen; die ziet de bespottelijke dwaasheid en de schrikkelijke ellende van deze zoogenaamde vrijheidshelden helder voor zich, en verheugt zich, dat eenmaal voor de tirannie der duivelsche vrijzinnigheid, de ware vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods in de plaats zal treden.

Niemand kan handel drijven, dan die het merktee-ken heeft van het beest: den naam van het beest, of het getal van zijnen naam. Er wordt bijgevoegd: ier is de wijsheid. Die verstand heeft, berekene het getal van het beest; want het is eens menschen getal, en zijn getal is zes honderd zes en zestig.quot; (vs. 18.) De oplossing van dit raadsel is naar mijne gedachte aan ons niet gegeven, doch zal het deel zijn van de „verstandigenquot; in de dagen, dat de Antichrist heerschen en onderdrukken zal. Al de berekeningen en verklaringen, welke van dit getal beproefd en gegeven zijn, worden beheerscht door het standpunt en de vooroordeelen van den uitlegger. De vrome bisschop van Lyon Irenéus,

246

-ocr page 261-

DE OPENBARING.

247

H. XIII: 18.

met vele anderen uit vroeger en later tijd, vooronderstelden, dat dit getal „Lateinosquot; beteekende. DeRoom-schen meenden er Lather in te ontdekken. De Protestanten lazen er den naam van meer dan eenen Paus uit. Anderen beweeren, dat liet Mahomed, weer anderen dat het Napoleon beteekent. En wie weet, koevele verklaringen er nog meer beproefd en gegeven zijn! Doch op een dergelijke wijze worden de Profetieën niet vervuld! In den tijd van den Antichrist zullen allen, die verstand hebben, het getal van het beest kunnen berekenen, en de beteekenis van het geheimzinnige getal 666 vei\'staan.

In dit dertiende Hoofdstuk worden ons derhalve onder de zinnebeeldige voorstelling van twee beesten het herstelde Pomeinsche rijk, met een keizer als hoofd van dat rijk en den Antichrist als koning te Jeruzalem, voorgesteld. Staan wij nog enkele oogenblikken, om het gewicht van de zaak, bij deze laatste persoonlijkheid stil, en trekken wij het resultaat van ons onderzoek te zamen.

De Antichrist is in alle opzichten de tegenstelling van Christus, hoewel hij Hem in alles tracht na te bootsen. Gelijk God zijnen Zoon gezonden heeft in de wereld om de wereld te behouden, zoo wordt hij dooiden duivel gezonden om de wereld te verderven. Evenals de Heer Jezus treedt hij op als koning en profeet; en wordt ons voorgesteld als een beest, dat twee hoornen heeft, des Lams hoornen gelijk. Wordt de Heer Jezus genoemd „een hoorn der zaligheid, opgericht in het huis van David,quot; (Luk. I : 69.) — de Antichrist wordt beschreven als „de kleine hoorn, die uitnemend groot werd tot aan het heir des hemels; en die sommigen van dat heir ter aarde wierp en ver-

-ocr page 262-

BESCHOUWING OVEK H. XIII: 17.

trad.quot; (Dan. VIII : 9—14.) Was het de spijze van den Heer Jezus den wil te doen zijns Vaders, die in de hemelen is, — van den Antichrist lezen wij, dat hij naar zijn welgevallen doen, en zich boven allen God verheffen zal. (Dan. XI : 36.) Ging de Heer Jezus het land door om goed te doen — de Antichrist zal vervolgen, in de gevangenis werpen en dooden. Deed Jezus wonderen tot heil der menschen — de Antichrist zal wonderen doen om de menschen te verleiden en in zijne goddeloosheid mede te slepen.

De Antichrist is „de mensch van de aardequot; (Ps. X : 18.) „de dwaas, de verderver, die in zijn hart zegt: Er is geen God!quot; (Ps. XIV en LUI.) Hij is „de mensch der zonde, de zoon des verderfs,quot; die den Vader en den Zoon loochent, die Christus als Gods Gezalfde verwerpt, en zich daarna als Christus, ja aïs God zelf opwerpt en doet aanbidden. Hij is gelijk aan Faraö, den trotschen vijand van God en zijn volk; aan Nebukadnezar, die op straffe des doods gebood, dat alle volken en natiën zouden nederknielen voor het gouden beeld, dat hij had doen oprichten; aan Darius, die verbood, dat iemand iets begeeren zou van eenigen God of mensch behalve van hem.

Hij treedt op als koning in Jeruzalem, en tracht in het eerste gedeelte zijner regeering] de Joden door vleierijen aan zich te onderwerpen. Dit] zal hem maar al te wel gelukken. Als straf voor hunne verwerping van den waren Messias zullen de Joden den valschen Christus aannemen. De Heer heeftquot; gezegd: „Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan, een ander zal komen in zijnen eigenen naam, dien zult gij aannemen.quot; In de helft van de

248

-ocr page 263-

H. XIII : 17. DE OPENBARING.

zeventigste week zal hij zich in zijne ware gedaante als Antichrist, als mensch der zonde vertoonen. Hij sluit een verbond met den keizer des Roraeinschen rijks; brengt dien geheel onder zijnen geestelijken invloed; spoort dien aan tot lastering tegen God en tot vervolging der heiligen; richt voor dien keizer een standbeeld op in den tempel te Jeruzalem, aan welk beeld hij een adem des levens geeft, en zet zichzelven als een God in den tempel Gods, en dwingt de geheele wereld om zoowel hem als het door hem opgerichte beeld te aanbidden. En wanneer zijne goddeloosheid haar toppunt zal hebben bereikt, dan wordt hij, zooals wij later zien zullen, door \'s Heeren komst te niet gedaan en in den poel des vuurs geworpen.

Schrikkelijke tijd zal dat zijn! Een verdrukking, zooals niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet weer zijn zal. Gelukkig dat ons beloofd is, vóór de ure dier verzoeking van de aarde te worden weggenomen. Zoolang de Gemeente des Heeren nog op aarde is, kan de mensch der zonde niet worden geopenbaard. Zoodra de Gemeente evenwel den Heer te gemoet is opgenomen in de lucht, begint de vervulling der Profetieën omtrent de laatste dagen. De Joden keeren naar hun land terug; het Romeinsche rijk wordt hersteld; de Antichrist verschijnt; de goddeloosheid en het ongeloof bereiken het toppunt; de schrikkelijkste afgoderij wordt ingevoerd; de heiligen uit Israël worden op het heftigst vervolgd; de laatste oorlogen worden gevoerd; totdat door \'s Heeren komst de eindbeslissing volgt.

249

-ocr page 264-

BESCHOUWING OYER H. XIV : 1.

250

3. Hoofdstuk XIV.

In dit Hoofdstuk yinden wij de wegen van God in genade en in gericht. Het staat op zichzelf, hoewel het ten nauwste met de twee vorige hoofdstukken verbonden is. Wij hoorden aan het slot van Hoofdstuk XI de aankondiging van de gebeurtenissen onder de laatste bazuin; doch de bijzonderheden en de middelen hunner vervulling werden ons daar niet getoond. De stemmen in den hemel bezongen het heerlijk resultaat van al de handelingen en overwinningen des Heeren aan het einde aller dingen; doch slechts zeer in het algemeen. Welke oordeelen er over de, aarde komen, welke gerichten de vijanden des Heeren treffen zullen, en welke gebeurtenissen de komst van Christus onmiddellijk zullen voorafgaan, wordt ons later bij de uitstorting der zeven schalen, en hetgeen daarmede in verband staat, getoond. Aan de openbaring daarvan gaat evenwel vooraf, in Hoofdstuk XII en XIII, de beschrijving van de goddeloosheid van Israël en de volken, welke de uitstorting van \'s Heeren gramschap noodzakelijk maakt. De satan, als de geheime bewerker dier goddeloosheid, en als de geest, die in den Antichrist en door hem in den keizer des Romeinschen rijks gevaren is, werd ons in al zijne list en boosheid

-ocr page 265-

DE OPENBARING.

251

H. XIV : 1.

voor oogen gesteld. En nu volgt in Hoofdstuk XIY in zeven tafereelen, als ik het zoo noemen mag, de besclirijving van de wegen des Heeren in genade en in gericht.

Het eerste tafereel stelt ons de heiligen voor, die in de dagen der groote verdrukking op aarde voor den Heer zijn afgezonderd en door Hem als de Zijnen worden erkend. Zij zijn geheel onderscheiden van de hemelsche heiligen, zoowel door hun karakter als dooide plaats, die zij innemen; terwijl ons bovendien gezegd wordt, dat zij zijn voor den troon en voor de vier dieren en voor de oudsten. De oudsten nu zijn de vertegenwoordigers der hemelsche heiligen, gelijk wij vroeger zagen; zoodat deze 144,000 een andere klasse van heiligen vormen. Het zijn dezelfde heiligen, die in Hoofdstuk VII gezien worden als het volle getal der verzegelden uit de twaalf stammen Israels. Werd ons daar alleen opgegeven het getal der verzegelden uit Israël, welke de Heere God voor zich had afgezonderd en bewaren zou gedurende de groote verdrukking — hier worden de bijzondere kenmerken dezer heiligen benevens de plaats, welke zij innemen, beschreven.

„En ik zag, en ziet, het Lam staande op den berg Sion, en met hem honderd vier en veertig duizend, hebbende zijnen naam en den naam zijns Vaders geschreven op hunne voorhoofden.quot; (vs. 1.) Bedenken wij wel, dat Johannes een visioen zag, en dat het een zinnebeeldige voorstelling is, welke wij hier voor ons hebben. De berg Sion is in tegenstelling tot den berg Sinaï het symbool der genade; doch hij is tegelijkertijd het middelpunt van de heerschappij en van de heerlijkheid

-ocr page 266-

BESCHOUWING OVER H. XIV : 1.

hier op aarde. De geschiedenis van David in het Oude Testament levert ons daarvoor de duidelijke bewijzen. De beteekenis van de zinnebeeldige voorstelling is dus, dat Hij, die op aarde geleden heeft, als Koning zijnen troon plant op den berg Sion, en vandaar heerscht over de volken; terwijl Hij het getrouwe overblijfsel, \'twelk zijne zijde gekozen had, rondom zich verzamelt en aan zijne koninklijke heerlijkheid doet deelnemen. Dit overblijfsel is niet alleen, gelijk ons in Hoofdst. VII voorgesteld wordt, verzegeld, maar het is met het Lam in gemeenschap gebracht en deelt in zijne heerlijkheid. Evenwel staan zij in een andere betrekking tot God en Christus dan wij. Zij hebben geenszins den geest der aanneming tot kinderen, gelijk wij dien bezitten; en daarom wordt er gezegd, dat zij den naam „zijnsquot; Vaders, en niet „hunsquot; Vader op hunne voorhoofden geschreven hadden. Zij wandelen in de voetstappen van het Lam, dat op aarde den naam des Vaders openbaarde; zij lijden met Hem, en belijden openlijk zijnen Naam; en daarom, waar de goddeloozen het merkteeken van het Beest op hunne rechterhand en op hun voorhoofd dragen, schittert op hunne voorhoofden de naam des Lams en de naam zijns Vaders.

Nadat de Profeet het Lam met de 144,000 op den berg Sion gezien had, verneemt hij een stem des ge-juichs uit den hemel. „En ik hoorde een stem uit den hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grooten donderslag; en de stem, die ik hoorde, was als van harpspelers, die op hunne harpen spelen. En zij zongen een nieuw lied voor den troon, en

252

-ocr page 267-

H. XIV : 2—5. DE OPENBARING.

voor de vier dieren en voor de oudsten; en niemand kon het lied leeren dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.quot; (vs. 2, 3.) Deze heiligen zijn van de aarde gekocht tot eerstelingen Gode en het Lam. Zij zijn de eersten van de schaar, die het koninkrijk van Christus beërven en aan de duizendjarige heerlijkheid deelnemen zullen. De volle oogst komt later bij de komst des Heeren. Hun lied klinkt nochtans voor den troon des Heeren in den hemel. Het is voor hen een nieuw lied, omdat de verlossing uit de hand hunner vijanden gekomen is, en zij zich daarin verblijden kunnen. Gelijk wij reeds aantoonden, zijn zij onderscheiden van de hemelsche heiligen. Het lied, dat zij zingen, klinkt voor den troon en voor de oudsten.

„Dezen zijn het, die zich met vrouwen niet bevlekt hebben, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heengaat; deze zijn uit de menschen gekocht tot eerstelingen Gode en het Lam; en in hunnen mond is geen bedrog gevonden; zij zijn onberispelijk.quot; (vs. 4, 5.) Ziedaar, hoe deze heiligen gekenschetst worden; zij leven in heilige afzondering van al de verschillende soorten van afgoderij, welke in dien tijd op aarde gevonden worden ; en zij vertrouwen zich geheel toe aan het Lam, trots lijden en vervolging. Zij hebben zich met vrouwen niet bevlekt. Voor wie bekend is met de doorgaande spreekmanier van de Profeten des Ouden Verbonds, is het duidelijk, die hiermede aangeduid wordt, dat zij zich van alle afgoderij en goddeloosheid onthielden. Afgoderij wordt door de Profeten als geestelijke hoererij

253

-ocr page 268-

BESCHOUWING OVER H. XIV : 1.

hier op aarde. De geschiedenis van David in het Oude Testament levert ons daarvoor de duidelijke bewijzen. De beteekenis van de zinnebeeldige voorstelling is dus, dat Hij, die op aarde geleden heeft, als Koning zijnen troon plant op den berg Sion, en vandaar heerscht over de volken; terwijl Hij het getrouwe overblijfsel, \'twelk zijne zijde gekozen had, rondom zich verzamelt en aan zijne koninklijke heerlijkheid doet deelnemen. Dit overblijfsel is niet alleen, gelijk ons in Hoofdst. VH voorgesteld wordt, verzegeld, maar het is met het Lam in gemeenschap gebracht en deelt in zijne heerlijkheid. Evenwel staan zij in een andere betrekking tot God en Christus dan wij. Zij hebben geenszins den geest der aanneming tot kinderen, gelijk wy dien bezitten; en daarom wordt er gezegd, dat zij den naam „zijnsquot; Vaders, en niet „hunsquot; Vader op hunne voorhoofden geschreven hadden. Zij wandelen in de voetstappen van het Lam, dat op aarde den naam des Vaders openbaarde; zij lijden met Hem, en belyden openlijk zijnen Naam; en daarom, waar de goddeloozen het merkteeken van het Beest op hunne rechterhand en op hun voorhoofd dragen, schittert op hunne voorhoofden de naam des Lams en de naam zijns Vaders.

Nadat de Profeet het Lam met de 144,000 op den berg Sion gezien had, verneemt hij een stem des ge-juichs uit den hemel. „En ik hoorde een stem uit den hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grooten donderslag; en de stem, die ik hoorde, was als van harpspelers, die op hunne harpen spelen. En zij zongen een nieuw lied voor den troon, en

252

-ocr page 269-

H. XIV : 2—5. DB OPENBARING.

voor de vier dieren en voor de oudsten; en niemand kon het lied leeren dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.quot; (vs. 2, 8.) Deze heiligen zijn van de aarde gekocht tot eerstelingen Gode en het Lam. Zij zijn de eersten van de schaar, die het koninkrijk van Christus beërven en aan de duizendjarige heerlijkheid deelnemen zullen. De volle oogst komt later bij de komst des Heeren. Hun lied klinkt nochtans voor den troon des Heeren in den hemel. Het is voor hen een nieuw lied, omdat de verlossing uit de hand hunner vijanden gekomen is, en zij zich daarin verblijden kunnen. Gelijk wij reeds aantoonden, zijn zij onderscheiden van de hemelsche heiligen. Het lied, dat zij zingen, klinkt voor den troon en voor de oudsten.

„Dezen zijn het, die zich met vrouwen niet bevlekt hebben, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heengaat; deze zijn uit de menschen gekocht tot eerstelingen Gode en het Lam; en in hunnen mond is geen bedrog gevonden; zij zijn onberispelijk.quot; (vs. 4, 5.) Ziedaar, hoe deze heiligen gekenschetst worden; zij leven in heilige afzondering van al de verschillende soorten van afgoderij, welke in dien tijd op aarde gevonden worden ; en zij vertrouwen zich geheel toe aan het Lam, trots lijden en vervolging. Zij hebben zich met vrouwen niet bevlekt. Voor wie bekend is met de doorgaande spreekmanier van de Profeten des Ouden Verbonds, is het duidelijk, die hiermede aangeduid wordt, dat zij zich van alle afgoderij en goddeloosheid onthielden. Afgoderij wordt door de Profeten als geestelijke hoererij

253

-ocr page 270-

254 beschouwing over H. XIV : 4, 5.

en overspel voorgesteld. Deze wandelden in maagdelijke reinheid, dat wil zeggen, zij maakten zich niet aan afgoderij schuldig. En in plaats van het Beest te bewonderen en na te loopen, volgen zij het Lam , waar het ook heengaat. Naar de stom van den valschen Christus luisteren zij in het geheel niet. Zij zijn uit de men-schen gekocht tot eerstelingen Gode en het Lam. De volle oogst komt eerst later, als de Heer op aarde verschijnt. Doch dezen worden toegebracht yoor en in de dagen der groote verdrukking, en derhalve vóór de komst des Heeren op aarde. En in hunnen mond is (jeen hedrog gevonden; zij zijn onberispelijk. Bijna iedereen hoeft in dien tijd, tot straf voor zijn vroeger ongeloof en verwerping van het evangelie, de leugen aangenomen als do waarheid; in hunnen mond evenwel is geen bedrog gevonden. En tegenover de schrikkelijke goddeloosheid en ongerechtigheid, die dan op aarde heerschen, zijn zij onberispelijk.

Merken wij op, dat er hier geen spraak is van onberispelijk te zijn voor God. Wat ons standpunt in Christus betreft, zijn wij allen zonder vlek of rimpel, doch wat onzen praktische toestand aangaat, is het niemand onzer. Wie zegt, dat hij geen zonde heeft, misleidt zichzelven; wie zegt, dat hij niet gezondigd heeft, maakt God tot een leugenaar. Zoodra evenwel de Heer de zijnen beschouwt tegenover de wereld, te midden zijner vijanden, die in afgoderij en goddeloosheid wandelen, dan „schouwt Hij niet aan de ongerechtigheid in Jakob, en ziet Hij niet aan de boosheid in Israël.quot; (zie Num. XXIII en XXIV.)

Er volgt nu een tweede tafereel. „En ik zag een

-ocr page 271-

H. XIV : 6, 7.

255

DE OPENBARING.

anderen engel, vliegende in het midden des hemels, hebbende het eeuwig evangelie\'om het te yerkondigen aan hen, die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht en taal en volk, zeggende met een groote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.quot; (vs. 6, 7.)

Dit is de laatste roepstem, die tot de wereld komt. Er zijn verschillende soorten van evangeliën. Noach predikte door den geest van Christus aan zijne tijdge-nooten de blijde boodschap, dat God zijne oordeelen niet zou zenden, indien zij zich bekeerden. Abraham ontving het evangelie of de blijde boodschap, dat hij een vader van vele volken worden zou. Aan Israël in de woestijn werd het evangelie van de erfenis in het land der belofte gepredikt. Het evangelie van Johannes den dooper en van den Heer en zijne apostelen, in den eersten tijd zijner omwandeling op aarde, was, dat het koninkrijk der hemelen was nabij gekomen. Thans wordt overal gepredikt, vergeving van zonden en eeuwig leven door het geloof in den opgewekten en verheerlijkten Christus. Zoo zijn er dus verschillende blijde boodschappen, door God tot de menschen gebracht, in overeenstemming met de verschillende verwachtingen, waarop de Heer in den loop der tijden het uitzicht gaf.

quot;Welnu, wanneer de Gemeente des Heeren in den hemel zal zijn opgenomen, dan zal er weer een ander evangelie gepredikt worden. In Mattheüs XXIV, waar

-ocr page 272-

BESCHOUWING OVER H. XIV : 6 , 7.

de Heer Jezus tot zijne discipelen spreekt over de tijdên, die aan zijne komst op aarde onmiddellijk voorafgaan, (zie vers 29—31.) zegt Hij, o. a.: „En dit evangelie des koninkrijks zal over het geheele aardrijk gepredikt worden, tot een getuigenis al den volken, en dan zal het einde komen.quot; (vs. 14.) Evenals vóór de eerste komst van Christus op aarde door Johannes den dooper de komst van het koninkrijk werd aangekondigd, zoo zal ook vóór Jezus\' tweede komst op aarde aan alle volken worden gepredikt, dat het koninkrijk der hemelen nabij gekomen is, en God\'s Gezalfde weldra in heerlijkheid verschijnen zal. En hier in Openb. XIV wordt ons medegedeeld, dat in dienzelfden tijd het eeuwig evangelie zal worden gepredikt, zoowel aan hen, die op de aarde, d. i. de profetische aarde, het Romeinsche gebied, wonen, als ook aan alle volken, die buiten dat gebied gevestigd zijn. Dit evangelie wordt het eeuwig evangelie genoemd, omdat het van de schepping der wereld af tot in het heerlijk koninkrijk van Christus op aarde zijn kracht en geldigheid behoudt. Het predikt den menschen; God te vreezen, Hem heerlijkheid te geven, en den Eeuwig Levende, den Schepper van hemel en aarde, alleen te aanbidden.

In den tijd van de regeering van den Antichrist, waar de geheele wereld zich zal neerbuigen voor het Beest en voor den mensch der zonde, zal juist dit evangelie de gepaste boodschap zijn, die den menschen moet gebracht worden. Het resultaat van de prediking van dit evangelie, zoowel als van de prediking van het evangelie des koninkrijks, vinden wij in Matth. XXV, waar ons wordt voorgesteld, hoe de Heer bij

256

-ocr page 273-

H. XIV : 8, 9. DE OPEXBAKXNG.

zijne komst op aarde, als Hij op den troon zijner heerlijkheid zitten za.l, alle volken (1) voor Zich zal vergaderen en hen van elkander scheiden zal, gelijk de schapen van de bokken gescheiden worden.

Het derde tafereel is de val van Babyion. „En een andere, een tweede engel, volgde, zeggende: Gevallen, gevallen is het groote Babyion, dat met den wijn der gramschap harer hoererij al de volken heeft gedrenkt!quot; (vs. 8.) In de rij van Gods wegen moest de val van Babyion noodzakelijkerwijze voorkomen ; doch aangezien de Geest er later op terugkomt, en ons een uitvoerige beschrijving geeft van die allerbelangrijkste gebeurtenis, wordt er hier slechts met een enkel woord over gesproken. Wij hooren hier, als het ware, de doodsklok luiden over Babyion, \'t welk de oorzaak is van de schrikkelijke verdorvenheid en van den afval der volken.

Hierop volgen ernstige waarschuwingen en bedreigingen voor allen, die het beest en zijn beeld aanbidden , en die op hun voorhoofd of op hunne hand een merkteeken ontvangen hebben. Gods toorn zal over hen worden uitgestort. „Hij zal drinken van den wijn der gramschap Gods, die onvermengd is ingeschonken in den drinkbeker zijns toorns.quot; Zij zullen worden gepijnigd in de hel voor het aangezicht der heilige engelen en voor het aangezicht

257

17

1

De Heer zal alle volken voor zich vergaderen. Hieruit blijkt duidelijk, dat er hier geen spraak zijn kan van het oordeel der gestorvenen , omdat er alleen op aarde, en geenszins in den hades of in de hel, volken zijn.

-ocr page 274-

BESCHOUWING OVER H. XIV : 9—13.

des Lams. „Hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel voor de heilige engelen en voor het Lam.quot; Er zal aan deze pijniging geen einde komen; het is een eeuwige straf. „En de rook hunner pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid; en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en indien iemand het merkteeken zijns naams ontvangt.quot; (vs. 9—11.)

Zij, die weigeren liet beest en zijn beeld te aanbidden , worden woedend door het beest vervolgd; doch slechts een korten tijd zal dit duren. „Hier is de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof van Jezus bewaren.quot; (vs. 12.) Hij, die gezegd heeft: „Mij is de wraak, Ik zal vergelden;quot; zal aan de woede van den satan, aan de aanmatigingen der menschen en aan het lijden zijner getrouwen een einde maken door het schrikkelijk oordeel, \'t welk Hij over zijne vijanden brengen zal.

De volgende afdeeling bevat een treffend woord voor de heiligen, die in den Heer sterven. „En ik hoorde een stem uit den hemel zeggen: Schrijf: Welgelukzalig de dooden, die in den Heer sterven, van nu aan! Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hunnen arbeid; want hunne werken volgen hen.quot; (vs. 13.) Deze woorden kunnen zeker in een algemeenen zin worden toegepast op de ontslapen heiligen van alle eeuwen; doch zóó als zij hier voorkomen, in dit verband, en de woorden in letterlijken zin genomen, zijn zij alleen toepasselijk op de gestorven heiligen in de dagen der

258

-ocr page 275-

259

groote verdrukking. Velen van hen zijn gedood; het bloed der heiligen zal stroomen. Het eeuwig evangelie is verkondigd geworden; en de ure des oordeels heeft geslagen, gelijk de engel aankondigde. Voorwaar, die heiligen konden het schrikkelijk vinden om gedood te worden juist op het oogenblik, dat de Heer zijn heerlijk koninkrijk zou oprichten. Welk een verlies voor ons! zoo konden zij denken. Doch de stem uit den hemel verkondigt hun, dat zij, in plaats van iets te verliezen, ontzaglijk veel winnen zouden. „Welgelukzalig-de dooden, die in den Heer sterven, van nu aan!\'\'\'\' Zij, die onder de vervolging van het beest sterven, zullen, volgens Hoofdstuk XX, bjj de komst van Christus op aarde, uit de dooden worden opgewekt, en met Christus leven en heerschen. In plaats van door den dood hunne plaats en hun deel in het konink-rjjk te verliezen, zullen zij integendeel een veel voortreffelijker deel ontvangen, daar zij met de hemel-sche heiligen deelnemen aan de rogeering van Christus over Israël en de volken. De Heilige Geest laat hierop zijn sympathetisch „ja,quot; hooren. Hij zucht met de heiligen in hun leed en verdrukking; doch Hij verheugt zich ook, wanneer het uitzicht op hunne verlossing zich vertoont, en hunne heerlijkheid wordt aangekondigd. Hij was getuige van der heiligen volharding en trouw, en weet dus, dat hunne verlossing een rechtvaardige vergelding is voor de werken, die zij gedaan hebben. „Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hunnen arbeid; want hunne werken volgen hen.quot;

Thans volgen de twee slottooneelen van dit Hoofdstuk. Wy vinden hier het tweeledig karakter van het

-ocr page 276-

BESCHOUWING OVER H. XIV: 14—16.

oordeel beschreven. Op een witte wolk verschijnt de Zoon des menschen, met een gouden kroon op zijn hoofd, en met een scherpe sikkel in de hand. Het is de Heer des oogstes. Als zoodanig komt Hij op de aarde, waar tarwe en onkruid te zamen opwassen, en waar derhalve de rechtvaardigen met de goddeloozen vermengd zijn. De eersten worden verschoond, terwijl de laatsten door het oordeel worden weggenomen. „D e ure om te maaien is gekomen; want de oogst der aarde is rijp geworden.quot; (vs. 14—16.) Het is waarschijnlijk hetzelfde, wat wij in Lukas XVI[ lezen: De een zal door het oordeel weggenomen worden; en de ander zal achtergelaten worden, om het koninkrijk te beërven. „Evenzoo zal het zijn ten dage, dat do Zoon des monschon geopenbaard zal worden.quot;

Het volgende oordeel heeft een ganscli ander, en klaarblijkelijk een uitsluitend godsdienstig karakter. Het is het snyden van de trossen van den wijnstok der aarde, en niet de oogst. Bij den oogst was er kwaad en goed; het snijden van den wijnstok is een handeling, die alleen te doen heeft met hetgeen slecht en verdorven is. Geen afzondering heeft hier plaats. Er is geen spraak van den toestand der wereld in het algemeen; het oordeel houdt zich alleen bezig met „den wijnstok der aarde,quot; met datgeen, wat een godsdienstig karakter draagt, en onder de verantwoordelijkheid staat van vrucht te dragen. Heeft de door God op deze aarde geplante wijnstok aan zijne verantwoordelijkheid beantwoord? Geenszins. Herinneren wij ons, wat ons omtrent den wijnstok in de Schrift wordt medegedeeld. Israël was de door God uit Egypte geroepen wijnstok. Doch dat was niet de ware wijnstok. Christus op aarde

260

-ocr page 277-

H. XIV: 17—20. DE openbarixg. \'2(J1

was de ware wijnstok. Van dezen waren wijnstok zijn allen, die den naam van Christus belijden, ranken. Wij moeten hierbij niet alleen denken aan de wedergeboorte of aan de ware, door het waarachtig geloof met Christus verbonden Christenen; maar ook aan hen, die door belijdenis den naam van Christus dragen. Ons hemelsch standpunt in Christus komt hierbij in het geheel niet in aanmerking. Slechts zij, die in Christus blijven, dragen vrucht. De anderen dragen geen vrucht, en worden afgehouwen en in het vuur geworpen, en verbranden. In dit tooneel in ons Hoofdstuk hebben wij te doen met den „wijnstok der aarde,quot; dat wil zeggen, met Israël, zooals het, van God afgevallen en in verbinding met den Antichrist en het Beest, in de laatste dagen zijn zal. quot;VVij vinden hier niets anders dan oordeel zonder verschooning. „En de engel wierp zijne sikkel op de aarde, en sneed den wij nstok der aarde, en wierp ze in den grooten wijnpersbak van de gramschap Gods. En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er ging bloed uit den wijnpersbak tot aan de toornen der paarden, duizend en zes honderd stadiën ver.quot; (vs. 17—20.) Welk een schrikkelijk beeld van een bloedbad! Het is het oordeel over de afvalligen in zijne vreesehjkste gedaante. Het overschrijdt elke maat van hetgeen de mensch in staat zou zijn uit te voeren. Maar al mogen ook de wilde stormen van dit oordeel zich naar alle richtingen heen verspreiden, zoo zal nochtans Judéa en Jeruzalem de plaats zijn, waar die verwoestende stormen losbarsten. Buiten de stad toch, welke klaarblijkelijk Jeruzalem is, wordt de wijnpersbak van de gramschap

-ocr page 278-

BESCHOUWING OVEK H. XIV : 20.

Gods getreden, om wraak te oefenen over de inwoners des lands, die zich, nadat zij Jehovah, den God hunner vaderen, verworpen hebben, tot de afgodendienst des heidendoms hebben gekeerd. Vergelijk Joel III en Jesaja LXIII,

Hiermede besluit dit Hoofdstuk. In zeven verschillende afdeelingen van de wegen Gods werd ons de crisis der laatste dagen voorgesteld. Wij vonden 1°. het volle getal van een overblijfsel van godvreezende Joden met het Lam vereenigd op den berg Sion; 2°. een getuigenis aan allen, die hetzij de profetische aarde bewonen, of in alle deelen der wereld verstrooid zijn; 3°. de val van Babyion; 4°. het oordeel over hen, die het Beest en zijn beeld aanbidden of het merkteeken zijns naams aannemen; 5°. de gelukzaligheid van de zoodanigen, die in die dagen in den Heer sterven; 6°. de verschillende handelwijzen ten dage des oogstes; eu eindelijk 7°. de schrikkelijke uitoefeningen der wraak over den godsdienstigen afval. Gelijk er zeven zegels, zeven bazuinen, zeven schalen zijn, zoo vinden wij ook zeven verschillende wijzen van Gods handelingen met de menschen in dit Hoofdstuk te zamen gevat.

262

-ocr page 279-

DE OPENBARING.

H. XV : 1.

263

4. Hoofdstuk XV en XVI.

Deze twee Hoofdstukken vormen een nieuwe afdee-ling van ons boek, waarmede de volgende Hoofdstukken in onmiddellijk verband staan. Wij hebben de zeven zegelen en de zeven bazuinen gehad, en wij krijgen nu de zeven schalen der gramschap Grods. quot;Wij moeten evenwel in het oog houden, dat de oordeelen, welke door de zeven schalen over de aarde uitgestort worden, geenszins een voortzetting zijn van de zeven bazuinen, en evenmin van hetgeen ons in Hoofdstuk XIV voorgesteld werd. Zooals wij bij onze beschouwing over Hoofdstuk XI gezien hebben, brengt de zevende bazuin ons tot het einde aller dingen; terwijl in datzelfde Hoofdstuk het einde van de tweede helft van Daniël\'s laatste week beschreven wordt; zoodat de zeven schalen vóór dien tijd moeten worden uitgestort.

Even duidelijk is zulks ten aanzien van de volgorde der gebeurtenissen, welke in Hoofdstuk XIV beschreven worden. Xadat het volle getal van het heilige overblijfsel, door de genade met het Lam op den berg Sion vereenigd, ons voorgesteld is, en nadat het getuigenis van het „eeuwig evangeliequot; aan de profetische aarde, zoowel als aan alle volken der wereld, is ge-

-ocr page 280-

BESCHOUWING- OVER

264

H. XV : 1.

bracht, lezen wij daar in de derde plaats van den val van Babyion. Geheel anders is zulks in Hoofdstuk XVI. Wij vinden daar den val van] Babyion eerst bij de laatste of zevende schaal; [waaruit volgt, dat de zes vorige schalen vóór den val van Babyion, en wel gedurende de afzondering van het joodsche overblijfsel en gedurende de verkondiging van het „eeuwig evangeliequot; moeten zijn uitgestort. Eerst de laatste schaal is de oorzaak van Babylon\'s val, welk oordeel in Hoofdstuk XIV voorkomt als de derde schakel in den keten der historische gebeurtenissen. De daarop volgende waarschuwing omtrent de aanbidding van het beest; de gelukzaligprijzing van hen, die in den Heer sterven; en eindelijk de oogst en]het snijden van den wijnstok der aarde door den Zoon des menschen, zijn derhalve gebeurtenissen, welke eerst na den val van Babyion plaats hebben. Voordat Christus van den hemel neerdaalt om vergelding te doen, handelt God naar zijne eigene gedachten; door de uitstorting der schalen; en het is zoo klaar als de dag, dat deze eerst moeten gekomen zijn, zullen \'de oordeelen van den oogst en van het snijden van den wijnstok kunnen beginnen, aangezien deze oordeelen, daar zij door Christus zeiven worden voltrokken, noodzakelijk aan het einde moeten komen.

„En ik zag in den hemel een ander tee-ken, groot en wonderbaar: zeven engelen, die de zeven laatste plagen hadden, want met deze is de gramschap Gods voleindigd.quot; (vs. 1.) In Hoofdstuk XII vs. 1 lazen wij : „Er werd een groot teeken gezien in den hemel;quot; daarom hooren wij hier van een ander teeken in den hemel. De laatste

-ocr page 281-

H. XV : 1, 2.

265

DE OPEÏfBAKIXG.

plagen, waarmede de aarde zal worden bezocht, en waardoor de gramschap Gods voleindigd is, worden den Profeet getoond. Na deze plagen komt in de volgorde der gebeurtenissen het oordeel, \'t welk door den Heer Jezus persoonlijk wordt uitgevoerd bij zijne komst op aarde.

Voordat wij evenwel vernemen, waarin de schalen, welke zullen worden uitgestort, bestaan, wordt ons de schaar der heiligen voorgesteld, die gedurende deze oordeelen op aarde zullen leven, en door den Heer zullen worden verlost. Merkwaardig is het, wat ons van deze heiligen gezegd wordt. Het is weer geheel anders dan wat ons vroeger van de andere heiligen, die onder de oordeelen op aarde leven, gezegd werd. Wij zien daaruit opnieuw, hoe geheel tegenschriftuur-lijk het is, om alle heiligen van het begin der wereld af tot het einde toe, op ééne lijn te stellen. De Heer, onze God, houdt niet van eenvormigheid, en Hij heeft meer dan eónen zegen.

„En ik zag als een glazen zee, met vuur gemengd, en hen, die de overwinning behaald hadden over het beest en over zijn beeld en over het getal zijns naams, staande op de glazen zee, hebbende harpen Gods.quot; (vs. 2.) Deze heiligen zitten niet op tronen, gelijk de oudsten; zij staan ook niet vóór den troon, gelijk de heiligen in Hoofdstuk VII; evenmin behooren zij tot het getal dergenen, die, voordat het beest zijne macht uitoefende, als martelaars hun leven hebben afgelegd, en vóór de laatste halve week in de hemelsche vreugde zijn ingeleid ; zij leven gedurende de heerschappij van het beest, en hebben over zijne aanmatiging en goddeloosheid de

-ocr page 282-

BESCHOUWING OVER H. XV : 2 , 3.

overwinning behaald. Zij staan op de „glazen zee.quot; De „glazen zeequot; is het symbool der reinheid. Het koperen wasehvat in den tabernakel en de koperen zee in den tempel dienden tot reiniging voor de priesters. Zij moesten daarin bij hunne dagelijksche dienst de handen en voeten wasschen. De „glazen zeequot; kan daartoe natuurlijk niet dienen. Zij bevat geen water, maar is een vaste massa. Van reiniging is geen spraak meer. De overwinnaars zijn gered en gereinigd, en behoeven derhalve geen reiniging meer. Zij zijn zóó rein, dat zij zichzelven zonder vrees in het kristal dei-glazen zee kunnen spiegelen.

AVij hebben hetzelfde reeds gevonden bij de beschrijving van Gods troon in Hoofdst. IV, rondom welken de hemelsehe heiligen geschaard zijn. Hier evenwel komt er een bijzonderheid bij, welke daar gemist wordt. De glazen zee is „met vuur gemengd.quot; Het vuur is, zooals wij reeds meermalen opmerkten, een zinnebeeld van lijden, \'t welk als Gods oordeel over den mensch komt. Terwijl de vier en twintig oudsten vóór de groote verdrukking worden weggenomen, gaan deze heiligen door die groote verdrukking heen, worden er uit verlost, en staan hier op de glazen zee met harpen Gods in hunne hand, zich verheugende over \'s Heeren goedertierenheid, en Hem lof en eere toebrengende. Zij hebben onder de heerschappij van het Beest en van den Antichrist de overwinning behaald, daar zij getrouw gebleven zijn tot in den dood. Door God als de zijnen erkend, hebben zij deel aan de eerste opstanding.

„En zij zongen het lied van Mozes, den slaaf Gods, en het lied des Lams.quot; (vs. 3.)

266

-ocr page 283-

DE OPENBAR1KG.

267

H. XV : 3.

Hunne lofzegging heeft een tweeledig karakter, doch is geheel verschillend van het lied der vier en twintig oudsten. De heiligen hier spreken niet als priesters van God, en nog veel minder als de hoofden van het hemelsche priesterdom; ook zijn zij niet bekleed met de koninklijke waardigheid. Zij zingen het lied van Mozes, zoodat het ongetwijfeld joodsche heiligen zijn. Ook zingen zij het lied des Lams; want indien zij den Verlosser niet kenden, dan zouden zij in het geheel geen heiligen kunnen zijn. Alle heiligen, van het begin der wereld af, door alle eeuwen heen, zijn door denzelfden Heiland verlost, door hetzelfde bloed gereinigd, door hetzelfde offer verzoend. Nochtans is de plaats, welke zij innemen, en de betrekking, waarin zij tot God en Christus staan, verschillend. Zij zingen het lied van Mozes, zeggende: „Groot en wonderbaar zijn uwe werken, Heer, God, Al-machtige!Rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, gij Koning der volken!quot; (vs. 3.) In Psalm CIII : 7 lezen wij: „Hij heeft Mozes zijne wegen bekend gemaakt, den kinderen Israëls zijne daden.quot; Zij verheerlijken dus de werken van den God des Ouden Verbonds — die werken, waarin Hij zich openbaarde in het oordeel over zijne vijanden; het zijn de werken van den Rechter der gansche aarde. Ook verheerlijken zij de wegen Gods, gelijk die door Mozes als rechtvaardig en waarachtig waren erkend geworden. En aangezien het oordeel der zeven schalen hoofdzakelijk de volken zal treffen, zoo wordt de door Israël en de volken verworpen Messias als „de Koning dei-volkenquot; erkend en gehuldigd, door wiens komst ten óórdeel alle vijanden zullen worden onderworpen.

-ocr page 284-

BESCHOUWING OVER H. XV ; 3.

Staan wij een oogenblik stil bij de uitdrukking: „Koning der volken,quot; gelijk die in onze nieuwe vertaling voorkomt. In de Staten-Vertaling staat: „Koning-der heiligen.quot; Het is bijkans onverklaarbaar, hoe men er toe gekomen is, om in den Textus Receptus „Koning der heiligenquot; te plaatsen, daar er slechts een paar handschriften zijn, waarin die woorden voorkomen. Wij kunnen het alleen toeschrijven aan de algemeen heer-schende dwaling, dat Christus de Koning der Gemeente is. In de Schrift is daarvan geen spoor te vinden. De Heer Jezus is de Heer der heeren en de Koning der koningen. Hij is de Koning van Israël en de Koning der volken. In Jeremia X ; 6 lezen wij: „Groot is Uw naam in mogendheid; wie zou U niet vreezen, gij Koning der heidenen (volken)?quot; aan welke plaats de woorden in dit lied zeer zeker ontleend zijn. Wij, Christenen, wij leden der Gemeente erkennen Hem als zoodanig, en buigen ons aanbiddend voor Hem neer; ja, wij zijn in dezen tijd zijner verwerping de eenigen op aarde, die Hem als zoodanig erkennen. Doch van de Gemeente is Hij niet de Koning, maar het Hoofd en de Bruidegom. De Gemeente is zijn lichaam en zijne bruid. Zij staat tot Hem in dezelfde nauwe en innige betrekking als ons lichaam staat tot ons hoofd. Zoodat onze betrekking tot Christus van een geheel anderen aard is, dan die van onderdanen tot een vorst. En wanneer er van ons gesproken wordt als een deel uitmakende van Christus\' koninkrijk, dan wordt er gezegd, dat wij in dat koninkrijk met Hem als koningen zullen regeeren.

Doch keeren wij tot het lied van Mozes terug. Zij zingen verder: „Wie zou u niet vreezen. Heer!

268

-ocr page 285-

H. XV: 4. DE OPENBARING. 269

en uwen naam niet verheerlijken? Want Grij alleen zijt heilig; want al de volken zullen komen, en zich voorU neerbuigen; omdat uwe gerechtigheden zijn openbaar geworden.quot; (vs. 4.) Heerlijk resultaat van al Gods daden en wegen! Alle volken zullen komen, en zich neerbuigen voor Hem, die als Koning der volken en als de Jehovah des Ouden Verbonds al zijne vijanden zal hebben gelegd tot een voetbank zijner voeten!

„Gij alleen zijt heilig.quot; Hot grieksche woord, dat hier voor „heiligquot; gebruikt wordt, is niet het gewone. Het is hetzelfde woord, \'t welk gebezigd wordt, wanneer de Schrift spreekt over de gewisse weldadigheden van David; (Hand. XIII : 34.) en het hebreeuwsche woord, dat met het grieksche overeenkomt, komt dikwerf in het Oude Testament voor. Er zijn in beide talen twee woorden, die „heiligheidquot; beteekenen. Het gewone woord komt o. a. voor in Openb. IV : „Heilig, heilig, heilig is de Heer, God, Almachtig!quot; en beteekent algeheele, volkomene afzondering van het kwaad. Het woord, dat hier gebruikt wordt, sluit het denkbeeld van „genadequot; in zich. Bij een weinig nadenken zal ieder de schoonheid daarvan inzien. Wij staan op het punt de uitstorting der zeven schalen te aanschouwen, en onze eerste gedachte is natuurlijk: hoe vreeselijk zal dat zijn! Gods gramschap zal worden voleindigd. Doch wie en wat is de God, wiens gramschap de goddeloozen zal verteeren ? Het is degene, wiens heiligheid vol van genade is. „Want alle volken zullen komen, en zich voor U neerbuigen; omdat uwe gerechtigheden zijn openbaar geworden.quot; De heiligen,

-ocr page 286-

BESCHOUWING OVER

H. XV: 5.

270

die dit lied van Mozes zingen, zien over de oordeelen heen, en aanschouwen het einde des Heeren; en dat einde is steeds, dat „de Heer vol van medegevoel en barmhartig is.quot; Daarom, hoewel de stormen op het punt staan van los te barsten, verheerlijken zij de heiligheid des Heeren, die in het oordeel aan zijne goedertierenheid gedenkt.

In de tweede helft van ons Hoofdstuk worden de voorbereidingen voor het aanstaande oordeel getroffen. „En na dezen zag ik, en de tempel van den tabernakel der getuigenis in den hemel werd geopend.quot; (vs. 5.) Wij zien hier niet, zooals in Hoofdst. XI : 19 „de ark des verbonds,quot; aangezien deze het zekere onderpand is van Gods getrouwheid en van zijne onveranderlijke raadsbesluiten omtrent Israël; want de Heer heeft hier niet te doen met zijn volk, maar met zijne vijanden. Wij vinden hier alleen „den tabernakel der getuigenis,quot; in welken eenmaal de twee tafelen der wet geborgen waren, en uit welken de troon van God zijne oordeelen over de menschen deed uitgaan. Die tabernakel in den hemel wordt nu geopend om de gramschap des Almachtigen over de schuldige menschheid uit te storten. Dat was het eenige, wat de Heer met den mensch doen kon. Onder alle oordeelen en gebeurtenissen had hij in zijne vijandschap en goddeloosheid volhard; en daarom bleef er niets anders over, dat het volle oordeel over hem te brengen. „En de zeven engelen, die de zeve7i plagen hadden, kwamen uit den tempel.quot; Niets dan toorn aanschouwen wij; des te schrikkelij-

-ocr page 287-

H. XV : 6 — 8. DE OPENBARING.

271

ker, daar die uit het heiligdom komt, en er in dat heiligdom geen ark des verbonds te vinden is. Nog altijd is het niet Christus zelf, die komt om persoonlijk het oordeel uit te voeren, maar het zijn de dienaren der macht en der voorzienigheid van God, die zijne rechtvaardige oordeelen over de aarde brengen. Zij zijn „bekleed met rein\', blinkend lijnwaad, en aan de borst omgord met gouden gordels, (vs. 6.) waardoor de goddelijke reinheid en gerechtigheid zinnebeeldig worden voorgesteld. „En één van de vier dierenquot; — de vroegere uitvoerders van de oordeelen der goddelijke voorzienigheid — „gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de gramschap van Grod.quot; (vs. 7.) De gouden schalen herinneren ons aan de offerschalen der jood-sche eeredienst. In plaats van met reukwerk worden zij één voor één gevuld met de gramschap van Grodr „die leeft tot in alle eeuwigheid.quot; Schrikkelijk oogenblik voor de godvergetene bewoners der aarde! „En de tempel werd vervuld met rook van de heerlijkheid Gods en van zijne macht; en niemand kon in den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen voleindigd waren.quot; (vs. 8.) Geen dienen van God en geen priesterlijke voorspraak was meer mogelijk. De rook van de heerlijkheid Gods vervulde den tempel, zoodat niemand, zelfs geen priester, in staat was om dien binnen te gaan. Gramschap van God, de rook zijns oordeels vervulden het heiligdom. Zóó was het op Sinaï, waar de rook wordt voorgesteld, opstijgende van den berg gelijk de rook eens ovens. Zóó lezen wij

-ocr page 288-

BESCHOUWING OVER

H. XVI: 1.

272

in Psalm XVIII: „Kook ging op van zijnen neus, en een vuur uit zijnen mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.quot;

De zeven éngelen staan nu gereed om hun werk te beginnen; zij wachten slechts op het bevel des Heeren. Weldra zal hun dienst geëindigd zijn, en dan verschijnt Christus persoonlijk, om den sterke te binden, om het beest en den valschen profeet in den poel des vuurs, die van zwavel brandt, te werpen, en zijnen troon op aarde te vestigen.

Hoofdstuk XVI. — Aan het slot van het vorige Hoofdstuk stonden de zeven engelen gereed om op bevel des Heeren hunne schalen op de aarde uit te gieten. Daartoe wordt hun nu het bevel gegeven. „En ik hoorde een groote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat heen, en giet de zeven schalen der gramschap Gods op de aarde uit!quot; (vs. 1.) Ziedaar het laatste bevel, \'t welk de Heere God ten opzichte van de aarde en hare bewoners aan de boden en uitvoerders zijner oor-deelen geven zal. Alles, wat den hoogmoed des men-schen streelt; alles, wat de mensch als de bron en de oorzaak van zijn geluk beschouwt; alles, wat hij met zooveel inspanning heeft verkregen, en waarop hij zijn vertrouwen gevestigd heeft; alles, alles zal op eenmaal, als in een oogenblik, voor zijne oogen vergaan en in het niet verdwijnen. De dag van \'s Heeren gramschap kent geen perken. Niets wordt verschoond. De toorn Gods stort zich in volle mate uit over de goddelooze bewoners der aarde; en de laatste slagen des goddelijken oordeels brengen overal dood en verderf.

-ocr page 289-

H. XVI: 2, 3. DE OPENBARING.

De eerste vier schalen hebben veel overeenkomst met de eerste vier bazuinen, aangezien zij, evenals deze, over de aarde, de zee, de rivieren en fonteinen, en eindelijk over de zon worden uitgestort; met dit belangrijke onderscheid nochtans, dat bij de bazuinen slechts een derde deel van de aarde en de zon, hier daarentegen hot geheel wordt getroffen; zoodat deze oordeelen veel schrikkelijker dan de eerste zijn zullen.

Bij de verklaring der bazuinen heb ik de redenen opgegeven en de bewijzen aangevoerd, waarom wij de aarde, de zee, enz. niet in letterlijken, maar in figuurlijken zin moeten nemen. Dit geldt eveneens van de oordeelen, welke hier beschreven worden. Ik behoef dus daarop niet terug te komen, maar kan volstaan met te verwijzen naar hetgeen op bladz. 161 —164 gezegd is.

De eerste engel „goot zijne schaal uit op de aarde; en er kwam een kwaad en boos ge-zweer aan de menschen, die het merkteeken van het beest hadden, en die zijn bee 1 d aan-baden.quot; (vs. 2.) Dit oordeel treft het Romeinsche rijk, en wordt uitgestort in den tijd, dat de mensch der zonde zich geopenbaard en zijne gruwelijke afgodendienst ingericht heeft. Het komt derhalve in de tweede helft van Daniel\'s laatste week. Schrikkelijke verwarring en onbeschijfelijke ellende zijn het doel der menschen.

De tweede engel „goot zijne schaal uit op de zee,quot; op de ongeordende volkstammen buiten het Romeinsche gebied, en brengt over hen dood en verderf, naar ik vermeen, in zedelijken zin, zoodat de menschen elke betrekking, waarin zij tot God staan, prijsgeven, en eiken vorm van godsdienst verwerpen, (vs. 3.) — De derde schaal, die op de rivieren en

18

273

-ocr page 290-

BESCHOUWING OVER H. XYI: 4—6.

op de fonteinen der wateren werd uitgegoten, verderft de zedelijke beginselen en drijfveeren der volken; en doet hetgeen tot lafenis en verkwikking dienen en een bron van geluk en welvaren zijn moest, vergaan en tot algeheele losscheuring van God strekken, (vs. 4.)

Bij dit laatste oordeel wordt met aanduiding van de redenen, welke tot deze oordeelen leiden, de rechtvaardigheid Gods geprezen. Gelijk vroeger door den mond der op de glazen zee staande heiligen, (Hoofdst. XV.) zoo wordt hier door „den engel der waterenquot; de Heere God in zijne gerechtigheid en heiligheid verheerlijkt. „Gij zijt rechtvaardig. Gij, die z ij t en die waart, de Heilige, omdat Gij aldus geoordeeld hebt; want bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten; en Gij hebt hun bloed te drinken gegeven; zij zijn het waardig.quot; (vs. 5, 6.) Er wordt hier alleen gezegd: „Gjj, die zijt en die waart,quot; en niet, gelijk bij andere gelegenheden: „Gij, die zijt en die waart en die komt,quot; aangezien dit hier geen zin zou hebben, daar hier de onveranderlijkheid van Gods rechtvaardigheid wordt verheerlijkt. De menschen toch hebben het bloed van heiligen en profeten vergoten, en daarom moet naar Gods rechtvaardig oordeel bloed hun drank zijn; zij hebben de reine bronnen dos zegens bedorven, en daarom moeten zij onreine wateren drinken. Aangezien zij de liefde tot de waarheid hebben verworpen, worden zij overgegeven om de leugen te gelooven en in allerlei schrikkelijke en verderfbrengende dwalingen te vervallen. Nochtans stemt deze engel der wateren hierin met de heiligen op de glazen zee overeen, dat ook hij de goedertierenheid dos Heeren in zijne oor-

274

-ocr page 291-

H. XVI: 7—9.

275

DE OPENBARIJfö.

deelen prijst. Hii gebruikt toch hetzelfde woord voor „heilig\'t welk het denkbeeld van genade in zich sluit. Het altaar, onder hetwelk wij in Hoofdstuk VI: 9 de zielen zagen van hen, „die geslacht waren om het woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden erkent, als getuige hunner vervolging, de rechtvaardigheid van de wraak des Heeren, en roept: „Ja, Heer, God, Almachtige! uwe oor deelen zijn waarachtig en rechtvaardig.quot; (vs. 7.)

De vierde engel „goot zijne schaal uit op de zon,quot; het zinnebeeld der hoogste macht op aarde, die op schrikkelijke wijze een ondragelijken druk over de volken brengt. Wat een middel tot licht en verkwikking moest zijn, zal dan niets anders dan een verzengende, verdorrende en verterende hitte over de men-schen doen komen. (vs. 8.) Doch hoe schrikkelijk deze plagen ook zijn mogen, en welk een ellende er ook door dezelven over den mensch komt, zoo zullen zij toch niet leiden tot; bekeering, maar er integendeel slechts toe dienen, om den mensch in toenemende hardheid des harten en vijandschap tegen God zich te doen verzetten tegen zijne roepstemmen en den Allerhoogste te lasteren. „En zij lasterden den naam van God, die macht over deze plagen had; en z ij bekeerden zich niet om Hem he er 1 ij k-heid te geven.quot; (vs. 9.)

De drie volgende schalen verschillen, evenals de drie laatste bazuinen en de drie laatste zegelen, door hun bijzonder karakter van de vorigen. De vijfde schaal treft den troon van het beest. „En de vijfde goot zijne schaal uit op den troon van het

-ocr page 292-

BESCHOUWING OYER H. XIV : 10—12.

beest; en zijn koninkrijk werd verduisterd, en zij kauwden hunne tongen van pijn.quot; (vs. 10.) Het beest zelf wordt nog niet geoordeeld. Dit geschiedt bij\' de verschijning des Heeren in heerlijkheid. Doch de troon van het beest wordt getroffen, zoodat allerlei plagen over zijn koninkrijk komen, die zóó schrikkelijk zijn zullen, dat de menschen hunne tongen van pijn zullen kauwen. Doch evenals Faraö zijn hart verhardde onder al de plagen, die hem troffen, zoo verharden de menschen ook dan hun hart, „en lasteren den God des hemels vanwege hunne pijnen, en vanwege hunne zweren, en bekeer en zich niet van hunne werken.quot; (vs. 11.) Dit zal zoo lang duren, totdat de God der aarde door de vernietiging van al zijne vijanden een einde maken zal aan deze lasteringen en goddeloosheden.

„En de zesde goot zijne schaal uit op de groote rivier, den Eufraat; en zijn water droogde uit, opdat de weg der koningen, die van den opgang der zon komen, bereid zou worden.quot; (vs. 12.) De rivier de Eufraat is de oostelijke grens van het Romeinsche rijk; tot aan die rivier strekten zich de veroveringen der Romeinen uit. Het opdrogen van die rivier beteekent dus, in zinnebeeldige taal, dat de weg voor de oostelijke machten, die buiten het Romeinsche gebied gelegen zijn, geopend is, om zich op het Romeinsche rijk te werpen, en ten slotte met de Romeinsche heirscharen te strijden tegen den Heer en zijnen Gezalfde.

De volgende verzen toonen dit nog nader aan. „En ik zag uit den mond van den draak, en uit den mond van het beest, en uit den mond

276

-ocr page 293-

H. XIV: 13, 14. DE OPENBARING.

van den valse li en profeet drie onreine geesten als kikvorschen, want liet zijn geesten van duivelen, die teeken en doen, welke uitgaan tot de koningen van liet ganse he aardrijk, om hen te verzamelen tot den krijg van dien grooten dag des al machtigen Gods. (vs. 13, 14.) Deze onreine geesten komen voort uit den mond van do drie machten, welke wij in Hoofdstuk XIII aantroffen: uit den mond van den draak, den verklaarden vijand van Christus; uit den mond van het Beest, het herstelde Romeinsche keizerrijk; en uit den mond van den valschen Profeet, het tweede beest met hoornen aan lamshoornen gelijk, den onder rechtstreekschen invloed van den satan staanden en wonderen werkenden Antichrist. Deze drie machten zijn met elkander op het nauwst verbonden, zooals wij reeds vroeger opmerkten; en vereenigen zich aan het eind om ook de koningen van het gansche aardrijk, derhalve de koningen buiten het Ilomeinsche gebied, aan zich te verbinden, en hen te verzamelen tot den krijg tegen den Heer en zijnen Gezalfde, in welken krijg zij evenwel door den Almachtige worden verslagen en vernietigd. Daarom heet die krijg „de krijg van dien grooten dag des alraachtigen Gods.quot; In Hoofdstuk XIX wordt het einde van al deze verzamelde machten beschreven. Evenzoo in Zacharia XIV en andere profetieën des Ouden Verbonds.

Evenals bij het zesde zegel en bij de zesde bazuin volgt er ook nu bij de zesde schaal een belangrijke tusschenzin: „Zie, ik kom als een dief. Welgelukzalig h ij, die waakt en zij ne k 1 eederen bewaart, opdat hij niet naakt wande 1 e, en

277

-ocr page 294-

BESCHOUWING OVER

H. XYI: 15.

278

men zijne schaamte niet zie.quot; (vs. 15.) De komst des Heeren wordt aangekondigd; maar het is zijne komst ten oordeel om de aarde te overvallen en te verschrikken. Vandaar dat het beeld van een dief gebezigd wordt. Een dief komt onverwacht en onge-wenscht. Geheel anders spreekt do Heer, wanneer Hij zijne komst om ons tot Zich te nemen aankondigt. „Ziet, Ik kom haastehjk!quot; zegt Hij dan, „houdt wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme.quot; Zijne komst ter opname der Gemeente wordt steeds onder de liefelijkste beelden voorgesteld. „Ik ben de blinkende Morgenster,quot; zoo roept Hij haar toe. En haar antwoord is, in vereeniging met den Geest, in blijde verrukking: „Kom!quot; Yoor deze aarde is zijne verschijning evenwel gelijk aan het komen van een dief in den nacht, waardoor schrik en ontsteltenis worden teweeggebracht. Deze verschijning des Heeren ter verdelging zijner vijanden zal echter voor de heiligen , die dan leven, en die, gelijk wij gezien hebben, door de groote verdrukking-gegaan en heftig vervolgd zijn, een oorzaak van vreugde zijn, omdat zij daardoor uit hunne ellende zullen worden verlost. Een ieder, die waakt en zijne kleederen bewaart, zoodat hij zich met de afgoderij en den afval van God niet inlaat, maar integendeel door Gods gerechtigheid is bedekt, is welgelukzalig, want hij zal in het oordeel niet omkomen, maar integendeel het heerlijk koninkrijk des Heeren beërven.

jSTa dezen tusschenzin wordt de afgebroken draad der historische gebeurtenissen voortgezet met do medo-deeling van de plaats, waar deze krijg van den grooten dag des almachtigen Gods zal worden gevoerd. ,,E n zij verzamelden hen aan de plaats, in hot

-ocr page 295-

H. XVI: 16, 17. DE OPENBARING.

Hebreeuwsch genaamd Armagédon.quot; Ook dit is ziuuebeeldige taal. Armagédon wil zeggen: berg van Megiddo. Tweemaal komt deze plaats in het Oude Testament voor. In Riehteren V : 19, waar wij lezen: „De koningen van Kanaan streden te Thaanaeh aan de wateren van Megiddo.quot; En in 2 Kon. XXIII: 29 , waar ons medegedeeld wordt, dat de vrome koning Josia door den koning van Egypte te Megiddo werd gedood; tengevolge waarvan het joodsche volk een groote weeklage aanhief, en Jcremia zijne klaagliederen schreef. De profeet Zaoharia vergelijkt de rouwklage van de Israëlieten in do laatste dagen, als zij Hem zien zullen, in Wien zij gestoken hebben, bij die weeklage over den dood van Josia. In ons Hoofdstuk wordt klaarblijkelijk aan Riehteren V gedacht, aangezien de groote zegepraal over Israel\'s vijanden in Jozua\'s dagen een gepast voorbeeld was voor de algeheele vernietiging van \'s Heeren vijanden in de laatste dagen, bij den krijg van dien grooteu dag des almaclitigen Gods.

De laatste of zevende schaal besluit de reeks van oordeelen, die over de aarde komen. Het is het laatste oordeel door de werktuigen der goddelijke Voorzienigheid uitgevoerd, en strekt om de baan te effenen voor de verschijning van het Lam Gods. „En de zevende goot zijne schaal uit in de lucht, en er ging een groote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied!quot; (vs. 17.) De lucht, voor het bestaan vau den mensch onontbeerlijk, wordt geslagen, waardoor zinnebeeldig wordt aangeduid, dat God datgeen wegneemt, wat voor den mensch noodzakelijk is om te kunnen leven. „Een groote aardbeving, zooals niet ge-

279

-ocr page 296-

BESCHOUWING OVER H. XVI: 18—21.

schied was van dat er menschen op de aarde waren,quot; brengt alles in verwarring. Do „groote stad,quot; het vereenigingspnnt der zoogenaamde beschaafde wereld, „werd tot drie deelen.quot; Alle „steden der volken,quot; die buiten hot Romeinsche gebied lagen; alle met roem bekende scheppingen der menschelijke kunst werden vernietigd. „Het groote Baby Ion,quot; de valsche bruid en de moeder der hoeren, „werd voor God gedacht, om haar te geven den drinkbeker van den wijn dei-gram schap zijns toorns.quot; (vs. 18, 19.) Het oordeel treft alle afhankelijke en onafhankelijke machten der aarde, die tot niet verdwijnen. Dit is de beteekenis van de woorden: „En alle eiland vlood, en bergen werden niet gevonden.quot; (vs. 20.) En eindelijk viel „een groote hagel, een talent zwaar, uit den hemel op de menschen.quot; (vs. 21.) Een algemeene en schrikkelijke omwenteling is derhalve het laatste oordeel, dat door de werktuigen der goddelijke Voorzienigheid over het Romeinsche rijk, over de volken daarbuiten en over het groote Babyion komt. De bijzonderheden worden ons in de volgende Hoofdstukken medegedeeld, zoodat wij er hier niet langer bij behoeven stil te staan. De uitwerking van al deze schrikkelijke gebeurtenissen is dezelfde als bij de vorige oordeelen. De bliksemen en stemmen en donderslagen des hemels en de omwentelingen der aarde treffen zonder verschooning en onophoudelijk de arme mensch-heid; doch niets is in staat het menschelijk hart te veranderen; „de menschen lasterden God vanwege de laag des hagels; want zijne plaag was zeer groot.quot;

-—----

280

-ocr page 297-

H. XVII : 1.

281

DE OPENBARING.

5. Hoofdstuk XVII en XVIII.

Wij zijn nu gekomen tot een van de belangrijkste gedeelten van de Openbaring, namelijk tot de beschrijving van het oordeel, dat over Babyion komen zal. Twee lange Hoofdstukken zijn aan deze beschrijving gewijd. Wat reeds vroeger met een enkel woord was aangeduid, wordt nu uitvoerig beschreven. In Hoofdstuk XIV riep de engel: „Gevallen, gevallen is het groote Babyion, dat met den wijn der gramschap barer hoererij al de volken hoeft gedrenkt;quot; en in Hoofdstuk XVI lazen wij : „en bet groote Babyion werd voor God gedacht, om haar te geven den drinkbeker van den wijn der gramschap zijns toorns.quot; De bijzonderheden van dezen val en van dit oordeel vinden wij in do twee Hoofdstukken, die ons thans bezighouden.

De taal en wijze van uitdrukking is in deze Hoofdstukken veel eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen dan in het vorige gedeelte der Openbaring. Hetgeen ons hier voorgesteld wordt, is ons van nabij bekend, en betreft ook ons, wat de beginselen aangaat. De groote hoer is de van Christus afgevallen kerk; en hoewel de christelijke kerk thans nog niet zoo ver is afgeweken, dat zij nu reeds de groote hoer mag ge-

-ocr page 298-

BESCHOUWING OVER

H. XVII: 1.

282

noemd worden, zoo is liet toch dezelfde kerk, waartoe wij beliooren, die , nadat de ware geloovigen zijn opgenomen, den Heer te gemoet in de lucht, en nadat de duivel geen tegenstand meer vindt voor de openbaring zijner boosheid, zich volkomen van den Heer afwendt, en zich aan openlijke afgoderij overgeeft. De beginselen, die dan tot volle ontwikkeling komen zullen, zijn derhalve nu reeds werkzaam; wij hebben er dagelijks mede te doen, en worden geroepen ons verre van dezelve te houden. Wie deze beginselen huldigt, wie aan de verwezenlijking dezer beginselen medewerkt, moet wel bedenken, dat hij de beginselen huldigt van de groote hoer, van de afgevallen christelijke kerk, en derhalve in lijnrechte tegenspraak is met den wil en de gedachte van Christus.

Het oordeel over deze afgevallen kerk wordt ons op tweeërlei wijze voorgesteld. In Hoofdstuk XVII staat de Kerk voor ons als een geestelijke macht. Zij, die zich de Gemeente, de Bruid van Christus , noemt, doch het niet is, daar zij haren Heer heeft verlaten en andere goden heeft nagewandeld, wordt de groote hoer genoemd. Zij, die als een reine maagd op deze aarde de heerlijkheid en de wijsheid van God had moeten openbaren, draagt op haar voorhoofd den naam : „Verborgenheid, het groote Babyion, de moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde.quot; Zij, die geroepen is, te lijden en te dulden, moet hier voorgesteld worden als dronken van het bloed der heiligen en der getuigen van Jezus. — Doch de Kerk is niet alleen een geestelijke macht, zij is ook een staatkundige macht geworden; en daarom wordt zij ons in Hoofdstuk XVIII als zoodanig geschilderd. Zij heeft

-ocr page 299-

H. XVII : 1 , 2. DE OPENBARING.

handel gedreven met alle kooplieden der aarde. Welnu, beide als geestelijke en als staatkundige macht zal zij van de aarde verdwijnen.

Hetgeen ons in deze Hoofdstukken voorgesteld wordt, is dus wel al onze aandacht waardig. Het is in de hoogste mate vernederend en verootmoedigend voor ons, als wij bedenken, dat de Gemeente, tot welke wij behooren, zoo diep is gevallen, en tot zulk een schrikkelijk einde komen zal. Maar wij hebben tevens oorzaak \'s Heeren genade te prijzen, als wij oogen gekregen hebben om te zien en ooren om te hooren; als wij den treurigen toestand der Gemeente erkennen, en ons hebben afgezonderd van al die beginselen en praktijken, welke zulk een ontzettend oordeel na zich slepen. De Heer geve ons zijnen zin bij de beschouwing dezer Hoofdstukken!

„En één uit de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met m ij, zeggende; Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer, die op vele wateren zit, met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben; en die de aarde bewonen, z ij n dronken geworden van den wijn harer hoererij, (vs. 1, 2.)

Wie zal niet, als bij den eersten oogopslag, in Babyion dat door eu door bedorvene godsdienstige stelsel erkennen, \'t welk reeds vóór de opneming der ware Gemeente in den hemel, haren Bruidegom te gemoet, door zijnen schadelijken, verderfbrengenden invloed de dienstknechten Gods tot hoererij en afgodendienst verleidde, en \'t welk hier in zijnen laatsteu vorm niet

283

-ocr page 300-

beschouwing over H. XVII: 1, 2.

284

slechts als een vrouw, maar als een „groote hoerquot; zijn treurige macht ontwikkelt! Voor wie met de doorgaande spreekmanier, des Ouden Testaments vertrouwd is, baart deze voorstellingswijze geen verwondering. Afgoderij was vohquot; Jeruzalem de zonde van overspel, aangezien Jehovah haar man was. In de Gemeente wordt afgoderij hoererij genoemd, daar de bruiloft des Lams nog niet heeft plfud» gevonden. De „groote hoerquot; is derhalve de van Christus afgevallen Gemeente. Hierbij herinner ik aan hetgeen ik op bladz. 40 gezegd heb over de drieërlei wijze, waarop in het Nieuwe Testament over de gemeente van Christus gesproken wordt; en tevens aan de beschouwing over de zeven brieven aan de gemeenten in Klein-Azië, in welke ons profetisch de geschiedenis der christelijke kerk op aarde door den Heer zeiven wordt medegedeeld. Uit die beschouwing is gebleken, dat de Gemeente van Christus, als de tempel Gods hier beneden, onder de verantwoordelijkheid van den mensch geplaatst, in hare verantwoordelijkheid heeft gefaald, en langzamerhand van den Heer is afgeweken, totdat zij eindelijk tot afgoderij en openbare goddeloosheid verviel. Op ditoogenblik is deze afval nog niet volkomen. De ware gemeente , de Bruid van Christus, is nog op aarde, en weerhoudt nog de algeheele openbaring der satanische macht. Doch evenals er reeds ten tijde van Johannes vele antichristen in de wereld waren, hoewel de persoonlijke Antichrist toen en ook nu nog niet gekomen was, zoo zijn ook nu reeds al die beginselen van goddeloosheid in de christelijke kerk aanwezig, welke haar, na de opname der ware heiligen, tot den volkomen afval van Christus brengen zal, zoodat de

-ocr page 301-

H. XVII l 1,2. DE OPENBARING.

eenige naam, welken de Heer voor haar heeft, is: de yroote hoer.

Hierbij houde men tevens in het oog, dat nit onze beschouwing over de zeven Brieven gebleken is, hoe de geschiedenis van het verval der christelijke kerk in twee deelen gesplitst is. quot;Vooreerst, van het begin af tot in de Middeleeuwen, toen de geheele kerk, op enkele gelukkige uitzonderingen na, onder do macht van Rome tot de grofste afgoderij en goddeloosheid vervallen was. En ten tweede van de Horvorming af tot het einde. Het oordeel over de Protestantsche kerk vinden wij in Laodicéa, dat over Rome in Thyatire. De Protestantsche kerk, die reeds heel kort na de gezegende Hervorming den naam had van te leven, maar in werkelijkheid dood was, wordt eindelijk noch koud, noch heet, maar lauw, en daarom onuitstaanbaar voor den Heer, zoodat Hij haar uit zijnen mond spuwt. Zij verdwijnt als iets, wat het oordeelen zelfs niet waard is. De Roomsche kerk daarentegen wordt dooiden Heer op schrikkelijke wijze geoordeeld. In den brief aan Thyatire werd dit oordeel ons reeds in alge-meene trekken geschilderd; en hier in Hoofdstuk XYII en XVIII vinden wij het in al zijne bijzonderheden. Tot recht verstand der gebeurtenissen voeg ik hier nog bij, dat naar mijne meening de Protestantsche kerk voor een deel tot openlijk ongeloof en afzwering van het Christendom zal vervallen, en voor een deel tot de Roomsche kerk zal terugkeeren. Wat wij in onze dagen aanschouwen, strekt daarvoor ten bewijze. Aan het eind zal derhalve, daar de Protestantsche kerk verdwenen is, niets dan de Roomsche kerk overblijven, maar die Roomsche kerk zal dan de geheele kerk uit-

285

-ocr page 302-

BESCHOUWING OVER H. XVII: 1 , 2.

maken; alle andere zoogenaamde kerken hebben zich opgelost of zijn tot haar overgegaan; zoodat de „groote hoerquot; de geheele kerk vertegenwoordigt, en nochtans, om bovengenoemde redenen, de Roomsche kerk kan gezegd worden te zijn.

De groote hoer zit op vele wateren. Volgens vs. 16 zjjn de wateren: volken en scharen en natiën on tongen. Klaarblijkelijk wordt onder dit beeld voorgesteld de uitgebreide invloed, welken „de hoerquot; over de geheele aarde verkregen heeft. De „koningen der aarde,quot; de groote machthebbers in de Christenheid , hebben met haar gehoereerd. En eindelijk zijn alle inwoners der aarde dronken geworden van den wijn harer hoererij. Er zijn, dit blijkt hieruit, verschillende trappen van schuld, en daarnaar zal ook zeker de uitoefening van het oordeel zich regelen. De verleiders zullen zwaarder straf ontvangen dan de verleiden.

Na de uitnoodiging van den engel om hem te volgen, wordt de Profeet weggevoerd, ja — waarheen? Naar de woestijn. „En hij voerde mij in den geest naar de woestijn.quot; Hoe merkwaardig! Babyion is het middelpunt van den koophandel en den rijkdom der aarde, de hoofdplaats van de ijdelheden dezer wereld, de moeder der hoeren; doch wanneer de Geest van God haar wil voorstellen, dan zien wij haar in de woestijn, ver van al de bronnen, die den hof Gods bewateren. Hij vindt niets in de wereld, wat de heilige begeerten van het vernieuwde hart kon bevredigen. De Geest haat, wat het vleesch bemint. Wat begeerlijk is voor het natuurlijk hart, is voor den Geest niets dan een wildernis en verderf. Hoe gansch finders is de wijze van voorstelling, als ons de Bruid,

286

-ocr page 303-

H. XYII : 3. DE OPENBARING.

de Vrouw des Lams, getoond wordt! Alsdan wordt de Profeet niet naar de woestijn, maar verre weg opeen grooten en lioogen berg gevoerd, opdat hij vandaar het nieuwe Jeruzalem uit den hemel zou zien nederdalen.

„En ik zag een vrouw gezeten op een scharlakenrood beest, vol van namen van lastering, hebbende zeven hoofden en tien hoornen.quot; (vs. 3.) Het scharlakenrood beest is, zooals wij vroeger reeds zagen en ons later nog nader zal worden aangetoond, het herstelde Romeinsche rijk. De vrouw zit op het beest; zij heeft het in hare macht en bestuurt het. De Kerk, in haar allerlaatsten toestand van afval on goddeloosheid, zal dus over het Romeinsche rijk heerschen. Dit is de verhouding tus-schen de zedelijke verdorvenheid en de staatkundige machten. In het Oude Testament vergiftigt Babyion de volken der aarde. Zoo ook hier. Babyion, tot hetwelk de volken zich aangetrokken gevoelen, is het middelpunt der verdorvenheid, der weelde en der heerlijkheid dezer wereld. Het is ook het middelpunt der godsdienstige hoererij. (Dan. III.)

Hieruit volgt, dat de Roomsche kerk nog een tijd van bloei en aanzien te gemoet gaat. Wel verre van, zooals men meende, door het verlies der wereldlijke macht van den Paus te zijn verzwakt, is zij veeleer in kracht en invloed toegenomen. En dit zal nog meer het geval worden, wanneer zich na de opname der ware Gemeente een deel der Protestantsche kerk bij haar voegen zal. Nog eenmaal zal zij zich in hare verderfelijke macht openbaren en de volken der aarde onder hare heerschappij brengen, om dan op schrikke-

287

-ocr page 304-

BESCHOÜWINamp; OVER

288

H. XVII: 3.

lijke en smadelijke wijze te worden geoordeeld.

Het beest is „scharlakenrood,quot; omdat het zijn macht en invloed van den duivel ontvangt. In Hoofdstuk XII vinden wij een „groote, roode draak.quot; En evenals in Hoofdst. XIII het beest, dat uit de zee opsteeg, op zijne hoofden namen van lastering had, zoo is ook hier het beest vol van namen van lastering. Babyion is een groote hoer, een stelsel van godsdienstige verdorvenheid. Het beest daarentegen lastert, en treedt derhalve openlijk op in boosheid en vijandschap tegen God.

„En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en edelgesteente en paarlen,quot; welke de duidelijke zinnebeelden zijn van al wat de wereld groot en heerlijk en schoon hier beneden vindt. Doch bij al hare uitwendige pracht en aantrekkelijkheid had zij „een gouden drinkbeker in hare hand, vol van gruwelen en van de onreinheden harer hoererij.quot; De Heilige Geest weet geen woorden sterk genoeg te vinden om hare groote verdorvenheid uit te drukken. Zij is „vol van gruwelen en van de onreinheden harer hoererij.quot; Onder „gruwelenquot; verstaat de Schrift in den regel afgoderij. Dit is het kenmerkend beeld van Babyion. Gelijk het beest vol was van namen van lastering, zoo is de beker der groote hoer vol van gruwelen. Doch behalve de afgoden vinden wij hier „de onreinheden harer hoererij.quot; Het zijn twee verschillende dingen, die evenwel in Babyion vereenigd gevonden worden.

In de brieven aan de zeven gemeenten merkten wij op, dat Pergamus de leering van Bileam invoerde door het heilige met het onheilige te vereenigen; ter-

-ocr page 305-

H. XVII : 5 , 6. ÜE OPENBARING.

wijl iu ïhyatfre de vrouw Isébel de afgoderij met geweld invoert. Hier in Babyion zijn zij beiden ver-eenigd. De ongerechtigheden, welke iu vroeger dagen in de Christelijke kerk werden gebracht, en in Perga-mus en Th.yatfre gekenschetst worden, zijn hier te zamen gevat in den gouden drinkbeker der groote hoer. De mensch moge dit alles omringen met al de aantrekkelijkheden zijner grootheid en heerlijkheid, niets kan verhinderen, dat zij door God openlijk worden ten toon gesteld.

„En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, hot groote Baby-Ion, de moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde.quot; (vs. 5.) In de brieven van Paulus lezen wij van de verborgenheid van Christus en de Gemeente; — hier vinden wij de verborgenheid der tegen-gemeente. Tegenover de verborgenheid des geloofs en der godzaligheid staat de verborgenheid der ongerechtigheid, het groote Babyion, gezeten op het Beest, de ontzettende tegenstelling van de Gemeente, die aan Christus, haar Hoofd, onder-worpen is. Welke boosheid do duivel ook gebruikt heeft om de genegenheid der ziel van Christus af te trekken; welke afgoden ook de plaats van Christus hebben ingenomen —-het is alles te vinden in Babyion. Zij is „de moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde.quot;

Doch er ontbrak nog één trek aan het schrikkelijk beeld der vrouw. „En ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus.quot; (vs. 6.) Hoe ontzettend ! De Gemeente van Christus vol van het bloed der heiligen en der getuigen van Jezus. Wie zou zoo iets

19

289

-ocr page 306-

BESCHOUWING- OVER H. XVII : 6.

voor mogelijk hebben gehouden. Johannes was dan ook ten hoogste verbaasd, en verwonderde zich met groote verwondering bij bet zien van de vrouw. Helaas! zóó is de mensch. Al wat door God in zijne handen is gesteld, is door hem op de vreeselijkste wijze bedorven en veracht. Leest de gansche geschiedenis der mensch-heid, zooals ons die door de pen des Heiligen Geestes in de gewyde bladen der Schrift wordt medegedeeld, en op elke bladzijde zult gij de waarheid hiervan ontdekken, En hoe hooger en verhevener de zaak is, welke aan \'s menschen handen werd toevertrouwd, des te schrikkelijker en afschuwelijker vertoont zij zich in hare verdorvenheid. Welnu, waar is ooit op aarde een tooneel aanschouwd zóó heerlijk en liefelijk als de eerste gemeente! Wat overtreft de openbaring van Gods gedachten en raadsbesluiten, in welke engelen begeerig zijn in te zien! En daarom, wat is schrikkelijker dan die gemeente zóó bedorven te zien, dat zij is do moordenares van de heiligen Gods en van de getuigen van Jezus! Als wij er een weinig van verstaan, dan werpen wij ons vol schaamte ter aarde, en belijden onze zonden voor Hem, die zoo diep is beleedigd en zoo vreeselijk is onteerd.

Na deze beschrijving van de vrouw wordt den Profeet door den engel de verklaring van hetgeen hij gezien had gegeven; en in deze verklai-ing moet het ons treflen, dat de Heer ons niet alleen uitlegt, wat noodzakelijk uitlegging behoeft, maar veel verder gaat, en ons de geheele waarheid blootlegt. „En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw

290

-ocr page 307-

H. XYII : 7. DE OPENBARING.

en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden en de tien hoornen heeft.quot; (vs. 7.) Het onderwerp van dit Hoofdstuk is derhalve „de vrouw, de groote hoerquot; in hare betrekking tot het beest, het Romeinsche rijk. De meening van sommigen, dat de vrouw het Romeinsche rijk voorstelt, wordt hierdoor voldoende weersproken. Het is daghelder, dat de vrouw en het beest twee afzonderlijke machten zijn. De vrouw zit op hot beest. En dit wordt aan het eind van ons Hoofdstuk nog nader bevestigd, omdat ons daar wordt medegedeeld, dat het beest de vrouw zal haten en verdoen.

Er volgt nu in de eerste plaats een uitvoerige en hoogst nauwkeurige beschrijving van het beest. Uit onze beschouwing over Hoofdstuk XIII is ons gebleken, dat dit beest een zinnebeeldige voorstelling is van het herstelde Romeinsche rijk, van het vierde dier van Daniël en van het onderste gedeelte van Nebukadnezar\'s Statenbeeld. quot;Wij behoeven dus hierop niet terug te komen. Wie onze beschouwing tot hiertoe aandachtig gevolgd heeft, zal met ons de overtuiging deelen, dat niets anders dan het herstelde Romeinsche rijk onder het zinnebeeld van dit beest voor onze oogen gesteld wordt. De hoogst belangrijke beschrijving, die er ons hier van gegeven wordt, zal dit in allen deele bevestigen, en ons tevens nieuwe bijzonderheden van zijn karakter en wijze van optreden geven. In Hoofdstuk XIII vinden wij het beest in overeenstemming met Daniel\'s profetieën, en in vereeniging met den duivel en den Antichrist; hier daarentegen wordt het historisch verloop beschreven, en vinden wij het Romeinsche rijk in verbinding met de groote hoer;

291

-ocr page 308-

BESCHOUWING OVEE

H. XVII : 8.

292

zoodcit dit Rijk een groote rol spelen zal in de dagen der groote verdrukking; en het daardoor gemakkelijk te begrijpen is, dat de aandacht van don Profeet er zoo telkens bij bepaald wordt.

„Het beest, dat gij gezien hebt, was, en is niet, en zal uit den afgrond opstijgen en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, wier namen, van de grondlegging der wereld af, niet geschreven zijn in het boek des levens, zullen zich verwonderen, als zij het beest zien, dat was en niet is en zijn zal.quot; (vs. 8.) Wij vinden hier de oplossing van het raadsel: het Romeinsche rijk, dat ten tijde van Johannes bestond, zou ophouden te bestaan, doch zou later weder te voorschijn komen. In een zeker tijdperk, b. v. nu, zou men van het Romeinsche rijk kunnen zeggen, dat het was — dat het niet is — en dat het later zal bestaan. De landen en volken, waaruit het Romeinsche rijk bestond, zouden blijven bestaan, doch zijne eenheid als rijk zou verdwijnen. De afzonderlijke deelen van dit rijk zijn gebleven, elk volk heeft zijne onafhankelijke regeering, doch de onderlinge band is verbroken. Zoodanig is thans de toestand van dit rijk, en zoodanig is het reeds duizend jaar geweest. De val en het herstel van het Romeinsche rijk wordt dus hier zoo duidelijk mogelijk voorspeld.

Er wordt evenwel een belangrijke bijzonderheid aan toegevoegd. Wat van geen ander rijk gezegd wordt, wordt hier van het herstelde Romeinsche rijk vermeld. Als het namelijk wederom op het tooneel zal verschijnen, dan zal het uit den afgrond opstijgen en ten verderve gaan. Het herstelde Romeinsche rijk heeft een

-ocr page 309-

H. XVII: 9, 10. DE OPENBARING. •J!);}

duivelsch karakter; en gelijk het ontstaat door de macht van den satan, :?oo zal het ook met den satan ten verderve gaan. En allen, die op de aarde wonen, wier namen niet geschreven zijn in het boek des levens, zullen zich over het herstel van dit rijk verwonderen; ja, zij zullen dit Beest, \'t welk aan de macht des satans zijn herstel te danken heeft, en door den invloed van den satan geleid en bestuurd wordt, aanbidden, gelijk wij in Hoofdstuk XIII lazen.

Doch er volgen nu meerdere bijzonderheden. „Hier is het verstand, dat wijsheid heeft,quot; zegt de engel, „de zeven hoofden zijn zeven bergen, waar de vrouw op zit.quot; (vs. 9.) Dit is een belangrijk punt, daar het ons de plaats aangeeft, waar de vrouw hare macht uitoefent; en het is zoo klaar als de dag, dat Rome bedoeld wordt. In proza en poëzie wordt Rome als de stad der zeven heuvelen beschreven en bezongen. Men late zich niet in verwarring brengen door den naam Babyion, welke aan de stad gegeven wordt, want die is in figuurlijken zin bedoeld, evenals van Jeruzalem gezegd wordt, dat het is gelijk Sodom en Egypte. Het werkelijke Babylon was dan ook ten tijde van Johannes reeds lang verwoest, terwijl van deze stad in vs. 18 gezegd wordt, dat zij koningschap heeft over de koningen der aarde. Bovendien Babylon was gebouwd in de vlakte van Sinear, en geenszins op zeven bergen.

„En het zijn zeven koningen: vijf zijn gevallen, de één is, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een korten tijd blijven.quot; (vs. 10.) Onder deze koningen moeten wij geen bepaalde personen, maar rogee-

-ocr page 310-

BESCHOUWING OVER H. XVII : 10, 11.

ringsvormen verstaan, onder welke achtereenvolgens het Romeinsche rijk bestuurd werd. Dit is daaruit duidelijk, dat\' er ten tijde van Johannes één van de zeven koningen regeerde, terwijl er vijf reeds verdwenen waren; zoodat er klaarlijk regeeringsvormen bedoeld worden, aangezien er in Johannes\' dagen reeds meer dan vijf keizers geweest waren, afgezien van de koningen en consuls, die van te voren het Romeinsche rijk bestuurden. Toen Johannes deze profetie ontving, waren er dus vijf regeeringsvormen geweest, terwijl in zijne dagen de keizerlijke regeeringsvorm bestond. Later zou de zevende komen, doch slechts voor een korten tijd. Waarschijnlijk is het, dat deze zevende regeeringsvorm bij het herstel van het Romeinsche rijk een korten tijd bestaan zal, om dan plaats te maken voor het achtste hoofd.

„En het beest, dat was en niet is, het is ook zelf de achtste, en het is uit de zeven, en gaat ten verderve.quot; (vs. 11.) Een zeer merkwaardige karaktertrek van het herstelde Romeinsche rijk wordt hier vermeld. Het beest is uit een van de zeven hoofden, en nochtans zou het \'t achtste hoofd zijn, en derhalve iets geheel bijzonders wezen. Het zou, in zeker opzicht, iets geheel bijzonders zijn, en toch, in andere opzichten, een herleving zijn van een der vorige hoofden. Ik houd het voor waarschijnlijk, dat bij het herstel van het Romeinsche rijk de keizerlijke regeeringsvorm zal terugkeeren, doch dat alsdan de geheele macht van het beest zoozeer in den persoon des keizers zal vereenigd zijn, dat het achtste hoofd gezegd kan worden het beest zelf te zijn. „Het beest, dat was en niet is, het is ook zelf de achtste.quot;\'

294

-ocr page 311-

H. XVII : 11 , 12. DE OPENBARING.

Evenwel hoe groot de macht van dat rijk ook zijn zal, het zal door de macht des Heeren worden vernietigd.

„En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar gezag ontvangen als koningen op ééne ure met het beest.quot; (vs. 12.) Dit is in treffende overeenstemming met de profetieën van Daniël. Zoowel in de uitlegging van den droom van Nebukadnezar, als in die van het vierde dier wordt voorzegd, dat de laatste vorm van het vierde rijk een tienhoofdig koninkrijk zal zijn. Zoo ook hier. Het herstelde Romeinsche ryk zal in tien koninkrijken worden verdeeld. Dat deze tien koningen geenszins de koningen der Barbaren zijn kunnen, door welke het Romeinsche rijk werd ingenomen , is daaruit duidelijk, dat van deze tien koningen gezegd wordt, dat zij op ééne ure macht ontvangen met het beest, terwijl de koningen der Barbaren het beest hebben vernietigd. Terwijl het Romeinsche rijk door den inval der Barbaren ophield te bestaan, zullen deze tien koningen hun ontstaan aan het herstel van het Romeinsche rijk te danken hebben. In geen enkel tijdperk van zijne geschiedenis is het Romeinsche rijk in tien koninkrijken verdeeld geweest; terwijl er in de duizend jaar, welke nu reeds na den val van dit rijk verloopen zijn, in het geheel geen spraak kan wezen van die tien koningen, aangezien zij op ééne ure macht ontvangen met het beest, zoodat hierdoor opnieuw blijkt, dat de profetie spreekt \\a,Ti\\L£t herstelde Romeinsche rijk.

Wat de politiek dier tien koningen wezen zal, zegt

295

-ocr page 312-

296

ons het volgende vers. „Dezen hebben een er lei meening, en geven hunne macht en hun gezag aan het beest.quot; (vs. 13.) Van jaloerschheid op het beest is hij hen geen spraak; integendeel hun eenig doel is het beest te verheffen en zijne macht te vergrooten. En waartoe zal deze machtsontwikkeling strekken? Helaas! om krijg te voeren tegen het Lam. Deze tien koningen, door hot keizerlijke hoofd des Romeinschen rijks tot één geheel verbonden, verzamelen hunne heirscharen om tegen het Lam krijg te voeren, en worden door het Lam, hetwelk met de hemelsche heiligen op aarde verschijnt, om zijne koninklijke rechten te handhaven, overwonnen. „Dezen zullen krijgvoeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen — want het is een Heer der heer en en een Koning der koningen — en die met hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.quot; (vs. 14.)

De bijzonderheden dezer overwinning vinden wij in Hoofdstuk XIX en in vele profetieën des Ouden Testaments, welke wij dus later behandelen zullen. Wat hier vooral onze aandacht moet trekken, is, dat de geroepenen en uitverkorenen en getrouwen met het Lam verschijnen en aan zijne overwinning over het beest deelnemen; zoodat wij hier opnieuw de bevestiging vinden van de waarheid, reeds zoo dikwerf ons voorgesteld, dat de Gemeente van Christus in den hemel zal zijn opgenomen, voordat de gebeurtenissen, hier beschreven, plaats vinden. Als de Heer komt in de lucht, dan gaan wij Hem te gemoet, en worden door Hem in het Vaderhuis gebracht. Doch als Hij komt om te oordeelen en krijg te voeren, dan komen wij

-ocr page 313-

DE OPENBAR[NG.

H. XVII: 14.

297

met Hem van den hemel. Hoe veel tijd er verloopen zal tusschen onze opneming in den hemel en onze verschijning met den Heer op aarde, weten wij niet: doch zeker is het, dat de komst des Heeren voor de heiligen geruiraen tijd plaats vindt vóór zijne komst met hen.

Vatten wij nu al de bijzonderheden te zamen, die ons in dit en in de vorige hoofdstukken omtrent het Ro-meinsche rijk gemeld worden, dan vinden wij het volgende. Na de opname der Gemeente in den hemel nemen de goddeloosheid en de opstand tegen de door God gestelde machten dermate toe, dat de volken dei-profetische aarde elk juk van zich afwerpen en in volslagen revolutie verkeeren. Door den invloed des duivels, die uit den hemel op de aarde geworpen wordt, treedt het oude Romeinsche rijk in een nieuwe gedaante , onder een machtig hoofd, weer te voorschijn. Een statenbond van tien koninkrijken onder aanvoering van een keizer treedt ten tooneele, verbindt zich met den koning te Jeruzalem, die zich als Antichrist openbaart, pleegt allerlei gruwelen en afgoderijen, vervolgt de heiligen, lastert God, en trekt ten slotte met tallooze heirscharen ten strijde op tegen het Lam, dat met de hemelsche heiligen op aarde verschijnt, en wordt dan — zooals in Nebukadnezar\'s droom werd aangekondigd — door den steen, zonder handen afgehouwen, geoordeeld en vernietigd.

Wij komen nu tot het derde deel van dit Hoofdstuk. In het eerste deel vinden wij de beschrijving van de vrouw, die het middelpunt der verdorvenheid is, en haar goddeloozen invloed over de volken uitoefent. In

-ocr page 314-

BESCHOUWING OYER H. XVII : 1 5, 16.

het tweede deel werd ons het beest voorgesteld, dat uit den afgrond opstijgt, en krijg voert tegen het Lam, en door het Lam wordt overwonnen. En in dit derde gedeelte zien wij de tien koningen de hoer haten en te niet maken.

„En hij (de engel) zei de tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tongen. En de tien koningen, die gij gezien hebt, en het beest, dezen zullen de hoer haten, en haar woest en naakt maken, en haar vleesch eten, en haar met vuur verbranden.quot; (vs. 15, 16.) Ziedaar het oordeel, \'t welk de groote hoer treffen zal. Wij hebben gezien, hoe de koningen der aarde met de vrouw hebben gehoereerd, en hoe de volken dronken zijn geworden van den wijn harer hoererij. Wij zagen de vrouw zitten op het beest, dit beest besturende en leidende. Doch nu vindt eensklaps een geheele omkeering plaats. De twee machten op aarde, die reeds nu om de opperheerschappij strijden, de „zwarte internationalequot; en „de roode,quot; het socialisme, geraken dan met elkander in een strijd op leven en dood; en nadat eerst de „groote hoerquot; langen tijd de teugels van het bewind in handen heeft gehad, behaalt ten slotte de andere partij de overwinning, zoodat de tien koningen de hoer „woest en naakt maken en haar vleesch eten en haar met vuur verbranden,quot; met andere woorden de afgevallen christelijke kerk, die in Gods oogen een „groote hoerquot; geworden is, op smadelijke wijze vernietigen. Wat reeds eenmaal bij de eerste fransche revolutie, en ook in 1871 onder het bestuur der commune te Parijs is gezien, dat

298

-ocr page 315-

H. XVII : 16, 17. DE OPENBARING.

namelijk de christelijke godsdienst werd afgeschaft verklaard om plaats te maken voor de godsdienst van de godin der Rede, zal dan op groote schaal en in alle landen van Europa worden herhaald. De christelijke kerk zal van den aardbodem verdwijnen, en de afgoderij van den Antichrist zal in al hare schrikkelijkheid en goddeloosheid hare plaats innemen.

En dit oordeel over de „groote hoer,quot; uitgevoerd door het beest, zal niets minder zijn dan het oordeel Gods over haar. „Want God heeft in hunne harten gegeven, om zijne meening te doen, en eenerlei meening te doen, en hun koninkrijk aan het beest te geven, totdat de woorden Gods zullen vervuld zijn.quot; (vs. 17.) Wat de koningen doen, is een gevolg van hunnen haat tegen God en Christus; zij handelen naar de boosheid huns harten, onder den invloed van den satan; doch het is de Heer, die hen gebruikt om zijne oordeelen te volvoeren over haar, die zich genoemd heeft de bruid van Christus, maar niets anders geworden is dan de meest vijandige tegenstandster der waarheid en de verklaarde vijandin van God en Christus. Al hare macht en grootheid wordt te niet gedaan, en haar naam verdwijnt zelfs van den aardbodem.

Laat ons hier nog opmerken, dat de meening der menschen in lijnrechten strijd is met het Woord van God. De menschen denken, dat zij gelukkig zullen zijn, wanneer zij zich van den uitwendigen en bedorven vorm des Christendoms zullen hebben ontdaan; doch het tegendeel is het geval. Wanneer de tien koningen de hoer woest en naakt gemaakt hebben, quot;•even zij hun koninkrijk aan het beest. De koningen

299

-ocr page 316-

BESCHOUWING OVER

der aarde zullen hunne macht geenszins aan Christus geven, maar aan het beest, en zullen krijgvoeren met het Lam. Het is onbegrijpelijk, hoe degenen, die het Woord van God lezen, de meening kunnen kosterea, dat de koningen der aarde hunne macht aan het Lam zullen geven; terwijl God zegt, dat zij tot schrikke-lijker goddeloosheid zullen vervallen. Het is van groot gewicht, dat de Gemeente Gods in dit opzicht niet wordt misleidt. God waarschuwt ons, opdat wij den weg, die ten verderve voert, zouden mijden. De geroepenen en uitverkorenen en getrouwen zijn met het Lam, wanneer Hij het beest en de koningen der aarde verderft. Dit is onuitsprekelijk kostelijk, en zondert ons af van den geest der wereld. Een heiden is niet in Babyion; hij kan daar niet zijn; doch een Christen kan er gevonden worden. Al wat de wereld verbindt met de godsdienst, is het beginsel van Babyion. De geest van Babyion, de geest van wereldschgezindheid is een zeer gevaarlijke vijand. Om die reden worden wij door God gewaarschuwd. Moge Hij ons bewaren!

Hoofdstuk XVIII. — In het begin van onze beschouwing over deze Hoofdstukken merkten wij op, dat de christelijke kerk in Hoofdstuk XVII als een geestelijke macht, in Hoofdstuk XVIII daarentegen als een staatkundige macht wordt geschilderd; en dat zij beide als geestelijke en als staatkundige macht van de aarde zal verdwijnen. Een aandachtige lezing en vergelijking dezer Hoofdstukken zal een ieder hiervan overtuigen. Werd Baby Ion in het vorige Hoofdstuk als de „groote hoerquot; voorgesteld, in dit Hoofdstuk komt zij voor als de groote stad, met welke alle koop-

H. XVII: 17.

-ocr page 317-

H. XVIII : 1. DE OPENBARING.

lieden der aarde handel hebben gedreven, en in welke alles vereenigd was, wat deze wereld schoons en aangenaams oplevert.

Doch er is nog een ander belangrijk verschil tus-schen deze twee Hoofdstukken. In Hoofdstuk XVII zagen wij, hoe God quot;de tien koningen, onder welke, aan het einde van de tegenwoordige bedeeling, het Romeinsche gebied zal verdeeld zijn, gebruikt om het oordeel over de groote hoer uit te voeren. In Hoofdstuk XVIII vinden wij daarvan geen woord. Alle menschelijke werktuigen zijn van het tooneel verdwenen; en de engel, die hier uit den hemel nederdaalt om het oordeel van Babyion aan te kondigen en te beschrijven, zegt geen enkel woord over de middelen, welke God voor dat oordeel bezigt. Het is de Heere God zelf, die haar oordeelt. Wij vinden hier derhalve een treffend bewijs voor de waarheid, dat een oordeel God\'s oordeel zijn kan , en dat het nochtans door menschelijke werktuigen kan worden uitgevoerd. De Heere God had zeer gemakkelijk Babylon kunnen verwoesten zonder de tien koningen; doch het is een deel van zijn rechtvaardig bestuur over deze aarde, dat dezelfde machten, met welke de vrouw hoererij gepleegd heeft, haar vernederen en te niet doen. Evenwel moet het duidelijk worden aangetoond, dat God tegen Babyion is, en dat Hij haar oordeelt. De werktuigen, die Hij gebruikte, hadden hunne booze, goddelooze bedoelingen, en dachten er in de verste verte niet aan, dat zij door dèn Heer gebruikt werden om zijn ooi-deel over Babyion uit te voeren; toch was dit zóó; en dit moest duidelijk aan het licht worden gesteld; en daarom verdwijnen in dit Hoofdstuk alle menschelijke mid-

301

-ocr page 318-

BESCHOUWING OVER H. XVIII: 1.

delen, en wordt als de uitvoerder van liet oordeel de Heer zelf, en Hij alleen, ons voorgesteld.

Staan wij-nu, eer wij overgaan tot de beschouwing van de bijzonderheden, in dit Hoofdstuk vervat, een oogenblik stil bij de beweegredenen, welke den Heiligen Geest er toe leidden om de christelijke kerk onder de zinnebeeldige benaming van Babyion voor te stellen. De geschiedenis van Babylon in het Oude Testament zal daarover genoegzaam licht verspreiden, gelijk trouwens bijna alle symbolen in de Openbaring aan het Oude Testament zijn ontleend. De eerste maal, dat er van Baby Ion in do gewijde bladen melding wordt gemaakt, is in Genesis X, waar wij lezen, dat Nimrod, de geweldige, een van de kleinzonen van den goddeloozen Cham, tot beginsel zijns rijks Babel stelde, zoodat de fondamenten van Babel, om zoo te spreken, door het geweld gelegd zijn. In het volgende Hoofdstuk, in Genesis XI, vernemen wij dan, hoe de menschen door het bouwen van een toren, welks opperste tot in den hemel reiken zou, trachtten zich-zelven een naam te maken, en zich alzoo onafhankelijk te verklaren van God. Deze beginselen van geweld en zelfverheffing leidden later vanzelf tot het verlaten van God en het aanbidden van afgoden. Babyion wordt het middelpunt der afgoderij en van de macht der wereld. In Babel vinden wij het gouden beeld van Nebukadnezar, dat door alle volken moest worden aangebeden; en het Babylonische rijk is het eerste der vier wereld-monarchiën, die heerschappij voerden over de aarde, nadat de Heer zich van Israël terug getrokken en Jeruzalem verlaten had.

Doch Babyion wordt ons ook nog van een anderen

302

-ocr page 319-

H. XVIII : 1.

303

DE OPENBARING.

kant voorgesteld. Het is de groote verleider en de vijand van het Israëlietische volk. Israël was uit Egypte verlost, en is nooit meer naar Egypte teruggekeerd; maar het werd gevankelijk weggevoerd naar Babel. Egypte is het beeld van de wereld in haren natuurlijken staat; Babel daarentegen stelt de wereldschge-zindheid voor, waardoor het hart, dat Egypte verlaten heeft, wordt verleid en gevangen genomen. Het was een fraai Babylonisch kleed, \'t welk Achan\'s hart aantrok en hem ten val bracht. (Jozua VII : 21.) Aan de boden van den koning van Babel toonde Hiskia al zijne schatten en heerlijkheden; en Jesaja werd tot hem gezonden met de boodschap, dat al, wat zijne vaders hadden vergaderd, naar Babel zou worden weggevoerd. En toen Israël zich geheel verdorven had door de beginselen van Babel, werd het gevankelijk weggevoerd naar Babel, en kwam het geheel onder de macht der heidensche koningen.

Ziedaar wat ons in het Oude Testament omtrent Babel en zijne verderfelijke beginselen wordt medegedeeld, en het kan ons niet moeielijk vallen om in te zien, hoe juist en gepast het beeld is, \'twelk de Heilige Geest gebruikt om ons de christelijke kerk in haren afval van God en Christus voor te stellen. De kerk begon met de beginselen der wereld te huldigen, en kwam daardoor geheel onder den invloed en de macht der wereld. God en Christus verlatende, verviel zij vanzelf tot openlijke afgoderjj, en werd de vervolgster der ware geloovigen. Zij werd een stelsel van godsdienstige verdorvenheid; zij matigde zich den naam aan van de bruid van Christus, terwijl haar hart verre was van den Heer; in plaats van te lijden

-ocr page 320-

BESCHOUWING OVER H. XVIII : 1.

eu te verdragen, trachtte zij naar eer en aanzien, naar macht en heerschappij, zoodat de koningen der aarde aan hare voeten lagen, en de volken zich gelukkig rekenden door haar te worden beschermd. Zij verdierf de massa des volks met het vergif harer val-sche leeringen, en in plaats van de menschen te leiden tot waarachtig eeuwig geluk, bracht zij hen tot diepere ellende, en voerde hen steeds verder op den weg naar het eeuwig verderf; terwijl zij ieder, die aan Gods waarheid en genade vasthield, te vuur en te zwaard vervolgde en ombracht, \'tIs duidelijk genoeg, dat wij in deze beschrijving hoofdzakelijk de Roomsche kerk ons voorgesteld zien, en wel zooals zij geweest is, is en worden zal; doch men vergete niet, wat wij bij het vorige Hoofdstuk opmerkten, dat de Protestanten, die niet tot openlijk ongeloof vervallen, aan het einde zich bij de Roomsche kerk zullen voegen; (1) zoodat Babyion de geheele kerk voorstelt, van welke Rome het middelpunt is; en bovendien bedenke men, dat de Protestantsche kerk wel vele dwalingen der Roomsche kerk heeft afgezworen, maar toch in den grond van de zaak naar dezelfde beginselen is blijven handelen.

Staan wij nu stil bij de bijzonderheden, welke ons in dit Hoofdstuk van Babyion en haar oordeel worden medegedeeld. „Na dezen zag ik een anderen engel uit den hemel nederdalen, hebbende groote macht; en de aarde werd verlicht door zijne heerlijkheid.quot; (vs. 1.) Deze engel is in zijne schitterende verschijning de vertegenwoordiger van de macht en de heerlijkheid Gods. Hij kondigt

1

Denk vooral aan hetgeen nu reeds in het protestantsche Engeland gebeurt.

-ocr page 321-

H. XVIII : 1 , 2. DE OPENBARIUG.

den val van Babyion aan; want hoewel hij roept: „Gevallen, gevallen is het groote Babyion!quot; zoo blijkt toch uit het vervolg, dat de val van Babyion hier niet als een voldongen feit wordt aangekondigd, maar als een oordeel, dat weldra over die stad zou worden uitgestort. In vs. 4 toch worden de heiligen aangespoord die stad te verlaten, \'t welk zij niet zouden kunnen doen, indien zij reeds had opgehouden te bestaan. Wij moeten dus in deze profetie veelmeer een donkere schildering zien van het schrikkelijk oordeel, dat Babyion treffen zou. „Gevallen, gevallen is het groote Babyion! en het is geworden de woonstede van duivelen, en de bewaarplaats van eiken onreinen geest en de bewaarplaats van eiken onreinen en ge haten vogel.quot; (vs. 2.) Hoewel het verval van de christelijke kerk reeds aan het einde der apostolische eeuw begon, en in de volgende eeuwen op ontzettende wijze is toegenomen, zoo zal toch eerst na de opname der ware Gemeente dit woord op haar toepasselijk zijn. De duivel en zijne engelen, die dan uit den hemel op de aarde geworpen zijn, nemen hun introk in wat den naam draagt van kerk, maar naar Gods oordeel de hoer en Babyion geworden is. Ook wordt in haar elke onreine geest en elke onreine en gehate vogel gevonden, waaronder wij de dwaalleeraren met hunne verderfelijke ketterijen moeten verstaan. Hierdoor wordt tevens de beteekenis duidelijk van de vogels, die volgens de gelijkenis in Matth. XIII in de takken van den mosterdboom nestelen. Dit alles is reeds een oordeel — een zedelijk oordeel — over Babyion. Omdat zij de liefde tot de waarheid verloren heeft, komt een

20

305

-ocr page 322-

BESCHOUWING OVER H. XVIII: 3 , 4.

geest van dwaling over haar, en wordt zij ten slotte de woonplaats van dnivelen en van alle mogelijke ketters. (Zie 2 ïhess. II : 9—12.) „Want van den w ij n der gramschap h a r e r h o e r e r ij hebben al de volken gedronken, en de koningen der aarde hebben met haar gehoereerd, en de kooplieden der aarde zijn rijk geworden dooide macht har er weelde.quot; (vs. 3.) Eeuwen lang-heeft Rome dit merkteeken van Babyion vertoond, en van het oogenblik af, dat het beest de doodelijke wonde ontving, met andere woorden, dat het Romein-sche rijk te niet ging, heeft het zijne macht ontwikkeld en zijnen invloed over de koningen der aarde uitgeoefend; en hoewel door de Hervorming in de zestiende eeuw en door de moderne begrippen in onze dagen zijne kracht schijnt verzwakt en zijn invloed verminderd, zoo gaat het nochtans, gelijk wij reeds vroeger opmerkten, een schitterende toekomst te ge-moet, om daarna door den Heer voorgoed te worden geoordeeld.

Er wordt nu een andere stem van den hemel vernomen, die het volk van God aanspoort om Babyion te verlaten. „En ik hoorde een andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, mijn volk! opdat gij met hare zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt.quot; (vs. 4.) Dit volk des Heeren is niet de gemeente, de bruid van Christus; deze is reeds lang te voren in den hemel opgenomen, gelijk wij vroeger uitvoerig bewezen hebben, en gelijk ook uit dit Hoofdstuk duidelijk blijkt. In vs. 20 toch worden de heiligen in den hemel, en de apostelen en

306

-ocr page 323-

DE OPENBARING.

H. XVIII: 6.

307

profeten opgeroepen om zich over het oordeel van Babyion te verblijden; zoodat de heiligen, die vermaand worden Babyion te verlaten, niet tot de hemelsche heiligen kunnen behooren, maar dezulken zijn, die na de opname der ware gemeente, gedurende de oor-deelen, zijn bekeerd geworden. Dit blijkt ook uit hetgeen in vs. 6 tot hen gezegd wordt. Terwijl wij vermaand worden ons niet te wreken, maar te verdragen

7 o

en te lijden, wordt tot hen gezegd: „Vergeldt haar, evenals ook zij vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker, dien z ij gemengd heeft, mengt haar dubbel, (vs. 6.) Hieruit volgt, dat de bedoeling veranderd en de toestand des rechts, zooals die in het Oude Testament gehandhaafd werd, teruggekeerd is.

Belangrijk en hoogst leerrijk is het de beweegreden te kennen, welke voor de afzondering van Babyion wordt aangegeven. Het volk van God moet Babyion niet verlaten, omdat haar oordeel reeds gekomen is, maar opdat het met hare zonden geen gemeenschap zou hebben. De verdorvenheid van Babyion, de zonden door haar begaan, de verderfelijke beginselen door haar gehuldigd moeten de beweegreden zijn voor een ieder, die God vreest, om zich van haar af te zonderen. Het is niet genoeg, wanneer Gods volk zich van de zonden van Babyion onthoudt; het moet Babyion verlaten. De Heer wil niet, dat de zijnen in eenige betrekking staan tot deze booze stad. Laten ook wij dit bedenken. Want hoewel de christelijke kerk op dit oogenblik nog niet gezegd kan worden het Babyion der Openbaring te zijn, zoo worden toch al de beginselen , die Babyion kenmerken, reeds in haar gevonden;

-ocr page 324-

BESCHOUWING OVER H. XVIII: 5—7.

en de Heer wil, dat wij ons daarvan met beslistheid afwenden en afzonderen. Wie met hare zonden gemeenschap heeft, zal van hare plagen ontvangen.quot; En hare zonden zijn opeengehoopt tot aan den heme), en God heeft harer ongerechtigheden gedacht.quot; (vs. 5.) Zijn wij dus in gemeenschap met de beginselen van Babyion, dan zijn wij in gemeenschap met datgene, wat door het oordeel Gods zal worden getroffen.

Die beginselen van Babyion worden nu in dit Hoofdstuk uitvoerig beschreven. In plaats van te zoeken de dingen, die boven zijn, zoekt zij de dingen hierbeneden. In stede van met Christus te lijden en te verlangen naar de heerlijkheid, die na het lijden komt, zegt zij in haar hart: „Ik zit als koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.quot; (vs. 7.) Zij heeft zichzelve verheerlijkt; zij heeft getracht zich een naam op aarde te maken; zij heeft geheerscht en zich verlustigd in de dingen der wereld. Evenals de nakomelingen van Kaïn onze door de zonde vervloekte aarde trachtten te verfraaien, en er naar streefden om door allerlei uitvindingen en genietingen zich het leven hier beneden zoo aangenaam mogelijk te maken, zoo heeft zij, nadat zij Christus verlaten had, zich gewend tot de wereld en hare beginselen. Al wat het vleesch begeert, al wat de zinnen streelt, al wat op aarde schoon en heerlijk genoemd wordt, wordt in haar gevonden. De begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens, die niet uit den Vader, maar uit de wereld zijn, gelijk Johannes in zijnen eersten brief zegt, worden door haar nagejaagd en brengen haar ten val. Daarom weenen en weeklagen over haar de koningen

308

-ocr page 325-

H. XVIII: 11 —17. DE OPENBARING.

der aarde en de kooplieden en de zeelieden, wanneer zij den rook haars brands zien, en roepen: „Wee, wee, de groote stad Babyion, de sterke stad! want in ééne ure is uw oordeel gekomen.quot;

Opmerkelijk is het, dat de Geest van God in vers 11 —14 al de artikelen van weelde en koophandel achter elkander opsomt. De reden daarvan kan niet anders zijn dan dat Hij ons aantoonen wil, waarmede de kinderen van Babyion zich bezighouden. Alles is voor Babyion koophandel. Zij is het middelpunt van al die dingen, waarin de bewoners der aarde zich verheugen. En indien de lichamen en zielen der mensehen op de een of andere wijze tot dit genot kunnen dienen, dan drijft zij ook met hen koophandel. Alles wordt gebruikt om winst te behalen; alles dient als een middel tot vermaak en handel. Deze geest is reeds nu aanwezig, al worden de bijzonderheden nog niet volledig aanschouwd. De werkelijke politiek dezer wereld is: handel drijven en rijk worden; en als dit doel slechts wordt bereikt, dan schroomt zij niet om ook met de lichamen en zielen der menschen handel te drijven. En hoe gemakkelijker deze dorst naar winst en weelde kan gestild worden, des te meer worden de zielen der menschen door de begeerte daarnaar verslonden. Satan, die de vorst dezer wereld is, tocht door al deze dingen de menschen aan zich te verbinden en onder zijne heerschappij te brengen.

Deze zucht naar vermaak en weelde is een groot kwaad; en het is hoogst treurig, wanneer een Christen onder den invloed dezer wereldsche beginselen geraakt, en zijn smaak daardoor bedorven wordt. Bedenken wij toch wel, dat al deze dingen door den mensch zijn

309

-ocr page 326-

BESCHOUWING OVER H. XVIII : 11 —14.

uitgevonden, toen hij van het aangezicht des Heeren verdreven was. Nadat Kaïn zijn broeder had vermoord, en door God verworpen was, bouwde hij een stad, en begon hij de wereld te verfraaien. God zond zijnen eigenen Zoon als erfgenaam van alles tot de wereld, doch de wereld verwierp Hem. Evenals Kaïn voegde de wereld bij al hare zonden tegen God de grootste aller misdaden, namelijk den moord van Gods geliefden Zoon, die in genade tot haar gekomen was en in haar midden had gewoond. Jezus is niet van de wereld, maar van den Vader. „Rechtvaardige Vader! de wereld heeft U niet gekend.quot; (Joh. XVII : 25.) En het kenmerk der ware discijjelen is, dat zij den Zoon volgen naar den hemel, en niet van de wereld, maar hemelsch-gezind zijn. De Vader staat tegenover de wereld, de Zoon tegenover den satan, de Heilige Geest tegenover het vleesch. Als een Christen de wegen der wereld bewandelt en de beginselen der wereld huldigt, dan is dit openlijke hoererij. Geve de Heer ons oogen om te zien, ooren om te hooren en een hart om op te merken, opdat wij ons in geen opzicht door deze verderfelijke beginselen laten medeslepen!

Zoodra de wereld de plaats van de kerk ingenomen heeft en zij de kerk in gevangenschap houdt, is het karakter van Babyion volledig geopenbaard, hoewel zij reeds van te voren, en ten einde dit doel te bereiken , Babylon was. Dan komen plotseling, op éénen dag, de schrikkelijke plagen over haar; het eene oordeel volgt bliksemsnel op het andere: „dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is de Heere God, die haar oordeelt.quot; (vs. 8.) Zij, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en

310

-ocr page 327-

H. XVIII : 15—20. de openbaring.

scharlaken, en versierd met goud en edelgesteente en paarlen,quot; staat daar ontbloot en onteerd, en is aan het verderf prijsgegeven. En om ons het ontzettende van dat oordeel voor te stellen, wordt ons de indruk geschilderd, welken dit oordeel op alle klassen der maatschappij maken zal. „De koningen der aarde, die met haar gehoereerd hebben, en weelderig geweest zijn,quot; de „door de macht harer weeldequot; rijk geworden kooplieden, de zeelieden, die met haar handel hebben gedreven, met één woord, alle klassen dei-beschaafde wereld wijken, wanneer zij den rook haars brands zien, terug uit vrees voor hare pijniging en vervullen de lucht met hun geklag. Allen, die hun aanzien en hun gewin aan den invloed van Babylon te danken hebben, vinden in den val van dit groote en bloeiende systeem, waarvan Rome het middelpunt is, een oorzaak des weenens en des weeklagens; en van het land zoowel als van de zee wordt de bittere klacht vernomen: „Wee, wee de groote stad! Welke stad was aan die groote stad gelijk ? In ééne ure is zóó groot een rijkdom verwoest!quot;

Doch is er op aarde geween en geklag over den val van Babylon, in den hemel is vreugde en gejuich. „Wees vroolijk over haar, gij hemel! en gij heiligen en apostelen en profeten! want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.quot; (vs. 20.) Hoe treurig en vernederend het ook is, dat de gemeente van Christus de groote hoer en Babyion geworden is, en dientengevolge door God wordt geoordeeld , zoo is er nochtans groote vreugde in den hemel onder de heiligen, die daar wonen, omdat de verborgenheid der ongerechtigheid heeft opgehouden te be-

311

-ocr page 328-

BESCHOUWING OVER H. XVIII : 21—23.

staan, en deze aarde niet langer het tooneel is van de schrikkelijkste verdorvenheid, welke ooit op hare oppervlakte is aanschouwd geworden. De heiligen in den hemel, quot;onder wie de apostelen en profeten een eerste plaats innemen, billijken niet alleen de uitoefening van Gods gerechtigheid, maar verheugen er zich in; en vinden tevens in het oordeel van Babyion de wraak des Heeren over al de vervolgingen en pijnigingen door haar hen aangedaan.

Hierop volgt het slottooneel. Johannes had uit den mond des engels de beschrijving vernomen van Babylon\'s val en van den machtigen indruk, dien deze schrikkelijke gebeurtenissen op de volken der aarde maken zouden; thans wordt hem de verwoesting dier goddelooze stad in schrille kleuren getoond. „En een sterke engel hief een steen op, als een grooten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende; Aldus zal de groote stad Babyion met geweld geworpen worden; en zij zal niet meer gevonden worden. En de stem van harpspelers en zangers en fluiters en bazuiners zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en geen geluid der molens zal meer in u gehoord worden; en geen licht der lamp zal meer in u schijnen, en geen stem van bruidegom en bruid zal meer in u gehoord worden.quot; (vs. 21—23.) Met groot geweld wordt Babyion verwoest. De stem des gejuichs verstomt; de scheppingen der kunst verdwijnen; de bronnen der welvaart worden gestopt; diepe duisternis valt op haar, en elke baud van liefde

312

-ocr page 329-

H. XVIII: 23, 24. de openbaring.

313

en genegenheid wordt onmeedoogend verbroken. En dit alles komt over haar, omdat zij met de grooten der aarde, met de koningen en de machtigen, handel gedreven en gehoereerd heeft, en omdat zij al de volken door hare tooverij, door hare valsche, verderf-brengende leeringen heeft verleid; maar bovenal omdat zij bij al hare zonden gevoegd heeft de vervolging en den moord van Gods heiligen. Evenals de Heer zeide van het afgevallen Jeruzalem: „opdat van dit geslacht geëischt worde hot bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af;quot; (Luk. XI : 50.) zoo wordt hier gezegd van Babylon, van de afgevallen christelijke kerk: „En in haar werd gevonden het bloed van profeten en heiligen, en van allen, die op de aarde geslacht zij n.quot; (vs. 24.) Schrikkelijke toestand, waarin de christelijke kerk gevallen is! Voorwaar, een godsdienst zonder God is de gruwelijkste en onverzoenlijkste vijandin van God. Mochten wij allen ons verre houden van haar! Verbinden wij ons nauw aan Christus. Bewaren wij ons rein, gelijk het een maagd betaamt voor haren bruidegom. Nemen wij de ernstige lessen, in deze Hoofdstukken ons gegeven, wel ter harte, opdat wij in geen enkel opzicht onder den verderfelijken invloed van Babyion geraken! De Heer geve ons daartoe zijne onmisbare genade!

-ocr page 330-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 1.

314

6. Hoofdstuk XIX—XXI : 1—8.

Liefelijker tooneelen vertoonen zich thans voor onzen blik. De oordeelen van Gods voorzienigheid — de meer verborgene zooals de zegelen, de meer openlijke en de mensclien tot bekeering roepende, zooals de bazuinen , en de Gods wraak uitoefenende zooals de schalen —• hebben hunnen loop geëindigd. Het groote Babyion, de zich noemende bruid van Christus, is geoordeeld en voorgoed verdwenen. Hierdoor is de verborgenheid der ongerechtigheid, welke zoovele eeuwen lang den hemel griefde en de aarde verdierf, weggenomen. quot;Wat den Heere God verhinderde om de heerlijke dingen, welke Hij in zijn hart heeft voor den armen mensch, ten volle te openbaren en aan het licht te stellen, is weggedaan. De bewoners des hemels kunnen thans aan hunne vreugde den vrijen loop laten. Met de beschrijving dezer vreugde begint het negentiende Hoofdstuk. „Na dezen hoorde ik als een groote stem van een groote schaar in den hemel, zeggende: Halleluja! het heil en de heerlijkheid en de macht on zes Gods.quot; (vs. 1.) De weg tot de openbaring van dit heil, van deze heerlijkheid en macht des Heeren is gebaand. „W ant

-ocr page 331-

DE OPENBARmG.

H. XIX: 2.

315

zijne oordeolcn zijn waarachtig en reelit-vaardig; want Hij heeft de groote hoer geoordeeld, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en Hij heeft het bloed zijner slaven van hare hand gewroken.quot; (vs. 2.)

De groote hoer was een hardnekkige hinderpaal geweest voor de uitstorting van Gods zegeningen; niet alleen, omdat zij vol ongerechtigheid was, maar bovenal omdat zij zich den naam van heilig en waarachtig aanmatigde, terwijl zij in werkelijkheid de genade en de waarheid in elk opzicht had verkracht en bedorven, en hardnekkig en stelselmatig Christus had verloochend, niettegenstaande zij het uiterlijke symbool van zijn kruis hoog verhief en overal ten tooneele voerde. Voor haar was Gods karakter in Christus tevergeefs geopenbaard. Het oordeel, \'t welk de Heer over den menscli en de wereld had uitgesproken, en de nieuwe schepping, waarvan Christus in hemelsche heerlijkheid het Hoofd was, had zij verworpen. Zij had Christus met het vleesch en met de aarde verbonden, en hare schatten en heerlijkheid hier beneden gezocht. God had het leven en de onverderfelijkheid door het evangelie aan het licht gebracht; doch zij had door hare ongerechtigheid de menschen in grootere onwetendheid en in diepere ellende gestort en hen in de verderfelijkste dwalingen verstrikt, leerende dat elke gave van God, ja zelfs de zaligheid voor geld te verkrijgen was; zoo doende de zielen in slaap wiegende door hen te verzekeren, dat alles tot een goed einde zou komen, en de Heer geenszins ten oordeel verschijnen zou. Voor zooverre zij dit vermocht, had zij de stroomen van zegen voor de wereld tegengehouden. Doch de waar-

-ocr page 332-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 3—5.

achtige en rechtvaardige oordeelen Gods hadden haar ter neder geworpen; en deswege is de hemel vol vreugde ? en weerklinken de woningen Gods van het gejuich der hemellingen. Ten tweeden maal zeggen zij: „H a 1-leluja! En haar rook stygt op tot in alle eeuwigheid.quot; (vs. 3.)

Van die juichende hemellingen worden nu de vier en twintig oudsten en de vier dieren in het bijzonder vermeld. De vier en twintig oudsten, als de vertegenwoordigers der hernelsche heiligen, gelijk wij vroeger aantoonden, hebben inzicht in de gedachten en de gezindheid van Christus; terwijl de vier dieren van het begin af verbonden waren met de oordeelen van Gods Voorzienigheid. Zij „aanbaden God, die op den troon zat, zeggende: Amen, Halleluja!quot; (vs. 4.) Daarna worden allen, die in den hemel zijn, opgeroepen om den Heer te loven en te prijzen. „En van den troon ging een stem uit, zeggende: Prijst onzen God, gij, al zijne slaven, en gij, die Hem vreest, kleinen en grooten.quot; (vs. 5.)

De vier en twintig oudsten komen hier voor de laatste maal voor. Dit is hoogst merkwaardig. In Hoofdstuk IV en V vonden wij hen voor den eersten keer rondom den troon van God en van het Lam; en gedurende de oordeelen, die over deze aarde werden uitgestort, hebben wij hen telkens in den hemel gezien , in ongestoorde rust en volmaakt geluk de schrikkelijke tooneelen, waarvan onze aarde getuige was,, aanschouwende. Thans evenwel verandert de symbolische voorstelling in de werkelijkheid. De bruiloft des Lams zou worden gevierd, en de hernelsche heiligen zouden niet Christus, den Koning der eere, den hemel

316

-ocr page 333-

H. XIX : 5, 6.

317

DE OPENBARING.

verlaten, om liet heerlijk vrederijk; op aarde te stichten. Daarom wordt er niet langer van vier en twintig oudsten gesproken; de bruid des Lams zelve treedt ten tooneele, en de hemelsche heiligen volgen den Heer en verschijnen met Hem op aarde.

Merken wij op, dat het God is, die op den troon gezeten is, en dat de bewoners des hemels worden opgeroepen om God te prijzen. Christus zit nog niet op den troon. Dit wordt ons in het vervolg getoond. Het koninkrijk wordt door den Vader den Zoon gegeven. De Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven. In de bedeeling van de volheid der tijden zal de Vader alles onder één hoofd te zamen brengen in Christus, wat in den hemel en wat op de aarde is. De zalige en eenige Heerscher, de Koning der koningen en de Heer der heeren, zal te zijner tijd vertoonen de verschijning on^es Heeren Jezus Christus. Alles gaat dus uit van God den Vader; en daarom zit Hij hier op den troon, en wordt Hij geprezen.

Het oogenblik is thans aangebroken, dat God zijne beloften vervullen en zijne plannen volvoeren zal. Hij staat gereed om Christus, den Zoon zijner eeuwige liefde, als Hoofd en Heer aller dingen, beide die in den hemel en die op de aarde zijn, te eeren en te verheerlijken. Alle koninkrijken der aarde zullen Hem gegeven en alle vijanden aan zijne voeten onderworpen worden. Daarom vernemen wij: „En ik hoorde als een stem van een groote schaar, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja! want de Heer, onze God, de Almachtige, heeft zijne koninklijke heerschappij

-ocr page 334-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 6 — 9.

aanvaard.quot; (vs. 6.) De God des hemels en der aarde, de Schepper aller dingen, die zich aan Abraham als de Almachtige, aan Israël als de Heer, Jehovah, openbaarde,quot; aanvaart zijne koninklijke heerschappij; en zal, gelijk ons in het vervolg wordt aangetoond, en door de Apostelen werd voorspeld, den Erfgenaam aller dingen, onzen Heer en Heiland Jezus Christus, in de wereld invoeren en Hem de teugels van het bewind in handen geven. Voordat dit evenwel gebeurt, wordt ons de bruiloft des Lams, die in den hemel gevierd wordt, beschreven. „Laat ons blijde zijn en juichen, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zich toebereid, en haar is gegeven, dat zij bekleed zij met fijn lijnwaad, blinkend en rein; want dit fijn lijnwaad z^jn de gerechtigheden der heiligen. En hij zeide tot mij ; Schrijf: Welgelukzalig, die geroepen zijn tot den maaltijd van de bruiloft des Lams.quot; (vs. 7—9.)

Christus kan onmogelijk zijn koninkrijk in bezit nemen, voordat zijne vrouw zich heeft toebereid. Hij wil haar met Zich vereenigd zien in de heerlijkheid. Wanneer Hij zijne heerlijkheid openbaren zal, dan wil Hij, dat de wereld, die ons heeft veracht en verworpen, zal weten, dat de Vader ons liefheeft, gelijk Hij Christus zelf liefheeft. De Christus kan onmogelijk zijn koninkrijk in bezit nemen, voordat zijne Gemeente zich heeft toebereid en in de heerlijkheid is geopenbaard. Hij wil haar met Zich vereenigd zien in de heerlijkheid, en haar deel geven aan zijne macht en heerschappij. Zij zal met Hem de wereld en de

318

-ocr page 335-

H. XIX : 7 , 9. DE OPEXBARING.

engelen oordeelen. Als Hij in heerlijkheid zal geopenbaard worden, dan zal zij met Hom geopenbaard worden in heerlijkheid. Jezus wil, dat de wereld, die ons heeft veracht en verworpen, weten zal, dat de Vader ons liefheeft, gelijk Hij Christus zelf liefheeft. De Heer zelf heeft dit zoo roerend schoon gezegd in zijn gebed tot den Vader in Joh. XVII: „Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn: ik in hen, en Gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld erkenne, dat Gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij mij liefgehad hebt. Vader! ik wil, dat, waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven hebt; want Gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.quot; De bruiloft des Lams zal voor ons de openbaring dezer liefde zijn. STa het oordeel over Babyion wordt de bruiloft des Lams gevierd. Wij zien het onderscheid en de tegenstelling tussclien Babyion, de heerlijkheid der wereld, en de Gemeente Gods, die niet Christus geleden heeft, en door de wereld is vervolgd geworden, doch die nu verheerlijkt is met Jezus.

De Gemeente is thans de Bruid van Christus. Alleen in de Openbaring wordt zij aldus genoemd. (Zie Hoofdst. XXI : 9; XXII : 17.) Vergelijkenderwijze ook in Joh. III : 29 : „Die de bruid heeft, is de bruidegom.quot; In het Hooglied wordt niet de Gemeente, maar Israël als de bruid voorgesteld. De Gemeente is de bruid des Lams; Israël de bruid des Konings. Doch die Bruid des Lams zal de Vrouw des Lams worden. Dit wordt ons hier medegedeeld. Het oogenblik daartoe

319

-ocr page 336-

BESCHOUWING OYER

H. XIX : 9.

320

was thans gekomen. Wel was de Gemeente reeds ge-mimen tijd geleden in den hemel opgenomen. Wij vinden haar, verheerlijkt, rondom den troon van God en het Lam, onder de symbolische voorstelling van vier en twintig oudsten, in Hoofdstuk IV en V en verscheidene malen later bij de uitstorting der oordeelen op aarde. Doch de bruiloft was nog niet gevierd. Zoolang de zich noemende bruid van Christus, de valsche kerk, nog niet geoordeeld was, kon er van geen openlijk optreden van de bruid, als de vrouw des Lams sprake zijn. Nadat evenwel de groote hoer en Babyion geoordeeld is, en God op het punt staat om zijnen Zoon de macht over alle dingen in handen te geven, en Hem als den Koning der koningen en den Heer der heeren te verheerlijken, is het oogonblik gekomen, dat de bruiloft des Lams kan worden gevierd. De bruid wordt de Vrouw des Lams, om als zoodanig aan al zijne macht en heerlijkheid deel te nemen.

Toen God in het Paradijs de vrouw geformeerd had, stelde Hij haar voor Adam. Ditzelfde zal Christus doen met de Gemeente. Paulus leert ons dit in Efeze V. Christus heeft de Gemeente liefgehad en zichzelven voor haar overgegeven; Hij heiligde haar, haar reinigende door de wassching des waters door het woord; en Hij zal haar voor zich stellen, verheerlijkt, met dezelfde heerlijkheid, die Hij-zelf heeft als de Opgewekte en Verheerlijkte — zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en onberispelijk. Dit zal zijn de maaltijd van de bruiloft des Lams.

Het hemelsch karakter van de Gemeente wordt hierdoor duidelijk aangetoond. Jezus kan voor de Gemeente niet anders dan een hemelsche Bruidegom zijn.

-ocr page 337-

H. XIX:7 — 9. DE OPENBARING.

Om haar te redden moest Hij sterven; zij kan derhalve geen levenden Christus bezitten dan door zijne opstanding uit de dooden; en de opgewekte Christus is verheerlijkt aan Gods rechterhand. Zoo is dan de Bruidegom der Gemeente een opgewekte en verheerlijkte Christus. De Gemeente is verbonden met Christus in den hemel. Zoolang zij nog op aarde, in de wereld, vertoeft, moet zij lijden. Een lovendgemaakte ziel in een lichaam, dat nog niet levend gemaakt is, kan in deze zondige, tegen God vijandige wereld niets anders vinden dan lijden. Doch zij verwacht de heerlijkheid. De hemelsche Bruidegom komt om zjjne geliefde bruid op te nemen in het huis des Vaders, haar te doen deelen in zijne heerlijkheid, en zich dan zoo innig met haar te verbinden, dat zij de Vrouw des Lams wordt, do volheid van Hem, die alles in allen vervult.

Ieder gevoelt, bij eenig nadenken, dat cd de leden der Gemeente in don hemel moeten zijn opgenomen, eer er van het bruiloftsmaal spraak kan zijn. Zoolang nog een deel van de Gemeente op aarde is, kan er onmogelijk gezegd worden: „De bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw hoeft zich toebereid.quot; Het zou overbodig zijn hierbij stil te staan, werd niet door sommigen het gevoelen verdedigd, dat alleen die ge-loovigen zullen worden opgenomen en het bruiloftsmaal zullen vieren, die aan de komst van Jezus hebben geloofd, en Hem als hunnen Bruidegom hebben verwacht. Deze meening berust op een verkeerd begrip van de onvoorwaardelijke geuade Gods en op een onjuiste verklaring van de gelijkenis der tien maagden. Dezulken maken de opneming der heiligen en hun deelnemen aan de bruiloft des Lams, en dus eigenlijk

21

321

-ocr page 338-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 7—9.

gezegd, al is het dan ook onbewust, hun lid zijn van \'s Heeren Gemeente afhankelijk van het gelooven aan en het verlangen naar de komst van Jezus, en dus afhankelijk van den wandel; en dit is in lijnrechten strijd met de leer der Schrift. Hun beroep op Matth. XXV berust op een geheel onjuiste verklaring dezer gelijkenis. Al de maagden gingen uit den bruidegom te gemoet; al de maagden vielen in slaap; al de maagden ontwaakten uit dien slaap en bereidden hare lampen; zoodat het onderscheid tusschen de vijf wyze en de vijf dwaze maagden niet daarin bestond, dat de eersten wel en de laatsten niet geloofden aan de komst des bruidegoms; maar daarin, dat de eersten den Heiligen Geest hadden, en de laatsten niet. De dwaze maagden vinden dan ook de deur gesloten, en vernemen de woorden des bruidegoms; „Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet.quot; Allen, die in den Heer Jezus gelooven, behooren tot de gemeente van Christus, tot de bruid des Lams, en zullen dus in den hemel worden opgenomen, wanneer de Heer komt, en deelnemen aan den maaltijd van de bruiloft des Lams.

De bruiloft des Lams wordt, geheel in overeenstemming met het doel dor Openbaring, niet uitvoerig beschreven, maar eenvoudig als een feit vermeld. De Openbaring toch houdt zich niet bezig mot de beschrijving van de heerlijkheid in het Vaderhuis, maar met de rechtvaardige wegen van God, met de oprichting van het Koninkrijk en met het einde aller dingen, wanneer God alles in allen zijn zal. Daax*om is het welgelukzalig prijzen van allen, die geroepen zijn tot don maaltyd van de bruiloft des Lams, alles, wat ons medegedeeld wordt van de gebeurtenis, welke den

322

-ocr page 339-

H. XIX : 7 — 9. DE OPENBARING.

hemel en zijne bewoners met onuitsprekelijke vreugde vervult.

„Welgelukzalig, die geroepen zijn tot den maaltijd van de bruiloft des Lams.quot; Dit zijn, naar het mij voorkomt, niet de genoodigde gasten, zooals sommigen meenen, maar de leden der Gemeente, de Bruid zelve. De wijze van mededeeling maakt op mij den indruk, dat er hetzelfde bedoeld wordt, als in de gelijkenis in Matth. XXII, waar allen, die een bruiloftskleed aanhadden tot do gezaligden gerekend worden. Eerst wordt er gezegd, „Laat ons blijde zijn en juichen; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zich toebereid;quot; daarna lezen wij: „en haar is gegeven, dat zij bekleed zij met fijn lijnwaad, blinkend en rein; want het fijn lijnwaad zijn de gerechtigheden der heiligen.quot; Deze heiligen maken te zamen uit de bruid, de vrouw des Lams. En van deze heiligen wordt dan gezegd: „Welgelukzalig, die geroepen zijn tot den maaltijd van de bruiloft des Lams.quot;

Letten wij wel op de merkwaardige uitdrukking „gerechtigheden der heiligen.quot; Hieronder moeten wij natuurlijk niet verstaan, de gerechtigheid Gods in Christus, die het deel dor geloovigen is, want dan zou het moeten zijn: de gerechtigAelt;VZ der heiligen. Wij moeten er onder verstaan de praktische gerechtigheid, waarin de heiligen gewandeld hebben, hunne rechtvaardige daden, hunne goede werken. In denzelfden zin wordt gedurig in de Psalmen van de rechtvaardigen gesproken.

Op plechtige wijze wordt de mededeeling omtrent de bruiloft des Lams besloten. „Deze zijn de waarachtige woorden Gods,quot; zoo zegt [de engel tot

323

-ocr page 340-

B24

Johannes; zulke verzekeringen treffen wij gedurig aan in de Openbaring. De Heer heeft voorzien, dat de duivel op alle ■mogelijke wijzen zou trachten om het profetische woord van zijn kracht en invloed te beroo-ven, en de harten der geloovigen onverschillig daaromtrent te maken. Hij fluistert hen in, dat de Openbaring een onbegrijpelijk boek is, dat al die symbolische tafereelen geen stichting voor do ziel behelzen; en het maar beter is ze niet te lezen en er zich niet in te verdiepen. Doch de Heer roept ons toe: „Deze zijn de waarachtige woorden Gods!quot; gelijk in het begin van ons Boek gezegd werd: „Welgelukzalig hij, die leest, en zij, die hooren de woorden der profetie, en die bewaren hetgeen daarin geschreven is.quot; Voorwaar, indien wij een weinig hebben leeren verstaan van het doel en de beteekenis dezer visioenen, dan vinden wij in dezelve een schat van vertroosting en versterking, welke ons met volharding doet loopen in de loopbaan, die voor ons ligt. De eindelijke overwinning van onzen Heer en Heiland over alle machten der boosheid, en onze verheerlijking met Christus in de hemelsche woningen vervult onze ziel met onuitsprekelijke vreugde, en stelt ons in staat, het vele lijden dezes tijds te verdragen.

Onder den overweldigenden indruk dezer mededee-lingen valt Johannes aan de voeten des engels neder om hem te aanbidden; doch wordt terstond terug gewezen met de merkwaardige woorden: „Zie, dat gij dit niet doet; ik ben een medeslaaf van u en van uwe broederen, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid Grod!quot; (vs. 10.)quot;Welk een verschil er ook bestond tusschen de bediening aan

-ocr page 341-

H. XIX : 10. DE OPENBARING.

den engel en die aan Johannes toevertrouwd, zoo kwamen zij toch daarin overeen, dat zij beiden in de dienst des Heeren stonden, en derhalve te dien opzichte eikaars gelijken waren. De ware, van zijnen Meester afhankelijke dienstknecht verheugt zich in elk werk, hoe gering of hoe gewichtig ook, door zijnen Heer hem opgedragen. JSTiet in de belangrijkheid zijner bediening, maar in de goedkeuring zijns Meesters vindt hij zijne vreugde en zijne eer.

„Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie,quot; wordt door Johannes als verklaring van de woorden dos engels hieraan toegevoegd. Onder „de getuigenis van Jezusquot; moeten wij niet verstaan een getuigenis omtrent Jezus, maar oen getuigenis, dat door Jezus zelf den profeten gegeven is; zoodat Hij in den zin van 1 Petrus I : 11 en in overeenstemming met de woorden in Openb. I : 1 en XXII : 6, 16 door de mededeeling zijner openbaring aan een mensch dezen met den geest der profetie vervult. En hoewel de getuigenis van alle Apostelen, ja van allo schrijvers der Heilige Schrift een getuigenis van Jezus is, zoo hebben toch hier deze woorden in \'t bijzonder op de Openbaring betrekking.

Er volgt nu een ander tooneel. Xadat het huwelijk van Christus met zijne bruid heeft plaats gehad, is het oogen-blik gekomen, dat de Heer recht eu gerechtigheid op aarde uitoefent. De beschrijving hiervan is in drie deelen verdeeld. Eerst wordt ons de Rechter der gansche aarde voorgesteld met de Hem volgende heirscharen; daarna vernemen wij de oproeping aan de vogelen des hemels om aan den grooten maaltijd Gods deel te nemen; en eindelijk aanschouwen wij de uitoefening van het oordeel zelf.

325

-ocr page 342-

BESCHOXJWINCi OVER H. XIX : 11.

„En ik zag den hemel geopend,quot; zoo begint Johannes zijne mededeeling. Het is hier niet, zooals in het vierde Hoofdstuk, waar er een deur in den hemel wordt geopend, en waar de profeet wordt uit-genoodigd om daar binnen te treden; maar de hemel zelf is geopend. Evenals de hemel geopend werd, toen Jezus, de Zoon des menschen en de Zoon van God, het Voorwerp van het welbehagen des Vaders, op aarde vertoefde; evenals voor Stefanus, het voorbeeld van de op aarde verworpen Gemeente, de hemel geopend werd om hem den Zoon des menschen, staande aan Gods rechterhand, te toonen; zoo werd ook hier de hemel geopend, om den Zoon des menschen als Rechter der gansche aarde met macht en heerlijkheid te doen verschijnen.

„En zie, een wit paard, en die daarop zat, genaamd Getrouw en quot;Waarachtig, en hij oordeelt, en voert krijg in gerechtigheid.quot; (vs. 11.) Het paard is steeds het symbool van een macht, die in betrekking tot de aarde staat; het heeft hier de kleur der overwinning; het is een wit paard. Niemand zal wel zoo dwaas zijn, denk ik, om te meenen, dat, wanneer deze gelukkige gebeurtenis zal plaats vinden, er werkelijk een paard verschijnen zal. Gelijk bij alle vorige gelegenheden, zoo wordt ook hier hetgeen geschieden zal op zinnebeeldige wijze den Profeet voorgesteld. Hij, die op het witte paard gezeten is, en genoemd wordt „Getrouw en quot;Waarachtig,quot; is klaarblijkelijk Christus zelf. Hij was getrouw en waarachtig in elk opzicht, in alle omstandigheden en tot eiken prijs; getrouw in het getuigenis der gerechtigheid, getrouw tot in den dood ter ver-

326

-ocr page 343-

H. XIX: 11 , 12, DE OPENBARING.

heerlijking van God; en Hij zal getrouw en waarachtig zijn in de vervulling van alle raadsbesluiten, niet alleen ten aanzien van zijn aardsch, maar ook van zijn hemelscli volk. Als „de Heilige en Waarachtigequot; verbindt Hij zich met de heiligen in Filadelfia, waaraan zij in deze wereld vol leugen en bedrog zoo zeer behoefte hadden; doch hier komt Hij als „de Getrouwe en Waarachtige,quot; ter vervulling van Gods raadsbesluiten, om de wereld te oordeelen. Hij verschijnt nu niet om te dienen en zijn leven over te geven, maar om „te oordeelen en krijg te voeren in gerechtigheid.quot; „Zijne oogen gelijk een vlam vuursquot; duiden aan de alles doordringende en beoordeelende macht des gerichts. „Op zijn hoofd waren vele diademen,quot; of koninklijke kronen, ten bewijze zijner onbegrensde macht en heerschappij. „En hij had een naam geschreven, dien niemand kent dan hij-zelf.quot; (vs. 12.)

Dit laatste is vooral belangrijk en onze gansche opmerkzaamheid waardig. Do verhevene en heerlijke persoon on zes Heeren draagt een naam, dien niemand kent dan Hij-zelf. Dit is natuurlijk niet de naam, onder welken wij Hem kennen, en dien de Vader ons heeft geopenbaard; ook niet de naam, van welken in Fil. II : 9 gezegd wordt, dat God Hem dien gegeven heeft als een naam boven allen naam; maar het is een naam, die een geheel bijzondere, niet geopenbaarde, en alleen den bezitter bekende betrekking tot God uitdrukt. Evenals in Hoofdst. II ; 17 op den witten keursteun een naam geschreven staat, welken niemand kent, dan die hem ontvangt — een naam, die de uitdrukking is van onze persoonlijke, innige

327

-ocr page 344-

BESCHOUWING OVER H. XIX: 12.

betrekking tot Jezus; zoo draagt de Heer in zijne heerlijkheid, behalve zijnen openlijken, nog een bij zonderen naam, welke zijne verborgene verhouding tot zijnen Vader aanduidt, wier diepte niemand peilen en wier heerlijkheid niemand doorgronden kan. Christus heeft een heerlijkheid, die Hem alleen toebehoort —-een heerlijkheid, welke Hij met niemand deelen zal, ja, die door niemand kan worden gekend; het is zijne eigene goddelijke heerlijkheid. In zijne merkwaardige en heerlijke woorden in Mattheüs XI zegt Hij : „Niemand kent den Zoon, dan de Vader;quot; welke woorden vooral om het verband, waarin zij voorkomen, te kennen geven, dat niemand ooit zijne persoonlijke heerlijkheid zal kennen. Terwijl de Heer toch zegt: „Niemand kent den Vader dan de Zoon, en aan wien de Zoon Hem wil openbaren;quot; zegt Hij van zichzelvsn alleen, zonder meer: „Niemand kent den Zoon, dan de Vader.quot; Niemand heeft zich meer vernederd dan de Zoon, en daarom wordt ook door God voor niemands eer en heerlijkheid meer zorg gedragen dan voor de zijne. De Schrift stelt ons de menschheid en de vernedering van Gods Zoon zoo duidelijk mogelijk voor oogen; maar zij getuigt tevens, gedurig en op de meest besliste wijze, en dat juist omdat Hij zich zoo diep vernederde, van zijne Godheid. De heerlijkheid, die Hij als de Zoon des menschen, tot loon op zijnen arbeid, van den Vader ontvangen heeft, en welke dezelfde heerlijkheid is, die Hij had vóór de grondlegging der wereld, zullen wij met Hem deelen; doch deze persoonlijke heerlijkheid nooit.

„En hij was bekleed met een kleed, in bloed gedoopt.quot; Hij verschijnt als de Heer, die

328

-ocr page 345-

329

gezegd heeft: „Mijne is de wraak, Ik zal vergelden.quot; Zijn in bloed gedoopt kleed strekt daarvoor ten bewijze. Als het Lam, dat toornt, komt Hij ten oordeel om zijne vijanden te verdoen. „Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.quot; (vs. 13.) Dit is zijn welbekende titel. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God, en door hetzelve zijn alle dingen geworden. En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond vol van genade en waarheid — een licht om de harten der menschen te verlichten. En hier wordt Hij ons voorgesteld als het Woord Gods, \'t welk zich openbaart ton oordeel. „Het woord, dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten dage.quot; Gelijk Hij eenmaal als het Woord Gods zijne ontfermende armen opende om verloren zondaren te redden, zoo zal Hij zijne wrekende hand opheffen, om de godde-loozen, de kinderen der ongehoorzaamheid, zijnen toorn en zijne macht te doen ondervinden. Hij is hot Woord Gods van eeuwigheid, en Hij is onveranderlijk het Woord Gods gebleven.

De beschrijving van Christus\' heerlijken persoon als de Hechter der aarde wordt nu afgebroken door de mededeeling, dat Hij bij zijne verschijning niet alleen zal komen. „En de heirlegers, die in den hemel zij n, volgden hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn lijnwaad.quot; (vs. 14.) Het is niet twijfelachtig, wie deze heirlegers vormen. Hoewel wij uit 2 ïhess. I : 7 weten, dat de engelen zijner kracht bij de openbaring des Heeren Jezus van den hemel znllen tegenwoordig zijn, eu zij in Matth. XXIV en XXV den troon zijner heerlijkheid

-ocr page 346-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 14.

330

omringen, zoo kunnen toch deze heirlegers niet uit engelen bestaan, om de eenvoudige reden, dat zij „bekleed zijn met wit, rein, fijn lijnwaad,quot; en dit volgens vs. 8 beteekent „de gerechtigheden der heiligen.quot; Deze heirlegers zijn dus de heiligen, die van te voren met Christus hot bruiloftsmaal gevierd hebben, en met Hem als zijne Vrouw zijn verbonden geworden, en die ons in de vorige Hoofdstukken van dit boek zinnebeeldig als de vier en twintig oudsten werden voorgesteld. Zjj komen met Christus van den hemel, en zitten, evenals Hij, op witte paarden, waardoor wordt aangeduid, dat zij met Hem in dezelfde heerlijkheid verschijnen, en met Hem deelen in de overwinning over de vijandige machten. Andere plaatsen der Schrift bevestigen dit. Paul us spreekt van de komst van onzen Heer Jezus met al zijne heiligen. (1 Thess. III ; 13.) Hij zegt: „Wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die uw leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid.quot; (Kol. III: 4.) Johannes zegt in zijnen eersten brief: „Wij weten, dat, als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk zijn.quot; Terwijl volgens Judas reeds Henoch geprofeteerd heeft: „Zie, de Heer is gekomen met zijne heilige duizendtallen, om gericht te houden.quot; Heerlijk voorrecht ons geschonken!--Wanneer de Heer in heerlijkheid verschijnt, dan verschijnen wij met Hem. Wanneer Hij komt om te oordeelen, dan komen wij met Hem. Wanneer Hij al zijne vijanden zal leggen tot een voetbank zijner voeten, dan liggen zij ook aan onze voeten, want zegt de Heer: „Ik zal maken, dat zij komen, en zich neerbuigen voor uwe voeten, en bekennen, dat ik u heb liefgehad.quot; (H. III : 9.)

-ocr page 347-

H. XIX: 14, 15. DE OPENBARING.

Heerlijk zijn de gedachten van God! Staan wij nog een oogenblik daarbij stil. Christus is het middelpunt van al de plannen en raadsbesluiten van God. Alle dingen zijn door Hem geschapen, en geschapen tot zijne verheerlijking. Doch alles is door de zonde verontreinigd en bezoedeld. Hij vernederde zichzelven om alle dingen te verzoenen met God. De mensch maakte, in zijne boosheid en vijandschap, van deze vernedering gebruik om Hem te verachten en te verwerpen. Doch God zal Hem daar, waar Hij werd veracht en verworpen, verheerlijken; zoodat alle knie zich buigen zal voor den tweeden Adam; en God den Heer Jezus Christus als den Heer der heerlijkheid op deze aarde zal invoeren, en aan Hem geven zal alle macht en alle heerschappij. En met dezen Heer der heerlijkheid zal de Gemeente verbonden zijn en verheerlijkt worden. Gelijk Eva vereenigd was met Adam, zoo heeft God de Gemeente verbonden met Christus. Zóó was hot vóór de grondlegging der wereld bepaald, en zóó zal het in de bedeeling van de volheid der tijden verwezenlijkt worden. Deze zijne gedachten en plannen heeft God ons medegedeeld, opdat wij met Hem gemeenschap zouden hebben, en deelen zouden in zijne vreugde.

De beschrijving van Christus, zooals Hij ten oordeel verschijnt, wordt nu voortgezet. „En uit zijnen mond ging een scherp, tweesnijdend zwaard, opdat hij daarmede de volken slaan zou; en hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en hij treedt den wijnpersbak van den wijn der gramschap van den toorn des a 1 m a c h-tigen Gods.quot; (vs. 15.) Reeds in het eerste Hoofd-

331

-ocr page 348-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 15.

332

stuk zagen wij den Zoon des menschen als do Rechter der aarde met een scherp, tweesnydend zwaard in zijnen mond. Dit zwaard is hier, gelijk overal, het symbool van het Woord Gods. Doch hier dient het niet om, zooals in Hebr. IV, de gedachten en overleggingen der menschen bloot te leggen, maar om het oordeel uit te spreken en te volvoeren. „Het woord, dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten dage.quot; (Joh. XII : 48.) De Heer heeft maar één woord te spreken, en het vonnis is voltrokken. Doch behalve dit „zal Hij hen hoeden met een ijzeren roede.quot; Dit is hetzelfde oordeel, waarvan in Hoofdstuk II gesproken wordt; waarbij den overwinnaars in ïhyatire, beloofd wordt, dat zij met Christus deel zullen nemen aan dit oordeel over de volken. En eindelijk, „hij treedt den wijnpersbak van den wijn der gramschap van den toorn des almachtigen Gods.quot; Dit is het niets sparende gericht, \'t welk wij beschreven vonden in Hoofdst. XIV. Het is de wraak des Heeren over de godsdienstige boosheid , welke altijd met de heftigste slagen getroffen wordt.

Merkwaardig zijn de woorden, waarmede dit oordeel in Jes. LXIII beschreven wordt. „Wie is deze, die van Edom komt, met besprenkelde kleederen van Bozra? deze, die versierd is in zijn gewaad, die voorttrekt in zijne groote kracht? Ik ben het, die in gerechtigheid spreek, die machtig ben te verlossen. Waarom zijt gij rood aan uw gewaad? en uwe kleederen als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; 1)

1

De toepassing dezer woorden op het lijden en sterven van Christus is geheel verkeerd. Het is een van de vele proeven»

-ocr page 349-

H. XIX : 15, 16. DE OPENBARING.

en Ik lieb hen getreden in mijnen toorn, en heb hen vertrapt in mijne grimmigheid, en hunne kracht is gesprengd op mijne kleederen, en al mijn gewaad heb Ik bezoedeld.quot;

De beschrijving van Christus wordt besloten met de woorden: „En hij lie eft op zijn kleed en op zijne heup een naam geschreven: Koning-der koningen en Heer der heeren.quot; (vs. 16.) Dezelfde titel wordt Hem gegeven in Hoofdstuk XVII: 14. Het Lam, dat geslacht werd, is de Koning der koningen en de Heer der hoeren geworden. Vanwege zijne volmaakte gehoorzaamheid tot in den dood des kruises heeft God Hem een naam gegeven, die boven allen naam is.

333

In onze Inleiding op de Openbaring zeiden wij: Christus, de Zoon des menschen, liet geslachte Lam, is het Hoofd boven alle dingen, de Koning der koningen en de Heer der heeren. Onder Hem moeten naar Cods voornemen alle dingen te zamen gebracht worden. Voor Hem moet alle knie zich buigen, en alle tong-moet belijden, dat Hij Heer is. Aan Hem moeten allen zich onderwerpen, en Hem moet iedereen gehoorzamen. Onder zijnen schepter moeten alle volken gebracht worden, en al zijne vijanden moeten gelegd worden tot een voetbank zijner voeten. Welnu, dit resultaat van al Gods plannen en wegen treedt nu te voorschijn. Wij zagen den Rechter der gansche aarde, Israel\'s en der volken Koning, gevolgd door zijne heiligen, zegevierend, met groote kracht en heerlijkheid, den

waartoe het rukken uit het verband van sommige woorden en volzinnen leidt.

-ocr page 350-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 17, 18.

hemel verlaten. De tegenwoordige bcdeeling neemt een einde, en de regeering des vredes en der gerechtigheid begint.

De mededeeling hiervan vangt aan met het oproepen van de vogelen des hemels tot den groeten maaltijd Gods. „En ik zag een engel staande in de zon; en hij riep met een groote stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des lieme 1 s v 1 ogen: Komt herwaarts, verzamelt u tot den grooten maaltijd Gods, opdat gij vleesch eet van koningen, en vleesch van oversten over duizend, en vleesch van sterken, en vleesch van paarden en van hen, die daarop zitten, en vleesch van allen, beide van vrijen en slaven, en kleinen en grooten.quot; (vs. 17, 18.) In Matth. XXIV : 27, 28 zegt de Heer, sprekende over zijne komst en over het oordeel, dat dan volgen zal: „Want gelijk de bliksem uitgaat van liet Oosten, en schijnt tot het Westen, zoo zal de komst van den Zoon des menschen zijn. Want waar het doode lichaam is, daar zullen de arenden vergaderd worden.quot; Welk een tegenstelling met den maaltijd van de bruiloft des Lams! In een en hetzelfde Hoofdstuk de beschrijving van twee maaltijden. Maar welk een verschil! De Gemeente jubelende in den hemel, en de vijanden van Christus terneergeworpen en vernield! Onuitsprekelijk voorrecht door Gods genade te behooren tot die welgelukzaligen, en voor eeuwig bevrijd te zijn van al de gevolgen der zonde!

De beschrijving van het oordeel zelf volgt dan. „En

334

-ocr page 351-

H. XIX: 19 — 21. DE OPENBARING. 335

ik zag het beest en de koningen der aarde en hunne heir legers, vergaderd om k r ij g te voeren tegen hem, die op het paard zat en tegen zij n h eir 1 eger. En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valsche profeet, die de teekenen voor zijn aangezicht gedaan had, waardoor hij verleidde hen, die liet merkteeken van het beest ontvangen li ad-den, en die zijn beeld aanbaden. Deze twee werden levend geworpen in den poel des vnurs, die met zwavel brandt. En de overigen werden gedood met het zwaard van hem, die op het paard zat, dat uit zijnen mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vleesch.quot; (vs. 19—21.) Deze beschrijving is slechts kort, en geeft ons eigenlijk alleen het resultaat der gebeurtenissen. Willen wij ons een voorstelling vormen van hetgeen in die laatste catastrophe gebeuren zal, dan moeten wij ons wenden tot andere Schriftuurplaatsen, voornamelijk uit de Pro-fetiën des Ouden Testaments. Staan wij een oogenblik daarbij stil, en trachten wij ons uit do verschillende mcdedeelingen, welke ons hier en daar gegeven worden, een zooveel mogelijk aaneengesloten geheel te vormen.

„En ik zag het beest en de koningen der aarde en hunne heirlegers, vergaderd om krijg te voeren tegen hem, die op het paard zat en tegen zijn heirleger,quot; zoo zegt Johannes. Hoe komen het beest, dat is het Romeinsche rijk, en de koningen der aarde en hunne heirlegers te zamen vergaderd ? Dat is de belangrijke vraag, die zich als vanzelf aan den aandachtigen lezer

-ocr page 352-

BESCHOUWING OVER H. XIX : 19—21.

voordoet. Wij hebben vroeger gezien, hoe de koning te Jeruzalem als de Antichrist, als de mensch dei-zonde en. de zoon des verderfs, de schrikkelijkste afgoderij zal invoeren, welke ooit op aarde is aanschouwd; hoe hij door zijne satanische macht, door allerlei teekenon en wonderen, de heele wereld in aanbidding zal doen neervallen voor zichzelven en voor het beeld, dat hij in don tempel te Jeruzalem hooft opgericht. Uithoofde daarvan zal de vastelijk besloten verwoesting over de verwoeste worden uitgestort. (Zie Dan. IX : 27.) Wij hebben gezien, hoe het beest, het Romein-sche rijk, met dezen koning in Jeruzalem een verbond sluiten zal en zich door hem zal laten besturen. Dooide komst van Christus, die als de steen togen het beeld van Xebukadnezar zal aanvallen, zal dit rijk ten val gebracht en vernietigd worden. De wijze, waarop dit zal plaats hebben, wordt ons in het laatste gefleelle van Daniël XI en in enkele voorzeggingen van Zacharia medegedeeld.

„Op den tijd van het einde — zoo lezen wij in Daniël XI : 40 — „zal de koning van het Zuiden tegen hom (namelijk den Antichrist, den koning te Jeruzalem, die in de voorafgaande verzen beschreven wordt) met hoornen stooten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen met wagenen en met ruiteren en met vele schepen, en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstroomen en doortrekken.quot; De koning van het Zuiden is de koning van Egypte, en de koning van het Noorden is de Assyriër, de kleine hoorn van Daniël VIII, die niet door zijne eigene kracht, maar door de kracht van een ander — mij dunkt van Rusland — sterk zal zijn. Deze twee zullen

336

-ocr page 353-

H. XIX: 19—21. DE OPENBARING.

tegen den koning van Palestina optrekken, omdat zij beiden het beloofde land willen bezitten. De koning van het Noorden zal de overwinning behalen; hij zal in het land des sieraads, d. i. het Joodsche land, komen, en dit, behalve Edom, Moab en Ammon, in bezit nemen. (Dan. XI : 41.) Jeruzalem zal door hem worden ingenomen. De huizen zullen geplunderd en de vrouwen geschonden worden. De helft der stad zal door hem gevangen genomen en op zijn verderen tocht medegevoerd worden. (Zach. XIV.) quot;Want in plaats van naar zijn land terug te keeren, zal de koning van het Noorden doortrekken naar Egypte, en ook dat land veroveren. Doch terwijl hij hiermede bezig is, wordt hij verschrikt door geruchten van het Oosten en van het Noorden, waardoor hij in zijne veroveringen gestuit wordt, en genoodzaakt is terug te trekken. In groote grimmigheid zal hij dit doen met het voornemen om velen te verdelgen en te verbannen, doch dit zal hem geenszins gelukken. In het land des sieraads (Palestina) teruggekeerd, zal hij op een smadelijke wijze aan zijn eind komen en geen helper hebben. (Dan. XI : 42—45.)

Doch vanwaar komen deze geruchten? Wij herinneren ons, dat de koning van Kanaan, de Antichrist, een verbond heeft gesloten met den keizer van het Romeinsche rijk. Welnu, zoodra deze verneemt, dat de koning van het Noorden Palestina heeft ingenomen, en naar Egypte is doorgetrokken om ook dat land te veroveren, verzamelt hij zijne heirscharen, en snelt zijnen bondgenoot, den Antichrist, te hulp. De geruchten derhalve, welke voor den koning van het Noorden, die in het Zuiden, in Egypte is, van het

22

337

-ocr page 354-

338

Oosten en het Noorden komen, ontstaan door de Ro-meinsche lieirscharen, die in Palestina gevallen zijn om den Antichrist te helpen en de macht des Eomein-schen rijks te handhaven.

Zoo doende zijn dus alle volken in Palestina vergaderd. De Romeinsche heirlegers, met den Antichrist verbonden, staan in slagorde met de koningen der aarde en hunne heirlegers, met den koning van het Noorden en van het Zuiden, in wier midden zich de gevangen Joden bevinden. De groote slag van Arma-géddon wordt geleverd, en het bloed stroomt als water rondom Jeruzalem. (Openb. XVI : 16.) Doch vergeten wij niet, dat, al zijn nijd, ijverzucht en goddeloosheid de oorzaken van de verzameling dier verschillende machten in Palestina, het nochtans de Heere God is, die hen daar vergadert om met één slag hen allen te verdelgen. De politieke woelingen der volken gebruikt Hij tot de bereiking zijner doeleinden. In de profetie van Joël lezen wij dan ook, dat de Heer alle volken brengt naar het dal van Josafat, om aldaar met hen te richten. „Dan zal Ik alle heidenen 1) vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat, en Ik zal met hen aldaar richten.quot; (Joël II : 2, 12.)

En op welke wijze wordt dit oordeel uitgevoerd? Terwijl de verschillende legers met elkaar in het dal van Josafat in bloedigen strijd zijn, verschijnt eensklaps de Heer met zijne heirlegers uit den hemel; en

1

Het is beter om hier en in vele andere plaatsen in de Profeten in plaats van heidenen te vertalen volken, aangezien wij onder heidenen afgodendienaars verstaan, en de natiën, die in deze plaatsen bedoeld worden, geen afgodendienaars zijn, maar tot de Christenheid behooren.

-ocr page 355-

H. XIX: 19 — 21. DE OPENBARING.

339

zoodra de strijdvoerende machten Hem zien, die op het witte paard gezeten is, staken zij hunnen ouderlingen strijd, en vereenigen zich om tegen Hem en zijn heirieger krijg te voeren. Al weten zij misschien ook niet, van wien het heirieger is, dat zoo plotseling als hun tegenpartij opdaagt, de duivel, die hen leidt en aanvoert, weet zulks zooveel te beter; en al is hij er ook van verzekerd, dat niemand voor den Heer der heerlijkheid bestaan kan, zoo voert hij nochtans, in machtelooze woede, zijne heirlegers den Heere te gemoet. Dwaze vermetelheid! Eén oogenblik later, en die gansch groote menigte ligt verslagen ter aarde! Nadat de Heer den Olijfberg, van welken Hij ten hemel voer, en op welken Hij wederkomen zal, in tweeën zal hebben gespleten, om daardoor aan de bekeerde Joden gelegenheid tot ontvluchten te geven, (zie Zach. XIV : 4, 5.) zal Hij al de in het dal van Josafat vergaderde volken verdelgen. „Het beest,quot; de keizer van het Romeinsche rijk, en de „valsche profeet,quot; de Antichrist, worden levend geworpen in den poel des vuurs, die met zwavel brandt; terwijl al de overigen, al die duizenden, gedood worden met het zwaard van hem, die op het paard zit. Ziedaar het schrikkelijk einde van allen, die zich tegen den Heer en zijnen Gezalfde hadden verzet! Als de goddeloosheid op het hoogst geklommen is; als het ongeloof en de verwerping van God hun toppunt hebben bereikt; als de mensch in blakende vijandschap zich tegen Christus verzet; als het schijnt alsof het recht nimmermeer zal zegevieren, alsof er geen licht in de duisternis meer komen zal, alsof de duivel alle macht in handen heeft, dan komt plotseling de Heer, en maakt door de

-ocr page 356-

BESCHOUWING OVER

H. XX: 1—8.

340

verdelging zijner vijanden eensklaps een einde aan den machteloozen tegenstand des satans.

Hoofdst. XX. — Doch de Heer maakt door de verdelging zijner vijanden niet alleen een einde aan den tegenstand des satans; maar Hij grijpt den satan zelf, en bindt hem duizend jaren. „En ik zag een engel nederdalen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds en een groote keten in zijne hand. En hij greep den draak, de oude slang, welke de duivel en satan is, en bond hem duizend jaren; en wierp hem in den afgrond, en sloot, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden voleindigd zijn; daarna moet hij een kleinen tijd worden losgelaten.\'\' (vs. 1 — 3.)

Welk een gewichtige en verblijdende gebeurtenis! De duivel, de leugenaar van den beginne, de moordenaar van de zielen der menschen, de slang, die het zaad der vrouw had verwond, de vorst dezer wereld, die al zijne woede tegen den Heer en zijnen Gezalfde had gekoeld, duizend jaren gebonden! Geen verzoeking tot zonde zal er meer van hem uitgaan; geen oorlog, twist en tweedracht door hem worden aangestookt; geen vuur op zjjn bevel van den hemel vallen; geen storm ter bereiking zijner booze plannen ontstaan; met één woord, aan al het onheil, dat nu door hem aangericht wordt, is dan een einde. Welk een vreugde zal er zijn onder de bewoners der aarde! Verheugen zich de bewoners des hemels met onuitsprekelijke

-ocr page 357-

DE OPENBARING.

H. XX : 1—3.

341

vreugde, als de duivel uit den hemel op de aarde geworpen wordt, en de aanklager der broederen voorgoed zijne plaats in de hemelsche gewesten heeft verlaten, niet minder groot zal de blijdschap onder de bewoners der aarde zijn, als de duivel voor duizend jaren in den afgrond gebonden is.

Doch die vreugde zou niet van langen duur zijn, indien er niet nog een andere gebeurtenis plaats greep, \'t Zou toch waarlijk niet veel baten, als al de vijanden Gods van de aarde verdwenen waren en de duivel gebonden was, indien er niet in plaats van hunne heerschappij een andere kwam, die recht en gerechtigheid, orde en regel invoerde. Het menschelijk hart toch is boos meer dan eenig ding. En al zou ook door de gevangenneming van den duivel de uitbarsting dier boosheid veel verminderen, zoo kon er toch geen spraak zijn van ware gerechtigheid en van waarachtige vreugde, indien niet de Heer Jezus, de Vorst des levens en des vredes, de teugels van het bewind in handen nam en op aarde regeerde. Welnu, dat zal juist plaats vinden. Wij zagen Hem in het vorige hoofdstuk uit den hemel komen om zijne vijanden te verdelgen; en zoodra Hij dit zal gedaan hebben, begint Hij zijn heerlijk koninkrijk, waarvan de profeten des Ouden en Nieuwen Testaments getuigen.

Dit koninkrijk noemen wij het duizendjarig rijk, omdat hier in de Openbaring gezegd wordt, dat de duivel duizend jaren zal gebonden zijn, en de heiligen duizend jaren met Christus zullen heerschen. (vs. 6.) Nergens elders in de Schrift wordt ons de duur van dit koninkrijk aangegeven; doch alle profeten des Ouden Testaments getuigen er van; de Heer zelf

-ocr page 358-

BESCHOUWING OVER H. XX : 1 — 3.

sprak er meermalen over bij zijne omwandeling op aarde; de Apostelen spreken er gedurig over, zoowel in hunne mondelinge prediking als in hunne brieven. Het is dat koninkrijk, \'t welk Johannes de dooper aankondigde; waarvan de Heer en zijne discipelen zeiden: „Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen;quot; \'t welk door de Joden werd verworpen, en dientengevolge door den Heer overgegeven werd in de handen van den mensch. Het is dat koninkrijk, \'t welk ook nu bestaat, maar door Jezus\' verwerping in een geheel bijzonderen toestand verkeert, aangezien de Koning, evenals de welgeboren man in de gelijkenis, naar een vergelegen land, den hemel, is gegaan, om op den door den Vader bepaalden tijd weder te keeren, de ergernissen er uit te verwijderen, de goddeloozen, die er in zijn, te verdoen, om hét dan in heerlijkheid op te richten, en het eindelijk, nadat er duizend jaren zullen zijn verloopen, volgens Paulus\' woorden in 1 Kor. XV, aan den Vader weder te geven, opdat God zijn zou alles en in allen.

Heerlijk zal de toestand op aarde zijn in dat koninkrijk van Christus. De vloek van de aarde zal opgeheven zijn. Geen doornen en distelen zal het aardrijk meer voortbrengen; (Jes. LV : 13.) de woestijnen zullen vruchtbaar worden; (Jes. XXXV : 1, 2; XLIII : 18, 20.) zoodat de mensch niet meer in het zweet zijns aanschijns zijn brood zal behoeven te eten. De strijd tusschen de dieren onderling zal ophouden; de wolf zal met het lam verkeeren, en de luipaard bij den geitenbek nederliggen. (Jes. XI; Hos. II : 17.) De volken zullen hunne zwaarden tot spaden en hunne spiesen tot sikkelen slaan, zoodat er geen oorlog meer

342

-ocr page 359-

H.XX:1—3. DE OPENBARING.

343

wezen zal. (Micha IV ; 3, 4.) De afgoderij zal geheel van den aardbodem verdwenen zijn, (Jes. II ; 18.) en de eenige, waarachtige God zal gekend en aangebeden worden. (Jes. LXVI : 23.) Al de bestuurders der volken zullen als dienstknechten van Christus regeeren en de gerechtighèid zal onpartijdig worden uitgeoefend. (Jes. XXXII : 1; Ps. LXXII.) Alle volken zullen jaarlyks optrekken naar Jeruzalem om den Koning, den Heer der heirscharen, te aanbidden en het feest der loofhutten te vieren. (Zach. VIII en XIV.) En hoewel de zonde niet verdwenen zal zijn, maar integendeel van tijd tot tijd zich zal openbaren, om dan met den dood te worden gestraft, (Jes. LXV : 20.) zoo zal toch de aarde vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. (Hab. II: 14.) En van Gods oude volk wordt gezegd: Geheel Israël zal behouden worden; zij zulleu mij allen kennen van den kleinen onder hen tot den grooten onder hen, zoodat niemand tot zijn medeburger zal behoeven te zeggen: ken den Heer. (Rom. XI : 26; Jer. XXXI.) Gods Geest zal over hen uitgestort; zijne wetten zullen in hunne harten geschreven en al hunne zonden vergeven zijn. (Ezech. XXXIX : 27; Jer. XXXI: 31.) Memand zal meer leed doen op den berg van Gods heiligheid, en een ongekende voorspoed en rijkdom zal het deel der Israëlieten zijn. (Jes. LXI.) In den heerlijken tempel, door Ezechiël beschreven, zullen zij den God hunner vaderen in waarheid en oprechtheid dienen en aanbidden; en vandaar zullen uitgaan de geestelijke zegeningen voor de gelukkige bewoners der aarde. 1)

1

Ik kau hier slechts een korte schets geven van de heerlijk-

-ocr page 360-

BESCHOUWING OVER H. XX : 1—8.

Doch hoe heerlijk dit alles ook wezen zal, \'t wordt alles overtroffen door het onwaardeerbaar voorrecht den Heer der heerlijkheid zelf te aanschouwen en Hem te hebben in het midden. Wel zal de Heer niet wonen op aarde. Dat deed Hij de eerste maal. „Het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond? Zijne woning, en zoo ook de woning zijner Bruid, is de hemel, het heerlijk Huis des Vaders. Maar Hij zal op aarde verschijnen, zichtbaar voor iedereen, niet een- of tweemalen, maar duizende malen, zoo dikwerf zulks noodig wezen zal. „Gelijkerwijs Hij ten hemel gevaren is , zoo zal Hij wederkomen,quot; zeiden de engelen tot de verbaasde discipelen. Zijne voeten zullen staan op den Olijfberg. Zij zullen zien, in wien zij gestoken hebben. Hij zal met hen aanzitten in zijn koninkrijk, met Abraham, Izaak en Jakob. Hij zal door de Zijnen in triomf worden ingehaald in Jeruzalem, en daar zitten op den troon zijner heerlijkheid. Welk een vreugde zal dat zijn! Hoe heerlijk zal het zijn zich onder een Koning te buigen, gelijk Hij is: zóó wijs, dat Hij zich nooit in eenig opzicht kan bedriegen — zóó rechtvaardig, dat Hij over allen met dezelfde gerechtigheid zal heerschen — zóó volmaakt in liefde, dat Hij met de meeste teederheid allen zal behandelen — en zóó machtig, dat Hij over de gansche uitgestrektheid van zijn onmetelijk ryk alles in de beste orde zal houden!

Aan deze heerschappij van Christus zal de Gemeente

heid des duizendjarigen rijks; wie een uitvoeriger beschrrving daarvan lezen wil, verwijs ik mij naar mijn boek: De toekomst onzes Heeren Jezus Christus en de daarmede in verband staande gebeurtenissen, waarvan onlangs do vierde druk verscheen.

344

-ocr page 361-

H. XX : 4. DE OPENBARIIfG.

deelnemen. Dit wordt ons in de volgende woorden medegedeeld: „En ik zag tronen, en zij zaten daarop; en hun werd het oordeel gegeven.quot; (vs. 4.) Uit het verband blijkt duidelijk, wie dit zijn. In het begin van het vorige Hoofdstuk worden de vier en twintig oudsten — de vertegenwoordigers der hemelsche heiligen — voor de laatste maal vermeld; daarna wordt de bruiloft des Lams in den hemel gevierd; dan verschijut de Heer van den hemel met groote kracht en heerlijkheid, gevolgd door de heir-legers in den hemel; en nadat het oordeel over de vijanden heeft plaats gehad en de satan gebonden is, ziet de Profeet de heiligen, die met Jezus van den hemel nederdaalden, op tronen zitten, en aan ben het oordeel toevertrouwen. De Heer zeide tot de twaalven: „Gij zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf stammen Israëls.quot; Paulus zegt tot de Korinthiërs: „Weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordeelon?quot; En in den brief aan Thyatfre wordt den overwinnaars beloofd, dat zij macht over de volken ontvangen zullen. Zoo zal dus de Gemeente des Heeren — waarschijnlijk met de heiligen des Ouden Yerbonds — aan het oordeel over de wereld en aan de heerschappij van Christus over de volken deelnemen.

Velen meenen, dat de boven aangehaalde woorden hunne vervulling in den hemel vinden; doch zij vergissen zich daarin zeer. In den hemel is zulk een toestand niet. De twaalf stammen worden alleen op aarde als zoodanig gekend. En wat zou er in den hemel voor de heiligen te oordeelen zijn? Allen zijn daar verheerlijkt en gezegend. Zoodat het duidelijk genoeg is, dat deze beloften des Heeren alleen kunnen

345

-ocr page 362-

BESCHOUWING OVER H. XX : 4.

vervuld worden hier op aarde, wanneer de Heer de wereld oordeelen en daarna in gerechtigheid besturen zal.

Er worden nu nog behalve de heiligen, die met Christus van den hemel komen, twee bijzondere klassen van heiligen genoemd, die eveneens met Christus duizend jaren zullen heerschen. „En ik zag de zielen dergenen, die om de getuigenis van Jezus en om het woord Gods onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden, en het merk tee ken aan hun voorhoofd en aan hunne hand niet ontvangen hadden; en zij leefden en heerschten met Christus duizend jaren.quot; (vs. 4.) „Ik zag de zielen;\'\'\'\' hieruit blijkt, dat deze heiligen nog niet waren opgewekt uit de dooden. „En zij leefdenhiev-uit volgt, dat zij op dat oogenblik uit de dooden opstonden. Terwijl de heiligen, die de Gemeente vormen, lang van te voren waren opgewekt en verheerlijkt, met Christus het bruiloftsmaal gevierd hadden en met Hem van den hemel gekomen waren, bevonden deze heiligen zich nog in den hades, in het paradijs; en worden zij eerst nu, bij het begin van de regeering van Christus op aarde, uit de dooden opgewekt Deze heiligen zijn in twee klassen verdeeld: 1°. degenen, die om de getuigenis van Jezus en om het woord Gods onthoofd waren; en 2°. degenen, die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden, en het merk-teeken aan hun voorhoofd en aan hunne hand niet ontvangen hadden. De eersten vonden wij in het zesde Hoofdstuk onder het altaar, om wraak roepende over hunne vijanden. (Zie blz. 135—140.) De laatsten.

346

-ocr page 363-

H. XX: 5, 6.

347

DE OPENBARING.

hunne broeders, op wie zij wachten moesten, zagen wij onder de regeering van den Antiehzüst vervolgd en ter dood gebracht. (Zie blz. 201—249.) Nu de dag der wraak was gekomen, en al de vijanden des Heeren, welke hen hadden gedood, door Jezus\' komst waren vernietigd, worden zij gezamenlijk uit de dooden opgewekt, en ontvangen met de Gremeente van Christus en met al de heiligen des Ouden Yerbonds deel aan de duizendjarige regeering van Christus. „Zij leefden en heerschten met Christus duizend jaren.quot;

Met de opwekking dezer heiligen is de eerste opstanding gesloten. „De overige der dooden werden niet levend, totdat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding.quot; (vs. 5.) Deze overige der dooden zijn de verlorenen. Dit blijkt duidelijk uit hetgeen volgt. „Welgelukzalig en heilig die aan de eerste opstanding deel heeft; over dezen heeft de tweede dood geen macht.quot; (vs. 6.) Allen, die in het geloof gestorven zijn, in welken tijd zij ook leefden, of tot welke bedeeling zij ook behoorden, hebben deel aan de eerste opstanding; terwijl alle anderen, de ongeloovigen, die verloren gaan, eerst na de duizend jaren uit hunne graven zullen te voorschijn komen, en door den Heer zullen geoordeeld worden; zij gaan in den tweeden dood, in den poel des vuurs. (Zie vs. 13, 14.)

Hieruit blijkt dus duidelijk, dat de meening van vele geloovigen, eeuwen lang de algemeene opinie, alsof er slechts ééne opstanding, die der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen tegelijk, zal plaats hebben, in strijd is met de waarheid. Er is een eerste

-ocr page 364-

BESCHOUWING OTER

H. XX : 5, 6.

348

en een tweede opstanding. De eerste opstanding is meer dan duizend jaren vroeger dan de tweede. Tot de eerste behooren alle gezaligden; tot de tweede alleen de verlorenen. De eerste is een opstanding uit de dooden, de tweede een opstanding der dooden; dat wil zeggen, bij de eerste opstanding staan de heiligen op uit het midden der overige dooden, die in hunne graven achterblijven; terwijl bij de tweede opstanding alle gestorvenen uit hun graf verrijzen. Bovendien is de eerste opstanding in verschillende tijdperken verdeeld. Christus is de eersteling der ontslapenen. Hij is de eerste, die uit de dooden is opgewekt. Met Hem begint dus de eerste opstanding. Daarna volgen die van Christus zijn bij zijne komst: de gemeente, zooals wij gezien hebben vóór de oordeelen, en de andere heiligen bij Jezus\' komst op aarde, in het begin der duizend jaren. 1) De heiligen, die gedurende de duizend jaren leven, die in dien tijd niet zullen sterven, worden natuurlijkerwijze na de duizend jaren, als Christus zijn koninkrijk den Vader overgeeft, veranderd en voor de eeuwige heerlijkheid geschikt gemaakt.

Allen nu, die aan de eerste opstanding deel hebben, „zullen priesters zijn van God en van Christus, en zullen met hem heerschen duizend jaren.quot; (vs. 6.) In het eerste Hoofdstuk zingt de Gemeente: „Hem, die ons liefheeft, en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijnen God en Vader, hem zij de heerlijkheid.quot; Op gelijke wijze zingen de

1

Zie over dit onderwerp mijn boek „jDe Toekomst on zes Hee-ren Jezus Christus en de daarmede in verhand staande geheur-tenissen,quot; blz. 77.

-ocr page 365-

DE OPENBARING.

349

H. XX : 7.

heiligen in deu hemel in het vijfde Hoofdstuk. Doch Petrus spreekt in meer algemeenen zin van al de heiligen, en zegt tot hen: „Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom.quot; Zoodat allen, die uit de dooden worden opgewekt en verheerlijkte lichamen ontvangen, met Christus duizend jaren zullen heerschen, en priesters van God en van Christus wezen zullen.

quot;Wij worden nu opeens aan het einde des duizendjarigen rijks verplaatst. Zooals ik vroeger reeds opmerkte, geeft de Openbaring ons geen beschrijving van de heerlijkheid en de zegeningen van Christus\' regeering op aarde. Die wordt als bekend voorondersteld, omdat de Profeten des Ouden Yerbonds uitvoerig daarvan spraken. Wat wij in de Openbaring vinden, is de mededeeling van onbekende bijzonderheden, en bovenal de volgorde der gebeurtenissen, zoodat wij ons, voor zooverre dit thans reeds mogelijk is, door de samenvoeging der verschillende profetieën een voorstelling maken kunnen van hetgeen er in de laatste dagen zal plaats vinden.

„En wanneer de duizend jaren zullen voleindigd zijn,quot; zoo zegt de Profeet. Ja, het duizendjarig rijk neemt een einde. Hoe heerlijk het ook wezen zal, het blijft niet bestaan. Het koninkrijk op aarde, \'twelk de Vader aan zijnen Zoon gegeven heeft, neemt een einde, en wordt door Hem aan den Vader teruggegeven. ,,Wanneer hem alle dingen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden aan dien, die hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God (d. i. Vader, Zoon en Heilige Geest) zij alles in

-ocr page 366-

BESCHOUWING OVER H. XX ; 7—9.

allen.quot; (1 Kor. XV : 28.) Als de eeuwige Zoon des Vaders zal Hij tot in eeuwigheid regeeren, en wij met Hem; doch zijne regeering als Zoon des menschen, welke Hem door den Vader was toevertrouwd, opdat Hij alle dingen aan zijne voeten onderwerpen zou, neemt een einde, en wordt door Hem, zooals Hij die ontvangen had, ongerept en onberispelijk, in de handen des Vaders gesteld. Niemand anders dan Hij kan dit doen. Alle anderen bedierven , wat hun werd toevertrouwd; Hij alleen geeft het Hem toevertrouwde,juist zooals Hij het ontvangen had, terug.

Doch eer deze overgave van het koninkrijk plaats hééft, gebeurt er nog iets anders. De satan, die duizend jaren gebonden was, wordt uit zijne gevangenis losgelaten ; en nauwelijks is hij vrij, of hij begint opnieuw zijne boosheid te openbaren en de menschen te verleiden. Duizend jaren gevangenschap hebben hem niet veranderd. En ach! ook de menschen zijn dezelfde gebleven, al leefden zij ook duizend jaren onder de heerlijke regeering van Christus. „De satan zal uit zijne gevangenis worden losgelaten; en hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn. Grog en Magog, om hen tot den krijg te verzamelen, wier getal is als het zand der zee. Enzij kwamen op over de breedte der aarde, en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en er daalde vuur neder van God uit den hemel, en verslond hen.quot; (vs. 7—9.) Ziedaar dus de uitwerking, welke de zegen des vrederijks op den mensch gehad heeft. Zelfs deze laatste proef heeft hij niet kunnen doorstaan. Noch het

350

-ocr page 367-

H. XX : 7—9. DE OPENBARING.

351

paradijs, nocli de zondvloed, de wet zoomin als de genade, de gave van Gods Zoon evenmin als de gave des Heiligen Geestes, de schrikkelijke oordeelen, die gelijk een stormwind het geluk en de welvaart van den mensch vernietigen, zoo min als de duizendjarige zegeningen, welke als een verkwikkende regen op het dorstige aardrijk zullen nederdalen — niets, niets zal in staat zijn de natuur van den mensch te veranderen. De mensch is onverbeterlijk slecht; hij is een onverzoenlijke vijand van God. Nauwelijks zal de duizendjarige heerlijkheid, om welke te zien en te bewonderen ontelbare scharen naar Jeruzalem zullen stroomen, voorbijgegaan en de duivel weer losgelaten zijn, of de onbekeerde volken, die zich slechts geveinsdelijk aan Christus onderworpen hebben, zullen opnieuw door den aartsvijand van God worden opgehitst, en de geliefde stad — Jeruzalem — omsingelen. De menschen, die gedurende het duizendjarige rijk in vrede met elkander geleefd hebben, staan, zoodra de leugenaar van den beginne zijn werk der duisternis weer aanvangt, opnieuw in vijandschap tegenover elkander. Het wordt openbaar, wie zich in waarheid, met zijn hart, aan Christus heeft onderworpen, en wie het slechts gedwongen door de omstandigheden deed. Evenals thans, wanneer een machtig vorst vele landen verovert, de volken zich niet aan hem onderwerpen, omdat zij hem liefhebben en dienen willen, maar omdat zij bang zijn voor zijnen toorn, zoo zullen ook in de duizend jaren groote scharen zich aan Christus onderwerpen, omdat zij niet anders kunnen, terwijl nochtans hun hart verre van Hem is. Zoodra daarom de satan weer is losgelaten en hen verleidt, stellen zij zich opnieuw

-ocr page 368-

BESCHOUWING OVER H. XX : 10.

onder zijne heerschappij, en laten zich door hem aanvoeren ten krijg tegen de heiligen Gods. Doch zij worden dan in één oogenblik vernietigd. Er daalt vuur neder van God uit den hemel, en verslindt hen. Alle vijanden des Heeren vergaan. Zoodat alleen zij overblijven, die zich in waarheid tot den Heer bekeerd hebben. Dezen beërven met ons de eeuwige heerlijkheid, en zullen dus, gelijk ik reeds vroeger opmerkte, nieuwe, verheerlijkte lichamen ontvangen, aangezien hunne sterfelijke en verderfelijke lichamen voor de eeuwige heerlijkheid niet geschikt zijn.

En welk zal het lot zijn van den duivel ? Hij wordt voor altijd geworpen in de hel. „En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel van vuur en zwavel, waar zoowel het beest als de valse he profeet zijn, en zij zullen gepijnigd worden, dag en nacht, tot in alle eeuwigheid.quot; (vs. 10.) Hiermede is de paradijsbelofte volkomen vervuld. Het zaad der vrouw zou de slang den kop vermorselen. Christus heeft aan het kruis de helsche machten tentoongesteld en over hen getriomfeerd. Hij heeft, in den hemel opgevaren, de gevangenis gevangen genomen. En na den duivel eerst uit den hemel geworpen, en hem daarna duizend jaren in den afgrond gebonden te hebben, werpt Hij hem voor eeuwig in den poel van vuur en zwavel. Van een rijk des duivels is derhalve dan geen spraak meer. Hij is thans de vorst dezer wereld, maar hij zal dan geen vorst meer zijn; integendeel hij zal gevangen en gebonden zijn, en dag en nacht, tot in alle eeuwigheid, gepijnigd worden.

quot;Wij moeten evenwel nog bij ééne bijzonderheid in

352

-ocr page 369-

DE OPENBARING.

H. XX : 10.

353

deze mededeeling stilstaan. Er wordt gezegd, dat de duivel zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot den krijg te verzamelen. Wat wordt hier met Grog en Magog bedoeld? Ik geloof, dat het een zinspeling is op den grooten strijd, die in het begin der duizend jaren, volgens de profetie van Ezechiël, zal plaats vinden. Evenals toen die groote heirscharen door den Heer werden vernietigd, zoo zullen ook deze op gelijke wijze vergaan. Uit Ezechiël XXXVIII en XXXIX blijkt toch duidelijk, dat de daar beschreven krijg zal plaats hebben, 1°. niet vóór, maar na de komst des Heeren op aarde, en 2°. niet na, maar in het begin der duizend jaren.

1°. Er wordt door Ezechiël gezegd, dat Gog komen zal „in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als het uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij aUemaal zeker zullen wonen.quot; Dan zal Gog zeggen: „Ik zal optrekken naar het dorpland, ik zal komen tot hen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal zeker wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.quot; (vs. 8, 11.) Daar nu het volk Israël eerst zeker wonen en in rust zijn zal, nadat de Heer Jezus gekomen is, om den Antichrist te verdoen en het beest te vernietigen, zullen dus de hier beschreven gebeurtenissen na de komst des Heeren plaats vinden.

2°. Deze gebeurtenissen zullen plaats vinden in het begin en niet na de duizend jaren; want de Profeet deelt ons mede, dat de kinderen Israëls zeven maanden bezig zullen zijn om de lijken der gevallenen te be-

23

-ocr page 370-

BESCHOUWING OVER H. XX : 10.

graven, en zeven jaren vuur zullen stoken van de wapenen dezer heirscharen; \'t welk natuurlijk onmogelijk na de duizend jaren zal kunnen geschieden.

En wie is Gog ? Het antwoord op die vraag wordt ons gegeven in het 2de vers van Hoofdstuk XXXVIII. Volgens een betere vertaling lezen wij daar: „Men-schenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den vorst van Ros, Mesech en Tubal.quot; Ros beteekent Rusland, Mesech is de oude naam van Moskow, en Tubal de oude naam van Tobolsk, de hoofdstad van Aziatisch Rusland. De keizer van Rusland , onbekend met de kracht des Heeren, en mee-nende, dat door de vernietiging van het Romeinsche ryk alles in zijne hand is gegeven, zal, verbonden met do Perzen, Mooren, Puteërs en de inwoners van Togarma (een deel van Klein-Azië) met zijne onzag-lijke legers tegen Palestina optrekken, en dat land als èen wolk bedekken. Doch deze gansch groote menigte wordt door den Heer vernietigd. Israël behoeft niet te strijden, want de Heer brengt tweedracht onder hen, zoodat het zwaard van een ieder zal zijn tegen zijnen broeder. En de Heer zal met hem rechten door pest en door bloed; en Hij zal een overstelpenden plasregen en groote hagelsteenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, en op de heirlegers, die met hem zijn.

In vs. 11—-15 volgt nu het slottooneel, waardoor met deze aarde en hare bewoners voorgoed is afgehandeld. „En ik zag een grooten witten troon, en hem die daarop zat, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats werd voor die gevonden.quot; (vs. 11.)

354

-ocr page 371-

DE OPENBARING.

H. XX: 11.

355

Staan wij eerst stil bij dit wegvlieden van de aarde en den hemel. In den brief aan de Hebreërs lezen wij: „Maar Hij heeft nu beloofd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik doen beven niet alleen de aarde, maar ook den hemel. En dit „nog eenmaalquot; duidt aan de verandering der bewegelijke dingen, als die gemaakt zijn, opdat blijven zullen de dingen, die niet bewegelijk zijn.quot; God heeft dus de aarde en den hemel, d. i. het uitspansel, niet in den tegenwoordigen toestand gebracht, opdat zij altijd in dien toestand blijven zouden, maar opdat daarvoor de onbewegelijke dingen, dat is de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in de plaats zouden komen. Hoe dit geschieden zal, zegt Petrus ons: „De tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door zijn woord als een schat weggelegd, en worden voor het vuur bewaard tot den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen. Maar de dag des Heeren zal komen als een dief, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen brandende zullen vergaan, en de aarde en de werken, die daarop zijn, zullen verbranden.quot; (2 Petr. III.) De elementen zullen brandende vergaan; daarom wordt in het eerste vers van Hoofdst. XXI gezegd: „en de zee was niet meer.quot; De aarde, haar ontstaan hebbende uit water en in water, zooals Petrus zegt, zal geheel veranderen en vernieuwd worden, en dan uit andere bestanddeelen bestaan.

Doch gaan wij verder, en beschouwen wij het tooneel, \'t welk ons hier als het einde van alles wordt voorgesteld. „En ik zag een grooten witten troon, en hem die daarop zat,quot; zegt Johannes. quot;Wie is op dezen troon gezeten? Niemand anders dan Jezus Christus,

-ocr page 372-

BESCHOUWING OVER H. XX : li.

356

de Koning der koningen en de Heer der heeren. 1) „De Yader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel aan den Zoon gegeven, opdat allen den Zoon eeren, gelijk zij den Yader eerenheeft de Heer zelf gezegd. En Paulns zegt, dat Jezus „door God verordend is tot een rechter van levenden en dooden.quot; Gelijk de Heer Jezus Christus tot nu toe het oordeel over de levenden had uitgevoerd, zoo treedt Hij hier op als de Rechter der dooden. Alle dooden worden voor den grooten witten troon gedaagd: „En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor den troon.quot; Klein en groot beteekent: aanzienlijk en gering, met één woord: alle menschen, tot welken stand zij ook behoord hadden. „En de zee gaf de dooden, die in haar waren, en de dood en de hades gaven de dooden, die in hen waren.quot; Alle gestorvenen, waar zij zich ook bevinden mogen, in de zee of op het land, worden opgewekt. Hunne zielen verlaten den hades, waar zij tot nu toe vertoefd hebben, en hunne lichamen verrijzen uit het graf. Het is de Heer Jezus, die ze opwekt, volgens zijn eigen woord in Joh. V : 28 : „De ure komt, waarin allen, die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding des oordeels.quot; Dit is in algemeenen zin gesproken, en beteekent geenszins, dat de rechtvaardigen en goddeloozen teyelijh zullen worden opge-

1

Men merke op, dat wij in vs. 12 niet met den Textua Re-ceptus moeten lezen: ,staande voor God,quot; maar „staande voor den troon.quot;

-ocr page 373-

DE OPENBARING.

H. XX : 11.

357

wekt. Wij hebben vroeger bewezen, dat de Schrift ons het tegenovergestelde leert, en uitdrukkelijk van twee opstandingen, van een eerste en een tweede, spreekt. Tot de eerste behooren al de rechtvaardigen; tot de tweede alleen de goddeloozen. Dat de Heer van een ure spreekt, behoeft waarlijk geen bezwaar te zijn, aangezien Hij in het geheel niet denkt aan een werkelijke ure, maar aan een tijdperk. Hij zegt toch in datzelfde Hoofdstuk, sprekende over de prediking des evangelies; „De ure komt, en is nu, dat de dooden de stem des Zoons van God zullen hooren, en die ze gehoord hebben, zullen leven;quot; en deze ure heeft reeds meer dan achttien honderd jaren geduurd.

Alle gestorvenen, van het begin der wereld af, worden derhalve door den Heer uit hunne graven geroepen. Zij ontvangen hun lichaam, waarin zij gezondigd hebben, weer terug; nochtans in zooverre veranderd, dat het eeuwig kan blijven bestaan. Met dat lichaam toch, waarmede zij voor den troon staan, worden zij geworpen in de hel. Deze opstanding wordt daarom terecht „een opstanding des oordeels\'quot; genoemd. De dooden verschijnen voor den grooten witten troon om geoordeeld te worden. Hooren wij, hoe ons dit medegedeeld wordt. „En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor den troon, en er werden boeken geopend; en een ander boek werd geopend, \'twelk dat des levens is. En de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar huane werken. En de zee gaf de dooden, die in haar waren, en de dood en de hades gaven de dooden, die in hen waren; en zij werden

-ocr page 374-

BESCHOUWING OVER H. XX : 12—15.

geoordeeld, een iegelijk naar hunne werken. Eu de dood en de hades werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood, de poel des vuurs. En indien iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.quot; (vs. 12—15.)

Het is duidelijk, dat hier alleen sprake is van oor-deelen. Welk een verschil met het tooneel in Mattheüs XXV! Daar staan rechtvaardigen en onrechtvaardigen voor den rechterstoel; en terwijl de bokken naar de hel gezonden worden, ontvangen de schapen het koninkrijk. Hier zijn alleen goddeloozen; en derhalve vernemen wij van niets anders dan van oordeel. Het boek des levens wordt geopend, om te doen zien, dat de namen van hen, die voor den grooten witten troon staan, daarin niet gevonden worden; want niet opgeschreven te staan in het boek des levens, is voldoende om eeuwig verloren te gaan, en in den poel des vuurs geworpen te worden. „Indien iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.quot; Maar behalve dit boek des levens werden de boeken geopend; en allen werden geoordeeld naar hunne werken. In die boeken staan hunne werken opgeteekend. Hun geheele leven, zelfs al wat in het verborgen geschied is, wordt openbaar aan het licht gesteld, en daarnaar worden zr geoordeeld. Hoewel dus allen, die voor den troon staan, verloren zijn, zoo zal de straf voor allen niet dezelfde zijn. Het zal, zooals de Heer zegt, den een in .den dag des oordeels verdragelijker zijn dan den ander; de een zal met vele, de ander met weinige

358

-ocr page 375-

H. XX : 12—15. DE OPENBARING.

slagen geslagen worden. Derhalve is het niet waar, wat sommigen leeren, dat de goddeloozen alleen om hun ongeloof zullen verloren gaan. Er wordt hier uitdrukkelijk gezegd, dat zij zullen geoordeeld worden naar hunne werken, en in den poel des vuurs geworpen worden, omdat hunne namen niet staan in het boek des levens. En hiermede wordt tevens de groote dwaling van velen in onze dagen weersproken, als zou de heele wereld met God verzoend zijn, en Christus de zonden van alle menschen gedragen hebben. Ware dit zoo, dan kon er natuurlijk van een oordeel naar hunne werken geen sprake meer zijn, ja, niet eens meer van verloren gaan, aangezien de hel toch niet vol zijn kan van met God verzoende en van hunne zonden gereinigde menschen.

„De dood en de hades gaven de dooden, die in hen

waren.....En de dood en de hades werden geworpen

in den poel des vuurs.quot; Wij hebben hier een duidelijk, onwedersprekelijk bewijs, dat de hades niet de hel is, want dan zou er hier staan, dat de hel geworpen werd in de hel; aangezien de poel des vuurs, zooals hier en uit vs. 10 blijkt, de plaats der eeuwige straf en dus de hel is. De hades is, gelijk ik vroeger reeds opmerkte, de plaats, waar de zielen der menschen na den dood heengaan. Bij de eerste opstanding verlaten de ziele\' der heiligen deze plaats, terwijl de zielen der goddeloozen er blijven tot na de duizend jaren. Dan roept de Heer ze daarvandaan, en stelt ze voor zijnen rechterstoel. Daarom wordt er hier gezegd: „de dood en de hades gaven de dooden, die in hen waren.quot; En wanneer dan alle menschen zijn opgewekt, en zich niemand meer in den hades bevinden zal, dan hebben

359

-ocr page 376-

BESCHOUWIXG OVER

H. XX: 12—15.

360

zij beiden hunne macht verloren, en worden om hunne algeheele vernietiging duidelijk voor oogen te stellen, als personen voorgesteld, die in den poel des vuurs hunnen ondergang vinden. De laatste vijand is dan te niet gedaan. De Heer Jezus heeft al zijne vijanden geoordeeld, en alle dingen aan zjjne voeten onderworpen.

Merken wij hierbij nog op, dat de straf der verlorenen een eeuwige wezen zal. Hoe duidelijk zulks ook in do Schrift geleerd wordt, zoo wordt het toch, ook weer in onze dagen, door velen, zelfs door geloovigen, ontkend, en het is daarom belangrijk om bij elke gelegenheid de ontzettende dwaling daarvan aan te toonen. Wij zijn hier aan het einde aller dingen. Wat volgt is de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. En aan het einde aller dingen wordt ons gezegd, dat de verlorenen geworpen worden in den poel des vuurs, waar, volgens vs. 10, de duivel reeds was, en het beest en de valsche profeet, en waar zij gepijnigd worden, nacht en dag, tot in alle eeuwigheid.

Het oordeel, \'twelk ons in deze verzen beschreven wordt, is dus het laatste oordeel. Wat men gewoonlijk het laatste oordeel noemt, en waaronder men het verschijnen van alle menschen, rechtvaardigen en godde-loozen tegelijk, voor Gods rechterstoel verstaat, gelijk zulks dan ook op schilderijen staat afgebeeld, is ons gebleken een totale vergissing te zijn. Hoewel alle menschen voor den rechterstoel van Christus zullen geopenbaard worden, (zie 2 Kor. V.) zoo zal dit geenszins op hetzelfde oogenblik gebeuren. De rechtvaardigen duizend jaar vroeger dan de goddeloozon. En zelfs zullen niet alle rechtvaardigen gezamenlijk, en evenmin alle goddeloozen tegelijk voor den rechterstoel staan.

-ocr page 377-

H. XX:12—15. DE OPENBARING.

De Gemeente wordt opgewekt vóór de oordeelen; de heiligen der Openbaring daarna; de schapen van Matth. XXV komen in het begin van Christus\' koninkrijk voor zijnen troon. En wat de goddeloozen betreft, de valsche profeet en het beest worden direct bij Jezus\' komst geoordeeld; daarna volgen de bokken van Matth. XXV, en eindelijk komt dan het laatste oordeel — het oordeel over de dooden aan het einde aller dingen, als de aarde en de hemel weg vlieden voor het aangezicht van Hem, die op den troon zit.

Zoo zijn dan alle dingen aan Christus onderworpen. Al zijne vijanden zijn tenondergebracht. De duivel is geworpen in den poel des vuürs. De levenden zoowel als de dooden zijn geoordeeld. De dood, die laatste vijand, is te niet gedaan. Gods raadsbesluiten zijn vervuld. Hij heeft alles onder één hoofd te zamen gebracht in Christus, wat in den hemel en wat op de aarde is. Hij heeft Hem gesteld tot erfgenaam aller dingen en ons tot zijne medeërfgenamen. Hij heeft Hem uitermate verhoogd. Hem een naam gegeven boven allen nnam. Alle knie buigt zich voor Hem. Die in den hemel en die op de aarde wonen, zoowel als die onder de aarde, in de hel, zich bevinden , zullen Hem als Heer erkennen, tot heerlijkheid Gods des Vaders — de heiligen tot eeuwige gelukzaligheid, de anderen tot eeuwige rampzaligheid. „Daarna is het einde,quot; zegt Paulus in 1 Kor. XV, „wanneer Hij het koninkrijk aan God den Vader overgeeft, wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. Want Hij moot heerschen, totdat Hij al de vijanden onder zijne voeten gelegd heeft. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen zijnen voeten

361

-ocr page 378-

BESCHOUWING OVER

362

H. XXI: 1.

onderworpen. quot;Wanneer Hij nu zegt, dat alle dingen onderworpen zijn, zoo is het duidelijk, dat Hij uitgezonderd wordt, die Hem alle dingen onderworpen heeft. Doch wanneer Hem alle dingen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden aan dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Hoofdstuk XXI. — Alle dingen waren aan Christus onderworpen, en het koninkrijk, door den Vader aan Hem, den Zoon des menschen, toevertrouwd, in de handen des Vaders wedergegevn. Thans volgt een korte, doch treffende beschrijving van de eeuwigheid en van de heerlijke plaats, welke de Gemeente des Heeren inde eeuwigheid inneemt.

„En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.quot; (vs. 1.) Ook in Jesaja LXV wordt van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde gesproken; doch als wij die profetie in zijn geheel lezen, dan is het duidelijk genoeg, dat daar niet in letterlijken zin van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde gesproken wordt, maar van de heerlijke verandering, die er in de duizend jaren met den hemel en de aarde zal plaats hebben. Nadat toch Jesaja gezegd heeft in naam van God: „quot;Want ziet. Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden;quot; laat hij de beschrijving van de heerlijkheid van Jeruzalem en van de heele aarde gedurende de regeering van den Messias volgen, en zegt o. a.: „En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen

-ocr page 379-

DE OPENBARING.

H. XXI; 1.

363

wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten.....

De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stroo eten als een rund.quot; Dit kan natuurlijk in de eeuwigheid geen plaats vinden. In de Openbaring evenwel hebben wij in letterlijken zin een nieuwen hemel en een nieuwe aarde. Het duizendjarig rijk is geëindigd. Het koninkrijk is door den Zoon aan den Vader overgegeven. Voor het aangezicht van Hem, die op den grooten witten troon gezeten was, waren de aarde en de hemel weggevloden, en geen plaats werd voor die gevonden, zoo lazen wij in het vorige Hoofdstuk. „De eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer,quot; zoo zegt de Profeet hier. En nu komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. „Wij verwachten naar zijne belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont,quot; zegt Petrus. In het duizendjarig rijk heerscht de gerechtigheid op aarde, maar zij woont er niet, omdat de zonde er nog is; doch in den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde is geen zonde meer; zoodat dan de gerechtigheid aldaar wonen zal.

Ongetwijfeld zullen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde uit de oude worden gevormd. Evenals door Gods almachtige kracht het opstandings-lichaam zal worden gevormd uit het lichaam onzer vernedering, zoo zijn de tegenwoordige hemel en aarde bestemd tot eenzelfde transformatie. Xa hunne verbranding zullen zij in den vorm van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde weder te voorschijn treden. Geen nieuwe schepping zal het zijn, evenmin als zulks met ons lichaam het geval wezen zal. quot;Wie dat denkt, zou de opstanding des lichaams loochenen. Do zee zal niet meer zijn. Zoolang als wij

-ocr page 380-

BESCHOUWING OVER H. XXI: 2 , 3.

in onzen tegenwoordigen toestand leven, zou zulks onmogelijk zijn; want de zee is volstrekt noodzakelijk voor het leven der natuur. Mensch en beest en plant zou zonder haar niet kunnen bestaan. Doch als de tijd heeft opgehouden te bestaan; als het natuurlijk leven door Grod niet langer behoeft te worden onderhouden; als de mensch een nieuw, onsterfelijk, onverderfelijk lichaam zal hebben ontvangen; dan komt er een nieuwe toestand der dingen, volmaakt en eeuwigdurend.

Doch dit is niet alles. Er volgt een beschrijving van de plaats, welke de Gemeente in de eeuwigheid inneemt, en van het geluk der gezaligden. „En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God, toebereid als een bruid, die voor haren man versierd is.quot; (vs. 2.) Het nieuwe Jeruzalem is, gelijk uit vers 9 blijkt, de Gemeente van Christus. Zij daalt neder van God uit den hemel, en van haar hoort Johannes met een groote stem uit den hemel zeggen: „Zie, de tabernakel Gods is bij de mensch en, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zal zelfbij hen, hun God z ij n.quot; (vs. 3.) Het hemelsche Jeruzalem is de tabernakel Gods. En deze tabernakel Gods daalt uit den hemel neder om bij de menschen te zijn. De hemelsche heiligen vormen den tabernakel Gods, terwijl degenen, die de nieuwe aarde bewonen, eenvoudig „menschenquot; worden genoemd. Zij zijn niet langer Joden en volken, gelijk in het duizendjarig rijk. Alle onderscheid is verdwenen. Er is geen spraak meer van Joden of volken, van koningen of natiën, maar slechts van menschen.. De eerste dingen zijn voorbijgegaan. In de duizend jaren heerschen de

364

-ocr page 381-

H. XXI : 4. DE OPENBARING.

Joden over de volken, en is God de God van Israël; maar in de eeuwigheid is er geen onderscheid. God icoont by de menschen. Hij zal niet, zooals in Eden, den mensch van tijd tot tijd bezoeken, maar Hij zal bij hen wonen. „En God zal elke traan van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch moeite zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbij gegaan.quot; (vs. 4.) Heerlijke toestand van gelukzaligheid! Elke bron van droefheid en ellende is gestopt! Alles, wat aan de zonde herinnert, is verdwenen. De eerste dingen zijn voorbij gegaan.

De Gemeente van Christus, de Bruid, de Vrouw des Lams, zal derhalve tot in alle eeuwigheid hare bijzondere en heerlijke plaats blijven bekleeden. Zij is in de eeuwigheid de tabernakel Gods bij de menschen. Wanneer God in de eeuwigheid bij de menschen zal wonen, dan zal de Gemeente het bewonderings-waardige voorrecht genieten de woning of het huis van God te zijn. Nimmer zal zij ophouden als de Vrouw des Lams hare geheel eenige plaats in te nemen. Daarom zegt Paulus in Efeze III : „Hem nu, die machtig is boven alles te doen, zeer overvloedig boven hetgeen wij bidden of denken naar de kracht, die in ons werkt, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente, in Christus Jezus, tot in alle geslachten, van alle eeuwigheid, Amen.quot;

Belangrijk is het op te merken, dat in de beschrijving der eeuwigheid noch van Christus noch van het Lam, maar alleen van God gesproken wordt. Alle dingen zijn teruggebracht tot hunnen oorsprong. De

365

-ocr page 382-

BESCHOUWING OVER H. XXI : 5.

366

Zoon zelf is onderworpen geworden aan Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, en God — Vader, Zoon en Heilige Geest — is alles en in allen. God zit op den troon; en die op den troon zat, zeide: „Zie, ik maak alle dingen nieuw.quot; In den volsten zin is Paulus\' woord in vervulling getreden: „Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.quot; Gods getrouwheid en waarachtigheid staan ons borg voor de vervulling zijuer raadsbesluiten. „En hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.quot; (vs. 5.) En nu is in volstrekten zin het einde van allen arbeid, van alle werken, van alle scheppen en hervormen gekomen. De toestand, zooals die dan geworden is, duurt onveranderd tot in alle eeuwigheid door. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont, waar de tabernakel Gods bij de menschen is, en waar de menschen Gods volk zijn, en God zelf bij hen is, hun God, blijven alle eeuwigheden door. „En hy zeide tot mij; Het is geschied! Ik ben de alpha en de oméga, het begin en het einde.quot; Ongetwijfeld is Christus de alpha en de oméga, het begin en het einde, gelijk wij in Hoofdst. XXII : 13 duidelijk lezen; maar hier is het God, die aldus spreekt. „In den beginne schiep God den hemel en de aarde.quot; Daarmede vangt de Heilige Schrift aan. En zij eindigt, voor zooverre het de vervulling van Gods raadsbesluiten betreft, met de even schoone a!s merkwaardige woorden: „Zie, ik maak alle dingen nieuw. Het is geschied! Ik ben de alpha en de oméga, het begin en het einde.quot; Dan is er rust, eeuwige rust. God rust van zijne werken. Gods volk neemt

-ocr page 383-

H. XXI : 6—8. DE OPENBARING.

aan die rust deel. „quot;Want er bljjft een sabbatsrust over voor het volk van God. Want die in zijne rust is ingegaan, heeft ook zelf van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne.quot; (Hebr. IV : 9, 10.)

De Heere God nu beschrijft ons in de volgende bewoordingen den eeuwigen toestand der gezaligden en der verlorenen. „Wie dorst, dien zal ik geven uit de fontein van het water des levens om niet. Die overwint, zal deze dingen be-erven, en Ik zal hem tot een God zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Maar den vrees-achtigen, en ongeloovigen, en gruweldaders, en moordenaars, en hoereerders, en toove-naars, en afgodendienaars, en allen leugenaars — hun deel is in den poel, die met vuur en zwavel brandt, hetwelk is de tweede dood.quot; (vs. 6—8.) Gewichtige woorden! Vooral om de plaats, waar zij voorkomen. Het is aan het einde aller dingen. Het is, wanneer God zal zijn alles in alles — God, die de liefde is. Doch Hij is niet alleen liefde; Hij is licht evengoed als liefde. Het behoort tot zijn Wezen om zoowel heilig als genadig te zijn; en het is hetzelfde gedeelte van Gods Woord, \'twelk ons beide waarheden leert. Hier vinden wij er de onweersprekelijke proef van. In liefde komt God neder, om met zijn volk te zijn. \'t Zijn menschen, doch zij kennen geen zwakheid of ellende meer, want God zelf heeft alle tranen van hunne oogen gewischt. Doch God is licht; en daarom in het gezicht van de nieuwe schepping, waar de gerechtigheid woont in vrede, waar geen kwaad en geen zonde meer is, maar eeuwige scheiding daarvan door de macht des Heeren,

367

-ocr page 384-

BESCHOUWING OVER H. XXI: 6—8.

368

is het deel der goddeloozen in den poel des vuurs, die van vuur en zwavel brandt. Bedenk wel, dat het de eeuwige toestand is. Het deel der goddeloozen is de eeuwige verdoemenis, de tweede dood, waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt. Als God rust in de nieuwe hemelen en op de nieuwe aarde ■— als Hij nedergekomen zal zijn om bij de menschen te wonen, aangezien er nimmermeer eenig kwaad zal gedaan of gezien worden — dan vernemen wij deze ernstige en plechtige woorden uit den mond des Heeren. De eeuwige gelukzaligheid van Gods volk wordt ons geschilderd, maar tevens de eeuwige rampzaligheid der verlorenen in den poel des vuurs, voor den duivel en zijne engelen bereid.

-ocr page 385-

DE OPENBARING.

H. XXI : 9.

369

7. Hoofdstuk XXI : 9 — XXII : 5.

Alvorens tot de behandeling van dit gedeelte over te gaan, moet ik opmerken, dat het een veel betere verdeeling dezer Hoofdstukken zon geweest zijn, indien Hoofdstuk XXI : 1—8 bij Hoofdstuk XX was gevoegd, en Hoofdstuk XXI met het negende vers begonnen was. Wij zouden dan de gebeurtenissen van \'s Hoeren komst op aarde af tot aan het einde aller dingen in een aaneengeschakelde reeks bij elkander hebben gehad. Het is toch duidelijk, dat de acht eerste verzen van Hoofdstuk XXI betrekking hebben op een tijd, geheel verschillend van hetgeen er latei-volgt. Van het negende vers af gaan wij terug naar het duizendjarig rijk, terwijl de eerste verzen, zooals wij gezien hebben, ons den toestand der gezaligden gedurende de eeuwigheid beschrijven. Ieder zal dit moeten toestemmen, die het volgende overweegt. Wat in do acht eerste verzen gezegd wordt, kan niet zien op het duizendjarig rijk, aangezien in dat rijk wel degelijk dood, rouw, geschrei en moeite zijn zal. Ook zullen dan alle dingen nog niet nieuw gemaakt zijn. En hetgeen van het negende vers af volgt, kan geen beschrijving zijn van de eeuwigheid, daar er in de eeuwigheid geen volken en koningen meer zijn zullen,

24

-ocr page 386-

BESCHOUWING OVER H. XXI : 9.

en er geen bladeren meer noodig zullen wezen tot genezing der volken.

Voor hen, die niettegenstaande deze opmerkingen toch nog geneigd mochten zijn onze verdeeling willekeurig te noemen, wijzen wij er op, hoe in de Openbaring meermalen, na afhandeling van de hoofdzaak, een terugblik op sommige bijzondere gebeurtenissen gegeven wordt. Noemt als voorbeeld Hoofdstuk XIV. Daar vinden wij eon zevenvoudige reeks van gebeurtenissen , van welke de val van Babyion de derde uitmaakt. Dan volgt het oordeel over de aanbidders van het I3eest. Daarna prijst do Heilige Geest de gelukzaligheid van hen, die in den Heer sterven. Vervolgens komt het oordeel des Hoeren, op tweevoudige wijze voorgesteld; als het inzamelen van den oogsten als het treden van den wijnpersbak. In deze reeks heeft dus Babylon hare bestemde plaats. Doch veel later, nadat de Geest ons de uitstorting der zeven schalen van Gods gramschap had voorgesteld, komt Babyion opnieuw op het tooneel. De val van Babyion vindt plaats onder de zevende schaal. De Heilige Geest keert dan terug om ons een beschrijving te geven van het karakter en het gedrag van Babyion, opdat wij de redenen zouden kennen voor het schrikkelijk oordeel, dat haar treft. In Hoofdstuk XIV worden ons derhalve een heele reeks van gebeurtenissen medegedeeld , die op den val van Babyion volgden, terwijl wij daarna teruggevoerd worden om de bijzonderheden omtrent Babylon\'s karakter en val en hare verbinding met het Beest en de koningen der aarde te vernemen.

Evenzoo is het hier. In Hoofdstuk XIX komt de Heer, na de viering van het bruiloftsfeest in den

370

-ocr page 387-

DE OPENBARING.

H. XXI : 9.

371

hemel, met zijne heiligen op aarde tot vernietiging-zijner vijanden. Daarna volgt in een onafgebroken volgorde het binden van den duivel gedurende duizend jaren; de opstanding der heiligen, die gedurende de oordeelen gedood waren; het heerschen met Christus gedurende duizend jaren van al de heiligen; het weer loslaten van den satan na de duizend jaren; de laatste opstand van de vijanden des Heeren en hunne veruietiging; de eeuwige straf van den duivel; het wegvlieden van den hemel en de aarde; het oordeel der dooden voor den grooten witten troon; de nieuwe hemel en de nieuwe aarde; en eindelijk de beschrijving van de eeuwige gelukzaligheid en van de plaats, welke de Gemeente des Heeren in de eeuwigheid zal innemen. In het negende vers van Hoofdstuk XXI keert dan de Heilige Geest terug, om ons een uitvoerige beschrijving te geven van de heerlijkheid dei-Gemeente gedurende de duizend jaren.

In Hoofdstuk XXI : 9 tot XXII ; 5 vinden wij, gelijk ik reeds opmerkte, een beschrijving- van de heerlijkheid der Gemeente gedurende de duizend jaren. Wij moeten hierbij evenwel in het oog houden, naar ik meen, dat de heerlijkheid der Gemeente, zooals die hier beschreven wordt, van eeuwigen duur is. Tot in alle eeuwigheid zal zij schitteren met den glans der heerlijkheid Gods, waarvan ons hier de bewonderenswaardige beschrijving gegeven wordt. Nimmer zal zij ophouden te zijn, wat zij van het oogenblik barer opneming- in den hemel, en vooral van het vieren van het bruiloftsfeest af geweest is. Alleen de plaats, die zij hier inneemt en het werk, dat zij hier te doen

-ocr page 388-

372

heeft, is onderscheiden van hare plaats in de eeuwigheid. In de eeuwigheid is zij de tabernakel Gods bij de menschen. In het duizendjarig rijk zullen de volken op aarde in haar licht wandelen, en de koningen hunne heerlijkheid tot haar brengen, terwijl de bladeren van den boom, welks vruchten zij eten zal, zullen strekken tot genezing der volken.

Verder is het van belang op te merken, dat de beschrijving van de heerlijkheid der Gemeente een zinnebeeldige is. Alles, wat op aarde prachtig en schoon en kostbaar is, wordt hier te zamen vereenigd om ons een denkbeeld te geven van den goddelijken glans, waarin de Bruid, de Vrouw des Lams, zal schitteren. Op een andere wijze was het onmogelijk ons de heerlijkheid der Gemeente voor te stellen. De menschelijke taal heeft geen woorden om de hemelsche, geestelijke schoonheid van Christus\' Bruid uit te drukken. Alleen door aardsche beelden kon ons eenigermate de hemelsche heerlijkheid der Gemeente worden voorgesteld. Niemand denke dus, dat de Gemeente in werkelijkheid een stad wezen zal, maar ieder zie in deze beschrijving een zinnebeeldige voorstelling van de heerlijkheid, waarmede de Gemeente als de Vrouw des Lams zal bekleed zijn. Willen wij de geestelijke beteekenis van de hier gebruikte beelden verstaan, dan moeten wij, evenals elders , door vergelijking niet andere Schriftuurplaatsen, de bedoeling dezer beeldspraak trachten te vatten.

Op merkwaardige wijze wordt de beschrijving ingeleid. „En één van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij, zeg-

-ocr page 389-

H. XXI : 9 , 10. DE OPENBARING.

gende: kom herwaarts, ik zal u de bruid, de vrouw des Lams, toonen. En hij voerde mij weg in den geest op een groot en en hoo-gen berg, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God, hebbende de heerlijkheid Gods.quot; (vs. 9, 10.) Wij worden door deze woorden als vanzelf teruggevoerd in onze gedachten naar het begin van het zeventiende Hoofdstuk, waar ook één van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, aan den Profeet verschijnt, om hem, evenals hier, een stad te toonen. Maar welk een tegenstelling! Daar was het \'t groote Babyion, de moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde; en hier de heilige stad Jeruzalem. Daalde groote hoer, met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben; en hier de bruid, de vrouw des Lams. Daar de vrouw, bekleed met al de kostelijkheden dezer aarde; hier de bruid, de vrouw des Lams, hebbende de heerlijkheid Gods. Geen wonder dan ook, dat de zinnebeeldige voorstelling zoo geheel anders is. Wordt de Profeet, ten einde de vrouw, de groote hoer, te aanschouwen, in den geest weggevoerd naar de woestijn, hier wordt hij in den geest gebracht op een yrooten en hoogen hery, era vandaar de heilige stad Jeruzalem te zien nederdalen uit den hemel van God.

De bruid, de vrouw des Lams , wordt derhalve, zinnebeeldig, voorgesteld als de heilige stad Jeruzalem. In de tegenwoordige bedeeling worden de levende steenen voor die stad te zamen vergaderd, opgebouwd tot een geestelijk huis; (1 Petr. II.) en wanneer dit gansche gebouw, wel te zamen gevoegd, is opgewassen tot een heiligen tempel in den Heer, (Efez. II.)

373

-ocr page 390-

BESCHOUWING OVER H. XXI; 9—11.

dan is zijne plaats niet meer hier op aarde, maar in den hemel. Het heilige Jeruzalem is in karakter en natuur hemelsch. Het daalt uit den hemel van God neder, om zich aan de aarde te vertoonen, doch het behoort niet op aarde, maar in den hemel te huis. Al komt ook de Gemeente, de vrouw des Lams, met Christus op aarde, zoo is nochtans hare woning, evenals die van Christus zeiven, het Huis des Vaders — gedurende de duizend jaren, zoowel als tot in alle eeuwigheid.

„Zij had de heerlijkheid Gods,quot; zegt de Profeet. „Wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods,quot; zegt Paulus in Rom. V. Ue bruid, de vrouw des Lams, is bekleed met Gods heerlijkheid. Zinnebeeldig wordt dit voorgesteld door den jaspissteen. In Hoofdstuk IY wordt van God, die op den troon zat, gezegd, dat Hij in het aanzien gelijk was aan een jaspis- en sar-dius-steen. En hier lezen wij van de heilige stad Jeruzalem: „Haar licht was aan het kostelijkst gesteente gelijk, als een jaspissteen, schitterend gelijk kristal.quot; (vs. 11.) Terwijl in vs. 18 gezegd wordt, dat de bouw van den muur der stad jaspis was. Onuitsprekelijk heerlijk voorrecht! Niets minder dan Gods eigene heerlijkheid — natuurlijk in zooverre die meegedeeld kan worden — is het deel der Gemeente. Christus zal komen om verheerlijkt te worden in de heiligen, en de Gemeente is bekleed met de heerlijkheid van God zeiven. Deze hoop verheft ons boven het stof en boven de dingen dezer aarde. Met den blik gevestigd op deze heerlijkheid worden wij geheiligd, afgezonderd van al wat hier beneden is, en reizen wij onzen weg met blijdschap door de woestijn der wereld.

374

-ocr page 391-

H. XXI : 12—14. DE OPENBARING.

„Zij had een grooten en hoogen muur, had twaalf poorten, en aan do poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke die der twaalf stammen der zonen Israëls zijn.quot; (vs. 12.) De „groote en hooge muurquot; duidt de volkomene veiligheid der hemelsche stad aan, terwijl de „twaalf poortenquot; — die plaatsen des gerichts in de oude wereld — de orde en de kracht voorstellen, welke in die stad heerschappij voeren. Het getal „twaalfquot; komt in deze beschrijving van het nieuwe Jeruzalem meermalen voor; het heeft, gelijk ik vroeger opmerkte, betrekking op de volkomenheid in goddelijke dingen, die aan het bestuur van den mensch zijn toevertrouwd. „Twaalf engelenquot; zijn de vrijwillige deurwachters der heilige stad. Het zal in de heerlijkheid hunne vreugde en hunne eer zijn aan de poorten der stad te staan; en ook dan, evenals nu, hunne dienst den heiligen te wijden. En daar de eerste steenen der stad Israëlieten waren — de zalig;-heid is toch uit Israël — zoo dragen de twaalf poorten de namen der twaalf stammen Israëls.

Nochtans zijn niet de aartsvaders, maar de twaalf apostelen des Lams het fondament der stad. „En de muur der stad had twaalf fondamenten, en daarop de twaalf namen der twaalf apostelen d e s L a m s.quot; (vs. 14.) Dit herinnert ons vanzelf aan de woorden van Paulus in Efez. II: „Derhalve zijt gij niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar gij zijt medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, gebouwd op het fondament der apostelen enprofeten, terwijl Jezus Christus zelf hoeksteen is.quot; De profeten zijn hier profeten des Xieuwen Testaments. Waren die des Ouden Verbondsbe-

375

-ocr page 392-

BESCHOUWING OVER H. XXI: 9—11.

dan is zijne plaats niet meer hier op aarde, maar in den hemel. Het heilige Jeruzalem is in karakter en natuur hemelsch. Het daalt uit den hemel van God neder, om zich aan de aarde te vertoonen, doch het behoort niet op aarde, maar in den hemel te huis. Al komt ook de Gemeente, de vrouw des Lams, niet Christus op aarde, zoo is nochtans hare woning, evenals die van Christus zeiven, het Huis des Vaders —gedurende de duizend jaren, zoowel als tot in alle eeuwigheid.

„Zij had de heerlijkheid Godsquot; zegt de Profeet. „Wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods,quot; zegt Paulus in Rom. V. De bruid, de vrouw des Lams, is bekleed met Gods heerlijkheid. Zinnebeeldig wordt die voorgesteld door den jaspissteen. In Hoofdstuk IV wordt van God, die op den troon zat, gezegd, dat Hij in het aanzien gelijk was aan een jaspis- en sar-dius-steen. En hier lezen wij van de heilige stad Jeruzalem: „Haar licht was aan het kostelijkst gesteente gelijk, als een jaspissteen, schitterend gelijk kristal.quot; (vs. 11.) Terwijl in vs. 18 gezegd wordt, dat de bouw van den muur der stad jaspis was. Onuitsprekelijk heerlijk voorrecht! Niets minder dan Gods eigene heerlijkheid — natuurlijk in zooverre die meegedeeld kan worden ■— is het deel der Gemeente. Christus zal komen om verheerlijkt te worden in de heiligen, en de Gemeente is bekleed met de heerlijkheid van God zeiven. Deze hoop verheft ons boven het stof en boven de dingen dezer aarde. Met den blik gevestigd op deze heerlijkheid worden wij geheiligd, afgezonderd van al wat hier beneden is, en reizen wij onzen weg met blijdschap door de woestijn der wereld.

374

-ocr page 393-

375

„Zij had een groeten en hoogen muur, had twaalf poorten, en aan de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke die der twaalf stammen der zonen Israëls zijn.quot; (vs. 12.) De „groote en hooge muurquot; duidt de volkomene veiligheid der hemelsche stad aan, terwijl de „twaalf poortenquot; — die plaatsen des gerichts in de oude wereld — de orde en de kracht voorstellen, welke in die stad heerschappij voeren. Het getal „twaalfquot; komt in deze beschrijving van het nieuwe Jeruzalem meermalen voor; het heeft, gelijk ik vroeger opmerkte, betrekking op de volkomenheid in goddelijke dingen, die aan het bestuur van den mensch zijn toevertrouwd. „Twaalf engelenquot; zijn de vrijwillige deurwachters der heilige stad. Het zal in de heerlijkheid hunne vreugde en hunne eer zjjn aan de poorten der stad te staan; eu ook dan, evenals nu, hunne dienst den heiligen te wijden. En daar de eerste sieencu der stad Israëlieten waren — de zalig:-heid is toch uit Israël — zoo dragen de twaalf poorten de namen dor twaalf stammen Israëls.

Nochtans zijn niet de aartsvaders, maar de twaalf apostelen des Lams het fondament der stad. „En de muur der stad had twaalf fondamenten, en daarop de twaalf n a m e n d e r t w a a 1 f a p o s t e-1 e n d e s L a m s.quot; (vs. 14.) Dit herinnert ons vanzelf aan de woorden van Paulus in Efez. II: „Derhalve zijt gij niet meer vreemdelingen en bij weners, maar gij zijt medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, gebouwd op het fondament der apostelen , terwijl Jezus Chris

tus zelf hoeksteen is.quot; De profeten zijn hier profeten des Nieuwen Testaments. Waren die des Ouden Verbondsbe-

-ocr page 394-

BESCHOUWING OVER H. XXI: 14—18.

doeld, dan moesten zij aan de apostelen voorafgaan. En bovendien van de profeten des Onden Verbonds wordt door Petrus gezegd, dat zij niet voor zielizolven, maar voor ons de dingen bedienden, die ons nu aangekondigd zijn door hen, die ons liet evangelie verkondigd hebben. Daarom zegt Paulus, sprekende van de verborgenheid van Christus, welke daarin bestaat, dat de geloovigen uit de volken met de geloo.vigen uit Israël één lichaam, de Gemeente, vormen: „Die in andere geslachten den zonen der menschen niet is bekend gemaakt, (jelijk zij nu is geopenbaard aan zijne heilige apostelen en profeten in den Geest.quot; (Efez. III : 5,6; zie ook Kol. I : 26.)

„En die met mij sprak had een gouden rietstok als maat, opdat hij de stad en hare poorten en haren muur zou meten.quot; (vs. 15.) De „gouden rietstokquot;, een symbool van de strikte rechtvaardigheid van God, meet en oordeelt alles. Het resultaat van Gods werk is volmaakt. Niets onbretkt; niets is te lang, niets te kort. Alles is in de volmaaktste orde geregeld. Geen slag van een hamer behoeft meer gegeven te worden. Alles is volmaakt, want God is de architect. De stad is volkomen vierkant, vormt een kubiek, en is naar alle zijden heen „twaalf duizend stadiën;quot; terwijl de muur, door het getal van twaalf maal twaalf, of honderd vier en veertig ellen, een voleindigde volkomenheid aanduidt, (vs. 16, 17.)

„En de bouw van haren muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.quot; (vs. 18.) „Jaspisquot; en „goudquot; — goddelijke heerlijkheid en goddelijke gerechtigheid en heiligheid — drukken haar stempel op de heilige stad; overal

378

-ocr page 395-

H. XXI: 18 — 21. DE OPENBARIXG.

vertoont zich een reinheid, die elke soort van bezoedeling verre van zich stoot. „De fondamenten dei-stad waren niet allerlei edelgesteente versierd.quot; (vs. 19, 20.) God is licht; en gelijk Hij zich in dit karakter ten opzichte van de menschen in de schepping en in de verlossing geopenbaard heeft, zoo openbaart Hij zich hier in de heerlijkheid. De regenboog met zijne vele kleuren was het teeken, waardoor God zijn verbond met de schepping en zijne onderscheidene wegen met den armen mensch bevestigde. De kostelijke steenen, waarmede de fondamenten der stad versierd waren, zijn het symbool van de hemelsche schoonheid, waarin de heiligen zullen schitteren. Hoe sterker de stralen van het goddelijk licht die heiligen beschijnen, des te helderder zal hunne schoonheid zich in haren glans verbreiden, gelijk do edelsteenen schitteren, als zij getroffen worden door de stralen der zon.

„En de twaalf poorten waren twaalf paar-len, elke der poorten was uit ééne paarl.quot; (vs. 21.) Een poort uit céne paarl is een onbestaanbaar ding op aarde. Het stelt ons voor de uitnemende, bovennatuurlijke schoonheid en heerlijkheid van de vrouw des Lams. De twaalf paarlen als twaalf poorten vormen één geheel. Christus en de Gemeente zijn één. Denk verder aan de gelijkenis in Mattheüs XIII. Christus vond ééne paarl van groote waarde, verkocht voor haar bezit al, wat Hij had, en kocht haar. Die paarl van groote waarde is de Gemeente. Hare schoonheid bekoorde Hem, en Hij gaf voor haar bezit zich-zelven. Vergeten wij evenwel niet, dat al de schoonheid , welke Hij in haar zag, in Hem haren oorsprong had, en Hij verheerlijkt wezen zal in zijne heiligen.

377

-ocr page 396-

H. XXI: 21, 22.

378

BESCHOUWING OVER

„En de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorscliijuend glas.quot; Bezoedeling zal daar niet meer mogelijk zijn. De Heer Jezus zal onze voeten niet meer behoeven te wasschen. Ieder heilige is daar\'niet alleen in Christus, maar ook persoonlijk, zonder vlek, of rimpel, of iets dergelijks; hij is heiligen onberispelijk. Welk een schoone voorstelling! De muren der stad waren van zuiver goud, aan zuiver glas gelijk; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. Stel u eens voor, dat gij in zulk een stad stondt. Gij zoudt uw eigen beeld overal aanschouwen. De straten en de muren zijn gelijk spiegels, waarin zich uw eigen beeld telkens weerkaatst. Zoo is het in den hemel. Het kleed, dat wij daar dragen, is Gods eigene gerechtigheid. Het is witter dan de sneeuw. En hoe helderder de stralen van het goddelijk licht zijn, des te meer komt de vlekkelooze reinheid van dat kleed uit.

„En ik zag gee n tempel in haar; want de Heer, God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lamquot; (vs. 22.) In de stad is geen tempel; dat wil zeggen: de heerlijkheid Gods is niet meer verborgen. Ieder heilige kan die heerlijkheid aanschouwen, en gevoelt zich in hare tegenwoordigheid volkomen op zijne plaats. De Heer, God, de Almachtige, gelijk Hij zich aan Israël, in de schepping en aan Abraham heeft geopenbaard, is de tempel. Tot Hem nadert ieder met alle vrijmoedigheid. Evenzoo is het Lam, dat geleden heeft en geslacht werd, in wien zich al onze genegenheden vereenigen, de tempel. — Doch God is ook de zou der stad. Geen geschapen licht heeft zij noodig; want de heerlijkheid Gods heeft

-ocr page 397-

H. XXI: 23, 24. de openbaring. 379

haar verlicht; en het Lam is het middelpunt en de drager van dat licht, \'t welk uaar alle richtingen heen een helderen glans in de hemelsche stad verspreidt, (vs. 23.)

De gevolgen hiervan worden ons vervolgens medegedeeld. „En de volken zullen in haar licht wandelen, en de koningen der aarde zullen hunne heerlijkheid tot haar b ren g en.quot; (vs. 24.) De volken, die gedurende de oordeelen zijn gespaard gebleven, en het koninkrijk van Christus beërven, zullen in de duizend jaren wandelen in het licht der heilige stad. De Heer Jezus heeft gezegd: „En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt; opdat de wereld erkenne, dat Gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij mij liefgehad hebt.quot; (Joh. XVII: 22, 23.) De Gemeente, die de openbaring is van de goedheid en de heerlijkheid van God, zal het licht der wereld zijn. In het aanschouwen van onze heerlijkheid zal de wereld erkennen, welk een Heiland en Verlosser wij gehad hebben. Welk een onuitsprekelijke vreugde voor ons, dat God in de toekomende eeuwen zal betoonen den uitnemenden rijkdom zijner genade in goedertierenheid over ons in Christus Jezus. (Efez. II : 7.) Als de wereld dat zal aanschouwen, dan zal zij erkennen, dat God ons heeft liefgehad, gelijk Hij Jezus liefgehad heeft. Alles is in overeenstemming met de plaats, die wij innemen. Het aardsche Jeruzalem zal Gods wraak uitoefenen aan de vijanden des Heeren. Wij daarentegen zijn op aarde de instrumenten van do genade en de heerlijkheid Gods.

De Gemeente verheugt zich in het licht van God

-ocr page 398-

BESCHOUWING OVER H. XXI: 25— 27.

en van het Lam, en de volken zullen in haar licht wandelen. Zelfs de koningen der aarde, erkennende in het nieuwe Jeruzalem de bron van allen zegen en van alle geluk, zullen hunne heerlijkheid tot — niet in — haar brengen, en aan haar alle macht en heerschappij onderwerpen. De poorten der stad zullen des daags niet gesloten worden, want er is geen gevaar hoegenaamd meer te vrcezen. De nacht, elke herinnering aan de duisternis, is voor altijd verdwenen. En de heerlijkheid en de eer der volken zal vrijwillig tot haar gebracht worden, (vs. 25, 26.) „En in haar zal niets onreins binnengaan, noch hetgeen gruwel en leugen doet, maar alleen die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.quot; (vs. 27.)

Hoofdstuk XXII. 1) — „En hij toonde mij een rivier van water des levens, klaar als kristal, uitgaande van den troon Gods en des Lams.quot; (vs. 1.) Een overvloeiende stroom van goddelijk leven en van goddelijke zegeningen ontspringt uit den troon, van welken vroeger de oordeelen uitgingen. Wij zagen vroeger dezen troon en Hem, die daarop zat, terwijl het Lam zich in het midden van den troon bevond; doch hier zien wij voor de eerste maal, dat het zoowel de troon van God als die van het Lam is. De Bruid, de Vrouw des Lams, is het kanaal van de geestelijke zegeningen

380

1

Ook hier valt de onjuiste verdeeling der Hoofdstukken terstond in het oog. De beschrijving van het nieuwe Jeruzalem wordt voortgezet, en Hoofdstuk XXI had dus moeten eindigen met het vijfde vers van Hoofdstuk XXII, waardoor één geheel zou zijn verkregen.

-ocr page 399-

H. XXII: 1, 2.

381

DE OPENBARING.

der aarde gedurende de duizend jaren. Gelijk eenmaal de discipelen van Jezus het brood, dat door Hem vermeerderd was, aan de scharen overbrachten, zoo zullen wjj in het heerlijk koninkrijk van Christus de hemel-sche zegeningen mededeelen aan de gelukkige volken op aarde. En gelijk „de rivier van water des levensquot; hare verkwikkende stroomen doet vloeien, zoo levert „de boom des levens, in het midden van hare straat en der rivier, aan deze en aan gene zijde,quot; elke maand „zijne twaalf vruchten,quot; dat wil zeggen, een volheid van spijs voor de bewoners der hemelsche stad, terwijl „de bladeren des booms tot genezing der volkenquot; dienen, (vs. 2.)

Hoe nauw is het begin en het einde der Heilige Schrift met elkander verbonden! Evenals in Eden, zoo vinden wij ook hier een „rivierquot; en een „boom des levens;quot; echter geen „boom der kennis des goeds en des kwaads,quot; aangezien alles, wat aan de zonde en aan \'s menschen verantwoordelijkheid herinnert, voorgoed is verdwenen. De genade en de genade alleen kenmerkt de Gemeente in de heerlijkheid; en do macht des satans kan niets meer bederven. Doch hoewel de satan in de duizend jaren gebonden is, en derhalve geen kwaad meer stichten kan, zoo is nochtans do zonde uiet van de aarde verdwenen; en daarom zullen de bladeren van den boom des levens, welks vruchten, iu figuurlijken zin, de spijs der verheerlijkte heiligen uitmaken, strekken tot genezing der volken. Van Christus wordt gezegd, dat Hij komen zal „met genezing onder zijne vleugelen.quot; Alles komt van Christus. Het water des levens, de twaalf vruch-

-ocr page 400-

BSCHOU WING OVER H. XXII: 2—4.

ton van den boom des levens en de bladeren des booms tot genezing der volken. Maar alles komt tot de aarde door het kanaal van het nieuwe Jeruzalem, de heilige stad, de bruid, de vrouw des Lams.

Hoe geheel anders worden ons in het Oude Testament do betrekkingen van het aardsche Jeruzalem tot de volken gedurende do duizendjarige heerlijkheid geschilderd! „Het volk on het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gansch verwoest worden.quot; (Jes. LX : 12.) Strenge gerechtigheid speelt hier de hoofdrol. God dwingt de volken zijn zoo langen tijd veracht en vertrapt volk te dienen en te oeren. Alle volken zullen jaarlijks naar Jeruzalem komen om het loofhuttenfeest te vieren; want „de wet zal uitgaan van Sion, en het woord des Heoren van Jeruzalem.quot; De heilige stad des duizendjarigen rijks behoudt steeds hare aardsche, koninklijke positie; terwijl de Gemeente, de Vrouw des Lams, nimmer haar kenmerkend karakter van genade zal verloochenen. Alles is met goddelijke orde door den Heer gerangschikt; en ieder zal do hem eigene plaats innemen en zijn kenmerkend karakter bewaren. Dit recht te verstaan is do sleutel voor de verklaring van vele plaatsen der Heilige Schrift.

„En er zal geen vervloeking moer zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn; en zijne slaven zullen hem die non.quot; (vs. 3.) Merk op, dat hier van God en van het Lam als van één persoon gesproken wordt. Do troon Gods en dos Lams zal in de stad zijn; doch dan volgt; „en zijne slaven zullen hem dienen, en zij zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne

382

-ocr page 401-

H. XXII : 5. DE OPENBA.RING.

voorhoofden zijn.quot; (vs. 4.) Hunne dienst is volmaakt; zij zien zijn aangezicht; en voor niemand zal hunne betrekking tot Hem een verborgenheid zijn. Ieder zal weten, tot Wien zij behooren. „En er zal geen nacht meer zijn, eu geen lamp en geen licht der zon is er nood ig; w an t de Heere God zal over hen lichten, en zij zullen h e e r-schen tot in alle eeuwigheid.quot; (vs. 5.)

De laatste woorden bewijzen de juistheid van hetgeen ik in het begin van onze beschouwing over de heilige stad gezegd heb: dat, hoewel de Bruid, de Vrouw des Lams, ons hier symbolisch voorgesteld wordt in hare betrekking tot het duizendjarige rijk, nochtans hare heerlijkheid, zooals ons die hier beschreven wordt, van eeuwigen duur is. „Zij zullen heerschen tof in alle eeuwigheid.quot; Wanneer Christus het koninkrijk den Vader zal hebben overgegeven, en God alles in allen zal zijn, dan begint zijne eeuwige heerschappij, en ook daaraan heeft zijne Bruid, de Gemeente, deel. Evenmin als er een einde komt aan hare heerlijkheid, zal er een einde zijn aan hare heerschappij. Tot in alle eeuwigheid zal zij schitteren door den glans dei-heerlijkheid Gods, en tot in alle eeuwigheid zal zij met haren hemelschen Bruidegom regeeren.

Hiermede besluit de schildering van de hemelsche stad, en hiermede nemen de gezichten, den Profeet getoond, een einde. Er volgen nu nog eenige waarschuwingen en aanmoedigingen, gepaard met de heerlijkste bewijzen van de innige verhouding van Christus tot de Gemeente.

383

-ocr page 402-

BESCHOUWING OVER H. XXII: 6 , 7.

B B S Ij TJ I T.

Hoofdstuk XXII : 6 — 21.

„En hij zei de tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heer, do God van de geesten der profeten, heeft zijnen engel gezonden, om zijnen slaven te toonen, hetgeen spoedig geschieden moet. En zie, ik kom haastelijk! Welgelukzalig, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart!quot; (vs. 6, 7.)

Met deze plechtige woorden begint het slot van dit boek. Op gelijke wijze als het boek aanving, wordt het besloten. „Welgelukzalig hij, die leest, en zij, die hooren de woorden der profetie, en die bewaren hetgeen daarin geschreven is, want de tijd is nabj zoo lazen wij in het derde vers van het eerste Hoofdstuk. De Heer Jezus verbindt hier zijne komst met de gelukzaligheid van hem, die de woorden der profetie bewaart. De Heilige Geest beveelt op plechtige wijze de profetie, die nu tot een einde gebracht was, aan de ernstige overdenking en behartiging der heiligen

384

-ocr page 403-

H. XXII : 6, 7. DE OPENBARING.

aan. Hij geeft dit boek aan zijn volk als een lielit schijnende in een duistere plaats. Het moet voor al Gods kinderen strekken tot heil hunner ziel en tot bevordering van hunne gemeenschap met God. De Heer wil, dat wij niet alleen zijne genade zullen kennen, maar ook de oordeelen, die over de wereld komen zullen. Hij wil, dat wij zullen verstaan, dat het boek, \'t welk ons het oordeel en het einde der wereld voorspelt, ons tevens aantoont onze bevrijding uit dat oordeel. De Openbaring toch maakt het zoo helder als de dag, dat de Gemeente van Christus in Gods tegenwoordigheid zich bevindt, eer een enkel woord over het oordeel gesproken is. Van het vierde Hoofdstuk af aanschouwen wij de Gemeente in den hemel. Yan hoe groot belang zijn derhalve de woorden der profetie voor het volk van God! Do Heer verwaardigt ons zijne plannen en raadsbesluiten omtrent Israël en de wereld te kennen; doch deelt ons tegelijkertijd mede, dat wij vóór de vervulling dier raadsbesluiten in de heerlijkheid worden opgenomen om daar in ongestoorde rust het genot zijner tegenwoordigheid te smaken. Welke schrikkelijke gebeurtenissen dan ook in dit boek geschilderd worden; welke geduchte oordeelen er ook bedreigd worden over Israël en de volken en over de afgevallen Christenheid, de ware heiligen kunnen zich verblijden, omdat de Heer haastelijk komt, om hen van deze aarde weg te nemen en te voeren in hunne hemelsche woning.

Evenals in Hoofdstuk XIX : 10 valt ook hier de Profeet, overweldigd door don indruk dezer modedee-lingen, aan de voeten van den engel neder, om dien te aanbidden. Misschien dacht hij wel, door de vorhe-

25

385

-ocr page 404-

BESCHOUWING OYER H. XXII: 8 , 9.

venheid van het visioen daartoe geleid, dat de Heer Jezus zelf zich in deze gedaante aan hem vertoonde. Doch het was niet de Heer, maar een zijner dienaren. En evenals vroeger, zoo weigert ook nu de engel do hulde van den Profeet aan te nemen, met toevoeging van de woorden: „Ik ben een medeslaaf van u en van uwe broederen, de profeten, en van hen, die de woorden dezes hoeks bewaren; aanbid Grod!quot; (vs. 8, 9.) De engelen zijn schepselen en dienaren, en geen voorworpen ter aanbidding, geen voorsprekers, geen middelaars. God, die in Christus Jezus zich volmaakt geopenbaard heeft, bedient zich van hen niet meer als tusschenpersonen, door welke Hij vroeger aan Israël zijne raadsbesluiten mededeelde. Zij zijn nu eenvoudig dienende geesten, die ter dienst worden uitgezonden om den wille van hen, die het heil zullen beërven. Voorwaar, een gewichtige mededeeling en een ernstige waarschuwing voor die duizende belijdende Christenen, welke, geleid door de dwalingen des pausdoms, den engelen en een menigte van ontslapen heiligen hunne aanbidding brengen en hunne voorbede bij God begeeren!

De woorden, die nu volgen: „Verzegel de woorden der profetie dezes books niet! de t ij dis nabij,quot; zijn schijnbaar in strijd met het bevel, aan den profeet Daniël gegeven: „En gij Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde.quot; (Dan. XII : 4.) Doch men boude daarbij in het oog, dat de voorzeggingen van Daniël, opzich-telijk het volk Israël, eerst in de laatste dagen, nadat de geschiedenis der hemelsche Gemeente zal zijn voleindigd, hunne vervulling vinden zullen. Voor Israël

386

-ocr page 405-

H. XXII: 10, 11. DE OPENBARING. 387

is de tijd van het einde nog niet gekomen, en daarom moesten de voorzeggingen van den Israëlietisclien profeet verzegeld worden; voor de Gemeente daarentegen is van het oogenblik harer geboorte af „het einde aller dingenquot; gekomen; en daarom zegt de engel tot Johannes: „Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet!quot; De schrijvers des Nieuwen Testaments spreken steeds in denzelfden geest. „Kinderkens! het is de laatste ure,quot; schrijft de Apostel Johannes. En Petrus zegt: „Het einde aller dingen is nabij.quot; En Jakobus: „De Rechter staat voor de deur.quot; Terwijl Paulus schrijft: „Al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn.quot; Waar derhalve voor Israël de tijd nog niet gekomen was, en ook nu nog niet is, aangezien eerst de Gemeente des Heeren moest vergaderd en in den hemel opgenomen worden; daar is voor ons de tijd altijd nabij; wij leven in de laatste ure; en dientengevolge moest de profetie, in de Openbaring vervat, niet verzegeld worden.

Zoodra nu de Gemeente in den hemel is opgenomen , komt het oordeel over de belijdende Christenheid, die dan de groote hoer en Babyion geworden is. Van dezen tijd sprekende, zegt de engel: „Die onrecht doet, doe nog onrecht; en die vuil is, make zich nog vuil; en die rechtvaardig is, doe nog gerechtigheid; en die heilig is, heilige zich nog.quot; (vs. 11.) Het evangelie der genade, dat thans gepredikt wordt, houdt op. De tijd der genade is voorbij. De deur is gesloten. De ure des oordeels heeft geslagen, en de tijd om verantwoording te doen is

-ocr page 406-

388 BESCHOuwiSGt OVER H. XXII: 12—15.

aangebroken. Het is een tijd, waarin geen verandering in den toestand des nienschen meer plaats vinden zal; waarin het lot van een iegelijk is beslist.

„Zie,.ik kom haastelijk, en mijn loon is bij mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zijn zal.quot; (vs. 12.) Dit is de bevestiging van hetgeen ik zoo even zeide. Het oordeel der levenden is gekomen. (Zie Matth. XXV.) Hier wordt niet gesproken van de komst des Heeren ter bemoediging van hem, die hoort, en van hen, die bewaren de woorden der profetie dezes boeks; maar ter aankondiging van het komend oordeel. Daarom zegt de Heer Jezus, denzelfden titel aannemende als God zelf in Hoofdstuk XXI : 6 : „Ik ben de alpha en de oméga, de eerste en de laatste, het begin en het eindequot; (vs. 13.) Aan Hem was door den Vader al het oordeel overgegeven, en Hij staat gereed zijnen rechterstoel te beklimmen, en een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zijn zal.

In de beide volgende verzeu werpt de Profeet nog een laatsten blik op de gelukzaligen en op de godde-loozen. „Welgelukzalig, die hunne kleederen wasschen, opdat zij recht hebben op den boom des levens, en opdat zij door de poorten ingaan in de stad. Buiten zijn de honden, en de toovenaars, en dehoereerdersj en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft en doet.quot; (vs. 14, 15.) Klaarblijkelijk worden onder de gelukzaligen niet slechts verstaan de eigenlijke bewoners der hemelsche stad, maar allen, die door de verlossing met Christus in gemeenschap gekomen zijn, en die daarom gesteld worden tegenover hen, die,

-ocr page 407-

H. XXII : 14—16. DE OPENBARING.

389

door den duivel verleid en door de zonde verdorven , geen deel aan de gelukzaligheid hebben. Dat toch allen, die deze bladen lezen, zich wel onderzoeken tot welke klasse zij beliooren! Hoe schrikkelijk zal het zijn, aan de deur te kloppen en te vernomen uit den mond van Jezus: „Ik ken u niet, gaat weg van mij, gij werkers der ongerechtigheid!quot;

Hiermede had de\' Openbaring kunnen besloten worden, ware het niet, dat de Heer Jezus nog een laatste woord te richten had tot zijne geliefde Bruid. Hoe zou Hi) de mededeeling der in dit boek vervatte verborgenheden hebben kunnen sluiten zonder nog eenmaal gewag te maken van de innige betrekking, die er tusschen Hem en de Gemeente bestaat! Xcen, dit was onmogelijk voor zijn liefhebbend hart. Hij had baar gemaakt tot de vertrouwde zijner gedachten en plannen; aan haar had Hij medegedeeld al, wrat in de laatste dagen gebeuren zou; en nu aan het eind dezer mededeelingen gekomen, richt Hij zich nog eenmaal persoonlijk tot haar, en roept haar met nadruk toe: „Ik, Jezus, heb mij nen engel gezonden, om u deze dingen te betuigen in de gemeenten. Ik ben do wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster.quot; (vs. 16.) Heerlijke woorden! Als God en mensch stelt Hij zich voor ons, en in zijne bijzondere betrekking tot de Gemeente als de blinkende morgenster. Hij is de wortel en het geslacht Davids. David is uit Hem ontsproten, want Hij is de Schepper van allen — eer Abraham was. Ik ben 1) —

1

Zie in de Nieuwe Vertaling do noot op Joh. VIII : 58.

-ocr page 408-

BESCHOUWING OYER H. XXII : 10.

maar Hij is ook uit David yoortgekomon, want Hij was waarachtig menscli, gelijk Hij waarachtig God is. Voor ons evenwel in het bijzonder is Hij „de blinkende morgenster.quot; Als de Heer in heerlijkheid voor de wereld verschijnt, dan komt Hij als de Zon der gerechtigheid met genezing onder zijne vleugelen voor allo gebrokenen en verslagenen. Doch als zoodanig stelt Hij zich niet voor ons. Wij verwachten Hem niet als de Zon der gerechtigheid. Want komt Hij als zoodanig, dan verschijnt Hij om de goddeloozen te vertreden: „Want zij zullen asch worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de Heer der heirscharen.quot; (Mal. IV: 3.) Maar hoe vertoont Hij zich dan aan hen, die waken gedurende den nacht dezer wereld, eer Hij in zijne heerlijkheid verschijnt; aan hen, die niet slapen gelijk de anderen, maar met de genegenheden eencr bruid naar Hem uitzien? Op welke wijze maakt Hij zich aan hen bekend ? „Ik ben de blinkende morgenster.quot; 1) O. heerlijke Morgenster! hoe zalig is uw verschijnen. Eer de dag aanbreekt, gaat Gij op. Is uw verschijnen, o Heer! als de Zon der gerechtigheid het oordeel over

1

Driemaal wordt de Heer in het Nieuwe Testament „de Morgensterquot; genoemd. Hier, en in Openb. II : 28, en dan in 2 Petr. I : 19. Hier stelt Hij zich aan zijne Bruid voor als rde blinkende morgenster.quot; In Hoofdst. II : 28 belooft Hij aan de overwinnaars „de morgensterquot; te zullen geven, dat wil zeggen, hen te zullen opnemen in de heerlijkheid, eer de dag der wraak komt. En in 2 Petr. I : 19 wordt gesproken van het opgaan van do „morgenster in onze harten\'t welk beteekent, dat de Heer Jezus als de Morgenster een plaats in onze harten gevonden heeft, zoodat wij Hem van den hemel verwachten om ons in zijne heerlijkheid op te nemen.

-ocr page 409-

H. XXII : 16 , 17. DE OPENBAKIHG.

de wereld; uw opgaan als de Morgenster is onze bevrijding uit den duisteren nacht, om in de woningen des lichts en des levens de plaats, door U ons bereid, in te nemen.

Geen wonder, dat het antwoord van de Bruid op deze heerlijke aankondiging des Heeren haar vurigen wensch inhoudt om Hem te zien in al zijne schoonheid en heerlijkheid. „Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster!quot; Zoo roept de Heer zijne veelgeliefde Bruid toe, en die Bruid antwoordt met een vreugdevol: „Kom!quot; Doch het is even merkwaardig als heerlijk, dat niet de Bruid alleen, maar met de Bruid do Heilige Geest zijn verlangen naar \'s Heeren komst uitspreekt. „En de Geest en de bruid zeggen: kom!quot; De Heilige Geest, die in ons woont, die ons leert „Abba, Vaderquot; zeggen, die daardoor met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zjjn, die mot ons zucht in al onze moeielijkheden en smarten, en onze onuitsprekelijke verzuchtingen tot God brengt, verlangt, evenals wij, naar Jezus\' komst, en roept met ons tot den hemelschen Bruidegom: „Kom!quot; Ja, Hij is het, die de woorden des Heeren tot ons brengt; die liet uit Jezus neemt, en ons verkondigt; die onze ziel met liefde tot Hem vervult, en het verlangen naar zijne komst in ons wekt, vermeerdert en versterkt. Treffend bewijs van zijn wonen in ons en van de afhankelijke positie, die Hij — hoewel één met den Vader en den Zoon in wezen en bedoelen — inneemt, zoolang do Gemeente van Christus op aarde vertoeft!

Doch wij vernemen nog meer. De Geest en de Bruid roepen tot de blinkende morgenster: „Kom!quot; Maar dan richten zij zich tot allen, die dit geroep vernemen,

391

-ocr page 410-

BESCHOUWING OVER H. XXI; 17—19.

en noodigen hen uit om daarmede in te stemmen. „En die het hoort, zegge: kom!quot; Het naar Jezus verlangende hart zoekt naar medegenooten zijner vreugde. Ei- is een gemeenschappelijke hoop, en daarom moet ook het verlangen aller geloovigen een gemeenschappelijk verlangen zijn. En eindelijk zeggen zij : „En die dorst heeft, kome; die wil, neme het water des levens om niet.quot; (vs. 17.) Do Gemeente heeft het water des levens, en daarom zegt zij tot hem, die dorst heeft: „kom,quot; want ik heb het water des levens, „en die wil, neme het water des levens,quot; dat ik heb, „om niet.quot; quot;VVachtendo op den Bruidegom is hare ziel bevestigd in de genade, en noodigt zij allen, die dorst hebben, en die komen willen, uit om te komen en het water des levens om niet te ontvangen. Hoe verheven en begeerlijk is het standpunt, dat zij inneemt! Hare genegenheden zijn gevestigd op haren Heer en Bruidegom in den hemel, Wien zij verwacht, en naar Wien zij verlangt. Zij noodigt allen uit om met haar dit verlangen te deelen en zich in de komst des Bruidegoms te verheugen. En vervuld met de genade, waarin zij zich verheugt, noodigt zij de dorstenden uit om van het water des levens, dat zij bezit, te drinken om niet. Xiets wekt meer een getrouwe en hartelijke prediking des evangelies, dan het geloof in de spoedige komst van Jezus.

Er volgt nu nog een ernstige waarschuwing. „Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie dezes boeks hoort, zoo iemand aan deze dingen toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven

392

-ocr page 411-

H. XXII: 20, 21. de openbaring.

staan; en zoo iemand van de woorden dei-profetie dezes boeks afdoet, God zal zijn deel afdoen van den boom des levens 1) en van de heilige stad, van de dingen, die in dit boek geschreven staan.quot; (vs. 18, 19.) Merken wij op, dat wat hier van den boom des levens en van de heilige stad gezegd wordt, beantwoordt aan hetgeen wij in vs. 14 lezen. Wie Gods geboden houdt, is welgelukzalig, en heeft recht op den boom des levens, en gaat door de poorten in de heilige stad. Maar wie de woorden der profetie dezes boeks verwerpen , zullen geen deel ontvangen aan den boom des levens, en zullen niet ingaan in de heilige stad. Voorwaar, een ernstige waarschuwing voor allen! Waaruit tevens volgt, hoe zeer de Heer staat op het ongekreukt bewaren van zijn Woord. Hij zal niemand onschuldig houden, die het waagt aan dat Woord te kort te doen of aan dat Woord toe te voegen. Zooals Hij het gegeven heeft, zoo moet hot door ons worden geloofd, bewaard en beleefd.

Doch met deze ernstige waarschuwing en bedreiging kan de Heer zijne Openbaring niet besluiten. Neen! het laatste woord kon niet zijn een woord van oordeel en straf. Hij wil de harten der zijnen vervullen met blijdschap en vroolijkheid; en daarom richt Hij nog eenmaal hunne oogen op zijne spoedige wederkomst. „Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kom

393

1

Men merke op, dat hier niet, zooals in de Staten-Vertaling, volgens den Textus Receptus, staat: „uit het boek des levens,quot; maar „van den boom des levens.quot; Naar Hoofdstuk XX: 15 staan de namen der goddeloozen niet in het boek des levens, zooda zij er ook niet uit weggedaan kunnen worden.

-ocr page 412-

BESCHOUWING OVER H. XXII: 20, 21.

haastelijk.quot; Reeds tweemalen had Hij den zijnen deze zelfde woorden toegeroepen. Hij had gesproken van zijne komst ten oordeel en van zijne komst voor de Gemeente in volkomene genade; en nu roept Hij hun nog eenmaal, zonder eenige andere toevoeging, de heerlijke belofte toe: „Ja, ik kom haastelijk;quot; om hun daardoor, als het ware, op het hart te drukken en levendig te doen gevoelen, dat, hoe belangrijk ook de vervulling van Gods raadsbesluiten ten aanzien van Israël en de volken, van de aarde en den hemel, wezen mogen, zijne komst als Bruidegom om hen op te nemen in de heerlijkheid en hen in te leiden in het huis zijns Vaders, de eerste plaats in hunne ziel moet innemen. Onuitsprekelijk heerlijke belofte! Geen wonder, dat de Profeet — en met hem een iegelijk, die de verschijning van Jezus liefheeft — in blijde hoop en zalige vreugde antwoordt: „Amen! kom, Heer Jezus!quot; Hem te zien gelijk Hij is, en Hem gelijk te zijn; zijne liefde te genieten en zijne vreugde te deelen; ja, dat is het vurig verlangen onzer ziel. Die hoop maakt ons los van de dingen hier beneden; die hoop sterkt ons in den strijd en doet ons volharden onder het lijden; die hoop reinigt ons, gelijk Hij rein is, en vervult onze ziel met hemelsche vreugde.

En hiermede leg ik de pen neder met den diep gevoelden dank mijner ziel aan onzen dierbaren Heer en Bruidegom voor de onuitsprekelijke gave , ons in de Openbaring geschonken; voor het groote voorrecht, ons verleend, den heerlijken inhoud daarvan een weinig te mogen verstaan en genieten; en bovenal voor de uitnemende genade te behooren tot het getal dergenen,

394

-ocr page 413-

H. XXII: 20, 21. de openbaring.

die op de heerlijke belofte des Heeren: „Zie, ik kom haastelijk!quot; vreugdevol en verlangend roepen; „Amen! kom, Heer Jezus!\'\'

Amen, Heer! wil haastig komen !

Zuchtend blikt uw Bruid omhoog.

Klief de wolken! alle vromen Zoeken U met smachtend oog.

Zalig, als wij welkom heeten,

Morgenster! uw eersten straal!

Och, was reeds de Bruid gezeten Aan het zalig Bruiloftsmaal!

Amen ! Amen ! breek uw zwijgen !

Heiland, scheide ons niets voortaan!

Doe ons dra ten Hemel stygen ,

Waar we in zaalge reien staan!

Kom, o Heer! en wil ons toonen Uwer liefde hoogste kracht!

Amen ! Amen! wil bekronen ,

Wat uw zoenbloed heeft volbracht!

„De genade des Heeren Jezus Christus zij met al do heiligen!quot;

395

A

-ocr page 414-