ocr page 1
ocr page 2

Nederl.

oct.

2283

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ENGELSCHEN TE ROME.

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

. 0-0.1. J 2

Emekcheii te Kok

en DE TRIOMF VAN PI8ANI

■4h

DOOR

A. L. G. BOSBOOM-TOUSSAINT.

I

(

it*

Rotterdam. — D. BOLLE.

}

I

ocr page 10

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0321 6979

STOOM-SNELPERSDRTJK — KOCII amp; KiNUTTKL — GOUDA

ocr page 11

ENGELSCHEl\' m ROME.

ocr page 12

44

è.

i

I TTTmW^^Mi

ocr page 13

HOOFDSTUK I.

Bene wesp gewond-

Wie lust heeft den loop van dit verhaal te volgen, verplaatse zich in verbeelding binnen Rome, maar Rome in 1587. Ik heb dat woord slechts te uiten en de lezer denkt zich de stad, die tweemaal heerschappij heeft gevoerd over de wereld; eene heerschappij, die zij nog- niet heeft opgegeven. De stad, die tweemaal een stoffelijk en een zedelijk overwicht gehad heeft over de volkeren, het Rome der Consuls en der Cesars, door het zwaard en de wet; het Rome der Pausen, door den banbliksem en het kruis; de stad, waarvan de Sibylljjnsche boeken voorspeld hebben, dat zij sterker zijn zoude dan de tijd! Zij ook die profetie valsch, moet Rome den tol betalen, dien zij zelve Karthago heeft afgeëischt dien Babylonië heeft moeten brengen! Wie toch zoude Vandaal genoeg zijn, om er met koelheid aan te denken, hoe de Zeven-heuvelstad langzaam in zich zelve verkwijnende, roemloos vergaande onder vermolming en onedel wormgeknaag, onbemerkt zal afnemen onder de stil vernielende beten van den tijd, zooals eene moerassige kust langzaam wegslibt onder de trouwelooze liefkoozingen van den oceaan, zöb onbemerkt zelfs, dat niemand het rechte uur van haren dood zal weten, omdat de wereld sinds lang niet meer aan haar dacht, of haar reeds dood waande, toen ze nog op

ocr page 14

haar uitterend sterfbed lag. Wie is zóó koud voor de poëzie der geschiedenis, om zich zonder weemoed voor te stellen, dat Rome zou kunnen wegsterven als eene andere stad, die uitge-wischt wordt uit de rij der steden, en om niet liever te wenschen, dat haar val oen ontzettend verheven, een schrikkelijk grootsch schouwspel mocht zijn, waarop de volkeren met siddering staarden, en waarbij de wereld eenen langen lijkzang aanhief, een val, die de aarde zoude schokken als eene hevige stuiptrekking, opdat hare aspunten het weten konden, dat de wereldstad gevallen was! En waarom zoude zij nog niet eenmaal kunnen opflikkeren tot eenen schijn der vorige schittering, om te eindigen zooals Rome eindigen moet ? 1)

Terwijl ik met beschouwingen speel, is de lezer misschien reeds op het St. Pietersplein; hij heeft misschien reeds eene standplaats gekozen, dicht bij de trappen van het Vatikaan, hij ziet de Engelenburg, de St. Pieterskerk, het laatste wonder der bouwkunst, de gedenkteekenen der oudheid, die weder vernieuwd zijn geworden, en wat niet al, dat ik niet beschrijven zal, omdat het reeds duizendmaal beter gedaan is, dan ik het zoude kunnen doen, omdat ieder het weet, en eindelijk ook, omdat ik slechts vertel en niet schilder. Lezer! die mij zijt vooruitgeijld, ik volg u naar het St. Pietersplein. Wij zien daar een ontzaglijke volksmenigte langzaam uiteengaan; daar is geen vroolijk gejoel, geen gul gejuich, geen luid geschater, slechts enkele mannen fluisteren te zamen in het voortgaan, en enkele vrouwen wenden schichtig het hoofd om naar de brug van St. Angelo, en vatten dan weder, met vaster klem, de hand barer kinderen, die naast haar gaan, als vreesde hare moederliefde eenig gevaar; en er waren jongelingen, die bleek zagen, terwijl zij zich verwijderden, een grijsaard, die somber voor

1) In 1839 toen dit preschreven werd was wel niet te voorzien; een koningrijk Italië met Eome tot hoofdstad en een vorst uit het huis van Savoye tot Koning!

ocr page 15

zich heen staarde, en jonge meisjes, die zich de hand voor de oogen hielden. Maar waarom ligt er over die gansche talrijke volksschaar eene zoo duistere onheilspellende neêrslach-tigheid verspreid? Waarom ligt er op het gelaat van al die Romeinsche burgers eene uitdrukking van schuwheid, van onrust, van angst zelfs? Daar in de verte bij de brug van St. Angelo staat wel eene galg opgericht, waaraan een mensch zoo even den doodsnik gegeven heeft, daar ziet men wel het afgehouwen hoofd van eenen anderen lijder op eenen staak tentoongesteld, nog versch bloedend, afschuwelijk, en het is wel van daar dat de menschen wegstroomen; maar terechtstellingen waren toemaals, en zijn immers nog, de eigenlijke treurspelen des volks, waarbij het met evenveel geestdrift toeschouwt, als de hedendaagsche he au monde naar de huiveringwekkende melodrama\'s, en waarvan het niet gaarne eene bloedige handeling ongezien zoude laten voorbijgaan; treurspelen, waarbij de mannen da capo roepen, en de vrouwen ruw lachen, terwijl zij hare kinderen op den arm nemen, om hun een beter gezicht te geven op den man, die doodt — en den man, die gedood wordt. De terechtstelling op zich zelve kan het dus niet zijn, wat die gansche menigte zoo terneerdrukt, zoo in stilte doet scheiden. En toch, lezer! is het die terechtstelling; de lust der menschen om het lijden, het lijden ter dood toe, van anderen aan te staren, ontstaat, zegt men, uit eene soort van zelfzuchtig welbehagen bij het bewustzijn van eigene zekerheid, en die bestond hier niet! Niemand dier Romeinen hield zich gewaarborgd tegen eenen derge-lijken dood, niemand was vermetel genoeg te schertsen bij deze galg, ieders hart klopte met vrees bij het zien van het bloedige hoofd op die plaats, waar ook eenmaal zijn hoofd ten schouwspel zoude kunnen staan; men kon in die dagen zoo licht doodsschul-dig zijn, want het was Sixtus V, die regeerde, en Sixtus V was geen zacht herder zijner kudde; maar een streng rechter over een volk van schuldigen! een rechter zonder barmhartigheid, en

ocr page 16

zouder aanzien des persoons, die rang, noch kunne, noch jaren ontzag, die eenen misdadiger strafte als eene misdaad bedreven was; en wat was geene misdaad in het oog van hem, die eenmaal besloten had door vrees te heerschen, en die onverzettelijk uitvoerde, wat hij had voorgenomen.

Dit tooneel der Pauselijke gestrengheid moest wel eenen vree-selijken indruk teweegbrengen. De gehangene was een jongeling van zeventien jaren, alleen schuldig aan eenen kleinen wederstand tegen eene, zooals later bleek, onbillijke daad der gerechtsdienaars, een minderjarige, voor wiens vergiffenis een Vorst, de Groot-Hertog van Florence, en twee Prelaten, de Kardinalen Este en de Medicis, zich tevergeefs hadden bemoeid. De andere was een bandiet, een der weinigen, die zich nog sedert de rustelooze vervolging van Sixtus, in Eome had gewaagd. Dat het hoofd van eenen roover werd tentoongesteld, was toenmaals geene zeldzaamheid, die ontzetten kon; maar dat deze Cola di Luca, die eene schuilplaats gezocht had in de woning, ja, in de huiskapel van den Roomsch-Keizerlijken ambassadeur, van achter het altaar weggerukt was geworden, ondanks de onschendbaarheid der bulle van Paus Julius III, die den misdadigers zekere vrijplaatsen had aangewezen, dat hij ter dood was gebracht, ondanks de meest ootmoedige smeekingen van dien afgezant, dat men hem en zijn huis zulk eene openlijke schande niet zoude aandoen; dat was eene geduchte, eene ontzettende, eene almachtig werkende waarschuwing! voortaan geene toevlucht, geene straffeloosheid meer; de Paus had gezegd: er bestaan geene vrijplaatsen meer, — en door dit vreeselijk voorbeeld maakte hij hun dit woord aanschouwelijk.

Toch was Sixtus niet te veroordeelen. Bij zijne verheffing tot den Pausenzetel leverde Rome een afzichtelijk schouwspel op. Neen, er was geene veiligheid meer binnen de muren der grootsche Christenstad, onschuld en schoonheid werden baldadig aangerand en mishandeld, weerlooze bui-gers, die rijk waren,

ocr page 17

leefden in gestadige siddering voor baldadige plundering en moord, het leven van de achtenswaardigste mannen, het leven der hoopvolste telgen van menig edel huis was prijsgegeven aan gehuurde moordenaars; neven en broeders van Kardinalen vielen als slachtoffers van verraderlijke dolksteken, en de daders hieven ongestraft; want de adel zelf beschermde de bandieten, hield hen openlijk in dienst en bezoldiging, en voerde ze niet zelden met fiere vermetelheid aan tegen de handlangers der Pauselijke gerechtigheid. Openlijke bijzitten van Kerkvorsten en geestelijken verpestten door haar schaamteloos voorbeeld de zeden der jongelingen, de heilige onschuld der maagden, wikkelden de eersten in de dichte netten der wellust, en sleepten de anderen mede door listige kuiperijen, mestten zich zat met het goud der adellijke huizen, die zij verarmden, en met de aalmoezen door vrome harten voor kloosters en gestichten bestemd. Gehuwde mannen gingen ledig op de schoonheid hunner vrouwen; met één woord. Home was tot eene verzamelplaats geworden van elke ondeugd, van iedere schande, van elk misdrijf, Rome was eene prooi geworden, die overmoedige edelen, lichtzinnige vrouwen en bloeddorstige roovers elkander met schaam-telooze zelfzucht betwistten.

De verordeningen en straffen tegen deze misbruiken bleven onuitgevoerd; de slappe, krachtelooze regeering wist zich niet te handhaven tegen den machtigen adel, en terwijl de gansche Christenwereld in ootmoed knielde voor den wenk van Eome\'s heiligen Opperpriester, zag deze zich als wereldlijk Vorst in zijne eigene hoofdstad beschimpt, gehoond en getrotseerd.

Vooral had de laatste Paus, Gregorius XQI, door zijne meewarige zachtmoedigheid, die zelfs het schuldigste bloed spaarde, het kwaad verergerd. Vijf huizen van Kardinalen had men bij helderen dag bestolen gezien, kort voordat zij in het Conclave gingen, zelfs dat van Farnese was niet gespaard geworden, hoewel meer dan dertig hovelingen tegenwoordig waren, en zes

ocr page 18

8

wachten nacht noch dag van daar gingen. Meer dan drie honderd bandieten, met vele edellieden aan het hoofd, en versterkt door vroegere ballingen, die op eigen gezag terugkeerden, stroopten in de stad en in de omstreken, geenen gruwel te vreeselijk, geene ontheiliging te snood achtende, en hadden het vaste besluit genomen, in eenen onverhoedschen algemeenen aanval geheel Rome te plunderen. Kortom, de onveiligheid door den ganschen Kerkelijken Staat was zoo groot, dat geene vreemdelingen zich meer in bedevaarten daarhenen waagden, of het moesten dezulken zijn, die onder een sterk geleide of in het gevolg der gezanten konden reizen. Dat was te erg, dat was te groot eene schande, door laakbare zachtheid veroorzaakt, dat was eene goedheid, die de moeder der misdaad werd, dat was niet zorgen voor het heil der aanvertrouwde schapen; zoo moest hij niet handelen, die de vertegenwoordiger was van den goeden Herder; dat was een trouweloos voet geven aan het kwade, zelfs in vadsige rust onbekommerd voort te leven en het onkruid ongewied te laten; dat was geene vorstendeugd den zwakke prijs te geven aan de ruwe overmacht, en de onschuld aan elke loerende list; dat had Sixtus begrepen, dat wilde Sixtus voorkomen, die smet wilde hij wegwisschen, die ergernis wilde hij staken; maar dat eischte strenge, vreeselijke voorbeelden; daartoe moest er veel bloed stroomen, daartoe moesten er diepe wonden geslagen worden in het hart van alle Romeinen, daartoe moest Rome sidderen voor den geweldigen donderaar, die het ten gerichte daagde; want Rome had die wandaden lief als troetelzonden, en alle Romeinen waren medeplichtig of verwant aan de boosdoeners.

Dit is nu zeker eene lange uitweiding, en wij zijn wel vermetel het geduld onzer lezers op zulk eene proef te stellen; maar zij was noodig tot opheldering van het voorgaande, en tot toelichting van hetgeen volgen moet.

In eenen wijden mantel gewikkeld, met over elkander gekruiste armen, met den hoed diep in de oogen gedrukt, met samenge-

ocr page 19

9

klemde lippen, en onbeweeglijke strakheid in gelaat en oog, had een jongeling, van den volkshoop geheel afgescheiden, op een eenzaam plekje van de Piazza voor de brug de strafoefening mede aangezien. Geen gebaar,- geen geluid ontsnapte hem, geen zijner ijskoude trekken verried medelijden, en toch hield hij met ingespannen deelneming den blik op het afgrijselijke schouwspel gericht. Slechts toen de knaap Francesco aan de doodelijke koord vastgehecht, tusschen hemel en aarde zweefde als eene vlieg in het web der spin, en zijn jeugdig hoofd zonder veerkracht op zijde viel, slechts toen had de zonderlinge toeschouwer de rechterhand schielijk naar het hart gebracht met eene beweging alsof hem daar iets veel pijn deed, en het was toen alsof zijne bleeke lippen nog bleeker werden. Men kon niet zeggen, dat het uiterlijk van dezen jongeling, die reeds de mannelijke jaren nabij was, iets onbehagelijks had, zelfs stond zijn koolzwart kroezig haar zeer goed bij het mannelijk bruin zijner gelaatskleur, zelfs zetelde iets fiers en moedigs op zjjn voorhoofd, en toch zoude niemand zich door dat gelaat aangetrokken gevoeld hebben. Die sterk overvallende bovenlip, die eenigszins ingedrukte neus, die vele samenloopende plooien rondom den kleinen mond, wiens onderlip door een aanhoudend intrekken bijna niet meer bestond, en vooral zijne zonderlinge oogen, gaven hem een voorkomen, dat ten minste eenen gelaatkundige niet zoude voldaan hebben. Behalve die oogenblikken toen hij met zoo sterke aandacht toekeek dat ze als verstijfd en glazig stonden, draaiden die oogen in rustelooze beweging in hunne holten rond, en sloeg hij ze neder, dan nog schoten er als elektrieke vonken van tusschen zijne lange pinkers te voorschijn. Hun gloed, hunne gestadige beweeglijkheid, waren als de getuigen van een gemoed, waarin het kookte en bruiste, dat in gestadige woeling was, ondanks dat masker van kalmte, waarmede hij zijn gelaat omtoog. Het was moeielijk te onderscheiden of de kleur dier oogen een glinsterend bruin was, of wel

ocr page 20

10

dat schrille groen, dat men slechts zelden bij menschen aantreft, doch dat het eigenaardige is der kattensoort. Hij was groot, doch zijne houding meer gebukt, dan men het op zijnen leeftijd zoude kunnen verwachten. Zijne kleeding had niets bijzonders, de bruine mantel, waarin hij gehuld was, liet echter eenen fijnen degen zien, dit en de zilveren sporen aan de laarzen kenschetsten hem als edelman. Eensklaps, en alsof hem iets inviel, had hij zich gemengd onder de volksmenigte, die naar het plein toestroomde. In het gedrang volgde hij zoo dicht mogelijk twee jonge edellieden in het sierlijk kostuum van hunnen rang en hunne jaren. Zij bemerkten hem niet.

„Bautista!quot; sprak de een, „wij hebben hem zien vallen den laatsten dapperen man in Rome, die iets ondernemen durfde, den wakkeren Cola di Luca.quot;

„Den laatste!quot; herhaalde Bautista met eenen zucht, „en onze Agatella ook weg, onze bevallige Prinses, die nog wist hoe men het leven genieten moest. Helaas! Morforio heeft wel gelijk, het is eene wrange peer 1), die de Kardinalen ons te eten hebben gegeven.quot;

„Het is, bij St. Petrus! een hondenleven, dat wij leiden moeten; meent de Paus monniken van ons te maken, dat hij ons ophangt als wij een paar frissche wangen kussen ?quot;

„Of als wij den degen trekken; verwenscht, Jeppo! draagt gij den uwen reeds niet meer?quot;

„Hoor, vriend! ik behoud nog gaarne mijnen hals, ik ben kit-teloorig en als men mij beschimpt, en ik een goed staal bij mij heb, dan jeukt het mij in de scheede; daarom ga ik zonder degen uit, en zie voor mij als een Kapucijner.quot;

„Pst! pst! gij wordt te luid,quot; voegde Bautista zijnen vriend toe, en beiden zwegen. Het was te laat.

Onze geheimzinnige jongeling had zacht gesproken met eenige

1) Peer, van peretti, de geslachtsnaam van Sixtus.

ocr page 21

11

mannen, die er uitzagen als lieden van den stadvoogd, en daarop was hij verder gegaan; doch de beide edellieden werden dooide vreemde mannen medegevoerd, terwijl het volk eerbiedig uiteenweek, en niet waagde eenig medelijden te toonen.

Eenige minuten later reed een reisgezelschap het St. Pietersplein op. Het bestond uit twee vrouwen, een man en een knaapje. Allen zaten op muilezels, een muilezeldrijver geleidde daarenboven een lastdier met pakgoederen. Zoolang de dichte volksdrommen nog heen en weder kruisten, had niemand acht op hen geslagen, thans, nu het gezelschap in de nabijheid der Ohelisco del Vaticano halt hield, viel het onzen jongeling in het oog.

Hij plaatste zich op kleinen afstand van de zuil. Wij moeten over dit reuzenwerk iets zeggen.

Achter de sakristie dor St. Pieterskerk lag sedert onheugelijke dagen, in treurige vernedering, eene trotsche gedenknaald, het gewrocht der Egyptische bouwkunst, aan haar vernederd vaderland ontschaakt, om aan Cesar Augustus en Tiberius te worden toegewijd, liome was gewoon de wereld op schatting te stellen om zich triumf bogen te stichten. Toen Sixtus nog zijn leven kommerlijk in het klooster dor heilige Apostelen sleet, vond hij er een weemoedig zoet genoegen in, dit schoone gedenkstuk der eeuwen te bewonderen, dat daar lag in het stof der verwerping als een gevallen held op een verlaten slagveld. Dan gaf hij immers zijne verwondering te kennen, dat altijd Rome\'s gebieders teruggeschrikt waren tegen de roemrijke onderneming om dit gevaarte op te richten. „Alleen om dit uit te voeren, zoude ik wenschen Paus te zijn,quot; had hij gezegd. Hij werd Paus. Hij hield vorstelijk zijn woord. Hij deinsde niet terug voor de duizende moeielijkheden, die zich reeds in het begin opdeden, voor de ontzettende kosten, die het volvoeren vereischen zoude; met vuur omvatte hij het plan, met ijzeren volharding zette hij het door; met helderheid van oordeel koos

ocr page 22

12

hij de juiste middelen en de geschiktste personen, om het uit te voeren. Hjj vreesde geen mislukken; want hij wist wat men-schenhanden vermogen, als zij door eenen vasten wil aangespoord en door een schrander brein voorgelicht worden. Daarom koos hij Dominicus Fontana, den grootsten bouwkundige van zijnen tijd. Hij zag niet op tegen do verbazende geldsommen; want hÜ wist, hoe wel aangelegde zuinigheid den overvloed tot zuster heeft; hij wist, hoe hij herwinnen konde, wat hij hier met eene milde hand moest uitstorten; de groote hervormer van Rome droeg gelapt linnen! Door eene opzettelijke bul daartoe gemachtigd, aanvaardde Fontana het groote werk; meer dan een jaar tijds besteedde hij alleen aan het samenstellen van een houten gebouw of kasteel, tot de oprichting dienstbaar, waarvan hij de uitvinder was, en dat op zich zelf niet alleen Italianen uit alle streken van Italië, maar zelfs vreemdelingen ter bezichtiging naar Rome lokte. Alleen voor het winden der vier kranen, die men gebruikte, had men honderdzestig kloeke, welgevoede paarden noodig en achthonderd sterke mannen, terwijl bovendien nog vierhonderd andere werklieden op verschillende wijzen bezig waren. Door middel van een klokje en een trompetter op den top van het zoogenaamde kasteel geplaatst, werd dit talrijke werkvolk tot den arbeid en het rustuur geseind. En alles geschiedde met zulk eene orde en geregeldheid, dat alle werktuigen zich te gelijk en in overeenstemming bewogen, zooals de muziekinstrumenten bij eene goed uitgevoerde symphonie.

Op het St. Pietersplein, de waardige plaats voor zulk een gedenkstuk, werden de grondvesten gelegd, die de zuil moesten schragen. Aan de vier hoeken werden onderscheidene penningen gelegd met vindingrijke opschriften, met de beeltenissen des Pausen en van vele Kardinalen, Roomsche Prinsen en Ambassadeurs ; de overlevering heeft vele dier opschriften bewaard 1),

1) Ook aan de marmergroeve, die als eerfte grondslag diende, werden pen-

ocr page 23

13

en zij zijn waarschijnlijk overbekend, wij ten minste mogen ons niet ophouden met ze op te tellen; wij vreezen buitendien reeds in herhalingen vervallen te zijn van hetgeen door anderen reeds met meer bevalligheid en zaakkennis is gezegd. Om verder te gaan, de onderneming gelukte. De sehoone naald van Pyropisch marmer prijkte op een voetstuk naar evenredigheid groot, en hief de trotsche spits hoog in de lucht.

Na den koperen kloot der heidenen gedragen te hebben, dien het volkssprookje met de asch van Augustus vulde, voerde zij thans het zinnebeeld der Christenheid: het kruis. In dit kruis was een deel gevat van dat gewijde hout, waarop de goddelijke Hoogepriester der Christenen zijn offer bracht, en Sixtus verbond aan het aanbidden dier reliquie groote kerkelijke voorrechten, zoodat onophoudelijk duizende geloovigen daarheen stroomden, om het opgerichte meesterstuk te bewonderen en den zegen dei-aflaten deelachtig te worden. Dit was kennelijk het doel van eene der vrouwen uit het reisgezelschap, dat de jongeling gadesloeg en dat wij reeds vergeten hebben; want met blijkbare drift van haar muildier springende, was zij schielijk tot bij het voetstuk van den obelisk genaderd, en daar nederknielende, de ineengevouwen handen ten hemel opheffende en de oogen gericht naar het gulden kruis, zonk ze weg in een aandachtig gebed. Die vrouw zag die menigte van vreemde menschen niet, welke nog altijd op het groote plein heen en weder wemelde; zjj zag het kunstige bouwstuk niet, waarvoor zij geknield lag; zij dacht niet aan de loerende blikken, die de vreemdeling op

ningen toevertrouwd, die aan de nakomelingschap verkondigden op welke wijze de taak ondernomen was, hoe ze volbracht werd en wie ze uitvoerde. De vier zijden van het voetstuk werden insgelijks van toepasselijke opschriften voorzien, waarbij de naam van den bouwmeester niet vergeten werd. Vier leeuwen van gegoten metaal, liggende op het voetstuk, dragen op hunne ruggen het gansche gevaarte, zoodat tusschen het voetstuk en de naald zelve eene zekere ruimte is, die het geheel, bij forschheid en grootte, iets luchtigs, iets onbeschrijfelijk zwierigs geeft.

ocr page 24

14

haar sloeg; de vrouw vergat het knaapje, dat toch zeker haar zoon moest zijn.

Zij bad lang, zeer lang, en toen zij eindelijk hare vrome aandacht afbrak, stond zij langzaam op, en naderde ernstig en in zich zelve gekeerd de op haar wachtende groep, als iemand, die in het gebed tot hoogere sferen was opgeheven en wiens geest zich ongaarne en met moeite weder tot de aarde wendt. O! een oprecht gebed, in welken vorm, in welke taal, tot welke godheid ook gericht, brengt altijd de diep voelende ziel den hemel nader.

Terwijl de vreemdelinge zich in hare godsdienstplichten verdiepte, zag zich iemand van haar gezelschap in eenen woordenstrijd gewikkeld, waaruit hij zich niet wist te redden, en die toch gevaarlijker was, dan hij zelf konde denken. Die man droeg de vreemde kleederdracht der Schotten; het blauwe mutsje met de reigerveder, de korte geruite rok, de ontbloote beenen, dooide kruisbanden der voetschoeisels versierd, en de plaid, die hem met eene zekere bevalligheid over den schouder hing, hadden menigen blik der voorbijgangers uitgelokt, en ook de aandacht gaande gemaakt van de mannen, die, naar hunne wapenrusting te oordeelen, makkers waren van de barsche knapen, die wij de beide edellieden hebben zien wegvoeren.

Op hem wijzende, spraken zij met elkander, glurende met loensche blikken.

„Kom, Hugh!quot; riep de vrouw, die bij het knaapje gebleven was, hem in het Engelsch toe, „ga gij verder, die lieden hebben niets goeds voor, ik zal Mylady hier wachten!quot;

Hugh, die niet antwoordde, wien dit bekijken van zijnen persoon verveelde, en die zich misschien tegenover eenen vijandelijken clan waande, trok zijne claymore, stelde zich in verdediging en vroeg hun in zijn zwaar Engelsch, wat zij van hem wilden. Hun antwoord, dat hij evenmin verstond als zij zijne vraag, ging vergezeld van een driftig wijzen op zijn wapen. Beide par-

ocr page 25

15

tijen begrepen eehter, dat ze met woorden voor elkander minder verstaanbaar waren, dan met daden, daarom begon de aangevallene zich daarmede te verdedigen, terwijl de aanvallers hem bij de schouders grepen en achterover uit den zadel rukten. Een luide kreet van het knaapje werd even schielijk gehoord door de moeder, die juist aankwam, als door den jongeling, die haar gevolgd was. Snel wendde hij zich tot de krijgslieden, die Hugh, reeds geheel weerloos in hun midden hielden.

„Waarom ontrust gij de lieden van die vrome pelgrimme ?quot; vroeg hij hun met een zeker gezag.

„Hij draagt verboden geweer, Signore!quot; en de man die dit zeide toonde den claymore.

„Verboden geweer! domooren! ziet gij niet, dat het een Perzisch zwaard is, zooals de Japansche gezanten droegen, die Zijne Heiligheid zoo goed ontving; verboden geweer! schaamt u, dwazen! laat die vreemdeling met vrede, en ziet liever toe, dat men gindschen hoofden niet van de staken rukt, zooals ik weet, dat sommigen loshoofden hebben voorgenomen.quot;

„Bjj de Heilige Maagd! ik weet niet hoe Perzische dolken er uitzien,quot; sprak een der soldaten, terwijl hij Hugh zijn wapen teruggaf.

„Maar, Signor Scipione! onze orders luiden toch....quot; hervatte een man, die de aanvoerder scheen.

„Voor mijne verantwoording, en weg met u!quot; riep de jonge man barsch en driftig. En de mannen lieten den Schot los en verwijderden zich, tusschen de tanden grommende als bulhonden, wien men hunne prooi ontnomen heeft.

De Engelsche dame, die het Italiaansch scheen te verstaan,, had begrepen welken dienst de jonge Romein haar bewees.

„Ik dank u voor de bevrijding van mijnen bediende. Mijnheer!quot; zeide zij hem, „ofschoon ik niet weet te gissen, aan welk vergrijp de arme Hugh kan schuldig zijn.

„Op het dragen van verboden wapentuig staat hier de doodstraf, Signora!quot; en zelfs Alexander Farnese heeft zijnen neef

ocr page 26

16

daaraan slechts dooi\' een list kunnen onttrekken. Beduid uwen bediende, dat hij zijn wapen verberge en voortaan aflegge; mijn voorwendsel, dat toevallig bij dezen lieden gold, zoude hem bij anderen niet zoo gemakkelijk beschermen.quot;

„Hugh! verberg uwen claymore,quot; sprak de dame tot dezen, „en gij, edele Heer! gij hebt grooter recht op mijne dankbaarheid dan ik in \'t eerst vermoedde, en zoo het in de macht eener vreemdelinge stond, u daarvoor te.....quot;

„Schoone Signora! gij noemt u eene vreemdelinge, en alles bewijst dat gij het zijt, hoewel men het niet zeggen zoude aan de wijze, waarop gij onze taal spreekt; denkt gij u lang te Rome op te houden?quot;

„Ik kan dat zelve nog niet bepalen. Mijnheer!quot;

„En kwaamt gij van verre om de zuil te aanbidden?quot;

„Van zeer verre, uit Engeland; doch het was niet het eenige oogmerk mijner reize, het was slechts eene plechtige gelofte, een dankoffer aan mijne Beschermheilige, die mij tot hiertoe veilig heeft geleid.quot;

„Gij moet even moedig zijn als vroom, om zulk eenen langen, gevaarlijken tocht te ondernemen. Gij hebt hier zeker uwe betrekkingen, die u verwachten, Signora?quot;

„Niemand verwacht mij,quot; hernam zij zuchtende en sloeg de oogen neder, „dat maakt mijn toestand zeer zorgelijk.quot;

„Inderdaad,quot; hernam Scipione, haar uitvorschend aanziende, met een bijtend glimlachje, „het tegenwoordig bestuur is eene op zich zelve staande schoone vrouw, eene vreemdelinge, die niemand kent, niet zeer gunstig.quot;

„Hoe moet ik dit verstaan. Mijnheer?quot; vroeg zij verwonderd en bijna beleedigd.

„In den besten zin, Signora! Als de waarschuwing van iemand, die belang in u stelt. quot;Waar denkt gij uwen intrek te nemen, Signora ?quot;

„Ach Hemel! dat weet ik zelve niet,quot; riep zij met eenen die-

ocr page 27

17

pen zucht; „niisschien zoude mijn bloedverwant... wist ik slechts waaromtrent zijne woning.....?quot;

„Wiens woning!quot;

„Die van den ridder Karre! zoudt gij hem mogelijk kennen? o Signore! gij weet niet hoe onbegrijpelijk veel er mij aan gelegen is, hem spoedig te zien.quot;

„Karre, Karre,quot; herhaalde de Romein, zich over het voorhoofd strijkende, als iemand, die zich herinnert: „ik heb dien naam meer gehoord, kent gjj iemand, met wien hij in betrekking zou kunnen staan?quot;

„Monsignor Montalto beschermt hem; doch eene vrouw zoude zeker moeielijk een gehoor bij dezen Prelaat.....

„Hm! hm! Montalto!quot; herhaalde Scipione langzaam, terwijl hij met het hoofd knikte en zich de onderlip verbeet, „dat is een groote naam, Signora!quot;

Toen bedacht hij zich eenige oogenblikken, een donkerroode gloed verspreidde zich over zijn gelaat, zjjne oogen schitterden. „Hoor, ik zal u helpen, ik zal den ridder Karre voor u uitvinden. Stelt gij vertrouwen in mij ?quot;

„Ik heb geene andere keuze,quot; hernam zij, met eenen zweem van verdrietelijkheid, „dan mij toe te vertrouwen aan een vreemdeling, die bewezen heeft, dat hij mij dienen wil.quot;

„Welaan dan, ons gesprek op deze volkrijke plaats heeft reeds te lang geduurd; te Rome zijn zelfs de straatsteenen verspieders! Ik behoor tot het gevolg van eenen bisschop, wij zouden beiden licht in ongelegenheid kunnen komen. Laat mij u in den zadel helpen.quot;

De dame had werkelijk opgemerkt, dat de zonderlinge jongeling, terwijl hij met haar sprak, meermalen het hoofd schichtig omwendde.

„Rijd nu het plein dwars over tot aan gindsche straat,quot; vervolgde hij, toen allen hunne muildieren weder bestegen hadden, „ik zal u iemand nazenden, die u naar een geschikt verblijf zal

Engelschen te Rome enz. 2

ocr page 28

18

geleiden; ik kom zelf als ik iets naders weet van uwen bloedverwant.quot;

„Mijnheer! hoe zal ik u mijnen dank___quot; dan, hij had zich reeds

verwijderd en wenkte met de hand, dat zij voortrijden zoude. De overigen hadden reeds lang naar dit oogenblik verlangd, en de muilezeldrijver, die menige verwensching over deze vertraging had geuit, dreef nu zijne dieren voort.

De schoone vreemdelinge, want inderdaad de kap die zij nu weder over haar hoofd trok, en die daarvan onder haar gebed was teruggevallen, liet genoeg van haar gelaat zien, om haar schoon te noemen, hoewel eene tint van somberheid en ernst daarop onmiskenbaar was, de schoone vreemdelinge dan zuchtte, terwijl zij in diep gepeins naast hare gezellin voortreed, die haar eindelijk met de vraag stoorde: „Wist die Romeinsehe Heer het verblijf van Sir Lionel ?quot;

„Niet beter dan ik; doch hij heeft beloofd, hem op te sporen. Weet gij wel, Margaret! dat Hugh een doodsgevaar ontkomen is door bemiddeling van den vreemde ? En daarenboven zal deze ons eenen leidsman zenden, die ons een geschikt verblijf zal aanwijzen.quot;

„Waarom zou die gids dan nog niet bij ons zijn?quot;

„Ja, dat is zonderling. Hier te Rome beangstigt mij alles; alles is hier zeldzaam en vreemd; gewapende mannen, gerechtsdienaars omringen ons bij elke schrede, eischen rekenschap af van elke nietigheid, en zelfs hij, die mij schijnt te willen beschermen, doet het met eenen schroom en eene geheimzinnigheid, die mij beklemmen en ontrusten, zijne blikken jagen mij schrik aan, en zelfs zijne woorden hebben meer van eene gerechtelijke ondervraging dan van de ridderlijke toespraak dei-hulpvaardigheid.quot;

„Ja, bij St. Andreas I het is een Heidensch land dat Christelijk Italië,quot; viel Hugh zijne meesteres in de rede, „waar men ezels voor paarden houdt, en waar een eerlijk man zijnen clay-

ocr page 29

19

more niet trekken mag tegen schurken, die hem aanranden.quot;

Een: pst, pst, liet zich achter hem hooren, en een man in een grijsachtig gewaad sloop hen op zijde.

„Signor Scipione zendt mij,quot; zeide hij tot de Dame, doch met eene schorre, bijna onverstaanbare stem.

„Goed,quot; antwoordde deze, „wij zullen u volgen.quot;

En hij plaatste zich aan het hoofd van het viertal.

De rechte, fraaie hoofdstraat, waartoe zij reeds genaderd waren, liet hij ter zijde liggen, en voerde hen door nauwe, kromme, bochtige, ten deele slecht geplaveide straten, terwijl hij alleen door bewegingen den weg, dien men te volgen had, aanduidde.

ïen laatste, terwijl de Lady zich niet zonder bevreemding en onrust tegen Margaret uitliet, over de zonderlinge, onaanzienlijke buurten, waardoor hij hen heenvoerde, hield de gids stil voor een huis, dat een weinig uitlokkend aanzien had.

„Wist ik slechts waarheen, ik trad deze ongure herberg niet binnen,quot; fluisterde de vreemdelinge tot hai-e vrouwelijke bediende.

„Mama! gij hadt gezegd, dat het hier mooier zoude zijn dan te Londen,quot; riep het knaapje, half schreiende, terwijl Hugh hem uit den zadel tilde.

De muilezeldrijver, bekend met de inrichting zijner vaderland-sche herbergen, ging, zonder zich over iets te bekommeren, stalling zoeken voor zijne beesten. De gids sprak eenige woorden zacht tot een lang, schraalachtig man van eene bleekgele gelaatskleur, die, al buigende, zich als Azzo, den eigenaar des huizes, bekend maakte, terwijl hij bij zjjnen beschermheilige verzekerde, dat zijn huis een bescheiden huis was, waar schoone dames tegen elke opspraak en tegen elke vervolging gewaarborgd waren.

Xa deze vreemde inleiding voerde hij zijne gasten (want ook Hugh volgde de vrouwen) door eene galerjj naar een vertrek op de eerste verdieping, dat oneindig beter ingericht was, dan men naar het uiterlijk aanzien der woning had kunnen verwachten.

„Dat kamertje ter zijde zal voor deze juffer zijn,quot; sprak de

ocr page 30

20

hospes, op Margaret wijzende, „en als die lange heiden daar uw bediende is, kan hij beneden ruimte genoeg vinden.quot;

„Ik scheide mij niet van mijne reisgenooten,quot; sprak de dame schielijk, „mijne kamenier verlaat mij niet, en Hugh zal slapen in dat zijvertrekje.quot;

„Zooals gij wilt,quot; antwoordde de man met een licht schouderophalen en wilde gaan.

„Nog een woord. Padrone!quot; sprak de Engelsche ernstig, „hoewel ik in de verlegenheid van het oogenblik gebruik moet maken van uw buis, zal het mij hier te Rome weldra niet aan beschermers ontbreken.quot;

„Ik twijfel daaraan geenszins,quot; viel Azzo haar met eenen glimlach in de rede.

„En het hangt van u af,quot; vervolgde zij, zonder daarop te letten, „hunne gunst en mijnen grooten dank te verdienen.quot;

„Laat dat aan Azzo Tiveretto over, hij weet wat eene Signora, zooals u, toekomt.... zal ik u voor de siësta nog eenige ver-versching brengen ?quot;

„Gij hebt gelijk, Azzo! een goed ontbijt hebben wij allen noodig,quot; hervatte de Lady.

Dit afwachtende, wierp zij zich op een rustbed neder, terwijl haar zoontje en de kamenier zich verlustigden, om door de getraliede vensters op het drukke, maar zwijgende straatgewoel te staren.

Hugh zette zich in eenen hoek en neuriede halfluid het begin der Schotsche ballade: From mighty Odin\'s airy hail etc.

ocr page 31

HOOFDSTUK II. De ridder Karre en zijne bezoekers

De eenvoudige woning van den ridder Karre paalde aan de sakristie der St. Pieterskerk. liet prachtige koepeldak, een dei-reuzenwerken door den regeerenden Paus ondernomen en met zooveel luister ten einde gebracht, was op dit tijdstip nog niet * voltooid; doch reeds bestond de trap, door Sixtus daar geplaatst,

om zich uit de vertrekken van het Apostolische paleis binnendoor naar de hoofdkerk te begeven, zonder aan onbescheidene blikken blootgesteld te zijn. Deze opmerking zal misschien in het vervolg minder ongepast schijnen, dan zij nu moet voorkomen, want wij spraken van het huis eens vreemdelings, waarvan wel niemand zal vermoeden, dat het met de St. Pieterskerk, noch met den Pauselijken trap, noch met de Gregoriaansche kapel, waarop deze uitliep, noch met de vertrekken van het Vatikaan eenige gemeenschap had.

Toen Signor Scipione zich zoo vreemd hield van elke ken-ti nis aan dien Karre, moest hij of wel zeer onnoozel geweest zjjn,

of wol zeer gewichtige redenen gehad hebben om het te schijnen ; want ieder Romeinsch edelman kende hem als een Engel-schen balling, die stil voor zich heen leefde met hetgeen hij uit zijn, door Elisabeth verbeurdverklaard, vermogen had kunnen redden. Zijne persoonljjke rampspoeden, zijne ballingschap, zijn

ocr page 32

22

lijden voor het Katholieke geloof, hadden hem in de Pauselijke stad vele harten gewonnen, en zijne gezelligheid, zijne aangename manieren, de losse gemakkelijkheid van zijnen omgang, die den man van opvoeding en geboorte kenschetsten, hadden hem daar, ondanks zijne bekende armoede, de aanzienlijkste huizen geopend. Sommige kerkvorsten ontvingen hem aan hunne tafels, en menige voorname Komeinsche vrouw zag met wangunst op de sohoone, die hij den arm gaf; en menig bekoorlijk meisje trok niet coquetterie den donkeren mezzaro ter zijde, als zij den ridder op de wandelplaatsen ontmoette, en bij de avondtochten van het Corso was hij zeker meer bloemruikers te ontvangen, dan hij dragen kon. Hij was ook een ongehuwd man, die nog geen dertig jaren wezen kon, en zijne gestalte.... doch wij zullen hem zoo aanstonds zien en zeiven kunnen oordeelen, of de Komeinsche dames gelijk hadden. Een hupsch, beschaafd, vrooljjk, geestig, zorgeloos edelman, martelaar van de vervolgingen der Protestanten, zonder eerzucht, zonder aanmatiging, zonder eenigen lust tot staatkundige bemoeiingen, ziedaar wat de Komeinen in hem zagen. Toch was hij nog iets anders.

ïfa den zedigen ingang van zijn huis, volgde eene armoedig gemeubelde voorkamer, die, behalve de levensgroote portretten der Schotsehe Maria en van twee Engelsche bisschoppen, niets bijzonders bevatte. Dan, eene kleine achter een tapijt verborgene zijdeur ontsloot alleen voor den eigenaar den toegang tot eene enge galerij, van waar men in eene zaal trad, die een gansch ander denkbeeld moest geven van des ridders welvaart. Neen, voorwaar, geen schatrijke prelaat konde zijn geheim bidvertrek met meer uitgezochte gemakken voorzien, met meer smaak-vollen luister, met meer zelflievende weelde hebben opgesierd. De wanden prjjkten met een stevig Hongaarsch leder, van eene lichtblauwe kleur, bezaaid met dooreengeslingerde, grillige figuren van zilver. Op den vloer lag een veelkleurig Perzisch tapijt, dat glinsterde van nieuwheid en frischheid, en zóó zacht, zóó

ocr page 33

23

mollig, dat de voet zich bij het gaan in het weeke weefsel verschool, als in het versche zomergras van onze vaderlandsche weiden. Op eene kostbare ottomane van citroenboomenhout lagen welgevulde kussens van blauw fluweel, welker zware zilveren koordfranjes en kwasten tot op den grond nederhingen. Een prachtig buffet, rijk met zilveren vaatwerk bezet, was voorzien van gekonfijte vruchten en allerlei suikergebak. In een albasten koelvat, met water gevuld, stonden vergulde schenkkannen met Cyprischen wijn en dien van Syracuse. De schikking van dit alles schoen ten doel te hebben, den bewoner van alles te voorzien, zonder de tusschenkomst van bedienden; ook hield de ridder er slechts eenen enkelen, die dit vertrek niet betrad dan om het in orde te brengen. Daar het avond was, brandden er talrijke waskaai-sen op de bronzen luchters, wier sombere kleur en grillige vormen de al te helle schittering van het behangsel aangenaam braken, zooals somtijds een grauwachtig wolkje eenen al te eentonig blauwen hemel niet onbehagelijk afwisselt. Een levens-groote genius van porfiersteen hield eene antieke urne in de hand, waaruit zich een reukwerk ontwikkelde, dat het gansche vertrek met aangename geuren vervulde. Maar het meest in het oog loopend van pracht was de zetel of leunstoel, tegenover de sofa geplaatst, en wiens karmozijn fluweel bekleedsel, hoewel zonder wapens, met vorstelijken rijkdom van borduursel en verguld snijwerk overladen was. Achter dien zetel zag men eene draperie van zware damastzijde. Verder tabouretten, kleine tafeltjes, op een van welke, dicht nevens den leunstoel, sierlijk schrijftuig, een lessenaar en papier, en eene spiegelkast, waarvan eene der openstaande deuren eenen belangrijken inhoud van fraai gebondene boeken zien liet. Dit alles maakte het huisraad van deze zaal uit, die blijkbaar noch een bidvertrek, noch eene slaapkamer was. Wilde men tot die beide den toegang hebben, dan moest men de kleine deur ter linkerzijde openen, en men kon zijn oog verlustigen aan het prachtige toilet en het fraaie

ocr page 34

24

ledekant des ridders, die, zoo het scheen, al deze genietingen van weelde en rijkdom alleen in het geheim rondom zijnen persoon verzameld had. Maar laat ons hem zeiven bespieden, terwijl hij zich daar op zijne ottomane nedervlijt, nadat hij onderscheidene malen met kennelijken onrust de kamer op en neder gegaan was. Groot kon men hem wel niet noemen, doch hij was welgevormd van gestalte, en zelfs duidden zijne breede schouders en de korte, gevulde hals, door eenen geplooiden kanten kraag slechts half bedekt, eene zekere mate van lichaamskracht aan. Hij had zeer lichtbruin haar, dat in lange lokken nederviel; dit, gevoegd bij donkerblauwe oogen, die iets weg-sleepend dweepachtigs hadden, vergoedde eene zekere onevenredigheid in zijne trekken, en deed het lage, platte voorhoofd, den te sterk gebogen neus en de spits uitloopende kin geheel vergeten. Rondom de fijne lippen van zijnen kleinen mond speelde iets, dat somtijds een beleefde, veeltijds een gulle glimlach heeten moest, doch die voor beide iets te scherps en te sarkastisch had. Over het geheel teekende zijn gelaat meer schranderheid dan gevoel, meer berekening dan hartstocht, alles echter vergoêlijkt door eenen glimp van innemende welwillendheid, die zeer wel waar konde zijn; doch wij mogen het niet verbergen, dat die diepliggende, levendige, kleine oogen, evengoed slimheid uitdrukken konden als dweepachtige teederheid, hoe liefelijk zij zich ook voordeden van achter hunne donkere pinkers. Zoo achteloos hij daar lag, terwijl hij de breede, blanke hand, wier keurig onderhouden nagels van de zorg getuigden, die hij voor zijn uiterlijk droeg, al zuchtend over het voorhoofd streek, en dan weder in de blinkende lokken drukte, was er veel bekommering te lezen in geheel zijne houding. Zijne kleeding beantwoordde aan zijn pronkvertrek. Hij droeg de Spaansche onderkleeding, met de wijde, alleen aan den enkel sluitende laarzen van rood marokijnleder, met zilveren franje en wit zijden voering. Een lichtgrijs satijnen wambuis, waarvan de mouwen,

ocr page 35

25

beneden de schouders en aan den onderarm opengesneden, doften van eene fijne witte stof zien lieten; een donkergroen fiuweelen mantel, met eenen rand van kostbaar borduursel, losjes omgeslagen, voltooide benevens den degen met gouden gevest, zijn gewaad, dat echter niet prachtiger was, dan hetgeen hij gewoonlijk droeg, en het verwonderde niemand, dat de Edelman, die zich in de eerste huizen van Rome vertoonde, het grootste gedeelte, zoo men meende, van zijn inkomen aan den zwier van zijn voorkomen besteedde. De klok van eene der naburige kapellen sloeg de tweede ure 1).

„Twee ure!\'\' riep Karre, „bij den hemel! twee ure en geene tijding uit Engeland! Nog weinige sekonden en hij zal hier zijn, en ik heb niets voor hem; het is ongehoord, dat men mij in deze verlegenheid laat, en dat nu, in deze crisis.quot; Toen stond hij driftig op, en het oog strak gericht houdende op een sierlijk tapijt ter rechterhand, dat zeker eene deur bedekte, vervolgde hij met eenen glimlach, terwijl hij luchtig zijne lokken heen en weder schudde: „Foei! schaam u, Lionel! gij hebt u uit nauwer engten gered, gjj hebt uw schip zonder aarzelen heen gestuurd over klippen, die elk ander zouden afgeschrikt of verbrijzeld hebben. Deze gevaren zijn immers juist uw element? Zoudt gjj dan leven kunnen in die altijd wederkeerende, alledaagsche gerustheid des levens, die niets belangwekkends heeft, waarbij men in slaap zoude kunnen vallen, zoo de matte loomheid der verveling zelve niet den slaap benam. Het is waar, ik wandel in een doolhof, en men geeft mjj eenen blinddoek in plaats van eene fakkel; maar ik heb scherpe oogen, en ik zie vaak nog eene uitkomst, als men meenen zou, dat ik het dan bijster was. Maar eene Ariadne zoude mij nu toch niet onwelkom . ...quot; Haastig brak hij hier zijne alleenspraak af; want de gordijn, waarop hij voortdurend het oog

1) Het tweede uur na zonsondergang. Italiaansche tijdrekening.

ocr page 36

26

geslagen hield, werd teruggeschoven, en een grijsaard trad binnen.

Men stelle zich echter niet voor een zwakken, ineengebogen man, met verstramde leden en ingezonken, verdoofde oogen, neen! de zilveren baard en de diepgegroefde trekken alleen kenschetsten eenen eerwaardigen ouderdom. Het was eene statige, sterke, vaste gestalte, die in een eenvoudig geestelijk gewaad gehuld, bij de achtbare houding, bij den gebiedend stouten blik van het vurig oog, bij het vermetele en strenge, dat op zijn voorhoofd zetelde, bij de ernstige en rustige uitdrukking van het sprekend gelaat, volkomen het aanzien had van een dier achtbare oudvaders, van een dier hechte, vrome, moedige herdersvorsten, van een dier kalme, krachtvolle godsmannen, die met heldenvuur in de borst en godsdienstzin in het hart, niet het oog ten hemel en de hand aan het zwaard, voorttrokken aan het hoofd huns volks. Toch was er meer strengs dan vriendelijks in den langen, scherpen blik, dien hij op den ridder sloeg, toen deze schielijk opgestaan, zich diep, bijna tot knielens toe, voor hem boog. Die zonderlinge geestelijke wierp zich driftig in den prachtigen zetel, zag Karre, die zich ongedekt hield, nogmaals uitvorsehend aan, en sprak toen, terwijl hij de armen over elkander kruiste; „Maria Stuart is gevallen!quot; — „Zij is gevallen!quot; herhaalde de andere in eene zekere verslagenheid. — „Welnu, wat nu verder? wat zegt, wat doet men te Londen?quot;

„Wat zegt men te Rome?quot; hernam Karre, en waagde het zijnen ondervrager aan te zien.

Deze sprak met eenigen nadruk: „Gisteren avond kwam de Kardinaal Montalto met een brief van den Nuncius aan het Fransche hof een vertrek van het Vatikaan binnen, en las luide een lang verhaal van hare onthoofding, en toen was er een man, die Elisabeth zalig prees, die zijne hand op Montalto\'s schouder legde, en die uitriep: — Ik zoude hetzelfde gedaan hebben.quot;

Een kort zwijgen volgde. De ridder richtte zich meer op, als

ocr page 37

27

vond hij zich van een groot bezwaar ontheven, en op zijne beurt zag hij met doordringende blikken zijnen geesteljjken bezoeker aan, als wilde hij den rechten zin der woorden uit diens gelaat lezen. — „En nu, wat zegt men te Londen?quot; vroeg deze.

„De vredebreuk met Spanje is nu onvermijdelijk. Hoogwaardigste! en ik houd mij overtuigd....quot;

„Bij St. Franciscus! wij vragen niet naar uwe overtuiging; wij willen weten wat er in Engeland omgaat, of de Koningin na dezen krachtigen stap verder zal gaan, of zij zich staande zal houden, of zij alles gewonnen of alles verloren heeft?quot;

„Ik aarzel het te zeggen. Hoogwaardige Heer! Ik weet dat gij moeite hebben zult mij te gelooven; ik verkeer in de grootste verlegenheid; want men laat mij zonder tijding. Men moet inderdaad veel gewonnen of veel verloren hebben, dat men mij vergeet, of.... niet meer noodig heeft.quot;

„Karre!quot; sprak de geestelijke met eenen blik van toorn en verontwaardiging, „geveinsdheid en logen van u tot mij is toch wel het ongerijmdste, dat zich denken laat. Voor den dag met hetgeen gij weet, man !quot;

„Ik weet niets. Hoogwaardigste!quot; hernam de ridder bedaard, hoewel het weifelen zijner stem te kennen gaf, dat hij niet zoo op zijn gemak was als hij trachtte voor te geven.

„Wie van ons beiden denkt gij te verraden. Mijnheer? Ons? Dan, bij den Hemel! waggelt uw hoofd op uwe schouders. En is het uwe meesteres, dan zijt gij een ondankbare schelm!quot;

Des ridders oogen fonkelden.

„Hoogwaardigste! gij zijt de eenigste, van wien ik dit woord vergeten wil,quot; zeide hij, het hoofd met trots opheffende. „Mijne eer duldt niet, dat ik mij verdedig.quot;

„Neen, die onbeschaamdheid gaat te ver,quot; hernam de grijsaard, terwijl hij driftig van zijnen zetel opstond en snel naar Karre toegaande, legde hij hem beide handen op de schouders en zag hem aan, oog in oog, met onweerstaanbare scherpheid,

ocr page 38

28

en zeide langzaam, doch met eene stem, die van opgekropte drift beefde:

„Gij hebt dan geene brieven ontvangen, dat zij zoo; maar hebt gij ook geene mondelinge kondschap door uwe bloedverwante, die gij. God moge het u vergeven, tot zulk een schandelijk spel bestemd hebt? Zeg niet neen, ongelukkige! bij mijnen vloek! zeg niet neen.quot;

Dat was iets zeer ernstigs die toorn van dien grijsaard, en het kon alleen een besef van onschuld zijn, dat den ridder moed gaf, om met eenige vastheid te antwoorden: „Ik ben in uwe hand. Heer! zij mogen het verantwoorden, die mij in dezen toestand geplaatst hebben; maar ik weet noch van brieven, noch van kondschap, noch van bloedverwanten, en bjj mijn tjjdelijk en eeuwig heil, gij zijt bedrogen, doch niet door mij.quot;

Een zacht gekuch, dat zich reeds eenige oogenblikken te voren in de galerij had doen hooren, herhaalde zich nu, sterker en luider.

„Mijn bediende geeft mij eenen wenk; men zoude ons wel niet kunnen storen, maar mijne tegenwoordigheid is zeker noodzakelijk: veroorloof mij ?quot; sprak Karre, zich aan de stevige aanraking des ondervragers onttrekkende, en misschien niet ontevreden over deze afwending.

„Ga! die man koos voor u zijn oogenblik goed.quot; Karre verliet de zaal door de zijdeur der galerjj, die van binnen gegrendeld was; en na eenige oogenblikken terugkomende, sprak hij, met eene mengeling van onrust en verbazing:

„Monsignore! Rome noemt u alwetend, ik zoude u voorwetend durven noemen; want daar laat zich eene vrouw aanmelden, die inderdaad mijne bloedverwante zijn moet.quot;

„En nog loochent gij ?quot; hernam de oude gestreng.

„Elke kennis aan hare komst, elke kennis aan hetgeen ik had moeten weten, ja Heer!quot;

„Ik wil mij overtuigen,quot; en hij rukte de deur open, en hij

ocr page 39

29

riep den wachtende bediende toe: „Laat de vrouw komen!quot;

„Het is mijne schuld niet, zoo uwe Hoogwaardigheid zich aan vreemde blikken waagt,quot; merkte de ridder aan.

„Als die vrouw is, wat wij onderstellen, dan zullen noch hare, noch uwe oogen hierna veel meer zien. Karre! Karre! die vrouw had het lokaas moeten zijn om de jeugd van Montalto te verstrikken; maar bij het lichaam van Petrus! zoo gij mij den jongen .....ik wil zeggen den Kardinaal, in een net wikkelt, dan

ware het u beter....quot; Hier zweeg de sprekende; want de deur der galerij ging open, en eene vrouw trad binnen; men begrijpt reeds, dat het de Engelsche vreemdelinge was, die wij vroeger ontmoet hebben. Zij had thans het ernstige pelgrimskleed met een diep rouwgewaad verwisseld. Een zwart fluweelen overkleed, van voren loshangende en open, was met strikken van wit krip bezet, en liet een ander gewaad van dofte witte zijde zien. Het blonde haar, waarin een goudkleurige gloed lag, was op het voorhoofd gescheiden, en verder geheel verborgen onder een kapje van zwart fluweel met zilveren boordsel, waaraan een zwarte sluier was vastgemaakt, die tot op den grond neder-hing. Aan hare gordel droeg zij eenen eenvoudigen paternoster, met een aynm Deï van gedreven goud. Wat de hooge halfne-dervallende kraag zien liet van haren hals, gaf evenzeer een denkbeeld van de melkwitte blankheid, als van de mollige gevuldheid van schouders en boezem. Die vrouw moest reeds eenige schreden gevorderd zijn in den zomer des levens, dat bleek duide-Ijjk aan de voltooide rondheid barer vormen, aan dat waardige der houding en dat vrijmoedige in de oogopslag, dat niet der jonkvrouw eigen is. Hare oogen waren meer schoon van glans en uitdrukking, dan van kleur, en zooals men het bij sterk blonde vrouwen meer vindt, waren de wenkbrauwen slechts even merkbaar. Veeleer groot dan klein was haar mond, doch zeer fraai gevormd en met de lippen omzoomd, wier reine frischheid tot de verbeelding sprak. Haar neus, zacht gebogen, stemde goed overeen met

ocr page 40

30

den strakken ernst harer trekken, nog verhoogd door eene bijna schrikwekkende bleekheid, en door eene diepe groeve in het voorhoofd, die van geledene smart getuigde, of wel als een voorteeken was van toekomstig Ijjden. Op het eerste gezicht moest haar uiterlijk meer bevreemden en belangwekken dan bevallen. Er lag op haar gelaat meer stroefs dan aanvalligs, meer peinzende zwaarmoedigheid dan vriendelijke innemendheid; en hare sombere kleeding, het volstrekte gemis van eenig versiersel, de sluier van zwart floers, waarin zij als in een wolk gehuld was en die hare doodsbleekheid nog meer deed uitkomen, de langzame, statige tred, waarmede zij binnenkwam, dat alles gaf haar iets spookachtigs, iets van eene geestverschijning; en de beide mannen, die haar zoo zagen naderen, moesten voor hunne eeuw wel sterke geesten zijn, om haar niet daarvoor te houden. Zij voerde haar zoontje aan de hand met zich. De geestelijke had zich ter zijde van den armstoel zóó geplaatst, dat de binnentredende hem niet terstond bemerken konde; ook scheen deze zich met Karre alleen te wanen, toen zij op eenen halfvragenden, halfsmeeken-den toon in het Italiaansch tot hem zeide: „Lionel! herkent gij mij?quot;

Hoe hachelijk ook de toestand des ridders zijn mocht, en hoezeer de komst zijner bloedverwante het gevaarvolle daarvan nog scheen te vermeerderen, toch verried de drift, waarmede hij haar te gemoet ging, geenen zweem van hetgeen er misschien in zijn binnenste woelde; er was zelfs hartelijkheid, zelfs iets van blijde aandoening in de wijze, waarop hij de hand kuste, die zij hem toereikte.

„Wees daarvoor gedankt, Anna! dat gij u Lionel nog herinnert !quot;

„Moet u dat vreemd voorkomen ? Het is waar, wij hebben elkander sinds twaalf jaren niet gezien. Maar ongelukkigen hebben een goed geheugen, als zij in eenen voormaligen vriend eenen beschermer zoeken moeten.quot;

ocr page 41

31

„Is Lady Oston zoo ongelukkig, dat zij buiten haar vaderland eene toevlucht zoeken moet? Spreek Anna, wat drijft u hierheen? hoe hebt gij mijn verblijf uitgevonden? wie lichtte u in? en waarom hebt gij mij niet van uwe overkomst verwittigd? ik had dan maatregelen kunnen nemen om .... gij weet niet, gij kunt niet weten aan welke gevaren gij zelve en mij blootstelt.quot;

„O! ik heb daarvan vreeselijke bewijzen! Ik heb angsten doorgestaan, die .... doch dat is een lang en treurig verhaal, omhels eerst mijnen zoon en laat mij eene poos rusten.quot;\' Dit zeggende naderde zij den armstoel, de eerste zitplaats, die haar in het oog viel; dan de ridder nam haar eenigszins snel, doch met galanterie, bij de hand en voerde haar naar de sofa. Inmiddels had zij den geestelijke opgemerkt, die de ongeziene getuige had willen zijn van hun gesprek, en zij riep met eenigen schrik : „Neef! wij zijn niet alleen.quot;

„Het is zoo, Mylady! doch deze eerwaardige Heer, mijn biechtvader, kunt gij volkomen vertrouwen.quot;

„Een biechtvader! een priester dus, o! stel mij aan hem voor, ach! reeds zoo langen tijd heb ik de troostende toespraak van eenen Katholieken geestelijke ontbeerd.quot;

De ridder antwoordde niet, en zag eenigszins verlegen voor zich. Zijn bezoeker, die intusschen plaats genomen had, en wiens gelaat nu weder die ernstige waardigheid, die verhevene kalmte teekende, waaraan men hem bij zijne heftige woordenwisseling met den ridder bijna vreemd geacht zoude hebben, kwam hem te hulp.

„Kom dan, mijne dochter!quot; sprak hij tot Anna, „en ontvang den zegen van den Bisschop van St. Jan Lateraan.quot;

Nu voerde Karre terstond zijne bloedverwante tot voor den zetel van den Bisschop, terwijl hij zeide: „Hoogwaardigste Heer! mijne nicht, Anna Oston van Berwickshire!\'\'

Ofschoon Anna niet sprak., drukten het schitteren harer oogen en de blos, die haar de wangen kleurde, hare vrome geestdrift.

ocr page 42

32

en diepe ontroering genoegzaam uit, toen zij voor den eerwaar-digen grijsaard nederknielde, die met eene indrukwekkende stem den zegen over haar uitsprak. De ridder hielp haar, zich oprichten. — „Ook mijn zoontje, mijn William, Hoogwaardige Heer,quot; zeide Lady Oston met eenen smeekenden blik, „hij genoot nimmer de weldaad van zulk een zegen.quot;

„Ik geloof u,quot; sprak de Bisschop met eenen glimlach, die bijna dubbelzinnig heeten kon. Toch voldeed hij aan de half uitgesproken bede. Daarna richtte hij eenige onverschillige vragen tot den kleine, die ze met ongemeene bevalligheid en gevatheid beantwoordde.

„Op mijn woord. Mevrouw! gij spreekt het Italiaansch van Petrarca en ïasso, en uw knaapje drukt zich beter uit, dan menig Komeinsch kind. Hoe komt dat ?quot;

„Elke Engelsche vrouw van eenigen rang en opvoeding verstaat tegenwoordig Latijn en Italiaansch. Ik onderwees mijn zoontje, de gewoonte op reis heeft het verdere gedaan.quot;

„Waarlijk onze Romeinsehe vrouwen, die haren tijd met beu-zelingen en kuiperijen verspillen, mochten van de Engelsche lee-ren, zich dien ten nutte te maken,quot; hernam de geestelijke, „en nu, mevrouw! wat zullen wij van u hooren uit Engeland? Gij hebt zeker nieuws medegebracht voor uwen bloedverwant ? Waarom hebt gij hem onkundig gelaten van uwe overkomst, en wat is u te Rome wedervaren?quot;

Deze vragen, in éénen adem, met eenige aanmatiging, hoewel niet zonder vriendelijkheid uitgesproken, verwonderden wel is waar de Lady, dan zij was de laatste persoon der wereld om het gezag van eenen biechtvader, die daarenboven Bisschop was, te miskennen, [ook haalde zij snel een pakje te voorschijn en gaf het Karre, terwijl zij er bijvoegde: „Ten deele van onze bloedverwanten, ten deele van uwen weldoener, den edelen Essex, van wien het te betreuren is, dat hij de goddelooze Jesabel dient.quot;

ocr page 43

33

Met eenen uitvorschenden blik, waarin men evenzeer wantrouwen als nieuwsgierigheid lezen kon, als men dacht aan hetgeen er reeds tusschen den ridder en zijnen zonderlingen bezoeker was voorgevallen, zag deze naar het pakket.

Karre overreikte het hem, zonder het in te zien. „Hoogwaardigste! oordeel zelf of ik te goeder trouw ben,quot; sprak hij met eene vastheid in zijne stem, die zelfs iets verwjjtends had.

Inmiddels had de Bisschop eenige der papieren ingezien. Hij scheen met zichtbaar genoegen te lezen, eindelijk sprak hij luid, de tegenwoordigheid der vrouw geheel vergetende: „Gij zijt volkomen gerechtvaardigd, Karre! man! gij zijt onbetaalbaar, ik heb u verongelijkt, ik ben uw vriend! Laat mij deze brieven, die van uwe familie behoef ik niet. Deze hier, in cijferschrift, zullen wij te zamen lezen ...Te vergeefs had de ridder hem door blikken en gebaren aan de getuige van hun gesprek herinnerd, het scheen hem volkomen onverschillig welke gissingen deze over hunne zeldzame verstandhouding maken wilde; en hij verdiepte zich op nieuw in zijne lektuur, met eene gerustheid als ware hjj geheel alleen geweest.

„Zet u. Mevrouw!quot; zeide hij eindelijk tot Anna, hierbij op een der vouwstoeltjes wijzende, „gij hadt ons veel te verhalen.quot;

Anna nam plaats; de ridder wilde weder teruggaan op den eerbiedigen afstand, waarop hij zich vroeger gehouden had, doch de Bisschop wenkte hem naast zich.

„De treurige gebeurtenis, die mij uit mijn vaderland verdreven heeft, zal hier te Rome nog niet bekend zijn,quot; begon de Lady, „ware dit zoo, dan zag ik eenen dienaar der Kerk, zooals uwe Hoogwaardigheid, in even diepen rouw verzonken als dien, waarvan ik de teekenen draag, en die ik niet afleggen zal, dan nadat het gruwelijke feit zal gewroken zijn. Het is eene gebeurtenis, waarover de gansche Christenheid treurt; en gij ook, mijn neef! zult haar met weemoed vernemen. Maria Stuart, de Koningin van Schotland, de rechtmatige Koningin

Enjrelschen te Rome enz. 3

ocr page 44

34:

van Engeland, is gevallen onder de slagen der overweldigster, heeft haar schoon hoofd moeten buigen onder de scherpte van de bijl. De verfoeielijkste ketterin heeft de vroomste dochter der Kerk gedood. Elizabeth heeft Maria Stuart onthoofd.quot;

De sombere klagende stem, waarmede Anna begon, was allengs tot scheller en scherper tonen van haat en toorn opgeklommen, en het laatste sprak zij uit met eenen kreet van afschuw en smart.

„Een lange omhaal van woorden om ons te zeggen, dat eene Koningin gebruik gemaakt heeft van hare macht, dat Elizabeth eenen staatszet heeft uitgevoerd, die reeds veel te lang werd verschoven,quot; fluisterde de Bisschop tot zijnen vertrouweling; deze boog zich met zijnen sarkastischen glimlach. Toch namen beiden een uiterlijk aan, dat eenigszins met de verwachting dei-Lady overkwam, en de geestelijke antwoordde zelfs: „Ofschoon wij deze vreeselijke uitkomst te gemoet zagen, ziet gij er ons zoozeer over getroffen, als met onze onderwerping aan hoogere toelating overeenstemt.quot;

„Ja, inderdaad. Hoogwaardige Heer! de Hemel laat zeker de goddeloozen wel voor eenen tijd zegevieren, doch zij vinden juist daardoor hun eigen verderf; uit den schoot der Kerk verdreven, van de menschen vervloekt, door God en de Heiligen verlaten, daalt eenmaal de straf des Hemels op het schuldige hoofd der geveinsde Elizabeth neder. Dat ten minste is de wraakbede van elk, die zich een goed Christen noemt.

Met blijkbare afkeuring had Karre\'s geheimzinnige biechtvader Anna\'s heftige taal aangehoord, nu viel hij haar in de rede met de vraag: „En hoe maakt zij het met haar volk?quot;

„Helaas! haar volk! het bestaat uit verharde ketters, die hare daad goedkeuren, die vreugdevuren branden, die hunne huizen versieren, die bloem en palm strooien, als de Heidenen bij hunne menschenoffers; en slechts weinige onder hen zijn billijk genoeg om haar te veroordeelen. Hét getal getrouwe

ocr page 45

35

Katholieken, dat nog in mijn rampzalig vaderland geduld wordt, leeft onder eene verdrukking, die hun het zwijgen oplegt; en sedert de noodlottige dagen van Babinghton wagen zij het niet meer, openlijk voor hunne gevoelens uit te komen; zeker leven er nog wel enkele moedige mannen, enkele hooggestemde vrouwen, die het voornemen hebben, de edele martelares te wreken, dan, zij behoeven ondersteuning en hunne plannen zijn nog door duizend moeielijkheden belemmerd. Ik ben de vertrouwde hunner geheimen, de deelgenoote hunner wenschen, ik nam het op mij, zoo mogelijk binnen deze heilige stad, hulp en raad voor hen te vinden; want zij weten het, er bestaat in Engeland, in Londen zelfs, eene Spaansche partij, die zich aan de onze zal aansluiten, als Koning Pilips zijne onderneming tegen Elizabeth werkelijk doorzet.quot;

De bisschop luisterde nu met zeer veel belangstelling. Hij ondervroeg de Engelsche met drift en levendigheid over de hulpbronnen dier partij, hare macht, hare voornemens; en Anna, die de draden daarvan in handen had, deelde hem met eerbiedig vertrouwen alles mede, niet weinig verheugd reeds zoo schielijk eenen prelaat voor hare zaak gewonnen te hebben. Daarop vervolgde zij :

„Behalve deze gewichtige zending, die ik op mij nam, kon ik niet van mij verkrijgen, langer te leven onder de wetten dei-misdadige tirannes; de lucht van Engeland, die zij inademt, werd mij hatelijk. De grond, die Maria\'s bloed gedronken had, brandde mij onder de voeten, mijne bloedverwanten, mjjne betrekkingen noodzaakten mij eenen schijn van gematigdheid aan te nemen, die ik niet huichelen kon. Ik besloot te vluchten; ik kon niet langer ademen in dien pestwalm der ketterij, die mij drukte als een banvloek, en wilde mijnen William een gelukzaliger vaderland schenken, hem opvoeden onder de vleugelen van den godsdienst en in de schaduw der moederkerk. Ik stelde mij Eome als woonplaats voor. Ik rekende daarbij op

ocr page 46

36

uwe bescherming, Karre! op de trouw uwer vriendschap, op uwe edelmoedigheid, die de bannelinge niet verstoeten zouden. Heimelijk uit Londen vertrokken met het vervoerbare gedeelte van mijn vermogen, en slechts van twee trouwe bedienden vergezeld, wachtte ik in eene der zuid-oostelijke zeehavens eene scheepsgelegenheid af. Van hier wilde ik uwen raad innemen omtrent den weg dien ik volgen moest, en u verzoeken hier een voegzaam verblijf voor mij te vinden. Uw oom, de Baronet van Southe-well, die mij dit pakket deed toekomen, beloofde mij aanbevelingsbrieven en uw adres. Ik weet niet door welk een noodlottig toeval, juist om dezen tijd, mijn naam betrokken werd in oen der talrijke processen uit Babinghton\'s zaak voortgevloeid: mijn trouwe zaakgelastigde, die mijne onroerende goederen zoude verkoopen, schreef mij en ried mij dringend, geen oogenblik te verzuimen om naar den vasten wal over te steken; mijne vrijheid, mijn leven waren in gevaar. Eene kleine visscherspink was mij tot reddingsboot. Ik landde gelukkig in Frankrijk, zonder eenig vooruitzicht op menschelijke hulp; maar steunende op de bescherming der Heiligen, bemoedigd door eene plechtige gelofte, bezield door geestdrift voor eene gewijde zaak en sterk in het geloof, aanvaardde ik met rusteloozen ijver den moeie-lijken, den gevaarvollen tocht. Ik volbracht dien in den kortst mogelijken tijd. Ik zag dat Rome van mijn gloeiend verlangen, ik stortte mijne dankgebeden uit aan den voet der Vatikaansche zuil. Het is waar, mijn toestand was niet benijdenswaardig; op mij zelve staande, geheel alleen in het midden van eene onmetelijke groote stad, krioelende van vreemdelingen, zonder beschermer, zonder vriend, zonder bloedverwanten, de eenige, op wiens hulp ik had kunnen hopen, even onkundig van mijne nabijheid als ik van zijne woning, dat was inderdaad ontrustend, droevig! Dan, hooger hand leidde mij. Juist bij diezelfde zuil, waar ik mijne gelofte volbracht, vond ik een hulpvaardig mensch, die aannam uw verblijf voor mij op te sporen, en die

ocr page 47

37

mij eindelijk, na bejegeningen even vreemd als vernederend, hierheen heeft geleid.quot;

„En wat was dat voor een mensch, goede Anna?quot;

„Een zonderlinge jonge man, die ...

„Ridder Karre! ge hebt uwe gast niets van die ververschin-gen aangeboden, waarvan uw buffet zoo rijk voorzien is, en de kleine snaak hier zal zeker iets begeeren,quot; sprak de Bisschop, Lady Oston schielijk in de rede vallende, en William toewenkende om zich te bedienen. En het oogenblik waarnemende, waarop Karre en de knaap zich op eenigen afstand bevonden, zeide hij zacht tot haar: „Zoo gij dien man wederzaagt en hem herkendet, zoudt gij dan willen zwijgen en hem als eenen vreemdeling behandelen?quot;

„Indien dat uw wensch en zijn belang is. Hoogwaardige Heer! waarom dan niet ?quot; antwoordde Anna, ten hoogste verwonderd, „want ik heb hem alles vergeven. De dienst, die hij mij nu bewezen hoeft. . .

„Goed, goed, vergeet niet, dat ik uw woord heb. Ik hoop u spoedig weder te zien,quot; vervolgde hij luid. „Karre! gij geeft uwe nicht toch zeker huisvesting?quot;

„Als zij die aannemen wil met do verzekering der eerbiedigste gastvrijheid,quot; zeide deze met eeno hoffelijke buiging tot Anna.

„Helaas, neef! ik bevind mij in de treurige noodzakelijkheid, om mij aan iemands hoede toe te vertrouwen, en ik weet, dat ik mij onder geene meer edelmoedige plaatsen kan, dan de uwe. Het huis, mij door den vreemden Heer aangewezen, was mij een zeer ongeschikt verblijf, dat ik plotseling heb moeten verlaten. Ik weet inderdaad niet waarheen; want ik heb twee bedienden bij mij en mijnen William.quot;

De ridder zag de bisschop aarzelend aan.

„Wat zegt dat, goede Mevrouw!quot; zeide deze, „het huis van uwen bloedverwant is ruimer dan men denken zoude, en uw verblijf bij hem zal slechts kort zijn. Ik belast er mij mede, u als

ocr page 48

38

gast te doen opnemen bij eene aanzienlijke en achtenswaardige dame; ik zal in het ontbrekende van uw vermogen voorzien. Eene zoo vrome en moedige dochter der Katholieke Kerk heeft recht op een goed onthaal in de Pauseljjke stad. En ik zal zorgen dat deze kleine, (hier legde hij vriendelijk de hand op Williams blonde lokken) aan eenen bekwamen opvoeder worde toevertrouwd ; ik heb goede verwachting van zijnen gelukkigen aanleg.quot;

„Maar, Hoogwaardige Heer! zoovele weldaden, hoe kan ik...quot;

„Dank het de heilige Bonaventura, die ons te zamen bracht,quot; hernam de zonderlinge geestelijke, terwijl hij snol naar de deur terugging, waardoor hij gekomen was.

„Men heeft mij een verkeerd denkbeeld willen geven van die vrouw,quot; zeide hij fluisterend tot Karre, die het tapijtbehangsel voor hem ter zijde schoof. „Ik heb haar gansch anders gevonden dan ik vreesde. Over het andere spreken wij morgen. Doch verzwijg Montalto wat hier voorgevallen is. En nu vaarwel, St. Petrus zij met u!quot; en de ridder liet voor Anna\'s verwonderd oog het rijke weefsel vallen waarachter zijn zonderlinge bezoeker verdween.

„Neef!quot; zeide Anna, toen zij alleen waren, „uw biechtvader belooft zeer veel.quot;

„En zal het houden, mylady! gij weet niet hoe het.....mij

verheugt, dat hij zich uwer aantrekt.quot;

„Heeft die bisschop van St. Jan Lateraan dan zooveel invloed ?quot;

„Herinnert gij u dan niet, dat de St. Lateraan zonder bisschop is, als de Heilige stoel ledig staat?quot;

„Bij de Heilige Maagd!quot; riep Anna, rood en bleek wordende, „wie konde op zoo iets bedacht zijn, het ongehoopt geluk van zulk een eer, van zulk eenon zegen I William, mijn zoon! mijn gelukkig kind! Groot is het heil, dat ons wedervaren is, en wat laat zich niet hopen van zulk een begin!quot; Met hartstocht kuste zij haar kind.

ocr page 49

39

De ridder glimlachte over hare vrome moederlijke verrukking.

„Ja,quot; voegde hij er bij, „Paus Sixtus is een groot man, verheven en waardig als Opperpriester zijner kerk, zelfstandig en onwrikbaar als Regent, doordringend, scherpzinnig, en behendig als staatsman.quot;

„Maar wie zijt gij dan?quot; vroeg Lady Oston; „deze gemeenzaamheid, dit vertrouwen, zijne verschijning in uw huis----quot;

„Sus, sus, liefste nicht!quot; wat gij hier hebt gezien, moet gij vergeten ; er zijn betrekkingen, waarnaar men niet vraagt. Laat het u genoeg zijn, dat ik hier in zijn vertrouwen deel, en hem beter ken, dan het gansche consistorie der Kardinalen te zamen.quot;

ocr page 50

HOOFDSTUK III.

Iemand met een dubbel beroep.

De ridder Karre zoude zich zeker niet verwonderd hebben, dat zijn Pauselijke bezoeker kennis droeg van zijne betrekking tot Lady Oston, en vroeger dan hij zelf van hare aankomst verwittigd was, zoo hij getuige had kunnen zijn van hetgeen er omtrent middernacht plaats vond in een vertrek van hetzelfde huis, dat Anna zoo plotseling verlaten had. Dat vertrek lag tegenover eene binnenplaats, en scheen zorgvuldig van de andere behuizing en van iedere gemeenschap daarmede afgesloten te zijn. Geen venster in den wit gepleisterden muur verried het bestaan van iets, dat men eene tweede woning zoude hebben kunnen noemen, en geene zichtbare deur wees daarheen den toegang aan. De galerij, die het huis beneden omgaf, eindigde ter rechterzijde bij eenen nauwen wenteltrap, die naar de bovenvertrekken voerde, door Lady Oston voor weinige uren gebruikt, en ter linkerzijde was niets dan een stevig eikenhouten beschot, waarin geen zweem van ingang te ontdekken was. En toch trad Signoi- Scipione, zooals wij onzen eersten bekende hebben hoo-ren noemen, de vreemdsoortige herberg in, ging de galerij ter rechterzijde door, en liep haastig en onbekommerd voort, alsof hÜ zeker was eenen uitweg te vinden. Zijn zelfvertrouwen bljjk-baar ontstaan uit zijne bekendheid met het plaatselijke, werd

ocr page 51

-tl

niet teleurgesteld. Zijn hevig stampen met den voet op eene bepaalde plek nabij den wenteltrap, deed dezen ter zijde draaien als eene deur, die men opent, terwijl hij, na zijn binnentreden, door het zachter drukken eener veer, den ganschen toestel weder op zijne gewone plaats bracht. Tien schreden verder, die hij in de volstrektste duisternis had moeten doen zoo hij niet eene kleine dievenlantaren van onder zijnen mantel had te voorschijn gehaald, bevond hij zich voor een laag klinket, zooals men tor zijde van vestingpoorten vindt, dat hij ontsloot met eenen sleutel, welken hij bij zich droeg. Toen zag hij zich in eene ruime kamer tegenover eene vrouw, die met kennelijke gerustheid en smaak haar avondeten nuttigde. Die vrouw zoude minder oud, minder leelijk en minder gemaakt geschenen hebben, zoo zij de natuurlijke levendigheid harer trekken niet bepleisterd had met dikke lagen van wit en rood blanketsel, hetwelk hun eene strakheid gaf, die haar deed gelijken naar eene dier onbehagelijke houten poppen, welke men in de 18de eeuw voor lagen prijs op de jaarmarkten in Holland verkocht. Hare natuurlijke tint was het sprekend zuidelijk geel, en zij had zich willen herscheppen in eene blanke dochter van het noorden. Hare zwarte wenkbrauwen waren te fijn en te kunstig gebogen om aan hare echtheid te kunnen gelooven, vooral daar men van onder het spits toeloopende hoofddeksel van gele zijde hier en daar dunne grijzende lokken zag te voorschijn komen, die luide de wenkbrauwen van onwaarschijnlijkheid aanklaagden. Schoon inderdaad was de vorm van haren volmaakt Eomeinschen neus, maar de blik, die er op viel, werd spoedig afgeschrikt door de bleeke, verflenste lippen, die den gapenden afgrond van den ontredderden mond verborgen, welks tanden, gedeeltelijk uitgevallen of afgebrokkeld, aan de zwarte overblijfsels eener afgebrande vesting deden denken. Het moest wel een verpestende adem zijn, die zich door dezen onreinen weg eenen doortocht baande; want een ongebonden leven was de oorzaak van dezen vervroegden ouderdom. Eene

ocr page 52

42

zekere zwaarlijvigheid gaf aan hare vormen iets ronds en molligs, dat haar goed stond, vooral daar zij een gedeelte van den boezem en de schouders onbedekt liet, evenals de armen, die zij met gouden armbanden versierde. Hare nog fraaie vingers prijkten met kostbare ringen, wier flikkering echter de walgelijke onzindelijkheid der handen te meer deed uitkomen. Hare groote, donkere oogen hadden zeker eenmaal van een ongemeen vuur geschitterd; doch thans stonden zij dof, flets en bijna droog in hunne holten, en slechts van tijd tot tijd flikkerde daarin een glans van ruwe kwaadaardigheid of gemeene hebzucht.

Uit deze schildering van haar uiterlijk kan men den zielstoestand gissen eener vrouw, aan wie ik zoo gaarne dien eernaam ontzeggen wilde, zoo het niet ware, dat juist vrouwen, als ze eens afgedaald zijn van het hooge voetstuk harer waarde, eenmaal den reinen gordel der schaamte verscheurd, eenmaal den haar beschermenden sluier der onschuld weggeworpen hebben, te dieper wegzinken in den poel der onreinheid, naarmate zij meer bestemd waren om tot een verheven trap van verfijnd gevoel en gelouterde zedelijke waarde op te klimmen, en dat juist vrouwen, als zij de eerste besmettende spat niet hebben weten te voorkomen op het kleed, dat vlekkeloos had moeten bljjven, als het ware door eenen onweerstaanbaren aandrang, weggesleept worden, en er een helsch genoegen in schijnen te vinden, zich altijd dieper neder te storten in den hatelijken poel der ondeugd. Engelen die vallen, zijn altijd duivelen, en de lelie, die door het slijk gesleept wordt, is afzichtelijker dan het onkruid, dat daarin groeit.

Deze vrouw dan zat aan eene tafel, waarop, behalve de spijs die zij at, eene wijde kruik en twee bekers stonden, benevens eene groote kom met limonade en eene kleine aarden lamp, welker onzeker flikkeren een flauw schijnsel wierp op geheel de zonderlinge meubeleering van een vertrek, waarin pracht en morsigheid, havelooze armoede en verkwisting onder elkander

ocr page 53

43

het gebied schenen te dealen. Met onverschilligheid en zonder verwondering zag zij even naar den binnentredende op, en bleef voorteten, van tijd tot tijd groote teugen nemende uit een dei-bekers, dien zij terstond weder vulde.

De onverschilligheid was blijkbaar wederkeerig; want de jongeling, die den hoed ophield, zette zich, zonder haar te groeten, op den stoel neder, die tegenover haar stond, en leunde met de beide ellebogen op de tafel, terwijl hij zijn hoofd in de handen verborg. Zij scheen aan zijne handelwijze gewoon; want zij bleef zwijgen zonder op hem te letten, tot hij eindelijk zeide:

„Quirina ! gij vraagt mij niets ?quot;

„Per Dio! ik vraag u niets, omdat ik niets van u te wachten heb! Met uwe zonderlinge manieren, met uwe plotselinge uitbarstingen, zijt gij het niet, die mij dienen kunt. Gisteren, na de terechtstelling van Cola en Francesco, zijt gij hier komen binnenstormen als een razende, uitgelaten van een lachen, dat mij angstig maakte, en tranen schreiende, die mij deden lachen. En dat alles, omdat gij eene Engelsche vreemdelinge in uwe macht hadt, die gij, geloof ik, aan eenen Kardinaal wildet ver-koopen. Welnu, wat zal ik u vragen ? gij hebt zeker de waarde in goede scudi in uwe beurs; meent gjj, dat zoo iets mij nieuwsgierig maakt?quot;

De jongeling had slechts ten halve naar haar geluisterd, en barstte nu los in eenen uitroep, die meer tot zich zeiven dan tot zijne toehoorderes gericht was.

„Neen, waarachtig, Kardinaal! ik verkoop u niets voor goud; het is iets beters, dat ik van u verlang; het is mijn noodlot, dat gjj niet gewild hebt!quot;

„Iets beters, nu ja! dat moet nog bewezen worden! Gij zijt eerzuchtig; maar de eer is iets ijdels, iets, dat men tasten noch proeven kan. Ik houd van goud en van liefde!quot; Hier wierp zij hem een harer afschuwelijke lonken toe, maar hij merkte dien niet op.

ocr page 54

44

„Ik heb veel gedaan en toch niets gedaan,quot; vervolgde hij weder.

„Dat is niet voorzichtig, ik doe niets ten halve, met elke daad gaan wij verder op een pad, waar geene Heiligen ons voorlichten, en als men dan nog niet wint, dan is de zonde te duur. Maar vertel mij de geschiedenis, Carissimo! uw geheim brandt u op de tong, en ik heb misschien goeden raad.quot;

„Ja, gij zult het weten, omdat ik wellicht uwe hulp zal noodig hebben, omdat ik stik van opgekropten hartstocht, omdat snijdende zielesmart zich uiten wil, omdat eene Quirina de beste vertrouwde is voor, voor.....quot;

„Eenen spion,quot; hernam zij koel en droog weg.

„Spion! spion! spion!quot; herhaalde hij met driftige gebaren, „ja, bij het gebeente der Heiligen! dat ben ik, vervolger der men-schen, vervloeking der menschen, broeder der duivelen, zoon der hel, dienaar van den Paus, dienaar van Peretti!quot; en hij lachte. Zoo akelig was zijn lach, dat de vrouw uit hare onverschilligheid oprees, om hem te doen bedaren.

„Kom, kom, mijn jongen vriend! wie zegt u, dat het handwerk niet goed is?quot;

„Het is goed, en bij God! ik zal het voortaan voor eigene rekening drijven.quot;

„Wel zeker; maar neem eene teug en vertel mij de geschiedenis met de Signora.quot;

„Hoor dan. Ik heb eenen eed gezworen, eenen plechtigen eed van wraak, dien ik houden zal, onschendbaar, onveranderlijk en getrouw, als anderen eene gelofte aan de Moedermaagd; die eed zal mijn eenigste eeredienst, mijn eenigst geloof, mijne eenigste liefde zijn. Ik zal geene rust, geenen slaap, geen gebed kennen, voordat ik hem volbracht heb. Die eed geldt Six-tus V, die wraak moet zich koelen aan het huis Peretti, en zal niet rusten voor het verdelgd is, en onder ongehoorde slagen is ten gronde gegaan.quot;

De vrouw stoorde hem door een schaterend gelach.

ocr page 55

45

„En wie zal dat groote werk ten einde brengen? Meester Seipione, die geheel afhangt van de lieden, die hij bedreigt? Het gansche geslacht der Peretti met Zijne Heiligheid, St. Bene-dicta vergeve mij de zonde! aan het hoofd; Signore! zijt gij waarachtig dronken? De wijn van Donna Camilla schijnt u goed te smaken.quot;

„Het is waar, ik ben niets; minder zelfs nog dan ik schijn, ik ben een laag insekt, dat zij met den voet vertreden kunnen, dat niet worstelen kan tegen uwen wenk, Fra Felice Peretti! maar ik zal voor u de wesp zijn, een insekt, dat, al ware het ook half verpletterd, nog beschikken kan over eenen giftigen angel, dien het drukken zal op de plaats, waar het u kwetsbaar kent; dat zich herscheppen kan in eene adder, wier beet u zal gewond hebben, eer gij het weten kunt. Ik heb geene macht; maar ik heb onvermoeide volharding, die haar doel nooit uit het oog verliest; ik ben meester van mij zeiven als het zijn moet; ik ben volleerd in elke list; ik ben zeker onder de bescherming van een dubbel masker; ik heb een hoofd, dat gij zelf geroemd hebt, Sixtus V! ik ben weinig, ik ben niets, en toch tegen u, Sixtus! vermag ik veel, zeer veel! meer dan gij dragen kunt.quot;

„Gij hebt gelijk,quot; sprak Quirina, die opgestaan was, „een man, die iets ondernemen durft, is sterk. Zie hier, voor een goed vriend heb ik iets over,quot; en zij toonde hem een fleschje, dat zij uit een kasje in den muur te voorschijn haalde. „Neem dit Seipione! daar is genoeg, om al die peren 1) te doen verrotten.quot;

Hij staarde met strakke blikken op het fleschje, dat zij in zijne hand gaf.

„Dit heldere vocht, in de waterleidingen uitgestort,quot; voegde zij er bij, „is in staat eiken put in eenen giftbak te veranderen, en de Romeinen te doen wegsterven als heerschte er de razende pest.quot;

1) Woordenspeling met den naam Peretti, peertje.

ocr page 56

46

Een oogenblik woog hij het fleschje in zijne hand, toen gaf hij het haar terug, en driftig haren arm wegstootende, riep hij uit:

„Neen Quirina ! neen! dat ware een rampzalige wraak. Veel te kort, veel te heimelijk, veel te natuurlijk! Hij moet lijden, zoo als ik geleden heb, de Paus moet als mensch voelen, wat hij eenen mensch heeft aangedaan. Neen, Sixtus! geen vergif, geen bloed maar tranen, bloedige tranen!quot;

„Xu, hij moet u eene bruid uit de armen weggeroofd hebben, anders begrijp ik mij uwe woede niet. Een vriend waart gij toch niet van mijnen armen Cola. Maar gij vergeet de Signoraquot;

Seipione had haar met zijne gloeiende oogen aangestaard. „Francesco!quot; begon hij; plotseling sloeg hij zich met de hand tegen het voorhoofd en prevelde binnensmonds: „Ik zoude dat wezen alles zeggen, en zij zoude mij niet begrijpen.quot; Toen plaatste hij zich bedaard bij de tafel en hervatte: „O juist! ik zoude u verhalen. Vóór dien duur gezworen eed van haat, die nog zeer jong is, heb ik hem altijd trouw gediend. In de dubbele betrekking van geheim Inquisiteur tegen de bandieten en van spion in het huis zijner zuster. Het eerste stelt tweehonderd dienaren van den Stadvoogd te mijner beschikking en verplicht mij, hem rekenschap te geven van al wat er onder de edelen, vreemdelingen en ledigloopers omgaat. Dat is zeker geene lichte taak; doch ik volbracht haar con amove! Het deed mij zoo recht goed, als ik eenen edelman tot de galeien kon doen veroordee-len; ik dacht dan aan Florence en aan mijnen vader. Voortaan zijn zij mij niets meer waard, de plannen van den Paus, voortaan heb ik slechts één denkbeeld, mijne wraak! — In het huis van Donna Camilla bekleed ik eenen post, die mij boven elke verdenking verheft. Daar hebt ge het geheim van mijn dubbelzinnig bestaan. — Dat ik u hier in dit huis bescherming en veiligheid schonk, was omdat ik den dienst van eene schrandere vrouw wel eens noodig heb, en om den eenen of anderen rijken Abt

ocr page 57

47

in uwe armen eenen troost te doen vinden, die hem evenwel geld genoeg kosten zal.quot;

„Diavolo!quot; riep Quirina, met den loenschen blik der onvoldane hebzucht, „als het met u maar niet altijd bij woorden bleef; gij hebt er den slag niet van om een dikgevederden vogel.. Zoo verachtelijk is eene vrouw zonder schaamte, dat zelfs de bedorvenste man, die haar tot medehulp neemt bij zijne misdaden, zich niet van eenen zekeren afkeer onthouden kan; ook viel Scipione haar met diepe minachting in de rede: „O! ga niet verder, het zal u misschien weldra niet aan gelegenheid tot veroveringen ontbreken; ik heb reden te denken, dat de regeering omtrent personen van uwe soort spoedig meer toegeeflijk zal worden.quot;

„Nu, dit geve de Hemel! het was ook eene ongehoorde gestrengheid, ons allen op zoo harde straffen te verbannen, onze Agatella de Pignacia, die Prinses der schoonen, gerechtelijk te verworgen, en dat te Kome, waar wij voorheen als Vorstinnen heerschten, en over goud en ambten beschikten. Drie kandelaren van zwaar zilver en eenen outerdoek van fijne kant beloof ik plechtig aan de Heilige Benedicta, als dat weder anders wordt! (en zij sloeg een kruis)... Maar nu de Signora, was het niet bij de Vatikaansche zuil....?quot;

„Dat ik haar ontmoette, ja. Tot die vreemdelinge zag ik mij aangetrokken door ik weet niet welke betoovering, en bij St. Paulus! zoo er nog ruimte was in mijn hart voor eenen tweeden hartstocht dan had haar \'aanblik dien kunnen opwekken. Die vrome ernst, die verhevenheid, die reinheid van oog, die kalme

waardigheid----dan genoeg, zulke schoonheden bevat gij niet.

Kortom, ik bewees haar eenen dienst, ten einde een gesprek te kunnen aanknoopen. Uit enkele woorden meende ik op te merken, dat zij door den bekenden Karre, van wien ik weet dat hij in Montalto\'s vertrouwen deelt, tot geheime bedoelingen bestemd was; en nog geloof ik, hoewel van hare deugd overtuigd, dat

ocr page 58

48

die man haar aan zijne berekeningen opofferen zal. Hij wil zeker zijne gunst bij den jongen Kardinaal bevestigen door zijne schoone nicht. Dit denkbeeld rees klaar en helder bij mij op, toen zij in het eerst met schuchterheid diens naam noemde. Eens anders plan te dwarsboomen, en zelf een werktuig tot wraak in handen te krijgen, was eene dubbelt verzoeking, die mij over alle hinderpalen deed heenzien. Mij het eerst van die vrouw meester te maken, haar den neef van onzen tiran toe te voeren, door haar hem te beheerschen, dat was mijn snel gevormd ontwerp, toen ik haar in de verlatenheid mijne hulp aanbood en Azzo\'s woning tot schuilplaats liet aanwijzen. Hebt gij mij begrepen

„Beter dan mijn gebedenboek. Gij wilt den jongen Kardinaal eene minnares schenken, om hem in het verderf te brengen.quot;

„Juist! doch het is mislukt. Ik ijlde naar Montalto — het valt mij niet moeielijk hem te spreken — met de meeste omzichtigheid hield ik hem het flikkerend schijnsel voor, dat hem moest verblinden. Het had moeten gelukken, twee en twintig jaar, een Italiaanschen hemel.... hij nog zoo geheel jongeling! de verbeeldingskracht verleid, de geheimhouding gewaarborgd! Ik weet niet welke talisman of welke Heilige hem tot marmer verkilde. In het eerst schertste hij, daarna werd hij ernstig, toornig zelfs, en ik zag op het eind geen ander redmiddel, dan alles op rekening der onbekende schoone te stellen. Ik moest mijn plan voor ditmaal opgeven, en toch het was schoon geweest, duivelsch schoon! — Sixtus bemint dezen neef, den laatsten zoon van zijnen broeder, als den appel zijner oogen, als het bloed van zijn bloed; het is zijn lieveling, zijn afgod, de innigste band, die hem aan het leven bindt; hij bestemt hem tot de verhevenste eereplaatsen, heeft met hem de uitgebreidste plannen, vertroetelt in hem zich zei ven, zijne eigene grootsche eerzucht, zijn eigen diepzinnig verstand, zijn eigen snel bevattend vernuft. Niemand weet dit beter dan ik; want ik ken ze in

ocr page 59

49

hun huiselijk leven, de Peretti, en ik heb onder de koele sneeuwlaag van Pauselijke terughouding en vorstelijke onverschilligheid, die hij toont voor de menschen, den almachtigen gloed der liefde bespied; dat is de kwetsbare plek van den Achilles!quot;

„Gij wordt duister.quot;

„Ik zal duidelijk zijn. Sixtus is een even onverbiddelijk rechter als teeder bloedverwant, en hij heeft het gezegd, en in dat woord ligt mijne wraak: „Voor de wet zijn allen gelijk!quot; Zoo de jongeling eenmaal in het too vernet verstrikt is, zal het een spel zijn, hem altijd dieper te doen zinken, hem in verdachte aanslagen, in schuldige kuiperijen te wikkelen, tot roekelooze heiligschennis heen te voeren, met één woord, hij zal schuldig zijn. Ik weet wat Sixtus lijden zal; maar ik weet ook wat hij doen zal.quot; Scipione lachte weder met zijnen eigenaardigen lach.

Quirina rilde. „Ik heb u begrepen, amico I volkomen begrepen; doch de Signora!quot;

„Ah ja! met haar was ik zoo tamelijk verlegen. Om zeker te zyn, dat Karre met zijne Engelsche niets zoude ondernemen, spoedde ik mij naar zijne Heiligheid, die mij buitendien wachtte. Ik deelde hein met eene waarschijnlijkheid, die hem misleiden moest, de zekerheid mede, dat Karre in heimelijke verstandhouding was met zijne landgenooten, sprak met dubbelzinnigheid van zijne nicht, kwam op de gunsten, die zij, door den ridder, van Montalto verwachtte, hoewel ik den laatste als volmaakt onkundig voorstelde; ik moest dit, om eene verklaring voor te komen. Met één woord, ik zeide hem zooveel, dat hij stampvoette van drift en toorn, en het is mijne schuld niet, zoo de Engelschman morgen niet hangt, en de Engelsche vrouw voor altijd achter kloostertraliën verborgen blijft; want na dit onderhoud geleidde ik de schoone nicht naar het huis van den tee-deren neef, waar ik haar eene welkomst van den Stadvoogd bereid had.quot;

Dat Signor Scipione hier misgerekend had, weten wij; het

Engelscbcu te Rome euz. 4

ocr page 60

50

tooneel in Karre\'s woning heeft ons overtuigd, dat alleen de toevallige belangstelling van den Paus in den geheimen Agent zijner buitenlandsche staatkunde hem noopte, om dezen niet op een enkele aanklacht ongehoord te veroordeelen, en zoo de bloedverwanten van den zwarten aanslag redde.

Maar gelijk volleerde schurken nooit de geheele waarheid bloot geven, al ware het ook aan hunne inschikkelijkste medehelpers, zoo had ook thans de Italiaan zijne vertrouwde niet gezegd, hoe hij, nog vóór zijn gehoor bij Sixtus, door Anna\'s indrukwekkende schoonheid betooyerd, haar aanbiedingen had gedaan, die zij met verontwaardigde fierheid terugstiet; waarna hij haar verliet met de woorden: „Ik zal dan uwen Karre opzoeken,quot; die toen meer hadden van eene bedreiging, dan van eene belofte, en die Anna bij het zonderlinge gedrag van Azzo, dat evenzeer beschimpend vriendelijk, als beschimpend vrijpostig was, tot het besluit brachten, om een huis te verlaten, waar alles haar ontrustte. Eeeds was zij op het punt om dit ten uitvoer te brengen, ondanks den heftigen tegenstand van Azzo, toen Scipione terugkwam, met berouwvollen eerbied hare vergiffenis vroeg voor het gebeurde, en met eenen duren eed beloofde, haar veilig naar het huis van den ridder te voeren. Ditmaal lag er zooveel oprechtheid in zijne taal, dat Anna, die ook bijna geene andere keus had, vergezeld van haar zoontje, in den wachtenden draagstoel stapte, gevolgd van Margaret en Hugh; ditmaal hield Scipione woord met de goede trouw van eenen olifantsjager, die de bedoelde prooi gerust laat voortgaan op het gekozen pad, omdat hij weet op welken verborgen kuil zij onvermijdelijk toeijlt.

quot;Wij hebben ondertusschen ons waardig tweetal vergeten. Hun gesprek, dat vooral aan Scipione\'s zijde van de kenschetsende hartstochtelijkheid, de overdrijving en de kwaadaardige list des Italiaans getuigde, was in eene beraadslaging verkeerd, waarbij Quirina, zoo het scheen, den boventoon voerde, en wel zoozeer

ocr page 61

51

naar het genoegen van haren toehoorder, dat hij, nader bij haar geschoven, hare hand had gevat en telkens met flonkerende oogen toestemmend knikte.

Eindelijk riep hij uit, op eenen toon, die bijna zegepralend was:

„Ja, bij St. Xaverius! dat\'s eene ingeving! de Spanjaarden en Orsina.quot;

ocr page 62

ms-msm

HOOFDSTUK IV. Het laatste spel.

Nabij de kapel van Santa Maria Maggiore lag de rijke wijngaard Feretti, vroeger de nederige eigendom van den arrnen Kardinaal Felice Montalto, thans door den inachtigsten Paus der 16\'lc eeuw, door Sixtus V, in den uitgestrektsten lusthof van Rome herschapen, in ruimen aanleg en vorstelijke grootheid de eenige, die den Pauselijken tuin op zijde streefde, die toenmaals toch de heerlijkste van Europa genoemd werd. Deze geestelijke Vorst, die in allerlei ondernemingen der bouwkunst eene nuttige en roemvolle afleiding zocht voor de rustelooze staatszorgen en de duizende moeielijkheden, waarin zijn volhardende en onvermoeid arbeidzame geest zich afmatte, en die zijne hoofdstad met zoo menig kostbaar toonbeeld zijner lievelingskunst verrijkt heeft, had eene zekere gehechtheid behouden voor de woning, die de getuige was geweest van zijne vijftienjarige zelfverloochening, van de ernstige droomen zijner grootsche eerzucht; hij verhief haar tot een prachtig paleis, dat voortaan den woonzetel van zijn geslacht blijven zoude. Reeds in de eerste maand zijner regeering had hjj het toegewezen aan zijne zuster Camilla, die het bewoonde met hare beide kleindochters en haar beperkt hofgezin.

Het was nog vroeg in den morgen; de zon, slechts even

ocr page 63

53

boven de kimmen gerezen, had de lauwe zoelte der zuidermorgenlucht nog niet tot de afmattende warmte van den middaggloed verhit; van frischheid blinkende, door den dauw, die als een nevelig waas langzaam was opgetrokken, liet het geboomte nog niet aamechtig het gebladerte nederhangen, en de bloem boog niet den veelkleurigen kelk weemoedig op den stengel neder, overheerd door de felle scherpheid van licht en stralen, zooals de schuchtere bruid de oogen nederslaat voor den gloei-enden blik van den bruidegom. In den lusthof Peretti had eene der kleine lanen, waar mirtenbloesem, aan oranjegeuren gehuwd, de lucht iets zoets welriekends gaf, dat bedwelmde en verrukte, het uitzicht op eene fontein, wier zilver helder water, uit zeven bronzen monden voortgespoten, soms als vloeibaar diamant in de ruimte wegspatte, soms in lichte schuimende vlokken op de nevenstaande heesters nederviel, welke vluchtige schuimsneeuw, in kristalparels herschapen, dan blinkend schoon neêrlag op donkergroen en bonte kleuren. Op zekeren afstand van het kunstige waterwerk, in het zachte mos, dat den marmeren vergaêr-bak omgaf, zat achteloos, met de meest ongedwongene losheid, eene jonkvrouw, bijna nog een kind. Zoo hare gestalte al bedekt werd door het ruime kleed van sneeuwwit neteldoek en Flo-rentijnsch zilvergaas, waarin zij gewikkeld was, strekte dit slechts om de liefelijke vormen nog meer te doen uitkomen. Deze jonkvrouw kon nog geene zestien jaren zijn. Er lag zulk een waas van jeugd en reinheid, van aantrekkelijke kinderlijkheid, zoo iets van de onschuld die nog niet heeft gebloosd op dit bloeiend gelaat, zoo iets van den engel en van het kind; al hare bewegingen waren zoo los, zoo zorgeloos, zoo onoverlegd, en toch zoo bevallig; zjj speelde daar zoo luchtig en lachend met de bloemen, die zij in haren schoot had, dat het moeielijk te beslissen was, waar het aardsche meisje \'ophield en waar de nimf begon, of waar de nimf vlood, om voor de Madonna plaats te maken. Want, bij al de kinderlijke aanvalligheid haver trekken, bij de ivoren glad-

ocr page 64

54

heid van dat voorhoofd, zoo onbewolkt en effen, dat het minste blosje daarop zichtbaar zoude geweest zijn, zoo dat voorhoofd te blozen had, lag er toch in haar donker oog met de lange zwarte pinkers een engelachtig afschijnsel van diep gevoel dat zeker slechts op eene gewaarwording wachtte, om sprekend vuur en zachte zwaarmoedigheid te worden. Men kon het die oogen aanzien, dat ze zich nog niet uit valsche schaamte hadden nedergeslagen, of uit die afgesprokene zedigheid, die begrijpt en die onwetend schijnen wil. In hare wangen, door den levendigen blos der volle gezondheid gekleurd, waren fijne rozekuiltjes zichtbaar, die zich bij ieder gul lachje vertoonden, tegelijk met het paarlemoer der evenredige tanden. Om den fijngevormden mond speelde toch eene fierheid, die slechts behoefde gewond te worden, om te spreken. Over het geheel kenteekende haar gelaat niet de hemelsche rust, die de hartstochten heeft overwonnen; maar de rust, die nog nooit werd verstoord, en daarbij eene bewegelijkheid, iets ontvankelijks, dat men het vergeljjken konde met de onbespeelde harp, die daar nog kalm terneder ligt, maar die slechts behoeft getokkeld te worden, om liefelijke

tonen voor te brengen, of.....wangeluiden, al naar dat een

geoefend speler haar behandelen zal.

Zij was niet alleen. Van tijd tot tijd wees zij bloemen aan in de nabijgelegene perken, of noemde die luide; en een jongeling in eene sierlijke ridderkleeding, van lichtgroen met zilver, bracht haar telkens de begeerde voorwerpen, die zij dan tot eenen bevalligen krans vlocht. Die jongeling was Scipione, die nu Angelo heette; de jonkvrouw was Orsina, eene Pauselijke prinses, de kleindochter van Madonna Camilla.

„Neen, Signore! ze zijn leelijk, hij weet niet te kiezen,quot; riep ze half lachend, half ernstig, hem de bloemen toewerpende, die hij pas had afgeplukt.

En daarna begon zij weder:

„Ach, gij plaagt mij ; veel te kort van steel, geef toch andere

ocr page 65

55

zie! die daar, die zachte rooskleurige, die zoo heerlijk van geur is, o geef! En hij kon niet zoo spoedig tot haar komen, of ze riep: „Neen gij weet niet wat ik noodig heb, gij zijt zoo verstrooid en zoo tergend langzaam, ik zal Ruigi roepen,quot; en zij wilde opstaan; doch hij liet haar den tijd niet; juist legde hij zijnen kleurrijken last in hare schoot.

„Nu spoedig eenen tak van dien schitterenden heester! neen! neen! die donkerblauwe klok met dat gouden hart,quot; riep zij luid en gebiedend als een grillig kind; dan, zich snel bezinnende, viel zij zich zelve in de rede, en hervatte vleiend vriendelijk: „Gij wilt immers wel, goede Signore? verg ik u niet te veel....?quot; — „Ach, Signora!quot; riep hij, het gewenschte aanbrengende, „gij weet wel, dat het mij een lust is geen last u te helpen.quot;

„Het zoude mij bedroefd hebben, zoo gij anders gezegd hadt,quot; hervatte zij, „mijne vrouwen zijn altijd zoo ernstig, zij schudden het hoofd, en noemen het ongepast, als ik mij een krans vlecht, en toch was dat vroeger mijn eenigst sieraad; nu ik paarlen heb, meenen zij, dat ik de bloemen missen kan; maar bloeien ze dan geheel nutteloos, om te verdorren zonder dat iemand aan haar denkt, die lieve bloemen? Voorheen, als wij, meisjes van Grotta, des zondags ochtends versche kransen aan de voeten der heilige Madonna nederlegden, dan was het alsof zij ons vriendelijk toelachte, en dan zegende ons de eerwaardige Pater, en kuste ons. Nu, wat de Heiligen niet versmaden, dat kan niemand onteeren, zelfs geene Vorstin, zooals ze mij noemen.

Maar____ dat was het niet, wat ik zeggen wilde, ik meende

eigenlijk, dat Signora Respanti, mijne Duenna, donker ziet, als ik met de jonge edelknapen scherts, en als ik met u ben, o! dan glimlacht zij.quot;

„Omdat gij dus niemand beter weet, kiest gij mij,quot; vroeg hij, eenigszins gevoelig en haar uitvorschend aanziende.

„Neen, Angelo! dat heb ik niet gezegd, gij weet wel, dat ik

ocr page 66

56

Ti liever bij ihij zie, dan de anderen; die jonge edelen, dat zjjn marmerbeelden of draaitollen; gij alleen zijt een man!quot; Dit zeide zij zoo ernstig en zoo naïf, dat hij zich afwenden moest om zijnen glimlach te verbergen.

Zij ging met haar spelend werk voort. Op eens riep zij uit:

rFoei, Angelo! is dat lief van u, gij hebt mij eenen heester-tak met doornen gegeven! Zie, ik heb mij gestoken, doornen van u!quot;

En zij liet hem de kleine hand zien, waaruit een enkele druppel helder purpervocht te voorschijn kwam.

Het was eene zonderlinge, tegenstrijdige uitdrukking van hartstocht en haat, die zijn gelaat plotseling aannam; een donkere gloed vloog over dat bleek gelaat, doch verdween weder schichtig als een enkele bliksemstraal, en er lag ernst, er lag bijna triomf in den toon, waarop hij zeide:

„Wacht gij dan volstrekt geene doornen van dit leven, Signora?quot;

Verwonderd en in twijfel zag zij hem aan.

„Ja, Signora! doch van u!quot;

Alsof er eensklaps eene omwenteling in hem plaats gevonden had, wierp hij zich op eene knie voor haar neder, en sprak met eene stem, waarin hij onuitsprekelijke teederheid legde, terwijl hij het oog op haar gericht hield.

„Orsina! mocht mijn pad enkel distels en doornen zijn, zoo het slechts rozen werden voor u!quot;

„Angelo! hoe kunt gij zoo wonderlijk ernstig zijn ?quot; hervatte zij, „zijt gij vermoeid? Kom, ga naast mij zitten,quot; en zij trok hem bijna met geweld tot zich, „neen! blijf hier, ik heb u veel te vertellen, er is veel gebeurd in de dagen, dat gij afwezend waart, om uwe zieke bloedverwante te bezoeken. Ach ja! hoe gaat het die goede oude? is zij zacht, .vroom, goedaardig, zooals mijne grootmoeder?quot;

„Evenzoo,quot; hernam hij, aan haar dringen toegevende en zich naast haar nederzettende.

ocr page 67

57

„Vooreerst hebben wij verscheidene nieuwe huisgenooten gekregen ; doch daarvan wilde ik thans niet spreken: neen! van het prachtige feest bij de Collonna\'s, dat wij hebben bijgewoond, Superba en ik. Signora Respanti en de andere Duenna, en verscheidene vrouwen waren met ons, men had ons overladen met gouden borduursel en kanten, als Lieve Vrouwebeelden op eenen hoogtijd; gij hadt moeten zien, hoe vriendelijk ons do Matronen en de Signori te gemoet kwamen. Madonna Lucretia Colonna deed ons aan hare rechterhand plaats nemen, en mijne kleine Superba was zóó gelukkig; doch neen! dat was het ook niet, wat ik u zeggen wilde, het was .... maar gij moet mij niet uitlachen, men verbergt ons meisjes somtijds zaken, die wij daarom niet minder gissen, en ik geloof, dat ik thans iets geraden heb uit een paar woorden, die mevrouw Lucretia ontvallen zijn.quot;

„En wat is dan dat groote geheim, bevalligste Signora?quot;

„Men wil mij uithuwelijken.quot;

„Orsina! Jezus Maria! Orsina! is dat waarheid!quot; riep hij, de hand voor de oogen houdende, met eene hartstochtelijkheid, die zelfs eene meer ervarene jonkvrouw zoude verschalkt hebben.

„Ik wist wel, dat dit u bedroeven zoude.quot;

„Gij wist dit, en hoe toch, mijne jonkvrouw?quot;

„Ik weet zelve niet hoe,quot; hernam zij met eenvoud, „ook kan ik niet zeggen, dat deze gedachte mij vroolijk stemt. En wat dunkt u, Angelo ! is het dan noodig, dat ik trouwe, nu reeds?quot;

„Noodig, Zijne Heiligheid wil het immers,quot; hernam hij bitter. „En wie is hij, dien men tot meer dan eenen God zal maken.quot;

Zij zag hem verwonderd aan.

„Dat is heiligschennis, Signora?quot; sprak zij ernstig.

„Wie is de gelukkige bruidegom? meen ik.quot;

„Kom,quot; antwoordde zij met eenen zachten glimlach, „niets meer van den bruidegom, als u dat mishaagt. Ook is het slechts een vermoeden, eene schaduw, een woord, dat ik opving, ik wil er niet meer van spreken, het maakt mij zelve treurig; en zie.

ocr page 68

58

mijn krans is af, laat mij zien hoe hij op uw zwarte lokken staat.quot; Zij was opgesprongen en drukte hem den bloemkrans op het hoofd, plaatste zich op eenigen afstand, en bewonderde, met de armen over elkander gekruist, de uitwerking harer decoratie, als een schilder die zijn eerste stuk voltooid heeft, of als het kind, dat hare pop heeft opgesierd. Zij was het kind, dat met eene adder speelt; het vogeltje, dat in den muil van den krokodil ronddartelt; de maagd die eenen glinsterenden vlinder meent gevat te hebben, en die eene giftige tarantula in de handen houdt.

Huppelende naderde zij hem weder, en zette den krans met meer bevalligheid te recht, daarbij den eenen arm op zijnen schouder leunende, met niet meer terughouding, dan of hij een marmeren standbeeld geweest ware. Het was inderdaad een schouwspel, dat de verkilde verbeeldingskracht van een grijsaard zoude ontgloeid hebben, die engelachtige, schoone jonkvrouw, in spelend vertrouwen geleund op den belangwekkenden jonkman, die voor haar zat in het donzig mos, het haar met eenen schil-derachtigen bloemkrans getooid, als een Grieksche jongeling bjj eenen offerdienst of bij eenen wedren. Zijn veelbeteekenend, maar somber gelaat had bijna de uitdrukking van Nero als fluitspeler; ontwerpen van helsch verraad en dorst naar men-schenlijden schuilden bij beiden onder het bekranste hoofd. Hij zag haar teeder aan. Hij legde in dien blik al dat zonderlinge vuur, al de indrukwekkende zwaarmoedigheid, al de uitlokkende dweperij, al dien gloed, die aantrekt, die bedwelmt, die ontrust, die ontvlamt, waartegen de vrouw worstelt, waarvan zjj huivert, dien zjj voelt te moeten ontwijken, maar die haar als door betoovering boeit. De arme Orsina ondervond de almacht van dien blik; zij sloeg de oogen neder, en toch hief zij ze steels-gewijze weder naar hem op, en trad snel en schichtig eene schrede achteruit.

„Orsina!quot;

ocr page 69

59

„Angelo!quot; riep zij met eene stem, die beefde.

„Goddelijk schoone maagd! gij wendt u van mij af, gij gunt mij geenen blik.quot;

„Ik weet niet, Angelo! gij ziet mij zoo wonderlijk aan, ik... ik zou kunnen schreien.quot;

„Als gij wist hoe nameloos ongelukkig Angelo is, en dat hij op deze gansche groote wereld geene andere vreugde kent, noch kennen wil, dan somtijds op uw engelengelaat te staren.quot;

En hij had hare hand gevat, die zij niet terugtrok; en hij legde vermetel zijne rechterhand tegen haar hart, als om zich te overtuigen, dat het bewogen werd door de eerste koortskloppingen des gevoels, en zij duldde hot; en zij stond voor hem, ontroerd en verbijsterd, zich geene rekenschap gevende van deze plotselinge gewaarwordingen, niets denkende, niets ziende; en toch zag zij veel, en toch dacht zij veel, want voor haar ontsloot zich eene nieuwe wereld, de wereld der hartstochten en der liefde, waarin men van hemelen droomt, die later blijken op zijn best bewoonbare Poollanden te zijn, waarin men nog aan den koesterenden zonnegloed van het gevoel gelooft, om later te bemerken, dat het slechts geschilderde stralen waren, waarbij men van koude rilt.

„Orsina! Orsina! gij hebt immer tijd tot beuzelen,quot; riep eensklaps eene ernstige stem achter haar, die het meisje verschrikt deed omzien, terwijl Angelo met overlegde langzaamheid opstond ; de aankomende moest niet vermoeden kunnen, dat zij verrast waren.

„En gij, Signore! zijt wel goed, dat gij ook hare kinderachtige spelen deelt, vervolgde dezelfde stem.

„Ach zijt gij het, goede lieve grootmoeder!quot; begon de jonkvrouw, zich herstellende; en de aankomende snel te gemoet ijlende kuste zij haar met innige hartelijkheid de hand.

Het was eene statige vrouwengestalte, die naderde, in een zoo stemmig en deftig gewaad, dat het bijna een geestelijk

ocr page 70

60

kleed geleek. Toch deden de groote paarlen van den rozenkrans, het gouden krusifiks, do diamanten haken, waarmede het puntig uitloopende bovenlijf van hare zwaar satijnen samaar aan den ruim geplooiden rok was vastgemaakt, en de kostbare kant van den driedubbelen kraag haar kennen als eene voorname Romeinsche Matrone. Ook had Donna Camilla, hoewel eerst op bejaarden leeftijd tot den rang eener Pauselijke vorstin verheven een genoegzaam natuurlijk oordeel, en zelfs eenen instinktmatigen tact van het welvoegelijke en passende, die haar voor opvoeding en gewoontp gold. Geleid VIoor den raad van Sixtus en ongevoelig toegevende aan eene lichte overhelling tot dweperij, waartegen in hare jeugd werkzaamheid en de zorgen voor het dagelijksche leven haar beschermd hadden, doch waaraan zij zich nu in ongestoorde rust konde overgeven, had zij in hare houding en gebaren eene strakke statigheid aangenomen, die hare onkunde aan fljneren wereldtoon verborg.

Doch gelijk men veelal ziet, dat personen, uit den laagsten trap der samenleving plotseling tot hare hoogste kringen opgeheven, zelden de juiste middelmaat van losheid en gemeenzame nederbuiging weten te treffen, zoo lag er in Camilla\'s manier van zijn iets gedwongens, iets stijfs dat bijna overdrijving was; zoo werd de vriendelijke innemendheid, waarmede hare christelijke liefde den schijn van trots wilde weren, eene reeks van overbodig wellevende woorden.

„In waarheid, Signora !quot; sprak zij tot Orsina, haar zacht afwerende, „gij vergeet veel te dikwijls wat uwen rang voegt, het passende is bij u altijd dat, wat uwe luim opgeeft.quot;

„Ach, liefste Madonna! ik droom mij nog zoo gaarne in ons vreedzaam Grotta.quot;

„Gij zult zoolang droomen, mijn kind! tot het ontwaken u bittere teleurstelling zal worden; of liever, gij zult spelen, totdat eene harde ervaring u leeren zal, dat het leven iets ernstigs is, waar nog iets meer ernstigs op volgt, de eeuwigheid!

ocr page 71

61

Meisje, meisje! gij vergeet de vroegmis om bloemen te plukken!quot;

Orsina stond met nedergeslagene oogen.

„Neen Madonna! dat was het niet, dat niet alleen, Angelo weet wel.... Angelo zeide ... .quot;

„Dat Monsignore Montalto heden zelf den laten dienst zal doen in Santa Maria Magyiore quot; viel Scipione haar in de rede, niet zulk eenen overhecrschenden en strengen blik, dat het goede meisje, op welks lippen misschien reeds eene halve bekentenis zweefde, verschrikt zwijgen bleef.

„Deze zwakheid kan ik u toegeven, lieve!quot; hervatte Camilla zachter. „Monsignora Alessandro leest de mis met eene geestdrift, die sticht en ontroert 1). Ook is het mijn oogmerk niet, u zoo vroeg in den morgen iets onaangenaams te zeggen, ik wilde u over ernstige zaken onderhouden; men verwittigde miji dat ik u hier vinden zoude, en de zachte ochtendlucht lokte mij uit om zelve u op te zoeken. — Signor Angelo! zoude ik van uwe goedheid mogen vergen, mijne vrouwen te verzoeken, zich gereed te houden, om ons straks naar de kapel te volgen.quot;

De jongeling verwijderde zich met eene buiging; vooraf echter sloeg hij nog eenen blik op Orsina, die omziende, hem toeriep : „Signore! vergeet niet, dat gij mijn gebedenboek te dragen hebt.quot;

„Ik hoop die eer te hebben,quot; antwoordde hij, en toen de vrouwen op eenigen afstand in een olijvenboschje verdwenen, strekte hij zijne hand naar haar uit, met zijnen eigenaardigen lach en de woorden: „Orsina Peretti, dat was uw laatste spel!quot;\'

1) De negentienjarige Kardinaal-diaken niet tot priester gewijd, had geenszins het recht de mis op te dragen — en donna Camilla zou dus geene gelegenheid gevonden hebben hare bewondering te betuigen voor de gaven van haren neef — maar in 1839 kreeg deze dispensatie van ons als auteur die wij niet willen herroepen.

ocr page 72

HOOFDSTUK V.

Vervolg van h.et laatste spel.

„Mijne Orsina! gij kunt gissen, dat het iets belangrijks zjjn moet, waarop ik u ondei* den zegen der Heiligen voorbereiden wil,quot; sprak Donna Camilla tot hare kleindochter, toen zij eeni-gen tijd waren voortgegaan.

„Dat is waar, gij schertst zelden, Madonna!quot;

„En vermoedt gij niet wat het wezen zal? Hebben de laatste veranderingen in ons paleis, in onze hofhouding, in onze leefwijze, in uwe kleeding zelve, u niet overtuigd, dat er iets gewichtigs met u voorhanden is?quot;

„Met mij, lieve grootmoeder? Doch ja, ik erken het, de laatste verfraaiingen hebben onze woning tot een prachtig paleis gemaakt, en ik heb met smart mijne vroolijke vertrekken, die op den wijngaard uitzagen, voor die grootsche zalen moeten verwisselen, wier getraliede vensters mij het lieve zonlicht benemen ; wij zien ons omringd door zooveel Cavalieri en Matronen, als tot het gevolg van rijke Vorstinnen behooren; en dat maakt, dat wij elkander maar zelden meer vertrouwelijk naderen kunnen, omdat altijd vreemde gezichten daartusschen komen, die ons aangapen, als zochten zij ons te betrappen op eenen misslag, tegen hetgeen zij hoftoon noemen. Men brengt ons op feesten, die mij vermaken zouden, indien ik er mij vertoonen mocht, zoo-

ocr page 73

63

als ik waarlijk ben, en indien niet bij iederen hartelijken lach Signora Eespanti mij met de oogen zeide, dat ik eigenlijk had moeten glimlachen. Vroeger liet men mij geheel de keuze mijner kleeding over. Thans geeft men mij bij elk feest een ander gewaad, dat prachtig heet, omdat het schittert van goud en borduursel, maar dat bont is van overlading, en zoo zwaar, dat het mij drukt. — Die veranderingen, dierbaarste Madonna! ja, die zijn mij niet ontgaan.quot;

„Met ontevreden morren beloont gij alzoo de zorgende liefde van Zijne Heiligheid?quot; sprak Donna Camilla verwijtend.

„Neen, bij St. Ursula! ik ben zoo ondankbaar niet! Ik gevoel mij gelukkig in mijnen toestand, zeer gelukkig zelfs. Ik verlang niets meer, ik waardeer de groote, de vaderlijke liefde van Zijne Heiligheid, de zorg, die hij genomen heeft voor onze opvoeding,, die ik niet minder op prijs stel, dan mijne zuster, al heb ik zulke snelle, of zulke schitterende vorderingen niet gemaakt als zij; alleen dit meende ik: dat wij niet gelukkiger zijn geworden, sinds men ons met zooveel nieuwen luister omgeeft.quot;

„Gij kunt gelijk hebben, kind!quot; hernam de oude dame, getroffen door eene waarheid, die zij zelve misschien meer dan eenmaal gevoeld had. „Dan, het is dit niet, waarover wij thans spreken zouden. Zijne Heiligheid, die ons niets verordent, dan met de nuttigste en liefderijkste inzichten, heeft mij ook thans niet zonder oogmerk in staat gesteld, om u en Francisca met betamelijken luister de plaats te doen innemen onder de Prinsessen van den pauselijken Staat, die u toekomt als zijne bloedmagen. Het was om uwe toekomst te verzekeren, om u te behoeden voor mogelijke rampspoeden, als gij na zijnen dood, dien God en de Heilige Maagd nog lange jaren verhoeden! aan u zelve overgelaten, zonder rechtmatige beschermers achterbleeft. Hij wil ons huis den steun geven van een groot en machtig geslacht. Hij heeft u eenen gemaal gekozen uit het eerste, het aanzienlijkste huis van Rome, uit dat der Colonna\'s!quot;

ocr page 74

64

„Dat heb ik gedacht,quot; sprak Orsina met eenen flauwen glimlach.

„Waarlijk? Welnu, dan zult gij verlangend zijn, met den naam van uwen aanstaanden verloofde bekend te worden. Gij hebt hem nog niet gezien. Hij heeft den laatsten tijd te Madrid doorgebracht, en is eerst kortelings teruggekomen, het is de waardigste zoon uit dat hooge huis, de eerste edelman van Rome, Don Marco, Antonio Colonna, een Heer, die zooveel titels en waardigheden voert, dat ik ze u allen niet uit het hoofd weet op te noemen.quot;

„Maken die titels iemand dan beter, grootmoeder?quot;

„Zij voegen ten minste voor den gemaal eener Peretti,quot; her. nam Camilla met ernst. „Daarenboven zegt men, dat Don Marco een bevallig jongeling is, aangenaam en ridderlijk in den omgang met vrouwen. Dat hij een vroom christen en oen deugdzaam inensch moet zijn, daarvoor waarborgt ons hij, die hem uit zoovele anderen de voorkeur gaf.quot;

Zwijgend ter aarde ziende, liep Orsina langzaam voort.

„Gij antwoordt niets, mijn kind?quot;

„Madonna! ik weet niet waarom men mij juist eenen gemaal geven wil, nu reeds .... ik .... ik ben nog zoo gelukkig in uw huis, aan uwe zijde, wat behoef ik meer? Ik wensch geene verandering, geen grooteren staat, dien ik zoo slecht zoude kunnen ophouden; veeleer kan ik met heimelijk verlangen terugdenken aan ons eenvoudig Grotta, waar boerenknapen en meisjes mijne speelgezellen waren.quot;

„Ja Orsina! ik weet het, gij hebt van die grillen, waarover Signora llespanti zich niet zonder reden beklaagd; maar, in ernst, gij moest het verledene vergeten, dat niet meer is, noch zijn zal, en leven voor de dagen, die zijn en die komen moeten.quot;

„Ach, lieve grootmoeder! die anderen hebben het verledene ook niet vergeten. Als die hooggeboren Heeren en die trotsche

ocr page 75

65

Dames ons met zooveel eerbied en zoovele glimlachjes naderen, dan is het mij, als dachten zij nog aan de schamele kleeding, waarmede wij eens het Vaticaan binnenkwamen.quot;

„Des te eerder moeten wij ons aansluiten aan een geslacht, dat sedert eeuwen niets dan Baronnen en Vorsten onder zijne leden telt. Doch ik wil met u niet over een onderwerp spreken, dat gjj kwalijk begrijpt. Laat het u genoeg zijn, dat allen, die belang in u stellen, die aanspraak hebben op uwe liefde en dankbaarheid, deze verbintenis vurig wenschen, en dat zij niets willen dan uw heil. Gij zult toch wel eenig verlangen hebben, om uwen toekomstigen Heer te zien ?quot;

„Niet het minste, Madonna! en nu het mij toch gegund is, mij aan u ia vertrouwen te uiten, wil ik u oprecht zeggen, dat ik eenen bepaalden tegenzin heb in dit huwelijk.quot;

„Gij spreekt dwaze woorden, meisje! Gij zoudt dezen Prins niet tot echtgenoot willen?quot;

„Omdat het een Prins is. Het is mogelijk, dat ik nog een dwaas kind ben, ik heb mij zelve tot hiertoe altijd daarvoor gehouden, en toch is er in mij een geheim gevoel, dat mij waarschuwt tegen het gevaar, om mij als eene pop te laten weggeven aan eenen vreemdeling, dien een ander gekozen heeft! Die man kent mij niet; liefhebben kan hij mij dus evenmin als ik hem, en toch begeert hij mij! Neen, Madonna, ik heb besloten slechts eenen echtgenoot te kiezen, die mij beminnen zal; en ik ben ook eene Peretti!quot;

Camilla had den arm harer kleindochter schielijk losgelaten en bleef staan. Verwondering en toorn hadden haar zoo aangegrepen, dat zij zich tegen den marmeren Faunus steunen moest, waarnevens zij stond. Het was ook eene groote omwenteling, dat kind, door één blik tot denkende maagd gerijpt: die zwakke maagd, door één schok hervormd in de ernstige vrouw met den vasten wil. De oude dame begreep, dat redeneeringen hier geene overtuiging geven zouden; machtwoorden alleen moesten beslissen.

Engelschen te Rome enz. quot;

ocr page 76

66

„Het was niet van uwen wil, dat ik sprak,quot; hervatte zij ernstig en streng, „Zijne Heiligheid, onze Heer, wil het. Kunt gij niet besluiten tot gehoorzaamheid als bloedverwante, uit dankbaarheid voor zijne weldaden, dan wordt die van u geëischt, als afhankelijke onderdane, die geen recht heeft om over zich zelve te beschikken. En zoo de moeder van uwe moeder u nog één raad te geven heeft, wacht u dan voor de gevolgen van eiken tegenstand, Signora!quot;

En de bejaarde dame wendde zich af, om zich te verwijderen.

„Madonna! dierbaarste Madonna!quot; riep het meisje, wier moed niet verstaald was tot koele hardvochtigheid, „zóó hebt gij nooit tot mij gesproken, zóó niet!quot; en zij wierp zich snikkend in hare armen. Tegen de tranen barer geliefdste kleindochter was de aangenomene strengheid der goede vrouw niet bestand:

„Meisje! meisje I het is ook omdat gij mjj wanhopig maakt door uwe wederspannigheid. Heb ik u niet alles herhaald, wat Zijne Heiligheid zelf mij in den mond gaf, en wat moet er van worden, als gij dan nog niet toegeeft? Gij weet hoe uw oudoom is: — mij zal hij beschuldigen, als Colonna dezen ochtend komt en gij hem onbetamelijk ontvangt; ze zijn zoo licht geraakt, die groote Heeren, en als ge hem met onhoffelijkheid ....quot;

„Dat zal ik niet, grootmoeder! dat zal ik niet! maar noem mij weder uwe Orsina, uwe lieve kleindochter!quot;

„Der heilige Maagd zij de eer! daar hoor ik weder mijne Orsina,quot; riep Camilla haar opheffende en kussende, „liefste engel! vergeet niet, dat gij mij uw woord gegeven hebt. Met dit eerste bezoek is immers nog niets bepaald ? Wij hebben immers slechts de tweede week van de Vasten, en eerst na Paschen zal de verloving zijn.quot;

„O Hemel!quot; zuchtte de jonkvrouw; doch zij wilde den vrede niet weder verbreken, en volgde de Matrone stilzwijgend in hare vertrekken, waar deze, in tegenwoordigheid van de gansche hofhouding, op plechtstatige wijze het aanstaande bezoek van Don

ocr page 77

67

Marco aankondigde. Met stille gedweeheid, die zelfs iets waardigs had, liet Orsina zich door hare vrouwen versieren, zooals de Duenna voorschreef; daarna verzelde zij hare grootmoeder naar de mis in eene der Kapellen van St. Maria Maggiore, en toen Scipione haar het misboek overreikte en achter haren bid-stoel nederknielde, fluisterde zij hem zachtkens toe : „Ik wil u spreken; wacht mij na de siësta in het Kabinet bij de galerij van St. Franciscus.quot;

ocr page 78

HOOFDSTUK VI.

Anna Oston.

In een der vroolijke vertrekken, over wier gemis de jeugdige Orsina zich beklaagd had, zat, vele uren later. Lady Anna Oston, en toch was zij niet vroolijk! Op haar somber, peinzend gelaat, dat zij met de hand ondersteunde, las men het, dat hare eenzaamheid, te midden van een zoo bewoond paleis, eigene keus was, dat zij zich aan het gezellig samenzijn met anderen onttrok, om aan eene zwaarmoedigheid toe te geven, die zij zich zelve verweet, en die iets van ondankbaarheid had jegens haren weldoener. Paus Sixtus toch, welke ook zijne redenen daarvoor zijn mochten, had niet slechts beloofd, maar ook gehouden. Reeds sedert twee dagen woonde zij als eene geëerde gast in het huis zijner zuster, aan wier eigene tafel zij aanzat; reeds had zij de schriftelijke\'toezegging in handen van een jaargeld van vijfhonderd Roomsche Kronen, om in het ontoereikende harer geldmiddelen te voorzien; reeds wist zij, dat haar zoontje, aan bekwame opvoeders toevertrouwd, niets ontbeerde, en al die voorrechten genoot, welke hare moederliefde zoo vurig voor hem gewenscht had. Onbekommerd voor het tegenwoordige, door de machtigste bescherming voor de toekomst gerustgesteld, in het ongestoorde genot van die godsdienstige vrijheid, waarnaar zij zoolang gesmacht, die zij zoo vurig van den Hemel afgebeden

ocr page 79

69

had, bleef der vrijwillige bannelinge, die het vaderland van haar verlangen gevonden had, zoo men denken zoude, geene stof tot treurend peinzen over. En toch meende zij die te hebben.

Het gebeurt meer, dat wij juist dan, als wij datgene bereikt hebben, wat lang het doel onzer onverpoosde wenschen was, eene onvoldaanheid, eene lauwe onverschilligheid, eene mismoedigheid zelf in ons ontwaren, die een onmenschkundige zoude willen toeschrijven aan wispelturige ontevredenheid, of onverzadeljjke begeerzucht; doch die niets is dan het innige, heilige, onverdelg-bare streven naar het betere, dat mede een bewijs is voor onze onsterfelijkheid; want die rustelooze zucht zoude niet in ons gelegd zijn, niet samengeweven wezen met onze ziel, zoo zij niet bestemd ware, eenmaal voldaan te worden. Dat zij het op aarde niet wordt, dat weten wij allen, en de gelukkige, die elke zijner begeerten heeft voldaan gezien, wel het best. De rijke, die meer schatten heeft bijeenverzameld, dan hij zich in zijne vermetelste hoop had durven toewenschen; de eerzuchtige, die eene hoogte bereikt heeft, welke zijn weelderigste droom hem nauwelijks had beloofd; de krijgsman, die zijnen naam nooit meer genoemd ziet, dan als eene verpersoonlijking van den roem; de schrijver, die in het gevestigde en onbetwiste bezit is van het schitterend succès, wiens machtig genie zijn tijdvak beheerscht, en die weet, dat hij leven zal in zijne werken voor de bewondering van andere geslachten; laat die allen, met de hand op het hart, en met het oog der zelfkennis eenen blik werpen in hunne ziel, en ons dan zeggen, of zij gevonden hebben, wat zij gewacht hadden, en of hunne gewaarwordingen bij de meest verlangde uitkomsten van hun leven, niet meer hadden van teleurstelling dan van voldoening, of zij niet onwillekeurig hebben uitgeroepen: „Was het dit?quot; Het is er mede gelegen als met de duinen; in de verte zijn zij schilderachtige toovergestalten, die het oog verleiden en tot zich trekken, maar die men niet van nabij zien moet; want dan zijn het dorre, schaars begroeide zandhoopen! Dan, wij hebben Anna

ocr page 80

70

V

Oston vergeten, wier onvoldaanheid uit een zeer natuurlijk, zeer naïf vrouwelijk gevoel ontstond, dat zij zich zelve niet recht bekennen wilde; doch dat zich daarom niet te minder deed gelden. Bidder Karre had haar nog niet bezocht, ofschoon zij sinds twee dagen zijn huis verlaten had. Om het bittere van dit gevoel recht te kunnen peilen, moeten wij een oog slaan op hare vroegere geschiedenis.

Anna, de bevallige erfgename van Berwickshire, had reeds in hare eerste jeugd den verlovingsring gewisseld met haren neef Lionel Karre, den jongeren zoon van een edel Engelsch geslacht, welks oudere leden eereplaatsen bekleedden aan het hof van Elisabeth en in haren staatsraad. De staatkundige gevoelens echter der wederzijdsche bloedverwanten hielden op dezelfde te zijn. Karre\'s vader en zijne ooms hechten zich aan de machtige hofpartij van Leycester, terwijl Anna\'s ouders de Burleighs en de Cecils als beschermers huldigden. Die verdeeldheid werd vijandschap. Anna\'s ouders namen hun woord terug; Lionels bloedverwanten zonden hem naar de hoofdstad. Die scheiding was spoedig bewerkt; dan de verbintenis der harten liet zich niet zoo snel ontknoopen. Door tegenstand aangevuurd, door het romanesk denkbeeld van trouw sterker geworden, door afwezendheid gevoed, werd hunne jeugdige genegenheid ernstige hartstocht. Dit belette echter niet, dat Anna, na zwaren strijd met hare plichten en met haar hart, eindelijk voor het gezag harer ouders bukken en eenen gemaal van hunne hand aannemen moest. Deze was een onmetelijk rijk landedelman van streng katholieke begrippen (dit bepaalde de keuze der moeder), van een hard, koel, eigenzinnig karakter, doch handelende naar de meest nauwgezette grondbeginselen van eer en billijkheid; hij telde ten minste tien jaar meer dan zijne echtgenoote, was een groot liefhebber van vossen- en hertenjachten, hield een eigen tooneelgezelschap in gestadige bezoldiging, en reed nooit uit, dan vergezeld van twintig gewapende vas-salen. Geen wonder dus, dat de jeugdige vrouw in hare eerste

ocr page 81

71

liefde gekrenkt, uit den aard overhellende tot zachte mijmering en dweeperij, zonder eenige instemming deelnemende aan de vermaken van haren echtgenoot, hem slechts uit koelen plicht getrouw, in stilte het ontzegde geluk betreurende, den troost voor haar gebroken hart en verloren idealen alleen zocht in godsdienstbetrachting, die tot geestdrijverij ontvlamde, en die haar verwarmde, waar alles om haar henen koud was. Hare ziel was sterk en ruim genoeg om een opheffend en uitsluitend gevoel te huisvesten; — dat der liefde had zijn altaar verwoest gezien, zij herbouwde het en droeg het op aan haren Schepper. Jftet geheel zonder zegen bleef haar echt. Zij werd moeder van eenen zoon, wiens eerste opvoeding Lord Oston gelukkig aan zijne gade overliet, die deze gewichtige taak met het volle besef van haar gewicht aanving, en voor wie zij eene vriendelijke afleiding was. Toen quot;William zijn zesde jaar bereikt had, zag Lady Oston zich weduwe. Met edele zelfbeheersching had zij zich, gedurende haar huwelijk, van elke verstandhouding met Lionel onthouden; zij had geene navrage willen doen omtrent zijn lot, dat hare deelneming toch zoo diep gaande maakte. Zij had voor zijne en hare zwakheid gevreesd. Slechts zijdelingsche berichten hadden haar doen gissen, dat zijn openbaar leven even rampspoedig was als haar huiselijk. Nu echter, onafhankelijke meesteresse harer daden, spoedde zij zich naar Londen. Daar zoude zij haren geliefden vriend vinden, daar zoude hij evenals zij, wenschen de gevoelens hunner harten door eenen heiligen band te wettigen. IJdele hoop! Te nauwernood aan een doodvonnis ontkomen dooide beschermende hand van Essex, was de ongelukkige Karre gevlucht en doolde in ballingschap rond, gebukt onder de ongenade zijner Koningin, en onder de onverdiende verachting zijner bloedverwanten, die zich zelfs geene moeite gaven zijn verblijf op te sporen. Die plotselinge slag was te groot voor Anna. Zoolang plichtbesef haar nog veerkracht gaf, was zij

ocr page 82

72

sterk geweest; maar nu de hinderpaal voortkwam uit vervolging van menschen, en uit den wil van eene Elisabeth, van de vijandin harer kerk, nu verviel zij tot die razende wanhoop, die vaak in krankzinnigheid eindigt. Eene zware ziekte, die haar voor altijd den frisschen blos der gezondheid ontroofde, spaarde haar dien jammer. Na die krankte had eene sombere zwaarmoedigheid het haar tot behoefte gemaakt, in den kring harer verwanten te leven. Zoo bleef zij te Londen, ondanks het grievende der heimelijke verdrukking harer geloofsbegrippen: eene verdrukking, die zich hier, in de nabijheid van het hof, sterker voelen deed, dan op het meer vrije platteland. Het was in dezen tijd dat de gebeurtenissen voorvielen, die het treurige uiteinde der Schotsche Koningin voorafgingen. Eene fijnvoelende vrouw als Anna, door smart en lijden verbitterd, die een deel harer rampen toeschreef aan Elisabeth, kon wel niet onzijdig blijven in die dagen van opgeruide hartstochtelijkheid aan deneenen, en van koelbloedig berekenende staatkunde aan den anderen kant. Zij voegde zich bij de partij der katholieken, die Babinghton\'s bloedig voornemen eene daad van gerechtigheid, en zijnen dood een welzalig martelaarschap noemde. Om het belang van haren zoon alleen onthield zij zich van openlijke deelneming tot op den val van Maria Stuart; wat er toen met haar voorviel, weten wij uit haar eigen mond. Slechts dit niet, dat de Baronet van Southewell, Karre\'s oom, de eenige, die met diens ware betrekking bekend was, haar bij eene toevallige ontmoeting van de verblijfplaats zijns neefs onderrichtte, en haar door een enkel woord gissen liet, dat zijn lot onder de bescherming van Kardinaal Montalto minder duister was dan zij waande, en haar ongetwijfeld verder ingelicht zoude hebben, zoo niet haar overhaast vertrek uit Engeland hem dit onmogelijk gemaakt had. Men kan zich, na dit alles, licht indenken in hare zielsgesteldheid, toen zij den man wederzag, om wien zij zooveel geleden had, en het is zeker, dat alleen haar rijpere leeftijd, hare lange gewoon-

ocr page 83

73

heid aan zelfbeheersching en lijden en hare vrome gelatenheid, die het vuur harer jeugd getemperd hadden, haar toen kracht gaven, om hare diepe aandoening te beteugelen en onder welvoegelij ke koelheid te verbergen. Eene Italiaansche vrouw had zich voorzeker hier verraden; maar Anna was eene Engelsche. Niet minder groot was daarom hare teleurstelling, toen de geliefde wel met hartelijke en achtingsvolle vriendschap haar als eene welkome gast behandelde, wel met deelneming naar het verhaal harer rampspoeden luisterde, doch door geen woord geene toespeling op hunne vroege teedere betrekking terugkwam, of iets zeide, hetwelk haar recht gaf te denken, dat zij nog bemind was. Zoolang zij zich in zijn huis bevond, hield zij dit voor eene fijne kieschheid, waarvan zij den prijs te wel kende om haar niet te billijken; doch er waren nu twee dagen verloo-pen twee dagen, eeuwen voor haar innig heimelijk verlangen! en geen bezoek van den geliefde stelde haar gekrenkt hart gerust; nu, daar niets hen meer scheen te zullen scheiden, was hij, hij zelf de hinderpaal van hun geluk. O! de koele man begrijpt niet genoeg de onkreukbare, innige trouw, de diepgewortelde standvastigheid van het vrouwelijke hart, dat hij terugstoot, dat zoovele krenkingen, zoovele mishandelingen, zoovele teleurstellingen van hem verdragen kan, om altijd weder te vergeven, om dankbaar te zijn, dat men hare vergiffenis wil, om zalig te wezen, dat zij vergeven mag! — Doch laat ons voor eene poos Anna aan haar treurend peinzen en peinzend treuren overlaten, dat toch niets aan haren toestand verandert, en zien wij, wat er in eene andere zaal van het paleis Peretti voorvalt.

In die zaal, het staatsievertrek van Camilla\'s ruime woning, hadden zich, na den morgengodsdienst, alle voornamere leden van haren hofstoet vereenigd rondom hunne meesteres en hare kleindochters, om Colonna\'s plechtige ontvangst luister bij te zetten. De Pauselijke Matrone, in haren deftigen armstoel gezeten, had aan hare rechterzijde Orsina, die in dezen de hoofd-

ocr page 84

74

persoon moest zijn, en aan hare voeten, op een laag tabouretje, de kleine Francisea, door hare zuster, niet oneigenaardig, Superba bijgenaamd. Inderdaad, deze jeugdige vorstin, hoewel nog geen volle veertien jaren oud, gaf reeds zulke blijken van trotsche hoogheid en ongemeene rijpheid van oordeel, dat men de nanicht van Sixtus daarin niet miskennen kon. Hoewel minder bevallig dan hare zuster, had zij beter dan deze, had zij met de inspanning van al hare vermogens, en met eenen weetlust, welke dien van haren oudoom in zijne eerste monniksjaren evenaarde, van het voortreffelijke onderwijs, dat hij haar geven liet, gebruik gemaakt; en nu reeds kon zij met recht eene eerste plaats bekleeden onder de Eomeinsehe prinsessen. Toch was de meer natuurlijke Orsina de lieveling van haren oudoom. Een groot man wil dat schitterende niet in eene vrouw. Hoeveel zij er ook tegen had, de prachtige tooi, die Signora Respanti voor haar had noodig geoordeeld, verhoogde Orsina\'s schoonheid. Wat men er ook van zeggen moge, rooskleurig satijn en schitterende goudstof benadeelen eene bloeiende vrouwengestalte niet, en zwarte oogen flonkeren daarom niet minder, al glinsteren er diamanten in de lokken, en al omgeven witte parelen den witten hals. Misschien reeds voor de derde maal was Scipione, die achter haar stond, bezig haar dit te zeggen, toen de zaaldeuren opengerukt werden en de edelknapen Don Marco Antonio Colonna aankondigden, met de opsomming van al die lange titels, waarop deze jonge man, die Grande van Spanje was en Eidder van het Gulden Vlies, aanspraak konde maken. Het was eene zeer groote en zeer voordeelige eer, welke Sixtus hem bestemde, toen hij hem koos tot gemaal zijner oudste nicht; want het huis van Colonna, hoe machtig en hoe aanzienlijk ook, bezat geene inkomsten in evenredigheid van den vorstelijken staat, dien het voeren moest; uitgaven bij schitterende ambassades, en vooral die, waartoe het zich bij de kroning des Konings van Spanje had verplicht gezien, hadden zijne geldmiddelen uitgeput, en het dieper in

ocr page 85

75

schulden gestoken, dan met de waardigheid van zulk een Vorstengeslacht OYereenkwam. Sixtus had groote verplichtingen aan dit huis, en vooral aan den Kardinaal Colonna, Don Marco\'s oom, wiens leermeester hij geweest was, en het was dus evenzeer een plicht van dankbaarheid, dien hij vervulde, door met den aanzienlijken bruidschat, dien zijne nicht was voorbehouden, en de groote giften, in abdijen en leenen, die er zouden worden bijgevoegd, het kwijnend verval van dit huis te voorkomen, als de macht van het zijne te bevestigen, door het aan te sluiten aan een geslacht van historische oudheid en onbe-twisten invloed.

Verscheidene leden zijner familie vergezelden hem; doch het ■was Alexander Peretti, Kardinaal Montalto, die hem binnen leidde. Het is nog de plaats niet om van dezen Kerkvorst te spreken; alleen stelle men zich hem voor, als een jong geestelijke van een edele, ranke gestalte en belangwekkend gelaat, die het zwarte haar nog in korte lokken droeg, en wien de knevelbaard even goed gevoegd zoude hebben als den jongen Colonna zeiven.

Na Madonna Camilla zijnen eerbied te hebben betuigd, wendde zich Don Marco tot Orsina. Eene knie ter aarde buigende, bracht hij haar de toen nog gewone hulde van den handkus. De jonkvrouw, die bij zijn binnentreden zeer bleek geworden was, en strak voor zich had nedergezien, wierp, toen zij hem de hand reikte, eenen schichtigen blik op hem. Ware zij onbevooroordeeld geweest, dan had zij voldaan moeten zijn; want hij was een schoon man, en in den schitterenden Spaan-schen dos van purper fluweel en wit satijn, overal met fonkelend gesteente bezet, had hij dat uiterlijke van ridderlijke bevalligheid, dat aan zijnen hoogen rang zoo wel paste. Het was wel aardig, dien jongeling daar te zien aan de voeten van dat meisje; dien trotschen, hooggeboren edelman, dien ridder van de doorluch-tigste orde, geknield voor een zestienjarig kind; dien Prins, die, als Grande van Spanje, met gedekt hoofd den flersten Monarch

ocr page 86

76

der wereld naderde, die hem neef noemde, geknield aan de voeten van de kleindochter eens timmermans; den forschen, krachtvollen man, nederbuigende voor eene teedere, zwakke maagd: het hooge zich vernederende voor het lage; den sterke hulde brengende aan de zwakheid. Zonderling staal der ongerijmde menschelijke overeenkomsten, die [altijd de orde der zaken om-keeren, die altijd zondigen tegen de natuurlijkste wetten der schepping! Want daar ten minste ziet men de kracht troonen boven de onmacht, en nooit strijkt de adelaar neder voor de voeten van de kolibri.

Iets dergelijks was het misschien wat ook Orsina gevoelde, toen zij op den jongen Colonna neerzag; want haar donkere blos en de verlegen glimlach getuigen zoowel van hare jonkvrouwelijke verwarring als van hare gestreelde ijdelheid bij de bewezene eer.

Toen hij zich weder opgericht had, quot;nadat Orsina met een paar niet veel zeggende woorden de hoffelijke betuigingen zijner verrukking over het geluk, dat het hem ten deel viel, had beantwoord, en de Kardinaal Montalto hem eene plaats had aangewezen, was het Francisca, die hem het eerst aansprak.

„Men ziet weinig Italianen van eene zoo kloek gebouwde gestalte als gij, Monsignore! zijt gij waarlijk èen Eomein, ofwel een afstammeling van de zwaargespierde Vandalen, die Rome verwoestten ?quot;

„Mijne voorouders, Signora!quot; antwoordde hij, verrast en verlegen over de zonderlinge opmerking van het meisje, dat met vaste blikken naar [hem opzag, „mijne voorouders klimmen op tot de verwarde geslachten der halve goden, en ik weet niet....quot;

„O! ik weet, ik weet,quot; viel zij lachende in „dat uwe zuilen 1) zich hooger boven den grond verhieven, dan die van het Ka-pitool; met meer recht, dunkt mij, dan de Este\'s, noemt gij u

1) quot;Woordspeling op Colonna.

ocr page 87

77

de zonen van Hercules; aan zijne zuilen ontleent gij waarschijnlijk uwen trotschen naam.\'\'

„Het ware veel beter geweest, Signora!\'\' voegde Camilla hare kleindochter toe, „dat gij Monsignore, in plaats van hem tot welkomst zijne Heidensche voorvaderen te herinneren, iets, waarover een vroom Christen toch altijd bloost, hem verzocht hadt, ons nader bekend te maken met de hier aanwezige leden zijner familie, die allen goede zonen der Kerk zijn. Mag men u die moeite vergen, Monsignore?\'\'

De Colonna boog zich en stond op, eenen blik en eenen glimlach wisselende met Montalto; zij waren te zamen overeengekomen, de lastige ceremonie van de voorstelling dier talrijke rij daar te laten; nu echter was geen ontwijken mogelijk, en de goede Camilla, zich uitputtende in allerlei plichtplegingen, verwenschte misschien niet minder dan de overigen het vervelende en gedwongene van hetgeen zij meende te zijn een noodwendige plicht der wellevendheid.

Daarna echter, terwijl men ijs en ververschingen door de zaal ronddiende, werd de toon meer los en vrij. Orsina ten minste had reeds sedert lang haren sierlijken zetel verlaten, en praatte lachende met haren neef, den jongen Kardinaal, die zich achteloos in eene diepe vensterbank had nedergewor-pen. Camilla onderhield Don Marco over haren eenigen zoon, Don Michiel, die nu afvvezend was, om aan het Toseaansche hof zijne sporen te verdienen.

Francisca liet zich door den jongen Prins van Palestrina allerlei aardigheden zeggen over hare uitgebreide kennis, waarvan zij hem de blijken niet spaarde. Scipione, die zich op korten afstand hield, maakte zijne opmerkingen, terwijl hij Signora Res-panti vleierijen zeide, die zij nog niet te oud was om overdreven te vinden, en ook welke vrouw is ooit zoo oud, dat zij de taal der vleierij overdreven vindt?

Ieder hield zich dus bezig op zijne wijze, toen een Edelknaap

ocr page 88

78

Camilla schielijk naderde. „Madonna! de Karos van Zijne Heiligheid rijdt het voorplein op.quot;

„Dat verheugt mij, Ruigi! waarlijk dat verheugt mij; doch

altijd zoo onverwacht, mijn broeder is toch ____Signor Angelo

Maldaveto! wees toch zoo goed en zorg dat Zijne Heiligheid behoorlijk ontvangen worde. — Ruigi! is de groote middelpoort geopend? — Lelio! plaats den staatsiezetel daar in het midden onder de draperie. — Edele Don Marco! verschoon mij, zoo ik u vergat te antwoorden. — Cavalieri! hebt de vriendelijkheid u een weinig ter zijde te schikken.quot;

Met [deze en dergelijke zinsneden van bevel en uitroeping gaf de oude dame hare blijdschap lucht, en tevens de lichte ontsteltenis, die haar altijd aangreep, als haar Pauselijke broeder haar zoo plotseling overviel. Dat was evenwel altijd zijne gewoonte. Hij bezocht haar steeds incognito en als bij verrassing. Toch beminde hij deze eenige zuster met innige hartelijkheid; de liefde voor zijne neven en nichten dreef hij zelfs tot hartstocht; dan, alleen als zij zonder getuigen te zamen waren, gaf hij zich aan die zachtere gevoelens over, die hij meestal verborg onder koele waardigheid, als scheen hem dat toegeven aan eene zoo natuurlijke gewaarwording eene zwakheid, die hem te veel met de andere menschen geljjk stelde. Toen hij nog Kardinaal was, dreef hij die kunstkoude zelfs zoover, dat hij den dood van zijnen meestgeliefden neef Filippo, zoon van zijnen overledenen broeder Antonio, eenen jongeling van den gelukkigsten aanleg, 1n den ouderdom van zeventien jaren openlijk op straat vermoord, met de schijnbaarste koelheid droeg, en bij die gelegenheid tot iemand, die hem wilde troosten, en een ander, die hem tot gerechtelijke vervolging der daders aanzette, deze merkwaardige woorden zeide: „Ik bemin mijn bloed tot eenen zekeren graad ; maar niet genoeg om mij voor God te doen zondigen tegen hen, die zich aan mij bezondigd hebben, en God verhoede, dat ik in de misdaad van wraak zoude vervallen tegen de men-

ocr page 89

79

schen, die leven, om de nagedachtenis van eenen neef, die dood is!quot;

Deze woorden getuigen te meer van zijne macht over zich zeiven, daar hij nauwelijks den Pauselijken Stoel beklommen had, of hij liet de daders van dien gruwel opsporen en straffen, hoewel zijne geschiedenis geen ander voorbeeld aanwijst van zijne wraakneming over persoonlijke beleedigingen, die hem toch in zoo ruime mate waren aangedaan.

Voor dit schijnbaar verlaten zijner bloedverwanten had hij eene dubbele beweegreden; vooreerst was het hem als Kardinaal, bij zijn bekrompen inkomen, nauwelijks mogelijk, hun eenige aanmerkelijke ondersteuning te schenken; ook ontvingen Alexander en Michiel, die hij studeeren liet, niets dan het volstrekt noodige, en dan nog altijd door tusschenkomst van Sarnano; en ten andere wist bij hoezeer de nasleep eener behoeftige familie een punt van bezwaar was in zijn verholen streven naar het Pausschap. Toen hij dit doel bereikt had, was het te denken, dat hij zich met drift zoude hebben schadeloos gesteld ook voor dit gedeelte zijner vermomming; dan, niet alzoo handelde Sixtus. quot;Wel liet hij snel zijn geslacht tot zich komen, wel schonk hij Camilla en den haren den wijngaard Peretti, met eenige inkomsten en eenen kleinen hofstoet; wel maakte hij zijnen achttienjarigen neef Alexander tot Kardinaal; wel stelde hij het onderwijs der beide meisjes in de beste handen, dan, de vroegere veronachtzaming hield nog niet op. Hij had het altijd eene hatelijke gewoonte der Pausen gevonden, om de schatkist der Kerk te plunderen ten behoeve van hunne familie, rijke goederen en leenen van den Kerkdijken Staat af te scheiden, om aan bijzondere personen weg te schenken, en zoo den Staat te verzwakken om enkelen te verrijken. „Ze zouden Rome wel onder hunne neven willen verdeelen,quot; was altijd zijne verdrietelijke aanmerking, als hij van iets dergelijks hoorde. In dezen misslag wilde hij niet vervallen. Met scherpe woorden verbood

ocr page 90

80

hij Camilla hem ooit de geringste gunst te vragen, om zeker te zijn, dat men haar niet als werktuig gebruikte tot het bereiken van hebzuchtige oogmerken, of het voorkomen van billijke gestrengheid. En hij verklaarde haar en de haren, dat hij besloten had, haar nimmer eenig verzoek in te -willigen, maar dat alles, wat hij voor hen dacht te doen, uit hem zeiven zoude voortkomen. Dit begin was zeker weinig geschikt om eene vertrouwelijke genegenheid tussehen hen te doen ontstaan, en Camilla, die het niet waagde den vastgezetten afstand te overschrijden, leefde stil voor zich henen, verdiept in hare vrome godsdienstplichten, en gelukkig in de ontwikkeling harer kleinkinderen.

Zoo bleef het echter niet. In 1587 zag Sixtus zijne macht volkomen bevestigd; het hervormde Eome, bevrijd van hare ■drie pesten: roofzieke bandieten, baldadige edelen en losbandige geestelijken, bloeiende in rust en welvaart, elke burger gehandhaafd in zijne rechten, elke openbare ondeugd geweerd, de wetten ontzien en nagekomen, geene voorname schuldeischers meer, die hunne schuldenaars met tergend onrecht vertrapten, geene maagden meer met geweld aan hare ouders ontschaakt, geene moordenaars meer in de straten, geene bloedige gevechten meer in de huizen, geene gruwzame inbraak meer bij nacht. Alles rustig, alles veilig, alles gelukkig, alleen de boosheid sidderende, doch in toom gehouden; Rome verfraaid door de heerlijkste werken der bouwkunst, verrijkt met de nuttigste instellingen; de Apostolische Stoel meer dan ooit ontzien bjj\'de Katholieke volkeren; sterk en geducht tegen zijne vijanden; de hooge geestelijkheid weder genoopt het voorbeeld te geven van ingetogenheid en van reinen levenswandel; de Kerk zonder schulden, en bij dat alles de schatkist uit haar verval opgericht, beter gevuld dan ia de schitterendste regeeringen vóór de Reformatie, hoewel Engeland, If oord-Nederland, een groot deel van Frankrijk en zoo menig deel van Duitschland opgehouden hadden «chatting te brengen, terwijl nog daarenboven elk jaar een

ocr page 91

81

spaarpenning van een millioen Eoomsche kronen, ten nutte der Kerk in eene geheime bewaarplaats van het Vatikaan werd weggelegd, en nu eerst meende de groote Paus, na zooveel gedaan te hebben voor anderen, ook iets te mogen doen voor zich zeiven, na zoolang gedacht te hebben op het heil van den Staat, ook eens te mogen denken aan het heil zijner verwanten.

Juist in dit tijdperk valt voor, hetgeen wij te verhalen hebben; we hebben reeds uit Camilla\'s gesprek met Orsina gehoord, hoe haar huis en hare geldmiddelen nu op eenen voet gebracht waren, die overeenkwamen met de waardigheid van haren broeder, zijne plannen met die verandering en de hooge echtverbintenis, die hij beoogde. Het verdere zullen wij zien.

Op het oogenblik toen Sixtus binnenkwam, leverde inderdaad die groote prachtige zaal met al die rijk uitgedoste edelen, met die vrouwen van zoo verscheidene schoonheid, schitterende van borduursel, gesteenten en blinkende zijde, een belangwekkend tafereel op; want dat alles knielde eensklaps neder, als door eene plotselinge betoovering getroffen, van den dienenden edel-knaap af tot den vorstelijken Colonna toe; en al ware Koning Philips zelf daar tegenwoordig geweest, de machtige Monarch had zijn trotsch hoofd in het stof gebukt; daar knielde de schoonheid voor grijze lokken, daar knielden jonge vrouwen voor eenen ouden man!

Slechts vergezeld van den Cardinaal Colonna, oom van Don Marco, op wien hij met de linkerhand leunde, trad Sixtus langzaam voorwaarts, tot in het midden der zaal; toen klonk zijne stem plechtig, en statig: „Vrede zij u allen! de zegen der Kerke zij op u!quot;

Hij gaf een teeken, dat zij zich zouden oprichten, Camilla was de eerste, die hem nu te gemoet ging, zij wilde zich op nieuw aan zijne voeten werpen, dan, hij hield haar terug en omhelsde haar met hartstochtelijke innigheid: „Ik weet niet, zuster ! waarom deze allen niet eenmaal getuigen zouden zijn van onze

Engelschen te Rome enz. 6

ocr page 92

82

groote vriendschap voor u! En nu, waar zijn de kinderen?quot; Met tranen in het oog van ontroering en blijdschap leidde zij hare kleindochters tot voor hem. Hij hief ze op en kuste ze op het voorhoofd, richtte een paar vragen tot Francisca en hield Orsina bij de hand vast, terwijl hij haar met welgevallen aanzag. Daarop stelde Montalto Don Marco voor en nadat deze de hulde van den voetkus gebracht had, begon de Paus met eenen gemeen-zamen glimlach, die hem anders zelden eigen was: „Was het geene goede welkomst, die wij u toedachten, mijn zoon,quot; en hierbij legde hij Orsina\'s hand, die hij nog niet had losgelaten, in die van den jongeling.

„Een gansch leven van dankbaarheid en gehoorzaamheid zal niet genoeg zijn, om zulk eene groote schuld af te doen. Zeer Heilige Vader,quot; hernam de edelman levendig, het meisje aanziende, dat bloosde en beefde.

„Spreek niet van schuld, jonge man! wij zeiven hebben eene oude schuld af te doen. Uw huis heeft ons geëerd, toen de anderen ons verstieten; uw oom heeft ons gespijzigd, toen wij hongerden.quot; Hier wendde hij zich tot den Kardinaal Colonna, legde de hand op diens schouder en vervolgde met gevoel: „Zoo waarachtig Christus ons de macht heeft gegeven, zullen uw honderd Tumoli 1) korens eene goede rente opbrengen!quot;

Over het geheel betrachtte Sixtus de dankbaarheid als eenen heiligen plicht, en niemand, die hem of de zijnen in vroegere dagen de geringste weldaad bewezen had, werd door hem vergeten. De Parochiaan van Grotto, die zijne moeder in haar laatste uur had bijgestaan en zich zijne behoeftige familie aantrok, beloonde hij daarvoor reeds als Kardinaal, toen hij voor die bloedverwanten zeiven nog zoo weinig deed. Alleen de leden van het Conclave, die hem Paus maakten, hebben daarvoor nimmer eenige vriendschapsblijk ontvangen. Hij wilde niet, dat gunst invloed

1) Een Tumoli was omtrent twee honderd pond, het pond op twaalf oneen berekend.

ocr page 93

83

zoude hebben op zijne openlijke daden, en hij kende te veel hunne baatzuchtige bedoeling met zijne verkiezing.

Bij dit half incognito droeg de Paus zijn gewoon kamergewaad; doch bij zijne vaste, achtbare houding kon hij den geleenden glans van den purpermantel, met onschatbaar rijk gesteente bezet, en van de aanmatigende driedubbele kroon ontberen. Op zijn gelaat lag die majesteit, die den Vorst kenmerkt onder de pij. Toch was er veel schilderachtig antieks in dat witte priestergewaad van doffe zijde, dat in ruime plooien tot op den grond nederhing, met den korten mantel van purpersatijn, en de bonnet van dezelfde kleur op die zilveren lokken, en in dat kruiselings over de borst geslagen ordelint, waarop zich de bekende sleutels afwisselden met het zinnebeeld des Christendoms. Aan de voeten droeg hij dat sierlijke schoeisel met die in goud gewerkte kruisen, waarop zoo menige trotsche mond zich kussend verootmoedigd had, en die te denken gaven, aan wien de geschiedenis der Christeneeuwen kende.

Sixtus, die zich op den voor hem bestemden zetel had nedergezet, noodigde de vrouwen uit, zijn voorbeeld te volgen ; daarbij richtte hjj beurtelings het woord tot de hem het naast omringenden, daarbij veel met levendigheid en onuitputtelijke woordenrijkheid sprekende, zooals hij gewoon was in oogenblikken van vergenoegen of opgewondenheid. Hij hoorde gaarne de eigene denkbeelden der personen, met welke hij sprak, en nimmer mishaagde hem een vrijmoedig woord, tenzij er kennelijk aanmatiging in lag, of miskenning zijner heerschappij. Daarom krenkte hem zoo licht een woord der Ambassadeurs of der groote Kardinalen, en deze Priestervorst, die naar het antwoord van een kind luisterde, zoude een gekroond hoofd het stilzwijgen hebben opgelegd.

ïfa zich eene geruime poos zoo onderhouden te hebben, wendde hij zich bepaald tot zijne zuster:

„Wij hebben berichten van onzen wel beminden neef Don Michiel, uwen zoon, hij heeft den ridderslag ontvangen, en wij

ocr page 94

84

hebben geoordeeld, dat het tijd werd, hem eenen onafhanke-lijken staat te geven. Daartoe hebben wij voor hem gekocht het Prinsdom Venetro, met het Markgraafschap van Lamentana en dat van Cellana; neen, goede Camilla! zie ons zoo niet aan, alsof wij eene wonderbare legende verhaalden. Mij dunkt, gij moest u sedert eenigen tijd met ongedacht geluk hebben gemeenzaam gemaakt, en het verwondert ons, dat gjj, die zoo vroom zijt, niet reeds lang een prachtig altaar hebt opgericht voor St. Bonaventura, dien wij eerbiedigen als onzen gelief-koosden Heilige, zoo zedig, zoo ingetogen onder het purper, dat alle gepurperden van onze dagen zich daaraan wel mochten spiegelen, en bovenal onze doorluchtige broeder Farnese, die als Kardinaal eenen hofstoet voert, als ware hij Paus. Om tot Michiel terug te komen, wij hebben besloten, hem van een eigen paleis binnen Rome en eene geschikte Villa te voorzien, en hem een inkomen van zestig duizend kronen toe te staan, om zijn huis op te houden. Ontstel niet edele Colon na! het zal onze kleine Orsina daarom aan geenen bruidschat ontbreken!quot;

„Heilige Vader! zij zelve is eene onschatbare parel, en haar hart de beste bruidschat, dien ik wensche,quot; antwoordde deze en wilde zijne toekomstige verloofde teeder aanzien; doch deze speelde met eenen tip van haren kanten sluier.

„Toch niet! toch niet. Prins! om de rijkdommen te verachten, moet men een dier zijn, dat ze niet kent, of een engel, die ze niet behoeft. Doch wij wilden nog iets zeggen van onzen zeer geliefden neef, den eenigen, die het geslacht Peretti in stand moet houden, en die ook waard is, het te vertegenwoordigen. Hij zoude reeds terug zijn. Madonna! dan, de Venetianen wilden, dat hij gebruik zoude maken van zijn recht, om zitting te nemen in hunne Signoria 1), en wij keuren het volkomen goed,

1) In 1585 werd het huis Peretti, met toestemming van Sixtus, in den Veneüaanschen adelstand opgenomen, en de mannelijke vertegenwoordigers van it geslacht hadden dus het recht om de Signoria bij te wonen.

ocr page 95

85

dat hij zich in de gondelstad eenigen tijd vermaakt. Hij zal er zeker vroolijker dagen slijten dan wij, toen wij er Opperrechter van het Heilig Ambt waren, en het volk tegen ons in oproer kwam, terwijl de monniken ons eene schuilplaats weigerden in hun convent; over het geheel is er geen kwaadaardiger men-schensoort dan monniken, die men in hunne lievelingszonden aantast, dat konden zij ons niet vergeven! Doch dat is voorbij, den Heiligen Petrus, wiens onwaardige vertegenwoordiger wij zijn, zij daarvoor de eer; wij hebben altijd onrecht geleden met geduld, en de rampspoeden met gelatenheid gedragen; en, „wie sterft zonder de ellende gekend te hebben, heeft niet geleefd als een mensch, maar als een stompzinnig dier.quot;

Na deze lange reeks van volzinnen, allen in éénen adem uitgesproken, en zonder volgorde, zooals hij ze dacht, zag hij uit-vorschend om zich heen, als iemand, die iets zoekt. Daarop vestigde hij den scherpen blik op Scipione, en hervatte weder tot Camilla: „Wij zien uwe gast niet hier. Madonna! Ik bedoel de Bngelsche dame, die wij in uwe bescherming gesteld hebben, waarom sluit gij haar buiten uwen hofkring?quot;

„Zij heeft niet anders gewild, zij verdiept zich in haar vertrek in gebeden en vrome gepeinzen, en zij was niet over te halen, zich bij ons te voegen.quot;

„Dat is niet goed; als men haar aan zich zelve overlaat, kan zij eene onzinnige dweepster worden.quot;

„Zij is zoo ongelukkig. Zeer Heilige Vader!quot; zeide Orsina medelijdend.

„Juist daarom moet zij bemoedigd worden. Laat haar hier komen, wij willen haar een woord toespreken.quot;

De zachte jonkvrouw wilde wegijlen, om Anna af te halen, dan, Signora Eespanti hield haar terug en ging zelve. Gedurende de tusschenpoos, die nu volgde, rustte des Pausen oog doorborend op Scipione, die ondanks al zijne onbeschaamde vermetelheid, en ondanks zijn groot talent van zelfvermomming.

ocr page 96

86

dien blik niet verdragen konde, en wien de sidderende knieën het bevende lichaam nauwelijks meer schraagden. Toch gaf hij zich nog niet verloren. Het is waar, hij had Sixtus bedrogen, en Sixtus wist het; hij las het uit diens gelaat, hij begreep het uit de bescherming, die Anna van hem genoot. Maar Sixtus kon nog gelooven, dat hij ter goeder trouw gedwaald had; want ware deze werkelijk van zijnen opzettelijken laster overtuigd, dan had hij geen twee dagen gelaten tusschen het misdrijf en de straf, dan had hij hem in die twee dagen, die hij, zoo hij meende in de Campagna had doorgebracht, geene mogelijkheid gelaten tot de vlucht. Zoo Anna hem dus niet rechtstreeks aanklaagde, was niets nog onherstelbaar.

ocr page 97

HOOFDSTUK VII.

De lasteraar.

Toen Anna Oston door Signora Respanti bij het luisterrijk gezelschap werd ingeleid, glansden twee oogen haar tegen, met doodsangst op haar gericht. Het waren die van Scipione. Ook zij ontstelde; hem had zij hier niet gewacht. Zij moest hem voorbij, om tot Sixtus te naderen.

„En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren,quot; fluisterde hij haar in met eene doordringende stem.

In hare verwarring antwoordde zij niet. Hij meende nu te weten, dat zij onverzoenlijk was. „Gij hebt het gewild, gij of ik, of beiden,quot; mompelde hij binnensmonds, en zich omkeerende, met eene sterkte van geest, die eene betere zaak waardig was, wendde hij zich, alsof hetgeen er volgen zoude hem volstrekt onverschillig was, tot den jongen Kardinaal Montalto, wiens levendige aard, bij den langen dwang der Pauselijke tegenwoordigheid, zich misschien niet ongaarne eenigszins afleiden zag. Scipione sprak lang en zacht met hem, den dubbelzinnigen glimlach op de lippen, den blik, giftig als de vederflits dei-Indianen, in doodend heulsap gedoopt, op Lady Oston gericht.

Nauwelijks had deze den Paus den gewonen eerbied bewezen, of hij hief haar vriendelijk op, en spak tot haar met eene

ocr page 98

88

goedheid, die hij anders met zijnen Kardinaalshoed scheen afgelegd te hebben:

„En nu, Mevrouw! hebt gij het wel in uw nieuw verblijf? Men heeft u, hoop ik, ontvangen met al die onderscheiding, waarop onze belangstelling u recht gaf. Wij kunnen niet onderstellen, dat in dit huis iemand kan zijn, over wien gij u zoudt te beklagen hebben, en zoo dit mocht wezen....quot; Een spottend woord bestierf Scipione op de lippen, hij luisterde met inspanning, terwijl hij den Kardinaal scheen aan te hooren.

„Heiligste Vader! ik kan niet anders dan met de ootmoedigste dankbaarheid erkennen, dat ik hier het voorwerp ben van eene voorkomende goedheid, van eene liefderijke zorg, van eene welwillende tegemoetkoming, die ik alleen aan eene zoo grootmoedige bescherming als de uwe kan te danken hebben. Doch waarmede ik dit alles verdiend heb of ooit verdienen kan, dit is mij een raadsel, waarvan ik de oplossing alleen zoek in den zegen van mijnen Heiland en in de goedertierenheid van zijnen vertegenwoordiger op aarde.quot;

„Hoor! de huichelaarster,quot; fluisterde Scipione, die adem schepte, tot Montalto.

„Welnu dan, indien gij dit erkent, zoo niets u hindert, niets u ontbreekt, geef dan niet toe aan sombere mijmeringen, die tot waanzinnigheid leiden, en die de ziel verlokken tot zonde. Men zegt, dat gij u afzondert, en dat gij u overgeeft aan zwaarmoedigheid, dat moet niet zijn. Wij verwachten van u, dat gij, herdenkende al de groote gevaren en dreigende rampen, waarvan de vriendelijke bescherming der Heiligen u gered heeft, om u te stellen onder de veilige hoede der Kerk en van haren herder, voortaan dankbaar zult zijn en tevreden. Blijmoedigheid past eene Christelijke vrouw! Wees dan blijmoedig, wetende op wien gij vertrouwen kunt.quot; Hij legde zijne hand op haar voorhoofd, en zich tot haar buigende, sprak hij zacht, voor de overigen onverstaanbaar: „Schrijf aan uwe vrienden in Engeland;

ocr page 99

89

Karre zal u bezoeken; gjj deedt wel met geen acht te slaan op Scipione\'s tegenwoordigheid.quot;

Deze binnensmondsehe woorden, die allen, welke ze niet verstonden, voor eenen herdelijken zegen hielden, waarover Camilla met stichting het amen uitsprak, deden Anna blozen; zij hield ze voor een afscheid, en zij wilde zich met eene diepe buiging verwijderen, dan Sixtus hervatte; „Nog iets; neef!quot; en hij wenkte Montalto, die weder zijne plaats had genomen achter Orsina\'s stoel. Hij naderde. „Neef! wij bevelen in uwe vriendschap Lady Oston, eene edele Engelsche vrouw, die om geloofsvervolging haar vaderland ontvlucht is om te Rome eene schuilplaats te zoeken; die wij tot vader zijn willen, en die dus recht heeft op uwe hulp en op uwen raad, waar zij die mocht noo-dig hebben. Dit is niet overbodig. Mevrouw! want ons kunt gij niet zoo dikwijls zien, als gij misschien zoudt wenschen, en onze neef bezoekt Madonna Camilla, zijne moei, bijna dagelijks. Wend u dus vrijelijk tot hem, indien er iets mocht zijn, waarin gij ons noodig hadt.quot;

„Met des te meer vertrouwen,quot; antwoordde Anna, half tot den Kardinaal gekeerd, „daar ik weet, dat Monsignore niet heeft versmaad, de vriend te zijn van mijnen landgenoot en bloedverwant.quot;

Zonder haar aan te zien, antwoordde Montalto met eene lichte zwijgende buiging; er was opzettelijke lompheid in de wijze, waarop hij zich van haar af en tot den Paus wendde, wien hij iets toesprak, dat Anna niet verstond, doch waarop deze zeide: „Gij hebt gelijk, de Colonna\'s kunnen meer verwachten van een uur, dat hun toebehoort; wij willen hen niet teleurstellen, Mylady Oston! wij zien u weder.quot;

Beleedigd over de onhoffelijkheid van den Kardinaal-neef, ging Anna met eene fiere houding ter zijde.

Niet lang daarna namen Don Marco en de zijnen hun afscheid, nadat ieder hunner door Sixtus en Montalto afzonderlijk was toegesproken.

ocr page 100

90

De eerste deed daarop ook het hofgezin vertrekken, en onderhield zich bijna een uur lang met zijne familie in gemeenzame gesprekken, die voor ons nog minder belangrijks hebben dan de voorgaande. — Voor hij den wijngaard Peretti verliet, had de Paus nog een kort en geheim onderhoud met Seipioue, dat wij bespieden willen.

„Gij hebt mij bedrogen, ellendige! gij hebt schandelijk gelasterd.quot;

Mij zeiven bedrogen, dat is mogelijk. Heilige Vader!quot; hernam de jongeling, die tijd gehad had om zich voor te bereiden, met eene vrijmoedige vastheid. „Geloof, dat ik uit overtuiging sprak, toen ik u die vreemdelinge als eene listige vrouw aanwees, die met hulp van haren bloedverwant, door hare schoonheid eene groote rol dacht te spelen te Rome, zoo waarlijk helpe mij onze Heili....quot;

„Geen valschen eed, ongelukkige! Ik weet, dat gij zelf niet geloofdet, niet hebt kunnen gelooven aan het dwaze sprookje waarmede gij mij tot eene rassche daad van strengheid hebt willen aanzetten. Booswicht! zoo ik vermoeden kon, dat gij gespot hadt met mijne lichtgeloovigheid, zoude ik lust hebben u op staanden voet te verpletteren. Verdedig u niet, gij kunt niets zeggen, wat ik gelooven zal. Eene vrouw als deze stroef, streng en doodsbleek als eene uitgevaste Karmelitin, kan het niet in het hoofd krijgen, de par-amour te willen zijn van jonge mannen, in het eerste vuur van het leven. Gij bezit menschen-kennis genoeg om dit te zien, gij hebt u in Anna niet kunnen vergissen. Wat was uw doel met die logen?quot;

„Als uwe Heiligheid haar beschermt en verdedigt, dan zal ik gedwaald hebben,quot; hernam Scipione droogjes. „Ik had geen ander doel dan dat, waarmede ik uwer Heiligheid gewoonlijk bericht geef van eiken vreemdeling.quot;

„Dat is niet waar! dan, wij begeeren het niet verder te kennen. Het is nu verijdeld, en wij hebben besloten u naar de galeien te zenden.quot;

ocr page 101

91

De lasteraar zag Sixtus strak aan met akelig rollende oogen; zijn mond verwrong zich tot eenen krampachtigen glimlach.

Hij sprak geen woord.

„Verdiend hadt gij het ten minste zeker,quot; vervolgde Sixtus na eene pauze. „Maar wij herdenken uwe diensten, en vooral de laatste in de Campagna. Wij hebben u verder noodig, gij kunt uwe vergiffenis koopen.quot;

„Koopen,quot; herhaalde de andere, alsof hij \'nu eerst begreep.

„Ja, luister. De beruchte giftmengster Quirina, de medehulp in ongebondenheid en in misdaad van Agatella Pignaccia, die Rome nu niet meer ontheiligen zal, leeft nog, en is tot hiertoe het moet bijkans door een wonder zijn, aan alle nasporingen onzer politie ontsnapt. Lever haar den Stadvoogd in handen vóór het heilige Paaschfeest.quot;

„Hoe zoude ik kunnen? Eene vrouw als deze, die misschien, die zeker niet meer te Rome is, en waartoe die eisch aan mij, in zoo korten tijd? ware het slechts mogelijk....quot;

„Als het mogelijk is, kunt gij het uitvoeren, en als het onmogelijk is, moet gij het mogelijk maken. Vergeet den tijd niet. Het staat aan u, zoo vaak afwezend te zijn als u goed dunkt: mijne zuster is er op voorbereid.quot;

En hiermede liet de Paus zijnen geheimen spion aan zich zeiven over.

„Wat Quirina aangaat, gij zult haar niet hebben,quot; zeide deze in zich zei ven, op gesmoorden toon en met zijnen spotachtigen glimlach, „maar wel anderen, die gij niet gevraagd hebt, daarna kunt gij mij laten verkwijnen op eene galei, of doen bloeden op een schavot. Schavotten en galeien zijn geene verschrikkingen voor hem, die de taak van zijn leven vervuld heeft!quot;

ocr page 102

HOOFDSTUK VIII.

Ka de siësta.

In het kabinet bij de galerij van St. Franciscus, zoo genoemd naar de fraaie fresco\'s der muren, die tafereelen uit het leven van dien Heilige voorstelden, of wel naar het levensgroote standbeeld, in eene der nissen aan het einde opgericht door Sixtus, ter eere van den Stichter zijner orde, hoorde men een zacht gefluister. Het waren Orsina en Scipione-Angelo. Zij hadden hun gesprek van den vroegen ochtend voortgezet. Men zag dit aan hare oogen, die van hartstocht schitterden, aan hare schuchtere teederheid, die niet meer een koel vertrouwen was, aan zijne grootere vrijmoedigheid, die meer ondernam dan Colonna zich zoude hebben durven veroorloven. Zijne liefkozingen waren kennelijk niet meer vermetele vrijheden, welke hij waagde, maar een recht waarvan hij gebruik maakte. Hij drukte hare kleine hand, die in de zijne beefde, tegen zijn hart.

„Voel het, Orsina! het klopt voor u, geheel alleen voor u, en het zal ophouden te kloppen als Orsina zal ophouden haren Angelo te beminnen.quot;

„Booze Angelo! Nu ik weet, dat mijn gevoel voor u liefde is, nu weet ik, dat het eeuwig zijn moet. Ophouden te beminnen, moet zijn ophouden te leven! Maar zeg, waarom het mij zoo angstig is, en toch zoo.....zoo oneindig wel, nu ik weet, dat

ocr page 103

93

gij mij liefhebt. Het is alsof alles rondom mij anders ware, en toch is er niets om ons veranderd, het is mij zoo licht, zoo vroolijk, en toch weder zoo weemoedig, zoo beklemd, ik zoude kunnen schreien, en ik geloof, dat het van vreugde zoude zijn. Ik gevoel mij zoo sterk, zoo moedig, zoo schrander; mij dunkt, ik zoude het mijnen oom durven zeggen, dat gij mijn geliefde zijt, en dat ik van alles, wat hij mij geven kan, niets begeer dan u tot echtgenoot.quot;\'

„Doe dat niet, Orsina! om uwent, om mijnent wil, doe dat niet. Of wilt gij mijn hoofd zien op de staken van St. Angelo\'s brug ?quot;

„Dat were de Heilige Moedermaagd!quot; riep zij, hem heftig met beide armen omvattende, als wilde zij hem beschermen. „Angelo! Angelo! is onze liefde dan zoo misdadig?quot;

„Niet onze liefde, mijn engel! maar uw wensch om mij tot echtgenoot te hebben. Waarom zoudt gij niet beminnen wien u goeddunkt? quot;Waarom zoudt gij uw jong hart niet wegschenken aan hem, die niets van u smeekt, dan dit hart en een weinig goedheid, en die u daarvoor geheel zijn aanzijn opofferen wil ? quot;Wordt hij, die uwe hand verkrijgt, niet reeds rijk genoeg, niet reeds meer dan een sterveling. Welk recht heeft de Colonna om te eischen, dat gij hem tot eenen god maakt? Mij moogt gij eenen hemel geven door uwe liefde; maar de Colonna alleen moet uw echtgenoot worden.quot;

„Zoolang ik leef, heb ik alle menschen liefgehad, allen, Sig-nora Eespanti zelfs; maar deze Don Marco, o! die is hatelijk, vindt gij ook niet?quot;

„Hij is de verderfengel, die ons paradijs verwoest.quot;

„Gij doorboort mij met zulke woorden,quot; hernam zij, en liet toe, dat hij haar engelenhoofdje zacht tegen zijne borst drukte.

„Gruwzame waarheid, liefste!quot;

„Het is toch zonderling,quot; sprak zij met eenen glimlach tot hem opziende. „Ik heb eens gedroomd van eenen ridder met zwarte

ocr page 104

94

oogen, juist zoo als die van Don Marco, en sedert dien tijd heb ik immer gezegd, dat de man, dien ik liefhebben zoude, zwarte oogen moest hebben; en toch Signor Colonna heeft ze, en nu verwekken zij mij angst en afschuw.\'\'

„Dat komt omdat ze aanmatigend zijn en gebiedend.quot;

„Neen! dat komt omdat de uwe zoo schoon zijn, mijn Angelo! zoo wonderschoon als ze op mij rusten. Met recht noemt men u Angelo, gij zijt een engel voor uwe Orsina!quot;

Er was bijna oprechtheid in de verrukking, waarmede hij antwoordde.

„Gij alleen zijt een engel van onschuld en schoonheid!\'\'

„En hij schoof de fijne kant ter zijde, die haren hals bedekte, en hij ontheiligde door eenen kus dien ronden schouder, ongerept als de reine druif uit het vrijsterwapen bij vader Cats. Zij liet het toe. Hoe kon zij ook weten, dat die lippen bezoedeld waren door godslastering en gruwelijke eeden van wraak: dat die handen, die haar zacht streelden, zich uitstrekten naar haar meer schendige wraaklust, dan die van den bloedgierigsten beul naar zijn begeerd offer ? Hoe kon zij, de zestienjarige Italiane, het weten, dat die gloed van zijn oog niets was dan de gloed der hel, die verderven wil?

Hij vervolgde: „Melieve, het was mij dezen ochtend bang en zalig beide. Ik heb veel geleden, toen Don Marco u de hand kuste, en toch dank ik u thans, dat gij het zonder toorn hebt geduld.quot;

„Ik had het mijne goede grootmoeder beloofd.quot;

Er waren oogenblikken, waarin ik vergelijkingen maakte tusschen hem en mij. Hij, de groote Vorst, in dat kostbare gewaad, dat schitterde van juweelen en zijde; ik, niets dan ridder door de gunst van mijn meester, zonder andere pracht dan sombere kleuren van uw wapen, vaal groen met zilver. Ach! ik gevoelde het, ik moest in de schaduw staan bij zooveel glans!\'\'

ocr page 105

95

„Sedert wanneer weet gij, dat ik verzot ben op juweelen en zijde?\'\' vroeg zij zacht verwijtend. „Waarljjk Signore! de kostbare ambtsgewaden van mijnen oom, den Kardinaal, zouden dan de waardige voorwerpen mijner liefde kunnen zijn! Foei, dat gij dit gezegd hebt.quot;

„Maakt u dat toornig, Orsina? o! vergeef, gij weet niet wat een minnaar lijdt, die zich verbergen moet.quot;

„Gij moet inderdaad veel geleden hebben met zulke denkbeelden ! Maar om u gerust te stellen, zal ik den Connetable zooveel afkeer toonen ....!quot;

„Neen, Orsina! dat niet! volg daai-in mijnen raad, eenen raad, waaronder mijn hart bloedt; doch dien gij van uwen besten vriend verwachten moogt. Toon hem een goed gelaat. Het is wel hard voor mij, wel eene vreeselijke pijniging, u vriendelijk te zien tegen eenen man, die niet uw Angelo is; doch het moet zoo zijn, om groot onheil voor te komen.quot;

„Neen! ik wil den Prins afschrikken door mijne koelheid, ik wil hem nooit huwen; nu, zeker niet.quot;

„Spreek niet zoo, Orsina! hoe gelukkig zulk een woord mij ook moge maken, spreek niet zoo! De Connetable zoude u kunnen dwingen! En eene bruid, die met geweld naar het altaar gesleept wordt, heeft geene blijde welkomst te hopen in het huis haars echtgenoots, haar wacht een ijzeren huwelijksjuk!\'

„Dwingen mij! en zoude hij dat willen, die jongeling, die zoo eerbiedig aan mijne voeten lag, die mijne hand met zooveel achting en teederheid kuste? Zoude hij zoo kunnen veinzen, die Colonna, een zoon van zóó edel bloed ?quot;

„Arme onwetende! hoe weinig kent gij de menschen! Die goed schijnen, houdt gij daarvoor; maar juist die zijn duivels van trotschheid en eigenbaat, wien men slechts behoeft te weigeren, wat zij begeeren, om hunne afgrijselijke saterklauwen te zien.quot;

„De goede Scipione! hij sprak met kennis van zaken.

„Eeken toch nimmer op zijne edelmoedigheid.quot;

ocr page 106

96

„Angelo! ik hoor den tred van Signora Respanti, die door de galerij komt.quot;

„Vaarwel dan, vaarwel Orsina! een onbespied uurtje als dit vinden wij niet spoedig weder; denk veel aan uwen armen Angelo!quot;

Zij antwoordde niet. Met tranen in het oog en eenen glimlach op de lippen, maakte zij zich zacht uit zijne armen los, en drong hem vleiende naar de kleine deur van het kabinet, die in de boekenzaal uitkwam, en die zij schielijk achter hem toesloot.

De tegenwoordigheid van den jongman in dat vertrek, waarin hij dikwijls geheele ochtenden doorbracht, was zoo natuurlijk, dat zelfs de argwaan daaruit geen vermoeden had kunnen opvatten. Men kende hem als een vriend der letteren, die gewoon was met de Jonkvrouwen Orsina en Francisca de verzen van Tasso en Petrarca te lezen, of die haar met het vertalen dei-ongewijde geschiedenis voorthielp.

Sixtus had Scipione geene bepaalde bestemming aangewezen in Camilla\'s huishouding. Hij leefde daarin als eene edelman van haar gevolg, die haar somwijlen de diensten bewees van geheimschrijver, wanneer zij den haar toegevoegden secretaris niet gebruiken wilde; doch die meestal beschouwd werd als de Cavalier serviente der jonge Prinsessen, met volkomene goedkeuring der beide opvoedsters, die in den niet meer bloed-jongen ridder zoo weinig bekoorlijks vonden, dat ze hem veel minder gevaarlijk achten dan de bevallige jonge paadjes, waarin zij, vooral voor Orsina, gevaarlijke speelmakkers vreesden. Van het bespiedingsstelsel, hetwelk Sixtus meer dan iemand zijner voorgangers had uitgebreid, waardoor hij veel kwaads verhoedde of strafte, maar tevens aan stil sluipenden haat en wraaklust machtige wapenen tegen de onschuld in handen gaf, had hij zelfs het huis zijner zuster niet uitgesloten, evenmin als dat van den Kardinaal-neef, die hoogst voorzichtig moest zijn in zijn

ocr page 107

97

eigen paleis; evenmin als dat der overige Kerkvorsten en Room-sehe grooten, van wier daden en plannen hij tot in het geringste toe onderricht wilde zijn; evenmin als dat der stille burgers, tot in wier huiselijke kring de geestelijke Opperheer binnendrong, in den persoon zijner verspieders. Te Rome voelde men overal Sixtus rondom zich, tot in de afgelegenste cel van het klooster, tot in de kinderkamer toe, waar de naam van den vreeselijken Paus genoeg was om de schreiende kinderen te doen zwijgen.

Bij de keuze van Scipione Maldaveto, als spion zijner zuster, had Sixtus echter meer eene opvatting en zijne zuinigheid geraadpleegd, dan voorzichtigheid en oordeel.

Op een zijner reizen, als Generaal der orde van St. Franciscus, had broeder Felice Montalto (gelijk Sixtus zich toenmaals noemde, naar het distrikt, waartoe zijne nederige geboorteplaats behoorde) eenen jongman leeren kennen, die hem om zekere eenstemmigheid in denkwijze beviel. Gelijke doordringende sluwheid en gevatheid, gelijke diepgewortelde haat tegen de aanmatigingen en geweldenarijen der grooten, die toenmaals inderdaad in het oogloopend genoeg waren, om koeler gemoederen aan het bruisen te brengen. Die overeenstemming van den Vader der Fran-ciskanen met den Florentijn werd, zoo geene vriendschap, ten minste eene soort van gemeenzame vertrouwelijkheid, waarbij ieder hunner, naar den aard van zijn karakter, zijne voorbehouding had.

Scipione Maldaveto, zooals hij, en naar waarheid zeide, uit Florence verdreven door de vervolging der edelen, had als vaandrig dienst genomen bij de Corsikaansche hulptroepen, door Pius V tegen de roovers aangeworven. Toch was hij voor den geleerden stand opgevoed. Hoewel zijn vader een rijk koopman was, die eenen uitgestrekten zijdehandel dreef, had hij het gezond verstand om den jongen Scipione vrijelijk zijnen smaak voor de letteren te laten volgen, die toen aldaar, in een van Florence\'s weelderigste tijdvakken, zoo hoog vereerd en beschermd werden.

Engelschen te Rome enz. (

ocr page 108

98

Daar borst het onweder der adellijke bevooroordeeldheid tegen het Huis Maldaveto los, en verpletterde het. Door zijne weinige beduidendheid gespaard, doolde de zeventienjarige knaap als balling rond, arm aan schatten, maar met eenen schat van gloeienden haat en wraakzucht in het hart; hij had van de menschen niets goeds ondervonden, de menschen hadden van hem niets goeds te wachten. Voor een zwervend jongman, die een gezond, krachtvol lichaam heeft en moed in de borst, is de krijgsdienst immer eene welkome toevlucht. Als vrijgeboren burger werd hem de rang van vaandrig licht toegestaan; doch voor de toekomst had hij weinig hoop. Persoonlijke verdiensten alleen konden hem recht geven op bevordering en in de dagen van Pius V en Gregorius XIII bestonden de grootste krijgsdaden der Pauselijke troepen in vluchtige, weinig betee-kenende schermutselingen tegen de bandieten, waarbij de moed van enkelen te minder gelegenheid had om te schitteren, daalde bevelhebbers altijd liever terugtrokken dan aanvielen. Ziedaar wat Scipione aan Vader Montalto zeide. Hij verborg hem echter nog veel, en onder anderen ook door welken arm de adel van Florence zijn huis geslagen had. Dit moest de oude inquisiteur van Venetië niet weten. Deze ook, die gaarne en veel sprak, deelde hem vele bijzonderheden van zijnen, toen reeds merkwaardigen, levensloop mede. Hoe hij, als door een bijzonder bestier, aan de hand van eenen verdwaalden monnik het klooster had betreden, om het laagste landelijke handwerk te verwisselen voor een leven van studie en bespiegeling. Door welken onweerstaanbaren prikkel tot weten en kennen aangedreven, hij geene minuut had verloren, en geene moeite te veel geacht, om in het bezit te geraken van den onschatbaren rijkdom der kennis en wetenschap; met welke duizende moeie-lijkheden hij had te worstelen gehad in den gestadigen kamp tegen kwaadwilligheid, wangunst, vooroordeelen en eigene hevigheid van karakter en eigene hardnekkige onbuigzaamheid;

ocr page 109

99

hoe vurige ijver voor de rechten en de grootheid der Kerk, en onverzettelijk voorstaan van het billijke en betamelijke, hem kwaadaardige vijanden hadden berokkend, wier onverzoenlijke haat zich nu eindelijk gedwarsboomd zag door den goeden wil van zijnen beschermer, den regeerenden Paus Pius, van wiens gunsten hij nog meer hoopte. Soms sprak hij hem van zijne ouders, van zijnen broeder Antoni, van zijne jonge zuster Camilla, die hem reeds als kind geliefkoosd had, en van hare kinderen, die hij nog niet kende. Zoo legde de sterke man onwillens zijne kwetsbare zijde bloot, en de andere hoorde hem toenmaals nog deelnemend aan, zonder bijgedachten. Zoo dikwijls het toeval hen bijeen voerde, droomde de een zich toekomstige wraak, de andere toekomstige verbeteringen van het staatsbestuur; beiden wilden bloed; de een dat van vijanden, de andere dat van schuldigen. Ongetwijfeld zoude zich Mon-talto toen reeds van dit schrander en bruikbaar werktuig verzekerd hebben, door Scipione in zijnen dienst te nemen, zoo niet deze zich, op hoop van bevordering, voor vele jaren aan zijne betrekking verbonden had. Langen tijd verloren zij elkander uit het oog; broeder Felice werd Kardinaal, werd Paus, en hervond toen zijne belangwekkende kennis terug, als hopman bij eene Corsikaansche krijgsbende, die hij ontbond en uit zijne staten verwijderde. De jonge hopman herinnerde Sixtus V den Florentijn uit de herberg van Fermo, en niet te vergeefs. Hij beloofde hem bescherming en voordeel. Dan de Priestervorst, die zoo goed zijne lieden wist te kiezen, begreep, dat hij lichter eenen aanvoerder zijner soldaten zoude vinden, dan eenen schranderen uitvoerder zijner geheime huishoudelijke bevelen; daarom sloeg hij zijn verzoek af, om op nieuw in beteren rang geplaatst te worden; doch begiftigde hem met hooger soldij, dan eenig bevelhebber had te hopen, en stelde hem aan als geheim Inquisiteur tegen [de bandieten, een post, waartoe in die eerste dagen, bij de bescherming, door de edelen aan dit gespuis ver-

ocr page 110

100

leend, evenveel moed als sluwheid behoorde. Voor die taak was Scipione volkomen bekend. Zjjne eigenlijke beleedigers waren buiten zijn bereik, hij had zjjnen haat op hunne kaste overgedragen. Hij krenkte en vervolgde den adel van Rome. Hij voelde zich machtig tegen hen; hij was hun een noodlot en wrekend zwaard; hij leefde een leven van list en bloed. Hij was de getrouwste, de vreeselijkste dienaar van den verschrikkeljjk-sten meester, van wien hij meestal onmiddellijk en geheim de bevelen ontving. Men denke of hij gevreesd was, gevreesd en toch niet gekend. Hij, de vermomde, de onzichtbare handlanger die slechts aanwees en nooit aanvatte, zat dikwijls des morgens aan den vriendendisch van hem, die des avonds een lijk was, en wiens weduwe hij de rouwplichten hielp vervullen. Sixtus meende zijne diensten te moeten beloonen. Dat was juist in dien tijd, toen hij begon Camilla\'s hofhouding uit te breiden, en bijgevolg begon te wantrouwen, niet haar, maar de lieden die haar zouden bezoeken, en die haar misschien door beden of vleierijen zouden trachten te winnen voor hunne belangen en voor hunne eerzucht. In haar huis moest iemand geplaatst worden, die zulke aanslagen doorzag, en er hem van verwittigde; zoo iemand moest voorzichtigheid bezitten en te vertrouwen zijn; zoo iemand moest tevens innemen en zich goed weten voor te doen. Dit alles vond hij in Maldaveto vereenigd. Het paleis Peretti tot woning, zonder eenige dienstbaarheid, de rang van ridder en edelman der Pauselijke prinsessen was, meende Sixtus, eene belooning, die de eerzucht van eenen Florentijnschen koopmanszoon zoude kunnen voldoen. Scipione had meer, had iets eervollers verwacht. Hij behield zijn gewoon jaargeld, zonder toevoeging, en was niet geheel ontslagen van zijne vorige plichten. Diep gekrenkt, versmoorde hij klachten, die hij wist nutteloos te zijn. Zijne spijt ontging het scherpziende oog van den spaarzamen Paus, die, immer op bezuiniging bedacht, de bezoldiging van eenen nieuwen bespieder uitwon, en die zich in zijn

ocr page 111

101

werktuig toejuichte, als hij de kunstige vermomming van Scipione gadesloeg, die voortaan Signer Angelo heette. Met roekelooze onbedachtzaamheid waagde een helderziend en altijd berekenend staatsman de rust van een vreedzaam dak aan de boosaardigheid van het gluipend verraad; hij had het ei van den basilis-kus zonder achterdocht nedergelegd in het nest van zachte duiven, en eenen giftwalmenden boom geplant in het midden van eenen lachenden wijngaard.

ocr page 112

HOOFDSTUK IX. Gelaat en masker.

„Het is reeds zeer laat, Mylady!quot; sprak Margaret Missteeple, Anna\'s kamenier, tot hare meesteres en maakte aanstalten tot het toilet, waaraan deze in eene ochtendkleeding, die niet minder van hare lusteloosheid getuigde dan hare mafte houding, nog in het geheel niet scheen te denken.

„Ik weet het, Margaret!quot;

„De jonkvrouwen zijn reeds uitgereden met Signor Angelo. Zij hadden u gaarne bij zich gezien, en Donna Camille heeft reeds tweemaal naar u gevraagd, zoo ten minste zeide juft\'er Rosalia, de eenigste met wie ik spreken kan in dit vreemde land, omdat zij juist zooveel van Engelsch verstaat, als ik van haar Italiaansch.quot;

„En hebt gij van mijne ongesteldheid gesproken, zooals ik u verzocht?quot;

„Ja, Mylady! maar het is mijne schuld niet, zoo ze daaraan niet gelooven willen.

„En toch is dat geen voorwendsel,quot; hernam Anna met eenen zucht.

„Ik geloof u gaarne, mijne goede meesteres! maar dat komt omdat men u van uw zoontje gescheiden heeft. Die lieve kleine William ! Arm kind, dat zijne moeder niet meer vervroolijken kan.quot;

ocr page 113

103

„Hij heeft het goed, en ik zal hem dikwijls zien,quot; antwoordde Lady Oston blozende, Niet om haren zoon was zij treurig.

„Kom, liefste Lady!quot; sta toe, dat ik u de schoone haren vlecht, die nu zoo ordeloos onder die donkere kap verborgen blijven, als ware het geene schoonheid, die prinsessen u konden benijden.quot;

„Geef u die moeite niet, meisje! laat mij alleen, ik wil schrijven.quot;

„Maar, Mevrouw! als nu Sir Lionel u komt bezoeken.quot;

„Ik wacht mijnen bloedverwant niet,quot; zeide Anna, hare verlegenheid verbergende.

„En ik ben er zeker van, dat hij nog heden komt: wat, hij zoude vier dagen zijn kunnen, zonder u te zien! Als de ridder heden niet komt, dan, dan ....quot;

„Welnu?quot; vroeg de dame, die de gedachte harer kamenier doorgronden wilde.

„Dan is hij niet half zoo wellevend als een Hooglandsch Laird,quot; hernam Margaret, die nu niet meer zeggen wilde, wat zij bijna had uitgesproken.

„Ik wenschte, dat ik woorden vinden konde, om u te overtuigen, dat het hoog tijd wordt, om u te laten kleeden, beste Lady! denk toch, dat Donna Peretti u zeker aan tafel wacht, en dat de Kardinaal Montalto ook komt.quot;

„Dit versterkt mij in mijn besluit, om mijne kamer te houden. Lieve Margaret! gij zijt de eenigste, met wie ik vertrouwelijk spreken kan, mijne eenige landgenoote, die mij nabij is, u wil ik het ten minste niet verbergen, hoe hatelijk mij de trotsche aanmatiging van dien Kerkvorst is; ik weet niet, waarom de Kardinaal mij haat, maar hij doet mij opzettelijke lompheden aan. Gisteren nog ontviel mij door een toeval mijn zakdoek, terwijl ik naast hem stond, en hij keerde zich om, en riep eenen bediende om mij dien terug te geven. Kan men zich eene meer overdrevene geestelijke gemaaktheid voorstellen?quot;

„Uwe Ladyschap is wel de eenige, die zich over zijne onhoffelijkheid te beklagen heeft; want Rosalia zegt, dat deze Emi-

ocr page 114

104

nentie zoo ridderlijk is als een Provencaalsch troubadour.quot;

„Ja, gij hebt gelijk; ik geloof dat de tegenzin van dezen Prelaat persoonlijk is, en ik geloof... .ja, Margaret! het is eene waarheid, die mij als een lichtstraal van boven komt, ik ben er zeker van, dat ik de verontachtzaming van Lionel aan hem» alleen aan hem te danken heb! Ik weet, dat zij elkander dikwijls zien. Het kan ....quot;

De ridder Karre is daar in de voorzaal, zijne Edelheid vraagt naar Signora Oston.quot;\'

Met dit zeggen stoorde een bediende, die binnen kwam, den volzin, door Anna aangevangen.

„Ik wacht den Ridder hier,quot; sprak zij, met eene nauwelijks hoorbare stem en in groote verwarring.

„Nu, Mylady! wat heb ik gezegd?quot;

„Profetes!quot; hernam de jonge vrouw, van genoegen blozende.

„En nu uwe kleeding!quot;

„Ach !quot; Anna haalde met een minachtend lachje de schouders op.

En toch was zij niet eene van die schoonheden, die de hulp van versiersels ontberen konde. Daar zijn slechts enkele in volle frischheid bloeiende vrouwen, wie 1. sse onachtzaamheid van gewaad bekoorlijker maakt, en hare statige houding, hare strakke trekken en kwijnende bleekheid hadden opluistering noodig, en iets, dat vervroolijkt. Haar goudachtig blond haar, het rijkste en langste, dat misschien ooit eene blanke Noordsche schoonheid had versierd, was ordeloos weggestreken onder de donkere kap die naar eene verouderde mode vastgehecht was aan het zwarte wollige kleed, dat in enkele plooien nederhing zonder door gordel of middelsnoer de fijne leest af te schetsen. Zoo was de vrouw, bij welke ridder Karre werd binnengeleid, hij, die gewoon was aan de uitlokkend sierlijke morgentoiletten der Italiaansche Gravinnen! Hij had William bij zich. Anna, die reeds was opgestaan om hem snel te gemoet te komen, zonk ontzet in haren armstoel terug, toen hij met eene diepe buiging

ocr page 115

105

aanving: „Mylady! ik breng u uw zoontje; ik weet geene betere aanbeveling bij mijn eerste bezoek.\'\'

De tegenwoordigheid van haren zoon ontsluierde haar snel zijne bedoeling. Hij had William bij zich, om elke vertrouwelijkheid te voorkomen.

Ook behield zij overmacht genoeg op haar gevoel, om met fierheid te antwoorden :

„Een bezoek, dat zich zóó lang wachten liet, heeft inderdaad geene gewone inleiding noodig,quot; en hierbij kuste zij den knaap, die op haar toeliep, met eene hartstochtelijkheid, die van hare heftige gemoedsbeweging getuigde.

De Eidder bleef staan met neergeslagen oogen. Hij, de sluwe staatsman, meester in de kunst om iets anders uit te drukken, dan wat hij gevoelde, die zijn gelaat wist te veranderen naaiden eisch van het oogenblik, was verlegen met zijne houding tegenover eene vrouw! Dat was, omdat hij die vrouw waarlijk beminde; omdat hij het niet vermocht te zeggen; omdat het hem griefde die vrouw te moeten misleiden; omdat hij gevoelde, dat zij hem in het binnenste harer ziel verachten moest. Hij vond de rol, die hij te spelen had, stuitend en klein; want ridder Karre was in geheel bijzonderen toestand geplaatst. Wij moeten zijn vroeger leven kennen om er ons van te overtuigen.

Zeer kort na de gewelddadige ontknooping zijner eerste liefde trof den jongen Lionel eene nieuwe ramp. Met de vermetele onvoorzichtigheid zijner jeugd verhief hij zich op gevoelens, die de Koningin mishaagden, wikkelde zich in ondernemingen, die haar vertoornden. De toorn der Koningen is een verterend vuur, zegt Salomo, die van Elizabeth ten minste was geen zuidewindje.

Karre\'s doodvonnis was onderteekend en zoude uitgevoerd worden. De jongeling had een leven lief, dat hij eerst begon te genieten, dat hem nog zooveel beloofde, waarvan hij melk en honig droomde, dat hem een hooggeschat goed was, hetwelk

ocr page 116

106

hij vreesde te verliezen. Leycester wist hem dat leven te behouden en won zich in hem een vrijwillg lijfeigene. De meest onbeperkte dankbaarheid hechtte voortaan den geredde aan den redder. Lionel werd de zijne met ziel en lichaam. De vrije Katholieke edelman was voortaan de afhankelijke dienaar van den lieveling der protestantsche Koningin. De Graaf begunstigde zijne vlucht naar Rome. Jongere zoon zijner familie, door zijne •onroomsche bloedverwanten verloochend, had de arme Lionel geene andere hulpbron, dan de edelmoedigheid van zijnen beschermer : eene bron echter, die niet ophield te vloeien; Ley-cesters weldaden overtroffen Karre\'s behoeften. Zoo verliepen vier jaren, in welke hij het leven leerde kennen en op den rechten prijs schatten. Omstreeks dezen tijd begon Leycester belang te stellen in hetgeen er in de Pauselijke stad omging. Des ridders verblijf te Rome werd, ondanks het plakkaat tegen de Katholieken, door Elizabeth\'s goedkeuring gewettigd, en haar heimeljjke onderstand liet hem toe, zijne betrekkingen verder uit te breiden en nieuwe verbintenissen aan te knoopen. De jonge edelman, door harde ondervinding voorzichtig geworden, vond het noodig, zijne rol van vervolgden banneling te blijven voortspelen; men zag in hem iemand, die voor altijd van elke deelneming aan het openbaar leven had afgezien, die zonder belangstelling was voor alles, wat geen vermaak heette, en die in het tegenwoordige vergetelheid en balsem zocht voor het verledene. Middelerwijl veroverde hij de harten der vrouwen, en met deze de geheimen der mannen. Hij maakte zich den vertrouwde, den begunstiger van de zwakheden der hooge geestelijken, en zjj betaalden hem, met hem rekenschap te geven van hunne ontwerpen. Men moest ook juist zijne argwaan afleidende innemendheid, zijn aangeboren takt en menschenkennis, zijnen fijnen blik, zijne sluwheid, zijn oordeel en zijnen goeden wil bezitten, om zoo snel en zoo onmerkbaar zulke vorderingen te maken. Men moest, als hij, eene teleurgestelde liefde koes-

ocr page 117

107

teren, om zoo koel berekeningen te kunnen maken op de hartstochten van anderen, en bij de liefde der schoonste vrouwen zich zoo meester te blijven, dat men die eenvoudig beschouwde als middel. quot;Want onder al die betooveringen, waaraan hij zich vrijwillig waagde, bleef altijd, meer in zijn hart dan in zijn geheugen, wel op den achtergrond van het verledene, maar dooide onbereikbaarheid sterker gekleurd, het zachte stille beeld leven zijner Anna, als een rein model van liefelijke vrouwenwaarde, dat gedwee en vroom, stil lijdend zich voegde naar het onvermijdelijke. ïfeen, die Italiaansche edelvrouwen, die de liefde niet kenden in hoogeren zin, waren niet machtig om de kuische jonkvrouw te verdrijven uit het hart van den beteren man.

In het begin van 1585 riep eene luim van Leycester den ridder, die geheel van hem afhing, naar Engeland terug. Hoe sterk een verlangen ook dezen naar Anna\'s verblijf trok — hjj wist, dat zij gehuwd was, dat zij eenen zoon had; hij wilde hare rust niet verstoren, geene achterdocht opwekken bij den vader van haar kind; hij bezocht haar niet, hij schreef haar niet. Hij bracht eenigeu tjjd in het verborgen door op een landgoed en in gezelschap van zijnen beschermheer. In dien ver-trouwelijken omgang leerde de Graaf de buitengewone bekwaamheden van dezen man recht kennen en op prijs stellen. Hij nam zich voor, hem te gebruiken, en toen Elizabeth haren gunsteling naar Londen terugriep, omdat zijn bijzijn haar behoefte was, volgde Karre hem heimelijk derwaarts.

Spoedig klonk daar de schrikmare, die den nieuw verkoren Paus, Sixtus V, uitriep als een dreigend spooksel, dat, in plaats van den herderlijken staf, een vlammend zwaard zoude zwaaien over Italië en Europa, en zij drong door tot de Koningin, die ook voor zich in hem eenen gevaarlijken vijand duchtte. Want het was geen licht spel voor Elizabeth, eene vredebreuk met Philips op handen en eenen ondernemenden heerscher op de Stoel van St. Petrus, in eenen tijd, toen Engeland nog geen overwicht

ocr page 118

108

had, waarmede het nu, tot eigene grootheid, vijf werelddeelen teistert. Die Vorstin, anders liefst alleen haar eigen hoofd raadplegende, vond de gebeurtenis belangrijk genoeg, om haren geheimen raad bijeen te roepen. Daar had Leycester de zelfvoldoening van eene groote zegepraal over de Cecils; want toen allen met verlegenheid de schouders ophaalden, was hij het, die met eenen glimlach op de lippen, een eenvoudig middel aanwees, om verstandhouding aan te knoopen met een hof, waarheen men geenen gezant zenden konde. Dat middel was Karre. In de tegenwoordigheid der Koningin en van haren Kabinetsraad toegelaten, staafde deze de belofte van den Graaf. Hij had den Paus als Kardinaal Montalto gekend. Deze had zich niet aan hem verraden, en wel ontzette het hem, dat hjj niet had kunnen heenzien door het weggeworpen masker van dien Priester; maar hij had met dezen vaak gemeenzaam genoeg over de zaken van Engeland gesproken, om te durven hopen, dat hij niet die vijand zoude zijn, dien men in hem vreesde. „En hoe het ook zijn moge,quot; vervolgde hij met eenen levendigen blik op Leycester, „ik zal het ontwerp uitvoeren, door Mylord opgevat, al moest ik zelf daarvan het offer worden.quot; Niemand twijfelde aan Karre\'s oprechtheid en Elizabeth geloofde in eenen man, die geenen wil had, dan dien van haren gunsteling. Zoo vertrok dan de ridder met de belofte dat hem een vorstelijk inkomen zou worden uitgekeerd, en verzekerd van de gunst zijner Koningin, die hem haar afbeeldsel omzet met edelgesteenten medegaf, om het te gebruiken zooals hij goedvond. De sluier eener nieuwe ongenade dekte het ware oogmerk dezer vreemde zending.

Lionel kwam te Rome op den eigen dag, dat Alexander Peretti het purper ontving. Een uitmuntend voorwendsel voor den Engelschman, om een bezoek af te leggen bij eenen Prelaat, dien hij nog kortelings als onbeduidend jongeling aan zijne tafel gezien had. Ook herinnerde zich de nieuwe Kaï-dinaal zeer

ocr page 119

109

gaarne zijnen gastheer, en verwelkomde hem met eene gemeenzaamheid, of er niets in zijnen toestand veranderd was. Hij bood zelfs aan, hem eene gelegenheid te geven tot een bijzonder gehoor bij zjjnen oom. Dit was het juist, wat Karre verlangde. Aan de spin gelijk, die ook aan den zwaksten bloemstengel haar weefsel weet vast te hechten, had hij niets verder noodig, om zijne staatsintrigue aan te knoopen. Het is waar, dat Sixtus zelf hem halverwege te gemoet kwam. Hoewel de steller van het bittere bansehrift, onder Pius V, had hij Elizabeth immer als eene schrandere en zelfstandige Vorstin bewonderd, en nu, zelf Monarch, begreep hij het gewicht van eene vriendschappelijke verstandhouding met de grootste vijandin van zijnen Allerkatholieksten zoon, den Koning van Spanje, wiens trots te vernederen, wiens macht te verzwakken en te verdoelen zijn vastberaden doel en voortdurend streven geweest is. Hij had een hcimelijken bondgenoot als Engeland noodig, om de hand te kunnen slaan aan het rijk van Napels, dien edelsteen, door Karei V aan den Kerkdijken Staat ontwrongen; een ontwerp dat hij niet voorzichtig genoeg was om altijd te verbergen.

Toch was de toestand van den ridder bij die eerste samenkomst hachelijk genoeg. Sixtus liet hem blijken, dat hij zijne oogmerken doorgrondde, en het giste, dat hij niet op nieuw te liome was zonder de goedkeuring zijner Koningin. Zoo hij er dus niet in slaagde zich te doen verheffen tot onderhandelaar van twee hoven, dan kon de zonderlinge Paus, die het leven van eenen mensch zoo weinig telde, hem behandelen als den spion eener niet erkende Mogendheid. ïoch deden hem zijne behendige loosheid, de snelle bevatting, waarmede hij eene onuitgesprokene gedachte begreep, of een woord uitlokte, zijne fijne omzichtigheid en de welgepaste stoutmoedigheid, waarmede hij bij eene aarzeling den knoop doorhakte, in deze kiesche zaak de beste diensten, en weldra hadden de beide Monarchen, door zijne tusschenkomst, hun afbeeldsel gewisseld, met bijvoe-

ocr page 120

110

ging van die vriendschapsbetuigingen, hier te oprechter, naarmate zij niet behoefden te dienen als afgesprokene tooneeldeco-ratie, om het oog der volkeren te verblinden. Wij kunnen hier niet al de merkwaardige gezegden vermelden, die aan Karre ter overbrenging werden toevertrouwd, noch ons ophouden met de \'vaak herhaalde scherts van Sixtus over zijn huwelijk met Elizabeth, en hare antwoorden; zjj zijn misschien even bekend, als het middel, waardoor die twee groote Regenten elkander genaderd waren, nog in een romantisch halflicht verscholen is.

Om de Spaansche achterdocht in slaap te wiegen, en de scherpe onbescheidenheden van Morforio te voorkomen, zag men \'den ridder slechts zelden in het Vatikaan, en de Kardinaalneef alleen scheen de beschermer van den banneling; maar in vergoeding daarvan bewoonde deze voortaan een huis zeer nabij het Apostolisch paleis. Dit huis was in vorige dagen het too-neel geweest van vele intrigues. Slechts twee mannen waren op dit oogenblik in het geheim van eenen doorgang, langs de Gre-goriaansche Kapel, naar de Sacristie der St. Pieterskerk, en van daar naar eene zaal in dat huis. In deze zaal, ingericht naar de behoeften van eenen Vorst, en naar den weelderigen smaak van eenen Epicurist, werden die fijne plannen tegen Spanje gesmeed, en die verbintenis van Engeland met Rome voort-gesponnen, waarvan Europa toen wel de uitwerksels gevoelde, doch nimmer den draad in handen kreeg. Om het lastige van het ceremonieel te matigen, was het altjjd de Bisschop van St. Lateraan, die den ridder bezocht. Deze leefde in zijn element; hij kende de waarde der diensten, die hij zijn vaderland en zijnen weldoener bewees. De briefwisseling, bij deze verstandhouding alleen door Leycester en Karre gevoerd, vond echter niet geregeld plaats. Men konde zich niet tweemaal van hetzelfde middel tot overzending bedienen; zoo was het, dat Anna Oston, door den Baron Southwel, buiten haar weten, de brengster werd van een gewichtig pakket, dat haar meer beveiligde

ocr page 121

Ill

tegen vervolging, dan de snelle vlucht die haar opzettelijk werd aangeraden. Met zonder onrust had Karre den loop van het proces der Schotsche Koningin gadegeslagen. Toen hij eindelijk zekerheid kreeg van dat vonnis, van dien dood, waarin Elizabeth tegelijk alle Koningen en alle Katholieken beleedigde, en men hem zonder berichten liet, vreesde hij, dat men Rome\'s vriendschap begon te veronachtzamen, daar men te ver gegaan was, om die te behouden; hij kon het slachtoffer worden van die verwaarloozing, vooral bij de brandende deelneming van Sixtus, die hjj niet wist te voldoen. Anna\'s komst helderde alles op, en bevestigde zijn bestaan als diplomaat. Doch eene nieuwe strijd ving aan voor den man. Anna weder te zien, was voor zijn gevoel het ontwaken uit eenen doodsslaap. De mogelijkheid haar te bezitten verlevendigde eene liefde, bijna verpletterd onder een loodzwaar onmogelijk. Wat was natuurlijker, dan dat hij onverwijld zijne rechten op haar deed gelden, dan dat hij haar en zjjn geluk bevestigde door eene verbintenis, altijd verhinderd, maar altijd begeerd? Hij begreep, dat zij het van hem wachtte, dat hare afhankelijkheid het van hem eischte, dat achting en liefde beide, uitstel verboden. Het had den fijnen menschenkenner niet kunnen ontgaan, dat zij nog altijd haren Lionel in hem zag. Hij wist het, dat hij zijne hand slechts behoefde uit te strekken naar dat geluk, dat als het ware geheel bereid voor hem lag; en toch, hij konde het niet,, hij mocht het niet. Lady Oston\'s betrekkingen met de morrende Katholieken kwamen hem meer dan verdacht voor. Hij kon niet met zekerheid weten, hoever zij gegaan wasr hoever zij nog gaan zoude, en evenmin of de toorn der Koningin werkelijk zoo zwaar op haar rustte, als de schijn deed gelooven. Eene vrouw te huwen, die zich zoo had laten zien, die hare plannen zoo weinig verbloemde, die haren haat tegen de Koningin zoo weinig verborg, op wier hoofd misschien bij afwezendheid een vonnis des doods drukte, was zoo goed als

ocr page 122

112

zich moedwillig bloot te geven aan de bliksemschichten dei-Koninklijke ongenade, was meer dan een diplomatische zelfmoord. Nog meer: Karre kende den altijd woelenden haat van Leycester\'s benijders. De licht te wonden argwaan, de omkoo-ping van het Engelsche hof, eene onvoegzame verbintenis van zijnen bekenden afhangeling kon des Graven val tengevolge hebben. Zijnen weldoener mocht hij niet opofferen aan zijne liefde. Zijn huwelijk moest Elizabeth voorgesteld worden, zij moest het goedkeuren, voordat hij het sloot. En de verouderde jonkvrouw Elizabeth had sedert eenigen tijd eenen afkeer van alle huwelijken. Bij de mogelijkheid eener weigering wilde de ridder, juist omdat zijne liefde beter en reiner was, niet opnieuw gevoelens opwekken in het hart zijner Anna, die haar misschien nieuwe teleurstellingen zouden bereiden. Hij wilde haar niet te droomen geven van rozen, zoolang hij nog scherpe hulst voor haar in de toekomst zag. Maar dit zwijgen kostte hem veel; het was eene zeer harde proef, waarop hij zich gesteld zag, vooral toen de geliefde vrouw hem met zooveel vertrouwen van het verledene sprak, en hij daarin hare stille wenschen voor de toekomst zoo duidelijk las. En, alsof dit alles nog niet genoeg ware, kwam een denkbeeld van Sixtus het pijnlijke van zijnen toestand nog vertienvoudigen. De paus zag in Lady Oston een geschikt middel, om verbintenissen te onderhouden met de Spaanschgezinde Engelschen, en met de heftige Katholieken, die tot elke onderneming tegen de Koningin bereid waren. Karre moest in schijn de bevorderaar wezen der ontwerpen, waarvan aan Lady Oston de leiding zou worden toevertrouwd; hij moest er de deelgenoot van zijn, om ze Sixtus te doen kennen, om er Elizabeth van in te lichten. Dat was «en vreeselijk bedrog, dat hij tegen zijne geliefde plegen moest, «en bedrog dat zij hem nooit vergeven zoude, en dat tusschen hen beiden eene klove kon openen, later door geen berouw aan te vullen. Immers hij zoude tegenover haar staan als de

ocr page 123

113

verrader harer partij; want Elizabeth zoude niet verscboonen, waar zij schuldigen kende, eu Anna\'s verwanten, bare vrienden, hare geloofsgenooten, de zijne, zouden vallen in de strikken, door zijne list aan haar argeloos vertrouwen gespreid. Dat was te gruwelijk een verraad, dat ontmoedigde Karre tot in bet diepste zijner ziel. Al wat goed in hem was, verhief zich tegen dit denkbeeld. Als leider eener geheime staatkunde deed hij zijn vaderland diensten, die hem voor zijn geweten boven den valschen schijn verhieven. Als verrader van een bijzonder vertrouwen moest bij laag nederzien op zich zeiven. En Anna zóó te zien, zóó met haar te spreken, dat kon hij niet, dat wilde bij niet, dat deed hem hare tegenwoordigheid vermijden. Doch Sixtus, zijn ontwijken moede, en onbewust van de foltering waartoe hij hem doemde, beval hem te gaan en de brieven af te balen, die Anna voor Engeland gereed bad. Hij moest gehoorzamen of alles opgeven. Hij ging. — Daarom stond Karre weifelende voor zijne nicht, zonder tegenwoordigheid van geest; daarom was de staatsman bedremmeld als eene knaap, die zijne eerste logen waagt, met liefde in bet hart en verraad op de lippen, blozende van zelfverachting, gloeiende van aandoening, en koelheid huichelende, waar het hem brandde in de ziel, verzwijgende wat zij recht had om te hooren, en sprekende wat hij niet had moeten zeggen. Anna was diep beleedigd en zag slechts het masker; zij vermocht niet te lezen op bet gelaat. Hij was gedwongen, koud, zij dwong zich tot kille fierheid. Wat werd er nu van den zoeten liefdekout, de gulle losheid van het gesprek tusschen die twee gelieven, die als kinderen te zamen gedweept hadden van den koesterenden zonnegloed des gevoels! Dat alles ging verloren, omdat de mensch een slaaf is van de omstandigheden, omdat die vrouw zich liet ketenen door de ijzeren banden der welvoegelijkheid, omdat die man zijn teêrste gevoel opofferde aan stoffelijke belangen.

Anna gaf bare brieven niet af, zij had bare eigene wijze van

Engclsclieu te Rome enz. 8

ocr page 124

114

ze te verzenden; toch deelde zij Karre hunnen inhoud mede, misleid, zooals ze zijn moest, door den schijn van zijnen ijver voor hare zaak. Toen het volstrekt noodige besproken was, verwijderde hij zich, na een afscheid, dat aan het onderhoud beantwoordde. William, die zjjne moeder schreiende omhelsde, was-de eenige, die zich vertoonde gelijk hij was. Lionel, bijkans overweldigd door zijne gemoedsbeweging, ontmoette, bij het afgaan van den breeden marmeren trap, den Kardinaalneef.

„Ik wist wel, dat ik u in mijn huis niet vinden zoude,quot; riep deze hem lachende toe.

„Vergeef mij, Monsignore t ik was voornemens om...quot;

„Om mij te bezoeken, niet waar? Nu, het wordt tijd, amicot Gij verwaarloost mij, of mijn Falerner smaakt u niet meer; in twaalf dagen hebt gij niet bij mij gegeten.quot;

„De bezigheden, eene ongesteldheid en....quot;

„En,quot; herhaalde Montalto, hem scherp aanziende, „bij den hemel, daar gaat mij een licht op! Karre, Karre! gij waart bij uwe nicht.quot; Met zonderlinge heftigheid sprak hij deze woorden uit.

„Ik kom van Lady Oston; ja, Monsignore! doch welk belang kan uwe Eminentie....quot;

De jonge geestelijke beet zich op de lippen.

„Gij hebt gelijk, Lionel! ik heb geen recht om.... maar zeg mij ronduit, kent gij die vrouw, kent gij haar geheel?quot;

„Om Godswil, Montalto! als gij mijn vriend zijt, zwijg van haar, ik moet voort.quot;

„Ik heb mijne overtuiging!quot; juichte de andere, op eenen toon, waarin iets lag dat sombere zegepraal heeten kon. „Welnu, kom, ik zal u bij Orsina brengen, wij zullen lachen om hare Res-panti! En hij nam Karre\'s arm.quot;

„Het is geen voorwendsel. Doorluchtige Heer! ik heb bezigheden, ik word gewacht; gij weet door wien.quot;

„Goed dan, ik laat u vrij; maar onder voorwaarde, dat ik u

ocr page 125

115

dezen avond niet mis; ik heb de Savelli en al mijne jonge vrienden bjj mij, wij zullen ons recht vermaken.quot;

,Ongetwijfeld, Monsignore!quot; riep de ridder, verheugd dat de jongeling hem losliet, en Williams hand vattende, verwijderde hij zich met eene snelheid, of hij vervolging vreesde.

ocr page 126

HOOFDSTUK X. Ophelderingen,

Hoo kovt ook Karre\'s bezoek ware, het was genoegzaam om Anna zekerheid te geven van een vermoedeu, dat zij tot hiertoe nog met huivering van zich had gestooten, aan de waarheid waarvan zij nog zoo gaarne was blijven twijfelen. Zij meende, dat zij niet meer bemind werd. Met het frissche schoon der eerste jeugd, dat zij verloren had, was ook Lionel\'s hart voor haar verloren, en de maat van haar zielelijden was nu vol. Daar ligt iets zeer bitters voor de vrouw in de ervaring, dat zij den geliefde niet meer denzelfde voor haar vindt. Die teleurstelling wondt misschien evenzeer haar hoofd als haar hart, hare ijdelheid als haar gevoel. Do liefde, die zulk eene proef overleeft, moet wel zeer sterk zijn, en niet reeds aan me-nigen distel dos levens, aan menig gevoelen van anderen, aan menig besef van plicht haar offer gebracht hebben, zooals het lam, door het kreupelhout gedreven, aan iederen heester, aan iederen struik tol betaalt van zijne wol. Het is waar, dat de liefde eerder van verzadiging sterft dan van honger; maar Anna\'s liefde, door niets gevoed, had geene krachten meer tegen zulk eenen schok; het was bij haar te kort lente geweest, om zulk eenen plotselingen winter te kunnen doorstaan. Ook was zij niet minder beleedigd dan gegriefd, en met fierheid

ocr page 127

117

wilde zij voortaan een gevoel verloochenen, dat niet meer beantwoord werd. Zij wilde geene zwakheid toonen, zij wilde de laatste overwjnning op zich zelve behalen. Wat meer zegt, zij meende eene aanwijzing der Voorzienigheid te zien in die verkoeling van Lionel. Altijd geneigd tot een zeker mysticistnus, altijd overhellende tot geestdrijverij, meende zij, als met lichtende letteren, zich door hooger hand het te volgen levenspad te zien voorgeschreven. Neen, zij was niet bestemd eene gelukkige echt-genoote te zijn, zij moest langs den ruwen distelweg van verholen zielskwelling zich opgevoerd zien tot iets beters dan enkel aardsche plichten; haar hart mocht geene zinnelijke liefde koesteren, eenen reineren dienst moest het toegeheiligd worden, en op zuiverder altaar moest zij het offeren. Zij wilde eene gelofte en eenen sluier stellen tusschen zich en de wereld; zij wilde het geestelijke kleed aannemen. Zij meende daarbij te gehoorzamen aan eenen ingeving; maar had zij met haar gewoon helder oordeel haar eigen hart kunnen peilen, dan had zij gekrenkte eigenliefde ondervonden als do eigenlijke vonk, die den lichtstraal der bezieling hielp ontsteken. Zij bekende het zich wel niet, maar er sprak toch een gevoel in haar, dat haar toeriep: „Toon uwen verloofde, dat ook gij de vorige dagen vergeten, dat gij hier niets gezocht hebt dan gewetensvrijheid en rust.quot; Daar was niet veel liefde meer in de verbittering, waarmede zij dit besluit nam. Zij konde evenwel haar voornemen niet uitvoeren, zonder toestemming en voorweten van haren Pauselijken Beschermheer. Zij moest er dus den Kardinaal over spreken. Hoe stuitend diens doorgaande stugheid ook zijn mocht, zjj besloot zich ditmaal ook de krenkingen te getroosten, die hij haar zoude kunnen aandoen. Zij wist immers, dat hij het niet wagen zoude, haar verzoek te veronachtzamen, en niet aan zijnen oom voor te dragen. Hoezeer zij ook huiverde tegen een gesprek met den trotschen Jongeling, die haar tot hiertoe nog met geen woord verwaar-

ocr page 128

118

digd had, wenschte zij nu toch daarnaar met drift. Besluiten en doorzetten is bij eene vrouw hetzelfde. Peinzende op een middel om eenen man te naderen, die haar zichtbaar ontweek, leunde zij achteloos op het sierlijk hekwerk van het balkon, van verguld ijzer, door kunstige handen tot losse bloemfestoenen gevlochten, en staarde in den prachtigen lusthof, zonder zijne schoonheden op te merken. Zij was schoon in deze houding, nu die blanke arm in zachte ronding leunde tegen het glinsterend metaal, nu die lokken in volle rijkheid nedervielen, niet langer weêrhouden door het doffe hulsel, en haar omgaven als „een gouden nis van stralen.quot; Hare trekken hadden al de strakheid, maar ook al de fijnheid der zuiver Grieksche standbeelden. Zij zat daar schoon en treurend; maar ook fier en vorstelijk als eene Andromaché. Stemmen troffen haar oor dicht onder haar balkon. Zij herkende het liefelijk Italiaansch van Orsina, zjj hoorde eene meer zware stem, die niet minder welluidend was, die van den Kardinaal, den persoon, aan wien zij dacht. In den loop harer denkbeelden gestoord, zag zij naar beneden. Arm in arm gestrengeld, wandelden de zusters met haren neef. Zij schertsten en lachten, zooals men dat doet in de eerste lente des levens. Lady Oston hoorde duidelijk, dat Orsina hem haren lieven Ales-sandro noemde. Zij waren ook als speelgenooten met elkan Ier opgegroeid, in dezelfde landelijke vrijheid, in dezelfde onbezorgdheid en armoede.

De fijngevormde jongeling zoude bijna nog een knaap geleken hebben, zoo niet het trotsche vuur, dat uit zijne zwarte oogen sprak, de bezielde, geestvolle trekken en het lichte dons, dat reeds zijne kin omgaf, in hem de rijpere jeugd verraden hadden. Iets vorstelijk fiers zetelde op zijn hoog voorhoofd, en het werd niet weersproken door den adelaarsneus en de sterk opgetrokkene bovenlip van den kleinen mond. Hij stapte luchtig naast de meisjes voort; bij zijnen vroolijken lach schitterden er parelwitte tanden. In plaats der lastige soutane van purper fluweel, die

ocr page 129

119

den nog lastiger sleepdrager noodzakelijk maakt, droeg hij eenen korteren tabbaard van zware zwarte zijde, met scharlaken geboord, en de gemakkelijke platte calotte, in plaats van den purperen hoed. Eene driedubbele gouden keten, waarvan de schakels kleine peertjes waren, hing hem op de borst, een kostbaar kruis van diamanten, dat er aan vastgehecht was, flonkerde als met duizendkleurige stralen. Hij was geen geordende, en het was dan ook geen grove monniksgordel, die hem omgaf, maar een sierlijk koord van gouddraad en zijde, dat zijnen rozenkrans droeg.

Alexander Peretti, de eenige, die op dezen geslachtsnaam eigenlijk recht had, hoewel Sixtus ook de kleinkinderen van Camilla dien deed aannemen, was het laatst overgebleven kind van Antonio, den jongeren, den eenigen broeder des Pausen, die, zoo men zegt, in 1570 van teleurstelling gestorven was, toen Felix, Kardinaal geworden zijnde, zoo weinig voornemen toonde, om iets voor hem te doen. Hoewel het petekind van zijnen oom, was Alexander schijnbaar diens aandacht ontgaan tot op zijn dertiende jaar, toen zijn broeder Filippo viel onder het moordend staal van woesten euvelmoed. Toen eerst werd hij een voorwerp van Montalto\'s ernstige zorg. Aan niemand beter, inderdaad, kon die besteed zijn geworden. Bij eene ongemeene vlugheid van bevatting, en den gelukkigsten aanleg, toonde de knaap den volhardendsten weetlust. Zonder veel inspanning, vergoedde hij binnen korten tijd op de hoogeschool van Bologna de eerste jaren zijner jongelingschap, in landelijke spelen en lindelijken arbeid voor de wetenschappen verloren. En toen zijn oom, na de sleutels van St. Pieter te hebben opgevat, hem bij zich te Rome ontbood, vond hij in hem zooveel kennis, zooveel rijp oordeel, zooveel ernst in het behandelen van zaken, zooveel vlugheid in het bevatten zijner mee-ning, dat hij hem het kerkelijk purper waardig keurde. Hij benoemde Alexander tot Diaken-Kardinaal, onder den naam van

ocr page 130

120

Montalto, met den titel van St. Jeroniinus der Slavoniërsr den eigenen, dien hjj zelf gedragen had. Hij maakte hem Beschermheer van Polen, Aartspriester van St. Maria Mag-goire, en later Onder-Kanselier der Heilige Kerk; voorts schonk hij hem van tijd tot tijd al die kleinere en grootere waardigheden, welke hem eenen eersten rang deden innemen onder de aanzienlijkste Kerkvoogden. Die oom vond zooveel behagen in den omgang met dien neef, in zijne ontwikkeling, in zijne vorderingen, dat hij hem de gewichtigste zaken mededeelde, en zijn gevoelen daarover hooren wilde. Hij strekte hem tot onderwijzer, tot leermeester; hjj leidde hem als bij de hand voort langs alle kronkelwegen zijner fijne staatkunde, en de leerling was den meester waardig. Een jongeling, op zijn achttiende jaar, dien leeftijd, waarin alles kookt en bruist, uit de duisterste onbekendheid plotseling opgeheven tot eenen vorstelijken rang; gerechtigd om Prinsen broeders te noemen; erkend neef en gunsteling van eenen machtigen Paus; uit een leven van studie en behoefte, als door tooverslag verplaatst in een prachtig paleis verrijkt met alles, waarmede de fortuin hare troetelkinderen weet te streelen; een jongeling, die vroeger niet eene zijner begeerten onbekrompen had kunnen voldoen, en thans iedere luim, iedei-en droom kon zien verwezenlijkt, moest wel eenen sterken geest bezitten, om daarbij niet te duizelen van eigenwaan en trots,, om heen te zien door de nevelen van wierook en hulde, tot op zijne eigene menschehjkheid. Hij, die alle menschen aan zijne voeten ziet, begint zoo spoedig te gelooven dat hij iets anders iamp; dan hun broeder. Montalto\'s groote ziel begreep de matiging in het geluk; bij de hoogheid en den trots, die hij zijnen oom had afgezien, voegde hij nog eene eigenaardige gemakkelijkheid in houding en manieren, die iets vorstelijks had, die toonde, hoe goed hem het purper paste, en tevens iets bevalligs en innemends, als wilde hij het zich doen vergeven, dat hij eenen rang innam waarvoor hij niet geboren was. Hij had niets van de

ocr page 131

121

onbuigzame vastheid zijns ooms, en nog minder van diens koude hardheid, maar integendeel lagen in zijn karakter en in zijn gestel die bewegelijkheid van gevoel, die prikkelbaarheid van zenuwen, die ontvangbaarheid voor indrukken, welke bijna weekheid was. Dat gemis aan zelfstandige kracht mocht eene fout zijn in den Prelaat, de jongeling won er door in beminnelijkheid, ook verried zijn gezellige omgang nimmer den geestelijke, en maar zeer zelden den Kardinaal. Wat kon dan toch die jonge man, goedhartig en welwillend van natuur en ridderlijk uit gewoonte, bewegen om met berekende norschheid en overlegden trots eene schoone vrouw terug te stooten, die als vrouw, als geloofsgenoote, als ongelukkige, eene drievoudige aanspraak had op zijn medelijden en op zijne hulp. Dat was het misschien, wat ook Anna dacht, toen zij, niet zonder tegenzin, de gelegenheid aangrijpende om hem te spreken, tot op korten afstand van hem genaderd was, eer zjj het zelve wist. Hij had haar opgemerkt, hij nam Orsina\'s arm om een ander pad in te slaan.

„Neen, Mijnheer! neen!quot; riep Orsina, „ziet gij dan niet, dat de Engelsche Signora naar ons toekomt?quot;

„Juist daarom, waartoe zouden wij anderen zoeken?quot;

„Ja, maar zij zoekt ons, en zij is ongelukkig! O! Alessandro! als gij haar hadt hooren vertellen van haar vaderland en van hare booze Koningin die zij ontvlucht is, en van die schoone Maria, die vermoord werd; o! het is niet zonder schreien aan te hooren.quot;

„En het is eene vrouw van talent en kennis,quot; merkte Fran-cisca aan, „zij leest de Vulgata als eene stiftsdame.quot;

Anna Oston was intusschen zoo nabij gekomen, dat zij de meisjes groeten konde. Zij deed het; toen zich naar Orsina buigende, zeide zij haastig en zacht: „Signora! verkrijg voor mij eene minuut onderhoud met den Kardinaal.quot;

Het jonge meisje knikte toestemmend.

„Monsignore! deze dame wil u spreken, gij zijt te wellevend

ocr page 132

122

om cene vrouw iets te weigeren; — kom Francisca!\'\' en hare zuster bij de hand vattende, ijlde zij met haar weg; men zoude gezegd hebben, twee blinkende, kleurige vlinders, die luchtig wegscholen in het geboomte.

De Kardinaal was zeer bleek geworden. „Wat wil die vrouw van mij ?quot; riep hij, half luid aan eene gedachte lucht gevende.

„Niet veel, Monsignore!quot; hernam de Lady, antwoordende op hetgeen geene vraag was. Zijne zichtbare verwarring, die haar verwonderde, gaf haar moed om voort te gaan: „Ik heb eene bede aan Zijne Heiligheid, waarvan ik uwe Eminentie verzoek de overbrenger te willen zijn.quot;

„Wij zijn hier op eene wandelplaats,quot; hernam hij, zonder haar aan te zien, „neem de moeite mij te volgen. Mevrouw!quot;

Zij volgde, zonderling bewogen; de handelwijze van dien jongen man had iets, dat haar ontrustte.

Hij ging haar voor naar eenen luchtig opgebouwden zuilengang, die een afzonderlijk paviljoen omgaf. Hier bracht Camilla met haar gezin dikwijls die liefelijk zoele avonden door, die zich buiten Italië niet laten wedervinden. Montalto wees de Lady eene marmeren bank aan, met iichtgevlochten matwerk bedekt. Hij zelf zette zich op eenigen afstand, en hield het hoofd van haar afgewend.

„Welnu, Mevrouw!quot; sprak hij, toen zij aarzelde om te beginnen.

„Een oogenblik, Monsignore! hetgeen ik mede te deelen heb, laat zich niet zoo licht zeggen, als uw ongeduld het vordert. Het is meer eene toestemming, dan eene gunst, die ik van Zijne Heiligheid te smeeken heb. Ik wensch mij van eene wereld af te zonderen, waar niets mij meer aantrekt. Ik heb besloten, om, onder de goedkeuring van onzen Heiligen Vader, den sluier aan te nemen in een klooster der Ursulerinnen.quot;

„Is dat ernst. Mevrouw?quot; vroeg de Kardinaal, en er speelde een bitse glimlach om zijne samengeklemde lippen.

ocr page 133

123

„Monsignore! de waardigheid van uwen persoon moest mij hebben gewaarborgd voor deze vraag.quot;

„Ik had gedacht, dat eene vrouw als Lady Oston, nog te veel van de samenleving verwachtte, om niet te huiveren tegen zulk eenen stap, die onherroepelijk zijn zal.quot;

„Ik verwacht niets meer van de samenleving, en eene ongelukkige huivert niet tegen eene gelofte, die haar ten minste rust verzekert.quot;

„Als de onrust van een verontreinigd hart in ons woont, zoeken wij de zielskalmte te vergeefs, zelfs achter de gewijde muren van een klooster.quot;

„Mogelijk staat het uwer Doorluchtigheid vrij, in scherpe raadsels tot mij te spreken; maar christelijk grootmoedig is het niet tegenover eene weêrlooze vrouw, en niets geeft u het recht, zoo hard te oordeelen over eene onbekende.quot;

„Onbekend, ongelukkige! daarop hadt gij gerekend; maar, bij Ood! voor mij zijt gij het niet; ik weet welke arglist gij achter •een zedig mom verbergt.quot;

Bij deze woorden, uitgesproken met al de heftigheid van lang ingehouden toon, stiet de jongeling zijne zitbank met gedruis ter zijde, en ging zich verwijderen.

Een luid gesnik deed hem omzien. Hij keerde terug en trad recht voor haar.

Anna had die opeenstapeling van beleedigingen niet langer kunnen verduren. Haar diepgewond gevoel ontlastte zich in tranen. Zij hield de handen ineengevouwen als eene biddende, en hief de sprekende oogen smeekend ten hemel, als wachtte zij van daar een wonderdadig getuigenis harer onschuld. De lange zijden oogpinkers bogen zich neder, onder twee groote tranen, zooals het fijne rozeblad onder de zwaarte van eenen regendrop. Zich zeiven vergetende, zag Montalto haar aan. Hare achtelooze kleeding liet meer van den boezem bloot, dan in dien tijd de stijf-gekraagde, aanzienlijke dames ooit te zien gaven. Op reiner

ocr page 134

124

blankheid had nooit een Italiaansch oog gestaard, en rijker lokken hadden nooit over molliger vormen heengegolfd.

„Kan eene Magdalena nog waar zijn?quot; sprak hij bijna hartstochtelijk, „is deze boete natuur en geene kunst?quot; De hevig geschokte vrouw scheen die woorden niet te verstaan.

„Vrouw!quot; vervolgde hij plechtig, „antwoord mij zonder uitvlucht, zonder voorbehoud, oprecht als voor het oog van God, die u doorziet, op uw toekomend heil, op dat van uw kind; kende Angelo u, voordat gij in dit huis kwaamt?quot;

„Scipione heeft gelasterd,quot; riep Anna onbedacht uit. Zij had snel zijne meening begrepen.

De Kardinaal trad drie schreden achteruit.

„Ha! ik dank u voor deze inlichting.quot; Hij zweeg een oogen-blik, alsof hij zich herstellen moest, en daarop vroeg hij, met eene stem, die hij trachtte koel en vast te maken, doch die beefde :

„Weet ik alles, wat ik heb voor te dragen?quot;

Zij boog het hoofd bevestigend, en plotseling hare bezinning hernemende, voegde zij er bij; „ Edele Montalto! men heeft u misleid.quot; Hij hoorde haar niet; hij was weggeijld, zonder om te zien.

Bij de hartstochtelijke haast, waarmede Alexander Peretti zich wegspoedde uit den zuilengang, als dreigde hem er besmetting of lavaregen, zag hij in het eerst den man niet, die voor hem ter zijde wilde gaan, en dien hij niettemin strijkelings raakte.

„Doorluchtigste Heer!quot; sprak die man, om zich te doen opmerken.

Die stem had op den jongeling de vreemdste uitwerking. Hij stuitte eensklaps zijne vaart, vatte dien man met kracht bij den arm, en stiet met heftigheid woorden uit, waarvan hij geene syllabe duidelijk voleindde; „Scipione! is alles waar, waarachtig waar, wat gij mij gezegd hebt.... van Anna gezegd hebt ?quot;

„Monsignore ! ik bid u, noem mij Angelo,quot; hernam deze, met zijne spottend koele bedaardheid.

ocr page 135

125

De andere herhaalde de vraag heftiger, dringender.

„Uwe Eminentie moet haar gesproken hebben, als men die vrouw gesproken heeft, gelooft men aan hare deugd. Die uitwerking heeft wel altijd het wonderzoet gelispel der slang, dat men niet meer aan haar venijn denkt.quot;

„Scipione! Scipione! zoo gij u bedrogen hadt?quot;

Men bedriegt zich in vermoedens, men bedriegt zich niet in feiten, Montalto! En zijn dat dan geene feiten, die woorden, die zij sprak, toen ik haar in de bescherming wilde stellen van haren bloedverwant. Mijn neef is iets, maar te Rome moet men zich kunnen vastklemmen aan eenen Kerkvorst, om veel te zijn. En ik wil veel zijn. Ik heb Londen niet verlaten, om te Rome vergeten te blijven. Van de Prelaten klimt men tot de Gezanten, de Roomsche Prinsen. Scipione! gij zijt mijn eerste vriend, wees gij mijn inleider bij eenen Prelaat, bij den jongen Montalto. Gij zult u dan een recht verwerven op mijne fortuin, gij zult ook recht hebben op mijn hart. Open mij een geheim kabinet, en ik zal er u eenen ingang bewaren voor u zeiven. Ik weet, dat ik slagen zal.quot;

Terwijl Angelo sprak, had Peretti eene zeldzaam prachtige heesterbloem, die toevallig onder zijn bereik was, met krampachtig wrijven vermorseld.

„En heeft zij dat alles gezegd?quot; vroeg hij nu, met eene stem, die klonk als had hij geen adem meer.

„Dat alles, — maar zooals vrouwen zoo iets weten te zeggen, gehuld in den kieschen sluier der voorzichtige ondeugd, doch duidelijk en helder, zelfs voor de bevatting van eenen knaap.quot;

„Afgrijselijk! de schandelijke! Mij! mij te nemen niet tot het voorwerp van eenen hartstocht, dat was iets; niet tot voorwerp harer verleiding, dat was te vergeven, maar mij te willen gebruiken als een werktuig voor schandelijke berekeningen, als een werktuig, waarmede zij spelen zou, dat zij breken kon naar

ocr page 136

126

willekeur, of met minachting wegwerpen, of verkoopen aan den meestbiedende, nadat zij het had prijsgegeven aan bittere zelfverachting, aan de schande der wereld, nadat zij het vermoord had door hare veile liefde, die onteert, door hare koele liefde, die doodt. Bij de eeuwig gezegende Maagd! dat is een gruwel, dat eischt iets meer dan bloed!quot; riep de jongeling, zich telkens tot hoogere drift opwindende. „En dat dit alles huist in eene vrouw, in zulk eene vrouw! in een schepsel als dat! Keinier, schooner was de Moedermaagd niet, dan zij zich huichelend voordoet. Angelo! als gij haar zoo even gezien hadt. Het schreit tot God, het roept om de wraak der menschen, waartoe zoude ik haar sparen? Sixtus zal het weten, Sixtus zal haar rechten!quot;

Scipione glimlachte: „Dat zou niet voorzichtig zijn, Doorluch-tigste Hoer!quot;

„Wat beteekent dat. Heer Angelo! voorzichtig?quot;

„Alsof zijne Heiligheid haar niet reeds kende.quot;

„Dat is niet waar! dan beschermde hij haar niet.quot;

„Hij beschermt haar, juist omdat hij haar kent.quot;

„Dat is niet waar!quot;

Angelo haalde de schouders op en boog zich zwijgend.

„Neen, antwoord duidelijk.quot;

„Monsignore!quot; hervatte de andere fluisterend, „wij zijn hier in den wijngaard Peretti, en wij zouden daar een onderwerp gaan behandelen, zoo lichtschuw, zoo gevaarlijk, zoo geheim, dat ik in Rome geen onderaardsch gewelf ken, die genoeg, en verholen genoeg, om het aan te roeren.quot;

„Leer mij liever twijfelen aan de Godheid,quot; stamelde de Kardinaal met sidderende lippen. Hij moest op Angelo\'s schouder leunen, om zich staande te houden.

„Daarom wees voorzichtig, edele Montalto! en val hen niet aan, die tegen u gewapend zijn; zoek veeleer eene welwillendheid, die u nuttig kan worden.quot;

ocr page 137

127

„Neen, bij St. Jeronimus! het gansehe Heilige genootschap wil ik . ..

„Opruien, niet waar? in eenen tijd, dat de Kardinalen zwijgend en bevend knielen voor den blik, dien gij kent? Neen, Doorluchtige Vorst! zwijg en zie toe! Kunt gij dan niet ééne zwakheid eerbiedigen in een groot man ?quot;

„Uwe woorden steken als giftige dolkpunten, die mij de borst oprijten.quot;

„Ze zijn het mes van den heelmeester, dat doet bloeden om te genezen.quot;

Er volgde een lang zwijgen, waarbij Montalto\'s gewaarwordingen alleen uitgedrukt werden door zijn heftig vastklemmen van Scipione\'s arm, dien hij met zich voortrukte. Toen zij eindelijk den afgelegensten uithoek van den wijngaard bereikt haddenr eene plaats, waarheen zelden iemand zich wendde, begon de Kardinaal, op den toon van iemand, die nog twijfelt: „Zonderling dan, dat zij zich in een klooster wil verschuilen; ik zelf zoude dien wensch moeten voordragen.quot;

„Dat had ik gewacht,quot; hernam Angelo zonder verwondering. „Maar denk niet, dat de toestemming volgen zal. Zij weet dat zelve wel, zij rekent er op; zij bedoelt zeker daardoor iets te verkrijgen, dat zij niet uitspreken durft. Geloof mij, Doorluch-tigste Heer I let op do uitkomst.quot;

„Ja, bij den Hemel! het weigeren of het bewilligen van dit voorstel zal eene proef zijn, die zoo luid spreekt, als het Godsgericht der ridderschap.quot;

„Dat zal het, Monsignore! maar volg den raad van iemandr die zich aan u gehecht heeft met de belangstelling, die een jong mensch voelt voor het groote en edele, dat ook jong is, en matig u; wees bedaard, wees kalm, de kalmte maakt ons heer der menschen, die door hunne hartstochten redelooze dieren zijn. Wees bedaard en waak over uwe hartstochten.quot;

De Kardinaal wierp zich aan zijne borst. „Ja, Scipione 1 gij;

ocr page 138

128

zijt mijn vriend, mijn ware, mijn eenigste vriend; die anderen, dat zijn slaven en vleiers. Ik had gemeend een vader te hebben, ik heb geen vader meer. Dat was ook een hersenschim. Thans sta ik op mij zeiven, ik zal krachtig zijn en zelfstandig. Twee .schuldigen zullen hunne veroordeeling lezen in mijn oog. Mijn mond zal zwijgen; maar ik zal waakzaam zijn, waakzaam ook over mij zeiven.quot; En daarmede verliet de Kardinaal zijnen ncaren vriend.

„Goede Kardinaal! dat is te laat,quot; sprak deze in zich zeiven, met zijnen eigenaardigen lach. „Wie had kunnen denken, dat tegengift ook dooden kon! Hij ook dus, en zelf werpt hij zich in mijne armen. Zonder moeite slaagt een plan, dat ik reeds had opgegeven. Eu toch die overgroote fortuin maakt mij verlegen. Ik moet verdubbelen in waakzaamheid. Het is zoo, ik kan niet verhinderen, dat hij Anna nadert, en echter, dat kan tot ophelderingen voeren, die eene uitbarsting konden geven, voor mij noodlottiger, dan die van onzen vulkaan.quot; Hij bleef lang nadenken. Eensklaps hoorde men zijn sarrend lachen. „En •waarom zoude dat zelfs mij niet dienen kunnen ? Bravo Scipione! gij hebt te recht gezegd: „Wie do hartstochten van anderen kent en de zijne beheerscht, is Heer der wereld!quot;

Drie dagen later ontving Anna een briefje van den Kardinaal Montalto. Zij had in drie dagen veel gedacht aan dien jongeling. Er lag ook zooveel verhevens in zijne verachting, zooveel hartstocht in zijne koude, zooveel belangstelling in zijnen toorn, en de arme was sinds lang niet meer gewoon, het voorwerp te zijn van belangstelling. Toch was het een briefje, kort, droog, snijdend beleefd, waarin haar gezegd werd, dat de Paus haar besluit volstrekt afkeurde, dat Zijne Heiligheid er nooit in bewilligen zoude, dat zij de reden dier weigering kende. De Kardinaal bezocht zijne moei niet meer. Het was Karre, wien de moeie-lijke taak werd opgelegd, om dit briefje toe te lichten, en Anna te doen berusten in den wil van Sixtus. Het was thans geene

ocr page 139

129

gedwongene koelheid, die zij behoefde aan te nemen. Zij was zoo natuurlijk kalm, zoo ongemaakt onverschillig, dat de ridder zich begon te verontrusten.

Angelo-Scipione was vertrokken, niemand wist waarheen, noch voor hoelang. Orsina\'s oogen stonden mat en kwijnend; zij was altijd zeer bleek. Zij snapte niet meer, zij lachte niet meer, zij dartelde niet meer als een landmeisje. Signora Respanti behoefde haar niet meer aan het passende te herinneren, en als het avond werd, rilde zij, en dan fluisterde zij soms tot Fran-cisca; „Hoeveel dagen zijn het nog vóór de Paaschweek?quot;

Mijne personen hebben tot hiertoe weinig gehandeld, zij hebben bijna stilgestaan. Zij hebben gepeinsd, gesproken en niets verricht, zij zijn niet voortgegaan. En toch is de geschiedenis voortgegaan, en toch zijn hunne handelingen voorbereid, en toch ligt er in hunne harten als een tonder gereed, en ééne vonk zal dat alles doen vlammen en flikkeren, en spelen en werken als bij een vuurwerk, dat doodsch en stijf en stil is, totdat het wordt ontstoken. En zoo is het ook in het leven. Het minst handelen de menschen; zij zijn slaven van toeval en omstandigheden. Niet voordat zij er toe gedrongen worden, werken zij; zij laten zich liever voortdrijven met den stroom, en bewaren nog gaarne lang de uiterlijke rust.

Het is geen rusteloos werken, geen stout ondernemen, geen krachtig uitvoeren, dat de groote schokken voorafgaat. Het is stilte, het is kalmte, het is werkeloosheid, iets, dat naar matheid zweemt, dat verlamming schijnt; maar het is de verraderlijke kalmte, die den orkaan voorafgaat, en die de zeeman zoozeer vreest. En men is verwonderd, dat er zooveel gebeurd is, terwijl er niets gebeurd is. Laten ze eerst opstaan de mensehen, dan zal men zien. De lezer, die schokken, werking en gedruis verwacht, wachte dus, en denke aan het leven en aan den orkaan; te lang zal hij niet behoeven te wachten.

Engelscheu te Rome enz.

9

ocr page 140

HOOFDSTUK XI.

Wat Don Marco is.

De statige, sombere vastendagen, die voorbereiding tot het hooge Christenfeest, hadden een waas van godsdienstige stilte over de hoofdstad der Christenheid verspreid. Rome vastte, Rome bad, Rome biechtte, Rome reinigde zich. Onophoudelijk klokgebrom noodigde roepend tot het gebed. Wierookwolken benevelden de zuivere Italiaansche lentelucht, en vervingen de zinnelijke reukwerken der feesten en de zinnelijke tonen der dansmaat. Daarom ook werd de aanstaande verloving der Pauselijke nicht door feestbanket noch vroolijke samenkomst voorafgegaan. Niets belette evenwel Don Marco het huis van Donna Camilla te bezoeken ; ook zag men hem daar somtijds. Orsina ontving hem dan altijd met de achting, die men eenen grooten naam schuldig is, met de gepaste hoffelijkheid eener Prinses jegens eenen doorluchtigen vreemdeling. Op den avond vóór Palm-Zondag bevond zich de edelman geheel alleen in den huiselijken kring van den wijngaard Peretti. Hij had er vele uren doorgebracht; men kon het hem aanzien, dat hij zich verveelde. Waar was ook de mogelijkheid om zich niet te vervelen tegenover eene vrouw, zoo deftig stijf als \'s Pausen zuster, die bijna nooit zonder noodzaak sprak, en dan nog meestal woorden van plichtpleging, die niets zeiden, en tegenover een hofgezin, dat uit vleierij haar

ocr page 141

131

voorbeeld volgde, terwijl het eenige wezen, waarin hij belang stellen kende, even bedeesd als stug, elke toenadering vermeed ? Ook peinsde hij reeds op eenen voegzamen aftocht, toen Fran-cisca met hare vrijmoedige levendigheid de opmerking maakte, dat Orsina weêr bleeker zag dan gewoonlijk.

Orsina kleurde en ontkende de waarheid. Die bleekheid en die blos trokken de opmerkzaamheid van Colonna; hij ging snel naar haar toe. „Is er iets, dat u hindert?quot;\' vroeg hij, op eenen toon, waarin zooveel oprechte deelneming lag, dat het meisje de oogen vriendelijk naar hem ophief.

„Stelt gij daarin belang?\'\'

„Belang, Signora! ik weet nu, dat gij mij miskent. \'

Er lag waarheid op zijn gelaat. Zij zag voor zich neder, en bracht de hand aan het voorhoofd; zij kreeg een inval, dien zij wilde opvolgen.

„Signore! zoudt gij iets voor mij willen doen?quot;

„Welk eene vraag, schoonste Jonkvrouw! alles, alles.quot;

„Is dit meer dan gewone hoffelijkheid, is dit ernst?quot;

„Bij St. Marcus, Jonkvrouw! geloof toch mijn woord.quot;

„Wacht mij dan over een uur bij het kleine paviljoen,quot; hernam zij schielijk en zoo zacht, dat hij zich geheel tot haar ne-derbuigen moest, om te verstaan. Toch had hij haar begrepen; zijne zwijgende buiging en zijn handdruk, dien zij ditmaal niet afweerde, zeiden het haar.

Deze korte, fluisterende tweespraak tusschen die beide personen, die elkander niet hadden gezocht, en toch elkander zouden toebehooren, had zooveel van vertrouwelijkheid, dat Donna Camilla tevreden glimlachte over deze schijnbare toenadering. Francisca echter dulde niet langer een gesprek, waarvan zij uitgesloten was; zij richtte het woord tot Don Marco, die op nieuw zijne plaats innam naast den armstoel van de vrouw des huizes. Zijne antwoorden waren nu toch verstrooid als van iemand, die over iets anders denkt. Hij vestigde dikwijls het oog op de

ocr page 142

132

jonge Prinses, die ook eenzaam scheen in het midden van hare verwanten. Eindelijk ging men uiteen. Men hoorde de koets van Colonna wegrollen; doch zijn edelknaap alleen bevond zich daarin De Grande van Spanje wandelde heen en weder voor het kleine paviljoen als een verliefde minnezanger, die een pand der trouwe van zijne dame wacht. De Prins glimlachte over zich zeiven, en toch klopte zijn hart, toen hij Or si nas wit gewaad langs het geboomte zag glijden. Hij betrapte zich op eenen uitroep van blijdschap toen zij voor hem stond. Zij zelve was zeer verlegen; zij had schielijk toegegeven aan eenen inval, waarvan zij het gewicht niet overdacht had, en toen de schoone jongman met zijne gebiedende houding daar vóór haar stond, was zij over hare eigene vermetelheid ontzet. Zij wist niet hoe aan te vangen; zij speelde verlegen met het kruisje van haren rozenkrans.

„En wat beveelt nu mijne dame?quot; sprak Don Marco, zich buigende en met galanterie hare hand vattende om die te kussen.

Zij trad verschrikt achteruit.

„Mijnheer! ik heb niet wel gedaan; ik zie, dat ik gehandeld heb als een dwaas meisje, ik.... ik wenschte, dat ik u niet hier bescheiden had.quot;

„Lieftallige onschuld!quot; hernam hij met oenen glimlach, „wees gerust, ik zal geen misbruik maken van uwe goedheid; het zal u niet berouwen mij vertrouwd te hebben, zelfs zoo gij hot eischt, verlaat ik uwe tegenwoordigheid.quot;

„Neen, neen!quot; riep zij snel, „ik heb u zooveel te zeggen, te zeggen, neen, te smeeken. Maar zet u neder, zet u daar neder;quot; zjj wees hem eene zitplaats, dezelfde waar Anna hare tranen geschreid had, bij haar gesprek met den Kardinaal. Orsina ging voor hem staan.

„Gij weet ook niet, edele Heer! hoe moeilijk datgene is, wat ik u zeggen moet. Het is iets, dat.... dat u zeker beleedigen zal, en gij zijt zoo goed, en ik zoude u niet gaarne krenken, en....quot;

ocr page 143

133

„Het is reeds veel, dat gjj mij niet krenken wil,quot; antwoordde hij andermaal, meesmuilende over hare eenvoudigheid. „En spreek vrij, mijne Prinses! geloof vast, dat ik van eene vrouw, en vooral van eene zoo schoone jonkvrouw, al zeer veel bitters hooren kan zonder toorn.quot;

„Welnu dan, edele Colonna! ik kan nimmer uwe echtgenoote worden, nimmer! Men bedriegt den man, dien men de hand schenkt zonder het hart, en ik kan u niet beminnen.quot;

Don Marco was geen vreemdeling in het hart der vrouwen, en hij wist, dat bij haar eene ontkenning vaak de inleiding is tot eene zoete bekentenis, dan er lag zooveel naïve ernst, zoo-veeKberadene vastheid in Orsina\'s blik en in den toon harer stem, dat de edelman hier wel gelooven moest. Geheel verslagen was hij echter niet.

„Dat was ook meer dan ik had kunnen hopen, Signora! gij kent mij niet; maar ziet gij iets in mij, dat u eenen bepaalden afkeer inboezemt.... dat gij haten moet?quot;

„Neen, Signore!quot; hernam zij, niet ongekunstelde oprechtheid.

„Gij zijt een bevallig Heer, en, naar ik geloof, even goed als groot, ten minste dat hoop ik; want in uwe grootmoedigheid alleen ligt mijne toekomst.quot;

„Welnu dan, beminnelijke Orsina! wilt gij mij niet leeren kennen ? misschien.. ..quot;

„Neen, zeer zeker zal ik nooit eenen man lief hebben, die mij door anderen wordt aangewezen, al ware die andere dan ook de heiligste en de verhevenste persoon der aarde. De andere kan niet weten wat mijne ziel verlangt, waardoor mijn hart wordt ingenomen. Mijne hand is geene abdij, en ik wil niet weggegeven worden als eene prebende.quot;

„Bemint gij iemand?quot; vroeg Don Marco met belangstelling.

De leerlinge van Scipione was reeds ver genoeg gevorderd, om zonder te groote verwarring te kunnen antwoorden.

ocr page 144

134

„En dan zoude ik dit Don Marco kunnen zeggen?quot;

„Zoudt gij mij bemind hebben, als gij zelve had mogen kiezen ?quot;

„Mogelijk, indien gij geen Prins waart. Ja, Heer!quot; vervolgde zij, toen hij haar verwonderd aanzag, „uwe hooge geboorte is het, wat mij telkens op nieuw grieft. Ik verbeeld mij, dat het altijd scherts is, als gij u voor het kleine landmeisje van Grotto nederbuigt. Ik weet, dat gij edel zijt en goed; maar is zij niet reeds bij u opgekomen de gedachte, dat gij de arme Orsina wel veel cere doet, met haar te willen opheffen tot uwen rang? En hebt gij dan niet gedacht, omdat gij ridderlijk zijt en edel, dan hebben zij het gedacht, uwe bloedverwanten, dan hebben zij het elkander gezegd, hoe het vroeger eene eer had kunnen zijn voor mijne moeder, zoo zij de gade geworden ware van den Kamerdienaar uws hofmeesters. En als gij dat vergeten hebt, ik kan het niet vergoten, en die andere grooten kunnen dat ook niet. Ik wil niet, dat mijn echtgenoot over mij blozen zal. Ik begeer eenen ridder, die ook werd opgeheven uit lagen stand! Ik wil mijns gelijke.quot;

Met zichtbaar welgevallen had Colonna het meisje aangehoord. Daar lag gansch geene teleurstelling, gansch geene wanhoop op zijn gelaat. Hij scheen iets te hooren, dat hem aangenaam was, dat hij billijkte.

„En wat eischt gij nu van mij, Signora?quot;

„Dit enkele smeek ik, voorkom dat huwelijk.quot;

„Dat wil zeggen: vernietig uwe eigene schoone toekomst, sta voortaan als vijand tegenover uwe bloedverwanten, als tegenstander tegenover uwen Opperheer, verlaat Rome voor altijd, en dwaal als balling om buiten uw vaderland; want dat is het, wat ik wachten moet, als ik zelf een ontwerp verijdel, waarop zoo hooge belangen gebouwd zijn. En gesteld nu, dat ik het konde, dat ik het wilde, Signora! wat zoude dan mijne bolooning zijn? Gij aarzelt; want gij weet het, de eenigste belooning, die gelijk

ocr page 145
ocr page 146
ocr page 147

135

zoude staan met het offer, is juist dat, wat gij mij gebiedt voor eeuwig te verzaken: uwe hand.quot;

,0! wees dan grootmoedig, Heer! en handel edel, zonder loon. quot;Wees niet den huurling gelijk, die zich betalen laat voor zijne diensten. Ik kan niet gelooven, dat u zooveel onheils zoude dreigen, als gij mijne bede inwilligt. Waarom zou de vrije edelman niet vrij zijn in zijne keus? O! ik zou u nooit eene goede vrouw kunnen zijn. Waarom zoudt gij mij dwingen, u ongelukkig te maken en het zelve te zijn? Ik... ik heb wel den moed tot tegenstand; maar ik weet, dat de mijne niets zoude zijn, dan het machtelooze spartelen van de duif in de klauwen van den valk. O! wees gij de adelaar, de stoute adelaar, die de duif vrijmaakt, die de zon in het aangezicht ziet, en haar zijnen wil luide toeroept. O! ik wil het u knielend afsmeeken, wees mijn machtige beschermer tegen u zeiven en tegen den vreeselijksten toorn.quot;

Zij was aan zijne voeten nedergezonken, eer hij het verhinderen konde, en hief de kleine witte handen naar hem op als eene biddende. Hij richtte haar schielijk op. „Orsina! gij waart oprecht met mij, gij liet mij lezen in de onschuldige geheimenissen van uw rein hart; gij ontsloot mij de rijke schoonheden uwer ziel; gij hebt mij veel te lezen gegeven, dat mij bitter had moeten zijn, en toch, meisje! hebt gij mij oneindig verheugd, innig verrukt. Ik heb u leeren kennen, gij zult mij ook kennen.quot;

Hij trok haar naast zich op zijne zitplaats, en vervolgde, terwijl hij zijne schitterend zwarte oogen tot eene onbeschrijfelijke zachtheid temperde:

„Met waar, gij hebt in mij niets gezien, dat den trotschen zoon der Colonna\'s, den deftigen Grande van Spanje, den stroef ernstigen Roomschen Prins, den man, die menschenkennis genoeg bezit om de menschen niet meer te achten, den staatsman, die genoeg berekent om niet meer te gevoelen, en toch, Orsina! zou het u niet goed zijn, zoo gjj wist, dat in dit fier, gehard,

ocr page 148

136

forsch lichaam, eene ziel woonde, zoo week, zoo gevoelig, zoo vatbaar voor zachtere aandoeningen, als de uwe het zijn kan, en een hart, dat zich nu eerst opent voor de liefde? Orsina! ik heb de vrouwen gekend; er zijn vrouwen geweest, wier minnaar ik heette, die mij hare verovering noemden. Zij hebben zich bedrogen, mij zeiven heb ik bedrogen : ik heb haar nooit waarlijk bemind. Het waren tooveressen, die mijne zinnen begoochelden; mijn hart hield ik gesloten als eene zuivere vaas, die ik rein moest houden en heilig, om iets beters daarin te besluiten. Een heerlijk ideaal, aan welks verwezenlijking ik altijd bleef gelooven, verheven hartstochtelijk en maagdelijk kuisch, vrouwelijk zacht en vrouwelijk sterk door gevoel. Zoo hebt gij u aan mij geopenbaard. Gij hebt de schoone schepping mijner verbeelding verwezenlijkt, in u is mijn reinste droom verpersoonlijkt, gjj, zoo afhankelijk en zwak, en toch zoo onwrikbaar vast in wil en besluit. Dat is de vrouw der Colonna\'s, hetzij zij geboren ware op eenen troon of in de nederige landhut; dat is de parel die ik gezocht heb, en die mij in eigendom toekomt, en die ik niet afsta, al bood men mij de nieuwe wereld en Rome beide in ruiling aan.quot;

„Ik ben dus niets gevorderd,quot; sprak Orsina droevig.

„Dit eene smeek ik u; hoor mij ten einde toe aan? — Mijne bloedverwanten, het hoofd van mijn geslacht, stonden voor mij naar uwe hand. Onder allen, die naar de eer dongen, om zijne Heiligheid oom te noemen, was ik de bevoorrechte. Ik was dankbaar voor deze voorkeur, ik was gevleid door deze eer. Mijne bloedverwanten somden de voordeelen op. Ik voegde mij zonder tegenzin naar hunne beschikking. Ik was niet meer jong genoeg om zekere vooruitzichten op te offeren aan eene hersenschim, en ik besloot te huwen, zooals elk ander van mijnen rang. Ik reisde naar Rome; gij weet dat ik u niet kende. Men prees uwe goedheid, men zeide mij, dat gij jong waart, dat gij schoon waart. Ik zag u; uwe schoonheid overtrof mijne ver-

ocr page 149

137

wachting, maar het was niet de schoonheid waaraan ik hoogen prijs hechtte. Ik zag in u, zooals gij u voordeedt, een zacht, beminnelijk kind. Gij waart mij eene jonkvrouw als de anderen, die haken naar het huwelijk, om de vrijheid van het huwelijk, om de feesten vóór het huwelijk, om ontslagen te zijn van de Duenna, en die in den verloofde niets zien dan de paarlen en gesteenten der morgengave, en in den gemaal het bezit van een eigen paleis. Nu eerst weet ik, dat gij het kent, dat diep gevoel van eigenwaarde, dat de vrouw zoo hoog stelt in de rij der wezens; nu weet ik dat gij niet de onzinnige, onnadenkende zijt, die zich laat weggeven of verkoopen, zonder hartstocht en zonder smart. Maar nu weet ik ook, Orsina! dat gij de mijne moet zijn. Wij voegen bij elkander; gij werdt voor mij gevormd. Gij wenscht eenen echtgenoot uit lagen stand — geen laaggeborene kan meer gevoel hebben voor het zachte huiselijk geluk dan ik, die, in lastige hofplichten opgevoed, gedurig in woelige kringen rondgedraaid, in gezantschap bij gezantschap voortge-slingerd, gehaakt heb naar de kalmte van een eigen gezin, als de kruisvader naar het heilige graf. O geloof mij, Orsina! ik ben de man, die u is voorbeschikt, geef u de moeite mij te leei\'en kennen, gij zult dan eindigen met mij niet meer te haten. En wat uwe afkomst betreft, mijne Jonkvrouw! gij zijt te groot van ziel, dan dat gij in ernst zóó van ons denken zoudt, als gij mij en mijne bloedverwanten hebt voorgesteld. De Colonna\'s duizelen van de eer, om den naam Peretti gevoegd te zien bij den hunnen; en waarlijk, Signora! men kan trotsch zijn op een geslacht, dat met eenen Paus aanvangt.

„Spreek één woord, Orsina! hebt gij mij verstaan, hebt gij mij genoeg verstaan, om in mij te gelooven, om uw treurig bevel te herroepen? O spreek,quot; en hij zag haar smeekend aan. Er lag klimmende angst in den toon zijner laatste woorden, een dobberen tusschen vrees en hoop, dat wel machtig was een vrouwelijk hart te roeren, en het dringende bidden van dien edel-

ocr page 150

138

denkenden man, zijn mannelijk verdedigen, zijn hartelijk uiteenzetten zijner gevoelens, zijne ernstige openhartigheid, de verhevenheid zijner beginselen, met zooveel ongezochte rondborstigheid blootgelegd, hadden \'weergalm moeten vinden in eene schoone ziel; doch wie of wat beweegt de ziel van een meisje, dat onopgeloste raadsel, dat samenweefsel van grilligen eigenzin en fijn gevoel, die ineengeschakelde keten van romaneske dweeperij en onverzettelijke hardheid als zij eenmaal tot zich zelve gezegd heeft: „Ik wil niet!quot; en als zij zich gesterkt gelooft door het groote woord: eenen strijd te strijden voor den geliefde. Zoo was het Orsina, zij zoude haren Angelo te kort gedaan hebben, zoo zij Colonna aanhoorde; zij waren hem ontrouw geweest, tot wien zij gezegd had: „Ik bemin u,quot; en die gedachte strekte haar tot een ondoordringbaar harnas tegen elke overtuiging. Onder Don Marco\'s spreken had zij dikmaals gebloosd; bij zijne lofspraak, die zij wist niet geheel te verdienen, had zij de oogen neder-geslagen, maar ook de ooren gesloten; zij was hem niet in de rede gevallen, maar zij had ook niet geluisterd, en toen hij met zijn biddend: „spreekquot;, eindigde, was haar antwoord koel en verpletterend: „Ik versta u, Signore! gij ontslaat mij niet, ik heb te vergeefs op u gehoopt, gij wilt niets voor mij doen, gij zult mij naar het altaar slepen, terstond na de heilige feestdagen, en een kort uitstel zelfs zoude te veel zijn; ik weet het ook, ik heb niets van u te eischen.quot;

Het spijt ons, zoo wij Orsina niet schilderen kunnen als de vlekkelooze romanheldin, die, als door eene plotselinge ingeving ingelicht, op eens eenen dwazen hartstocht verzaakt, om eene deugdzame liefde te beantwoorden, dan, wij zijn afkeerig van die ongerijmde, denkbeeldige volmaaktheid, waarmede zoo menig romanschrijver zijne lezers reeds zoo vaak heeft misleid; van die helden, waarin zij elke deugd, elke wijsheid, elke schoonheid vereenigden, wien zij alle groote zielshoedanigheden te gelijk toebedeelden, waarvan zij ieder vlekje met zooveel zorg afweerden

ocr page 151

139

als de teekenmeester, die een model bewerkt voor zijnen leerling ; — en welke, met eenen passer afgemeten pronkbeelden dan werden gegeven voor mensehen!! quot;Wij zoeken waarheid, onze Orsina is een meisje, en niets dan een meisje, en het is onze schuld niet, dat Eva luisterde naar het gevlei van de slang en doof was voor die andere stem in haar binnenste. Daarenboven, er lag toch veel reiner trouw, die een beter voorwerp waardig geweest was, in die vastheid, waarmede zij zich tegen Don Marco verschanste; en het was alleen haar ongeluk, dat zij hare liefde gegeven had aan den eerste, die haar hart ontsloten had voor het gevoel, en dat die eerste juist een schelm was. Had het toeval dat kind, toen alles nog in haar sluimerde, eenen Colonna in de armen gevoerd, dan hadden diezelfde gewaarwordingen, die nu slechts dienden om haar te verlagen, haar gelouterd en haar tot hoogeren vrouwenadel opgeheven. En de prins nu? Hij geloofde te zeker dat Orsina\'s hart nog vrij was, hij vertrouwde te vast op zijne eigene waarde, om niet te hopen, dat zij hem eindelijk onderscheiden zoude, om geheel ternederge-slagen te zijn door hare bitsheid; ook nam hij met eene vertrouwelijke hartelijkheid hare hand : nIk had recht gehad om beter door u beoordeeld te worden; maar gij zult zien, dat ik den wil heb, om veel voor u te doen, dat ik den moed heb, om veel voor u te wagen. Gij wenscht onze verloving uit te stellen; zij zal uitgesteld worden, hoewel Sixtus den dag bepaald heeft, en alle vorstenhoven van Italië er van verwittigd zijn. Gun mij enkel dezen troost, dat ik mag trachten naar uwe liefde, stoot mij niet van u, voor gij overtuigd zijt, dat gij mij niet beminnen kunt, dat ik uwer onwaardig ben: vergun mij tot zoolang de teederste en eerbie-digste hulde aan uwe voeten te brengen;quot; en hij knielde neder om hare hand te kussen, die hij nog altijd gevat hield. Ontroerd en beschaamd over zijne goedheid, verschrikt door zijne volharding, liet zij hem in verwarring die hand over. Aangemoedigd door zoo weinig tegenstand, zoude hij misschien tot eene omhelzing

ocr page 152

140

zijn overgegaan, eene juist niet te groote aanmatiging voor eenen verloofde, toen het meisje met angstige gebaren snel achteruit trad, en op eenen schellen toon van den hoogsten angst uitriep : quot;Wij worden gestoord, Signore! ga heen, omé Gods wil, ga heen.quot;

„Wie is de man, voor wien ik vluchten zoude?quot; hernam hij.

„Vlucht, om mijnentwil,quot; riep zij met samengevouwene handen, „op dit uur .... hier .... met...

„Welaan dan, ik ga; doch geef mij dit tot een aandenken van dit uur,quot; en hij nam haren sluier met zich, die afgevallen was door haar schielijk opstaan. — Zij wenkte toestemmend, en wees hem dat hij gaan zoude. Toen hij vertrokken was, bleef zij weifelend staan, marmerbleek en marmerkil van schrik, onzeker of zij vluchten zoude, dan wel blijven en zich verbergen; want zij had een geritsel gehoord, dat de komst van een mensch aanduidde, zij had eenen voetstap onderscheiden, zij had langs de heesters een geschuivel gehoord als van iemand die naderde. Zij wachtte sidderend en huiverend af, wat volgen zoude.

ocr page 153

HOOFDSTUK XII.

Drie hoofdpersonen hebben eenen slapeloozen nacht.

In den nacht van Palm-zondag trad de grijze Marco Ottavi, ■den jongen Kardinaal-neef als geheimschrijver en raadsman toegevoegd, in het slaapvertrek van zijnen meester, met de behoedzaamheid eener teedere moeder, die het wiegje van haren zuigeling voorbij zweeft. Het was ook eene vaderlijke genegenheid, die de vijf en zeventigjarige grijsaard den lieftalligen jongman toedroeg. Grijs geworden in kerkelijke en staatkundige diensten, was hij een man van de uitgestrekte ondervinding, die hij met oordeel en schranderheid toepaste. Ook volbracht hij zonder aanmatiging en zonder laagheid de gewichtige, de hoogst kiesche taak, hem door Sixtus opgelegd, in een ouderdom, die hem veeleer het recht gaf, rust te vragen. quot;Want het was geene gemakkelijke taak, de onstuimigheid van een jongeling te raden, te leiden, te recht te wijzen, waar deze gehoorzaamheid konde eischen. Het is waar, Montalto had hem dien last licht gemaakt, en er was tusschen hen een hartelijk vertrouwen ontstaan, dat veel had van vriendschap. Het was wel eene treurige belooning voor zijne trouwe, die jammerlijke ballingschap, die de laatste avondschemering van zijnen langen dag verduisterde, die zijne laatste teug uit den levenskelk zoo bitter maakte, en die zijne nacht verhaastte. Het einde van dezen grijsaard, op

ocr page 154

142

een niet bewezen vermoeden van onbescheidenheid, zoo streng gestraft, zoude alleen reeds een vreeselijk bewijs kunnen zijn voor de wreede hardheid des Pausen, maar tevens pleiten voor het goede hart van diens neef, die met grievende, doch onmachtige spijt bij de ontknooping van Ottavi\'s lot toeschouwde.

De geheimschrijver sloeg zachtkens het purper zijden gordijn der slaapkoets terug, doch week tegelijk ontzet achteruit. Hij had zijnen jeugdigen meester in eene zoete sluimering gewaand, hij had hem zacht en zonder schrik willen wekken, en .... hij zag hem overeind zitten op de sponde, met wild rollende oogen, met gloeiende wangen, met de eene hand het voorhoofd steunende, terwijl de andere in stuipachtige vervoering een kruisbeeld tegen de borst drukte, als zocht hij een inwendig leed te bedaren door dien gewijden talisman.

„Verademing! Rust! Geloof!quot; stamelde hij als in den droom, zonder Ottavi gewaar te worden.

„Doorluchtigste Heer!quot; sprak deze eerbiedig, en legde, om zijne opmerkzaamheid te trekken, zijne hand op den arm des Kardinaals.

„Die aanraking is kil; dat is de hand der zonde en der huichelarij, dat is de hand van Sixtus!quot; riep de jongeling, schichtig zijnen arm wegtrekkende, met eene beweging van afschuw.

„Goede Heer! edele Montalto! herken mij, herken uwen trouwen Ottavi,quot; hernam de grijsaard luider.

Montalto schrikte, zag op, herkreeg zijne bezinning, en snel inziende dat die getuige, die hem te midden van zijnen ziele-strijd verrast had, reeds lang daar had kunnen zijn, zeide hjj:

„Ottavi! ik heb gedroomd!quot;

„En eenen vreeselijken droom, Monsignore! Ik kom uwe Eminentie wekken.quot;

„Nu reeds, waarom gij ?quot;

„Er wordt op uwe Doorluchtigheid gewacht, niemand der ka-

ocr page 155

143

merjonkers wilde uwe slaap storen. Toen belastte ik mij daarmede, bedenkende het gewicht van eene oproeping als deze.quot;

„Goede Ottavi! ik heb niet gedroomd, het was geen nachtgezicht, dat mij ontrustte. Het is, het was,... o Heiland der wereld! is er dan geene bezwering tegen die gedachte?quot;

„Mijn edele Meester! ontstel uwe verbeelding nu niet door schrikbeelden, door gedachten die kwellen. Hebt gij mij een vertrouwen te schenken, gij weet, in veiliger borst dan de mijne kan het niet worden weggelegd; maar ik bid u, nu niet, thans niet. Zijne Heiligheid moet u spreken, het Pauselijk rijtuig wacht u, dat lijdt geen uitstel.

„Hem zien! nu? Ik kan niet, Ottavi! ik blijf.quot;

De geheimschrijver antwoordde niet, slechts zag hij hem treurig en zacht verwijtend aan.

„Ga gij, mijn vriend! noèm mij ziek; gij zult geene onwaarheid spreken.quot;

„Ik geloof het. Heer! Gij zijt krank van ziel; doch juist daarvoor zult gij troost vinden aan de voeten van zijne ....quot;

„O zwijg, zwijg!quot;

„Uwe Eminentie bedenke toch het hoog belang.... Ik kan niet gaan, waar men haar in persoon roept.quot;

„Zeg liever, dat gij niet wilt; gij zijt laf, gij vreest Sixtus! Ik, dat is wat anders; in mijn oog zoude hij veroordeeling lezen, ik weet.... Ach, grijze vriend! indien gij wist!quot;

De hooge toon, waarmede de Prelaat aanving, was tot de zachtste stembuiging gedaald, en hij eindigde met lang weêrhouden tranen, die zeker weldadig waren; want toen Ottavi met ernst zeide: „Ik ben niet laf. Heer! ik zal dan gaan, en ik neem de verantwoording op mij,quot; toen verhief zich de jongeling, en riep hem terug:

„ Signore! zou ik u opofferen! brave man! gij hebt overwonnen, zooals altijd.quot;

ocr page 156

144

Het was stil in het Vatikaan, toen de Kardinaal er aankwam. De Zwitsers der lijfwacht gingen zwijgend op en neder; Apostolische schildknapen hielden zwijgend de wacht ouder de Portico\'s maar in de vertrekken was alles rust en sluimering; uitgenomen die enkele beambten, wier bediening hun waakzaamheid oplegde, sliep alles.

Een enkel kabinet slechts was helder verlicht. Daar waakte de Meester van dat weidsche paleis. Hij alleen arbeidde; hij alleen ontzegde zich den slaap; hij, de machtigste van allen, de oudste van allen, maar de vurigste van geest, maar de ijverigste in werkzaamheid, maar de meest rustelooze, waar het de rust en het heil gold van die anderen, die rondom hem sliepen.

Hij alleen, de Heer en de Vader van Rome, bewaakte den slaap van zijn kind. Rome konde ook veilig het oog toedrukken; want hij hield het zijne voor haar open. Zijn blik hield den sluipmoord terug in zijn hol; zijn blik dwong den straat-roover, den schat zijner begeerte rustig voorbij te gaan; zijn blik bewaakte den vrede der huisgezinnen en de heiligheid des huwelijks.

Montalto trad dat kabinet binnen; met eene ernstige zwijgende buiging bleef hij op eenen afstand staan; zijn stem schoot te kort, om hoorbaar te vragen, wat men van hem wilde.

Sixtus stond op. Hij was niet veel beter gekleed dan een gewone monnik. „Monsignore! wij hebben den Kardinaal niet noo-dig, daar, waar wij gaan, volgt ons alleen mijn neef Alessandro verberg uw purper onder dien mantel.quot; Dit zeggende sloot hij den ingang van het kabinet, en stak den kleinen sleutel van fijn geheeld werkt goud bij zich; daarop opende hij eene deur van tapijtwerk; en ging de reeds door ons genoemden trap af, die naar de Gregoriaansche Kapel leidde.

De Kardinaal volgde.

„Wij gaan naar Karre; er zijn berichten uit Engeland. Zij kunnen niet anders dan belangrijk wezen; de dagen, [die volgen,

ocr page 157

145

worden alle ingenomen door openlijke plechtigheden; gij weet het, Rome wemelt van hooge vreemdelingen en vorsten, die om de feesten gekomen zijn, en die wij zien moeten, dit alles laat mij niets dan den nacht over, voor hetgeen mijne uitspanning is. Fontana, de heimelijke renboden, den Stadvoogd, die allen spreek ik op uren, die mij in eigendom toebehooren.quot;

Zoo fluisterend voortsprekende, zonder van den neef antwoord te ontvangen of te wensehen, ging de Priestervorst langs den geheimen, hem alleen bekenden weg naar Karre\'s woning.

Zij vonden den ridder, die hen in zijne groote zaal opwachtte.

Sixtus zette zich. Karre schoof voor den Kardinaal eenen lageren zetel bij de schrijftafel, en hij zelf hield zich staande daarnevens.

„Nu uwe Hoogwaardigheid komt, weet ik, dat ik wel deed, met u bericht te laten geven, hoewel dan ook in den nacht.quot;

„Gij hebt mij eenen dienst bewezen. Men moet den slaap be-heerschen, en zich niet door hem laten beheerschen, dat is het, wat ik daar ginder misschien honderd maal herhaal. Die lieden daar zouden liever de dringendste zaak laten wachten, dan onze rust storen, zoo wij er niet voor zorgden; dat is het, wat ik ook u wilde leeren, mijn neef! en daarom heb ik u heden niet gespaard. Dat was geene aangename verrassing, de zijde en het dons te moeten verlaten voor bezigheden,quot; vervolgde hij, glimlachende „en toch,quot; voegde hij er bij, oplettend en met bezorgdheid den jongeling aanziende, wiens bleeke, ontdane gelaatstrekken en doffe oogen inderdaad iets lijdends hadden, dat deernis wekte, „geloof ik waarlijk niet wel gedaan te hebben. De jeugd kan niet waken: op twintig jaren slaapt men zoo gezond, zoo vast, zoo zorgeloos. Dat is ons voorbehouden, staatsmannen en grijsaards. De jeugd verkwist zoo gaarne datgene, waarvan zij nog zulk eenen ruimen voorraad voor zich ziet; wij ouden, wij alleen tellen de minuten, omdat wij niet

Engclschcu te Rome enz.

ocr page 158

146

weten, hoe weinige er ons nog te gebruiken overschieten; en daarom ook, laat ons tot onzen arbeid overgaan. — Is onze man stipt geweest, Signor Cavaliero?quot;

„Ja, Hoogwaardigste! hij heeft zich niet laten wachten.quot;

„Heerlijk! geeft hem twintig scudi boven de toegezegde belooning; bij ijverige diensten moet men niet karig zijn. En nu, wat weet gij van onze Engelsche?quot;

Alexander Peretti had als een bewustelooze, met het hoofd op de hand leunende, daar gezeten, zonder op iets te letten, nu echter riep hij, met zonderlinge onstuimigheid: „De Engelsche ! waar is zij ? Karre, wat weet gij van haar ?quot;

„Mijn waarde neef is op mijn woord nog slaapdronken,quot; zeide Sixtus! Che Diavolo /quot; ging hij voort, met eenen basstem, „wees toch geen kind, wij spreken van Elisabeth.quot;

De Kardinaal, die gevoelde, dat hij zich moest vermannen tot eenen schijn van belangstelling in zaken, die hem voor dit oogenblik walgden, nam eene houding van opmerkzaamheid aan.

Karre nam eenen brief uit een geopend paket, dat op de tafel lag.

„De partij der Cecils ontrust de Koningin over Spanje, mijn Heer de graaf van Leycester wenschte wel bepaald te weten, wat er te wachten is.quot;

„Montalto! gij hebt gisteren bij Martino Colonna een gesprek gehad met Olivarez; de vertrouwelijkheid van den Spanjaard heeft meer dan een uur geduurd, gij zult den ridder weten in te lichten. Waarom ziet gij mij zoo verwonderd aan ? Mij dunkt, het moest u zoo vreemd niet schijnen, dat ik weet wat er op uwe bijeenkomsten voorvalt.quot;

Montalto doorlas het papier, en schreef van tijd tot tijd eenige regels.

Middelerwijl vervolgde Karre tot Sixtus: De Koningin acht zich zeer gelukkig met de laatste mededeelingen; zij hoopt dat

ocr page 159

147

men aan hare dankbaarheid gelooven zal, totdat meer sprekende bewijzen daarvan in hare macht staan.quot;

„Genoeg, zij kan zich overtuigd houden van mijne hoogachting; maar heeft zij ook partij getrokken van onze mededeelingen ?quot;

„Zeer veel, en in den geest, die van hier is aangegeven. De aangeduide personen worden oplettend gadegeslagen, de rustigen onder de geloofsgenooten worden door weldaden uitgenoodigd, zich innig en oprecht aan het vaderland te verbinden.quot;

„Bene! Bene.\' als er van beide zijden goede trouw heerscht, zal onze Philips menige diepe wonde bekomen, eer hij uit Whitehal bevelen geeft.quot;

„Zij zal toch teleurgesteld zijn, onze vrijwillige bondgenoote, ik meen Anna Oston.quot;

De jonge Peretti had alleen de laatste woorden gehoord.

Zijne pen schoot doelloos over het papier, door het sidderen zjjner vingers. Hij werd nog bleeker en vestigde de strakke oogen op zijnen oom.

„Maar in waarheid, u deert iets, neef!quot; sprak deze, met eene teedere deelneming de hand leggende op het brandende voorhoofd van den jongeling; „wij beginnen te gelooven, dat gij in deze dagen van boete u aan te groote onthouding overgeeft; dat is niet goed, [igliuolo; waartoe die overdrijving, gij zijt zoo zwak? Op uwe jaren was ik monnik, en ik leed honger, dorst en lasten, zooveel men wilde, en ik sliep slechts weinige uren iederen dag, en daarbij was ik gezond, sterk en gehard; maar gij, dat is niet hetzelfde, gij hebt het gestel van uwen vader, mijnen armen Antonio! die te zwak was om ééne teleurstelling te dragen. Hoor neef! er is tweeërlei vasten, onthouding van spijs en onthouding van zondige gedachten; het laatste beveel ik u aan, bij het volbrengen van goede werken, zoo gij het eerste niet in den strengsten zin volbrengen kunt.quot;

Had Sixtus den zin kunnen raden van dat diep minachtend verwijt, waarmede het groote, zwarte oog des jongelings op hem

ocr page 160

148

bleef rusten, dan zeker ware voor dezen zijne schitterende rol in datzelfde oogenblik uitgespeeld geweest; doch hij giste dat zelfs niet, en eerst toen Alexander met strengheid antwoordde:

„Ik ben geen dweper, noch____quot; (het woord huichelaar wilde

niet over zijne lippen), wendde hij zich toornig van hem af. „Kom, Signor Karre! ga voort.quot;

„Mijne Koningin verbergt niet, dat zij zich ontrust over het ontwerp, om Sir William Allan van Lancaster, Kardinaal te maken. Zjj vreest zijnen invloed op de gemoederen.quot;

„Het is waar, men kon haar eenen beteren dienst doen, en evenwel blijft het ons voornemen. Er dient toch iets gedaan te worden, om den schijn te bewaren. En moeten wij dan niets doen, om de kudde bijeen te houden, terwijl zij alles inspant om die te verstrooien? En bovendien, een roode hoed aan eenen Engelschman gegeven, zal immers uwe Koningin niet zooveel schaden; deze ééne toegevendheid aan zijnen wensch wikkelt Philips in verbintenissen, waaraan hij niet ontkomen kan; dit en het banschrift, waarop hij immer aandringt, en dat niet langer uitgesteld kan worden, zal wel de grootste ondersteuning zijn, die hij in werkelijkheid van het Roomsche Hof verkrijgen zal.quot;

„Hoogwaardigste! de Koningin huivert, onder deze omstandigheden tegen den openlijken oorlog: haar rijk verdeeld, hare

geldmiddelen____quot;

„Wat! nu zij het vuur aangestookt heeft, zoude zij er nu het hout willen uittrekken? Bij St. Petrus! zij heeft de wesp vergramd met den dood der Schotsche Maria, zij moet haar nu moedig aangrijpen, of de angel zal haar wonden en dooden. Wat aarzeling, wat huivering! . . laat Elisabeth geene vrouwenstreken begaan; ik zeg u, de Colossus zal zich uitputten in de monsterachtige ondernemingen, die hij voorheeft, die worstelingen zullen hem verzwakken, en dan .... o mijn goede galeien van Civita- Vecchia! dan zullen wij zien, of er voor ons van ons Napels niets beters te hopen is, dan het bespottelijke nar-

ocr page 161

149

renspel met den telganger, dat Olivarez ons eiken St. Pietersdag voorspeelt.quot;

Altijd voortgaande in zijne eerzuchtige bespiegelingen, wond de Priestervorst zich zeiven op tot eene geestdrift, die geheel en al de Engelsche Koningin en hare belangen uit het oog verloor. Dat was zijn stokpaardje: de herovering van Napels op zijnen gevaarlijken, machtigen nabuur, zijnen Katholieken zoon Philips, die hem in stoffelijke krachten te boven ging, en noch in onverzadelijke eerzucht, noch in list, noch in volharding voor hem week, en op wien hij geen overwicht bezat, dan zijne geestelijke macht, die hem weinig dienen konde tegen eenen Vorst, die bij de hevigste bitterheid hunner wereldlijke vijandschap altijd voortging, zich daaraan met de meest gemoedelijke trouw te onderwerpen. De geheele oprechtheid van de vriendschap tusschen den Vorst van Rome en Elisabeth berustte misschien alleen op het verloren leengoed van Napels, en zijne vrees voor het Spaansche meesterschap in het zuiden. Engeland en Frankrijk beschouwde hij als de noodzakelijke heelmeesters, die door gedurige aderlatingen zijn mondig kind van het overtollige bloed ontlasten moesten. quot;Wie later de rekening der bewerking betalen zou, dat was hem om het even! Wij mengen ons thans niet verder in die geheime beraadslagingen, totdat wij er onze helden eenigszins in betrokken vinden; wij slaan dan nu weder het oog op den jongen Kardinaal, die nog altijd aan de schrijftafel gezeten is, voorover gebukt op een papier, dat nimmer schijnt vol te komen. Zijne anders zoo vlugge bevatting schijnt hem verlaten te hebben; het uiteenzetten van een denkbeeld, hem anders zoo licht, schijnt hem nu veel te kosten. Slechts van tijd tot tijd werpt hjj eenen blik op zijnen oom, die, hoe gloeiend en dreigend ook, door Karre alleen wordt opgemerkt; want Sixtus is te zeer verdiept in zijn berekenen van uitkomsten van verbintenissen, om veel op zijnen neef te letten, over wiens lauwheid hij ontevreden is.

ocr page 162

150

„Ten laatste,quot; begon de ridder, met eenen glimlach van genoegen, dien hij niet scheen meester te zijn, „moet ik nog mede-deelen, dat — minder uit aanmerking van mijne diensten, die zeker gering zijn, in evenredigheid van mijnen wil, dan wel als een bewijs hoezeer Hare Majesteit de wenschen van Uwe Hoogwaardigheid weet te eerbiedigen — mijne zeer waarde nicht. Lady Anna Oston (de Kardinaal hief het hoofd op) in het bezit harer goederen is hersteld, om daarover de vrije beschikking te hebben, zelfs bij hare afwezendheid uit Engeland; alleen wil Hare Majesteit dat het een geheim blijve.quot;

„Bravo, ridder! op mijn woord, uwe Koningin is eene feniks. Vergeet niet haar te zeggen, dat wij hier te Rome een einde gemaakt hebben aan dat heir van ongerijmde spotschriften, tegen haar gericht. — Het verheugt mij om de vrome Signora, die ons inderdaad zulke goede diensten bewijst, en die niet te veel heeft aan hetgeen wij voor haar hebben mogen doen.quot;

„Ik heb slechts ééne vrees. Het is mogelijk, dat haar kiesch gevoel schuwen zal, weldaden aan te nemen uit de hand, die zij uit plichtbesef meent te moeten verwenschen; en zoo zij ze ontvangen wil, dan zal de dankbaarheid haar de rol doen vergeten, die zij eenmaal met zooveel vuur heeft op zich genomen.quot;

„Dwaasheid, Cavaliero! dwaasheid. Hoe! zij zoude schatten afslaan? goud? dat kostbare cement, dat alles voegt en bjjeen-houdt, dat tot leven helpt, dat de lasten vermindert, dat het onmogelijke mogelijk maakt; neen, Karre! gij hebt uwe men-schenkennis verleerd, als gij meent, dat eene vrouw, die moeder is, goud zal afslaan. En wat het andere betreft, daar ligt waarheid in; en toch, het kan niet zjjn, het moet niet zijn, als hij onvoorzichtig werd afgebroken, die eenige draad, die ons vasthecht aan de Spaansche partij daar ginder, dan zoude er niet licht een punt gevonden worden, om dien weder aan te knoo-pen. Neen! neen! Anna moet hare verbintenissen in Engeland niet opgeven.quot;

ocr page 163

151

De ridder, die in zijn hart niets beters wenschte, hernam koel:

„Men kan Lady Oston niet dwingen.quot;

„Dwingen, neen! maar overreden, Montalto! Ah zoo, nu eerst geeft hij bewijs van leven.quot;

En inderdaad de oogen des jongelings, die straks nog dof stonden en glansloos, als sprak daaruit niet meer eene ziel, flikkerden nu eensklaps op, met helglorenden levensgloed; schichtig en scherp vlogen zij van den ridder naar zijnen oom, als wilde hij tot den geheimen zin doordringen van woorden, die hem raadsels waren; hij had zich een zesde zintuig willen scheppen om ze te kunnen vatten.

„Monsignore!quot; vervolgde Sixtus tot hem. „Anna Oston is eene vrome vrouw, die zeker door eene enkele vermaning van eenen geesteljjke beter zal overreed worden, dan door de dringendste welsprekendheid van eenen bloedverwant; zoo Anna weifelt om voort te gaan, moet gij onze bondgenoot worden, en waarlijk, ik weet niet waarom mijn neef dat niet reeds nu zijn zoude,quot; voegde hij er bij, tegen den Engelschman gewend.

Karre, wien het stuitte, zijne geliefde langer in die bemoeiingen eener bochtige staatkunde gewikkeld te zien, haalde de schouders op.

„Uwe Hoogwaardigheid was vroeger van een ander gevoelen.quot;

Doch Sixtus had dit antwoord niet afgewacht, om den jongen Montalto in te lichten over de wijze, waarop hij partij getrokken had van de geheel bijzondere betrekkingen zijner Engelsche gasten.

„Was ook Scipione daarmede bekend?quot; vroeg deze gejaagd.

„In waarheid, Mjjnheer! gij rekent zeer veel op onze langmoe-digheid, om ons zulk eene vraag te doen. Bjj het gebeente der Heilige Martelaren! wie zjjn wij, dat wij spionnen en sbirren tot onze vertrouwden zouden nemen ? Is het niet genoeg, dat wij ze noodig hebben ? is het niet genoeg, dat de ondeugden der menschen ze noodig maken, en moet uwe scherpe tong ons dat verwijt voor de voeten werpen, en zijt gij het dan, die ons dit

ocr page 164

152

zeggen moest ? Of hebben wij het u niet duizendmaal aangetoond, dat wij niet naar de hoogste macht gegrepen hebben als naar een nutteloos pronkkleed onzer ij delheid, maar als een krachtig zwaard tegen openlijke ongerechtigheid en verborgen zonden ? En meent gij dan, dat men een doel kan bereiken, zonder de middelen te gebruiken? En meent gij, dat in dit verpeste, eerlooze Rome, vol lichtschuwe ondeugden, vol heilig-schennende boosheid, die in het Jduister rondwroeten! in het Eome eindelijk, zooals ik het gevonden heb, andere dan lichtschuwe middelen te bezigen waren? Bij Chr...., knaap! ik had dit bewijs van uwe loszinnigheid en ondankbaarheid niet noodig om te weten, dat gij mij nooit de moeite beloonen zult, die ik mij voor uwe vorming gegeven heb; vermetele dwaas ! ben ik daarom tot u afgedaald, om u uit het stof op te heffen ? Maar ik zeg u, het is voorbij, het is afgedaan; zie voortaan toe op de verhouding tusschen ons, wij treden op onze hoogte terug, de Kardinaal denke beter aan den afstand, die hem van het Opperhoofd der Kerk scheidt; de onderdaan vergete den Vorst voortaan niet meer!quot;

Aan die taal, ernstig en deftig in den aanvang, driftig, hevig, en bijna laag bij het voortvaren, met strenge vorstenhoogheid bij het einde uitgesproken, en vergezeld van dat levendig Itali-aansch gebarenspel, dat veel beter paste bij de hartstochtelijkheid van Sixtus, dan bij zijne waardigheid, werd nog meer kracht bijgezet door zijn plotseling opstaan, door zijn luidruchtig terugschuiven van den armstoel, en door zijn onvoorzien vertrekken zonder gelegenheid te geven tot eenig antwoord.

Dat was ook een karaktertrek van den grooten Paus, die blinde lichtgeraaktheid bij kleinigheden, dat stormend voortwoeden in het spreken, zonder bij het punt van ongelijk te blijven, en dat kleinachtend beleedigen van doorluchtige personen, zonder eenig ontzien van hunne achtbaarheid of van de getuigen hunner vernedering. En voorzeker, die licht kwetsbare oploo-pendheid zelve eischt ons eenen tol van bewondering af, als wij

ocr page 165

153

teruggaan in het leven van dien man, die vijftien jaren lang zoo meesterlijk zoovele hartstochten wist te verbergen, die zoo geduldig, met onnavolgbaren deemoed, de vuigste behandeling droeg, en die met onverstoorbare kalmte het hoofd boog onder de ruwe beschimpingen van hen, die met hem gelijk stonden, van hen zelfs, die zijne minderen waren; toch droeg hij toenmaals het purper der Kerkvorsten, maar met het oog op de sleutels van Petrus !

Karre, die uit enkele grauwende wolkjes reeds dat onweer voorzien had, en die snel het hachelijke begreep van een nuttelooze derde te zijn bij zulk eenen twist, had zich met diplomatieke bescheidenheid naar den achtergrond der zaal begeven, verschikte iets op het buffet, en goot versch rozewater over eenen handdoek van fijn Vlaamsch damast, waarmede hij zich het voorhoofd verfrischte.

Eerst toen de tapijtdeur zich achter den vreeselijke gesloten had, spoedde hij zich naar den verongelijkten jongeling, die waarlijk in zijne vraag geen boos opzet gelegd had.

„Monsignore ! er zijn donderslagen, die niet verpletteren!quot; zeide hij met deelneming, „troost u, dat zal voorbij drijven! De geweldigste stortbuien zijn altijd de kortste; mag ik uwe Doorluchtigheid eenen beker Syracuser schenken ?quot;

Dan de Kardinaal maakte eene afwijzende beweging; hij had geen troost en geen Syracuser noodig, te nauwernood had hij de laatste schelle klanken des Pausen gehoord, begrepen had hij ze niet, slechts onzeker vermoedde hij, dat dit heengaan toorn was.

De eerste zinsneden hadden hem in eene vervoering van vreugde gebracht, zijn mond glimlachte, en zijne oogen zwommen in tranen van verrukking. Het werd hem eensklaps alles helder. De man, dien hij met hoogen eerbied aanbad, was nog achtenswaardig; en zijn weldoener — dat was zijn godsdienst, dat was zjjn geloof, dat was zijn heil; hij was zoo diep rampzalig geweest, toen hij aan dien weldoener twijfelen moest, hij was zoo gelukkig, dat hij weder in hem gelooven mocht. Hij wist nu

ocr page 166

154

ook, dat die vrouw onschuldig was, die vrouw, dat schoone beeld van reinheid en liefelijke kracht, dat zoozeer zijne belangstelling had opgewekt, in welke het hem zooveel moeite gekost had, een gevallen engel te zien. Scipione was ook niet schuldig, die had slechts vermoed, slechts verkeerd begrepen, slechts verstaan zoo als altijd een onrein hart verstaan moet. Er heerschte niets geene bitterheid, geene twijfeling meer in Alexander\'s ziel, slechts voelde hij zich nog gedrukt door het denkbeeld, dat hij twee deugd-zamen zoo zwart had verdacht, dat hij in zijn hart laster had gesproken tegen de onschuld, en toen hij zich met drift wilde nederwerpen aan de voeten jvan zijnen oom om vergiffenis te vragen voor den onuitgesproken argwaan, toen bemerkte hij eerst, dat deze niet meer daar was.

„Dan morgen,quot; sprak hij overluid tot zich zeiven, en drukte zonder er iets bij te voegen, den ridder de hand, die hem de gewone huisdeur uitliet.

Morgen kon het te laat zijn!

De Engelschman, ten hoogste bevreemd over het meer dan zonderlinge gedrag van den jongen kerkvorst had aan diens wensch, om spoedig van daar te gaan, bijna niet willen gehoor geven; hij had met vriendelijken drang aangeboden om hem te vergezellen; dan te vergeefs; Montalto wilde quot;alleen en te voet naar\'^zijne woning terugkeeren. De ridder echter mistrouwde die vreemde gemoedsstemming na het voorgevallene, hij vond iets verontrustends in die opgewondenheid; meer nog dan zijne verantwoordelijkheid ]voor den jeugdigen neef van|eenen machtigen Yorst, dien\' men niet in zulk een oogenblik aan zich zeiven konde overlaten, berekende zijne bezorgdheid voor den jongen vriend tot welke stappen een twintigjarigen Italiaan zich misschien in dit nachtelijk uur in hartstocht zoude laten vervoeren. Daarom volgde hij hem omzichtig op behoorlijken afstand, hoewel hij niet zonder moeite den vluggen tred van Peretti bjj hield.

Verheugd en bijna verwonderd zag hij dezen eindelijk stil-

ocr page 167

155

houden hij zijn eigen paleis, en het binnengaan, nadat de portier hem herkend had. Verder konde zich Karre\'s hoede niet uitstrekken, ook keerde hij terug. Nu, meer gerustgesteld en zonder eenige neiging tot slaap, doorliep hij langzaam, peinzende, als bij eene morgenwandeling, de straten van het groot-sehe Rome; hij liep, waar de Cesars, de Brutussen en de Cicero\'s geloopen hadden; maar zeker dacht hij niet aan die duizenden doorluchtige voeten, die dat aloud plaveisel hadden gedrukt: dan zeker had hij niet met ontwijdende stoutheid zijne schreden versneld of verhaast, naardat zijne luim het ingaf, dan hadde hij «erbied gehad voor die vergrijsde paden, en niet dan knielend ware hij voortgegaan, eenen zucht of eenen |groet schenkende aan elke grootsche herinnering, die aan eiken dezer steenen kleefde.

En toch was de nachtelijke tocht van den Engelschman niet zonder poëzie. De straten van Rome waren zoo veilig onder Six-tus, de nachtlucht van Rome was zoo liefelijk koel, na den mat-warmen dag, en zoo spiegelend blauw doorschijnend de hemel. Zij tintelden zoo helder aan dat azuur, die kleine .fonkelende juweelen, die sterren; zij wierp haar statig bleek zilverlicht zoo verkwistend henen over de grijze bouwvallen der oudheid, en de nieuwe wonderen der bouwkunst, zij, de liefelijke maan, door een fijngevoelend dichter, zoo oorspronkelijk bevallig, de beschei-dene geduldige genoemd, het was alsof zij, de troostende, nu dubbel hare hulde wilde brengen aan datgene, waarvan de men-schen de hulde vergaten; want het eerwaardig Capitool, want het grijze Coliseum, want het grootsche Forum, want de trotsche zegebogen, want de weidsche tempels met hunne zuilenrijen werden vergeten, verlaten en ontbloot, en verminkt zelfs voor het Vatikaan. En de St. Pieterskerk, de Christentempels en de Christenpaleizen verdrongen de tempels der Goden en de gulden Paleizen der Cesars, zooals alles zich verdringt op de aarde, zooals de Romeinen zeiven hunne broeders, de Sabynen, hadden weggedrongen uit hun erf, en het fijne marmer van Severus\'

ocr page 168

156

witten zegeboog werd een der bouwstoffen van St. Pieters top-gewelf, zooals eeuwen vroeger de weelderige legersprei van eenen Romeinschen wellusteling de naakte leden moest dekken van eenen Wandaalsehen plunderaar, zooals wellicht de St. Pieterskerk zelve, eeuwen na onze eeuw, weder hare bouwstoffen zal moeten leveren voor ik weet niet welken tempel, die boven haar zal worden opgericht. Gelukkige, die de Eeuwige Stad bewoont! Gelukkige, die eenmaal in de Eeuwige Stad geademd hebt; kan men te Rome wonen en een gewoon mensch zijn? kan men te Rome ademen en een gewoon mensch blijven? drinkt men er niet met iedere ademtocht zielsverheffing in en kan men klein zijn van geest, en ledig van hoofd, en koel van hart, als bij iederen blik de herinnering aan zoo krachtige eeuwen en aan menschen, die eeuwen waardig, aanschouwelijk wordt ? Antwoord mij niet, antwoord mij niet, zoo gij ontkennend antwoorden moet. Glimlach niet, rijke Brit! die er uitmuntend gegeten hebt voor uw goud; spot niet, vernuftige Franschman! die slechts daar geweest zijt om de kunst te huldigen; schud het hoofd niet, grijze Priester! die niets zien wilt dan de Madonna en de gebeenten der Heiligen, maar antwoordt gij mij, Dichters! die waarlijk Dichters zijt, al hebt gij nooit aan de taal de vleugelen der poëzie gegeven, al dacht gij er nooit aan, uwe gewaarwordingen in woorden te kleeden; maar die gevoeld hebt, o! zegt het mij, hoe heeft uw hart te Rome geklopt? En gij Romeinen van heden! roept mij niet binnen de muren van uwe stad, mijne verbeelding gloeit voor den roem van uwe aloudheid ; en zij zouden bevriezen, zelfs bjj de hitte van uwe zuiderzon, zoo ik u zag in geestelooze stompzinnigheid uw brood winnen en uwe kruisen slaan. Romeinen! Romeinen van heden! verheft toch eens eenmaal de borst, slaat toch eens eenmaal de oogen met fierheid rondom u, of kunt gij nooit weder Romeinen worden, zooals de Consuls ze hebben gekend?

ocr page 169

HOOFDSTUK XIII.

Bene teleurstelling en eene ontmoeting

Het waren echter zulke bespiegelingen niet, die Karre bezighielden; hij was genoeg een mensch van de werkelijkheid, om zelfs nu aan zijne eigene belangen te denken.

Eene enkele mededeeling uit den brief van het Engelsche Hof had Karre vergeten te doen. Op nieuw een bewijs, dat geene oprechtheid zoo oprecht is, en geen vertrouwen zoo vertrouwelijk, of men zoude in den eenen of anderen schuilhoek nog eene voorbehouding kunnen vinden.

De ridder was echter niet te beschuldigen, het gold zijnen dierbaarsten wensch, het gold een belang, dat niet alleen het zijne was, het gold zijne Anna. Elisabeth had hare toestemming gegeven tot zijn huwelijk met Lady Oston; zij was er zelfs mede ingenomen, dat hare beide onderdanen, zoo verschillend in denkwijze, zich zoo nauw zouden verbinden ; zij was te wel overtuigd van Lionel\'s trouw, om zich niet zeker te houden dat de vrouw, die haar eene tweede Margaretha Lambrun had kunnen worden, nu voortaan slechts een werktuig zoude zijn in de hand van haar schranderen dienaar. Doch zoo dacht deze niet. Het was zijn vast voornemen dat zijne echtgenoote hem zoude kennen in zijne ware gedaante, langzaam en met voorzichtigheid zou hij haar loswikkelen uit dat gevaarlijke weefsel van geheime

ocr page 170

158

verbintenissen. Dan, zoover was het nog niet, de ridder was-Anna\'s echtgenoot nog niet, en hij was meer dan ooit onzeker,, of hij het zoude worden. Hij twijfelde aan Anna\'s liefde, hij twijfelde aan zich zeiven, en toch had nooit eene vrouw zijnen glimlach onbeantwoord gelaten, en altijd had zijn oog overwonnen, waar hij overwinnen wilde, en nog nooit had zijne stem gevleid, zonder verhoord te zijn. Als zulk een man ophoudt te gelooven aan de liefde eener vrouw, dan moet er waarheid zijn in hare verkoeling; ook werd het den ridder eng en bang om het hart, toen hij aan de mogelijkheid eener weigering dacht. Het is door bijna elke ervaring bewezen, dat de vrees voor verlies een voorwerp tot hooger waarde doet rijzen; men hecht zich altijd sterker aan datgene wat ons ontsnappen kan, en zoo ook voelde Karre nu meer dan ooit den prikkel van den hartstocht. Hij had er de gunst van Sixtus en Elisabeth beiden voor willen geven, om zich in ditzelfde oogenblik aan Anna\'s voeten te kunnen werpen, om tot haar te mogen zeggen: „Ik heb u bedrogen; maar ik heb u altijd bemind! Vergiffenis!quot;

Dit konde niet zijn, hij wist het; toch wilde hij haar zoo-dicht naderen, als dit uur het toeliet. Het scheen hem, dat hij haar meer nabij zoude zijn, zoo hij slechts het geboomte zag, waaruit de koeltjes haar toewuifden, of waaruit een schelle vogel-toon haar een vriendelijk morgenlied toezong, of het gebladerte, welks wiegelend geritsel haar des ochtends zachtkens deed voortdroomen; hij meende voldaan te zullen zijn, zoo hij slechts de geuren indronk van de bloemen, die de lucht balsemden, welke haar omgaf. De wijngaard Peretti, dacht hem, moest bezield zijn van hare tegenwoordigheid, daar moest hij haar voelen tot in het gesuizel van elk zacht gedreven windje, en hij wendde zich schielijk heen naar den wijngaard Peretti; hij-zoude haar niet zien, maar hij zoude ten minste het recht hebben morgen tot haar te zeggen: Ik heb geluisterd naar uwen adem, ik heb u omgeven in uwen slaap.quot; Voorwaar, een Ita-

ocr page 171

159

liaan zoude zulk eene pelgrimaadje niet ondernomen hebben, zonder tenminste eene mandoline als talisman; doch Karre legde zoo weinig gemaaktheid in zijne hulde, dat hij aan geene-serenade dacht.

Langs de nieuw geplaveide straat voortgaande, die achter den lusthof van het paleis heenliep tot aan de baden van Diocletiaan, bevond hij zich juist aan die zijde, van waar hij Lady Oston\'s vertrekken zien konde. Hij drong zich dicht aan den muur, al starende op die licht getraliede vensterramen, met dat opgeruide verlangen, dat niet meer zacht wenschen is, maar een wild begeeren, een razend begeeren, dat met elke ademhaling verzengender wordt en onstuimiger. Daar waren in dien witgepleisterden ringmuur buiten de hoofdpoort verscheidene kleinere zijpoortjes, door de bewoners veelal gebruikt om heimelijk, langs korteren weg, het paleis te verlaten; een daarvan was Karre thans genaderd. Door eene, ik weet niet welke toevallige beweging, of liever door de zonderlinge onderzoekingszucht gedreven, die de menschen, en vooral verliefde menschen, die altijd op wonderen hopen, tot de ongerijmdste proefnemingen lust geeft, drukte de ridder met eene lichte poging, want hij geloofde eigenlijk niet aan een goed gevolg, tegen de deur, met ijzerwerk rijkelijk bezet, en o wonder! want een wonder moest het hem toeschijnen, zij opende zich met de langzame traagheid, harer zwaarte eigen. Zij kon niet werkelijk gesloten zijn geweest. Zonder aarzelen binnen te gaan, was eene daad, sneller dan de gedachte, en toch werktuigelijk verlicht. Daar klinkt hem uit eene duistere zijlaan, als een zacht fluisteren van menschenstemmen tegen, daar hoort hij den gebiedenden toon van een man, die zegt: „Zweer mij!quot; het overige is niet verstaanbaar, maar een bevend gelispel schijnt, dien eisch te bevredigen, want daarop spreekt de eerste stem een hartstochtelijk vaarwel, dat zeker nog met inniger beweging gepaard gaat; er ruischen lichte stappen over het voetpad,, iets blinkend wits, het gewaad eener vrouw, schijnt heen door

ocr page 172

160

het heestergewas en verliest zich in de eerste galerij, die naar Anna\'s vertrekken leidt. Te gelijkertijd sluipt eene mannenge-stalte stil en met groote schreden langs hem voorbij. In stomme verslagenheid ziet hij die gestalte zich dieper in den mantel wikkelen, de poort doorgaan en die sluiten; hij was zoo verpletterd, dat het hem niet eens inviel, haar te volgen. Het was hem als den ongelukkigen woestijnreiziger, die den mond naar eene frissche teug opent, en wien men gloeiend zand in de keel giet. Hij had gesmacht naar de liefde eener vrouw, en hij wist nu, dat die vrouw hare liefde had weggeschonken aan een ander; want dat was hem zekerheid, die vrouw was Anna, die man, voor wien zij eenen eed ten beste had, was haar minnaar. Hij kende het nu, dat geheim harer koelheid, en hij had het zich zeiven te wijten. Hij had de eerste kunnen zijn, hij wist, dat die vrouw hem eenmaal, te Eome nog, met het oog der liefde had aangezien; hij had toen eenen blik mogen slaan in den spiegel harer ziel, en hij had zich die niet ten nutte gemaakt. „Dwaas! Arme dwaas!quot; riep hij, zich in onzinnige wanhoop neder-werpende bij den gesloten uitgang, „vervloekte staatkunde! vervloekte eerzucht! vervloekte kuiperjjen!quot; En het was als wilde hij zich het voorhoofd verpletteren tegen het harde eikenhout. „Schijnwijze, die ik ben! liet ik niet het fijne goud door den voorbijganger opnemen, om slechts den koperen penning niet te verliezen? Wee mij! wee mij!quot; En hij verloor zich in die smart, die geene klanken vindt. Hij was gelijk aan den man, die met moeite eene antieke vaas heeft opgedolven, en die deze op eens in scherven aan zijne voeten ziet. Karre wist ook, dat zijn geluk in scherven lag, en hjj wist het, dat hij er slechts zich zeiven, zich zeiven alleen van beschuldigen kon. Dit deed zijne wanhoop klimmen; want dat is ook een troost in de bitterheid van de smart, iemand te vinden, dien men van zijn lijden kan beschuldigen. En kon hij haar beschuldigen, zijne Anna? was zij niet ten volle meesteresse harer

ocr page 173

161

daden? had hij ooit door een enkel woovd, of eene opheldering zijne aanspraken hernieuwd en een recht op haar verkregen? had zij niet veeleer overtuigd moeten worden van zijne onverschilligheid? moest zij het niet voor zeker houden, dat hij haar en zich zeiven voor ontslagen rekende? Dat waren overwegingen, die, hoe natuurlijk ook, thans niet bij den ridder opkwamen, doch waarmede later zijn verstand zijne onstuimigheid stilde en zijne spijt verdubbelde. Die schokkende slingering van aandoeningen, zoo ongewoon voor eenen man als deze, altijd gewoon zich te matigen en te beheerschen, bijna vreemd geworden aan de zwakheden van zijn hart, moest in zinsverbijstering of verdooving eindigen. De uitputting zijner lichaamskrachten en de overspanning zijner zenuwen werkten mede tot het laatste; hij viel in diepen slaap op het zachte mostapijt van den wijngaard. ............

Daar is zeker geen meer bedarende balsem voor iedere smart, dan die koesterende gevoelloosheid der zinnen, die is als de dood des lichaams. Zij is als de bedarende hand der kalmte, die over de bruisende baren onzer hartstochten heenstrijkt. Zij is als de verfrisschende waterteug, neêrgedroppeld op de lippen van den aêmechtige; zij is de weldadige tussehenpoos in eiken jammer; zij herstelt in haren dagelijkschen schijndood van zielsschokken, die doodelijk hadden moeten zijn, zij mengelt eenen zoeten ver-doovingsbalsem in den jammerkroes des lijdens, zij verfrischt, zij geeft kracht, zij verbetert, zij maakt het ondraagbare dragelijk; o! wie nog somtijds slapen kan in zijn ongeluk, kan niet volstrekt rampzalig zijn!

Vele uren lang was de ridder in haar bedarend gekozel gewiegd geweest, en de eerste stralen van de vroolijke morgenzon speelden reeds op den schitterenden robijnknoop van zijne barret. Toen hief hij zich op met eene schichtige beweging van schrik. Dat was omdat iemand zijnen sluimer gestoord had, omdat men

Engelschen te Rome enz. ^ ^

ocr page 174

162

zacht zijnen arm wegtrok van onder zijn hoofd, dat daarop gerust had. Het was eene bekende gestalte, die zich veroorloofde, de rust van den Engelschman te verstoren, en eene bekende taal ook, waarmede zij voortging hem tot de werkelijkheid terug te roepen, eene taal, die sinds lang niet zijne ooren getroffen had: zijne moedertaal.

„Waarom verlaat Sir Lionel Karre zijn eigen beschermend dak, om een dauwbed te zoeken op de heide, zooals de mannen van Wallace ?quot;

„Hugh Mac-O-Daut!quot; riep de ridder half verwonderd en half vragend.

Het was werkelijk Hugh, de trouwe Schot van Lady Oston, dien wij allen vergeten hebben, en die toch, zonder het te willen of te gissen, zulk eenen belangrijken invloed had uitgeoefend op de lotswending zijner meesteres. Zonder zijnen twist met de mannen van den Stadvoogd ware Scipione\'s tusschenkomst onnoo-dig geweest, ware het niet in dezen opgekomen, de schoone vreemdelinge met een weefsel van intrigues te omgeven, waarin zij, en anderen dan zij, zich verstrikken moesten, zoo niet een fakkel van boven hen voorlichtte, om ze te doorzien, of eigene zielskracht hun moed gaf, om ze te verbreken. Het is eene \'eeuwige wet, in de maatschappelijke wereld zoowel als in die dei-natuur, dat de geringe oorzaak leidt tot groote gevolgen; een paalworm knaagt aan eene zeewering, en eene landstreek wordt overstroomd, een muschje verliest de zaadkorrel, die zijn jong zou hebben gevoed, en een eikenwoud ontstaat, een Paus werpt den banvloek der kerk op eenen scheurmaker, en men heeft de Hervorming; zoo ging het en zoo zal het gaan, en daarom ook

wordt Hugh\'s claymore het wapen, dat.....dan wij willen ons

zei ven niet vooruitloopen; er zijn buitendien reeds genoeg lezeressen, die aan het eind naar de uitkomst hebben gezocht.

Op den uitroep des ridders; „Zendt zij u?quot; antwoordde Hugh, met eenige verwondering:

ocr page 175

163

„Wie zoude mij zenden? mijne Lady! hoe kon zij weten...?quot;

„Gij hebt gelijk, had zjj het kunnen weten, dat ik, ik zelf de getuige was geweest van .... van ....quot;

„Van wat. Sir?quot;

„Van een akelig nachtgezicht; doch weg, weg daarmede! ik wil gelooven, dat het niets was,quot; hernam Karre, zich over het voorhoofd wrijvende, als wilde hij het gebeurde uit zijn geheugen wegvagen. Daarop vatte hij met hartstochtelijkheid de hand van den Schot: „Ik wil waarheid, Hugh! ik wil overtuiging! Hoe leeft uwe Lady in dit huis, is zij vroolijk, is zij gelukkig, heeft zij eenen minnaar?quot;

„Een minnaar. Sir? Hoe komt gij op zoo lage verdenking? de moeder van Lady Oston was eene Schotsche, en eene dochter uit het huis der Lairds van Styrcase heeft geen minnaar, dan die haar gade wordt, en ... en ...quot;

„En gij herinnert u, dat ik het was, die eens haar verloofde heette, nietwaar?quot; hernam Karre bitter. „Gij, trouwe dienaar van haar huis, die ons te zaraen als kinderen zaagt spelen, als jonge lieden dweepen; zeg het mij, gij zijt de eenigste, wien ik die vraag zoude doen: — heeft uwe meesteres eenen geliefde, dien zij niet erkennen wil voor de wereld ? heeft zij eenen hartstocht, die het licht schuwt? Ik zoude niet zoo vragen, zoo ik niet gezien had: gezien, hoort gij ?quot; En hij deed hem een kort verhaal van zijn nachtelijk lijden.

Het was een zonderling verschijnsel, die geheimzinnige staatsman, zoo omzichtig en behoedzaam, die gewoon was de wacht te houden over ieder woord en over iederen glimlach, die nooit zijne hooggeboren vrienden liet lezen in het binnenste zijner ziel, plotseling zijn vertrouwen te zien schenken aan eenen eenvou-digen dienaar, die geene andere aanspraak had op dat vertrouwen, dan zijnen goeden wil. En toch, zij is zoo natuurlijk die behoefte van het menschelijk hart om zich te ontlasten in den boezem van een ander, om troost te hooren uit den mond van een

ocr page 176

164

ander, om eene zielskwelling toegestemd te zien, of wederlegd dooi\' een ander; zij is zoo geheel ineengeweven met onzen trek tot gezelligheid, en zoozeer een werkelijk gevoel van onze eigenliefde, dat ze den hoogste heeft samengevoegd met den laagste! Men heeft Vorsten gezien, die een harteleed verborgen voor hunne verwanten, en die troost zochten bij hunne hofnarren; men heeft den scherpzinnigsten geleerde zijne belangen zien blootleggen voor de oogen van den oppervlakkigsten mensch.

Dat was het, wat ook Karre bewoog.

„Gij kondt gelijk hebben. Sir?quot;\' sprak de Schot met langzame deftigheid het hoofd schuddende, toen de ridder geëindigd had. „Die verwijfde lucht van dit dwaze Italië, waarover nooit een sombere nevel drijft, zooals in ons Schotland, kon wel alle vrouwen gelijk maken. Eene vrouw is een ijdel en gebrekkig vat, en Lady Oston, St. Patrick vergeve het mij! is eene vrouw, hoewel er Schotsch bloed door hare aderen stroomt en van het beste; maar dan toch altijd eene vrouw, en wie verzekert ons, dat ook zij niet kan omkeeren als een reigerveder in den wind! En werkelijk, nu ik er aan denk, herinner ik mjj voor eenige dagen hare stem gehoord te hebben in het lusthuisje van Mevrouw Camilla, en er was toen eene mannenstem, die haar antwoordde. Ach! zeker heeft de vleitaal van eenen Italiaan haar betooverd. Dat die vcrwenschte laaglanders mijnen plaid aangapen, om mijn goed Engelsch lachen, en mij nawijzen als zij slechts eenen strik van mijn voetschoeisel zien; en dat zij mij mijnen goeden claymore hebben afgenomen, dat alles wil ik hun vergeven, als het dan zijn moet: maar als zij mij mijne Lady verleiden tot daden, die het licht schuwen, dan, zoo waar ik Hugh Mac-O-Daunt heet, dan zal men van mijns vaders zoon hooren spreken. Vertrouw op mij, Sir! gij zult ten minste weten wie u verdringt; dan kunt gij zelf handelen zooals u goed dunkt, ik zal u nauwkeurig rekenschap geven van alles, wat hier omgaat; de arend van het gebergte ziet niet scherper dan ik, als ik een

ocr page 177

165

geheim weten wil, en de looze Margaret, die zeker in het vertrouwen van de Lady deelt, en die ook al veranderd is, sedert zij Romeinschen grond onder de voeten heeft, zal vroeg moeten

opstaan, om mij.....maar waarlijk, ik vergeet geheel waarom

ik zoo vroeg ben opgestaan.quot;

„En ik, dat mijne tegenwoordigheid hier, op zulk een uur, ten minste vreemd moet schijnen,quot; hervatte de ridder, die, nu hij zijn angst had uitgestort, ^eder geheel zich zelf werd, „weet gij niet een middel, om mij onopgemerkt den wijngaard te doen verlaten, Hugh?quot;

„Niets is gemakkelijker. Sir! Ik visch somtijds in het kanaaltje, dat links af den wijngaard omgeeft. God gave, dat het de Clyde ware! Het bootje van den opzichter der tuinen is altijd tot mijn dienst. Ik had juist heden aan zijne dochter visch beloofd, daarom was ik met den dageraad wakker; wees slechts zoo goed mij te volgen. Heer! ik zal u aan den oever brengen, op eene plaats, van waar gij gemakkelijk uwe woning bereiken kunt.quot;

„Ik volg u, Hugh! en houdt gij ook uw woord omtrent Lady Oston, dan wil ik uwe diensten betalen met iets beters dan goud, met mijne vriendschap.quot;

ocr page 178

- g)

-ïT

-£l

i ggniMiaiiiBiiriiniirigEEjnaiaiafeiiieiaiisiiiniiiiiiisiji

^,,; u ij \'i

i B!i®i@®i®i@iMi@i®i@iia@iaiffii0iiiiaaiiaiiiiiiiiiiiiiai

n-

HOOFDSTlfK XIV.

Eene verzoening en eene onverzoenlijkheid.

„Anna Oston! gij, die den God van liefde zoo oprecht aanbidt,

hebt gij genoeg christelijke liefde om eenen beleediger te vergeven ?quot;

Zoo stoorde eene welluidend ernstige stem de Engelsche schoone in haar aandachtig ochtendgebed, toen zij, nedergeknield **

voor haar elpen Christusbeeld, op hare wijze haren God vereerde.

De naklank van die stem trilde voort tot in het binnenste harer ziel. Zij zag om, het was de Kardinaal Montalto. Anna stond schielijk op; zij moest tegen haar bidgestoelte leunen, om staande te kunnen blijven, zoo sidderden hare knieën. Het eenige gesprek, dat zij met dien man gehad had, was ook zoo kwetsend scherp en zoo verguizend bitter geweest, dat zij niet dan met huivering aan een hernieuwd samenzijn dacht, en toch lag er zoo iets ernstig deemoedigs in die woorden, en zooveel aandoenlijke oprechtheid in zijne zachte stem, dat de Lady in zoete ontroering hare oogen niet durfde opslaan naar die van £

haren bezoeker. En inderdaad, hunne gebiedende uitdrukking was door een stillen weemoed getemperd, en in geheel zijne houding lag iets neêrgedrukts, iets verslagens, dat zelfs eenen hardvochtigen vijand tot vergeven zoude bewogen hebben. En Anna was noch hardvochtig, noch de vijandin van haren belee-

ocr page 179

167

diger. Ook sprak zij met eene zachte, bevende stem, terwijl zij hem naar eenen armstoel heen wees: „Uwe Doorluchtigheid wil dus nü gelooven, dat zij mij onrecht deed?quot;

En hij antwoordde snel met de hartstochtelijkheid van den Italiaan en van den jongeling: „Onrecht! o Mylady! ik zal geen geluk kennen op deze wereld, en geene rust in de andere, zoo gij mij dit onrecht niet vergeven kunt. Mjjn mond heeft n niet gevloekt, maar mijn hart heeft u gelasterd. Afschuwelijke dwaas, die ik was! liever te gelooven aan de ongerijmdste aller opvattingen, dan aan de heilige onschuld van uw oog, liever gehoor te geven aan de influisteringen van eenen dwalenden lasteraar, dan aan de reine deugd, die van uw voorhoofd mij tegenblonk. En toch, ik heb lang gekampt, eer ik de luide stem van mijnen argwaan voor waarheid hield, en ik heb veel geleden. O schenk mij vergiffenis, om der wille van wat ik geleden heb.quot;

Maar zij zweeg, zij was te sterk getroffen, zij kon niet antwoorden.

„O spreek! spreek!quot; riep hij dringender, „welke vergoeding wilt gij ? Zal ik, knielend voor het altaai-, het purper van mijnen rang ter zijde leggende, openlijk herroepen ....quot;

„Herroepen! wat niet uitgesproken is geworden,quot; viel zij schielijk in, „neen Monsignore! om Gods wil niets openlijks, niets, dat zoo plechtig klinkt, ik behoef geene andere vergoeding, dan de zekerheid, dat gij mij niet meer wantrouwt.quot;

En zij reikte hem met al de kalmte, die zij in hare macht had, de hand der verzoening.

„Neen, op mijne knieën!quot; riep hij, zich onstuimig voor haar nederwerpende, „Anna! zachtmoedige engel! leer ook dat vergeten, dat ik u heb kunnen wantrouwen,quot; en met drift hare hand vattende, drukte hij daarop kussen, die voor teekenen van verzoening veel te vurig waren. Lady Oston was geen zestienjarig meisje, dat in bedwelming nederzinkt -bij de eerste aanraking van den hartstocht; ook zeide zij met een zweem van vastheid:

ocr page 180

168

„Niet alzoo, Monsignore! dit is niet de plaats, die u voegt,quot; en toen zij hem te vergeefs trachtte op te richten, voegde zij er meer weifelend bjj: „Ik smeek het u, Montalto! uw berouw ontzet mij evenzeer als uwe beleediging.quot;

„Ik zal bedaard zijn, Anna! ik zal het,quot; sprak hij opstaande; „maar hoor mij, ik heb n nog iets beters af te smeeken dan uwe vergiffenis. Ik vraag u uwe vriendschap; als een onverschillige kan ik u niet zien. Gij zult het weten, dat ik diep voel, hoeveel ik heb goed te maken; Anna! wilt gij niet mijne vriendin zijn, mag ik niet uw vriend heeten ?quot;

Vriendschap! gevaarlijk woord, waaronder zich zooveel verbergt, zooveel warm gevoel, zooveel valsch gevoel, een zoo schijn-gevoel. Vriendschap, dat is een zoo rein woord, een zoo onschuldig woord, een zoo zedig woord, zoo gemakkelijk geuit en zoo gerust aangehoord. Vriendschap, dat kan ook een verraderlijk woord zijn. De vriendschap, dat is zoo schoon een sluier, waarmede zich het ongeoorloofde omkleedt; de vriendschap, dat is een zoo misleidend masker, dat zij, die haar offers brengen, vaak zich zei ven vergissen in het beeld, dat zij bewierooken. En dan is het te laat helderzien doodelijk!

Ook Anna vergiste zich, zij dacht ook slechts aan de reine zonzijde van het woord. Zij blikte niet neder in den afgrond, dien het voor hare voeten opende; maar zij zag slechts de bloem, die haar daaroverheen werd toegereikt; en zij was zwak genoeg, om daarnaar te grijpen. En waarom zoude zij ook niet een weinig vriendschap schenken aan den jongeling, die haar dit afsmeekte met blikken en houding, dringender nog dan zijne stem? Hij was sedert lang de eerste, die haar met de taal van het hart te gemoet kwam; zij had behoefte aan zachte gewaarwordingen; zij had behoefte aan den troost van begrepen te worden; zij moest haar aanvullen, de diepe teleurstelling en de ledigheid, die Karre\'s verflauwing in haar hart had achtergelaten. Zij voelde zich sterk en groot, de arme, zij voelde zich

ocr page 181

169

goed en rein, en zij begreep niet, dat de vriendschap een scherp tweesnijdend zwaard is, dat een gevaarlijk speeltuig konde worden in de hand van eenen hartstoehtelijken jongeling en van eene jonge dweepende vrouw. Zij liet toe, dat men de vonk daarheen wierp in het stroo, en zij bedacht niet, dat de wachters slapen konden, terwijl het daar smeulde, om bij hun ontwaken met schrik te staren op eene lichtelaaie vlam. Er was toch veel ernst en veel matiging in het woord, waarmede zij zijne bede toegaf; zooveel ernst en zooveel matiging zelfs, dat ze beiden meer kalm op de oorzaken van het eerste misverstand konden terugkomen. Hij spaarde haar echter eene optelling van Scipione\'s lage lasteringen, zij konden haar slechts verbitteren en grieven; toch ontviel hem de vraag, waarom zij in het eerst elke bekendheid met dien man had ontkend ?

Zij maakte hem duidelijk, waarom zij niet vrij over den geheimzinnigen jongman had mogen spreken, en wie haar het stilzwijgen had opgelegd. „O! die hatelijke, kronkelende staatkunde, die altijd liever omwegen neemt, dan het rechte pad, die nooit het gelaat toont en altijd het masker, zonder er aan te denken, hoe onberekenbaar vele de gevolgen kunnen zijn van hare verwikkelingen, en welke deugdzamen en welke een-voudigen zij door haren maalstroom in den draaikolk helpt!quot; riep de Kardinaal uit, „Scipione\'s boosaardigheid is zeker zonder verschooning; maar hij moest zich vergissen in uwe betrekking tot mijn oom;.___ hoe konde hij ook denken dat alleen

staatkundig belang. . .

„O! dat was de hand der Voorzienigheid,quot; viel Anna met vuur in, „die mij, reeds den eersten avond van mijne aankomst, in Zijne Heiligheid den werkzamen beschermer mijner partij deed vinden; o! zeker, des Hemels zegen rust op de goede zaak, ook mijn neef Karre leeft slechts om haar te ondersteunen.quot;

Montalto zag voor zich neder en zweeg. Hij voelde zich niet

ocr page 182

170

in staat haar nu de mededeelingen te doen, die de Paus hem had opgedragen. Dat wilde hij aan Karre overlaten; hij wilde haar niet bedriegen, liever wilde hij haar een wenk geven, die haar ten minste behoedzaam zou maken. Hij hervatte:

„Nu wij van den ridder spreken, moet ik u zeggen, dat gij een bezoek van hem te wachten hebt, hij heeft u iets voor te stellen; maar ik raad u voorzichtigheid, de ridder is niet geheel, wat hij schijnt, en Eome heeft andere belangen, dan die van hare Katholieke kinderen in Engeland alleen.quot;

„Hoe moet ik dit verstaan?quot; vroeg zij verwonderd.

„Als mijn eersten vriendenraad,quot; hernam hij hare hand vattende, ,duidelijker mag ik niet spreken, en ik heb reeds te veel gezegd voor den neef van Rome\'s opperheer. En nu gij mijne vriendin wilt zijn, moet gij ook deelen in mijne geheime onrust. Gisteren in den nacht had ik eene samenkomst met Zijne Heiligheid; in \'t verlangen, om van uwe onschuld zeker te zijn, ontsnapte mij eene voorbarige vraag, die hoog werd opgenomen; wij hebben nog geene verklaring gehad, en toch, ik wil mij daarmede haasten, want zoo licht stelt zich een vijand tusschen het berouw en de verzoening. Nu het leven mij schooner is geworden, zoude iedere nevel, die het bewolkte, mij onwelkom zijn.quot;

Juist, mijn vriend! ga, ga spoedig; gij zult mij immers mede-deelen hoe gij geslaagd zijt?quot;

„O zeker, en ik zal uwen beleediger daar ginder niet vergeten. Scipione zal zjjne straf niet ontgaan.quot;

„O! ik bid u, Montalto! laat dat niet zijn; laat ons onzen schuldenaren vergeven. De vijand, dien men kent, is niet meer gevaarlijk; en de lasteraar, die ontmaskerd werd, is niet meer te vreezen. Beloof het mij, Alexander! het is mijne eerste bede, verschoon den ongelukkige; Zijne Heiligheid is verschrikkelijk i-asch in zijne rechtvaardigheid, en niet om de gansche wereld wilde ik het bloed van een mensch om mijnentwil gestort zien. Belooft gij het mij, dat gij van hem zwijgen zult?quot;

ocr page 183

171

„Gij hebt slechts te lispelen, dat gij geene wraak wenscht, edele Anna; maar uwe roerende goedheid voor eenen ellendeling, die haar niet verdient, geeft u eene nieuwe aanspraak op mijne diepe hoogachting,quot; en snel eenen prachtigen ring van zijnen vinger nemende, trachtte hij dien aan den haren te schuiven; zij weerde het af. „Wilt gij dan geene gedachtenis aan dit uur?quot; vroeg hij, smeekend en teleurgesteld. „Neemt gij dezen ring niet als eene zichtbare herinnering aan uwe edele vergiffenis.quot;

„Ja, ik neem hein,quot; zeide toen Anna, „om daarbij veel te denken aan de grootmoedige zelfvernedering van eenen Prins der kerk.quot;

„Gedenk mij liefst als uwen vriend. Mag ik u spoedig wederzien?quot; hernam hij, zich buigende om hare hand te kussen, die hij aan zijn hart drukte. Zij antwoordde niet; maar haar zwijgen en haar blik hielden eene toestemming in. En toen hij zich langzaam verwijderd had, viel zij in haren armstoel neder, nam weder den ring van haren vinger, en wierp dien met drift van zich terwijl ze uitriep: „Vriendschap! o God laat mij niet zwak zijn!quot;

Het was nog niet laat in den ochtend, toen de Kardinaal van zijn vluchtig, doch veelbeslissend bezoek in het paleis Peretti terugkeerde. Geheele drommen van hooge geestelijken en wereldlijken verdrongen zich in zijne voorzaal. Op den Kardinaalneef, dat was van oudsher de gewoonte, viel altijd een deel der hulde terug, welke den Opperheer van Rome omgaf; en deze volgde dan ook den jeugdigen Montalto, ofschoon hij minder dan een van zijne voorgangers de willekeurige uitdeeler was der Pauselijke gunsten.

De hulde der menschen aan de macht en den invloed, zij is de getrouwste en onwankelbaarste van alle vereeringen. Het zijn geene oordeelkundige menschenkenners, die haar wuft en onstandvastig noemen, omdat zij zich soms van den eenen naar den anderen wendt. Wat is dat anders dan een bewijs barer

ocr page 184

172

trouw? Zoo zij dit niet deed, zoude zij den persoon huldigen, en niet de macht, die hij vertegenwoordigt. Zij alleen, die dat uit het oog verloren, klagen over de weifel baarheid der menigte, die toch niets anders is, dan een standvastig aankleven van een beginsel. Zij bevond zich dus nog bijéén de foule d\'en bas en de foule (Ven hauf, zooals Rousseau zegt, in het paleis van den jongen kerkvorst, ofschoon het uur reeds voorbij was, waarop deze de gewoonte had, haar zijn aangezicht te toonen. Zij wacht zoo gaarne de menigte, zij is zoo geduldig de menigte, als zij op het welbehagen van eenen machtige wacht, als maar haar eigenbelang goede rekening vindt bij dat wachten.

Maar Alexander Peretti was heden niet in de stemming om ze toe te lachen, die laag trotsche en trotsch lage wezens, om een vriendelijk oog te werpen op al die vleiende, kruipende, nijdige, baatzuchtige aangezichten, en om welwillend neder te zien op die verwaande, opgeblazene, hoogmoedige gestalten, die zich zoo klein wisten te maken voor hem; ook gaf hij ze allen snel en verstrooid hun afscheid. En zij ging uiteen de menigte, mismoedig, droevig en gebukt, doch niet morrend; zij buigt het hoofd zoo gaarne neder, zij kruipt zoo gaarne die menigte, omdat zij weet, hoe de mensch, die zich in zijne volle lengte verheft, en die zich opwaarts richt, bijna altjjd te groot is, om door de muizenholen te gaan, die tot de fortuin leiden, en te kortzichtig, om de glinsterende glaskorrels, die de eerzucht zoekt, uit het slijk op te rapen.

vSt. Marcus zij geloofd, dat uwe Eminentie ze wegzond,quot; sprak Ottavi, toen hij met zijnen meester alleen was, „hier is iets, dat misschien spoed vereischt.quot;

En hij overreikte hem eene perkamenten rol met den vis-schersring, in gewoon zegel was afgedrukt. „Het moet van het Apostolisch Kabinet zijn,quot; ging hij voort met een bezorgd gelaat.

Zonder te antwoorden, verbrak Peretti de zegels; bij het lezen verbleekte hij zichtbaar.

ocr page 185

173

„Laat terstond inspannen, Signore! ik moet daar ginder heen.quot;

„Is dat de uitkomst van uw nachtelijk bezoek op het Vati-kaan, Doorluchtige Heer? dan wensehte ik liever, dat ik er mijn oude hoofd aan gegeven had.quot;

„Stel u gerust,quot; hernam de Kardinaal met eenen zachten glimlach doch met eene stem, die weifelde. „Het is niets, volstrekt niets, een woord zonder bedoeling, een onbeduidende twist; ik ga vergiffenis vragen want ik heb misschien ongelijk. Zijne Heiligheid is snel in het uitvoeren eener bedreiging. Lees,quot; en hij gaf den grijsaard de rol.

Het was eene herroeping van verscheidene vrijheden, door den jongen neef des Pausen, boven andere leden van het H. Collegie genoten, niet noemenswaardige kleinigheden, doch die het gedwongene van den geestelijken stand te Eome onder Six-tus matigden, en wier gemis dien meer drukkend maakten.

Het was eene geljjkstelling met de anderen; het was als een voorbode van verlorene gunst; het was de eerste dof ratelende slag van een dreigend onweder, dat niet te spoedig kon worden afgeleid; ook begrepen de kardinaal en Ottavi beiden daarvan de noodzakelijkheid zóó wel, dat geen hunner een noodeloos woord ter vertraging spilde. De oude man volgde zwijgend, doch met een bezorgd oog den jongeling, die zich haastig in zijne staatsiekoets wierp, welke daarop zoo snel als vier vlugge paarden haar voorttrekken konden, langs Rome\'s straten voortrolde. En menige arme zag met smeekend vragende blikken opwaarts naar het sierlijk vergulde gevaarte, en menig diep behoeftige klopte het hart vroolijker, als hij het zag naderen ; zij wisten ook, dat zich daarin niet de koele Leviet bewoog, die hunne armoede niet zien wilde; of de trotsche Priester, die hunne behoefte niet gevoelen kon, maar de liefdadige Vorst der Kerk, die het oog immer op hunnen nood wendde, om er in te voorzien; die bij de weldaad niet angstvallig afwoog, of de beweldadigde haar wel recht waardig mocht zijn; maar

ocr page 186

174

die gaf, zooals de groote Meester het voorschrijft, niet met de hand eens rechters, maar met die des broeders. Ditmaal echter was de Kardinaal te diep verzonken in een ernstig nadenken over eigene belangen, en zeer in onrust over de gevolgen, die een onbedacht woord konde na zich slepen, en nog veel te weinig beraden op de wijze, hoe die af te wenden, en nog te veel peinzende op een woord of eene zinsnede, die verzoening konde brengen, om anders dan met verstrooiing op de smeekende en juichende menigte neder te zien. Ook wierp hij zijn goud onder hen, zonder dien deelnemenden blik van medegevoel daarbij te voegen, die eerst de weldaad waarde geeft. De vader der armen had heden geenen glimlach voor zijne zonen. En hoevele brandende blikken van smachtende begeerlijkheid werden ook niet op deze koets geworpen, en hoe menige verzuchting naar een dergelijk maatschappelijk welzijn drong zich bij het zien daarvan niet te voren uit menige ijdele borst, en menige vurige wensch straalde daarbij uit veler fonkelend oog, dat slechts staarde op het blinkende geluk des Kardinaals, en niet verder zag dan het gouden snijwerk van zijn voertuig en het weelderig purper van zijn plechtgewaad. Hadden zij het kunnen weten die benijders, welk eenen last van jammer, van vernedering, van onrust, van grievend zielelijden, die jongeling met een lachend gelaat zoude te torschen hebben, en hoe duister die zonneschijn was, waaraan hun schemerend oog zich blind zag, en hoe weinig de zonnegloed der vreugde, die borst verwarmde, die toch door zijde en fluweel werd bedekt; hoe zou hunne gloeiende verbeeldingskracht, bij deze werkelijkheid, tot kil ijs gestold zijn. Gij allen, menschen! wie gij ook zjjn moogt, benijdt niet wat gij niet kent.

Met eene onrustige huivering, die hij zich zeiven loochenen wilde, trad Montalto ditmaal in de gewone voorzaal. Hij had wel de vrijheid, onaangemeld bij zijnen oom binnen te gaan; heden echter vond hij het geraden, zich te laten aandienen.

ocr page 187

175

Daar waren vele hovelingen en hooge geestelijken in de voorzaal; daar waren er zelfs onder, die nog dien eigen ochtend den jongen Kardinaal hunne hulde hadden gebracht, gelijk zij die thans gingen brengen aan eene hoogere macht dan de zijne. Daar waren vele aanzienlijke vreemdelingen. Prinsen en Graven uit alle oorden van Europa daarheen gestroomd, tegen het naderend Paaschfeest, en die eerst den afzonderlijken zegen gingen afsmeeken van den algemeenen Vader der Katholieke Kerk. Daar was ook de Spaansche gezant Don Olivarez, zoo vaak door Sixtus beleedigd, en die beleediging altijd zoo noode verkroppende.

De Kardinaal Aldobrandini, die daar ook was, had tegelijk met \'s Pausen neef kennis laten geven, dat hij op de bevelen van Zijne Heiligheid wachtte.

Zwijgend en in zich zeiven gekeerd, zonder een woord te richten tot zijne medebroeders, die zich rondom hem verdrongen, verbreidde de jonge Kardinaal, met een buitengewoon ongeduld en in zekere spanning, de komst van den Kamerheer-Ceremo-niemeester, die hem zoude binnenleiden. Eindelijk kwam deze, doch met eene zonderlinge bedremmeling op het gelaat en in de houding; hij gaf in half uitgesprokene woorden, wier gezochtheid van zijne verlegenheid getuigde, te kennen, dat de Kardinaal Montalto niet ontvangen konde worden.

De jonge prins liet zich het woord nogmaals herhalen. Dat woord, hoe zacht ook uitgesproken, klonk eensklaps als door eene echo rond; want waren het de tongen niet, die het herhaalden, toch las ieders blik het op de bleeke, trillende lippen des jongelings, in zijne gestalte, die zich als verpletterd ineenboog, op de verbijsterde, strakke, verbaasde, onnoozele, getroffene, of zegepralende trekken, van wie hem het naaste omgaven.

„Word ik toegelaten?quot; vroeg Aldrobrandini haastig.

De Kamerheer boog zich toestemmend.

ocr page 188

176

„Dan moet er eene vergissing zijn.quot; De Kamerheer haalde de schouders op, en maakte daarbij die veelzeggende beweging met de hand, die aanduidt, dat men meer weet, dan men uiten wil.

„Ik moet dit misverstand uit den weg ruimen,quot; hernam weêr de andere Kerkvorst, en zich tot Peretti wendende:

„Broeder! vergun mij een woord te spreken in uwe zaak,quot; daarop volgde hij den Ceremoniemeester in het Pauselijk Kabinet.

Dat weigerend antwoord was ook daar niet niet goedkeuring aangehoord geworden.

De Kardinaal Castagne, een der achtenswaardigsten van het H. Collegie, in wien Sixtus een groot vertrouwen stelde, en dien hij later als zijnen opvolger aanwees, bevond zich bij den Paus, toen diens jeugdigen neef werd aangediend. Die kennelijke stap tot verzoening na een zoo licht vergrijp had, zoo niet den Vorst met den onderdaan, ten minste den oom met den neef moeten bevredigen; maar het stroeve, weinig toegevende, niet fijn voelende gemoed des Pausen liet zich zoo licht niet bevredigen. Hij was misschien des te onbuigzamer, naar mate de andere zich dieper boog. Een kort: „Wij willen den Kardinaal Montalto niet zien,\'\' was zijn stroef antwoord.

De Kamerheer, ontsteld over dezen vreemden ommekeer, zonder eenige bekende reden tot onmin tusschen de bloedverwanten, bleef aarzelend staan, eene herroeping van dit bevel afwachtende.

„Uwe Heiligheid bedenke toch, dat zij hare bloedverwant daar eene openlijke vernedering aandoet, ten aanzien van zoovele vreemdelingen en Vorsten, eene vernedering, die zich niet weder zoo spoedig laat vergoeden,quot; sprak Castagna ernstig.

„Dat is het juist, wat wij bedoelen. Mijnheer; ootmoed is ook eene deugd. Die jonge man heeft sedert eenigen tijd aanmatigingen, welke het goed is eenmaal ten toon te stellen;

ocr page 189

177

eene kleine vernedering is zeer dienstig tegen den zelfverhef-fenden hoogmoed van zijne jaren en zijn karakter.quot;

„Heiligste Vader! dat is geene kleine vernedering, dat is eene zware, grievende krenking; eene krenking, die gansch Rome weten zal, die luid zal klinken door alle Vorstenstaten van Europa, die den Kardinaal-neef eene prooi zal doen zijn, waaraan zich de snapzucht van alle Romeinen zal verzaden; men zal alle mogelijke gevallen onderstellen, die aanleiding kunnen gegeven hebben tot eene zoo openlijke gramschap; men zal hem de boosaardigste verdenkingen niet sparen, de schuwe achterdocht zal haar slangenhoofd opsteken. De laster ____elke zonde ...

„Wij hebben uwe voorlichting nog niet gevraagd, Doorluchtig-ste! en wij vinden goed, zoo te handelen,quot; viel Sixtus hem droog en koel in de rede, en tot den Kamerheer sprak hij:

„Gij hebt u te veel opgehouden. Mijnheer! ons antwoord was duidelijk.quot;

„En Monsignore Aldobrandini ?quot; stamelde deze.

„Zal welkom zijn, ga.quot;

„Dit verdubbelt de grieve, Heer!quot; hervatte weder Castagna, die met moed voor den jeugdigen ambtgenoot pleitte; doch Sixtus zweeg, en slechts zijn blik legde hem het stilzwjjgen op.

Toen kwam Aldobrandini, de man van zijn vertrouwen, de man van zijn hart, zooals hjj zich eens had uitgedrukt, dien hij als de allerwaardigste, met verzaking van elke familiegunst, tot Opperpenitentiaris der Kerk verheven had.

„Het kan uw wil niet zijn. Heilige Vader!quot; sprak hij ernstig, „uwen jongen neef zoo onverhoeds te verpletteren. Het woord, dat hem heden uit uw oog verdrijft, kan, mag niet onherroepelijk zijn. Het moet wel eene opzienbarende fout wezen, die verdient zoo openlijk bestraft te worden, die de eer van eenen Peretti zoo op het spel zet.quot; —

„De eer van mijn geslacht zal daarbij niet lijden, dat een zijner leden leere inzien, hoe licht het ons valt hem te ontberen.quot;

EDgelschcn te Rome enz.

ocr page 190

178

„Het zal niet noodig zijn, ouder de aandacht van uwe scherpzinnigheid te brengen, hoe onberekenbaar vele ze zijn kunnen, die treurige gevolgen van ééne enkele diepe krenking in de jaren der licht ontvlambare jeugd. Antonio\'s zoon is fijnvoelend op het punt van eer, hij heeft al de kwetsbare lichtgeraaktheid van zijnen landaard, en sta mij toe het te zeggen, van zijn geslacht; — om zijnent, om uwent wil zelfs. Heer! breng hem niet tot wanhoop, men kan niet weten tot welke stappen . ..

„Stappen .... wanhoop! lichtgeraaktheid, dwaasheden! Wij hebben vroeger wel iets anders te verdragen gehad; stappen? welke stappen zou de jongen ....quot; morde Sixtus half overluid in zich zeiven; toen de stem met ernst en hoogheid verheffende, zeide hij tot Aldobrandini:

„Monsignore! zoo de Kardinaal Montalto u tot zijne pleitbezorger heeft uitverkoren, zeg hem dan nu, dat ik hem niet zien wil, heden niet, morgen niet, en nimmer op eenen door hem gekozen tjjd; zeg hem, dat hij zich naar zijn paleis begeve, en wachte tot wij hem aan onze voeten terugroepen.quot;

„Mijn Heer! dat is zijne Doorluchtigheid tot het uiterste brengen, ik waarborg niet....quot;

„En laat hem bij zijne stappen deze waarschuwing in overweging nemen, dat hij voortaan bij ons op niets meer te rekenen heeft, dan op eene rechtvaardigheid, die blind is. Monsignor Castagna! wij zijn gestoord geworden in onzen arbeid,quot; en zonder de doorluchtige voorspraak van zijnen neef nog met éénen blik te verwaardigen, hervatte de onverzettelijke met vastheid de missive, die hij Castagna in de pen gaf.

Aldobrandini moest zich met dit antwoord verwijderen. Hij. vond den Kardinaal-neef in een hoek der ontzaggelijk groote zaal alleen, geheel alleen, en zoo verlaten, als ware hij reeds-gevallen geweest. In de meest verzachtende bewoordingen deelde hij hem zijne hoogst kiesche boodschap mede. Toch kon hij hem de waarheid niet verheelen. De gelaatskleur des Kardinaals wis-

ocr page 191

179

selde af van een doodehjk bleek tot een gloeiend rood, zijne oogen bliksemden van verbeten toorn, de aderen zwollen hem op het voorhoofd als gespannen boogpezen. „Hij verjaagt mij dus,quot; sprak hij, toen Aldobrandini geëindigd had, en nog voordat er een antwoord volgen konde, voegde hij er bij, met eene stem, die een weêrklank was van de bruisende drift in zijn binnenste: „Ik kom niet terug!quot; en ijlings, voordat iemand er aan denken konde, hem te weêrhouden, snelde hij de zaal uit, de fresco-galerijen langs, de trotsche portico\'s door, eenen der breede marmertrappen af, en stortte zich in zijn rijtuig, zijne lieden alleen toei-oepende: „Voort, haastig voort!quot;

Die onbedachte uitdrukking van bitterheid ; ik kom niet terug,quot; was niet weggestorven als een flauwe noodkreet in den stormwind. Twee mannen hadden haar opgevangen: Olivarez en Scipione. Wij weten niet hoe het kwam, dat zij beiden juist toen eenen blik van verstandhouding wisselden, noch ook waarom Scipione juist daar was, maar wij weten wel, dat hij veelmalen in de voorzalen van het Vatikaan ronddoolde, en dat zijne ooren daar menig woord opvingen, dat later in de binnenvertrekken werd herhaald.

ocr page 192

\'AAR j^yj. A \'A K )\\ j\\ ^quot;\'S ^ -y1- A AAA A AA \'A /gt;\'_

HOOFDSTUK XV.

Laetitia.

Alexander Peretti in zijn paleis teruggekomen, wierp den eersten Kamerjonker, die hem in het oog viel, zijnen hoed toe, dien prachtigen purperhoed! duizenden hadden er zeker naar willen grijpen.

„Een paard, Saffiro! eene andere kleeding! niets wat mij mijnen stand herinnert, schielijk! wees niet zoo onverdragelijk langzaam! geef hier die barret, eenen degen! ik wil eenen degen! de rijzweep hier! weg nu! niemand heeft mij te volgen!quot;

En na die deftige bevelen, bijna even spoedig gehoorzaamd als gegeven, zag men den jongen Kardinaal gekleed, of liever vermomd in een prachtig riddergewaad, met éénen sprong zijn vurig Arabisch rijpaard bestijgen, dat men voorgebracht had op eene binnenplaats van zijn huis. Hij rukte de teugels uit de hand van den stalmeester, en draafde eene zijpoort uit, in razen-den galop, voort, altoos voort, blijkbaar zonder bepaald doel of bestemming.

Hij wilde alleen alles van zich verwijderen, wat betrekking had op zijnen stand en op zijnen machtigen beleediger. Daarom ook rende hij weg uit Rome; de wereldstad was hem te klein; Sixtus ademde daar. Wij moeten het erkennen, er bestond eene gelukkige overeenstemming tusschen ruiter en ros; de een wilde

ocr page 193

181

rusteloos verder, en de andere verlangde niets beters dan voort te draven zonder rusten. Het was schoon, dat moedige tweetal zoo in ijlenden galop te zien voortrijden, langs den linkeroever van den Tiber. Dat snuivende, schuimende, brieschende ros, dat de manen schudde en den staart opstak van toomlooze wildheid en dat nooit de vier slanke pooten te gelijk op den grond zette, met dien hoogst bevalligen jongeling, wiens vlugge gestalte bij de overspannen lichaamsbeweging nog meer uitkwam ; met die vlammende oogen en die gloeiende wangen, en die sterk sprekende trekken, die dat ros, ondanks al zijn vuur, immer nog sneller voortzweepte, en die het zelfs de sporen niet spaarde. Het moest een volmaakt ruiter zijn, die evenveel stoutheid bezat als spierkracht, om zulk eenen rid met zulk een beest te durven wagen en te kunnen volhouden; het moest roekelooze vermetelheid zijn en waanzin, die aan geen gevaar dacht; of zelfbewuste kracht, die het durfde trotseeren. Maar de Kardinaal dacht niet, hij wilde niet denken. Hij had alleen afleiding gezocht bij sterke inspanning, en hij was geslaagd, hij vond verdooving, duizeling, vermoeienis, uitputting. Een brandende dorst verschroeide hem de keel, de eischen van het lichaam roepen altijd het best tot de werkelijkheid terug; de jongeling zag rondom zich naar eene plaats, waar men hem eene verfrisschende teug zoude willen toereiken. Niet ver van daar, dicht aan den oever der rivier lag niet eene sierlijke villa, maar eene armelijke landwoning; hij nam zich voor, daar af te stappen; maar toen hij de kleine beweging links af wilde maken, werd zijn Arabier eensklaps schichtig, steigerde, en wilde niet voort, het dier weigerde de gewone gehoorzaamheid aan gebit en sporen, en alleen de behendigheid van den rijder hield dezen in den zadel. Het moest iets ongewoons zijn, wat dit dier zoo plotseling in zijne vaart stuitte. Het was iets, dat de Kardinaal had kunnen voorzien, zoo hij meer oplettend geweest ware op het omringende. Een meisje, dat eenen muilezel bij den toom voortleidde, kwam

ocr page 194

182

van de tegenovergestelde zijde recht op hem toe. Zij was hem nu genaderd; men kent den instinktmatigen angst der paarden voor deze hunne bastaardsoort. Hoe vermoeid ook, Peretti zag zich genoodzaakt af te stijgen. „Mijn kind! wees zoo goed uw lastdier zijwaarts af te brengen, mijn paard is schichtig en wil niet verder,quot; riep hij het meisje toe.

Een schelle, wilde kreet was het eenige antwoord, dat men hem schonk, zonder dat daarbij de gevraagde beweging volbracht werd. Montalto was niet in eene luim om bij tegenstribbeling lijdzaam te zijn. Hij greep zijnen Arabier met kracht bij den teugel, en rukte hem met geweld ter zijde, tot bij eenen boomstam, waar hij hem vastbond. Toen naderde hij den muilezel, om zelf dien hinderpaal uit den weg te ruimen. Dat ging zoo gemakkelijk niet; het meisje sloeg hare armen om den hals van het dier, en het kussende met eene verrukking, als ware het een geliefde of een bruidegom, riep zjj met eene stem, die, hoe hol en heesch ook, eenmaal welluidend moest geklonken hebben: „Neen! gij zult hem niet wegnemen, hem niet; het is onze laatste, het was Francesco\'s lieveling,quot; daarop tot het beest: „Chisi! zij willen ons scheiden, wilt gij mij ook verlaten, zooals hij ons verlaten heeft ?quot; En nu plotseling nedervalllende aan de voeten van Montalto, smeekte zij zacht klagende: „Heer! ontferm u, ontneem mjj Chisi niet, de Heiligen zullen u er voor zegenen, onze Lieve Vrouw van Loretto zal vriendelijk op u nederzien, en haar kindje zal u toelachen, als gij der arme Laetitia haar eenigen troost niet ontneemt.quot;

„Goed kind!quot; antwoordde de jongeling met hare verbijstering bewogen, „het is waarlijk mijn voornemen niet u uwen eigendom te ontnemen, ik verzoek u alleen het een weinig uit mijnen weg te leiden, en ik wil u behulpzaam zijn,quot; en hij wilde haar oprichten. Dat was niet noodig; schielijk sprong zij op, en in de handen klappende, als viel haar iets vroolijks in, hervatte zij weder: „Neen, ik houd hem terug, neen, ik geef

ocr page 195

183

hem niet over, ja! dat is ook een middel om bij Francesco te komen; gij zult mij ook ophangen, niet waar? Doet hangen zeer, vriend? ja! want Francesco heeft geweend, bloedige tranen heeft hij geweend, en hij was toch moedig. Arme Francesco! o, kon ik ook schreien,quot; en werkelijk aan hare oogen, die droog stonden en hol, scheen voor altijd de verlichting der tranen ontzegd. Montalto ziende, dat op dit beneveld verstand, woorden geen den minsten invloed hadden, wilde niet langer bij haar aandringen, en verder gaande, vroeg hij haar: „Is dat ginds uwe woning?quot; — Zij knikte. „Kan ik daar rusten?quot; — Weder dezelfde beweging. „Zijn daar nog andere lieden?quot; — „Mijne moeder en Paolo, mijne vader.quot; — „Wilt gij mij bij hen brengen?quot; Zij was hem inmiddels meer vertrouwelijk genaderd. „Ja, als gij mij dat geeft.quot; — Zij wees op den blinkenden gesp van zijnen degenband. — „Gij zult dat hebben.quot; Vogelvlug wipte zij op den muilezel; de Kardinaal volgde haar, in drie minuten stonden zij voor de woning. Hier zoude wel iemand zijn, die zijn verlaten ros verzorgen konde. Hij trad binnen. Wij moeten nog eerst zijne zonderlinge geleidster meer van nabij beschouwen.

Zelfs zonder hare vreemde handelwijze en hare onsamenhangende volzinnen, was hai\'e verstandsverbijstering licht te raden uit de schril starende oogen en strakke, geestelooze trekken. Toch was dat gelaat schoon geweest, en die oogen hadden geflonkerd. Zij was nog in den eersten lentebloei der jeugd, en uit hare volle, ronde vormen sprak eene vaste gezondheid. Zij was klein, en had die donkere tint, die van den invloed des zuider-zonnegloeds getuigt. Hare kleeding was haveloos, hare fraai gevormde beenen alleen door den korten rok bedekt, en hare kleine voeten ongeschoeid. Toch scheen de vrouwelijke ijdel-heid ook in haar niet dood te zijn: om hare lange zwarte lokken te sieren, had zij al hare pogingen vereenigd. Zij had ze doorvlochten met zilverlint en bonte strikken. Toch was het

ocr page 196

184

opmerkelijk, dat ze hier en daar zilvergrijs waren. Zulk eene zielsziekte bij zooveel lichaamsbloei, zulke sporen van veroudering in zulk eene teedere jeugd, eene zoo sterke krenking van den geest in de beste jaren der geestesontwikkeling, moest wel door eene akelige schokkende gebeurtenis veroorzaakt zijn, waarvan haar verzwakt geheugen, met ziekelijke vasthoudendheid, nog enkele herinneringen bewaarde Op eenen muilezel en op eenen naam speelden nog maar alleen hare gedachten. Toen de ouders van Laetitia eenen rijk gekleeden ridder hunne hut zagen binnenkomen, gingen zij hem te gemoet, niet met die slaafache onderdanigheid, waarmede de toenmalige Eomeinen der lage volksklasse gewoon waren hunne meesters te naderen, maar met eene norschheid en eenen argwaan, als wilden zij eenen vermetelen indringer weren.

„Goede lieden! ik deed eenen vermoeienden tocht, ik versmacht van dorst, gunt mij te rusten en geeft mij eene enkele teug waters, ik wil die met goud betalen,quot; sprak Montalto vriendelijk, doch met de drift der behoefte, die voldaan wil zijn.

„We willen eenen edelman niet weigeren, wat wij eenen bedelmonnik zouden schenken; maar uw goud behoeven wij niet;quot; hernam de vrouw met eene hoogheid in de houding, die niet van hare kaste was.

„Zooals gij wilt, maar om \'s Hemels wil geef; want.... want ik kan niet meer,quot; werkelijk viel de jongeling, afgemat en machteloos van ontbering en sterke inspanning, half bezwijmend op een bank neder.

Dit bewoog den man. „De arme Signore heeft waarachtig hulp noodig, Beata! kom, brengt iets tot verkwikking.quot;

„Ik ga, Paolo! en toch kon het beter zijn den verkleumden schorpioen niet te koesteren; als hij bijkomt, kan hij wonden.quot;

„Voort, Vrouw! gij bezondigt u met die felle verbittering te voeden.quot;

Inmiddels trachtte Paolo den vreemdeling bij te brengen.

ocr page 197

185

Hij besprenkelde zijne lippen met het sap van eenen oranjeappel, en reeds deze lichte lafenis verkwikte den aamechtige. Beata bracht daarop eene kruik eigen bereiden landwijn, en eenige vruchten; en het duurde niet lang, of de jongeling, die van beide zonder plichtplegingen gebruik gemaakt had, was genoeg tot zich zeiven gekomen, om aan zijn geliefd paard te denken. Paolo bood aan, naar het dier om te zien, en het in zijne schuur te stallen.

Laetitia had haren muilezel reeds ver van daar gebracht om te grazen. Vrouw Beata bleef nu met hare dochter en haren opgedrongen gast alleen. Laetitia drong zich dicht aan den laatste, en bedelde met kinderlijke begeerlijkheid om het sieraad, dat haar weder in de oogen schitterde. Montalto gaf het haar. Met een luiden vreugdekreet ijlde zij er mede weg. „Een bevallig kind,quot; sprak hjj, haar meewarig naziende.

Dit scheen de moeder zachter te stemmen. „Een ongelukkig kind, Signore!\'\' hernam zij, „zij mist het beste deel van haar zelve. En toch, zij zoude het schoonste meisje van den Borghetto kunnen heeten, en nu misschien reeds eene gelukkige bruid zijn; want zij is niet zöö geboren. Onze lieve Heer heeft niet gewild, dat zij zoo zijn zoude.quot;

„Beklagenswaardige moeder! en door welk toeval?\'\'

„Dat hebben de menschen gedaan,quot; hervatte zij, terwijl hare donkere oogen fonkelden, en haar bruin, vermagerd gelaat eene vreeselijke uitdrukking van haat aannam. „Mijn krankzinnig kind is een toonbeeld van de rechtvaardigheid en barmhartigheid van hem, dien ze den Heiligen Vader noemen.quot;

Montalto rilde, als werd hij door een ijsbad overstort; dat woord riep op eens al hetgeen hem geschokt had, in het geheugen terug.

„Onverzettelijk harde!quot; riep hij uit, „waarom klaagt men over u, tot in de hutten der armoede toe.quot;

De vrouw had die overeenstemming niet verwacht.

ocr page 198

186

En gij, haat gij hem ook?\'\' vroeg zij.

„Zijne beleediging dreef mij uit Eorae.quot;

„O, wij zijn vrienden!\'\' riep zij hartstochtelijk, en opstaande, vatte zij zijne handen in de hare, en drukte ze met vuur. „Gij ;zult Laetitia\'s geschiedenis kennen. Als Paolo hier was, zou ik ■niet mogen spreken, maar nu, nu wil ik mijne klachten niet verzwijgen, en mijne verwenschingen niet versmoren. Gij zjjt geen verrader en buitendien wat zegt mij de gramschap van dien machtige, hij heeft tegen mij geene macht meer, hij kan niets ■dan mij dooden, en dat zou verlichting zijn, luister: Francesco van Florence was onze voedsterzoon, een kind ons toevertrouwd; de leden van zijn huis waren allen mijne weldoeners, ook was hij mij meer dan een kind. Mijne Laetitia heb ik lief; maar voor Francesco heb ik duizende zorgen gedragen, heb ik gevaren doorgestaan, hem heb ik het eerst liefgehad. De voorzichtigheid noodzaakte ons, hem in onzen staat op te voeden, toch hebben wij al aan hem gedaan, wat in onze macht was. Ik zelve heb hem lezen geleerd. Gij hadt hem des avonds moeten hooren als hij de mandoline bespeelde, en daarbij zong voor mijne Laetitia, somtijds stanza\'s van onze dichters, somtijds van zich welven; want hij bezat de liefelijke gave der dichtkunst. Gij hadt hem moeten zien, toen hij zestien jaren oud was, den zachten, blonden jongeling; want hij was blond, ofschoon zijne oogen bruin waren en flonkerden, hij was rank en tenger als een adellijk Heer, en tevens moedig als een krachtvol ridder. Hij was ook van eene geboorte, die ridders en adellijken zich niet behoefden te schamen. Mijne Laetitia, behoef ik het u te zeggen, beminde den schoonen jongeling, eerst als eenen broeder, daarna als eenen geliefde. Ik had hem heimelijk tot haren bruidegom bestemd; dat had haar hoog gemaakt in de wereld, en zij zoude gelukkig geweest zijn: want hij was vroom en zacht, en hij was braaf en eerde God en de Heiligen, en de Kerk en hare dienaars. Zij allen hebben hem daarnaar niet vergolden?quot;

ocr page 199

187

„Vrouw! vrouw! laster het heilige niet, omdat de raenschen boos zijn. Is de vergelding dan reeds hier?quot;

„Neen, daar is eene andere rechtvaardigheid dan hier beneden. Mijn Francesco heeft het nu wel. Aan zielmissen ten minste zal het hem niet ontbreken. Wij zouden liever hongeren, dan ze hem te onthouden.quot;

„Uw pleegzoon stierf dus?

„Aan eene galg, Signore! Het schreit tot den Hemel, gerechtelijk vermoord, nog voor zijn zeventiende jaar.quot;

En de vrouw wrong krampachtig de handen en haar gelaat werd akelig bleek.

„Afgrijselijk! ongelukkige vrouw! en hij heette Francesco van Florence, hij was dus die beklagenswaardige jongeling, die ondanks den machtigsten voorspraak, zoo snel en zoo onmenschelijk streng gestraft werd voor een geringen misslag.\'\'

„Een misslag, Signore! ware het een misslag geweest, ik zoude berusten, maar het was eene vergissing, eene vergissing van de gerechtsdienaars. Om eene vergissing van anderen werd ons het kind uit de armen gerukt; om eene vergissing moest een onschuldig minderjarige eenen schandeljjken dood sterven! Den muilezel, dien de dienaren van den Stadvoogd hem met geweld ontrukten, en dien hij niet gewillig geven wilde, omdat het de onze was, hielden zij voor dien van Paolo Tascini, onzen buurman, die zijnen schuldeischers niet had willen betalen. Ons beest graasde op zijne weide, die wij gepacht hadden. Dat was het; het kind streed moedig voor ons belang, omdat het wist, dat het onrecht was; maar zij wilden niet eens naar hem luisteren, de ruwaards; toen verweerde hij zich, zij overweldigden hem, wij zagen hem geboeid heensiepen, en wij zagen daarna niets meer van hem dan zijn verwrongen lijk. Wij waren naar Rome gegaan om nog eenen laatsten stap voor hem te wagen. Wij wilden den Paus ons arm kind toonen, dat bezweek van droefheid ; wee ons! te laat, toen wij de St. Angeloquot;s-brug opkwamen.

ocr page 200

188

stroomden ons de volksgroepen te gemoet, die haar verlieten: de terechtstelling was volbracht, ons pleegkind hing reeds levenloos tusschen de kettingen van eene galg! Laetitia heeft het gezien; sedert dien tijd is zij krankzinnig. Zij heeft alleen nog slechts een geheugen voor alles, wat op Francesco betrekking heeft.quot; Beata schreide niet, toen zij geëindigd had, maar hare wangen gloeiden en hare lippen waren bleek.

,0! dat is afschuwelijk,quot; riep do Kardinaal hartstochtelijk, „de grijsaard, die bet leven reeds zoolang genoten heeft, had ten minste den knaap moeten sparen, die het nauwelijks intrad.quot;

„Sparen Signore? O! hij heeft gespot met zijne jeugd, toen de Stadvoogd zelf, op aandringen van den Kardinaal de Medicis, hem voor oogen hield, dat men Francesco niet kon ter dood brengen, omdat hij den ouderdom nog niet had, die bij de wet werd vereischt, toen antwoordde de onverbiddelijk wreede: „Als er geen andere zwarigheid is dan die der jaren, laat hem dan gerust sterven, wij zullen hem tien van de onze geven.quot;

„O! ik weet het, hij is zonder mededoogen en zonder gevoel; hij heeft geen hart, zelf niet voor zijne ... Snel weerhield de jongeling het onvoorzichtige woord, dat hem ontvallen ging, en om hare aandacht af te leiden, vroeg hij, Beata scherp aanziende : „Hoe was het u mogelijk, vrouw! zulke doorluchtige voorspraken in uw belang te winnen?quot;\'

„Was mijn pleegzoon geen Florentijn? moesten de Grooten van Florence het kind van hunnen medeburger niet beschermen?

En daarenboven een edel Heer, onze weldoener en zijn bloedverwant, wist hun medelijden op te wekken. Wij arme landlieden hadden hen zeker niet kunnen naderen.quot;

„Gij noemt u arme landlieden, en toch is er iets in uwe spraak en denkwijze, dat niet de laaggeborene verraadt.quot;

„De grootouders van Francesco zorgden voor mijne opvoeding; in hun huis groeide ik op, zijne moeder was mijne meesteres, bijna mijne zuster. Nu prijs ik haar zalig, dat zij onder

ocr page 201

189

hare rampen bezweken is, en niet heeft gezien, wat mijne oogen zien moesten. Arme Honorina!quot;

„Het ware beter, dat gij dien naam in het hart droegt en niet op de lippen,quot; klonk plotseling eene scherpe stem achter haar; want zij zat met den rug naar de huisdeur toegewend.

Beata richtte zich verschrikt op en verbleekte. Montalto zag verbaasd om; de stem had hem getroffen. Hij had zich niet bedrogen, het was Scipione.

Wij weten niet wie van deze drie menschen het meest verlegen was en verwonderd, toen zij zich bijeen zagen. Scipione, die den Kardinaal had herkend, de Kardinaal, die van afschuw terugbeefde bij het zien van den man, dien hij als de eerste oorzaak beschouwde van al zijne tegenwoordige kwellingen en onrust, of vrouw Beata, toen zij uit hunne blikken eene soort van bekendschap tusschen hare bezoekers opmerkte.

Alles om zich heen vergetende, riep de Kardinaal driftig uit, terwijl zijne stem sidderde: „Eampzalige lasteraar! gij zijt de oorzaak ....quot;

Scipione liet hem niet uitspreken; hij naderde hem snel, doch met eerbied: „Ik geef het uwe Eminentie in bedenking, of het niet zaak is, hier uw incognito te bewaren. Niemand zal u verraden, zoo gij u zeiven niet verraadt,quot; fluisterde hij hem toe.

De Kardinaal zweeg, eenigszins beschaamd over zijne over-ijling.

Vrouw Beata wilde tusschen beiden komen: „Signor Mal-daveto! deze edelman wenschte hier te rusten en zich te ver-frisschen. Paolo en ik meenden het hem niet te moeten weigeren; het is een medelijdend Heer, die deel neemt in het ongeluk mijner Laetitia.quot;

„En zijne deelneming was een welkom voorwendsel voor uwe snapachtigheid, is het niet zoo?quot; was zijn scherp antwoord.

„Eene snapster. Heer! ik, de Heilige Maagd is mijne getuige.

ocr page 202

190

dat ik het niet ben, maar er zijn smarten, die zich willen uiten.quot;

„En die onvoorzichtig maken, dat zie ik; gij hadt echter eenen minder edelmoedigen vertrouweling kunnen treifen, dan deze edelman, die mij alleen miskent door een ongelukkig misverstand, dat zich ophelderen zal.quot; En tot Peretti gewend, voer hij voort: „Edele Heer! deze beklagenswaardige vrouw is bitter geworden in het ongeluk. Hare klachten randen soms het Heiligste aan, in har#toomelooze droefheid. Indien zij iets gezegd heeft...

„O!quot; hernam Beata met eenen glimlach, „gij kent waarlijk dezen Signore niet, zoo gij meent, dat een vrij woord over eenen wreeden dwingeland hem beleedigen kan. Hij zelf stemt met mij in, en ik weet niet waarom. ...quot;

„Beata! ga zien waar Paolo blijft,quot; viel Maldaveto haar gebiedend in de rede.

En zoodra zij hen verlaten had, plaatste zich Scipione dicht voor Montalto, en hem scherp aanziende, zeide hij half vragend, half bevestigend: „Uwe Doorluchtigheid heeft Lady Oston gesproken?quot; — „Hoe weet gij dit?quot; vroeg Peretti, eenigszins in verwarring. — „Uit uw hard woord bij mijn binnentreden, Eminentie!quot;

„Gij erkent dus, dat het op u is toe te passen.quot;

„Ten deele. Edele Heer! Ik heb veel schuld; maar zal uwe Doorluchtigheid mij veroordeelen, zonder hooren?quot;

„Om zoo te handelen, zoude ik mijnen zeer Heiligen oom gelijk moeten zijn,quot; hernam de Kardinaal met bitterheid.

„Heeft uwe Eminentie te Rome een plekje, waar twee mensehen onbespied spreken kunnen?quot;

„Mi^n paleis.quot;

„Vergeef mij, Monsignore! dat is niet veilig.quot;

„Den wijngaard Peretti.quot; —

„Eene kleine hofhouding, waar men niets te doen heeft, dan elkanders gangen na te sporen. Evenmin geschikt, Monsignore!quot;

ocr page 203

191

„Mijne eigene kapel in de Basilica St. Maria Maggiore?quot;

„Wil uwe Eminentie mij daar hooren?quot;

„Dezen avond, na de vesper.quot;

„Zal de sakristijn mij toelaten ?quot;

„Hij zal bevel hebben, dengene toegang te geven, die het woord la Chiave uitspreekt.quot;

„Zoude Lady Oston te bewegen zijn, ook daar te komen ?quot;

„Waartoe zij?quot;

„In haar belang! de diepbeleedigde heeft recht mijne biecht te hooren. Ook kan hare vergiffenis alleen mij rust schenken.quot;\'

„Dan weet ik, dat ze komen zal.quot;

„Mag ik uwe Eminentie een raad geven

„Welken?quot; —

„Dien van spoedig naar Rome terug te keeren. Uwe afwezend-heid kon opgemerkt worden, en dat zou in deze oogenblikken niet goed zijn.quot;

„Gij hebt gelijk; ik vertrek.quot;

Spoedig daarop kwam Paolo terug met zijne vrouw, die Lae-titia opgezocht had. Het had den landman moeite gekost, het vurige dier naar zijne stalling te leiden. Nu echter waren ruiter en paard weder tot zich zeiven gekomen, en Montalto besteeg het op nieuw. Bij het afscheid drukte hij Beata zijne beurs in de hand, met de woorden: „Gij moogt haar niet afslaan, het zijn zielmissen voor Francesco.quot;

ocr page 204

HOOFDSTUK XVL

Een steek van de wesp.

quot;Wij hebben reeds eenmaal in het voorbijgaan melding gemaakt van het slecht gemeubelde voorvertrek van den ridder Karre; daar moeten wij nu den Engelschman weder opzoeken. Het is avond, zijne kamer is weinig verlicht. Hij zit in eenen wijden, lederen armstoel, zijne kleeding is eenigszins veronachtzaamd. Zijn hoofd rust op de linkerhand, zijn gelaat drukt eene wereld van onaangename gewaarwordingen uit. Hij is zeer bleek, en zijn oog, anders zoo schrander en schitterend, is dof en moedeloos. Hugh Mac-o-Daunt staat voor hem, met zijnen onbewege-lijken ernst en zijne deftigheid, maar niet minder verslagen dan de ridder zelf.

„Uwe Edelheid heeft dus besloten niet te gaan?quot;

„De kieschheid verbiedt het mij, Hugh!quot;

„En als uwe Edelheid nu misschien een groot onheil voorkomen kan?quot;

„Mag ik mij daarom indringen in de geheimen van haar, op wier vertrouwen ik, helaas! geen recht meer heb?quot;

„Zijt gij dan niet haar landgenoot, Sir! haar natuurlijke beschermer in dit oord der vreemdelingschap, en als gij dan meent niets beters voor haar te kunnen zijn, blijft gij dan niet altijd haar neef, haar bloedverwant?quot; —

ocr page 205

193

„En indien het nu niet de Kardinaal ware ?quot; —

„Niet de Kardinaal? En heb ik hem dan zelf niet moeten binnenlaten, en meent gij, dat hij mij toeliet hem aan te dienen? Hij wist wel, dat hij welkom zoude zijn; en hebben zij niet een uur lang zoo vertrouwelijk met elkander gesproken, dat ik van ongeduld heen en weêr trappelde in de galerij, omdat ik niets van hun verwenscht Italiaansch verstond, dan dat woord aniici-zia, dat hij met zooveel drift uitsprak? En heb ik zelf dan niet dat briefje aangenomen uit de hand van zijne paadje Saffiro, dat kleine, gele, zwartoogige apenkind, dat mij in het gezicht uitlachte, omdat ik eenen plaid draag en geenen mantel? En heb ik, dan nu niet bevel haar naar de kerk te volgen, waarvan hij de Aartspriester is? En als dit niet alles glasheldere waarheid was, zoude ik uwer Edelheid dan voorstellen, met mij te gaan, om ooggetuige te zjjn van hunne samenkomst, om misschien veel kwaads te verhoeden?quot;

„Ik ga dan, Hugh! Heilige Franciscus! wie had kunnen denken, dat ik om Anna Oston zulk eenen stap zoude moeten doen!quot;

„Ja, Heer! Als men te maken heeft met Italianen en met vrouwen, kan men nooit iets vooruit zien.quot;.......

Het toon eel, waar wij nu den lezer heenvoeren, is eene dei-talrijke bjjkapellen van de rijkste der vier Basilica\'s van Rome; de kerk van St. Maria Maggiore. Die zijkapel is bestemd tot afzonderlijk gebruik van den Kardinaal-Aartspriester, en door dezen, naar zijnen titel, Sancta Jeronimo genoemd.

De inrichting van die kapel, hoewel slechts een gedeelte van het schoone geheel, is in de volkomenste overeenstemming met de verblindend prachtige hoofdkerk zelve. Het witte marmer der ranke Jonische zuilen schittert ook daar, bij het flikkerend glanzen van talrijke waskaarsen op veelarmige zilveren kande-

Knjrclschen te Rome enz. 1 ^

ocr page 206

194

laars en lichtkronen. Ook daar prijkt het altaar met kunstvol mozaïkwerk en kostbaar misgereedschap van Benvenuto\'s kunstige hand. Ook daar flonkert het monstranskastje van veelkleurig edelgesteente; ook daar brengen de meesterstukken van Italie\'s eerste schilders het oog van kunstkenner en vrome beiden in verrukking; ook daar kan men nederknielen voor standbeelden aan wier heerlijke vormen de beitel van Michaël An-gelo de zuiverste ronding gaf; ook daar ziet men proeven van die nooit weêr bereikte kunst der middeleeuwen, die het vaste hout wist uit te snijden tot de fijnheid van draadwerk; daar ook glinsteren kerksieraden van lazuursteen en vreemde marmersoorten; daar ook wisselen draperiën van goudstof en zware zijde het kille steen der kerkwanden luisterrijk af; ook daar zijn verhevene zittingen van puperfluweel, met breed borduursel; ook daar zijn de trappen des altaars met fijn tapijtwerk belegd. Op dit uur echter, waarvan wij verhalen, was de glans van dat alles omneveld. De meest kostbare sieraden waren ter zijde gesteld, of achter sombere behangels verborgen; het purper had plaats gemaakt voor het violet, de romvkleur der kerk; alleen enkele spaarzame lichten voor [de beelden van sommige Heiligen wierpen eene flauwe schemering in het deftige gebouw; want het was in de laatste dagen der vasten, in de heilige week, waarin de Kerk in statigen rouw de laatste, schrikkelijke levensdagen van haren goddelijken Stichter herdacht, waarin Rome zich, in afgetrokkene stilte, als voorbereidde tot de sombere graftonen van den Goeden Vrijdag, de week, waarin zich in de gansche, grootsche Christenstad geen toon hooren liet, dan die van boete- en klaaggezang, en waarin Rome, als eene weeklagende dochter Sions, een groot zwart lijkfloers om zich henen toog. Twee menschen treden te gelijk den dorpel der kapel op, een man en eene vrouw; de man tikt driemaal zacht tegen de zware deur van eikenhout. Zij wordt geopend. vLa Chiave,quot; lispelde zacht de

ocr page 207

195

stem eener vrouw, die men laat voorgaan. „La (Jhiavequot; spreekt met slechte uitspraak Hugh Mac-o-Daunt dien men toelaat. „ La Uhiavequot; fluistert zeer zacht, maar duidelijk een ander man, die hem volgt, en die zich achter een der zuilen van den voorgang verbergt.

„Ik bid u, Hugh! ga niet van mij heen, zoolang ik alleen ben,quot; spreekt Anna tot haren dienaar. „Het is mij zoo angstig, alsof datgene, wat ik ondernomen heb, verraad ware.\'\'

„De Heilige Patrick geve, dat het niets ergers zij !quot; mompelde Hugh binnensmonds.

Anna heeft in eenen der koorstoelen plaats genomen; zij houdt de handen gevouwen. Het is toch nu geene Heilige tot wie zij bidt, zij is slechts verzonken in een diep gepeins. Wat kan het zjjn, dat Montalto haar met zooveel geheimzinnigheid zeggen moet, waarom moest Scipione juist op eene gewijde plaats hare vergiffenis ontvangen ? Alles is haar vreemd, raadselachtig, zij begrijpt niets; maar alles verwondert, ontroert, beangst haar. Het ernstige decoratief der kapel, somber en plechtig als voor eene uitvaart; geen levend wezen om zich heen in die wijde ruimte, dan haar dienaar die norsch en zwijgend achter haar staat; die levenlooze en toch zoo natuurlijke menschelijke beelden; die geschilderde Heiligen, wier ernstige oogen haar altijd aanstaren, die toch niet zien; al die monden, die schijnen te willen spreken, en die toch zwijgen; — dat alles moest eene vrouwelijke ziel, zoo ontvankelijk voor indrukken, opvoeren tot die zenuwachtige gespannenheid, waarin iedere ademhaling een zuchtend hijgen is, en iedere harteslag eene bonzende klopping, en waarin de pols slechts bij schokken slaat en Anna was eene zeer vrouwelijke vrouw!

„La Chiave /quot; klonk het weder in het kerkportaal. Een man naderde, Anna\'s bleeke wang gloeide plotseling van dat sprekend hooge inkarnaat, dat van eene rassche omwenteling in het bloed getuigt, en toch, toen de komende haar nabij was,

ocr page 208

196

was zij bleek als het marmeren Madonnabeeld tegenover haar. En toch naderde de man haar met eerbied, en toch was zijn toon zacht en schuw, toen hij tot haar zeide: „Signora! een booze lasteraar komt eene oprechte belijdenis doen van zijne beweegredenen; zijt gij gezind hem met toegevendheid aan te hooren ?quot;

„Signor Scipione . ... Angelo____hoe zal ik u noemen ?quot; riep

zij in verwarring; want zij was vreeselijk ontzet op het denkbeeld van met dien man alleen te zijn, volstrekt alleen; daar hij Hugh eenen wenk had gegeven om hen te verlaten. „Angelo! ik heb mij reeds toegevend getoond, veel te inschikkeljjk misschien, door mijn verschijnen op eene plaats van uwe verkiezing.quot;

„Van die des Kardinaals, Mevrouw! Doch uw wantrouwen is rechtmatig, en het is billijk, dat hij, die het opwekte, er geheel het gewicht van drage.quot;

„La Ghiave! klonk het op nieuw, en Montalto\'s welluidende stem liet zich hooren. Hij beval den sakristijn zich te verwijderen. Anna\'s purperblos verhief zich op nieuw. Ook de jongeling bloosde bij dit wederzien, na hun ernstig afscheid. Hij groette Anna met achting; op Scipione, die zich diep voor hem boog, zag hij neder met ernst en hoogheid. „Wees duidelijk en snel. Mijnheer! met eene verklaring, waarvoor gij eene zoo ongewone plaats hebt gewild.quot;

„Monsignore! ik zal van uw geduld en van dat der Lady niets meer vergen, dan tot mijne verantwoording volstrekt onontbeerlijk is; ik heb niet gezegd verontschuldiging!quot; En na deze inleiding wierp hij zich aan de voeten van Anna, en begon, hetgeen hij noemde zijne biecht. Het was eene zonderlinge vereeniging. Een doorluchtig Kerkvorst, eene schoone dame uit het Noorden, en een Romeinsch spion, zoo dicht bijeen in eene kapel der middeleeuwen, met rouwfloers behangen. Het was ook eene schilderachtige groep, die zij vormden, die drie men-schen, allen op hun gelaat de kenmerkende uitdrukking dragende van de meest strijdige gewaarwordingen en karakters.

ocr page 209

197

De bevallige vrouw, in het statig zwart fluweelon kleed met het zilveren boordsel, die nederzat in het hooge gestoelte, het voorhoofd ondersteunende met de fraai gevormde hand, hare onrust verbergende onder al de kalmte, die de zelfbeheersehing haar geven kon; tegenover haar de Kardinaal in de kleeding van een gewoon edelman, met al de hartstochtelijke, sterk sprekende trekken van den Italiaansehen jongeling, en aan hunne voeten de Florentijn, Seipione, met zijne zonderlinge schoonheid, die terugstiet en vrees aanjoeg, „wt ducat cTor, frappé a Veffigie de Satanquot; zoude Victor Hugo zeggen, en die zijn slangenoog tot de reine oprechtheid van den duivenblik dwong, en dan, ongezien van hen allen, maar toch allen ziende, de man die Hugh gevolgd was, ridder Karre, tegen de marmeren zuil leunende, strak en bewegingloos als zij, hoewel zich zijne wisselende aandoeningen scherp afteekenden op zijn gelaat, want hoewel kiesehheid hem eenen afstand deed houden, waarop hij niet konde verstaan, zag hij toch in den loop van dit onderhoud genoog, om niet kalm te bljjven.

„Zoo waarachtig God en de Heiligen leven! zoo waarachtig ik geloof in de Heilige Drievuldigheid, en in den dood van den Zaligmaker! zoo waarachtig is alles, wat ik ten nadeele van Anna Oston heb kunnen zeggen of doen vermoeden, eene gruwelijke lastering zonder grond, of zweem van waarheid. Evenzoo verklaar ik mijne pogingen, om den Kardinaal Montalto tegen haar in te nemen, voor schandelijke aanslagen tegen de onschuld, en voor eene onderneming, die den toorn Gods en de straf der mensehen verdient. Is deze belijdenis u beiden genoeg? Kan ik na dit woord nog met een gevoel van medelijden worden aangehoord, of zal het alleen haat zijn en diepe verachting?quot;

„Maar, ongelukkige man! waarom hebt gij mij zoo redeloos en zoo zonder ophouden vervolgd,quot; borst Anna uit, „mij, vreemdelinge, van de eerste minuut onzer bekendschap af?quot;

ocr page 210

198

„Dat is het juist, wat mij nu te bekennen overblijft, edele vrouw!\'\' hervatte Scipione met eenen zucht. „Het was omdat ik u beminde met eene razende, brandende, gloeiende, alles verterende liefde. Eene liefde, die blind voortholde, om tot haar doel te komen, geen middel ontziende, geene menschelijke macht vreezende, geene ontheiliging schuwende, met de hel spottende, de goddelijke gramschap trotseerende. Die liefde, waarbij alle andere hartstochten verbleekcn en flauw worden, die tot alles goeds had kunnen voeren, zoo zij gelukkig had mogen zijn; maar die teleurgesteld, ook de laatste deugd afzwoer, bet laatste betere gevoel uitbluschte, en slechts verwoesting \'en verbrijzeling en ellende om zich zien wilde. Die liefde is altijd de eerste; zjj werkt altijd het geweldigst op hem, die koel bleef en dood voor den hartstocht tot in de volle kracht des levens. Dat is de liefde, die tot zinneloozen haat voert als zij onbeantwoord blijft, dat is de liefde, die verzadiging eischt, hetzij in de bedwelmende omarming der geliefde, hetzij in de stuipachtige kramptrekkingen van het stervend slachtoffer.quot;

Hier ontsnapte Anna een flauwe kreet van ontzetting en afgrijzen. Alexander Peretti sprong schielijk toe, en nam hare handen in de zjjne, en bracht de hand aan den degen, als wilde hij haar beschermen tegen den schrikwekkenden hartstocht des Florentijners. Hij was ook vreeselijk] om aan te zien; hij had zich opgericht, en stond daar in zijne volle lengte, machtig als Lucifer, en schoon als deze; maar het was eene duistere macht en eene schrikkelijke schoonheid.

Bij de onrustige beweging des Kardinaals verwrong zich zijn mond tot eenen pijnlijken glimlach.

„Vrees niets meer, schoone vrouw! ontrust u niet, Monsignore! Is niet deze bekentenis het sprekende blijk mijner zelfoverwinning? Gij zijt mijne rechters; de schuldige in de macht der rechters, is immers niet meer te vreezen?quot; En daarop zich weder nedervleiende, vervolgde hij: „Ik zal minder heftig zijn. Toen

ocr page 211

199

gij op het St. Pietersplein voor de Vatikaansche zuil nederkniel-det, trof mij uw ernstig bidden. De zuivere oprechtheid van dat gebed weerkaatste zich op uw gelaat, dat als een afschijnsel droeg van engelenglans. Ik had toen mijn oog moeten afkeeren; maar was het de macht der hel? Ik deed het niet, de zoete toover-gestalte trok mij aan: ik ben haar genaderd. Uw verlaten toestand, Anna! gaf mij recht uw beschermer te zijn, gaf mij hoop meer voor u te kunnen worden. Het is zoo, het was een onwaardig verblijf, dat ik u deed aanwijzen, onwaardig voor eene vrouw als gij; maar kon ik anders? Mijn stand, mijne betrekking, de gestrengheid van onzen Heer, uwe veiligheid, dit alles noodzaakte mij, om mijnen toevlucht te nemen tot de geheimhouding van Azzo\'s huis, meermalen de veilige schuilplaats der verborgene zwakheden van hooge personaadjen, en stilzwijgend als de looden daken van het paleis St. Marcus. In het eerste oogenblik, dat het mijne was, wierp ik mij aan uwe voeten, onder onzen hemel heeft de hartstocht, om te rjjpen geen traag verloop van dagen noodig; ik bekende u den mijnen, met eene vermetelheid, met eene onstuimige drift, die u beleedigde en verontwaardigde. Mijn woorden waren gloeiend als de lave, die wegvloeit uit den krater; uw antwoord verkleumend ijs; het waren dolksteken van verachting en toorn, die uwe lippen ontvielen. Zij hebben mij dieper gewond, dan gij toen kondet vermoeden. Mijne verbittering was als mijne liefde, en van dien oogenblik af haatte ik u. Ik zwoer eenen dubbelen eed: ik zoude mij wreken, en gij zoudt de mijne zijn. Reeds vooruit zag ik u rijk, in het bezit van machtige bescherming. Ik wilde dat voorkomen, ik wilde u arm zien, en verstoken van elke toevlucht. Waanzinnig, verbijsterd, roekeloos, nam ik den laster als wapen tegen u. Het trof ten deele; het argeloos vertrouwen van Monsignore liet zich misleiden, hij wantrouwde u, maar eene nog hoogere hand hield u opgericht. Dat stelde mij te leur; maar het schrikte mjj niet af, ik gaf niets op. Ik wilde u zien, reddeloos verloren

ocr page 212

200

voor de maatschappij, gebukt onder eenen geschandvlekten naam, beroofd van eiken steun en van alle hulp, vervallen tot de schamelste afhankelijkheid; dan waart gij in mijne macht geweest, ik had mijne schijneer weggeworpen, om uwe schijnschande te déelen, mijne veiligheid verzaakt tot uwe bescherming, eiken levenslust met wellust verruild tegen eenen glimlach van dankbaarheid. Maar, willens of onwillens, gij hadt de mijne moeten zijn.quot;

„De Heiligen hebben mij behoed,quot; sprak Anna met vromen ernst, „maar spreek, wat bracht u tot eene betere gedachte?quot;

„Een medelijdende engel, die verdoovend heulsap mengde voor mijne ziedende hartstochten, die een kalm rustplaatsje aanwees voor mijn duizelend hoofd; vraag haren naam niet, ik heb haar gevonden; zij zal mijne zuster zijn, zij heeft mij opgewekt uit den gevaarlijken roes, waarin ik weken lang ben voortgegaan, met geen ander denkbeeld in de ziel en voor oogen, dan liefde en wraak. Gij weet nu mijn afschuwelijk ontwerp in zijnen geheelen omvang, gij kent nu de oorzaak mijner misdadige handelingen, gij weet nu waardoor ik schuldig werd: klaag mij nu aan, Monsignore! voor den Opperheer van Rome, Zijne Heiligheid is kiesch omtrent vrouweneer, is streng in het veroordeelen, en snel in het uitvoeren. Morgen reeds kunt gij dan gewroken zijn, Anna! misschien legt men u dan morgen mijnen hoofdeloozen romp voor de voeten. Of misschien wel laat men u de keuze der folteringen over, Kardinaal! en mijn sterven in ongehoorde, maar welverdiende pijnigingen zal u beiden dan mogelijk met mijn leven kunnen verzoenen, mogelijk zult gij het mij dan nog vergeven, dat ik misdadig werd uit onbedwingbare liefde. Ik heb mijne schuld niet verheeld, maar, Signora! gij hadt ook minder schoon moeten zijn, meer de andere vrouwen gelijk; minder verheven, minder engelachtig rein; men moet Anna Oston zijn, om zulk eene liefde te kunnen opwekken. Klaag mij aan, Monsignore! werp den eersten steen op mij.quot;

ocr page 213

201

„God beware mij, dat ik het doen zoude,quot;\' riep deze uit. „Anna wees goed voor den beklagenswaardige.quot;

De jonge Kardinaal had met inspanning toegeluisterd, hij had gezucht, gebloosd, gesidderd, was bleek geworden onder die vurige zelfbeschuldigingen van Scipione. Die levendige beschrijving van dien gloeienden hartstocht voor een wezen, dat ook op zijn hart zulk eenen geweldigen indruk gemaakt had, ging niet verloren; zijne vurige verbeeldingskracht ontvlamde zich bij de duidelijke ontleding van een gevoel, dat ook zijn gevoel was; het was als iemand, die eerst ontdekt, dat hij vergift heeft ingenomen, als hij er de werking van bij anderen ziet. Die bekentenissen waren als de afschetsingen van zijne eigene gewaarwordingen. De vrouw, van welke men met zooveel opgewondenheid sprak, was in den angst voor den boozen mensch zacht-kens naar hem toe geschoven, hij hield als beschermend hare hand vast, hij drukte die bij elke opwellende gewaarwording, zij gloeide in de zijne.... was het wonder, dat hij zeide: ik veroordeel u niet?quot;

„Ik beklaag u en vergeef u!quot; riep Anna, in tranen uitbarstende.

Nimmer misschien is eene vrouw onverzoenlijk hard geweest tegen misdrijven, begaan uit liefde voor haar.

„Word een beter mensch, Scipione! gij hebt veel goed te maken,quot; en zij reikte hem hare hand. „Mogen God en de Heiligen het u vergeven, gelijk ik het doe; uwe bekentenis blijve een diep geheim tusschen ons.quot;

„Dank! dank! voor deze goedheid; ik zal dan nog blijven leven tot berouw en boete. En toch, Anna! als gij gewild hadt, het had zoo geheel anders kunnen zijn tusschen ons. Door eene zuivere, heilige, gewettigde liefde hadt gij de mijne kunnen zijn; gij levende in mij, en ik in u, eeno opoffering van ieder uur van geheel mijn leven. Geen zucht dan voor u, geen traan dan voor u, geene gedachte dan voor u, geene gewaarwordingen buiten u; o! ik heb somwijlen gedroomd, gelukkig gedroomd.

ocr page 214

202

Anna! Ik zat dan aan uwe voeten, uwe blonde haren golfden neder tot op mijn voorhoofd, hunne aanraking deed mij huiveren, hun geur bedwelmde mij; ik kuste uwen kleinen voet, die mij niet wegstiet; ik kuste uwe blanke handen, die zich niet terugtrokken ; ik zag op naar uw oog, het was vochtig; ik spiegelde mij in het blauwend kristal, gij wenddet het niet af....quot;

„Scipione! Scipione! ik smeek u, spaar mij, kom tot u zeiven,quot; riep Anna in hevige gemoedsaandoening; want de Kardinaal sloeg ook smeekend de oogen naar haar op, en kuste ook hare handen, en Anna streed eenen geweldigen kamp; zij voelde, dat zij zich snel verwijderen moest; maar zij was als op de plaats geboeid, als door eene betoovering, die het haar niet oprechte ernst was te breken; de waarachtige wil tot het goede maakt sterk en krachtig tot zelfoverwinning; maar weifelend aarzelen, maar het luisteren naar het zoet gevlei der zinnen is gevaarlijk als een bedwelmende giftdrank, waarvan de teugen zwak maken en doen waggelen.

Scipione vervolgde, alsof hij baar niet hoorde, verzonken, zooals hij scheen, in het droomgezicht zijner verbeelding:

„Toen was ik als waanzinnig van geluk; ik sloeg mijnen arm om uw fijne middel, mijn hoofd rustte op uwen schouder, die schouder was rond, mollig en donzig als fluweel, en blank als marmer, maar niet zoo koud; mijne gloeiende lippen in aanraking met die zachte warmte ....quot;

„Houd op, houd op, ongelukkige! ik bemin haar ook,quot; viel de Kardinaal hem woest in de rede, zijne wangen gloeiden, zijne oogen schitterden, zijne borst zwoegde, en plotseling zich geheel vergetende en Anna met onstuimige drift omvattende, riep hij: „Anna! Anna! ik bemin u, gij moet de mijne zijn!quot;

„Kardinaal!quot; spotte Scipione, met zijnen honenden hellelach, en snel verwijderde hij zich; op zekeren afstand bleef hij even staan, en zich omwendende naar den verbijsterden jongeling, die zich te vergeefs bemoeide, de geliefde tot zich zelve te brengen, sprak

ocr page 215

203

hij met zegepraal: „Neef van Sixtus, zóó heb ik het juist gewild.quot;

Scipione heeft het doel zijner schandelijke berekening bereikt; hij heeft eene verklaringj uitgelokt, die lang, misschien altijd op de verbleekende lippen des jongelings zoude zijn teruggebleven. Hij heeft met gewelddadige hand den slagboom weggerukt, die de gedachte aan de zonde nog scheidde van de daad der zonde: elke schrede verder kon een val zijn. Niet door overreding is Scipione geslaagd, hij is niet welsprekend geweest, zijne uitroepingen hadden op zijn hoogst eenen glimlach kunnen brengen op het gelaat van een koel aanhoorder, maar het was de taal van den hartstocht, sprekende tot den hartstocht, en daarin lag zijne overwinning.

De Plorentijn was niet onverzeld gekomen op de plaats der samenkomst. Een tiental gewapende mannen had hij met zich gevoerd, zij hadden zich langs den muur der kapel geschaard, dicht bij den uitgang, en toen hij buiten de kapeldeur trad, had men hem kunnen zien, hun fluisterend bevelen gevende: „Over vijf minuten, de personen, die zich daarbinnen bevinden.quot;

„En zoo zij zich vóór dien tijd wegmaken?quot;

„Zij zullen het niet doen, maar als zij het deden, dan weet gij wat u te doen staat?quot;

„Volkomen, Signore!quot;

De schoone Engelsche lag als een machtelooze doode in de armen van den jongen Kardinaal, die haar met liefkozingen en kussen in het leven trachtte terug te roepen. „Hulp! ik heb haar vermoord door mijne woestheid,quot; kermde hij eindelijk met angst, en zijn oog zocht Scipione, dien hij niet vond. Op die luide stem opende Anna de oogen. „Alexander!quot; riep zij, en borst in tranen uit.

„Innig beminde! laat ons gelukkig zijn.quot;

„Anna! wees sterk, ga van hier, denk aan uwen William,quot; zoo klonk eene waarschuwende stem achter hen. Zij zagen beiden om. „Karre! ridder Karrelquot; riepen zij te gelijk.

ocr page 216

204

Ik weet, dat er onder mijne lezeressen zullen zijn, die het den ridder reeds verweten hebben, dat hij zoolang met zijne tusschenkomst heeft getoefd. En toch zijn toestand was hoogst moeielijk en kieseh. Niets gaf hem recht tot die tusschenkomst. Bij Scipione\'s bekentenis ware zij ten minste onrechtmatig geweest; daarna schrikte hij terug voor het denkbeeld van als een bespiedende luisteraar te staan voor de vrouw, die hij bemind had, en voor den man, wien hij zijne hoogachting niet weigeren kon.

De belangstelling, die hem tot zijne handelwijze genoopt had, konde over het hoofd gézien worden: zijn heimelijk bespieden konde als eene laagheid gelden, en zijn vermanend verschijnen als een vermetel en onbescheiden indringen. Dit had hem lang doen aarzelen, het had hem moeite gekost, niet te hulp te schieten bij Anna\'s bezwijming; maar hij hoopte nog altijd, dat zij kracht zoude vinden in zich zelve; alleen toen hij haar zag wankelen, had hij elke overweging laten varen voor hare redding. „Karre!quot; herhaalde de Kardinaal, en liet de armen nederzin-ken, als door verbazing verlamd. „Karre!quot; herhaalde Anna, en trad drie schreden van den geliefde af.

„Ik wil niets zijn dan uw trouwe vriend,quot; sprak de ridder, „volg mij, Mylady! het is niet goed, hier te zijn.quot; Hij naderde haar; met een gebogen hoofd en zonder hem aan te zien, nam zij den arm waarmede hij haar ondersteunde. Hij voerde haar weg; toch wierp zij nog een schuwen blik op den jongeling, dien zij verliet. Hij staarde haar strak aan, hij scheen haar niet te zien. Het schemerde hem voor de oogen, de waskaarsen flikkeren als dansende dwaallichten, de beelden schijnen neder te komen van hunne voetstukken, en de schilderijen draaien in spookachtige tooverkringen; de Kardinaal is opgestaan, hij wil wegvluchten van de plaats, zijne knieën wankelden, zijn voet struikelt, hij valt wezenloos neder op de trappen van het altaar.

ocr page 217

HOOFDSTUK XVII.

Gevaren.

Toen Karre en Anna, gevolgd door Hugh, den drempel dei-kapel overschreden hadden, zagen zij zich plotseling omsingeld en door sterke armen aangegrepen.

Verdediging was onmogelijk; Karre en Hugh voelden zich geboeid en weggeleid, de Lady zag zich voortgesleurd tot in eene gereedstaande draagkoets.

„Hallo hei, lompert! de edelman moet ook in den draagstoel; meent gij dat men zulk eenen Heer zoover kan doen loopen ?quot; riep een der mannen, die de bevelhebber scheen.

Men deed den ridder instijgen. „Waartoe deze wederrechtelijke gewelddadigheid,quot; vroeg hij. — „Het zijn bepaalde orders, Signore!quot; „Maar, Heer Capitano! gij behoort toch te bedenken.. ..quot; — „Wij denken nooit bij onze orders, Signore ! wij voeren ze uit.quot;

Sterke armen hieven de draagkoets op. Gewapenden waren het, die hen hadden overvallen, gewapenden, die het voertuig bleven omringen; men hoorde duidelijk het gekletter hunner zwaarden en het stampen hunner hellebaarden op de steenen. Uit hunne luidruchtigheid bij deze onderneming begreep de Engelschman dat het geen duistere aanslag konde zijn, door eenen bijzonderen persoon ondernomen, maar eene openlijke daad der bestaande overheid. Men had hun niets gevraagd, men

ocr page 218

206

scheen dus zeker te zijn van zijne zaak. Hugh scholt in zijn verbroddeld Engelsch op de Italianen; maar eene nadrukkelijke beweging van eenen der mannen, legde hem het stilzwijgen op. Men denke zich wat er in de draagkoets omging. Anna, door de snel afwisselende schokken als bedwelmd, liet het hoofd in doffe verslagenheid rusten tegen het gevulde leder; zij dacht niets, zij sprak niets, zij was geheel lijdelijk. De duisternis was haar welkom; zij had den blik van Lionel niet kunnen uitstaan. Deze zweeg ook, voor zich zeiven bekommerde hij zich weinig . het kon noch de bedoeling, noch het belang des Pausen zijn, hem zoo onverhoeds gevangen te nemen; het was zeker, dat men zich wat hem betrof, in den persoon vergist had, en hij rekende er op, dat het misverstand zich spoedig moest ophelderen.

Maar de Kardinaal!.... Maar zijne nicht!.... Hij konde, of wilde dat niet indenken.

Lang duurde de tocht, en ver moest het eind zijn, dat zij gevorderd waren; want tweemaal hadden zij van dragers verwisseld, toen zij de stem van den aanvoerder halt hoorden bevelen. Men opende de draagkoets, men verzocht hen uit te stappen. Gewapenden gingen hen voor, gewapenden sloten zich achter hen aan; ontvluchten, zelfs al hadden zij er aan gedacht, ware onmogelijk geweest. Bij het licht, dat brandde voor de heilige-nissen van het prachtige gebouw, waarvoor zij zich nu bevonden, herkende de Engelschman de lieden, die hen omringden, voor dienaren van den Stadvoogd. Men deed hen de breede marmertrappen opstijgen, en leidde hen in eene soort van corridor waarvan niemand der drie gevangenen de kunstige fresco\'s bewonderde; niemand hunner had zelfs een oog voor de prachtige Korintinsche zuilen van porfiersteen, toch hadden die den blik van eenen kenner verdiend.

Zij vertoefden hier niet zeer lang; eene soort van Majordomo, in een half geestelijk, half wereldlijk gewaad, verzocht hen beleefd, hem naar zijnen Heer te volgen.

ocr page 219

207

Naar welken Heer leidt gij ons ?quot; vroeg Karre. —

„Naar den Stadvoogd van Rome, Cavaliero!quot;

De Stadvoogd van Rome is altijd een hooge geestelijke, somtijds een Domheer, meestal een Bisschop. Zijn ambt houdt het midden tusschen het burgerlijke en het krijgshaftige. Hij houdt het toezicht over de uitvoering der huishoudelijke bevelen van Rome\'s geestelijken Vorst, en is altijd minder een eigenmachtig handelend Stadhouder, dan de hoogste burgerlijke ambtenaar; vooral bij Pausen, die zelf regeeren, is zijne macht meer uitvoerend dan regelend. Hij ontvangt sommige bevelen meestal rechtstreeks van den Paus, en is met dezen niet zelden in onmiddellijke aanraking.

Zulk eene betrekking mocht eene zeer eervolle zijn, eene aangename en lichte was zij onder Sixtus zeker niet. Dagelijks in aanraking te moeten wezen met den driftigen, opvliegenden, onverzettelijken Meester, die alles uit eigene oogen zien wilde, die van elk onbeduidend voorval rekenschap afvroeg, die het geringste verzuim met bitsheid bestrafte, die somtijds eischte, dat men zijne bevelen raadde of voorkwam, en nimmer duldde, dat men ze weersprak, hoe zonderling ze soms ook aandruisten tegen regel of instelling, die dikwerf zijnen toorn over de te lauw gestrafte misdaad tegen den rechter zeiven lucht gaf; met wien in sommige oogenblikken van verkeerde opvatting werkelijk niet te spreken was, die zich, met terzijdestelling van rang en waardigheid, tot in het kleingeestige toe, met de huishoudelijke belangen zijner stad bemoeide, en die wilde, dat ieder deelen zoude in den vurigen ijver waarmede hij zelf voor de hervorming van Rome bezield was. Voorwaar, onder zulk eenen Heer was het niet gemakkelijk Stadvoogd te zijn; en hij, die dat ambt nu bekleedde, voelde meer dan een ander het drukkende van zijn blinkend juk. Bloedverwant van den zwakken Gregorius XIII, was hij door dezen tot eene betrekking verheven, die toen, onder die slappe regeering, bij zeer weinig bezigheid zeer vele

ocr page 220

208

voordeelen gaf. Zijne natuurlijke traagheid, in weelderige rust verwend, zag zich nu plotseling tot ernstige en onvermoeide werkzaamheid geroepen. Zijne aangeborene zachtzinnigheid moest zich dwingen tot eene strengheid, die hem evenzeer tegen de borst stuitte, als ze den Romeinen hatelijk was. Hij had zoo gaarne de kampvechter willen zijn van menigen min schuldige; maar de bloohartigheid van zijn karakter en de bestendige vrees waarin hij leefde, om den gestrengen Heer te mishagen, sloten hem altijd de lippen bij hunne verdediging, hoewel hij te gelijk de oogen sloot om hun Ijjden niet te zien.

Bij dezen man was het, dat men de gevangenen binnenleidde. Hij was opgestaan om hen te ontvangen; een zonderling eerbewijs van eenen rechter jegens beschuldigden, dat ze toch zijn moesten.

„Signora! ik ben wel zeer ongelukkig,quot; begon hij met hoffelijkheid tot Lady Oston; maar eensklaps viel hij zich zeiven met schrik in de rede, nadat hij eenen blik geworpen had op hare metgezellen. „St. Antonius! wees mij genadig, twee mannen en geen geestelijke!quot;

Karre maakte dadelijk van zijne verwarring gebruik; hij kende bij gerucht het karakter van zijne tegenpartij, en begreep, dat er met vermetele stoutmoedigheid veel zoude te winnen zijn.

„Het is ook duidelijk, Monsignore! dat hier eene misvatting plaats heeft,quot; begon hij deftig en met trots. „Ik weet niet welken geestelijke uwe Hoogwaardigheid bedoelt; alleen weet ik, dat ik niet van dien stand ben, en dat men mij en de mijnen op de wederrechtelijkste wijze heeft overvallen, en, zonder eenige aanleiding van mijnen kant, heeft gevangen genomen.quot;

„Naar dien hoogen toon te oordeelen, kunt gij evenwel de bedoelde persoon zijn. Uw naam. Mijnheer?quot;

„Lionel Karre, ridder, Engelsch ridder, Monsignore !quot;

„Dat is vreemd, die kan het niet zijn. Uwe woonplaats, Mijnheer?quot;

ocr page 221

209

„Eome.quot; — „Uw beroep?quot; — „Ik leef van mijn vermogen.quot; — „En die man daar?quot;

„Een Schot, de bediende dier dame.quot;

„En wie is de Signora?quot;

„Lady Anna Oston. Zij is van eenen rang, Monsignore! die haar ten minste tegen zulk eene handelwijze had moeten beveiligen.quot;

„Het was juist een geestelijke en eene Donna van rang, die volgens de aanwijzing ....quot;

Anna sidderde onder den sluier, dien zij voor hare oogen getrokken had.

„Signora, vergun mij u eenige vragen te doen,quot; sprak de Stadvoogd.

„De Lady verstaat niets dan Engelsch,quot; viel Karre snel in, om Anna te sparen.

„Gij zult dan voor beiden antwoorden. Mijnheer! Waart gjj in de kapel St. Jeronimo?quot;

„Ik kwam er uit, toen men mij overviel!quot;

„quot;Was deze dame bij u?quot;

„Zij was bij mij.quot;

„En die man?quot;

„Was altjjd bij ons.quot;

Zij kunnen het niet zijn,quot; mompelde de Stadvoogd bij zich zeiven. Ofschoon de sluwe ridder die woorden niet verstond, las hij ze toch op het twijfelachtig en verdrietig gezicht van •den ondervrager; en toen deze, als om er op eens een eind aan te maken, hem met een dreigend gebaar vroeg: „Maar wat deedt gij dan toch in de kapel van Monsignore Montalto, terwijl er geen dienst gedaan werd,quot; antwoordde hij zoo trotsch, als ware hij er op hoog gezag binnen gegaan :

„Gij doet mij die vraag niet op bevel van Zijne Heiligheid.quot;

„Maar, Signore!.... ik ben Stadvoogd, en gerechtigd tot elk onderzoek . .. .quot;

„Van misdadigers en schuldigen, Monsignore! Maar wie zegt

Engelsclieu te Rome enz.

ocr page 222

210

u, dat wij het zijn; wie beschuldigt ons, en waarvan beschuldigt men ons; op wiens last werden wij van onze vrijheid beroofd? Niet op dien Zijner Heiligheid,quot; ging hij al stouter voort, de klimmende verlegenheid van zijne partij ziende. „Zijne Heiligheid had de personen met meer gewisheid aangewezen, en mij zeker niet aangeduid. Zoo ik tot hiertoe geantwoord heb op vragen zonder beteekenis, denk ik echter geenszins rekenschap te geven van elke mijner daden, dan nadat men mij zal overtuigd hebben, dat ik werkelijk de bedoelde persoon ben, en zoo men mij inlicht van de misdaad, waarvan men mij beticht. En verder, Monsignor de Stadvoogd! zie toe hoe gij handelt; ik ben mij zeiven niets kwaads bewust, en ik heb machtige beschermers, die gij in mij beleedigen kunt.quot;

Machtige beschermers,____ridder Karre!quot; hernam de andere

nadenkend; „gij zijt toch niet de ridder Karre, die----quot;

„Die nabij de sakristie van St. Pieter woont, juist die ben ik.quot;

„Ik ben een verloren man,quot; zuchtte de Stadvoogd. Hij herinnerde zich met schrik, dat hij eens in zijnen dienstijver had voorgesteld, om eenen spion te plaatsen in het huis van den Engelschman, en dat Sixtus hem toen vrij barsch had toegevoegd: „Bemoei u alleen met de Romeinen; de Engelschen hier staan onder ons bijzonder toezicht.quot;

„Nooit was een Stadvoogd van Rome in eenen toestand, zoo moeielijk als de mijne, o! het is een valstrik, dien men mij gespannen heeft; zoo ik gewichtige gevangenen ontsnappen laat, zal men mij beschuldigen, en zoo ik mij met die verwenschte Engelschen inlaat, zal men mij niet minder beschuldigen; men-schen! ik wenschte, dat gij allen veilig op zeven mijlen van Rome waart. Heilige maagd ! red uwen dienaar uit deze strikken.quot;

„Een enkel verstandig besluit. Mijnheer! zal hier veel afdoen,quot; sprak nu Karre, bijna glimlachende over den kleingeestigen angst van den hoogen ambtenaar. „Stel mjj en Lady Oston

ocr page 223

211

met haren bediende zonder langer toeven in vrijheid, en wat zal ons dan verhinderen, het gebeurde als niet gebeurd te beschouwen ?quot;

„Dat gaat niet, bij St. Petrus! dat gaat niet, Signore!quot; hernam nu de andere, plotseling besloten, als zag hij in des ridders drift om in vrijheid gesteld te worden juist eene beweegreden om niet toe te geven. „Gij weigert mij rekenschap te geven van uwe daden, en het is mogelijk, dat ik geen recht heb, die te eischen; maar ik ken iemand, wien gij dat recht niet ontzeggen kunt, en die altijd tijd heeft tot de plichten der billijkheid. Ik kan niet dwalen, met u tot hem te voeren. Camaggio!quot; —- Een dwerg, niet veel grooter dan een aap, en ten minste even leelijk, kwam plotseling te voorschijn van achter den hoogen leuningstoel zijns meesters, die hem zacht eenige bevelen gaf. Snel sprong het wezen van daar, Karre eenen hatelijk grijnzenden glimlach toewerpende.

De ridder sidderde bij het denkbeeld, dat Anna in het Va-tikaan hare tegenwoordigheid in de kapel zou moeten ophelderen; hij vreesde alles: hare gemoedsstemming, haren angst, hare ontsteltenis, en bovenal haar waarheidsliefde. Het was hem niet duidelijk, wat zij met Angelo en den Kardinaal had te bespreken gehad, of waarom de eerste zich alleen had verwijderd. Hij vreesde daarom, dat Anna veel zoude te ontdekken hebben.

„Als gij het op uwe eigene verantwoordelijkheid onderneemt, is het mij wel,quot; antwoordde hij, „alleen verzoek ik u, deze Lady niet op nieuw aan eene onverdiende vernedering bloot te stellen. Sta toe, dat zij zich met haren bediende naar hare woning begeve; zoo hare inlichtingen bjj mijn verhoor noodzakelijk mochten zijn, zou men haar daar altijd kunnen vinden. Zij is gehuisvest in den wijngaard Peretti, bij de edele Donna Camilla, door de hooge bescherming van Zijne Heiligheid.quot;

„En toch is het mij volstrekt onmogelijk dit toe te staan,quot;

ocr page 224

212

hernam de Stadvoogd, die maar al te zeker wist, dat er juist eene dame van Camilla\'s hofhouding bedoeld was.

De bevelhebber, dien wij reeds genoemd hebben, trad binnen.

„ Wees zoo goed te volgen, Signore Karre! ook gij schoone Signora!quot; ging hij beleefd voort, „en zoo ik een van u mocht zijn hard gevallen, gelooft dan, dat het alleen was, omdat ik meende mijnen plicht te doen. Wij zien elkander spoedig weder.\'\'

Karre, die niet veel te antwoorden had, boog zich, en met Anna voortgaande, zeide hij haar in hunne moedertaal: „Heb moed, Mylady! en vertrouw op mijne vriendschap; morgen, zoo God wil, hoop ik u rekenschap te geven van mijne handelwijze.quot;

„Gij zijt een edel mensch,quot; was alles, wat Anna vermocht te zeggen.

Men zal onzen ridder zeker niet van lafhartigheid beschuldigen, omdat hem het hart klopte, toen hij met de beide anderen bij Sixtus werd binnengeleid; want het was niet voor zich zeiven, dat hij sidderde; maar voor de vrouw, die hem nog altijd dierbaar was, wier onrust en doodelijke angst uit ieder harer krampachtige bewegingen sprak, ofschoon dan ook haar mond zweeg.

„Gevangenen van den Stadvoogd!quot; met dit woord hoorden zij zich aandienen. De Stadvoogd in zijn rijtuig vooruitgesneld, was reeds bij Zijne Heiligheid, en met dezen in een ernstig gesprek; ook sloeg geen van beiden acht op de binnenkomenden, en Karre had alzoo de gelegenheid uit dit gesprek nog enkele zinsneden op te vangen.

„Een hooge geestelijke,quot; zegt gij, „en eene vrouw?quot;

„Ja, Heiligste Vader! zoo was de aanwijzing;... in een ongeoorloofd samenzijn met eene vrouw.quot;

„Bij Christus! en dat in eene hoofdkerk, en in de heilige week. Zoo waarachtig ik de sleutels van St. Pieter voer, laat ik

ocr page 225

213

de vrouw worgen en den priester hangen, al ware hjj ook .. Sixtus hield plotseling op, men zag hem eenigszins verbleeken, „was het niet in de kapel van

St. Jeronimo, Uwe Heiligheid!quot;

„Al ware hij ook een Kardinaal^quot; eindigde de Paus luid en met vastheid.

De Stadvoogd, zelf geestelijke en doordrongen van de voorrechten en de achtbaarheid van zijnen stand, kon dit niet onbeantwoord laten.

„Genadigste Heer! een gewijd persoon, een Vorst der kerk.quot;

„Vrees niets, mijn zoon! wij zullen zijn gewijd purper niet hangen, maar den ontpurperden en ontheiligden mensch.quot;

Bij al die woorden had Karre alle moeite om zijne nicht voor nederzinken te bewaren; hij was in de hevigste onrust, hij wist maar al te wel, dat de Paus niet gewoon was, strenge voornemens luide te uiten, zonder ze te volvoeren, en eene ontdekking was bijna niet te voorkomen.

„Noem tot geenen prijs den Kardinaal, zoo men u ondervraagt,quot; fluisterde hij in het Engelsch tot Anna, die alleen toestemmend het hoofd boog.

„Bij de uitkomst is het echter gebleken, dat onze berichtgever zich vergist heeft. Mogelijk in de plaats zelve, mogelijk in de personen, die komen zouden; zeker is het ten minste, dat bij de lieden, van welke men zich heeft kunnen verzekeren, geen geestelijke was, en dat het alleen twee Engelschen zijn met eene vrouw.quot;

„Engelschen! Che Diavolo waar zijn zij?quot;

De bevelhebber, die zijne gevangenen tot hiertoe niet verlaten had, voerde hen nu, op eenen wenk van den Stadvoogd, de zaal dieper in, en tot op eenigen afstand van de marmeren tafel, waarbij Sixtus gezeten was. Nauwelijks bemerkte deze Karre, of hij riep hem luid en schertsend toe:

„Bij St. Bonaventura! die klucht is ongehoord. Gij, mijn

ocr page 226

214

goede ridder! gij, mijn volmaakte Karre! in de handen van Mijnheer den Stadvoogd, dat is eene onbetaalbare geschiedenis.quot;

„Het is voor mij altijd minder eene klucht dan eene les. Heilige Vader!quot; sprak Karre, nadat hij zich van het gewone eerbewijs opgericht had.

„Dat wil zeggen, mijn zoon?quot;

„Dat ik voor altijd geleerd heb tot een noodzakelijk onderhoud niet weder eene kapel te kiezen, zoolang ik te Eome zijn zal.quot;

„Gij kondt er ook voegzamer plaats voor gezocht hebben, dan de kapel eener hoofdkerk, Signore!quot; antwoordde Sixtus met ernst, „en met wie hadt gij dan dat belangrijke onderhoud, Cavaliero?quot;

„Met mijne nicht, Anna Oston, Heilige Vader!quot;

„Onze Engelsche, Signora!quot; hernam de Paus, en zag voor het eerst op Anna neder, die nog altijd geknield voor hem lag. „Richt u op mijne dochter! en laat ons uw aangezicht zien: wij hopen, dat er nimmer onreiner blikken op geworpen zullen worden, dan de onze* hier.quot;

Anna gehoorzaamde werktuigelijk.

„En waarover liep dat gesprek, waartoe was zulk eene ongewone plaats noodig?quot;

„Karre, die Lady Oston als ineen zag krimpen onder den scherpen blik van Sixtus begreep, dat hij al zijne vermetelheid noodig had, om haar te redden.

„Uwe Heiligheid zal mij toestaan, het alleen voor uwe ooren te herhalen.quot;

„Mijnheer de Stadvoogd, verlaat ons !... Welnu ridder ! wij zijn alleen.quot;

Karre hoewel gemeenzaam met zekere diplomatieke wendingen, die eene zaak anders voorstellen dan zij werkelijk is, had echter, uit eergevoel, tot hiertoe altijd de rechtstreeksche logen geschuwd; ook was zijn gelaat minder kalm en zijn toon min-

ocr page 227

215

der vast, toen hij zeide: „De mededeelingen, Heer! van mijne Koningin aan Mylady waren niet van eenen aard, om herhaald te worden in het huis van Donna Camilla, waar zeer vele ooren zijn, die luisteren, zonder dat men er hen toe uitnoodigt.\'\'

„Gij hadt ten minste eene plaats kunnen kiezen, waarbij de naam van onzen neef niet in de waagschaal gesteld werd.quot;

„Hoe komt men op het denkbeeld, dat zijne Eminentie.....\'\'

„Er werd een hooge geestelijke in dit alles mede genoemd, •en was niet de kapel die van St. Jeronimo?quot;

„Dat is waar, Heer!quot;

„En wie gaf u het recht daarvan gebruik te maken?quot;

De ridder durfde hier den Sakristijn niet noemen; hij wist, dat men dezen dadelijk ter verantwoording zoude roepen, en dan ten minste was alles verloren.

„Ik gevoel, dat ik zeer te veroordeelen ben; zijne Eminentie heeft toegegeven aan mjjn dringend verzoek.quot;

„Die dwaze, dat zijn van die zwakheden, ze zullen hem zijne hoofdkerk nog afvragen tot wijkplaats voor samenzweerders of valsche munters, en zijnen naam nog leenen tot eenen dekmantel van heiligschennis, en God weet wat niet al; en hij zal inwilligen, inwilligen, altijd inwilligen, tot dat wij op het laatst niet meer inwilligen zullen.quot; Na die korte alleenspraak, wendde hij zich weder tot Karre: „Waren het uwe mededeelingen alleen, waarvoor gij zooveel geheimhouding zocht? dan zult gij, Mevrouw! mij nu ook kunnen zeggen, of gij altijd zult blijven voortgaan met onze oogmerken te ondersteunen.quot;

Anna schrikte geweldig, zij wist niet welke voorstellen men haar had moeten doen; zjj was in de grootste verwarring; ook lispelde zij, bijna onhoorbaar, woorden zonder samenhang. „De inzichten van uwe Heiligheid .... te volgen . — zal altijd ....quot;

Zij kon niet meer, eene duizeling overviel haar, zij zonk neder, de handen voor de oogen gedrukt.

„Wat beteekent dit, Mijnheer Karre?quot; vroeg Sixtus, den En-

ocr page 228

216

gelschman sterk aanziende. Bijna verloor deze de bezinning, toch moest hij zich herstellen: hij moest Anna redden. Als-men eenmaal den voet heeft gezet op het moeras der onwaarheid, dan moet men er op voort, willens of onwillens, dan zakt men er bij iedere schrede verder in, tot men er zich eindeljjk geheel in verstikt. Zoo ging het den ridder, hij kon niet terug: „De arme Lady waagt het niet Uwe Heiligheid zelve te zeggen, wat zij mij toch bekende; haar geweten verbiedt haar voort te gaan, met eene zaak te dienen, die ten nadeele harer weldoenster moet uitloopen.quot;

„Kinderachtigheid, overdreven zotheden, dat alles! De Koningin geeft u uwe bezittingen terug, dat is niets meer dan uw eigendom, dien zij u schenkt, de eigendom van uw kind, de geërfde bezittingen van zijnen vader; dat is niets meer dan rechtvaardigheid. Wij zelve ontheffen u van den plicht der dankbaarheid jegens eene ketterin. Ga zonder aarzelen voort, mijne dochter! en ontrust u niet; zoudt gij uwe partij, de partij dei-ware kerk verlaten voor een kleingeestig gewetensbezwaar, dat niet bestaan zoude, zoo Elisabeth u nooit het uwe ontnomen had; zij heeft het u teruggegeven, dat was niets dan billijkheid. En waarlijk, wij verwonderen ons, dat gij nog over zoo iets denken kunt. Heeft dan de Kardinaal Montalto u niet toegesproken? Is zijne overredingskracht dan zoo flauw, of uw gemoed zoo hardnekkig onbuigzaam tegen de raadgevingen van uwe geestelijke leidslieden?quot;

Onze ridder begreep, dat er aan dit tooneel een eind moest gemaakt worden. Anna\'s hijgend snikken, het woord Montalto, waarbij zij opschrikte, als trof haar een galvanische schok, haar bleek en rood worden, het moest haar verraden.

„Heiligste Yader!quot; sprak hij, „wees barmhartig, mijne arme nicht is te diep geschokt door eene toespraak als die van Uwe Heiligheid, waarop zij niet voorbereid konde zijn; een verwijt uit uwen mond treft zoo vreeselijk. Zij is eene vrouw, eene

ocr page 229

217

hoogstgevoelige vrouw, vergun mij haar uit uwe tegenwoordigheid te verwijderen; morgen, wees er verzekerd van. Heer! morgen zal zij zich ernstig beraden hebben, morgen zal ik Uwe Heiligheid haar antwoord overbrengen, dat zeker geen ander zijn zal, dan overeenkomstig uwen wil.quot;

.Bij St. Petrus, ridder! ik wist niet, dat de Engelsche vrouwen zulke teedere waspoppen waren, die om een luid woord ineenzinken. Het is wel mogelijk, dat wijlden rechten toon niet vatten, om met zenuwachtige schoonheden^ te spreken; maar gij hebt gelijk, zij is als eene wezenlooze, en van onder zoovelekramptrekkingen zal er nu wel geen verstandig antwoord te voorschijn komen; breng haar dan in \'s Hemels naam van hier,, die man daar kan haar vergezellen. quot;Wie is hij, die man?quot;

„Hugh Mae-o-Daunt, een Schotsche bediende.quot;

„Welnu, laat hen gaan. Met u heb ik nog te spreken.quot;

En Karre richtte Anna op. Hij legde haren arm in den krach-tigen arm van Hugh, die zich met zijne meesteres verwijderde^ zonder recht te weten wat er was voorgevallen, en die in zijn binnenste de dwaasheid vloekte van een land, waar men damp; lieden gevangen nam zonder reden, om ze daarna zonder reden weder weg te zenden. Hem toch had niemand ééne vraag gedaan !\'

Daar had nog een lang gesprek plaats tusschen den Vorst van Rome en den Engelschen Staatsman. Wij weten niet welke belangen het betrof; wij weten alleen, dat de Stadvoogd heengezonden werd met eene drooge lofspraak over zijnen al te voorbarigen dienstijver, en dat Sixtus bij het afscheid tot Karre zeide: „De zaak van de kapel blijft ons nog altijd duister, Sig-nore! wij zullen echter niet trachten haar op te helderen, om dat.... wij het niet willen. Gij hadt eenige aanspraak op onze goedertierenheid, voortaan echter moeten wij u verzoeken, zoodanige plaatsen tot uwe samenkomsten met vrouwen te kiezen,, waarbij geene betere namen dan de uwe op het spel gezet worden. Gij hebt niet in onze achting gewonnen.quot;

ocr page 230

218

Dat was zeker een bitter woord, een woord even hard als •onverdiend voor eenen man, die zich edelmoedig had blootgegeven, om twee belangrijke hoofden te redden. Maar men ziet het meer, dat het verwijt en de verachting der wereld juist hen treffen, die beide het minst verdienen. Sixtus meende de waarheid zeer scherp te hebben uitgevorscht, en hij werd toch bedrogen. Misschien eene les voor Vorsten! om juist dan het meest op hunne hoede te zijn tegen de dwaling, als zij meenen het meest helder gezien te hebben.

ocr page 231

~X____---- \'JC JC ^

HOOFDSTUK XVIII.

Karre\'s bekentenis.

De voornaamste huisgenooten van Donna Camilla hadden in den ochtend, die op den dag volgde, zoo belangrijk voor enkele onzer personen, een ruimen kring gevormd rondom den armstoel der eerwaardige Matrone. Orsina en Francisca werkten gezamenlijk aan een kostbaar borduursel. Eene kleine banier van purpersatijn, die bij eene der groote processiën van Paschen moest gebruikt worden, en waarop zij het Kruisdragende Lam afschetsten met zilverdraad en blinkende goudplaatjes. Sommige harer dames bewerkten eveneens sieraden tot kerkelijk gebruik; want in die eeuw, in Italië, in de Pauselijke familiën, was het mode geworden, voor de Kerk te werken, zooals men het vroeger deed voor de behangsels der ridderzalen en voor de tornooien; zooals men het nu doet, om de behoeften van onze flauwe weelde te bevredigen, of om eenen held te begiftigen, die een korset draagt en glacé handschoenen en kunstlokken. De vrouwen : zij moeten iets hebben om op te tooien, al zouden zij zich ook aan eenen zwakken dwerg wijden, nu het geslacht der krachtige reuzen voorbijgegaan is; zij moeten altijd poëzie in het leven leggen, al bewees men haar ook wiskundig zeker, dat onze hedendaagsche wereld uit cijfers bestond. Donna Camilla las in eene legende van St. Cecilia, dat wil zeggen.

ocr page 232

220

zij hield het sierlijke boek in de hand, en doorbladerde met deftige aandacht de bont geschilderde en rijk met goud opgelegde prentverbeeldingen, die verschillende tooneelen uit het leven dier Heilige voorstelden; want lezen .... viel der goede vrouw eenigszins moeielijk, omdat zij het nimmer geleerd had. Wat behoefde zij ook een boek? zij had immers haren rozenkrans; o! menige vrouw zoude nog gelukkig zijn, indien zij met vertrouwen haren rozenkrans kende bidden, en menig huisgezin zoude zich er niet slechter bij bevinden, zoo het vrouwelijke hoofd daarvan niet had kunnen lezen. Domperridderach-tig woord in 1839, dan wij trekken niet te velde tegen het gebruik, alleen tegen het misbruik. Niet tegen bevallige lezeressen, die een boek in handen nemen tot verpoozing, of tot opscherping van het oordeel; maar tegen verwaarloozende boe-kenverslindsters; niet tegen zucht naar veredeling en kennis, maar tegen pronkende halfgeleerdheid. Ik weet dat er zijn, die mij verstaan.

Tegenover de vrouw des huizes zat Lady Anna Oston. Zjj hield zich bezig met een naaldwerk, waaraan zij zeer weinig vorderde.

„Vindt gij niet, Francisca! dat onze lieve gast er heden nog bleeker uitziet dan gewoonlijk?quot; vroeg Orsina hare zuster.

„Zjj zal weinig geslapen hebben, men zegt, dat zij gisteren verscheidene kerken heeft bezocht, om te bidden voor de rust der ziel van hare Koningin, de zalige Maria Stuart, en om wraak af te smeeken over het hoofd der hatelijke Elisabeth.quot;

Zeker is het waar, dat zij zeer laat is tehuis gekomen, gevolgd van haren grappigen paadje, die zijne lichtblauwe oogen altijd zoo wijd open doet, als men hem aanspreekt. Als ik hem ontmoet, zeg ik hem altijd iets, om over zijn antwoord te kunnen lachen; want dat Italiaansch, o!....quot;

„Ik voor mij geloof, dat de Signora te veel vast,quot; vervolgde Francisca, „ik geloof, dat zij een weinig dweepachtig is; dezen

ocr page 233

221

ochtend na de mis heeft zij niets gebruikt, dan een glas ijswa-ter met citroen en eene enkele biscottino. En zoo doet zij dagelijks.quot;

Orsina had zich door hare zuster in de rede laten vallen, zonder het te hoeren, ook had zij plotseling hare eigene scherts gestaakt. Een binnenkomende stoorde hare vroolijke luim; zij had niet toegeluisterd, toen men hem aandiende. Marco Colonna trad binnen. Na de eerste begroeting zeide hij tot haar: „Ik kom afscheid nemen, schoone Signora!quot;

„Afscheid nemen,quot; herhaalde zij met eene mengeling van verwondering en schrik, die Don Marco niet ontging, „gij gaat u verwijderen, donkt gij eene reis te doen ?quot; voegde zij er haastig bij.

„Ik moest toch een voorwendsel hebben om u te kunnen gehoorzamen,quot; fluisterde hij.

Eene reis te ondernemen in de heilige week! Eome te verlaten tegen Pasehen!quot; sprak Donna Camilla afkeurend.

„Juist in de heilige week, juist tegen de feestdagen. Madonna! Reeds veel te lang heeft ons geslacht de treurige vernedering gedragen, die zich sedert eeuwen op eiken Witten Donderdag herhaalt. Geene verdiensten bij den Heiligen Stoel; geene veldslagen, gewonnen voor Rome; geene schatten, geene aanbiedingen hebben tot hiertoe de afschaffing kunnen verwerven van dat oude gebruik, waarbij over het huis Colonna, door de bul in Coena Domini, jaarlijks met zooveel treurige plechtigheid de banvloek wordt uitgesproken. Ik heb van onzen Heiligen Vader de hoop op afschaffing verkregen; maar ik wil haar niet, zonder eene openlijke boete. Ik onderneem eene bedevaart naar Loretto. Telen van mjjn geslacht zullen mij volgen. Zijne Heiligheid billijkt volkomen mijn voornemen.quot;

„Het is ook hoogst lofwaardig, Signore! en doet uwer vroomheid eere aan,quot; sprak Camilla.

„Dat is vreemd, zulke recht geloovige zonen der kerk als

ocr page 234

222

de Heeren Colonna altijd geweest zijn, in den ban te doen!quot; riep Francisea.

„Onzalige twisten tusschen Paus Bonifacius den VIII en sommige Colonneezen, Signora! Ik beschuldig niemand; maar daar het gebruik bestaat, is het mij van het hoogste belang, dat het vernietigd worde, alvorens ik mij tot de eer eener Pauselijke verbintenis verheven zie,quot; voegde hij er met hoffelijkheid bij, tot Orsina gewend.

„Denkt gij u lang te Loretto op te houden,quot; vroeg Camilla,

„Ik zal niet kunnen terugkeeren voor den zondag van Quasimodo.\'\'\'\'

„Hoe, Signore! en uwe verloving?quot;

„Geloof mij. Madonna! dat niemand er meer onder lijdt dan ik zelve, maar zij is uitgesteld,quot; sprak nu Colonna, zijn aanstaande teeder aanziende. Het meisje bloosde; in haar donker oog schitterde een traan, een traan van genoegen, een traan van diepe aandoening. Het moest ook wel streelend zijn voor hare ijdelheid, te zien hoe de groote Prins zijnen hoogsten wensch zoo geheel voorbijzag voor haren wil, hoe hij met hoffelijke vindingrijkheid een voorwendsel had gezocht, om eene vrouwenluim te voldoen, zij moest wel gelooven aan de liefde van eenen man, die eene opoffering voor haar met zooveel verschoonende kiesch-heid wist te omkleeden. En van het geloof aan zijne liefde was misschien bjj haar de stap niet zoo groot tot een wederkeerig gevoel. De blik ten minste, waarmede zij hem aanzag, zeide hem genoeg om hem niet geheel wanhopig te laten wegtrekken. Ook begreep Don Marco dien blik zóó wel, dat hij zacht tot haar zeide: „Kan ik u niet een enkel oogenblik alleen zien; voor mijne afreize, dierbaarste Orsina?quot;

„Edele Colonna! ik weet niet.... ik wenschte zelve----ik

heb u zoo grooten dank te brengen....quot; begon zij aarzelend. Juist toen plaatste zich Angelo-Scipione tegenover haar, achter Anna\'s armstoel, en zag haar veelbeteekenend aan. Zij verbleekte.

ocr page 235

223

Toen vervolgde zij nog meer verlegen: „Ik kan u niet zien,, dan in het bijzijn mijner grootmoeder of van mijne vrouwen. Als gij zelf wist, hoeveel leed het mij doet, Signore! maar ik kan .... ik mag niet....quot;

„Het was niet aan anderen, dat ik iets te zeggen had,\'\' antwoordde hij teleurgesteld.

De kleine heeft misschien ons geheim gesprek niet weten te verbergen, en eene boetpredikatie van de Duenna zal haar afgeschrikt hebben, dacht hij verder, zich troostende. Daarop wendde hij zich tot Camilla: „Weet men dezen ochtend reeds iets van den Kardinaal-neef, Madonna ?quot;

„Van mijnen neef, Signore? ik weet waarlijk niet.... deze vraag....quot;

„Hoe! ik ben dus de eerste, die u de slechte tijding meldt? En toch spreekt men heden in Rome van niets anders. Zijne Eminentie heeft gisteren eenen val van het paard gedaan, en heeft eene vrij belangrijke wonde bekomen.quot;

Anna, die met begeerige ooren en bleeke lippen toeluisterde^ had de onvoorzichtige vraag op de lippen: omstreeks welken tijd dit ongeluk voorgevallen was. Zij had niet opgehouden zich te bekommeren over het lot van den geliefden jongeling, die alleen was achtergebleven, ten prooi aan zelfverwijt en hartstocht; zij verdiepte zich in allerlei angstige gissingen over zijn lot, over de mogelijkheid zijner gevangenneming, en de bange onzekerheid had dien nacht den slaap van haar gedreven, al ware het ook, dat zij, na al het gebeurde, nog rust had kunnen vinden. Het was de onrust over den Kardinaal en de waarschijnlijkheid daar spoediger het eene of andere, hem betreffende, te vernemen, die haar heden vroeger dan gewoonlijk uit hare geliefkoosde eenzaamheid heengedreven had naar de vertrekken van Donna Camilla. Het minste van allen was zij voorbereid op het zonderlinge ongeval, waarvan Don Marco sprak; ook zoude zij hare deelneming bijna luide verraden heb-

ocr page 236

224

ben zonder Scipione, die achter haar staande, haar snel influisterde: „Vrees niets, Signora! dat zal slechts een voorwendsel .zijn, om het Vatikaan niet te bezoeken.quot; En Anna geloofde dat.

„Hoe is het mogelijk, dat men mij van zoo iets onkundig kan laten,quot; riep Camilla.

„Mjjn goede, lieve neef!quot; zuchtte Orsina.

„Dat komt er van, als geestelijken te veel ridders willen zijn,quot; voegde Francisca er bij.

„Men zegt, dat Zijne Eminentie een wild Arabisch ros heeft bereden; dat de val heeft plaats gehad op het Campo Vaccina, •en dat de Kardinaal met het voorhoofd is nedergekomen op een der marmerblokken van de ruïne.quot;

„Signor Maldaveto!quot; sprak de Matrone, „zoudt gij de goedheid willen hebben, aan het paleis van Monsignore, mijnen neef, naar die geruchten te onderzoeken.quot;

„Ik ga, Madonna!quot; sprak Angelo, zich buigende. „Mogelijk gelukt het mij, toegang te bekomen tot zijne Eminentie.quot; Anna zag hem smeekend aan. Hij begreep haar.

„Ook ik denk heden nog bij Montalto te gaan,quot; hernam weder •Colonna, „wij zijn vrienden, en ik heb mijne redenen om hem in dezen tijd niet te verwaarloozen.quot;

„Ach, edele Heer!quot; hernam de Donna, terwijl zij zeer zacht tot hem sprak, „gjj weet dus ook reeds .... ik meende, dat uwe Traag daarop doelde; er schijnt een onzalig misverstand te bestaan tusschen Alexander en mijnen zeer Heiligen broeder. •Gisteren avond was hier Madonna Cesarini, zij vertelde het mij als eene bekende zaak; men maakt duizend gissingen omtrent de reden. Zoudt ge niet een woord willen spreken tot verzoening en bemiddeling; het moet niet tot het uiterste komen, de jongeling is opbruisend, hooghartig, onbuigzaam, en de Heilige Vader...quot;

„Ik beloof u. Mevrouw! ik zal alles doen wat in mijne macht staat.quot;

ocr page 237

225

En daarop nam Colonna zijn afscheid. Dat van Orsina was werkelijk geruststellend voor de grootmoeder, die soms nog met schrik terugdacht aan den tegenstand van het meisje. Het lieve kind had ook in den laatsten tijd zooveel gewaarwordingen doorleefd, die haar in eene geheel andere stemming gebracht hadden. Wij hebben haar eenigszins verwaarloosd, wij hebben haar verlaten op een hachelijk oogenblik: het oogenblik, toen zij in haar gesprek met Don Marco gestoord werd door den stap van iemand, die nader kwam. Die iemand was Scipione geweest. Hij had veel partij getrokken van hare naïve ontsteltenis, toen hij haar betrapte op hetgeen hij ontrouw noemde. Hij had met hartstochtelijkheid, met bedreigingen, met liefkozingen, met gebeden, met tranen, met al de tooverkracht van zijn oog, en met al de wegslependheid zijner taal, haar eenen eed afgedwongen, den eed, om Don Marco vóór hare verloving nimmer weder een gesprek onder vier oogen toe te staan; den eed, om hem vóór dien tijd nimmer eenig blijk van liefde of vertrouwen te geven. Dat was het alleen, waardoor zich de voorgewende ijverzucht des Florentijners bevredigen liet. Het was die eed, door Karre gehoord op zijne avontuurlijke nachtwandeling, en die dezen zoozeer ontrust had; en het was hare gestalte geweest, die de ridder bjj den ingang naar Anna\'s vertrekken had zien verdwijnen, omdat zij op die wijze alleen onbemerkt en heimelijk in hare kamer wist terug te komen. Scipione had uit voorzichtigheid dien eed van haar afgeperst. Hij duchtte te veel de vergelijking, die het jonge meisje zoude kunnen maken tusschen zijne listige, sluipende, vergiftigende vleierij en de heusche, eerbiedige, achtingvolle hoffelijkheid des edelmans; de invloed, dien de ernstige, oprechte liefde des edelen jongelings hebben moest op het onbedorven hart van het meisje, scheen hem te gevaarlijker, daar hÜ er niets tegenover wist te stellen, dan fijne huichelarij en opgeschroefd schijngevoel. Hij moest hun de gelegenheid benemen zich te uiten, hij moest voorkomen, dat zij elkander leerden EngeUchen te Rome enz. 15

ocr page 238

226

verstaan. Zij moest hem niet kennen in zijne waarde; hij moest haar niet kennen in hare roerende natuurlijkheid en in haar lieftalligen eenvoud. Het scheen dus eene schrandere berekening, die eed; eene berekening, die hem zijne prooi in handen zoude leveren. En toch, zij was eene fout. Kende hij dan het vrouwelijk hart niet beter? wist hij dan niet, dat de hinderpalen juist de toenadering bevorderen, zoo niet de persoonlijke, dan toch zeker die der harten? Zoolang Colonna haar een opgedrongen verloofde scheen, had Orsina zich willens verhard tegen zijne smeekingen; toen had zij het oog naar Angelo gewend als naar den lieveling harer eigene keuze. Maar nu het haar ten plicht gemaakt werd, koel en terughoudend te zijn tegen den jongeling, wiens teederheid en zachtmoedigheid haar behaagden; nu scheen het haar toe, dat men met heerschzucht eene opoffering van haar vergde; nu gevoelde zij behoefte aan hem, dien men van haar scheidde; nu eerst dacht zij aan een pijnlijk gemis, nu ook scheen hij, die dit gemis oplegde, haar een dwingeland toe, en Orsina Peretti voelde zich reeds nicht van Sixtus genoeg, om geenen dwingeland te kunnen dulden. Nu eerst begon zij na te denken over haar onbedachtzaam aanhooren van Angelo\'s vleierijen, van zijne vermetele verklaringen; nu eerst huiverde zij tegen het denkbeeld van met hem alleen te zijn; nu eerst trachtte zij hem te vermijden; nu eerst liet zij niet dan bevend hare hand in de zijne; nu eerst schrikte zij terug voor den blik van dat oog, dat haar vroeger bedwelmd had. Ook scheen het haar toe, dat Colonna wel eene kortere afwezigheid had kunnen stellen, en met angstig verlangen wenschte zij naar zijne wederkomst. Scipione-Angelo bemerkte nog van dat alles niets. Dat was eene bladzijde van haar leven waarvan hij niets had kunnen lezen; dat was eene onbekende plooi in dat hart, waartusschen zich voor hem eene dreigende teleurstelling verborg. Dat was weder een kuil, waarin de graver zelf vallen konde.

ocr page 239

227

Het was nu dringend noodig geworden, dat Karre zijne nicht inlichtte van de gunstige beschikkingen der Koningin Elisabeth en van den wensch des Pausen, dat zij, met voorbijziening van de eischen der dankbaarheid, evenals voorheen, in verstandhouding zoude blijven met die partij der Katholieken in Engeland, welke den ondergang der Koningin trachtte voor te bereiden. De ridder vreesde duizende bezwaren zijner landgenoote te zullen moeten weêrleggen; hij vreesde zelfs, dat zij er in het geheel niet toe zoude zijn over te halen, om deze inzichten van Sixtus en de belangen van ontevredenen tegen eene weldoenster te dienen. Maar Anna Oston was van andere gedachten; zij hield de weldaad der Engelsche Koningin voor niets dan eene daad van rechtvaardigheid; zij kende deze zelfs de koninklijke macht niet toe om te ontnemen of te geven, en de ketterin, die wederrechtelijk plaats had genomen op den troon van hare Maria Stuart, meende zij geenen zweem van dankbaarheid óf gehoorzaamheid schuldig te zijn. Zij stelde dus den wenschen van Rome\'s Priestervorst niet éénen hinderpaal in den weg, en zjjn gelastigde had niet ééne zwarigheid te overwinnen. Hunne staatkundige zaken waren dus afgedaan. Anna had hem nieuwe plannen en ontwerpen harer vrienden uit Londen medegedeeld; hij had de memoriën bij zich gestoken. Hij was geheel de agent van Sixtus geweest, en niets dan dat. Hij had weder een bewonderenswaardig bewijs gegeven van zijne zelfbeheersching; geen woord, geene toespeling, geen wensch, geen zucht zelfs was hem ontsnapt, en hij had bij dat alles toch zooveel te denken, te wenschen, te betreuren, en te verwijten kunnen vinden. Hij bleef nog een oogenblik zitten tegenover haar aan de schrijftafel, waaraan hij zich geplaatst had; hij zag haar eenige seconden lang aan met zijn scherp en doordringend oog, dat nu eerst weder zijne smachtend gevoelvolle uitdrukking hernam, met een lang en ernstig zwijgen, toen stond hij op, en hare hand vattende, begon hij:

ocr page 240

228

„Tot hiertoe heeft ridder Karre gesproken, vergun Lionel nu ook een enkel woord. Lionel, die vroeger bestemd was, zooveel voor u te zijn, en die nu bijna het recht niet meer heeft, van zich zeiven tot u te spreken.quot;

„Waarom hebt gij niet eerder gesproken, Lionel?quot; antwoordde zij weemoedig. „Waarom hebt gij willen wachten tot de klove, die ons reeds scheidde, een onoverschrijdbare afgrond geworden is ? Lionel! ik heb vroeger ook schoone droomen gehad. O,! waarom hebt g|j mij aan uw hart doen twijfelen?quot;

„Billijk is uw verwijt, en groot, helaas! mijne verantwoordelijkheid,quot; hernam hij met eenon zucht. „Ook weet gij niet wat ik daaronder geleden heb, wat ik nog lijde, wat voortaan heel mijn leven vergiftigen zal. Maar ik had plichten, Anna! plichten jegens anderen, plichten, die voorgingen, zelfs voor mijn eigen levensgeluk, zelfs voor het uwe. Want wij hadden gelukkig kunnen zijn; want wij hadden nü den band kunnen knoopen, die vroeger ons beider hoogste wensch was. Toen ik u weder zag, had ik geene andere gedachte, geene vastere begeerte, geene betere hoop voor mijne toekomst. Afstand, noch lijden, noch gevaren, noch beslommeringen, hadden de verloofde mijner jeugd uit mijn hart kunnen verdringen, mijne zachte Anna! met die liefelijk dweepende zwaarmoedigheid, en met die ernstige teederheid zelfs in de dagen der blijde jeugd. Zoo zag ik u altijd voor mij, zoo zag ik u ook weder. Slechts was uwe zwaarmoedigheid niet meer de bevallige schaduw van eenen al te zonnigen zomerdag, een onzeker duister voorgevoel van toekomstig lijden, maar een treurig gevolg van bitteren levensernst. Ik las evenals vroeger in uw oog, in uw hart; maar ik mocht toen nog niet zeggen, dat ik u verstaan had; ik mocht geene hoop in u opwekken, die het niet meer alleen in mijne macht stond te bevredigen. Ook ik was rijper geworden in jaren, rijper in ondervinding, rijper, helaas! in verstandige levenswijsheid, die de hartstochten beteugelt en die de gewaar-

ocr page 241

229

wordingen beheerscht. Ik zweeg; ik liet u geen blik slaan in mijn hart, waarin gij uw beeld als den eenigen afgod hadt kunnen vinden. Ik wachtte de toestemming van anderen .... van den Graaf....,quot; voegde hij er aarzelend bij, „eerst in den nacht van palmzondag kwam zij ....quot;

„Tegelijk met den brief, die mij in het bezit mijner goederen bevestigde,quot; viel Anna hem snel in de rede, en met eene koele achterdocht, die de sprekendste ontkenning harer liefde was.

„Ja, Mylady!quot; hernam hij smartelijk, „zoo is het; doch is het zoover tusschen ons gekomen, dat Anna Oston mij van lage berekening verdenkt? !Neen! bij den Almachtige, die mij hoort, zweer ik u, dat deze teruggave geenen invloed heeft uitgeoefend op mijn besluit. Dat het mijn heilig voornemen was, dien rijkdom geheel aan uwen zoon te laten, oIvoorwaar zoo ik rijkdom gezocht had, dan had ik mij hier te Rome aan menige gouden keten kunnen binden. Het is waar, ik schijn arm voor de menschen; maar toch bezit ik schatten genoeg, om ieder mijner zonderlingste grillen, ieder mijner kostbaarste luimen in te willigen, om do vrouw, die ik mij koos, een leven te kunnen verschaffen in ongekende weelde en overvloed, een leven vol voorgekomen wenschen en genietingen, die slechts met een vorsteljjk vermogen kunnen betaald worden ; want gij hebt gezien, Anna! de schatten van eenen Paus staan te mijner beschikking. In dien eigen nacht nog, toen ik voor het eerst de vrijheid had, u mijn gevoel te openbaren, dreef mij de hartstochtelijke blijdschap naar den wijngaard Peretti; ik wist, dat ik u niet zien konde, maar ik had behoefte in uwe nabijheid te zijn, ofschoon dan ook muren ons scheidden. Door een onbestemd voorgevoel geleid, naderde ik eene der zijpoorten. Zjj stond aan, Anna! helaas! behoef ik u te zeggen, waarom zij ongesloten was? Ik hoorde stemmen, eene vrouwenstem sprak een plechtigen eed van trouw uit. Eene vrouwengestalte vlood en verwijderde zich in den gang naar

ocr page 242

230

uwe yertrekken; ik had de stem en de gestalte herkend. Ik was radeloos, wanhopig, ik bracht den rampzaligsten nacht van mijn leven door. Toch wilde ik nog twijfelen ... de noodlottige bijeenkomst in de kapel helderde mij alles op.\'\' Anna Oston wilde hem in de rede vallen, maar hij riep smartelijk.

„Neen, Anna! ik beschuldig u daarom niet. Het was steeds hetzelfde harde noodlot, dat ons altijd scheidde. Gij moest wel twijfelen aan mijne liefde, die zich door niets verried; gij moest wel twijfelen aan eene trouw, die zich door niets bevestigde; gij moest wel ingenomen - zijn door de eerbiedige hulde van eenen vorsteljjken jongeling, uw gevoel moest wel spreken bij zijnen hartstocht; maar het is slechts te bejammeren, dat alles zóó treffen moest. Dat gij en ik zoo tegen elkander moeten overstaan! Thans, nu wij geenen anderen hinderpaal hebben tegen een lang afgebeden geluk en tegen eene liefde, door geene twaalfjarige scheiding uitgewischt, dan ons zeiven, niets dan ons zeiven, niemand dan ons zeiven.quot; — De ridder drukte het matte voorhoofd tegen de leuning van haren armstoel. Zij voelde zijne tranen nederdroppelen op hare hand. Zij brandden haar op het hart die tranen, welke om haar vergoten werden en waarvoor zij niets in ruiling te geven had, dan eenen koelen traan van medelijden, geenen troostenden traan der liefde. Toch was zij diep bewogen.

„Lionel! het was een vreeselijk, maar niet misleidend voorgevoel, dat u mij deed verdenken, nog voordat ik tegen u misdreven had. De stem, die gij gehoord hebt, was niet mijne stem; de gestalte, dio gij gezien hebt, was niet mijne gestalte, en zij moge werkelijk zijn ingeslopen in mijne vertrekken, toch was niet ik het, die ze verlaten had. Ik betuig het u, bij den allerheiligsten God, niet vóór het schrikkelijk woord in de kapel sprak mij Montalto van zijne liefde; gisteren ochtend voor het eerst uitte hij een woord van verzoening en vriendschap; slechts bittere verachting en harde miskenning heb ik tot daartoe van

ocr page 243

23]

hem moeten dragen, door den ruwen laster van Scipione. Die gestalte kan een droombeeld geweest zijn uwer verbeelding: er kan ook waarheid gelegen hebben in de verschijning. In dit huis zijn vele jonge vrouwen, en mijne galerij leidt ook naar de vertrekken van de jonge Prinsessen. Maar hoe het zij, Karre! gij zult toch mijn ernstig woord wel gelooven, nu ik het met eenen eed heb bevestigd. Welk belang zoude ik er bij hebben, u nu te misleiden; gij zijt immers de edelmoedige vriend geweest, die eigen gevaar niet heeft geschroomd, om eenen man en eene vrouw, die gij, helaas! zoovele reden hebt te haten, voor de ontzettende gevolgen te bewaren eener onbezonnen .. . .quot; Zij kon het oordeel over zich zelve niet uitspreken, luide snikken braken hare woorden af.

„Ik geloof u, Anna! Ach, ik geloof u! maar met diepe smart zie ik nu eerst in, hoe die weinige uren van aarzeling mij voor eeuwig mijn levensgeluk hebben ontzegd! Eu toch, zoo gij wildet, het zoude nog niet te laat zijn. Zie, ik ben niet de vermetele, die van u een gevoel wil afdwingen, dat niet meer bestaat; zie, het is misschien onbescheiden, dat ik nog van mijne wenschen durf spreken; maar zijt gij er zeker van, Mylady! dat uw hartstocht voor dien anderen niet eene opwelling is, die voorbij zal gaan, en die rouw en weedom zal nalaten in uwe ziel? Kan dan de liefde van vijftien jaren op eens worden ■weggevaagd uit het hart eener vrouw voor den hartstocht van heden ? Zal zich die liefde niet weder doen gelden, nooit weder, Anna? O, laat het niet zijn als het te laat is. Denk de toekomst in, dierbare vrouw! o, geloof eenen trouwen vriend, die nog meer voor uw geluk bezorgd is, dan voor het zijne. Xog smeek ik u uwe hand af, nog bied ik u den steun van mijnen arm. ÏTog bied ik u een leven van zorgelooze rust, en kalm genoegen ; er kon een tijd komen, dat de eer mij verbood het aanbod te herhalen! Het woord is hard, Mylady! en de uitdrukking vermetel, en God alleen weet wat ik er bij lijde,

ocr page 244

232

zoo tot u te spreken, wat ik voortaan om uwentwil lijden zal; maar ik wil genoeg uw vriend zijn, om u de waarheid van uwen toestand voor te houden, om niet van een rooskleurig verschiet te huichelen, als ik eene zwarte duisternis voor u zie; want het is zoo, gij bewandelt een glibberig pad. Er is meer dan één steen des aanstoots, waarover gij struikelen kunt, er is-meer dan één schitterend dwaallicht, dat u zal aantrekken en toch misleiden. U ontbreekt een steun en een staf op dat pad; Spreek mij niet van den godsdienst. Haar invloed wordt flauwer en flauwer, naarmate de hartstochten stouter en gebiedender heerschen. Spreek mij niet van het geweten, die stem wordt zwakker en zwakker, naarmate de zinnelijkheid luider schreeuwt. Spreek mij niet van eenen vasten geest, van zelf beheersching, geloof mij, ik ken de menschen, ik ken uwe sekse 1 de mjjne ! Zelfbeheer-sching en vastheid van geest treden terug voor de verlokking van het oogenblik en voor de macht der passiën. Nog eenmaal, Anna beraad u ernstig met u zelve, en laat u niet wegslepen door eene betoovering van het oogenblik; want als de betoovering vlood, want als het schijnbeeld misleidde, o! dierbare, innig geliefde! ik bezweer u bij al wat goed en edel in u is, bij uw geluk, bij dat van uwen zoon, bij de lange jaren mijner onwankelbare trouw, voorkom dat lijden, dat ons beiden dreigt, vergeld mijne trouw niet met eene zoo wreede teleurstelling.quot;

Hij smeekte dringend, ernstig, roerend. Waarheid, oprechte welmeenendheid, en overtuiging die geene welsprekendheid noo-dig heeft, dat alles lag op zijn gelaat en in den toon zijner stem, die zacht was en trillend van aandoening. Ook had hij in haar hart eene snaar geroerd, die luide voor hem sprak; zij had hem onder tranen aangehoord, zij had met siddering geluisterd naar woorden, voor wier waarheid zij zich niet verblindde, en hem ware misschien de overwinning geweest; maar zie, onbesloten trok zij hare handen uit de zijne, daar flikkert haar met begoochelenden glans de ring in de oogen, haar door

ocr page 245

233

den lieftalligsten der jongelingen met zooveel vurigen en smeekenden drang aangeboden, daar toovert hare verbeeldingskracht hem haar weder vóór zich, met dien onbeschrijfelijk roerenden weemoed in gelaat en houding, waarbij Karre\'s aandoening te zwak blijft; daar ziet zjj weder die gloeiend zwarte oogen, die vlammen schieten, en die toch zacht kunnen zijn voor haar; die blikken, waarbij Karre\'s blik dof is; dien on weerstaan baren hartstocht, waarbij Karre\'s hartstocht koelheid is, daar schildert zij zich hem in die verslagene houding, in zijne wanhoop, als hij weten zal, dat hij verdrongen is! Zoude zij dan niet ten troost mogen zijn voor hem, die voor haar eiken anderen troost zoude moeten ontberen. Die laatste beweegreden bepaalt haar besluit.

„Het is te laat, Karre! ik zeg u, het is te laat,quot; sprak zijf somber voor zich heen ziende. „Ik zou u bedriegen, als ik u zeide, dat gij iets anders voor mij zijn kunt dan een vriend!quot;

„Gij hebt dan beslist,quot; hernam hij, en wischte zich den laat-sten traan af. „Anna! een vriend wil ik altijd voor u zijn, en een vader voor uwen quot;William, ook dan als het u vergeten zal zijn, dat gij eenen vriend hebt, en dat van u een zoon leeft. Vaarwel dan, als het zoo zijn moet. quot;Waak over u zelve.quot;

En hij verwijderde zich haastig.

ocr page 246

lt;-x-,-/i,-ct:lt;

HOOFDSTUK XIX. Het schimpschrift.

In den vroegen morgen van Witten Donderdag, een ])lech-tige vierdag voor de gansehe Katholieke Christenheid, maar bijzonder plechtig en indrukwekkend te Eome, zag men Pasquin met een vermetel schimpschrift omhangen. Het was tegelijk gericht tegen den Paus en tegen diens zuster. Het beschuldigde Zijne Heiligheid van alle koppelaarsters uit Rome te hebben verbannen, uitgezonderd Donna Camilla. Dat was eene snijdende bitterheid voor eenen zoo kuisehen Priestervorst als Sixtus V. Dat was eene harde onwaarheid ten opzichte eener zoo eerwaardige vrouw als Camilla, die in stille vroomheid voor zich henen leefde, en die deftige tucht en orde in haar huis voorstond. En toch was de schimpdichter een scherp opmerker geweest, en toch lag er grond in zjjne zijdelingsche beschuldiging van twee personen, die elkander in dat huis zagen. Meer dan halve aanwijzingen duidden op den Kardinaal Montalto en op Lady Anna Oston.

Waarheid was dat zij elkander sodert den avond in de kapel dikwijls hadden wedergezien. De jonge Kerkvorst was zeer gelukkig ontkomen aan den schrik dien men weet, dat Sci-pione hem gespannen had. Zijne wonde, die hem niet van zijnen onbesuisden rit was toegekomen, was evenwel geen voorwendsel

ocr page 247

235

geweest. Hij had zich aan het harde marmer gekwetst, toen hij in duizeling was nedergevallen op de trappen van het altaar. Lang had de sakristijn op het afgesproken teeken gewacht, waarop hij de kapel zoude moeten sluiten; toen het eindelijk middernacht werd, zonder dat men het gaf, trad hij bezorgd het kerkgebouw binnen. Hij vond zijnen Heer, dien hij ondanks de vreemde kleeding herkende, in eene biddende houding, zoo hij meende, bij het altaar. Die diepe aandacht scheen hem toch al te afgetrokken, en die houding te onbewegelijk, om natuurlijk te zijn. Hij ondernam het te naderen, en hij vond den jongeling koud, en als levenloos, het voorhoofd bloedende. Zijn luide angstkreet (hij dacht aan moord) bracht den Kardinaal tot zich zeiven. Montalto had tegenwoordigheid van geest genoeg, om alles aan een plotseliagen val toe te schrijven, waarover hij echter wilde gezwegen hebben, een stilzwijgen, dat hij door eene rijke gift nog nader aanbeval. De kerkbeambten van dien tijd, van dat land en van die stad vooral, waren zoo gewoon aan de vreemdsoortigste intriguen, en kenden te wel de belangen van hunne betrekking, om niet, zonder persoonlijke redenen tot vijandschap, hunne meesters getrouw te zijn, en deze man was aan den zijnen gehecht.

Heimelijk in zijn paleis teruggekomen, en slechts van Ot-tavi alleen gezien, die uit bezorgdheid nog waakte, viel het hem gemakkelijk, zijne lieden omtrent de oorzaak zijner lichte wonde te misleiden; en hetgeen Don Marco gehoord had, was hetzelfde, wat de meesten in en buiten zijn paleis er van geloofden. Niet allen echter; daar waren er, die, bekend met het misverstand tusschen Sixtus en zijnen neef, in die wonde niets zagen dan een voorwendsel om zich af te zonderen, en zich bij de aanstaande feestdagen aan de openlijke kerkplechtigheden te kunnen onttrekken en men vond het behendig en voorzichtig, om op deze wijze de oogen der menschen af te leiden van eene oneenigheid, die

ocr page 248

236

voor den jongen Kerkvorst zoo ongunstig werken moest. Zelfs in het Vatikaan dacht men zoo; Sixtus vooral geloofde het en misbillijkte het ten hoogste. Zijne opvliegende gramstorigheid was reeds van zelve bedaard, zoodra hij wist gehoorzaamd te zijn, zoodra men hem niet meer tegensprak. Hij had misschien gaarne reeds des anderen daags zijn neef aan zijne voeten teruggeroepen, zoo hij een middel geweten had om de verzoening zoo spoedig bij te brengen, zonder zijne waardigheid in de waagschaal te stellen. Hij kon niet lang hard zijn tegen zijnen oogappel, zonder duehtiger reden dan eene opvatting. Hij rekende heimelijk op de feestdagen, die hen elkander, ongezocht, genoeg nabij zouden brengen, om den jongen Kardinaal een woord van goedheid toe te fluisteren, en ziet.... deze scheen voorgenomen te hebben, met halsstarrigheid die gelegenheid tot hereeniging te vermijden. Dat ergerde Sixtus, die van alle menschen het minst gaarne in zijne berekeningen teleurgesteld werd, en hij begreep van zijnen kant nu ook geene zwakheid te moeten toonen. Hij vermeed eiken schijn van belangstelling in de ongesteldheid des Kardinaals. Dit was een voorbeeld, dat niet eens behoefde gegeven te worden, om door anderen nagevolgd te worden. Het gerucht der openlijke verkoeling tusschen den Paus en zijnen neef was pjjlsnel doorgedrongen tot elk oor, dat er belang bjj had het op te vangen. En daar waren er velen, die er belang bij meenden te hebben. Daar was er menigeen, die slechts met leede oogen den jongen student van Ascoli tot het kerkelijk purper had verheven gezien ; en daar was er menigeen, die laag genoeg dacht, om uit elke verwarring voor zich zei ven iets te hopen; en daar was er menigeen, boosaardig genoeg, om scherp toe te luisteren en kwaadaardig uit te leggen. Het was dus natuurlijk, dat de Kardinaal-neef zich van de menigte verlaten vond. Men verdrong zich niet meer in zijne voorzaal; men wachtte niet meer geduldig tot zijn uur daar was; men bedelde niet meer om zijnen glim-

ocr page 249

237

lach; men rekte zich niet meer op de teenen, het hoofd en den hals vooruit, om van hem gezien te worden. Daar waren nog slechts zeer enkelen, die, berekenende de waarschijnlijkheid eener verzoening, zich de verdienste wilden voorbehouden, van hem niet in het ongeluk te hebben verlaten. Maar ook dezen bezochten hem niet; zjj vertoonden zich slechts even in het portico van zijn paleis, om naar zijne gezondheid te vragen. Men kon niet te voorzichtig zijn! Don Marco was vertrokken, na een broederlijk afscheid. De jongeling zag dus niemand meer, zelfs Karre niet. Karre was genoeg mensch om den verstoorder van zijn levensgeluk liever te vermijden, dan op te zoeken, hoezeer hij ook de grootmoedigheid gehad had om de verantwoordelijkheid van diens onberaden stap op zich te nemen en van hem af te wenden. Ook was hij met zijne houding verlegen tegenover den jongen Kerkvorst, hij wilde hem niet doen blozen, en hij wist toch dat deze voor hem zoude te blozen hebben. Maar het zonderlingste was, dat Peretti door zijne vleiers en vrienden verlaten, nu juist gezocht werd door lieden, die vroeger niet getracht hadden hem te naderen. Voorgesteld door Scipione, traden sommige voorname leden der Spaansche partij Montalto\'s geheim kabinet binnen; want er bestond te Rome eene Spaansche partij, eene partij, zoo al niet voorgegaan, dan ten minste ondersteund en met raad en hulp gediend door den Kardinaal van Toledo, en door vele andere misnoegde Kardinalen en hooge kerkvoogden, die, hetzij ze zich te zeer gedrukt voelden onder den last van Sixtus\' heerschzucht, hetzij ze de grieve van zich elke deelneming aan het bestuur ontnomen te zien, niet lijdzaam dragen wilden, hetzij ze zich niet konden vereenigen met de eenigszins naar verlichting zweemende, ten minste voortgang bedoelende inzichten des Pausen, liever eenen buitenlandschen eerzuchtige dienden tegen de belangen van hun vaderland en hunne Kerk, dan broederlijk met hun opperhoofd de handen ineen te slaan tot het goede. En Philips van Spanje, de rechtzinnigste, maar ijver-

ocr page 250

238

zuchtigste zoon der Kerk, die zoo gaarne zijne stem verhief in het midden van het Heilige Genootschap, was hoogst gelukkig met den geest van verdeeldheid, die zich daarin verhief. Hij wist altijd zijne brandstof aan te brengen in elk vuur dat begon te smeulen; hij moedigde elke vermetele ontevredenheid aan en elke klaagtoon, die zich te Rome over Sixtus verhief, vond in het geheim weêrgalm in het koninklijk kabinet te Madrid.

Aan niemand beter dan aan Olivarez, zijnen Gezant, kon Philips de leiding zijner staatkunde te Rome hebben toevertrouwd, zoo haat, verbittering en list ten minste vergoeden konden, wat er misschien aan beleid ontbrak. Het was niet altjjd de Gezant van Spanje geweest, dien de Paus in dezen man had belee-digd, ook als Graaf van Olivarez, een der fiersten van Spanje\'s fiere Grandes, was hij vaak door den gekroonden laaggeborene met eene zoo ruwe minachting behandeld geworden, dat hij geen Spanjaard en geen zoon uit een oud Gravenhuis behoefde te zijn, om zich diep gekrenkt te gevoelen, en hem met zwijgenden, maar ingekankerden wrevel te vervullen. Sixtus had hem in oogenblikken van overmoedigen toorn gedreigd met mishandeling en dood. Olivarez was laf genoeg om te sidderen voor bedreigingen, die een Vorst niet mocht uitvoeren tegen den Afgezant van eenen anderen Vorst, en hij was boosaardig genoeg om den man te haten, die ze had durven uitspreken. Wat dus in zijne macht stond om den Paus in het heimelijke te grieven, te dwarsboomen en te ontrusten, vergat hij niet, noch verzuimde hij. Alleen was hij zeer omzichtig, alleen dreef hij zijnen slinkschen handel zoo onmerkbaar, dat niemand hem iets bepaalds kon ten laste leggen. Hij kende de aanspraken van Sixtus op het leen van Napels; hjj giste zijne plannen om die aanspraken met kracht te doen gelden; Scipione sprak hem van Montalto, van Mon-talto, den jongeling, die zich in den lichtzinnigen overmoed van het geluk en de jeugd, die dartel maken, meermalen met luch-tigen spot aan hem had vergrepen; van dien jongeling, die

ocr page 251

239

thans verlaten scheen door den zwerm zijner aanbidders, die nu oogensehijnlijk zonder invloed was; maar die jongeling had gezeten aan de voeten van Sixtus bij zijn geheimste beraadslaging, had zijne diepste geheimen als uit zijne borst kunnen opdelven, die jongeling kon misschien wel bepaalde aanwijzingen doen omtrent jzijno plannen, en was zeker verbitterd genoeg, en vertrouwend genoeg, om belangen prijs te geven, welke slechts die waren van eenen harden en onbillijken meester. Gemakkelijk dus vergat Olivarez eene enkele lichte krenking om eenen vijand eene diepe wonde te kunnen slaan, den wilde gelijk, die een kogel in eigen borst niet voelen wil, om den vei\'giftigden pijl te kunnen afschieten op den blanken vreemdeling. De Graaf bezocht dan den jongen Kardinaal en werd goed ontvangen. De hooghartige jongeling had behoefte gekregen aan de eerbiedsbetuigingen der menschen; hij had er behoefte aan, om zijne verontwaardiging lucht te geven over eene beleediging, die al meer en meer eene felle grieve werd, naarmate hij zag, hoeveel de menschen er aan hechtten. Het is zoo, niet dadelijk waren zij tot de vertrouwelijkheid der vriendschap geraakt, en de Graaf was te voorzichtig, om de teedere punten te spoedig aan te roeren; maar het was reeds genoeg, dat zij elkander zagen dat zijne partij zonder argwaan werd toegelaten in het paleis Montalto: het verdere moest men afwachten. Niets mishaagde Sixtus zoozeer als deze nieuwe verbintenissen van zijnen neef; het griefde hem pijnlijk, het vervulde hem met innig verdriet en wrevel; eenen wrevel, die soms drukkend genoeg op zijne omgeving terugwerkte. Het is zoo, als de machtige gewild had, het zoude hem weinig moeite gekost hebben, het gevaarlijke net te verbreken, waarin men bezig was zijnen neef te verwikkelen; één machtwoord had den jongeling, zoo niet vrijwillig en boetvaardig, dan ten minste lijdelijk en onderworpen aan zijne voeten teruggebracht. Maar Sixtus wilde het niet. De leeuw wilde den forschen klauw niet misbruiken om

ocr page 252

240

«en spinrag te verbreken; men gaat niet uit met donderbussen «n grof gesehut om eene gazel te vangen; de overwiehtige kracht zich botsende tegen de zwakheid, had niets kunnen doen ■dan verpletteren, en Sixtus wilde sparen; hij wilde, dat de jongeling uit eigen beweging zoude terugkeeren aan zijne voeten, •aan zijne borst; hij wilde, dat dit trotsche hoofd zich zoude buigen uit deemoed en niet uit verplettering; hij wilde voor een oogenblik dat brieschend genot laten voorthollen om het later te toonen, hoeveel behoefte het had aan den toom; de Paus meende de ontknooping in zijne hand te hebben, en den teugel te kunnen aanleggen, zoodra hij het goed vond. Hij vergat slechts ééne zaak, de grijsaard: de twintig jaren van den jongeling ! Ook schudde Aldobrandini altijd zwaarmoedig het hoofd, als men bij de vergaderingen der Kardinalen te vergeefs naar •den jongen broeder omzag, en Castagna haalde dan de schouders op.

Wij zijn nu wel ver afgeleid geworden van het schimpschrift, en wat meer zegt, wij zijn onze vertelling ver vooruit geloopen; want die vereeniging had zich langzaam gevormd, en niet dan na •de Paaschdagen was de klove tusschen oom en neef zoo groot geworden, dat de Kardinaal zich zelfs van zijne ambtsplichten terugtrok, zonder meer het voorwendsel te hebben van eene wonde, en toch acht ik mijne afdwalingen noodig, om meerdere inlichting te geven in de duistere gangen van Scipione\'s boosaardige wraak. Maar nu kan ik op de oorzaak van de openlijke beschimping terugkomen. Toen de eerste onverbloemde, bijna onwillekeurige verklaring van zijnen ongeoorloofden hartstocht was uitgesproken geworden, en aangehoord met dat veelbeteekenend zwijgen, met die hartstochtelijke ontzetting, die, helaas! vaneen beantwoord gevoel getuigden, was ook de grootste kluister •der terughouding gebroken. Scipione was tusschen de gelieven de nü wel getrouwe berichtgever geweest van beider toestand, ■en had zich daardoor dieper in een vertrouwen gevestigd, hetwelk

ocr page 253

241

men zelfs niets gedacht had, hem te ontnemen. Eome toch was zoo vol spionnen, en één onvoorzichtig woord van den sakristijn, één te vroeg ontstoken licht in de kapel kon misschien hunnen argwaan hebben opgewekt. Was niet Karre zelf van die samenkomst onderricht geworden, zonder zijnen berichtgever te hebben willen noemen; want de ridder had Hugh gespaard; en was niet Scipione daarenboven de beste vertrouwde, daar hij zelf ook van hunne geheimhouding afhing. Hij wist nu toch eenmaal het gevaarlijke geheim, en het was beter hem door vriendschap te winnen, dan door achterdocht tot verraad uit te lokken.

Ofschoon Montalto met een verbonden voorhoofd zich niet wel in het openbaar konde vertoonen, belette niets hem echter, in het geheim bezoeken af te leggen in den wijngaard Peretti. Zijn verlangen dreef hem daarheen; Scipione\'s beschrijving van Anna\'s onrust maakte het hem bijna ten plicht; hij volgde An-gelo op den voet. Hartelijk was de ontvangst zijner moei; hartelijker nog die der jonge nichten, die den belangwekkenden neef ongaarne uit haren kring verwijderd zagen.

De Engelsche schoone echter was in het eerst teruggetrokken, strak, en ernstig beleefd; zij gaf zich ten minste moeite zoo te schijnen, ofschoon ook een zachte blos van verrassing hare bleeke wangen kleurde; de Kardinaal had het opgemerkt, onder een voorwendsel geleidde hij haar ter zijde in eene der diepe vensternissen. „Zijn mijne bezoeken u lastig?quot; vroeg hij haar, op eenen toon als hing zijn levensgeluk af van het antwoord. Dat antwoord was niets dan een blik, een blik vol vertwijfeling en liefde, vol onrust en hartstocht, vol schrik en blijdschap tevens, eene afschemering van den strijd in haar binnenste, van alles, wat daar woelde en bruiste, en leed en gevoelde. Hij had geen ander antwoord noodig. In langen tijd had Camilla haren neef niet in zulk eene vroolijke opgewondenheid gezien, het was alsof hij al zijne ongenuchten in haren familiekring wilde vergeten. Het was alsof hij zich

quot;Rnsplsclien te Rome enz. 1

ocr page 254

242

wilde bedwelmen voor kwellingen, die hij hier ter zijde schoof. Het was alsof hij in het paleis Peretti steun zocht, nu men hem uit het Vatikaan terugdrong. Hij was levendig, geestig, gevoelvol, somtijds peinzend en dan weder wild luidruchtig; het was Orsina somtijds alsof zij den speelnoot van Grotto weder bij zich had. Francisca had in lang niet eenen zoo geduldigen toehoorder gehad voor hare pronkzieke geleerdheid; Camilla vergat, dat die beminnelijke jongeling, die daar tegenover haar zat, in dat losse gewaad van eenen wereldlijken Vorst, niet daar had moeten zijn, dan in de achtbare simarre, en dat zijne scherts niet de taal was voor eenen Kerkvorst, in de dagen van vaste en boete. Ook Anna begon zich over te geven aan de wegslepende betoovering van zijn onderhoud: zij voelde zich geboeid aan het vuur zijner gesprekken. Zij hoorde bijna voor het eerst het Italiaansch in al zijne krachtvolle weelde, uit den mond van eenen jongen Italiaan; die diepe, welluidende, ruischende, tot de zinnen sprekende taal, gesproken door den mond van Montalto, met lippen als de zijne, met eene stem als de zijne, verduidelijkt door blikken als de zijne, door gebaren als de zijne. Welke vrouw had niet als Anna het verledene vergeten en de toekomst, om alleen het tegenwoordige te genieten; welke vrouw, had niet alle herinnering ter zijde gedrongen, en alle bedenkingen verschoven, om zich te verliezen in het luisteren naar den geliefde? Het ware zeker heilzaam geweest, zoo Karre daar plotseling vóór\' haar had kunnen staan, met zijn goed koel Engelsch, en zijne onverbiddelijke levenswijsheid; indien hij zijn proza, zijne werkelijkheid gesteld had tusschen deze poëzie; maar hij was niet daar, en er wei\'d niet aan hem gedacht, ook zelfs niet bij de volgende bezoeken des Kardinaals, die hij zonder eenige terughouding herhaalde.

En het was een klein hofgezin dat van Donna Camilla. En het was beuzelachtig, snapachtig en kleingeestig, zooals bij allen, die bekrompen samenwonen, in de kleine steden zoowel als aan de

ocr page 255

243

kleine hoven, aan de kleine hoven zoowel als in de burgerge-zelschapskamers. En daar zijn altijd scherpe oogen en fijn hoo-rende ooren, als afgunst en ledigheid die openen. En zij hadden zich geopend, om te weten, wie Montalto\'s voorkomendheid gold. En er werd gegist, en er werd geraden, en er werd gefluisterd, en weldra ried en giste men niet meer: men wist.

En op den morgen van Witten Donderdag kwam Ruigi, de schalkachtigste der paadjen, van de vroegmis terug. En hij haalde een geschrift voor den dag, dat spoedig, onder slecht verholen glimlachen, van hand tot hand ging; en Camilla, wie dit gefluister en die gebaren en die beweging begonnen te vervelen, vroeg met strafheid naar de reden. Francisca\'s Duenna, de oudste en de leelijkste der vrouwen, zoo oud en zoo leelijk, dat zij zonder barmhartigheid was, nam koel en scherp het woord; zij sprak luide en zonder verzachting, en met al de booze toespeling, die eene booze tong leggen kon in booze woorden, do bijtende pasquinade uit, die als een brandmerk was op het voorhoofd van vier menschen. Anna Oston was daarbij tegenwoordig. En toen zij zich zóó aan de openbare bespotting zag bloot gegeven; toen zij datgene, wat zij nog zoo gaarne voor zich zeiven verborgen had, waaraan zij nog zoo gaarne twijfelde, toen zij dat, wat haar zoo bitter eenen strijd kostte, als eene gewone klucht, onder gemeenzame woorden, aan geheel een volk zag voorgesteld, dat daarbij zeker had toegejuicht .... toen was het haar, alsof zij het doodvonnis harer eer hoorde uit den mond van de oude hofdame. Het doodvonnis ook voor een ander: het gevaar, dreigende ook voor een geliefd hoofd. Zij was nog onder geen der schokkende toestanden van haar wisselend leven zoo vreeselijk getroffen geworden, en zich zelve zoo weinig meesteresse geweest. Hare tegenwoordigheid van geest verliet haar geheel, en de luide jammerkreet: „wee ons!quot; dien zij uitstiet, voordat eene weldadige flauwte haar deed neder-zinken. had haar verraden, al ware het. dat men nosr had kun-

ocr page 256

244

nen twijfelen. Toen zij ontwaakte, was het hofgezin niet meer daar; Camilla alleen stond voor haar, stijf en ernstig, deftig beleefd, zooals zij het zjjn kon, zonder deelneming, streng en hard als de egoïstische deugd zonder christelijke liefde.

„Signora Anna!quot; sprak zij, „gevoelt gij u sterk genoeg; wij hebben te spreken ?quot;

Lady Oston boog toestemmend.

„De pasquinaden, Mevrouw! zijn somwijlen de uitdrukking van het volksgevoelen. Vrouwen zijn niet verheven boven het oordeel der wereld, en mogen zich daarboven niet verheffen. Gij hebt gehoord wat de pasquinade heeft uitgedrukt. Het heeft u getroffen, al te zichtbaar getroffen; uwe ontroering was te aanstootelij k, zij heeft ergernis gegeven, zij heeft mij de oogen geopend. Ik heb meer op te houden, dan de eer van eene gewone vrouw; de eer van mijn huis is te nauw verbonden met die van Zijne Heiligheid, dan dat ik toegevend kan zijn op dit punt. Ik kan mijn huis niet ontzeggen aan de leden mijner familie, en echter zie ik daarin eene betrekking aangeknoopt, die er niet mag worden voortgezet. Ik wenschte zeer, dat uwe kieschheid zelve besliste, wat hier voegzaam is.quot;

Bitter en stuitend was voorzeker die toon. Ook werd Anna\'s gevoel vreeseljjk gewond; slechts stamelend kon zij antwoorden: „Ik moet u zeggen. Madonna! dat.... dat.... O ! mijn God neen! ik kan niets .... niets zeggen. Ik verlaat nog heden uw huis.quot;

„Neen, Signora! neen, zoo was het niet gemeend, dat zoude .... dat kan immers niet, niet zoo spoedig, Zjjne Heiligheid, mijn broeder!.... Wees niet zoo overijld, zoo haastig in uw besluit. Beraad u op eene woning; eerst na de feestdagen, uw vertrek zou opzien baren op dezen dag ..

„Ik moet van hier,quot; riep Anna op den luiden toon van uitbarstend gevoel, en zonder het antwoord af te wachten, stormde zij met overhaasting de zaal uit. In de galerij ontmoette haar Angelo; hij zag haar voortijlen, met overspanning der wanhoop;

ocr page 257

245

hij bood haar zijnen arm, hij bracht haar in hare vertrekken. Zij wierp zich neder in eenen armstoel, en in tranen losbarstende, riep zij met smartelijke bitterheid uit: „Breng mij van hier, Angelo! spoedig van hier.quot;

„Waarheen, Mevrouw?quot;

„Waarheen de Heiligen mij voeren willen, slechts van hier, uit Rome, uit Italië; niet meer in tegenwoordigheid van deze menschen! Waarheen, Angelo! Dat is mij onverschillig; voer mij naar den afgelegensten schuilhoek van Rome, waar geen menschelijk oog mij zien kan; daarna wil ik voort, weg uit dit oord, waar ik rust gezocht heb voor lange lijdensjaren, en waar ik niets gevonden heb dan tranen, lijden en strijd. Waarheen? vraagt gij mij... Angelo! Angelo! is het niet vreeselijk, dat ik nog meer verlaten ben, en nog meer hulpeloos dan op den eersten dag van mijne aankomst te Rome.quot; Daarop plotseling naar hem toegaande, vatte zij met drift zijnen arm, alsof haar iets inviel: „Ziet gij Scipione! uwe wraakbede is verhoord geworden; al zijt gij dan niet de bewerker van mijn ongeluk, gij ziet mij thans zoo rampzalig als gij hebt gewenscht.quot;

Scipione-Angelo zag haar aan, en op zjjn gelaat lag een trek van medelijden. De bittere droefheid van die vrouw trof hem, hare ellende toch had hij niet opzettelijk bedoeld in zijn afschuwelijk plan; maar zij was in zijnen weg gekomen, en hij gebruikte haar als een werktuig, om een ander in het verderf te storten. Hij zag zijn werktuig op het punt van te breken, hij zag het bijkans verbrijzeld aan zijne voeten, hij moest het weder oprichten.

„Het is grievend ..begon hij.

„Ja, ja, ik beleedig u, gij hebt gelijk, den eenigsten vriend, die mij is overgebleven; maar het is ook.... zij moeten mij allen verlaten. Karre, ook hjj kan niets voor mij zijn; en hij, de eenige, die mij niet verstoeten zoude, Montalto, moet mij van zich werpen als eene giftige slang, hij moet het, ik zelve moet hem ontvluchten, ontvluchten voor eeuwig.quot;

ocr page 258

246

„Mij ontvluchten? ik u verlaten, Signora!\'\'riep de Kardinaal, die binnenkwam, „wat kan dat zijn, Anna? waarmede heb ik u kunnen mishagen?quot; en hij nam hare hand die hij kuste en hij trachtte haar tot meer bedaardheid te brengen door vele zachte woorden.

„Het is mijn hard noodlot, Montalto! waarin ik u niet wil medeslepen. Angelo! zeg gij Monsignore alles, ik kan niet meer, en schreiend boog zij het hoofd op de beide handen. Scipione verklaarde den Kardinaal de reden van Anna\'s hartstochtelijkheid.

„U te bekommeren om niets dan eene pasquinade, wellieve Signora!quot; sprak hij met eenen glimlach, „bjj St. Jeronimo! wat beteekent eene pasquinade ? Laat die lieden het genoegen om hunnen geest te scherpen op schimpschriften! Ze hebben niets anders, die arme Eomeinen, geen ander middel om zich te uiten; zij mogen niet meer spreken, zij mogen niet meer twisten, zij hebben geene tweegevechten meer, zij hebben niets meer dan Marforio en Pasquin. En de steek van zulk een insect ontrust u en brengt u tot wanhoop? Zij hebben immers de grootste namen aangetast en niemand heeft er op gelet. Ze hebben geen dei-leden van het Heilige College ontzien, ze hebben de doorluch-tigste vrouwen bespot, ze hebben Elisabeth beschimpt, ze hebben met Sixtus gelachen, ze hebben zelfs St. Petrus niet gespaard. Het heiligste en schoonste is hun een wel aangename buit. Niet vreemd dus, dat zij ook u aanvallen, de schoonste der schoonen!quot;

„Hoe kunt gij vroohjk zijn en lichtzinnig spreken, mjjn vriend? Ziet gij dan niet, of wilt gij veinzen niet te zien, welk eene gevaarlijke uitlegging die scherpe woorden geven aan onze .... vriendschap?quot; voegde zij er aarzelend en blozend bij.

De Kardinaal verbleekte zichtbaar.

„En dat is het waarom ik vluchten wil,quot; zuchtte Anna moedeloos. „In dit huis kan ik niet meer blijven. Donna Camilla heeft het mij gezegd en ik ben de eerste geweest om het haar toe te stemmen, en Rome is mij hatelijk geworden.quot;

ocr page 259

247

„Ik wilde u anders juist spreken van een goed verblijf, dat reeds heden te betrekken zoude zijn,quot; begon de Florentijn, „het staat niet ver van het hotel der Spaansche Ambassade in de straat Julia. Indien Monsignore goed vond,quot; en hij sprak zacht met Montalto.

„Goed, Angelo! ga,quot; riep deze haastig uit. „Beschik over al het mijne, handel daarin zooals gij goed zult vinden.quot;

En toen Angelo zich verwijderd had, en Anna zich alleen zag met den jongen Kardinaal, bleef zij lang in een ernstig gepeins verzonken. Hij stond vóór haar sprakeloos, zwijgend, neêr-geslagen. „Ik zie het,quot; sprak zij eindelijk, vast en kalm, als iemand, die na eenen langen strijd een moeielijk besluit heeft genomen, „ik kan niet zoo willekeurig en zoo plotseling eene stad verlaten, waar zoovele banden mij binden; mijn zoon! mijn eenigste bloedverwant, de belangen van mijne geloofsgenooten, die op mij het oog gericht houden. Zijne Heiligheid zelfs, die op mijne medewerking rekent.... dat alles houdt mij hier terug, dat alles vormt zoovele plichten, waarvan ik mij niet ontslaan mag, en die mij nog eene bange raoeielijke beproeving opleggen. O! ik was in mijne hartstochtelijke smart als de onbera-dene, die in blinde drift voortijlt, zonder toe te zien wat zij in hare vaart zoude kunnen verwoesten. O! ik was eene ijdele, onnadenkende vrouw, ik was geene moeder! geene Katholieke Christin.quot; En toen snel opstaande, wierp zij zich aan de voeten van Montalto. „Monsignore! gij hebt het gezien hoe hatelijk de menschen gissen, hoe scherp zij raden en hoe schandelijk zij uitleggen. Laat uwe groote naam en mijne eer voortaan niet meer hun buit zijn. Laat ons hun toonen beter te zijn, dan hunne lage verdenking. Wjj hebben ook gezien, dat de middenweg tusschen deugd en ondeugd een gevaarlijk pad is, en wie zegt het u, dat niet een van ons aan de verkeerde zijde zal uitwijken ? De genadige God schenkt mij in dit uur van beproeving een onbeneveld oordeel, hij wijst mij de beste keuze. Laat dit uw

ocr page 260

248

laatste bezoek zijn; laat onze wegen hier uit elkander loopen. Ik smeek het u, Monsignore! laat ons elkander na dit uur niet meer zien.quot;

De Kardinaal had vergeefs getracht haar op te richten; toen zij geëindigd had, zag hij haar strak in de oogen; hij was doodsbleek, hij klemde zijne vingers samen in zijne hand, als iemand, die eene geweldige gemoedsbeweging wil onderdrukken, zijn mond plooide zich ineen, zijne lippen trilden krampachtig.

„Gij verbiedt mij voortaan u te zien?quot; vroeg hij langzaam.

„Ik eisch niets, ik smeek het af van uwe edelmoedigheid,quot; hernam zij ernstig.

Met eene strakke kalmte, waaronder zich een wereld van hartstocht verborg, antwoordde hij: „Uw hart is koud en droog, Signora! Wij hebben elkander niet begrepen, gjj hebt mij nooit bemind.quot;

„Gij gelooft zelf het harde woord niet, dat gij mij toewerpt,quot; riep zij smartelijk. „Omdat mijn mond het woord niet heeft uitgesproken, dat mij een gruwel scheen, moest gij daarom twijfelen aan mijn hart ? Zijt gij niet de getuige geweest van mijnen voortdurenden kamp ? Was niet elke uwer blikken eene overwinning op de arme, verpletterde vrouw, die als geboeid was aan den klank uwer stem, door den gloed uwer oogen bedwelmd ? Wilt gij de volle, bittere, harde bekentenis van mijne schande, zoo hoor haar. Ja, Alexander Peretti! ik heb u bemind metal den hartstocht, waarmede eene vrouw eenen man bemint; ik heb alles om u vergeten, ik heb het grijnzende verderf niet willen zien, ik heb willens mijne ooren gesloten voor de raadgevingen van eenen edelen man, ik heb dien man zeiven om u verstoeten. Ik heb alles voor u gedaan, en ik wil nog alles voor u doen, wat eene vrouw doen kan voor den heerscher over haar hart. Maar misbruik haar niet, uwe overmacht, slechts van uwe grootmoedigheid bid ik mijne rust af, slechts van uwen zielsadel wil ik voortaan afhangen, slechts van uw medelijden

ocr page 261

249

x

smeek ik het af, dat gij mij niet nederstort in den afgrond, dat gij mij niet brengt tot zelfverachting. Ik heb genoeg gestreden, ik ben den kamp moede, ik stel mijn lot in uwe handen, — wees een ridder, Kardinaal Montalto!quot; Zij sprak die woorden met vuur en met dringende klem, met de zachte, bewogene stem der vrouw, die zich zwak gevoelt, die niets meer heeft tot hare verdediging dan tranen, en de hoop op de zielegrootheid van eenen man.

Zoo roerend krachtig is het voorbeeld van een moedig besluit; zoo overheerschend machtig is de zwakheid der vrouw, die niet heerscht, maar die smeekt, zelfs waar zjj bevelen kon; zoo zeker is er in de ziel van den goeden mensch eene heilige snaar van dichterlijk deugdgevoel, die slechts juist behoeft aangesproken te worden om weêrgalm te geven, dat de jongeling, de zinnelijke jongeling, de Italiaan, plotseling de hooge waarde begreep van eene liefde, die alles geven wilde, en die toch moed had alles te weigeren; dat de zinnelijke jongeling, de Italiaan! ontvlamd werd in geestdrift voor zulk eene opoffering.

Met eerbiedigen schroom richtte hij Anna op; die vrouw scheen hem zóó heilig, dat hij slechts de toppen harer vingeren durfde vatten.

„Ik zoude iets kunnen zeggen, Anna! van het lijden dat gij mij voorbereidt, van den troost, dien ik bij u had gehoopt te vinden voor alles, wat ik reeds om u verloren heb; ik zoude door mjjnen hartstocht den uwen kunnen opwekken, ik zoude u kunnen schilderen, wat ik nu alleen gevoelen wil; maar gij hebt mij de meerderheid toegekend, en ik wil haar slechts gebruiken om de sterkste te zijn; gij hebt u beroepen op mijne edelmoedigheid, ik wil u toonen, dat zij niet kleiner is dan uwe verwachting; gij hebt mij ridder genoemd, ik wil het zijn! Woon gerust en veilig in Rome. Woon in het verblijf, dat een vriend u aanbiedt; want een vriend mag ik toch voor u zijn; maar woon daar zonder er ooit de tegenwoordigheid te vreezen van

ocr page 262

250

den ongelukkige, die ook zich zeiven vreest, omdat hij gebukt gaat onder dit loodzware purper. Anna Oston! ik beloof het u, bij mijne vorstelijke eer! ik zal nimmer uwe woning binnen gaan, zonder door u geroepen te zijn, en het oogenblik, waarop ik uit eigen wil uwen dorpel betreed, zal dat zijn, waarop ik afstand heb gedaan van elke hoop op de achting der menschen en van elke hoop op de voorbede der Heiligen. Zoo waarachtig helpe mij God en de Heilige Maagd! en St. Jero-nimo, mijn patroon.\'\'

En Anna, hem dankende, vouwde de handen op de borst en hief de oogen ten hemel, en sprak niet; want zij had geene woorden voor haar gevoel.

„Maar dan ook, Anna!quot; vervolgde hij, „zoo gij mij noodig hebt, zoo gij u verlaten gevoelt, of zoo gij mij een woord van troost hebt toe te voegen, daar is nog een middel van onderhoud, dat ons niet ontzegd is, schrijf mij dan. En nu, laat ons afscheid nemen tot dat...

„Tot dat.... vroeg zij verwonderd.

„Het purper en eene gelofte mij niet meer drukken. Den Kardinaal Montalto, die u liefde smeekt, moet gij van u drijven; maar Alexander Peretti, met een zwaard om u te beschermen en eene hand om u aan te bieden, zult gij niet afwijzen.quot;

„Als het u troost geeft dat te hopen, wees dan getroost; ik heb met de hoop afgedaan.quot; En zij legde rustig hare hand in de zijne, en zij duldde den reinen afscheidskus op het voorhoofd, en zij was meesteres van hare kalmte, tot dat hij met onzekere schreden was weggeijld. Toen eerst borst zij uit in snikken eu vond de verluchting der tranen.

Anna Oston aan de voeten van den Kardinaal, en de Kardinaal, die haren wensch gehoorzaamt, is de overwinning van de ziel op het lichaam, van den zedelijken mensch op den stoffe-lijken, van den Engel op de slang. Hij, die loochent, dat er

ocr page 263

251

oogenblikken zijn, waarin de mensch zulk eene opoffering bevat en haar volvoert, loochent den adel van zijn eigen hart. Karre heeft gelijk gehad in het algemeen, Karre heeft niet altijd gelijk in het bijzonder.

Toen Montalto zich verwijderd had, sloop Orsina stil de kamer binnen. Anna was in zulk een diep en somber gepeins verzonken, dat zij het lieve meisje niet bemerke, dat haar eindelijk aansprak met een zacht: „Goede Signora! zij hebben mij verboden bij u te gaan; maar ik wil niet, dat gij zonder afscheid van mij vertrekken zult.quot;

En toen zij zag, dat Anna schielijk hare tranen afdroogde, vervolgde zij met gevoel: „Lieve Signora Anna! verberg om mij uwe tranen niet, ik begrijp waarom gij schreit, ik zou met u kunnen weenen.quot;

„Gelukkige Orsina! die geene andere tranen te storten hebt dan om het ongeluk van anderen.quot;

„Gelukkig! Ach, noem mij zoo niet, Anna!... daar is geen beklagenswaardiger jonkvrouw in Rome dan ik.quot;

„Dan gij, en waarom?quot; vroeg Anna met een smartelijken glimlach.

„Is Don Marco niet vertrokken?quot;

„Maakt u dat zoo ongelukkig? Don Marco, die men zegt, dat u onverschillig is!quot;

„Dat heb ik altijd zelve ook gedacht; maar nu weet ik het beter, en nu is hij ver van hier, en hij gelooft, dat ik nog altijd hetzelfde stugge, kinderachtige, ongevoelige meisje ben, dat zijne liefde versmaad heeft om eene luim.quot;

„Welnu, als hij terugkomt, zult gij hem van het tegendeel overtuigen. Nogmaals, gelukkige Orsina! die uw innigst gevoel niet behoeft te verbloemen.quot;

„Als hij terugkomt, kan het immers te laat zijn, en dan mag ik het hem evenmin zeggen. Niet waar, Signora! een gezworen eed mag men niet breken?quot;

ocr page 264

252

„Voorzeker niet,quot; antwoordde Anna, die met huivering aan eenen anderen eed dacht.

„O! dan ben ik toch diep te beklagen, ik mag den edelen Colonna niets zeggen, dan na onze verloving, en ik weet dat de edele Colonna die verloving zal weten uit te stellen, totdat hij zeker zal zijn van mijne liefde. Is dat niet hard, en heb ik dan geene reden om te zeggen, dat ik eene beklagenswaardige jonkvrouw ben?\'quot;

„Dat is zeker een moeielijke toestand, Orsina! maar wie heeft dien eed van u gevergd ?\'\'

„Mijne grootmoeder niet, Signora Respanti ook niet; maar... maar iemand, die.... een ridder, dien ik niet noemen mag, dat heb ik beloofd. O! ik huiver nog, als ik aan dien nacht denk! En ik, die meende, dat ik hem liefhad. Gezegend zij de Heilige Maagd! dat is nu voorbij, en toch blijf ik zuchten onder het gewicht van eene belofte. Een plechtige eed op mijne jaren geheim te houden en te volbrengen, is dat niet vreeselijk ?quot;

Anna bracht de hand aan het voorhoofd, alsof zij nadacht. „Een eed, in den nacht, een ridder! was dat niet in den nacht van Palmzondag?quot; vroeg zij.

„Ach, beste Signora! gij weet het dus----quot;

„Veroorloof mij u te zeggen, Signora Orsina! dat Madonna Camilla naar u gevraagd heeft,quot; zeide stijf en deftig de Duenna, die zich in de deur vertoonde, terwijl zjj zich tot de jonge Prinses wendde, zonder Anna met éénen blik te verwaardigen.

„Ik volg u, maar niet zonder onze gast omhelsd te hebben.quot; En toen zij Lady Oston in de armen viel, fluisterde zij haar toe: „Ik kom u bezoeken, ik heb u nog veel te zeggen.quot;

Het laatste stille middaguur vóór den drukken avond van Witte Donderdag was daar. En nochthans was het Angelo gelukt door te dringen tot in het Vatikaan, tot in de Pauselijke

ocr page 265

253

vertrekken, tot in de tegenwoordigheid van den H. Vader zeiven. Voor eenen spion openen zich alle deuren, een spion heeft den sleutel tot ieder vertrek. De Paus rustte een oogen-blik, op zijne schrijftafe} voorovergebogen. Eene vluchtige sluimering, die hem zeker voor eenen doorwaakten nacht moest schadeloos stellen, of hem versterken tegen de lastige plechtigheden die hem wachtten. Hij hief het hoofd driftig op, toen de camerist Angelo aandiende, en nauwelijks zag hij hem, of hij riep hem schielijk toe: „Is Quirina in uwe macht?quot;

Zoo veelomvattend was het ijzeren geheugen van dezen grijsaard, dat hij, onder de duizende beslommeringen en veelzijdige bezigheden, het uur en den dag, voor de uitvoering van het minste zijner bevelen bepaald, wist te onthouden. Niets was gering in het oog van den grooten man, alles was hem een schakel van het groote geheel, en alles rangschikte hij met onnavolgbare geregeldheid en orde in zijn brein.

„Zij is in mijne macht. Heer!quot; antwoordde de Florentijn zonder aarzelen. Bij elk ander woord ware hij verloren geweest.

„Bij St. Petrus! gij zult beloond worden. Is zij uitgeleverd aan den Stadvoogd ?quot;

„Zij zal het zijn, zoodra het Uwer Heiligheid behaagt.quot;

„Het behaagt ons op dit oogenblik; waarom hebt gij geaarzeld ?quot;

„Ik geloof, dat wij die vrouw nog vooraf zullen moeten gebruiken. Er is een onbeschaamd schimpschrift uitgekomen.quot;

„De Romeinen houden er van, hunne geest te verkwisten aan nietigheden. Van dit nieuwe schimpschrift heeft niemand mij nog gesproken.quot;

„Dat is te begrijpen. Heiligste Vader! men heeft er den moed niet toe, Uwe Heiligheid te grieven in datgene, wat den mensch het naaste aan het hart ligt.quot;

„Wie zijt gij, spion! om te beslissen wat wij gevoelen?quot; sprak Sixtus met hoogheid.

ocr page 266

254

-O! ik weet het, een groot man en een krachtig Vorst heeft geene zwakheden,quot; hernam Scipione met eenen sardonischen glimlach, „alleen meende ik, dat Mevrouw Camilla----quot;

„Weer iets tegen haar? Kan men dan nimmer vergeten, dat zij waschvrouw is geweest?quot;

„Ditmaal is het iets anders, Heer! Het betreft hare zeden, hare leefwijze,quot; hernam Angelo, terwijl hij langzaam een afschrift van de pasquinade te voorschijn haalde.

„Die van mijne zuster! geef,quot; en hij rukte hem het papier uit de handen. „Duizend Roomsche kronen voor hem, die den schelm uitvindt.quot;

„Dat was het, waarvoor ik Quirina nog sparen wilde.quot;

„Hoe meent gij dat?quot;

„Dergelijke vogels vliegen zeker in de netten van eene vrouw als deze. Schimpdichters, Quirina\'s en avontuurlijke leegloopers maken slechts ééne broederschap uit; het is hun noodlot, dat zij elkander zoeken moeten. Een weinig uitstel. Heilige Vader! en ik lever u beiden.quot;

„Op uw hoofd?quot;

„Mijn hoofd, of dat van den pasquinist, leg ik aan de voeten van Uwe Heiligheid.quot;

„Wanneer?quot;

„Eene week na Paschen zal ik den scherprechters werk geven,quot; hernam Angelo weder met zijnen glimlach.

„Dan zal het tijd zijn u te beloonen. Men bedoelt dus de Engelsche! Kan dat met eenig recht zijn?quot;\'

„Zij is een hoogst bevallige vrouw, en het is zoo, de wijngaard Peretti werd om harentwil druk bezocht. In dien zin ook heeft de Signora het paskwil opgevat; zij heeft het paleis verlaten, en ik heb haar zooeven naar eene eigene woning geleid, • op bevel van Monsignore Montalto,quot; sprak Scipione, loerend de uitwerking van die woorden afziende.

„Het ware beter, dat zijne Eminentie de vergaderingen bij

ocr page 267

255

den Kardinaal-Deken bijwoonde, dan avontuurlijke schoonheden in zijne bescherming te nemen,quot; antwoordde Sixtus droogjes; en toen eerst, alsof hij de mogelijkheid begon in te zien, dat deze ridderlijkheid eene andere beweegreden kon hebben, dan zijn vroeger gegeven bevel 1) greep hij op nieuw naar het paskwil, en na het nogmaals gelezen te hebben, stond hij op, stapte driftig het vertrek op en neder, als iemand, die met zich zeiven in strijd is. Daarop opende hij de deur van het kabinet, overtuigde zich met eenen blik, dat niemand daar was in de voorzaal, en toen snel op Scipione afgaande, vroeg hij hem met eene gedempte stem, maar waaruit zich eene angst verried, die de oogen des Florentijns deed schitteren: „Kan daar een zweem van waarheid liggen in dien onzin ?quot;

Angelo haalde verlegen de schouders op. „Zijne Eminentie de Kardinaal is een ernstig en vroom Heer, zeer Heilige Vader!quot;

„ Corpo di Cristo! dat is geen antwoord, spreek zonder omwegen, met waarheid, vrijmoedig als in de biecht, als op uw sterfbed! quot;Wat denkt gij? gij ziet scherp, gij zaagt hen dagelijks?quot;

Toen nam Scipione eene edele houding aan: „Zoo waarachtig als ik in God geloof, ik geloof dat niet.quot;

De Paus haalde diep adem, hij sloeg de oogen ten Hemel. Dat was de eenige gemoedsbeweging, die hij toonde; en daarop zeide hij: „Hoor Angelo! zeg mij, hoe leeft de jongman? Ik kan dat niet ieder vragen; men zegt hij ziet verdachte lieden, Olivarez en de zijnen.quot;

„Zijne Eminentie leeft stil voor zich henen, bezoekt alleen Donna Camilla, ziet slechts eenige leden van het Genootschap van Jezus, en enkele Spaansche Heeren; maar ik geloof niet, dat de staatkunde bij dat verkeer in het spel is.quot;

„Hm .... de Jezuieten willen door hem tot mij komen. Ik weet wat zij bedoelen, zij zouden gaarne een hunner als onzen

1) De« lezer zie Hoofdstuk VII.

ocr page 268

256

biechtvader zien; maar, bij St. Petrus! het ware beter, dat zij bij ons ter biecht kwamen. Maar de Spaansehe partij houd die in het oog, Scipione! en laat ons alles weten, wat Montalto betreft; — hebt gij mij begrepen?quot;

„Uwe Heiligheid zal gehoorzaamd worden.quot;

„Angelo! wij hebben reeds iets voor u gedaan: maar wees getrouw en opmerkzaam, dan kunt gij veel verwachten van de toekomst.quot;

„Ik verwacht alles van haar,quot; sprak de spion met nadruk, toen hij zich op den gegeven wenk verwijderde. En weder herhaalde zich zijn glimlachen en het zonderlinge glinsteren zijner oogen.

ocr page 269

HOOFDSTUK XX. Zwakheid.

Het Paaschfeest was afgeloopen, dat grootsche, heilige, zielverheffende jubelfeest, dat in de rij der christelijke feestdagen daar staat als eene glansrijke zon onder de sterren, als het fondament onder den tempel, als het voetstuk van de groote zuil, als het middenpunt van den kostbaren cirkel; dat feest dat ze allen aan elkander verbindt, waarmede zij allen vallen of staan! Zonder het verlaten graf van den eersten Paaschmorgen is de kerstzang der Engelen eene ongerijmdheid; zonder het verlaten graf op den eersten Paaschmorgen is de hemelvaart eene nut-telooze verdichting, en de heilige vlammen van het Pinksterfeest worden dan doellooze dwaallichten. Zonder opstanding geen Christus, zonder Pasehen geen Christendom. Om den eeredienst van Rome, die eeredienst van goud en van zijde, van marmer en van gesteenten, van wierook en van flambouwen, van kruisen en van beelden, van muziek en van bloemen, te begrijpen in al de macht, waardoor zij heerscht, verblindt, boeit, wegsleept en vasthoudt; om te weten, dat Italië, dat het zuiden er geen andere hebben kan, moet men het Paaschfeest te Rome gevierd hebben, het verzinnelijkte Paaschfeest, het Paaschfeest, dat men met de oogen zien kan en hooren met de ooren, en dat spreekt tot alle zintuigen.

Engelschen te Rome enz. 1 T

ocr page 270

258

Men moet toeschouwer geweest zijn bij dat groote drama, dat zich jaarlijks te Kome herhaalt. Een romantisch drama, vol leven en beweging, vol afwisseling en ontzetting, vol gejuich en tranen, vol gezangen en geheimenis. Dat drama, dat begint met het eerste boetbedrijf van Aschdag, dat met onuitsprekelijken weemoed doordringt, bij de Miserere\'s van de heilige week, dat het hart doet breken en de doodschuld der zonde loodzwaar doet voelen bij den grooten doodsnik van den Goeden Vrijdag, om zich in de heerlijkste ontknooping op te lossen in het Deo Gloria in Excelsis van het feestuur des Paaschochtends, en zich te omstralen met zinnelijke heerlijkheid in het schitterende, ruischende, knetterende vuurspel van den Engelenburg, dat als met eenen rui-schenden regen van gloeiende diamanten Rome\'s breede pleinen overstort. Men moet toeschouwer geweest zijn bij dat feest, om te weten hoe de menschelijke voorstelling het verhevene feit, welks grootsche eenvoudigheid alleen genoegzaam was om te treffen, heeft weten neder te rukken tot onder het bereik zijner zinnen. Dat feest, dat wij niet beschrijven zullen, omdat ieder het weet, van de elf waskaarsen op het rouwaltaar, die worden uitgebluscht, tot den zetel met witte pauwenvederen, waarop de Paus plaats neemt, was dan voorbij gegaan, zonder in den toestand onzer hoofdpersonen eenige verandering gebracht te hebben. Wij weten van Sixtus, dat hij de gelegenheid niet had gevonden, om zijnen neef het verzoenende woord te kunnen toe fluisteren. De Kardinaal had de hooge kerkfeesten alleen incognito bijgewoond. Treurig in zich zeiven gekeerd, alleen verdiept in eene alles wegdringende, alles opslorpende gedachte, die hij altijd wilde afweren en die altijd weder terugkwam, had het statige feestgejoel geenen indruk op hem gemaakt, en was het ditmaal niet machtig geweest, zijn hart te vervullen en zijnen geest bezig te houden. De schoone Lady Oston leefde sedert den b eslissenden Donderdag in eene eigene woning, door Scipione\'s zorg voorzien met al wat de weelde, en de rijkdom,

ocr page 271

259

en de kunst, en de verfijning dier dagen het schoonst wisten bijeen te voegen. Zij had zich tegen die glansrijke huishouding verzet; maar de Florentijn wist haar te doen gevoelen, hoe diep zij den Kardinaal grieven zoude door af te wijzen, en zij was geëindigd met aan te nemen. Zij had geene kerkplechtigheid verzuimd, geene hoogmis laten voorbijgaan; en toch, het had haar afgeleid zonder haar te troosten. Zij had in vroegere tijden de troostgronden van haren godsdienst uitgeput, zij vond ze nu zonder kracht, en niets bleef haar over in het hart, dan koud, dof, zwijgend jammer. Van elke hopelooze liefde is de ongeoorloofde de meest pijnigende. De maagd, die weduwe is van een aangebeden bruidegom; de jongeling, die wegsterft van hartstocht voor de vrouw, die hem koel terugstoot; het meisje, dat de armoede of de afgesprokene instellingen der maatschappij als breede scheidsmuren ziet opgetrokken tusschen zich en den geliefde, zullen eindigen met zich te troosten; want het vrije toewijden aan hun gevoel verstompt het en mat het af, en zij hebben hunne onschuld, die hen leert berusten; maar de rampzalige die den ongeoorloofden hartstocht koestert, draagt in zijn binnenste den worm, die niet sterft. Hem staat het niet vrij, de gedachte heen te wenden naar het beminde voorwerp; wat de andere ongelukkigen troost en verheft, vertienvoudigt zijne pijn en verlevendigt die altijd op nieuw. Hij mag niet toegeven aan gewaarwordingen, die daardoor juist nieuw blijven. Hij ziet altijd de zonde in zich, de zonde, die de begeerte scherpt; zonde is de gedachte, zonde de wenseh, zonde de hoop, zonde de bede, zonde iedere trilling van de zenuwen, zonde iedere huivering van de spieren, zonde iedere klopping van het hart, zonde iedere traan van het oog, zonde iedere zucht, diequot; opstijgt uit den boezem, zonde ook iedere klacht, de heimelijkste, zelfs de innigste verzuchting. De openljjke, de razende wanhoopskreet, die zich uit, die medelijden vindt onder de mensehen, die afgeleid wordt door de menschen, is

ocr page 272

260

hem ontzegd. Hij mag niet klagen; hij mag niet zeggen, dat hij pijn heeft; hij mag niet spreken, van hetgeen hem grieft. Men veroorlooft hem geenen luiden zucht, men vergunt hem geenen traan, men berispt zijn treurend zwijgen, men misbil-lijkt zijne neêrslachtigheid, men vermijdt niet zijn gevoel te wonden, men verzacht zijne kwelling niet door medegevoel, men bekommert er zich niet over, hem te grieven, want men weet niet, men kan niet weten, wanneer men hem wondt. Hij moet glimlachen onder de zielepijn, zooals de wilde aan don martelstaak. Zijne beste vrienden pijnigen hem; dien hem het goede toewenschen, verscheuren zijn hart. Die groote balsem van elke smart, hot pronken met de droefheid, de held te zijn van het lijden, gewordt hem niet; want zijne smart is zijne schande, en zijn lijden is niet onschuldig. Dat alles gevoelde Alexander Peretti, dat alles folterde Anna. Zij echter had nog een heilig, zuiver vlekkeloos gevoel, waarvoor zij niet had te blozen: de moederliefde. Zij dacht aan haren zoon; in zijne liefkozingen zoude zij misschien kunnen vergeten, aan zijne liefkozingen zoude zij zich geheel mogen overgeven zonder schaamte; hij zoude haar een schild zijn tegen haar zelve; zjj wilde hem niet langer toevertrouwen aan vreemden, hij zoude voortaan onder haar oog worden opgevoed. Thans liet haar vermogen het toe, waarom zoude zij het niet durven willen? Wat ging het haar aan, dat de Heer van Rome het anders beschikt had? de Heer van Rome kende de zielskwellingen niet, waarvoor haar zoon haar ten troost moest zijn. Wat zeide haar thans de vrees, den Heer van Rome te mishagen? Hij konde haar toch niet ongelukkiger maken, dan zij reeds was. William was voorloopig in het klooster der H. Apostelen geplaatst geworden, om daar later als student te worden opgenomen. De Kardinaal Montalto was Beschermheer van dit gesticht. Zij deed hem haar kind door Karre terugvragen, door Karre, die haar altijd moest blijven bezoeken. Montalto liet haar William door den ridder terug-

ocr page 273

261

brengen, vooraf had hij hem willen zien; en in de onstuimige liefkozingen, waarmede hij den verwonderden knaap als over-stormde, lag eene wereld vol hartstocht voor de moeder. Ook liet hij Anna smeeken, hem somwjjlen haren zoon te zenden. En de knaap, die in zijn convent nimmer van den Kardinaal-Beschermheer had hooren spreken, dan met dien diepen slaafschen eerbied, welke de hierarchie der Kerk eischt van den mindere voor den meerdere, en die reeds gebeefd had op het denkbeeld van zulk eenen man te moeten naderen, was niet weinig verheugd, toen deze man hem als een broeder omhelsde en als een vader toesprak. Allengs vrijer geworden, vond de kleine het niet onaangenaam, rond te dartelen op de knieën van hem, voor wien zoovele andere knieën zich bogen. En toen de jonge Kerkvorst zich met veel geduld leende tot het beantwoorden van al zijne ijdele vragen, en toen de kerkvorst hem iedere kleinigheid van het toilet of de schrijftafel, die hij begeerde, ten geschenke gaf, toen had deze geheel het hart van den knaap veroverd, die niet naliet bij zijne moeder onophoudelijk voort te snappen van den beminnelijken Heer, die zoo groot, en zoo verstandig, en zoo goed was en die hem zoo hartelijk had gekust. Het was dus geene beste afleiding voor hare gedachten, die zoon, die eene vurige bewonderaar was geworden van den man, dien zij trachtte te vergeten. „Ach! zie dan, moeder ! hoe schoon,quot; sprak hij, en liet haar in het deksel van een klein reukdoosje een portret zien. Anna verbleekte. „Heeft hij u dat voor mij gegeven?quot; vroeg zij heftig. — »He! neen. Mama! ik heb erom gevraagd, het zag er zoo fraai uit, paarlemoer met zilver ingelegd; en dan nog dat mooie beeld, dat van Monsignore zeiven is. Maar als gij het hebben wilt. . . mij gaf hij nog zoo veel.quot;

„Behoud het,quot; hei-nam Anna, blozende over hare overijling. En toch des anderen daags was het niet meer onder het speelgoed van den knaap, die er te vergeefs naar zocht. Eens in de

ocr page 274

262

Sixtijnsche kapel zag Lady Anna Oston zich bij hot opstaan, na de zegening eenigszins gedrongen. Zij trachtte eenige schreden achteruit te wijken, haar zijden kleed ruischt tegen de zware stof eenor simarre, zij voelt zich ontroerd tot bez wij mens toe, zij dwingt zich niet om te zien; maar William, die bij haar was, had den man van de simarre herkend. „Ach, Mama! ziedaar Monsignore,quot; en hare hand vattende, trok hij haar met geweld tot bij den Kardinaal, die hem zijne hand overliet. Anna was gedrongen Montalto aan te zien; zij schrikte van zijn voorkomen, zoo doodsbleek was zijn gelaat en zoo dof stonden zijne oogen.

„Signora! wie ben ik? dat gij mij zoo vreest?quot; vroeg hij zacht verwijtend. „Hebt gij geen enkel woord, gecncn enkelen blik meer voor eenen vriend?quot;

„Wees het genoeg, om mijne terughouding te begrijpen,quot; sprak zij verlegen.

Maar hij klampte zich met hardnekkigheid vast aan deze gelegenheid om haar bijzijn te genieten.

„Mag ik u mijn rijtuig aanbieden, om u terug te brengen?\' vroeg hij, zonder op haar eerste antwoord te letten.

„Het is beter dat ik te voet ga, hernam zij.

„O neen, Mylady! neen, wij rijden met den Kardinaal,quot; riep William, die het aanbod gehoord had, met de willekeurige drift van een kind, dat gewoon is zijn zin te krijgen.

En Anna liet zich voortleidcn door den geliefdon man en door den geliefden zoon.

En zij beiden gaven zich weder over aan de betoovering van elkanders nabijheid en aan de zoete vertrouwelijkheid van het gesprek. Toch overschreed Montalto niet den dorpel van Anna\'s woning. Zulke tooneelen waren weinig geschikt, om de gewenschte verwijdering tusschon die twee menschen daar te stollen. William was alles voor de moedor; maar hij was zeer weinig voor do vrouw. En to weten dat bij alles, waaronder zij leed, het

ocr page 275

263

haar slechts één wenk behoefde te kosten, om den eenigsten wensch der vrouw, der beminnende vrouw voldaan te zien, dan behoorde er zielskracht toe, dien wenk niet te geven. In deze dagen deed Anna reuzenstappen voor hare partij, ten minste indien het voor Engelsche onderdanen eene aanwinst konde hee-ten, dat de afgezant van Philips II de leiding hunner staatkundige belangen op zich nam. De Graaf van Olivarez bezocht zijne bekoorlijke naburin, hij wist veel van haar door Scipione. De Graaf bracht het gesprek spoedig op de Engelsche zaken; zij wenschte niets beters, dan hem daarvoor te winnen. Hij schroomde niet, haar in te wijden in de oogmerken zijns Ko-nings met haar vaderland. De Katholieke vrouw, de hartstochtelijke bewonderaarster der Schotsche Koningin, vond niets stuitends in het denkbeeld: Philips op den troon der Tudors, en Elizabeth op het schavot van Maria. Zij bevorderde gaarne al de belangen der Spaansche ligue; zij vond ten minste bezigheid.

In het paleis Montalto geleidt eene met purper damast be-hangene deur, uit eene weelderige slaapkamer naar een klein vertrek, waarin niemand het recht heeft, ongeroepen binnen te treden; want het is het eigen bidvertrek, het oratorio, le retrait, het plekje van ontwijk voor den doorluchtigen Heer des huizes zeiven. Het eenige plaatsje misschien, waar hij zich vrij gevoelt, waar hij niet noodig heeft omringd te zijn, waar hij geen onbescheiden luisterend oor vreest. Sedert vele dagen gebruikt de jonge eigenaar van dit gansche grootsche paleis niets anders dan dit kleine plekje, het eenige, dat hem zoo geheel onverdeeld toebehoort. Ook nu vinden wij hem daar; met het hoofd rustende op den arm, dien hij achteloos tegen de kussens van zijne ottomane steunt, zit of liever ligt hij diiar zonder bezigheid; maar op zijn gelaat ligt niet één trek van dat kwijnend genot, dat onder den afmattenden Italiaanschen hemel, werke-looze rust tot zulk eene weelderige ontspanning maakt. Het

ocr page 276

264

dolce far nlente lokt tot een zoet gepeins uit; maar het is geen zoet gepeins, dat den Kardinaal bezighoudt. Het is een akelig verstompend, aftobbend voortdenken op ééne gedachte, die altoos terugkeert, en die tot wanhoop kan voeren, of tot krankzinnigheid. Een eentonig heen en weder rollen van den steen van Sisyphus, om eene verouderde beeldspraak te gebruiken. Eene verterende gedachte, die de beste vermogens der ziel weg-knaagt, die eenen onnatuurljjken gloed jaagt op de wangen, om ze bij tusschenpoozen tot de lijkkleur te doen versterven, die de kaken uitholt in de vaag der jeugd, en die rimpels brengt op een voorhoofd van twintig jaren.

Droog, brandend en glasachtig strak staan zijne oogen; het is of het laatdunkend scherpe zijner trekken meer uitkwam, nu de lieve glimlach die uitdrukking van trots niet meer verzacht; daar is eene tint van verbittering en van zwaarmoedigen men-schenhaat op zijn gelaat, die getuigt van eene ziel, die zich heeft samengetrokken onder een wrang boezemwee. Als de ziel van den mensch zich zal verheffen onder het lijden, dan moet dat lijden iets anders zijn, dan de kanker der ongeoorloofde liefde. De Kardinaal zit zwijgend, doch niet alleen, zoo men ten minste in de rij der wezens telt dien ranken hazewindhond, die den fijnen kop met trouw geduld op de knie zijns meesters heeft neergevleid, en die soms zijne bezielde oogen, waaruit bijna menschelrjke scherpzinnigheid spreekt, naar den jongen Kerkvorst opheft, terwijl deze verstrooid en zonder het zelf te weten, de lange, zijdeachtige ooren tusschen de vingers heen en weder rolt. Vlak tegenover de ottomane van den jongen Prelaat hangt eene treffend schoone afbeelding van den ge-kruisten Christus, waarop zijn starend oog dikmaals verwijlt. Lang, zeer lang moest dat veelzeggend zwijgen en dat rusteloos rusten reeds hebben geduurd; want zelfs de zwijgende gezelschaphouder begon zich te vervelen, en alsof hij de gedachten van zijnen meester wilde afleiden, hief hij zich op uit zjjne zit-

ocr page 277

265

tende houding, legde liefkozend de beide voorpooten op diens arm, en zag hem schrander aan, onder een zacht gejank.

„Gij verveelt u, Baldo! gij zijt gelukkig en dartel, deze stilte

mishaagt u?----ga dan heen bij hen, die gelukkig en vroolijk

zijn. Waartoe zult gij den meester aanhangen, dien allen verlaten, die somber is en die welhaast sterft?quot; En toen, den spitsen snoet tusschen de vingers vattende, zag de Vorst het dier treurig aan. „Gelukkige Baldo! gij gevoelt niets, gij ziet, ik benijd u.quot; En daarop na eene pauze: „Wie had kunnen denken, dat de benijde Kardinaal Montalto, de Kardinaal-neef, de Beschermheer van het machtige rijk der Polen, de Aartspriester van de rijkste Basilica, den hond Baldo benijden zoude?quot; Het was of de jonge man met opzet al die titels bijeenvoegde om ze door het laatste woord allen te verlagen. Toen opende hij de deur voor het beest, dat schielijk wegsprong van zijne zijde, en verzonk weder in zjjne sombere mijmering. Hij hief zich eindelijk daaruit op, en den matten blik op nieuw heen wendende naar de schilderij tegenover hem, riep hij met hartstocht: „Vergiffenis. O! gij goddelijke lijder! hebt gij ooit vrouwenliefde gekend?quot;

„Eene vraag, Monsignore! die vulgata, noch legende u beantwoorden zal.quot; Zoo stoorde eene stem, de stem van Angelo, de verdere alleenspraak van den Kerkvoogd.

„Wij hadden gehoopt, Signor! hier ten minste veilig te zijn tegen vermetel indringen,quot; merkte Montalto bits en streng aan.

„Tegen vermetel indringen zeer zeker, doorluchtigste Heer!quot; hernam de ongewenschte bezoeker, terwijl hij zich aan zijne voeten wierp, „maar niet tegen de angstvallige voorkomendheid uwer vrienden!quot;

„Ik verschoon hen van deze voorkomendheid, Signor! gij kunt u verwijderen.quot; En ziende, dat de andere evenwel staan bleef, en hem met vrijpostige oplettendheid in de oogen zag, vervolgde hij met trotsche bitterheid:

ocr page 278

266

„Wij zijn onzen camerist veel dank schuldig, dat hij onze afzondering zoo opmerkzaam weet te doen eerbiedigen.quot;\'

„Laat mijne vermetelheid hem niet tot een verwijt zijn, Mon-signore! Moede van in de voorzaal uwer Eminentie alleen heen en weder te loopen,quot; — op het woord alleen legde hij eenen nadruk, dien de Kardinaal ten volle begreep — „trad ik zonder gezien te worden de slaapkamer van uwe Eminentie binnen; na zoover gegaan te zijn, was het te laat om terug te keeren, ik wist, dat uwe Doorluchtigheid alleen moest zijn, toen Baldo haar verliet... ik waagde den onbescheiden stap, en . .. zie mij hier aan uwe voeten, om er de vergiffenis voor af te smeeken.quot;

Daar was bijna iets ironieks in de wijze, waarop Scipione zijnen eerbied uitdrukte.

„Ik wenschte toch wel te weten. Mijnheer! waarom gij u zooveel moeite gegeven hebt om tot mij door te dringen.quot;

„Bevreemdt mijn ijver uwe Eminentie?... ik konde toch de overbrenger zijn ....quot;

„Geef, geef, hebt gij iets van haar,quot; riep de Kardinaal, op eenmaal trots en toorn vergetende, met schitterende oogen.

„Vergeef mij, doorluchtige Heer!\'\' hernam de andere, met eenen nauwelijks merkbaren glimlach.

Montalto zuchtte en wierp zich weder moedeloos in zijne kussens terug.

„Ik heb een gesprek gehad met [den Graaf van Olivarez,quot; vervolgde Angelo.

„Behoud het voor u zeiven; ik stel geen het minste belang in de gesprekken van dien man.\'\'

„Toch, Monsignore! toch, een weinig zeker, als ik uwe Eminentie mededeel waarover het liep.quot;

„Ik ben niet gestemd het te hooren.quot; De toon, waarop dit gezegd werd, was zoo beslissend en zoo veelbeteekenend, dat Angelo het raadzaam vond, niet langer aan te houden. Zwijgend bleef hij in eene eerbiedige houding voor den Kerkvorst staan,

ocr page 279

267

en zag hem daarbij met eene zoo oplettende en zoo zichtbare deelneming aan, dat deze het hoofd ter zijde wendde.

„Uwe Eminentie ziet zeer bleek,quot; hervatte Florentijn, met eenen zweem van bezorgdheid.

„Mij deert niets, ik ben volmaakt wel.quot;

„Monsignore! daar was een tijd, waarin ik deelen mocht in uw vertrouwen. Wat misdeed ik, om het niet meer waardig te zijn ?quot;

„Gij hebt het niet verloren, Angelo!quot;

„Dus veroorlooft uwe Doorluchtigheid mij ééne vraag?quot;

De Kardinaal zag hem aan als wilde hij zjjne gedachten raden.

„Mijne genadigste Heer! waarom bezoekt gij nimmer meer Lady Oston?quot; De onverwachte klank van dien naam werkte hevig en schokkend op den jongeling.

Hjj sprong op als van den bliksem getroffen, liep eenige malen als een duizelende de kamer op en neder, bleef eindelijk vlak voor Scipione staan, greep krampachtig diens beide handen tusschen de zijne, en zeide toen:

„Ik heb plechtig beloofd het niet te doen.quot;

„Met eenen eed, Heer?quot;

„Met eenen eed, Angeloquot;\'

„En dat kwelt u, en dat maakt u het leven bitter, u die in het volle genot kondet zijn van de vreugde des levens, en daarom kwijnt gtj weg in den bloei der jeugd, en waarom zoudt gij u zeiven het genot niet gunnen haar te zien ? Het is zoo, een eed moet ongeschonden blijven als de eer; maar wat verhindert u, haar niet te bezoeken en haar evenwel te zien?quot;

De Kaï\'dinaal glimlachte smartelijk.

„Heeft zij u alle hoop benomen, zoude het haar mishagen u te ontmoeten ?quot;

„Ik weet, dat zij evenveel Ijjdt als ik.quot;

„En indien zich de gelegenheid opdoet?quot;

„Zij komt slechts in de mis.quot;

„Wenscht uwe Eminentie werkelijk de Signora te spreken?quot;

ocr page 280

268

De donkere blos, die Peretti\'s bleeke wang kleurde, zeide genoeg.

„Verzoeker!quot; riep hij.

,Dezen avond vindt gjj haar bij Olivarez.quot;

„Ach, Scipione! waartoe die marteling? Dit alles brengt ons niet verder.quot;

„Als Uwe Eminentie den Graaf hare zorgen vertrouwde, mogelijk dat er heeling zoude zijn.quot;

„Bij hem! vertrouwen? mijnen hartstocht aan den Spanjaard! zijt gij razend, mensch?quot;

„Geloof mij, Monsignore! de Graaf kent de zwakheden van vele anderen, de Graaf heeft moeielijker zwarigheden vereffend voor zijne Katholieke Majesteit zelve. En ik weet het, Olivarez wenscht -niets vuriger dan uwe Doorluchtigheid te verplichten.quot;

„Wat zou hij kunnen?quot;

„Veel, zeer veel, veroorloof mij slechts van u te spreken. Ik zal nog vóór den avond bier zijn, om uwe Eminentie veel op te helderen. Mag men op uwe tegenwoordigheid rekenen bij de vereeniging in zijn huis, of op eene plaats, waar de geheimhouding nog beter gewaarborgd is ?quot;

Als in strijd met zich zeiven, boog Montalto het hoofd op de borst.

„Mag ik?quot; herhaalde Angelo.

„Ik zal er zijn,quot; antwoordde Alexander Pevetti.

Voorzeker, Montalto is hier zwak, laakbaar zwak: maar biedt den dorstige in de verte eene verkwikkende teug. Zal hij niet daarop toeloopen ? Zal hij vragen welk pad hem derwaarts voert? Zal hij niet voortijlen zonder omzien of zijblik, als er niets in hem of om hem is, dat zijne zielskracht stevigt?

ocr page 281

HOOFDSTUK XXI.

De Schot maakt eene kennis

Twee uren na het angelus, vond er in de nieuw aangelegde, nog niet voltooide straat St. Felice, die van de kerk Santa Croee doorloopt tot aan St. Maria Maggiore, een voorval plaats, eene ongeregeldheid, eene ergernis, die, hoe gewoon ook onder de vorige regeering, sedert de laatste jaren eene zeldzaamheid was geworden. Eene vrouw werd mishandeld door twee woeste mannen. Zij had veel geworsteld tegen hare aanvallers en die worsteling duurde nog voort. En het was stil in de breede, verlatene straat; want beroep, noch vermaak, noch godsdienstplicht voerde iemand op dit uur derwaarts, en het noodgeschrei der hulpelooze vrouw klonk in geen medeljjdend oor. En die mannen vonden er een wreed genoegen in, hun slachtoffer, dat zij nu eindelijk gebonden aan hunne voeten hadden, de wreedste verwijten toe te krijschen.

„Gervasio!quot; riep zij. „Ik heb eens honderd Scudi in uwen zak gebracht, vermoord mij niet.quot; „Stop haar den mond,quot; beval Gervasio zijnen makker, „de ellendige heeft mijne vrouw verkocht aan eenen abt.quot; En de andere, die dit woord gehoorzaamde, wierp haar met bitterheid toe: „Quirina! gij hebt mijne zuster overgeleverd in de armen van den patriciër, die haar verleid heeft.quot;

ocr page 282

270

„Sterf!quot; riep de eene man.

„Sterf!quot;\' herhaalde de andere.

En boven de keel van de ongelukkige flikkerden twee ponjaarden.

„Neen, Signor Abbate! gij houdt mij niet terug,quot; riep eensklaps eene liefelijke meisjesstem, terwijl eene slanke gestalte, dicht in den mezzaro gehuld, met vogelvlugheid van de overzijde der straat naar de plaats van het gevaar toeijlde. „Ziet gij dan niet, dat ze die vrouw vermoorden zullen ?quot;

En bij de muziek van die stem spalkte het vrouwelijke slachtoffer de oogen wijd open en verwrong akelig den mond, waarmede zij geen geluid konde geven. En de aanvallers wendden zich om, en twee forsche mannengestalten, die snel de jonkvrouw gevolgd waren, grepen onvoorziens de armen, die de moordtuigen ophieven, en eer zij het zeiven wisten, waren zij ontwapend, en hunne prooi richtte zich op, en toen die mannen hunnen aanslag verijdeld zagen, dachten zij alleen aan de vlucht, en zij wrongen zich los uit de handen der onverwachte beschermers, en zij vloden met de snelheid van lieden, die de galg ontloopen. En de slanke Signora in de mezzaro trachtte met liefeljjk medelijden de banden los te maken, die de vrouw nog beletteden zich den doek uit den mond te rukken. En toen zij daarin geslaagd was, viel de vrouw aan de voeten der Signora, en riep met dankbare geestdrift: „De Heiligen mogen mij eeuwig straffen, mijne Signora! zoo ik uwe hulp ooit vergeet. Wees gedankt, wees gedankt! Noem mij uwen naam, opdat ik dien in mijn gebed herdenke, en laat mij uw bevallig aangezicht zien, opdat ik het nimmer vergete.quot;

„Mag ik u herinneren, dat de tijd verloopt, en dat het hoogst onvoorzichtig is, uwen naam prijs te geven aan eene vrouw als deze,quot; zeide een der mannen in geestelijk gewaad tot de jonge dame; „laat ons liever voortgaan, schielijk voortgaan,quot; fluisterde hij verder, „uwe afwezendheid kan in den wijngaard opgemerkt worden.quot; Maar het jonge meisje schoof even den zwarten zijden

ocr page 283

271

sluier weg van het gezicht, en zeide vriendelijk tot hare beschermelinge: „Goede vrouw, gedenk dan in uw gebed aan Orsina Peretti; want zij is niet gelukkig.quot;

Toen eerst nam zij den arm van hem, dien zij Abbate genoemd had, en ging ijlings met hem voort.

Inderdaad was het de jonkvrouw Orsina Peretti. Wij moeten hare tegenwoordigheid ophelderen. De opvoeder van William^ door \'Montalto gekozen, was een jeugdig abt, van de orde der Jezuieten. Het was een goedhartig mensch, en een jongeling, die niet zonder belangstelling de moeder van zijnen kweekeling gadesloeg, en die haar tot de deelneming aan het leven trachtte terug te brengen. Hij had haar somwijlen met een smartelijke glimlach den naam van Orsina hooren noemen, en zij had dan daarbij de wensch geuit, het meisje te zien. Hij nam op zich,, haar met deze vreugde te verrassen. Het had den welopgevoe-den Abbate weinig moeite gekost, om tot de jonkvrouw Peretti door te dringen, en hij was er zeer spoedig in geslaagd, Orsina over te halen tot een geheim en vertrouwelijk bezoek aan Lady Oston. Het meisje had de romancen en balladen der Trouve-ren gelezen, zij kende menige stanza der Toscaansche dichters van buiten, en dat avontuurlijk doorkruisen van Rome\'s straten bij avond, te voet, diep in den mezzaro gehuld, met eenen jongen geestelijke tot geleide, en eenen fantastischen schildknaap, zooals Hugh Mac-o-Daunt, tot wachter, had voor hare zestien jaren eene aantrekkelijke bekoorlijkheid, die zij niet weêrstaan konde. Het was van dit bezoek, dat zij terugkeerde. Hugh wilde zijn gezelschap volgen; maar Quirina klemde zich met onbe-schrijfelijken angst aan dien laatsten beschermer. ,0, ik smeek ii, \'goede Heer! verlaat mij niet, breng mij naar mijne woning,, zij konden terugkomen, ik heb meer vijanden.quot;

De Schot aarzelde: toen wendde de jonge Signora, in weerwil van haren geleider, zich nog eenmaal om en riep hem toe t „Kom, Hugh! bescherm deze vrouw.quot;

ocr page 284

272

„Voor dit woord zullen de Heiligen haar zegenen, die lieve edele Signorina,quot; hernam Quirina, terwijl zij haren Schotsehen Amadis met zich voorttrok. „En was dat dan Orsina Peretti, de nicht van den Paus, die ik.... nu, lof zij St. Magdalena! ik zal dankbaar kunnen zjjn.quot;

„Waar wilt gij, dat ik u heenbrengen zal, vrouw ?quot; vroeg Hugh in het slechte Italiaansch, dat hjj eindelijk begon machtig te worden.

„Ik zal u voortleiden, mijn Meester!quot; sprak onze lang verge-tene kennis uit Azzo\'s huis.

En beiden stapten eenen tijd lang zwijgend en met groote schreden voort.

„Ik dacht waarlijk niet, dat onze voorname Signorine zulke avontuurlijke wandelingen deden. Welnu, ik gun deze van harte elke vreugde; was die Heer haar minnaar?quot;

„Spreek met meer eerbied van eene Lady, die zoo schoon is en zoo goed. Zij keert terug van een bezoek, dat zij heeft afgelegd bij mijne meesteres.quot;

„En wie is dan uwe meesteres? en bovenal wie zijt gjj ? Ik verwed een pond van mijn vleesch, dat ge een Noordlander zijt. Gij spreekt als Engelsche woorden in uw Italiaansch.quot;

„Verstaat gij Engelsch?quot; vroeg Hugh opgetogen.

„Zoo wat, ik heb lang kennis gehad aan den camerist van Monsignore Alano, die een Engelschman is, en wiens lieden in dien tijd allen Engelschen waren; en men leert gemakkelijk van zijne vrienden. Zeg mij nu wie gij zijt, en spreek zooveel van uwe taal als het u lust, ik versta u zeker.quot; — En naar hartelust begon Hugh haar alles mede te deelen, wat hij reeds te Rome ondervonden had, en hij gaf zich lucht over menige ergernis, en hield bovenal niet op Margaret te beschuldigen, dat zij de zwarte oogen der Italiaansche jonkers liever had, dan de lichtblauwe van eenen Schot.

„En zoo denken vele Eomeinsche meisjes er niet over, en ik ook niet,quot; antwoordde Quirina, misschien wel met een voor-

ocr page 285

273

nemen, om de dankbaarheid jegens den jongen man verder te drijven, dan eenige woorden van vriendschap. „Weet gij wat, kom mij morgen avond omstreeks dezen tijd in mijne woning vinden. Ik ben eene behendige vrouw, ingewijd in al de geheimen der voorzegging en der witte tooverkunst. Ik zal een lot voor u trekken, en ik zal u in eenen spiegel het meisje te zien geven, dat u zal liefhebben, en dat gij beminnen zult.quot;

„Waarlijk! riep de Schot, verblijd en met verbazing, „mij dunkt, wij moesten daarmede niet tot morgen wachten: morgen kan ik misschien niet uit; mijne Lady houdt een geregeld huis, ofschoon zij er ook Italianen in heeft; nu in dit uur mist mij niemand.quot;

„Neen, Hugh! heden niet, het is Woensdag, en dat is een ongelukkige dag voor de goede kunst. Kom morgen om dezen tijd, niet later ten minste.quot;

„Als ik kan, bij St. Patrick! dan zult gij mij vroeg genoeg zien,quot;

Zij waren nu Azzo\'s huis genaderd. „Ik ben hier meer geweest,quot; zeide Hugh, zich bedenkende, „dit is het huis, waarvan ik u vertelde, dat mijne Lady het zoo plotseling verlaten heeft, zonder dat ik er de reden van begrijpen kon. Zijt gij de vrouw des huizes?quot;

„Neen, de Padrone is mijn broeder; ik woon hier nog niet lang. Als gij komt, vraag dan naar la Sorella, en men zal u bij mij brengen, vaarwel.quot; En zij drukte hem met kracht de hand, terwijl zij hem zonder omstandigheden staan liet voor de deur, die zij toesloot. Wij kunnen ons niet verwijderen zooals hij deed; maar wij moeten Quirina volgen tot in hare sombere en ordelooze schuilplaats. Toen zij die binnentrad, vond zij reeds een persoon daar. Scipione-Angelo stapte er met driftige., ongeregelde schreden heen en weder. Zoodra hij haar zag, liep hij op haar toe. „Gij hebt mij een vol uur op u doen wachten,quot; riep hij barsch.

Engelsclien te Rome enz. 18

ocr page 286

274

„Als gij gewacht hebt, zult gij mij zeker noodig hebben,quot; antwoordde zij droogjes.

„Ik heb u noodig om u aan den worgpaal te brengen, feeks!quot;

„Dan heb ik geen spijt, niet eerder te zijn gekomen,quot; hernam zij, zich eenen beker vullende uit hare kruik, die op de tafel stond.

„Gij hadt ten minste uw verdiend loon, zoo ik het deed,quot; ging hij voort, „en dan waart gij daar, waar gij toch wel eindelijk komen zult, hoeveel moeite anderen zich ook geven om u te sparen. Verwenschte onvoorzichtigheid! uit te gaan, terwijl gij alle Heiligen moest danken, dat gij een donker gewelf boven u hebt; uit te gaan, de dienaars van den Stadvoogd in den mond te loopen, terwijl ik bijna mijne vrijheid en mijne plannen in de waagschaal stel voor uw behoud. Ondankbaar, onnadenkend, lichtzinnig! ijdel schepsel! vrouw!quot; riep hij eindigende, alsof dit laatste woord de grootste climax der beschimping moest zijn.

„Als gij niet gewacht hadt, zoudt gij over mijn gevaar niet gedacht hebben,quot; hernam zij bits, „en kon ik het dan weten, dat gij zoo vroeg hier zijn zoudt. Bij St. Magdalena! niet te mogen uitgaan na de Paschen! een goed vriend niet te mogen bezoeken, die mij noodig had. En toch, het had mij duur kunnen te staan komen, dit uitgaan. Troost u daarmede en laat ons vrede maken; wat gij wilt van mij ?quot;

„Quirina! Quirina! de Kardinaal is in het net. Het was mij gelukt, mijne lieden op de hoogte te brengen, waarop ik ze hebben wilde; en in waarheid, met zooveel kunst, met zooveel beleid, zoo natuurlijk, dat zij meenden hunnen eigenen weg te gaan en aan hunne eigene gewaarwordingen toe te geven, terwijl zij niets wilden, dan hetgeen ik hun te willen gaf. En toch, onvoorziens, zijne helsche Majesteit weet waarom, zijn ze blijven stilstaan op een punt, waar ze, volgens den gewonen loop der

ocr page 287

275

dingen als van zeiven voortgaan moesten. Dat verveelde mij, en ik moest er een eind aan maken; ik zet alles op één worp en ik zal winnen. De Kardinaal komt morgen in dit huis, om met zijne Anna te spreken; hij denkt haar te vinden met Oli-varez en zijne partij, hij vindt geene deftige bijeenkomst van geheime partijgangers, maar slechts zijne Anna! Ik bedrieg hem in het uur, het overige begrijpt zich. Ik waag veel; maar het moet afgedaan zijn; ik kan niet langer zoo leven, ik wil spoedig mjjne wraak; om spoedig te kunnen sterven; het leven heeft niets wat mij aantrekt; ik had slechts ééne taak te vervullen, als zij af is, verlang ik naar rust, naar de vernietiging.quot;

„Bij de Heilige Drievuldigheid! gelooft gij niet aan het vagevuur?\'\' riep Quirina met ontzetting.

„De woorden der monniken prediken het ons; maar een verlicht man weet dat beter, Quirina! Zouden die menschen handelen, zooals zij het nu doen, zoo de God en de verschrikkingen, waarvan de priesters raaskallen, iets anders waren dan schrikbeelden, die zij der wereld voorhouden, om zielmissen betaald te krijgen en aflaten kwijt te worden. Als de Heiligen, van welke zjj het gepeupel altijd voorprevelen, werkelijk bestonden, meent gij dan, dat men ze zoude aanroepen bjj eiken val-schen eed, bij elk misdrijf, bij elke schennis? Meent gij dan, dat die vlekkelooze God, als Hij bestond, zijne menschen niet eens eindelijk moede zoude worden en zich openbaren in hunne straf? Welzalig hij, die aan het guichelspel gelooven kan! Het (6 nieeft geene rust, niets boven zich te kennen, dan machtige men-Xchen die boos zijn. Maar ik heb de onschuld zien sterven onder martelingen; en zoo er een levend God der onschuld was, had Hij den moord der onschuld niet toegelaten, den moord van Francesco!quot;

En de vreeselijke man, die zoo koel berekeningen konde maken op de hartstochten van anderen, kromp bij deze woorden ineen als door eigene gewaarwordingen overweldigd. Hij schreide!

ocr page 288

276

„Wat zal ik u antwoorden, mijn vriend! van dat alles staat niets in mijn gebedenboek, maakt dat af met uwen biechtvader. Mij dunkt, dat een Christen voorzichtig zoude doen, met zich liever te houden aan hetgeen de geestelijke Heeren er van zeggen. Zij moeten van onze zielen rekenschap afleggen, Carissimo! en zij weten beter de grepen van hun handwerk, dan wij on-ingewjjden! Laat ieder zijn beroep, en nu.... vervolg.quot;

„Ook is er meer, dat mij aandrijft, voortgang te maken. In het avonduur van morgen moet ik alles afdoen; het zal het laatste zijn, dat mij overblijft. Morgen moet gij mij dit vertrek afstaan; als ik weet, dat de Kardinaal verloren is, voer ik de kleine Orsina Peretti hierheen onder eenig voorwendsel, om het even wolk, eene wandeling, een watertochtje op den Tiber, het een of ander, het kind volgt mij op eenen wenk, zij is buigzaam als mijn handschoen. Als wij eenmaal hier zijn, worden wij overvallen. Mijn lot weet ik, en de schoone... nu dat moet Sixtus weten; maar de slag is hem toegebracht. Het vorstelij) huwelijk met den grooten Prins is dan zeker uit. Wij zullen den hooggeboren Colonna eene aardige welkomst bereiden, en de veehoeder van Grotto zal er niet meer aan behoeven te denken, om zijn geslacht uit te huwelijken aan Rome\'s oudsten adel. Verschoont hij, dan zal men den Paus verachten en bespotten; straft hij, dan drukt hij een brandmerk op zijn eigen voorhooiu en eene nog diepere wonde in zijn hart. Wat dunkt u?quot;

„Uwe berekening is meesterlijk goed, amico! alleen heb\' gij ééne kleinigheid vergeten. De eenige schuilplaats van uv onderdanige dienares, die voor u staat, zal worden opgevuld met gerechtsdienaars, en zij zelve zal dus het eerste offer zijn van uwe bekoorlijke plannen.quot;

„Dat heb ik niet gezegd, Quirina! gij weet het, ik ben trouw met mjjne vrienden, en iederen dag, waarop gij nog ademhaalt, dankt gij aan mijne goedheid. Mij zei ven breng ik in het hoogste gevaar, door u aan de eisch der gerechtigheid te ont-

ocr page 289

277

trekken; en toch wil ik dat doen, en toch zal ik mij wagen voor u. Maak u reisvaardig met al wat gij bezit, morgen tegen het vallen van den avond geleid ik u veilig buiten Home; wilt gij naar Napels?quot;

„Hm, Napels! eene goede stad.quot;

„Wilt gij er heen?quot;

„Vraag den vogel, of hij de kooi verlaten wil voor de groene boschjes.quot;

„Zorg dan, dat gij morgen avond bij de poort St. Giovanni zijt, als de klok van het Lateraan zeven heeft geslagen, ik heb veel goud, ik heb morgen niets meer noodig in de wereld, ik zal u mijn goud geven; het is de laatste dienst, dien ik u doen kan.quot;

„Scipione! Signor Scipione! bedenk het wel, is dit geen valstrik, waarin gij mij voeren wilt ?quot; Wees voorzichtig, ik zou mij kunnen wreken.quot;

„Vrouw! waarom wantrouwt gij mij? Wat zoude mij uw verderf ? Ik heb niets van u noodig, dan nog eenige uren geheimhouding, en dit hol, dat gij vurig wenscht te verlaten. Ik vraag immers niet eens dank; ik weet immers wat dat is, de dankbaarheid der menschen. Ik doe het alleen om het eenige wezen het leven te behouden, dat vertéllen kan door gansch Italië, hoe Scipione de Florentijn, Scipione de spion, Scipione de bandie-tenbeul, zich heeft gewroken op Sixtus den grooten Paus.quot;

„Dankbaarheid,quot; herhaalde Quirina, en bleef in een diep nadenken voor zich heen zien. Toen plotseling opstaande, riep zij: „Neen Heer! de dankbaarheid is niet voor ieder een ijdel woord. Om u de mijne te toonen, wil ik u dien éénen goeden raad geven: sta af van uwe plannen met Orsina, zij zijn te gruwelijk, ze zouden u kwaad aanbrengen.quot;

„Zottin! niet voor alle schatten der nieuwe wereld! Mijn wraak is het eenige, wat ik van de aarde wensch.quot;

„Houd u tevreden met den val van den Kardinaal; deze

ocr page 290

278

wraak is niet die van den mensch, zij is die van den duivel.quot;

„Ik wil de duivel zijn van dit geslacht.quot;

„Scipione! ik beloof u hier geen zwijgen.quot;

„Slavin der zonde! ik ben meester van uw leven, gij zijt geheel in mijne hand: buiten mijnen wil één voetstap uit deze schuilplaats en gij zijt verloren. Aan wien zoudt gij mij verraden?quot;

„Aan ieder die mij hooren wil; ik zeg het u vooraf, opdat gij u beraden kunt. Uwe bedreigingen vrees ik niet. Sleep mij morgen voor den rechter, men zal mij niet onverhoord ter dood zenden, en ik ken uwe ontwerpen, ik ken ze alle, vriendlief, ik ga niet alleen in den dood.quot; En zij lachte met haren ruwen onvrouweljjken lach.

„Walgelijk schepsel!\'\' riep hij, vol woede op haar toespringende, „dreig niet, als uw leven aan niets hangt dan aan de beweging van dezen arm; ik kan u het stilwijgen opleggen.quot; En hij rukte zjjn degen uit de scheede. Maar zij week slechts langzaam ter zijde. Van een tafeltje, waarbij zij nu genaderd was, nam zij een vuurwapen op. „Ik ben geen weerloos lam, onnoozele!quot; riep zij honend, „nog één stap en ik brand los. Meent gij dat Cola di Luea mij geene erfenis achterliet?quot; Toen liet hij zijn wapen zinken.

„Quirina! lieden als wij, behoorden geene vijanden te zijn.quot;

„Zoo denk ik er ook over: de misdaad heeft ons broeder en zuster gemaakt.quot;

„En wilt gij uwen broeder bij de laatste misdaad verraden? Zijne laatste; want waarlijk ik ga sterven, vrouw!quot;

„Gij zijt er dus niet af te brengen?quot;

„Nooit.quot;

„Als zuster, als dankbare zuster heb ik u gewaarschuwd: gij hebt niet willen hooren, de gevolgen komen over u zeiven.quot;

„Zeg mij ronduit, wilt gij mij verraden?quot;

„Als ik dat wilde, had ik gezwegen; ik wil dankbaar zijn.quot;

„Wees het dan geheel, en zweer mij geheimhouding tot mor-

ocr page 291

279

gen zeven uur. Verlaat Azzo\'s huis niet dan om de poort Giovanni uit te gaan, zweer mij dat.quot;

„Ik zweer het u.quot;

„Ik mistrouw u toch.quot;

„Sluit mij dan op.quot;

„Gij weet meer dan één middel om eene geslotene deur open te krijgen. Hoor, Quirina! ik wil mij overgeven aan uwe goede trouw het is voor de eerste maal, dat ik mij op een mensch verlaat. Maar, nietwaar, gij zult mij niet bedriegen, gij waagt er alles mede, het is uw belang niet, gij hebt er niet ééne reden toe.quot;

„Waarom dan mij te mistrouwen, heb ik u niet gezegd, dat ik dankbaar zal zijn?quot;

„Welnu dan, tot morgen.quot;

„Tot morgen, Signor Scipione!quot;

„Bij de poort Giovanni,quot; sprak hij.

„Ten zeven ure,\'\' sprak zij.

En het was zonderling te zien, hoe die vier oogen die elkander uitvorschend aanzagen, eene mengeling van twijfel en wantrouwen aanduidden.

Hugh Mac-o-Daunt paste goed op zijn tijd, nog vóór het uur der afspraak was hij bij zijne wichelaarster. Hij vond haar echter niet bezig met toebereidselen tot geheime tooverkunst. Zij was in eene donkere reiskleeding, zooals veelal vrouwen uit den lageren stand bij bedevaarten of andere tochten plachten te gebruiken. Op hare tafel stond een kistje met kleinooden van meer of minder waarde; kleine fleschjes van een verdacht aanzien, eene gevulde beurs en vuurwapenen lagen daarnevens, alles als voorbereiding tot vertrek.

„Welkom, mijn wakkere Engelschman!quot; riep zij, zoodra zij hem, op zijn kloppen, had open gedaan. „Het is goed dat gij komt; maar het spijt mij voor u, wij kunnen geene zakendoen. Ik moet u iets gewichtigs toevertrouwen: gij moet iemand redden uit een groot gevaar.quot;

ocr page 292

280

„Ik?quot;

„Gij zelf, de kleine Orsina Peretti; ik heb den tijd niet vele woorden te verspillen, zie hier wat gij doen moet; ga, zoo spoedig gij kunt, naar den wijngaard van donna Camilla; zie hare kleindochter te spreken, zeg haar, dat zij heden haar huis niet moet verlaten; onder geen voorwendsel, wie haar ook daartoe aanzette, al ware het ook een priester, die haar riep om eene stervende te troosten, of een minnaar tot eene vroolijke samenkomst. Zeg haar dit, uit mijnen naam, uit naam van Quirina, wie zij het leven redde, en die dankbaar zijn wil.\'\'

„En welk is dan dat gevaar?quot;

„Veel grooter dan gij of zij gissen kunt.quot;

„Wie is dan de booswicht, die zulk eene goede Lady zooveel kwaads doen wil?quot;

„Dat doet niets tot de zaak, en ik heb beloofd hem niet te noemen.quot;

„Maar zoo het mij niet gelukt, haar te spreken?quot;

„Zeg het dan hare Duenna, haren Biechtvader, haar kamermeisje, onverschillig wie.quot;

„Waarom hebt gij de jonkvrouw niet eerder gewaarschuwd?quot;

„Mijn goede Hugh! ik ben eene arme, ongelukkige vrouw, die vele vijanden heeft, zooals gij dat op dien avond hebt kunnen zien; vervolging dreigt mij van alle kanten, en zoo ik mij over dag vertoonde, ware ik zeker verloren. Het is daarom ook, dat ik nog heden Rome verlaat.quot;

„Gij verlaat Rome?quot;

„Ja.quot;

„Ik wenschte, dat ik dat ook konde zeggen. Gij zult mij dus mijne bruid niet laten zien?quot;

„Zoo gij belang stelt in Orsina Peretti, geene overtollige woorden meer.quot;

„Ik ga dan.quot; En hij wendde zich naar de deur. Een geritsel daar buiten deed Quirina opschrikken.

ocr page 293

281

„Alle goede Heiligen behoeden onsT\' riep zij ontsteld, „daar is hij zelf!quot;

En snel Hugh bij den arm vattende, wees zij hem eenen donkeren hóek van het vertrek. „Verberg u, zoo goed gij kunt,quot; fluisterde zij.

De deur werd geopend, Quirina verschikte eenen stoel met hooge zitting, dicht bij het plekje, waar Hugh in verbazing en angst nederzakte, wierp er een paar kleedingstukken over heen, schoof het aarden lampje in eene andere richting, en hield zich met de ringen en armbanden van het kistje bezig, toen Scipione binnentrad. Hij was in eene hevige gemoedsbeweging; de oogen rolden hem wild door het hoofd; al zijne trekken waren in eene zenuwachtige bewegelijkheid; op zijn voorhoofd stonden de aders strak en hoog gezwollen, als getuigen van geweldige spanning; zijne neusgaten hadden zich verwijd als bij een hoog zinnelijk genot; zijne lippen waren in gestadige trilling.

„Quirina! Quirina!quot; riep hij, onstuimig haar de hand grijpende. „Ik zal mijne wraak hebben I Sixtus zal bloed schreien, zooals mijn Francesco! Anna Oston is reeds in het net, ik zelf geleidde haar; binnen een half uur zal de Kardinaal volgen. Lach met mij, vrouw! lach met mij, verblijd u in mijne vreugde; het is mijne eerste vroolijkheid sinds langen tijd van foltering. Juich dan! de Peretti\'s zullen vallen !\'quot;

„Gij doet mij huiveren, Signor Scipione! de aanstaande zegepraal maakt u ijlhoofdig, waarom komt gij zelf?quot;

„Uit zorg voor uwe veiligheid; want gij zijt mij trouw geweest, niet waar? gij hebt uw hol niet verlaten. En nu, zijt gij gereed? wij hebben geene minuut meer te verliezen, ik heb nog maar weinige uren voor mij; ziedaar het beloofde goud.quot; Hij wierp haar eene helderklinkende beurs toe.

„In schijn nog eenige kleinigheden samenpakkende, bukte zich Quirina naar Hugh, en zeide zeer zacht: „Gij vindt eenen sleutel onder de tafel, die opent u straks dit vertrek;

ocr page 294

282

Azzo is gewonnen, hij laat u ongehinderd doorgaan, vlieg te hulp !quot;

Onderwijl had zich Seipione met den rug naar haar toegekeerd, in eigene overpeinzingen verdiept.

„Eene schoone bruidskamer voor eene Pauselijke nicht!quot; mompelde hij, „en toch, bij St. Franciscus! fraai genoeg als de bruidegom een spion is.quot;

„Willen wij gaan, Signor!quot; sprak Quirina, haar kistje en het goud opnemende.

„Wij gaan; waarom steekt gij die wapens bij u?quot;

„Zij konden noodig zijn, Carissimo! En wilt gij ook van mij een geschenk? Neem dit fleschje, vroeger heb ik het u aangeboden, weiger het thans niet, gij kunt niet weten hoe het soms dienen kan.quot;

„Thans is het mij welkom.quot;

En die beide uitmuntende bondgenooten gingen nu haastig van daar.

En snel uit zijnen schuilhoek oprijzende, zocht Hugh met drift den sleutel, dien hij vond en hoog noodig had; want de Florentjjn had de deur gesloten.

„Die Romeinen! die Romeinen! zij spelen met wraak, verraad en booze aanslagen, alsof dat alles natuurlijke dingen waren. Ik geef het den eerlijksten Schot te doen onder hen te verkeeren en zich vrij te waren van hunne lagen. Bij St. Patrick! sprak die hatelijke kerel — wiens stem ik herkend heb, en wien ik eenen goeden ribbestoot gegeven had, zoo mijn claymore bij de hand ware geweest — niet van mijnen Lady, ja, Anna Oston heeft hij genoemd, en den Kardinaal! Bij mijns vaders naam, het kan met geen goed oogmerk zijn. Altijd is de dochter van onze bergen mij dierbaarder, dan de zwart-oogige Italiane. Anna Oston of Orsina Peretti, ik weet wie ik helpen zal!quot;

ocr page 295

HOOFDSTUK XXII.

De Paus moet eens als menscli voelen!

Met behoedzaamheid had zich de slang Scipione voortgekron-keld tot in de tegenwoordigheid van Rome\'s gebieder. Gij hadt hem moeten zien, hoe hij zich in listige bedeesdheid voor zijnen Heer stelde, hoe zijn glurend oog altijd slechts als ter sluiks den indruk bespiedde van ieder woord, dat hij uitsprak. En waarlijk, ieder zijner woorden beteekende veel; zelfs als hij zweeg, sprak dit zwijgen iets vreesehjks uit.

„Quirina heeft eene schuilplaats gevonden in het huis van Azzo. Eene verdachte woning in de Via Coronaria. Ik weet met zekerheid, dat zij daar nog weder haar vorig handwerk drijft, en dat onze paskwildichter er dezen avond zijn zal. De Stadvoogd is omtrent het uur en de plaats volkomen ingelicht. Het heeft mij eenige moeite gekost, zijne Hoogwaardigheid te bewegen mijne verzekeringen te gelooven, omdat vroeger eene mijner aanwijzingen niet werd bewaarheid. Ik ben nu echter van mijne lieden zeker.quot;

Na deze woorden boog hij zich, alsof hij niets meer te zeggen had.

„Welnu, en dan dat andere?quot; vroeg Sixtus.

„Ik heb niets meer. Heiligste Vader!quot; antwoordde Angelo, met de verlegenheid van iemand, die oneindig veel verbergt.

ocr page 296

284

„Hebben wij u niet belast met een onderzoek?quot;

„Mijn genadigste gebieder! vraag mij niets.quot;

„Wij vragen niets, wij bevelen u alleen te antwoorden.quot;

„Het ware beter, geloof mij, Heer! voor uwe rust ware het beter, mij dit niet te bevelen.quot;

„O! ik bid u, bekommer u niet over onze rust: wij hebben de waarheid lief boven alles,quot; antwoordde de Paus met hoogheid.

- „En daarenboven, hetgeen ik weet, werd mij in diep vertrouwen medegedeeld.quot;

„Al ware het in de biecht, gij zult spreken!quot;

„Ik heb reeds meer als lasteraar voor uwe Heiligheid gestaan.quot;

„Bij het gebeente van St. Petrus!quot; riep Sixtus, stampvoetende van ongeduld. „Weg met die uitvluchten.quot;

„God weet wat ik er om gave, zoo mij dit bericht wierd kwijtgescholden; en toch is het misschien goed, dat Uwe Heiligheid alles wete. Zij kan zoo al niet voorkomen, ten minste afwenden, versehoonen, sparen. De verleiding, de jeugd, de gelegenheid.quot;

„Bij God den Almachtige! wie zegt u, dat ik iets anders zijn wil dan streng rechtvaardig. Spaar uwe tong niet langer, zoo gij niet voor eeuwig zwijgen wilt.quot;

„Uwe Heiligheid wete dan, dat er een samenspanning bestaat van de Spaansche partij, met Olivarez aan het hoofd, door sommige Kardinalen ondersteund, door Filips gewettigd, en waarvan Monsignore Montalto de deelgenoot is.quot;

Geweldig was de uitwerking dezer woorden op Sixtus. Hij had vroeger van bruisend ongeduld de vingers in de handpalmen heen en weder gewreven, en in gestadige onrustige beweging met de voeten getrappeld. Nu liet hij plotseling de armen krachteloos zinken, boog het hoofd op de borst neder, als iemand die den harteslag ontvangt; zijne harde, stoute, sterk sprekende gelaatstrekken krompen krampachtig samen.

ocr page 297

285

Sixtus V werd doodsbleek!

Angelo, die zweeg, beschouwde met tijgerachtigen wellust dien grijsaard, dien hij vermoordde met de dolksteken zijner tong.

„Meer!quot; beval deze met eene akelig doffe stem.

„Mijn genadige Heer! denk niet het misdadigste van den on-gelukkigen jongeling, zijne Eminentie is verleid geworden. Het is niet om de staatkunde van eenen Philips te ondersteunen, het is niet om zijnen weldoener te verraden, dat hij zich gewikkeld heeft in die gevaarlijke verbintenissen, het zijn de verleidend sehoone oogen van Lady Oston, die hem aantrekken .... want zij is eene waarheid geworden, die betrekking, waarop de schimpdichter doelde. Lady Oston is de minnares van den Kardinaal.quot;

„Bewijzen ?quot;

„Zijn, helaas! niet moeielijk te geven. Heer! de Engelsche vrouw is heden avond met de samengezworenen bijeen in Azzo\'s huis. Het is eene veelbeslissende samenkomst, de Kardinaal en de Lady zullen er vroeger zijn om elkander afzonderlijk te spreken.quot;

Hier hief Sixtus het hoofd op; het was een bliksemfelle, onuitstaanbare blik, dien hij toen op Scipione wierp; een blik die getuigde van diepziende schranderheid en menschenkennis. Een blik, waarvoor \'Scipione in zijne gruwelijke zegepraal het onbeschaamde oog moest nederslaan. En toch moest hij dien lang verduren.

En donderend, als de stem van den gesarden leeuw, klonk de stem van den Priestervorst, toen hij zeide:

„Dit alles wist gij vroeger!quot;

„Heiligste Vader? ik bezweer u...

Tot eenig antwoord riep de Paus luid: „Arnolphi! Ezzelino!quot;

Twee Apostolische schildknapen traden binnen.

De uitgestrekte arm van Sixtus wees op den Florentijn. „Naaiden kerker van het kasteel St. Angelo.quot; En de jonge mannen maakten zich van Scipione meester, die sprakeloos van verbazing,

ocr page 298

286

met uitpuilende oogen en samengeknepen lippen daar stond. Dat woord kwam hem te vroeg.

Op eens rukte hij zich los uit de handen der wachten, en met de teugelooze vermetelheid van den lang ingetooraden hartstocht, die eindelijk uitbarst en die niets ontziet, trad hij vlak voor den Heer van Rome. Gillend schel klonk zijne stem toen hij sprak: „Eerst het genot mijner wraak! Ja, Sixtus! hoor het: ik heb alles geweten; neen, meer, de Kardinaal heeft geenen schuldigen stap gedaan, die niet door mij werd voorbereid. De Kardinaal is niets geweest dan eene draadpop in mijne hand. De schoone Lady Oston was, ondanks haar zelve, mijn werktuig. Gij kunt uwen schuldigen bloedverwant sparen; een voorwendsel tot vergiffenis is zoo licht gevonden, een machtwoord, dat de zonde uitwischt, zoo licht gesproken. Het is immers eene zoo geringe fout voor eenen Kardinaal, het Hoofd der kerk te verraden. Het is immers zoo gering eene ergernis, een Kardinaal, die eene schoone vrouw in de armen sluit! Maar toch is de kroon weggerukt van zijn hoofd, uw trots en uwe hoop liggen verslagen in de lichtzinnigheid van dien neef, op wien gij al uwe hoop gesteld hadt.quot;

„Mensch! gij hebt getracht ons te krenken; dat ware mogelijk geweest, zoo wij nog Felix Peretti waren maar Sixtus de V heeft de menschelijke zwakheid overwonnen. De Paus is onkwetsbaar; de Paus kent geene andere bloedverwanten dan de Kerk van Christus. En nu, vervloekte! want reeds uw doel is de vervloeking des Hemels waardig, waarom hebt gij dat gedaan ?

En Scipione hernam met helsche zegepraal, want hij wist hoeveel brandende smart de grijsaard onder die koude hoogheid verborg, en hoeveel het den mensch kostte, om den Paus te handhaven:

„Paus Sixtus! het was omdat gij Francesco van Florence gerechtelijk hebt vermoord; Francesco was mijns broeders kind. Het was omdat gij gespot hebt met de jeugd van mijnen neef.

ocr page 299

287

aan omzichtig bij uwe blinde gestrengheid, rechtvaardige Heer van Rome! Wond niet weder de wesp; want de wesp kansteken. De onschuld van Francesco heeft Alexander Montalto schuldig gemaakt.quot;

En Sixtus zweeg; tegenover den Morentijn stelde hij zijne waardigheid door geen enkelen klank in de waagschaal. Dat was eene van die overwinningen op zijn toornig en opbruisend karakter, waartoe hij zich, in vijftienjarige oefening als Kardinaal,, gehard had; dat was een getrouw blijven aan zijn grondbeginsel : de beleedigingen, die men niet wreken kan, moet men ontveinzen.

Een enkel wederwoord ware als eene verontschuldiging geweest jegens den spion. Een verwijt, ook het meest trotsche,. eene gelijkstelling en eene bedreiging tot den man, die vooraf elke hoop op vrijheid en leven had opgegeven, om zoo te durven spreken, ware onmacht geweest. De Vorst van Rome was zoo ongehoord beleedigd geworden, dat geen folterdood, geen lang leven vol martelingen naar evenredigheid straffen kon.

Hij had Scipione met volmaakt geduld laten uitspreken, onschendbaar en laatdunkend als eene eenzame rots in het midden der zee, waartegen de oproerige golven zich te bersten spatten; en toen deze geëindigd had, verhief hij slechts even den wijsvinger, en Scipione zag zich opnieuw in de macht zijner wachters. Toen men hem wegleidde, riep hij met sarrenden spot:

„De schimpdichter, Heiligste Vader! is in uwe macht, slechts iets vroeger dan hij het voorhad. Zeg het Orsina Peretti behoedzaam, dat hare minnaar Angelo als misdadiger sterft!quot; en daarop volgde hij met opgericht hoofd en fonkelende oogen, vroolijk en zegepralend als een overwinnaar de mannen, die hem wegleidden.

Scipione, en het wordt tijd zijn karakter beter te ontleden,, dan door zijne handelingen alleen, Scipione is naar eiken regel der Christelijke zedeleer, de kwaadaardigste booswicht.

ocr page 300

288

En toch was hij niet geheel de duivel van hatelijke eigenbaat en lage bekrompene zelfzucht, die menigeen misschien in hem zou kunnen zien. Hij was niet de eerzuchtige, die om hoog te staan, langs zonden en gruwelen opklimt; hij was niet de hebzuchtige, die voor goud handel drijft met zijne ziel en die van anderen; hij was slechts de man, die vast, onwrikbaar, stelselmatig, met onverzettelijke vastheid een plan van wraak volgde, zonder omzien, noch opzien. De man, die elke bedenking verzaakte om die wraak, die hij beschouwde als eenen heiligen, noodzakelijken plicht; die voor haar elk eigenbelang voorbijzag, elke rust, elk levensgenot opofferde, en voor haar, als het ware zijne persoonlijkheid had afgelegd; die slaaf was geworden, hoewel hij trots genoeg bezat om edelman te zijn; die huichelaar was geworden, hoewel hij moeds genoeg had, om onverbloemd de ondeugd te huldigen; die zich grijsaard had gemaakt naar het hart, in de volle kracht der jeugd. Voorwaar! als al die vonken van zielskracht, van scherpzinnigheid waren gebruikt geworden tot eenen edelen kamp, dan had hij een held van zedelijke grootheid kunnen zjjn; nu hij ze verspild had tot het najagen van eenen hartstocht, die zonde was, moet men hem duivel noemen. Hij was gekwetst geworden in zijn heiligst en edelst gevoel, de broederliefde, en niemand had hem geleerd Christen te zijn, om christelijk te vergeven; het bloot zinnelijk Katholicisme, dat hem omgaf, was hem een poppenspel, waarboven zijn helder inzicht hem verhief, en hij had niets daarvoor in de plaats weten te stellen, dan ■eene redelooze ontkenning van al wat niet stoffelijk was.

En nu eischen mijne lezeressen van mij eene opheldering van het vroeger gebeurde met dezen Maldaveto. Scipione was aan zijnen kleinen neef verbonden door hetgeen de natuur en de omstandigheden het innigst en meest verbindend hebben kunnen. Scipione had eene zuster gehad, eene eenige zuster; vele jaren ouder dan hij, een engel van zachtheid en schoonheid.

ocr page 301

.289

Hij had haar bemind met een bewonderend opzien, zooals altijd een hartstochtelijk jongeling een vrouwelijk wezen bemint dat zijne achting en liefde waardig is. Een schitterend edelman, uit den hoogsten Florentijnschen adel, had zich die zuster tot bruid gekozen. Vervolgingen op vervolgingen van de machtige bloedverwanten, die de koopmansdochter tot geenen prijs voor de hunne erkennen wilden, hadden dat huwelijk lang geweerd, maar het niet voor altijd kunnen verhinderen. Toch hadden zij de jonggehuwden gescheiden. De edele Signor Incisi was bezweken onder de slagen van zijne laaghartige vijanden. Zijne jonge gade werd moeder in de kerker. Dat kind was de knaap Francesco. Toen men de moeder en haren zoon martelen wilde, om haar tot den afstand te dwingen van haar heiligst recht, den naam eens gemaals, wist zij het kind Scipione toe te reiken: door de traliën van hare gevangeniscel, eene tweede geboorte, waarbij de broeder vaderrechten verkreeg. In zijnen mantel verborgen, voerde hij het kind weg uit Florence; zelf nog bijna een knaap, voelde hij al het gewicht der vaderzorg; ook bracht hij op dat kind terug, al wat zijn hart aan liefde bevatten kon. Het vergoedde hem vaderland en bloedverwanten, en rijkdom en rust. Beata, de eerste vrouwelijke bediende uit het huis zjjner ouders, was na den val van hare meesters met den Campaneeschen boer Paoli gehuwd. Aan haar vertrouwde hij den zuigeling; die nog zoozeer vrouwezorg behoefde. In zijne verdere woelige loopbaan had hij het kind nog van zich verwijderd gehouden; hij vond het voorzichtig, dat het in nederigheid en vergetelheid werd opgevoed. Toch had hijquot; zich voorbehouden, het eenmaal in de rechten zijner geboorte te handhaven. Daartoe had hij de gunst van Sixtus gezocht, daartoe had hij zich elke taak laten welgevallen om die te behouden. En nu was het dit kind, waaraan zich de koude gestrengheid des Pausen vergrepen had. Was bij zulk eene kwetsing tegenover een man als Scipione, de uitkomst bevreemdend?

Engelsclien te Rome enz. 19

ocr page 302

290

Wij hebben Sixtus alleen gelaten, na de pijnlijke overwinning op den orkaan zijner driften. Nu ving de strijd aan tusschen den bloedverwant en den Paus; een strijd, kort maar hevig; een strijd, den vroegeren Kardinaal Montalto waardig. Een oogen-blik was hij inensch, hij wierp zich terug in zijnen armstoel, zijne hooge gestalte boog zich als in tweeën, het was of zijne gelaatstrekken plotseling verouderden. Hij scheen nu zonder kunst zoo oud, als hij vroeger had willen schijnen. Hij drukte het gloeiende voorhoofd sterk tegen het rijke verguldsel van zijnen zetel, alsof dat weldadige kalmte zoude brengen. Wee den ongelukkige, die rust moet zoeken bij goud; dat verhit als men gloeit; dat ijskoud is als men warmte zoekt. O! voorwaar, wee, wee den machtige, die behoefte heeft om het kloppend hoofd tegen eene vriendenborst te leunen, en die niets om zich ziet dan verguldsel! Toen hij zich weder oprichtte, staarde de grijsaard langzaam om zich henen; hij hield het hoofd omhoog, twee tranen welden op in de strakke, wijd geopende oogen; zij vielen henen over de oogleden, bewegingloos liet hij ze voortglijden, loodrecht vielen zij neder op zijne handen, die hij op de knieën samengevouwen hield. Een zeldzame dauw, die een dor veld besproeide!

Hunne kille vochtigheid wekte hem op uit zijn stomp nadenken. Toen hief hij zich moedig op, trad zonder aarzelen voor zijne schrijftafel, schreef met vaste hand eenige regels, rolde het perkament te zamen, wond er eene zegelkoord om heen en gaf het den dienaar, dien hij tot zich riep met dit woord: „Voor den Stadvoogd!quot;

Daarop kruiste hij de armen over de borst met den uitroep: „Het is gedaan, Antonio! vergeving. Uw zoon en Rome! ik had geene keus!quot;\'

Terwijl de groote meester van het Vatikaan zich zooveel moeite gaf om Vorst te zijn, liep een gemaskerd jongman voort, in de richting van Azzo\'s huis. Een knaap, mede gemaskerd, volgde

ocr page 303

291

hem met eene lantaarn. Iemand, die lust gehad had tot opmerkingen, zoude al zeer spoedig begrepen hebben, dat die man niet gewoon was, zooals tersluiks langs de straten te gaan. Veelmalen zag hij om, schuchter en schichtig, als iemand, die vreest gevolgd te zijn, en dit, gevoegd bij zijne drift om voort te komen, was juist geen middel om niet in het oog te loopen; ook trok hij weldra de aandacht tot zich. Mannen, van dezelfde soort als wij er roeds meermalen als ongewenschte getuigen hebben zien verschijnen, liepen ook nu op den schuwen gemaskerde toe, die altijd zijnen stap versnelde; dan te vergeefs, men omsingelde hem. Met schrandere tegenwoordigheid van geest, blies zijn knaap snel het draagbaar licht uit.

„Wij zijn niet in den Carnaval,\'\' begon het hoofd der sbirren, zijnen man aansprekende, „en wie zijn gelaat maskert, kan ook wel daden in den zin hebben, die een masker behoeven. Zeg ons wie gij zijt en wat gij voor hebt.quot;

De gemaskerde, die zich zoo omringd zag, zweeg.

„Messer! wij zullen ons zeiven overtuigen moeten, dat gij niet den man zijt, dien wij zoeken; en zoo gij niet gewillig uw masker aflegt....quot; De kleine dienaar naderde driftig zijnen Heer als ter bescherming.

„Om Godswil, Saffiro!quot; fluisterde deze, „geene onbezonnenheid, zoo ik herkend word, ben ik verloren.quot; En daarop zich krachtig met de armen werende, trachtte hij zich eenen doortocht te banen; ijdele poging! er ving eene worsteling aan, waarin de ongewapende tegen de gewapende overmacht zoude moeten bezwijken.

In den angst voor den meester zag de trouwe knaap naar alle kanten om redding uit. Hij ziet eenen man, die met drift toesnelt, misschien kan het een helper zijn.

„Hulp, Signor Cavaliero! hulp voor eenen edelman tegen de sbirren,quot; roept Saffiro, met de vervoering der vertwijfeling.

En de cavaliero kwam ijlings naderbij. „Mijne vrienden! laat toch dezen edelman met vrede. Signor mio! verdedig u niet

ocr page 304

292

langer tegen hen, zij zullen u ongemoeid laten; zij hebben voor u geen en last quot;

„En wie zijt gij, vermetele! om te beslissen, waartoe de lieden van den Stadvoogd last hebben of niet?quot; vroeg de aanvoerder hem, die zoo stoutmoedig tusschenbeide kwam. De man zag dat hoofd der sbirren doordringend aan, en het schijnsel der lantaren, die hij zelf in de hand hield, op zijn gelaat doende vallen, sprak hij droogjes:

„Ik ben ridder Karre, ik sta voor dien persoon in.quot;

„Die vervloekte Engelschman,quot; antwoordde de andere, terwijl hij terugweek. „Makkers! laat den gemaskerde met rust, als de Engelschman er zich mede bemoeit, geef ik het op; ik heb om die verwenschte vergissing met hem reeds zooveel van den Stadvoogd moeten hooren!quot;

En ridder Karre, zijn voordeel snel voortzettende, nam zijnen beschermeling onder den arm, en riep nog, terwijl hij hem met zich voerde: „Houdt veeleer de wacht voor Azzo\'s huis; daar vindt gij verdachte lieden.quot;

„Dat gaat de andoren aan; wij hebben geen last voor Azzo\'s huis,quot; antwoordden zij morrend, terwijl zij verder gingen.

„Dank, dank, dank, Signore!quot; riep de kleine Saffiro, terwijl hij den krachtigen beschermer zijns meesters volgde. Maar deze trok dadelijk zijnen arm uit dien des ridders terug. „Gij waart edelmoedig, Signore! gij hebt mij gered, mijn dank is oneindig groot; maar ik bid u, laat mij nu mijn weegs gaan.quot;

„Naar het huis daar ginds, niet waar, Monsignore? maallaat mij u dit ééne herinneren: die weg leidt niet naar het Vatikaan.

„Karre! gij hebt mij herkend, houd mij niet langer terug, zoo gij wilt, dat uwe vriendelijke hulpvaardigheid voor mij hare volle waarde zal hebben .. . daar ginds word ik gewacht!\'\'

„Nu niet meer, edele Montalto; al wat u daar nog wacht, is het verderf.quot;

ocr page 305

293

„Bij Jezus, Mijnheer! hoe weet gij....quot;

„Door eenen samenloop van omstandigheden, dien ik u zal ophelderen. Euk uw masker af, laat uw gelaat zoo vrij, alsof gij van het Conclave kwaamt. Eminentie! vermomming wekt argwaan, en ik heb op mij genomen u te redden.quot;

„En zij dan?quot; vroeg Montalto met eene onrust die hij niet meester was, terwijl hij zijn masker afnam.

„Zij is gered, zij is in mijn huis, zij wenscht u te spreken. Wilt gij mij nu volgen ?quot;

„Karre! Karre! gij beschaamt mij, gij bedroeft mij, en toch maakt gij mij oneindig gelukkig. Zij gered, ik haar zien, door u? en ik heb u zooveel kwaads gedaan.quot;

„Het is zoo, Monsignore! ik beminde mijne nicht, zij was mijne verloofde, bijna mjjne bruid. En gij alleen staat tusschen mij en mijn geluk; dat is zeker hard, en .. ..quot;

„En gij hebt er niet aan gedacht, den hinderpaal uit den weg te ruimen?quot;

„Al ware het, dat ik zooveel laagheid van ziel hebben kon, wat baatte mij uw val! De liefde eener vrouw laat zich niet dwingen, niet koopen, verdienen misschien niet eens,quot; voegde de ridder er met een smartelijken glimlach bij. „Anna Oston heeft mij de hare ontnomen, ik ben haar geliefde niet meer, maar ik zal altijd haar bloedverwant zijn en haar trouwste vriend.quot;

„Hebt gij haar werkelijk bemind, om zóó te kunnen spreken ? O! als gij wist hoe ik ....quot;

„Mijn jonge vriend! ik ben uw vele schreden vooruit op de baan der levensondervinding; ik heb zeer veel genoten, zeer vele gewaarwordingen uitgeput; maar ik heb slechts ééne liefde gekend, dat was de liefde voor mijne nicht. Laster mijn gevoel niet, omdat het kalm en eerbiedig is teruggetreden; ik ken het leven en ik heb het beoordeeld; het heeft mij zoovele teleurstellingen gebracht, dat ik geëindigd ben met mij zelfs in

ocr page 306

294

de allersmartelijkste te schikken.quot; Hier zweeg de ridder met eenen zucht, die getuigde hoezeer hij nog onder de grieve leed.

De Kardinaal, die hem begreep, eerbiedigde zijn stilzwijgen, dat hij eindelijk zelf weder afbrak, met te zeggen: „Ik ben u nog eene inlichting verschuldigd, vergun mij u die te geven, voordat wij mijn huis binnen gaan, dat niet ver meer af is.quot;

Ook mijne lezers hebben daar recht op. Zoodra Hugh den sleutel van Quirina gevonden had, verliet hij hare schuilplaats met al de haast zijner trouwe; dan helaas, aan den deurti\'ap genaderd, was het hem onmogelijk dien te openen. In het donkere rondtastende, en niet gemeenzaam met de kunstgreep, wist hij de rechte plaats niet te treffen, waar de deur zich opende door het drukken van den voet. En al zijne pogingen, hetzij met bedaard overleg, hetzij in opgewonden angst aangewend, waren volstrekt vruchteloos. Eindelijk alle beradenheid verliezende, schreeuwde hij luide om Azzo, zonder te bedenken, dat hem even goed een vijand als een bondgenoot konde te ge-moet komen. De Padrone kwam aanloopen: „Per Dio, kameraad! schei uit met dat geraas,quot; riep hij, terwijl hij den opgeslotene bevrijdde, „in een huis als het onze, moet men nooit luidruchtig zijn.quot;

„Bij St. Patrick, vriend! als ik voort moet! als ik stik van ongeduld in dit verwenschte hol?-\'

„Dan nog moest gij zwijgen, zwijgen al waart gij tusschen de deur vastgeklemd. En vooral gij, onhandige Engelschman! gij, die niet genoeg moeite kunt doen om uwe tegenwoordigheid hier te verbergen. Bij mijnen Patroon! gij zoudt uwe meesteres, die daar boven is, bijna op het rumoer doen toeschieten. De goede Signora, die daar zoo angstig en eenzaam zit te luisteren naar lederen voetstap, die nadert, en die zeker ieder geritsel hoort.quot;

„Wat zegt gij? mijne Lady daar boven! dan moet ik haar spreken.quot;

ocr page 307

295

„Gij, dwaashoofd! bedenk toch, dat zij vragen zal wat gij hier zijt komen doen.\'\'

Maar de trouwe Schot hoorde niets meer, ijlde den trap op, waarvan hij de richting zich nog herinnerde, en ondanks Azzo, die in verbazing stond toe te kijken, was hij spoedig in de kamer, waar Anna hem met de grootste bevreemding zag binnenkomen. In zoo korte woorden als hij kon bjjeen vinden, maakte hij haar Scipione\'s verraad zoo duidelijk, als het hem zeiven was. En reeds die éene bijzonderheid, dat Montalto hierheen gelokt was, Montalto, de Kardinaal, dien zjj niet kon verwachten in eene bijeenkomst van Spaanschgezinde Romeinen, waartoe zij was uitgenoodigd, deed haar op eens het afschuwelijke ontwerp doorzien. Zelfs het verraad in de kapel werd haar helder. Zij vreesde het ergste voor den Kardinaal, hij moest gewaarschuwd worden; hem hier af te wachten, zoude slechts de bedoelingen van den verrader ondersteunen. Het was van het hoogste belang, dat zij niet samen gevonden werden; iemand moest den jongeling redden, zij zelve konde het niet. Zij dacht op Karre. Hij was zoo goed, zoo grootmoedig, hij had haar zoo plechtig beloofd haar vriend te zijn. Het is zoo, zij had hem bitter gegriefd, zij moest zich zeer diep vernederen in haar eigen gevoel, om zulk eenen dienst te vragen van eenen man, dien zij van zich gestooten had; maar zij zag het gevaar van hem, dien zij liefhad, en die zich alleen gewaagd had uit liefde voor haar, en zij aarzelde niet. Zij scheidde zich van Hugh, dien zij naaiden wijngaard Peretti heen zond, ter hulpe van Orsina, en ging zelve onvergezeld naar het huis van den ridder. Hij bespaarde haar de bede om redding. Toen zij hem alles verhaald had, bood hij zelf aan, den jongen Kerkvorst op te sporen, of af te wachten, en niet te rusten, voordat hij hem veilig wist.

En daarop vatte Anna plechtig zijne hand: „Lionel! nu nog één dienst, den laatsten, dien ik van u afsmeeken zal, beloof mij, dat gij mij niet weigeren zult. Voer Montalto hierheen, ik

ocr page 308

296

moet hem spreken. Hoort gij het, ik moet. Ik heb mij ernstig met mij zelve beraden, er zijn nog andere plichten dan die van eene partij te schragen. Ik breek het hart van dezen jongeling en het mijne in die lange marteling, die zonder doel is als zonder uitkomst. Het zal eene laatste samenkomst zijn, een afscheid voor deze aarde; beloof mij, dat ik hem zien zal!quot;

En hare stem klonk zoo ernstig, en hare trekken drukten zooveel verhevene rust uit, dat de ridder begreep hoe het een grootsch besluit moest zijn, dat haar aandreef.

„Gij zult den Kardinaal zien, Mylady!quot; had hij tot haar gezegd.

Terwijl de drie Engelschen op deze wijze alles in het werk stelden, om de leden van het Pauselijk geslacht aan het loerende gevaar te onttrekken, was men op het Vatikaan over het lot van den Kardinaal-neef in eene onrust, des te heviger naar mate men er zich van elke tusschenkomst moest onthouden. Zijne Heiligheid was nu omringd van de kardinalen Aldobrandini,. Castagna en Farnese, den Deken der Kardinalen, die allen genoeg belang stelden in den jeugdigen medebroeder, om alles, wat zij konden, in zijn voordeel te zeggen. Zij stonden geschaard rondom den zetel van den Paus, die zwijgend nederzat, met de armen rustende op de leuningen van zijnen armstoel. Onbewegelijk kalm was zijne houding als hij zweeg, toch las men op zijn gefronsd voorhoofd en in de gespannen strakheid zijner trekken al de onrust der bange verwachting. Als hij sprak, was het met die zenuwachtige drift, en dat levendig gebarenspel, en dien overvloed van woorden, die hem altijd in uren van opgewondenheid eigen waren. Aldobrandini zag naar hem op met een ernstig medegevoel. Castagna speelde verlegen met het gouden kruis op zjjne borst; hij durfde den man niet aanzien, die een verwijt had kunnen lezen in zijn oog. Farnese,. de schrandere, de hooghartige, de ruwe Farnese, die zich zijn vorstelijk heldenbloed altijd beter herinnerde dan zjjne geestelijke

ocr page 309

297

wijding, zegevierde misschien in het geheim. Hij, de Vorst,, had menige grieve en menige hardheid van den laaggeboren. Sixtus verduurd. Hij had veel hoop op het Pausschap gehad, en den trek, hem in het Conclave gespeeld, had hij nog niet vergeten. Hij dacht er misschien aan, hoe nog zoo kort geleden,, hij zelf, smeekende voor eenen neef, aan de voeten geknield had van denzelfden man, die nu aan datzelfde zielewee leed;, en het was misschien niet zonder een klein inmengsel van triomf,, dat hij zoo luide en aanmatigend zijn oordeel uitbracht.

„Angelo heeft Zijner Heiligheid niet éénen naam genoemd: behalve dien van Olivarez,quot; zeide hem Castagna op zijne vraag.

„Wat zeggen ons namen, als wij de personen in onze macht hebben,quot; viel Sixtus in, „en zoo er van ontsnapten, de schelm Angelo zal in den kerker van het kasteel wel tot eene volkomene biecht gedwongen worden.quot;

Toen zeide Farnese:

„De Kardinaal-neef had gewaarschuwd moeten worden; het is zóó duidelijk een valstrik, waarin men hem heeft willen lokken.quot;

„Gewaarschuwd, Mijnheer! bij den Hemel, gewaarschuwd! waar denkt gij aan? De Kardinaal heeft de jaren en het oordeel, om zijnen eigen weg te gaan. Valstrikken, verleiding! ijdele voorwendsels die bij ons niets afdoen! Hij wist wel, dat datgene, waartoe hij zich liet overhalen, niet goed was. A1amp; alle andere stemmen zwegen, had er nog een luid klinkende stem in zijn hart moeten zijn; de dankbaarheid jegens ons!quot;

„Daar zijn Vorsten der Kerk bij zwaardere misstappen verschoond gebleven, zeer Heilige Vader!quot; merkte Farnese aan.

„En uw neef Ranuccio werd om eenen veel lichteren ter dood veroordeeld,quot; hernam Sixtus, met eene hardheid, die de drie anderen verbleeken deed. „Gij hebt hem door list uit onze handen gered; gij hebt dat mogen doen, omdat gij niet Paus-waart; ook hebben wij het u vergeven; maar wij, die Paus zijn.

ocr page 310

298

wij kunnen niets hebben voor den onzen, dan blinde gerechtigheid.quot;

Toen verhief zich Aldobrandini met edelen moed: „Niemand kan een hooger denkbeeld hebben dan ik, van al wat onzen stand waardigs en heiligs heeft; maar de misstap, waarvan men den zeer jongen Kardinaal Montalto beschuldigt, is onder •de vroegere regeeringen met te veel oogluiken toegelaten geworden, om heden zoo groot eene ergernis te geven, dat een Prins der Kerke en een neef van haar Hoofd die met zijn leven zouden behoeven te boeten. Geen lid van het Heilige Genootschap zal hier den eersten steen werpen op den jeugdigen broeder.quot;

„Maar bij den Hemel, Monsignore! het geldt hier niet de goed- of afkeuring van een Conclave: het geldt hier ons stelsel, onze hervorming, alles, wat wij hebben gebouwd in Rome. Wat spreekt gij van de vorige regeering? Wij zijn Sixtus V en niet Gregorius XIII. Juist omdat Rome toen eene ergernis was voor de Christenheid, moet Rome nu een toonbeeld zjjn van reinheid. Krachtige geneesmiddelen moeten de pest tegengaan; om krachtige voorbeelden is het te doen, wien kan ik voortaan straffen als ik mijn eigen bloed heb gespaard? Gij weet het allen, gij, Farnese! en gij, Castagna! en gij, Aldobrandini! wij hebben naar het Pausschap gestaan door alle middelen, die in ons vermogen waren; maar het was niet omdat de glans van een driedubbele kroon ons in de oogen schitterde; het was niet om in laffe, weelderige rust van uit de hoogte op de andere menschen neder te zien; het was niet om Rome tot eene prooi te geven aan een heer van verarmde bloedverwanten, of om neven van mijnen naam te stellen boven de wet. Wij hebben naar het Pausschap gegrepen, niet om de schaduw der macht, maar om macht te hebben tegen de ondeugd: wij hebben naar de heerschappij gegrepen, niet als Heer, maar als heelmeester! En wij vreezen geene aderlating, wij geven al de

ocr page 311

299

krachten van onzen geest en van ons lichaam om ze te stellen als eenen vasten dijk tegen den grooten stroom van het kwaad; wij hebben ons op dezen Stoel geplaatst, niet om de wet te verkrachten, maar om de wet te handhaven, en wij willen liever afstand doen van het gezag, en terugkeeren tot het klooster, dat wij verlieten dan de zwakheid te hebben, van zeiven dat gezag met den voet om te stooten.quot;

„Mijn Vorst! gij zijt een groot man! een zeer groot man!quot; riep de Opper-penitentiaris uit, aan zijne voeten nedervallende, „maar ik smeek het u, om uwer rust wille, bedrieg u zeiven niet. Eene zoo harde verloochening der natuur als die, welke uwe groote ziel zich oplegt kan geen noodwendige plicht zijn van uw gewijd ambt. Versmoor niet de stem van het bloed; zij mocht zich eenmaal luide verheffen, en het kon dan te laat zijn. Kog niet lang geleden heeft Uwe Heiligheid onze eerbiedige waarschuwing versmaad, en een enkel woord van goedheid had toen nog alles kunnen voorkomen, wat nu gebeurd is. Uw hart heeft sedert dat uur geleden; o! hoor ons ditmaal en sla u zeiven geene onheelbare wonde. Laat den booswicht Angelo niet ten volle slagen in zijn ontwerp, vervolg gij zelf zjjn slachtoffer niet. Vergeving voor den zoon van Antonio!quot;

„Vergiffenis voor den Kardinaal,quot; herhaalden Farnese en Cas-tagna, die zich mede aan Sixtus\' voeten wierpen.

„Geene vergiffenis, mijne Heeren! als hij schuldig is. De Kardinaal wist vooruit, dat hij daarop niet te hopen had; ik misken uwe bedoeling niet, het was belangstelling in den jongeling, voor wien wij niets vermogen. En nu, laat het genoeg zijn, deze strijd is afmattend, verwijdert u.quot; Zijne stem weifelde bijna, toen hij de laatste volzinnen sprak. De Kardinalen verwijderden zich. Aldobrandini alleen zag zich teruggewenkt.

„Broeder!quot; zeide hem Sixtus, en leunde het hoofd tegen zijne trouwe borst. „Het was toch niet mijne zwakheid, die u raden deed, dat ik hjde.quot;

ocr page 312

300

„Neen, Heer!quot; maar mijne kennis van het hart.quot;

„Met Alexander Peretti gaat mijne schoonste hoop daar henen.quot;

„Eed dan uwe schoonste hoop.\'\'

„Weet gij een middel?quot;

„Laat het onderzoek gestaakt worden,quot; hernam Aldobrandini met drift.

Sixtus zweeg.

„Een woord. Heer! om Godswil, een woord van toestemming, ik red voor u den schijn.\'\'

„Als de Stadvoogd van Rome met eenen gevangene terugkomt, bestaat de Kardinaal Montaltö morgen niet meer, en Alexander Peretti racet sterven,quot; antwoordde de grijsaard met fonkelende oogen.

De oude Kardinaal zonk van ontzetting ineen.

De deur van het kabinet werd geopend, de Stadvoogd van Rome werd aangediend.

Drie bange minuten waren het nog, voordat de Stadvoogd binnentrad. Hij was alleen!

„Heiligste Vader! nu is het zeker een bedrog van Signor Angelo. Er is niemand gevonden, geen schijn van eedgenooten, geene vrouw, niemand.\'\'

„O mijn God! ik dank u, hij is niet schuldig!quot; riep de sterke grijsaard, die bij de verrukking der blijdschap zijne zelfbeheer-sching vergat.

ocr page 313

HOOrDSTUK xxiri.

Nog een tooneel in de zaal van Karre.

„Grooter bewijs van zelfverzakende liefde, is nog door geenen man aan eene vrouw gegeven, Lady Anna!\'\' zeide Karre, terwijl hij den Kardinaal in zijne zaal binnenleidde. Anna, die opgestaan was, voelde, dat zij zich moest nederzetten.

„Thans zijt gij veilig tegen elke stoornis,quot; vervolgde de ridder, op ernstig somberen toon, terwijl hij het verguld koperen hengsel van de kleine rechter zijdeur in de hand vatte. „Dit is de ingang tot mijn bidvertrek, waar ik vertoeven zal, totdat uw gesprek is afgeloopen.quot; Dit zeggende, liet hij hen alleen. Ofschoon Anna zich met al haren vrouwelijken moed en met al de vastheid van haren geest gewapend had; ofschoon zij haar gelaat eene strakke, koele plooi gaf, beving haar echter eene sterk aangrijpende ontroering, toen zij het oog sloeg op den jongeling, die voor haar stond, toen zij zijnen verslagen geest las uit zijne neerslachtige houding, en zijn hopeloos lijden uit de bleekheid zijner wangen, toen zij zijn oog, dat zoo geestvol kon schitteren, zich moedeloos zag ter aarde wenden, toen die mond zweeg, die haar anders zooveel wist te zeggen, en die zoo welsprekend konde overreden.

„Ik had gewenscht den Kardinaal Montalto te spreken,quot; begon zij, zich vermannende, terwijl zij hem eenen stoel aan-

ocr page 314

302

schoof; doch hare zachte bevende stem verloochende de aan-genomene koelheid.

„Dit harde woord was niet noodig, Mylady! om mij te herinneren, dat ik niets meer te hopen heb,quot; hernam hij gevoelig. „Waarlijk, omschors u niet met staalharde koelheid, om mij te verpletteren. Dat gij mij spreken wilt, heeft mij alles gezegd; en toch, Anna!quot; voegde hij er bij, op eens in wilden hartstocht uitbarstende, „toch was onze scheiding te lang, na een afscheid als het laatste, voor zulk een wederzien.quot;

„Ongelukkige! hoe wilt gij hopen op zielevrede, zoo gij uw geheugen niet beheerschen kunt! Vergeet alles, wat ons zwak zoude maken,quot; hernam Anna met edele zelfbeheersching, en zij gevoelde zich sterk genoeg om hem aan te zien. „Hoor, mijn vriend! wij zijn een groot gevaar ontkomen, zoo zwak waren wij, dat een kwaadaardige booswicht het heeft gewaagd, op onze zwakheid te rekenen. De ridder heeft u zeker den arglist van Scipione medegedeeld; zoover heeft onze dwaze en ijdele hartstocht ons gebracht, dat gij uwen weldoener hadt verraden, zoo de verzoeking tot u gekomen ware, en dat ik misschien niet gewapend zoude geweest zijn tegen uwe smeekingen. Montalto! Montalto, zonder Karre waren wij verloren geweest.\'\'

„Ik weet het, Anna!quot;

„Welnu dan, Alexander! wat hebt gij u voorgenomen voorde toekomst?quot;

„Ik wil den troost der verdoemden smaken, als zij medeverdoemden om zich zien, ik wil eenmaal Paus worden en vele Kardinalen maken!quot; riep hij met een waanzinnigen lach, „en gij Anna! wat wilt gij?quot;

„Ik? ik wil bidden voor eenen morrende, die den Hemel beleedigd; voor eenen ondankbare, die zijnen weldoener lastert; voor den roekelooze, die tot eene hooge bestemming voorbeschikt was, en die haar wegwerpt om als een kind te klagen, dat men hem één blinkend speeltuig ontzegt; voor den zwakke.

ocr page 315

303

die zoo zwak is, dat eene groote redding hem niet eens tot een grootsch besluit bezielt.quot;

„Anna!quot; Anna! dus ben ik niet, neen, zoo waar God mij hoort, dat ben ik niet,quot; gilde de jongeling, die aan hare voeten zonk, „gij zijt zelve groot, denk ook niet laag van mij.quot;

„Heb dan moed tegen u zeiven, wees uwen grooten bloedverwant waardig.quot;

„Ik zal moed hebben, Anna! ik heb moed,quot; sprak hij, met drift opstaande, en de armen stijf tegen de borst drukkende,, als wilde hij daar een pijnlijk gevoel wegdringen, „wat wilt gij,, dat ik besluiten zal?quot;

„Hoor mijn besluit, en keur het goed, en ondersteun het met de kracht die de uwe zijn zal, zoodra gij wilt. Zie, Alexander I die altijd blijvende hoop op een onverwacht wederzien; die onzekere kansen, om elkander te spreken; die duizende kleine ontmoetingen, die den hartstocht aanvuren en tergen, — zij stooten de beste voornemens omver van twee menschen, die besloten hadden elkander te ontwijken, en ieder van die ongezochte ontmoetingen, én ieder van die toevallige samenkomsten, is als zoovele zwaarden, hangende boven ons hoofd; het zijn martelingen die ons afmatten en zwakker maken, en toch, te zamen in dezelfde muren, door niets gescheiden dan door onzen wil, is er geen eed, die tegen zulke gevaren beschermt. Ik heb lang gekampt met mij zeiven, maar uw laatste stap, die mij getoond heeft hoeveel gij wagen zoudt voor eene hersenschim, heeft mijne keuze beslist. Ik offer plichten op, die mij dierbaar waren, wier vervulling ik had gezworen; ik offer den schoonsten droom van mijn vreugdeloos leven op aan uwe veiligheid, aan uwe hooge toekomst. Ik zie af van al mijne staatkundige verbintenissen, ik scheid mij voortaan van de geheele wereld; de Graaf van Olivarez is genoeg mijn vriend om mij zijne bescherming te geven in Madrid, en mijn heengaan van hier te helpen bespoedigen, Sixtus mag en zal mij niet terug-

ocr page 316

304

houden. Mijn zoon heeft bescherming genoeg om hem nog in ■de uwe aan te bevelen; en toch, Alexander! heb hem lief; want hij zal zijne moeder niet meer hebben, hij is te jong om ■wees te zijn. Neem hem aan, als de nalatenschap eener afgestorvene; want dat zal ik voor u zijn.quot;

„Uw zoon zal het weten, hoe zijne moeder bemind werd; maar, afgestorvene! hoe moet ik dit verstaan ?quot; sprak hij met angst.

„Dat het klooster mij tot een kalm graf zal worden; — daar •alleen is de veilige wijkplaats voor een afgestreden hart; ik zal mij daar op een rustig sterven voorbereiden.quot;

„Dat niet, ora Godswil dat niet! Bespaar u en mij de dubbele heiligschennis, de dubbele misdaad. Onder den sluier zoude ik u nog aanbidden, gij nog aan mij denken.quot;

„Het is goed, dat er een dubbele scheidsmuur tusschen ons oprijze.

„Neen! neen! misleid u zelve niet, gij zult geenen zielevrede ■smaken in de ledige doodschheid van zulk een verblijf, in de werkelooze rust van een klooster. O! geloof mij, mijne ervaring is hier bitter en getrouw, een geestelijk kleed beschermt niet ■tegen de hartstochten. O! beloof mij dit, dit ééne, dat gij dit woord herroept; het zal het eenigste zijn, wat gij mij ooit hebt toegestaan !quot;

„Mijn God! wat wilt gij dan, dat ik doen zal!quot; vroeg zij dooide waarheid van zijne taal getroffen, en plotseling verliet haar lt;lie schijnbare sterkte, de bovenmenschelijke kalmte, waartoe ■zij zich verhard had. Dat kwam, omdat zij zich het steunpunt zag ontnemen, waarin zij zooveel kracht gevonden had, omdat het besluit werd verlamd, dat haar tot zooveel zelfverloochening opgewonden had; en des te zwakker zonk zij nu ineen, naarmate zij zich sterker overspannen had; zij wierp zich moe-•deloos in de sofa terug, en borst in een luid schreien los.

„Ja, wij zijn beiden rampzalig,quot; riep Peretti, en bleef in ra-

ocr page 317

305

delooze vertwijfeling voor haar staan. En toen hij de bittere tranen zag, die zij schreide om hem, wist hij geen woord om haar te troosten. Zwijgend drukte hij haar hoofd tegen zijne borst; zij zag op, een doffe angstkreet ontsnapte haar, terwijl zij met uitgestrekte vinger op de tapijtdeur wees, die zij eenmaal geopend gezien had. Men hoorde het zachte gerucht van eenen sleutel, die omdraaide in een slot; iets achter het tapijt bewoog zich, en ijlings vloog Karre uit zijn bidvertrek te voorschijn en riep: „Weg in \'s Hemels naam, weg!quot;

„Waarheen?quot; vroegen beiden tegelijk, en wilde het slaapvertrek des ridders in. Maar deze stiet hem terug, snel, schichtig als met eenen tooverslag rukte hij Anna voort, tot bij den bekenden zetel, verschoof eene draperie, liet die over haar nedervallen, en had nog niet naar den Kardinaal kunnen omzien, toen reeds de tapijtgordijn geopend werd en Sixtus zich vertoonde. Karre, die onder bittere en gansch niet kalme gewaarwordingen den afloop van het onderhoud in zijn bidvertrek had afgewacht, was door de luide snikken van Anna opmerkzaam geworden, en tot bij zijnen dorpel genaderd. Haar doffe gil joeg hem angst aan; hij trad de zaal binnen, licht begreep hij welke stoornis deze samenkomst dreigde, en nu was het hem niet mogelijk, zijne gansche tegenwoordigheid van geest te verzamelen tegenover den strengen man, die voor hem stond. Ook was het met eene soort van huivering, dat hij z|jn oog nedersloeg voor den valkenblik van den Paus.

Na zwijgend de zaal rondgezien te hebben, liep deze rechtstreeks naar het kabinet. „Waartoe dat licht ?quot; vroeg hij driftig, en zonder naar een antwoord te wachten, ging hij binnen. Derwaarts was Peretti heen gevlucht, zonder recht te weten wat hij deed.

Nauwelijks zag hij de statige gestalte van den man, die hem altijd zooveel eerbied had ingeboezemd, die zijn geheele hart had bezeten, voordat dwaling en hardheid hen scheidden, zoo

Engelsclien te Rome enz. 20

ocr page 318

306

onverwacht terug, op een oogenblik dat zijn gemoed tot de kneedbaarste weekheid was gestemd, of, door duizend aandoeningen bestormd, door de behoefte naar ten minste ééne verlichting gedrongen, wierp hij zich aan zijne voeten, met den uitroep: „Vader! is het nog niet te laat voor berouw, voor vergiffenis!quot; En Sixtus, in de eerste verrassing der blijdschap, zag slechts den lang gemiste, die wederkeerde aan zijn hart, zag slechts het voorwerp, dat hem nog zoo straks angstdroppels van bange vrees had gekost, zag het terug aan zijne voeten, terug in zijne hoede; ook hief hij hem op en drukte hem sterk in zijne armen, en zeide met eene stem, die van zijne liefde getuigde: „Gj) komt wèl laat, mijn zoon! maar toch, wees welkom.quot;

,0! gij weet niet hoe de zoon kan afdwalen, die ver van den vader zwerft,quot; hervatte Montalto, nog zacht tegen den oom aanleunende, als de ranke liaanplant tegen den beschermenden palmboom.

„En weet gij wat de vader lijdt, die den zoon verloren waant?quot; antwoordde Sixtus, hem vriendelijk bij de hand nemende. „Waarlijk, wij zullen het gemeste kalf slachten; gij zijt in slechtere handen geweest dan de jongeling van de gelijkenis. Maar wees gerust, uw verleider is weggesloten in den kerker van St. Angelo, dien hij niet verlaten zal dan voor de strafplaats; gij hebt mij nog veel op te helderen, maar ik trek mijne vergiffenis niet weder in. Denk er aan, Kardinaal! morgen wacht u de Paus op het Vatikaan, dat zal onze openlijke verzoening zijn. Gij zocht dan uwen troost bij Karre! Xu dat is altijd beter dan bij Olivarez; de ridder is getuige geweest van onzen twist, hij zij het dan ook van onze hereeniging, hij is bescheiden en stilzwijgend. En nu aan de bezigheden; wij kwamen hier verstrooiing zoeken; wij konden u in lang niets mededeelen, Cavaliere!quot; Dit alles zeggende, had Sixtus zijnen neef bij de hand met zich teruggevoerd in de groote zaal. Hij zette zich neder en verdiepte zich met den Engelschman, wien het bijna duizelde in het hoofd

ocr page 319

307

van de snel opeenvolgende gewaarwordingen, in een ernstig en gewichtig gesprek, waarbij deze moeite had, zijne gedachten te verzamelen, en niet door de eene of andere verstrooiing den argwaan gaande te maken.

Dat gesprek, waarbij Sixtus op nieuw van zijne vérziende scherpzinnige staatkunde blijken gaf, doch waarbij hij tevens het opperhoofd van de Roomsch Katholieke Kerk te veel vergat voor den Vorst van de Romagna, waarbij het uit iedere zinsnede bleek, hoezeer hij Philips opoiferde aan Elisabeth, om partij te trekken van de verzwakking des eersten, werd gehoord door Anna Oston, de gemoedelijke Katholieke, de onverzoenlijke vijandin van Elisabeth. Geen woord ontsnapte haar, de Paus sprak duidelijk en luide, hoewel de zachte stem van Karre hem telkens tot mindere toonverheffing trachtte te stemmen. Anna Oston, de vroom geloovige, wier oordeel nog niet de scheiding maakte tusschen den Stadhouder van Petrus en den wereldlijken Vorst! Ook grensde hare verontwaardiging en schrik bijna aan zinsverbijstering; bedrogen in al hare verwachtingen en in haar innigst vertrouwen op een wezen, voor welks heiligheid zij met siddering had teruggebeefd, ja! door hem de belangen verraden te zien van eene partij, waarvoor haar geene opoffering te groot had geschenen, waarvoor zij zoo menigen strijd had gestreden ; gekrenkt in het heiligste, dat den mensch overblijft, als hem alles ontvalt, haar godsdienstig geloof.... was het wonder, dat haar geschokt gevoel zich lucht gaf in klachten en uitroepingen van ergernis, waarbij zij elke bedachtzaamheid vergat!

De Kardinaal, wien het was als den zoon, die aan den Schoot zijns vaders is teruggekeerd, had echter genoeg medegevoel voor zijne Anna, om met angst te denken, hoeveel zij te lijden had in jhare sombere schuilplaats. Hij luisterde met inspanning naar iedere barer bewegingen; dat kon nog een vreeselijk tooneel geven die ontdekking van hare tegenwoordigheid; en toch, hij kon er haar, hij kon er den ridder niet aan wagen, om ook

ocr page 320

308

daarvoor eene vergiffenis af te vragen, waarvan hij niet zeker was, dat zij volgen zou. Ook nam hij zich zeiven ernstig voor, met die plotselinge toeneiging tot het goede, die de jeugd soms in een plechtig oogenblik in eerlijke geestdrift ontvonkt, dat dit hier de laatste verbloemde handeling zoude zijn van zijn leven, de laatste gang in het duistere, de laatste afwijking van het opene rechte pad, en dat zijn weldoener voortaan altijd de vertrouwde zoude wezen van iedere zijner gedachten; zoo slechts de geliefde vrouw ditmaal gered werd, en het hem daarna nog gegeven was, zijne eigene paden te gaan. Plotseling werd hij in den loop zjjner gedachten gestoord door de opmerking van Sixtus: „Het was alsof ik iets hoorde, wat kan dat zijn, ridder?quot;

Eene andere huivering dan die van Job rilde den Kardinaal door de leden.

„Mogelijk het verschuiven van mijnen voet,quot; antwoordde Karre, met al de stoutheid, die in zijne macht was.

En de Priestervorst sprak weder voort en spotte met de zegening van de Armada, waartoe hij was uitgenoodigd geworden.

„O God! het is alles spel!quot; borst Anna uit in hare schuilplaats. ,

„Neen, nu bedriegen mij mijne zintuigen niet; wij zijn niet alleen!quot; riep Sixtus heftig, en eene waskaars van eenen der standluchters nemende, snelde hij naar de tapijtdeur toe.

Toen begreep Anna, die ook dit hoorde, wat zij in hare onbezonnene luidruchtigheid bedorven had. En met den moed der blinde vertwijfeling drong zij zich voorwaarts en stortte de kamer binnen. Sixtus zag haar aan met den blik van den slaapwandelaar, die plotseling ontwaakt. Karre was buiten zich zeiven van schrik; zijne gewone vermetele kalmte begaf hem geheel en al, en hij kon niets dan met stamelenden mond, met verbleekte wangen en sidderende lippen onsamenhangende verontschuldigingen uitbrengen.

„Geloof niet. Heiligste Vader! dat deze vrouw......Mylady

ocr page 321
ocr page 322
ocr page 323

309

Oston.....was hier niet.....niet lang.....zij heeft niets gehoord ; zij

Anna wilde iets zeggen; maar hare lippen bewogen zich zonder eenig geluid voort te brengen: de doorborende blik van Sixtus verpletterde haar. De Kardinaal hield zich vast aan den armstoel en drukte de oogen toe, als moest hij zich voorbereiden tot den doodelijken slag.

„Wie van u heeft mjj bedrogen?quot; vroeg Sixtus, beurtelings de beide mannen aanziende. „Ik wil nu weten wat waarheid is. Van wie uwer is deze vrouw de minnares?quot;

„Zij is mijne verloofde,quot; antwoordde Karre snel, met die vlugheid van vernuft, die altijd weder de zijne was bij ieder vonkje van hoop op uitredding.

„Sedert wanneer, Cavaliere?quot; vroeg de Paus streng.

„Sedert vijftien jaren. Hoogwaardige Heer!quot;

„ Corpo di Cristo! dan wordt het eenmaal tijd, dat gij huwt, en dat zal morgen zijn, morgenavond na den Rosario, in eene der kapellen van het Lateraan. Gij hebt eenen dag tot uwe voorbereiding voor het Sacrament; wij dispenseeren u van al het andere.quot;

„Om Godswil, Heilige Vader! laat dat niet zijn, dat kan niet zijn!quot; riep Anna, door de schokkende uitkomst tot bewustzijn terug gebracht.

„Niet, Mevrouw? ook niet als wij gezegd hebben, dat het zijn moet; ook niet als dit de eenigste voorwaarde is, waarop wij geen onderzoek doen willen naar de reden van uwe tegenwoordigheid hier op dit uur, na zooveel wat wij nog voor duister willen houden in uw gedrag.quot;

Anna boog het hoofd zwijgend onder deze zijdelingsche berisping en de scherpe bedreiging, welke zij inhield.

„Mijn genadige Meester!quot; riep Karre, „mijne Anna heeft evenals ik eenmaal die verbintenis gowenscht.... zij zal gesloten worden, vergun slechts eenige korte dagen van uitstel, mijne

ocr page 324

310

bruid is zoo weinig voorbereid ...Maar Sixtus trok hem bij den arm ter zijde.

„Morgen, heb ik gezegd, Signor! Ik wil er een eind aan maken met deze vrouw, die bijna bewaarheid heeft, wat wij bij hare eerste verschijning vreesden. En wie zegt ons daarenboven, dat zij ons geheim bewaren zal; zij heeft alles gehoord, wij kennen te veel uwe trouw, om aan verraad te denken van uwe zijde, maar gij moet ons voor haar instaan. Bedenk welk eene vertooning het hoofd der Christenkerk zoude maken tegenover de Christenheid, tegenover Philips, als die vrouw niet zweeg. Daarom moet iemand mij bórg zijn voor haar, dat kan alleen haar echtgenoot, of... .quot; en hier fluisterde hjj den ridder iets in het oor, „maar dit middel wenscht gij zeker niet.quot;

„O! mijn God! neen, Heer!quot; antwoordde de Engelsehman ver-bleekende; „Uwe Heiligheid zal zeker gehoorzaamd worden.quot;

„Wij zullen dan onze verloofden niet langer storen,quot; hernam Sixtus, met dien bitter satyrieken grimlach, dien hij soms bij zijne vreesehjke uitspraken konde aannemen.

En daarop vatte hij den Kardinaal bij de hand. Zijn scherp oog had den jongeling onder het spreken altijd gadegeslagen; geene enkele beweging van dezen verried wat hij leed; hij stond als wezenloos ; hij begreep niet recht wat er voorviel; hij hoorde niet wel wat er gesproken werd; hij vermoedde slechts onzeker, dat er iets vreeselijks gaande was, dat er een schrikkelijk onheil moest worden afgewend van drie hoofden, dat het een wanhopig middel was, waardoor het moest worden afgewend; en dat hij zelf, om niet allen op te offeren, niets konde dan zwijgen. Zijne gelaatskleur was vaalbleek van angst, zijne oogen stonden verglaasd, en wijd opengesperd staarde zij op Anna, die hij toch niet zag; hij zoude zijn nedergezonken zonder den steun van den leunstoel. Eerst toen Sixtus\' hand de zijne aanraakte, schrikte hij op als een van koude verstijfde, wien men een gloeiend ijzer op het lichaam drukt, als een krankzinnige, die plotseling tot

ocr page 325

311

de erkenning van het omringende komt als een blinde, door aanraking ziende gemaakt, en toen Sixtus hem aansprak, zag hij zoo vreemd en zoo verbijsterd in het rond, als ware hij voor het eerst daar, in het midden van onbekenden.

„Neef! neef! gij zijt nog op verre na niet de Kardinaal Mon-talto, die wij waren! Dat moet anders worden, volg mij nu tot eene volkomene biecht.quot;

„Volkomene biecht!quot; herhaalde Alexander Peretti, rja zoo zij het, voortaan geen geheim meer voor u.quot;

En de jongeling, die zoo zwak geworden was in den strijd met de hartstochten, leunde zich tegen dien grijsaard, die zoo sterk geworden was in het overwinnen van de zijne.

Zij verwijderden zich.

Anna Oston, die in eene knielende houding was nedergeval-len, wendde met eenen schuwen blik, vol schrikwekkende betee-kenis, het hoofd om naar de deur, waardoor zij verdwenen. En zij strekte de armen uit.

„Goeden nacht, Alexander Peretti! goeden nacht, voor de eeuwigheid!quot;

ocr page 326

HOOFDSTUK XXIV. Een huwelijk en eene bruiloft.

Hoogst gelukkig voor Orsina was Scipione in den voortgang zijner booze plannen gestuit geworden, voordat hij tot de uitvoering van zijnen aanslag tegen haar had kunnen overgaan; want zeker ware zij zijne prooi geworden; de arme Hugh had haar niet kunnen waarschuwen, ondanks al zijne eerlijke pogingen om haar te naderen.

Signora Eespanti, die misschien iets van het bezoek bij Lady Oston gegist had, en die in hare kortzichtige preutschheid niets zoozeer vreesde voor hare kweekelinge als eene vertrouwelijke verbintenis met de Engelsche, had bevolen, dat niemand van het huis der vreemdelinge tot de jonge Prinses zoude worden toegelaten.

Zoo werd dan ook de Schot geweerd, zonder dat iemand hem hooren wilde. De dwazen! en ze zouden zonder argwaan het meisje aan de handen van Angelo hebben toevertrouwd! Zoo weinig zijn menschen berekend om menschen te beschermen ; zoo weinig weten zij van hetgeen hen dreigt. En de lieve Orsina, spelende en dartelende, of verzonken in een zoet gepeins over haren Colonna, die weldra komen moest, had de ure des

ocr page 327

313

gevaavs doorleefd, zooals het onwetende lam, dat vroolijk om-huppeld in de weide, terwijl de lammergier rondfladdert Loven zijn hoofd. En het gevaar was heengezweefd voorbij het hoofd van het lam, zonder één haartje van de witte vacht te beroeren. Zoo zeker is het, dat de God der onschuld leeft, die de zijnen kent en beschermt te Zjjner tijd! Zoo zeker is het, dat Hij onheilen van hen weert, die zij niet eenmaal hebben kunnen vreezen, zoo veilig is het onder Zijne hoede en zoo trouw eene-zorg is de Zijne!

De beklagenswaardige Scipione, want beklagelijk inderdaad was eene dwaling als de zijne, kroonde zijn leven vol misdaad door eenen dood vol lafheid en schande. In den ochtend na zijne gevangenneming maakte hij gebruik van Quirina\'s roeke-looze gift. De rampzalige! hij vreesde eenen aardschen rechter; en welken anderen rechter ging hij te gemoet zonder te zijn op-geëischt ?

Zijn plotselinge dood ergerde Sixtus, die hem nog zoo menige inlichting had gehoopt te ontwringen. En er waren velen te Rome, die glimlachten, omdat de Paus van het nasporen der eedgenooten moest afzien. De Kardinaal was nog in geen hunner geheimen ingewijd geworden, en hoewel de oom zich daarbij verheugde in de onschuld van den neef, was de Paus minder gesticht over de onkunde van den Kardinaal, bij eene zoo schoone gelegenheid om vele ontdekkingen te doen. Olivarez^ ter verantwoording geroepen, ontkende met de stoutmoedigheid van iemand, die weet, dat hij niet kan gelogenstraft worden; er was geen bewijs tegen hem dan de afgesproken samenkomst in Azzo\'s huis, en de Kardinaal had van haar moeten zwijgen,, en de Stadvoogd had er niemand gevonden, hoewel zijne verspieders den ganschen avond en nacht de locanda omgeven hadden; dat kwam, omdat een man in eene grijze pij, dezelfde, die eens Anna Oston tot gids geweest was, door eene geheime achterdeur had weten te ontsnappen, om te waarschuwen wie

ocr page 328

314

het noodig hadden, en niemand hunner waagde zich spoedig weder in ongeoorloofde handelingen tegen den geduchte, wiens argwaan nu eenmaal was opgewekt.

Op den Zaterdag avond voor Quasimodo bereidde zich eene gewijde handeling voor in eene der kleinste kapellen van St. Giovanni in Laterano, de parochiekerk van den Paus. Het was het Sacrament des huwelijks, dat zoude voltrokken worden tus-schen Sir Lionel Karre en Lady Anna Oston van Berwickshire. De Kardinaal Aldobrandini en de Graaf van Olivarez, benevens twee vrouwen van het huis der Lady, waren er de getuigen van. Maar op het gelaat van den bruidegom lag niet dat waas van geluk en zegepraal, dat doorgaans eene liefde zoo nabij de bekroning pleegt te kenmerken. Het was altijd met eene mengeling van onrust en teederheid, dat hij zijne bruid aanzag, en ■er was eene angstvallige bekommering in geheel zijne houding, die zonderling kon worden uitgelegd. En, in waarheid, een man als hij had eene meer blijde bruid verdiend, dan die, welke nu aan zijne zijde stond. Bleek was zij als eene doode, en geen trek van haar wezen vertrok zich, de groeve in haar voorhoofd alleen scheen dieper en meer zichtbaar. Hare oogen stonden koel en strak, en zonder tranen, als die van de Heilige, die met aardsche vreugde en aardsche smart heeft afgerekend. Zij wierp geen enkelen blik op haren bruidegom; maar hield altijd de oogen gericht op het beeld van den gekruisten Christus boven het altaar, en hare lippen bewogen zich als tot een aanhoudend gebed.

Toen de dienstdoende Priester de handen van dit bruidspaar ineenlegde, waren ze beiden kilkoud. Toch klonk hun beider „ja,quot; vast, maar smartelijk, en als van menschen, die eenen «waren plicht volbrengen.

En toen de plechtigheid was afgeloopen, geleidde de grijze Aldobrandini de bruid in het rijtuig, dat haar wachtte. Karre zoude eerst later volgen, zoo had zij het gewild. En toen hij

ocr page 329

315

kwam om haar uit hare woning af te halen en naar de zijne te voeren, vond hij haar daar niet meer, slechts quot;William en den Abbate, die hem een briefje overgaf. Zij had het in den ochtend [geschreven, nadat zij met kalmen ernst op de voorbereidselen tot haar vertrek had toegezien. Zij was niet wedergekeerd uit ^de kapel. Nu eerst begon William te begrijpen, waarom zijne moeder zooveel had geschreid, toen zij hem omhelsde.

Het briefje was aldus:

„Ons huwelijk was een plicht geworden, waarvan niets ons konde ontslaan; maar echtgenooten kunnen wij niet voor elkander zijn. Gij hebt het begrepen, gij hebt het mij toegestemd. Gij verliest niets aan eene ongelukkige, die alles vergeten wil behalve dit eene: dat de eer en het leven van den edelmoe-digsten der vrienden voortaan zijn toevertrouwd aan hare stilzwijgendheid! Ik zal leven, omdat te leven mij is opgelegd. Toch zal ik geene gelofte stellen tusschen mij en de wereld. Hij heeft het gezegd: de ledigheid van een klooster geeft geene rust. Ik heb slechts ééne bede, die gij eeren moet: leert beiden mij vergeten: daartoe zal niemand het plaatsje op deze aarde kennen, waar ik mijn einde wacht. Dat mijn William aan mij denke als aan eene afgestorvene. William heeft geene moeder meer; maar ik weet het, hij heeft eenen vader en eenen vriend. En nu nog dit, van Anna aan Lionel: zoo gij om mij geleden hebt, vergiffenis! gij zijt zoo sterk, gij kunt grootmoedig zijn, wees het in de vriendschap voor hem, die niet sterk is. Zielskracht en zelfverloochening is het woord, dat ik hem toeroep!quot;

Iemand, die Karre wel kende, had in de ernstige gelatenheid, waarmede hij het papier toevouwde, eene bittere zielesmart kunnen zien, die wel ver was van de wanhoop, maar toch eenen langen tijd zoude noodig hebben om iets meer te zijn dan een

ocr page 330

316

toegegroeid litteeken. En William bij de hand nemende, kuste hij hem op het voorhoofd, terwijl hij zeide:

„Voortaan zijt gij mijn zoon!quot;

Toen Sixtus zijnen geheimen agent voor het eerst weder bezocht, sprak hij vriendelijk: „Mijn arme Karre! gij slaagt beter in de staatkunde, dan in de liefde. Deze gebeurtenissen zijn voor ons eene groote les, om niet weder vrouwen in onze zaken te mengen; met hare hartstochten bederven zij alles. Van uwe Elizabeth spreek ik niet; zij is geene vrouw, maar een Vorst.quot;

De jonge Kardinaal Montalto, door Sixtus al meer en meer in staatsbelangen gewikkeld, door diens rustelooze voortvarendheid en zijne eigene neiging tot aanhoudende werkzaamheid aangespoord, vond weldra die kalmte van hart en die rust des gemoeds weder, die hij in zijne dagen van hartstocht voor altijd meende verloren te hebben. Er is geene betere toevlucht voor het lijden der ziel en voor de afdwalingen der verbeelding, dan bij onverpoosden geestarbeid; en de Kardinaal ondervond daarvan de heilzame kracht. Eeeds in 1589 en 90 werd hij geroemd als een der achtenswaardigste Kerkvorsten, als een ervaren en beraden staatsman, die de krachtige ontwerpen van zijnen oom omvatte en hielp uitvoeren, en aan wien deze met gerustheid een gedeelte van zijne regeeringszorg kon toevertrouwen. Hij was toen Onder-Kanselier der H. Kerk, een gezond, bloeiend man met een helder hoofd, vrij van veroordeelen en dweepende mijmerijen, die de hartstochten had gekend, maar die had geëindigd met ze te brengen onder het juk der rede, en die nu het leven met een kalmen blik wist te overzien.

Op het einde van het jaar 1589 ging er eene algemeene rouwklacht op uit eene der behoeftigste wijken van Madrid. Er was eene vrouw gestorven; die vrouw was de moeder geweest van alle armen, en de troostende engel van alle lijdenden en zieken. Zij had altijd stil voor zich henen geleefd, en niemand kende haar ; maar hem, die haar noodig had, was zij altijd nabij geweest.

ocr page 331

317

Bijna had men haar zelve voor arm kunnen houden, zoozeer was er in hare woning gebrek aan de meest gewone gemakken des levens. Men had die vrouw nooit anders gezien, dan in diep rouwgewaad gekleed en in eenen dichten sluier gehuld. Toch scheen zij geene geordende te zijn, zij had geene bezitting nagelaten dan eenige kleinoodien en enkele vreemde goudstukken, welke de erfenis werden van den man, die haar nooit verlaten had, en dien men voor eenen broeder hield, om de vriendschap, welke zij hem altijd betoonde, of voor eenen bediende, om den afstand, dien hij nooit jegens haar uit het oog verloor.

Op haar sterfbed had zij haren biechtvader een verzegeld pakketje in de handen gedrukt; het bevatte eenen ring, eenen kostbaren diamant, zoo als men alleen bij eene Vorstin zoude gezocht hebben. Weinige woorden meldden den priester, dat dit versiersel was bestemd om de missen te bekostigen welke zouden worden gelezen voor de rust der ziel van de boetvaardige zondaresse, Anna Oston van Berwickshire, echtgenoote van Sir Lionel Karre.

En wat belet ons nu om dit verhaal, met eene terechtstelling begonnen, te eindigen met eene bruiloft, zooals vroeger het onvermijdbaar einde was van eiken roman ? wij kunnen het, zoo wij slechts iets teruggaan in de geschiedenis, en wij toonen er dan eene, die niet van onze vinding is, die van Orsina Peretti met Don Marco Antonio Colonna. Het prachtigste feest, dat sedert de dagen van Rienzi binnen de oude Pausenstad was gevierd geworden, waarbij Rome\'s volk jubelde, en waarbij Kardinalen, Prinsen en Afgezanten ten rije gingen, waarbij Philips van Spanje eene bruidsgave offerde, en waarbij, wat veel is voor een vorstelijk huwelijk, bruid en bruidegom mede jubelden; want zij hadden elkander begrepen, en Orsina eerde den man, die haar iets had te vergeven gehad; en Don Marco beklaagde zich niet, dat hij een klein voordeel van edelmoedigheid vooruit had op den rijken bruidschat zijner gemalin.

ocr page 332

318

Toen Sixtus hun huwelijk inzegende, zegt de geschiedenis, blonk er een vreugdetraan in zijn oog. Dat was zeker eene vergoeding voor dien anderen menschelijken traan, die hem het afdwalen van Alexander Peretti nog zoo onlangs had gekost.

ocr page 333

DE TRIOMF VAN P1SANI.

ocr page 334
ocr page 335

Waer is paer van vernuft eu van krachten zoo kloek,

Als tie Leeuw met het zwaerd en de Leeuw met het- Boek.

vroeg de puntige Hooft, met oud-Hollandsch zelfgevoel, naar aanleiding van het Verbond tusschen Holland en Venetië; en de natiën hadden geen antwoord op die fiere vraag, dan eene toestemming, en het was waarheid wat de dichter uitsprak: die bondgenooten waren heerscheressen op de wateren, en zij voerden tevens een gelauwerden schepter over het gebied van kennis en kunst.

Zoo Hooft nu oprees, welke uitspraak zou men van hem hoo-ren over die beide? Zou het eene andere kunnen zijn dan eene diep sombere weeklacht? — En toch, Gode zij lof! de Leeuw met het zwaard heeft het zijne nog altijd vastgeklemd — en het wapenschild, dat hem voert, heeft nog altijd het „ Je Main-tiendraiquot; tot devies en is nóg het veldteeken, dat een vrij en zelfstandig volk op de banier draagt, al is \'t dan ook dat de scherpte van zijn zwaard niet meer als voorheen wordt gevreesd; het kan nóg zijn gewicht leggen op de schaal, waarin de belangen der volkeren worden gewogen, al is dat gewicht niet meer overwichtig en al wordt het daar te licht geacht om het vroegere ontzag in te boezemen, waar het zich dreigend opheft; —

Eugelsclieu te Kome enz, 21

ocr page 336

322

als hij bedreigd werd, zou de Leeuw van Holland nog wel iets van de oude kracht in den klauw voelen, en het zwaard, niet ten aanval gewet, zou toch blijken niet machteloos te zijn tot verdediging. De Leeuw, die nevens het zwaard ook den pijlenbundel voert, is nog geen Jan Salie geworden, die zich de slaapmuts over de oogen trekt en indommelt, terwijl zijn buurman werkt en waakt; al is hij wat mak en al valt hij wat sluimerziek te dezer stond; men trekke hem slechts aan eene gevoelige peeze, en hij zal wakker worden en opstaan en de leden rekken en de manen schudden en de tanden laten zien aan wie zijn zwaard minachten of zich vergrijpen durft aan zijne trouw bewaarde pjjlen; hij zal toonen wie hij te voren was, men twijfele daaraan niet; wie aan zich zelf twijfelt, is aireede verloren, en een volk, dat, hoe verdeeld van gevoelens, toch eenheid heeft van wil om eene vrije zelfstandige natie te blijven; een volk, dat gewoon is door de zinspreuk: „Eendracht maakt macht,quot; het „Je Maintiendraiquot; van den Oranjevorst te steunen, dat volk heeft nog geen nood om tot de diepte te dalen, waarin de bondgenoote van het Zuiden is weggezonken; dat volk heeft nog eene toekomst.... Zeker, daar is nog eene toekomst voor dat volk; maar.... Ay, something of Venice r valt eene ongeduldige lezeres in; — juist, van Venetië gaan wij spreken, niet om in \'t breede te vertellen wat er van den Leeuw met het Boek is geworden, dat van algemeene bekendheid is: slechts voor een enkele, die onwetendheid mocht voorwenden, zij het gezegd, dat het machtige Venetië, de groote heerscheresse der wateren, het van zich zelve heeft moeten getuigen, dat ook de staf van haar is geweken,quot; erger, de staf over haar is gebroken! Dat is geschied, zeker door den loop der wereldgebeurtenissen, die het niet in hare macht stond te keeren, maar toch ook omdat de krachtige koninginne der Adriatische zee zonen kweekte, harer onwaard; in overmaat van rijkdom loert bederf, en overmoed zinkt tot zwakheid; —

ocr page 337

323

het verbasterd nageslacht, dat slechts wist te stoffen op de grootheid der vaderen, zonder hunne daden te kunnen navolgen, verspilde krachten en schatten in weelde en wellust en in roem-looze ledigheid; — de Eepubliek daalde met ieder nieuw tijdperk, dat over Europa aanlichtte, eenige graden in macht en in aanzien bij de volkeren, en waar van buiten haar invloed taande, bleef zij inwendig onveranderd, gedrukt door eene staatsinrichting, meer geschikt om den volksgeest te dempen dan op te wekken. — Eene regeering, die zich meer bevreesd voelt dan bemind, wordt wantrouwend en tiranniek, en een bestuur, dat een stelsel van bespieding noodig heeft om zich staande te houden, zal in dagen van nood en gevaar zijne onderhoorigen noch gereed, noch bekwaam vinden tot eene uiterste krachtinspanning ten behoud zijner instellingen; — zoo liet het volk van Venetië zich verlokken door de listige stem, die het van vrijheid sprak, om met vreemden te heulen tegen het eigen Vaderland. Zoo opende het de armen voor Fransche democraten, die kostelijke vrijheidsleuzen in den mond hadden, maar ijzeren boeien in de hand. Van de eerste bedwelming bekomen, zagen do Venetianen de laatsten en wilden terugtreden, — te laat! — zij waren vastgesnoerd; tegenstreven werd hun als schuld aangerekend; openlijk geweld schaamde zich niet te voltooien, wat de list had aangevangen. De Fransche adelaar kwam en vatte den Leeuw met het Boek in den alles overweldigenden klauw, om later de verminkte prooi als eene kostbare buit over te leveren aan den Oostenrijkschen lammerengier, die haar omklemde tot verpletterens toe, — en zoo vaak zij zich trachtte los te worstelen, telkens harder en vinniger neep, totdat zij daar neder-lag, roerloos en onmachtig; toen was het gedaan, — de koning-inne der Adriatische zee droeg den slavenketen ; de staf des drijvers wijkt niet meer van hare lendenen, en het eenige middel ter verlossing dat er voor haar schijnt to bestaan, is tevens de allerdiepste vernedering, die haar nog kan treffen: Slavinne

ocr page 338

324

zijnde, als slavinne verkocht te worden door haar meester! Venetië verkocht! — een verleden als het hare —en — verkocht! 1) O! daar moeten groote nationale zonden te boeten zijn, waar het noodig is langs zulk eene diepte van vernedering tot oprichting te komen! Wat zou Hooft zeggen, als hij den Leeuw met het boek dus in het stof zag vertreden? Mogelijk zou hij met een ernstig hoofdschudden herhalen, ook ter waarschuwing van zijne Nederlanders:

„Eykdom met wecld\' en maklykheid veriaeden

,.Een roofster is, die \'s menschen hart tot min „Des levens wekt. De vreez van \'t lijf te schaeden

„Drijft spot met lof. Geen forsser vijandin „Dan bloodigheidt van heerelyke daeden!quot;

Dat verwijt zou het hedendaagsche Venetië met fierheid van zich kunnen afwijzen, want het ineerendeel harer edelste en schranderste zonen zou zich lijden en lijfsgevaar willig getroosten — heeft zich aan beide met moed en zelfverloochening blootgesteld, om tot die ééne groote daad te komen, van vrijmaking uit onwaardige banden, en zij houden in gespannen verwachting en met eene onbeschrijfbare mengeling van hoop en vreeze het oog gericht op den man, die hun het uitzicht opent op eene bevrijding, waarbij zij zelve eene andere houding kunnen aannemen, dan die zoo lijdelijk is en zoo diep vernederend tevens: zich te laten verkoopen en leveren! Op dien echten, groothartigen vrijheidsheld, wien de vingeren joken, om hare ketenen te verbreken, die na zooveel voor zijn Italiaansch vaderland gedaan te hebben, zijn werk niet voltooid acht, voordat

1) Dit werd geschreven in het laatst van \'t jaar 18C0, toen er zooveel sprake was van znlken verkoop. De Oostenrijksche Sultan zelf schijnt te veel achting te hebben voor zijne vorstelijke slavin, om haar voor geld of goed veil te hebben. Hij zegt met Orosmane in de Zaïre;

„Pour Venise, Seigneur! sans que ton cceur s\'offense,

„Elle n\'est pas d\'un prix qui soit en ta puissance!quot;

ocr page 339

325

hij de boeien heeft geslaakt van het verdrukt Venetië; den man, die trots de berekeningen der zelfzucht en de slingerpaden dei-intrige, waarbij tijdverlies kostbare winst wordt geacht, trots den onwil van machtige potentaten, die aarzelen of terugdeinzen, schoon hulpe dringend wordt geëischt, met al de stoutmoedigheid der zelfbewuste kracht reeds vooruit het tijdstip aankondigt, waarop hij ter harer redding zal toesnellen 1). Mocht zijn tocht dan een gezegende zijn en een zegevierende, wij kunnen niet verzwijgen dat wij het wenschen.... Mocht het vrijbuiterij op politiek terrein geacht worden, dien wensch uit te spreken, het zou ons leed doen, maar.... terugnemen kunnen wij dien toch niet. \'t Is de wensch, dien de Muze der Historie en de Muze der Poëzie ons zouden ingeven, al kon de stem der menschelijkheid zwijgen. Wie \'t geschiedboek opent der machtige Eepubliek, waaraan Venetië haar naam gaf, zal het moeten toestemmen, dat zij onder alle steden van Italië, uit aanzien van haar verleden, niet slechts volle aanspraak heeft op sympathie voor haar lijden, maar ook zeer bijzonder gerechtigd is tot het afwerpen van het knellend juk eener vreemde heerschappij. „Maar in den naam der menschelijkheid zelve, zou men behoo-ren jte wenschen, dat Garibaldi niet op Venetic lostrektquot; te harer verlossing; want — dat kan bloed kosten,quot; wordt mij wellicht toegevoegd. Het is zoo, eene onbloedige zegepraal, zooals hij die reeds behaalde door den schrik van zijn naam is hier nauwelijks denkbaar; maar is het niet beter, is het niet menschelijker zelfs, dat er één groote, beslissende, zij het ook bloedige strijd worde

1) Het veranderd aanzicht van den stand der gebeurtenissen dwingt mij opnieuw den zetter te kwellen met eene noot. Zoo de staatswijsheid den grooten vrijbuiter raadt, den tijd van zijn kruistocht te verdagen, achten wij hem te grooter omdat hij lijdzaamheid genoeg heeft, en zell\'verlooche-ning genoeg, het meest geraden oogenblik af te wachten, met voorbijzien van alle persoonlijke ijdelheid, die menigmaal groote mannen tot grove onvoorzichtigheden heeft geprikkeld.

ocr page 340

326

gevoerd, dan dat duizenden en duizende blijven voortleven in een toestand, die geen sterven is, maar toch ook geen leven heeten mag; dat aan duizenden en duizenden dagelijks als een zedelijke moord wordt gepleegd, waarbij de geest wordt uitge-bluseht en de ziele verstompt; waarbij het hartebloed als bij droppelen wordt afgeperst en zulke bloedige tranen geschreid worden, dat er een wee over opgaat door gansch Europa? Als onze vaderen zich door de bedenkingen van zulke menschelijkheid en wijsheid hadden laten afschrikken van oorlogsrumoer en bloedstorting, dan zeker hadden zij zich door Filips en Alba laten uitmoorden; dan waren zij, zij ook, Oostenrijksch gebleven, en wat dan waren wij? Mogelijk zijn er, die uit nog andere oorzaken don wensch niet billijken, die uitgaat naar de bevrijding van de Xiobe onder de steden Italië\'s; — mogelijk pleiten zij in den naam van stoffelijke belangen; mogelijk staat datgene wat men staatsrecht noemt (hoe menig onrecht er ook al onder die leuze is gepleegd) aan hunne zijde; mogelijk hebben zij diepe staatswijsheid te laten gelden tegen de vervulling onzer hope; maar het ligt niet op onzen weg met die allen te rekenen; daar is zeker nooit eenige belangrijke scène afgespeeld op het groote tooneel der wereldgeschiedenis, zonderdat er met conventie en traditie moest gebroken, worden, of zonder botsing van strijdige belangen, en zoo men terugging voor alle maar\'s en hoe\'s, die èr kunnen opgeworpen worden eer men eene edelmoedige inspiratie opvolgde of toejuichte, dan zou menige grootsche daad, menige krachtige handeling, die de gedaante der wereld heeft veranderd, nimmer zijn ondernomen of volvoerd; en zoolang wij, Nederlanders, Willem van Oranje en Willen III niet uit onze geschiedenis kunnen wegnemen 1) noch dat willen, heeft

1) Men gaat mij tegenwerpen, dat de beide Oranjevorsten het zwaard hebben aangegord voor hoogere belangen dan die der burgerlijke vrijheid alleen; maar het geldt hier toch ook een groot denkbeeld; waarbij de menschheid zeker zal gewonnen hebben, zoo het zich laat verwezenlijken; vrijheid van

ocr page 341

327

men ook niet het recht op de Italianen en Garibaldi met ergernis of met een glimlach neer te zien, omdat zij althans beproeven willen, of er uit de misvormde en verdeelde landschappen van hun vaderland niet een zelfstandige eendrachtige staat zij te vormen.... en moge men ons ten goede houden, dat wij deze pogingen steunen met onze wenschen, sinds dit de eenige wijze is, waardoor wij er deel aan kunnen nemen. Maar zoo wij den Italiaanschen vrijheidsheld een zegevierenden intocht toewenschen in Venetië (wanneer dan ook), is die wensch toch niet onvoorwaardelijk, en zagen wij hem liefst een triomf vieren, die, hoe ongelijksoortig ook in uiterlijke omstandigheden, toch in zedelijke waarde vergelijkbaar mocht zijn met dien, welke eens werd behaald in datzelfde Venetië door een krijgsheld, een landgenoot 1) van Garibaldi, een geestverwant evenzeer, zoo wij meenen, althans zooals deze zich voor ons oog vertoont, op den afstand vanwaar wij hem kunnen bezien, en terwijl de reeks zijner daden nog niet is afgesloten

Het is om op dezen grooten overwinnaar, op dezen Vittore Pisani te wijzen, dat wij een omweg genomen hebben langs den hedendaagschen kampvechter van Italië heen, of liever, door eene zeer verklaarbare speling der gedachte, bracht de een ons tot den ander, en toen wij ze in verbeelding daar naast elkan-

consciëntie, die noodzakelijke voorwaarde van zuiveren godsdienst, kan immers niet tieren onder een despotisme, dat priesters tot spionnen verlaagt en dat de kerkelijke inquisitie gebruikt om de staats inquisitie te steunenLaten pro-testantsehe Nederlanders het niet voorbijzien, dat zich ook onder de katholieken in Italië de behoefte openbaart aan meer ruimte en meer licht, dan eene geestelijkheid, die zich dienares heeft gesteld van Uostenrijksche of Bourbon-sche dwingelandij, hun zou kunnen geven of zou willen toestaan.

1) Landgenooten! maar Nizza is nu Franseh en Venetië Italiaansch, en zeker, de Venetiaan van de veertiende eeuw zou zich geen landgenoot genoemd hebben van den Piemontees, zoomin als een Fries of een Groninger zich in den grafelijken tijd landgenoot zou hebben genoemd van een Ken-nemer of een Zeelander; wij behoeven in dezen toch zoo nauw niet te rekenen.

ocr page 342

328

der hadden geplaatst, meenden wij, ondanks het groot verschil van afkomst en positie, familietrekken bij hen op te merken, die onze belangstelling in het verkozen onderwerp verhoogde; mocht die van den lezer er niet door verkoeld zijn!

De naam van Vittore (wilt ge liever Victor?) Pisani stond geschreven in het Gulden Boek van Venetië\'s ouden adel, en de Geschiedenis, waar zij zijne daden boekstaaft in korte en krachtige trekken, schonk hem niet slechts de lauwerkroon der dapperen, maar zij vlocht hem daarnevens den eikeukrans der burgerdeugd en die beide verlicht door den aureool van het martelaarschap.

Om uit te vinden of zij hier ook al te vrijgevig is geweest, moeten wij hem waarnemen in verdrukking en in zegepraal; men heeft reeds begrepen, dat wij daartoe terug moeten naar het verre verleden. Sinds de laatste Doge van droefheid en schaamte bezweek, toen hij eigenhandig het doodvonnis van de Republiek had geteekend, heeft Venetië van geene overwinningen meer te roemen gehad, maar slechts over nederlagen te treuren. Gun ons dus, dat wij u helpen terugzien op het Venetië van 1378, het tijdperk harer wassende grootheid en kracht, een tijdperk ook van zware worsteling en ongemeene krachtsinspanning.

Als Venetië wordt genoemd, ijlt de fantasie fluks naar het St. Marcusplein. Daar rijst voor haar op die grootsche groep van gebouwen, die het meest sprekend de stad der Lagunen karakteriseeren: die wondervolle hoofdkerk, aan den Evangelist gewijd, wien de Republiek tot schutsheilige koos, dat oude Dogenpaleis, in al den rijkdom der fantastische bouworde van het Byzantijnsche keizerrijk, met zijne grillige sieraden, statige galerijen, binnenplaatsen en bogen, reuzentrap en fonteinen; daar staart zij op de noodlottige kolommen, zoo berucht in de geschiedenis van \'t Venetiaansche strafgericht, en met eene huivering wendt zij zich af en naar de vroolijke kaaien heen, wier

ocr page 343

329

glinsterend marmer, door \'t zonlicht beschenen, en bevolkt,... naar den tijd, waarin zij zich verplaatst, ziet zij die bevolking bonter of stiller; heden ten dage heerscht er vermoedelijk doodsche rust en ledigheid; in de XlVde eeuw was er leven en beweging. Men zag er toen matrozen en gondeliers, Grieken en Armeniërs, Joden en Hongaren, kooplieden van rang en uit alle natiën, van den adellijken Venetiaanschen groothandelaar af, die schepen uitrustte en galeien wapende, ter bescherming van zijn handel, tot op den visschersknaap toe, die met sardines ventte; men zag er den Oosterschen koopman in paar-len, die duizenden omzette in een uur, en het koopvrouwtje uit Murano, dat glaskoralen aanbood of halssnoeren, uit schelpen aaneengeregen. Soldaten der Republiek, facchini, werklieden, priesters, monniken, kunstenaars, jonge senatoren, statige avoga-dores, lustige jonge edellieden en galante dames die allen stroomden toenmaals langs de kaaien heen en weer, trokken naar de Rialtobrug, verspreidden zich op de Piazza, gingen de St. Mar-cuskerk binnen, wendden zich naar de galerijen van het Dogepaleis, of bleven lanterfanten op het Piazzetta, totdat de persoon, dien zij zochten, zich vinden liet; want wat dit punt van de stad nil is geworden voor de Venetianen, weten wij niet (wij wagen zelfs geene gissing), maar in het tijdperk, dat wij op het oog hebben, was het als het hart van Venetic als de slagader, van waaruit tot de stad en tot de Republiek leven en beweging toevloeide; het was het hoofd en de arm tevens. De St. Mar-cuskerk vertegenwoordigde den godsdienst van den Staat, het doge-paleis, het staatsbestuur, de wetgevende macht, de rechterlijke en de uitvoerende tevens; de Rialto-brug (toen nog niet van zoo trotschen en rijken bouw) den handel; de schepen en oorlogsgaleien, die in de haven van het groote kanaal ankerden, hare zeevaart en strijdmacht; de paleizen, die rondom als uit de Lagunen oprezen, de weelde en den rijkdom; bijgevolg was er niemand binnen de stad, het ware vreemdeling of burger.

ocr page 344

330

die niet dagelijks voor zijne zaken, voor zijne plichten of voor zijn vermaak, naar \'t St. Marcusplein of de omgeving daarvan werd heengelokt. Ook wij hebben ons derwaarts te begeven om tot den man te komen, dien wij u willen voorstellen. Wij moeten zelfs het hertogelijk paleis binnentreden; maar wij vinden hem niet in de vorstelijke zalen, niet in de groote raadzaal, waaide doorluchtige senatoren gewoon zijn de groote belangen dei-Republiek te regelen. Wij zien hem evenmin in het Kabinet van den Doge, noch in de Geheimkamer waar de Raad van Tienen zetelt; zelfs in de wapenzaal zoeken wij hem tevergeefs. Wij moeten neerdalen in de onderaardsche gewelven van het Staatspa-leis, dat te dier dage evenzeer tot Staatsgevangenis werd gebruikt; wij moeten doordringen tot die akelige kerkerholen, waar de menschelijke wreedheid zich niet schaamde menschen te huisvesten, aan de zorge harer gerechtigheid toevertrouwd; mochten wij zeggen „te dier tijdequot; en op de rekening der middeleeuwsche barbaarschheid kunnen schrijven, wat onze verontwaardiging opwekt; maar dat mogen wij niet, zonder onbillijk te zijn; in late-ren tijd, die reeds tot de eeuw der beschaving behoorde, werd er eene afzonderlijke staatsgevangenis gebouwd, slechts door de bekende „Brug der Zuchtenquot; van het Doge-paleis gescheiden, waarvan zij nu een deel bleef uitmaken; maar met zijne putten en gevangencellen onder de looden daken, geeft de stichting van Antonio Ponte niets toe aan de kerkers der XIV111\' eeuw in ongeschiktheid voor een menschelijk verblijf. En wie weet niet, dat ze in gebruik zijn gebleven tot in onze eeuw, en dat het onze

tijdgenooten zijn, die er gezucht en geleden hebben.....

Dan, wij dwalen af van onzen weg en wij moeten voortgaan; wij moeten ons een der vunze en vochtige holen laten openen, die zonder licht, en zonder lucht, aan geene enkele der voorwaarden voldoen, die tot de gemakken, tot de behoeften des levens behooren. Hier, juist hier, vinden wij den Held van Venetië, den ouden, dapperen vlootvoogd, Vittore Pisani, en wij vin-

ocr page 345

331

den hem in ketenen geslagen en vastgeklonken aan den muur van zijn kerker! Maar een held in ketenen is niet min ontzagwekkend, en even eerbiedwaardig als althans, als aan het hoofd eener legerschaar, en waar zijne kruin zich ten diepste heeft gebogen onder het lijden, boezemt hij nog al het mededoogen in, dat gevallen grootheid opwekt in het menschelijke harte. Deze hier geeft u bij den eersten aanblik eene andere gewaarwording, eene meer snerpende en die pijnlijker aandoet. Hij brengt schrik en beving over wie hem nadert, niet slechts dien tragischen schrik en weemoed, door meewarigheid ingeboezemd, maar iets als onrust en huivering, iets als de siddering, die u aangrijpt in de nabijheid van een gevaar, van een wezen, in welks bijzijn men zich niet veilig gevoelt; iets, dat de verwondering doet ophouden, hem in kluisters te zien, iets dat dien maatregel bijkans wettigt! Eene onbeschrijfelijke uitdrukking van wilde smart en verbittering verwringt zijne edele trekken; een bloedig rood omcirkelt zijne oogleden, alsof brandende tranen ze geschroeid hadden, en toch flikkeren die oogen van iets vreeselijkers dan toorn; er is iets in dien blik dat aan waanzin doet denken. De diepe rimpels, die het voorhoofd groeven, het korte, grijzende haar, dat opsteekt als ten berge gerezen onder de ijselijkheid der ellende; de lange zware baard, die ongeordend daarheen groeit; de kleeding van satijn en goudborduursel, die haveloos en versleten nauwelijks meer het lichaam dekt, al getuigen ook die lompen van des dragers rang, alles bewijst dat de ongelukkige lijder lang reeds, veel te lang, in dezen jammerlijken toestand is gebleven, en dat de gezondheid des lichaams, allermeest die der ziele, wordt bedreigd.

De geboeide ledematen hebben eene forschheid die eene ongewone spierkracht laat vermoeden. Wat zou deze man doen met die kracht, zoo zij niet door ketenen ware bedwongen? is eene gedachte, die oprijzen moet bij elk, die hem in deze eenzaamheid kon bespieden. Zoo wij geen fakkeldrager hadden om ons voor

ocr page 346

332

te lichten, zou men hem niet kunnen zien, maar toch zou men hem kunnen hooren schudden aan dien keten, met eene drift, als wilde hij hem Terbreken, met eene inspanning van kracht, die aan de mogelijkheid doet denken, dat die poging zou kunnen gelukken.

En toch is Vittore Pisani niet krankzinnig, en hetgeen hem zoo forsch aan dien keten doet schudden, met zulk een vlammen-den blik en zulk eene zichtbare inspanning, is niet het gevolg van redelooze woestheid, maar wel van aandoeningen zoo bitter en pijnlijk, van overwegingen en berekeningen, zoo zielsgrievend en schokkend, dat zij hem het forscbe lichaam doen trillen, tot onder die schuddingen ook de boeien weerklinken, die hij onder de smartelijke gepeinzen bijkans vergeten had; dan, ja, dan herinnert hij het zich, en onder het diepe leedgevoel over dat reddeloos onvermogen, waartoe hij gebracht is, breidt hij de geketende handen met eene bovennatuurlijke krachtsinspanning uiteen, als waande hij dat die schokkende rekking het ijzer zou verbreken. En als de wanhopige poging dan is mislukt en zich wreekt door machtelooze uitputting, dan is het of de geest zelf, die het lichaam bezielde, uitgebluscht is bij dat mislukken, en dan volgt er eene doodgelijkende roerloosheid, nog akeliger dan de wilde spartelingen van daareven. Dan volgt er eindelijk een luid en hartverscheurend schreien, dat ten laatste lucht geeft tot weeklachten, die den Doge en den Grooten Raad getroffen van hunne zetels zouden doen opspringen, zoo de stem van den gevangene nog krachtig genoeg ware geweest, om uit dit onderaardsch verblijf der ellende tot hunne hooge raadzaal door te dringen.

Toch gelden die bittere weeklachten niet hem zeiven noch zijn eigen lijden; toch getuigen zij van eene vurige liefde voor het vaderland, door geen kil kerkerhol noch klem van ketenen in het hart versmoord. Zoo er ooit vrijheid zij alleenspraken te doen hooren, het moet zijn waar men van een geboeide

ocr page 347

333

heeft te spreken, in een eenzamen, duisteren kerker voor aller deelneming ontoegankelijk gesteld, en die, om het onuitstaanbare lot dier eenzaamheid te lenigen, luide tot zich zeiven spreekt, om ten minste den klank eener menschelijke stem te hooren!

Maar van het recht, dat wij hebben om de zijne weer te geven, willen wij voor het oogenblik geen gebruik maken.

Wij gelooven onzen lezers beteren dienst te doen door hun mede te deelen, hoe het komt dat de vermaarde vlootvoogd der Venetianen, die eenmaal de schrik was van de vijanden der Republiek en de lieveling des volks, zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt. Dit vordert een terugblik op den staat der Republiek in dit tijdperk, waartoe wij u uitnoodigen.

Bij het afloopen van de XlVde eeuw, 1370 tot 78, was Venetië nog niet wat het zich later met volle recht kon noemen: de koningin van de Adriatische zee; hoewel reeds machtig op de wateren, hoewel haar gebied uitbreidende ten noorden en ten zuiden op \'t schiereiland, hoewel reeds de beschermende hand eener meesteresse uitstrekkende over menig eiland van de Middellandsche zee en van den Oriekschen Archipel, kon zij die heerschappij nog niet voeren als een onbetwist recht, maar moest er om worstelen met inspanning van alle krachten tegen een heirleger van vijanden, die zij zich verwekt had door afgunst op haar bloei, door onrust over hare uitbreiding en klimmen-den invloed, dien zij wist te oefenen in de landstreken en staten, die nog niet feitelijk onder hare afhankelijkheid waren geraakt.

Voor die afgunst, voor die onrust waren geldige redenen, want de aanmatiging en de heerschzucht der Republiek hield gelijken tred met haar voortgang, en hare buitenlandsche staatkunde werd geacht meer behendig te zijn dan onbaatzuchtig. Haar stoute handelsgeest spotte met alle bezwaren, en waar eene verovering nut werd geacht, wist zij te zegevieren door geweld van wapenen of door fijne politiek, zonder daarbij juist

ocr page 348

334

al te nauw te letten op de rechten of de belangen van anderen.

Als christelijke mogendheid en als geburin die naar de heerschappij over de wateren streefde, was zij in rusteloozen kamp met Turken en Saraceenen, zonder daarbij te allen tijde op den bijstand te kunnen rekenen der Grieksche keizers, die zwak en ongetrouw, bijna even lastige bondgenooten waren als verraderlijke vijanden.

Van de kruistochten, die zij had medegemaakt, had de Republiek vruchten weten te plukken in uitbreiding harer bezittingen en rijkdommen, waar de Christenvorsten zich niet dan ijdele eere hadden gewonnen, ten koste van tallooze opofferingen, die hun bederf voorbereidden. Candia, Modon, Corfu, verschillende kustplaatsen in Afrika, behooren van nu aan tot haar gebied, of worden cijnsbaar aan haar Staat, maar zij heeft die alle te verdedigen tegen de ongeloovigen, en de Christenvolken zelve konden die vorderingen niet zien zonder wantrouwen, noch lieten ze onaangevochten. En terwijl de Leeuw van St. Marcus zich voortdurend strijdvaardig moest houden tegen de halve maan, werden de sleutels van St. Pieter meer dan eens dreigend tegen hem opgeheven. Van den aanvang harer vestiging af als vrije Republiek, stond Venetië door den aard harer staatsinrichting, niet minder dan door de strekking harer politiek vijandelijk tegenover den opperheer van Rome, en tegen één Paus, dien zij te hulp kwam en die haar zegende (Alexander VI), waren er niet minder dan zeven, die den banvloek tegen haar slingerden of zich met hare tegenstanders verbonden. Hare staatswijsheid hield de kerkelijken buiten alle gezag in den staat, ondanks het wrokkend misnoegen der stadhouders van St. Petrus; en hare onophoudelijke twisten en verzoeningen met de Roomsche kerkvoogden hadden ten laatste tot uitkomst, dat zij zich zelve twee patriarchen koos, die van Venetië en van Aquipuleja, welke zij erkende als de bijzondere opperhoofden

ocr page 349

335

barer Kerk, eene daad van onafhankelijkheid die haar, zooals te begrijpen is, menige vijandschap bereidde.

Boven dat alles had de opkomende Republiek bij afwisseling oorlog te voeren tegen de Aartshertogen van Oostenrijk en de Koningen van Hongarije en van Sicilië en zich te mengen in de geschillen, die het rijk van Napels verdeelden. Zij bebeerschte Cyprus, welks koningen zij moest handhaven op hun waggelenden troon, en dit alles met afwisselende krijgsfortuin, doch met toenemende belangrijkheid in de oogen der omgevende volkeren, die haar benijdden, terwijl zij haar vreesden. Doch hare gevaarlijkste, hare felste vijanden waren niet buiten het schiereiland, maar daarbinnen.

Men was toenmaals wel verre van het denkbeeld der Itali-aansche eenheid; integendeel, iedere voorname stad, iedere voorname landstreek vormde een kleinen staat, eene heerlijkheid, een hertogdom, eene republiek, en die alle, de naburen het meest, lagen onophoudelijk met elkander in twist. Venetië had de gewoonte zich te mengen in die twisten, soms cm ze te bevredigen, meest om ze aan te stoken; het voorschrift: verdeel om te heerschen, werd gansch niet ongebruikt gelaten door bare politiek. Voorzoover zij er niet in geslaagd was, die steden en staatjes cijnsbaar te maken aan hare belangen, waren ze hare geheime tegenstanders of openlijke vijanden en maar zeer zelden hare vrijwillige bondgenooten. De Hertogen van Miliaan, van Florence, van Modena stonden beurtelings vijandelijk tegen haar over; Bologna, Pisa, Padua, Lucca, verhieven zich tegen hare wassende grootheid, totdat zij door de overmacht gedwongen waren hare meerderheid te erkennen; maar geen van die allen was haar zoo werkzaam, zoo volhardend, zoo onverzoenlijk vijandig als de Republiek van Genua. Genua zelve, eene bloeiende zeemogendheid en door de stijgende grootheid van Venetië in eigen belangen gekrenkt; dooide stoutheid en het goed geluk barer handelsondernemingen

ocr page 350

336

in hare eigene welvaart bedreigd, in hare eigene vlucht als gefnuikt, was eene wakkere en waardige mededingster, die met Venetië om den voorrang durfde strijden tot op het uiterste. Menige bladzijde van de geschiedenis der oude republiek is somber getint door de bloedige episoden van de verschillende oorlogen tegen Genua gevoerd, en het tijdperk, waar wij het oog op slaan, is er mee vervuld van den aanvang tot den einde. Bij uitputting van de krachten der beide strijdenden werden vredesverbonden gesloten, even onvast als de wil der mededing-stei\'s om in wezenlijke eendracht te leven; ook, zoo haast men na korte verademing zich de krachten gesterkt achtte tot eene nieuwe worsteling, was het nietigste voorwendsel eene welkome aanleiding tot het hervatten van den strijd. Eene nietige oorzaak was zeker niet die, waaruit na een kort respijt ten jare 1378 tusschen deVenetianen en Genueezen een oorlog ontbrandde, zoo fel en verderfelijk, dat de Republiek er bijna door ten gronde werd gericht.

Had men vroeger om \'t bezit van Candia gestreden, ditmaal gold het Tenedos — Tenedos, door zijne ligging aan de Dar-danellen van het uiterste gewicht voor den handel en de zeevaart op de kust van Azië, die beide partijen elkander met gloeienden naijver betwistten.

De Venetianen oefenden op dat tijdstip grooten invloed op de zaken van het Grieksche keizerrijk, en hunne kooplieden genoten gunsten en voorrechten van den ouden keizer Cajolean, waarover de Genueezen in \'t geheim wrokten, en die hen aanzetten om zich te mengen in een somber drama, dat te dier dage in de Grieksche keizersfamilie te Constantinopel werd afgespeeld. Zij hielpen Andronicus, den misdadigen zoon, uit de gevangenschap, steunden zijn aanhang tegen den zwakken en wreeden keizer, die gekerkerd werd en in nauwe bewaking gesteld, terwijl Andronicus zich meester maakte van \'t gezag, en alle kansen voor zich had om door geweld den vaderlijken

ocr page 351

337

troon te beklimmen, zonderdat die door dood of afstand was ontruimd. Inmiddels had hij dankbaarheid te bewijzen aan de Genueezen, en hij toonde die door hun het zeer begeerde eiland Tenedos af te staan; maar .... zij moesten zich zeiven in \'t bezit stellen van de gift, en de bewoners van Tenedos waren hun keizer getrouw gebleven, sloten hunne havens voor de nieuwe eigenaars en versterkten zich tegen de ongewenschte indringers.

Dit ongewacht bewijs van verkleefdheid, waar hij zich gan-schelijk verlaten achtte, verlevendigde den moed bij den ouden Cajolean, en deed hem eene poging wagen ter ontsnapping uit zijne gevangenis en het hernemen van \'t gebied. Karei Zeno, een jonge Venetiaan, door zijn ridderlijk karakter en zucht tot avonturen bekend, bevond zich destijds in Constantinopel. De gevangen keizer vond middel om zich met hem in betrekking te stellen en zijne hulp in te roepen tot bevrijding. De romaneske jonkman had weldra een plan ontworpen, waarbij eene omwenteling in de hoofdstad zou worden voorbereid en de oude vorst uit zijne boeien op den troon hersteld.

Het stoute waagstuk had kans gehad van te gelukken; dan, het werd onuitvoerlijk gemaakt door de lafheid en besluiteloosheid van Cajolean zelf, wiens aarzelingen en versaagdheid zijn moedigen paladijn in het allergrootste gevaar bracht, waaraan deze echter wist te ontkomen door zijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest. Het gelukte hem eene kleine bark meester te worden, waarmede hij een smaldeel van de Venetiaan-sche vloot kon bereiken, dat in de zee van Marmora kruiste. De bevelhebber er van was ïaddeo Justiniani, zijn schoonvader, wien hij kennis gaf van zijn mislukt avontuur, maar wien hij tevens het verzoek van den keizer mededeelde, om nog eenmaal eene poging te zijner gunste te wagen; een verzoek, dat ondersteund werd door een schriftelijk aanbod, waarbij Tenedos opnieuw werd weggeschonken, maar ditmaal aan Yenetië

Engelschen te llomc enz. 22

ocr page 352

338

en met gelijke voorwaarde; de schenking zelve te bemachtigen en te bewaren.

Dat zou de zwarigheid niet zijn, oordeelde Justiniani. Overtuigd van de groote waarde, die de gift had voor zijn vaderland, was hij niet al te nauwlettend in het onderzoek, of zij volkomen wettig was, en of ook de vroegere rechten der Genuee-zen er door gekrenkt werden. Hij stevende onverwijld naar Tenedos, vond den goeverneur, die nog altijd aan Cajolean gehecht was, bereid diens bevelen te gehoorzamen, en de Vene-tianen in \'t bezit te stellen van de forten, de ankerplaats en het arsenaal. Zoo haast de Groote Raad van Venetië kennis gekregen had van deze belangrijke in bezitneming, zond hij versterking naar Tenedos en benoemde Karei Zeno tot goeverneur. Als men denken kan, zaten de Genueezen niet stil bij zoo gewichtige gebeurtenissen. Zij zetten Andronicus op, om zich aan te gorden ter herneming van Tenedos, maar die onderneming mislukte volkomen. Karei Zeno wist te bewaren wat hij verkregen had, en de banier van St. Marcus bleef zegevierend wapperen over de wateren van de Dardanellen, ten spijt van den toorn en de wangunst der Genueezen!

Men behoefde voorwaar geene naijverige mededingster te zijn, om uit de in bezitneming van Tenedos een casus belli te maken; en de Genueezen waren geen lieden om de gelegenheid te laten verloren gaan, maar zij gebruikten de voorzichtigheid, een voorwendsel te zoeken, dat den Griekschen familietwist buiten het spel liet, eer zij vormelijk den oorlog verklaarden. Dat voorwendsel vonden zij in een onbeduidenden rangtwist tusschen de ambassadeurs der beide gemeenebesten ten hove van den koning van Cyprus.

Feitelijk hadden zij al vooruit den bezworen vrede gebroken, door de represailles, die zij trachtten te nemen op Lemnos, waar zij teruggeslagen werden, en door zich te verbinden tegen Venetië met Francesco Carrara, den ouden verraderlijken vijand

ocr page 353

339

\\an de Republiek, met den patriarch van Aquipuleja, die deze gelegenheid wilde gebruiken om zich onafhankelijk te maken, en van Lodewijk, koning van Hongarije, die zich met hen verbond om het recht te hebben Dalmatië te hernemen, dat hij aan Venetië had moeten afstaan.

Tegen dit machtige bondgenootschap hadden de Venetianen niets over te stellen dan hunne eigen kracht en de vriendschap van den koning van Cyprus, een geiillieerde, dien zij zeiven eerst in zijne staten moesten terugvoeren, eer hij hun diensten kon bewijzen. Maar de Republiek had goeden moed, rijke hulpbronnen, wakker krijgsvolk, dappere legerhoofden en eene weltoegeruste oorlogsvloot, waarover Vittore Pisani het bevel voerde, met Barba en Loredano als proveditori (eene qualiteit, die aan onze gedeputeerden te velde beantwoordde). Het was niet voor het eerst, dat de eer en de belangen der Republiek aan dezen vlootvoogd waren toevertrouwd. Hij was grijs geworden in den dienst van zijn vaderland, en hij was onder allen de man, van wien men om zijn verleden en zijn karakter de grootste verwachtingen koesterde. Hij lag met zijne vloot ten anker bij Antium, aan den mond van den Tiber, toen het groote treurspel aanving, waarvan hij de held en het slachtoffer zou wezen. Hij kreeg tijding, dat de Genueezen naderden tot een vijandelijken aanval; met eene aanzienlijke scheepsmacht en aangevoerd door Ludovico Fiesko, waren ze geen vijanden die men moest licht achten. De Venetiaansche admiraal, verblijd dat het eerste treffen geen ongelijke strijd zou zijn, maar aanleiding kon worden tot eene roemrijke overwinning, zeilde de aanvallende te gemoet, moedigde zijne soldaten en matrozen aan op eene wijze zooals hij alleen dat verstond, en men stelde zich vaardig tot den kamp, als tot een zekeren triomf.

In dit tijdperk was een zeestrijd te meer bloedig en moorddadig, naarmate de wapenen, waarmee die gevoerd werd, meer ongeschikt waren en minder afdoende. Wolken van pijlen ver-

ocr page 354

340

duisterden de lucht bij de nadering der vloten, maar daar deze lichter raenschen konden moorden dan galeien in den grond boren, daar de verovering van elkanders vaartuigen toch het groote doel was van den slag, naderde men elkander roerlings, zoodat men spiesen, slingers en werpsteenen kon gebruiken; de elementen deden er het hunne toe om de strijdende galeien opeen te dringen; men greep zwaarden, bijlen en entermessen; men klampte wederzijds aan boord; het werd op ieder vaartuig een gevecht van man tegen man; het duurde uren eer de hardnekkige strijders het opgaven, die geen ander heil schenen te kennen dan elkander te verpletteren en te vernielen; ten laatste moesten de Genueezen zwichten voor de dapperheid der Vene-tianen, wier meerderheid in dezen moest worden erkend; zij hadden hunne duizenden verslagen, en hunne duizenden gevangenen om mede te voeren, en van de gansche vloot der Genueezen bleven vier of vijf galeien over, terwijl de anderen triomfantelijk medegevoerd of in den grond geboord werden. Het scheen eene nederlaag, waarvan Genua zich niet dan met moeite zou kunnen opheffen; het was eene overwinning, die den roem van Pisani voor het leven scheen verzekerd te hebben. Het is zoo, op het altaar van dien roem had hij dierbaar bloed moeten offeren; zijn eigen zoon werd onder de gesneuvelden geteld! Maar ... de opperbevelhebber der Genueezen was zijn gevangene, en de admiraal mocht niet toegeven aan rouwe óver eigen verlies bij zoo groote winste der Republiek! Yenetië had een belangrijken zeeslag gewonnen, maar de overwinning was ook door haar duur gekocht, en zij had niet voor goed gezegevierd over hare mededingster. De zegepraal bij Antium had niets beslist. Genua had nog hare bondgenooten, die nu optrokken haar ter hulpe .... Maar wij achten het niet tot onze taak te behooren, eene voorstelling te geven van geheel dit bloedige krijgsspel, noch zelfs een verslag te doen van Pisani\'s heldendaden, schoon ze schitterend genoeg waren om zijn naam als een vlootvoogd

ocr page 355

341

van zeldzame stoutheid, met nog meer zeldzame omzichtigheid gepaard, dubbelen luister bij te zetten; wij spraken alleen van zijne overwinning, nog door andere niet minder belangrijke gevolgd, omdat die glinsterende medaille hare keerzijde had, omdat wij reden hebben te gelooven, dat de roep, die er uitging van van zijne glorie, een der oorzaken werd van zijn val; omdat wij hem vooral moeten geven onder den slag van eene nederlaag, en omdat de billijkheid vordert, dat men eerlijk uitrekene, hoe groot zijn aandeel daaraan heeft kunnen zijn.

Venetië (of liever dat gedeelte van den Venetiaanschen adel, dat de regeering in handen had) kenmerkte zich door eene zonderlingheid, die de bron is geworden van veel kwaad. Zij stelde geen genoegzaam vertrouwen in de mannen, die zij tot de uitvoerders harer bevelen had gemaakt, en aan wier beleid zij hare belangen in handen had gegeven. Zij zag gaarne, zij eischte zelfs, dat hare veldheeren, hare slotvoogden zich door schitterende daden onderscheidden en ten bate der Republiek groote veroveringen maakten; maar als die uitkomsten verkregen waren, vestigde zich haar wantrouwen op hen, naarmate zij te meer bewezen hadden vertrouwen waardig te zijn.

Dit klinkt als paradox, en toch het was Venetiaansche re-geeringspolitiek. Zij achtte het zóózeer hare taak, de vrijheid (altijd de vrijheid van sommigen) en gelijkheid te handhaven, dat alles wat zich door kracht van groote daden of macht van talent, of zelfs door overmaat van beminnelijke hoedanigheden, boven zeker peil van grootheid en goedheid had weten te verheffen, onmiddellijk het voorwerp werd harer verdenking, zoo niet harer vervolging. Zij oordeelde, dat er eene al te sterke verzoeking lag voor den zwakken mensch in het bestijgen van zekere hoogten, die hem gelegenheid gaven zich boven zijne gelijken te verheffen en een grooter deel van macht of invloed te verwerven, dan in een Gemeenebest ten gemeenen beste zijn deel mocht wezen ; en om hem te helpen niet voor deze verzoeking te bezwijken,

ocr page 356

342

werden er dan gewoonlijk maatregelen van behoedzaamheid genomen, die in den regel de vlucht zijner daden belemmerden, zijne bewegingen beperkten en hem tot stilstand brachten te midden van eene zegevierende loopbaan; indien maar tot stilstand! Of wel, men legde hem een Herculeswerk op, waarvan het volbrengen tot de onwaarschijnlijkheden behoorde en dat negen kansen liet tegen één van bezwijken, veeleer dan volvoeren, voor wie het ondernam. Desgelijks nu werd er gehandeld met Pisani, die Venetië had verrijkt met zulke schitterende veroveringen, die zooveel buit en zulke doorluchtige gevangenen naar de fiere meesteresse der Adriatische zee had heengevoerd, maar op wien zich, en dat was niet het minste der tegen hem bestaande bezwaren, maar op wien zich ook de liefde en de belangstelling des volks in zoo hooge mate had bevestigd, dat de adel, tot wiens caste hij behoorde, er een recht uit nam hem te vreezen en te haten; Pisani, die van zijne manschappen en soldaten verkreeg al wat hij van hen wilde, door die mengeling van zachtheid, en vastheid, die geen ander bevelhebber der Republiek dus had weten te vatten; Pisani, die bijgevolg met dat volk, met die matrozen, met die keurbende van soldaten, alles kon doen wat hij wilde; „mogelijk zelfs wel,quot; redeneerde de argwanende staatzucht, hare eigen booze passie aan een ander toedichtende, „mogelijk wel waagt hij er de poging mee, om na een schitterenden intocht in Venetië als overwinnaar, ook een ingreep te doen in den bestaan-den staatsvorm, en zich tot dictator te laten verheffen door dat volk, dat hoe langer hoe minder aandeel werd toegekend in het bestuur, en dat deze terugzetting gansch niet lijdzaam noch onnadenkend droeg, en dat wellicht op niets wachtte, dan op een grooten bondgenoot uit den adel, om dat misnoegen te doen gelden! Verbintenissen van dien aard tegen de bezitters der macht waren niet zonder voorbeeld, en Marinus Faliero Francesco Carrara zouden mogeljjk geslaagd zijn als ze Vittore Pisani hadden geheeten!quot; Het is niet zeker, dat men in den Grooten

ocr page 357

343

Raad van Venetië dergelijke verdenking onder zoovele woorden heeft gebracht, maar het is wel zeker, dat de admiraal in de verbeelding der meeste senatoren was gestegen tot die hoogte, waarop hij als „der vrijheden van de Republiek gevaarlijkquot; kon worden beschouwd en behandeld, en dat de bevelen, die hem van uit den boezem van dien Senaat gegeven werden, eerder de strekking hadden om hem tot verderf te brengen, dan den Staat daartegen te beveiligen. Men oordeele: Toen hij na verschillende ondernemingen tegen de Genueezen en hunne bond-genooten, waarvan sommigen schitterende uitkomsten hadden gehad, en menige kuststad van Dalmatië en Croatië in de macht der republiek hadden gebracht, uit voorzichtigheid besloot van het beleg van Traw af te zien, daar de Genueesche vloot eene ongemeen gunstige stelling had aangenomen om het te verdedigen, de stad sterk bezet was, en hij zelf gebrek had aan de nood-wendigste hulpmiddelen ter voortzetting van eene verovering, waarvoor hij reeds honderden levens had gewaagd, zond men hem uit Venetië wel is waar vijf galeien met levensmiddelen en krijgsbehoeften, maar te gelijk het bevel van den Doge en den Senaat om naar Traw terug te keeren en de bezetting tot overgave te dwingen of te sterven!

Een vlootvoogd, wiens moed en bekwaamheid niet te verdenken is, maar die uit wijs beraad na beproefde krachten van eene onderneming heeft afgezien, te dwingen die te hervatten en geene keuze te laten dan de overwinning of den dood, heeft, dunkt ons, wel veel van zoodanig Herculeswerk als wij boven hebben omschreven. Het bezit van Traw was geene levens-quaestie voor Venetië, in welk geval een admiraal als Pisani uit zich zelf het onmogelijke zou hebben beproefd; het was slechts eene verovering meer, waarbij de glorie der Republiek slechts één graad kon stijgen, en toch gaf zij te kennen, dat zij voor dit bezit meer wilde offeren dan de wijze admiraal oordeelde dat het waard kon zijn; dat zij hem zeiven daarvoor

ocr page 358

344

veil had, al was hij de man, die haar in dezen oorlog de belangrijkste diensten had gedaan; al verbeeldde hij zich dat zijn behoud nog van groote nuttigheid kon wezen voor den Staat.

Vittore Pisani was scherpzinnig en fijngevoelend genoeg om diep getroffen te worden door den pijl uit Venetië op hem afgeschoten in dat bevel; hij wist van nu aan, op welke soort van dankbaarheid hij rekenen kon, ook al behaalde hij de onzekere overwinning, die men hem aanwees. Maar hij was te goed onderdaan van de Republiek, en te oprecht liefhebber van zijn vaderland, om zich door prikkelen als deze van zijn plicht te laten afleiden. Hij stelde zich tot gehoorzamen; hij beproefde nogmaals het onmogelijke, maar toen het bleek, dat het niet uit te voeren was, vooral uit het ontzettend verlies van manschap en voorraad, die hij moest verspillen, deed hij als de eene Hora-tiër: hij liep niet in een nutteloozen, eigenwilligen dood, zooals de Senaat had voorgeschreven, maar hij trok zich met het overschot van zijne vloot terug naar de baai van Istria, om een gunstiger gelegenheid af te wachten tot revanche voor zijn terzijde gaan.

Zijn krijgsvolk was uitgeput door herhaalde krachtsinspanning; het leed gebrek op iedere wijze; het scheepsvolk zou na de vermoeienissen van een zoo langdurigen zeetocht, zelfs waar die niet dan zegepralend ware geweest, rust en verademing hebben begeerd; nu was dat eene behoefte geworden, waaraan het to he or not to he van de vloot hing. Het moest in het vaderland nieuwe krachten en nieuwen moed gaan opdoen, of dreigde in moedeloosheid en misnoegen weg te zinken. Een kort respijt voor den vijand, even reader pour mieux sauter, en de Republiek kon op nieuwe overwinningen rekenen, door Pisani en de zijnen te behalen. Hij schreef in dezen zin aan den Senaat, en verzocht, uit aanzien dier overwegingen, dringend om met de zijnen naar Venetië te mogen wederkeeren, tenzij men goedvond dat hij te Istria zoude over-

ocr page 359

345

winteren, iets wat hij zeer onraadzaam achtte, gelijk hij niet verzuimde de Signoria voor te houden.

Maar de Senaat geliet zich geen acht te slaan op dien raad, noch op zijn uitgedrukt verlangen. Men had nog geen haast Pisani terug te zien, hoe weinig waarschijnlijkheid er ook was dat hem nu eene ovatie te wachten stond, na de mislukking zijner laatste onderneming.

De Senaat gelastte dat de admiraal met zijne vloot in de baai van Istria zou overwinteren, een maatregel even hard voor het getrouwe en dappere scheepsvolk, als verderfelijk voor het werkelijk belang van den Staat, in zoover deze belang had bij de vloot. Ziekte en moedeloosheid, onlust en schaarschte heersch-ten er als om strijd; de koude en de honger sloopten wat niet onder de eerste bezweek, met het gevolg, dat niet de helft van de manschap den winter doorkwam. Wat het voor een bevelhebber zijn moet, die aan zijn onderhoorigen is gehecht, met wie hij nood en dood en gevaren heeft gedeeld, om een winter op zulke wijze door te worstelen, laten wij aan \'t gevoel en de verbeelding onzer lezers over te beseffen. Pisani behield lichaams- en zielskracht om de ellende, die hij slechts deelen kon, niet lenigen, te doorstaan, en om nog zooveel invloed te oefenen op het deel van zijn volk, dat de ziekten en ontberingen overleefd had, om hunne klachten en jammeren niet tot luid gemor of muiterij te doen overslaan. Het gezicht der naburige kust was bovenal tergend voor de ongelukkigen, die in hunne drijvende gevangenissen opgesloten, niet eens de vrijheid hadden in eene herbergzame haven weg te schuilen tegen de kwellingen, die zij in de afmattendste lijdelijkheid moesten verduren. De admiraal eindigde toch met de haven van Pola aan te doen ; het was lente en hem gewerd eenige versterking uit Venetië, in krijgsvoorraad, levensmiddelen en manschap, op elf galeien aangevoerd. Het was zijn voornemen het uitgeput scheepsvolk adem te laten scheppen, en onder den invloed van het mildere

ocr page 360

346

jaargetijde als met verjongde kracht en met vernieuwden moed de worsteling tegen de Genueezen te hervatten. Maar niet alzoo zou het zijn; de rust werd voor hem en de zjjnen ongenietbaar gemaakt. Luciaan Doria, de nieuwe admiraal der Genueezen, verscheen met zijne vloot op drie mijlen afstands van Pola. Het scheepsvolk van Pisani verkeerde in een overprikkelden toestand, en dat tergend naderen van een vijand, wien men den ganschen winter had moeten mijden, had iets onuitstaanbaars voor hen, wien de lange werkeloosheid tot een straf was geworden. Zij snakten naar een daad, die hun tevens de zee zou openen en de vrjjheid hergeven om naar Venetië terug te keeren. De admiraal Pisani had niet de gewoonte zich door zijne onderhoorigen te laten dwingen, maar hij wist dat er gevallen zijn, waarin de overspannen gemoederen gevierd willen zijn, zal de band der gehoorzaamheid niet worden losgerukt. Hij gaf gehoor aan hunne dringende bede; hij vulde in de haast de bemanning zijner schepen aan met inwoners uit Pola, meer gewillig dan geoefend tot den strijd. Hij rekende op de versche troepen, die hem waren toegevoegd; hij rekende vooral op zijn eigen moed en beleid, om de zwakte van zijne scheepsmacht te vergoeden, en hij koos zee, om Doria tot een zeeslag te dwingen en voor dat hatelijk uittarten te straffen. Maar nauwelijks had hij de veilige haven verlaten, of er stak een hevige storm op, die zijne vloot verstrooide. Tegen Gods almacht was geen strijden, maar de admiraal had het voorrecht het grootste deel zijner zeemacht hereenigd te zien bij de kusten van Apuliö. Nog ééns scheen de knjgsfortuin hem toe te lachen. Zij voerde hem een smaldeel van den vijand toe, dat hij tot den strijd wilde uitlokken, maar deze vermeed het gevecht, week uit en zette af, als ware hem de moed ontzonken zich met de Venetianen te meten; te driftiger vervolgde hem de admiraal, aangevuurd door de zucht om zijn vaderland te bewijzen, dat geene lauwheid, maar wijsheid hem vroeger

ocr page 361

347

voor het ondoenlijke had doen teruggaan; in dien gloed van ijver, wij zouden misschien kunnen zeggen, in de gejaagdheid •waarmee de vervolger bevangen wordt, als hij den vluchtende naijlt, was hij wellicht minder goed beraden dan strijdlustig, dacht hij minder om zich te hoeden tegen eene nederlaag, dan om voort te streven ter overwinning; ten laatste had hij, wat hij zoo vurig had nagejaagd: den strijd; hij raakte slaags met dit deel der Genueesche schepen, dat zijne vervolging niet had kunnen noch willen ontkomen; hij behaalde het voordeel eenige schepen te nemen en hun admiraal Doria te zien sneuvelen; dan het was een voordeel, dat duur zou gekocht worden; het wijken van het eerste smaldeel der Genueesche vloot was eene krijgslist geweest, waarop Pisani in zijn heftigen strijdlust niet had gedacht. Toen hij, na hetgeen hij zijne overwinning achtte, wilde wenden, vond hij zich in eene hinderlaag gevat, hem door de loosheid der schijnbaar wijkende schepen gelegd. Een versche vijand! en omsingeld! En hij had zich daartegen te weren met vermoeid en afgestreden scheepsvolk en soldaten, nog niet gehard tegen bloedigen krijg! De kloekheid van geest begaf hem toch niet in dezen hachelijken toestand, hij zelf en de zijnen vochten met allen bedenkelijken moed, maar men bevond dat men te doen had met eene ongewachte overmacht, en de Genueezen streden met al de woestheid van den ingeboren volkshaat tegen Venetië, en deze nog verscherpt dooide spijt over het sneuvelen van hun admiraal, terwijl het diens broeder was, Ambrosius Doria, die het commando had overgenomen, en die eigen wraaklust voldoening gaf door den hunnen nog aan te zetten. Toch zou het beleid van Pisani hem uit de vreesehjke omsingeling een doortocht hebben gebaand, zoo de goede wil en de trouw van al de zijnen hem gelijkelijk had ondersteund; maar het tegendeel vond plaats: vijf van de galeien, die hem nieuwelings uit Venetië waren toegezonden, lieten hem in den steek op het wichtigst tijdpunt van den strijd, en

ocr page 362

348

zijne nederlaag was voltooid. Vijftien Venetiaansehe galeien vielen in handen des overwinnaars, negentien honderd gevangenen, waaronder meer dan twintig patriciërs. De ongelukkige admiraal kon van de gansche toevertrouwde zeemacht niets redden dan de vier galeien, waarmede hij zich uit den slag terugtrok.

Groot was het alarm en de verslagenheid in Venetië bjj de mare van deze nederlaag; grooter nog de gramschap en de verontwaardiging van den Doge en den Senaat tegen den ramp-spoedigen admiraal, te luider en sprekender wellicht, naarmate de geheime benijding en naijver op zijne vroegere daden hunne stille Schadenfreude hadden aan zijn val. Men hield zich niet tevreden met hem terug te roepen, nu, tot een intocht, die wel geene ergernis zou geven aan zijne benijders, maar men kreet uit dat hij schuldig was, en men vond noodig naar zijne schuld te onderzoeken.

Er waren verraders geweest op zijne vloot, lafhartigen althans, die zich hadden afgekeerd te midden van \'t gevaar, en zij werden gestraft, zooals zij verdienden; maar men gebruikte hunne schuld om den zuiveren naam van den grijzen admiraal te bezwalken, alsof ook aan zijne zijde verraad en lafheid ware geweest; en van toen af volgde daaruit, dat men hem als verrader en lafaard strafte. Men verklaarde hem vijf jaren lang onbekwaam om de Republiek in eenige openbare betrekking te dienen, en om \'t al te kronen wierp men hem in de gevangenis en sloeg hem in ketenen!

In ketenen! de man, die zooveel had geleden en geofferd om de macht en de eere der Republiek te handhaven. In ketenen! de overwinnaar van Antium, de held, wiens krijgsverrichtingen in Dalmatië zeven belangrijke kuststeden aan Venetië hadden hergeven, in dezen laatsten oorlog! In ketenen! de man, die met echt Romeinsche burgerdeugd het hoofd gebogen had onder het vonnis van den Senaat, die geene klacht had laten hooren, geene wederspraak had geuit, die geen beroep had gedaan op zijne deugden of verdiensten, om hunne hardheid

ocr page 363

349

te lenigen; de man, wien men in alle gerustheid op zijne krijgsmanseer gevangen had kunnen stellen in zijn eigen huis, en wien open deuren zouden binnen gehouden hebhen uit besef van plicht. Dien man gaf mon niet eens dat bewijs van vertrouwen, dat men hem toch in alle veiligheid had kunnen verleenen; men klonk hem liever in ketenen, als een woesten kwaaddoener van wien men het ergste kon vreezen, totdat de smart der krenking, het vlijmend mistrouwen nog meer dan het knellende ijzer, hem in een toestand zoude brengen, die zulke kluisters noodzakelijk maakte. Maar zoover was het nog niet gekomen, hoewel hetgeen wij aan hem waarnamen bij den eersten blik, op de mogelijkheid van zulk een uitersten jammer moest doen denken. Hij had niet zich zelf moeten zijn, zoo wij hem anders hadden gevonden. Zeker, hij was met de fiere kalmte van een held, met de grootsche berusting van een Romein, zijn kerker binnengetreden, en de krenking, de mishandeling, waarmee men die inkerkering had verzwaard, had hem geen klacht ontlokt. Maar de waarnemingen, die hij deed in dat duister verblijf, en de indrukken die hij daar ontving, maakten het hem onmogelijk in die Stoïcijnsche berusting te volharden; hij moest iets anders zijn geweest dan een mensch, veel meer of veel minder; zijne borst had van marmer, zijn hart van brons moeten zijn geweest, zoo hij koel en onbewogen had kunnen blijven bij \'t geen hij doorleefde in die eenzaamheid, want (was het verzachting of verzwaring van zijn lot ?) want, hij was in dien kerker niet zoo volkomen afgesloten, of hij kon eenig kennis verkrijgen van \'t geen er omging in de wereld daarbuiten. De gewelven, die tot staatsgevangenis dienden, lagen aan de achterzijde van het paleis, welks muren door de wateren van het groote kanaal bespoeld werden, op zulke wijze dat het geklots der golven en de riemslag van de galeiroeiers en gondeliers doordrongen tot het gehoor der gevangenen; dat hunne stemmen, als zij elkander toeriepen of hunne liederen aanhieven, daar werden

ocr page 364

350

verstaan door het luisterend oor, dat met gretigheid alle klanken en geluiden opving, die wat afwisseling gaven aan de treurige eenzaamheid. Pisani vooral was in dezen een der meest begunstigden. Zijne gevangencel was juist niet de allerellendigste dezer akelige verblijven; zij lag iets boven het peil van het water en was voorzien van kleine ruitvormige openingen, waaruit eenige versche lucht tot hem kwam door het dichte fijne tralienet heen. Het werd welhaast de eenige vervulling van zijn leven, deze klanken en geluiden te beluisteren, te onderscheiden, uit te leggen. Alle vermogens van zijn geest en lichaam, die hij gebruiken kon, spande hij. in om op deze wijze als gemeenschap te oefenen met hetgeen er omging op \'t kanaal, in de haven, in Venetië; zijn gehoor werd er op gespitst als dat van een wilde; zijne intuïtie, zijn raadvermogen, nog gescherpt dooide volstrekte duisternis, die het zintuig van het gezicht alle afleiding ontnam, werd zoo verfijnd en verhelderd, dat hij, om het zoo eens uit te drukken, zelfs de stilte verstond, die eenige sekonden het luiden van het Ave Maria voorafging; dat hij den tijd van dag en nacht berekende naar de wisselende tonen die zij hem aanbrachten, en dat hij werkelijk op die wijze tot eene zekere kennis kwam van \'t geen er in Venetië voorviel. Wel is waar geene zeer volledige kennis, maar die ongelukkiglijk meer dan genoegzaam was om hem allerlei smart en lijden aan te brengen, onafhankelijk van die, welke hij persoonlijk had te dragen; juist zulk een lijden als hem het ondragelijkste moest zijn in zijne banden. Zijn hart werd gewond in \'t geen hij het meest beminde; zijne verbeelding gefolterd door de voorstelling van jammeren, die hij voelde komen zonder ze te kunnen weren!

Met het inkerkeren van den rampspoedigen admiraal was de Republiek niet van hare vijanden bevrijd, als men raden kan; integendeel, de Genueezen, fier op hunne zegepraal, aangemoedigd door hun goed geluk, en overtuigd dat hunne mededingster

ocr page 365

351

een verlies had geleden, waarvan zij zich niet zoo spoedig zoude herstellen, haastte zich van het behaalde voordeel gebruik te maken en rukten aan met eene versche scheepsmacht en verdubbelde stoutheid der voltooiing van hun triomf. Zij bemachtigden Coarli en Grado, en ontrustten handelvaart der Venetia-nen, nog slechts door een zestal galeien beschermd, zoodat menig rijkbeladen koopvaarder in hunne handen viel; maar dit waren onbeduidende schermutselingen, in vergelijking van het stoute krijgsplan, dat zij ontwierpen en uitvoerden. Met eene vloot van zeven en veertig zeilen, onder bevel van den nieuwen admiraal Pietro Doria, drongen zij door in de Golf tot bij St. Nicolaas in Lido, nadat zij eene der openingen van de Lagunen: Pales-trina, hadden bestormd en overmeesterd; toen, in vereeniging met Francesco Carrara, den ouden wraakgierigen vijand van Venetië, sloegen zij het beleg voor Chiozza! Chiozza, een dei-belangrijkste van die reeks kleine aaneengeschakelde eilanden,, die als zoovele natuurlijke bolwerken daar schijnen opgeworpen om de stad Venetië van de zeezijde te beschermen en de woede van den Oceaan of van menschelijke aanvallen te verbreken eer die op de prachtige stad kunnen aandringen. Voor wie Chiozza had bemachtigd, was de verovering van Venetië geene hersenschim meer, en nu, de Genueezen waren tot daar genaderd met hunne vloot en vingen aan met krachtige en afdoende maatregelen ter vermeestering van dit belangrijk punt. Carrara had opzettelijk tot dit doel veertig lichte platgebodemde vaartuigen laten toerusten, waarmede hij de Genueezen kwam versterken. En tegen dit alles had Venetië geene vloot over te stellen, en voor de weinige galeien, die gereed waren ten krijg, had zij niet eens een admiraal, van wien het denkbeeld was dat hij zich met goed geluk tegen een Doria zou kunnen meten!

En middelerwijl hield zij Vittore Pisani gevangen en in ketenen !

En Vittore Pisani in zjjne ketenen hoorde de alarmkreten van

ocr page 366

352

het scheepsvolk, dat elkander de ontrustende berichten mededeelde; was het vreemd, dat hij uit wanhoop over eigen machteloosheid om te helpen, aan die ketenen schudde?

Toch verzuimde de Senaat geene voorzorgen ter wering van zoo dreigend gevaar. Reeds terstond na de nederlaag van Pisani had men alle openingen van de Lagunen doen sluiten; driedubbele kettingen werden gespannen voor iederen havenmond, en van afstand tot afstand werden deze verdedigd door sandoni, groote vastliggende schepen, met allerlei krijgstuig gewapend en door soldaten bewaakt; eene soort van drijvende sterkten uit balken en palen samengesteld, werd nog daarnevens aangebracht, om de wateren ontoegankelijk te maken.

Maar Pietro Doria en Francesco Carrara waren geene lieden om zich door zulke hindernissen te laten afschrikken. De eerste was met zijne vloot tot St. Nicolaas in Lido opgezeild eer de Venetianen het hem hadden kunnen beletten, en de laatste liet zijne licht gewapende barken afzakken langs het kanaal van Brenta. Door hun eigenaardigen bouw bijzonder geschikt om ook over de ondiepste wateren heen te glijden, waren de drijvende sterkten voor dezen geene onoverkomelijke belemmeringen, en zij deden een aanval op het kettingwerk, waarmede de haven van Chiozza was afgesloten, terwijl Doria dat gelijktijdig aantastte aan de achterzijde. De kettingen werden met haken en zagen uiteengereten en stukgezeild; het aan den grond gezette schip (een zeer primitief verdedigingsmiddel voorwaar!) bleek ras te zwak een bolwerk om weerstand te bieden aan een geduchten tweeledigen aanval; de soldaten, die het bewaakten, ziende, dat het onhoudbaar was, staken het in brand en namen de wijk op hunne roeibooten, waarmee zij naar Venetië terugkeerden om er den schrik te verspreiden door de mare van dien rampspoed. Het was geen loos alarm; de Genueezen waren meester van de Lagunen en maakten aanstalten tot het beleg van Chiozza! Carrara liet de helft van zijn krijgsvolk ontschepen op het eiland

ocr page 367

353

Brondolo; zijne bondgenooten brachten mede een deel hunner manschap derwaarts te zijner versterking; de lichte barken konden deze troepen te ieder stond overbrengen op het punt waar zij dienen moesten; eene vloot van veertig zeilen en een heir-leger gewapende barken hielden het bedreigde eiland afgesloten van alle hulp uit Venetië, en de belegeraars hadden behalve het voordeel van positie nog de overmacht aan hunne zijde. Hunne legermacht, zoo van scheepsvolk als soldaten, was vier en twintig duizend man sterk, terwijl de Venetianen niet meer dan drieduizend man op Chiozza hadden kunnen aanvoeren; en hoewel de inwoners moedig en eenparig de wapenen opvatten, waren zij toch te zwak in getal om zulk eene overmacht op den duur weerstand te bieden. Ook gelukte het welhaast den Genueezen, ondanks het krachtig verweer en de uiterste inspanning der wanhopige bezetting, zich meester te maken van klein Chiozza, eene soort van voorstad, die met de eigenlijke stad gemeenschap had door eene brug van omstreeks een kwartier uur gaans, en waarvan hun elke duim breed door den wanhopenden moed der Venetianen werd betwist, op zulk eene wijze, dat zij list moesten te baat nemen om tot de overwinning te komen. Zij veinsden voor de volharding der belegerden terug te deinzen, en toen deze, verblijd door die verlichting, zich eene wijle verademing gaven van den strijd, keerden zij op bedekte wijze terug en namen de stad bij verrassing. Men zou edelmoedigheid verwacht hebben van de zijde der overwinnaars, die de dapperheid hunner tegenstanders hadden leeren bewonderen, maar het was niet het tijdperk, waarin men met menschelijkheid oorlog voerde en zich te matigen wist na de zegepraal, en hoewel in elk tijdvak verblijdende uitzonderingen zijn aan te wijzen, de volkshaat der Genueezen tegen het trotsche Venetië was te diep en te bitter, dan dat zij hier konden plaats vinden. Hetgeen van de dappere bezetting overbleef, werd ontwapend en neergesabeld; de burgers en edellieden, die men onder de wapenen vond, werden

Engelsclien te Rome enz. 23

ocr page 368

354

uitgemoord of als gevangenen op de gruwelijkste wijze mishandeld.

Francesco Carrara vooral, de woeste tiran van Padua, weinig gewoon aan triomfen, was bedwelmd door zijne verovering en misbruikte haar om bot te vieren aan zijn instinct van wreedheid; hij was zóó vindingrijk in het folteren zijner weerlooze slachtoffers, dat het vermelden zijner gruwelen reeds eene pijniging is voor het menschelijk hart, die ik noch u, noch mij zelve wil aandoen; — genoeg zij het, dat hij een bloedblad aanrichtte, dat het zilver der Lagunen bepurperde. Het weegeschrei van vrouwen en kinderen weergalmde tot in Venetië toe en deed het vroolijk lied van den gondelier verstommen, om vervangen te worden door doffe jammertonen, en schorre wraakkreten, die het luidste zich verhieven in de nabijheid van het hertogelijk paleis. De Doge en de Senatoren, die de macht in handen hadden, mochten wel weten, dat het bootsvolk, dat het gilde der gondeliers, dat het volk van de werf, wrake riep over het uitmoorden van Chiozza, en dat het uit den Raad het sein wachtte tot het nemen eener schitterende vergelding; dat het de patriciërs niet onschuldig achtte aan de rampen, die de Republiek troffen. Waren zij het niet, die den grooten admiraal, den overwinnaar van Pola, hinderlagen hadden gelegd en belasterd en veroordeeld? Waren zij het niet, die hem nu hielden opgesloten daarginds in een van die sombere gewelven, waarop het paleis rustte?

En waar men dien inval gekregen had, bleef men niet in gebreke, om, al voortroeiende langs het kanaal, de muren van den kerker zoo dicht te naderen als doenlijk was, en op klagenden toon, naar de gave der improvisatie, dit poëtisch en zangerig volk eigen, de schrikkelijke gebeurtenis voor te dragen in al hare kleuren (zeker niet de lichtste), in de hoop, dat die tonen mochten doordringen tot den doorluchtigen gevangene, opdat hij het weten zoude, door welke onheilen het goede volk van Venetië getroffen werd, terwijl men hem hield opgesloten.

ocr page 369

355

En wij weten, dat hunne poging doel trof, en dat de admiraal in zijne kluisters met gespitst gehoor alle klanken opving, die hem in zijn kerker van het leven daarbuiten kwamen getuigen ; was het vreemd, dat bij \'t geen hij vernam de Stoïeijnsche berusting hem begaf, dat zijne oogen flikkerden van strjjdlust, nadat zij geschreid hadden van deernis, en dat de schok, die Venetië trof, eene siddering over hem bracht, die zijne boeien deed schudden? Onbeschrijfelijk was de schrik en de verrassing, waardoor de Venetiaansche bevolking getroffen werd, toen zij de vaan van St. Mai-cus zag neervallen van de torens op het kasteel van Chiozza, en voor het eerst de vlag van Genua zag wapperen aan dien zelfden standaard. Het was of men niet had begrepen, dat zoo iets ooit zou kunnen gebeuren; cn nu men het voor oogen zag, nu men de gewisheid verkreeg van zulk een ontzettend verlies; nu de jammerverhalen van gruwelen, die de overgave der stad waren gevolgd, maar al te veel waarheid bleken; nu men de zekerheid kreeg van de nadering dier meedoogenlooze en machtige overwinnaars, waar zulk een tal van dappere strijders aan de Republiek waren ontvallen, begon er eene onrust te heerschen en eene verwarring te ontstaan onder het volk, die door de patriciërs en de aanzienlijke burgers in angstige spanning werd gadegeslagen. Het volk stroomde naar het hertogelijk paleis, onder weeklachten en bedreigingen van den Doge te eischen, — dat men met kracht zich mocht aangorden tegen den vijand, zou men meenen? neen, bij eene volksmenigte, onder den slag van eene nederlaag, moet men geene energieke inspiraties wachten; zij kwamen eischen, dat men tot iederen prijs de vrede zou sluiten met Genua, om den val van Venetië en het verderf van geheel de Republiek te voorkomen.

De Doge, Andreas Contarini, een stug, hooghartig man, had geenszins begeerd de hooge waardigheid te bekleeden, die hij droeg, maar men had hem gedwongen het blinkende juk op

ocr page 370

356

zich te nemen, waarvan hij sedert veertien jaren al de zwaarte kende. Ook voerde hij zijn ambt met eere, maar zonder liefde en lust. Hij was gewoon ontzag af te dwingen door zijne vaste en fiere houding, maar hij was niet bemind bij het volk, en hij wist dat, doch hij scheen niet aan volksgunst te hechten. Ook in dit hachelijk oogenblik verloochende hij noch zijn aard, noch zijn rang; hij deed het volk afdeinzen door zijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, zonder te bewilligen wat het eischte, maar daar hij het gevaar, waarin Venetië verkeerde, beter overzag dan iemand anders, wist hij in den Senaat te verkrijgen, dat men naar een verdrag zou trachten. Men zond gezanten naar den Genueeschen veldheer om den vrede in te roepen. Pietro Doria, overmoedig door zijn krijgsgeluk en zijne voor-deelige stelling en vervuld van wraaklust, na de wonden door Venetië vroeger aan zijn vaderland en familie toegebracht, antwoordde niet slechts weigerend, maar uittergend en beschimpend.

„Ik zwere bij God, dat de Venetianen geen vrede zullen hebben met onze Eepubliek, voordat wij met eigen hand de bronzen paarden op de St. Marcusplaats zullen getoomd hebben. En dan zullen wij verder zorgen dat de Venetianen zich in ruste houden!

Met die bedreiging konden de gezanten naar Venetië terug-keeren; men vernam daar tegelijkertjjd het verlies van Terra-Nova, Lavorzore, Mont-Albano, van Loredo en Torre-del-Bebe, terwijl twee-en-twintig Genueesche galeien en veertig gewapende booten zich vertoonden aan de zijde van het Lido. De ondergang van Venetië scheen besloten en onvermijdelijk.

En het gerucht van deze vernederingen, van deze rampen, van dit nakend onheil kwam tot de kennis van den geketenden Admiraal, den moedigen kampvechter voor de eere van het Gemee-nebest, den vurigen patriot, die zijn bloed bij droppelen had willen uitstorten voor de redding van zijn vaderland; was het vreemd, dat hij met het ijzer worstelde om dat los te

ocr page 371

357

wringen, ware het slechts om in zijne radeloosheid over eigen onmacht den forsehen armen werk te geven en zich als te meten met het metaal, dat de krachtige hand gewoon was te voeren ?

Hetgeen er omging kwam tot zijne kennis, maar niet dan verward en onbestemd, en zeer zeker niet verzacht, sinds het hem moest worden overgebracht door matrozen en soldaten, door het gejammer van schreiende vrouwen, of de sterk gekleurde verhalen van weeklagende gondeliers. En nu, men weet wat volksgeruchten zijn onder zulke omstandigheden, vooral bij een volk als dat van Venetië, dat van de uiterste verslagenheid tot den overmoed der uiterste wanhoop omwendde, en dat zonder raadpleging met de overheid, evenzeer zonder aanvoerder als zonder orde, uit eigen beweging, slechts luisterend naar de ingeving van wilden angst, den Genueezen tegenging, die eene poging deden om op het Lido te landen, en ze dwong om naar hunne barken te wijken. Een volk beurtelings driest en vreesachtig, nu eens slaafs buigende onder de hand die het drukte, om zich dan weer met onstuimigen hartstocht daartegen te verzetten; eene bevolking, die grootsche elementen in zich omdroeg, maar tevens ook al de zwakheden van de bewegelijke zuidelijke natuur. Het triomfeerde nu eene wijle over het verjagen van den vijand! Maar het was zonneklaar, dat door eene schermutseling, waarbij [een hoopje volks het geluk had eene vijandelijke bende te verjagen, het Gemeenebest niet was te redden, noch Venetië te houden tegen eene ontzettende overmacht, als er dreigde tegen haar aan te stormen, en dat eene krachtige, welgeregelde verdediging alleen nog eenige kansen kon bieden op behoud. Maar hoe die daar te stellen? Men had noch soldaten, noch levensmiddelen, noch schepen in eenige evenredigheid tot de behoeften van zulken strijd. De eenige vloot die de Eepubliek nog bezat, kruiste in de Mid-dellandsche Zee om den handel te beveiligen, onder de bevelen

ocr page 372

358

van Karei Zeno, den dapperen avonturier. Eene vloot samen te stellen met de ontredderde schepen, die op de werf waren of in de havens lagen, levensmiddelen en krijgsvoorraad bijeen te brengen, soldaten te werven, het was alles nog mogelijk, bij eene oproeping van aller werkzaamheid, bij eene samenwerking van alle burgers en inwoners, adel en volk, patriciërs en klienten, bij eene inspanning van alle krachten, bij het offeren aller middelen op het hoogaltaar van het vaderland; maar er was iets, dat men niet kon daarstellen, en waarvan juist die samenwerking van allen, die volvaardigheid tot alle offers en alle ontberingen zouden afhangen: een admiraal, een bevelhebber, geliefd bij het volk, gevreesd bij den vijand, en die op de hoogte zou staan van zijne hachelijke taak.

En zulk een admiraal had men niet!

Taddeo Justiniani, de vlootvoogd in functie, was bejaard en stond geenszins in gunst bij het volk. Prins Contarini, de neef van den Doge, bezat niet de hoedanigheden tot zulk eene taak vereischt, en die werklieden, die burgers, die kunstenaars, die jonge mannen uit den handelsstad, die rijken en die armen, van wie men inspanning en gaven moest vragen naar vermogen en zelfs daarboven, begonnen na te denken, waartoe die opofferingen leiden zouden, en vroegen elkander met een zorgvol hoofdschudden, waartoe dat alles baten zou, zoo men geen aanvoerder had, bekwaam genoeg en geliefd genoeg om ze te benutten en er winste mee te doen?

Tot zelfs in den Grooten Eaad had men zich dat reeds afgevraagd. De patriciërs zelve waren niet zonder bekommering op dit punt; zij wisten dat het een tijdstip was, waarop men met het volk had te rekenen; dat het vrijwillige diensten, vrijwillige lasten, vrijwillige gaven waren die zij moesten inroepen, waarvan de Republiek nu in deze bange ure hare redding wachtte, maar wie hunner wist zich bij dat volk genoeg geliefd en geëerbiedigd tevens, om zich onbepaald te doen gehoorzamen? wie hunner

ocr page 373

359

had gezags en beleids genoeg tevens om van die welgezinde, maar ongeoefende en ongeordende burgers, in een oogwenk tijds, soldaten en zeelieden te vormen, die zich aan de krijgstucht onderwerpen, aan wet en regel zich zouden binden en niet in oogenblikken van wilden moed onbesuisd het gevaar in den mond loopen, om later, als de kans tegenviel, onder den eersten indruk van den schrik in verwarring de vlucht te nemen op een hachelijk tijdstip? Die visschers, die mannen uit het tuighuis, dat scheepsvolk, allen op jeenige wijze gewoon met wapenen om te gaan; die het mes wisten te wetten, de pijl af te drukken, den werpsteen te slingeren, ze zouden uitnemende vrijbuiters zijn op eigen gelegenheid, maar bij de verdediging van een aanval, zooals Venetiö dien te wachten stond, had men een geregeld leger noodig dat aan één hoofd gehoorzaamde, en slechts den arm kder uitvoering leende aan dien éénen wil! En nu, wie onder de patriciërs wist zich (om een woord van onzen tjjd te gebruiken) zooen zoo bekwaam tevens, om aan deze eischen te voldoen? Wie onder hen was bekwaam, zoowel om de geestdrift des volks op te wekken als •die te leiden? Memand — zij moesten het bekennen elk voor zich zeiven — niemand had een recht op zulke volksgunst, op zulk een invloed; zij hadden de burgers met minachting bejegend in tijden van voorspoed, hunne vrijheden onderdrukt, hunne rechten beknibbeld, hun aandeel aan \'t bestuur van het Ge-meenebest tot ijdele hersenschim gemaakt; neen, zij wisten het al te goed, zij hadden niet gestaan naar de liefde, naar de achting des volks, en z|j hadden die ook niet verworven. Maar terwijl zij op elkander zagen met onzekere blikken, zweefde er een naam op veler tong, dien niemand waagde uit te spreken. Het was de naam van een dien men haatte en wantrouwde en benjjdde, juist omdat hij bezat wat zij allen voelden te missen. Ook hadden zjj hem voorzichtiglijk ter zijde geschoven, in een duisteren, eenzamen kerker weggesloten en geboeid! Het was

ocr page 374

360

wel mogelijk dat hij, hij onder allen, de redder der Eepubliek zou kunnen worden, maar hij zou er dan tevens de meester van zijn; het zou hem kunnen invallen voor het volk vrijheden en rechten te bedingen ten koste van het gezag en het meesterschap, dat de adel zich zelf had toebedeeld; daarbij, men had hem al te groot onrecht aangedaan, dan dat hij het niet op zijne beurt door onrecht en hardheid zoude vergelden; neen, een redder als deze was al te gevaarlijk; de Republiek was nog niet tot zulk een uiterste gekomen, dat de patriciërs zich zulk een offer behoefden te getroosten! Zoo redeneerde het bekrompen egoïsme, dat doodelijk venijn, waarmee Venetië\'s grooten waren vergiftigd, en dat, zich voortdragende tot in het latere nageslacht, die jongeren mede heeft verbasterd en verkankerd. En de man, tegen wien zulke bedenkingen werden aangevoerd, op wien men met zulken argwaan neerzag, wien men vreesde ofschoon men hem gekerkerd en geketend hield, hij voelde het in zijne boeien met al de diepte der intuïtie van een, die bij onzekere en verwarde berichten door eigen scherpzinnigheid tot eene voorstelling tracht te komen van \'t geen er rondom hem voorvalt; hij voelde het, dat er zulke bedenkingen tegen hem omgingen in die gemoederen te dier dage; hij had het reeds terstond begrepen, toen zijn rampspoed hem als schuld werd aangerekend, dat die gewaande schuld voorwendsel, zijne bekende volksgunst oorzaak was van de strengheid waarmede men hem behandelde. Hij raadde het, al was daar niemand die het hem kon aanbrengen, dat bij de beraadslagingen van den Grooten Eaad in deze ure van nood, zijn beeld den Senatoren voor den geest moest zweven, als wie goeden dienst had kunnen doen aan het vaderland, zonderdat zij gezind waren hem tot zulken goeden dienst te gebruiken. Moest het niet de allerpijnlijkste gewaarwordingen opwekken in den fijngevoelenden mensch; moest de vurige patriot er niet door gewond zijn in het hart? En toch het was met indrukken en aandoeningen

ocr page 375

361

als deze, deze, dat de gevangene leefde van den eenen dag op den anderen, zonder afwisseling, zonder afleiding, altijd door in dien éénen somberen gedachtenkring rondgevoerd. Was het wonder, dat er iets vreeselijkers lichtte uit zijne oogen dan toorn en verontwaardiging alleen; dat zij den starenden blik aannamen van het idee fixe, vooral bij een, die nog de zelfbeheersching wist te oefenen van niet los te barsten in luide klachten en ver-wenschingen, — uitstorting van aandoeningen, die hem zoo goed zou geweest zijn ter verluchting. Ten laatste kwam toch het oogenblik, waarin de natuur sterker was dan de wil die haar overheerd had; het oogenblik, waarin een kreet, een woord, een gerucht, eene aanleiding van builen of uit hem zeiven, hem zoo onverhoeds schokte, dat hij zijn leed, zijne bitterheid, zijne rouwe moest uitspreken in den kerker, neen — uitgillen en uitbrullen, in afgebroken, onsamenhangende woorden, die aan het ijlen van den waanzin konden doen denken, schoon het juist deze uitingen waren, die er hem voor behoedden; zijne rede had gevaar geloopen, maar zij werd gered door deze schijnbare onzinnigheid. Schijnbaar, want de afgebroken zinnen, de vragen die hij zich zelf deed en beantwoordde, hadden slot noch zin voor hen die ze aanhoorden, zonder den loop zijner gedachten te kunnen volgen, of die vreemd waren aan de jongste gebeurtenissen in Venetië en de betrekking waarin de gevangene daartoe stond; maar ze hadden kracht en beteekenis, en voor wie na kon gaan waarop ze doelden, hadden ze even weinig van het raaskallen van een krankzinnige, als Vittore Pisani zelf, hoewel gekerkerd en in boeien, gelijkenis had met een misdadiger.

Voor ons is \'t onnoodig er naar te luisteren; wij wachten liever kalmer oogenblikken af, als de verluchting der tranen evenzeer als der klachten hem tot even droeve, maar minder onstuimige ontboezemingen zal hebben geleid; als hij het met weemoed betreurt, dat hij gewantrouwd werd en benijd in den kring zijner gelijken, omdat zijne minderen hem liefhadden en

ocr page 376

362

omdat hij goed was voor dezen en gewoon hunne lasten te verlichten waar hij kon, of mee te dragen waar het oorbaar was.

„Men zou recht hebben mij te verdenken, zoo ik door onedele „middelen naar de volksgunst had getracht, zoo ik list en kui-„perij had gebruikt als zoo menig ander. Maar ze weten, dat „heerschzucht en hebzucht mij vreemd zjjn; ieder hunner die „de hand op het hart legt, zal moeten getuigen dat ik de eere-„ambten, de waardigheden, het meesterschap met evenveel zorge „heb afgeweerd, als de moesten hunner zich driftig betoonen „om die te verkrijgen. Waarom op mij, op mij onder allen, den „smet dier verdenking, ik die nimmer zelfverheffing heb bedoeld, „die slechts vrage naar de eere en grootheid der Republiek....

„De grootheid der Republiek! en... Doria staat gereed om „de paarden van St. Marcus te breidelen, zooals dat volk daar „buiten mompelt! En ze vergeten mij hier, mij die bereid zou „wezen het palladium van VenetiS te dekken met mijn lichaam! „Dat zij mij in de gevangenis geworpen hebben, dat zij mij in „ketenen klonken, dat zij mij van het licht des hemels berooven „en van de warmte der zon, dat late ik daar; ze zeggen dat „ik schuld heb, en mogelijk hebben ze gelijk; ik ben onvoor-„zichtig geweest, ik heb eene fout begaan, ik heb gepleegd „wat een kwaad is in mijne oogen als in de hunne; ik heb Venetië „schade gedaan, ik heb de Republiek eene nederlaag doen lijden; „maar het is juist daarom, dat men nu het eerste moest denken „op mij, die veel heb goed te maken. Waarom gunnen zij mij „daartoe de gelegenheid niet? men staat wel een misdadiger „toe zijn berouw te toonen door zich verdienstelijk te maken „aan het vaderland; en uu, waar de Republiek in nood is, „waar Venetië al hare weerbare zonen oproept te harer hulpe, „waar men den geringsten fachino toestaat zijne krachten aan „haar te wijden, worde ik als bastaardzoon onwaardig gekeurd „haar te dienen! Ik, die mijn eigen zoon, die de steun mijner „grijsheid, de roem van mijn geslacht had kunnen zijn, heb

ocr page 377

363

„zien vallen, zonder tranen, omdat het hare glorie gold! ik, ik „worde onbekwaam geacht mijn land te dienen! Laten ze zeg-„gen waarin die onbekwaamheid bestaat! En toch, ik voele „het, indien God en Zijne Heiligen mij niet bewaren, zullen zij „welhaast gelijk hebben, en dan zal \'t niet zjjn voor enkele „jaren, maar voor het leven. Ik, die nog jaren van kracht aan „Venetië had te geven, misschien! Ik heb nog sterkte in dezen „arm, al is die gegroefd door hunne ketenen; ik heb nog helderheid van geest, al is \'t dat ik hier folteringen doorsta, die „het harte doen bezwijmen en het brein verwarren. Maar nog „is het zóó ver niet; verworpen moge ik zjjn door Venetië, „maar onbekwaam haar te dienen ben ik niet, nog niet. Zij „zijn onbekwaam de Republiek te dienen, zij, die zich zelf het „meest dienen onder schijn van den dienst der Republiek voor „te staan; die hun eigen haat, hun eigen afgunst, hun eigen „baatzucht vooropzetten, en daaraan offeren wat die allen in „den weg staat. Venetië moge hun eenmaal rekenschap vragen „van dien trouwen dienaar, die zijn hartebloed voor haar zou „willen uitstorten, en dien zij onbruikbaar maken voor haar dienst. „Roerloos te moeten zijn en machteloos, waar het volk roept „dat er soldaten te kort schieten om Chiozza te ontzetten, om „Venetië te beveiligen! Geene soldaten in Venetië! maar ieder „Venetiaansch burger moet soldaat zijn als de Republiek in „nood is. O! één dag van vrijheid, één enkelen dag slechts: „de jaren levens die mij misschien nog resten zou ik daarvoor „veil hebben, dan zou ik mij wreken op hen die mij onbe-„kwaam hebben geacht, schitterend, voorbeeldeloos, eene wrake

„waarvan Italië zou gewagen....... En het volk, het arme volk

„dat men verdrukt, denkt ook niet meer aan mij; of, zoo het „nog aan mij denkt, durft het die gedachte niet uiten; men „vergt het offers, men legt het lasten op, men wil het geene „rechten gunnen, en het is krachteloos en willenloos, verlamd „door tirannie; het weet slechts te sidderen en te weeklagen.

ocr page 378

364

„O Venetië, Venetië! wat zal er van u worden! uwe patriciërs „hebben geen hart, en uw volk heeft geen geheugen; de eersten „vragen slechts naar zich zeiven, en het laatste vergeet wien „het heeft liefgehad!!quot;

Maar Vittore Pisani vergiste zich; het volk had wèl geheugen, en wat meer zegt, het had een wil, en het durfde dien uitspreken. Het had gemord terstond bij de gevangenneming van den admiraal; het had toen reeds de verdenking geuit, dat de afgunst veel meer dan de billijkheid hier het vonnis had geveld; maar als de Senaat zich machtig wist, vroeg deze niet naar het gevoelen van dat volk, en het volk zelf boog dan schuw en vreesachtig het hoofd, en fluisterde slechts de grieven die het niet kon laten gelden. Maar nu was de kans gekeerd. De patriciërs hadden te rekenen met hunne kliënten; de hoofden der Eepubliek hadden te luisteren naar het gevoelen van al hare leden, en dezen werden zich bewust wat zij noodig hadden.

Daar stroomde het volk van Venetië bij duizenden naar de St. Marcus-plaats heen; daar drongen zij samen naar het paleis van den Doge het Paleis ook van den Staat, waaide Signoria vergaderd was op dat oogenblik. Daar riepen dui-zende stemmen forsch en heftig: „Wij willen Vittore Pisani „tot aanvoerder; met dezen willen wij strijden voor de Repu-„bliek, wij allen, en overwinnen. Wij willen Vittore Pisani in „vrijheid zien. Wij willen, dat onze oude admiraal zal hersteld „worden in al zijne waardigheden! wij willen dit, en dit al-„leen, maar ook met niets minder zijn wij te bevredigen!quot;

De wateren, door den orkaan opgedreven, zijn niet meer onbedwingbaar dan eene volksmassa in gisting; de stroom viel de galerijen binnen, niet weerhouden door het verzet der dienstdoende wachters, zoo er verzet was, sinds de soldaten der Republiek eenswillend waren met de eischen, die het volk kwam doen; het zou de trappen zijn opgestormd, en de groote raadzaal binnengedrongen, zoo de Doge en de Leden

ocr page 379

365

van den Eaad van Tienen het niet waren te gemoet gegaan, als om het verlangen der menigte te hooren, dat zij maar al te goed verstaan hadden; maar die tegemoetkoming scheen als een eerste stap tot de verhooring van hare wenschen, die dan ook even levendig, schoon minder luid en minder verward, werden herhaald.

De Doge en de Leden van den Raad van Tienen beloofden, dat men het voorstel van Venetie\'s burgers in overweging zou nemen, mits men zich rustig hield in afwachting van het besluit.

Men deinsde niet terug, men hield stand, maar men hield ook de beloofde rust.

De overwegingen van den raad van Tienen moesten kort zijn, maar zij waren niettemin heftig. Dat hun toegeven aan het verlangen van het volk als een bewjjs van zwakheid zou gelden, was hunne minste zorge. Men was op een tjjdstip, waarin alle gewone grenzen werden teruggezet; waarin alle banden waren losgesprongen; waarin de geregelde orde van zake toch was gebroken, en — eene concessie aan dat volk, dat het Gemee-nebest kon redden, was licht te doen. Als de Eepubliek gered was, als de Signoria weer hare volle macht en de patriciërs weer hun vroeger overwicht zouden hernomen hebben; als alles weer den ouden sleurgang zoude gaan, zou de macht der gewoonte sterker zijn dan het geheugen van dien lichten triomf; maar juist dit verlangen van het volk te bewilligen, daar lag de zwarigheid. De Raad had al te groot ongelijk tegen Pisani, dan dat er hope was, dat hij het zou voorbijzien. Integendeel, men had te vreezen, dat hij de gunstige gelegenheid zou aangrijpen, om zich over oude grieven en later lijden te wreken in een zelfden oogwenk. Door den eisch van het volk bevrijd, was er geen eisch van het volk, dien Pisani met zulk eene hulpbende aan zijne zijde niet zou kunnen voldoen, en het volk was het juk moede van zijne tien — zelfs van zijne veertig tirannen; zij wisten het maar al te wel: wat belette Vittore Pisani, eens in

ocr page 380

366

■vrijheid, zich tot dictator te laten uitroepen door het volk, en als dictator zijne wetten te komen voorschrijven aan den Raad en dezen voorwaarden te stellen? Dat was zeer mogelijk, en als, ieder van die tien mannen of van die veertigen\'in zijn eigen boezem tastte, moest hij erkennen, dat hij, in Pisani\'s geval zijnde, het measure for measure zeer zeker zou toepassen. Het was dus zeer gevaarlijk voor de vrijheden van het Gemeenebest (zegge de vrijmacht van den Grooten Raad), om Pisani uit den kerker te ontslaan op het verlangen van het volk; maar het was niet minder gevaarlijk dat verlangen niet te voldoen, want dan liep men kans, dat het volk zieh dat genoegen eigenmachtig ging geven; het was reeds tot in het paleis doorgedrongen: het zou de kerkergewelven ook wel weten uit te vinden; en eens door zulke handen op zulke wijze verlost, zou deze niets meer hebben te ontzien, en dan zelfs bleef hem geene keuze, dan zich ook tot hoofd te stellen van zijne bevrijders tegen het despo-tiek bestuur, en dus zou men hem zelf gedwongen hebben datgene te doen, wat men het allermeest vreesde. Daar bleef nog eene derde partij te kiezen, en er waren leden onder die edelen van Venetië, hardvochtig en zelfzuchtig genoeg om die voor te slaan. Men kon Pisani doen sterven in de gevangenis, een snellen heimelijken dood, voor welken de kerkers van de Republiek rijke hulpmiddelen aanboden. Men kon het volk dan of met dit voorbeeld van strengheid afschrikken, of, zich vreemd houdende aan de daad, het mede betreuren, dat de engel des verderfs den engel der verlossing te snel was geweest. Onder den slag der teleurstelling, die het volk dan zou treffen, kon men het breidelen, of, indien niet, het voorwendsel van die volksbeweging was dan toch weggenomen, en, bij mangel van een hoofd, van een aanvoerder, die haar leidde, zou die bonte verwarde volkshoop wel spoedig zich verdeelen en afdrijven, zonder gevaar dat een opstand tot eene omkeering zou leiden. Wie zoo redeneerden, waren zelve niet overtuigd, dat de uit-

ocr page 381

367

komst, die zij voorspelden, werkelijk zou volgen, en dat de eerste en zekerste uitwerking ook deze kon zijn; dat de volksmenigte in blinde woede ontstak, die te gevaaarlijker zou wezen, naarmate men zich had ontdaan van het eenige middel om die te stillen; dat het in de verbittering over die teleurstelling gansch geen bezwaar zou maken om de raadzaal te bestormen, te eer, daar de soldaten, die het paleis moesten besehermen, geneigd waren gemeene zaak te maken met de oproerlingen, en dat de personen der Raadsheeren gansch niet veilig zouden zijn, vooral niet van hen, die de mare van Pisani\'s dood aan het volk zouden moeten boodschappen! De Doge deed dit laatste opmerken, met eenigen nadruk aan den Senator, die het meest geneigd scheen om die wanhopige en geweldadige partij te kiezen, en gaf tevens te kennen, dat hij zelf er tegen was, en dat zij, die er voor waren, dan ook maar op zich moest nemen om er de boodschappers van te zijn!

De Doge zelf, wellicht de minst schuldige tegen Pisani, en die zoowel als het volk gebukt ging onder de aanmatigingen van den adel, was niet ongezind de doorluchtige Senatoren eene wijle onder den druk te laten van de gevolgen hunner willekeurige en tirannieke bedrijven.

Van deze beraadslaging, voor hem zelf zoo beslissend als-gewichtig voor zijn vaderland, kwam den gevangene niets ter oore, zooals zeer natuurlijk is. Toch had hij kennis gekregen van de stemming des volks en van de luide wenschen die het uitsprak te zijner bevrijding.

De haven weergalmde van \'t geen er op de St. Marcus-plaats voorviel. Het scheepsvolk en de gondeliers verzuimden niet met de wenschen der burgers in te stemmen door hunne hartstochtelijke bijvalsbetuigingen; en dat ze hem zeiven moesten gelden, werd den gevangene tot zekerheid; want zijn naam werd meer dan eens herhaald door die joelende menigte, en hij hoorde het duidelijk, hoe de gondeliers, die gewoon waren bij;

ocr page 382

368

de kaaien van het Doge-paleis aan te leggen, elkander toeriepen, dat men nu zien zoude, of het den Senaat meenens was met de redding van de Republiek, want dat de werklieden van het arsenaal en de werven hadden gezworen, niet meer naar hun werk terug te keeren, om de galeien te herstellen en op te tuigen, als men il Capitano niet in vrijheid liet, om ze in zee te brengen ! en dat al het scheepsvolk bij St. Marcus gelofte had gedaan, liever op eigen gelegenheid te vrijbuiten tegen den vijand, dan de Republiek te dienen onder een anderen admiraal.

„Mijne vrijheid! Zij begeeren mijne vrjjheid! Goed, trouw volk! wees gedankt, wees gezegend!quot; was de eerste ontboezeming der onbeschrijflijke gewaarwordingen, die den gevangene overweldigden, toen hij niet meer twijfelen kon, of hij had goed verstaan. Maar te gelijk voelde hij zich aangegrepen door de kwellingen der vreeselijkste onzekerheid. Wat zou er beslist worden daar in die Groote Raadzaal boven zijn hoofd, waarvan geen weergalm tot hem kon komen, eene beslissing, die hij nu weer zou moeten raden uit hetgeen er omging daarbuiten, tenzij — maar hij kon nauwelijks zich overgeven aan die hope — men het volk genoegen gaf op ditzelfde oogenblik! Men begrijpt het, dat de gevangene te dier stonde alle vermogens van ziel en lichaam inspande om het eene zintuig van het gehoor te scherpen; dat hij den adem inhield, den hals naar boven hield geheven, en zich rekte en omwendde zooveel zijne boeien het gedoogden, om eenige duimen nader te zijn bij die kostbare luchtgaten, waardoor de heuchelijkste tijding of de bitterste teleurstelling tot hem zou moeten komen! Dat was eene stonde van spanning en verwachting, die den wachtende tergend lang viel, en waarbij hem in de kilte van den kerker het klamme zweet op het voorhoofd kwam, waarbij hij niets van zijn lichaam voelde, waarbij het hem duizelde in het brein, maar waarin hij bleef luisteren, toch luisteren, luisteren — helaas naar de stilte! want het was stil geworden, zóó stil als het te voren

ocr page 383

369

woelig en onrustig was geweest op het St. Marcus-plein. Waardoor werd die plotselinge stilte veroorzaakt? Was het rust of was het verslagenheid? Had men beloofd den wensch van het volk te verhoeren, of had men dien wensch als een oproerkreet uitgelegd, en was men er in geslaagd de opschudding te dempen? Wat kon hij hopen, wat moest hij vreezen van die stilte? Hij hoopte niet en vreesde niet; hij was zijn denkvermogen niet meester, om zich die vragen te doen ; hij wachtte, hij luisterde.

Eindelijk, daar gingen zulke luide jubelkreten en zulke lang aangehouden Evviva\'s op uit die menigte, alsof ze door duizenden stemmen te gelijk werden geuit; het was of de muren van den kerker dreunden van het forsch geluid, door al het scheepsvolk als uit één mond geslaakt. Zulk een juichtoon kon niet opstijgen uit eene volksmassa, in haren dringenden wensch teleurgesteld; die moest verhoord zijn; de Senaat moest hun de vrijheid van Pisani hebben toegezegd. De gevangene had het begrepen; hij slaakte een diepen zucht en boog het hoofd op de borst of hij bezwijmde; toen vloeiden er milde tranen, en zijne lippen brachten den heiligen naam van God voort, terwijl zijn blik zich naar den hemel ophief; de knieën kon hij niet buigen, woorden kon hij niet vinden, maar in dat ééne woord legde hij zijn innig dankgebed. Hij hoopte niet meer, hij vreesde niet meer, hij had gewisheid dat hij zich niet kon bedrogen hebben, en rustig wachtte hij wat nu volgen zou. Hij wachtte niet lang, maar in zijn toestand is iedere seconde een uur.

Daar ging de ijzeren deur van het kerkergewelf open; daar schemerden de verzwakte oogen van den gevangene bij het licht der toortsen, waarmee de komenden werden begeleid. Hij sloot ze even; zijn gevangenbewaarder, meenende dat hij sliep waarschuwde hem dat er een afgevaardigde was uit den Eaad van Tienen, die hem wilde toespreken.

Vittore Pisani opende de oogen en wachtte zwjjgend af wat men zoude zeggen.

Engclschen te Rome enz. 24

ocr page 384

370

De Senator trad naar hem toe, en kondigde hem aan met republikeinsch laconisme, dat de Doge en de Raad van Tienen hadden goedgevonden hem de vrijheid te hergeven. Pisani dankte met hetzelfde laconisme, zonderdat een spier van zijn gelaat zich vertrok.

Hij vond nu zelf beheersching genoeg om de aankondiging eener plotselinge en algeheele verandering van zijn lot niet te ontvangen met de uitsporige blijdschap van een misdadiger, die onverhoopt zijne gratie krjjgt, noch met de woeste voldoening van een verongelijkte, die het oogenblik der vergelding ziet naderen; maar met de helderheid van een, die ontvangt wat hem toekomt, en die niet eens gehaast is het aan te nemen.

Mogelijk schijnt die koelheid onwaarschijnlijk, maar zij is historische waarheid en tevens verklaarbaar als psychologisch verschijnsel. Groote karakters en machtige geesten vallen niet uit in een juichtoon als zij zich plotseling, zonder overgang, uit de diepte van ellende op het toppunt hunner wenschen zien gesteld. Eene inkeering tot zich zeiven is de eerste uitwerking van zulke lotswisseling. Zij laten zich niet in vervoering weg-sleepen door hun geluk, maar zij hebben noodig het van alle zijden te bezien en er zich mee te vereenzelvigen. Zij vatten het te diep en te ernstig op om er uitgelaten bij te zijn.

Bij een zuidelijk volk vooral, wier nationale zwakheid het is zich al te veel aan indrukken over te geven, wordt het als het hoogste bewijs van kracht beschouwd, over zijne aandoeningen te kunnen heerschen. De impassibiliteit (mogelijk om der zeldzaamheid wille) wordt er nog hooger geschat dan de geestdrift, dan de moed zelf. En Vittore Pisani, levende in eene eeuw, waarin men nog op oude Romeinsche tradities teerde, zelf afkomstig uit een geslacht, dat Romeinsch bloed in de aderen had, zou gemeend hebben aan dat bloed, aan zijn eigen faam en eere te kort te doen, zoo hij uitgelaten blijdschap had getoond,.

ocr page 385

371

zoo hij bij het vernemen zijner bevrijding eene andere dan eene rustige, onbewogen houding had aangenomen.

Kalm strekte hij de handen uit, die zoo hadden getrild van ongeduld in hunne ketenen, om ze nu te laten ontboeien. Rustig bleef hij gezeten, tot de beugels waren losgemaakt, die hem de enkels hielden omsloten.

Toen stond hij op; het was blijkbaar, dat de gewoonte sterker was geworden dan de natuur, want hij hield zich niet dan met moeite staande, maar toch wendde hij zich met waardigheid tot den Senator, zeggende, dat hij behoefte had zich gemeenzaam te maken met het denkbeeld zijner vrijheid, eer hij die werkelijk kon genieten, en dat hij daarom verzocht nog dezen nacht in zijn kerker te mogen blijven.

De Senator bleek meer verrast en getroifen door dit verzoek, dan de gevangene zelf bij de tijding, die de Senator even verrassend als verblijdend had geacht.

„Bedenk, Heer!quot; sprak hij in eenige verwarring, „dat de Senaat gezind is u te herstellen in uwe ambten en waardigheden; dat de Republiek uwe diensten noodig heeft!quot;

„Juist daarom, machtige Senator! moet ik mij hier eerst bekwaam maken tot die diensten, die de Republiek van mij wacht.quot; En daar de Senator aarzelde met zijn antwoord, vervolgde Pisani met een tintje van ironie: „de doorluchtige Senaat heeft mij hier te lang huisvesting verleend, om mij nu zoo plotseling de herbergzaamheid op te zeggen.quot;

„Heer Admiraal!quot; hernam de Senator met toenemende verlegenheid, naarmate hij zag dat het ongehoorde verlangen ernst was, „de Raad zal volgaarne aan ieder uwer billijke wenschen voldoen, maar dezen hier, verschoon mij, dezen hier zal hij moeten weigeren in \'t belang van Venetië; het volkquot; (het hooge woord moest er uit) „het volk eischt met onstuimigheid uwe bevrijding, en het zal zich niet laten bevredigen; het zal niet rustig uiteengaan voordat het u zeiven in vrijheid heeft gezien.quot;

ocr page 386

372

„Zoo toon aan de goede gemeente deze mijne ketenen, die nu verbroken zijn, en meld haar dat ik morgen bij het aanbreken van den dag, als een vrij man in haar midden zal zijn! Laat het haar uit mijn naam gezegd worden, dat ik dezen nacht noodig heb om mij te bereiden tot do nieuwe plichten, die ik heb te vervullen; dat ik het nog niet met mij zeiven eens ben, hoe ik ze zal opvatten ..., dat ik mij beraden moet met mijne consciëntie en met Grod.quot;

En toen de Senator weifelend staan bleef, als wachtte hij nog een veranderd besluit, hervatte de gevangene met eenige gejaagdheid, als kon hij den kleinen prikkel van dezen tegenstand nauw meer met lijdzaamheid dragen:

„Geloof mij, heer Senator! dat wat ik bedoel, is om aller bestwil,quot; en op zijne armen wijzende, waarin de boeien hun merkteeken hadden gegroefd, vervolgde hij: „of stemt gij het mij niet toe, dat deze indrukselen noodig hebben wat uit te slijten, eer ik mij aan het volk vertoon? Het moet immers den martelaar niet zien waar het den admiraal vraagt? Hebt gij mij verstaan machtige Heer?

De Senator moest verstaan hebben, want hij werd bloedrood, en hij trok af na eene buiging, die bijkans te ootmoedig was voor een lid van den regeeringsraad tegenover een gevangene, wien hjj de vrijheid had aangekondigd; maar hij voelde het zeker, dat de verhoudingen hier waren omgekeerd, en dat de man daar tegenover hem ook eene vrijspraak had te verleenen!

Hij gaf den gevangenbewaarder fluisterend het bevel om aan ieder verlangen van den vrijwillig gekerkerde te voldoen. Toen deze eindelijk alleen was, slaakte hij een zucht van verluchting, bleef hij een tijdlang op zijne ontvelde polsen staren en zeide langzaam en hoofdschuddend: „Hij die gaat, heeft niet eens begrepen, dat deze indrukselen noch de diepste zijn, noch de meest pijnlijke; maar hier, hier,quot; en hij drukte beide handen tegen het hart en bleef in een diep nadenken verzonken. Toen

ocr page 387

373

voor het eerst en zonder zelf te weten dat hij het deed, gebruik makende van de vrije beweging zijner ledematen, liep hij zijn kerker om en rond met rasse maar wankelende schreden; de grijze held moest zich weer oefenen in het loopen als een kind.

„Dank zij den bijstand des Hemels, de zwaarste verzoeking is doorgestaan!quot; sprak hij halfluid, terwijl hij zich een oogen-blik leunde tegen den steenon wand. „Zoo geen van die anderen het mocht begrijpen, Andreas Contarini, die een wijs en voorzichtig man is, zal mij verstaan; hij zal het raden, dat men niet zóóveel tijd in zulken kerker doorbrengt, zonder gedachten en overleggingen, waarvan men zich ontwennen moet in de ure der vrijheid en als het vaderland in gevaar is; dat hier in dezen stond een strijd wordt gestreden, die de nederlaag bij Pola vergoedt, als er de overwinning na volgt; gedachten en overleggingen, die men niet wil uitspreken voor de menschen, maar waarvan men rekenschap schuldig is aan God, waarover men zich met God moet verzoenen!

„En de overwinning moet worden behaald; aleer mag die deur zich niet voor mij openen.quot;

De machtige held was tevens geloovig Christen, en zoo de strijd, dien hij tegen zich zeiven had te leveren, getuigt, dat de overwinning nog niet volkomen was behaald, dat het men-schelijke in den mensch met de grootsche heldennatuur en de consciëntie van den Christen worstelde, toch bewijst het tevens, dat hij in vollen ernst de zege wilde en dat hij ook wist, dat er meer dan menschelijke hulp tot bondgenoot moest worden ingeroepen om die te behalen.

De Raad van Tienen had toch de beteekenis van zijn verlangen, om niet terstond van zjjne vrijheid gebruik te maken, wel begrepen. Zeker, het zou niet goed zijn geweest, zoo de lijdende held plotseling ware opgetreden te midden van dat opgewonden volk, met de versche sporen eener wreede gevangenschap in het voorkomen en op het gelaat, en de volle bitterheid der ge-

ocr page 388

374

leden krenking in het harte. De hartstochtelijke verontwaardiging der menigte, haar mededoogen, haar onwil tegen zijne verdrukkers, zou zich niet tevreden hebben gesteld met zijne bevrijding alleen; stouter in hare eisehen, naarmate zij die zag ingewilligd; overmoedig in den roes der behaalde zegepraal, zou zij niet slechts Vittore Pisani willen verheffen, maar zjj zou hem ook willen wreken, en deze zou dan niet slechts met deze bondge-nooten kunnen doen al wat hij wilde, maar zij zouden met hem doen, meer dan hij zelf wilde, en hij zou dan niet machtig zijn den stroom der hartstochten te beteugelen, die hem met zich voortsleepte.

De patriciërs vingen nu aan te beseffen, wat reeds lang de overtuiging was geworden van het volk: dat Vittore Pisani deugden en hoedanigheden bezat, die hem boven de gewone berekeningen, boven de gewone schatting der mensehen verhieven, en dat hij ook had moeten staan boven het peil hunner verdenking, en dat zij eene onjuiste maat hadden gebruikt, door hem te nieten naar \'t geen er omging in hen zeiven. Zij haastten zich nü om het joelende volk te bezadigen, door de mede-deeling, dat Pisani ontslagen was door den Senaat, maar dat hij begeerd had nog een nacht in het paleis door te brengen en dat men hom niet zien zoude voor den volgenden morgen.

En dat die mare niet werd gewantrouwd door de Venetianen, bewees het vreugdegeschrei, de juichtonen die opstegen van alle zijden; de vreugdevuren, die men ontstak op het St. Marcus-plein; de huizen, die men verlichtte als bij een hoog-getijde; de brandende pektonnen, die men liet drijven op de verschillende kanalen; het vroolijk gezang der gondeliers, die vreugdeliederen aanhieven ter eere van Pisani; het geroep en gejubel, dat bleef aanhouden den ganschen zomernacht door, want de menigte week niet van de St. Marcus-plaats; integendeel, alles wat niet derwaarts getrokken was om de vrijheid van Pisani te eisehen, kwam nu toch toeloopen om deel te nemen

ocr page 389

375

aan de blijdschap over zijne bevrijding! Uit de afgelegenste voorsteden, uit de verst verwijderde kanalen stroomde het aan, opmerkzaam gemaakt door de vreugdevuren en de verlichte huizen in de naaste omgeving van de Piazza. Men vroeg niet naar nachtrust; men verkoos den morgenstond af te wachten om toch van de eersten te zijn, die den geliefden held zouden aanschouwen; om getuige te zijn van zijne eerste schreden buiten het paleis; om zijn aanblik te genieten, zoodra hij zich vertoonen zou of ook wel om het levendig, belangwekkend schouwspel zelve, dat de schoone stad Venetië opleverde in dien vreugdenacht onder een heerlijken sterrenhemel. Ik zeg niet, dat de geestdrift bij allen even gloeiend was, en dat er niet bij waren, die als Mout ons de Panurge volgden omdat anderen hun voorgingen, en bleven omdat anderen er waren, maar de liefde en de belangstelling voor den volksheld was toch het groote beweegmiddel van het grootste deel dier menigte, on zij was van zuivere gehalte, want zij ging uit van gehechtheid aan het vaderland; van den wensch tot het behoud van de onafhankelijkheid der Republiek. En het voorwerp van al deze toejuiching hoorde ook weder deze vreugdekreten in zijn kerker, zooals hij er het angstgeschrei en de alarmkreten had verstaan, maar hij hoorde ze ditmaal zonder er naar te luisteren. Hij had wel op iets anders te denken dan op eene afgodeering, waarvan hij zelf het voorwerp was; hij had het gezegd, hij had te rekenen met zijne consciëntie en met God. Hij had zijn biechtvader verlangd, en hij bracht den nacht door in schuldbelijdenis, in boete en in gebed.

Men noeme het geene bekrompenheid in den Katholiek van •de middeleeuwen, dat hij een tusschenpersoon noodig achtte, waar hij zondebelijdenis had te doen voor God; dat hij, aan het middelaarschap van Christus geloovende, toch nog den bijstand van een mensch vroeg, om hem onderpand te geven van schuldvergiffenis.

ocr page 390

376

quot;Wij, die de verlichte vroomheid eeren in onzen protestantschen de Ruyter 1), wij kunnen den zeeheld van de XIV\'lc eeuw, waarin noch de Boekdrukkunst, noch de Hervorming hare diensten hadden kunnen doen ter vrijmaking van den menschelijken geest, aan de voeten zien van zijn biechtvader, zonder ergernis niet slechts, maar met eerbied voor den ootmoed van den Christen, die zich de vernedering voorbeen mensch niet schaamt, waar hij wil opklimmen tot de gemeenschap met God.

Geheel anders echter moet ons oordeel zijn over hen, die, in aanraking komende met al het licht, dat de fakkelen van \'t goddelijk Evangelie en der menschelijke kennis beide, reeds eeuw bij eeuw, telkens ruimer, milder, helderder verspreiden, over de nieuwe wereld zoowel als over de oude, toch willens en wetens, ja, met verharding van den wil, en met verkrachting van het geweten, de oogen sluiten voor die liefelijke stralen, en zich als met weelde rondwentelen in het slijk des bijgeloofs, of er het zwaard voor opheffen, zoolang ze een arm hebben om dat te voeren ; zij, zij verdienen ... de veroordeeling, die hen aireede heeft getroffen; laten wij ze daaraan over. — De bijl ligt niet meer aan den wortel van dien giftboom, die Italië zoolang heeft verpest, maar zij is reeds opgevat en wordt dapper gehanteerd; de spade is er in den grond gestoken ter ontginning van distelen en doornen, die den rijken en grootschen plantengroei van het Zuiden verstikten, en het is misschien meer dan tijd op dit oogen-blik, om andere waarschuwingen aan het volk van Italië en hare bevrijders te richten dan die tegen bijgeloof; ongeloof is geen minder kwaad en is even verderfelijk voor der volkeren heil en der staten vastheid; met Eome den rug toe te keeren, is men nog geen Christen geworden; en ziedaar toch wat er noodig is ook in Italië, ook voor de Italianen, zal het herstel van burger-

1) Men herinnert zich zijne waardige toespraak aan eenige predikanten van verschillende gezindheid, die hij uit de boeien der Algerijnen had verlost.

ocr page 391

377

lijke vrijheid met eene wezenlijke zedelijke oprichting van het volk gepaard gaan. Naast de rechten die men inroept, vergete men niet de plichten, die men heeft te vervullen, allereerst die jegens God, den „Gever der Victorie,quot; zooals de oude Oranjehelden plachten te zeggen.

Men jubele niet slechts zoo er zegepraal is, maar men doe als Pisani en keere in tot zich zeiven, en onderzoeke de eigen consciëntie, eer men zich aan den bedwelmenden roes der triomfen overgeeft.

Daar is geen beter middel en geen meer zuiver tevens, om de waarachtige vrijheid van een volk te verzekeren en te bevestigen, dan dat ieder individu zich vrijmake van den slavenketen der zelfzucht en der zonde, en zich begeve onder het juk van Christus, dat volkomen vrijmaakt. Ziedaar eene vrijheid, die kan worden nagejaagd, zonderdat er loslating van booze hartstochten of de inmenging van zinnelijkheid en eigenbaat op zal volgen. Dat het koninkrijk Gods kome in de harten der burgeren van het nieuwe koninkrijk van Italië, dat zal de verschillende land-\' schappen vaster aan elkander hechten en meer blijvende grondslagen schenken aan de ware eenheid van Italië, dan Italiaansche bond- of vorstencongressen en tractaten daaraan kunnen waarborgen. Vrome onnoozelheid of onnoozele vroomheid! wordt er misschien glimlachend uitgeroepen bij het uitspreken van dezen wensch! ik zeg daarop, dat men vooral op geestelijk gebied de hope heeft zien vervullen tegen hope, en dat, waar men de kiem ziet van het goede zaad, ook de volle wasdom zal volgen.

„Sneeuwkleed beschut, maar verstikt niet het koorne,

„Krachtigst wordt hij, die het lijdzaamste wacht!quot;

roept ons de poëzie bemoedigend toe, maar als wij ons door haar lieten wegsleepen tot luisteren, zouden wij Pisani vergeten, of verontachtzamen, en behalve dat hij dit niet aan ons heeft verdiend, zou de goêgemeente van Venetië ons dat niet toestaan.

ocr page 392

378

De dag was aangebroken; de zon, als oprijzende uit de Adri-tische zee, besprenkelde met gouden looveren de zachte golfjes ■der Lagunen.

quot;Wat was Venetië schitterend schoon in dien ochtendstond; wat was ze frisch en rijk in dien vollen bloei harer rijpe jeugd; wat geleek zij toen op de beschrijving van den dichter:

„She looks a sea Cybele fresh from ocean,

„Eising with her Tiara of prond Towers

„At airy distance, with majestic motion,

„A rnler of the waters and their powers.

And such she was!quot;

Ja, toen was zij het nog, ondanks den drang van het oogen-blik, maar zij had reeds keuze gedaan van den ridder, die het zwaard zou aangorden om het haar te doen blijven. Wat was zij schoon en fier in hare fantastische dracht, die Godinne dei-wateren ; den Oosterschen mantel om de schouders en den ma-lierok der kruisridders over de heupen; het hoofd gekroond met de phrygische muts, niet gebonden, maar gesierd door den diadeem der Dogen; wat was zij majestueus, toen de ochtenddam-pen wegtrokken als luchte sluiers, die hare schoonheid eene wijle hadden omneveld; wat schitterde dat koepeldak van haar grootschen St. Marcustempel van den weerschijn der eerste zonneglansen; wat speelde er vroolijke lichttinten op die bronzen paarden, die Doria dreigde te breidelen, maar die nog on-geteugeld dat hooggewelf sierden, als zegeteekenen van een ouden triomf. Wat blonk dat kleurige marmer van hare pleinen en paleizen in dat helle, volle daglicht; wat dansten er grillige schaduwen tusschen die arabesken van fijn kantwerk, in steen uitgehouwen. Wat was die hemel helder en dat water blauw; wat waren zij nog liefelijk, die zoelte zonder hitte, die zachte glansen zonder zengenden gloed!

Bovenal, wat was zij opgewekt en vroolijk, die bevolking, die

ocr page 393

379

de vermoeienis niet had geacht en evenmin gevoeld, sinds de zon was opgegaan over den dag harer hope. En toch op eens, welk een ademlooze stilte onder die menigte, die daar zoolang reeds joelend en woelend had dooreengewriemeld, zich verdee-lende in groepen of aandringende in rijen, elkander voortduwende en wegdringende, elkander zoekende en vermijdende, elkander verschalkende en botsende; en nu op eens iets als stilstand, iets, alsof de tooverroede eener fee haar tot eene groote massa standbeelden had omgetooverd. Het is de stilte der gespannen verwachting, de stilte ook van bangen twijfel; de zon was opgegaan over den dag hunner hope, maar de straal hunner redding lichtte nog niet!

Zou hen teleurstelling treffen; zou de Doge en de Raad hen arglistighjk hebben misleid?

Reeds begonnen er oogen te flikkeren bij de mogelijkheid dier onderstelling; reeds grepen er handen werktuigelijk naar dolk en zwaard; eene teleurstelling als deze was niet van die, welke het volk ongewroken laat.

Men zou lijdzaam zijn en geduldig, totdat. ..

Maar welk een oorverdoovend geschetter van stemmen gaat daar op uit die voorste rijen, die het dichtst bij het paleis zijn doorgedrongen? het zijn luide vivats, waaraan geen einde schijnt te komen, en waarin, met volle geestdrift, wordt ingestemd door de duizenden op verderen afstand, wier vreugdgeschrei weer tot echo strekt om de blijde mare verder te brengen, al verder op zulke wijze, dat het vreugdbetoon der Venetianen van de St. Marcus-plaats tot op de Rialtobrug, van de Rialtobrug tot aan het Lido, van het Lido tot aan Murano en van Murano tot aan Chiozza zal weerklinken, om het aan de vijanden, aan de Genueezen te verkondigen, dat Vittore Pisani in vrijheid is, dat de groote vlootvoogd der Venetianen zich weer opmaakt tot bescherming der Republiek, dat Carrara zijn beulenwerk mag staken en Doria zijne fierheid matigen, want dat Venetic

ocr page 394

380

zich gaat opheifen van hare nederlaag onder de bezielende leiding van den uitverkoren redder! Ja! dit was de ware betee-kenis van dat luide vreugdebetoon; het was niet slechts de uiting der blijdschap van het oogenblik, maar het hield ook beloften in voor de toekomst. Beloften, om zich op te richten uit de verslagenheid, waarin men was weggezonken, of uit de radeloosheid, die tot tweespalt en opstand had verleid; beloften van aller krachtsinspanning en vaardigheid tot alle offers, die het vaderland vragen kon van waardige zonen!

Ja, het volk zou nu strijden en gehoorzamen, want het zag den man voor zich, die het ten strijde wist aan te vuren door den blik van zjjn oog; die het tot offers bekwaam maakte door een handdruk en een glimlach, en wiens wenk men gewoon was op te volgen met al de gewillige haast der liefde.

Ja! daar trad hjj op, zooals hij beloofd had, met een nieuwen dag en als tot een nieuw leven; niet als een lijdende martelaar, maar als een overwinnaar.

Hij had de overwinning behaald, die hij zich zeiven had voorgesteld; dat was hem aan te zien. Daar lag stille waardigheid in zijne houding, zonder aanstelling of gemaaktheid. Daar lag als een waas van heiligen ernst over zijne trekken; daar glansde geestdrift op zijn voorhoofd, maar tevens de vastheid van wil, die de geestdrift beheerscht. De levendigheid van zijn blik was door zachten weemoed getemperd, toen hij met een zwijgenden groet het uitbundige gejubel beantwoordde. Zijne kleeding was die van zijn rang, en hij had den degen op zijde.

Nauwelijks had hij den dorpel van het paleis verlaten, of het was hem niet meer mogelijk eene schrede te doen. De naastbijstaanden maakten zich meester van zijne handen om die te kussen; mannen en vrouwen van allerlei stand wierpen zich aan zijne voeten, omhelsden zijne knieën, raakten zijne kleederen aan, als ware hij een heilige geweest, van wien wonderdoende kracht zoude uitgaan; moeders hieven hare kinderen

ocr page 395

381

tot hem op, dat hij ze zegenen zou; men drong en drukte en stootte elkander om het voorwerp dier hartstochtelijke vereering te naderen, of ook slechts te zien; facchini, gondeliers, matrozen, werklieden uit het arsenaal, die niet allen te gelijk tot hem konden doordringen, zonken elkander in de armen, als duizelend onder eene vreugde, die zich toch wilde uiten; ze zouden de kolommen van het Dogepaleis aan het hart hebben gedrukt, zoo ze geen menschelijke borst hadden gevonden, om zich daaraan neer te vleien! Jonge boogschutters, die op verren afstand stonden, schoten hunne pijlen in de lucht, om de opmerkzaamheid van den held tot zich te trekken, en dat alles onder altijd hernieuwde Evviva\'s en zegewenschen aan Pisani gericht, en schetterend jubelgroep over zijne bevrijding! En dat alles ten aanzien van die Senatoren en patriciërs, die hem haatten en benijdden, en die nu zwijgend, verslagen of onrustig de getuigen waren van den schitterenden triomf, door hun slachtoffer behaald.

Hun slachtoffer? maar hij, die toch levend ontkomen was aan hun haat, liep nu een ander gevaar: hij werd bedreigd om het slachtoffer te worden van de onstuimige en hartstochtelijke liefdeblijken zijner vereerders.

Niet slechts buiten staat verder te gaan, zooals zijn oogmerk was geweest, maar zelfs onmachtig zich te bewegen in het gedrang om hem heen, en bij de liefkoozingen waarmee men hem overweldigde, werd het hem tevens onmogelijk, zich te doen verstaan onder het daverend gejuich om hem heen; het begon hem te ontbreken aan lucht, terwijl de plotselinge overgang uit de diepe stilte eener onderaardsche gevangenis tot het gejoel en oorverscheurend geschrei van zulke volksmassa, bij den held, wiens geest sterker was gebleven dan zijn lichaam, eene aangrijpende uitwerking had; hij duizelde, hij wankelde en was op het punt bezwijmd neer te vallen. Dat begrepen een paar forsche matrozen, die met eenheid van wil en daad, snel

ocr page 396

382

als de gedachte, den geliefden vlootvoogd ophieven met hunne armen, en hem dus door de menigte heendroegen, die ten laatste inzag, dat zij hem het meeste dienen zou in dit oogen-blik door plaats te maken voor zijne kloeke dragers. Maar die tocht mocht evenmin zonder nieuw huldebewijs afloopen, oordeelden anderen; het waren soldaten van de Republiek. Snel werd het vaandel van St. Marcus afgerukt van een der standaarden, en dat boven het hoofd van den admiraal zwaaiende, volgden zij onder luide toejuiching tot op eene kleine verhevenheid, waar de admiraal zijne dragers deed standhouden en zich liet nederzetten.

Toen trok hij den degen en wenkte dat hij het volk wilde toespreken.

De achterdochtigsten onder de Tienmannen verbeten zich de lip; daar waren patriciërs die verbleekten; in dit oogenblik had Pisani slechts voor te schrijven wat hij wilde, om het volbracht te zien door het volk! — Zoo hij Dictator wilde zijn... .

Hij wilde niets dan het volk te herinneren aan de belofte, die het had afgelegd, van nu alle krachten in te spannen tot redding der Republiek; van nu te strijden of te sterven onder de banier van St. Marcus ; van nu de tweespalt te vergeten, eigen wil te verzaken, zich zelf te verloochenen tot gehoorzaamheid aan de overigheid, en op God te zien, van wien alle uitkomsten zijn. Hij deed het hen opmerken, dat het alleen onder deze voorwaarden was, dat hij hen danken kon voor hunne liefde, die zijne bevrijding had bewerkt, en dat hij de hulp, die zij hem met zooveel vaardigheid hadden aangeboden, zou aannemen ten bate van \'t Gemeenebest. Hij wilde eindelijk hen vermanen om rustig naar huis te gaan, en door degelijke daden, beter dan door luidruchtig vreugdegebaar, hunne liefde en dankbaarheid te toonen.

En het volk, dat uit den mond van den Doge zulk eene toespraak mogelijk als een bar verwijt zou hebben opgevat, waar-

ocr page 397

383

over het in morren zou zijn uitgevallen, werd den toon en de keuze der woorden, door den edelen eenvoud en de zachte gebiedende houding van hem die ze uitsprak, vooral omdat ze uitgesproken werden door een gunsteling, zóó getroffen en verrast tevens, dat het luide de belofte herhaalde, die Pisani van hen vroeg, en dat het zelfs voldeed aan het verlangen om rustig uiteen te gaan.

Vittore Pisani was nu vrij in zijne bewegingen, en de eerste daad zijner vrijheid was een kerkgang.

Hij ging de mis hooren in de kapel van St. Nicolaas; zijne eerste behoefte was dankbaarheid aan God voor zijne verlossing, gemeenschapsoefening met den Heer, die hem kracht had gegeven tot de groote innerlijke overwinning; die hem zoo kalm, zoo eenvoudig en zoo waarlijk groot maakte bij den uitei--lijken triomf.

„En ile overwinnaar bail!quot;

Er zijn gebeden, die altijd verhoord worden; hot is dan, als de geheiligde wil tot een zuiver gebed heeft opgevoerd; hetgeen dan wordt gevraagd van God is geen eisch der zelfzucht, maar eene overgave van zich zelveu, die al verkrijgt wat zij noodig heeft.

Dus moet het gebed zijn geweest van Vittore Pisani in dien schoonen, grooten morgenstond, te oordeelen althans naar hetgeen volgde.

Het behoorde tot zijne verplichtingen, zijne opwachting te gaan maken bij den Senaat, opzetteljjk bjj een vergaderd in vollen getale te zijner ontvangst.

De Raad van Tienen met den Doge, de Raad van Veertigen 1),

1) De geduchte Eaad van Drieën (I tre di sopra), die in lateren tijd damp; staatsinquisitie vertegenwoordigde, bestond nog niet; maar de geest, waaruit dit vreeselijk tribunaal oorsprong nam, heerschte reeds.

ocr page 398

384

en alle patriciërs, die recht van zitting hadden in den Groo-ten Eaad, bevonden er zich; bijgevolg kwam hij in tegenwoordigheid van zijne benijders, van zijne vijanden, van hen, die list hadden gebruikt om hem hinderlagen te leggen en geweld om hem te straffen, toen hij gestruikeld was. Zijne beschuldigers, die zijn goeden naam hadden bezwalkt, waren daar, zoowel als zijne rechters, die geloof hadden geslagen aan hunne lasteringen.

Over zijne vijanden te zegepralen was niet het zwaarste voor hem; hij beoogde het meerdere: ze te bevredigen en te verzoenen. Terstond na de mis ging hij derwaarts. Al wat recht van toegang had in \'t paleis, was daar bijeen. Reeds tei.stond bij zijne intrede gewerd hem een blijk van liefde, wel geschikt zijnen hateren een bewijs te leveren van den invloed, dien hij had op alles wat hem omringde.

De soldaten, die in het paleis dienst deden, lieten niet toe, dat de grijze admiraal, wiens knieën ze zagen knikken, de groote trap zou opstijgen; zij droegen hem op hunne armen tot in de Raadzaal!

Pisani, volgende den eisch der étiquette, wierp zich aan de voeten van den Doge, die hem wenkte op te staan en die het noodig achtte in zijne toespraak vooral aan te dringen op vergevensgezindheid; die hem vergetelheid van het verledene aanbeval, en vermaande de Republiek te dienen zonder om te zien; terwijl hij zijne vermaning eindigde m.et te herinneren, dat hij gevangen was gezet, omdat hij de Republiek schade had toegebracht door zijn verlies bjj Pola, en dat men hem ■de vrijheid hergaf om die schade te herstellen. „En nu, Vittore Pisani,quot; eindigde hij, „ga, en wees zoozeer de schrik onzer vijanden, als gij de gunsteling zijt van de Republiek.quot;

En Vittore Pisani, zich opheifende, sprak met edelen eenvoud: „Ik heb mijn vonnis ondergaan zonder morren, voor zooveel het mij zei ven betrof, en nu ik de vrijheid herkregen heb, is

ocr page 399
ocr page 400
ocr page 401

385

het gedenken van de grieven, die ik heb kunnen gevoelen, reeds verre van mij. De Heer, wiens lichaam ik ontvangen heb in dezen ochtend, is mijn getuige, dat alle bitterheid van mij geweken is. Daarenboven, kon ik schooner vergoeding wenschen voor al het geledene, dan de eer, die de Republiek mij doet door hare verdediging aan mij toe te vertrouwen? Mijn leven is aan haar gewijd; moge God mij de noodige kracht schenken om zoo grootsche taak waardiglijk te volbrengen!quot;

Tegen een antwoord zoo ernstig en toch zoo zedig, zoo groot en toch zoo eenvoudig, was de haat en het wantrouwen niet bestand. De uitdrukking, die de grijze held er in had gelegd, gaf daaraan iets onwederstaanbaars; de Doge en verscheidene Senatoren stonden op van hunne zitplaatsen en omhelsden Pisani onder diepe aandoening; allen waren getroffen; in dien Grooten Raad, dien men koud en onbewegelijk had gezien bij zoo menig roerend tooneel van smart en zielelijden, zag men nu tranen stroomen, die de fiersten zich niet schaamden; Pisani had zijne vijanden verslagen, en wat meer zegt, hij had ze aan het harte gedrukt!

^Nauwelijks had de schare bevoorrechten, die tot het paleis, tot de galerijen, tot dicht bij de open raadzaal waren genaderd, dit tooneel aanschouwd en de woorden van Pisani verstaan, of zij barsten uit in luide toejuichingen, die den „grooten patriot,quot; „den beproefden zoon des vaderlandsquot; golden, zooals ze Pisani betitelden, en de vivats ter zijner eere werden aangeheven met verdubbelde geestdrift. Maar Vittore Pisani, zich tot hen keerende, riep: „Leve St. Marcus! Venetiar.en! ziedaar de eenige leus, die de burgers der Republiek betaamt!quot;

En nu, is het noodig meer te zeggen over de waarde en de beteekenis van den triomf, door Pisani behaald? Het was nog meer dan de triomf van den Republikein, ter liefde van zijn Vaderland; het was de triomf van den Christen over den natuurlijken mensch, en waar wij in gedachten den vlootvoogd van Engelschen te Rome enz. 25

ocr page 402

386

1378 hebben gesteld naast den vurigen vrijheidsheld van Italië in onzen tijd, daar is de wensch, dat de vergelijking moge doorgaan tot den einde, immers noch vermetel noch kwetsend? Waarvoor leefden de groote mannen; waarvoor dienen de voorbeelden der geschiedenis, zoo het niet zijn zou ter opwekking van het nageslacht, en zij \'t niet voor dien éénen en eenigen, die als Pisani geene opwekking noodig heeft om overwinningen te behalen, aan de zijne gelijk, dan toch moge het zijn voor zoovele als daar strijden aan zijne zijde, voor zoovelen als er ontslaakt worden door zijne hand; voor Venetië, als het uit de sombere diepten van hare versmaadheid zal worden opgeheven; voor dat gansche Italië en die Italianen, waarop Europa, waarop de wereld met liefde en belangstelling staart, maar tevens met vreeze en bevinge....

De politieke horizont, vanwaar haar wel of wee schijnt te moeten toekomen, is veranderlijk als het weer, is den kalei-doscoop gelijk, die bij iedere lichte schudding eene andere figuur toont, altijd met dezelfde voorwerpen; wie zal met juistheid voorspellen wat haar te wachten staat, wat te vreezen ?

De arm, die den kaleidoscoop gevat houdt, is een reuzenarm; het brein, dat zijne bewegingen leidt, niet te doorgronden; Italië heeft een meer betrouwbaren bondgenoot noodig; Italië kieze het bondgenootschap van dien Machtige, aan wien Willem van Oranje zich ook had verbonden in de donkere dagen zijner worsteling voor onze vrijheid; den koning ook der keizeren, de Rots der Eeuwen, die de harten der vorsten leidt als waterbeken, die het lot der volkeren regelt naar Zijn wil, en die het dicht verwarde weefsel eener looze staatkunde als een spinneweb uiteen kan blazen met de ademtocht Zijner almacht.

Hij heeft geen welgevallen

Aan de eigen kracht des mans,

De macht der duizendtallen,

De scherpte van den lans.

ocr page 403

387

Hooghartig weerstaat Hij,

En nu, en t\' allen stond!

Zijn hateren verslaat Hij Met d\' adem van Zijn mond!

\'t Geheim van allen zegen,

(Oranje) Itaalje en Neerland, hoort!

Is in Gods vrees gelegen.

Zijn dienst. Zijn gunst. Zijn Woord!

Zijn er mogelijk nog lezers, begeerig te weten of Pisani werkelijk de redder werd van de Republiek, waarvoor hij reeds vooruit was gegroet, en hoe het ging met den oorlog tusschen Genua en Venetië?... Mijne vrienden! ik bedoelde slechts u een enkel beeld te geven uit dien ouden tijd; de lijst, waarin het behoorde, was een oorlogstooneel, dat ik u niet kon sparen, maar een volledig geschiedverhaal te leveren lag niet in mijne bedoeling. Toch hebt gij recht om te weten, hoe het Pisani verder ging.

Hij deed het mogelijke voor Venetië, al kon hij niet alles doen wat hij voor haar had gewild. Wat de gespannen verwachting zich van zijne tusschenkomst had voorgesteld, werd niet overtroffen, maar het was reeds veel, dat hij die niet teleurstelde. Hij had mirakelen moeten doen, zoo hij die had willen overtreffen, en toch, het waren bijna wonderen, die hij verrichtte, met behulp van den goeden wil en den volvaardigen dienst van allen, die hij om zich vereenigde. In volle waarheid mocht het van hem gezegd worden, dat zijn naam voor een leger gold. Alles wat in Venetië de wapenen dragen kon, van den zestienjarigen knaap af, tot op den grijsaard van zijn eigen leeftijd toe, liet zich ten huize van Pisani opschrijven tot den dienst van de Republiek. In \'t begin echter bracht deze volvaardige geestdrift hem in groote verlegenheid. De Senaat, hoe oprecht de verzoening ook ware geweest, had eene kleinigheid vergeten bij zijne invrijheidstelling, eene kleinigheid, maar die in deze

ocr page 404

388

hachelijke oogenblikken nogal van gewicht was. Men had Pi-sani niet in zijne waardigheden hersteld; men had hem geenerlei ambt of rang opgedragen, en de personen, die zich bij hem kwamen aanmelden, de werklieden van de werf en van het arsenaal, die zijne bevelen kwamen vragen, moesten onver-richterzake terugkeeren. Pisani had geenerlei qualiteit om hun orders te geven! Men ziet het, het stelsel van wantrouwen en overvoorzichtigheid was te Venetië sterker dan alles! Wat wilt gij ? . . . de kracht der gewoonte .. . Maar het volk dwong den Eaad toch om voor ditmaal met zijne gewoonte te breken, en Pisani werd tot Generalissimus verheven over land- en zeemacht. In den tijd van drie dagen waren zes galeien uitgerust, bemand, van krijgsvoorraad en levensmiddelen voorzien, uit vrijwillige giften en bijdragen der burgers. Eene vloot van zes galeien be-teekende zeer weinig tegen de scheepsmacht, die de Genueezen in de Golf hadden vereenigd, maar ter beveiliging van Venetië, onder de bevelen van Pisani, hadden ze hunne waarde. Den vijand af te schrikken van een aanval op de stad, door een vertoon van macht, waarvan men de werkelijkheid niet bezat; scherpe waakzaamheid te gebruiken tegen alle verrassing; zwakke punten door dammen, muren, torens en gezonken schepen te versterken; gewapende barken te laten kruisen in alle kanalen, die men niet ontoegankelijk had kunnen maken, en intusschen het ongeoefende schippers- en visschersvolk tot ware zeelieden en soldaten om te scheppen, ziedaar al wat de admiraal kon en mocht doen voor Venetië, in afwachting van meerdere krachten onsterkere hulp. Zijn gezag was er noodig om de overmoedige Venetianen, die zich sterk waanden sinds zij hun admiraal hadden, van gewaagde tochten tegen Chiozza en de Genueezen af te houden. Door lankmoedigheid met strengheid af te wisselen, door zich als het ware te vertiendubbelen en voor alles in persoon op te komen, gelukte het Pisani dien toestand te rekken tot de eindelijke komst van Karei Zeno met de Venetiaansche vloot uit de Grieksche

ocr page 405

389

■wateren. In dien tusschentijd had de Generalissimus te kampen gehad met eene bevolking in hongersnood, daar de Ge-nueezen den zeeweg afsloten en Francesco Carrara van de landzijde wacht hield, dat geenerlei krijgsvoorraad of leeftocht naar Venetië kon worden toegevoerd. En dat, terwijl de scheepsbouw en de uitrusting der manschappen niet vorderen kon zonder aanvoer van buiten; terwijl het wanhopige volk telkens den bevelhebber onder tranen en beden het voorstel kwam doen, hen liever op het water te laten sneuvelen in den strijd tegen den vijand, dan van honger te laten sterven in hunne huizen. En dat, terwijl de vijand reeds zóó nabij was, dat men de klokken van St. Marcus niet meer durfde luiden, uit vreeze dat hij ze zou hooren! De vertwijfeling steeg tot het voorstel van eenige radeloozen, om de Lagunen te verlaten en weg te wijken, met al wat men op de schepen bergen kon, naar eenig afgelegen eiland, nog in \'t bezit der Republiek. Men kan denken, welk eene geestkracht, welk eene overredingsgave er toe behoorde, om aan deze ingevingen der radeloosheid te wederstaan. Men kan zich ook voorstellen, wat het hart van een Pisani, van den grooten patriot, er onder leed. Maar toch hij overkwam dat alles, hij weerstond dat alles, zonder toe te geven en zonder de volksgunst te verliezen. Mij dunkt, dit bewijst meer voor zijn karakter, dan of wij de gansche reeks zijner maatregelen en handelingen in dat tijdstip met u doorliepen.

De Doge en de Senaat stonden hem wakker ter zijde. Zij waren het niet, die uit zwakheid het Vaderland zouden verloren geven. Zij waren het volkomen eens met den Generalissimus, dat men zich in Venetië verdedigen moest tot op het uiterste, en zich onder de puinhoopen der schoone hoofdstad moest laten begraven, veeleer dan die te verlaten. De Signoria liet een decreet uitgaan, dat ieder inwoner, die zich onderscheidde door toewijding aan de algemeene zaak, zou worden opgeschreven in het Gulden Boek en recht zou hebben tot zitting in den

ocr page 406

390

Grooten Baad. Er waren toen handwerkslieden, kunstenaars, winkeliers, die zich door de zeldzaamste bewijzen van moed, van toewijding of van opofferingen, waarbij ze huis en hof prijs gaven, den weg baanden tot die hooge eere. De Cigogna\'s, de Paruta\'s, de Einieri en vele andere dagteekenen hun adeldom van die sombere dagen der Republiek. Zoo kreeg men ten laatste eene vloot van vierendertig galeien bijeen, geheel uitgerust, en bemand, en hiermede wist Pisani den vijand op een afstand te houden. Hij kruiste met zijn eskader tot oefening van zijn scheepsvolk in de kanalen van Giudecca en St. Nicolaas in Lido; en de Genueezen, zulk eene ongewachte ontwikkeling van scheepsmacht ziende, begonnen over hun eigen toestand na te denken en reeds groote bezwaren te zien in eene overwintering op Chiozza; twee maanden daarna was Pisani genoeg zeker van zijn scheepsvolk en soldaten om ze ten strijde te durven voeren; toen ontwierp en volbracht hij het stoutste ontwerp, dat in een krijgsmansbrein kon opkomen: hij keerde de verhouding om, verliet de Lagunen, na voor hare bewaking gezorgd te hebben, en blokkeerde de vloot der Genueezen in de haven van Chiozza, om haar te dwingen zich over te geven zonder eens tot een slag te zijn gekomen! Men zou een krijgskundige moeten zijn om met juistheid te beschrijven en zelfs volkomen te waardeeren de middelen, waardoor hij dit stoute plan voorbereidde. Ons is het genoeg, dat hij het ten uitvoer legde. De Genueesche schepen waren opgesloten in de wateren van Chiozza, waren tot onbewegelijkheid gedoemd, terwijl de Venetiaansche vloot vrij was in hare bewegingen van uit en naar de Lagunen terug. Voordat Pisani die verliet, op den 23sten December 1379, had hij eerst het volk toegesproken en vermaand om goeden moed te houden, uit alle macht en door alle middelen zich tot de verdediging van de hoofdstad gereed te houden, terwijl hij en de patriciërs, die hem bij deze onderneming volgden, op het Evangelie hadden gezworen, dat men

ocr page 407

391

niet weer naai- Venetië zou terugkeeren, zonder den vijand verdreven te hebben.

De Doge, ondanks zijn hoogen leeftijd wilde aan dezen stouten tocht zijn goedkeuring hechten door persoonlijke deelneming. Hij beklom het admiraalschip, waarop de groote banier van St. Marcus werd opgeheschen. Het duurde nog tot den Isten Januari 1380, eer het Zeno mogelijk was zich aan deze expeditie aan te sluiten, en het was onder alle bedenkelijke moeielijkhe-den en bezwaren, dat Pisani het geduld zijner matrozen rekte en de strijdwoede zijner soldaten beteugelde (strijdwoede door allerlei leed en last aangevuurd) tot die driewerf welkome aankomst. Van toen af kon men ook Venetië als gered beschouwen, schoon de herneming van Chiozza en de verdrij ving der Genueezen nog de vereenigde krachten en het vereenigd beleid van den vurigen jongen Zeno met den ervaren en bedachtzamen grijzen admiraal had gevorderd, maar men kwam toch daartoe, en het bestaan der Republiek, de zekerheid van Venetië, was gewaarborgd.

Toch was de oorlog met Genua daarom niet geëindigd, maar die duurde voort met afwisselende krijgsfortuin tot beide mededingsters er hare krachten en schatten hadden ingeboet. Toen werd er vrede gesloten; een vrede waarbij Venetië niet eens de meeste uiterljjke voordeelen aan hare zijde had. Maar zij had hare onafhankelijkheid weten te behouden van buiten, en de band der eendracht onder alle klassen en rangen was versterkt geworden in het gemeenschappelijk gevaar, dank zij het verheven voorbeeld van haar admiraal. Deze beleefde niet eens het eind van den oorlog; hij overleed te midden van zijne krijgsbedrijven als een waardig admiraal op zijne vloot, aan de gevolgen zijner wonden en doorgestane vermoeienissen. Er werd rouwe over hem bedreven door adel en volk beide, zooals er vóór hem nooit over eenig burger der Republiek had plaats gehad. Zijn lijk, uit de golf van Manfredonia naar Venetië heengevoerd,

ocr page 408

392

■werd er met groote plechtigheid op kosten der Republiek begraven, door den Doge en den Senaat en geheel den adel in rouwkleederen naar de laatste rustplaats begeleid. Er is iets in die laatste eerbewijzen, geschonken aan een groot of een goed man, door hen die hem vroeger miskenden of haatten, dat het harte weldadig aandoet. Het volk, dat in onafzienbare massa toeliep, kwam ditmaal niet om zich aan de pracht der lijkstaatsie te vermeiden. Het schreide tranen van meer echte gehalte dan de zilveren sieraden op het lijkkleed vastgehecht. Venetië had een burger verloren, die,, naar aller getuigenis, het grootst was in het ongeluk, en meer dan eenig ander zedig en menschelijk na een overwinning.

De oorlog tegen Venetië had Genua slagen toegebracht, waarvan het zich nooit weer zou oprichten, en de innerlijke verdeeldheid was daar toegenomen met den tegenspoed, op zulke wijze, dat het eindigde met zich op Frankrijk tè steunen om staande te blijven! Karei VI nam het beschermheerschap aan over die Republiek, die van nu af hare onafhankelijkheid had verloren en haar ondergang tegenging.

Venetië herstelde zich weer van hare verliezen, en ging nog een tijdperk te gemoet van grootheid en voorspoed, zooals geen der vorige was geweest. Toen kwam er verandering op het wereldtooneel, waarop de Republiek had geschitterd. Hare ster verbleekte; den gevleugelden Leeuw werden de schachten gekortwiekt. Hij vloog niet meer over verre zeeën en landen, maar liet de vleugelen slap en ootraoedigd hangen, liet ze binden, en bleef rusten op eigen erf, tot hij in sluimering viel; ten laatste gevankelijk weggevoerd naar zijne Babylonische gevangenschap in Frankrijk, keerde hij wel naar St. Marcus erf terug, maar niet zooals hij het verlaten had. Het Evangelie, aan zjjne bewaking toevertrouwd, was hem ontvallen 1). Aan de

1) Historisch.

ocr page 409

393

strikken van het ongeloof ontkomen, viel hij in de boeien der bigotterie; daar ligt hij nu, niet meer loom en sluimerend, maar spartelend en snakkend naar het uur zijner verlossing.

Moge het spoedig geslagen zijn! Moge hij nog eenmaal weelde vleugelen uitslaan, niet zooals voorheen bekrompen staatszucht ten bate, maar naar de les van het Evangelie, in wakkere, werkzame liefde jegens allen, die onder zijne hoede schuilen, den vijanden tot schrik, den zusterstaten ten zegen, den volkeren tot een exempel door zijn voorspoed, als eenmaal door zijn tegenspoed.

Van voorspoed gewagen wij, en ... daar moeten als zooveel mirakelen geschieden, eer de Niobe onder de steden kan worden opgericht uit haar diepen val. Maar .. . wij hebben het gezien, de Voorzienigheid heeft ze eenmaal voor haar beschikt, heeft haar eenmaal den man geschonken, die ze alleen voor haar kon wrochten. Waarom ook niet nu? Kennen wij hem niet, den man, die tot het werktuig harer oprichting schijnt voorbestemd? Heil en zegen worden hem toegebeden door het proza, als door de poëzie! Hij herinnere zich, dat zijn voorganger groot was in het ongeluk als hij zelf; hij herinnere zich, dat zijn voorganger bedachtzaam was bij de zegepraal, en ootmoed had voor God bij de vergoding dor menschen. Wij zouden hom willen bemoedigen onder de worsteling met de schoone zinspreuk van den Zeeuwschen waterleeuw ; luctor et ejiergo, en in de overwinning gedenke hij aan den man, die de Banier van St. Marcus met den gevleugelden Leeuw en het Heilig Evangelie hoog omhoog hief, aan Venetie\'s grooten Patriot, aan Vittore Pisani en diens schoonen triomf.

ocr page 410
ocr page 411

I isr lï O TJ ID.

ENGELSCHEN TE ROME.

HOOFDSTUK I. Bladz.

EENE WESP GEWOND.............. 3

HOOFDSTUK II.

DE RIDDER KARRE EN ZIJNE BEZOEKERS........21

HOOFDSTUK III.

IEMAND MET EEN DUBBEL BEROEP..........40

HOOFDSTUK IV.

HET LAATSTE SPEL...............52

HOOFDSTUK V.

VERVOLG VAN HET LAATSTE SPEL..........62

HOOFDSTUK VI.

ANNA OSTON ................. 68

HOOFDSTUK VII.

DE LASTERAAR................87

HOOFDSTUK VIII.

NA DE SIËSTA................92

HOOFDSTUK IX.

OELAAT EN MASKER..............102

HOOFDSTUK X.

OPHELDERINGEN................116

HOOFDSTUK XI.

WAT DON MARCO IS..............130

ocr page 412

inhoud.

HOOFDSTUK XII. Bladz.

drie hoofdpersonen hebben eenen slapeloozen nacht . . 141

HOOFDSTUK XIII.

eene teleurstelling en eene ontmoeting......157

HOOFDSTUK XIV.

eene verzoening en eene onverzoenlijkheid.....166

HOOFDSTUK XV.

laetitia..................180

HOOFDSTUK XVI.

een steek van de wesp............192

HOOFDSTUK XVII.

gevaren..................205

HOOFDSTUK XVIII.

karre\'s bekentenis..............219

HOOFDSTUK XIX.

het schimpschrift...............234

HOOFDSTUK XX.

zwakheid..................257

HOOFDSTUK XXI.

de schot maakt eene kennis...........269

HOOFDSTUK XXII.

de paus moet eens als mensch voelen.......283

HOOFDSTUK XXIII.

nog een tooneel in de zaal van karre.......301

HOOFDSTUK XXIV.

een huwen ijk en eene bruiloft..........312

DE TRIOMF VAi\\T PISANI........319

396

ocr page 413

■ •

-• ■ ■ /-•■/ : ■ • \'■ i1\'quot;.^ quot; »;■;■quot; \' Tquot;T ■ ;}ié

•= • u ■,

S - ■ -\'v, \' ■ t: ■ , ,■ ,r^;l

. .: \' i • ■ r .-•■■ ■

, -v

■r\'-^ ■■

■ •m

s :

■ \' :j:M

1 - : J

- : ■ • quot;:a

..?■ • \'■ SSi\'quot;1 ■ si

;• | ■ ■ -.fj

•tquot; v.v.

J]

f

I

I

■

%

I

I I

I

I ■

\' ■ 1

^ m

: - :i ■ .

_

I

ocr page 414
ocr page 415
ocr page 416