ocr page 1
ocr page 2

GUNNING

7

G

37

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

Snelpersdruk — J. P. van der Hucht — Maassluis.

ocr page 7

GiJ\'\'ï\'!Nn

SAULÜS VAN TARSEN.

Historisch-Romantisch Verhaal uit de eerste eeuw der Christelijke jaartelling

DOOR

M. BEVERSLUIS.

Predikant.

ocr page 8

ERRATA.

Op bladz. 4 regel 5 v. o. staat: «geboren en» moet zijn .xgeboren

waren en».

» » 206 » 13 » » » «Ga mee» moet zijn: «Gaat mee», » » 287 tot 331 staat boven de bladzijde: «Donkere wolken»

moet zijn «Dreigende wolken». » » 432 regel 7 v. o. moeten de woorden «mijn man» vervallen.

ocr page 9

VOORWOORD.

Ofschoon een Avoorwoordu meestal niet gelezen wordt, vooral wanneer het geplaatst is voor een verhaal, zoo kan ik toch niet nalaten een enkel woord te laten voorafgaan aan de hier volgende bladzijden.

Zooals op den titel uitgedrukt staat, bevatten zij een historisch-romantisch verhaal nit de eerste eeuio der Christelijke j aar telling, San hts van Tarsen vormt er, zooals de titel aanwijst, de hoofdfiguur van.

In zooverre alle historische gegevens verwerkt zijn in dit verhaal, is het «.historisch-». En inzooverre de fantasie het beeld heeft aangevuld en de ontwikkeling der gebeurtenissen heeft trachten te teekenen, is het lt;s.roniantisch-fgt;.

Mijn doel met het schrijven was niet alleen het aantal verhalende geschriften te vermeerderen, maar voornamelijk een beeld te teekenen van den strijd, die er inwendig gestreden is door den j/ian, die op den gang van de ontwikkeling der gemeente zulk een groeten invloed uitgeoefend heeft, en wiens geschriften nog altijd eene overwegende bet eekenis hebben in de Christelijke wereld.

De bekeeriug van den vervolger tot een belijder en apostel van Jezus Christus is niet een feit, dat psychologisch geheel ongemotiveerd is, en als een soort mirakel, zonder logischen samenhang niet wat er aan voorafging, in zijn leven optrad. Hoe beslist ik ook blijf gelooven aan de realiteit van het age zich Id, toch meen ik, da! het de kroon was op eene daaraan voorafgaande geleidelijke voorbereiding. En hoe groot ook het verschil moge zijn tnsschen

l

ocr page 10

ERRATA.

Op bladz, 4 regcl 5 v. o. staat: «geboren en» moet zijn (• geboren

waren en».

» » 206 » 13 » » » «Ga mee» moet zijn: «Gaat mee», » » 287 tot 331 staat boven de bladzijde: «Donkere wolken»

moet zijn «Dreigende wolken». » » 432 regel 7 v. o. moeten de woorden «mijn man» vervallen.

ocr page 11

VOORWOORD.

Ofschoon een woorwoorda. meestal niet gelezen -wordt, i\'ooral wanneer het geplaatst is voor een verhaal, zoo kan ik toch niet nalaten een enkel woord te laten voorafgaan aan de hier volgende bladzijden.

Zooals op den titel uitgedrukt staat, bevatten zij een historisch-romantisch verhaal uit de eerste eeuw der Christelijke jaartelling. San lus van far sen vormt er, zooals de titel aanwijst, de hoofdfiguur 7\'an.

In zooverre alle historische gegevens verwerkt zijn in dit verhaal, is hel lt;ihistorischf). En inzooverre de fantasie het beeld heeft aangevuld en de ontwikkeling der gebeurtenissen heeft trachten te teekenen , is het ^.romantisch».

Mijn doel met het schrijven was niet alleen het aantal verhalende geschriften te vermeerderen, maar voornamelijk een beeld te teekenen van den strijd, die er inwendig gestreden is door den man, die op den gang van de ontwikkeling der gemeente zulk een grooten invloed uitgeoefend heeft, en wiens geschriften nog altijd eene overwegende betcekenis hebben in de Christelijke wereld.

De bekeeriug van den vervolger tot een belijder en apostel van Jezus Christus is niet een feit, dat psychologisch geheel ongemotiveerd is, en als een soort mirakel, zonder logischen samenhang viet wat er aan voorafging, in zijn leven optrad. Hoe beslist ik ook blijf gelooven aan de realiteit van het «.gezicht)), toch meen ik, dat het de kroon was op eene daaraan voorafgaande geleidelijke voorbereiding. Rn hoe groot ook het verschil moge zijn tusschen

1

ocr page 12

i

tie overtuigingen van den Apostel der heidenen en den vroegcren Fanseër, toch is er veel meer verhand tusschen dan geivoonlijk wordt begrepen, en de bekeering vormt als \'t ware de schakel tusschen beide perioden, en de sleutel tot verklaring van zijn verder leven.

Oorspronkelijk was het mijn plan het geheele leven van den Apostel te teekenen. Omvangrijkheid echter van de daartoe te bearbeiden stof en te groote uitgebreidheid van het verhaal in dit geval deden mij daarvan afzien en mij bepalen alleen tot het eerste gedeelte van dat leven, waarin de naam ^Saulus van \'farseno meer op hem toepasselijk is. De bekeering met hare eerste gevolgen vormt dus het eindpunt van ons verhaal.

Ik heb mij zooveel mogelijk onthouden van geleerden omhaal of noodelooze overlading met archaeologische uitwijdingen. Niet om de toestanden nauwkeurig weer te geven was het mij allereerst te doen j maar om de inwendige geschiedenis van den Farizeër-ver-volger te teekenen in verband met de geschiedenis van het wordende Christendom.

Den persoon van Christus zelf heb ik zoo weinig mogelijk ten tooneele gevoerd; en waar het onvermijdelijk was, heb ik mij er geheel van onthouden, om Hem woorden in den mond te leggen, die ons niet zijn overgeleverd. Ik heb mij uitsluitend bediend \'aan in de evangeliën meegedeelde uitspraken, die ik echter vrij verbonden en toegepast heb.

Indien dit verhaal mag meewerken om de heerlijkheid van den Zone Gods, die zelfs een man als Saulus van Tarsen aan Zijne voeten bracht, en tot een Zijner uitnemendste apostelen maakte, helderder aan het licht te doen treden, dan zal ik mijn arbeid, van welks gebrekkigheid ik ten volle overtuigd ben, voldoende beloond achten.

Geve de Heer Zijnen zegen over dit geschrift\'

DE SCHRIJVER.

ocr page 13

EERSTE HOOFDSTUK.

DE PROFEET UIT GALILEA.

«Hebt gij hem gezien, Saul?»

«Wien bedoelt gij, Suzanna?»

«Wel, den Profeet! Den profeet uit Nazareth!»

«O, meent ge dien! Ik heb niet op hem gelet!»

«Hoe is het mogelijk! Ik begrijp niet, dat ge zoo onverschillig voor hem zijn kunt!»

«Wel, kan uit Nazareth iets goeds zijn? Denkt ge, zuster, dat uit Galilea, en nog wel uit Nazareth een profeet zal opstaan?»

«Dat weet ik niet! Ik ben niet onderwezen in de Schriften, zooals gij, maar ik zeg maar, dat iemand, die zulke wonderteekenen doet, ook een profeet is!»

«We hebben er al zoo dikwijls over gesproken. Ik kan u toch niet overtuigen.»

«Neen, dat kunt ge zeker niet. Ik wil mij gaarne door u in de wet laten onderwijzen; daar weet ge meer van dan ik, een meisje. Maar wat ik gezien heb, dat heb ik gezien; en ik geloof, dat Rabbi Jezus een profeet is!»

De jongeling zweeg. Reeds zoo vaak had hij, de jonge, vurige, achttienjarige leerling der Farizeën, getracht zijne zuster Suzanna te overtuigen, dat uit Galilea geen profeet kon komen, en dat deze

ocr page 14

DE PROFEET UIT GALILEA.

Rabbi Jezus ook geen profeet kon zijn. Zij bleef beweren, dat zij de wonderteekenen had gezien, die hij deed, en dat iemand, die zulke teekenen deed, ook zeker een profeet moest wezen.

Zij bevonden zich bij den tempel te Jeruzalem, en hadden dien zooeven door de poort Pharphar verlaten, nadat zij bij het avondoffer tegenwoordig geweest waren. Op het oogenblik, dat zij de tcmpelpoort verlieten, was er eene volkshoop voorbij getrokken, in welker midden men onduidelijk den profeet kon onderscheiden. De oogen van Suzanna hadden hem dadelijk gezien, doch haar broeder Saul was verdiept in nadenken over een geleerd dispuut van Rabbi Gamaliel met een anderen Rabbi, dat hij in den loop van dien dag had bijgewoond, en vervuld daarvan, had hij nauwelijks bemerkt, dat hen een volkshoop voorbijging, veel minder hem gezien, die er de aanleiding toe vormde.

De beide jongelieden vervolgden hun weg door de straten van Jeruzalem, en begaven zich naar de benedenstad Akra, waar de woning was, waar zij verblijf hielden. Het waren een paar edele telgen uit het fiere geslacht der Joden. Wel waren zij niet in Jeruzalem, ja zelfs niet in het Joodsche land geboren, maar toch waren zij van zuiver Joodsche afkomst. Hun vader was een afstammeling van een der meest geziene Rabbi\'s van de vorige eeuw, en was zelf een Schriftgeleerde, een vurig aanhanger van de secte der Fa-rizeörs. En hunne moeder, dien zij reeds vroeg verloren hadden, was een dochter van een der aanzienlijkste priesters in Jeruzalem, vermaagschapt met eene hoogepriesterlijke familie. Sedert den dood der moeder bestuurde Suzanna als negentienjarige jongedochter het huishouden van haren vader, die het noodig had gevonden om met zijne beide kinderen van Tarsen, waar hij lang gewoond had en waar de beide kinderen geboren en zijne vrouw overleden was, te verhuizen naar Jeruzalem; eensdeels opdat de familie zijner vrouw zijne dochter met raad en daad kon bijstaan in de voor hare jeugdige krachten wel wat zware taak van het bestuur der huishouding, anderdeels om voor zijn zoon Saul eene betere gelegenheid te hebben

4

ocr page 15

DE PROFEET UIT GALILEA, 5

onderwezen te worden in de beginselen van den Joodschen góds-dienst en van het Farizeïsme. En hij had een voortreffelijk leermeester gevonden voor hem in den waardigen, bezadigden Gamaliel, een der toenmaals meest gevierde Rabbi\'s te Jeruzalem.

«Vader», zei Suzanna, toen de beide jongelieden het huis betraden, «ik heb hem weer gezien! Hij was weer omringd van een groote schare.»

(• Wien hebt gij gezien, mijn kind?» vroeg de oude Juda, meteen liefdevollen blik zijne schoone dochter, de appel zijner oogen, aanziende.

«Wel vader, den profeet uit Galilea, van wien ik u onlangs vertelde!»

Ue oude man fronsde zijn voorhoofd. Hij zag voor zich en zei: «Mijn kind, ik heb u gezegd, niet waar, hoe de leeraren onzes volks over dien man oordeelen?»

«Ja vader, maar het is toch niet waarschijnlijk, dat iemand, die zulke teekenen doet, niet een profeet zou zijn! Ik kan niet gelooven, dat hij een bedrieger zou zijn! O vader!» ging zij met geestdrift voort, «als hij iemand aanziet met zijne zachte en toch zoo doordringende oogen, dan is het, alsof het hart al anders wordt. Ik heb nog nooit zoo begeerd de wet van God te vervullen, als toen ik zijn oog op mij gericht zag.»

De oude man zag haar met bezorgdheid aan. «Pas maar op, mijn duifje», zoo sprak hij, «gij zijt jong en schoon. Die Galileesche profeet is ook jong. Naar ik hoor is hij altijd omringd van vrouwen, waaronder er velen zijn van zeer slecht gehalte. Het kon wel eens zijn, dat hij, dien gij voor een profeet houdt, een vrouwenverleider was !»

Vol verontwaardiging sprong Suzanna overeind. «Onmogelijk, vader!» riep zij uit. «Ik heb nog nooit zulk een reinen, bijna goddelijke:! blik gezien als in die oogen! Hij moge jong zijn, voor mijji gevoel staat hij oneindig hoog, veel te hoog, dan dat ik ook maar één oogenblik er aan denken kan, dat hij man is en ik vrouw

ocr page 16

DE PROFEET UIT GALILEA.

ben! Hij is voor mij niet anders, dan een verheven wezen, een profeet, voor wien ik wel zou kunnen neerknielen om hem te aanbidden , wien ik wel zou kunnen liefhebben als mijn Meester, maar dien ik onmogelijk zou kunnen beschouwen als een jongeling, dien ik zou kunnen en mogen liefhebben als een bruidegom!?

«Ik geloof», zei Saul, zich in het gesprek mengende, «dat het een gevaarlijk persoon is. Er gaat een toovermacht van hem uit, waardoor hij allen, die hij eens goed in de oogen gezien heeft, voor goed aan zich bindt, evenals de slang het vogeltje door zijn blik geboeid houdt. Hij is ongetwijfeld een toovenaar, en ik heb ook hooren vertellen, dat hij in zijn jetigd in Egypte gewoond heeft. Daar heeft hij zeker de tooverkunst geleerd, waardoor hij nu het onkundige volk, dat de wet niet kent, kan verblinden en in den waan brengen, dat hij een profeet, ja dat hij de Messias zelf is! Ik had echter gedacht, dat onze Suzanna verstandiger geweest ;:ou zijn, en bedacht hebben, dat zij, kleindochter van een priester, en dochter van een Farizeër, zich zeiven smaadt door zich te scharen onder de volgers van dezen bedrieger.»

«Ik kan niet hooren, Saul, dat gij zoo over hem spreekt!» zegt Suzanna, met van toorn fonkelende oogen. «Als gij niet in hem gelooven wilt, dan moet gij dat weten; maar gij grieft mij door zoo te spreken.»

«Suzanna», sprak de oude Juda weer, «Saul spreekt de waarheid. Deze Jezus is uit het verachte Nazareth afkomstig, een zoon van Jozef, den timmerman; hij behoort tot de heffe des volks. Gij echter zijt gesproten uit de edelste geslachten, die altijd de wet hebben gehandhaafd, en de eer van Israel hoog gehouden hebben. Laat u toch niet betooveren door zijn blik of door zijne zoogenaamde wonderen! Zoo hij al iets doen kan, dat ongewoon is, hij doet \'t door heidensche, dat is duivelsche tooverkunst! Hij drijft de demonen uit door Beëlzebul, den overste der demonen! Bovendien zal er ook wel veel overdrijving zijn bij wat men van hem vertelt!»

6

ocr page 17

DE PROFEET UIT GALILEA.

«Vader», gaf Suzanna ten antwoord, «het spijt mij, dat gij beiden zoo tegen hem ingenomen zijt. Ik kan er niets aan doen, maar ik kan ook niet ontkennen, wat ik gezien en gehoord heb. Het moge dan toovermachl: zijn of wat ook, ik zeg, dat het een weldaad is voor de arme blinde Maria hier in onze buurt, dat ze nu toch heel en al genezen isl Zij kon al in geen jaren meer loopen anders dan met haar stokje voortstrompelend; en zij was heel en al blind. En nu heeft de profeet haar in een oogenblik genezen. Zij kan weer zoo goed zien als wij, en loopt weer gemakkelijk, zonder stokje. Zij is vol van lof en dank aan den God Israels, die zulk een wonder aan haar verricht heeft. En het kind van onzen buurman Jacob Bar-Simon, dat zoo erg ziek was, is heel en al genezen in één oogenblik, zonder dat de profeet bij hem geweest is. Jacob is alleen maar naar hem toegegaan, en heeft \'t hem gezegd, dat zijn kind ziek was. En toen zei hij: «Ga heen, uw kind leeftU En werkelijk, toen hij thuis kwam was \'t kind beter.»

«Toeval! Anders niet dan toeval! Hoe zou iemand kunnen genezen worden zonder dat men zelfs bij hem komt!» antwoordde Juda.

«Dat kan deze profeet, vader! Het is niet het eenige geval van dien aard. Hij heeft al dikwijls zoo menschen genezen, o

«Suzanna, Suzanna! Wat zijt ge toch lichtgeloovig!» riep Saul uit. «Wat ik vandaag gehoord heb, vader», zei hij daarop, zich tot zijn vader richtende, is van vrij wat meer belang dan die zoogenaamde wonderen van die.i valschen profeet.»

«Wat hebt ge gehoord, mijn zoon?»

«Ik heb een dispuut bijgewoond, vader, tusschen Rabbi Gamaliel en Rabbi Jona Ben-Amittai over de vraag of de Messias, als hij komt, komen zal in deze eeuw of in de toekomende.»

«En welk gevoelen was uw leermeester toegedaan?»

«Hij gelooft, dat de Messias zal komen aan het einde van deze eeuw en dat hij die ten einde zal brengen, om in de toekomende eeuw eerst te regeeren, nadat hij de dooden opgewekt en de heidenen geoordeeld heeft.»

7

ocr page 18

8

«En welk gevoelen verdedigde Rabbi Jona?»

«Hij meende, dat de komst van den Messias ook het begin zou zijn van de toekomende eeuw, en dat eerst het oordeel over de heidenen zal gaan en de dooden zullen opgewekt worden, voor hij verschijnt op de wolken des hemels.»

«Het is zeker een belangrijk onderwerp. O mochten mijne oude oogen het nog eens zien, het heerlijk oogenblik, wanneer God Zijn volk bezoekt en de Zoon van David verschijnt! Maar ik begin te vreezen, dat mijne grijze haren ten grave zullen dalen, eer de Messias Gods is gekomen! O hoe lang zullen de heidenen Sion vertreden ? Hoe lang zal Israel worden veracht en gesmaad? O mijn zoon! Laat ons veel bidden tot den God der vaderen, dat Hij zich eindelijk ontferme over Zijn volk, en Israel opheffe uit het slijk!»

En opstaande van zijn zetel hief de oude Jood zijne magere handen ten hemel, terwijl zijn grijze baard op zijn ontbloote borst nederhing, en riep uit in opgewondenheid:

«Ontwaak! Ontwaak, gij arm des Heeren! Doe uwe sterkte aan o Koning Israels! Mogen de volkeren verstrooid worden, die lust hebben aan Israels smaad! Sta op, o Held! Verstrooi, verniel c.e vijanden van Uw volk!»

«Amen!» spraken Saul en Suzanna.

Den volgenden morgen begaf Saul zich reeds spoedig naar het tempelgebouw, in welks voorhoven de leeraren van Israël hunne lessen gaven. Toen hij den voorhof binnentrad om zich naar Rabbi Gamaliel te begeven, trad hem een ander jongeling ter zijde, donker van opslag, en van eenigszins woest voorkomen.

«Zeg eens Saul», zei hij tot hem, «gaat gij met mij mee? Ik heb van morgen een plan, en gij moet meedoen!»

«Wat hebt ge nu weer in den zin. Simei?o vroeg Saul.

«Dat zal ik u zeggen. Kent gij dien profeet uit Galilea?»

«Ik? Neen! Wat hebt gij met hem uit te staan?»

.«Ik niets! Maar hij komt straks hier!»

«Welnu, wat beteekent dat?»

ocr page 19

DE PROFEET UIT GALILEA.

«Wel, ik wilde\' van morgen eens naar hem gaan luisteren. En gij moet meegaan. gt;)

«Ik? Dank u. Ik stel hoegenaamd geen belang in hem. Als gij wilt gaan moet gij \'t weten; maar ik begrijp niet, hoe gij het dc moeite waard vindt naar zulk een bedrieger te luisteren. Ik had van i/2jÉat ook allerminst verwacht.»

«Munr ik ga niet, omdat ik zooveel gewicht hecht aan zijn woorden, of omdat ik ook maar één oogenblik zou meenen, dat hij werkelijk een profeet zou zijn!»

«Waarom wilt ge dan naar hem gaan luisteren?»

«Och, \'t is wel eens de moeite waard, dunkt me, om te hooren, wat hij vertelt. Ze zeggen, dat hij soms zeer scherpe woorden spreekt tegen onze Rabbi\'s. Hij ruit het volk tegen hen op, zeggen zij. Ik denk ten minste, dat hij niet lang zoo behoeft voort te gaan, of onze Rabbi\'s zullen het hem beletten. Ik heb van mijn vader gehoord, dat als hij zoo nog lang voortgaat, het hem verleerd zal worden.))

«Wat denkt ge dan wel, dat er gedaan zal worden?»

«Wel, hij zal ter verantwoording geroepen worden voor het Sanhedrin. En dan vrees ik, dat zij hem gemakkelijk kunnen overtuigen van lastering. En dan kan niets hem redden van den dood.»

«Och, ik vind, dat \'t veel te veel eer is voor zulk een gering man. Bovendien zal hij dan in de oogen van het volk een martelaar worden, en de gevolgen van zijn dood zullen misschien nog erger zijn dan van zijn leven.»

«Maar \'t volk zal zich niet verzetten tegen een besluit van den grooten Raad.»

«Verzetten niet; maar er over morren wel. En wie zegt u of niet dc een of ander zijner volgelingen spoedig ook als profeet en wouderdoener opstaat. En wie zal \'t dan keeren? Neen, ik geloof, dat Rabbi Gamaliel gelijk heeft, dat men een verkeerde zaak niet moet bestrijden, want dat ze door zichzelf te gronde gaat.»

«Mijn vader, Rabbi Jona, denkt er anders over.»

9

ocr page 20

DE PROFEET UIT GALILEA.

6 Zooals hij over vele punten met Rabbi Gamaliel in gevoelen verschilt.»

«Nu, Saul, gaat ge mee of niet?»

«Naar den valschen profeet Jezus? Neen, ik heb er geen lustin.»

«Gij zijt een stijfkop! Als gij iets u hebt voorgenomen, een knap man, die er u van afbrengt!»

«Ik geloof, dat dat een deugd is. Bovendien kan ik mijn tijd beter gebruiken, dan door naar dien bedrieger te gaan hooren. Sjaloom!»

Daarmee keerde hij Simei den rug toe en verdween weldra, om zich naar de plaats te begeven waar Rabbi Gamaliel zijn onderwijs gaf. Reeds vele leerlingen waren op den grond gezeten in een gedeelte van de groote zuilengangen van den voorhof. In het midden van de ruimte, waar zij zaten, stond een soort verhevenheid of zetel, en slechts enkele oogenblikken, nadat Saul van Tarsen iich ook op den grond had nedergezet, verscheen Rabbi Gamaliel, gekleed in een lang, wijdgeplooid purper kleed, met hyacinthblauwe kwastjes aan de vier hoeken, de zoogenaamde Zizith. Hij zette zich neer op den zetel, en begon weldra zijn onderwijs, door zijne leerlingen als \'t ware hun les te overhooren. Bij voorbeeld:

De Rabbi vroeg: «Wanneer mag men op den Sabbath een licht uitblusschen?»

En een der leerlingen antwoordde terstond: »Als men vreest voor heidenen, voor roovers, of voor booze geesten.»

De Rabbi vroeg weer: «Wanneer is het nog meer geoorloofd?»

En een ander antwoordde: «Als men een zieke wil doen in slaap vallen.»

«Maar als het is om de olie te sparen of de pit van de larr.p, is \'ï dan geoorloofd?» vroeg de Rabbi weder.

En dezelfde leerling antwoordde: «Neen, dan is het niet geoorloofd.»

«Maar», zoo vroeg hij verder weer, «hoe moet men doen met de vonken, die onder het branden van de pit vallen? Mogen die worden uitgebluscht ?»

ocr page 21

DE PROFEET UIT GALILEA.

En Saul antwoordde: «Neen, Abba, dat mag niet. Ze moeten opgevangen worden.»

«En als er nu water is in het bakje, waarin men ze opvangt?» vroeg hij weer.

«Dan overtreedt men het Sabbathsgebod, Abba, want dan bluscht men de vonken», antwoordde Saul weder.

In dezen geest ging het onderwijs voort, en werden de meest kleingeestige vragen behandeld betreffende het al of niet geoorloofde op den Sabbath. En de leerlingen luisterden met groote aandacht, hoe de Rabbi over verschillende punten zijne meening uiteenzette. Vooral Saul van Tarsen was er met zijn gansche ziel bij. Dit onderwijs toch was van het hoogste belang, zoo meende hij. De kennis van de wet was het leven. Had niet Rabbi Hilleel het geleerd: «Hoe meer onderwijs in de wet hoe meer leven»? En evenzeer: «Wees ijverig in de studie van de wet»? Had hij het niet verzekerd: «Een onwetende kan niet waarlijk vroom zijn»? En hoe zou hij dan anders vroom worden en het leven vinden, hoe zou hij anders een waar Israëliet worden, waardig om deel te hebben aan het komende rijk van den Messias, dan door zoo nauwkeurig en trouw mogelijk de voorschriften en inzettingen der Rabbi\'s te leeren, die «eene omtuining om de wet» gemaakt hadden?

En ter zelfder ure weerklonk in dat zelfde voorhof van den tempel in een ander gedeelte van de uitgestrekte zuilengangen de stem van dien door Saul zoo verachten profeet uit Galilea, de stem van Jezus van Nazareth. En ook om hem heen was eene aandachtig luisterende schare, ten deele op den grond gezeten, ten deele staande. Al droeg hij geen sierlijken purperen mantel, al versierden de Zizith zijn kleed niet, al was hij slechts gehuld in het nederige kleed Tan den man uit het volk, er was in zijn houding, zooals hij daar stond met omhooggeslagen blik en opgeheven hand, eene waardigheid, ja majesteit, die reeds bij een eersten blik moest boeien.

Daar stond hij, de nog jeugdige man, het hoofd met de golvende lokken onbedekt, de voeten in sandalen. Daar stond hij, een lelie

ocr page 22

DE PROEEET UIT GALILEA.

tusschen doornen, een ster in den donkeren nacht, tusschen de schare. En terwijl de menschen rondom hem vol nieuwsgierigheid en ten decle met belangstelling luisterden, weerklonk zijn stem, zacht, en toch helder, welluidend:

«Ik ben het licht der wereld! Die mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.»

«Hoort gij het wel, Azarja?» klonk een ruwe stem, in een der buitenste kringen van toehoorders. «Hoort gij het wel? Wat een inbeelding bij dien jongen Nazarener! Het licht der wereld! Hij! Wat denkt hij wel!»

«Zwijg toch. Simei!» gaf de aangesprokene ten antwoord. «Hij gaat het nader verklaren!»

En de jonge man, met den naam Azarja aangesproken, drong nader door in den kring der hoorders om dichter bij Jezus te komen. Zijn metgezel Simei, die na te vergeefs Saul van Tarsen verzocht te hebben hem te vergezellen, een gezel gevonden had in Azarja Uen Ittaï, drong eveneens naar voren, en tot in den naasten kring, zoodat hij plotseling vlak voor den profeet stond. Hij staarde hem vrijpostig in het gelaat, en zei;

«Gij getuigt van uzelven! Zulk een getuigenis geldt niet. o De profeet zag hem aan, en antwoordde; «Hoewel ik van mij zeiven getuig, toch is mijn getuigenis waar. Ik weet immers van waar ik gekomen ben en waar ik heenga? Gijlieden weet niet van waar ik kom en waar ik heenga. Gij oordeelt naar het vleesch; ik oordeel niemand.»

Simei keerde zich om, en trok de schouders op. Hij wendde zich af, en zag naar Azarja. Deze scheen in gedachten verzonken. Het wc. i.! van dezen profeet had hem vreemd aangegrepen. Dikwijls har. hij aandachtig geluisterd naar de betoogen der Rabbi\'s, maar veel was hem duister gebleven. Deze profeet sprak op geheel andere wijze dan de Schriftgeleerden. Er was een onverklaarbare aantrekkelijkheid voor den jongeling in de woorden en niet minder in het gelaat van dezen eenvoudigen jeugdigen profeet. Zou het mogelijk

ocr page 23

DE PROFEET UIT GALILÊA.

zijn, zoo dacht hij, dat hij hier het antwoord vinden kon op zoovele vragen, die hem menigmaal gekweld hadden? Zou deze profeet, die zich het licht der wereld noemde, hem wellicht licht kunnen geven? Hij wilde het beproeven.

Hij trad nu ook naar voren, en Jezus aanziende zeide hij:

«Rabbi, zeg mij, welk gebod is wel van al de geboden het eerste en grootste?»

De profeet zag den jongeling aan met een vriendelijken blik cn antwoordde:

«Het eerste gebod van al de geboden is dit: Hoor Israël, de Heer onze God is een eenig Heer. Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart cn uit geheel uwe ziel en uit geheel uw verstand, en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Er is geen gebod grooter dan deze beiden.»

Azarja zag verrast op. Zulk een antwoord had hij niet verwacht. Hij dacht bij zijn vraag aan de velerlei voorschriften der Rabbijnen. Maar terstond gevoelde hij de waarheid van het antwoord, en op hartelijken toon antwoordde hij:

«Gij hebt gelijk. Gij zegt wel naar waarheid, dat God een eenig God is en er geen ander God is dan Hij. Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht, en don naaste lief te hebben als zich zeiven is meer dan al de brandoffers en slachtoffers!»)

De profeet zag den jongeling ernstig aan, en het was, alsof zijne oogen in zijne ziel lazen. Ernstig en vriendelijk sprak hij:

«Gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods.»

Op dat oogenblik drong de luide stem van een blinde door tot allen:

«Zone Davids! Ontferm u over mij! Maak mij ziende!»

De profeet trad op hem toe.

«Gelooft gij dat ik dat doen kan?» vroeg hij den blinde.

Deze antwoordde dadelijk: «Ja, Heer! Dat geloof ik.»

ocr page 24

DE PROFEET UIT GALILÉA.

«Welnu», was het antwoord, «u geschiede naar uw geloof!»

De blinde staarde een oogenblik als versteend voor zich uit. Daarop, de handen met een plotseling gebaar opheffend, riep hij op luiden toon:

«O God van Abraham, Izak en Jakob! Een wonder, een wonder! Ik kan zien! Ik kan goed zien! Ik ben genezen!»

«Spreek er maar niet van!» sprak de profeet tot hem.

«Er niet van spreken? Hoe zou ik dat kunnen laten! Ik kan er niet van zwijgen!»

En al juichende en jubelende, onder heftige gebaren, ging hij heen, gevolgd door vele personen.

De beide jongelingen hadden het wonder mee aanschouwd. Azarja, Simei aanziende, zei: «Wat zegt gij daarvan? Als dat geen wonder-teeken is, dan weet ik het niet!»

Simeï haalde de schouders op. «Het is duivelsche tooverk .inst», zei hij, «als het geen bedrog is. Ik zou eerst moeten weten of deze man werkelijk blind was! En dan geloof ik nog, dat hij hem door tooverkunst genezen heeft.»

Daarop, zich tot den profeet wendend, vroeg hij: «Zég mij, door wat voor macht doet gij zulke dingen?»

Jezus zag hem aan, en doorschouwde zijn hart. Zijn oog stond donker, toen hij hem antwoordde:

«Ik zal u ook wat vragen. De doop van Joannes, was die uit den hemel of uit de menschen?»

Simeï wist geen antwoord. Joannes den Dooper veroordeelen durfde, hem als een Godsgezant belijden kon hij niet. Schouderophalend zei hij: «Dat weet ik niet.»

«Dan zeg ik u ook niet, door welke macht ik deze dingen doe», gaf de profeet ten antwoord.

Simeï trok zich terug. «Kom Azarja», zei hij tot zijn makker, «het valt mij niet mee; gaat ge mee?»

Azarja hoorde hem niet. Simeï stootte hem aan. «Gaat gij mee?» vroeg hij weer.

ocr page 25

DE PROFEET UIT GALILEA.

«Wilt gij nu al heengaan? Waar zijn de strikvragen, die gij hem doen zoudt?» vroeg Azarja.

«Ik zal er eerst eens met mijn vader over raadplegen», antwoordde Simei. «Gaat gij mee?»

«Neen, het bevalt mij goed. Ik blijf.»

«Goed! Wordt ook maar zijn volgeling!»

Gemelijk ging hij heen, Azarja onder het volk achterlatende. Hij begaf zich naar dat gedeelte van het tempelgebouw, waar hij wist, dat hij zijn vader. Rabbi Jona Ben Amittaï, aantreffen zou. Deze namelijk maakte deel uit van het Sanhedrin, dat gewoonlijk inden tempel vergaderde, en werd op dezen tijd van den dag meestal gevonden in de zaal der vergadering.

Eenige oogenblikken later trad de jonge man die zaal binnen. Eenige leden van het Sanhedrin zaten daar op lage rustbanken, in hunne tabbaarden gekleed. De jongeling groette hen beleefd en trad op een van hen toe.

«Mijn vader, ik ben bij den valschen profeet geweest», zei hij.

De aangesprokene kwam snel overeind. Zijne oogen schoten vlammen.

«Bij dien volksverleider, dien toovenaar, dat kind des duivels?» vroeg hij.

«Ja vader, ik heb den Nazarener gehoord, en een zoogenaamd wonder gezien.» Daarop vertelde hij wat hij gehoord en gezien had.

«Hoort gij het, broeder Phanuel?» vroeg Rabbi Jona aan een ander der Rabbi\'s.

De aangesprokene zag op. «Ja, ik hoor het», antwoordde hij, «en ik denk er over, hoe wij dien man het best zullen overwinnen. Konden wij hem er maar toe bewegen een opstand te prediken! Het volk houdt hem voor den Messias, en zou er zeker wel mee ingenomen zijn. En de landvoogd zou er wel spoedig een eind aan maken.»

«Heeft hij zelf ook niet gezegd, dat hij de Messias is?» vroeg Jona.

«Ik geloof het wel. Ik heb wel niet veel van hem gehoord,

15

ocr page 26

DE PROFEET UIT GALILÈA.

maar meen dat toch uit wat ik onlangs hoorde begrepen te hebben. En zulk een naam als «het licht der wereld», dien hij zichzelf geeft, bewijst het ook wel.»

«Vader», zei Simei\', «ik weet misschien wel een middel om hem te vangen in zijn woorden.»

«Hoe zoo, mijn zoon? Laat hooren!»

«Laten wij hem vragen, of wij de schatting betalen moeten of niet. Als hij zich voor den Messias houdt, dan kan hij dat toch moeielijk goedkeuren. En als hij het afkeurt kunnen wij hem bij den landvoogd aanklagen.»

«Waarlijk, dat is een goede gedachte!» antwoordde Phanuel.

«Ja, gij hebt gelijk, mijn zoon! Dat is een goede strikvraag. Mij dunkt, wij moeten morgen tot hem gaan en hem die vraag voorleggen.»

«Hij zal er wel een uitweg voor weten!» sprak een derde Rabbi, die stil en nadenkend het vorige gesprek had aangehoord. «Het is ongeloofelijk, hoe gevat die jonge profeet is. Ik heb \'t onlangs ook al eens beproefd met hem, maar ik kon hem niet vangen in zijne redenen. Ik begrijp inderdaad niet, hoe hij aan die wijsheid komt. Het is geen wonder, dat \'t volk met hem dweept.»

«Des te gevaarlijker is hij, broeder Jonathan Ben Annas!» antwoordde Phanuel. «De geheele wereld volgt hem na, en wij verliezen meer en meer onzen invloed en ons gezag. Weet gij niet welke lasterlijke woorden hij onlangs tegen ons gesproken heeft? Hoe hij ons voor witgepleisterde graven heeft uitgescholden?»

«Ik weet het!» antwoordde Rabbi Jonathan, en zat met gebogen hoofd, peinzend leunend op zijn stok. «Hij heeft ons leelijk aan de kaak gesteld. Maar met dat al geloof ik, dat \'t ons niets baten zal om te trachten hem in zijne woorden te vangen.»

«Wat meent gij dan, dat wij doen moeten?» vroegen Phanuel en Jona tegelijk.

«Wij moeten hem gevangen nemen», was het antwoord. «Eenmaal gevangen en in onze macht kunnen wij wel bewijzen tegen

i6

ocr page 27

DE PROFEET UIT GALILEA.

hem vinden. Maar als we wachten willen, tot wij in zijne woorden iets vinden, kunnen we lang wachten!»

Op dat oogenblik trad een man de zaal binnen van een ernstig en waardig voorkomen. Het was Rabbi Nikodemus. Terstond zwegen de andere Rabbi\'s, daar men wist, dat, al had hij er zich nooit over uitgesproken, hij niet instemde met het ongunstig oordeel der anderen over den Galileeschen profeet.

Intusschen was Azarja blijven luisteren, steeds meer geboeid door de woorden, die hij hoorde, al verstond hij ze niet alle, en meer nog door het gelaat van dien profeet, en den liefdevollen, reinenblik uit die schoone oogen. Toen hij eindelijk zich verwijderde, liep hij in diepe gedachten voort, nauwelijks lettende op de menschen om hem heen, die in alle richtingen den voorhof doorkruisten.

«Wel, Azarja, waar zijt gij van morgen geweest? Ik heb u niet gezien bij Rabbi Gamaliel!»

Het was Saulus van Tarsen, die hem aansprak, terwijl hij uit de lïeth Hamidrasj 1) terugkeerde.

Azarja stond stil en zag den spreker aan. Zonder de tot hem gerichte vraag te beantwoorden, en den loop zijner eigene gedachten volgende, zei hij:

«Saulus van Tarsen! Zeg eens, zoudt gij het mogelijk achten, dat de Messias al gekomen is?»

Verbaasd zag Saul hem aan. «De Messias? Of die er al zijn zou? Natuurlijk niet! Dan zouden wij het weten!»

«Is dat zoo zeker?»

«Wel zeker! Denkt ge, dat hij zoo verborgen zal blijven? Denkt ge, dat de Rabbi\'s het niet weten zouden, en niemand het weten zou , als de Zoon van David, de Redder van Israël komt?»

«Maar gij weet toch wel, Saul, dat onze Rabbi\'s het onder elkander in het geheel niet eens zijn over de wijze, waarop hij komen zal? Is het niet mogelijk, dat aan zijn tijd van glans en heerschappij

1) School tot ondenvijziug ia ds wet,

17

ocr page 28

DE PROFEET UIT GALILEA.

een tijd vooraf za! gaan , waarin hij onbemerkt en bijna niet geëerd alles voorbereidt voor zijn openlijk werk?»

amp;Hoe komt gij daaraan? Mij dunkt, dat toch onze Rabbi\'s een geheel andere voorstelling geven.»

«Dat kan zijn; maar gij weet toch wel, Said, dat in de rol van den profeet Jezaja ook gesproken wordt van den Ebed Adonaj, i) die veracht en gesmaad zal worden, en eerst, nadat hij de zonden van Israël zal gedragen hebben, zaad zal zien, en dan de machtigen als een roof uitdeelen zal? Wie anders dan de Messias kan er met dien Ebed bedoeld zijn?»

«Goed! Maar al ware dat zoo, Azarja, dan toch zou zijn komst worden voorafgegaan door de terugkomst van Elia! Dat weet gij evengoed als ik!»

«Ja, natuurlijk\' Maar zou \'t niet mogelijk zijn, dat Elia er al geweest is?»

Saul stcyid stil, en zag Azarja vol verbazing aan. «Elia er al ge-woest? En onze Oversten en Rabbi\'s zouden het niet geweten hebben ?»

«Hebt ge nooit gehoord van den vreemden profeet der woestijn, die, evenals Elia, in een harigen mantel gekleed, voor weinige jaren zoovele menschen tot zich trok ?»

«O, gij bedoelt Joannes, den boetprofeet!» antwoordde Saul met iets, dat naar verachting zweemde in zijn stem.

«Juist. Dien bedoel ik. Onze Rabbi\'s hebben, dunkt mij, veel te weinig op hem gelet.»

«Maar die man deed geen teekenen.»

«Neen! Maar hij predikte, evenals Elia, dat de menschen zich bekeeren moesten. Hij moet ook gezegd hebben, dat hij gekomen was om den weg te banen voor den Messias.»

«Lk weet weinig van hem; ik kan er eigenlijk niet over oordcelen. Alleen weet ik, dat velen van zijne volgelingen zich nu hebben aangesloten bij dien valschen profeet uit Galilea. Dat pleit dus

1) Knecht des Heeren.

ocr page 29

DE PROFEET UIT GALILEA.

niet voor den invloed, dien de boetprediker op hen gehad heeft.»

Azarja antwoordde niet dadelijk. Hij liep eenige oogenblikken in gedachten verzonken. Eindelijk»vroeg hij:

ft Gij noemt daar den profeet uit Galilea. Hebt gij hem al eens gehoord en gezien?»

«Ik? Neen. Mijne zuster dweept met hem, en is al half voor hem gewonnen, geloof ik. Maar ik stel hoegenaamd geen belang in zulke kwasi-profeten, die elk oogenblik opduiken uit de heffe des volks, om weer even spoedig te verdwijnen.»

«Het zou mij verwonderen,-als dit het geval zal zijn met Rabbi Jezus van Nazareth!»

Saul zag hem weder aan, ditmaal met iets onderzoekends in zijn blik. «Zeg eens», zei hij, «gij zijt toch niet bekeerd door hem?»

«Nu, zoover is het nog niet. Maar toch boezemt hij mij werkelijk belangstelling in. Ik ben van morgen bij hem geweest en heb hem gezien en gehoord.»

«O, zijt gij daar geweest! Is dat de oorzaak van uw wegblijven van morgen. Ik ben er verbaasd over. Hoe kwaamt ge daartoe?»

«Simei Ben-Jona vroeg mij hem te vergezellen.»

«Zoo? Nu, hij heeft \'t eerst aan mij gevraagd; maar ik had er geen lust in. De lessen van Rabbi Gamaliel boezemen mij meer belangstelling in dan de opgewonden woorden van dien bedrieger.»

«Ik geloof niet, dat hij een bedrieger is. Hij spreekt, zooals ik nog nooit een der Rabbi\'s heb hooren spreken. Ik heb van morgen meer geleerd, dan in vele weken bij Rabbi Gamaliel.»

«Azarja! Hoe zijt ge verblind! Vergeet ge dan, dat er niets gaat boven het leeren van de wet? Weet ge niet, dat de wet een van de drie dingen is, waardoor de wereld bestaat, zooals Rabbi Simon Hatsadiek zegt?»

«Dat vergeet ik in \'t geheel niet, Saul! Integendeel! Gij weet, dat ik evenzeer als gij mij toeleg op de kennis van de wet. En juist daarom boezemt mij het woord van Rabbi Jezus zooveel belangstelling in. Hij heeft mij geantwoord op een vraag, die ik hem deed met \'t oog op de wet.»

19

ocr page 30

20 DE PROFEET UIT GAI.ILEA.

«Welke vraag was -dat ?»

Azarja deelde hem de vraag en het antwoord mede, doch verzweeg, dat de profeet gezegd ITad, dat hij niet ver van het koninkrijk Gods was. Saul erkende de juistheid van het antwoord, doch beweerde, dat de Rabbi\'s evengoed dit zeiden.

oGoed)), zei Azarja, «maar zij leggen er den nadruk niet op. Zij houden zich altijd met allerlei kleinigheden bezig.»

«Het zijn geen kleinigheden, Azarja! Die schijnbaar nietige dingen zijn van het grootste gewicht. Daarin juist moeten we toonen, dat we vroom zijn, dat we tot de Chasidiem i) behooren. Dat is het liefhebben met het geheele hart.»

Azarja antwoordde niet, maar liep in gedachten naast Saul voort. Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij op eens:

«Saul, zou het nu bepaald onmogelijk zijn, dat die profeet uit Nazareth, die Rabbi Jezus de Messias is?»

Vol verbazing stond Saul stil en zag zijn vriend aan. «Azarja Hen Itaï!» riep hij uit, «hoe heb ik het metu? Zijt ook gij verleid?»

«Neen , zeg ik u», gaf Azarja ten antwoord. «Ik vraag maar. Gij noemt hem een bedrieger, maar ik kan niet geloove\'n, dat hij een bedrieger is. Die oogen liegen niet! Gij gelooft niet, dat hij een profeet is, maar gij hebt niet gehoord, zooals ik, welk een gloed, welk een goddelijke bezieling er tintelt in zijn woord! Hoe dor, hoe droog, hoe weinig beduidend is daarbij wat de Rabbi\'s ons leeren! Daarbij doet hij groote teekenen! Waarlijk, wat kunnen wij meer verwachten van den Messias zeiven?»

Met verachting keerde Saul zich af. «Onderzoek en zie. dat uit Nazareth geen profeet is opgestaan!» zei hij.

«Maar kom», vervolgde hij, «wij zijn bij mijns vaders huis. Gaat gij mee naar binnen ?»

Azarja was hier wel toe gezind. Wel was hij nog niet dikwijls in dat gezin geweest, teruggetrokken van aard als hij was, maar

1) Lett. ,,vromenquot;. Niiiim, dion de Funzeèn zichzelven gaven.

ocr page 31

IDE PROFEET UIT GAULEA.

toch had hij ccne enkele maal Saul\'s vader en zuster ontmoet, en de hernieuwde ontmoeting was hem niet ongevallig.

De jongelieden traden binnen. Suzanna bloosde, toen zij den jongeling zag, die haren broeder vergezelde. Toch liet zij geen ontroering bemerken; zij wilde zich verwijderen.

«Neen, Suzanna, blijf hier», zei Saul. «Waarom zoudt gij henen gaan? Gij kent toch Azarja Ben Itai wel?»

De oude Juda was opgestaan om Azarja te begroeten. Hij had reeds vroeger met groote belangstelling met hem kennis gemaakt, en hij was zeer ingenomen met dezen verstandigen bezadigden jongeling, en wenschte zich hem liever als vriend zijns zoons dan den onstuimigen, woesten Simei, zoon van Rabbi Jona Ben Amittaï.

«Wees welkom, Azarja Ben Itaï!» zei hij, den jongeling de hand gevende. «De God van Israël zegene u!»

«Dank u!» antwoordde Azarja.

«Vader», zoo begon Saul, nog geheel vervuld van het laatste gesprek, «niet alleen onze zuster Suzanna is door den profeet van Galilea betooverd. Ook Azarja is bij hem geweest en schijnt door zijn blik betooverd te zijn.»

De oogen van Suzanna begonnen te schitteren. Met verhoogden blos sprak zij Azarja aan;

«Hebt gij hem gezien en gesproken?»

«Ja, ik heb hem gezien, en met hem gesprokens, antwoordde hij. «Ook ben ik er getuige van geweest, dat hij een blinde genas.»

«Hoort gij het, vader?» zei Suzanna.

«Dat hebt ge mij nog niet gezegd!» zei Saul.

«Neen», antwoordde Azarja, «gij hebt er mij geen gelegenheid voor gegeven.»

«Gij zult toch wel wijzer wezen», zei Juda, som aan dien profeet te gaan gelooven?»

«Ik wilde onderzoeken, Abba, en ik weet nog niet, wat ik er van denken moet.»

De oude Farizeër, geholpen door zijn zoon, begon nu met kracht

ocr page 32

DE PROFEET UIT GALILEA.

van redenen te betoogen, dat de Nazarener onmogelijk een profeet kon zijn. Maar Azarja bleef kalm en bedaard, en antwoordde slechts :

«Hebt gij hem reeds gehoord en gezien?»

«Neen, dat heb ik niet», was het antwoord.

«Welnu, ga hem dan eens hooren. Nooit heeft een mensch gesproken als deze mensch. Zoo lang gij hem niet gehoord hebt, kunt gij niet over hem oordeelen. En ook zijne wonderen zijn niet te ontkennen.»

«Hij doet ze door duivelskunst.»

«Dat kan ik niet gelooven. Dat reine oog, die verheven blik, die schoone taal doen niet denken aan een werktuig des Satans. Ik heb mij de oude profeten nooit anders voorgesteld, dan zooals deze Nazarener er uitziet.»

«Gij zijt reeds half bekeerd, gij zult nog zijn volgeling worden!» riep Saul uit met verachting.

«Het spijt mij», zei Azarja, «maar ik moet heengaan. Men wacht mij thuis met den maaltijd. Mag ik nog eens terugkomen?»

«Zeker!» antwoordde Juda. «En dan zullen we nog weer eens praten! Pas toch op, jongeling, laat u niet verleiden!»

«Ik hoop door den God Israels in de waarheid geleid te worden», gaf hij ten antwoord. Daarop ging hij heen, den ouden Rabbi eerbiedig en Suzanna en Saul vriendlijk groetend.

In den avond van dien zelfden dag wandelde een jongeling peinzend de Schaapspoort uit, die naar den Olijfberg voerde. H:j liep met voorovergebogen hoofd en blijkbaar in diepe gedachten. Het was Azarja.

De indruk, des morgens ontvangen door het hooren van de woorden van den Nazarener en het zien van zijn wonder, was niet voorbijgaand geweest. Vooral stond hem aanhoudend dat gelaat voor den geest en hoorde hij die vriendelijke woorden: «Gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods.» Het koninkrijk Gods, hoe dikwijls had hij daarover gepeinsd; hoe had hij getracht de uitspraken dei profeten niet elkaar te rijmen, en de opvattingen der

22

ocr page 33

DE PROFEET UIT GALILEA. 23

verschillende Joodsche leeraars er mee in verband te brengen! Hij kon het niet. Noch de leer der Farizeen, bij wie hij zich uitwendig had aangesloten, noch de leer der Sadduceën behaagde kern. Zijne zier dorstte naar troost, naar licht. Vergeefs had hij het gezocht in de boeken dar heidensche wijzen. Het baatte hem niet. Hij was ten slotte weer teruggekeerd tot de bestudeering der Joodsche ge-schriften. Wat kon hij doen om licht en troost te vinden ? Eindelijk— het was nu een jaar of drie geleden — was hij tot het besluit gekomen , om met de scholen der wijzen de wet als zijn geestelijke spijze te beschouwen, en had hij er zich op toegelegd die wet te leeren kennen. Sedert was hij een ijverig leerling van Gamaliel geworden. Maar ook het kennen der geboden op zich zelf had hem niet voldaan. Wat was in al dat vele het éene, dat er aan ten grondslag lag? Welk gebod was het eerste en voornaamste? Was het het gebod om den Sabbath te houden? Hij wist, dat de viering van den Sabbath door vele Rabbijnen hoog werd gesteld. Doch aan die viering moest eene andere gedachte ten grondslag liggen. Waren het de reinigingswetten ? Hij gevoelde echter, dat uiterlijke reiniging zonder innerlijke zuivering der gezindheden weinig betec-kende. Waren het de offerwetten? Maar hij wist het immers, en zag het dagelijks voor zijne oogen, hoe gedachteloos, ja hoe lichtzinnig die offers gebracht werden! En zéi niet de profeet Jezaja: lt;iBrengt niet langer een nutteloos offer! Wascht u, reinigt u, doe de boosheid uwer daden van u!»?

Toen had do roep weerklonken, dat in de woestijn van Judea een man in een harig kleed gehuld als een eenzaam boeteling leefde. En — met de velen, die uitgegaan waren om dien boetprediker te hooren, was ook hij heengegaan, zonder dat een van de zijnen het wist, en had den boeteling, die weldra een boetprediker werd, bezocht. Wel had hij niet zich laten doopen, maar de prediking van den profeet der woestijn had een diepen indruk bij hem achtergelaten. «Ja, het is zoo!» zei hij tot zichzelven. «Boete, berouw is noodig, anders beteekenen al de offers niets!»

ocr page 34

24

Toch had hij den weg des lichts nog niet gezien. Hij was blijven peinzen en vragen en onderzoeken. Vooral ook had hij de Messi-aansche verwachtingen onderzocht. Doch hij vond zooveel verwarring onder de opvattingen der verschillende Rabbijnen, en zooveel aanstootelijks in het Fanatisme der Zeloten onder de Farizeën, dat hij niet wist wat er van te denken, en er geheel over in het onzekere was.

En nu — wie was die profeet uit Galilea toch, met dat wondere gelaat en dien zachten en toch zoo onweerstaanbaren blik? Hoe had deze man op eens, zonder zich te bedenken, zijn vraag naar het grootste gebod opgelost, zoodat hij nu verwonderd was, dat hij het zelf niet eer begrepen had! Van waar had deze die wondermacht, waardoor telkens zieken genezen werden? Was het waar, dat hij het deed door duivelsche tooverkunst ? Maar was dat edel gelaat het gelaat van een orgaan des duivels? Hij kon het niet gelooven! Was hij de Messias? Hij zou het kunnen gelooven, indien er maar niet zulke groote bezwaren waren tegen dat geloof. De Messias toch zou Zoon van David zijn! Hij zou te Bethlehem geboren worden! Hij zou de heidenen ten deele overwinnen, ten deele be-keeren! Hij zou zitten op den troon van Israël! En van dat alles was er niets te bespeuren bij den profeet uit Galilea. Hij kwam uit het verachte Nazareth! Van zijne afstamming van David was hem niets bekend, al noemde het volk hem met den Messiasnaam Zoon van David. Deze nederige, eenvoudige Rabbi, niet erkend door de hoofden des volks, hij zou de zoo lang verwachtte, de »-urig begeerde Messias zijn? Terwijl de Rabbijnen op hunne lessen\\oort-durend spraken van den Messias en Zijn komst en werk, zcu die Messias er al zijn, en door hen over hot hoofd gezien worden? Het was bijna niet te gelooven!

Hij was al peinzend en wandelend de hoogte van den Ol jfberg beklommen, en zette zich daar neder op een steen. Hij verborgde het gelaat in de beide handen en zuchtte. «Niet verre van het koninkrijk Gods!» Steeds dacht hij aan dat woord. Wat zou de

ocr page 35

DE PROFEET UIT GALILEA.

profeet verstaan onder het koninkrijk Gods? Hij wist het niet, maar vermoedde, dat het iets anders zijn zou, dan wat de Rabbi\'s zich onder dien naam dachten. Zou het misschien een zuiver geestelijk iets zijn ? Zou hij misschien in dat koninkrijk den vrede vinden, dien hij nog altijd te vergeefs gezocht had?

De avondschaduwen werden langer, en nog steeds zat Azarja in gepeins neder. Eindelijk wierp hij zich ter aarde, en, de handen opheffend naar den hemel, bad hij: aO God van Abraham, Izak en Jakob! God mijner vaderen! Ik ben uw knecht! Ik wil u dienen! O leer mij de waarheid kennen! Leer het mij zien of deze Nazerener een profeet is, van U gezonden, of hij de Messias is, dan of hij een verleider des volks is!»

Daarop stond hij op, om naar Jeruzalem terug te keeren. Toen hij zijne oogen van den top des Olijfsbergs over de voor hem liggende helling en den weg naar de stad liet wijden, zag hij in de verte een gezelschap van eenige mannen naderen, dat den Kidron was overgegaan en hem te gemoet kwam. Toen zij hem nader kwamen begon zijn hart luider te kloppen. Zag hij goed? Was dat niet de profeet, was dat niet Rabbi Jezus van Nazareth, die daar aankwam, van eenige mannen verzeld?

Nog eenige oogenblikken, en ja, hij heeft hem herkend. Daar nadert hij met langzame schreden. Zijn gelaat is bleek, zijn oog is nu dof. Hij wandelt met gebogen hoofd, en alles teekent groote lichamelijke uitputting. Geloof en ongeloof kampen in den boezem van den jongeling. Hij de Messias? Hij, die eenvoudige jonge man, die daar vermoeid en uitgeput voortwandelt, omgeven van eenige mannen uit geringen stand? — En toch, zijne woorden! Zijne daden! —

De profeet heeft hem reeds gezien. »Azarja Bar Itaï,» roept hij, «kom herwaarts, volg mij.»

Vol verbazing komt Azarja nader. «Van waar kent gij mij, Rabbi?» zegt hij.

(■Eer gij tot mij kwaamt, toen gij op den berg alleen waart, zag ik u,» is het antwoord.

25

ocr page 36

DE PROFEET Uil\' GALILEA.

Toch had hij den weg des lichts nog niet gezien. Hij was blijven peinzen en vragen en onderzoeken. Vooral ook had hij de Messi-aansche verwachtingen onderzocht. Doch hij vond zooveel verwarring onder de opvattingen der verschillende Rabbijnen, en zooveel aanstootelijks in het Fanatisme der Zeloten onder de Farizeën, dat hij niet wist wat er van te denken, en er geheel over in het onzekere was.

En nu — wie was die profeet uit Galilea toch, met dat wondere gelaat en dien zachten en toch zoo onweerstaanbaren blik? Hoe had deze man op eens, zonder zich te bedenken, zijn vraag naar het grootste gebod opgelost, zoodat hij nu verwonderd was, dat hij het zelf niet eer begrepen had! Van waar had deze die wondermacht, waardoor telkens zieken genezen werden? Was het waar, dat hij het deed door duivelsche tooverkunst? Maar was dat edel gelaat het gelaat van een orgaan des duivels? Hij kon het niet gelooven! Was hij de Messias? Hij zou liet kunnen gelooven, indien er maar niet zulke groote bezwaren waren tegen dat geloof. De Messias toch zou Zoon van David zijn! Hij zou te Bethlehem geboren .worden! Hij zou de heidenen ten deele overwinnen, ten deele be-keeren! Hij zou zitten op den troon van Israël! En van dat alles was er niets te bespeuren bij den profeet uit Galilea. Hij kwam uit het verachte Nazareth! Van zijne afstamming van David was hem niets bekend, al noemde het volk hem met den Messiasnaam Zoon van David. Deze nederige, eenvoudige Rabbi, niet erkend door de hoofden des volks, hij zou de zoo lang verwachtte, de vurig begeerde Messias zijn? Terwijl de Rabbijnen op hunne lessen voortdurend spraken van den Messias en Zijn komst en werk, zou die Messias er al zijn, en door hen over het hoofd gezien worden? Het was bijna niet te gelooven!

Hij was al peinzend en wandelend de hoogte van den Olijfberg beklommen, en zette zich daar neder op een steen. Hij verbergde het gelaat in de beide handen en zuchtte. «Niet verre van het koninkrijk Gods!» Steeds dacht hij aan dat woord. Wat zou de

24

ocr page 37

DE PROFEET UIT GALILEA.

profeet verstaan onder het koninkrijk Gods? Hij wist het niet, maar vermoedde, dat het iets anders zijn zou, dan wat de Rabbi\'s zich onder dien naair dachten. Zou het misschien een zuiver geestelijk iets zijn? Zou hij misschien in dat koninkrijk den vrede vinden, dien hij nog altijd te vergeefs gezocht had?

De avondschaduwen werden langer, en nog steeds zat Azarja in gepeins neder. Eindelijk wierp hij zich ter aarde, en, de handen gphefifend naar den hemel, bad hij: «O God van Abraham, Izak en Jakob! God mijner vaderen! Ik ben uw knecht! Ik wil u dienen! O leer mij de waarheid kennen! Leer het mij zien of deze Nazerener een profeet is, van U gezonden, of hij de Messias is, dan of hij een verleider des volks is!»

Daarop stond hij op, om naar Jeruzalem terug te keeren. Toen hij zijne oogen van den top des Olijfsbergs over de voor hem liggende helling en den weg naar de stad liet wijden , zag hij in de verte een gezelschap van eenige mannen naderen, dat den Kidron was overgegaan en hem te gemoct kwam. Toen zij hem nader kwamen begon zijn hart luider te kloppen. Zag hij goed? Was dat niet de profeet, was dat niet Rabbi Jezus van Nazareth, die daar aankwam, van eenige mannen verzeld ?

Nog eenige oogenblikken, en ja, hij heeft hem herkend. Daar nadert hij met langzame schreden. Zijn gelaat is bleek, zijn oog is nu dof. Hij wandelt met gebogen hoofd, en alles teekent groote lichamelijke uitputting. Geloof en ongeloof kampen in den boezem van den jongeling. Hij de Messias? Hij, die eenvoudige jonge man. die daar vermoeid en uitgeput voortwandelt, omgeven van eenige mannen uit geringen stand? — En toch, zijne woorden! Zijne daden! —

De profeet heeft hem reeds gezien. «Azarja Har Itaï,» roept hij, «kom herwaarts, volg mij.»

Vol verbazing komt Azhrja nader. «Van waar kent gij mij, Rabbi?» zegt hij.

«Eer gij tot mij kwaamt, toen gij op den berg alleen waart, zag ik u,» is het antwoord.

25

ocr page 38

26

Verrast ziet Azarja hem aan. «Gij zaagt mij? Hoe is dat mogelijk? Rabbi, zeg mij, zijt gij de Messias?»

«Gij zegt het! Van nu aan zult gij de heerlijkheid van den Zoon des menschen zien.»

«Ach Heer,» zucht de jongeling, weder door twijfelingen bestormd, «ik ben als een slingerend riet! Kom mijn twijfel te hulp! Onderwijs mij! Leer mij!»

«Het is den wijzen en verstandigen verborgen,» is het antwoord, «en den kinderen geopenbaard. Indien gij niet wordt als een kind, gij kunt in het koninkrijk Gods niet ingaan.»

«Heer, wat is het koninkrijk Gods?»

«Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat. Het is bi-men in u. Zoo wie den wil des Vaders gedaan heeft, die is in het koninkrijk Gods.»

«Meester, wat is de wil des Vaders?»

«Het is de wil des Vaders, Azarja, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft.»

«Ach, Heer, leer mij inugelooven! Laat mij uw leerling worden!»

«Die niet verlaat al wat hij heeft, die kan mijn leerling niet zijn.»

«Ik wil over alles nadenken. Rabbi,» sprak Azarja na eenig nadenken. «Laat mij thans tot de mijnen terugkeeren.»

«Het zij zoo. Maar bedenk, dat die mij volgt in de duisternis niet wandelt, maar het licht des levens ziet. Wat baat het een mensch, al gewint hij de geheele wereld, als hij zijne ziel verliest? Die in mij gelooft heeft het eeuwige leven!»

Daarop wendde hij zich van hem af, en vervolgde met zijne leerlingen den weg ih de richting van Bethanie. Azarja echter keerde met langzame schreden en in diep gepeins terug naar Jeruzalem, het hoofd vol nieuwe gedachten, het hart vol aandoeningen, die hem den daarop volgenden nacht de slaap uit\'de oogen hielden.

ocr page 39

TWEEDE HOOFDSTUK.

VRIENDEN7 EN VIJANDEN.

Nog was Jeruzalem in slaap verzonken, en dc deuren van den tempel gesloten, toen Azarja zich reeds weder op straat bevond. Aan den nachtelijken hemel vertoonden zich de heldere sterren, en boven op den tempelberg flikkerde het vuur van het brandofferaltaar, welks schijnsel rossig weerkaatste tegen de zuilen van den prachtigen binnensten tempel.

In diepe gedachten liep hij voort. Nog steeds was hij vervuld met de woorden, door den profeet uit Galilea gesproken tot hem den vorigen avond, op den weg naar Bethanië. Het waren tal van nieuwe gedachten, en zijne naar licht en waarheid dorstende ziel dronk ze gretig in. Hoe gaarne wilde hij een volgeling en leerling worden van dezen Meester! Maar wat beteekende het, dat hij zeide, dat niemand zijn leerling zijn kon, die niet verliet al wat hij heeft?

Hij plaatste zich in de nabijheid van de poort Schalleket, en wachtte, totdat deze zou geopend worden.

«Ik hoop, dat ik Joses zien zal», zei hij zacht bij zich zeiven. «Hij kan mij ongetwijfeld helpen. Hij is wijs en verstandig, en zijn hart is zachtmoedig. Ik ken niemand, die zulk een goed hart heeft. Hij weet ongetwijfeld meer dan ik van den Meester.»

Terwijl Azarja in diepe gedachten bij de tempelpoort nederzat, wachtende op de opening der tempeldeuren, waren daarbinnen reeds

ocr page 40

28 VRIENDEN EN VIJANDEN.

enkele priesters bezig met de eerste bezigheden van het dage-lijksch offerwerk. Op het hooge brandofferaltaar, waarop het vuur aanhoudend brandde, was een priester bezig bij het licht van dat vuur met een schop de asch weg te ruimen. Hij was gekleed in den langen witten lijfrok der priesters en op bloote voeten.

Na eenige oogenblikken beklom een ander priester, eveneens blootsvoets en in een witten lijfrok, de helling van het altaar, in zijne armen eene hoeveelheid hout dragende, dat hij op het vuur nederwierp, zoodat de vlammen hoog in de lucht opsloegen, en grillige roode schijnsels wierpen op de breede tempelgalerijen, en de platte daken der lager gelegen stad.

ft Wel, Theophilus», zegt de priester, die het hout heeft gebracht tot hem, die bezig is de asch op te ruimen, «hebt gij het al gehoord, wat er gebeurd is gisteren?»

«Wat meent ge, Eleazar?» is het antwoord.

«Wel, de profeet heeft weer zulk een in het oog vallend wonder gedaan!»

«Ik heb het niet gehoord», geeft Theophilus ten antwoord, en gaat voort met zijn werk.

«Hebt gij \'t niet gehoord? En ik dacht nog wel, dat ge zoo met den profeet ingenomen waart! Nu, ik zal \'t u zeggen. Hij heeft dien blinden Baruch genezen.»

Theophilus ziet verrast op. «Wat zegt ge, Eleazar? Baruch? Die altijd aan de poort Pharphar zat te bedelen? Ik dacht, dat die man blind geboren was!»

«Dat w7as hij ook! Maar voor dien Galileeschen profeet maakt dat geen verschil. Hij heeft hem slijk op de oogen gestreken en naar Siloam gestuurd om zich te wasschen. En nu kan hij zoo goed zien als gij en ik.»

«Hoe is het mogelijk! Hij is waarlijk een groot profeet! Wonderen en teekenen gebeuren! Zeg eens, Eleazar, zou hij niet soms de Messias zijn?»

ocr page 41

VRIENDEN EX VIJANDEN.

«Kom, dat geloof ik niet! De Messias, als hij ooit komt, — waaraan ik om de waarheid te zeggen wel eens twijfel, — zal toch op heel andere «vijze komen en spreken. Maar kom», zei hij, «wij moeten onze handen en voeten guan wasschen en dan naar de Lisjkooth Hagasith.» 1)

Zij verlieten het altaar, en gingen naar het koperen waschvat om zich te wasschen, waarna zij met de andere priesters naar de genoemde plaats gingen.

Intusschen waren ook de Levieten met hun werk begonnen. De deuren van de verschillende poorten werden geopend, en langzamerhand begonnen eenige menschen het voorhof der mannen en der vrouwen te vullen, wachtende op den aanvang van het morgenoffer. Ook Azarja was den tempel binnengegaan, en zijn oog zocht onder de dienstdoende Levieten naar dengene, wiens naam hij in zijne eenzaamheid reeds genoemd had. De dageraad begon te lichten, en al meer en meer verdween de duisternis, en ontwaakte Jeruzalem uit de rust van den nacht.

De priesters hadden de loting voor het werk volbracht, en gingen aan den arbeid. Een lam werd uit de lammerenkamer gehaald, terwijl andere priesters reeds met de verschillende gereedschappen kwamen aandragen om het dier te slachten. Uit een gouden beker werd het lam voor het laatst gedrenkt, en daarna naar de slachtplaats ten noorden van het altaar gebracht.

Theophilus was door het lot aangewezen om het lam te slachten. Met een gouden mes gewapend stond hij bij de slachtplaats te wachten. Toen de andere priesters het lam, dat ditmaal tot offer moest dienen, brachten, kwamen hem op eens de woorden voor den geest: «Aïs een lam werd hij ter slachting geleid.» Waar stonden die woorden, en op wien hadden zij betrekking? Hij kon het zich op dat oogenblik niet herinneren; want een Schriftgeleerde was hij niet. Het speelde hem echter aanhoudend door den geest,

1) Knmcr, waar de verscbilleude bezigheden der priesters door loting verdeeld werden.

29

ocr page 42

VRIENDEN EN VIJANDEN.

toen hij het dier het mes in de keel stak, en een ander priester het spuitende bloed opving in een gouden bekken, om het te plengen aan den voet van het altaar. En toen eenige oogenblikken later het vel van het dier afgestroopt, en het lichaam in stukken gesneden was op een der marmeren tafels ter zijde van het altaar, dacht hij nog steeds aan dat woord.

«Ik zal het Eleazar eens vragen», dacht hij, «waar dat ergens staat. Misschien weet hij het mij wél te zeggen. Waar is hij ?»

Hij zag naar hem om, en bemerkte hem, uit het tempelgebouw-komende, waar hij den gouden kandelaar gereinigd had.

Een oogenblik later traden al de priesters weder in de Lisjkooth Hagasith, om het gewone gebed, het «Sjema» te bidden, terwijl de stukken van het lani aan de zijde van het altaar waren nedergelegd.

«Zeg eens, Eleazar,» fluisterde Theophilus, toen hij zijn metgezel naderen kon, «kunt gij mij ook zeggen, waar dat ergens staat: Als een lam werd hij ter slachting geleid?»

«Wacht tot straks, Theophilus, tot de dienst is afgeloopen; dan kunnen we rustig verder praten.»

De dienst ging op de gewone wijze zijn gang. Diegenen der priesters, die geen verder werk te verrichten hadden, ontdeden zich van hun dienstgewaad. De anderen begaven zich weder naar het altaar, gereed tot het brengen van het offer, zoodra de daartoe bestemde priesters van de trappen van den tempel den priesterzegen over het volk hadden uitgesproken. De zon was in dien tusschentijd boven den horizont verschenen, en in Jeruzalem was het le,-en en de beweging ontwaakt. Steeds meerdere menschen stroomden den voorhof binnen, en het getal van hen, die met Azarja wachtten op het morgenoffer, werd steeds grooter.

Theophilus was nu aangewezen door het lot om in den tempel het reukwerk te ontsteken, als symbool van het gebed van het daarbuiten wachtende volk. Hij nam een gouden schaal, waarin in een kleinere schaal het reukwerk was. Een ander priester haalde met een zilveren pan vuur van het altaar, en schudde dat uit in

ocr page 43

VRIENDEN EN VIJANDEN.

een gouden pan. Samen gingen zij het tempelgebouw binnen, terwijl nog een derde priester eveneens mede binnenging.. De priester, die het vuur droeg, schudde dit uit op het reukaltaar, knielde tot aanbidding neder en ging heen. Nu nam Theophilus de kleine schaal met reukwerk uit den grooteren gouden, reikte de laatste aan den derden priester toe, en schudde den inhoud van de kleine schaal uit op het vuur. Een rookzuil steeg op, en vervulde de beperkte ruimte van het heiligdom met een eigenaardigen geur. Theophilus wierp zich even als zijn makker op de knieën neder tot aanbidding en verliet den tempel. Ook Eleazar, die zijn werk aan den kandelaar voltooien moest, kwam binnen, maar verliet eveneens spoedig weder het gebouw, na zijn arbeid verricht te hebben.

Nu verzamelden de priesters, die den dienst in den tempel verricht hadden, zich op de trappen van den tempel, en spraken met luider stemme den priesterlijken zegen uit over het volk, dat zich daarbij ter aarde boog. Daarop werden de stukken van het lam op het vuur gelegd, het spijsoffer werd eveneens op het vuur geworpen, en de wijn werd geplengd. Op dat oogenblik hieven de Levieten luide hun gezang aan, en bliezen de priesters met de trompetten; en bij eiken stoot der trompetten wierp het volk zich tot aanbidding neder.

De dienst was afgeloopen, en Theophilus haastte zich om zich bij Eleazar te. voegen.

«Zeg mij nu eens, Eleazar», zoo sprak hij, «of gij ook weet, waar dat staat: «hij is als een lam ter slachting geleid.» Ik dacht er zoo straks opeens aan, toen het lam mij gebracht werd om het te slachten. Op wien zou dat zien?»

«Ik geloof, Theophilus», was het antwoord, «dat het in de rol van den profeet Jezaja\'staat. Maar ik weet het niet zeker. Ook kan ik niet zeggen op wien het ziet.»

«Het kan toch niet op den Messias zien?»

«Op den Messias? Dat denk ik niet! Die zal toch niet ter slachting geleid worden, maar heerschen en regeeren.»

31

ocr page 44

VRIENDEN EN VIJANDEN.

«Het schijnt toch wel op een bepaald persoon te zien. Wie zon er dan mee bedoeld worden ?»

«Ik weet het waarlijk niet. Kom mee, Theophilus, we zullen het gaan vragen aan Rabbi Gamaliel. Hij komt spoedig in het voorhof om zijne lessen te houden.»

De beide priesters verlieten den voorhof der priesters en begaven zich in den voorhof der mannen, waar nog een groot aantal personen , die den morgendienst hadden bijgewoond, aanwezig waren, en reeds anderen kwamen met lammeren, die zij wenschten te offeren. Ook Azarja was daar nog, en was druk in gesprek met den Leviet Joses, dien hij gezocht had om raad en voorlichting. Theophilus en Eleazar moesten juist langs hen voorbijgaan.

«Zie, Eleazar», zei Theophilus, «daar hebt ge Joses, dei Leviet. Hij is een man, tehuis in de Schriften, en weet misschien wel, waar dat woord staat en wat het beteekent.»

«Wien heeft hij daar bij zich, met uien hij zulk een druk gesprek voert?»

«Ik weet het niet. Het is een mij niet bekend jongman.»

«Ik geloof, dat ik hem wel eens gezien heb onder de leerlingen van Rabbi Gamaliel.»

Zoo sprekende naderden de beide priesters het tweetal, en Theophilus sprak Joses aan.

«Sjaloom leka! i) Hoe zijt ge zoo druk in gesprek, Joses, en wie is deze jonge man?»

32

Joses zag hem aan. Hij was een man van middelbaren leeftijd met een ernstig gelaat en een vriendelijk oog, waaruit een zekere gloed een ieder tcgenstraalde, die met hem sprak. Ofschoon hij slechts een Leviet was, werd hij toch door de priesters met de grootste achting behandeld, daar zij hem kenden als een goed man, op wiens leven niets te zeggen viel, en die, ofschoon geen Farizeër, toch zeer getrouw de voorschriften van wet en Rabbijnen vervulde.

]) Vrede zij u!

ocr page 45

33

Hij was, ofschoon nog niet zoo oud. toch de vraagbaak en raadsman van vele personen.

God zegene u, Theophilus en Eleazar», zoo sprak hij. «Deze jongeling is mij bekend door mijn neef Joannes. Hij kwam mij raadplegen over eene ernstige zaak.»

«Zoo! Nu, wij zijn ook op weg naar Rabbi Gamaliel om hem eene vraag voor te leggen. Maar misschien weet gij het antwoord wel», sprak Theophilus.

«Laat eens hooren.»

«Van morgen, toen ik het lam voor het morgenoffer slachten zou, kwam mij op eens een woord voor den geest: Als een lam werd hij ter slachting geleid. Ik kan mij echter niet herinneren, waar het geschreven staat, en nog minder begrijp ik, van wie het kan gezegd worden.»

«O, dat kan ik u wel zeggen», sprak Azarja, «dat is uit de rol van den profeet Jezaja, en hij zegt het van den Ebed Adonaj, i) die veracht zal z\'jn en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten en verzocht in krankheid. Hij zal om onze overtredingen verwond, en om onze zonden verbrijzeld worden.»

«Maar wie is dan die Ebed Adonaj?» vroeg Theophilus.

«Ik weet het niet», antwoordde Azarja, «maar ik denk wel eens, dat het niemand anders dan de Messias zijn kan. Want aan het eind zegt de profeet, dat hij, als hij zijne ziel in den dood zal hebben uitgegoten, zuid zal zien, en de machtigen als een roofdeelen. En een weinig daarvoor zegt hij, dat hij verstandig zal handelen, dat hij verhoogd en verheven en zeer hoog zal worden.»

«Maar hoe kan dat samengaan?» vroeg Eleazar. «Hoe kan nu de Messias tegelijk veracht en onwaardig zijn, en tevens verheven en zeer hoog? Hoe kan hij regeeren als Koning en tegelijk als een lam geslacht worden? Ik begrijp daar niets van!»

«Ik begrijp het ook niet recht», antwoordde Azarja, «maar de

1) Knecht des Hceren. Eigenlijk staat in het Hebreeuwsch Ebed Jahveh , maar de Joden lazen overal, in plaats van „Jalivehquot;, het woord (Adonajquot;, Heer,

3

ocr page 46

34

woorden van Jesaja zijn duidelijk. Hij zegt zeer beslist, dat hij zijne ziel zal uitstorten in den dood, geven tot een schuldoffer, en dat hij daarna de dagen verlengen zal, en de machtigen als een roof deelen. Ook zegt hij, dat hij om onze overtredingen verwond en verbrijzeld zal worden; dat hij veler zonden dragen zal.»

«Dus werkelijk evenals het offerlam», antwoordde Theophilus ft ten minste als het lam van het zondoffer.»

«Het is eene belangrijke kwestie, vrienden», zei Joses nu, «even belangrijk als de dingen, waarover ik zoo even met Azarja sprak en er mee samenhangende.»

«Waarover hadt gij het?» vroegen Theophilus enEleazartegelijk

«Over den profeet uit Galilea, en over de vraag, of hij soms de Messias zou kunnen zijn.»

Levendig antwoordde Theophilus: «Dezelfde vraag deed ik Eleazar van morgen ook. Hij vertelde mij, dat hij den blinden Baruch genezen heeft.»

«Ja», antwoordde Joses, «dat is zoo; ik ben zelf er getuige van geweest. Maar onze Rabbi\'s zijn er zeer boos om.»

«Geen wonder! Hij ontziet hen niet!» antwoordde Eleazar. «Ik ben nog volstrekt niet overtuigd er van, dat die Galileër de Messias is; maar toch heb ik mij onlangs verkneuterd van plezier, toen hij hen zoo flink aan de kaak gesteld heeft.»

«Wat meent ge?» vroeg Joses.

«Wel, hebt ge \'t niet gehoord, hoe hij herhaaldelijk uitriep. Wee u. Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden? Hoe hij hen witgepleisterde graven noemde, en zei, dat zij onmogelijk aan de heisdie verdoemenis ontvlieden konden?»

«Zeide hij dat?» vroeg Azarja met ongeveinsde verbazing.

«Ja zeker! \'t Is geen wonder, dat zij op hem gebeten zijn. Ik vrees zelfs, dat hij het al te erg gemaakt heeft. Wij mogen wel voorzichtig zijn, dat geen van de Rabbi\'s ons hoort; want zij hebben gisteren den armen Baruch uit de synagoge verbannen, omdat hij er openlijk voor uitkwam, dat hij door Rabbi Jezus generen was.s

ocr page 47

VRIENDEN EN VIJANDEN.

«Maar dat is toch erg onbillijk, vind ik!» riep Azarja uit. «Hij kon toch niet anders zeggen dan de waarheid!»

«Ja, jongeling, dat moge waar zijn, de waarheid te zeggen is niet altijd verstandig. Men moet wel eens list gebruiken in het leven, als men ten minste zijn huid liefheeft», antwoordde Eleazar

«Dat is een laag beginsel!» riep Azarja uit. «Dat zou ik nooit kunnen doen!»

«Pas dan maar op, dat ge niet al te veel u inlaat met dien profeet, (ie kondt er nog wel eens door in moeilijkheden komen.»

«Als hij de Messias is, behoef ik niets te vreezen! De Gezalfde des Heeren zal over al zijne vijanden zegevieren!»

«En zoo even hebt ge ons meegedeeld, dat de Ebed Adonaj zal lijden en veracht worden en sterven! Als nu die Ebed Adonaj de Messias is, dan moet de Messias lijden en veracht worden en sterven!»

«Goed, maar daarna zal hij toch zegevieren!»

«Nu, ge moet \'t zelf weten. Maar ik waarschuw u toch, jongeling, en ik waarschuw u beiden ook, Joses en Theophilus, om maar niet al te luid te spreken ten gunste van Rabbi Jezus, want ik verzeker u, hij mag dan een profeet zijn of niet, of zelfs de Messias, dat hij, als hij zoo voortgaat, spoedig met onze oversten te doen zal krijgen, is wel zoo zeker, als dat de zon aan den hemel schijnt!»

Zonder dat de vier vrienden het bemerkt hadden was hen bij de laatst gesproken woorden een ander persoon genaderd, in wien wij den ons reeds bekenden Simei\' herkennen.

«Spreekt gij over dien bedrieger, dien Jezus van Nazareth?» viel hij in, toen Eleazar had uitgesproken.

Allen zagen om, en verschrikten een weinig.

«Ja», antwoordde Eleazar. «Wees gegro»t, Simei Ben Jona!»

Azarja wilde zich verwijderen. Hij gevoelde geen lust om met den heftigen Zeloot, i) dien hij den vorigen dag als een vijand

1) Zeloten heetten sommige larizeëu. De naam betcekent ijveraars.

35

ocr page 48

36 VRIENDEN EX VIJANDEN.

van den profeet uit Nazareth had loeren kennen, thans zich in te laten. Maar Simei had hem opgemerkt, en wilde hem zoo niet laten ontsnappen.

fiHei daar, wacht even, Azarja!» zei hij. «Ik ga met u mee. Gij gaat toch zeker naar Rabbi Gamaliel? Of gaat ge soms weer luisteren naar dien bedriegei ?»

Het bloed vloog Azarja naar het gelaat. Hij bedwong echter een scherp antwoord, wel beseffende, dat dit onder de bestaande omstandigheden gevaarlijk voor hem kon zijn.

Eleazar kwam hem te hulp, door op de oerste vraag van Simei te antwoorden:

«Ik vertelde aan de broeders, Simeï, dat onze Rabbi\'s niet lang meer het zullen toelaten, dat Jezus van Nazareth het volk tegen hen opruit.»

«Neen, bij de heilige wet! Dat zullen ze zeker niet! Daar heef: hij nu gisteren alweer door zijn vervloekte tooverkunst dien blinden Baruch genezen. Hij doet het natuurlijk voorkomen, alsof het is uit meelijden met dien man; maar het is alles berekening. Het is hem te doen om het volk te verblinden en tegen onze Rabbi\'s op te stoken!»

«Het is toch een weldaad voor Baruch met dat al, en tevens een ongehoord wonder!« merkte Theophilus op.

«Zijt gij ook al verleid, Theophilus?» vroeg Simeï. «Pas maar op, zeg ik u, het kon u nog wel eens spijten! Mijn vader en de andere Rabbi\'s zijn vast besloten er een eind aan te maken! En wat mij betreft, ik zal mij verheugen en van vreugd opspringen, als ik den ellendigen bedrieger zie hangen aan het kruis! Dat verdient hij!»

Daarop, zonder verder antwoord af te wachten, nam hij Azarja in den arm, zeggende: «Kom Azarja, wij gaan naar Rabbi Gamaliel.»

Toen zij heengegaan waren, trok ook Eleazar zich weer in het voorhof der priesters terug, zoodat Theophilus en Joses alleen bléven.

ocr page 49

37

Theophilus zag Joses ernstig aan, en zeide: «Ik kan u immers vertrouwen, Joses?»

«Ongetwijfeld. Wij verstaan elkander, geloof ik.gt;)

«Gij wilt zeggen . ...»

«Dat deze Jezus van Nazareth

«Juist, dat meende ik ook: dit hij....»

«De Messias is!» vulde Joses aan.

«Gelooft gij het werkelijk, Joses?»

«Ik moet \'t wel gelooven. Gij zelf hebt mij er toe gebracht door mij opmerkzaam te maken op dat woord van Jezaja, van den knecht des Heeren, die als een lam ter slachting geleid wordt.»

«Hoe meent ge dat, Joses?»

«Ga met mij mee naar huis, als gij tijd hebt. Het is niet aan te raden hier in den voorhof over deze dingen te spreken. Het verraad sluipt reeds rond.»

«Waar woont ge, Joses?»

«Bij mijne zuster Maria, in de Akra. Zij heeft ook nog\' een zoon in huis, mijn neef Joannes Marcus. Zij was tot voor korten tijd blind en bijna geheel kreupel; maar de profeet heeft haar geheel genezen.»

«Wat zegt ge!»

Daarop verloren zij zich onder het volk, dat al meer en meer den voorhof der heidenen vulde, en waren weldra in een der zuilengangen verdwenen.

Intusschen was Azarja, zijns ondanks, meegenomen door Simei\', zooals het heette naar de lessen van Rabbi Gamaliel, maar eigenlijk met een ander doel, zooals weldra bleek.

«Waar gaat ge heen. Simei? De Rabbi is in g\'mdsche zuilengalerij, in het Zuiden, en gij voert mij naar het Oosten!» zei Azarja.

«Ja, omdat ik eens met u praten moet, Azarja», antwoordde Simei. «Gamaliel heeft den tijd nog wel.»

Azarja gevoelde cene sterke neiging om weg te vluchten. Hij bedwong zich echter weder en volgde Simei\'.

ocr page 50

vriéndên én vijanden.

«Toen zij in een afgelegen en eenzaam gedeelte van de oostelijke galerij gekomen waren, sprak Simei:

«Zeg eens, Azarja, gij zijt gisteren nog iets langer bij dien Jezus gebleven dan ik. Hebt ge nog met hem gesproken?»

«Ja, dat heb ik. Maar daar stelt gij toch geen belang in.»

«Daar stel ik juist zeer veel belang in. Wat hebt ge met hem besproken?»

«Zeg mij eerst, waarom gij het mij vraagt, Simei.»

«Vertrouwt gij mij niet ?»

«Nu, dat gij een vijand van den profeet zijt, is zeker. En dat gij niets zult nalaten om mee te werken tot zijn val, hebt ge daar zooeven zelf gezegd. En ik wil althans daartoe niet meewerken.»

«Is dat u ernst, Azarja?»

«Ja zeker, bij den hemel!»

«Ik zou er maar geen eed op doen. Gij weet niet wat ge doet. Weet ge wel, dat het mij maar één woord behoeft te kosten, en gij wordt in den ban gedaan?»

«Hoe zoo?»

«Weet ge niet, dat de Rabbi\'s een besluit genomen hebben om alle aanhangers van dien Jezus of die zich ten gunste van hem uitspreken uit de synagoge te bannen? Pas dus maar op, dat het u niet treft!»

«Gij zult toch zoo laag niet zijn?»

«Ik zeg niet, dat ik u verraden zal; want ik hub op u juist veel verwachting gebouwd.»

«Verwachting gebouwd op mij? Met het oog op uwe plannen betreffende den profeet?»

«Den profeet! Azarja, wees voorzichtig! Ik zou hem zoo maar niet noemen!»

«Wat kwaad steekt daar in? Het geheele volk noemt hem zoo.»

«Het volk! Ja, dat roept van daag: «Hozanna den profeet uit Galilea!» maar als morgen de Rabbi\'s hem hebben gevangen genomen, dan roept het even luid: «Weg met hem!»

3S

ocr page 51

39

«Maar met welk recht willen de Rabbi\'s hem gevangen nemen? Wat voor kwaads doet hij ?»

«Vraagt gij dat nog? Is hij het niet, die onze Rabbi\'s voortdurend beleedigt? Scheldt hij hen niet uit en zijn niet al zijne woorden be-leedigend voor hen? En heeft hij geen lastering tegen den heiligen tempel gesproken ?»

«Lastering tegen den tempel? Daar heb ik niets van gehoord!»

«Zoo! Nu, hij heeft gezegd, dat deze heele tempel niets betee-kende. Als hij afgebroken was, kon hij alleen hem wel in drie dagen weer opbouwen.»

«Och kom. Simei! Dat is toch al te dwaas! Dat kan ik niet gelooven!»

«Het is zoo! Maar om tot de zaak te komen; wilt gij mij helpen of niet?»

«Zeg mij eerst, wat gij van mij verlangt.»

«Luister! Het is niet gemakkelijk hem gevangen te nemen. Het volk is altijd in een dichten drom om hem heen, en zou in opstand komen. Hij moet \'s nachts gevangen genomen worden. Nu weten wij wel, dat hij \'s nachts niet in Jeruzalem is; maar met zekerheid is het ons niet bekend, waar hij eigenlijk den nacht doorbrengt. Men vertelt, dat hij dikwijls halve nachten in de open lucht vertoeft, zooals het heet, om te bidden; maar ik denk, dat hij dan zijn toorenarijen uitoefent. Maar in ieder geval moeten wij zien tc weten te komen, waar hij \'s nachts alleen is. En gij zijt het, die daarbij ons helpen kunt.»

Azarja had met ongeduld geluisterd. Nu Simei uitgesproken had stond hij stil, zag hem met toornig gelaat aan, en zei:

«En gij meendet, dat ik mij zou leenen tot laag verraad?»

«Verraad! Het is een Gode welgevallige zaak, als gij meewerk* om den bedrieger onschadelijk te maken, die het volk verleidt en van de onderhouding der wet afkeerig maakt.»

«Nooit in der eeuwigheid zal ik eenige hulp verleenen tot het verderf van den____van Jezus van Nazaroth!» riep Azarja uit.

ocr page 52

vrienden en vijanden.

«Spreek niet zoo bout! Gij weet niet, wat gij op het spel zet! Maar om over iets anders tc spreken, gij kent de zuster van Saulus van Tarsen, niet waar?»

«Suzanna? Ja, ik heb haar nu en dan ontmoet.»

«Welnu; en gij zoudt haar u wel tot vrouw begeeren, niet waar?»

Azarja kleurde sterk. Hij gaf ontwijkend ten antwoord:

«Ik ben niet gewoon met den eersten den besten over zulke dingen te spreken.»

«Den eersten den besten! Gij vergeet, Azarja, dat mijn vader een vriend is van Rabbi Juda, de vader van Saul en Suzanna. Het behoeft mij maar één woord te kosten, en die zaak komt voor u in orde. Gij moet mijn hulp dus niet al te zeer versmaden.»

«Ik begeer uwe hulp niet.»

«Ik zie wel, dat gij niet diegene zijt, waarvoor ik u hield. Als gij een weinig toegeeflijk waart, als gij mij maar wat helpen wildet om de verblijfplaats van dien vervloekten Jezus uit te vorschen, dan zou ik u helpen, door aan mijnen vader een wenk te geven. Rabbi Juda is u niet ongenegen, en een woord van mijn vader tot hem daarover zou voldoende zijn om hem Suzanna aan u te doen geven. Gij moogt \'t willen erkennen of niet, ik heb quot;t al lang begrepen. Maar als gij weigert mij te helpen, dan zal ik u zeggen, wat er gebeuren zal. Dan ga ik heen, en vertel mijn vader, dat gij Jezus werkelijk voor een profeet houdt, dat gij het plan der Oversten om hem gevangen te nemen, laag verraad noemt; en dat gij ongetwijfeld zijn volgeling zijt. En dan volgt uwe uitbanning uit de synagoge. Dan kunt ge niet langer de lessen van Rabbi Gamaliel bijwonen; dan zijt ge onrein; en behoeft er niet aan te denken, dat Rabbi Juda zijne dochter u geven zal! Dan moet ge maar zien, hoe ge u dan bevindt! Kom», besloot Simeï zijne woorden, «kies nu voor u het beste. Gij behoeft niets anders te doen, dan u als zijn volgeling voor tc doen, en vertrouwelijken omgang met een van zijne leerlingen aan te knoopen, ge behoeft niets te doen, dan . ...»

ocr page 53

Vrienden en vijanden.

ftHoud op, Simei!» viel Azarja hem in de rede. «Gij verspilt uwe woorden. Ga heen, pleeg verraad jegens mij! Ga heen, zoek een verrader voor den profeet! Ik tart uwe bedreigingen! Xooit wil ik mijn geweten bevlekken met laagheid! En meet ik schande dragen, omdat ik geen verrader wil worden, het zij zoo! De Messias zal ook moeten lijden, en veracht zijn, de onwaardigste onder de menschen! ik deel liever zijn smaad dan uw eer!»

amp;Gij houdt Jezus van Nazareth dus voor den Messias?»

Azarja weifelde een oogenblik. Daarop antwoordde liij: «Ga, en onderzoek zelf of hij het niet is!» Daarop keerde hij Simei den rug toe en ging met snelle schreden heen.

Intusschen was Theophilus, de priester, met Joses, den Leviet, meegegaan naar diens woning, die dicht in de nabijheid lag van het huis, waarin Juda van Tarsen met Saul en Suzanna woonde. Zijne zuster Maria was dezelfde over wier genezing Suzanna den vorigen dag tot haren vader en haren broeder gesproken had.

Toen zij binnentraden, bracht juist Suzanna aan hare buurvrouw een bezoek. Zij stond op, toen zij de beide mannen zag.

«Wees gegroet, Joses!» zei Maria, insgelijks opstaande. «Wien der priesters van God heb ik het voorrecht onder mijn nederig dak te ontvangen?»

«Maria, het is Theophilus, een vriend van mij. Hij stelt ook veel belang in hem, dien wij beiden voor onzen weldoener houden.» Bij deze woorden zag Joses twijfelend Suzanna aan, in zijn hart vreezend, dat zij soms tot de vijanden van Jezus mocht behooren.

«In den profeet? In Rabbi Jezus? Zijt gij ook een van de onzen, dienstknecht van God? Wij spraken juist samen over hem, Suzanna en ik.»

«Ik stel veel belang in hem, Maria», antwoordde Theophilus, .(en wij spraken er al over of hij soms ook de Messias zou zijn.»

«De Messias? Zou \'t mogelijk zijn? O God van Abraham, Izak en Jakob, dat dat uwe dienstmaagd nog beleven mag!»

Daarop zich tot Suzanna wendende, zei zij:

41

ocr page 54

VRlENDEISI F,Si VIJANDEN.

«Hoort ge \'t wel, Suzanna? De Profeet is de Messias! Eindelijk is Hij dan gekomen! Ja, de Messias alleen kan zulke wonderen doen!»

«En de Messias alleen kan zulke woorden spreken als Hij spreekt!» voegde Joses er bij.

«Kom», zei Maria, «zet u neder! Ik zal mijne dienstmaagd roepen, dat zij u de voeten wassche.»

Suzanna, die in gedachten verzonken was geweest, stond nu op. «Laat mij Rhodé roepen», zei zij.

«Neen, Suzanna», antwoordde Maria, «sedert de profeet, de Messias meen ik, mijne oogen en beenen genezen heeft kan ik zoo iets zelf wel doen.»

Zij verwijderde zich, en kwam weldra terug, vergezeld van hare dienstmaagd Rhodé, die een bekken droeg met een doek, en de voeten der mannen begon te wasschen. Maria bracht dadels, vijgen, proost koren en kaas, en plaatste dit op de lage tafel.

«Doe geen moeite voor mij, Maria», zei Theophilus. «Ik zal niet met u aanliggen. Ik ga spoedig weer heen.»

«Gij zult toch wel een weinig gebruiken? Of althans een beker wijn ledigen?»

«Dank u! Laat ons liever praten. Houdt gij den profeet waarlijk voor den Messias, Joses?»

«Ik moet \'t wel gelooven. Gaat hij niet rond, goeddoende? Heeft ooit een mensch zulke teekenen gedaan? Wie heeft ooit een blindgeborene genezen? En bevestigt niet juist de haat der Rabbi\'s het, dat hij het is, van wien Jezaja sprak als de knecht des Heeren, die veracht zou zijn?»

«Ik kan het wel gelooven», zei Suzanna. «Ik ben wel niet geleerd in de Schriften, maar er staat toch ook van den Messias, dat hij zachtmoedig en vriendelijk zijn zal; dat hij als een Herder de lammeren in de armen zal dragen; dat hij arm zal zijn en een Heiland. En zie! Dat alles wordt in den profeet vervuld! Riep hij niet onlangs het uit: «Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijtl»? Nam hij niet kinderen in zijne armen, en heeft hij niet nog gisteren zich-

ocr page 55

43

zeiven den goeden Herder genoemd, die voor zijne schapen zorgt, ze bewaart en behoedt, en zijn leven voor hen zal geven? Ja, ik geloof in hem! O, het vervult mijn hart met een zalig gevoel!»

Het edele meisje sloeg hare donkere oogen in zielvolle verrukking omhoog. De beide mannen zagen haar met bewondering aan.

«Pas maar op, meisjelief», zei Joses, «dat gij niet aan uwen vader en broeder zegt, hoe gij over den Meester denkt!»

«Waarom niet?»

«Omdat de Rabbi\'s een besluit hebben genomen om ieder, die Hem belijdt in den ban te doen en van de synagoge uit te sluiten.»

«Zoo! Is de vijandschap al zóó groot! Maar mijn vader zal er niet toe meewerken zijne dochter schande aan te laten doen. En wat Saul betreft, die is veel te veel in zijn studie verdiept, en te onverschillig voor den Meester.»

«Die onverschilligheid kan spoedig genoeg in vijandschap veranderen. Is hij niet bevriend met Simeï Ben Jona?»

«Ja, maar hij gaat ook om met Azarja, die zeer gunstig over den Meester denkt, en met Simon Ben Gamaliel, die de kalmte in eigen persoon is.»

«Nu, ik waarschuw u. Simeï althans is een bittere vijand. Hij is tot alles in staat jegens den Meester.»

Op dat oogenblik ging de deur open, en een jongeling van een levendig voorkomen, met een blozende kleur en ietwat vrouwelijk uiterlijk trad binnen. Het was Joannes Marcus.

Hij groette eerst zijne moeder, daarna den priester, daaropjoses, en eindelijk Suzanna. Hij scheen opgewonden.

«Scheelt er wat aan, Joannes?» vroeg Maria.

«Neen, moeder, maar er is iets ergs gebeurd.»

«Wat is er?» vroegen allen tegelijk.

«Weet gij het niet?» vroeg de jongeling aan zijn oom.

«Neen, hoe zou ik het weten, wat gij meent!»

«Het volk in den tempel heeft den Profeet willen steenigen. Hij

ocr page 56

VRIENDEN EX VlJANDEtf.

is echter ontkomen, en geen enkele steen heeft hem getroffen, \'t Was vreeselijk, zoo\'n tumult als \'t was in den voorhof.»

«Maar hoe is dat mogelijk?» antwoordde Theophilus. «Het volk was zoo met hem ingenomen, meende ik.»

«Ja, maar het wonder van gisteren is olie in het vuur geweest. De Rabbi\'s hebbrn een besluit genomen, dat ieder die zich een volgeling van hem toont, uit de synagoge geworpen zal worden. En \'t was verwonderlijk om te zien, hoe snel daardoor de volksgunst was veranderd. Bovendien waren er al heel vroeg Farizeën in de galerijen en het voorhof, om in\'t geheim het volk op te stoken.»

«Ik vrees, dat de zaak nog een ernstig verloop zal krijgen!» zei Theophilus.

«Geen vrees! Hij is immers de Messias! Hij zal zegevieren over al zijne vijanden!» zei Suzf.nna met geestdrift.

«Houdt gij hem voor den Messias, Suzanna?» vroeg Joannes, het meisje verwonderd aanziende.

«Ja Joannes», zei joscs, «wij gelooVen, dat Rabbi Jezus niet alleen een profeet, maar dat hij de Messias zelf is.»

«Nu, daarvan ben ik nog niet overtuigd! Hij ziet er weinig naar uit, dunkt me! Moet dat nu de langverwachte Koning zijn? Een Heerscher over alle volken? Neen, dat geloof ik niet!»

«Er staat van den Messias geschreven in Jesaja», antwoordde Joses, «dat Hij veracht zal zijn en de onwaardigste onder da- menschen.»

«Dat zegt Jesaja van ons, van het volk van God, van Israël, Zijn knecht, dien Hij uitverkoren heeft!»

«Maar het volk kan toch niet als een lam geslacht worden?» vroeg Theophilus.

De jongeling was een oogenblik in verwarring, en antwoordde niet dadelijk.

«Kom», zei zijne moeder, «praat daar later maar eens over. Vertel ons maar eens, wat er nu eigenlijk gebeurd is.»

«Wel», zei Joannes Marcus, «ik was al vroeg in den voorhof. De profeet was er nog niet. Ik hoorde wel, dat men mompelde

44

ocr page 57

VRIENDEN EN VIJANDEN.

onder het volk, en bemerkte eeiic ongewone onrust. Eindelijk kwam hij, vergezeld vm zijne twaalf leerlingen. Het volk maakte plaats voor hem, en hij begon, zooals gewoonlijk, zijn onderwijs met de oogen ten hemel te heffen en een kort gebed uit te spreken. Toen begon hij tot het volk, dat zicli dicht om hem heen drong, te spreken over \'t geen hij gisteren gezegd had, van zijne schapen. Maar zij vielen hem spoedig in de rede, en vroegen hem: «Hoe lang houdt gij ons op? Als gij de Messias zijt, zeg het dan ronduit!»

«En wat antwoordde hij?» vroeg Suzanna.

«Ik kon het niet goed verstaan; ik was wat achteraf gedrongen. Maar plotseling ontstond er een tumult. Velen grepen steenen; ik begreep niet, waar ze die zoo spoedig vandaan haalden, en ik vermoed, dat er kwaadwilligen waren, die ze reeds vooruit meegebracht hadden. Toen begonnen zij te werpen. Ik zag, hoe de twaalf leerlingen uiteenstoven. Maar de Meester bleef kalm staan, en geen enkele steen trof hem. Ik wist weer dichterbij te komen, en hoorde roepen; «Hij heeft gelasterd! Hij zegt, dat h;j Gods Zoon is!»

«Zou hij dat gezegd hebben?» vroeg Joses.

«Als hij de Messias is, dan heeft hij recht op dien naam», antwoordde Theophilus.

Suzanna prevelde zacht bij zich zeiven: «De Zoon van God! Do Zoon van God!» en heilige aanbidding was op haar gelaat te lezen.

«Hoe liep het af, Joannes?» vroeg Maria.

«Het duurde een oogenblik, en toen zag ik, dat hij heenging. En, \'t is bijna niet te gelooven, maar ik heb het duidelijk gezien, het volk ging eerbiedig uit den weg, en liet hem met zijne leerlingen heengaan.»

«Dat is geen wonder, Joannes! Dat komt, omdat hij de Messias, de Zoon van God is!» zei Suzanna.

«En waar is hij toen heengegaan?»

«Dat weet ik niet. Ik zag nog, dat hij met zijne discipelen de poort Schalleket uitging. Ik kon door \'t gedrang hem niet meer bereiken, en ging de poort Pharphar uit, en hierheen.»

45

ocr page 58

VRIENDEN EN VIJANDEN.

Suzanna stond op om heen te gaan.

«Waar gaat gij heen? Gij hebt toch nog wel wat tijd?» zei Maria.

«Ik ga hem zoeken! Ik moet tot hem! Ik wil ook hem volgen!» gaf zij met geestdrift ten antwoord.

«Kind», zei Joses, «wees kalm. Dat gaat zoo maar niet. Het is veel te gevaarlijk om er nu voor uit te komen, dat wij hem voor den Messias houden. Wacht, tot hij het getoond heeft door de overwinning van zijne vijanden.»

«Dan wil ik ten minste mijn vader en Saul zeggen, dat ik ook in hem geloof!»

«Ik raad u aan te zwijgen, kind!» zei Joses weer.

«Ik kan niet zwijgen!» Daarop groette zij allen, en ging heen.

«Het is een edel meisje», zei Joses.

«En zij is in \'t geheel niet trotsch, al stamt zij ook af van e^n hoogepriesterlijk geslacht», zei Maria.

«Was dat maar het geval niet», zei Joannes, «dan vroeg ik haar ter vrouw. Maar nu zou ik, Leviet die ik ben, weinig kans hebben.»

Intusschen had Suzanna zich naar de woning haars vaders begeven. Zij vond er alleen Saul, die zooeven van de les van Rabbi Gamaliel was thuis gekomen.

«Waar is vader?» vroeg zij, nadat broeder en zuster elkaar gegroet hadden.

«.Die is naar de vergadering van het Sanhedrin», antwoordde hij. «Die vervloekte valsche profeet is er de oorzaak van.»

«Ach, Saul, spreek zoo niet over hem! Gij weet niet wat gij doet!»

«Hoor eens, zuster, ik ben tot nu toe tamelijk onverschillig voor hem geweest; en ik vind het dwaasheid van Simei bij voorbeeld om zich zoo druk te maken over hem. Maar met dat al is het toch waar, dat hij met zijne ij dele kunsten hoe langer hoe meer het volk verleidt en afkeerig maakt van onze Rabbi\'s. En ofschoon ik nog blijf gelooven, dat mijn leermeester. Rabbi Gamaliel, gelijk heeft, dat men hem niet bestrijden moet, toch is het geen wonder, dat de Rabbi\'s zich met de zaak gaan bemoeien.»

46

ocr page 59

47

«Ik vind het treurig, Saul, dat onze oversten zoo blind zijn voor de heerlijkheid van hem, den profeet, ja meer dan een profeet, den Messias, den Zoon van God.»

Saul sprong op, alsof hij door een adder gebeten was. «Wat zegt ge daar? De Messias, de Zoon van God zou hij zijn? Hij, die timmerman uit Nazareth? Hebt ge nu heel en al uw verstand verloren, Suzanna? Moet ge schande brengen over ons? En dat gij, een kleindochter van een hoogepriester; dochter van een Rabbi, een Farizeer!»

«Het is geen schande te gelooven in hem, dien onze vaderen eeuwen lang venvacht hebben. Het is geen schande den Koning der Joden te erkennen.»

«Suzanna, zwijg toch! Spreek er niet van! Gij weet niet, wat gij doet!»

«Waarom mag ik niet spreken van wat ik geloof? Waarom mag ik niet uitkomen voor mijne overtuiging?»

«De Rabbi\'s hebben besloten den ban uit te spreken over ieder, die den Nazarener als den Messias belijdt. O Suzanna, als dat u eens trof! Breng toch dien smaad niet over ons!»

«Als dat gebeurde, zou het voor mij eene eer zijn om te doelen in den smaad van den Messias!»

«Wat? Smaad van den Messias? Zijt ge nog zoo weinig op de hoogte van wat de Messias zijn zal ? Meent ge dan waarlijk, dat een verachte Nazarener de Messias kan zijn?»

«Ik ben een onkundig meisje, dat weet ik», antwoordde Suzanna, en hare houding drukte waardigheid uit, «maar één ding weet ik, clat wat Jezaja zegt van den Messias, dat Hij gezonden zil worden om cene blijde boodschap te verkondigen, om te verbinden die gebroken zijn van hart, en den gevangenen vrijheid uit te roepen, om den blinden te geven het gezicht, in Jezus vervuld is. Hij predikt aan armen en geringen een waarlijk blijde boodschap, als hij hen leert, dat God hen even goed in het Koninkrijk wil doen ingaan als de Farizecn. Hij geeft blinden het gezicht, en dooden het leven. Is hij nederig en gering, er wordt van den Messias ook gezegd, dat

ocr page 60

48

Hij arm zal zijn; ja jczaja zegt, dat Hij veracht z.ü worden; dat ieder voor Hem het gelaat zal verbergen. En gij met de Oversten en Rabbi\'s zijt bezig deze woorden in vervulling te brengen.»

Saul had met ongeduld naar haar geluisterd. Toen zij uitgesproken had , antwoordde hij :

«Laaf ik u zeggen, zuster, ivat de verwachting is, die wij hebben aangaande den Messias en Zijn komst. Vooreerst zal die komst duidelijk genoeg worden aangekondigd door teekenen, die in den hemel en op aarde zullen plaats grijpen. De zon zal verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, eer dat die vreeselijke dag des Heeren komt. Kr zullen teekenen zijn in den hemel en op de aarde; bloed en vuur en rookzuilen. Zwaarden zullen blinken aan den hemel. Ruiterij en voetvolk zullen door de wolken trekken. Uit het hout zal bloed vloeien en de steen zal geluid doen hooren. Akkers, die bezaaid zijn, zullen ledig, e;i ledige schuren vol worden. De levende wateren zullen ophouden te vlieten. De menschcn zullen tegen elkaar verdeeld worden; de zoon tegen den vader; de dochter tegen de moeder,....»

«En de broeder tegen de zuster, zooals op dit oogenblik!» viel Suzanna hem in de rede.

«Stil! De volken zullen tegen elkaar opstaan; en er zullen aardbevingen zijn, en oorlog, vuur en hongersnood.»

«Een vreeselijk tooneel hangt ge daar op!»

«Dat zijn de weeën, die de geboorte van de Olaam Habah i) voorafgaan, Suzanna. Luister verder! Dan zal Elia komen om vrede te slichten en orde te brengen. Hij zal de vaders tot de kinderen bekeeren; hij zal twistpunten beslechten en processen uitmaken. Hij zal het volk tot boete opwekken.»

«Er is een boetprofeet geweest! Joannes de Dooper!»

«Zwijg, Suzanna! ik weet het wel, maar die was Elia niet. Na de verschijning van Elia eerst zal de Messias komen, en wel plotse-

1) Olaam Habali, de toekoraemle eeuw, tegcaovcr Olaam Hazeli, deze eeuw.

ocr page 61

VRIENDEN EN VIJANDEN.

ling, als een overwinnend Heerscher. Eerst zal Hij een tijdlang in verborgenheid leven, en dan zal Hij optreden om de heidenen te overwinnen, den Gog en den Magog, die tegen Jeruzalem ten strijde zullen optrekken. Armilus, de Antimessias, zal hen aanvoeren. Maar Hij zal ze verdoen door den adem Zijns monds en Zich zetten op den troon Zijner heerlijkheid om gericht te houden over menschen en engelen. En dan zal Hij Israël groot maken en Zion zal heerschen over de volken. Nu vraag ik u in ernst, Su-zanna, als gij nu met deze verwachting vergelijkt wat die Galileesche profeet is en doet, of het dan geen onzin en dwaasheid, zoo niet godslastering is, om hem den Messias te noemen!»

Suzanna was uit het veld geslagen. Zij antwoordde:

«Ik kan natuurlijk niet tegen u redeneeren. (jij weet beter dan ik wat de schriften zeggen. Maar ik kan ook niet ontkennen, dat ik mij den Messias niet anders wensch dan deze profeet is. Ik weet niet, wat ik u antwoorden moet op al die dingen, die gij genoemd hebt. Maar ik weet wel, dat die eens een blik heeft opgevangen van dat goddelijk gelaat, en zijne woorden gehoord, het niet meer vergeten kan. O, gaarne zou ik voor hem neerknielen cn hem aanbidden.»

«Gij zijt betooverd! Gij weet wel,- dat gij niemand aanbidden moogt dan God! O Suzanna, geloof mij, onze Rabbi\'s weten wel wat zij doen, als zij dezen zoogenaamden profeet verwerpen. En ik zou nog voorloopig maar wachten met u openlijk als een volgeling van hem te gedragen. Wacht dan maar eerst eens op zijn daden! Als hij de Christus is, dan zal hij spoedig genoeg dat toonen, door al zijne vijanden te overwinnen. Ik vrees echter, dat \'t heel anders zal afloopen met hem.»

Broeder en zuster waren zoo verdiept in hun gesprek, dat zij het niet bemerkt hadden, dat een ander persoon was binnengekomen, en eenige oogenblikken geluisterd had. Saul bemerkte het het eerst.

«Wees gegroet, Esther!» zei hij.

Suzanna keerde zich om, en zag de bezoekster aan. Het was een

4

49

ocr page 62

meisje van lifiren leeftijd, donker van uiterlijk niet sieilijk gebogen neus, en dunne gesloten lippen. Zij was gekleed in de kleeding der aanzienlijke Joodsche jongedochters.

amp;Zoo, Esther», zei Suzanna, «hoe gaat het? Ik heb u in langen tijd niet gezien!»

«Neen, dat is zoo; maar gij woont nog al wat ver weg; en daarbij kan ik moeilijk van huis. Gij weet, dat moeder hoe langer hoe slechter ter been wordt, en de zorg voor het huishouden hoe langer hoe meer op mij neerkomt. Daarbij komt, dat ze langen tijd gesukkeld heeft. Nu knapt ze echter weer wat op, maar met de lamheid in de beenen wordt het nog niet beter.»

«Maar waarom hebt gij nooit eens de hulp ingeroepen van — van Rabbi Jezus?»

«Van dien bedrieger?» riep Esther met ongeveinsde verachting. «Ik draag moeder liever naar het graf, dan dat ik mij zou bezondigen met mij met zijne tooverkunsten in te laten!»

Voor Suzanna antwoorden kon, nam Saul het woord, en zei:

«Gij weet \'t misschien niet, Esther, dat Suzanna zoo met hem is ingenomen. Ik geloof, dat hij haar betooverd heeft.»

Terwijl hij dit zei, gaf hij Suzanna een wenk, dat zij niet spreken moest.

«Wel, wel, Suzanna! Is het wezenlijk waar?» zei Esther, Suzanna met verbazing aanziende.

«Ik spreek er liever niet over», gaf deze ontwijkend ten antwoord. «Ik merk wel, dat gij ook al tegen hem zijt ingenomen, evenals Saul en vader.»

«En evenals al de Rabbi\'s, zou ik denken!» zei Esther, op een toon, als ware zij beleedigd.

«Ja, het schijnt wel, dat ik een geheel anderen indruk van hem heb gekregen dan anderen; hoewel...» zij bedacht zich, en zweeg.

«Nu, ga voort! Hoewel... Wat wildet gij zeggen?» vroeg Esther.

«O, ik dacht er aan, dat ik toch niet de eenige ben hier in Jeruzalem, die gunstig denk over den profeet uit Galilea. Ik zou namén

ocr page 63

SI

kunnen noemen. Maar ik zal liever zwijgen; want ik weet., hoe verbitterd men op hem is, en wil niemand in het ongeluk storten.»

(XVerbitterd? Nu maar, Suzanna, hebt gij dat dan niet kwalijk genomen, wat die man gezegd heeft aan het adres van mijn en uw vader?»

dHoe zoo?»

«Wel, ge weet toch wel, hoe hij de Farizcën heeft beleedigd? En ben ik niet een dochter van Rabbi Jona Ben Amittaï? En zijt gij niet een dochter van Rabbi Juda? Mogen wij, dochters van Farizeën, ons dat niet aantrekken?»

Saul zag haar, terwijl zij zoo sprak, bewonderend aan.

«Gij hebt volkomen gelijk, Esther!» zei hij. «Ofschoon ik niet kan instemmen met den ijver van uw broeder Simei\', die zich zoo druk maakt om den valschen profeet, die zich nu ook al voor den Messias uitgeeft, ten val te brengen, toch kan ik aan den anderen kant het niet anders dan betreuren, dat Suzanna zoo weinig schijnt te bedenken, wat haar als dochter van een Rabbi en Farizeër past.»

«Simeï is wat heftig», gaf Esther ten antwoord, «maar hij meent het goed. En staat er niet in de psalmen: Zou ik niet haten, die u haten?»

«Ja», voegde Saul er bij, «en er volgt: Ik haat ze met volkomen haat! Tot vijanden zijn ze mij.»

«Juist! Wij mogen dus niet alleen, maar wij moeten zelfs haten zulke personen als dien valschen profeet, die lasterlijke woorden spreekt tegen den tempel en tegen de leeraren der wet.»

«Hij heeft strenge woorden gesproken, dat is waar», zei Suzanna op zachten toon. «Maar zeg mij nu eens beiden oprecht, maken sommigen van de Rabbi\'s het er dan toch ook niet naar?»

«Het er naar maken om voor slangen en adderengebroed uitgescholden te worden?»

«De Meester moge streng gesproken hebben, ik heb mij ook al lang geërgerd aan de praktijken van sommige Rabbi\'s. Het volk vermoedt «r niets van, als zij daar gaan in hunne sierlijke tabbaarden,

ocr page 64

53 VRIENDEN EN VIJANDEN.

cn lange gebeden doen, wat ze zeggen en doen, als ze onder elkaar zijn. Heeft niet Rabbi Jonathan, — schande zij zijn grijsheid! — die arme Ruth ongelukkig gemaakt? Is hij in den grond niet een laag wellusteling? En van waar heeft Rabbi Phanuel zijn geld? Is \'t niet volkomen waar, wat Rabbi Jezus zeide, dat sommige Farizeën de huizen van weduwen opeten onder den schijn van lange gebeden doen?»

aGij spreekt al met weinig achting van hen, tot wie uw en mijn vader behoort! Ik geloof, dat gij besmet zijt door dien valschen profeet!» anlwoordde Esther schamper.

Suzanna geraakte meer en meer in geestdrift. «Is het waar of niet?» vroeg zij. «Zijn niet de meeste Rabbi\'s hoogmoedig, hardvochtig, en huichelachtig? O, wij kunnen te veel achter de schennen zien! En de Profeet, die in hunne harten leest, heeft niet te veel gezegd, toen hij het uitriep: Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, hoe zult gij de helsche verdoemenis ontvlieden!»

«Ik geloof werkelijk, dat ik met een aanhangster van den bedrieger te doen heb!» riep Esther toornig uit. «Zeg eens, zijt ge soms een van zijne volgelingen?»

Saul, die eene openlijke bekentenis .van Suzanna tegenover Esther wilde verhinderen, gaf duidelijke teekenen aan zijne zuster, dat zij zwijgen zou, zich zoo plaatsend, dat Esther hem niet in het gelaat kon zien. Het hielp echter niet. Het was, alsof Suzanna, zooeven nog bedeesd, en onder den indruk van de nederlaag, die zij in haar gesprek met haren broeder geleden had, nu geheel veranderd was. Zij richtte zich fier op; hare oogen schitterden van een verheven vuur, en met de oogen ten hemel geslagen, zei zij:

oja, dat ben ik, Esther! Ik wil het niet voor u verbergen. Ik geloof, dat Jezus van Nazareth de lang verwachte Messias is!»

Ontzet sprong Esther overeind. Zij trad een paar schrcdcn terug, en riep uit: «Is het mogelijk! Hoe vreeselijk!»

Daarop Saul aanziende, zei zij: «Hoe verschrikkelijk is dat voor u, Saul!»

ocr page 65

VRÏENDEN EN VIJANDEN. S3

Saul antwoordde niets, maar bitterheid was op zijn gelaat te lezen.

Esther keerde zich half om tot Suzanna, en zei op ijskouden toon:

«Gij zult begrijpen, dat ik met de volgelinge van den verachten Nazarener geen vriendschap houden kan. Ik ga dus naar huis.»

Daarop, nogmaals Saul, nu met een vriendelijken glimlach, aanziende , zei zij tot hem:

«Gaat gij soms mee, Saul? Gij stelt er zeker wel belang in, als ik u zeg, dat er van middag eene huiselijke samenkomst zal plaats hebben bij ons, van verschillende Rabbi\'s, in verband met de plannen tegenover dien Jezus. Komt gij niet? Als gij nu meegaat, kunt gij ze bijwonen.»

«Het is goed. Ik zal u naar huis verzeilen», antwoordde hij. En een oogenblik later vertrokken beiden, zonder Suzanna met een enkelen blik te groeten.

Toen zij vertrokken waren, stond het meisje, thans weder schuchter en stil, nog een poos op dezelfde plaats. Eindelijk bewoog zij zich, en de handen voor het gelaat slaande, begon zij te schreien, en riep uit: «Wat heb ik gedaan? O, wat heb ik gedaan! Ach, mijn eenige broeder!»

Zij zette zich neder, en liet aan hare tranen den vrijen loop.

Saul en Esther begaven zich intusschen naar de woning van Rabbi Jona. Het was nu middag geworden, en de zon wierp hare heldere stralen op den weg, dien de beide jongelieden betraden. Het was winter, en de straten van Jeruzalem waren met eene dunne laag sneeuw bedekt, die echter in de stralen der zon snel wegsmolt. Zij wandelden langzaam door de nauwe straten, en kwamen weldra aan de poort, die de benedenstad Akra van de bovenstad Zion scheidde. Toen zij die poort waren doorgegaan zagen zij aan hunne rechterzij het paleis van Herodes den Groote, waarachter zich de toren Hippicus verhief, en ter linkerzijde, de Xystus, het gebouw, waarin het Sanhedrin vergaderde, wanneer het niet in den tempel of het paleis van den hoogepriester samenkwam, benevens het paleis van Herodes Agrippa. In dit gedeelte der stad stonden tal van

ocr page 66

VRIENDEN EN VIJANDEN.

prachtige gebouwen. Hier waren de voornaamste publieke gebouwen ; hier was de Arena, van hout opgetrokken, waarin van tijd tot tijd dooi bestel van den landvoogd zwaardvechters en gevangenen tegen elkander en tegen de wilde dieren vochten om de Romeinen en andere vreemdelingen uit Jeruzalem, benevens de Sadduceesch gezinde, vrijzinnige Joden te vermaken. Hier waren ook een paar der voornaamste synagogen; en hier was het ook, dat de aanzienlijke woning stond van Rabbi Jona Ben Amittaï, de vader van Simeï en Esther.

Saul ging met zijne gezellin dc poort door, die toegang tot die woning verleende. Door die poort kwamen zij op de ruime binnenplaats, waar, niettegenstaande den winter, nog enkele sierlijke planten groeiden. Op deze binnenplaats kwamen de verschillence veitiekken uit. L;it een dier vertrekken klonken verschillende stemmen door elkander.

«Zij zijn al bij elkander, geloof ik», zei Esther tot Saul. «Wilt gij dadelijk u bij hen voegen, of wilt gij eerst mijne moeder begroeten ?»

«Laat mij eerst uwe moeder groeten, Esther», antwoordde Saul.

Nh bracht zij hem in een ander vertrek, geheel belegd met kostbaar marmer, en rondom versierd met tapijten. Op een lage rustbank achter in het vertrek, naast een sierlijke bronzen vaas, laquot; Judith, de moeder van Esther. Zij was eene trotsche vrouw van middelbaren leeftijd. Zij was gekleed in een kostbaar kleed van Tyrisch purper, en een gouden halsketting hing achteloos van haar hals neder op den boezem. Ook hare vingers waren rijk met ringen versierd

Zij rees op van de rustbank, en beantwoordde de beleefde groet van Saul met eene hoofdbuiging. Daarop vroeg zij:

«Gij komt zeker ook om de vergadering bij te wonen? Uw vader is reeds een tijdlang hier.»

«Ik wist niet, dat er hier vergadering was; Esther deelde het mij mee, en nam mij mee hierheen. Ik stel zeker veel belang :n de besprekingen, maar het verveelt mij nog niet in het gezelschap te verkeeren met twee der dochteren van Sion.»

S4

ocr page 67

55

«Hoe maakt het uwe zuster Suzanna?» vroeg Judith.

Het gelaat van Saul kreeg eene pijnlijke uitdrukking. «Naar het lichaam is zij wel», antwoordde hij, «maar haar geest is helaas beneveld en verward door de- toovenarijen van dien valschen profeet.»

«Wat zegt gij ?» antwoordde Judith. «Is zij ook verleid ? Hoe is het mogelijk! Het spijt mij waarlijk van haar, en nog meer spijt het mij voor u en voor uwen vader. Het wordt waarlijk tijd, dat er een eind komt aan de verleiding van dien bedrieger.»

«Ja», antwoordde Saul, «ik begin nu ook te gelooven, dat het goed zal zijn, als er een eind aan komt. En dan zullen de oogen van Suzanna wel weer open gaan, denk ik, als zij het ziet, dat hij niet bestand is tegen de macht van het Sanhedrin.»

Nog een oogénblik sprak Saul met moeder en dochter, en het was noode, dat hij hen verliet om zich te begeven naar het vertrek, waar de Rabbi\'s bij elkander waren.

Toen hij binnentrad werd hij met blijdschap begroet. Simei rees op van de rustbank, en trad op hem toe.

«Wel, Saul, gij hier? Kom, dat is eene vooruitgang! Ik ben blij, dat ge eindelijk uwe onverschilligheid begint af te leggen. Kom hier, leg u bij mij neer!»

Saul ging den kring der aanliggende Rabbi\'s rond, en groette hen allen. Het waren allen vrienden en geestverwanten. Daar was Saul\'s vader, Rabbi Juda; daar was de heer des huizes. Rabbi Jona; daar waren de Rabbi\'s Phanuel en Jonathan Ben Annas; daar waren Rabbi Josef Ben Joazar, Rabbi Ismaël uit Joppe, Rabbi Simon Kan-theras uit het hoogepriesterlijk geslacht, en eveneens de Rabbi\'s Joannes en Alexander, met den hoogepriester JosefKajafasverwant. Ook waren er enkele jongelieden. Het gesprek was levendig en druk, en werd door verschillende personen te gelijk gevoerd.

Saul trachtte naar een der gesprekken te luisteren, maar Simei nam hem in beslag, en begon met hem te spreken over de plannen der aanwezige Rabbi\'s.

«Zij zijn besloten er hoe eer hoe beter een eind aan te maken», zeide hij.

ocr page 68

VRIENDEN ÉN VIJANDEN.

«Ik begin ook te gelooven», antwoordde Saul, «dat het zijn nut kan hebben; ofschoon het toch waar blijft, wat Rabbi Gamaliel zegt, dat men eene verkeerde zaak niet behoeft te bestrijden, omdat zij uit zich zelf te gronde gaat.»

«Ik ben het daarmee in \'t geheel niet eens!» zei Simei. «Ik geloof, dat wij verplicht zijn de zaak van God te dienen met al onze kracht, en dat wij geen middel onbeproefd moeten laten. Het verfoeilijke werk van dien bedrieger krijgt hoe langer hoe meer omvang. Nu is ook al Azarja verleid, en ik geloof, dat er onder de priesters en Levieten ook al beginnen te wankelen.»

«Azarja?» antwoordde Saul, «ja, daar heb ik gisteren ook iets van bemerkt. Hij wilde beredeneeren, dat Joannes, de boetprediker, Elia zou zijn geweest, om zoo dien Jezus tot Messias te kunnen maken.»

«En tegen mij sprak hij het rondborstig uit, dat hij hem voor een profeet hield, en scheen ook te gelooven, dat hij de Messias is. Hij noemde het plan om hem gevangen te nemen verraad.»

«Mijne zuster Suzanna is ook verleid. Zij heeft het rond en open tegen mij en Esther uitgesproken, dat zij hem voor den Messias houdt. En dat, niettegenstaande ik h\'aar duidelijk had aangetoond, dat hij het niet kan zijn. Ik dacht haar overtuigd, of althans haar geloof geschokt te hebben. Maar neon! Ze stond nog even strak op haar stuk, dat die bedrieger de Messias is.»

«Gij weet toch wel, Saul», zei Simei, «dat de ouden zeggen: Wie met een meisje onnutte redenen houdt, bereidt zich ongeluk, wordt afgehouden van het zich bezighouden met de wet, en in het eind is de hel zijn deel?»

«Nu, zoover zal \'t met mij wel niet komen! Maar toch is het waar, dat men met vrouwen niet moot disputeeren.»

Op dat oogenblik werd hun gesprek afgebroken door de luide stem van Rabbi Jona.

«Mannen broeders», zoo sprak hij, «we zijn het met elkander eens, niet waar, dat we aan de kunstenarijen van dien valschen profeet een einde moeten maken?»

ocr page 69

VRIENDEN ÉN VIJANDEN.

Een toestemmend gemompel werd gehoord.

«Welnu dan», vervolgde hij, «we moeten overleggen, hoe we dat doel het best kunnen bereiken. In de vergadering van het Sanhedrin kunnen we de zaak ter sprake brengen, zoodra wij weten, waaraan wij ons te houden hebben. Er zijn er wel enkelen, zooals Rabbi Nikodemus, die in hun hart den valschen profeet aanhangen, en anderen, die van geen strenge maatregelen willen weten, zooals Rabbi Gamaliel, maar ik geloof toch, dat, als \'t er op aankomt, wij de meerderheid hebben.»

«De hoogepriester is ook op onze zijde», zei Rabbi Alexander. «Ik sprak er gisteren met hem over; hij is een en al ijver om aan de snoeverijen en duivelskunsten van dien Jezus een eind te maken.»

«Hij vreest ook», zei Rabbi Joannes, «dat, als hij zoo voortgaat, het volk hem tot Messias zal uitroepen; en dan wordt \'t nog erger. Hoe eer hoe beter moet hij onschadelijk gemaakt worden.»

«Hij moet sterven!» zei Rabbi Jonathan.

«Ja, hij moet sterven!» herhaalden verschillende stemmen.

«Hij moet gekruisigd worden!» zei Rabbi Jonathan weer.

«Ja, hij moet gekruisigd worden!» herhaalden de anderen.

«Maar hoe zult ge dat aanleggen?» zei Rabbi Juda, die tot dusverre gezwegen had. «Om gekruisigd te worden moet hij toch door den landvoogd worden gevonnisd. En daarvoor moet hij toch van iets worden beschuldigd!»

«O», zei Rabbi Phanuel, «wees daar maar niet bang voor! Pilatus is veel te veel begeerig om ons ter wille te zijn! Hij kan nog al wat geld gebruiken; en mijne spaarpenningen hebben hem al meer dan eens doen handelen naar mijn zin. Laat dat maar aan mij over! Ik zal hem wel bewegen toe te geven, als hij soms mocht willen weigeren.»

«Ja», zei Rabbi Jona, «geld moet er zijn. Want het is gemakkelijk om er over te praten, dat hij gekruisigd moet worden, maar daarvoor moeten wij hem eerst in onze macht hebben. En dat is nog zoo gemakkelijk niet te bereiken. Het volk is nog al met hem ingenomen.»

57

ocr page 70

VRIENDEN EN VIJANDEN.

«Och wat, het volk!» zei Rabbi Phanuel weer. «Ze zijn voor geld te koop! Ik heb van morgen eenige denariën er aan gewaagd, en mannen onder het volk uitgestuurd om een opstootje te beginnen. En \'t was al een heel eind gegaan van morgen. Ze hebben hem gesteenigd, zoodat hij moest heengaan.»

«Is hij getroffen?» vroegen verschillende stemmen.

«Neen, dat geloof ik niet. Maar hij moest heengaan uit den tempel.»

«Niet gekwetst? Hoe is \'t mogelijk!» zei Rabbi Juda.

«Neen, niet gekwetst», antwoordde Rabbi Phanuel.

«Het is een too venaar, dat is zeker!» antwoordde Rabbi Juda.

«Toovenaar of niet», zei Rabbi Jonathan Ben Annas,■«gevangengenomen moet hij worden. Laat ons zaken doen, broeder Jona. Hoe moeten wc hem gevangen nemen?»

Nu kwam Simei naar voren. «Als het mij, een jongeling, veroorloofd is iets te zeggen, in het gezelschap van zoovele eerwaarde Rabbi\'s, dan geloof ik, dat ik daar wel wat op weet.»

«Laat hoeren. Simei!» riepen verschillende stemmen.

«Ja, spreek op, mijn zoon!» zei Rabbi Jona; «gij hebt reeds eenmaal goeden raad gegeven, \'t Was uw schuld niet, dat \'t niets baatte. Laat hoeren wat ge wilt doen.»

«Als er iemand kon gevonden worden, die onder den schijn van zijn leerling te willen worden, zich onder zijne leerlingen mengde, en van hen zocht te weten te komen, waar hij de nachten doorbrengt. Hij kon dan \'s nachts gevangen genomen worden.»

Op Sauls gelaat teekende zich duidelijk afkeer van dit verraderlijk plan. Daar hij echter tot de jongeren behoorde, durfde hij niets zeggen. Tot zijne voldoening echter antwoordde zijn vader. Rabbi Juda:

«Maar dat heeft veel van verraad!»

«Verraad? Praat ge van verraad, broeder Juda, waar\'t geldt zulk een godslasteraar onschadelijk te maken?» antwoordde Rabbi Phanuel.

«Ook David nam list te baat om zijn doel te bereiken!» zei Rabbi Jona.

«Maar wie zult ge voor zoo iets vinden?» vroeg een der anderen.

58

ocr page 71

59

«O», antwoordde Simei\', «ik zal er wel een vinden. Ik had gedacht, dat Azarja er toe bereid was; maar die wil er niet van hoeren en is eigenlijk reeds een aanhanger van den Nazarener.»

«Azarja Ben Itaï?» vroeg Rabbi Juda. «O neen, die is een veel te edel jongeling om zich tot zulk een laagheid te leenen.V

«Maar bedenk dan toch», riep Rabbi Phanuel op heftigen toon, «dat het geen laagheid is, maar een schoon en Godgevallig werk om aan de godslasteringen van dien verleider een eind te maken! Een edel jongeling moest er eene eer in stellen om daar toe mee te werken!»

«Wij zullen dat dus voor afgesproken houden!» zei Rabbi Jona. «Mijn zoon Simei neemt het op zich te onderzoeken, waar de Nazarener \'s nachts vertoeft. En zoodra wij het weten, mogen we niet langer dralen. Dan moeten wij vergadering hebben van den vollen raad, en het besluit nemen om den verleider gevangen te nemen.»

«Maar hij moet toch van iets beschuldigd kunnen worden!» zei Rabbi Juda weder.

«Alsof dat zoo moeilijk was!» antwoordde Rabbi Phanuel. «ik zal wel zorgen getuigen te krijgen, die hem beschuldigen kunnen. En de hoogepriester is ook op onze zij, vergeet dat niet!»

Op het gelaat van den ouden Juda toekende zich hoe langer hoe duidelijker afkeuring. Ofschoon evenzeer als de anderen overtuigd van de noodzakelijkheid om Jezus te dooden, stuitte toch de wijze, waarop men hem ten val wilde brengen, den rechtschapen Jood tegen de borst. Hij zweeg echter, en de anderen gingen voort de zaak nader te overwegen. Weldra ontstond een kruisvuur van gesprek, waarbij verschillende Rabbi\'s zich hoe langer hoe moer opwonden, en steeds heftiger hun haat tegen Jezus toonden.

Intusschen waren slavinnen binnengekomen met waterkannen en bekkens, en begonnen achtereenvolgens de handen der aanliggenden met water te begieten, waarbij zij zorgden het te doen volgens de door de wet voorgeschreven regels. Daarop werd door Rabbi Jona als de gastheer de dankzegging vóór den maaltijd uitgesproken, en

ocr page 72

VRIENDEN ÉN VIJANDÉN.

kort daarop waren allen druk bezig zich te goed te doen aan den rijkelijken maaltijd, waarbij vooral de wijn niet werd vergeten. De grijze Rabbi Jonathan Ben Annas deed zich vooral te goed, en spoedig was zijn gelaat vuurrood, en schitterden zijne kleine grijze oogen onder zijne borstelige grijze wenkbrauwen, wanneer hij lonkjes toewierp aan de dienende slavinnen.

Het was reeds tegen den avond, toen Rabbi Judavan Tarsen met zijn zoon Saul terugkeerde naar zijne woning in de Akra. Saul had nog een tijdlang vertoefd met Simei in het vertrek der vrouwen, en zich aangenaam onderhouden met Judith en Esther. Ook hij was een weinig verhit door den wijn, en door de gesprekken, die hij met de beide vrouwen had gevoerd.

«Vader», zei Saul onder het naar huis wandelen, «een groote ramp heeft ons getroffen.»

Rabbi Juda stond stil en zag zijn zoon aan. «Een ramp? Wat meent ge, Saul?» zei hij.

«Suzanna is geheel verleid en betooverd door den verleider. Zij heeft hem openlijk voor den Messias verklaard. Ik hels getracht haar te overtuigen, dat de Nazarener onmogelijk de Messias kan zijn, maar \'t baatte mij niet. Zij is er ten aanhoore van Esther en mij openlijk voor uitgekomen.» •

«Ach!» gaf Rabbi Juda ten antwoord, «ik vreesde het al! Hoe vreemd toch, dat die Nazarener bij voorkeur de edelsten schijnt te verleiden!»

«Wat zegt ge, vader? De edelsten zouden door Jezus verleid worden? Integendeel, \'t zijn juist meest menschen uit dc Am Hf.arez i) die hij weet te boeien. Maar heeft iemand van de oversten al in hem geloofd?»

«Suzanna is een edel meisje, vol van liefde voor den dienst van God, trouw in het vervullen van de wet en de inzettingen. En Azarja, die ook al verleid is, is ook een beste jongen, met een

1) Naam, door de Fiuizeën raa alle niet-Farizecn gegevea, letterlijk beteekenen d ivolk des landsquot;.-

6o

ocr page 73

6i

oprecht hart, en een edel karakter; ik heb hem lief, en \'t spijt mij, dat ook hij verleid is!»

«Suzanna is eene dweepster, vader, en geheel onkundig in de Schriften. En Azarja heeft al lang getwijfeld. Nu eens is hij tot de Sadduceen, dan weer tot de Farizeën geneigd. Hij is onvast, en weet niet wat hij wil; van hem is \'t ook te begrijpen, dat hij verleid is.»

«Rabbi Nikodemus denkt ook niet zoo ongunstig over Jezus. En er zijn er nog een paar, die in \'t geheim hem aanhangen.»

«Vader, vader, pas op, of anders wordt ge ook nog betooverd! Ik begin \'t nu te begrijpen, dat \'t noodig is, dat hij sterft! Hij oefent eene onbegrijpelijke macht uit!»

«Ik ben volstrekt niet geneigd om in hem te gelooven, Saul. Maar ik begrijp toch niet, hoe hij zooveel macht kan uitoefenen!»

«Tooverkunst, vader, anders niet!»

Zij waren nu bij hiunne woning gekomen, en traden binnen.

ocr page 74

DERDE HOOFDSTUK.

ft WEG MET HEM!»

Dc winter heeft plaats gemaakt voor de vroege lente. De voorjaarszon koestert het winterkoren op dc vlakten van Gililea, cn dc wijngaarden op de hellingen der heuvelen in Judea. In de rijke weiden van Samaria en op de hooglanden ten Oosten van den Jor-daan zijn reeds de runderen en schapen aan het grazen in het jont e gras. Dc geur der leliën en rozen vervult overal dc lucht, en rondom Jeruzalem zijn de olijfboomen en vijgenboomen beladen met bloesems. Op dc platte daken van de Akra heerscht bedrijvk,-heid. Dc vlaswerkcrs zijn er bezig het vlas, dat in den vorigen zomer geoogst en op de daken gedroogd werd, te-verwerken cot touw van allerlei dikte; de zeil- cn bontwerkers zijn ook aan hunne bezigheid, en bewerken het geitenhaar uit Cilicie tot verschillende stoffen voor tentdoeken, mantels, dekens, cn dergelijke.

Ook Rabbi Juda is druk bezig met zijn zoon Saul om een nieuw e voorraad geitenhaar, pas onlangs ontvangen uit zijn vaderstad Tarsen in Cilicie, te verwerken tot verschillende kieedingstoffen. Hij breivn dc beginselen van de Rabbijnsche levensopvatting in toepassing, dat elke Rabbi ook tevens een handwerk moet beoefenen, cn het bcstudccrcn van de wet niet het beoéfenen van het handwerk behoeft buiten te sluiten. Op dit oogenblik hebben beiden het druk.

ocr page 75

63

want het groote feest, het PaascMeest, is aanstaande, en vóórdien tijd moeten nog eenige kleederen worden vervaardigd.

a Wat is er toch een gewoel op straat, Saul!» zegt Rabbi Juda tot zijn zoon.

«Och, vader, dat is zeker door de vele vreemdelingen, die in de stad komen tegen het feest!® antwoordt Saul.

«Ik weet niet! Zie eens. daar ginds, bij den burg Antonia, wat een massa volk!»

Saul ziet uit van het dak in de aangeduide richting. Werkelijk schijnt het, dat er eene bijzondere aanleiding is voor het gewoel. Van alle zijden ziet hij menschen uit de nauwe straten komen, en zich begeven in de richting naar de Schaapspoort, die naar den Olijfberg voert.

«Het schijnt wel, dat er iets bijzonders te doen is. Maar \'t zal wel niet veel te beteekenen hebben», antwoordt hij, en hervat zijn arbeid.

Het gewoel op straat neemt intusschen steeds meer toe, vooral in de nabijheid van den burg Antonia en in de straat, die van den burg naar de Schaapspoort leidt.

«Wat is er toch te doen?» zegt een schoenmaker, die van zijn werk in zijn binnenkamer opgestaan, met het schootsvel voor aan de deur zijner woning staat en naar de voorbijstroomende menschen ziet, tot een jongeling, dien hij bij den arm vat en zoodoende staande houdt.

«Wat er te doen is? Weet gij dat niet?» antwoordt de jongeling, in wien wij Joannes Marcus herkennen.

«Neen, anders zou ik \'t u niet vragen.»

«Wel, hij komt! De Profeet uit Galilea! De Messias! Straks houdt hij zijn intocht in Jeruzalem! Hoor! Daar komen ze al aan! Hoor ze eens juichen!»

En zonder verder op een antwoord te wachten snelt Joannes Marcus voort in de richting van de Schaapspoort, terwijl al duidelijker en duidelijker het gejuich eener naderende volksmenigte gehoord wordt.

ocr page 76

«WEG MET HEM!»

«Vrouw», zegt dc schoenmaker, als hij weer in huis is gegaan, «ze zeggen, dat dc Profeet uit Galilea zijn intocht zal houden als Messias!»

«Wat zeg je daar, Manasse? Die Galilecsche profeet? Ik dacht dat hij een bedrieger was!»

«Ja, ik weet \'t niet; maar ik heb wel gehoord, dat hij groote teekenen gedaan heeft.»

Een buurvrouw komt \'t huis inloopen.

«Sara, Manasse! Kom, gauw! De Messias doet zijn intocht! Hoor ze eens juichen!»

En duidelijk klinken de kreten: «Hozannah, den Zoon van David! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!»

Sara en Manasse staan besluiteloos. De buurvrouw heeft echter weinig geduld. «Komt dan toch mee!» zegt ze weer, «of ik ga alleen!»

Nu werpt Manasse zijn schootsvel af; Sara slaat een mantel om, en weldra zijn alle drie in het gedrang verdwenen.

«Heb je hem al gezien?» zegt een man tot zijn makker, midden in het gedrang voortsnellend in de richting van de Schaapspoort.

«Neen, Nikanor, ik niet! Gij, hebt gij hem al gezien?»

«Neen, Parmenas, ik evenmin! We hebben er nu eene goede gelegenheid voor!»

«Hoe gelukkig, niet waar, dat we nu juist in Jeruzalem gekomen zijn!\')

«Ja, wie had dat kunnen denken, dat we het beleven zouden, dat de lang verwachte Messias der Joden komt.»

«Maar», zegt Parmenas weer, «als hij zijn intocht gehouden heeft, zou hij dan niet den opstand beginnen tegen Rome?»

«Ja, dat denk ik wel», antwoordt Nikanor. «Zoo althans heeft mij Rabbi Zebedeüs het geleerd, toen ik proseliet ben geworden. De zonen van Rabbi Zebedeüs behooren ook tot dc leerlingen van den Messias.»

Zijn makker heeft op de laatste woorden niet gelet. Hij antwoordt: «Zeg eens, Nikanor, wat zult gij doen? Zult ge u bij hem aansluiten, en met de Joden strijden tegen Rome, of niet?»

64

ocr page 77

«WEG MET HEMh)

«Natuurlijk wil ik overal en in alles den Messias getrouw blijven, Pannenas!«

«Maar dan worden wij genoodzaakt tegen onze eigene landge-nooten te strijden!)

«De Grieken zijn mijne landgenooten niet meer; ik ben ingelijfd in het volk van God! Ik zeg met Ruth de Moabitische: Uw God is mijn God, en uw volk is mijn volk.»

Op dat oogenblik wordt eene dichte menigte menschen zichtbaar op de helling van den Olijfberg\'. Duidelijk dringt het geluid van de juichende scharen tot de proselieten door. Het volk, dat uit Jeruzalem stroomt, dringt sterker op; er ontstaat eenig gedrang dicht bij de poort.

En al duidelijker en luider klinkt het door de lucht: «Hozannah, hozannah! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!»

«Kom hier!» zegt Nikanor tot zijn rrtakker. «Hier, op zij van den weg, kunnen wij hem zien, als hij voorbij komt!»

Nu komen de menschen terug; de beide volksmassa\'s hebben elkander ontmoet. Gedrang ontstaat, waardoor de beide vreemdelingen op zij gedrongen worden.

En terwijl de juichende schare hen voorbijtrekt, is het hen onmogelijk hem in het gedrang te onderscheiden, die er het middelpunt van vormt. Alleen zien zij een troep menschen met wuivende palmtakken, luide juichende en dansende en in de handen klappende ; en zij worden mee aangegrepen door de algemeene geestdrift, en juichen mee; «Hozannah, hozannah! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!»

In het midden dier opgewonden, juichende schare, die als een dichte muur hem omringt, rijdt de Profeet uit Galilea, thans als Messias openlijk gehuldigd. Over de opperkleederen en palmtakken op den weg uitgestrooid stapt langzaam de ezelin voort, waarop hij zit, het hoofd een weinig opgeheven; en.... in zijn helder, zielvol oog blinken tranen!

Een oude Jodin staat bij den ingang der poort. Zij weent. «Dat

S

6S

ocr page 78

66

mijne oude oogen dat nog zien mogen!» zegt zij. «O God van Abraham, Izak en Jakob! Ik dank u!»

«Hij heeft een doode opgewekt!» roept er een uit de schare.

«Hij heeft mijn zoon gezond gemaakt!» zegt een ander.

«Hij heeft mij van melaatschheid gereinigd!» zegt een derde.

En wederom breekt het volk uit, hartstochtelijk, dansend en jubelend: «Hozannah, hozannali! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!»

Een weinig ter zij van den weg ligt een Joodsch meisje geknield, met het hoofd ter aarde gebogen. Een jongeling nadert haar. Het is Joannes Marcus. «Wat doet gij?» zegt hij. «Waarom juicht gij niet mee, Ruth? Gij hebt er wel reden toe!»

«O Joannes,» zegt het meisje, en als zij opziet, blinken er tranen in hare oogen: «Ik kan niet juichen! Ik kan slechts bidden! Bidden, dat de God der vaderen hem beware voor zijne vijanden! O, gij kent ze niet, de Parizeen! Maar ik ken hen! En zij haten hem! Zij dorsten naar zijn bloed! Ach, kon ik voor hem sterven!»

«Kom, kom, het zal nu wel goed gaan!» antwoordt Joannes. sNu hij zijn intocht houdt in Jeruzalem zullen zij hem niets meer doen. Is hij niet de Messias? En zal hij zijne vijanden niet overwinnen?»

«Jk weet het niet! Maar één ding weet ik, Joannes, dat ik hem liefheb met mijn geheele hart! O, toen niemand zich met mij bemoeide, toen iedereen mij verstootte, ongelukkig, gevallen schepsel als ik was, toen die huichelaar, Rabbi Jonathan, mijn verleider, mij van zich wegjoeg, toen heeft de Meester zich over mij ontfermd! Toen heeft hij tot mij gezegd: «Vrouw, uwe zonden zijn u vergeven!» En nu, ben ik niet voor altijd aan hem verbonden? O kon ik voor hem sterven! o

«Kom, Ruth,» zegt Joannes, «sta op en ga mee! Wij w\'llen er getuige van zijn, hoe hij zijne vijanden aantast!»

Zij staat op, en gaat met haren makker weer de Schaapspoort door, terwijl het Hozannah-gejuich nu in het voorhof des tempels klinkt, waarheen de optocht gegaan is.

ocr page 79

«WEG MET HEM!

In den tempel hadden juist eenige Overpriesters en Rabbi\'s vergadering gehad. Weder hadden zij met elkander beraadslaagd, wat zij doen moesten om den gehaten Nazarener machtig te worden. Tot dusverre toch waren alle pogingen mislukt. Een verrader had Simeï niet kunnen vinden. Bovendien was de Nazarener in den laatsten tijd niet gezien in Jeruzalem. Men vertelde, dat hij ontweken was voor de haat der Rabbi\'s, en dat hij in het stadje Efraïm, twee uren ongeveer ten Noorden van Jeruzalem, vertoefde. Wel had hen een gerucht bereikt, dat hij niet lang geleden in Bethanië geweest was, en daar weder een groot wonder verricht had, maar zij wilden het niet gelooven, dat de Nazarener een doode zou hebben levend gemaakt, en meenden, dat het een bedrog was van den daarin betrokken persoon. Intusschen had dit feit niet weinig meegewerkt om de geestdrift van het volk aan te blazen, en met zorg vervuld zagen zij den wassenden invloed van den Nazarener.

Een groepje Rabbi\'s stond nog b:j elkander te praten bij de deur van de zaal, waar zij vergaderd geweest waren. Hunne gelaatstrekken teekenden bezorgdheid en ergernis.

«Wat zegt ge van broeder Nikodemus, broeders?» zei Rabbi Phanuel, zich bij de anderen voegende.

«Het is schandelijk!» antwoordde er een. «Het is verraad!» zei een ander. «Wij moeten hem in den ban doen!» zei een derde.

«Ik wist \'t wel, dat wij hem niet vertrouwen konden!» zei Phanuel weer. «Hij sprak nooit met ons mee, als we \'t over den verleider hadden. Hij is bepaald een verborgen volgeling van hem.»

«Maar hij is de eenige niet!» zei Rabbi Ismaël. «Hebt gijlieden wel gelet op Jozef van Arimathea? Hij fronsde zijne wenkbrauwen, telkens als wij een van allen ongunstig over den Nazarener spraken. Wel heeft^ hij gezwegen, toen Nikodemus voor hem sprak, maar hij heeft ook niet ingestemd met ons, en is stil weggegaan. Ik meen gezien te hebben, dat hij Nikodemus opgezocht heeft.»

Op dat oogenblik drong het geluid van de juichende schare, die Jeruzalem naderde, tot hen door.

67

ocr page 80

«WEG MET HEM!»

«Wat is dat? Hoort gij dnt wel?» zei er een.

«Ja, wat mag dat zijn?» zei een ander.

Spoedig verzamelden de Rabbi\'s zich op een hoop, en staken de hoofden bijeen om te gissen wat dat gejuich zijn mocht.

Nu was \'t duidelijk verstaanbaar. «Hozannah! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!» zoo klonk het duidelijk.

«Wat mag dat toch zijn?» zoo vroegen zij weder.

Eene plotselinge onrust maakte zich van hen meester. Zij liepen heen en weer, en ondervroegen de menschen, die in den voorhof kwamen, wat het was.

«lid weet niet, Rabbi!» zei er een.

«\'t Is de profeet!» zei een tweede.

«Welke profeet?»

«Wel, de profeet van Nazareth! Hij komt in optocht! Hij doet zijn intocht!»

Nu werd de onrust der broeders nog grooter.

«Hoort gij het, broeders?» zei Phanuel, «die vervloekte godslasteraar waagt het weer in Jeruzalem te komen, en nu haalt het volk hem met gejuich binnen! Wat moeten wij doen?»

«Voor hot oogenblik niets,» zei Rabbi Jonathan. «Laat hem begaan! \'t Opgewonden volk is toch niet te vertrouwen. Vandaag roept het Hozannah, maar als die verleider nu niet dadelijk den opstand begint, dan duurt het geen week, of hetzelfde volk verwerpt hem! Wacht! Hij is spoedig in onze macht! Deze dwaze overmoed zal juist zijn val zijn.»

Nu werd hun verder gesprek afgebroken door het opdringende volk, dat den tempel bereikt had. Reeds drong de voorhoede van den optocht den voorhof binnen.

«Ziet! Ziet!» riepen de Rabbi\'s elkaar toe. En \'t was inderdaad een eigenaardig gezicht. Een troep kinderen, knapen en meisjes, gingen dansend en palmtakken zwaaiend voorop, aldoor juichende: ti Hozannah, hozannah!» Achter hen aan een verwarde hoop menschen, meest bewoners van Jeruzalem, eveneens met palmtakken gewapend,

ocr page 81

«WËG MET HEM!»

en luide «Hozannah!» jubelend. Steeds meerderen drongen den tempel binnen, en de groote voorhof der heidenen weergalmde van het gejuich van het opgewonden vclk, dat inderdaad niets minder verwachtte dan een begin der wonderdaden van den Messias tot verdrijving van de gehate Romeinen.

«.Als de landvoogd het bemerkt, stuurt hij zijne soldaten er op af!» zei een der Rabbi\'s. «Kunnen wij aan dat dolzinnige geschreeuw niet een eind maken?»

«Beproef het, als ge wilt!» zei Rabbi Jonathan.

Een paar Rabbi\'s mengden zich nu onder het juichende volk, dat aanhoudend in aantal toenam, en trachtten door heftige gebaren stilte te gebieden. Vergeefs! Mochten al de naastbijzijnden zwijgen uit eerbied voor de eerwaardige Rabbi\'s, de anderen, die hen niet zien konden, schreeuwden en juichten voort.

Intusschen was Jezus zelf ook in den voorhof gekomen, terwijl de ezelin buiten was gebleven. Hij mengde zich onder de juichende schare, die zich in den ruimen voorhof verspreidde.

De Rabbi\'s bemerkten hem. Snel begaven zij zich tot hem.

«Meester,» zoo zeiden zij, «zeg toch, dat zij zwijgen!»

Maar hij antwoordde; «Ik zeg u, als deze zwegen, dan zouden de steenen haast roepen!»

De beide vreemdelingen, Nikanor en Parmenas waren met de schare mee in den voorhof gekomen. Zij hadden echter nog hun doel niet bereikt. Zij hadden den Galileeschen Profeet nog niet gezien.

«Zag ik slechts een van mijne kennissen uit Bethsaïda!» zei Nikanor. xDe zonen van Zebedeüs ken ik wel; en ook Filippus en Andreas zijn mij bekend, die ook bij zijne leerlingen behooren.»

«Laat ons trachten door het volk heen te dringen!» zei Parmenas.

Zij drongen al dichter en dichter door, totdat zij dicht bij den naasten kring waren gekomen.

«O,» zei Nikanor op eens, «daar zie ik Filippus van Bethsaïda!» En naar hem toegaande riep hij hem toe.

69

ocr page 82

«WEG MET HEM!»

Filippus keerde zich om, en zag Nikanor, gevolg-d door zijn vriend. «Wel Nikanor, gij ook hier?» zeide hij.

«Ja,» was het antwoord. «Wij zijn gekomen in Jeruzalem om \'t feest bij te wonen. Maar nu hebben wij den intocht meegemaakt, maar den Messias zelf hebben we niet gezien. Wij wilden zoo gaarne hem zien!»

«Wel, ik zal het den Meester zeggen! Of wacht, daar is Andreas, dien gij ook wel kent! Ik zal het hem vragen.»

Eenige oogenblikken later had de Meester dc boodschap ontvangen; en nog iets later hadden Nikanor en Parmenas, de proselieten het voorrecht om hem te zien en te spreken. Vriendelijke, bemoedigende, vertroostende, onderwijzende woorden sprak hij tot hen; en toen de beide vreemdelingen heengingen, hadden zij beiden een diepen, een onuitwischbaren indruk ontvangen van de verhevene en te gelijk vertrouwen inboezemende aantrekkelijkheid van dezen profeet, dien zij gaarne voor den lang verwachten Messias wilden houden.

Nog geruimen tijd bleef het volk in opgewondenheid in het voorhof rondloopen, hopende, dat de Messias zijn werk, om als de bevrijder van het volk op te treden, zou beginnen. Langzamerhand echter, toen er niets gebeurde, bedaarde het gejuich. De gewone offerdienst in het voorhof ging den geregelden gang; het volk begon zich te verstrooien. Velen waren teleurgesteld. Anderen zeiden tot elkander; «Morgen zal hij beginnen!»

«Zeg eens,» zei Manasse tot zijne vrouw, «zouden wij niet naar huis gaan? Er gebeurt niets!»

«Wacht maar, man! Straks zal hij wel \'t een of ander teoken doen!» antwoordde zijne vrouw.

«Ja maar,» antwoordde hij weer, «ik ben van mijn werk afge-loopen. \'t Zal wel zoo spoedig niet gaan. Zie, er gaan er al meerderen naar huis. Kom, vrouw, ga mee!»

En zijne vrouw meetrekkende ging de schoenmaker ook heen uit den tempel.

70

ocr page 83

«WÉG MET HEM!»

Joannes Marcus bleef in den tempel. Hij hoopte, dat de profeet zijn macht als Messias openbaren zou. Hij zocht zijn oom Joses op en deelde deze zijne verwachtingen mee.

«Ik vrees, dat hij niet van plan is iets bijzonders te doen,» antwoordde Joses.

«Maar hij is toch als Messias Jeruzalem binnengetrokken!» antwoordde de jongeling.

«Dat moge zijn zooals \'t wil, ik geloof niet, dat hij nu iets doen zal.»

Theophilus, de priester, voegde zich bij hen. «Dat hij de Messias is, is zeker,» zei hij. «Zegt de profeet niet: «Verheug u zeer, gij dochter van Sion, juich gij dochter van Jeruzalem; want zie, uw Koning komt tot u, rechtvaardig, en hij is een Heiland, arm en rijdende op het veulen ecner ezelin»? Ik dacht er zoo straks dadelijk aan.»

«Ik geloof ook wel, dat hij de Messias is,» antwoordde Joses, «maar moet de Messias niet lijden en veracht worden? Dat weet ge wel, Theophilus! Daarover spraken we onlangs. En dat, geloof ik, moet eerst gebeuren, eer hij zijn koninklijke waardigheid aanneemt. Daarom verwacht ik niet, dat hij nu iets doen zal.»

«Dan zal hij het volk geweldig teleurstellen,» antwoordde Joannes Marcus, «want zij verwachten het stellig.»

«Het volk is wispelturig, jongeling! Zij zullen hem even spoedig verwerpen, als zij hem nu hebben ingehaald,» antwoordde Joses.

Saul en zijn vader waren intusschen aan hun werk gebleven op het dak, totdat zij het gejuich des volks duidelijk konden onderscheiden.

«Vader,» zei Saul, «het is een optocht. Zie, daar komen ze aan, daar, bij den burg Antonia. Zie, nu gaan ze de straat in naar den tempel. Wat of dat zijn mag?»

De oude Juda zag opmerkzaam heen in de richting van den burg. Zijne oogen waren echter niet zoo scherp als die van zijn zoon; en op den afstand, waarop zij zich bevonden, kon hij niet duidelijk onderscheiden.

71

ocr page 84

«WEG MET HEM!»

«Ik kan niet goed onderscheiden,» zei hij. «Ik zie alleen een groote menigte volks. Hoor ze eens zingen! Wat roepen ze toch?\')

«Ze hebben wuivende palmtakken in de hand,» zei Saul. «Maar ik zie niet, wat de oorzaak is van het rumoer.»

Nu drong duidelijk het geluid van het «Hozannah!» tot hen door.

«Hoor! Wat is dat?» zei Juda. «Hozannah! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!»

«Wien geldt dat?» zei Saul. En opeens antwoordde hij zichzelven: «De Nazarener! Vader, het is de Nazarener! Hij is teruggekeerd, en nu haalt het verblinde volk hem in als den Messias!»

«Zou het mogelijk zijn?» antwoordde zijn vader.

Op dat oogenblik kwam Suzanna naar boven snellen. «Vader! Saul! Hoort gij wel? Daar komt de Messias! Hij houdt zijn intocht! O waarom gelooft gij nu niet in hem?»

«Dwaas, opgewonden kind!» zei Rabbi Juda. «Als de werkelijke Messias komt zal \'t er heel anders naar toe gaan! Maar de Nazarener, die zich voor Messias uitgeeft, weet niet, wat hij doet. Hij loopt het verderf in de kaken!»

«Hij zal zegevieren over al zijne vijanden! s antwoordde Suzanna met geestdrift.

«Zegevieren? Hij? Ter dood gebracht zal hij worden!» antwoordde Saul.

«Ik moet heengaan! Ik wil zijn triomf ook zien!» antwoordde Suzanna en snelde heen, naar beneden, langs de trap, die aan de buitenzij van het huis was aangebracht.

Op straat kwam Maria, hare buurvrouw, haar al te gemoet. «Hoort gij \'t wel, Suzanna?» zei ze in opgewondenheid. «Nu zal \'t beginnen! O hoe heerlijk, dat ik het beleven mag! Nu doet de Koning zijn intocht, en straks zal hij bezit nemen van zijn troon! Kom, ga mee, ik ga er ook heen! Ik wil ook meejuichen!»

En de beide vrouwen spoedden zich voort in de richting van den tempel, waarheen de stoet zich begeven had.

Zij konden echter niet zoo spoedig door het gedrang heenkomen,

72

ocr page 85

«WEG MET HEM!»

en toen zij den tempel naderden was het gejuich reeds grootendeels verstomd. Het volk begon zich reeds te verstrooien, of schoolde aan troepjes bijeen.

«\'t Is me erg tegengevallen!» zei een man van een ruw voorkomen tot zijn makker. «Ik dacht, dat \'t nu op een kloppartij zou uitloopen, maar hij doet niets!»

«Wacht maar, Zadok,» zei een vrouw, «morgen of overmorgen zal hij wel beginnen!»

«\'k Geloof\'t niet,» zei eene andere vrouw. «Hij ziet er niet naar uit, dat hij een Koning is!»

«Wat?» zei weer een jonge man, «is hij niet de Koning? Heeft hij niet Lazarus uit de dooden levend gemaakt? Wacht maar! Met \'t Paaschfeest begint de opstand !»

«Met \'t Paaschfeest begint hij!» riepen anderen hem na. «Tot zoolang geduld, vrienden!»

«Ik had liever nu begonnen! Mijne vingers jeuken om die ellendige Gojiem weg te jagen!» zei Zadok weer.

Suzanna trad naderbij. «Waar is de Messias?» vroeg zij.

De lieden uit het volk zwegen uit eerbied voor de jongedochter, aan wier kleeding het te zien was, dat zij tot de aanzienlijken behoorde.

«Hij is in den tempel!» antwoordden verschillende stemmen.

Maria en Suzanna gingen den voorhof binnen. Nog bewoog zich daar eene groote menigte, en nog zagen zij de palmtakken, waarmede velen nog wuifden. Den Nazarener echter zagen zij niet.

«Ik ga niet heen, voor ik hem gezien heb!» zei Suzanna. «O, Maria, konden wij bij hem blijven, en hem overal volgen!»

«Daar is hij!» zei Maria. Hare door den Nazarener genezen oogen zagen scherper dan do oogen van Suzanna.

Werkelijk zagen zij hem staan, midden in een kring van men-schen, die, als altijd, naar hem luisterden. Zij traden dichterbij, en mengden zich onder het opdringende volk.

«En wanneeri ik van de aarde zal verhoogd zijn, zoo zal ik allen

73

ocr page 86

ft WÉG MET HEM!»

tot mij trekken.* Deze woorden waren de eerste, die Suzanna verstaan kon uit den mond van Jezus. Zij keerde zich om naar Maria. «Hoort gij dat, Maria? Wat bedoelt hij? Van de aarde verhoogd worden ?»

«Luister!» antwoordde Maria.

En Suzanna luisterde weer.

«Nog een kleinen tijd is het licht bij ulieden,» zoo sprak hij weder. «Wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange.»

Ingespannen luisterden beide vrouwen.

«En die in de duisternis wandelt,» vervolgde de prediker, «weet niet waar hij heengaat.»

«Neen, dat is natuurlijk!» mompelden enkelen. Anderen echter geboden stilte.

«Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn.» Hiermee eindigde de Profeet zijne woorden. Daarop sloeg hij zijn opperkleed dicht, wendde zich om, en verwijderde zich, tot teleurstelling en ergernis van het luisterende volk.

«Wel, bij alle duivels!» klonk een ruwe stem in Suzanna\'s nabijheid. «Gaat hij nu heen?»

«Ja, Nathans, zei een ander, «hij gaat weg; zie, daar gaat hij met zijne leerlingen!»

«Wel vervloekt!» antwoordde Nathan weer. «En dat nadat wij hem als Koning hebben ingehaald? Dat is een beleediging! Moet hij de Messias zijn? Ik geloof \'t niet! De Rabbi\'s hebben gelijk! Hij is een bedrieger!»

Niemand sprak hem tegen, daar allen onder den indruk verkeerden van de teleurstelling. Zelfs Suzanna was als verbijsterd door het plotseling heengaan van hem, dien zij als den Messias, den Koning van Isradl hoopte te begroeten, van wiens openbare zege zij getuige had hopen te zijn, en die nu, als een vreesachtige, zich uit de voeten maakte.

«Wat bedoelde hij toch ?» zei eene vrouw uit de schare tot de haar

74

ocr page 87

«WEG MET HEM!» 75

omringende personen. «Hij praatte er van, dat hij van de aarde verhoogd zou worden, en dan ons allen tot zich trekken zou.«

«Hij bedoelt zeker: verhoogd op den troon van Israël!» antwoordde eene andere vrouw. *

«\'t Is alles onzin, wat hij zegt!» zei Nathan weer. «Ik geloof niet meer in hem. Het spijt me, dat ik mee gedaan heb! Weg met dien palmtak!»

En hij wierp den palmtak, dien hij nog in de handen had, ter aarde. Anderen volgden zijn voorbeeld, en het volk ging uit elkaar.

Nog stond Suzanna als aan den grond genageld op dezelfde plek, waar zij de wonderlijke woorden gehoord en het heengaan van den Profeet gezien had. Zij was als verbijsterd.

Eindelijk zag zij om naar hare gezellin Maria. Deze was echter heengegaan. Haar broeder Joses had haar opgemerkt, en met dezen had zij zich verwijderd.

Suzanna was alleen. In gedachten wandelde zij voort in de richting van de poort Pharphar, om zich naar huis te begeven. Zij had het niet bemerkt, dat Ruth haar genaderd was. Joannes Marcus had deze achtergelaten bij de naar Jezus luisterende schare, toen deze zich naar zijn oom Joses had begeven.

«Wees gegroet, Suzanna,» sprak Ruth, haar naderend.

Suzanna zag op. «Zijt gij het, Ruth? Wees gegroet! Hoe komt gij hier, zoo alleen?»

«Ik ben heengegaan, en heb mijn vader een poosje de zorg voor mijn kind moeten opdragen, want ik moest hem zien, den Messias, mijn Verlosser en Heiland!»

Suzanna\'s oogen schitterden. «O Ruth!» zei zij, «gelooft gij ook in den Zoon van God?»

«Ja Suzanna! Maar gij, dochter van een Farizeër, gelooftin hem ?»

«Ja Ruth, ik geloof! Maar mijn geloof is nog zoo zwak! Nu, bij voorbeeld, word ik weer door twijfel gekweld. Waarom, zoo vraag ik mijzelven, is de Meester heengegaan? Waarom nu niet aan Israel het Koninkrijk opgericht?»

ocr page 88

«WEG MET HEM!»

«Hij is bezig zijn Koninkrijk te stichten, Suzanna. Ik ben reeds zijn onderdaan. En gij wilt bet ook zijn! O, er zullen er komen van Oost en West, en zullen mede aanzitten in zijn koninkrijk! En vefc van de kinderen van Sion zullen er buiten blijven.»

«Ja, onze Rabbi\'s willen niet in hem gelooven. Mijn broeder Saul is ook afkeerig van hem, en wordt hoe langer hoe meer door Simei en Esther opgestookt tegen hem. Mijn vader zou geen vijand van hem zijn, en ik geloof, dat hij ook wel tot het geloof zou komen, als hij niet een Rabbi en Farizeer was. Maar nu is hij ook een vijand van den Meester.»

«Ja,» zei Ruth. «Vijanden heeft hij vele. Vele varren hebben hem omsingeld; stieren van Basan hebben hem omringd. Zij sperren hun mond tegen hem open, als een verscheurende en bruilende leeuw.»

«Maar het volk is toch op zijn hand!» antwoordde Suzanna. «Hebben zij niet geroepen: Hozannah! Gezegend is hij, die komt in den Naam des Heeren?»

«Ja, dat hebben ze,» antwoordde Ruth; «maar zij dachten, dat hij vandaag openlijk zou optreden tegen de Romeinen, of althans iets doen, waaruit zijn Messiasschap duidelijk bleek. Maar nu zijn ze teleurgesteld en ontmoedigd. O, Suzanna, Suzanna! Ik vrees, ik vrees voor den Meester!»

«Wat vreest gij?»

«Dat zijne vijanden over hem zullen zegevieren.»

«Over hem? Den Messias? Den Zoon van God?»

«Een stem zegt het mij, Suzanna! Het is de Geest, ik weet het, die mij het duidelijk aankondigt: Over slechts vijf dagen zal hij gekruisigd worden.»

Suzanna schrikte. «Maar Ruth!» riep zij, «welk eene gedachte is dit? De Christus zou gekruisigd worden?»

«De profeet zegt,» antwoordde Ruth met veranderde stem, en een vreemde uitdrukking in de oogen: «Als hij zijne ziel zal hebben uitgestort in den dood, dan zal hij zaad zien.»

76

ocr page 89

77

Suzanna zag haar verwonderd aan. \'t Was, alsof een ander door haar sprak.

«Ruth, wat scheelt u?» vroeg zij.

De vreemde uitdrukking verdween weer uit Ruths gelaat. «Het is niets, Suzanna,» antwoordde zij. «Het was de Geest.»

«De Geest? Wat meent gij?»

«Ik kan er u nu alles niet van vertellen. Ik zal \'t u later wel eens zeggen. Maar ik heb dat meermalen, sedert den dag, waarop ik uit de duisternis in het licht ben gekomen, doordat de Meester mij de zonden vergaf. De Geest heeft mij het duidelijk gezegd, dat de Christus lijden en sterven moet aan het kruis, en dat hij daarna zijn Koninkrijk zal stichten. Ik begrijp het wel niet; maar ik vrees in ieder geval het ergste. De haat der vijanden is vreeselijk. Zij dorsten naar zijn bloed.»

«Ja, dat is, helaas, de waarheid. Maar ik hoopte, dat hij over allen zou zegevieren. Dat zij hem smaden en verachten is de vervulling der profetie. Maar dooden! O moge de God Israels het verhinderen!»

De beide vrouwen verlieten den tempel en gingen naar hunne woningen.

«Wel, Suzanna,» zei Saul op spottenden toon tot zijne zuster, toen zij thuis kwam, «hoe is het? Heeft uw profeet al den troon van David beklommen? Hoe zag hij er uit? Had hij een koninklijk kleed aan? En was hij van een lijfwacht omringd?»

«Gij w^eet wel, Saul,» antwoordde zij zacht en op ernstigen toon, «dat zoo iets niet van hem kan verwacht worden. Hij is altijd eenvoudig en nederig.»

«Maar gij waart toch heengegaan om zijn triomf te zien! En \'t volk riep toch Hozannah! Hebt ge dan nu ook begrepen, dat \'t een bedrieger, of voor \'t minst een dweeper is?»

«Ik heb hem gezien en gehoord in den tempel. Hij zal op zijn eigen tijd en wijze zijne hecrlij\'.heid openbaren. De tijd is er nu zeker nog niet voor gekomen. Maar toch gaat hij voort zijn koninkrijk uit te breiden.»

ocr page 90

«WEG MET HEM!»

«Wat zegt ge? Waar is dat koninkrijk dan?»

«Hebt ge niet gehoord, hoe de menschen juichten? Wordt \'t getal van hen, die in hem gelooven, niet voortdurend grootcr? En doet hij niet de grootste teekenen? Wacht maar, Saul! De tijd zal nog komen, dat gij ook in Jezus van Nazareth den Messias erkent en met mij in hem gelooft!»

«Ik? Ik zou in dien valschen profeet gaan gelooven? Vlei u daar maar niet mee, Suzanna! Ik heb een beteren meester dan dezen bedrieger, die alleen onkundige vrouwen en Galileërs weet te verleiden.»

«Ja, de eenvoudigen kunnen gemakkelijker gelooven dan de wijzen en verstandigen. Heeft hij \'t niet zelf eens gezegd, dat God deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen heeft, en ze den kinderkens geopenbaard?»

«Dwaasheid! De kennis van de wet is het leven; onkunde is het verderf. Zegt de profeet niet: Mijn volk komt om, omdat hetgeen kennis heeft? Maar ik gun u van harte uw Messias! Gij zult spoedig genoeg van uw dwaasheid genezen worden! Als ge den Nazarener ziet hangen aan het kruis, dan zult ge wel moeten erkennen, dat hij de Messias niet is geweest.»

«De God Israels beware hem daarvoor!»

«Welnu, als hij de Messias is, zal Hij dat zeker doen. Een goed middel dus, Suzanna, om het ontwijfelbaar te weten, wie gelijk heeft. Als hij de Messias is, dan zal \'t niets helpen, wat de Oversten tegen hem beraadslagen. Maar als zij hun doel bereiken, — en ik voor mij twijfel daar niet aan, — dan zult gij het bewijs hebben, dat zij met voile recht hem als een bedrieger en toovenaar, als een lasteraar ter dood brengen!»

«We zullen afwachten, Saul. De tijd zal het aan het licht brengen, wie gelijk heeft!» antwoordde Suzanna, en hiermee eindigde het gesprek.

De dagen, die op den intocht van den Nazarener volgden, waren dagen van veel drukte en levendigheid in Jeruzalem. Het groote

78

ocr page 91

«WEG MET HEM!» 79

feest, het feest der ongezuurde brooden, het Paaschfeest was nabij, en eiken dag vermeerderde het getal der bezoekers, die van heinde en ver naar Jeruzalem samenstroomden. Overal heerschte de grootste gastvrijheid. De straten wemelden van vreemdelingen, en allerlei kleederdrachten werden gezien, allerlei talen en dialekten gehoord. De tempel werd druk bezocht en de offers waren ontelbaar. De priesters en Levieten hadden voortdurend handen vol werk, en in het voorhof werden door de verkoopers der offerdieren goede zaken gedaan. Buiten de muren, in Bezetha, de nieuwe stad, die in de laagte ten Noorden van Jeruzalem zich steeds uitbreidde, en evenzeer in het dal van Josafat aan de oevers van den Kidron, tegen de helling van den Olijfberg en op de andere heuvelen rondom de stad waren vele tenten opgeslagen om hen te herbergen, die in de stad zelf geen verblijf konden vinden. En nog vermeerderde dagelijks het aantal vreemdelingen en het gewoel in de straten. Ook vele heidenen en proselieten van verschillende oorden der wereld waren in de stad, want Jeruzalem lokte op die dagen altijd tal van vreemdelingen. In het paleis van den landvoogd waren eenige aanzienlijke Romeinen gelogeerd, en Pilatus liet ter hunner eer in de houten Arena zwaardvechters worstelen, overgekomen uit Caesarea. De huizen der aanzienlijke Rabbi\'s waren insgelijks gevuld met Rabbi\'s uit andere deelen des lands en hunne bloedverwanten; en ook in de woningen van de geringen des volks hadden gasten hun intrek genomen. De stad was vol gewoel; en wanneer des avonds de vuren brandden rondom de stad en tegen de helling van den Olijfberg, zoodat het roode schijnsel weerkaatste tegen de tempelgebouwen, dan gaf dit aan den geheelen omtrek een feestelijk aanzien.

De beide proselieten, die wij bij den intocht van Jezus leerden kennen, hadden een verblijf gevonden bij Joses den Leviet en diens zuster Maria. Joannes Marcus, de zoon van Maria, was zeer met hun bezoek ingenomen. Hij bezocht met hen de voornaamste gebouwen van Jeruzalem, en maakte wandelingen met hen

ocr page 92

«WEG MET HEM!»

in den omtrek der heilige stad; en dan luisterde hij met aandacht naar de verhalen, die zij deden van de streken, waar zij woonden. Nikanor verhaalde van Bethsaïda in Galilea, waar hij in de wet onderwezen was geworden door Rabbi Zebedeüs, den visscher, wiens beide zonen met nog vier andere jonge mannen nu behoorden tot de discipelen van den Meester, den Messias Jezus. En Parmenas sprak over het schoone Cyprus, het eiland, waar hij in vroegere dagen, toen hij nog een heiden was, kennis gemaakt had met Joannes\' oom en moeder, die op Cyprus geboren waren. Deze beiden hadden bij Parmenas het eerst de begeerte doen ontstaan iets meer te weten van den godsdienst en den God der Joden, en van hunne Messiasverwachting.

Joannes Marcus van zijne zijde verhaalde aan de proselieten allerlei bijzonderheden uit den openlijken arbeid van den Meester, en deelde hen zeer uitvoerig mee, hoe de Nazarener blinden genas, ja dooden opwekte. Vooral het verhaal van de opwekking van Lazarus van Bethanië trof hen zeer. De jongeling was er getuige van geweest.

«Ik zal het nooit vergeten,» zoo zei hij, toen hij, vier dagen na den intocht van Jezus, met zijne gasten gezeten was op een der heuvels ten Oosten van Jeruzalem in de schaduw van eenige olijven-boomen, «ik zal het nooit vergeten, wat ik op dien morgen gezien heb. Het graf, waarin Lazarus begraven was, lag aan den voet van den berg; een steen stond er voor. Een groot getal Joden waren meegegaan met de zusters van Lazarus, en ik was er ook bij. Ik drong naar voren, want ik begreep wel, dat er iets bijzonders gebeuren zou. Daar stond de Meester, vlak voor de opening van het graf. De steen was al weggenomen, en uit het graf kwam de lijklucht ons tegen. Ik kon het lijk zien liggen. De Meester hief de handen omhoog en bad. Ik hoorde niet goed, wat hij zeide, want ik was nieuwsgierig, wat er gebeuren zou. Duidelijk echter hoorde ik toen den Meester zeggen, met een luide stem: «Lazarus, kom uit!» En — ik werd er koud van, toen ik het zag! —• daar kwam hij werkelijk overeind, eerst langzaam, toen vlugger. Bleek

ocr page 93

«WEG MET HEM!»

was hij, maar zijne oogen waren helder. De lijklucht was verdwenen. Hij trad uit de spelonk, gebonden in het lijkkleed. De menschen gaven een schreeuw van schrik; velen deinsden terug als voor een spook. Zelfs zijne zusters bleven verbijsterd staan. Maar de Meester was kalm. Hij zei tot de zusters: «Maakt zijne windsels los, en laat hem naar huis gaan.» Toen kwamen zij tot zichzelven, en Martha viel haren broeder om den hals, die nu ook scheen te begrijpen, wat er gebeurd was. Hij wierp zelf het graf kleed af, en daar stond hij, in zijn onderkleed, levend en gezond als vroeger. Maria viel voor den Meester op de knieën en kuste zijn hand. Daarop ging ook zij naar Lazarus toe, en alle drie keerden naar hunne woning terug, waarheen de Meester zelf hen spoedig volgde.»

«Ik wenschte dien opgewekten man wel eens te zien,» zei Nikanor.

«Ik niet minder,» zei Parmenas.

«Laat ons dan naar Bethanië gaan,» zei Joannes Marcus. «Ik denk, dat gij hem wel kunt ontmoeten. Ik sprak gisteren nog iemand, die er ook heen was gegaan en hem gezien en gesproken had. Misschien is de Meester daar nu ook met zijne leerlingen.»

«Dan kunnen wij tevens misschien Joannes en Jacobus zien, de zonen van Rabbi Zebedeüs,» zei Nikanor.

«Zouden wij niet eerst naar huis gaan?» zei Parmenas. «Misschien wil Joscs ook wel meegaan.»

«Als mijn oom ten minste gemist kan worden in den tempel. Het is erg druk in deze dagen door al de offers,» antwoordde Joannes Marcus.

Zij gingen dus weer huiswaarts, en kwamen weldra weer in de gastvrije woning van Maria in de Akra. Toen zij binnentraden zagen z:j, dat Joses thuis was, doch tevens, dat er nog iemand, dien zij niet kenden, in zijn gezelschap was. Het was een jongeling van beminnelijk voorkomen en verstandigen oogopslag. Hij stond op, toen de beide vreemdelingen binnentraden.

Joses groette zijne gasten en stelde den jongeling aan hen voor. «Het is mij een genoegen,» zei hij, «u heiden bekend te maken

6

Si-

ocr page 94

«WEG MET HEM!»

met dezen jongeling, Azarja Ben Itaï, een leerling van Rabbi Gamaliel.»

«Rabbi Gamaliel is mijn leermeester niet meer,» zei Azarja.

lt;gt;Wat zegt ge?» zei Joses. «Hoe meent ge dat?»

«Ik heb een beteren meester gevonden. Hem wil ik volgen. Ik was juist hier gekomen, Joses, om het u mee te deelen. Ik heb er dagen, ja weken over gepeinsd, en kon eerst niet tot een besluit komen. Maar nu staat mijn besluit vast.»

«En wie zal dan voortaan uw meester zijn?» vroeg Joannes Marcus.

«Kunt gij het niet vermoeden, Joses?» vroeg Azarja dezen.

«Wilt gij u voegen bij den Profeet, den Messias, bij onzen Koning, Jezus van Nazareth?»

«Juist! Zoo is het. Wie eens zijn roepstem gehoord heeft; «Kom herwaarts, volg mij!», zooals ik op dien bewusten avond, eenige weken geleden, kan wel een tijd lang weifelen, maar moet toch vroeg of laat aan die roepstem gehoor geven.»

«Ja,» voegde Nikanor hierbij. «Zoo is het ook de zonen van Rabbi Zebedeüs gegaan. Toen de Profeet hen eenmaal geroepen had met zijn: «Komt hier, en volgt mij!» zijn zij ook heengegaan, evenals de zonen Van Jona, en hebben alles in den steek gelaten om den Profeet te volgen. Het was anders wel hard voor den ouden Zebedeüs, en evenzoo voor den ouden Jona, dat zij beiden hunne zonen zoo op eens verliezen moesten. Ze waren zulke flinke jongens! Simon, de oudste zoon van Jona, is gehuwd, maar dat verhinderde hem niet den Profeet te volgen. Zij hebben alles achter gelaten, en zijn met hem meegetrokken op zijne tochten door het land. Soms kwamen ze thuis, want de Profeet woonde eigenlijk ook in die streek, in Kapernaüm. Maar ik heb hem nooit gezien in al dien tijd, dat ik in Bethsaïda gewoond heb. Ik heb hem dezer dagen voor het eerst gezien.»

«En wat zeide hij tot u?» vroeg Azarja.

«Ik kan het onmogelijk vertellen,» antwoordde Nikanor. «Hij sprak ovor zijne heerlijkheid, die hij tegenging, en over een tarwe-

82

ocr page 95

«WEG MET HEM!»

korrel, die in de aarde vallen cn sterven moest om vruchten re dragen.»

Nog eenigen tijd spraken de vrienden zoo samen, en de proselieten deelden aan joses hun voornemen mede om naar liethanie te gaan om Lazarus te zien. Joses kon niet met hen meegaan, daar hij het te druk had in den tempel; maar Azarja wilde gaarne meegaan. (gt;Het is eene goede gelegenheid om mij bij de leerlingen aan te sluiten,» zei hij. «Maar,» voegde hij er bij, «ik wilde eerst nog een bezoeTc brengen, om afscheid te nemen. Het is hier dichtbij. Bij Rabbi juda van Tarsen. Ik ken hem cn zijne kinderen te goed om hen niet vaarwel te zeggen.»

«Weet gij, Azarja,» vroeg Joses, «dat zijne dochter Suzanna ook in den Meester gelooft?»

«Suzanna? Ja, ik weet, dat zij tot geloof geneigd is.«

«Zij gelooft beslist cn van harte!» verzekerde Joses.

Niets lang daarna trad Azarja de woning van Rabbi Juda binnen. Hij vond er niemand dan Suzanna.

Na haar gegroet en zich op een rustbank nedergezet te hebben, zei hij:

«Waar is de Rabbi, uw vader, Suzanna? En waar is Saul?»

«Vader is naar eene vergadering van het Sanhedrin, in het huis van den Hoogepriester,» antwoordde zij, «en waar Saul is, weet ik niet. Hij wilde niet naar die vergadering, cn daar Rabbi Gamaliel in deze week zijne lessen gestaakt heeft, is hij daar ook niet heen. Ik geloof, dat Simei hem heeft meegenomen.»

Azarja antwoordde eerst niet. Daarop zei hij op ernstigen toon: «Suzanna, ik kom afscheid nemen.»

«Afscheid nemen? Wat meent ge?»

«Wat ik zeg! Ik kom afscheid nemen. Ik ga mij voegen bij de leerlingen van den profeet uit Galilea. Ik geloof, dat hij de Messias, de Zoon van God is. Ik heb er alles voor over om hem aan te hangen en tc volgen. Als hij voor zijn koninkrijk moet strijden, ik ben bereid met cn voor hem in den dood te gaan. Hij is het licht

ocr page 96

WEG MET HEM!»

der wereld, en die hem volgt, zal in de duisternis niet wandelen.»

«O Azarja,» antwoordde Suzanna met geestdrift, ik wilde, dat ik met u gaan kon! Maar ik kan vader en Saul niet alleen laten.»

Azarja zag haar aan met een vriendelijk gelaat. «Gij, gelooft gij ook in hem, Suzanna?» vroeg hij op zachten toon.

En zij antwoordde op denzelfden toon:

«Ja, Azarja, ik geloof, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, de Koning der Joden.»

«Den God Israels zij dank!» antwoordde Azarja. «Ik was bevreesd, dat ik geheel alleen zou staan onder mijne vroegere vrienden. Ik heb nu den troost, dat gij althans mij niet zult veroordeelen of vergeten, als ik weg ben.»

«Ik u vergeten, Azarja? Neen, dat kan ik niet!» En met heldere, sprekende oogen zag zij hem aan. Azarja gevoelde bij deze woorden eene wonderlijke ontroering over zich komen. Bijna hadden zijne lippen woorden geuit, die het geheim zijns harten zouden hebben verraden. Maar hij bedwong zich. En op hetzelfde oogenblik, waarop hij duidelijker dan ooit gevoelde, dat dit meisje hem dierbaar was, gevoelde hij ook de beteekenis van het woord des Meesters: «Die niet verlaat al wat hij heeft, is mijns niet waardig.»

Hij antwoordde na een oogenblik zwijgens:

«Suzanna, ik kan en zal u ook niet vergeten. En als ik mocht sterven in den krijg, die straks zal uitbreken, als de Messias zijn troon moet veroveren, dan zal het mij altijd een troost zijn te weten, dat gij aan mij gedacht hebt; dat wij vereenigd zijn door hetzelfde geloof in denzelfden Meester.»

Daarop stond hij op, nam hare hand, drukte er een kus op, en verliet haar.

Zij zag hem na, peinzend, weemoedig.

«Ach. waarom mag ik ook niet gaan om bij den Meester mij te voegen?» dacht zij. Zij was zich niet bewust, dat die verzuchting op dat oogenblik niet geheel voortkwam uit liefde tot dien Meester; dat zich ook de begeerte om langer in Azarja\'s gezelschap te zijn daarbij voegde.

84

ocr page 97

«WEG MET HEM!

Eenige uren later, omstreeks de negende ure in den namiddag, wandelden de beide proselieten in gezelschap van Joannes Marcus en Azarja den weg op, die over den Olijfberg naar Bethanie voerde. Zij waren druk met elkander in gesprek, en hadden niet bemerkt, dat hen een eenzaam man te gemoet kwam, die met het hoofd ter aarde gebogen langzaam den Olijfberg beklom van de zijde van Bethanie. Eerst toen hij dichtbij gekomen was trok hij hunne aandacht, en alle vier zagen naar hem met belangstelling.

«Wat voor man mag dat zijn?» zei Nikanor, toen hij voorbij was gegaan zonder te groeten. «Welk een terugstootend voorkomen! Wat schraal gelaat en dunne lippen! En wat hangt dat zwarte haar hem akelig om zijn voorhoofd! Ik geloof niet, dat die veel goeds in den zin heeft!«

«Het is vreemd,» zei Azarja, «en ik moet mij stellig vergissen. Maar ik meen hem meer gezien te hebben! Ik zou bijna zeggen: ik heb hem gezien in gezelschap van den Meester.»

«Wat zegt ge? Die man zou een leerling van den Messias zijn? Dat kan ik niet gelooven!» antwoordde Nikanor.

«Het is wel niet waarschijnlijk,» zei Parmenas, «maar toch, er spreken nog andere dingen uit zijn gezicht. Ik geloof, dat \'t iemand is, in wien sterke neigingen, ten goede en ten kwade, wonen. Zijn voorhoofd is hoog, en spreekt van een goed verstand.»

«Maar zijn houding is die van een veinzaard,» antwoordde Nikanor. «Zie, zie,» zei hij, zich omkeerend en op den man wijzend, «zie, hoe hij ter zijde van den weg als voortschuift! Neen! Ik kan niet gelooven, dat die man een leerling en vriend zou zijn van den Meester! Ik kon hem eer voor een van zijne vijanden houden!»

«Ik weet niet,» zei Joannes Marcus, «maar \'t komt mij toch ook voor, dat ik hem eer gezien heb, en ook naar ik meen in het gezelschap van den Meester. Maar ik weet het toch niet zeker.»

«Nu,» zei Nikanor weder, «in elk geval, wie hij ook zijn moge, veel goeds voert hij niet in het schild; dat heb ik wel gezien.»

Zij wandelden verder, terwijl de onbekende zijn weg vervolgde

85

ocr page 98

86 «WEG MET HEM!»

in de richting van Jeruzalem. Toen de vrienden dicht bij Bethanie gekomen waren, kwamen hen wederom twee personen te gemoet.

«Als ik goed zie,» zei Nikanor nu, «dan zijn de mannen, die daar aankomen, mij bekend. Ik geloof, dat die eene, met dat krullende haar en die tengere gestalte de jongste zoon van mijn vriend Zebedeüs uit Bethsaïda is. En die andere, het is werkelijk zoo! Ik zie het duidelijk! Het is Simon, de zoon van Jona! Welk een geluk, dat wij hen ontmoeten!»

«Zijn dat niet twee van de leerlingen van den Meester?» zei Azarja. «Gij schijnt hen te kennen, Nikanor.»

«Jp., ik ken hen beiden. Zij woonden vroeger in Bethsaïda, tot zij met hunne beide broeders den Meester gevolgd zijn, zooals ik u van middag heb verteld.»

«Ik herinner mij, dat ik hen bij den Meester gezien heb. Men vergeet die twee gezichten niet gemakkelijk, als men ze eens heeft gezien.»

«Ja,» zei Parmenas, «wat heeft die eene, die jonge man, een beminnelijk voorkomen! En toch, welk een gloed spreekt er uit die donkere oogen, en welk een kracht uit die gesloten lippen!»

«Mij trekt de ander meer aan,» zei Joannes Marcus. «Wat een forsche gedrongen figuur! En wat een flink mannelijk voorkomen heeft hij door zijn ruigen baard en zware wenkbrauwen! Hij schijnt nog al heel wat ouder te zijn dan de ander. Ik herinner mij heel goed ze bij den Meester gezien te hebben.»

De beide mannen waren nu dicht bij hen gekomen. Zij stonden even stil, om het gezelschap te groeten, daar zij Nikanor herkenden.

«Gij hier, Nikanor?» zei de zoon van Zebedeüs.

«Ja, Joannes; ik ben met mijn vriend Parmenas gekomen om het Paaschfeest te vieren met uw volk. En nu zijn wij met deze beide jongelingen op weg om den Messias te zoeken, dien gij beiden al drie jaren hebt gevolgd.»

Het gezicht van Joannes Bar Zebedeüs verhelderde, en juist wilde hij iets antwoorden, toen zijn metgezel, Simon Bar Jona, naar voren

ocr page 99

«WEG MET HEM!»

kwam, en, terwijl hij de handen van Nikanor greep, op hartstochtelijken toon zei:

«Geloofd zij de God Israels! Gij hebt ook in hem leeren gelooven ? Waar en wanneer hebt gij hem gezien?»

«Bij zijn intocht. Uw broeder Andreas heeft ons tot hem geleid. Wij hebben toen onvergetelijke maar voor ons zeer onbegrijpelijke woorden gehoord.»

«Ja, nu herinner ik mij er iets van,» antwoordde Simon.

Intusschen had Joannes Bar Zebedeüs Azarjaaangesproken. «Heb ik u niet eer gezien, niet ver van hier, daar ginds, op den Olijfberg, nu eenige weken geleden?»

«Ja, heer,» antwoordde Azarja, met een soort van eerbied tot den beminnelijken jongeling met zijn donker oog opziende. «Toen riep de Meester mij om hem te volgen, maar ik kon er niet toe komen. Maar nu ben ik besloten, om mij bij hem aan te sluiten. Kunt pij ons ook zeggen, waar wij hem vinden kunnen?»

«De Meester is nu nog in Bethanië, in het huis van Simon den Melaatsche, die nog zoo heet, maar het niet meer is, sedert de Meester hem genas. Doch wij zijn samen door hem uitgezonden naar Jeruzalem, om het Paschamaal voor hem en ons te bereiden. Spoedig zal hij ons volgen.»

«Het Paschamaal? Nu reeds? Het is morgen eerst den veertienden Nisan !gt;:■

«De Meester heeft redenen, die wij niet doorgronden kunnen, om nu reeds den maaltijd met ons te houden,» antwoordde Joannes Bar Zebedeüs.

Nikanor had zich intusschen met Simon Bar Jona in een gesprek begeven over den persoon, die hen even te voren was voorbij gegaan. «Weet gij ook, Simon,» zei hij tot hem, «wie dat was, dien wij straks tegenkwamen?»

«Hoe zag hij er uit?» vroeg Simon.

«Hij had een hoog voorhoofd, donkere kleine oogen, niet iets loerends in zijn blik; zwart, verward, kroezend haar en vollen

87

ocr page 100

«WEG MET HEM!»

zwarten baard. Hij liep een weinig voorover, en hield de hand op den gordel.»

«Dan was het stellig Judas Iskariot,» antwoordde Simon. «Hij is ook een van de onzen. Hij is naar de stad gegaan, dat weetik, even voor wij heengingen. Ik denk, dat hij inkoopen doen moet voor het Paaschmaal, of een gift aan de armen geven moet, en dit nog doen wil, voordat de Meester met de anderen in de stad komt.»

«Is dat een leerling van den Meester?» vroeg Nikanor met verwondering. «Ik zag hem veeleer voor een vijand aan!»

«Hij heeft geen aangenaam voorkomen, dat is waar,» zei Simon. «Maar hij is een verstandig man en een man van het geld. Gij moet weten, dat hij de beurs heeft, en alles ontvangt en betaalt voor ons allen. Maar kom,» zei hij, «wij moeten voortgaan. Kom, Joannes, gaat gij mee? Het wordt tijd.»

«Het is goed. Petrus,» antwoordde de zoon van Zebedeüs.

«Petrus?» zei Nikanor verwonderd. «Sedert wanneer heet gij niet meer Simon, maar Petrus ?»

«De Meester gaf mij dien naam,» antwoordde de zoon van Jona. «Later zal ik u wel eens vertellen waarom. Wij moeten nu voortgaan, om alles voor den Meester gereed te maken.»

Zij namen afscheid van de vier vrienden, en vervolgden hun weg naar Jeruzalem, om de opdracht huns Meesters te vervullen, terwijl de anderen doorgingen naar Bethanie, om het huis van Simon den Melaatsche op te zoeken.

En intusschen was ook Judas Iskariot voortgegaan naar Jeruzalem, totdat hij in het dal van Josafat gekomen was. Hier verliet hij den weg, die naar de Schaapspoort voerde, en sloeg een pad in ter linkerzijde, dat hem langs de oevers van den Kidron na verloop van eenigen tijd aan de Zuidzijde van Jeruzalem bracht. Hier, op het punt, waar het dal van Josafat met het dal van den zoon van Hinnom samentrof, in de nabijheid van de bron Siloa, was de plaats, onder den naam Tophet bekend, waar de vuren nooit verdoofden, waarop de afval der stad werd verbrand. In vroegere

ocr page 101

«WEG MET HEM!»

eeuwen,, zoo luidde de overlevering, hadden hier de vuren gebrand voor den vreeselijken Moloch, waarin tal van onschuldige kinder-kens een verschrikkelijken dood hadden gevonden. Deze plaats gold voor verontreinigd; vooral ook, omdat in de nabijheid, in het dal van den zoon van Hinnom of het dal Gehenna de lijken werden nedergeworpen van hen, die in de Arena door de wilde dieren of de zwaarden der zwaardvechters gedood waren. *

Een walgelijke stank vervulde de lucht daar, en elk Israëliet vermeed in deze dagen vooral zorgvuldig die plaats, opdat hij niet verontreinigd mocht worden. Judas Iskariot scheen echter daarover geen bezwaar te maken, of er niet op te letten. Hij liep door, de Mistpoort voorbij, langs de westelijke zijde der stadsmuur, tot hij bij de Dalpoort kwam. Hier hield hij stil, en wachtte.

Weldra trad een persoon, diep in zijn mantel gehuld, uit de poort, zag even rond, en trad, hem bemerkend, op hem toe. Het was Simei.

0Z00, zijt gij daar, Judas!» sprak hij.

ftja, heer. Ik ben bereid u te volgen en mijn hulp aan te bieden.»

«Goed!» antwoordde Simei. «Volg mij.»

En die beiden gingen de Dalpoort door, en kwamen in de bovenstad Zion, waar zij hunne schreden richtten naar het huis van den hoogepriester Josef Kajafas. Hier liet Simei zijn metgezel achter in den binnenhof, zeggende:

«Ik zal uwe komst melden. Gij zult straks geroepen worden.»

Judas bleef alleen. Simei begaf zich naar de zaal, waar het Sanhedrin vergaderd was.

Daar zaten de Rabbi\'s, in hunne tabbaarden gekleed, in een grooten halven cirkel; voor hen hadden eenige jongelieden in drie rijen plaats genomen. Ter weerszij zat een schrijver, die aantee-kening hield van alles, wat werd verhandeld.

Simei begaf zich naar Rabbi Jonathan Ben Annas, en fluisterde hem enkele woorden in het oor. Deze knikte, en Simei nam zijne plaats in op de banken der leerlingen.

80

ocr page 102

9°

Rabbi Jonathan wendde zich nu tot den hoogepriester, die juist uitgesproken had, cn zei:

«Ik ontvang daar bericht, dat er een man buiten staat, die ons belangrijke diensten kan bewijzen in de volvoering onzer plannen. Wilt gij hem binnenlaten?»

De hoogepriester gaf zijne toestemming, en een dienaar, die in de nabijheid was, 5jing heen, om Judas te halen.

Weldra trad deze binnen, de man met hoog voorhoofd, verwarde haren en loerende oogen. Een vreemde, gedwongen trek speelde om zijn mond.

lt;iWat hebt gij ons te zeggen?.) sprak de hoogepriester op hoogen toon.

«Wat wilt gij mij geven,» antwoordde Judas op doffen toon, «en ik zal u Jezus van Nazareth overleveren. Ik weet, waar hij is, en ken een plaats, waar hij menigmaal vertoeft.»

De oogen van vele Rabbi\'s schitterden van belangstelling. Eene ongewone levendigheid was bij allen merkbaar. Eén van hen echter zag strak voor zich. Hij scheen onaangenaam gestemd, en keek Judas met verachtelijken blik aan. Het was Rabbi Juda van Tarsen.

«Hoe kunt gij weten, waar hij vertoeft?» vroeg de hoogepriester.

«Ik ben, — ik was een van zijne volgelingen,» antwoordde hij.

Op dat woord zag Rabbi Juda hem scherp aan. «Mensch,» zei hij, «schaamt gij u niet om verraad te plegen aan uwen meester?»

Buitengewone opschudding. De Rabbi\'s steken de hoofden bijeen. Judas antwoordt niet, maar wendt den blik af van den rechtschapen Farizeer. De hoogepriester echter zegt, met van toorn rood gekleurd gelaat;

«Broeder Juda, wat wij doen is ter eer van God. Het is goed, dat deze man tot betere gedachten is gekomen en den valschen Messias den rug toegekeerd heeft. Ik verzoek u dus hem niet met zulke opmerkingen lastig te vallen.»

Daarop, zich tot Judas wendende, zegt hij:

«Als wij u twintig denarien geven, is dat goed?»

«Twintig? Maar twintig?» antwoordt Judas. «Maak er dertig van.»

ocr page 103

«WEG MET HEM!»

De hoogepriester ziet Rabbi Phanuel aan. Deze knikt toestemmend. Daarop zegt de hoogepriester weder:

«Het is goed. Dertig zilveren denarien zullen u worden uitbetaald, als gij ons hem overlevert. Zorg, dat gij van nacht tegen de zesde ure gereed zijt! Kom dan hier. De bende zal gereed zijn, om door u geleid te worden naar de plaats, waar hij vertoeft. Dan zal u het geld uitbetaald worden. Zorg, dat gij tijdig hier zijt! Nu kunt gij heengaan.»

En Judas Iskariot gaat heen, — om zich naar de Schaapspoort te begeven, waar hij den Meester met de andere leerlingen blijft opwachten.

Eenige uren later zat hij aan met den Meester in de Paaschzaal, en at van de bete, door Jezus hem toegereikt,... maar in het huis van Josef Kajafas werd reeds de bende verzameld, die spoedig daarop onder geleide van den verrader zich zou begeven naar den hof Gethsemané om den profeet uit Galilea, de hoop van honderden uit het volk, de ergernis van Farizeën en Schriftgeleerden, gevangen te nemen, en als een misdadiger voor de rechtbank van het Sanhedrin te sleepen.

Suzanna was na het vertrek van Azarja bezig geweest met huiselijk werk, en had daarna, toen de avond begon te vallen, den avondmaaltijd gereed gemaakt. Daarna was zij gaan zitten, en had zich met eenig naaldwerk bezig gehouden, terwijl zij wachtte op de thuiskomst van Saul en van haren vader.

Hare gedachten waren voortdurend bezig met twee personen, den Profeet uit Galilea, en Azarja. Het was, alsof voor hare verbeelding deze beide beelden niet te scheiden waren. Dacht zij aan Azarja en zijne woorden, zij zag hem in hare verbeelding in den kring der leerlingen, en naast den Profeet. Dacht zij aan dezen, en de woorden, die zij van hem gehoord had, dan kwam haar het beeld van Azarja voor den geest als van een, die hem wilde volgen, en dus, naar het woord van den Nazarener, in de duisternis niet zou wandelen, maar het licht des levens zien.

ocr page 104

((\\VÈG MET HEM!»

Dan weder kwam haar Ruth voor den geest, en de vreemde woorden door deze gesproken op zulk een vreemde wijze. Zou het waar zijn, wat zij gezegd had, dat de Messias over vijf dagen gekruisigd zou worden? Morgen was het de vijfde dag, sedert zij het gezegd had! Vreemd, dat hij nog niets gedaan had om zijne vijanden machteloos te maken!

En als zij dan weer dacht aan de woorden van den profeet Jesaja, over den Ebed Adonaj, die als een lam geslacht zou worden, dan begon een bange vrees haar te vervullen. Als het toch eens waar was, wat Ruth zeide! — Wat zou er dan van zijne leerlingen, wat van Azarja worden?

Zij zat nog in gedachten verzonken, toen Saul thuis kwam.

«Is vader nog niet thuis?» zei hij, Suzanna groetende.

«Neen, Saul. Ik dacht, dat gij met hem. zoudt thuis komen. Hij is naar de vergadering van den Raad. Zijt gij er niet bij geweest?»

«Neen. ik heb eerst met Simei gezworven onder het volk, dat Jeruzalems straten vult. Wat een vreemdelingen zijn er in de stad! Simei schijnt met velen van hen bekend, en had veel met hen te bepraten. Later ben ik met hem naar zijn huis gegaan en heb eenigen tijd bij zijne moeder en Esther doorgebracht. En daarop ben ik nog even de Schaapspoort uitgewandeld om de tenten van de vreemdelingen te zien. Is die vergadering nog niet afgeloopen ? Suzanna, Suzanna, wat bezorgt uw zoogenaamde Profeet en .Messias een moeite aan de Oversten.»

«Het zou beter zijn, Saul,» antwoordde zij, «als zij in hem geloofden, in plaats van tegen hem samen te spannen.»

«Ik wil geen woorden meer aan u verspillen over die zaak, Suzanna. Als de man is gevonnisd en ter dood gebracht, zult ge zelf wel zien, dat gij u bedrogen hebt.»

Suzanna wilde antwoorden; doch op dat oogenblik kwam Rabbi Juda thuis, zoodat het gesprek van zelf afgebroken werd.

De oude Jood was blijkbaar ontstemd. Hij keek norsch, en gaf

92

ocr page 105

93

weinig ten antwoord op de vragen, die hem gedaan werden.

«En nu, vader,\'\') zei Sanl eindelijk, op een oogenblik, dat Suzanna liet verr.rek had verlaten, «is het besluit genomen?»)

«Het besluit is genomen; maar in de wijze, waarop het ten uitvoer gelegd wordt is iets, dat ik moet afkeuren. Een van zijne volgelingen is laag genoeg geweest om zich bereid te verklaren zijn Meester te verraden. Van nacht zullen zij hem gevangen nemen in een plaats, aan dien man bekend, buiten Jeruzalem.»

«Ja,» antwoordde Saul, «dat komt er van, dat de Nazarener zijne volgelingen heeft gezocht onder de Am Haarez. Wat kan men verwachten van de groote half heidensche massa, die de wet niet kent, dan laagheid? Het bewijst echter tegelijk, dat hij met al zijn tooverkunsten zijne leerlingen toch niet erg onderzijn invloed heeft.»

Nu trad Suzanna weer binnen en daarom werd het gesprek gestaakt, en de maaltijd verder zwijgend ten einde gebracht.

Den volgenden morgen was Suzanna reeds vroeg in de weer om het huis geheel schoon te maken, en te versieren, want aan den avond van dien dag brak het Paaschfeest aan. Al het gedeesemde moest verwijderd worden; alles moest worden «gereinigd» in den dubbelen zin: het moest schoon gemaakt worden en de reini-gingswetten moesten er op worden toegepast. Enkele aarden vaten, die onrein werden geacht, moesten worden verbrijzeld, en alles geschuurd en gewasschen. Ook de kleederen moesten worden gereinigd, en de feestelijke kleederen voor het Paaschfeest gereed gelegd worden. De Paaschmaaltijd zelf zou Rabbi Juda met zoon en dochter niet in eigen woning houden. Zij waren uitgenoodigd zich ten huize van Rabbi Jona Ben Amittaï met nog anderen tot een groot gezelschap te vereenigen.

Suzanna was druk bezig, en met hare gedachten nog vervuld van de dingen, die haar den vorigen dag hadden bezig gehouden, toen Maria hare buurvrouw binnenkwam. Zij zag er ontdaan uit, en was doodsbleek. Hare oogen stonden wild, en de grijze haren hingen los om haar hoofd.

ocr page 106

«WEG MET HEM!»

«Suzanna, Suzanna!» riep zij luid. «Kom toch! Er is zoo iets vreeselijks gebeurd!»

Suzanna ontstelde op het zien van haar ontdaan voorkomen. «Om Gods wil, Maria, wat scheelt u?» riep zij.

ftO Suzanna! Zij hebben den Meester gevangen genomen! Hij staat op het oogenblik voor den landvoogd! En het volk is woedend!»

Suzanna was doodsbleek geworden. Zou de voorspelling van Ruth bewaarheid worden? •— En Azarja? Hoe zou \'t met hem gegaan zijn?

«O Maria!» zei zij, «Zeg, dat \'t niet waar is! Het is te vreeselijk!»

«Ach, het is maar al te waar! Mijn zoon vernam het van morgen vroeg, dat de Oversten hem van nacht hebben gevangen genomen. En hij heeft gezien, dat voor den burg Antonia het volk bijeen-schoolde. He Landvoogd was binnen in het gebouw en de Rabbi\'s stonden er buiten. Rabbi Phanuël en Rabbi Jonathan vooraan. Ook Rabbi Jona herkende hij. En het volk stroomde van alle zijden toe en was woedend!»

«Woedend op de Oversten?»

«Neen! Op den Meester! Ze zeggen, dat hij hen bedrogen heeft, dat hij een valsche Messias is, en dat hij sterven moet!»

Haperend bracht Suzauna uit: «en . . . wat is er van zijn leerlingen geworden?»

«Ik weet het niet, Suzanna! Joannes hoorde wel vertellen, dat een van hen hem verraden heeft aan de Oversten. Ze schijnen verstrooid te zijn.»

«En weet ge niet, wat er van Azarja geworden is?»

«Azarja? Neen, dat weet ik niet. Hij is met onze gasten Nikanor en Parmenas en met mijn zoon gisteren naar Bethanië gegaan om den Meester te zien, maar zij konden niet bij hem komen en keerden gisterenavond terug. Azarja was echter in Bethanié gebleven. — Maar kom, Suzinna! Laat ons er heen gaan. Ik wil althans nog eenmaal hem zien, den Meester, voor hij . . . .»

Zij voltooide den zin niet, nv.ar barstte in schreien uit; en Suz inna weende met haar.

94

ocr page 107

«WEG WET HEM!«

«Ik ga met u,» zei zij tot Maria, sloeg een doek om, en verliet met Maria hare woning.

Om den ingang van den burg Antonia te bereiken, die met het eenigszins hooger gelegen, geplaveide gedeelte, Gabbatha of Litho-strotos genaamd, uitkwam in den voorhof des tempels, aan de noordzijde, moesten de vrouwen door de zoogenaamde Bovenpoort, of door de poort Pharphar, die een weinig zuidelijker lag, den voorhof des tempels binnen gaan. Toen zij uit de Akra kwamen en op de eerste poort toetraden, zagen zij, dat het gedrang daar zóó sterk was, dat zij moeilijk binnen konden komen. Zij gingen dus een weinig verder en traden door de poort Pharphar den grooten voorhof binnen.

Een opgewonden en schreeuwende volksmenigte vulde de ruimte van den voorhof, en drong op in de richting van den burg Antonia en van Gabbatha. De vrouwen konden uit het geschreeuw niet wijs worden, en zochten een doorgang zich te banen tot dichter in de nabijheid om te zien, wat er gaande was.»

«Weg met hem!» hoorden zij aan alle zijden roepen. «Weg met den toovenaar! Dood aan den lasteraar! Kruisig den valschen Messias!» Deze en dergelijke kreten werden verward door elkander geschreeuwd.

Suzanna en Maria zagen rond, of zij niet een zijner vrienden ontdekten. Maar overal staarden hen vijandige gezichten aan.

«Hoe, Manasse,» zei Maria tot den schoenmaker, dien we reeds leerden kennen. «Gij ook? Ik dacht, dat gij in hem geloofdet?»

«Dat heb ik gedaan, Maria,» antwoordde hij. «Maar \'t is een bedrieger! Dat is immers duidelijk? Waarom is hij anders gevangen genomen ?»

«Weg met hem!» riep een man, dicht bij hem; het was Nathan. «Hij heeft ons bedrogen met zijn intocht! In plaats van ons te verlossen, laat hij zich gevangen nemen! Kruis hem! Kruis hem!»

En velen namen zijn kreet over, en het krijschte rondom de beide vrouwen, alsof vele duivelen schaterden: «Kruis hem! Kruis hem!»

ocr page 108

((WEG MET HEM!»

«Hoe vreeselijk! Ach, ik\'kan \'t niet aanhooren!» sprak Suzanna, cn dreigde ineen te zinken.

«Zie, zie!» riep er een uit \'t volk, den arm uitstrekkende in de richting van het palcis, «zie, daar heb je \'m!»

En hevig, als bezeten, gilde, schreeuwde de woeste menigte, zwaaiend met de armen; «Weg! Weg!! Neem weg!! Kruis hem!! Kruis hem!!»

Suzanna had zich vermand, en, ofschoon bijna bezwijkend van wee, zag ook zij in dc aangeduide richting; en — wat zag zij?

Daar stond hij, de Profeet uit Galilea, de Messias. — Was hij het waarlijk? — Was dat de Messias? Was dat de Koning van Israël? — Was dat haar Verlosser? —

Met de handen gebonden, het bovenlijf ontdaan van het overkleed , met een purperen soldatenniantel om de schouders geworpen, stond hij daar, het met bloed bedropen bleeke gelaat half opheffend, alsof hij den hemel zocht, nu de aarde hem uitwierp. Op zij,i hoofd, nat van het bloed, droeg hij een van doornen gevlochten kroon, waarvan dc scherpe punten doordrongen in zijne slapen en zijn voorhoofd , zoodat het bloed er aan alle zijden uit vloeide.

Suzanna stond als aan den grond genageld; verpletterd staarde zij op dat lijdend gelaat; en terwijl het ivoeste geschreeuw rondom haar aanhield, was het haar, alsof een stem haar de woorden van den profeet influisterde:

«Hij had gccne gedaante noch heerlijkheid. Als wij hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de nienschen; een man van smarten, en verzocht in krankheid; en ieder was als verbergend het aangezicht voor hem; hij was veracht,en wij hebben hem niet geacht. Waarlijk, hij heeft onze krankheden op zich genomen , en onze quot;smarten heeft hij gedragen; doch wij achtten hem, dat hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is hij verbrijzeld. De straf, die ons den vrede aanbrengt was op hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden.»

96

ocr page 109

«WEG MET HEM!»

En terwijl zij luisterde nanr de stem des Geestes, die haar deze woorden te binnen bracht, zajj zij nog eens naar den Meester. En zie! Rondom zijn hoofd zag zij een lichtenden gloed; stralen als van vuur. — En zijn lijdend gelaat werd voor hare oogen veranderd. De doornenkroon om zijne slapen scheen van goud, en de bloeddroppelen op zijn voorhoofd en wangen schenen als paarlen te glinsteren. — En alles rondom haar verdween voor een oogen-blik. Daar was geen volk, geen rechthuis, geen stadhouder meer. Slechts Hem zag zij. Hem alleen! En met een bovenaardschen glans omgeven straalde zijne gestalte als in vuur. En — terwijl zij in geestverrukking op Hem zag, was het haar, alsof zijne gesloten lippen zich openden, — alsof Hij haar aanzag, — alsof Hij zeide; iAls ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ik ook u tot mij trekken.»

Het visioen was verdwenen. Weer zag zij de werkelijkheid rondom zich. Zij hoorde weer het gekrijsch: «Kruis hem, kruis hem!» Maar de smart was gelenigd. Zij wendde zich om en zag naar Maria. Deze was echter in het gedrang van hiar gescheiden geraakt. Zij ging een weinig terug uit het gedrang en — wie kwam daar op haar aan? — Het was Azarja. Hij zag doodsbleek, en zijn gelaat droeg de sporen van tranen.

«O Süzanna,» stamelde hij, «gij ook hier? Kunt gij het aanzien, dat de gezegende Meester aldus wordt mishandeld?»

«Hij was veracht,» fluisterde zij, «een man van smarten. Maar hij is om onze overtredingen verwond!»

Azarja zag haar ontroerd aan. «Gelooft gij nog, dat hij de Messias is?» vroeg hij.

«Azarja, gelooft gij het dan niet meer?»

«Och, Suzanna, mijn geloof is geschokt! Ik had gedacht, dat hij zou zegevieren en zijne vijanden overwinnen! Ik had gedacht, dat hij Israel verlossen zou! O hoe gaarne zou ik met hem geleden en gestreden hebben, ja voor hem gestorven zijn!»

«Niet wij moeten voor hem sterven, maar hij sterft voor ons!»

97

|

7

ocr page 110

«WEG MET HEM!»

antwoordde Suzanna, en uit hare oogen straalde een vreemden glans.

«Kom mee, Suzanna,» zei Azarja. «Wij kunnen hier toch geen nut doen.» En hij voerde haar ondanks haar zeiven mee uit het gedrang naar een stil gedeelte van den grooten oostelijkcn zuilengang. Daar drong slechts een verward gedruisch van het nog altijd woest razende volk tot hen door, zoodat hun gesprek daar rustig kon worden voortgezet.

«Wat meendet gij met die laatste woorden, Suzanna?» zei Azarja.

«Wat ik meen? Azarja, de Schriften getuigen, dat de Messias lijden moet. Staat er niet geschreven: «Om de overtreding mijns volks is de plage op hem geweest»? En niet evenzoo: «Verdorven was zijn gelaat, meer dan van iemand, en zijne gedaante, meer dan van de menschenkinderen»? Hij is de knecht des Heeren, die lijden moet voor onze zonden. O, ik heb het in den geest aanschouwd,» vervolgde zij in vervoering, «dat hij op deze wijze tot heerlijkheid zal komen!»

Azarja dacht na. «Het is zoo,» zeide hij, «dat staat geschreven. Maar ik kan \'t zoo slecht begrijpen! En dat ons volk, dat onze oversten hem verwerpen moeten! .Hoe vreeselijk!»

«Zeg mij eens, Azarja,» zei Suzanna, «hoe is het u gegaan? Hebt ge den Meester nog gesproken voor hij gevangen is genomen?»

«Slechts een oogenblik. Wij konden hem niet bereiken, en mijne metgezellen gingen weder naar Jeruzalem terug, toen zij Lazarus op een afstand gezien hadden. Ik wachtte echter, totdat hij het huis van Simon verliet. Wij hadden onderweg twee van zijne leerlingen ontmoet, en wisten, dat hij naar Jeruzalem zou gaan. Ik zette mij dus neder aan den weg, en wachtte tot hij zou komen. Eindelijk, met het vallen van den avond, zag ik hem komen, vergezeld van negen zijner leerlingen. Ik stond op, en ging tot hem, zeggende: «Heer, nu wil ik u volgen, waar gij ook heen gaat!» Maar hij zag mij ernstig aan, en antwoordde: «Gij kunt mij nu niet volgen; maar gij zult mij later volgen.» Ik antwoordde weder: «Heer, waarom kan ik u niet volgen? Ik wil mijn leven voor u geven!»

98

ocr page 111

«WEG MET HEM!Tgt;

99

Maar hij zag mij, droevig glimlachend aan, en zei: «Er staat geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Ga heen, Azarja, en wacht, totdat gij mijne heerlijkheid aanschouwen zult.» Toen wendde hij zich om, en vervolgde zijn weg met de leerlingen; en ik, ik bleef achter, en doolde geruimen tijd rond op den Olijfberg. Eindelijk, het was reeds diep in den nacht, daalde ik weer af van den berg om naar Jeruzalem te gaan. Toen ik dicht bij de stad kwam, zag ik op den weg, in het dal Josatat, een paar honderd schreden voor mij, denk ik, een troep menschen, met fakkels gewapend, juist kwam de volle maan van achter de wolken te voorschijn, zoodat de witte muren en gouden spitsen van den tempel glinsterden, en toen zag ik duidelijk, dat het gewapenden waren, die een gevangene meevoerden. Wie het zijn kon, wist ik niet; alleen verwonderde het mij, dat er in den nacht eene gevangenneming plaats had, en begreep niet, waar zij vandaan kwamen. Toen ik nog een weinig verder was gegaan, kwamen eenige mannen mij snel te gemoet. De maan was toen weder verborgen, zoodat ik hen niet kon kennen. «Wie wordt daar weggebracht?» vroeg ik hen. «Jezus, de Nazarener!» antwoordde er een. En voort liepen zij, den berg op, en ik — het was, alsof een bliksemstraal mij getroffen had. Verbijsterd stond ik stil cn staarde de bende na, die weldra de Schaapspoort was binnen gegaan. Toen het licht der fakkels geheel was verdwenen kwam ik tot bezinning. Ik ijlde hen na, cn zag hen juist den hoek omslaan bij den burg Antonia, toen ik de poort binnenging. Ik volgde hen, naar het huis van den hoogepriester, waar zij binnen gingen. Wat er verder met den Meester is gebeurd, weet ik niet. Ik heb geen slaap meer gekend, maar in onrust en strijd den nacht doorgebracht. Al heel in de vroegte was ik hier, en toen heb ik hem gezien, toen hij tot den landvoogd gebracht werd. Het volk liep spoedig bijeen, en zeer snel verspreidde zich het gerucht, dat de profeet van Galilea gevangen was genomen en door het Sanhedrin ter dood veroordeeld.»

ocr page 112

IOO

Azarja zweeg, en uit de verte drong het geschreeuw des volks tot hen door.

«En is de Meester nu veroordeeld door den landvoogd?» vroeg Suzanna.

«Nog niet. Pilatus verklaart hem onschuldig. Maar het volk wil niet toestaan, dat hij hem vrijlaat, \'t Is onbegrijpelijk! Nog pas vijf dagen geleden hebben zij hem met gejuich ingehaald!»

«Ik heb gehoord,» zei Suzanna weer, «dat een van zijne leerlingen hem heeft verraden aan de oversten.»

«Wat zegt gij ? Dan is dat stellig die man geweest, die ons gisteren tegemoet kwam. Hij zag er uit als een slecht mensch, die niet veel goeds in het schild voerde. Maar de leerlingen van den Meester, die wij eenige oogenblikken later ontmoetten, zeiden dat het een uit hun kring was. Judas Iskariot.»

«Begrijpt gij, hoe het mogelijk is, Azarja, om den Meester te verraden?»

«Neen! De Satan zelf moet het hem hebben ingegeven! Maar misschien is hij verleid geworden. Simei\' wilde mij onlangs overhalen tot iets dergelijks, om namelijk mij als leerling voor te doen, cn dan hem te verraden. Waarschijnlijk heeft die hem verleid.»

«Wilde Simeï dat? Hoe laag! O, hoe smart het mij, dat Saul zoo veel met hem omgaat! Maar zie, Azarja,» vervolgde zij, «het volk komt in beweging ginds! Zie! Ik geloof, dat de Meester weggeleid wordt!»

«O Suzanna, zou het nu al gebeuren? Ach, hoe vreeselijk! Welk een gruwel! Kom, ga met mij! Wij willen zien, wat er gebeurt!»

En zij gingen heen, en volgden de schare, die zich door de bovenste tempelpoort in de Akra begaf, en verder westwaarts zich bewoog, totdat zij door de poort des gerichts de stad verliet.

Niet ver van de stadsmuur verhief zich ter linkerzijde van den weg de naakte heuvel Golgotha. Daar werden gewoonlijk de ter kruisstraf veroordeelden heengebracht om hun vonnis te ondergaan^ Daar ook zou de profeet uit Galilea, Israels Koning en Messias, door zijn eigen volk uitgeworpen, den kruisdood sterven.

ocr page 113

«WEG MET HEM!»

Azarja en Suzanna volgden den stroom van menschen, die zich in de richting van Golgotha voortbewoog. Zij konden echter niet snel voortkomen, want de menschen kwamen van alle zijden aan-loopcn. Het gerucht, dat de Galileesche profeet ter dood zou worden gebracht, had zich snel door de stad verspreid, en van alle kanten stroomde het volk toe, Joden uit Jeruzalem en Joden uit andere plaatsen, proselieten en heidenen. Het was een geweldig gedrang, en de jongelieden vingen menig ruw woord of schimpende opmerking op.

Het voorste gedeelte van de menschenmassa had den heuvel bereikt. Azarja en Suzanna zagen uit de verte de blinkende helmen en lansen der Romeinsche soldaten, toen zij den heuvel beklommen. En in hun midden konden zij wel niet duidelijk, maar toch op een afstand herkenbaar drie gestalten onderscheiden. Het waren de veroordeelden, die gekruisigd moesten worden. Wie van de drie de Meester was, konden zij niet zien.

«Zie, Azarja,» zei Suzanna, en een eigenaardige gloed was in haar oog, «zie, er zijn drie veroordeelden. De Meester wordt met nog twee anderen gekruisigd, volgens het woord: «Hij is met de overtreders gesteld.»

«Ja, het is waar! Hoe weinig had ik-vroeger kunnen denken, dat ik op zulk eene wijze de vervulling zou zien van die woorden, die ik vroeger niet begreep.»

Eenige oogenblikken later stonden de beide jongelieden op eenigen afstand van het kruis, onder het volk. De kruisen waren reeds opgericht, en aan het middelste kruis daar hing hij, de Nazarener, de profeet uit Galilea, die het land drie jaren lang goeddoende had doorreisd, wiens eenige misdaad was, dat hij zich niet ontzien had de goddeloosheid en schijnheiligheid der Parizeen en Rabbi\'s te ontmaskeren, en dat hij de droomen van aardsche grootheid, die het volk koesterde, niet had willen vervullen. Daar hing hij, de rechtvaardige, die allen had liefgehad, en ook dan, als hij bestrafte, niets anders bedoelde dan het heil van hem, dien hij bestrafte.

101

ocr page 114

«WEG MET HEM!»

Daar hing hij, dien het volk der Joden in zijne verblinding nu een bedrieger, een valschen profeet noemde, maar dien het vroeger had gevierd als een profeet van God gezonden, ja in wien het één oogenblik werkelijk den Christus had gezien. Daar hing hij, dien do Rabbi\'s een godslasteraar, een toovenaar noemden, en dien zij aan Pilatus als een oproerling hadden afgeschilderd, doch die steeds de eer des Vaders gezocht had, en zwijgend zich had laten verguizen en smaden, en die nu als een lam ter slachtplaats uitgeleid was geworden.

En rondom zijn kruis klonken de spotkreten: «Kom nu af van het kruis, als ge kunt!» — «Help nu uzelven, profeet!» — Toon nu uw macht, Messias!» — En de schaterlach der verblinde Joden weerklonk akelig over den naakten heuvel, en doorsneed het hart van de weinige daar aanwezige getrouwen als met dolksteken.

Azarja en Suzanna waren op een afstand gebleven, zoodat zijniet hoorden het woord van den éénen misdadiger, die met de lastertaal der Joden instemde, noch dat van den anderen, die voor den Meester pleitte, en zijne ontferming inriep. Het geschreeuw van het volk, dat af en aan ging, en de drukte om hen henen beletten het. Zij verstonden evenmin het antwoord des Meesters, noch ook hoorden zij zijne woorden tot zijne moeder en tot zijn leerling Joannes. Toen echter deze beide laatsten den kruisheuvel verlieten, herkende Azarja den zoon van Zebedeüs terstond.

«Zie,» zei hij tot Suzanna, «dat is een van de leerlingen des Meesters. Wie zou die vrouw zijn, die zoo op hem leunt?»

«Zeker een die den Meester liefheeft. Wat ziet zij droevig!» antwoordde Suzanna.

Azarja trad op Joannes toe. «Wees gegroet, Joannes Bar Zebedeüs!» zei hij.

De zoon van Zebedeüs stond stil en zag hem aan. «Wees gegroet, Azarja,» zei hij. «Zijt gij ook hier om het einde te zien van den Meester ?»

«Ja, heer; ik ben hier gekomen om hem te zien sterven, voor

I02

ocr page 115

«WEG MET HEM li)

wien ik had willen sterven. Deze jonge dochter, hier bij mij, gelooft ook in den Meester.»

De vrouw, die op den arm van den zoon van Zebedeüs leunde, zag Suzanna vriendelijk aan. «De God onzer vaderen zegene u, mijne dochter,» zoo sprak zij. «Het is moeilijker te gelooven in hem, nu hij aan het kruis hangt, dan toen hij zijn heerlijk werk deed en zijne goddelijke woorden sprak. Maar dit alles is voorspeld. Wel valt het hard voor eene moeder, om een zoon te zien sterven; en dan zulk een zoon!» -— Zij haperde, en tranen vulden hare oogen; zij bedwong echter hare aandoening, en vervolgde: «Maar de grijze Simeon heeft het mij reeds voorspeld, toen hij hem als zuigeling in de armen had, dat er een zwaard door mijne ziel gaan zou. En ik weet, dat hij, bij wiens geboorte, de engelen zongen, door de engelen in triomf in zijn koninkrijk zal gebracht worden. O, ik zal hem weldra wederzien! Niet lang meer behoef ik de hulp van mijn zoon Joannes te vragen. Ik weet, dat de tijd mijner ontbinding aanstaande is. En dan zullen mijne oogen mijn zoon en Koning zien in zijne heerlijkheid.»

Suzanna had met eerbied geluisterd. Nu antwoordde zij; «Zijt gij de moeder van den Meester?»

«Ja,» antwoordde de vrouw, «ik ben Maria van Nazareth, de moeder van Jezus.»

«Laat ons naar huis gaan,» zei Joannes Bar Zebedeüs.

«Het is goed,» gaf Maria ten antwoord.

«Laat mij met u gaan!» bad Suzanna.

«Het is goed, mijne dochter! Dan zal ik u alles vertellen, wat gij wilt weten van mijn gezegenden Zoon.»

Suzanna groette Azarja, wierp nog een laatsten smartelijken blik op den gekruisigden Meester, en vertrok met Maria en Joannes naar Jeruzalem.

Azarja bleef toeven op Golgotha. Met diepe ontroering en vol ontzetting woonde hij de drie uren lange duisternis bij. De spottende Joden verstomden; velen keerden naar Jeruzalem terug. Het werd

193

ocr page 116

«WEG MET HEM!»

leeg en stil op den kruisheuvel. Azarja kon dichter tot het kruis naderen. Op eens schrikte hij op. Te midden van het geheimzinnige duister hoorde hij den Nazarener roepen: «Eli, Eli, lamma sabachthani ?»

Een huivering overviel hem. Wat moest hij daarvan denken? Verlaten van God? Was hij verlaten? Hij, de Messias?

Maar daar kwamen hem de woorden van den profeet voor den geest: «Toen dezelve geëischt werd, werd hij verdrukt.» En hij dacht verder aan den psalm, waarvan het woord des Meesters de aanvang was. Hij dacht aan wat daar van het doorgraven van handen en voeten gezegd wordt, en — hij zag naar de doorwonde handen en voeten des Meesters. Hij dacht aan de woorden: «aller, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit; zij schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op den Heer gewenteld; dat Hij hem uithelpe; dat Hij hem redde, als Hij lust aan hem heeft.» En — nog klonk de spottaal hem in de ooren, waarmee de Joden straks bijna op dezelfde wijze den Meester getart hadden.

En weder klonk de stem des Meesters, nu zacht, en drong hem in de ooren: «Mij dorst!»

Een der soldaten stak hem eene met azijn natgemaakte spons toe, opdat hij daaraan zijn dorst zou lesschen.

Wat was dat? Eene trilling doorliep den bodem, gevolgd door een onderaardsch gerommel. De duisternis werd erger.

Schrik en ontsteltenis overmeesterden de aanwezigen. «Een aardbeving!» fluisterde men.

En ijlings snelden velen heen, naar de stad, om zich naar de hunnen en het hunne te begeven.

Daar klonk andermaal de stem van den gekruisigden Nazarener, onnatuurijk sterk en luid. Slechts één woord was het, dat hij uitriep; maar een woord, dat een geheel evangelie bevatte: «Volbracht!» i)

I04

Toen werd weder de bodem bewogen, en terwijl de onderaardsche

1} lu het Griefcsch is dit kruiswoord inderdaad slechts één woord : ,Tetelestai.quot;

ocr page 117

«WEG MET HEM!» 105

donder rommelde, golfde de grond onder de voeten. De menschen ijlden snel weg, uitroepende: «Hij doet nog wonderen! Het is duivelswerk! Weg! Weg van hier!» Anderen riepen: «Hij is toch een profeet! Wee! Wee ons! Wee over Israël!»

Slechts weinigen hielden stand, behalve de wacht der soldaten, die aanwezig moest blijven. Azarja zag rond. Waar waren nu die snoevende Rabbi\'s, die spottende menschen? Weggevlucht van het tooneel van schrik, voortgejaagd door hun geweten!

Een jonge man beklom den heuvel, en naderde het kruis. Azarja herkende hem. Het was Joannes, de zoon van Zebedeüs.

«Ik kom terug,» zei hij fluisterend tot Azarja, «omdat ik het einde wil zien.»

Op dat oogenblik bewoog een derde schok den bodem, heviger dan de beide voorgaanden. De grond beefde en trilde. Spleten ontstonden in de rotsen. De menschen, die nog op Golgotha waren, vluchtten weg, slaande op de borst. De soldaten werden onrustig.

En te midden van al die verwarring hoorden de beide jongelingen den stervenden Meester luide roepen: «Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest!»

Nu kwam op eens de zon weer te voorschijn, en wierp een gulden straal op het middelste kruis. Azarja zag, hoe de blonde lokken des Meesters glinsterden, als waren zij van goud overgoten. Maar hij zag ook, hoe het hoofd was nedergezonken op de bloote borst, hoe de oogen gesloten waren en het vaalbleek des doods het gelaat en het geheele naakte lichaam overtoog. De Nazarener was gestorven; en Azarja, door zijne aandoening overweldigd, wierp zich weenend ter aarde.

ocr page 118

VIERDE HOOFDSTUK.

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

Nog nooit was er op den dag van het Paaschmaal in Jeruzalem zulk een verwarring geweest. Behalve de drukte, die het gevolg was van de opeenhooping van zoovele vreemdelingen in de stad, werd in den voormiddag de bevolking in beweging gebracht, toen zich snel het gerucht verspreidde van de gevangenneming van den Galileeschen profeet. Velen hadden gedaan als Maria en Suzanna, en hunne huiselijke bezigheden verlaten om zich naar den burg Antonia te spoeden.

En toen later de profeet naar Golgotha was weggeleid was geheel Jeruzalem in beroering gekomen. Die tot op dat oogenblik nog aan zijne bezigheden of aan \'t voorbereiden van het Paaschmaal gebleven was, liet zich nu ook meevoeren, en alles stroomde de Poort van het gericht uit, naar Golgotha-.

Daarop was de plotselinge duisternis gevolgd, even geheimzinnig als onverwacht. En langzamerhand begon het volk terug tekecren van Golgotha, en in de straten en pleinen van Jeruzalem zag men overal groepjes nienschen bijeenscholen in het schemerdonker, om te praten over de vreemde gebeurtenis.

De drie aardschokken, waarvan de laatste vooral hevig was, hadden echter overal de menschen doen uiteenstuiven. Van Golgotha kwamen de menschen aanloopen, roepende en schreeuwende.

ocr page 119

To;

En in de stad zochten velen in der haast hun have en goed te redden, vreezende, dat elk oogenblik de huizen boven hunne hoofden konden instorten.

Zoo erg was \'t echter niet geworden. Wel waren hier en daar groote scheuren ontstaan in dikke muren, en spleten in den bodem; wel waren kleine en groote woningen beschadigd, en heerschte er eene onbeschrijfelijke verwarring in de tenten in Bezetha en tegen de berghellingen, waarvan er velen geheel omvergeworpen waren, maar ergere dingen, hadden er niet plaats gehad; en toen dadelijk daarop de zon weder te voorschijn kwam, verdween ook bij velen de angst, en keerden zij tot hunne bezigheden weer.

In den tempel echter heerschte groote ontzetting. De priesters schoolden samen om het hoofdgebouw, dat door de aardschokken zeer geleden had. Er waren scheuren gekomen in de prachtige muren, en ook het dak was op vele plaatsen zwaar beschadigd. Maar wat het meest de ontzetting gaande maakte was, dat door de geopende tempeldeuren, die tot het heilige toegang verleenden, men zien kon hoe het zware gordijn, dat het Allerheiligste scheidde van het heilige, in tweeën was gescheurd, van boven tot beneden.

((Dat is een teeken van God!» zei Theophilus tot Eleazar.

tiHoe zoo? Wat voor teeken moet dat dan zijn?» vroeg deze.

«Sterft op dit oogenblik niet de Messias daar buiten op Golgotha aan een kruis? Zie, Eleazar, God toont Zijn heilig ongenoegen over Zijn volk, door de aarde in duisternis te hullen, en de heilige stad te schudden op hare grondvesten. En dit, is \'t niet een teeken, dat God zich onttrekt aan Israël, dat Hij niet meer wonen wil in het midden van een volk, dat den Christus kruisigt? Het voorhangsel is gescheurd; het heiligdom is ontwijd. God wil niet meer wonen in Zijn huis! Wee ons! Er zijn nog zwaarder oordeelen aanstaande!»

Eleazar trok de schouders op en glimlachte. «Kom, Theophilus,» zei hij, «ik zou zulke schrikbeelden maar niet mij voor den geest

ocr page 120

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

halen. Zie, de zon schittert weer op de gouden spitsen des tempels! Hetgeen beschadigd is door de aardbeving zal spoedig weer hersteld zijn. Een nieuw voorhangsel zal spoedig het oude vervangen. Ik vind juist, dat God blijkbaar Jeruzalem en den tempel beschermd heeft, want de aardbeving heeft slechts weinig schade aangericht. En wat den Nazarener betreft, ik ben nooit zeker geweest van zijn Messiasschap; en nu is \'t toch wel gebleken, dat hij niet de Messias was; een doode kruiseling, wiens lijk straks de prooi van de gieren wordt als het in Gehenna i) wordt neergeworpen, kan Israels Verlosser niet zijn. Kom, Theophilus, zet die denkbeelden van u. Het is nu gedaan met dien profeet. We zullen hopen, dat weldra de ware Messias verschijnt.»

Met deze woorden keerde hij zich om en ging heen, Theophilus in somber gepeins achterlatende.

Een uur ongeveer daarna wandelden twee mannen langzaam en in druk gesprek door de groote westelijke zuilengalerij, in de richting van den burg Antonia, waar de landvoogd Pontius Pilatus vertoefde.

«Zoo als ik u zeg, Nikodemus,» zei de een, «ik heb hem zien sterven, en ik ben overtuigd geworden, dat, zoo hij al niet de Christus was, hij althans van God gezonden was, een profeet in den volsten en heerlijksten zin des woords!»

«Ja, Jozef,» antwoordde Rabbi Nikodemus, «ik heb al lang geweten, dat hij van God gezonden was om ons terecht te wijzen, en het volk tot God terug te leiden. De teekenen, die hij deed, waren bewijzen, dat God met hem was. En zijn onderwijs was van dien aard, dat het onvergetelijke indrukken in de ziel achterliet.»

«Ik heb nooit naar hem geluisterd. Ofschoon zeer de houding en handelwijze van de broeders Phanuel en Jonathan en van den hoogepriester en zijne verwanten afkeurende, en overtuigd, dat zijne vcroordeeling onrechtvaardig was, was ik het toch overigens eens

1) liet dal Tofot, Gcej Hiunom, (Geheana). Dal vau Hiununt.

ocr page 121

log

met Gamaliel, dat men een verkeerde zaak niet bestrijden moet, en dat de zaak niet zooveel drukte waard was. Maar nu ik hem heb zien sterven, en de woorden gehoord heb, door hem nog gesproken , en de teekenen gezien bij zijn dood, nu ben ik niet langer _ in twijfel aangaande hem. Ik geloof nu ook vast en zeker, dat hij een profeet, een groot profeet, en daarbij een gunsteling van God was, die hem tot een heilig werk in ons midden had afgezonderd cn door Zijn Geest er toe bekwaamde.»

«Ik heb eens een gesprek met hem gehad,» antwoordde Rabbi Nikodemus. «Het was in \'t begin van zijn optreden hier in Jeruzalem. Ik had gezorgd, dat ik wist, waar hij \'s nachts vertoefde. Want ik kon en durfde niet openlijk mij overdag bij hem voegen, om \'t volk niet te stijven in zijne meening, dat Ivj do Messias was. Ik ging \'s nachts tot hem, cn vond hem dadelijk bereid met mij te spreken. Nooit vergeet ik dat gesprek.»

«Vertel het mij later maar eens,» antwoordde zijn makker. Jozef van Arimathea. «Wij zijn nu dadelijk bij het paleis van den landvoogd. Gij gaat toch mee, Nikodemus, om aan Pilatus het lijk des Meesters te vragen? Ik heb voor eenigen tijd mij een hof laten aanleggen - dicht in de nabijheid van Golgotha. In de helling van de rots heb ik een graf laten uithouwen met het plan dat in te laten richten voor eene particuliere begraafplaats voor mijne familie en mijzelven. Het zal mij eene eer zijn, als ik het lijk des Naza-reners in dat graf mag ontvangen.»

«Zouden wij in het paleis van Pilatus gaan?» vroeg Rabbi Nikodemus.

«Waarom niet?» was de wedervraag.

«Wel,» antwoordde Rabbi Nikodemus, «omdat wij daardoor worden verontreinigd. Hij is een heiden, en als wij zijn huis betreden, kunnen wij van avond het Paaschmaal niet eten.»

«Als gij daarvoor bevreesd zijt,» antwoordde Jozef v.m Arimathea, «dan kunt gij straks ook niet mij helpen hem te begraven. Daardoor wordt gij eveneens verontreinigd.»

ocr page 122

I IO NA DEN DOOD VAN JEZUS.

«Wildet gij dat dan zelf doen? Ik dacht, dat gij uwe slaven dat zoudt laten doen.»

«Het zal mij eene eer zijn het lijk van den gezegenden Profeet van het kruis te mogen afnemen, en, met uwe hulp, als gij wilt, en met de hulp van een paar zijner volgelingen, die ik wel vinden zal, of anders, als het moet, van een paar mijner dienaren, het zelf ten grave te dragen. Dat ik daardoor verontreinigd wordt voor de wet, is mij bekend, evenals door het betreden van het paleis van den landvoogd; maar dat heb ik er voor over. Ik geloof, dat er eene andere verontreiniging is, die heel wat erger is, dan \'t aanraken van een lijk of \'t betreden van het huis eens heidens. De broeders hebben hunne handen met onschuldig bloed bevlekt; dat is vrij wat erger, zou ik meenen. Het Paaschmaal moet ik dan maar niet gebruiken. Ik ben heden ook niet gestemd tot feestvieren, maar veeleer tot treuren.»

«Ik geloof, dat gij gelijk hebt,» antwoordde Rabbi Nikodemus. «Ik ga met u.»

Zij waren nu bij den burg Antonia gekomen. Het was nu stil op Gabbatha, j) en er waren geen sporen van het tooneel, dat er dien morgen had plaats gegrepen. Een slaaf, donker van huid, en gekleed in een witte tunica, was bezig het plaveisel schoon te vegen. Jozef riep hem, en beval hem eene audiëntie bij den landvoogd te verzoeken voor twee leden van het Sanhedrin.

Eenige oogenblikken later stonden de beide vrienden voor den landvoogd. Hij zat in een sierlijk bewerkten zetel in een prachtig met Corinthisch marmer versierd vertrek, in welks midden eene kleine fontein haar kristalhelder water kletterend deed nedervallen in het zich daaromheen bevindend bekken. Overal stonden beelden cn kunstvoorwerpen van marmer of metaal, en de wanden waren met de schoonste soorten marmer ingelegd. Toch scheen de landvoogd op dit oogenblik geen oog te hebben voor al dat schoons, dat in

1) Ue verheven geplaveide iilaats voor Jeu burg.

ocr page 123

NA DEN DOOD VAN JEZUS. III

het oog der strenge Joden zoo verfoeilijk was. Hij zat met de kin leunend op de rechterhand, en zijn gelaat stond gemelijk. Hij fronsde de wenkbrauwen, en een harde trek kwam er op zijn gelaat , toen de beide mannen binnentraden. Nog vóór zij iets zeggen konden viel hij ruw tegen hen uit.

sWat is \'t nu weer? Hebt ge nu al weer wat? Heb ik niet in alles ulieden den zin gegeven? De Nazarener hangt aan\'t kiuis! Wat wilt ge nu nog meer?»

«Heer,» antwoordde Jozef op bescheiden doch waardigen toon, «wij beiden hebben niet mee ingestemd in het besluit van het Sanhedrin om den Nazarener te dooden. Wij behooren tot zijne volgelingen.»

Verrast zag Pilatus op. «Wat?» zoo zei hij. «En zijt gij dan niet. leden van het Sanhedrin?»

«Dat zijn wij, heer,» antwoorde Jozef, «maar dat belette ons niet over den Nazarener onze eigene gedachten te hebben. Wel is waar hebben wij ons nooit openlijk bij hem aangesloten, maar wij wenschten nu een bewijs te geven van onze vereering van dezen gekruisigde.»

«Wat verlangt ge van mij?»

«Niets anders, heer, dan toestemming om het lijk van den Nazarener af te nemen en te begraven.»

«Hoe?» zei de landvoogd, en onrust was op zijn gelaat te lezen, «is hij al dood? Het is nog eerst eenige uren geleden, sedert hij werd weggeleid.»

Daarop nam de landvoogd een staafje en sloeg er mee tegen een metalen plaat. Op het geluid kwam een slaaf toeschieten.

«Ga,» zei de landvoogd tot hem, «en roep Rufus den hoofdman hier.»

De dienaar ging heen, doch keerde spoedig terug. Ee;i Romeinsch hoofdman over honderd volgde hem en trad binnen. Hij groette den landvoogd.

«Rufus,» sprak Pilatus, «gij hebt de veroordeelden van morgen immers uitgeleid en gekruisigd?»

«Ja, heer,» antwoordde de krijgsman, «maar ik wilde, dat gij een ander dat werk opgedragen hadt.»

ocr page 124

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

«Hoezoo, Rufus?»

ftDic ééne, die koning der Joden, was een zoon der goden, dat is zeker!»

Pilatus fronsde de wenkbrauwen; Jozef en Nikodemus zagen den hoofdman verwonderd aan.

«Wat meent gij ?« vroeg de landvoogd.

«Heer,tgt; antwoordde de krijgsman, «hebt gij niet de duisternis opgemerkt, die drie uren aanhield, en de aardschokken gevoeld? Die hadden plaats juist toen die koning der Joden stierf.»

«Is hij werkelijk gestorven?»

«Gewis, heer! Hij heeft eerst nog tweemaal met een luide stem geroepen. Ik kon het niet verstaan, want \'t was Arameesch. Maar nooit, nooit hoop ik weer tot zulk eene executie geroepen te worden. De goden toornen op ons, heer, dat wij dezen rechtvaardige hebben gedood h

Pilatus fronsde nog erger het voorhoofd.

«Gij kunt gaan, Rufus. Deze beide mannen zullen dien zooge-naamden Jodenkoning begraven. Is hij al afgenomen?»

«Neen, heer. Maar dat hij gestorven is, is zeker. Een mijner soldaten heeft met een speer zijne zijde doorstoken. Zij zijn nog bezig met de beide andere veroordeelden, die nog niet dood waren. Omdat dc Joden zich ergeren als op hun Paaschfeest de lijken blijven hangen, liet ik hen afnemen om hen de beenderen te verbrijzelen.»

«Goed. Gij kunt gaan.»

De hoofdman Rufus boog en ging heen. Pontius Pilatus begaf zich naar een schrijftafeltje, nam een stuk perkament, schreef er enkele woorden op, reikte het aan Jozef van Arimathea over, en zeide:

«Zie hier een bewijs, dat gij recht hebt hem te begraven.»

Op dat oogenblik klonken onderdrukte snikken achter een gordijn, dat het vertrek van een ander scheidde. Do beide raadsleden zagen verwonderd in die richting. Pontius Pilatus fronsde de wenkbrauwen weer en zag dreigend en toornig in de richting van het

I 12

ocr page 125

ii3

gordijn. Daarop stond hij stil voor dc beide mannen, en zei kort en gebiedend;

«Gij hebt mijne toestemming ontvangen. Gij kunt gaan.»

Zij bogen en gingen heen.

Toen zij het paleis verlieten en weder over het geplaveide plein gingen, trad eene slavin op hen toe.

«Wacht even!o zei deze tot hen. «Mijne meesteres zend mij. Zij wilde gaarne met u spreken over den Nazarener.»

Verwonderd zagen Jozef en Nikodemus elkander aan. «Wie is uwe meesteres?» vroeg de laatste.

«Julia, de vrouw van den landvoogd», antwoordde liet meisje.

«En welk belang stelt zij in den Nazarener?» vroeg Jozef.

«Dat zal zij u zelf het best kunnen zeggen. Volg mij.»

De mannen volgden haar naar een weelderig ingericht vrouwenvertrek. Eene schoone romeinsche vrouw met bleek gelaat en oogen, waarin de sporen van tranen nog te zien waren, wachtte hen op.

«Gij zijt volgelingen van den Nazarener, niet waar?» vroeg zij de beide mannen, nadat deze haar gegroet hadden.

Beiden bogen bevestigend.

«Is hij gestorven?» vroeg zij met trillende stem.

«Ja,» antwoordde Jozef van Arimathea, «de Nazarener is gestorven aan het kruis, waartoe dc landvoogd hem veroordeeld had.»

«Het smart mij;» antwoordde zij. «Hij was onschuldig. Hij was rechtvaardig, dat weet ik. Hoe gaarne had ik mijn echtgenoot teruggehouden van het vonnis! Ik weet, dat hij zichzelven daardoor den toorn der goden op den hals gehaald heeft!»

De beide mannen zagen haar verwonderd aan, doch zwegen.

«Gij verwondert u misschien,» vervolgde zij, «dat ik, eene romeinsche vrouw, de echtgenoote van den landvoogd des keizers, zoo spreek over een man, die als oproerling ter dood gebracht werd; en dat tot u; maar ik wil u zeggen, dat ik niet geheel onbekend ben met uwen godsdienst. Ik vereer uwen god naast de goden van mijn land, en heb een droom gehad vannacht, waarin mij is

8

ocr page 126

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

gezegd, dat de Nazarcner een godenzoon is, en een rechtvaardige, en dat zijn dood zal gewroken worden door de altijd wakende Nemesis, i) De onsterfelijke goden hebben besloten, dat zij, die dezen godenzoon doodden, zullen gestraft worden. Uw volk zal vertrapt worden door het machtige Rome. Gij, trotsche Joden, zult den nek krommen onder den voet van den overheerscher. Uw prachtige tempel zal verwoest worden, en het zwaard zal duizenden uwer kinderen dooden. O, ik hoorde ze kermen, vannacht in mijn droom, de vrouwen en kinderen, als slachtvee afgemaakt door de woeste soldaten van Rome! Ik zag het bloed der geslachte priesters afvloeien van de marmeren trappen van uwen tempel, vermengd met het bloed der lammeren. Ik zag den Olijfberg en de overige bergen bedekt met de kruisen, door onze legioenen opgericht voor u. Joden! En ik hoorde een stem, als de stem der goden, die uitriep: «Wee, wee over Jeruzalem, dat den heilige en rechtvaardige heeft gedood!» Maar ik zag ook,» hier haperde hare stem, «ik zag ook mijn echtgenoot, aan een eenzaam strand, verbannen, lijdend, stervend in ellende. En dezelfde stem herhaalde: «Wee, wee over Pontius Pilatus, die den heilige en rechtvaardige heeft doen dooden!» Toen ik ontwaakte, vernam ik, dat uw profeet, de Nazarener te recht stond. Terstond begreep ik, dat hij die heilige en rechtvaardige was, en ik zond een boodschap aan mijn echtgenoot, om hem te vragen zich toch niet met de zaak in te laten. Maar het baatte niet! Hij bezweek voor den aandrang van uw volk. En zoo hebt gij. Joden, mijn echtgenoot mee in \'t verderf gesleept! Wee over u!»

Zij had zich, al sprekende, steeds meer opgewonden.

Jozef en Nikodemus waren als verpletterd. Toen zij, na het laatste woord, zweeg, nam Jozef terstond het woord, en zei:

114

«Mijn vriend Nikodemus en ik hebben niet mee bewilligd in het besluit van het Sanhedrin. Wij zijn volgelingen van den Nazarener,

1) Nemesis was de godin der wraak bij de Grieken en Romeinen.

ocr page 127

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

en waren gekomen om den landvoogd toestemming te vragen zijn lijk te begraven.»

«Het is waar,» antwoordde zij kalmer, «gij beidenzijtonschuldig. Maar zeg mij,» vervolgde zij haastiger, «gelooft gij, dat hij uw Messias is?»

«Wij geloovcn,» antwoordde Rabbi Nikodemus, «dat hij was een profeet, van God gezonden, krachtig in woord en werk. Maar de Messias, dien wij verwachten, kan hij immers niet zijn, nu hij gedood is?»

«Ik geloof niet aan uw Messias,» antwoordde Julia; «er zal nooit zulk een machtig koning opstaan, die Israël bevrijden zal van de heerschappij van den machtigen keizer. Maar ik geloof wel, dat, zoo iemand recht had om uw Messias te zijn, het zeker de Naza-rener was.»

Jozef en Nikodemus gevoelden weinig lust het gesprek verder voort te zetten. Bovendien verlangden zij heen te gaan om hun liefdewerk te verrichten, eer de soldaten het lijk mochten hebben geschonden. Zij zagen elkander aan, en Jozef zei:

«Juist daarom, geëerde vrouwe, wenschten wij spoedig heen te gaan ten einde zijn lijk te redden uit de schennige handen der woeste soldaten.»

Julia begreep de bedoeling. «Gij kunt gaan,» zei zij, «alleen, zeg mij, waar gij hem wilt begraven.»

«In een nieuw aangelegd graf, in mijn hof, aan den voet van een heuvel, links van Go\'.gotha,» antwoordde Jozef.

«Het is goed. Ga dan nu heen, en bewijs den rechtvaardige de eer, die aan een zoon der goden toekomt.»

Jozef en Nikodemus bogen, en verwijderden zich. Over Gabbatha en door de Bovenste poort des tempels gingen zij westwaarts, den zelfden weg, dien des morgens de optocht gegaan was, in welker midden de Nazarener was weggeleid. Onderweg kochten zij een stuk fijn indisch linnen en verschillende specerijen. Het was nu rustig in de nauwe straten, die zij doorgingen. Velen waren reeds

115

ocr page 128

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

vergaderd in de huizen, waar zij den Paaschmaaltijd zouden vieren. Hier en daar stonden nog groepjes menschen te praten. Eén dezer groepjes naderend hoorden zij het volgende gedeelte van een gesprek:

«Zooals ik je zeg, Sara,» zei eene vrouw uit de groep, «het was vreeselijk om te zien! Nooit in mijn leven zal ik het weer vergeten, hoe hij opeens in elkaar zakte onder het zware kruis.»

«Ja,» antwoordde Sara, «\'t is geen wonder. Hij was al zoo ge-geeseld ook. Maar waarom kon hij, die zooveel wonderen gedaan heeft, niet zichzelven helpen ?»

«Ja, mensch, dat weet ik ook niet! De Messias is hij zeker niet geweest, zooals jij me gisteren nog woudt wijsmaken. Je zal \'t nu ook wel niet meer gelooven.»

«Maar wat zei hij toch, toen hij zich omkeerde? Ik was wat achter af geraakt, en zag op een afstand, dat hij stil stond, en een ander \'tkruis droeg. Ik hoorde hem praten, maar verstond \'tniet.»

«Ja, ik weet \'tniet precies meer, Sara,» antwoordde de andere. «Hij zei, dat wc niet om hem moesten weenen, maar om onszelven en onze kinderen, want dat er nog veel ergers met ons zou gebeuren.»

«Hebt ge dat gehoord, Nikodemus?» zei Jozef, toen zij de vrouwen waren voorbij gegaan. «De Meester heeft onderweg ook een oordeel over Israël voorspeld; dat komt overeen met den droom der R omeinsche.»

«Ja,» antwoordde Nikodemus, «ik heb ook gehoord, dat hij een tijd geleden aan zijne volgelingen heeft voorspeld, dat er geen enkelen steen van den tempel op den anderen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.»

«Als dat waar is, broeder,» antwoordde Jozef, «wat wordt er dan van al onze heerlijke profetien?»

«Zou \'t niet mogelijk zijn,» hervatte de Rabbi, «dat de Meester toch de Messias is, en dat hij wederkomen zal, door God uit de dooden weer opgewekt, om het oordcel te brengen over ons volk, omdat \'t hem verwierp; en om het Messiasrijk te stichten voor allen, die in hem geloofd hebben?»

116

ocr page 129

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

«Maar hoe rijmt gij dat met de verwachting, dat dc Messias Israël groot en heerlijk zal maken?»

«Als de Meester de Messias werkelijk is,» antwoordde Rabbi Nikodemns, «dan zullen de Romeinen, dc Gog en de Magog, wel tegen Jeruzalem optrekken, en de droom der Romeinschc kan wel in zekeren zin in vervulling komen. Israël zal dan, voor zoover het den Messias verwierp, deelen in het oordeel, dat de Messias over dc heidenen zal doen komen. Zegt ook de profeet niet, dat slechts het overblijfsel van Israël zal behouden worden? Dan zoude arbeid van den Meester onder ons de eerste komst van den Messias zijn, tot voorbereiding van zijn eigenlijk werk, cn tot schifting en zuivering van Israël. En dan mogen wij verwachten, dat hij zal terugkomen als de overwinnende Held, die Armilus, Gog cn Magog verslaan zal met den adem zijns monds, en die Jeruzalem zuiveren zal van de heidenen en van dc ongeloovigen, om dan daarna zijn heerlijk koninkrijk te stichten.»

«Ik dank u, Nikodcmus,» antwoordde Jozef, «voor deze denkbeelden. Nu kan ik het weer gclooven, dat de Meester werkelijk de Christus is. Maar o, hoe vreeslijk zal dan het oordeel zijn, dat komen zal over ons volk en onze oversten! Hebben zij niet geroepen : Zijn bloed kome over ons cn onze kinderen?»

Al sprekende waren zij Golgotha genaderd, Het was er nu stil. Eén der drie kruisclingen hing nog aan het kruis; het was Jezus. De lijken der beide anderen lagen bloedend, naakt en bleek op den grond neergeworpen. Een groep roofvogels zwierf om den kruis-heuvel, bcgcerig naar de prooi, doch nog op een afstand gehouden door de daar nog toevende menschen. Dc soldaten waren bezig de beide kruisen der boosdoeners uit den grond los te maken. Eenige vrouwen stonden op eenigen afstand, weenende.

Een huivering overviel de beide mannen, toen zij het akelige tooneel aanschouwden. Zij betraden den heuvel, en zich bij de soldaten voegende vertoonde Jozef van Arimathea hen het perkament des landvoogds.

117

ocr page 130

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

Een der soldaten nam het in de hand en doorliep het vluchtig. Hij trok de schouders op.

«Gij komt nog juist bij tijds,» zei hij. »Wij waren juist voornemens hem ook af te nemen.»

«Laat dat maar achterwege. Ik zal wel voor zijne begrafenis zorgen. Als gij met de beide andere kruiselingen gereed zijt kunt gij wel vertrekken. Het kruis kunt gij later wel weghalen.»

Een ander der soldaten, een man van een ruw voorkomen, maar rondborstig uiterlijk trad nu naar voren.

«Als gij het goed vindt, dan wil ik u wel helpen om hem af te nemen en te begraven,» zei hij. «Het is wat moeilijk voor u,en wij zijn er aan gewoon.»

«Zeer gaarne,» antwoordde Jozef. «Ik zal u er voor beloonen. Wie zijt gij?»

«Ik heet Tullius en ben soldaat des keizers,» antwoordde hij. Zonder verder te spreken of te talmen plaatste hij een ladder tegen het kruis, en begon de pennen, waarmee de handen vastgemaakt waren, los te maken. Intusschen ondersteunden de Raadsheer en de Rabbi het lichaam door het, bij het kruis staande, vast te houden.

De vrouwen, ziende wat er gebeuren zou, naderden nu, zeggende;

«Als wij u helpen kunnen, wij willen niets liever doen! Wij zijn hem uit Galilea gevolgd.»

«Behoort gij tot zijne volgelingen?» vroeg Jozef.

«Ja heer,» antwoordde een hunner. «Ik ben Maria van Magdala; de Meester heeft mij verlost uit de macht der booze geesten, en sedert dien tijd ben ik hem steeds gevolgd, waar hij ook heen ging. En deze is Maria, de echtgenoote van Klopas uit Nazareth, den broeder van Maria van Nazareth, de moeder des Meesters. En deze is Salome, de vrouw van Rabbi Zebedeüs uit Bethsaïda, demoeder van Joannes en Jakobus, leerlingen van den meester. En gijlieden, wie zijt gij ?»

ocr page 131

NA Ï5EN ÏJOOD VAN JÈZUS.

«Ik ben Jozef van Arimathea,» antwoordde Jozef, «en mijn vriend is Rabbi Nikodemus. Wij hebben vergunning van den landvoogd om het lichaam des meesters af te nemen en tc begraven.»

Intusschen waren de nagelen uit de handen en voeten getrokken, en de armen vielen slap neder, terwijl het bloed uit de doorboorde handen op den grond leekte. De soldaat Tullius ondersteunde het lijk onder de oksels, Jozef en Nikodemus hadden het om het midden gegrepen, en Maria van Magdala hield de ook reeds van de nagelen bevrijdde voeten vast. Zoo werd het langzaam neergelaten, en op den grond zachtkens neergelegd.

Uit de wonde in de zijde vloeide een breede bloedstroom en kleurde den grond des kruisheuvels. De drie vrouwen mengden hunne tranen daarmee.

Jozef van Arimathea stond overeind, hief de hand naar den hemel, en zei:

«O God van Israël! Wreek Gij dit bloed van Uwen Gezalfde van de hand van zijne moordenaren!quot;

Op dat oogenblik naderde hen een man en beklom den heuvel. Hij liep in gebogen houding; zijn zwart haar hing woest om zijn voorhoofd. Hij trad nader; de vrouwen deinsden verschrikt terug. Wild staarde hij een oogenblik op het lijk des Meesters, en stiet toen op vreeslijken, bijna brullenden toon de woorden uit:

«Dood! Dood!! Vermoord! Door mijn schuld! Wee mij! Ik heb verraden onschuldig bloed!!»

En zonder verder de aanwezigen aan te zien, wendde hij zich om, stormde den heuvel af, en verdween.

«Wie mag dat wezen?» vroeg Jozef aan de vrouwen.

«Het is Judas Iskariot, de verrader des Meesters,» antwoordde Salome op somberen toon.

De vrouwen begonnen nu het lijk des meesters af te wasschen met azijn uit het op Golgotha aanwezige vat. Tullius was hen hierbij behulpzaam. De andere soldaten hadden intusschen de kruisen uit den grond en uit elkander genomen. Zij maakten zich

ocr page 132

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

gereed heen te gaan, de lijken der beide andere kruiselingen aan touwen gebonden meeslepende.

Een der soldaten naderde Tullins. «Zijt gij ook een aanhanger geworden van den dooden Messias?» vroeg hij.

De aangesprokene gaf geen antwoord.

«Nu, ik wensch u geluk met uwen dooden koning. Waarlijk, \'t is al te veel eer voor zulk een dweeper om zoo begraven te worden.»

Hij voegde zich bij de anderen, en verwijderde zich met hen.

Nu werden de specerijen in het lijnwaad gestrooid, en vervolgens werd het lijk daarin gewikkeld, en eindelijk door de drie mannen, gevolgd door de vrouwen, weggedragen van den heuvel af, in den nabijzijnden hof van Jozef, in de nieuw uitgehouwen grafspelonk. Voorzichtig legden zij het lichaam neder in het graf, staarden een oogenblik op het bleeke, verstijfde gelaat, en gingen toen heen, een steen voor de opening der grafspelonk plaatsende. De drie vrouwen stonden in de nabijheid van het graf, weenende.

Jozef van Arimathea trok zijn beurs uit den gordel, en gaf Tullius een paar geldstukken.

«Neem dit geld, Tullius,» zei hij, «als loon voor de hulp, die gij ons bewezen hebt. Moge de God Israels u zegenen! Mochten uwe oogen geopend worden om het licht te zien, dat over Israel is opgegaan! Mocht gij de goden van Rome leeren vaarwel zeggen en den God Israels leeren aanbidden! Mocht gij leeren gelooven in den Messias Gods, wiens lijk gij nu mee ten grave gebracht hebt. En als hij zegevierend uit de dooden op staat, om zijn rijk onder Israel te stichten, mocht gij dan ook waardig bevonden worden deel te hebben aan de zegeningen van Gods uitverkoren volk!»

«Ik dank u, heer,» antwoordde Tullius, «maar verwacht gij, dat de gekruisigde Jodenkoning uit de dooden zal opstaan ?»

«Wij gelooven,» antwoordde Rabbi Nikodemus, «dat niet alleen deze doode , maar dat alle dooden eens zullen opstaan uit de dooden. Dan zullen de rechtvaardigen deel verkrijgen aan het heerlijke rijk van den Messias, en de goddeloozen en ongeloovigc heidenen

120

ocr page 133

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

zullen verdelgd en in de Gehenna geworpen worden.»

«In het dal van Hinnom meent gij, daar ginds, ten zuidwesten van Jeruzalem?»

«Neen, dat is slechts het aardsche beeld van de Gehenna, waarin de goddeloozen zullen geworpen worden.»

«En meent ge dan,» vervolgde Tullius, «dat deze Nazarener hier, die aan het kruis is gestorven, dan koning over u zijn zal?»

«Wij gelooven, dat hij dan als Messias en Koning van Israël zal regecren , en dat alle vorsten voor hem zich zullen nederbuigen.»

«Alle vorsten? Voor hem? Ook de Keizer van Rome?»

«Ja, ook dc keizer van Rome.»

«Bij alle goden!» riep Tullius nu uit, «welk een denkbeeld! Wat zijt gij toch een trosch volk, gij Joden, dat gij meent, dat de machtige Augustus zich zal buigen voor uwen dooden gekruisigden koning! Ik vrees, dat als ooit weer dc een of ander van u zich vermeet om Koning der Joden te willen zijn, gij door de-legioenen van onzen Keizer zult verpletterd worden. Rome alleen is groot! Aan Rome alleen komt de heerschappij der wereld toe!»

Dit zeggende keerde hij zich om, en ging naar de stad terug.

Ook Jozef van Arimathea en Nikodemus wilden zich verwijderen.

«Wacht!» zei Salome, «wij gaan met u mede. Waar gaat gij heen? Wilt ge niet met ons meegaan om de andere volgelingen des Meesters te leeren kennen?»

«Waarheen moeten wij met u meegaan?» vroeg Jozef.

«Aan den voet van den Olijfberg is de tent, waar wij drieën met nog drie andere vrouwen uit Galilea verblijf houden. Als gij meegaat zult gij daar Joanna, de huisvrouw van Chuzas, den rentmeester van Herodes Antipas vinden, en Suzanna uit Kapernaum. Ook Maria van Nazareth, de gezegende moeder des Meesters, is daar. En er zullen nu wel meer vrienden zijn.»

«Denkt gij er wel aan,» zei Nikodemus, «dat wij onrein geworden zijn door de aanraking van het lijk des Meesters? Wij mogen nu niet deelnemen aan het Paaschmaal.»

ocr page 134

na den dood van jëzus.

«Ik denk niet, dat de vrienden nu het Paaschmaal zullen gebruiken. Deze dag is een dag van droefheid en niet van vreugde.»

«Ik ga met u,» antwoordde Jozef van Arimathea.

«Ik ga ook mede,» zei Nikodemus.

«Laat ons niet weder de stad doorgaan,» zei Maria van Magdala. «Het is nu druk op de straten. Laat ons liever een omweg maken om de stad heen. Als wij onder langs dén heuvel Bezetha wandelen noordelijk langs de stad, komen we zoo van zelf bij den Kidron en kunnen dan langs den Kidron voortgaan tot bij den Olijfberg.»

De anderen stemden hierin toe, en zoo verwijderden zij zich met hun vijven in de vallende duisternis in noordelijke richting tot daar, waar later de nieuwe stadsmuur zou worden opgericht.

Toen sloegen zij rechtsom en gingen langs de helling van den heuvel Bezetha. Het was daar stil; uit de verte klonk het geluid van luidruchtige feestvreugde, terwijl het licht der vuren van hen, die in tenten verblijf hielden, den oostelijken en zuidelijken hemel verlichtte. De volle maan kwam achter de wolken te voorschijn, en wierp lange donkere schaduwen op hun pad. De enkele olijfboomen, hier en daar geplant, stonden spookachtig in het maanlicht, en de steenen, die op de helling verspreid lagen, gaven een nog wilder voorkomen aan het landschap.

Zwijgend en in gedachten verdiept, wandelden de vrienden verder. Zij waren nu gekomen aan de andere, oostelijke zij van den heuvel en daalden nu de tamelijk steile helling af naar het Kidrondal, in welks diepte de Kidron zich als een zilveren lint kronkelde. De Olijfberg was tegenover hen.

Op eens stond Jozef van Arimathea stil.

«Wat is dat daar?» zei hij, «daar recht voor ons?»

De anderen zagen in de aangeduide richting, en tuurden belangstellend naar een voorwerp, dat eenige honderden schreden van hen verwijderd was.

«Het schijnt een mensch te zijn,» zei Nikodemus.

«Dan is het een doode,» zei Salome; «het ligt roerloos.»

122

ocr page 135

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

«Kom mee, vrienden, wij zullen onderzoeken, wat of wie het is,» zei Jozef.

Zij naderden; doch toen zij er dicht bij kwamen, deinsden zij van schrik terug.

Het was een mensch; een man met woeste zwarte haren en baard. Zij herkenden hem terstond, zoodra zij hem zagen. Het was Judas Iskariot.

Daar lag de verrader, dood; te pletter gevallen van de steilte. Zijn gelaat was donkerblauw en opgezet, akelig om aan te zien. De oogen puilden uit hunne kassen, zonder licht. Om den hals was een dichtgehaald koord bevestigd met een eind er aan, dat blijkbaar afgebroken was. Hij was met het onderlijf op een scherpen boomwortel neergekomen; zijn lichaam was geheel opengereten, en de ingewanden hingen uit het lijk. Het bloed gudste neer in het zand, en vloeide als een beekje verder af in de diepte.

De vijf vrienden stonden als verpletterd.

«Dat is het oordeel Gods!» zei Maria van Magdala. «De Satan had bezit van hem genomen, en heeft hem nu verdorven!»

«Hij heeft zelfmoord gepleegd, daar boven op den berg,» zei Jozef, «maar de strop is gebroken, en zoo is hij in de diepte neder-gestort.»

«De diepte, waarin zijne ziel gestort is, zal veel erger zijn,» zei Salome.

«Laat ons weggaan!» zei Maria, de vrouw van Klopas. «Het is te vreeselijk om aan te zien.»

Zij verwijderden zich zwijgend, en daalden verder af in het dal Kidron. Spoedig waren zij over de beek Kidron gegaan, en kwamen nu aan den Olijfberg, tegen welks helling de tenten opgeslagen waren.

Overal brandden vuren, en door de reten van de tenten zag men het roode schijnsel van de Sabbathslamp. Uit vele tenten klonken reeds de tonen van de Paaschpsalmen. De vrouwen liepen langs een geheele rij tenten, tot zij aan eene eenigszins afgelegen tent kwamen.

Salome trad naar voren, en sloeg het tentdoek open. Een licht

123

ocr page 136

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

straalde naar buiten en verlichtte van voren het gezelschap, dat buiten in het maanlicht stond. In de tent zaten eenige mannen en vrouwen bij elkander, doch geen vroolijk gezang weerklonk uit hun midden. In zwarte sluiers gehuld zaten zij droevig bijeen op lage rustbanken, en onderdrukte snikken werden telkens uit hun midden gehoord.

Toen de drie vrouwen met de beide mannen binnentraden stonden de aanwezigen op.

«Zijt gij daar eindelijk ?gt;gt; zei een der vrouwen tot de binnenkomenden. «En wie brengt gij daar met u?»

«Wees gegroet, Joanna!» antwoordde Salome. «Wij hebben op Golgotha vertoefd. Deze beide eerwaarde Rabbi\'s zijn ook aanhangers van den Meester. Zij hebben hem begraven. Dit is Rabbi Jozef van Arimathea en deze is Rabbi Nikodemus.s

«Waart gij aanhangers van den Meester? En waarom hebt gij niet verhinderd, dat hij ter dood is gebracht?» vroeg Joanna, een statige vrouw, blijkbaar behoorende tot de aanzienlijken onder de Joden.

«Wij hebben niet mee ingestemd in het besluit van den raad. Maar wij konden het alleen niet tegenhouden,» antwoordde Jozef.

«Was er niemand dan gij beiden, die er tegen was?»

«Neen, niemand. Alleen Rabbi Juda van Tarsen was niet ingenomen met de wijze van veroordeeling. Hij keurde de schanddaad af van dien ongelukkige, van Judas Iskariot.»

«O noem zijn naam niet!» riep Joanna uit. «Hij is een monster, een werktuig des Satans! Is hij niet den Meester steeds gevolgd, van \'t begin af? O, ik weet \'t maar al te goed, want ook ik heb den Meester liefgehad, nu al drie jaren lang,» en de tranen vloeiden haar over de wangen, «Maar nu weet ik, wat den verrader heeft bezield! Het was hem te doen om het geld, dat ik en mijne vriendin Suzanna van Kapernaüm, en Maria en Martha van Beth-anie aan den Meester gaven! Hij had de beurs, maar hij was een dief! En nu heeft hij voor een hand vol geld den Meester verraden! Moge de God van Israël het hem vergelden!»

124

ocr page 137

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

«God heeft het hem reeds vergolden,» zei Maria van Magdala «Wij hebben zoo even zijn lijk gevonden.»

«Zijn lijk?» vroegen nu verschillende stemmen te gelijk. «Het lijk van Judas Iskariot? Hoe is dat mogelijk?»

Jozef van Arimathea verhaalde nu, waar en in welken toestand zij den verrader gevonden hadden.

«Komt, Andreas en Nathanaël,» zei een der mannen tot een paar anderen, «laat ons hem weghalen, en ten grave dragen. Al is hij een kind der hel geworden, hij was toch onze makker.»

«Het is goed, Filippus, wij gaan met u,» antwoordden de aangesprokenen.

«Ik zal met u gaan om u den weg te wijzen,» zei Jozef van Arimathea.

Daarop gingen Andreas Bar Jona, Filippus van Bethsaïda en Nathanaël Bartholomeüs in gezelschap van Jozef van Arimathea heen om het overschot van den ongelukkigen verrader te begraven. Nikodemus had intusschen eens den kring rondgezien. In een der hoeken van de tent zat eene in een zwarten sluier gehulde vrouw, en naast haar zat een jong meisje, dat hem bekend voorkwam.

Hij trad naderbij, zag haar aan, en zei, op verwonderden toon:

«Zie ik goed? Zijt gij dat, Suzanna, dochter van Rabbi Juda van Tarsen?»

Het meisje stond op en boog zich voor den Rabbi.

«Ja,» antwoordde zij, «Abba, ik ben Suzanna. Ik ben meegegaan met Maria hier naast mij, de gezegende moeder van den Meester.»

«Maar zijt gij dan ook een aanhangster van Jezus van Nazareth? Dat wist ik niet.»

«Ik wist het evenmin van u. Rabbi. Ik was sedert lang overtuigd, dat de Meester een Profeet was; maar in den laatsten tijd leerde ik in hem gelooven als den Messias.»

«En twijfelt gij daar dan nu niet aan, nu hij gedood is?»

«Ik heb een oogenblik getwijfeld. Maar ik zag in den geest zijne heerlijkheid. En zijne moeder hier heeft mij verhaald van zijne geboorte en van het getuigenis der herders en der oostersche wijzen,

125

ocr page 138

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

en van Simeon, en nog zooveel meer. O neen, ik twijfel niet langer! Hij is de Christus! En — zou hij niet uit de dooden opstaan?»

Nikodemus zag haar verwonderd aan. «Ik verwonder mij,» antwoordde hij, «dat gij, eene dochter uit Israel, gelooft, wat ik ter nauwernood durf hopen. Maar ja, ik ook hoop er op, dat hij uit de dooden zal opstaan, en dan zijne eigenlijke Messiastaak beginnen.»

Suzanna keerde zich nu naar Maria van Nazareth. «Ik moet u nu verlaten,» zei zij. «Ik ben al sedert den morgen niet meer thuis geweest. Mijn vader zal ongerust over mij zijn. Hij zou naar het huis van een der andere Rabbi\'s gaan om het Paaschmaal te houden. Ik moet daar nu ook heen gaan. Vaarwel, en moge de God van Israël u troosten, en verblijden met ons allen, door uwen zoon, den Meester, uit de dooden op te wekken.»

«God zegene u, mijne dochter! Blijf mijn gezegenden goddelijken zoon getrouw! Het zal u moeilijk vallen. Maar vrees niet! Hij heeft gezegd: Die vader of moeder liefheeft boven mij is mijns niet waardig.»

«God zal mij sterken. Vaarwel!»

Daarop kuste zij Maria op haar voorhoofd, en groette op dezelfde wijze de andere vrouwen. Voor Nikodemus boog zij.

»Wacht, Suzanna,» zei hij, «ik ga met u mee. Ik zal u verzeilen.»

«Wilt gij nu reeds heengaan, Rabbi?» zei Maria van Magdala. «Kom, zet u neer, en verhaal ons, hoe gij er toe gekomen zijt in den Meester te gelooven. Suzanna zal er niet tegen hebben alleen te gaan, niet waar?»

«Wel neen,» antwoordde Suzanna. «Ik kan zeer goed alleen gaan. Blijf gerust hier. Rabbi.»

Nikodemus liet zich overreden en zette zich neer in den kring der Galileesche vrouwen, om hen te verhalen van zijne eerste ontmoeting met Jezus. En Suzanna opende het tentdoek en trad naar buiten, in het heldere maanlicht, grillig afgebroken door het rossige schijnsel der vuren.

Op het oogenblik, dat zij naar buiten trad, naderden twee per-

126

ocr page 139

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

sonen de tent. Suzanna herkende hen. De een was Joannes Bar Zebedeüs, met wien zij des middags van Golgotha was heengegaan in gezelschap van Maria van Nazareth. De ander was Azarja.

Azarja herkende Suzanna. «Zie,» zei hij tot zijn metgezel, «daar komt Suzanna, mijne vriendin, uit de tent. Nu zal ik u liever verlaten en met haar naar de stad teruggaan.»

Suzanna trad Azarja en Joannes met vriendelijken blik tegemoet. Zij groette beiden hartelijk en zei tot den leerling van Jezus:

«Ik heb de moeder van den Meester tot nu toe gezelschap gehouden, heer; zij is nog in de tent bij de andere vrouwen. En waar zijt gij al dien tijd geweest?» vroeg zij aan Azarja.

«Bij het kruis des Meesters vertoefde ik,» antwoordde Azarja, «totdat alles voorbij was. Toen nam deze vriend des Meesters mij met zich, en wij dwaalden rondom Jeruzalem, terwijl wij spraken over den gezegenden Meester. En mijn vriend Joannes goot olie in de wonde; hij, die zelf tot in het diepst zijner ziel bedroefd was, vertroostte mij, en versterkte mijn geloof.»

«Zoo is het mij gegaan in gezelschap van de moeder des Meesters,» antwoordde Suzanna. «O hoeveel heerlijks heeft zij mij verteld! Ik verlang er naar \'t u te vertellen, Azarja!»

«Evenzoo verlang ik u mee te deelen, Suzanna, wat ik van Joannes heb vernomen.»

«Dan zal het beste zijn,» zei nu Joannes Bar Zebedeüs, «dat ik u samen laat. Ik ga zien, of ik mijn vriend Simon Petrus niet vinden kan. Hij heeft zich in den vorigen nacht laten verleiden tot verloochening van den Meester, en is weenend heengesneld uit de zaal van den Hoogepriester. Ik heb hem den geheelen dag nog niet gezien. Ik ben bezorgd over hem.»

Met verwondering hoorden de beide jongelieden deze woorden. «Hoe,» zei nu Azarja, «heeft Simon Bar Jona, dien ik op den weg naar Bethanië met u zag, den Meester verloochend? Hoe kon hij dat doen!»

«Simon is vurig en ijverig, maar hij steunde op eigen kracht.

127

ocr page 140

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

cn van Simeon, en nog zooveel meer. O neen, ik twijfel niet langer! Hij is de Christus! En — zou hij niet uit de dooden opstaan?»

Nikodemus zag haar verwonderd aan. «Ik verwonder mij,» antwoordde hij, «dat gij, cene dochter uit Israel, gelooft, wat ik ter nauwernood durf hopen. Maar ja, ik ook hoop er op, dat hij uit de dooden zal opstaan, en dan zijne eigenlijke Messiastaak beginnen.»

Suzanna keerde zich nu naar Maria van Nazareth. «Ik moet u nu verlaten,» zei zij. «Ik ben al sedert den morgen niet meer thuis geweest. Mijn vader zal ongerust over mij zijn. Hij zou naar het huis van een der andere Rabbi\'s gaan om het Paaschmaal te houden. ]k moet daar nu ook heen gaan. Vaarwel, en moge de God van Israël u troosten, en verblijden met ons allen, door uwen zoon, den Meester, uit de dooden op te wekken.»

«God zegene u, mijne dochter! Blijf mijn gezegenden goddelijken zoon getrouw! Het zal u moeilijk vallen. Maar vrees niet! Hij heeft gezegd; Die vader of moeder liefheeft boven mij is mijns niet waardig.»

«God zal mij sterken. Vaarwel!»

Daarop kuste zij Maria op haar voorhoofd, en groette op dezelfde wijze de andere vrouwen. Voor Nikodemus boog zij.

»Wacht, Suzanna,» zei hij, «ik ga met u mee. Ikzil u verzeilen.»

«Wilt gij nu reeds heengaan. Rabbi?» zei Maria van Magdala. «Kom, zet u neer, en verhaal ons, hoe gij er toe gekomen zijt in den Meester te gelooven. Suzanna zal er niet tegen hebben alleen te gaan, niet waar?»

«Wel neen,» antwoordde Suzanna. «Ik kan zeer goed alleen gaan. Blijf gerust hier, Rabbi.»

Nikodemus liet zich overreden en zette zich neer in den kring der Galileesche vrouwen, om hen te verhalen van zijne eerste ontmoeting met Jezus. En Suzanna opende het tentdoek en trad naar buiten, in het heldere maanlicht, grillig afgebroken door het rossige schijnsel der vuren.

Op het oogenblik, dat zij naar buiten trad, naderden twee per-

126

ocr page 141

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

sonen de tent. Suzanna herkende hen. De een was Joannes Bar Zebedeüs, met wien zij des middags van Golgotha was heengegaan in gezelschap van Mana van Nazareth. De ander was Azarja.

Azarja herkende Suzanna. «Zie,» zei hij tot zijn metgezel, «daar komt Suzanna, mijne vriendin, uit de tent. Nu zal ik u liever verlaten en met haar naar de stad teruggaan.»

Suzanna trad Azarja en Joannes met vriendelijken blik tegemoet. Zij groette beiden hartelijk en zei tot den leerling van Jezus:

«Ik heb de moeder van den Meester tot nu toe gezelschap gehouden, heer; zij is nog in de tent bij de andere vrouwen. En waar zijt gij al dien tijd geweest?» vroeg zij aan Azarja.

«Bij het kruis des Meesters vertoefde ik,» antwoordde Azarja, «totdat alles voorbij was. Toen nam deze vriend des Meesters mij met zich, en wij dwaalden rondom Jeruzalem, terwijl wij spraken over den gezegenden Meester. En mijn vriend Joannes goot olie in de wonde; hij, die zelf tot in het diepst zijner ziel bedroefd was, vertroostte mij, en versterkte mijn geloof.»

«Zoo is het mij gegaan in gezelschap van de moeder des Meesters,» antwoordde Suzanna. «O hoeveel heerlijks heeft zij mij verteld! Ik verlang er naar \'t u te vertellen, Azarja!»

«Evenzoo verlang ik u mee te deelen, Suzanna, wat ik van Joannes heb vernomen.»

«Dan zal het beste zijn,» zei nu Joannes Bar Zebedeüs, «dat ik u samen Iaat. Ik ga zien, of ik mijn vriend Simon Petrus niet vinden kan. Hij heeft zich in den vorigen nacht laten verleiden tot verloochening van den Meester, en is weenend heengesneld uit de zaal van den Hoogepriester. Ik hob hem den geheelen dag nog niet gezien. Ik ben bezorgd over hem.»

Met verwondering hoorden de beide jongelieden deze woorden. «Hoe,» zei nu Azarja, «heeft Simon Bar Jona, dien ik op den weg naar Bethanië met u zag, den Meester verloochend? Hoe kon hij dat doen!»

«Simon is vurig en ijverig, maar hij steunde op eigen kracht.

127

ocr page 142

128

Dc Meester had hem gewaarschuwd, maar hij heeft er geen acht op geslagen.»

«Moge de God Israels het hem vergeven!» zei Suzanna.

«Hij heeft ongetwijfeld diep berouw,» antwoordde Joannes. «O, ik ken hem! Hij heeft stellig den geheelen dag rondgeloopen, troosteloos over zijn val! Maar zijn toestand is toch niet zoo vreeselijk als van dien ongelukkige, van Judas Iskariot.»

«Weet gij reeds, heer,» zei Suzanna, «dat die ongelukkige dood is?»

«Dood? Hoe weet gij dat?» zei Joannes.

«Eenige vrienden vonden zijn lijk, nedergestort van dc rotsen, verpletterd. Zij zijn heengegaan om hem te begraven. Zie, ik geloof, dat zij ginds aankomen.»

Joannes en Azavja zagen in de richting van het Kidrondal. In het heldere maanlicht waren dc gestalten te onderscheiden van vier mannen.

«Dat zijn Andreas Bar Jona, Filippus van Bethsaïda, en Nathanacl Bartholomeüs,» zei Joannes Bar Zebedeüs. «Maar wie de vierde is weet ik niet. Dat schijnt een Rabbi te zijn.»

«Het is Rabbi Jozef van Arimathea,» antwoordde Suzanna. «Hij heeft met Rabbi Nikodemus den Meester straks begraven. Onderweg hierheen vonden zij het lijk.»

«Den God Israels zij dank,» zei Joannes. «Voor één volgeling, die wij verliezen, worden er ons twee gegeven. Maar hoe konden zij weten, dat zij hier de volgelingen des Meesters vinden zouden?»

«Salome, uwe moeder, en nog twee andere vrouwen waren b\'.j hen, toen zij den Meester begroeven, en brachten hen hierheen.»

De vier mannen waren nu bij hen gekomen, en men groette elkander wederzijds. Eenige oogenblikken later ging Joannes Bar Zebedeüs met de anderen in de tent, die Suzanna verlaten had, terwijl Azarja cn Suzanna in de richting van de Schaapspoort voortgingen.

Zij waren weldra in een druk gesprek gewikkeld, en deelden elkander mee, wat zij gehoord hadden van hen, in wier gezelschap

ocr page 143

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

zij vertoefd hadden, sedert zij op Gjlgotha van elkander gescheiden waren. Daarna kwamen zij als van zelf te spreken over hem, die op Golgotha gestorven was, en Azarja verhaalde met diepe ontroering van de laatste oogcnblikken.

«Nooit, nooit zal ik het vergeten, Suzanna,» zei Azarja, «dat oogenblik, toen de Meester het hoofd boog en den geest gaf\' Het was op dat oogenblik voor mij, alsof hemel en aarde vergingen. De aarde beefde; de grond spleet op verschillende plaatsen vaneen; de kruisen wankelden, en de weinige menschen, die nog op Golgotha vertoefden, gilden van angst of warden bleek van schrik. Een onderaardsche donder werd gehoord, en de schemering maakte alles nog akeliger. En te midden van al die verwarring riep de Meester met een luide stem: «Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geestlo Ik zag op naar hem; maar zijne oogen waren gebroken en het hoofd nedergezonken op de borst. Toen wierp ik mij neder, en had zelf ook willen sterven!»

«Toen brak immers juist het zonlicht weer door?» vroeg Suzanna.

«Ja, toen werd het licht. Een oogenblik zag ik het doodsbleeke gelaat en lichaam des Meesters in het volle zonlicht, alsof het lichtte.»

«O Azarja, heeft hij niet zichzelven het licht der wereld genoemd? Dat hebt gij mij immers meegedeeld? En ik hoorde hem spreken over het wandelen in het licht. Zou die duisternis en dat doorbrekende licht niet een teeken zijn van God, dat het sterven des Meesters de duisternis verdrijven zal en dat het licht worden zal over Israël?»

«God geve het! Het is waar, de profeet Jezaja zegt ook, dat het volk, dat in duisternis wandelt, een groot licht zien zal. Maar hoe zal dat wezen? De Meester is gestorven, en het licht is uitgedoofd!»

«Ik geloof, Azarja, dat hij uit de dooden zal opstaan.»

«Uit de dooden opstaan? Ja, in de opstanding ten laatsten dage! Dan staan alle dooden op. Maar wanneer zal die dag komen?»

«Ik geloof, dat hij, die zelf de dooden levend maakte, ook niet

129

9

ocr page 144

13°

in den dood kan blijven. Staat er niet ergens zoo iets in de Schriften?»

Azarja dacht na. «Ja,» zei hij eindelijk, «in de rol der Psalmen staat: Gij zult mijne ziel in den Sjeool i) niet verlaten; gij zult niet toelaten, dat uw heilige de verderving zie.»

«Welnu! Ziet gij wel! Het staat alles in de Schriften, zijn lijden, zijn sterven, zijne opstanding! Is dat niet een duidelijk bewijs, dat hij de Messias is? O Azarja, wat zal dat heerlijk zijn, als hij uit het graf opstaat, en zijne vijanden moeten zien, dat zij te vergeefs hem doodden! O, dan zal mijn vader niet langer twijfelen! Dan zal ook Saul in hem gelooven.»

«Die zal niet spoedig tot geloof komen!»

«Als hij ziet, zal hij gelooven. Hij is nu tegen den Meester, omdat hij de Rabbi\'s vertrouwt. En hij heeft nooit iets van de werken des Meesters gezien, noch ooit hem gehoord. Als hij den Meester zag, nu, nadat hij is gestorven, als hij hem moest erkennen voor den overwinnaar van den dood, dan zou hij in hem gelooven, dat geloof ik zeker! Ja, zoo sterk hij nu tegen hem is, zoo vurig zou hij dan vóór hem zijn! Want hij moge hard en streng zijn, eerlijk is hij als goud, en het is hem om de ware rechtvaardigheid te doen.»

Zoo spraken zij, en wandelden langzaam voort. Zij waren nu in de benedenstad Akra gekomen.

«Gaat gij niet naar huis?» vroeg Azarja, toen Suzanna eene straat insloeg in de richting van de bovenstad Zien.

«Neen, ik ga naar het huis van Rabbi Jona Ben Amittaï. Mijn vader en Saul zijn daar zeker reeds lang. Wij zouden daar den Paaschmaaltijd gebruiken.»

«Dan zal ik u zoover vergezellen.»

Zij hadden reeds de Akra verlaten, en waren bij het Paleis van Herodes gekomen, toen zij iemand hen zagen tegemoet komen, die, zoodra hij hen zag, snel op hen toetrad. Het was Saulus van Tarsen.

«Saul!» zeiden Azarja en Suzanna tegelijkertijd.

1) Het doodenrjjk. In den bijbel wordt dit «oord gewoonlijk door „helquot; vertaald.

ocr page 145

NA DEN DOOD VAN JEZUS. 131

«Zoo Suzanna, zijt gij daar eindelijk!» zei Ivj. «En in gezelschap van Azarja I Hebt ge zoo den dag doorgebracht! Een fraaie voorbereiding voor het Paaschmaal! Azarja Ben Itaï, gij moest u schamen! Is dat de vriendschap en de trouw, die mijn vader en ik van u verwachten mochten, dat gij mijne zuster Suzanna verleidt en op den dag der voorbereiding aftrekt van hare plichten? Ga heen! Gij volgeling van den vervloekten Nazarener! Gij waart tot dusver mijn vriend, van nu af kan ik u slechts als mijn vijand beschouwen.»

«Maar Saul,» viel Suzanna in, «Azarja...»

«Zwijg, Suzanna!» ging Saul heftig en opgewonden voort. En zich weder naar Azarja keerende, barstte hij in hevigen toorn uit:

«Schande en vloek over u! Ik dacht, dat gij de wet liefhadt en de rechtvaardigheid zocht! Maar gij zijt een afvallige! Rabbi Gamaliel verlaat ge om den vervloekten profeet uit Nazareth....»

«Vloek hem niet!» viel Azarja hem in de rede; «gij weet niet, wien gij vloekt!»

«Weet ik dat niet? Is hij niet vervloekt van God en menschen? Ligt zijn lijk niet in Gehenna ten prooi aan gieren en honden? Weg met hem! En vervloekt zijn allen die hem volgen!»

«Saul, Saul! Wat ik u bidden mag, zwijg toch!» riep Suzanna, hem aangrijpende.

Maar hare tusschenkomst deed zijn toorn slechts te heviger ontbranden.

«Laat mij los! Schande over u! Gij, een dochter der Farizeën, voegt.u bij de volgelingen van dien valschen Messias, en loopt op den Paaschavond alleen te zwerven met een man!»

Het bloed vloog Suzanna naar het gelaat. Hare oogen schoten vlammen. Met van toorn trillende stem antwoordde zij:

«Gij moest 11 schamen, Saul! Durft gij mij, uwe zuster, van slechtheid verdenken?»

Azarja\'s gelaat was ook donkerder gekleurd. Hij keerde zich tt)t Saul, en zei:

«Als ik niet een volgeling geworden was van dien Meester, dien

ocr page 146

132

gij vloekt, omdat gij hem niet kent, clan zoudt gij die beleediging mij niet straffeloos hebben aangedaan! Maar — ik heb eene andere kracht loeren kennen! Hij, die heden als een lam ter slachting is geleid, die door onze Rabbi\'s is verguisd en gesmaad, heeft aan het kruis gebeden voor zijne moordenaren. Hem wil ik volgen! En daarom zeg ik u, Saulus Ben Juda, God vergave u uwe woorden; gij zijt verblind en opgewonden. Gij weet niet, wat gij zegt. Ik heb uwe zuster van morgen ontmoet in den tempel, terwijl het verblinde volk den grooten gruwel beging door den Koning Israels te verwerpen,....«

«Den Koning Israels? Een prachtige koning!» viel Saul hem in de rede. «Een koning met een doornenkroon! Een koning aan een kruis!»

«Ja, een koning met een doornenkroon en aan een kruis!» hernam Suzanna. «Die kroon en dat kruis zijn zijn glorie! O Saul, eens zult gij het ook inzien, en den Gekruisigde voor uwen Koning erkennen !»

«Onzin! Ik wil niets meer van hem hooren!»

«Ik wilde u zeggen,» hervatte Azarja, «dat ik uwe zuster van morgen daar vond, onder het volk. Ik ging met haar naar Golgotha om den gruwel te zien.»

Weer wilde Saul hem in de rede vallen; maar Azarja voorkwam hem, zeggende: «Laat mij uitspreken. Ik bleef op Golgotha tot alles gedaan was; maar uwe zuster is reeds eer heengegaan. Ik ontmoette haar straks eerst weder bij de tenten aan den Olijfberg, en heb haar nu hierheen vergezeld. Oordeel nu zelf, of gij recht hadt zulke bittere woordeji te spreken.»

«Het kan zijn, dat gij onschuldig zijt,» antwoordde Saul kalmer, «maar in elk geval is het beter, dat Suzanna niet in uw gezelschap is. Gij versterkt haar in het geloof in dien valschen Messias.»

«Integendeel, Saul, Suzanna heeft mij versterkt. Wij zijn beiden even beslist volgelingen van hem, dien gij een valschen Messias noemt, maar voor wien gij eens u zult moeten nederbuigen, als hij komt om de wereld te richten en Israël te verlossen.»

ocr page 147

NA DEN DOOD VAN JÊZÜS.

Saul haalde de schouders op. «Kom, Suzanna,® zei hij, «ga met mij.»

En zonder Azarja verder met woord of groet te verwaardigen, trok hij Suzanna mee en verdween met haar in de richting van het huis van Rabbi Jona Ben Amittaï.

Azarja bleef staan om hen na te zien. Toen zij verdwenen waren, keerde hij zich om, zuchtte, en begaf zich naar zijn verblijf in eene straat van de Akra, ten huize van een wolhandelaar, het hoofd vol gedachten en het hart vol nieuwe aandoeningen.

«Zeg eens, Suzanna,» zei Saul tot zijne zuster, toen zij zich van Azarja verwijderd hadden, «meent gij nu waadijk nog, dat die Na-zarener de Messias is? Mij dunkt, de dag van heden heeft u toch wel van het tegendeel moeten overtuigen!»

«Integendeel, Saul, ik ben juist vandaag vaster dan ooit overtuigd geworden, dat werkelijk Jezus van Nazareth de lang beloofde Messias is.»

«Hoe is het mogelijk! Gij zijt met krankzinnigheid geslagen! Is hij dan niet dood? Hoe kan hij dan de Christus zijn?»

«Ik geloof, dat hij uit de dooden zal opstaan.»

«Ja, ten laatsten dage! Als de werkelijke Messias komt! Zeker, dan zal ook de Nazarener opstaan mot al de goddeloozen tot eeuwig afgrijzen en verderf, zooals de profeet Daniël zegt.»

«Neen, ik meen, dat hij eerder zal opstaan, omdat hij de Christus is, en God Zijn heilige niet zal overgeven om verderving te zien. Hij, die anderen levend gemaakt heeft, kan zelf niet in den dood blijven.»

«Heeft Azarja u op dien tekst uit de psalmen opmerkzaam gemaakt ?»

«Ja, ik vroeg hem of er niet zoo iets in de Schrift stond. En er zullen nog wel meer woorden zijn, die er van spreken. Ach Saul, waarom luistert gij toch zoo naar Simei\' en zijne zuster Esther?»

«Ik heb Simei en Esther niet noodig om mij te zeggen, dat een gekruisigde de Messias niet zijn kan! Dat kunt ge in geen geval uit de Schriften bewijzen!»

«En wat zegt Jesaja dan van den Knecht des Heeren? Zegt hij niet, dat hij veracht en verworpen zijn zal?»

133

ocr page 148

NA DEN DOOD VAN JEZUS.

Saul stond een oogenblik stil en zag zijne zuster verwonderd aan. «Gij schijnt in een paar dagen een halve schriftgeleerde geworden!» zei hij spottend.

«Antwoord mij op mijn vraag! Is \'t waar of niet, dat de profeet Jezaja dat zegt?»

«Het is waar, dat hij dat zegt; maar dat heeft niets met den Messias te maken!»

«Dat kunt ge gemakkelijk zeggen, maar niet zoo gemakkelijk bewijzen!»

«Kom, Suzanna, houd maar op! Gij kunt toch niet van mij verwachten, dat ik met u zal gaan disputeerenI Ik zeg u nog eens, gij kunt het niet beoordeelen, omdat gij niet onderwezen zijt in de Schriften. Als gij dat waart, zoudt ge beter weten, en begrijpen, dat die vervloekte Nazarener de Messias niet zijn kan!»

«Vloek hem toch niet, Saul!»

«Waarom niet? God heeft hem verworpen! Hij is vervloekt van God en menschen, want er staat geschreven: «Vervloekt is ieder, die aan een hout hangt!» Maar ik wil er niet langer over spreken. Moge de God van Israël uwe oogen openen, opdat gij van deze dwaasheid en zonde genezen worden moogt!»

«Ik bid God, dat Hij u en vader de oogen openen moge om den Meester ook te leeren liefhebben!»

Hiermee eindigde het gesprek. Zij traden nu weldra het huis van Rabbi Jona Ben Amittaï binnen, waar de Paaschmaaltijd reeds lang bereid was, en men slechts wachtte op de laatste gasten.

134

ocr page 149

VIJFDE HOOFDSTUK.

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

De Paaschsabbath was voorbijgegaan. Het was nog in den vroegen morgen van den eersten dag der Paaschweek. In Jeruzalem was het nog rustig en stil. De drukte van het feest was een weinig verminderd. In den tempel hadden de priesters reeds het morgenoffer gebracht, en het volk begon zich reeds weder te verwijderen. Onder hen, die het voorhof verlieten en de stad ingingen bevonden zich ook drie der ons bekende Rabbi\'s. Rabbi Jonathan Ben Annas, de oude wellusteling uit het hoogepriesterlijk geslacht met zijn grijzen baard en wulpsche oogen, liep in het midden. Aan zijn rechterhand liep Rabbi Phanuel met zijne scherpe trekken, zijn kaal hoofd, korten baard en beenige vingers; terwijl Rabbi Jona Ben Amittai aan de linkerhand ging, de man met zijne donkere flikkerende oogen en levendige manieren, zijn breeden, brutalen mond en grove trekken. Zij hadden het druk samen.

«Gelukkig dat die Nazarener nu toch dood is!» zei Rabbi Jona Ben Amittai tot zijne makkers.

«Ja,» antwoordde Rabbi Jonathan Ben Annas. «Hij is dood. Nu zal hij in elk geval ons niet meer zwart maken bij het volk. En zijn aanhang zal spoedig verstrooid zijn.»

«Zijne volgelingen zullen het nu wel laten het graf te schenden,» zei Rabbi Phanuel. «Ik ben gisteren wezen zien; maar \'t was alles

ocr page 150

136

in orde. De zegels des keizers waren op den grafsteen, en de soldaten waren in de nabijheid.»

«Meent gij inderdaad, broeder Phanuel,» zei Rabbi Jona, «dat die Galileesche visschers en tollenaren zoo brutaal zijn zouden om het lijk weg te halen, en dan te vertellen, dat de Nazarener is opgestaan ?»

«Zeker geloof ik dat! Zij geloofden vast, dat hij de Messias was; en hij he;ft meer dan eens er op gezinspeeld, dat hij, ook al werd hij gedood, toch wel weer uit de dooden zou opstaan.»

«Saulus van Tarsen vertelde mij gisteren,» zei Rabbi Jonathan, «dat zijne zuster ook tot de aanhangers van den Nazarener behoort, en dat zij ook stellig verwacht, dat hij zal opstaan.»

«Maar zij zal toch niet meedoen met bedrog!» zei Rabbi Jona. «Daarvoor ken ik haar te goed!»

«Zij niet,» antwoordde Rabbi Phanuel, «maar dat zij het verwacht, bewijst, dat de aanhangers in het algemeen het verwachten. En als een van hen er toe kon komen den Nazarener aan ons te verraden, waarom zouden anderen van hen niet door zulk een bedrog trachten invloed bij het volk te verkrijgen?»

cZeg eens, broeder Phanuel,» zei Rabbi Jonathan, «weet gij, dat die man, die aanhanger, van wien gij spreekt, die de bende heeft aangevoerd, zijn geld in den tempel heeft geworpen?»

«Wat zegt ge?» zei Phanuel. «Neen, dat wist ik niet. En waarom dat?»

«Hij scheen waanzinnig. Hij liep op ons toe; ik was er juist met nog een paar anderen. «Ik heb verraden onschuldig bloed!»\' riep hij, en meteen wierp hij de denariën over den grond.»

«Wat hebt gij met het geld gedaan?»

«Ik heb het bewaard. Wat dunkt u, dat wij er mee doen zullen ?»

«Het mag in geen geval in de offerkist! Het is bloedgeld. Wij zullen er nog wel over beraadslagen. Maar hier zijn wij bij mijne woning. Gaat gij mee binnen ?»

«Het is goed,» antwoordden de beide anderen, en traden binnen

ocr page 151

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!» I37

in het prachtige huis van Rabbi Phanuel, dat overal de blijken droeg van den rijkdom des bezitters.

Zij gingen over het binnenplein en volgden Phanuel in zijn binnenvertrek.

Een dienaar wachtte hem. «Ik heb op u gewacht, heer,» sprak hij. «Er zijn eenige soldaten, die u wenschten te spreken.»

«Soldaten? Toch niet van de wacht bij het graf des Nazareners?»

«Ik weet het niet, heer,» antwoordde de slaaf. «Zal ik hen binnenlaten?»

«Neen, nog niet. Wacht even! Breng water om de voeten der eerwaarde Rabbi\'s te wasschen. Breng wijn en vijgen. Daarna kunt gij de mannen binnenbrengen.»

De slaaf volbracht zoo snel mogelijk de bevelen zijns meesters. Eenige oogenblikken later lagen de Rabbi\'s op lage rustbanken, terwijl de wijn en de vijgen op een laag tafeltje dicht bij hen stonden.

Nu traden de soldaten binnen: drie ruwe mannen in Romeinschen krijgsdosch. Een hunner ging voorop. Het was Tullius.

«Wat hebt gij mij te zeggen? Waarom zijt gij niet bij het graf gebleven?» vroeg Phanuel.

«Bij alle goden! Wij konden er niet blijven! Die gekruiste Joden-koning is gewis een toovenaar! Zelfs na zijn dood doet hij nog wonderen.»

Rabbi Jona sprong op. Rabbi Jonathan fronsde zijn voorhoofd, en stak zijn hand uit, als wilde hij iets afweren. Rabbi Phanuel alleen bleef uiterlijk kalm; alleen keek hij den spreker doordringend aan, en zei:

«Wat voor onzin praat gij! Zeg ons, kort en goed, wat er gebeurd is!»

«Onzin? Het is geen onzin! Wij hebben allen hetzelfde gezien, niet waar, kameraden?»

De andere soldaten bevestigden het woord van Tullius.

«Goed, zeg dan, -wat ge gezien hebt!»

«Van morgen vroeg, tegen het aanbreken van den dag, toen wij bij elkaar zaten, om brood en kaas met een dronk bier te ge-

ocr page 152

«38

bruiken, werd het plotseling zóó licht, alsof het op het midden van den dag was. Wij zagen op, en hebben het duidelijk gezien, dat de steen weggenomen werd van het graf, met verbreking van des keizers zegel.»

«Weggenomen? Door wien?»

«Niet door een sterfelijk mensch! Ik heb duidelijk een wezen gezien, als een god, licht uitstralend, dat den steen wegnam. Maar mijne makkers zagen alleen het licht, en dat de steen van het graf werd weggenomen.»

«Gij hebt geslapen en gedroomd!» riepen alle drie uit.

«Geslapen? Denkt ge dat een Romeinsch soldaat slaapt op de wacht?»

Zonder op die vraag te antwoorden vroeg Rabbi Phanuel: «Ei wat hebt ge toen verder gedaan?»

«Op het eerste oogenblik waren wij verlamd van schrik. Ik verloor mijn bewustzijn een oogenblik, en ook mijne makkers. Toen wij weer tot onszelven kwamen was alles verdwenen, maar desteen was van het graf weg, en het graf was leeg.»

«Het graf leeg?» riepen alle drie de Rabbi\'s.

«Ja, het graf was leeg. Ik heb het nauwkeurig onderzocht.»

«Dan hebben zijne aanhangers hem weggestolen! Dat kan niet anders! Of gij \'t erkennen wilt of niet, gij hebt geslapen; en toen hebt ge gemeend, dat er iets vreemds gebeurde, terwijl de aanhangers van de gelegenheid gebruik gemaakt hebben om hem te stelen!»

«Neen, heer,» antwoordde Tullius, «wij hebben niet geslapen\' Wij waren even helder wakker als nu. En ik weet zeker, dat he: een bovenaardsche kracht was, die den steen afwentelde. Wie het lijk heeft weggenomen weet ik niet, want, zooals ik zeide, was ik een oogenblik bewusteloos.»

«Stemt gijlieden in met dit vreemde verhaal?» vroeg Phanuel aan de andere soldaten.

«Ja, heer,» antwoordden zij, «het is de waarheid.»

«Goed! Maar hoor nu,» zei hij daarop. «Gij moogt dat sprookje

ocr page 153

4de hekr is waarlijk opgestaan!» ï39

nu aan niemand verder vertellen, hoort gij! Ik zal u een ruim drinkgeld geven als gij mij dat belooft. Als men u vraagt, wat er gebeurd is, dan moogt ge alleen zeggen, dat de aanhangers van den Nazarener zijn lijk hebben gestolen, terwijl gij sliept.»

«Maar heer,» antwoordde Tullius, «als de Stadhouder hoort, dat wij geslapen hebben, dan worden wij streng gestraft!»

«Heb daarover geen zorg. Ik ken Pontius Pilatus goed, en zal hem wel er over spreken. Beloof mij nu, dat gij niets van dat licht enzoovoort vertellen zult! Kom hier!»

Daarop haalde hij een geldbuidel uit zijn gordel, en gaf aan elk der soldaten eenige zilveren denarien. Zij beloofden nu over het wonder te zullen zwijgen, en alleen te zullen vertellen, dat het lijk gestolen was, toen zij in slaap gevallen waren.

Toen zij vertrokken waren zei Rabbi Phanuel tot zijne beide vrienden:

«Wat dunkt u, broeders, van dit verhaal?»

«Och wat!» antwoordde Rabbi Jona ongeduldig. «Verbeelding, anders niet!»

«Maar het ledige graf!»

«Welnn, zooals ge tot hen gezegd hebt! Die vervloekte Galilecrs hebben toch het lijk weten weg te halen! Waarom heeft Pilatus ook toegestaan, dat Jozef van Arimathea en Nikodemus hem begroeven! Als dat praatje zich verspreidt, zijn wij er nog niet af!»

«Welnu,» antwoordde Rabbi Jonathan, «wat zouden die visschers en tollenaars? Als ze al te brutaal optreden, dan maken we met hen kort geding. Er zijn nog meer kruisen te maken!»

«Kom, kom!» zei Phanuel, «het zal wel zoo\'n vaart niet loopen. Wat er ook gebeurd moge zijn, de Nazarener is in elk geval dood, en kan niet meer tegen ons optreden. En al vertellen die Galileërs nu ook, dat hij is opgestaan, zoolang het volk hem niet ziet, gelooft het dat praatje toch niet. En in ieder geval zullen die soldaten nu wel vertellen, dat zij het lijk hebben gestolen. Maar wat dunkt u, willen wij eens gaan zien, of het waar is, dat het graf ledig is?»

ocr page 154

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!..)

«Het is goed,vgt; antwoordden de beide anderen.

Daarop stonden de eerwaarde Rabbi\'s op van hunne zetels, en verlieten het huis om naar den hof van Jozef van Arimathea te gaan.

Er was reeds meer drukte op de straten van Jeruzalem. De kooplieden hadden hunne waren uitgestald in de nauwe straten, en naakte kinderen speelden op den vuilen grond. Sommige kooplieden noodigden luide de menschen tot koopen uit, en het volk verdrong zich voor de uitstallingen van verschillende koopwaren. Voor de Rabbi\'s maakte men echter eerbiedig ruimte. Zij wandelden statig voort, midden over de vuile straten, en beantwoordden ternauwernood de vele eerbiedige groeten van het volk.

Zij gingen door de Gerichtspoort naar buiten. De heuvel Golgotha lag nu dicht bij, en aan den voet daarvan was de hof van Jozef, waarin het graf was, dat zij zochten.

Toen zij op den hof toetraden kwamen twee mannen daaruit te voorschijn. Het waren Joannes Bar Zebedeüs en Simon Bar Jona. Zij groetten de Rabbi\'s en fluisterden daarbij elkander iets toe. Daarop gingen zij hen voorbij.

«Zeg eens,» zei Rabbi Jonathan, «kent gij die mannen niet? Ik geloof zeker, dat het aanhangers van den Nazarener zijn. Dien eenen, dien blonden jongeling, meen ik meer dan eens gezien te hebben bij den Hoogepriester Jozef Kajafas. Als hij is, dien ik meen, dan is hij Joannes, een zoon van Rabbi Zebedeüs, van Bethsaïda, die een broeder is van eene nicht van Kajafas. En die knaap :.s met zijn broeder Jacobus al jaren lang een volgeling geweest van den Nazarener. Ook hunne moeder Salome behoorde tot zijn aanhang. Alleen Rabbi Zebedeüs is getrouw gebleven aan de wet.»

«Nu gij het zegt, geloof ik ook, dat \'t zoo is;» antwoordde Raobi Phanuel. «Dien anderen, dien ruwen visscher, heb ik gezien bij Kajafas. Hij had zich bij de soldaten aangesloten, en wilde zich voordoen als behoorde hij bij hen. Maar men had hem spoedig herkend. Ik heb het verhaal daarvan vernomen van een der die-

ocr page 155

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN !»

naren. Hij heeft wel onder een eed verzekerd, dat hij den Naza-rener niet kende, maar die man, die \'t mij vertelde, verzekerde mij, dat hij hem in den hof gezien had bij de gevanneming van Jezus. Hoe zijn naam is, is mij niet bekend.»

«Zou het niet raadzaam zijn,» zei Rabbi Jona, «indien wij deze beide mannen, of althans dien eenen, dien zoon van Rabbi Zebedeus, gevangen lieten nemen? Als werkelijk het graf ledig is, dan zijn zij ongetwijfeld niet onkundig er van, en zullen wel weten, wat er gebeurd is met het lijk.»

«Och,» antwoordde Rabbi Jonathan, «laat hen maar met rust. Zij keeren spoedig weer naar Galilea terug; en willen zij dan daar vertellen, dat de Nazarener is opgestaan, het zal ons hier niet veel hinderen. Als zij hier in Jeruzalem met zulk een praatje voor den dag komen, zullen de soldaten wel het volk inlichten. En in elk geval, den Nazarener zelf hebben we onschadelijk gemaakt.»

Zij traden den hof binnen. Het was er doodstil. Het graf stond open, en de steen lag er naast. Rondom het graf droeg de grond de sporen van het verblijf der soldaten, maar van de wacht was er niemand meer te zien.

Zwijgend naderden de drie Rabbi\'s het graf, en bukten zich om er in te zien. Het was ledig.

Eene onwillekeurige huivering doorliep de eerwaarde mannen. Zij dachten aan het verhaal van Tullius over het geheimzinnige licht en de geheimzinnige afwenteling van den steen. Het was, alsof het hier op de plaats zelf, waar het geschied was, hen minder onwaarschijnlijk scheen.

Zij zwegen, en keken elkander aan.

«Het graf is leeg,» zei eindelijk Rabbi Jona, «daar is geen twijfel aan.»

«Die steen is niet zoo gemakkelijk af te wentelen,» zei Rabbi Phanuel, op den steen wijzende.

«Neen,» antwoordde Rabbi Jonathan, «dat kan één enkel man onmogelijk doen.»

141

ocr page 156

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

«Kan hel ook door een aardschok gebeurd zijn?» zei Rabbi Jona.

«Een aardschok?» antwoordde Rabbi Phanuel. «Maar dan zouden wij dien toch in Jeruzalem ook gevoeld hebben! En daarmee is \'t ledige graf nog niet verklaard.»

«Och wat!» zei Rabbi Jonathan, diep ademend, alsof hij een zekere beklemming van zich wilde afschudden. «Komt, laat ons gaan. \'t Is me hier te grafachtig! \'t Is of de schim van dien Na-zarener hier rondzwerft. Laat ons naar huis gaan!»

«Ja, laat ons gaan!» zei Rabbi Phanuel, en Rabbi Jona voegde zich bij hen. Zij verlieten den hof weer.

Toen zij buiten gekomen waren herademden zij.

«Het lijdt geen twijfel,» zei Phanuel, «dat de Galileërs hem weggehaald hebben. Waar zou hij anders gebleven zijn? Ze hebben ongetwijfeld van de gelegenheid gebruik gemaakt, dat de wachters sliepen. Misschien hebben de soldaten het licht hunner fakkels voor bovenaardsch licht aangezien.»

«Met dat al blijft \'t toch een buitengewoon brutaal waagstuk,» zei Rabbi Jona, «dat ik niet verwacht zou hebben van zulke men-schen. Zij wisten toch wel, dat als zij gevangen werden genomen het hen niet veel beter zou vergaan, dan hun Meester. Zij hebben het keizerlijk zegel geschonden.»

«Het is een vreemde geschiedenis,» zei Rabbi Phanuel.

«Kom, kom, broeders,» zei Rabbi Jonathan, «tob er niet over. Het graf moge leeg zijn, de soldaten zullen wel zorgen, dat \'t volk gelooft, dat de Galileers hem gestolen hebben. En als ze optreden om toch te prediken, dat hij is opgestaan, welnu, zooals ik straks zei, er zijn meer kruisen te maken.»

.■Zou \'t toch niet goed zijn dien Joannes Bar Zebedcüs eens te ondervragen?» zei Rabbi Jona. «Hij weet er allicht wat van.»

«Laat ons het Kajafas vragen; hij is zijn bloedverwant,» antwoordde Rabbi Jonathan.

Intusschen hadden de beide mannen, die hen voorbij gegaan waren samen gesproken over de Rabbi\'s, die hen ontmoet waren.

142

ocr page 157

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

«Wat komen die Rabbi\'s doen bij het graf des Meesters?» vroeg Simon Bar Jona aan zijn makker.

«]k weet \'t niet!» antwoordde Joannes ]?ar Zebedcüs. «Misschien hebben zij van de soldaten der wacht iets vernomen en komen nu zien, of \'t waar is.»

«Wat denkt gij, Joannes, dat er gebeurd is met den Meester?»

«Wat ik denk? Wel, wat anders, dan dat hij is opgestaan uit de dooden!»

«Het is zoo vreemd, Joannes! Zoo ongeloofelijk!»

«Vreemd is het zeker; maar niet ongeloofelijk! Kon hij, die de dooden levend maakt, van den dood gehouden worden? Is het zoo ongeloofelijk, Simon Petrus, na alles, wat wij van hem gehoord en gezien hebben? Wij hebben immers zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid van den eengeboren Zoon van God, vol van genade en waarheid!»

«Het is zoo, Joannes, maar ach ! Waarom moest hi] sterven? Waarom heeft hij zich overgegeven in de handen der zondige menschen ?»

«Waarom? Dat doorzie ik nog niet recht, Simon. Maar hij zal het ons zelf wel leeren verstaan, als hij weer tot ons komt. Komt, laat ons spoedig aan de anderen de blijde tijding brengen!»

«Ga gij maar alleen tot hen, Joannes. Ik schaam mij om inden ouden kring terug te keeren. Gij zijt goed en vriendelijk; gij hebt mij opgezocht. Gij weet het, hoe zwaar de verzoeking voor mij was. Maar de anderen! Zij zullen mij haten en verachten; mij, den ontrouwen volgeling, vroeger vooraan, en de meeste van allen, naar ik dacht; nu de minste!»

«Kom, kom, Simen! Gij hebt in overijling gehandeld! Gij wist niet wat gij deedt! En bovendien hebt gij er diep berouw van. Ga mee! De anderen zullen blij zijn u te zien, en u niet hard vallen!»

«Neen, Joannes, laat mij! Ik heb behoefte óm alleen te zijn! O kon ik tot den Meester gaan! Kon ik weenen aan zijne voeten! Kon ik het hooren van zijne lippen: Uwe zonde is u vergeven!»

«Wie weet, Simon, of de Meester niet tot u komt. Ik ga dan

143

ocr page 158

144

maar alleen naar de anderen. De God Israels zegenc n! Ik hoop ii spoedig bij ons te zien. Gij kunt ons vinden in het huis van Jacob Bar Simon, den koopman, waar wij het Paaschmaal hebben gehouden met den Meester.»

(«Gegroet, Joannes!»

En Joannes Bar Zebedeüs ging Jeruzalem binnen, terwijl Simon Bar Jona den weg insloeg naar de eenzame vlakten ten Noorden der stad.

In de opperzaal van het huis van den door Joannes genoemden Jacob Bar Simon, den koopman, waren intusschen reeds verschillende personen uit de volgelingen des Nazareners samengekomen.

Het was in die opperzaal, dat de Nazarener met zijne leerlingen het Paaschmaal gehouden had; en daar de heer des huizes, sedert Jezus zijn kind genezen had, ook geheel zich bij zijne volgelingen aangesloten had, stond zijn huis ook open voor allen, die tot den kring des Meesters behoord hadden. Zijn huis was gelegen in de Akra, niet ver verwijderd van de woning van Maria van Cyprus, de zuster van Joses, en dus ook in de buurt van het huis van Rabbi Juda van Tarsen. Suzanna kende dan ook den koopman Jacob evengoed als zij Maria van Cyprus kende.

Naar die woning en die opperzaal begaf zich Joannes Bar Zebedeüs, toen Simon Petrus van hem was heengegaan.

Toen hij de deur opende, zaten daar eenige mannen bij elkander, blijkbaar in droevige stemming. Het waren acht van de twaalf naaste leerlingen des Nazareners. Zij hadden met elkander gesproken over de droevige gebeurtenissen der laatste dagen.

«Welkom, Joannes Bar Zebedeüs,\') zeiden zij.

«Welkom, broeders! Sjaloom lekem! i) Ik breng u een blijde tijding!»

«Een blij.le tijding? Wat wilt gij zeggen, broeder?» vroeg zijn broeder Jacobus.

1) Vrede zij uliedeu I

ocr page 159

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN !» 145

«Dat onze droefheid in blijdschap is veranderd, juist zooals de Meester ons heeft voorspeld. Hij is uit het graf opgestaan.i)

Allen sprongen overeind.

«Joannes! Wat zegt ge daar! Opgestaan? Uit het graf opgestaan? Hoe weet ge dat?» riepen alleu door elkander.

«ilk heb zelf het ledige graf gezien. Hij was er niet meer. De steen lag naast het graf en de grafdoeken lagen samengerold. Do wacht was gevlucht.»

«En? Wat verder? Hebt gij den Meester zelf dan ook gezien?» vroeg Jacobus Bar Alfeüs.

«Neen. Ik heb hem nog niet gezien. Maar er is geen twijfel aan, broeders! De Heer is waarlijk opgestaan! Hij zal zeker spoedig tot ons komen!»

De overigen zagen elkander aan. Blijkbaar vonden de woorden van Joannes geen weerklank bij hen. Niemand sprak een woord. Eindelijk zei Andreas Bar Jona;

«Hebt gij mijn broeder Simon ook gezien?»

«Simon was met mij, Andreas, maar hij zag er tegen op om weer in onzen kring te komen.»

«O laat hij toch terugkeeren!» zeiden verscheidenen tegelijk.

«Ik twijfel niet, broeders,» antwoordde Joannes, «of Simon Petrus komt spoedig tot ons. Let eens op mijne woorden: Hij zal de eerste van ons zijn, die den Meester ziet!»

«Waarom denkt ge dat?» vroeg een van hen, een man met een scherpen blik.

«Omdat hij er het meest behoefte aan heeft, Levi Mattheus!» antwoordde Joannes Bar Zebedeüs.

«Wij hebben er allen behoefte aan!» zei Nathanaël Bartholomeüs. «Wij verlangen allen evenzeer hem terug te zien! O, als het waar is!»

«Het is waar!\')

«Gij gelooft het! Maar gij hebt den Meester evenmin gezien als wij een van allen. Gij vergeet, welk een ongehoord wonder het zijn zou!»

10

ocr page 160

146 «DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN !»

«Niet grooter, Nathanaël, dan de wonderen, die wij drie jaren aanschouwd hebben! Bovendien, zou iets voor hem te wonderlijk zijn? O hoe kunt ge nog twijfelen!»

Op dat oogenblik trad de gastheer, Jacob Bar Simon, binnen.

«Vergeef mij, mannen broeders,» zei hij, «als ik u stoor. Maar ik hoorde iets, dat mij belang inboezemt. Heb ik goed gehoord? Is de Meester uit zijn graf opgestaan?»

«Joannes Bar Zebedeüs gelooft het,» antwoordde Levi Mattheüs.

«En gelooft gijlieden het niet? En waarom gelooft Joannes het dan?»

«Ik zal u zeggen,» antwoordde Joannes, «wat er gebeurd is. Mijne moeder Salome is van morgen vroeg met Maria, de vrouw van Klopas, Joanna, de vrouw van Chuzas, en Maria van Magdalanaar het graf des Meesters gegaan, om zijn lichaam te balsemen. Toen zij echter bij het graf kwamen, was de groote steen, die er voor lag, afgewenteld; de wachthebbende soldaten waren gevlucht, en het graf was leeg. Maria van Magdala had het nauwelijks gezien, of zij liep terug naar de stad, terwijl dc andere vrouwen nog verbijsterd stonden. Zij kwam mij tegen met Simon Bar Jona, dien ik opgezocht had, en met wien ik in de nabijheid van Golgotha en van het graf rondzwierf. Nauwelijks had zij het ons gezegd, of wij gingen samen naar het graf, terwijl Maria van Magdala ons volgde. De andere vrouwen waren intusschen heengegaan. Ik heb ze nog niet gezien of gesproken. Ik ben met Simon Petrus in het graf gegaan. Het was ledig en de doeken lagen samengerold. Toen wij het gezien hadden zijn wij heengegaan, en ik ben dadelijk hierheen gekomen om het u allen te melden.»

«Maar zou het niet mogelijk zijn,» zei Levi Mattheüs, «dat de soldaten, op bevel van Pontius Pilatus of van de Rabbi\'s, den Meester uit het graf weggedragen hebben; dat zou zoowel de afwezigheid van de wacht alsook het ledige en opene graf verklaren.»

«Ja, Joannes,» zei Judas Thaddeüs, «daaraan heeft Levi gelijk. Dat is zeer goed mogelijk. Laat ons toch niet onszelven vleien met een ongegronde hoop.»

ocr page 161

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

«Ik kan misschien wel er achter komen, wat er eigenlijk gebeurd is,» zei Jacob Bar Simon. «Een kennis van mij, Manasse de schoenmaker, woont dicht bij de kazerne van den burg Antonia. Hij komt veel in aanraking met soldaten, cn zal wel er achter kunnen komen, wat er bij het graf heeft plaats gehad. Ik ga er dadelijk heen!»

«Ja doe dat, Jacob!» zeiden de anderen.

«Gijlieden moogt het niet gelooven,» zei Joannes weer, nadat hij vertrokken was, «maar ik voor mij twijfel niet er aan. Heeft de Meester niet gezegd, dat hij heenging voor een kleinen tijd, en dat wij hem zouden weerzien ?»

«Ik heb niet over die woorden nagedacht!» zei Jacobus BarZcbe-deüs. «Zou de Meester er dat mee bedoeld hebben?»

«Ongetwijfeld!» antwoordde Joannes zijn broeder.

Op dat oogenblik ging de deur open, cn eenige vrouwen traden binnen, bleek en ontdaan. Süome ging vooruit.

«Zijt gij hier, Joannes en Jacobus? O ja! En gij allen ook! Ik heb u overal gezocht, mijne zonen! Wij hebben zoo iets merkwaardigs ondervonden!o

«Gij komt ons zeker zeggen, dat het graf des Meesters open en leeg is!» zei Nathanael.

«ja; hoe weet ge dat reeds? En nog meer hebben wij te zeggen: De Meester is opgestaan uit dooden.»

Een kreet van verrassing ontsnapte uit veler mond.

«Gij ook? Gelooft gij het ook al?» vroeg Levi Mattheüs.

«Wie gelooft het nog meer?» vroeg Salome.

«Uw zoon Joannes! Hij kwam zoo straks hier om\'t ons te zeggen.»

Salome keerde zich tot Joannes. «Hoe weet gij het?» vroeg zij.

«Ik hoorde van Maria van Magdala, dat gij het graf open en ledig gevonden hadt. Ik ben cr toen heengegaan met Simon Petrus, en vond het, zooals zij gezegd had.»

«En,» vroeg Salome, «hebt gij ook de engelen gezien?»

«Engelen?» riepen verschillende leerlingen. «Ik heb geen engelen gezien !» antwoordde Joannes.

ocr page 162

I4S

«En hebt ge den Meester ook niet gezien?» vroeg Joanna, de vrouw van Chuzas.

«Neen!» antwoordde Joannes, «ik heb den Meester ook niet gezien. Maar gijlieden, zeg ons, hebt gij hem dan gezien?»

«Ja,» antwoordden de drie vrouwen tegelijk, «wij hebben hem gezien! O, hij was het waarlijk! En engelen waren bij het graf, die \'t ons al gezegd hadden!»

Nu drongen allen nieuwsgierig om hen heen.

«Vertel ons geregeld, wat gij gezien hebt!» vroegen verschillende personen.

Nu verhaalde Salome, nu en dan door de beide andere vrouwen ondersteund, hoe zij met hun drieën en met Maria van Magdala zeer vroeg naar het graf gegaan waren, maar het graf open en ledig gevonden hadden. Maria van Magdala was toen dadelijk teruggekeerd, maar zij hadden nog een wijle getoefd, om te overleggen, wat er gebeurd kon zijn.

«En toen,» vervolgde Salome, «zag ik op eens duidelijk, even duidelijk als ik ulieden zie, een engel, want dat moet hij geweest zijn, die jongeling in zijn wit en stralend kleed.»

«Ik zag er twee!» voegde Joanna er bij.

«Ik meende er ook twee te zien,» zei Maria, de vrouw van Klopas, «maar ik kon ze niet zoo duidelijk onderscheiden.»

«Ik lette slechts op dien eenen, aan het hoofdeinde van het graf,» zei Salome. «Nog zie ik dat heerlijke hemelsche gelaat en hoor ik zijn stem: «Wat zoekt gij den levende bij de dooden? Hij is hier niet! Hij is opgestaan!»

«Hebt gij dat duidelijk gehoord? vroeg Levi Mattheüs.

«Ja zeker! Even duidelijk als ik u hoor spreken!» antwoordde Salome.

«Wij hebben het ook gehoord!» voegden Joanna en Maria er bij.

«Nu, en wat verder?» vroegen eenige der leerlingen.

«Wel,» vervoigde Salome, «toen droog de engel ons op om het ulieden te gaan zeggen. En wij zijn toen heengegaan, om Joannes

ocr page 163

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN !))

te zoeken. Wij zochten hem eerst bij de tenten aan den Olijfberg. Maar daar vonden wij hem niet. En toen zijn wij hierheen gekomen. Toen wij van den Olijfberg weer de stad ingingen, dicht bij de Schaapspoort, zie, daar stond de Meester op eens voor ons. Waar hij vandaan gekomen was, begrijp ik niet. Geen van ons had hem zien komen.- Hij kwam ons opeens tegemoet, en eer wij van den schrik bekomen waren zei hij: «Vrede zij uU Wij vielen neer voor hem. Maar hij richtte ons op, en beval ons ook het u allen te gaan zeggen. En toen zijn we hierheen gekomen, om ons met u allen te verblijden.»

«En de Meester? Waar is die heengegaan?» vroeg Filippus van Bethsaïda.

«Wij hebben hem niet meer gezien,» antwoordde Salome.

«Niet meer gezien?» zei Judas Thaddeüs. «En gij zeidet, dat hij tot u sprak! Dan hebt gij hem toch zien heengaan!»

«Neen, hij was even spoedig verdwenen, als hij was verschenen!» antwoordde Salome.

«Hebt gij het u niet verbeeld?» vroeg Jacobus Har Alfeüs.

«Verbeeld? Volstrekt niet! De Heer is waarlijk opgestaan!»

«Ik geloofde het reeds, maar nu ben ik heerlijk in dat geloof bevestigd,» zei Joannes.

«Neen,» zei Judas Thaddeüs, «ik voor mij kan het nog niet gelooven! Laat ons eerst wachten tot Jacob Bar Simon er wat meer van weet!»

«Ik ben ook nog niet overtuigd;» zei Levi Mattheüs. «En gij, Filippus en Nathanael?»

«Neen,» antwoordde de eerste, «ik ook nog niet.»

Hetzelfde zeiden ook de anderen.

Eene dienstmaagd opende de deur der opperzaal. «Is Joannes Har Zebedeüs hier?» vroeg zij.

Joannes trad naar voren. «Hier ben ik. Wat verlangt gc?» zei hij.

«Er is een dienaar van den hoogepriester hier gekomen, om te vragen naar u. Hij zegt, dat gij met hem moet meegaan en bij den hoogepriester moet komen.»

149

ocr page 164

150 «de heer is waarlijk, opgestaan!»

«Wat mag dat zijn?» zei Salome, terwijl zij hem bezorgd aanzag.

■ «Het zal wel niet veel zijn,» antwoordde Joannes. «Het staat misschien wel in verband met de opstanding des Meesters. Toen ik namelijk straks met Simon Petrus den hof verliet, kwamen ons drie Rabbi\'s tegen. Een van hen ken ik goed; het was Rabbi Jonathan Ben Annas, die denkelijk Jozef Kajafas als hoogepriesterzal opvolgen. De anderen kende ik niet. Zij gingen naar den hof. Ik vermoed, dat zij van de soldaten iets gehoord hebben, en nu een onderzoek ter plaatse gingen instellen. Misschien willen zij mij er over ondervragen.»

«Als zij u ook maar niet gevangen nemen!» zei Salome.

«Vrees niet, moeder! En moet ik lijden voor den Meester, ik zal het met blijdschap ondergaan! Hij droeg het kruis, en stierf er aan; zou ik dan er voor terugdeinzen om zijnentwil te lijden? Vaarwel; ik hoop spoedig weer in ulieder midden te zijn.»

Daarop ging hij heen, om den dienaar des hoogepriesters te volgen.

Intusschen was de koopman Jacob Bar Simon gekomen in het huis van Manasse den schoenmaker. Hij vond dezen druk aan den arbeid.

«Wel Manasse,» zei hij, «zoo druk bezig?»

«Wel Jacob, zijt gij daar? Dat doet me genoegen! Hoe gaat het u? Wees welkom en ga zitten.»

«Hoe \'t mij gaat? Wat zal ik u zeggen! Ik heb nog nooit het heilige Paaschfeest zoo beleefd als deze keer!»

«Met die aardbeving, meent gij? Hebt ge ook schade gekregen?»

«Neen, niet noemenswaard. Maar dat bedoelde ik niet. Ik dacht aan den dood van Jezus van Nazareth.»

«Ja, \'t is treurig afgeloopen met dien man! Wat is \'t nog kort geleden, dat hij hier zijn intocht hield! Nog zie ik hem voor mij, zittende op de ezelin!»

«Manasse, zeg mij, gelooft gij in hem?»

«Ik zou in hem gelooven, die door de Rabbi\'s is veroordeeld? Hoe kunt ge zoo iets van mij denken!»

ocr page 165

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN1.» ijl

«Ik geloof in hem, Manasse!»

«Gij? Hoe is \'t mogelijk! Vreest gij niet voor de Rabbi\'s? Zij zullen u uit de synagoge bannen.*)

«Laten zij hun gang gaan! Hun tijd is kort. De Messias Jezus zal spoedig over hen zegevieren.»

«Wat zegt ge daar? En hij is dood!»

«Zijn discipel Joannes Bar Zebcdeüs gelooft, dat hij is opgestaan. En dat er wat gebeurd is, is zeker; want zijn graf is leeg, en de wacht, die er bij stond, is gevlucht.»

«Och kom! Wat zegt ge! Ik ken een van die mannen. Tullius heet hij. Hij komt hier dikwijls, en als hij niet zoo\'n trotsche Romein was, dan was hij al wel een proseliet geworden. Hij moest ook bij \'t graf op wacht, dat weet ik. Hij is ook bij zijn kruisiging tegenwoordig geweest, en heeft nog geholpen bij zijn begrafenis. Hij heeft \'t mij verteld, dat hij daar op wacht moest, voor hij er heenging.»

«Dan kunt ge van hem wel vernemen, wat er gebeurd is. Kunt gij hem niet opzoeken?»

«Misschien wel. Gaat ge mee? De kazerne is hier dicht bij.»

Zij gingen heen, en bij de kazerne gekomen, vroegen zij aan den wachthebbenden soldaat of zij den soldaat Tullius niet konden spreken.

De wachthebbende deelde de vraag aan een ander mee, die de kazerne binnenging, en weldra terugkwam met de boodschap, dat de soldaat Tullius de wacht had in den hof van Jozef van Arimathea.

«Is hij daar nog? Ik hoorde, dat de wacht gevlucht was,» zei Jacob Bar Simon.

«Een Romeinsch soldaat vlucht niet. Jood!» antwoordde de schildwacht, en keerde hen den rug toe.

Besluiteloos stonden de beide mannen voor de kazerne, toen op eens Tullius zelf met een paar andere soldaten de kazerne naderden.

«Daar hebt ge Tullius!» zei Manasse.

«Hoe, mannen,» zei de schildwacht, «.ik dacht, dat gij de wacht hadt bij het graf van dien Jodenkoning!»

ocr page 166

152

«Zijn lijk is weggestolcn!» antwoordde er een.

«Hoe is dat mogelijk? Hebt jelui dat dan zoo maar toegelaten?»

«We waren in slaap gevallen,» zei er een zacht. Tevens gaf hij een wenk om te zwijgen aan zijn krijgsmakker, en trad de kazerne binnen. Ook de anderen volgden.

«Tullius!» riep Manasse.

De soldaat zag om. «Hé! Zijt gij daar, Manasse? En wien hebt ge daar bij u ?»

«Dat is een vriend van mij. Kunt ge niet even meegaan met ons?»

«Als gij een glas wijn voor mij hebt!»

«Goed, gij zult een glas echten inlandschen wijn van mij hebben. Ga maar met mij mee.»

Hij ging mee, en bleef geruimen tijd bij hen. Eerst wilde hij niets meedeelen, dan dat het lijk des Nazareners gestolen was, terwijl zij sliepen. Doch noch Manasse, noch Jacob wilde hem gelooven.

«En wie zouden dan dat schelmstuk moeten begaan hebben?» vroeg Jacob hem eindelijk.

«Wel, wie anders dan zijne leerlingen!»

«Dan kan ik u zeggen, dat die het zeker niet deden. Zij zijn bij mij aan huis bijna allen bij elkaar, en vvaren zeer verwonderd, toen zij hoorden, dat het graf leeg was. Ik weet zeker, dat zij het niet deden, en nooit tot zoo iets in staat zouden zijn.»

«Gij weet er meer van, Tullius!» zei Manasse. «Kom, vertel \'t ons maar!»

«Als gij mij beloven wilt bij alle goden, dat gij het niet verklappen zult, dan wil ik u alles zeggen, wat ik er van weet.»

«Bij de heidenschë goden zweert geen Jood, dat weet gij heel goed!» antwoordde Manasse.

«Nu dan, zweer dan bij uwen God! Als ik er maar op kan staat maken, dat die Rabbi\'s van u het niet hooren. Om u de waarheid te zeggen, zij hebben ons een goed drinkgeld gegeven, als wij zwijgen wilden.»

«Ik geef u wat ge hebben wilt! Ben ik ook niet een koopman,

ocr page 167

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN !))

en is mijn huis niet vol van de schatten van Oost en West?); zei Jacob. «Zeg mij, hoeveel denariën verlangt gij, als gij ons alles vertelt ?»

«Houd uw geld maar. Jood; ik wil zonder dat wel zeggen, wat ik gezien heb. Ik stel belang in uwen gekruisigden Koning. Ik was tegenwoordig bij zijn sterven, en heb hem zelf mee begraven. Ik weet zeker, dat hij dood was. Ik heb zijn lijk gewasschen, en de wond in zijn/zijde gezien.»

«En als hij nu eens levend zich aan u vertoonde?» vroeg Jacob Bar Simon.

«Dan zou ik zeggen, dat dat het grootste mirakel was, dat ik ooit in mijn leven heb beleefd. Dan zou ik gaan gelooven, dat gij. Joden, toch gelijk hebt, en dat uw God de ware God, en uw Koning werkelijk een godenzoon is. Dan werd ik nog proseliet!»

De God Israels geve het!» antwoordde Jacob. «Maar vertel ons nu eens, wat er gebeurd is met zijn lijk.»

«Dat weet ik niet. Ik weet alleen, dat ik met mijne makkers van morgen gezien heb, dat de steen werd weggenomen, terwijl het opeens helder licht was. Ik heb ook duidelijk een hemelsch wezen gezien. Ik zou hem een god noemen.»

«Dat is een engel geweest! En wat gebeurde er toen?» zei Jacob.

«Dat weet ik niet. Ik verloor mijne bezinning. Toen ik een oogenblik later tot mijzelven kwam was alles verdwenen; maar \'t graf was ledig. Het lijk van den Nazarener was weg, en de doek, waarin hij gewikkeld geweest was, lag samengerold aan het hoofdeinde. Toen zijn wij naar de stad gegaan, en hebben het aan uwe Rabbi\'s verteld. Zij wilden niets weten van een mirakel, en zeiden, dat wij vertellen moesten, dat zijne leerlingen hem gestolen hadden terwijl wij sliepen.»

«Hij is opgestaan! Daar is geen twijfel aan! Den God onzer vaderen zij lof en dank! Kom, dat moet ik dadelijk aan de leerlingen gaan vertellen! Gaat gij mee, Manasse?»

«Neen, Jacob, ik kan niet. Ik kom ook liever nog niet bij de

153

ocr page 168

154 (\'t)E HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

volgelingen van den Nazarener. De Rabbi\'s zeggen, dat hij een bedrieger was.«

«Wat? Gelooft gij niet? Of schaamt gij u er voor uit te komen?»

«Ik weet niet, wat ik gelooven moet, Jacob. Ik wil nog wachten, tot hij openlijk optreedt. Als hij werkelijk is opgestaan, dan zullen wij \'t spoedig genoeg merken, en zullen ook de Rabbi\'s wel in hem gelooven. Tot zoolang wil ik liever wachten.»

«Gij moet het weten, Manasse. Gij zijt nog bang, dat gij uit de synagoge zult geworpen worden. Maar ik waag het er op! Heeft de Meester niet gezegd: «Zoo wie achter mij wil komen, verloochene zichzelven, neme zijn kruis op en volge mij»? Ik schaar mij liever onder zijne volgelingen, dan onder zijne vijanden! God zegene u! Moge ik u nog eens openlijk voor den Meester zien getuigen. Vaartwel, Manasse en Sara. Vaarwel Tullius! Dank u voor uwe mede-deelingen.»

«Wacht,» zei Tullius, «ik ga met u! Ik wil wel eens wat meer hooren van uwen Meester en Koning. Het is alles zoo vreemd, zoo wonderlijk!»

«Gaarne zal ik u van hem vertellen; want ik heb hem met zijne leerlingen dikwijls onder mijn dak gehad, sedert hij mijn lieveling van den dood gered heeft.»

«Heeft hij dat gedaan?»

«Ja; ga mee, dan zal ik \'t u vertellen.»

Daarop groette Tullius den schoenmaker en zijne vrouw, en ging met Jacob Bar Simon heen.

Terwijl dit gesprek plaats had stond Joannes Bar Zebedeüs voor den hoogepriester Jozef Kajafas. Aan de zijde van den hoogepriester zaten eenigen der voornaamste Rabbi\'s, en Joannes herkende ook de drie mannen, die hij dien morgen bij het graf des Meesters gezien had. In een hoek van het vertrek zaten eenige jongelieden bij elkander.

«Zeg mij, Joannes,» zei de hoogepriester, «zijt gij niet een van de volgelingen geweest van dien Godslasteraar Jezus uit Nazareth?»

ocr page 169

155

«Ik was en ben nog een leerling en dienstknecht van hem, dien gij een Godslasteraar noemt,» antwoordde hij.

«Weet gij, wat er heden morgen gebeurd is met het lijk van dien verworpeling?»

«Ik weet, dat hij zijne belofte gehouden heeft, en uit het graf is opgestaan.»

«Onzin! Kom niet met zulke praatjes aan, Joannes, want ik verzeker u, al zijt ge mijn bloedverwant, ik zal u niet sparen! Vertel ons, kort en goed, wat er gebeurd is, of wat gij er van weet.»

«Ik weet alleen, Abba, dat eene uit ons midden, Maria van Magdala, mij en nog een vriend van morgen vroeg kwam vertellen, dat het graf ledig was; dat ik er toen met hem ben heengegaan, en het gevonden heb, zooals zij zeide. De Rabbi\'s daar weten het, dat wij uit den hof kwamen, even voor zij er binnen gingen. Latei-hebben mijne moeder Salome en een paar andere vrouwen den Meester zelf levend gezien. En daarom herhaal ik: Hij is opgestaan.»

«Nog eens, onzin! Hoe kan een doode opstaan! Gij vertelt maar wat! Zeg mij ronduit: IVie heeft het lijk weggehaald? Hebt gij er aan meegeholpen ?»

«Niemand heeft het lijk weggehaald; ook ik niet.»

. «Ik bezweer u, Joannes, dat gij ons de waarheid zegt! De wachthebbende soldaten hebben het ons verteld, hoe enkele uit zijne volgelingen hem gestolen hebben, terwijl zij sliepen. Het helpt u dus niet het te verbergen, \'t Is toch reeds bekend. Als gij de waarheid zegt, dan beloof ik u, dat u geen leed zal geschieden, omdat gij mijn bloedverwant zijt. Maar\'als gij blijft volharden in uw zwijgen, dan sta ik niet in voor de gevolgen.»

«Ik heb u alles gezegd, wat ik weet. Ik ontken, dat het lijk des Meesters gestolen zou zijn. Die soldaten liegen. Hij is opgestaan van de dooden. Weldra zult gij zijne heerlijkheid zien, zooals hij zeide, toen hij hier voor uwen rechterstoel stond en door u onschuldig werd veroordeeld. Van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, komende met de wolken des hemels.»

ocr page 170

156

«Zwijg, afvallige! Ik wil uwe lastering niet aanhooren. Dus gij weigert ons iets mee te deelen?»

«Ik heb niets mee te deelen, dan wat ik zeide.»

«Heel goed! Dan houden wij tl voor den schuldige. Gij zult u daarover nader te verantwoorden hebben. Ik raad u aan u bijtijds te bedenken. Keer zoo spoedig mogelijk met uwe moeder en broeder naar Bethsaïda terug. Uw vader is al lang genoeg van uwe hulp verstoken geweest! Als gij terugkeert naar huis, en belooft tegen niemand te spreken over uw geloof in dien Godslasteraar, en vooral niet vertelt, dat hij is opgestaan uit den dood, dan zal ik, omdat gij mijn bloedverwant zijt, u niet te streng behandelen. Maar wee u, Joannes Bar Zebedeüs, als gij het waagt om openlijk te verkondigen, wat gij hier hebt beweerd! Gij kunt gaan!»

Joannes verwijderde zich, eerbiedig buigende. De hoogepriester wendde zich tot de andere Rabbi\'s, en zei: «Wat dunkt uliedcn? Moeten we dien knaap vervolgen ?»

«Ik geloof niet, dat het op dit oogenblik noodig is, noch ook veel baten zal,» antwoordde Rabbi Jonathan. «Het is beter hen nu met rust te laten. Ze zullen wel wijzer zijn en zwijgen er van. Als ze beginnen is \'t altijd nog tijds genoeg. Het hoofddoel hebben we bereikt. De Nazarener is dood. En het volk is nu op onze hand. Als die volgelingen echter vervolgd worden, trekt het volk misschien weer partij voor hen, en dan is \'t nog erger.»

«Maar als zij dan eens gaan prediken, dat hij opgestaan is?» vroeg de hoogepriester.

«Dat zullen ze wel laten! Ze zijn veel te bevreesd! Gij hebt nu ook misschien al juist de moedigste van hen allen getroffen. Maar denk er aan, dat een van hen den Nazarener verraden heeft, dat een ander hem verloochende, en dat de rest op de vlucht is gegaanj toen hij gevangen werd genomen. Voor dat hoopje visschers en tollenaars behoeven we niet te vreezen.»

De Rabbi\'s stonden op om heen te gaan; en ook de jongelieden, die aanwezig waren, stonden op, en verlieten het huis van Kajafas.

ocr page 171

«57

dGaat gij mee naar de les van Rabbi Gamaliel, Simei Ben Jona?» vroeg Saulus van Tarsen, die zich onder hen bevond, aan den ons bekenden Zeloot. «Gij hebt in den laatsten tijd nog al eens verzuimd.»

«Nu ja, maar het ijveren voor de wet tegen zulke bedriegers als die Nazarener is ook een goed werk!»

(iMaar gij weet wel. Simei\', dat Rabbi Sjammaï gezegd heeft: «Maak de studie van de wet tot uwe gezette bezigheid»? En Rabbi Hilleel: «Wie in \'t geheel geen onderwijs zoekt is des doods schuldig; wie zijn kennis niet vermeerdert, vermindert ze»?»

«Ja, gij denkt zeker ook aan het woord van Rabbi Josua Ben Perechja: «Verschaf u een deelgenoot in uwe studiën»!» antwoordde Simei.

«Zeker,» antwoordde Saul, «Azarja Ben Itai is helaas afgedwaald van den rechten weg. Hij is een aanhanger geworden van dien godslasteraar Jezus. Hij heeft de studie van de wet vaarwel gezegd.»

«Is Azarja afvallig geworden?» zei een jongeling, die tot dusverre zwijgend met hen was voortgegaan.

«Ja, Simon,» antwoordde Simei. «Azarja, van wien gij zulk een goeden dunk hadt, is afvallig geworden van de wet, en heeft zich bij dien Nazarener en zijne volgelingen aangesloten. Ik geloof dat de ban al over hem is uitgesproken.»

«Welzoo!» antwoordde Simon.

«Gij zegt er niet veel van!» zei Simei.

«Dat zijn wij immers gewoon van Simon Ben Gamaliel?» zei Saulus van Tarsen.

«Ja, hij denkt zeker met den wijzen Salomo: «In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet»!»

«Ik denk,» antwoordde Simon Ben Gamaliel langzaam, «dat er voor den mensch nooit iets beters is dan zwijgen. Wie veel woorden maakt, brengt slechts zonde voort.»

«Maar al moge dit waar zijn,» zei Saul, «dan kunt ge toch wel ons zeggen, hoe gij over den Nazarener denkt.»

«Ik denk er over, zooals mijn waarden vader,» antwoordde Simon.

ocr page 172

158 «de heer is waarlijk opgestaan!»

«Die laat er zich ook bijna niet over uit! Hij vindt het alleen onnoodig veel tegen zulke menschen te doen. Maar als er toch gevaar bestaat, dat het volk van de wet afgetrokken wordt, dan is \'t toch goed en noodig, dat zoo iets tegengestaan wordt!» zei Saul.

«Ik acht mij niet bevoegd om in deze zaak een oordeel te vellen,» antwoordde Simon. «Alleen zou ik u beiden willen herinneren aan het woord van Rabbi Josua Ben Perechja: «Beoordeel alle menschen van de gunstigste zijde»,» antwoordde Simon.

Simei stoof op. «Wat bedoelt ge, Simon?» zei hij. «Gelooft ge dan niet, dat het vonnis over den Nazarener billijk was?»

«Ik zeg er liever niets van. Ik ben niet geroepen er over te oordeelen.»

«Dus gij stemt het niet volmondig toe! Heeft die bedrieger u ook al betooverd? Hoe gelukkig, dat hij dood is! Hij zou er hoe langer hoe meer verleid hebben.»

«Ik heb niets gezegd, dan dat ik mijn oordeel opschort;» antwoordde Simon Ben Gamaliel. «Gij hebt geen recht om mij van afval te beschuldigen. Gij zijt onrechtvaardig en hard in uw oordeel.»

«Kom, kom, vrienden,» zei Saul, maakt nu geen twist! Gij weet heel goed. Simei, dat Simon even trouw aan de wet is, als wij en evenmin als wij er over denkt om dien Nazarener voor den Messias te houden. Gij zijt echter een en al vuur, Simei, en kunt u niet begrijpen, hoe Simon zoo kalm kan blijven, waar gij in ijvervuur ontbrandt. Laat ons die dwaasheid laten rusten! Laten Azarja en wie verder willen met wat visschers, tollenaars en vrouwen zich met een dooden Messias verheugen! Wij hebben gelukkig iets beters, en weten, dat als de ware Messias komt, wij, die de wet Gods onderhielden, in zijn koninkrijk zullen ingaan, terwijl hij allen, die den valschen Messias volgden, verdelgen zal. O kwam die tijd maar spoedig!»

«Amen!» zeiden de beide anderen. Kort daarop traden zij de:.i tempel binnen, en verdwenen weldra in de zuilengangen, om zich naar de lessen van Rabbi Gamaliel te spoeden.

ocr page 173

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!» 159

In den voorhof des tempels was de Leviet Joses van Cyprus met eenige andere Levieten aan het werk. Zijn gelaat stond somber, en het was, alsof hij tranen had gestort. Een jongeling was bij hem; het was Azarja.

Nadat hij eenigen tijd zwijgend zijn werk verricht had, hield hij op, en zei tot Azarja:

«Ik ben nu vooreerst klaar. Kom, Azarja, ga met mij, en vertel mij nog eens uitvoerig van het sterven des Meesters! O nooit zullen wij zijne stem meer hier in den voorhof hooren! Nooit zullen wij zijn vriendelijk gelaat meer zien! Ik kan er niet aan denken! Ik heb geen lust in mijn werk, en de heilige tempel schijnt mij ontwijd, sedert hij er niet meer komt, en zijne moordenaars dagelijks dien betreden!»

«Ja, het is een droevige geschiedenis,» antwoordde Azarja. «Maar zoudt gij mcenen, Joses, dat het werkelijk nu geheel met hem gedaan is? Zoudt ge meenen, dat hij in den dood blijven zal?»

«Hoe? Wat zoudt gij anders denken?»

«Zou \'t niet mogelijk zijn, dat hij opstond uit de dooden?»

«Daaraan beb ik nog niet gedacht. Zou dat mogelijk zijn? O Azarja, ik kan het bijna niet gelooven!»

«De profeet Jesaja zegt, dat als hij zijne ziel zal uitgestort hebben in den dood, hij de dagen verlengen zal. En zegt de profeet Hozea niet: «Na twee dagen zal Hij ons levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen»? En staat erniet in het boek der Psalmen, dat God Zijn heilige niet in den Sjeool zal laten, dat hij geen verderving zien zal?»

«Azarja, wat zegt ge?» zei Joses, den jongeling vol verbazing aanziende. «Het is waar, die woorden staan in de rollen der profeten en Geschriften. 1) Zou \'t waar zijn? Ten derden dage? Wanneer is dat? O Azarja, dat is heden!»

«Daar heb ik nog niet over nagedacht; maar gij hebtgelijk. Zou hij heden opstaan? O kon ik er getuige van zijn!»

1) De derde bundel lieilige Sclirifteu vuljens de Jodeu.

ocr page 174

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

«Kom, laat ons naar zijn graf gaan! Misschien aanschouwen wij het wonder! O wat een vreugde zou dat zijn!»

De beide mannen verlieten den tempel en begaven zich naar de poort des Gerichts, die hen naar den hof van Jozef van Arimathea voerde. Onderweg verhaalde Azarja zijn makker de bijzonderheden van het lijden en sterven des Meesters, en de goede man weende tranen van ontroering.

Toen zij buiten de poort kwamen, zagen zij iemand van de zijde van Golgotha komen. Hij liep haastig voort in de richting van de poort des Gerichts.

«Die man ken ik!» zei Azarja. «Het is Simon Bar Jona, bijgenaamd Petrus. Hij is een van de twaalf naaste leerlingen des Meesters geweest.»

«Wat ziet hij er opgewonden uit! Het is, alsof hij geweend heeft. Zijne oogen zijn rood er van. En toch straalt zijn gelaat van blijdschap!»

Simon Petrus was hen nu genaderd.

«Wees gegroet, Simon Bar Jona!» zei Azarja.

Simon stond stil en zag den jongeling aan. «Wie zijt gij ?» vroeg hij.

«Ik ben Azarja Ben Itaï, en dit is Joses van Cyprus. Wij zijn beiden aanhangers van uwen Meester Jezus.»

«Wat zegt gij? O verblijd u! Hij is opgestaan uit de dooden! Loof den Heer!»

«Is hij reeds opgestaan? O wij verwachtten het, en gingen naar het graf om er getuigen van te zijn. Waar is hij?»

«Verwachttet gij het? Hoe kondt gij het verwachten? Ik verwachtte het niet. Maar nu weet ik het! Ik heb hem gezien en gesproken.»

«Hebt gij hem gezien en gesproken? O zeg ons, waar is hij nu? Kunnen wij hem niet zien?»

«Ik weet het niet! O, ik dwaalde zoo treurig rond! Wel wist ik dat het graf ledig was; maar ik kon nog niet gelooven, dat hij was opgestaan. En, o, gij weet het misschien niet, wat ik gedaan heb?»

i6o

ocr page 175

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!» löt

«Ja,» antwoordde Azarja, «uw vriend Joannes Bar Zebedeüs sprak er over.»

c O hoe kon ik het doen! Ach hoe bitter heb ik geweend! Maar nu is het voorbij! Hij heeft mij vergeven, en vertroost! O kom mee, als gij ook van de onzen zijt! Ik ga naar de andere leerlingen. Ik moet het hun zeggen, dat de Heer waarlijk is opgestaan!»

«Waarheen gaat gij?»

«Naar het huis van den koopman Jacob Bar Simon in de Akra.»

«Dat is dicht bij mijne woning,» antwoordde Joses. «Ik ken hem zeer goed. De Meester heeft zijn kind genezen.»

«Ja, en wij hebben in zijne opperzaal het Paaschmaal gehouden met den Meester, den avond van den i3den Nisan. O hoe heeft hij mij toen nog gewaarschuwd! Maar ik, verblinde, wilde niethooren! Den God Israels zij dank, dat hij uit de dooden is opgestaan! Nu kon ik voor hem mijne zonden belijden, en mocht ik het van zijne lippen hoeren, zooals voorheen: Uwe zonden zijn u vergeven!»

En de tranen vloeiden hem over de wangen en liepen af in zijn ruigen baard.

«Waar hebt gij den Meester gezien?» vroeg Azarja.

«Op den heuvel Golgotha,» antwoordde Simon Petrus. «Ik was weenend neergevallen op de plek, die hem zag sterven, toen ik een hand voelde, die mij aanraakte. Ik hief het hoofd op van de aarde en zag op. En daar stond hij, mijn Heer en Koning, en zag mij aan met onuitsprekelijke liefde. Ik zag de wonden der nagelen in zijne voeten en in zijne zegenend uitgespreide handen. En ik hoorde hem zeggen: «Simon Bar Jona, wat weent gij?» — «Heer » zoo antwoordde ik, «ik ween, omdat ik u driemaal verloochend heb! Ik ben niet meer waard om uw leerling te zijn!» — «Die zich verhoogt zal vernederd worden,» antwoordde hij. «Herinner u, Simon, wat ik u eens gezegd heb: Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten. Maar heb goeden moed. Uwe zonde is u vergeven. Sta op en ga heen in vrede, en zeg het de anderen, dat ik ben opgestaan uit de dooden, en dat zij mij allen

li

ocr page 176

102

zien zullen.» Toen verdween hij voor mijne oogen. Maar mijn hart was vol van lof en dank en aanbidding, en ik spoedde mij heen om het de anderen te boodschappen. Komt, laat ons ons haasten!»

En zij spoedden zich voort, en kwamen weldra in het huis van Jacob Bar Simon. Daar waren de meesten saamgekomen; ook de vrouwen, zoodat de geheele opperzaal gevuld was.

«De Heer is waarlijk opgestaan!» zoo riep Simon Petrus luide hen toe, toen hij binnentrad.

«Simon, zijt gij daar? Welkom, welkom in onzen kring!» zoo riepen zij hem toe. «Maar wat zegt gij?»

«De Heer is waarlijk opgestaan! Ik heb hem gezien en gesproken !» En nu verhaalde hij, wat hij reeds aan Joses en Azarja had verhaald.

Nu werden eindelijk de twijfelingen overwonnen bij hen, die nog niet overtuigd waren; en weldra braken allen uit in den luiden jubeltoon : «De Heer is waarlijk opgestaan! De Heer is waarlijk opgestaan!»

«Ik moet mijne zuster het ook meedeelen!» zei Joses. «En mijn neef, en mijne gasten, Parmenas en Nicolaüs, en Suzanna van Tarsen! O welk een blijdschap! Ook Theophilus, de priester, moet het weten!»

En hij spoedde zich heen om het blijde nieuws verder te verspreiden.

Toen Saulus van Tarsen des avonds naar huis terugkeerde, vervuld van wat hij op de lessen van Rabbi Gamaliel geleerd had, en niet meer denkende aan den door hem verachten en verworpen Nazarener, vond hij zijn vader in een ernstig gesprek met zijne zuster Suzanna.

De oude Rabbi Juda van Tarsen was sedert den dag van het Paaschfeest ongesteld. Hetzij door den schrik, veroorzaakt door de duisternis en de aardbeving op dien dag, hetzij door de ontroering, tengevolge van de terechtstelling van den Nazarener, hetzij dooide onrust over zijne dochter, hij was niet dezelfde als anders, en was zenuwachtig, schrikachtig, en afkeerig van gesprekken met Saul. Het liefst was hij in die dagen met Suzanna alleen.

Toen Saul binnentrad, bemerkte hij terstond, dat zijn komst een

ocr page 177

«DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!» 163

eind maakte aan een intiem gesprek tusschen Suzanna en zijn vader. De oogen zijner zuster schitterden en haar gelaat vertoonde een hoogeren blos. Haar vader echter zag bleek en peinzend.

«Stoor ik u? Waart ge in een gesprek, dat ik niet hooren mag?» vroeg Saul.

«Wel neen, mijn zoon,» antwoordde Rabbi Juda. «Gij moogt, ja gij moet het ook hooren, wat Suzanna mij vertelt. Zeg het hem, dochter!»

«Ach vader, Saul wil het toch niet gelooven!» antwoordde Suzanna.

«O zoo, ik bemerk hot al! Gij spreekt over dien vervloekten...»

«Vloek hem niet!» riepen Suzanna en Rabbi Juda tegelijk.

Onthutst week Saul terug. «Gij ook, vader? Hoe is het mogelijk! Gelooft gij ook in dien valschen Christus, dien vervloekten kruiseling?»

«Vloek hem niet, mijn zoon! En bestrijd hem niet! Het mocht eens blijken, dat wij ons vergist hebben, en dat hij toch de ware Messias bleek te zijn!»

«Gij zijt ziek, vader,» antwoordde Saul, «en nu maakt dat meisje daar misbruik van om u hare kranke denkbeelden en onzinnig geloof aan te praten. Als gij beter zijt, zult ge \'t wel van u werpen, en begrijpen, dat een doode kruiseling onze Messias niet zijn kan!»

«De Messias leeft, Saul!» zei Suzanna zacht.

«Hij zou leven? Wat meent ge?»

«Ik meen, dat hij is opgestaan uit dc dooden, juist zouals ik u gezegd heb, dat ik verwachtte. Heden morgen is hij opgestaan, en al door velen gezien.»

«Onzin! Gelooft gij dat, vader? Ik zal u beter inlichten. Zijne leerlingen zijn van nacht gekomen, _en hebben van een oogenblik, dat de wachters in slaap gevallen waren, gebruik gemaakt om zijn lichaam te stelen. En nu verspreiden zij het gerucht, dat hij zou opgestaan zijn!»

«Leugen! Alles leugen!» zei Suzanna. «Jacob Bar Simon heeft zelf den soldaat Tullius gesproken, die bij het graf is geweest. Die zegt, dat een engel den steen heeft afgewenteld. Kn Maria van

ocr page 178

164 «DE HEER IS WAARLIJK OPGESTAAN!»

Magdala, en Salome van Bethsaïda, en nog cenige vrouwen, en Simon Bar Jona, de visscher, hebben den Meester gezien en gesproken! De Heer is waarlijk opgestaan! O Saul, waarom gelooft gij niet?»

«Omdat ik beter weet dan gij, dat hij de Messias niet kan zijn. Ik geloof niets van alles, wat gij daar vertelt! En zwijg er nu maar verder over! Het baat u toch niets! Ik wil er niets meer van hoeren!»

En met deze woorden keerde hij haar den rug toe en ging naar zijn eigen vertrek.

ocr page 179

ZESDE HOOFDSTUK.

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

Ecnige weken waren voorbijgegaan en de gebeurtenissen van het Paaschfeest waren door de meeste bewoners van Jeruzalem weer vergeten. Even alsof er niets gebeurd was, brachten de priesters dag aan dag weer de offers in den tempel; het voorhangsel was vernieuwd, de breuken en scheuren, in de muren ontstaan, weer geheeld. In de voorhoven vergaderden alle dagen zieh weder vele menschen, en in de zuilengangen hielden de geleerde Rabbi\'s hunne lessen voor hunne leerlingen, evenals vroeger. Evenals vroeger verdiepten de Schriftgeleerden zich in de vragen der wet, en trachtten uit te maken, hoedanig de komst van den Messias zijn zou, en welke de teekenen zijner komst zouden wezen. Evenals vroeger kochten en verkochten de Joden hunne koopwaren, en in den voorhof stonden, evenals vroeger, de tafelen der wisselaren en de te koop aangeboden schapen, geiten cn duiven. Evenals vroeger regeerde Pilatus met trotsche strengheid, en kwam het Joodsche Sanhedrin samen. Uiterlijk was er niets veranderd, en zij, die een oogenblik geneigd geweest waren om in Jezus als den Messias te gelooven, hadden dit geloof prijsgegeven, nadat hij op Golgotha gestorven was. Wel was er een gerucht verspreid van zijne opstanding, doch dit werd ook tegengesproken, en ijverig zorgden de vijanden van Jezus er voor, dat overal verteld werd, dat het lijk gestolen was door zijne leerlingen.

ocr page 180

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

Toch, ofschoon het scheen, dat de arbeid van den profeet uit Galilea was voorbijgegaan zonder eenig spoor achter te laten, waren er harten in Jeruzalem, die met weemoed vervuld waren, als zij terugdachten aan zijn onderwijs en bovenal aan zijne wonderteekenen. Nadat de opwinding voorbij was, waartoe het volk zich op den Paaschdag had laten brengen, werden vele der woorden en werken van Jezus herdacht, en menigeen dacht bij zichzelven: «Mocht hij dan do Messias al niet zijn, een profeet was hij zeker!» En terwijl men zijn onderwijs, toen hij in hun midden verkeerde, niet waardeerde, waren er nu velen, die heimelijk wenschten, dat zij die stem, die welbekende stem weder mochten hooren in de voorhoven des tempels, en dat zij weder getuigen zijn mochten van de wonderteekenen, die hij verrichtte.

De elf leerlingen met de vrouwen waren teruggekeerd naar Galilea. Hun verrezen Meester had het hun aldus bevolen, toen hij aan den avond van den dag zijner opstanding in hun midden verscheen. In Galilea, zoo zei hij tot hen, zouden zij hem weder zien. Daar moesten zij dan allen vergaderen, die in Galilea in hem hadden geloofd, en ook uit de andere deelen des lands moesten zijne volgelingen zoo mogelijk daarheen gaan. Dan zou hij tot hen komen, als zij allen bijeen waren, en hen toespreken.

Dientengevolge waren ook Parmenas en Nicolaüs, de proselieten, naar Galilea vertrokken, en Azarja Ben Itaï was met hen meegegaan. Ook hij verlangde den Meester te aanschouwen, nadat hij van anderen van zijne verrijzenis gehoord had. Joses de Leviet had een tijdlang vrijstelling van zijne diensten in den tempel weten te verkrijgen, en was insgelijks met Maria zijne zuster en Jacob Bar Simon naar Galilea gereisd. Evenzoo Theophilus, de priester, en de Rabbi\'s Nicodemus en Jozef van Arimathea. Suzanna echter had niet daarheen kunnen gaan, hoe gaarne zij gewild had. Zij had nog niet het voorrecht gehad bij een der verschijningen des Meesters tegenwoordig te mogen wezen en had zoo gaarne zich gevoegd bij die honderden aanhangers uit alle deelen des lands, die

ocr page 181

RABBI JUDA ÉN ZIJNE KINDEREN.

in Galilea samen zouden komen! Maar — er was eene zaak, die het haar belette. Zij kon haren vader en haren broeder Saul niet alleen laten; te meer daar de ongesteldheid van den onden Rabbi Juda niet beter was geworden, en in eene ernstige ziekte dreigde over te gaan. Hij kon de vergaderingen van het Sanhedrin niet meer bijwonen, en kwam daardoor ook minder dan vroeger met zijne vrienden, do Farizeën, in aanraking. Zijn handwerk, het tenten maken, kon hij evenmin meer verrichten en moest hij overlaten aan zijn zoon Saul, die den tijd, dien hij niet noodig had voor zijne studiën, met dat werk doorbracht.

Suzanna had met ware toewijding de verzorging van haren vader op zich genomen. O, hoe dikwijls reeds had zij gedacht aan de wondermacht van Jezus, en hoe deze haren geliefden vader zou kunnen herstellen! Maar waar was hij? Opgestaan uit de dooden was hij; maar niet meer zoo dagelijks verkeerende in de straten van Jeruzalem. Hij verscheen nu en dan en verdween weder; en het was niet meer mogelijk, zooals vroeger, met de kranken tot hem te gaan en genezing van hem te begeeren.

Door zijne ziekte was Rabbi Juda van zelf meer in de gelegenheid met zijne dochter Suzanna te spreken over verschillende onderwerpen, dan hij dat vroeger kon, toen hij den tijd in het Sanhedrin of in zijn arbeid doorbracht, en zijne dochter meestal slechts bij de maaltijden ontmoette. Nu echter lag hij uren achtereen op zijn leger, uitgeput en lusteloos, en zag er naar, hoe Suzanna steeds bezig was in huiselijk werk, en toch geen oogenblik vergat in al zijne behoeften te voorzien. «Zij doet mij sterk aan uwe moeder denken,^) zei hij eens tegen Saul, toen deze een oogenblik met zijn vader alleen was, en eenige oogenblikken reeds zwijgend de loftuitingen zijns vaders op Suzanna had aangehoord.

«In één ding lijkt zij in elk geval niet op mijne moeder,» antwoordde Saul.

«En dat is?» vroeg zijn vader.

«Moeder was eene trouwe dochter van Israël, en zou zeker niet

ocr page 182

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

zich hebben laten verleiden om te gelooven in den bedrieger Jezus!» antwoordde hij.

Zijn vader antwoordde het eerste oogenblik niet. Daarop zei hij langzaam en nadenkend :

«Saul, mijn zoon, ik moet u wat zeggen. Ik heb u zelf geleerd om een Parizeer te worden. Ik heb steeds behoord tot de Cha-berim, i) en wilde ook, dat gij een Chaber worden zoudt. En gij zijt als een trouwe zoon in mijne voetstappen gevolgd. Ik heb u geleerd te hopen op den Messias, en met mij hebt gij menigmaal gebeden om zijn komst. Nu is echter bij mij de gedachte steeds sterker geworden: Zou het ook mogelijk zijn, dat toch de profeet van Galilea de ware Messias is?);

Saul sprong overeind. «Hoe, mijn vader?» riep hij uit. «Heeft Suzanna met haar vervloekt bijgeloof in dien gekruisigde u werkelijk zoover gebracht? Ach, hoe treurig! O mijn vader, mijn vader! Steun van Israël, onderwijzer van uwen zoon en van vele zonen van Jakob! Heeft zij u zoo betooverd, dat gij de leugen gaat gelooven? O, kon ik toch dat vervloekte bijgeloof met één slag dooden! Schande over haar, schande over Suzanna!»

En in toorn zijne vuisten ballende liep de vurige jongeling in drift heen en weder door het vertrek.

Zijn vader liet hem eerst uitrazen. Toen hij wat kalmer geworden was, en weder zich bij zijn vader had nedergezet, het voorhoofd met diepe rimpels en met vlammende oogen, sprak de oude Rabbi weer op zachten toon:

«Saul, mijn zoon, hoor mij aan! Heb eerbied voor uwen grij::en vader! Dezen nacht heeft een engel des Heeren bij mij gestaan en het mij getoond, dat gij, die nu nog zulk een vijand zijt van den Nazarener, eens een zijner uitnemendste apostelen worden zult!»

1) Chaberim (meerv. van Cliaber) beteekent «naasteaquot;. De Farizeéa noemden elkander zoo, en bedoelden er mee: personen die de reinheidswetten nauwkeurig in acht namen.

ocr page 183

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Dat nooit!» viel Saul uit. «Het was een engel des Satans, die u misleid heeft!»

«Laster niet, wat gij niet kent, mijn zoon! Uw vader is geen kind, en weet, wat hij zegt. Ik geloof, mijn zoon, dat de God van Israël mijn vurig gebed verhoord heeft, en mij het ware heil van Israël heeft doen zien. Suzanna heeft mij verteld, hoe drie en dertig jaren geleden de moeder van Jezus van Nazareth haren zoon naar den tempel gebracht heeft om besneden te worden volgens de wet. Toen was daar een oude man, Simeon heette hij, die daar dagelijks verkeerde; ik meen, dat ik sommigen der oudere Rabbi\'s wel eens over hem heb hooren spreken. Deze Simeon was een van die velen, die, evenals ik, wachtten op de vertroosting Israels. Hij had eene goddelijke openbaring gehad, dat hij den Messias zien zou nog eer hij zijn oud hoofd tot sterven nederlegde. Nu had op dien morgen de Geest hem weder naar den tempel gedreven, toen daar Maria van Nazareth, de moeder van Jezus van Nazareth, kwam met haar kind. Toen heeft Simeon haar den zuigeling uit de armen genomen, en terwijl zijn gelaat van hemelsch licht straalde, heeft hij gezegd: «Laat nu uw dienstknecht, o Heer, in vrede henengaan, want mijne oogen hebben uw heil gezien; een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.»

«Hoe komt Suzanna aan dat verhaal?»

«Zij heeft het van Maria van Nazareth zelf vernomen op den dag, waarop haar zoon gekruisigd is geworden.»

«Heeft zij in dat gezelschap vertoefd! Maar hoe kunt gij toch waarde hechten aan zulk een verhaal! Het komt door uwe ziekte, mijn vader! Gij, die anderen onderwezen hebt, moet nu zelf onderwezen worden! Zal dan de Christus uit Galilea komen? Gij weet toch wel, vader, dat die Jezus in het verachte Nazareth geboren was, en niet te Bethlehem, waar volgens de Schriften de Christus moet geboren worden?»

«Jezus de Nazarener is niet te Nazareth, maar in Bethlehem geboren.»

i6g

ocr page 184

RABBI JUDA kN ZIJNE KINDEREN.

«Wat zegt gij, vader? Hoe weet ge dat?»

«Van Suzanna, die het van zijne moeder heeft gehoord. In de dagen der beschrijving is zij met haren man uit Nazareth naar Bethlehem gereisd; want — ook daarin is in hem de Schrift vervuld, — zij is, hoe nederig in stand ook, eene afstammelinge van Koning David. In Bethlehem is toen haar zoon geboren; en in dien nacht hebben herders in Efratha\'s velden een geheel heirleger engelen gezien, die hen die geboorte aankondigden en ter zijner eere zongen.»

Saul zag verward en verbaasd zijn vader aan.

«Hoor eens,» zei hij eindelijk, «die moeder van den gekruisigde wil zeker zorgen, dat men toch vooral in haren zoon blijft gelooven! Voor mij hebben al die verhalen geen beteekenis! Vrouwenpraatjes, anders niet, vaderI»

«Hij is toch geboren te Bethlehem uit Davids geslacht!»

«\'t Doet er niet toe! Er kunnen wel meer afstammelingen var. David zijn, die in Bethlehem geboren zijn! Hij kan de Messias niet zijn! Hoe? Hij, die alle menschen, zondaars en tollenaars, ontving, en met hen at en dronk, zonder er om te geven, dat hij zich met hen verontreinigde, hij, die den Sabbath ontheiligde door zijne tooverkunsten op den heiligen dag te verrichten, hij zou gekomen zijn om Israël tot de volle rechtvaardigheid naar de wet te brengen? Onmogelijk! Hoe zou een geschandvlekte, een gekruisigde, een uitgeworpene onze Koning kunnen zijn? Ik ben wel nog niet volmaakt rechtvaardig, en weet wel, dat ik nog veel getrouwer moet worden in de vervulling der wet, om eens, als de heerlijke dag der verlossing aanbreekt, deelgenoot van het heil te kunnen zijn; maar dit weet ik toch wel, dat wij Farizeen er zeker dichter bij zijn en eerder er deel aan verkrijgen zullen, dan die schare, die de wet niet weet, en den eersten den besten toovenaar naloopt!»

Dit zeggende stond hij op, en verwijderde zich, zijn vader bedroefd en teleurgesteld achterlatende.

Toen hij weg was, kwam Suzanna, die in een ander vertrek bezig

ocr page 185

RABBI JUDA ÉN ZIJNE KINDEREN.

was geweest, maar toch iets gehoord had van de heftige uitvallen van Saul, en zette zich bij haren vader neder.

«Hebt u met Saiü gesproken over den Meester?» vroeg zij.

«Ja, mijn kind,» antwoordde hij. «Maar Saul is afkeerig, ja vijandig van de waarheid. Ach, ik mag er mij niet al te zeerover verwonderen, als ik bedenk, dat ik zelf steeds afkeerig geweest ben van hem, die door ons volk verworpen is. Hadt gij, mijn kind, niet met mij gesproken, en mij zooveel meegedeeld, ik zou gebleven zijn bij mijn ongeloof, en terwijl mijn hart dorst naar de vertroosting Israels, hebben volhard in mijne verwerping van hom, die door God gezonden is. Maar zeg mij,» vervolgde hij, met zijne vermagerde, gerimpelde hand de blanke kleine hand zijner dochter grijpende, «hebt gij al iets vernomen van zijn optreden inGalilea?»

«Ik heb nog niemand gezien, vader. Zij zijn nog niet terug. O hoe verlang ik er naar, dat hij hier in Jeruzalem zich weer vertoont, en ik hem zien mag! O misschien kan en wil hij dan u nog genezen!»

«Neen, mijn kind, ik geloof niet, dat ik genezen zal. Ik heb van nacht een wonderlijken droom gehad.»

«Een droom? Vertel mij dien, mijn vader.»

lt;dk droomde, — of liever, het was, alsof het werkelijkheid was, en alsof ik wakend alles zag; maar \'t was ongetwijfeld een droom; — ik droomde, dat een engel des Heeren bij mij stond, en tot mij sprak. Ik hoorde de woorden niet als klanken, die tot mij kwamen, maar \'t was mij als werden ze mij in de ziel gegoten. Hij zeide: «Juda van Tarsen, uw tijd is nabij. Gij zult den Koning van Israel mede begroeten, als hij weldra in zijn heerlijk koninkrijk zal ingaan om gekroond te worden. Hij, die gekruisigd is en begraven en ten derden dage uit de dooden opgestaan, zal weldra ten hemel varen; dan zult gij echter niet meer hier zijn, maar in het Paradijs hem zien, dien gij hier niet gekend hebt.» Toen zweeg hij een oogenblik, en ik staarde vol ontzetting en eerbied op hem. Daarop vervolgde hij: «Uwe kinderen zullen hier beneden voor hem getuigen. Ook uw zoon Saul. Deze is een uitverkorene des Heeren om een

ocr page 186

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

apostel te worden van den Gekruisigde en zijn naam te verkondigen door de geheele wereld.» Toen verdween hij, en het was mij, alsof er met zijne verdwijning eene leegte gekomen was. Toen ik opzag, was de dag aangebroken en scheen de zon door de vensters op mijn leger.»

De oude man zweeg. Suzanna echter weende. «Ach, mijn dierbare vader! Wat zegt gij! Zou het waar zijn? Zou de Messias ten hemel varen? En zoudt gij nog vóór dien tijd van ons worden genomen? O, hoe bitter zal dat zijn! O mochten wij u nog een tijd behouden! O ik kan u niet missen! Vooral nu niet! Nu juist, nu ik in u steun heb, nu gij ook in den Meester gelooft, zou ik u moeten verliezen, en aan de vijandschap van Saul overgelaten worden? O, \'t is hard! \'t Is vreeselijk hard!»

En bitterlijk weenende verbergde zij haar gelaat in hare handen.

«Maar als nu Saul een apostel van den Messias wordt? Dan hebt ge aan hem een beteren steun dan aan mij!»

«Ach, mijn vader, Saul zal zoo spoedig niet tot andere overtuiging komen! Simei\' en zijne zuster Esther oefenen te veel invloed op hem uit. O, ik zal zoo alleen staan!» En zij ging voort bitter te schreien.

172

«Is de God Israels niet de Steun der verdrukten en de Helper der eenzamen? Vrees niet, mijne dochter! Hij zal u beschermen, steunen en leiden. Gij zult heerlijke dingen zien gebeuren in Israel! Het Koninkrijk Gods zal komen! De krachten der hemelen zullen openbaar worden! De Geest van God zal over alle vleesch worden uitgegoten. En Saul zal niet langer afkeerig blijven, als hij ziet, dat de Gekruisigde zich in zijne heerlijkheid openbaart. O als hij zal komen op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid met zijne vele duizende engelen, hoe heerlijk en groot zal hij zijn! «Hij gordt zijne lenden, en treedt op de vlakten en ordent den slag tegen zijne vijanden»! i) Heb ik hem miskend tijdens zijn

1) Woorden uit den Talmoed.

ocr page 187

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN. 173

eerste komst, ik zal hem zien in zijne heerlijkheid, in het Paradijs! En ook ik zal opstaan, mijne dochter, opstaan uit het stof des doods, waarin ik eene korte wijle zal rusten, als hij, die hier gekruisigd en verworpen is geworden, de dooden zal opwekken. Dan zal de wereld vernieuwd worden, en Israël zal machtig en groot zijn, duizend jaren!»

Hij zweeg, uitgeput door zijne opwinding. En Suzanna ging voort met weenen.

«Ach, kon ik met u sterven is kreet zij.

De deur van het vertrek, waarin zij waren, werd op dat oogen-blik geopend, en eene jonge vrouw vertoonde zich. Suzanna zag op, en rees overeind.

«Ruth!» zei ze, «hoe gaat het? Ik had u niet hooren komen.»

«Mij gaat het goed; ook mijn vader en mijn kind. Maar wat is er gebeurd? Waarom hebt gij geweend? Is het erger met den Rabbi?»

«O Ruth,» antwoordde Suzanna, «mijn vader zegt, dat hij sterven zal! Een engel des Heeren is hem verschenen, en heeft het hem aangekondigd.»

«Troost 11, Suzanna!» antwoordde Ruth, «de Messias is uit de dooden opgestaan! En heeft hij niet gezegd: «Die in mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven»? En hebt gij mij niet verteld, dat uw vader ook in den Meester heeft leeren gelooven ? Waarvoor zou hij dan vreezen? Sedert de Messias Gods, onze heerlijke Meester en Koning Jezus, in den Sjeool is geweest, en er uit wedergekeerd is, is het, dunkt mij, niet zoo erg meer voor een zoon van Israel, die in hem gelooft, om in dien Sjeool in te gaan. Weldra zal de Messias zijn koninkrijk aan Israël oprichten en dan zullen de dooden opstaan. Het einde dezer eeuw is nabij!quot;

«Ach ja, Ruth, dat is alles waar! Mijn vader sprak er zoo even ook zoo over. Maar ik kan daarin nu geen troost vinden! Hoe veel liever had ik gewild, dat de Meester mijn vader hersteld had! Of anders wenschte ik, dat ik met hem in den Sjeool mocht wonen tot de ure der opstanding!»

ocr page 188

174 RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Gij hebt hier op aarde zeker nog een taak te vervullen, Snzanna! Bovendien, denk aan Saul.»

«Dat vervult mij juist met onrust, Ruth. Hij wordt hoe langer hoe vijandiger. Het is, alsof hij zijn hart verhardt!»

«En toch zal hij eens tot bekeering komen, en een vurig prediker worden van de boodschap des koninkrijks!» antwoordde Ruth.

«Dat heeft die engel ook gezegd; en vroeger heb ik het ook wel gedacht. Maar het heeft er niet veel van, dat het gebeuren zal. Hij wordt geheel door Simeï Ben Jona beheerscht en tot Zeloot gemaakt. Vroeger was hij onverschillig, nu is hij vijandig!»

«Heb geduld, Suzanna! De God Israels is machtig om vijanden tot vrienden te maken.»

«Hebt gij al iets uit Galilea gehoord?»

»Nog niet. Gij Suzanna?»

»Neen Ruth. Ik verlang zoo er iets van te hooren!»

»De leerlingen van den Meester zullen wel spoedig weer in Jeruzalem komen. Zij zullen met het Pinksterfeest wel weer komen. En in ieder geval zullen de anderen, zooals Jacob Bar Simon en Maria van Cyprus met haren broeder Joses en haren zoon Joannes Marcus wel tegen dien tijd weer hier zijn. Ik heb eene ingeving gekregen, Suzanna, dat er spoedig groote dingen zullen gebeuren. Het aanstaande Pinksterfeest zal beteekenis hebben voor ons allen, die in den Meester gelooven; Jeruzalem zal het zien, en beroerd worden!»

«Wat verwacht gij dan, dat gebeuren zal?»

«Dat kan ik u niet zeggen. Ik weet het niet recht. Maar dat er op het Pinksterfeest iets zal gebeuren, geloof ik zeker.»

Intusschen was Saul heegegaan om de bitterheid zijns geestes uit te storten bij zijne vrienden, de familie van Rabbi Jona. Dat zjne zuster tot het geloof in den Nazarener gekomen was, had hem reeds geschokt, maar dat nu ook zijn vader, dien hij altijd als een onberispelijk Farizeër gekend en zich steeds als voorbeeld ter navolging gesteld had, tot het geloof in den gekruisigde was gekomen, dat

ocr page 189

RAIini JUDA EN ZIJNE KINDEREN. 175

griefde hem, en dat wekte al den hartstocht op, waartoe zijn hart zoo licht geneigd was.

Met groote snelle stappen liep hij voort door de straten van Jeruzalem; en spoedde zich naar de hem welbekende woning van Rabbi Jona. Hij had daar vrijen toegang, en naar mate zijne zuster meer van hem vervreemd geworden was door haar geloof in den Nazarener, naar die mate voelde Saul zich aangetrokken tot den omgang met Esther, de zuster van Simei\'.

Hij trad weldra de woning van Rabbi Jona binnen, ging over de binnenplaats en trad toe op de lage deur van het vertrek, waar hij wist, dat hij Esther en hare moeder Judith vinden zou. Hij klopte aan, en hoorde de stem van Esther, vragende: «Wie is daar?»

«Ik ben het, Saul van Tarsen!» antwoordde hij. «Mag ik binnen komen ?»

«Kom binnen!» antwoordde de stem van binnen.

Hij opende de deur en trad binnen. Esther zat op een lage rustbank en was bezig met het vervaardigen van een linnen onderkleed^ Hare moeder was niet in het vertrek tegenwoordig.

Zij stond op, toen hij binnentrad, en een lichte blos kleurde hare wangen. Hare donkere oogen straalden en vriendelijk zei zij:

«Wees welkom, Saul! Wij hebben u weder in eenige dagen niet gezien. Hoe gaat het met den Rabbi, uwen eerwaardigen vader?»

Saul trad op haar toe, vatte hare rechterhand en drukte er een kus op. «Het verheugt mij u weder te zien, Esther, mijne vriendin! Ik verlangde u te spreken! Ik ben bezwaard van harte! Gij vraagt, hoe het met mijn vader gaat? Het is juist over hem, dat mijn hart bezwaard is!»

«Hoe zoo? Is hij erger?»

«Naar het lichaam misschien niet. Maar zijn geest is in de strikken van een verleidenden demon verward geraakt.»

Esther liet haar werk rusten en zag hem aan. «Wat zegt ge daar?» zei ze. «Is de Rabbi niet meer bij zijn verstand? Is hij van een demon bezeten?»

ocr page 190

176 RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Dat vervloekte bijgeloof, dat Suzanna aankleeft, heeft hem aangetast.»

«Saul van Tarsen! Wat vertelt ge mij nu toch? Uw vader, de eerwaardige Rabbi Juda zou een afvallige geworden zijn? Dat is onmogelijk! Het kan niet waar zijnis

«Het is maar al te waar, Esther! Hij heeft mij zelf er over gesproken. Suzanna heeft hem allerlei verhalen gedaan, die zij van de moeder van dien valschen profeet heeft gehoord; en nu gelooft mijn arme vader dien onzin, en werkelijk meent hij, dat de gehangene de Messias is!»

«O Saul, hoe vreeselijk! Maar dat kan zoo niet blijven! Gij moet er met vader over spreken! Vader is altijd zoo bevriend met hsm geweest! Hij zal hem wel tot betere gedachten brengen! Hoe is het toch mogelijk! Uw vader, zulk een uitnemend en vroom man! Zulk een goed Farizeer!»

«Ja Esther, het is vreeselijk! Ik kan het bijna niet dragen\' O, het is, alsof Gods toom op ons rust! Hij heeft ons van voor Ziin aangezicht verworpen! Eerst heeft God Suzanna overgegeven aan een verkeerden zin, om in dien bedrieger uit Nazareth te gelooven, en nu heeft Hij ook mijn armen vader aan dezelfde macht der verleiding prijs gegeven! O wat moet ik doen! Wat moet ik doen! Heb ik niet gevast, alle weken driemaal? Heb ik niet altijd trouw den Sabbath onderhouden? Heb ik niet steeds al de inzettingen onderhouden van mijne jeugd af? Ben ik niet altijd een Farizeer geweest? Waarom heeft God dan Zijn aangezicht voor mij verborgen? Waarom zoek ik naar vrede, en vind niets dan verdriet en onrust?»

«Gij behoeft er u niet over te beschuldigen! Gij hebt er geen schuld aan!»

«Ik weet het niet, Esther! O, misschien had ik moeten zorgen, dat Suzanna mijn vader niet besmette met hare verderfelijke dwalingen! Waarom anders moet dit mij overkomen? O, Gods toorn rust op mij! Ik weet het wel niet, waarin ik te kort ben gekomen; maar zeker is er ongerechtigheid bij mij!»

ocr page 191

177

«Kom, kom, Saul,» vleide Esther, terwijl zij hare hand legde op den schouder van den onrustig heen en weder loopenden jongeling, «gij zijt veel te hard voor uzelven. Gij zijt zoo trouw in het vervullen van de wet als iemand! Als gij nog uzelven van ongerechtigheid beschuldigen moet, — bij de heilige wet! — wie van ons is dan onschuldig? Als \'t cr zóó nauw op aankwam, dat God ook over kleine, onmerkbare tekortkomingen toornde, wie zou dan nog rechtvaardig zijn?»

Saul stond stil, en zag haar een oogenblik doordringend aan. «Gij hebt gelijk,» zei hij, «er is niemand rechtvaardig! Ik ben het niet, en gij zijt het niet; mijn vader is het niet; niemand is het! Het staat ook in de rol der Psalmen: Er is niemand rechtvaardig, ook niet tot een toe!»

«Maar Saul,» antwoordde Esther, en haar schoon gelaat stond verschrikt,, «wij behooren toch tot de Chasidim! Wij onderhouden de wet! Zijn wij dan niet rechtvaardig? Ik wilde althans, dat ik zoo trouw was, als gij zijt!»

«Ach neen, Esther,» antwoordde de jongeling, en hij zette zich op een rustbank neer, terwijl hij het hoofd op de handen liet rusten. «Ach neen, ik ben volstrekt niet zooals ik wezen moest! Ik gevoel het genoeg! Anders toch moest ik de blijdschap in mijn hart gevoelen van de zekerheid deel te hebben aan het verbond. Maar ik gevoel daar niets van! \'t Is me, alsof Gods toorn op mij rust! \'t Is me soms, alsof ik door demonen voortgedreven word! Ik heb vroeger vrede gehad, toen alles nog bij het oude was. Maar sinds de Nazarener als profeet is opgetreden, sinds mijne zuster door hem is verleid, sedert onze Oversten hem hebben gekruisigd, en er zooveel over hem gesproken is, is het, alsof mijn rust is verdwenen. Eerst was ik onverschillig voor hem, en dacht, evenals mijn leermeester Rabbi Gamaliel, dat het beter was hem te laten begaan. Maar het is anders geworden. Azarja is verleid, Suzanna is verleid, en nu is ook mijn brave vader verleid! Jezus is gekruisigd, en zal niet meer den heiligen tempel ontreinigen door zijne woorden. Maar

12

ocr page 192

178

zijne volgelingen, die Galileesche visschers, doen al hun best om het volk te doen gelooven, dat hij weer opgestaan is uit de dooden. Ik heb geen rust meer! Het is, alsof ik iets doen moet, waardoor dat vervloekte bijgeloof uitgeroeid wordt! Het is mij, alsof ik aangedreven word om het te bestrijden! En toch kan ik er niet toe komen iets anders te doen dan er tegen te getuigen. Ik kan niet tegen mijne zuster optreden! En nu mijn vader ook! O\'t is vreeselijk, vreeselijk! Ik moet het bestrijden! Ik voel het! En ik kan het niet! Zie, daarom rust Gods toorn zeker op mij! Daarom heb ik geen vrede, geen rust! Daarom moest die ramp mij treffen, dat mijn vader verleid werd!»

«Kom, Saul, wees kalm!» zei Esther, en vertrouwelijk naast hem staande, streek zij de donkere lokken van het gefronsde voorhoofd terug. Hij greep haar hand, en drukte er een vurigen kus op. Zij trok hare hand niet terug, maar glimlachte vriendelijk.

«Gij zijt mijn goede engel, Esther,» zei hij, haar met een liefdevollen blik aanziende. «In uw gezelschap vergeet ik mijn leed, en kan ik weer iets voelen van de vroegere opgewektheid. Maar o, gij weet het niet, melieve, hoe zwaar mij soms de strijd valt! Het is mijn vurige begeerte en mijn eenig streven om waarlijk rechtvaardig te wandelen, en de wet volkomen te volbrengen! God weet, dat ik oprecht ben en waarlijk zeggen kan met den Psalmist: «Hoe lief heb ik Uwe wet! Zij is mijne betrachting den ganschen dag.» En toch, in plaats van den zegen van den God Israels te ondervinden, in plaats van het gevoel te hebben van Zijn gunstgenoot te zijn, heb ik juist het gevoel, alsof ik van Zijn aangezicht ver-stooten ben! O, het is mij als den patriarch David, toen hij uitriep; «Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo dorst mijne ziel naar den levenden God!» Ik heb geen vrede, geen rust, geen blijdschap in God! Ik doe Zijne geboden, ik onderhoud de inzettingen der ouden, maar de onrust neemt toe. En het is mij, alsof God Zijn zegen van ons huis heeft weggenomen, sedert Suzanna in den Nazarener gelooft.»

ocr page 193

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Gij maakt het u veel te moeilijk! Daar hebt ge Simei\', die toch ook een Farizecir is, en nog wel een Zeloot, hebt gij hem ooit zoo hooren spreken? Kom, gij moet de vroomheid niet overdrijven! Gij zijt jong, en het leven ligt voor u! «Geniet het leven met de vrouw, die gij lief hebt ,v) zegt koning Salomo. Laat dat tobben over voor de oude mannen! Geloof mij, gij zijt vroom genoeg, en menig jongman kan u tot een voorbeeld nemen U

«Och, gij spreekt zoo, omdat gij vriendelijk zijt, en altijd goed van mij denkt. Maar gij weet niet half, hoe moeilijk \'t mij soms valt de wet te volbrengen. Ik heb een vermaak in dc wet Gods naar den inwendigen mensch! Mijn hart gaat uit naar de overpeinzing van Gods geboden. Maar — daar is een macht in mij, ik weet niet, hoe ik het noemen moet, die tegen die wet strijd voert! Soms is het mij, alsof ik op eens zou kunnen losbreken en voor goed een overtreder der wet worden!»

«Foei, gij moogt zoo niet praten! Gij een overtreder der wet, een goddelooze worden? Dat verhoede God!»

«Wees niet bang, Estherlief! Ik weet wel, dat in de wet alleen het leven is, en dat buiten het doen van de wet niets is dan de dood. Ik zal niet aflaten getrouw de wet te vervullen. Want ik ben en blijf een Parizeer, een Chaber, en hoop eens, als de ware Messias komt, deel te hebben aan de zegeningen van Zijn rijk. Maar — mijn bloed is heet, Esther, en ik heb een bandelooze natuur! Ik kan mij soms zoo slecht voegen onder het juk der wetl Het is, alsof een booze demon mij aanspoort om dat juk te verbreken en vrij te worden!»

Zij zweeg, en keek hem verschrikt aan.

«Ziet ge nu zelf wel, dat ik niet rechtvaardig ben?» hervatte hij. «Ik weet het, die gedachten zijn goddeloos! Ik moest ze zelfs niet uitspreken! Ik heb \'t ook nog nooit tot iemand gezegd. Maar voor u kan ik geen geheime gedachten hebben.»

«Gij moet die gedachten van u zetten!» hernam zij. «Gij studeert te druk. Gij overdrijft het. Gij moet afleiding hebben. Ga eens op reis!»

179

ocr page 194

178

zijne volgelingen, die Galileesche visschers, doen al hun bost om het volk te doen gelooven, dat hij weer opgestaan is uitdedooden. Ik heb geen rust meer! Het is, alsof ik iets doen moet, waardoor dat vervloekte bijgeloof uitgeroeid wordt! Het is mij, alsof ik aangedreven word om het te bestrijden! En toch kan ik er niet toe komen iets anders te doen dan er tegen te getuigen. Ik kan niet tegen mijne zuster optreden! En nu mijn vader ook! O\'t is vreeselijk, vreeselijk! Ik moet het bestrijden! Ik voel het! En ik kan het niet! Zie, daarom rust Gods toorn zeker op mij! Daarom heb ik geen vrede, geen rust! Daarom moest die ramp mij treffen, dat mijn vader verleid werd!»

«Kom, Saul, wees kalm!» zei Esther, en vertrouwelijk naast hem staande, streek zij de donkere lokken van het gefronsde voorhoofd terug. Hij greep haar hand, en drukte er een vurigen kus op. Zij trok hare hand niet terug, maar glimlachte vriendelijk.

«Gij zijt mijn goede engel, Esther,» zei hij, haar met een liefdevollen blik aanziende. «In uw gezelschap vergeet ik mijn leed en kan ik weer iets voelen van de vroegere opgewektheid. Maar o, gij weet het niet, melieve, hoe zwaar mij soms de strijd valt! Het is mijn vurige begeerte en mijn eenig streven om waarlijk rechtvaardig te wandelen, en de wet volkomen te volbrengen! God weet, dat ik oprecht ben en waarlijk zeggen kan met den Psalmist: «Hoe lief heb ik Uwe wet! Zij is mijne betrachting den ganschen dag.» En toch, in plaats van den zegen van den God Israels te ondervinden, in plaats van het gevoel te hebben van Zijn gunstgenoot te zijn, heb ik juist het gevoel, alsof ik van Zijn aangezicht verstoeten ben! O, het is mij als den patriarch David, toen hij uitriep: «Gelijk het hert schreeuwt naar dc waterstroomen, alzoo dorst mijne ziel naar den levenden God!» Ik heb geen vrede, geen rust, geen blijdschap in God! Ik doe Zijne geboden, ik onderhoud de inzettingen der ouden, maar de onrust neemt toe. En het is mij, alsof God Zijn zegen van ons huis heeft weggenomen, sedert Suzanna in den Nazarener gelooft.»

ocr page 195

179

ftGij maakt het u veel te moeilijk! Daar hebt ge Simei, die toch ook een Farizeer is, en nog wel een Zeioot, hebt gij hem ooit zoo hooren spreken? Kom, gij moet de vroomheid niet overdrijven! Gij zijt jong, en het leven ligt voor u! «Geniet het leven met de vrouw, die gij lief hebt ,■» zegt koning Salomo. Laat dat tobben over voor de oude mannen! Geloof mij, gij zijt vroom genoeg, en menig jongman kan u tot een voorbeeld nemen U

«Och, gij spreekt zoo, omdat gij vriendelijk zijt, en altijd goed van mij denkt. Maar gij weet niet half, hoe moeilijk \'t mij soms valt de wet te volbrengen. Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch! Mijn hart gaat uit naar de overpeinzing van Gods geboden. Maar — daar is een macht in mij, ik weet niet, hoe ik het noemen moet, die tegen die wet strijd voert! Soms is het mij, alsof ik op eens zou kunnen losbreken en voor goed een overtreder der wet worden!»

«Foei, gij moogt zoo niet praten! Gij een overtreder der wet, een goddeloozo worden? Dat verhoede God!»

«Wees niet bang, Estherlief! Ik weet wel, dat in de wet alleen het leven is, en dat buiten het doen van de wet niets is dan de dood. Ik zal niet aflaten getrouw de wet te vervullen. Want ik ben en blijf een Farizeer, een Chaber, en hoop eens, als de ware Messias komt, deel te hebben aan de zegeningen van Zijn rijk. Maar — mijn bloed is heet, Esther, en ik heb een bandelooze natuur! Ik kan mij soms zoo slecht voegen onder het juk der wetl Het is, alsof een booze demon mij aanspoort om dat juk te verbreken en vrij te worden!»

Zij zweeg, en keek hem verschrikt aan.

«Ziet ge nu zelf wel, dat ik niet rechtvaardig ben?» hervatte hij. nik weet het, die gedachten zijn goddeloos! Ik moest ze zelfs niet uitspreken! Ik heb \'t ook nog nooit tot iemand gezegd. Maar voor u kan ik geen geheime gedachten hebben.»

«Gij moet die gedachten van uzetten!» hernam zij. oGij studeert te druk. Gij overdrijft het. Gij moet afleiding hebben. Ga eens op reis!»

ocr page 196

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Op reis? Terwijl mijn vader in zulk een toestand is?»

amp;Hij is toch niet levensgevaarlijk?»

ft Dat geloof ik niet.»

«Welnu, laat hem gerust aan ons over. Mijn vader zal wel met hem praten. En gij behoeft niet lang van huis te gaan. Kunt ge uw familie in Tarsen niet eens gaan opzoeken? Dat zal u afleiding geven.»

«Het kan zijn, dat gij gelijk hebt. Ik zal er eens over denken.» Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.

«Vader!» zei hij een paar dagen later tot den ouden Rabbi, toen deze een oogenblik overeind zat om den maaltijd te gebruiken, die Suzanna voor hem had gereed gemaakt, «wat dunkt u, zou uw toestand het toelaten, dat ik een paar weken van huis ging? Ik wenschte zelf eens naar Cilicie, naar Tarsen, te gaan om geitenhaar te koopen. De laatste toezending bevalt mij niet. En ik zou ook gaarne eens mijn geboortestad bezoeken en de bloedverwanten opzoeken.»

«Ik weet niet, mijn zoon, of het geraden is voor u om nu van huis te gaan. Het Pinksterfeest is aanstaande.»

«Ik hoop vóór het feest terug te zijn. Ik zal terugkeeren met de feestgangers uit Cilicië en Syrië.»

«En als ik nu eens vóór dien tijd tot de vaderen verzameld werd ? Als gij er eens niet waart om mijn laatsten zegen te ontvangen?»

«Gevoelt gij u dan erger, vader? Ik dacht, dat gij weer herstellende waart!»

«Ik ben niet erger, en \'t is waar, dat ik weer zachtjes aan vooruit ga, dank zij den God Israels, die mijne gebeden en de gebeden mijner kinderen hoort, en naast God de trouwe zorg van die parel van Israël, Suzanna!»

«Welnu, als dat waar is, vader, is er toch geen gevaar meer! Ik kan toch niet helpen met uwe verpleging; die is aan Suzanna toevertrouwd. En als ik weg ben, heeft zij het ook gemakkelijker. En Rabbi Jona zal zeker wel eens met u komen spreken over uw geloof in den Nazarener. Hij kan dat beter dan ik.»

i8o

ocr page 197

iSI

«Hebt gij er dan met hem over gesproken?»

«Dat heb ik, vader. En hij heeft mij beloofd u te zullen bezoeken.»

«Laat hij komen! Mochten zijne oogen ook open gaan voor het licht!»

«Dus, vader,» vervolgde Saul, «hebt u er tegen, dat ik tot het Pinksterfeest naar Tarsen ga?»

«Gij moet het zelf weten, mijn zoon! Moge het u later niet berouwen, als gij, thuis komende, mijne plaats ledig vindt. Als gij liever heengaat, ga; en moge de zegen van den God onzer vaderen met u zijn!»

Het scheen inderdaad, alsof de vrees, dat Rabbi Juda weldra sterven zou, ongegrond was. Van dag tot dag ging zijne gezondheid vooruit, en het liet zich aanzien, dat hij weldra weer zijne dagelijksche bezigheden zou kunnen hervatten. «Ziet gij wel, vader,» zei Saul op zekeren morgen tot hem, «dat die droom ijdel is geweest, en die engel, die u is verschenen, een leugengeest? Gij herstelt weer geheel, dank zij den God der vaderen! En met de gezondheid des lichaams zal die der ziel ook wel terugkeeren. Ik geloof, dat ik nu veilig kan op reis gaan. Ik ben binnen weinige weken weer terug en in elk geval toch met het feest der weken!»

«Ik zal u niet terughouden, mijn zoon. Maar wat gij van mijn droom en dien engel gezegd hebt, is onjuist. De uitkomst zal het u leeren, dat hij waarheid gesproken heeft. Ik zal het feest der weken niet meer beleven. Maar een heerlijker feest wacht mij. Mijne oogen zullen den Koning zien in zijne schoonheid!»

Saul haalde de schouders op. Met de terugkeerende gezondheid, zoo meende hij, zouden ook wel die droomen verdwijnen. En hij maakte zich gereed voor de reis naar Cilicië.

Een paar dagen later was alles gereed voor die reis. Hij zou van Jeruzalem naar Caesarea reizen in gezelschap van eenige Rabbi\'s, die daarheen moesten. In Caesarea zou hij scheep gaan naar Tarsen.

De dag van zijn vertrek was aangebroken. Zijn vader was dien morgen bijzonder wel, en lag op zijn rustbank in het gewone vertrek,

ocr page 198

RABBI JUDA EN ZIJNË KINDEREN.

terwijl Suzanna naast hem zat op een laag bankje, bezig met naaiwerk.

Saul trad op zijn vader toe om hem te groeten. Hij knielde neer voor de rustbank, waarop de oude Jood lag, en deze legde zijne rechterhand op het hoofd des jongelings.

«God zegene u, mijn zoon Saul!» sprak hij langzaam en ernstig. «Gij gaat uwe eigene wegen, en meent, dat gij in de rechte wegen zijt! Maar God zal u zegenen, omdat gij oprecht zijt. Gij zijt een Hebreër uit de Hebreen, een ijverig Farizeër, rechtvaardig wandelende naar de voorvaderlijke inzettingen. Gij zult nog meer en nog anders den God van Israel leeren dienen, als gij Zijnen Gezalfde zult zien en erkennen! Ga nu in vrede op den weg, dien gij gaan zult! Moge geen gevaar u genaken, geen kwaad u treffen 1 De God Israëls zij uwe voor- en achterhoede; mogen Zijne engelen u bewaren op al uwe wegen! De Heer, de God onzer vaderen zegene uwen uitgang en uwen ingang, en stelle u tot een zegen voor duizenden, die Zijnen naam nu nog niet kennen en belijden!»

«Dank u, mijn vader!» antwoordde Saul, en kustte de vermagerde hand van den grijzen Rabbi. «Moge diezelfde God ook u zegenen , vader, en u geheel oprichten. En als ik met vrede wederkom, moge uw lichaam dan weder gezond en sterk zijn, en uw geest verlost van elke dwaling!»

«Mijn zoon,» antwoordde nu de oude man ernstig, terwijl hij de handen biddend samenvouwde, «de God der vaderen heeft reeds mijn geest verlost van de dwaling, die ik zoolang heb aangekleefd. Ik weet, in wien ik geloof! En ik weet ook, dat gij den gekruisigden, maar verheerlijkten Koning van Israël eens zult belijden, en zijn naam zult verkondigen voor de heidenen.»

«Ach vader,» viel Saul hem in de rede, «spreek toch daar niet meer van! Laat ons dit oogenblik niet vergallen door over den Nazarener te spreken, ik weet, helaas, hoe gij over hem denkt; gij weet, hoe ik over hem denk. Laat dit nu rusten. Als ik wederkom om het Pinksterfeest te vieren, en u geheel gezond terug mag zien, dan zullen wij er wel weder over spreken.»

ocr page 199

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN. 183

«Gij zult mijn aangezicht niet meer zien, mijn zoon.»

Saul verschrikte. «Wat zegt ge, vader? Waarom zal ik uw aangezicht niet meer zien? Wat vreest gij?»

«Eer gij te Tarsen zult zijn gekomen, zal ik niet meer hier zijn, maar zal ik verzameld u-orden bij mijne vaderen...»

«Vader, spreek zoo niet!» riepen Saul en Suzanna tegelijk. «Gevoelt gij u dan niet goed? Zal ik blijven vader?» voegde Saul er bij.

«Neen, Saul, ga in vrede! Het is beter zoo. Ik gevoel mij zeer goed; beter dan in langen tijd; maar toch weet ik, dat het waar is, wat ik zeg.»

«Gij denkt weer aan uwen droom!» zei Saul. «Neen, als \'t alleen om dien droom is, dan ben ik niet bang. Ik ga gerust weg, en hoop u weldra weder te zien.»

Hij omhelsde en kuste nu zijn vader, en ging toen naar buiten op de binnenplaats der woning, vergezeld door Suzanna.

«O Saul,» zei deze, «als \'t toch eens waar was! Als vader toch eens stierf, terwijl gij weg zijt! O wat zou ik moeten beginnen!»

«Kom, kom! Wees niet bang! Hij beeldt zich wat in! Gij ziet zelf immers, dat hij herstelt? Ik ben spoedig weer terug. Gegroet! De Rabbi\'s wachten mij; ik moet nu heengaan.»

Hij kuste zijne zuster en verwijderde zich snel. Suzanna staarde hem na met tranen in de oogen. «Saul, Saul!» fluisterde zij, «wat zijt ge verblind!» Daarop keerde zij zich om en begaf zich weder naar haren vader, dien zij vond in biddende houding, de handen op de borst gekruist, en de oogen omhoog geslagen. De oude Rabbi bad voor zijn zoon.

Eenige uren later vertrok een reisgezelschap op muilezels door de Hoekpoort uit Jeruzalem, en sloeg den weg in, die over Emmaus 1) naar Lydda voerde. Saulus van Tarsen was er bij. Hij was ernstig en somber gestemd. Ondanks zichzelven hadden toch de woorden

1) Niet het Emmaus uit Lukns 24, maar eene andere, ongevesr ó uur van Jeru zalem verwijderde plaats van dien uaam.

ocr page 200

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

zijns vaders indruk op hem gemaakt, en terwijl hij de heilige stad verliet, had hij een beklemd gevoel, alsof hem iets treffen zou eer hij ze weder betrad.

Doch het was helder, vroolijk lenteweer; de vogels zongen in de takken der olijfboomen, en de arbeid op de velden was in vollen gang. Over weinige weken zou het feest der eerstelingen, het Pinksterfeest aanbreken, en het liet zich aanzien, dat er een ruime oogst van eerstelingvruchten in den tempel gebracht zou worden.

Langzamerhand verdween de somberheid bij den jongeling, naarmate hij Jeruzalem verder achter zich liet; en toen hij omtrent twee uren van de stad verwijderd was, had hij zijne opgewektheid herkregen.

Wij laten hem rustig zijne reis vervolgen, en keeren terug naar Jeruzalem. Tegen het vallen van den avond van dienzelfden dï.g kwam een ander reisgezelschap de stad aan de noordzijde binnen , ten deele bestaande uit personen, met wie wij reeds kennis gemaakt hebben.

«Gaat gij mede, Azarja, naar mijne woning?» vroeg Joses, de Leviet, die met den ons bekenden jongeling voorop reed.

«Ik dank u, Joses,» antwoordde de aangesprokene. «Ik verlang er naar om mijne vrienden, Rabbi Juda en zijne dochter Suzanna te spreken. De Rabbi was, toen ik Jeruzalem voor vier weken verliet, een weinig ongesteld, en zijne dochter was bezorgd over hem. Daarom verlang ik hen te bezoeken, om te hooren, hoe het met hem is. Bovendien, gij weet, dat Suzanna ook eene volgelirge is van den Meester. Zij zal ongetwijfeld verlangen het verhaal te hooren van de verschijning des Meesters op den berg in Galilea.»

«Zij trekt u bijzonder aan, geloof ik. Op den Paaschdag, toen de Meester in den burg Antonia werd veroordeeld, heb ik u, naar ik meen, met haar gezien. Ook zijt ge samen naar Golgotha gegaan.v

«Dat is zoo. Ik trof haar alleen aan in den tempelvoorhof, dicht bij Gabbatha. Toen nam ik haar mee, en wij spraken samen over den Meester, en gingen mee naar Golgotha om het einde te zien.

184

ocr page 201

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

\'s Avonds sprak ik haar weer, en bracht haar de stad in. Zij was toen in de tenten op den Olijfberg. Zij is een edel meisje; een roos van Saron gelijk, een sieraad onder de dochteren van Jeruzalem.»

((Hebt gij haar lief?«

«Gij vraagt mij dat zoo rechtstreeks; welnu, ik zal u rechtstreeks antwoorden. Ja, ik heb haar lief; en mocht de God Israels het geven, dat ik haar nog eenmaal mijne huisvrouw mocht noemen!»

«Waarom vraagt gij haar niet aan Rabbi Juda?»

«De oude man kan zijne dochter niet missen. Bovendien is Saul zeer tegen mij, en zal zeer zeker het tegenhouden. Want de Rabbi luistert meer naar zijn zoon dan naar zijne dochter.»

«Vertrouw op God, mijn vriend. Hij, die onzen vader Abraham Sara gaf, die Rebekka aan Izak en Racliel aan Jakob gaf, is machtig om ook u als met eigen hand deze dochter Israels toe te brengen. Maar nu begrijp ik, waarom gij niet met mij wilt meegaan en verlangt om het huis van de Ciliciers te betreden.»

Eenige oogenblikken later trad Azarja de woning van Rabbi Juda binnen. Hij ging over het binnenplein naar het voorvertrek, waar hij Suzanna en haren vader vond.

Suzanna rees overeind, toen hij binnentrad, en een blos van blijde verrassing kwam op haar gelaat.

«Azarja!» zei ze.

«Wees gegroet, Rabbi! Wees gegroet, Suzanna!» zei Azarja, zich voor beiden buigende.

«Wees welkom, Azarja Ben Itaï!» antwoordde Rabbi Juda. «Gij brengt ons zeker goede tijding! Gij komt immers uit Galilea?»

«Ja, ik kom uit Galilea. Maar welke goede tijding bedoelt gij, Abba, die ik brengen zou?»

«Wel, mijn zoon, zijt ge niet gegaan om den Messias te zien?»

Verrast zag Azarja hem aan. «Hoe?» zei hij. «Stelt gij dan belang in den Meester? Gelooft gij ook in hem, Abba?»

«Ja, mijn zoon. Ook ik geloof, dat Jezus de Nazarener de Christus Gods, de Koning Israels is.»

ocr page 202

186 RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Den God der vaderen zij dank! Zoo verovert hij de harten! Maar hoe zijt gij tot dat geloof gekomen? Gij hebt toch ingestemd in zijn vonnis! gt;)

ftHelaas ja! Ik was toen nog blind! Maar de God onzer vaderen heeft mij de oogen geopend. Mijn lichaam is ziek geworden, opdat Hij mijne ziel genezen zou. Mijne duive, Suzanna, die reeds lang in hem geloofde, heeft mij hem leeren erkennen als den lang verwachten Christus. Zij heeft mij verteld van zijne opstanding, en van de wonderen zijner geboorte, die zij van zijne gezegende moeder vernomen heeft. Maar kom! Zet u neer, en vertel ons van wat gij in Galilea ervaren hebt! Wij zijn verlangend het te hooren. Hebt gij hem gezien?»

«Ja, ik heb hem gezien! En niet alleen ik, maar velen, zeer velen met mij!»

«Ach, ware ik er bij geweest!» zei Suzanna.

«Vertel ons alles geregeld,» zei de Rabbi. «Maar eerst moet gij u ontdoen van uw reisgewaad. Doe de sandalen af, en laat mijn dienstknecht u de voeten wasschen. Suzanna, roep hem binnen.»

Suzanna gehoorzaamde, en een donker gekleurde slaaf trad binnen. Suzanna beval hem water te brengen voor \'t wasschen der voeten, en ververschingen. Intusschen had Azarja zijn gordel losgemaakt en zijn opperkleed afgelegd, en weldra zat hij neder naast den Rabbi op een lage rustbank, terwijl Suzanna zich insgelijks had neergezet.

«Laat ons nu alles vernemen, Azarja!» zei de Rabbi. «G:j hebt den gekruisigde gezien, zegt gij. Zijt gij er zeker van, dat hij het werkelijk was?»

«Zoo zeker, als ik weet, dat ik u zie. Rabbi! Ik was met mijn vriend, den Leviet Joses, en zijn neef Joannes Marcus al tijdig op reis gegaan naar den berg, in de nabijheid van de zee van Tiberias, waar de Meester zijne volgelingen bescheiden had. Het was een heerlijke morgen. De zon schoot heldere stralen over het water, dat glinsterde als ware er goud op uitgestrooid. Tal van scheepjes

ocr page 203

i87

lagen aan den oever dicht bij Kapernaüm, waar wij overnacht hadden. Een van die scheepjes behoorde aan Rabbi Zebedeüs, met wiens zoon Joannes ik hier kennis aangeknoopt heb. Joannes en zijn broeder Jacobus waren reeds op het schip, toen wij aankwamen, en nog vele anderen niet hen. Van alle kanten kwamen er men-schen aan; mannen, vrouwen en kinderen; grijsaards, gebogen onder den last der jaren, met lange witte baarden, en jongelingen in de kracht des levens, zooals ik. Zij kwamen van allerlei plaatsen, doch de moesten waren uit de omliggende steden en dorpen. Lit Nazareth kwamen slechts weinigen. Daaronder behoorde de moeder des Meesters en zijne broeders Jacobus, Judas en Simon. Uit Naïn kwam ook de jongeling, die vroeger door den Meester uit den dood was opgewekt; en evenzoo zag ik Jaïrus met zijne vrouw en zijn dochtertje, dat ook door den Meester in het leven is teruggeroepen. Ik kende natuurlijk die menschen niet, maar Joannes Bar Zebedeüs wees ze mij aan, en vertelde mij de geschiedenissen dier opwekkingen. Ik dacht bij mijzelven, toen ik die menschen zag, die allen in den Meester gelooven, dat er toch nog een overblijfsel is in Israël, dat den Koning erkent, al verwierpen hem de meesten.»

«Helaas, dat zoovelen hem verwerpen, en dat ook ik hem zoo lang verwierp!» zei Rabbi Juda.

«Langzamerhand scheepten de meesten zich in,» vervolgde Azarja. «Ik ging in het schip van Rabbi Zebedeüs, met mijne reisgezellen; de Rabbi zelf was niet in het schip, want hij gelooft niet in den Meester. Maar zijne vrouw Salome, en zijne beide zonen waren aan boord, en nog vele anderen. Ook de gebroeders Andreas en Simon waren met hun schip daar tegenwoordig. De meesten dei-elf naaste volgelingen des Meesters waren bij hen aan boord. Eindelijk voeren wij af, en een zachte koelte rimpelde de golven en dreef het scheepje snel over de watervlakte. Onderweg verhaalde mij Joannes Bar Zebedeüs, hoe zij den Meester kort geleden hadden gezien aan den oever van het meer. Het was in den morgen, toen zij van een vergeefschen nachtelijken tocht terugkeerden. Simon

ocr page 204

188 RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

Bar Jona had voorgesteld om \'t visschersberoep weer ter hand te nemen, en de meesten van hen waren met hem meegegaan. Maar, alsof zij ondervinden moesten, dat zij tot ander werk geroepen zouden worden, zij hadden den geheelen nacht niets gevangen, \'s Morgens vroeg, terugkeerende, stond de Meester aan den oever. Op zijn raad wierpen zij toen nog eens het net uit, aan de andere zij, en vingen toen zeer veel visch. Daarna waren zij geland, en kort daarna had de Meester aan Simon Bar Jona tot driemalen toe gevraagd of hij hem liefhad. Gij weet zeker wel, dat hij den Meester driemaal verloochend heeft?»

«Ja,» antwoordde Rabbi Juda, «Suzanna heeft er mij van gesproken.»

«Welnu, nu heeft de Meester dat goed gemaakt, door hem driemalen gelegenheid te geven openlijk hem te belijden. Toch was Simon er bedroefd van geworden. Terwijl Joannes mij dit meedeelde, waren wij reeds een heel eind in zee, en weldra zag ik, dat wij weder het land naderden. Het is een woeste landstreek, dat land Gaulonitis! Hebt gij het wel eens bezocht, Abba?»

«Neen; maar ik heb er wel van gehoord. Het is een rotsachtige en woeste hoogvlakte. In vroegere eeuwen woonden daar de Amo-riten. Thans wonen er slechts weinigen van de kinderen Israels; en die er wonen zijn voor een groot gedeelte van de wet vervreemd. In het Zuiden b. v. wonen de Gadarenen in en om de stad Gadara aan de Jarmoek. Zij zijn bekend door de onreine zwijnen, die zij houden bij geheele troepen, zonder zich aan de heilige wet Ie storen.»

«Ik heb van Joannes ook gehoord,» hernam Azarja, «dat de Meester die Gadarenen eens bezocht heeft, en er toen twee wonderen verricht heeft. Een van duivelen bezeten man heeft hij verlost, en een kudde dier zwijnen in de zee verdorven door die duivelen in hen te doen varen.»

«Een bewijs, dat hij niet de wet afschafte, maar juist de eer der wet handhaafde, door die goddelooze Gadarenen te straffen voor het houden dier onreine dieren!»

«.De reis ging nu niet naar het Zuiden. Dat zou vrij wat langer

ocr page 205

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

reis zijn geweest. Wij staken van Kapernaüm het noordelijk gedeelte van het meer over, en landden weldra aan de noordoostkust, aan den voet van steile bergen, tusschen welks kloven zich een beek bruisend en schuimend in zee stortte. Het was in deze zelfde streek, dat de Meester eens vijf duizend menschen had gespijzigd met weinige brooden. Wij verlieten het schip en beklommen den berg. Het was omstreeks de vijfde ure in den morgen geworden, en nadat wij een half uur waren opgestegen, zetten wij ons neer op de grasvlakte, die boven op de rotsen is, om brood te breken, dat Joannes Bar Zebedeüs meegenomen had. Voortdurend zagen wij meerdere scheepjes komen en landen. Het was een levendig gezicht, van de hoogte af. Overal in het rond verzamelden zich groepen, en mijn vriend Joannes deelde mij allerlei wonderdaden mede, door den Meester aan verschillende der aanwezige personen verricht. Wij moesten nog een weinig verder, een weinig landwaarts in, naar een eenzamen heuveltop, ongeveer 60 stadiën ten noordwesten van Bethsaïda-Julias gelegen. Nadat wij ons met brood, wijn en visch hadden verkwikt, stonden wij dus op, en trokken noordwaarts, de beek volgende bij welker monding wij geland waren. Spoedig zagen wij den bergtop reeds in de verte, de voorste van eene rij bergtoppen, die zich uitstrekt naar het Noorden tot ten Oosten van het meer Merom. De beek ontspringt op dien bergtop. Het was omstreeks de achtste ure, toen wij bij den berg aankwamen. Reeds waren er velen bezig de helling te beklimmen. Wij klommen ook omhoog, en kwamen weldra op den top aan, een tamelijk effen vlak van ongeveer duizend schreden in doorsnede. Daar zetten wij ons neer, evenals de anderen, en wachtten stil op de komst van den Meester. Allen waren in spanning; en hoe langer wij wachtten, hoe grooter de spanning werd. Eindelijk was de negende ure reeds voorbij gegaan; het was stil geworden in de verschillende menschengroepen. Slechts nu en dan hoorde men fluisteren: «Zou hij nog niet komen?» Onwillekeurig richtten wij allen onze oogen naar het midden der ruimte, verwachtende, dat wij hem daar het eerst zouden zien

ocr page 206

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

komen; toen plotseling een geroep opging: «Daar! Daar!» Wij zagen in de richting, waar het geroep weerklonk, en zagen velen, wijzend naar een bepaald punt. Toen wij niet de honderden onze oogen daarheen richtten, ja waarlijk! daar stond hij, de Meester, juist zooals wij hem hier in Jeruzalem zoo menigmaal zagen. Hij stond buiten den kring, als had hij zooeven den berg beklommen, maar dicht in de nabijheid van zijne gezegende moeder. Een oogenblik staarden allen, als door ontzetting aangegrepen op die zoo welbekende gestalte. Doodelijke stilte had allen bevangen. Langzaam en zwijgend, de handen kalm over elkander gekruist, trad hij naar voren, totdat hij midden in den grooten kring stond. Ik kon hem duidelijk zien, en ik weet zeker, dat hij het werkelijk was! Er waren er onder hen, die wat achteraf stonden, die twijfelden, of hij het wel waarlijk was; maar ik twijfelde niet. O ik zal het nooit vergeten! Zoo eenvoudig en toch zoo verheerlijkt; zoo gewoon en toch zoo hemelsch was zijn gelaat en gestalte! Een wit opperkleed hing in breede plooien neer tot op zijne voeten. Zijn hoofd was onbedekt; en duidelijk zag ik rondom zijne slapen een lichtglans. Ook anderen verzekerden mij later, dat zij het gezien hadden. Doch velen hadden het niet gezien.

«Een tijdlang stond hij daar zwijgend, en zag deu breeden kring der honderden rond, terwijl een doodsche stilte heerschte. Elk onzer scheen hij in de oogen en in het hart te blikken; en — \'t was geen afspraak, maar als met één aandrift vervuld vielen wij allen neder ter aarde, en aanbaden hem.

«Daarop breidde hij zegenend de hinden over ons uit, waarin ik het teeken der nagelen zag, en zeide: «Vrede zij ulieden!» Daarop zweeg hij weder, en langzamerhand rezen allen weder overeind, en wachtten in sprakelooze stilte naar de woorden, die hij spreken zou. Het waren er slechts weinige. «Mij is gegeven,» zoo sprak hij, terwijl hij de rechterhand omhoog hief, «mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat daarom heen, onderwijst alle volken; leert hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb! Predikt het

190

ocr page 207

RAUBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

evangelie aan allen! Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal behouden worden! Die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden! En ziet, ik ben met ulieden tot het einde der wereld!»

(^Daarna breidde hij nogmaals de handen over de schare uit, als ten zegen. En wederom vielen wij allen voor hem neer. En terwijl zijne lippen den priesterzegen uitspraken, was het, alsof het geluid al verder en verder wegstierf; en toen het laatste woord geklonken had en ik na het «Amen» opzag, was hij verdwenen.»

«Vreemd toch, dat verdwijnen!» zei Rabbi Juda. «Menzou zeggen, dat hij toch niet lichamelijk verschijnt. Een mensch van vleesch en bloed kan toch niet verdwijnen !»

«Niet lichamelijk? Wees daar zeker van! Joannes vertelde mij, dat de Meester, toen hij den eersten avond zich in hun midden vertoonde, zich had laten betasten en ook iets gegeten had. En trouwens, ik heb het gezien! En met mij meer dan vijfhonderd personen! Neen, hij was het werkelijk, met zijn lichaam, even zeker als hij hier in Jeruzalem gewandeld heeft!»

«Ach, hoe gaarne ware ik er ook bij geweest!» zuchtte Suzanna. «Maar ik kon niet van huis.»

«Welke woorden, die woorden door u meegedeeld!» zei de Rabbi. «En toch, \'t is niet te stout gesproken. De Messias Israels mag zeggen, dat hem alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Ach, had ik het toch maar eerder geloofd! Maar wie kon denken, dat de Messias in zulk eene nederige gestalte tot ons zou komen!»

Hun gesprek werd nu plotseling afgebroken door een nieuwen bezoeker. Het was Rabbi Jona Ben Amittaï, de vader van Simei en Esther. Hij trad binnen, zag Suzanna even aan, en trad toen op zijn ambtsbroeder toe, zonder op Azarja te letten.

Rabbi Juda was intusschen opgestaan om hem te verwelkomen.

«Wees welkom, broeder Jona!» zei hij.

«God zegenc u, broeder Juda!» antwoordde hij, hem de hand reikende. Daarop zette hij zich neer op de rustbank.

«Hoe gaat het?» zei hij. «Beginnen de kwalen des lichaams

ocr page 208

192 RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

een weinig te verminderen? Gij zijt herstellende, geloof ik?»

«Mijne ziel is gezond gemaakt, en genezen van hare doodelijke kwaal, broeder. Maar mijn lichaam verzwakt. Ik weet, dat de ontbinding van mijn tabernakel haast zijn zal.»

6Gij verbaast mij! Uwe ziel genezen? Wat was dan de kwaal, waaraan zij leed?»

«Hoogmoedige eigenwaan en lichtvaardig ongeloof!» antwoordde Rabbi Juda.

«Eigenwaan, ongeloof! I5roedcr Juda, wat zegt ge? Gij zijt onbillijk jegens uzelven! Gij overdrijft!»

«Ik overdrijf niet, broeder! Mijn waan was oorzaak, dat ik niet onderzocht of hij, dien wij allen verwierpen, ook wellicht toch de Christus kon zijn! Ik meende, dat ik uit de Schriften en uit de leeringen der Rabbi\'s van Israel voldoende op de hoogte was van de wijze, waarop de Christus zou komen, en van de kenmerken zijner toekomst. Ik was wijs in eigen oogen! En terwijl ik meende tot de eersten te behooren, moest ik de laatste worden! Uit den mond van een zwak, onkundig meisje moest ik de waarheid vernemen, die ik in mijn\' ongeloof had verworpen; ik moest het erkennen, dat de steen, die van de bouwlieden verworpen is geworden, door den God Israels is geworden tot een hoeksteen. Ik leerde begrijpen, wat de heilige profeet Jesaja: bedoelt, als hij zegt, dat hij om onze overtredingen is verwond. Ja den God mijner vaderen zij dank! Mijne oogen zijn geopend geworden! Ik leerde mijn Koning ea Meester kennen, al was het ook te laat om hier in dit vreemdelingsland nog zijne stem te hoeren, zijn gezegend gelaat te aanschouwen! Maar ik weet het, weldra zal ik hem zien in zijne schoonheid; en dan, dan zal hij mij een plaats geven in Zijn koninkrijk, al is het ook de geringste plaats!»

Rabbi Jona Ben Amittaï had met toenemende blijken van ongeduld geluisterd. Zijne wenkbrauwen fronsden zich. Diepe plooien vertoonden zich op zijn voorhoofd. Zijne donkere oogen schoten vlammen, en vol verontwaardiging viel hij zijn vriend in de rede:

ocr page 209

193

«Wat praat ge toch! Wat bedoelt ge? Is het clan toch wezenlijk waar, dat gij in dien bedrieger gelooft?»

«Jezus van Nazareth is geen bedrieger, mijn vriend, maar de Christus Gods, de Koning Israels.»

Driftig sprong Rabbi Jona overeind. Hij greep de slip van zijn opperkleed, scheurde ze, en riep onder heftige gebaren:

«Bij Satan en Beëlzebul! Bij Adramelech en Azazel! Bij al de duivelen der hel! Hoe kunt ge, hoe durft ge zoo spreken! Gij lastert! Gij, een vader in Israël, een muur met schansen en torens! Gij, een springader van levend water van de kennis der wet! Gij, een Rabbi, bedekt met de sierlijke kroon der grijsheid! Bij den God van Abraham, Izak en Jakob! Gij durft dien vervloekten toovenaar, dat duivelskind den Christus noemen ? Schande, eeuwige schande zij over u!! Hij is verdoemd, vervloekt van God en de menschen! En allen, die hem volgen, zullen geworpen worden in den poel der Gehenna, die brandt van vuur en sulfer! Wee, wee over uü»

En met driftige schreden liep hij heen en weer door het vertrek, telkens binnensmonds mompelend.

Rabbi Juda had hem laten uitrazen. Toen hij een weinig bedaarde, en weer ging zitten, zei hij op zachten toon:

«Ik vergeef het u, mijn broeder, dat gij zoo spreekt. Gij zijt nog verblind, gelijk ik het was. Maar o, ik bid u, denk eens er over na, hoe vreeselijk het is den Christus te verwerpen, te veroordeelen, te kruisigen!»

«Den Christus kruisigen! Wie zal die heiligschennende daad plegen? Wie zou het wagen dien heerlijken Koning aan te raken! Hij komt om de aarde te richten; en al zijne haters zullen onder zijne voeten verpletterd worden! Die Jezus met zijne volgelingen vooraan! O mijn broeder, mijn broeder! Keer toch terug van uwen doolweg! Waarom moet gij ons ontvallen? Zijn niet reeds Rabbi Nikodemus en Rabbi Jozef van Arimathea heengegaan? Moet gij ook heengaan? O wie weet, hoevelen er weer door uw voorbeeld verleid zullen worden!» «God geve het!»

53

ocr page 210

194 RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Wat? Is het nog niet erg genoeg? Och, dat toch Israels verlossing kwame! Dat toch de Heer zich ontfermde over Sions gruis! De jonkvrouw, de dochter van Sion treurt, omdat hare kinderen in de waarheid niet staande blijven, maar op verkeerde wegen dolen! En gij, gij moet op die wegen voorgaan?»

«Gij hebt gelijk,» antwoordde Rabbi Juda, «dat de kinderen van Sion niet in de waarheid staan en op verkeerde wegen dolen. En niet alleen de kinderen van Sion, maar de leidslieden des volks niet minder. Het zijn blinde leidslieden der blinden! O kon ik het van de daken prediken, en aan alle inwoners van Jeruzalem toeroepen: Hij, dien gij verworpen en gekruisigd hebt, is uw Koning, uw Heiland! Hij zal komen in Zijne heerlijkheid en Zijne vijanden zullen zich voor Hem nederbuigen! Wee, wee der heilige stad! Wee het verblinde volk! Wee het volk, dat geen oogen heeft om te zien, geen ooren om te hooren!»

«Houd toch op!» riep Rabbi Jona vol toorn uit. «Wat gaat gij voort het volk en zijne oversten te lasteren? Hoe heeft de Satan u vervoerd! Keer toch terug van uwen dwaalweg!»

«Mijn vriend en broeder!» antwoordde Rabbi Juda, en een verheven glans straalde in zijne oogen, «laat ik u mogen verhalen op welke wijze de Heer mij de oogen geopend heeft om de waarheid te zien!»

«Ik weet het; ik weet het! Daar staat de verleidster, die, zooals Eva eens Adam, onzen vader, verleid heeft om van den verboden boom te eten, alzoo haren ouden vader in de strikken van haar vervloekte afgoderij heeft gevangen!»

«Mijne dochter Suzanna, wie God moge zegenen,» hernam Rabbi Juda, «heeft het eerst mij over Hem gesproken: dat is waar. Maar zij heeft niets gedaan dan eenvoudig de waarheid mij meededen. Zij vertelde mij van zijne wonderen, en van zijne geboorte te Bethlehem.»

«Te Bethlehem? Hij was uit Nazareth!»

«Ja, maar te Bethlehem geboren uit Davids geslacht, juist zooals

ocr page 211

KABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

de profeten voorspelden. O, waarom hebben wij hem niet aangenomen!»

aHij moge in Bethlehem of in Nazareth geboren zijn, de Messias kan hij niet zijn! Hij, die de wet niet hield en zich met tollenaren en hoeren inliet! En bovendien, als hij de Messias geweest was, dan zou hij immers niet zijn gedood? Hoe kan een gehangene, een doode kruiseling onze Koning zijn?»

«Hij is opgestaan van de dooden.»

«Ja, dat vertellen zijne aanhangers! Maar zij hebben zijn lijk gestolen, toen de soldaten sliepen!»

«Dat is onwaar!» sprak op eens Azarja, die al telkens neiging gehad had zich in het gesprek te mengen, maar uit ontzag voor de Rabbi\'s het nagelaten had.

Rabbi Jona keerde zich tot hem.

«Hoe?» zei hij, «vermeet gij u, jongeling, 11 te mengen in de gesprekken der Rabbi\'s? Kent gij zoo weinig de plichten der jeugd jegens den ouderdom?»

«Als de grijze Rabbi van mijn Meester kwalijk spreekt, dan is het mijn plicht daar tegen te getuigen. Ik ben zijn volgeling, Rabbi, en heb hem gezien na zijne opstanding! En niet alleen ik, maar velen met mij.»

«Gij zoudt hem gezien hebben? Eilieve waar?»

«In Galilea, op den berg, waar hij ons bescheiden had.»

«Onzin!»

Met dit woord stond Rabbi Jona ongeduldig op. En zich weder tot zijn vriend keerende, zei hij;

«Blijft gij volharden bij uw treurige dwaling?»

«Ik blijf volharden bij mijn geloof in den Messias van Israel. Weldra zal ik hem zien in zijne heerlijkheid,» antwoordde Rabbi Juda.

«Dan zullen wij den ban op u moeten toepassen, evenals op Rabbi Nikodemus en Rabbi Jozef van Arimathea.»

«Ga gerust uw gang! Weldra ben ik boven uw ban verheven, als de Messias mij een plaats geeft in Zijn koninkrijk!»

195

ocr page 212

I96 RABlil JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Moge de God Israels u de oogen openen!»

«Datzelfde bid ik voor u van Hem, mijn broeder!»

Zij gaven elkander de hand. Rabbi Juda hield de hand van zijn vriend vast, en hem strak in de oogen ziende, zei hij:

«Broeder Jona, vreeselijke tijden zijn aanstaande. Ik zal het niet meer beleven. Maar gij, gij zult het zien, en er zelf in deelnemen. Mijn oog is geopend; ik zie wat hierna zijn zal! Gij zult vallen door het staal der Romeinen! En uw zoon Simei zal aan een kruis zijn rampzalig leven eindigen in het gezicht van Jeruzalem.»

Rabbi Jona trok verschrikt zijn hand terug.

«Wat is dat voor taal?» zei hij. «Hoe komt gij aan zulke treurige denkbeelden?»

«De Heer openbaart het mij. Let op wat ik zeg! De tijd s nabij! Wee, wee over de heilige stad! De heidenen zullen dronkea worden van het bloed der verslagenen van Israël! De heilige tempel zal in vlammen opgaan ...»

«Houd op!» viel Rabbi Jona hem in de rede. «Ik vrees, dat gij nog niet geheel hersteld zijt, en dat uw brein verward is!»

«Neen, ik ben helder van geest. Zijn bloed zal bezocht worden aan het verblinde volk, dat zijn Messias niet gekend hoeft.»

«Kom, ik ga heen. Weldra hoop ik terug te komen, en u beter te vinden. Als gij weer geheel hersteld zijt, zullen die schrikbeelden en dwaalbegrippen wel weer wijken. Tot zoolang, vaarwel, enmcge de God Israels u zegenen.»

«Vaarwel, broeder Jona. Denk aan mijne woorden, die vervuld zullen worden op hun tijd. Groet uwe Judith. Suzanna, doe den Rabbi uitgeleide.»

Toen hij vertrokken was sprak Rabbi Juda tot Azarja:

«Kom eens bij mij, Azarja.»

Azarja zette zich neder op een bankje aan de voeten van den Rabbi.

«Mijn zoon Saul,» sprak de Rabbi nu, «is heengegaan. Hij is verblind, en geloofde niet, dat het waarheid was, wat ik hemmee-

ocr page 213

197

deelde, dat hij mijn aangezicht niet meer zien zou, als hij heenging. Maar God heeft mij en mijne Suzanna niet alleen gelaten. Hij heeft u gezonden, heden, op denzelfden dag, waarop Saul is vertrokken.»

«Waarheen is Saul vertrokken, Abba?» vroeg Azarja.

«Naar Tarsen. Hij wilde, geloof ik, zaken gaan doen. Doch eigenlijk geloof ik, dat hij een tijdlang wenschte van huis te gaan. Het valt hem hard zich tegen de betere indrukken te verzetten. Hij wil niet gelooven, en daarom ontvlucht hij mij en Suzanna. Maar geen vrees;\' te Zijner tijd zal de Heer hem de oogen openen voor zijne dwaling.»

Suzanna was weder binnengekomen en zette zich neder aan de andere zijde van den grijzen Rabbi. Zoo zat deze met de beide jongelieden ter rechter en ter linkerhand bij hem.

«Azarja,» hervatte hij weer, «gij zijt mij als een zoon; ja meer dan een zoon. Gij zijt mijn deelgenoot in het geloof. Ik heb u iets te vragen.»

«Vraag, mijn vader; en als \'t in mijn vermogen is, zal ik het volbrengen.»

«Ik weet, mijn zoon,» vervolgde de Rabbi, «dat mijne dagen geteld zijn. Wel bon ik nu schijnbaar bijna hersteld, maar dit is slechts schijn. Weldra zinkt dit broze lichaam in het graf, en wordt ik tot mijne vaderen verzameld. Saul zal dan hier niet zijn; en mijne duive Suzanna zal dan alleen en hulpeloos achterblijven. Azarja, mijn zoon, wilt gij dan die duive onder uwe hoede nemen ?»

«Ach vader,» zei Suzanna, «spreek toch zoo niet! O wij zullen God vurig bidden, dat Hij u spare!»

«Mijn kind,» antwoordde de Rabbi, «gij weet, wat de engel des Heeren mij gezegd heeft. Beklaag mij niet; want ik zal den Koning Israels in Zijne heerlijkheid zien! En wat u betreft, Azarja zal voor u zorgen. Dat wilt gij immers doen, mijn zoon?»

«Wat kan ik doen, Abba?» antwoordde. Azarja. «Ik heb geen

ocr page 214

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

recht om iets te doen voor Suzanna. Als God u wegneemt, staat zij onder haren voogd; en die zal zeker niet dulden, dat ik, een volgeling van den Nazarener, mij met haar bemoei. Bovendien zal ook Saul, die mij haat, dat tegengaan.»

Een oogenblik zweeg Rabbi Juda. Daarop hernam hij, Azarja bij de hand vattend :

«Hoor mij, mijn zoon! Gij zijt een wees; en daarom kan uw vader geen vrouw voor u zoeken. Uw voogd woont ver weg in Galilea. Laat mij voor u als een vader zijn. Laat mij u eene vrouw mogen geven. Neem Suzanna tot vrouw.»

De beide jongelieden kleurden sterk. Verschrikt riep Azarja uit: «Rabbi Juda van Tarsen, wat meent gij?»

«Wat ik zeg!» antwoordde hij. «Neem Suzanna, mijne duive, tot vrouw. Dan is zij veilig, als ik ben verzameld tot mijne vaderen. Gij hebt haar toch lief, niet waar?»

Azarja kleurde weder. Hij antwoordde:

«Rabbi, hoe kunt gij zoo iets zeggen! Ik kan u geen bruidschat geven. Ik ben een arm jongeling.»

«Ik verlang geen bruidschat. Het eenige, dat ik verlang is, dat gij Suzanna in uwe hoede neemt. Als ik ben heengegaan, staat zij alleen. Als volgelinge van den Nazarener zal zij gehaat worden. Saul zal niet rusten, voor hij haar geheel van u en de andere volgelingen des Meesters gescheiden heeft. Ik zie in de toekomst een hevigen strijd komen tusschen de volgelingen van den Meester en de andere Joden. Saul zal in dien strijd vooraan staan onder de vijanden. Dan moet Suzanna veilig zijn. Neem gij haar tot vrouw, dan is zij veilig; dan hebt gij het meeste, recht op haar, en geen voogd of broeder kan haar u ontnemen. Het moge in strijd zijn met de gewoonten in Israël, dat een vader zelf zijne dochter zonder bruidschat uithuwelijkt, in plaats van te wachten tot een der zonen van Israël ze voor een bruidschat begeert voor zijn zoon of pupil, de omstandigheden, waarin wij op het oogenblik verkeeren, zijn zeer bijzonder; en ik kan mijn hoofd niet rustig tot sterven nederleggem

198

ocr page 215

RAnm JUDA ËN ZIJNR KINDÊRËN. igg

als ik mijne duive niet veilig weet. Welnu, mijn zoon, wat zegt gij? Wilt gij het mij beloven, en u door mij met Suzanna laten verloven ?»

Azarja boog het hoofd, en kuste de hand des grijzaards, «Mijn vader,» zei hij, «God zelf heeft u dit in het hart gegeven. Ik heb Suzanna reeds lang bemind, en in stilte tot mijne echtgenoote begeerd.»

«Welnu, des te beter!» antwoordde de Rabbi. Daarop de hand van Suzanna grijpende, die blozende alles aangehoord had, zei hij:

«Suzanna, mijne duive, wilt gij de bruid worden van Azarja Ben Itaï?»

«Het past eene dochter Israels den man te volgen en te dienen, die haar vader voor haar heeft uitgekozen,» antwoordde zij zedig.

«En kost het u eene opoffering, valt het u moeilijk Azarja als dien man aan te nemen?»

«Neen, vader,» antwoordde zij zacht. «Gaarne wil ik zijne slavin zijn! Wij zijn één in het geloof in den Messias.»

«Welnu dan,» vervolgde hij, hunne handen samenleggende, «dan geef ik u, Suzanna, mijne duive, aan hem, Azarja Ben Itaï, tot huisvrouw. Wees vruchtbaar en vermenigvuldig! Geve de God onzer vaderen u Zijn zegen in uw huis! En als moeilijke dagen komen, dat dan de liefde uw schild zij, en het geloof uw pantser! Vertrouw op God en op Zijnen Gezalfde. Hij zal u samen zegenen!»

Een oogenblik lagen de beide jongelieden geknield voor hun vader. Toen stonden zij op, en Azarja drukte een zedige verlovings-kus Suzanna op de lippen.

«Ga nu heen, Azarja,» sprak de Rabbi, «en kom morgen terug met de getuigen. Dan zullen wij dc verlovingsakte in orde maken, opdat als ik ben heengegaan gij uw recht op Suzanna kunt laten gelden, en Saul, als hij terugkomt, haar niet aanu kan ontrukken.»

Azarja gehoorzaamde en nam afscheid van Rabbi juda. Suzanna deed haren bruigom uitgeleide tot in den voorhof van het huis. Daar toefden zij een oogenblik, en zagen elkaar in de oogen.

ocr page 216

RABBI JUDA EN ZIJNE KINDEREN.

«Suzanna, mijne vriendin, mijne bruid!» sprak Azarja. En hij trok haar aan zijn hart en omhelsde haar hartstochtelijk.

«Ik heb ii reeds lang liefgehad!» fluisterde hij.

«En ik u, Azarja!» antwoordde zij.

Toen scheidden zij. Suzanna keerde terug tot haren vader, en Azarja begaf zich naar zijn verblijf in de Akra, in het huis van den wolhandelaar.

200

ocr page 217

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET PINKSTERFEEST.

Wederom maakte Jeruzalem zich gereed feest te vieren. Het feest der weken, het Pinksterfeest was aanstaande; en reeds kwamen van alle oorden de vreemdelingen in de heilige stad. Evenals met het Paaschfeest waren ook nu in Jeruzalem vele woningen met gasten gevuld. Evenals met het Paaschfeest waren de hellingen der bergen rondom de stad met tenten bedekt; en het gewoel in de straten en in de voorhoven des tempels nam dagelijks toe. De priesters maakten zich reeds gereed voor den drukken dienst, dien zij met het feest te verrichten zouden hebben. Op de velden rondom Jeruzalem waren de landlieden druk bezig de eerstelinggaven te verzamelen, om ze straks, op ezels geladen, in de heilige stad en den heiligen tempel te brengen. Overal heerschte vreugde en opgewektheid, en het schoone zomerweder werkte daar niet weinig toe mee.

In het huis van Rabbi Juda van Tarsen echter heerschte geen vroolijkheid. Daar werden weeklachten gehoord, daar vloeiden tranen. De voorspelling was in vervulling getreden; de oude Rabbi was onverwacht en plotseling gestorven, zijne dochter Suzanna in diepe droefheid achterlatende. En Saul, zijn eenige zoon, die thuis had behooren te zijn, was weg; het was niet mogelijk hem bericht te zenden van den dood zijns vaders, want niemand kon met zekerheid zeggen, waar hij zich bevond; en bovendien, eer een bode hem

ocr page 218

li\'KT PÏNkSTÊRFÉËSt.

bereikt zou hebben zou toch reeds lang het lijk zijns vaders ten grave zijn gedragen.

Er heerschte gewoel in het voorhof van het huis. Dienaren met gescheurde kleederen liepen af en aan. Eene lijkbaar stond gereed, waarop straks het lichaam van den Rabbi ten grave gedragen zou worden. Uit het huis klonk het geschrei en het gejammer der gehuurde klaagvrouwen, en ook andere vrouwen, bloedverwanten van den overledene, liepen in en uit om alles te regelen voor de begrafenis en het begrafenismaal. In de kamer, waar nog kort te voren het gesprek tusschen den Rabbi en Azarja had plaats gehad, had nu alles een ander aanzien verkregen. Rouwfloers bedekte de wanden; op een tafel, die in het midden van het vertrek stond, lag het lijk van den Rabbi, in kostbaar lijnwaad gewikkeld, waarin welriekende kruiden gestrooid waren. Een versleten wetrol lag naast het lijk. Deze wetrol moest met hem begraven worden, als een teeken, dat den Rabbi onderscheidde. Men nam daarvoor bij voorkeur een versleten wetrol, om aan te duiden, dat de overledene zoo ijverig gestudeerd had in de wet, dat de rol er geheel door was versleten.

Suzanna bevond zich niet in dit vertrek, maar in een aangrenzend. Zij was daar niet alleen; drie Jodinnen, van meer gevorderden leeftijd, waren bij haar, en trachtten haar op te beuren.

«Het is toch een zegen, Suzanna,» zei een hunner, «dat de Rabbi zulk een gezegenden leeftijd mocht bereiken. God heeft hem niet afgesneden in het midden zijner dagen.»

«Zeker, tante,» antwoordde Suzanna. «Lengte van dagen is hem geschonken. Maar toch, hij had nog wel ouder kunnen worden! Er zijn er genoeg in Israël, die een veel hoogeren leeftijd bereiken.»

«Hij is altijd een trouwe zoon der wet geweest,» zei de tweede der vrouwen, iets jonger dan de eerste. «God zal hem zeker beloonen, en als de Messias komt hem ook doen opstaan tot het eeuwige leven met al de rechtvaardigen.»

Suzanna zag de spreekster aan, en een blos kleurde hare wangen.

ocr page 219

HET PINKSTERFEEST.

«De Messias is al gekomen. Mijn vader geloofde in hem, en is in het geloof aan hem gestorven,» zei zij.

De drie vrouwen maakten een gebaar van schrik.

«Gij wilt toch niet zeggen, nicht,» zei de eerste, «dat de Rabbi, uw vader ook een aanhanger geworden is van dien valschen Messias, dien Nazarener, dien de Raad met het Paaschfeest heeft laten kruisigen ?»

«Ik wil zeggen,» antwoordde Suzanna kalm, «dat mijn vader gestorven is in het vaste geloof in Hem, dien gij een valschen Messias noemt, maar die werkelijk de Messias is, en uit de dooden opgestaan, weldra zijn heerlijk koninkrijk in Israël stichten zal.»

«Wat?» riepen alle drie tegelijk. «Gij, ongelukkige, gij hebt uwen vader verleid tot uwe vervloekte dwaling?» zei de tweede der vrouwen.

«Ik wist wel, dat gij afvallig waart geworden,» zei de derde der vrouwen. «Saul had er over gesproken tot Judith, de vrouw van Rabbi Jona Ben Amittai. Maar dat gij ook uwen vader verleid hebt! Nu is hij onrein! Nu mag hij eigenlijk niet begraven worden m gewijde aarde en met de eer van een Rabbi!»

«Stil!» zei de oudste weder, die door Suzanna met den naam «tante» was aangesproken. «Spreek er om Gods wil niet over; met niemand. Het behoeft niet bekend te worden. Wat een opschudding zou dat geven! Het is beter, dat \'quot;t niet bekend wordt!»

«Gij moogt het mijnentwege vertellen aan wien gij wilt!» zei Suzanna. «Ik draag er roem op!»

«Zwijg toch, kind!» zei hare tante weder. Daarop stond zij op en verliet het vertrek, door de beide anderen gevolgd. Suzanna bleef alleen.

Een uur later was de plechtigheid afgeloopen. Buiten Jeruzalem, aan den voet van den Olijfberg, een weinig rechts van den weg naar Bethanië was het in de steenrots uitgehouwen graf, waarin het lijk van den Rabbi was nedergelegd. De steen was voor den mond des grafs geplaatst; de dragers hadden de baar weder opgenomen, en de stoet begaf zich weder huiswaarts.

203

ocr page 220

lo\\

Toen zij weder de Schaapspoort binnenkwam, ontmoette haar een groep mannen, die langzaam naar buiten wandelden, den weg op naar den Olijfberg. In het midden dier groep liep een persoon van rijzige gestalte, gekleed in een tot op de voeten nedergolvend wit gewaad. Het scheen, dat de andere mannen een weinig van hem verwijderd bleven, ofschoon zij hem aan alle zijden omringden. Zijne golvende lokken schenen in het zonlicht licht af te stralen. Toch scheen hij niemands aandacht te trekken, en rustig wandelden de mannen voort, de Schaapspoort uit, en beklommen den Olijfberg.

«Heer,» zoo sprak er een uit de groep hem aan, die in het midden liep, «zult gij nu aan Israël het koninkrijk oprichten?»

Het gelaat van den in het wit gekleeden straalde van een vreemden glans. Hij zag den spreker aan met een half medelijdenden, half berispenden blik, en antwoordde:

«Het komt ulieden niet toe, de tijden of gelegenheden te weten, die de Vader in Zijne eigene macht gesteld heeft. Maar gijlieden zult kracht ontvangen van den heiligen Geest, die op ulieden zal komen. En gijlieden zult mijne getuigen zijn; hier in Jeruzalem, en in geheel Judea, en in Samaria en tot het uiterste der aarde.»

De mannen antwoordden niet; zwijgend beklommen zij gezamenlijk den Olijfberg, totdat zij den top bereikt hadden, waar de weg weder afdaalde naar Bethanië. Hier hielden zij stil, op een wenk van den in het wit gekleeden leidsman.

«Gelijk ik u gezegd heb,» zoo sprak hij nu tot de mannen, die rondom hem stonden, «zoo is geschied. De Zoon des menschen moest veel lijden, en van de menschen verworpen en gedood worden. Maar ook moest hij ten derden dage opstaan uit de dooden. Tot Maria Magdalena heb ik het gezegd op den dag mijner opstanding: Ga, zeg het mijne broeders: ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, tot mijnen God en uwen God. Nu is die ure gekomen. Maar, zooals ik den Joden gezegd heb, zeg ik ook u: Wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ik allen tot mij trekken. Blijft gijlieden in Jeruzalem, totdat gij de belofte des Vaders zult

ocr page 221

HET PINKSTERFEEST. 205

ontvangen hebben, waarvan ik 11 gesproken heb. Joannes doopte wel in water, maar gijlieden zult in den heiligen Geest gedoopt worden, na niet vele dagen. En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen: in mijnen naam zullen zij duivelen uitdrijven; in nieuwe talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; ja al is het, dat zij iets doodelijks drinken, het zal hun niet schaden. Daarom, gelijk ik u in Galilea gezegd heb, zeg ik ook nu: Gaat heen in de geheele wereld; predikt het evangelie aan alle schepselen!»

Daarop breidde hij zegenend de handen over hen uit, en zij vielen allen ter aarde neder.

Het was doodstil op den Olijfberg. De heldere zon schitterde in het golvende haar van den zegenenden Meester. Zijn wit gewaad begon te blinken. Plechtig en als muziek klonken de woorden van den zegen des priesters van zijne lippen :

«De Heer zegene ulieden en behoede ulieden! De Heer doe Zijn aangezicht ever ulieden lichten en zij ulieden genadig! De Heer verheffe Zijn aangezicht over ulieden en geve ulieden vrede!»

Toen voegde hij er bij:

«Vrede geef ik u! Mijnen vrede laat ik u! Amen!»

De heldere stem zweeg. De mannen zagen op, en rezen weer overeind.

Nog stond hij in hun midden met uitgespreide handen. Doch — wat was dat? Zijne voeten raakten den grond niet meer! Hij stond, als in de lucht, een weinig boven den grond!

Toen zij allen hierop opmerkzaam geworden waren, zagen zij hem rijzen, rijzen, al hooger en hooger, uit hun midden; boven hunne hoofden uit; boven de toppen der boomen uit, verder, verder...

Weg was hij op eens! — Zij zagen hem niet meer; maar op de plek aan den blauwen hemel, waar hij verdwenen was, zagen zij een wolk, glinsterend in het zonlicht, die langzamerhand kleineren doorschijnender werd, en eindelijk geheel verdween.

Nog altijd stonden ze sprakeloos naar boven te staren, toen zij op eens eene stem hoorden, dicht in hunne nabijheid.

ocr page 222

2o6

«Gij Galileesche mannen,» zoo klonk die stem, «wat staat gij hier te staren naar den hemel?»

De mannen richtten hunne blikken weder naar de aarde en zagen naar den kant, vanwaar zij de stem vernomen hadden. Daar stonden twee schoone jongelingen, gekleed in hetzelfde witte opperkleed, dat hun Meester steeds had gedragen, nadat hij uit het graf was verrezen.

Vol ontroering staarden de Galileërs de beide schoone jongelingen aan, die hen glimlachend aanzagen.

«Wij weten, wien gij zoo nastaart,» klonk nu de stem van den eencn jongeling weder, «namelijk Jezus, den Nazarener. Ik zeg u, deze Jezus, die zooeven van u is opgenomen in den hemel, zal eens wederkomen, zooals gij hem nu hebt zien henen varen naar den hemel.»

Nauwelijks hadden deze laatste woorden hunne ooren bere.kt, of de beide in het wit gekleede jongelingen waren verdwenen.

«Het waren engelen!» fluisterden de mannen elkander toe.

«Komt, mannen broeders,» zei een hunner, in wien wij Simon Bar Jona, bijgenaamd Petrus herkennen, «de Meester zal wederkomen, hebben de engelen gezegd. En wij zullen in den heiligen Geest gedoopt worden en kracht uit den hemel ontvangen! Wat hebben we hier nog te toeven? Ga mee, terug naar Jeruzalem!»

«Wij hebben den Eengeborene des Vaders in zijne heerlijkheid zien ingaan, waar hij tevoren was,» zei Joannes BarZcbedeüs. «Wij mogen ons verblijden en verheugen, want wij hebben in hem geloofd, en het eeuwige leven is ons deel! Komt, mannen broeders! Laat ons tot bidden en vasten ons vereenigen, met allen, die ook den Meester liefhebben, totdat op ons uitgegoten wordt de Geest uit de hoogte!»

«Ja, wij gaan mede!» zeiden de anderen. En zij keerden terug naar Jeruzalem, en het was aan hen te bemerken, dat grooteblijdschap hun hart vervulde.

«Vreemd,» zei Simon Petrus, «dat geen der Jeruzalemmers hem bemerkt heeft, toen hij straks met ons door de straten wandelde,

ocr page 223

HET PINKSTERFEEST. 207

die hij vroeger niet betreden kon, zonder dat eene groote schare hem volgde.»

ciMij verwondert dat niet,» antwoordde Joannes Bar Zebedeüs. «Voorcest gelooft niemand aan zijne opstanding. Zij meenen, dat wij het lijk des Meesters gestolen hebben, en denken niet aan de mogelijkheid, dat hij, dien zij dood wanen, omdat zij hem aan het kruis zagen sterven, nog over hunne straten zou wandelen. Bovendien, ook de broeders, die hem op den weg naar Emmaus ontmoet hebben op den dag der opstanding, hadden hem eerst niet herkend. De oogen der Jeruzalemmers zijn gehouden geworden, dat zij hem niet herkenden. Zij zullen hem niet zien, voor hij wederkomt met de wolken des hemels om te oordeelen de levenden en dooden. Dan znllen zij hem zien, in wien zij gestoken hebben!»

«Hoe vrecselijk zal die dag zijn!» zei Simon Petrus.

«■Ja, «die dag komt, brandende als een oven,» zegt de profeet. «Dan zullen zij, die riepen: «Kruis hem! kruis hem!» tot de bergen zeggen: «Valt op ons,» en tot de heuvelen: «Bedekt ons!» Maar dan ook zal hij zijn koninkrijk oprichten en Israel heerlijkheid en eere geven.»

De elf mannen begaven zich onder levendige gesprekken naar de opperzaal in het huis van Jacob Bar Simon, waar zij in de laatste dagen, nadat zij weder in Jeruzalem waren teruggekeerd, hun plaats van samenkomst hadden.

Toen zij binnentraden, waren er reeds vele personen tegenwoordig, waaronder velen, die ons reeds bekend zijn en anderen, die wij vroeger nog niet in hun gezelschap ontmoet hebben, met hen mede-gereisd uit Galilea.

De gastheer, Jacob Bar Simon, kwam hen tegemoet.

«Ik heb u straks met elkander hooren uitgaan, en thans keert ge samen weer terug. Zeg ons, is er iets bijzonders gebeurd? Uwe aangezichten staan zoo blijde!»

«De Meester is van ons heengegaan; maar hij komt weder!» zeiden verschillende stemmen te gelijkertijd.

ocr page 224

2o8 het pinksterfeest.

«Was hij ii dan weder verschenen? Ik dacht, dat de ontmoeting in Galilea de laatste geweest was!»

«Wij zullen n alles geregeld vertellen, wat van morgen gebeurd is,» zei Joannes Bar Zebedeüs.

Alle aanwezigen schaarden zich nu rondom Joannes; de meesten zetten zich neder op de rustbanken. Joannes zelf en eenige der andere leerlingen bleven staan.

«Wij waren van morgen reeds vroeg samengekomen,» zoo sprak nu de zoon van Zebedeüs, «en zaten hier met ons elven bijeen, sprekende over de dingen, die ons allen belang inboezemen. Wij hadden nog niet lang gesproken, toen op eens de Meester weer, evenals nu in de laatste weken zoo dikwijls, in ons midden stond. «Ik kom tot u,» zoo sprak hij, «om u uit te leiden naar den Olijfberg. Komt, gaat met mij!» Toen ging hij ons voor naar de deur dezer opperzaal en daalde den trap af naar beneden. Natuurlijk stonden wij op, en volgden den Meester. Zwijgend ging hij over de straten van Jeruzalem, waar tot onze verbazing niemand hem scheen op te merken of te herkennen. Wij omringden hem aan alle zijden, en spraken onderweg nog met hem. Veel echter sprak de Meester niet, totdat wij den Olijfberg hadden beklommen. Toen bleef hij staan, breidde zijne handen over ons uit, en sprak nog eenige woorden. Hij beloofde ons, dat wij kracht van boven zouden ontvangen en in den heiligen Geest gedoopt rouden worden na niet ve!e dagen. H ij zeide, dat allen, die in hem geloofden, velerlei teekenen ontvangen zouden; en droeg ons ten slotte nog eens op om in de geheele wereld uit te gaan om het evangelie te prediker. Maar wij moesten hier in Jeruzalem blijven, totdat wij de kracht des Geestes ontvangen hadden. En toen sprak hij eindelijk den zegen over ons uit, terwijl wij neerknielden. Toen wij oprezen, zagen wij hem voor onze oogen omhoogvaren, totdat een wolk hem wegnam uit onze oogen.»

«Wat zegt ge?» «Opgevaren is hij?» «Heengegaan?» Deze en dergelijke uitroepen van de aanwezigen beletten Joannes een oogen-blik voort te gaan.

ocr page 225

209

«Hij is heengevaren naar den hemel,*) antwoordde Joannes, «maar hij zal wederkomen! Engelen hebben het ons gezegd! En dan, als hij zal komen op de wolken des hemels, dan zal Israël hem voor zijn Koning en Messias erkennen! Dan zullen al de heerlijke profetieën vervuld worden !»

«En in dien tusschentijd ? Wat moeten wij in dien tusschentijd doen?» Het was de proseliet Nikanor, die dit vroeg.

«Dat heeft de Meester duidelijk ons gezegd!» antwoordde Simon Petrus. «Wij moeten heengaan en het evangelie prediken!»

«Eerst echter moeten wij de kracht van den Geest ontvangen!» zei. Jacobus Bar Zebedeüs.

«Ja, en zoolang, totdat wij dien Geest hebben ontvangen, moeten wij hier in Jeruzalem blijven,® voegde Joannes, zijn broeder, er bij.

«Zou dat lang duren?» vroeg een man van een edel uiterlijk, die naast den proseliet Nikanor gezeten was.

«Neen, Stefanus,» antwoordde Simon Petrus snel. «De Meester zeide, dat wij in den Geest gedoopt zouden worden na niet vele dagen.»

«De Geest heeft mij gezegd,» sprak eene heldere vrouwestem, «dat het op het Pinksterfeest zijn zal.»

Allen wendden hunne blikken naar den kant, vanwaar deze woorden kwamen. Het was Ruth, die ze gesproken had.

«Hoe, Ruth,» zei Joses de Leviet, tot haar, «de Geest heeft u dat gezegd? Hebt gij dan den Geest reeds ontvangen?»

«Sedert de Meester mij verlast heeft,» antwoordde zij op zachten toon, «heeft de Geest mij meer dan eens dingen meegedeeld, die later uitkwamen. Zoo zal ook dit zeker geschieden.»

«Dat is de gave der profetie!» zei Stefanus.

«Dat weet ik niet,» antwoordde Ruth. «Ik wil mij niet aanmatigen eene profetes te zijn. Ik ben eene groote zondares geweest, en nu eene nederige volgelinge van den Meester. Maar wat ik u zeg is de waarheid. Ik zag ook het lijden des Meesters vooruit, evenals zijne opstanding.»

14

ocr page 226

HET PINKSTERFEEST.

«Geve God, dat het waar moge zijn!» zei Simon Petrus. «Het is door de profeten voorspeld, dat is zeker.»

«Door welken profeet is het voorspeld?» vroeg een der vrouwen.

«Wel,» antwoordde Petrus, «door Joel. Het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat ik van mijn Geest zal uitgieten op alle vleesch.»

«Ja, en ook Ezechiël spreekt er van, en Jezaja niet minder;» zei Stefanus. «Ezechiël spreekt van den nieuwen Geest, dien God aan Israël geven zal. «Ik zal mijn Geest geven in uw binnenste, en zal maken, dat gij in mijne inzettingen wandelen zult,» zoo spreekt de profeet. Ook het gezicht van het veld met doodsbeenderen, waarin de Geest des Heeren blaast om ze levend te maken, wijst e;: op. En zegt Jezaja niet; «Ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten, en mijn zegen op uwe nakomelingen?!)

«Gij schijnt in de Schriften tehuis te zijn, broeder!» zei Joannes Bar Zebedeüs.

«Ik heb onderwijs gehad,» antwoordde Stefanus, «van een Schriftgeleerde, en ik dacht er over om zelf ook een Schriftgeleerde te worden. Maar de woorden van onzen gezegenden Meester, toen hij, Galilea doorreizende, ook in ons vlek kwam, hebben mij de ijdelheid doen inzien van een dor en geesteloos bestudeeren van de Schriften, zonder dat men den geest der Schriften verstaat.»

«Zijt ge toen reeds een aanhanger geworden van den Meester?»

«Neen. Wel had hij een diepen indruk op mij gemaakt, en zijne woorden waren als vruchtbare korrelen in mijn hart gevallen. Maar ik heb toen nog niet begrepen, dat wij hem, en hem alleen behoeven, en alle andere dingen ijdel zijn.»

«Gij wilt toch niet zeggen,» zei Jacobus Bar Zebedeüs, «dat voor ons, die in den Meester gelooven, de offerdienst in den tempel en het lezen der wet in de synagoge- overbodig zouden zijn ?»

«Ik zeg niet, dat wij ohs daaraan onttrekken moeten,» antwoordde Stefanus; «maar ik zeg alleen, dat wij, die in Jezus den Christus Gods hebben gevonden, in hem ook alles bezitten, wat wij behoeven, zoodat, hoe goed het moge zijn om aan de plechtig-

2IO

ocr page 227

HET PINKSTERFEEST.

heden in den tempel deel te nemen, wij er toch eigenlijk geen behoefte meer aan hebben.»

«Daar ben ik het niet mee eens!» antwoordde Jacobus. En ook andere der aanwezigen gaven hunne verbazing te kennen. «Hoe?» zei Levi Mattheüs, «ontzegt gij alle waarde aan den offerdienst, Stefanus?»

En zich tot een ander man wendende, vervolgde hij: «Hoort gij dat, Theophilus? Stefanus acht de offers niet meer noodig voor ons.»

«Ik ben en blijf priester,» antwoordde Theophilus, «en hoop mijn werk getrouw te blijven vervullen. Verklaar ons eens nader, broeder, wat gij bedoelt!»

«Ik begrijp niet,» antwoordde Stefanus, «dat gij allen dit ook niet inziet! Waarvoor, vraag ik u, dienen de dagelijksche offers in den tempel? Waartoe anders, dan om verzoening te doen voor de digelijksche overtredingen van Israël, en om eiken dag den band met God te vernieuwen? Doch sedert de Christus gestorven is volgens de Schriften, en opgewekt volgens de Schriften is voor hen, die in hem gelooven, geene andere verzoening meer noodig, dan die gelegen is in zijn dood!»

«Wat bedoelt gij met eene verzoening in zijn dood?» vroeg Rabbi Nikodemus.

«Daarmee bedoel ik hetzelfde,» antwoordde Stefanus, «als wat de profeet Jesaja bedoelt, als hij zegt van den Christus: «Hij is om onze overtredingen verwond, en om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen zijn wij genezen geworden.»

«Gij meent dus,» vroeg Simon Petrus, «dat de dood van den Meester aan het kruis noodig was om onze zonden te verzoenen?»

«Juist! Dat is naar ik meen de bedoeling van het woord van den profeet. Als het dat niet beteekent, wat beteekent het dan?»

«Ik heb dat nog niet zoo begrepen; maar ik geloof, dat gij gelijk hebt,» antwoordde Simon.

«Ja,» zei Joannes Bar Zebedeüs, «het is eene schoone gedachte.

211

ocr page 228

HET PINKSTERFEEST.

dat hij, stervende aan het kruis, eene verzoening bewerkte voor onze zonden!»

«Maar de wet is toch door God gegeven tot eene eeuwige inzetting!» bracht de priester Theophilus weder in het midden.

«De wet is ook niet ontbonden;» antwoordde Stefanus. «De Christus is de vervuiler der wet. Er gaat niets voorbij van de Schriften, dat niet in hem vervuld wordt.»

«Ja,» zei Joannes Bar Zebedeüs, «de Meester heeft het zelf gezegd, dat hij niet was gekomen om de wet te ontbinden, maar om die te vervullen.»

Zoo spraken zij nog geruimen tijd samen, totdat het donker begon te worden, en de gastheer Jacob Bar Simon de lampen aanstak, die grillige schaduwen in de hoeken der opperzaal te voorschijn riepen, en hun rooden schijn op de aangezichten der aanwezige\'! lieten stralen.

«Waar is Azarja Bar Itaï?» vroeg Joannes Bar Zebedeüs na een poos aan den Leviet Joses.

«Ik weet het niet,» antwoordde deze. «Ik had ook gedacht hem van avond wel hier te zullen zien.»

«Ik weet, waar hij is,» zei Joannes Marcus, de neef van Joses. «Hij is gegaan naar het huis van Rabbi Juda van Tarsen, die heden begraven is. Hij is verloofd met Suzanna van Tarsen.»

«Zij behooren beiden tot ons,» zei Joannes Bar Zebedeüs. «Ik heb hen beiden leeren kennen op den dag, toen de Meester stierf. Hij is een edel jongeling, en zij is een sieraad onder de dochteren Israels.»

«Jammer, dat haar broeder Saul een vijand is van den Meester!» antwoordde Joannes Marcus.

«God is machtig hem ook te veranderen.»

«God is machtig! Maar er is anders weinig kans op! Hij is een vriend van Simeï Ben Jona, den zeloot, die denongelukkigenJudas Iskariot heeft verleid een verrader te worden. Nu zijn vader gestorven is, is er niets, dat hem langer terughouden zal om zich bij de bitterste vijanden te scharen.»

212

ocr page 229

HÉT PINKSTERFËEST.

Terwijl deze en dergelijke gesprekken gevoerd werden in de opperzaal van het huis van Jacob Bar Simon, was Azarja op weg naar de nu in rouw gedompelde woning zijner bruid. In diepe gedachten verzonken wandelde hij voort. Hij had het bericht van het overlijden van den Rabbi ontvangen. Suzanna had het hem gezonden; hij wist, dat heden het lijk des gestorvenen naar het graf was gedragen; en nu ging hij heen om zijne rechten als bruidegom te laten gelden, en, zoo mogelijk, Suzanna onder zijne bescherming te nemen en te onttrekken aan hare den Meester vijandige familie.

Hoe zou hij ontvangen worden? Hoe zou de oom en voogd van Suzanna, Rabbi Alexander, zich jegens hem gedragen? Zou hij hem te wille zijn, en aan zijne begeerte, om Suzanna ergens anders in huis te doen, tegemoet komen? Of zou hij hem onheusch bejegenen?

Hij behoefde niet lang in onzekerheid te verkeeren, want reeds had hij het huis van zijne bruid bereikt. Hij ging naar binnen. De deurwachter, die hem kende, wees hem een vertrek aan, waar de familie zich bevond. Azarja trad toe op de deur van dat vertrek en klopte aan.

Een dienaar opende de deur, en Azarja trad binnen.

Suzanna was daar; zij zat, met gescheurde kleederen en roodgeweende oogen, tusschen de drie vrouwen, die haar dien dag gezelschap hielden. Ook een paar mannen waren in het vertrek aanwezig. Rabbi Alexander was onder hen.

Azarja boog eerbiedig voor den Rabbi, en groette ook de andere aanwezigen. Daarop trad hij toe op Suzanna, greep hare hand, drukte er een kus op, en zei;

«Suzanna, mijne vriendin! Zoo is het dan toch gebeurd! Wel mocht uw vader het ons vooruit voorspellen. God had hem de toekomst ontsluierd! Moge God u troost geven en balsem gieten in uwe wonde !»

Zij zag hem aan met een vriendelijken glimlach.

amp;De God mijns vaders is mij tot sterkte,» antwoordde zij zacht.

ocr page 230

HET PINKSTERFEEST.

«En gij,» vervolgde zij, duidelijk sprekende, «zijt mijn beschermer en steun. Voortaan behoor ik u toe, Azarja Ben Itaï!»

o Wat zegt ge daar, Suzanna?» sprak nu haar oom, Rabbi Alexander. «Hoe kunt gij aan dezen jongeling toebehooren? Gij staat voortaan onder mij, uwen voogd, totdat een der zonen Israels voor u een bruidschat geven wil. Dan behoort gij uwen man!»

«Azarja is mijn toekomstige echtgenoot;» antwoordde zij, haren oom eenvoudig doch beslist aanziende. «Wij zijn samen verloofd.»

«Verloofd? Gij verloofd, Suzanna? En dat met dezen jongeling?» riep de oudste der vrouwen, de echtgenoote van Rabbi Alexander, vol verbazing uit. En ook de anderen gaven hunne verwondering te kennen. Een der jonge mannen, een zoon van Rabbi Alexander, werd zichtbaar bleek. Suzanna bleef kalm en rustig; zij zag haren oom in het gelaat, en antwoordde;

«Het was de wil mijns vaders. Vóór hij stierf, heeft hij mij plechtig als bruid verbonden aan Azarja.»

«En wie,» zoo vroeg Rabbi Alexander aan Azarja, «heeft voor u geworven bij mijn schoonbroeder om zijne dochter? Hebt gij den vereischten bruidschat betaald? En is uwe verloving onder getuige van twee of drie mannen van Israël bekrachtigd en op schrift gesteld?»

«Het laatste is geschied;» antwoordde de jongeling. En een stuk perkament te voorschijn halende, overhandigde hij dit aan den Rabbi.

«Het is in orde,» zei deze, nadat hij het ingezien had. «Maar ik zie hier niet den naam uws vaders vermeld.»

«Mijn vader Itaï is reeds jaren geleden tot zijne vaderen vergaderd,» antwoordde Azarja. «Mijn voogd woont in Galilea; en ik zelf ben hier in Jeruzalem komen wonen om de lessen van Rabbi Gamaliel te volgen. Noch mijn voogd, noch ik zelf hebben gedongen om de hand van Suzanna. De Rabbi, haar vader, heeft uit eigen beweging mij zijne dochter gegeven.»

«Hoe vreemd!» riep de vrouw van Rabbi Alexander uit. «Waarom heeft hij niet gewacht, totdat iemand om haar kwam werven!»

214

ocr page 231

HËT PlNKSTERFÈËST.

«Mijn vader wist, dat hij sterven zou,1!) zei Suzanna zacht. «Hij wilde, dat ik, als hij stierf, Azarja tot steun hebben zou.»

«En ben ik u dan niet tot steun?» vroeg Rabbi Alexander op gekrenkten toon. «En is uw broeder Saul er niet?»

«Het past mij niet een oordeel uit te spreken over de handelingen mijns vaders,» antwoordde Suzanna.

«In elk geval. Rabbi,» hervatte Azarja, «gij ziet, dat de zaak, om welke reden dan ook, zoo geregeld is. Suzanna is mijne wettige bruid, en ik hoop haar ter bestemder tijd als mijne huisvrouw tot mij te nemen.»

«In ieder geval moet gij daarmee een jaar wachten.»

«Die tijd kan toch ook, wegens bepaalde redenen, worden verkort ?»

«Ja, om bepaalde redenen.»

«Daarover spreken wij dus later. Maar nu, eerwaarde Rabbi, heb ik een verzoek.»

«Laat mij uw verzoek hooren.»

«Ik wenschte, dat gij mij toestondt, Abba, om mijne bruid te brengen in eene mij goed bekende familie, waarmee ook Suzanna veel omgaat, opdat zij daar haar intrek neme, zoolang wij verloofd zijn. Zij kan toch niet alleen hier blijven!»

«Dat laatste behoeft niet. Haar broeder komt weldra terug, en die kan zoolang voor haar zorgen, tot gij haar als uwe huisvrouw tot u neemt. Ook kan zij met mij meegaan, als zij dat verkiest. Mijn huis is groot genoeg.»

«Ik heb reden om te gelooven, Rabbi,» antwoordde Azarja, «dat Saul zeer tegen het huwelijk zijner zuster met mij zijn zal. Als het van hem afhing, zou hij het zeker verhinderen. Hij is mijn vijand.»

«Ja, dat komt, doordat gij een afvallige geworden zijt! Saul is een ijverig Farizedr!»

«Gij hebt gelijk, dat mijn geloof in Jezus van Nazareth als den Christus Gods de oorzaak van zijn haat is. Welnu; dat is eene reden te meer om mijn verzoek in te willigen. Ook Suzanna gelooft in Jezus; en haar vader is in hetzelfde geloof gestorven. Gij moögt

ocr page 232

HÉT PINKSTERFEEST.

ons geloof veroordeelen, sta ons toe ons aan te sluiten bij hen, die dat geloof met ons deelen! Laat Suzanna haren intrek mogen nemen bij hare vriendin, Maria van Cyprus. Ik heb met haar er reeds over gesproken.»

Een tijd lang werd nog over de zaak beraadslaagd; maar eindelijk gaf de oom van Suzanna zijne toestemming. Toen iets later de Rabbi met zijne vrouw en de andere bloedverwanten vertrokken was, gaf Suzanna bevel aan de dienaren, betreffende hare verhuizing. De dienaar, die als deurwachter dienst deed, moest met nog een slaaf het huis bewaren, totdat haar broeder zou terugkomen. Daarop zocht zij bijeen, wat zij wilde medenemen, en in den laten avond bracht Azarja haar naar de woning van Maria van Cyprus.

Snel gingen de dagen voorbij, die nog moesten verloopen eer het Pinksterfeest aanbrak. Suzanna en Azarja waren bijna dagelijks bij elkander, en woonden geregeld de samenkomsten bij van de volgelingen des Nazareners, die ten huize van den koopman Jacob Bar Simon in de ons bekende opperzaal plaats hadden. Het getal der volgelingen was sedert de verschijning des Meesters op den berg in Galilea zeer toegenomen; en bedroeg nu omstreeks honderd twintig personen. Behalve de ons reeds bekende mannen en vrouwen was er een groot getal van de vijfhonderd getuigen der verschiining in Galilea nu in Jeruzalem gevestigd. Ook de moeder des Meesters, Maria van Nazareth, was in den kring, en Suzanna sloot zich dadelijk nauw aan haar aan. En de broeders van Jezus, Simon en Jacobus, die vroeger niet in hem hadden willen gelooven, maar die van zijne verschijning op den berg getuige geweest waren, behoorden nu ook tot de kleine gemeente.

Eiken dag kwamen zij samen in de groote opperzaal, baden samen en bespraken de dingen, die hun allen belang inboezemden. De venvachting van allen was hoog gespannen. Niet alleen Ruth, ook anderen der vrienden hadden den indruk ontvangen, dat op het Pinksterfeest iets bijzonders zou gebeuren. Ook de voorspelling, door Rabbi Juda van Tarsen uitgesproken, dat er groote dingen

2l6

ocr page 233

HfeT PINKSTERFEÉSt.

aanstaande waren, versterkte de verwachting. Niets minder verwachtten zij, dan de aanbraak van den Olaam habah, den nieuwen tijd, en de openbaring voor gansch Jeruzalem van de heerlijkheid van hem, dien de Joden verworpen en gekruisigd hadden. En altijd opnieuw wierpen zij zich dan ter aarde, en baden, ja smeekten, dat de dag des heils weldra mocht aanbreken.

Eindelijk was de avond gekomen, voorafgaande aan het Pinksterfeest. De volgelingen van den Nazarener waren lang bij elkander geweest. Veel hadden zij samen besproken en in gespannen verwachting verbeidden allen den volgenden morgen. Het was reeds laat, toen zij scheidden om hun nachtverblijf op te zoeken; doch vóór zij uiteengingen had Simon Petrus tot hen allen gesproken.

«Broeders en zusters,» zoo sprak hij, «de ure is gekomen. Het Pinksterfeest is reeds aangebroken. Morgen in de vroegte komen de Joden van alle zijden in Jeruzalem om de eerstelingen in den tempel te brengen. Wij ook verwachten de eerstelingen van een oogst van het koninkrijk van onzen Meester. Morgen vroeg, tegen de tweede ure, moeten wij ons allen in den tempel vereenigen. Laat niemand achterblijven! Groote dingen zullen wij zien gebeuren! God zal Zijn volk gedenken! Teekenen en wonderen mogen wij verwachten! Totdat de ure komt, wanneer Jezus onze Meester, de Gezalfde Gods, de Koning Israels wederkomt met de wolken des hemels, zooals wij hem zagen henen varen. En nu, gaat heen, vrienden, een iegelijk naar zijn verblijf! Moge een zoete slaap u allen verkwikken! En komt allen morgen vroeg in het voorhof van Salomo, opdat als de dag van het Pinksterfeest aanlicht, wij allen eendrachtig bijeen mogen zijn.»

«Hebt gij nog niets van Saul vernomen, lieve?» vroeg Azarja aan Suzanna, toen hij haar naar de woning van Maria van Cyprus geleidde.

«Neen, Azarja,» antwoordde zij. «Ik ben gisteren nog even gaan vragen; maar de deurwachter zei mij, dat hij nog niet was gekomen.»

«Hij zou toch vóór het Pinksterfeest thuis komen, niet waar?»

ocr page 234

2l8

«Ja, dat heeft hij beloofd. Maar misschien is hij door het een of ander opgehouden, en verhinderd geworden tijdig te komen. Ik zal morgen, zoodra ik er de gelegenheid voor vinden kan, weder eens gaan hooren.»

«Morgen, morgen, melieve, wat zal de dag van morgen baren?»

«Ik verwacht groote, heerlijke dingen!» antwoorde Suzanna, en haar zielvol oog straalde van edelen glans, terwijl zij als in heilige verrukking in de verte staarde.

«Nu, Suzanna, mijn liefste,» zei Azarja, «ik verlaat u nu weder. Morgen vroeg, eer de tweede ure is aangebroken, ben ik bij u! Slaap wel! Mogen de engelen des Heeren uw leger omzweven.»

En haar teeder omhelzende verliet hij haar.

Hij moest het huis van den vader zijner bruid voorbijgaan. Toen hij naderbij kwam, zag hij dat de poort geopend was, en de deuigt; wachter in druk gesprek was met een persoon, die onder heftige gebaren met hem sprak. Een vermoeden rees bij hem op; hij beschouwde den bezoeker nauwkeurig, en —ja waarlijk! Het was Saul, die eindelijk was teruggekeerd van zijne reis.

Ofschoon hij wist, dat Saul hem haatte, gevoelde hij toch voor hem niets anders dan belangstelling en vriendschap, en, er aan denkende, hoe bitter hard het voor zijn voormaligen vriend moest wezen het huis ledig, zijn vader dood en begraven en zijne zuster verwijderd te vinden, trad hij nader, legde de hand vertrouwelijk op Saul\'s schouder, en sprak:

«Saulus van Tarsen! Zijt ge eindelijk terug? Ik beklaag u van harte!»

Verschrikt keerde Saul zich om, en onttrok zich aan de hand van Azarja.

»Azarja Ben Itaï!» riep hij uit. »Wat moet gij hier? Komt gij mij bespotten in mijne ellende?»

«Ik kom om u te troosten. Wees gerust, Saul! Uw vader is in vrede tot zijne vaderen vergaderd, en heeft zijn zegen voor u achtergelaten; en uwe zuster Suzanna is veilig en gelukkig.»

«Wat hebt gij met mijne zuster te maken? Waar is zij? Ik wil

ocr page 235

HET PINKSTERFEEST.

haar hier hebben! Waarom is zij niet thuis gebleven om op mij te wachten ?»

«Suzanna is onder mijne hoede, Saul.»

Als door een adder gestoken sprong Saul een pas terug. Onwillekeurig sloeg hij de hand aan het gevest van het korte Romcinsche zwaard, dat hij in zijn gordel droeg.

«Wat beteekent dat? Wie gaf u het recht mijne zuster tot u te nemen?» bracht hij op van toorn heeschen toon uit. En zonder Azarja tijd tot antwoorden te laten ging hij voort; «Ik haat u, Azarja! Gij, vervloekte Nazarener! Is het niet erg genoeg, dat gij mijne zuster besmet hebt met uwe verfoeielijke dwaalbegrippen, dat gij ze nu ook nog aan mij hebt ontrukt, en van mijne afwezigheid misbruik gemaakt? Dadelijk brengt gij ze hier, hoort gij! En anders zal dit zwaard tusschen mij en u moeten beslissen!»

Azarja zag den van toorn bevenden jongeling kalm in het gelaat. Toen hij zweeg, antwoordde hij op bedaarden toon:

«Uw vader, Saul, wiens ziel bij God is, heeft Suzanna zelf aan mij gegeven. Ik ben wettig met haar verloofd, en ter bestemder tijd zal zij mijne huisvrouw worden. Ik heb dus meer rechten dan gij op haar.»

«Verloofd? Verloofd zegt gij? Gij verloofd met Suzanna? Onmogelijk! Gij liegt!»

«Ik lieg niet. Ik spreek de waarheid. Als gij bedaard genoeg zijt om mij aan te hooren, dan zal ik het u verhalen, hoe het in zijn werk is gegaan.»

«Zwijg maar! Ik zal geen woorden verder aan u verspillen. Ik zal naar Suzanna\'s voogd gaan, mijn oom Rabbi Alexander! Ik zal mij recht verschaffen!»

«Doe dat! Hij zal u alles wel meedeelen! Gij zegt, dat gij mij haat! Ik weet, dat het is, omdat gij mijn Meester haat. En hij heeft gezegd tot zijne volgelingen: Verwondert u niet als de wereld u haat; weet, dat zij mij eer dan u gehaat heeft. Indien zij mij vervolgen, zij zullen ook u vervolgen!»

219

ocr page 236

2^0 HÉT PINKSTERFEEST.

«Zoo! Heeft hij dat gezegd!» antwoordde Saul op schamperen toon. «Nu,» vervolgde hij, «als ik u haat, dan is dat volgens wat in de rol der psalmen geschreven staat: Zoude ik niet haten. Heer, die u haten? Ik haat ze met volkomen haat! Tot vijanden zijn ze mij!»

«Ik haat den Heer niet, Saul; en ik haat ook u niet. Maar de Meester heeft gezegd; die mij haat, die haat ook mijnen Vader. Zie toe, Saul, dat gij niet bevonden wordt tegen God te strijden!»

Met deze woorden keerde Azarja zich om, en verwijderde zich. Saul zag hem een oogenblik na, en keerde zich toen tot den deurwachter , die het tooneel zwijgend had bijgewoond.

«Ik zal dezen nacht hier vertoeven,» zeide hij. «Morgen is het Pinksterfeest; ik wensch het feest niet te verstoren voor mijzei ven door nu dadelijk deze zaak verder te onderzoeken. Ik hoop morgen mijn oom. Rabbi Alexander, te bezoeken; en dan zal ik u daarna wel nadere bevelen geven. Laat nu mijn slaapvertrek gereed maken. Gij kunt de voorpoort sluiten.»

Daarop ging hij naar binnen, en de deurwachter sloot de deur.

Een half uur later zat Saulus van Tarsen in zijn slaapvertrek. De maaltijd, in haast voor hem bereid, stond onaangeroerd naast hem. Met de hand onder het hoofd, de golvende zwarte haren verward over zijn voorhoofd hangende, zat hij in diepe gedachten. Zijne ziel was in donkere nevelen gehuld. Nacht was het buiten; nacht was het ook in zijne ziel.

Nog een oogenblik zat hij peinzend neder. Toen sprong hij op eens overeind, en, de handen krampachtig samenklemmende en omhoogheffend, riep hij uit op hartverscheurenden toon:

«Mijn vader! O mijn vader! Verloren! Voor eeuwig verloren heb ik u!»

Kn hartstochtelijk snikkend wierp hij zich voorover op zijn leger, het gelaat in de handen verborgen.

Niet lang echter lag hij zoo, of hij sprong weder overeind. Hij sloeg zichzelven woest voor het voorhoofd, en kreet:

«Ach, waarom moest ik heengaan? Dwaas, die ik was, dat ik luisterde naar de stem eener vrouw!»

ocr page 237

HET PINKSTERFEEST. 221

En weder in snikken uitbrekend, kreet hij: «Mijn vader! Ach, mijn vader!»

Een oogenbük later stootte hij een getralied venster open, dat in zijn slaapvertrek was. Een koude luchtstroom blies naar binnen en dreigde de lamp uit te blusschen, die van de zoldering aan zilveren ketenen afhing. Haar walm sloeg door den wind, die binnendrong, naar beneden.

Saul lette er niet op. Hij zag naar buiten. Het was donker, stikdonker. Geen enkele ster glinsterde aan den nachtelijken hemel; de maan was nog niet op; donkere wolkenmassa\'s, als zwarte spoken, joegen langs het zwerk; de wind zwiepte de ranke palmboomen heen en wier en gierde door de toppen der olijfboomen.

«Nacht! Donkere nacht!» sprak Saul binnensmonds. «Nacht daarbuiten, nacht hierbinnen! De Heer der heirscharen woont in wolken en donkerheid!»

Weder verliet hij het venster en stapte met groote schreden het vertrek op en neder, niet er op lettende, dat de walmen der lamp als zwarte schimmen hem omgolfden. De vlam danste op en neer; nu eens flikkerde zij hoog op, dan dreigde zij geheel uit te gaan. En bij dat spookachtig flikkeren, en de zwarte walmen van rook, die zij door het vertrek verspreidde, en die door den wind door het venster heen en weder gejaagd werden, weerklonk het gedruisch van den gierenden wind daarbuiten, er toe meewerkende om het tooneel nog akeliger te maken.

«De Heer toornt op mij!» mompelde Saul. «Hij is verbolgen over de schande ons huis aangedaan! Suzanna verleid, mijn vader verleid, en heengegaan zonder zijne dwaling beleden te hebben! En ik, ik, die meende rechtvaardig te zijn, ik sta schuldig voor Hem, omdat ik ben heengegaan, en aan den vijand vrij spel gelaten heb!»

Daarop wierp hij zich nogmaals ter aarde voor zijn leger, en de handen krampachtig samengeklemd riep hij uit:

«O God mijner vaderen! Hoor naar uwen knecht! O God der heirscharen, verschijn blinkende!. O Rechter der gansche aarde!

ocr page 238

HET PINKSTERFEEST.

Verlos, bevrijd de verdoolde uit de handen van hen, die u haten! O Fontein van gerechtigheid en waarheid! Ontferm u over uw volk, uw erfdeel! Kom, Koning der heerlijkheid! Gij, die woont tusschen de Cherubim! Trek uwe sterkte aan, o Held! Gord uw zwaard aan uwe heup, uw blinkend zwaard! Doe vergelding over de goddeloozen, die uwen heiligen naam lasteren, en een vervloekte den Christus noemen! Dood hen! Grijp hen! Verdelg gij alle leugensprekers! En red gij haar, de parel van Israël, mijne zuster, Suzanna! O red haar, red haar!»

Hij sprong weer overeind. Het hartstochtelijk gebed had hem geen rust of troost gegeven.

Een rukwind deed het openstaand venster heen en weer slaan, en blies de lamp geheel uit. Zwarte duisternis omringde Saul.

«Het zij zoo!» mompelde hij. ((Duisternis heersc\'it in mijn hart, duisternis zij het rondom mij!»

Hij wierp zich op zijn leger neder, en verbergde het gelaat in het hoofdkussen. Krampachtige snikken schokten zijn lichaam. Een gevoel van wanhoop vervulde zijn hart.

Eenige oogenblikken later bedaarde hij een weinig. Hij keerde zich om, en richtte zich op zijn elleboog een weinig op.

«Het is Pinksterfeest,» fluisterde hij. «Op der. Sinaï werd de heilige wet gegeven onder donder en bliksem. En wee hen, die den heiligen berg naderden! Zij n-.oes\'.en gedood of met een pijl doorschoten worden! Onze God is vreeselijk! Geweldig is Zijn toorn, geducht Zijn gramschap! Als Hij komt ten gerichte, dan beven de bergen, de gronden der wereld worden gezien van Zijn schelden, van het geblaas van den adems Zijns monds!»

En wederom sprong hij van zijn leger, en wierp zich op de knieën neder.

«O God, mijn God!» zoo bad, zoo kermde hij, «vergeef uwen knecht! Ik heb gezondigd en gedaan wat kwaad is in uwe oogen! O ik ben heengegaan, en liet mijn valer en mijne zuster over aan den verderver! Help mij, mijn God, mijn Rots! Gij, vertrouwen aller

222

ocr page 239

223

einden der aarde! Geef mij weder de vreugde uws heils, en de vrijmoedige geest ondersteune mij! Zoo zal ik den overtreders uwe wegen leeren, en de zondaars zullen zicli tot u bekecren! Lerrmij, mijn God, uw welbehagen doen! Ik heb uwe inzettingen lief; uw wet is in het midden mijns ingewands! Straf mij niet in uw toorn! Kastijd mij niet in uwe grimmigheid! Ik zal uwe inzettingen onderhouden en uwe getuigenissen bewaren! Ik zal mijne geloften u betalen! Ik haat uwe vijanden en zal hen weerstaan! O God der wrake! God der gerichten! Help mij! Troost, sterk mij! Laat mij niet beschaamd worden! Allen, die u verwachten, zullen niet beschaamd worden!;)

Zoo bad, zoo kreet, zoo worstelde de vurige jongeling in dien Pinksternacht, in de duisternis; en daarbuiten gierde de wind door de toppen der olijfboomen, en blies over de daken van Jeruzalems huizen; en op den tempelberg deed zij in het vosrhof der priesters de asch van het groote brandofferaltaar bij wolken omhoog stuiven, en blies het altijd brandende vuur op dat altaar aan. En buiten Jeruzalem gierde hij tusschen de bergen en kloven der rotsen en huilende riep hij spookgestalten op, als de schimmen van het ver-ledene. En op den naakten heuvel Golgotha dreef hij een woest spel, en joeg het stof omhoog en in de rondte, tot het was of een geest daar rondwaarde, en dreigend de hand over Jeruzalem ophief, Jeruzalem, dat zijne profeten verwierp, en steenigde, die tot haar gezonden werden, Jeruzalem, dat geroepen had, toen het den heiligen en rechtvaardigen Zoon des menschen ter kruisstraf veroordeelde: ft Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!»

Den volgenden morgen rees de zon omhoog o_ver de heilige stad uit een bank van purperkleurige wolken, aan een helderen, blauwen hemel. De storm van den nacht had uitgewoed. Het was stil in de natuur, stil, als op een Sabbath. In Jeruzalem was het ook nog rustig; de dagelijksche bedrijven stonden stil; koopmanschap werd er niet gedreven. Het was de dag van het Pinksterfeest; en Jeruzalem maakte zich gereed dat feest luisterrijk te vieren. De voorhoven des tempels waren reeds gevuld met eene talrijke schare,

ocr page 240

HET PINKSTERFEEST.

cn nog steeds vloeiden de menschen toe, maar stil en ernstig.

In eene der zalen, aan den grooten voorhof van Salomo grenzende, waar de Rabbi\'s hunne lessen gaven, en waar elk vrijheid had om samenkomsten met een godsdienstig doel te houden, waren reeds vele der vrienden van den Nazarener samengekomen, en nog steeds kwamen er meerderen. Zij, die reeds waren binnengegaan, zaten in stil gebed zwijgend bij elkander. En zij, die binnenkwamen, voegden zich met een stillen groet bij hen. Het was duidelijk aan allen te zien, dat zij onder den indruk verkeerden van de verwachting der dingen, die plaats hebben zouden.

Azarja was reeds bij tijds naar het huis van Maria van Cyprus gegaan om zijne Suzanna en ook de anderen af te halen. Toen hij er kwam, waren allen reeds gereed om zich tempelwaarts te begeven. Ook Ruth was bij hen; en ook de proselieten Parmenas en Nicolaüs, die weder bij hen hun intrek genomen hadden. Joses was reeds vertrokken, daar hij in den tempel dienst doen moest. Hij zou echter zorgen tegen de tweede ure of iets later zich bij de broeders te voegen.

Een oogenblik later gingen zij op weg, Maria van Cyprus, vergezeld van haren zoon Joannes Marcus; achter haar liepen Ruth en Rodé de dienstmaagd. Daarachter kwamen Azarja en Suzanna, en eindelijk Parmenas en Nicolaüs.

Zwijgend en in ernstige stemming hadden zij een eind geloopen, toen Azarja tot Suzanna zeide:

«Liefste, ik moet u iets meedeelen. Saul is teruggekomen.»

«Saul? Hoe weet gij dat?»

amp;lk heb hem gisteravond gesproken. Hij heeft den nacht in uw huis doorgebracht.»

»Het verblijdt mij, dat hij terug is. Hij zal ook van daag naar den tempel opgaan. Misschien, als God Zijn Geest uitgiet, dat hij ook de teekenen ziet en leert gelooven.»

«Ik vrees daarvoor! Hij is feller dan ooit in zijn haat tegen den Meester en tegen ons, zijne volgelingen.»

224

ocr page 241

225

«Hebt gij met hem gesproken?»

«Ja. Maar laat ik u dit later maar eens vertellen. Wij mogen onze gedachten nu niet te veel laten afleiden. Wij zijn zoo dadelijk bij de broeders en zusters.»

Zij zwegen weder, en gingen zwijgend door de poort Pharphar den tempel binnen, waar reeds eene groote menigte was samen gekomen, en de offerplechtigheid in vollen gang was. Reeds waren de beide gezuurde broeden den priesters overgegeven, en het brandofferaltaar rookte van de lammeren en bokken, die daarop geofferd werden. Van alle zijden stroomden menschen den tempel binnen, beladen met de eerstelinggaven. Landlieden naderden, beladen met manden vol kostbare druiven, en zakken met koren. Anderen droegen dadels en vijgen aan. Het voorhof der heidenen wemelde van ontelbare vreemdelingen in de meest verschillende kleederdrachten. Daar zag men den statigen Arabier naast den donkergekleurden Libyer; daar wandelden Romeinen en Grieken, en zagen met nieuwsgierigheid toe, hoe de vrome Joden de trappen beklommen, die naar het voorhof der mannen voerden, er wel voor zorgende niet verder te gaan dan de afsluiting, die het groote voorhof in tweeën deelde, en voorzien was van het Grieksche opschrift, dat eiken vreemdeling op straffe des doods verbood verder te gaan. Het Pinksterfeest, vallende in den schoonsten tijd des jaars, wanneer het reizen aangenaam was, lokte niet alleen Joden en Proselieten uit alle oorden der beschaafde wereld naar de heilige stad, maar ook vele heidenen vonden het der moeite waard tegen dien tijd het Joodsche land en Jeruzalem te bezoeken, en den prachtigen tempel te zien in al den glans van den Joodschen eeredienst op een der hoofdfeesten. Geen feest bracht zoovele vreemdelingen samen. Italië en Klein-Azië, Egypte en Arabic, Libye en Mesopotamië waren dan vertegenwoordigd; en in den ruimen voorhof en dehooge,prachtige zuilengangen wemelde dat alles dooreen, en klonk een verward ge-druisch van allerlei dialekten en talen. En tusschen al die vreemdelingen door spoedden zich de strenge Jeruzalemsche Joden naar

li

ocr page 242

HET PINKSTERFEEST.

den voorhof der mannen, en het was aan hun uiterlijk te zien, dat zij den geheelen nacht in de verschillende Synagogen hadden doorgebracht om, volgens de voorschriften der Rabbijnsche leeraren, het grootste gedeelte der heilige Schriften te lezen, afgewisseld door voorgeschrevene gebeden.

En terwijl daarbuiten in den voorhof en de zuilengangen het gewoel en gedruisch steeds meer toenamen, kwamen in de zaal, waar de volgelingen van den Nazarener vergaderden, steeds meerderen bijeen, en voegden zich bij de reeds aanwezigen. Zwijgend groetten zij elkander, en zetten zich neer, zich aan stille overpeinzing en gebed overgevend. Het. was doodstil in de zaal; alleen het gedruisch der menigte daarbuiten drong door tot de ooren der stil en eendrachtig vergaderde volgelingen van den Nazarener. —

Het zonlicht straalde aan den wolkeloozen blauwen hemei, en schitterde op de vergulde spitsen des tempels. Het was stil in de natuur. —

Wat was dat?

Een hevig gedruisch, als van een geweldigen wind, werd gehoord. Het scheen te komen uit de zaal, waar de Nazareners vergaderd waren, en van daaruit op eens het geheele voorhof van Salomo te vervullen.

De menschenmassa stond verschrikt stil. De gesprekken verstomden.

«Wat is dat?» vroeg men elkander.

Velen zagen omhoog, naar de lucht. Geen wolkje dreef aan den blauwen hemel. En weder was het doodstil in de natuur. —

Doch op eens werd de stilte, die nu heerschte, andermaal verbroken. Nu hoorden allen duidelijk het vreemde gedruisch, en \'t was duidelijk, dat het uit dat ééne vertrek kwam. Wat mocht daar wel plaats hebben?

Als door één instinct gedreven keerden allen, die in de nabijheid waren, zich naar den ingang van de zaal, door steeds meerderen gevolgd.

Doch wat zij daar zagen verschrikte hen nog meer. De gansche

226

ocr page 243

HET PINKSTERFEEST. 227

zaal wemelde van kleine lichtvlammen en vuurvonken, die over de hoofden der daar verzamelde mannen en vrouwen zweefden, en ten laatste boven hunne hoofden post vatten. De aanwezigen lagen of zaten zwijgend en in biddende houding bij elkander, totdat de vuurvlammen boven hunne hoofden gekomen waren. Toen was het, alsof zij op eenmaal allen door een vreemde, bovennatuurlijke macht werden aangegrepen. Zij sprongen overeind, gesticuleerden met de armen, en verbraken op eenmaal de stilte. Kreten, uitroepen weerklonken. De een scheen al meer in geestverrukking dan de ander. Brokstukken van psalmen, hallelujah\'s en andere dergelijke woorden kon men opvangen te midden van een geroep en gejuich, dat de toeschouwers verbijsterde. Het scheen, alsof een schare van de profetenzonen, waarvan de Schriften verhaalden, daar aanwezig was. Jonge meisjes, waaronder de ons bekenden, Ruth, Suzanna en Rodé, zongen in geestverrukking en zwaaiende met de armen liederen ter eer van God. Jonge mannen spraken in vurige geestdrift, en roemden Gods heerlijkheid. Zelfs enkele anders zoo kalme en bezadigde Rabbi\'s zag men onder hen, al even opgewonden sprekende. Enkelen lagen geknield, en baden luide, onder heftige gebaren, terwijl tranen hen van de wangen stroomden. Het was een onbeschrijfelijk tooneel.

Doch het zou nog vreemder worden. Terwijl de zaal steeds meer gevuld werd met toeschouwers, die van alle zijden uit het voorhof bijeenstroomden, om te zien, wat voor vreemde dingen daar in het voorhof van Salomo plaats hadden, verlieten verschillende personen van het in geestvervoering verkeerend gezelschap hun plaats, en, nog met de vuurvlam boven hun hoofd, keerden zij zich tot de toeschouwers, en begonnen te spreken in de talen en dialecten, die daar op dat oogenblik vertegenwoordigd waren.

Verschrikt deinsden velen terug. «Wat is dat?» zeiden zij. «Zij spreken in onze eigene taal, waarin wij geboren zijn! Hoe kunnen zij die kennen? \'t Zijn toch immers Galileërs?»

Steeds grooter werd de verbazing en ontzetting der toestroomende

ocr page 244

HET PINKSTERFEEST.

schare. «Wat mag dit toch zijn?» zoo vroeg men elkander. Maar niemand vermocht het antwoord te geven.

«Ik weet wel, wat hen scheelt!» klonk op eens een ruwe stem luide boven alles uit. «Zij zijn vol zoeten wijns!»

«Ja, ze zijn vol zoeten wijns! Ze zijn dronken!» herhaalden vele stemmen.

Op eens verstomden al de in geestvervoering sprekenden, alsof een machtige onzichtbare hand hen allen het zwijgen had opgelegd. Zij schaarden zich bijeen, en zagen allen op een hunner, een man van middelbaren leeftijd, forschen baard cnhelder flikkerende oogen. Het was Simon Bar Jona, bijgenaamd Petrus.

Hij trad naar voren, cn allen begrepen, dat hij eene rede ging houden. Enkele mannen schaarden zich achter hem. Allen waren nu rustig. De schare verwonderde zich, en luisterde, wat hij zeggen zou;

«Gij Joodsche mannen, en gij allen, die te Jeruzalem vertoeft,» 200 klonk op eens zijne stem helder en duidelijk, «dit zij u bekend, cn laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan! Dezen zijn niet dronken, zooals gij vermoedt! Het is immers eerst de derde ure van den dag? Maar dit is de vervulling van wat de profeet Joel voorspeld heeft: «Het zal zijn in het laatste der dagen, zegt God, dat ik zal uitgieten van mijnen Geest op alle vleesch. Dan zullen uwe zonen en uwe dochteren profeteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomen droomen; en zelfs op mijne dienstknechten en dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitgieten en zij zullen profeteeren. En ik zal wonderen geven boven in den hemel, en teekenen beneden op de aarde, bloed en vuur en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, cn de maan in bloed, eer dat de groote dag des Heeren komt. En het zal geschieden, dat ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, behouden zal worden. Mannen, Israëlieten! hoort deze woorden: Jezus, den Nazarener, een man, ulieden van God aangewezen door krachten cn wonderen en teekenen, die God door middel van hem in uw midden gedaan heeft, zooals gij zelf weet, dien hebt

228

ocr page 245

HET PINKSTERFEEST. 229 \'

gijlieden, naar Gods bepaalden raad en voorkennis overgeleverd zijnde, door de handen van heidenen aan het kruis gehecht en gedood. Maar God heeft hem opgewekt, de smarten des doods geslaakt hebbende, daar het niet mogelijk was, dat hij door den dood kon worden vastgehouden. Zegt niet David met het oog op hem: «Ik zie den Heer voortdurend voor mij; want Hij is aan mijne rechterhand, opdat ik niet wankele. Daarom is mijn hart verheugd, en juicht mijne tong; ja ook mijn vleesch zal rusten in hope. Want Gij zult mijne ziel niet aan den Sjeool overlaten, noch Uwen heilige overgeven om verderving te zien. Gij hebt mij wegen des levens bekend gemaakt. Gij zult mij vervullen met vroolijkheid voor Uw aangezicht.? Mannen broeders! Het staat mij vrij vrijmoedig tot u te zeggen van den patriarch David, dat hij zoowel gestorven als begraven is, en zijn graf is in ons midden tot op dezen dag. Daar hij echter een profeet was, en wist, dat God met een eed gezworen had, dat uit zijn geslacht er een op zijn troon zitten zou, zoo heeft hij, vooruit ziende, gesproken van de opstanding van den Christus, dat hij aan den Sjeool niet overgelaten is, noch zijn vleesch verderving gezien heeft. Dezen nu, namelijk Jezus, heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. En nadat hij ter rechterhand Gods verhoogd is geworden en de belofte van den heiligen Geest van den Vader ontvangen heeft, heeft hij dien uitgegoten, zooals gij nu ziet en hoort. Zoo wete dan gansch Israël zekerlijk, dat God hem tot Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk dien Jezus, dien gijlieden gekruisigd hebt!»

Hij zweeg, en staarde de schare met zijne flikkerende oogen aan. Blijkbaar had zijne rede een diepen indruk gemaakt. Een deel der toehoorders sloop in stilte weg. Anderen staarden den spreker verbijsterd aan.

Nu begonnen de overige volgelingen des Nazareners ook weder te spreken, en mengden zich onder de schare, en weldra waren velen in ernstig gesprek gewikkeld met een groep lieden, die met belangstelling luisterden naar hen, terwijl zij onder den bezielenden

ocr page 246

23°

én inspireerenden invloed van den over hen uitgegoten Geest met buitengewone kracht en gloed getuigden van Jezus en zijne opstanding. Nog steeds flikkerden de vuurvlammen boven hunne hoofden; en dit feit alleen, zoo vreemd, zoo onbegrijpelijk, lokte telkens nieuwe toehoorders naar de zaal. Weldra had zich het gerucht door den geheelen voorhof verspreid, en het was te bemerken tot in de uiterste hoeken van het groote voorhof, dat er iets bijzonders plaats greep daar ginds in die zaal van Salomo\'s voorhof.

Dicht bij den ingang van het voorhof der priesters staan eenige eerwaardige Rabbi\'s, en zien er naar, hoe nog steeds de eerstelingen gebracht worden tot den dienstdoenden priester, die ze aan den voet van de trap, die naar het voorhof der priesters voert, aanneemt uit de hand van hen, die ze brengen. Zij hebben niets gehoord van het geluid, dat in het voorhof van Salomo straks weerklonken heeft, en tot dusverre bemerkten zij het niet, dat er iets bijzonders plaats heeft.

Een jongeling nadert hen snel. Het is Simei Ben Jona. Hij is in hooge mate opgewonden.

«Vader! Vader!» roept hij, nog op een afstand.

Zijn vader Rabbi Jona Ben Amittaï ziet om, nu hij de stem van zijn zoon herkent. Hij treedt Simei tegemoet, en zegt:

«Hoe zoo druk? Wat is er gaande, mijn zoon? Wat brengt uw bloed aan het koken op dit feest?»

«Die goddelooze Nazareners!» brengt Simei met moeite uit.

«Nazareners? Wat bedoelt ge?»

«De aanhangers van dien vervloekten kruiseling, dien valschen profeet uit Nazareth, hebben de onbeschaamdheid openlijk te prediken, dat hun vervloekte profeet is opgestaan uit de dooden!»

«Wat zegt ge?»

«Het is werkelijk zoo, vader! Ziet ge ginds niet dat gedrang, daar, in het voorhof van Salomo? Daar zijn ze bij elkaar in een van de zijzalen! En het volk stroomt er heen, en vergeet, waarvoor het hier in den tempel kwam!»

ocr page 247

231

«Weet gij zeker, wat ge zegt?»

«Zeer zeker! Ik ben er zelf bij geweest. Ik kon niet in de zaal komen, zoo\'n gedrang was er bij den ingang. En de opgewondenheid was groot. Ik hoorde duidelijk stemmen, die op klagenden toon riepen: «Wee, wee! Wat zullen wij doen? Wat zullen wij doen?» Ik vroeg aan een van de mannen, die in den ingang stonden, wat er toch gaande was, en deze vertelde het mij. En toen ben ik dadelijk hierheen gekomen om u te waarschuwen.»

Rabbi Jona Ben Amittaï keerde zich om, en voegde zich weer bij de andere Rabbi\'s.

«Broeder Phanuel! Broeder Jonathan Ben Annas! Broeder Jozef Ben Joazar! Hoort toch eens! Broeders! Luistert, en hoort wat mijn zoon daar vertelt!»

De Rabbi\'s zagen verschrikt om.

«Wat hebt ge, broeder Jona?» vroeg een hunner.

«Eene nieuwe godslastering! De Nazareners prediken den gekruisigde en zeggen, dat hij is opgestaan uit de dooden! Het volk gaat en hoort naar hen!»

Op dat oogenblik naderde een Rabbi van eerwaardig voorkomen de groep. Het was Rabbi Gamaliel.

«Hebt gij gehoord, broeders, wat er geschied is?» vroeg hij, toen hij bij hen gekomen was.

«Bedoelt gij de ergernis,» vroeg Rabbi Jona, «dat de aanhangers van dien vervloekten Jezus hem openlijk prediken?»

«Ik weet niet, of het eene ergernis is of niet. Maar het is in ieder geval een opmerkelijk feit. Hebt ge van de teekenen reeds gehoord?»

«Welke teekenen?» vroegen allen.

«Een geluid als van een geweldigen wind klonk straks van uit de zaal, waar zij bijeen waren, en vervulde in een oogenblik het geheele voorhof van Salomo. En wat nog vreemder was, vuurvlammen zweefden rond, en zetten zich op de hoofden dier lieden. En daarop begonnen zij te profeteeren, op dezelfde wijze als wij

ocr page 248

232

ons dat van de oude profeten moeten voorstellen. En het vreemdste van alles is nog, dat zij, ongeleerde Galileërs, in staat waren de Joden en Proselieten van andere plaatsen toe te spreken in hunne eigene taal of dialect.»

«Gij vertelt ons daar ongeloofelijke dingen, broeder Gamaliel!» antwoordde Rabbi Jozef Ben Joazar.

«Toch vertel ik u gebeurde zaken. Als gij er heen gaat, zult gij het zelf zien en hooren!»

«Spreken zij dan nog in vreemde talen?»

«Dat weet ik niet; maar de vuurvlammen schitteren boven hunne hoofden. Ik heb het zelf gezien.»

De Rabbi\'s staarden elkander zwijgend aan. Zij waren met de zaak verlegen.

«Wat moeten wij doen?» vroeg Rabbi Jona Ben Amittaï.

«Wij moeten er dadelijk een eind aan maken, en hen het prediken verbieden!» zei Rabbi Jonathan Ben Annas.

«Dat zou ik ontraden,» zei Rabbi Gamaliel.

«Maar, broeder!» riep Rabbi Jona Ben Amittaï uit, «moeten wij dan het kwaad maar stil laten voortwoekeren ?»

«Wie zegt u, dat het kwaad is? Het kan evengoed zijn, dat het eene werking des Geestes is, evenals in vroegere eeuwen.»

«En zijn niet al die lieden Galileërs en aanhangers van den valschen profeet? Prediken zij niet de opstanding uit de dooden van dien vervloekten Nazarener? Mogen wij dat ongestraft laten? Is het niet eene beleediging van ons gezag, en eene openlijke bespotting van het vonnis, dat wij over hem velden?»

«Gij weet,» antwoordde Rabbi Gamaliel, «dat ik het niet heb kunnen goedkeuren, dat gij dien dweependen Galileër hebt laten kruisigen. Ik ben geen aanhanger van hem, zooals de broeders Nikodemus en Jozef van Arimathea; maar ik blijf er bij, dat men eene verkeerde zaak door tegenstand en bestrijding sterker maakt.»

«Het mocht wat!» viel Rabbi Phanuel in. «We hebben dan toch ons doel bereikt, en de Nazarener is openlijk ter dood gebracht!»

ocr page 249

HET PINKSTERFEEST.

«Ja, en nu staan daar een paar honderd volgelingen te prediken in plaats van dien eenen!» antwoordde Rabbi Gamaliel.

«Die zullen spoedig ook moeten zwijgen!» zei Rabbi Jonathan Ben Annas. «Wat verhindert ons om hen allen gevangen te nemen en als lasteraars te laten ter dood brengen?»

«Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan!» antwoordde Rabbi Gamaliel. «Zij hebben nu het volk op hunne zijde, dat lichtbewogen volk, dat als het teekenen en wonderen meent te zien, dadelijk bereid is «Hozanna!» te roepen.»

«Wat raadt gij dan aan te doen, broeder Gamaliel?» vroeg Rabbi Jona Hen Amittaï.

«Ik geloof,o was het antwoord, «dat gij het beste doet, als gij niets doet. Laat hen geworden! De geestdrift is spoedig bekoeld. De Nazarener is dood, al zeggen zij, dat hij is opgewekt. Wat kunnen zij beginnen zonder een hoofd ? Geloof mij, als het Pinksterfeest voorbij is, de vreemden zijn weer heen, en alles is weer rustig in Jeruzalem, dan zullen die Galileërs wel weer naar hunne visscherij terugkeeren, en de zaak zal van zelf wel voorbijgaan. Maar als gij hen gaat vervolgen, dan trekt het opgewonden volk partij voor hen, en komt er oproer. Verdraag het! Laat hen met rust! Dat is mijn raad.)

De Rabbi\'s zwegen een oogenblik. Zij zagen elkander besluiteloos aan. Zij gevoelden de waarheid van Gamaliels raad; doch de vijandschap in hun hart wilde zich niet zoo spoedig het zwijgen laten opleggen.

«Laat ons in elk geval zelf eens gaan zien en hooren le zei Rabbi Jonathan Ben Annas.

«Ja, doe dat!» zei Rabbi Gamaliel. «Ik ga echter niet met u mede, want ik heb er alles reeds van gezien en gehoord.»

De Rabbi\'s groetten hem, en begaven zich naar het voorhof van Salomo, naar de plaats, waar nog steeds het volk zich verdrong. Weldra waren zij er aangekomen.

Het volk, dat den ingang der zaal versperde, maakte eerbiedig

233

ocr page 250

HET PINKSTERFEEST.

plaats voor de eerwaardige Rabbi\'s, zoodat zij ongehinderd de zaal konden binnengaan.

Daar aanschouwden zij een vreemd tooneel. In verschillende groepen stonden en zaten vele personen, allen druk aan het spreken, terwijl velen naar hen luisterden. Er waren personen, die op de knieën neergevallen waren, terwijl tranen over hunne wangen vloeiden , en zij de handen biddend omhoog hieven. Anderen stonden in hooge geestverrukking liederen te zingen. En de vuurvlammen zweefden nog boven de hoofden van velen. De Rabbi\'s waren ontzet, en stonden sprakeloos het tooneel aan te zien.

Daar weerklonk helder, boven allen uit, de stem van een Galileer. Het was Simon Petrus. «Bekeert u! Bekeert u, gij huis Israels!» zoo riep hij luide. «Betert u en bekeert u! Keer terug van uwe booze wegen! Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!»

Terwijl hij nog sprak, traden twee mannen uit den kring der geïnspireerden, ook met den vuurvlam op het hoofd, op de Rabbi\'s toe. Het waren Rabbi Nikodemus en Rabbi Jozef van Arimathea.

«Broeders!» zei Rabbi Nikodemus, «bekeert u! Wij, leidslieden des volks, zijn blinde leidslieden geweest! De Christus heeft het mij reeds lang geleden gezegd: Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien! Ik heb lang gezwegen, uit zondige vrees, maar nu moet ik spreken! De Geest inspireert mij! Deze Jezus, dien gij hebt veroordeeld, broeders, en gekruisigd, heeft God opgewekt, en heeft dit uitgegoten, wat gij hoort en ziet! Komt, bekeert u! Doe uw ongeloof van u! Dan zult ook gij de gave des Geestes ontvangen!»

«Ja, bekeert u, bekeert u, gij leidslieden van Israël!» voegde Simon Petrus er bij. «Want u komt de belofte toe, u en uwe kinderen, en gansch Israël, ook aan die verre zijn; zooveel er de Heer onze God toe roepen zal!»

De Rabbi\'s stonden stijf en sprakeloos. Tegenover die stroom van geestdrift waren zij machteloos.

234

ocr page 251

HET PINKSTERFEEST.

Eene jonge vrouw trad nu op hen toe. Hare wangen gloeiden, hare oogen schitterden. Het was Ruth.

ft Rabbi Jonathan Ben Annas!» sprak zij op luiden toon, «kent gij mij nog?»

De aangesprokene verbleekte. «Ruth!» stamelde hij, nauw hoorbaar. «Gij ook?»

«Ja, ook ik, ook ik! Dank zij den God Israels, en Zijn gezegenden zoon! Eens was ik een arm, ellendig, diep gevallen schepsel. En gij. Rabbi Jonathan Ben Annas,» — dit zeggende wees zij met den vinger hem aan, ■— «waart de oorzaak van mijn val! Gij verstiet mij, maar de barmhartige Herder, de Messias Jezus ontfermde zich over mij. Geloofd en geprezen zij zijn heiligen naam! Maar gij, oude grijze zondaar, ik zeg u, als gij u niet bekeert, zult gij in uwe zonden sterven!»

De oude Rabbi was rood van toorn geworden. Hij trad naar voren, als wilde hij haar slaan.

«Zwijg, zeg ik u!» beet hij haar toe. Doch zij hoorde niet; en, hetzij hij verlamd werd van verontwaardiging, hetzij door de kracht van den geestelijken invloed, die van haar uitging, teruggehouden, hij bleef staan, terwijl zij voortging met spreken. «Bekeer u, bekeer u. Rabbi Jonathan Ben Annas! Vlied den toekomendefi toorn! De beker der gramschap is ingeschonken! Straks komt de Heer ten gerichte om te oordeelen levenden en dooden! Leg uw sierlijk pronkgewaad af! Kleed u in een zak, strooi asch op uw hoofd! Doe boete over uwe zonde! En hij, die zondaren aanneemt, zal ook u vergeven en behouden!»

«Het zal u later berouwen, Ruth,» beet hij haar nu half fluisterend toe, «dat gij mij hier openlijk te schande maakt!»

«Beter te schande gemaakt, en behouden, dan in eere gebleven en verloren!» antwoordde zij, en wendde zich om.

Nu trad een jong man met edel voorkomen op hen toe. Het was de Galileër Stefanus.

«Wee den herders van Israël,» riep hij luide uit, «die zichzelveii

235

ocr page 252

HET PINKSTERFEEST.

weiden! Wee de blinde leidslieden der blinden! De zwakken sterkt gij niet, het kranke heelt gij niet; het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder; het verlorene zoekt gij niet, maar gij heerscht over hen met strengheid. Daarom zijn de kinderen mijns volks verstrooid, gelijk schapen zonder herder, en zij zijn het wild gedierte tot spijze geworden! Gij herders Israels, hoort het woord des Heeren! De Heer, de God Israels heeft Zijn volk een eenigen Herder verwekt! Deze is het, die zijn volk weidt, die het verlorene gezocht heeft, en het weggedrevene wederbracht; die het gebrokene verbonden, en het kranke geheeld heeft! Dezen Herder hebt gij genomen, en door de handen der heidenen aan het kruis gehecht en gedood! Wee over u, zoo gij u niet bekeert! Daarom, doet boete en bekeert u, gij herders van Israël! De Geest Gods is over ons uitgestort, en gij zijt er getuige van! Maar indien gij u niet bekeert, zie de Heer onze God zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal zijn tegen die in hoogheid gezeten zijn! Hij zal uwen tempel in puin doen verkeeren en u uitrukken uit deze heilige stad!»

«Ik kan zijn godslasteringen niet langer aanhooren!» zei Rabbi Jona Ben Amitai. «Laat ons heen gaan, broeders, en beraadslagen, wat er geschieden moet met deze godslasteraars!»

Zij wendden zich om, en gingen heen, door het volk, dat ruimte voor hen maakte.

Toen zij weer buiten het gedrang waren, zei Rabbi Jonathan Ben Annas:

«Daar moet een eind aan komen! Laat ons dadelijk beraadslagen, wat er gedaan moet worden!»

En zij spoedden zich naar huis van Kajafas, en deelden hemden toestand mee. Weldra werden de leden van het Sanhedrin bijeengeroepen , en nog vóór de achtste ure was aangebroken waren de meeste leden bijeen. Rabbi Gamaliel was ook tegenwoordig.

De vrucht hunner hartstochtelijke besprekingen, waarbij Rabbi Gamaliel bleef aanraden om niets aan de zaak te doen, was, dat

236

ocr page 253

HET PINKSTERFEEST. 237

er besloten werd de wacht naar de zaal te zenden, en die te doen ontruimen. Doch toen de wacht bij de zaal kwam in Salomo\'s voorhof, was het er geheel rustig; de zaal was ledig, en het volk had zich verstrooid; zoodat de Rabbi\'s voorloopig het moesten dragen, dat zij niets aan de zaak doen konden.

«Geen nood, broeders!» zei Rabbi Jonathan. «Zij zullen ons spoedig gelegenheid geven! Binnen weinige weken zullen wij die geheele bende dweepers wel klein krijgen! Ik ben voor strenge maatregelen, en geloof, dat wij hen niet sparen moeten, al zijn er twee Rabbi\'s bij !n

En met dezen troost gingen zij uiteen, een ieder naar zijne woning.

Buiten de stad echter, in het dal van Josafat. waren duizenden vergaderd aan den oever van de beek Kidron. Op verschillende plaatsen, een weinig van elkander verwijderd, stonden de voor-naamsten der Nazareners, — gelijk het volk hen nu reeds noemde — in de beek, en doopten de menschen, die tot hen kwamen, geheel onder den indruk van de machtige boetredenen, die zij gehoord hadden. Zij hadden druk werk, en waren reeds lang bezig, en nog scheen er geen einde te komen aan den stroom der boetelingen, die, zoodra zij uit het doopwater opgeklommen waren, ook begonnen te spreken in geestdrift, aangegrepen door denzelfden machtigen Geest der inspiratie, die over de anderen was uitgegoten. Van tijd tot tijd weerklonken liederen uit de menigte, lofliederen uit den schat van Israels Psalmen. En de geheele menigte scheen van één vreugde vervuld; één heilig Pinkstervuur brandde in aller gemoed, en allen gevoelden het; De dag des heils, de dag der nieuwe bedeeling was aangebroken; de Geest van God was uitgegoten over Israël.

ocr page 254

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

Eenige weken na het Pinksterfeest wandelden twee personen in ernstig gesprek in den voorhof des tempels onder een der zuilengangen heen en weder. Dc een was een man van gevorderden leeftijd, gekleed in het sierlijke kleed der Rabbi\'s, de ander was een jongeling. Het waren Rabbi Gamaliel en Saulus van Tarsen.

«Geloof mij, mijn zoon,» zoo spreekt Rabbi Gamaliel tot zijn metgezel, «geloof mij, het is niet verstandig eene zaak door tegenstand en vijandschap te willen onderdrukken. Ik ben overtuigd, dat ook de dood van dien Nazarener meer kwaad dan goed heeft uitgewerkt. Wat heeft het de Rabbi\'s gebaat, dat zij mijn raad niet hebben opgevolgd? Hij is gedood, dat is waar; maar zij hebben hem tot een bloedgetuige gemaakt, en nu slaan die Galileërs met hunne prediking, dat hij opgestaan is, daar munt uit. Vroeger waart gij geen Zeloot; gij gevocldet, dat het beter is zulke dingen te laten geworden; maar in den laatsten tijd, vooral na den dood uws vaders, zijt gij zeer veranderd!»

«Het is zoo, Abba!» antwoordt Saulus, «maar er zijn oorzaken voor die verandering. Ik bid u. Rabbi, bedenk het, dat mijn vader gestorven is in het dwaalgeloof aan dien bedrieger, en dat mijne eenige zuster met dien Azarja Ben Itaï verloofd is, en evenals hij een volgeling van den Nazarener! Is het wonder, dat ik hunker naar de wraak?»

ocr page 255

239

«Mijne is de wraak cn de vergelding», zegt de Schrift. Laat het aan God over, mijn zoon, hen te straffen. Zijne oordeelen zijn rechtvaardig, en niemand kan aan Zijn oordeel ontkomen. De wijze Hilleel heeft gezegd: «Wees vredelievend, vredestichtend; bemin de menschen en trek ze tot de wet», en de wijze Sjammaï: «Neem iedereen met vriendelijkheid op.» Maar gij noemdet daar Azarja Ben Itaï; was hij niet vroeger uw vriend? Hij behoort immers ook onder mijne leerlingen? Het is waar, ik heb hem sedert langen tijd niet gezien.»

«Hij was vroeger mijn vriend, Abba; maar hij is een aanhanger geworden van den Nazarener; en hij belet mij mijne zuster terug te voeren tot de wet.»

«Is Azarja Ben Itaï ook een aanhanger geworden van den Nazarener? Het is vreemd, dat die man zooveel macht over de edelsten uitoefende! Maar het zij zoo! Indien deze zaak uit menschen is, wat ik geloof, dan zal ze verbroken worden.»

«Maar moeten wij dan niet trachten ze te verbreken. Rabbi? Moeten wij het kwaad stil laten voortwoekeren, tot het geheel het volk heeft verkankerd? Moet het kwaad dan niet bestreden worden?»

«Het zal zoo erg niet worden, geloof mij. Als de Rabbi\'s stil die menschen hun gang laten gaan, dan is spoedig het nieuwe er af! Maar juist, als zij beginnen hen te bemoeilijken, zullen zij de uitbreiding der sekte slechts bevorderen. Bovendien, mijn zoon, wat is er in hun gedrag zoo vreeslijk? Zij bezoeken den tempel dagelijks, cn nemen geregeld deel aan het morgen- en avondgebed. Zij zijn, naar ik meen, trouw in de vervulling der wet. Ik heb hooge achting voor de broeders Nikodemus en Jozef van Arimathea, die toch ook tot hen behooren. En dat zij wat opgewonden spreken, welnu, er is over het algemeen zeer weinig te bemerken van den Geest des Heeren. Heeft Mozes niet gezegd: «Och of al het volk des Heeren profeten waren!»? Geloof mij, indien deze zaak uit de menschen is, zoo zal zij weldra te niet gaan; en als ze uit God is, zoo kan ze niet gebroken worden!»

ocr page 256

240

«Uit God! Gij gelooft, Rabbi, dat deze zaak uit God zou kunnen zijn?»

«Ik weet het niet. De tijd zal het leeren.»

«Maar zij houden dien vervloekten bedrieger uit Nazareth, die in elk geval aan een kruis gestorven en dus geschandvlekt is, voor den Christus! Zij prediken, dat hij uit de dooden is opgestaan, en dat hij den Geest van God over hen heeft uitgegoten! Zij beschuldigen openlijk dc oversten, dat zij den Christus, den Koning van Israël gedood hebben! Zij maken dagelijks meer volks afvallig! Op den Pinksterdag zelf reeds hebben zij eene menigte menschen in den Kidron gedoopt, en dagelijks worden er nieuwe leden bij de sekte gevoegd! Moet dat alles maar ongestraft voortgaan? Moet daar niets tegen gedaan worden? Mogen wij het lijdelijk aanzien, dat onze oversten gelasterd worden?»

«Dat zij dat alles doen, weet ik; en het bedroeft ook mij. Maar ik houd mij overtuigd, dat zoodra het Sanhedrin maatregelen tegen hen neemt en het hen gaat beletten, het volk nog veel meer in beroering zal komen, en partij voor hen trekken. Gij vergeet er bij te voegen, dat zij inderdaad merkwaardige genezingen schijnen te kunnen bewerken; dat zij de armen, die onder hen zijn, verzorgen, zoo goed als geen streng Parizeer het hen verbeteren zal. Velen, onder anderen ook Rabbi Jozef van Arimathea, maken hunne bezittingen te gelde om de opbrengst te schenken aan de armen in hun midden. Zij vasten, zij bidden, zij geven aalmoezen. Wat wilt gij meer als bewijzen van hun vroomheid? Laten zij dwalen in hun geloof in dien Nazarener, overigens zijn zij inderdaad rechtvaardig volgens dc wet; en ik geloof niet, dat er reden bestaat hen te haten en te vervolgen.»

Saulus van Tarsen zweeg eenige oogenblikkcn. Toen sprak hij weder;

«Zou het niet mogelijk zijn, Abba, dat zij in het vervullen der wet en het bijwonen der tempeloffers getrouw blijven, omdat lij terecht vreezen, dat zij anders al spoedig aanstoot geven zouden?»

ocr page 257

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

«Ik weet het niet; God oordeelt de harten. Maar wij mogen niet oordeelen over de geheime bedoelingen der menschen.»

«De andere Rabbi\'s denken niet als gij, Abbalo

«Neen, dat weet ik. Toch hoop ik nog invloed genoeg te hebben om de vervolging dier lieden tegen te houden. Ik heb den kruisdood van Jezus van Nazareth niet kunnen beletten. Trouwens, dat was ook een ander geval; die noemde zich openlijk de Christus, de Zoon des Allerhoogsten. Maar deze lieden, die in niets te berispen zijn, dan alleen daarin, dat zij dien Jezus voor den Christus houden, hoop ik te kunnen bewaren voor vervolging.»

«Moet ik het dan maar lijdelijk aanzien, Abba, dat mijne eenige zuster in die verderfelijke dwaling blijft volharden?»

«Tracht haar terug te brengen van hare dwaling! Gij zijt onderwezen in de wet! Gij zijt een ijverig Farizeer! Als het u een oorzaak van verdriet is, dat zij zich bij de sekte der Nazareners heeft aangesloten, ga dan heen, zoek haar op, en tracht haar weer terug te leiden!»

«Ik vrees, dat dit vergeefs zal zijn. Ik heb vroeger ook reeds beproefd haar te overtuigen, dat zij dwaalde. Maar zij wilde niet naar mij hooren!»

«G j ^ebt \'t misschien wat al te onstuimig gedaan, mijn zoon. Vergeet niet, wat in de rol van den profeet Zacharia geschreven staat; «Niet door kracht, of geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden, spreekt de Heer.» Elia moest ook ondervinden, dat de Heer niet in den stormwind, noch in het vuur, noch in de aardbeving was, maar in het suizen der stilte.»

«Welnu, Abba, ik zal het nog eenmaal beproeven. En moge de God Israels mij daarbij Zijn Geest geven, den Geest der wijsheid en der kennis, opdat de dochter van Rabbi Juda van Tarsen weder teruggebracht worden moge tot de wet.»

«Amen! Zoo zij het, mijn zoon!»

Met deze woorden verwijderde zich de Rabbi, en Saul ging in gedachten verzonken onder de hooge zuilengangen voort, om den

16

241

ocr page 258

242

tempel te verlaten. Bij de tempelpoort stond een hoop volk bij elkander, te spreken over iets, dat hen blijkbaar veel belang inboezemde. Saul ving eenige woorden op.

«Het is vreemd, dat zeg ik! Ik vrees, dat we ons toch hebben vergist, Zadok!» sprak eene vrouw uit den troep.

«Zijt gij ook al bekeerd, Thamar?» antwoordde de aangesprokene.

«Bekeerd nog niet! Was ik het maar! Ik geloof, dat wij alleji \'t wel noodig hebben ons te bekeeren!»

«Welnu,» antwoordde Zadok weer, «ga dan naar den Kidron!

Daar vindt je die Nazareners bijna eiken dag om nieuwe bekeerlingen te doopen! Ga maar! Dan krijg je ook wat mee van de uitdeeling, die ze dagelijks houden voor de arme menschen!»

Saul bleef staan, en luisterde.

«Ja, dat zeg ik toch maar,» zei Thamar weer, «dat zij toch een voorbeeld van mildheid zijn! Daar heb je bij voorbeeld dien koopman, Jacob Bar Simon, die een groot huis heeft in de Akra,

die heeft een groote voorraad kostbare tapijten en lijnwaad verkocht, en het geld bij de hoofden van die sekte gebracht. Ik weet \'t van nabij, want m\'n buurman, je weet wel, dien Baruch, die vroeger blind was, maar door den profeet genezen is____»

«Ja,» viel eene andere vrouw haar in de rede, «daar ben ik bij geweest! Ik heb nog nooit zoo iets gezien. De man was stekeblind,

mensch! En van z\'n geboorte af al! Hij had nooit een enkel lichtstraaltje gezien, en kon geen gebed lezen!»

«Hou\' toch stil, Hagar!» zei Zadok. «Wat wou je van Baruch zeggen, Thamar ?»

«Ik wou zeggen, dat die man, die ook tot de Nazareners behoort,

eiken dag overvloed van brood en visch, kaas en boonen krijgt, [

en soms ook vijgen. En ze hebben hem ook al een nieuw opperkleed gegeven.»

«Dan is \'t nog voordeelig om een Nazarener te worden!» merkte Hagar op.

«Dat weet ik nog niet!» zei Zadok. «Wacht maar! Nu gaat \'t

ocr page 259

DE JEUflDIGE GEMEENTE. 243

nog goed, nu ze zich rustig houden en niets doen dan prediken in hun vergaderplaats tot die luisteren willen. Maar als het te erg loopt, en \'t de Rabbi\'s begint te hinderen, dan is het uit; dan gaat \'t met hen als met den Nazarener zelf.»

«Het zou toch vreeselijk wezen,» zei Thamar weer, «als \'t eens waar was, dat we den Messias gedood hadden! Ik heb toen ook meegeroepen: Weg met hem! Allen deden het! Jelui ook! Kn zelfs Manasse de schoenmaker, die eerst nog zoo half en half zijn aanhanger was. Maar mensch, mensch! Als die Nazarener toch eens wezenlijk de Christus, was! Dan ziet \'t er slecht met ons uit!»

«.Wees daar maar niet bang voor, vrouwtje!» Met deze woorden mengde Saul zich nu in het gesprek. «De Nazarener was de Christus niet. Als de Christus komt, dan zal hij die Nazareners, die dien vervloekten gehangene voor den Christus houden, verdoen met den adem zijns monds.»

Allen zagen hem aan, en zwegen, uit eerbied voor den jongeling, die aan zijne kleeding herkend werd voor een leerling der Rabbi\'s. Saul trad in hun midden, en gebruik makende van de algemeen op hem gevestigde aandacht, sprak hij:

«Hoort naar mij, gij mannen en vrouwen van Jeruzalem! Dien Jezus, dien de Nazareners als den Messias prediken, is de Messias niet! Als hij de Messias geweest was, zou God hem niet overgelaten hebben in de handen zijner vijanden! Hij heeft aan een hout gehangen, en de wet zegt: «Vervloekt is een ieder, die aan een hout hangt!» Hij is dus vervloekt, van God en menschen! Maar wilt gij weten, wat er gebeuren zal, als de Messias komt? Dan zullen de heidenen zich tegen hem vergaderen tot den krijg, vergaderd onder de banier van den vreeselijken Armilus. Dan zullen de strafgerichten Gods komen over het hoofd van allen, die een valschen Christus gevolgd zijn, en zij zullen weggedaan worden uit Israël! De Messias, de heerlijke Koning Israels zal komen als een held, plotseling, overwinnend en krijg voerend. Hij zal groote volken overwinnen en rijke natiën bedwingen. Koningen zullen zich aan hem onderwerpen, en alle

ocr page 260

244

heidenen zullen zich voor hem nederbuigen. En dan, dan zal Israël groot zijn, en Sion zal verhoogd worden! Dan zal God zich ontfermen over zijn erfdeel, de Heilige Israels zal zich wenden tot verlossing van Zijn volk uit de hand van al degenen, die het haten. Dan zal de Messias, de Koning Israels «de toornen der geweldigen losmaken en de tanden der zondaren verbreken», gelijk de profeet Henoch zegt. Dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid, en gericht houden. En wee dan degenen, die een valschen Christus gevolgd zijn! Vervloekt zullen zij zijn! Verworpen, dat zij geen deel meer hebben aan des Heeren erfdeel! Hunne aangezichten zullen schaamrood worden en met schande bedekt! Zij zullen geworpen worden in den poel, die brandt van vuur en zwavel! Doch de rechtvaardigen, die de wet des Heeren betracht, en Zijne geboden liefgehad hebben, die Zijne inzettingen bewaard en Zijne rechten onderhouden hebben, zullen gered worden! Dan zullen de dooden levend worden; en dan ook zal de Geest van God uitgestort worden op alle vleesch! Dan zullen ode jongelingen gezichten zien en de ouden droomen droomen», zooals de profeet Joel zegt. Dan zal God teekenen en wonderen doen geschieden, en vrede zal over Israël zijn!»

«Wat gij daar zegt, jongeling,» sprak een man, die bij de laatste woorden naar voren was gekomen, «is reeds in vervulling getreden! Hier, in dezen heiligen tempel, hier in Joruzalem, de heilige stad, heeft God Zijn Geest uitgegoten over allen, die in Zijnen Zoon gelooven.»

«Zijt gij ook een van die vervloekte Nazareners?» sprak Saul met vlammende oogen.

«Ja,» antwoornde de man, op kalmen toon, «ik ben een van hen, die gij vervloekte Nazareners noemt. Ik ben Stefanus, uit Galilea, en acht het mij een eer, te behooren tot hen, die in den Christus gelooven.»

«Ik geloof in den Christus, die komen zal met de wolken des hemels om u en al zijne vijanden met de roede zijns monds en den adem zijner lippen te dooden! Maar met dien bedrieger, dien vervloekten Galileër wil ik niets te doen hebben.»

ocr page 261

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

De oogen van Stefanus begonnen te glinsteren en te stralen met een vreemden glans.

«Zijt gij niet Saulus van Tarsen, zoon van Rabbi Juda van Tarsen?» vroeg hij.

«Die ben ik!» antwoordde Saul.

«Welnu, dan zeg ik u, Saulus van Tarsen, dat gij zelf eens een getuige zult worden van dezen Jezus, dien gij nu lastert, omdat gij hem niet kent, maar dien ook gij eenmaal erkennen zult als den waren Messias, den Verlosser van Israël en van de heidenen.»

«Zeg mij, Stefanus,» viel nu Thamar in, die met tegenzin geluisterd had naar Saul, doch met welgevallen het optreden van Stefanus gezien had, «zeg mij toch, wat moet ik doen om deel te hebben aan het heil van dien Verlosser?»

«Geloof in Jezus, den Christus! En laat u doopen den doop tot bekeering!» antwoordde Stefanus.

Saulus had willen antwoorden op de laatste tot hem gerichte woorden van Stefanus; maar de vraag van de vrouw verhinderde hem. De menschen, die eerst naar hem geluisterd hadden, wendden zich nu allen tot Stefanus, die nu op zijne beurt de menschen begon toe te spreken.

«Ja, geloof in Jezus, den waren Christus, mannen en vrouwen van Jeruzalem!» sprak hij. «Deze is de ware Verlosser, de van God gezonden en met Zijn Geest gezalfde Koning! Hij is krachtig bewezen te zijn de Christus, de Zoon van den levenden God uit de opstanding der dooden!»

«Die opstanding is een leugen!» viel Saul hem in de rede.

«Zwijg gij nu, en laat Stefanus spreken!» zei Zadok.

«Die opstanding is de waarheid!» vervolgde Stefanus. «Ik zelf heb hem gezien, en met mij meer dan vijfhonderd broeders en zusters, na zijne opstanding!»

«Vijfhonderd! Zeg ons, waar is dat geweest?» vroeg er een uit het volk.

«In Galilea,» antwoordde Stefanus, «op den berg, waarheen hij zijne volgelingen bescheiden had.»

ocr page 262

246

«O, vertel ons daarvan!» spraken vele stemmen.

Saul keerde zich vol ergernis om, en verwijderde zich. «Het baat niet, of men het verblinde volk al waarschuwt en leert!» mompelde hij. «Die schare, die de wet niet weet, die Am-Haarez, is vervloekt, en overgeleverd aan den eersten den besten volksverleider!»

Hij verliet nu den tempel, nog eens omziende naar den volkshoop, en zag, hoe het getal van hen, die naar Stefanus luisterden, steeds grooter werd.

«Ik vrees, dat Rabbi Gamaliel zich bedriegt!» dacht hij. «Het zal langzamerhand wel overgaan, meent hij. Integendeel, het neemt steeds meer toe!»

Hij begaf zich naar de Bovenstad Zion, waar hij het huis betrad van Rabbi Alexander, bij wien hij sedert het Pinksterfeest zijn intrek genomen had. Het huis in de Akra, waar hij vroeger met vader en zuster gewoond had, was ontruimd en verkocht, en de bedienden ten deele heengezonden, ten deele, voor zoover zij slaven waren, bij Rabbi Alexanders slaven gevoegd. De hoop, die hij gekoesterd had in den Pinksternacht, dat hij door zijn oom nog zou kunnen verhinderen, dat Suzanna geheel in de handen van Azarja bleef, was hem ontnomen, toen de Rabbi hem gezegd had, dat de verloving door zijn vader nog voor zijn dood was in orde gebracht, en geheel in de vereischte vormen; dus dat hij zelf, als voogd zijner zuster, er de toestemming toe gegeven had, dat zij haren intrek nemen zou bij Maria van Cyprus. Saul had zijne zuster nog niet weergezien. Zij zelf kwam niet meer bij de vroegere vrienden; noch in het huis van Rabbi Alexander, noch in dat van Rabbi Jona Ben Amittaï werd zij meer gezien. Zij verkeerde dagelijks in het gezelschap der Nazareners, en was zelf een der door den Geest geïnspireerde profetessen; dit had Saul van ter zijde vernomen. Er waren hem geruchten ter oore gekomen van lieden, die haar in de plaats der samenkomst in den tempel hadden hooren «profeteeren», en die verklaard hadden nooit zoo iets gehoord te hebben als de redenen van deze jonge profetes. Ofschoon niet zoo tehuis in de Schriften

ocr page 263

247

als haar broeder, scheen het, dat zij nu met de kleinste bijzonderheden der profetische schrijvers op de hoogte was, en had zij een redebeleid en eene bijeenvoeging van Schriftwoorden te hooren gegeven, waarover elk zich verwonderde. «Het was, alsof de Rabbi, uw vader uit haar sprak,» zoo had men Saul verzekerd. Doch juist die lof hinderde hem, omdat hij liefst niet meer dacht aan het zijns inziens diep te betreuren leit, dat hij zijn vader niet van zijne dwaling had kunnen terugbrengen, en dat deze gestorven was in het geloof aan den valschen Messias.

Toen hij het huis betrad, kwam hem de zoon van Rabbi Alexander, zijn neef Ismael tegemoet; dezelfde, die bleek geworden was, toen Suzanna op den dag der begrafenis haars vaders, hare verloving met Azarja had meegedeeld.

«Ik moet eens met je praten, Saul,» zei hij. «Ga met mij naar de opperzaal; daar is het nu koel en eenzaam. Daar kunnen we rustig samen spreken.»

Saul volgde zijn neef naar de opperzaal, die op het platte dak uitkwam. Een paar lage rustbanken gaven hen gelegenheid zich neder te zetten.

«Wat ziet ge somber, Saul!» zei Ismael. «Wat scheelt u? Heeft Rabbi Gamaliel u niet vriendelijk ontvangen?»

«Over zijne ontvangst heb ik mij niet te beklagen, Ismaül,» antwoordde Saul, «maar ik kan mij slecht meer vinden in zijne inzichten.»

«Hoezoo ?»

«Hij keurt alle bestrijding der Nazareners af. Hij meent, dat wanneer men hen met rust laat, het vanzelf weer over zal gaan. Hij herinnerde mij aan Elia, aan wien God verschenen was in het suizen van eene stilte, en aan het woord van den profeet Zacharia: «Niet door kracht of geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heer.» Maar met dat al gaan die Nazareners voort steeds meerderen van het onkundige, verblinde volk te verleiden, en wij moeten het lijdelijk aanzien! O, Ismael, mijn hart is

ocr page 264

246

«O, vertel ons daarvan!» spraken vele stemmen.

Saul keerde zich vol ergernis om, en verwijderde zich. «Het baat niet, of men het verblinde volk al waarschuwt en leert!» mompelde hij. «Die schare, die de wet niet weet, die Am-Haarez, is vervloekt, en overgeleverd aan den eersten den besten volksverleider!»

Hij verliet nu den tempel, nog eens omziende naar den volkshoop, en zag, hoe het getal van hen, die naar Stefanus luisterden, steeds grooter werd.

«Ik vrees, dat Rabbi Gamaliel zich bedriegt!» dacht hij. «Het zal langzamerhand wel overgaan, meent hij. Integendeel, het neemt steeds meer toe!»

Hij begaf zich naar de Bovenstad Zion, waar hij het huis betrad van Rabbi Alexander, bij wien hij sedert het Pinksterfeest zijn intrek genomen had. Het huis in de Akra, waar hij vroeger met vader en zuster gewoond had, was ontruimd en verkocht, en de bedienden ten deele heengezonden, ten deele, voor zoover zij slaven waren, bij Rabbi Alexanders slaven gevoegd. De hoop, die hij gekoesterd had in den Pinksternacht, dat hij door zijn oom nog zou kunnen verhinderen, dat Suzanna geheel in de handen van Azarja bleef, was hem ontnomen, toen de Rabbi hem gezegd had, dat de verloving door zijn vader nog voor zijn dood was in orde gebracht, en geheel in de vereischte vormen; dus dat hij zelf, als voogd zijner zuster, er de toestemming toe gegeven had, dat zij haren intrek nemen zou bij Maria van Cyprus. Saul had zijne zuster nog niet weergezien. Zij zelf kwam niet meer bij de vroegere vrienden; noch in het huis van Rabbi Alexander, noch in dat van Rabbi Jona Ben Amittaï werd zij meer gezien. Zij verkeerde dagelijks in het gezelschap der Nazareners, en was zelf een der door den Geest geïnspireerde profetessen; dit had Saul van ter zijde vernomen. Er waren hem geruchten ter oore gekomen van lieden, die haar in de plaats der samenkomst in den tempel hadden hooren «profeteeren», en die verklaard hadden nooit zoo iets gehoord te hebben als de redenen van deze jonge profetes. Ofschoon niet zoo tehuis in de Schriften

ocr page 265

t)E JEUGDIGE GEMEENTE.

als haar broeder, scheen het, dat zij nu met de kleinste bijzonderheden der profetische schrijvers op de hoogte was, en had zij een redebeleid en eene bijeenvoeging van Schriftwoorden te hooren gegeven, waarover elk zich verwonderde. «Het was, alsof de Rabbi, uw vader uit haar sprak,» zoo had men Saul verzekerd. Doch juist die lof hinderde hem, omdat hij liefst niet meer dacht aan het zijns inziens diep te betreuren feit, dat hij zijn vader niet van zijne dwaling had kunnen terugbrengen, en dat deze gestorven was in het geloof aan den valschen Messias.

Toen hij het huis betrad, kwam hem de zoon van Rabbi Alexander, zijn neef Ismaël tegemoet; dezelfde, die bleek geworden was, toen Suzanna op den dag der begrafenis haars vaders, hare verloving met Azarja had meegedeeld.

«Ik moet eens met je praten, Saul,» zei hij. «Ga met mij naar de opperzaal; daar is het nu koel en eenzaam. Daar kunnen we rustig samen spreken.»

Saul volgde zijn neef naar de opperzaal, die op het platte dak uitkwam. Een paar lage rustbanken gaven hen gelegenheid zich neder te zetten.

«Wat ziet ge somber, Saul!» zei Ismaël. «Wat scheelt u? Heeft Rabbi Gamaliel u niet vriendelijk ontvangen?»

«Over zijne ontvangst heb ik mij niet te beklagen, Ismaël,» antwoordde Saul, «maar ik kan mij slecht meer vinden in zijne inzichten.»

«Hoezoo ?»

«Hij keurt alle bestrijding der Nazareners af. Hij meent, dat wanneer men hen met rust laat, het vanzelf weer over zal gaan. Hij herinnerde mij aan Elia, aan wien God verschenen was in het suizen van eene stilte, en aan het woord van den profeet Zacharia: «Niet door kracht of geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heer.» Maar met dat al gaan die Nazareners voort steeds meerderen van het onkundige, verblinde volk te verleiden, en wij moeten het lijdelijk aanzien! O, Ismaël, mijn hart is

247

ocr page 266

248

ontstoken binnen in mij over mijne zuster! Zoo doe mij de Heer, en zoo doe Hij daartoe, zoo ik mij niet te eeniger tijd wreke op dien Azarja, die haar nu geheel onder zijne macht heeft!»

«Ik moet 11 iets meedeelen, Saul. Ik heb ?t al lang gezwegen, maar ik kan niet langer zwijgen. En gij zijt er de naaste toe om het te weten.»

Saul zag hem aan. Zijn gelaat was bleek.

«Ismacl, mijn broeder, wat scheelt u?»

«Ach, kondet gij waarlijk mijn broeder worden! O Saul, vergeef mij; ik weet, dat ik er zonde aan doe, omdat zij verloofd is; maar — ik heb Suzanna, uwe zuster, lief!»

Saul was opgesprongen. «Gij, Ismaël?» riep hij, «gij hebt haar lief? Gij zoudt haar tot uwe vrouw begeeren?»

«Ik mag dat niet. Zij is eenen anderen gegeven. En de wet zegt: Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw.»

«Zij is de vrouw nog niet van Azarja. O, gave God, dat ik verhinderen kon, dat zij het werd! Gave God, dat wij haar konden bekeeren ran hare dwaling! Hoe hartelijk zou ik wenschen, dat gij, en niet die Azarja mijn broeder werd, de man van mijne zuster Suzanna!»

«Uw vader heeft zelf die verloving gewild. Er is niets aan te doen.»

«Dat weet ik nog niet! We zullen zien! Veronderstel, dat wij haar van haar bijgeloof bekeeren konden! Veronderstel, dat zij zelf het anders wenschte!»

«Dan nog zou daarmee het besluit uws vaders niet vernietigd worden!»

«Dat weet ik nog niet. In elk geval, Ismaël, laten we doen, wat we kunnen. Ik zou er alles voor over hebben, als ik haar van Azarja kon losmaken. Was ze maar eenmaal weer in onze macht, dan zouden wij haar ook wel tot terugkeer brengen.»

«Dat betwijfel ik, Saul,» antwoordde Ismaël, terwijl hij droevig met het hoofd schudde. «Zij zal evenmin van haar geloof in Jezus als van hare verloving met Azarja afstand doen.»

ocr page 267

Ï)E JËUGDIGÉ GËMÊENTË.

«Kom, ge moet niet moedeloos zijn! Is God niet almachtig? Is het niet een Godewelgevallig werk, wanneer wij eene derdochteren Israels, dochter van een Rabbi en verwante van den hoogepriester, trachten terug te brengen van den dwaalweg tot de rechte wegen der gerechtigheid?»

«Zeker, dat geloof ik ook wel! Maar, zie je, ik heb wel gemerkt, dat zij aan Azarja gehecht is, en dat zij zich niet schaamt er voor uit te komen, dat zij in den Nazarener gelooft. En naar ik hoor hebben al die Nazareners een onverwrikbare overtuiging, en gaat\'t niet gemakkelijk hen tegen te spreken. Ik vrees dus, dat het ons weinig zal baten, wat we ook doen.»

«In elk geval, wij moeten doen wat we kunnen. Zoo God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn ? Als wij weten, dat wij een Gode welgevallig werk verrichten, dan hebben we niet te vragen naar de uitkomst, maar alleen te doen, wat onze plicht is.»

Op dat oogenblik werden zij gestoord. Simei kwam de trap op, die naar de opperzaal voerde.

«Wat voor intiem gesprek hebt jelui hier samen?» zei hij. «Ik zocht je beneden, maar vond je niet. Toen zei een van de slaven, dat je samen hierboven waart. En toen ben ik maar zoo onbescheiden geweest naar boven te gaan.»

«Ja,» zei Saul glimlachend, «dat zijn we gewoon van je. Maar kom, zeg me, wat je hierheen voert. Je hebt zeker weer \'t een of ander.»

«Ja, daarin hebt je gelijk. Ik wilde je vragen, jelui allebei, of je meegaat naar het dal van Josafat. Die Nazareners zijn weer bezig menschen te doopen.»

«Wat wilde je dan doen?»

«O, niets! Ik wilde maar eens er getuige van zijn! En, wie weet, misschien is er wel wat te vinden om hen te bestrijden!»

«Er is nu nog niet veel aan te doen. Het volk is nog te zeer met hen ingenomen. Ik heb het zoo straks nog ondervonden,» antwoordde Saul.

249

ocr page 268

bÉ JÈÜGDIGE (ÏÉMEEN\'rk.

«Nu nog niet; maar dat zal zoo lang niet duren. Er zal wel iets gevonden worden. En als maar eenmaal vonnis is geveld tegen een van hunne hoofden, dan zal de volksgunst wel spoedig verminderen, en kan de sekte door de Rabbi\'s bestreden worden. Maar gaat ge nu mee?»

«Ja, ik ga met u. Ik wil er wel eens getuige van zijn,» zei Ismaël.

«Goed, dan ga ik met u beiden,» zei Saul.

Zij daalden de buitentrap af, en kwamen in de nauwe straat. Daarop richtten zij hunne schreden zuidwaarts, tot zij bij het graf van koning David, in het zuidelijkst gedeelte van Jeruzalem, dicht bij den stadsmuur kwamen. Zij gingen het graf van David voorbij, en traden buiten de stad door de Pottebakkerspoort, vanwaar een voetpad naar het dal Tyropaeon voerde. Over het excercitieveld en langs den vijver Siloa bereikten zij nu weldra het zuidelijkst gedeelte van het dal Josafat, door welks laagte de beek Kidron vloeide, thans, in den zomer, zeer laag, zoodat hij op vele plaatsen gemakkelijk doorwaad worden kon.

Nu richtten zij hunne schreden weder noordelijk, den rechteroever van den Kidron volgende, en weldra, dicht bij den hoogen tempelmuur, waar het dal van Josafat zich verbreedde, zagen zij eene groote menigte menschen aan beide oevers der beek, terwijl twee mannen in de beek stonden, zonder opperkleed, tot de knieën in het water. Zij konden op den afstand, waarop zij nog van het tooneel verwijderd waren, niet nauwkeurig onderscheiden, wat er eigenlijk plaats greep, noch ook hooren, wat gezegd werd. Alleen zagen zij duidelijk, hoe de één der beide mannen zich bukte, en de ander daarop hem onderdompelde in het water, waarop de eerste weder oprees en de beek verliet, terwijl de ander bleef staan.

«Zie,» zei Simei\', «daar zijn ze bezig. Die man wordt juist gedoopt!»

«Wat \'n menigte menschen!» zei Ismaël.

«Ja,» zei Saul, «Rabbi Gamaliel meent, dat het van zelf wel zal voorbijgaan; maar ik vrees er voor. Het woekert snel voort, naar het schijnt!»

ocr page 269

251

«Geduld maar! Zoodra de tijd er rijp voor is, zullen de Rabbi\'s er wel een eind aan weten te maken.»

Zij waren nu dichterbij gekomen, en zagen nu, hoe eene vrouw naar voren trad. Zij ging door de lieden heen, die langs de beek in het gras zaten, en zette hare voeten in het water, haar opperkleed in het gras nederleggende.

«Wilt gij u bekeeren van uwe zonden, en boete doen?» vroeg de man, die in het water stond, en niemand anders was dan Simon Bar Jona, toegenaamd Petrus.

«Ja, Heer,» antwoordde de vrouw, in wie Saulus van Tarsen Thamar herkende, de vrouw met wie hij kort te voren in den tempel gesproken had.

«Belijdt gij te gelooven in den Messias Jezus, den Zoon van God?»

«Ik geloof, dat Jezus van Nazareth, die gekruisigd is en gestorven, uit de dooden is opgestaan, en dat hij de eenig ware Messias is.»

«Welnu, kom dan, en laat u doopen den doop der bekeering, en gij zult de gave des Geestes ontvangen.»

Daarop trad Thamar naar het midden der beek tot bij Simon Petrus, bukte zich, en Simon drukte haar hoofd even onder water. Dadelijk hief zij het weer omhoog en het water stroomde rijkelijk uit hare haren. Zij greep ze met de hand, wrong het water er uit, en schudde ze los. Daarop verliet zij het water, en sloeg, op den oever gekomen, haar opperkleed wederom om de leden.

«Wees welkom, zuster Thamar, in ons midden!» spraken velen der mannen en vrouwen, die aan den oever zaten. Daarop voegde zich een der vrouwen bij haar, en weldra was zij met deze in een druk gesprek gewikkeld.

Intusschen waren weder een paar lieden genaderd, die den doop verlangden. Saul meende den man te kennen. «Ik geloof waarlijk,» fluisterde hij Simeï toe, «dat dat Manasse de schoenmaker is, met zijne vrouw!»

Weldra werd deze meening bevestigd; want toen Simon Petrus hem vroeg: «Wie zijt gij, broeder ?» antwoordde hij: «Ik ben Manasse,

ocr page 270

252 DE JEUGDIGE GEMEENTÉ.

de schoenmaker; en dit is mijne vrouw Sara. Wij verlangen ook gedoopt te worden tot de belijdenis van Jezus als den Christus. Wij hebben vroeger in hem geloofd; doch later werden wij hem ontrouw. Nu berouwt ons dat, want wij zien de teekenen, die hij door ulieden doet. En nu willen wij ook ons bij u voegen.»

Simon zag hem ernstig aan. «Is uw berouw wel oprecht?» vroeg hij.

«Waarom zou het niet oprecht zijn?» vroeg Manasse.

«iDe Geest zegt mij,» antwoordde Petrus, «dat gij niet uit de ware gezindheid handelt. U drijft de begeerte naar aardsch voordeel en de eer der menschen! Toen onze Heer werd ingehaald in Jeruzalem hebt gij mee gejuicht; toen hij verworpen werd, hebt gij ook hem verworpen. En nu, nu gij meent, dat wij de gunst en eer der menschen zullen verkrijgen, nu gij ziet, dat steeds meerderen bij ons zich voegen, en vooral nu gij ziet, dat wij de armen onder ons verzorgen, nu wilt gij u door eene gehuichelde boete en doop bij ons voegen! Ga heen, zeg ik u, gij Manasse en Sara! Gij hebt geen deel of lot in deze zaak, en zult de gave des Geestcs niet ontvangen! Ga heen, bekeer u van uwe boosheid! En dan, kom clan weder, en laat u doopen tot de belijdenis van Jezus den Christus.»

Manasse, die eerst verwonderd, daarop beleedigd, eindelijk geheel ontzet geworden was, antwoordde niets, wendde zich om en ging heen, gevolgd door zijne vrouw. Het volk zag met eerbied op Simon Petrus, die de gave der kennis van het verborgene bleek te bezitten, en sommigen fluisterden: «Een teeken!»

«Wel heb ik ooit van m\'11 leven!» mompelde Simei. «Die Galilecr durft! Wat \'n onbeschaamde kerel is dat!»

«Het schijnt toch, dat hij waarheid gesproken heeft!» zei Ismaël. «Zie dien man eens afdruipen! Als \'t niet waar was, dan had hij hem wel tegengesproken.»

Saul was intusschen op Manasse toegetreden, die nu door het volk heengegaan en dicht bij hen gekomen was.

«Manasse!» riep hij, «Manasse! Wat is dat? Heeft die man gelijk of niet?»

ocr page 271

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

Manasse zag hem verschrikt aan. Toen hij hem herkende, zei hij verrast:

«Saulus van Tarsen, gij ook hier? Zijt gij ook al een Nazarener geworden, evenals uwe zuster?»

«Ik? Neen, daar is het verre vandaan! Maar gij, Manasse, gij wildet u laten doopen! En die man daar, die Galileesche visscher weigert het u, en zegt u zulke beleedigende dingen, en gij laat u dat zoo maar welgevallen? Hoe heb ik het met u?»

Manasse haalde de schouders op. «Ik dacht,» zei hij, «dat het beter was mij bij hen te voegen, nu iedereen het doet!»

«Iedereen, Manasse?»

«Bijna iedereen! Zelfs Rabbi\'s en priesters zijn er bij. Maar nu hij mij weigert aan te nemen, nu wil ik er ook niets van weten!»

«Dank God, dat gij er niet toe gekomen zijt, om u bij hen to voegen! Gij zegt: Rabbi\'s en priesters zijn bij hen? Wie meent gij ?»

«Rabbi Nikodemus, Rabbi Jozef van Arimathea, en nog een paar Rabbi\'s uit Galilea ook. En de priester Theophilus, de Levietjoses uit Cyprus, en nog eenige andere priesters en Levieten.»

«Goed! Maar dat zijn er maar enkelen. Maar zeg mij, Manasse, had die man gelijk, dat gij Nazarener wildet worden, omdat zij zoo mild zijn voor de armen in hun midden?»

«Wat zal ik u zeggen, Saulus van Tarsen! Ik kan niet ontkennen, dat het mij aantrok mij te voegen bij die lieden, die zorgen, dat iemand geen gebrek behoeft te lijden. Het is mij wel eens moeilijk om aan den kost te komen, en ik kan ook wel eens wat denarien gebruiken!»

«Dus, Manasse, wat hij van u zei, was de waarheid, geheel de waarheid? En hij kende u te voren niet?»

«Hij zei het wel wat lomp weg, maar ik kon het niet tegenspreken. En kennen? Neen, ik geloof niet, dat hij mij kende; ik had hem vroeger nooit gezien of gesproken.»

Saul wendde zich van Manasse af. Ofschoon zelf een tegenstander van de Nazareners gevoelde hij op dat oogenblik toch minachting

ocr page 272

DF, JEUGDIGE GEMEENTE.

voor de karakterloosheid van den schoenmaker. Het feit echter, dat Simon Petrus dezen man op eens doorzien en naar waarheid de gedachten zijns harten beschreven had, maakte, zijns ondanks, indruk op hem. «Vreemd! Wonderlijk!» mompelde hij.

Hij keerde zich om, ten einde zich weder bij zijne beide makkers te voegen. Zij waren echter niet meer in zijne nabijheid. Hij zwierf daarom doelloos rond onder het volk; en intusschen was Simon Petrus weder bezig een ander man te doopen, naar het scheen een Romeinsch soldaat. Dit kwam Saulus echter onwaarschijnlijk voor, en daarom trad hij naderbij, door de menschen heen, om te zien, of hij goed gezien had. Inderdaad! Het was een Romeinsch krijgsman! Op dat oogenblik sprak Simon Petrus hem aan:

«Tullius, broeder, gij hebt deel gehad aan den dood van Gods heilig kind Jezus, gij hebt den heilige en rechtvaardige meehelpen kruisigen, maar de God Israëls heeft u de oogen geopend, en u doen inzien, dat hij, dien gij mede ter dood gebracht hebt, de Zoon was van den eenigen waarachtigen God, de Koning Israels. G;j hebt uwe valsche goden vaarwel gezegd, en hebt u door de besnijdenis laten inlijven in het heilige volk Israels; gij hebt u bekeerd van uwe zondige wegen, en beleden te gelooven in Jezus, den Christus. Welnu, in den naam van den eenigen waarachtigen God en van Zijnen Zoon Jezus Christus doop ik u met den doop der boete en bekeering tot vei geving der zonde!»

Tullius bukte en Simon dompelde zijn hoofd onderwater. Daarop rees de nieuwgedoopte overeind, en ging weer naar den oever.

Daar er nu geen doopelingen meer waren, kwam ook Petrus weer aan den oever, en voegde zich bij de overigen. Kort daarop hieven de Nazareners een lied aan; een psalm. Het was de aan Saul zoo goed bekende lofpsalm van David:

«Loof den Heer, mijne ziel,

al wat binnen in mij is Zijnen heiligen naam !

Loof den Heer, mijne ziel,

en vergeet geene van Zijne weldaden!

254

ocr page 273

255

Die al uwe ongerechtigheid vergeeft,

die al uwe krankheden geneest.

Die uw leven verlost van het verderf,

en u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid.

Die uwen mond verzadigt met het goede,

uwe jeugd vernieuwt als die eens arends.

De Heer doet gerechtigheid en gerichte aan allen, die onderdrukt worden.

Hij heeft Mozes Zijne wegen bekend gemaakt;

den kinderen Israels Zijne daden.

Barmhartig en genadig is de Heer,

lankmoedig en groot van goedertierenheid.

Hij zal niet altoos twisten,

noch eeuwiglijk den toorn behouden.

Hij doet ons niet naar onze zonden,

en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

Want zoo hoog de hemel is boven de aarde,

is Zijne goedertierenheid groot over die Hem vreezen.

Zoo ver het Oosten is van het Westen,

zoo ver doet Hij onze overtredingen van ons.

Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen ontfermt zich de Heer over die Hem vreezen.»

Plechtig weerklonk het lied uit die honderde monden, weerkaatst door de hellingen der bergen, den Olijfberg aan de eene, den tempelberg aan de andere zijde. Saul, die eene gevoelige, licht bewogen natuur had, en wiens hart behoefte had aan die innige vroomheid, die er spreekt uit Israels psalmen, kwam zijns ondanks onder den indruk der plechtigheid. Eene rilling van ontroering doorliep hem, toen hij daar stond, midden tusschen die van heilige geestdrift vervulde mannen en vrouwen, die met luider stemme, en toch niet luidruchtig dat heerlijke, hemzelven ook zoo welbekende lied aanhieven. Gevoelde de vurige jongeling iets van den adem des heiligen Geestes, die over die vergadering blies? Hij kon er zich later geen

ocr page 274

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

rekenschap van geven, wat het geweest was; maar eene machtige aandoening overmeesterde hem, en nauwelijks kon hij zich weerhouden om niet mee in te stemmen met het schoone loflied, dat hij ook in de synagoge meermalen had gezongen, doch dat hem nog nimmer zoo schoon, zoo diep ontroerend, zoo welluidend had geklonken als nu, op dit oogenblik, nu het daar weerklonk in Gods vrije natuur, tintelend van heilige geestdrift. Wonderlijk roerden hem die hem toch zoo goed bekende woorden: «Die al uwe onge-rechtigheid vergeeft; die al uwe krankheden geneest»; onwillekeurig gevoelde hij de beteekenis er van voor den doop der boete, die al deze lieden ondergaan hadden. Was het dat niet, wat ook hij behoefde? Vergeving van ongerechtigheid? — En niet minder troffen hem de woorden: «Barmhartig en genadig is de Heer, lankmoedig en groot van goedertierenheid»; en: «Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.» Hoe troostvol, dit te bedenken!

Hot lied was geëindigd; en nu weerklonk eene schoone stem. «Heer, onze God, onze Vader, Vader van onzen Heer Jezus Christus!» zoo klonk het, «wij loven en danken Uwen heiligen naam, dat Gij Uw volk hebt bezocht, en verlossing teweeggebracht door Uwen Gezalfde! Wij loven en d.mken Uwen heiligen naam, dat Gij dagelijks toevoegt bij de kudde van Uwen Zoon, dien Gij gezonden hebt, niet opdat hij de wereld oordeelen zou, maar opdat de wereld door hem zou behouden worden. En nu, o Heer, onze Vader in de hemelen, geef Uwen dienstknechten met vrijmoedigheid te getuigen van de opstanding van Uwen Zoon! Open Uw hand, dat teekenen en wonderen geschieden mogen door den naam van Uwen heiligen Zoon! En geef aan allen, die gelooven één hart en ééne ziel. om met één voornemen des harten te blijven bij het geloof, totdat hij komt met de wolken des hemels, dien Gij uit de dooden opgewekt en in de hemelen verhoogd hebt!»

De stem zweeg. Doch op hetzelfde oogenblik viel de geheele schare Nazareners gelijktijdig in met de woorden: «Amen! Ja, Amen!»

256

ocr page 275

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

Nu begon het volk zich langzaam te verstrooien, en Saulus van Tarsen zag om zicli heen. Noch Ismaël, noch Simei was meer te zien; doch dicht in zijne nabijheid zag hij den Romeinschen krijgsman , die het laatst gedoopt was. Eene plotselinge opwelling volgende , sprak hij hem aan:

ftZijt gij niet een heiden?»

«Ik ben een Romein van geboorte; doch heb sedert eenige weken den godsdienst van Israel aangenomen. Ik ben Proseliet der gerechtigheid geworden.»

«Zijt gij besneden, en hebt gij het door de wet geëischte offer gebracht?»

«Natuurlijk, jongeling. Maar wie zijt gij, dat gij dit vraagt? Zijt gij ook een van de onzen? Gelooft gij ook in den Zoon van God?»

Deze vraag bracht Saulus van Tarsen geheel weder tot zichzelven. De ontroering van zooeven was verdwenen; hij was weer geheel de Farizeër.

«Neen!» antwoordde hij. «Ik geloof niet in dien Nazarener, dien gij den Zoo\'i van God noemt, doch dien onze Oversten rechtvaardig hebben laten ter dood brengen.»

De soldaat zag hem met verbazing aan. «Hoe?» zei hij, «gelooft gij niet in hem? Wat doet gij dan hier, waar zijne volgelingen bijeen waren?»

oik was met nog twee vrienden gekomen om eens te zien, hoe dat doopen toeging.»

«En gij hebt het gezien? Gij zijt getuige geweest ook van mijn doop ?»

«Dat ben ik.»

«En toch gelooft gij niet?»

«Neen, ik geloof niet in dien Nazarener. Ik houd hem voor een bedrieger.»

Op dit woord fronsde de Romein zijn voorhoofd.

«Jongeling,» zei hij, «bedenk wat gij zegt! Laster den heiligen naam niet van hem. die ik als mijn Heer en Koning beleden heb!»

257

i?

ocr page 276

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

«Uw Heer en Koning? En gij zijt een Romeinsch krijgsman? Hoe brengt gij dat met elkander overeen?»

«Zijn koninkrijk is niet van deze wereld! Ik heb het zelf vernomen van zijne gezegende lippen, toen ik het nog niet begreep. Hij stond voor den landvoogd, onzen Heer Pontius Pilatus. Ik was, met nog een paar makkers, in het Praetorium, in de onmiddellijke nabijheid van het vertrek, waar de landvoogd hem ondervroeg. Uwe Rabbi\'s, in hun blinden hoogmoed en goddeloozen haat, hadden hem, den heilige en rechtvaardige, aan den landvoogd overgeleverd. De landvoogd dacht, dat hij oproer had willen maken tegen het wettige gezag, en vroeg hem, of hij de Koning der Joden was. En toen gaf hij dat antwoord, en voegde er bij: «Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaren gestreden hebben. Doch nu is mijn koninkrijk niet van hier.» Wij lachten om den dweeper, zooals wij hem noemden; en toen wij een oogenblik later hem geeselen moesten, hadden wij er vermaak in, dat wij een vermeenden koning moesten geeselen. «Jongens, dat is nog nooit gebeurd! Wat \'n eer voor ons! Een koning! En nog wel een koning der Joden!» zoo zeiden we tegen elkaar. En toen, — o, jongeling, nu krimpt mijn hart van schaamte en smart voor wat ook ik hem heb aangedaan! — toen hij gegeeseld was, en het bloed zijn kleed rood verfde, toen wierpen wij hem een ouden soldatenmantel om, gaven hem een stok in de hand, drukten hem een kroon van in elkander gevlochten doorntakken op het hoofd, en vielen toen spottend voor hem op de knieën, zeggende: «Ave! Rex Judaeorum! Wees gegroet, koning der Joden!» O had ik toen geweten, wat ik nu weet, ik zou ook voor hem geknield zijn, maar om hem in ernst te aanbidden als mijn Heer en Verlosser!»

«Gij hadt die laffe wreedheid wel kunnen nalaten. Hij was zonder dat genoeg gepijnigd.»

Weder fronsde de Romein zijn voorhoofd. Hij antwoordde echter:

«Laffe wreedheid! Het kan zijn, dat gij gelijk hebt! Ja, gij hebt gelijk! Maar gij vergeet, dat een Romeinsch krijgsknecht gewoon

258

ocr page 277

259

is aan bloedvergieten en ter dood brengen, en dat wij niet beter wisten. O, de man van smarten heeft dat ook begrepen; want nog klinkt mij zijn gebed in de ooren, dat hij uitsprak, toen wij hem kruisigden: «Vader, vergeef het hun; zij weten niet wat zij doen!» Den God Israels zij dank, dat gebed is voor mij althans verhoord!»

«Heeft de Nazarener dat gebeden? Hebt gij dat gehoord? Waart gij dan ook bij de terechtstelling?»

«Ja. En ik heb hem ook mee begraven. Dat is voor mij het begin geweest van een nieuw leven. Die twee Rabbi\'s uit uwen raad, de broeders Nikodemus en Jozef van Arimathea, kwamen om zijn lijk te begraven. Ik heb hen toen geholpen, en nog wat met hen gesproken. Ik lachte om wat zij zeiden, dat hij weer uit de dooden zou opstaan. Maar later lachte ik niet meer! Ik heb zelf den engel gezien, die zijn graf opende.»

«Wat?» riep Saul uit, »gij hebt een engel gezien, die zijn graf opende? En hebt gijlieden dan niet verteld, dat zijne volgelingen \'s nachts zijn lijk gestolen hebben ? Was dat dan een leugen ?»

«Ja, dat was een leugen, waarover ik mij nu diep schaam. Wij hebben ons laten omkoopen om dat te vertellen. Maar nu kom ik er openlijk voor uit. Ik weet zeker, dat hij niet gestolen is, maar dat een engel zijn grr.f geopend heeft. En aan zijne volgelingen is hij levend verschenen, meermalen.»

«Onzin! Zij hebben u wat wijs gemaakt! Ik geloof er niets van!» riep Saul heftig uit.

Tullius zag hem ernstig aan. «Is het u te doen, jonge man,» zei hij, «om de waarheid te kennen?»

«Zeker! Maar ik ken de waarheid! God heelt aan Israël Zijn woord gegeven, en aan Jakob Zijne inzettingen bekend gemaakt! De kennis van Gods wil en gerechtigheid is het leven en de waarheid! Daar blijf ik bij!»

«Ik meende ook, dat ik nagenoeg wist wat waarheid was,» antwoordde de krijgsman. «Ik beschouwde Rome als het grootste en machtigste volk ter wereld, en den keizer als de zichtbare vertegen-

ocr page 278

DR JEUGDIGE GEMEENTE.

woordiger der goden op aarde. Ik had weinig achting voor uw volk, en uw wet scheen mij dwaas en bekrompen. Vooral die * spijswetten, waardoor gij het zonde acht varkensvleesch te gebruiken, kon ik niet anders dan dwaas en belachelijk vinden. De Sabbath scheen mij eene onzinnige gewoonte, een verspillen van kostelijken tijd in ledigheid. En dan de afwezigheid van alle beelden en teekcns i Dat gij op geenc enkele wijze u de godheid zichtbaar zocht te maken! Dat wilde er bij mij niet in. Maar de Nazarener heeft mij de oogen geopend, niet voor, maar na zijn kruisdood. Gij wilt er niets van gelooven, zegt ge; maar ik zeg u, jongeling, het is zoo, of gij het gelooven wilt of niet. De Nazarener is opgestaan uit de dooden, en door velen gezien.»

«Ook door u ?»

«Neen, niet door mij. Ik was toen nog niet geschikt om onder zijne volgelingen opgenomen te worden. Eerst ben ik, door wat op het Paaschfeest gebeurd was, tot nadenken gekomen. Door den schoenmaker Manasse, dezelfde, die straks afgewezen werd voor den doop, kwam ik in aanraking met den koopman Jacob Bar Simon. Deze bracht mij met de volgelingen van Jezus in aanraking. Het was vooral Rabbi Nikoderpus, die mij genas van mijne hei-densche dwalingen. Ik had hem reeds ontmoet bij de begrafenis van den Meester. Nu vond ik hem weer in de opperzaal van Jacob Bar Simon. Door hem ben ik onderwezen in de wet en leerde ik de inzettingen kennen, waarover gij straks hebt gesproken. Hij vertelde mij ook van de verschijningen van den Meester. Hij had mij bij de begrafenis er al van gesproken, dat hij het verwachtte. Ik had er toen den spot mee gestoken. Nu wist ik zelf, dat een hoogere macht zijn graf geopend had. En zoo leerde ik gelooven in den Nazarener. En toen werd ik Proseliet.»

«Zijt gij Proseliet geworden, omdat gij in den gekruisigde geloofdet?»

«Ja. Rabbi Nikodemus zei mij, dat de Messias voor het volk van God gekomen was, en dat een heiden alleen dan deel kon hebben aan zijn heil, als hij zich bij dat volk liet inlijven. Ik had

26o

ocr page 279

DE JEUGDIGE GEMEENTE. 201

eerst nog al bezwaar er tegen; vooral stuitte mij de besnijdenis tegen de borst. Ik vond dat, om u de waarheid te zeggen, een dwaze en pijnlijke verminking, en kon niet begrijpen, dat werkelijk de Schepper en opperste Godheid dat geboden zou hebben. Maar ten slotte overwon ik mijne bezwaren, want toen op den Pinksterdag de heilige Geest over al de volgelingen van den Meester uitgegoten was, en ik, die eveneens in hem geloofde, buiten gesloten was, kon ik het niet langer verdragen, maar ik ging tot den Rabbi, en zei tot hem: «Besnijd mij de voorhuid! Ik wil ook den gekruisigde dienen en toebehooren!» En toen heeft Rabbi Nikodemus mij besneden. Ik heb het reinigingsbad ondergaan en het offer gebracht, dat de wet voorschrijft, en sedert dien tijd betaal ik ook de tempelbelasting, en ben als Proseliet der gerechtigheid lid geworden van uw volk. En nu bestond er geen beletsel meer, waarom ik niet den doop ontvangen en lid der gemeente worden zou. Zoo straks is dat geschied, zooals gij zelf hebt gezien.»

Zij waren, al sprekende, langs den Kidron voortgewandeld, en waren nu gekomen bij de brug, die over de beek naar den Olijfberg voerde. Bij de laatste woorden bleef Tullius staan, zag Saulus van Tarsen ernstig in de oogen, en de hand op zijn schouders leggende zeide hij:

«Jongeling, ik ben maar een eenvoudige krijgsknecht; ik ben nog maar kort bekend met de wet en nog half en half een vreemdeling onder ulieden. Gij zijt een Farizeër, onderwezen in de wet. Maar ik geloof in uwen en mijnen koning en verlosser. Zeg mij, wilt gij ook niet gelooven in hem?»

Een oogenblik verkeerde Saul onder de macht van die heldere oogen, waarin edele geestdrift tintelde. Toen kwam de geest van verzet en vijandschap met dubbele kracht terug, en zich onttrekkende aan de hand van den Proseliet antwoordde hij op heftigen toon:

«Neen! Ik wil niet in hem gelooven! Hij kan de Christus niet zijn! Hij, die den Sabbath brak, die zich met hoeren en heidenen inliet en liet aanraken door melaatschen, die onze Rabbi\'s belcc-

ocr page 280

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

digde en het volk tegen hen opzette, die niets gedaan heeft van alles, wat wij van den Messias verwachten, en als een slaaf en vervloekte aan een kruis is gestorven, hij zou de lang beloofde Koning der Joden, de Christus Gods zijn? Onmogelijk! Hem zou ik aanhangen? Nooit! Eer grijp ik het zwaard om tegen ulieden te strijden en de aanhangers van dien Nazarener te verdelgen! Zoo doe mij de Heer en zoo doe Hij daartoe, indien ik mij schare onder de volgelingen van Jezus! Die hem, den gehangene den Cnristus noemt. Anathema! i)»

Tullius zag hem ernstig aan; zijn gelaat stond droevig.

«Gij zijt verblind, knaap!» zei hij. «De trots van uw volk brengt u tot ongeloof in hem, in wien uw volk verheerlijkt is. Ik zal niet verder trachten uwe oogen te openen. Hij die mij, blinde heiden, het licht heeft gegeven, kan ook u, blinde Parizeer, genezen.»

Daarop ging hij heen, en liet Saul staan, die hem nog een oogen-blik nastaarde, doch daarna, op zijne schreden terugkeerende, weder het dal van Josafat inwandelde. Simei en Ismaël zag hij niet meer. Hij vermoedde, dat zij met het volk de stad waren ingegaan. Het dal, dat zoo even nog zulk een levendig toon eel aanbood, was nu weder stil, en rustig vloeide de beek Kidron naar het Zuiden.

202

Saul liep met snelle stappen voort. Zijn gansche gemoed was in opstand. Alles woelde dooreen. Aan den eenen kant kon hij zich niet ontveinzen, dat de eerste kennismaking met de Nazareners op hem een eigenaardigen indruk gemaakt had, dien hij wel weer had zoeken te onderdrukken, doch die nu, nu hij alleen, aan zichzelven overgelaten, voortwandelde, wederom bovenkwam. Het was hem als hoorde hij nog den weergalm ruischen van het lied door de gemeente aangeheven. Nog gevoelde hij iets van de ontroering, die door zijne ziel was gegaan. En ook het gesprek met den soldaat had niet nagelaten indruk op hem te maken. En toch! Aan den anderen kant gevoelde hij des te feller den tegenzin ontwaken tegen die

1) Hij zij vervloekt!

ocr page 281

263

vreemde, geheimzinnige macht van dien Nazarener, die zoovelen als met betoovering beving en in den roes meesleepte. De hoogmoedige natuur in hem kwam in verzet tegen die macht, die ook hem scheen te willen overmeesteren, zooals zij er reeds zoovelen gedaan had; het hinderde hem, en hij was boos op zich zeiven, dat hij één oogenblik ook onder de bekoring geweest was. «Weg er mee!» riep hij zich zeiven toe. «Zie toe, Saul Ben Juda! Laat u niet betooveren!»

Met driftige stappen liep hij door, zonder te letten op den weg, dien hij volgde. Hij had reeds lang de zuidzijde der stad bereikt, was een smalle brug overgegaan, die over den Kidron voerde, en volgde nu de beek in zijn loop naar het zuiden tusschen de bergen. Weldra had hij de stad achter zich gelaten, en was hij door het woeste berglandschap omgeven. Aan zijn linkerhand verhief zich de berg der Ergernis, en ter rechterzijde bevonden zich heuvels, die bovenop een soort plateau vormden, de vlakte Rephaïm, waarover de weg liep van Jeruzalem naar Bethlehem. Een weinig verder naar het Zuiden, voor hem uit, boog het Kidrondal zich linksom, naar het oosten, zoodat het uitzicht voor hem door de helling der bergen afgesloten was.

Hij zette zich eindelijk neer aan den voet van den berg dei-Ergernis, op een daar liggenden steen. Aan zijne voeten ruischte de beek Kidron over hare steenachtige bedding; voor hem, achter hem, links van hem, overal verhieven zich de steile hellingen der bergen. Rechts was nog een gedeelte van de heilige stad te zien, en boven alles staken de gouden spitsen des tempels uit in de verte. De zon begon reeds te dalen, en wierp hare stralen niet meer neer in het dal, op de plaats, waar hij zat, doch in de verte zag hij haar gouden schijnsel stralen op den stadsmuur en de grootsche tempelgebouwen.

Langzamerhand bedaarde de storm van aandoeningen, die zijn hart vervulde. Nu kon hij kalm over alles nadenken, wat hem dien dag wedervaren was.

ocr page 282

264

Weder dacht hij aan het gesprek met zijn leermeester, Rabbi Gamaliel. «Niet door kracht of geweld,» had hij gezegd. Maar was het geen dwaling van hem, te meenen, dat dc aanhang der Nazareners spoedig zou verloopen? Was hij er niet zelf getuige van geweest, hoe velen met geestdrift zich aansloten ? Als dat zoo voortging, wat zou het einde zijn? Als zelfs Romeinsche soldaten werden meegesleept, wie kon dan zeggen, hoe ver het gaan kon? «Als deze zaak uit dc menschen is, zoo zal ze weldra te niet gaan; maar als ze uit God is zoo kan ze niet gebroken worden,» had de wijze Rabbi gezegd. «Als ze uit God is!» Zou het toch mogelijk kunnen zijn, dat ze uit God was?

En wederom zag hij ze voor zich, die groote schare, vol geestdrift het loflied van Israël zingende over de vergeving van de ongerechtigheid en de barmhartigheid Gods. Weder klonk hem dat gezang in de ooren; en hij zag in den geest weder die aangezichten van al die mannen en vrouwen uit Israël, door ééne bezieling aangegrepen, van écne gedachte vervuld. En hij dacht weder aan Manasse den schoenmaker, en de openlijke ontmaskering zijner geveinsdheid door dien visscher uit Galilea. Wat was dat voor eene wondere gave van kennis, waarover die man beschikte? Wie openbaarde hem het verborgene, wat in Manasse\'s hart aanwezig was?

Hij had hooren spreken van de gave der profetie, die deze lieden beweerden ontvangen te hebben. Hij wist, en toen hij er aandacht, ergerde het hem, dat ook zijne zuster tot de zoogenaamde profetessen behoorde. Was dat ook die gave der profetie, waardoor die Gali-leesche visscher het verborgene ontdekte? Hij kon niet ontkennen, dat het er veel van had.

Maar toch, neen! duizendmaal neen!! Weg die gedachte! Het kan niet waar zijn!

En weder verhief zich de toorn in zijn hart in machtelooze woede over den indruk, dien ondanks al zijn tegenzin en ongeloof, die samenkomst der Christenen op hem gemaakt had. Weg, weg, daarmee!

Hij sprong weer overeind. De zon was verder gezonken, en ook

ocr page 283

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

de tempel in de verte was nu in de schaduw. Saul dacht er niet aan terug te keeren; hij liep voort, langs den Kidron, tot hij dooide wending van het dal alle uitzicht op Jeruzalem had verloren, en door bergen omgeven was. Het Kidrondal werd hier iets breeder aan de linkerzijde der beek, en een weinig verder week de berghelling geheel terug. Daar opende zich een ander zeer nauw dal, langs de oostzijde van den berg der Ergernis. Een voetpad slingerde zich door dat dal, en voerde noordwaarts naar Bethanië. Saul sloeg dat voetpad in, dat reeds half in schemering gehuld was.

Weder verzonk hij in gepeins. Wat was het toch, zoo dacht hij, dat die lieden bezaten? Oogenschijnlijk waren zij allen vast overtuigd van hun deelgenootschap aan het messiaansche heil. Dat heil, dat alleen het loon der rechtvaardigen zijn zou, dat hij zelf eens hoopte te verwerven, door steeds getrouwer, steeds nauwgezetter vervulling der wet en der inzettingen, het scheen reeds het eigendom van die lieden te zijn! Met welk een opgewekte blijdschap zongen zij het lied van den Psalmdichter! Welk een geestdrift tintelde in hun oog! En hoe wonderlijk, dat die leider in het hart der menschen scheen te lezen, en gezien of begrepen had, zonder dat het hem was meegedeeld, dat Manasse niet uit zuivere beginselen tot hen was gekomen! En dan die genezingen, die zij schenen tot stand te brengen! En de getrouwheid in de vervulling der wet en der inzettingen, waarover Rabbi Gamaliel gesproken had! Wat was dat alles? Was God met hen en ontvingen zij werkelijk zegeningen boven de andere Israëlieten?

En als hij dan zijn eigen hart onderzocht, als hij luisterde naar de stem zijns gewetens, dat hem getuigde van vele, vele tekortkomingen, als hij bedacht, dat de zoo vurig gewenschte, zoo ijverig gezochte rust en vrede, het bewustzijn deelgenoot te zijn van Gods goedertierenheid toch niet zijn deel was, ondanks al zijne inspanning, dat het goede, dat hij doen wilde, toch menigmaal niet door hem gedaan werd, en veel, dat hij afkeurde, toch door hem werd bedreven, dat het was, alsof er in zijn hart een macht was die

265

ocr page 284

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

digde en het volk tegen hen opzette, die niets gedaan heeft van alles, wat wij van den Messias verwachten, en als een slaaf en vervloekte aan een kruis is gestorven, hij zou de lang beloofde Koning der Joden, de Christus Gods zijn? Onmogelijk! Hem zou ik aanhangen? Nooit! Eer grijp ik het zwaard om tegen ulieden te strijden en de aanhangers van dien Nazarener te verdelgen! Zoo doe mij de Heer en zoo doe Hij daartoe, indien ik mij schare onder de volgelingen van Jezus! Die hem, den gehangene den Cnristus noemt. Anathema! i)gt;)

Tullius zag hem ernstig aan; zijn gelaat stond droevig.

«Gij zijt verblind, knaap!» zei hij. «De trots van uw volk brengt u tot ongeloof in hem, in wien uw volk verheerlijkt is. Ik zal niet verder trachten uwe oogen te openen. Hij die mij, blinde heiden, het licht heeft gegeven, kan ook u, blinde Parizeer, genezen.»

Daarop ging hij heen, en liet Saul staan, die hem nog een oogen-blik nastaarde, doch daarna, op zijne schreden terugkeerende, weder het dal van Josafat inwandelde. Simeï en Ismaël zag hij niet meer. Hij vermoedde, dat zij met het volk de stad waren ingegaan. Het dal, dat zoo even nog zulk een levendig tooneel aanbood, was nu weder stil, en rustig vloeide de beek Kidron naar het Zuiden.

202

Saul liep met snelle stappen voort. Zijn gansche gemoed was in opstand. Alles woelde dooreen. Aan den eenen kant kon hij zich niet ontveinzen, dat de eerste kennismaking met de Nazareners op hem een eigenaardigen indruk gemaakt had, dien hij wel weer had zoeken te onderdrukken, doch die nu, nu hij alleen, aan zichzelven overgelaten, voortwandelde, wederom bovenkwam. Het was hem als hoorde hij nog den weergalm ruischen van het lied door de gemeente aangeheven. Nog gevoelde hij iets van de ontroering, die door zijne ziel was gegaan. En ook het gesprek met den soldaat had niet nagelaten indruk op hem te maken. En toch! Aan den anderen kant gevoelde hij des te feller den tegenzin ontwaken tegen die

1) Hij zij vervloekt!

ocr page 285

263

vreemde, geheimzinnige macht van dien Nazarener, die zoovelen als met betoovering beving en in den roes meesleepte. De hoogmoedige natuur in hem kwam in verzet tegen die macht, die ook hem scheen te willen overmeesteren, zooals zij er reeds zoovelen gedaan had; het hinderde hem, en hij was boos op zich zeiven, dat hij één oogenblik ook onder de bekoring geweest was. «Weg er mee!» riep hij zich zeiven toe. clt;Zie toe, Saul Ben Juda! Laat u niet betooveren!»

Met driftige stappen liep hij door, zonder te letten op den weg, dien hij volgde. Hij had reeds lang de zuidzijde der stad bereikt, was een smalle brug overgegaan, die over den Kidron voerde, en volgde nu de beek in zijn loop naar het zuiden tusschen de bergen. Weldra had hij de stad achter zich gelaten, en was hij door het woeste berglandschap omgeven. Aan zijn linkerhand verhief zich de berg der Ergernis, en ter rechterzijde bevonden zich heuvels, die bovenop een soort plateau vormden, de vlakte Rephaïm, waarover de weg liep van Jeruzalem naar Bethlehem. Een weinig verder naar het Zuiden, voor hem uit, boog het Kidrondal zich linksom, naar het oosten, zoodat het uitzicht voor hem door de helling der bergen afgesloten was.

Hij zette zich eindelijk neer aan den voet van den berg dei-Ergernis, op een daar liggenden steen. Aan zijne voeten ruischte de beek Kidron over hare steenachtige bedding; voor hem, achter hem, links van hem, overal verhieven zich de steile hellingen der bergen. Rechts was nog een gedeelte van de heilige stad te zien, en boven alles staken de gouden spitsen des tempels uit in de verte. De zon begon reeds te dalen, en wierp hare stralen niet meer neer in het dal, op de plaats, waar hij zat, doch in de verte zag hij haar gouden schijnsel stralen op den stadsmuur en de grootsche tempelgebouwen.

Langzamerhand bedaarde de storm van aandoeningen, die zijn hart vervulde. Nu kon hij kalm over alles nadenken, wat hem dien dag wedervaren was.

ocr page 286

264

Weder dacht hij aan het gesprek met zijn leermeester, Rabbi Gamaliel. «Niet door kracht of geweld,» had hij gezegd. Maar was het geen dwaling van hem, te mecnen, dat de aanhang der Nazareners spoedig zou verloopen? Was hij er niet zelf getuige van geweest, hoe velen met geestdrift zich aansloten? Als dat zoo voortging, wat zou het einde zijn? Als zelfs Romeinsche soldaten werden meegesleept, wie kon dan zeggen, hoe ver het gaan kon? «Als deze zaak uit de menschen is, zoo zal ze weldra te niet gaan; maar als ze uit God is zoo kan ze niet gebroken worden,» had de wijze Rabbi gezegd. «Als ze uit God is!» Zou het toch mogelijk kunnen zijn, dat ze uit God was?

En wederom zag hij ze voor zich, die groote schare, vol geestdrift het loflied van Israel zingende over de vergeving van de ongerechtigheid en de barmhartigheid Gods. Weder klonk hem dat gezang in de ooren; en hij zag in den geest weder die aangezichten van al die mannen en vrouwen uit Israel, door ééne bezieling aangegrepen, van ééne gedachte vervuld. En hij dacht weder aan Manasse den schoenmaker, en de openlijke ontmaskering zijner geveinsdheid door dien visscher uit Galilea. Wat was dat voor eene wondere gave van kennis, waarover die man beschikte? Wie openbaarde hem het verborgene, wat in Manasse\'s hart aanwezig was?

Hij had hooren spreken van de gave der profetie, die deze .Heden beweerden ontvangen te hebben. Hij wist, en toon hij er aandacht, ergerde het hem, dat ook zijne zuster tot de zoogenaamde profetessen behoorde. Was dat ook die gave der profetie, waardoor die Gali-leesche visscher het verborgene ontdekte? Hij kon niet ontkennen, dat het er veel van had.

Maar toch, neen! duizendmaal neen!! Weg die gedachte! Het kan niet waar zijn!

En weder verhief zich de toorn in zijn hart in machtelooze woede over den indruk, dien ondanks al zijn tegenzin en ongeloof, die samenkomst der Christenen op hem gemaakt had. Weg, weg, daarmee!

Hij sprong weer overeind. De zon was verder gezonken, en ook

ocr page 287

265

de tempel in de verte was nu in de schaduw. Saul dacht er niet aan terug te keeren; hij liep voort, larigs den Kidron, tot hij dooide wending van het dal alle uitzicht op Jeruzalem had verloren, en door bergen omgeven was. Het Kidrpndal werd hier iets breeder aan de linkerzijde der beek. en een geinig verder week de berghelling geheel terug. Daar opende zich een ander zeer nauw dal, langs de oostzijde van den berg der Ergernis. Een voetpad slingerde zich door dat dal, en voerde noordwaarts naar Bethanië. Saul sloeg dat voetpad in, dat reeds hsdf in schemering gehuld was.

Weder verzonk hij in gepeins. Wat was het toch, zoo dacht hij, dat die lieden bezaten? Oogenschijnlijk waren zij allen vast overtuigd van hun deelgenootschap aan het messiaansche heil. Dat heil, dat alleen het loon der rechtvaardigen zijn zou, dat hij zelf eens hoopte te verwerven, door steed? getrouwer, steeds nauwgezetter vervulling der wet en der inzettingen, het scheen reeds het eigendom van die lieden te zijn! Met welk een opgewekte blijdschap zongen zij het lied van den Psalnidichter! Welk een geestdrift tintelde in hun oog! En hoe wonderlijK, dat die leider in het hart der menschen scheen te lezen, en gezien of begrepen had, zonder dat het hem was meegedeeld, dat Maflasse niet uit zuivere beginselen tot hen was gekomen! En dan dié genezingen, die zij schenen tot stand te brengen\' En de getrouwheid in de vervulling der wet en der inzettingen, waarover Rabbi Ga\'nalicl gesproken had! Wat was dat alles? Was God met hen en c\'ntvingen zij werkelijk zegeningen boven de andere Israëlieten?

En als hij dan zijn eigen hart onderfocht, als hij luisterde naar de stem zijns gewetens, dat hem gewigde van vele, vele tekortkomingen, als hij bedacht, dat de zoo vurig gewenschte, zoo ijverig gezochte rust en vrede, het bewustzijn deelgenoot te zijn van Gods goedertierenheid toch niet zijn deel wasj ondanks al zijne inspanning, dat het goede, dat hij doen wilde, tocli menigmaal niet door hem gedaan werd, en veel, dat hij afkeurde, toch door hem werd bedreven, dat het was, alsof er in zijn hart een macht was, die

ocr page 288

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

hem belette de eischen der wet volkomen te volbrengen en zoo te komen tot de gerechtigheid voor God, — dan moest hij zichzelven afvragen: Heb ik deel aan het heil ? Kan ik er vast op rekenen, dat ik door mijne werken voor God gerechtvaardigd ben, en eens, in het gericht, dat de Christus zal houden, bestaan z.il? Helaas! Geen blijde zekerheid, maar twijfel en kommer vervulde zijn hart; en hij benijdde die Nazareners, al haatte hij hun geloof, om de blijdschap in God, die zij schenen te bezitten.

Het was reeds geheel donker, toen Saul eindelijk over Bethanië en den Olijfberg huiswaarts keerde. Toen hij weder het huis van zijn oom binnentrad, was de maaltijd reeds gereed.

«Wel, Saul Ben Juda,» zei Rabbi Alexander, »wat zijt gij laat! Wij zijn reeds lang op u wachtende. En wat scheelt u ? Gij ziet zoo somber!»

Saul antwoordde niet dadelijk. Ismael voorkwam hem, door te zeggen:

«Waar zijt ge toch gebleven, Saul? Simei en ik hebben nog naar u gezien: doch gij waart nergens meer te vinden. Zijt ge met die Nazaieners meegegaan?»

«Neen, Ismaël,» antwoordde Saul nu. «Ik dacht, dat gij beiden met hen meegegaan waart. Ik heb naar u gezien, doch gij waart weg.»

«Zijt gij beiden bij de Nazareners geweest?» vroeg nu Xabbi Alexander.

«Ja vader,» antwoordde Ismaël. «Simei heeft ons meegenomen; en ik heb er geen spijt van gegaan te zijn. Men moge over hun geloof in dien Jezus denken zooals men wil, die doopplechtigheid, dat gemeenschappelijk gezang, dat gebed, het was waarlijk aangrijpend! Ik voor mij wenschte, dat ik iets had van dien geest van opgewekte blijdschap in den God der vaderen, dien men op hun aller aangezicht lezen kan!»

Rabbi Alexander fronsde de wenkbrauwen. «Zoo!» zei hij op korten stuggen toon. «Pas op, Ismaël, dat gij mij geen zoon der schande wordt! Kom, Saul, lig aan aan den maaltijd!»

266

ocr page 289

20/

Saul deed wat hem gezegd werd; een slaaf kwam met een bekken en goot water op de handen der aanliggenden. Daarop dee i Rabbi Alexander het gebed, en de maaltijd begon.

Saul was in zichzelven gekeerd, en at zwijgend het brood en de vijgen. Ismaël vatte het gesprek weder op, en zei tot zijn vader: dMaar vader, zeg mij, waarom is het een schande zich bij dc Nazareners te voegen?»

«Mijn zoon,» antwoordde de Rabbi, «Die Nazareners houden een gehangene voor den Messias. Zij maken het volk afkeerig van de wet, en komen samen in hunne vergaderplaatsen om vreemde ceremoniën en plechtigheden te vieren, die de wet niet kent, doch die door dien Galileeschen timmerman zijn ingesteld. Doe mij de schande niet aan, u te laten verleiden! Het ware beter geweest, indien Simeï u niet daarheen meegenomen had! Gij, Saul Ben Juda, hebt gij ook zulk een indruk ontvangen van die plechtigheden als Ismaël?»

Saul was met gewoon te veinzen. Eerlijk en openhartig als hij was, sprak hij gewoonlijk rondborstig uit, hoe hij over de dingen dacht. Zoo zei hij dan ook nu:

«Rabbi Alexander, ik zal u de waarheid zeggen. Ismaël heeft gelijk, als hij zegt, dat die plechtigheid indruk maakt. Ook ik gevoelde dien indruk, vooral toen al die menschen samen den heerlijken Psalm des lofs aanhieven: «Loof den Heer mijne ziel en al wat binnen in mij is Zijn heiligen Naam.» Het ontroerde mij; dat kan ik niet ontveinzen. Ook is het waar, dat die menschen bezitten of meenen te bezitten een blijde verzekerdheid van hunne rechtvaardiging bij God, die ik ook hen benijd. Maar overigens, wat gij zegt van hun geloof in dien gekruisigden Nazarener, ik vereenig mij er geheel mee! Die Jezus kan de Messias niet zijn! En hun geloof in hem moet dus ijdel zijn! En al zijn zij nu cverigens ook vroom en al onderhouden zij al de geboden der wet, zij volgen een bedrieger, en daardoor staan zij met hem schuldig aan opstand tegen den God Israels. Ik kan het niet anders inzien.

ocr page 290

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

en blijf het diep betreuren, dat mijne zuster bij hen is, en dat mijn arme vader in dat dwaalgeloof gestorven is!»

«Goed zoo, mijn zoon! Gij zijt en blijft in de rechte wegen. En gij, Ismael, neem een voorbeeld aan Saul. Gij zijt in gevaar meegevoerd te worden niet deze nieuwe leer, die zoo velen meesleept. Het is treurig,» zoo vervolgde hij, Saul weder aanziende, «hoevele menschen door die razernij zijn aangetast! Dagelijks hoort men van nieuwe bekeeringen, die zij gemaakt hebben. Zelfs de vrouw van den stadhouder Pontius Pilatus zou zich bij hen hebben willen aansluiten. Zij kon echter niet aangenomen worden, naar ik vernomen heb.»

«Wat? En ik heb zelf een man gesproken, een Romeinsch krijgsknecht, die ook gedoopt is! Hij is eerst Proseliet geworden; en nu is hij bij hen aangesloten door den doDp.»

«Juist! Dat wil ik gelooven. Een Proseliet willen zij opnemen. Er zijn er meerdere bij. Maar dc trotsche Julia verkoos niet zich aan de wet te onderwerpen en Jodin te worden. Zij meende, zoo is mij verhaald, dat die Jezus evengoed voor de heidenen als voor de Joden gekomen was. De Rabbi\'s onder hen hebben haar echter doen verstaan, dat het heil uit de Joden is, en de heidenen eerst moesten komen tot den God, die in Israël gediend wordt, eer zij deel konden hebben aan iets, dat aan Israël geschonken is. Zij moet zeer toornig geweest zijn over dat antwoord.»

«Mij dunkt,» antwoordde Saul, «als zij toch zich tegen de weten de inzettingen keeren door zulk een man als dien Jezus van Nazareth, die den Sabbath brak, die aan de reinigingswetten zich niet stoorde, en met hoeren, tollenaren en heidenen zich inliet, voor den Christus te houden, dat het dan al een dwaas en ijdel vertoon van gerechtigheid naar de wet is om nu eene heidensche vrouw buiten te sluiten uit hun kring, die ook in dien Jezus gelooft, en dus bij hen behoort.»

«Ja, op hun standpunt kan \'t zijn, dat gij gelijk hebt. Maar \'t zou toch ook wel wat erg geweest zijn, als zij met eene heidensche

268

ocr page 291

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

vrouw gemeene zaak gemaakt hadden, zonder dat deze door het reinigingsoffer in Israel ingelijfd was! Toch waren cr, naar mij verhaald is, enkele personen in hun midden, die gewild hadden, dat zij opgenomen was geworden. Onder anderen een zekere Stefanus uit Galilea.,)

«Stefanus? Dien man heb ik ontmoet!»

«Zoo? Wanneer en waar?»

«Vandaag, in den tempel. Ik had mij gemengd in een gesprek van eenige lieden over die Nazareners. Ik had hen toegesproken, om hen cr op te wijzen, dat Jezus van Nazareth de ware Christus niet was, toen hij zich er in mengde en mij tegensprak. Weldra luisterden de menschen naar hem, en lieten mij alleen.»

sik heb van dien Stefanus gehoord!» zei Ismael. «Hij moet een bekwaam man zijn, onderwezen in de Schrift, en met eene groote vaardigheid in het redetwisten. Hij bezoekt de Synagogen der Hellenisten 1) en heeft daar nu en dan wel eens de voorlezing gehad. Hij spreekt dan rondborstig over zijn geloof in dien Jezus, en over de gaven des heiligen Geestes, die zij beweren te bezitten.»

«Ik begrijp niet,» zei Saul, «dat dat zoo maar ongestraft kan voortgaan! Het is, alsof onze Oversten slap en onverschillig geworden zijn! Als \'t nog lang zoo voortgaat zullen ze geheel en al de overhand krijgen! Het volk is blijkbaar op hunne hand, en zij worden met den dag stouter!»

s\'t Zal zoolang niet meer duren, Saul! Heb maar wat geduld, dan zult ge zien, dat zij met het Sanhedrin te doen krijgen,» antwoordde Rabbi Alexander.

«Hebt gij Suzanna gesproken?» vroeg Ismael aan Saul, toen zij na den maaltijd alleen waren in het vertrek, waar hun beider nachtleger was.

«Met Suzanna? Neen. Waarom meendet gij dat?»

26g

«Omdat gij \'t van plan waart; en omdat gij zoolang zijt weggebleven. Waar zijt gij dan geweest?»

1) Grieksch sprekende Joden.

ocr page 292

270

«O, eerst heb ik met dien gedoopten Romein, dien soldaat, gesproken. Daarop heb ik eene wandeling gemaakt door het Kidrondal en langs den berg der Ergernis, en toen over Bcthanië weer terug.»

«Ik heb haar gesproken!» zei Ismacl.

«Gij? Waar en wanneer?»

«Wel, daarbuiten, bij den Kidron. Ik had haar dadelijk gezien, zoodra wij er waren. Maar ik durfde het niet te toonen, zoolang Simei bij mij was. Toen alles was afgeloopen en wij 11 niet zagen, is Simei de stad ingegaan met het volk; ik echter ben toen haar ongemerkt genaderd, want ik had haar in het oog gehouden.»

«En?» vroeg Saul vol belangstelling.

«Zij zag mij dadelijk, en kwam naar mij toe.»

«En heeft ze iets gezegd?»

Ismaël scheen niet geneigd er veel van mee te deelen. «Ja,» gaf hij ten antwoord. «Zij sprak over allerlei, over haar geloof, en over den doop en over de toekomst. Zij sprak ook over u.»

«Over mij? Wat zeide zij?»

«Zij vroeg mij of ik u wilde zeggen, dat zij verlangt u tc zien; dat zij dagelijks om uwe bekeering bidt, en dat zij gaarne wilde, dat gij haar eens opzocht.»

«Was die Azarja bij haar?»

«Neen. Ze was in een groot gezelschap vrouwen en meisjes; profetessen, zooals men zeide. Er waren vele bevallige dochters van Israel bij, maar geene enkele, die te vergelijken is met haar, de schoonste onder de vrouwen. Ai mij, dat ik haar niet voor mij mag begeeren!»

Saul zweeg een oogenblik. «Morgen zal ik haar bezoeken,» zei hij. «En wat ik doen kan, dat zal ik doen voor u.»

«Vlei mij niet, Saul. Ik kan en mag niet hopen. Zij behoort aan Azarja Ben Itaï, en zal hem gegeven worden.»

«Wij zullen zien! Slaap wol!»

«Slaap wel, Saul.» Hiermee eindigde hun gosprek.

Den volgenden dag was Saul verhinderd zijn besluit om Suzanna

ocr page 293

271

te bezoeken, te volvoeren. Eerige dagen gingen voorbij, eer hij er toe kon komen. Eindelijk echter kon hij den tijd en de gelegenheid er voor vinden; en toen begaf hij zich naar de Akra, naar de hem welbekende woning van-Maria van Cyprus.

«Wees welkom, Sail!» riep Maria hem tegemoet, toen zij hem door de voorpoort van het huis zag binnentreden. «Wij hebben reeds lang u verwacht.»

«Wees gegroet, Maria!» antwoordde hij; daarop vervolgde hij: «Is Suzanna, mijne zuster hier in huis?»

«Ja,» antwoordde Maria. «Suzanna is hier, en heeft reeds lang verlangd, dat gij haar opzocht. Hoe kondt gij het nalaten haar te bezoeken, terwijl gij haar niet meer gezien hadt, sedert gij van het ziekbed uws vaders op reis waart gegaan!»

«Suzanna heeft baars vaders huis verlaten, en is met een man meegegaan! Zij had tot mij behooren te komen!»

«Suzanna is wettig verloofd met Azarja. Uw vader heeft hen verbonden. Bovendien, was Azarja niet uw broeder en vriend? Waarom haat gij hem?»

«Omdat hij Suzanna van mij afgetrokken heeft, en haar afvallig van de wet gemaakt!»

«Wat gij zegt is niet de waarheid. Maar ik wil met u hier niet langer daarover redetwisten. Kom binnen. Suzanna wacht u met ongeduld.»

Saul volgde haar naar binnen. Suzanna zat daar met Rode de dienstmaagd van Maria en met nog een jong meisje, bezig met naaldwerk. .

«Suzanna,» zei Maria, «hier is eindelijk uw broeder Saul.»

Suzanna sprong overeind, wierp haar naaldwerk neer, en onder de woorden: «Saul, mijn broeder!» ijlde zij op hem toe, en sloot hem in hare armen, eer hij het beletten kon.

«Ach, waarom hebt ge zoolang getoefd met tot mij te komen, mijn broeder? Is niet een zelfde smart ons ten deel gevallen? Ook gij zijt een kind van mijn vader! Ach Saul, waarom waart gij

ocr page 294

270

«O, eerst heb ik met dien gedoopten Romein, dien soldaat, gesproken. Daarop heb ik eene wandeling gemaakt door het Kidrondal en langs den berg der Ergernis, en toen over Bethanië weer terug.»

«Ik heb haar gesproken!» zei Ismaël.

«Gij? Waar en wanneer?»

«Wel, daarbuiten, bij den Kidron. Ik had haar dadelijk gezien, zoodra wij er waren. Maar ik durfde het niet te toonen, zoolang Simei bij mij was. Toen alles was afgeloopen en wij u niet zagen, is Simcï de stad ingegaan met het volk; ik echter ben toen haar ongemerkt genaderd, want ik had haar in het oog gehouden.»

«En?» vroeg Saul vol belangstelling.

«Zij zag mij dadelijk, en kwam naar mij toe.»

«En heeft ze iets gezegd?»

Ismaël scheen niet geneigd er veel van mee te deelen. «Ja,» gaf hij ten antwoord. «Zij sprak over allerlei, over haar geloof, en over den doop en over de toekomst. Zij sprak ook over u.»

«Over mij? Wat zeide zij?»

«Zij vroeg mij of ik u wilde zeggen, dat zij verlangt u te zien; dat zij dagelijks om uwe bekeering bidt, en dat zij gaarne wilde, dat gij haar eens opzocht.»

«Was die Azarja bij haar?»

«Neen. Ze was in een groot gezelschap vrouwen en meisjes; profetessen, zooals men zeide. Er waren vele bevallige dochters van Israel bij, maar geene enkele, die te vergelijken is met haar, de schoonste onder de vrouwen. Ai mij, dat ik haar niet voor mij mag begeeren!»

Saul zweeg een oogenblik. «Morgen zal ik haar bezoeken,» zei hij. «En wat ik doen kan, dat zal ik doen voor u.»

«Vlei mij niet, Saul. Ik kan en mag niet hopen. Zij behoort aan Azarja Ben Itaï, en zal hem gegeven worden.»

«Wij zullen zien! Slaap wel!»

«Slaap wel, Saul.» Hiermee eindigde hun gjsprek.

Den volgenden dag was Saul verhinderd zijn besluit om Suzanna

ocr page 295

271

te bezoeken, te volvoeren. Eerige dagen gingen voorbij, eer hij er toe kon komen. Eindelijk echter kon hij den tijd en de gelegenheid er voor vinden; en toen begaf hij zich naar de Akra, naar de hem welbekende woning van Maria van Cyprus.

«Wees welkom, Saulls riep Maria hem tegemoet, toen zij hem door de voorpoort van het huis zag binnentreden. «Wij hebben reeds lang u verwacht.»

«Wees gegroet, Maria!» antwoordde hij; daarop vervolgde hij: «Is Suzanna, mijne zuster hier in huis?»

«Ja,» antwoordde Maria. «Suzanna is hier, en heeft reeds lang verlangd, dat gij haar opzocht. Hoe kondt gij het nalaten haar te bezoeken, terwijl gij haar niet meer gezien hadt, sedert gij van hft ziekbed uws vaders op reis waart gegaan!»

«Suzanna heeft haars vaders huis verlaten, en is met een man meegegaan! Zij had tot mij behooren te komen!»

«Suzanna is wettig verloofd met Azarja. Uw vader heeft hen verbonden. Bovendien, was Azarja niet uw broeder en vriend? Waarom haat gij hem?»

«Omdat hij Suzanna van mij afgetrokken heeft, en haar afvallig van de wet gemaakt!»

«Wat gij zegt is niet de waarheid. Maar ik wil met u hier niet langer daarover redetwisten. Kom binnen. Suzanna wacht u met ongeduld.»

Saul volgde haar naar binnen. Suzanna zat daar met Rodé de dienstmaagd van Maria en met nog een jong meisje, bezig met naaldwerk.

«Suzanna,» zei Maria, «hier is eindelijk uw broeder Saul.»

Suzanna sprong overeind, wierp haar naaldwerk neer, en onder de woorden: «Saul, mijn broeder!» ijlde zij op hem toe, en sloot hem in hare armen, eer hij het beletten kon.

«Ach, waarom hebt ge zoolang getoefd met tot mij te komen, mijn broeder? Is niet een zelfde smart ons ten deel gevallen ? Ouk gij zijt een kind van mijn vader! Ach Saul, waarom waart gij

ocr page 296

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

verre, toen God zijne ziel tot zich nam? Waarom waart ge niet in Jeruzalem, toen wij hem uitdroegen naar de grafspelonk? Waarom zijt ge n;et tot mij gekomen, toen ge weer in Jeruzalem waart ? Groote dingen zijn geschied, en gij waart verre! God heeft ons bezocht, en wonderen gedaan, en gij, mijn eenige broeder, keerdet u af! Maar nu zijt gij gekomen! En nu blijft gij bij ons, niet waar? Nu wilt gij ook gelooven in den Messias? Ik heb u gezien bij den Kidron! Ontken het niet! En ik zag, dat de Geest Gods ook over u macht kreeg, toen het loflied gezongen werd!»

Saul had zich langzaam losgemaakt uit de armen zijner zuster, en terwijl zij in éencn adem zoo doorsprak, stond hij zwijgend cn somber haar aan te staren, loen zij zweeg, en hem met hare heldere oogen aanzag, terwijl eene hoopvolle glimlach op haar gelaat rustte, antwoordde hij:

«Gij hebt gelijk, Suzanna, dat ik bij den Kidron was, eenige dagen geleden. Maar meen niet, dat ik gekomen bon om u te zeggen, dat ik ook geloof in dien man uit Nazareth, dien gijlieden den Christus noemt! Ik heb den schoenen psalm ulieden hooren zingen, cn de woorden roerden mij, want het zijn woorden Gods, woorden der heilige Schrift. Maar aan uwe afgoderij met dien Jezus heb ik geen deel. En ik ben gekomen, Suzanna, om te beproeven u terug te voeren tot de gehoorzaamheid aan de wet.»

Het gelaat van Suzanna was bij deze woorden geheel van uitdrukking veranderd. Een droevige trek was er op gekomen. «Ach,» zuchtte zij, «zijt gij nog afkeerig? O mijn broeder, weersta toch den Geest Gods niet langer!»

«Gods Geest spreekt tot mij door de woorden dor wet, en der profeten!» antwoordde de Farizeër. «En die wet zegt, dat hij, die aan een hout hangt, vervloekt is. Die wet zegt: Gedenk: den Sabbathdag, dat gij dien heiligt! Die wet zegt: (ia uit het midden van hen; scheidt u af, o mijn volk! Maar die Jezus, dien gij voor den Christus houdt, is vervloekt, omdat hij aan een hout heeft gehangen! Hij brak den Sabbath, en liet zich in met de onreine

272

ocr page 297

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

tollenaars cn heidenen, liet zich aanraken door hoeren en melaat-schen. Hoe kunt gij zeggen, dat ik den Geest Gods weersta, waar ik luister naar wat die Geest in de wet getuigt?»

aDat de Messias aan een hout gehangen heeft, en daardoor een vloek is geworden,^) antwoordde Suzanna op zachten toon, (as juist Zijne heerlijkheid! Die smaad, die schande heeft Hij aangenomen voor ons! Hij was veracht, de onwaardigste onder de menschen; maar de Heer deed onze ongerechtigheden op hem aanloopen. Den Sabbath brak hij niet, al hield hij zich niet aan al de inzettingen onzer Rabbi\'s. En dat hij hoeren cn tollenaren aannam, was juist het bewijs, dat hij was degene, die Israel verlossen zou, die de lammeren in zijne armen dragen, en het verlorene wederbrengen en behouden zou!»

«Kom,» zei Maria, «ga zitten, Saul: laat u onderwijzen, gij wijze Farizeër, door zwakke vrouwen, doch die de gave des heiligen Geestes ontvangen hebben, van den Geest der wijsheid en dei-openbaring.»

«Meent gij waarlijk,» zei Saul, terwijl hij op een rustbank ging zitten, «dat gij de gave der profetie hebt ontvangen, Suzanna?»

Suzanna, die ook weer was gaan zitten, zag hem ernstig aan, en zei:

«Gij gelooft niet in den Christus, en hoe zoudt gij dan in de gaven des Geestes gelooven! Maar gij zult overtuigd worden, ik weet het zeker! Nog niet, maar later!»

«Gij weet dat zeker? Is dat soms eene openbaring, die gij ontvangen hebt?» zei hij met iets spotachtigs in zijne stem.

«Gij wilt doen, alsof gij er den spot mee drijft,» antwoordde zij. (.Maar de Geest zegt mij, dat gij reeds indrukken ontvangen hebt. Zij zullen meer worden! Zij zullen u niet met rust laten! Zij zullen u voortdrijven, en aanzetten om vele verkeerde dingen te doen. Gij zult eerst aan den geest der duisternis gehoor geven! Maar dan, daarna, zal de Heilige Israels u grijpen in uwen loop, en u voor zich doen bukken!»

273

18

ocr page 298

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

Saul trok de schouders op. «Het baat niet met u te redeneeren,» zei hij. «Ik had het kunnen weten, dat gij verblind zijt. Het is eenvoudig bespottelijk, te gelooven, dat een verachte Nazarener, een timmerman uit Galilea, die als een slaaf aan een kruis is gestorven, de heerlijke Koning Israels zijn zou, van Wien geschreven staat, dat Hij heerschen ^al van de zee tot aan de zee, van de rivier tot aan de einden der aarde. De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor Zijn aangezicht knielen, en zijne vijanden zullen het stof lekken. Dc koningen van Tarsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen, dc koningen van Scheba en Seba zullen vereeringen toevoeren. Ja alle koningen zullen zich voor hem neder-buigen, alle heidenen zullen hem dienen. Hij zal de banier oprichten onder de heidenen, en hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden van Israël vergaderen van de vier einden des aardrijks. Die rechtvaardige Spruit van David zal koning zijn en regeeren en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op aarde. Hoe kan nu toch die gekruisigde Jezus de Christus zijn? Heeft hij soms de heidenen verdreven? Hebben dc koningen voor hem zich ncdergebogen ? Heeft hij de verdrevenen van Israël vergaderd? \'t Mocht wat! Uitgeworpen is hij! Verworpen door onze oversten, ter dood gebracht door Rome\'s soldaten! En hij zou de Christus, dc Verlosser Israëls zijn?»

«Den natuurlijken mensch schijnt dat dwaasheid,» antwoordde Suzanna. «Maar wat u nu nog eene ergernis en eene dwaasheid schijnt zal later ook voor u dc kracht en wijsheid Gods worden. Onze Koning is een koning in nederigheid. Hij is gekomen in oneer en smaad, doch hij komt weder met de wolken des hemels! Dan zal Israël hem erkennen! Dan zal hij zijn koninkrijk oprichtcn! Dan zal de gansche wereld het aanschouwen, dat Jezus dc Christus is, de Koning der koningen en dc Heer der heeren!»

«Het is gelukkig voor u,» antwoordde Saul, «dat gij u met die gedachte troosten kunt. In elk geval verwacht gij den Messias toch ook nog eerst later. Het eenige verschil tusschen u en ons is alleen,

ocr page 299

DE JEUGDIGE GEMEENTE. 275

als ik het wel beschouw, dat wij een Christus verwachten, die cr nog niet geweest is, en dat gij een Christus verwacht, die er, naar gij meent, reeds geweest is, maar zonder dat hij door het volk als de Christus is gekend. Gij hebt dus niet veel gewonnen door uw geloof in Jezus van Nazareth. In elk geval heeft hij niet, of nog niet het koninkrijk aan Israël opgericht. Zoolang dat niet geschiedt, hebt ge geen grond voor uw geloof, ca hebben wij alle recht hem te verwerpen. Zoodra gebeurt wat gij zegt, dat gebeuren zal, zoodra de gekruisigde Jezus werkelijk wederkomt met de wolken des hemels, zoodra ook zal ik in hem gelooven! Maar zoolang dat niet gebeurt,— en ik geloof niet, dat het gebeuren zal, — blijf ik zeggen, dat het eene dwaasheid en eene afgoderij is in dien gekruisigden Nazarener den Christus te zien!»

«Gij vergeet, mijn broeder,» antwoordde Suzanna, «dat de wederkomst van den Christus zal zijn om tc oordeelen de levenden en de dooden! Allen, die hem dan niet hebben aangenomen als den Christus en Zaligmaker zullen aan zijne linkerhand worden geplaatst, en het vonnis moeten hooren: «Gaat weg van mij! Ik heb u nooit gekend!» O Saul, wilt gij bij dezulken behooren? O hoe vreeselijk zal dat zijn, als ik en vader met al de volgelingen des Meesters aan zijne rechterhand staan, en gij met zijne vijanden aan zijne linkerhand! En dan, als wij hooren zijn vriendelijk woord: «Komt, gij gezegenden mijns Vaders! Beërft het koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld!» zult gij het vonnis der verwerping hooren! O, mijn broeder!» vervolgde zij, opstaande, en de handen smeekend, in geestverrukking opheffend, «mijn eenige broeder! Velen zullen er komen van oosten en westen, en zullen aanzitten in het koninkrijk des Vaders, en de kinderen des koninkrijks zullen buiten geworpen worden in de buitenste duisternis! Daar zal weening zijn en knersing der tanden! O laat u bewegen tot het geloof! Heden is het de welaangename tijd! Heden is het de dag der zaligheid! Heden zoo gij Gods stem hoort, verhard uw harte niet!»

Ook Saul was opgestaan. Zijn gelaat gloeide, zijne oogen schitterden.

ocr page 300

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

«Houd op!» riep hij. «Is dat taal? Bon ik de afvallige, ik, die getrouw de wet Gods en de inzettingen der ouden in acht neem ? Moet gij mij dreigen met het oordeel, dat alleen de goddeloozen treffen zal? Ben ik niet een Parizeer? Wandel ik niet in oprechtheid in al dc geboden en rechten des Heeren onberispelijk? Houd ik niet den Sabbath? Bid ik niet driemaal daags? Vast ik niet, tweemaal per weck? Geef ik niet de tienden? Wat hebt gij recht mij toe te spreken als ware ik een heiden of tollenaar?»

«Wat baten 11 al uwe goede werken, mijn broeder,» antwoordde zijne zuster op weemoedigen, zachten toon, terwijl zij met haar zielvol oog hem aanzag, zoolang gij afkeerig blijft van den Christus Gods? Heeft de Zoon des menschen het niet gezegd: Die den Zoon verwerpt, verwerpt ook den Vader, die hem gezonden heeft?»

«Als hij waarlijk de gezonden Christus was geweest,» antwoordde Saul op kalmer toon, «dan hadt gij voorzeker gelijk. Geen gerechtigheid of vroomheid zou mij baten, voorzeker, wanneer ik den Gezalfde Gods verwierp. Maar Jezus van Nazareth is die Gezalfde niet! Hij moge liet zicli hebben aangematigd, er zijn wel meer valsche Christussen geweest, en er zullen er zeker nog meer komen, eer de ware Christus verschijnt. En dan, dan zullen de rechtvaardigen deelen in Zijne heerlijkheid; maar allen, die afvallig zijn geworden, en van Gods wet zijn afgeweken, zullen verdelgd worden!»

«En behoort gij dan tot dc rechtvaardigen, mijn broeder?»

Deze rechtstreeksche vraag, op zulk een zachten, tot het hart doordringenden toon gesproken, en zoo na rakende aan zijne eigene overleggingen, onthutste Saulus voor een oogenblik. Ontwijkend antwoordde hij;

«Allen, die de wet Gods onderhouden en in Zijne inzettingen wandelen, zijn rechtvaardig. En allen, die van Zijne wet afwijken, zijn goddeloos.»

«En onderhoudt gij de wet Gods volkomen en zonder eenige fout?»

«Ik tracht dat te doen!»

276

ocr page 301

277

«Het is niet de vraag of gij het tracht te doen, maar of gij hot ook werkelijk doet!»

Weder werd Saul toornig.

«En doet gij dat dan zoo volmaakt, gij, die u zelve voor rechtvaardig houdt?» vroeg hij op bitteren toon.

Ue uitdrukking van Suzanna\'s gezicht veranderde op eens. «Ik?» antwoordde zij, «O ik belijd het gaarne, dat ik zeer veel tekort gekomen ben; dat ik een zonderesse ben. Maar mij is barmhartigheid geschied!»

«Hoe weet gij dat zoo zeker? En wie zegt u, dat ook mij mijne tekortkomingen niet vergeven worden?»

«Hoe ik dat weet, mijn broeder? Hoe weet de blinde, dat hij ziende werd? Ik heb den doop der bekeering ondergaan, tot vergeving van zonde, en heb de gave des Geestes ontvangen! Die Geest geeft mij de zekerheid van mijne aanneming! Ik weet, dat God mij mijne zonden vergeeft, en mij deel zal geven aan Zijne heerlijkheid, want ik heb het onderpand er van ontvangen in mijn hart! Zijn Geest getuigt in mij, dat ik Zijn kind ben! Maar wat u betreft, gij mist die zekerheid, gij, die door de werken der wet wilt gerechtvaardigd worden! En terwijl ook gij barmhartigheid verkrijgen kunt, weigert gij te gelooven in den Christus Gods! Gij zult in dien weg nooit vrede vinden, maar steeds grooter onrust en onvrede!

Ongeduldig wendde Saul zich af. «Het helpt alles niets,» zei hij, «wat we ook redeneeren. Gij zult mij niet bewegen in een gekruisigden Christus te gelooven! Ik kan u nu nog niet overtuigen, dat in het volbrengen en kennen der wet het leven is; maar wat nog niet is, kan komen. Ik wil u onderwijzen in de wet en de inzettingen. Ik wil u leeren! Als gij eerst maar weer bij mij zijt! En dus, Suzanna, ik heb een verzoek. Gij en ik, wij behooren bij elkander, al is ons verschil van inzicht groot. Ons huis staat al dien tijd ledig. Kom, laten wij weer samen het gaan bewonen! Ik zal het verdragen, dat gij vooreerst bij uwe dwaalbegrippen blijft. Ik hoop

ocr page 302

DE JÊUGDtGE GËMËENTÊ.

echter, door den tijd, u te overtuigen, dat het dwaalbegrippen zijn. Meent gij nu, dat ik dwaal, en dat gij de waarheid hebt, welnu, beproef dan van uwe zijde mij te overtuigen! En het einde zal zijn, dat wij ten slolte weder één worden in hetzelfde geloof.»

«Eén in geloof! Het zal eens zoover komen, Saul, maar nu nog niet! O, er moet nog veel gebeuren, eer het zoover is! Maar ik wil over uw verzoek nadenken, en zal aan Azarja vragen, of hij het goed keurt.»

«Azarja? Wat heeft die er mee noodig?»

«Hij is mijn bruidegom. Ik ben wettig met hem verloofd. En gij weet, Saul, dat de vrouw onderworpen is aan den wil. haars mans. Maar ik denk wel, dat hij hel zal goedkeuren, als hij hoort, wat het doel er van is. In elk geval zal ik over eenige dagen u bezoeken bij Rabbi Alexander, en dan zal ik u Azarja\'s en mijn besluit meedeelen.»

«Het zij zoo! Ik zal al vast zorgen, dat het huis weer in orde gebracht wordt. Tot weerziens, Suzanna!»

«Tot weerziens, Saul!»

Saul groette ook de andere vrouwen, en ging daarop heen, vol van gedachten. Het was voor hem, den voortvarenden , tot krachtig handelen geneigden jongeling eene gedachte, die hem nieuwe levenslust gaf, dat wanneer zijne zuster werkelijk met hem weder ging samenwonen, hij een taak voor zich had, een wel moeilijke, maar ook heerlijke taak: om haar langzamerhand en geleidelijk terug te brengen tot de wet, en los te maken van de sekte der Nazareners. Als hem dat gelukte, zoo dacht hij, dan zou ook wel de band met Azarja verslappen; en als zij eenmaal tot zijne beschouwing was teruggekeerd, en de dwaling inzag van het geloof in dien Jezus, dan, zoo hoopte hij, zou Azarja zijne aanspraken niet langer laten gelden. En wanneer vroeg of laat de dag mocht aanbreken, dat de Oversten des volks de sekte der Nazareners gingen bestrijden, wanneer zij, die er toe behoorden, gestraft werden met geeseling, gevangenis en dood, dan zou er voor Azarja zeker geen ontkomen

278

ocr page 303

279

zijn, en Suzanna zou nooit zijne huisvrouw worden. Gaarne zou hij nu reeds stappen hebben gedaan om de gerechtelijke vervolging der Nazareners te doen beginnen; doch eerst wilde hij den raad van Rabbi Gamaliel trachten op te volgen, en beproeven zijne zuster te bekeeren. Was zij eenmaal gered uit dien maalstroom, dan behoefde niets hem te verhinderen met Simeï en andere gelijkgezinden de vervolging der Nazareners te beginnen.

Zoo overlegde hij bij zichzelven in de dagen, volgende op het bezoek bij zijne zuster. In zijne opgewondenheid sprak hij er met zijn neef Ismael over; doch deze twijfelde aan don goeden uitslag.

«Ik geloof niet,» zoo zei hij, «dat gij zoo gemaklijk Suzanna bekeeren zult van haar geloof. Het is bij hen een veel dieper gewortelde overtuiging, dan gij denkt; dat heb ik wel gemerkt. Neen, ik vlei mij niet! Suzanna is voor mij onbereikbaar!»

«Wees niet moedeloos, Ismaël!» antwoordde Saul. «Wat bij men-schen onmogelijk schijnt, blijft mogelijk bij God. Dagelijks bid ik Hem mijne pogingen te zegenen. Ik heb niemand op de wereld, die mij nader is, dan mijne zuster. En ik zal niet rusten voor ik haar tot de wet en de getuigenis heb teruggebracht.»

Ismaël haalde de schouders op. Toch verheugde hem het vooruitzicht, dat hij Suzanna meer ontmoeten zou dan vroeger. En dit niet alleen, omdat hij haar lief had; te zeer was hij doordrongen van zijn plicht, niet te begeeren zijns naasten vrouw. Maar vooral ook omdat de belangstelling in het geloof der Nazareners bij hem ontwaakt was, en hij er meer van begeerde te hooren.

Toen Azarja van het plan hoorde, trok het hem eerst niet aan. Doch toen Suzanna hem voorhield, dat er nu geen reden van vrees voor haar meer bestond, daar Saul noch hare andere bloedverwanten in staat waren haar hart af te trekken van haren Heer en Koning, of haar van hem te vervreemden, toen zij hem er aan herinnerde, dat de liefde haar dringen moest om te doen wat mogelijk was om ook Saul voor het geloof in den Christus te winnen, toen gaf hij zijne goedkeuring.

ocr page 304

28o

Zoo geschiedde het, dat toen het najaar kwam het huis van Rabbi Juda van Tarsen weder ontsloten was, en Saul en Suzanna samen daar hun intrek genomen hadden. En sedert dien tijd beproefden beiden, wat zij vermochten om elkander te overtuigen. Saul legde zich met vernieuwden ijver toe op de bestudeering der wet, en was in zijn dagelijksch gedrag stipter dan ooit geworden om al de inzettingen nauwkeurig te volbrengen. Was Suzanna vroeger, bij het leven haars vaders, altijd gewoon geweest de spijzen voor den Sabbath den vorigen dag te koken, en dan onder stroo en kleeden warm te houden tot den volgenden dag, nu verlangde Saul van haar, dat zij slechts koude spijze voor den Sabbath bereiden zou, opdat zij in geen geval aan het warmer maken der spijzen zouden blootstaan, \'t geen eene overtreding van het Sabbathsgebod zou geweest zijn. Stipt werden al de reinigingsvoorschriften in acht genomen; en de dagelijksche gebeden getrouw door beiden naar den regel gebeden. Eiken dag gingen beiden des morgens en des avonds naar den tempel om het morgen- en avondoffer bij te wonen. Boven de deuren van elk vertrek waren de mesura\'s, de kastjes niet spreuken uit de wet; en bij elk morgengebed werden door Saul de tephilim, of gebedsriemen aan voorhoofd en arm gebonden. Nauwkeurig zorgde Saul er voor bij eiken maaltijd de voor elke spijze bijzonder voorgeschreven formules van dankzegging uit te spreken, en zelfs bij het nuttigen van een enkelen olijf sprak hij den gebruikelijken zegen uit. Vastte hij tot dien tijd geregeld drie malen elke week, thans voegde hij er nog menigmaal een extra dag bij, en sloot zich dan op in de opperzaal, waar hij uren achtereen met gebed doorbracht.

Suzanna van hare zijde schikte zich in alles zooveel mogel jk naar hem, opdat zij geen voedsel geven mocht aan den waan, als zou zij eene afvallige van de wet geworden zijn. Toch gevoelde zij menigmaal het geestelooze, dwaze, en geestdoodende van al die Rabbijnsche inzettingen, en heimelijk begeerde zij dat «juk der wet» af te mogen werpen. Daar zij echter hoopte door toegevendheid

ocr page 305

t)E JEUGDIGÊ OÊMÉENTÊ.

haren broeder te overtuigen, dat zij door in Jezus te gclooven niet opgehouden had vroom te zijn, en hem geene gelegenheid wilde geven haar van overtreding der wet te beschuldigen, zoo gewende zij zich er aan de inzettingen te beoefenen, ofschoon haar hart er koud onder bleef. Trouwens, zij had daarbij ook de meeste leden der gemeente tot een voorbeeld. Op enkele uitzonderingen na, waaronder vooral Stefanus genoemd moet worden, waren de Naza-reners allen trouwe tempel- en synagogebezoekers, en de meesten van hen leefden bijna geheel naar de inzettingen der Farizeën. Zij beriepen zich voor dit gedrag voornamelijk op het woord des Meesters: «De Schriftgeleerden zijn gezeten op den stoel van Mozes; dus al wat zij u zeggen, dat gij doen zult, doe dat!» Stefanus echter, en met hem eenige anderen, stelden op den voorgrond, dat zij de rechtvaardigheid uit de wet niet meer behoefden; en beriepen zich van hunne zijde op het voorbeeld des Meesters, die, vooral wat het Sabbathsgebod betreft, zich niet aan de kleingeestige voorschriften der Rabbijnen gestoord had. Toch gaven ook deze leden der gemeente geen meerderen aanstoot, dan duizenden uit het volk, die ook niet in alles de inzettingen der Farizeën beoefenden.

De gemeente breidde zich stil maar gestadig uit. Door dat zij niet meer zoo openlijk en in het oog vallend optraden als op den Pinksterdag, en voor hunne doopplechtigheid een ietwat afgelegener plaats hadden gezocht, — om ongestoord samen te zijn, wat zoo dicht bij Jeruzalem niet altijd het geval kon wezen, — werd de vijandschap tegen hen, die bij vele Farizeën in het geheim bleef bestaan, toch niet gevoed. En het volk was over het algemeen gunstig jegens hen gezind, zoowel om hunne bekende weldadigheid jegens de armen in hun midden, als ook, omdat steeds meerdere kranken in hunne samenkomsten of in de huizen door leden der gemeente, die de «gave der genezing» bezaten, volkomen herstel vonden. De openlijke prediking in den tempel had niet meer zooveel plaats als in het begin. De hoofden der gemeente, Simon Petrus, Joannes Bar Zebedeüs, Jakobus zijn broeder en Jakobus de

ocr page 306

282 IDÉ JEÜGDIGÊ GÉMEÉNTÉ.

broeder van Jezus, hadden de handen vol met het rondgaan bij de huizen der leden om «brood te breken,» — de plechtigheid, door den Meester ingesteld bij het laatste maal met zijne leerlingen gehouden, — en met de inzameling en verdeeling der gelden, door de meer gegoede leden der gemeente afgestaan ten behoeve der behoeftigen. De «profeten» en «profetessen» der gemeente spraken wel in de samenkomsten, die meestal gehouden werden in een der zalen des tempels, of ook wel in de eene of andere opperzaal van een lid der gemeente, maar zij traden zelden op om tot het volk in den tempel of op de straten en pleinen te prediken.

Toen de gemeente ongeveer een jaar bestaan had, en de nadering van de groote feesten Paschen en Pinksteren als van zelf de gebeurtenissen des vorigen jaars in herinnering bracht, werd or door de hoofden der gemeente een besluit genomen, dat niet zonder beteekenis was voor de personen van ons verhaal. Reeds in het begin, kort na de uitgieting des Geestes over hen, waren eenigen hunner, die niet in Jeruzalem blijven konden, daar zij in Galilea hun tehuis, en hunne broodwinning hadden, daarheen teruggekeerd; en een deel der leerlingen des Meesters was met hen meegegaan. Zoo waren er reeds weinige weken na het Pinksterfeest in den omtrek van het meer van Tiberias kleine groepen van Nazareners, kiemen van gemeenten, waarbij zich spoedig de overige broeders en zusters der vijfhonderd, die niet mee naar Jeruzalem waren gegaan, aansloten, die, na door den doop in den kring te zijn opgenomen, ook de gave der Geestes ontvingen. In het eerst trokken deze kleine, verstrooide groepen weinig de aandacht. De meesten der lieden, die er toe behoorden, waren sedert lang bekend als aanhangers van den profeet van Nazareth, van wiens treurig levenseinde spoedig de mare zich door Galilea verspreid had. Daar het fanatisme der Farizeërs in Galilea niet zoo groot was als in Judea en Jeruzalem, en Jezus in die streken algemeen bekend was, terwijl velen, ofschoon niet in hem als den Christus geloovende, toch hem als een profeet «krachtig in woorden en werken» hadden geacht, zoo wekte de

ocr page 307

ÖÉ JEUGDIGE GÈMEENTË.

vorming van kleine gemeenten, volgelingen van Christus geen ergernis, en van tijd tot tijd sloten er zich meerdere leden bij aan.

Berichten, uit Galilea ingekomen in de gemeente te Jeruzalem, over den gestadigen aanwas der kringen van «broeders en zusters in het geloof», (zooals zij zichzelven noemden) hadden aanleiding gegeven tot de vraag, of het niet noodig zijn zou het bevel des Meesters, om het evangelie des Koninkrijks te prediken in Judea, en verder, tot aan het einde der wereld, ten uitvoer te leggen. De hoofden der gemeente konden Jeruzalem wel is waar niet verlaten; maar in de gemeente waren vele jeugdige krachten, jonge mannen, geschikt om als rondtrekkende predikers uit te gaan.

In ecne samenkomst, door de hoofden en oudsten daarover ge-houden, werd besloten tot de uitzending van jonge mannen over te gaan. Zij zouden beginnen met Judea, en van dorp tot dorp overal rondgaan, om te prediken het evangelie des Koninkrijks, en de nabijheid van de wederkomst van den gekruisigden, maar uit de dooden opgewekten en in den hemel verhoogden Christus. Daarop werd de geheele gemeente bijeengeroepen, en nadat er vurig gebeden was om de voorlichting des Geestcs hadden profeten de namen genoemd van hen, die tot dat werk afgezonderd cn uitgezonden moesten worden. Onder hen was ook Azarja Ben Itaï.

Toen Suzanna dien avond thuis kwam van de samenkomst, — want van het bezoeken dier samenkomsten kon Saul haar niet afbrengen, — stond haar gelaat somber en ontdaan. Saul, die gewoon was aan een blijmoedigen glimlach, als weerspiegeling van den in-wendigen vrede, dien zij bezat, bemerkte het terstond.

«Wat scheelt u?» vroeg hij. «Gij ziet zoo somber!»

«Als ik u de reden zeg, Saul,» antwoordde zij, «dan zult gij u er misschien over verblijden.»

«Hoe zou ik mij verblijden, over wat u droefheid veroorzaakt?»

«Toch wel! Ik zal \'t u zeggen. Azarja gaat Jeruzalem verlaten, voor langen tijd.»

Inderdaad! Dat bericht verblijdde Saul. Hij had met leede

283

ocr page 308

DF. JEUGDIGË GEMEENTE.

oogcn al lang gezien, hoe de band tusschen Suzanna cn Azarjanict losser, maar steeds vaster werd. Hij kon hem niet weigeren haar te bezoeken; en bemerkte dan duidelijk genoeg, hoe zeer zij elkander liefhadden. Zelf wist hij, wat het beteekende lief te hebben; want ofschoon hij niet verloofd was, toch was er reeds lang een nauwe band van genegenheid geknoopt tusschen hem en Esther, de zuster van Simei. Hij begon er daarom aan te twijfelen, of het wel zoo gemakkelijk gaan zou Suzanna van haar geloof en hare liefde tot Azarja af te brengen. En nu te hooren, dat hij, die het voornaamste beletsel was, naar hij meende, voor Suzanna\'s terugkeer, voor langen tijd zou heengaan, het veroorzaakte hem werkelijke blijdschap.

Om zijne zuster echter niet te grieven, liet hij er weinig van bemerken, en antwoordde :

«Azarja weg uit Jeruzalem? En wat is daar de oorzaak van?»

«Hij is aangewezen door den Geest om uit te gaan tot het werk des evangelies.»

«Wat meent ge?»

«Hij zal met nog eenige anderen het evangelie gaan verkondigen in Judea.»

«Meent ge, dat hij het geloof in den Nazarener gaat verbreiden buiten Jeruzalem?»

«Juist! Profeten hebben door den Geest hem en anderen daartoe aangewezen.»

Nu sprong Saul op.

«Bij den heiligen tempel!» riep hij uit. «Is het nu nog niet genoeg, dat hier in Jeruzalem het onkruid voortwoekert? Moeten nu ook nog de andere gemeenten er mee besmet worden? Bij den hemel, Suzanna, als gij mijne zuster niet waart, ik zou niet zoo lang al geduld met uwe dweeperij gehad hebben! En één ding verzeker ik u, als het waar is, wat gij zegt, en die Nazareners gaan hun dwaalgeloof uitbreiden in Judea, zoo waarachtig als de Heer leeft, zoo ik niet de Oversten zal aansporen om het tegen te gaan!»

«Saul, Saul! Waarom blijft ge toch zoo vijandig? Heb ik niet nu

284

ocr page 309

DE JEUGDIGE GEMEENTE.

al zoo lang u getoond, dat het geloof in den Meester zeer goed kan samengaan met het onderhouden der geboden? Zijt ge dan moedwillig blind? O, dagelijks bid ik den God onzer vaderen, dat Hij 11 eindelijk de oogen opene!»

«En dagelijks bid ik hetzelfde voor u! Niet ik, maar gij zijt verblind!»

«Wij zullen niet verder er over twisten, Saul! Ik weet, dat God eens u de oogen openen zal. En dan zult gij niet meer het afkeuren, dat het evangelie des koninkrijks gepredikt wordt in Israël, maar gij zult zelf begeeren tot zulk werk te worden uitgezonden!»

Saul haalde de schouders op. «Die voorspelling heb ik al zoo dikwijls gehoord! Maar er is weinig kans op vervulling. Ik dank u intusschen voor de mededeeling, en zal het brengen ter kennis van de Rabbi\'s, opdat zij de Oversten der Synagogen in Judea waarschuwen kunnen.»

«Gij zult van mijne vertrouwelijke mededeeling toch geen misbruik maken, om hen in hun werk te bemoeilijken?»

«Ik zal doen, wat ik meen, dat mijn plicht is. Als gij dit hadt willen beletten, hadt dan gezwegen!»

«Ik vertrouwde u, als mijn broeder!»

«Gij weet, dat ik, al spreek ik er niet veel over, en al verdraag ik het in u, een tegenstander ben van uw geloof; en ik acht mij verplicht de Oversten te waarschuwen.»

«Welnu, ga uw gang! Azarja en zijne medgezellen zijn in GxU hand; Hij zal hen beschermen!» 1)

1) De voorstelling als zouden er in Galilea reeds spoedig na liet rinksieilVes kleine gemeenten ontstaan zijn, en als «ouden er nog vóór de eerste aanvallen der Overpriesters op de gemeente, jonge mannen als ,evangelisten» zijn uitgezonden, steunt wel is waar niet op Ijerieliten daarvan in de Handelingen der Apjsfclen of elders, maar geeft m. i. de Ijeste verklaring lo. van het feit, dat van de 11 discipelen slechts de 3 voornaainsten in Jernzalem schijnen gearbeid te hebben, 2o. van het bestaan van ecae Christelijke gemeente in Damascus, zeer kort na den d:iod van Stefanus. liet is cnbegrijpelijk, hoo in zóó korten tijd op zóó venen afstand van Jeruzalem iceds eene gemeente zou hebben kunnen ontstaan, indien uiet reeds spoedig evangelisten zijn uitgegaan om zendingsarbeid te verrichten.

285

ocr page 310

NEGENDE HOOEDSTUK.

DREIGENDE WOLKEN.

Het was in dc dagen van den tarweoogst. Op de velden van Judea waren de landlieden druk bezig de schoven van het afgemaaide koren samen te binden en op de breede, door ossen getrokken wagens te laden, die ze weldra zouden wegvoeren naar de korenschuren. In het onderkleed, blootshoofds en barrevoets, waren de lieden aan het werk, en letten niet op twee jonge mannen, die het kronkelend voetpad volgden, dat van dc berghelling van het gebergte Efraïm afdaalde in de vruchtbare vlakte Sephela. Vóór hen, inde schoone, zich ver tot aan de zee uitstrekkende vlakte, lag een klein dorp, welks witte platte huizen schitterend afstaken tegen de gele en donkergekleurde velden. Ver, in het verschiet, naar het Westen daalde de zon neder, en deed de torens en huizen van het aan de zee gelegene Joppe uitkomen.

«Zouden we nu hier ook al dien tegenstand ontmoeter., dien we nu al zoo dikwijls ondervonden?» zei de jongste der twee tot zijn makker.

«Ik weet het niet, Joannes,» antwoordde deze. «Het is vreemd, dat de Oversten zoo spoedig het zijn te weten gekomen, dat wij zijn uitgezonden. Want dat het door de Oversten van Jeruzalem is, dat dc Rabbi\'s ons overal bemoeilijken, geloof ik zeker.»

«Zou liet niet mogelijk zijn, Azarja,» antwoordde Joannes Marcus,

ocr page 311

287

(want hij was het), «dat de broeder uwer bruid, dat Saulus van Tarsen de oorzaak er van is?»

«Dat geloof ik niet;» antwoordde Azarja. «Ik heb van Suzanna niets daarvan gehoord; en ik denk, dat zij het mij wel gezegd zou hebben, als zij het vermoed had.»

Hij wist niet, dat Suzanna opzettelijk het voor hem verzwegen had, dat Saul voornemens was de Oversten te waarschuwen. Zij vreesde hem er door te zullen ontmoedigen.

«Bovendien,» vervolgde hij, «Saul en Suzanna zijn in den laatsten tijd zeer goed samen. Zij spreken weinig of niet over hun verschil van geloof. Suzanna helpt hem in alles, en om zijnentwil draagt zij al de Farizceuwsche geboden en inzettingen. Ik geloof niet, dat zijn afkeer nog zoo groot is, als zij geweest is.»

«Gij zoudt u vergissen, Azarja!» antwoordde Joannes Marcus. «Mijn oom Joses, wien de broeders den bijnaam Barnabas gegeven hebben, zegt, dat Saul nog altijd verbitterd is tegen het geloof, en dat hoe meer hij ziet, dat de gemeente bloeit en vooruitgaat, hij ook des te bitterder wordt. Hij zeide mij, dat hij vreesde, dat het tot eene uitbarsting komen zou.»

«Saul alleen kan ons weinig kwaad doen.»

«Maar Saul staat niet alleen. Simei Ben Jona is al langen tijd een heftig vijand des Meesters. Zijn vader is een der bitterste vijanden. Rabbi Jonathan is ook een vijand, en als hij Hooge-priester wordt, —- wat in het volgend jaar gebeuren moet, als Rabbi Jozef Kajafas aftreedt, — dan vrees ik, dat hij de gemeente niet ongemoeid laten zal. Ruth kent dien man; zooals gij weet is zij door hem ongelukkig gemaakt. Op den Pinksterdag heeft zij hem onder den invloed des Geestes toegesproken en vermaand, en hij heeft dat beantwoord met eene bedreiging van wraak. Onder de Sadduceen zijn er ook velen, die bitter worden, omdat hun de prediking van de opstanding des Heeren een ergernis en aanstoot is. Let eens op, Azarja, of \'t niet uitkomt: Eer wij één jaar verder zijn is de vervolging begonnen.»

ocr page 312

NEGENDE HOOEDSTUK.

DREIGENDE WOLKEN.

Het was in de dagen van den tarweoogst. Op de velden van Judea waren de landlieden druk bezig do schoven van het afgemaaide koren samen te binden en op de breede, door ossen getrokken wagens te laden, die ze weldra zouden wegvoeren naar de korenschuren. In het onderkleed, blootshoofds en barrevoets, waren de lieden aan het werk, en letten niet op twee jonge mannen, c\'ie het kronkelend voetpad volgden, dat van de berghelling van het gebergte Efraïm afdaalde in de vruchtbare vlakte Sephela. Vóór hen, inde schoone, zich ver tot aan de zee uitstrekkende vlakte, lag een klein dorp, welks witte platte huizen schitterend afstaken tegen de gele en donkergekleurde velden. Ver, in het verschiet, naar het Westen daalde de zon neder, en deed de torens en huizen van het aan de zee gelegene Joppe uitkomen.

«Zouden we nu hier ook al dien tegenstand ontmoeten, dien we nu al zoo dikwijls ondervonden?» zei de jongste der twee tot zijn makker.

dk weet het niet, Joannes,» antwoordde deze. \'iHet is vreemd, dat de Oversten zoo spoedig het zijn te weten gekomen, dat wij zijn uitgezonden. Want dat het door de Oversten van Jeruzalem is, dat de Rabbi\'s ons overal bemoeilijken, geloof ik zeker.»

«Zou het niet mogelijk zijn, Azarja,» antwoordde Joannes Marcus,

ocr page 313

287

(want hij was het), «dat de broeder uwer bruid, dat Saulus van Tarsen de oorzaak er van is?»

«Dat geloof ik niet;» antwoordde Azarja. «Ik heb van Suzanna niets daarvan gehoord; en ik denk, dat zij het mij wel gezegd zou hebben, als zij het vermoed had.»

Hij wist niet, dat Suzanna opzettelijk het voor hem verzwegen had, dat Saul voornemens was de Oversten te waarschuwen. Zij vreesde hem er door te zullen ontmoedigen.

«Bovendien,» vervolgde hij, «Saul cn Suzanna zijn in den laatsten tijd zeer goed samen. Zij spreken weinig of niet over hun verschil van geloof. Suzanna helpt hem in alles, en om zijnentwil draagt zij al de Farizeeuwsche geboden en inzettingen. Ik geloof niet, dat zijn afkeer nog zoo groot is, als zij geweest is.»

«Gij zoudt u vergissen, Azarja!» antwoordde Joannes Marcus. «Mijn oom Joses, wien de broeders den bijnaam Barnabas gegeven hebben, zegt, dat Saul nog altijd verbitterd is tegen het geloof, en dat hoe meer hij ziet, dat de gemeente bloeit en vooruitgaat, hij ook des te bitterder wordt. Hij zeide mij, dat hij vreesde, dat het tot eene uitbarsting komen zou.»

«Saul alleen kan ons weinig kwaad doen.»

«Maar Saul staat niet alleen. Simei Ben Jona is al langen tijd een heftig vijand des Meesters. Zijn vader is een der bitterste vijanden. Rabbi Jonathan is ook een vijand, en als hij Hooge-pricster wordt, — wat in het volgend jaar gebeuren moet, als Rabbi Jozef Kajafas aftreedt, — dan vrees ik, dat hij de gemeente niet ongemoeid laten zal. Ruth kent dien man; zooals gij weet is zij door hem ongelukkig gemaakt. Op den Pinksterdag heeft zij hem onder den invloed des Geestes toegesproken en vermaand, en hij heeft dat beantwoord niet eene bedreiging van wraak. Onder de Sadduceën zijn er ook velen, die bitter worden, omdat hun de prediking van de opstanding des Heeren een ergernis en aanstoot is. Let eens op, Azarja, of \'t niet uitkomt: Eer wij één jaar verder zijn is de vervolging begonnen.»

ocr page 314

DONKERE WOLKEN.

«Ik geloof het niet. De Heer is met ons, en zal ons bcschernien.»

«Maar hij heeft ons voorspeld, dat wij vervolgd zouden worden.»

«Het zij zoo! Als het moet ben ik er niet bevreesd voor! Ik heb eens gezegd tot den Meester, dat ik voor hem in den dood wilde gaan, en ik zal dat woord niet intrekken!»

«En wat moet er dan van Suzanna worden?»

«Voor haar zal de Heer zorgen! Misschien volgt zij mij dan wel in den weg des lijdens.»

«Nu, ik voor mij moet eerlijk bekennen,» zei Joannes Marcus na eene pauze, «dat ik liefst nog wat zou blijven leven! Ik ben nog zoo jong! Nu al te moeten sterven is wel wat erg spoedig! Maar zoover zal het wel niet zoo dadelijk komen.»

«Voor mij is het nog erger dan voor u, Joannes, om te moeten sterven,» antwoordde Azarja, «want ik laat een lieve bruid troosteloos en weerloos achter. Maar dat mag geen reden zijn, waarom ik bezwaar zou maken den Heer te verheerlijken, als het wezen moest, in het sterven. Zijn wij niet in leven en sterven de zijnen? Ik voor mij zeg: de Heer doe met mij, zooals Hij wil; ik onderwerp mij aan alles, wat Hij over mij gehengt.»

Al sprekende waren de jongelingen het dorp genaderd, en zij traden het nu binnen en gingen door de nauwe, vuile dorpstraat, waarop naakte kinderen in het stof lagen te spelen, tot zij op een soort pleinlje of markt kwamen, waar de waterfontein was en de karavansera, het verblijf voor alle vreemdelingen.

«Zullen wij dadelijk ons werk beginnen, of zullen wij eerst ons wat verfrisschen met spijs?gt;; vroeg Azarja aan zijn makker.

«Laat ons wachten tot de lieden van de akkers terugkomen en zich in de avondschemering hier op de markt verzamelen.»

«Het is goed,» antwoordde Azarja.

Nu traden zij de karavansera binnen. Het was er eenzaam. Een enkele reiziger, een koopman, had zijn ezel er gestald, en zelf zat hij in een hoek op den grond, en was bezig zijn avondmaal te gebruiken. De beide jongelingen zochten een plekje op, dat hen

288

ocr page 315

289

geschikt voorkwam cr den nacht door te brengen, indien geen der dorpelingen hen als gast mocht noodigen. Zij zetten zich neer, en Joannes Marcus begon uit den buidel, dien hij met zich droeg, een en ander te voorschijn te halen; een paar gerstebrooden, een stuk bithynische kaas, en wat olijven vormden de bestanddeelen van hun avondmaal, waarbij zij zich verfrischten met een dronk uit een in de karavansera aanwezige kruik, die zij aan de fontein gevuld hadden.

Zij spraken niet gedurende den korten maaltijd, maar waren blijkbaar ieder in zijne eigene gedachten verdiept. De koopman zag nu en dan naar hen, en scheen nieuwsgierig te zijn, wie zij waren en w.it het doel hunner reis was. Toen hij zijn avondmaal gebruikt had, stond hij op, en trad langzaam op de beide vrienden toe.

«Sjaloom!» zei hij. «Moge de God Israels u zegenen! Zijt gij ook kooplieden, of komt gij hier om andere redenen?»

De jongelieden stonden op, en beantwoordden zijn groet. Daarop zei Azarja:

«Neen, wij zijn geen kooplieden. Wij zijn reizende om het volk te onderwijzen aangaande het koninkrijk Gods en den Christus.»

«Zijt gij uitgezonden door de Rabbi\'s?» vroeg hij.

«Neen, niet door de Rabbi\'s. Wij zijn uitgezonden door den heiligen Geest en door de gemeente der Nazareners te Jeruzalem.»

«De gemeente der Nazareners? Daarvan heb ik nooit gehoord! Wie zijn dat? Is dat soms eene nieuwe sekte?»

«Hebt gij dan nooit gehoord van Rabbi Jezus uit Nazareth, den Messias?»

«Den Messias? Wien noemt gij den Messias? Een Rabbi uit Nazareth noemt gij Messias?»

«Hij is de ware Messias. Onze overpriesters hebben hem gedood maar God heeft hem opgewekt uit de dooden, waarvan wij de quot;-e-tuigen zijn. Hij is de Christus Gods, de Koning Israels.»

«Gij vertelt mij daar vreemde dingen. Wanneer heeft dat plaats gehad?»

19

ocr page 316

290

«Weet gij er niets van? Verleden jaar met het Paaschfeest is het gebeurd, te Jeruzalem. Maar van waar komt gij, dat gij niets van dat alles weet ?»

«Ik kom uit Arabië en Egypte. Ik heb vier jaren gereisd door de vreemde landen der Gojiem, en ben eerst voor weinige weken uit Egypte in het land der vaderen teruggekeerd. Ik heb Jeruzalem nog niet gezien, sedert ik het, nu vijf jaar geleden, verliet. Ik ga nu van hier eerst naar het Noorden, naar Galilea, waar ik geboren ben, en dan hoop ik met het eerstvolgende Paaschfeest weder Jeruzalem te bezoeken.»

«Gij zijt dus uit Galilea. Hebt gij daar ooit Nazareth bezocht?»

«Ik ben er wel eens geweest, maar ben er toch onbekend.»

«Gij moogt uzelven wel beklagen, dat gij zoolang in vreemde landen gezworven hebt, terwijl in het land uwer vaderen het licht der wereld, het heil van Israël is verschenen. Drie jaren lang heeft onze Heer, Jezus de Christus, in Galilea gepredikt. Allerlei ziekten genas hij, ja dooden hergaf hij het leven. Nu en dan bezocht hij Jeruzalem, tot hij eindelijk voor goed van Galilea afscheid nam en naar de heilige stad kwam. Sedert dien tijd heeft zijn gezegende stem bijna dagelijks in den tempel geklonken; en o hoevelen leerden in hem als den lang beloofden Christus gelooven! Maar eindelijk namen de Overpriesters en Rabbi\'s hem gevangen, omdat hij hen had bestraft over hunne zonden. Hij is door den hoogepriester Kajafas veroordeeld en op last van den landvoogd gekruisigd.»

«Wat zegt gij? Gekruisigd? En dan zegt ge, dat hij de Messias, de Koning Israëls is? Zal dan de Christus gekruisigd worden? Dat is immers onmogelijk!»

«Hij is gekruisigd, gestorven en begraven, maar hij is ten derden dage opgestaan van de dooden! Wij hebben hem gezien, en zijne trouwste leerlingen hebben met hem gegeten en gedronken na zijne opstanding. En eindelijk is hij heerlijk ten hemel heengevaren. O, gewis! Hij is de Christus, de Koning Israels, de Verlosser van Sion! En weldra komt hij weder met de wolken des hemels, zooais

ocr page 317

DONKERE WOLKEN. 2gi

de profeet Daniel zegt, en clan zal hij aan Israël het koninkrijk oprichten. Dan zullen zijne vijanden sidderen voor zijn aangezicht; maar allen, die in hem geloofden, zullen met hem verheerlijkt worden en deelen in zijn koninkrijk. O mijn vriend, wilt gij ook niet gelooven in hem?»

«Hoe kan ik dat? Gij vertelt mij wel vele vreemde dingen, maar hoe weet ik, dat het waar is, wat gij zegt? Gij zegt, dat de oversten van ons volk hem ter dood lieten brengen, en de hoogepriester hem veroordeeld heeft. Moeten wij dan niet de oversten gehoorzamen? Hoe kan een man, die ter dood werd gebracht, de Verlosser van Israël zijn? Ik moet eerst meer weten van die sekte, waartoe gij behoort en van dien Jezus, over wien gij spreekt!»

«Maar hebben er niet wonderen en teekenen plaats gehad door zijne hand? En geschieden zij nu ook niet in zijn naam door dc handen zijner volgelingen? Hij heeft den heiligen Geest over de zijnen uitgegoten, juist zooals de profeten voorspeld hebben, dat hij doen zou. En door de kracht van dien Geest worden zieken genezen en duivelen uitgedreven, en spreken er velen, zooals de Geest hen geeft uit te spreken. Ook wij hebben de gave der profetie ontvangen en zijn daarom uitgezonden om het evangelie des koninklijks te prediken in Judea. Ook hier zijn wij gekomen om dat te doen. Als gij met ons gaat, dan kunt gij er getuige van zijn.»

Zij ruimden het overschot van den maaltijd op en bergden het in den buidel. Daarop legden zij dien, op raad van den koopman, in een hoek van de karavansera bij de goederen van den koopman. Nu traden zij naar buiten.

De zon neigde ter kimme. De landlieden keerden van den arbeid op den akker huiswaarts. Eenige vrouwen stonden bij de waterfontein. Een troepje kinderen speelde op het mnrktplein. Een paar oude mannen hadden zich daar verzameld, en zaten op den grond gehurkt met elkander te praten.

De beide jongelieden traden op hen toe. De koopman volgde op een afstand.

ocr page 318

DONKERE WOLKEN,

Toen zij bij hen gekomen waren, bogen zij zich eerbiedig voor de oude mannen neder, en zeiden:

«Weest gezegend in den naam des Heeren!»

«Vrede zij u!» antwoordden zij hen.

Daarop vroeg een der oude mannen aan Azarja en Joannes Marcus;

«Wie zijt gij, jonge mannen, en van waar komt gij?»

«Wij komen van Jeruzalem,» antwoordde Azarja, «en wij zijn uitgezonden om een blijde boodschap overal te verkondigen in Israël.»

«Wat voor een blijde boodschap hebt gij ons te brengen, en wie zijn het, die u hebben uitgezonden?»

«De hoofden der gemeente Gods te Jeruzalem hebben ons uitgezonden, mij, Azarja Ben Itaï, en mijn metgezel, Joannes Marcus van Cyprus, om overal te prediken, dat het Koninkrijk Gods nabij is gekomen.»

«De hoofden der gemeente te Jeruzalem? Zijt gij afgezanten van den hoogepriester?»

«Neen! Niet de gemeente, waarvan de hoogepriester Kajafas en de andere oversten het hoofd zijn. Maar de gemeente Gods, dien de Heer zichzelven verkoren heeft uit Israël, en dien Hij gesticht heeft op het Pinksterfeest, het vorige jaar, door de uitgieting van Zijn Geest. Roep de mannen bij elkander, dan zullen wij u beter en vollediger zeggen, wat wij komen prediken, en waarvoor wij gekomen zijn.»

«Als de hoogepriester u niet zond, dan hebt gij geen recht u afgezanten te noemen van de gemeente te Jeruzalem. Ik weet niet tot welke sekte gij behoort, maar wij willen hier niet weten van nieuwigheden! Wij zijn kinderen der wet, en wandelen naar de geboden des Heeren!»

«En als gij de geboden des Heeren overtreden hebt?»

«Dan doen wij boete, en sturen een boetegeld naar Jeruzalem, opdat voor ons een zoenoffer gebracht worde. Maar dat is gelukkig niet dikwijls noodig. Wij houden den Sabbath, en zorgen voor de

292

ocr page 319

293

reinheid. Wij betalen de tempelschatting, en brengen onze eerstelingen op den Pinksterdag in Jeruzalem.»

(iZijt gij verleden jaar met eerstelingen in Jeruzalem geweest, en hebt gij niets vernomen van de wonderen en teekenen, die plaats hebben gehad?»

ftEen uit ons midden heeft de eerstelingen naar Jeruzalem gebracht. Hij is hier niet. Ginds zie ik hem komen. Hij weet er misschien wat van. Ook dit jaar is hij heengegaan voor ons.»

Intusschen waren de vreemdelingen opgemerkt, en van alle kanten kwamen nieuwsgierigen, mannen, vrouwen en kinderen, om te zien en te hooren, wat voor nieuws er was. Azarja, die dit bemerkte, keerde den ouden man, die met hem gesproken had, den rug toe, klom op den steenen muur, die de waterfontein omgaf, en overzag de menschen. Toen men zag, dat hij wilde gaan spreken, kwamen er nog veel meer, zoodat de beide vrienden weldra door een grooten hoop volks omringd waren.

Een oogenblik zweeg Azarja, en sloeg zijne oogen naar boven als bad hij in stilte om hulp. Daarop sprak hij:

«Mijne vrienden, zonen en dochteren Israels, de God onzer vaderen zij geloofd en geprezen voor het heil, dat Hij ons heeft geschonken. Wij zijn tot u gekomen, daartoe afgezonderd en verkoren door Zijne dienaren en door den heiligen Geest, om u het heil te prediken. Groote dingen heeft de Heer gedaan! Hij is gedachtig geweest aan Zijn verbond, aan den eed, dien Hij onze vaderen gezworen had, om in de volheid des tijds den Gezalfde te zenden, dat Hij hem zetten mocht op den troon van David om heil te brengen aan Israël en vrede aan al de volkeren. Zie, ik verkondig u groote blijdschap, namelijk dat de Messias is gekomen, de Messias, de Verlosser, de Koning Israels!»

Hier werd hij in de rede gevallen door vele stemmen, die riepen;

«De Messias? Is de Messias gekomen? Waar en hoe en wanneer?»

«Ja, de Messias is gekomen; de Christus Gods! God heeft Zijn Zoon gezonden in de wereld! In Bethlehem is hij geboren. Engelen

ocr page 320

294

zongen bij zijne geboorte. In Nazareth in Galilea is hij opgegroeid, onbekend bij de wereld. Vier jaren geleden is hij begonnen te prediken. Machtig was zijn woord en liefelijk, als de regendruppelen, die de dorre aarde verkwikken, wanneer de zonnegloed ze heeft verdroogd; of als de dauw, die \'s morgens de aarde bedekt. Wonderen en teekenen geschiedden door zijne handen. Lammen wandelden, blinden werden ziende, dooven hoorden, ja dooden zelfs herleefden.»

«Is het Jezus van Nazareth, van wien gij spreekt?» vroeg eene vrouw uit de schare.

«Ja, de gezegende Meester, de Christus Gods is Jezus, bijgenaamd de Nazarener. Kent gij hem?»

«Ik ken hem! Hij heeft mijne zuster genezen, die mclaatsch was.»

«Gelooft gij in hem ?»

«Ik heb hem altijd voor een profeet gehouden. Maar ik heb er nooit aan gedacht, dat hij de Messias zou zijn.»

«Is hij hier geweest?»

«Neen. Mijne zuster woonde in Galilea. Daar is zij door hem genezen.»

«En hebt gij niets verder van hem gehoord?»

«Neen. Vertel ons van hem! Heeft hij de vijanden van Israel verslagen?»

«Luister! Drie jaren lang ging hij het land door goeddoende. In Galilea, in Samaria, in Perea, en ook in Judea, vooral in Jeruzalem en bij Jericho heeft de Meester gepredikt. Doch eindelijk hebben de Rabbi\'s hem gevangen genomen ....»

«Gevangen genomen? Dan is hij ook de Messias niet!» riepen velen.

«Wacht een oogenblik, en luister naar wat ik u verder heb te verhalen!» vervolgde Azarja. «De Meester had openlijk onze Oversten bestraft over hunne zonden. Hij predikte, dat armen en geringen, tollenaars en hoeren evengoed in zijn Koninkrijk konden komen, als de Farizeën en Schriftgeleerden, indien zij zich van de zonden bekeerden. En hij eischte van de Rabbi\'s, dat die zich ook van hunne zonden zouden bekeeren. Daarom haatten zij hem. Daarom

ocr page 321

295

namen zij hem gevangen, en lieten zij hem aan een kruis nagelen!»

«Wat? Is hij gekruisigd? Hoe kan hij dan ons verlossen?»

«Hij is uit de dooden opgestaan! Wij zijn getuigen er van, dat die Jezus, dien de Oversten aan een kruis gedood hebben, is opgestaan uit het graf ten derden dage, en dat hij in den hemel is verhoogd ter rechterhand Gods!»

«In den hemel verhoogd? Is hij niet meer op aarde? Hoe kan hij dan over Israël regeeren?»

«Hij zal wederkomen, zooals hij is heengegaan. En reeds heeft hij den Geest uitgestort over allen, die in hem gelooven! Wij ook hebben dien Geest ontvangen. Op den Pinksterdag het vorige jaar is de dag des heils aangebroken!?

«Verleden jaar op het Pinksterfeest, zegt gij?» vroeg nu de man, die door den ouden Jood een oogenblik te voren aangewezen was als degene, die de eerstelingen der dorpelingen naar Jeruzalem gebracht had. «Was het in den tempel, in het voorhof van Salomo?»

«Juist! Zijt gij er getuige van geweest?»

«Dat wil zeggen, ik zag een geweldigen oploop in dat gedeelte van den tempel, toen ik met het Pinksterfeest verleden jaar in Jeruzalem was. Ik kon er het rechte echter niet van te weten komen, ofschoon ik er dichtbij kwam. Ik hoorde vele luide stemmen door elkaar. Sommigen zeiden, dat een troep opgewonden lieden wartaal spraken. Anderen spraken van vreemde teekenen, die er zouden hebben plaats gehad.»

«Toen is de Geest van God uitgestort, naar de beloften der profeten!» hervatte Azarja. «Toen zijn wij allen aangedaan met kracht uit den hooge, en sedert dien dag openbaren zich de gaven des Geestes in ons midden. Sommigen hebben de gave der profetie, en spreken, zooals de Geest hen geeft te spreken; anderen spreken in vreemde talen; weer anderen hebben de gave der kennis, en weten het verborgene. De gave der genezing is aan ons geschonken, en vele kranken zijn reeds gezond geworden in den naam van Jezus den Christus. De tijd is gekomen, de heerlijke tijd, waarvan de

ocr page 322

DONKERE WOLKEN\'.

proleten hebben geprofeteerd! En daarom, gij mannen ën vrouwen van Israël! Hoort het woord des Heeren! Bekeert u van uwe zonden, en een ieder van u worde gedoopt in den naam van Jezus den Christus, tot vergeving van zonden! Dan zult ook gij de gave des Geestes ontvangen en deel hebben aan zijn koninkrijk, als hij wederkomt met de wolken des hemels!»

Op dat oogenblik drong eene vrouw naar voren, en zei tot Azarja:

«Kunt gij zieken genezen in den naam van dien Jezus, dien gij predikt?»

«Wij kunnen niets,» antwoordde Azarja, «maar de Heer is machtig.»

«O kom dan met mij! Mijn kind is ernstig ziek!»

«Wij willen met 11 gaan, en moge de Heer Zijn naam in uw kind verheerlijken!»

Zij volgden de vrouw, en het volk verstrooide zich. Een groot deel van hen echter ging mee naar de woning, waar de kranke was, om getuige te zijn van wat er geschieden zou. De vrouw ging hen voor naar een der kleinere woningen. Een olijfboom beschaduwde de lage deur van het huis. De vrouw trad binnen, en Azarja en Joannes Marcus volgden haar langs de rood steenen met takken bedekte watervaten. Zij stonden in het kleine vertrek, dat van achteren licht ontving uit een klein, hoog venster van tralies voorzien. In een hoek van het vertrek in een deken gerold lag op den aarden vloer een meisje van een jaar of tien. Zij had koorts. Het gezichtje was vuurrood en met zweet bedekt. Zij hijgde benauwd, en wierp haar hoofdje heen en weer.

Azarja trad op haar toe, en knielde bij haar neder. Hij nam haar handje in zijn hand, en de oogen naar boven slaande, bad hij:

«O Heer, onze Vader in de hemelen. Vader van onzen Heer Jezus Christus! Gij, die doodt en levend maakt, die wonderlijk van raad en groot van daad zijt, verheerlijk den naam van Uw kind Jezus! Doe een teeken, o Heer, en geef Gij genezing in den naam van uwen Zoon!»

«Amen!» sprak Joannes Marcus.

296

ocr page 323

297

Daarop legde Azarja zijn rechterhand op het voorhoofd van het kind, en zijne linkerhand op hare borst, en naar boven ziende zei hij op plechtigen toon;

«Mijn kind, Jezus Christus maakt u gezond! Sta op! Gij zijt verlost van deze ziekte!»

Het kind opende de oogen en zag hem aan. Hij reikte haar de hand, en zij rees overeind. Haar gelaat hernam de natuurlijke kleur; het hijgen was gedaan. Zij stond op; de blos der gezondheid had de blos der koorts vervangen.

«Moeder! o moeder!» riep zij uit, «ik ben beter, heelemaal beter!»

«Mijn kind, mijn dierbaar kind!» riep de moeder en drukte haar aan haar hart.

«Vertel mij van dien Jezus, in wiens naam gij dit wonder deedt!» zei zij daarop tot Azarja. «Ik wil ook in hem gelooven! Ik wil ook zijne volgelinge worden!»

Het was reeds laat, toen Azarja en Joannes Marcus de rust van den slaap konden zoeken. Zij hadden gesproken tot de steeds toestroomende menschen, en waren ook nog bij andere zieken geroepen, die eveneens in den naam van Jezus genezen waren geworden. Eindelijk hadden zij zich naar de karavansera begeven, om hun buidel te halen, en daarop hadden zij hun intrek genomen i\'i het huis der vrouw, eene weduwe, wier kind zij genezen hadden.

Hen volgenden morgen stonden zij reeds vroeg op en maakten zich gereed het werk van den vorigen avond voort te zetten. Zooals zij verwacht hadden geschiedde. De lieden, die gisteren met belangstelling naar hen hadden geluisterd, kwamen nu weder tot hen, om nog meer te hooren. Nog vóór den eersten maaltijd was het kleine huis der weduwe, vol, en ieder stelde belang er in het meisje te zien, dat genezen was, evenals ook de andere zieken, die genezing gevonden hadden door handoplegging.

Zij waren weder druk bezig tot de menschen te spreken en hen Jezus te prediken als den Messias, toen er op eens opschudding ontstond onder de lieden, die bij de deur stonden. «De bezetene!

ocr page 324

298 donkere wolkek.

De bezetene!» riepen zij. Op dat woord kwam er eene algemeene schrik over de lieden. Sommigen liepen weg. Anderen, de meesten, trokken zich terug in de woning achter Azarja en Joannes Marcus. Deze stonden in afwachting van wat gebeuren zou. Weldra hoorden zij een vreeslijk geschreeuw, dat meer geleek op \'t gehuil van een wild dier, dan op de stem van een mensch. Het geluid van iemand, die haastig loopt werd gehoord, en in het volgend oogen-blik verscheen een wezen in de deur van de woning, voor wien Joannes Marcus onwillekeurig huiverde. Het was een man van middelbaren leeftijd, maar in een toestand, die meer aan een dier dan aan een mensch deed denken. Enkele gescheurde lompen hingen om zijn overigens naakte lichaam, dat met ruig haar was bedekt. Zijn zwart hoofdhaar hing woest voor zijn gezicht. Een niet onderhouden baard bedekte het onderste gedeelte daarvan, en zijne oogen glansden in vreeslijken waanzin, met bloed beloopen. De mond had hij half open, en de lippen staken vooruit als de muil van een beest. Hij liep barrevoets, en voorover gebogen, en spreidde zijne lange met groote nagels voorziene vingers als klauwen voor zich uit.

Het scheen, alsof hij zoo op eens Azarja naar de keel wilde vliegen.

Doch, toen deze hem aanzag, bleef hij staan, voorover gebogen, sidderend over al zijne leden, terwijl zijn mond het dierlijke geluid voortbracht, dat zij vroeger reeds gehoord hadden.

Een oogenblik stond Azarja stil, de oogen omhoog geslagen, de handen samengevouwen als in stil gebed. Toen zag hij c.en waanzinnige in de oogen, en de hand gebiedend uitstrekkende, zelde hij, op luiden toon;

«Gij booze geest, in den naam van Je\'zus Christus, ga uit van hem en kom niet weer in hem!»

Een siddering doorliep de leden van den ongelukkige. Hij schokte een paar malen, en viel toen op eens ter aarde, als wa.re hij door cene beroerte getroffen.

Azarja trad nu op hem toe. De man was bewusteloos. Hij legde zijn

ocr page 325

liONKERE WOLKÈgt;f.

hand op het hart van den ongelukkige, en greep zijn hand. Een oogenblik nog, en roen opende de man zijne oogen. L)e waanzin was er uit verdwenen. Met een helderen blik zag hij Azarja aan. Toen rees hij langzaam overeind, en terwijl hij op den grond zat, stamelde hij verward:

«Wat is er? Waar ben ik? Hoe kom ik hier?\')

Niemand durfde hem antwoorden.

Hij stond op van den grond, en nu scheen hij tc bemerken, dat hij bijna geheel naakt was.

«Geef mij toch een kleed!» zei hij. «]k schaam mij! Zoo kan ik toch niet heengaan!»

Nog was er niemand, die antwoordde. Azarja, ziende dat niemand hem hielp, nam zijn eigen opperkleed, en sloeg het den man om de naakte leden.

«Dank u! God zegene u!» antwoordde hij. «Maar wie zijt gij? Ik ken u niet! Waar ben ik toch? \'t Is alsof ik lang, heel lang geslapen heb.»

«Gij zijt bij vrienden, die u verder helpen zullen,» antwoordde Azarja. «Weet gij niet, dat gij aan een macht des boozen waart overgegeven, en dat gij nu in den naam van Jezus Christus genezen zijt?»

Hij streek met de hand over zijn voorhoofd, als moest hij zich bedenken. Toen zei hij, langzaam:

«Uit den donkeren nevel in mijn hoofd komt het langzaam te voorschijn. Jk herinner mij een vreeselijke dag! Is het lang of kort geleden? Gisteren gebeurd? Ik weet het niet! Mara! Mijn lieve Mara, mijn eenig kind! O nu weet ik het weer!»

Hij begon nu hartstochtelijk te weenen en te snikken.

«Ga zitten!» zei Azarja tot hem, en geleidde hem naar de rustbank. «Wat is er met uw kind?»

«Mijn kind is dood! Mijn kind, mijne Mara, mijne lieve dochter! O, ze is dood! Dood!»

«Is dat lang geleden?»

299

ocr page 326

300

Hij haalde de schouders op. dk weet het niet!»

« Tien jaren,» antwoordde een der aanwezigen.

«Wat zegt ge daar? Tien jaar zou het geleden zijn, sedert mijn kind, mijne lieve Mara stierf? En toen, — toen kwam er duisternis over ni ij, toen zag ik niets meer, wist ik niets meer! Eerst nu kwam ik tot mijzei ven. Zou dat tien jaren geleden zijn? Onmogelijk!»

«Toch is het zoo, Eljasar. ?Iet is volle tien jaren geleden, dat uw kind, uwe Mara op zoo droevige wijze om het leven kwam. Gij, — weet gij niet, dat gij bezeten zijt geweest, en zooeven daarvan verlost?»

olk weet niets daarvan. Maar nu moet ik naar huis gaan, naar mijne Hanna.»

«Hanna uwe vrouw is reeds vier jaren geleden van verdriet gestorven.»

«Hanna dood, mijne Hanna? O, mijn God!» En onder bittere weeklachten wierp de ongelukkige zich ter aarde. Niemand sprak tot hem. Azarja echter legde de hand op zijn schouder, en zei:

«Mijn broeder Eljasar, God heeft u veel ontnomen, maar hij heeft u uw verstand weergegeven. Breng hem daarvoor den dank, die hem toekomt.»

Langzaam richtte de man zich op. Hoe geheel anders waren nu die gelaatstrekken, zooeven nog verwrongen en dierlijk, thans de trekken van een door droefheid getroffen man, doch zonder een spoor van het vroegere, dat ze toen zoo afschrikwekkend maakten.

«O vertel mij toch,» zei hij, «wat er met mij is voorgevallen!»

1 oen werd het hem verteld door zijne dorpsgenooten, die nu niet meer voor hem vreesden, nu zij zagen, dat zijn verstand teruggekeerd was. Zij verhaalden hem, dat, nu tien jaren geleden, zijn dochtertje Mara door een adder was gebeten, en in zijne armen gestorven was. Hierbij knikte hij aanhoudend, als wilde hij te kennen geven, dat hij het zich herinnerde. Verder, hoe nog vóór dat het kind ten grave gedragen was, hij in een toestand van ver-dooving vervallen was, waaruit hij alleen ontwaakt was om voortaan een waanzinnige, een bezetene te zijn. Hoe hij sedert dien vreese-

ocr page 327

DONKERE WOLKEN.

lijken dag had rondgcloopcn, allen achtervolgende. Hoe hij in dien toestand zijne vrouw had geslagen en mishandeld — bij dit verhaal bedekte hij het gelaat, en begon weder te weenen, — zoodat zij ten slotte van hartzeer gestorven was. Hoe hij van dat oogenblik af, nu vier jaren lang, in het veld had gehuisd, a!s een dier levende, door hen allen gevreesd. En eindelijk, hoe hij zooeven daar gekomen was, en hoe de booze geest, die zoolang hem tot een werktuig van boosheid gemaakt had, op het machtwoord van dien jongeling geweken was.

Een poos zat de ongelukkige Eljasar stil te staren. Toen zag hij op, zag Azarja in het gelaat, en zei:

«Ik heb alles, alles verloren, mijne vrouw, mijn kind, mijn huis en hof. Ik ben een arm man. Gij hebt mij mijn verstand teruggegeven, en mij gekleed. Gij zijt een man Gods, al zijt gij Jong! O laat mij uw dienstknecht zijn!»

«Ik ben zeil de dienstknecht van Jezus Christus,» antwoordde Azarja, «in wiens naam en door wiens macht gij verlost zijt geworden. Gij moet niet mijn, maar zijn dienstknecht worden.»

«Wie is hij, en waar is hij, van wien gij u een dienstknecht noemt?»

«Hij is de Zoon van God, de Koning Israels, de Verlosser der wereld. Hij is gekomen om de macht des Satans te verbreken. Hij heeft de hel en al haar machten overwonnen. Hij heeft den dood zelfs overwonnen. Die in hem gelooft heeft het eeuwige leven. Die in hem gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven.»

«En waar is hij, die Koning Israels?»

«Hij is nu in heerlijkheid aan de rechterhand Gods verhoogd, nadat hij eerst hier onder ■Zijn volk heeft gearbeid en gepredikt. Maar hij komt weder met de wolken des hemels, en dan zal hij allen, die in hem geloofden, tot zich nemen, en deel geven aan zijn koninkrijk. Gelooft gij in hem? Wilt gij in hem gelooven?»

«Ja, heer, ik wil in hem gelooven. Maar gij moet mij meer van hem vertellen. O laat mij bij u blijven! Wie zijt gij, en van waar komt gij?»

30I

ocr page 328

302

«Wij zijn dienaren van Jezus Christus, en zijn uitgegaan om in zijn naam zieken te genezen en duivelen uit te drijven en het evangelie des koninkrijks te prediken. Wij zijn gisteren hier gekomen, en trekken heden weer verder, om ook elders ons werk te verrichten.»

«O laat mij d m met u gaan! Ik zal u dienen als uw slaaf! Hier is alles voor mij voorbij! ik was tien jiren de schrik der lieden hier, zij zullen mij nu niet meer vertrouwen. Bovendien, ik gevoel het, als gij heengaat, keert de booze geest terug, en kom ik weer in zijn macht. Als ik bij u mag blijven, kan bij niet terugkeeren!»

«Welnu,» antwoordde Azarja, «als gij met ons ontberingen wilt lijden, als gij met ons wilt reizen en trekken, en smaad dragen om Jezus wil, ga dan mee!»

«Ik dank u! Laat ik nu eerst heengaan en trachten kleederen te krijgen, opdat ik u uw opperkleed terug kan geven.»

«Gij moogt dat behoudenj ik heb nog wel een ander. En de Meester heeft gezegd: Die twee opperkleeden heeft deele er een mede aan dengene, die er geen heeft.»

«Welnu, het zij zoo; ik dank u. Maar ik moet toch ook een onderkleed, en sandalen, en een gordel en buidel en een tulband hebben. Laat mij gaan. Weldra ben ik terug.»

Eljasar ging heen, en de meeste dorpelingen gingen met hem. liet gerucht zijner wonderdadige genezing had zich reeds verspreid, en van alle zijden kwamen de lieden tot hem om hem te verwelkomen. Hij vond oude kennissen zeer veranderd; jongelingen, tot man gerijpt; mannen en vrouwen, zeer verouderd; kinderen tot jongelingen en jongedochters opgegroeid. Het was een ander geslacht dan hetgeen hij gekend had vóór den aanvang zijner bezetenheid. Zij omringden hem van alle zijden; eerst nog wel wat schuw, vrcez:;nde, dat hij nog de verschrikkelijke duivelsche bezetene was, dien zij nu tien jaren gekend hadden, maar langzamerhand moediger en eindelijk vol blijdschap, dat hij weer geheel hersteld was. Zij wilden, dat hij bij hen blijven zou. Doch hij wees het af. «Neen,» zei hij, sik heb met het leven hier afgedaan. Voortaan

ocr page 329

! L

DONKERE WOl,KEN.

wil ik dien Meester dienen, in wiens naam zijn dienstknecht mij heeft verlost.»

De wondere genezingen en de plotselinge verlossing van dezen bezetene misten hunne uitwerking niet. Wat het woord, den vorigen avond gesproken door Azarja, niet had kunnen uitwerken, dat werd nu tot stand gebracht door den invloed van deze feiten, die niet geloochend konden worden. Vele der dorpelingen kwamen tot Azarja, begeerende gedoopt te worden. En dit geschiedde, in een beek, die langs het dorp vloeide, werden vele lieden door Azarja gedoopt, en toen de beide jongelingen met Eljasar eindelijk tegen den avond vertrokken, was er in dat dorp eene kleine gemeente gesticht.

«Hoe heerlijk heeft God onzen arbeid hier gezegend,» zei Joannes Marcus, toen zij zich weder op weg bevonden. «Hje snel zou toch het Godsrijk zich uitbreiden, als de Rabbi\'s ons overal evenals hier met rust lieten.»

«Ja, dat is ongetwijfeld waar. Het schijnt, dat in deze afgelegen streken hunne boden nog niet zijn doorgedrongen. Maar wat zul het in Joppe zijn? Ik vrees, dat wij daar weder tegenstand ont-moeUm zullen.»

Hij had zich niet bedrogen. In Joppe gekomen, namen z j hun intrek hij Simon den lederbereider. Deze man was ook te Jeruzalem geweest op het Pinksterfeest, en had de uitgieting des Geestes mee bijgewoond. Hij was geweest onder de eerstelingen, die zich op dien dag hadden laten doopen, en was naar Joppe teruggekeerd als een ander man, als een volgeling van Jezus Christus. Hij had sedert dien dag beproefd in zijnen kring te getuigen van het geloof in den Christus, doch tot dusverre met zeer weinig gevolg. Slechts zijne huisgenooten had hij in zooverre gewonnen, dat zij er niet tegen waren, en gaarne meer hoorden van dien Jezus, zonder echter nog in hem als den beloofden Messias te gelooven. Met het laatste Pinksterfeest was hij weder naar Jeruzalem gekomen; en ziende,hoe heerlijk en gezegend het werk daar voortging, en hoe het get il van hen, die in den Christus geloofden, steeds grooter werd, had hij

li

ii

;i ■i

I 1

n

i-i lL

itPI

\' L \'

|iÜ

J

I

ocr page 330

DONKERE WOLKEN.

ook cr op aangedrongen boden uit te zenden, om overal, althans in Judea, liet evangelie des koninklijks te prediken. Hij verlangde zeer, dat ook in Joppe afgezanten mochten komen, om hem te steunen in zijn moeilijk werk van getuige voor Christus.

Toen Azarja, Joannes Marcus en EJjasar na veel vragen het huis van Simon den lederbereider gevonden hadden, dat eenigzins afgezonderd aan het strand gelegen was, en een heerlijk uitzicht aanbood over de Middellandsche zee, klopten zij aan de voorpoort aan. Een dienstmaagd deed hen open, en op hunne vraag, of Simon de lederbereider te huis was, werden zij binnengelaten op de binnenplaats, en weldra verscheen de heer des huizes.

ftWie zijt gij, mijne vrienden, en wat wilt gij van mij ?» vroeg hij.

dWij zijn afgezonden door de gemeente Gods te Jeruzalem, namelijk ik, Azarja Ben Itaï, en mijn metgezel, Joannes Marcus. Deze oude broeder heeft zich gisteren bij ons aangesloten. Hij is in den naam van Jezus Christus verlost van den duivel, en wil nu ook een volgeling worden van onzen Heer.»

«Weest welkom in den naam des Heeren!» antwoordde Simon. (■Ik heb u lang reeds verwacht.»

«Wij hebben een gezegenden arbeid gehad, en velen zijn gewonnen voor den Heer, maar er is ook in vele plaatsen tegenstand,» antwoordde Azarja.

«Dat is het, wat ik u zeggen moet,» antwoordde Simon. «Ook hier wacht u tegenstand, ik ondervond er reeds iets van. Er schijnen van uit Jeruzalem berichten verzonden te zijn om de hoofden der Synagogen te waarschuwen tegen mannen, die verderfelijke ketterijen zoeken te verbreiden, en de zielen der geloovigen af te voeren van de waarheid; zoo althans werd het meegedeeld dooiden overste der Synagoge. Ik kan niet anders denken, dan dat gij bedoeld zijt; want wat voor ketterij zou cr anders bedoeld worden? Maar houdt moed! Die met ons is is meer dan die tegen ons zijn!?

Simon geleidde zijne gasten naar het gezellige binnenvertrek, terwijl Eljasar, die de plaats van een dienstknecht innam, zich

ocr page 331

30S

bij dc slaven begaf. Weldra lagen zij aan aan den rijken maaltijd, dien Simon voor hen had laten bereiden, en Simon stortte zijn hart uit in een vurig dankgebed, waarin hij dankte voor de komst der lang verwachte evangelieboden en een zegen afsmeekte over hun arbeid en getuigenis. Hij smeekte om hulp en kracht, wanneer zij tegenstand mochten ontmoeten, en bad, dat de Heer hen ingang mocht doen vinden in vele harten, opdat in Joppe het koninkrijk Gods uitgebreid en eene gemeente van Jezus Christus gesticht mocht worden. Daarna dankte hij voor de sp.jzen, die toebereid waren, en smeekte een zegen af over het gebruik er van.

Den volgenden dag was het Sabbath, en Simon noodigde zijne gasten uit met hem naar de Synagoge te gaan, en daar, zoo het mogelijk was, een woord te spreken. Wel vreesde hij, dat dan de tegenstand openbaar zou worden, maar dat was, naar hij meende, misschien nog \'t beste, daar dan al de aanwezigen hooren konden, wat die ketterijen waren, waartegen gewaarschuwd was.

Zoo gingen dan Azarja en Joannes Marcus met hun gastheer Simon naar de Synagoge, liljaaar volgde in het gezelschap van de slaven en knechten van Simon.

Simon geleidde zijne gasten, die in Joppe vreemd waren, langs het strand, waarlangs vele woningen gebouwd waren, en waarbij ook de Synagoge gebouwd was. Hun weg voerde langs de rots, die, zooals de talrijke in Joppe wonende heidenen geloofden, het tooneel geweest was in lang vervlogen eeuwen van den strijd tus-schen den hek! Perseus en het zeemonster, dat de schoone prinses Andromeda dreigde te verslinden. Simon maakte zijne gasten hierop opmerkzaam.

«Kent gij die mythe van Perseus en Andromeda?» vroeg hij.

«Neen,» antwoordden Azarja en Joannes Marcus beiden. «Wat is dat voor mythe?»

«Dc heidenen gelooven,» zoo antwoordde Simon, «dat cr in lang vervlogen eeuwen een held leefde, Perseus genaamd. Deze had aan een zekeren koning Polydectes beloofd het hoofd te zullen halen

20

ocr page 332

DONKERE WOLKEN.

van eenc vrouw, Medusa genaamd, die in een ver verwijderd land woonde, en zoo vreeselijk was om aan te zien, dat ieder, die haar zag, in een steen veranderde. Geholpen door de goden en nymfen bereikte hij zijn doel, en hieuw Medusa\'s hoofd af zonder het aan te zien. Daarop ontkwam hij aan de vervolging harer zusters, door bovennatuurlijke hulp, en vloog door de lucht naar zijn vaderland Griekenland. Onderweg echter kwam hij hier, langs deze rots. Daar aanschouwde zijn oog een vreeselijk tooneel. Een beeldschoon meisje was geketend aan de rots, en een zeemonster was op het punt haar te verslinden. Hare ouders stonden handenwringend er bij. Perseus kwam nader, en vernam, dat het meisje Andromeda heette en zich schuldig gemaakt had aan ijdelen waan, door zich te beroemen, dat zij schooner was dan de zeenymfen. De zeegod Poseidon had daarom het land van harén vader, koning Cepheus, met stormen, overstroomingen en monsters gekastijd, en nu moest zij vallen als offer voor het land, om den toorn van den zeegod te stillen. Perseus bood aan Andromeda te bevrijden, door het monster te dooden, indien zij daarvoor aan hem ter vrouw werd gegeven. Zoo geschiedde; Perseus doodde het monster, en liet Phineus, den oom van Andromeda, die haar wilde huwen en hem wilde dooden, ver-steenen, door hem het hoofd van Medusa voor te houden. Cepheus, de vader van Andromeda, zou Joppe gesticht hebben, en aan de beelden van dien Cepheus en vooral van Perscus wordt door de heidenen goddelijke eer gebracht. Men zegt, dat in den tempel van Perseus nog een geraamte bewaard wordt, dat, naar de priesters beweren, het geraamte is van het door den held gedoode zeemonster.»

fiEen wonderlijk verhaal!» zei Joannes Marcus.

«Het is treurig, dat de macht van het heidendom hier zoo groot is,» zei Azarja.

«Zeker is dat treurig,» antwoordde Simon. «Maar wat die mythe betreft, ik heb er dikwijls over nagedacht, dat, hoe vreemd en dwaas die ook schijnen moge, er tocli eene diepere gedachte in verborgen is. Vooral nadat ik een volgeling van den Christus

3o6

ocr page 333

307

geworden ben is mij licht opgegaan over den verborgen zin dier mythe.»

«Hoe? Welk verband kan er bestaan tusschen uw geloof in den Christus en deze heidensche fabel?»

«Ik zal het u zeggen. Ik geloof, dat ook de heidenen een voorgevoel gehad hebben van de komst-van den Verlosser. Ik geloof, dat de mythe van den held Perseus van zulk een voorgevoel spreekt.»

«Gij meent,» antwoordde Azarja, «dat die Perseus de type zou zijn van den Christus?»

«Juist! En het zeemonster, dat hij overwon, is de type van den Satan. En de schoone Andromeda is zijn volk, dat hij verlost uit de banden, waarmee het, door eigen schuld, is gebonden aan de rots des verderfs. Andromeda had de toorn der goden op zich geladen door haar hoogmoed; en heeft de mensch niet den toorn (quot;rods op zich geladen door zijn hoogmoed en waan? Aan God gelijk zijn wilden Adam en Eva; en zij vielen en brachten ellende over de wereld. Zoo ook wilde Andromeda met hoogere wezens zich gelijk stellen, en zij bracht ellende over haar land. Maar de ware Perseus is gekomen, die de banden slaakt, waarmee de mensch is gebonden, die het monster overwint, en dan, als loon daarvoor, de bevrijde tot zijne bruid begeert. Jezus Christus heeft de hel overwonnen , en den dood te niet gedaan; nu is de verlossing voor ons bereid, en allen, die in hem als den Christus gelooven, behooren tot zijne gemeente, die hij als zijne bruid aan zich verbindt.»

«Eene treffende verklaring! Zou het mogelijk zijn, dat de waarheid des evangelies verborgen is in zulke heidensche fabelen? Ik had dat nooit kunnen denken.»

«Ik weet niet, of inderdaad de Geest van God in bedekte vormen en vreemde (abelen reeds tot de heidenen gesproken heeft, dan of die Geest mij in waardelooze mythen zulke gedachten doet vinden. Maar sedert ik dit er in gevonden heb, heb ik reeds menigmaal tot de heidenen er over gesproken en hen de heerlijkheid van onzen godsdienst aangetoond. Ik geloof, dat er velen zijn onder dc

ocr page 334

DONKERE WOT,KEN.

heidenen, die in Jezus gelooven zouden, als zij maar niet zoo er tegen op zagen om Proseliet te worden. Dat houdt hen terug, geloof mij. Pe heidenen hebben een afkeer van de besnijdenis, en vinden de Sabbathsviering dwaasheid.»

Onder zulke gesprekken waren zij bij de Synagoge gekomen. Yan alle zijden stroomden de bezoekers reeds toe, en gingen naar binnen. De dienst was nog niet begonnen, en velen stonden nog buiten met elkander te praten. Simon groette hen, en nieuwsgierig werden de vreemde jongelieden opgenomen. Niemand vermoedde, dat deze die gevaarlijke verleiders en predikers van verderfelijke ketterij waren.

Simon trad op een der oudste mannen toe, een grijsaard met zwaren baard en lange haren. Hij was de Koosj Hakeneseth. of Archisynagogus, de Overste der Synagoge, die de leiding der godsdienstoefening had.

«Ik heb twee jongelingen bij mij,» sprak hij tot hem, «die van verre komen. De oudste is gewoon in het openbaar te spreken. Als er geen ander zich heeft aangemeld om te lezen, dan zal hij het gaarne doen, en een woord cr bij spreken tot stichting.»

«Hoe is de naam van uwen jongen vriend?» vroeg de Roosj.

«Azarja Ben Itaï. En zijn vriend heet Joannes Marcus van Cyprus.»

«Het is goed. Hij kan van\' morgen de lezing houden. Is hij in staat ook de vertolking te doen?»

«Hij is een leerling der Rabbi\'s te Jeruzalem; naar ik meen heeft hij gezeten aan de voeten van Rabbi Gamaliel.»

«Heel goed! Dan zal hij ook in staat zijn ons een goed woord toe te spreken.»

Een oogenblik later begon de samenkomst. De Roosj beklom den lessenaar, en de handen opheffend bad hij:

«Wees gezegend o Heer, Koning der wereld, die het licht maakt en de duisternis schept, die den vrede maakt en alle dingen tc voorschijn brengt; die in Uwe goedertierenheid licht geeft, aan de aarde en aan wie baar bewonen, en in Uwe goedheid dag aan dag de werken der schepping vernieuwt. Gezegend zij de Heer onze

3o8

ocr page 335

o09

God voor dc eer van het werk Zijner handen en voor de schijnende lichten, die Hij gemaakt heeft tot Zijn roem. Gezegend zij de Heer onze God, die de lichten geschapen heeft. Met groote liefde hebt Gij ons bemind, o Heer onze God, en met veel overstelpende ontferming hebt Gij u over ons ontfermd, onze Vader en onze Koning. Ter wille van onze vaderen, die op U vertrouwden en aan wie Gij dc regelen des levens leerdet, heb medelijden met ons en leer ons, opdat wij U mogen danken en Uwe eenheid in liefde belijden. Gezegend zij de Heer, die in liefde Zijn volk Israël verkoos.»

Daarna baden al dc aanwezigen te zamen met luider stemme het gewone gebed «Sjema», i) achtervolgd door nog eenige zegeningen.

Toen was het oogenblik gekomen, dat Azarja\'s taak beginnen zou. Terwijl de aalmoezeniers met een schaal rondgingen om gaven te verzamelen, stond Azarja op en plaatste zich achter den lessenaar. De dienaar der synagoge, tevens Chazzan, of onderwijzer der jeugd, reikte hem de rol van den Thora over; Azarja nam die aan en opende haar. Daarop begon hij een gedeelte te lezen eerst in het Hebreenwsch, daarna vertaald in het Arameesch. Het was uit het boek Leviticus 2) en luidde:

«Wanneer de geheele gemeente van Israël zal afgedwaald zijn, zonder dat de vergadering van iets zich bewust is, en zij iets gedaan zullen hebben, wat de Heer verboden heeft, en zij schuldig geworden zijn, en die zonde, die zij gezondigd zullen hebben haar kenbaar wordt, zoo zal de vergadering een jongen stier ten offer offeren en dien voor de tent der samenkomst brengen. Dan zullen de oudsten der gemeente hunne handen leggen voor het aangezicht des Heeren op den kop van den stier en den stier slachten voor het aangezicht des Heeren. Daarna zal de gezalfde Priester een deel van het bloed van den stier in de tent der samenkomst dragen; en hij zal zijn vinger doopen in het bloed en zevenmaal sprenkelen

1) Aldus genoemd naar liet eerste woord, dat ,Hoor\' beteekent.

2) Lev. 4: 13—31. Ten deelc volgens ds Statenvert., tea deele volgons de nieuwe overzetting.

ocr page 336

5lO DONKERE WOLKEN.

voor het aangezicht des Heeren tegen het voorhangsel. En iets van dat bloed zal hij strijken aan de hoornen van het altaar, dat in de tent der samenkomst voor het aangezicht des Heeren is; en het overige van het bloed zal hij uitgieten aan den bodem van het brandofferaltaar, aan de deur van de tent der samenkomst. Daarna zal hij al het vet er aflichten en op het altaar ontsteken. En verder zal hij met dezen stier doen, zooals hij met den stier van het zondoffer gedaan heeft; aldus zal de priester verzoening voor hen bewerken, en zij zullen vergiffenis erlangen. Daarna zal hij den stier buiten de legerplaats brengen en verbranden, zooals hij den eersten stier verbrand heeft. Het is een zondoffer der vergadering.»

Hij sloot de rol weder, en reikte hem over aan den dienaar. Deze gaf hem daarop eene andere rol; het was de rol van den profeet Jeremia. Azarja opende deze ook, en las:

«Waarlijk, gelijk eene vrouw trouweloos scheidt van haren vriend, alzoo hebt gijlieden trouweloos jegens mij gehandeld, gij huis Israels, spreekt de Heer. Er is een stem gehoord op de hooge plaatsen, een geween en smeeking der kinderen van Israël, omdat zijhunnen weg afgekeerd en den Heer hunnen God vergeten hebben. Keert weder, gij afkeerige kinderen, Ik zal uwe afkeeringen genezen. Zie hier zijn wij, wij komen tot U, want gij zijt de Heer onze God. Waarlijk, te vergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk in den Heer onzen God is Israels heil. Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd af, hunne schapen en runderen, hunne zonen en dochters ; wij liggen in onze schaamte, en onze schande bedekt ons; want wij hebben tegen den Heer onzen God gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd af tot op dezen dag, en wij zijn de stem van den Heer onzen God niet gehoorzaam geweest. Zoo gij u bekeeren zult, o Israël, spreekt de Heer, bekeer u tot Mij; zoo gij uwe verfoeiselen van Mijn aangezicht zult weg doen, zoo zwerf niet om; maar zweer: Zoo waarachtig de Heer leeft, in waarheid, in recht en gerechtigheid; zoo zullen zich de heidenen in Hem zegenen en zich in Hem

ocr page 337

ÜONKÉRE WÓLKÈlir. 311

beroemen. Want zoo zegt de Heer tot de mannen van Juda en van Jeruzalem: Braakt u een braakland, zaait niet onder de doornen. Besnijdt u den Heer, en doet weg de voorhuid uws harten, gij mannen van Juda c;i inwoners van Jeruzalem; opdat Mijn toorn niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand kan blusschen, van wege de boosheid uwer handelingen.» i)

Ook deze rol gaf Azarja terug aan den dienaar. Daarna stond hij een oogenblik stil achter den lessenaar, zag met een van hoogere bezieling tintelend oog de vergadering aan, en sprak:

))Gij mannen van Israel, hoort het woord des Hoeren, dat Hij heden door mijnen mond tot u spreken wil. Wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen! Moest de profeet Jeremia dit uitroepen in zijne dagen, ook wij moeten dit woord herhalen. Besnijdt de voorhuid uws harten, zegt de profeet; dat is, bekeert u van uwe booze handelingen, belijdt uwe zonden, doe boete! Keert weder, gij afkeerige kinderen, zegt de Heer ook tot ons; wij ook zijn van den Heer afgekeerd en hebben Hem vergeten! Onze schande bedekt ook ons, want ook wij hebben gezondigd en gedaan wat kwaad is in dc oogen des Hoeren! Ziet, mijne broeders, ik ben nog jong van jaren, maar dc Geest Gods heeft mij wijsheid gegeven, om te zien den rechten weg, en te hooren naar de stem des Heerenmijns Gods! Zoo gij u bekeeren zult met uw gansche hart, zoo spreekt Hij tot ons, zoo zal ik u zegenen. Maar zoo niet, zie toe, dat mijn toorn niet ontbrande en u verteere! Ziet, de tijd is nabij, het koninkrijk Gods is nabij u gekomen! Vliedt den toekomenden toorn, want hij die komen zal, komt haastig, en zijn loon is met hem! Hij zal de boetvaardigen aannemen en genezen, maar den onboetvaar-digen en zondaren zal hij verdoen met den geesel zijns monds en den adem zijner lippen. Ziet hij komt met de wolken des hemels, en allen zullen hem zien, den Christus, als hij komt om te oordeclen, de levenden en de dooden !»

1) Jerem. 8 ■ 20—1; -i. Naar de Statenvert.

ocr page 338

312

Een oogenblik zweeg hij, om te zien welken indruk zijne woorden gemaakt hadden. Allen luisterden met aandacht, en velen schenen verwonderd zulke woorden te hooren van een jongeling. Azarja vervolgde:

«En wie is hij, die Christus Gods, die komt om het oordeel te brengen? Wie is de gezalfde Davidszoon, die aan Israël verlossing bereid heeft, voor zoover het zich bekeerd heeft van de zonde ? Hoort, mijne broeders, en let op het woord der wet, dat wij lazen. Waardoor wordt de schuld der gansche vergadering verzoend? Wat is er noodig om de zonde te bedekken, om vergeving te erlangen ? Het bloed van den jongen stier, uitgegoten voor het aangezicht des Heeren! De oudsten des volks brengen hem, leggen hunne handen op zijn kop, en dan wordt hij geslacht en zijn bloed zevenmaal tegen het voorhangsel gesprenkeld, aan de hoornen des ahaars gestreken, en verder uitgegoten. En dan is er verzoening voor de zonde. Dit zijn dingen, die andere beduiding hebben. Hoort nu, en gelooft het evangelie: Dat bloed, dat bloed der verzoening, waardoor de gansche gemeente vergeving erlangt, het is vergoten, vergoten op Golgotha, vergoten door de handen der heidenen, toen zij den Christus Gods, den eenigen Koning Israels, toen zij Jezus van Nazareth aan het kruis lieten nagelen !»

Nauwelijks had Azarja dezen naam uitgesproken, of de opschudding, die bij de laatste woorden, door hem gesproken, ontstaan was, werd op eens zóó hevig, dat Azarja zwijgen moest, overstemd door het geschreeuw.

«Weg met den leugenaar! Dood aan den lasteraar!» riepen er sommigen. «Die vervloekte kruiseling zou de Messias zijn? Dat zijn die ketterijen! Dat is die leugenaar, die verleider!» Zoo riep men door elkaar, en te vergeefs trachtte Azarja weder het woord te verkrijgen. Een oogenblik stond hij nog achter den lessenaar, hopende, dat de verontwaardiging en het rumoer bedaren zou. Doch in plaats daarvan werd het erger. De mannen waren allen opgerezen van hunne zitplaatsen; nu kwamen zij naar voren; een paar jonge mannen

ocr page 339

donkere wolken.

klommen op den lessenaar, en eer Azarja het vermoeden en Simon of Joannes Marcus het beletten kon hadden zij hem er af gerukt. Zij zouden hem zeker geslagen hebben, als niet op eens onverwacht Eljasar, de genezen bezetene, uit een der achterste banken naar voren gedrongen was en zich op hen geworpen had.

«Laat los, Belialskinderen! .0 riep hij, met eene stem, die allen van schrik deed terugdeinzen, en die herinnerde aan het dierlijke geluid, dat hij in zijne bezetenheid liet hooren. De mannen lieten Azarja los, en deinsden verschrikt achteruit voor den woest uitzienden man, dien zij niet herkenden.

«Gij zult mijn meester geen leed doen!» riep Eljasar nu uit. («Hij is een man Gods! Hij is een profeet! Heeft hij mij niet verlost van den boozen duivel, die mij tien jaren lang heeft gebonden gehouden? En dat in den naam van dienzelfden Jezus, dien hij predikt als den Messias!»

«Het is Eljasar, de bezetene!» riep een der aanwezigen.

«Ja!» antwoordde Eljasar, «die ben ik! Bezeten echter ben ik nu niet meer! Nu ben ik een volgeling van den eenigen Meester en Koning Israels, die zijn bloed»....

«Zwijg! Laster niet!» beet een der mannen hem toe. En tegelijk gaf hij hem een slag in het aangezicht.

Het bloed vloog Eljasar naar het gelaat; zijne oogen herkregen hun duivelsche uitdrukking; hij klemde de tanden op elkaar, balde de vuisten, en was op het punt zich op den aanvaller te werpen, geheel weer de bezetene van vroeger. Doch eene hand raakte hem aan, en hield hem terug. Het was Azarja, die hem tegenhield, en tot hem zeide:

«Eljasar, niet alzoo! Zie toe, dat de booze geest niet weder over u de overhand verkrijge! De Meester heeft gezegd: Zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe!»

Eljasar was opeens weer in een lam veranderd. Hij sloeg de oogen neder en liet de gebalde vuist zinken. Van dit oogenblik echter maakten de mannen gebruik om weer naar voren te dringen.

313

ocr page 340

3\'4

cn eer zij wisten, wat er gebeurde, en eer ook de Roosj het verhinderen kon waren Azarja, Kljasar, Simon en Joannes Marcus uit de Synagoge gedrongen. De meeste mannen keerden nu terug in de Synagoge, opdat zij nog deel mochten nemen aan den zegen, waarmee elke godsdienstoefening besloten werd. De belhamels echter stoorden zich niet verder aan de samenkomst, maar achtervolgden dc mannen, die zoo snel mogelijk het strand langs gingen, om zich naar het huis van Simon te spoeden. Langzamerhand echter bleven de meesten achter, en toen de vrienden eindelijk de woning van Simon bereikt hadden waren er nog slechts enkelen over, die nog eenige scheldwoorden en verwenschingen hen nariepen, nadat zij de voorpoort waren binnen gegaan.

«Welk een vijandschap!» sprak Azarja, toen zij veilig in de binnenkamer van Simon zaten. «Wij hebben wel herhaaldelijk tegenkanting ontmoet, maar zulk eene uitbarsting van haat hebben wij nog nergens ondervonden!»

«Het is zoo,» antwoordde Simon. «Er is hier bij velen eene groote mate van bitterheid tegen den Meester. Het is echter langzamerhand zoo geworden. Eerst was men onverschillig. Men had wel eens gehoord van den Galileeschen profeet, en een enkele had op zijn reizen wel eens de verhalen opgevangen van de wonderdaden des Meesters, of zelf hem gezien, maar daar de Heer nooit hier in deze streken is geweest, was hier evenmin vijandschap als liefde jegens hem ontwaakt. Ook ik dacht nauwelijks aan hem, wiens naam ik kende, maar wiens persoon mij geen belang inboezemde. Dit veranderde voor mij persoonlijk, toen ik in Jeruzalem op het Pinksterfeest de uitgieting van den Geest bijwoonde. Machtig werd ik aangegrepen door de prediking van Simon Petrus. Het was, alsof ik het dreigend oordeel over ons volk zag komen; en toen hij ons allen zoo dringend aanspoorde ons te bekeeren, toen werd ik meegevoerd en liet mij doopen. Nog dien zelfden dag had ik een gesprek met Simon Petrus, die mij veel vertelde van zijnen en onzen Meester. Ik ging

ocr page 341

ÖONKERE WOLKENquot;. ^15

terug naar huis als een ander menscli, en sedert dien tijd ben ik in den geest meer in Jeruzalem dan in Joppe. Ik hoop, dat Simon Petrus spoedig gevolg geven zal aan mijne u\'itnoodiging om mij te bezoeken en een paar dagen mijn gast te zijn.»

«Hij is altijd druk bezig met de bediening der gemeente, het breken des broods aan de huizen en de genezing van zieken,» merkte Johannes Marcus op.

«Ja, ik weet het. Maar toch geloof ik wel, dat ik hem eens hier zal zien. Maar om tot mijn verhaal terug te keeren, toen ik na mijne verandering hier terugkeerde, kon ik natuurlijk niet zwijgen van wat ik gezien, gehoord en ondervonden had. Ik sprak erover, eerst tot mijne naaste bloedverwanten, toen ook tot mijne vrienden. Maar men stelde er weinig belang in. «Hoe zou dat mogelijk zijn,» zoo heette het, «dat een man, die aan een kruis gestorven is, de Verlosser van Israël zijn zou!» In één woord, gij weet zelf natuurlijk zeer goed, wat er bij eiken Jood overwonnen worden moet om te gelooven in een gekruisigden Messias. Alleen de macht des Geestes is in staat de harten te vermurwen.»

«Het is zooals de profeet zegt,» merkte Azarja op, «Het hart dezes volk is dik geworden, met de ooren hebben zij zwaarlijk gehoord en hunne oogen hebben zij toegedaan.»

«Juist! Had ik dat dadelijk bedacht, misschien zou u nu van daag deze behandeling gespaard zijn gebleven. Nu hebben zij een tegenzin gekregen tegen den naam des Meesters. Dit nu is verergerd, toen de boodschap van de oversten in Jeruzalem hier is gekomen. Er waren er die wilden, dat ik in den ban gedaan zou worden; en het is alleen de vriendschap, die er bestaat tusschen mij en den Roosj Hakeneseth, die dit verhinderd heeft. Ik zag van daag, hoe sommigen wantrouwige blikken naar mij richtten, toen ik met hem sprak. Waarschijnlijk hebben zij er niet op gelet, dat gij met mij gekomen waart, anders zouden zij niet zoo goed geluisterd hebben in het begin. Eerst luisterden allen; zij vermoedden niet wat gij wildet zeggen. Maar toen gij Golgotha noemdet en het

ocr page 342

DONKERE WOLKEN

bloed, dat daar gevloeid heeft, zag ik den storm opsteken. In een oogenblik veranderden de gezichten. Donker fronsden sommigen de wenkbrauwen; zij zagen elkander aan; en toen gij den naam van den gezegenden Meester noemdet barstte het los.»

»Wat werd ik bang, toen Eljasar zoo driftig werd,» zei Joannes Marcus. «Ik was bang, dat hij weer geheel en al razend zou worden.»

«Daarvoor bestond inderdaad gevaar,» zei Azarja, «.want het gebeurt wel meer, dat de menschen, die bezeten geweest zijn, door eene schok in hunne natuur, een schrik, toorn, droefheid of zoo iets, weer onder de macht geraken van den demon.»

«Geen wonder!» zei Simon. «Een huis, dat zulk een geest zoolang bewoond heeft, laat hij niet gemaklijk glippen. Alleen de kracht des Heeren is in staat om de macht der duivelen voor goed te breken.»

«O, wanneer zal de macht des boezen geheel gebroke;i zijn?» zuchtte Azarja.

«Wanneer? Wel, wanneer de Heer terug komt om zijn koninkrijk voor goed op te richten! Zegt David niet in den Psalm: De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten ? Zóólang dus duurt de macht des boozen nog, als de Heer vertoeft terug te komen. Zijne komst met de wolken des hemels is het einde voor het rijk des Satans.»

«Daarom woedt de booze des te erger, omdat hij weet, dat hem maar weinig tijd meer over is.»

«Juist. Wij hebben met een overwonnen vijand te doen. Er is dus geen reden om te vreezen; die met ons is is meer, dan die tegen ons zijn!»

«Ongetwijfeld. Komt, vrienden, laat ons den Sabbat wijdendoor samen een lied der overwinning aan te heffen!»

En met een heldere, volle stem hief hij aan, en de beide jongelingen stemden mede in;

3i6

ocr page 343

DONKERE WOLKEN.

«De Heer is mijn licht en mijn heil! Voor wien zon ik vreezen? De Heer is mijns levens kracht; voor wien zou ik vervaard zijn? Als de boozen, mijne tegenpartijen en mijne vijanden tegen mij naderden om mijn vleesch te eten stieten zij zeiven aan en vielen.

Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vreezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw ik hierop. Eén ding heb ik van den Heer begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren,

om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.

Want Hij versteekt mij in Zijne hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent,

Hij verhoogt mij op een rotssteen.

Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijne vijanden, die rondom mij zijn,

en ik zal in Zijne tent offeranden des geklanks offeren;

ik zal zingen, ja psalmzingen den Heer!»

Aan den avond van dien zelfden Sabbath ontving Simon de leder-bereider een boodschap van den Overste der Synagoge, dat hij met de beide jongelieden voor den raad der gemeente moest komen om zich te verantwoorden over wat des morgens had plaats gehad.

«Gij zult hier niet veel kunnen doen,» zei Simon. «Het zal u verboden worden hier te spreken.»

«Als men hier ons getuigenis niet wil aannemen,» zei Azarja, «dan doen wij, wat de Meester gezegd heeft; Zoo iemand u niet zal ontvangen noch uwe woorden hooren, uitgaande uit dat huis of uit die stad schudt ook het stof uwer voeten af.»

«Wij ondervinden het ook wel,» zei Joannes Marcus, «wat de Meester gezegd heeft: Ziet ik zend u als schapen in het midden der wolven.»

Zij gingen heen, en kwamen in het huis van den Roosj, dat

317

ocr page 344

3\'8

vlak naast de Synagoge gelegen was. Hij zelf was een welwillend man, die persoonlijk Simon den lederbcreider vriendschappelijk gezind was. Maar er waren een paar andere Rabbi\'s in Joppe, die tot de partij der Zeloten behoorden, en met de andere Rabbi\'s in Jeruzalem in betrekking stonden. Deze waren ook geweest onder degenen, die in de Synagoge luide tegen Azarja geroepen hadden, en nu hadden zij het besluit weten door te drijven om Simon en zijne gasten te dagen voor hun rechtbank en hen het prediken van Jezus den Nazarener te verbieden.

sWist gij, Simon,» zoo vroeg dc Overste der Synagoge aan den lederbcreider, «dat de jonge man, dien gij mij aanbevaalt voor de lezing, een aanhanger was van de secte der Nazareners?»

«Ik wist,» antwoordde Simon, «dat Azarja Ben Itaï en Joannes Marcus, evenals ik, gelooven in den Christus Gods, den Koning Israels. Ik wenschte juist hem gelegenheid te geven aan de leden der gemeente te Joppe het evangelie des Koninkrijks te prediken. Dc haat der broeders tegen onzen Meester heeft het belet.»

-«En wist gij dan niet, hond van een Nazarener,» snauwde nu een der andere Rabbi\'s hem toe, «dat de gemeente gewaarschuwd was tegen dc lieden, die verderfelijke ketterijen trachten in te voeren? Waarom hebt gij dc gemeente in opschudding gebracht, en het huis des gebeds verontreinigd door dien knaap zijne lasteringen te laten uitbraken?»

lt;.Het waren geen lasteringen, wat ik sprak; het was het woord van God!» zei Azarja.

«Zwijg, tot u iets gevraagd wordt!» antwoordde de ander.

«Ik mag niet zwijgen. Rabbi,» antwoordde Azarja, «alsgij lastering noemt, wat door den heiligen. Geest werd ingegeven. Niet ik, maar gij zijt het, die lastert, door zoo over het getuigenis Gods te spreken.»

«Zwijg, zeg ik u! Weet gij niet, dat wij u kunnen veroordeelen om gegeeseld te worden in dc Synagoge?»

«Ik weet, dat gij die macht hebt; maar ik vrees niet voor u. Mijn Heer en Meester heeft gezegd: Vreest niet voor degenen, die

ocr page 345

379

het lichaam dooden, cn daarna niets meer kunnen doen. Hij verdroeg het kruis en de schande; zou ik dan vreezen voor wat gij mij zoudt willen aandoen? Ga gerust uw gang, gij oversten van Joppe! Geeselt ons, werpt ons in de gevangenis, doodt ons, zoo gij meent dat te moeten en te mogen doen! (Jij kunt daarmee niets anders doen dan uw eigen oordeel zwaarder maken!»

sAzarja lien Itaï,» zei nu de Overste der Synagoge op zachten, gemoedelijken toon, «gij spreekt stoute woorden! Gij weet niet wat gij zegt. Maar wij willen niet streng voor u zijn. Gij ziit jong, en verblind, en...»

«Niet ik ben blind,® viel Azarja hem in de rede, «maargijlieden zijt met blindheid geslagen om te bekennen de waarheid van het evangelie des koninkrijks van onzen Messias Jezus!»

«Zwijg nu; spreek mij niet tegen! Het past u niet zoo tegen grijsaards te spreken!» antwoordde de Roosj weder.

«Ik ben een afgezant van de gemeente Gods te Jeruzalem, en door den heiligen Geest afgezonderd om het evangelie te prediken,» antwoordde Azarja weder. «Daaraan ontleen ik het recht om hier tot u, vaders in Israël, aldus te spreken, ik, een jongeling. O, ik zou niet zoo spreken, ik, die vroeger zat aan de voeten van Gamaliel, als ik niet door den Geest gedrongen werd! O laat liet mij zeggen! Gij weet niet wien gij bestrijdt en verwerpt! Worden niet in den naam van Jezus Christus de zieken genezen, de melaatschen gereinigd, de bezetenen verlost? Hebt gij niet dien man gezien, gij Rabbi\'s van Joppe, die mij wilde verdedigen? Hebt gij niet gezien, hoe één oogenblik de booze geest over hem dreigde meester te worden ? Hebt gij niet gezien, hoe ééne aanraking met mijne hand, en één enkel woord genoeg was hem tot zichzelven te brengen ? Deze man, grijze Rabbi\'s, was gisteren nog de arme bezetene Eljasar, die tien jaren lang als een dier heeft geleefd, en de schrik was van de lieden, daar ginds in het- dorp, waar hij thuis hoorde. En ziet, in den naam van Jezus Christus, den door ulieden gesmaden, verworpen, gelasterden Koning Israels, is hij genezen, bevrijd van den

ocr page 346

DONKERE WOLKEN.

boozen demon, die zoolang hem bond! Is deze Jezus dan niet de Christus, die den Satan overwonnen heeft en aan de hel haar prooi ontrukt?»

«Genoeg, genoeg!» viel nu de Roosj hem in de rede. «Wij hebben lang genoeg uwe onbescheidenheid verdragen. Wij bevelen u, Azarja Ben Itaï, en u, Joannes Marcus van Cyprus, en ook u, broeder Simon, om voortaan niet meer te spreken in den naam van dezen Jezus van Nazareth, dien gijlieden den Christus noemt, maar die door den Hoogepriester van Israel als een Godslasteraar is ter dood veroordeeld. Zijt gij voornemens aan dit bevel te gehoorzamen?»

«Gij hebt geen recht ons dat te bevelen,» hernam Azarja. «Enal hadt gij er het recht toe, wij mogen den Heer niet ongehoorzaam zijn, die ons heeft uitgezonden. Maar wij behoeven niet in Joppe te blijven. Kr zijn nog plaatsen genoeg in Judea, waar wij het woord des evangelies kunnen prediken. Wij zullen dus van hier gaan, omdat gij ons woord niet wilt aannemen.»

«En gij, Simon, wilt gij beloven niet te zullen prediken n den naam van Jezus?»

«Ik kan niets beloven. Ik zal doen, wat de Heer mij opdraagt, en de gevolgen bereidwillig aanvaarden.»

«Dan is liet mijne schuld niet, als die gevolgen voor u zeer onaangenaam zullen zijn!»

«Ik duid het u niet kwalijk. Rabbi. Maar ik vrees niet, en ben bereid, om, als de Heer er mij toe roept, om zijnentwil te lijden.»

«Het zij zoo! Gij kunt heengaan!»

De drie volgelingen van den Nazarener bogen voor de Rabbi\'s en verlieten het huis van den Overste der Synagoge.

Nog een paar dagen toefden de beide jongelingen in Joppe in de gastvrije woning van Simon den lederbereider; daarop vervolgden zij weder hun reis, nu steeds vergezeld van Eljasar. In vele plaatsen ondervonden zij denzelfden tegenstand; slechts weinige plaatsen waren er, waar men niets wist van de waarschuwing der Oversten uit Jeru-

320

ocr page 347

DONKERE WOLKEN. 321

zalcm. Hun werk werd hierdoor zeer belemmerd; zij konden niet zooveel uitwerken als anders het geval geweest zou zijn.

Toen het Paaschfeest weder naderde begon Azarja zeer te verlangen weder naar Jeruzalem terug te keeren. Hij was nu reeds bijna tien maanden op reis geweest, en had in al dien tijd niets geboord van Suzanna. Zijn hart trok naar haar heen; en hoe volkomen hij ook zich aan den arbeid gewijd had, toch werd de wensch steeds sterker om weder eens haar terug te zien, zijne bruid, van wie hij nu reeds zoo lang gescheiden was. Zij konden dan tevens verslag geven van hunne ondervinding, en meedeeling doen van de namen van hen, die in de verschillende door hen bezochte plaatsen voor het geloof in den Christus gewonnen waren.

Daarom sprak hij op zekeren morgen tot zijn beide metgezellen:

(■.Broeders, wat dunkt u, zouden wij niet weder eens terugkeeren naar Jeruzalem? Het is nu reeds lang geleden sedert de gemeente ons beiden, Joannes en mij, uitgezonden heeft. Wij behooren eens bericht te gaan brengen van ons werk.»

«Het is goed,» antwoordde Joannes Marcus. «Ik wil u wel bekennen, Azarja, dat ik verlang eens weder mijne moeder en mijn oom te bezoeken, en met al de vrienden eens te spreken. En gij zult zeker wel verlangen uwe bruid Suzanna weder eens te omhelzen.v

«Zeker! Ook verlang ik te vernemen, hoe het intusschen met haaien de gemeente is gegaan, en of de vijandschap, die wij ondervonden, ook in Jeruzalem reeds is ontwaakt. O, wie weet, hoe de broeders en zusters reeds aan de vervolging zijn blootgesteld! Want dat alles nog rustig is, geloof ik niet.»

«Saulus van Tarsen heeft ongetwijfeld de hand gehad in den tegen stand, dien wij ondervonden!» meende Joannes Marcus.

«Dat is niet onmogelijk. Het doet mij des te sterker verlangen naar mijne Suzanna. Wie weet, hoeveel zij reeds van hem te lijden heeft gehad!»

«Welnu, we zullen naar Jeruzalem gaan. Gaat gij met ons mee, Eljasar ?»

21

ocr page 348

322 DONKERE WOLKEN.

«Zeker! Ik heb nooit in mijn leven de stad Gods en den heiligen tempel gezien! Vóór mijn ongeluk stelde ik misschien te veinig belang er in om een moeilijke reis er heen te ondernemen. En sedert ik in de macht van den booze gekomen ben, was er natuurlijk in het geheel geen sprake van. Ik verlang nu echter de heilige stad te aanschouwen en het huis des Heeren te zien. Ik heb vroeger vaak van de pracht van den tempel gehoord. Ook verlang ik de broeders en zusters te ontmoeten, die in den Messias gelooven.»

«Wij gaan dus samen. Hoe zullen allen den naam des Heeren loven, als zij hooren hoe de Heer u verlost heeft,» zei Azarja.

«Ja, Zijn naam zij geprezen!» antwoordde Eljasar.

Eenige dagen later naderden de drie reisgenooten reeds de heilige stad. Zij waren des morgens uit Bethel vertrokken en hadden eerst over de hoogvlakte van het gebergte van Efraïm hun reis vervolgd, tot zij tegen de zesde ure des morgens in de nabijheid van Gibeon in het dal waren afgedaald. Daar hadden zij een wijle vertoefd aan den oever van de beek Sorek, die aldaar ontspringt, sn tot dicht bij Jeruzalem zuidwaarts afvloeit, om zich dan rechts naar het Westen te wenden; zij hadden zich verkwikt door een maaltijd van vijgen, en water uit de beek, en daarna hun reis weder vervolgd langs den oever der beek, tot waar deze westwaarts afwijkt. Hier moesten zij een dal volgen, dat links zich opende, en waardoor de weg verder in zuidoostelijke richting voerde, en langzaam weder klom.

«Nu naderen wij de heilige stad;» sprak Azarja tot Eljasar, toen de weg steeds meer omhoog ging. «Nu gaan wij op naar Jeruzalem. Daar ginds, op de hoogte, dicht in de nabijheid van de graven der richters, zullen wij de stad kunnen zien.»

De weg steeg nu snel, en na nog een kwartier geklommen te zijn hadden zij de hoogte bereikt. Een heerlijk landschap breidde zich voor hen uit. Aan hunne rechterhand, dicht in de nabijheid, verhief zich een heuvel, aan welks voet de graven der richteren lagen, tusschen het geboomte. Daarachter werd de gezichteinder begrensd door andere heuveltoppen, lot waar zich recht voor hen uit de torens

ocr page 349

DONKERE WOLKEN.

cn gebouwen van Jeruzalem verhieven. Links van Jeruzalem, dicht bij de muren van den tempelberg, ontwaarden zij den begroeiden top van den Olijfberg, aan welks voet de beek Kidron vloeide. Geheel op zij, aan hunne linkerhand, lag een heuvel, waarachter de plaats Nob verborgen was. Tusschen dezen heuvel en den Olijfberg in de verte was alles heuvelachtig en met bosch begroeid. Voor hen strekte zich de weg uit, over de hoogte heen, cn verderop een weinig afdalende, waar aan den voet van den berg Scopus de beek Kidron ontspringt.

Een oogenblik stonden de drie vrienden stil, om het landschap te overzien. Vooral Eljasar was in verrukking verzonken.

«Is dit dan de heilige stad?» zei hij. «De stad Gods, Jeruzalem? Is dit de plaats, waar de Heer zich eene woning heeft willen bereiden? Is dit de stad, die haar Koning uitgeworpen en gekruisigd heeft? O Jeruzalem, Jeruzalem! Hoe zullen uwe zonden aan u bezocht worden!»

«Ziet,» zei Joannes Marcus tot hem, «daar rechts, dicht bij die drie torens, daar ligt de heuvel, waarop onze Heer is gekruisigd!»

«Ik zie de drie torens en den muur; ook zie ik daarachter een groot gebouw; maar ik zie den heuvel niet.»

«Gij zult hem straks duidelijker zien, als we dichterbij komen. Dat gebouw is het paleis van Herodes den Groote, en de torens er voor zijn de torens van Phasaël en Mariamne. Die derde toren rechts, bij den hoek is de toren Hippicus.»

«En daar, aan de linkerzij, verheft zich de tempelberg met de voorhoven cn den tempel in het midden,» zei Azarja. «Ziet gij niet, Eljasar, hoe het zonlicht schittert op de witte daken en tegen de hooge witte muren?»

«Ik zie het,» antwoordde hij. «Maar wat voor gebouw is dat, dat zoo dicht bij den tempel ligt, alsof het er toe behoort?»

«Dat is de burg Antonia, waar de landvoogd zijn verblijf houdt, en de Romeinsche soldaten zijn gehuisvest. De burg grenst onmiddellijk aan de zuilengangen en den grooten voorhof des tempels.»

323

ocr page 350

324 DONKERE WOLKEN

«En daar in het midden, tusschen den burg Antonia en het paleis van Herodes den Grooten, ligt de Xystus, met het paleis van Agrippa. Het steekt boven de voorstad Akra uit.»

«De heilige tempel verheft zich boven alle gebouwen uit. Hij is als het ware de kroon van de heilige stad!» zei Eljasar.

«Ja,» antwoordde Azarja, «maar sedert Israël den Christus verwierp is dt: kroon der heilige stad ontheiligd. Hebben wij u verteld wat er op den dag, waarop de Meester stierf, in dien tempel gebeurd is?»

«Neen. Wat is er geschied?»

«Het voorhangsel, dat het binnenste heiligdom afscheidt van het heilige, is bij de aardbeving, die er toen plaats had, in tweeën gescheurd.»

«Dat was een teeken!»

«Ja zeker! Doch de priesters en Rabbi\'s hebben er geen acht op geslagen.»

«Hoe komt het toch, dat zij zoo blind zijn? Hebben zij dan niet de teekenen en wonderen gezien, die de Messias deed?»

«Ongetwijfeld. Zelfs zijn er van hen tegenwoordig geweest, toen de Meester in Bethanië den dooden Lazarus uit het graf terugriep. Maar zij wilden niet in hem gelooven. Hun hart is verhard, zooals Jesaja zegt.»

«En hoe gedragen zij zich nu jegens de gemeente?»

«Toen wij werden uitgezonden, was er nog niets gebeurd, dat van vijandschap getuigde. Maar de tegenstand, die wij in Joppe en op andere plaatsen ondervonden, en die eeu gevolg is van berichten uit Jeruzalem over ons werk, bewijst wel, dat het niet meer geheel on al vrede is. Ik geloof, dat zware tijden aanstaande zijn. Het is, alsof de Geest \'t mij verzekert, dat weldra de storm zal opsteken, en dat nu reeds donkere wolken dreigend samenpakken. Wie weet, of in onze afwezigheid de bestrijding niet reeds is begonnen.»

«Ik hoop, dat het niet al te erg wordt!» zei Joannes Marcus.

«Ik vrees, dat het tot het ergste zal komen,» antwoordde Azarja.

ocr page 351

DONKERE WOLKEN.

«En de Meester heeft het voorspeld. «Zij zullen u uit de Synagogen werpen,» heeft hij gezegd, en ook, dat de ure komen zou, dat zij, die ons dooden, zouden meenen Gode een dienst te doen.i)

«Dat is juist iets voor Saulus van Tarsen,» zei Joannes. «Die zou werkelijk, geloof ik, uit vroomheid ons kunnen dooden.»

«Ja. Saul is een heftige tegenstander.»

«Van wien spreekt gij?» vroeg Eljasar.

«Van een jongeling, Saulus van Tarsen,» antwoordde Azarja. «Hij is een leerling van Rabbi Gamaliel, onder wiens leiding ik vroeger ook de wet leerde. Hij was toen mijn vriend; maar sedert ik een aanhanger geworden ben van den Nazarener, en ook vooral sedert zijne zuster met mij verloofd is, is zijn vriendschap in vijandschap veranderd. Hij is het waarschijnlijk geweest, die gezorgd heeft, dat de Rabbi\'s te Jeruzalem overal heen bericht gezonden hadden van onze komst, om overal de broeders tegen ons werk te waarschuwen. Ik geloof, dat de gemeente nog veel van hem te wachten staat.»

«De Heer is machtig dien wolf tot een lam te maken,» antwoordde . Eljasar. «Heeft Hij mij niet verlost van den duivel? En zou Hij dan dien jongeling niet verlossen kunnen uit de strikken der •duisternis ?»

«Gewis! Maar de bekeering is iets heel anders dan de genezing van \'t lichaam of de bevrijding uit de macht van een demon. Zoolang iemand zich niet wil bekeeren, baat hem alles niets. Saul van Tarsen heeft gelegenheid genoeg gehad om tot geloof en bekeering te komen. Zijne zuster, die mijne bruid is, is eene oprechte leerlinge van Christus; en zijn vader, ofschoon een streng Parizeer en getrouw vervuiler der voorvaderlijke instellingen, is toch gestorven in het geloof aan den waren Christus.»

«Dan zal hij zelf zeker ook nog wel gewonnen worden!» zei Eljasar.

«Ik hoop het van ganscher harte, al ware het slechts om der wille zijner zuster, die het ook gelooft,» antwoordde Azarja.

325

ocr page 352

DONKERE WOLKEN.

«Er is anders weinig kans op!» zei Joannes Marcus.

Zij waren nu in de nabijheid der stad gekomen; nog een korte wandeling, en de drie pelgrims waren gekomen bij de Hoekpoort, ten westen van Jeruzalem. Zij gingen die door, en bevonden zich in de heilige stad.

«Waar gaat gij heen, Azarja ?» vroeg Joannes Marcus.

«Ik denk, dat \'t het beste is, dat wij ons het eerst naar de woning uwer moeder begeven. Wij zullen daar dan wel nader hoeren van den toestand.»

«Dat was ook mijne gedachte. Ik verlang haar terug te zien. Ook kan Eljasar bij ons wel verblijf vinden, denk ik.»

Zoo gingen zij dan langs het paleis van Herodes den Groote en door de verbindingspoort, die de bovenstad Zion met de benedenstad Akra verbond, en daalden af in de Akra, waar de woning van Maria van Cyprus zich bevond. Weldra hadden zij die bereikt, en klopten zij aan aan de voorpoort. Deze werd geopend, en Rhodé stond voor hen. Zij zag hen verrast aan, en sprak toen:

«Joannes! Azarja! Zij gij het waarlijk? Weest welkom in den naam des Heeren! En wien hebt gij daar bij u?»

«Dat is ook een broeder in den Heer, Rhodé! Laat ons nu binnen. Wij zijn vermoeid en verlangen naar rust en verkwikking,» antwoordde Joannes Marcus.

Weldra lagen de reizigers aan aan een rijkelijk voorzienen maaltijd, terwijl Maria en Rhodé hen van alles wat zij noodig hadden dienden. Eljasar had zich willen verwijderen, doch noch Maria noch Joannes had dit willen toestaan. «Gij zijt onze broeder in den Heer, en onze vriend en metgezel op de reis,» zei Joannes. «Nu moet gij ook onze gast zijn.»

Azarja verhaalde aan de vrouwen, hoe Eljasar verlost geworden was, en deelde verdere bijzonderheden mee van hunnen arbeid.

»En zeg mij nu eens,» vervolgde hij, «hoe gaat het sedert wij vertrokken hier met de gemeente? En hoe gaat het met mijne bruid Suzanna?»

326

ocr page 353

DONKERE WOLKEN.

Die zal zoo dadelijk wel hier zijn. Ik heb een dienstknecht gezonden om haar te halen. Zij is gelukkig gezond, en vindt haar kracht en troost in den Heer. Zij heeft anders in den laatsten tijd een treurig leven iret haren broeder, die steeds vijandiger wordt tegen de gemeente des Heeren.»

«Dan moet zij weer hier in huis komen! Het is geen leven voor haar, met zulk een broeder!»

«Ik vrees, dat zij dat niet zal willen doen. Zij meent, dat zij door geduldig te blijven, en alles te verdragen eindelijk zijn hart verteederen en hem voor den Heer winnen zal. Maar op het oogen-blik is hij nog geheel ongevoelig daarvoor. Hij is nu openlijk verloofd met de dochter van Rabbi Jona Ben Amittaï.»

«Met Esther?»

«Juist. Zoo heet zij. Zij en haar broeder Simei stoken de vlam van haat en vijandschap aan, die in zijn hart woont tegen alles wat Nazarener genoemd wordt. Als hij kon, geloof ik, dat hij zich niet ontzien zou om zelfs zijne zuster Suzanna te helpen steenigen.»

«Ja, :.k ken zijn bruisend bloed. Hij haat mij, omdat ik de liefde zijner zuster gewonnen heb en een volgeling van der^Vleester geworden ben. Maar gelukkig vermag hij niets. Zijne zuster is mijne wettige bruid, en zoolang het Sanhedrin ons laat begaan kunnen die heethoofdige Zeloten ons geen kwaad doen.»

«Ik vrees echter,» antwoordde Maria, «dat dit niet lang onzijdig blijven zal. Al tweemalen toch is er iets gebeurd, dat op eene opkomende vijandschap wijst. De raad heeft de apostelen Simon Petrus en Joannes Bar Zebedeüs reeds tweemaal voor zijn rechtbank gedaagd; de laatste maal ook nog een paar der andere apostelen; en eens reeds zijn zij in de gevangenis geworpen. Doch de engel des Heeren heeft \'s nachts de deuren der gevangenis geopend en hen uitgeleid.»

«Wat zegt ge! Wanneer is dat gebeurd?»

«Nog niet zoo lang geleden!»

«Vertel het ons eens nauwkeurig, moeder!» zei Joannes Marcus.

327

ocr page 354

DONKERE WOLKEN.

«Wacht totdat Suzanna hier is,» antwoordde Maria. «Die kan het u beter verhalen dan ik. Zij heeft de bijzonderheden vernomen van het verhoor. Ik weet alleen, dat Simon Petrus met grootc vrijmoedigheid en kracht getuigenis gegeven heeft, en dat Rabbi Gamaliel voor loslaten gepleit heeft.»

«Rabbi Gamaliel? Hieraan herken ik mijn leermeester!» riep Azarja uit. «O kon hij gewonnen worden! Ik geloof, dat hij niet verre is van het koninkrijk Gods.»

«En hoe gaat het met den bloei der gemeente, moeder?» vroeg Joannes Marcus.

«O, de Heer doet dagelijks toe tot de gemeente. Menigten van mannen en vrouwen. Het getal der leden is nu reeds tot cenigc duizenden geklommen, hier in Jeruzalem.»

«Lof zij den God Israels! Wat vermogen de vijanden tegen Hem ?» riep Azarja uit.

«En de wonderen en teekenen, die plaats hebben,» hernam Maria, «zijn waarlijk merkwaardig. Het is bijna niet te gelooven, hoevele zieken er genezen worden. De menschen komen uit al de dorpen en steden in den omtrek en brengen de zieken hier. Ze liggen in rijen op de straat in het zonlicht te wachten, totdat Simon Petrus langs hen heengaat. Vroeger stond hij dan bij allen één voor één stil, en genas hen in den naam des Heeren; maar nu zijn er zoovelen, dat hij niet in staat is ze allen aan te spreken. Hij wandelt dan langzaam langs hen henen, hen zegenende; en men zegt, dat zij toch allen genezen worden, zoodra zijne schaduw slechts op hen valt.»

«Maar dat is ongeloofelijk!» riep Eljasar uit, die tot nu toe zwijgend geluisterd had. «Hoe kan die schaduw hen genezen?»

«Het is niet de schaduw, die hen geneest,» antwoordde Maria, «maar \'t is de Heer, die het doet. Maar zoodra de schaduw van Petrus op hen valt, is dat als \'t ware voor hen het teeken, dat de apostel met hen persoonlijk zich in betrekking stelt, en dat zijn Meester zich over hen ontfermt. Bovendien, de lieden gelooven

328

ocr page 355

j29

vast en zeker, dat zij genezen worden; en hun geschiedt naar hun geloof.»

«Worden er ook duivelen uitgedreven?» vroeg Eljasar.

«O zeker! En velen dier verlosten geven met groote kracht getuigenis. De macht des Heercn wordt openbaar en zelfs van de priesters en Levieten zijn er, die in Hem gelooven.»

«Ja, onze Heer Jezus Christus zij geloofd en geprezen! Ook ik ben door zijn naam verlost uit den strik des duivels!» zei Eljasar.

Er naderden voetstappen op de binnenplaats. «Daar komt Suzanna!» zei Rhodé.

Azarja sprong op, en het volgend oogenblik drukte hij zijne bruid aan zijn hart.

Toen zij eenige oogenblikken later rustig bij elkander zaten, Suzanna en Azarja hand in hand, zei Suzanna:

«O hoe dank ik God, Azarja, dat ik u veilig en wel bij mij zie! Ik heb zoo dikwijls gevreesd, dat een of ander ongeluk u treffen mocht!»

«Maar ik was toch in de hand der Heeren! Zijne engelen vergezelden mij. En ik wist, dat er door u en door de geheele gemeente veel voor ons gebeden werd!»

«O zeker! Maar de twee anderen, die uitgezonden waren naar het zuiden, zijn reeds teruggekeerd, en verhaalden, dat zij herhaaldelijk aan tegenstand en vervolging blootgestaan hebben. Hebt gij dat ook niet ondervonden?»

«O zeker! In Joppe, waar ik in de Synagoge gesproken had, heeft men ons verjaagd, en bijna waren wij gedood geworden.»

«Ziet gij wel! Ik wist het wel! Ik heb het wel gevoeld! Ik heb zoo dikwijls in den droom angsten uitgestaan! Ik heb u eens gezien, als een doode, gesteenigd, en bloedend. Ik stond bij u, en wiesch uwe wonden, doch gij waart uit het leven gescheiden. O wat een smart gevoelde ik toen! Ik werd weenende wakker.»

«Gelukkig, dat het zoover niet gekomen is. Ik ben nu weer veilig en wel terug, zooals gij ziet.»

ocr page 356

33°

■» ii tIc vrees, dat het hier ook niet rustig blijft. Er broeit iets onder de Zeloten. Jk kan het bemerken aan mijn broeder. Vooral schijnt het, dat de diaken Stefanus zeer de aandacht trekt.»

«De diaken Stefanus? Waarom geeft ge dien broeder dien naam ?»

«O het is waar ook! Gij weet nog niet, dat hij met nog zes anderen gekozen is tot diaken, en belast met de uitdeeling der gaven aan de armen.»

«Zoo, waarlijk! En waarom is dat gebeurd?»

«Omdat de apostelen het niet alles konden doen. Simon Petrus vooral heeft het druk met het bezoeken der vele nieuwe leden, en met de genezing van de zieken, die men tot hem brengt.»

«Simon de lederbereider te Joppe, bij wien wij tehuis hebben gelegen, hoopte er op, dat Simon Petrus hem bezoeken zou.»

«Daarvan zal zeker in den eersten tijd niets komen. Hij en de zonen van Zebedeüs hebben het steeds zeer druk. Want ondanks den tegenstand breidt de gemeente zich snel uit.»

«Wie zijn de zes andere met Stefanus gekozen diakenen?» vroeg Joannes Marcus.

«Ik ken ze niet allen,» antwoordde Suzanna. «Ik weet wel, dat uwe beide vrienden, de proselieten Nikanor en Parmenas er bij zijn; en dan nog een proseliet uit Antiochie, een zekere Nikolaüs. Verder is ook een zekere Filippus onder hen; niet de apostel uit Bethsaïda gt;\' die is met nog eenige anderen naar Galilea vertrokken.»

«De twee overigen,» zei Maria van Cyprus, «heeten Prochorus en Timon. Maar Stefanus is van hen allen de voornaamste. Hij kent geen vrees, en tart de tegenstanders. Hij is een onversch-okken man, vol des geloofs en des heiligen Geestes. Hij is ook een gezegend werktuig in de hand des Heeren. Hij heeft de gave der genezing en van het uitdrijven van duivelen. Hij heeft er reeds \\e\'en genezen.»

«Ik vrees,» zei Suzanna, «dat als er eenmaal eene vervolging komt, hij een der eerste slachtoffers zijn zal. Want ik weet hoe bitter zij tegen hem zijn. Zij kunnen de wijsheid en kracht, waarmee

ocr page 357

DONKERE WOLKF.N. 331

liij spreekt, niet -rrern^nnn- «b «ëlm jgj jjcMWi-rAincu blijven. Nu, daarop is geen ander middel dan hem te dooden.»

«Dat zullen zij toch niet doen? O Suzanna, zoudt gij dat denken?»

«Ik weet het niet! Nog is alles stil en rustig, naar het uitwendige, maar dat er iets smeult, bemerkt ik wel. Onlangs scheelde het weinig, of de vervolging was begonnen. Toen heeft Rabbi Gamaliel het nog tegengehouden; maar dat kan hij een volgende maal niet meer, vrees ik. Het getal der Zeloten groeit met den \'dag. Vooral ook de Sadduceesche priesters zijn vol vijandschap. Rabbi Jonathan Ben Annas, die weldra hoogepriester wordt in de plaats van Rabbi Jozef Kajafas, is een bittere vijand van den Meester en van ons. Hij zal voor niets terugdeinzen. En zijn vriend Rabbi Phanuël is al evenzoo. Onder de jongelui staan Simei Ben Jona en, helaas, mijn broeder Saulus vooraan. Ik verwacht zware tijden. Het is alsof de hemel vol donkere wolken is, waaruit weldra de bliksemstralen zullen neerdalen.»

Joannes Marcus was bleek geworden.

«Zou dat waar zijn? Zouden wc misschien allen moeten sterven?» vroeg hij op angstigen toon.

«En al moesten wij sterven,» zei Azarja, «wij zullen den Meester niet verloochenen, niet waar Suzanna, mijne bruid?»

«O neen! In leven en sterven de zijnen!» antwoordde zij.

«Amen!» zeiden Eljasar, Maria en Rhode.

ocr page 358

TIENDE HOOFDSTUK.

Stefanus.

«Het is toch ongehoord, zooals die vervloekte Nazerener tegenwoordig telkens in de Synagoge zijn lastertaal doet hooren !:gt; riep Simei Ben Jona uit op zekeren morgen, binnenstuivende in het vertrek, waar zijne moeder Judith, zijne zuster Esther en Saulus van Tarsen zich bevonden.

«Welken der Nazareners bedoelt gij? Er zijn er tegenwoordig zoo veel als het zand der zee!» vroeg Saul.

«Welken anders dan dien Stefanus uit Galilea! Hij matigt zich telkens aan het woord te voeren in de Synagoge, en het helpt niet wat er tegen hem wordt ingevoerd.»

Maar ik dacht, dat ér zich verbonden hadden om hem tegen te spreken!» zei Judith.

»Dat is ook zoo! Enkele der Alexandrijnsche, Cyreneïsche en Aziatische Joden hebben telkens beproefd hem tegen te spreken; maar het is onbegrijpelijk welk een macht zijn woord heeft! En in plaats dat hun tegenstand de oogen der afvalligen opent, worden er steeds meerderen van het volk verleid, als zij zien, dat Stefanus hen allen kan overwinnen.»

«Hoe is het mogelijk! Mij dunkt, het is zoo duidelijk als het zonlicht, dat die Jezus niet de Messias kan geweest zijn! Niets van

ocr page 359

333

alles, wat wij van den Messias verwachten, is door hem tot stand gebracht.»

«Stefanus heeft eenc geheel andere opvatting van hem en van den Messias dan de overige Nazareners. Hij weet zijn geloofbuiten-gewoon goed te bepleiten. Hij alleen is gevaarlijker dan de ge-heele sekte.»

«.Gij moest eens met hem gaan redetwisten, Saul!» zei Esther.

«Ik? Waarom wilt gij dat?»

aOmdat ik weet, dat God u wijsheid en kennis gegeven hoeft! Omdat niemand beter dan gij in staat zijt de dwaling te weerleggen! Ga heen, Saul! Gij zijt de aangewezen man om dien Stefanus te overwinnen. Het is een schoone taak, de vijanden des Heeren tegen te spreken.»

«En wat zal het baten, al weet ik hem het zwijgen op te leggen?»

«Wat dat baten zal. Saul?» vroeg Simeï. «Als gij dat werkelijk vermoogt, dan zult gij een grooten afbreuk doen aan de sekte der Nazareners. Die man is een gevaarlijk persoon, juist door zijn overredingskracht. Hij weet er steeds meerderen mee te slepen.»

Saul zweeg een oogenblik. De goede dunk, dien Esther van zijne bekwaamheden koesterde, vleide hem; heimelijk bedacht hij, hoeveel hij kon aanvoeren tegen het geloof der Nazareners.

«Welnu,» zei Esther, «Wil je \'t doen? Zeg maar ja! ik weet wel, dat je \'t doen zult! Al was het maar om mijnentwil.»

«Ik wil het wel eens beproeven. Maar het trekt mij niet aan. Beter ware het, geloof ik, dat onze Oversten er een eind aan maakten, door kort en goed het optreden van al die menschen te verbieden!»

«ja, dat geloof ik met u!» antwoordde Simei\'. «Maar ik geloof niet, dat dit zoo spoedig gebeuren zal. Het vreemde feit, dat onlangs heeft plaats gehad, gevoegd bij den raad van Rabbi Gamaliel heeft hen vooreerst uit \'t veld geslagen.»

«Welk feit is dat?» vroeg Judith.

«Weet gij dat niet, moeder? Eenige weken geleden had de Hooge-

ocr page 360

STEFANUS.

priester bevel gegeven om de hoofdleiders dier Nazareners gevangen te zetten. Dit was gebeurd. Doch toen zij nu den volgenden morgen zonden om hen te halen, vond men wel de deuren der gevangenis gesloten en de wachters er voor op hun post, maar de gevangenen waren nergens te zien. En eenige oogenblikken later kwam er bericht, dat zij in den tempel bezig waren het volk te leeren.»

«Ze zijn door list of omkooperij ontvlucht, natuurlijk!» zei Saulus.

«Ja, dat geloof ik natuurlijk ook,» antwoordde Simei; «maar het volk gelooft, dat zij door een engel des Heeren zijn verlost. Zij hebben dat zelf verteld; een engel, zoo zeggen zij, heeft de deuren van de gevangenis opengedaan en hen uitgeleid.»

«Zij schijnen niet terug te deinzen voor leugenachtige verhalen. Eerst, in het begin, strooiden zij uit, dat hun Meester uit den dood opgestaan was; en nu weer dit verhaal!»

«Ze doen anders wel wondere dingen!» zei Judith weer. «Gisteren werd mij verteld, hoe de zieken van buiten komen en op straat liggen tot de schaduw van dien Galileeschen visscher, Simon Bar Jona heet hij, hen beschijnt. En dan, zoo zegt men, worden ze genezen.»

«Wat \'n onzin!» riep Saul uit.

«Met dat al wordt al meer en meer volks verleid! Ik geloof, dat de raad van Rabbi Gamaliel verkeerd is geweest! Laat ze begaan! zegt hij. Als \'t uit menschen is, gaat \'t van zelf te niet. Maar ik zeg: als men het onkruid laat begaan, dan verstikt het ten slotte het koren.»

«Juist, dat geloof ik ook!» antwoordde Saul.

«Welnu,» zei Esther, «ga dan en tracht het uit te rukken! Ga dien verleider Stefanus beschamen!»

cja Saul, beproef eens wat gij kunt! Gij zijt altijd een van de knapsten onder ons geweest.»

«Ik wil het beproeven,» antwoordde hij.

«Heel goed! Morgen is het Sabbath. Dan gaan wij naar de Synagoge, waar hij komt. Ik zal er wel achter komen, waar dat is.

334

ocr page 361

____siefanus. 335

En dan hoop ik, dat gij eindelijk zult blijken de David te zijn om dezen Goliath der onbesnedenen te overwinnen.»

«Dan is het ook in dc mogendheid des Heeren alleen, dat ik gaan moet!» antwoordde Saul.

In den nacht volgende op dit gesprek ontvluchtte de slaap Saul\'s legerstede. In den laatsten tijd was hij geheel en al met zich zelven in tweestrijd. Hij had gehoopt, dat hij zijne zuster Suzanna zou overreden, dat zij dwaalde. Het was hem niet gelukt. Vaster dan ooit geloofde zij in den gekruisigde. Zij vermeed elk twistgesprek; en als hij nu en dan, geprikkeld door haren lijdelijken tegenstand, haar dwong om te redeneeren, dan had zij gewoonlijk een zeer snedig en gevat antwoord gereed, waardoor hij terstond weder het gesprek moest staken. Zij bleef getrouw met hem alle inzettingen in acht nemen, zoodat hij op dat punt niets op haar te zeggen had; zij was vriendelijk en voorkomend voor hem; en terwijl hij vroeger haar wel eens in toorn had zien ontsteken, was het hem opgevallen, dat zij steeds beminnelijker, zachtmoediger, vriendelijker werd. Ondanks zichzelven en zijn haat tegen hare overtuiging moest hij bekennen, dat zij beminnelijker en zachter was dan zijne bruid Esther, die in heftigen haat tegen alles, wat van dc Farizeeuwsche overtuigingen afweek, niet achterstond bij haren broeder Simeï. Riep Esther telkens weer in hem den geest van fanatisme en partijhaat wakker, de invloed van Suzanna op hem was zachter en lieflijker. Als zij met helder oog en vriendelijk gelaat hem diende, als zij een der liederen van Sion zong, of ook wel een nieuw lied, uit de kringen der Nazareners afkomstig, dan maakte zij op hem meer den indruk van een reine engel, dan van een verleide dochter Helials. Dan zuchtte hij, en dacht: «Hoe jammer toch, dat ik haar niet kan overreden!»

En telkens kwamen hem de indrukken voor den geest, die hij van het geloof der Nazareners ontvangen had. Hij dacht aan zijn vader, altijd een trouw Farizeër, en op het laatst nog gekomen tot afval en geloof in dien Jezus. En , ja, nu begreep hij het beter!

ocr page 362

STEFANUS.

Het was de betoovering, die van Suzanna uitging, en die hij zelf ook ondervond, waardoor die oude man ten slotte er toe gekomen was in den gehangene te gelooven. Hij dacht aan de bijgewoonde plechtigheid aan den Kidron, en aan zijn gesprek met den bekeerden Romein. Hij dacht aan alles, wat hij vroeger van dien Jezus gehoord had, toen hij nog niets om hem gaf. Nooit had hij zelf hem gezien of gehoord; hij had het toen niet de moeite waard geacht. Maar nu dacht hij dikwijls er aan, dat het toch jammer was, dat hij niet eens naar hem was gaan luisteren. Misschien had hij dan beter de toovermacht begrepen, die hij over zijne volgelingen scheen uit te oefenen. Hij hoorde telkens allerlei verhalen van wonderen , doch hij kon, hij wilde ze niet gelooven; en het ergerde hem, dat hij die feiten niet weerleggen of weerspreken kon. In één woord, hij gevoelde een macht des geestes, die hem bijna te sterk was, en hem als \'t ware scheen te bedwelmen; en hij had telkens noodig zich helder en klaar voor den geest te roepen, waarom die Jezus de Messias niet kon zijn.

En nu zou hij gaan twisten over dat geloof met dien man, waarvan men vertelde, dat niemand hem kon weerstaan! Zou hij het dan vermogen ? Ach, Esther en Simei vermoedden niet, hoe zwak hij soms zich voelde! Hij durfde er niet over te spreken; zelfs niet tot Esther, dat soms zulke hevige twijfelingen zijne ziel bestormden. Eens had hij zich uitgesproken voor haar; eens had hij haar bekend, dat hij bij al zijne trouwe wetsveivulling geen inwendigen vrede bezat. Hij zou er niet meer met haar over spreken. Zij begreep hem toch niet. Zij meende ter goeder trouw, dat hij vast en onwrikbaar stond. Daarom ook wilde zij nu, dat hij met dien Stefanus redetwisten zou. En hij had er in toegesiemd ! Toegestemd om zich te wagen aan dat gesprek, waarbij hij gewapend behoorde te zijn met geloof en vaste verzekerdheid, gewapend met wijsheid en kracht! Hij, die zoo zwak was, en soms als een riet, dat ginds en weder bewogen wordt\'

Maar hij zou het doen; hij had het beloofd! Er mocht dan van

ocr page 363

STEFANUS.

komen wat wilde! Hij zou trachten het net van drogredenen te verscheuren , waarmee die Galileer zijn geloof in den gekruisigden Nazarener verdigde. Bij den hemel! Was het toch niet vreeselijk, dat zulk een dwaalgeloof kon opgekomen zijn in Israel, in een tijd, waarin de Rabbi\'s zoo nauwkeurig onderwezen, wat de Messias zijn zou en hoe hij komen zou?

lin in den geest herdacht hij alles, wat hij vroeger reeds dikwijls tegen zijne zuster aangevoerd had. Hij dacht aan de profetische voorspellingen van koninklijke macht en heerschappij; aan de profetieën van eene onderwerping aller heidenen; van de herstelde grootheid van Israel. Hij dacht aan de profetieën van den voor-looper Elia, en aan alles, wat daarvan was geschreven in de profetieën van Henoch en Ezra. Hij dacht aan den krijg, die, volgens die profetieën, ontbranden zou tusschen Armilus, den wederpartijder en den Messias. De woorden van Henoch kwamen hem voor den geest: «Hij zal de koningen van hunne tronen en uit hun rijk ver-stooten, en niets op aarde zal voor zijne macht stand houden.»

En toen dacht hij aan dien man van smarten, die door de leidslieden zijns volks was veroordeeld en aan een smadelijk kruis was gedood. Hij dacht aan de volgelingen van dien gekruisigde, en hoe deze voor het grootste gedeelte bestonden uit menschen uit het volk, dat de wet niet kende. Hij dacht er aan, hoe die Jezus van Nazareth ook steeds bij zulke lieden zich had aangesloten, en bij voorkeur uit Galileesche visschers en tollenaren zijne voornaamste leerlingen gekozen had. Welk eene tegenstelling! En op eens, midden in de stilte van den nacht, sprak hij luide, zoodat hij schrikte van zijn eigen stem: «Hij kan de Christus niet zijn!»

Hij trachtte zijne gedachten er af te trekken en te gaan slapen. Doch het baatte hem niet. Steeds herhaalde hij in den geest al de argumenten tegen liet geloof van zijne zuster, en van dienStefanus dien hij zou gaan bestrijden. Het was of eene inwendige stem hem tot twijfel aan de deugdelijkheid dier argumenten zocht te bewegen. Zijn hart, hij kon het niet langer zich ontveinzen, pleitte steeds

22

337

ocr page 364

338 STEFANUS.

sterker vóór de Nazareners. Alles wat hij van hen hoorde en zag, alles wat hij bij zijne zuster opmerkte, gaf hem, ondanks zijn ongeloof, den indruk, dat zij toch werkelijk iets bezaten, dat hij miste. Terwijl hij zich beijverde om door getrouwe wetsvervulling te komen tot het bewustzijn van rechtvaardig te zijn, van vrede te hebben met God, maar tot nu toe die rust in God niet had kunnen verkrijgen, waarvan hij in de Psalmen las, zag hij onmiskenbaar in Suzanna en ook bij andere Nazareners die rust, dien vrede. Terwijl hij met al zijne inspanning, en met den vurigsten wensch zijne driften te beheerschen toch niet geheel dc lust tot het kwaad kon overwinnen, noch ook in staat was in alles geheel het kwade na te laten, zag hij, hoe zijne zuster steeds minder hare natuurlijke gebreken openbaarde; hoe zij steeds beminnelijker werd. En wat ook zijn verstand mocht aanvoeren, zijn hart getuigde, ondanks hemzelven, dat eenc overtuiging, die met zulk eene ware vroomheid en deugd gepaard ging, toch niet uit den booze kon zijn.

Zoo werd dc vurige, dweepzieke maar eerlijke jongeling geslingerd heen en weer. En dat, terwijl hij voor het uitwendige den schijn aannam van vaste overtuiging. Als hij met Esther of Simeï sprak, deed hij zich voor als een echte Zeloot. Als hij met zijn neef Ismaël Ben Alexander sprak, — die sedert het bijwonen der doopplechtigheid zeer tot het geloof der Nazareners overhelde, — dan bestrafte hij hem over zijn ontrouw, en ijverde heftig voor het geloof der Farizeërs. Ook tegenover Suzanna sprak hij zich steeds in denzelfden geest uit. En zoo meenden allen, dat hij steeds vaster en beslister werd in zijn tegenstand. Zij wisten niet, dat h j door dien heftigen tegenstand tegen alles, wat naar het geloof in Jezus zweemde, de stem in zijn eigen gemoed tot zwijgen zocht te brengen ; en dat juist het gevoel, dat hij begon te wankelen, hem aandreef tot grooter en heviger verzet.

Eindelijk viel Saulus van Tarsen in slaap. Doch nu kwelden onrustige en verwarde droomen hem. Nu eens zag hij zichzelven midden onder het volk, dat: «Kruis hem! Kruis hem!» riep, en in

ocr page 365

339

den droom zag hij voor zich uitgaan de gebogen gestalte met het kruis beladen van hem, dien hij besloten had te bestrijden in zijne volgelingen. Dan weer was \'t hem, alsof hij in een hem geheel vreemde stad stond te prediken, en bezig was het geloof in dien zelfden Jezus te verkondigen. Dan weder zat hij neder in den droom onder het gehoor van zijn leermeester Gamaliel, en hoorde diens uitlegging van de profetieën van Jezaja. Maar hoe? Werd daar niet door den Rabbi gezegd, dat de lijdende knecht des Heeren reeds verschenen was? Dat op Golgotha de man van smarten met de misdadigers gerekend was?

En in zijn droom sprong hij verontwaardigd overeind, en ontvluchtte zijn leermeester. Hij stormde in zijn droom het voorhof in, naar het tempelgebouw; maar — vreemd droombeeld!—er was geen tempel meer te vinden. Het zoo heerlijke en prachtige gebouw lag in puin, waaruit rook en vlammen opstegen; en de trappen van het brandofferaltaar waren bedekt met bloed en lijken. En terwijl hij in den droom in verslagenheid dit alles beschouwde, hoorde hij eene stem, die zeide: «Wee over Jeruzalem, omdat het den tijd harer bezoeking niet gekend heeft!» En een andere stem gaf antwoord: «Wee over allen, die den Christus verwierpen en vermoord-der.!» En beide stemmen vereenigden zich in hel woord: «Eere zij Jezus Christus!»

Saul ontwaakte. De dag begon te schemeren. Zijn hoofd was vermoeid, en hij stond op van zijn leger, om zich te verfrisschen. Alles in huis was nog in diepe rust. Hij wiesch zijn gelaat en hoofd, legde zich daarn i weder neder en sliep weer in.

Nu was het hem, alsof er iemand hem naderde, langzaam, tot bij zijn leger. De gestalte stond stil bij zijn bed. Saul zag naar hem, en hij herkende zijn vader. «Vader!» sprak hij, «gij hier? Hergeeft dan het graf zijne dooden?»

«Mijn zoon,» antwoordde hem de verschijning, «ik kom om u te waarschuwen. Gij wilt de volgelingen van den Nazarener gaan bestrijden. Ik waarschuw u, want gij zult bevonden worden tegen

ocr page 366

STEFANUS.

God te strijden. Jezus de Nazarener is de Christus; en gij moet eens zijn getuige worden.»

Saul wilde antwoorden, maar de gedaante was verdwenen. Saul opende de oogen, en zag rond. Half verwachtte hij zijn vader nog in het vertrek te zien. Toen hij de wanden van zijn slaapvertrek en de verschillende voorwerpen daarin aanschouwde, schudde hij het hoofd. dHoc kan ik zoo dwaas zijn!» dacht hij. lt;lt;Ik heb gedroomd, natuurlijk!»

Hij stond voor de tweede maal op. Het was nu geheel dag geworden. Hij dacht aan zijn droomen. «Het komt uit het vele nadenken voort,» dacht hij. «Mijn hoofd is er van vervuld, en nu heb ik er van gedroomd.»

Nadat hij zich gewasschen en gekleed had en het morgengebed gebeden, haastte hij zich naar het vertrek, waar hij met Suzanna den maaltijd gebruikte. Zijne zuster was reeds gereed, en het morgenmaal wachtte beiden. Suzanna zat te lezen.

«Goeden morgen Suzanna. Wij moeten ons haasten om nog bij het morgenoffer tegenwoordig te zijn.»

«Ik denk, dat \'t daarvoor al te laat is. Gij hebt lang geslapen. En toch ziet gij er uit, alsof ge lang hebt gewaakt. Geen goeden nacht gehad?»

«Erg gedroomd!» antwoordde hij, en streek met zijne handen het zwarte haar weg. «Wat leest gij?»

«Ik lees in de rol van den profeet Jesaja. Hoe heerlijk schoon zijn die woorden toch!»

«Zeker! Voor hen, die getrouw zijn aan den Heer, zijn de beloften heerlijk. Maar voor de anderen zijn de bedreigingen.»

«Ik dank Hem, Saul, dat ik op Zijne beloften mag bouwen. Ik weet, dat Hij ook mij bij mijnen naam geroepen heeft; dat hij mij verlost heeft en ik de zijne ben.»

«Hoe kunt gij dat weten, terwijl gij tevens in een valschen Christus gelooft?\')

«Ik geloof in den eenigen, den waren Christus, dien gij verwerpt.

34°

ocr page 367

34i

En ik gevoel den vrede met God in het hart, als gevolg van dat geloof. gt;gt;

«David zegt: Die uwe wet beminnen hebben grooten vrede. Het liefhebben der wet is het eenige middel om don waren vrede te verkrijgen!»

(■.Hebt gij dan dien vrede, mijn broeder? Gij, die de wet tot «we dagclijksche betrachting maakt? Kunt ge werkelijk door die werken der wet, die gij zoo ijverig volbrengt, gerechtvaardigd worden?»

«Gelooft gij dan niet, dat het waar is, wat de patriarch David zegt in dat woord?»

«Welzeker geloof ik dat! Maar er is een liefhebben van de wet, omdat God daarin ons Zijn wil openbaart, en wij Hem liefhebben, zoodat wij ook Zijn wil begeeren te doen, en er is een liefhebben van de wet, omdat men door de werken dier wet hoopt behouden te zullen worden. Het eerste geeft den vrede, waarvan David spreekt; het tweede geeft dien vrede nooit.»

«En gij meent, dat bij u die eerste en bij mij die tweede soort van liefde tot de wet bestaat?»

«Juist, Saul! Gij zoekt door de werken gerechtvaardigd te en daarom speurt gij de wet na, die u moet leeren, welke werken gij doen moet. Ik ben gerechtvaardigd geworden, niet door de werken, maar door het geloof; en daarom heb ik Hem lief, die mij heeft liefgehad, en heb ik Zijn wil lief, die Hij in de wet ons open-baart. Maar al de inzettingen der Rabbi\'s beschouw ik niet als de wet Gods. Ik houd mij er aan om uwentwil, maar gevoel al lang, dat ze nutteloos en ijdel zijn.»

«Ziet gij wel, dat dat geloof in den Nazarener u afvoert van den rechten weg? Nu zegt gij, wat ik al lang heb gedacht, dat gij geen waarde meer hecht aan de rechtvaardigheid, die bij ons Farizeers gezocht wordt! Zoo begint het! En als ik niet mij aan de wet hield, en gij dat om mijnentwil ook bleeft doen, dan zoudt gij al verder en verder gaan, en ten slotte zelfs den tempel en zijne offers van geen waarde meer achten.»

ocr page 368

STÉFANÜS.

«Om u de waarheid te zeggen, Saul, ik geloof ook, dat die offers geheel overbodig geworden zijn, nadat de Messias Gods zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft. Golgotha\'s offer maakt alle andere offers overbodig!»

«Zwijg, afvallige! Ik wil uwe lasteringen niet langer hooren! Wee over u!» riep Saul nu uit, in heftigen toorn.

«Wee over uzelven, Saul, dat gij de stem des Heeren niet hoort, en het woord Zijner liefde versmaadt! O wanneer zullen uwe blinde oogen geopend worden?»

«Ik wil niet langer toeven! Ik heb geen behoefte meer aan spijs! Ik ga naar de Synagoge!»

Saul ging heen , heftig bewogen. Alle weifeling was nu bij hem voorbij. Nu zag hij het duidelijk: het geloof in dien Jezus voerde onvermijdelijk tot een breuk met den geheelenjoodschen godsdienst. Het geloof in dien Jezus was onvereenigbaar met de Joodsche vroomheid. Dat de Nazareners nog steeds als getrouwe Joden den tempel en de Synagoge bezochten, dat zij deel namen aan de morgen- en avondoffers, en wat dies meer zij, het was slechts, omdat zij geen aanstoot geven wilden. In hun hart hadden zij geheel er mee gebroken. In hun hart geloofden zij, dat zij dat alles niet meer noodig hadden. O, nu zag hij het duidelijk, dat die sekte der Nazareners moest tegengestaan worden! Nu zag hij het in: het moest komen tot een strijd op leven en dood! Wonnen de Nazareners het, breidde de sekte zich onverhinderd uit in Israel, dan zou weldra de tempel verlaten staan, en de heilige offers niet meer gebracht worden! Dan zou de wet worden verwaarloosd, en Israël met de heidenen gelijk worden! En hij dacht aan zijn droom, en zag weer dien tempel, geheel in puin gevallen. Zou dat niet eene ■waarschuwing zijn, dat het geloof der Nazareners uitliep op verbreking van den ouden Joodschen godsdienst? Ja, de tempel zou in puin storten, wanneer zij niet onderdrukt werden!

En wat hij van Rabbi Gamaliel gedroomd had, beteekende het niet, dat zijn leer van «laten geworden» gevaarlijk was? Wilde het

344

ocr page 369

343

niet zeggen, dat de Rabbi in zijn hart ook een Nazarenergeworden was? Moest zijn invloed niet gebroken worden? Moesten de oversten des volks niet opgewekt worden om niet langer lijdelijk het onkruid te laten voortwoekeren?

En Saulus van Tarsen voelde een geest des ijvers over zich komen, die hem een koortsgloed naar de wangen dreef. Het was, als hoorde hij de woorden hem toefluisteren, eens door den engel tot Gideon gesproken: «De Heer is met u, gij strijdbare held! Ga heen in deze uwe kracht, en gij zult de Midianieten verslaan!»

Zou het mogelijk zijn? Zou hij werkelijk door God uitverkoren zijn om het werktuig te worden der goddelijke wraak over die afvalligen? Zou hij daarom misschien zooveel indrukken hebben moeten ontvangen, die hem naar dat vervloekte en verfoeide geloof heendrevcn, opdat hij des te beter in staat zijn zou het te kunnen weerstaan en bestrijden? Was dat de onrust, die zoolang hem gekweld had, dat hij de roeping des Heeren nog niet begrepen had, en in plaats van terstond toe te geven aan den drang zijns harten om die sekte te bestrijden, geluisterd had naar Rabbi Gamaliel, die hem tot gematigdheid en tot verdragen aangespoord had? Twee jaren waren er nu verloopen, sedert die sekte opgetreden was. En de verwachting van Gamaliel, dat zij van zelf te niet gaan zou, werd niet vervuld; integendeel werd het getal der verleiden steeds grooter. Als een kanker drong het door in alle rangen en standen. Vele priesters waren reeds meegevoerd; enkele Rabbi\'s ook hadden het voorbeeld van de Rabbi\'s Nikodemus en Jozef van Arimathea gevolgd. De hoogepriester Jozef Kajafas, die zoo doortastend gehandeld had met de bestraffing van den Nazarener, liet nu alles maar zijn gang gaan. En die brutale Galileërs traden steeds driester op. Tot nu toe hielden zij zich nog aan de Joodsche gewoonten; maar had Suzanna, de arme verleide, het nu niet rondborstig uitgesproken, dat eigenlijk al die godsdienst ijdel was, dat de offers geen beteekenis meer hadden? En was het dat ook niet, wat die Stefanus openlijk predikte?

ocr page 370

STEFANUS.

«Op, ten strijde!» riep hij zich zelven toe. Had Esther gesproken van een David, die Goliath bestrijden moest, had zij gehoopt, dat hij die David zijn zou, op dit oogenblik gevoelde hij, dat hij dat werkelijk was! Ja, dit was de vervulling van het voorgevoel, dat hij in zijne kindsheid altijd gehad had, dat hij tot iets bijzonders geroepen zou worden, dat hij eene bijzondere taak zou te vervullen hebben! Nu was die taak gevonden! Nu wist hij, waartoe hij geboren was, wat zijne levensroeping voortaan zijn zou; Bestrijding, en zoo mogelijk uitroeiing van de sekte der Nazareners, de vijanden van God en den tempel!

Zijne zuster? — Het smartte hem, maar — zou ik niet haten, Heer, die u haten? — Er was niets aan te doen. Hij had lang, heel lang geduld met haar gehad; nu was die tijd ten einde. Nu zou hij strijden voor den Heer, den God Israels, ook al moest hij zijne eigene zuster aan het oordeel overgeven!

Hij verhaastte zijne schreden om de Synagoge te bereiken. Toen hij er aankwam, waren reeds vele mannen daar tegenwoordig. Simei stond buiten met eenige anderen.

«Is die Nazarener, die Stefanus er ook?» vroeg Saul.

«Hij is er!» antwoordde Simei. «En hij zal weder de lozing hebben van morgen.»

«Goed zoo! Wij moeten hem nu weerstaan!»

«Gij zult immers trachten hem tegen te spreken?»

«Ja, bij den heiligen tempel! Zoo doe mij de Heer en zoo doe Hij daartoe, zoo ik van hu af niet alles zal doen, wat ik kan om die vervloekte sekte uit te roeien!»

«Amen!» antwoordde Simei. «Zoo mag ik het hooren! Ik ben al lang voornemens om een openlijken strijd tegen hen uit te lokken. Maar ik wachtte op u. Nu gij zoo beslist spreekt, nu kan ik u geheel vertrouwen. Er zijn reeds stappen gedaan om de sekte te treffen. Maar eerst van allen moeten wij Stefanus hebben! Is er eerst maar met hem een begin gemaakt, dan volgt de rest vanzelf.»

«Ja, beginnen moet het! Vandaag nog, als het kan!»

344

ocr page 371

STÉFANÜS.

«Van daag? Mij goed, als gij \'t zoover kunt brengen.»

«Ik zal doen, wat ik kan.»

De dienst begon. Weldra waren de gewone gebeden uitgesproken, en de lezing was geëindigd. Stefanus had gelezen, en sprak nu, naar aanleiding van het gelezene.

«Hoort toch, mannen van Israel,» zoo sprak hij, «hoort tocli het woord des Heeren! Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die vrede doen hooren! Daar is een stem des gejuichs van de wachters van Israel; zij zeggen tot Zion; Zie, uw Koning! Hij zal regeeren in gerechtigheid, en tot Hem zullen de heidenen vergaderd worden! Zijn naam zal zijn van geslacht tot geslacht. Zijn naam, nu nog gesmaad en veracht door vele zonen en dochteren Israels, maar eens door allen erkend als de naam van den Verlosser en Koning der gansche wereld! Daar buiten, daar ginds op den heuvel Golgotha hebben zij Hem gekruisigd, maar Hij zal komen met de wolken des hemels. Hij, Jezus de Christus, de Koning Israels, de Heiland der wereld !»

«Vervloekt zij de gehangene!» riep Saulus van Tarsen.

Allen zagen hem aan. Stefanus werd niet uit het veld geslagen, maar hem aanziende, zeide hij:

«Jongeling, wie zijt gij, dat gij den heilige Israels durft lasteren ?»

«Ik laster niet! Gij lastert, vervloekte Nazarener!» riep Saulus uit. Daarop sprong hij overeind, en riep: «Wie is met mij? Wie?»

Dadelijk rees Simeï ook op, en nog een paar der mannen. De meerderheid echter, die gewoon was om Stefanus te hooren spreken, bleef zitten.

«Niet meer?» riep Saul uit. «Wee u dan, mannen van Israel! Heeft deze vervloekte verleider, in wien de Satan zelf is gevaren, u zoo meegevoerd, dat ook gij verleid zijt? Ik zeg u, hij bedoelt niets anders dan het lasteren van de wet en den tempel!»

«Ik laster de wet niet, noch den tempel,» antwoordde Stefanus. «Ik predik slechts den Christus, die gekomen is om de wet en de profetie te vervullen.»

345

ocr page 372

STEFANUS.

«Zeg mij dan eens, gij Nazarener,» beet Saul hem toe, «meent gij, dat de offers in den tempel nog noodig zijn?»

«Neen; die zijn overbodig geworden door de ééne offerande op Golgotha!»

«Hoort gij wel, mannen van Israel? De offers zijn overbodig! En zeg mij nu verder, o gij afvallige, wat dunkt u van de wet?»

«De wet is door bestelling der engelen aan Mozes gegeven. Maar niet al de inzettingen en geboden, die de Farizeën onderhouden. Dat zijn leeringen der menschen!»

«Hoort gij, mannen van Jeruzalem? De inzettingen en geboden, die onze Rabbi\'s ontvangen hebben door overlevering, en die door Mozes aan de oudsten, en door de oudsten aan Jozua, en door Jozua aan de priesters overgeleverd zijn, acht dit Belialskind zonder waarde, leeringen der menschen! En zeg mij nu verder, gij Stefanus, is het noodig de wet te onderhouden om aan het Godsrijk deel te hebben?»

«De Heer heeft gezegd,» antwoordde Stefanus met onverstoorbare kalmte, «dat onze gerechtigheid nog overvloediger moet zijn dan van Schriftgeleerden en Farizeën, willen wij in het koninkrijk der hemelen ingaan. Maar dit beteekent niet, dat wij door de werken der wet kunnen gerechtvaardigd worden, dat wij door onze gerechtigheid ons den ingang in het koninkrijk der hemelen waardig maken. Daarvoor zijn al onze werken, al het vervullen van de wet zonder eenige waarde!»

«Hoort gij het, broeders?» zei Saul weer. «Al het volbrengen van de wet is waardeloos, volgens hem! En wat is clan, volgens u, o Belialskind, noodig om in het Godsrijk in te gaan?»

«Daarvoor is niets anders noodig,» antwoordde Stefanus, «dan het geloof in den Christus, in Jezus den Nazarener, den Zoon van God. Die in hem gelooft zal zalig worden, maar die niet gelooft zal verdoemd worden!»

«Hoort het, mannen van Israël! Als gij niet in dien vervloekten gehangene gelooft, als gij niet dien Nazarener voor den Messias houdt, zult gij verdoemd worden, zegt dit Satanskind!»

346

ocr page 373

347

ftZij hebben dat al dikwijls gehoord,? antwoordde Stefanus. «Al meermalen heb ik hier in deze Synagoge den eenigen Zaligmaker mogen prediken. Maar wie zijt gij, jongeling, dat gij mij al deze vragen doet?»

«Ik ben Saulus Ben Juda, uit Tarsen in Cilicië; een Farizeer en eens Farizeers zoon.»

«En eens zult gij alles, wat gij nu gelooft, schade achten, en zult gij het geloof, dat gij nu bestrijdt, zelf prediken! De Geest zegt het mij!»

«Vlei u niet! Al dikwijls is mij dat door een der uwen gezegd. Maar heden heb ik besloten voor het oog van God, dat zoo waarachtig als de Heer leeft ik uwe sekte zal bestrijden, tot zij van den aardbodem verdwenen is!»

«Waarom ijvert gij tegen den Heer? Waarom wilt gij trachten Zijne gemeente uit te roeien? Ik zeg u, het zal u niet gelukken! Eer zal de aarde op hare grondvesten bewogen worden, eer dat de tempel des Heeren zal worden verwoest!»

«Wat bedoelt gij met den tempel des Heeren!»

«De tempel des Heeren is Zijne gemeente. De Heer zal wonen in dien tempel, en met Zijne heerlijkheid hem vervullen. Wanneer de aardsche tempel van hout en steen reeds lang tot stof zal vergaan zijn, wanneer Israel zal verstrooid zijn, en heidenen Jeruzalem vertreden, dan zal die geestelijke tempel steeds heerlijker rijzen, dan zullen er komen van alle volken en talen, en zullen als levende steenen in dien geestelijken tempel worden ingevoegd! En dan zal de heerlijkheid van dat geestelijk huis grooter zijn dan de heerlijkheid van het aardsche huis, den steenen tempel met handen gemaakt!»

«Hoort, mannen van Israel, hoort! De tempel, het heilige huis van God zal in puin storten en vergaan; Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden en Israel verstrooid onder de volken! Dat predikt deze godslasteraar; en gij zwijgt? Gij laat hem voortgaan lasterlijke woorden te spreken tegen God en den tempel en

ocr page 374

STEFANUS.

de wet? Op, mannen van Israel! Wreekt de wrake des Hceren! Ban dezen goddelooze uit uw midden weg!»

Nu sprong Simei\' overeind, en riep :

«Weg met den godslasteraar! Sleept hem voor het Sanhedrin!»

En nog een paar Joden stemden in, en riepen ook: amp;Weg met Stefanus! Weg met den lasteraar!»

Stefanus trachtte nog meer te zeggen; doch de Zeloten schreeuwden zoo luide, dat hij zich niet verstaanbaar kon maken. Toen wilde hij zich verwijderen. Maar nu riep men:

«Grijpt hem! Grijpt hem !»

Het volgend oogenblik was Stefanus aangegrepen, en werd hij buiten de Synagoge gesleept. Velen, die eerst gezwegen hadden, schreeuwden nu mee. Anderen, die in hun hart Stefanus aanhingen, doch nog niet tot het geloof in Jezus van Nazareth gekomen waren, gingen stil weg. Het tumult werd al grooter; vooral toen de schreeuwende mannen met Stefanus in hun midden buiten de Synagoge gekomen waren. Van alle zijden stroomde het volk toe, en toen de krest gehoord werd: «Weg met den godslasteraar! Dood aan den heiden;» waren er velen , die met het geschreeuw instemden. Zoo ging het naar het huis van den Hoogepriester Jozef Kajafas.

In het paleis van den Hoogepriester waren op dat oogenblik verschillende leden van het Sanhedrin bijeen. Daar was Rabbi Jonathan Ben Annas, die het volgende jaar het hoogepriesterlijk ambt bekleed en zou ; daar zaten zijne beide vrienden Phanuël en Jona Ben Amittaü; daar waren de Rabbi\'s Jozef Ben Joazar, Simon Kantheras, Ismael, Joannes en Alexander bij elkander. Ook eenige der Saddu-ceesche leden waren tegenwoordig. Zij hadden een der andere Synagogen bezocht, en spraken er nu over, dat de sekte der Naza-reners zoo sterk zich uitbreidde, en in elke synagoge in Jeruzalem reeds leden gevonden werden.

«Ik geloof,» zei Rabbi Jonathan, «dat de tijd van wachten en afwachten ten einde is, en de tijd van handelen gekomen. Al veel te lang hebben wij die Galileërs hun gang laten gaan. Er moet

ocr page 375

349

ccn eind aan komen! Hoe eer hoe beter! Want anders zullen wij al onzen invloed verliezen, en een opstand zal uitbreken.»

«Ik had nooit gedacht,\') zei Rabbi Alexander, «dat die Nazarener zulk een invloed zou uitoefenen na zijn dood. Ik had gedacht, dat \'t al lang gecindigxl zou geweest zijn.»

«Het is verre cr van verwijderd, dat \'t ten einde zou zijn! Zij hebben met hun leer heel Jeruzalem besmet, en ook in vele van de omliggende steden, ja tot in Galilea en Syrië toe, worden er gevonden, die in dien gekruisigde den Messias zien.»

«De raad van broeder Gamaliel is gebleken onjuist geweest te zijn,» zei Rabbi Phanuel. «Hij meende, dat het van zelf wel zou te niet loopen. Maar in plaats daarvan wordt het met den dag sterker. Als wij nog langer wachten met hen aan te tasten, dan is het niet meer te keeren.»

«Is het waar, wat ik heb hooren vertellen,» zei een der andere Rabbi\'s, «dat zelfs Julia, de vrouw ven Pontius Pilatus in het geheim tot hen behoort?»

«Ik heb het ook gehoord,» zei Rabbi Jona Hen Amittaï. «Maar zij hebben ze niet willen doopen, als zij niet eerst Proseliet wilde worden. En dat wilde zij niet. Nu zal zij wel zich niet nader aansluiten, want Pontius Pilatus kan elk oogenblik naar Rome worden geroepen. Wij hebben daardoor dan veelmeer de handen vrij.»

«Ja,» zei Rabbi Jonathan weer, «ik geloof niet, dat als wij ons recht van vonnissen aanvulden door ook de vonnissen te voltrekken, hij er zich veel van zou aantrekken. Hij laat veel oogluikend toe, omdat er groot gevaar bestaat voor hem, dat hij in ongenade is gevallen bij den keizer. En dan zijn zijne dagen hier geteld.»

Nu drong een verward geschreeuw tot hen door. Het werd van oogenblik tot oogenblik sterker, en duidelijk onderscheidde men de kreten:

«Voor \'t Sanhedrin! Weg met den lasteraar! Dood aan den goddelooze !»

«Wat is dat?» vroeg Jozef Kajafas.

ocr page 376

STEFANUS.

Eenige Rabbi\'s snelden naar het platte dak, om te zien, wat er op straat gebeurde. Anderen liepen over het binnenplein van het huis van den Hoogepriester naar de voorpoort.

Weldra keerden zij terug om te berichten, dat een volkshoop op het paleis aandrong. En nauwelijks hadden zij dit gemeld, of een troep mannen drongen het paleis binnen, een man met zich medeslepend.

ft Waar is de Hoogepriester?» hoorde men hen vragen aan eenige slaven.

Het volgend oogenblik verschenen zij voor den ingang der zaal, gevolgd door velen.

«Wat wilt gij van mij?» vroeg de Hoogepriester.

«Ueze man is een Godslasteraar! Wij wilden vonnis tegen hem!»

«Maar de raad kan heden niet vergaderen! Het is Sabbath!»

«Laat hij dan gevangen gezet worden, totdat de raad vergaderen kan! Hij heeft lastering gesproken tegen de wet, en tegen Mozes, en tegen den tempel en tegen God!» sprak een der mannen, die den gevangene leidden.

«Zijt gij dat, Saul ?» vroeg Rabbi Jona Ben Amittai.

«Ja, Abba, ik ben het! Wij hebben dezen mm, Stefanus van Galilea, in de Synagoge der Ciliciers hooren lasteren; toen wilde hij ontvluchten, maar eenige der broeders hebben hem gegrepen, en daarop hebben wij hem hierheen gebracht.»

Op de aangezichten van velen der aanwezigen kwam een glans van genoegen. Zoo was er dan een begin gemaakt! Doze Stefanus was hen allen bekend als een der voornaamste personen onder de Nazareners. Werd hij veroordeeld, dan zou er meer volgen.

De Hoogepriester gelastte eenige zijner dienaren Stefanus gevangen te nemen, en lot den volgenden dag in bewaring te zetten.

«En waag het niet te ontsnappen!» voegde hij Stefanus toe.

Ik zal niet ontsnappen;» antwoordde Stefanus, «maar het kon zijn, dat de Heer wederom Zijn engel zond om mij te bevrijden, zooals Hij vroeger de broeders apostelen bevrijd heeft. En zoo niet,

35°

ocr page 377

STEP ANUS.

dc wil des Hccren geschiede! Ik ben bereid voor den Heer te lijden en zoo noodig tc sterven! 0

«Genoeg! Leidt hem weg!» beval de Hoogepriester.

De dienaren namen Stefanus over uit de handen van hen, die liem vasthielden, en voerden hem weg. Daarop verwijderde zich het volk, en de leden van het Sanhedrin bleven weder alleen. De jongelingen Saul en Simei\' echter waren in hun gezelschap gebleven.

Het gerucht van de gevangenneming van Stefanus verspreidde zich op dien Sabbath met ongeloofelijke snelheid onder de leden der gemeente van Nazareners, en verwekte algemeene verslagenheid. Het was, alsof allen het gevoelden, dat het de eerste donderslag was van een naderend onweder, dat over de gemeente zou losbarsten. Ook de bijzonderheden van de wijze, waarop hot had plaats gehad, waren spoedig bekend, en zoo werd het bekend, dat het optreden van Saulus van Tarsen de aanleiding er toe geweest waf.

Azarja begaf zich, zoodra hij het hoorde, naar het huis van zijne bruid. Zij was alleen thuis, daar Saul nog bij de Rabbi\'s in liet huis van den Hoogepriester toefde. Hij vond zijne Suzanna in gepeinzen verzonken.

«Goeden morgen! De Heer zegene u!gt;) zei ze opstaande en hem te gemoet gaande.

«Goeden morgen, liefste! Hebt gij de slechte tijding al vernomen ?«

«Ik heb geen slechte tijding gehoord; maar nu vermoe i ik. wit het is, dat gij mij zeggen wilt.»

«Nu, wat denkt ge dan, dat hot is?»

\' «Ik denk, dat de vervolging is begonnen. Is het zoo niet?»

«Het is zoo! De diaken Stefanus is in de Synagoge der Ciliciers door eenige mannen gevangen genomen en onder een groeten oploop naar het huis van den Hoogepriester gebracht. Deze heeft hem in de gevangenis geworpen, en morgen zal hij voor het Sanhedrin worden gebracht.»

«Maar waarvan kunnen zij met recht hem beschuldigen?»

«Zij zeggen, dat hij den tempel, de wet en God heeft gelasterd.

351

ocr page 378

SÏEFANUS.

Ik denk, dat hij, evenals zoo dikwijls, in de Synagoge heeft gepredikt, en dat sommige van zijne uitspraken voor lasteringen verklaard worden.»

«Ja, equot; cnzoo als Saul ook mij een lasteraarster noemde, omdat ik zei, dat de offers door het offer van Christus waren overbodig geworden.»

«Saul is het geweest, die tegen Stefanus is opgetreden. Hij is de aanlegger der vervolging!»

olk vreesde het wel! Ach, wat is zijn verblinding en verbittering groot!»

«Gelooft ge nu nog, Suzanna, dat hij ook een volgeling des Meesters worden zal?»

«Wel zeker! Het is alles, zooals de Geest het mij heeft voorspeld. O, ik zie het, dat hij als een woedende tijger ons zal vervolgen! Maar de Heer zal hem grijpen in zijn loop, en dan — dan zal hij ook buigen voor den Koning Israels, en een prediker worden van hetzelfde evangelie, dat hij nu bestrijdt!»

«Ik hoop het van harte, Suzanna! Maar nu is hij een vijand, en ik geloof niet, dat het veilig voor u is om niet hem te blijven. Hij zal u evenmin ontzien als iemand, als de vervolging eenmaal is uitgebroken. Daarom kom ik u weder opeischen. Ik zal u in veiligheid brengen, ergens buiten Jeruzalem; en dan keer ik hierheen terug, om deel te nemen aan den strijd, en de broeders en zusters te steunen.»

«O waarom wilt gij mij wegbrengen? Gaarne deel ik al uw strijd! O laat mij blijven!»

«Dan moet gij in elk geval hier vandaan! Kom weder bij Maria van Cyprus! Het is nu toch verder nutteloos om met uwen broeder te blijven. Hij is nu te verblind!»

«Maar zou het goed zijn heen te gaan en hem alleen te laten zonder hem cr iets van te zeggen?»

«Wij kunnen wachten, tot hij thuiskomt. Ik blijf dan zoolang bij u. En dan zal ik het hem meedeelen.»

352

ocr page 379

STEFANUS.

«Gij stelt u bloot aan bclecdiging, als gij wacht, tot hij thuis komt!»

«En als ik u alleen achterlaat, stel ik u bloot aan zijn toorn. Geloof niet, dat hij u ontzien zal. Gij kent zijn driftig karakter. Hij heeft lang zijne vijandschap onderdrukt; nu hij ze eenmaal gaat botvieren! zal ze verschrikkelijk zijn. Neen!.Ik mag u daaraan niet blootstellen. Gij zijt wettig mijne bruid. De tijd van onze verloving is reeds lang voorbij. Kom met mij: en ik zal de noodige stappen doen om spoedig u als mijne huisvrouw tot mij te nemen.»

«Zou het, met het oog op de moeilijke tijden, die aanstaande zijn, niet beter zijn te wachten met ons huwelijk?»

«Juist met het oog op die moeilijkheden wilde ik u als mijne huisvrouw aan mij verbinden. Des te beter kan ik u beschermen.»

«Och, Azarja, als de vervolging begint, treft zij ons allen, u zoo goed als mij! Gij kunt mij er niet voor bewaren! Maar wat nood! Ik ben bereid met u ook als het moet in den dood te gaan! Al zijn wij niet verbonden door aardsche huwelijksbanden, wij zijn één door onze liefde, en door het geloof in den Heer!»

Als antwoord trok Azarja Suzanna aan zijn hart en omhelsde haar.

Den volgenden morgen waren reeds vroeg velen op de been. De bevolking van Jeruzalem was nieuwsgierig naar den afloop van het rechtsgeding tegen den algemeen bekenden Nazarener Stefanus. Velen, die in het geheim met leedwezen de uitbreiding der sekte gezien hadden, verheugden zich, dat een der voornaamste Naza-reners nu voor het Sanhedrin zich zou moeten verantwoorden, en misschien wel veroordeeld zou worden. Anderen, die, ofschoon niet aangesloten bij de Nazareners, toch zeer welwillend jegens hen gezind waren, betreurden het, dat men een man, op wiens levensgedrag niets te zeggen viel, cn die zoo vele zieken had genezen, nu ging vervolgen. De laatsten echter durfden niet openlijk hunne afkeuring over de gevangenneming te uiten; want als het er op aan zou komen om te lijden voor de belijdenis van Jezus als den Christus, dan deinsden allen terug.

De leden der gemeente van Nazareners waren diep verslagen. Zij

353

23

ocr page 380

STEFANUS.

vergaderden in verschillende opperzalen en verzamelplaatsen, en waren in angstige spanning van wat er geschieden zou. De hoofden der gemeente, Simon Petrus, Joannes Bar Zebedeils en zijn broeder Jakobus, benevens Jakobus, de broeder van Jezus, deden hun best om de leden der gemeente moed in te spreken, opdat zij, wanneer straks werkelijk de storm mocht opsteken, standvastig mochten zijn en getrouw blijven aan de afgelegde belijdenis.

In het paleis van den hoogepriester was intusschen de raad der Oversten, het Sanhedrin samengekomen. Sommige Rabbi\'s zagen ernstig. Anderen hadden eene uitdrukking als van triomf op het gelaat.

Rabbi Phanuel naderde zijn vriend, Rabbi Jonathan Ben Annas.

«Ik ben bij den landvoogd geweest,» zei hij, «en heb gezorgd, dat wij de handen vrij hebben.»

«Zoo! Dus als wij vonnissen, kunnen wij het vonnis zelf voltrekken?»

«Hij zal er ons geen moeilijkheid over aandoen. Ik heb zijne handen gevuld. En hij kan wel wat gebruiken, geloof ik. Hij zal niet lang meer in ons midden zijn.»

«Hebt gij zijne vrouw ook gezien?»

«Neen. Maar wel geloof ik, dat zij ook mee oorzaak is van zijne toegevendheid. Al is zij geen lid der sekte, toch is zij dat geloof toegedaan. P^n de landvoogd haat daarom des te meer die sekte, en zal zich verheugen, als zij verbroken en verwoest wordt. Met groote ergernis deelde hij mij mee, dat zelfs een zijner krijgslieden, de centurio Rufus, proseliet en aanhanger van den Nazarener geworden was.»

Intusschen was het Sanhedrin bijeengekomen. Slechts enkele leden ontbraken, o. a. Rabbi Gamaliel. Deze, wetende dat ditmaal niet naar zijn raad geluisterd zou worden, en niet mede willende doen aan de veroordeeling der Nazareners, had eene ongesteldheid voorgewend om de vergadering niet bij te wonen.

Toen de leden zich hadden nedergezet, stond de hoogepriester op, en, een dienstknecht roepende, beval hij:

354

ocr page 381

STEFANUS.

«Laat dc gevangene voorgebracht worden!»

Eenige oogenblikken later trad Stefanus binnen tusschen twee gewapende dienaren. Hij was bleek, doch zijne oogen schitterden als van een hooger licht. Hij werd geplaatst voor den stoel des hoogepriesters.

Daarop beval de hoogepriester;

«Laten de getuigen worden binnengeleid.»

Drie mannen traden binnen.

Nu opende de hoogepriester de vergadering met het uitspreken van een gebed, en daarop sprak hij tot de getuigen:

«Wie zijt gij ?»

«Ik ben Nathan, de waterdrager,» antwoordde de eerste van hen.

«En mijn naam is Zadok, de visscher,» antwoordde de tweede.

«En gij? Wie zijt gij?» vroeg de hoogepriester aan den derden man.

«Ik ben Manasse, de schoenmaker,» antwoordde hij.

«En welke beschuldiging brengt gij in tegen dezen mensch?»

«Deze mensch,» antwoordde Nathan, «houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen den heiligen tempel en tegen de wet.»

«Kunt gij deze uwe beschuldiging staven?»

«Wij hebben hem hooren zeggen,» zei Zadok, «dat Jezus, dc Nazarener, den tempel verbreken zal, en dat hij de zeden, die Mozes ons geleerd heeft, veranderen zal!»

«Hij heeft gezegd», sprak Manasse, «dat de offers in den heiligen tempel geen beteekenis hebben, en dat dc wet niet behoeft te worden vervuld.»

Terwijl de beschuldigers alzoo hunne beschuldigingen uitspraken, stond Stefanus met gebonden handen en ten hemel geslagen oogen. Een vreemde, bovennatuurlijke glans kwam er over zijn gelaat. Zijne trekken werden verheerlijkt. Het was, alsof een engel uit den hemel daar stond, in plaats van een man uit het volk. Onwillekeurig staarden velen in den raad met verwondering op hem. Een oogenblik heerschte er stilte.

355

ocr page 382

3S6

De hoogepriester verbrak deze echter, en zich tot Stefanus wendende, zei hij:

«Stefanus, hoort gij wat deze tegen u getuigen? Is het waar, dat gij dat alles gezegd hebt? Zijn deze dingen alzoo?»

Toen ontwaakte Stefanus uit de geestverrukking, en zijn gelaat nam weder de gewone uitdrukking aan. Hij zag rond in de zaal, en staarde de Rabbi\'s ernstig aan. Zijn oogen tintelden van heilig vuur. Hooge bezieling en verontwaardiging was op zijn gelaat te lezen. Hij hief de geboeide hand omhoog, als gebood hij stilte. En toen, terwijl allen in stille afwachting van wat hij zeggen zou hem aanzagen, begon hij te spreken.

«Gij mannen broeders en vaders, hoort toe!» zoo sprak hij. «De God der heerlijkheid verscheen aan onzen vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, eer hij nog in Haran woonde, enzeidetot hem: «Ga uit uw land, en uit uw maagschap, en kom in een land. dat ik u wijzen zal.» Toen ging hij uit het land der Chaldeën en woonde in Haran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht God hem over in dit land, waarin gij nu woont, en gaf hem geen erfdeel daarin; zelfs niet een voetstap, maar beloofde hem, dat hij het hem in bezit zou geven en aan zijn zaad, toen hij nog geen kind had.»

Verwondering was op aller gelaat te lezen, toen Stefanus aldus begon te spreken, in plaats van over de verdediging tegen de aanklachten, over de geschiedenis der aartsvaders. «Waar moet dat heen?» zoo dacht menigeen der hoorders. Intusschen ging de redenaar voort, en al voortgaande wist hij zijn gehoor te boeien. Op kernachtige, treffend juiste wijze schetste hij voor het oor der Rabbi\'s met korte woorden de geschiedenis van de aartsvaders, vooral die van Jozef. En terwijl hij sprak trad het ongemerkt aan het licht, waarom \'t hem te doen was, namelijk om te wijzen op de geleidelijke en volkomene vervulling der beloften Gods. Hij schetste in korte trekken de geschiedenis van Mozes; hoe hij opgevoed was aan het hof van Farao, onderwezen in alle wijsheid der

ocr page 383

STEt-ANUS. 357

Egyptenaren; hoe hij, zijne stamgenooten bezoekende, een Egyptenaar versloeg, en daarop, den volgenden dag twee twistende Israëlieten tot vrede vermanende, aan dien doodslag herinnerd werd en vluchten moest; hoe hij na veertig jaren eene verschijning had van den engel des Heeren, en hoe deze hem naar Egypte zond om de Israëlieten te verlossen. Zoover gekomen in de geschiedenis, verhief hij de stem, en terwijl allen nog steeds met aandacht naar hem luisterden riep hij uit:

«Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld, dezen heeft God tot een overste en verlosser gezonden door de hand van den engel, die hem in het doornbosch verschenen was. Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en teekenen in het land van Egypte en in de Roode zee, en in de woestijn, veertig jaren. Deze Mozes is het, die zeide: De Heer uw God zal u een profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij; dien zult gij hooren!»

De bedoeling dezer woorden was duidelijk. Velen voelden het, dat Stefanus op eene vergelijking wilde komen tusschen Mozes en Jezus van Nazareth. Beiden eerst verworpen, en toch beiden de door God beschikte verlossers! De wenkbrauwen van sommige Rabbi\'s begonnen zich te fronzen, en het werd minder rustig in de zaal. Stefanus intusschen sprak door; en naarmate hij gevoelde, dat het geduld zijner hoorders uitgeput raakte en er onrust dreigde te komen, werd zijn spreken steeds meer hartstochtelijk. Zijn oog tintelde van vuur; zijn stem nam toe in kracht, als hij, sprekende over den tijd der omzwerving van Israel in de woestijn, het woord van den profeet aanhaalde: «Hebt gij slachtoffers en offeranden mij geofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? Gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uwen god Remfan!»

Nog eenige oogenblikken sprak Stefanus voort, totdat hij kwam aan de geschiedenis van koning Salomo. Intusschen was de onrust en blijkbare onwil onder de toehoorders steeds toegenomen. Stefanus verhief zijne stem, toen hij zeide:

ocr page 384

STEFANUS.

«En Salomo bouwde Hem een huis; maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt, zooals de profeet zegt: De hemel is Mij een troon en de aarde een voetbank Mijner voeten; hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats Mijner rust? Heeft niet mijne hand al deze dingen gemaakt ?»

Vele Rabbi\'s waren opgestaan op deze woorden. Een gemompel werd hier en daar gehoord. Stefanus gevoelde de nadering van den aanbruisenden stroom van vijandschap; maar \'twas, alsof dit gevoel hem meerdere kracht gaf. En op eens den kalmen gang zijner rede afbrekende, en zich tot zijn volle lengte verheffende, vergat hij geheel, dat hij eene pleitrede voor zijne vrijheid hield. Zijn gelaat gloeide van verontwaardiging, en op krachtigen toon donderde hij hen de woorden tegen:

«Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren! Gij wederstaat altijd den heiligen Geest, gij evenals uwe vaderen! Wien der profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? Zij hebben gedood degenen, die vooruit de komst verkondigd hebben van den Rechtvaardige, van wien gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt! Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!» ....

Hij kon niet voortgaan. De storm was losgebroken. Het geraas werd oorverdoovend. De Rabbi\'s waren bij de laatste woorden van hunne plaatsen geloopen, en schreeuwden door elkander. Sommigen balden de vuisten, en wilden hem aangrijpen.

En te midden van al het geraas en de van helsche boosheid verwrongen gezichten der Rabbi\'s stond Stefanus daar met ten hemel gerichte oogen. Weder kwam die verheven, hetnelsche uitdrukking over zijn gelaat, alsof een hemelsche lichtstraal er over had geschenen. En midden in het rumoer verhief hij nog eenmaal de stem, en riep uit:

«Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen, staande ter rechterhand Gods!»

Maar de Rabbi\'s stopten hunne vingers in de ooren, en schreeuw-

35«

ocr page 385

STEFANUS.

den hem tegen. Alle orde was verbroken. De hoogepriester kon de woedende hartstochten niet langer bedwingen. Reeds hadden vele handen Stefanus aangegrepen. Het volgend oogenblik werden de deuren der zaal opengeworpen en onder woest geschreeuw, hunne waardigheid geheel vergetende, ten prooi aan woedenden haat, sleepten zij den weerloozen Stefanus uit de zaal, en uit het huis, naar buiten, om hem buiten de stad den dood des lasteraars, de steeniging te doen ondergaan.

Saulus van Tarsen was ook opgestaan; en toen de woedende menigte der Rabbi\'s Stefanus aangreep en voortsleurde, stormde hij mee, schreeuwende:

«Dood aan den lasteraar! Weg met hem! Weg met hem!»

Buiten het gebouw wachtte eene onrustige menigte, die in spanning den afloop van het rechtsgeding verbeidde. Toen die lieden het tumult hoorden, kwamen zij ook in beweging, en namen de kreten dadelijk over; zoodat, toen de Rabbi\'s met Stefanus op straat gekomen waren, dadelijk eene groote menigte met het geroep: «Weg met hem! Weg met hem!» instemde.

En voort ging het toen. Voort, door het dal Tyropaeon, naar de zuidelijke poort; en door deze poort naar het exercitieterrein der Romeinsche soldaten, gelegen in het dal, en dicht bij Tophet en het dal van Hinnom. Daar gekomen hield men stand. De Rabbi\'s, die Stefanus vasthielden en voortgesleept hadden, lieten hem nu los; zij gingen in een kring rondom Stefanus staan, en het volk schaarde er zich om heen.

«Gij zijt des doods schuldig, en moet sterven!» beet Rabbi Jonathan hem toe.

«Ik ben bereid om te sterven voor de belijdenis van mijn Heer en Verlosser!» antwoordde Stefanus.

«Laten de getuigen naar voren komen!» sprak Rabbi Jonathan weer.

Nathan de waterdrager, Zadok de visscher, en Manasse de schoenmaker kwamen naar voren. Zij waren meegegaan, wetende, dat zij de steeniging zouden moeten voltrekken.

359

ocr page 386

STEFANUS.

«Gijlieden zijt zijne beschuldigers, gijlieden moet ook hem steenigen. In den naam van God den Almachtige, den God der wrake, Die Zijne vijanden verdelgt, valt op hem aan, en steenigt hem, dat hij sterve!»

De drie mannen wierpen hunne opperklcedcren af. Zij zagen rond, waar zij ze zoolang zouden neerleggen.

«Geeft maar hier!» riep Saulus van Tarsen.

De drie mannen gaven hem hunne opperkleederen in bewaring. Daarop verzamelden zij steenen, die daar in menigte verspreid lagen, en de vreeselijke executie begon. Nathan slingerde den eersten steen, en raakte Stefanus tegen het voorhoofd. Het bloed sprong te voorschijn uit de wond; de martelaar wankelde. Doch een tweedesteen, en een derde troffen hem, de een tegen zijn borst, de ander tegen zijn gelaat, dat nu geheel misvormd en met bloed bevlekt was.

Stefanus zakte in elkaar, op de knieën. Hij hief de geboeide handen biddend omhoog, en riep met luider stem:

«Heere Jezus, ontvang mijnen geest!?

Nu volgden de steenen elkander snel op. De martelaar was geheel ter aarde gestort. Het bloed gudste uit vele wonden, en vormde een groote zwarte plek op den grond. Het scheen echter, dat dit gezicht de woede der vijanden deed toenemen.

«Toe maar!! Werpt toe!! Treft hem!! Doodt den lasteraar!!» zoo

riepen de Rabbi\'s en het volk den steenenwerpers toe. En _ ook

Saulus van Tarsen, door blinde haat vervoerd, riep mee! _

De martelaar hief nog eenmaal zijn bebloed gelaat op; en terwijl hij met aandoenlijken blik zijne vijanden aanstaarde, en lang en doordringend Saulus van Tarsen aanzag, sprak hij met gebroken stem:

«Heer, reken hun deze zonde niet toe!»

Een nieuwe steen trof hem vlak tegen het gelaat. Met een zacht gekreun liet hij zijn hoofd achterover vallen. Zijne oogen braken; machteloos zonken zijne ledematen neer; hij was niet meer ....

En terwijl nog steeds steenen op het ontzielde lichaam geworpen werden, en de woede der vijanden nog voortraasde, was de marte-

360

ocr page 387

361

laar aan de aarde en hare ellende en haat ontvloden en zijn Heer en Meester tegemoet gesneld, wiens verheerlijkte gestalte hij reeds in de raadzaal gezien had ....

«Houdt maar op! De hond is al lang dood!» zei eindelijk Rabbi Jonathan.

De drie getuigen staakten het steenen werpen. Zij traden nader, en lichtten het bebloede hoofd op uit het zand. Strak stonden de oogen; stijf was de mond gesloten, die zoo dikwijls het bezielde woord had gesproken.

«Ja, hij is dood,» zeiden zij.

Het volk begon zich nu te verstrooien. Nu de woede gekoeld was, voelden velen de ontzetting van wat zij aanschouwd hadden. En tevens gevoelde men, dat het eerste slachtoffer gevallen was van de haat tegen de Nazareners, doch dat het niet het laatste zijn zou.

Saulus van Tarsen wandelde, nadat hij de opperkleederen weder aan de drie getuigen teruggegeven had, langzaam terug naar de stad. Zijn oog schitterde, zijne wangen gloeiden. Hij begaf zich rechtstreeks naar het huis zijner bruid, waarheen Simei hem reeds was vooruitgegaan. Toen hij de voorpoort binnenkwam stond Esther reeds op hem te wachten. Hare oogen schitterden; hare wangen hadden een verhoogden blos.

«Ha! Daar heb ik mijn held!» riep zij hem tegemoet. «Welkom! Welkom! Mijn bruidegom! De Heer heeft ons heden eene schoone overwinning gegeven! Gezegend zijt gij den Heer, die Zijne wrake gewroken heeft over Zijne vijanden! Vervloekt zijn allen, die den valschen Christus aanhangen!»

Saul sloeg zijne armen om haar heen en drukte een kus op hare lippen. Hij zweeg echter.

«Wat ziet gij bedrukt! Gij moest u verblijden en verheugen, mijn bruidegom! Gij hebt als David dien Goliath verslagen, beter nog dan ik gedacht en verwacht had! Kom binnen! Verkwik u nu aan een dronk wijns en heerlijke rijpe vijgen!»

«Ik ben wel verblijd, Esther, en dank den God Israels, dat Hij

ocr page 388

362 stefanüs.

mij als middel wilde gebruiken om dien lasteraar te doen verdelgen. Maar, — vergeef mij, dat ik zoo week ben! — ik vond het gezicht van dat misvormde lijk erg aangrijpend. Hij zag mij even voor zijn dood nog zoo verwijtend aan!»

4Wat?» riep Esther verontwaardigd uit, «gij hebt er toch geen spijt van? Dan zoudt gij mij erg tegenvallen!»

«Spijt? Wel neen! Ik heb gisteren nacht rijpelijk alles overwogen en ben tot het besluit gekomen voortaan al mijne krachten te wijden aan de verdelging van de sekte der Nazareners. Ik ben daarom gisteren naar de Synagoge der Ciliciers gegaan, waar ik wist, dat ik Stefanus aantreffen zou. Ik heb daarom hem openlijk van lastering aangeklaagd, en op mijn aansporen is hij voor den raad gebracht en gevangen genomen. Ik verheug mij er in, dat zóó spoedig de God Israels mijne pogingen wilde zegenen, en ik zie er het bewijs in, dat God mij tot die taak roept. Maar ik heb nog nooit zulk eene terechtstelling bijgewoond. Ook geen kruisiging. En het heeft mij toch meer geschokt, dan ik eerst wel dacht. Hij had zulke wonderlijke oogen, en sprak eerst zoo schoon in den raad!»

Esthers oogen waren bij de laatste woorden steeds donkerder geworden. Nu Saul zweeg, liet zij hem los, ging vlak tegen hem over staan, en zei:

«Saul, hoor eens! Ik heb u lief, dat weet gij! Ik zou om u te redden van het gevaar, als het moest, zelf den dood aanvaarden! Maar dit zeg ik u: Als gij ooit mij teleurstelt op dit punt, als gij ooit de verwachting, die wij van u hebben, beschaamt, en de hoop dier vervloekte Nazareners verwezenlijkt, door ook een aanhanger te worden van den gehangene, dat ik, uwe bruid, ik, die u liefheb met mijn gansche ziel, in staat zou zijn met eigen hand u het zwaard in het hart te steken!»

Toen zij deze woorden sprak geleek zij meer eene furie dan een jong meisje. Saul zag haar aan, en fluisterde;

«Esther! Mijne schoone Esther! Wat bezielt u? Ik zal geen verrader

ocr page 389

STEFANÜS.

worden! Ik haat als gij de Nazareners, en zal hen vervolgen ten bloede toe!»

«Goed zoo! Zweer het mij, dat gij de heilige wet getrouw zult blijven!»

«Zoo doe mij de Heer, en zoo doe Hij daartoe, zoo ik niet wreken zal de wrake des Heeren op Zijne vijanden, de Nazareners. Zoo waarachtig de Heer leeft, ik zal niemand hunner ontzien; mannen en vrouwen, zij allen zullen moeten kiezen, den naam van Jezus als den Christus afzweren, of — sterven!®

«En uwe zuster Suzanna?»

«Noem haar niet meer mijne zuster! Ik ken haar niet meer! Zij heeft gisteren ons huis verlaten, terwijl ik afwezig was, en ik weet niet, waar zij toeft. Maar het doet er niet toe. Zij zal spoedig genoeg gevonden worden, en zij ook zal voor den raad moeten komen, evenals die Azarja, dien zij aankleeft.»

Esther en Saul traden nu uit den voorhof het huis binnen, waar zij reeds verschillende personen aantroffen. De veroordeeling en terechtstelling van Stefanus vormde het algemeene onderwerp van gesprek. Allen waren overtuigd, dat dit eerste offer niet het laatste moest zijn, en dat er nu verder gehandeld moest worden. Saul mengde zich in de gesprekken, en was weldra verdiept in allerlei beraadslagingen betreffende de te volgen gedragslijn bij de vervolging der Nazareners.

Daarbuiten, op het exercitieveld in het dal Tyropaeon lag nog altijd dat ziellooze lichaam, in een groote plas bloed en bedekt met de bebloede steenen. Geen der Rabbi\'s, niemand uit het volk had er aan gedacht den martelaar te begraven. Zij hadden hem laten liggen, ten prooi aan de wilde honden, die reeds bezig waren het bloed op te lekken, en de gieren, die in groote kringen boven hem zwierven en daarna op hem neerstreken. Het veld, straks nog zoo vol menschen, was nu eenzaam en verlaten, eene plaats van verschrikking, met dat bebloede misvormde lijk in dien bloedplas.

Van de westzijde naderden eenige mannen, behoedzaam rond-

ocr page 390

STÉFANÜS.

ziende. Toen zij zagen, dat het veld verlaten was, kwamen zij dichterbij, en verjoegen door hunne nadering de vogels en de honden. Dicht bij het lijk gekomen bleven zij staan, als door ontzetting aangegrepen.

«Is dat het einde van dien broeder? Moest zoo die mond gesloten worden, die zoovele levenswoorden deed hooren?» sprak een hunner.

«De Heer heeft zijne ziel tot zich genomen in het Paradijs,» sprak een ander, «en zijn lichaam, hoe misvormd ook, zal rusten in het graf, dat wij bereid hebben, totdat de laatste bazuin zal slaan, en alle dooden onverderfelijk zullen opgewekt worden.»

«En dan,» sprak de derde, «zal hij in heerlijkheid schitteren, bekleed met de kroon van den getuige des Heeren! Stefanus 1) is zijn naam, en een heerlijke kroon zal zijn deel zijn!»

«Komt, broeders,» sprak de eerste weer, «wij kunnen niet: lang hier toeven. Het graf is gereed; laat ons den broeder wegdragen , eer de booze vijanden ons bemerken en het ons beletten.»

Zij naderden nu behoedzaam, hunne voeten bezoedelend met het bloed van den martelaar. Voorzichtig namen zij de steenen, die het lichaam ten deele bedekten, weg, en tilden daarna het bloedende, misvormde lijk op. Zij droegen het weg, in zuidoostelijke richting, totdat zij aan den Kidron kwamen. Hier legden zij het voorzichtig neer, en begonnen zorgvuldig de verscheurde en bebloede kleederen te verwijderen. Daarna wieschen zij het bloed weg van het gelaat en het gebeele lichaam, scheurden het onderkleed in repen, en verbonden daarmee enkele nog bloedende wonden. Toen bracht een hunner een stuk nieuw linnen voor den dag; dit werd uitgespreid op het gras, welriekende kruiden werden er in gestrooid, en daarop het lichaam er in gewikkeld.

Toen zij zoo het lichaam gereed gemaakt hadden voor c\'.e begrafenis, hieven zij samen een klaagzang aan, nederzittende met gescheurde kleederen bij het lijk. Daarna stonden zij weder op, legden

Ij Stefunus (Gr. Stefaaos) beteekent «kroon\'.

364

ocr page 391

365

het lijk op ccn daartoe meegebrachte van stokken in elkander gevlochten baar, en droegen het weg, over den Kidron, langs den voet van den Olijfberg, totdat zij kwamen bij eene plaats, waarbij een open graf, in de rots gehouwen, hen een groep menschen, mannen en vrouwen . wachtte. In dat graf werd de martelaar nedcr-gelegd, en daarop hieven al de aanwezigen wederom een klaagzang aan over den veel geliefden, hooggeachten en nu algemeen betreurden diaken Stefanus.

ocr page 392

ELFDE HOOFDSTUK.

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

Eenige weken na den moord van Stefanus zaten in een vertrek van het paleis des hoogepriesters eenige Rabbi\'s van het hooge-priesterlijk geslacht bijeen. Ze waren druk in gesprek over gewichtige aangelegenheden, zooals uit de uitdrukking der gezichten bleek.

«Waarlijk broeder,» sprak Rabbi Jonathan Ben Annas tot den hoogepriester Jozef Kajafas, «God heeft ons in dien jongeling een uitnemend werktuig beschikt ter volvoering Zijner wraak. Reeds twintig tot dertig Nazareners zijn in de gevangenis geworpen, en ik houd mij overtuigd, dat er nog veel meer zullen volgen. Hij ijvert met een ijver Gods, en als hij zoo voortgaat, zal de sekte weldra uitgeroeid zijn.»

«Wij zullen hem volmacht geven om in onzen naam te handelen; dan is het niet noodig, dat hij telkens eerst de toestemming komt vragen om de beschuldigden gevangen te laten nemen. Dan kan hij zooveel sneller handelen,» sprak de hoogepriester.

«En wat geschiedt er met de Nazareners, die reeds gevangen zijn genomen?» vroeg Rabbi Jonathan.

«Sommigen van hen zijn veroordeeld tot geeseling; dat zijn zij, die zich bereid verklaard hebben den naam van Jezus af te zweren. Anderen, de meest verstokten onder hen, zullen ter dood gebracht

ocr page 393

«BLAZENDE DRErGINO EN MOORD.»

worden. Morgen reeds znl de eerste groep de straf der stceniging ondergaan.»

«Zijn er ook reeds van de hoofden gevangen genomen?» vroeg Rabbi Phanuel.

«Neen, van de hoofden nog geen enkele. Maar de meeste der oudste volgelingen van den Nazarener hebben Jeruzalem verlaten. Alleen de zonen van Rabbi Zebedeüs, mijne bloedverwanten, een broeder van den gekruisigde, en dan die vervloekte visscher uit Galilea, Simon Bar Jona, bijgenaamd Petrus zijn in Jeruzalem. Maar waar zij zich schuil houden , is tot nu toe mij niet bekend.»

«Het zou goed zijn hen allereerst te treffen,» zei Rabbi Jonathan.

«Dat weet ik niet! Denk eens aan de vorige gevangenneming. Vooral die Simon Har Jona is bij het volk zeer gezien, omdat hij zoovele zieken genezen heeft. Het is misschien beter hen nog niet dadelijk aan te tasten.»

«En de Rabbi\'s Nikodemus en Jozef van Arimathea?»

«Nikodemus is reeds gevangen. Hij wil niet den naam van Jezus vloeken, en zal dus moeten sterven. Jozef van Arimathea schijnt de stad verlaten te hebben.»

«Dat zelfde zullen er meer gedaan hebben. Er is een algemeene vrees onder hen gekomen.»

«Welnu,» antwoordde de hoogepriester, «als de sekte hier in Jeruzalem verwoest is, kunnen wij zien, wat we buiten Jeruzalem doen. Laat hen vluchten. Hun have en goed is verbeurd, natuurlijk, en terugkeeren kunnen zij vooreerst niet.»

Op dat oogenblik meldde een dienaar de komst van Saulus van Tarsen.

«Laat hem binnenkomen,» beval de hoogepriester.

Saul trad binnen. Hij zag er verwilderd uit. Zijne oogen hadden een koortsachtige flikkering. De drift had zijne edele gelaatstrekken misvormd; zijn donker haar hing woest ojn zijne slapen, en viel over zijn voorhoofd. Hij groette de Rabbi\'s eerbiedig, en trad toen naar voren.

367

ocr page 394

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

«Hebt gij nieuwe berichten, Saul?» vroeg de hoogepriester.

Saul boog zijn hoofd, en sprak toen;

«Ja, Abba; een der gevangenen heeft onder de geeseling vele namen bekend van aanhangers der sekte. Ook heb ik er zelf eenige namen, die mij bekend waren, bijgevoegd. In het geheel heb ik nu weder een lijst van bijna vijftig personen. Moeten zij gevangen genomen worden?»

«Zeker! Wij zullen u volmacht geven om ieder, die u als aanhanger van den Nazarener bekend wordt, gevangen te nemen zonder vooraf daartoe onze toestemming te behoeven. Laat mij uwe lijst eens inzien, Saul!»

Saul haalde een perkamenten rol te voorschijn en reikte die aan den hoogepriester over. Deze nam ze aan en ontrolde ze. Hij overzag de lange lijst, en las er enkele, die zijne aandacht trokken, hard op.

«Theophilus do priesterquot; Ha, dat is goed, dat gij dien man hebt opgeteekend! Reeds lang heeft het mij geërgerd, dat er oneer de priesters zoovelen zijn, die openlijk of in \'t geheim den Nazarener aanhangen. Ik heb onlangs gemerkt, dat die Theophilus er het hoofd van is. Maar ik zie nog meer namen van priesters. Eleazar ? Is die ook een Nazarener? Ik dacht, dat die veel te levenslustig was om zich met zoo iets in te laten!»

«Het is niet zeker, dat hij werkelijk een Nazarener is, maar hij schaarde zich in den laatsten tijd toch ook bij hen. Misschien is hij wel te bewegen den gehangene te lasteren.»

«Goed! Doe wat ge kunt! En wien zie ik hier? Azarja Ben Itaï! O, ik herinner mij! Hebt gij niet een persoonlijke vete tegen dien jongeling?»

«Hij is een van de gevaarlijkste leden, Abba! Hij heeft met nog een paar anderen in geheel Judea het dwaalgeloof dier sekte verbreid. Hij zal zeker niet afzweren. Het is noodig, dat hij sterve!»

Ue hoogepriester zag^verder de lijst in.

«Nikanor, Parmenas, Nikolaüs, Timon, wie zijn dat? Er staat bij, dat zij diakenen zijn.»

368

ocr page 395

369

«Dat zijn, met nog een paar, wier namen mij niet bekend zijn, de mannen, die met dien Stefanus zorgden voor de armen der sekte.»

«Een goed werk, voorzeker! Maar als hoofden der gemeente zijn zij gevaarlijk!»

«Laat mij de lijst ook eens zien!» zei Rabbi Jonathan Ben Annas.

De hoogepriester reikte de rol hem over. Een oogenblik doorliep de Rabbi de lijst met namen. Toen scheen hij gevonden te hebben wat hij zocht. «Ha!» sprak hij, met kwalijk verborgen vreugde. «Gij hebt ze, zie ik!»

«Wie bedoelt ge?» vroeg de hoogepriester.

«O,» antwoordde Rabbi Jonathan, «een vrouwspersoon, die mij voor twee jaren op het Pinksterfeest persoonlijk beleedigd heeft!»

«O, Ruth bedoelt ge!» zei Rabbi Phanuel.

«Juist! \'t Is goed, dat die ook gestraft wordt!»

Nog vele namen werden genoemd, en daarna gaf de hoogepriester de lijst aan Saulus van Tarscn terug, zeggende:

«Wij zullen u gewapenden geven, opdat gij die lieden allen moogt kunnen gevangen nemen. Weet gij hun aller verblijfplaatsen?»

«Van de meesten. En die ik niet weet, kom ik door geeseling der anderen wel te weten.»

«Goed, ga heen, en doe het werk van de wrake des Hoeren. Dat de Geest van ijver en vuur op u ruste! Wees gezegend!.)

Saul boog en vertrok om voor de gevangenneming van al die Nazareners, ook van den bruidegom zijner zuster, te gaan zorgen.

Ongeveer een uur later waren de Rabbi\'s uit elkander gegaan, en ook Rabbi Alexander, de oom van Saulus van Tarsen, was weder tehuis. Hij deelde aan zijne familieleden en dus ook aan zijn zoon Ismael mee, dat Saul weer een groot getal Nazareners ging gevangen nemen.

«Ook Azarja Ben Itaï, de bruidegom zijner zuster, is er bij!» zei hij.

«Azarja Ben Itaï?» vroeg Ismaël. «Ontziet Saul dan zelfs zijne zuster niet?»

«Mijn zoon,» antwoordde de Rabbi, «keur zijn ijveren niet af. De

24

ocr page 396

«HLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

Geest des Heeren is op Hem neergedaald, de Geest, die eens Simson aandreef om de Filistijnen te verslaan, en die Pinehas, den zoon van Eleazar, aandreef den Israeliet te doorsteken met eene spies, omdat hij zondigde met eene Midianitische. Laat hem begaan! Het is de wrake des Heeren, van den God van Israël!»

Ismaël zweeg. Doch eenige uren later kon men hem stil zien wegsluipen uit zijns vaders huis om te gaan naar de Akra, naar het huis van Jacob Bar Simon, den koopman, wiens opperzaal dikwijls gediend had tot ontvangst van den Meester met zijne volgelingen, en in wiens gastvrije woning nu Azarja Ben Itaï met zijne bruid Suzanna een toevluchtsoord gevonden had. Dit was aan Ismaël bekend geworden; want ofschoon hij niet openlijk uitkwam voor het geloof in den Nazarener, toch was hij in het geheim reeds lang met velen zijner volgelingen bekend, en in zijn hart geneigd hun geloof te omhelzen. Zoodoende was hij ook het verblijf van Suzanna, naar wie zijn hart uitging, benevens dat van Azarja te weten gekomen.

Er heerschte groote verslagenheid bij velen der Nazareners. Er waren er velen, die vroeger zeer geijverd hadden voor het geloof, die nu, geheel ontdaan en ontzet door het vreeselijk lot van Stefanus en de gevangenneming van zoovele anderen, en vreezende, dat hen ook zulk een lot boven het hoofd hing, reeds er toe neigden af te vallen van het geloof. Anderen maakten zich gereed zoo spoedig mogelijk te ontvluchten uit Jeruzalem; vooral zij, die eigenlijk vroeger elders gewoond, maar sedert het ontstaan der gemeente zich te Jeruzalem bij de gemeente gevoegd hadden. Weder anderen waren vol vuur, en verlangden bijna er naar om van hun geloofsmoed en getrouwheid getuigenis te geven. Slechts weinigen wachtten kalm en vastberaden de dingen af, die komen zouden. Onder deze laatsten waren ook Azarja en Suzanna.

Zij zaten bij elkander met nog eenige broeders en zusters, en spraken over de gevangenneming der eerste gemeenteleden, en het waarschijnlijke lot, dat hen zou treffen.

«Het lijdt geen twijfel,» sprak Azarja, «dat de Raad hen zal

37°

ocr page 397

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

stellen voor de keus; den naam van den gezegenden Meester lasteren en het geloof in hem als den Chrisfus verloochenen, of evenals Stefanus den dood ondergaan.»

«En zouden zij allen getrouw blijven? Zou er niemand onder zijn, die bezwijken zal?» vroeg Suzanna.

«God geve hen, dat zij staande mogen blijven! Hij is machtig in de zwakken, en verheerlijkt zich in de geringen. Maar indien er onder hen mochten zijn, die bezwijken, laten wij hen dan niet te hard oordeelen! Wie zegt ons, of wij staande blijven zouden?»

«Gij zult staande blijven!» zei Suzanna, haren beminde aanziende met een blik vol bewonderende liefde.

«En gij niet minder, Suzanna!» antwoordde hij.

«Och, ik ben zwak! Maar ik vertrouw op de hulp des Heeren, en hoop dat ik, als het moet, de goede belijdenis belijden zal!»

«Welnu, ook ik zoek in Hem alleen mijn kracht. Als wij geroepen worden om voor den naam des Heeren te lijden, misschien te sterven, dan moeten wij denken aan zijn lijden aan het kruis, en \'t zal ons licht zijn!»

«En evenzeer moeten wij denken,» sprak eene jonge vrouw uit het gezelschap, «aan het woord van den Meester, door hem eens tot zijne leerlingen gesproken: Vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden, en daarna niets kunnen doen, maar vreest veelmeer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.»

«Zoo is het, Maria van Bethanie!» zei Joses de Leviet; «zij, die den Heer ontrouw worden, zullen eens van hem moeten hooren; Gaat weg van mij, ik ken u niet! Maar zij, die hem getrouw blijven tot in den dood, zullen eens met hem heerschen in zijn koninkrijk!»

«Is het waar, Barnabas,» 1) zei Maria van Bethanie, — Joses aansprekende met den naam, waarmede hij onder de Nazareners werd genoemd, sedert hij een belangrijke som, opbrengst van een door hem verkocht stuk land, voor de armen der gemeente gegeven

Baroabas heteekent Zoon der vertroosting.

371

ocr page 398

372

had, — «dat uw neef Joannes Marcus geneigd is tot afval van het geloof?»

«Helaas, ja! Maria! Ofschoon hij van het begin af alles mee doorleefd en den Meester gekend heeft, ofschoon hij zelfs als afge-zondenc der gemeente het evangelie des koninkrijks heeft gepredikt met Azarja Ben Itaï, toch is hij door den dood van Stefanus zoo verschrikt, dat hij maar weinig noodig zou hebben om totgeheelen afval te komen.»

«God behoede hem daarvoor!» zei Azarja. «Hij is wat onbestendig en vreesachtig, maar toch van harte den Heer toegedaan. Voor hem zou het misschien het beste zijn, als hij Jeruzalem kon verlaten.»

«Daar heb ik ook over gedacht,» antwoordde Joses liarnabas. «En eigenlijk geloof ik, dat het voor allen beter is. Waarom lijdelijk den wolf de kudde laten verscheuren en verwoesten? Waarom vele zwakke harten aan het gevaar blootgesteld laten om door vrees tot ontrouw en afval te komen? Ik geloof, dat het beter ware als de gemeente zich verstrooide in Judea en Samaria en Galilea, en hier slechts enkele personen overbleven. Dan kon in de andere plaatsen, waar door de uitgezondenen reeds is gewerkt, het evangelie des koninkrijks verder worden gepredikt; nog beter dan tot nu toe geschiedde zou het evangelie in het geheele land verbreid kunnen worden. En zoo zou het kwaad ten goede geleid worden.»

«Maar is het niet laf den vijand te ontvluchten ? Moeten wij wijken, wij, die den waren Koning Israels belijden?» vroeg Azarja.

«Die ware Koning Israels is door Israel zelf uitgeworpen. Jeruzalem heeft haren Koning gekruisigd, en zal ook ons niet sparen.»

«Welnu, dan volgen wij hem in den dood!»

«En denkt gij dan in het geheel niet aan uwe bruid, Azarja?»

«Mijne bruid? Suzanna? Zij wil niet anders dan ik. Ik had haar eerst in veiligheid willen brengen, maar zij wil niet van mij scheiden, niet waar, liefste?»

«Neen! Ik zeg met Ruth, de Moabitische: Waar gij zult heengaan zal ik heengaan; waar gij zult sterven wil ik sterven!»

ocr page 399

«bLAZENDÉ DRÊIGlNG ÉN MOORD.»

«Welnu,» hernam Joses Barnabas, «gij behoeft niet van elkaar te scheiden! Als gij aan mijne leiding u wilt toevertrouwen, dan zal ik u beiden, Azarja en Suzanna, met mijn neef Joannes Marcus en wie verder zich aansluiten wil veilig buiten Jeruzalem brengen in een dorpje, eenige uren zuidelijk van Jeruzalem tusschen ontoegankelijke bergen gelegen. Gij kunt daar toeven, als gij wilt, tot de storm is voorbij gegaan; of wel uw werk, rondreizen om het evangelie te prediken, hervatten. Gij zijt nog jong, en hebt nog veel te arbeiden voor den Meester.»

«En gij dan, Barnabas?»

«Ik ben reeds op gevorderden leeftijd. Ik ben hier aan den tempeldienst gebonden. Word ik geroepen om voor den Meester te lijden, te sterven misschien, ik ben bereid. Ik zal niet zoo erg gemist worden!»

«Zeg dat niet, broeder!» zei Maria van Bethanie. «Gij hebt de gave der profetie, en kunt ook nog velen tot den Heer leiden! Gij ook moet heengaan!»

«Ik heb nog niet veel lust in het plan,» antwoordde Azarja. «Er is nog niemand onzer in gevaar. Al zijn er eenigen gevangen, het is niet gezegd, dat de vervolging verder zal gaan. Bovendien, ik heb al lang verlangd om voor den Heer iets te mogen dragen. Ik wil gaarne om den wil des Heeren gesmaad, vervolgd, ja gedood worden!»

Op dat oogenblik kwam een dienstknecht, om te zeggen, dat iemand Azarja wenschte te spreken. Hij wachtte bij de voorpoort, en wilde liever niet binnenkomen.

Azarja stond op en volgde den dienstknecht. Bij de poort vond hij Ismaël Ben Alexander.

«Wees gegroet!» zei Azarja, hem ziende.

«De Heer zegene u!» antwoordde Ismaël. Daarop vervolgde hij gejaagd;

«Om uws levens wil, Azarja, vlucht! En neem Suzanna mee! Saul heeft weer een heele lijst van Nazareners ingeleverd bij het Sanhedrin,

373

ocr page 400

374 «BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

en zal spoedig allen, die er op voorkomen, gevangen nemen. Ook gij zijt daar bij. Haast u dus, en vlucht! Ik wil u helpen; maar verraad mij niet! Niemand weet, dat ik ulieden genegen ben! Ik doe het om der wille van Suzanna!»

«En ook niet om der wille van mijnen en uwen Messias, Ismaël ?»

«Ik weet \'t niet! Laten we daar nu niet over praten. Daar is \'t nu geen tijd voor. Later, als de vervolging voorbij is, praten we daar wel verder over. Nu moeten we voorzichtig zijn. Nog eens, vlucht! En nu, vaarwel! Zorg goed voor Suzanna! Zij is mijne nicht! Moge de God Israels u bewaren!»

En zonder verder iets er bij te voegen snelde hij heen, en was weldra in de nauwe, bochtige straten verdwenen.

Azarja stond nog in gedachten verzonken aan de voorpoort van het huis, toen Joses Barnabas, bij hem gekomen, de hand op zijn schouder legde. Hij zag om.

«Hoe staat ge hier zoo alleen? Was er iemand om u te spreken?»

«Ja; Ismaël Ben Alexander, die in den laatsten tijd tot hot geloof geneigd is, is hier geweest. Hij is echter snel weer weggegaan eer ik met hem nader spreken kon. Hij kwam mij zeggen, dat Saul weder een lange lijst van broeders en zusters aan het Sanhedrin heeft overgelegd, en dat ook ik er bij ben.»

«Ook gij! Ik vreesde het al. Een reden te meer om mijn raad te volgen, en Jeruzalem te verlaten eer gij gevangen genomen wordt.»

«Ook Ismaël raadde mij aan te vluchten. Maar veronderstel, dat ik het wilde doen, dan is het toch waarschijnlijk reeds te laat. Eer wij de noodige toebereidselen getroffen hebben zullen de dienaren van het Sanhedrin wel hier zijn.»

«Dat is de vraag. In ieder geval kunt gij het beproeven.»

«Laat ons naar binnen gaan, en met de anderen overleggen.»

Zoo deden zij. En ofschoon Azarja, en ook Suzanna zich eerst er zeer tegen verzetten, ten slotte gaven zij toe, en werd het aan Jqses Barnabas overgelaten de vlucht voor te bereiden.

Een uur later stonden er in het dal, van Hinnom, dicht bij de

ocr page 401

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

Mistpoort, een aantal muilezels, bewaakt door drijvers, en blijkbaar bestemd om reizigers te vervoeren. Door deze poort, die op geen der hoofdwegen naar Jeruzalem uitkwam, ging men zelden op reis; het was een eer.igszins afgelegen gedeelte der stad; en hij, die onbemerkt Jeruzalem verlaten wilde, kon geen betere plaats daartoe kiezen. Joses Barnabas had terstond aan deze poort gedacht, en had allen, die aan de vlucht zouden deelnemen, gezegd, dat zij zoo spoedig mogelijk moesten zorgen op die plaats te komen. Door het dal van Hinnom zouden zij dan eerst de bergen intrekken, om eenige dagen in de wilde natuur te vertoeven, en daarna een veilig verblijf te zoeken.

Van tijd tot tijd kwamen personen de Mistpoort uit, en voegden zich bij de muilezels. Ook Joses Barnabas met zijn neef Joannes Marcus en zijne zuster, de moeder van Joannes, Maria van Cyprus, benevens hare dienstmaagd Rhode waren spoedig daar tegenwoordig.

«Het is te hopen,» fluisterde Joses zijne zuster toe, «dat Azarja en Suzanna niet te lang wachten. Zij zouden al spoedig te laat zijn. Want Saul en zijne mannen zullen niet lang meer wachten hen gevangen te nemen. De gevangennemingen zijn al begonnen. Toen ik straks den tempel betrad om met een der andere Levieten tc spreken over mijn vertrek, vertelde deze mij, dat verschillende priesters, ook Theophilus, gevangen genomen waren, beschuldigd aanhangers van den Nazarener te zijn. En toen ik onzen broeder Nikanor wilde opzoeken, deelde mij zijn gastheer mee, dat hij, met Parmenas en nog vele anderen, juist gevangen was genomen. Ik vrees dus, dat bet ook niet lang duren zal of de vijanden komen om Azarja te halen.»

«Komen zij daar niet aan?» sprak Maria, wijzende op twee personen, die, in zwarte mantels gehuld, haastig de Mistpoort uitkwamen en de helling van den berg afdaalden.

«Ik geloof, dat gij gelijk hebt,» antwoordde Joses. «2ij loopen zoo snel! Het is, alsof zij achtervolgd worden.»

Hij ging de beide jongelieden tegemoet.

375

ocr page 402

376 «BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

«Wij wachten op u met ongeduld!» zei hij, toen hij bij hen gekomen was.

«Wij moeten ons haasten!» antwoordde Azarja, Suzanna met zijn arm om haar middel ondersteunend bij het afdalen in het dal. «Juist vertrokken wij uit de achterpoort van Jacob Bar Simons huis, toen de afgezanten van het Sanhedrin met Saul aan het hoofd aan de voorpoort verschenen. Wij hoorden nog juist, hoe er naar mij gevraagd werd, en hoe de gewapende dienstknechten het huis binnendrongen. Wij zijn toen zoo snel wij konden heengegaan; doch toen wij door de Bovenstad Zion gingen, durfden wij niet zoo snel te loopen om geen opzien te baren. Toch vrees ik, dat de vijanden ons spoor ontdekt hebben; want even voor wij de poort verlieten, hoorde ik geschreeuw achter mij. Ik keek om, en meende duidelijk op een afstand de vervolgers te zien, vergezeld van eene geheele drom volks.»

«Voort dan!» zei Joses. «Spoedig in het zadel! Weg moeten wij, hoe eer hoe beter!»

«Dadelijk vertrekken!» zei Joses, toen hij weer bij de groep gekomen was. «De vijanden zijn ons op het spoor!»

Dit woord werkte als een schok. In een oogenblik zaten de vrouwen in het zadel; de mannen liepen er naast. En de stoet zette zich in beweging, zoo spoedig de oneffen bodem van het woeste Hinnomdal het toeliet. Telkens zagen de mannen achterom naar boven; doch het scheen, dat de vrees van Azarja ijdel geweest was, want geen mensch vertoonde zich op den berg bij de Mistpoort.

Zij waren reeds aan de Zuidzijde van Jeruzalem gekomen, dicht bij Tophet, en hadden de Mistpoort uit \'t oog verloren, toen op eens een hevig geschreeuw hun oor bereikte. Verschrikt zagen allen om, en.... daar vertoonden zich in het dal, juist in de kromming er van de eerste ruiters!

«Daar zijn ze! Voort! Voort!» riep Joannes Marcus vol angst uit.

De drijvers sloegen de muilezels met dikke stokken, zoo dat zij nu in wilde vaart voortstoven, en de berijdsters zich met beide handen moesten vastklemmen om niet ter aarde te vallen. De mannen en

ocr page 403

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

jongelingen liepen zoo snel zij konden mee. Toch kwam het geluid der schreeuwende vervolgers en van de hoeven hunner paarden al dichter cn dichter bij.

«Om Gods wil, voort!!» riep Joannes Marcus weer. «Het geldt ons leven!»

«Ik vlucht niet langer!» riep Azarja op eens uit. «Het is om mij te doen! Als zij mij hebben, dan kunt gijlieden ongehinderd verder trekken! Ik zal hen afwachten! Gaat gijlieden voort. Vaarwel Suzanna! Mijne bruid! Mijn leven! Als ik sterven moet, zien wij elkaar weder in het koninkrijk Gods!»

«Ik blijf bij u!» riep Suzanna, en hield den muilezel in, waaropzij reed.

«Om Gods wil, voort dan!» riep Joannes Marcus weer.

«Kom, Azarja,» zei Joses, «nog is het niet verloren. Weldra zijn wij tusschen de bergen verdwenen, waar zij ons niet vinden kunnen. Ga voort!»

«Neen; ik ben besloten hen af te wachten!» antwoordde hij.

Door deze woordenwisseling was er vertraging in de vlucht gekomen, en de ruiters naderden nu met snelle vaart. Toen zij zagen, dat zij de vluchtelingen weldra zouden hebben ingehaald, zetten zij hunne paarden tot verdubbelden spoed aan, terwijl zij luide schreeuwden.

«Het is verloren! Wij kunnen niet meer ontkomen!» zei nu Joses Barnabas.

«De wil des Heeren geschiede!» antwoordde zijne zuster.

«Dat is uw schuld, Azarja!» zei Joannes Marcus. «Het is voor uwe verantwoording, wanneer wij allen sterven moeten!»

«Het is beter voor den Heer te sterven, dan Hem ontrouw te worden!» antwoordde Azarja.

Ziende, dat de ontkoming nu toch onmogelijk was, liet Joses do muilezels stilhouden. Zij stonden weldra opeen, en Joses trad vooruit om de vervolgers af te wachten.

Deze kwamen.nu aanrennen, tien in getal. Saul van Tarsen reed voorop. In de verte kwamen in het dal vele menschen uit Jeruzalem, die de ruiters gevolgd waren.

377

ocr page 404

«DLAZENDE DREIGING ÊN MOORD.»

Toen zij dichtbij gekomen waren hielden zij hunne paarden in. Saul sprong van zijn paard, en trad op Azarja toe, aan wiens zijde Suzanna stond.

Met een blik vol smartgevoel, medelijden en liefde zag Suzanna haren broeder, thans haren vijand en vervolger aan; zij bemerkte met één oogopslag, dat zijn uiterlijk vervallen was. Zijne oogen schoten stralen; zijn haar hing woest om zijn hoofd, en de hartstocht had zijne trekken geheel verwrongen.

Zonder op zijne zuster te letten greep hij Azarja bij den schouder, schudde hem heen en weer, en sprak met van toorn heesche stem:

«Gij woudt mij ontvluchten! Ha, vervloekt Belialskind! Het is u niet gelukt! Nu is de dag der wrake gekomen! Terug, naar de stad! Naar de gevangenis, gij Nazarener!»

«Saul! Broeder!» sprak Suzanna op diep ontroerden toon.

«Zwijg! Ik ben uw broeder niet meer!» snauwde hij haar tegen.

«Saulus van Tarsen, denk aan uw stervenden vader!» sprak nu Maria van Cyprus.

Deze herinnering scheen de woede van den jongeling slechts aan te wakkeren.

«Neemt hen gevangen! Hen allen! Terstond!» riep hij de dienaren toe. «Zorg, dat er niet één ontkome!»

«Hebt gij daartoe het recht, Saul?» vroeg Joses Barnabas.

«Dat gaat u niet aan! Gij zult dat zelf wel ondervinden. Beklaag u, als ge wilt, als ge voor den Raad wordt gebracht! En nu voort! Terug naar de stad!»

De ruiters omringden het gezelschap Nazareners aan alle zijden. Saul stelde zich weer aan het hoofd, en terug ging het, door het dal, weer naar de Mistpoort. Het uit de stad aangeloopen volk ontmoette hen weldra, en voegde zich bij den stoet, en 100 trok men weldra de stad weer binnen.

Tegen de steile helling van het dal Tyropaeon aan de zijde van den heuvel Zion, waarop de Bovenstad gebouwd w-as, in de nabijheid van de verbindingsbrug, die van het paleis van Agrippa en

378

ocr page 405

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

den Xystus naar het voorhof des tempels voerde, waren de cellen, waarin de ongelukkige Nazareners werden gevangen gezet. Zonder eenige andere opening dan een hoog van ijzeren tralies voorzien venster, zonder eenig gemak, slechts voorzien van een steenen bank en eene waterkruik, de kille steenen wanden en de vloer bedekt met onreinheid, waren deze cellen niet zeer geschikt tot verblijf voor personen uit den aanzienlijken stand, zooals Suzanna, Azarja, Maria van Cyprus en Joses Barnabas, die aan frissche lucht, reinheid , goede legersteden en voedsel gewoon waren. Maar wat vroeg de vervolger daarnaar? Hij had alle teedere gewaarwordingen onderdrukt, en luisterde naar geen andere stem meer dan naar die van de blinde dweepzucht, die hem tot steeds heftiger vervolging, steeds grooter ijver en steeds meerder hardheid en wreedheid aanspoorde. Volmacht was hem door den Hoogepriester verleend, om niet alleen de aangeklaagden, maar alle verdachten gevangen te nemen. Dienaren en paarden stonden tot zijne beschikking. Alle vijanden van den Nazarener en diens volgelingen verheugden zich, dat er zulk een ij veraar voor de wet was opgestaan, en ook het volk van Jeruzalem, het zoo ongestadige, links en rechts heen en weer geslingerde volk, was op zijn hand. Gereed om in elk, die eenigszins op den voorgrond trad, een gezant van God, ja een voorlooper van den Messias te zien, werd de geestdrift der Joden w-akker, toen zij den vervolgingsijver van dezen jongen Farizeër zagen. Geheel Jeruzalem was spoedig als van een vervolgingskoorts aangegrepen, en velen, die nog kort geleden van de wonderdadige geneeskracht van Simon Petrus of van Stefanus of van een der anderen gebruik gemaakt hadden, waren nu vooraan, waar het gold de Nazareners uit te jouwen en te schelden.

Azarja en Suzanna werden van elkander gescheiden, en ieder in eene afzonderlijke cel opgesloten. Toen zij van elkander werden gerukt spraken zij elkaar moed in. «Houd goeden moed, Azarja, mijn bruidegom!» riep Suzanna. «Denk aan Golgotha en hem, die daar stierf aan het kruis 1»

379

ocr page 406

380 «BLAZENDE DREIGING EN MOORlX»

c.Tot wederziens in Zijn koninkrijk, mijne geliefde!» antwoordde Azarja.

Toen waren zij gescheiden, Azarja werd met ketenen beladen in een der bovengenoemde cellen gesloten, onzeker of ook Suzanna een gelijk lot zou treffen. Toen hij het donkere hol, waaruit een walgelijke stank hem tegenkwam, binnentrad, ontzonk hem voor een oogenblik den moed. Hij bleef op den drempel staan, weifelend binnen te treden. De dienaar, die hem geleidde, gaf hem echter op ruwe wijze een duw, en sloot de ijzeren deur achter hem dicht.

De stank scheen zijn adem te beklemmen; in de duisternis kon hij eerst niets onderscheiden. Doch weldra begon hij bij de flauwe lichtstraal, die van boven inviel, meer te zien. Ook aan de lucht wendde hij een weinig.

Hij zonk neer op de steenen rustbank, en barstte in tranen uit.

«O mijne Suzanna! Moet gij in zulk een hol vertoeven?» riep hij uit. «Voor mij is het bijna niet uit te houden. En gij dan? En de arme Maria van Cyprus, en al die anderen! O God der wrake! Waarom laat gij toe, dat de booze triomfeert? Waarom laat gij Uwe vijanden razen tegen Uwe gemeente?»

Eenige oogenblikken later echter werd hij kalmer. Hij zonk op zijne knieën neer, vouwde de handen boven zijn hoofd, lei zijn aangezicht op den kouden vloer, en bad, bad lang en vurig. En toen

*

hij eindelijk opstond, was hij gesterkt. Hij gevoelde de geestelijke tegenwoordigheid zijns Meesters; en het was hem in de inmiddels ingevallen duisternis, alsof hij hem zag, met de doorboorde handen zegenend naar hem uitgestrekt, het hoofd bedekt met den doornenkroon. En in de ekstase van dit visioen riep hij uit:

»0 mijn Heer en Koning! Ik wil u volgen tot in den dood! Sterk mij om getrouw te blijven!»

Toen werd hij kalm. Vrede en zaligheid daalde neer in zijn gemoed. Hij strekte zich uit op\'de rustbank, en was weldra diep in slaap.

Suzanna was, nadat zij van de zijde van Azarja weggerukt was.

ocr page 407

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.» 381

eveneens in zulk een donkeren kerker geworpen. Wel had Saul, een oogenblik aan een beter gevoel toegevende, er voor laten zorgen, dat die cel een weinig gereinigd was, en dat er een kleed op de harde rustbank lag, maar overigens was deze cel gelijk aan die, waarin Azarja geworpen was. Ook haar kwam een onreine lucht tegen, toen zij binnentrad, en onwillekeurig vroeg zij haren geleider:

«Moet ik hier blijven?»

«Ja, schoone afvallige dochter van Israël!» antwoordde deze. «Het is wel geen sierlijk verblijf voor een van Sions dochteren; maar dat is het gevolg er van, als men in een valschen Christus gelooft.»

«Ik geloof in den waren, den eenigen Christus!» antwoordde zij. «Hij echter was veracht, de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten. En waarover zou ik, zijne volgelinge klagen? Wilt gij ook niet in hem gelooven, mijn vriend?»

«Zwijg!» antwoordde de ander. «Ik heb er al zooveel van gehoord, dat ik haast zou verleid worden. Maar dat mag niet!»

«Waarom niet? Het is beter hier de smaad des Heeren te dragen en eens mee gekroond te worden, dan nu voorspoedig te zijn en eens te worden uitgeworpen.»

«Neen, neen! Zwijg er van! Ik moet voor mijne oude moeder zorgen; en kan mij niet inlaten met iets, dat mij mijne vrijheid en misschien mijn leven kosten zou!»

«Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig, sprak de Meester.»

De dienstknecht antwoordde niet; hij wendde zich om, en terwijl hij heenging sprak hij alleen:

«De Heer moge u sterken !»

Toen sloot hij de deur, en Suzanna was alleen, alleen in den kerker, waarin haar broeder haar geworpen had.

Hare cel was een weinig lichter dan die, waarin Azarja geworpen was. Maar toch was het verblijf nog onooglijk genoeg voor de dochter van een Farizeër, die aan de gemakken en de weelde ge-

ocr page 408

382

woon was van de aanzienlijke Joden van die dagen. Zij lotte echter nauwlijks er op, vervuld als zij was met lioogere gedachten. Zij stond een poos, nadat de dienstknecht de deur achter haar gesloten had, in het midden van de cel, hare armen neerhangende langs hare gestalte en de handen licht gevouwen, met opgeheven hoofd starende met hare groote donkere oogen omhoog, naar het scheen naar het tralievenster, waardoor een laatste lichtglimp heengleed en hare ranke gestalte verlichtte, hare in het wit gekleede figuur sterk doende uitkomen tegen den donker grauwen achtergrond. In hare zielvolle oogen tintelde echter een vreemden glans, en zij scheen te staren in wijde verten ....

Zachtkens bewogen zich hare lippen. «Vrees niet,» zoo fluisterde zij, «want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen; gij zijt de Mijne. Wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, cn de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heer uw God, de He:lige Israels, uw Heiland!»

Daarop bief zij in ekstase de gevouwen handen omhoog, en riep in geestvervoering:

«Dank, o dank, mijn God en Vader! Gij zijt bij mij! Al ga ik ook door een dal van doodschaduwen, ik zal geen kwaad vreezen! O sterk mij, mijn God, om getrouw te zijn! Verheerlijk U in Uwe dienstmaagd! En ontferm U over mijn verblinden broeder!»

Daarop zag zij om zich heen, en glimlachte. «Een fraai verblijf voor de dochter van Rabbi Juda!» fluisterde zij. «Maar wat nood, Waar de Heer met mij is, daar is het goed en heerlijk!»

Zij zette zich nu neder op de rustbank. De laatste schijnsels vielen door het hooge tralievenster, en de hoeken van.de cel werden in duisternis gehuld. Zij strekte zich uit op de harde bank, en trok het wollen kleed over zich heen. Toen sloot zij dc oogen, cn sliep weldra den slaap der onschuld.

Daarbuiten, in Jeruzalem, heerschte intusschen groote onrust en

ocr page 409

«HI.AZENDE DREIGING EN MOORD.«

beroering. Den gehcclen dag reeds hadden gevangennemingen plaats gehad; tal van Nazareners hadden in allerijl het allernoodzakelijkste bijeengepakt, en waren ontvloden. Anderen hadden zich gehaast openlijk den naam van Jezus te verloochenen om van vervolging bevrijd te blijven. Omgekeerd waren nu juist, nu de vervolging begonnen was, velen, tot dusverre niet bij de gemeente aangesloten, er toe gekomen om zich tot den doop aan te melden, ten einde de lotgevallen der Nazareners te deelen. Een ander deel des volks, — en dit had den boventoon, — schreeuwde moord en vervolging tegen de onschuldige lieden, die niemand overlast aandeden. De Rabbi\'s waren steeds op straat en bewogen zich onder het vólk, meestal met gejuich begroet, doch door een enkele met toornige blikken nagekeken. De dienaren en soldaten, die door het Sanhedrin ter beschikking gesteld waren van Saulus van Tarsen, hadden handen vol werks, om al de gevangennemingen te volbrengen; want nu Saul eenmaal volmacht om te handelen bekomen had, hield hij zich niet alleen bij de door hem ingeleverde lijst, maar liet ieder gevangen nemen, van wien hij vermoeden kon, dat hij ook tot de gehate sekte behoorde. Hij ging in de huizen, en sleepte de lieden, beide mannen en vrouwen, uit hunne woning, bond hen, en liet hen in de gevangenissen werpen. Hij gunde zichzelven geen rust, en zag er uit als een verwilderde, of als een bezetene, zoodat hij onwillekeurig reeds schrik aanjoeg als men hem zag.

Het liep tegen den avond, en nog steeds waren de dienaren van het Sanhedrin bezig in dienst van Saul de Nazareners gevangen te nemen. Saul zat op de binnenplaats van het huis van den Hooge-priester, op een houten bank, en rustte een weinig uit. Hij leunde met de hand op een speer, die hij van een der soldaten geleend had. Zijn hoofd was voorovergebogen, en zijn haar viel over zijn voorhoofd.

Er kwam iemand naar hem toe, en legde de hand op zijn schouder.

Saul zag op.

«Simon Ben Gamaliel!» zei hij. «Zijt gij het?»

383

ocr page 410

3S4

«Ja, Saul Ben Juda, ik ben het. Ik kom u opzoeken; ik wilde eens met u spreken. Of hebt gij geen tijd?»

«Op dit oogenblik heb ik wel een weinig tijd. Straks moet ik nog even onderzoeken, of alle personen, waarvoor ik bevel gaf, in de gevangenis zijn.»

«Gij zijt een echte Zeloot geworden, Saul. Ik had dit nooit achter 11 gezocht.»

«Vroeger was ik ijverig om de wet te leeren, nu ijver ik om de wet te handhaven en te beschermen.»

«Meent ge inderdaad, dat de wet het noodig heeft beschermd te worden door ons?»

Saul zag hem met een toornig oog aan. «Zijt gij een Nazarener, zoo zeg het mij!» antwoordde hij.

«En dan zoudt gij zeker ook mij in de gevangenis laten werpen, niet waar?»

«Als gij openlijk er voor uitkwaamt, dat gij dien vervloekten Jezus voor den Messias houdt, ja zeker!»

«Doe geen moeite! Ik ben geen lid dier sekte noch ook denk ik er over een aanhanger te worden van den Nazarener. Maar ik ben evenmin een Zeloot; en ofschoon ik gaarne het zwaard zal trekken als het moet om de gehate Romeinen te verdrijven, zie ik toch in de vervolging dier lieden, die niemand kwaad doen, geen heil.»

«Wat?» riep Saul uit, «keurt gij de handelingen van den Hooge-priester Gods af? Maar ik weet het, gij volgt geheel de zienswijze uws vaders. Lang genoeg deed ik dat ook, en deed niets om die sekte te bestrijden. En een gevolg daarvan is, dat zij al verder en verder 0111 zich grijpt. Nu ben ik tot andere overtuiging gekomen. Ik heb mij met eede bezworen niet te rusten voor die vervloekte, godslasterlijke sekte van den aardbodem verdwenen is!»

«En om dat doel te bereiken ontziet gij zelfs uwe eenige zuster niet!»

«Ik heb haar lang genoeg verdragen, en de eer van God gaat boven de banden des bloeds. Zij is eene halstarrige Nazareensche, en zelfs eene der zoogenaamde profetessen. Ik heb lang beproefd

ocr page 411

385

haar tot de wet terug tc voeren; maar ofschoon zij naar het uitwendige zich er in schikte om de inzettingen tc onderhouden, toch deed zij dat met tegenzin en heeft het mij dan ook ten slotte eerlijk bekend, dat zij geen waarde hechtte aan al die inzettingen.»

«Zij dwaalt ongetwijfeld,» antwoordde Simon, «maar ik betwijfel het, of gij door geweld iets bij haar zult uitwerken. Gij zult haar integendeel slechts versterken in hare dwalingen. Vergeet niet, dat zij eene dochter Israels is, en dat zij de fierheid van ons volk bezit, dat wel den nek kromt onder de hand van den geweldenaar, maar zich niet geheel ter aarde buigt. Evenals een lans, krom gebogen, weer haar rechten stand herneemt, zoodra zij wordt losgelaten, evenzoo .wordt de ware Israëliet door den tegenstand en de verdrukking niet gebogen. Gij wilt de sekte uitroeien, zegt gij. Ik zeg u, Saul lien Juda, gij zult uw doel niet bereiken. Misschien, dat gij cenige zwakke zielen tot wankelen brengt; lieden, dien het aan lijdens-en stervensmoed ontbreekt; zij zullen misschien hun geloof verloochenen. Maar anderen zullen juist door den tegenstanc\'en het lijden sterker worden, en liever den dood ondergaan dan hun Meester ontrouw worden, (ïij hebt het in dien Stefanus gezien! En ook denk ik, dat nu juist sommigen, die in \'t geheim tot dat geloof neigden, er openlijk voor zullen uitkomen. En het eind zal zijn, dat gij de uitbreiding der sekte slechts bevordert!»

«Wat wilt gij dan ? Moet men het kwaad dan maar laten voortwoekeren? Moeten wij het lijdelijk aanzien, dat een steeds grooter deel van het volk afvallig wordt van de wet?»

«Zij zijn geen afvalligen van de wet, al erkennen zij dien Jezus voor den Messias. Zij zijn allen trouw in het vervullen der wet!»

«Wat? En heeft die Stefanus dan niet de wet gelasterd? Zeggen zij niet, dat de wet niet meer noodig is? Zij schikken zich naar het uiterlijke nog naar ons, maar zij hechten geen waarde meer aan de vaderlijke instellingen. Zij zijn verachters van de wet en den tempel, en vervloekte lasteraars van God en Zijne inzettingen! Neen, zwijg

25

ocr page 412

386

mij van verdragen en dulden! De tijd van wachten is voorbij, de tijd van het oordeel is aangebroken!\')

En in opgewondenheid stond de jonge ijveraar op en liep met driftige stappen heen en weer op de binnenplaats.

Simon Ben Gamaliel zag hem een wijle zwijgend na, met over elkander gekruiste armen. Eindelijk, toen Saul weer bij hem gekomen was, sprak hij weer;

«Eén vraag, Saul van Tarsen! Hebt gij uwe zuster Suzanna ook opgesloten in de cellen onder den Xystus?»

«.Natuurlijk! Wat meent gij, dat ik met haar eene uitzondering zou maken?»

«Zij is uwe zuster!»

«Zwijg daarvan! Pijnig mij niet! Meent ge, dat het mij niets kost haar, die ik liefgehad heb met mijne gansche ziel, te moeten behandelen als eene vervloekte afvallige ? Maar ik heb haar losgelaten! Zij is niets meer voor mij dan eene Nazareensche, een lid der

vervloekte sekte!»

«Gij hebt de macht haar te laten ontvluchten. Laat haar heengaan naar uwe familie te Tarsen! Wat deert het u, als zij daar ginds is! Er blijven nog slachtoffers genoeg over voor uwe wraak!»

«Neen, zwijg! Verleid mij niet tot eene zwakheid! Ik mag geen onderscheid maken! Zij is gevangen genomen en moet voor het Sanhedrin verschijnen. En de Oversten zullen haar vonnis uitspreken!»

«Gij zijt hard en wreed, Saul! Gij valt mij zeer tegen! IJver voor den Heer zooveel gij wilt, maar bevlek uwe handen niet met het bloed van de dochter uws vaders!»

Deze herinnering riep de woede van den \\eivolger wakker. Zijne wenkbrauwen fronsden zich, zijn oog schoot vlammen. Hij plaatste zich vlak voor Simon en sprak met van toorn héesche stem:

«Die dochter zij vervloekt! Heeft zij niet schande op mij geladen, door dien vader, den vromen Rabbi Juda te verleiden tot hare verfoeilijke dwaling? Hij, die zijn leven lang getrouw geweest is in het onderhouden der wet, is op het einde zijns levens door die

ocr page 413

38?

Belialsdochter vervoerd geworden en gestorven als een aanhanger van den vervloekten gekruisigde! Laat zij sterven! Niet mijne handen worden bevlekt met haar bloed! Haar bloed zij op haar eigen hoofd!»

En zonder Simon verder te groeten keerde hij zich om, en ging het huis binnen.

Simon zag hem hoofdschuddend na. Daarna ging hij langzaam heen en verliet het huis van den Hoogepriester.

Buiten gekomen voegde zich een ander persoon bij hem, die blijkbaar op hem gewacht had.

«Hoe is het?» fluisterde deze hem toe.

«Er is geen kans voor haar, Ismael! Zij is gevangen in eene cel onder den Xystus, en Saul wil niets er van hooren haar te laten vluchten. Zij zal voor den raad komen, en zeker wel met al de anderen ter dood veroordeeld worden!»

«Ik zal haar redden!» antwoordde Ismael Ben Alexander.

«Gij? Hoe zult gij dat doen? Wees voorzichtig! Nu verdenkt niemand u; maar er is weinig noodig om onder verdenking te komen. En ik verzeker u, dat Saul, die nu oppermachtig schijnt te zijn, u evenmin sparen zal als zijne zuster.»

«Ik zal wel zorgen, dat hij mij niet in handen krijgt! Wees gegroet, Simon! Dank voor uwe hulp.»

Met deze woorden verwijderde zich Ismaël, en begaf zich naar het gebouw, waar de Nazareners gevangen zaten. Een half uur later was hij in druk gesprek met den gevangenbewaarder.

«Ik herhaal het,» sprak de laatste, «het is een gewaagd stuk! Ik zou u gaarne willen helpen, want ik ook heb medelijden met uwe schoone nicht. Maar haar broeder is nu machtig, en ik vrees voor zijne wraak, als hij het ontdekt!»

«Vrees niet! Hij heeft het veel te druk met de anderen, en zal u voorloopig wel met rust laten,» antwoordde Ismael. «Kom, broeder, beloof het mij! Neem deze beurs; zij is vol zilverlingen. En help mij de arme Suzanna bevrijden!»

ocr page 414

388 «BI-AZENDE DREIGING EN MOORD.»

«Welnu, het zij zoo! Ik zal u helpen. Maar ik reken op u, Ismael Ben Alexander, dat gij mij beschermen zult!»

«Ik beloof het u! Maar gij behoeft niets te vreezen. Gij hebt niets te doen; laat mij maar begaan. Wijs mij hare cel en geef mij den sleutel. Voor de rest zal ik zorgen.»

Tntusschen sliep Suzanna in haren kerker gerust. Midden in den nacht echter werd zij wakker door een vreemd geluid, dat zij hoorde. Zij kon zich eerst niet herinneren, waar zij was, en verwonderde zich, dat zij niet op haar eigen rustbed lag en dat het donker rondom haar was. Zij moest nadenken om zich te bezinnen. Doch nu omscheen een helder schijnsel haar, en verlichtte met rossen gloed de muren van haren kerker, zoodat zij op eens zich alles herinnerde. En eer zij kon opstaan, om te zien, vanwaar dit licht kwam, hoorde zij zeggen:

«Suzanna, sta op, en volg mij!»

Zij ging overeind zitten en zag rond. De deur van haren kerker stond open: en voor haar stond, vergezeld van een slaaf met een walmende flambouw, haar neef, Ismael Ben Alexander. Zij zag hem verwonderd aan en zweeg.

«Kom, haast u!» zei hij weder. «Omgord u; sla dit kleed omen ga mee. Wij hebben niet veel tijd te verliezen. De cipier houdt zich slapende, en de wachters zijn tevreden gesteld. Maar elk oogen-blik kan Saul komen, om te zien, of alles wel in orde is. Haast u dus! Buiten wachten de muilezels!»

Suzanna begreep hem nu. «Gij wilt mij doen vluchten?» zei ze. «Hoe hebt ge toegang tot mij kunnen krijgen?»

«Dat vertel ik u later wel. Maak nu voort, want et is geen tijd te verliezen. Volg mij, en ik zal u verlossen uit de handen van uwen wreeden broeder, die zijn eigen vleesch en bloed niet ontziet!»

Suzanna was opgestaan. Ismael wierp haar een kleed om de schouders, en wilde haar met zich meevoeren.

«Wacht!» zei ze. «Is het wel goed\'? Mag ik vluchten, terwijl al de

ocr page 415

«DLAZENTDE DREIGING EN MOORD.»

anderen in de gevangenis zuchten? Js het niet laf? Moet ik niet liever alles lijden en den dood ondergaan voor den Meester?»

«Kom, kom!» antwoordde Ismael ongeduldig, «dat zou te pas komen, als gij niet eene gelegenheid hadt om te ontkomen. Gij moogt echter uw leven niet nutteloos wegwerpen!»

«Mijn leven behoort aan den Heer! Hem wil ik volgen in het lijden, en als het moet in den dood!»

«Wat het lijden betreft, daarvan hebt gij reeds rijkelijk uw deel. En het zal ook verder nog zoo spoedig niet voorbij zijn. Ik kan u niet een rustig, gemakkelijk tehuis bereiden. Ik kan u slechts redden van den dreigenden dood, die zeker u wacht als gij hier blijft, doch die gij nog kunt, nog moet ontgaan!»

Suzanna weifelde nog. Haar hart kwam er tegen op andermaal de reeds eenmaal mislukte vlucht te beproeven. Daarbij dacht zij aan haren geliefde. Wat zou er van hem worden?

Ismael scheen hare gedachten te raden.

«Gij denkt aan Azarja,» zei hij, «maar gij kunt nu toch niets voor hem doen. Geloof mij, als ik kon, ik redde ook hem! Want ik weet, dat gij hem lief hebt; en daarom zou ik hem helpen, als ik kon, om uwentwil, Suzanna!»

«Om mijnentwil alleen? Niet om zijnentwil? Niet om der wille van hem, dien wij beiden belijden als onzen Heer, en in wien gij immers ook gelooft?»

«Om uwentwil alleen, Suzanna! Om uwentwil! Want al zijt gij de bruid van een ander, o laat het mij mogen zeggen! Ik heb u lief, Suzanna! Ik heb u lief als mijn leven, ja meer dan mijn leven! En gaarne waag ik dat leven, dat voor mij, als gij sterven moet, toch waardeloos is, als ik er uw leven mee redden kan! Kom, Suzanna! Weifel niet langer! Volg mij! En ik zal u ontrukken aan de klauwen van den vervolger!»

«Gij hebt mij lief? En gij wilt, dat ik met u zal vluchten, ik, die de bruid van Azarja ben ?»

«Vrees niets, Suzanna! Ik eerbiedig uwe verbintenis met hem!

ocr page 416

390 «BLAZENDE DREIGING EN MOORD.ï

Meen niet, dat ik van uwe machteloosheid misbruik zou maken; dat ik u wil ontvoeren om u in mijne macht te hebben, om u tot ontrouw aan Azarja te verleiden! Neen! Tot zulk eene laagheid is de zoon van Rabbi Alexander niet in staat! Nog eens, vrees niet! Volg mij! Heeft de Heer niet vroeger Zijn engel gezonden om de voorgangers uwer gemeente uit den kerker te bevrijden? Waarom zou Hij mij nu niet willen gebruiken om u te bevrijden? Kom! Het wordt hoog tijd! Wij mogen niet langer toeven!»

En hij greep haar aan en voerde haar, nog weifelend, en half onwillig, mee, door de gangen van het gebouw naar een klein poortje, dat in het Tyropaeondal uitkwam. Daar wachtte nog een slaaf met twee muilezels. Ismael deed Suzanna den eenen bestijgen, besteeg daarop zelf den anderen, en voort ging het toen, begeleid door de slaven met de flambouwen, door de bochtige straten van Jeruzalem, door de stilte des nachts, totdat zij de heilige stad verlaten hadden en tusschen de bergen verdwenen.

Saulus van Tarsen had een onruatigen nacht doorgebracht. Hoezeer hij ook tegenover Simon zich op zijn standpunt van vervolger had gehandhaafd, ook ten opzichte van zijne zuster, toch hadden de woorden van den bezadigden, verstandigen jongeling niet nagelaten indruk op hem te maken. «Laat haar vluchten!» Deze woorden klonken telkens weer in zijn oor. En eveneens kon hij de laatste woorden, door Simon gesproken, niet vergeten: «Bevlek uwe handen niet met het bloed van de dochter uws vaders!»

O, het kostte hem meer dan hij aan zichzelven bekennen wilde, meer dan anderen vermoedden, de vervolging ook toe te passen op zijne eigene zuster, die hij vroeger waarlijk lief had gehad, met wie hij als kind altijd had samengeleefd, en die nog steeds eene groote plaats in zijn hart besloeg. Hoe gaarne had hij gezien, dat zij werkelijk gevlucht was! Als die Azarja maar gevangen geweest was! Dan zou hij die anderen, en ook Suzanna wel hebben laten vluchten. Maar nu had hij dat niet mogen toelaten! Azarja moest gestraft worden! Azarja, die hem reeds lang een aanstoot was, en

ocr page 417

\'((BLAZENDE DREIGING EN MOORD.» 291

een der ijverigste predikers van de dwaalleer. En Suzanna had nu eenmaal haar lot aan het lot van dien man verbonden; nu was het voor hare eigene rekening, als zij met hem ook in het verderf werd gestort!

Hij trachtte zichzelven door zulke overleggingen te overtuigen, dat hij niet anders kon handelen dan hij deed. Maar het gelukte hem niet de gemoedsrust te vinden. Onrustig wierp hij zich heen en weer op zijn leger, en vond geen verkwikking in de rust des slaaps. En toen hij eindelijk tegen den morgen .een weinig insluimerde, verschrikten nare droomen hem, waarin hij voortdurend den stervenden Stefanus voor zich zag, met dat bebloede, ten hemel gerichte gelaat, en de handen biddend gevouwen. En terwijl hij in den droom hot onvergetelijk tooneel van den dood van den eersten martelaar beschouwde, veranderde deze ongemerkt in Suzanna, en zag hij haar lief gelaat, waarover hij in den droom zich heenboog.

Eindelijk stond hij op en wiesch zich. Het was nog zeer vroeg; de zon was nog niet boven de kimmen; een flauwe schemering begon do nachtelijke duisternis te verdrijven. Hij nam een stuk brood, zegende het, en brak het om het te nuttigen. Daarop dronk hij een teug uit een kruik met wijn en water, die hij bij zich had, omgordde het opperkleed, en verliet het vertrek, waar hij den nacht had doorgebracht.

Onwillekeurig richtte hij zijne schreden naar de plaats, waar zijne gedachten den ganschen nacht hadden verwijld, naar de gevangenis onder den Xystus. Hij wandelde langs het gebouw aan de onderste zijde, door het dal Tyropaeon, waar men den hoogen muur uit groote steenblokken samengesteld zag omhoogrijzen, hier en daar van kleine getraliede vensters voorzien. Daar, achter dien muur gt; achter die vensters, daar zaten zij gevangen, zijne slachtoffers, de Nazareners; daar zaten priesters en levieten, aanzienlijken en geringen, allen in zijne macht overgegeven. Voor hem sidderden nu die duizenden, die nog zoo kort geleden vol overmoed optraden, en die cen g^ruisigde hun koning noemden. Hij, Saulus Ben Juda, de

ocr page 418

392

jongeling, was machtiger dan hun machtelooze, doode profeet en Messias! Als hij dan de Christus was, waarom bevrijdde hij dan zijne volgelingen niet uit zijne macht? Waarom kwam hij dan niet met de wolken des hemels, met groote kracht en heerlijkheid, zooals Daniël het van den Messias voorspelde en de Nazareners het verwachtten? Was het geen ijdele dwaasheid, geen godslasterlijke leugen, te leeren en te geloovcn, dat iemand, die als een slaaf en vervloekte aan een smadelijk kruis gestorven was, en wiens aanhangers nu als weerlooze schapen in de macht van een jongeling als hij waren overgegeven, de machtige en heerlijke Koning Israels zou zijn? «Weg met die ergernis! Weg met dien Nazarener! Weg met zijne aanhangers! Vervloekt moeten zij zijn! Verdelgd moeten zij worden!»

In zulke gedachten verdiept wandelde Saulus van Tarsen voort, en trachtte de onrust en het smartgevoel, dat ondanks al zijn ijveren zijn hart steeds meer en meer bekroop, te onderdrukken. Telkens, telkens weer moest hij denken aan al de indrukken, door den loop des tijds ontvangen; de doopplechtigheid in den Kidron; het toen door de Nazareners gezongen lied, de vrede en blijdschap, die hij had gevoeld, dat in het hart zijne zuster woonde; haar beminnelijke voorkomendheid, die door haar geloof in den Nazarener niet minder maar veel meer geworden was dan vroeger, de eigenaardige verheerlijking van het gelaat van Stefanus, toen hij voor den Raad stond, en de woorden, door hem stervend gesproken; de laatste blik van den stervenden diaken. En niet minder zag hij voor zich dat weerlooze hoopje Nazareners, dat hij gisteren gevangen genomen had, en zijne zuster vooraan, naast Azarja.

Naast Azarja! Die gedachte verdreef weer alle zachtere aandoeningen, en riep den ijver, neen, den haat tegen de Nazareners weder wakker.

Waarom haatte hij toch dien jongeling?

Hij wist het zelf nauwelijks. Vroeger was hij hem eigenlijk onverschillig geweest. Ofschoon Simei wreed en ruw was, en Azarja altijd

ocr page 419

393

vriendelijk en zacht, trok toch de woeste Zeloot Saulus meer aan, ook reeds in vroeger jaren, dan de toen zoo wankelmoedige Azarja» die dan hier, dan daar het licht zocht, en niet, zooals hij, met beslistheid en volhard ng zich op de studie der wet had toegelegd. Eigenlijk gevoelde hij vroeger eene soort minachting voor den schijnbaar onstandvastigen, licht bewogen jongeling. Maar sedert die jongeling met zijne zuster Suzanna, zijne vroegere vertrouwelinge en speelnoote, steeds meer vertrouwelijk geworden was, sedert zij beiden tot het geloof in den Nazarener gekomen waren, en vooral sedert ook zijn vader door invloed van Suzanna, en, zooals Saul meende, ook door invloed van Azarja, tot het dwaalgeloof bekeerd en er in gestorven was, en hij, thuiskomende, zijne zuster verloofd had gevonden met dien Azarja, was de vroegere minachting tot tegenzin, de tegenzin tot vijandschap, de vijandschap tot haat geworden.

Ja, hij haatte hem! En in hem haatte hij de geheele sekte, ja den stichter er van! Wel had hij den Nazarener nooit gezien of gehoord, en had hij ook weinig zich bemoeid met diens veroordeeling en dood, maar )tu haatte hij hem, als de oorzaak van het ontstaan dier godslasterlijke sekte, als een valschen Christus, een vijand van God en van de wet van Mozes. En hij zou voortgaan! Voortgaan zonder rust, totdat hij de volgelingen van dien vervloekten Jezus geheel en al verdreven, tot de wet teruggebracht of uitgeroeid had!

Weder was hij het met zichzelven eens geworden. De stemmen, die hem influisterden toch niet zoo aan zijn blinden haat toe te geven, en naar de betere indrukken te luisteren, waren weer tot zwijgen gebracht. Saulus van Tarsen was weer gereed tot de taak, die hem wachtte op den nieuwen dag; de voortgang met het werk der vervolging. Heden zouden de eerste slachtoffers van zijne vervolgingswoede vallen. Verschilende personen waren veroordeeld om gesteenigd te worden. En indien er slechts spoedig zitting gehouden werd door den Raad, dan zouden ook de gisteren gevangen genomen personen, althans de voornaamsten, gevonnisd en tegelijk met de anderen ter dood gebracht kunnen worden. Ook Azarja 1

ocr page 420

394

En Suzanna? ■— Nu hij er aan dacht, hoe zij, de vroeger hem zoo dierbare zuster, ook onder dien hoop zou zijn, en sterven als eene geschandvlekte, gevoelde hij een weinig spijt, dat hij maar niet gedaan had, wat Simon Ben Gamaliel hem had aangeraden.

Waarom ook niet? Had hij niet de macht? Het is waar, als zij ontvluchtte en naar Tarsen ging, dan zou haar een vreeselijke dood, en hem eene openlijke schande bespaard worden!

Maar hij kon toch zijne eigene gevangenen niet laten ontvluchten ? Neen, neen! Dat kon niet! De gerechtigheid moest zijn loop hebben!

En hij dwong zichzelven niet aan Suzanna te denken. «Zij is dood voor mij!» herhaalde hij telkens bij zichzelven. Maar juist die herhaling bewees, dat zij niet dood voor hem was.

Een ander beeld verrees voor zijn geest. Hij dacht aan Esther, de schoone dochter van Rabbi Jona Ben Amittaï, zijne bruid. Hoe trotsch was hij op haar! Hoe spoorde zij steeds hem aan tot ijver! Ja, zij was het geweest, die het vuur der heilige ijvergloed bij hem ontstoken had! Zij ook was het, die het telkens weer aanwakkerde\'

En in den geest zag hij zich reeds met haar verbonden. Nu reeds was hij met volmacht van den Hoogepriester bekleed. Met Rabbi Jonathan Ben Annas, die het volgende jaar Hoogepriester zija zou, was hij zeer vertrouwd. Zijn ijver werd zeer geprezen door allen, en zeker zou het niet onvergolden blijven, als hij de sekte der Nazareners uitroeide, en het geloof in den valschen Christus onderdrukte. Alle eereambten stonden voor hem open; na weinige jaren zou hij ook Rabbi zijn; en Esther zou de huisvrouw worden van hem. Rabbi Saul Ben Juda!...

Het was nu geheel dag geworden; en Saul richtte zijne schreden weder naar het paleis van den Hoogepriester. Hij wilde vragen of de vergadering, waarin de gevangen Nazareners verhoord moesten worden, niet spoedig, reeds in den voormiddag, kon plaats hebben, opdat de veroordeelden tegelijkertijd konden worden ter dood gebracht, voor zoover zij daartoe werden veroordeeld.

Om het huis van den Hoogepriester te bereiken moest hij terug

ocr page 421

«BLAZENDE DREICINd EN MOORD.»

gaan, cn weder de gevangenis voorbijgaan. Toen hij langs de poort ging, bemerkte hij eene ongewone opschudding. Naderbij komende vroeg hij, wat er was; of er iets met de gevangenen niet in orde was.

«Een der gevangenen is ontsnapt, Heer!» antwoordde hem een krijgsknecht.

«Wie is die gevangene?»

«Suzanna, de dochter van Rabbi Juda, uwe zuster!» luidde het antwoord.

Het was, alsof plotseling een zware last van het hart van Saul werd afgewenteld. Nu eerst gevoelde hij het, hoe zwaar hem de gedachte viel, dat zijne eigene zuster misschien zou moeten worden gesteenigd. Als zij ontsnapt was, dan was hij van die zorg ontslagen. Hij had zijn plicht jegens haar vervuld; nu zij zonder zijn toedoen toch was ontkomen, was het beter zoo. Met des te meer vrijmoedigheid kon hij nu voortgaan en de overige Nazereners aan den dood overgeven.

Hij antwoordde niets anders dan: «Roep den gevangenbewaarder!»

Deze hield zich, alsof hij niets van de zaak wist. «Wat zal ik zeggen!» zei hij. «Het is een geval als vroeger, toen de leiders der Nazareners gevangen genomen waren, doch \'s nachts werden bevrijd, zonder dat iemand kon begrijpen hoe. Zooals toen was \'t nu. De cel, waarin de gevangene bewaard werd, was gesloten. De wachters waren op hun post, en ook de poort der gevangenis was dicht; doch toen ik de gevangenen bezocht om hun brood te geven, was de cel, waarin uwe zuster opgesloten was geweest, ledig, en van haar was geen spoor te ontdekken.»

«Ik zal het aan den Hoogepriester berichten,» antwoordde Saul. «Gij zidt u er over moeten verantwoorden. Zorg nu slechts, dat er niet meer ontsnappen! Straks zullen zij allen voor den Raad moeten verschijnen.»

«Ik zal voor alles zorgen. Heer!» antwoordde de cipier.

Saul ging heen. Toen hij weg was, mompelde de gevangenbewaarder bij zich zeiven:

ocr page 422

«BLAZENDE DREIGING ÈN MOORD.xi

«Bij den heiligen tempel! Dat loopt goed af! Ik geloof waarlijk, dat hij er blij om is in zijn hart, dat zijne schoone zuster ontvloden is! Nu, des te beter! Ik heb een goed werk gedaan, eene dochter Israels voor schande en dood bewaard, een broeder verhinderd de hand te leenen tot den dood zijner zuster, en — voor mijne oude moeder eene beurs met zilverlingen verworven!»

Toen de eerste lichtstralen doordrongen in zijn somberen kerker was Azarja ontwaakt. Zijn hoofd deed hem zeer, en hij gevoelde zich ongesteld tengevolge van de inademing van de bedorven lucht in het kerkerhol, waarin hij den nacht had doorgebracht. Toch stond hij op van de rustbank, en knielde neer om zijn hart voor God uit te storten.

Geruimen tijd lag hij geknield. En toen hij eindelijk opstond, was hij op het ergste voorbereid.

Een voorgevoel van naderend kwaad vervulde zijn hart. Zou hij heden moeten sterven? En zoo ja, wat zou er dan worden van zijne Suzanna? Zou zij met hem moeten sterven? En al die anderen?

Hij kon het bijna niet gelooven, dat werkelijk de woede der vervolgers zoo ver gaan zou om al de gevangen Nazareners te dooden. Er was nog geen bloed gevloeid dan het bloed van Stefanus. Zou werkelijk zooveel onschuldig bloed worden vergoten?

Hij herinnerde zich op eens het woord, eens door den Meester tot hem gesproken, toen hij hem wilde volgen; «Gij kunt mij nu niet volgen, maar gij zult mij namaals volgen!» En hij begreep nu de beteekenis dier woorden. Hij zou zijn Heer en Meester volgen in den dood!

En het lieflijke visioen van eene toekomst van huiselijk geluk hier op aarde, aan de zijde van zijne Suzanna, omgeven door bloeiende zonen en dochters, het visioen, dat hem menigmaal van verlangen vervuld had, als hij zijne bruid in zijne armen sloot, werd met een donkeren, zwarten nevel bedekt!

O, hij had het zoo menigmaal gezegd en beleden, dat hij bereid was voor zijn Heer te lijden en te sterven; maar nooit had hij recht

396

ocr page 423

«P.LAZENDE DREIGING EN MOORD.»

er over nagedacht, wat dat beteekende; nooit had hij aan den werkelijken dood gedacht, en de heteekenis daarvan voor een man in den bloei des levens met het schoonste, wat het leven aanbiedt, in het vooruitzicht! — Hoe hard viel het hem nu, geheel, en voor goed de hoop op aardsch geluk op te geven!

Maar, — ook Suzanna zou misschien sterven! Zij, die met hem het leven had willen doorgaan, zij zou nu waarschijnlijk ook met hem den dood ondergaan! VreemdI Terwijl hij anders alles gedaan zou hebben, wat mogelijk was om haar voor den dood te bewaren, was de gedachte, dat zij niet alleen achterbleef, maar met hem de donkere vallei des doods betreden zou, een soort van troost voor hem.

Wat hen wachtte in het doodenrijk kon hij zich niet voorstellen. Als Israeliet geloofde hij aan het doodenrijk of de Sjeool, de onderwereld, waarin alle gestorvenen nederdaalden, om er een schimachtig bestaan te voeren, tot den dag, wanneer de bazuin zou slaan en de dooden zouden opgewekt worden. Dat lag dus voor hem! Nederdalen in het doodenrijk; waarschijnlijk met zijne Suzanna, doch om dan daar niets te vinden dan een nevelachtig schimmenleven zonder kracht of vreugd, tot het tijdstip, waarop de Messias zou wederkomen uit den hemel om zijn koninkrijk op aarde te stichten en de dooden op te wekken!

Maar had de Meester niet gezegd tot zijne leerlingen eer hij ging lijden en sterven: «Waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn»? Was hij niet uit het graf verrezen, en omhoog gevaren, naar den hemel der heerlijkheid? En had Stefanus niet gezegd, dat hij den Heer gezien had, in den geopenden hemel, staande ter rechterhand Gods? Zou het mogelijk zijn, dat er nog iets anders en beters hen wachtte als volgelingen van den Koning Israels, dan een verblijf in het schimmenrijk? Zou het mogelijk zijn, dat hij, de aarde en het aardsche leven verliezende, een leven in den hemel, bij den Heer zou vinden, tot het tijdstip, waarop de Heer zou komen met de wolken des hemels?

Hij kon er zichzelven geen antwoord op geven. Maar toch, terwijl

397

ocr page 424

398

hij er over nadacht was het hem, alsof de Heer zelf hem een gevoel van rust en vrede in het harte uitstortte, alsof engelen des hemels tot hem nederdaalden in zijn somberen kerker, om hem hcmelschen troost in het harte te gieten.

En andermaal knielde hij neer, om kracht te zoeken in het vurige gebed.

Ook de andere gevangenen waren in dergelijke cellen opgesloten als aan Azarja en Suzanna ten verblijf aangewezen was. Sommigen waren alleen, anderen met elkaar vereenigd in ééne cel. Maria van Cyprus was met haren zoon Joannes Marcus en hare dienstmaagd Rhode in een ruimen kerker gesloten, waar reeds meerdere personen opgesloten waren. Zij vonden er onder anderen Ruth, en ook de vroegere metgezel van Azarja en Joannes Marcus, Eljasar. Dit samenzijn had de gevangenschap aanmerkelijk verlicht. Zij hadden met elkander gebeden en gezongen, en den tijd zich gekort met gesprekken over het hun allen dierbare geloof, over het aardsche leven van hun Meester en de blijde toekomst, die zij verwachtten, wanneer de vijand overwonnen zou zijn en de Christus allen aan zijne voeten zou zien. Zoo was de nacht ongemerkt voorbijgegaan.

Ruth had tegen den morgen een oogenblik gehad, waarop de Geest der profetie vaardig over haar werd. Zij stond in het midden der anderen, en staarde zwijgend voor zich uit.

«Wat is er, Ruth?e vroeg Joannes Marcus.

«Ik zie!» zei zij zacht. «O, welk een treffend gezicht!»

«Wat ziet gij?» vroegen allen.

«Ik zie een vuur!» antwoordde zij. «Het brandt hier, te Jeruz ilem. Het is een heilig vuur, aangestoken door het vuur van het altaar Gods in den hemel! Zie, nu nadert er iemand om het vuur uit te blusschen! Hij heeft een scherp zwaard in de hand, en slaat links en rechts in de vlammen. Vergeefs! Hij werpt de stukken van het vuur om zich henen, overal heen! — O zie! Overal vuren! Overal, waar een gedeelte van het heilige vuur is neergekomen ontstaat een ander vuur! Het geheele land is met vuren bedekt,

ocr page 425

399

die lichtbakens zijn in den nacht! — Nu gaat hij heen om ook die vuren uit te blusschen! — Zie, hoe hij woedt! Maar \'t is alles te vergeefs! Vergeefs! •— — Wat is dat? Het vuur heeft hem zelf aangegrepen! Het omringt hem! Daar valt hij neder!...»

Zij zweeg. Allen luisterden met aandacht, of zij nog meer zeggen zou. Zij bleef zwijgen.

«Ziet gij het nog?» vroeg Maria van Cyprus.

«Neen, zuster, nu zie ik niets meer. — Ja toch! Een ander tooneel! Ik zie denzelfden man rnet liet zwaard, die de vuren wilde uitblusschen! — Nu is hij bezig zelf vuren te ontsteken! Hij heeft zijn zwaard weggeworpen! In plaats daarvan draagt hij een schaal met het heilige vuur met zich mede; overal werpt hij er iets van neder. Hoe ver gaat hij! Naar de heidenen gaat hij! Naar Rome zelfs!»

Weder zweeg zij. Haar gelaat herkreeg de gewone uitdrukking. Zij streek met de hand over haar voorhoofd, en ging zitten. !)e ekstase was voorbij.

«Wat of dat beteekenen mag?» zei een der aanwezigen.

«Laat ons wachten!» zei Maria van Cyprus. «Misschien geeft de Heer ons ook de uitlegging er van.»

Eenige oogenblikken zaten zij zwijgend bij elkander, in afwachting. Toen stond Eljasar langzaam op.

«Dit zegt de Geest:« zoo begon hij. «Ziet, ik heb een vuur aangestoken in Sion, en het brandt te Jeruzalem! Het zal branden, en niemand zal het uitblusschen! Wie is hij, die daar komt met het zwaard der vervolging om het heilige vuur uit te blusschen? Het zal niet gelukken, zegt de Heer! Vrees niet, gij gemeente des Heeren! Hij, die thans tegen u woedt, zal zelf gegrepen worden, en ter aarde nederstorten, en alles wat hij beraamd heeft tegen u, zal verbroken . worden! Ziet, hij is het, die een getuige zijn zal van den naam des Heeren tot aan het einde der wereld!»

«Al weder diezelfde profetie,» zei Joannes Marcus, «dat Saulus van Tarsen bekeerd zal worden. Het is haast ongeloofelijk!»

ocr page 426

400 «BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

«Zou iets voor den Heer te wonderlijk zijn?*) vroeg Eljasar. «Hij die mij uit de macht des Satans verlost heeft, kan ook onzen vijand en vervolger overwinnen en aan zich onderwerpen!»

«Komt, broeders en zusters!» vervolgde hij, «laat ons een lied der overwinning zingen!»

En luide hief hij aan, en de anderen stemden mede in:

«God zal opstaan!

Zijne vijanden zullen verstrooid worden!

Zijne haters zullen van Zijn aangezicht vlieden!

Gij zult ze verdrijven gelijk rook verdreven wordt;

gelijk was voor het vuur smelt zullen de goddeloozen vergaan.

Maar dc rechtvaardigen zullen zich verblijden;

zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en in

blijdschap vroolijk zijn!

Zingt Gode, psalmzingt Zijn naam!

Verhoogt dc wegen voor Hem, die in de vlakte rijdt!

Omdat Zijn naam Heer is.

Springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.

Hij is een Vader der weezen, en een Rechter der weduwen. God, in de woonplaats Zijner heiligheid.

Een God, die de eenzamen zet in een huisgezin;

uitvoert, die in boeien gevangen zijn;

maar de afvalligen wonen in de woestijn.

Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, de duizenden dubbel. De Heer is onder hen; een Sinaï in heiligheid.

Gij zijt opgevaren in de hoogte;

gij hebt dc gevangenis gevangen genomen;

gij hebt gaven genomen onder de menschen;

ook de weerspannigen om bij U te wonen, Hccre God. Geloofd zij de Heer!

Dag aan dag overlaadt Hij ons!

Die God is onze zaligheid!

ocr page 427

40i

Die God is een God van volkomen zaligheid!

Bij den Heer zijn uitkomsten tegen den dood!

Voorzeker zal God den kop zijner vijanden verslaan: den harigen schedel van hem, die in zijn schuld wandelt!»

Nauwelijks was dit lied ten einde, of een der vrouwen hief een ander lied aan, en de anderen stemden in:

«Haast U, o God, om mij te verlossen!

O Heer, tot mijne hulp!

Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijne ziel zoeken;

laat hen achteruitgedreven en te schande worden,

die lust hebben aan mijn kwaad!

Laat hen terugkeeren tot den loon hunner beschaming, die daar zeggen: «Haha!»

Laat in U vroolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken;

laat de liefhebbers uws heils zeggen: God zij groot gemaakt!

Doch ik ben ellendig en nooddruftig;

O God, haast u tot mij!

Gij zijt mijne hulp en mijn bevrijder!

Heer, vertoef niet!»

Nog waren de laatste tonen van het gezang niet weggestorven, toen de deur van de cel openging, en de gevangenbewaarder binnentrad, vergezeld van gewapende mannen.

«Gij moot allen medegaanb zei hij. amp;De heilige Raad der Oversten onzes volks roept u op om voor haar te verschijnen, en u te verantwoorden. Kom mee!»

Niet lang duurde het eer allen tot vertrek gereed waren. De benauwde cel te verlaten, al was liet dan ook om te verschijnen voor de rechters, was hen allen welkom. Zij hoopten bovendien, dat die rechters barmhartig zijn zouden, en hen vrijlaten. En in

26

ocr page 428

«EI.AZENDE DREIGING EN MOORD.»

elk geval was het beter te weten, wat hen te wachten stond, clan in de gevangenis te blijven zuchten in onzekerheid.

Eenige uren later was het verhoor afgeloopen. Een deel der Nazareners was ter dood veroordeeld; de overigen waren veroordeeld om gegeeseld te worden, en zouden daarna worden losgelaten. Tot de laatsten behoorden ook Maria van Cyprus met haren broeder Joses Barnabas, haren zoon Joannes Marcus, en hare dienstmaagd Rhode. Joannes Marcus had het alleen aan zijne ietwat weifelende belijdenis en onderworpen houding te danken, dat hij niet tot den dood verwezen werd. Tot den dood door steeniging werden veroordeeld, behalve de personen, die reeds den vorigen dag daartoe veroordeeld waren, Ruth, omdat zij openlijk voor den Raad de Rabbi\'s beleedigende woorden had toegevoegd, en vooral, omdat Rabbi Jonathan Ben Annas het wenschte; Eljasar, omdat hij eveneens zeer stout de Rabbi\'s had bedreigd met de wraak van God; en Azarja, omdat hij een der voornaamsten geweest was, en in de verschillende plaatsen van Judea het evangelie had gepredikt.

Azarja had te vergeefs uitgezien naar Suzanna. Hij had haar niet ontdekt onder de veroordeelden. Zou zij afzonderlijk veroordeeld zijn? En waartoe? Tot den dood, zooals hij? Of tot de geeseling? Zijn hart kromp ineen, als hij aan het laatste dacht. Dat teere lichaam, verscheurd en ontvleescht door de ruwe geeseling! En dat, terwijl hij, haar natuurlijke beschermer, machteloos vas iets te doen om haar er voor te bewaren!

In zijn kerker teruggekeerd kon hij de onrust niet van zich afzetten. Ach, dat hij slechts wist wat haar lot was! Straks, binnen weinige uren, zou hij ter gerichtsplaats worden weggeleid om te sterven; als hij niet zijne Suzanna daar terugvond om met hem te sterven, dan zou hij haar nimmer wederzien! En zij zou voortleven, misschien, zonder hem! Overgeleverd clan aan de willekeur en tirannie van haren broeder!

De deur van zijne cel werd geopend, en de gevangenbewaarder trad binnen.

402

ocr page 429

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.» 403

«Is \'t nu al tijd?» vroeg Azarja.

«Neen, nog niet!» antwoordde de man. Daarop sloot hij zorgvuldig de deur, naderde Azarja, en sprak op tluisterenden toon:

«Gij hebt Suzanna, de zuster van Saulus van Tarsen lief, niet waar?»

«Zij is mijne bruid! Wat weet gij van haar? O, zeg mij, moet ze ook sterven, of moet ze gegeesekl worden?»

«Geen van beiden. Zij is vrij. Zij is ver weg, ver van Jeruzalem.»

Azarja sprong op. «Wat zegt gij?»

«Het is waar. Van nacht is zij ontvlucht.»

«Hoe is het mogelijk! Is zij zelf ontvlucht, of heeft iemand haar bevrijd?»

«Zij is door een harer bloedverwanten bevrijd. Ik heb het toegelaten. Ik kan \'t u wel zeggen. Gij gaat sterven, en zult mij vóór dat oogenblik niet verraden. Haar neef Ismaël Ben Alexander heeft er mij toe overgehaald. Ik had medelijden met haar. Zij is vrij, en zal niet zoo spoedig weer in de macht zijn van haren broeder.»

Daar stond Azarja! Hij was verbaasd, ontroerd, half verblijd, half teleurgesteld. Suzunna aan den dood en het gevaar ontkomen! O, daarover was hij blijde! Suzanna weg, ver weg, nu hij ging sterven! Dat gaf hem een gevoel van bittere smart. Suzanna bevrijd door haren neef Ismaël Ben Alexander, van wien hij sinds lang gevoeld had, dat hij haar liefhad! Dat wekte een gevoel van jaloezie bij hem. — Maar \'t was, alsof eene stem hem influisterde: «Die niet verlaat al wat hij heeft, is mijns niet waardig!» En met de hand over het voorhoofd strijkende zuchtte hij.

«Welnu, Azarja, zegt gij niets? Verheugt het u niet, dat uwe bruid gered is van dood en pijniging?»

«Zij is voor mij verloren!» antwoordde hij.

«Gij zijt voor haar verloren, nu gij sterven gaat! Is het niet beter, dat zij ten minste gered is?»

«ü zeker! Maar nu wordt zij de vrouw van een ander.»

«En gij gaat naar een land, waar men niet trouwt of ten huwelijk gegeven wordt.»

ocr page 430

404 «BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

«In elk geval, heb dank voor uwe hulp. Zijt gij ook een volgeling des Meesters?»

«Ik weet het nog niet. Ik neig er toe om te gelooven; maar ik heb nog zooveel twijfelingen.»

«O mijn vriend, geloof toch! Hij is de Messias, de Koning Israels! Weldra zal hij komen in heerlijkheid, met alle heiligen! Dan hoop ook ik, opgewekt uit het graf, in zijn triomf te deelen. Dan zal ik met mijne Suzanna hereenigd worden! Maar dan ook moeten zijne vijanden voor hem sidderen, want hij komt om de aarde te richten.»

«Als dat gebeurt zal ik gelooven!»

«Wacht niet tot zoolang, want dan zoudt ge in het oordeel zijn.»

De gevangenbewaarder wendde zich om. «Ik moet heengaan. Straks kom ik u halen, tot de laatste tocht. Bereid er u op voor!»

En hij ging heen, en liet Azarja achter, die, zoodra de man vertrokken was, zich ter aarde wierp en bittere tranen vergoot om zijne voor altijd van hem gescheiden Suzanna.

Intusschen had er een vreeselijk tooneel plaats in een ander deel van de gevangenis. Op een open binnenplaats was eene paal opgericht; en aan die paal was eene vrouw gebonden, het gelaat naar de paal gekeerd, de handen er omheen; het bovenlijf geheel ontbloot. Twee krijgsknechten stonden er bij met de vreeselijke geesels gewapend, en wachtten op het teeken om de geeseling te beginnen. De vrouw was Maria van Cyprus; en hij, die het teeken geven moest, was Saulus van Tarsen.

«Sla toe!» riep hij.

En de geesels daalden neder op de naakte rug der arme vrouw, en lieten roode strepen daarop achter. Onwillekeurig slaakte zij een kreet van pijn, en sidderde over het gcheelc lichaam. Een tweede slag daalde neder. Nu kermde Maria van Cyprus.

En weder en weder daalden de vreeselijke slagen; en het slachtoffer kromp ineen van pijn; en kermde, dat het hart er van breken zou. Saulus stond er bij met gefronsd gelaat; doch geen spier van dat gelaat toonde ontroering of medelijden.

ocr page 431

«ölazéndé dréiging én moord.»

Eindelijk was de negen en dertigste slag op de nu bebloede rug neergedaald.

«Genoeg!» zei Saul nu.

De mannen hielden op. De koorden, waarmee Maria van Cyprus gebonden was, werden losgemaakt. Zij zonk bewusteloos in elkaar.

Joses, haar broeder, en Joannes, haar zoon, die beiden reeds de geeseling ondergaan hadden, en wier opperkleederen dan ook geheel bebloed waren, traden op haar tce, en droegen haar weg.

Nu was de beurt gekomen aan Rhodé, de bevallige jeugdige dienstmaagd van Maria. Zij trad moedig naar voren, en, Saul aanziende, zeide zij:

«Beul van uwe beste vrienden! Eens zult gij moeten verantwoorden wat ge doet! Eens zult gij er berouw van hebben!»

«Zwijg! En anders wordt uw vonnis veranderd in doodvonnis!»

«Ga uw gang; Dood mij! Ik vrees den dood niet!»

«Grijpt haar aan, mannen, en kastijdt haar!» beval hij nu.

De twee mannen grepen de maagd aan, en rukten haar het opperkleed af. Ook het onderkleek maakten zij los, zoodat zij weldra met ontbloot bovenlijf daar stond. Onwillekeurig hield zij het kleed met beide handen vast en kruiste de armen over hare ontbloote borst, zoodat deze weder grootendeels bedekt werd. Het hielp haar weinig. Onmeedoogend en schaamteloos rukten de mannen haar het kleed uit de handen, dat neerviel bij den gordel, en bonden de arme slavin aan de paal. Weldra vielen de bloedige slagen op de blanke rug van het meisje; het bloed liep af, en vlekte haar kleed. Zij kreunde zacht, en lispelde biddende woorden.

Zoo ging het voort. De eene gevangene na den andere werd gegeeseld; de geesels waren rood van het bloed; de kleederen der slachtoffers waren er van doortrokken. Sommigen doorstonden de pijniging bijna zonder een spier te vertrekken. Anderen kermden, weer anderen krompen gillende ineen.

En bij al dien jammer stond Saul daar, met gefronsde wenkbrauwen, hard als een steen, onvermurwbaar.

ocr page 432

«BLAZENDE DREIGING EN MOORD.»

Eindelijk was het afgeloopen, en de veroordeelden konden de gevangenis verlaten. Maria van Cyprus was weer bijgekomen, doch kon door uitputting nauwelijks gaan. Rhode was ook geheel verzwakt. Toch hield zij zich goed, en steunde hare meesteres bij het strompelend heengaan.

Welk oen droevige groep vormden zij, die gegeeselde Nazareners, toen zij met bebloede kleederen en ontvleeschden rug den kerker verlieten! Het volk stond stil, en zag hen na, zooals zij daar, elkander steunend en van pijn kreunend voortstrompelden. Toch, zij waren weder vrij; en toen zij eindelijk weder hunne woningen bereikt hadden, gaf dit ben een gevoel van verademing.

Buiten in het dal, in Tophet, tusschen de bron Siloa en de bron Rogel was intusschen eene groote menigte bijeen gekomen. Het gerucht had zich spoedig verspreid, dat de ter dood veroordeelde Nazareners daar zouden worden gesteenigd.

quot;Het is maar goed, dat de Rabbi\'s er een eind aan maken!» zei een man. Het was Nathan de waterdrager.

«Weet gij ook of Thamar er bij is?» vroeg hem eene vrouw.

«Thamar is veroordeeld om gegeeseld te worden, Hagar!» antwoordde hij.

«Er zijn velen gevlucht!» zei een ander.

«Welnu, laart ze vluchten! Als ik tot hen behoorde, deed ik het ook!» zei eene andere vrouw. «Ze mogen dan al in een valschen Messias gelooven, ze deden toch maar veel goed, en hebben vele zieken genezen!»

«Pas maar op!» zei Hagar. «Straks wordt ge ook nog als Naza-reansche gevangen genomen!»

Er kwam opschudding van de zijde van Jeruzalem. Uit de poort, die uit het dal Tyropaeon naar Tophet voerde, kwam de stoet der veroordeelde Nazareners aan.

Eene afdeeling gewapende dienaren ging vooraan. Daarop volgden de Rabbi\'s; en achter hen de slachtoffers van de vervolgingswoede en den haat van Saulus van Tarsen en de Zeloten. Zij waren van

4o6

ocr page 433

«1BLAZENDE DREIGING EN MOORD.» 407

dienaren des Hoogepriesters omringd. Gewapenden sloten den stoet.

Weldra was men gekomen op de plaats, waar de terechtstelling zou plaats hebben. De Nazareners schoolden dicht opeen. De ge-wapenden dreven het volk in een wijden cirkel terug. De Rabbi\'s schaarden zich bij elkander. Saul was bij hen.

Nu traden de getuigen naar voren. Evenals bij de steeniging van Stefanus moesten ook nu de getuigen de terechtstelling voltrekken.

Rabbi Jonathan Ben Annas, aan wien ook nu de leiding der zaak was toevertrouwd, trad naar voren, en las de lijst der ter dood veroordeelden. Daarop sprak hij:

«Gij allen zijt veroordeeld als lasteraars van God en de heilige wet om den dood te sterven! In den naam van God, den Almachtige, den God der wrake, die Zijne vijanden verdelgt, valt op hen aan, gij beschuldigers, en steenigt hen allen, dat zij sterven, en er niet één levend overblijve!»

De getuigen waren op het punt de eerste steenen te werpen, en de martelaars stonden dicht opeen, de oogen omhoog geslagen, toen een oude man uit het volk snel kwam aanloopen. Hij drong allen op zij, en snelde toe op den hoop ter dood veroordeelden. Hij klemde een kind van ongeveer twee jaren in zijne armen.

«Mijne dochter! Mijne dochter! Ruth, mijn oogappel! Mijne duive!» zoo riep hij, op Ruth toeijlende. «Ontferm u toch over uw kind! Doe boete! Zweer den gekruisigde af! Wat moet er worden van uw kind, en van mij, als gij \'sterft?»

De getuigen, niet wetend wat te doen, wachtten met \'t werpen der steenen. Het volk, ontroerd door het gezicht van den smeekenden grijsaard met het aanvallige kind, zag vol belangstelling toe, wat \'t eind zijn zou. Ruth zelf, diep ontroerd, greep haar kind, en kuste het hartstochtelijk.

Daarop trad zij op eens, met het kind in de armen op Rabbi Jonathan Ben Annas toe.

«Hier!» zei ze. «Dit is uw kind zoo goed als het mijne! Zorg er voor! .Ik sterf, want herroepen kan ik niet!. Maar gij, die mij eens

ocr page 434

408 «blazende dreiging en moord.»

mijne eer ontroofdet, en nu mij het leven beneemt, zijt voor God geroepen voor dit kind te zorgen! Ik roep het volk tot getuige!»

Doch zij kon niet verder spreken. Ziedende van woede, wegens den openlijken hoon hem aangedaan door zijn slachtoffer, sloeg Rabbi Jonathan haar met zijn vuist in het aangezicht, zoodat zij ter aarde stortte. Daarop riep hij op heeschen toon:

«Werp haar terug bij dien hoop vervloekten! Haar met haar kind! Laat het kind met haar sterven! Wat talmt gij, getuigen? Volvoert het strafgericht! Steenigt hen allen!»

Ruth werd ruw aangegrepen, en naar den hoop veroordeelden gesleept. Zij zonk voorover, en klemde haar kind aan haren boezem.

Nu begon de steeniging. Een hagelbui van groote steenen stortte van alle zijden neer op de weerlooze mannen en vrouwen. Velen van hen werden getroffen en wankelden.

Weder vlogen de steenen, en uit den troep Nazareners gingen luide kreten op. «Heere Jezus! Sta ons bij! O God, vergeef het hun!» en dergelijke woorden, vermengd met het kermen der zwaar getroffenen, klonken door elkander. Velen waren neergestort en vielen over elkander heen. Anderen hielden nog stand. Onder hen waren Azarja en Eljasar.

Al dichter en dichter vielen de steenen. In doodsangst wrongen sommige der martelaars zich om elkander heen, grepen elkander vast. In breede stroomen begon het bloed te vloeien rondom den meer en meer verwarden hoop menschen. Eljasar en Azarja stonden nog overeind.

Daar trof een steen Azarja tegen het hoofd. «O mijn Heer en Koning!» riep hij. «Neem mijne ziel tot u!»

Hij wankelde en stortte eveneens neder op de lichamen zijner lotgenooten. Een oogenblik later werd ook Eljasar doodelijk getroffen, en viel over hem heen.

«In leven en sterven met u vereenigd!» riep hij, op Azarja\'s lichaam nedervallende.

Steeds vlogen de steenen. Niemand stond meer overeind. Slechts

ocr page 435

409

een verwarden bloedenden hoop menschen met steenen bedekt kon men zien.

Eindelijk gaf Rabbi Jonathan het teeken de steeniging te staken. Men zag bijna niets meer van de gesteenigden; de groote, ruwe steenen bedekten hen bijna geheel. Onder de steenen uit sijpelde het bloed, een grooten plas vormende.

Het volk begon zich te verstrooien. De moord der weerloozen was geschied.

Ook de Rabbi\'s keerden terug. Saulus van Tarsen alleen bleef nog toeven, en staarde op den zwijgenden van bloed druipenden steenhoop, waaronder de slachtoffers van zijne vervolgingswoede lagen, waaronder ook Azarja lag.

«Dood! Dood!» rtuisterde hij. «Eindelijk dan gewroken!»

En met gefronsde wenkbrauwen en ter aarde gebogen hoofd verwijderde hij zich langzaam.

ocr page 436

TWAALFDE HOOFDSTUK.

GEGREPEN.

Vreeslijk woedde de vervolging. In Jeruzalem was weldra de zoo bloeiende gemeente bijna geheel verwoest. De Nazareners, die niet gedood waren, waren bijna allen gevlucht. Vreemd genoeg spaarden de vervolgers de hoofden der gemeente, Simon Petrus, Jakobus en Joannes, de zonen van Zebedeüs, en Jakobus den broec.er van Jezus. Hetzij men hen vreesde, hetzij men meende, dat wanneer de gemeente verwoest was hun arbeid ook wel eindigen zou, zij bleven ongedeerd\' Maar overigens werden er weinigen gespaard. Saulus van Tarsen ging in de huizen, sleepte mannen en vrouwen weg, wierp ze in de gevangenis, en liet hen geeselen of steenigen. Eene algemeene vrees was over het volk gekomen, en velen, die tot dusverre geneigd waren geweest tot het geloof, werden er nu van afgeschrikt.

In stilte echter vergaderden de overgebleven leden der gemeente, om zich door het gemeenschappelijk gebed en het houden van liefdemaaltijden te sterken. Enkele leden der gemeente reisden rond buiten Jeruzalem om de verstrooide leden te bezoeken. In verschillende plaatsen ontstonden nu gemeenten, evenzoo als Ruth het in haar visioen gezien had: de spranken van het te Jeruzalem brandende vuur werden overal heen verspreid en ontstaken andere vuren. Er waren door geheel Judea heen vele plaatsen, waar de Profeet uit Galilea had gepredikt en wonderen gedaan. Er waren daar meestal

ocr page 437

4ii

enkele personen overgebleven, die in stilte in hem geloofden. De uitgezonden evangelisten hadden gepredikt, en in vele plaatsen een kern gevormd van Nazareners. Nu kwamen de uitgewekenen uit Jeruzalem deze groepen versterken, en weldra bloeiden in vele plaatsen de gemeenten der Nazareners op.

Dit bleef echter niet lang verborgen in Jeruzalem. Weldra kwamen berichten in bij den Hoogepriester van de uitbreiding der sekte buiten Jeruzalem. En als gevolg daarvan werd de vervolging nu ook uitgestrekt tot de plaatsen buiten Jeruzalem. Met volmacht van den Hoogepriester gewapend zette Saulus van Tarsen zijn ver-woestingswerk voort en gunde zich nacht noch dag rust. Zijne studiën had hij reeds lang laten rusten; aan zijn handwerk deed hij sedert langen tijd niets meer. Zijn ouderlijk huis, waar sedert het vertrek van Suzanna alles hem hinderde, had hij opnieuw ontruimd, en nu voor goed. De bedienden en slaven waren ontslagen en verkocht; en het huis zelf zou eveneens verkocht worden. Saul had zijn intrek genomen bij Rabbi Jona Ben Amittaï, in wiens ruime woning hem een vertrek was afgestaan. Simeï was hem bij zijne vervolgingen steeds ter zijde; en Esther, zijne schoone, trotsche hruid hield niet op hem tot steeds grooteren ijver aan te sporen. Hij was nu de gevierde man in de kringen der Rabbi\'s, en verkeerde dagelijks met den Hoogepriester Jozef Kajafas en diens aanstaanden opvolger Rabbi Jonathan Ben Annas. Het was zoo goed als zeker, dat zoodra er een plaats open kwam in het Sanhedrin de jongeling Saulus van Tarsen er voor zou verkozen worden.

Zijn vroegeren leermeester Rabbi Gamaliel zag hij echter nooit meer, en diens zoon Simon liet hem ook aan zichzelven over. Een bewustzijn, dat hij niet meer zooals vroeger aan de voeten van den wijzen maar bezadigden Rabbi kon nederzitten, dat zijn ijveren en woeden door dien leermeester afgekeurd werd, weerhield hem om de vroegere band van vereering en toewijding te vernieuwen; en deed hem evenzeer den omgang met den kalmen, verstandigen Simon schuwen.

ocr page 438

GEGREPEN.

Zoo was dan Saulus van Tarsen geheel overgelaten aan den invloed der meest fanatieke Zeloteiij en werd door hen gevierd, gevleid, aangespoord en voortgezweept. Als hij al eens oogenblikken mocht hebben, waarop andere gewaarwordingen naar voren drongen, dan werden die spoedig vervangen door nieuwe drukten van zijne ver-volgingswerk. Hij gunde zich zeiven den tijd niet zich rekenschap van zijne gedachten te geven, maar als door eene geheimzinnige macht voortgejaagd, stortte hij zich telkens weer in den bedwelmenden roes van de vervolgingswoede.

Van zijne zuster hoorde hij niets. Waar zij was, of zij nog leefde, of dood was, het was hem onbekend. Somtijds hoopte hij in stilte, dat hij ze terug mocht vinden. Ja soms, in oogenblikken van zwakheid, gevoelde hij een verlangen naar hare beminnelijke, kalmeerende, vriendelijke tegenwoordigheid, die zoo geheel anders was dan de hem opzweepende en zijne hartstochten aanblazende invloed van Esther. Maar aan die gewaarwordingen gaf hij niet toe; want het was, alsof met het oproepen van haar beeld ook het beeld van den door zijn toedoen gedooden Azarja verrees, en hem verwijtend aanstaarde; en dan wierp hij zich opnieuw in den roes der bezigheden, die de vervolging medebracht.

Zijn neef Ismaël Ben Alexander was eveneens verdwenen. Toen hij naar hem vroeg bij zijne ouders, antwoordden zij:

«Hij is weg en wij weten niet waarheen. Wij vreezen, dat hij in het geheim zich bij de Nazareners aangesloten heeft, en met sommigen van hen gevlucht is.»

Toen rees bij Saul een vermoeden op, dat steeds meerdere waarschijnlijkheid voor hem verkreeg, namelijk, dat Ismaël met Suzanna gevlucht was; dat hij haar bevrijder geweest was. En deze gedachte gaf hem een gevoel van gerustheid, omdat hij wist, da\'; Ismaël Suzanna liefhad, en zeker voor haar zorgen zou.

Zoo ging er ruim een jaar voorbij; en intusschen was Pilatus de landvoogd door den keizer teruggeroepen en niet terstond vervangen; en was ook de tijd van aftreden gekomen voor den Hoogepriester

ocr page 439

413

Kajafas, en het tijdstip, waarop Rabbi Jonathan Ben Annas hem moest opvolgen. Nog altijd woedde de vervolging voort; in Jeruzalem niet meer, maar in de omliggende plaatsen. Doch het doel, dat Saulus zich gesteld had: geheele uitroeiing der sekte, was nog niet bereikt ; en in stilte begon de gemeente te Jeruzalem zelfs zich een weinig te herstellen van de rampen, die haar getroffen hadden. De prediking in het openbaar had geheel opgehouden, en de vreemdeling, die in Jeruzalem kwam, kon langen tijd daar vertoeven, eer hij iets van de gemeente der Nazareners ontdekte. Maar in stilte groeide zij, en nam weder toe in getal leden, \'s Nachts vergaderde men in een der vele opperzalen of ergens buiten Jeruzalem; enmenigeen, die vroeger buiten de gemeente gestaan had, werd in die samenkomsten gevonden. Nu en dan hadden er doopsbedieningen plaats; niet meer vlak bij Jeruzalem, op het midden van den dag, maar op eenigen afstand van de stad, in de wildernis, gedurende de nachtelijke stilte.

Op zekeren morgen in het midden van den zomer van het jaar 36, ruim drie jaren na den dood van Jezus op Golgotha, vinden wij Saulus van Tarsen in het paleis van den Hoogepriester Jonathan Ben Annas, in een vertrek, waarin de Hoogepriester alleen zijne naaste vrienden toeliet. Rabbi Jonathan is, sedert hij de aanzienlijke plaats van Hoogepriester bekleedt, niet vooruitgegaan in zijn uiterlijk. Zijn gelaat is nog stugger, zijn voorhoofd nog gerimpelder, en allen vreczen zijne toornige heftige uitvallen. Alleen Rabbi Phanuel, zijn makker en vriend, en Saulus van Tarsen, de ijveraar, kunnen vrij tot hem spreken zonder elk oogenblik zijn ongenoegen gaande te maken. Maar overigens is hij zelfs voor de Rabbi\'s, met wie hij vroeger als gelijke verkeerde, bijna ongenaakbaar. Velen haten hem; en men fluistert, dat er in \'t geheim gewerkt wordt om hem spoedig ten val te brengen en een anderen Rabbi, zijn broeder Theophilus Ben Annas, de hoogepriesterlijke waardigheid te geven. Maar ofschoon de Hoogepriester deze geruchten kent, vreest hij ze niet. Veel meer vrees koestert hij voor de spooksels, die in eenzame uren des nachts om zijne sponde waren, en hem de rust benemen.

ocr page 440

414

Dan ziet hij ze telkens weer, de arme, door hem verleide, diep gevallen, maar door den Nazarener opgerichte Ruth. Zij treedt voor zijne sponde, het kind in de armen, het doode kind, dat met haar gesteenigd werd, en dat men gevonden had, gestikt, maar ongedeerd door de steenen, bedekt als het was door het lichaam der moeder. Dan staat zij daar, een doorzichtig spooksel, maar toch dezelfde Ruth, wier schoonheid hem eens had bekoord, en houdt hem het doode kind voor, wil het hem in de armen leggen. En dan voelt hij de ijskoude van die loodkleurige leden; en gillende vliegt hij op, en het spooksel is verdwenen. Maar als hij zich weer neerlegt en zoekt in te slapen, dan komt het weder; en hetzelfde tooneel herhaalt zich, telkens cn telkens weder; en de oude zondaar vindt geen rust; tot hij opstaat, om zijn werk, zijn plechtig priesteiwerk in den tempel te vervullen; zijn borst te tooien met de heilige borstlap, voor zijn voorhoofd de gouden plaat te hechten met de geheimzinnige, zoo veel zeggende woorden: «Kodesj lejahveh» i) en \\oor het volk het werk des Hoogepriesters, van den middelaar tusschen God en de menschen, te verrichten.

Nu echter denkt hij niet aan die spooksels. Hij is met Saulus van Tarsen verdiept in plannen over de verdere uitroeiing van de zoo gehate sekte der Nazareners.

«Wij kunnen niet rusten. Heer, voor wij ze geheel en overal ten onder gebracht hebben!» zegt Saul. Uk ben nu reeds langer dan een jaar bezig ze overal te vervolgen; velen zijn reeds ter dood gebracht; die gegeeseld geworden zijn zullen zich wel niet meer aan de dwaling overgeven. Hier in Jeruzalem bemerkt men er niets meer van. Ook in de vele plaatsen, waar ik mijn werk van den ijver des Heeren verricht heb, is de sekte onderdrukt. Maar zij hebben zich al verder en verder verspreid, en ik heb uit zekere bronnen vernomen, dat zij nu ook zelfs tot in Damaskus zijn doorgedrongen, en dat wat hier onderdrukt is, ginds weer opleeft. Het is

1) D. i. Aan Jahveh geheiligd.

ocr page 441

GEGREPEN.

noodig ook daar de zaak te ondercfrukken. Gij zijt, als Hoogepriester Gods, geroepen de godslasterlijke sekte ook daar tegen te gaan. Geef mij slechts volmacht; geef mij slechts de noodige gewapenden; en ik zal heengaan en ook daar hen onderdrukken. Ja ik zal niet rusten, al moest ik ook trekken tot het einde der wereld, eer ik de laatste sporen van dit vervloekte bijgeloof heb uitgeroeid!®

a Gij zijt een ijveraar Gods! De Geest des Heeren heeft u aangegord als een held ten strijde voor Zijne wet! Welnu, ik zal u volmacht geven! Ik zal zorgen, dat het u aan niets ontbreekt wat noodig is om uw taak naar den eisch ook daar te vervullen. Begin maar met de stad, dien gij noemdet, met Damaskus. En als dair de afgoderij onderdrukt is, dan gaat gij verder, waar nog verder de aanhangers van den vervloekten Nazarener gevonden worden. Eindelijk zullen wij hen toch wel meester worden! En als gij terugkeert van uwen tocht als een held Gods, en ijveraar voor Zijn heiligen naam, dan zal ik zorgen, dat gij een plaats in het Sanhedrin verkrijgt, en kunt gij u als Rabbi vestigen. Dan wordt de schoone Esther uwe huisvrouw, en is uw toekomst gemaakt. Zulk een ijver als gij betoond hebt, is belooning waardig. Zij zal u niet ontgaan, ik beloof het u!»

Saul boog zich, en kuste de hand des Hoogepriesters. Daarop verwijderde hij zich, en begaf zich naar het huis zijner bruid.

Esther zat op een marmeren bank bij de fontein op de binnenplaats van het huis. Zij stond op, toen Saul door de voorpoort kwam en naar haar toetrad. Zijn gelaat had een hooge kleur en zijn oog schitterde.

«Esther, mijne bruid!» zoo sprak hij. amp; Verheug u met mij! Eene eervolle taak is mij opgedragen. En als ik ze naar den eisch volbracht heb, dan kom ik weder tot u, en dan wordt gij voor altijd de mijne, mijne huisvrouw!»

Het gelaat van Esther betrok. «Gij spreekt van wederkomen;» zei ze, «moet gij dan heengaan?»

«Ja. ik ga heen; maar ik kom spoedig terug, zooals ik zeg.»

415

ocr page 442

4i6

«Is het nu nog niet gedaan met die sekte? Mij dunkt, die zal nu toch wel onderdrukt zijn!»

«Ik heb vernomen, dat zij steeds verder zich verspreidt. Nu is er ook in Damaskus eene gemeente Nazareners, en misschien zijn ze nog verder naar het Noorden doorgedrongen. Ik moet heengaan, om ze ook daar te onderdrukken.»

«Mogen zij vervloekt zijn, die Nazareners!» riep zij uit. «Zij houden u nu al een heel jaar lang van mij verwijderd! Wanneer zult gij komen om rustig aan mijne zijde te genieten van het goede der aarde? Gij zijt nu in eer, en hebt niet verder noodig u zoo in te spannen!»

«Hoe nu, mijne liefste? Gij, die mij altijd hebt aangespoord, die in liet begin mij zelfs gedreigd hebt, indien ik niet mij aan de vervolging der Nazareners overgaf, gij spoort mij nu aan te verflauwen ?»

«In het begin, dat was wat anders! Toen moest gij u nog een plaats veroveren! Toen moest gij u naam maken! Maar nu behoeft dat niet meer. Gij zijt de gunsteling van den Hoogepriester; gij wordt door velen benijd, die ouder zijn dan gij; gij zult weldra lid van den Raad zijn. Waarom u nu in de gevaren geworpen van eene moeielijke reis? Waarom u nu aan mijne armen ontscheurd? Laat anderen dat doen! Beveel hen! Gij hebt er nu de macht toe! Zend •Simei er heen! Laat die dat gebroed van Nazareners uitroeien! \'t Is hem wel toevertrouwd! Maar blijf gij hier! Geniet nu eindelijk eens van de behaalde voordeden! Blijf bij uwe Esther, die u niet missen kan!»

Dit zeggende sloeg zij de armen om zijn hals, en lokte hem naast zich op de bank.

Hij zweeg en liet zich een oogenblik door haar liefkozen. Daarna echter, zich uit hare omhelzing losmakende, zeide hij:

«Gij spreekt ale eene vrouw, Esther! Denkt gij dat ik mijnwerk, bijna voltooid, nu aan een ander zal overgeven ? Meent gij, dat ik rusten kan in uwe armen, en genieten van het vette der aarde en

ocr page 443

GEGREPEN.

de genoegens des levens zoolang ik de taak niet voltooid heb, de heilige taak van de wrake des Heeren? Neen, Esther, wees voor mij geen Delila! Werd de sterke Simson, de aan God gewijde, de Naziriër, niet zwak, toen hij zich overgaf aan de omhelzingen eener vrouw? Is die zwakheid, is de liefde van Delila hem niet tot een valstrik geworden? Daarom verleid mij niet! Laat mij heengaan, mijn taak voltooien, de wrake des Heeren wrekende aan Zijne vijanden ! En dan, als ik terugkom, als de laatste sporen verdwenen zijn in Israël van die godslasterlijke sekte der N izareners, dan kom ik tot u; dan wil ik rusten in uwe armen; dan wil ik u drukken aan mijne borst; dan wil ik u voeren in mijne woning. En wij zullen samen genieten van het goede, dat God ons geeft, totdat de Messias komt om ons nog veel meer te schenken.»

Terwijl hij sprak had Esther hem losgelaten.

«Gij hebt mij niet lief!» zei ze. »Gij hebt meer lust in hel bloedige vervolgingswerk dan in het bijzijn van uwe bruid! Ga heen, en doe wat gij niet laten kunt! En uwe Esther zal wachten, tot de liefde sterker zal zijn dan de haat, en gij tot mij terugkeert!»

Saul was opgestaan, en stond nu voor haar. Zijn gelaat was vuurrood, toorn straalde uit zijne oogen.

«Ik zou u niet liefhebben?» zoo sprak hij op heeschen toon. «Niet liefhebben? Zie, als ik mijn bloed moest storten om uw leven te redden, ik zou het druppel voor druppel laten vloeien! Mijne liefde tot u is onuitsprekelijk, Esther! Maar meer, dan gij mij zijt, is de Heer voor mij! Hij is het meest; Hij gaat boven alles, ook boven u! En wanneer Hij mij roept, dan moet ik volgen! Als Zijn werk mij wacht, dan mag geen vrouwenliefde mij terughouden! Gij moest u schamen! Gij, die mij steeds aanspoordet, die uwe eer en uw trots steldet in mijn ijver voor den Heer, dat gij nu mij verleiden wilt ontrouw te worden aan mijne taak!»

En met groote driftige stappen wandelde hij heen en\' weer op het binnenplein.

«Maar ik spoor u niet aan tot ontrouw!» riep Esther, «Waarom

27

417

ocr page 444

4\'8 GEGREPEN.

kunt ge niet die vervolging in de buitenlandsche steden aan anderen opdragen? Nog eens, laat Simei het doen! Hij wil \'t gaarne doen. En het zal er niet minder om geschieden, al doet gij het zelf niet! Gij hebt nu een plaats verworven. Geniet er van! O, Saul,» riep zij nu hartstochtelijk uit, hare handen samengevouwen opheffend, zoodat de tunica terugviel en hare blanke bovenarmen ontbloot werden, «Ik weet het niet, maar een voorgevoel zegt mij, dat die reis naar Damaskus ons noodlottig worden zal! Dat ik u niet weer zal terugzien!»

Saul stond stil en zag haar aan. «Hoe komt gij aan zulke dwaze denkbeelden, Esther!» zei hij. «Wat zou er kunnen gebeuren? Geen gevaren behoef ik te vreezen.»

«Er zouden roovers u kunnen overvallen. De Nazareners zouden tegen u kunnen samenspannen om u te dooden, als gij door Galilea reist!»

«De Nazareners? Die zullen eer zelf lijden, dan anderen iets kwaads doen! Dat moet erkend worden! Zij volgen in dat opzicht geheel en al het voorbeeld van hunnen Meester, die alle bespotting zwijgend verdroeg. En bovendien, heb ik dan geen krijgslieden bij mij? Denkt ge dat zij mij, den vertegenwoordiger des Hoogepriesters, niet beschermen zullen ?»

amp;\'t Kan zijn; en toch is het, alsof een voorgevoel mij zegt, dat ik u niet zal terugzien.»

«Kom, zet die dwaze denkbeelden van u! Wat zou mij kunnen treffen? Vrees niet! Binnen weinige weken ziet gij mij terug, om de eervolle plaats in te nemen, die de Hoogepriester mij bereiden zal. En dan zal er niets zijn, dat onze verbintenis langer in den weg staat.»

Esther zweeg; weldra gingen zij samen in het huis en zochten Judith, Esthers moeder op, aan wie zij het plan van de reis naar Damaskus meedeelden.

«Bij wien zult gij in Damaskus verblijf houden?» vroeg Judith aan Saul.

«Dat weet ik nog niet,» antwoordde hij.

sEr woont nog een broeder van mij in Damaskus; Judas is zijn

ocr page 445

GEGREPEN.

naam; zijn huis staat in de straat, die «de Rechte» genoemd wordt. ]k denk wel, dat gij daar verblijf zoudt knnnen vinden.»

«Het is goed; dan zal ik mij tot hem vervoegen.»

Weinige dagei later was alles gereed voor den tocht, die over Bethel en Sichem en door Galilea langs het meer van Genncsareth zou worden voortgezet tot aan Caezarea Philippi, en van daar oostwaarts naar Damaskus.

Onder de lieden, die met Saulus van Tarsen zouden medegaan naar Damaskus, waren er, die in het geheim met de gemeente der Nazareners in betrekking stonden zonder openlijk er voor itt te komen, dat zij in Jezus van Nazareth geloofden. Zoodra het hen bekend was, dat zij onder dc leiding van den vervolger naar Damaskus gaan zouden om ook daar de gemeente, die zich daar kort geleden gevormd had, te verwoesten, haastten zij zich dit aan de leden der gemeente te Jeruzalem mee te deelen. Zoodra deze het vernamen, besloten zij te doen wat mogelijk was, om de broeders en zusters in Damaskus te waarschuwen, opdat zij op hunne hoede mochten zijn, en zoo noodig vluchten naar andere plaatsen.

Joses Barnabas bood zich aan zelf heen te gaan naar Damaskus, om deze boodschap over te bréngen. «Ik heb daar nog een vriend wonen » zei hij in de vergadering der Nazareners, waar deze zaak besproken werd, «die ook in den Christus gelooft. Ik vertoefde menigmaal op mijne reizen bij hem, eer ik over Antiochie naar Cyprus ging. Ik zal tot hem mij vervoegen, en hem het meedeelen. Hij zal de broeders en zusters wel verder waarschuwen.»

«Laat mij met u gaan!» vroeg Joannes Marcus.

«Het is goed; gij kunt mij vergezellen,» antwoordde zijn oom.

Reeds den volgenden dag vertrokken zij, na afscheid genomen te hebben van Maria van Cyprus, die nog altijd leed aan de gevolgen der ondergane geeseling. «God geleide u!» zei zij, «en brenge u tijdig en veilig bij de broeders en zusters in Damaskus. En moge uw komst velen bewaren voor vervolging en dood!»

Na een lange reis van vele dagen kwamen zij zonder ongevallen

419

ocr page 446

GEGREPEN.

in Damaskus aan. Zij begaven zich terstond naar den vriend, waarover Joses Barnabas gesproken had, een zekeren Ananias, een man van reeds gevorderden leeftijd.

«Joses! Mijn broeder! Zijt gij het?» zoo riep hij uit, zoodra hij hem zag. «Welkom! Wolkom in mijne woning! Sedert hoe langen tijd hebben wij elkanders aangezicht niet aanschouwd!»

«Wees gezegend, broeder Ananias!» antwoordd? Joses Barnabas. «Ja, het is lang geleden! En er is zooveel, zoo ontzaglijk veel gebeurd sedert dien tijd!»

«Gij bedoelt zeker, dat sedert wij elkaar de laatste maal zagen de Christus gekomen is?»

«Ja, en dat hij is gedood aan het kruis en ten derden dage opgestaan cn ten hemel gevaren; en dat hij den Geest Gods uitgegoten heeft op allen, die in hem geloofden, en zooveel meer!»

«Ja, ik weet het. Ik geloof ook in hem. Ik heb het evangelie gehoord in Galilea, waar ik vroeger den Meester zelf heb gehoord en gezien. Er zijn hier nog enkele broeders en zusters in Damaskus, die in stilte in hem gelooven. Maar komt binnen! Verkwikt u na uwe reize!»

Weldra zaten Joses Barnabas en Joannes Marcus met hun gastheer Ananias bij een laag tafeltje, waarop wijn, brood en vijgen gereed stonden. Nadat zij zich verkwikt hadden aan de spijzen, en zich op de rustbank uitstrekten, sprak Ananias:

«En vertel mij nu eens wat mij het geluk bereid heeft u onder mijn dak te zien; en ook vvien gij met u gebracht hebt.»

«Deze jongeling» antwoordde Joses Barnabas, «is mijn neef Joannes Marcus. Hij wilde met mij gaan om mijne opdracht te helpen vervullen. De broeders en zusters te Jeruzalem zenden mij om de broeders en zusters, die te Damaskus zijn, te waarschuwen. De wolf, die de kudde verwoest, is in aantocht. Binnen weinige dagen zal hij hier zijn om zijn vernielingswerk voort te zetten. Saulus van Tarsen, de ongelukkige, verblinde jonge Parizeer, wiens vader in het geloof aan den Messias is gestorven, en wiens zuster tot de beste leden der

420

ocr page 447

GEGREPEN.

gemeente behoorde, is niet tevreden met het kwaad, dat hij de gemeente des Heeren reeds aandeed en met het bloed der heiligen, dat te Jeruzalem en in Judea vergoten is door hem en zijne handlangers. Hij heeft aanbevelingsbrieven van den Hoogepriester ontvangen aan de hoofden der Synagogen hier en in andere steden, waardoor hem volmacht gegeven wordt ook hier, en overal, waar hij verkiest, alle aanhangers van den Messias te binden en gevankelijk naar Jeruzalem te voeren.»

Ananias had Joses zwijgend aangehoord. Nu hij zweeg, antwoordde hij:

«Ik heb enkele broeders en zusters gesproken, die uit Jeruzalem gevlucht zijn toen de vervolging daar woedde. Ik heb gehoord, hoe hij de heiligen in de gevangenis wierp, en hoe op zijne aansporing velen ter dood veroordeeld zijn. Er zijn hier in Damaskus een paar jonge lieden, die aan de vervolging ontvlucht zijn, en nu reeds bijna een jaar hier zich schuilhouden. Zij behooren beiden tot den stand der Rabbi\'s, en stellen het grootste belang in het lot van de lieden, die toen gevangen waren. Tot dusverre weigerden zij echter ons mee te deelen wie zij eigenlijk zijn. Zij zijn bij ons slechts bekend als broeder Ismacl en zuster Suzan na.»

«Suzanna?» riep Joannes Marcus uit. «Zoo heet de zuster van Saul ook! Zou zij het werkelijk zijn?»

«De zuster van wien?» vroeg Ananias.

«Van Saul den vervolger, van Saulus van Tarsen!» antwoordde Joannes Marcus. «Zij was met ons gevangen genomen; maar in den nacht, volgende op onze gevangenneming, is zij uit de gevangenis gevlucht of bevrijd. En niemand heeft later meer iets van haar vernomen.»

«Zouden wij die zuster niet eens kunnen ontmoeten?» vroeg Joses Barnabas.

«Wij hebben heden nacht eene samenkomst,» antwoordde Ananias. «Gij gaat natuurlijk met mij daarheen; en daar zult gij hen beiden zien, Suzanna en Ismacl.»

421

ocr page 448

GEGREPEN.

«Wie of die Ismaël zijn mag?» vroeg Joannes Marcus.

«Ismael? Heet zoo niet die neef van Suzanna van Tarsen, die Azarja waarschuwde, dat hij gevangen genomen zou worden ?» vroeg Joses Barnabas.

«Ismaël Ben Alexander, meent gij?» vroeg Joannes Marcus.

«Juist! Zoo is zijn naam. Hij was in het geheim een aanhanger van den Meester. Wellicht is hij het, die haar bevrijd en hierheen gevoerd heeft!»

«Gij zult u van het een zoowel als van het andere kunnen overtuigen, zoodra gij hen in de vergadering ontmoet. Tot zoolang dus geduld,» zei Ananias.

De vergadering der Nazareners, waarover Ananias gesproken had, werd gehouden in den nacht, in eene eenzame plaats een weinig buiten Damaskus. Toen het geheel nacht geworden was maakten Ananias en zijne beide gasten zich gereed zich er heen te begeven. Diep in hunne mantels gehuld en vergezeld van slechts één vertrouwden slaaf met een fakkel b ^aven de drie mannen zich op weg door de nauwe straten, totd c zij de stad verlaten hadden. Toen zij de vergaderplaats nadc.den zagen zij hier en daar ook andere kleine groepen met fakkels naderen. In stilte begaven allen zich naar de plaats van samenkomst, een ledigen grafkelder in de rots.

Eenige oogenblikken later waren een twintigtal lieden van verschillend geslacht, leeftijd en stand in den grafkelder vereenigd. Een Ro-meinsche lamp hing aan het gewelf, en verspreidde zijn walm door de lage ruimte. Daaronder was een lage tafel aangebracht, waarop brood en wijn gereed stonden voor het vieren van het liefdemaal.

Ananias had zijne gasten aan al de aanwezigen voorgesteld als «twee broeders uit Jeruzalem», zonder nog het doel van hun komst mee te deelen. Hij had hen nu een plaats gegeven dicht in zijne nabijheid. In dezen kleinen kring bekleedde hij de plaats van een leider en voorganger.

«De beide jongelieden, waarover ik u sprak, zijn nog niet gekomen,» sprak hij tot Joses Barnabas.

422

ocr page 449

ÓfeoREPÉN. 4^0

«Bedoelt gij broeder Ismaël en zuster Suzanna, uit Jeruzalem?» vroeg een der aanwezigen.

«Dezelfden,» antwoordde Ananias.

«Zij zullen zoo dadelijk hier zijn; zij werden onderweg even opgehouden», luidde he: antwoord.

En werkelijk, reeds hoorde men voetstappen naderen en in het volgende oogenblik zagen Joses Barnabas en Joannes Marcus inderdaad Suzanna, de zuster van Saul voor zich, vergezeld van haren neef Ismaël Ben Alexander. Zij stonden op om Suzanna te begroeten. Deze, geen vermoeden hebbende van de ontmoeting, die haar hier wachtte, stond in het eerste oogenblik verstomd. Toen, zich herstellende, kwam er een blijde glimlach over haar door smart vermagerd gelaat.

«Barnabas! Joannes!» sprak zij, vol blijde ontroering. «Gij hier? Ik dacht, dat gij reeds lang gestorven waart! Hoe verblijd ben ik u te zien!»

«En wij niet minder u hier weder te vinden,» sprak Joses Barnabas. «Wij hebben niets meer van u vernomen, noch uw aangezicht aanschouwd, sedert wij, nu een jaar geleden, door uwen broeder met u in de gevangenis geworpen werden.»

«Ja, er is veel gebeurd sedert dien dag!» antwoordde zij met een zucht. «Hoe verlang ik van u te vernemen, wat er geschied is. Maar zeg mij het eerst van al, wat is er gebeurd met mijn bruidegom, met Azarja Ben Itai? Ik verkeer nu reeds een jaar lang in onzekerheid aangaande zijn lot!»

«Heeft uw hart het niet aireede u gezegd, Suzanna, wat er met hem is geschied?»

Op deze woorden werd Suzanna doodsbleek; tranen welden op in hare oogen.

«O, ik begrijp het al!» antwoordde zij. «Ja, mijn hart heeft \'t mij wel gezegd; hij is gedood voor de belijdenis des Heeren, niet waar ?»

«Zoo is het!» antwoordde Barnabas op somberen toon. «Met vele broeders en zusters is hij gesteenigd buiten Jeruzalem.»

ocr page 450

GEGREPEN.

Er heerschte een oogenblik stilte. Suzanna zette zich neer en weende. Ismaël stond naast haar, en zag haar medelijdend, en tevens met een blik van innige liefde aan.

«Komt, broeders en zusters,» sprak nu Ananias, «laat ons niet al te zeer ons in het verledene verdiepen. Zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven. Zalig zijn zij, die de martelaarskroon verwerven. Zij zullen deelen in de heerlijkheid van den Messias Gods als hij komt met de wolken des hemels. Er zijn thans voor ons andere dingen te overwegen. Wij hebben noodig ons te sterken in het onderling geloof, want er zijn zware tijden aanstaande. Deze broeders zijn door de gemeente te Jeruzalem afgezonden om ons hier in Damaskus te waarschuwen. De vervolger en verwoester der gemeente, de vijand van God en de Zijnen, Saulus van Tarsen, is in aantocht met gewapende mannen en een volmacht des Hooge-priesters om ons allen, zoo hij ons vinden kan, gebonden naar Jeruzalem te voeren.»

«Ach, mijn arme broeder!» riep Suzanna uit.

De Nazareners keken haar aan.\' «Uw broeder? Wat bedoelt ge?» vroegen sommigen.

«Hij is mijn broeder! Saulus van Tarsen is mijn broeder, de eenige zoon van mijnen vader Rabbi Juda! O waarom zou ik het langer verzwijgen? Hij heeft het licht weerstand geboden, en het schijnt, dat God hem nu heeft overgegeven aan het oordeel der verharding!»

«Gij weet immers wel, Suzanna,» sprak Joannes Marcus, «dat er meermalen voorspeld is, dat hij tot bekeering zal komen?»

«O zeker weet ik dat! Ik zelf heb het meermalen gezegd, door den Geest er toe aangespoord. Maar hij schijnt er verder af te zijn dan ooit! Hoe zou hij nu tot stilstand komen? Reeds een jaar lang woedt hij tegen ons! Hij heeft niemand, zelfs mij niet ontzien! Hij heeft zijne handen bevlekt met het bloed der getuigen Gods, met het bloed ook van zijnen broeder Azarja. O ik vrees, dat God hem verworpen heeft!»

«Het moge onmogelijk schijnen bij de menschen,» zei Barnabas,

424

ocr page 451

f.ËGREPÉN. 4-5

«bij God is all«s mogelijk. Wie weet, hoe spoedig hij door den Heer gestuit wordt in zijn loop en gegrepen in het hart!»

«Zoolang dit echter niet het geval is, broeders en zusters,» sprak Ananias nu weder, «behooren wij toch te overleggen wat ons te doen staat, opdat als de wolf komt hij de kudde des Heeren niet geheel verscheure. Doch voor dat wij dat doen, komt het mij wenschelijk voor, dat wij ons sterken door den dood des Heeren te gedenken en gezamenlijk tot zijne gedachtenis brood te breken.»

Op deze woorden schaarden allen zich om de lage tafel. Zij legden zich neder op den rotsigen grond; en nadat zij zacht een lied gezongen hadden, brak Ananias het brood en deelde het rond, de gewijde woorden daarbij sprekende: «Neemt, eet; dit is het lichaam van Christus, dat voor ons is verbroken aan het kruis!» En daarna nam hij den beker, vulde hem met wijn, zegende dien, en sprak: «Drinkt allen hiervan. Deze beker is de beker der dankzegging, die wij dankende zegenen. Deze beker is de beker des nieuwen verbonds!»

En zij dronken allen, en aten van het heilige brood; en in hunne harten daalde troost, vrede en kracht. En toen zij daarna neder-knielden, en baden, toen was het hun, alsof de donkere grafkelder vervuld was van de tegenwoordigheid van hunnen Heer. En toen zij opstonden van het gebed, weerklonk eene heldere stem van eene der zusteren uit de gemeente, die in geestverrukking sprak:

«Vrees niet, gij klein kuddeke! De wolf, die de kudde dreigt te verscheuren, zal in een lam veranderd worden. Hoopt en wacht! Weldra zult gij de heerlijkheid Gods aanschouwen!»

«Ja, wij willen hopen en wachten!» antwoordde Ananias, de voorganger.

«Vertel mij toch meer van zijn dood!» sprak Suzanna een uur later tot Joannes Marcus, toen zij gezamenlijk de vergaderplaats verlieten en bij het heldere schijnsel der maan naar Damaskus terugkeerden.

«Gij bedoelt den dood van Azarja?» vroeg Joannes.

«Natuurlijk!» antwoordde zij.

ocr page 452

GÊGREPÊli.

«Ik kan er u weinig van vertellen», was zijn antwoord. «Zelf was ik met mijne moeder, en Rhode en mijn oom, en nog vele anderen, tot geeseling veroordeeld. Uw broeder stond er bij, en bijna had ik mij vergeten, toen hij wreed genoeg was mijne moeder zoo te mishandelen. Zij zonk in zwijm onder de geeseling.»

«Geen wonder! Arme Maria! Maar Saul kon natuurlijk haar niet vrijlaten, toen het vonnis eenmaal geveld was. Maar weet ge dan niets van den dood van mijnen geliefde?»

«Ik weet alleen», antwoordde Joannes Marcus, «dat hij buiten Jeruzalem in het dal Tophet met vele anderen is gesteenigd. Of hij nog iets gezegd heeft, weet ik niet. Met hem stierven ook Eljasar, onze trouwe makker, door Azarja van den duivel verlost, en Ruth met haar kind.»

«Met haar kind? Wat had dat onnoozele wicht misdaan, om te moeten sterven?»

«Haar vader moet \'t haar op \'t laatste oogenblik gebracht hebben. En toen gelastte Rabbi Jonathan Ben Annas, die nu Hoogepriester is, het met de moeder te dooden.»

«Wat? Hij? En hij was er de vader van!»

«Ja! Daarom juist misschien!»

«Wat een booswicht! En die is nu de Hoogepriester!»

«Ja, en die is de vertrouwde vriend van uwen broeder! Het is van hem, dat Saul volmacht heeft hier ook de gemeente te verwoesten!»

«Ach, spreek niet meer over hem!»

Zij zwegen een oogenblik. Ismaël Ben Alexander was een weinig van hen verwijderd, en in druk gesprek met Joses Barnabas.

«Zeg mij eens,» sprak Joannes Marcus zacht, «hoe komt Ismaël Ben Alexander zoo in uw gezelschap ?»

«Hij heeft mij gered uit den kerker, en mij hierheen gebracht. Hij had mij beloofd mij naar Antiochie en van daar naar Tarsen te voeren. Maar tot nu toe vond hij nog geene veilige gelegenheid, en scheen het ons beter toe voorloopig hier te blijven.»

ocr page 453

tiEGREt\'Érï. 4^7

«Hij heeft u lief, niet waar?»

«Dat heeft hij mij gezegd.»

«En hij zal u ter vrouw nemen, nu Azarja dood is?»

«Ik weet niet, wat zijn vader, die mijn voogd is, beslissen zal. De groote moeilijkheid is wel, dat hij zonder zijn vader te raadplegen is heengegaan, en zijne ouders niet weten, waar hij is. Maar dat hij het begeert mij ter vrouw te nemen, geloof ik wel.»

«En gij, kunt gij hem liefhebben??;

«Liefhebben zooals ik Azarja liefhad, neen! Nooit zal ik die liefde kunnen gevoelen voor een ander, die ik voor mijn armen Azarja gevoeld heb. Maar nu hij dood is, sta ik geheel alleen op de wereld. Ismaël heeft mij gered uit de handen mijns broeders. Hij heeft over mij gewaakt als de appel zijner oogen; hij zorgt voor mij, en heeft er recht op, dat ik dit erken en beantwoord. Als hij mij ter vrouw begeert, dan ben ik bereid hem te volgen.»

Joannes Marcus zweeg en zuchtte. Weldra moesten zij afscheid nemen, en terwijl Suzanna en Ismaël naar de woning gingen, waar zij verblijf hielden, ging Joannes Marcus met zijn oom en met Ananias mede naar diens gastvrije woning.

Intusschen was de gevreesde vervolger in aantocht. Reeds had hij de reis voor het grootste gedeelte volbracht. Wij vinden hem in den avond van den dag, waarop Joses Barnabas en Joannes Marcus in Damaskus kwamen, bij de oevers van het meer van Tiberias, waar hij met zijne mannen de tenten opgeslagen heeft in een vlakte tusschen Magdala en Bethsaïda. Een beekje, van de nabij zijnde heuvelen komende, vloeit op die plaats in het meer. Saul staat in de deur van zijn tent, en staart voor zich uit over de vlakte van het meer, waarin de laatste stralen van de in het Westen achter de bergen wegzinkende stralen weerkaatsen. Links van hem aan den voet der heuvels, dicht bij den oever van het meer ligt Bethsaïda, en daar achter, een weinig verder, eveneens aan den oever is Chorazin te zien. Nog verder op, aan den noordelijken horizon, ziet Satl de huizen van Kapernaüm tegen de wegblauwende

ocr page 454

GEGREPEN.

bergen uitkomen. Aan zijn rechterhand ligt Magdala en verderop, een weinig meer naar het Zuidoosten, aan den oever des meers ligt Tiberias, waarvan echter slechts weinig te zien is, omdat het als wegschuilt aan den voet der bergen. Voor hem, naar het Oosten, strekt zich het meer van Tiberias spiegelglad uit, en Saul kan even in de verte de rotsen aan de overzijde in het land der Gadarenen onderscheiden.

De vérvolger is in diepe gedachten verzonken. Niet meer in het woelige Jeruzalem verkeerende, niet langer dagelijks omringd van al de drukte en de verstrooiing, die het leven in de heilige stad medebrengt, maar hier, in het vredige Galilea, in die avondstilte, met dat stille meer voor zich, op welks oppervlakte de scheepjes der visschers uit Kapernaum en Tiberias drijven, komt er een wondere gewaarwording over hem.

Hij heeft nu reeds langer dan een jaar toegegeven aan de stem der wraak en der vervolgingswoede. Hij, die in de ijverige betrachting van al de geboden der wet den vrede niet gevonden had, dien hij in \'t diepst van zijn hart begeerde, heeft gehoopt, dat zijn ijveren voor den Heer hem dien vrede zou doen vinden, en de stille verzekerdheid, dat hij een gunsteling van God was.

Heeft hij dien vrede, die verzekerdheid verkregen?

Helaas! Terwijl hij al verder en verder voort is geschreden op den weg der vervolging, is het hem, alsof hij in het diepst van zijn hart al grooter en grooter onrust gevoeld heeft. Ja soms is het hem des nachts, alsof wrekende schimmen om zijne sponde waren. Dan ziet hij weder dien Stefanus, met het van hemelschen glans stralende gelaat; dan ziet hij Azarja, den vroegeren makker, den geliefde zijner zuster, zooals hij hem gezien heeft, nadat de steenhoop opgeruimd en de lijken weggehaald waren: het oog gebroken, de hersenpan half verpletterd, en het blonde haar van bloed gedrenkt. Dan ziet hij dien wonderen, woest uitzienden man, dien Eljasar, waarvan het gerucht zeide, dat hij door Azarja van den duivel verlost was. Dan ziet hij Ruth met haren zuigeling, beide gedood door zijn toe-

428

ocr page 455

GEGREPEN. 429

doen. Dan ziet hij zoovelen, die door zijn ijveren een wreeden dood gevonden hebben. Dan ook verrijzen ze weder voor zijn oog, de bloedige tooneelen van geeseling, die hij, schijnbaar ongevoelig, had bijgewoond, maar die hij niet vergeten kan. I elkens weer klinkt hem het woord van Rhode in de ooren, ((Beul van uwe beste vrienden !„ _ En dan denkt hij aan Suzanna, zijne zuster, sedert een jaar verdwenen, misschien aan gebrek en ellende overgegeven; doorzijn ijveren getroffen in haar hart door den dood van haren bruidegom.

En als hij al dien jammer herdenkt, door zijn hand aangericht ter eere Gods, dan... rijst er twijfel op in zijn hart, of zijn weg welde goede weg is! Zou het mogelijk zijn, dat zij toch gelijk hadden? Dat toch die Galileër, die gekruisigde, waarlijk van God gezonden was, en zooal niet de Messias dan toch een profeet was ?...

Maar neen! Weg met die twijfelingen!

En dan vermeerdert hij het gebed, en herhaalt de wraakpsalmen van Israel, en gedenkt de verhalen van allen, die vroeger de wrake des Heeren wreekten, en dringt zich op, dat hij toch in den weg Gods is; en brengt de onrust tot zwijgen. En dan is hij den volgenden morgen weder dezelfde man, hard en onvermurwbaar naar het uitwendige en het zachtere gevoel in zijn boezem voor ieder verbergende.

Terwijl hij daar staart over het meer in de avondschemering, en dit alles gedenkt, ziet hij een paar vrouwen naderen van den kant van Bethsaïda. De eene is reeds van gevorderden leeftijd, en wordt door de andere, eene nog betrekkelijk jeugdige vrouw, gesteund bij het gaan.

Langzaam wandelend naderen zij. Zij moeten de plaats, waar de tenten zijn opgeslagen, voorbijgaan; hun pad voert vlak langs Saul henen. Weldra zien zij naar hem.

«Wat mag dat zijn?» fluistert de oudste. «Zie, tenten, met krijgslieden geloof ik; en die jonge man schijnt het hoofd te zijn.»

«Ik weet het niet, Salome, wie dat zijn. Laten wij dien jongeling aanspreken; misschien vernemen wij wel, wie hij is, en wat hij komt doen met zijne soldaten in dit vredige oord.»

ocr page 456

r.EGREPEN.

«Spreek gij hem clan aan, Maria!» antwoordt Salome.

Maria van Magdala, — want zij is het, — richt zich nu tot Saul, wien zij nabij gekomen zijn, en zegt:

«Cods zegen ruste op u! Wie zijt gij, die hier aan de stille oevers van ons meer uwe tenten hebt opgeslagen ?»

Saul ziet met eerbied op naar de oude Salome, niet vermoedende, dat hij de moeder van de twee bekende hoofden der gemeente van Nazareners, de vrouw van Rabbi Zebedeüs voor zich heeft. Daarop beide vrouwen eerbiedig groetende, richt hij zich tot Maria van Magdala, zeggende:

«Ik ben een man uit Jeruzalem, en ben afgezonden door den Hoogepriester om eene heilige taak te vervullen. Ik ben op reis naar Damaskus, en vertrek morgen naar Caesarea Philippi. En gijlieden, wie zijt gij?»

«Ik ben Maria van Magdala,» luidt het antwoord; «en deze mijne vriendin is Salome, de vrouw van Rabbi Zebedeüs, van Bethsaïda.»

Saul schrikte. H j kende die namen maar al te goed. Zich tot Salome wendende zeide hij:

«Zijn Joannes en Jacobus, de hoofden van de sekte der Nazareners, niet uwe zonen?»

«Dezelfden!» antwoordde zij.

«Dan zijt gijlieden beide ook Nazareners!»

«Wij zijn beiden nederige volgelingen van den Messias, den Koning Israels, Jezus van Nazareth», antwoordde Salome.

«En weet gij wie ik ben?» antwoordde Suil nu met verheffing van stem. «Ik ben Saulus van Tarsen, de ijveraar Gods tegen allen, die dien Nazarener voor den Messias houden.»

Onwillekeurig traden de beide weerlooze vrouwen een. weinig terug. Zij sloegen een verschrikten blik op de krijgslieden, die zij bij de tenten zagen.

«Vreest niet!» sprak Saul nu. «Ik zal u nu niet bemoeilijken. Dit zou niet zijn volgens de regelen der wet. Ik moet nu naar Damaskus. Later kom ik ook hier om mijn taak te vervullen. Dan

43°

ocr page 457

GEGREPEN. 451

zal in de Synagoge onderzocht worden, wie den Nazarener voor den Messias houdt, en wie getrouw blijft aan de vaderlijke wet. En als gij dan uw geloof in dien Jezus volhoudt, ja, dan zal ik zeker ge-noDdzaakt zijn ook u gevankelijk naar Jeruzalem te voeren!»

«Gij weet niet wat gij doet, jongeling!» sprak Salome nu. «Als gij wist wat gij doet, door de gemeente des Heeren te vervolgen, gij zoudt met diepe schaamte uw schuld aan God belijden en u bekeeren van uwen boozen weg.»

Saul fronsde de wenkbrauwen. «Wees voorzichtig!» sprak hij. «lïeleedig mij niet! Al treft gij mij nu aan in een welwillende stemming, al wil ik nu niet van de gelegenheid gebruik maken en u, weerloozc vrouwen, gevangen nemen, zulke woorden, als gij daar spreekt, konden mij reden geven toch dit te doen!»

«Als gij meent dit te moeten doen, ga uw gang! Zouden wij niet bereid zijn voor onzen Heer en Meester te lijden, te sterven als het moet? Maar nog eens, gij weet niet wat gij doet! Gij kent hem niet! O als gij hem gekend had, zooals ik hem gekend heb, het land doorgaande goeddoende, en genezende alle kwaal en ziekte onder het volk! Als gij hem gehoord hadt, zooals hij hier, aan den oever van dit meer, of daar ginds, op dien bergtop, of op een der scheepjes tot de schare kon spreken! Ik meet zeker, dat gij dan nooit zijn vijand en vervolger geworden zoudt zijn! Gij hebt wel het gelaat van den IJveraar; maar uw oog spreekt van oprechtheid voor God! Nog eens, gij kent hem niet, den Christus Gods! O als gij hem kendet, als gij wist wie hij is, dien gij vervolgt, gij zoudt niet langer zijn vijand zijn, maar gij zoudt het eene eer achten met mijne zonen en de anderen mede te arbeiden om zijn gezegend evangelie te prediken!»

Saul wist nauwlijks wat te antwoorden. Op stuggen toon, als wilde hij liever niet verder spreken, antwoordde hij:

«Een gekruisigde en geschandvlekte kan de Christus niet zijn!» «Maar weet gij dan niet,» zoo sprak nu Maria van Magdala, »dat hij is opgestaan van de dooden? Weet gij niet, dat hij verheerlijkt is?»

ocr page 458

432

ftDat praatje van eene opstanding heb ik wel gehoord,» antwoordde Saul, «maar ik heb ook gehoord, dat \'t een leugen is, dat gijlieden zijn lijk gestolen hebt!»

«O, hoe dwaalt gij!» riepen beide vrouwen uit. «Ik heb hem zelf gezien!» sprak Maria van Magdala. «Ik heb aan zijne voeten geweend, en hij heeft tot mij gesproken, in den hof, bij zijn ledig graf!»

«Gij hebt hem gezien?» vroeg Saul op een toon van verwondering en ongeloof.

«Ja, ik heb hem gezien! O laat mij het u verhalen! ik dacht als gij, dat opstaan uit het graf onmogelijk was. Ik dacht, toen ik zijn graf ledig vond, dat men hem weggehaald had, evenals gij het meent. Terwijl ik weenende stond bij het ledige graf, — want ik had zijn lichaam willen balsemen, — hoor ik eene stem achter mij, die zeide: «Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij?» Ik dacht niet anders, of het was de hovenier, en zonder hem aan te zien antwoordde ik: «Zoo gij hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij hem gelegd hebt; en ik zal hem wegnemen.» Daarop hoorde ik één woord; maar dat woord vergeet ik in der eeuwigheid niet: «Maria!» Toen ik dat hoorde, keerde ik mij dadelijk om, want ik had hem herkend, mijn Heer en mijn Meester. En ik viel neder aan zijne voeten om hem te aanbidden. Toen sprak hij verder tot mij, en zond mij daarop heen om \'t aan zijne leerlingen mee te deelen.»

«En daarop,» zoo sprak nu Salome, «hebben wij hem gezien, Maria de vrouw van Klopas, Joanna de vrouw van Chuzas en ik. Hij kwam ons te gemoet buiten de pjort van Jeruzalem, zegende ons, en droeg ook ons op aan zijne leerlingen de boodschap te brengen. En op dienzelfden dag verscheen hij aan Simon Petrus, en aan mijn man Klopas, met een broeder, die met hem ging, en ten slotte aan tien van zijne leerlingen te zamen. Hoe kunt gij dan nog er aan twijfelen, dat hij opgestaan zou zijn!»

Saul antwoordde niet dadelijk. Ondanks zichzelven hadden deze ongekunstelde verhalen, die het stempel van waarheid droegen, in de stemming, waarin hij juist op dat oogenblik verkeerde, veel

ocr page 459

GEGREPEN.

indruk op hem gemaakt. Toch zei hij spoedig, op eenigzins spot-achtigen toon:

«Ik begrijp niet, dat hij dan niet, toen hij toch levend geworden was, naar den tempel gegaan is, om het volk te leeren! \'Dat zou nu eens een afdoende gebeurtenis geweest zijnl Dan hadden allen hem als den overwinnaar des doods, gehuldigd. Waarom heeft niemand hem gezien dan zijne volgelingen? Waarom heeft hij zich niet vertoond aan zijne rechters? O. als dat gebeurd was, als werkelijk die gekruisigde Jezus levend voor ons verschenen was, dan, ja! dan hadden wij het erkend, dat hij de Messias was! Maar nu, gij zegt wel, dat gij hem gezien hebt, maar ik denk, dat het een spel uwer kranke verbeelding is geweest!»

cGeen verbeelding, jongeling,» antwoordde Salome, «maar werkelijkheid ! Want niet wij alleen hebben hem gezien. Hier, bij het meer van Tiberias, ginds aan de overzij, op een van die in de verte schemerende bergen hebben wij hem weer gezien met meer dan vijfhonderd broeders en zusters!»

«Vijfhonderd, zegt gij?»

c.Ja zooveel zijn er zeker geweest! Misschien nog meer. Maar het waren allen volgelingen van hem, want aan zijne vijanden, en aan het onverschillige volk kon hij zich niet vertoonen.»

«En waar is hij dan nu? Als het waar is, wat gij zegt, dan moet hij toch nu zich ergens ophouden. Dan wil ik mij met eigen oogen overtuigen! Dan zal ik hem naar Jeruzalem voeren, en zullen wij zien of het werkelijk de zelfde Jezus van Nazareth is, als die op Golgotha stierf!»

«Hij is niet meer op aarde; hij is reejds lang heengegaan naar den hemel. Gij zoudt dus vergeefs hem zoeken.»

«Naar den hemel gegaan? Evenals Elia de profeet?»

«Ja, evenzoo. Zijne leerlingen zijn er getuigen van geweest. En nu is hij gezeten aan de rechterhand Gods. Zijn getuige Stefanus heeft hem gezien, zoo is ons verhaald, toen hij voor uwen raad stond, staande ter rechterhand Gods. Maar weldra keert hij weer

28

433

ocr page 460

GEGREPEN.

om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zult gij hem ook zien! Dan zullen allen hem zien. En dan zult gij met al zijne vijanden roepen tot de bergen: «Valt op ons!» en tot de heuvelen «Bedekt ons!gt;) Dan zult gij sidderen voor hem, die dan komt met de wolken des hemels, als de toornige rechter, en te laat het u beklagen, dat gij tegen hem de verzenen verheven hebt, en hem vervolgd hebt in de zijnen!»

Bij de laatste woorden fronsde Saul de wenkbrouwen. Zijn gelaat werd rood van toorn, en toen Salome uitgesproken had, sprak hij wrevelig;

«Genoeg! Genoeg! Gaat nu heen! Ik wil mijne belofte niet schenden, dat ik u nu niets doen zal; maar gaat heen, als gij niet wilt, dat ik u wegens lastering zal laten gevangen nemen!»

«Wij gaan!» antwoorde Salomo, «maar ik bid God, dat uwe oogen geopend worden mogen en gij den waren Koning van Israël moogt leeren kennen en aanbidden!»

Daarop wendde zij zich af om heen te gaan. Maria van Magdala echter stond nog even stil, en, Saul aanziende, zeide zij:

«Saul, gij blinde Farizeër, hoor naar mijne woorden! Eens .vas ik een arm schepsel, overgegeven aan de macht des Satans. Maar die Jezus, dien gij vervolgt, heeft mij verlost uit de macht der hel! Hij is machtig ook u te verlossen, en u de oogen te openen, opdat gij hem zien moogt in zijne heerlijkheid, en nedervallende ter aarde hem aanbidden moogt als den Messias Gods, den Koning Israels, als uw Heer en Verlosser!»

Daarop wendde zij zich om, en liep stil Salome achterna, terwijl Saul op de zelfde plek bleef staan en hen nastaarde, totdat zij in de vallende schemering verdwenen waren. Toen keerde hij om en ging naar zijne tent met peinzend gelaat.

De nacht, die op dat gesprek volgde, bracht Saul slapeloos door. Aanhoudend moest hij denken aan het gesprek met de beide vrouwen, en aan het verhaal van Maria van Magdala. «Zou \'t dan toch waar zijn?» zoo vroeg hij zichzelven af. Zou het dan ten laatste toch

434

ocr page 461

GEGREPEN.

blijken, dat niet zijne zuster, maar hij had gedwaald, en dat, ondanks alles, toch de Nazarener de ware Messias was?

Altijd had hij zich vastgeklemd aan de gedachte, dat een geschandvlekte, een gekruisigde de Christus niet zijn kon. En in die overtuiging had hij eiken indruk onderdrukt, die tegen die gedachte scheen te pleiten. In die overtuiging kad hij niet willen denken aan Stefanus\' sterven; noch ook aan de zaohtmoedige vroomheid van Suzanna; noch aan de kalme, blijmoedige verzekerdheid van zijn vader; noch aan de doodsverachting van die allen, die hij had doen sterven. Hij had elke betere gedachte sinds lang onderdrukt, verbannen uit zijn geest. Aan de doopsplechtigheid, door hem indertijd bijgewoond, dacht hij niet meer; noch ook aan het gesprek, toen gehouden met den bekeerden krijgsman Tullius. Hij had die indrukken vergeten in den roes der vervolging. Nu echter, terwijl hij daar wakend nederlag in zijne tent, aan den oever van dat meer, dat zoo menigmaal getuige geweest was van de woorden en werken van dien Galileeschen profeet, nu kwamen zij allen terug in zijne herinnering met vreeselijke duidelijkheid. De twijfel aan zijne eigene zaak had reeds lang gewroet in zijn binnenste; en ofschoon hij des daags het zich ontveinsd had, des nachts had hij telkens, en met klimmenden ernst, zich afgevraagd; «Als \'t toch eens waar was, dat hij de Messias is! Als ze toch eens gelijk hadden!» Steeds had hij dan geantwoord: («Zij hebben geen gelijk!» Maar nu kon hij daarmee den twijfel het zwijgen niet opleggen. Al sterker en sterker werd ze in hem. Zijn hart en slapen sloegen bijna hoorbaar; een vreeselijke schrik voer door zijne ziel; en — eindelijk opspringend van zijn leger, liep hij met driftige stappen heen en weer, telkens herhalende:

«O, als \'t nu toch eens waar was! Als \'t toch eens waar wasH

En alsof er iemand bij liem stond en tot hem sprak, zoo drongen de woorden zijn verstand binnen: «Het is waar! Het is waar!»

Hij liep al driftiger en driftiger heen en weer, klemde de vuisten samen, als moest hij worstelen met een onzichtbaren vijand, sloeg

435

ocr page 462

GEGREPEN.

zich bij wijlen voor het voorhoofd, stampvoette, en stiet eindelijk de woorden uit:

«Het kan niet waar zijn! Het mag niet waar zijn! O, dat zou al te vreeselijk zijn!»

Toen greep hij zijn opperkleed, sloeg het om, en verliet zijn tent.

De nacht was helder. De maan straalde aan het wolkeloos diepblauwe azuur, dat met glinsterende sterren bezaaid was. Het meer van Tiberias lag kalm als een spiegel voor hem, en weerkaatste den hemel met zijn licht. Stilte regeerde overal. Uit de tenten klonk het ronken der krijgslieden.

Morgen zouden zij Damaskus bereiken. Morgen zouden deze mannen, die daar nu lagen te slapen, weerlooze mannen en vrouwen uit hunne huizen slepen en binden. En opnieuw zou het tooneel zich herhalen, reeds zoo dikwijls doorhem gezien, dat tooneel van kermende vrouwen, van zwijgend lijdende mannen, van bloedige geesels en bloedige kleederen; van stervende menschen, stervend nog de handen tot bidden vouwende, biddende, ook voor hem, hun moordenaar!...

En terwijl deze beelden voor zijn geestesoog verrezen, dacht hij aan Suzanna, zijne zuster, ontvlucht uit de gevangenis, waarin hij haar geworpen had, ontvlucht, reeds een jaar geleden. Waarheen? Waar zwierf zij rond? Leefde zij nog? Of was zij wellicht van gebrek omgekomen? Had zij hem gevloekt of gezegend? O, hij wist het, en in deze oogenblikken, waarin de woeste hartstocht zweeg en de betere gewaarwordingen eindelijk, eindelijk weer de overhand verkregen, hij wist het, hoe hij haar in het harte gewond had door Azarja te dooden, Azarja, dien zij lief had gehad met haar gansche hart!

En weer verrees voor zijn geestesoog dat tooneel; weer zag hij Azarja, staande tusschcn de gevallenen; weer zag hij, hoe een groote steen hem trof, hoe hij nederplofte op de anderen. Weer zag hij dat lijk, zoo vreeslijk verminkt, van hem, dien hij eens zijn vriend genoemd had, die zijn broeder had willen zijn!

O, als \'t toch eens waar was! Als hun geloof toch eens het

436

ocr page 463

ÓEGREPEN.

rechte was! Hoe zwaar had hij dan misdaan, hij, die Gode een dienst meende te doen! Hij had geijverd; hij had alles, alles opgeofferd ; hij had zijn hart het zwijgen opgelegd; hij had aan blinden vervolgingshaat toegegeven. Hij had gehoopt in dien weg vrede te zullen vinden. Maar in plaats van vrede vond hij onrust!

Met snelle stappen wandelde hij voort langs den oever van het meer. Hij kon maar niet vergeten dat verhaal van die beide vrouwen. Opgestaan uit de dooden! Zou \'t waar kunnen zijn? Altijd had hij het verworpen. Hij had er niet aan willen gelooven. Hij had gedacht, dat de Nazareners bedriegers of bedrogenen waren. Maar nu, dat verhaal van die jonge vrouw! Droeg \'t niet het stempel van waarheid? Kon dat een verzinsel zijn? Het is waar, zij kon het zich verbeeld hebben! Maar spraken zij niet van eene verschijning aan vijfhonderd menschen gelijk ?

En als hij waarlijk opgestaan was, dan moest hij de Messias zijn! IJdel was dan zijn streven, om zijne volgelingen uit te roeien! Dan, o dan zou hij komen, weldra met de wolken des hemels, om gericht te houden over allen, die hem verworpen en bestreden hadden!

Het angstzweet brak Saul uit. Hij beproefde de redeneeringen terug te roepen in zijne herinnering, die hij vroeger gehouden had om te bewijzen, dat Jezus de Christus niet kon zijn. Vergeefs! Hij kon het niet! Slechts losse gedeelten doemden op voor zijne herinnering, doch alsof er een inwendige rechtbank opgericht was, zoo traden hem terstond en helder de weerleggingen zijner eigen bezwaren voor den geest. «Uit Nazareth!» — Ja, maar had Suzanna niet indertijd verteld, dat zijne moeder uit Davids geslacht was, en dat haar zoon in Bethlehem geboren was? — «Gering en veracht!» — Ja, maar had Jezaja dit niet voorspeld van den Ebed Adonaj ? En was toch eigenlijk de verklaring van dat gedeelte van Jezaja\'s godspraken als te zien op den Messias, veel begrijpelijker, dan wanneer men het op het volk Israels toepaste ? Kon er eigenlijk van een volk gezegd worden, dat het «de onwaardigste onder de menschen,» een «man van smarte» was ? En was dit niet alles in

437

ocr page 464

r.ÈGREPÉN.

Jezus vervuld? — «Gekruisigd; een vervloekte geworden!» —Ja, maur als hij daarna werkelijk opgestaan, en nu in den hemel verhoogd was, dan was dat kruis geen ergernis meer! Dan was het een middel geworden tot zijne heerlijkheid! Ook Jezaja had toch gezegd: «Als hij zijne ziel zal hebben uitgestort in den dood, dan zal hij de dagen verlengen!»

En toch, en toch! — Neen, het kon zoo niet zijn, het mocht niet zijn! Hoe? Het zou alles, alles ijdel zijn, wat de Rabbi\'s geloofden en leerden? Want wanneer de Messias op zulk eene wijze gekomen was, wanneer niets geschiedde van alles, wat in de Schriften voorspeld was, dat geschieden zou, hoe kon hij dan nog eenig vertrouwen overhouden in die Schriften? Waar waren de beroeringen in de schepping, die de komst van den Messias voorafgaan zouden? Wat was er geschied van den grooten strijd, dien de Messias strijden zou ? En had het volk zich bekeerd van zijne zonden, zooals de Schriften leerden, dat eerst geschieden moest? Werd de wet reeds volkomen vervuld ?

Neen! Neen!! Neen!!! Jezus was de Messias niet\\ Weg met die gedachte! Was hij dan ook al aangetast door dat bijgeloof? Neen, voort maar op den ingeslagen weg! Voort, totdat de sekte geheel uitgeroeid was! O, het was onvoorzichtig van hem geweest te luisteren naar die twee vrouwen! Het ware beter geweest, als hij ze behandeld had, zooals hij, de vervolger en vijand dier sekte, had behooren te handelen. Hoe had hij zoo toegevend kunnen zijn ? Hoe had hij zoo lang kunnen luisteren naar hunne woorden •\' O het was, omdat de twijfel weer zijn hart binnengeslopen was, de twijfel aan de waarheid van de getuigenis der Schriften, die een gansch anderen Messias voorspelden, dan die Jezus was of zijn kon!

Voort dan, voort op den weg! Geen overwegingen van weekelijken aard! Niet omzien naar wat achter was! Niet zien op menschen! Hij had Azarja niet vermoord, maar do rechtvaardige straf had hem getroffen! Het was zijn schuld niet, als Suzanna in gebrek ergens leefde. Zij was eene afvallige, en hij had het recht te handhaven!

43^

ocr page 465

GfeGRtePEN.

Zijn vader? Die was verblind en betooverd geworden doorSuzanna, zooals hij ook een wijle betooverd geweest was door die vrouwen. En dat die Nazareners in hun leven en hun sterven blijkbaar zoo zeer op God vertrouwden, het was, omdat zij nu eenmaal vast geloofden, dat Jezus de Messias was! Maar hij was het niet! Neen! En daarom, voort in den strijd! Voort, tot de taak der verdelging volbracht was! O, dan, dan zou de kroon der overwinning hem gegeven worden! Wat beklaagde hij zich, dat hij nu nog niet het gevoel had van een gunsteling Gods te zijn? Eerst behoorde hij zijn taak te volbrengen! En daarom, voort, naar Damaskus! En van daar verder! Al moest het, naar \'t einde der wereld! Hij wilde aan niets denken, dan aan het einddoel: de overwinning, en dan de belooning: zijne verbinding met Esther, de eerepost van een Rabbi en Raadsheer te Jeruzalem, en bij de komst van den Messias een eerekroon voor zijn ijveren voor God!

Hij keerde terug op zijne schreden. De storm in zijn hart was bedwongen; het oogenblik van zwakte, — zooals hij het nu noemde, — was weer voorbij. De zon der liefde had een oogenblik het ijs van zijn hart doen smelten; doch ook maar één oogenblik. Toen hij weer zijne tent betrad, was hij weder de harde, onbuigzame vervolger. En terwijl de lucht met wolken bedekt werd, en er nu en dan een windvlaag over de oppervlakte ging van het meer, gevoelde Saul in zijn hart niets anders meer dan onbuigzamen ijver om voort te gaan op den weg der vervolging.

Eenige uren later was de karavaan reeds weer opgebroken, en had de oevers van het schoone Galileesche meer verlaten. Weldra zouden zij Caesarea Philippi bereiken, en van daar zou de reis verder naar het Noordoosten gaan over de vlakte aan den voet van het gebergte van Hermon, die door vele beken doorsneden werd. Indien zij geen tegenspoed hadden op hun tocht, dan konden zij tegen den avond Damaskus bereiken.

Het was tegen het midden van den dag, en Saul met zijne metgezellen, gezeten op vlugge Arabische paarden, naderden snel het

439

ocr page 466

44° GEGREPEN.

doel van hunne reis. Met den nacht waren ook de pijnlijke gedachten bij Saul verdwenen, en in opgewekten toon onderhield hij zich met een zijner metgezellen, die naast hem reed.

Plotseling, terwijl hij druk in gesprek was, had er iets wonderbaars plaats. Ue zon straalde aan een wolkeloozen hemel en brandde fel op den weg. Doch op eens was het, alsof haar licht verduisterd werd door een licht, wonderbaar en schitterend, dat met verblindenden glans den geheelen omtrek in een zee van licht deed verdwijnen.

De paarden steigerden ; de mannen, die Saul verzelden, lieten kreten van schrik hooren. Sommigen van hen vielen ter aarde. Eene groote verwarring ontstond. En te midden van die verwarring hoorde Saul, die ook ter aarde gestort was, eene stem, die zeer duidelijk de woorden sprak:

«Saul! Saul! Wat vervolgt gij mij?»

Saulus van Tarsen zag op; en... daar stond, omgeven van een onbeschrijfelijke!! glans, een persoon voor hem, menschelijk en tevens hemelsch; eenvoudig en toch van eene onbeschrijfelijke majesteit. Een golvend kleed van witte, als zilver glinsterende stof, golfde op zijne voeten neder. Zijn gelaat had eene uitdrukking van onbeschrijfelijke zachtmoedigheid en liefde; en toch lag er in zijne geheele gestalte eene majesteit, zooals zij op aarde nergens gevonden wordt. Een vriendelijke glimlach plooide zijn mond, waaromheen de blonde baard duidelijk deed zien, dat hij een mensch, een man was. Om zijne slapen zag Saulus een krans, van doornen gevlochten; en duidelijk zag hij bloeddruppelen; doch zij schitterden als juweelen op zijn voorhoofd.

Hij zag dit alles als in één ondeelbaar oogenblik. En op \'hetzelfde oogenblik bliksemde het doorzijn geest; «De Man van smarten! De gekruisigde!»

Stamelend sprak hij: «Wie zijt gij. Heer?»

Het antwoord liet zich niet lang wachten; het was zooals Saul reeds vermoedde.

ocr page 467

GiÈGREPÉN.

«Ik ben Jezus,» zoo klonk het, «dien gij vervolgt. Het is u hard de verzenen i) tegen de prikkels te slaan.»

lt; Eene siddering doorliep het lichaam van Saulus. Alles, wat in den nacht, die voorbijgegaan was, zijne ziel had bewogen, ging in dat oogenblik door zijn geest. Een gevoel, alsof de grond zich openen en hem verslinden zou, vervulde hem. Hij wist nauwelijks, waar hij zich bevond. Hij wist alleen, dat die gestalte daar voor hem stond, die gestalte, met dit vriendelijk gelaat, dat voor hem nu als het gelaat van den hemelschen Rechter was. Hij dacht aan wat de vrouwen gesproken hadden over zijne opstanding, zijne hemelvaart en zijne aanstaande wederkomst. Hij zag op eens de zwartheid van zijn haat, de ontzettende begoocheling, waarin hij geleefd had. En, stamelend als een kind, en bevende over het geheele lichaam, sprak hij vol eerbied:

«Heer, wat wilt gij, dat ik doen zal?»

«Sta op,» zoo klonk het antwoord, «en ga in de stad. En daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet.»

Nauwelijks hadden deze woorden het oor van Saul bereikt of alles was verdwenen. En terwijl een oogenblik te voren een glans boven het zonlicht Saul omschenen had, daalde nu op eens stikdonkere nacht op hem.

Tot zichzelven gekomen stond hij op; doch hoe hij zijne oogen openzette om iets te zien, het was en bleef nacht voor hem. Hij was blind.

Zijne makkers, die wel het licht gezien, en het spreken van Saul gehoord hadden, doch die niets van de heerlijke verschijning bemerkt, noch de door de gestalte gesproken woorden verstaan hadden, zagen, hoe hun hoofdman als een blinde om zich heen tastte. Blijkbaar had het licht hem verblind. Een paar naderden hem, en grepen hem bij de hand.

1) Ofschoon .verzenenquot; een verouderd woord is voor «hielen\' heb ik gemeend in het bekende woord v;in Hand. 9 ; 5 geen verandering te moeten brengen.

ocr page 468

442

«Is het nacht geworden?» sprak hij.

«Neen, meester, het is helder dag,» was het antwoord.

«Dan ben ik blind!» antwoordde hij op doffen toon. Toen vervolgde hij op den zelfden toon :

«Breng mij naar Damaskus, naar Rabbi Judas, in de straat genaamd de Rechte. Hij wacht ons. Hij zal ook voor ulieden zorgen.»

Bij de hand hem leidende voerden zij hem verder; zijn paard bij den teugel voerend. De reis duurde op deze wijze langer, dan anders het geval geweest zou zijn; doch tegen den avond toch kwamen zij in Damaskus, waar zij weldra het huis van Judas vonden.

Deze ging hen te gemoet; doch toen hij den hulpeloozen toestand van Saulus van Tarsen zag, deinsde hij verschrikt terug.

«Wat is u overkomen?» vroeg hij hem.

«Dat kan ik u nu niet meedeelen. Judas,» antwoordde Saul. «Later wel. Geef mij en mijne mannen huisvesting; en laat ik mij mogen terugtrekken. Breng mij in mijn vertrek.»

«Zijt gij waarlijk geheel blind?»

«Blind naar het lichaam, maar ziende naar den geest. Toen mijne oogen werden verblind, werd mijne ziel van blindheid verlost. Maar daarover later. Ik bid u laat mij alleen mogen zijn!»

«Wilt gij niet eerst wat voedsel gebruiken ?»

«Neen. Ik heb niets noodig dan eenzaamheid!»

Judas voldeed aan zijn verlangen, en weldra was Saul alleen in het voor hem bestemde vertrek. Nauwlijks was de deur gesloten, en had hij op den tast het leger gevonden, waarop hij rusten kon, of hij viel voorover ter aarde, met het aangezicht op den grond, en hij barstte in hartstochtelijke snikken uit.

«Wat is hem toch overkomen?» vroeg zijn gastheer aan de mannen, die hem verzeld hadden.

«Een wonder!» antwoordde er een. «Midden op den dag heeft een licht ons allen omschenen. Wij hebben het allen gezien, en velen van ons vielen ter aarde. Doch Saulus van Tarsen is er geheel door verpletterd. Hij sprak, alsof hij iemand zag, en vroeg wie het

ocr page 469

443

was, en wat hij doen moest. En toen is hij opgestaan, al tastende naar den weg. Het licht heeft hem verblind.»

«Hoe treurig! Nu kan hij toch moeilijk het werk doen, waarvoor hij gekomen is!»

Judas zou nog meer reden krijgen zich te verbazen over zijn gast, wiens komst met zoo hooge verwachting was te gemoet gezien. Hij sprak niet, en at niet, en kwam niet uit zijn vertrek, wat men ook zeide. En als hij alleen was hoorde men hem kermen, weenen en bidden.

Ja, hij bad. Hij bad, zooals hij nooit gebeden had. Hij bad om vergeving van zijne grootc, groote zonde, dat hij de volgelingen van Jezus vervolgd had, van dien Jezus, dien hij nu gezien had als eene heerlijke, hemelsche verschijning. O, nu begreep hij den moed en de kracht der door hem vervolgde Nazareners! Nu verstond hij het, hoe Stefanus in het aangezicht des doods de Rabbi\'s weerstaan en bestraffen kon! Ja, die Jezus, die heerlijke, heilige, van hemel-schen luister stralende, en tevens zoo vriendelijke en eenvoudige Man van smarte, dien hij nu ook gezien had, hij, de onwaardige, de vijand, de vervolger, — die Jezus was het waard voor hem te lijden, te sterven!

En dien Jezus, dien Messias had hij vervolgd! Tegen de betere indrukken in had hij volgehouden, zooals het redelooze vee tegen de scherpe prikkels de hielen slaat, en slechts zichzelven wondt. Zoo had hij gedaan! O, hoe waar was het woord: amp;Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan!» Hoe getuigde het van een grondige kennis van zijn hart! Had hij niet nog den vorigen nacht het gevoeld, hoe veel er voor het geloof in dien Jezus te zeggen was? Maar hij had die stem onderdrukt, die stem van God, die tot terugkeer dreef!

Met bittere tranen beweende hij nu zijn leven. Waarvoor had hij geleefd? Hij, die meende de wet getrouw te vervullen, hij, die jaagde naar de grootste mate van rechtvaardigheid, hij had den Messias Gods bestreden!

ocr page 470

GÉGREPEtï.

Met wanhopige gebaren liep hij heen en weder in het vertrek, handen wringend uitroepende: Ik ben de voornaamste der zondaren! ]k heb Gods gemeente vervolgd!»

Doch had hij vroeger geen troost gevonden in het gebed, nu was dat anders. Onder weenen en zuchten beleed hij zijn zonde, zijn vijandschap, zijn blindheid. En een gevoel van ongekende troost begon langzamerhand in zijne ziel te stralen; het was hem, alsof God zelf tot hem fluisterde; «U is barmhartigheid geschied, daarom omdat gij het in uwe onwetenheid gedaan hebt, in uw ongeloof.»

Drie dagen lang at of dronk hij niet. Voortdurend, nacht en dag bleef hij in gebed verzonken. Die drie dagen, ze waren voor zijne ziel als lange jaren, waarin zijn geheele leven hem voorbijging, en waarin de oude Saul geheel te gronde ging. Onuitsprekelijk waren ze, de gedachten en ontroeringen, die in die dagen van duisternis en eenzaamheid door zijne ziel gingen. Maar toen de tijd voorbij was, toen gevoelde hij, dat er eene algeheele inwendige verandering met hem had plaats gegrepen. Het oude was voorbijgegaan; alles was nieuw geworden. En een gevoel van vrede, zooals hij nooit had gekend, begon in zijne ziel neder te dalen, en hem een voorsmaak te geven van wat hij later in steeds toenemende mate ervaren zou.

Het was een dag of vier na de wondervolle gebeurtenis, die aan de vervolgingswoede van Saul op eens een einde gemaakt had, dat de weinige Nazareners in Damaskus de boodschap ontvingen van hun voorganger Ananias, dat zij des nachts weder samenkomen moesten in hunne gewone vergaderplaats, daar hij een zeer belangrijk nieuws hen had mee te deelen. Nieuwsgierigheid vervulde hen, wat het zijn mocht; sommigen vermoedden, dat het in verband stond met de vervolging, die hen, naar zij meenden, boven het hoofd hing. Het was bekend geworden in Damaskus, dat een gezelschap gewapende lieden uit Jeruzalem aangekomen was; doch wat het doel van hun komst was, was nog niet bekend. De Nazareners echter vreesden, dat het de vervolger met zijne mannen was.

444

ocr page 471

GEGREPEN.

Ook Suzanna en Ismael spoedden zich naar de afgesproken plaats. Joses Barnabas en zijn neef Joannes Marcus zouden er heengaan met hun gastheer, en — met nog een gast.

Reeds waren allen in de grot vereenigd, behalve Ananias met zijne gasten. Met gespannen verwachting verbeidde men zwijgend de komst van den leider.

Deze naderde de grafkelder, waar de volgelingen van het kruis bijeen waren. Drie mannen vergezelden hem.

«Blijf een wijle buitenstaan, broeder Saul,» zei Ananias bij den ingang fluisterend tot een van hen, die met gebogen hoofd en wankelenden gang voort was gegaan. «Straks zal ik u in onzen kring binnenleiden. Maar eerst moet ik hen voorbereiden op uw komst. Het zou allen te zeer ontroeren, indien gij binnenkwaamt, en door Suzanna en Ismaël herkend werd, eer zij weten, wat met u is geschied. Wacht dus wat!»

«Ik zal geduldig wachten tot gij mij roept,» antwoordde Saulus van Tarsen. Hij zette zich neer op een steen, en de anderen gingen binnen.

Met hartelijkheid werden zij begroet. Toen allen rustig gezeten waren, en Ananias een zegen over het samenzijn uitgesproken had, begon hij te spreken.

«Broeders en zusters», zoo sprak hij, en allen bemerkten eene ongewone trilling in zijne stem, «ik liet u komen, omdat ik u iets heb mee te deelen, iets, dat voor u allen, en voor heel de gemeente eene oorzaak van groote blijdschap zijn zal. Gisteren nacht, omtrent dezen tijd, lag ik op mijn leger en sliep. Doch zie, midden in mijn slaap zie ik de verheerlijkte gestalte van onzen Heer en Meester, Jezus de Christus. Ik ontroerde; doch hij sprak tot mij, en op zijn woord verdween alle vrees. «Ananias,» zoo sprak hij, «sta op, en ga naaide straat, genaamd «de rechte», naar het huis van Judas, en vraag daar naar iemand, genaamd Saulus van Tarsen. Want zie. hij bidt.»

«Heer!» zoo sprak ik vol vreeze, «ik heb van velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij in Jeruzalem aan uwe heilige volge-

445

ocr page 472

GEGREPEN.

lingen gedaan heeft; en hij heeft macht van den Hoogepriester om ook hier gevangen te nemen allen, die uwen naam aanroepen.»

Doch de Heer openbaarde mij eene wondere gebeurtenis. Terwijl ik daar nederlag, zag ik duidelijk een troep ruiters, die Damaskus naderden. Voorop reed een jonge man; ik wist, dat het Saulus van Tarscn was. En toen zag ik op eens, dat een helder licht rondom hem scheen; cn dat hij ter aarde stortte. En ik wist met zekerheid, dat in dat licht de Heer hem verschenen was. En daarop hoorde ik de stem van den Heer weder tot mij zeggen: «Ga heen, Ananias! Want deze man is mij een uitverkoren vat om mijn naam te brengen tot de heidenen, de koningen en de kinderen Israels. Hij heeft in een gezicht een man zien binnenkomen, genaamd Ananias, die hem de hand opleide, opdat hij ziende mocht worden. Ik zal hem toonen, hoeveel hij lijden moet voor mijnen naam.»

Daarop verdween het gezicht. Maar ik stond op, en ging naar het huis van Judas. Ik vroeg hem, of Saulus van Tarsen daar was, en kreeg ten antwoord, dat hij daar was sinds drie dagen, doch in een allerdroevigsten toestand. H:j was geheel blind, en at of dronk niet. In de eerste dagen had hij gekermd en gejammerd, en men had hem hooreli roepen, herhaaldelijk, op een toon, die hartbrekend was: «Wee, wee mij! Ik ben de grootste der zondaren!»

«Wilt gij mij bij hem toelaten?» vroeg ik.

«Gij kunt tot hem gaan,» antwoordde Judas mij, «maar ik vrees, dat gij weinig met hem zult kunnen beginnen. Wat hem overkomen is, weet ik niet; maar zijne metgezellen vertelden van een licht op den weg, dat hem blind gemaakt had.»

Ik ging in het vertrek, waar Saul was. Hij lag op zijne knieën, toen ik binnenkwam, en hoorde mij niet. Ik naderde hem, legde de hand op zijn schouder, en zei: «Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u \'verschenen is op den weg dien gij kwaimt; hij zendt mij, opdat gij weer ziende en van den heiligen Geest vervuld moogt worden.»

Hij zag naar mij. Zijne oogen waren dof; doch terwijl ik daar

446

ocr page 473

GEGREPEN.

zoo, in stilte tot God biddende, voor hem stond, vielen er van zijne oogen als sghellen of vliezen. En terstond werd hij ziende; en mij herkennende als de Ananias, dien hij in het gezicht gezien had, stond hij op en omhelsde mij. Daarop spraken wij samen, en — o broeders en zusters, looft en dankt met mij den almachtigen Ontfermer! — het bleek mij duidelijk, dat de profetie, onlangs hier aan ons gegeven, vervuld was; de wolf was in een lam veranderd!»

«Hallelujah! Looft den Heer!v Zoo klonken nu de jubeltonen der aanwezigen, en overstemden de stem van Ananias. Suzanna echter juichte niet mee. Zij smolt weg in een stroom van tranen. Het waren echter geen tranen van smart, maar van dankbare vreugde.

«Broeder Joannes, leid broeder Saul binnen!» sprak Ananias nu tot Joannes Marcus. Deze spoedde zich om het bevel te volbrengen, en weldra verscheen hij weder, een bleek, vermagerd, bevend jonkman meebrengende. Het was Saulus van Tarsen.

«Saul, mijn broeder!» riep Suzanna, en wierp zich in zijne armen, luid weenende.

Een poos lagen broeder en zuster aan elkanders hart. Alle aanwezigen zwegen, en aanschouwden met tranen in de oogen deze hereeniging.

Eindelijk lieten zij elkander los; en nu begroetten ook de anderen hem, die daar bleek en beschaamd stond, maar met een trek van vrede op het edele gelaat, die er vroeger niet op rustte. Hij was geheel het tegenbeeld van wat hij vroeger was.

«Ismaël Ben Alexander! Gij hier?» sprak hij, toen hij zijn neef ontdekte.

«Ja, Saul, mijn broeder! Ik was het, die Suzanna bevrijdde! Ik heb haar beschermd tot nu toe, en haar hier gebracht. Maar nu is dat niet langer noodig. Nu gij veranderd en voor het geloof in den Christus gewonnen zijt, is er geen gevaar meer. Nu keeren wij met u naar Jeruzalem terug.»

«En dan zult gij de plaats vervullen, die de arme Azarja heeft ingenomen, niet waar? O Suzanna,» vervolgde Saul, «vergeef mij,

ocr page 474

44»

dat ik u zulk een smart aandeed! Ik meende waarlijk Gode een dienst te doen; maar nu zie ik het door de genade des Heeren beter in!»

«Wie heeft u tot het geloof gebracht?» vroeg Ismael.

«De Messias zelfN antwoordde Saul. «Jezus is mij verschenen in zijn heerlijkheid. Toen erkende ik in hem den Christus. Want hij die den dood overwon, en met heerlijkheid is bekleed, kan niet anders dan de Christus zijn! En nu, o ik beween mijn dwaasheid, die mij tot een vijand en vervolger maakte! Maar ik deed het in onwetendheid! Nu ik het beter weet, nu mijne oogen zijn geopend voor de waarheid, nu ook zal ik met dezelfde kracht hem verheerlijken, voor hem getuigen, als waarmee ik tot dusverre tegen hem heb geijverd! O, ik weet het, broeders en zusters,» zoo sprak hij met tranen in de oogen, en een trilling van ontroering in de stem, «ik weet het, dat ik de grootste der zondaren ben, dat ik niet waard ben hier in uw midden te komen, ik, die uw vijand was! Maar mij is barmhartigheid geschied! Uit onverdiende genade en ontferming heeft Jezus de Christus mij vergeven. Nu is alles anders geworden! Het oude is voorbij! Voortaan leef ik niet meer voor mij zeiven, maar voor hem, die voor mij gestorven en opgewekt is! Voortaan wil ik slechts jagen naar één doel, hem te kennen, en de kracht zijner opstanding; met hem te sterven aan mijzei ven, met hem te leven voor God! Hem zij de eer en de heerlijkheid in eeuwigheid! Amen!»

«Amen, ja Amen!» stemden allen in. En daarop hieven zij samen een lied aan, een nieuw lied, dat kortelings in de gemeente door ingeving ontstaan was:

«Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof en de aanbidding!»

en onzichtbaar voor menschenoogen, en onhoorbaar voor menschen-ooren zongen engelen met hen mede, en droegen het lied al jubelend omhoog, totdat het weerklonk in den hemel der hemelen; en er was blijdschap in den hemel bij de engelen Gods over dien éénen zondaar, die zich bekeerd had.

ocr page 475

GEGREPEN.

Saiilus van Tarsen toonde metterdaad, dat hij geheel veranderd was. Reeds in Damaskus beproefde hij in de Synagoge der Joden getuigenis te geven van zijne veranderde overtuiging. Eerst hoorde men hem, den geëerden afgezant des Hoogepriesters, met eerbied aan; daarna met verwondering; eindelijk met verontwaardiging. «Hoe?» zoo riep men, «is dit Saulus van Tarsen, die de sekte der Nazareners vervolgde en ook hier dat doen zou?» En toen het maar al te duidelijk werd, dat hij denzelfden verachten naam predikte» dien hij tot dusverre gesmaad en verworpen had, werden zij met woede vervuld, en slechts een haastige vlucht uit de Synagoge, en daarna uit Damaskus kon hem redden.

In gezelschap van Joses Barnabas, Joannes Marcus, Ismaël Ben Alexander en Suzanna reisde Saul naar Jeruzalem terug. In Beth-saida zocht hij Salome op en Maria van Magdala, om haar zijne bekeering te verhalen. Het vervulde hunne harten en de harten van al de Nazareners in die streken met groote dankbaarheid.

In Jeruzalem echter wachtte hem een dubbele teleurstelling. Hij meende, dat zijne bruid Esther, nu hij, de groote vijand, tot het geloof in Jezus bekeerd was, ook zich zou laten gezeggen. Hoe bitter smartelijk was het hem, toen hem den toegang geweigerd werd tot het huis van Rabbi Jona Ben Amittaï! Esther kon hij niet te zien krijgen; alleen Simei kwam naar de voorpoort, en overlaadde zijn vroegeren vriend met smaadredenen. Evenmin verkreeg hij gehoor bij den Hoogepriester. Hem werd gezegd, dat als hij niet spoedig Jeruzalem verliet, gevangenis en steeniging zijn lot zou zijn, wegens zijn schandelijk en godslasterlijk gedrag in Damaskus. Alleen met het oog op zijne vroegeren ijver werd hem toegestaan Jeruzalem te verlaten.

Daarop meende hij, dat de leden der gemeente hem althans met blijdschap begroeten zouden. Doch ook hierin werd hij teleurgesteld. Al te zeer was hij in Jeruzalem gevreesd. Men schuwde den bloedigen vervolger als de pest; en ofschoon Joses Barnabas verhaalde aan ieder, die het hooren wilde, wat er met hem had plaatsgegrepen\' men vertrouwde den bekeerden vervolger niet,

449

ocr page 476

OEGREPEN.

450

Zoo bleef hem dan niets over dan heen te gaan. Hij verliet Jeruzalem, arm aan geld en goed, veracht en verworpen door de Joden, gevreesd en gewantrouwd door de Nazareners. Hij verliet Jeruzalem en liet alles er achter, wat het leven hem scheen te beloven: bruid, stand, eer, toekomst. Maar toch was het licht in zijn hart; want nu had hij den vrede, waarnaar hij zoolang gezocht had; nu wist hij, dat hij gerechtvaardigd was, en met God verzoend; en dat niet door de volbrenging van geboden en inzettingen, maar door het geloof in Jezus den Christus. En toen hij heenging, waren de laatste woorden, waarmee hij afscheid nam van zijne zuster en haren aanstaanden echtgenoot Ismaël Ben Alexander: «Ik heb alles verloren, maar ik acht het alles niets, om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, den Gekruisigde! Hem zal voortaan mijn leven gewijd zijn!»

ocr page 477

INHOUD.

Eerste Hoofdstuk. De profeet uit Galilea.....BI. i

Tweede Hoofdstuk. Vrienden en vijanden.....» 27

Derde Hoofdstuk. «Weg met Hem!».......» 62

Vierde Hoofdstuk. Na den dood van Jezus.....»106

Vijfde Hoofdstuk. «De Heer is waarlijk opgestaan!» . » 135

Zesde Hoofdstuk. Rabbi Juda en zijne kinderen ... » 165

Zevende Hoofdstuk. Het Pinksterfeest......»201

Achtste Hoofdstuk. De jeugdige gemeente.....» 238

Negende Hoofdstuk. Dreigende wolken......» 286

Tiende Hoofdstuk. Stefanus..........» 332

Elfde Hoofdstuk. «Blazende dreiging en moord». . . » 366

Twaalfde Hoofdstuk. Gegrepen.........» 410

— r

r

1 r

ocr page 478
ocr page 479
ocr page 480
ocr page 481
ocr page 482