ocr page 1

-■:K tquot; vMÊÊÊÊÊÊÊÊmÊÊÊÊêÊ

VOORKOMEN -

- Wiï.

AS

IN 05 ,• :- \'-^ ; •

HEISE Til BEÏ 6EZ0SBEI

IBNSCJJ

Eï OVBB

LiCTÜSÜilE BIJ miMVIOÜIEN.

\'U s% \' fa;

■tM. - - , i:

ocr page 2

. qu. 192

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

OVER HET VOORKOMEN

VAN

Koollyiirateii in de Urine van den [ezonden Menscl

KN OVKR

\'V •\' ;

LACTOSURIE BIJ KRAAMVROUWEN.

i

ocr page 6
ocr page 7

OVER HET VOORKOMEN

VAX

KOOLMATEN IN DE URINE VAN DEN GEZONDEN MENSCH

EN OVER

LACTOSURIE BIJ KRAAMVROUWEN.

PROEFSCHRIFT

TEK VERK1UJ(;1N(; VAN PEN (.KAAI)

VAN

Doctor in de Geneeskunde

AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT , NA MACHTIGING VAN DEN IvECTOR MAGMFICUS

DR. M. TH. HOUTSMA,

Hooijleiraar in ilc. Faculteit der Letteren en Wijsheyeerte,

VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT

ÏEdKX DU HKIH\'.NKIX(.KN VAX

DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE

TK VKKDKDKiKN

op DONDERDAG 19 DECEMBER 1895, des namiddags ten 4 ure ,

DOOR

Jfranciecus J^nfonius kemairc,

ARTS,

CEliOKEX Tli NhMUGEN.

1! li EDA ,

11. KNGELBliKGT.

1805.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1403 2217

ocr page 8
ocr page 9

Aan

DE NAGEDACHTENIS

mijner Ouders.

ocr page 10
ocr page 11

Grelüj maak ik van de (jelegeaheid, die hel verschijnen van dit proefschrift mij biedt, yebruik, om mij uan een aangenamen plicht, een plicht van dankbaarheid te kwijlen.

Vooral U, Hooggeleerden P e k e 1 li a r i n g , Uoog-g each ten Promotor, zij hier mijn dank gebracht voor Uwe welwillende hulp en steun mij bij mijn onderzoek zoo ruimschoots verleend. Uwe kernachtige opmerkingen, die lot de voltooiing van dit werkje veel bijdroegen, zullen mij steeds in dankbare herinnering blijven.

Verder ook U, Professoren en Lectoren der Medische en Philosophische Faculteiten, zij hier mijn dank gebracht voor hel onderwijs, dal ik van U heb mogen ontvangen.

ocr page 12
ocr page 13

HET VOORKOMEN

VAN

KOOLHYDRATEN IN NORMALE URINE.

Historisch Overzicht.

Jaren lang heeft men gestreden over de vraag, of er in normale urine suiker voorkomt. Men wist, dat het bloed die stof bevatte, en liet is dus niet te verwonderen, dat in dien tijd, waarin het raeerendeel der physiologen, met Ludwiy, de urine als een liltraat uit liet bloed beschouwden, door velen de aanwezigheid van suiker in de urine a priori voor waarschijnlijk gehouden werd. Wanneer het bloed-plasma door de vaatwanden van de glomeruli gefiltreerd werd, mocht men toch aannemen, dat de zoo gemakkelijk oplosbare suiker mee overging in het liltraat. Eerst wanneer zeker aangetoond was, dat de urine geen suiker bevatte, z(\\u men de verklaring daarvan moeten zoeken. Men zou dan moeten onderstellen, dat de urine, op haar loop door de nierbuisjes, de suiker weer op de eene of andere wijze

l

ocr page 14

verloor. Men kon echter evenmin met zekerheid tiantoonen, dat normale urine vrij was van suiker als het tegendeel. Met gebruikelijk reagens, de proef van Trommer, liet hier in den steek. Wanneer urine van den gezonden mensch met kopersulfaat en kaliloog of met Fchlincjs proefvocht gekookt wordt, levert zij wel niet, zooals urine van lijders aan diabetes mellitus, een praecipitaat van koper-oxydule, maar er heeft toch zonder twijfel reductie plaats: de blauwgroene kleur, die de vloeistof door hot koperhydroxyde gekregen had, maakt voor een geelbruine of geelgroene plaats. Die reduceerende werking behoefde echter niet aan de aanwezigheid van suiker toegeschreven te worden. Het was bekend, dat ook acidum uricum aankoper-hydroxyde in alkalische oplossing bij kookhitte zuurstof onttrekt, cn al spoedig bleek, dat kreatinine evenzeer reduceerend werkt, en bovendien de prae-cipitatie van het gevormde koperoxydule tegengaat.

In het jaar 1858 deelde Briicke \'j mede, dat langs een anderen weg het voorkomen van suiker in normale urine was aan te toonen, door namelijk uit de urine een kalisaccharaat te bereiden. Daartoe gebruikte hij aanvankelijk urine, die door indampen bij kamertemperatuur („in der Zugluft eines schlecht schlies-senden Fenstersquot;) geconcentreerd was. Maar men

1) Wion. Aeail. Sitzungshnr. I\'iI. XXIX, S. 340.

ocr page 15

3

kan het, naar Brücke meotulc, mop;olijk achten, dat er onder die omstandigheden, bij het langzame verdampen, suiker in de urine ontstond. Door Schunk toch was gevonden, dat er in normale urine een stof voorkomt, die, bij ontleding, indigo levert. Men beschouwde die stof als geheel of nagenoeg gelijk aan het Indican, de plantaardige inoe-derstol van itidigo, door Isatis tinctoria geleverd.

Men weetnu,dat de in urine voorkomende stof, waaruit door splitsing en oxydatie indigo verkregen kan worden, indoxylzwavelzuur is, geheel verschillend dus van het plantaardige indican, een glycoside. Zoolang men echter meende, dat ook in de urine de moeder-stof der indigo in een glycoside gezocht moest worden, kon men aannemen, dat bij de met rotting gepaard gaande langzame verdamping van de urine, suiker uit het glycoside vrij kwam.

Werd nu uit de geconcentreerde vloeistof kalisaccha-raat bereid, dan kon daardoor het bewijs niet gelevei\'d geacht zijn, dat reeds de versche, normale urine suiker als zoodanig bevatte. Brücke stelde daarom pogingen in het werk om het kalisaccharaat direct uit pas geloosde urine te bereiden, en dit gelukte. Hij behandelde de urines meest aldus : 200 Cm3 normale urine werden eerst vermengd met hun viervoudig volume absoluten alcohol. Dit mengsel liet hij eenigen tijd staan tot het gevormde neerslag zich te zaraen gepakt had en bezonken was; vervolgens werd dit algeültreerd. Rij het liltraat werd van een alcoholi-

ocr page 16

4

sclie kali oplossing zooveel toegevoegd, dat een rood lakmoespapier even blauw gekleurd werd, eu vervolgens bleef dit ültraat 24 uur in de koude staan. Den volgenden dag werd de vloeistof\' voorzichtig afgegoten en het bekerglas op filtreerpapier omgekeerd, om de rest van den alkohol te verwijderen. Zoodra het filtreerpapier geen vloeistof meer opnam, werd het bekerglas weder recht geplaatst en ter zijde gesteld, totdat alle reuk naar alcohol verdwenen was. Nu merkte Brücke op, dat de bodem en gedeeltelijk de wanden van het bekerglas met een kristallijn neerslag bedekt waren. Dit nu werd opgelost in een weinig gedestilleerd water. Deze, volkomen kleurlooze oplossing werd, door koken met kaliloog barnsteengeel, en leverde, zoowel met de proef van Trommer als met de bismuthproef een positief resultaat.

Acidum uricuin kon Brücke in het kristallijne beslag, dat zich aan den wand van het glas afgezet had, nooit aantoonen. Ilij meende dus te mogen aannemen, dat de met behulp der alcoholische oplossing van kali afgescheiden kristallen kalisaccharaat bevatten. Twee jaar latei\' toonde Brücke nog langs een anderen weg de aanwezigheid van suiker in normale urine, zoowel door de kali- en reductieproe-ven als door de gistingspi oef aan1). Hiertoe behan-

( ) VVii n. Acad. Sltzungsber. lid. XXXIX S. 10.

ocr page 17

O

ilelde liij eerst de urine met een geconcentreerde oplossing van loodsuiker : \'t neerslag werd afgefil-treerd, vervolgens werd bij het liItr-xat basisch looila-cetaat zoolang toegevoegd als nog een neerslag ontstond, daarna werd weer gefiltreerd, en eindelijk werd het liltraat met ammoniak behandeld. Nu ontstond er weer een neerslag. Dit neerslag loste zich grootendeels in kalisolutie, vooral bij verhitten op, en gat\' positieve resultaten met de kaliproèl\'alsmede met de proef van Trommer en de bismuth proef.

Ofschoon een zuivere oplossing van druivensuiker door basisch loodacetaat alleen, zonder ammonia, niet neergeslagen wordt, vond Brücke, dat suiker uit urine, zoowel van gezonde menschen als van diabeteslijders door dit reagens voor een deel ge-praecipiteerd wordt, ilij toonde dit door uitvoerige mededeeling van proeven aan: vooral met het oog op den door Fehlin;/ gegeven, en door hern afge-keurden raad om, vóór de kwantitatieve bepaling van het suikergehalte door middel van koperproef-vocht, de urine met loodazijn te behandelen. Met grootste deel van in urine opgeloste druivensuiker wordt echter eerst door loodazijn met ammonia ge-praecipiteerd. Om aan te toonen, dat de op deze wijze uit normale urine verkregen reduceerende stof ook voor alcohol-gisting vatbaar is, ging Brücke op de volgende wijze te werk. Het liltraat van de met loodazijn behandelde urine werd met ammonia behandeld. het neerslag werd afgeliltreerd, tussclien

ocr page 18

(n

vloeipapier gedroogd, met weinig water aangemengd en door zuringznur ontleed. De van het loodoxalaat afgefiltreerde vloeistof werd met calciumcarbonaat verzadigd, gefiltreerd, met azijnzuur zwak zuur gemaakt, en tot droog toe uitgedampt. Het residu werd in weinig water opgelost, en, met gist vermengd, in een reageerbuis boven kwikzilver gebracht. Dan ontwikkelde zich na eenigen tijd gas, dat bijna geheel uit koolzuur bestond, terwijl in een buisje, dat dezelfde gist, maar met gedestilleerd water gemengd, bevatte en naast het eerste in denzelfden kwikbak geplaatst was, geen gasontwikkeling werd waargenomen.

De meening van Brücke ontving vooral steun dooide onderzoekingen van Bence Jones, Huizing a en Aheles.

Bence Jones C1) ontdekte namelijk, dat de door basisch loodacetaat en ammoniak uit normale urine afgescheiden stof een rechtsdraaiend vermogen bezat.

Door een wel herhaaldelijk in de litteratuur genoemd, maar toch, naar het schijnt, te weinig gewaardeerd onderzoek toonde Huizinga (2) aan, langs een eenvoudiger weg dan door Brücke gevolgd was, dat in normale urine een stof voorkomt, die bij verhitting

(\') Chem. Soe. Quart. Journ. 14, S. 122.

(^) Maandblad voor Natuurwetensch. 1870. Iste jaargang nquot;. 4. ]gt;. 6. Archiv. f. d. ges. Physiol. Pfliiger 1870.

lid. 111. S. 490.

ocr page 19

7

reduceerend werkt, en zich van andere redu-ceerende stollen, als acidurn uricum en dergelijke onderscheidt door het verinogen om onder invloed van gist,alkohol te vormen; een stof, die dus wel hoogst waarschijnlijk voor glycose gehouden mocht worden.

Huizinga toonde door middel van wolfraam- en molybdeenzuur aan, dat in normale urine een stof aanwezig is, die bij verhitting reduceert. De beide genoemde zuren worden door verschillende stollen gereduceerd en hunne oplossingen blauw-gekleurd, doordat er wolfraamzuur wolfraamoxyd of molybdeenzuur molybdeenoxyd ontstaat. Glycose nu heeft dit vermogen ook. Het wolfraamzuur wordt echter alleen in alkalische, het molybdeenzuur zoowel in alkalische als in zure oplossing gereduceerd. De reactie kan dus op twee wijzen plaats hebben. Bij de suikerhoudende vloeistof voegt men eeiiige druppels van een oplossing van wolfraamzuur natrium of molyb-deenzure ammonia en wat kaliloog, kookt deze en voegt dan druppelsgewijze zoutzuur toe. Bij de eerste druppel zoutzuur wordt de oplossing reeds blauw. Overmaat van zuur doet de blauwe kleur verdwijnen; of men voegt bij de met zoutzuur zuur gemaakte vloeistof eenige druppels molybdeenzure ammonia en kookt; dezelfde blauwe kleur ontstaat nu ook. Is de vloeistof phosphorztuir-houdend, dan krijgt de klem een meer of mindere groene nuance door de vermenging met het gele phosphormolvbdeenzure ammoniak.

ocr page 20

8

Ilager gebruikte in plaats van zoutzuur salpeterzuur; dit is minder doelmatig, wijl een geringe overmaat van salpeterzuur reeds de reactie stoort door oxydatie van het molybdeenoxyd, terwijl een overmaat van zoutzuur niet zoo spoedig storend werkt. Ter verwijdering van andere redueeerende urinebestand-deelen (Huizinga rekent daaronder, evenals Brücke «indican») voegt men bij de urine zóólang salpeterzuur kwiköxydule toe, als nog een praecipitaat ontstaat, en uit het liltraat wordt het kwik verwijderd door chloornatrium. Na deze behandeling nu is de urine vrij van «indican» en acidum uricum en verder bijna kleurloos of hoogstens even geelachtig gekleurd. Na volkomen ontkleuring met gezuiverde kool kan deze vloeistof nu voor de reactie gebruikt worden, en geett dan altijd een positief resultaat. In de met kwikoplossing gezuiverde urine is echter nog de kreatinine aanwezig, die ook de bovengenoemde zuren reduceert; doch alleen een geconcentreerde oplossing van kreatinine reducesrt wolfraam-en molybdeenzuur in alkalische oplossing; in zure oplossing moet het koken zeer lang voortgezet worden, en dan nog ontstaat er slechts een spoor van blauwe kleur.

In een kreatinineoplossing van dezelfde concentratie, als in de urine voorkomt, blijft echter de reductie in zure vloeistof volkomen uit. In de met kwikoplossing gezuiverde urine zijn nog wel behalve suiker stollen aanwezig, die wolfraam-of molybdeen-zuur in alkalische oplossing reduceeren, hetgeen

ocr page 21

9

kan worden aangetoond door eerst de suiker met. basisch loodacetaat en ammonia te verwijderen, doch het zure molybdeenzuur wordt door geen dezer onbekende stollen gereduceerd.

Zuur molybileenzuur biedt dus als reagens op suiker de volgende voordeelen:

1. Het reductieverschijnsel wordt door geen enkel urinebestanddeel gestoord.

2. De urinebestanddeelen, die behalve suiker de reactie geven, kunnen gemakkelijk verwijderd wor.ien.

3. De voorbereiding van de mine voor dereactie gaat snel en gemakkelijk. Het zuiveren met kwikoplossing kost maar weinige minuten en een geringe hoeveelheid urine (20—25 cM.3) is voldoende.

Huizinga heeft ook op een eenvoudige wijze in normale urine een stof aangetoond, die bij vergisten alcohol vormt, dus hoogst waarschijnlijk de glycose is, «He bij de voorgaande proeven het wolfraarnzuur en liet molybdeenzuur reduceerde. Deze eenvoudige methode berust op de gevoelige reactie door Lieben gevonden, dat namelijk jodoforrn ontstaat uit alcohol, jodium en kali. Huizimja ging aldus te werk: hij bracht van de op alcohol te onderzoeken vloeistof eenige druppels in een horlogeglas, voegde hierbij een korreltje jodium en een a twee druppels kali-loog, en liet dit nu een kwartier zonder te verwarmen staan. Hij nam nu met een pipet een drupje uit den gelen kring, die het jodium omringt, en bracht dit onder het microscoop.

ocr page 22

10

Is er nu alcohol aanwezig, dan ziet men de zeskan-lige plaatjes en zeshoekige sterretjes van hetjodoform.

Toch moet bij deze reactie op het volgende door Lieben ontdekte feit gelet worden, dat namelijk iedere normale urine sporen van een vluchtige stof bevat, die geen alcohol is, maar toch de jodolbrm-reactie geeft. Deze fout kan aldus vermeden worden.

Men behandelt de urine met hydrargyronitraat, filtreert en bevrijdt het fijtraat door middel van chloornatrium van kwikzilver, waarna de vloeistof op het waterbad ingedampt wordt tot op 3/4 van het oorspronkelijke volumen. Hierbij vervluchtigt elke vluchtige jodolbrm gevende stof zooals uit bijzondere proeven bleek. Na bekoeling en na de reactie der vloeistof zwak zuur gemaakt te hebben, laat men de vloeistof twee dagen met gist staan. Nu wordt de gegiste vloeistof gedestilleerd, maar slechts zoolang, totdat er ongeveer \'/so gedeelte van de vloeistof is overgegaan. Met dit destillaat werden nu de proeven op het horlogeglas gedaan, die dan altijd jodoformkristallen gaven. De urine bevat dus een bij 100° niet vluchtige stof, die door de werking van gist een vluchtige stof doet ontstaan, die met jodium en kali jodoform levert; de eerste stof moet dus glycose, de tweede alcohol zijn.

Van geen der andere urinebestanddeelen is het denkbaar, dat zij door gisten deze reactie zouden geven. Het gelukte ook aan Abelen \') door normale l) Centrbl. f. d. nied. Wissenseh. S. 33. 1879.

ocr page 23

41

urine met basisch loodacetaat en ammoniak te behandelen een stof af te scheiden, die reduceerde, te vergisten was en het polarisatievlak naar rechts draaide, dus volgens hem glycose was. Bij latere proeven gebruikte Abeles bij de bereiding van de suikerverbinding met lood geen basisch loodacetaat, doch een kokende verzadigde loodchlorideoplossing. Abeles toonde bij latere proeven ook nog aan, dat de door hem uit normale urine bjreide stof bij vergisten naast koolzuur alcohol leverde.

Eenmaal verkreeg Abeles uit 25 liter normale urine eene oplossing, die een draaiingsvermogen bezat even sterk als een glycoseoplossing van 0,6 procent, en die bij vergisten, naast alcohol, 0,103 gram koolzuur leverde, dat overeenkwam met 0,2 gram glycose. Een andere maal werd een oplossing dezer stof verkregen, die met den polarisator 0,5 percent suiker aangaf, terwijl de titratie 0,45 percent aangaf. Bij een andere proef, waarbij hij van 300 liter urine uitging, verkreeg hij uit de oplossing der bovengenoemde stof een verbinding van deze stof met kali; deze oplossing bevatte 3 gram glycose, hetwelk dooiden polarisator werd aangegeven. Ook Pavy1) hing de meening van Brücke aan, en het gelukte hem ook uit normale urine, die hij ongeveer op dezelfde manier als Brücke behandelde, een vloeistof te be-

(\') Guy\'s Reports. Vol. XXI. p. 413.

ocr page 24

12

reiden, waarin hij de suiker als een rednceerend en voor gisting vatbaar lichaam aantoonde.

Maar de oppositie bleef niet uit.

Sceijcn \') bestreed zoowel ile door Bi iicke aangegeven feiten als hun bewijskracht, en kwam tot de slotsom, dat de tot nu toe bekende methoden niet voldoende waren, om de vraag óf normale urine suiker bevat in positieven zin te beantwoorden. Feegen voerde o. a. aan, dat het hem nooit gelukt was, uit norniide urine een stof te bereiden, waarbij hij een drauiingsvermogen kon ontdekken of die te vergisten was, terwijl de zelfvergisting der aangewende gist met zekerheid uitgesloten was. Verder meikte Seegen op, dat de vloeistof, verkregen door normale urine op de manier van Brücke te behandelen, te weinig smker bevatte, om aangetoond te kunnen worden. Seegen zegt verder iu zijn werkje over »Diabetes meilitusquot; : «Zuckerausseheidung durch den Harn, wenn dieselbe nicht bioss vorübergebend durch eine zutïülige Stönmg, sondern stetig auftritt, constituirt einen ernsten, pathologischen Zustand, und es gibt keine Grenze, bis zu welcher die Zucker-ausscheidung normal sei.quot;

Kiilz 1) hield de mogelijkheid, om de aanwezigheid van glycose in normale urine Diet zekerheid aan te

1

2) Arch. f. d. ges. I\'hysiol. Bd. XIII. S. quot;209.

ocr page 25

43

toonen, voor uiterst gering, daar het hem niet gelukte de giycose in substantie uit normale urine te bereiden. Wijl het aan Drayendorff gelukt was uit 100 liter urine 0,5 gram glyeocholzuurnatrium voor de elementair-analyse zuiver te bereiden, meende hij, dat, wanneer de normale urine werkelijk suiker bevatte, het hew ook gelukken moest druivensuiker uit zeer groote hoeveelheden mine in substantie af te scheiden. Aannemende, dat normale urine slechts 0,001% dextrose bevatte, dan moest 1 gram giycose in 100 liter urine aanwezig zijn. Daar nu het isoleeren der giycose met verlies gepaard gaat, meende Külz wel niet, dat het mogelijk was uit 100 liter normale urine 1 gram giycose af te scheiden, maar wel een gedeelte daarvan.

Külz nu behandelde 100 liter normale urine. Bij hoeveelheden van 1—i1/., liter werd deze urine tot stroop-dikte ingedampt, vervolgens met veel alcohol behandeld, en hiermee een uur geschud; verder bleef dit mengsel nog 2 dagen staan, terwijl het van tijd tot tijd nog eens geschud werd. Vervolgens werd gefiltreerd.

Nadat de 100 liter aldus behandeld was, werd de alcohol van al de vereenigde fi it raten afgedestilleerd en het overblijvende in water opgelost, daarna met loodacetaat, vervolgens met basisch loodacetaat en eindelijk met ammoniak behandeld.

De beide laatste neerslagen werden met zwavelwaterstof behandeld en gefiltreerd, liet fdtraat werd ingedampt,het overblijvende met alcohol geëxtraheerd,

ocr page 26

14

en de alcohol weer afgedestilleerd. Het nu overblijvende gaf wel reductieverschijnselen, doch het gelukte Külz niet trots alle moeite en kunstgrepen glycose in substantie af te scheiden, noch kon hij bij deze stof eenige optische werkzaamheid aantoonen.

Met dit resultaat nog niet tevreden behandelde Külz op nieuw 100 liter normale urine op de volgende wijze. Bij de versche urine deed hij nu lood-acetaat, basisch loodacetaat en ammoniak; de beide laatste neerslagen werden met zwavelwaterstof behandeld, het fdtraat ingedampt, en nu de extractie met alcohol verricht. Vervolgens behandelde hij het overblijvende geheel als bij de eerste onderzoeking. Thans ook verkreeg Külz een negatie! resultaat; zelfs de vereeniging van de eindproducten der beide onderzoekingen leidde tot een negatief resultaat; en zoo kwam hij tot bovengenoemde conclusie. Tot overeenstemming kwam men dus niet. Terwijl Kühne in 1868 met de meeste stelligheid over het voorkomen van suiker in normale urine sprak, en zelfs de hoeveelheid daarvan als ongeveer 0,1% aangaf \'), vatte Hoppe—Seyler 1) 13 jaren later, na van de bovengenoemde onderzoekingen melding gemaakt te hebben, zijn oordeel over de zaak in de volgende woorden samen: «Die Frage nach der

1

) Physiol Chem. IV Theil, 1881, S. 829.

ocr page 27

15

Auwesenheit von Traubenzucker in normalem Harne wird, wie ich glaube, in der Weise entschieden werden , dass Traubenzucker für gewöhnlich nicht vorhanden ist, dass jedoch Körper lm normalen Harne in geringer und wechselnder Menge auftreten, welche dem Traubenzucker, wie die Glycnronsiiure sehr nahe stehn, und wegen ihrer grossen Zersetzlichkeit so viel Miihe veranlasst und so viel Zweifel, nach beiden Seiten erregt habenquot;.

Het vraagstuk kon eerst met zekerheid opgelost worden door de toepassing van nieuwe methoden van onderzoek.

E. Baumann (\') vond, dat koolhydraten uit verdunde oplossingen in water in den vorm van onoplosbare benzoylverbindingen afgescheiden kunnen worden, door namelijk de oplossing met benzoylchloride en natronloog te schudden, waarbij benzoylesters van het koolhydraat gevormd worden. Bcmmann zag verder, dat ook urine, met benzoylchoride en natronloog geschud, steeds een praecipitaat geeft, waarin benzoylverbindingen voorkomen. Verschillende onderzoekers, in de eerste plaats leerlingen van Baumann, hebben die uit normale urine neergeslagen benzoylverbindingen nader onderzocht.

Alvorens over te gaan ter bestudeering der uit normale urine afgescheiden benzoylverbindingen over-

\') Ber. lt;1. (1. ehem. Gesel. Bd. XIX. S. 3218.

ocr page 28

46

tuigde Weden ski \') /icli eerst, dat de verschillende koolhydraten uit hunne verdunde waterige oplossingen door schudden met bemoylcldoride (in overmaat) en de tot neutralisatie gevorderde hoeveelheid natronloog neerslagen leverden van onoplosbare benzoyl verhingen; maar hij zag verder, dat nooit al de koolhydraten neergeslagen werden. De van de onoplosbare ben-zoylverbindingen bevrijde vloeistof geeft namelijk bij een tweede behandeling met benzoylchloride en natronloog altijd nog een tweede, hoewel geringe neerslag van dezelfde verbindingen. Bij de urine ging Wedenski aldus te werk :

De versche normale urine wordt met weinig natronloog behandeld, en de neergeslagen phosphaten worden afgefiltreerd. Nu worden bij het filtraat op elke 100 cM:l. urine 25—40 cM3. natronloog van 10 —12 procent en tegelijk 3—5 cM3. benzoylchloride gevoegd. Dit mengsel wordt nu geschud tot de reuk naar benzoylchloride verdwenen is. De hoeveelheid gebruikte natronloog is altijd afhankelijk van de hoeveelheid benzoylchloride. Na atloop van dit schudden moet de vloeistof steeds alkalisch reageeren. Onder het schudden wordt de llesch, waarin het mengsel zich bevindt, met koud water afgekoeld. Het bij dit proces gevormde neerslag heelt een lichtgele kleur;\'t wordt nu op het filter uitgewasschen tot de alkalische reactie

1) Ztschi\'. t\'. physiol. Chern. lid. 13. S. 1^.

ocr page 29

17

verdwenen is. Nu wordt het neerslag boven zwavelzuur gedroogd. Deze op bovengenoemde wijze verkregen stof smelt bij een temperatuur, die iets hooger is dan 00°. De iioeveelheid der benzoylverbindingen, die uit de urine verkregen kunnen worden, is bij verschillende personen ongelijk.

Vervolgens hangt de hoeveelheid bij een en dezelfde persoon af van verschillende omstandigheden.

Wedemki verkreeg bij een groot aantal proeven op do 100 cM3. urine een hoeveelheid wisselende tusschen 0,138 gram en 1,309 gram. Deze, uit de urine verkregen benzoylverbindingen, bevatten qualitatief aan te toonen sporen van stikstof; een quantitatieve bepaling kon Wedenski niet verrichten wegens de geringe hoeveelheid. Wedenski deed een analyse van het koolstof- en waterstofgehalte dezer verbindingen, en \'t gemiddelde van verschillende analysen gaf het volgende :

C 60,82 percent II 5.51 percent.

Daar Baumann er reeds op gewezen had, dat bij de vorming der benzoylverbindingen uit de urine er steeds een mengsel van verschillende esters van koolhydraten ontstaat, zoo kan deze analyse ons geen uitsluitsel geven omtrent den aard der koolhydraatverbindingen.

Uit vergelijking met de samenstelling van de

benzoylverbindingen van dextrose en dextrine blijkt,

dat de uit urine gevormde esters tusschen deze

2

ocr page 30

18

beide instaan. Wedenski bemerkte verder bij zijn proeven, dat de benzoylverbindingen van dextrine bij koken met natronloog gemakkelijk verzeept werden, terwijl de benzoylverbindingen van dextrose zoo goed als niet aangetast werden door de natronloog.

Behandelde hij nu 2 gram, uit de urine bereide benzoylverbindingen, met 200 cM3. natronloog en werden ze 3 uur lang op het waterbad verhit, zoo ontstond slechts een gedeeltelijke verzeeping. De vloeistof werd door een deel der esters bruin gekleurd, die oplosten, terwijl een ander deel onopgelost bleef. Dit in water en natronloog onoplosbare deel werd gemakkelijk door alcohol opgelost. Deze oplossing reduceerde Fehlimjs proefvocht bij toevoeging van natronloog.

Verhit men deze alcoholische oplossing of de in water verdeelde onopgeloste stof met verdund zwavelzuur, zoo wordt langzamerhand benzoëzuur afgescheiden, dat door schudden met aether verwijderd wordt. In de oplossing blijft nu een koolhydraat terug, dat de gewone reacties van dextrose geeft, namelijk die van Trommer en Nylander, en dat weer een onoplosbaar neerslag vormt bij schudden met benzoylchloride en natronloog. Dezelfde eigenschappen vertoonden ook de uit zuivere dextrose bereide benzoylverbindingen.

De door natronloog verzeepte stof vertoonde de eigenschappen van een dextrineachtig lichaam. De

ocr page 31

19

oplossing dezer stof namelijk reduceerde eerst Feh-Uncfs proefvocht, na langen tijd verhit te zijn met zwavelzuur. Met kopersulfaat werd in de bovengenoemde oplossing een blauw vlokkig neerslag verkregen; wordt nu dit neerslag uitgewasschen en gedroogd en dan in sterk zoutzuur opgelost, en nu snel alcohol toegevoegd, zoo slaat het koolhydraat vooral gemakkelijk bij verwarming op 60° in den vorm van een vlokkig neerslag neer. In deze eigenschappen althans stemt deze benzoylverbinding overeen met de door Landwehr bereide dierlijke gom, waarmede zij volgens Wedenski waarschijnlijk iden-tisch is. Landtuehr heeft namelijk onderzoekingen gedaan over de verbreiding van de door hem beschreven dierlijke gom in het menschelijk lichaam en heeft ook de menschelijke urine hierop onderzocht.

Nooit vond hij, dat dit lichaam in de urine ontbrak, hoewel de hoeveelheden afwisselden. Bij urines, die rijk aan dierlijke gom zijn, voegt men een voldoende hoeveelheid kopersulfaatoplossing, en voegt dan natronloog in overmaat toe, dan scheidt zich de dierlijke gom af. De vloeistof kan gekookt worden zonder dat de afgescheiden blauwe vlokken bruin worden. Deze vlokken worden afgefdtreerd en uitgewasschen.

De koperverbinding houdt veel water terug, dat door drogen verwijderd wordt. In een weinig geconcentreerd zoutzuur wordt nu de gedroogde koperver-

!) Centrbl. f. d. med. Wissenseh. 1885, S. 369.

ocr page 32

2U

binding opgelost, en de oplossing met hiuir drievoudig volume absolnten alcohol verdund; nu wordt de vloeistof troebel, en bij verwarmen der vloeistof tot GO0 ontstaat een fijn vlokkig neerslag, dat afgefütreerd, en door uitwasschen met alcohol van het aanhangende koper bevrijd wordt. Het neerslag wordt weer in weinig water opgelost, en opnieuw neergeslagen met alcohol.

Dit neerslag, nadat het boven zwavelzuur gedroogd is, blijkt een stikstofvrije witte stof te zijn, die alle eigenschappen van de dierlijke gom vertoont. Bij urines, die minder bevatten, wordt eerst de urine tot een blijvende troebelheid ontstaat, met alcohol van 90 percent behandeld — ongeveer voegt men de 3—4-voudige hoeveelheid der gebruikte urine toe—,en dan verwarmd tot een vlokkig neerslag ontstaat. De vlokken worden afgefiltreerd en in weinig water opgelost. Nu wordt de oplossing bevrijd van de onopgeloste anorganische zouten, en dan weer, zooals boven vermeld, met kopersulfaat en natronloog behandeld.

Roos en Treupel hebben ook uit de normale urine do benzoylverbindingen bereid, doch zij gebruikten op iedere 100 cM3. urine 100 cM3. natronloog van 10—12 percent en 10 cM3. benzoylchloride. Verder toonden Roos en Treupel aan, dat men zich van de aanwezigheid van koolhydraten in het door schudden met natronloog en benzoylchloride verkregen neerslag kan overtuigen, door een kleine hoeveelheid van het neerslag in zwavelzuur op te lossen en nu met

ocr page 33

21

«-uaphtoloplossing en water te behandelen; nu verkrijgt men een intensieve furfurolreactie.

L v. Udrdnshj \') gebruikte de furfurolreactie, om direct in de urine koolhydraten aan te toonen. Om namelijk koolhydraten lietzij in oplossing hetzij in substantie aan te toonen, behoeft men slechts deze met een weinig geconcentreerd zwavelzuur te verhitten, en de ontwikkelende dampen over een reepje xylidinepapier te laten strijken, dat nu bij aanwezigheid van koolhydraten rood gekleurd wordt. Iedere normale urine nu geeft met geconcentreerd zwavelzuur verhit deze reactie. Hiermede had nu L. v. Udrdnsky een nieuw bewijs geleverd voor de aanwezigheid van koolhydraten in normale urine. Ook de reactie met a-naphtol van Molisch is volgens L.v. Udrdnsky niets anders dan een furfurolreactie, en hiermede gelukt het zelfs met één druppel urine koolhydraten in de normale urine aan te toonen.

E. Salkowski 2) merkte op, terugkomende op de proeven van Wedenski, dat hij bij het doorlezen van zijn proeven nergens eenige opgaven heeft gevonden omtrent de wijze van het verzamelen van de benzoë-zure esters met het doel om hun gewicht te bepalen. Salkowski meent, dat er bij verwerking van grootere cpiautiteiten urine groote bezwaren zijn bij de ver-

Ztsclir. f. jiliysiol. chem. Bd. 12 S. 378. -) Ztschr. 1\'. |(hysk)l. chem. lid. 17. S 245.

ocr page 34

22

zamel i ng van liet neerslag. Hij zegt, dat de filtratie van het geschudde mengsel langzaam gaat, dus dat er groote filters noodig zijn, en dat de droging van groote filters boven zwavelzuur moeilijk is; verder zegt hij, dat het onmogelijk is na droging het neerslag van het filter te krijgen en het aldus te wegen, daar het neerslag sterk aan het filter kleeft en anderzijds zeer verstuifbaar is. Daarom laat hij het geschudde mengsel tot den volgenden dag op een koele plaats staan; en nu filtreert hij het neerslag door middel van een zuigpomp door een hard filter. Nu wordt het neerslag op het filter uitgewasschen, tot het waschwater geene of slechts een geringe zure reactie geeft; daarna laat men het een weinig drogen; vervolgens wordt het nog vochtige neerslag van het filter genomen, en in een horlogeglaasje boven zwavelzuur gedroogd. Hierna wordt het filter stuk gesneden en de papierreepjes met absoluten alcohol overgoten, en verhit op een waterbad tot de reepjes geheel zuiver zijn. Nu wordt hot alcoholische extract der papierreepjes op een filter gebracht, dat weer met alcohol uitgewasschen wordt. Dit alcoholische extract wordt nu in een platinaschaal ingedampt, en het overgebleven vaste gedeelte gedroogd, en dit nu gevoegd bij de andere esters.

Wat nu de natuur der verkregen benzoëzure esters betreft, zoo meent Salkowski dat ze in hoofdzaak bestaan uit esters van koolhydraten; hetgeen wel blijkt door een klein deel van het neerslag in zwa-

ocr page 35

2:5

velzuur op te lossen en met a-naphtoloplossing te behandelen, dan neemt men een sterke furfurolreactie waar; ook de analysen van Wedenski spreken hiervoor ; doch het neerslag kan toch ook nog andere verbindingen bevatten, hierop wijst wel het stikstofgehalte van het neerslag. Wedenski geeft zelf aan, dat het neerslag sporen stikstof bevat. Salkowski bepaalde het stikstofgehalte dezer verbindingen met de methode van Kjeldahl, en hij vond een gemiddeld procentgehalte van 1,4. Dit stikstofgehalte berust waarschijnlijk niet op verontreiniging, daar het neerslag vrij van chloriden bleek te zijn.

Salkowski meent echter, dat het aan geen twijfel onderhevig is, dat het grootste gedeelte van het neerslag uit koolhydraten bestaat, hoewel hij de meening, dat deze koolhydraten dextrose en dextrine zijn, niet volkomen bewezen acht. Als bewijs voert Wedenski aan:

1°. Het door natronloog niet verzeepte gedeelte van het neerslag lost zich op in alcohol, en deze oplossing reduceert Fehlimf s vloeistof na toevoeging van natronloog.

quot;i0. Het door natronloog niet verzeepte deel wordt door verhitten met zwavelzuur verzeept, dat na verwijdering van het benzoëzuur door aether een positief resultaat geeft met de proef van Trommcr en Nylander alsmede bij koken met alkaliën. Nu bestaat volgens Salkowski toch de mogelijkheid, dat liet reduceerende lichaam eerst door de werking van het

ocr page 36

24

zwavelzuur op een niet reduceerend koolhydraat ontstaat. Er blijft dus alleen de eerste proef over, wat voor het aantoonen van dextrose niet voldoende is. Het tweede koolhydraat is volgens Wedenski een dextrineachtig lichaam; hieraan twijfelt Salkowski ten zeerste, wijl van het voorkomen van zoogenaamde dierlijke gom in urine nog zoo weinig bekend is.

Salkowski bestudeerde de eigenschappen van het door schudden met benzoylchloride en natronloog verkregen neerslag. Hij zegt nu, dat de kleur van het neerslag wisselende is, nu eens geheel wit en dan weer geelachtig wit; dit laatste is volgens hem meestal het geval. Als een verdere eigenscltap geeft Salkowski aan, dat het neerslag bij wrijven in de mortier sterk electrisch wordt. Het smeltpunt dezer verbindingen is wisselend.

De stof wordt bij 40° week, en smelt ongeveer bij 00°. Het neerslag lost verder gemakkelijk op zoowel m heeten absoluten als in alcohol van 90 percent, doch er blijft altijd wat onopgelost. De oplossing van dit neerslag besprekend, zegt Salkowski, dat de heet gefiltreerde alcoholische oplossing bij koud worden troebel wordt. en allengs een poedervormig neerslag afscheidt, dat na afliltreeren en uitwasschen een positieve reactie geeft met a-naphtol en zwavelzuur. Giet men het filtraat, na het verwijderen van flit neerslag, in water, dan ontstaat een melkachtige vloeistof, echter geen neerslag. Voegt men echter bij de melkachtige vloeistof eenige druppels zoutzuur.

ocr page 37

25

dan ontstaat er een neerslag in de vloeistof, en wel in den vorm van groote vlokken. Dit neerslag kan afgefiltreerd worden, en lost weer op bij verwarming in alcohol. Bij koud worden blijlt deze oplossing helder. Verdere eigenschappen tan dit neerslag zijn nog : Gemakkelijke oplosbaarheid in ijsazijn , terwijl, als men aether als oplossingsmiddel gebruikt, een groot deel van het neerslag onopgelost blijft. Zooals reeds Treupel aangegeven heelt, geelt dit neerslag een duidelijke reactie met zwavelzuur en a-naphtol. Salkowski zegt verder, dat de alcoholische oplossing van het neerslag geen reactie geeft met Fehling\'s vloeistof onder toevoeging van natronloog gekookt.

Een stellige oplossing van het vraagstuk Baisch, die, nadat eenmaal de koolhydraten als benzoylesters uit de urine afgescheiden waien, voor het nader onderzoek daarvan gebruik maakte van plienylhydra-zine, het door E. Fischer aangegeven en met zoo schitterenden uitslag toegepaste reagens.

Aangezien mijn onderzoek zich onmiddellijk aan dat van Baisch aansluit, wensch ik dit eenigszins uitvoeriger te vermelden

Vooreerst toonde Baisch door vergelijkende proeven aan, dat de voordeeligste en beste wijze, om de kool-li ydraat-esters uit urine van den rnensch af te scheiden, was de urine, nadat zij eerst alkalisch gemaakt en gefiltreerd was, met 4 cM3. benzoylchloride en 40 cM3.

!) Ztsclir. f. physiol. chera. Bit. 18. S. 193 Bd. 19. S. 339. Bd. \'JO. S. \'249.

ocr page 38

20

natronloog van 10—12 % op 100 cM3. urine te vermengen. Werd minder benzoylchioride gebruikt, dan was de praeeipitatie der koolhydraten onvolledig, en bij toevoeging van minder natronloog was het praecipitaat kleverig, en daardoor niet goed uit te wasschen. Altijd werd het praecipitaat rijk aan asch, hoofdzakelijk calcium- en magnesiumphosphaat, en stikstofhoudend gevonden. Door uitwasschen met zoutzuur kon de ester wel van anorganische zouten bevrijd, maai\' niet vrij van stikstof gemaakt worden.

Wanneer de urine eerst met neutraal of met basisch loodacetaat was behandeld, en dan het van de overmaat van lood door middel van zwavelwaterstof bevrijde liltraat met benzoylchioride en natronloog werd geschud, werd de ester evenmin vrij van anorganische zouten en stikstof verkregen, en was de hoeveelheid ester geringer, dan uit dezelfde urine, zonder behandeling met lood, afgescheiden werd. Voor de bereiding van den ester behandelde Baisch daarom de urine op de volgende wijze; Telkens 5 liters tegelijk werden met natronloog alkalisch gemaakt, ter verwijdering der phosphaten en gefiltreerd. Nu werd 200 cM3. benzoylchioride en 2000 cM3. natronloog van 10 0/0 toegevoegd en geschud, totdat de reuk naar benzoylchioride verdwenen was. De esters weiden dan afgeliltreerd, met water uitgewasschen, met zoutzuur in een mortier gewreven, met water uitgewasschen, totdat in het waschwater geen chloor meer was aan te toonen, en daarna boven zwavelzuur gedroogd.

ocr page 39

27

Voor\'de verzeeping der esters werd natriumaethylaat gebruikt. Gelijk boven vermeld is vond Wedemki, dat door verzeeping met natronloog wel gemakkelijk een gomachtige stof vrij gemaakt werd, maar niet of veel moeilijker reduceerende suiker. Intusschen had Kueny \') aangetoond, dat het pentabenzoaat uit zuivere druivensuiker bereid wel door natronloog verzeept kan worden, maar dat, zooals te verwachten was, de suiker daarbij, naarmate zij vrij komt, door het alkali wordt vernield. Verder had hij gezien, dat dit pentabenzoaat gemakkelijk en nagenoeg volkomen gesplitst wordt door natriumaethylaat, en dat do glycose dan geen verdere verandering ondergaat.

Hiervan maakte Baisch gebruik.

De gedroogde en fijn gewreven ester werd in natriumaethylaat (bereid door oplossing van natrium in absoluten alcohol) gebracht, waarbij de vloeistof op een temperatuur van —5° C gehouden werd. De voortgang der verzeeping kon beoordeeld worden door nu en dan een proetje van de vloeistof met water te verdunnen. Zoolang er nog onveranderde ester aanwezig was, werd dan de vloeistof troebel, aangezien de ester wel in sterken maar niet in verdunden alcohol oplosbaar is. Na ongeveer een halt uur was alle koolhydraatester gesplitst. Steeds bleef er een weinig kruimelige stof onopgelost. De hoeveelheid daarvan was geringer, naarmate de ester beter fijn gewreven was.

M Ztschf. I\'. Physiol. Chem. Bel. 14. S. 3;?0.

ocr page 40

28

Nu werd de vloeistof terstond verdund met een gelijk volumen water, waaraan zooveel zwavelzuur was toegevoegd, als noodig was, om al het gebruikte natrium als primair natriumsullaat te binden, herhaaldelijk ter verwijdering van het benzoëzuur met aether uitgeschud, nauwkeurig met natronloog en natriumcarbonaat geneutraliseerd, en met het 2- 3-voudige volumen alcohol vermengd. Den volgenden dag was dan het natriumsulphaat grootendeels uitgekristalliseerd.

De vloeistof werd ingedampt, nogmaals met een ruime hoeveelheid alcohol vermengd, gefiltreerd, en weer ingedampt tot alle alcohol verdwenen was. Zoo werd een neutrale of uiterst zwak zuur reagee-rende oplossing vnn de koolhydraten der urine verkregen, die zoowel rechtsdraaiend als reduceerend vermogen bezat, en bij behandeling met zoutzure phenylhydrazine en natriumacetaat kristallen leveide, die in vorm, smeltpunt en stikstofgehalte volkomen met phenylglycosazon overeenstemden. Met gist vermengd leverde de oplossing koolzuur, en wel in zoodanige hoeveelheid, als ongeveer verwacht moest worden, wanneer het rechtsdraaiend vermogen op rekening van glycose gesteld werd.

Zoo was dus de aanwezigheid van druivensuiker in normale urine van den mensch stellig aangetoond. Gemiddeld kon Baisch uit 1 liter urine, volgens bepalingen met den polarimeter 0,050 gram glycose bereiden. Hij maakt er iutusschen uitdrukkelijk op

ocr page 41

29

opmerkzaam, dut «leze cijfers slechts een imnimmn, maar zeker niet het juiste gehalte dor ui\'ine aanwijzen, aangezien de wijze van bereiding tot veel te veel en te wisselend verlies van suiker aanleiding geeft, om voor een kwantitatieve bepaling gebruikt te kunnen worden.

De door verzeeping van den ester verkregen oplossing bevatte echter nog andere koolhydraten. Vooreerst de reeds door Wedenski beschreven dex-trineachtige stof, die waarschijnlijk overeenkwam met de vroeger door Landwehr uit de urine bereide ,.dierlijke gom\'\'.

Bij het indampen van de vloeistof, na het aflil-treeren van het natriumsulfaat, scheidden zich weldra bruine vlokken af. Werd nu nogmaals alcohol in ruime overmaat toegevoegd, dan ontstond een prae-cipitaat, dat in water oplosbaar was, sterke furfurol-reactie gaf, Fehlhu/s proefvocht niet reduceerde, maar met kopersulfaat en natronloog een blauw praecipitaat leverde, dat bij koken niet zwart werd, en geen reacties gaf van eiwit of van glycogeen. Door koken met verdund zwavelzuur, verkreeg de oplossing van deze stof — evenwel lang zoo gemakkelijk niet als een oplossing van glycogeen — het vermogen, om zoowel Fehlim/s als Nylander s vloeistof te reduceeren.

De stof werd echter slechts in geringe hoeveelheid verkregen, en niet zoo zuiver als noodig zou zijn voor een betrouwbare elementairanalyse.

ocr page 42

30

Vergist men de door verzeeping van den ester verkregen oplossing, zoo kan men na de vergisting nog reduetievermogen der vloeistof a mtoonen.

Baisch nu verzeepte een groote hoeveelheid uit normale urine verkregen ester en vergistte deze. Na verwijdering der gist reduceerde de vloeistof nog. Eenmaal werd een rechtsdraaiend vermogen aangetoond, Met phenylhydrazine werd, na bekoeling der vloeistof een osazon verkregen, dat in kristalvorm veel overeenkomst vertoonde met glycosazon.

Het smeltpunt van dit osazon werd gevonden op 175°—480° C. te liggen.

Ook gaf de oplossing van dit koolhydraat met benzoylchloride en natronloog een in water onoplosbare verbinding.

Verder gaf deze stof een intensieve furfurolreactie.

Eenige mededeelingen van Külz, Vogel en Ruh-mann over het ontstaan van isomaltose uit amylum en glycogeen door de werking van speeksel en pan-creassap deden bij Baisch bet vermoeden ontstaan, dat dit derde uit de urine geïsoleerde koolhydraat misschien isomaltose zou zijn. Wanneer deze stol door de werking van verschillende enzymen in het lichaam ontstaat, dan zou men zich over het voorkomen daarvan in de urine niet te verwonderen hebben.

Inderdaad zag Baisch bij voortgezet onderzoek, dat het osazon, wanneer het door omkristalliseeren gezuiverd was, ook wat kristalvorm en smeltpunt

ocr page 43

31

aangaat, met phenylisomaltosazou overeenstemde.

De kristallen bestonden nu uit zeer lijne, meest straalsgewijs gerangschikte naalden en het smeltpunt bleek tot 152°—154° gedaald te zijn.

»Wenn auch,quot; zoo besluit Baisch zijn mededeeling, ))das vorhanden sein von Isomaltose im Harn damit nicht mit derselben Bestimmtheit nachgewiesen ist, wie das des Traubenzuckers und der dextrinartigen Substanz, so sprechen doch die bisher beobachteten Eigenschaften des in Rede stellenden Kohlenhydrats — Reduction der alkalischen Kupferlösung, Nicht-ver-gahrbarkeit mit Hefe, Rechtsdrehung, Krystallform, Löslichkeitsverhaltnisse und Schmelzpunkt seines Ozasons — mit sehr grosser Wahrscheinlichkeit dafïïr, dass er in der That mit der Isomaltose identisch sei.quot;

Ten slotte moet ik nog melding maken van hetgeen door Pavy omtrent deze zaak in zijn onlangs verschenen werk is medegedeeld. ^ Pavy, die vroeger reeds de door Brücke verkregen resultaten had bevestigd, en er daarbij op gewezen had, dat het met behulp van loodacetaat uit normale urine bereide product steeds na toevoeging van gist koolzuur levert, wanneer men er maar voor zorgt, dat de vloeistof niet zuur reageert, maar neutraal, deelt nu mede, dat men door middel van phenylhydrazine kan aantooncn, dat de door loodazijn en ammonia

1) The Physiology of the carbohydrates, London, -1894.

ocr page 44

32

neergeslagen stof, die reduceerend vermogen bezit, en na toevoeging van gist, koolzuur levert, inderdaad glycose is. Ten bewijze daarvan geeft hij eenige afbeeldingen van kristallen, die den vorm vertoonen van die van phenylglycosazon, door hem bereid uit de urine van den gezonden mensch, van het paard, van den hond en van het konijn.

In de volgende bladzijden deel ik eenige waarnemingen mede, op grond, waarvan ik meen de door Daisch verkregen uitkomsten te kunnen bevestigen, en, wat het voorkomen van isomaltose in normale urine betreft, nog eenigszins uit te breiden.

EIGEN ONDERZOEK.

Uit verschillende porties normale urine, waarvan de reactie zuur was, en waarbij de proef van Trommer en Nylander negatief uitviel, werden de phosphaten door middel van natronloog neergeslagen en afgefiltreerd; de fdtraten werden daarna volgens het voorschrift van Wedenski 1) behandeld; bij iedere 100 cM3. urine werden namelijk 40 cM3. natronloog van 12 percent en 5 cM3. benzoylchloride gevoegd, en nu werd dit mengsel ongeveer een uur geschud. Onder het schud-

i) l. c.

ocr page 45

33

den werd de llesch van tijd tot tijd afgekoeld met koud water. De renk naar benzoylcldoride was bijna verdwenen; geheel was ze er echter niet van te verwijderen, ook al werd het mengsel 4—5 uur geschud in een schudmachine, \'t Gevormde neerslag werd afgefütreerd, en op het filter uitgewasschen tot neutrale reactie; vervolgens werd het boven zwavelzuur gedroogd. Na droging bedroeg het gewicht hiervan gemiddeld 0,254 gram ester per 100 cM3. urine.

De door Salkowski genoemde bezwaren, dat de filtratie namelijk van het geschudde mengsel zeer langzaam gaat, verder dat het onmogelijk zou zijn na droging het neerslag van het filter te krijgen, kan men, zooals mij bleek uit mijn eigen proeven geheel ontgaan, mits men het mengsel maar lang genoeg schudt. Baisch raadt aan het neerslag, nadat het afgefütreerd en uitgewasschen is, met verdund zoutzuur te wrijven, en het daarna weer uit te wasschen, tot het chloor uit het filtraat verdwenen was. Baisch geeft aan, dat op deze wijze wel de asch, doch niet het stikstofgehalte te verwijderen is. In mijn proeven bleek echter de ester door behandeling met zoutzuur kleverig te worden, en hierdoor veel moeilijker van het filter te verwijderen, en daar nu de ester toch niet zuiver te krijgen was door deze behandeling, zoo heb ik bij mijn proeven het uitwasschen met zoutzuur nagelaten, daar ook de asch in den ester aanwezig bij mijne proeven niet hinderlijk was.

3

ocr page 46

34

De verschillende porties ester heb ik na droging met natriumaethylaat verzeept volgens de methode door Kueny 1) aangegeven en daarna, gelieel op de door Baisch beschreven wijze, met zwavelzuur, ether en alcohol behandeld. Ten slotte hield ik een bruinachtige vloeistof over.

Van ieder dezer vloeistoffen nu heb ik onderzocht het reductie- en gistingsvermogen alsmede de reactie met phenylhydrazine.

Elk dezer vloeistoffen nu reduceerde koperhydroxyde tot koperoxydule bij verhitting, en ook de proef van Nylander werd bij ieder der vloeistoffen gedaan en wel met positief resultaat. Een ander deel van ieder dezer vloeistoffen werd gedurende tweemaal 24 uur met gist behandeld. Om zeker te zijn, dat de gist-cellen een voldoende hoeveelheid voedsel vonden, werd telkens aan de vloeistof een weinig pepton toegevoegd.

Hiervoor werd Witte s pepton gebruikt, waaruit, zooals controleproeven leerden, met phenylhydrazine geen kristallijn neerslag verkregen kon worden. Na het gisten werd de vloeistof met het tienvoudig volumen alcohol van 96 0/0 vermengd, en dan weer een nacht ter zijde gesteld. Daarna werd gefdtreerd, waarbij de gist en het door den alcohol neergeslagen pepton op het filter achter bleef; vervolgens werd de alcohol verdampt Na het gisten bleek het reductievermogen bij ieder der vloeistoffen zeer verminderd te zijn.

1) 1. c.

ocr page 47

35

Een niet met gist behandeld deel van ieder dezer vloeistoffen werd met zoutzure phenylhydrazine en met natriumacetaat gekookt. Na ongeveer een halfuur koken in een waterbad, ontstonden in de vloeistof een groot aantal gele naalden. Onder het microscoop bleken deze kristalnaalden in pijlenbundels gerangschikt te zijn, hetgeen reeds voor glycosazon pleitte. Deze kristallen werden nu afgefdtreerd, door oplossen in alcohol en praecipiteeren met water gezuiverd, en vervolgens nog eens uitgewasschen en gedroogd. Hierna werd het smeltpunt bepaald. Van de uit verschillende porties urine verkregene kristalmassa\'s werd van ieder afzonderlijk het smeltpunt bepaald. De kristallen nu smolten bij 203-204°, volgens E. Fischer het smeltpunt van phenylglycosazon.

Door deze proeven is dus nogmaals bewezen, dat (jhjcose een constant bestanddeel is van iedere normale urine.

Ter bereiding van de dextrineachtige stof heb ik een eenigszins anderen weg ingeslagen, als door Baisch gevolgd is. Bij het indampen van de door verzeeping van den ester verkregen, geneutraliseerde, met alcohol vermengde en, door filtratie gedeeltelijk van natriumsulfaat bevrijde vloeistof, scheiden zich bruine vlokken af. Wordt nu alcohol in overmaat toegevoegd, dan praecipiteert de dextrine. Maar op deze wijze wordt een preparaat verkregen, dat vrij

!) i. c.

ocr page 48

30

sterk, bepaaldelijk met anorganische stollen verontreinigd, en daarvan zeer moeilijk of niet te bevrijden is. Het is echter niet noodig de dextrine, na de verzeeping van den ester met natriumaelthylaat eerst op te lossen, en daarna weer met alcohol neer te slaan. Wanneer de ester, onder voortdurend omroeren en afkoelen van de vloeistof, in natriumaethylaat gebracht wordt, ziet men de eenigszins taaie klompjes van den ester verdwijnen. Maar de vloeistof wordt nu niet helder. Er vormt zich een vlokkig praecipi-taat, dat uit de vrij geworden dextrine bestaat. Dit praecipitaat werd, zoodra de verzeeping afgeloopen was, afgefiltreerd.

De vloeistof, die zeer snel door het filter liep, kon nu met zwavelzuur behandeld, en op de gewone wijze voor de bereiding van suiker gebruikt worden. Het praecipitaat werd in water opgelost, door filtratie van onoplosbare bestanddeelen gescheiden, en weer met ruimen overmaat van alcohol neergeslagen ; weer opgelost in water, nogmaals met alcohol gepraecipi-teerd, met absoluten alcohol en daarna met ether gewasschen en gedroogd. Zoo werd een volkomen wit, een weinig hygroskopisch poeder verkregen dat slechts weinig anorganische stof bevatte. Op 0,1996 gram bij 110° C gedroogde stof vond ik 0,0025 gram asch. Noch met natronkalk, noch met de zoo gevoelige reactie van Lassaigne was er een spoor van stikstof in aan te toonen. Met natronloog en kopersulfaat gaf zij een vlokkig praecipitaat, dat bij koken

ocr page 49

37

niet van kleur veranderde. Na vrij lang koken met zwavelzuur leverde zij een koperhydroxyde in alkalische oplossing reduceerende stof. De oplossing in water was volkomen helder, en gaf met jodium geen glycogeenreactie.

Tot mijn leedwezen ontbrak mij de tijd, om het onderzoek van deze stof verder voort te zetten. Het is, naar ik meen, zeker, dat zij, langs den door mij gevolgden weg in voldoende hoeveelheid en zuiver genoeg uit normale urine bereid kan worden, om een nauwkeurig onderzoek van haar eigenschappen en samenstelling toe te laten.

Gelijk boven is medegedeeld, vond ik, evenals Baisch, dat de door verzeeping van den ester verkregen oplossing haar reduceerend vermogen niet geheel verliest, wanneer de glycose daaruit, door middel van gist, verwijderd wordt. Na den afloop der gisting werd een ruime hoeveelheid alcohol toegevoegd, om gist en pepton gezamenlijk door filtratie te kunnen verwijderen. Wanneer nu de alcohol door verdamping verjaagd was, bleek de vloeistof niet alleen in staat Fehliny\'s en Nylander\'s proefvocht te reduceeren, maar ook rechtsdraaiend vermogen te bezitten.

Hij de behandeling met zoutzure phenylhydrazine en natriumacetaat bleef de vloeistof bij kookhitte volkomen helder. Eerst bij afkoeling zette zich een neerslag al uit zeer fijne, gele tot rosetten gegroe-

ocr page 50

38

peerde naaldjes bestaande, veel fijner dan de naalden van phenylglycosazon. Uit het helder blijven van de vloeistof, zoolang zij warm was, bleek ook al voldoende, dat de glycose inderdaad door de gist verbruikt was. Het smeltpunt dezer kristallen bleek bij 1500-1510 C gelegen te zijn. Mijn bevinding stemt dus met die van Baisch overeen.

Dit koolhydraat stemt, voor zoover na te gaan is, in alle opzichten overeen, gelijk Baisch heeft opgemerkt, met de door Fischer, Lintner en anderen beschreven isomaltose. Intusschen vertoont het ook groote overeenkomst met een koolhydraat door Sal-kowski in drie gevallen uit urine van den mensch bereid, en wel een pentose. \') Het betrof in alle drie de gevallen urine, die met kopersulfaat en natronloog verhit, duidelijke afscheiding gaf van koperoxydule, en die zich optisch inactief vertoonde, of zeer gering rechtsdraaiend vermogen had.

Het reduceerend vermogen dezer urine bleek te berusten op de aanwezigheid van een pentose, waarvan met zoutzure phenylhydrazine en natriumacetaat een osazon verkregen kon worden dat, evenals het onze, in warm water oplosbaar was, en zich bij afkoeling in fijne zich tot rosetten groepeerende naaldjes afzette.

Het smeltpunt dezer kristallen was bij -1570-1590

1) Centrbl. I\'. (I. rued. Wissensch. IS\'J\'i, S. 337 uud 593. Borl. klin-Woehensehi\'. 1895, Nquot;. 17.

ocr page 51

:J9

gelegen. Het zou volstrekt niet ondenkbaar zijn, dat deze pentose ook in normale urine in geringe hoeveelheid voorkwam, hetzij afkomstig van plantenvoedsel, waarin pentosan voorkomen, hetzij van het organisme zelf.

Hammarsten \') heeft immers uit een nucleoproteide van het pancreas door splitsing met zwavelzuur, een stof verkregen, die hij met groote waarschijnlijkheid als een pentose meende te mogen beschouwen, en die door Salkowski voor identisch met de door hem uit urine bereide pentose gehouden wordt.

Wel pleitte het smeltpunt van het osazon der door Baisch en mij uit normale urine bereide suiker tegen een gelijkstelling daarvan met de pentose van Salkowski. Baisch vond in zijn eerste proeven het smeltpunt bij 175°—180° C, maar later, toen hij de stof beter gezuiverd had, smolt zij bij 152°—154°. Ik heb, in verschillende proeven, waarbij telkens liet osazon door omkristalliseeren uit heet water gereinigd was, het smeltpunt niet lager dan 150° en niet hooger dan 151° C gevonden.

Het verschil met het door Salkowski gevonden smeltpunt is te groot, om de twee stoffen voor aan elkander gelijk te houden. Daarbij komt nog, dat Salkowski wel in zijn eerste mededeeling spreekt van een gering rechtsdraaiend vermogen der pentose bevattende urine, maar in zijn in dit jaar verschenen verhandeling daaromtrent niets meer zegt dan;

M /.i\'itsclir. t\'. Physiol. CluMiiic\' Bd. XIX. S. tJö.

ocr page 52

40

«Gahrungsprobe \') and Polarisation fallen negativ aus» 2). Ik heb mij er daarentegen stellig van kunnen overtuigen, dat de uit normale urine bereide vloeistof, ook nadat de glycose volkomen, door de gisting, verwijderd was, rechtsdraaiend vermogen bezat.

Om met meer zekerheid te kunnen oordeelen over de vraag, of de door Baisch en mij besproken suiker tot de pentosen gerekend moest worden, heb ik het stikstofgehalte van het osazon bepaald.

De samenstelling van pentosazon is~ C,7 H20 Oj, die van isomaltosazon C2!i H32 N4 0lt;,. Was de stof een pentose, dan zou dus het stikstofgehalte van het osazon 17,07 % bedragen, terwijl voor isomaltose een stikstofgehalte van 10,77 % verwacht moest worden.

Tweemaal heb ik volgens de methode van Kjeldahl het stikstofgehalte van het door omkristalliseeren gezuiverde osazon gedaan. De eerste maal werd uit 0,400 gram bij 110° C gedroogde stof 0,0410 gram stikstof verkregen, hetgeen aan een stikstofgehalte van 10,40 0/0 beantwoordt. In liet tweede geval leverde 0.300 gram gedroogde stof 0.0315 gram stikstof overeenkomende met een stikstofgehalte van 10.50 0/0.

!) Külz cn Vogel vonden overigens, dat de in urine van lijders aan diabetes voorkomende pentose door gewone gist volkomen verbruikt werd. Ztsehr. f. Biologie Bd. XXXII, S, 188. -) Berl. klin. Wochenschr. 1895, S, 366.

ocr page 53

41

Hierdoor is, naar het mij voorkomt, alle twijfel weggenomen. De niet voor gisting vatbare suiker uit normale urine van den mensch verkregen, is geen pentose, maar stemt in alle opzichten met isomaltose overeen.

In den laatsten tijd is echter de vraag ter sprake gekomen, of isomaltose, die door de werking van diastase op amylum verkregen kan worden, wel een stof sui generis is. Brown en Morris deelden mede 1), dat het hun gelukt was aan te toonen, dat de volgens Lintner uit zetmeel bereide isomaltose slechts verontreinigde maltose was. Door gefractioneerde prae-cipitatie met alcohol, en ook door middel van de werking van gist, konden zij uit isomaltose een stof afscheiden, waarvan het osazon in smeltpunt en kristalvorm geheel met dat van maltose overeenkwam. Bovendien konden zij maltose in den kristalvorm van isomaltosazon afscheiden door zuivere maltose op te lossen in de moederloog, waaruit het isomaltosazon gekristalliseerd was, en deze dan weder met phenylhydrazine te behandelen. Zij komen tot de conclusie dat „Lintner s isomaltosequot; is a mixture ol maltose and dextrinous compounds of the malto-dextrin or amyloïn classquot;, en dat „The crystallisable osazone which Lintner has described as „isomaltosa-zonequot; and upon which he has mainly founded his belief in the existence of „isomaltosequot; is nothing but

!) .lourn. of the chem. Soe. V. LXVI1 en LXVIII p. 709.

ocr page 54

42

maltose modified In Its ciystalllne habit and melting point blj the presence of small but varying quantities of another substance.

The substance or substances which are capable of thus modifying maltosazone are the products of the reaction of phenylhydrazine on the dextrinous compoundsquot;. Aangezien nu ook door Külz en Voyel ook bij de werking van speeksel en pancreassap op amylum en glycogeen isomaltose als digestieproduct gevonden werd naast maltose en dextrose !) kan er aan gedacht worden, of misschien ook op deze onderzoekingen de kritiek van Brown en Morris van toepassing is.

Zoo had ik mij nu ook de vraag te stellen: is de in normale urine voorkomende stof, waarvan het osazon de eigenschappen van isomaltosazon vertoont, wellicht maltose, die bij behandeling met phenylhydrazine in onzuiveren toestand, en dientengevolge met eenigszins gewijzigden kristalvorm en wat lager smeltpunt wordt afgescheiden ?

Ik heb daarvoor vooreerst een hoeveelheid van het uit de urine bereide product herhaaldelijk omge-kristalliseerd. Noch de kristalvorm, noch het smeltpunt onderging daarbij eenige verandering, hetgeen toch verwacht moest worden, wanneer het osazon door andere stoffen verontreinigd was geweest.

1) Zeitsch. f. Hiöiofric lid. XXXI. S. 108.

ocr page 55

43

Verder werd een oplossing van zuivere maltose in water met zoutzure phenylhydrazine en natriumaoetaat vermengd, en daarna in twee gelijke helften verdeeld. Aan de eene helft werd nu op de boven beschreven wijze uit urine bereide dextrine toegevoegd.

Beide vloeistoifen werden toen in het waterbad gedurende een uur gekookt. Bij afkoeling leverden beide vloeistoven een kristallijn bezinksel, dat in alle opzichten de eigenschappen van maltosazon vertoonde.

Ook de kristallen, die zich uit de opzettelijk met dextrine verontreinigde oplossing hadden afgezet, vertoonden zich als naalden van maltosazon, die door grootte en rangschikking gemakkelijk van die van isomaltosazon te onderscheiden zijn, en smolten eerst bij 206° C, dezelfde temperatuur, waarbij de uit de zuivere oplossing van maltose afgescheiden kristallen smolten.

Om na te gaan, of misschien andere uit de urine aikomstige stollen als de dextrine in staat waren de eigenschappen, van maltosazon te wijzigen, werd nog de volgende proef genomen. Op de gewone, boven beschreven wijze werd isomaltosazon uit urine bereid. Nadat de kristallen afgefiltreerd waren, werd in de moederloog zuivere maltose opgelost.

Deze oplossing werd met zoutzure phenylhydrazine en natriumacetaat gekookt. Bij al koeling zetten zich enkel groote gele naalden af, waarvan het smeltpunt bij 2ÜG0 C gelegen was, kristallen derhalve, die de

ocr page 56

44

eigenschappen van maltosazon, en niet van isomalto-sazon vertoonden.

Ik heb dus niet den minsten grond gevonden, om aan te nemen, dat het uit de van glycose bevrijde urine afgescheiden osazon niet een stof sui generis, maar verontreinigd maltosazon zou zijn. De stof stemt in haar eigenschappen volkomen overeen met het osazon der isomaltose, die door E. Fischer het eerst bereid is door behandeling van zetmeel met rookend zoutzuur, en daarna door verschillende onderzoekers als een product van de werking van enzymen op amylum en op glycogeen gevonden is.

Ik meen dus gerechtigd te zijn tot de uitspraak, dat in normale urine van den mensch, naast glycose en een op dextrine gelijkende stof steeds isomaltose voorkomt.

Hoe groot de hoeveelheid koolhydraten is, die dooiden \'gezonden mensch dagelijks met de urine wordt afgescheiden, is niet goed te bepalen. Pavy schat het gehalte aan reduceerende suiker op ongeveer 0,05 % !), welk cijfer hij afleidt uit de uitkomsten verkregen door de vooraf met neutraal en basisch loodacetaat behandelde urine met een oplossing van koperhydroxyde te titreeren. Baisch verkreeg, naar zijn methode, uit 3 porties twee van 10 en een van

The Physiol, of the Carbohydrates ji. 187.

ocr page 57

45

quot;12 liters urine te zamen 3.1 gram reduceerende suiker \'), (waarbij glycose en isomaltose samen als dr ui vensuiker in rekening gebracht werden), hetgeen dus op een gehalte van bijna 0,01 % neer zou komen.

Maar men moet daarbij in aanmerking nemen, dat bij de bereiding van den ester zonder twijfel suiker verloren gaat, zoodat liet gehalte stellig grooter was. Ik vond waarden, die met de door Baisch opgegevene vrij wel overeenstemmen. Maar het is duidelijk, dat de gebruikte methode geheel ongeschikt is voor een eenigszins betrouwbare quantitatieve bepaling.

De hoeveelheid is intusschen groot genoeg, om in normale, onveranderde urine een duidelijke reactie te geven, zoowel door reductie als door gist, gelijk door Huizinga, zooals ik vermeld heb, werd aangetoond.

Toch is hierover nog in den laatsten tijd een vrij levendige strijd gevoerd door verschillende Engelsche onderzoekers 1). Sir George Johnson kwam, naar aanleiding van het werk van Pavy, tegen diens bewering, dat er in normale urine suiker zou zijn aan te toonen, op. Hij meende dat Pavy zich door de aanwezigheid van kreatinine liet misleiden, en verzekerde, dat alle twijfel omtrent dit punt werd opgeheven, wanneer men de urine maar eerst naaide door SHUinc]fleet Johnson aangegeven methode

1

The Lancet. 1894. 7, 14, 21, 28 Juli: 11, 18, 25 Aug-1895, 12, 19, 26 Jan : 2, 9, 16 Feb.

ocr page 58

46

behandelde. Deze methode komt hierop neer, dat men de urine met een oplossing van sublimaat vermengt, en dan of een paar dagen laat staan, of na toevoeging van natriumacetaat kookt. Daarop wordt de vloeistof gefiltreerd en met ammonia van het overtollige kwikzilver bevrijd. In het Altraat is nu, volgens Johnson geen spoor van suiker aan te toonen, wanneer de urine werkelijk normaal was. Als liet gemakkelijkste en gevoeligste middel, om suiker in een oplossing aan te toonen, beschouwt Johnson het koken van de vloeistof met pikrinezuur en kaliloog. Bij aanwezigheid van suiker wordt dan de vloeistof rood. Kreatinine geeft echter deze reactie ook, en zoo komt het dat ook normale urine met pikrinezuur en kali gekookt rood wordt. Maar is de urine door sublimaat van kreatinine bevrijd, dan is er volgens Johnson, in het filtraat geen spoor van suiker te ontdekken. Ook meende hij door colorime-trische bepaling te kunnen aantoonen, dat de roode kleur in normale urine door koken met pikrinezuur en kali te voorschijn geroepen, geheel en al op rekening van de daarin aanwezige kreatinine gesteld moest worden.

Allen, die Johnson\'s experimenten controleerde, deelde evenwel mede, dat hij, ook na de behandeling met sublimaat, normale urine een weinig reduceerend vond, en soms zelfs uit het filtraat kristallen van phenylglycosazon kon verkrijgen. Aan den anderen kant geeft Allen een reagens aan, waar-

ocr page 59

47

door, naar zijn rneening, kan worden aangetoond, dat normale urine ten minste minder dan 0,1 % suiker bevat. Dit reagens bestaat hierin, dat de urine gekookt wordt met gelijke deelen kaliloog (liquor potassa; P. B.) en saffranine (0.1 % in water) »If the urine,quot; zegt hij, «contains more than 0.1 percent of sugar, the liquid will be decolorised, but otherwise the red colour will remain intact or be only partially discharged.quot; *)

Ik heb mij er vooreerst van overtuigd, dat door de behandeling van de urine met sublimaat, volgens de door Johnson opgegeven wijze, de suiker er niet uit verwijderd werd.

Zuur reageerende, normale urine, waarin met Fehling\'s en met Nylancler\'s reagens geen suiker was aan te toonen, werd met sublimaat behandeld, en na 48 uren gefiltreerd. Het filtraat werd met ammonia van kwikzilver bevrijd en daarna op de gewone wijze met benzoylchloride en natronloog behandeld. Uit den met natriumaethylaat verzeepten ester kon op de boven beschreven wijze phenylglyc-osazon in kristallijnen vorm verkregen worden.

Verder heb ik normale urine nauwkeurig op de door Johnson aangegeven wijze 1) onderzocht. De urine werd vermengd met V20 van haar volumen

1

quot;\') The Lancet. Juli 7. 1894, p. 13.

ocr page 60

48

van een verzadigde oplossing van natriumacetaat en 19/2o van haaiquot; volumen van een verzadigde oplossing van sublimaat en gefiltreerd, liet filtraat werd 5 minuten gekookt en weer gefiltreerd. De overmaat van kwikzilver werd met eenige druppels ammonia liquida verwijderd. Van het volkomen heldere filtraat werden nu 4 cM3. gekookt met G cM3. van een oplossing verkregen door twee deelen van een verzadigde oplossing van pikrinezuur te koken met een deel kaliloog (liquor potassaï P. B.). De kleur der vloeistof kreeg nu een duidelijk roode tint, door reductie van het pikrinezuur, terwijl zij, volgens Johnson, geel had moeten blijven.

Ook gaf het filtraat, waarin met nitroprussidna-trium geen kreatinine meer aangetoond kon worden, na koken met Fehling\'s proefvocht een rood praeci-pitaat, van koperoxydule l) en ontkleurde het Pavy\'s ammoniakaal koperproefvocht.

Het reagens van Allen, safranine met kaliloog, leverde mij eveneens bij normale, onveranderde urine, zoowel als bij het zooeven beschreven, van kreatinine bevrijde filtraat, telkens een positief resultaat: de roode kleur verdween bij het koken.

Ik kom dus tot het besluit, dat men, nu het een-

!) Ook Neuhauer en Vogel deelen mede, dat de reductie van Fehling\'s proefvocht duidelijker wordt, wanneer eerst de urine op de door Johnson aangegeven wijze met sublimaat behandeld wordt. (Anl. zur qual. und quant. Anal, des Hams, IX te Aufl. I,S. 57)-

ocr page 61

49

maal vastgesteld is, dat normale urine reduceerende suikers bevat, de aanwezigheid dier stollen met allerlei gemakkelijk zuurstof loslatende reagentiën kan aantoonen.

Het is als een voordeel van de bismuthproef te beschouwen, dat zij niet gevoelig genoeg is, om de zwarte kleur reeds bij normale urine te voorschijn te doen komen. Geeft deze proef een positief resultaat, dan kan men er op rekenen, dat het redu-ceerend vermogen der urine grooter is dan bij gezonde menschen gewoonlijk het geval is. En dan kan men, door de urine met. zoutzure phenylhydrazine en natriumacetaat te koken, nagaan, of dat reduceerend vermogen inderdaad aan vermeerdering van het suikergehalte is toe te schrijven. Want liet suikergehalte der urine behoeft slechts zeer weinig vermeerderd te zijn, om de afscheiding van duidelijke kristallen van osazon, die uit volkomen normale urine niet, of met moeite verkregen worden, mogelijk te maken.

Om te beslissen, of dit osazon van glycose of van een andere suiker afkomstig is, moet het uit den aard der zaak in zoo groote hoeveelheid, en in zoo-danigen staat van zuiverheid bereid worden, dat het smeltpunt op betrouwbare wijze kan worden bepaald.

ocr page 62

HET VOORKOMEN.

VAN

KOOLHYDRATEN IN DE URINE VAN KRAAMVROUWEN.

---f —— ■-

Historisch Overzicht.

Blot 1) was do eerste, die onderzoekingen deed omtrent glycosurie bij zwangeren en zoogende vrouwen. Hij gaf aan, dat bij kraamvrouwen en wellicht bij de helft van alle zwangeren de urine sporen van suiker bevatte, 0,1-0,2percent, en dat de hoeveelheid in onmid-dellijke verhouding stond tot de secretie der borstklier. Van verschillende kanten werden tegen deze mede-deelingen bezwaren geopperd. Eenigen trokken de betrouwbaarheid der onderzoekingsmethoden in twijfel, anderen weer betwijfelden de mogelijkheid van het verschijnen der suiker in de urine. Vooral Leconte2) stond tegenover Blot. Hij herhaalde Blot\'s onderzoekingen, en naar hij meende met negatief resultaat. Hij schreef de verkregen reductie der kraamvrouwen-

1

) Gazette des hopit. civ. et milit. 1856. Nquot;. 121.

2

quot;) Archive générale de Med. Am\'it 1857.

ocr page 63

51

urines toe aan liet urinezuur. Wiederhold stelde deze reductie op rekening van een ontleding van slijm. Johannovski1) vond slechts bij 4 van de 25 onderzochte kraamvrouwen suiker in de urine, en bij deze 4 was zeer sterke melkstuwing voorhanden. Hij kwam tot liet besluit, dat goed ontwikkelde borstklieren en rijke melkafscheiding slechts in zooverre een invloed op het verschijnen van suiker in de urine hebben, als ze licht tot stuwing aanleiding geven. Eenigen namen het echter voor Blot op. Kirsten2) hield zich vooral met deze vraag bezig. Het resultaat zijner onderzoekingen stemde overeen met dat van Blot.

Ook hij kon bij gravidae en barenden somtijds, bij kraamvrouwen echter altijd, suiker aantoonen. Alleen een verschil bestond tusschen beiden.

Blot hield tie glycosurie der zoogperiode voor een physiologisch verschijnsel, voor een normalen toestand met andere woorden. Kirsten vond het de uitdrukking van pathologische processen, die, met hyperaemie der abdominaalorganen en verhoogde temperatuur verbonden, waarschijnlijk aanleiding gaven tot vermeerderde glycogeenvorming in de lever. Brücke3) toonde aan, dat de urine der kraamvrouwen meest meer suiker bevatte dan in den gewonen gezonden toestand

1

1) Archiv. f. Gynaek. XII.

2

a) Monatsehr. f. Geburtsh. 1857. 9.

3

) Sitzber. der Kais. Acad. d. Wissenseh. Wien. XXVIII.

ocr page 64

52

tiocli beschouwde dit uiet als een constant symptoom van het puerperium.

Iwanoff komt tot dezelfde resultaten als Brücke. Sinelji 1) sprak de meening uit, dat regelmatig suiker in de urine van kraamvrouwen voorkomt; hij vond de hoeveelheid afwisselende en vermeerderd, als de melksecretie door een of andere oorzaak verhinderd was. Spiegeiberg staat de meening voor, dat de zoogenaamde diabetes der kraamvrouwen een resorptie-diabetes is, d. w. z., dat de suiker van het secreet der melkklier in het bloed opgenomen wordt, en op deze manier in de urine komt. Deze hypothese zou volgens A. Hernpel 2) ongedwongen alle betrouwbare berichten omtrent het suikergehalte der urine van zwangeren en zoogenden verklaren. Dat soms gedurende de zwangerschap reeds het suikergehalte in de urine vermeerderd is, zon zijne verklaring vinden in het leit, dat de borstklieren niet zelden in de zwangerschap reeds melk afscheiden. Of dit secreet gedurende de zwangerschap afgescheiden melk is of de voorlooper ervan, namelijk colostrum, doet er niets aan toe, daar het laatste ook rijk is aan melksuiker. Volgens Clenun bevat dit 1,73 tot 3,95 procent. Ook verklaart deze hypothese het afwisselend gehalte der urine aan suiker in het kraambed en de afhankelijkheid van dit gehalte aan suiker van de

!) Gazette, med. 1873. N0. 43 et 45. s) Arch. f. Gynaek VIII S. 316.

ocr page 65

53

ontwikkeling der borstklieren. A. Hernpel heeft ook de urines der kraamvrouwen onderzocht met het doel om na te gaan, of de hoeveelheid der in de urine afgescheiden suiker tot de secretie der borstklieren in een zoodanige verhouding stond, dat deze met de hypothese van Spieyelbercj te verklaren was. Zijn proeven leidden hem tot de volgende drie gronden voor deze hypothese:

1°. De meer dan normale hoeveelheid suiker in de urine treedt eerst op bij sterkere melkafscheiding.

\'2°. Het suikergehalte der urine is des te grooter, hoe beter de borstklieren ontwikkeld zijn.

3°. De hoeveelheid suiker in de urine stijgt bij langdurige stuwing van het secreet in de borstklier.

Abeles \') vond bij urineonderzoek van 30 hoogst zwangeren altijd een vermeerderd suikergehalte, ter-wijl hij vóór de 6e maand niets hiervan ontdekte. Blol2) en Hempel 3) vonden het vermeerderd suikergehalte nog niet bij de helft der onderzochte zwangeren, doch zij misten het bijna nooit bij de zoogenden. Hofmeister quot;) toonde aan, dat de suiker in de urine van zoogenden melksuiker was. Hij gaat hiervoor

J) W\'ien ined. Woc.licnschr. 1874. S. 465. *) I. c.

\') I. c.

\') Ztschr. ï. JMivs. Ch. Hd. I. S. 101.

ocr page 66

54

aldus te werk: Ue urine wordt met neutraal lood-acetant zoolang behandeld, als er nog een neerslag ontstaat, vervolgens wordt het neerslag afgefiltreerd en uitgewasschen. Het filtraat en het waschwater worden met basisch loodacetaat en ammoniak behandeld, hiermede geschud, en eenige uren blijlt het mengsel aldus staan. Het neerslag, dat de melksuiker bevat, wordt afgefiltreerd, en met een weinig water gewasschen. Het filtraat wordt nu onderzocht, of het nog reduceert, en rechts draait, en is dit het geval, dan wordt het filtraat nog eens met basisch loodacetaat en ammoniak behandeld. Het neerslag wordt nu in water verdeeld bij gewone temperatuur met zwavelwaterstof behandeld, het filtraat van zwa-vellood, nadat de overvloedige zwavelwaterstof door doorvoeren van lucht verwijderd is, bevrijd, en met versch neergeslagen zilveroxyd geschud. Het zilver-oxyd, zwavelzilver en chloorzilver wordt afgefiltreerd, en het filtraat door zwavelwaterstof van zilver be vrij rl, en na toevoeging van koolzure baryt ingedampt. Do op een klein volumen ingedampte vloeistof wordt na filtratie met zooveel alcohol van 90 percent behandeld, dat een vlokkig neerslag ontstaat, dat echter geen reduceerende of optisch werkzame stollen bevatten moet; het alcoholische Altraat wordt nu boven zwavelzuur ingedampt. Na affiltreeren van de eerste kristalina,ssa wordt uit liet filtraat door alcohol op nieuw suiker neergeslagen.

De ki\'i stal massa wordt vervolgens gereinigd door

ocr page 67

omkristalliseeren uit water onder toevoeging van dierlijke kool, of eerst nog door de kristal massa met kokenden alcohol van 00-70 percent te behandelen, die de onzuiverheden der kristalmassa onopgelost laat. Aldus isoleerde Hofmeister de suiker uit de urine, en kon hij gemakkelijk aantoonen, dat deze suiker melksuiker was zoowel door de eigenschappen van deze suiker als door de elementairanalyse.

Neij ^ stelde bij het onderzoek der urine van een groot aantal vrouwen de volgende vragen:

1°. Verschijnt de suiker vóór of gedurende den partus in de urine, en heeft de partus eenigen invloed op het voorkomen er van ?

2°. Komt de suiker eerst in den loop van het kraambed in de urine, en staat het voorkomen ervan in eenig verband met de verschijnselen van koorts ?

3°. Is het voorkomen van suiker in de urine zoowel vóór als na den partus een pathologisch of een physiologisch verschijnsel ?

Vóór de baring nu onderzocht Ney in 24 gevallen de urine, en hierbij kon hij met zekerheid slechts in 4 gevallen suiker aantoonen. In deze 24 gevallen werd ook de urine gedurende en onmiddellijk na den partus onderzocht. Bij geen der gevallen, uitgezonderd die, waarbij reeds vóór den partus suiker aanwezig was, kon het optreden van suiker gedurende

!) Arch. T. Ovmi.\'k. 1889. XXXV. S. \'ia».

ocr page 68

56

den partus aangetoond worden. Men zou kunnen meenen, dat de partus diabetes veroorzaakte door psychische invloeden of spierwerking. Volgens de proeven van hey zou deze meening ongegrond zijn, en verder zou slechts zeer zelden vóór de geboorte suiker in de urine aanwezig zijn.

Bij 148 gevallen is de urine na de baring onderzocht op suiker, en in k/5 der gevallen suiker gevonden. Volgens de proeven van Ney heeft het voorkomen van koorts met het verschijnen van suiker in de urine niets te maken. Verder geven volgens de proeven van Neij in het kraambed alle omstandigheden, die zoogen bemoeilijken of verhinderen, aanleiding tot afscheiding van suiker, als excoriaties, mastitis, abnormale pijn bij het zoogen, slecht ontwikkelde tepels enz.

Deze pathologische toestanden zouden stuwing veroorzaken, waarop onmiddellijk de suikerafscheiding in de urine volgt; dit zou nu pleiten voor de meening van Kir sten; doch verder ziet men suiker in de urine voorkomen bij kraamvrouwen, die zich in alle opzichten in de beste gezondheid verheugen, bij wie een rijkelijke melksecretie aanwezig is, en in zooverre stemmen de onderzoekingen van Nei/ met die van Blot overeen. Ney houdt het voorkomen van suiker in de urine bij rijkelijke melkafscheiding en normaal beloop van het kraambed voor een pliysiologiscli verschijnsel. Volgens Ney verschijnt ile suiker in de urine meestal op den 2,lcquot;,

ocr page 69

57

3gt;icn 4.1™ om (jan meestal te verdwijnen, hetzij doordat de melkafscheiding afneemt, hetzij doordat het kind zooveel melk tot zich neemt, dat er van stuwing geen sprake meer kan zijn. Ney maakte bij zijn onderzoek gebruik van de reacties van Trommer en van Böttger en van de gistingsproef. Ook met laatstgenoemde proef verkreeg hij in een aantal gevallen een positief resultaat. In verband daarmede maakt het een eenigszins zonderlingen indruk, dat hij zijn verhandeling besluit met de opmerking: ))Der Nachweis, das ses sich urn Milch-zucker und nicht um Traubenzucker hier handelt, ist von Hof meister in so überzeugender Weise ge-leistet worden, dass ich diese Untersuchungen bei Seite liessquot;.

Melksuiker wordt toch niet of althans uiterst moeilijk door gewone gist aangetast. En aangezien hij slechts van »Gahrungquot; en «die Gahrungsprobequot; spreekt, zonder eenige nadere toelichting, moet men wel aannemen, dat hij bij zijn proeven gewone bier-gist gebruikt heelt.

EIGEN ONDERZOEK.

Al mag nu ook, op grond van Hofmeisler s onderzoekingen, met zekerheid aangenomen worden, dat iu de urine van kraamvrouwen melksuiker kan voor-

ocr page 70

58

komen en al mag men wel onderstellen, dat men, in die gevallen, waarin de urine bij zoogende vrouwen een voorbijgaande verhooging van het rodu-ceerend vermogen vertoonde, recht had van lactosurie te spreken, toch kan aan de tot dusver verstrekte opgaven omtrent de veelvuldigheid van het voorkomen van lactosurie bij kraamvrouwen niet heel veel gewicht gehecht worden.

De proef van Trommer, die bij het onderzoek het meest gebruikt is, laat aan betrouwbaarheid te veel te wenschen over. Iedere urine van den mensch reduceert koperhydroxyde in alkalische oplossing bij kookhitte en de intensiteit van de reductie hangt niet alleen af van de hoeveelheid suiker, die de urine bevat. De aanwezigheid van kreatinine belemmert bovendien de praecipitatie van het koperoxy-dule, ten gevolge waarvan het moeilijk wordt over de intensiteit der reductie te oordeelen.

Het scheen mij de moeite waard de nieuwere methoden van onderzoek op de urine van kraamvrouwen toe te passen.

Ook melksuiker levert in water onoplosbare ben-zoylesters, en het osazon dat door middel van phenylhydrazine uit lactose verkregen kan worden, is goed van andere osazonen te onderscheiden, bepaaldelijk van de osazonen der suikers, die iu normale urine voorkomen. Phenyllactosazon onderscheidt zich van phenylglycosazon zoowel als van phenyli-

ocr page 71

59

somaltosazon, door oplosbaarheid, kristalvorm en smeltpunt op de volgende wijze:

i \'w-iter ^ \' Kristalvorm, j Smeltpunt.

Phenyllactosazon. .

Oplosbaar.

Fijne naalden tot bollen vereenigd.

200°

C.

Phenylglycosazon .

Onoplosbaar.

Groote naalden tot pijlenbundels

vereenigd. . .

204quot;-

2U5U

(J.

Phenyl isomaltosazon

Oplosbaar.

Fijne naalden tot rosetten veree

nigd . . .

1500-

153°

C.

Het was dus te verwachten, dat melksuiker door toepassing van de boven beschreven methode met zekerheid in de urine te vinden zou zijn, ook al kwam zij er niet in zoo groote hoeveelheid in voor, dat het reduceerend vermogen der urine buiten allen twijfel verhoogd was.

Van 19 vrouwen heb ik de urine onderzocht, kort vóór en kort na de bevalling Telkens werd de in 24 uren afgescheiden hoeveelheid voor het onderzoek gebruikt. Om na te gaan, of daarin melksuiker aanwezig was, werd, geheel op de wijze als vroeger beschreven is, benzoylester uit de urine afgescheiden en met natriumaethylaat verzeept. Nadat het benzoë-zuur en het natriumsulfaat en de alcohol verwijderd waren, werd de oplossing der suiker met phenyl-hydrazine behandeld, en, na een uur lang koken in het waterbad, gefiltreerd, terwijl de vloeistof nog

ocr page 72

60

heet was. Dan bleven de kristallen van phenylgly-cosazon op het filter achter, terwijl de osazonen van melksuiker, zoo die aanwezig was, en van isomaltose in het fdtraat overgingen, om zich daaruit eerst na afkoeling af te scheiden. Bij deze proeven behoefde intusschen het osazon van isomaltose nauwelijks in aanmerking genomen te worden. Hier werd toch telkens slechts ongeveer 1 \'/2 a 2 liters urine verwerkt en de hoeveelheid daarin voorkomende isomaltose is zoo gering, dat het zich bij de afkoeling van liet iiltraat afscheidende osazon dezer stof niet in staat is een merkbare troebelheid te voorschijn te roepen. Dat zij niet geheel ontbreekt, blijkt daaruit, dat de na de verzeeping van den ester verkregen oplossing, ook wanneer de glycose daaruit dour middel van gist verwijderd is, nog een, ofschoon zeer gering, reduceerend vermogen overhoudt. Bij de vroeger beschreven proeven, waarbij liet er op aankwam de isomaltose in zoodanige hoeveelheid te bereiden, dat de bepaling van het smeltpunt mogelijk was, en zelfs de bepaling van het gehalte aan stikstof, werden veel grootere hoeveelheden urine te gelijk gebruikt, waarvan dan het na de verzeeping van den ester verkregen product tot op een klein volumen werd ingedampt.

Zonder uitzondering vond ik nu in de urine der kraamvrouwen melksuiker, terwijl in de urine van dezelfde vrouwen, vóór de bevalling onderzocht, geen spoor daarvan te vinden was. Wanneer, na het

ocr page 73

61

koken met zoutzure phenylhydrazine en uatriutn-aceüiat, de vloeistof heet gefiltreerd werd, dan sch(iid-den zich, in alle gevallen, waarin de urine van een kraamvrouw afkomstig was, bij bekoeling kristallen af, die zich onfier het mikroskoop vertoonden als bollen uit fijne naalden bestaande. Kristallen van isomaltosazon werden daartusschen niet opgemerkt, al moet ik aannemen, dat er enkele aanwezig geweest moeten zijn. Ter zuivering werden deze kristallen tweemaal uit heet water omgekristalleerd, en daarna werd het smeltpunt bepaald. Telkens werd het op \'190° C of 200° C gevonden. Zoowel wat den kristalvorm als wat het smeltpunt aangaat, kwamen dus deze kristallen geheel met die van phenyllactosazon overeen.

De kristallen, die zich reeds bij kookhitte uit de oplossing hadden afgescheiden, bestonden, gelijk te verwachten was, uit phenylglycosazon. Dit bleek uit den kristalvorm en uit het smeltpunt. Om dit te bepalen, werd de stof gezuiverd door haar in alcohol op te lossen, met water weer neer te slaan, de vloeistof te koken en heet te (iltreeren. Deze behandeling werd daarna nog eenmaal herhaald. Zoo konden geringe hoeveelheden van het osazon der melksuiker, waarmede zij misschien verontreinigd kon zijn, verwijderd worden. Daarna werden de kristallen gedroogd , en dan bleek het smeltpunt telkens bij 2030-2040 C gelegen te zijn.

Gelijk reeds gezegd is, werd in de urine van

ocr page 74

62

y.vvaugere vrouwen in geen der 19 onderzochte gevallen een spoor van melksuiker gevonden, zelfs niet in een geval, waarin de urine twee dagen vóór de bevalling werd onderzocht, terwijl bij de vrouw reeds afscheiding van melk was waar te nemen.

Bij de zwangeren werd de urine onderzocht het vroegst \'12, het laatst 1 dag voor de bevalling, bij de kraamvrouwen het vroegst den lstCÜ, het laatst den 12(len dag na de geboorte van het kind.

In alle gevallen, zoowel voor als na den partus, werd de reactie der urine zuur gevonden. De urine der zwangeren gaf met de proef van Trommer en met die van Nylander altijd een negatief resultaat.

Bij het onderzoek der urine van kraamvrouwen werd met Nylander\'s proefvocht in 13 van de 19 gevallen een grauwzwart neerslag verkregen, terwijl Trommer\'s proef tweemaal eenige afscheiding leverde van koperoxydule.

Ofschoon een betrouwbare bepaling van de hoeveelheid der in de urine aanwezige suiker bij de door mij gevolgde methode, gelijk ik boven reeds heb opgemerkt, niet mogelijk is, omdat men, bij de behandeling der urine met benzoylchloride niet zeker is, dat alle suiker in den vorm van ester wordt afgescheiden, scheen het mij toch de moeite waard het gehalte der urine aan suiker bij vrouwen, vóór en na haar bevalling, ten minste ten naaste bij te leeren kennen.

ocr page 75

63

Om daartoe te komen, ging ik op de volgende wijze te werk.

Vooreerst wijzigde ik de vroeger gebruikte methode in zoover, dat ik, voor de afscheiding van de esters, meer benzoylchloride en natronloog gebruikte. G. v, F odor vond namelijk \'), dat de koolhydraten der urine het volledigst als benzoylesters werden neergeslagen, wanneer de urine eerst 3 a 4 maal met water verdund werd, en dan op iedere 100 cM3 (onverdunde) urine 10 cM3 benzoylchloride en 80 a 100 cM3 natronloog van 10 0/0 werd toegevoegd. Die aanwijzing heb ik gevolgd. Bovendien heb ik nu, eveneens in navolging van v. F odor, de urine terstond na afloop van het schudden met benzoylchloride, met zoutzuur geneutraliseerd, om te beletten, dat de esters, door langdurige aanraking met natronloog, weer voor een gedeelte verzeept werden. Daarna werd de ester afgefdtreerd, uitgewasschen, gedroogd, gewogen, met natriumaethylaat ontleed enz., evenals vroeger. Een deel van de zoo verkregen, van alcohol bevrijde oplossing der koolhydraten werd gebruikt voor de behandeling met phenylhydrazine. Over de daarmede verkregen uitkomsten heb ik reeds gesproken.

Een ander deel van de oplossing werd gebruikt, om het reduceerend vermogen te bepalen. Ik ver-

\') Zie, Baiseh, Ztsehr. f. Physiol. Cli. Rd. XIX S. 339.

ocr page 76

64

richtte die bepaling met Pavi/\'s ammoniakale koperoplossing, die door koken met suiker kleurloos wordt, maar geen praecipitaat van koperoxydule afscheidt2).

Deze vloeistof heeft niet alleen het voordeel, dat zij de bepaling van het reduceerend vermogen snel en, met eenige oefening, gemakkelijk uitvoerbaar maakt, maar ook dat men het doel bereikt met een kleinere hoeveelheid van de suiker bevattende oplossing dan bij het titreeren met Fehling\'s proefvocht. Het laatstgenoemde voordeel was voor mij vooral van belang.

Uit de bepaling van het reduceerend vermogen werd het suikergehalte der vloeistof berekend, alsof alle daarin aanwezige suiker glycose was. Daarmede werd een onjuistheid begaan, want de urine der zwan-geren bevatte, behalve glycose, altijd nog een weinig isomaltose, en die der kraamvrouwen bovendien nog lactose. Maar deze onjuistheid doet hier, waar het in de eerste plaats op vergelijking aankomt, niets ter zake.

Een ander deel der oplossing werd met gewone gist, na toevoeging van een weinig pepton van Witte, om zeker te zijn, dat de gistcellen geen gebrek hadden aan stikstofhoudend voedsel, 48 uren gedigereerd. Daarna werden gist en pepton, na toevoeging van een ruime overmaat van alcohol, door fdtratie ver-

\') Pavy. The Physiology of the Carbohydrater. p. 71.

ocr page 77

65

wijderd, de vloeistof werd door verwarming van alcohol bevrijd, en tot iiet oorspronkelijke volumen teruggebracht, en met Pavy\'s oplossing getitreerd. Hetgeen nu minder aan suiker gevonden werd, dan bij de eerste bepaling, gaf liet gehalte der vloeistof aan glycose aan.

Bij de oplossingen uit de urine van zwangeren verkregen, was het reduceerend vermogen na de werking der gist zeer gering, overeenkomstig het gehalte aan isomaltose, bij die uit de urine van kraamvrouwen daarentegen was het nog aanzienlijk, tengevolge van de aanwezigheid van melksuiker.

Om over de hoeveelheid der melksuiker eenigszins te kunnen oordeelen, heb ik gebruik gemaakt van Saccharomyces Kefir. Prof. Beyerinck te Delft had de goedheid mij een zuivere cultuur van deze gistsoort af te staan, en mij de noodige aanwijzingen voor het kweeken daarvan te geven. Gaarne grijp ik deze gelegenheid aan, om Prof. Beyerinck voor zijn vriendelijke hulp mijn welgemeenden dank te brengen.

Saccharomyces Kelir verbruikt zoowel druiven-suiker als melksuiker. Ik mocht dus verwachten, dat door de werking van deze gistsoort het reduceerend vermogen van de uit urine van kraamvrouwen verkregen oplossing zooveel meer verzwakt zou worden dan door gewone gist, als met het gehalte aan melksuiker overeenkwam.

De Kefirgist werd gekweekt op een voedingsbodem, die op de volgende wijze bereid werd.

ocr page 78

66

Ia 1Ü0 (leeleu melkwei werden 5 deelen melksuiker en 2 deelen pepton van Witte opgelost. Daarna werd de vloeistof geneutraliseerd, met 2 deelen agar-agar vermengd, gekookt, gefiltreerd en in gesteriliseerde buisjes gebracht. De gist, die op dezen bodem welig groeide, werd nu van de gelei afgenomen, en in voldoende hoeveelheid vermengd met een deel der door verzeeping van den ester verkregen suikeroplossing, waaraan dan weder een weinig pepton werd toegevoegd. Na 48 uren werd deze vloeistof op dezelfde wijze als de met gewone gist behandelde, van gistcellen en pepton bevrijd, tot op het oorspronkelijke volumen gebracht en met Pavy\'s oplossing getitreerd. In alle gevallen, waarin urine van kraamvrouwen werd onderzocht, bleek nu inderdaad het reduceerend vermogen veel meer afgenomen te zijn dan na de behandeling met gewone gist. Het verschil gaf, als glycose berekend, het gehalte aan melksuiker aan. Wat er, na de werking der kefirgist, nog aan reduceerend vermogen overbleef, beantwoordde aan de hoeveelheid der isomaltose in de oplossing aanwezig. Somtijds heb ik ook de uit de urine van zwangeren afkomstige vloeistof, waarin met phenylhydrazine geen lactose te vinden was, met kefirgist behandeld. De verzwakking van liet reduceerend vermogen daardoor veroorzaakt, bleek dan even groot te zijn als die, welke door gewone gist werd teweeggebracht.

Van 15 vrouwen heb ik de urine, voor en na haar bevalling, op de beschreven wijze onderzocht. De

ocr page 79

67

daarbij verkregen uitkomsten ^ indt men in de hierbij gevoegde tabel.

Men ziet daaruit, dat na de bevalling de urine niet alleen rijker aan suiker werd dan daarvoor, tengevolge van de afscheiding van melksuiker, maar dat bovendien het gehalte aan glycose en aan isomal-tose, al is het ook weinig, in alle gevallen grooter gevonden werd.

Trekt men het gemiddelde uit de in alle 15 gevallen gevonden waarden, dan vindt men, dat aan glycose en isomaltose (als glycose berekend) samen het gehalte der urine voor den partus 0,008 % bedroeg, en na de bevalling 0,0118 %; Ook wanneer men in aanmerking neemt, dat de hoeveelheid der in 24 uren afgescheiden urine na de bevalling op twee uitzonderingen na (geval 111 en IV) kleiner was dan daarvoor, blijkt er, afgezien van de melksuiker, na de bevalling nog een geringe vermeerdering van de afscheiding van suiker gevonden te zijn. Gemiddeld bedroeg de hoeveelheid urine in uren vóór de bevalling 1,8 liter, en na de geboorte van het kind 1,57 liter. Vóór de bevalling werd dus gemiddeld in 24 uren aan glycose en isomaltose samen afgescheiden 0.144 gram, daarna 0.185 gram.

Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik niet geneigd ben aan deze cijfers hoogere waarde toe te kennen, dan zij verdienen.

Di\' methode van onderzoek is niet. van dien aard, dat zij een nauwkeurige quantitatieve bepaling toelaat.

ocr page 80

68

Intusschen doet de overeenstemming tusschen de cijfers in de verschillende proeven gevonden, vermoeden, dat liet verlies aan suiker, dat er bij de bereiding der estsrs en de daarop volgende behandeling wel geleden zal zijn, niet zeer wisselend geweest is.

Dit volgt intusschen met zekerheid uit mijn onderzoek, dat de urine van de 19 kraamvrouwen door mij onderzocht, melksuiker bevatte, en dat die stof in de urine van dezelfde vrouwen in den allerlaatsten tijd der zwangerschap, niet te vinden was.

Ik wil niet ontkennen, dat ook vóór de bevalling, wanneer de afscheiding van melk in de laatste periode der zwangerschap reeds begint, melksuiker in de urine kan voorkomen, al heb ik daarvan niets gevonden. Maar wat omtrent lactosurie bij zwangerentot dusver is medegedeeld heeft geen bewijzende kracht, omdat de diagnose uitsluitend op grond van liet reduceerend vermogen der urine gesteld is.

ocr page 81
ocr page 82

I

70

Een

Overzicht van de hoeveelheid Glycose, Lactose en

Isom

s quot;X*

B gt;

s a?

p O — ^

o ZJ gt;■ ^

Hoeveelheid urine in

24 uur geloosd.

-4-3 ,

amp; -L

^3 cy § S rii

gt; O agt; OJ o bc .5 63 O s

i Hoeveelheid

O) ■ 3 CO

Procentgehalte aan Glycose.

gt;

Procent-

A. P.

P. P.

A. P. j

P. P.

A. P.

P. P.

A. P.

P.P. 1

A.

I.

1,8 liter.

1,5 liter.

3 dagen.

5 dagen.

3,42gr.

5,6 5 gr.

0,0065

0,009

Afwe

11.

2

1,0 »

2 »

7 »

3,2 »

8,20 »

0,0053

0,0065

»

III.

1,5 »

1,8 »

3 .

8 »

2,25 »

9,50 »

0,0046

0,006

Tgt;

IV.

1.7 »

2,1 »

2 gt;

6 »

3,45 »

10,20 »

0,0082

0,012

»

V.

2,2 »

1.5 »

2 »

9 »

5,12 »

8,30 »

0,009

0,014

»

VI.

2 »

1,7 v

8

5 »

4,50

6,50 »

0,008

0,0084

VII.

1,8 »

1,5 »

4 »

7 »

3,50 »

6,25 »

0,0061

0,009

»

VIII.

2,1 »

1,3 »

1 dag.

8 »

3,90 »

5,61 »

0,009

0,0123

»

IX.

2

1,75 »

5 dagen.

10

4,15 »

8,32 »

0,0074

0,008

»

X.

1,6 »

1,2 .

0

7 »

2,45 »

4,56 »

0,0062

0,0095

gt;

XI.

1,8 »

1,25 »

5 »

4 »

3,56 »

5,30 »

0,0073

0,0132

»

XII.

1,9 »

1,8 »

6 »

8 »

3,75 »

8,21 »

0,0038

0,0073

ïgt;

XIII.

1,5 »

1,45 »

3 »

5 »

2,70 »

4,37 »

0,0048

0,0067

»

XIV.

!,(gt; »

l,2(i »

7 »

10 »

3,23 »

5,40 »

0,006

0,0083

gt;

XV.

j 1,7 »

] 1,5 ♦

1

1

4 .

|3 . 1

2,95 »

1

6,10 »

0,0035

0,0092

»

ocr page 83

71

en isomaltose in Urine van Vrouwen vóór en na de Bevalling.

Opmerkingen,

quot;S 3

-C O

Ph SE

A. P.

P.P.

Ante Partmn.

Post Partmn.

!

A. P. P.P.

|

0,013 | 0,0015 0,023 I 0,0016

Afwezig.

0,0030

0,0021

0,0018

0,0024 0,0031

0,0415

0,0351 0,0438

0,0010

0,0020 0,0015

0,0033 0,0021

0,0035

0,0021 0,0025

0,0023 0,0031

0,0026 0,0025 0,0031

0,0210 i 0,0021 0,0182 | 0,0016

0,0256 j 0,0021

0,0380 0,0015 0,0140 0,0012

0,0016 0,0015

0,0013 0,0017 0,0013

0,0256 0,0370

0,0165 0,0236 0,0263

Zwangerschap normaal.

Zwangerschap norm.

Gedurende de zwangerschap secer-neerden de borsten melk.

Alles normaal. Zwak ontwikkelde borsten.

Zwak ontwikkelde borsten. Anaemie. Alles normaal.

Slecht ontwikkelde borsten.

Alles normaal.

Puerpcrium normaal : melksecretie overvloedig.

Puerperinm normaal; melksecretie overvloedig.

Weinig melk, matig ontwikkelde borsten.

Alles nornaal.

Goed ontwikkelde borsten : doch er waren fissurae papillae. Hierom werd het kind minder aangelegd.

Alles normaal.

Weinig melk.

Weinig melk. Anaemie.

Alles normaal.

Overvloedige melksecretie.

Alles normaal.

Weinig melk.

Alles normaal.


,

ocr page 84
ocr page 85

STELLINGEN.

I.

Jn normale nrine zijn steeds H koolhydraten aan te toonen.

II.

Lactose is ante partum meestal afwezig, daarentegen post partum steeds in de nrine :ian te toonen.

111.

De hypothese van Ho [meister, dat het adenoïde weefsel van het darmslijmvlies zou dienen, om het door het epithelium geresorbeerde pepton, voordat het in de circulatie komt, te veranderen en van zijn schadelijke eigenschappen te berooven is hoogst onwaarschijnlijk.

IV.

De resorptie van vocht uit de buikholte geschiedt grootendeels door de bloedvaten.

V.

De spiermantels van kamers en boezems bij het hart zijn niet volkomen door bindweefsel van elkander gescheiden.

ocr page 86

II.

Vf.

De meeuing, dat liet pancreas zicli uit één epithe-liaal knopje zou ontwikkelen, is onjnist.

VIL

Bij den volwassen nonnalen menscli bestaat de neuroglia uit onvertakte cellen eu vezels, waarbij de laatste in massa zoo sterk de overhand hebben, dat men ze als wezenlijk bestanddeel der neuroglia moet beschouwen.

vin.

De meeuing van Luewenhavdl omtrent den duur der graviditeit is te verwerpen.

IX.

De aetiologie der rachitis moet gezocht worden m een specifiek microörganisme.

X.

Bij aniüniia gravis (respect, perniciosa) is de sub-cutane injectie van arsenik aan te bevelen, wanneer zware digestiestoornissen ot diarrbeëenaanwezig zijn.

XI.

Bij tussis convulsiva is als tfierapeutisch middel chiuiiie boven antipyrine te stellen.

XII.

De bestrijding der zure dyspepsie door kauwbewegingen verdient vooral in de digestieperiode aanbeveling.

ocr page 87

III.

XIII.

Bij diabetes is slechts in de zware gevalkm het gebruik van alcohol noodzakelijk.

XIV.

Alle momenten, die een eenvoudige ruptura perinei veroorzaken, kunnen onder bepaalde omstandigheden tot een ruptura perinei centralis aanleiding geven.

XV.

üe sectio caesarea is bij zware ecclainpsie boven de bloedige verwijding der cervix uteri volgens Mattrer-Dührsen te stellen.

XVI.

Zoowel bij algemeene als bij partiëele krampweeën is het gebruik van barnsteenzure ammoniak aan te bevelen.

XVII.

De naam streepkeratitis is onjuist; men spreke liever van streepvormige troebelheid.

XVIII.

Conjunctivitis crouposa kan van diphteritischen oorsprong zijn.

XIX.

De naam stuwingspapil is onjuist; liever spreke men van neuritis neuropaiulytica papillae nervi optici.

ocr page 88

IV.

XX.

Bij breuken die niet zeer groot zijn is als radicale operatie, ten minste in de private praktijk de herhaalde inspuiting met alcohol te verkiezen boven een bloedige operatie,

XXI.

Het ontstaan van het bewegelijk worden der nier bij vrouwen kan nooit verklaard worden door het dragen van het corset; is de nier reeds verplaatst, dan kan wel de dislocatie hierdoor vergroot worden.

XXII.

Lysol is het beste ontsmettingsmiddel voor tuber-culeuse sputa.

XXIII.

De stedelijke waterleidingen geven meer dan men gewoonlijk pleegt aan te nemen aanleiding tot lood-vergiftiging.

ocr page 89

:,;v;- WÉ

J/. „c- J :. -■■■ *.gt; ■ N- / -. i-. ■-■■- . .Kr- -y - gt; ,r , :• v;, ^«-3

. - \' ^ - , . - ;:: ■•■ ; x/ . :■ quot; -

^ V-3

-•quot;- •.\' • lt;■\'■■ ■ .\' ■■•• \'\' -v.-. • ■\' \' quot; ,. . \' ■ .■;...

^4\' .-tv .quot;■ : ., i U\'gt;T ï\'v -• .- . ■ \' * quot;. - J-, ■ \' .Ji

A5T

C-- -

:;c;

■o-:

V» .

\'S

-I gt;n \'\'i

\'irl

r \' \\

;.;r

1\';

\' v\'.\' •, -,

i,. •■\'•\'■

r. ^...- ... -■\' •.V r -■\' v ■ .;,• .. \'■ ;* :

gt;. - i -■ ■ ■■ , - ■ , ■f\'r-x ■.:.: ■ ^. r - _. -

l-Jg

■-% - - •-quot;■• ■:.ilt;

gt;■..

■. gt; V1--.- -r-c;.

gt;_. -

.\'O: z.-ei\'J#\' -,\' .. r\' wX .

.t-M- : ■ V.-■

\'Cv

-

-\': C .-■-■ --C,/

. - r . .. . ■ . - .. ■

- - ■ % - i ... ^

. ■ ?■■ -j

;w .s-

■ . ■ ■■■■ . v ; \' C

^ —- .1 rquot;\'^ •

■ VV^

V-\'\' \'

r •gt; \' . r - - • ■ - . .\'- ■ ■■ .. . - ■ ■ ■- .- : —

- ï-.-: .\' V -- • N ^... •; . .

■v_ \' ■ - : .-, ■ . . • • - ■- ; ■ .-

-.- lt; jr - Z V rj.... - W

-\'- ■-.J\'\'- ■--.•gt; -y-, \' --■ \' \' •\'quot;zrj\'\'- quot;f

-. ^ V-C ■■ ,• : ^ - c ■ CCC;

■ -- . - -gt;• ;v! - ■ V \' -r-\' ■.gt; .,.■ \' • •

•■ ., ■. . ■ - - .---,. •- -W\' :

- \'-Si gt; «■::.« ^

- \'• \' - s ■ quot; -v ^ ^ ^

: - -cquot;- \' j- . •\'• - * • ■ \' . y /. ■ ■ . - \' ï

\'-?v •;

v.

■ v.,: • *

■ - v-

Jt.-quot; ^ *

CC\'

.\'iyJiA •.

amp; \'*ïf

-y.. \' \' ■-/

- ■ • --- . ~ 5 hC

, -■ ■■. ••*.

-. £:

vc:^ .:c-;\'--:;c^. c-c^ic^:.? v--. c: - c

•; . •.» \' •\' • ^ - .C

C \'\' v • .: -C

C^:Vgt;

v • ..\\- gt;,

v c- --c;

■\'.;-C?C-

\'.X,.

quot;k -r- - r-V-.\'

;Slc3

\'VCC.:.-:::C

CC^gt;-;-C-C

t . W \' -. , . \\ ^

quot;k - V: w--tlt;CT\'\':: -

^ --.r 2, ■r :C:; .

C; - ^ \'■ , ;v .: . .-^r C^^ïCfcC:

; ; C\' quot; ■■,■--.• ■quot; - - -;

■■r^C^y-c\'v\' Cc\'^:^\'vv:c^:,\' ::v ,

C\' \'-*:-^ •gt;•-■7 .,.• ~ - v.\' ■

--cc

lïZA ^-\'v \' - \'V - \' gt;. - V\';

\'\'.A J ^ \' C f

c

CC■. ;.

■ - ■ ■ \'i•lt;-?■• ■ ■. ■..- ■quot;

f-Jquot;\'.\'

■/-. 5 ■-

.- ^ ^ ■■C\'

Jlt:-.. \'. :gt;

.:V ^ \'M

_

c :

vquot;

quot;J ■■

. \' •] Cj

- .- -I

- : . . - ;■ ■\'/- ■ - - -iH\' .....

7■. \'.;.vi.;- .■ vquot; -■. \'.

. -• .„ - - ^;

VrT^ y-- •: ^

:®■\' IWj:-zj. •..:■■ ■ c-1;-

.- gt; . - ;; gt; ■•- . v -

.- C, ■

\': •■

9a

, -.

c^^

-quot;ij

.....

01

quot;.Tb -

| i ■PPP ffefv _______.„■

ocr page 90
ocr page 91
ocr page 92