ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

SCHAEPMAN.

tfjicht wenken.

ocr page 7

MlSSaMi

I ■

ffeS-\'.-ftc i ||:V-|

\'i^^r^y *-^3

KI

ocr page 8
ocr page 9

Dr. SCHAEPMAN.

Iteprod. ii. een litho^r.

ocr page 10

^/c*-C/k s\'.Z) £$ VERZAMELDE

DICHTWERKEN

i

VAN

2)r. K. 3. K. M. Schaepman

AMSTERDAM

C. L. VAN LAN GENHUYSEN 1892.

FEESTUITGAVE 1867 — 15 Augustus — ISEfê.

met portret naar de tekken1ng van .tan veth.

ocr page 11

INHOUD, ©^f

^ va—^

Bladz.

V ÜE PAUS................................1

VONDEL .... .......14

DE PEES...............27

S. MARIA, DE ZONDARESSE VAX EGYPTE . . 34

^ DE EEUW EX HAAR KONING........60

HET LIED DES KONINGS ............115

PARIJS 1870—71 . ..........133

CARITAS.......... .... 149

-^= =o«egt;cc ---- --

Hel portret, is met tvestetuminy van den Heer JAN VETH en van de Firma VAN HÖLKEMA en WARENDORF. oreruewtnien uit: ..de Arnsterdanimer. WefkblaW\'.

ocr page 12

4)c \'Paus.

\'r TJfJn aclittien honderd jaar! — Nog klinkt van oord tot oord, /J Va» wereldgrons tot grens, des Meesters heilig woord: „(lij Simon, Jona\'s zoon, zjjt Petrus, rots der kerke,

„Die \'k als mijn bruid begroet; en wat de Hel ook werke, „Wat krachten ze ook ontplooi, wat stormen ze ook ontboei, „Mijquot; machtwoord breekt de golf en stilt hot stormgeloei.quot;

\'t Zjjn achttien honderd jaar!... En \'t woord werd niet tot logen ;

Nog staat het vorstlijk beeld van Petrus, onbewogen,

De stormen tartend, als het rustpunt aller macht:

Als kern der orde, door den Christus aangebracht.

Wat van don tijd ook worde, in \'t her- en derwaart wenden.

Slechts aan der Pausen hand zal hij zijn loop volenden.

Do Paus! Wie onzer heeft dat machtig tooverwoord

Ooit zonder kloppend hart en roerloos aangehoord?

Wie heeft, als gold het slechts een beeld van \'t ver verleden

Met lagen stof bedekt, onteerd, tot puin vertreden,

Als gold het slechts een naam in vroeger tijd geroemd.

Nu reeds vergeten, — wie heeft liefde of haat verbloemd,

Rn bij dien klank niet meêgejubeld, of gezworen

Hem uit te delgen, te vernielen? Wij behooren.

Wij zonen dezer aard, of voor of tégen hem

Te staan. AVie hoort het niet, hoe nog de reuzenstem

Van gansch het wereldrond, van welken kant zij kome,

Van vijand of van vriend, vergaat in \'tééne: Rome!

1

ocr page 13

9

De Paus! Wat meesterstuk door Christus\' heiige hand

Te midden van den tjjd . voor allen tijd, geplant;

lu menschelijken vorm, wat godhjk beeld dier glorie,

JJie somtijds voor ons oog de wolken der historie

Met bliksemstralen scheurt, en in een zee van licht

Haar eeuwge waarheid schrijft: „de Heer der Heeren richt!quot;

Ja, God heefr hem gesteld, en eigner glorie stralen

Als drievoud diadeem om \'t sterflijk hoofd doen dalen.

quot;Want zie: des Vaders kracht, de waarheid van den Zoon,

Do liefde van den Geest, zij vormen de eene kroon,

Wier spangen, door het kruis vereenigd en verbonden,

Geen machten dezer aard verbrekend scheiden konden.

Hij is de bode Gods! Wie leven wil en licht,

Hij houde op hem alleen het zoekend oog gericht.

Hij staat voor de eeuwigheid! Het slagzwaard der monarchen

Verstompte; \'t vlammend woord, de trots der heresiarchen

Verdween; — de ontzachbre drift van woede en van verraad

Spatte, als een zeepbel, stuk; — de reuzenmacht van \'tkwaad,

Het opgezweepte volk, dat, als de lava ziedend

Zijn kraters uitgestort, de kronen neerwierp, vliedend

Als stuifzand voor den wind de vorsten henendreef, —

Verbrijzelde op die rots zijn krachten:— Petrus bleef!

De Paus! Op hem alleen, het aspunt dezer aarde.

Rust vrijheid, rede en recht, en deugd en meuschenwaarde.

Hij voerde Europa, dat in \'t ijzren slavenjuk

Aan Caesars voeten kromp, tot grootheid en geluk;

En met het eigen bloed, verkwistend heengegoten,

Bevruchtte hij deu grond, waaruit de stammen sproten,

Wier reuzenarbeid nog het nageslacht verstomt,

Dat wéér deu Paus verwerpt en zich voor Caesar kromt.

De Paus! \'t Geheimvol woord: „Verdwenen zijn de Godenquot;, Werd waarheid voor Euroop; de sombre poort der dooden Ging voor de Caesars op, en \'t machtig keizerrijk Lag machteloos langs de aard, als waar \'t een reuzig lijk. Maar uit do steppen van Mongoolje brak een wilde Een onbedwingbre storm; een snijdende angstkreet gilde De doodsche vlakten door: „de Hun en Attila!quot;

In \'t weeke hulpgeschrei, in \'t kermen om genaa Vergaat het manlijk woord dat van in-vrijheid-sneven En triomferen sprak, en quot;t zwaard hield opgeheven.

Dat ras ter neer zonk voor het beuken van de knods:

Geheel Europa buigt voor d\'ijzren geesel Gods;

En blakend stedenpuin en bloed verkondt de zege.

ocr page 14

3

De zege van de toorts, van \'t slagzwaard! Allerwege Meersoht de oude chaos weer; een vreeslijk uur is daar:

Voor Rome\'s poorten daagt de dreigende Barbaar!

En ziet! versmolten zijn hun scharen en verzwonden, Als nevlen voor de zon! Hun spieren zijn ontbonden, En langs hun rijen straks zoo talrijk, zweeft de Dood,.. En \'t bloed der Hunnen verwt Europa\'s stroomen rood. Hoe zijn de dapperen verdwenen? hoe gevallen Die reuzen van geweld, die ijzren duizendtallen?

I loe viel de woudeik als een broos en krakend riet ? —

liet woord des Pausen klonk: „Tot hiertoe, verder niet!quot;

De Paus! Een nieuwe dag is voor Euroop gerezen; In \'t woest Germanje wordt der Christnen God geprezen; In Wodens heilig woud verheft zich \'t heerlijk kruis,

Eu door den eiken dom klinkt zangerig geruisch; Het vredelied der Kerk!

Een stam, nog frisch en krachtig. Nog vol van jonglingsmoed, verheft zich. Trotsch en machtig, In \'t vol bewustzijn van zijn sterkte en in den gloed Des levens, dat hem reeds naar daden hijgen doet,

Neep hij het oorlogszwaard in de ijzersterke vingeren, Om wat hem tegenstaat als halmen weg te slingeren.

Om in den moordbrand, die zijn woede deed ontstaan.

Door \'t eigen vuur verteerd (is \'t noodig) te vergaan.

En zie, die reuzenteelt, die fiere zoon van \'tNoorden,

Wiens krachtige arm nog nooit de stijfgetrokken koorden, Wiens nek liet slavenjuk nog niet gevoeld heeft, buigt \\ oor grijsaards, in wier woord de Almachte zich betuigt. De ruwe kracht, die straks een wereld zou verdelgen Wordt heiige sterkte in Gods soldij; de koene telgen \' Der vrije mannen staan in \'tjuk van Gods genaa.. . En bukken blij het hoofd voor \'t kruis van Golgotha. —

Maar grootscher wonder nog: de doode ontvangt het leven • Een ware scheppingskracht is Petrus\' Stoel gegeven;

En op de puinen van het rijk des Caesars, rijst Een grootscher staatsgebouw, dat naar den hemel wijst En \'t kruis in top verheft. Als klonk oen nieuw: „het worde!quot; Zoo stroomt de chaos saam tot een verheven orde. Een eenheid, waar zich vrij hot minder onderdeel Ontwikkelt in zijn bloei tot sterking van \'t geheel-Een staat, waarin hot recht gepaard gaat met de liefde;

ocr page 15

4

Waarin hot oorlogsstaal, dat vroeger schennend griefde, Tot sclmts der maagdon en der zwakken wordt gewijd; Hot beeld des Hemels geboetseerd wordt in den tij tl:

En aan do spits van \'t groot, van \'t heilig rijk Germanje Staat \'sPausen schepping, staat de Keizer: Charlemagne.

De Paus! — Ziet op die spond\' verlaten en alleen Uien orijsaard? Ruwe kracht dreef van zijn kroost hem Om nu te sterven als een balling? Neen, om tleven Dor oer van \'t kruis gewijd, verwinnend op te geven.

Dien grijsaard kent ge niet? Ziet, in der Pausen ri) Aanschouwde ik nooit een beeld meer waarlijk Paus dan Ui). Hij. monnik on roeds Paus; hij. Paus en steeds de zelfdo lis toen de kloostercel zijn schedel overwelfde;

Hii rustis bij d\'orkaan, dio om zijn zetel stormt;

Hij\' die zijn eeuw als was gekneed heeft en vervormd; 11 ij1, die don keizerstelg, den woesthng aan zijn voeten Deed buigen, den tyran in \'t hairen kleed deed boeten; Hij, die gevloekte van den natijd I

Zie het oog

Weêr vonklen bij \'t gezicht, dat neerdaalt van omhoog:

Ja, triomferen zal \'t beginsel, dat hij stelde:

Vrij zal de kerk, de bruid zijns Christus zijn! al holde

Voor de eind\'gen blik de schaal der zege, al stond de kans

Wanhopig — God regeert! Der zege gloriekrans

Wordt van het hoofd der kerk door geen geweld genomen:

De zegepraal is \'teind! al gudsen er weer stroomon

Van martlaarsbloed; de kracht des Eeuwgen staalt het net,

En Innocentius daagt ginds, in \'t ver verschiet,

Vorwinnaar in den strijd!

Als in een zegewagen Verkeert hem \'t sterfbed! door Gods englen voortgodragon Klinkt als oen lied, zijn woord: „Ik sterf der aarde een spot , \'Vijl \'k recht en waarheid minde en streed voor de eer van God!

De Paus! Een ruwe kreet dreunt schriklijk langs de zeeen, En spelt een broeden vloed van ongekende weeen.

Voor God en zijn Profeet !quot; zoo klinkt het en als bruist Een nagalm van de hel die woorden door het druischt Do volken somber toe. als waar hun laatste stonde Geslagen en als klonk de doodsbazum in t ronde :

Voor God en zijn Profeet!quot; De zonen der woestijn Verheffen stout hun leus en spotten met de pgn Dos doods, daar \'t Paradijs zich Allah\'s str.jdren opent, Zij dringen altijd voort, do vorstenzetels slopend.

hoon.

ocr page 16

De steden zengend, en in dolle zegepraal De godsdienst vestend van de wellust en van \'t staal!

Maar hoort, wat jammerklacht:

„Ach, noemt mij niet do Schoone „Bezoedeld is mijn glans, gevallen is mijn kroone; „Dor wednw sluierdoek verberge \'t dor gelaat, „En \'t afgebeulde lijf bedekt het treurgewaad!

„\'k Was eenmaal heerlijk schoon in lang vervlogen dagen „De koningsmantel was mijn schoudren omgeslagen,

„liet vorstlijk diadeem omgaf mijn hoofd — en ziet, „Dat alles ging te loor — en ik, ik weende niet; „Ik juichte, want een glans meer heerlijk dan \'t verleden, „Golfde om mijn schedel heen. Hier had de lieer geleden, „Hier had zijn kruis gestaan, hier had zijn macht gestraald „lüer had de Christus op de Hol gezegepraald!

„.Fa, ik iieb Hem gezien, der menschheid boeiverbreker, „Den Koning des triomfs, den onbedwingbren wreker. „Des hemels glorie straalde op mij terug door Hem; „Eerbiedig groette de aard: „Volschoon Jerusalem!quot;

„En nu, wat roemt ge mij der steden rijksvorstinne! „De maan van Mohammed blinkt op de heiige tinne „Van Sion: langs haar top weerklinkt de zegezang,

„Die mij de boodschap brengt van slavernij en dwang, „ \\ an erger dan de dood! De hiel der Saracenen „Verdrukt de plekken, waar de Christus is verschenen, „Vertrapt het heilig kruis — en over \'s Heeren graf „Zwaait nu de Moslemin den looden heerschersstaf;

„Ja, op Calvarie\'s kruin zoekt de oorlogshengst zijn voeder; „(ïij Christ\'nen, wreekt het kruis, gij zonen, wreekt uw moeder!quot;

En de onbedwongen storm huilt luider en verwoeder.

En langs de zeeën klinkt der Saracenen spot:

„Droom zacht. Europa, droom u sterk en veilig, tot „Gij opspringt uit uw slaap! Straks zullen de oorlogspaarden „Te wed gaan in uw vloed! Straks zullen onze zwaarden „U doen ontwaken om te sterven!quot;

Maar er staat

Een wachter aan de kust, wiens oog geen stipje ontgaat, quot;Wiens oor die klanken vangt. De rotsen van het Noorden, De vlakten van het Zuid herhalen straks zijn woorden,

En uit hun doodslaap schudt het klinken van zijn stem De volken van Europe: „ Op, naar Jerusalem!quot;

ocr page 17

fi

En zie, des Hoeren kracht bewerkt het grootsehe wonder: De Leeuw van \'t Westen rijst! Verschriklijk als de donder Zoo loeit zijn strijdkreet, en liet land van Overzee Trilt bij dien schrikbren toon; het zwaard is uit de schtê. Drie eeuwen lang zal ook dat zwaard niet weder rusten, Dan krachtiger gevoerd, dan zwakker; en al gudsten Ook stroomen bloeds langs de aard — aan \'t kroost van Mohammed quot;Wordt paal en perk gesteld. Europa is gered!

En nu, gij vlakten van Jerusalem, hertoovert De helden voor mijn oog, door eeuw op eeuw omloverd Met kransen, die geen tijd verwelken doet. Hoe grootsch Hoe heerlijk staan zij daar; de sombre macht des doods Beheerscht hen nimmer; — en als koning over allen Staat Petrus, staat de Paus, de ziel dier heldentallen. Om zijnen Stoel geschaard staan Godfried van Bouillon En Richard, hij wiens zwaard geen eeuw vergeten kon. En Fraukrijks Heiige, die Vincennes\' zoele dreven Voor \'t sterfbed der woestijn grootmoedig op kon geven; Staan, met het zilvren kruis op \'t zwarte kleed gestikt. De ridders van St. Jan, die even onverwrikt Den dood in de oogen zien, als krijgsklaroenen schettren. De paarden brieschen en de breede klingen klettren Op helm en borstkuras, als wen de liefde smeekt.

En roept naar \'t lazaret, waar fel de pest zich wreekt Op ieder die haar rijk vermetel durft betreden,

De prooi wil wringen uit haar greep!

En zie, het Heden Herkent de helden van des kruises eeuwen niet,

Of haalt de schouders op, en, spottend lachend, ziet Het uit de hoogte van zijn weten op de dagen.

Toen de eer van Jezus\' kruis het bloed nog sneller jagen, Het zwaard nog gorden deed; toen mannenmoed en kracht Nog blij ten offer op Gods autaar werd gebracht. Verdwaasden noemt men hen, die lustkasteel en gadi Ontvluchtten voor een grond, waar zelfs geen reine wade Hun lijk omhullen zou. Verkwisters, die het spel Van hunne trotschheid met de onbuigbaarheid der hel.

Met al de krachten, die hun eerzucht saamvergaarde. Doorzetten, trots het bloed, dat rondplast over de aarde. Dat zijn de Pausen!

Vreeslijk denkbeeld, zoo het lot Der wereld door de wraak van d\'algerechten God Gelegd werd in de hand van onzer eeuwe wijzen!

Dan zou uit de ord\'lijkheid een nieuwe chaos rijzen,

ocr page 18

7

Waar wellust on geweld, waar wreedheid on verraad Verheven deugden zijn, waar eeuwig onverzaad Do ruwe kracht het bloed dos zwakken zou begeeren, De wereld, als haar God, een Nero zou vereeren.

Waar als een laatst bedrijf van \'t machtloos too verspel, Het rijk des tweeden Doods verrijzen zou; de Hel!

Maar God heeft ons behoed: het zwaard dor Muzelmannen Brak op de Petrusrots, en uit den kring gebannen Dos levens, sleept hun rijk een machteloos bestaan, Een sombre worstling tusschen blijven en vergaan En levend sterven.

Ma ar de waarheid der historie Vlocht om des Pausen hoofd den stralenkrans der glorie.

De Paus! \'tis of de storm, die rustloos loeide, zwijgt.

Kalm is de zee, slechts dan wanneer de Zephyr stijgt Komt aan den voet der rots een spelend golfje breken. Hoe, is het uur des strijds, het uur der hel verstreken? Want vrede, vrede is \'tlied, dat iedere echo voert;

Maar \'t is geen vrede; \'t is bedrog; de vijand loert lt; )p \'t gunstig oogenblik.

Op , op, o Slons wachten ! Een nieuwe strijder daagt, met forsch gestaalde krachten.

Wat grootheid! Om zijn hoofd de lauwer van \'tgenie. De kroon des Priesters, en do glans der maagden! zie, Wat vuurgloed in dat oog, dat aan den klank der woorden Nog hooger geestdrift huwt. Wat dank en lofakkoorden Ontstroomden \'t needrig hart, dat d\'armen monnik zag,... En Luther hoogprees als de bode van den dag.

En ach, verdwenen is die grootheid, en verduisterd Door grauwe dampen; aan het slijk der aard gekluisterd Ligt nu die fiere geest, die \'t volle.zonlicht dronk.

Maar in den heinacht der verdierlijking verzonk.

De drager van \'t genie wordt menner van de scharen Van \'t volk, — het volk, dat, dan geestdriftig opgevaren. Dan somber zwijgend. als het herfstblad door den wind Geslingerd wordt door hem, die \'t aan zijn leuze bindt. De priester wierp zijn kroon, zijn offer neêr; —\'t geloovcn-Alleen, wordt hem de weg ter zaligheid daarboven ; Des monniks maagdlij kheid... zie, naast hem staat een vrouw

Ziedaar de held, de God dos nieuwen tijds. Zijn woede Stort zich in klanken uit, die snerpend als de roede,

ocr page 19

8

Heet als de lava, en verplettrend als metaal,

Don val dos Pausen, en zijn eigen zegepraal

Verkonden aan \'t heelal. Der aarde vesten dnislon

Bij \'t beuken van zijn woord, dat, machtig in \'t vergruislen.

Geen paal, geen perken kent, en alles neerstort; dat

Do driften opwoelt die liet menschlijk hart bevat;

Hen door zijn duivlenhaat tot hooger haten prikkelt

En tot éen schrikbre kracht, der helle waard, ontwikkelt.

En nu, nu stijgt de kreet en davert door de lucht;

„Weg niet den Paus! Reeds lang genoeg heeft de aard gezucht „Naar vrijheid van dien boei, naar hooger licht en leven „Dan ons de Dwingeland op Petrus\' Stoel kon geven; „Weg met den Paus! De nacht der slavernij is om, „De dageraad breekt aan!quot;

En van den Wartburg klom Eon rosse gloed de blauwe kimmen langs; ontstoken Is \'t vuur der tweedracht,\'t vuur des strijds; de velden rooken. Do wapens klettren en de duizendtallen gaan Ter zege — want wat kracht zal aan hun kracht weerstaan ? En hoort - het bonst en kraakt - verwoede kreten schallen. Is dan het Pausdom, is de Petrusrots gevallen ?

Zacht goot de zilvren maan hour stralen langs den trans. En door do sfeeren gloeit de duizendvoude glans Dor starren, door Gods band in \'t blauw azuur geweven.

Stil is \'t op de aarde. Alleen do Westewindjes zweven Do ranke twijgen door. Daar, in don schemerschijn,

Stond hij, do Titan der hervorming. „Schoon zal \'tzjjn „Daarboven!quot; klonk het. En der volkren leeraar rilde Als trof een felle schok zijn lichaam. Langzaam trilde Het woord zijn lippen af: „Daarboven? Dat\'s voorbij;

„Voorbij voor do eeuwigheid, voorbij voor u en mij,

„Voorbij voor allen , die ons volgden ! Want verloren Zijn God en hemel, zijn der Englen zaalge koren,

„Is zelfs de hoop! — voorbij is alles, — slechts de Dood „Hij rest ons!quot;

„„Luther, hoe, noemt u niet ieder groot, „„Niet d\'Engel aan het graf van Christus, neêrgezonden „„Om dwalers in den nacht zijn waarheid te verkonden? „„ U, don verdelger van het Pausdom?quot;quot;

„\'tPausdom? \'t Zal „Nog fier, nog heerljjk staan, als met oen doffen knal, „Het rijk van Luther eu zijn stichting zal verzinken!

„Neon, alles is voorbij, - de dag, dien ik zag blinken

ocr page 20

9

„Is nacht geworden, en de onwrikbre Petrusrots „Straalt in den lichtgloed van de heilgenade Gods!quot;

Ja, vreeslijk is de Heer voor wie zjjn goedheid tergen, En spottend klinkt zijn stem: „Gij, kinderlijke dwergen, „Gij, schepsels van éen dag, wier wezen zwakheid is, „Wat staat go in oproer tegen mijn geheimenis, —

„De rots van Petrus? Hoe, gij reuzige genooten,

„Gij wilt der wereld as uit hare voegen stoeten,

„De kern der eeuwen voor uw slagen doen vergaan?

„liet zij, beproeft uw kracht, geniet der zege waan!quot;

Nu scheurt uw ketens los, gij, zwaar gepreste slaven, Gij armen, die de wreede in \'t dwanggareel deed draven, Nu zijt ge vrij, - ja vrij! - Nu op, gij vorsten, ziet Do bliksems van den Paus, zij pletteren u niet.

Nu op, uw kracht getoond, de fiere leus geheven!

De rots van Petrus zal den strijd niet overleven.

De strijdbazuin herklinkt, en duizendtallig naakt

De rij der dappren, die der menschheid ketens slaakt.

Onstuimig als de zee, die bulderend haar baren,

Gegeeseld door d\'orkaan, de velden langs doet varen;

Tiet werk der eeuwen, door hun feilen mokerslag

Verbrijzeld, stort in een. Geen rede, geen gezacli

Niets bindt hen - altijd voort, voort tot, bjj \'t lied van allen,

De Stoel van Petrus is verbroken en gevallen;

Voort, tot het gloeien van des harten razernij

liet zweet doet paarlen op hun voorhoofd, en de rij,

Verdelging om zich heen , éen puinlioop slechts, aanscliouwend ,

Den slaap in de armen zinkt, op haar triomfen bouwend.

Maar straks als gij ontwaakt, gij, joelend, tuimlend volk, Dan lofzing, zoo gij kunt! Daar dondert uit de wolk De stem der wrake: Ziet, dat hebt ge u zelv\' verkoren!\' Hoe hard, hoe pijnlijk drukt dat slavenjuk. Geboren Om slechts te leven voor \'tgenot van een despoot,

Is ieder levensuur u zwaarder dan de Dood!

Geschapen zijt ge, tot een speelbal voor de grillen Van meesters, tot wier lust ge uw eigen leven spillen. Uw kroost onteeren, of uw kracht, uw hartebloed üp verre kusten voor een vreemdling geven moet! Gij, vorsten, als de wolk, die nu uw blik verduistert, Is weggedreven, ziet dan om u! Hoort, er Huistert Een zachte stem door \'tvolk, die scherp en snijdend wordt,

ocr page 21

10

En straks zich luid en schol door uw paleizen stort:

„Wij willen vrijheid, recht!quot; En dan gij, lafaards, beeft ge,

Gij Goden zonder God! Dan, arme dwazen, streeft ge

Naar een verzoening, naar een vrede! Is voorbij

Met al uw heerlijkheid! Uw trotsche heerschappij,

Gebouwd op tyrannic en wreede rechtsverkrachting.

Zinkt in het slijk terug! De hoonlach der verachting

Snerpt in uw ooren langs de wanden van de zaal,

Waar straks de hov ling vleide in zoet geknede taal.

Uw troon ligt neêrgebonsd, en alles overheerend

Weerklinkt de volkskreet, uw verbasterd bloed begeerend. —

En nu, gij, volken en gij, wereldvorsten, ziet.

Gij hebt te vroeg gejuicht, te vroeg uw zegelied In overtrotschen waan langs de aarde heen doen schateren; Te midden van den drang der losgebroken wateren. Te midden van d\'orkaan staat on verwrikt de rots:

I)c Stoel van Petrus! Buigt, hier is de vinger Gods!

De Paus. Europa, zie, u wordt de keus gegeven

Of voor, óf tegen hem! Bij hem is licht en leven,

Is kracht, die eeuwen tart, is wijsheid, die den geest

Zijn sluiers afrukt en den matten blik geneest;

Bij hom is alles wat de menschheid derft. Bezielend

Is \'t ongekunsteld woord, dat ge, aan zijn voeten knielend,

In geestdrift opvangt, in uw hart bewaart. „Mijn zoon,quot;

Noemt hij den zwerver, dien geen wereld heeft geboón

Of immer bieden kon: geluk en zielenvrede.

Europa! iedre storm voert in zijn vlucht u mede;

Gevallen is uw kroon, gebroken is uw staf.

Aan \'t einde van uw baan gaapt een verslindend graf.

Wilt gij weer opstaan, in de grootheid van \'t verleden,

De draagster van het lot der wereld zijn, weêr treden

Aan \'t hoofd der zusteren, weêr stralen in het licht

Der ware vrijheid, op geen bandloosheid gesticht?

Dan, op naar Petrus! Hij, hij heeft de heilgenade,

Die stroomend uit het kruis, de werelden verzaadde.

ocr page 22

11

Do Zoon dos Menschon, mot de schorpo doornonkroon Do heilgo sl.ipen otn, stond voor liot volle ton toon:

Ru aan do broodo schaar, die opgezweept tot haten En vloeken hem omgaf, werd toen de keus gelaten:

„Wien wilt ge: Christus?____quot;

Eu het vreeslijk antwoord: „Neer „Wij willen Christus niet!quot; dreunt door de vlakte heen; „Wij willen Christus niet!quot; En achttien langzame eeuwen Verkonden ons dien vloek. Het leven der Hebreeuwen is dood — hun volksbestaan is ballingschap, het bloed Dos Schuldeloozen, des Verworpnon wordt geboet. En achttien eeuwen lang doen, in verheven koren. De werelden liet lied des Konings Christus\' hooren.

\'t Zjjn achttien honderd jaar! en nog, nog staat do rots Onwrikbaar als voorheen, hoe fel do branding klots. Als zuil der waarheid, als hot middenpunt der tijden. Ziet, eeuwen gaan voorbij, en brengen vreugd on lijdon En schand on eere; mot den stroom des tijds vergaat Wat van den tijd is — on de rots van Petrus staat!

Op den eersten Zondag van den Advent.

ocr page 23

AAITEEKEraamp;EK

Bladz. 4.

«De Paus! Ziet ge op die spond. verlaten en alleen «Dien grijsaard ? enz.

De H. Gregorins VIT stierf te Salerno, den 25n Mei 108.\').

In de kleine stad Saone in Toskanen nit geringe ouders (volgens sommigen was zijn vader een timmerman) geboren, bevond lüj zich in 104S als prior in de abdij van Cluny. Toen omstreeks Kerstmis van hetzelfde jaar Bruno. Bisschop van Toni. door den Keizer tot Pans verkoren, zich op zijne reis naar Rome te Cluny eenige dagen ophield, wist hem de prior Hildehrand te overreden, zich van de teekenen der pauselijke waardigheid te ontdoen. Als eenvoudig pelgrim zou zich de Bisschop naar Rome begeven en werd daar de keus van het volk en de geestelijkheid op hem gevestigd, dan eerst zou hij zicli als opvolger van Petrus kunnen beschouwen en het gewaad mogen aannemen, waarop de Keizer hem recht gaf. Bruno van Toni volgde dien raad. en voerde den jeugdigen prior niet zich naar Rome.

liet die daad begint de historische werkzaamheid van Hildehrand. Onder vier elkander opvolgende Pausen, gedurende het eigen veertienjarig Pausschap, bleef hetzelfde doel hem bezielen: de vrijheid en onafhankelijkheid der Kerk.

Schoon teekent hij zelf zijn tijd en zijn eigen werkzaamheid in den rondgaanden brief, dien hij den Legaten, na de synode, in 1084 te Salerno gehouden, medegaf. Wij laten er eenige plaatsen uit volgen;

»Gregorius. Dienaar der dienaren Gods. Aan alle getrouwen van «Petrus zijn apostolische zegen.quot;

«Lieve Broeders, het kan voor u geen geheim gebleven zijn. dat in «onze tijden dat is geschied, wat de Psalmist voorzegt: Waarom «morren de heidenen en gaan de volken met booze gedachten om? »De koningen der aarde staan op en de vorsten plegen raad tegen den «Heer en tegen zijn gezalfden. De hoofden des volks en der priesters «zijn in breede scharen opgetrokken tegen Christus den Zoon des quot;Almachten en tegen Petrus zijn Apostel om den godsdienst uit te «roeien en dwaalleer te verspreiden. Maar de getrouwe aanhangers des «Heeren vermochten zij niet te buigen, noch door bedreiging noch door «vleierij. En zij hebben de hand opgeheven tegen ons. alleen omdat «wij niet zwegen bij de gevaren der kerk. omdat wij niet duldden, «dat de kerk. de Bruid van Christus, gebracht weid tot slavernij.

«De Profeet zegt: «Waarschuwt zonder ophouden.quot; en ik bekommer «mij niet om mij-zelven. maar luide en nadrukkelijk roep ik u toe: «Wee ons! het ware geloof ons gegeven door den zoon Gods is bijna ten «gronde gericht, en tot een spot geworden voor Jood, Saraceen en Heiden. «Want Joden en Heidenen handelen naar hun wet. maar wij Christenen, «zijn slaven onzer driften en verwaarloozen ons heil voor hier en quot;hiernamaals. Hoe velen zijn er onder ons. die uit liefde tot den «Alniaehtigen. in Wien wij leven en zijn. den dood uitdagen, zoo als «wereldsche krijgers het doen voor hun leenheeren. hun bondgenooten «en onderdanen. Van dezulken gaan er duizenden dagelijks \\roor hun «tijdelijke overheden den dood te gemoet. Maar voor onzen God en

ocr page 24

13

.Verlosser waagt iiieinand dit tijdelijk leven. Ja. men vreest zich ,den haat van enkele machtigen op don hals te halen. En zoo er .soms eenige weinigen zijn. die nit liefde tot de goddelijke wet den .roekeloozen iu \'t aangezicht weerstaan. dan worden zij door hnu .broeders niet slechts onverschillig behandeld, maar als voorbarige, .onverstandige heethoofden gescholden.

..Sinds ik verheven werd op den Apostolischen Stoel, heb ik onop-.hondelijk gestreden voor de vrijheid, de zuiverheid en het ware geloof .der kerk. 1); t wilde de onde vijand beletten en daarom wapende „hij al zijn dienaren tegen ons, en er ging een vervolging uit tegen ..de Roomsche Kerk, zoo als er geen gezien was sedert de dagen van .,Constantijn, den grooten Iveizer. En nn getrouwe broeders, hoort „oplettend aan. wat ik u zeg. Alle christenen gelooven. dat St. Petrus, ..de Vorst der Apostelen , de Vader van alle geloovigen. dat deH. Room-,,sche Kerk de moeder en alle waarheid leerende voor de overige ..gemeenten is. En U. die dit gelooft en belijdt. U smeek en beveel ik. . dat gij. ter liefde des Almachtigen. uwen vader en uwe moeder .,bijstaat, zoo gij nog door hunne bemiddeling hier en hiernamaals vergeving der zonde, genade en zaligheid verkrijgen wilt.\'

(Bij Gfrörer, Gregor Vil. 7ci- B. S. 954-55.i Wij erkennen, dat bet onmogelijk is iemand in volstrekten zin den grootsten Paus te heeten. Maar als strijder voor de vrijheid der Kerk en dus ook voor de ware vrijheid der volken, als onbuigbaar handhaver van de rechten en plichten der hem toevertrouwde Kerk. als de verbreider van het geloof in de meer afgelegen noordsche rijken. als de man. die te midden der vreesselijkste maatschappelijke omwentelingen nog bloei* zorgen voov wetenschap en kennis. als de scherpziende staatsman. die het eerst de grootsche en vruchtbare idee der kruistochten uitsprak, als de rechtvaardige, met de aureool der Heiligen gekroond, verschijnt ons Gregorius en is een der schoonste typen van liet Pausdom in zijne de wareld omvattende, behoudende, herstellende en scheppende werkzaamheid.

Bladz. 4.

..En Innocentius daagt ginds in t ver verschiet.

..Verwinnaar in den strijdquot;

De liier bedoelde Innocentius is Lottario Conti. Paus onder den naam van Innocentius III. Hij behoorde niet tot de onmiddellijke opvolgers van Gregorius VII. maar aanschouwde de volste verwerkelijking der grootsche beginselen, door zijn lieiligen voorganger gesteld XII le Eeuw),

Bladz, 8,

Zie, voor het gesprek van Luther. Audin, llisloire de Lnllier, 2e deel. Zijne voorstanders vergeleken den vader van liet Protestantisme wel bij den Grafengel. De Kerk van Rome was dan het ledige graf!

[Bladz. 7, De Se regel van onderen rijmt nergends; ook niet in de eerste uitgave (1866). Kan misschien een vaers als bef volgende er ook aan moeten voorafgaan V

„Geen vrijheid voor den wil! voor liefde, nocli berouw!

J. A. A. Tn,]

ocr page 25

^fo n d c I

AAN

LOUIS ROYER,

HEN MAKEU VAN HET STANDBEELD,

en aan

fetrus Josephus Kubertus Guypers,

DES OXTWEKl\'EU VAN HUT VOETSTUK,

d/s een blijk van hooge bewondering eerbiedig opqedragen

WEL heerlijk is uw loon, }gt;ij, die voor nageslachtenEL heerlijk is uw loon, }gt;ij, die voor nageslachten

Uw naam met Vondels naam en roem vereenigd weet, (lij, die in brons en steen de hoogste der gedachten, Den Dichter-Koning zelv\', voor ons herleven deedt.

Grij zijt met Vondel éen. Wanneer in later jaren

De nazaat aan den Vorst der Zangren hulde geeft, Dan klinkt u-beider lof ons tegen van de snaren,

Waarop de volle toon van Vondels grootheid beeft. Spreekt niet uw Vondel-zelf — door u ten tliroon geheven Door u met vorstenpraal en zegestoet omgeven:

„Vergeet het kunstpaar niet, dat mij vereeuwigd heeft!quot;

Utrecht.

ojj S. Lucas-dag 18(;7.

ocr page 26

I

•lEii Aemstels oude uaem en zal geen roem ontberen.quot;

Vondel.

1)1)8 nog eenmaal voor onze oogen t Fiere, heerlijke Amstelstad,)1)8 nog eenmaal voor onze oogen t Fiere, heerlijke Amstelstad,

Die de schatten eener wareld In uw grachtengordel vat;

Rijs, Venetië van ons Noorden,

Uit der eeuwen somber graf,

Schud de nevlen van \'t verleden Voor het rijkste daglicht af!

Rijs nog eenmaal, in de volheid Van uw zestiende-eeuwsche pracht,

.Mot uw forsche burgerjjen.

Edel door hun eigen kracht;

Heerlijk glanst gij nog in \'t heden:

Neen, uw winter daalde niet...

.Maar de dagen uwer lénte Zijn der glorie rijksgebied.

Geef ze ons weer uw kloeke zonen;

Slechts nog levend op \'t paneel,

Levend door de tooverkleuren

Van der Rembrandts kunstpenseel;

Geef hen weer, die u verrijkten Met oen wonderwerk te meer;

Geef vooral uw hoogste glorie Hollands dichter. Vondel, weer!

Vondel! — zie de polsen zwellen Van liet warnier kloppend bloed ;

In de handen beeft de veder,

Die dien naam hergeven moet;

Vondel — duizend, duizend stemmen Geven antwoord, zingen \'t lied,

Dat den dichter roemt en huldigt Als monarch op \'t kunstgebied.

ocr page 27

16

Vondel, dichter boven allen,

Dichter met uw gansche ziel,

Echo van het eeuwig loflied,

Dat der englen harp ontviel, Dichter, die in aardsche vormen

\'t Memelsch ideaal hergeeft.

Waar de mensch, de wareldkoning, In verrukking henenstreeft.

Dichter zijn, \'t is de aard beheerschen

Met onbreekbren vorstenstaf\', \'t Is do volle kracht bezitten,

Üio de Schepper \'t schepsel gaf, \'t Is, als de aadlaar, opwaarts stijgen

Mot den blik omhoog gericht. Om den vollen straal te vangen Van het gouden zonnelicht.

Maar dien wellust te hertooveren,

Al dat leven, al dien gloed In de zielen neer te storten

Uit den rijksten overvloed, — Al die schoonheid, daar genoten,

In zijn klanken teer en fijn,

Hreed en diep terug te geven: Waarlijk, dat is dichter zijn.

Hij, de dichter, ziet de waarheid.

Schouwt der wijzen ideaal Zonder nevlen, zonder sluier,

In den heisten middagstraal.

Ja, hij meet, hij peilt de diepten.

Van geen blikken nog doorgrond. Hij alleen, hij kent de reine,

Die geen aardsche aanbidder schond.

Waarheid zien — en haar omkronen

Met der schoonheid eeuwgen krans. Met de stralen, neêrgetooverd

Uit der heemlen zilverglans; Waarheid zien, — en haar doen leven.

Leven voor de onsterflijkheid, \'t Is de schoonste hemelgave,

Slechts quot;■eniën weiiireleiil!

ocr page 28

17

Rijs nog eenmaal voor onze oogen,

Fiere, heerlijke Amstelstad, Pronkjuweel der Dietsche landen,

Als slechts Hollands kroon bevat! Rijs nog eenmaal, werp den sluier

Van het lang verleden neer.

Geef uw kloeke burgerijen,

Geef uw dichter, Vondel, weer!

Hoor, daar klinken blijde zangen.

Antwoord op de dichterbeê!

En do stemmen van het heden. Van de toekomst zingen mee: „Ja, de Dood is warcldkoning Rn \'t heelal zijn rijksgebied,

.Maar geniën zijn onsterflijk;

Ware dichters sterven niet!\'\'

II.

..Dus volght dc kunst liet leven altijt nader. ..Al zwijght ze stil. noch spreeckt het stomme heelt.quot;

VONDEL..

|ii waarheid, dat zijt gij! gij, Hollands grootste zanger, * Gij, door der broedren hand niet lauweren gekroond;

Terwijl de gloed der vreugd nog op uw voorhoofd throont. Terwijl de hand reeds beeft, van hooge vaerzen zwanger, Waarin gij de eedle daad met eeuwgen dank beloont.

Gij keert van \'t feestmaal weêr; nog plooit zich om uw leden De mantel, voor geen kleed min kostbaar afgelegd; Nog voelt gij Govaerts hand, die u de kroon omvlecht; Xog klinkt het woord u toe: „Zoo lauwert u het heden. Nu reeds de onsterflijkheid zich aan uw werken hecht.quot;

Gij zit ter neer en peinst; de dartelende zangen.

Des Romers harp ontlokt aan \'t Tiburtijnsche strand. Horatius\' weeldrig lied herklinkt in Nederland,

Met al zijn Zuidergloed door u weêr opgevangen,

In Noordschen vorm gekneed, bemeesterd door uw hand!

In waarheid, dat zijt gij; — maar niet in halve ruste,

Niet als de moede gast, na \'t luide jubelfeest,

ocr page 29

18

Die in een vagen droom het kort genot herleest,

Xog eens de zoetheid proeft der welgesmaakte Inste

En naar oen danklied zoekt met half\' bezwijmden geest!

Gij zetelt daar als Vorst, gij zetelt daar als Koning;

Ge ontvangt den huldegroet van wie zich kunstnaar noemt; En als de ceder boven \'t needrig veldgebloemt\',

Verheft ge fier uw hoofd in de onbeperkte woning,

Waar slechts \'t genie zich koning roemt!

\'t Genie, \'tis heilig vuur aan \'t godlij k vuur ontstoken;

Een nagalm is \'t van \'t woord, dat licht en leven schopt; \'t Is de ongetemde geest, die zich naar boven rept. Als waar\' de ban 1 der stof reeds door zijn kracht gebroken. En in der liefde zee de blanke wieken klept.

En Vondel, dat zijt Gij! Gij, meester der geniën,

Gij, in wiens reuzenziel liet hoogste dichtvuur gloeit, (Jij, door wiens aadren heen de kracht tot scheppen stoeit. Gij, die geheel een volk, doet zinken op de kniëu \'Verwonnen door uw kracht, door uwe taal geboeid!

De Genii der kunst, dor hooge kunst, omgeven üw needrig taboeret, ten vorstenstool gewijd;

Zij dragen uwen naam door \'t renperk van den tijd. En hebt gij eens uw macht van hen te leen geheven -Nu brengen ze U hun hulde, l , die hun koning zijt.

Het Leerdicht, dat den blik door Gods natuur doet dwalen En \'t lied des Scheppers hoort in \'t buldren van den storm , Maar ook de majesteit des Eeuwgen in den worm Bewondron durft, brengt u zijn rijkste gloriestralen,

U, die de waarheid dost in wonderschoonen vorm.

Die Ernstige, om wier mond toch fijne lachjons zweven,

Maar lachjens, soms gescherpt tot dolken, of gegaard Tot roeden voor den dwaas, die ronddoolt over de aard, U huldigt zo als haar vorst, die \'t onverstand deedt beven En door den volksdeun zelfs der waarheid wreker waart.

Tiet menschelijke hart, wat hof vol kronkelingen.

Vol duistre raadslen, wat onmetelijk gebied! ...

Toch dwaalt die Genius met scherpen oogblik niet,

liij kan de wareld in de menschenborst doordringen.

Wier woudreu straks zijn hand in \'t loven overgiet.

ocr page 30

19

Maar naar den hemel schouwt de Cherub, ja ten hemel, Waar de Ongeziene throont in vollen levensgloed ,

Daar schept de poëzie haar volsten overvloed,

Haar onverdoofbren glans in \'t volle lichtgewemel,

Dat zelfs den Siraf in aanbidding staren doet.

De statige Engel van het Treurspel buigt den schedel, De zanger van het Lied der Godheid buigt zich neer; Een zelfde is beider vorst, éen Vondel is hun Heer:

riij gaf den inensch terug in vormen waar en edel En droeg zijn hallel-lied tot in der heemlen sfeer!

Ja waarlijk, gij z|jt groot, mijn Vondel! De geslachten Regeert uw koningsnaam; en hoor, uit iedre borst. Die ITollandsch klopt en voelt, naar Hollands grootheid dorst Weêrklinkt op vrijen toon, mot onbedwongen krachten, Eon zogelied voor u, o Neêrlands dichtervorst!

III.

„Justus fide Vivit.quot;

Vondel.

VU\'Aar, Meester, peinst gij op? Door wat verheven sferen \'\' Zwooft, in zijn vlucht, de geest,

Do geest des dichters, die als in liet oog des Heeren

Der raadslen antwoord leest?

Wat reine scheppingen der doorgeworstelde uren

Verrijzen voor uw oog.

Slechts wachtend op uw hand, die ze omkneedt tot figuren.

Ontzaglijk, fier, en hoog;

Hen tot gestalten vormt, die ons, verrast, doen staren

Op ware majesteit,

()p ongebroken kracht bij \'t barnen der gevaren.

Of zoete teederlieid?

Waar, Meester, peinst gij op\'? In \'t rijk der idealen

Voert gij den heerschersstaf,

En iedre harteklop en ieder ademhalen

Werpt daar zijn schatten af!

Geen tolt do sterren, waar zij kringlen in hun banen.

De tochten door de lucht.

De golven, voortgezweept langs \'t vlak der oceanen

In hooggezwollen vlucht;

En wie, wie moot don stroom, don heirstroom dor gedachten

ocr page 31

20

Die langs de blikken vaart Des dichters, waar hij peinst in slapelooze nachten

Of ronddoolt over de aard ?

Maar in het dichterwoord stort zich dat zieleleven,

Dat kind des geestes uit,

liet woord, doorzichtig als de sluier saamgeweven

Om \'t voorhoofd eener bruid;

liet woord, dat, als de geur uit rozeknoppen brekend,

In de eigen stond vergaat.

Maar dat des kunstnaars hand straks met een zegel teekent

Dat erts tot goudmunt slaat!

Waar, Meester, peinst gij op? Wat wareld, opgerezen

Ten antwoord op die beê!

Een wareld door geen oog, als Vondels oog, doorlezen;

Een grenzenlooze zee 1 Aanschouwt gij, jongling weêr, met wild verwarde hairen

En vurig stroomend bloed,

Uw Mozes, Israël geleidend door de baren,

Door Isrêls God behoed?

Doorzwerft gij weêr vol moed der dieren lustwarande.

Waar ge uit uw dartlen kout Do waarheid klinken doet, die in der schalkheid bandon

Den geest gevangen houdt?

Of, - gij zijt krachtig man en hebt partij gekozen

Bij \'t woelen van den strijd;

Een strijder zijt gij, ja, die rust kent noch verpoozen,

Zich gants zijn leuze wijdt.

(Jij ziet uw Palameed door vuig bedrog gevangen.

Door list ten dood gesleurd En jaagt, door \'tgrieksche spel, het bloedrood naar de wangen

Wier masker gij verscheurt:

Gij hoort het joelend lied — en uit de vlugge veder

(Wat wapen in uw hand!)

Stort zich een stroom van spot en scherpe waarheid neder,

Die als de lava brandt!

Maar neen, des kunstnaars oog heeft eindloos meer genoten

Toen hem uw beeld verscheen:

Hij heeft een heilgen gloed de vormen doorgegoten;

En langs uw trekken heen Speelt nog de volle drift, die Aemstels krijgerscha.ren

Bezielde in stervensnood,

Ja, tot der zaalgen koor den menschengeest deed varen,

Om uit der liefde schoot.

Om van der Englen harp den wiegezang te rooven Voor \'t Kind der Moedermaagd,

ocr page 32

21

Dat ziHi lu.\'t kribjon koos voor \'t licht der hemelhoven,

En \'s aardrijks kroone draagt!

Ja, teedre beelden ook omzweven u. De moeder

Van \'t menschelijk geslacht Verschijnt daar voor uw oog, zooals haar de Albehoeder

Aan Adams zijde bracht.

(tij ziot ze in al hot schoon van d\'opgang barer dagen.

Die de Engel zelv\' beneed;

Gij ziet haar vallen, och! en durft nog tranen vragen

Van wie zij vallen deed!

Weer klopt uw harte warm voor uw geboortestede;

Gjj geeft uw verren groet Een kostbaar pronkjuweel voor \'t grijze Keulen mede

En zingt haar maagden stoet;

Daar klept de doodenklok van Fotheringay\'s tinne.

En trots dien sombren toon,

Vlecht gjj der here vrouw, der schoonste koninginne

De heiige martelkroon!

Door heel \'t verleden schouwt uw arendsblik. Daar kampen

De machten in de lucht,

Daar ziet ge een hemelgeest, beneve\'d door de dampen

Van eigen trotsche zucht;

Daar vlamt het zwaard der wraak in heilige englenvingren;

8uel als de bliksemschicht Ziet gjj de morgenster in d\'eeuwgen afgrond slingren,

Verwonnen door het licht!

.Maar trots het strijdgewoel, dat dondert door de sferen,

Klinkt hoog de zegetoon,

Die, de eeuwigheden door, den naam verheft des Hoeren En klatert om zijn throon.

Daar Meester, peinst gij op! Uw blik aanschouwt den engel,

Die juichte: Gode de eer!

En in uw ooren ruischt der serafs toongemengel,

Uw veder geeft het weêr!

Gij schudt het edel hoofd? Nog heiliger ontroering

Beeft in uw meesterhand.

Zweeft ge op den wiekslag van nog hooger geestvervoering

Naar \'t hemelsch vaderland ?

Wi lar, Vondel, peinst gij op? Een golf van harmoniën,

Een stroom van poëzie (ieeft antwoord op de vraag: de koning der geniën

Bidt, dankt en juicht: „Ik zie.

Ik zie, ik zie het Licht, de Waarheid, en het Leven Den ongeschapen Zoon,

ocr page 33

22

flot Menschgowonlon Woord, met koningsglans omgeven;

Eu \'t Antaar is zijn throon!

Ik zie den Bruidegom, die \'t oog der aard verblijdde

Gezeten naast zijn bruid,

Haar sterkend met het bloed, dat heenstroomt uit zijn zijde.

Waaruit het leven spruit!

Ik zie den offeraar en vleklooze offerande,

Die, aan des kruises stam,

Door lijden, smaad en dood de macht des doods verbande.

Der Hel haar staf ontnam.

Ik proef (o God, mjjn God, die steeds mijn ziel begeestert,

Geen Seraf geeft het weêr)

Ik proef, — ik stamel slechts door de eeuwigheid bemeestcrd,

Ik proef mijn God en Heer!

Mjjn Koning en mijn God, — o, de idealen dooven,

Waar gij uw stralen schiet,

Ik duizel bjj den glans, die van uw throon daarboven

Zich in mijn ziele giet.

Ik leef, ik leef door U; — mijn krachten zijn verstoven: Aanbidden en gelooven.

Dat is mijn koningslied!quot;

IV.

nSci\'ibis Bcternitali.quot;

G. Vossius.

DOor de sferen Stormt het lied:Oor de sferen Stormt het lied:

„Ecuwig is de Heer der Heeren;

„Einde of aanvang kent Hij niet!quot;

Maar er ruischen Door het zwerk Machtig, sterk,

Zangen, die het bloed doen bruisen,

Die de sluimerende kracht Doen ontwaken En het menschenhart doen blaken In \'t bewustzijn van zjjn macht.

Zangen, die den dag doen gloren

Na den naciit,

Zangen uit des hemels koren.

Klinkend over \'t aardsch gebied:

„Stervling zij de mensch geboren,

„Ware dichters sterven niet!quot;

ocr page 34

23

Over al de doodstrofeën,

Over puinen, lijken, graf,

Over de ongemeten zeën Der ontelbre stervensweën

Voert de geest den heerschersstaf: Boven al de dott\'e klachten,

Tolken van de felle smart.

Door de wrake des Almachten

Rijzende uit het raenschenhart. Boven al de jammerkreten.

Die den dood verwinnaar heeten,

Zingt de vrije geest zijn lied: „Ware dichters sterven niet!quot; Dichters, die als hemelzonen Op der bergen spitsen staan,

In do gouden snaren slann En een vlucht van volle toonen Op doen gaan,

Toonen, waarin ieder hart Het volmaakte woord kan vinden

Voor ziju vreugde, voor zijn smart; Waarin tranen zich verbinden

Met der moeder zaalgen lach; Waarin al de stormen tieren,

Al de geurge zephyrs zwieren.

Die één dag In de menschenborst ziet zweven; Toonen, die het rijke leven,

Tlooge waarheid, wedergeven

In der schoonheid zonneglans. Dichters, die als Godes wachters,

Met der Englen stralenkrans,

Heel den zwerm der wetverkrachters

Voor het zwaard Van het heilig woord doen vallen, Het Trisagion doen schallen Over de aard;

Die der boosheid macht bedwingen; Die den lasteraar doen zingen:

„God is Groot!quot;

ISeen, — zij zijn geen stervelingen Zij zijn sterker dan de Dood !

Vondel, Neêrlands reinste glorie Is uw naam;

ocr page 35

20

Die langs de blikken vaart Des dichters, waar hij peinst in slapelooze nachten

Of ronddoolt over de aard ?

Maar in het dichterwoord stort zich dat zieleleven,

Dat kind des geestes uit,

Het woord, doorzichtig als de sluier saanigeweven

Om \'t voorhoofd eener bruid;

l[et woord, dat, als de geur uit rozeknoppen brekend,

In de eigen stond vergaat,

Maar dat des kunstnaar» hand straks met een zegel teckent

Dat erts tot goudmunt slaat!

Waar, Meester, peinst gij op? Wat wareld, opgerezen

Ten antwoord op die beê!

Reu wareld door geen oog, als Vondels oog, doorlezen;

Een grenzenlooze zee!

Aanschouwt gij, jongling weêr, met wild verwarde liairen

En vurig stroomend bloed,

Uw Mozes, Israël geleidend door de baren,

Door Isrêls God behoed?

Doorzwerft gjj weer vol moed der dieren lustwarande.

Waar ge uit uw dartlen kout De waarheid klinken doet, die in der schalkheid banden

Den geest gevangen houdt?

Of. - gij zijt krachtig man en hebt partij gekozen

Bij \'t woelen van den strijd;

Een strijder zijt gij, ja, die rust kent noch verpoozen.

Zich gants zijn leuze wijdt.

Gjj ziet uw Palameed door vuig bedrog gevangen.

Door list ten dood gesleurd En jaagt, door \'t grieksche spel, het bloedrood naar de wangen

Wier masker gij verscheurt:

Gij hoort liet joelend lied — en uit de vlugge veder

(Wat wapen in uw hand!)

Stort zich een stroom van spot en scherpe waarheid neder.

Die als de lava brandt!

Maar neen, des kunstnaars oog heeft eindloos meer genoten

Toen hem uw beeld verscheen:

Hij heeft een heilgen gloed de vormen doorgegoten;

En langs uw trekken heen Speelt nog de volle drift, die Aemstels krijgerscharen

Bezielde in stervensnood,

Ja, tot dor zaalgen koor den menschengeest deed varen,

Om uit der liefde schoot,

Oin van der Englen harp den wiegezang te rooven Voor \'t Kind der Moedermaagd,

ocr page 36

21

Dat zicli hot kribjen koos voor \'t licht der hemelhoven,

En \'s aardrijks kroone draagt!

Ja, teedre boeiden ook omzweven u. Ue moeder

Van \'t menschelijk geslacht Verschijnt daar voor uw oog, zooals haar de Albehoeder

Aan Adams zijde bracht.

(lt;jj ziet ze in al hot schoon van d\'opgang harer dagen.

Die de Engel zelv\' beneed;

Gij ziet haar vallen, och! en durft nog tranen vragen

Van wie zij vallen deed!

Wcèr klopt uw harte warm voor uw geboortestede;

Gjj geeft uw verren groet Een kostbaar pronkjuweel voor \'t grijze Keulen mede

En zingt haar maagdenstoet;

Daar klept de doodenklok van Fotheringay\'s tinne,

En trots dien sombren toon,

Vlecht gij der fiere vrouw, der schoonste koninginne

De heiige martelkroon!

Door heel \'t verleden schouwt uw arendsblik. Daar kampen

De machten in de lucht,

Daar ziet ge een hemelgeest, beneve\'d door de dampen

Van eigen trotsche zucht;

Daar vlamt liet zwaard der wraak in heilige englenvingren ;

Snel als de bliksemschicht Ziet gij de morgenster in d\'eeuwgen afgrond slingren,

Verwonnen door liet licht!

Maar trots het strijdgewoel, dat dondert door do sferen.

Klinkt hoog de zegetoon.

Die, de eeuwigheden door. den naam verheft des Hoeren En klatert om zjjn throon.

Daar Meestor, peinst gij op! Uw blik aanschouwt den ongel,

Die juichte: öode de eer!

En in uw ooren ruischt der serafs toongemengel,

Uw veder geeft liet weer!

Gij schudt het edel hoofd? !Nbg heiliger ontroering

Beeft in uw meesterhand.

Zweeft ge op den wiekslag van nog hooger geestvervoering

Naar \'t hemelsch vaderland ?

Waar. Vondel, peinst gij op? Een golf van harmoniën.

Een stroom van poëzie (feeft antwoord op de vraag; de koning der geniën

Bidt, dankt en juicht: „Ik zie,

Ik zie, ik zie het Licht, de Waarheid, en liet Leven Den ongeschapen Zoon,

ocr page 37

22

Rot Menschgewonlcn Woord, met koningsglans (imgevon;

En \'t Autaar is zijn throon!

Ik zie den Bruidegom, die \'t oog der aard verblijdde

Gezeten naast zijn bruid,

Haar sterkend met liet bloed, dat heenstroomt uit zijn zijde,

Waaruit het leven spruit!

Ik zie den offeraar en vleklooze offerande,

Die, aan des kruises stam,

Door lijden, smaad en dood de macht des doods verbande.

Der Hel haar staf ontnam.

Ik proef (o God, mjjn God, die steeds mijn ziel begeestert,

Geen Seraf geeft het weer)

Ik proef, — ik stamel slechts door de eeuwigheid bemeeaterd.

Ik proef mijn God en Heer!

Mijn Koning en mijn God, — o, de idealen dooven,

Waar gij uw stralen schiet,

Ik duizel bij don glans, die van uw throon daarboven

Zich in mijn ziele giet.

Ik leef, ik leef door U: — mijn krachten zijn verstoven: Aanbidden en gelooven.

Dat is mijn koningslied!quot;

IV.

«Sciibis soternitali.quot;

G. Vossius.

DOor de sferen Stormt het lied:Oor de sferen Stormt het lied:

„Eeuwig is do Heer der Heeren;

„Einde of aanvang kent Hij niet!quot;

Maar er ruischen Door het zwerk Machtig, sterk,

Zangen, die het bloed doen bruisen,

Die de sluimerende kracht Doen ontwaken En het menschenhart doen blaken In \'t bewustzijn van zijn macht.

Zangen, die den dag doen gloren

Na den nacht,

Zangen uit des hemels koren.

Klinkend over \'t aardsch gebied:

„Stervling zij de mensch geboren,

„Ware dichters sterven niet!quot;

ocr page 38

23

Over al do doodstrofeën,

Over puinen, lijken, graf,

Over de ongemeten zeën Der ontelbre atervensweën

Voert de geest den heerschersstaf; Boven lt;il de dott\'e klachten,

Tolken van de felle smart,

Door de wrake des Almachten

Rijzende uit het menschenliart. Boven al de jammerkreten,

Die den dood verwinnaar heeten.

Zingt de vrije geest zijn lied: „Ware dichters sterven niet!quot; Dichters, die als hemelzonen Op der bergen spitsen staan,

In de gouden snaren slaan En een vlucht van volle toonen O]) doen gaan,

Toonen, waarin ieder hart Het volmaakte woord kan vinden

Voor zijn vreugde, voor zijn smart; Waarin tranen zich verbinden

Met der moeder zaalgen lach; Waarin al de stormen tieren.

Al de geurge zephyrs zwieren.

Die één dag-In de inenschenborst ziet zweven; Toonen, die het rijke leven,

Hooge waarheid, wedergeven

In der schoonheid zonneglans. Dichters, die als Godes wachters,

Met der Englen stralenkrans,

Meel den zwerm der wetverkrachters

Voor het zwaard Van het heilig woord doen vallen, Het Trisagion doen schallen Over de aard;

Die der boosheid macht bedwingen; Die den lasteraar doen zingen:

„Grod is Groot!quot;

Neen, — zij zijn geen stervelingen Zij zijn sterker dan de Dood !

Vondel, Neêrlands reinste glorie Is uw naam;

ocr page 39

24

En de lofkrect van de faam En de stemmen der historie Smelten saam.

Sclieent gij bij uw volk vergeten, Scheen uw hooge zangster stom ? Hoor het zware klokgebrom En de duizend, duizend kreten. Schaterend door de Amstelstad,

Zij betuigen, zij verkonden,

Dat ge uw volk hebt weergevonden;

Dat uw kostbre wijsheidsschut Door geen tijdstroom werd verslonden,

Maar liet hoogste leven had.

\'t Leven dat door al de kringen

Van den tijd Ons op vollen toon doet zingen,

Dat go onsterflijk zijt!

Vondel! — ziet hoe triomferend

Hij verrijst,

.Met zijn hand den tijd bezwerend, Mot zijn kroon den nijd braveerend.

Met zijn blik die opwaarts wijst, Met zijn blik, die tot don hoogen

Door d\' azuren sluier dringt.

Waar de seraf, neergebogen,

\'t Lied der eere zingt;

Met zijn blik, die spreekt: „Daarboven Is de kracht.

Is tie grootheid, is de macht;

In des Paradij zes hoven

Vindt de dichter wat hij tracht. En de gever aller gaven.

En der wijsheid eeuwge bron.

Waar de zielen zich aan laven.

En de nooit geschapen zon,

Die haar volle levensstralen Op ons koude hart doet dalen, — Eenmaal in de hemelzalen

Kweekster van het hoogst genot, — Dat is God.\'\'

ocr page 40

AANTEEHERTINCrEN.

I. Blz. lö.

Met eon wonderwerk Ie nieer

Het Anisterdamsche Stadlmis, door den ridder Hingeiis in /.ijn bekend gedicht ; ,.\'s werelts achtste wonder,quot; geheeten.

II. Blz. 17.

Gij. door der broedren hand enz.

.,ln den jaare 1658 hielden eenige Schilders. Poëten en Liefhebbers der dicht- en schilderkunste . omtrent hondert in getuide, t\'Amsterdam 8. Lucas Feest: daar ze den twintighsten van October op S. Joris Doelen ter maaltvdt gingen, en iemant, Apollo verbeeldende, den Dichter Vondel ten dien einde genoodight. en aan \'t hooger eindt van de tatel op een\'

hoogen stoel geplaatst , den lauwerkrans op quot;t hooft zette..... Te deezer

tydt quam zyne Vertaaling van Horatins Lierzangen.....onder de pers;

maar bniten zyn toedoen, door iemant die een afschrift wist te bekomen. Doch hy. ziende den druk niet te verhinderen, hieldt \'er de handt nog aan. en droeg die vertaaling op aan de Kunstgenooten van Sint Lncas t\'Amsterdam. Schilders. Beeldthouwers. Teekenaars en hunne begunstigers: tot een blyk van de genegentheit. die hy hunne edele knuste toe-droegh, met erkentenisse der gunst en eere op hun feest genooten.quot;

0. BRANDT\'S Leven ren Vondel.

Ik hoop. dat het duidelijk genoeg blijkt, dat ik. evenzeer als de ..Dietsche Warandequot;. Deel VII. blz. 284. de meening van den ..Spectatorquot;. dat Vondel den lauwer niet mocht ophebben, indien toevallig op het St. Lucasfeest de gildebroeders hem niet gekroond hadden, verwerp.

II. Blz. 17.

(jovaerts hand.

Namelijk van Govert Flinck. leerling van Rembrandt en vriend van Vondel.

ocr page 41

2fi

TTT. Bh. 20.

Aanschouwt }iij. joiifrlinjj wpêr. enz.

Dp in dit vaers en volg. bedoelde stukken van Vondel zijn; Het Pascha. of de verlossing der kinderen Israels uit Egypte. Vorstelijke Warande der Dieren.

Palamedes. of vermoorde onnoozelheid.

De hekeldichten.

Gijsbrecht vati Aemstel. mei het beroemde koor; o Kersnacht enz.

Adam in ballingschap.

De Maegden.

Maria Stuart.

Lucifer.

Altaergeheimenissen.

III. Blz. 21..

van Fotheringay\'s tinne.

Op den IS1\'1! Februari 1ÖS7 werd Maria Stuart . Koningin van Schotland. op het kasteel te Fotheringav . in het graafschap Northampton, op bevel barer nicht Elisabeth. onthoofd.

IV. Blz. 28.

Trisagion.

De grieksche uitdrukking voor; ..driewerf heilig.quot;

ocr page 42

•kifififififb-ky If if if -If if if if if ilt; if if if if

5YÏI lt;rfo eft (• yn amp;Y» ..to ft to -.to cto (.to c,to sto (.-to cto «.to (Tto \'«to \'-to \'\'Y0 lt;• Y:\' quot;Y^

«ri-S (TX^) (TJW» (ïw® CiM^ê» lt;rJ^) (i^W) vWfï; v» Wê- (iMTè)(W^ (iW?) lt;rj^ lt;*Wtgt; {fW^gt;

cQc \'Pers.

Tj\'En vorstelijke gave is \'t menschlijk woord, een vonk \'J Der oeuwge majesteit, die langs den chaos blonk; Een nagalm van het woord, dat, uit des niet-zijns duister, De wareldorde riep tot leven, licht en luister;

Een tochtjen van den geest, die in den aardklomp vloot En \'t levenloos model met schoonheid overgoot;

Een kostbaar pronkjuweel des diadeeras, geslagen Om \'t hoofd des konings, \'t hoofd des menschon. Hoort, daar dragon De bauwende echos, met geheimvol beven, voort,

De hymne van den mensch, de hymne van het woord. Die tolk is van de stem der fluisterende gaarde:

„Geprezen zij de God der heemlen en der aarde.quot;

Een rijke gave is \'t woord, — ja gave, gave Gods!

Spijt bastaard-wetenschap, spijt menschelijken trots;

Of waant gij, dat de schok der saamgesloten klanken. Der tonen, zonder zin, der vormelooze spranken ,

Een eenheid baarde: \'t woord ? —

Der liefde kunstjuweel Ts \'t menschelijk bestaan, met gaven naamloos veel,

Toch door gedachte en taal eerst waarlijk mensch geslagen. De mensch ontving het zijn als gave, om \'t op te dragen, Als offer, aan de macht door wie hij d\'oorsprong nam: Hij zelf is de offerande en \'t woord is de outervlam.

Een vorstengave is \'t woord. De heerlijke gedachten. Der ziele hemelsch kind, uit \'s geestes reinste krachten Geboren zonder wee en zonder angst, — zij staan Belichaamd in het woord, gevrijwaard voor \'t vergaan: In \'t luchte gazen kleed, in al hun teerheid machtig.

ocr page 43

28

In al lum eenvoud rijk . in al liun zwakheid krachtig. Oiiscliijnbaar menschenwoord, — wat wapen in de hand Van iiem, wiens breede borst van felle strijdlust brandt! Heeft niet een onkel woord, de wareld ingeworpen, D\'oinwentelings-orkaan doen bruisen door de dorpen En steden, — niet don loop gedwongen van het lot, En \'t gulden throongestoelt verkeerd in moordschavot?

Toch zijt ge zwak en teer, gij menschenwoord! vervlogen Is ras uw ijl bestaan, gebonden aan \'t vermogen Der losse klanken! — Als der Zephyrs lentezucht,

Die door de blaadren ruischt en heenvaart door de lucht, .Vis geuren van de roos, die in een wenk genoten In d\'eigen wenk verstuift, — zoo blijft uw macht besloten In \'t trillen van den toon, die door de ruimte zwerft.

Voor éen seconde heerscht, en heerschende versterft!

Gezegend zij de iiand, die, onder Haarlems wallen.

Den ruw gesneden vorm in \'t mulle zand deed vallen;

Gezegend zij de blik, die al de grootheid mat

In \'t schijnbaar kinderspel verborgen en bevat,

Die aan (Ion klank den vorm, aan \'t woord de letter paarde,

Neen iedren lettervorm weer duizendvoud herbaarde

En \'t woord een dienstmaagd gaf, die al zijn teederheid

Bewaarde en toch verschiep voor de onverganklijkheid!

Dat was eon heerlijk uur. Door beuk- en eikenblaaren Trilde (als een hemelsch lied, van heilige englenscharen Geheven) \'t dankend woord: „Aan Gode de eer.quot; Het scheen Als golfde weer de geest door \'t leemen vormsel heen, De geest, die \'t eerste woord op menschenlippen toovert En nu zijn volle kracht, zijn rijksten tooi verovert.

Nu, nu liet zielvol woord, nog maagdelijk en versch,

Door heel de wareld dreunt, gedragen door de pers!

De pers! Wie roemt haar niet des geestes eêlste vinding. Haar, ongekende macht voor geest- en stofverbinding,

Haar, in des menschen hand, de schoonste vorstenstaf, Nog heerschend over puin en lijkgeraad en graf?

quot;Wat wonder heerlijk beeld, toen zij, des Heeren engel Geboren in de golf van \'t heilig toongemengel Der heem\'len, de aard betrad! Nog drupte \'t vleugelpaar Van liefde en van geloof, nog vonkelde er om haar Ren stroom van zonnelicht, die, altijd hooger zwellend En over berg en rots heel \'t wareldrond doorsnellend,

ocr page 44

29

De nevlen henendre^f voor \'t stralend aangezicht; Eu antwoordde op de bee: „Licht, altijd meerder lichf!quot;

Toen was hel als weerklonk een zegepsalm daar boven Van hooge wetenschap en kinderlijk gelooven,

Van kennissen, gekweekt aan der altaren voet. Van heilgeloof, betuigd door \'t purpren martelbloed. Van zelfbewuste kracht, in waanzin niet verloren.

Gelouterd door het vuur, op \'t Pinxterfeest geboren;

Toen sloeg Cecilia nog op het speeltuig, dat Een nieuwe, een gouden snaar te méér ontvangen had. Een snaar, wier volle klank wel duizend andre tonen Of oplost of bevat, en door de vorste zoonen Haar zilvren trilling jaagt, die in de harten dringt En \'t heerlijk stralend kruis, dat ons behield, bezingt.

Nog eenmaal opent u, gij geelgetinte blaadren.

De roem van \'t nageslacht, het wonder onzer vaadren.

Gij, eerste kindren van een nieuwe wareldmacht,

Verkwikt mij met den geest, die door uw regels lacht.

Verkwikt mij met uw geur van vroomheid, deugd (gt;11 vrede.

Van eerlijkheid en recht, van oude, trouwe zede.

Verhaalt mjj, hoe de hand, nog rein en onbesmet,

De vormen samengaarde, om aller eeuwen wet

Bij duizend duizenden langs de aarde heen te slingeren,

Bij duizend duizenden te plaatsen in de vingeren .

Die na den heeten dag zich vouwden om het blad

En lazen: hoe de Heer zijn volk behouden had.

Wat wondervolle dag, die oprees aan de kimmen!

Maar blijft de hemel blauw en steigeren en klimmen

Geen onweerswolken op ?

O de eersteling van \'t woord Was \'t niet een hymne aan God een lof- en dankakkoord, Een heilige eed van trouw, der heemlen Heer gez.voren? Maar ach, een ander woord klonk in der menschheid ooren, Een sijfiend slangenwoord, vol valsche list en spot,

Dat ras een weergalm vond: „Wij willen zjjn als God!quot; En sints die ure staan en kampen op onze aarde Twee machten, beide sterk in zelfbewuste waarde;

Het woord der Heemlen en het woord der Hel. Zij staan In hooggespannen strijd, slechts te einden door quot;t vergaan, \'t Vergaan van een dier twee ontembre kampioenen.

Twee stemmen spreken: „dood!quot; geen fluistert van „verzoenen!quot; Hun beider wapentuig is de onbedwongen pers.

Of jub\'lend in geloof en liefde, of in \'t gekners,

ocr page 45

30

TTot eeuwig tandgekners des Satans, God bestrijdend,

En in dat vloekwoord zelfs Zijn almacht tacli belijdend.

Het danklied van de pers, wat klonk iiet tier en stout,

Maar kinderlijk en teêr, o Haarlem, door uw Hout!

En ach, hoe werd die toon, zoo zuiver, weer verbasterd Tot tolk van dwaze drift, die \'t heilige belastert,

Die recht eii waarheid vloekt en met ontzinden zin. Een andren Heiland spelt en hooger heilgewin!

Ziet, voor den mokerslag van \'t razend oproer springen

De banden van elkaar, die \'t woelend volk bedwingen

En, vreeslijk in de hand der reuzen van \'t geweld,

Is ook het vlugge woord, dat aan de pers ontsneld

Als breede lavastroom langs heel liet aardrjjk kronkelt.

Of, als ontembre vlam, in duizend oogen vonkelt,

In duizend borsten woelt! ontzachelijke macht.

Die voor geen zwaarden deinst, ja, met de boeien lacht,

Aartsengel van het kwaad en dienares der logen,

Neen, dochter van de boel des Konings, die voor de oogen

Der hovelingen in het schaamtelooze kleed

Met iedren wulpschen tred haar maagdlijkheid vertreedt,

En, heerschend met een woord, in dronkenschap gezworen

Door wellust afgeperst de wreede taal doet hooren:

„Mijn loon?— Johannes\' hoofd!quot;

Bloed, vroeg zij. altijd bloed. Bloed van des monniks hand, die \'t vratig oproer voedt En straks der vorsten zwaard en scherp gewette klingen, Nog rookend van den krijg, belaadt met zegeningen ;

Bloed, van den valschen mond, die \'t knettrend vuur ontsteekt. Servet in vlammen worgt en Grod om „vrijheidquot; smeekt; Bloed , vroeg zij, of de ziel!

En later, als de kringen Dor boosheid wijder gaan en immer zich verdringen,

Maar ook de tijgervorm, in zijde en in fluweel Sirenenliedren zingt met honingzoete keel,

Dan stort met iedren klank een droppel gif in de ader Der menschheid, die de hand nog kust van den verrader; Dan troont ze, want de Pers werd machtig, werd Vorstin , Gehuldigd en gevierd door \'t beedlend hofgezin,

Door slaven, die, belust haar juk te mogen dragen,

Zich krommen voor haar roe en zwoegen voor den wagen. Waarop de onteerde tiiroont, schoffeerend met Rousseau, Grijnslachend met Voltaire, ontzind met Diderot, Of Vrijheids-priesteres van nieuwe tijden zwanger, Mot Frankrijk aan haar voet en Mirabeau tot zanger.

ocr page 46

31

Maar vrijhoid zonder God is slavernij; er gaat

Een wrekende Engel rond niet bliksemend gelaat

En d\'ademtoeht des doods en de eerstgeboornen vallen

In de ongemerkte hut en breede koningshallen,

Als eens Egyptes nacht verhalen kon. Hoe boog

De pers, de vrije pers voor \'t vlammenschietend oog,

Voor d opgeheven arm, die heenwees naar Vincennes

Of, erger dan ten dood, naar quot;t moordende Cayenne;

Hoe ras de vrijheidszang verwisslen kon van toon

En omsloeg in een lied voor keizerszwaard en kroon;

jfoe ras de hooge idee, ten zetel afgestegen,

Van fierheid lang ontdaan, ter neêr boog voor den degen;

Ja, \'t lisplen van liet woord en \'t buigen van de stem

Hees, daalde of weder rees naar d\' ijzren wil van hem.

Sints draagt de wareldmacht geen breede rijksgewaden,

Geen gouden diadeem met parelen beladen,

Geen wondren too verstaf, die thronen nederwerpt

Of door elk aangezicht als folterroede snerpt;

Neen, spijt het ridderkruis van Lazarus, de loovren,

Die hooge stapels goud om valsche lokken toovren,

Spijr. al de schittering der fulpen hoflivrei.

Blijft toch haar zichtbaar kleed: de rok van den lakei.

Hoort, zij, de persgodin, vraagt vrijheid van de banden, Die, al te lang voorwaar, haar vleugelen omspanden. Zij vraagt een vrijheid, die haar, evenknie van (iod, Het recht geeft om haar woord, \'t zij lastering of spot, ïe slingren naar het hoofd van Christus, om haar keuze ïe doen op „Barabbas!quot;, om zingenot, haar leuze, Te prediken aan de aard, om thronen eeuwenoud Verachtlijk neêr te slaan als lang vermolmend hout; Om naar des niet-zijns poel de menschheid heen te stieren Te zinken met haar prooi en dan — te zegevieren! Verachte, die zoolang, zoolang reeds aan de mijt De brandstof hebt gevoerd; zoolang reeds in den strijd Geweld en dwinglandij en vorstenmacht zaagt kampen, Naast u, nooit tegen u, — die reeds een zee van rampen Steeds zwellend torenhoog, langs de aarde henenplast; Met rozen in het hair aan keizertafels brast;

De toug gekneveld hebt, die God en eer verdadigt:

Zijt gij dan nimmer moê, hyena, nooit verzadigd?

Bedenk, liet kwade mist het recht zelf van bestaan;

Zijn orde, wet en doel is \'t eeuwige vergaan!

Te midden van den storm in de onherbergzame ure,

ocr page 47

32

Staat aan des kruises voet een needrige figure,

Een maalt;nl, maar \'t arm gewaad van rein en smetloos wit,

Door purpren droppels bloed getint, /ij staat en bidt

En houdt de drukpersharp met snaren rijk bespannen.

Schijnt uit den tengren vorm de levenskracht gebannen,

Geen nood — ook t Kruis is zwak, maar staat. Daai golft en i uischt

Een wonderhelle toon, die altijd voller bruist.

Een toon waar biddende ernst in lispelt, strenge wrake

De felste klanken leent der aangeboren sprake,

Een toon, die juicht en zingt, mysteriën verklaart.

Afgronden opeiisluit voor \'t oog der duizlende aard.

Een toon, waarin het lied op Trentes top geheven

Zijn konings-majesteit, zijn hoog en godlijk leven

Doet klaatren, Bossuet zijn volle mannenkracht

Huwt aan den liefdegloed, zoo koesterend en zacht

Van Fénelon, waarin de forsche donderslagen

Van Görres uit zijn slaap den Rijnstroom op doen dagen;

En ook een hollandsch woord den eengeboren Zoon

En \'t heiligste geheim in klanken, diep en schoon

Doet leven, ja, een toon, waar al wie \'t kruis belijden

Meê samenstemmen: \'t éen : „Gelooven, hopen, strijden!quot;

Een is der wijsheid God, éen is des levens bron.

Door de eeuwigheden heen blinkt eene waarheidszon:

Geen nevel, die haar smet, geen wolk die ooit haar stralen Omsluiert of verbergt; in duizenden van talen Klinkt, menigvoud van vorm, toch de eene waarheid weer: „Wie groot wil zijn en sterk, zij dienaar van den Heer! jft dienaar van den Heer! buig, buig uw hoofd ter neder, Vraag uit des Heeren hand het juk der dienstmaagd weder Gij, trotsche vrije Pers! Uw macht versplintert ras; Uw\' kroon valt stuk ter aard, als grof geslepen glas; Uw wijsheid wordt, helaas, tot waanzin; uw bezieling Wordt de adem van het kwaad, die aanzet tot vernieling. Geef, geef den kampstrijd op, kind van mijn Vaderland, En wandel over de aard weêr aan der Godsdienst hand.

ocr page 48

AAÏÏTEEKENINGEir.

Bladz. 27. Een rijke gave is \'t woord. Ja gave, gave Gods, enz.

De spraak en haar gebruik behoort, bij liet geheel der natuur van den mensch, en die hem daarom het eene heeft geschonken, kon hein het, andere niet hebben onthouden. W. Wessels, over vergelijkende Taalstudie. In dien zin meen ik ..gave\'\' te hebben verstaan.

Bladz. 31. ,,ne rok van den lakei.quot;

De toespelingen hier en in de voorgaande regels zijn duidelijk voor elk. die in de geschiedenis der t\'ransche dagbladpers geen vreemdeling is. Ook heeft men. in onze tijden vergeet men soms zeer spoedig, toch misschien de «affaire de Kervéguenquot; nog niet vergeten.

VOORRE S1,

(Van dr. Peru; uitgave van 18H8.)

Dit geschriftjen is niets anders dan een zwakke naklank van de welsprekende klacht en tevens de verpletterende veroordeeling door Pius den IX \'quot; uitgesproken:

..Gij weet. dat er in deze dagen menschen zijn, die alle waarheid en rechtvaardigheid haten. en. gezworen vijanden van onzen godsdienst, de volkeren door hunne vergiftige boeken, schotschriften en dagbladen, die over de geheele wareld verspreid zijn, misleiden en sluw weg liegend , vele andere goddelooze leeringen zaaien.quot;

(Encycliek van 8 Dec. 64).

Daarbij is de steliing: ,,het is onwaar dat de volle vrijheid aan allen toegezegd om hunne gedachten en opiniën openlijk te uiten, leidt tot een gemakkelijker verderf van \'s volks zeden en gezindheden , en tot het verspreiden van de pest der onverschilligheid op het stuk van godsdienst.quot; opgenomen in de lijst der dwaalleeringen van onzen tijd en als zoodanig veroordeeld.

Alle waarachtige waarheid kan bron zijn van begeesterde poëzie. Aan de waarheid van Pius\' woorden valt niet te twijfelen; mogen mijne vaerzen het bewijs leveren van hun begeesterende kracht.

Utrecht.

op den feestdag van S. ANSELMÜS,

Bisschop en Leeraar , 18B8,

H. J. A. M. Schaepman.

ocr page 49

amp; JüaFia,

DE ZONDARESSE YAN EGYPTE.

i.

Klonk statig do woestjjnen door; De kluiznaar neemt het boek en leest: „Gedreven door zijn heilgen geest,

„Begaf zich Jezus gants alleen „Naar \'t diepste der woestijnen heen; „Heeft veertig volle dagen daar,

„Verlaten van zijn jongrenschnar, „Den Vader biddend dag en nacht, „In boete en vasten doorgebracht.quot;

De kluiznaar sluit het heilig boek. „Dat ons dezelfde geest bezoek\'!quot; Zóo klinkt éénstemmig aller woord. En statig treedt een grijsaard voort, De rechte heffend, zegent hij De hem bevolen broedrenrii En spreekt: „Laat ons in vrede gaan, „Den Christus volgende op zijn baan!quot; En \'t antwoord klinkt: „In Christus naam!quot;

En zwijgend trokken een voor éen De broeders ter woes tij ne heen, Om veertig dagen lang aan God Zich gants alleen te wijden, tot De Kerk. als jonge bruid goeierd, \'t Verrijzen van haar Bruigom viert.

liet laatst van heol de rij betrad Ook Zozimus het eenzaam pad.

E laatste toon van \'t broedrenkoov

ocr page 50

35 2.

Wel somber is de woestenij,

Zoo dor, zóo eenzaam; als geslagen

-Met eeuwgen slaap, zoo sluimert zij. De tochten van den Siraoun jagen Slechts wolken stof de vlakten door;

Geen haltnpjen buigt zich op hun spoor, Cxcen blaadjen ritselt bij hun naadreu 5 ^ \'t Is huivringwekkend in dat graf!

r-jn hoe we ook alle kracht vergaadren, Ren kille schrik doorstroomt onze aadren,

\'t Gelaat verbleekt en wendt zicli af, W ij slaan de handen voor onze oogen Reeds met een nevel overtogen.

Hoe onze stem ook daver\' — neen Als antwoord galmt het om ons heen; Alleen, alleen — geheel alleen !

Maar hoe ze ook doodsch en eenzaam schijn\',

^Ioch dierbaar is ze ons — de woestijn: Wanneer we, t breede pad ontvloden.

Waar wellust heerscht en ondeugd spot. Daar niet alleen zijn, maar met God, Dan is ze ons, ja, een rijk der dooden.

Een graf; maar als der korrel zaad De voren, die haar hield omsloten.

Waar ze eens, vol frischheid uitgeschoten.

Als geurige anjer opengaat;

Dan is ze ons graf, om te verrijzen Om, weer verheerlijkt opgestaan. Met frisscher klanken, hooger wijzen Den ongeschapen God te prijzen

En moediger ten strijd te gaan:

Dat werd zjj Zozimus den grijzen.

3.

lieeds zag de kluiznaar negen dagen Verrijzen over \'t eenzaam oordquot; En peinzend trad hij verder voort.

Geen galm , door \'t windjen voortgedragen ,

Had nog zijn zoete be\'ê verstoord;

Slechts t lichte kabbelen der baren,

Die dan eens statig, dan eens wild, Dan breed geplooid, dan hoog gevaren.

ocr page 51

36

Heur weg vervolgden naar het zilt ,

Slechts \'t ritslend kraken van de twijgen — Dat deed hem eindelijk verstaan,

Hij stond aan de oevers der Jordaan.

De zon ving aan het Oost te ontstijgen,

Reeds spelde een zachte purperglans

Heur naadren aan den trans; De rnorgenneevlen , dol en koud ,

Vervlogen , vol deed zij haar stralen Op \'t mulle stuifzand nederdalen;

Een breede stroom van goud!

4.

Maar was ook \'t schouwspel grootsch — des grijzen

Omzwervend oog ontging die pracht; De beelden van \'t verleden rijzen

Vol leven uit den langen nacht.

Hij zag zich jongling, neergebogen

Voor \'t kruis zijns meesters, t gloeiend hart In heiige aanbidding opgetogen

Bij zóo veel liefde, zoo veel smart;

Hij zag zich, strevend naar volmaking.

En, schoon de hairvlok jeugdig zwiert, Reeds grijs in lijden en verzaking

Van iedre lust, die de aardhng viert: -Dat waren lichte, schoone beelden.

Maar ook een zwarte schaduw viel Er op hun luister, en zijn ziel Zag vormen, die een tijd herteelden.

Waarin, bij \'t razend stormgewiel,

Zijn hart, aan eigen kracht geloovend. Het vuur der heiige min verdoovend,

Door tochten uit een lager lucht,

Zich vaardig dacht tot hooger vlucht.

5.

Gered had hem des Heeren hand. Hem aan der zonde slavenband Zoo vol van heiige liefde ontheven .

Dat zelfs het donker droef gezicht Als met oen bron van hooger leven Verkeerde en glansend scheen te zweven Tn zaalger heemlen licht.

ocr page 52

37

6.

Terwijl lnj peinzend verder trad,

Daar stond hij eensklaps stil, als had Een vreemde klank, bij \'t eeuwig zwijgen

Der woestenij, zijn oor bereikt,

Ja, \'t was als vlood er door de twijgen Een wezen dat zijn blik ontwijkt.

ili lar toch — neen , wat door \'t lover ging , \'t quot;Was niet des zefiers ritseling.

Wat kon het zijn? — Het spiedend oog

Zag onbestemd en vaag Een vorm, die vlnchtend zich bewoog,

Zich bukte krom en laag.

Wat kon het zijn ? — De kluiznaar stond

En dacht aan valschen schijn;

Maar eindlijk klonk het uit zijn mond: „Gij stervling, of wat ge ook inoogt zijn ,

In Jezus\' naam verschijn!quot;

En toen het kreupelhout zich boog, Verscheen een vrouwe, rank en hoog.

Maar zichtbaar neêrgebukt door pijn.

Zoó als zij daar verscheen, de leest

Met grove pij omhuld.

Met tranen \'t glazig oog gevuld,

Dat eenmaal schittrend was geweest,

Zoo was zij \'t beeld dier felle smart, Die iedre vezel scheurt van \'t hart,

Maar die ook God geneest.

rr i.

„Gij spreekt des Heilands naam, —ik kom!quot;

Dat was haar welkomstgroet. De kluiznaar stond verbaasd en stom

En sneller vloot zijn bloed; Maa? eindlijk vond zijn stem weer kracht: „Wat, vrouwe! heeft u hier gebracht. Wat dreef u naar deez\' zandwoestijnen ,

Waar gij verlaten weg zult kwijnen. Verlaten in uw stervensnacht ?quot;

Zij zag hem smeekend aan, en zaclit Klonk nu het antwoord op zijn vragen: „Zoo gij me kendet, vloodt ge heen En vloekte \'t uur, waarop \'k verscheen;

ocr page 53

88

Maar neen, (jij keat 1110 — want gedragen Langs alle streken is mijn naam : De zondares lieet mij dc faam. O! \'s Heeren hand heefr mij geslagen, Mij aan liet wis verderf ontroofd; Des Heeren liefde zij geloofd! —

Gij kent me niet? — en wilt ge weten Hoe zij, die eens heeft neergezeten Aan \'t maal der boozen, nu in rouw En boete, tranen plengt voor God, Verneem dan \'t zondig levenslot!quot;

Vol eerbied plaatste zich de vrouw Aan \'s kluiznaars voeten en verhaalde Hoe Jezus\' liefde zegepraalde.

8.

„In Alexanders trotsche stad Verrees mij de eerste levensstonde,

Des doopsels wondrenwerkend bad Ontdeed mij van de smet der zonde;

De Christus hulde me in het kleed, Uit heilgenade saamgeweven,

liet kleed, dat in den gloed van \'t leven Dc misdaad mij bezoedlen deed.

9.

„Mijn leven was der moeder dood,

Mijn\' vader sneed dat zwaard door \'t harte. En do eenge laafnis in die smarte

Was \'t lachjen, dat mijn wang hem bood. Ik werd het leven van zijn leven.

Ik de afgod van zijn gansche ziel. Ik, toen zijn hemel hem ontviel. Als troostende engel bijgebleven.

Wat ook mijn blik slechts scheen te vragen, \'t Was hem eeue onverbreekbre wet, Hoe meer dan wel mijn zoet gebed! Zoo vloden dan mijne eerste dagen In dartel spel en vreugd voorbij;

Als \'t vogehjn, dat ge om ziet zweven Langs geurge bloemen, bonte dreven. Zoo huppelde ik in \'s leven» Mei.

ocr page 54

39

lü.

„Een beeld nog zweeft mij voor den geest, Een hmtste erinring aan die dagen, Dat steeds bij storm en onweersvlagen Mijn-heul en trooster is geweest. —

„Zie, aarde en hemel vierden feest!

In al den toovergloed der kleuren, In onnavolgbre en rijke pracht Begon , na langen winternacht,

Natuur haar hoofd weer op te beuren;

Als had ze eeu bruidegom verwacht. Zoo blonk de blijdschap op haar wezen In onvermengde schittring uit.

En was zij waarlijk ook geen bruid.

Klonk niet het blijde Mallei luid l-1 Zong aarde en hemel niet: „Verrezen!quot;?

11.

„Des morgens, toen mijn vaders mond Me een langen kus op \'t voorhoofd drukte

En \'k jublend aan zijn zijde stond, — Toen was \'t of hem zijn heil verrukte;

Toen sprak hij met bezield gelaat:

„Geluk, mijn dochterken! gij gaat „Een schoone stonde te gemoet, „Een stonde, rijk aan d\'overvloed „Van de onvermengde vreugd hierboven,

„Waar de onafzienbare Englenstoet „De goedheid van hun Schepper loven.

„U wacht een vreugde zonder smart, «Waarin uw moeder zich vermeidde, „Die haar deed juichen, toen zij scheidde, „En leven goot in \'t brekend hart.quot; En toen ik \'t vragend oog verhief.

Toen klonk het: „Dochter, mij zoo lief! „Gij zult het heil des Heeren smaken,

«Zijn lichaam zal uw spijze zijn,

„Zijn heilig bloed uw vreugde wijn; „Ras, ras zult gij Hem zien genaken.

„Hang vrij uw rijkste tooisel om, „Uw Jezus naakt, uw bruidegom!quot;

ocr page 55

40

12.

„En wat mijn hart toen lieeft gesmaakt -Wie, kluizuaar! waagt het uit te spreken? Zou niet de straal der zou verbleeken,

Waar \'t eeuwig godlijk licht genaakt? Zie, \'k heb zoo veel, zoo veel genoten, \'k Heb onvermoeid en onverdroten Naar al wat weelde was gestreefd,

Maar nooit eene eukle stond beleefd, Zoo zalig als de zaalge stonden,

Waarin, door liefdegloed verslonden,

Ons hart een hemel is.

Och! had ik nimmer toch vergeten, Hoe zoet het is, te zijn gezeten Aan \'s Heeren liefdedisch!

13.

„Dat was de morgen van mijn leven. Een morgen zonder wolkgordijn, Vol bloemengeur en zonneschijn.

„Och! waar\' die morgen steeds gebleven!

Te ras, helaas! zou \'t anders zijn Zie, op mijns vaders schoot gezeten, Droomde ik van liefde, hemel, God, Van onverstoorbaar zielsgenot;

Mij trok eene onverbreekbre keten Steeds naar het vaderharte heen!

„O vaderhart, mijn licht, mijn leven, Zoo nauw met mij te zaam geweven,

Zoo innig, innig met mij éen,

O! waart gij steeds mij bijgebleven!

„Zie, kluiznaar! \'k jubelde, ik genoot; Ik leefde — eilaas, daar stond de dood

14.

Langs de uitgeteerde en bleeke wang Vloot nu een bittre traan ter neder En bonzend sloeg het hart haar weder. Ook Zozimus — hem werd het bang,

ocr page 56

41

Door zooveel diepe smart bewogen,

Zicli uitend met zoo feilen drang! ,Geprezen zjj uw wil, o Heer!quot; Zoo sprak ze en hief den blik ten hoogen En kalmer nu begon zij weêr:

15.

„„Zou \'t waarheid zijn, is God de liefde?quot; Zoo vroeg ik straks mij zei ven af Bij \'t pas gesloten vadergraf;

En bij het wee, dat mij doorgriefde,

Bjj \'t zwaard, dat mij de borst doorstiet. Sloeg ik op \'t kruis mijne oogen niet. Maar lisplend klonk het in mijne ooren, Als deed een slang haar sijHeu hoeren (Mij was \'t een klank uit iiooger koren): „Neen, God, God, is de liefde niet!quot;

16.

„Wat volgde? Dat ik \'t wreke konde! De liefde vlood, mij bleef de zonde!quot;

17.

En smartlijk boog de ontroerde vrouw Het hoofd in bitter zielsberouw,

En traan op traan, die \'t oog ontwelde, Schonk heur bedwongen boezem lucht, Die hijgde en nokte in zucht op zucht. Alsof een ijzren boei haar knelde.

Hoe ook de grijsaard, diep bewogen,

Vertroostend van den Heiland sprak. Die reeds zoo meengen traan deed drogen,

Zoo menig zondenjuk verbrak, — Zij bleef in rouw ter neêr gebogen, Eén klacht slechts uit de bieeke mond: «Mijn God, mijn God! kunt Gij vergeven W at ik, rampzaalge, heb misdreven. Wat trotsehe razernij bestond?quot;

Maar eindlijk was het haar, als viel Een hemelbalsem in de ziel,

ocr page 57

42

Als hoorde zij de zoete taal;

„Hen, die in tranen zijn herboren.

Hel) ik me als vrienden uitverkoren !quot; En straks hernam zij haar verhaal.

18.

„Do Zonde — maar gij kent haar niet, Maar, die in weeldestroomen badend.

Slechts laclijens aan haar dienaars biedt. Maar, trots haar masker, zich verradend, Voor de oogen der ontwaakte schaar Een doodshoofd blijkt, verteerd en naar. Zie, ik was schoon — mij had do Heer Die gaaf der Englen meegegeven. Die \'tmenschlijk hart van vreugd doet beven , Als opheft naar een hooger sfeer! „„Schoon zijt ge!\'quot;\'—ja, dat was de groet, Die straks de drift der aardsche minne

Mij bracht door heel een jonglingsstoet, Mij roemend als hun koninginne.

En ik geloofde \'t zoet gevlei —

Mijn hart herhaalde \'t mij!

I k viel — verloren, ach! verloren

Was \'t heerlijk tooisel, dat de zang Verheft der vieklooze Englenkoren

Ontelbare eeuwigheden lang!

Ik viel, ik heb den kelk gedronken

Van wellust en van zingenot,

En bij den gloed, dien \'k voelde ontvonken, licb ik mij kwistig weggeschonken Aan wie mij later heeft bespot!

O! dat geen bliksem mij doorkliefde, Mij nederslingerde in de hel Bij \'t roekloos zielenspel!

„O God! mijn God! gij zijt de liefde!

Hoor, kluiznaar! hoor het wonderwerk. Dat Jezus\' liefde, zacht en sterk,

Tn mij, welzaalge, heeft gewrocht; Hoe Hij mijn schuld heeft vrijgekocht!

19.

„Een heilige, onweêrstaanbre stem Dreef me opwaarts naar — Jeruzalem

ocr page 58

43

fk toog mot duizond andreu mode; Zij wilden \'t lioilig kruishout zien En hun Verlosser hulde biên. — Hun vroomheid was mo een spot, mij, wrcedo Ja, waar zij juichten, God tor eer, En jubelden in Christus\' glorie,

In zijner liefde heilvictorie,

Daar sloeg ik niet mijne oogen neer, Maar spotte en hief den vreugdebeker En bracht hem tergend aan don mond En raasde: „Zoo hun God bestond, Hij zou dan opstaan, Hjj, do wreker!quot; Door zijdon netten ras omsponnen,

Viel menige onschuld mij to voet, Verteerd, vernield door helschon gloed,-Ik iiad op wraak aan God gezonnen. Ik vierde reeds mijn zegetocht Bij iodre ziel, die \'k overmocht,

En toch — Gods liefde beeft verwonnen!

20.

„„Jeruzalem, Jeruzalem!quot;

„Zoo groette blijde en opgetogen

Hot doel der reis dos pelgrims stem. En ik, nog heulend met de logen ,

Ik zwoer in ongebogen trots,

Dat daar, waar eens de Zone Gods En hel en zonde aan \'t kruis vorneêrde, Zijn dood den dood woêr overhoorde, — Nu door liet toedoen eener vrouw De zonde triomferen zou!

Ik wilde langs dezelfde plekken,

Waar hij zijn zege had gevierd, Den zegetocht der hel doen trokken! — God had mijn pad, zoo rijk vorciord. Zoo rijk beplant met geurge rozen ,

Veranderd in oen woestenij;

God had mij voor zijn macht doen blozen. Ik had tor wrake mij gekozen

Dat Christus bukken zou voor mij !

21.

„Er zijn in \'t leven oogenblikken ,

Geheimvol als de lentelucht,

ocr page 59

44

Die in de rozengaarden zucht En nu onthutst u op doet schrikken,

En dan weer \'t gloeiend voorhoofd kust En al uw zorgen streelend sust;

Geheimvol, als de duizend stemmen, Die onbestendig en verward Verrijzen uit het eigen hart En beurtelings uw borst beklemmen,

Als drukte \'t onheil aambeeldzwaar, Dan weêr, bij quot;t barnen van \'t gevaar,

U wekken tot genot,

Als zaagt ge een droom voor waarheid aan, .Vis dreeft ge in kinderlijken waan

Nog met uzelv\' den spot,

En vraagt gij duizendwerf: waarom? Ook duizendwerven blijft ge stom:

Geheimen van ons lot!

22.

„Zoo word ook ik eens opgedreven

In onbestemd gevoel —

[k volgde \'t vrome volksgewoel,

En toen \'k mijn sluier had geheven,

Beving me een vreeselijke schrik...

Voor Christus\' tempelpoort stond ik!

Voor Christus\' tempelpoort — het toeken Van zijn verwinning voor mijn oog — Daarboven, in den gulden boog,

Straalde in een glans, niet uit te spreken, Het beeld der Moedermaagd! De slange, die haar heil belaagt, Lag ingekrompen aan haar voeten...

En ik, ik moest haar beeld ontmoeten,

Haar maagdlijk beeld, gekroond met pracht! Een koortsdrift greep mij aan — ik wilde Terug — terug! mijn boezem trilde.

En toch met onweêrstaanbre macht Klonk in mijn hart een stemme: „Voort!quot; Weêr stond ik in de tempelpoort.

En nu — naar binnen voortgejaagd... Daar werd op eens mijn gang vertraagd, -Wijd open stond de breede tempel. Het lofgezang der Christenrij Klonk hoorbaar, ja, omgolfde mij —

Maar verder treden dan den drempel,

ocr page 60

45

Maar binnengaan op Gods gebied,

Vermocht ik niet!

„Als ware een muur van diamant

Gerezen uit den grond,

Als had me eene ijzevsterke hand

Genageld waar ik stond,

Hoe fel ik wrong en rukte en streed

En niet te wijkon koos,

Al gloeiden mij de wangen heet,

Al vloeide \'t koude voorhoofdzweet, — Ik stond er machteloos.

2;{.

„Hoe lang ik kampte, weet ik niet, Slechts dit — op eenmaal was \'t als roes er Een lichtstraal in mijn hart, als wees er Een hand mij naar den tempel: ziet, Ontelbaar als de sterren, aan

Het wolkenloos azuur,

En gloeiend als de tongen vuur.

Die langs de daken slaan,

En machtig als het reinst graniet.

Dat tijd en stormen weerstand biedt, Zóo rezen daar onmeetbaar hoog Mijn zonden voor mijn oog!

En weder klonk het: „„Moed, o vrouwe! God vraagt een traan van reine rouwe!quot;

„Toen weende ik, en het was als hield Geen ijzren muur mijn voet meer togen; Maar \'k was in tranen neergezegen.

Voor \'t beeld der Moedermaagd geknield.quot;

24.

Zóo sprak ze en hief zich op, niot meer

Gekromd door zieleleed.

Maar slank en rijzig, als weleer,

In \'t hairig boetekleed.

Weer vonkelde dat gitzwart oog,

Dat straks in tranen zwom, Het doodsbleek, dat haar wang betoog. Keert nu in purper om;

ocr page 61

4fi

Haar hand omklemde \'t Kruisbeeld vast

En drukte \'t aan de boi-st;

Lang had ze \'t als heur zoetste inst

In trouwe min getorst.

Terwijl de laatste zonnestraal

IT aar met een glans omgaf,

Vloot in een liemelzoete taal Dit lied lina.r lippen af:

25.

„Maria — o! wie kent haar niet,

Haar, der erbarming koninginne,

Die in haar hooge reine minne

Nog nooit een zondaar van zieh stiet, Haar, die, als heerscheresse thronend,

Slechte liefde van haar dienaars vergt. Die zij , hen voor Gods toorn verschoonend Aan \'f gloeiend harte bergt?

„Maria — als de stormen jagen En golf op golf het bootje zweept, Dat dan den afgrond ingesleept.

Dan als ten hemel wordt gedragen. Ais duizend, duizend dooden dagen, Dan rijst haar beeld in zilvren glans En giet zijn stralen langs den trans En op de golven neer,

Dan stroomt, na doorgekainpte smart, In \'t door den angst gebroken hart Met vriendlijk leven weer!

„ Maria, beeld der reinste min !

I loe koestrend, hoe verwarmend straalt ge

Den moêgetobden boezem in!

Met wat oneindge liefde daalt ge Van uw verheven zetel af Bij \'t kroost der zonde, \'t kroost der straf Hoe roemt ge u bij den Albehoeder,

Terwijl ge \'t lied der Englen zingt, De diadeem uw hoofd omringt,

Als onze voorspraak, onze moeder!

„O moedernaam, o zoete toon,

Meer kostbaar dan de koningskroon,

ocr page 62

47

Waarin de diamanten vonken,

Meer rijk aan zin en melodi]

Dan ooit een harptoon heeft geklonken, Wat zijt ge een hemehvoord voor mij!

„Maria! toen ontzinde drift Haar merk mijn hoofd had ingegrift, Toen \'k neerzonk, moêgetobt in \'t stre Naar weelde, naar genot, naar leven, Het oog van \'t hemelsche afgewend Toen zaagt ge troostend op mij neder En werd me een moeder zacht en teeder Mij, die geen moeder had gekend!quot;

26.

De kluiznaar zat daar opgetogen In zwijgende bewondering.

Alsof hij aan de lippen hing,

Tot in het diepst der ziel bewogen. En wel verheemlend was \'t genot Dier zacht gestemde melodjj, 1 [eengolvend door de woestenij,

Waar geene zich verheft dan zjj; En zij bezong de Vrouw, die God Tot moeder zich verkoor.

\'t W as Zozimns n.ls klonk voor hem Een bovenaardsche reine stem L\'it \'s Heeren Englenkoor.

27.

„Ja,quot; zoo hernam ze in \'t eind \'t verb „.la, wel mag ik haar moeder heeten. Ze ontdeed mij van de slavenketen, Geborgen onder weidschen praal.

Zij, zij verscheurde \'t toovernet, Waarin mijn ziel zich had gevlochten, Rn toeii mijne oogen zich bevochtten, Toen troostte zij mijn weemoed met Do schoonste hemelgaaf, \'t gebed: Ja, aan haar voet ter neer gebogen. Heb ik gebeden; — o! ik bad.

Ik, die zoo lang gejubeld had

ocr page 63

48

In \'t koor der wellust en der logen!

Ik bad — o onwaardeerbre stond,

Bij \'t los gedartel der koralen!

\'k Was als de vogel, dien het goud Der traliën niet meer weêrhoudt. Die, zwevend in de zonnestralen,

Zijn jubeltoon, zijn vrijheidslied In duizend trillingen vergiet.

Ik bad — daar daalde voor mijn oog Een zilvren lichtglans van omhoog, 1 )aar stond zij naast mij — de eeuwig reine, De Moeder van des Vaders Zoon,

Daar sprak ze op hemelzoeten toon: „Ge zijt me een dochter, teer en kleine „De dochter van mijn zielsgebeên,

„Klem nu uw hand in mijne hand, „Dan voer ik u naar \'t vaderland „Naar mijnen Jezus hoen!quot;

29.

„Het woord der moeder triomfeerde: De zonde vlood — de Liefde keerde!

30.

„Eens lag ik, in mijn smart verzonken,

Voor Jezus\' heilig kruis ter neer,

Eu, bij mijn tranen vreugdedronken.

Smeekte ik: „Geef lijden, lijden, Heer! Gij hebt zoo veel voor mij geleden,

Geleden tot den dood,

Laat mij uw lijdenspad betreden,

Mij, die \'t zoolang ontvlood!quot;

„En Gode lof — bij \'t laatste woord

Was reeds mijn beê verhoord; Des Heeren Engel toonde mij Het pad ter woestenij!

31.

„Daar tracht ik, gants alleen met God, Te boeten voor den gruwbren spot,

Dien \'k in de razernij der zonde

ocr page 64

49

Naar \'t heilig aanschijn slingren dorst, Daar voor het razen in mijn borst, Dat den Gekruiste meer doorwondde Dan \'t sterven als een moordenaar!

Daar boette ik, vruchtloos strevend naar Vergeving — God, zoo \'t mogelijk waar\'

„Ja, God, mijn God! gij zult vergeven; Gij, bron van liefde, bron van leven! Gij brijzelt liet geknakte riet.

Gij dooft liet smeulend vonkjen niet! Gij liebt mij liefdevol geheven,

Ontkerkerd uit het kille graf;

Gij zult uw heilig woord niet schenden; Maar uw genade zal volenden Wat uw genade gaf!quot;

32.

Zacht dook der zonne laatste gloed En kuste nog der bergen voet.

Omspeeld door d\' avondwind,

Geen onkel blaadjen ruischtc meer, Zóo lieflijk lag heel de aard ter neêr.

Als waar\' ze een slapend kind. En schoon zijn gants doorgloeide ziel Het scheiden zwaar en moeielijk viel,

Nam Zozimus den staf En dankte in diepgevoelde taal De vrouwe voor het schoon verhaal,

Dat zij zoo trouw hem gaf.

„Gij wilt dan scheiden, nu, reeds nu?

Hoor clan mijn laatste wensch aan u.

Een stout gewaagde beê,

En toch, \'t is de eenge wensch van \'t hart, Zoo lang gefolterd door de smart.

Door eindloos, eindloos wee!

Zie, keert ge hier terzelfder stee.

Waar \'k, wachtend, u een jaar zal beiden. O! voer dan eenmaal vóór mijn scheiden

Het liefdepand mijns Heilands meê! Dat eens zijn lichaam mij nog voede.

ocr page 65

5U

Dat eens zjjn bloed mijn dorst nog loscli\', Dat dan mijn ziele hemwaart spoede.

Dat is de beê der zondares!quot;

In \'s grijzen oogcn blonk een traan;

Hij had haar zielewensch verstaan.

II.

1.

De morgen daalde in volle pracht, En met der zonne gulden glansen Verdreef hij van de blauwe transen Do doffe neevlen van den nacht. Een zachte purperende gloed Vloot langs den oostelijken hemel Eu kaatste \'t lieflijk kleurgewemel Terug in d\' effen vloed.

2.

En aan don hoogen oever stond De zondaresse en blikte in t rond Met van verlangen stralende oogen;

Zij had zoo lang gewacht — zoo lang Gestreden met des boezems drang, En eindlijk was het jaar vervlogen; De zaalge stonde was nabij !

In heiige ontroering beefde zij;

Door liefde en dankbaarheid bemeesterd, Als door een hooger drift begeesterd,

Vloot heel haar ziel in zangen heen; — En zingen kan de liefde alleen:

3.

„Koning der harten!

Heeler der smarten!

Kom in mijn zwoegende, hijgende borst, Stil van \'t verteerende,

ü slechts begeerende,

ü slechts behoorende harte den dorst!

Hef mij, geknakte,

Sterk mij, verzwakte!

Machtige Vorst!

ocr page 66

51

„Bronaür van leven!

Doel van mijn streven!

Daal tot mij neêr!

Ziellooze spranken,

Staamlende klanken,

Och! de gevallene biedt u niet meer: — Kom, o mijn God en mijn Heer!

„Ach! in het duister der nachten

Hief ik mijn handen omhoog; ü vroegen al mijn gedachten,

Leven mijns levens, licht van mijn oog!

„Zie, in haar reuzige koren Zongen de sterren uw lof;

In liet verstuivende stof Zag ik uw heerlijkheid gloren!

„Juublend in zalig genot,

Prees het heelal zijnen God!

Hopend en bevend en minnend

Stroomde u mijn ziel te gemoet. De aarde en haar glansen verwinnend, Brandend van hemelschen gloed!....

„ Zou Hij naadren ?

Door mijne aadren Stroomt met sneller slag het bloed ! Zing, mijn ziele! o zing uw Koning,

Ziiifi; uw Redder, uw Belooning,

Breng Hem uw leven als liefdegroet!....

„Ja, Hij nadert.

Reeds vergadert De Englendrom!

Do aarde begeeft mij.

De eeuwige luister des hemels omgeeft mij, t Woelende harte wordt zwijgend en stom: — Jezus, mijn liefde, mijn Bruidegom! Kom!quot;

4.

hn toen de ontroerde vrouwe zweeg.

Toen klonk het zachtjens, als ontsteeg Den breeden stroom een zilvren stem:

ocr page 67

52

„Hij komt, Hij komt, ga op tot Hem!quot; Vol heiige geestdrift blikte zij — De kluiznaar stond aan de overzij.

En luid en luider klonk de stem: „Hij komt, Hij komt, ga op tot Hem!\'quot;

Daar was haar leven — maar de stroom

Joeg steeds zijn golven voort, Hoe gaat zij op naar d\'andren zoom. Waarheen het hart haar spoort?

Valt eindlijk niet de slagboom neer,

Haar scheidend van haar Grod,

Daagt nimmer haar de stonde weêr Van \'t zegenrijkst genot?

Hoor, boven \'t murmelend geluid Der kabbelende golven uit Klonk vol en krachtig nu de stem: „Uw Jezus wacht — ga op tot Hem!\'

Waar kracht ontbreekt, geeft liefde moed! Gesteund op God, verteerd door gloed. Betrad de vrouw den broeden vloed. En zie, zij zweefde langs de baren, Als droegen Christus\' Englenscharen Zijn bruid hun meester te gemoet!

5.

Aanbiddend zeeg zij aan de voeten Des heilgen kluiznaars neêr;

Maar wie, wie geeft in klanken weer Dat zoo verruklijk zacht ontmoeten Van \'t schepsel en zijn Heer?

Neen, wij aanbidden, loven, zwijgen.

En de overstelpte ziel Kan slechts een smeekbede op doen stijgen, Dat ook ons harte moog\' verkrijgen Wat haar te beurte viel.

6.

„Gij keert terug terzelfder tijd !quot;

Dat was de dank en bede tevens.

ocr page 68

53

Dio zij den kluiznaar had gewijd.

En, vol van d\'overvloed des levens En badend in genot,

Betrad zjj, zalig in haar God, Der golven schuimend pad.

En was het wonder, zoo haar ziel Ueen schaterenden zang meer had,

Maar slechts een traan haar oog ontviel. Haar lippen slechts de dankbre bede:

„/ie op uw dienaresse neer „En laat haar ingaan in uw vrede,

„Mijn Bruidegom en Heer!quot;

III.

1.

Weer was een jaar voorbijgevlogen,

Weer was de grijze kluizenaar, Op \'t voorbeeld van de broedrenschaar, De woestenijen ingetogen;

Het grijze hoofd ter neer gebogen

Ging hij door \'t stuifzand, mul en zwaar, Slechts moeizaam voort met tragen tred; Hij scheen verzonken in gebed.

Toch heerschte in zijn gemoed geen vree, Een angstig voorgevoel beknelde Zijn driftig kloppend hart, als spelde De toekomst onherstelbaar wee,

En rustloos zwierf zijn vorschend oog Soms langs de breede vlakte henen, Die, helder door de zon beschenen ,

Geen enkel punt zijn blik onttoog.

2.

Daar nadert hij dezelfde plek,

Waar in zoo liefelijk gesprek De vrouw haar ziel hem had geopend; •— En zal ze er nog zijn ? — Vreezend, hopend, Bewoog zich zijn ontstelde voet;

ocr page 69

54

Zal /ij or nog zijn? — O! hot bloed, Scheen in zijn aadren to verstijven;

Hij kon het droombeeld niet verdrijven. Dat voor hem opdook, dof en vaag, Als antwoord op die dwaze vraag,

En hoe hij, worstlend, zich bemoeide Die vraag te ontwijken — immer boeide Zij heel zijn wezen, heel zijn geest. Die vreezeud hoopt en hopend vreest.

3.

En zie, op eenmaal zag bij haar.

En als verpletterd stond hij daar De vale olijftint van den dood Verving der wangen gloeiend rood, Hot zwervend oog stond star en dof Alsof de blik der slang hot trof.

Zijn boezem hijgde, \'t bonzend hart Werd als vaneengorukt door smart, En van zijn lippen, paarsch en kil,

Joeg straks een angstkreet, rauw en schril.

4.

Wie ooit zijn harte mocht bespieden,

Als, na het droomboold van den nacht, Dat met schier bovenaardsche macht De rust der sponde hem deed vlieden, Als, na dat uur van ijdle vrees,

De doffe werklijkheid verrees En men hetzelfde schrikbre beeld,

Maar nu door zonnelicht omspeeld.

Voor \'t wijd geopend oog deed rijzen, — Wie dan de martling l^eeft gevoeld, Die door hot twijflend harte woelt. Den schrik, die \'t stollend bloed doet ijzen, Hij gist, hoe op des kluiznaars ziel De waarheid piettrend nederviel,

Hoe op zijn afgestreden wezen De felste droefheid stond te lezen,

En hoe hij zonder levensblijk Ter neer zonk op der vrouwe lijk.

ocr page 70

o5

5.

En, toch geen vreeslijk schouwspel bood Dat zwijgend offer van den dood — Hot graf had al zijn somberheid IViet langs dat wezen heengespreid.

Geen hand, in koortsdrift saamgenepen ()f in \'t ontvlochten haar verward,

Green kramp van onbeschrijfbre smart. Die elke spier had aangegrepen,

Green glazig weggezonken oog,

Dat reeds het floers des doods betoog, Op \'t kleurloos bleek gelaat geschreven. Herriep de felle worsteling,

Den laatsten grooten strijd — van \'t leven In zoete rust lag zij daar neêr. Een glimlach, hemelsch zacht en teèr, Scheen om den bleeken mond te zweven;

Het oog was op het kruis gevest. Het kruis, de zon van hare dagen,

Dat ze in der polsen laatste slagen Aan \'t harte had geprest.

Zij had het sterven niet gevreesd;

Haar was de dood een blijde bode,

Een lang verwachte vriend geweest, Die haar ter eeuwge bruiloft noodde En opriep tot het zegefeest.

Zie, als de frissche roos haar knoppen

Verbreekt, den vollen purpergloed, Bedauwd met parelende droppen, In \'t gouden zonlicht glansen doet,

Als /.ij de zoele lentelucht Met balsemenden geur bevrucht. Dan breekt de vlinder uit zijn schellen, En scheurt de windsels, die hem knellen

En, drijvende op den zonnestraal.

Schijnt hij, uit kleuren saamgeweven, Een bloem, de bloemen rond te zweven

In vollen levenspraal.

Zoo brak bij \'t lied der Englenscharen

Haar ziel het leemen hulsel stuk, Om hoog en hooger opgevaren.

Bevrijd van boei, verlost van \'t juk,

ocr page 71

56

Haar eeuwgen Bruigom aan te staren,

Haar eindeloos geluk!

6.

Nog lag de grijsaard neergebogen In \'t jammer, dat zijn ziel verteert En al zijn krachten overheert;

Maar eindlijk welde er uit zijne oogen Een traan, de zoetste leniging,

Die \'s menschen hart van God ontving. Een traan, die bij het koortsig gloeien Weer nieuwe kracht in \'t bloed doet vloeien En in het leven meer genot Doet vinden bij \'t rampzaligst lot.

De grijsaard weende en loofde God.

7.

Hoor, hoor! daar davert door do vlakten

Een vreeseljjke kreet,

\'t Is of de wolken samenpakten

En door de luchten, zwoel en heet. Het buldren van de donderslagen,

Door d\'ongebonden storm gedragen,

Zijn volle klanken loeien deed!

Hoor, hoe het immer verder rolt En dreunend langs de heemlen holt En rondbruist door het zwaatlend lover!

Soms slaat de zware schoone schreeuw Tot scherp en snijdend gillen over:

Het is het brullen van den leeuw!

Daar staat hij op des heuvels top. Het puilend oog bespat met bloed, Doorsprankeld met den bliksemgloed. Hij heft den zwaar gespierden kop.

Zijn gouden manen rijzen op,

Zijn lenden schokt de razernij, Die rondzweept in den breeden staart. Zijne ijzren klauwen ploegen de aard: Ja, \'t is de vorst der woestenij!

ocr page 72

57

8.

Dc kluiznaar zag on hief het oog , Om hulpe smeekend naar omhoog;

(reen aardsche kracht bracht redding aan , Slechts God kon hoeden voor \'t vergaan. Op eens — als ware een hooger sterkte Gevloten in zijn wankle ziel,

Of dat het hem te beurte viel,

Dat Godes geest in \'t harte werkte,

Hij hief zich stout en krachtig, luid Sprak hij \'t bevel des Heeren uit: „Gij schepsel, buldrendc in uw trots. Gij zijt de slaaf der Heilgo Gods;

„Stijg eerbiedvol den heuvel af „En delf haar lijk een waardig graf!quot; En voor hij ophield met te spreken Sloeg hij vol eerbied \'s kruises toeken.

9.

Met minder ootmoed, dan het kind, Dat, in onschuldgen eenvoud, blijde Ter neer geknield aan \'s moeders zijde fu \'t knielen nog behagen vindt.

Boog zich de koning der woestijn Bij t lijk der Heiige Gods ter neêr. Om, naar het wachtwoord van zijn Heer Haar dienaar en haar slaaf te zijn.

Met zjjn gestaalde klauwen groef Dc leeuw hot heet woestijnzand open;

En toon de grijsaard stil en droef.

Maar kalm, — want levend was zijn hope \' )p eeuwige hereeniging Tc midden van der zaalgen kring — Het heilig lijk der aard hergaf.

Toen sloot de leeuw weer \'t open graf.

Des krijgsmans zwaard vergaat door \'t zwaard, Dc kroon gaat door de kroon verloren, — Zij, die in Christus zijn herboren.

Zijn eeuwig koningen der aard!

10.

En nu ja , kniel, gij arme grijze,

En stort op ongedwongen wijze

ocr page 73

58

Don weemoed, die uw hart omsluit, In onbespiede tranen uit! —

Gij mindet haar, als heilgen minnen,

Gij weeklaagt, maar benijdt haar niet; En door den sluier heen der zinnon Breekt hemelklaarheid, en gij ziet Haar, na het roemvol overwinnen, In glorielicht op Slons tinnen,

Waar zij haar Bruidegom geniet.

Maar hoe, hoe wringt ge uw handen saam, Hoe laat ge uw marmerkouden lippen Dat wcemoedsvolle woord ontglippen;

„Gij, Heiige, kende ik slechts uw naam?quot; Zie om u, in het mulle zand Liet nog der heiige veege hand Het antwoord op uw vragen na:

„Maria Aegyptiaca!quot;

Maria Aegyptiaca!

Het golvend stuifzand der woestijnen Zal in dor stormen jacht verdwijnen,

Maar, hoe het dwarrel en verga, Die naam, in \'t nietig stof geschreven,

Zal klinken langs hot wereldrond Zoo lang de God van liefde en leven, Die Magdalena had verheven,

1

-

Dor zondaresse schuld ontbond , — Zoo lang do God, die \'t kruishout torste Eu naar hot hart der menschheid dorstte. Aan \'t aardrijk wordt verkond.

Gij schoono, zoete, heiige Vrouwe, Die, mot de hemelkroon goeierd. De kroon, herwonnen door uw rouwe. Do bruiloft des Beminden viert! Zie op den jongling, die zijn lied. Zijn stamelenden zang u biedt, Zio op zijn diepe ellende noêr. En bid voor hem den Hemelheer!

■i

ocr page 74

De SetiLo en haaF JKpnin^.

----

yA;AN

Z. D. H. Mgr. A. J. SCHAEPMAN,

BISSCHOP VAN HKSEBON, I. 1\'. I. ENZ.

BIJ ZIJNE TERUGKOMST UIT ROME

met den meesten eerbied O HP Gr E ID ü -A_ Gr E HST.

Wat Gij gezien hebt in het volle licht Van Romes zon, in al den gloed van \'t leven Heb ik getracht in klanken weer te geven;

Maar geeft het woord, het stamelend gedicht De grootheid weer, die U het hart deed beven ?

Hergeeft de toon der zwakke harp de weelde, U toegestroomd uit Pius\' teder oog;

Hergeel ik U zijn houding, fier en hoog. Of d\'aureool, die om zijn slapen speelde,

Toen hij met U naar Petrus\' tempel toog?

Ach, wat zijn woorden, wat is mensclientaal Voor hem, die \'t volle leven daar aanschouwde, Wat al de kracht, waarop de dichter bouwde

Bij \'t zielsgenot, gesmaakt in \'t ideaal,

Dat in de hand des kunstenaars verflauwde ?

Gij hebt gezien, — en zoo het spel der klanken

U slechts een flauw maar tevens vriendlijk beeld Van Romes glorie, van den Priestervorst herteelt. Ik zou den geest, die mij de harp gaf, danken, Ik had, God lof, niet te vergeefs gespeeld.

ocr page 75

Al goofl onze eeuw linog op van hare viijheid. al roemf ze op de verlossing van de rede. op lt;le onafhankelijkheid van den geheelen mensch toch staal zij slechts gelijk met de oproerige, die. te midden van haar zegefeesten, haar meester ontmoet, en voor haar Koning buig!.

Onze eeuw heeft haar beheerscher en haar koning, dien zij nergens •van ontwijken. die op elk punt haar zege logenstraft, die haar dwingt zijn grootheid te verkondigen, waar zij hem lastert en vloekt.

Pius IX. niet juist de persoon, maar wel de opvolger van Petrus, de plaatsbekleeder van Christus, — hij is de hoofdpersoon onzer geschiedenis, de Koning onzer eeuw.

Door de kreten heen, die hem vloeken als den moordenaar der vrijheid, gaat de zelfde grondtoon als door de heilwenschen der trouwen: de belijdenis van zijn Koningschap.

Dat daarom de persoon, hoe aantrekkelijk en verheven ook. toch eenigszins in den achtergrond treedt. voor hem die boven alles den Paus wil bezingen, wien zal het vreemd toeschijnen? Dat er veelheid van vorm moest zijn in de voorstelling waar hooge eenheid is in het leven, dat éene lijst niet alles kon omvatten. is het niet reeds uitgesproken in het woord des dichters:

Nie kann der Mensch wie viel er auch vollende.

Wie kühn er sei sich zeigen als ein Ganzes;

Und was er ausführt gleicht es nicht am Ende,

Zerstreuten Blümen eines grossen Kranzes?

Mochten de nederige bloemen, door mij gestrooid, den vriendelijken lezer een denkbeeld geven van den gloriekrans, dien de geschiedenis eenmaal om het hoofd van Paus Pins den IXe vlecht.

Op den Feestdag van Sint AUGUSTIJN. 28 Aug. 18(i7.

ocr page 76

I.

Carjix de Cruee.

1846-1850.

TjVEn trillend lof- en dank-akkoovd,

Een juichtoon, aan liet hart ontsprongen, Belichaamd in hot heerlijkst woord, Een hymne, in eeuwen niet gezongen,

Een jubellied klonk over de aard\'. Vol poëzie en liefde en leven.

Door alle volken aangeheven

In éene geestdriftvolle vaart.

Het was het lied van alle talen :

Het dartelde onder Napels\' lucht, In ongedwongen feestkoralen,

In rijke maat en hooge vlucht:

Het bruiste door de noorderstonnen In krachtig mannelijke vormen.

En \'t staamlen van don Afrikaan Smolt met de rijk bezielde tonen, Het feestljjk koor van Rome\'s zonen, \'t „Evviva Pio Nono!quot; saam.

Wel was \'t een uur van heiige weelde,

Toen \'t eerst die wondervolle naam Met zoeten klank de lucht doorspeelde: Wel stoi\'tte Jezus\' blijde bruid Het dankbaar hart in zangen uit; Wel klonk \'t Te Deum na het klagen Om \'t zwart behangen hoogaltaar, Na \'t weenen bij des grijzen baar;

liet Oosten spelde donkre dagen.

En zware wolken hingen neer:

En wie, wie zou de krone dragen.

ocr page 77

62

Krone uit het reinste goud geslagen,

Doch doornenkroon gelijk weleer ? Verruklijk scheen de Junizon,

En vlocht den groenen heuvelklingen,

Die als met lauwren Rome omringen. Een krans van gouden stralen om;

Daar rolde \'t zware klokgebrom.

Daar werd de feesttrompet gestoken,

liet klemmend zwijgen werd gebroken,

En van Sint Pieters hoogen dom,

Tot aan der aarde verste palen

Goot zich de stroom der geestdrift uit.... En alle natiën vertalen

Het zegelied van Christus\' bruid.

„Evviva, Pio Nono!quot; ja.

Daar stond hij voor het oog der scharen.

De drager van Gods heilgena! —

Bij \'t woelend wentelen der baren.

Bij \'t brullend raatlen van d\' orkaan,

Brak in zijn vollen middagluister,

liet eeuwig woord door \'t nachtlijk duister:

„Nooit zal de Pefrusrots vergaan!quot;

Daar stond hij, menschenzoon als allen.

Van een geslachte met den groep, In heilgen eerbied neergevallen

Hem groetend met hun vreugderoep;

Daar stond hij —- stervling, maar onsterflijk,

Geen krokend riet, maar ijzren rots.

Macht, door geen aardsche macht verderHijk: De Paus, de Stedehouder Gods!

Zie, Pius naakt, — een heilig zwijgen

Vervangt het schaterend gerucht, En slechts der harten beden stijgen

Als balsemgeuren in de lucht.

Hjj heft het smeekend oog naar boven.

Waar de ongeziene Bron ontspringt Van \'t moedvol hopen, \'t rein gelooven.

Waar ongestoord de liefde zingt;

HÜ bidt en strekt de hand ten hoogen, Hjj. tussehen aarde en hemel, daar Geplaatst als vorstlijk middelaar:

En als een hooger sfeer ontvlogen, Zoo ruischte een wondervolle toon,

ocr page 78

63

Als nimmer \'s menschen oor verzaadde,

Als \'t Englenloflied vol en schoon,

Zijn zegen: „Vrijheid en genade!\'quot;

„(ienade en vrijheid! tooverklanken,

Die door het langzaam kloppend bloed Een stroom van heiige levensspranken

En hooge blijheid hupplen doet!

Gij, die, wat stormen ons omgeven,

Vertrouwen schenkt en frissche kracht. En zoete droomen neer doet zweven In \'t donker van den lijdensnacht!

Genade, die met zachte hand De tranen droogt, ter neêr gevloten

Bij \'t heimwee naar het vaderland! Genade, die den mensch, verstooten

Door \'t star, onbuigzaam, wreekend Recht, Weer in der Liefde kring doet treden

Als aller broeder, niet als knecht!

Gij, die de moeder, wier gebeden

Slechts vroegen om een rasschen dood, Weer op doet springen van verlangen.

Weer juichen doet van blijde zangen,

_Nu zij haar zoon in de armen sloot.

De Vrijheid, — \'t heerlijkst adel tee ken, De beeltnis Gods in \'s menschen ziel, Dat hij-alleen zich voelt ontbreken ,

Die tot den laagsten rang verviel. Do vrijheid, goddelijker waarheid Geliefde dochter, heerlijk kind,

Die vrede brengt en harten bindt.

En (li)or haar bovenaardsche klaarheid

Des wannzins neevlen overwint!

Zij blijft — al wondt den pols de keten, Al prest de ontvleeschde schouders \'t juk De vrije mensch hij kent geen druk, Onbuigbaar blijft het fier geweten, —

Als \'t, op der waarheid rots gesteld,

Geen ijzren arm, geen ruw geweld,

Geen valsche list, geen ondergraven :

Alleen de logen maakt tot slaven.

Alleen de boei der misdaad knelt.

De Vrijheid, -- maar de valsche niet. Die, van haar oorsprong af verbasterd.

ocr page 79

64

Het godhjk recht dor waarheid lastert,

öleehts kransen aan do logen biedt Die in de onzaalge borst geboren

Van d\' Engel, die Jehovah tart, Het bandloos lied der hel doet hooren Voor licht een rosse toorts doet gloren -Ln recht met hoovaardij verwart •

Die in haar eigen gloed verterend\' Den broeder en zich-zelve ontzielt hn ware vrijheid van zich werend, \'

Den hiel des dwinglands kussend, knielt\' üe vrijheid, onder \'t kruis ontspringend

hn stroomend heel de wereld door j et nieuwe kracht den mensch doordrinffond IJie, monsters als zijn Goden zingend,

Helaas, en God en oer verloor! De vrijheid, met gezach verbonden,

V\'r ^ll0011st juweel der vorstenkroon, .let hofde en trouwe saamgewonden; Do heiige wreekster aller zonden,

Do gave van den Menschenzoon!

«Genade en vrijheid,quot; schoone leuze

Van t boven alios hoog; trezach •

Verheven geest, waarin die keuze Gevormd werd en gekoesterd la»-! Wel minlijk hart, door liefdegloed overmeesterd en verslonden Dat slechts de haat blijft voor do zonden,

Maar heilgenade voor wie boot;

Dat do ijverzucht der Vorston wrakend

Alleen den vadernaam begeert Don gouden heerschersstaf verzakend,

Door t Kruis de warelden regeert!

\'t Was of er achttien eeuwen vloden, Kn weer des Meesters heilig woord

Door \'t jongrontal werd aangehoord: „ Mij zal do hand der misdaad dooden;

„Mij zal de haat der warold slaan;\'

„Maar schoon ook u haar hiel vertrode

„hchooii t Kruis het lot blijft van uw baan „/iet ik, ik laat u mijnen vrede!quot;

Do haat dor warold? Ruiseht dan niot Om Pius\' zotol \'t dankbaar iiod,

ocr page 80

65

Door duizend duizenden gezongen!

Zweeft niet op millioenen tongen De hymne, die het hart hem biedt!

Doet zelfs de vergelegen kust,

Aan de overzij der blauwe wateren,

Geen jubelende tonen schateren

Vol nieuw ontwaakte levenslust? — O, wuft en grillig is het volk :

Op \'t rijke spel der zonnestralen

Volgt ras de bliksenizwangre wolk, — Hoort door den stroom der feestkoralen Het lied dos oproers rijzen, dalen;

En onder bloemen flitst de dolk!

Schoon zjjt ge, o Rome, heerlijk schoon. Gij, koningin der voorgeslachten ,

De hoogste gaven, êelste krachten, Zij vlochten u den vorstenkroon! Het zwaard, dat dood brengt en verdelgen, Heeft u de glorie toegevoerd,

De wareld aan uw kar gesnoerd;

Maar met den throon der keizerstelgen Zonk ook uw fiere heerschappij, Als schaduw ging haar glans voorbij.

De kunstnaar schiep zjjn idealen Voor u in kunstgewrochten om,

En nog, nog staat de nazaat stom.

Bij wat uw puinen hem verhalen Van hunner jonkheid adeldom.

Maar toch, wat grootheid ze ons verkonden, \'t Is \'t woord des grafs, het leven vlood, De kunstnaar is aan \'t stof gebonden: De wet van alle stof is — dood!

Het lied der dichters klonk en trilde.

Hun helden waren de uwe alleen; Hun fier, geestdriftig harte wilde

U eeuwgen als den marmersteen,

Waarop uw glorie stond geschreven, —

Maar \'t schepsel geeft geen eeuwig leven: De cither zwijgt — de toon sterft heen !

En toch was u een kroon bereid. Die onverganklijk, in het duister Der tijden, met ondoofbren luister

ocr page 81

66

U sieren zou voor de eeuwigheid! De palm. gewonnen door het bloed, Gepurperd in den breeden vloed, Die stroomde uit de opgereten aaren Van drie miljoenen martelaren,

De lelie, rein en onbesmet.

Door maagdenhand van \'t slijk gered, De lauwer, om den schedel stralend

Der leeraars, trots des liehaams pijn. Door \'t woord des Greestes zegepralend, Zij zouden uwe krone zijn !

En hij, die op den Aventijn,

Alleen te weinig lijden duchtend, Uw bodem met zijn bloed bevruchtend.

Aan \'t slavenkruis zijn leven gaf, Hij zou, bij quot;t juublen der victorie,

U deel doen hebben in zijn glorie,

U groot doen zijn als Petrus\' graf: Gij bleeft der wareld Koninginne:

Niet door den dwang der slavernij,

Maar door de kracht der vrije minne: Het kruis blonk van uw gulden tinne: Der Pausen zetelstad waart gij!

Ach, juist die grootheid wilt gij niet, In onverklaarbre woede sart gij

De hand, die u het leven biedt;

Door koortsdrift opgedreven, tart gij

Het vlammend zwaard des wrekers uit. En zingt de hymne van uw vrijheid,

Gij, reeds der dwinglandij ten buit, \'t Profetisch lied van hooger blijheid.

Terwijl de Satan u vertreedt;

Gij hebt u vv purper heeugesmeten

In ruil voor \'t grove slavenkleed, — Gij wilt een kroon, gij vindt een keten!

O Home, Rome, hoor, de stem, De reuzenstem der voorgeslachten, — Het fluistren van uw zielsgedachten, — Het roemt den Paus, het spreekt van hem En gij, gij dondert: weg met hem!

Bjj \'t roode schijnsel der flambouwen.

Viert gij den moordnaar des getrouwen,

ocr page 82

«7

Wiens zielloos hulsel gij bespot;

Wiens laatste woord, bij \'t woest rinkinken TJ somber dreigend toe blijft klinken: „De zaak des Pausen is bij God!quot;

Maar voort! het monster is ontketend, Dat in de ziel des menschen huist, En dat zijn ijzren boei vergetend

Als lava door den bloedstroom bruist; Het oproer is zijn baan begonnen

En holt in dolle woede voort,

Door \'t zwaard der dappren onverwonnen.

Door liefde tot verraad gespoord, \'t Mosanna hoeft voor lang geklonken,

Het kruist hom! klinkt ontzettend na. De Junizon heeft uitgeblonken.

En is in neevlen weggezonken;

Op Thabor volgde Golgotha !

Nog eens een langen blik geslagen Op \'t heerlijk oord, op Napels\' kust, Waar nieuw genot en reiner lust -Met iedren frisschen morgen dagen En slechts de drang der zorgen rust. Nog eens een groet u toegewuifd, O Napels! en de zeiler stuift De golven door, de Kaap voorbij; Omsluierd zijn uw heerlijkheden,

Doch voor den geest des vreemden treden Zij weer in bonte mijmerij!

Maar zie, daar rijst voor \'t starend oog Een grauwe steile rots omhoog,

Die op haar kruin een vesting torsend •— Het beeld vertoont der ruwe kracht ïe midden van de speelsche pracht.

Haar naam? Zoo vraagt de vreemde vorschend Die traag zijn uujmring onderbreekt. Tot luide een stem: Gaëta! spreekt.

Gaëta! — dan hot hoofd ontbloot. Een hulde aan \'t onheil dan geschonken; Want heeft de maar niet rondgeklonken Dat Pius daar \'t geweld ontvlood?

ocr page 83

68

Een hulde aan \'t onheil dan!

Maar vlucht iVu Petrus volger voor \'t gerucht Der losgebroken vrijheidskoren?

Staat niet omstraald van eeuwig licht Zijn zetel op de rots gesticht,

En gaat niet iedre macht verloren,

Die tegen hom haar wapens richt? De Paus gevlucht? Is niet de zege ^ Van eeuwigheid hem toegezegd,

^ erkondt zijn stem niet allerwege,

Dat God den strijd voor hem beslecht! Gaat niet een juichtoon door de lucht, Zoo dikwijls de oorlogsfakkels rooken: „De tijd der zege is aangebroken,

„God maakt zijn wrekende\' arm geduchtquot;? En Petrus vliedt, en Pius vlucht?

De zwakheid is de hoogste kracht, De glorie wordt door schand bevochten, ^ En t vluchten in den sombren nacht Kan schooner zijn dan zegetochten ?

„Wat dwaasheid!quot; spreoktde mensch en lacht: „Wat dwaasheid! Zie, aan \'t eerloos kruis Hangt daar een dwaze vastgeklonken, Die, zinsverbijsterd, tuimeldranken,

Zich Koning waande uit Davids huis!

Zijn erfdeel was geheel \'t geschapen\',

Der volken heil, dor wareld lot Hing aan zijn wenken, om de slapen

Droeg hij de kroon van d\' eeuwgen God!

„En ziet ge \'t? Heerljjke ironie Door \'t bovenschrift u aangeboden:

Geschreven staat het: „Vorst der Jodenquot;, In \'s warelds talen, alle drie!

En hij, hij sterft, onteerd, bespot, Hij wareldkoning, Zoon van God! ^ De dwaze! — wat een felle traan Zal langs de dorre kaken vloeien.

.iVls stiaks de Avondkoorts \'t lijf doet glooien.

De matte polsen driftig slaan!

Dan zal hij, ach te laat, beweenen Dien eersten stap. zoo ras gezet

ocr page 84

69

Op \'t pad der eerzucht, en nog stenen Om \'t armlijk huis te Nazareth!quot;

Het lied van alle wareldtalen

Geeft antwoord op der vuigen spot,

Zijn slavendood is zegepralen,

Hij throont in eeuwge gloriestralen, Oneindig Koning, Zoon van Clod! Hoe buigen voor Zijn wareldscepter En helden macht en vorstendom!

Heel de aarde is van aanbidding stom, Geen gouden Cherubsvleugel klept er,

Wa ar Hij zijn hoogen zetel sticht,

In de ongemeten zee van licht:

Een toon slechts dringt door alle koren Waar de Englenharp Gods eer verkondt, .Fa, jubelt heel de schepping rond Als immer, immer nieuwgeboren. En dondert door het rijk dor nacht; De zwakheid is de hoogste kracht.

Nog eenmaal dan: liet hoofd ontbloot, Niet voor een grijzaard, lieengedreven Van \'t wettig erf, door God begeven.

Maar voor den Koning sterk en groot Wiens heerschappij het al omvademt, Wiens hand elk schepsel, dat er ademt, In \'t eenig huis des Vaders noodt.

Gaëta, — hoort ge \'t heerlijk lied,

Langs nwe dorre steenrots huppelend,

Kent gij den zang der liefde niet, Die, zacht in tranen nederdruppelend, Deu Vader \'t eigen leven biedt? O schooner dan op d\' eersten dag,

Toen \'s Heeren Kerk haar Pius zag, En uitbrak in verheven zangen,

O schooner klinkt haar melodij, Nu moordnaarskreten \'t „heil!quot; vervangen; Nu klinkt des harten poëzij!

Of zegt me, kent ge een reiner toon, Dan \'t staamlen van de weduwvrouwe Die, half verpletterd door haar rouwe,

\'t Met eigen zweet verdiende loon Hier afstaat in verheven trouwe

ocr page 85

70

A oor Petrus\' recht, voor Pius\' throon? Eu toch — zoo zongeu duizend monden; L)e Vader boven kent hun tal;

Eens zal Hij aan \'t verbaasd heelal Ue namen van die helden konden Bij \'t zegevierend feestgeschal!

Dan zal \'r geheim zich openbaren,

Dan wordt de flauwe scheemriug licht. Dan zal \'t ontsluierd aangezicht Op de ongeschapen waarheid staren,

Waar \'t antwoord aller raadslen ligt! Daar straalt in vollen middagglans. Aan d\' onbewolkten hemeltrans \'t Geheim der zwakheid en der schande.

En bij der Englen harpgeruisch Treedt Pius, die het onrecht bande. Verwinnend Koning door het Kruis!

Een krachtig lied voor de oorlogshelden! Een zegelied voor \'t ridderzwaard! Ton forschen toon de harp besnaard; Verheven klinke \'t langs de velden

En zing hun roem der wachtende aard! Een lied voor Frankrijk, \'t land der eere,

De bakermat van kracht en moed. De machtige arm, waarmee de Heere

Zijn daden wrocht, zijn woudreu doet! (Jegroet, gij, ongelijkbre sterkte.

Gij, moeder van een heldenkring,

quot;Wier vuurge moed geen dam beperkte, ier hoofd de Geest der kracht omvlerkte. Als de oriflamme voorwaarts ging!

Land van de fiere Paladijnen,

Vereeuwigd in liet heldenbeeld.

Dat ons de Zanger heeft geteeld Als hij ons Roland doet verschijnen,

Aliens naam door Roncevalle speelt! Gij, moeder veler heilgen tevens, Hoogstralend in uw Lodewijk, —

AVat zijt ge aan iedre glorie rijk,

quot;NVat geeft van d\' overvloed des levens De schaar van uwe zonen bljjk! Hoe schittert in ontaanbren glans Het beeld der zachte herderinne,

ocr page 86

71

Der heldeninaagd van Orleans!

ü vlecht deze aarde een lauwerkrans; En \'t heerlijk lied van Sions tinne,

Dat henendringt door \'t lager zwerk, Roemt ii der natiën heldinne,

U, de oudste dochter van de Kerk!

Een lied voor Frankrijk! De eeuwge God Gaf daar Zijn wrekend zwaard in handen,

Sloeg, onder vreeslijk bittren spot, \'t Omwentlings-ondier weer in banden. Dat zicli de meester dacht van \'tlot. En Frankrijk, trouw aan zijn historie.

Trouw aan zijn aadlijk voorgeslacht. Herstelde in zijn onkrenkbre macht Den Paus, wien \'t juublen der victorie Aan Romes blijde poorten wacht.

Hoor, weder klinkt der vreugde zang Uit \'s harten vrijen, heilgen drang;

AYeèr juichen Rome\'s ware zonen;

Weer klinkt, als eenmaal, forsch en luid. Ver boven andre glorietonen,

Het blij „Evviva Pio!quot; uit.

Gebroken is de macht der droomen. Gebroken is de tooverkring.

Die \'t afgedwaalde volk omving;

Der vrede Vorst is neergekomen,

Gaëta\'s grijze banneling!

Het uur der worstling is verstreken,

Der strijd is om, de nacht vergaat. En door de grauwe neevlen breken

De glansen van don dageraad;

Het licht verrijst, de kimmen gloeien, —

De dood beheerschte Golgotha,

Maar \'t Eeven breekt de grafsteenboeien pjii jubelt luid, Allelujah!

O, zoo bij \'t schaterende koor, ]5ij \'t ruischen van de zegezangen, Een sluipende angst de borst bleef prangen, Dan vond zij in de beê gehoor;

Almachtig God der legerscharen, „Die Frankrijk uitkoost tot uw zwaard, „Wil \'t in uw heiige trouw bewaren,

ocr page 87

72

„En nieuwe lauwren doen vergaareu, „Als steeds uw rijker zegen waard!quot;

De toekomst is voor \'t oog verborgen;

Ons deel op aarde is kamp en strijd. Op \'t blijde lieden volgt een morgen ^ au angst en worstling, nood en zorgen Maar God is Koning van den tijd!

ocr page 88

II.

1854

Een kind des hemels is de Wetenschap, geboren

In d\' oceaan van licht,

Waar \'t heerlijk loflied golft der negen Englenkoren

Voor \'s Heeren aangezicht.

De stralenkrans der zon is imar ten kleed geweven

En, waar zjj nederdaalt,

Versmelt de nevel en ontkiemt het zuiverst leven,

Dat ooit de ziel bestraalt.

Het adelteeken Gods, dat op haar voorhoofd flonkert,

Verheldert ieder spoor;

Haar oog, als de aadlaarsblik nooit door een smet verdonkerd ,

Peilt alle diepten door;

Het ingewand der aard ligt voor haar schreden open.

En in haar hooge vlucht Telt zij de starren, meet de banen, die zij loopen,

Aan \'t maatloos ruim der lucht,

Ja, heerlijk bovenal, zij peilt den Mensch, dat wonder,

Dat raadsel, in wiens hart De hartstocht loeit en raast als de ongetemde donder.

Of \'t klaaglied zucht der smart;

En iedren lauwerkrans, op \'t grootsch gebied veroverd,

Vlecht ze in éen krone saam Waarmee zij d\' eeuwgen God, haar Suzerein, omlovert,

Bij \'t zingen van zijn naam!

Maar ach, gevallen is de hemeltelg; haar vlerken

Zijn, zwaar van slijk, geknot;

En kruipend over de aard vindt ze op deze aard haar perken, En doemt zich zelv\' ten spot.

ocr page 89

74

Verduisterd is de glans, die, van haar voorhoofd vloeiend,

Haar overgoot met licht;

Zij draagt het gooehlaarskleed, waardoor zij, dwazen boeiend.

Zioh zelve als logen richt.

Geen hymne meer voor God, geen hoogere idealen,

Die in liet dor gemoed Des levens volheid en der waarheid licht doen dalen

Met tintelenden gloed.

Die dagen zijn voorbij, die grootheid is vervlogen;

Der empirie alleen Dankt zij den waarheidsschat, dien ze uitstalt voor onze oogen

Als louter werklijkheên;

Bij \'t chemisch onderzoek, gehuld in vuile gassen.

Sticht wetenschap haar hof,

En op de vraag: „Vanwaar?quot; komt u liet woord verrassen: „Het eerste en laatste is: Stof!

- „In d\'aanvang was liet slijk, in de eeuwige eeuwigheden, „Voor iets nog was, was slijk; — zijn wentling ingetreden, „Naar eeuwge wetten, werd \'t bewustloos slijkatoom „Tot wareldbol; — al ras werd uit een nieuwen stroom „Van kringlend wentelen de lucht om ons geboren, „Met sterren, maan en zon!

En nieuwe tijden gloren: „Het levenlooze wordt tot leven, — ziet de plant „Ontkiemen uit het slijk! Door de ijzervaste hand „Der wetten wordt \'t atoom weer in een krino- gedreven, „En nu ontstaat het dier, ontstaat \'t bezintuigd leven; „En eindhjk schept liet slijk zijn grootste meesterstuk, „Het denkend leven, ja den mensch!

En nu, gij menschdom, buk, „Ja buk u diep ter aard, omhels liet slijk, uw moeder, „Gij kent haar, dat alleen ontbrak het rund — uw broeder!

„In d\' aanvang was het slijk, geen geest, geen hooger kracht „Dan onder \'t zintuig valt heeft de aarde voortgebracht. „Weg met do mythen en de fabels ! Op de vragen „Der wijzen uit den nacht der lang vervlogen dagen „Geeft onze wetenschap het antwoord, breekt het slot Van elke mysterie: \'t stof is oorzaak, - einde, - God!quot;

En \'t woord der wijzen vindt zijn antwoord in het leven:

Want leer en daad zijn een;

De kracht van \'t denkend brein drijft ras het willend streven Naar \'t zelfde doeleind heen.

ocr page 90

75

De droomen van liet brein, die \'tzielloos stof vergoden,

Slaan wortel in het hart,

Dut, hijgend naar geluk, des Eeuwigen geboden

Als vloekbre ketens tart.

Stof is de menschheid, stof! - dan ook in \'t stofgewemel

Naar \'t hoogste doel gestreefd!

De inenseh wil stijgen, wil een zaligheid, een hemel:

De stof is quot;t, die ze geeft!

Haar ideaal aanschouwt ge in \'t beeld der fille-mère;

Het lied van Béranger Galmt van de lippen af der veile bayadere. En \'t slavenkoor zingt mee.

„Kozen van Cyprus omkransen den beker, \'t Purper der druiven tint het kristal;

quot;t lieden is kort, en het morgen onzeker;

Morgen misschien komt der vreugde verbreker, Kleppert de doodsklok, voor \'t bekergeschal!

Driftig dan de ure, de korte, gegrepen,

ledre seconde betwist aan het lot!

Wijs zij die leven, dwaas zij die dweepen, \'t Leven is vluchtig, kostbaar \'t genot!

„Liiciiende beelden, met schoonheid omgeven. Staan in de verte, wenken ons toe.

Ziet, op de geuren der warelden zweven

Vreugde en Genot door Elysiums dreven: Wie werd hun kozen, hun dartelen moê?

Eens en te suel, slaat de vreeslijke stonde:

Eens valt de slag van \'t onbuigbare lot:

Nog klinkt de danstoon schaatrend in \'t ronde: \'t Leven is vluchtig, kostbaar \'t genot!

„Schoonheid en Liefde, verheven Godinnen! Heerlijkste telgen van \'t moederlijk stof!

Ha, met wat tuimel bedwelmt ge onze zinnen!

Is er een hooger genot dan te minnen Onder de myrten van Artemis\' hof?

Alles vergaat, en ook zij, zij verdwijnen;

De eeuwige wet maakt hun glorie ten spot — -

Nog lacht de wareld, de zon blijft nog schijnen; Nog blijft de liefde, de liefde is genot.quot;

Ziedaar de psalm, die, vol en krachtig aangeheven, En duizendvoud herhaald.

ocr page 91

76

Do leer der scholen in den rijken vorm van \'t leven

Voor \'tjong gesliicht vertaald!

iJoldrittig scheurt de schaar de nevlen der gedachte

Met vuisten sterk en grof,

En dwingt de wareld met haar grootheên en haar machten Te buigen voor het stof!

Maar de mensch is geen stof\' slechts - een hoogere kracht

Doorgloeit en doortintelt zijn borst;

Als een heldere straal door den donkeren nacht ) Breekt de geest door de zinlijke korst;

J\'jn t raadsel des levens wordt lieflijk en zacht

Voor hem, die zijn binnenst doorvorscht.

\' Maar de mensch is geen stof; elke klopping van \'t hart . . hetu^ voor de onsterflijke ziel;

e trilling der vreugde en het prangen der smart, _ Der driften onstuimig gewiel,

Zij zingen den geest, die den logenaar tart.

Wiens schedel het Godsmerk ontviel!

Of bidt in de maagd de bewustlooze atoom,

Die straks in hyena verkeert?

Of zingt in den dichter de groenende boom,

• ^lens \'ommei\' den zonnestraal weert?

gloeit in den krijgsman met bruisenden stroom Het staal, dat zijn lauwren vermeert?

Neen, de mensch is geen stof, is geen wording van \'t slijk;

De hoogste m der wordingen rij De band tusschen \'t stoflijk en geestelijk rijk.

De Koning der schepping is hij;

) zij 00k het lichaam der aarde gelijk.

De geest is onsterflijk en vrij! \'

Ja vrij, maar toch drukt op zijn boezem een last-

En, schoon hij voor \'tEeuwige blaakt,

och is op zijn schoudren een dwangjuk quot;-etast

Dat prangt, tot het stervensuur naakt-n ijzeren boei bindt aan de aarde hém vast, Die schreiende hemelwaarts haakt.

r

De zonde, — \'t geheim van de wieg en het graf Zij dompelt de ziel in liet stof,

J toovert, voor lijden en strijden en straf.

ocr page 92

77

Een vreugde als van \'t hemelsche hof,

En perst van zijn lippen een jubellied af

Der dierlijkste wulpsehheid ten lof.

* .Maar de menseh is geen stof slechts, — de God die hom schiep, Hem stelde tot pronk van Zijn huis,

Iljj hoorde de stem, die „barmhartigheid!quot; riep,

En brijzelt zijn boeien tot gruis;

En viel ook de menschheid zoo laag en zoo diep,

Be ziel is weer vrij door het Kruis!

Maar luid en luider klinkt de stem der stofvergoding. En waar de Christus sprak van lust- en zinnendooding.

Daar predikt stout en ruw liet kind der eeuw zijn leer: „De Christus slóeg het vleesch; op! werpen wij ter neer „Den geest, de dwaling, die het menschdom in onteering „En schande houdt geboeid; die door haar sombre leering „De stem des harten smoort, die om verlossing schreit „En vrijheid eischt voor \'t vleesch, als \'t recht der

[menschlijkheid!quot;

Een antwoord op die stem!

Gegroet, gij grootsche tempel. Juweel der Ciesarsstad, waar iedre steen den stempel Van hooger draagt dan \'t stof, den geest als heer erkent! Gij, op der Heilgen graf des geestes monument! Gij, antwoord op de stem, die, tolk der oude Zonde,

Den dood der ziele vroeg en steeds aan de aard verkondde Als \'t eind der dwaling en \'t begin van quot;t waarheidsrijk: „De mensch, de gansehe menseh is wording uit het slijk!quot;

Daar, op zijn zetel, throont de balling van Gaëte,

En neemt den handschoen op dor onherstelbre vete; i Krijg tusschen hem en de eeuw!

Des oproers springvloed heeft Zijn oog een traan ontperst; zijn hart heeft niet gebeefd: Zijn kracht is kracht uit God. De geest der heiige sterkte. Die d\'eersten Petrus \'t hoofd bij iedren storm omvlerkte Voor \'t oog des Sanhedrins, aan \'t kruis op d\' Aventijn, — Hij zal ook Pius tot een schuts op \'t slagveld zijn.

Straks heeft de Koning voor het kleed der Bruid gestreden, De Leeraar antwoordt nu op \'t raadsel van het heden.

Maar neen, hij antwoordt niet op \'t raatlend woordenspel, Soms vrucht der jjdelheid, soms naklank uit de hel;

ocr page 93

78

In de onbewolkte sfeer, waar bidden en gelooven Den dampkring vormen, staat dos Pausen zetel, boven

e stormen dezes tijds, de woelingen der aard,

Der kindren twistgejoel. —

/fin ,inff i • , ^00 s\'ilat \'iel: wolkgevaart

Zijn doffe sluiers om den vorst der Alpen henen •

\'tOmSpb quot;i S;:°,,thei,i 111 een ,,evelkleecl verdwenen? t Umwikkelt slechts zijn voet, voor \'t wijder vergezielit

Baadt zich de fiere kruin in \'t gouden zonnelicht.

ÈenniipdiUSl :intYÜOrdt1I,ict\' quot; ,UJ ^ een koningszang, L.n lied, door duizenden reeds eeuwen, eeuwen lang

Hoe GoTzIAT P1\'00!1\' weêr de Vülken koorden, bod zijn Mozes roept; „Ik geef mijn dienaar woorden.quot;

Daar rijst hij. Om hem heen wat schitterende stoet Nan mannen, die, gebronsd door feller zonnegloed In t doodsgevaar gestaald, de wareld overmogen \' Als telgen der genade en goedheid uit den hoogen,

.I :iiequot; T\'in (\'e1Jvllt;:1\'k\' flie (loor alle eeuwen heen Dei waaiheid zetel droeg: onsterflijk, heilig, een\'

Fn tatio^Tr u \'quot;Ï T(1? TlnV\' ^0\'1 anhvooi\'d 0P ons vragen!quot; o kllnkt 1\'et, heel de wareld rondgedragen:

Jn d\'aanvang was hot Woord, voor d\'aanvang van het lot „Der wareld was het Woord - en \'t Woord was eeuwï God „Was leven hebt en kracht; en tijd en wareldorde 8\' \'

quot; J npl i001quot; f quot;T ,les M 001,fls\'(lilt door éen klank: het worde „Der heemlen harmonie en de aarde in \'t aanzijn riep

„Deed bloeien en bevolkte, en straks den Koning schiep

„Den mensch dat kunstgewrocht, die wareld in de wareld\'

„A\\ier heerschersstaf hij voert, wier kroon zijn hoofd omparel\'t

„Den mensch, dien vorm uit slijk, maar levend door den geest

«Waarin de Schepper \'t werk door eigen grootheidTeest

„Den mensch, die bij den stroom van licht, waarin hij baadde

„Een nieuwen gans ontving, den rijkdom der genade

„Die, evenbeeld van God, geadeld werd tot zoon!

„Maar \'t licht werd duisternis, de jubelzang werd hoon „De mensch werd zondaar - ,„1 de stem der hemelkoren\' „Die hem omgaven, klonk: „Verloren, ach, verloren!quot; \' „De God wiens wezen in zijn liefde zich vergiet,

„Hij vloekt de zonde, maar den zondaar straft Hi niet\' „De schuld der oudreu, die geslachten op geslachten „In yzren boeien slaat, die,\'door geen aarLhe Cchten

ocr page 94

79

„Te delgen, van de wieg tot aan het graf hen maakt „Tot slaven, zie, zij wordt vernietigd — ja er naakt „Een nieuwe scheppingsstonde, oen nieuw geslacht zal rijzen „Dat God den Vader weer op kindertoon zal prijzen!

„Een nieuw geslachte? Ja. aanschouw de Moeder! Zij, „De Bruid des Geestes, is van zonde en erfsmet vrij! „Zij, vorm van \'t ideaal der Godheid, zal voor \'t leven, „Gedaald in haren schoot, het kleed der menschheid weven „En \'t leven uit haar schoot zal treden in \'t gericht „Met dood en duisternis — Hij, \'t ongeschapen Licht!

„Gegroet, gij reine Bruid des Geestes, eeuwig schoone, „Der wijsheid dochter en der liefde gloriekrone,

„Gij, in der onschuld kleed rondspelend aan de hand „Des Eenwgcn, toen zijn kracht de rotsen heeft geplant, „Zijn oog de ruimten mat, de breede waatren deelde; „Gij, die de smart niet kent dor moeder, maar de weelde „Der heemlen hebt gesmaakt aan \'t kribjen van uw kind; „Gegroet gij, moeder ook van ons, wie \'t stof ombindt „Met banden, die de dood al spoedig zal verbreken, „Als wij van mond tot mond, het blijde woord gaan spreken „Gij, vol genade, gij, volzaalge, wees gegroet!quot;

Zoo klinkt des Leeraars stem; en machtig, als de vloed \\ an tonen, die door \'t hoog gewelf der kathedrale Der orgelpijp omstroomt, in onnavolgbre tale.

Zacht als de kinderstem, of vol van majesteit,

Als \'t raatlend onweer des Almachten lof verbreidt, Zoo klinkt het loflied, dat in volle en rijke tonen Der eeuw het antwoord brengt van \'s Geestes vrije zonen:

Wees gegroet,

Wonderschoone, heiige Vrouwe,

Die de tranen onzer rouwe In een juichtoon keeren doet!

Langverwachte,

Afgebeden Door de zuchten van \'t verleden ,

Maar bezongen door het heden.

Als vorstin van \'tnieuw geslachte.

Kiemend uit des Zones blood,

Wees gegroet!

Onder \'t wicht Van de zonde neêrgeslagen,

ocr page 95

80

Dekte \'t stof ons aangezicht En fle weenende oogen zagen Nergens licht!

Maar ons wekte \'t Lied der Englen,

Die hun schoonste tonen menglen, ITnn akkoorden samenstrenglen Tot éen groet, Onbevlekte!

IJ te moet!

Zonder smet In dor moeder schoot ontvangen,

Hebt gij Satans kop verplet,

En de zondaars, wreed gevangen, Zijn gered!

Hooger leven,

Licht en vrijheid,

Liefde, waarheid, hoop en blijheid Zijn den telg der aard hergeven.

Die zich spoedt \'t Lied der Englen bij te streven Wees gegroet!

Wees gegroet.

Dochter van de reinste liefde!

Als geen menschlijk harte voedt, Die den zondaar, die haar griefde. Als haar Zoon herrijzen doet!

Daalt ter neder,

Zaalge scharen!

Spant der harpen gouden snaren, Zingt den zegepraal, tot lof Van de liefde, sterk en teeder, Over \'tstof!

\'tEeuwig woord, \'s Vaders Zoon is mensch geworden, En de straal der Godheid gloort, Door het kleed van lager orden Niet gesmoord.

Blijde moeder,

Aan wier boezem Jesse\'s schoonste en reinste bloesem Heeft gerust.

ocr page 96

81

U zij lof en d\'Albehoeder,

Die de zwervers bracht tot rust!

Wees gegroet,

Bruid des Ueestes! Koninginne,

Tlironeud in der heemlen gloed , Stralend van den glans der minne, Die de Serafs juichen doet.

Zie de telgen Van uw harte,

Kampend niet den drang der sinarte,

Worstlend met der helle nood, Die hen aangrijnst met verdelgen, Met den dood!

Wees ons schild, Gij, onverwonnen Door de strikken u gesponnen,

Sterk ons nu de ziele vreest. Tot wij eenmaal zegepralen

En op \'t eeuwig bruiloftsfeest, Bij het klaatren der cymbalen,

U der liefde tol betalen,

Wij, de zonen van uw geest!

Toen van Gaëta\'s rots de Priester-Koning staarde.

De mokerslag der Hel zijn zetel davren deed,

Riep hij de Maged aan, die eens de slang vervaarde:

Het spook des oproers week voor\'t blinken van haar kleed. En nu in zegepraal weer Pius\' schilden glansen,

ïvTu kroont voor \'toog der aard, met hooggespannen zin. De Koning-Martelaar met nieuwe lauwerkransen Der Martelaren Koningin!

Daar gleed een wondre straal uit hooger reiner sferen, Die :i]s met gouden palm het grijze hoofd omwindt, Hoe klopt het moederhart bij \'t blijde triomferen

En schenkt zoo gaarne een deel der glorie aan haar kind. Een fiere stem weerklinkt, heel de aarde trilt bij \'t hooren,

En in de helle zwijgt des Satans wraakgeschreeuw: „U heb ik tot mijn Vorst, mijn Petrus uitverkoren, „Gij zjjt de Koning dezer eeuw!quot;

ocr page 97

III.

CASTELrFIMRDO.

De treurzang ruische lungs de heuvelen,

Waar Isrels heiige legervaan Bezweek en \'t scherpe zwaard der euvelen

De bloem der helden deed vergaan!

Geen volle krijgsmuziek weêrklinke,

(Heen hel geslepen wapen blinke,

Dan met het floers der rouw omhuld; Ach, Isrels holden zijn bezweken,

De dag der glorie is verstreken,

De maat der jamren is gevuld!

Treur, Isrel, om uw heldenzonen,

De roemlooze aarde dronk hun bloed; Geen lauwer zal hun hoofd meer kronen,

Geen zege klinkt hun in \'tgemoet!

Treur, fel geslagen bruid des Heeren, De morgen zag hen \'t staal braveeren, Zag, bij het klimmen van den nood,

Bij \'t dunnen van de smalle scharen Hun fleren moed geen vijand sparen; De treurige avond zag hun dood!

Ja, kleed u vrij in \'t kleed der rouwe,

Gij moeder, nu geen moeder meer. Herdenk hun jeugd, hun moed, hun trouwe.

ocr page 98

88

Hun geestdrift voor uw vleklooze eer, Nooit zal hun hand uw borst meer tooien, Met rozen nooit uw pad meer strooien;

Geen blijde zangtoon heft uw lof; Wjj zagen ze, uw gevierde telgen,

Door \'t onverbeden zwaard verdelgen En zinken in het bloedig stof;

Zij vielen, in des levens morgen.

Toen alles licht was voor hun oog,

Toen nog de looden last der zorgen

De fiere leest niet uederboog.

Zij vielen, door de hand der roovren. Zij oogstten smaad, geen eereloovren.

De lafheid jubelde op hun graf, — Arm Isrel, scheur uw feestgewaden.

En laat de tranen \'t hart verzaden.

Dat al zijn bloed ten offer gaf!

Maar neen, geen rouwmisbaar, geen kreten

Van felle smart, van naamloos wee; Het somber rouwfloers weggesmeten En \'t voer de laatste tranen meê!

Heeft hen der roovren hand geslagen,

Ziet, wat ontelbre quot;lories dajren

Tl

En stroomen van den hemel af, —

Reeds brengt de harp der Englenscharen Castel-Eidardo\'s martelaren

Een heldenzang op \'t heldengraf!

De macht der boosheid brak haar boeien.

Trad in haar volle rusting op.

En hief, van feilen haat aan \'t gloeien,

De bloedroode oproervaan in top, De zetels der gekroonden vallen,

De vorsten worden volksvasallen,

En juublen om de zegekoets. Die piettrend voortholt door Europe,

En, als een teeken blijder hope.

Haar sporen vervvt met stroomen bloeds.

Het vuig verraad, de sombre logen

Staan met het oproer saamgeschaard. Zij, reddende Englen uit den Imogen. Zij brengen vrijheid aan onze aard!

ocr page 99

84

De stroom breekt los — ile grondpilaren Der wareld storten; — langs de baren

Giert bulderend de noord-orkaan;

Dat is de wieg der wareldorde,

De chaos waaruit één: „het worde\'

Het rijk der vrijheid op doet staan!

„Naar Rome!quot; hoort, wat jubeltonen

Begroeten straks dien rooverschreeuw:

Ziet wat al lauweren omkronen

Den Godsgezant, den held der eeuw!

„Naar Rome! \'t hol der dwingelanden. Die volken slaan in ij/ren banden.

Naar Rome! waar de kanker tiert, Die, aan Itaaljes boezem knagend, De smetstof naar beur harte dragend. De vrijheid doodt en zegeviert!quot;

Naar Rome! — klinkt het, en daar rijzen

De helden van hot voorgeslacht.

Die \'t onverbasterd nakroost wijzen

Op \'t, strijdperk waar de glorie lacht.

Naar Rome! \'— hoort hot staal rinkinken, Dat eens de Moslomin zag blinken In Godefrieds, in Richards hand.

Naar Rome! ziet des Kruises standert.

Golft onverbleekt, en onveranderd.

Op de couwge Petrusrots geplant!

Gegroet, gij helden, opgetreden

Te midden van der dwazen spot.

Die fier het hoogste hebt beleden,

\'t Geloof aan \'t recht, aan de eer, aan God ! Gegroet gij, lievling der victorie.

Die al den rijkdom uwer glorie Aan Pins\' voeten hebt gelegd.

Die, na des levens harde slagen,

Nog eens uw eerlijk zwaard wilt dragen. Des armen grijzaards arme knecht!

Den Christus lof! Hij is de Heei-e;

Hij is de Koning van \'t heelal:

Zijn hand verbette ons of verneêre,

Wij zeegnen haar in vreugd en val! Zij vielen, zij. De zang der hateren

ocr page 100

85

Klinkt met verdubbeld vreugdescluitcren;

Maar, wat mysterie ons omgeeft, Een heldre lichtstraal heeft geblonken, Een grootsche troost is ons geschonken, De zege is ons: de Christus leeft!

Zij vielen, om den weg te banen

Voor \'t uur, dat eens den strijd beslist, Opdat van Frankrijks legervanen

De Judasvlek werd uitgewischt! Zij vielen, dat onze eeuw mocht weten, Dat nog de Christus niet vergeten,

Dat nog de grootheid wordt erkend; Zij vielen, — maar als martelaren, De nederlaag dier heldenscharen Is hunner zege monument!

Laat vrij de dwaling zegevieren ,

Laat vrij des oproers dolle stoot In uitgelaten vreugde zwieren

En dartlen door het heldenbloed, — Alleen de Waarheid heeft het leven,

Haar telgen wankelen noch beven,

Bij al de stormen van het lot;

Wordt ook ons laatste bloed vergoten, Voor nog het raadsel zij ontsloten, Wij weten: onze Heer is God!

Ja, God is Koning, ook van \'tbooze.

Zijn hand omklemt den heerschersstaf, Ter Zijner eer slechts schudt een pooze,

De vorst der hel zijn ketens af;

Hij kan der heilgen bloed doen vlieten, Der zege trotschen waan genieten,

Maar triomferen kan hij niet, —

Straks rinkend mot zijn stalen keten,

Zijn zijner neerlaag jammerkreten Der martelaren zegelied!

ocr page 101

IV.

iuïxdi Magister.

1865.

Een chaos is onze eeuw, een maalstroom, in wiens kringen Gedachten, meeningen en stelsels zich verdringen.

Waarin met iedre golf een waarheidsleer verdwijnt, Die, straks weer opgespoeld, in andren vorm verschijnt; Een schrikbre wenteling van razernij en logen,

Die telkens, telkens groeit. Verrukt en opgetogen Begroet de menigte het alhezielend woord,

Dat alle raadslen lost, dat iedre beê verhoort,

Die opwelt in het hart. dat, moede en afgestreden,

Naar ruste snakt; toch blijft het immer schijn! het heden Vergaat, — de morgen brengt een nieuwe waarheid aan, Die, als haar moeder, door de dochter zal vergaan!

Judaea\'s rechter stond en peinsde; ruwe kreten quot;Weerklonken om zijn stoel, — nog lispelde \'t geweten, Nog kampten in de ziel zijn eigenliefde en \'trecht; Nog wankelde de zege, en \'tpleit bleef onbeslecht. De gunst dos Keizers, ja, en \'t opgezweepte woeden Van \'t razend volk — maar ook, de Martlaar, dien hij bloeden En lijden deed, schoon \'t hart hem gaarne vrijheid schonk! Kon hij \'t verzoenen, wTas er uitkomst ? Somber klonk

ocr page 102

87

Zijn laatste vraag: „Wat is de waarheid?quot;

En zoo staren De zonen onzer eeuw op de opgeruide baren

Des tijdstrooms, — rijst er niet, met ieder oogenblik, Een nieuw verschijnsel? ziet hun half gedoofde biik Iets anders dan een rij, een lange rij van vragen?...

Geen antwoord, of —

Aanschouw de waarheid onzer dagen, Aanschouw ze. kind der eeuw! en zoo are kunt, bemin En volg haar!

Grootsche idee verwerkt in \'t Huisgezin, Van arbeid en van liefde, en, als hun kroon, een weelde. Die gave is van omhoog! — Wat nieuwe schepping teelde De wijsheid onzer eeuw?

Geen antwoord, dan de klank Van \'t Bacchanalisch lied, dat d\' ingezwolgen drank Zóo heesch, zoo somber maakt, als deed van d\' ouden toren De half gespleten bel haar rauwe tonen hooren;

Geen antwoord, dan een stem, die dierlijk zingenot Als recht der menschheid stelt en met de waarde spot Der maagdlijkheid, die bloem des hemels! Wulpsch genoegen, Ziedaar \'t verheven doel, waarnaar de duizend zwoegen, — En erger dan des drijvers lastdier, — dat slechts een Bereikt — en hij, hij leeft, geniet — voor zich alléén. Hoort niet den hongerkreet der menschlijke machienen,

Maar: steeds genieten! en ten beurtzang: steeds verdienen!

Het huisgezin wordt staat, en speurt het oog al ras Den aard der vruchten uit de kiemen van \'t gewas.

Klinkt ze ons dan vreemd de leer, gepredikt van de daken. Het uur verkondend, dat de volken vrij zal maken Van bijgeloof en waan ? De staat erkent geen God,

Erkent geen machtiger, die ingrijpt in het lot Der wareld; hij is zelf zijn almacht, zelf zijn wreker; Wee, wie de knie niet buigt, wee, wee den plichtverbreker, Die in de onnoozelheid der eerste jaren dacht.

Dat God de Heer was, wien alleen men hulde bracht. Die waande dat een (ïod ons eerbied af kon vergen!

De Staat erkent geen God! Maar ziet, wat tal van dwergen Zich plaatsen op den throon der godheid! Hoort gij niet Den God Vitellius ter eere \'t juichend lied?

Ziet gij den priesterstoet het oorlogsros geleiden Van Caracalla-God, en knielen voor die beiden, —

Voor \'t paard en \'t ondier?

ocr page 103

88

Ja, de stroom der chvinglaudij Brak uit zijn oevers bij den logenkreet van: vrij!

Vrij, — als do stalen wet mijn polsen maakt tot slaven.

Mijn adem regelt? Vrij, won \'k in \'t gareel moet draven. Geblinddoekt; als ik \'t recht mag lastren, en geen toon. Geen sylbe lispion mag ter oor van d\' eeuwgen Zoon, Wiens naam mon neertrapt?

Maar do Staat is Hoer cn Koning, Hij schept do wetten, maakt het recht tot schijnvertooning. Den dwang tot vrijheid, ons bestaan zelf tot gena, Den Vorst tot ledepop, en \'t volk tot Paria!

De zwaarste golven van den stroom des tijds! Iioe zwalpen Die reuzen over \'t vlak, ontzaeholijk als de Alpen,

Den Hemel tergend, straks, bij d\'aantocht van d\'orkaan, In ziedend water en m wolken schuim vergaan.

Des menschen rede schuwt de banden van \'t gelooven En streeft op eigen wiek, arm vogelijn, naar boven.

Naar boven, waar de stroom der zuivere ether vloeit En in ondoofbaar licht do hoogste waarheid gloeit;

Naar boven, naar de zon! om straks met matte vlerken Te rusten in de schanw der laagste rozenperken.

Reeds hijgende naar rust! O, zo is zoo vrij, zoo groot De rede, nu de doek, die haar \'t gezicht omsloot, Is weggevallen, nu \'t mysterie is gebannen;

\'t Mysterie? — Kinderspel!

De vierschaar is gespannen Der wijsheid: \'t eerst verschijnt de groote logen: God En Christus, leder wacht tie machtspreuk; die het lot Dier lieerscheren beslist, de machtspreuk, die het leven Der duizend duizenden een nieuwen loop moet geven!

Daar treedt een goochlaar op, met rinkelende bel En kakelbont gewaad; zijn stem klinkt luid en schel: „God en de Christus! O gij dwazen, die u martelt „quot;Met zulke fabels, gij, die zoo wanhopig spartelt

„In \'t strak gespannen net der wijsheidsvragen, —- ziet „Gij dan het heden, dan uw eigen toestand niet?

„God en de Christus! Ja wat maakt het u? — Verwonnen „Is lang dat standpunt, en een nieuwe tijd begonnen; „Do tijd is kostbaar — en misschien komt na \'t vergaan „Een ander leven, dat die vraag verheldert, aan;

„Hoe \'t meest genieten in de volheid onzer dagen:

„Is de eerste en laatste, de gewichtigste aller vragen!quot;

ocr page 104

80

15ij \'t stijgende gejoel, bij \'t davrend handgeklap, Dat antwoordt op dio taal, treedt de ernst der wetenschap Ten rechterstoel; zij lieeft gevorscht in \'t grijs verleden, Als pelgrim iedre plek en iedre kust betreden,

Heeft elke bron doorvraagd, en met onfeilbaar oog liet al doorschouwd. Xu rijst ze in majesteit omhoog En velt haar vonnis: „do oude dwaling is verdwenen, „\'t Geloof aan wondren vaart met \'t spel dor kindscliheid henen . „Geen enkel raadsel meer!quot;

Met uitgedorde hand Rukt zij liet beeld omver, in ieders hart geplant. Den Christus God en menaeli; zij loochent al de glorie. Gevlochten om zijn hoofd; „het antwoord der historie,quot;

Zoo spreekt ze, „doemt hom als een dweeper zonder naam, „Door bijgeloof ve,reerd, dat sterk werd door oen faam, „Die, bode van zijn dood, ook van zijn roem \'t moest wezen, „iS\'akallend wat liet hart der volgren sprak: Verrezen!

„Zijn leer is kindertaal, is zoete poëzij,

„Vol vage droomen of ontzinde mijmerij;

„Den tieren denker is ze een bronaar van verwijving.

„Die \'t egoïsme vleit met nieuwe krachtenstijving.

„Die God den Vader noemt van sterflijk wezen!

God

„Is d\'eenheid van \'t heelal, de ziel van \'twareldlot; „ De som der wezens, ja de veelheid aller dingen „Is God en telkens God! \'tZijn slechts de ontwikkelingen „Van \'téene Wezen, dat zich voortspint eindloos ver, „En heden: Christus heer, en morgen. Lucifer!quot;

Zoo raast de Wetenschap, en juichend in haar zege. Verkondt ze op blijden toon haar waarheid allerwege

Als eenig, godlijk, groot; zelv\' slingert ze om haar hoofd De lauwren, onder t woord: „wee, die hen mij ontrooft!quot;

Zoo hangt zich de arme vrouw, in wier verwrongen trekken En puilend oog gij quot;t merk des waanzins kunt ontdekken. Zoo hangt ze \'toverschot van vroeger grootheid aan.

Haar oude vodden, bont van kleuren. In haar waan Met klatergoud in \'t haar, een stok in \'t ronde zwaaiend, Roemt zij zich Koningin, luide al haar titels kraaiend.

De laatste baren zijn voorbijgespoeld; do orkaan Zweept hen met forschen slag langs de onbeperkte baan, Trots dam en dijken, heel de wareld door. Bedolven Zijn recht, gezach en plicht in \'t schuimend graf der golven. De thronen vallen voor hun ongetemde kracht, —

ocr page 105

90

Hoe vroeslijk is de storm, hoe somber is de nacht, De nacht van d\' eeuwgen dood!

Maar door het zwarte duister. Dat over d\'afgrond hangt, straalt met ondoofbren luister De Kerk van Christus, op de onwrikbre rots gesticht, De rots, die leven is en kracht; een stroom van licht Doorvloeit de sferen, een gestalte treedt ons tegen Die liefde brengt voor haat en voor vervloeking zegen : Begroet hem: „Piuslquot; Onze groothei.1, onze kracht. De zwakke grijsaard, die niet dood en lijden lacht. De strijder, die slechts rust in \'t harnas, de onversaagde, Die voor geen enklen storm der eeuw zich boog, al daagde Het Oproer, in \'t gewaad van \'t blind, misleide volk, Al sloop het om zijn stoel met moordnaarsgif en dolk, Al lispte \'taan zijn zij in zacht Huweelen tonen.

Al vroeg quot;tals wetenschap het recht om (rod te hoonen, — Hij bleef onwrikbaar en verwinnaar ook; hij staat.

Bij \'t loeien van de zee, die om zijn zetel slaat,

Al vallen rijken, al vergaan de machten! Nu omhangen Met \'t vlammend zwaard der wraak, uit \'s Heeren hand ontvangen, Toont hij der eeuw haar beeld: liet stervend lichaam, dat Xog worstelt, nu de dood met jjzren greep \'t omvat, Nu \'t klamme zweet reeds door \'t blanketsel breekt. De graven Verslonden reeds haar kroost, haar dienaars en haar slaven, Haar kunst, haar wetenschap , haar vrijheid, — en wat schrijft, Het nakroost op haar graf, zoo haar een grafsteê blijft.

Een licht gemurmel vaart door de opgeslagen blaadren Van \'toud geschiedboek, \'t stijgt, het wordt de stem der vaadren , Der eeuwen, \'t antwoord klinkt: „Oeen naam, geen zerk, geen graf; Als dor gebladert valt de roem der boozen af;

Dood zijn zij in den dood, voor immer!

Op den schedel Der eeuw rust ook die vloek, door al wat groot en edel. Wat recht en heilig is haar toegeslingerd, ja De stem der liefde vloekt uit Pius\' mond: „Verga,

„Verga, ouzaalge, die met bloed besmeurde handen „Dorst slaan aan \'t heiligdom der godheid, die de banden, „Gestrengeld tusschen gade en echtgenoot en kroost, „Gescheurd hebt met een drift waarbij de menschheid bloost! „Ontaarde dochter en ondankbaarste slavinne, „Die \'taangezicht van Hem, die in verheven minne

„U met Zijn kruis en dood de vrijheid kocht, besmeurt, „Met scherpe nagels weêr Zijn wonden openscheurt; — „Gij hebt den kelk zijn bloeds langs de aarde heen gegoten,

ocr page 106

91

,Bij losse dansmuziek met dartle speelgenooteu

„Gehuppeld op zijn graf! — Voorwaar, de stonde slaat, „Waarin des ILeeren toorn de sluizen openlaat,

„Waarin, bij \'tangstgeschrei en kermend handenwinden, „De vuurge golven van zijn wraakzee u verslinden. „Uw dagen zijn geteld, uw gruwlen staan geboekt,

„Verga voor de eeuwigheid, gevloekte, wees gevloekt!quot;

Eens ging de Grodmensch door de breede voorportalen Op tot het heiligdom; waar Hij den blik liet dwalen Rustte op geen vroom gebed het liefdestralend oog.

Er joelde een drokke schaar, met zoet gefiuister boog De wisselaar vooruit en bood zijn valsehe waren In ruil voor de oftorspijs van \'s Eeuwigen altaren.

Toen voer een felle schok door \'tgoddelijke hart.

De schok van \'t heilig recht en eeuwger liefde smart.

Toen bliksemde zijn oog en greep de hand naar koorden, Die snerpend langs den rug de lage bent verstoorden, En \'t dondert door de lucht, dat veste en tempel beeft:

„Hooi maakt gij \'t vaderhuis ten rooverhol?quot;

Zoo lieeft

Aan Pias de Almacht weêr haar geeselkoord gegeven;

Weer vluchten voor den slag, die \'t diepste merg doet beven De tempelscheiuiers heen, terwijl in d\'eeuwgen nacht Do Satan om dejJ pijn der trouwe slaven lacht!

tGeklop der hamers zweeg, en \'t nijdig oog der scharen Zag t kruis zich heffen en als een der moordenaren Den Zoon des Vaders aan het eerloos hout geheciit.

Wel is de wraak voldaan, maar vuige spotlust vlecht Een nieuwen doornenkrans om \'t hoofd des schuldeloozen; „Gij wonderdoener, hoor, hoe lijdt ge als een der boozen, „Gij meester van den dood, die aan liet graf gebiedt, „Hoe sterft ge in schande en pijn en redt ge uzelven niet

En van de lippen klonk \'t met nauw bemerkbre beving: „Vergeving, Vader, ach, zij dwalen, ach, vergeving!quot;

Nog klinkt dezelfde beê langs heel het wareldrond. Nog vloeit de stroom der liefde uit Jezus\' heilgen mond. Nog leeft dezelfde Geest, die, vreeslijk voor het kwade, Den armen zondaar zoekt en bidt en schreit: „Genade; „Genade voor uw volk!quot; is Pius eenge beê,

„Genadequot; bidt de mond der trouwe scharen mee, „De macht der hel verzink\'. Uw licht schijne allerwege, „Schenk, Vader, hun genade en aan uw Kerk de zege!quot;

ocr page 107

v.

Regis prodeun^

aum.

1807.

,Wiit dartelende zang, wat blijde jubelkreten!

Is \'t bloedig gistren soms in \'t beden reeds vergeten,

Is dan de luebt zoo frisch en de atmosfeer zoo blij, En dreef de kruitdamp van Sadowa reeds voorbij ?

Is reeds de wond geheeld, door broederhand geslagen In \'t broederharte ? kwam er antwoord op de vragen, De sfinxen van Euroop: Hanover, Frankrijks eer.

Itaaljes staatsschuld en der Pruisen zucht naar meer y Staan niet de natiën gewapend tjt de tanden ,

Slechts wachtende op de vonk, die\'t vuur zal doen ontbranden , Het vuur des oorlogs — slechts te blusschen door liet bloed Of door den purpren stroom tot feller vlam gevoed?

Van Jersey\'s eiland klinkt de stemme des profeten: „Gebannen is de krijg, gedoofd zijn de oude veten;

„Geen fel ontsloten haat verdeelt meer volk van volk; „Des vredes reine straal doorbreekt de zwarte wolk.

«Geen mijn geeft meer haar erts voor zwaarden en kanonnen, „Alleen voor \'t spoorwegnet, dat, de aarde omgesponnen, „De natiën vereent en allen samensnoert „Tot één Europa, straks tot menschheid opgevoerd!

„De twintigste eeuw genaakt. Begroet haar wördingsstonde, „Gij, stemmen van \'t heelal! blij klinke uw zang in \'t ronde! „Van \'s hemels transen daalt der wareld Paradijs „En stort zijn vollen straal op \'t moederlijk Parijs.

„Parijs, de bakermat van vrijheid en beschaving,

„Daar vindt het dorstend hart zijn heetgezochte laving,

„Daar vindt de fiere geest zijn heerlijkst ideaal,

„En viert de vrijheid, na haar kruis, de zegepraal!

ocr page 108

9:-$

„Parijs, de levensbron van \'t heerlijk organisme „Der menschheid. eindlijk éen, na \'t eeuwenlaug\'e sclnsme „Door koningen geteeld; Parijs, het hoofd, de tolk „Van \'tgrootsche wonder, \'tuit zijn graf verrezen volk; „Daar rijst de tempel van den vrede, om welks altaren „Uit duizend schalen straks de wierook op zal varen,

„ Waar aller stammen hand, in Frankrijks hand gelegd, „Den nooit te scheuren hand der éene menschheid vlecht!quot;

Zoo juicht de Ziener en miljoenen juichen mede.

Maar vrede, vrede, roept ge — en ach, het is geen vrede! Hoort boven \'t krijgsrumoer van Querataro, \'tlied Van Greta\'s vrjjheid, klinkt door \'t Europeesch gebied. Een sylbe, een woord, een stem, weg zijn des vredes droomen , En \'t dondert: Luxemburg!

Langs Seine un Rhóne-stroomen, Langs Rjjn en Elbe jaagt op vleugelen\' van vuur Een zelfde leuze; daar hijgt de adelaar naar \'tuur Der wrake op \'t bastaartkind, dat met zijn breede pennen Een oogenblik in vlucht hem scheen voorbij te rennen;

Maar ook Germanjes hengst vermorselt het gebit En rekt de lenden, door den reuk des strijds verhit;

Straks vlijmt de spoor en schiet de teugel: de ijzren hoeven Verpletten in hun vaart wat weerstand durft beproeven. En voor den rijder en zijn ros geen stilstand meer; Het graf verslindt hen of de zege voert hen weêr !

Europa wacht en staart, daar klinkt een stem uit \'t Noorden „Waartoe nog lang gedraald, waartoe met ij die woorden Een kostbren tijd verspild, de mannelijke daad Voert tot de zege, niet het beuzelend beraad;

Hier helpt geen woordenspel, de teerling is geworpen,

Laat eerst den degen \'t bloed der hecatomben slorpen.

Het zwaard vraagt bloed, voorwaar, maar drijft de giftstof uit. Die \'t lichaam toekent tot des doodes wisse buit!

Waarom gewankeld, nu de kamp ons dreigt? De krachten Ontwikklen zich alleen door strijd met andre machten;

Alleen uit worstling kiemt de zege, -— \'tuur is daar, \'t Uur der beproeving met der Franken adelaar:

Nu moog\' van onze kracht Euroop zich vergewissen Of staren op ons graf: dat zal het zwaard beslissen!quot;

Maar vleiend klinkt de toon: „Waartoe het bloed gespild, Waartoe een drift getoond, door \'t harte niet gewild ?

Neen, hooger dan het zwaard, dat enkel kan vernielen Niet scheppen, staat de stem, die spreekt in aller zielen;

ocr page 109

f)4

De trek, door hooger hand ons wezen ingestort,

Waardoor de landgenoot ons waarlijk broeder wordt, Ja broeder, door de taal, den volksaard, niet gescheiden Door vorsten-eerzucht of door staatsbelang! Verleiden

We ons zeiven met geen droom; half stervend ligt de reus, Door \'t zwaard alleen gesteund, niet door de vrije keus Der volken; laat de mond der vrije stammen spreken, Is \'tnoodig, ja, den band van \'t vreemd gezag verbreken, Zich zelf herscheppen in de schuts van d\' eeuwgen God, En kiez\' do natie zelf zich vrij het eigen lot!quot;

Maar scherp en spottend vlijmt het antwoord: „Ja, de keuze Der vrije volken zij voortaan Europa\'s leuze!

Aanschouw het troetelkind dier staatsleer: \'t vrij en éen Itaalje, van de zee tot de Alpen! Om ons heen Weerklinkt — een Jubelzang? Ja, \'r lied der Calabrezen, Dat vloeken slingert naar het boofd der Piemontezen, \'tGeschntgedonder in Palermo, in Turjjn De doodskreet van een stad, die ras geen stad zal zijn. Uit duizend kerkers brult de lijdenskreet der armen,

Die in der vrijheid land geen enkie kan beschermen, En boven alles loeit een niet te temmen vloed Met donderend geweld: Het volks-en staats-bankroet! Zietdaar de schepping van de vrije keus der volken In schuts der bajonet, gerugsteund door de dolken

Der bravi. Laat die droom voorbij zijn, laat liet zwaard Der eerzucht in do schee en spaart de hijgende aard;

Geeu bloed meer afgevergd, neen, raadpleegt uw historie, De dagen rijk aan deugd, aan waren moed en glorie:

Keert tot uzelv\' terug, herstelt het evenwicht Der Staten in Euroop; beschouwt .als eersten plicht Den band van allen tegen de eerzucht des vennctelen,

Die in den kring der Pairs als Suzerein wil zetelen! Der Staten evenwicht, geen overwicht van kracht Bij de enklen, — voor geen droom den nekslag toegebracht Aan dynastiën, die de Christen als barbaren Kan schelden, maar de plicht des staatsinans moet bewaren; Geen krijg meer voor de idee, wat feit is blijve feit En vinde \'t levensrecht in \'t recht der werklijkheid.quot;

De wareld stond verbaasd bij \'t klinken van die tale; In \'t einde rees de vraag: maar wie, wie houdt de schalo W ie brengt de krachten in haar wederzijdsch verband, \\N ie geeft de maatstaf aan ? Zal dan alleen de hand

ocr page 110

95

Van \'t spelend toeval met zjjn duizend wisselingen De machten binden en beperken in haar kringen ?

Op, wijzen onzer eeuw, op, brengt uw antwoord aan, Europa dobbert tusscheu blijven en vergaan!

Maar hoort, daar trilt een toon, een antwoord op de bede Door veler ziel gestort; de hymne van den vrede

Klinkt langs het veld van Mars en \'t buldren van \'t kanon Verkondt geen nieuwen krijg, geen teller rampen bron: \'t Is vrede! vrede! ja, tot straks der luchten suizen Het kinderspel verstoort der vorsten-kaartenhuizen!

„Groot is de Christus, onze Koning, onze God;

Hij houdt de draden van hot wislend wareldlot,

\\ an Hem het vorsten-woord dat stormen doet bedaren En vrede lachen doet langs d\' opgeruide baren.

Van Hem des beedlaars stulp, van Hem het lustkasteel Der rijken, uit Zijn hand de serge of \'t kroonjuweel; De kracht der vorsten is de kracht des Vaders; en hun krone Ren straal der diadeem van Hem, den eeuwig schoone;

Zijn zalving wijdt hun hoofd, zijn geest omvlerkt hun throon. De bron der grootheid blijft genade van den Zoon.\'\'

De Christus! ja bij Hem, bij Hem-alleen, Europe \\ indt ge in uw heden troost en voor uw toekomst hope,

Zijn oog alleen doordringt uw chaos en hergeeft Het aaklig lijk de kracht, die naar het hooger zweeft; Hij kan herscheppen: niet de staatsleer van uw wijzen,

Xiet \'t spel der nota\'s zal u, arme, doen herrijzen.

Green menschlijke arm zoo sterk, geen vorstenmoed zoo groot; De Christus, Hij-alleen verwon, beheerscht den dood!

\'t Zijn achttienhonderd jaar! Daar trad de Tiberboorden Een schaamle visscher langs, een vreemdling in die oorden; Het zwaar gebronsd gelaat verried zjju oostersch bloed, De mantel om zijn leen, het schoeisel om zijn voet, Zij spraken van een tocht, in armoede en ontbering En lijden afgelegd, maar kracht en zelfbeheering En mannelijke moed omstraalden \'t tintiend oog.

Gevest op \'t Kapitool. Op \'t voorhoofd breed en hoog, Lag zelfbewustheid en die trek van eigen waarde \\\\ aaraan zich \'t diep besef van hulpbehoefte paarde;

Die man was koning, held of wijsgeer, ja er scheen Door \'t armelijk gewaad meer nog dan grootheid heen.

ocr page 111

9«

Wie dan, wie mocht hij zlju? Kon soms die arme \'t weten, Die, bij zijn aanblik, net en schuitjen heeft vergeten.

En na een broederkus, wat wonder, henenspoedt,

Straks door de Jodenwijk de mare flnistren doet;

„Heil broeder. Petrus is in Rome! .J

Als overmeesterd Door al de majesteifc d«i;ir voor hem, en begeesteid Door éen gedachte, groot als Rome zult\', stond hij Bewegeloos. Daar trad oen wandlaar naderbij En zag\' den vreemden en verslond hem met zijn oogen En vroeg op zachtcn toon, als door zijn liart bewogen. „Gegroet op Rome\'s grond! Ziet gij de Keizerstad „Soms heden voor het eerst, een heerlijk schouwspel - wat

„Mijn vreemde, voerde u hier\'?

„ „Ik kom den God verkonden,

„ „AViens outer \'t volk verliet, voor do offerdienst der zonden,

„ „ Den God hun onbekend !•quot;

„Gewis een zware taak, „Die \'k niet wil prijzen, noch met scherpe rede laak; „Wat was uw vaderland?quot;

„ „Ik ben een stam ontsproten

„ „Wiens bloed op Caesars woord door Rome heeft gevloten,

„ „Dieu gij vervloekt, veracht; \'k ben Galileër, Jood.

„Een van hun vorsten?quot;

„ „Neon, nooit zag mijn land mij groot.

„ „Als de arme visschers daar mocht ik mijn schamel leven quot;quot;Slechts rekken door de spijs, die mij het net kon geven; „ „Tk lieb ffeen schatten, goud noch zilver!quot;

„Maar uw geest

„Is vrij en krachtig, trots uw lagen stand, geweest, „Gij hebt de taal aanhoord der wijzen, ja de vragen „Der scholen zijn voor u ontsluierd, en gedragen

„Door duizend stemmen zweeft uw wjjdberoemde naam ^Als wijsgeer de aarde rond op vleugelen der faam? _ „Ik ben een arme, \'k heb geen wijsheid!

„Kondt gij dan „Een leer des levens die de harten boeien kan,

„Een leer die eiken dag oen meer verfijnde streeling, „Een hooger wellust brengt, met onuitputbre teling

„Slechts zoete rozen schept, waar doornen zjjn. t genot „Als eerste en laatste doel des wijzen stelt?\'

„ „De God,

„ „Dien ik u kondig, heeft in \'t menschhjk kleed geleden „ „ Den schrikbren kamp des doods aan t slavenkruis gestreden. ,, „Hij is gestorven tusschen moordenaars!quot;

ocr page 112

97

„Voorwaar

„Een vreemde Godheid, bij der goden adelaar!

„Wat leert ge ons in haar naam?quot;

„„Niets, niets dan offerande, „„Het offer van uw trots voor smaadheid en voor schande, „„Het offer van \'tgenot voor armoede en voor nood, „„Ja \'toffer van uw bloed, van\'t leven voor den dood!quot;quot; „Gjj vestigt dan die leer in Rome, — en dan?quot;

„„Heel de aarde „„Behoort haar!quot;quot; „Voor hoelang?quot; „„Voor de eeuwigheid!quot;quot;

[„De waarde

„Van uw gezach schijnt mij zoo groot niet, maar misschien „Zal u der Cfesars hand een machtig steunsel bien;

„Zjj zal den moedwil, die u tegenhoudt, doen vallen, „De wijsheid doet uw naam als dien haars priesters schallen, „De rijke brengt u goud; ook rijkdom is een machtquot;... „„Neen, neen, \'tis werk van (xod; geen sterfelijke kracht „„Verwint de wareld. Zie, \'k verg offers, waar de weelde „„De rijken met haar gloed van eeuwge vreugd omspeelde; „„\'k Verg offers, waar de trots van \'t menschelijk verstand „„Den wijsgeer waarheid biedt en valsche kronen spant; „„\'kVerg offers waar de mond van laffe vleierscharen „„Den Caesar priester maakt aan godgewijde altaren, „„\'kVerg niets dan offers, altijd offers, door het bloed „„Herleeft de wareld!quot;quot;

„Dat uw Godheid u behoed\',

„Maar nimmer zal uw leer éen volgeling verwerven „Zoo nu de haat u treft, wat dan?quot;

„„Dan zal ik sterven.quot;quot;

Zijn woord werd waarheid, ja, op Homes heuvlen rees Het kruis van d\' eersten Paus, maar uit den bloedstroom wees Een hand ten hemel heen, waar de offrende offerande Haar volgeling het hoofd met zegepalm omspande.

. t Zjjn achttienhonderd jaar! het bloed van Petrus vloot, t Bracht aan Euroop, aan de aard herleving met den dood, \'t Bracht licht na duisternis en na verachting glorie,

\'t Werd de eerste bladzij van een schittrender historie. Die met liet kruis begint en eindigt met het kruis. Hoogstralend van de wolk bij \'t eeuwig feestgeruisch!

Nog staat bet kruis, de stoel van d\'eersten Paus! Wij staren Nog altijd op die spits bjj \'t klimmen der gevaren.

En door de wolken stof, de kruitdamp van den strijd. Blinkt daar ons•\'tantwoord op de raadslen van den tijd!

ocr page 113

98

De raad si en van den tijd! Als van zijn as gewenteld, En door den forschen ruk tot \'s afgronds rand gekeuteld, (Den afgrond van het niet!) ligt quot;t arme Europa neer En kent geen rustpunt dan de rust der lijken meer.

Geon orde, geen gezach! in bulderende vlagen I leeft \'t Oproer tegen God dat alles weggeslagen,

En met de hand verward in \'t losgereten hair, Of zwervend langs de borst met wanhoopvol gebaar, Met oogen uitgeweend en gloeiend in hun holen Ziet gij \'t verdwaasd geslacht langs do open groeve dolen; Soms klinkt een feestmuziek nog boven \'t kermen uit, Ze is als de schaterlach des Satans bij zijn buit!

Een heiige trilling vaart Europa door, - naar Rome Spoedt vogelvlug de golf van alle wareldstroomen;

Naar Rome roept het hart in iedre raenschenborst;

Naar Rome, naar den throon van d\'eeuwgen vredevorst, Daar staat ontsluierd en in heldre middagglansen \'t Onfeilbaar antwoord, daar vergaat het spel der kansen. Het eeuwig wanklen tusschen werklijkheid en niet.

Voor waarheid vol van gloed, onwrikbaar als graniet.

In \'t plechtgewaad gehuld, de driekroon om de slapen En in de hand het kruis, zijn vorstenstaf, zijn wapen.

Staat Pius, - om hem heen wat schitterende rij,

Gestalten fier en hoog, — geen enkle toch als hij! — Zij steunen \'s grijzen arm ten hemel opgeheven Bij \'t woeden van den strijd, die \'t moedig hart deed boven, Als eenmaal Aarons hand den heilgen Godsprofeet Op \'s heuvels toppen steunde en Isrel winnen deed.

Geen grootheid dezer aarde ontbreekt hun; \'t zijn de zonen Der vruchtbre Moedermaagd, wier schedel zij omkronen Met lauwren, ingeoogst op \'t veld der wetenschap,

Naar eiken kant doorkruist met onverpoosden stap. Met palmen, schooner nog en eeuwig groen, gewonnen In kamp met ruwe kracht of listen helsch gesponnen; Zij zijn de volgers van het viertal, dat het beeld Van d\'eersten Petrus torst. Ook om hun slapen speelt De geest des Heeren; ook hun kracht is Gods genade, Wiens hand den reuzenlast op hunne schouders laadde.

Op Petrus\' vorstlijk graf staat Pius, en hij zingt Een hymne, een zegelied, dat door de sferen dringt. Dat op zijn vollen toon steeds rijker harmonieën Ontwikkelt, en de schaar doet storten op de knieën.

ocr page 114

99

Hij zingt de grootsche daad, die vrije liefde en recht Tot een geheel verbindt, tot een onbreekbren echt. Het recht, dat scheiding brengt, de liefde, die verbindend Bezielt, — den grijzen eik met groen klimop omwindend; Het recht, dat \'t eigen ik als eerste doeleind stelt. De liefde, die het hart met medelijden zwelt;

Hij zingt: het offer, dat een slaafgeworden koning. Een menschgeworden God, met schrikbre smartvertooning Tot zoen van \'s menschen schuld den eigen vader bracht. Ten tol aan \'t eeuwig recht, door eeuwger liefde kracht. Hij zingt: het offer, dat de wareld uit het duister Tot volle waarheid bracht, ontboeide van den kluister.

Door slangenlist den mensch omknellend, \'t offer, dat Door d\'eeuwige eeuwigheên zich zonder dood hervat. Dat, als een volle stroom langs d\'aardbol heengegoten.

Door eeuw op eeuw geproefd, door elk geslacht genoten. Met iedre nieuwe golf een vloed van leven schenkt En de immer dorstende aard met eeuwge frischheid denkt.

Hij zingt — en naar de maat der stijgende vervoering.

Daalt in der schare hart een heiliger ontroering.

Hij zingt: de helden, die het heerlijk kruismodel Nabootsen in hun strijd met de opgezweepte hel.

Nabootsen met hun bloed; — hij zingt de martelaren. Die broeders van het Woord des woords getuigen waren En spraken door hun dood! U, u het allereerst O Petrus, die van \'t kruis de warelden beheerscht,

Als eens uw meester op den Schedelberg, u prijzen De volle noten, die de warme borst untrjjzen;

U geldt zijn hymne, die het lied der wareld wordt. En straks haar harmonie door alle sferen stort.

Maar zacht en teeder wordt des zangers stem, als klaagde Een Rachel in zijn toon, nu weêr de morgen daagde.

Die \'t spelend kindje van haar borsten had gescheurd. Hij zingt den held, wiens bloed de Dwina heeft gekleurd: En naast dat beeld verrijst een andre beeltnis: Polen, Een vorm, vast levenloos, van \'t hoofd tot aan de zolen Een wonde, door geen pijn tot weerstand meer getergd Ja, smeekend om een graf, — Siberië\'s nnjngebergt Met knoetslag ingejaagd, zelfs in haar laatste zuchten Beroofd van \'t zoet genot der vaderlandsche luchten.

Zelfs in haar laatsten strijd door beulenhand geprest Tot opstand tegen God, den eengen die haar rest.

ocr page 115

100

\'t Was in de dagen, dat een wijsgeer, held en koning, Uit Hohenzollerns stam, zijn vorstelijke woning,

Zijn Sans-Souci zich schiep, dat Duitschlands keizerskroon. Getorst werd door een vrouw met manlijk krachtbetoon, \'t Was toen ook voor een vrouw dat Knezen en Bojaren Zich kromden in het stof — ja, van Voltaire\'s snaren Ruslands Semiramis ter eere \'t loflied rees,

Dat \'t slingerwerk der eeuw der Polen doodsuur wees.

Sinds vloog een eeuw voorbij — een eeuw van worstelingen Der zwakke met de kracht — een eeuw van folteringen. Van doodstrijd voor een volk, — en nog, nog leeft liet bloed. Al trappelde op de borst de stalen Overmoed.

Zoo vaak aan Neva\'s boord in \'t oostersch hof der Czaren üe wulpsche danktoon ruist, op roos en myrte-blaren

Het licht der feesten glanst, zoo vaak verschjjnt een hand. Met bloed bespat, dwaalt langs \'t verguldsel van den wand

En schrijft er „Polen!quot; -n-

Hoort, wat spelt die forsche trilling

In Pius\' stem? hij vloekt de wreede bloedverspilling,

Door ijzren klauwen van een stervend volk gevergd,

Hij toont de hoogste kracht, door \'t krachtloos niet getergd,

Den toon des Eeuwgen als Hij oprijst tot zijn wrake!

En heerlijk troostwoord: „Wat vervolging u genake.

Mijn dochter! ook uw Heer Hij leed en overwon, Uw stroomend martelbloed wordt eens uw levensbron!

Maar hoe, hoe trilt mijn borst van ongekende weelde. Wat ruischte er door de lucht, dat zoo \'t gehoor mij streelde Met klanken, hemelzoet, hoe! zingt des Tibers strand.

Zingt Pius\' heiige mond den roem van Nederland ?

Ja ook voor u, voor u, mijn vaderland, weerklinken De zangen, die ons hart vol wellust in mag drinken,

Ook op uw bodem kiemde in volle mannenkracht De geest des offers, op Kalvarie\'s berg gebracht;

Uw zonen droegen ook het kruishout, ja het lijden Werd ook hun ziel een bron van nooit gesmaakt verblijden, In \'t vol bewustzijn van hun zegepraal. Daar treedt, Welzaalge moeder, in het purper bruiloftskleed De rij der zonen op, de negentien, wier glorie Op menig donker blad der eigen volkshistorie Een gouden weerschijn werpt....

De volle beker ging De rij der vrienden langs, en uit den broeden kring

ocr page 116

101

Steog \'t schelle dronkaardslied in velerhande talen Naar \'t eene grondakkoord: „de Geuzen zegepralen!quot;

Daar sloeg de lioofdmau zich voor \'t rimplend voorhoofd, uit Zijn oogen straalde een gloed vol woeste wreedheid, luid Bevelend klonk zijn woord: „Op, dappere gezellen, „De monniken ten dood, de monniken ter hellen!quot;

„De monniken ten dood!quot; Hoe heerlijk klonk die maar Den fleren krijgers toe, gestaald in \'t doodsgevaar, Hoe repte zich de hand bij \'t eervol werk; Vermoorden! — Maar nog voor andren was de klank dier ruwe woorden Een streelende muziek, een reine hemeltoon.

Die sprak van vrije liefde en eeuwge zegekroon.

Van luttel lijden en de palm der martelaren!

Bij \'t rosse fakkellicht, omstuwd door krijgerscharen,

Treedt moedig \'t heldental ten strijdperk, schoon de walg Het eerlijk hart vervult bij d\'aanblik van de galg! De galg, het hout der schand, de straffe der onteerden!

Maar straalt niet van het kruis de glorie des vernecrden Beneden allen, die, van eere en schoon ontdaan,

Toch koning was der aarde en eeuwig God ? — Zij gaan. — Gegroet, gij heldental, gestorven voor de waarheid Der goddelijke daad, die met des hemels klaarheid De warelden vervult, die \'s Heeren oiferand Gestaafd hebt door uw bloed, gestaafd hebt door uw schand Gij, zonen van het kruis, voor de eer van \'t kruis gestorven , Gij, levende in de kracht, door Jezus\' bloed verworven, U offerend voor Hem! Gij, ook voor Petrus\' recht,

Voor Petrus\' vorstenkroon aan \'t hout der schand gehecht, Hoe jubelt om uw graf de gloriepsalm, - begonnen Door \'t vlekloos offerlam: „Heil u, gij hebt verwonnen!quot; De psalm, door Pius\' mond der opgetogen aard Verkondigd, voortgezet in niet te stremmen vaart Door duizend duizenden, wier geestdriftvolle tonen De hymne zingen van oud Neêrlands heldenzonen!

Wat zijt gij groot en schoon, mijn vaderland, het bloed, Dat uit hun aadren vloot, heeft uwe kracht gevoed; De laatste trilling van hun lippen was een bede Voor de eer der dierbre plek, een smeeken om den vrede Voor u, voor gansch uw volk! En reeds drie eeuwenlang Bidt nog hun hollandsch hart met nooit te smoren drang; En eenmaal, eenmaal, ja, verrijst de heerlijke uchtend, Die, den gespleten stam met nieuwe kracht bevruchtend,

ocr page 117

102

Zijn jonkheid weer herteelt in loten, rank en sterk, En Nederland hergeeft aan d\' eéne Moederkerk!

Voor \'t reuzig marmerstuk, nog vormloos in zijn zwaarte, Stond, met bezielden blik, de meester, \'t Ruw gevaarte Scheen met den mcnschenzoon te spotten, maar de stof Is dienaar van den geest en geeft den koning lof!

Daar glijdt de lijfrok van de schoudren, in de handen Des kunstenaars blinkt reeds de beitel, door de wanden Klinkt dreunend slag op slag, en marmerblok op blok Bedekt den harden grond, die davert bij den schok,

Door de ijzren vuist gericht — de blonde haren zwieren, Met zweet en stof bedekt, langs hals en hoofd, de spieren Staan strak gespannen op den forschen arm: — treed voor Treed voor, gij ideaal, en breekt de boeien door,

Die u omknellen, — en vernieuwde slagen dalen Met vaste hand, maar vol van vnurge drift; daar dwalen De vonkende oogen langs den ruwen vorm, voorwaar, Reeds schijnt het leven door die trekken, ruw en zwaar! Moed, moed, gij meester! nog een enkle van uw slagen, Een druppel van uw zweet, gij kunt aan \'t nakroost vragen Den lauwer van \'t Genie!

Ja waarlijk, dat is hij,

Herschepper van zijn volk, in spijt der dwinglandij; Der wareld leeraar en de zanger van den morgen, In nevelen gehuld, in sluiers dicht verborgen,

Die de eerste was voor de aard! ja, \'t is de Godsproteet, Die voor zijn staamlend woord de Paroos siddren deed, Die \'t lied der zege zong, toen de opgeruide golven Het heir des dwingelands in \'t stroomend graf bedolven; Ja, \'t is de ziener, die op Sinaï zijn God In volle glorie schouwde en, sterveling, \'t genot Der heemlen heeft gesmaakt, die, met den glans omgeven, Het woord Jehova\'s sprak, dat waarheid bracht en leven Te midden der woestijn ! Wat koninklijke kracht Bezielt de breede borst, die \'t schuttend kleed veracht, Wat kalme en fiere moed spreekt uit de manuren vormen , Waar \'s levens krachten in haar volheid onder stormen!

Daar staat de meester voor zijn meestertuk, zijn oog Drinkt heete wellust in \'t aanschouwen; stout en hoog Verheft de moede zich en schouwt nog eens; in trouwe, Dat is zijn ideaal: nu werklijkheid! de flauwe

Gelaatstint wordt ten blos, maar keert in \'t matte bleek, En als waanzinnig grijpt hij \'t beeld en gilt hij : „spreek!

O! voelde ik de eigen drift mijn zwakke borst ontbranden,

ocr page 118

103

Den vuurgloed van \'t genie in harf en hoofd en handen, Ik schiep in \'t marmerblok nog hooger ideaal Tot hoogo werklijkheid, bij \'t licht der zegepraal!

Ik schiep het beeld van hem, die, trots de lichtomkroning Van \'t hoofd des Patriarchs, verhevener vertooning Van hooge menschendeugd, door Gods gcua gestaald, Aan \'t oog der wareld toont en in den lichtgloed straalt Van Christus\' priesterschap! Want ja, ook door zijn aadren Golft heiige heldenmoed, die roovers en verraadren I)oet deinzen voor zijn wenk; ook hij is wareldvorst, Herschepper van zijn volk, dat of het dwangjuk torst, Of stervend nederligt! Getuigt het, gij, Germanje,

Nu vrij van d\'ijzren boei der Caesars, Groot-Brittanje En Nederland, door hem van \'t kleed des grafs ontdaan, Bij \'t klinken van zjjn woord verheerlijkt opgestaan!

Getuigt het, gij, ook gij, aan Nijl- of Wolga-stroomen Weêr in den levenskring door Pius opgenomen,

Na d\' eeuwenlangen slaap! Ook van zijn lippen vloeit Het woord der waarheid, dat het smeulend vuur ontgloeit, Weêr opwekt tot de vlam van lieven en gelooven!

Ja, hij is held en vorst en leeraar! Toch verdooven Die gloriestralen bij de lichtkroon der gena.

De kroon des Konings, die eens troonde op Golgotha, De kroon des Priesters, waar de zonnegloed der heemlen En \'t purpren offerbloed in rijken glans in weemlen:

De kroon des Priesters, eerste en grondvorm van de drie, Op Petrus\' hoofd geplaatst, als beeld der harmonie \\ an God en \'t schepsel in den Godmensch! Zij verduistert Den gloed, die \'t starend oog aan \'t beeld van Mozes kluistert. En wraakt ook \'t eigen hoofd des boezems dwaze zucht, Toch geeft voor Pius\' beeld zich \'t hart in zangen lucht. O! dat ik \'s kunstnaars kracht, zijn volle kracht gevoelde. Dat Michelangloos geest in d\' engen boezem woelde,

\'kGaf Pius\' trekken weêr, in marmren vormen, ja Ik schiep zijn beeld vol kracht, vol liefde en vol gena!

Maar Pius spreekt, — en wat zijn onze lofakkoorden,

Bij \'t stormen van zijn taal, bij \'t leven van zijn woorden? Hoort, Pius spreekt; hoe vonkt in vaders oog een gloed, Die leven om zich spreidt; de scharen aan zijn voet — Hij ziet hun zwermen niet, noch hoort hen — wat hij spreken, Wat hij verkonden zal, geldt alle wareldstreken,

Want op zijn slapen rust des Hoogeprtesters macht, De geest van den Profeet, de Koninklijke kracht:

„Gij, eeuw vol eigenwaan, die, in der zustren nje.

ocr page 119

102

Zijn jonkheid weer herteelt in loten, rank en sterk, En Nederland hergeeft aan d\' ééne Moederkerk!

Voor \'t reuzig marmerstuk, nog vormloos in zijn zwaarte, Stond, met bezielden blik, de meester, \'t Ruw gevaarte Scheen niet den menschcnzoon te spotten, maar de stof\' Is dienaar van den geest en geeft den koning lof!

Daar glijdt de lijfrok van de schoudren, in de handen Des kunstenaars blinkt reeds de beitel, door de wanden Klinkt dreunend slag op slag, en marmerblok op blok Bedekt den harden grond, die davert bij den schok,

Door de ijzren vuist gericht — de blonde haren zwieren. Met zweet en stof bedekt, langs hals en hoofd, de spieren Staan strak gespannen op den forschen arm: — treed voor, Treed voor, gij ideaal, en breekt de boeien door.

Die u omknellen, — en vernieuwde slagen dalen Met vaste hand, maar vol van vuurge drift; daar dwalen Do vonkende oogen langs den ruwen vorm, voorwaar, Reeds schijnt het leven door die trekken, ruw en zwaar! Moed, moed, gij meester! nog een enkle van uw slagen, Een druppel van uw zweet, gij kunt aan \'t nakroost vragen Den lauwer van \'t Genie!

Ja waarlijk , dat is hij,

Herschepper van zijn volk, in spijt der dwinglandij; Der wareld leeraar en de zanger van den morgen,

In nevelen gehuld, in sluiers dicht verborgen,

Die de eerste was voor de aard! ja, \'t is de Godsprofeet, Die voor zijn staamlend woord de Faroos siddren deed, Die \'t lied der zege zong, toen de opgeruide golven Het heir des dwingelands in \'t stroomend graf bedolven; Ja, \'t is de ziener, die op Sinaï zijn God In volle glorie schouwde en, sterveling, \'t genot Der heemlen heeft gesmaakt, die, met den glans omgeven, Het woord Jehova\'s sprak, dat waarheid bracht en leven Te midden der woestijn! Wat koninklijke kracht Bezielt de breede borst, die \'t schuttend kleed veracht, Wat kalme en fiere moed spreekt uit de marmren vormen, Waar \'s levens krachten in haar volheid onder stormen!

Daar staat de meester voor zijn meestertuk, zijn oog Drinkt heete wellust in \'t aanschouwen; stout en hoog Verheft de moede zich en schouwt nog eens; in trouwe. Dat is zijn ideaal: nu werklijkheid! de flauwe

Gelaatstint wordt ten blos, maar keert in \'t matte bleek. En als waanzinnig grijpt hij \'t beeld en gilt hij: „spreek!quot;

O! voelde ik de eigen drift mijn zwakke borst ontbranden.

ocr page 120

103

Den vuurgloed van \'t genie in hart en hoofd en handen, Tk schiep in \'t marmerblok nog hooger ideaal Tot hooge werklijkheid, bij \'t licht der zegepraal!

fk schiep het beeld van hem, die, trots de lichtomkroning Van \'t hoofd des Patriarchs, verhevener vertooning Van hooge menschendeugd, door Gods gcna gestaald, Aan \'t oog der wareld toont en in den lichtgloed straalt Van Christus\' priesterschap! Want ja, ook door zijn aadren Golft heiige heldenmoed, die roovers en verraadren Doet deinzen voor zijn wenk; ook hij is wareld vorst, llerschepper vau zijn volk, dat of het dwangjuk torst, Ot stervend nederligt! Getuigt het, gij, Germanje,

Nu vrij van d\'ijzren boei der Caesars, Groot-Brittanje En Nederland, door hem van \'t kleed des grafs ontdaan, Bij \'t klinken van zijn woord verheerlijkt opgestaan!

Getuigt het, gij, ook gij, aan Nijl- of Wolga-stroomen Weêr in den levenskring door Pius opgenomen,

Na d\' eeuwenlangen slaap! Ook van zijn lippen vloeit Het woord der waarheid, dat het smeulend vuur ontgloeit, Weêr opwekt tot de vlam van lieven en gelooven!

Ja, hij is held en vorst en leeraar! Toch verdooven Die gloriestralen bij de lichtkroon der ge na,

De kroon des Konings, die eens troonde op Golgotha, De kroon des Priesters, waar de zonnegloed der heemlcn En \'t purpren offerbloed in rijken glans in weemlen:

De kroon des Priesters, eerste en grondvorm van de drie, Op Petrus\' hoofd geplaatst, als beeld der harmonie Van God en \'t schepsel in den Godmensch! Zij verduistert Den gloed, die \'t starend oog aan \'t beeld van Mozes kluistert. En wraakt ook \'t eigen hoofd des boezems dwaze zucht, Toch geeft voor Pius\' beeld zich \'t hart in zangen lucht. O! dat ik \'s kunstnaars kracht, zijn volle kracht gevoelde. Dat Michelangloos geest in d\'engen boezem woelde,

\'k Gaf Pius\' trekken weêr, in marmren vormen, ja Ik schiep zijn beeld vol kracht, vol liefde en vol gena!

Maar Pius spreekt, — en wat zijn onze lofakkoorden,

Bij \'t stormen van zijn taal, bij \'t leven van zijn woorden? Hoort, Pius spreekt; hoe vonkt in vaders oog een gloed, Die leven om zich spreidt; de scharen aan zijn voet — Hij ziet hun zwermen niet, noch hoort hen — wat hij spreken, Wat hij verkonden zal, geldt alle wareldstreken,

Want op zijn slapen rust des Hoogepriesters macht. De geest van den Profeet, de Koninklijke kracht:

„Gij, eeuw vol eigenwaan, die, in der zustren rije,

ocr page 121

104

„U als vorstinne roemt eu boven allen vrije,

„Gij, die uw naam bezingt op sehaamteloozen toon „En alle macht der aard verneèrt hebt voor uw throon, „Des Heeren vounis klinkt: wat roemt ge u zelf verheven, „Grjj, tot het graf gedoemd, die \'tlangzaam vliedend leven „Door folteringen rekt, erken gij, trotsehe, uw lot „En buk het stervend hoofd voor \'teeuwig leven: God!

„Wat waant ge u zelve sterk, gij, arme! neen de glorie „Der nijverheid verschaft op \'t sterven geen victorie;

„De bliksemvonk, uw slaaf, hij scherpt geen menschengeest „En \'t dampen van den stoom bezielt geen dorre leest. „Uw breede dichtrenrij, uw trotsehe wetenschappen, „Zij volgen ras uw baar, met afgemeten stappen.

„Gij, eeuw des levens, uw laurieren vallen af;

\'t Paleis, door feeënhand geschapen, wordt een graf!

„God is des levens bron. God is des levens vader,

.Hij stort weer frissche kracht in \'t dorre bed der ader; „God is des levens bron, en \'t kruishout van Zijn Zoon „Stelt de eerste levenswet in middaglicht ten toon: „De wet van offerand, van recht en liefde en vrede, „Van mannelijke kracht en kinderlijke bede,

„Van hooge en vrije vlucht in iedre hemelsfeer. „Met Godsdienst hand aan hand, tot (Jodes meerdere eer! „Op, op dan, naar het kruis, gij, nu zoo diep gevallen, „Nu wanklend naar het graf! Daar zal het woord u schallen, „Dat alle lijden, alle smarten doet vergaan:

„De Christus stierf; en straks: de Heer is opgestaan!quot;

De dag der eeuw verzinkt, wat brengt ons de avond aan?

----

ocr page 122

I

VI.

HET EINDE.

Langs Patmos\' steile rotsgebergten goot De laatste straal der zon haar purperrood En kleurde, met een donker gouden tint, De buren, spelend in den avondwind En koeltjens strooiend langs de dorre kust.

Maar in de ziel des ballings was geen rust; Onstuimig golfde de adem door zijn borst. Die zwoegde als had ze oen looden last getorst. Ontzettend was het. Sinds dat eerste woord, — Dat „zie en schrijfquot;, in \'t morgenuur gehoord. Was, in een onafzienbaar lange baan,

De loop der eeuwen langs zijn blik gegaan: En ruwe strijd en hoon en foltering.

Zich volgend of zich wisslend in hun kring. En lijden, dood, ja smaadheid tot in \'t graf, — Dat was het wat zijn veder wedergaf.

Hij zuchtte en hief het moe en smeekend oog, Vol van de felste zielsangst, naar omhoog En weende; „Heer en Meester vol gena. Ontferm ü mijner zwakheid! nooit verga Uw heiige Bruid, Uw uitverkoren volk!quot;

bfi if

[ \'

ocr page 123

106

Daar scheurde weêr een bliksemstraal de wolk, Daar dreunde weer een forsche stem: „Aanschouw Het eind der tijden en des Heeren trouw!quot;

Hij hoorde en zag: daar daalde een lichtend moer Vol vuurge beelden en gezichten neêr.

Op de zeeën gezeten

In \'t purper gewaad,

Met de zege op \'t gelaat.

Die zich uit in haar kreten Vol wellust en haat;

Met de kroon om haar schedel,

Met de aarde aan haar voet,

Die zich wentelt in \'t bloed

Van wat schoon is en edel,

Wat waar is en goed;

Door het monster gedragen.

Dat bloedig en fel De verwinnende hel

Als een godheid deed dagen In \'t goochelaarsspel;

Door het monster, dat de aarde Aanbiddend omringt.

Als haar Christus bezingt,

Dat haar erfvijand baarde

Wiens klauw haar bedwingt.

Zoo genaakt op de wolken, Het koningskleed om,

En omstuwd door een drom

Uit de talen en volken,

Dier warelden zon!

Zoo genaakt zij, de Moeder,

Die \'t menschelijk lot Heeft verkeerd in genot.

Met den Wellust tot voeder.

En Satan tot God!

Zie, wat glansen doorvonken Het gitzwarte haar,

ocr page 124

107

Van parelen zwaar;

Bestrooid met karbonken Uit \'t diepste der aar!

De bokaal van \'t genieten

Drinkt elk uit haar hand; Ze is gevuld tot den rand

Met het bloed der Levieten, Den Christus gestand!

De verdierlijkte choren

Omwagglen haar throon, En hun schaatronde toon

Klinkt de wulpsche in hare ooren , Als dank, haar geboón.

En zij zelve, beschonken Van \'t martelaarsbloed, Zo verheft ook den voet,

En zij danst vreugdedronken In razenden gloed!

„Aan mijn arm de victorie.

Mijn harte de min Van der Vorsten gezin,

Mij omlauwer\' de glorie, Als wareldvorstin!quot;

Maar een loeiende klank als dos donders rolt aan;

Zc is vergaan! ze is vergaan!

Daar naadren de vorsten, verpletterd door schrik, Met wankende schreden en zwervenden blik;

Zij dronken haar beker vol eeuwig genot!

De schaal werd versplinterd — haar roem werd ten spot: Hun akelig klaaglied vervult de natuur:

„De stad aller eeuwen verging in een uur.

Geen asch merkt de plek waar haar throon heeft gestaan; Ze is vergaan! ze is vergaan !quot;

Met stof op het voorhoofd, met ordloozen baard,

Staan óok om haar groeve de rijken geschaard;

Zij wenden hun blikken vol huivering af

En naadren behoedzaam dat levende graf.

„Wee! wee!quot; roept hun mond en ook de echo roept: „wee.quot;

Hoe zouk in de diepte der heerlijkheid steê!

ocr page 125

108

Verloren! verloren! haar oostersclie pracht,

De schatten der aard, der Vorstinne gebracht!

Hi iar vlammende /jjde, haar purper vol gloed ,

Haar slaven zoo Jeugdig, haar hupplende stoet!

Verloren - haar paarleu uit d\'afgrond geroofd,

Haar edelgesteenten den mijnen ontsloofd ;

Vergoten — de wijn uit de kostbare amfoor;

Gebroken — haar beker uit goud en ivoor;

Haar pracht is verdwenen, haar vuurgolven slaan;

„Ze is vergaan! ze is vergaan!quot;

Verbaasd staart de zeeman langs \'t heillooze strand;

De moêgeataarde oogen wrijft morrend zijn hand.

Daar balt zich de vuist in de krampen der pijn;

Daar voelt zijn gestalte der wanhoop venijn;

Daar «■■ilt van zijn lippen een jammerend: „wee!

Vergaan is uw luister, vorstinne der zee!

Gteslecht zijn uw dijken, waar nimmer een golf

De kracht van verwon, die geen springvloed bedolf.

Verzand zijn uw havens, wier ringmuur een vloot

Van klapprende wimpels en zeilen omsloot!

Geen zweem van haar grootheid, geen puin bleef bestaan

Ze is vergaan! ze is vergaan!quot;

Geslachten en volken verdringen elkaar;

Een altijd vermeerdrende, loeiende schaar.

De stem van de duizendmaal duizenden krjjt. . . Nu Christus de Heer blijkt van wareld en tijd.

De Stad was hun moeder, en Satan hun vorst;

liet bloed der geslachten verteert hun de borst; Een jamniertoon davert; „Hot oordeel breekt aan; Wij vergaan ! wij vergaan !quot;

Maar boven \'t loeiend: „verloren! verloren!quot;

Jubelt een lied,

Klatert de harptoon der eeuwige choren,

Lofzingt do wareld, in Christus herboren,

\'t Blijde verschiet;

„Hallel den Sterke! zijn arm heeft geslagen;

\'t Onrecht verzonk.

Hallel den Eeuwge, wiens slagzwaard wij zagen Vorsten verpletten en volken verjagen;

Dat in de nevlen der zinkende dagen Lichtende blonk.

ocr page 126

109

„Hallel den Christus! de trotsche is geviillen

\'t Lijden heeft uit;

Hallel, daar glansen Jerusalems wallen, Hallel, daar daalt de gekroonde voor allen, De eeuwige Bruid!quot;

Stralend van des levens gloed, Grolvend in den lichten vloed, Stroomend uir der schoonheid bron, Aller eeuwigheden zon,

Bij den klank der gouden snaren,

Daalt het Sion van den Heer In den aard herboren sfeer,

In die bondstent Gods ter neer; Waar de stammen zich vergaren,

Waar geen strijd, geen lijden meer. Waar het eindelooze heden.

Zonder avond, zonder nacht.

Waar het eens verloren Eden

Voor het oog der menschheid lacht.

Als een bruid in \'s levens jeugd. Trillend van de reinste vreugd, Met den myrtenkrans getooid, \'t Feestkleed om de leen geplooid: Zoo verschijnt ge, o Heiige Maged, Gloeiend door de liefdevlam,

Moeder van den zaalgen stam,

Dien geen dood zijn God ontnam, Sion, dat den Heer behaget.

Reine bruid van \'t vlekloos Lam, Zalig, zalig wie mag deelen In des Heeren zegepraal,

Als zijn vrienden, zijn gespelen. Aan het eeuwig bruiloftsmaal!

Voor \'t ontsluierd aangezicht Is uw klaarheid \'t eeuwig licht, Dat in duizend stralen schiet, \'t Eindloos leven nedergiet.

Uit der Godheid schoot genomen. Ja. uw hooggetrokken muur Glinstert van het liefdevuur.

Dat de Geest van \'t Godsbestuur Door de kringen heen doet stroomen

ocr page 127

110

Der gezaligde natuur.

\'s Heeren englen zjjn uw wachten;

Jesus lieilge Apostelschaar Strekt met haar gewijde krachten U ter vest, ten steunpilaar.

Neen, geen aardsche zonne blinkt Die in dampen nederzinkt;

Neen, geen bleeke zilvren maan Brengt haar teêren lichtstroom aan; Godes glorie is uw luister,

En de liefelijke pracht Van het Lam voor U geslacht.

Breekt met stralen heerlijk zacht Alle nevlen, alle duister;

Neen, de hemol kent geen nacht. De Drieëenheid is uw tempel,

Vader, Zoou en Heiige Geest,

Weêr is \'t vlekloos Lam de drempel, De ingang tot het hemelfeest.

Volken, talloos als het zand,

Stuivend langs der zeeën strand, Vorsten in de heerlijkheid.

Door Jehova hun bereid.

Juichen in uw lichtgewemel.

Drinken uit den levensstroom, Proeven van den kennisboom.

Vrij van d\'erfelijken schroom:

Want de liefde van den hemel Brak den langgedragen toom. Overstroomd door eeuwge waarheid.

Door beproefde liefde sterk.

Schittert in Jehova\'s klaarheid De eeuwig jonge Moederkerk.

De beelden zijn verdwenen voor het oog Des Zieners; maar er davert van omhoog Een stem vol fiere kracht en majesteit: „Ik ben uw God, uw Heer van eeuwigheid. „Ik ben \'t begin en \'t einde van den kring, „Beschreven door der tijden wisseling. „Van Mij het scheppingswoord, maar ook van Mij „Der warelden voltooiing! Zalig zij „Die zegevierden in den harden strijd.

ocr page 128

Ill

„In \'t woratlen met de machten van den tijd.

„Uit \'s levens maalstroom drenkt mijn hand hnn dorst,

„Met \'s levens balsem zalf ik hun de borst,

„/ij zijn Mij zonen, — Ik hun Heer en God,

„Het eeuwig voorwerp van hun heilgenot!quot;

En weer een stem, die davert door het zwerk Als \'t luid bazuingeschetter, machtig, sterk.

Maar toch vol liefde en teederheid: „Ik kom!quot;

De Ziener juichte, en van zijn lippen klom Een laatste beê: „Kom, Heere Jesus, kom!quot;

Bij \'t strijdrumoer dat dondert door de lucht,

Bij \'t aardvervullend dreigend doodsgerucht,

Bij \'t brandend zieden van het golfgeklots,

In schuim verspattend om de Petrusrots,

Als \'t razend loeien van der hel orkaan Het menschenhart met sneller slag doet slaan, Dan heft de Christen \'t hulpesmeekend oog,

Als eens de Ziener, naar des hemels boog,

Dan droogt de traan, die op zijn wangen glom; Hjj juicht en bidt: „Kom, Heere Jesus, kom!quot;

Op den vooravond van den Feestdag der HH. Apostelen Pktkus eu Paulus.

ocr page 129

AAHTEEKENIUGEir

Bladz. 61. Na \'t weenen bij des grijzen baar.

De voorganger van Pius IX was Mauro Capellari, Paus onder den naam van Gregorius XVI.

Bladz. (gt;2. Daar rolde \'t, zware klokgebrom.

Algemeen bekend zijn de indrukwekkende pleclitigheden. die plaats hebben bij de Paus-keuze, liet conclave, waarin Pius IX gekozen werd, duurde slechts eenige dagen.

Bladz. 63. Zijn zegen: Vrijheid en Genade!

De eerste daad van Pins IX. na zijne throonsbestijging. was een Motu-proprio, waarbij hij een algeineene amnestie schonk en eene vrijzinnige regeling van bet bestuur des Kerkelijken Staats invoerde.

Bladz. 63. De vrijheid. goddelijker waarheid

Geliefde dochter, heerlijk kind;

„Die waarheid zal u vrijmaken.quot; S1. Johannes\' Evang. 8, v. 32.

Bladz. 64. De haat der wareld? enz.

Om de beteekenis te kennen van de luidruchtige manifestation, die. tot weinige dagen voor den opstand toe. Pius IX bij elk optreden omgaven, behoeft men slechts een blik te slaan in hetgeen daaromtrent, wordt mode-gedeeld door Balleydier, Histoire de la Revolution de Rome.

Bladz. 66. Viert gij den moordnaar des getrouwen.

De moordenaar van graat llossi. \'s Pausen minister, werd in zegepraal door de stad gevoerd.

Bladz. 67. ,.De zaak des Pausen is bij God!quot;

Eenige oogenblikken voor den moord zeide graaf Kossi: La cause du Pape est la cause de Dien.

Bladz. 68. De zwakheid is de hoogste kracht.

S\'. Paulus, de groote leeraar der heidenen, schreef: „Cnm infirmor, turn potens sum.quot;

II.

Toen de geest onzer eeuw op hot gebied van wetenschap en leven beide meer en meer tot hot materialisme oversloeg en iedere levensuiting de Godheid van het stof verkondigde, toen trad Pius de IXc, door den H. Geest, die altijd met de Kerk is, gedreven, op, en staafde, door de leer der Onbevlekte Ontvangenis, de Godheid van Hem, die zoo verheven een schepsel kon scheppen, toen hij op de aarde nederdaalde om de menschelijke ziel te verlossen van de zonde.

De verklaring dezer leer werd door geen enkele omstandigheid noodzakelijk gemaakt. Maar zoo men de vraag durft stellen: waarom toen juist die plechtige uitspraak moest plaats vinden, zal men, hoop ik. het idee, dat, dezen tweeden zang ten grond ligt. niet als een onwaarschijnlijk antwoord verwerpen.

ocr page 130

113

Bladz. 74. In d\'aanvang was liet slijk. enz.

„Derselbe Kohlenstoff und Stickstoff, welche die Pflanzen der Kohlensaure. der Dammsiinre und dein Ammoniak entnehmen, sind nacli einander Gras, Klee und Weizen, Thier und Mensch, um zuletzt wieder zn zerfallen in Dammsaure und Ammoniak; hierin liegt das Wunder des Kreisiaui\'s. . . . Denn das ist die erliabene Schöpf\'ung, von der wir taglich Zeugen sind. die nicht,s veralten und nichts vermodern liiszt. dasz Luft und Pflanzen, Thiere und Menschen sicli überall die Hande reichen, sich fortwahrend reinigen, entwickeln. verjüngen, veredein, dasz jedes Einzelwezen nur der üattiing zuin Opt\'er faUt, dasz der Tod nichts ist. als die Unsterh-lichkeit des Kreislaufs. Moleschott, Kreislauf des Lebens, p. 84,

Of men de in sommige leerboeken onzer lagere scholen voorgestelde leer . waarbij de mensch sim furoii als een hoogst ontwikkeld tweevoetig zoogdier wordt voorgesteld, van materialisme kan vrijpleiten?

T)e uitdrukking ..slijk\' is de gematigde uitdrukking van Schillers: „Der Mensch entsteht aus Morast , und wartet eine Weile im Morast,, und macht Morast und gelit wieder zurück in Morast, bis er zuletzt au den Schuh-sohlon seines Urenkels untlatig anklebt. Das ist das Ende vom Lied. der Morastige t\'irkel des Menschen Bestimmung.quot; Die Rauber, act. 4, sc. 2.

Bladz. 77. De Christus sloeg het vleesch. enz.

..Christus hat den Geist erlöst vom Fleische, wer aber wird das Fleisch erlösen vom Geiste ?quot; L. Feuerbach.

Bladz. 79, Gij, in der onschuld kleed, rondspelend enz.

Boek der Spreuken. 8, 27—31.

III.

Bladz, 84. Naar Rome! hoort het staal rinkinken.

Dat eens de Moslemin zag blinken, enz.

Meu kent de prochiniatie van Lamoricière. waarin liij de Italiaansche vrijheidsscharen als de Muzelmannen onzer eeuw brandmerkt.

IV.

De Encvclica en de Syllabus van 8 December 18(54 vormen te zamen het heerlijkste bewijs van de nog altijd levende waarheid en eeuwig goddelijke wijsheid, die het Catholicisme bezit.

Bladz. 8(1. Judea\'s rechter stond, enz,

S, Joh. Evang. 18, 38.

Bladz. 8(). dat slecht éen

Bereikt, en hij, hij leeft, enz.

Om te begrijpen, dat het laagste egoïsme veelal het beginsel is der machtigste industrie, behoeft, men slechts een blik te slaan in Jörg. (ieschichte der social-politischen Parteien; of in de „Aphorismenquot; door denzelfden, en de Historisch-politische Blatter, Jahrgang 65, 6(5.

Bladz. 89. Zijn leer is kindertaal, is zoete poëzij, enz.

Wie de frazen van den model-mensch. Dr. Beelen (in Pierson\'s Adriaan de Merival, Deel I), over het ontzenuwende, verzwakkende en cajoleerendè der christelijke heilsleer heeft gelezen, hij zal zich licht, een type kunnen voorstellen van den hier bedoelden „tieren denker.quot;

8

ocr page 131

114

Bladz. 91. En van de lippen klonk \'t, enz.

S. Lucas\' Evang. 23. 34.

Bladz. 91. Nog klinkt dezelfde beê, enz.

Eene toespeling op liet te gelijk met de encycliek uitgevaardigd jubilé.

V.

Bladz. 92. Van Jersey\'s eiland klinkt , enz.

T)e volgende aanhaling bevat de minst waanzinnige, de minst godslas-terende gedachten, die Victor Hugo\'s Introduction op het bekende werk: ,.Paris-Guidequot; bevat.

Bladz. 95. \'t Zijn achttien honderd jaar! Daar trad de Tiberboorden, enz.

Deze geheele voorstelling en het begin van het volgend gesprek worden reeds gevonden bij een der oudste apologeten der kerk.

Bladz. 99. Hij zingt de grootsche daad. enz.

Le sacrifice est la loi fondamentale de l\'araour. — par le sacrifice l\'amour individuel et l\'amour universcl se cont\'ondent aussi, puisque par lui. l\'individu place son bonhenr dans le service et le bonheur des antres. Cette sphere de dévouement s\'élargit a mesure que l\'amour divin se développe et Ton arrive ainsi. en remontant de sacrifice en sacrifice, jusqu\'au sacrifice suprème consommé sur la croix par un amour infini. Lii fut promulguée, non seulement la loi du salut spirituel, mais celle aussi du salut, temporel de rimmanité, en caractères mystérieux d\'abord pour elle. mais dont elle découvre graduellement le sens profond et illimité.

Gerbet. Introduction a la philosophie de 1\'histoire. Paris, 1832.

Bladz. 99. Hij zingt den held. wiens bloed de Dwina heeft gekleurd.

De Z. Josaphat Kuncievicz. Martelaar, door Pius IX heilig verklaard.

Bladz. 1Ü2. en gilt hij: spreek!quot;

Men verhaalt dat Michel-Angelo. zijn voltooid beeld van Mozes beschouwend. uitriep: ..Paria adesso. daccliè vivi.quot;

..Spreek nu, daar ge leeft!quot;

VI.

De voornaamste trekken dezer voorstelling zijn ontleend aan de zes laatste hoofdstukken van de Veropenbaring des H. Johannes.

Op de vraag: „Wat brengt ons de avond aan?quot; is slechts het antwoord mogelijk. dat te gelijk de oplossing is van alle vragen der wareldgeschiedenis.

De wareld zal, of van Christus meer en meer afwijkend en toch onmachtig om het godsdienstig gevoel. \'s menschen levensbeginsel, te vernietigen, eindelijk in den waanzin der afgoderij en der satansdienst verzinken; of terugkeerend tot Christus. bij Hem genade vinden, vrijheid en leven.

Aan die keus sluit zich tevens de laatste ontknooping; het wareld-gericht, met zijn beide zijden: de hel. waar de verdoemden sidderen en gelooven; de hemelen, waar de zaligen beminnen en aanschouwen.

En zoo blijft het altijd. UZij dan in de hel als wreker of in den hemel als belooning, overal Koning en God: ..Jesus Christus, heri. hodie. Ipse et in saecula!quot;

ocr page 132

et lied desjKpnings.

\' quot;VTOg eenmaal \'t koningslied, nog eenmaal \'t lied des Heeren, Bij \'t schokken van den grond, bij \'t dreunen van de sferen, Bij \'t loeien van den storm, gezongen! Slaat de zee Door dam en dijken heen en voert ze thronen mee En koningen; weêrstraalt, bij \'t felle bliksemjagen,

In somber rossen gloed de logen onzer dagen Als liolit der warelden; brult immer nog de stem,

Die opgaat tegen God en raaskalt: weg met Hem?

Geen nood, er gaat door \'t hart des jongelings een trilling, Die naar gevaren hijgt, als naar der lusten stilling,

En die met iedren tocht, die van zijn lippen vliet, \' Des kruises glorie zingt en Pius\' koningslied.

* 0 Rome, Rome, gij, van mijner jonkheid droomen ■ \'t Volheerlijk ideaal, bron, in wier levensstroomen ,

Als in Bethesda\'s bad, de dorre lijder daalt En oprijst met een blos, waarin jong leven straalt;

Jordiian der wareld, gij, die volken, moêgezworven,

Van hun melaatschheid wascht, de leden, half verstorven, Mot manlijkheid versiert, o Rome; Koningin Van kracht en liefde, gij, gekroonde van \'t begin,

Van de eerste wording af, gekroond voor alle tijden.

Zing, zing de hymne mee van Pius\' martellijden En Pius\' zegepraal! Gij, puinen, door wier boog Naar Jupiters altaar fier de overwinnaar toog; Gij, worstelperk, dat eens den martelaar zaagt knielen,

Waar duizend rezen als er duizend stervend vielen;

ocr page 133

116

Gij, obelisken, die als tongen van graniet

Den Christus predikt over aard- en luchtgebied;

Maar gij, maar gij vooral, der in irtelaren graven,

Paleizen van Gods bruid, toen \'t wareldrond slechts slaven

Of dwingelanden zag; gij, bazilieken, trotsch

Als echte koningen, geworteld in de rots,

Mengt aan mijn toon, die sterft in de eerste levenstogen,

Uw vollen tooverklank, uw gloeiend zangvermogen.

Dat in des harten diepst de hoogste geestdrift giet,

Zingt Christus\' gloriezang en Pius\' koningslied!

Do schoot der zeeën scheurt en uit liet diepst der kolken Beurt zich een rookkolom, die steigerr naar de wolken, Het stralend zonnelicht in doffe neevlen hult.

Den dampkring met haar walm en solferstank vervult; Dan eindljjk speelt de wind de dampen henen; wonder.

Rees soms, een oogwenk lang, een klip en duikt zij onder Als weer de golfslag naakt? maar rust spreekt de oceaan; Dan is een wareld — een stuk wareld weêr ontstaan! Een juichtoon als van een, die, trillend van verrukking. De auroor der vrijheid groet na ijzeren verdrukking, Een toon, waanzinnig en toch juublend, zingt: „Het Lot Gaf eindlijk \'t raadselwoord: De wareld zonder God!quot; De wareld zonder God! hoor, duizend stemmen loeien De bljjde boodschap na, die \'t bloed in d\'aadren gloeien, Die \'t harte bonzen doet: „Daar, daar, daar zijn we vrij, Daar treedt geen priester of geen godheid ons ter zjj,

Daar baarde uit eigen kracht natuur zich zelf; de moeder Is één niet \'t eeuwig kind; geen God, geen Albehoeder, Geen kruis, geen Cliristusbloed, geen offer en geen dood. Gegroet gij, wareld, in der vrijheid morgenrood!quot;

Straks op dien lavagrond daar rijzen bloemwaranden, Omgordeld door een dijk, waarop de golven branden En breken; daar verrijst in gloeiende oos ter pracht Een lusthof, waar de weelde in duizend vormen lacht;

Daar zweven onder palm en geurge myrteblaadren Figuren, blij en licht, met wulpschen gloed iti de aadren En wulpsche lachjes om de lippen; door de lucht Golft rasse dansmuziek in dartier tonen vlucht;

En als de cymbels slaan en purpren stroomen vlieten Ruischt luider, aider steeds de hymne van \'t genieten. In \'t breede schaduwveld der vorstlijke laurier Peinst met zjjn aadlaarsblik, zijn voorhoofd, breed en fier. De wijsgeer, die de schand\', den waanzin van \'t gelooven

ocr page 134

117

Aan de oude wareld liet,: hoe! nog een God daarboven, Hoe! spreekt niet iedre stem in \'t inenschelijke hart Het Godsbewustzijn uit dat alle ketens tart?

En is hij dan geen God, hij, nakroost der Titanen, Hij, machtig om zich zelf den breeden weg te banen En rotsen lieinellioog te staaplen met een vuist.

Wier ijzren spierenkracht der eeuwen waan vergruist? Ja, throon en outer zijn gevallen voor zijn slagen; De kracht vermoeit zich reeds het zoete juk te dragen Der wijsheid, waar zij spreekt: „Geweld is recht!quot; Voorwaar, Gelukkig wareldrond! geen koningen meer daar Vol kinderlijken waan, „dat \'s Eeuwigen genade Hun schedel met liet wicht der diadeem belaadde!quot;

Neen, scheppingen des volks, door \'t luchtig spel ontstaan, In al hun heerscherspracht der vrijheid onderdaan! Der vrijheid, — haar alleen geurt hier de wierook tegen. Haar geldt het beurtgezang, dat schatert langs de wegen; Voor haar slechts buigt de knie der wareld zonder God, Die slechts éen eerdienst kent: verzinken in genot.

Toch door het diepste merg dier wonderwareld varen Nog andre schokken heen, dan die het spel der snaren Of \'t hijgen van den lust door \'t harte trillen doet; Fs \'t vreeze, is \'t razernij, die door dien bodem woedt? Breekt soms de zilte golf door breedgescheurde kloven, Of brokkelt ze aan den rand der gladde marmerhoven? Hoe! trilt soms door de lucht, die siddert bij dat woord. De naam eens ballings: God?

Als over \'t lachend oord. Waar vrucht en bloem en knop in de eigen stonde bloeien, De lava-oceaan zijn vlammen-golf doet vloeien,

Dan gilt een angstkreet door de rijken der natuur, Dan wordt der aarde tooi de speelbal van het vuur. Dan gaat in ascli en vlam der wareld glorie onder.

Bij \'t loeien van den storm en \'t raatlen van den donder; En wat slechts voedsel geeft aan \'t jagend vlammenlieer Is \'t vratig element een bondgenoot te meer.

Zoo hier; er klonk een woord: de schoonheid werd harpije. De wijsheid logengrijns, de kracht tot razernije,

De vrijheid boog in \'t stof; tot aller stormen vest, Die buldren onder \'t juk dat hen te zamen prest,

Werd nu de lustwarande; er klonk een woord, er gilde Een vloek (en in de hand der heilige englen trilde De gouden harpe): „Er leeft een God, een eeuwge God? „ Hem zij de haat, de dood, de onteering; maar er spot

ocr page 135

118

„Met ons bestaan een stem, die davert door de sferen, „Die Christus\' naam verkondt en God, den Heer der Heeren , „In duizend psalmen zingt: voor ons geen eer, geen rust, „Dood aan wie God belijdt of ons!quot;

En van de kust

Schiet bulderend de orkaan , ten leendienst opbezworen Uit \'t somber rijk der nacht; als ziedende van toren. Zoo brult zijn heerschersstem en davert langs de zee; Hij voert in de eene vaart en wolk en golven meê. Hij, koning van een rijk dat palen kent noch perken! Een machtige aadlaar is \'t, die op zijn stalen vlerken De holle donders kruit, den rossen bliksemgloed fn de ijzren klauwen bergt, de baren zieden doet Van de ongetemde drift, die door zijn snavel ademt, Terwijl zjjn vlammend oog heel \'t strijdgebied omvademt. Tot waar zijn vijand toeft:

Een hooge steile rots Verheft zich fier en vrij, door \'t brandend golfgeklots Gcwasschen, niet geschokt, als spottend met de orkanen, Aanstormend langs de zee met breed ontploken vanen, Als lachend met den vloed, die om haar wanden slaat, In wolken paarlend schuim daarhenen spat: zij staat; ZlJ staat, — een breede krans van schitterende stralen, Een levend zonnelicht, waarbij geen zonnen halen,

Vonkt om haar schedel; wat verheven bogenrij Bouwt op die spits zich saam, van alle kanten vrij Voor wie als dienaar komt; van allen kant omgeven Door helden, als de steen, waarin hun daden leven, Onbuigbaar, onverwrikt; hoog in hun midden rijst Het kruis, het eeuwig kruis, dat zegevierend wijst Op wie uit Judaas stam, een leeuwenwelp, gesproten. Aan \'s Vaders rechterhand het juublen hoort der noten: „De Christus overwint, de Christus heerscht, gebiedt, „O Christus! laat uw volk alleen in \'t strijdperk niet!quot;

Twee bronnen borlen daar, twee levensvolle stroomen. Beide uit de levenskracht des kruises voortgekomen,

Beide ook met levenskracht en levensgloed belaan, De stroomen van de Liefde en van \'t Geloof: daar staan Twee wachters aan den weg, uit Isrels heupe stammend. De een met zijn sleutelpaar en de ander met zijn vlammend, Zijn aldoordringend zwaard, beide, in des Heeren kracht, Apostlen van Zijn woord en zuilen van Zijn macht.

Daar gaan, bij \'t blij gejuich, bij \'t schettren der fanfaren, De bronzen poorten op, — wij duizelen, wij staren;

ocr page 136

------

i 19

Het zwakke menschenoog, de sterfelijke zin Drinkt als de oneindigheid bij volle togen in,

De oneindigheid in steen! hoe heerlijk slaan de golven Dier schoonheid om u heen, tot ge, in dien stroom bedolven. Uw kleinheid als vergeet en machtig wordt als zij.

De hoogste reuzenkracht en schoonste harmonij,

In goud en marmer hier belichaa.nd, die zich nienglen Met Christus\' scheppingswoord en \'t jubelkoor der Englen , Dat in een gouden woord om de open grafcel dreunt: „Gij, Petrus, zijt de rots!quot;

Hoe loeit, hoe brult, hoe steunt De bulderende orkaan! Er stormen legermachten Door \'t donker luchtruim aan, op breede gierenschachten, Met roof en bloeddorst in lieur aadren, voortgezweept Door d\'ademtocht der Hel, die altijd nieuwe sleept Uit \'t ongemeten rijk des afgronds; hoe omkringen Hun zwarte scharen in \'t onstuimig voorwaarts dringen En \'t zegelied reeds op de lippen, Petrus\' rots!

In \'t stof gebogen, bidt de heilgemeente Gods:

„Hoe lang, o Heer! hoe lang? Zie de opgedreven waatren „Gaan hooger, hooger steeds; de heiige wanden schaatren „Van \'t schel triomfgezang, dat, kruis en offerbloed „Onteerend, God vertreedt en Satans komst begroet! „Hoe lang, o Heer! hoe lang? Is in de purperplassen „Van Golgotha uw bruid van elke smet gewasschen,

„Vlocht maagd en martelaar uit palm en lelieblad „Haar diadeem te zaani, draagt ze in haar hand den schat, „Op aller eeuwen waan door Uwe kracht gewonnen ,

„Heeft ze onder \'t kruis voltooid, wat onder \'t kruis begonnen, — „Wat toeft ge dan, o Heer? In \'t gouden hoogtij kleed,

„Haar Credo juublend, staat de trouwe bruid gereed. „Zal eerst een valsche hand haar gulden siersel rooven , „Zal ze eerst slavinne zijn , dan voor uw throon daarboven „In \'t kleed der schande staan; hoe lang, o God! hoe lang? „Hoe staat uw bruid alleen in \'t stormend strijdgedrang! „Alleen, woestijnkind zij, door heete Simoun-tochten „Gezengd, alleen, door aarde- en hellekracht bevochten, „Gescholden als onteerde en in haar smart alleen,

„Wie is haar kampioen, haar steun, haar wachter?quot;

\' ,y . ^ ï

„Een,quot; klinkt het van omhoog, „gij, Simon, Jonas\' zone, „Zijt Petrus mijner bruid en schutsheer van haar krone; „Als \'t herfstblad, dat de wind al spelend henendrijft.

ocr page 137

„Verstuift liet menschemvoord; het woord des Heeren blijft! „Zie, eeuwen komen op en eeuwen weer verzinken, „De nacht omsluiert de aard, of morgenstralen blinken; „De volken rooft de dood, die om hun wiege zweeft, „Een blijft er: Simon sterft; maar Petrus, Petrus leeft!quot;

Waar boven Gods altaar de tempel aller Goden In \'t hoogst der lucht zich welft, door\'t meester woord geboden ïe stijgen naar omhoog tot Christus\' meerder lof.

Staat Petrus, Pius nu.

Verhef u uit het stof,

Laat de aarde met haar vage en vleiende idealen En zoek in hooger sfeer, in reiner lichtbronstralen,

Mijn arme geest, uw verw, uw tinten! bid en kniel.

Vraag vastheid voor uw hand en geestdrift voor uw ziel, \'t Palet van Francia, Angelico\'s vervoering.

Of Michel Anglo\'s lijn en Dante\'s forsche ontroering!

Wie schetst den Paus, dat spel van hooge majesteit En liefde, vorstenkracht en moederteederheid,

In \'t wijde koningskleed die machtige gestalte,

Zicb buigend niet gebukt, want van het eêlst gehalte Betuigt zich dit metaal, in \'t felste vuur gestaald,

Steeds rijzend uit de kroes door hooger glans omstraald; Die trekken, door een kroon van golvend zilvren haren Omlijst, het stralend oog, dat forsche krijgerscharen Doet siddren en een laclije op kinderlippen brengt. Dat koestert als de zon of als de zon verzengt?

\' Wie schetst den Paus, dat beeld van \'t wonderrijke leven. Die hemelvolle kracht, door \'t aardsche kleed omgeven. Die vormen, waar de gloed, de glorie van zijn God,

Genoten en aanschouwd, door heen breekt, voor liet lot De sluiers heeft gelicht, die \'t menschlijk oog omdwalen, — Als door de vlugge wolk der zonne morgenstralen ?

Ik heb gezien, gezien! en of ik weende, of bad,

Of jubelde, of wel knielde, of bevend nader trad, Wie spreekt het? maar bij \'t slaan, bij \'t bonzen van mijn ader, \' Ontbruischte \'t aan mijn ziel: mijn koning en mijn vader!

Daar rijst hij, hij, de Paus! Een wondervolle zang Ontstroomt zijn lippen; \'t is, als gaf der ziele drang Zich lucht in golven van de rijkste harmonieën,

Die \'t siddrend nienschenkind neerwerpen op de knieën:

ocr page 138

„U, Heer lt;ier heiligheid! U, vader aller macht! „U, ongeschapen God! zij allo dank gebracht,

„Altijd en overal, naar billijkheid en waarde,

„Naar \'t eischen van Uw recht en \'t heil der zondige aarde! „Gij, Vader, eeuwig God! met d\'éengeboren Zoon, „Met Uwen Heilgen Geest zijt éen; niet in persoon,

„Maar in drieëenheid van liet éene hoogste wezen: „Een God, éen Heer zijt Gij! Wat in Uw licht mocht lezen „Ons jubelend geloof van Uwer glorie eer,

„Dat spreekt het van Uw zoon. Uw geest, o Vader!weêr, „En speurt geen onderscheid! Wij zingen en belijden „Den God, waarachtigen regeerder aller tijden; „Wij bidden knielend aan eu geven in het stof „Het eigen der persoon, des wezens eenheid lof,

„Met t onbeperkt bezit der éene hoogste glorie.

„Het koor der Englen zingt de hymne der victorie; „Het lied der Serafs bruiseht, de Cherubs geven \'t weer, „De meusuhheid hoort het aan en stamelt: Heilig, Heer! „Ja\', Heilig, Heilig zijt Ge, o God der legermachten! „Der aarde breede kreits, der heemlen zaalge krachten, „Zij vatten in haar glans Uw heerlijkheid niet saam; „Gezegend Hij, die komt en voert Uw koningsnaam, „Hosanna, eeuwig God! Hosanna! Heer der Heeren!quot; Als ving een echo \'t woord, dat juichte door de sferen, Als gaf ze \'t honderdvoud met honderdvouden gloed, \'t Verbaasd gehoor terug, zoo golft een breede vloed Van Hallelujah\'s door de gulden koepelvormen, Hoogzwellende van kracht, als de ongetemde stormen , Harmonisch als de toon der zilvren cythersnaar :

„Hosanna, eeuwig God, Drieënheid, wonderbaar!quot;

En Pius bidt. hij heft èn hand èn smeekende oogen Ten Vader; o! het hart, het menschenhart, bewogen, Gepijnigd door de pijn van d\' armen trouwen groep. Die om zijn zetel schuilt, breekt in het hulpgeroep Voor Godes outer uit, maar heeft een smeekbede over Voor hen, wie ruw geweld, wie streelend zingetoover Op andre paden bracht, ja, spelend met hun eed, Hun trouw vergeten en het recht vertrappen deed. Dan, wonder! slaat zjjn kracht, in \'t hoog bewustzijn groeiend , Tot tarten over, nu de wilde noodstorm, loeiend.

De zuilen trillen doet des tempels en de grond,

Zoo \'t mooglijk waar\', zich scheurde en heel zijn rijk verslond ? Hjj roept, en machtig klinkt \'t geheimnisvol gefluister. Hij roept der aarde kracht, gekroond door hemelluister,

ocr page 139

122

Ten strijde: gordt U om en grijpt het oorlogsstaal. Hij roept de zsialgen tot het eeuwig lioogtymaal!

„Maria, Moedermaagd! geniet nog eens de weelde,

„Straal eens nog in den lach, die om Uw trekken speelde, „Toen \'t kindjen op Uw knie, door wierook , myrrhe en goud „Gehuldigd werd als vorst, als God en Gods heraut! „Gij, twaalftal! schouw nog eens op\'t nooit begrepen wonder, „Waar de eeuwge God zich zelf, van liefde dronken, onder „Het woord des menschen stelt. Gij, martelaren! juicht „Bij \'t levende geheim, door \'t martelbloed betuigd, „Gjj, Cherubs! plooit uw wiek en jubelt lof en zegen „Den ongeschapen God, den zoon des Vaders tegen!quot;

Do grijsaard buigt het hoofd: geen woord, geen toon, geen zucht;

\'t Is alles, alles stil in \'t tempelruim, de lucht

Houdt zelfs haar golving in, de mensch het ademhalen;

Ter krone smelt het spel der gouden zonnestralen;

Een blik omhoog, éen wenk, éen woord, een wonderwoord —

In Pius\' handen rust de Godmensch!

Breekt hervoort Gij, lofgezangen! slaat in jubelende galmen Langs al \'t geschapen heen; zingt Christus eerepsalmen. Zingt Christus\' zegelied! Gij, breede heilgen-stoet!

Voer Hem uw koningszang in volle vaart temoet!

Gij, die zijn trekken van hun smaadheid hebt gezuiverd, Gij, die voor folterpijn noch kruisdood hebt gehuiverd. Maar juublend opwaart gingt, gij allen, bij wier stem De wareld van uw tijd of beefde of juichte, eert Hem, Van wien gij alles, kroon of beedlaarsstaf, of grootheid. Of hooger goed ontvingt in armoede en ontblootheid.

Zingt, jubelt om Zijn throon! Gij, trotsche graven, geeft Uw dooden weder op aan Hem, die heerscht en leeft In de eeuwige eeuwigheid! Gij Christus\' Paladijnen! Gij, Cesar, die het eerst des kruises vorm deedt schijnen Op kroon en vaandeltop! gij, Charlemagne, knecht Van Petrus, maar monarch naar Godes keus en recht! Ontzagbre heldenvorm, een heldeneeuw doorstralend,

Naar uwer glorie maat der hoogsten roem bepalend,

Gaat, dondert in uw lied, nog nimmer strijdens moê. Der wareld zonder God het lied van Christus toe!

De traan der smarten drooge en \'t kermend smeeken zwijgc. Des konings hooge lied, het lied der zege stijge!

O, loop der eeuwen! o gij, raadsel, wonder spel Van duizend machten, van de reuzenkracht der hel,

ocr page 140

123

En t kind van God, dat bidt; o sfinx, die zooveel vragen Ziet beven op de tong, mysterie, dat de dagen,

De korte dagen van een menschenleven vult.

En toch voor \'tzoekend oog u slechts ten halve onthult! Een andere Atlas draagt de wareld op zijn schoudren, Een levend rotsgesteent\', dat wanklen noch veroudren Ooit kende of kennen zal, toch, brullend jaagt de nacht Zijn zwarte benden aan, — van waar, van waar die kracht

Het is, als zong een stem in tonen wonderstreelend, Den geest belevend en liet twijflend hart vereêlend, Van boven t hooge altaar mij \'t heerlijk antwoord voor: „De blik van wie gelooft breekt alle sluiers door.

Zie t heilig offerraaal, waar Christus wordt gegeven,

Waar we aan des kruises voet weer met den Leerling beven Waar de eeuwig frissche bron der heilgenade vloeit En \'t zaalgend voorgevoel der Heemlen ons doorgloeit! Zie Petrus\' rotsgraniet in Christus\' bloed geboren ,

Zie Pius met het quot;Woord, dat aarde en hemelkoren Deod rijzen voor Zijn woord, op \'t gouden cirkelblad!

Kniel, jubel en aanbid wat dit geheim bevat!

O wareld zonder God, wat waant ge God gebannen? Wie vat d\'Oneindige, wie kan Hem grenzen spannen. Hem die \'t geschapen al als in zijn handen bergt En onder schijn van brood uw trotsche wijsheid tergt? Er heerscht een God omhoog, dezelfde God beneden Sloeg zich een legertent, herschiep deze aard ten Eden En voert met reuzenhand, bij \'t barnen van den strijd,

Naar \'t ongeschapen doel de stroomen van den tijd,

Soms breekt een heldre straal het opgestapeld duister, Een straal van d\'eeuwgen dag: dat is des Heeren luister. En nu, wie waagt den worp in \'thachlijk wareldspel. Wie staat er tegen „God met onsquot;, Emanuel?quot;

„Ik,\' buldert luid de storm, „Ik,quot; spotten hoog de vlagen. Herauten van het rijk, dat Christus wil verjagen Uit mannenborst en kinderharten; Ik, ik sta,

„Ik dien, ik ken geen God!quot;

Geen echo galmt het na Het trotsche menschenwoord. Als de adelaar, wiens spieren De pijl des jagers bij hot welgemikt bestieren Met vlijmend staal doorsneed, met pennen half verlamd Zijn hooge rots bereikt, de drift, die hem ontvlamt Op \'t eigen nest als koelt en met de laatste slagen Der vlooglen door de lucht do brokken heen doet jagen,

ocr page 141

124

Eens tot zijn koningsthroon gegaard en sua ingebouwd;

Zoo de opbezworen storm, die op liet reine goud

Op \'t eenwig diamant der maagdelijke wanden

Zijn reuzenadem brak, nu op de wrakke stranden

Dier tooverwareld weêr terugslaat. ongetemd,

Maar ook ontembaar, — want geen vuist, die hem omklemt

Als de ijzren hand van Grod!

Verdelging voor zich jagend Gaan un de orkanen, dood op hunne wieken dragend,

Langs d\' eigen bodem waar hun heirtoclit werd bepaald. Hoe somber wordt dat rijk door eigen glans bestraald! Hoe vallen, storten en verzinken in een stonde.

Die tempels van geweld en wetenschap en zonde! Hoe scheurt de bodem, die met scheppingsmachten spot, Hoe buigt zij voor een God, die wareld zonder God!

Zie over \'t woelend vlak der wateren, die brullen

Bij \'t snerpend geeslen van den ^oorderstorm, vervullen

Des Wrekers boden bun verdelgingswerk; daar jaagt

In brok- op brokstuk, dat geen toeken aan zich draagt

Of \'t kerker was of hol der weelde, langs de baren

Het rijk der vrijheid heen. Wat bleeke schimmen staren,

Zich hechtend aan dat puin, in \'t ziedend, kokend graf.

Met neevlen voor het oog, die in der zonde straf

Hun slechts de ontwikkeling doen vinden van het leven!

Hoe voelt die andre groep het wufte harte beven

Bij \'t naadreu , naadren van de worstling met d\' orkaan ;

Hoe zoeken ze in den kolk, om aan zich zelf te ontgaan,

Vernietiging en — rust!

Gelukkig, wien de golven Neêrwierpen op de rots van Petrus, al bedolven Hen spring- op springvloed, ook al slingert de oceaan Langs klippen scherp en steil, bij \'t op en nedergaan De matte lenden heen en weêr, als lichte wieren, Die \'trimplen van de baar om \'t steil graniet doet zwieren. Gelukkig, ja, wiens hand bij \'t grijnzen van den dood Dien bodem grijpen mocht en zwijmend \'toog er sloot!

Wat wonder toongeluid, wat steigerende zangen.

Hoog boven \'t stormgeloei weerklinkend , opgevangen Door hemel, aarde en hel! Zingt Mozes weêr zijn lied Aan de oevers van de zee, die hem den doortocht liet En Faroes heir verslond? Voert Miriam haar koren Hooghupplend in de zege op dwinglandij en tooren Tot \'s Heeren lofgezang!\' Neen, schiet er uit de borst

ocr page 142

125

Des Konings weer een lied voor hooger eere vorst En voor de reine bruid, te midden van de schoonen Der schoonheid Koningin ? Of stort in reuzentonen Heel \'t schepslenheir het lied, het Hallelujah uit,

Als weêr des Levens hand der graven poort ontsluit?

Wat wonder toongeluid! Hoor, als de stem des Heeren,

Zoo machtig rolt het door de luisterende sferen;

Zoo sprak eens Petrus voor zijn broeders in den kring,

Waar \'t éene heilgeloof ook d\' eenen vorm ontving;

Zoo vlamde Paulus\' woord, dat slagzwaard, langs de wareld,

Die trilde en nederboog! Een vloed van klanken parelt

In rijke melodie en hemelzoeten val

Als gouden drupplen neer op schalen van kristal.

Dat is des Ivonings zang!

Door Cimstns gansch bemeesterd, Door Christus vleescli gesterkt en door zijn bloed begeesterd Een andre Theofoor, staat Pius en hij ziet De wareld aan zijn voer verzinkende in hef niet.

Verzinkende met al, wie daar zich zelv\' ontzielden;

Daar dreunt zijn reuzenstem, — vvjj hoorden ze en wij knielden.

„Een zuil verheft zich op deze aarde met haar voet „Gevestigd in \'t cement van \'s krnises godlijk bloed ;

„Een zuil uit rotsgraniet gehouwen en omgeven „Met stralend kronengoud. Wat schok den grond doe beven. „Zij trilt niet. Op haar top rust in een zee van licht „De geest der heerlijkheid, die koningrijken sticht,

„De duive der Jordaan, de zetel hooger waarheid;

„En van dier wieken stroomt een golf van hemelklaarheid, „Die om den reuzenvorm des Heeren glorie giet,

„Wier glans, als zonnegloed, door doffe neevlen schiet. „Een throongestoelte staat; wat ook de wentelkolken „Der eeuwen in hun kring aan \'t oog der wareldvolken „Ontroofden, wat de hand der menschheid in haar drift „Ternedersloeg, dit staat! God heeft er op gegrift „Zijn eenwig raadsbesluit in eeuwge lettervormen:

„Dit is m ij n s Konings Stoel!

Bij \'t loeien van de stormen, „Mijn broeders, om die zuil. dien throon vergaderd! Nu „Vraagt de aarde in stervensnood der redding woord van u; „Bij \'t sluipen van den dood, nu \'s levens vaste kringen „Zijn saaingetrokken om het middenpunt der dingen,

„Om aller waarheid zuil en om den Stoel der macht,

ocr page 143

12G

„Dien \'s Vaders Zone stelde in zijner godheid kraciit!

„Een maagdelijke bruid wnchr onder wijngaardranken

„Den eeuwgen bruidegom. Wat zaalger liefde spranken

„Er tintlea in dat oog, er gloeien in die borst,

„Hoe \'t hooger zwellend hart naar quot;t blij omhelzen dorst!

„Zij heeft gestreden, ja gestreden, en verwonnen,

„Trots kerker zwaard en dood, trots gloeiend vuur der zonnen,

„Trots folterende koude in schrikbre woestenij, —

„Zij bleef des Heer en bruid in schande en slavernij;

„Rein als de wintersneeuw, die glinstert om de bergen,

„Verheven schepping Grods te midden van de dwergen,

„Die grijnsden aan haar voet en grepen naar de kroon

„Gespannen om haar hoofd door d\'eengeboren Zoon !

„Zij klemde zicli om \'t kruis, haar erfdeel en haar glorie,

„Bij \'t razen van d\' orkaan of \'t juublen der victorie,

„En, moeder als de maagd in Bethleras armen stal,

„Vond aan haar moederborst het hongerend heelal

„Der liefde voedsel, met de spijze, die het leven

„Uit kille graven naar den hemel op doet zweven !

„Gij, arme zwervers, die de hooggestegen zee

„Rondgeeselt zonder rust of uitzicht op een reê,

„Waar u een moeder wacht, hoort gij de zoete stemme,

„Ziet gij den open arm, die aan liet hart n klerame

„ Der reinste moeder ? O gij, dwazen, die den schoot

„Der eeuwge liefde voor een valschen blik ontvloodt,

„Wat draalt ge ? een moeder roept, een moeder smeekt, gij armen!

„Er gaat een Godsgericht langs de aarde! Geen erbarmen „Kent dan de koning op zjjn sneeuwwit ros. De boog „Rust forscli gespannen aan den schouder en het oog „Zoekt naar geen doel meer!

Zie, de in bloed geverwde hoeven „Des oorlogs trapplen de aarde en langs de purpren groeven „Volgt met zijn weegschaal reeds de honger, en er gilt „Een snijdende angstkreet rond, die \'t ingewand doortrilt! „Vraag aan dat bleeke paard den naam van zijn berijder: „„De dood!quot;quot; Wat kampioen die opgaat en dien strijder „ Den lastbrief rooven kan, wiens vlammend koningswoord „De wareld als zijn prooi hem aanwijst?

O aanhoort,

„Gij kindren van de bruid, die op uw tooverstrauden „De wrake woeden zaagt, die in der golving branden „Uw graven gapen ziet, hoort, hoe uw moeder smeekt, _Die. zearevierend. toch om u van tranen leokt!

ocr page 144

127

„O Christus, Koning, God en Redder! Ja de schimmen „Der dwaling sterven weg voor u! Aan de Oosterkimmen „Versmelt de nevel en een gouden purpergloor „Zingt; de eeuwge morgen komt, de groote dag breekt door „De dag der eenheid en de glorie van den koning!quot;

En de aarde jubelt luid in blijde feestvertooning,

Neen, zinkt aan Pius\' Stoel met kindereerbied neêr:

„Voor u heeft God alleen, heb ik geen kronen meer!quot;

ocr page 145

AAUTEEKEmGEK

Bladz. 115. bron. in wier levens stroomen

Als in Bethesda\'s bail.

De wonderbare vijver to Jeruzalem, wier water. door een Engel beroerd. alle kwalen genas, /ie liet Evangelie van Jobs. V : 2.

Bladz. 115. Jordaan der wareld. gij. enz.

Hier wordt gezinspeeld op de wonderbare genezing van het Syriescb legerhoofd Naënian in de wateren der Jordaan. Men vindt liet verhaal: IV Boek der Koningen. 5. 14.

Bladz. 115. Koningin

Van kracht en liefde.

De grieksche naam van Rome beteekent: kracht: Roma, omgezet. Amor, is liefde.

De zinspelingen op verschillende monumenten der eeuwige stad in de volgende verzen voorkomende, behoeven geene verklaring.

Bladz. UH. wat verheven bogenrij

Bouwt op die spits zich saam. enz.

In geheel deze beschrijving heb ik St. Pieters dom met haar voorplein enz. voor oogen gehad.

Een vierdubbele. van alle kanten opene zuilenrij sluit van weerszijden in een halfrond het voorplein van St. Pieter in. Op de kroonlijst dei-kolonnade zijn de standbeelden van een honderdtal heiligen geplaatst. Midden op het plein staat tusschen twee prachtige fonteinen de beroemde obelisk van Sixtus V. met de even beroemde opschriften waarvan een de zegepraal van Judaas leeuw bezingt en een ander bijna woordelijk vertaald — zonder iets van de marineren majesteit van het origineel behouden te hebben, in den tekst voorkomt. Aan den voet der trappen, die onmiddellijk tot St. Pieter geleiden. staan de standbeelden der H.H. Apostelen Petrus en Paulus. De bronzen deuren van St. Pieter worden alleen bij den intocht des Pausen geopend.

In reusachtige gouden letteren leest men op de fries van den koepel boven het graf der Apostelen: ..Gij zijt Petrusquot; enz.

Bladz. 120. Waar boven Gods altaar de tempel aller Goden, enz.

Men weet dat de afmetingen van den koepel der St. Pieterskerk die van het Pantheon (den tempel aller goden) naar den buitenmmir gerekend overtreffen. terwijl beide iu vorm overeenkomen Michel-Angelo wilde ook niets minder dan den koepel van het Pantheon duizenden voeteii hoog in de lucht plaatsen om des Apostels graf te bekronen.

Bladz. 120. Ik heb gezien, enz.

Dit is een persoonlijke lierinnering door een vergeeflijke onbescheidenheid hier ingedrongen.

Bladz. 121. li Heer der Heiligheid, enz.

Ik heb hier beproefd nneer dan beproeven was onmogelijk, van slagen kon geeu spraak zijni eene vertaling te leveren van den heerlijksten dei-kerkelijke dogmatiselie triomfzangen, de ..praefatio de SS. Trinitate.quot;

ocr page 146

129

Tegenover de algeheele loochening van God scheen mij dit jubelend belijden van het diepste aller geheimen: de H. Drieëenheid. het meest gepast.

Bladz. 121. En Pins bidt,

Hier eene toespeling op eenige gebeden, die in de Mis het heilig oogenblik der consecratie voorafgaan, als: de gedachtenis der levenden en het gebod: „Cominunicantes,quot; etc.

Bladz. 122. Gij, breede heilgen-stoet.

In de vier hoofdznilen van St. Pieter staan de standbeelden der H H. Veronica, Helena. Andreas en Longinns; aan de overige zuilen die der groote ordenstichters. In het voorportaal staan de ruiterstatuën van Constant ij n en Charlemagne.

Bladz. 123. Zie \'t heilig offermaal.

Weêr eene proeve van vertaling der kerkelijke antifoon: ..o Sacrum Convivium,quot; enz.

Bladz. 125. Een andre Theofoor, staat Pius:

Theoforns, volgens sommigen de eerenaam van den H. Ignatius van Antiochië. Bisschop en Martelaar, beteekent: ..Godsdrager, God in zich dragendquot; of „door God gedragenquot;. Ik meende, na de H. Communie op den Paus dezen naam in zijne eerst-aangegeven beteekenis te mogen toepassen.

Bladz. 125. Een zuil verheft zich —

Columna et firmamentum veritatis, de zuil en de grondslag der waarheid: de éene, heilige, katholieke en apostolische kerk.

Bladz. 12(i. Geen erbarmen

Kent dan de Koning op zijn sneeuwwit ros.

Om te weten, waar ik deze beelden vond. behoeft men slechts een blik te slaan in het Boek der Veropenbaringen van den H. Johannes. hoofdstuk VI.

(De uitgaaf van 18()9 bevat deze :]

V O O R 11 E I) E.

God, die het kwade toelaat om het goede des te heerlijker triomf te doen behalen. heeft den loop der eeuwen, als een wondervol gedicht, uit tegenstellingen saamgevlochtcn. Deze gedachte van Augustinus werpt een helder licht op de vragen van onzen tijd. Vreeselijk is de kamp, die voor onze oogen op het slagveld der wareld-geschiedenis gestreden wordt. Nog nimmer heeft het: ..non serviamquot; des Boozen zich in zoo ontzet-tenden vorm: de algeheele loochening van God en Christus, de tot in het uiterste doorgevoerde scheiding van godsdienst en leven voorgedaan.

Scherper en strenger steeds scheiden de strijdvoerende partijen zich af. Op los, verstuivend zand heeft, tegen den raad des Evangelies in, de macht des Boozen haar huis, liever zeg ik met den heiligen denkei\', hare stad gebouwd. Daar heeft zij in tergende roekeloosheid en zich geheel vrij wanend van God, elk harer beginselen ten vollen bloei ontwikkeld. Een zekere schoonheidsglans, een verlokkende schijn van lust en liefde en leven omgeeft haar. Er hangt over die stad een zachte, een bedwelmende dampkring; streelend golft de zang der Sirenen door de geurige lucht.

Toch ontwikkelt zich bij haar de kiem des doods. In den opstand tegen God gegrondvest, in den opstand tegen God levend, moet zij vergaan. Zij meent evenwel het middel tot behoud te hebben gevonden: zij strijdt

9

ocr page 147

130

tegen den Eeuwige. Steunend op de hoogste ontkenning, uitgesproken in het woord des onwijzen: „er is geen Giodquot;, is liet wegcijferen van God op elk gebied haar wapen en haar doel. Geholpen dooi\' „de geesten der verderving in de luchtquot; . ontketent zij een orkaan van verleidingen. logens en geweldenarijen tegen de Kerk. de bruid van God.

Deze echter, de „civitas Deiquot; staat onwrikbaar pal op de rots van Petrus. Rust de stad des Boozen op den opstand tegen God. vindt zij haar kracht in het vernietigen van alle geloof aan dien God, de stad der ware liefde steunt op het innig vereenigd zijn met haar stichter en haar Heer. Ook zij heeft haar steunpunt, ook zij heeft haar wapen, ontzachelijk sterk en onverwinbaar. Beiden vat gij samen in éen woord. in éene zaak.

Dat woord is het onfeilbare; ,.Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overmogenquot;. dat tweede Scheppingswoord. door den Christus in de wareld geslingerd, het beginsel van de onverdelgbaarheid der Kerk.

He zaak is: het groote geheim, het levens-middenpunt van het Katholicisme. de offerande der H. Mis. het H. Sakrament des Altaars, het waarachtig, persoonlijk, levend tegenwoordig zijn van den Godmensch op onze altaren. het zetelen van Christus op aarde met Zijne Godheid en Zijn menschheid, zooals Hij zetelt aan de rechterhand Zijns \\ aders in den hemel, alleen voor ons sterfelijk oog omsluierd door de uitwendige gedaanten van brood en wijn.

Ik noemde dit laatste; een wapen, eene zaak; dit zijn woorden zonder beteekenis, die zelfs geen schaduwbeeld geven van de gedachte, wier uitdrukking zij behoorden te zijn. Neen, het Sakrament des altaars is de weg waarlangs de menschheid tot het haar bestemde deel van godgelijk-lieid opklimt, het is de waarheid, die alle duisternissen verdrijft en den geest verlicht, het is het Leven, dat geen einde kent; het is niet het wapen, maar het is quot;de strijder, dien Johannes zag, met de kroon om de slapen. den gespannen boog in de hand op het witte ros gezeten en reeds overwinnaar, uitgaande ter zegepraal.

Hoe nu ontwikkelt zich de reuzenstrijd tusschen de macht des Boozen en de Kerk? —

De haat is het beginsel, dat de machten der duisternis tezamen houdt; haat tegen het geloof, de hoop en de liefde, die schitterende eigenschappen der bruid van Christus, uitgesproken in de vrije wetenschap, de weelde en het geweld dezer wareld. De haat echter is geen levensbeginsel ; maar brengt den dood en kan daarom, zal niet de wareld zonder God op eenmaal verzinken, naar binnen geen werking doen. Daarom is de eenheid der stad des Satans slechts uitwendig en geheel haar werkkring tot het uitwendige bepaald. Alle krachten zijn losgelaten tegen de stad Gods, alle stormen, die daar binnen wonen, zijn ontketend tegen het rijk Gods in de wareld. Er is geen regel, er heerscht geen orde in den aanval, vernielen is het doel en vernielen het, middel.

In de Kerk heerscht het beginsel der eenheid, in de rots van Petrus belichaamd voor de eeuwigheid. Hier voor het inwendige; orde, vastheid en onverdelgbare levenskracht. Want de levende steenrots rust niet alleen op het woord in de kracht van het goddelijk offer uitgesproken . — maar ook bij haar berust de levende goddelijke offeraar en offerande, bij haar is „onder schijn van brood en wijnquot; de „God met onsquot;. Die offerande der H. Mis is het onuitputbaar levensbeginsel en tevens het onbreekbaar verdedigingsmiddel der Kerk. daarin wordt de Zoou. door de eeuwige liefde des Vaders, voortdurend aan de wareld geschonken, dooi\' de jubelende Kerk aan dien Vader, in erkenning Zijner weldaden en Zijner grootheid, weêr opgedragen, om dan dien Zoon dankbaar als het onder-

ocr page 148

131

pand van haar tehoud en haar eeuwig erfdeel terug te ontvangen van Hem. Maar, daar God alleen over God kan beschikken, is het niet de Kerk als zoodanig, maar de Godmensch zelf of vvien Hij in Zijn persoon Zijn woord doet spreken, die dat goddelijk offer telkendage weder voltrekt Dat offer ook is niet slechts een huldeblijk, een in daden gezongen hymne van dank en liefde, maar het is tevens — en ziehier reeds het wapen — de krachtigste belijdenis van geheel het geloof voor liet aanschijn der wareld uitgesproken, de hoogste, de stoutste verkondiging van den éenigen Weg, de éenige Waarheid en het éenige Leven. Orelelijk, als geheel de bouw der Kerk, is ook hare verdediging. die te gelijk bevestiging naar het inwendige, afwering van elen vijand en uitbreiding harer heerschappij is.

De goeldelijke ofterspijze, de menschgeworden en voor ons zich offerende Goel is het wonderbaar voedsel, dat door zijn kracht om de leelen der Kerk als een ondoordringbaar pantser smeedt.

Die elit brood niet eten, zegt Christus, sterven; die het onwaardig eten, verklaart Paulus, sterven ; krachtiger verdediging is wel niet denkbaar. Toch, dit niet alleen: er gaat van de altaren, waarop de God, persoonlijk in de wereld tegenwoorelig. rust, een kracht uit. die de Kerk met won-elere levensuitingen vult, die\' de macht des Boozen ontwortelt en verbreekt. De Eucharistie is een wareld-veroverende kracht. Elke kerkspits, die u tegenblikt door de kruisbloem bekroond, is een der mijlpalen van haar zegebaan. Als zoodanig spreekt zij zich uit in elke eler nabootsingen van het goddelijk offer, in elke daad, die verkondigt dat er geen droppel bloeel in onze aderen vloeit, dien wij niet veil hebben voor de verdeeliging of de uitbreiding der Waarheiel. levend tegenwoordig op het altaar.

Zie nu, in dit licht, de oplossing van den strijd en gij ziet tevens het antwoord op alle raadselen dor geschiedenis. Onverbiddelijk slaat eenmaal (het kwaad vernietigt zich zelf) ele woeele der Hel, op de Kerk verbrijzeld, op het punt, vanwaar zij uitging, terug. Dan werkt de haat daarbinnen, wat hij daar buiten niet kon bewerken: hij vernielt. Weggeslagen van den lossen zandgrond, stort ele stad des Boozen ineen, en uit de puinen jammeren de verslagen bewoners met uitgestrekten arm en biddend gebaar. Maar in het midden eler Kerk staat ele onsterfelijke Petrus, en hij, de Koning, zegt het lieel zijner konings-eere. elat te gelijk de teederste roepstem der hoogste liefde is. De uitgestrekte arm wijst naar het altaar, waar de Godmensch rust, en van zijn lippen klinkt het: „Deze is ele Weg. ele Waarheid en het Leven.quot;

Ziedaar de gedachte in haar eenvoudigsten vorm.

Sta nu met mij aan de kust van Napels en herdenk de geschiedenis eler heerlijk blauwe zee, elie voor uw blik in duizenden golfjens lacht. Weèr verrijst er voor uw oogen een dier zoo dikwijls reeds beschreven vulkanische eilanden. Gij hebt u, hoop ik, niet zoozeer door ele natuur laten wegslepen, of er leeft nog in uw geest meer elan een losse gedachte aan de stormen onzer eeuw, aan elen strijd tusschen God of niet-God, in ele wareld onzer dagen gevoerd. Dan bevolkt gij zoo een lava-eiland, elan hoort gij het als een wareld, waarop geen Christusbloed stroomde, als een wareld zoneier Goel begroeten, gij ziet die geheele ontelbare menigte van Christus-loochenaars zich daar heen begeven, zich er op verdringen, er hun huis bouwen voor ele eeuwigheid. Van alle kwaad in ele natuur maken zij zich meester en doen van daar elen storm uitgaan, die tot het minste spoor dier groote hatelijkheden: een Goel, een Schepper, een Verlosser, een Paus, een Kerk verdelgen zal.

Tegenover elie verschijning elenkt gij u nooelzakelijk ele rots door Christus op ele wareld geplaatst.

Maar dwaal nu eenige dagen later door ele onmetelijkheid van S, Pieter,

ocr page 149

132

Bouwt gij dan niet. altijd bezig met uw tijd, den grootsohen dom met zijn majestueus voorplein, als oen beeld der Kerk op de rots van Petrus? Peinzende onder de gulden gewelven of knielend aan het graf\'der Apostelen, hoort gij den orkaan loeien tegen de reusachtige muren; de klanken van een voorbarig zegelied trillen i\'eeds in uw oor. Uw menschelijk gevoel kan geen hangen zucht bedwingen. Maar daar boven xi langs de geheele kroonlijst staat op schitterend gouden grond, in reusachtige letteren het goddelijk woord, dat de Kerk bouwt op Petrus en aan Petrus de onverdelg-baarheid waarborgt. En dan. hoe wilde ik dat gij t gezien en genoten hadt als ik, dan zie den Paus, zie Pius den IXlt;\' op het altaar boven \'t graf der Apostelen de H. Mis lezende. Vraag niet, wat gedachten er dan heenstormen door een menschenhoofd. Dit éene ziet gij als in volle daglicht . de Eucharistie. het priesterschap en het offer door de hoogste persoonlijkheid in de Kerk gedragen, als haar levensbeginsel, als de lichtbron waarvan de stralen uitgaan. die leven wekken en den dood afweren. De geschiedenis kan geen raadsel meer zijn, de God, in persoon op aarde tegenwoordig, geeft het antwoord op de vraag: hoe de. in hare uiterlijke verschijning zwakkere Waarheid de machtige Logen overwint. Waarom het verzwegen? Nu tart gij alle krachten, die aanstormen tegen de Kerk.

Want, immers het eischt niet te veel inspanning, gij staat weer aan de zee en ziet. hoe de wareld zonder God van haar wankele vestiging uit, nog altijd tergend den strijd volhoudt. Zij hoort naar geen stem des geloofs, evenmin naar de stem der geschiedenis; hoe kan zij het. die geen gisteren had en geen morgen hebben zal? Het tooneel toch is veranderd. De storm , gebroken op de diamanten muren der Kerk, slaat op het toover-eiland, van waar hij uitging, terug; verbrokkeld, gescheurd zinkt die wareld in de golven weg.

Nu hebt gij aan den ingang van St. Pieter, bij een der zuilen, waarop de Bulla convocationis Concilii oecumenici is vastgehecht, de verheven taal des Pausen bewonderd. Als dan Pius de IXe, na het nuttigen van \'s Heeren lichaam en bloed, zich op zijn throon verheft en der wareld zijn zegen zal schenken, terwijl op het altaar de Godmensch rust, meent gij dat die koninklijke zang, te gelijk met de liefdevolle uitnoodiging aan alle dwalenden, van zijn lippen rolt. Hoog boven het geloei der baren, hoog boven de doodskreten der verzinkende wareld uit, rollen u die ontzachelijke zegepsalmen toe.

De obelisk van Sixtus V geeft u het woord, dat in uw hart opwelt. De Leeuw van Juda heeft overwonnen, gij. tegenstrijdige machten. vlucht!

Een voorrede, die (aanmatigend genoeg!) een commentarius werd op het, volgend gedicht. Zou zij te vergeven zijn?

Ik breng hier mijn dank aan allen, die mijn eerste pogingen zoo voorkomend hebben begroet. Voor aanmerkingen en voor lof, vooral voordo eersten, zij hun mijn diepgevoelde erkentelijkheid betuigd.

Wie omkeering van mij verlangt , omkeering in begrippen voor geschiedenis en leven, hij verlangt wat, ik niet geven kan. Onder Gods bijstand zal, zooals geheel mijn bestaan, ook al mijn dichterlijk streven slechts éen stempel dragen: de korte belijdenis derkatakomben: „Christus alpha et omega.quot; voltooid door het Credo in unam, sanctam Catholicam et Apostolicam Ecclesiam.

Ik hoop dat deze vaarzen een weerklank in veler gemoed mogen vinden, liever nog, dat zij slechts de zwakke echo mogen zijn der stemmen •jn hun eigen hart.

^ Rome, 11 April 18(i9.

H. J. A. M. SCHAEPMAN.

Pr.

ocr page 150

3? a F ij s 1870-71.

is het zrtclit gemiscli dor teerlre Aeoolsche snaren, De zoeto melodie Sterft lispelende heen en weeklaagt aan de blaaren

De vlucht der poëzie. —

Weg is de tooverklank der huiselijke weelde;

Der harten hymne zwjjgt;

Niets: als wen \'t blonde kind, dat dartelende speelde.

Het hoofd ter ruste nijgt;

Och, \'t is de looden druk, die \'t wakend tweepaar oogen

Bij \'t zoete wiegjen sloot,

En \'t harte stil doet staan, door stommen schrik bewogen

Bij \'t sluipen van den dood!

Eéu zal er minder zijn, als weer die oogjens glansen,

Als weer dat handjen vlug Naar de eerste stralen grijpt, die langs zijn kribbe dansen

Eu keert hij ooit terug? —

Het is het zwijgen niet der koestrende avondstonde,

Als heel de wereld rust En \'tzilverlicht der maan, bij \'tingaan van haar ronde,

Ze schuchter, bevend kust.

Neen, \'tis de stilte van de zegenrijke dalen,

Waar lente\'s tooverstaf Het leven in der roze en lelie glans deed stralen: —

Straks breekt de orkaan haar af!

Noen, \'t is het zwijgen van de hooggerugde bergeu, Als \'t onweer om hun spits

ocr page 151

134

Zijn zwarte wolken pakt, die \'t stormend water bergen En \'t vuur der bliksemflits

Hoort, langs de harpen slaan de worstelende vlagen En siddrend trilt de snaar;

Hoe snerpend gilt de klank; hoe huilend krijscht het klagen, Een gierend doodmisbaar!

Weg is de zachte toon der teedre Aeoolsche snaren. Der vrede hymne zwijgt —

Daar komt een stormwind uit het Noorden opgevaren , Die altijd hooger stijgt;

Een stormwind, voortgezweept door voortgezweepte stormen In felle razernij,

Als trok weêr Odins heer met al zijn reuzenvormen Het siddrend oog voorbij.

Een daavrend loeien slaat door alle wereldstreken,

Schudt iedren echo los, —

De beendren op het veld van Waterloo verbleoken,

En beven onder \'t mos!

De stormen naadren steeds, de stormen dringen samen Tot ééne reuzenjacht.

Die, straks weer uitgeplooid, een wereld zal omvaamen Met meer dan wereldkracht.

Voelt gij den Zuider gloed, die iedre spier doet trillen? v-De Simoun brak zjjn boei,

En stormt in vlammendrift, met aaklig snerpend gillen, Op \'t Noor der stormgeloei!

Het Zuiden jaagt zijn vlucht van vaalgewiekte winden Met scheller knjschen voort;

Voort, altijd, altijd voort! — Bij \'t ziedend naadren zwinden De stormen uit het Noord!

Daar loopt een trilling langs de blauwe hemelbogen Bij \'t stooten van de lucht;

De wereld krimpt ineen, als machtloos neergebogen Bij \'t zwiepend stormgerucht —

Hoort! langs de snaren van de harpe slaan de orkanen!

Kent gij die tonen niet?

Dat is de toon der wraak, de toon der bloed\'ge vanen, Dat is het oorlogslied! —

Het lied des oorlogs dan! Een lied van lauwerkransen En palmen eeuwig groen!

Een lied van tranen ook, die niet als paarlen glansen,

Maar \'t loover dorren doen!

Het lied des oorlogs dan! Een lied van trotsche puinen. Waarom geen klimop bloeit,

ocr page 152

135

Maar om wier zwartgerooste of vaalgescliroeide kruinen

De scherpe kruitdamp stoeit!

Een lied van bloed en staal, waar \'t zwaardgeklir in klettert

Het reuzenmoordtuig brult;

Met strofen, waar de klank der krijgstrompet door schettert

Die \'taaklig kermen vult!

Een wonder, wonder lied, vol hooge kracht en glorie:

Een hymne van dun geest,

Die orde uit stormen schept, en \'t wisslen der Victorie

In wufte wolken leest!

Het lied des oorlogs dan! Een nagalm uit de wouden,

Een zang der woestenij,

Waar leeuw en tijger beide in vrede een rustuur houden

Bjj \'s menschon razernij!

Een reuzig heldendicht in stroomen bloede gegoten

Langs \'t grensloos worstelveld,

Waar straks do Koning Dood met de ijzige genooten

Zjjn oogst van lijken telt!

Voeg al do letters saam, uit de ongebleekte beenen

Door \'t grillig spel gevormd,

Door \'t vale licht der maan als weifelend beschenen ,

Terwijl de nachtwind stormt;

Lees, lees het bleeke schrift in \'t somber uur der wake:

„Geslachten gaan te niet,

„Maar eeuwig blijft de Heer, maar eeuwig blijft Zijn wrake\' Dat is des oorlogs lied. —

II.

Nog stond gij los en vrij , gij Koningin der steden,

Voor \'t morgen onbeducht;

Nog zaagt gjj spottend uit naar \'t nieuwtje van het heden:

Hoe wolkloos was uw lucht!

Schud vrij uw lokken uit, gij dartele amazone

In \'t sierlijk wapenkleed!

De zorgen vliegen heen; reeds ligt de zegekrone

In \'t arm Berlijn gereed!

Ja, \'t bal Mabille zwijgt, maar \'t schettren der fanfaren

Klinkt vroolijk, blijde en schel,

En vroolijk is \'t gezicht der breede krijgerscharen:

Een vroolijk tusschenspel:

Weêr heeft het geeuwen uit; de batterijen dreunen

Uw plein langs in galop; —

Een ander thema is \'t dan do Offenbachsche deunen.

ocr page 153

136

En \'tfrischt uw zenuw op!

Een ander tooisel eens voor de eeuwge balgewaden ;

Weg met de rinkelbel!

Het spiegelend kuras vervangt de borstsieraden

En kleedt toch even wel!

De scharen staan gereed, \'t Arabisch ros, gezadeld

Met kostbre tijgerhuid,

Wacht op de Afroditee, tot krijgsgodin geadeld,

En briescht zjjn geestdrift uit!

Daar naakt, daar naakt Parijs! — Hoe aller blikken stralen —

Een lachje in \'tdartel oog.

Een liedjen op de lip van liefde en zegepralen,

Of haar geen angst bewoog,

Zóó wipt ze \'t zadel in en grijpt den gouden teugel,

En streelt de zijden maan! —

Maar eensklaps rijst zij op cn, • vaststaande in den beugel,

Ontplooit heur hand de vaan.

Het dartel lachje wijkt; de lonkende oogen pranken,

De mond staat streng en straf;

De Marseillaise golft in breed metalen klanken Miljoenen lippen af!

De Marseillaise klinkt. Dat is het lied der slaven,

Tot wanhoop opgezweept,

Nog rinklend met de boei, gebroken van de staven.

Ter helft nog meêgesleept! —

Het buldert uit het dek der sombere galeien.

Dat ribbe cn dwarshout kraakt,

En de echo brengt een lang, een hartverscheurend schreien:

Bij d\' eersten toon ontwaakt!

Herinnert ge u den dag, gij volken van Europe,

Toen \'teerst dat lied weerklonk,

Hoe \'t blijde morgenlicht, hoe der bevrijding hope

In stroomen bloeds verzonk!

Herinnert ge u den dag, gij Rijn- en Sambre-boorden

Toen, feller dan het schroot,

De nooit gekende macht dier scherp gesmede woorden

Uw legers nederschoot?

Het vloog langs de Alpen heen, gevolgd door duizend zonen,

Lombardies vlakten door, —

De zegepraal, gehuwd aan ieder van die tonen,

Vloog juichend ze altijd voor!

Dat lied, het wierp den troon in \'t slijk der straten — scheurde

Het smetloos hermelijn, —

Geheel een volk verzonk, en uit de puinen beurde

ocr page 154

137

Zijn hoofd de Jacobijn. —

Daar ruischt een stroom van bloed door ieder van die noten :

Het is het scheppingswoord Der wereld uit deu schoot des afgronds voortgesproten

Bij \'t donderend akkoord!

Zoo klinkt de poëzie der vallende Englcnkoren,

Een stormend wraakgeloei,

Waar de echo van een lied, in reiner sfeer geboren,

Niet daadlijk uit verwoei. —

De Marseillaise klinkt — door hooggezwollen aadren

Stroomt ziedende het bloed, —•

Parijs verheft zijn vaan en brengt den God dier vaadren Den God-Voltaire een groet!

Hoe anders was het eens, toen uit der stede wallen

De herderinne toog;

De ruwe Geesel Gods, omringd van zijn vasallen ,

Voor \'t woord der zwakke boog;

Een harig boetekleed was \'t harnas der gewijde, Een kruisbeeld was beur zwaard ;

Zij toog in hooger kracht dan wapenpraal ten strijde,

Door de Englen Gods bewaard;

God was haar bruidegom, — het fluistren van haar bede

Had de Eeuwigheid gehoord;

Het zwaard van Attila zonk machtloos in de schede Voor Genovevaas woord!

Hoe anders was het toen! — Een wolk van Englen zweefde

Om muur en torentop,

En ving, Parijs, den zucht, die op uw lippen beefde,

In gouden schalen op;

Hoe anders was het toen! En nog, nog stijgen klanken

Ook uit uw schoot omhoog.

Nog beeft er menig hart en voelt de grootheid wanken,

Die werelden bedroog;

Noch ruischen de echoos wel van zaliger geslachten,

Onsterflijk , altijd voort,

Nog bidt Vincentius, — en, och, der liefde klachten,

Ze worden eens verhoord!

Maar klinkt de vrome bede ook krachtig, dringend, teeder.

Vol liefde en vol geloof,

Mi tar roept ook traan op traan des hemels zegen neder, —

Steeds blijft de hemel doof!

Ziet, twee gezellen staan, Parijs, aan uwe zijde.

De Waanzin en de Schuld\'

ocr page 155

138

Aan beiden vastgeboeid, sleept elk u meê ten strijde,

Van schrik des doods vervuld,

Verhef, Parijs, uw vaan! — de Marseillaise dondert:

„Geen boete, geen gebed!

„Weg met dor heemlen God, door \'t simpel kind bewonderd; Voltaire is God en wet!quot;

Een krjjgsboó nadert. Van zijn hijgend ros gezegen,

Brengt hij dor koningin Gewis een eerlaurier, op \'t bloedig veld verkregen

Door stalen heldenzin!

Al staat zijn voorhoofd strak — daar tintelt in zijn oogen

Een levensvolle drift;

Zijn borst zwoegt sneller steeds, door t bljj gevoel bewogen;

quot;Waar is zijns vorsten schrift? —

Of — is \'t de doodskleur, die zijn wangen doet vcrbleeken,

Bij de eerste blijde vraag? —

Vangt, vangt de woorden op, die door zijn lippen breken;

Hoort: „Forbach, — nederlaag!quot; —

Geen nood, vorstin Parijs! geen nood, dc zegepralen

Zjj wachten uw bevel;

De jager lokt het wild tot vreedzaam buit behalen

En vangt het wis en snel.

Geen nood — daar vólgt een bode en wenkt u \'t antwoord tegen

Op de onbesproken vraag, —

De woorden, fluistrend van zijn lippen slechts verkregen ,

Zijn ))Wörthquot; en „nederlaag!quot; —

Geen nood, vorstin Parijs! geen nood, want de eindvictorie

Bracht eeuw op eeuw u aan;

Geen noordsche knechtentroep zal aan uw heldenglorie

De ruwe handen slaan. —

Ziet! bode op bode komt, met versch geplukte blaadren

In \'theete worstelperk;

Bedwing de valsche vrees, die rondsluipt door uw aadren,

quot;Wees Koningin en sterk!

Wees Koningin en sterk! — dat fluisteren uw zonen? —

Wat ruwe spotternij!

Gevallen is uw staf — gebroken zijn uw kronen;

Uw droomen zjjn voorbij.

Wat wacht ge, een driftig blosje op\'t marmerbleek der wangen,

Een antwoord op uw vraag? —

Zoo ras het eene woord het andre kan vervangen,

Is \'t altijd: „Nederlaag!quot; —

Wat waakt gij eindljjk op, gekwetste tijgerinne.

En breekt ge uw tooverban,

ocr page 156

139

quot;Werpt gij \'ttooneelzwaard weg, en wordt ge weer heldinne, Bjj \'tééne woord: „Sedanquot;?

III.

De zoon van \'t Noorden zingt;

„Gewroken is de schande, Der oudren eer hersteld,

Begraven is de smaad, die ons in \'t harte brandde.

Op \'t bloedig lijkenveld !

Gewroken is het bloed der neergetrapte vaadren,

Dat steeds ten hemel steeg.

Dat schaamrood op de wang en koortsdrift joeg in de aadren

Terwijl de Koning zweeg!

Maar \'tblijde woord weerklonk — gevallen is de dwinger,

Gevallen in het slijk!

Zijn grootheid spatte uiteen, eu Duitschlands stalen vinger

Wees keer op keer oen lijk!

o Duitschland vrij en één, o Duitschland, onze glorie,

Rijs uit der eeuwen graf;

Omslinger u de kruin met kransen der victorie.

En leg het doodskleed af!

De levensmorgen daagt uit strijd en worstelingen,

Uit zeeën rood van bloed!

Eerst zal nog \'t heldenzwaard de keizerstede dwingen:

Parijs krimpe aan uw voet!quot;

Parijs! — herkent gij \'tnog? — gepantserd van de zolen

Tot aan des schedels kruin,

Geriemd in \'tstalen kleed, den vijand nog ontstolen.

Onwrikbaar als arduin,

Maar met hot helmvizier hoog open, met de bleekheid

Van d\' ernst op \'t stout gelaat —

Zoo wacht het, ópgewaakt uit dartel wulpsche weekheid,

Zijn vijand af, en staat. —

Het wacht, pal als de zuil te midden der ruïnen,

— De zuil van Frankrijks trots —

Helaas, waarom niet eerst, bij \'t naadren der lawinen,

Geknield voor \'t outer Gods!

Het wacht, — en \'t blanke zwaard trilt in de leenge vingren;

Hot schild beschut de borst;

Naak vrij, gij zoon van \'t Noord, met al uw ruwe dwingren

ocr page 157

140

Parijs erkent geen vorst!

Zicli bukken — nimmer! neen, zoo lang een spier nog rijzen,

Een ader kloppen kan —

Eerst geeft ze \'t antwoord nog op al uw hoonbewijzen,

Een antwoord op Sedan!

Dat was geen strijden meer — dat hopelooze wringen

In \'t stalen jagersnet,

Dat worstlen met een boei, die nauwer steeds haar ringen

En steeds onbreekbrer zot;

Dat aadmen zonder lucht, dat werkeloos verkwijnen

In d\' engen stedemuur —

\'t Is steeds hetzelfde leed, \'tzijn steeds dezelfde pijnen

\'t Is één, één eeuwig uur! —

Wat baat het, of ge straks mot meer dan tijgerwoede

Uw felste pjjlen drilt?

Hem tergt go te vergeefs, die daar in koelen bloede

\'Berekent wat ge spilt! —

Twee minnaars koost ge u uit, en beiden boodtge uw minne:

„Der Zege of wel den Doodquot;: —

Hun beider ruwe voet vertrapte u — de boelinne

Behoort den Hongersnood!

De god der Zege ging, — uw schoonheid was verloren,

AVat zocht hij moer dan dit?

De Dood trad nader, zag — en ging, — zijn uitverkoren

Zjj vlekkeloos en wit.

Hem liept ge kermend na, om deernis en erbarmen

Met smartekreet op kreet;

Hoe brandde \'t weeldrig hart na \'t ijzig kil omarmen —

Hij spotte met uw leed!

Het oordeel wordt vervuld — Gods wrekenden verschijnen,

Op bloed en moord belust.

Geen sterven wordt uw deel, maar wel des stervens pijnen;

De schande, niet de rust!

Toen reest gij eens nog op, ontembaar, onbedwongen

In vollen krijgsmansdos; —

Och, machtloos zinkt het zwaard; — daar naakt met felle sprongen

Der jagers breede tros, —

En gillend krijscht het woord, uw gorgel uitgewrongen: „Laat, laat de doggen los!quot;

„Laat, laat de doggen los!quot;

Daar siddert door die kreten Een vreeslijk oordeel Gods,

Een echo van het woord, dat, Achab toegesmeten Zijn kroon brak en zijn trots!

ocr page 158

141

„Gaquot;, sprak de Heer, „tot hem, die Nabotlia wijngaardrooven

„En nu bezitten zal,

„Ga, zeg hem: „„Moordenaar, uw Koning zag daarboven,

„„Wie \'t eerlijk erfdeel stal!

„„God heeft gezien en spreekt: Uw vorstenbloed zal leken

„„Als des gerechten bloed,

„„De doggen slurpten \'top, —ik zal de misdaad wreken,

„„Die do aard nog rooken doet!

„„(Jok u, u Jesabel, u geldt dos Heeren sprake —

„„U trapt der paarden hoef —

„„De doggen snellen toe en schenden \'tlijk; de wrake

„„Verbiedt u zelfs een groef.

„„Dan zal \'t misvormde rif uw misdaad nog verklagen,

„„Op \'t erf van Jesrahel;

„„Do volken stroomen toe en staan verstomd — zij vragen „„Is deze Jesabel?quot;quot; —

„Laat, laat de doggen los!quot;

Is dan het uur gekomen, Is daar geen hulpe meer?

Is dan de wrake vol en werpt de vloek van Romen,

Parijs, uw muren neer!

Van Rome! — Of weet ge niet, hoe ge in uw wulpsche zangen,

Om Naboths erfdeel vroegt?

Herinnert ge u den dag. toen Achab \'tging ontvangen,

Hoe gij reeds boeien droegt?

Herinnert ge u. Parijs, hoe gij zoo blij kondt schaatren, % Bij \'t snerpend oordeel Gods?

Gij, andre Jesabel, hoort gij nu \'t zegeklaatren

En voelt gij Jehu\'s knods? —

Een bede, een traan van rouw geeft meerder zegepralen

Dan heel een legertros; —

Gij schimplacht bij dat woord met spottend schoud\'rophalen — De doggen breken los!

IV.

Hol slaan de golven na het gecselen dor vlagen,

Hol klotst de zware zee; —

Ontredderd drijft het schip — de mast is weggeslagen.. .

De orkaan nam alles mee!

Geen wimpels klappren meer met wisselende kleuren;

Aan Harden hangt liet want.

En sjjplend dringt de zee door duizend nauwe scheuren. —

ocr page 159

142

Daagt nergens, nergens land? •—

Dat is de sombre vraag, die ge op de bleeke lippen

Van ieder scheepling leest;

Hoe speurt de starre blik naar een dier steile klippen ,

In voorspoed zoo gevreesd.

En altijd gaapt de zee en altijd dreigt het zinken,

En altijd loeit de dood. —

Wat sleepte niet de nacht hen mede, voor hot blinken

Van \'t helder morgenrood? —

Dat was de vraag. Parijs, die door uw boezem woelde,

Uw handen trillen deed,

Toen eenmaal weer uw nek den hiel des vijands voelde.

Die van geen meelij weet.

Geen liefderijke hand zou uwe wond verbergen ;

Hij toont ze heel der eeuw.

Dat hadt ge niet verdiend — dat was het laffe tergen

Van den gewonden leeuw:

Zijn manen rijzen op, zijn vlammende oogen vonken.

Schor dondert de oude schreeuw.

De siddrende echo vlucht in duistre bergspelonken;

Het woud herkent zijn leeuw!

Zjjn stalen klauw omspant reeds de aarde, als hield hij weder

Den terger in zijn greep, —

Een ruk der boeien werpt den vorst der wouden neder, En snerpend zwiept de zweep!

Dat was de vraag. Parijs! — Waarom niet eer gestorven —

Waarom onteerd — en vrij? —

Niet liever lid voor lid gemarteld en gekorven,

Dan schande en medelij ?

Dat was de vraag. Parijs, die door uw aadren ziedde

Met meer dan lavagloed. —

Hoe baldet gij de vuist! Het oog dat u bespiedde,

Las in uw trekkjen „bloed!quot; —

De koorts der wanhoop sloeg door merg en beendren henen ,

En schudde u als de orkaan;

Uw tranen droogden op, gij zoudt niet langer weenen,

Maar — vrij zijn of — vergaan! —

De geest des Caesars, die in \'t heete bloed der stieren

Zijn doopsel eens verdronk, \')

Werd wakker in uw borst waar vlammentochten gieren

Als in een heispelonk. —

God (had men u gezegd). God tuchtigde ter redding, -—

\') Juliaan de Afvallige.

ocr page 160

143

Al brullend sprongt gij op,

Als joeg een Noordorkaan den stortvloed uit zijn bedding

Weêr naar der rotsen top. —

Gij naamt een handvol bloed en wierpt liet naar den hemel

Dien God in \'t aangezicht:

Daar liep een beven door der sterren glansgewemel, En siddrend week het licht! —

Ü nacht, o sombre nacht, die over ons komt dalen.

Als de ongeschapen God Zijn aangezicht omhult, geen schemer van zijn stralen

Meer valt op \'t wereldlot; —

ü nacht, o sombre nacht, wanneer de God der glorie

Des levens stroomen sluit.

En de aan des menschen hand voorthollende historie

Niet regelt, ordent, stuit!

ü nacht, o sombre nacht, waarin geen dauw komt vloeien,

Waarop geen morgen daagt,

Maar door wier diepten slechts de stormen henenloeien,

Door Satans opgejaagd! —

Die nacht, de looden nacht der eerolooze graven,

Zonk met zijn schande en moord;

De stormwind huilde en floot en gilde en joeg de slaven

In eeuwge kringen voort.

De diepten stijgen op en slingren hun gedrochten,

Hun tijgermenschen op —

De roode hydra der vernieling laat houi\' krochten

En heft den valschen kop. —

Nacht is het, eeuwig nacht! —

Daar flikkert door de schichten Der wolk een rosse gloed.

Is dat een morgenrood? — is dat een schemerlichten? —

Het is de glans van \'t bloed!

Nacht is het, eeuwig nacht! — Maar eindlijk komt de zonne...

Parijs! üw zonne komt —

De fakkels zwieren rond, gedoopt in de oliebronne,

De vuurzee loeit en bromt!

De vuurzee! — buldrend slaan de knetterende golven

Bij \'t dondren van \'t kanon.

De wonderstad verzinkt in rook en vlam bedolven

Is dat, Parijs, uw zon? —

De vuurzee — ziedend stroomt ze en wikkelt in heur kringen

Het reuzenlijf dor stad, —-Het merk des doopsels zoudt ge u uit de ziele wringen; Dit is uw vrijheidsbad!

ocr page 161

144

Men zegt dat op dat uur, toen bij der menschheid weenen

De wereldstad verging,

Gezeteld op den rook een koning is verschenen, \')

Gekroond met vlammenkring.

Een sombre koning uok, — het kruis lag aan zijn voeten,

Hij trapte \'t in zijn pijn;

Met wellust schoen zijn hand in eigen borst te wroeten,

Om smetstof en venijn!

Daar lag op \'t vreemd gelaat geen zweem van rede of willen,

\'t Spreekt eene taal slechts: „haatquot;.

Haat vlamde in \'t satyrsoog, en haat speelde in hot trillen,

Dat langs zijn trekken gaat.

Daar gleed geen woord zelfs van de lippen dezes vorsten,

Maar uit zijn gorgel sprong Een schaterend gelach, dat in der satans borsten

Een schaatrende echo zong!

Een schaterend gelach , dat daavrend boven \'t loeien

Der vlammengolven klonk,

En als een geesel scheen, die hooger \'t vuur deed sproeien

Tot slechts één vuurzee blonk.

Als door dien lach geprest, zweefde uit der vlammen wieling

Een andre vorm omhoog,

Verheerschapt door een schaar van vorsten der vernieling,

Of zij ter bruiloft toog.

Daar rees die koning op, — en hooger steeg zijn schaatren

Met gillender geluid: —

„Ha! do Eerlooze is vergaanquot; — en duizend lachen klaatren: — „Kom, kom, mijn heldenbruid!quot;

Toen woei een zachte tocht — de rookkolommen zweefden

Op vale wieken heen;

Daar rezen sidderend, of ze in de vuurzee beefden,

Twee armen op van steen!

Twee armen rezen op — en God zag eindlijk neder

Op \'t vlammende gewiel —

Een daverende schok — de zachte tocht woei weder De God-Voltaire — viel.

Een ander visioen!

Daar schittert in het duister Een ranke torentop En heft een doornenkroon in stralend gouden luister

Door rook en vlammen op.

Hoog blinkt de kanten spits: een andere OriHamrne!

\') Voltaire: le Hoi Voltaire.

ocr page 162

145

In \'t heete stnjdgedrang,

Nooit bevend, zinkend nooit, al rekt zich ook de vlamme,

Al kringelt ze om de stang.

Wie heeft die glorievaan, zoo hoog, zoo fier geheven,

Wie, die ze onwrikbaar houdt,

Wie komt, nu \'t levende als in doodschrik schijnt te beven.

Der zegepraal heraut ? —

Koogedel is de vorm, wier koninklijke omlijning

Zich teekent aan de lucht;

De wolken rollen weg voor \'t stralen dier verschijning,

De laatste stormwind vlucht;

De vlammentongen slaan van alle zijden samen

En welven haar een pad,

Als slaven, die \'t gedreun der zegekar vernamen En bukken onder \'t rad.

Herkent gij hem. Parijs? — Vincennes eiken fluistren

Bjj iedren tocht zijn faam,

Hij hield de schaal van \'t recht en brak der zwakke kluistren

En eerde Godes naam;

De golven aan de kust van Afrika; zij werpen

Den golven der woestijn Den roem des konings toe, die \'t zwaard des helden scherpen

En martelaar kon zijn;

Hoor, \'t dondert; „Taillebourg!quot; — aan der Charente boorden \')

Weerklinkt het zegelied.

Den heldenarm ter eer, die uit der Vaadren oorden

Den vreemdeling verstiet.

De schoonste kroon der aard die vonkelt om zjjn slapen

Is duister bij den glans Van \'t kleinood in zjjn hand, gewonnen door zjjn wapen: Des Heeren hjdenskrans.

Herkent gij hem, Parijs? — Ja, uwe boden naadren

In \'t heerlijk martelkleed.

Reeds week de vlam terug voor \'t bloed, dat uit hun aadren

Uw steenen blozen deed;

Zij naadren, — hoort ge \'t wel ? — Dat is de psalm der tranen,

Der rouwe jubellied;

Der martelaren zang beheerscht de wilde orkanen;

Zij stormen langer niet;

Een andre toon weerklinkt dan \'t loeien der vernieling.

\') De slag van Taillebourg tusschen Hendrik III van Engeland en Lodewijk den heilige: 1242.

lü

ocr page 163

146

En \'t galmend klokgebrom :

Bidt nu, in vlucht op vlucht, met stijgende bezieling; „Kom, vorst des kruises, kom!quot;

Rijk groent het eereloof, van d\' oorlogsstam gebroken Door heldenmoed en kracht;

Blij blinkt de bloemenkrans, in \'t licht der weelde ontloken, Met volle kleurenpracht;

De frissche olijventak, den schedel omgestrcngeld Bij streelend harpgeluid;

De malsche myrthenvlecht, met bloesemsneeuw gemengeld In \'t blonde haar der bruid.

Maar bloem en blad verwelkt, de ruwe dagen komen. De kronen vallen neer

Van \'t diep vernederd hoofd; wat d\'aarde werd ontnomen Dat vordert de aarde weer.

Eén krone bloeit altijd en tart do wintertochten,

Besproeit met hemeldauw;

Dat is doornenkroon, door de Englen (rods gevlochten Van liefde en van berouw!

[De uitgave, welke in 1871 van Parijs verscheen, bevat nog:J

EEN WOORD VOORAF \')•

Daar is eene stad van welke \'t, gezegd weid, dat zij als keizerin de ki oon droeg van Europa. ja van geheel het beschaafde wereldrond. Eene stad, die wij allen meenen te kennen cn van welke toch geen onzer zeggen durft, dat zij hem oen duidelijk en scherp geteeken\'d beeld te aanschouwen gaf. Parijs, — is niet deze stad de stynx der nieuwere wereld en treedt niet ieder onzer tot haar, vragende: „Engel des lichts of Vorstinne des kwaads?quot; Zeker, als de Commune de bloedvaan ontrolt en het symbool tot leven maakt, dan wenden we ons sidderend af en een vloek trilt op onze lippen; maar spreekt er niet tegelijk oen stem in ons binnenste, een stem, die de grootheid, de schoonheid, ja de deugden verkondigt van datzelfde gevloekte ParijsV — Wondere stad,— binnen minder dan een jaarkring liet dat Parijs ons geheel de toonladder van het menschelijk gevoel doorloopen, van de warmste bewondering tot de felste verachting, van bet diepste medelijden tot een beet wraakgevoel toe.

\'j Gesproken te Amsterdam en te Rotterdam.

ocr page 164

147

Wij staan in Juli \'70. Daar breekt de oorlog los, de wonderbare raadselachtige oorlog, die op eenmaal Europaas vrede verstoorde en toch slechts de lont wierp in den sints lang smeulenden hoop. üit het men-schelijk gemoed, dat als de Aeolusharp andere tonen geeft naarmate andere tochten \'t beroeren. ging niet langer de melodie des vredes, maar het lied des oorlogs, op. En daar stond Parijs, Parijs, kranig en dartel, geestig en schalk. wuft en loszinnig als altijd, zonder vreeze, maar ook zonder ernst, en langs de Boulevards. waar nog straks het refrein der „Grand-duchesse de Gérolsteinquot; werd geneuried, klonk nu een andere toon: .,a Berlin, a Berlinquot; of wel de „Marseillaisequot; riep de echoos van een bloedig verleden op. Voltaires standbeeld werd onthuld, toen reeds de grens door den vijand was overschreden. Anders had Parijs zich eenmaal ten strijd gewapend, toen S. Genovevaas gebed Attila van de poorten verdreef. Nu voerde een andere macht in Parijs den boventoon.

Parijs dartelde en zong, maar de oorlog en de wrake vervolgden hun weg, geen liederen houden hen tegen. De hand der bleeke nederlaag klopte al spoedig aan de poorten. Het „Deutschland hoch!quot; dat van de heuvelen rondom Sedan den val des Keizers had verkondigd, klonk nu om de muren der keizerstad.

Toen verhief zich Parijs in den ouden franschen stijl: fier, koelbloedig en sterk, uittartend sterk, zoowel ter zege als ten dood bereid. Geen zegepraal mocht liet behalen, geen dood nam het weg; het viel, het viel, zooals Straatsburg en Metz waren gevallen . overwonnen door een vijand, die koelberekenend den hongersnood tot zijn bondsman had gemaakt. Het viel, en al waagde \'t geen onzer in dien val het Godsgericht te miskennen — was niet Parijs de toongeefster van hen. die Rome wilden ontrooven aan den Paus ? — rees niet Jesabel, die Achab ter wille Naboths wijngaard roofde, in vreeselijke nabeelding op? — al werd de misdaad erkend en betreurd, toch griefde \'t ons. dat de overwinnaar van Parijs geeu overwinnaar wist te zijn van zich zeiven. en aan de ijdelheid toegaf, wat echte heldentrots weigeren moest.

Parijs was gevallen. Het schoone schip, dat zijn wapenbord versiert. dreef ontredderd langs de holle zee. ïoen bleek het, dat Parijs toch in zich zeiven zijn ergsten vijand vond. Toen bleek het dat de geest des ongeloofs machtig was geworden, overmachtig ook. Gij herinnert u, hoe in hot vlek Lutetia, de bakermat van \'t grootsch Parijs, Juliaan de Afvallige een tijdlang zijn zetel hield; gij herinnert u, hoe hij trachtte zijn doopsel af te wasschen in een bad van stierenbloed? — Ik geef u toe, daar is geen vreeselijker beteekenis aan te geven voor de bloedige saturnaliën der Commune; eu toch, is er een andere zin te vinden in die onderaardsche poging tot omverwerping niet van de geschiedenis, niet van den godsdienst, maar van de menschheid en van God? —

En weer werd het dubbel karakter van Parijs toen meer dan openbaar. Stad des boozen, stad des Heeren, Babel of Niniveh. wat is zij toch ? — Naast de Commune, de Martelaren.

Wat zal de mensch hier bij voegen, waar God zelf op hun graf reeds wonderen wrocht ? —

Hoog boven den rook en de vlarame der in een vuurzee omgeschapen stad rezen de torens der Notre-Dame op, als twee reuzenarmen, die barmhartigheid en genade afsmeekten van den richtenden God \'). In den

\') Et les jumelles tours, ces cantiques de pierre,

Seinblent les deux grands bras que la villc en prière Avant de s\'endormir élève vers sou Dieu.

Tu. Gautiek.

ocr page 165

148

donkelen nacht. midden tnsschen de vlammen van \'t Paleis der Justitie , schitterde de gouden spiis der Sl1\' Chapelle. S. Lodewijks heerlijk werk. Was het niet als een profetie der toekomst door de Martelaren afgesmeekt, een profetie van een koning, een koning die \'sHeeren kruis verheffen en Frankrijk herstellen en Parijs heiligen zou? —

Kom. koning Lodewijk, kom! —

H. J. A. M. SCHAEPMAN.

ocr page 166

(Lapitas.

TiE zachte straal der ondergaande zon quot; Verlichtte nog twee sombere figuren,

Stil huivrend in den gloed die hen omspon;

Zij stonden daar bij \'t wisselen der uren.

Zoo roerloos steeds, als had een tooverwoord Hen aan die plek voor eeuwig vastgeklonken.

Daar voer een koelte al bevend over \'t oord, Daar sidderden de stralen, die verzonken

Bij \'tnadren van den ongekenden nacht, — Nog stonden zij daar roerloos in hun smarte,

iJe fiere man, de vrouw zoo schoon en zacht, Met éónen dood in \'t afgefolterd harte.

Zij stonden daar, hij zwijgend, als versteend, Met stommen blik, waarin geen ziel meer beefde,

Zij sidderend, met oogen uitgeweend,

En beide, alsof slechts één van beiden leefde, Want van hun beider lippen kwam \'t: „alleen!quot; —

\'tWas de eenge toon die langs de velden trilde

Een bange toon, een hopeloos gestoen: Zoo hopeloos dat beider ziele rilde.

Alleen, alleen, ja wel alleen gij armen,

Die de eerste zonde al spelend hebt gebaard, Die \'t leven zocht om slechts den dood te omarmen; Wel zijt ge alleen, gij koningen der aard,

ocr page 167

150

Uw God verdween, — de zonne van uw leven,

De glorie van uw krone en van uw kracht Ts als een schauw versmolten, weggedreven,

liet licht der zon is voor uw oog de nacht. Ja, wel alleen , — nog dreunt de toorn des Heeren , Nog dreunt de vloek u machtiger steeds toe, — Al ruischt het woord der hope door de sferen,

Wat wil men dat het u reeds hopen doe? — Wie eens bezat, hij wanhoopt aan de hope,

Den balling lacht geen uur der vrijheid aan — Och, kon de hoop de erinnering slechts sloopen Die haar weerhoudt, waar zij wil voorwaarts gaan !

Ja, wel alleen!

De neergebukte vrouwe Verhief het hoofd, maar boog het huivrend neer. Och, op heur blik zoo vol van liefde en rouwe

Straalde in zijn blik geen enkel antwoord weer. Zijn oog was koud, was kouder dan de kilte. Die sluipend over de aarde nedergleed.

Daar brak oen stem de hopelooze stilte.

Daar stond in \'t lichte, vlekloos witte kleed Een slanke vorm vol teerheid aan hun zijde

Een hooger glans lag op het aangezicht, Een glans die \'t hart der treurenden verblijdde

Als waar \'t een straal van \'t nu verloren licht. Geen smarte sprak in \'tlietlijk roerend wezen, Maar weemoed, zacht en teeder; in het oog Blonk meer dan hoop in neevlen opgerezen,

Blonk liefde, die geen hopenden bedroog.

„Hoopt en bemintquot; zoo klonk het van de lippen,

En beider hand vlocht zijne hand ineen,

„Hoopt en bemint en laat uw tranen glippen Door tranen breekt voor u de hope heen.\'\'

Zij knielden aan haar voeten, maar zij knielde

Aan hunne zijde en sprak weer: „hoopt, bemint!\'\' En of een tocht vol leven hen bezielde.

Als \'t lachje van de moeder \'t zieke kind, Zij hieven quot;t hoofd, en schouwden weer ten hemel;

Daar blonk de maan in vlekkeloozen glans. Daar vlochten, met zacht zilveren gewemel

ocr page 168

151

De sterren des Almachten gloriekrans, — Zij weenden weêr — de felle smart doorgriefde

Het arme hart met duldelooze pijn,

Weer klonk liet zacht: „weent vrij, ik ben de Liefde.quot;

Toeu steeg zij op in zachten schemerschijn.

Straks, toon de rust het lijden deed vergeten,

Toen zweefde weêr de Liefde rond hun hoofd, En pinkte een traan uit de oogen roodgekreteu,

Een parel, aan der zonde buit ontroofd;

Toen boog zij nêer en kuste van hun trekken De siddring weg des lijdens, en het scheen Of de ademtocht der Liefde hoop kon wekken, Een zoete lach gleed langs hun wangen heen.

II.

Gevallen is de mensch, de koning! Door de koren

Der Englen klonk der eeuwge Liefde woord. Dat vlammend uit rechtvaardigheid geboren Langs de aarde voer!

Het jubelend akkoord Der Serafs deed een «heilig, heiligquot; klaatren,

Der heemlen lied verhief der wereld Glod, Het blij geruisch der kristallijnen waatren Gaf antwoord op der aarde kinderspot!

Toen knielde een Engel voor Gods troon ter neder. De vleuglen saamgeplooid voor \'t aangezicht, — Wat bede klonk zoo roerend zoet en teeder

Dan die daar dringt naar \'t ondoordringbaar Licht!

„O Liefde-Godquot;, zoo ruischt des Serafs bede,

„O Liefde-God, die leven, liefde schept,

ü, laat mij gaan naar die gevloekte stede

Waar nu de dood zijn vale wieken rept;

O laat mij gaan en uwe menschheid troosten, De tranen haar soms wisschen uit het oog. Den blik haar soms doen vesten op uw Oosten, Den blik haar soms doen heffen naar omhoog;

ocr page 169

152

O laat mij gaan en in uw liefde leven

Aan hunne zij, tot eens uw Redder rijst, En \'t menschdom, aan zijn levensvorst hergeven,

U Liefde-God, weer in uw liefde prijst — ü laat mij gaan, ik wil mijn krone derven,

Mijn gouden kleed, ik leg het ü te voet,

Ik wil langs de aarde in \'t kleed der aarde zwerven

Tot eens de tijd tot uwe volheid spoedt!

Ik zal mijn blik niet baden in de stroomen

Die ruischen uit de diepten van uw licht.

Maar uwe liefde omzweeft mij in mijn droomen,

Maar in de wolk zie ik uw aangezicht!

O laat mij gaan, ik zal geen lied meer zingen,

Niet aadmen in éen heilgen halleltoon,

Maar aan der aarde ontgoddehjkte kringen

Leer ik den lof reeds staamlen van uw Zoon. O laat mij gaan, en in der armen midden

De tolk zjjn van uw grootheid en uw macht, Uw liefde riep ine, uw liefde doet mij bidden, Uw liefde geeft mij ook des lijdens kracht!

Daar ruischte een antwoord van den troon des Heeren

Een liefdewoord op heilger Liefde bêe, Het dreunen van de gouden hemelsferen

Droeg \'t antwoord naar der Englen kringen mee. Daar jubelden der Serafs reine koren

Of \'t weer de morgen van de schepping was: „Uit (iodes liefde is liefde wêer geboren.

De God en mensch gewijde Caritasquot;.

1873.

(Bij (jeleijenlicicl van hol \'/Al ver on Jnbüé der Vereeniying van den If. Vinconfins n Paolo, to Amsterdam.}

___^ •

sOl - JCgt; amp;

ocr page 170
ocr page 171
ocr page 172
ocr page 173
ocr page 174
ocr page 175

mKMÊÊÊÊÊÊÊÊÊte m

■

«Si. è^.,.

\':e

iwllilWWBilWffiP™™™™™»jBBM

-.. ^ .

lMP#m^ ~ \'.

Rquot;/ - \'-ÊsÊ^^r\'-ï ^ ■MWaBag^:f-^T-. gt; .. r

.-. \'- \'K-\'

:ifs

#;

Pg.;

, V^ i-, : ^ :

?

fJ:

MpMKMWBSMsa.T\'a-\'.\' ■\'^*mm

■

, ; ■

,

WÊÊÊÊÊÊÊÊm

■■■ #«

\'M ■quot; §

■

mmmm

■ Igk ■

.

... .. . . . ■.. .:■ /. ■■;. ■. . . .

. ^ - \'jr. \'

I

:; ïquot;

,

■

.,...

.

-a