-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE SAGENTIJD

DIMi

i VOLKEN,

•N A Ali

F. W, HELD, OTTO VON CORVIN EN L. F. DIEFFENBAGH,

r j

voor Nederland bewerkt

P. II. WITKAMP.

Mot 17ö gravures.

Vóórhistorische vnlkon. — Chineezon. Himlo\'s. — ^amp;yptenarcn. — Elaniieton. — Ghaldeouwcn. — Assy-riörs. Sjrriörs. Phoenikiörs. — Israölioten, Armeniërs. — Lydiers en andere volken van Klein A/.ir. Mediörs Grieken. Romeinen.

Iquot;...* ----

|! ij\' ; ! r 1

A M ST K K D A M, — F. (\'. üi\'

i s s n.

i-- i-

t

\\ x

-ocr page 6-

...

\'

I

I : pM\'

gt;m $$ ■

-ocr page 7-

VOORBERICHT.

Niomand zal zonder rijko lovensorvaring grooto, gowichtigo zakon tot stand brongon. Daarentegen zal hij, die zich do ervaringen van andoren , van duizenden on nog eens duizenden ten nutte maakt, zogenrijk kunnen werken voor tijdgenoot en nakomolingscliap.

Het eenige middel om dio lioogto te bereiken, biedt do Geschiedoni.s aan. Do Oeschiedonis wordt met hot volsto recht do leermeesteres van \'t lovende geslacht genoemd.

Bij luiro studio zal het wisselend boold van \'s menschon vergankelijkheid ons een les voor het heden en een hoopvol vertrouwen op de toekomst zijn.

Doch dit gewichtig doel bereikt de Geschiedenis slechts ten deole, wanneer zij zich tot eon onkol volk, of een enkel tijdperk bepaalt. Immers, de Geschiedenis van onkelo volken en do vorming van tijdvakken hangt grootelijks af van den invloed door andere volken en vroegere tijdon daarop uitgooofend. Uit dien hoofde zal het Goschiedverhaal eerst daar ton volle zijn dool bereiken, waar het alles opneemt wat er gewichtigs in alle oorden van don Wereldbol sedert menschenheugenis is voorgevallen,

En zoo do welvaart — dat hoofddoel van het streven aller monschen — voor allen verkrijgbaar zal zijn, dan moet eerst do kennis der waarheid algemoon worden. En tot haar wijst de Geschiedenis ons den weg. Niet alleen geleerdon, maar het ge-hoelo volk, en hot volk in do eerste plaats, moet haar loeren kennen, raadplegen en ter harte nemen.

liet doel van alle wetenschap is het aankwoeken van waarheid. De waarheid is de wegwijzer tot het recht, en hot recht do hoeksteen van do menschelpo samenleving. Daarom, omdat zij op de waarheid gegrond is, staat de Geschiedenis bovenaan. Onzen \'^zichtukring uitbreidende, leert do Geschiedenis den meviscli kennen als oon onschntbaar deel

-ocr page 8-

v.i 11 voohhkhicht.

van in-t gishool dor Siihopping on dwingt onzon goost, bij hot bonto taforeol, dat zij voor do oogon ontrolt, tot donken, navorschon, oordoolen on hot nemon van waardigo Muiten. Door elko odelo daad, dio zij ons inododeolt, wekt zij ons op tot edelo gevoelens , tonvijl zij ons mot afkeer vervult voor boosheid en misdaden.

Als do verhovonsto richtsnoor, is do Geschiodonis do meest onvermoeide zedo-prookstor. Zij toont ons als door eon spiogolbeeld die edelo gestalten, wolko, zioh zolvon v(!rgotond, al hare krachten voor hot gemeono welzijn ten bosto gaven. Zij verheft onzon geest boven den zolfzuchtigen strjjd van het dagolijksche loven, tot zin voor hot gemeenschappelijk belang hetgeen do volkeren groot maakt on de individuen storkt in dagen van nood.

Zóó wordt dn Geschiedenis do leidsvrouw, een troost voor het strijdende menschdom. Kn moet zij ook al voortdurond vermelden, hoe zooveel goeds en odels oono prooi dor vergankelijkheid werd, zij loert ons tevens hoe hot kwade nog voel sneller te niet gedaan wordt. Vooral ook waarschuwt zij, om ons niet te laten bedriegen door onhoudbare thooriën en horsenschimmigo overleveringen , die zuo vele quot;Algomoeno Geschiode-nissenquot; ontsieren.

Daarom, omdat door do voreenigde pogingen van Held, von Cohvin, Dieffkn-iiA( li , Vogt en andoren een heldor licht is geworpen over het vorledeno , omdat deze kundige mannen ijverig gebruik maakten van de geologische on archaeologische ont-dokkingen uit den jongston tijd . veelzijdige studiën maakten ton aanzien dor goschiedbronnen, uit archieven en nasporingon opgeweld, moonon wij, mot eeno N\'ederlandsche vertaling himnor llustrirte WoItgoschichte ons volk een dienst to bewijzen,

In de Geïllustreerde Wereldgeschiedenis wordt mot klem gewaarschuwd , ons niot te laten bedriegen door onhoudbare thooriën en hersenschimmige overleven ngon, worden aan ilwaalbogrippon hot hoiligonklood, waarin zij gehuld waren, ontrukt, .\'li ons huichelarij, valschen waan, hoogmoed en hoerschzucht in al hunno afschuwelijko naaktheid vertoond.

De (roï 11 ustreordo Wereldgeschiedenis, ver van alleen oen verhaal van oorlogen , de opeenvolging van vorsten en het bedrijf van voorname personen te zijn, wijdt oeni\' ruime plaats aan de volken zelven, aan hunne ontwikkeling, hunno trapsgewijze beschaving, hunno zeden quot;ii eigonaardighoden on vooral ook aan den invloed die oorlog en vrede, koophandel en verkeer met andere volken, kunsten on wetenschappen daarbij gehad hebben.

Kind\'lijk geven dn talrijke, welgokozftii platen aan het geheel eeno mate van

-ocr page 9-

VOOItHHIUCllT. IX

juistheid, dio ons met de voorgeslachten als vereenzelvigt, ons te midden van hen voort en de woorden eene kracht verleent, die andere historiewerken ontberen.

Tevens vormen de kaarten, die mede dit werk opluisteren , oen voiiedigen atlas van de Oudo en Nieuwe Wereld.

In dit eerste doel, de Sagentijd, vinden dezo geene afzonderlijke plaats, doch aan het einde van het tweede zullen al die kaarten bijoongovoegd worden, welki« voor een recht begrip dor Oudo Geschiedenis onontbeerlijk zijn.

Amsterdam, \'20 December 1881, F. C. BüHKMANN

-ocr page 10-
-ocr page 11-

INHOUD

VAN

DE GEÏLLUSTREERDE WERELDGESCHIEDENIS

E E n S T E D E E L.

Voorhof\' flnloidins).

Blilz.

DE OORSPRONG VAN HET MENSCHELTJK GESLACHT............ \'•

Doel der goschiodenis. — Nasporingen betreffende do aardkorst. Kerstc optreden der menschen. — Steenperiode, bronsperiode. — Afstamming der raensclien.

DE MENSCHEN RASSEN EN HUNNE VERSPREIDING OP AARDE.......

Volken en stammen. — Etlinologie. Ethiopisch ras. ..... Toeransch ol Mon-

goolsch ras. — Kaukasisch ras. — Indo-Germaansche stam. - Ainerikaanscli ras. — Maleiers. Invloed van do veranderingen in do aardkorst op de verspreiding der menschen. - Volken van gemengd ras,

DE GODSDIENST DER VOLKEN...................... \' quot;■

Godsdienst. — Invloed der natuurverschijnselen op den godsdienst der oudu volken. — Offeranden. — Priesters.

HET LEVEN DER MENSCHEN IN DEN VÓÓRHISTORISCHEN TIJD...... 1 quot;•gt;•

Nomadenleven. — Ontstaan van den landbouw. — Paalwoningen. — Oorsprong van den koophandel.

DE STAAT................................

Gezin en eigendom. — Wetten en Staat.—Monarchiön en staatsinstellingen. — -Republieken.

SAGEN.................................. 22.

Schepping der menschen. — Zondvloed. — Verschillende overleveringen omtrent groote vloeden. — Toren te Babel en verwarring der talen. — Goden- en heldensagen.

GEOGRAPHIE EN CHRONOLOGIE...................... 32.

Wereldkaarten. — Verschillende tijdrekeningen der Joden, Grieken, Romeinen , Christenen , Mohamedanen , enz. - Juliaansche en Gregoriaansche kalenders.

Vroegere tijdrekening in Nederland. — Mooielijkheid om de oude tijdrekeningen met elkander in overeenstemming te brengen.

\'li

i; i

-ocr page 12-

imioi i).

OUDE GESCHIEDENIS.

Eerste Tijdvak.

DE li 1ST OH I SC IIE SAG ENT UI).

Vmi (!«■ vroegste tijden tot de stichting van liet Perzische wereldrijk.

Bldz.

china. Vuii Fo-hi, :!000 jaren vóór Christus , tot Kong-foe-tse, 550 jaren vóór Christus..................... 35.

Naam. — Natuurlijke gesteldheid. — Dynastion. - Kong-foe-tse.

china. (ieschiedenis der beschaving................ 38.

Godsdienst. Wijzigingen. De staat. Nijverheid. — Taal- en letterkunde.

indik. Van do vroegste tijden tot op Boeddha, 550 jaren vóór

Christus. . ............................ 46.

Uitgestrektheid en gesteldheid. De oorspconkelijke bewoners. — Do Ariërs.

indik. Greschiedenis der beschaving................. 51.

Godsdienst. De priesterschap en andere standen. Wetboek van Manoe.—

lioeddlia en zijne leer. Staatsrecht. Gezellig leven. — Kasten. Brahmanen. — Ksjatria\'s, Vaisja\'s en Soedra\'s. —• Tsjamlala\'s. — Bestuur. — Het staatsopperhoofd. Familieleven en huiselijk samenzijn. Nijverheid en koophandel. Letterkunde.

ki.vitk. Van de oudste tijden tot op Ahabra, 570 jaren vóór Christus..................................71.

Uitgestrektheid. (Irondgesteldheid, klimaat en indeeling. De Nijl. — lievolking. Oudste Jynastiön. Het Labyrinth en het meer Jleuris of Moeris. Do llyksos. De overkomst der Israëlieten. — Jozef en zijne broeders. Latere dynastiün. liamses I en Sethos. Ramses II (Sesostris). —

Mozos en de Joden. - Uittocht der Joden. - liamses III (Rhampsenit).

Latere dynasti/in. 1\'sametich.

btivit». Geschiedenis der beschaving. .............. 110.

Godsdienst. Goden. — Heilige dieren. Hieroglyphen. — Staat der mensehclijke ziel na den dood. Begrafenissen. Maatschappelijke en gezel-llgr toestanden. Kasten: priesters, krijgslieden , derde stand. Koningen en regeering. Wetgeving en rechtspleging Priesters. Krijgslieden. Huiselijk loven. Industrie en nijverheid. Koophandel. - Wetenschap en kunst. Taal en schriftteekens. Hermetische boeken. Papyrussen van

Xll

-ocr page 13-

I

isiioui).

x n i

Hldz

do l\'i\'10 dynastic, — Leer van Phtahhotep, — Sterrekunde en sterrowiclidarij. Geneesliunde. — Somnambulisme on magnetisme. — Heiligenbeelden. Tfouw-kunst. — Pyramiden. — Graven. — Tempels. — PVaalgestichten. — IlceM-werken. — Schilderwerk.

MTDDKN-AZll\'.

164.

Bevolking\' — Geograpliisoho beschrijving. Koophandel der Toeransobo volken. — Wetten. Godsdienst.

HI, AM EN CU ALOE A........................... HI,

Soesa (Susa). — Godsdienst. — Eerste landverhuizers naar Clialdea. —

De stad Oer (Ur). - Holdon uit den sagontijd (Nimrod enz. ). — Oudste koningen.

ASSTRIË................................. 17lt;),

Godsdienst.

190.

l!)7.

Dynastiöu. - Bouw van Babol. — Oorlogen der Assyriërs.

STRIK

Grenzen en grondgesteldheid dos lands, — Scheepvaart en koophandel. — Volken: Aramaniors. Kananieten en \'rorachieten.

rnoEMKiK (Keniciü)

Belang van oorlog en koophandel voor de beschaving. — Oorsprong van den koophandel en van \'t gold. — Naam des lands. — Voornaamste koopsteden .

Sidon. Arad on Tyros. Stichting en volkplantingen. Dynastiën.

phoENiKiK. Greschieclenis der beschaving.............. 210.

Staatsinrichting. - Godsdienst. Kunst en wetenschap. — Koophandel en industrie. — Handelsverkeer mot Arabiö en Indiö. Handelsartikelen. — Uitvindingen.

219.

is ra 1,1,

Belang van het Israëlitische volk voor do ontwikkeling der beschaving. — Ue llobreën. — Abraham en zijne zonen. — Mozes. Tocht door do woes-tyn. — Wetgeving op don Sinal. Godsdienst en heiligdommen. Indee-ling: stammen enz. Mozes\' dood en opvolger. — Het binnentrokken van Kanaiin. Richteren. — Simson. — Do Filistijnen. Do profeten. Samuël. Koningen. Saul. David. Verovering van Jerusalem. — Oorlogen met do Filistijnen, Ammonieten, Edomieten en anderen. - Godsdienst en priesterschap. David s nakomelingen. Absalom. Salomo. Tempelbouw. Beschrijving van d^n Tempel. Salomo\'s eerste rechtspraak. Offerdienst in den Jehovatempel te Jerusalem. De priesterstand (Levieten).

De hoogepriefitor, Jeroboam\'s opstand tégen Salomo. Salomo\'s dood. .....

Splitsing van liet rijk in Israël en Juda.

Het huk van Isiuiii.. Jeroboam I. Basea. ..... Omri. — Acliab. —

Strijd dor profeten \'Klias, Elisa en anderen) tegen de afgodendienendo koningen, — Abasia. —- Jehoo, Oosia of Usia (Asaria). — Ondergang van hot rijk Israël door do Assyriërs.

llr.t li rj k van Ju da onder lliskia en zijne opvolgers. Manasse. Amen. — Wederinvoering van don Jehovadienst. — Jojakim, Zcdekiah. Verwoesting van Jerusalem. - Gevangenschap der Joden. Babyion.

ill

in i

-ocr page 14-

XIV

Bldz.

israkl. Geschiedenis der beschaving................ 282.

De priesterschap. De Levieten. — De profeten en hunne vervolging in Israël en Juda. — Karakter en zeden der oude Israëlieten.

....................................... 288.

Grenzen. — üeographische gesteldheid. — Oorlogen met de Assyriürs.

K I .KI N-AZI ................................

Uitgestrektheid en grenzen. - Qordios en Midas. — Oorspronkelijke bewoners: Toeraniürs, Lykiërs en Ariërs, — Phrygiörs. — Kilikiërs, Kappadokiërf, Paphlagoniërs en Kariërj:. - Mysiörs en Trojanen. — Godsvereering. ■— Stichting van ilion. — Opgravingen in den jongsten tijd.

LVD l i\'........... ....................... 298.

Uitgestrektheid en geographische gesteldheid. Afstamming der Lydiërs. -Oudste stamhuizen der vorsten. — Herakliden en Mermnaden. — Gyges. —Aylat-tes. _ ]lt;resos en Solon. — Oorlog met Kyros en Perziö. — Slag van Sardes cn gevangenneming van Kresos. Einde van het Lydische rijk.— Levenswijze en godsdienst.

IIKT TWEKDE ASSYRISCIIE RUK..................... HOG.

Dynastiën na Assoer-Rab-Amar. - Krijgstochten van Assoer-Nazir-Habal. — Salmanasar III. — Samsi-Bin lil. — Sardanapalos. — Het regeeringstijdperk van Toelak-Habal-Asar II (Tiglat-Pilesar). — Sargon en de Sargoniden. —Verovering van Babyion. Sanherib......Qevangennerning en wegvoering der Joden.

Assoer-Akhe-Iditi. — Geographische gesteldheid van Arabië. Oudste bevolking van dit land. Onderwerping dor Arabieren. — liouw van den tempel te Niniveh. Do Kimrneriërs Verwoesting van Niniveh en ondergang van het Assyrische rijk.

MEDIK................................ 326.

Grenzen. — Geographische gesteldheid en oudste bewoners. — Oevakshatara (Kyaxares), stichter van het Medische rijk. — Azi-Dahak (Astyages). — Sagen betreffende Kyros.

C11 AL DE A . .............................. 334.

Naboo-Koedoer-Oessocr II (Neboekadnezar , — Oorlogen met Syrië, Tyros, enz. Praalgestichten te Babyion. ■ Verovering van Babyion en einde van het Chaldeeuwsche rijk door do Perzen.

BA It VLONSCIl E EN ASSYRISCHE BESCHAVING.............. 338.

Godsdienst. Wetenschap. — Spijkerschrift. Astronomie en astrologie.

Sargon\'.- bibliotheek. — Staat. — Het koningschap. Indeeling der legers en \'t krijgswezen. — Koophandel en nijverheid. Artikelen van in- en uitvoer. Babylonsche munten en gewichten. — Huiselijk en maatschappelijk leven. — Kunsten. Gebouwen.

ORIEKENLANl)................. ............ 340.

Grenzen. Gcograpliische gesteldheid en verdeeling. — Oudste geschiedenis. Oorspronkelijke bewoners: Pelasgon , Kariërs, Phoenikiërsen Hellenen.

Oorsprong dor Hellenen Levenswijze en regeering. Danaos en Kadmos. —

Tijdperk der helden. l\'erseus, Minos en Herakles. — De twaalf werken van Herakles. Theseus. Do tocht der Argonauten. — De sago van het

-ocr page 15-

INHOUD. XV

liUlz.

Gulilon Vlies. — Jason. — ïhebaansche oorlogen. — Trojaansche oorlog. — Do zangen van Homeros: de Ilia* en de Odyssee.

Griekenland. De Grieksche volksvevhuizing........... 1565.

lielangrijkheid voor de vorming van staten, - - Oorzaak der volksverhuizing.

Afschaffing der koninklijke waardigheid. — Overwicht der Doriers en Jonicrs.

griekenland. Spai\'ta......................... 367.

Oudste regeeringsvorm. — Lykurgos. — Nieuwe regeeringsvorm.

Griekenland. De Messeensche oorlogen............. 371.

Eerste Messeensche oorlog. Aristodemos. — Ephoren. — Partheniörs. —-Tweede Messeensche oorlog. — Aristomenes, — Tyrteos. — Stichting van Mes-sana. Kleomenos en Deniaratos.

Griekenland. Athene........................ 377.

Staatsbewind. Archonten. Drakon. — Anarchie. — Aristocratie on democratie. — Solon.

Griekenland. Volkplantingen.................... 3S1.

Onderscheiding. — Kloin-Aziatische koloniën. Italiaansche koloniën. Wost-Europeesche koloniën. — Koloniën in Afrika.

grtekknland. Geschiedenis der beschaving............ 3SS.

Regeering. Sparta; ekklesia, geroesia, ephoren. — De wetten van Lykurgos. — Levenswijze der Spartanen. — Athene; gemeenebest, slavernij onderscheid van standen, staatsbewind, rechtspleging, ostrakismos, verandering der regeeringswijze. Beötsche stedenbond.

Griekenland. Godsdienst....................... 100.

Orakels. Wereldbeschouwingen. -Feestspelen. Het Dclplüsche orakel.

Tempels en priesterschap.

italië ... ............................. 410,

Grenzen. — Gebergten, rivieren en meren. Indecling.

gallia-cisalpina............................ 4 | ;

Indeeling en bevolking.

het eigenlijke italië....................... 117.

Uitgestrektheid en bewoners.

groot-griekenland......................... 4] (|

Oorsprong van den naam. — Verdeeling en steden.

ETrurië................................. 4 lil

De voornaamste volken van Italiti. — Oorsprong dor Ktruriörs. Regeeringsvorm. — Kunstvaardigheid. — Karakter dos volks. — Godsdienst.

ramnium ................................ 42].

Oorsprong der bevolking. Karakter dos volks.

fiatium................................. 422.

Pabalachtigo koningen. Overkomst der Trojanen. Latinns.

Aeneas. — Bouw van Alba-Longa. — Splitsing van hot Rijk. Rhea-Silvia en liare bevalling. Roranlus en Ilemus.

-ocr page 16-

INHOUD.

Bldz.

homk. Onder de koningen, van 754- 5011 vóór (\'hristus..... 425.

Sage betrekkelijk de stichting. — Romulus. — Sabijnsche maagdenroof. —

Quiritcn. — Nutna Pompilius. —• Tullus Hostilius. — Horatiërs en Cura-tiërs. — Anctts Marcius. - ïarquinius Priscus. — Het Kapitool. — Sorvins Tullius. TarquiniuS Superbus. — Latijnsche bond. — Verdrijving vau Tarquinius.

rome. Geschiedenis der beschaving................ 442.

Regeeringsvorm. — Standen. — De senaat en de curiön. — Verdeeling des volks naar het vermogen der ingezetenen. — Slaven en vrijgelatenen. — üods-ilienst. Latijnsche namen der aan de Grieken ontleende goden. Etrurische goden. — Priesterschap. — Sibyllijnache boeken. — Vestaalsche maagden.

Pontifices.

\\VI

-ocr page 17-

VOO R II 0 F.

De oorsprong en ouderdom van het menschelijk geslacht.

O geschiodenis is het verhaal van hot bedrijf dor nienschen sedert het tijd-^£-*1 va\'c gt; waarin hunne ontwikkeling zoo ver was voortgeschi\'eden , dat zij zich tot staten vereenigden.

Nogtans kan het niet overtollig zijn in dezen Voorhof een overzicht te geven van hetgeen do wetenschap ton aanzien van den oorsprong on ondordom van hot monscholyk geslacht heeft kunnen uitvorschen, ovonals ton aanzien van don staat waarin het in den voorhistorischen tijd loofde en werkte.

Al wat over den oorsprong der wereld en der monschon door de beschaafde volken van Europa sedoit (j 1 van eeuwen als oeno onwoderhi^baro waarheid word aangenomen is ontleend aan (iduexixj bet eerste boek van Mozos, waarin eon verhaal der schop, ping van hot heelal en don mensch is medegedeeld.

Voor elk onbevooroordeelde is hot blijkbaar, dat Mozos en zijne opvolgors daarin de sagen of overleveringen berichtten, die hun over dit onderwerp door de nakomelingen van Abraham waren medogodeold , on dat dezo die ovorloveringen uit het vaderland van den aai tsvadei , Ohaldoa, naar Lgvpto, luidden overgoplant. Hot godsdienstig gevoel kende aan doze schriften van den Joodschon wetgever oen hoogoron oorsprong toe, door te beweren, dat hun inhoud onmiddellijk door den Schepper was medegedeeld of go-openbaard geworden.

Eerst in don jongsten tyd heeft de wotonschap op onwederlegbaro wijze aangetoond, dat dit geloof uit eenn vrome opwelling ontsproot, hotgoon , wol is waar, velen roods lang verinooddon, doch niet waagden uit te spreken. Deze gewichtige dienst danken wij dien tak der geologie of aardkunde, welke zich uitsluitend met do navorsching van do korst der aardo bozig houdt on ons den toegang opent tot de geheimenissen, welke sedert ontelbare eeuwon voor ons waren verborgen.

Do verschillondo lagon van dezo aardkorst vormen als hot ware de bladen van het Mambook der natuur, geschreven door de hand des Scheppers zolvon. Zij spreken duidelijker en zijn minder betwijfelbaar dm allen die mondoling of schriftelijk van geslacht tot geslacht aan ons zijn ovnrgoloverd.

-ocr page 18-

OKÏLLUSTii I;HRigt;F. IVKIIKI.I)0ESCI11KI)KSIS.

(Ut dit eerwaardig book loeren wij, dat God — mot welken naam wij do eeuwig lovende, rusteloos schoppondo en alles onderhoudende Kracht aanduiden — de wereld niet plotseling door eene machtspreuk schiep, maar al wat op aarde is en leeft van lieverlede tot ontwikkeling bracht, dat uit do eenvoudigste vormen allengs meer volkomenen ontstonden, en dat na tallooze veranderingen, wier begin naauweljjks opgemerkt kon worden, eindelijk do mensch ontstond als het jongste en tot heden op aarde moest volkomen schepsel.

Het menschelijk begrip van tijd ontstaat uit de vergankelijkheid van ons leven. De eeuwigheid kent geen begin en geen einde. Millioenen tijdruimten, die wij jaren noemen, of eene sekonde zijn voor haar hetzelfde. Beiden van de eeuwigheid afgetrokken laten dezelfde uitkomst na — eeuwigheid.

Hot is ons onmogelijk, zelfs bij benadering, het aantal jaren te bepalen, waarop de dierlijke vormen zoo ver waren voortgeschreden, dat de mensch, zooals wij hom kennen, het aardrijk betrad. Men kan veilig aannemen, dat al de voorafgegane omwentelingen in do aardkorst honderdduizenden jaren vorderden eer dit tijdstip aanbrak.

Do ontwikkeling van don mensch nam een begin mot zijn donken, zijn spreken en het bezigen van hetgeen hij op aarde vond tot do doeleinden die hij verlangde. Al deze begaafdheden verhieven hem ver boven het dier.

Ten aanzien van het tijdperk waarop do mensch de kunst uitvond om vuur te ontsteken , eene der eerste belangrijke ontdekkingen , geeft de aardkorst ons geen naricht. Maar wei hoeft zij de eerste voortbrengselen van monschelijke kunstvlijt bewaard in lagen, waarin men tevens do overblijfselen aantreft van ontzettend groote, reeds lang van de aarde verdwenen diersoorten. De voortbrengsolon dor kunstvlijt bestaan in steenen wapens en werktuigen, waarin men ter nauwernood \'smenschen vormende hand herkent. In volgende, jongere lagen, vindt men reeds betere vormen en zuiverder bewerking. en nevens die moer kunstmatige werken komen ook reeds gereedschappen voor uit been en horens gewrocht

Dat de ouderdom van deze verschillende kunstwerken der zoogenoemde steenperiode, die ontwijfelbaar eeuwen achtereen duurdo, hooger opklimt dan tot zesduizend jaren, het tijdstip waarnp Mozes\' verhaal de schepping van den mensch plaatst, is ontwijfelbaar, en een enkel voorbeeld zal voldoende ziju, om dit te bewijzen. Anderen bij to brengen is niet noodig. Ook zou het ons te ver voeren, wilden we alle uitkomstender geologische en archeologischo nasporingon hier modedeelen.

In verschillende oorden van Denemarken vindt nien turfgronden, wier dikte van I! tot ld meters afwisselt, in de onderste laag van dit veen ontwaart men de over-blijfselon van pijnboomstammon en daartusschon stoenen wapenen, die reeds zekere polijsting en kunstmatige vormen vertonnen. In de daarop rustende turflaag liggen groote eikenbOsschen begraven . en tnsschon hunne zware stammen vindt men zwaarden en schilden uit brons. Eindelijk, uit de jongste laag heeft men ijzeren wapens opgedolven, ingekleiml tosseben de ovorblijfseliTi van beukeiiwouden, zooals /.ij voor nagenoeg \'iOOÜ jaren, ten tijdi\' van t\'esar, in Denemarken bloeiden en nog tegenwoordig de groene kruinen verheffen, terwijl de oude pijnboom- en oikenbossclieii geheel verdwenen.

Naar zekere kenmerken helt men dlt;gt;n tjjd trachten to berekenen, die tot het vormen eener zoodanige tnrllaag gevorderd werd. Do ramingen wisselen af van vier-tut tienduizend jaren, zoodat, al houden wij ons aan hot kleinste dozer cijfers, overtuigend blijkt, dat roods vole dnizendeii jaren vóór den tijd door Mozes aangeduid, menschen op aarde loofden.

2

-ocr page 19-

MI\'.N\'SCIICMiASSUS UN HUNNE VKKSI\'BKIDINO Ol\' XAKDK.

Ütorbij bovat Mozos\' verhaal eono aanwijzing, die men te veel heeft voorbijgezien. In Genesis, Kap. 4 vs. Ui en 17, staat: quot;Alzoo ging Kaïn uit voor het aangezigt dos Heeren un woonde in het land Nod, aan geno zijdo van Eden, naar het oosten. En Kaïn bekende zijne vrouw, en zij word zwanger en baarde Hanoch. En hij bouwde eono siad, die hij naar zijn zoon Hanoch noemde.\'\'

Hot blijft di) vraag, of Kaïn oene zuster tot vrouw had genomen, daar het voorafgaande verhaal noch van zijn huwelijk noch van de geboorte oenor dochter uit Eva gewaagt. Doch welke oplossing men daarvoor moge te berde brengen, zeker is hot, dat Kaïn mot zijn vrouw en zoon alleen geen uta/l kon bouwen en bevolken. Daaruit blijkt overtuigend, dat in het land Nod tun tijde van Adam roods monschon woonden.

Het geloof dat allo thans op aarde levende monschen van één paar voorouders, Adam en Eva, afstammen, blijkt reeds hieruit onjuist te zijn Doch men heeft nog andere bewijzen als die welke Mozes leverde, voor een tegenovergesteld gevoelen.

Wanneeer men de menschelijke overblijfselen uit de verschillende aardlagen met elkander vergelijkt — schedels, kinnebakken, tanden en andere beenderen, waaruit zonder eenige zwarigheid goheele gestalten dier voorgeslachten kunnen voorgesteld worden blijkt daaruit zonneklaar, dat vele duizenden van jaren noodig waren om de waargenomen veranderingen te bewerkstelligen. Hieruit is mot grond af te leiden, dat hot tot stand komen van het verschil, hetwelk thans tusschen de meeste Europoërs en do Negers en andore menschenrassen is op te merken, een tijdperk van millioenéii jaren zou gevorderd hebben. En toch voert het verhaal van llo/.os ons niet verder terug dan zesduizend jaren.

Daarenboven weten we, wat zonder tegenspraak is, dat Negers en Mongolen voor duizenden jaren eveneens uitzagen als tegenwoordig, en alzoo de afstamming van allo monschen uit oen ouderpaar, hetwelk voor zesduizend Jaren werd geschapen , eono onmogelijkheid is.

Daar wij in de natuur overal blijkbare overeonkomsten aantreffen , mogen we aannemen, dat in verschillende oorden der aarde en op verschillende tijdstippen, al naarmate liet land bewoonbaar was geworden, menschelijke wezens ontstonden, die zich van elkander evenzeer onderscheidden als de planton en dieren van hetzelfde geslacht in do onderscheidene werelddeelen. Mogen grootte on Hour of andere eigensehappen verschillen evenals bij do monschen, wijzen samenstel en eigenaardigheden aan dat beiden tot eenzelfde geslacht bohooren.

De menschenrassen en hunne verspreiding op aarde.

Onze aarde wordt thans door ongeveer 1430 millioen inensclien bewoond, door welken, volgons de laagste berekening, 860 vorschillende talon gesproken worden, waarvan ieder weder vele tongvallen heeft.

Het vermogen om te sproken bezat do mensch ontwijfelbaar toen hij als heer dor schepping optrad. Doch de taal kon eerst ontstaan met de ontwikkeling van zijn verstand en moest met de toeneming zijnor konnis voortdurend rijker worden. Zij kan derhalve strekken tot maatstaf voor de verstandelijke hoogte waartoe een volk zich heeft verheven.

Monschen die dezelfde taal als hun moodortaal hozigon, vormen een volk. Van allen dio andere woorden gebruiken, een andoren zinbouw hebben, onderscheidt dit zich door gevoelens, zienswijze, behoeften en uiterlijk vertoon. Ja, met het verschil van taal gaat doorgaans eono verscheidenheid van gedaante en voorkomen gepaard, die.

3

-ocr page 20-

4

hoe goring somwijlen, door don opmerkzamen beschouwer onmiddellijk wordt waargenomen. Blijkbaar moot dit verschil hot geringst wezen bij do volken, wier talenten hot meest met elkander overeensteminon, Do taal gooft derhalve den sleutel tot den stamboom van oen volk.

Dat niet alle menschon donzelfden oorsprong hebben on niet van óën paar menschon kunnen afstammen, hotwolk voor zesduizend jaren word geschapen, is in hot vorige hoofdstuk aangetoond. waar tevens het gevoelen is te berde gebracht, dat de verschillende rassen op verschillendo tijdon zijn ontstaan.

Uit do niet te miskennen openbaring, die de Schepper in het boek dor natuur hooft neergeschreven, loeren wij, hoe Hij deze natuur hooft aangewezen, om roort te brongen , on verder, dat zij, die nooit van dit voorschrift is afgeweken, nog altoos naar dezelfde wetten, die haar voor millioonon van jaren zijn gegeven, blijft voortwerken. Nergens in do schopping ontwaren wij eono rugwaartsche schrede: de wezens van iedere latere periode zijn meer volkomen dan die van het voorafgaande tijdperk, en elke onmisbare verbetering eischt duizenden van jaren.

Kr is dus geon grond om aan te nemen, dat do natuur sedert do schepping dor menschon te hunnen aanzien van hare wetten is afgeweken. De zoo scherp getrokken lijn, voor \'s menschon meerdere en mindere volkomonlioid naar lichaam en geest, bij de verschillende rassen op aarde, weerspreekt iedere tegenwerping en dringt ons de overtuiging op, dat do verschillendo monschenrasson niet to gelijkertijd op hot toonool dor aarde zijn getreden.

Mogo ieder volk , zoo als zoo oven is opgemerkt, zich meer of minder van allo anderen onderscheiden, het bezit toch zekere kenmerken, waaruit opgemaakt kan worden mot welke naburen of moor vorwijderden hot tot denzelfden stam en oenigermate tot dezelfde scheppingsperiode behoort.

Do wetenschap dor ethnologio — van het Griekscho woord elhnos, d. i. volk — die zich wat liet navorschen ton aanzien van do afstamming, de wetenschap dor volken, enz. bozig houdt, oordeelt geenszins eenstemmig over de hoofdkenmerken dor onderscheiden rassen. Eenige geleerden \'nechten hot moest aan de gedaante dos schedels, den vorm van don kinnebak en de plaatsing der tandon: anderen geven de voorkeur bij het bepalen hunner nasporingon aan de soort en den groei der haren; nog anderen aan do kleur der huid, enz. Kik dezer stelsels heeft voordeelcn boven do anderen. Voor ons dool schijnt de moest doelmatige, dio welke drie hoofdrassen van menschon aanneemt, elk mot meer of minder vertakkingen.

Deze drie rassen zijn de volgende.

Het Kthiopiftche ra*, dat zich wat zijne kleur betreft, onderscheidt door een zwartbruine of zwarte huid. Do Kthiopiër hoeft daarbij zwart wollig, gekroesd haar, een smal en naar de zijden zaamgedrukt hoofd, een smallen schedel, een rond en tevens naar achteren gebogen voorhoofd, een korten en broeden neus, dikke en omgo-kruide lippen, oon vooruitspringend gebit met scheefstaande tanden, lange armen, smalle handen, korte boenen , magere kuiten en platte voeten. Tot dit ras , dat ongeveer 200 millioon zielen telt, rekent men do Negers , die geheel Midden-Afrika bewonen , mot do zuidwaarts van bon gezeten Ivalfors, Hottontotten en Hoschjesmannen aan do zuidelijke kusten van het Afrikaansohe vasteland.

Hot TucranKcha of Mongoohche ran hoeft een moor of minder gele huidkleur, een bijna vierkant hoofd, waarvan het voorhoofd bijzonder laag is, een breed, glad gelaat mot vooruitspvingondo wangbeenderen, oon korten, breoden, stompen neus.

-ocr page 21-

MUNSCIIUNKASSUN KN IIUNNK VKIISI\'lt KI i)IN(i Dl\' AAHDi;.

scheofstaando, slechts goopetido oogon , oon sterk, ccnigszins vooruitspringend

gebit en zwarte, slap noderhangcnde haren. De menschen van dit ras zijn doorgaans

klein en gozot. Aziö, namoi\\jk

Zo zijn ruim HOO iiillinnn in getal en bewonen bet grootste deel van alle landen die ton noorden en dosten oener lijn liggen, die aan de

-ocr page 22-

G OKÏI.LUSTREF.RDK WKRKLUOKSCHIEDKNtS.

Kaspische zoo begint, langs don Himalaja voortloopt ou nabij do noordelijke boclit der Golf van Hengalen eindigt. Ook do volken in het vorro Noorden van Amerika bohocron tot do Mongolen of Toerans. Do Finsch-Tataarsche volken, die in hot Noor-don van Europeescli-Uusland en hot Skandinavisch Schiereiland /iju gevestigd, kan men aanmorkon als do vorbindingsschakol van liet Mongoolsche met hot Kaukasischo ras. Echte .Mongolen of Toerans zijn de Mongolen, Mandsjoes, Kalmukken, Boereeten, Chi-noezen, Japaneezen, Samojoeden, Toengoezen, Kamsjatdalen en Eskimoos.

Hot Kaukadsche ras onderscheidt zich door zijn grooten, zacht gewelfden schedel hoog voorhoofd, regtopstaande tanden en zacht, lang en glanzig haar. De huidkleu dor Kaukasischo volken is blank of geelachtig, iets met rood vermengd, en ook wei gebruind. Even als do Mongolen, tellen zij nagenoeg 500 miliioen zielen. Tot hen behooren alle volken van Europa (do Lappon en Finnen, benevens do onvermengde Magyaren en Turken uitgezonderd), de Arabieren, Syriërs, Kopten, Nubiörs en Noord-Afrikanen. Men doolt hen in drie stammen, die vrij wel met hunne woonsteden in do drie verschillende worolddeelen overeenkomen. De Inde-Gorrnaanscho stam, ook do Ira-nische of Arische genoemd, omvat nevens de West- en Zuid-Europeanen, Perzen, Siavoniörs en Kelten; de Semitische wordt door de Joden, Syriërs en Arabieren gevormd , en do Borbersche door do Kaukasiërs van Afrika. Daarenboven loven in Amerika ongeveer 50 miliioen menschen van dit ras, en nog oenige millioenen telt men in al do overige doelen dor aarde, inzonderheid op Nieuw-Holland, Tasmanië, Nieuw-Zeoland en het Kaapland.

Als middenrasson worden het Amorikaanscho en het Maleische ras beschouwd.

liet /imerlkaannche, met eono bruinachtige kaneel- of koperkleurige huid, mot lang, zwart, sluik noderbangend haar, laag voorhoofd, diepliggende oogen, breed gelaat, vooruitstekende wangbeenderen-, volle lippen on grooten neus, waarin do neusgaten zich door hun grootte kenmerken, is verbreid over geheel Noord- en Zuid-Ame-rika, mot uitzondering der door do Eskimoos bewoonde stroken in hot Noordon. Al do volken die hiertoe behooren, tellen te zamen thans ongeveer 13 miliioen zielen, doch waren in vorige eeuwen veel talrijker.

liet Maleiw/ie ran omvat volken, van wolken eenigen zich door oene donkore, andoren zich door oene lichte huidkleur onderscheiden, ofschoon beiden dikwerf zeer nabij elkander loven. Zij zijn ongeveer 200 miliioen in getal en maken de bevolking uit van het schiereiland Malakka, do Soonda-eilanden, het grooto Afrlkaansche eiland Madagaskar, het vasteland van Australië en do meeste eilandgroepen in den O rooien-Oceaan. De tol hen bohoorende inboorlingen van Niéuw-Holland worden als een stam van menschen beschouwd, die door gebrek en ellende op het jammerlijkst zijn ontaard. Deze wilden zijn onder alle menschen diegenen welke hot dier hot meest nabij komen en ver-clullon van de in Europa levende Kaukasiërs bijna nog meer dan de moest ontwikkelde aapsoorten van de minder begaafden. Zij bobben een zwartachtige bruine huidkleur, schedels en gelaatstrekken als de Negers van Afrika, doch geenszins wollig haar. De bouw van het lichaam vertoont zich ruw, sluik of ligt gekroost. Hun romp is behaard. Zij hebben een dikken buik en in het oog vallend magere armen en beoliën, De Maleiers zeiven zijn meer of minder bruin, hebben oen ronden, aan het benedeneinde afgeplatten schedel, een plat gelaat, vooruitspringende, hoekige wangbeenderen, een lang neusbeen, dikke lippen, een hoog over do oogen meer of minder nedorhangend voorhoofd en haar, dat moest stijf, doch niet zeiden zacht als zijde on in lokken nederdalende, doorgaans zwart of donkerbruin is gekleurd.

-ocr page 23-

MKN8CIIKNRASSKS EN IirSM: Vi;ilSPUi:il)l\\0 OT A \\ K1)i:,

Doze vorschillendo sooi-ten van monschon hebben zich sinds do oudste tijden met elkander vermengd. en daardoor zijn overgang,srassen ontstaan, die do etiinologen tot het hoofdras tollen , van hetwelk zij de meeste eigenaardigheden vertoonen. Het menigvul-digst vindt dozo kruising der geslachten in Amerika plaats, waar bij de oorspronkelijke bewoners en do hen in getalsterkte reeds overtreffende Kuropoörs nog do als slaven derwaarts gevoerde Negers komen.

Do natuurkundigon, die de menschenrassen overeenkomstig do eigenschappen van het haar trachten te bepalen, nemen twaalf soorten on zesendertig rassen aan.

liet schoonste en meest volkomen ras is het Kaukasische.

Even verscheiden als do drie genoemde hoofdrassen zich ton aanzien van hun lig-chaamsbouw vertoonen, ja nog voel meer , is het verschil merkbaar mot betrekking tot hunne geestvermogens.

De Negers, Hottontotten en Boschjesmannon, die nog ovenzoo uitzien als do schilders en beeldhouwers hen voor duizenden van jaren afschetsten, worden door de reizigers van onzen tijd ongeveer in denzelfdon staat aangetroffen, waarin do bewoners van Europa moeten verkeerd hebben in don tijd toen deze de wapenen en goreodschappen vervaardigden, welke do aardkorst ons bewaard hooft. In denzelfden toestand vindt men do inboorlingen van Australiö en de wilde volken van Amerika.

Men heeft geen enkel voorbeeld dat één dier volken uit zich zeiven tot oen noo-menswaarden trap van beschaving is opgeklommen. Hunne werktuigen en gereedschappen bepalen zich tot het allornoodzakelijksto en voor stoffelijke behoeften. Van oen streven naar ontwikkeling van den geest ontwaart men geen spoor der vermelding waardig. Zoo men al zekere mate van beschaving bij hen kan waarnomen, bewees de geschiedenis, dat zij was voortgesproten ten gevolge eoner ontmoeting mot menschon van andere rassen, of do overlevering bij zulke volken wees op zoodanigon invloed. De sago toch berichtte dan altoos van hoogere wezens, die in het grijs verleden van don hemel waren neergedaald of uit do zoo opgerezen, om het volk te onderwijzen. Zoo vindt men hot bij de Mexicanen en Peruanen, met wie men kort na de ontdekking van Amerika door Christoforo Colombo kennis maakte.

Waar deze beschavende invloed ophield, ging de vooruitgang welhaast weer te gronde, en hot volk keerde allengs tot zijne vroegere barbaarscbbeid terug. Luid sprekende bewijzen daarvoor leveren de aan zich zeiven overgelaten vrije negerstaten Haïti en Liberia, die steeds moer en moor den staat naderen, waarin de Afrikaanscbo neger-landen altoos verkeerd hebben.

Meer begaafd in ilil opzigi vertoont zich het Tooransche of MongonLcho ras. Maar hoe veel men bij zijne verstgovorderdcn rnoge bewonderen, ontwijfelbaar is bet, dat zij na zekere hoogte bereikt te hebben. sedert veel langzamer voortschreden dan lt;le Kaïtkasiöis, Men denke bierbij aan lt;!•• (\'binoezen en .lapaneezen. Deze waren . nn tal van eeuwen geloden , den Kaukasiers voumit. Zij hadden reeds aameorkelpe vorderingen in kunsten en wetenschappen gemaakt toen de laatsten nog wilden waren. Thans staan zij ver ten achteren. Intusscben blijft het de vraag, of de Mongolen niet voor verdere ontwikkeling volkomen geschikt zijn. Het slaan blijven op hetzelfde standpunt gedurende eeuwen is wellicht te wijten aan den invloed van het klimaat en don grond dien zij bewonen , of wel aan andere daartoe medewerkende omstandigheden. Ware hot Kaukasische ras werkelijk van nature zoo veel begaafder, dan zonden de lieloedsjen , Hindoos en Perzen, dio op geen hoogeren trap van beschaving staan dan de Chineezen en Japa-neozen, don belemmerenden invloed tenminste in zoo ver overwonnen hebben, dat zij de

7

-ocr page 24-

(11 :ï U,USTIIKKIU) H IV !•: IIE LIK) ESC 111KI) UNIS.

Mongolen vooruit waren gekomen, hetgeen nogtans geenszins hot geval is. Waren de vooronders dor Europeesche volken , die thans de voortplanters der beschaving /,iiquot; on dit reeds voor tweeduizend jaren waren, in Azië gebleven, dan is hot do vraag, af zij niet achter de Mongolen waren teruggebleven, indien hot lot deze naar Europa had ge voord.

Vele geleerden gaan in hun geloof en bewondering aan clo begaafdheden van het Kaukasischo ras boven de andoren zoo ver, dat zij do vroogobeschaving der Chineozen een gevolg achten van een samentreffen dezer Mongolen niet do Kaukasiërs, alvorens eerstgenoemden zich in China nederzetten. Deze stelling wordt op goonorlei wijze door bekende daadzaken ondersteund. Wij vinden daarentegen in do allervroegste tijden, toen de Ariërs nog in hunne stille kinderkamer op do hoogvlakte l\'amier zaten, Toeransche (en derhalve Mongoolscho) volken in Klam en aan den Enfraat on Tigris, wier beschaving tot ver vóór hot verhaal van den zondvloed opklimt, en die te dien tjjde reeds schrift en hoeken bezaten. Tegelijk mot hen vinden we daar Semitische volken , die zich met hen vermengden en den Chaldeërs hot aanzijn gaven, wier beschaving de eigenlijke kern van de onze is.

Wij hebben opgegeven welke menschenrasson tegenwoordig onzo aarde bewonen. Doch

hoe zij ter plaatse gekomen zijn waar wij hen thans aantreffen , is eene vraag, wier beantwoording meer dan mooio-lijk is en hijzondere studiën veroischt. Wat uit ons bekende tijden daaromtrent is op to sporen zullen wij in de geschiodonis\'zelve berichten. Doch ton aanzien der verhuizingen die in den vóórhistoriscben tijd bobben plaats gevonden\', moeten we kort zijn: wij kunnen noch do na-vorschingen der etbnologon omtrent dit vraagstuk volgen , noch do stellingen ontwikkelen , die in het brein van onkelen zijn opgekomen. Wij moeten ons vorgenoogon met eenige algemeene opmerkingen, dio tot rogt vorstand van het vervolg kunnen dienon.

Alvorens de oppervlakte dor aardo do gedaante aan-Tvnc van een Azteek. .

nam, dio zij sedert duizenden van jaren, zonder oenigo

wezenlijke verandering hooft behouden, vonden reeds aanmerkelijke veranderingen in hare

oppervlakte en aardlagen plaats, die door het water veroorzaakt worden.

Velen dier ontzettende veranderingen geschiedden in een tijdvak, dat het historische al zeer nabij kwam , wijl overleveringen die deze omwenteling betroffen, bij verschillende volken in herinnering zijn gebleven. Doch do geologische wetenschap leert ons dat in tijdperken, welke verder dan iedere sage reiken, veel grootore veranderingen door het water voortgebragt werden, en wel in perioden, waarin roods menschen onze aarde bevolkten.

Waar thans uitgeslrokto zeeën golven, bevond zich eens vastland, on waar mon thans vastland betreedt, golfde eens do zee. Cloheele werolddoelen zijn op deze wijze verdwenen en andoren nit het water opgerezen. Er wordt beweerd dat daar waar thans de oceaan vlooit, eenmaal vastland bestond, dat Europa of Afrika bij Amerika aansloot on dat ton zuidwesten van Azié een geluMd werelddeel onder do golven is weggedoken.

De menschen en dieren, die in leze overstroomde landen leefden, gingen to gronde. Volken, die met elkander in verbinding stonden, werden door de zee geheel van elkander gescheiden en bleven dat duizenden jaren, zoodat zelfs do overlevering, die van hel vroeger aaneotipalen kon berichten, verstomde.

8

-ocr page 25-

VOOIllIISTOUISCItU V()l,Ki:itKN.

Dat evenwel volken, die in latere eeuwen elkanders bestaan zelfs niet vermoedden, in liet duister der tijden eene nauwe gemoenschap mot elkander moeten gehad hebben, schijnt uit zekere overeenkomsten af to leiden, overeenkomsten die men anders niet zou kunnen verklaren. Deze toch bestaan niet alleen in zekere kenschetsende licliaamsvormim, maar zelfs in de taal der ver van een gescheiden en, evenals in gelijkluidende overleveringen en godsdienstige meeningen, die, niettegenstaande menigvuldige wijzigingen, tot een gomeenschappclijken oorsprong doen besluiten.

Do scheiding tusschen Amerika en de andere worelddeelen moet in oen buitengewoon vroeg tijdperk hebben plaats gevonden, daar men aan gene zijde des Atlantischon oceaans, in aardlagen en holen, niet de overblijfselen van vele diersoorten vindt als die welke men in de zoogenoemde Oude Wereld heeft opgedolven. Men zou welligt hieruit afleiden, dat Amerika eerst later uit het water is opgerezen, en zijne bewoners voel later hot aanzijn ontvingen. Doch daartegen spreken do voorworpen eoner vergevorderde beschaving, die zoowel in Zuid- als Noord-Amorika worden gevonden, allen afkomstig van volken van welken geen spoor van herinnering meer over is, allen reeds voor lang van het weroldtoonoel afgetreden, toen zich de Azteken in Mexico vestigden.

Terwijl het water geheele worelddeelen met hunne bewoners overstelpte en andere landmassa\'s van oen reet, bracht het in het binnenste van liet aan elkander gehécht gebleven vasteland andore uitwerkselen voort. Grooto waterbekkens, binnenzeeën 011 meren verbraken hunne randen, liepen droog en stortten hunne golven uit over de lager liggende landen. Waar eens water golfde, ontstonden zandwoestijnen, terwijl vruchtbare oorden verdronken, of door lang aanhoudende ovorstroomingen tot dorre, zandige Vlakten vervielen. Op deze wijze verloren talrijke volken de landouwen, waar zij tot dien tijd hadden geloofd en zich vermeerderd. Zij moesten nieuwe woonplaatsen opzoeken, en daardoor ontstonden met andere volkeren oorlogen, die soms eeuwen duurden. Overwonnen natiën trokken af om nieuwe woonplaatsen te zoeken of bleven in het oude vaderland, waar zij zich aan de overwinnaars onderwierpen, en mot wie zij zich vermengden. Daardoor, even als door de zucht van velen naar vorandoring, in overeenstemming met verschillende tijdelijke omstandigheden, werden de volken op aarde verstrooid. Mot verbazing ontdokken we nog tegenwoordig in streken, waar zij geheel op zich zelvon staan, gemeenten of groepen bijeen, die wat hun lichaamsbouw, taal en zoden betreft, zich scherp van al hunne naburen onderscheiden, maar door die eigenaardigheden bewijzen tot stammen te behooron, die op verren afstand van hen hunne woonsteden hebben.

Op dusdanige wijze ontstonden ook volken van gemengd bloed, die na liet verloop van eeuwen tot ééne natie zamensmolton, mot eene eigene aan hunne verschillende voorouders gezamenlijk ontleende taal. Nog in den historischen tijd vonden dergelijke samensmeltingen veelvuldig plaats, zooals de geschiedenis ons meermalen zal aantoonen.

In de overeenkomst der talen zoeken de geleerden den dread, die door den doolhof van (loze velksvormenging geleidt en het middel om na te sporen welke volken denzelfden oorsprong hebben, om don weg uit te vorschen , dien zij namen om hunne tegenwoordige woonstede te bereiken en zelfs do mate van beschaving te bepalen, die zij bezaten toen zij hot moederland verlieten.

Al de waarheden, die wij in deze afdoeling slechts vluchtig kondon opmerken, vorderen eene studio van wotenschappan, welke eerst sedert betrekkelijk korten tjjd, ernstige beoefenaars hebben gevonden. De praktische waarde, die de verkregen uitkomsten

9

-ocr page 26-

f:EÏU.USTIIK!■quot;Itlgt; K WKIIKLDOESCItlKDKXIS.

voordo geschiedenis hebben, is wellicht niet bijzonder groot, daar deze wetenschappen zich in do hoofdzaak bozig houden mot een tijd , waarmede do goschiedonis weinig of niet to maken heeft. Niettemin zijn hare uitkomsten van groot belang, omdat zij én tot heden als waarheid beschouwde overleveringen én valsche vooronderstellingen te schande gemaakt hebben.

De Godsdienst der Volken.

Godsdienst ontspruit uit eerbied en vreezo bij het geloof aan of de overtuiging van hot bestaan eenor lloogore, bovenaardscho Macht, waarheen de mensch bij beproovingon zich tut hulp en troost kan wenden, wanneer hij noch bij zich zeiven, noch bij anderen uitkomst kan vindon. Hij do edolsten van ons geslacht stemt reeds het gevoel van erkentelijkheid tot aanbidding.

Dit godsdienstig gevoel schijnt den mensch tegelijk met hot verstand gegeven te zijn ; want men treft, nauwelijks een mensch of volk aan, waarbij hot zich niet, moge het soms al zeer flauw zijn, op do eene of andere wijze uit.

Ieder mensch die nadenkt, maakt zich van deze Hoogste Magt eene voorstelling overeenkomstig do mate zijnor ontwikkeling.

Ofschoon wij rondom ons bij voortduur de werkzaamheid waarnemen dezer Hoogste Macht, welke wij God noemen, en daaruit kunnen afleiden, dat sommige voorstellingen dezer Eeuwige kracht onmogelijk waar kunnen zijn, zoo is hot toch niet doenlijk te bewijzen welke voorstelling van God do juiste moet heeten. Daartoe is do kennis van den mensch, hoe ontwikkeld ook, te beperkt. De eenig bepaalde uitkomst waartoe wij kunnen komen, is, dat zulk eene Hoogste Macht bestaat.

Daar de denkbeelden omtrent het Wezen der Godheid zoo verschillend zijn als nienschen worden gevonden, kon het niet anders, of de godsdienst moest verscliillendo vormen aannemen. Zij moest bij volken, die elkander in oorsprong, lichaamsbouw, taal, zeden en ontwikkeling nabij stonden , grootero overeenkomst hebben dan bij geheel van elkander verschillende rassen. Daarom wijst do konnis der godsdienst van eon volk ons weder naar zijn oorsprong terug.

Van de godsdienstige gevoelens der nienschen in de stamperiodo weten wij volstrekt niets. Daarentegen is het ons helder en klaar, dat de godsdienst een der belangrijkste factoren voor \'s mensclu\'ii beschaving is geweest.

Koeds in de kindsheid van ons geslacht, gevoelden de volken behoefte om zich tot de Hoogste Macht te wenden, haar te aanbidden. De nienschen ondervonden, oven als alle andere lovendo wezens, do aangename en onaangename uitwerking van velerlei natimrverschijnseleii, inzonderheid die van het weder, als regen en zonneschijn, hitto en koude, storm en onweder. Van nature begaafd mot verstand en oordeel, kwamen zij spoedig tot het besluit, dat ieder verschijnsel eeno oorzaak moest heldien, en het is licht na te gaan , dat hunne gedachten vooral stilstonden bij de verschijnselen , die hunne weetgierigheid het moest, opwekten, en waarvan de bewerker voor hunne oogeii steeds verborgen bleef.

De veranderingen, dio hij regen en niiwod-r aan den hemol plaats grijpen, waren altoos waar te nemen, en daar de regen en bliksem uit do wolken komen, zoo lag liet denkbeeld voor de hand, den verborgen bewerker quot;in don hemelquot;, dat is in do wulken , te zooken.

De zon, dio dag en nacht, hevige of geringe warmte voortbrengt, moest natuurlijk

10

-ocr page 27-

VOOKUISTOIUSCUK VOl.KUllRN.

voor hem ovoneens 0011 voorworp van vorwondoring worden. Ook do wisseling\' der jaar-gotijdon met hunne voorrogten en bezwaren moest de vraag naar hare oorzaak doen oprijzen.

Daar de ervaring, do moeder van alle wetenschap, zich nog in hare kindsheid bevond, zoo bewoog do fantaisie, dat tougelloozo spel van het verstand, zich slechts binnen den boperkten kring van het zichtbare en verbond daaraan hare besluiten ten aanzien van het verborgene. Als handelende wezens kende men alleen inenschen en dieren, en do schepselen der fantaisie, die men voor de bewerkers dor fantaisie hield, konden, dacht men, slechts wezens zijn, die op menschen en dieren geleken, maar met eigenschappon in overeenstemming mot do vermogens, dio men hen toedichtte.

Bij sommige menschen is de fantaisie werkzamer dan bij anderon. Nu doolden reeds vroeg de eersten aan de laatsten mede hetgeen zij dachten over do hand dingen en betrokkingen dezer wezens tot elkander en wat zij uit de uitingen dor huil toogo-schroven vermogens afleidden. Zoo ontstonden sproken en sagen, die rnonschen mot oene zeer levendige verbeeldingskracht begaafd, namelijk dichters, al verder on verder opsierden, waarbij zij zelfs aan do denkbeeldige wezens persoonsnamen gaven.

Zoodanige in do kinderkamer der menschheid ontstane sprookjes plimtten zich als werkelijke gebeurtenissen van geslacht tot geslacht voort, en hunne sporen zijn nog, na duizenden jaren , zelfs bij de meest in beschaving gevorderde volken aan te wijzen en oefenen nog tegenwoordig groeten invloed uit. Dit zal ieder gevoelen, dio zich ten aanzien van zijne eigene gevoelens on ervaringen rekenschap geeft. Zelfs de moost verlichte en moest beschaafde man zal nog aan het einde zijns levens aan enkele indrukken hechten, die hij in zijno jougd ontving, ofschoon hij er togen op zon zien om hen te verdedigen. Het zal niemand gelukken zich volkomen van do sprookjes zijner jeugd los te maken.

Daar do Ouden de bewerkers der voor hen onverstaanbare verschijnselen — quot;godonquot; — die naar zij meenden in do wolken of voor hen onbereikbare plaatsen huisdon, zich voorstelden als wezens, die met de menschen of dieren overeenstemden, zoo schreven zij hun ook daarmede overeenkomstige gevoelens toe, zoo als toorn, haat, wraak, welwillendheid en liefde. Zij ondervonden, dat \'s menschen toorn en wraak to stillen waron, en nu welde hij hen do gedachte op, dat men dit ook bij de goden kon beproeven, en zoo ontstonden de offers.

Voor dozo offers koos men voorwerpen, die de menschen aangenaam waren, on dio men derhalve ook aan de godon welgevallig achtte. Daar de goden echter in den hemel woonden, en deze offers niet tot zich namen, moest men doze naar den hemel opzonden , hetgeen op geene andere wijze kon geschieden als door het verbranden der offers. Dan toch stegen do geur en rook ten hemel op.

Do rustelooze fantaisie vormde zich spoedig eeno thsorie over de nitwerking zijner oflers, en daar zij daarbij nooit het menschelijke, geheel zinnelijke stiind|iiini verliet, kwam men als van zelve tot het besluit, dat hetgeen mensclien bijzonder aangenaaui en slechts zeidon of mooiolijk te verkrijgen was, voor de goden het aangenaamste offer moest zijn.

Men ondervond, quot;dat de toorn der goden dikwijls moeieljjk was te bevredigen,quot; dat is, dat do onaangename» natunrverschijnselen dikwijls zeer lang aanhielden, en tal-looze offers moesten worden gebracht alvorens deze en hunne uitwerkselen ophielden. Dan werden die zeldzame offergaven dikwijls op hoogst bezwaarlijke wijze ftyoengevoegd, zoo zelfs, dat do_ krachten van velen te kort schoten. Daarom besloot een volk

11

-ocr page 28-

(i KÏ l.L rsTIt H mi I) I; U\' K Itn I, I Ki use H I KI) i; M s.

of stutn tot oen gezamenlijk offer, daar toch allen denzelfdon wensch moesten koeste-ren om de goden te verzoenen en zich van hunne hulp te verzekeren. Langs dien weg vormden zich allengs offervereenigingen , die bij de moeste stammen als hot beginsel der openbare godsdienst zijn te beschouwen.

Do byeengebrachto voorraad ofl\'orgaven moest bewaard en eindelijk den goden aangeboden wurdi\'ii, waarvoor men bijzondere personen koos en met dit werk belastte. Daarmede ontstond do klasse dor priesters. Wijl di»ze priesters do personen waren, die den goden het offer brachten en alzoo mot hen in onmiddellijke verbinding traden, lag het denkbeeld voor de hand, dat de goden do priesters als do offeraars bij uitnemendheid meer dan andoren genegen waren en hun eer dan anderen hunne wenschon zouden medodeolen. Daaruit volgdo weder, dat men hun zekeren invloed op de besluiten der goden toeschreef en naar hun gunst dong, opdat de bewerkers der natuurverschijnselen dozen trouwen volgers der priesters bijzonder gunstig mogten zijn.

Hot vuur is een dor grondstoffen, wier weldadige maar tevens verwoestende invloed een bjjzonder sterken indruk op den iiatuurinensch moest voortbrengen. Het zal bij hem eenigermate dezelfde gewaarwordingen hebben doen oprijzen, die wij nog heden ontwaren, dat liet bij de dieren verwekt. Deze vroezen en vlieden hot, omdat hot brandt, on worden er onwederstaanbaar door aangetrokken, wijl het hunne nieuwsgierigheid prikkelt, of omdat het verwarmt. Goon dier verstaat de kunst om vuur aan te maken, zoodat de vaardigheid om hot te ontstoken een der kenmerken is waardoor de monsch zich van hot meest vernuftige lagere schepsel onderscheidt. De monsch die hot eerst door wrijving vuur te voorschijn bracht, zal zeker door zijne tijdgenooton zijn aangestaard als oen wezen dat mot do goden in verbinding stond. Hij moest daardoor aanzien en ontzag bij zijne medemenschen voortbrengen.

Daar hoerschzucht in \'s menschon natuur ligt opgesloten, is het begrijpelijk, dat de invloed, dien de priesters haddon verworven, hun aangenaam was, en zij dien invloed trachtten te vergrooten. Zij wisten wol, dat hetgeen men van hunne betrekking tot de goden verhaalde, dwaling was, doch zij zolven dwaalden, en het was hun belang hunne natuurgenooten in dwaling to laten. Immers, in deze kindsheid van het menschelijk geslacht geloofden do priesters ongetwijfeld zelven aan de goden en koesterden ten aanzien der macht van allo hoogero wezens dezelfde denkbeelden als de overige menschon. Zij hielden daarenboven de onmiddelbare gemeenschap met de goden geenszins voor onmogelijk en duidden hunne eigen droomon en zinsbegoochelingen als goddelijke openbaringen aan, alles volkomen in overeenstemming met hetgeen wij nog tegenwoordig bij vele onbeschaafde volken waarnemen.

Zoo ontstond van lieverlede , zoowel door opzettelijk als onschuldig bedrog over de betrekkingen tusschen goden, priesters en andere monschen, een stolsel, waarbij do volken een onbepaald geloof hechtten aan hetgeen do priesters loerden. Deze, quot;zoo vertrouwd mot do goden, wisten volkomen wat dien hoogeren wezens aangenaam was en verstonden het geheim om do woorden te verklaren, waarin bevelen uit don hemel den monschen gegeven werden. He priesters regelden de wijze en de keuzo dor offers, en dat zij daarbij zich zolven niet vergaten, heeft do geschiedenis duizenden malen getuigd. Langs dezen weg wies het aanzien der priesters van eeuw tot eeuw, zoodat zij welhaast do ware beheerschers des volks werden.

Hoe zich do macht en invloed der priesters bij de verschillende volken ontwikkelden, welken invloed zij op de beschaving uitoefenden, en welke rol zjj in het leven dor volken speelden , zullen wij in den loop der geschiedenis opmerken.

12

-ocr page 29-

VOOItinSTOTUSCII (; VOLK tCllEN.

Het leven der menschen in den vóórhistorischen tijd.

De getuigen van menscholijko nijverheid in do aardkorst, de spelonken van liet gebergte, do overoude vuilnislioopen en het slijk rondom de paalwoningen toonon ons onmiskenbaar aan, dat de beschaving gedurende de eerste perioden in het leven der menschen op een zeer lagen trap is staan gebleven en zich slechts weinig onder-

scheidde van die wolkn hodendaagsche reizigers terugvonden bij do volken van Midden-Afrika, Nieuw-Holland, het Vuurland, enz. Hunne levenswijze zal ook dezoll\'do geweest zijn, en hunne oenige zorg hebben bestaan in het bijeenzamelen der noodigo levensmiddelen om zich te beschermen togen den invloed van het weder en do aanvallen van wildo dieren en kwalijkgezinde naburen.

Zulko wilde stammen ontstonden waarschijnlijk, quot;ieder naar zijn aardquot;, in onderscheidene deelen der aarde en bleven zoo als zij waren, tot zij meer hegaafde, jongere

-ocr page 30-

OKÏI.I.rSTRKFUDE WKREI.HOESCHIFDENIS.

rassen ontiuootten, wier aanraking\' eon beschavonden invloed op hon uitoefende. Even als wildis houtappclboomen tot op hun wegkwijning slechts houtappelen voortbrengen, zoo hieven de raenschen in de vroegste tijdperken van hun bestaan niets dan wilde vrucht voortbrengende stammen, die als het ware de inenting verbeidden om bijdragen voor de beschaving te leveren.

Het schijnt, dat de eigenschappen van deze overoude stammen evon verschelden zijn geweest als hun uiterlijk, en dat sommigen meer vatbaar waren voor beschaving dan anderen, zoodat do invloed van begaafder naburen bij deze laatsten rijker vruchten voortbracht en duurzamer bleef dan bij de eersten, die, weder aan zich zei ven over-

gelaten, in hunne ontwikkeling staan bleven of in do vroegere ruwheid terugkeerden.

Dezelfde verschijnselen ontwaart hot tegenwoordige geslacht bij de latere jagervolken iti Amerika. Ongeacht alllt;\' moeite welke men zich gegeven heeft, zijn zij wilden gebleven . hoogstens met een verblindend vernis over bun woost karakter. Zulke wilden zullen ook in andere streken geloefd hebben. Maar zij verdwenen hij het voortschrijden der lioogere rassen, oven als wij de Indianen zien verdwijnen, en allo Tasmaniörs in onzen tijd zagen uitsterven. Hoogstens lieten die ons onbekende uitgestorven rassen sporen van hun aanwezen achter. Alle volken die zich tegen do beschaving stellen, schijnen ten ondergang bestemd.

De gesteldheid der landstreek waarin de menschen oorspronkelijk woonden, of

14

-ocr page 31-

vooumsToiuscfiE volilt;riu:n.

waarheen zij reeds vroeg voortgestuwd werden, oefende zonder twijfel op hunne leefwijze en ontwikkeling grooten invloed uit. De menschen die langs zeeën en rivioron woonden, moesten visschers. en zij, die zich in uitgestrekte wouden hadden noergezot, jagers worden. Do bewoners van uitgestrekte steppen, dat is van vlakten die weinig meer dan gras voortbrachten, hetgeen aan talrijke dieren voedsel verschafte, temden die soorten welke hun, zonder veel bezwaar, genoegzaam voedsel beloofden te geven. Zij hoedden en verpleegden dit vee on werden zoodoende herders. Do dieren plantten zich zonder hun toedoen voort en verschaften hun op eone vrij gemakkelijke wijze al het noodigo. Daardoor kwamen zij niet in verzoeking om over het dagelijksch onderhoud na te denken en te peinzen. Zij bleven op eon lagen trap van ontwikkeling.

Daar liet gras niet zoo Spoedig groeide als voor do bjjoengehragto kudden noodig was en door de zomerhitte verdorde, zagen de herders zich genoodzaakt van tijd tot tijd andere weidon op lo zoeken on zóó als nomaden of zwervers te leven. Men dusdanig bedrijf is nogtans alleen mogolijk in streken waar mon ruimte in overvloed vindt, «onder dat men in zijne zwerftochten door andere volken gehinderd wordt.

Hierdoor bleven alle volken, die hot leven van nomaden voerden, op zich zeiven staan. Zij hadden al wat zij behoefden . en hot verlangen naar verfijnd genot verontrustte hen niet, omdat zij het niet kenden. Daar zij boslendig ronddoolden en overal slechts een korten tijd verwijlden, kon hot hun niet in de gedachte komen, duurzame woningen op te trekken. Eene eenvoudige, gemakkelijk te verplaatsen tent, rijs on stam

15

-ocr page 32-

firt\'UX-STRREKDF. WKRKf.DflKsflITKDKMS.

men, door dioronhuiiloii ovonlekt, verleende hun gonoegzamo beschutting togen koude en rog-en. Eveneens waren vellen hun voldoende om zich te kleeden. Op doze wijze is hot te verklaren, dat men nog tegenwoordig in do uitgestrekte steppen van Azië stammen nomaden aantreft, allen Mongolen, die nagenoeg nog in denzolfden staat als vóór duizenden jaren verkeeren.

Zoo lang zulke volken op zich zolvon bleven , ontbeerdon zij wel is waar de aandrift om zich naar den geest te ontwikkelen, doch dit was voor hen geen gemis, daar zij de behoefte tot beschaving niet kenden en bewaard bleven voor den toon waarachter oene valsche beschaving zich verborgt. Ook was hun bedrijf het voermiddel om huiselijke deugden aan te kweoken. Doch toen door hunne vermeerdering de ruimte voor de kudden geringer werd, kon het niet uitblijven, of er ontstonden twisten over het gebruik der weiden. De door wind en weder geharde, herdersvolken vielen elkander aan ; zij worden krijgslieden en veelal ook roovers.

Loerden deze mannen van geweld de voortbrengselen en genoegens van hunno moer beschaafde, vreedzame naburen kennen, zonder in staat te zijn zich dezelfde voordooien dos levens te verschaffen, zoo ontstond voor de vredelievende stammen groot gevaar van de zijde der woeste hordon, die, door gunstige gevolgen aangemoedigd, hunne rooftochten al verder en verder uitbreidden. De geschiedenis heeft van\' dergelijke too-standen veelvuldige voorbeelden opgetookend.

Do bewoners der vruchtbare laaglanden voedden zich mot voortbrengselen uit het plantenrijk: koren en vruchten. Die soorten welke hun het meeste nut schonken en het aangenaamst waren, kweekten zij aan, waardoor deze gewassen zich steeds vermenigvuldigden, terwijl zij die welke zij schadelijk achtten, uitroeiden of terugdrongen. Op deze wijze ontstond do landbouw. Daar men de geplante boomon en de gezuiverde akkers, met wier vruchten men zich wilde voeden, niet kon medenemen, word oen zwervend leven voor alle landbouwdrijvende volken onmogelijk.

Zelfs in do vruchtbaarste oorden is de landbouw niet zoo eenvoudig als de veeteelt, want, terwijl do kudden zich zonder het toedoen der menschen vermeerderen, vorderen de werkzaamheden op den akker: het zaaijen, aan kweeken en oogsten, ontelbare moeiten. De landbouwer kan velerlei verrichtingen niet alleen bewerkstelligen. Daarom verleende men elkander wedc-rkeerig hulp en was er op bedacht door het aanwenden van allerlei werktuigen den arbeid gemakkelijker te maken.

Die behoefte maakte den inensch vindingrijk, en deze aansporing werd nog bevorderd doordien men vaste verblijfplaatsen genomen had. Do inrichting bij blijvende woon-.steden was niet zoo onverschillig als die bij nomaden, welke in elke tent slechts kort vertoefden. Men maakte gebruik van de grotten en spelonken in het gebergte, die allengs ruimer of moor bewoonbaar werden gemaakt, en waar men deze holen niet vond, bouwde men hutton van boomtakken en bedekte haar met riot of vellen. Daar dusdanige woningen aan den aanval van wilde beesten blootgesteld waren , kwam men op het denkbeeld, haar zooveel tnogelijk op to rigton op plaatsen , waar men die aanvallen niet te vreezen had. Kenigen vestigden hunne woningen op de trotsche kruinen van zwaar geboomte, anderen bouwden baar op palen in bet water. Van hier de paalwoningen.

Zén ontsloot de landbouw don weg voor do beschaving, terwijl deze bij de jager-en herdervolken op dezelfde hoogte bleef.

Di\' volken van het Kankasische ras doorleefden ontwijfelbaar al deze tijdperken der eerste beschaving, waarin de wilde volken op geringe hoogte staan bleven. Ook het

16

-ocr page 33-

17

eerste streven der Kaukasiërs zal geweest zijn om zich voedsel, woning en kleeding te verschaffen, doch daar hun blik ruimer was, en hun aanlog voor grooter ontwikkeling vatbaar, zoo gingen zij daarbij, hoogst waarschijnlijk, niet alleen van hot begin af verstandiger te werk, maar zij overschreden tevens spoedig do grenzen, waarop alle anderen waren staan gebleven.

De talenten en neigingen der menschen zijn even menigvuldig als hun uiterlijk voorkomen en lichaamskracht. Terwijl de een zijne grootste vreugde vindt in het veld te bebouwen, gaat de ander op de jacht of verpleegt zijn vee, peinst een derde hoe hy gereedschappen samen zal stellen, ten einde leven en bedrijf aangenaam te maken. Terwijl de jager do dieren vervolgt en velt, die de volden verwoesten , en de handwerksman gereedschappon vervaardigt, kan noch de een noch do ander een akker bebouwen om veldvruchten te erlangen, die hom tot levensonderhoud moeten dienen. Daarentegen verlangt do landman naar de vellen en het vleosch der wouddieren , naaide uit vezels vervaardigde weefsels, de uit leem gevormde potten, en daarom zijn hem \'s jagers buit en \'s werk mans gereedschappen gewensclit en noodzakelijk. Om hen te bekomen, wil hy gaarne een deel van don overvloed zijner veld- en boomvruchten afstaan , is hy bereid mot den jager en handwerksman eon ruil aan te gaan. Dat is do oorsprong des handels.

Terwijl de wilde jagers- en herdersvolken zich allen met de jacht en veeteelt bezig houden, en in hunne ledige uren eenvoudige gereedschappen pogen saam te stellen, kiest onder de meer beschaafden elk hot beroep dat hem het meest behaagt, dat waardoor hy zeker is het noodige levensonderhoud beter te winnen dan wanneer hij eene bezigheid moot op zich nemen, waarvoor hij geen aanlog heeft. Door deze verscheidenheid ontstaat een levendig verkeer en een streven naar verbetering en vooruitgang.

Zoodra voor het noodzakelijke gezorgd is, welt hot verlangen naar het aangename op. Het veld van \'s menschen werkzaamheid breidt zich uit, en het streven om de meer en meer toenemende behoeften te bevredigen, bij den wedijver om dit beter dan een ander te bereiken, verwekt eene toenemende bedrijvigheid en levendigheid.

Aan de stoffelijke behoeften en genietingen paart zich by alle rijk begaafden welhaast het verlangen om ook den geest bevrediging te verschaffen. Dan ontwikkelen zich met de verstandelijke vermogens vernuft en oordeel, üio opwekking vindt voedsel steeds door het inwendig godsdienstig gevoel, en de godsdienst zelve bepaalt do richting waarin het geestesleven ontkiemt en voortschrijdt.

Het zou ons te vor leiden, wilden wy den weg schrede voor schrede vervolgen, waar langs de volken don bewonderenswaardigen graad van beschaving erlangden, dien wij loeren kennen uit de oude gedenkteekenen, wier overblijfselen nog tegenwoordig bewondering wekken , of die de aarde zorgvuldig heeft bowaard en uit een tijd stammen , welke eenigermate de schemering van den historisch mi dag genoemd kan worden.

Wy moeten ons hier tot deze vluchtige aanwijzingen beperken, doch wij zijn met betrekking tot de hier volgende plaat onzen lezers verklaring schuldig. Niets duidt meer overtuigend \'s menschen vorderingen in beschaving aan, dan liet toenemen van uitvindingen, het vermeerderen van werktuigen, gereedschappen en wapenen.

In eene reeks van dergelijke afbeeldingen, die, daar zy tot het oog sproken, meer verklaren dan duizenden woorden vermogen , zullen wy de trapsgewijze vorderingen onzer voorvaderen vervolgen. Dat moge voorloopig voldoen bij de gravure op bladz. IS. Wy behouden ons voor daarop terug te komen by ieder hoofdstuk, waarin wij gelegenheid hebben de ontwikkeling van elk volk te bespreken.

I. 2

-ocr page 34-
-ocr page 35-

vooiunsTOttiscuE VOLK HREN.

10

Verklaring der tegenoverstaande plaat.

1. Versiering van een bord uit de Zwitser-sclie paalwoningen.

Bronzen sieraad uit de bronsperiode.

Steenperiode.

Vuursteenen dolk ,

, Vuursteenen lansspitsen,

Vuursteenen mes,

Vuursteenen pijlspits ,

Beenen naald,

I Pijlspitsen, deels van steen , deels van ( been ,

4.

5, 0.

7.

8. 9.

10. 11. 12.

13.

14.

15. 10.

■v bO

c

lt;!gt;

lo

ca

[ Steeneu hamers ,

Vuursteenen hamer, Vuursteenon bijl ,

17. Stcenen bijl, met heft van hertshoorn, o]gt;-gedolven in de venen aan de Sommc in Frankrijk.

18. Harpoen uit rendierhorens.

19. 1

Schalen en urnen van gebrand leem , meerendeels in Denemarken opgedolven.


Dolk , met scheede, van brons.

Bronzen bijl . aan den Rijn gevonden. Bronzen schaar.

Bronzen pincette, van Deenschcn oorsprong. | Bronzen messen , |

j Bronzen paalstaven . / uit Denemarken.

Bronzen wig,

Bronzen bijl ,

j Bronzen dolken, van den Bijn.

Bronzen sikkel, uit Denemarken. Zoogenaamde huisurne, uit de paalwoningen.

^ Urnen van verscliillenden vorm , op onder-i scheidene plaatsen opgedolven.

j Bronzen speeren, uit Denemarken.

) Bronzen bijlen, uit do Itijnlanden, en steeneu ( bijl, uit Denemarken.

Bronzen schild, uit Denemarken.

Sieraden : bronzen armbanden , uit Denemarken.

28 29, 80 31,

32

33

34

35 30 37,

38

39

40

41

42

43

44

45

46

47

48

49

50

51 ri\'2

j Bronzen halsringen, van den Rijn.

55. |

( Bronzen armbanden en gespen , uitDene-j-y\' j marken.

\'yj\' j Bronzen vaten, met kunstig graveerwerk. CO. j

02. Bronzen fibulae, uit Denemarken.

05.1

0 1 . ) tj

^ j Bronzen armgospen.

03. Bronzen halssieraad, uit Denemarken.

06. Bronzen diadeem of hoofdring, uit Denemarken.

07. Bronzen koten.

08. Bronzen schild; binnenzijde.

09. » » buitenzijde.

70. Zwaard met bronzen schade, van den Rijn.

7M

7\'2. Bronzen zwaarden, uit Denemarken.

73.)

74. Bronzen legertrompot, uit Denemarken.

/.\'I ! Bronzen kam, beiden uit Denemarken. lt;().! \'

Bronsperiode.

53.

77. Bronzen libulae, uit Denemarken.

Uzerperiode.


Zwaard mot ijzeren kling, zijnde schede en groep van brons, bij Hallstadt in Oostenrijk gevonden.

Zwaard, mot bronzen greep cn yzeron kling, eveneens van Hallstadt,

78.

80, Mzoren lansspits, van den Rijn,

81. Zwaard, te Hallstadt in Oostenrijk gevonden.


79.

-ocr page 36-

De Staat.

oo lang de menschen zich nog niot verheven hadden boven de trap van ontwikkeling waarop de wilde volken waren gekomen, volgden zij den wil quot;fcy van het hoofd des gezins of van den stam on onderwierpen zich aan zijne beslissing bij twisten. Geschillen toch over het mijn en dijn moesten reeds vroeg voorkomen, daar het begrip van eigendom wol een der eersten is, dat bij den mensch ontkiemt, liij do jagersvolken handelde het om jachtbuit of het bezit van jachtgron-den, bij herdersvolken om don oigondom van een of ander huisdier of grazige weide. Er ontstonden voorbeelden voor volgende beslissingen, gewoonten en horkomsten , en daarnaar viel het gemakkelijk eenvoudige strijdvragen op te lossen.

Wilde beesten vielen de kudden aan, en wilde naburen volgden die roofdieren na, of wel er ontstond tusschen do jagers en herders strijd over do jaclit- en weidog-renden , dio dikwijls tut langdurige voeten en gevochten aanleiding gavon. Zoowel do aanvallers als de aangevallenen volgden den meest gelukkigen jager of den dappersten on best beraden krijgsman , en de afhankelijkheid waarin zij daardoor kwamen, werd eene gewoonte. Zulke familiehoofden of krijgshelden, steeds do voorsten , werden vorsten. liij hun gezag over den eigen stam verkregen zij ook dat over de overwonnonen, die zich afhankelijk van hunne overwinnaars hadden moeten verklaren. Dozo heorschappij werd een door de gewoonte geheiligd recht en erfde van vader op zoon, of don naasten bloedverwant.

Van doze aartsvaderlijke bestuurders zullen in de oudste tijden velen ook wel de priesterlijke waardigheid bekleed en haar tot versterking hunner heerschappij gebezigd hebben , terwijl tegenover hen , die priesters , welke geeno oorlogsboldeii uf jagers waren , zich dn vrees voor do goden ton nutte maakten om op don wil en dti handelingen dor vorsten invloed uit to oefonon.

Bij do volken, die zich op den landbouw toelegden en uit dien hoofde vaste woonplaatsen haddon gekozen, nam deze aangelegenheid denzelfden loop, on do macht van heerschon bleef Wij hot eens als voorsten gevolgde geslacht, ook dan ■wanneer de betrekkingen uiot meer de aartsvaderlijke plooi bezaten. De vorst kon, toen de volksinonigto aanwies en de betrekkingen tusschen dn verschillende standen inenigvuldiger worden, niet allo geschillen in eigen persoen moor beslechten. Door hom aangestelde «udston of wijzen moesten in zijn naam recht spreken, en opdat zij het in overeenstem min g met elkander deden, moesten bepalingen worden gegeven, die ten dooie aan \'s vorston zienswijze en die zijner raadslieden, ten dooie uit de herkomsten ontsprongen. Zoo ontstonden do

Volken, wier handelingen door wetten geregeld worden, noemt men slatan, of met

-ocr page 37-

DU STAAT.

andoro woordon, emi staat is oono vereoniging van allo inenschon in eono bopaaldo landstreek, waarbij ieder een doel zijner natuurlijke vrijheid ten boste goeft om de zwakken togen verkorting hunner vrijheid door de sterkeren te beschennen. Do wet is daarbij de maat voor ilio beperking van persoonlijke vrijheid.

De sterken zouden zich echter weinig om deze wetten bekommeren, zoo niet achter de wet eene macht stond sterker dan do hunne. Deze macht is eigenlijk do vereeni-ging van allo leden van don staat. Doch daar hot zelden noodig zal zijn, of mogelijk is om allen bijeen te roepen, wordt aan den vorst, of do rogeoring, de noodige macht toebetrouwd.

Op deze wijze ontwikkelde zich uit de aartsvaderlijke of patriarchale rogeoring do monarchie.

Deze splitste zich allengs in eono onbeperkte heerschappij of do despotie en in eono beperkte of constitutionoele monarchie. Waar een kerkelijk vorst die macht kon nit-oefenen, hoerschte de theocratie.

Aan het hoofd van eon volkomen despotische monarchie staat een vorst, wiens wil als wot geldt. Ieder vorzet togen dien wil is oen misdrijf. De monarch is de heer van allen; ieder lid van don staat is zijn dienaar on onderdaan. Niemand bezit dan oen onaantastbaar eigendom. Alle gronden en alle opbrengsten daarvan behooron don despoot , on al wat ieder verwerft of bezit, bezit hij slechts door \'s vorsten genade. Op eigen rechten kan niemand zich beroepen.

Luidt zoodanig de theorie der onbeperkte heerschappij, in do werkelijkheid is zij doorgaans anders. Zij vormt zich naar het gemoed en de inborst van don despoot. Is deze oen goed of groot man , zoo kan het volk onder zijne heerschappij werkelijk gelukkig, werkelijk vrij zijn.

Doch geenszins waren en zijn alle vorsten goed en groot. Drukkende toestanden zijn ontstaan waar do alleenhoerschor zijne verheven stelling misbruikte en hot volk tot oen speelbal zijner luimen maakte. Voortreffelijke regenton ruimden derhalve het volk vrijwillig rechten in, om bij belangrijke aangelegenheden gehoord te worden, maar oen vool grooter aantal word daartoe gedwongen, hetzij om zich tegen mededingers te handhaven, hetzij ton gevolge van opstanden en hevig vorzet des volks. Zóó ontstonden do constitutionoele monarchiën. waar eon grondwet hot verdrag vormt tusschen vorst en volk, en dit laatste door zijne vertegenwoordigers aan do wetgevende macht deelneemt.

Do dospotie is somwijlen in een vorm opgetreden, waarbij eene bijzondere klasse des volks do heerschappij uitoefent: men noemt dit eene oligarchie.

Keno zoodanige inrichting ontmoet men zelfs in republieken of gemoenebesten, staten waar de hoogste macht bij hot volk of oen doel daarvan is blijven berusten of tot dien toestand is wedorgokoord. Doze konnon geen vorst boven zich. Maar even als men beperkte on onbeperkte monarchiön heeft, zoo kan men de republieken oveneens in beperkte en onbeperkte gemeeneboston q.eelon. en do oligarchie is oen der vormen, door de eorstgenoomden aangenomen. Waar alle staatsburgers door hun stemrecht invloed op do rogeoring uitoofonen, heeft men democratische instellingen, terwijl, waar in tegonovorstolling daarvan, slechts een deel der bevolking dit recht bezit of kan uitoefenen, aristocratische instellingen in moer of minder mate heerschen.

21

-ocr page 38-

22 OESllustreebde WEBE1,D0ESCII1EDENIS.

Sagen.

Sagen of ovorlovoringon noemt moii vorhalon, die sedert de oudste tijden van mond tot mond gaan bij tallooze geslachten. Zij onderscheiden zich in de zoodanigen, die eeno degelijke kern hebben en anderen die deze niet bezitten, maar slechts uit beelden der fantasie voortspruiten.

Tot de laatsten behooron, zooals van zelve spreekt, alle overleveringen met betrekking tot het ontstaan van onze aarde en do eerste menschen, even als alle sagen van goden en godinnen. Zij behooron eigenlijk niet tot do geschiedenis, doch daar zij in nauwe betrekking staan tot don godsdienst der volken, zoo zullen wij daarop moeten terugkomen, telkens wanneer wij van de verschillende eeredienston gewagen.

Hier willen wij opmerken, dat het verhaal der schepping van den monsch uit aarde of leem, even als dat van het voortkomen der vrouw uit den man, wordt gevonden bij vele volken op aarde, vim wier vroegere gemoenschap met elkander zelfs niet do minste overlevering bestaat. Hetzelfde is het geval met het verhaal van het Paradijs — waarvan het verlies geweten wordt aan de vrouw, ten gevolge van het eten van een verboden vrucht, do verleiding door do slang, den boom des levens, enz.

De Zondvloed. Nog moer dan deze sagen wekken die overleveringen belangstelling, waarvan do historische grondslag niet te miskennen valt. Daartoe behooron die van een alles overstelpenden vloed (in hot oud-Duitsch SinlJhU, in het Nederlandsch Zondvloed). Allen gewagen van de redding van enkele menschen , die do stamvaders dor volken werden, even als van de verstrooiing der volkstammen op aarde en hot verwarren dor talen.

Dat in de vroegste tijden op aarde groote veranderingen door hot water zijn veroorzaakt, hebben wij reeds vermeld. Overstroomingen op kleine schaal zijn, helaas, ook thans geene zeldzaamheid, en vergelijkt men de berichten daarover met elkander, zoo zal men vindon, dat de daarbij plaats gehad hebbende omstandigheden zich menigvuldig herhalen, zoo ais dit ook in den aard der zaak ligt. In den ouden tijd zal dit evenzoo geweest zijn, en op deze wijze valt menige opmerkelijke overeenkomst in alle overleveringen met betrekking tot eene ontzettende algemeeno overstrooming te verklaren.

Het kan meermalen voorgekomen zijn, dat oen geheel volk of geheelo stam door een watervloed te gronde ging, en zich slechts enkele personen of paren redden, en wel op eenig punt, een berg of heuvel, die niet door het water word bereikt. Do gereddati werden de stamouders van een nieuw volk of nieuwe volken, en onder deze bleef dn overlevering omtrent den watervloed bestaan, en wel met meer of minder versierselen opgesmukt.

Kerm zoodanige overstrooming teisterde ook do volken, die in do nabuurschap van liet land woonden , hetwelk wij als het vaderland van het Kaukasische ras aanwozon. De overeenkomst in do desbetreffende overleveringen bij de verschillende Kaukasische volken kan dus geene verwondering baren.

liet oudst geschreven document van deze sago is eerst in den jongsten tijd gevonden , en ook nu was het onze waarheidlievende moeder do aarde, die ons deze openbaring schonk. De Engelsche geleerde Austen Henry Layard, die de opdölvingen bestuurde ter plaatse waar eens het oude Niniveh stond, ontdekte eeno merkwaardige boekerij, die, wijl zij uit de eeuw vóiir de christelijke tijdrekening dagteekent, alzoo \'25(10 Jaren oud is. De gevonden boeken zjjn geene boeken in onzen zin: hunne bladen

-ocr page 39-

SAGEN.

bestaan in gobrando leomtogels met schrift bedekt. Bij do goschiodonis van Assyriü zullen wij meer uitvoerig over dezo ontdekking handelen. Uier zij het genoog te weten, dat doze tafels ook do overlevering omtrent don zondvloed bevatten, zooals deze reeds sedert onheugelijke tijden in Ghaldoa in omloop waren en omstreeks het jaar 2000 vóór Christus (nagenoeg don tijd waarin Abraham leefde) te Babylon worden opgetoekond. Afschriften daarvan zijn naar Niniveh gekomen.

Do inhoud van dezo tafels komt vrij wel overeen met de berichten, die oen priester van Bol of Baiil (den vertegenwoordiger der Zon), mot namo Berosos, een tijdgenoot van Alexander don Gronto, te boek stelde (circa 260 jaren vóór Christus).

Deze priester verhaalt, dat vóór dien vloed te Babyion tien koningen regeerden, ou wel gedurende een tijdperk van 432,000 jaren. Do laatste dezer vorsten was Xisoothros geheeten. Aan dion koning verscheen Bol (in hot grioksch Kronos) in den droom en kondigde hem aan, dat de monschen don ir^cu Jer maand Desios (tijdens den zonnestilstand) door oen watervloed verdelgd zouden worden. Hij beval hem al de wotonschappelijko kennis, welke do monschen zich eigen haddon gemaakt, op te schrijven on binnen de zonnestad Siparis te verbergen. Vervolgons moest de koning een schip bouwon on zich mot zijne raadslieden, bloedverwanten on naaste vrienden daarop inschepen. Hot vaartuig moost ruimschoots van loeftoclit voorzien zijn en ook allerlei dieren, zoowol vogels als viervoeters, aan boord hebben. Wanneer men hom vragen zou, waarheen hij vour, moost hij zeggen: quot;tot do goden, om hen te smeeken, dat hot den menschon wèl mocht gaan.quot; Xisoothros gohoorzaamdo en bouwde eeno ark of kast, van 5 stadiën (3000 Griokscbe voeten of 9\'25 motor) lengte en 2 stadiën breedte. De hoogte was hem niet voorgeschreven.

üo vlood zotte op, maar toen do wateren tot staan kwamen, liet Xisoothros vogels uitvliegen. Deze koerden na eenig omfladdoron tot het schip terug, daar zij zich nergens kondon nedorzetton en ook geen voedsel vindon. lots later opgeschonken vogels koerden wol is waar ook terug, maar zij hadden slijk aan do pooten. Toen ten derde male vogels worden uitgelaten, bloven zij weg. Xisoethros besloot daaruit, dat de aarde van hot water vrij was, maakte een gat in het scheepsdek on zag, dat het vaartuig op een berg was vastgeraakt. Hij ontscheepte zich met zijno vrouw, zijne dochter en zijn stuurman, bad de aardo aan, bouwde eon altaar en offerde daarop aan de goden. In dit oogonblik verdween hij met zijne geleiders. Toon zij, die op het schip waren achtergebleven, zagen, dat Xisoothros uitbleef, gingen zij van boord en zochten hem, terwijl zij zijn naam alom lieten weergalmen. Doch zij zagen hem niet weer, maar zijne stem riep limi uit den homol toe, vroom te zijn en de goden te vreezon, want hij, hun aanvoerder, ontving nn het loon zijnor vroomheid. Hij was namelijk aan de aardo ontrukt, om bij do goden te wonon, en zijno vrouw, zijne dochter en zijn stuunnan deelden in zijno gelukzaligheid. Nadrukkelijk beval hij hun naar liabylon te gaan en; overeenkomstig het bovol dor goden, do te Siparis begraven schriften op te deiven en haar aan de monschen over to geven, (die derhalve niot allen verdronken konden zijn). Ook zoido hun Xisoethros\' stem, dat iiot land waar zij zich bovenden, Armoniö was. Toon zij dit alios ovorvvogon haddon, gingen zij te voet naar Babylon. Zij groeven de schriften op, bouwden vele steden, richtten heiligdommen op en vernieuwden ook l!a-bylon. Ovorblijfselon van Xisoothros\' schip, zegt Borosos, vond men nog op het Kor-dyoscho goborgle in Armenië, on vele monschon krabden hot asphalt daarvan, omdat zij dit als eon middel beschouwden, waardoor ziekten werden voorkomen.

Het bericht omtrent den grooten vlood in de gevonden Assyrische koilschrifttegels

23

-ocr page 40-

Cl HÏ 1,1, UST li EH II IJK \\V KII EL DO RSCKI KI) UN I s.

is vervat in de sage van Igdoebar (Nimrod), die zich naar hot Paradijs begaf, waar oen zijner voorzaten bij do goden leefde. Dozo voorvader, Hasisadra genoemd, — een woord hetwelk hetzelfde boteekent als bij Berosos Xisoethros — was het hoofd der stervelingen, dio bij don Zondvloed gespaard bloven. Do geredde verhaalt aan zijn nazaat Igdoebar op welke wijze hij behouden is. De tegels zijn geschonden. doch uit de gespaarde stukken kan men den samenhang afleiden.

liet verhaal is met geringe wijzigingen hetzelfde als vati Berosos. Aan Hasisadra wordt eveneens bevolen oon vaartuig te bouwen, doch slechts van 600 ellen lengte en 60 ellen breedte. Toen dit schip gereed was, goot hij over do buitenzijde 3 maten

aardpek en langs do binnenwanden evenveel. Daarop werden do dieren des velds, quot;de zonen di\'.s volks al te gaderquot;, kasten mot offers, voel wijn en spijze in do ark gebracht. NTii begon het onder donderen en lichten te regenen, zes dagen achtereen. Den zevenden dag bedaarden storm en vloed. Doch het gansche monscholijke geslacht was verdorven. Als afgescheerd riet dreven do lijken in hot rond. Het vaartuig werd naar het land Nizir verslagen on bleef op den gelijknamigen berg zitten.

In den loop van den zevenden dag zond Hasisadra eeno duif en vervolgens oene zwaluw uit, die beiden terugkoorden. Eindelijk liet hij oon raaf uitvliegen, en deze tiloef weg. Nu droef hij de dieren naar buiton, plengde een dankoffer, bouwde een altaar en hernieuwde de offerande. quot;De goden zweefden als vliegen bovon hot altaarquot;, verhaalt de sage.

Mozes\' verhaal betreffende den Zondvloed in Gene*it behoeven wij hier niet te ver-

21

-ocr page 41-

SAfi UN.

Imlon. Het is ons uit den Bijbel bokend. Do ovoreonsteinming mot do Babylonscho on Assyrische sagen is zoo blijkbaar, dat aan oen zolfdon oorsprong1 niet getwijfeld kan worden. Do Xisoothros van Berosos, do Hasiasadra van bot keilschrift en do Noacli uit den Bijbel zijn één en dozolf\'do persoon.

Hot ondorsclieid in de berichten ton aanzien van hot begin en don duur van den vloed, even als in don naam des bergs waarop de ark landdo, zijn uit oen historisch oogpunt van geen belang, evenmin als dat in Genesis, althans luidons do woorden, quot;de gcheele aarde werd overstroomd on al wat leven had ontvangen verdelgdquot;, terwijl naar het verhaal van Berosos en dat in keilschrift, deze rampen zich slechts tot Mosopotamiö beperkten. Do üostorscho volken gaan in hunne grootspraak nog vrij wat vorder dan de Franschen, die ons iedereen met tout le monde overzetten. De Aziatische monarchen noemen zich nog quot;koningen der aarde,quot; on hun land de quot;aardkloot,quot; het quot;Kijk van het Midden ,quot; enz.

Do oude Derzen hadden eene overlevering van een grooton vlood, waardoor do aarde gezuiverd was geworden, en waardoor Tasjter, de genius van hot water, do boozo, oproerige slang overwon. Hij liet zestig (of negentig) dagen en nachten zware regon-stroomon op de aarde dalen, waardoor het goheole oppervlak tor manshoogte met water werd overdekt. Vervolgons zond hij een hevigon storm. Ormoozd stuwde toon til hot water bijoen en gaf het de aarde tot grens. Zóó ontstond de wereldzee.

Do Indische sage draagt duidelijke kenmerken van haar ontstaan uit de Chaldee-sche overlevering. De Vedav. (de heilige boeken) waren door oen reus gestolen, on do menschen goddeloos geworden. Toon verscheen Wisjnoe, in do gedaante van een viscli op aarde tot redding van do heilige boeken en der deugdzame menschen. Hij, quot;de heer van het heelal,quot; wilden do dengdzamen koning Manoe Satjavrata (de volvoerder van al wat goed is) redden. Daarom kondigde hij zijn beschermeling aan, dat de drie werelden in don tijd van zeven dagen in een oceaan dos doods verzwolgen zouden worden. Aan Manoe echter zou hij oen schip zenden. Daarop moest deze zich inschepen, en mot zich nemen allo heilzame kruiden en zaden. Verder zou do koning zeven heiligen (Brahmanen) aan boord nemen en allerlei paren rodeloos vee. Eene ontzettende slang zou trachten om het schip tn doen kantelen, doch Manoe moest het vaartuig aan den hoorn des gods hechten. De slang deed al wat aangekondigd was. Vreoselijk word hot schip door een storm geslingerd, doch dn god verscheen als een visch op don oceaan. Hij was eon millioen mijlen groot en had eon ontzachlijkon hoorn, waaraan Manoe het vaartuig vasthaakte. Toon eindelijk do vlood tot staan kwam, volde do god don reus en ontnam hem de heilige boeken.

Dezelfde sage, op velerlei wijze opgesmukt, vindt men in onderscheidene Indische boeken torug.

Ook do Chineezen bobben eene sago van oen grooton vloed, zoodat velen hnnnor schriften daarvan spreken. Men heeft gepoogd deze overleveringen in overeonstomming te brongen mot hot verbaal van Mozos. Doch kundige mannen houden het voor eene zelfstandige, zuiver Chineesche sage. Grooto overstroomingen vonden zolfs in historische tijden in bot land der Tsjins plaats, en do voorvallen bij die rampen komen natuurlijkerwijze mot elkander overeen.

De Kamsjatdalon hebben oveneons hunne vloodsagen. Het volk redde zich met zijne have on voorraad lovensmiddelon op eon vlot, dat boven op oen borg zitten bleef.

Mij do Laplanders vindt men de traditie van oen Zondvloed bewaard, waardoor God do wereld heeft omgekeerd. Een broeder en oeno zuster worden op oen borg behouden.

Nagenoeg eiken stam der ouden O rieken had \'\'.ijno bijzondere zondvloodsage. Wij

25

-ocr page 42-

(1 KÏl.LCSTRKKUÜi: WHHKLDO ESCHIKDUNIS.

ziillcn wellicht later do oeno of andoro daarvan mododeelen. Hier zullen wij alleen die inlasschon, welke do later heerschend geworden Helleensche stam aan de nazaat overbracht.

Zens, zoo luidt de overlovering, besloot hot goddolooze inenschelijke geslacht to viM\'dolgon 011 liet een vloed op Hellas nederdalen. Op den raad zijns vaders l\'romothens maakte (l(! vroomo Deukalion een vaartuig-, voorzag hot van levensmiddelen on sloot /.ich met zij no vrouw Pyrrha daarin op. Negen dagen en nachten dreven zij in het rondo, waarna zij op don borg ParnoS landden. Hier steeg Deukalion uit om Zeus een dankotTor to brengen, een bedrijf, dat don god ten hoogste welbehagelijk was, want bij zond Deukalion den bode van het goddelijk heir, Morcurius, en veroorloofde hem om eene gunst te vragen. Deukalion sineokto om menschen. Zous beval hem do beenderen zijner moeder achter zich te werpen. De geredde legde dien wenk uit, als werd hem gelast zich van steonen to bedienen, daar steenon toch het gebeente van onze moeder do aardo uitmaken. Uit de steonen, die Deukalion over zijn hoofd wierp, ontstonden mannen, uit do steenen door Pyrrha geslingerd, vrouwen.

In hot Britsche landschap Wales kent men de volgende overlevering. Hot was eene (uitzachelijke gebeurtenis toen het meer der meren opborrelde, de wereld overstroomde en alle menschen verzwolg met uitzondering van Dwyan en Dvvyvach , die in oen vaartuig zonder zeilen de ellende ontkwamen. Dit kunstige schip was door oen hemolsch wezen, Neivion, gebouwd en bevatte, behalve het monschenpaar, een mannetje en een wijlje van iedere diersoort. Dwyan en Dwyvach werden vervolgens de stamouders dor Klitten. Neivion echter is dezelfde als Hu of Hoe, dio do Kelten als den eersten mensch en schepper, maar nog meer, als don uitvinder van den wijn- en landbouw vereeren.

De Dithauers hebben do volgende Zondvloedsage. Do hoogste god, Pramzimas, uit bot heinol venstor ziende, werd zoo vertoornd over do boosheid der menschen, dat hij tweo reuzen: Wan doe en Wejas (wind en regen) uitzond, om gedurende twintig dagen en naebten alles te verwoesten. De hoogste god zag die verstoring aan en at daarbij bemelsche noten. Ken der doppen ontviel zijne band. Hij kwam neder juist op don top van den hoogste der borgen, waarheen allo dieren en ook eenige menschen gevlucht waren. Allen stogen in don notendop, en toon het water verzwond, klommen zij er uit • •li verspreidden zich naar alle zijden. Slechts één paar bleef ter plaatse zelve, en van ben stammen de Litbauers af. Hot paar was echter reeds oud en bedroefd, omdat het geene natuurgenoten van gelijke beweging nevens zich had. Toen zond god Pramzimas als trooster den regenboog, die man en vrouw den raad gaf om over het gebeente dor aarde te springen. Negen maal sprongen zij, en nogen paren ontstonden, die do voor-ouders der negen l.ithausche stammen werden.

In Afrika zijn de sagen van oen alles overstelpenden vlood minder talrijk, ja de overleveringen die daarmede overoeiistemmon , spreken niet van eene volkomen verwoesting. Van hier ook, dat do hypothesen die enkele geleerden uit deze verhalen trekken, om een zelfde afstamming der Negers met do andere rassen te betoogon, allorgebrok-kelijkst steek houden.

I!ij de onde Kgyptenaren vindt men zeker menigvuldige overleveringen aangaande groote overstroomingen. Doch een vlood, die do gebeide aardo overstelpte, vermelden zij niet. /ij beweren integendeel, dat deze verhalen ouder zijn dan die van don Zond-vloeil, welke onloochenbaar mede in Imnno schriften vermeld staat,

In Amerika vindt men bij een menigte volkeren vloedsagen.

De (Inii\'iilanders verhalen, dat de aarde, eens als eene boot is omgeslagen en allo iiienschen daarlnj verdronken. Slechts één man behield bet leven. Deze sloeg met zijn

-ocr page 43-

SAO EN.

stok op don grond, waarop oono vrouw uit do diopto roos, mot wolko hij do worold bovolkto. Do oorsto vrouw van hot vurige goslacht was uit den duim dos mans voort-gosproton.

Do Hondsrib-Indianon zijn van meoning, dat hun stamvador, Tsjopiwih, nabij oono zooiingto woondo , waarin hij oone woor of omlioindo vischplaats liad aangologd. !gt;o monigto van don daarin opgohoopton visch verspordo op zokorou tijd do zoostraat zoodanig, dat hot water, naar allo zijdon oen uitweg zookendo, al het land overstelpte. Tsjopiwih bestoog mot zijn geheel gezin en allo soorten van viervoeters on vogols eone kanoe en voor hor- on derwaarts. 11 ij zond eon bovor uit om land to zoeken, doch het dier verdronk. Een later uitgezonden bisamrat bleef lang uit, doch had slijk aan do pooton toen zij eindelijk, geheel afgemat, tonigkwum. Tsjepiwih vonvarmdo do rat aan zijno borst tot zij zich weer herstelde. Van do aarde aan haro pooton maakte hij een klomp, die bij op hot water liet drijven. Dat was iiot begin van een eiland, dat al grooter on grootor word.

Dergelijke sagen zijn bij volo stammen van Noord-Amerika in omloop. Volgons sommigen ontstonden do nieuwe monschon uit de lijkon van verdronken dieren. Kon stam dor Irokeozen verhaalt van oone quot;oudo grootmoeder,quot; die, uithoofde zij vied, uit het Paradijs word gestooton. Hare nakomelingen zijn allen slechte monschon geweest en uit dien hoofde door don Zondvloed verzwolgen. Do nieuwe monschen kwamen uit de doodo lichamen der dieren voort.

In Mexico vindon wij vorschillendo sagen, van welke oenigen eone merkwaardige overeenkomst met de Chaldeesche aan den dag loggen. Dio der bewoners van de provincie Mechoacan luidt in korte trokken als volgt. Clod had oen man en oono vrouw uit aarde geschapen. Toen deze beiden zich in hot water baadden, verloren zij liimne oorspronkelijke gedaante, doch God gaf hun die terug door middel van oenige onder elkander vermengde metalen. Het goslacht echter, dat zij voortbrachten, word goddeloos en uit dien hoofde in oen Zondvloed vernietigd. Alleen oen priester, Tezbi goheoton, word van den ondergang verschoond. Hij beklom mot zijno vrouw en kinderen oeno groóto houten kast, waarin hij alvorens allerlei dieren en zaden had geborgen. Na oenigen tijd rondgedreven te hebben . liet hij oen gier en nog oenige andere vogels uitvliegen. Geen dier schepselen echter kwam terug. Alleen do kleine kolibri koorde mot eefl takje in don bek weder.

Een andere Mexicaansche stam leidt zijn oorsprong af van oen opperhoofd, die mot zijne volgelingen bij den Zondvloed op don top eons bergs oeno schuilplaats had gevonden. Zijno medgezollon worden echter daar in apen veranderd en kregen oerst van lieverlede hunne gedaante, hun verstand en hunno spraak weder.

Soortgelijke sagen bestaan nog in menigte. Christen zendelingen hebben er partij van getrokken om haar mot hot bijbolsch verhaal in overeenstemming to brengen. Natuurlijk is door dio omwerking het oorspronkelijk verhaal dikwijls aanmerkelijk gewijzigd.

Alexander von Humboldt bericht ons, dat hot verhaal van oen Zondvloed ook bij allo stammen aan den Bovon-Orinoco wordt aangotroflen. De sago dor Tanianiikon is merkwaardig. Een man en eone vrouw redden zich voor den aanstormenden vlood op den borg Tamanakoo. Zij waren bedroefd over hunno verlatenheid. Doeb als tot troost hoorden zij oone stom, dio hun beval om, mot afgewend gelaat, do kernen dor noten van don mauritiuspalm over hunno hoofden te werpen. Uit de kernen door den man geworpen ontstonden mannen, uit die dor vrouw vrouwen.

Do oude l\'eruanen verhaalden, dat hun oorsto koning of inka,, Manco (\'apak , en zijne vrouw, Manca Ooilo, kort na oen grooten watervloed, in hot huid gekomen waren ,

27

-ocr page 44-

GKÏI.USTIIKKHDH WKltKLDGMSCIITKDKNIS.

cti wftl van het heilige eiland in hot meer Titicaca, waarop de zon liot eorst weder liaro stralen liet schijnen.

Volgens eono andere sage der Peruanen, zijn in den groeten watervloed vier mannen en vier vrouwen uit drie vensters van zekere rots voortgekomen. Een dier mannen droeg den naam van Manco Capak.

Ook op de Zuidzeo-eilandon loeft do sago van don Zondvloed in menigorloi vorm. Meest altoos is hot do booslioid dor menschon, die hot verderf aanbracht. Benige perso-

lien worden gered, gewoonlijk in een ark of schip, dat bij hot afloopon van \'t water op oen borg vastraakte. Dieren, doorgaans vogols, werden als boden uitgezonden, en na het behoud offers opgedragen. Ook van don regenboog is in deze overlevering sprake.

f)ii Torenbouw en de verwarring der talen. Kven als de sago van don Zondvloed, stamt ook die van den toron to Habol af van oono oude Chaldeescho ovorlevering. Al-medo is /,ij over de goheolo aarde verspreid.

28

-ocr page 45-

KAGEN.

Dat do reeds genoemde bibliotheek to Ninivoli ook dezo sago bewaarde, vermoedde men, doch men had er geono \'zekerheid van. Deze verkreeg men eerst in 1875, toen George Smith de desbatreffonde tegels in den bouwval vond. Jammer genoeg, was slechts een der keilschriftkolommen, en dit nog alleen ton dooie , behouden gebleven. Maar het fragment was genoegzaam om hot vormooden tot zokorhoid to brengen.

Volgens den Bijbel bevolkten Noach\'s zonen, Som, Cham on Jafet, do aarde. Do nakomelingen van Som trokken naar het Oosten en sloegen zich neder in hot land Siuear, hetwelk tusschon den Eul\'raat en Tigris ligt on hot stroomland van het Midden — Mesopotamië — genoemd wordt. \'\'Do monschen,quot; doolt de sago modo , quot;besloten eeno stad te bouwen en een toren, welks spits tot don hemel zou reiken.quot;

Dit ondernemen mishaagde Jehovah, en om don reeds begonnen bouw to doen mislukken, verwarde Hij de talen, zoodat de oon don ander niot meer verstond, en de monschen hun plan moesten opgeven. Zij verstrooiden zich toen naar allo hemelstreken. Naar die verwarring kroeg de plaats don naam van Jiabol.

Van dit elkander niet verstaan spreekt ook het fragment van den door Smith gevonden keilschrifttegels. To dien opzichte merkt echter do liritscho oudheidkenner op, dat men in plaats van laai of spraak, ook raad kan lozen. Is dezo laatste opvatting juist, dan doet zij het vermoeden ontwaken, dat bij het bouwen twist ontstond, en dezo veroorzaakte, dat do stichters van den toren den bouw opgaven on uiteen gingen.

Een oud Grioksch schrijver, die waarschijnlijk de sage aan hot work van Herosos ontleende, verhaalt haar in de volgende bewoordingen :

quot;Eenigon verhalen, dat do eerste uit do aarde voortgesproken monschen, prat op hunne grootte en sterkte, on do godon smadondo, wijl zij zich zelvon boter oordeelden, hot ondernamen om een hoogon toren to bouwen, tor plaatse waar nu Babylon is. lieeds waren zij don hemel nabij gekomen, toen do winden, den godon te hulp komende, hot gobouw omverwierpen op hot omliggende land. Terwijl de monschen tut tot dien tjjd oon en dezelfde taal hadden gesproken , kregen zij nu, naar don wil dor godon , verschillende talon.quot;

Ook bij do Grieken treft men sagen aan, die do spraakverwarring mot hot bouwen van de eerste stad in verband brongen.

Bij een dor monnikenorden in Korea vond men in do eonw de sago, dat allo monschen in vroogoren tijd dezelfde taal haddon gesproken. Korst bij hot boawon van een toren, waaruit zij ton hemel wildon stijgen, ontstonden verschillen, waarvan de onderscheidene talen het gevolg waren.

Even als de overleveringen omtrent den Zondvloed, vindt men — wat vooral opmerkenswaardig is — ook de sage van den torenbouw en do spraakverwarring in Amerika. Ton aanzien der laatste verhaalden do oude Mexicanen hot volgende:

quot;Do nakomelingen van Coxcox, den man, die bij don grooten watervloed behouden bleef, waren allen, zonder uitzondering, stom. Zekeren dag echter verscheen eene duif, die zich in do kruin eens booms een plaatsje koos en d^n menschon spraak en taal mededeelde. Doch bjjna allen hoorden zoo verschillend, dat zij bij het spreken elkander niet kouden verstaan. Slechts weinigen gebruikten dezelfde woorden, zoodat di^ moesten uiteen gingen. Vijftien huisvaders die dezelfde taal spraken, bleven bijeen en worden de stamvaders van het Mexicaansche volk.quot;

Humboldt verhaalt eene sage, die hij in Mexico bij de Tlascalleezon vond. Vóór den Zondvloed, bericht zij, werd het land door reuzen bewoond. Zeven van hen redden zich bij de verwoestingen van liet water in eeno grot, en oen hunner, Xolhuaz, ging

-ocr page 46-

r.kïi,1,l;HTHF,r,RDH wkiieldohsoiiikdrxis.

naar Chollolan (Cholula), waar hij ter horinnoring aan don borg Tlalok, waarin do reddendo grot zich bevond, eeno knnstinatigo vorhovonheid, in don vorm van oone pyramido, begon to bouwen. Do togels daarvoor liet hij in hot gewest Tlamanalco, aan den voot der Sierra van Cocotl, vervaardigen. Om deze steonen aan te voeren, plaatste hij eeno rij mannen van Tlamanalco tot Chlolula, din de tegels do een den ander overreikten. De goden zagen dit work mot misnoegen, want Xolhuaz had het stoute plan om do spits tot do wolkon te doen reiken. In hun toorn slingerden zij hot vuur dos hemels naar do pyramido. Een groot aantal werklieden kwam daardoor om, en het werk werd niot voltooid. Later wijdde het volk het overgeblevene aan don god dor lucht, Quctzalcoatl,

Do overlevering stamde uit eon overoud tijdperk, want do liederen waarin de sago was vervat, en die bij do feesten dor inboorlingen werden gezongen terwijl zij om de teocalli (pyramido) ronddansten, bogonnen mot tonlallan hoeloelaëz, woorden, die in geen der Moxicaanscho talon voorkomen en derhalve allerwaarschijnlijkst ontleend zijn aan oone oude taal, die aan het volk to gelijk mot zijne godsdienstige gebruiken word overgeleverd. Iets soortgelijks komt veelvuldig voor, b. v. bij de Boeddha-priesters in China, die hunne godsdienstoefeningen in het aanskritisch houden, ofschoon zij dio taal ver van machtig zijn. Ook hoeft men monigmalen roomsch-katholioko priesters in weinig beschaafde landen ontmoet, die, hoezoor het latijn onkundig, in do taal dor oude llo-meinen de mis lazen.

In Yucatan verhaalt men de sago van don stamvader Chiapaneezen: Votan. Op bevel zijns grootvaders, dio in een ark don Zondvloed ontkwam, bouwde hij een groot huis, mot hot oogmerk het tot don hemel op tn trekken. In de strook, dio hij tot dit oogmerk uitkoos, werd ook aan ieder volk eeno taal gegeven.

De toren van liabol stond nog ten tijde van den Griokschon geschiedschrijver 11e-rodotos, dio hom voor bijna \'2400 jaren aanschouwde on beschreef. Het gevaarte was naar zijne medodeoling 100 meters hoog. 1 Volgons oen door sir Rawlinson bekend gemaakt keilschrift, werd de vervallen toren door keizer Noboekadnezar vernieuwd. In het genoemd geschrift heet het :

\'•Wij zeggen met betrokking tot hot laatstgenoemde, tot dim torenbouw, den tempel der Zeven lichten op aarde, waaraan de oudste herinnering van liorsippa zich verbindt: quot;quot;Kon oude koning bouwde dien voor i\'2 mcnschen-leeftijden, maar voltooide de spits niet. De mensihen hadden hem verlaten sedert het tijdperk van den vlood, naardien zij toen in verwarring hunne woorden uitliracliten,..Ik heb de hand opgeheven om den toren te herstellen en eeno spits daarop te zetten. Alzoo heb ik hem op niouw gevestigd en nieuw gebouwd. Zoo als de spits in den ouilen tijd had moeten zijn , heb ik haar opgetrokken.quot;

Toen Herodotos den toren zag, waren ongeveer 150 jaren sinds den herbouw vejlóopon.

30

Men meent thans de overblijfselen des torens in den bij Babylon vorrijzonden heuvel liirs-Nimrood teruggevonden te hebben. f)ovengenoemdo reiziger, Rawlinson , heeft don bouwval met alle zorgvnldigheiil onderzocht. Do hoogte beloopt thans 48 motor. De voet des torens rust op een platform van leem, waarvan de dikte thans niet moer na te sporen valt. De toren zelf had zeven verdiepingen, naar het getal dor oudst-bekendo planeten, waartoe do Babyioniérs ook de Zon en de Maan rokenden. Do eerste verdieping wa- ■quot;gt; meters hoog en vornidn eim vierkant van 05 meters zijlongte. Al de steenen het geraamte bestaat uit baksteen was mot asphalt zwart geverfd.

\' In de p\'seliiciliinis van ritihvlon zullen wij op (lien toren Irrngkomon.

-ocr page 47-

31

Dus afilooling schijnt aan Saturnus gewijd to zijn gowoost. Du twoodo vordioping, .M) motor in het vierkant, had oranjekleurige stoenon en was Jupiter toegeheiligd. Voor do dorde verdieping, die 47 motors in liet vierkant hield, waren roodgevorfde stoonon gebruikt, terwijl dezo afdooling do plek tor vereering van Mars schijnt geweest te zijn. Do vierde verdieping van 36 meter in het vierkant, had niet moor dan li motor hoogte. Eawlinson is van moening, dat do wanden eens mot gouden platen waren bekleed, ter opluistering, wijl hier do voroering plaats vond van de Zon. Al do hoogere vordiepingen zijn deerlijk vervallen, on de afmetingen daarvan laton zich bezwaarlijk bepalen. Zij waren aan Venus, aan Morurius on aan de Maan gewijd, en de steenon met blauwe on bleekgeelc verf overstrokon. Die van do bovenste verdieping waren mot zilveren platen bekleed. De zalen voor Venus, Mercurius en de Maan stonden niet in het midden boven do lagere verdiepingen, maar op de voorzijde !) en op de keerzijde I) meter achteruit.

Do bedenking dat oen der woorden in het koilschrift rakende don Zondvloed waar schijnlijk door raad moest overgezet worden, zet aan een reeds vroeger geuit vermoeden kracht bij, dat de oorzaak tot hot staken van den bouw aan oone ondervondon teleurstelling moet worden toegeschreven. Mogelijk, zoo redeneert men, is do toren, toen deze tot zekere hoogte was opgebouwd, ineengestort. Die ramp moest tot verwijten on verwijdering aanleiding geven, liouwmeesters en opzichters beschuldigden olkan-der wederkecrig niet de noodige zorgen voor hunne taak gedragen te hubben , en zou ontstond de strijd, waarbij do een don raad van den ander verachtte en niemand naar goede woorden , die tot herstel konden leiden, wildo luisteren. Verbolgen op elkander ging men uiteen. Het Mozaïsch verhaal, hetwelk bijzonder kort is, zegt zekerlijk niets van zoodanige verwoesting Doch er is geen bewijs b(j te brengen , dat zij niet plaats vond.

Wij vergenoegen ons met do modedeeling van de beide sagen betrofionde den Zondvloed on do verwarring der talen, waaraan zonder twijfel oeno historische gebeurtenis ton grondslag ligt.

Ongetwijfeld zouden we ook kannen spreken van de sagen, die eenigszins samen-stemmen mot hot Bijbolsch verhaal, hetwelk de verdeeling der aarde onder do drie zonen van Noach mededeelt. Doch bij het verhaal worden de namen en bedrijven van Som, Cham on Jafet en van hun nageslacht zoo gewrongen en verwrongen, dat wij het beter oordoelon do hypothesen die men er uit afleidt, mot stilzwijgen voorbij to gaan.

Hier willen we alleen opmerken , dat de meosto oude volken hot begin hunner geschiedenis met het ophouden van den Zondvloed aanvangen. en dat do geredde stamvader of stamvaders in hunne sagen als goden en helden optreden.

Van velen dier goden- en heldensagen kunnen wij nu zwijgen. Wij zuilen echter mot haar konnis maken, wanneer wij ons mot de oudste berichten omtrent de verschil lende volken bozig houden.

Do sage gaat uit haar aard in geschiedenis over. Men moet de oudste gobeurtenis-son met moeite opdelven en heeft daartoe vaak weinig meer dan aloude gedenkteekenen, hioroglypon die bezwaarlijk te ontraadselen zijn, opschriften in doode en verouderde talen, volksliederen, gebruiken en gewoonten. Vroegere geschiedschrijvers hebben dit alles, wel is waar, tot een te satnenhangond verhaal verwerkt, hetgeen in de scholen als geschiedenis geloerd en als waarheid onderwezen wordt. Dan wij zullen in den loop van ons werk ontegenzeggelijk zien, dat do gehoele geschiedenis van het eerste tijdperk voor het grootste deel nog tot den kring der sagen behoort. Uit dien hoofde /.uilen wij haar don historischon sagontijd noemen.

-ocr page 48-

GEÏLIjL\'STKEERDK WKBELDGESCHIRDENIS.

Geographie en Chronologie

Eer wij tot liet aangewezen gedeelte der geschiedenis overgaan, achten wij hot doelmatig nog eenigo opmerkingen te geven betreffende do aardrijks- en tijdrekenkunde.

Met betrekking tot de geographie (aardrijksbeschrijving), mogen wij eene algemeene kennis van deze wetenschap bjj onze lezers veronderstellen. De staatkundige grenzen der landen zijn herhaaldelijk veranderd , doch do omtrek der drie vastelanden en der groote eilanden is sedert hot begin der geschiedenis, geringe uitzonderingen ter zijde gesteld, steeds dezelfde gebleven.

Waar de oude namen voor anderen verwisselden, zullen wy dit opgeven, en eveneens , waar dit noodig is, het beeld der landen in het aangewezen tijdperk aanschouwelijk pogen te maken.

Hoe do inenschen zich voor duizenden van jaren de aarde voorstelden, zien wij uit de oudste tot ons gekomen landkaarten. Wereldkaarten naar Herodotos en Ptolomeus gaan hiernevens.

Do chronologie of tijdrekenkunde splitst zich in verschillende onderdoelen. Voor ons wekt do historische chronologie alleen belangstelling. Hare taak is om de verschillende willekeurige indeelingen, door do onderscheiden volken voor korter of langer tijd gevolgd, met elkander in overeenstemming te brengen en haar te herleiden tot die tijdrekening, welke thans algemeen is aangenomen.

Bijna elk volk hoeft zijne eigene chronologie, niettegenstaande de indeeling van den tijd in dagen (etmalen), maanden en jaren bij de meeste volken geheel overeenstemt, of slechts weinig van elkander verschilt. Deze overeenstemming is licht to vorklaren, omdat het moest eenvoudige middel om den tjjd te moten door de regelmatige verschijn-selen aan hot uitspansel en den loop der jaargetijden aan de hand wordt gedaan, en deze afwisselingen voor allen in hoofdzaak dezelfden zijn.

Het meest verscheiden is bij alle volken het tijdpunt, waarmede zij do herinnering aan het vorlodone aanvangen. Do meost-natuuriyko was voorzeker de schepping der wereld of dio van hot menscholijk geslacht. Doch wijl iedere bepaling desbetreffende onmogelijk is, bleef den volken niets over als hunne verbeeldings- of verdichtingskracht te volgen en daarvoor een of ander gewenscht tijdstip aan te nomen.

Do Joodsche tijdrekening, of aera, begint met do Schepping, naar do opgave van Aio/,es, volgens welke de wereld thans nagenoeg öüüü jaren bestaat. Dezo tijdrekening vinden wij nog heden in den Joodschen kalender, en, in overeenstemming daarmede, be gint het jaar 5(141 op den \'I8(lon September 1S!SO.

Do örieksche tijdrekening vangt aan met de eerste Olympische spelen en is in Olympiaden afgedeeld. Elk daarvan omvat vier jaren. De Hellenen waren gewoon to zoggen, dat de eene of andere gebeurtenis in het eerste, tweede, derde of vierde jaar van deze ut\' gene Olympiade had plaats gevonden. Men schroef dus b. v. Olympiade XII, jaar li.

De Romeinsche tijdrekening begint met do stichting van Uome, dat is 754 jaren vóór Christus.

De Moliamedaansche tijdrekening begint met de Hedsjra, dat is mot do vlucht van Moharaod van Mekka naar Medina, in het jaar 026 dor christelijke jaartelling. Den I .V^11 Docember I.S7!gt; vingen de Mohamedanen hun jaar \'1297 aan.

32

-ocr page 49-

OIIHOKOljOGlK.

Dü na eon kort gobruik afgeschafto tijdrekening der oorsto Fransche-Eopubliek zul-len wij ter gelegener plaats, bij de geschiedenis van dat tijdvak, vermelden.

Do aora, waarnaar do beschaafde volken thans rekenen, on die ook aan allo geschied verhalen dezer natiën ten grondslag wordt gelegd, is de christelijke tijdrekening, die met de geboorte dos Stichters van den ch riste! ij ken godsdienst aanvangt. •—• Daar nochtans duizenden jaren aan deze gebeurtenis voorafgaan , tijdperken waarin wereldgebeurtenissen voorvielen, wier kennis onontbeerlijk is, moet men, om don tijd daarvoor te bepalen, met het jaar 1 aanvangende, achterwaarts rekenen. Ten gevolge hiervan heeft men jaren vóór en na Christus\' geboorte. Hetgene twintig jaren vóór deze gebeurtenis plaats greep, geschiedde alzoo in het jaar \'20 vóór Ch., terwijl dat wat in het jaar \'20 na Christus\' geboorte voorviel, plaats vond in het jaar \'20 na Ch. liij gevolg verliep tnsschen beide gebeurtenissen een tijdvak van veertig jaren.

Deze tijdrekening werd in do (i(1® eeuw berekend door den Scytbischen abt Dionysius, met den toenaam van Exiguus of do Kleine, die in een klooster te Rome leefde. Hü regelde zich daarbij naar eene opgave in het Kuangelie van Lncafi, volgens welke Christus in het vijftiende! regeoringsjaar van Keizer Tiberius mi in bet dertigste zijns levens als leeraar optrad. Naar deze stolling zou het jaar van Jezus\' geboorte overeenkomen met liet jaar 75 i na de stichting van Rome, en ons jaar I het 7549te dor oude Latijnen zijn.

De tijdrekening van Dionysius is niet dadelijk ingevoerd. Zij werd het eerst gebezigd door Beda den Eerwaardige, een Angelsaksischen monnik van do Benedictijner orde , in eene door hom in 7\'20 geschreven kroniek van Engeland.

liet is echter historisch zeker, en ook in het linangdie van Mallheus aangegeven, dat Jezus onder de regooring van Berodes den Groote werd geboren, die kort vóór het joodsche Mazothfeest, in het jaar 7rgt;() na de stichting van Itomo overleed. Daaruit blijkt, dat Jezus in het laatste levensjaar van Ilerodes moet geboren zijn, en alzoo vier jaren vroeger dan in hot door Dyonisius aangenomen jaar 1.

Wanneer wij volgons deze opgave wilden berekenen, hoe de verhouding moest zijn van het jaar ISXO tot de Joodsche en Mohamedaansche tijdrekeningen, zouden wij merkelijk andere uitkomsten eiiangon dan de opgegeven jaren 5641 en ] \'297. De oorzaak daarvan ligt in de verwarring, die door het rekenen van zonnejaren bij den oen, van maanjaren bij den ander is onlstaan.

Bij de Eomeinen voerde Nunia l\'ompilius maanjaren in, die 355 dagen omvatten, /ij werden in l\'2 maanden afgedeeld, waaraan men van tijd tot tijd oen schrikkelmaand toevoegde. Door de nalatigheid of onbedrevenheid der oj)perpriesters, die daarvoor te zorgen hadden, ontstonden zoo heilloozo verwarringen, dat men naar eene uitkomst moest zoeken. Dien ten gevolge voerde Julius Cesar, in het jaar 45 of 40 vóór Christus, de naar hem genoemde Juliaanse,he tijdrekening in. Daarmede overeenkomstig kroeg het jaar .\'!(!.) dagen en begon met den Isten Januari of de eerste nieuwe maan na den winterzonnestilstand. Wijl imt jaar HO.quot;» dagen en nagenoeg O nren (eigenlijk .) uren 48 minuten en 47 sokenden) heeft, zoo voogden de Romeinen bij elke vier jaren aan de .\')().) dagen een driehonderd-/,esenzestigsten dag toe. Cesar\'s kalender werd algemeen aangenomen, en de meeste Christenen behielden haar ongeveer I (100 jaren.

In hot laatst der lü*!0 eeuw nam het Concilie van Tronto — in aanmerking nemende dat nu om de J\'2S jaren (ï\'ii dag te veel werd ingelascht—het besluit om deze Juliaansche tijdrekening ter zijde te stellen. Do Veroneesche geneesheer Imigi Lili had don kerkvaders den tjjd die do aarde voor haar loop om de zon noodig heeft, beter dan tot nog toe doen kennen. Naar aanleiding daarvan beval l\'aus Gregorius XIII, dat I. 3

-ocr page 50-

lll\',ïl,l.USTllKEltl)K U\' l:ii KI.Dfl KSCIIIlil) K.N IS.

di\'/.o juister tydrokiming moost aangtttbmon worden. Om do katholioko feostdagon voor ^(kmI vast to stollou, rokondo men van de nachtovening op den \'ils1\'-quot; Maart 1525, tijdon.s Imt Concilie to Nicna, terug. Daaruit bleek, dat de dagteekening 10 dagen achteruit was, weshalve Oregorius bevol gaf om op don i\'\'1\'quot; October dSSt! onmiddellijk den I .Vl™ dier maand te laten volgen.

Hierdoor werd de verwarring voor als nog niet minder. Verscheidene staten toch verzetten /.ich tegen de/,o \' quot;nieuwigheidquot;. De evangelische stonden van Duitschland namen den Uregoriaanschen kalender oerst in I7(i(l aan en sprongen toen van den i H\'\'1-\'» Februari up den l8\'011 Maart over. In Engeland wachtte men met hot aannemen der verbetering tot I7(i\'_gt;. Men liot daar, dien ten gevolge, op don \'i\'1quot;1 den 14(len Maart volgen , en ving tezelfder tijd hot jaar met den lstcquot; Januari aan. Tot dien tijd had men den Nieuwjaarsdag op den \'258tcn Maart gevierd.

lieeds lang rekent men in alle christelijke staten het begin des jaars van den Januari, terwijl vroeger daarin de grootste verscheidenheid heerschto, want do Kngelsrhon maakten de eenigo uitzondering niet. In do Zeventien-Noderlandon zelfs was togolijkertijd meer dan óéne wijze van tydrekening in gebruik. In Utrecht hield men zich hing\' aan de instelling van Bisschop Gwy van Avesnes van l;!llt;gt; en begon hot jaar mot Kerstmis. In lirabant, Vlaanderen, Honogouwen en Holland word óf met Ooedon Vrijdag 6f met l\'aschen eon nieuw jaar aangevangen. In laatstgonoomd gewest rokende de zoogenaamde Slylus curiae of Slyl van den Huvc altijd van l\'aschen.

De lïussen en andere Oostersche Christenen hebben do Gregoriaansche jaartelling nog heden niet aangenomen. Zij hobbon zich aan den Juliaanschen kalondor gehouden , waardoor zij bij alle overige Europeers elke 400 jaren drie dagen achteruit komen. Ze zijn thans, in jssu, twaalf dagen ton achteren.

Daar nu de tijd dor gebeurtenissen in de verse,hillendo geschiedverhalon, oorkonden on gedonkschriften doorgaans is aangegeven overeenkomstig het gebruik dat op dat tijdstip in des schrijvers woonplaats word gevolgd, kan men licht nagaan, dat het grooto opmerkzaamheid vordert om de medegodeeldo dagteekeningen met die van onzen kalender in oyer.....nstemming to brengen.

:U

-ocr page 51-

EERSTE TIJDVAK.

DE HISTORISCHE S AGENT IJ 1),

van de vroegste tijden tot de stichting van het Perzische wereldrijk.

CHINA.

\'ut (\'liinoescho-Koizerrijk is van alle bestaande rijken het oudste. Hot omvat een gebied grooter dan gchoel Europa, en de daarin wonende volken vormen ongeveer het derde deel van liet geheele menschelijke geslacht.

De Chineezen noemen hun land Tsjin, SJina en Sina. Wij schrijven hot China, omdat deze schrijfwijze sedert eeuwen het burgerrecht heeft verkregen, terwijl de ch ook in plaatsen bij ons te lande — b. v. Charlois — als sj of tsj wordt uitgesproken. De Tataren noemen het Katai of Kitai, en do Grieken Sorica. Kon bij do Chineoz.en van oudsher bekende naam voor hun land is Tsjang-hooa (Bloem van het Midden), oven als Tsjang-kooëe (Kijk van hot Midden).

China is een land, dat zich over oono breedte van moer dan 30 graden uitstrekt. Terwijl het in het noorden op ongeveer denzolfdon breedtegraad ligt als Groningon, komt hot naar het zuiden mot de ligging van de Sahara-woestijn overeen. In een zoo uitgestrekt land hoorscht natuurlijk een zeer verschillend klimaat: felle koude zoowel als tropische hitte. In hot westen vorhoffon zich do hoogste gebergten der aarde, wier uiterste zijschakels, in zuid-oostelijke en noord oostelijke richting voortloopon en hot eigenlijke of oorspronkelijke China van drie zijden omljysten. De vierde zijde eindelijk wordt over een lengte van ongeveer (iüO mijlen door do zee bespoeld.

De produkton van dit onmetelijke land zijn natuurlijk zeer verscheiden, niet alleen naar do verschillende breedtegraden, maar ook wegens de afwisselende hoogten der onderscheidene bergvlakten, die terrasgewjjze van de bergkammen naar de zee afdalen. Ken eigenlijk laagland vindt men alleen in het oosten, liet heeft een omtrek van 10,000 vierkante mijlenen is dus even groot als geheel Duitschland. Dit is het moest-bevolkte en best-bebouwde land ter wereld. Het is in den waren zin des wcords een tuin , waarin geen plokje on-

-ocr page 52-

Cilj\'LLUSTREEKDE WEBELDGESCII1KDKN\' IS.

gebruikt bloef. Al wat do landman kan verlangen, groeit or; hot hoorlijksto graan, tarwe zoowel als rijst; do edelste vruchten, als citroenen, vijgen, granaatappelen im kastanjes, terwijl in hot zuiden zich palmen verheffen.

Het eigenlijke China, dat inzonderheid Tsjin wordt genoemd en eene oppervlakte van ()1,ÜÜ(J vierkante injjlen hooft, is verdoold in 18 provinciën; liet geheelo Ghinooscho-Kijk wordt echter op \'2130,000 vierkante mijlen geschat. Europa hooft slechts v. m.

Het eigenlijke China werd roods in overoude tijden door een zoor vlijtig en vmle-lievend volk bewoond, dat zich tevreden en gelukkig gevoelde on angstvallig van geen verkeer met andore volken wilde weten.

Het hoofdbedrijf der oudo Chineezon was de landbouw, die echter -U spoedig verschillende takken van nijverheid deed ontkiemen, waartoe het groote en door de natuur zoo rijk-gezegende land allo bonoodigde grondstotfon opleverde. Metalen en mineraion waren er in overvloed, goud on zilver zoowel als steenkool. Al vroeg wisten do Chineezon daaruit voordeel te trekken.

Terwijl de oudste bevolking, die zich mot den landbouw bezig hield, wijd uiteen in dorpen woonde , verrezen er, tengevolge van de nijverheid, in sommige oorden al spoedig steden , die voortdurend grootere uitbreiding erlangden, vooral toen onder de dynastie der Woe-Wangs het leenstolsol werd ingevoerd. Dit gaf aanleiding tot hot ontstaan van nagenoeg onafhankelyko vorstendommen en maakte verschillende residentiën tot inidden-punton der beschaving. Twwijl het leenstelsel dus het aanzien en de macht van den staat verzwakte, bevorderdo het de beschaving naar allo zijden.

Hel verkeer der bewoners onderling werd door talrijke rivieren, waarvan de belangrijksten van het westen naar het oosten stroomden, bevorderd. De voornaamsten dezer stroomen zijn de lloang-lio of Geele rivier, en de Jangtse-kiang of Blauwe rivier. De eerste !gt;()() mijlen lang, hoeft oen aanmerkelijk verval, zoodat hij mooiolijk te bevaren is. Het stroomgebied zelf beslaat eene oppervlakte van niet minder dan vierkante mijlen,

liet stroomgebied van di- .lang-tse-kiang is nog grooter, en de lengte van den stroom 700 m. Zijn loop is kalmer en regelmatiger; reeds 100 mijl van den mond is hij voor zeeschepen bevaarbaar. De Si-kiang of Tijgerrivier stroomt in hot zuiden.

Landen die thans do meest beschaafden dor wereld zijn, waren nog in het geheel niet bewoond, of alleen door volken bezet, die op gelijke trap van beschaving stonden als nu do wilden van Amerika, toen in China reeds een volkomen geregelde staat be-stond, toen het zich in eene beschaving verheugde, wel is waar naar geheel eigenaardige vornien ontstaan, doch niettemin onze bewondering on achting ovorwaardig, al is hot ook onloochenbaar dat dio beschaving door de despotieke wetgeving van hot Cliineescho-rijk, die van geen toegeven wist, uiterst langzaam is voortgeschreden en eindelijk door die van jongere volken ingehaald en overvleugeld. In ieder geval heeft hot Ohinoesche-liijk er de meest-gegrondo aanspraak op, de rij der volken in de wereldgeschiedenis to openen.

Ofschoon de Chineezen reeds voor 5000 jaren de schrijfkunst kenden, die hun fabelachtige vorst l,1o-hi ge/.ogd wordt in het jaar \'iU50 vóór Chr. uitgevonden te hebben, en in talloozo boeken de merkwaardige voorvallen van dit oudo rykwerdenopgoteekend, is er van de oudste geschiedenis van China toch zeer weinig bekend, daar, tengevolge van een despotiokon maatregel , eens alle boeken vernietigd werden.

De Chineezen kwamen van de noordwestelijk gelegen bergen en verdelgden of verdreven ......n\'spronkoiyko bewoners des lands, wier nakomelingen nog onder den naam

van Miaotson als wikte stammen in de zuidelijke bergstreken leven. Het was vooral het midden des hinds waar de Mongoolscho indringers zich vestigden.

36

-ocr page 53-

CHINA TfN DUN inSTOllISCIIRN SAGDNTrjl)).

De vorsten Fo-lii on .Tao (\'21500 j. v. dir.\') voordon do landbouw in, on wendden hot volk aan oon geregeld familioloven. Gedurende hot bewind dozer vorston moeten grooto overstroomingen in China ]tlaats gevonden hobbon, die Fo-hi en .Tao door het aanleggen van talrijke kanalen bostredon.

Gedurende vele eeuwen schijnen do Chinoozon hunno vorsten gekozen te hebben, doch in 2207 v. Chr. verhief Hia, do zoon van Ju, zich tot erfelijk opporhoofd on stichtte daarmede do dynastie Hia, dio tot ITO? v. Chr. rogeorde. Onder dezo erfelijke, despoten geraakten de oude zeden en gobruiken in verval. Er ontstonden allerlei onlusten, tot oen verstandig man, Tsjing-tsjang gohooton, den troon beklom. Zijne erfgenamen, do loden der dynastie Sjang, heerschton van 1562—1123 v. Chr.

Over dit tijdvak is weinig met zekerheid bekend: alleen weet men dat naburige barbaarsche volken, uitgelokt door do vruclltbaarhoid dos lands, invallen deden, terwijl veelvuldige onlusten do ingezetenen verzwakten.

Aan dozen toestand en tevens aan de dynastie Sjang maakte do gevierde hold Woo-wang een einde, llij stichtte de dynastie Tsjo-oe, die van I 122—255 v. Chr. regeerde. Men verhaalt, dat Woo-wang mot volkplanters uit, hot westen kwam. Hij wordt algemeen voor do eigenlijke grondlegger van den geregolden staat en een groot bevorderaar der beschaving gehouden. Onder dezo dynastie Sjang namen ook do oorlogen mot de machtige leenvorsten een aanvang, welke do door gewold op den troon gekomen Woo-wangs, oorspronkelijk hunno evenknieën , dezelfde rechten weigerden, als zij vroeger aan do erfelijke vorsten haddon toegekend. Voortdurende oorlogen dier vassal-len onderling of mot do keizers, hielden het land reeksen van jaren in onrust.

Met hot jaar 720 v. Chr. erlangt do geschiedenis van China meer zekerheid dan vroeger, doch het zon van weinig nut zijn, de namen der talrijke keizers, hunne rogoo-ringsdadon, do hofintriges, hoffeesten en onlusten op te noemen , die in do Chinescho geschiedboeken opgeteekend staan, daar zij van geen den minsten invloed op de geschiedenis van andere volken zijn geweest.

De eonige vorst van den Woe-wangstam dion wij noemen willen, is Ling-wang (57!—rgt;44 v, Ghr.), omdat gedurende zijne regeering de gewichtigste en opmerkelijkste man werd geboren, op wion China bogen kan, namelijk Kong-foo-tse, do groote wijze wetgever. Naar eeno Chineoscho opgave werd hij geboren den -lOJ™ Juli 551 v. Chr. in de. stad Teoe-tse, in de provincie Sjan-tong. waarvan een deel tot het leenvorsten-dom Loo behoorde. Ofschoon zijn vader, een ondergeschikt ambtenaar, in armoedigen staat leefde, wist dezo toch zijn zoon eeno goedo opvoeding te geven, zoodat men don jonkman reeds op zijn ITde jaar oen ambt toevertrouwde. Hij diende nu eens dezen dan genen leenheer als minister.

Kr heerschte toenmaals eeno groote zedeloosheid in China. Sinds do dosjiotie erfelijk was geworden , namen weelde en allerlei ondeugden aan het hof dor keizers voortdurend toe, terwijl het aan do hoven dor eigontiiachtige leenheeren niet minder jammerlijk toeging. Dat zulks niet zonder invloed Op het volk bleef, en do zedeloosheid ook ondor do menigte hand over hand toenam, behoeft geen betoog.

Kong-f )-tso zag dit alles mot groote droefenis. Hij had de wetten dor oude vorsten van China, ondor wier bestuur hot volk zoo gelukkig was, zorgvuldig bestudeerd, on bevonden, dat hot kwaad dat hem bedroefde on tegenstond, alleen daaraan was toe te schrijven, dat men van do oude heilige wetten van Fo-hi was afgeweken, ja. die nauwelijks meer kende.

llij leidde zijn hooge betrekking neder, trok door het land on trachtte door zijn

37

-ocr page 54-

(iKÏLLUSTRUHUDK WKIlKLDOESCIIIKJ)KMS.

loer cti het in herinnoring\' brongen van do voorschriften dor voorvaderen, do monschen tot oon deugdzaam on ordelijk lovon terug\' te brengen. Hot ging hom als vele hervormers : hij word spoedig vervolgd on gebannon, en alloon door een kloinen kring van bevoorrechte leerlingen hoog vereerd. Hij wilde niets dan eeno hervormer zijn. quot;Mijne loer,quot; zoido hij, \'\'is die welke onze voorvaderen goleord en aan ons overgeleverd hebben. Ik heb niets daaraan toegevoegd, niots daarvan afgelaten; ik verkondig zo in hare oorspronkelijke reinheid. Zij is onveranderlijk als do hemel, waaruit zij stamt. Ik strooi, evenals do landman, de ontvangen zaden zoo als ik zo ontvangen heb, in do aarde.quot; Hij stierf 47!) v. Chr. Do door hein uitgestrooide zaden droegen vrucht.

Hiermede sluiten wij dit tijdvak, daar met Kong-foo-tse, of eigenlijk reeds mot 7(i() v. (\'hr., de sago ophoudt en de geschiedenis aanvangt.

Geschiedenis der beschaving.

Uuim zoo gewichtig als zijne staatkundige geschiedenis is die dor beschaving van hot iJhineescho volk. Wel is waar heeft ook zij geen invloed op do andere volken uit-geoofond, doch zij verspreidde zich niet slechts over oen aanzienlijk dool der wereld on over een dorde deel van hot monschdom , maar zij is ook op zich zelve hoogst belangrijk en verdient in goono doelo do geringschatting, waarmede onze geschiedschrijvers haar tot nog too behandeld hebben. Van allo volken der aarde, is hot Chineesche voorzeker, het meest praktische, liet meest om zijn stoffelijke belangen bezorgde, het minst fantastische. Al zijne instellingen hebben alleen het aardsche leven op hot oog en om zich dat leven zoo dragelijk en aangenaam mogelijk te maken,

(lodsdienst. Om het loven na don dood bekommerden do Chinoezen zich weinig. Hunne verbeelding en wetten hielden zirli slechts mot aardsche zaken bozig: de hemolsche baarden hun geen zorg,

l)o godsdienstige beschoiiwingon dor Chinoezen uit dit tijdvak, worden, even als alle wetten , aan don faholachtigen vorst Fo-hi toegeschreven; zij geraakten echter in den loop der eeuwen in vergetelheid. Allerlei vreemde olemonten mengden zich daaronder, en de hierdoor verwekte toestanden brachten Kong-foe-tse (do Kuropoosche geschiedschrijvers noemen hom Confucius) tot het besluit, de wetten van Ko-hi te verzamelen , op te schrijven on toe to lichten.

De godsdienst dor Cliinoezen is do eenvoudigste on kinderlijkste der goheolo Oudheid en uitsluitend het werk van vorstand en nadenken. Uovool en verbeelding hebben er niet het minste doel aan. Volgens do grondstellingen hunner loer was de stof eeuwig en wi-rd door eeno oorspronkoljjko kracht of god (Sjangti) tot eono wereld gevormd, die door bepaalde, haar voorgeschreven wetten bestuurd en onderhouden wordt. Do zichtbare vertegenwoordiger van deze schoppende on onderhoudende kracht en van hare vor-lievene viTordening is do hoinel (Tien) met /.ijn sterronhoir, dat onveranderlijk do voorgeschreven baan volgen moet, en als het mannelijk principe do aarde (die het vrouwelijk principe vertegenwoordigt) bevrucht, De aarde is do moeder, de hemel do vader van alle dingen. Hot denkbeeld van een persoonlijk God of van een uit niets geschapen wereld kon bij do Cliinoezen niet opkomen.

-ocr page 55-

CHINA (IN OKN HISTORISCH KN SAHKNTUD).

Do mnnsch, do bloesem van al lint goschapono, bevat in zijquot; liinnonsto do hnm van alio kennis on deugd. Van nature is liij goed, en zijn verstand drijft lioin om deugdzaam te zijn. Als oen voorbeeld ten leven bosc.houwt hij den hemel mot zijne sterren , die do haar aangegeven baan volgen, en do wereldorde, die zijn bowomiering wekt. De keizer, quot;de zoon dos hemelsquot;, is Gods\' plaatsvervanger op aarde. Als allo mensclien

gehoorzaamt dezo de bevelon des hemels, en stolt naar die bevelen de wetten te saam. Do neiging der menschen om van hot goede af to wijken, komt uit zijn stollelijk deel voort, (in daaruit ontstaat de zonde, hllko zoodanige afwijking verstoort do harmonie dor wereldorde en is zoowel van invloed op hot lot der geheelo maatschappij als van enkele iiienschen. Alleen dn deugdzame inonsch is gelukkig, en hij komt lol deugd door

-ocr page 56-

40

do wotton op to volgen. Allo ongeluk op aarde is liet gevolg der zonde van do vorston en volken. De zonde van elk mensch in het bijzonder is derhalve eene aangelogenhoid dio allen ter harte gaat. Om de daardoor verstoorde harmonie tn horstellen, is hot do plicht van den staat, do zonde, d. i. de overtreding der wetton, te straffen, of lievor allo buitensporigheden te verhinderen, de deugd aan to moedigen on te beloonen.

Kong-foo-tse schreef deze uit den tijd van Fo-hi herkomstige grondstellingen op. Do door hom saamgestelde en toegelichte godsdienstleer is nog heden do godsdienst van hot beschaafde dool van hot Chinoosi\'ho volk en in zekere mate do godsdienst van don staat. Van oen leven na don dood, van belooningon en straffen voor zonden op aarde bedreven, zegt de wijze leeraar goen woord.

Dn godsdienst wordt door do Chineoscho rogeering als oen aangelegenheid beschouwd , om welke zij zich niet hooft te bokommeron, zoolang loor en voorschriften niot tot ovor-treding dor staatswetten leidon. Er waren oorspronkelijk in China tempels noch priesters. Ook bestond er goen voorgeschreven oerodienst. Wel richtten do Chineozen gedenkplaatsen ter herinnering aan hunne groote mannen op.

De weinige ollicieelo godsdienstige ceremoniën worden door don keizer, den vertegenwoordiger van God, verricht. In ieder jaargetijde bracht hij offers, nu eens om.(rods zegen voor hot gezaaide af to smeoken, dan weer om hom voor do oogst dank to zeggen.

Welke vormen de godsdienst later aannam, zullen wij bij de behandeling der volgende tijdvakkon looron kennen.

Do ijver van Kong-foe-tse om do oude en reine loor van Fo-hi aan zijn volk te vor-kondigon, ontsproot uit hot verlangen oon dam op te worpen tegen de leer van Lao-tso , die, goheel aan bospiogelingen gewijd, togon do praktischon zin van hot (\'hiiioo-scho volk indruisihte, en wogons don opgang, dien zij bij velen maakte, vorderfolijk voor do maatschappij dreigde te worden.

Genoemde Lao-tse werd in 565 v. (\'hr. in een dorp van hot landschap llo-nan go-boren. Zijn sterfjaar is onbokond. Toon hij goschiedschrijvor dor dynastie Tsjeoe was, bezocht Kong-foo-tse hom, om hem inlichtingen wegens zekere geschriften van oude wnt-gevors te vragen, liet onderhoud tusschon beide leeraars, dat bewaard is gebleven, wordt door do Chineozen als hoogst belangrijk beschouwd. De door en door praktische Kong-foo-tso en de meer opgetogen Lao-tso kondon het natuurlijk niet eens worden. Ook Lao-tse liot zijno ambten varen en trok zich in verre streken torng, waar hij spoorloos vordwoen. Do aanhangers van do\'i\'ao-loer , of van don godsdienst quot;van don rechten wogquot;, vereeren hein als eene godheid. Na voel smooken had hij or zich toe laten bewegen , oon werk Tao-le-king (over do kracht on hare working) to schrijven, een beroemd wysgoerig work, dat don golaerden voel hoofdbreken hoeft veroorzaakt.

Ook Lao-tso nam het eeuwig bestaan der stof aan. Do chaos werd door hot hoogste verstand, dat hij Tao noemde, tot oon wereld gevormd. Do hemel is een afdruk van dat verstand, do aardo oon afdruk van den homol, en de mensch een afdruk van de aarde. Do mensch is een uitvloeisol, oon doeltje van «lat grootste verstand. Hij koort daartoe terug, zoodra hij er in geslaagd is, zich van alle hartstochten en van al wat monschelijk in hem is, los te maken. Tot dit dool wordt onderdrukking van de begeerten zoowol als eene volkomen afzondering aanbevolen. Door eon zoodanig breken mot alle aardsche betrekkingen zegepraalt de mensch zelfs over don dood. Zoo hom dit niot gelakt, gaat zijne ziol iti hot oon of ander lichaam over, bijv. in dat van oen dior.

Il-t ligt voor do hand, dat een godsdienst dio het als haar hoofddoel beschouwde

-ocr page 57-

CHINA (IN DEN I1ISÏ011ISC1IEN SAGKNTIJD).

41

oin d(s monschen van do aarde los to makon, in lijnrochton strijd was mot hot strovon van do Chinoeschon staat, dio niots beoogdo dan hot aardsoho goluk der monschon to verzekeren. lodere loer die moor aan hot onnaspourlijke hocht dan do monsch mot zijn zinnen kan waarnomon; behandelt de Chineesche rogooring als haar vijandolijk.

. . _ -\' tr—- K1\'i li\'

.......... fémJ!

ir^

Stam pop.

De Slaat. De oude Chinoescho staatsregeling is hot idoaal van lint desixitismo , ofschoon niot van do despoten zelvon. Zjj was eigenlijk niots anders als do nitbroiding van het vaderlijk gezag over een geheel volk. De keizer was het middelpunt van hot staats-

-ocr page 58-

GKÏIjLIIJSTIIKICIII)K WKRUIJJOKSCIIIIIDKNIS.

levon. 11ij was do zoon dus hemels, on men bowonshom eone bijna afgodische voroering. In ■/.ijiio verhouding tot hot volk was echtor iets, dat latere despoten bezwaarlijk bevallen kon; men verlangde namelijk, dat hij door handel en wandel toonde do goddelijke voreo-ring, die men hom bewees, waardig te zijn. Daar zijne ondeugden en zonden de wereldorde verstonrdeii en allerlei ongeluk over hot volk brachten, verloor een slecht keizer hot recht om te regooren. Daarbij kon hij geenszins naar willekeur handelen : hij was verplicht zich naar de eeuwige wereldorde, zoo als du hemel die had gesteld, te richten, eene regeling die reeds in de overoude wetten en gebruiken der vroegste voorvaderen was opgevolgd. Handelde hij daartegen, zoo gaf hij het volk hot recht om hem af te zetten. In de vroegste tijden werden de keizers gekozen.

Goboiirteadol bestond in China niet: ieder burger van don staat bezat gelijko nichten on kon tot de hoogste rangen opklimmen. Hang was niet erfelijk, doch bezit van gronden wol. Volgons do oude wetten, was do staat eigenaar van allen grond in hot rijk, en elk hoofd van een gezin had hot recht op een bepaald deel. Hij was echtor gehoudon oen negende dool dor voortbrengselen aan don staat af te staan.

Andere belastingen bestonden er niet. Wie zijn akker onbebouwd liet, verloor zijn recht ilaarop. Misdadigers en krijgsgevangenen werden slaven. Hoe hot staatswezen der (\'liineezoii in volgende tijdvakken veranderde, zullen wij te zijner plaatse behandelen.

N ijverheid. De (\'hineezen waren sinds den vroegsten tijd hot vlijtigste en arbeid-ziiamste vol.» dor wereld. Hun allereerste on voornaamste bezigheid was de landbouw, die derhalve als de grondslag der Chineesche maatschappij moet beschouwd worden, i\'i\' invoering daarvan wordt aan Fo-hi toegeschreven. De keizer is de beschermer van dat bedrjjf, en eigenhandig trekt hij op het lentefeest eenigo voren met oen zilveren ploeg.

Do keizerin is de beschermster van de zijdeteelt, dio evenzeer tot het grijs verleden epklimt en gezegd wordt door eene keizerin die 2000 jaren v. Chr. loefde , ingevoerd te zijn-l!ij oen volk, welks werken en denken, geheel aan de aardsche belangen was gewijd, kon het niet uitblijven, ot\' do nijverheid moest er een hoogen graad van ontwikkeling bereiken , inzonderheid daar zij door grooto vlijt en Ijowonderingswaardigo volharding werd ondersteund. Nochtans werd zo niet zeidon tegengehouden door gehechtheid aan bot oudo, door wantrouwen tegen iedere verandering, en door do voorschriften van hof en beambten, die alles bij het oude wonschten te behouden. Daarom kon do Chineoscho nijverheid zekeren graad niet overschrijden, omdat hot vernuft word gebreideld. Binnen do aangewezen grens is zij nogtans werkelijk bewonderingswaardig.

Rij allo volken vinden wij dat do inrichting hunner woningen afhangt van do bouwstoffen, dio in het land worden gevonden, waarin zij zich voor het eerst duurzaam nederzetten. Blijkbaar heeft ook het klimaat en de aard van den arbeid der menschen daarop grooten invloed De Chineezen vonden in hot middelste dool huns lands oen warm klimaat; zij waren landbouwers en dus aan eene vaste woonplaats gebonden, en bouwden voor zich derhalve woningen, niet voor een tijdelijk, maar voor een langdurig gebruik. Bouw-stoffen waren genoeg voorhanden ; zij haddon slechts te kiezen. Hun praktische zin deed hen materialen nemen, die niet alleen hot meest geschikt waren voor hot klimaat, maar ook hot moest gomak-kelijk om te verwerken. Hunne vlakten waren zeer waterrijk, en overal groeide het

42

-ocr page 59-

CliJNA (in J)jsn msKOBlSCIIBN SAOKNTUu).

voor hen zoo buitengewoon geschikte bamboesriet. Dat riot vormt goheolo bosschen, wordt zeer dik en bereikt de hoogte van groote boomen. Daar dit riot oen buitengewoon vasten bast hoeft en hol is , vereenigt hot bij lichthoid oen belangrijk draagvermogen , zoodat hot als bouwstof en voor duizend andero doeleinden, waarvoor men bij ons te lande iiout of ijzer gebruikt, uitmuntend is geschikt. Bamboes riet is steeds het hoofdmateriaal bij don bouw van Chineesche woningen , die inoorendoels op eon steenen grondslag rusten, en deze wegens do voortdurende overstroomingen niet missen kunnen.

Vele uitvindingen, welke eeuwen later in Europa do grootste omkeoringen te weeg brachten, waren reeds lang in China bekend, zonder er van invloed op de maatschappij of de wetenschap te zijn. Daar de hoofdtakken van do Chineoscho nijverheid eerst na

hot optreden van Kong-foe-tse van eonigo beteokonis worden, zullen wij die bij oen later tijdvak uitvoerig behandelen.

Taal- en LeUerkunde. De taal dor Chinoezen is dio, welke misschien aan do oorspronkelijke taal der menschen het meest nabijkomt. Zij draagt nog geheel het karakter der kindsheid. Evenals hot kind pa on ma zegt, en eorst na langen tijd de woorden vader, moeder, grootmoeder, enz. kent on bozigt, blijft do Chineoscho taal beperkt tot eenlettergrepige woorden. Verbuigingen en vervoegingen zijn aan het rbinoesch vreemd. Het verschil in getal of tijd wordt door do plaatsing dor teekons, of bij het spreken door het leggen van don klemtoon aangegeven.

Ofschoon de talen die de volken van het uitgostrekto China bezigen , allen eveneons slechts woorden van één lettergroep hebben en wat de taalregels betreft overeen-

■43

-ocr page 60-

(ÏKÏU.USTIU\'KIIDI; WKIini/ndnSCHlUDKNIS.

stemmen, zijn zij nochtans zoo verschoiden in uitspraak, dat een inwoner van Peking een inwoner van Kanton niet verstaat, wanneer deze hem toespreekt. Doch do geschreven taal is voor beiden dezelfde. Uit deze omstandigheid blijkt, dat het letterschrift onafhankelijk van de uitspraak is, evenals bij ons en andere Kuröjoesche volken do cijfers en mnzioknoton. Wanneer geschreven wordt \'iH, spreekt ieder dit getal uit, al is de tekst hom vreemd. Wij zeggen drie en twintig; do Pranschon vingt-trois; do Duit-schors drei und zwanzig; dquot; Engelschen twenty-three, onz. Evenzoo geeft bij alle beschaafde volken een muzieknoot donzolfden toon aan.

De Ohineescho schrijftaal is eene soort van wereldtaal \', die door alle bewoners van China verstaan wordt, en ook oven goed door alle volken van Europa verstaan kon worden, zoo zij zich de moeite wilden geven om te loeren wat allo Chineesche schooljongens loeren moeten, namelijk de beteekonis der hoofdteokens - - ongeveer ruim 800 — di\' sanumvoeging bij het vormen van zinnon, en eindelijk de wjjze van opvolging waarin de woordteekens gesteld moeten worden.

Do (\'hineosche spreektaal moge moeielijk zijn, daar de nadruk do beteekonis dor woorden verandert, doch het aanleeren van de Chineesche schrijftaal heeft niet zoo grooto bezwaren, als men beweert. Zij heeft voorzeker geen alphabet, daar ieder woord door een bijzonder toeken wordt uitgedrukt, (welke toekens men bij het schrijven niet in oen rechte lijn nevens elkimdor, maar onder elkander plaatst); doch hot woordenboek van iedere taal bevat 40,000 a 50,000 woorden, en toch schrijven wij fransch, engelsch en duitsch, zonder oen zesde deel, ja soms nog minder van die woorden, te kennen.

De t\'hineesche taalgeleerden verdoelen do woordteekens in zes verschillende klassen. De eerste klasse, ten getale van 008, omvat de beelden of teekons voor de zin-nrlijk waarneembare voorworpen. Do tweede klasse omvat de saamgestolde teekens, 741) in getal. Zoo betoekent het vereenigde toeken van mond en vogel: gezang. Do derde klasse omvat do woorden welke zekere plaatsing aanduiden, als rechts, links, zitten, liggon,enz. Hiervan heoft men er Do vijfde klasse wordt gevormd door woord

teekens voor opgevatte denkbeelden, die dikwerf, evenals bij ons, twee- of velerlei beteekonis hebben. Zoo beduidt het Chineesche toeken voor hart in het Chineosch ook geest, het toeken voor kamer ook vrouw. De zesde klasse omvat do woordteekens die eene verbinding met de spreektaal ten doel hebben.

De geschriften van ivong-foe tse en van zijne leerlingen bevatten niot moor dan \'2500 woordteekens. Sir John Davis, die vele jaren gouverneur van Britsch-China was, en een voortHWijk boek daarover schreef, zegt, dat mon met de kennis van GOO woordteekens door geheel China reizen kan.

Evenals wij op vorschillendo wijzen schrijven, doen dit ook de Chineezen; het onderscheid is ongeveer als bij ons tusschen schrijf- en drukletters. Do Chineezen schrijven niet mot eene pon, maar met oen penseel en bezigen daarbij oost-indischon inkt, die uit de noot van oen olieplant wordt bereid.

Do uitvinding van de schrijfkunst wordt roods aan Po-hi toegeschreven, hetgeen aanduidt dat zij tegelijk met do Chineezen naar China kwam. Wat wij van de letter-kundo der Chineezen uit deze vroege periode weten, hebben wij aan do vlijt van Kong-

* Xit\'l (imnogelijk is hot, dat hel (hinL\'t\'sch hij verdere ontwikkeling als wereldtaal dienst zou kunnen doen, het^reii het voordeel zou hebben dat bet bereids door het beaehaafde de.cl van 400 millioen mensehcu wordl verslaan. Had men zulk een universeele schrijftaal, dan kon men hoeken sehrijvon , die overal verstaan werden.

44

-ocr page 61-

CHINA (IN I)MN IIISTOUISCHEN SAOKNTIJDV

too-tso te danken, din in zijn vijl\' buokou King do oudste gedenktoekonen dor Chineosclio wotgeving, wijsbogoorto, geschiedenis on poëzie heeft verzameld. Deze staan in hoog aanzien en worden in zekere mate als heilige boeken beschouwd. Dozo vijf King\'s zijn van don volgenden inhoud :

1) l-king, het boek der gedaanteverwisselingen, dat, in weerwil van de hijgovoogdo verklaringen, onverstaanbaar is. Het is oone verzameling van 88 figuren, die uit gebroken lijnen samengesteld zijn, welke /cuea heeten en symbolisch do elementen enz. voorstellen. Zij stammen uit de grijze Oudheid af en zijn wellicht de eerste proeven van schrijfkunst.

2) Sjoe-king, het boek dor annalen, liet is niet volledig meer voorhanden en omvat brokstukken van do geschiedenis der gekozen vorston on van do drie eerste dy-nastiön, benevens zedelijke en staatkundige heschonwingen, met lossen en sprouken voor het dagolijkscho leven.

•\'!) Sji-king, het boek dor verzen: eene verzameling van oude liederen, van welke oonigen zeer zacht en diep gevoeld, doch zonder dichtciiijkcn gloed zijn. Deze li(Mloren, wier oorsprong tot in fabelachtige tijdon opklimt, kunueii echter gerust aan de poëtische ontwikkeling van do oudste Hurepeescho volken ter zijdo gesteld worden.

4) Tkun-thsioe, oone geschiedonis der bijzondere koninkrijken, die met 77(1 v. Chr. begint on tot aan den tijd van Kong-foe-tse is voortgezet.

5) Li/ct, Zedospiegel. Dit boek bevat voorschriften voor alle mogelijke toestandon in hot leven.

In zeer groot aanzien is ook hot boek Hiao-Mvg, dat gesprekken van Kong-foe-tse met zijn leerling Tsing-tso over do plichten dor kindoren jegens hunne ouders behelst.

Nevens do King\'* worden ook do vier boeken Sse-sjoe in groote waarde gehouden. Hot eono Ta-hio, do groote leer, of do kunst om volkeren te regeeron, werd door Kong-foe-tse ten dooie zelf geschreven. Do anderen /.iju van zijne leerlingen Tseng-tse en Tseu-tse (een kleinzoon van den grooten wijsgeer), Mcng-tse en anderen afkomstig.

Wolkon invloed deze geschriften van Kong-foe-tse uitgeoefend hebben, en hoe do nagedachtenis van den grooten man in (,\'liina in eore wordt gehouden, zullen wij bij do latere geschiedenis van dit land loeren kennen.

45

-ocr page 62-

INDIE,

van de oudste tijden tot op Boeddha, 550 vóór Christus

land heeft sedert do oudste tijden den menschon zooveel belangstelling KSp1 ingeboezomd als Indië. Mot reikhalzend verlangen zocht mon naar do ligging van dit wonderland, minder omdat men hot als de bakermat van hot men-schelük geslacht beschouwde, dan wol uithoofde der verhalen van zijn fabelachtigen rijkdom aan do zeldzaamste en kostbaarste voortbrengselen.

Ofschoon do oudste handeldrijven do volken mot do bewoners van Indiö betrokkingen haddon aangeknoopt, hioldon zij voor andoren zooveel zij kondon, do wogon on landen geheim, waar langs mi van waar zij hunne kostbaarste koopwaren verkregen.

Hot land aan gone zijdo van di-n Indus bleof daardoor den Europoeers bijna geheid onbekend tot op den tijd van Alexander den Grooto. Men noemde hot Indiö, naar de Hindoos, hot volk, mot hetwelk do Grieken het eerst kennis maakten, en droeg dien naam op alle landen ton oosten van don Indus over.

Dit westelijk gedeelte van Indiö deelde men weder in India intra Gangem — het land tusschen den Indus on den Ganges, benovens Dekan en Ceylon — on India extra (langem, waartoe men hot tegenwoordige Achter-Indiö en zelfs Serica (China) rekende.

Den naam Oost-lndië verkreeg het land eerst na de ontdekking van Amerika, dat de Spanjaarden West-Indiö noemden, daar Columbus, toen hij het ontdekte, het eigenlijke Indiö meende bereikt to hebben.

Voor-Indië, hot land waarmode wij hier te doen hebben, heeft een vorm, die moer of min herinnert aan cm piramide , waarvan do top naar hot zuiden is gekoerd. Het is (15,000 vierkante injjlen groot en bevat oone bevolking, die we thans tot 490 mil-lioon menschon kunnen aannemen.

In het noorden scheidt do hoogste bergketen der Aarde, do Himalaja, Indië van het Chinoosche-Kijk. Driehonderd-on-veertig mijlen ver strekt zich deze ontzaglijke gordel, van hot wost-noordweston, naar hot oost-zuidoosten uit, bij eone breedte van 30 tot 40 mijlen, terwijl het in zijn moest verheven top, den Mount-Everest of Gankar Hurisa, eoTie hoogte van, Paryscho voeten bereikt.

Van deze bergen dalen de hoofdstroomen des lands, de Indus en de Ganges, neder, terwyl het Vindhya-goborgto, dat op gelijke breedte met demondon dezer stroomen

-ocr page 63-

INDIK (IN DEN IIISTOUISCHHN SAJIKNTUI)).

verrijst, inindor reusachtige, maur toch allorbolangrijkste stroumoii in zuidelijke richting afzendt.

liet noorderdeul van dit grooto schioreiland heet Hindostan. Hier vertoont zich de afhelling van hot Iliinalajagebergte als oen heerlijk Alpenland, waar allo soorten van Earopeosche vruclithooracn, koren en andere gewassen in overvloed groeien. Hot daalt af tot een laagland , do stroomgebieden van den Indus on don Ganges.

De oostelijke oever van den Indus on het Gebied dor vijf stroomen, wolke watoren saraen-vloeion on den Indus vormen, don Pondsjab (het Vijfstroomonland), is tamelijk vruclitbaar. Hij do oude Indiërs heette hot Vijfstroomonland i\'antsjanada bij de Griekscho geographon Pentapotamia. Do hodendaagscho Britten schrijven don naam naar hun taaleigen Punjab.

De vijf strooinen. waarnaar dit land genoemd is, zijn van hot westen naar het oosten do volgenden: De Dsjelam (Behat of Bodsja), bij do Ouden de Hydaspes; de Tsjinab, of oud-grieksch de Acesines; de Iravati (Rawi of Iroti), de Hydrastes der Ouden; do Vjasa (Bojas), voor eeuwen do Hyphasis genoemd; de Soetledsj, oudtijds do ITisi dries of Zadradras. In den laatstgenoemden stroom storten zich de vier eerstgenoemden, en do Soetledsj zelf valt als eone bevaarbare, machtige rivier in den Indus. Enkele takken van de Soetledsj hebben bijzondere namen.

In don Pendsjab vindt men don olifant, den Indischen reus dor dieren, slechts zelden; het is zijn vaderland niet. Dat ligt nog, volo mijlen vor, aan gc.no zijde van woestijn , die het stroomgebied van den Indus van dat van den Ganges scheidt.

Het Gangesland zelf is oen der weelderigste tropische landen op aarde. Uier wassen do edelste boomsoorten, zooals palmen van alle soort, sandelhout, djati- en ebbenhout, benevens do kostbaarste specerij heesters en planten, waarvan men kruidnagelen, mus kaat,noten en kaneel, indigo, katoen, suikerriet en rjjst inoogst. Do laatstgenoemde vrucht, die op onafzienbare volden wordt gekweekt, maakt hot hoofdvoodsel der inwoners uit. Hot kustland vertoont een ondoordringbaar tropisch kreupolbosch, do dsjoongols. Het bamboosriot neemt hier eeno belangrijke plaats in, on varens vertoonon or de gedaante van boomen. Ook is dit kreupelhout alleen in vergelijking met de reuzonboo-mon der Gangesvallei laag to noemen: in Kuropeesche oogen heeft het kreupelhout roods eeno aanmerkelpo hoogte. In deze wildernissen huizon olifanten, leeuwen, tijgers, luipaarden, neushoorns, buffels, apen, enz., benevens heerlijk gevederde vogels, zooals pauwen, goud- en zilverfaisanten , de stamouders onzer hoenders, on ook reusachtige slangen. Dit laagland wordt door don llimalaja beschut togen do ijzige noor-dewindon, terwijl het gebergte do regenwolken tegenhoudt, die de passaatwind van den zuidwaarts golvonden Indischen-Oceaan voortzweept en noodzaakt in vruchtbrengondo regenbuien neer te dalen, om de door do tropische zon geblakerde aarde to drenken.

liet zuiderdeel van Voor-Indiö, of dat ten zuiden van hot Vindhyagoborgto, heet Dokan. Ongeveer 5000 of 0000 van de IK),000 vierkante mijl die hot beslaat, zijn kustvlakten. Hot overige land is door verschillende bergschakels doorsneden. die in het midden oen uitgestrekt tafelland vormen, hetwelk thans Midden-lndui wordt genoemd en omstreeks 4\'iO—500 meter boven het vlak der zee verrijst. De borgen kenmerken zich door eon grooton rijkdom aan edele metalen , maar nog meer beroemd zijn de daar en in de beddingen der stroomen gevonden edele steenon, namelijk diamanten, robijnen, saüoren, smaragden, enz., die, oven als do kostbare parels uit do zee, welke de kusten van het schiereiland bespeelt, reeds in de Oudheid bekend en hooggeschat waren.

Do oudste historie van dit heerlijke land is in het duister gehuld. Al wat wij daarvan weten of vermoeden, ontleenen wjj aan do heilige boeken en heldendichten ,

47

-ocr page 64-

OEÏLLtJSTRKERDt) WERELDGESCHIEDENIS.

48

die ons wel is waar tot zestien eeuwen vóór do geboorte van Christus terugvoeren, maar weinig eigenlijke geschiedenis bevatten. Wat wij daaromtrent weten, of zoo als gezegd is, meer raden, is tot het volgende beperkt.

Ten noorden van don Hirnalaja, waar andere bergen , t. w. de Hindo-Koesj — hetgeen de oude geographen den Indischen-Kaukasus noemden eveneens tot duizelingwekkende hoogte oprijzen , leefden op do hoogvlakten in aloude tijden nomadische volken van don Kau-kasischen stam. üf zij gehoor gaven aan do zwerflust den nomadische volken eigen, of

door bijzondere verschijnselen in de natuur gedreven werden, of zij door de rijke schatten der naburige landen werden uitgelokt, of wel door hunne toenemende getalsterkte werden gedwongen, de grenzen te ovofschrijden, weten wjj niet. Maar zeker is hot, dat zij hunne woonplaatsen verlieten en zich verstrooiden. Kenige stammen trekken over de voorbergen van den llindo-Koesj, door de Ouden Paropamisus genoemd, naar de noordwostwaarts gelegon landen, die vroeger Sogdiana, Baktria, Hyrkania en Arachosia heetten, terwyl andoren door de passen van den Hirnalaja naar het Vijf-

-ocr page 65-

49

stroomenland (hot l\'emlsjab) verhuisden on zich daar noderzotton. Door do nieuw-aange-komonen worden do aanwezige inboorlingen onderworpen en beschaafd of verdrongen.

De landverhuizers, blanker van kleur en meer ondernemend van aard dan hunne naburen, noemden zichzelven Arja, of Ariërs, naar hot sanskritisch woord ar, dat pluecjau boteekent, eene vingerwijzing, dat zij, dio onder do volksverhuizers den hoog-sten rang bekleedden, den landbouw beoefenden.

Aan die stammen, welke eon tegönovcl\'gestoldon weg insloegen on zich vestigden in het naar bon genoemde land Iran (Kran, uf, volgons do oud-perzischo uitspraak, Arjana), zullen wij later onze aandacht wijdon. Thans volgon wij alleon do stannnon , dio zich aan den Indus nederzetten en naar dozen stroom (Sind of Sindhoe) Hindo\'s genoemd worden. Do tijd waarin dezo volksverhuizing plaats groep, acht mon overeen te komen mot \'2000 jaren vóór Christus.

-ocr page 66-

fii:ïI,TjL\'SÏREK,ItDR WEIlEtiDOKSCHtKDENIS.

liiditi was no^tans, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, geenszins onbewoond. Er leefden daar, in wilden staat, menigvuldige donkerkleurige volkeren, wier uiterlijk evenwel met de Negers in Afrika niets dan de zwarte huid gemeen had. Zij waren geharde , krijgshafte stammen, die niet zonder wederstand zich hun land lieten ontrukken.

Van het leven dor Ariërs in den l\'endsjab weten wij weinig. Zij waren een geboren herdersvolk, dat wel is waar ook den landbouw beoefende, maar welks grootste rijkdom uit kudden vati runderen en paarden bestond. Toon hun getal vermeerderde, breidden zij zich uit en drongen zuidwaarts hoen. Ongeveer 15ÜÜ jaren vóór Christus schijnen zij tot de monden van den Indus voortgeschreden te zijn, want andere volken dreven aan de delta van dezen stroom koophandel, hetgeen met do oorspronkelijk wilde inwoners bezwaarlijk had kunnen plaats vinden.

Üe Ariërs leefden in dorpen bijeen. Zij leiden echter ook eonige steden aan, want de behoeften van den landbouw deden handwerken ontstaan. Waarschijnlijk werden deze volken op aartsvaderlijke wijze door hunne oudsten bestuurd, die ook, wanneer oorlog ontstond, daarin het opperbevel aanvaardden. Immers, de strijd met do wilde volken hield aan, want zeer zeker deden deze maar al te dikwijls pogingen om de kudden der overwinnaars te rooven. De titel dier opperhoofden, Gopa, welk woord in hot sanskritisch letterlijk quot;beschermer der koeienquot; beteekent, schijnt dit aan te duiden, te meer daar het woord voor oorlogen kan weergegeven worden door quot;begeerte naar koeienquot;.

Het volk en de kudden vermeerderden zich. Er ontstond strijd, nu eens met inboorlingen , dan weder met stamgenooten om weiden , zooals dit onder herdersvolken veelvuldig voorkomt, tiet land werd op nieuw te eng, en men drong verder naar het Oosten , door de woestijn in het gezegende Gangesgebied. De daar wonende stammen verdedigden zich met heldenmoed, en evenzoo gedroegen zich do reeds gevestigde Ariërs tegen de hen later uit hot moederland gevolgde stamgenooten. Deze oorlogen duurden eeuwen achtereen. Uit de herders ontstonden krijgslieden, uit do quot;beschermers der koeienquot; koningen , en in plaats van om het bezit van koeien , kampte men thans om dat van koninkrijken. .Moed en krijgsbeleid deden zich gelden. De dappersten schaarden zich om den koning, en uit hun midden traden de helden te voorschijn, welke in de oude gezangen verheerlijkt zijn. liet volk was tot zijn heldentijd genaderd.

Eindelijk bereikten de landverhuizers het weelderige land aan den Ganges en vestigden er zich met der woon. De grond gaf duizendvoudig het zaad terug daaraan toebetrouwd. Met weinig moeite won men er het noodige, waardoor hot volk spoedig aan niets te denken had dan om zich hot leven aangenaam to maken. Aan verstoringen der rust door de verdrukte volkoren ontbrak het zeker niet; maar de nakomelingen der krijgslieden die in de veldslagen op de veroveringstochten hadden geschitterd, waren eveneens krijgslieden geworden, en aan hen liet de groote menigte het gaarne over om den vijand te verdrijven. Zoo vormde zich oen krijgsadel, die hot versmaadde om aan burgerlijke bedrijven deel te nemen. Daar men don lof van hunne voorvaderen bij alle feesten bezong. en zij van de inkomsten der veroverde landerijen en het door don koning hun toegelegde goud in vredostjjd zonder arbeid en in vreugde leefden, hielden zij zich spoedig voor beter dan al hunne landgenooten, die voor eigen levensonderhoud moesten zorgen. Nietsdoen heeft maar al te veel als voornaam, en werken als gemeen gegolden.

De krijgslieden, tot wien ook do vorst behocirdo, heeton Ksjatria\'s, het volk Vaisja\'s (stamgenooten). Do laatstvermelden waren en bloven niettemin Ariërs en achtten zich ver verheven boven de overwonnen inboorlingen, die Soodra\'s heetten.

Maar boven al deze klassen vorliieven zich de priostorgozinnen , do Brahmanen, en

-ocr page 67-

•M

zoo ontstonden do vim- scherp van elkander gescheiden kasten. Do kluof tnsschon hen verbreedde zicli door do bemoeiingen der Brahmanen al wijder en wijder, Hoe dit plaatsvond en welke gevolgen dit had, zullen wij bij de geschiedenis der beschaving opmerken.

Van staatkundige gebeurtenissen is gedurende dit tijdperk niets wat vermelding verdient, bekend.

Geschiedenis der Beschaving.

Zoo weinig ons ook do oude schriften dor Hindu\'s ton aanzien dor geschiedenis van hun land berichten , zoo stollen zij ons toch in staat moer te ervaren over de beschaving dos volks, dan wij van do meosto volken van den grijzen voortijd weten.

Godsdienst. Toen de Ariërs in den Pemlsjab nog een idyllisch herdersleven leidden, hetwelk slechts nu en dan door eone ongepaste quot;begeerte naar koeienquot; werd afgebroken , was hun godsdienst eene eenvoudige voreoring der natuur, zij hot ook reeds oenigszins poëtisch en fantastisch opgesierd. Die godsdienst was ontstaan, zooals wij in onze Voorhal hebben medegedeeld. Men bewonderde en beminde do verborgen bewerkers van weldadige on aangename verschijnselen en vreesde hen, die onaangename en verderfelijke invloeden deden heerschen, zonder den een of ander eene, naar onze begrippen, goddelijke voreoring too te wijden Men beschouwde hen slechts als zeer inachligo schepselen, eoniger-inate als vermogende menschen, wier hulp en bijstand men moest trachten te winnen. Een verdi\'r oogmerk hadden geboden, lofzangen en olferandon niet. Ten aanzien dezer offers hadden de Ariërs eone bijzondere zienswijze. De goden , zoo spraken zij , hadden wel zekeren drank amrila , waardoor zij onsterfelijk werden , doch , in weerwil van al hunne macht en onstorfelijkhoid, leden zij honger. Immers, daar waar zij woonden, was niets anders te eten en te drinken. Van daar dat zij do offers van menschen behoefden. Deze offers stilden den honger der goden en gaven hun moed en kracht. Daardoor verplichtte men de goden tot dankbaarheid en hulp, kon men verzekerd zijn dat do offeraars zekere tooverkracht op do onsterfelijke wezens uitoefenden,

Eene on weersta anbaro kracht werd aan don soma-drank toegeschreven. Men achtte deze de kostelijkste lekkernij voor do goden en bereidde dit vocht uit dien hoofde met de moeste zorgvuldigheid uit het sap van eene bergplant en gegiste molk. Doze goddidijke soma konden zelfs de goden niet wederstaan , en— de offeraars dronken haar even gaarne.

De somadrank werd uit oeno op de bergen groeiende plant getrokken, die, met haar wortel bij maanlicht werd ingezameld. Onder talrijke ceremoniën overgoot men den stengel mot water, perste dien stoel uit en goot het verkregen sap door eone haarzeef, alles terwijl de priesters die hot werk verrichtten, hunne vingers mot gouden ringen hadden versierd. Het zoo bereide vocht werd met do melk van driemaal zeven kooien vermengd en leverde na de gisting een zoeten drank, voor welks voortreffelijkheid zouwel de goden als de priesters in geestdrift geraakten. Lofliederen werden om de soma te verheerlijken , gezongen, en allengs steeg zij van eene \'\'voedster der godenquot; tot eene quot;vreugde- en levenswekstor, eene met do hoogste kracht begaafde voortbrengster van godenquot;

i)e plant, waaruit do soma wordt bereid, is do Asclepias acida //., eone cynanchum-soort. Haar sap is melkachtig, scherp, opwekkend en te zamontrekkend. Het genot brengt niet, evenals het opiumsap, eon verdoovenden slaap te weeg, maar verhindert, zonder deze te verwekken, de werking der zenuwen. De soma brengt, ton gevolge van hare wijze van toohoroiding en gisting, zekeren overspannen staat voort. Zooals wij zmn zullen, keuden en schatten de Ariërs van üaktrio dezen drank eveneens boven idke

-ocr page 68-

(iUÏI,l,CSTIlKKIU)K WmiELDOKSCII lEDKNIS.

vurkwikking dos levens-, en nog tisgDiiwoordig schijnt men zoodanig vocht in Perziö uit licne plant te bereiden, die als haomu bekend is.

Do godsdienst dor Ariërs in den l\'endsjab was nog hoogst eenvoudig. De gobedön en gewone offers werden door de huisvaders of hoofden der stammen opgedragen, en alleen wanneer meer plechtige offeranden plaats vonden, waaraan het goheele volk deel nam , traden daartoe de loden van de meest aanzienlijke geslachten op. Deze werden daardoor als van /.elven met het priesterambt bekleed. Dit erfde op hunne kinderen over en word langs dien weg een historisch recht.

Men onderscheidde goede en kwade geesten, lichtende wezens en dnisterlingen. De eersten, diva (van dio, helder), waren vriendelijk voor de menschon, met w ion zij voortdurend de vijandelijki\' elementen bestreden. De eerstgeborenen en machtigsten dezer licht- of luchtgoden was Indra, die aan gene zijde van den luchtkring woonde en als oen vreeselijk wapen don donderkloot voerde. Hij was de lichtgod, de god dos blauwen hemels. Aan zijne /ijde stonden Maroets en Vajo, de snelle winden. Zij hielpen hem de zwarte wolken verjagen, waarmede do \'\'inhullerquot;, de machtige Vritra, don hemel verduisterde. De verschrikkelijkste onder deze stormachtige, hoezeer ook weldadige goden is de huilende Koedru, die do door Indra verwekte onwoders voorafgaat en bevruchti-gendo rogons neerzendt, om welke te verhinderen de goden der duisternis hunne krachten inspannen.

Onder de, goden dos lichts veroorden men naast Indra het morgenrood, Oesjas, de dochter der zon en des hemels. Zij rood op een met ronde kooien bespannen wagen in het rond en had do macht de hemeldeur te ontsluiten. Nevens haar bracht men hulde aan den zonnegod Soerja, wiens wagen door zeven roode paarden werd voortgetrokken, on wien men onder verschillende namen vereerde: nu eens als voortbrenger, Savitri, of als onderhoador, Poesjan, dan weder als Mithra. Zijn vriendelijke vertegenwoordiger op aarde was de schoone vuurgod Agni.

Naast of boven Indra troonde oen nog machtiger, maar tevens geheimzinniger god. Varoena genoemd. Hij was het, die de wereld tot het aanzijn had geroepen on de eouwige wetten had afgekondigd , waarnaar allo goden en menschen zich moesten richten. Hij iiad dei-sterren hare banen aangewezen en elk wezen zijne bijzondere eigenschappen geschonken. Hij, geholpen door de hem dienende engelen, waakte over het zedelijke loven dor menschen , strafte de overtredingen door ziekte en dood, vergaf den berouwhebbende hlt;\'t bedreven kwaad en was een trooster in kommer en nood. Hij was oigordijk de eenige god die onze voorstelling van het Hoogste Wezen nabijkomt. Docli het volk kon zich van hem geen recht begrip vormen en hield zich moer aan de goden, wier bedrijf meer onmiddellijk op de zinnen werkte.

Het recht om met do goden te verkeeren, dat is, om hun offeranden te brengen, was, zooals wij vermeld hebben, aan zekere geslachten, eerst door verkiezing, later door erfenis gekomen. Ueeds vroeg wisten deze het geloof te verbreiden, dat zij het geheim bezaten om do gebeden, liedoren en offeranden ingang te doen vinden. Zij lieten dezen invloed hun nakomelingen achter, te gelijk met hunne verkregen kennis van liet menscheiyko hart, on bekwamen van lieverlede grooter aanzien. Men beschouwde hen eenigermate als oen schakel tusschon do goden en menschon, als toovenaars, die het geheim bezaten mu door offers de goden te dwingen.

Op deze wijze ontstond allengs een priesterstand, en in het uitsluitend bezit van deze eene theologische wetenschap. De prohita\'s, of priesters, achtte men aln de eenigen die den jaisten vorm kenden der geboden en offers, want do goden waren

52

-ocr page 69-

in Dl ló (in DUN\' IIIS\'l\'OIHMÜIHN S.VfiKNTIJI)).

zeor govoolig op dit punt, on oono fout in den vorm kon hot gansclio offer kraclitoloos makon.

(lüdurondo don Uoldontijd, dio aan hot rustig bezit van do Gangoslanden voorafging, stonden do Ksjatria\'s op den voorgrond. Doch toon kalmer dagen aanbraken, en iTomen-sclion moor tjjd hadden om over thoologische ineoningon to peinzen, poogdon de prios-tors don rang vóór do krijgers to verworven. Zij noemden zich niet meer prohita\'.s, maar Brahman on (iiiddors), hielden allo anderen op zekeren afstand van zich en de Inmnon, namen eigenaardige- gewoonten en eeno bijzondere kleeding aan en huwden alleen mot dochters uit priostergezinnen.

Dat was geenszins het geval geweest in vroegere tijden. Maar de overlovoringon dei-voorzaten waren allengs tot mythen ingekrompen, omdat men haar niet dan mondeling

had voortgeplant. Do Brahmanen ondernamen het aldus haar to verzamelen en naar hun zin samen te stellen. Tot dit einde vonden zij hot Devanagari-why\'ifi uit en schreven de Vedas. waarin zij allereerst aan de oude gebeden en lofzangen eone plaats gaven en op hunne wijze en in hun belang verklaarden. Deze Veda\'s — quot;hot heilig weien\'\' — werden de heilige boeken der Indiërs en verzekerden den Brahmanen den voorrang boven do krijgslieden, wier aanzien en heteekonis wanneer vrede hoerschte, naar den achtergrond week.

Ten einde zich de heerschappij duurzaam te verzekeren, dachten do iiralimanoii een nieuwen God uit, Brahmanaspati, don Hoer des Gebeds, do onweerstaanbare kracht die in hot gebed dor Bidders (Brahmanen) ligt, eeno soort van middelaar tusschen llomol en aarde. Doze kracht, deze heilige geest, dit heilige zonder begin, Brahma, is boven alles verheven: Brahma is almachtig, en in Brahma is het goddoljjke van alle hoogste wezens voreonigd. Nogtans is Brahma geen persoonlijk god, maar do naam liralima is slechts do uitdrukking voor het wezen, waaruit alles te voorscliijn kwam. lirahma is, volgens de priesterlijke verklaring, \'\'de bron of het wezen, waaruit alle schepselen ontstaan , waardoor zij, na geboren te zijn , leven, waarin zij wodor worden opgenomen tot erkentenis en zaligheid.quot;

Uit deze goddelijke onuitputbaro bron vloeide alles voort wat men rondom zich zag. Zi\'lls do plant was oenigermato een bezield wezeti, waarin een atoom dezer bron lag opgesloten. Het lioogsto wat voortgebracht werd , de volmaakste wezens dor schepping, waren echter de tnenschen. Maar ook onder hen bestond een groot onderscheid, een gevolg van het verschil bij hun oorsprong uit Mrahma. Do Brahmanen waren uit zijn moinl, de Ksjatria\'s uit zijne armen, do Vaisja\'s uit zijne dijen en de Soedras uit zijne voelen voortgekomen. liet blijkt hieruit, dat, waar hot den priester voordcele gat, hij de wereldziel of de oorspronkelijke kracht tot een persoonlijk wezen verklaarde.

Hot bevorderen van den torngkeer van hot in elk schepsel levend gedeelte der godheid tot zijn oorsprong, lirahma. moest, volgons de leer der priesterschap, het stroven van den mensch uitmaken. Doch deze heroeniging kon alleen geschieden wan neer al het onreine dat het ligcliaam aankleefde, werd afgeworpen. Volgons deze leer

-ocr page 70-

f 1 r.ïIJX\'STli,K i: 111)K \\\\ KItF.I.Dfi KSCHI r.I)KNIS.

vormt do zoiulo don grootston hinderpaal voor dozo herooniging, want elko zondo, voort-spniitomlo uit de onvolkomenheid van het lichaam, van hot vleosch, doot het oogenblik der horoeniging achteruit wjjken. Verbreekt de natuurlijke dood do tijdelijke verbinding, zoo moot tegen lichaam en ziel de vrijgeworden, maar door de zonde meer of minder vorontreiiiigdo geest oen zuiveringsproces ondergaan. De ziel zelve kan, zonder lichaam, niet op de aarde verwijlen. Zij moot met oen lichaam verbonden zijn en alzoo wedergeboren worden. Overeenkomstig do mate van hare zuiverheid, moet zij overgaan in oonig edel of minder odol dier of plant, en uit dozo omhulling moet zij weder in dio van een meor volmaakt schepsel voortkomen, tot zij eindelijk , na veelvuldige zuivering, weder in een mensch, een Soedra, overgaat. Van hier gaat zij over in een Vaisja, dan ineen Ksjatria en eindelijk in een Brahmaan, uit wiens ligchaam zij alleen tot lirahma kan woderkooren, althans zoo zij niet weder door do zonde verontreinigd wordt.

Dit is de Indische loer der zielsverhuizing.

Wij hebben dezelfde denkbeelden reeds in do loer van Lao-tso in China ontmoet en zullen die rnooningen, onder verschillende wijzigingen, bij latere volken oveneens terugvinden. Ook op het gebied der theologie ontmoeten gelijko inbeeldingen elkander.

Dit verhuizon van de verontreinigde ziel in een aardsch lichaam vond, volgens de leer der Bramahnen, geenszins ommiddellijk na den dood plaats. Eer do ziel wedergeboren en aan do zuivering werd onderworpen, moest zij straf voor do gepleegde zonde ondergaan. Zij ging daartoe eerst naar den door do Brahmanen uitgedachten Doodengod of Doodenrechtor .lama en vervolgens naar do Hel, wier kwellingen do fantasie met do gloeiendste verven afschetste. Had do ziel deze straf gedurende oene reeks van honderd-duizenden van jaren ondergaan, zoo werd zij eerst wedergeboren en, overeenkomstig hot over haar uitgesproken oordeel, aan oen dier of plant toegewezen.

Van deze ongenaakbare, onpersoonlijke Brahma kon, het volk zich, evenmin als van de oudere Varoona, een denkbeeld vormen. Dat begrepen de Brahmanen ten volle, en derhalve lieten zij do ondo goden bestaan, doch slechts als ondergeschikte wezens, aan wien de hoede over do acht hemelstreken op aarde was toebetrouwd. De verheerlijking der Brahmanen zelve maakte do kern van don ganschen oorodienst uit. Volgens het laatste Wetboek der Brahmanen, dat van Manoo, hadden deze goden don volgenden stamboom.

De Eonige en Onzichtbare — alzoo nog eono kracht, on wel boven lirahma wilde zich uit zijn eigen wezen veelvuldige schepselen voortbrengen. Hij schiep allereerst het water en liet daarin de toelstof vloeien. Daaruit ontwikkelde zich een ei, on daaruit vervolgens de scheppende kracht van het eeuwige, do stamvader aller geesten : lirahma. Door dit ei in tweeën te doelen, schiep lirahma uit de eene helft don hemel, uit de andere de aarde, met de lucht in liet midden, verder de acht wereldstreken, hot vuur en quot;der wateren onvergankelijke woning.quot; Uit zichzolven liet daarop lirahma do ziel, de ikheid of zelfstandigheid en do vijf zinnon voortkomen. Uit deze bestanddeelen en de stof, ile vijf elementen, ontstond het heelal, do vergankelijke aarde.

Vervolgens schiep do goddelijke geest Manoo, en deze weder de tien grooto wijzen , de stamvaders der Brahmanen. Dezo verwekten zos andere manoos of vorsten dos geestes, opzichters van de zedelijke wereldorde, vorder de goden, goede en kwade geesten, wolkon, donder en bliksem, en ton slotte, door de macht hunner booten, do dieren en alles wat op aarde is.

In liet wetboek van Manoo, hetgeen Brahma dezo geopenbaard zou hebben, was nauwkeuriL.\'de wet voorgeschreven, die tot lirahma kon terugvoeren. Wat daardoor voor

-ocr page 71-

INDIÏ; (lN DEN UISTOKISCJIEN SAGENTlJJ}).

do raonsclton werd verworven, is niet gemakkelijk to verklaren. Immers, do kwellingen dor hol, evenmin als de ziolsvorliuizing, worden niemand ton volle bespaard ; dozo konden ton lioogste door een deugdzaam loven verkort worden. En om tot dien staat van genade te komen, moest men nauwkeurig al do tot in do kleinste bijzonderlioden afdalendo levensregelen van Manoe in acht nomen en opvolgen. Zij waron voor allen niet dezelfden , want, behalve do algemeono plichten, eerbied jegens ouders en familie, echtelijke liefde en trouw, gastvrijheid, enz., had iedoro kasto hare eigene voorschriften. De strengste afscheiding der kasten was een der ernstig,stn voorschriften bij de goddelijke wereldorde: iedoro afwijking van dien rogol was zondo.

Do allorvoornaamsto dezer wetten oischto don grootsten eerbied tegenover de Brahma-non, daar deze, zooals dit van zelve spreekt, do uitvinders dier openbaring waren.

Zelfs do voornaamste Ksjatria moest vol diepen ootmoed don geringste der Brahmani\'ii naderen, Eone boleediging of verwanrloozing van eerbied tegenover een lirahmaan had niot slechts straffen na don dood, maar ook zware boeten in dit loven ten gevolge. quot;Wannoer een leerling onder de jirahmanon,quot; zegt de wet van Manoe, quot;/,ijn leeraar, zij betook met recht, berispt, wordt hij als een ozol wedergeboren. Lastert hij hem, zoo wordt hij een hond, gebruikt lijj conig voorwerp zijns meesters een kleinen hond, en zoo hij hom zijno verdienste benijdt, een insckt.quot;

Uit deze leer der zielsverhuizing sproot, zooals licht te begrijpen is, — en dit is het eenige goede gevolg van dit zonderling geloof, oone groote welwillendheid

-ocr page 72-

56 . GKÏI.I.USTItr.KIlDU AVKRKLDG ESCHIEDKN1S.

togonovor dn dioron voort. Mon kon toch niot weten, of men in dozen of genon os of ozol niet een wedergeboren voorvader, grootvader of vader voor zich zag. Evenals zoo vele andere godsdiensten, voordo ook die van Brahma, door hare buitensporigheden, tot grooto bolagcholijkhedon.

Intusschon kochten de Brahmanen do bevrediging van linn geestelijken hoogmoed op geene gemakkelijke wijze. Even als anderen, stonden zij aan hot gevaar bloot, dat hunne zielen in een of ander dier werden wedergeboren, zoo zij niet volkomen meester worden over hun geest en do door hot vleesch voortgebrachte zonde, zoo het hun niet gelukte, zich geheel en al van al het aardsche los te maken en volkomen in Brahma to versterven. Over het monschelijke in den monsch geheel te zegevieren, ieder gevoel on iedere monschelijke neiging te vernietigen, achtte do Brahmaan het hoogste streven. Gelukte hem dit volkomen, zoo kon hij genade voor don doodenrechtor vinden, wellicht do hel on do onaangenaamheid ontgaan om wedergeboren te worden en onmiddellijk te worden voroonigd met Brahma, dat is opgenomen te worden in het groote onuitputbare gebied dos geestes.

quot;Wie niets ziet, zooals e\'hn blinde,quot; heet hot in oen der heilige boeken, quot;niet hoort, zooals een doove, zonder gevoel of beweging is als hot hout, van hom zijt gij zeker, dat hij do rust heeft bereikt.quot;

In het Boek van Manoe worden van een Brahmaan die oud is geworden, de vreese-lijko boetedoeningen verlangd. quot;Hij zalquot; — zoo luidt hot daarin — zichzelven alle mogelijke kwellingen toevoegen , en wanneer hij, ton govolgo daarvan ziek wordt, zal hij naar liet Noordwesten voortschrijden, tot zijn lichaam te zamen breekt en zijne ziel zich met Brahma veroenigt.quot;

Do leer der Brahmanen stond in oeno volkomen tegenoverstelling mot die welke Ivong-foe-tso leerde. De eerste beschouwde het leven op aarde als een tijd van beproeving, den mensch als eone schopping van Brahma, overeenkomstig eene gril, en met geen ander doel dan om zoo spoedig mogelijk tot zijn oorsprong terug to koeren; terwijl de godsdienst van Kong-foe-tso slechts op het welzijn van den mensch op aarde het oog richt, een welzijn waartoe God hom schiep; en waarbij Gods wijsheid \'s menschon verstand bepaalde grenzen stelt, die hij niet kan overschrijden, zoodat wijzer te willon zijn dan God beschikte, eene dwaasheid is. Daarom kon een mensch, die do voorschrif-ton van Kong-foe-tse volgde, een gelukkig leven leiden , terwijl de vroomste Brahmaan zich onmogelijk gelukkig kon gevoelen, daar het zijn ernstig streven moest zijn , iedere levensvreugde uit don weg te gaan.

Hot kastenwezen — waaromtrent wij vervolgens nog het een en ander moeten opmerken plaatste, in verooniging mot de sombere uitzichten op do kwellingen der hel on de zielsverhuizing, het volk in een urbarmelijken staat, die al vreesolijker en vreesol ijker en eindelijk onvordragolijk werd.

Zoo vernuftig de Brahmanen het aangelegd hadden om hun aanzien to vermeerderen , en ofschoon dit hun in een zeer hoogeu graad was gelukt, vond men toch mon-schen, die do steeds zonderlinger wordende Brahmaleer bestreden. Do kluizenaars uit hun midden , die na hunne verwijdering uit de maatschappij niets te doen haddon dan to peinzen, kwamen tot wijsgeerigo beschouwingen, die maar al to veel aan do leden dor hoogste kaste onaangenaam waren, omdat zij de onfeilbaarheid der priesterlijke leering ondermijnden.

Brahmaanscho philosophen begonnen te loeren, dat alleen het geestelijke doel in hot geschapene een waarachtig zijn kan wezen, en derhalve do stoffelijke veelheid

-ocr page 73-

INDIK (in URN lIlSTOUISCaEN SAr.HNTT.ri)). 57

uono bloot» zinsbogooclioliiig\' moot uitmaken, dio iti nints clan inl)ooldhig bestaat.

Zeker man, Kapila gohoeton, had do stoutheid te boworen, dat dit onzin is, en eon wijsgeerig stelsel op to werpen, hetwolk den naam kroeg van Sank hi a (overweging). Volgens zijim loer draagt do natuur haar levensbeginsel met zich. De stof is eeuwig, en do monigvuldighoid der onderscheiden vormen, waaronder zij voorkomt, ontstaat door in do stof aanwezige natuurkrachten. Evenals er eene hoeveelheid stof bestaat, die eeuwig en onvergankelijk is, ovenzoo bestaat or ook eene hoeveelheid geest, wier afzonderlijke doolon eens in hot wereldruim zweefden en eerst belang verkregen , toon zij zich met een lichaam veroonigden on dit bezielden. Dan, door deze veroeniging is de geest in een niot mot zijne waarde ovoreonkoinenden staat gebracht, waardoor het \'s levens doelwit moot worden om de ziel nit dezen toestand te bevrijden. Dit echter kan alleen

plaats hohhon, wanneer de geest tot het bewustzijn en do erkenning wordt gebracht, oen geheel zelfstandig wezen te Zijn. Zoodra hij tot dit bewustzijn is gekomen, ontstaat het verlangon naar bevrijding, on deze wordt bereikt, wanneer do monsch zich van allo lichaimdijko invloeden weet los to maken. Verlaat door hot afsterven do ziel eon lichaam , zoo zoekt zij naar vrije keuze een ander en wordt een ander wezen.

lloo verscheiden ook van do leer der Brahmanen, sloot deze meening zich toch in hot einde weer bij haar aan. Er werd dus weinig door gewonnen. Alleen door het bestaan der goden te loochereu en de onfeilbaarheid van do loer der Drahmanen te ontkennen, opende zij voor do horvorming dier leer don weg.

-ocr page 74-

(i Eï1.1.1 ■ STitK KIU) K W i ; IIH1 ■ 1X1 K.SC; 111 K I) KN1S.

Als hot hoofd dior hervorming trad l\'ocddlia op. Men noemt hom groot, omdat Inj door zijne lossen het volk uit ondragelijke banden bevrijdde, al is ook do door hom gepredikte godsdienst eveneens somber (gt;11 weinig geschikt om den mensch do moeiten dos levens meer dragelijk te maken, hetgeen toch een zegenrijk gevolg van eiken godsdienst moet ■/.ijquot;.

In de 7(,|! eeuw vóór Christus heerschte in den Noord-Indischon staat Magliada (hot tegenwoordige Behar) oen koning, met name Soeddhodana, wien zijne gade, Maja, in het jaar (iü.\'i een zoon baarde, Sidartha gehoeten. Uezo word opgevoed gelijk dit niet koningskinderen in hot \'tOosten gebruik is, tot hij zestien jaren oud was. Toon nam de knaap drie vrouwen on loiddo een vrolijk leven.

De overlevering verhaalt, dat Sidartha door een hoogst treurig tooneel, waarvan hij onverwacht getuige werd, eensklaps tot nadenken kwam over do alom verbreide menschelijke ellende. Dit maakte op zijn gemoed een zoo treurigon indruk, dat hij op zijn negenentwintigste jaar do kroon van de hand wees , zijn paleis en zijne vrouwen verliet en in een armoedig geel gewaad bedelend naar Eadsjagriha toog om eenigo kluizenaars die zich daar ophielden en door zelfopgelegde kwellingen teisterden, to raadplegen.

Wat hij bij deze hermieten zag, bevredigde hem weinig, zoodat hij besloot, zelf de eenzaamheid op te zookon, om daar over een middel te peinzen, hoe het inenschdom van ellende en smart verlost kon worden. Uit hot krijgsgeslacht Sakia stammende, noemde hij zich Sakia Moenio, dat is do kluizenaar Sakia, of ook naar een anderen familienaam Gautama.

Zes jaren leefde hij aan den oever dor rivier de Narandsjana, onder do grootste ontberingen, zelfs zonder vuur. Toen meende hij den sleutel gevonden te hebben voor het raadsel, dat hij wilde oplossen. Hij was nu een quot;Boeddhaquot; — een verlichte — geworden en ving zijn ambt als leeraar aan. Vergezeld door eonigo scholieren, trok hij bedelende door Indiö en predikte aan alle volken op straten en markten, niet slechts in de taal der geleerden, het Sanxkriel, maar ook in de volkstaal , hot Pali.

De Brahmanen sloegen in don beginne weinig acht op zijn pogen, en toen zij eindelijk opmerkzaam werden op het gevaar, waarmede Sakia Moeni\'s leer hunne heerschappij bedreigde, was het reeds te laat, want de stroom dien hij had doen vloeien, was niet meer te stuiten.

Deze populariteit dankte Boeddha hoofdzakelijk aan de verklaring, dat hij liet verschil van kasten verwierp, hetgeen , daar hij zelf een Vorst was, het volk tot geestdrift ontvonkte voor de leer, die hij verkondigde, en die, uithoofde van hare milde stellingen, de menigte aantrok en boeide. Welke richting de leer van don Boeddha in den loop der eeuwen aannam, zullen wij later zien. Thans willen wij slechts in korte trekken haar inhoud beschouwen, zooals Sakia Moeni zelf haar predikte.

Do wereld bestaat. Van waar zij komt is niet te doorgronden. Dat zij echter uit het hoozo is voortgekomen , ligt klaar en duidelijk voor oogen. In diepe smart wandalt al wat leven heeft ontvangen eer het den dood ten prooi valt. Alle monschen zonder onderscheid zijn vier jammeren onderworpen: geboorte, ouderdom, ziekte on dood. Daarbij komen nog de overige zorgen en tegenspoeden dos levens. Overal jammer on (diende. Alles in do wereld is nietig en ijdol. Wij loven zonder ons toedoen. Dat is een onheil dat men moet dragen, doch welks herhaling en voort,duur na den dood men zooveel mogelijk moet verhinderen. De oorzaken van al ons lijden komen uit hot

58

-ocr page 75-

59

lichaam; daarom moot hot \'t stroven van olk monseh zijn, zicli van den invloed dien hot oji den geest uitoefent, vrij te maken. Door don dood, die ons dagelijks onder de oogen komt, zien wij dat ons lichaam niets wezenlijks, niet de ziel zelve is. Zoolang do ziel zich niet los kan maken van het gevoel, dat zij eone persoonlijkheid, oen wozon op zich zelf is, kan zij geen rust vinden, maar moet zich na hot afsterven van het eone lichaam weder met een ander verbinden. Zóó bestaat, volgens dezen verlichte (Boeddha), do zielsverhuizing. De ziel moot derhalve zoo lang de kwellingen dos levens verdragen, tot hot haar gelukt, zich los to maken van het gevoel een oigon bestaan to voeren om zich in do groote eenheid, het nints, hot Nirwana, op te lossen. Hoe moor het derhalve een raensch gelukt, zich van iedere gewaarwording on voor-stolling vrij te maken, dat wil zeggen hot denkend grondbeginsel to vernietigen, dos te nader komt hij tot verlossing, het gewenschtte dool, hot ophouden van hot indivi-dueole bestaan, tot het Nirwana.

Hot bestaan dor goden, de openbaringen der Vetla\'s en di^ wetten van Manoo verwierp Boeddha ten volle gn daarmede hot geheole gebouw van den nrahmagodsdioiiHt. Do door deze openbaringen en wetten zoo verschrikkelijk geteekendo stralTen verklaarde hij voor eone dwaasheid, en evonoens de overdreven boetedoeningen, benovens het opvolgen dor voorgeschreven tallooze nietigheden, wier verzuim door do IIrahinanon met alle mogelijke straffi\'ii werd bedreigd. Indië was in dit vroege tijdperk het schouwtooimel van eone groote hervorming op godsdienstig gebied.

Daar al wat bestaat uit het booze is, zal elk wijs man iedere aanraking mot de wereld zoo veel mogelijk vonmjden. Hij moet zijne hegeorten en driften betougelon , alh\' door het vleesch verlangde lusten en hartstochten onderdrukken en zich niet door ijdelo vreugden en bedrijven aan de aarde laten boeien. Matigheid, eenvoudigheid, onthou-

-ocr page 76-

(50 SEÏI/LUSTIIKEIUMquot;, WKRKI.DQESCUIBDEMIS.

iliiif; van allu vorkoerdhedun, inzondorhoid van onkuiscliheid , zijn hoofddeugden , dio lioiii zijn dool nader voeren. Alle; linfdoloozo, baatznehtigo en liardo liandtdingen vonnoordc-ron hot kwade op aarde. Men moot om dongdzaam te zijn , alzoo die gebreken vormijden en hot ons door andoren toegevoegdo leed niet alleen met geduld en liefde verdragen, maar tevens door goede werken do grooto ollendo onder do monschen verminderen. Men moet zieken verplegen en ten gemeono nutto arbeiden, zooals schaduwrijke hoornen planten , bronnen graven, enz. Inzonderheid moet men zacht zijn jegens de dieren en geen levend schepsel dooden , want des Boeddha\'s leer wilde de smarten en hot lijden van het schepselendom verminderen, geenszins uitbreiden.

Alzoo is Boeddha\'s zedeleor vervat in de drie voorschriften van kui.sehhoid, geduld on barmhartigheid, /ij verlangt een stil, eenvoudig, matig leven, het zonder tegenweer te bieden verdragen van allo plagerijen en elk onvormijdolijk kwaad, ten laatste moe-gevoel en werkdadige hulp voor hot lijden van allo medeschepselen.

Hoeft men in gedachten of werkelijkheid zonde bod roven, zoo loert Boeddha, dan moot men die zonde onenbartie- voor de ireloofstrenooton. of althans voor do heiligston

onderhen, bekennen en zijne schuld niet door noodeloozo boetedoeningen, maar door berouw en verbetering, goed maken.

Hoezeer hot afschaffen, of liever hot niet erkennen der kasten, het loochenen van het bestaan eenor hel mot haro straffen, het afkeuren van do duizenderlei kleingeestige voorschriften en de gunstige wijziging in do loer der zielsverhuizing hot volk snel voor den nieuwen godsdienst won, kon de menigte zich niet zoo spoedig van do eeuwen achtereen gepredikte zinnelijke voorstellingen losmaken en even weinig hot denkbeeld vatten van oene niet persoonlijke godheid, of wel hot volkomen gemis aan znlk een Hoogste Wezen, ifquot;t bleef alzoo, evenals vroeger, de natuurgoden vereeren, iets wat Boeddha over het hoofd zag, omdat oene zoodanige vereering liet volbrengen dor door hom voorgeschreven plichten geenszins verhinderde. Hij was geen fanatiek dweeper, maar een wijs , welwillend man, die, in weerwil van zijne sombere, melancholische levensbeschouwing, slechts het welzijn ran zijne met hem l|jdende medomonschcn in het oog hield. Bloedige offers duldde hij niet: die, welko hij veroorloofde, bestonden alleen uit bloemen en veldvruchten.

Nadat Boeddha twintig jaren lang Heneden-Indië had doorkruist, door de Brahma-

-ocr page 77-

INDIK (lN DEN lIISTOItlSCllUN SACENÏIJI)).

non woedend gehaat i\'ii dikwijls vervolgd, zocht liij de eenzaamlioid on stierf, tachtig jaron oud, ongeveer in 543 vóór Christus.

Hij stierf door do geestdrift en liefde zijner talrijke aanhangers tot een god ver-iieven. Mmi achtte hem als door zijne wijsheid (tn wonderkracht alle andere lirahmaansche goden overwonnen te hebben. Duizenden streden om de relieken van zijn lichaam, waaraan , zooals licht te denken is , wonderkracht werd toegeschreven. Zijn lijk was wel is waar met koninklijke pracht verbrand geworden, doch, zooals dit destijds slechts geschieden kon op onvolkomen wijze, zoodat de overgobleven dewlon, die eerst in eene gouden urn waren bijgezet, over gansch Indië werden verspreid, en wel, zoo het neut, in 84,000 deelen. Hoe groot de vereering van deze quot;heiligdommenquot; werd, is af te leiden uit het feit, dat om quot;don tand van Boeddhaquot; — die echter onmogelijk in een \'s inenschen mond gepast kan hebben — op Ceylon een bloedige oorlog is gevoerd, die vele jaren duurde.

Hoe de leer van Boeddha zich ontwikkelde, en welken invloed zij op de godsvereering der Brahmanen uitoefende, zullen wij in hot volgende tijdperk ervaren. Wij achten liet noodig eenigszins uitvoerig over du godsdienstige denkbeelden der Boeddhisten te spreken, daar hun aantal tegenwoordig ongeveer 300 millioen beloopt, te meer, omdat hunne godsdienstleer niet alleen op do beschaving van hot groote Indische volk, maar ook op andere naburige volken grooten invloed uitoefonde.

De Staal en het maatschappelijk leven. Van het leven en den staat dor Ariërs in den Pendsjab weten wij weinig meer dan hotgoon wij reeds vroeger gezegd hebben. Zij leidden oen vrolijk loven, bij gezang, muziek, dans en dobbelspel, hetwelk slechts nu en dan door quot;de begeerte naar koeienquot; van booze naburen word afgebroken. De vrouwen waren wol is waar ondergeschikt aan de mannen, docli namen in huis oono waardige, geëerde plaats in, en noch veelwijverij noch twisten tusschen broeders en zusters vonden plaats. De regoering was patriarchaal. Was men mot don vorst niot tevreden, bleek hij bij voorbeeld in den oorlog niet aan de verwachting te beantwoorden , zoo gebeurde hot wol eens, dat eonige dapperen in zijne plaats tradon on do regoering voerden.

Het kostto eene reeks van oorlogen eeuwen achteroen alvorens de Ariërs zich in het rustig bezit der Oangeslamlon mochten vorheugon, in wolken tijd zich zooals, wij roods vermeld hebben, de vier streng van elkander gescheiden kasten van hot l\'or-tugeesche woord Casta (soort)—vormden; do Brahwanen (bidders), Ksjalria* (krijgslieden) , F au jo\'s (bouwlieden en herders) en eindelijk do Soedrds, tot welke laatste do zwarte autochtonen behoorden, die in hot veroverde land waren goblovon en zich aan do wetten en godsdienst der zegevierenden hadden onderworpen.

Do plaats dor Brahmanen aan het hoofd der maatschappij werd oerst volkomen vor-zekerd door do wot van Manoe. Dozo gold als eene openbaring en stelde do indeoling in kasten als eene door Brahma den monschon bewezen gunst voor. In plaats dat hunno zielen iu dieren huisvesting vonden, kondon zij ten minste, zij hot niot in volmaakten staat, in hot menschelijke lichaam eens Soedra\'s, oens Vaisja\'s of eens Ksjatria\'s wplJon, oer zij in een liralnnaan werd herboren. Op deze wijze stelden do slimme priesters do harde kaste-indoeling niot als oen ongeluk voor, maar als oono goddeljjke genade, en bewerkten daardoor achting on eerbied voor do instelling. Dit was ton minste het geval in het Oangosland, want in hot meer afgelegen Dokan volgdo inou niot zoo volkomen de Manoewet, al werd zij ook daar ton nchtsnóftr des geloofs aangenomen.

De drie eerste kasten waven allon Ariërs en als \'zoodanig ver boven de Soedra\'s verheven. Zij mochten do Ve/la\'x lozen nn op zekeren tijdstip van Imn loven werd te

(U

-ocr page 78-

(1 HÏLLI\'STREKllü E VVF.llELDd KSCIII KDKMs.

hunnen aanzien de plechtig\'heid der inwijding, die der wedergeboorte, voltrokken. Men hing hun namelijk een koord overeenkomstig do kaste van katoen, van koesagras of wol — over het bovenlijf, en wel over den linkerschoudor langs do borst nederdalend. Doze ceremonie onderscheidde hen op eeno bijzondere wijze van de slechts eenmaal geboren Soodra\'s en allo andere menschen.

Terwijl allo overige kasten binnen een bepaalden kring waren gebannen, dion zij niet

konden overschrijden zonder de wereldorde te verstoren, kon de Brahmaan tot den hoogsten trap van kennis opklimmen. Dat geschiedde nogtans slechts van lieverlede , door de vier quot;trappen van vooruitgang.quot; Allereerst werd do jonge Brahmaan een Bramatsjari, of leerling. Zijn onderwijzer (Goeroe) was voor hein de afspiegeling van Brahma, en hij moest dien leeraar derhalve grootere eer en gehoorzaamheid bewijzen dan aan zijn eigen vader. Den tweeden trap van vooruitgang bereikte de Grihastha. Doze incest minstens één boek der Veda* gelezen hebben en mocht slechts met eeno reine maagd uit oen Brahmaansch geslacht een huwelijk aangaan. Had do Grihastha een zoon , dan mocht hij ook vrouwen uit de beide hem het naast komende kasten tot ochtgenooten nemen.

Den derden trap bereikte de Brahmaan, wanneer hij Venaprasta (anachoreet) werd. Hij leidde dan een geheel bespiegelend leven en moost trachten over de zinnen te zegevieren. Op den hoogsten trap stond de Sanjasin. Deze had hot hoogste doel dos levens bereikt en was vrij geworden van da wedergeboorte of zielsverhuizing. Hij mocht met allen omgaan, zoo de nood hot vorderde, want alles was hem geoorloofd , quot;daar zijn wil Brahma\'s wil was.quot;

Men behoefde intusschen niet van trap tot trap te stijgen: de beginner, de ver-011 verder gevorderden waren niet, zooals de kasten, van elkander gescheiden. Wie ver genoeg was voortgeschreden kon onmiddellijk een sanjasin worden, zolfs wanneor hij slechts den graad van leerling bezat.

Do Brahmanen kochten hun rang op geeno gemakkelijke wijze, want hun leven was door duizenden van voorschriften geregeld. Hun kerkelijke trots werd volkomen bevredigd, want naar do meening der overige Hindo\'s stonden zij den goden het naast. Doch do sto ffelijke voordooien van hunne verheven stelling waren juist niet groot, al was do heiligste plicht van alle lagere kasten om do Ürahmanen te eeren en hun schatting te geven. Immers slechts door de tooverkracht hunner offers werden do goden gedwongen de gebeden der menigte te vorhooren. Wie slechts het minste of geringst» tegen een Brahmaan misdeed, word niet alleen door do maatschappelijke wetten gestraft, maar viel ook ten prooi aan de verschrikkelyksto kwellingen der hel on aan de verbanning zijner ziel in hot lichaam van oen der laagste diersoorten.

Naar do macht eens konings streefdon de Brahmanen nooit, llnn loer was in volkomen tegenspraak met een zoodanig pogen. De koningen konden alleen uit lt;le krijgsmanskasto zijn.

02

-ocr page 79-

IMDIl: (IN DUN IIISTOUISCIIKN SAIIBNTMÜ). (53

üiuir du Uralimanon talrijk waren, roikton do vrijwilligü goschonlten dor geloovigcn geenszins too om hen allen, benovens hunne gezinnen, te onderhouden. Daarom was hot hun in het uiterste geval geoorloofd burgerlijke beroepen uit te oefenen, ofschoon onder zekere beperkingen. Zij mochten geen geld tegen route uitleonen , geeno storko dranken vorkoopen en ook niet in sesam, boter, melk, linnen of wollen stoffen handel drijven. Ook mochten zij zich niet als dienstboden verhuren.

De Ksjatria\'s trokken, mot uitsluiting1 van allo anderen, ten oorlog. Alle overigo kasten hadden met den krijg niets te inakeii. Konden do leden dezer tweede kaste in vredestijd niet van hunne medeleden loven, zoo moesten zij ook de bcdryvoii der lager geplaatsten Vaisja\'s uitoefenen, t. w. landbouw, veeteelt en handwerken.

Het beroep derSoedra\'s was dat der dionstbaarheid. Alleen wanneer zij geen dienst konden viuden of daardoor niet kondon bestaan , mochten /.ij een handwerk dryven. Krijgsgevangenen, Soodra\'s en anderen werden slaven. Dit lot trof ook allen, die hunne schulden niet konden betalen, doch niemand kou een slaaf bezitten, die tot oono hoo-gere kaste behoorde dan waarin hij was geboren en opgetogen. De slaven werden overigens goed behandeld.

Door het toelaten van gemengde huwelijken ontstonden tusschenkasten, en allengs vormden zich nog anderen door het onderscheid dor handworken bij de Vaisja\'s. Waarheen dit eindelijk voerde, zullen wij later zien.

Buiten alle kasten stonden do Tsjandalas , die mot de grootste minachting werden behandeld. Zij waren de nakomelingen dor oorspronkelijke bewoners die noch in onderwerping waren gekomen, noch als onafhankelijke menschen naar het gebergte waren getogen. Zij mochten niet in do dorpen of in do steden wonen, want hunne ontmoeting alleen verontreinigde ieder Ariër, zelfs den lirahmaan. Wanneer zij cone bewoondo plaats bereikten, moesten zij door het op elkander slaan van twee stukken hout hunno nadering te kennen geven, opdat alle ware llindo\'s uit den weg zouden gaan. Zij inochton , op bedreiging van zware straffen, geen mensch aanraken, en men wierp hen, oven als den honden, den afval toe. Het kind nit den echt eener eervergeten lirahmauendochter en een Soedra werd naar deze Tsjandala\'s verwezen. In Dekan namen do Paria * dozolfde plaats in, en hun naam werd in latoren tijd die voor al zoodanige verstootelingen.

Brahma had aan Manoe allerlei openbaringen toevertrouwd, tot aan nietigheden toe. Zijn wetboek is gesplitst in twaalf doelen, en do zoo prozaïsche bepalingen zijn in verzen afgedeeld, waarschijnlijk otn beter in hot geheugen bewaard te worden. Do godsdienstige voorschriften waren met groote voorzichtigheid met do eveneens geopenbaarde VcaUCk in overeenstemming gebracht, een overleg, hetgeen voorkwam, dat de godsdienstige stellingen elkander weerspraken, gelijk bij sommige eerediensten niet zelden hot geval is. Verder bepaalden deze voorschriften hot gehoole staatswezen, hot fainilielovon , ja zelfs de marktprijzen van groenten en andere voortbrengselen, benevens tal van landhuis-houdkundigo en allerlei huiseljjlcs regelen. Mcinoo\'s wetboek is eon mengelmoes van den zonderlingsten aard.

I\'e ontwerpers dezer openbaring vonden het gepast den koning met eene over het geheel onbepaalde macht — doch natuurlijk overeenkomstig do wetten van Manoe — te boklocden. Ofschoon zij zolven, t. w. de lirahmanen, zich don koning ondorworpon haddon, was hunne hoogo plaats reeds daardoor volkomen verzekerd, dat zij als de hoog verhevenon golden , die de goden door gebeden en offers tot hulp en zogen dwingen konden. De Hrahmanen te eeren en hun mot geschenken te verblijden, even als uit hun midden zijne ambtenaren mi raadsliedon te kiezen, was den koning als non hoiligo

-ocr page 80-

04

lilicht voorgeschrovun. Hij was volgens liuinic leer, een uitvloeisel der godheid, die lirahma uit do stotïe der acht hoogore goden, de behoeders der wereld, geschapon iiad. Zelfs een koningskind was geen gewoon mensch, maar een machtige godheid. Onbepaalde gehoorzaamheid tegenover den koning was een goddelijk gebod, even als ei\' monarchale staat de weerspiegeling van do goddelijke orde. Dat was altoos zoo geweest, zeiden de Brahmanen, en om niet van onwaarheid beticht te kunnen worden, haddon /.ij uit de door hen opgestelde openbaringen alles weggelaten hetgeen aan vroegere toestanden kun herinneren.

Daar alles, tot het kleinste zelfs, door Manoe\'s wet was geregeld, behoefde men zich mot geene wetgeving te kwellen. De koning en zijne plaatsvervangers hadden niets te doen als op de uitvoering van het voorgeschreveno te letten en de misdadigers streng te straften. Niettegenstaande zijne onbeperkte macht, was de koning derhalve niets meer dan de volbrenger van do priesterlijke wetten on voorschriften.

Alle straffen waren ontzettend hard, doch voor allen geenszins dezelfde : de kaste bracht ook hierbij een groot verschil te weeg. Wanneer de Soedra een wedorgoborene beleodigdo, werd hem de tong uitgesneden, doch boleedigde hij een Brahmaan, zoo stak men hem oen glooiend ijzer in den mond. Uitte hij tegen den boven zijne kaste verheven tegenstander eenige beleediging, zoo goot men hem kokende olie in de keel. Streng werd ook de diefstal gestraft, te weten met hot verlies van een lichaamsdeel of het spietsen. Op misdrijven togen den koning stond onveranderlijk den dood door de bijl, hot spietsen , verdrinken of vertrappen door olifanten. Als beulen deden de Tsjandala\'s dienst. Voor den Hrahmaan bestond de hoogste straf slechts in verbanning.

\'s Konings plaatsvervangers ten gerichte waren doorgaans de Brahmanen, die zijne raadsleden en voorlezers waren. Nevens hen had do vorst een ministerraad van zeven personen, die hem hun raad mededeelden, welken hij opvolgde —wanneer hij het verkoos.

Ton aanzien van het gemcontebehoer liet men hot volk grooto vrijheid. Men bekommerde zich slechts of do menigte de belastingen geregeld betaalde en do voorgeschreven wetten stipt opvolgde. Om hiervan zeker te zijn, liet men een groot getal spionnen waken. Tien dorpen of kampongs vormden een kanton, tien kantons oen district, tien districten een kwartier, enz.

De ambtenaren werden uit de opbrengst van een naarmate van hun ambt grooter of kleiner perceel akkerland betaald, quot;omdat zij doorgaans spitsboeven zijn,quot; zegt het geopenbaarde Wetboek , en de ambtenaren weerspraken door hun gedrag deze uiting niet.

Voor de taak, dat quot;de koning zijn volk mot allo kracht regeerde,quot; hief hij hooge belastingen, die niet door ieder in het bijzonder, maar door de gemeenten betaald werden. Niet zelden steeg die belasting tot oen vierde van don goheelen oogst en vorderde daarenboven nog opbrengsten van alle mogelijke voorwerpen en bedrijven. Zekere handelsartikelen behoorden don koning geheel, en uit de opbrengsten der bergwerken en groeven van edelgesteenten kroeg hij de helft. Daarbij kwam nog een hoofdgeld , terwijl moest alle handwerkslieden, daglooners en dergeljjken alle maanden één dag voor den koning moesten arbeiden. Dat niemand tor wereld gaarne belastingen betaalt wist reeds god Brahma, want in het Wetboek van Manoe wordt den koning aangeraden , de belastingen niet in eens te heffen, maar to handelen als do boom en do bloedegel, die slechts op zekeren tijd voedsel tot zich nemen. De vernuftige ministers spraken: quot;liet volk gelijkt liet sesamzaad: dat geeft zijne olie niet eer voor het wordt uitgeperst of verbrand.quot;

De lirahmanen waren, zooals men licht denken kan, vrij van belastingen. quot;Van hen,

-ocr page 81-

IN\'DIK (IN DUN IIISTOKISt\'Ilr.N SAOHNTIJD),

hoetto het, quot;moclit de koning zo niot nemon, zelfs wanneer hij vim liongor dreigde te sterven, want zij betaalden hun zesde in — voorbeden.quot;

I)« voorschriften en raadgevingen, die in Manoe\'s Wetboek den koning ten aanzien der staatkunde tegenover liet Huitenland gegeven worden, waren oen merkwaardig en zonderling mengsel van inacchiiivellistische diplomatie. quot;Elk nabuur,\'1 heette het, quot;moot iils een vijand , en diens nabuur weder als een vriend beschouwd worden.quot; Men beval dus roods denzelfden grondregel, die do republiek Venetië gedurondo do middeleeuwen in hare politiek volgde. quot;Der vijitnden zwakheden moot men door spionnon, verkloodo boe-todoenors, bedorven kluizenaars, kooplieden en listige gelukzoekers uitvisschen, en loozo gezanten aanstellen, die do vreemde ministers weten om te koopen.quot;

Veroveringstochten worden als verdienstelijke ondernemingen voorgesteld. Niettemin word eone zachte behandeling dor overwonnen volken aanbevolen, daar men in Indiii geon anderen oorlog dan togen stamgenooten kon voeren. De goden van hot veroverde Land zouden geëerd worden, en evenzoo alle deugdzame Brahmanon. Te dien einde zouden geruststellende afkondigingen rondgezonden en verdeeld worden. Over de onderworpen districten moest men een onderkoning aanstellen, e*i \'s Lands wotten en gebruiken zooveel mogelijk laten bestaan.

IVn strijde trokken mot, den koning alleen de Ksjatria\'s. liet leger bestond uit ruiters on voetvolk, uit strijdwagens en olifanten dio boogschutters droogen. Krijgslisten werdon stork aanbevolen. Zelfs voorboolden in dien geest, zoowelȣ|Js raadgevingen voor slagordon, vond men in de geopenbaarde wet vermeld.

De koning was, zooals is opgemerkt een god, en opdat hij in dien zin ook steeds hot volk verscheen, zag do menigte hem slechts hoogst zelden, niet dan bij plechtige gelegenheden, en dan steeds omringd door eone verbazende praal en tiillooze wachten, die ook zijn paleis bewaakten. Daarenboven was elke sehrede dio liij deed, door het strengste ceremonioel voorgesehroven.

liet koninklijk paleis was eone vesting , en do wet ried den monarch aan zich door goed-bezoldigde lieden die juist niot door bijzondere kundigheden uitmuntten, te doon bewaken. De bodiendon die hot dichtst in zijne nabijheid werden toogolaten, waron vrouwen. igt;i

I.

-ocr page 82-

fiKÏLI.rsTREEBDB WKRKLDOESCItl H DRNIS.

mannolijko lijfwachten bloven aan (1« deuren. Opdat vermotelen die liet mochten wagon don Vorst naar hot loven te staan, op oon dwaalspoor zouden gebracht worden, moest do koning des nachts meormalon van legerstede verwisselen. In den strijd en op de jacht omringden hem oon dichte drom van in den wapenhandel geoefende amazonen, schoone vrouwen, door den koning van hare vaders voor eone aanzienlijke koopsom verkregen. Wie tot deze vrouwelijke garden doordrong, moest sterven. Hij hot aanbreken van don dag word do koning door zijne zangers gewokt en nam dan in oone gouden kuip oon door sandelhout welriekend gemaakt bad. Vervolgens bracht hij den goden zijne offers en vertoonde zich in do luisterrijkste pracht aan \'t volk, dat op do knieën zonk, terwijl \'s vorston zangers to zijner oore hymnen aanhieven. Bij \'s konings mailtijden werd do grootste voorzichtigheid in acht genomen, en do ceremoniën daarbij schonen geen einde te nomen. Verscheen de koning bij offerfeesten in hot openbaar, dan moesten allen voor hom nodorknielen, als zagen zij eone godheid.

Do heerschappij ging in den regel op \'s konings zoon over. Werd de monarch oud en ziekelijk, zoo moest hij het bewind aan zijn zoon overdragen on öf in den krijg don dood zoeken, óf zijn einde verhaasten door het nalaten van voedsel te nuttigen. In dit laatste geval begaf hij zich in pelgrimaadjo naar den berg Meroe, om op dien tocht te bezwijken , even als do plicht was van oude ziekelijke Brahmanen.

De borg Meroe is het Indische Paradijs. Men moet het zookon in oen der hoogten ton noordoosten van hot Himalajagobergte, in de streek waar do stamvaders van het Indische volk woonden vóór zij naar den Pendsjab uittogen. Hot Mahabharal zegt; quot;Er is een hooge, schoone borg, Meroe gehoeton. Hij verheft zich nabij het middelpunt der naar do zeven hemelstreken verdoelde aarde. Van daar zijn naam Meroe, of hot Midden. Van don top dezer trotscho en heerlijke hoogte schiet do zon hare stralen naar wijd en zijd. Met goud bekleed, is zij de woning der Dova\'s en lofzingendo Gandaowa\'s (geniën of engelen). Ilomolsche bloemen tooien hare hellingen, on hare hoog boven do wolken verheven spits kan zelfs door do monschelijke gedachte niet bereikt worden.quot;\' Do Poeraitas, heilige boekon van de tweede klasse, beschrijven dit Paradijs nog nauwkeuriger. Op den berg murmelen vior groote vijvers, vol molk, boter, zuren room en suikersap. Maar hoe schoon on heerlijk, blijft de borg onbereikbaar voor hen die niet rein zijn : afschuwelijke drakon bewaren zijn voet en schrikken den zondaar af, die hem nadert. Vior grooto stroomon dalen van daar naar vier hemelstreken af: de Ganga uit den bek conor koe; de Sita uit don kop van oen olifant, do Bhadra uit oon tijger-of leeuwenkop, en de Khaksjoo uit den kop van oen paard. In latere tijdon werd deze borg door do Boeddhisten met nog meer beelden dor fantasie opgesierd. Zon, maan en sterren bewegen zich om zijne llanken, on op zijne glooiingen wonen, naar kringen afgedeeld, de zalige geesten van verschillenden graad.

Do Indische staat was gegrondvest op het echtelijk en huiselijk leven. Kinderen te verwekken en groot te brengen was een heilige plicht, want slechts door het doodonoffor eens zoons kon de vader uit de hel bevrijd worden. Do kinderen waren de eigendom dos vaders , en gedurende langen tijd verkochten de vaders hunne dochters aan de trouwlustigen. Later viol die koopsom aan de Brahmanen ten deel, nadat deze hot volk hadden ingeprent: kinderen kunnen alleen dan gelukkig opgroeien, wanneer hot huwelijk door hen mot godsdienstige plechtigheden en offers aan een met bloemen omkranst altaar is ingezegend. Veelwijverij was niet verboden, terwijl bepaalde wetten het erfrecht regelden, vooral in betrekking tot do rechten dor kaste. Echtbreuk word alleen dan streng gestraft, wanneer zij door oen man van eone lagere

GO

-ocr page 83-

INDIK (iK DEN IIISTOIUSCIIEN SAOENTIJl)).

kastn met oono vrouw van hoogero kasto was gepleegd. Stierf een cehmvd man kinderloos , zoo was het de plicht van den naasten mannelijken bloedverwant om voor een erfgenaam te zorgen.

De vrouw was de eigendom van haar man. Zij moest, zoo luidde de wet, hem als een god voroeren, zelfs wanneer hij haar ontrouw of een deugniet was. Zij moest gewillig haar loven voor hem opofferen en ook na zijn dood hem aanhangen. quot;De vrouw, dio met haar man sterft, zal met hem het eemvige leven deelachtig worden,quot; hoot hot in den llig-Keda. Doch do verplichting voor do weduwe om haar gade in den dood te volgen, is in de wet van Manoe niet opgenomen. Op talrijke plaatsen wijst de wet op het gedrag der weduwe na het overlijden van haar gade. Bewaarde zij de trouw hem gezworen, zoo maakte zij zich hoogst verdienstelijk. quot;Laat de vrouw, wier man gestorven is,quot; heet liet, quot;zelfs niet den naam van een anderen man uitspreken, laat haar tot zij sterft, in trouw aan hom volharden hij het waarnemen van al hare plichten en terwijl zij iedere streeling dor zinnen vermijdt.\'\' Hoe do denkbeelden zich ook in dit opzicht wijzigden, zullen wij in latere tijdperken leeren kennen.

Ofschoon oene vrouw nooit als een zelfstandig mensch werd beschouwd en geen vermogen kon bezitten, was hare plaats in het gezin over het algemeen even waardig als bij alle beschaafde volken, Aan den man was eene welwillende behandeling, vol hoogachting, ten plicht gesteld. Do vrouwen werden geenszins opgesloten: zij mochten zelfs mot andere mannen vorkeeren en behoefden geen sluier over het gelaat te werpen , wanneer zij uitgingen. Zij namen aan de plechtigheden van den godsdienst en aan do feesten dool, en strenge wetten bedreigden de mannen niet harde straffen, die hot waagden , vrouwen of meisjes to verleiden.

liet Wetboek van Manoe bevat, zooals reeds vernield is, do nauwlettendsto voorschriften ook voor hot huiselijk leven. Hot is derhalve belangwekkend om menig gebod te leeren kennen, omdat wij daarin den oorsprong vinden van een aantal gebruiken , die nog tegenwoordig aan vele Kaukasische stammen eigon zijn.

Het eten was eene godsdienstige handeling, en het was uit dien hoofde zonde om daarbij schoenen aan do voeten te houden. De vorm dor eetzaal was aan iedere kasto voorgeschreven. Die der Brahmanen was een vierkant en die dor Ksjatria\'s oen driehoek. De Vaisja\'s aten in eene cirkelvormige, de Soedra\'s in eene half-ronde kamer. Nadat men zich de handen en voeten had gewasschen, zette men zich aan tafel, waarbij elk do woorden sprak : quot;Mogen wij altoos spijs hebben.quot; Daarna offordo elk vijfmaal ecnig voedsel aan .lama, onder de vijf verschillende namen van dien god.

Gastvrijheid is een Indisch sacrament, quot;want uit haar ontstaat eene soort van verwantschap.quot; Aan den gast en den huisvader was voorgeschreven gebeden voer het afbeeldsel van den gemeenschappelijken god te verrichten en daarbij elkander woderzijd-sche trouw to beloven. Ook werden dan bloemen gestrooid. Nadat den gast de voeten gewasschen waren, zette hij zich aan tafol en at. Eerst wanneer hij verzadigd was, namen de huisvader en diens gezin plaats.

Do bruidegom der dochter werd door haar vader in een naar de regels dor sterrokunde gekozen en daartoe opzettelijk ingerichte kamer ontvangen. Daarheen werden ook do bruiloftsgeschenken gebracht, even als eene koe, het zinnebeeld van echtelijke vruchtbaarheid. quot;Moge gij steeds overvloed hebben aan melk , on jaar op jaar onze beden in vervulling komen klonken de wenschon. Daarop volgden gebeden , reinigingen en een onder ceremoniën aangericht maal. Inmiddels nam do bruid oen bad, waarbij haar, onder het uiten van vrome spreuken, drio

-ocr page 84-

08

vaten met water over het hoofd werden gegoten. Dan bond eene oude vrouw de handen vati het bruidspaar met hot heilige koesagras to zatnen. Het formulier der priesters van den Satiiavida schrijft voor, dat do bruidsvader don mantel van hot bruidspaar moet samenbinden, wanneer hij do geschonken overhandigt. Dit goschiedde evenwel doorgaans eorst, wanneer de koe was losgemaakt, eene besprenkeling mot water had plaats gegrepen en door don bruidsvader eenigo gebeden waren uitgesproken. Hij besloot mot do woorden, ■\'(lij moet onafscheidelijk zijn in plichten, goederen en liefde. Vervolgens wijdde de bruidegom de gereedschappen bij hot offeren noodig, terwijl het vuur werd aangemaakt. Een vriend van don aanstaanden echtgenoot strooide rijst en samibladen (fFannnthara aculunla) over eeno platte schaal en plaatste eene steen en eene rasp daarnevens. Na dit verricht te hebben, ging hij in eene andere kamer, om der bruid, onder gebeden, een nieuw kleed over do schouders te werpen. Vervolgens voerde hij haar tot de offervlam. De op de schaal gestrooide rijst werd opgenomen en do steen voor de bruid geplaatst, die de punt van haar rechter voet daarop zette. Nu werd eeno hymne tor eoro van Saraswati, Brahma\'s gade, gezongen. Was dit ten einde, dan goot de bruidegom oen lepol boter in de hand dor bruid, die, niet de rijst, in hot offervuur word geworpen. Onder hot uiton van zeven spreuken dood do bruid zeven schreden, \'s Bruidegoms vriend, die bij hot vuur was staan gebleven, goot nu eenige kruiken water over do hoofden van het bruidspaar uit, bij welke handeling hij oenige geboden uitsprak. Ten slotte worden weder olfers opgedragen.

Des avonds plaatsten bruid en bruidegom zich op de huid van een rooden stier, onder gewone offeranden. Dan wees de bruidegom aan zijne jeugdige gezellin de poolster en sprak: quot;De hemel is vast, en zoowol de aarde als hot heelal bestendig. Zóó moogt ook gij in mijne familie bestendig zijn.\'quot; Oude gehuwde vrouwen goten uit do kruiken op het altaar geplaatst, water over de hoofden van het echtpaar uit, en alles word besloten door een olïor, waarbij de bruidegom do bruid eene spijze aanbood, waartoe geen door kunst of arbeid verkregen zout noodig was. Volgens hot Wetboek van Manoe maken de echt en het familieleven do grondslagen der zedelijke wereldorde uit.

liet verbranden der lijken geschiedde onder groote plechtigheden. Do stervende werd op koesagras gelegd, zijn hoofd met Gangeswater besprenkeld, en bladeren van heilige boomen daarover gestrooid. Oewijde liederen werden aangeheven , en door lofzangen gevolgd. Hot lijk werd gowasschea, met welriekende olie ingewreven en met bloemen getooid. In de oogholten en neusgaten logde men kleine goudstukken. De naaste bloedverwant wierp een welriekend kleed over hot lijk, dat vervolgens op eene houten baar gelegd en onder muziek, naar de plaats werd gevoerd aan den stroomoever, waaide brandstapel zou opgericht worden. Het vuur werd in eeno vaas den trein voorgedragen. Wen legde het lijk , even als vroeger den stervende, op koesagras neder, terwijl do bloedverwanten zich gereed maakten om in den stroom af te dalen en zich te baden. Thans richtte men den houtstapel op. Vervolgens wies men Imt lijk, wreef het met welriekende zalven in, bekleedde hot mot een linnen gewaad en zette het op do houtmijt, met het hoofd naar het Noordiii gericht. Do naaste bloedverwant wierp nu een doek over don doode, en terwijl hij iMiie brandende fakkel omhoog hief, riep hij alle heilige plaatsen aan en sprak: quot;Mogen do goden mot den vuurmond dit lijk verteeren.quot; Daarop ging hij, terwijl bij don blik naar het Zuiden koordquot;, driemalen om de houtmijt, liet zich op de linkerknie neder en hief de fakkel bij den houten greep, onderwijl do priesters zongen en baden. Terwijl het luiut opvlamde, namen de bloedverwanten zeven staven, gingen langzaam om de mijt en wierpen vervolgens over hunne schouders ook dit hout in hot vuur, onder de woorden:

-ocr page 85-

lt;30

quot;Huil u, dat gij hot vleosdi verteert 1quot; Allen, die liet lijk aangeraakt hadden, of het waren gevolgd, moesten rondom de houtmijt staan en Inmne linkerhand daarheen uitstrekken , zonder naar het vuur te zien. Ton slotte namen allen een bad in de rivier (^ii keerden naar het sterfhuis terug. Was men daar aangokomen, dan worden de quot;lijk-koekonquot; gebakken. Een dier koeken wierp men in het water den visschen toe. Op een groot blad werd voeder voor de kraaien tor zijde gezet, on tien dagen lang, — zóó lang duurde de rouw — eiken avond oen aarden vat met melk aan de deur opgehangen.

Van de volksvlijt en don koophandel der Indiërs zullen wij in het verhaal van volgende tijdperken spreken, en dit gedeelte der geschiedenis van de beschaving met een kort overzicht dor oudste Indische talen en lottorkimdo bosluiten.

Taal en letterkunde. Do geleerden, die de studie dor talen tot het doel van hun streven hebben gemaakt, zijn het niet eens, of alle menscholijke talen eon en donzolfdon oorsprong hebbon. Wij willen ons niet aanmatigen daarover te beslissen, maar alleen opmerken, dat er twee groepen van talen zijn, die zoo geheel in grammaticalon bouw als in woorden van elkander afwijken, dat om een gemoenschappelijken oorsprong vast te stellen mon meer do fantasie dan de workelijkhoid moot te hulp roepen.

Eon dier groepen is do indo-europixohe, aldus geheeten, omdat van de oudste Indische taal, het sanskriei, de talon van allo beschaafde volken in Europa zijn afgeleid. Eonige woorden van vorschillende talen mogen ten bewijze daarvoor dienen:

Sanskriet.

Grieksch.

Latijn.

Oud-Duitsch.

Nederlandsch.

1\'itar.

Ilarjip.

Pater.

Fadar.

Vader.

Matar.

Mater.

Modar.

Moeder.

Doehit ar.

amp;vyarrip.

Dol dar.

Dochter.

Soenocs.

Sunns.

Zoon.

Jl/iratar.

\'l\'p\'j.rop.

Frater.

Bhrotar.

Broeder.

Svasar.

Suror.

Svistar.

Zuster.

Vidhavu.

Vidua.

Viduvo.

IV cduwe.

Sthoevas.

Taü/ssf.

Taurus.

Sliurs.

Stier.

Soe-lcaras.

20?.

Sns.

Su.

Zwijn.

Moesch.

Mus.

Mus.

Muis.

Deze in Voor-Indiö gebruikelijke taal had reeds iu de \'i\'1\'- eeuw vónr Christus op-gehoudon do volkstaal te zijn , doch ^r zijn wetten , daarin geschreven , bewaard gebleven , wier ouderdom tot meer dan duizend jaren vóór onze jaartelling opklimt. Kenners beweren , dat bet sanskriet volmaakter is dan het grieksch , rijker dan het latijn en lijner dan beiden, liet schrift door do Brahmanen uitgevonden , was oorspronkolgk geen beeldschrift als hot chineesch en andere oude geschreven talon, maar een dat do woorden naar do klanken teruggaf.

De oudsto gedonkteekonen der sanskritische letterkunde zijn de Veda\'t, zoo als wij reeds meermalen opgemorkt hebben. Zij splitsen zich in vier doelen , Ri.y- Veda, Suma- Veda, gt;!adsjoer-ycda en Atharva- Veda. Elk dezer boeken smaldeolt zieh wedor in onderafdoe-lingen, waarvan do eone, de Sausiia\'s, de liedoren en gebeden bevatten, waarmede, de Indiërs zogen over hunne kudden en velden afsmeekten, liet morgenrood begroetten, den strijd van Indra met Vritra (den Inhullor) hordacliten , in den oorlog tot dapperheid aanvuurden, of de vreugde lor overwinning uitgalmden. Do tweede en veel jongere doelen hoeton Brakmand a. Deze brengen de zangen in verband met de olferanden en

-ocr page 86-

OEÏUXSÏIlKKltDK WUftKLDtiKSCIIl KI)F.NIS.

verklaren ile boteekonis der oude liedoren, zooals do Brahmanon die verstaan wildon hebben. Do dorde ondorafdoolingon bevatten de Soeira\'s, die korte spreuken tor loo-ring\' behelzen.

Tot do Veda\'s wordt nog de Oepanisjat gerekend, oono verzameling van opstellen uit vorschillende tijden, waardoor de Brahmanen hunne leor poogden wortel to doen schieten.

Godureiulo do eeuwen waarin do Ariërs streden om tot don Ganges door te dringen en zoowol met do oorspronkelijke bewoners als met volken van hun eigen stam moesten kampen , on derhalve krijgsbedrijven op don voorgrond traden, ontstonden talrijke heldenzangen , die de daden der moedigste strijdgenooten schilderden on bezongen. Dezo werden in lateren tijd verzameld, on daarbij in nauwon samenhang gebracht, omgewerkt en mot bijvoegselen vermeerderd, eer zij don vorm aannamen, waarin zij tot ons gekomen zijn. De beide ons uit vroeger tijd bekende heldenzangen zijn het Mahab/iarala en het Itamajana. Als vervaardiger van hot oorstgenoemde wordt Vjasa genoemd, doch dit is een naam die niets moer dan quot;verzamelaar\'\' beteekent. De vervaardiger van het tweede heet Valmikki. Beide verzamelaars en omwerkers dezer gedichten waren zonder twijfel Brahmanen. Geen wonder derhalve, dat zij op Brahraaanscho wijze zijn besnoeid en bijgewerkt, want het was liet streven van hunne kaste om aan te tonnen , dat de donk-beelden die zij wonschto te verbreiden, reeds in de oudheid de heerschende waren geweest. Hetgeen in latere tijden bij andere volken ten aanzien der geschiedenis plaats groep, werd hier met hot heldendicht ondernomen. Men veranderde het karakter van den zang en vervalschte het, zoo men dit noodig achtte. In hun nieuw kleed moesten de dichtwerken bijdragen om de priesterkaste to verheerlijken. Doch niettogonstaando dezo op zich zelve treurige polijsting, zijn de Indische heldenzangen van hooge waarde. Zij werpen licht op de oudste geschiedenis der liuliörs en goven ons gewichtige opliel-deringen omtrent hunne vroegste beschaving.

Het Mahab/aruta schetst den grooten strijd tusschen do beide nauwverwanto vol-ki\'ii dor Kooroo\'s en Pandoo\'s, terwijl de beslissende slag die eeno dor partijen de zege doet behalen, de kern van hot zoor uitvoerige epos vormt. Dat werk en de daarin vervatte episoden zijn, wat dichterlijke schoonheid betreft, weinig of niet door verzen van andere volken overtroffen.

liet Itamajana is een kunstproduct van lateren tijd. Het bevat den strijd met de wilde volken van Dokan, die daarin als reuzen en op apen gelijkende monsters werden afgeschetst. In dit epos zijn do heidon geen historische personen, maar treden op als zinnebeelden van voorvallen on toestanden. Kama, do hoofdpersoon van het dichtstuk, is van top tot teen oen hold naar hot verlangen dor Brahmanen, oen toonbeeld van alle Indische deugden. Hij verrtvert Dekan en verwekt daardoor den toorn van don koning der reuzen, Havana, wiens zetel op Coylon is gevestigd, en die hem zijne geliefde gade Sit,a heeft ontroofd. Kama verbindt zich met de wilde aapmenschen, zegeviert in een veldslag die zeven dagen duurt, en bevrijdt Sita.

\'ren aanzien van don inhoud van Manoe\'s Wetboek , hebben wnj reeds hot noodige medegedeeld. Andere opmerkingswaardige ovorblijfsolon dezer letterkunde tot op den tijd van Boeddha zijn niet voorhanden.

70

-ocr page 87-

EGYPTE,

van de oudste tijden tot op Ahabra, 570 jaren vdór Christus.

or nog Po-hi den Chineezen zijne wetten gaf, of do Kaukaaisclio nomaden-

f stammen naar Iran en den Pendsjab voorttrokken, bloeide reeds in den noordoostelijken hoek van Afrika eon staat, die wat zijne beschaving betreft, tut oene aanmerkelijke hoogte was geklommen — Egypte. stammen naar Iran en den Pendsjab voorttrokken, bloeide reeds in den noordoostelijken hoek van Afrika eon staat, die wat zijne beschaving betreft, tut oene aanmerkelijke hoogte was geklommen — Egypte.

Evenals Indiö, was ook Egypte een land vol wonderen. Doch hier waren het geenszins de schatten, dio do natuur mot kwistige hand over het Gangesland uitstrooide, welke do vreemdelingen herwaarts lokten , maar wonderwerken van vernuft en nijverheid , door de inboorlingen gewrocht, gebouwen en kunststukken, wier overblijfselen nog na ■zesduizend jaren met verbazing aangestaard worden.

Terwijl China duizenden van jaren aan de overige volken onbekend bleef, en oven weinig als Indië oen merkbaren invloed op den vooruitgang der beschaving, of op de staatkundige ontwikkeling, uitoefende, viel van de beschaving in Egypte ontstaan, een straal op het bedrijf van andere volken, en de invloed daarvan laat zich tot op don huidigen dag op de meest-verlichte volken van onzen aardbol waarnemen.

Van waar deze vroego beschaving afkomstig was, zal nimmer ontraadseld worden, \'i\'ot voor korten tijd hield rnon het voor vast, dat zij uit Indië over Ethiopië naar Egypte werd gebracht. Doch hoe vele omstandigheden daarvoor schijnen te spreken, mag men thans met genoegzame zekerheid aannemen , dat Egypte\'s beschaving veeleer uit Afrika\'s noordoosthoek tot Ethiopië is doorgedrongen. Wij vragen slechts, hoe konden do Indiërs geven wat zij zeiven niet bezaten? Eerst omstreeks \'joon jaar vóór Christus daalden zij met hunno kudden naar de Indusvlakten af en bleven nog lang eenvoudige akkerlieden, terwijl overtuigende bewijzen voor Egypte\'s beschaving in die vroege tijden nog heden aan den lieneden-ls\'ijl te aanschouwen zijn.

Egypte\'s kusten worden in het noorden door do Middollandsche zee bespoeld, en in het oosten strekken zij zich langs do Roode zee uit. ïusschen beiden ligt de Landengte van Suëz (Soeësquot;), waardoor Egypte met Arabië verbonden is. Naar hot zuiden scheidt een gebergte het Egyptische wonderland van Nubio (Ethiopië) , en naar hot westen breidt zich de groote Libyscho woestijn uit.

De oppervlakte des Lands bedraagt wol is waar (1000 vierkante mijlen, doch

i

-ocr page 88-

(ikïli.uatrkkitm; wkiiklijoksciukuknis.

bijna negen tienden daarvan zijn woestijnen. Alleen het midden heeft een vruchtbaren bodem, en wol het dal waardoor de Nijl, uit het zuiden voortgekomen, zijne wateren naar de noordkust stuwt. Alleen het Nijl dal mot do aan den mond des strooms gevormde vlakte maakt het eigenlijko Egypte uit.

De Nijl (Nil of Nil us) ontstaat uit twee groote stroomen, waarvan de voornaamste — we weten dit eerst sinds weinige jaren — uit twee onder de Linie golvende meren, de Oekerewe en Jlwoetan-Nzige, afvloeit. ITij is ruim ll()0 uren lang, waarvan bijna vijfzesden bevaarbaar zijn. liij den noordelijkste der watervallen, waarvan hij er meer zuidwaarts nog verscheldenen vormt, dringt hij, tusschen Philae en Assoean, Egypte binnen, om na oen loop van meer dan 1 ■!\') uren, waarop hij, evenmin als in Nubië, eeno enkele zijrivier, ja zelfs geen beekje, opneemt, zich, waar het kustland begint, in twee hoofd- en verscheidene zijarmen te smaldeelen, die in waaiervorm in de Middel-landsche zee uitloopen.

De beide stroomen, waaruit do Nijl ontstaat, hoeten bjj de Arabieren Bahr-el-Azrek (de Ulauwe rivier) en l!ahr-el-Abiad (do Witte vloed). Do eerste of oostelijke arm neemt eenige zijrivieren in zich op, eer hij zich met dun veel machtigor en veel langoren Witten Nijl (hij de tegenwoordige hoofdstad van hot Egyptische Soedan, Khartoem) verbindt. De vereenigdo stroom noemt onder 12o.\'J0\'noorderbreedte nog eene van do Abessinische bergen nederdalende zijrivier, den Atbara, op, een tak die de oude geographen Astaboras noemden. Van hier af heeft de Nijl, up zijn verderen loop, ruim 470 uren vor, geene enkele zijrivier, zelfs niet van de geringste afmeting. Reeds alvorens de Nijl Mgypte bereikt, vormt hij drie kleine watervallen, en bij zijne komst aldaar oen vierde, die uit het noordon, het eigenlijko Egypte gerekend, als de eerste wordt aangeduid.

De (irieken noemden hot kustland tusschen de monden van den Nijl Delta, wijl hun alzoo gehooten letterteoken een driehóekigen vorm (.\\) hooft. Wanneer men in het algemeen van de Delta spreekt, meent men ook altoos do Delta aan den mond des NijFs.

liet land aan de monden van groote stroomen is steeds aan grootu veranderingen onderworpen, inzonderheid wanneer zij veel slib of zand medevoeren. De Nijldolta ziet er derhalve geheel anders uit als nu drie- en vierduizend jaren geleden. Ter plaatse waar nu het dorp Kerkasore staat, splitste do Nijl zich in drie armen; de l\'eloesische wendde zich naar hot noordoosten en ging door de Syrische Woestijn ; de Kanopisclie richtte zich naar het noordwesten en vloeide langs don rand der Libysche woestijn; de Sebenitische arm eimlelijk vloeide recht uit, steeds noordwaarts aan, en deelde de Delta in twee helften. Deze drie armen werden weder door een net van kanalen verbonden, van welken eenigon onmiddellijk in zee uitliepen, zoodat de Ouden van zeven, en op andere tijden weder van veertien monden gewaagden. De oppervlakte van hot geheele Deltaland berekent men thans op \'JUO vierkante mijlen.

Tut aan de Delta bepalen de berghoogten als dalranden don stroom , nu eens dichter, dan weer meer verwijderd van het watervlak. Op de smalste plek loopt de Nijl door eene kloof van niet moei dan JiOO schreden breedte, terwijl op anderen de dalran den i tot .quot;) uur uit elkander liggen. Igt;e grootste breedte van den stroom beloopt ongeveer ;!()00 motor.

liet oostelijke gebergte scheidt liet Xijhlal van de woestijn , die unafgobroken zich tot de Koude zee uitstrekt. Duch achter do westelijke bergen , welke de vallei beschermen tegen de zandverstuivingen uit de Lybische woestijn, liggen enkele vruchtbare plekken, die oasen

-ocr page 89-

73

worden genoemd on tot liet oude Egypte behoord hebben. Do noordolijksto do/er oasen ligt ongeveer eeno dagreis van den Nijl verwijderd en wordt daarvan door eene lage heuvelketen gescheiden. Hier lag het beroemde, door kunst verkregen moer, dat van do (Jriekon den naam van, Moeris of Meuris, had verkregen, en waarvan wij later meer uitvoerig moeten gewagen. De meest-afgelegene dezer oasen is die van Siwah, boroemd wegens een Ammontempel, en do meest-uitgestrekte, bekend als de quot;Grooto Oasequot; (thans do Arah-el-Kharigeh), hoeft ongeveer zestien uren longto.

In oude tijden werd Egypte in Opper- en Noder-Egypte afgedeeld. Fn latere tijdon onderscheidde men nog oen Midden-Egypte. Het naar hot zuiden gekeerde Opper-Egypte had tot hoofdstad 1 hobo, terwijl Momphis do hoofdstad van Noder-Egypte uitmaakte.

Do zuidelijkste stad van Egypte was Philae, op hot gelijknamige eiland, en daar dicht bij lag het bekoorlijke rivioroiland Elephantine, met eeno stad, mede Elephantine geheeten. Boneden don oerston waterval — die intusschon norgens hooger dan 21/

inoter is en zelfs aan de scheepvaart geene onoverkomolijko hindernis in den weg stolt lag do stad Syone.

Hot klimaat van Egypte is heet en droog, maar zelfs in de nabijheid van dwi Nijl gezond. In Noder-Egypte is de lucht vochtig en warm, inzondorhoid in di^ Delta. De hitte wordt door den van Juni tot April heorschonden noordenwind gematigd, welkn luchtstroom tevens het voordeel hoeft om de scheepvaart bijzondor gunstig te zijn. Dezo noordewind steekt gewoonlijk des namiddags ten twee uur op. In April en Mei hebben do verslappende heote znidewindon gedurende ongeveer vijftig dagen de overhand, doch in werkelijkheid duren zij zelden langer dan elf dagen achtereen. Zij voeren veel elektrisch licht mede en vervangen de plaats van onwoders. In Arabië noemt men dozen wind samoem on verhaalt tallooze fabelen ten aanzien dor gevaren waarmedi\' hij inboorlingen en vreemden bedreigt. In Noder-Egypte regent het zelden , in Opper-Egypte to nanwornood elke tien jaren eens.

Bosschen zijn or in Egypte niet, slechts hier en daar groepen van palmen en

-ocr page 90-

OKÏLLUSTIIKRK Dl\') « EKHI.Dfi KSCIllr.DKNIS.

andoro boomon. Do Oudon bekommerden zich niet zoo veol om do dadels als Imnno op-volgnrs. liet Njjldal, inzonderheid do Delta, was een voortreffelijk korenland, en Egjpto goltl als de vooraadschuur van granen voor de Oude Werold.

In vroegere eeuwen was liet dierenrijk niet zoo arm als dit nu het goval is. Leeuwen huizen thans niet meer in Egypte, on do nijlpaarden, die zich toon zelfs menigmaal in de Delta lieten opmerken, zijn nu zelfs niet meer aan do zuidor grenzen te vindon, llyona\'s en jakhalzen, vossen, ichneumons en hazen daarentegen zijn dezen oorden trouw gebleven, en hot aantal watervogels Is nog bijzonder £p\'00t. Do ibis echter is, oven als het nijlpaard, naar zuidelijker oorden geweken. Do krokodillen leggen nog somtijds bezoeken in Midden-Egypto af\', doch wagon zich niet meer verder stroom afwaarts.

Paarden had men in de oudste tijden in Egypte niet, en toen zij werdon ingevoerd, gobruikte men hen langen tijd niet tot rijden, maar om voor wagons to spannen. Het kameel, de kemel met één bult, is thans overal to vinden, doch was goon huisdier dor oude Egyptonaren.

Wij hebben Egypte als eono grooto rotsplaat mot eono diepe inkerving van het zuiden naar het noorden loeren kennen, oen land, in wolks benedengedeelten zich doorgaans gedurende gemiddeld \'240 dagen geen wolkje aan den hemel vertoont, en slechts hoogst zoldon regen valt, terwijl in Opper-Egypte zelfs een rogenbui eon voor velen ongewoon verschijnsel is, en do thermometer niet zelden tot 105, ja tot -1 \'20 graden (l\'ah roti heit) in do schaduw klimt. Ilrt land zou oeno woestijn wezen zonder don Nijl-stroom. Dezo is als het ware do vader en moedor van Egypte on de bewerker van al het wonderbare door \'s lands ingezetenen voortgebracht. Het onkel aanwezig zijn van dezen stroom zou nochtans niet voel te beteokenen bobben en do dorre landen, waardoor liij vlooit, niet vruchtbaar maken. Doch geregeld treedt do Nijl allo jaren buiten zijno oevers, en do goheole vlakte tot aan do hoogo oeverranden is dan oen uitgestrekt moer, waaruit do bewoonde plaatsen met hare huizen en boomgroepen als zoo volo eilanden oprijzen. Treedt do stroom weder in zijn bed terug, zoo laat hij een slib achter, dat zich sinds duizniulon van jaren opoenhoopte on hot Land tot een der vruchtbaarste op aarde maakte.

Dit vermeerderde watoraanvoor des Nijl\'s wordt veroorzaakt door do aanhoudende regenbuien , die geregeld tegen het einde van Februari in do tropische landen aanvangen en zich tot don 17(li;n graad noorderbreedte uitstrekken. In het midden van Juni begint bet water van don stroom in Opper-Egypte to stijgen, on tegen het eirule van Juni bereikt d\'\'Zlt;\' vloed de Delta. Ilet water keert tegen het oindo van September bin-non do oevers terug. In October wordt hot land droog en bezaaid, en in hot begin van Maart is het oogsttijd. Hot is licht te begrijpen, dat de Egyptonaren naar dit rijzen i\'n dalen van hot Nijlwater het jaar in drie dooien ondorscheidden : don groentyd (ongeveer November, December, •lanuari en Eebrnari), den oogsttijd (zoo ongeveer (.Maart, April, Mei en Juni), en den waterlijd (Juli, Augustus, September en October). De maanden dor Egyptische tijdrekening kwamen geenszins volledig met do onzen overeen: zoo begon do groentijd met don ls,l\'n Thot, die op don \'259lequot; October viel.

De N\'ijl klimt niet allo jaren oven hoog. Blijft liij laag, zoo ontstaat oen schrale oütrst. Om doze zoo voel mogelijk te voorkomen, had mon reeds vroeg hot Land met kanalen en sluizen voorzien , opdat het water naar punten kon komen, die wellicht niet door do overstrooming zouden bereikt worden. Ook waren deze kunstwerken van belang om eono plotselinge daling te voorkomen.

Door hot gedurende duizenden van jaren aangevoerde Nijlslib is niet alleen bet

74

: i

-ocr page 91-

KOYl\'TE (lN DEN IirSÏOllISClIKN SAOENTIJD).

bod dor rivier, maar ook do gohoolo Nijlvalloi aanmorkelijk verhoogd geworden. In de alleroudste tijden scliijnt geheel Nedor-Egypte een moeras geweest te zijn , dat van lieverlede in het heerlijke vruchtdragende land word horschapen , dat nu reeds tallooze geslachten als zoodanig kennen. Op de zuider grenzen hooft het bebouwbare land van Oppor-Egypto alle 188 jaren ongeveer een voet in hoogte toegenomen, terwijl daartoe bij Thebe 2ii jaren noodig waren. Men kan dien ten gevolge uit do diepte der grondmuren van oude go-denktoekonen hun ouderdom berekenen, hetgeen een voortreffelijk middel aan do hand geeft om de juistheid van verschillende tijdreken kundige vragen na te gaan. Een natuurlijk gevolg van deze verhooging des lands is dat do overstroom ingen niet moer zoo ver doordringen als in vroegere tijden. Aan eene rots boven den tweeden waterval ziet men het peil van voor 4000 jaren aangegeven : het is 7 tot lt;8 meter hoogor dan heden ten dage.

De oorspronkelijke naam van Egypte is K e m i, on de beteekenis van dit woord zwart, want zwart was de grond, in vergelijking niet de omringende woestijn. De Grieken (o. a. Homer) noemden den stroom iE gyp tos, welke naam op het gansche land word overgedragen. De naam Noil os (Nijl) is van lateren Griekschen oorsprong. Do oude Egyptonaren noemden den Nijl quot;don groeten stroomquot; , Aur-aa, of in do heilige taal llapi. In het koptisch hoot do rivier Jaro, in hot hebreeuwsch Jaoer. De naam Neilos wordt van hot somitiscli woord Nahor afgeleid.

Hot Nijlwater is ook het eonige drinkwater der Egyptonaren en doorgaans aangenaam en gezond. Doch in de oerste dagen zijner zwelling verandert de stroom van natuur. Het water wordt groen en slijkerig, ton gevolge der meegevoerde plantondeelon uit Soedan. De stank dien het dan verspreidt, is afschuwelijk en geen filtreeren baat. Deze toestand duurt gelukkigerwijze slechts drie of vior dagen, gedurende wolken tijd de inwoners geen ander water drinken dan hetgeen zij vooraf hebben ingezameld.

Na eeno stijging van tien tot twaalf dagen, doot zich oen merkwaardig, tot nog toe niet genoegzaam verklaard verschijnsel, voor, t. w. quot;do roode Nijl.quot; Hot moer of minder troebele water ziet alsdan bloedrood. In een glas gegoten, levert hot water te dezon tijde het volgende verschijnsel op. Een vierde van het glas is mot zwart slib gevuld , in hot midden is helder water, en bovenop drijft de ondoorzichtbare bloedroode massa. Dit kleuren is intusschen op de deugdzaamheid van hot water van geen invloed. Do tijd van hot stijgen des waters is voor allo bewoners van Egypte oen tijd van vreugde.

Ofschoon geen volk der aarde ons zoo vele godenktookenen uit overouden tijd nagelaten heeft als de Egyptonaren , en niettegenstaande do moestn zoodanige werken met schrift over dokt zijn, is liet toch niet mogelijk om oono doorloopendo geschiedenis dos Lands daaruit samen te stellen. Griekscho goschiedschrijvors (zooals Herodot on Diodor), mannon van vernuft en eon helder doorzicht, die Egypte ton tijde van zijn grootston bloei bezochten, hebben ons wel is waar allerbolangpjjkste berichton omtrent\'s Lands ontwikkeling en do zeden dor Egyptonaren ovorgolovord , doch hetgeen zij ton aanzien van Egvpte\'s geschiedenis vernamen, bestaat voor een groot gedeelte uit blijkbaar opgesierde sagmi en mist don noodigon samenhang. Moer licht leveren de brokstukken van oen , helaas verloren gegaan, historisch werk, door een geloerd Egyptisch priester, Manetho, op het verlangen zijns konings (l\'tolomeos Philadelphos), in hot begin der U\'lu ouuw vóór Christus, in het grioksch geschreven. Manetho had do archieven van Memphis i\'n Helio-polis daaraan ten grondslag gelogd. Do vermelde brokstukkon zijn in de schriften van andere mannon opgenomen, in do eerste plaats eene lijst der door Manetho vermelde koninklijke geslachten.

75

-ocr page 92-

70 OEÏtiTiUSTRKKItl)E WKtlELDGKSCIIIKI) TiNIS.

Hot is bnwczon, dat Manetho niot alleen allo dynastiön hooft opgegeven die hot go-heelo land hebben bestuurd, maar ook dio wolko te zelfdor tijd zoowel in Opper-als in Noder-Egypte als heerschors worden geëorbiodigd. Daardoor is oono zoo groote verwarring in dn chronologie ontstaan, dat geloerde ondheidlconners tot geheel van elkander afwijkende uitkomsten kwamen. Plato, die omstreeks het jaar 380 vóór Christus loofde, schatte den ouderdom van het Egyptische rijk op 10,000 jaren. Latere onderzoekers hebben nu eons hot jaar 5702, anderen tiog anderen 364.\'! vóór Christus als

dat van het optreden dor eerste Egyptische koningsdynastie aangenomen.

Wij vinden dat bijna alle Oostersche volken hunne oudste helden of heerschors als goden of halfgoden eerden. Dit is ook bij de Egyptenaren het geval. Zij werden eerst door quot;goddelijke dynastionquot;, waarscliijnlijk priesters, bestuurd. Doch van waar deze en de Egyptenaren zelvon kwamen, weten wij geenszins mot zekerheid. Do eonige middelen om daarachter te komen leveren do taal, do schodelvorming en do lichaamsbouw des volks. en deze allen wijzen aan , dat de oude Egyptenaren van Kaukasischon

stam zijn. Doch wanneer deze aan den Nijl wonende stammen Azië hobbon verlaten , on langs wolkon weg zij don noordoosthook van Afrika beroikt hebben, is geenszins met juistheid op te geven.

De liriekseho geschiedschrijver Diodor voort als bewijs voor hot ontstaan der Egyptische beschaving uit de Ethiopische eeno menigte overeenkomsten aan , die ook werkelijk plaats vindon, maar zeer natmirlijk zijn, daar de Ethiopiërs juist hunne gansche beschaving van do Egyptenaren (onder de Di\'le dynastie hunner koningen) bekwamen. In jongere tijden gevonden bewijsstukken laten daaromtrent niet den minsten twijfel over.

Volgens den Bijhei vestigde Mizraim, de zoon van Kham en broeder van Kanaan en don Ethiopiër Kosh, mot zijne kinderen, zich aan don oever dos Nijl\'s. Loedim , de eerstgeborene van dit kroost, stelt als het ware de stamvader der ond« Egyptenaren voor, zoo als Kotoe en Ciodoo derhieroglyphischo schriften. Anamim vertegenwoordigt tamelijk juist bet groote volk der Anoe\'s, die het noordelijke On (Ileliopolis) en hot zuidelijke On (Horinonthis) in voorliistoiisclien tijd stichtten. Leliabim is hot volk der Libyers, dat westwaarts van don Nijl woonde. Naphtoorsim (No-I\'htah) zette zich in de Delta noordwaHrts van Memphis neder, en eindelijk bewoonde l\'athroesim het gebied tus-schon Memphis en den eersten waterval, (1\'a-to-res, het land van \'t Midden). De onde geographen waren mot do overlevering ten aanzien van de overkomst der Egyptenaren uit Azië over de Landengte van 8uëz welbekend, doch do meening, dat de

-ocr page 93-

WIYPTH (IN DUN VOOIUIISTOIUSCIIUN S.VOHMIJD).

vooroutloron dor pharao\'s uit Ktliiopiü waron gekommi, werd do hoorschonde. Mon behooft ochtor slechts do ligyptischo .standbeelden aan to zien, om te weten, dat doEgyptonaren tot bi\'t Kaukasischo ras belmoren en niet uitzagen zoo als de tegenwoordige Kopten, die mon gfidurendo langen tijd voor de echte nakomelingéi) der oude , onvermengde Egyptonai\'on hield.

De oude Egyptonaren behoorden tot een inenschonras, dat volkomen overeenkomt met do Konnons of Barabra\'s, die tegenwoordig Nubiö bewonen, lüj de Kopten vindt men geen dor karakteristieke kenmerken van de oude Egyptische bevolking. De Kopten /.elven zijn de nazaten eener verwarde vermaagschapping van al de volken, die na elkander in Egypte geluüst hebben. Men dwaalt wanneer men bij hen do toekenon van hot oude ras terugvinden wil.

De voorname Egyptonaren uit don togonwoordigen tijd zijn mede nakomelingon van met elkander vermengde rassen. Dan do gewone boeren, de Fellahs, zien juist er zoo uit als do Egyptonaren die op do oude gedonktookenon staan afgebeeld. Deze waren over het algemeen groot, mager, slank. Zij hadden volle en breodo schouders|eenegewolfdo borst, krachtige armen, fijne langwerpige handen, smalle heupen, sterk gespierde boenen, lange en smalle voeten. liet betrekkelijk groote hoofd vertoont in den regel een zacht, bijna melancholisch gelaat. Het vierkante voorhoofd is eer laag dan hoog. De neus is kort en rond. De oogen zijn groot en staan wijd open, de wangen vol, en de lippen breed, doch niet omhoog gekruld. De tamelijk groote mond heeft moest eene melancholisch lachende uitdrukking. — Ook de Egyptische taal verraadt haar hebreeuwsch-arameïschen (semitischen) oorsprong. — Dat do eerste landverhuizers die zich aan don Nijl nederzetten, daar zwarte mannen vonden, welke zij verdreven, is waarschijnlijk.

Do eerste dynastie zetelde in Oppor-Egypte, in het land This, waaraan Abtoe (Abydos) tot hoofdplaats strekte. Een koning uit dit geslacht in de Heilige Schrift Mena en elders Monos genoemd, voelde zich opgewekt om voor zijn stam eene moer noordwaarts gelegen residentie te stichten. Hij noemde de stad, die hg bouwde, Manowor (goodo plaats) en wijdde haar toe aan den afgod I\'htah, waarnaar zij in de heilige taal don naam van Ha-Ea-l\'htah (woning van I\'htah) erlangde. Dit is de stad Memphis, wier stichting de kundigste oudhoidkonnors onzer tijd tot het jaar !W02 vóór Christus bepalen. Om plaats voor den aanleg dezer stad te winnen, verhaalt men, dat Menos den loop van don Nijl veranderde, door het bed meer oostwaarts om te buigen. Hij richtte voor i\'htah oen tompol op, en zijn zoon Athothis (of Tetu) bouwde een koninklijk paleis.

Menos word de stichter der eerste dynastie, die 253 jaren regeerde. Er wordt van hem verhaald, dat hij den Egyptonaren het voorbeeld gaf om als beschaafde menschen te leven, onder anderen om des middags op kussens rustende, den maaltijd te nemen, een voorschrift, waarvoor hij, volgons een opschrift op de pyramide die een koning uit de \'ii8tcn dynastie oprichtte, door dien opvolger werd vervloekt, waarschijnlijk omdat deze do door Menos ingevoerde gemakken in het leger te velde geheel moest derven. Volgons de door de priesters geschreven heilige liedoren, werd Monos door oeno zware straf boloopen, omdat hij de priesterheerschappij fnuikte. Hij word namelijk -zoover-halen do gewijde schriften — na eene regeoring van (i\'J jaren door een nijlpaard omgebracht.

Van de 2lll: 011 dynastie, van welke do een 302, de andere 214 jaren te Memphis regeerde, weton wij weinig. Kaiokhos (Kakeoo), een koning uit het tweede stamhuis, verklaarde den stier Hapi (Apis) te Memphis, den stier M no vis to lldiopolis en don bok Mendes tot goden. Zijn naam heet ook quot;Hul der Hullen.quot; Zijn opvolger willigde aan de vrouwen van koninklijken bloede hot recht van erfopvolging in. De koning gold als do quot;Zoon der Zonquot; (Se-Ra), en opdat zijn nageslacht in het bezit

77

-ocr page 94-

van d\'Mi troon zou blijvon, mooalcn vrnnwnn opvolgon indien manitolijko crfgpnamon ontbraken. Khi ovnrwoldiK\'1\'!\' wen! uit ilji\'ti hoofde perst als vvorknlijk koning erkend, wanneer lüj zich met enne quot;Prinses van den bloedequot; door den ocht verbond.

De eerste koning van het 3l\'c stamhuis voerde oorlog met do Iiibyers, die tegen hem waren opgestaan. Toen de legers tegenover elkander stonden, vertoonde de maan

-ocr page 95-

F,( 1VPTE (IN DEN VOOIUIISTORJSCIIF.N SAGENTIJD).

zicli buitengewoon groot aan hot oog. Dat zagon do Libyors als oen toeken van don god-dolijkon toorn aan, weshalve zij zich onderwierpen, \'s Konings opvolger Tosorthes en de andere monarchen dezer dynastie bouwden de oudste der zoo bewonderenswaardige ge-denkteekenen. Daarvan aanschouwt men nog de l\'yramiden aan don rand der Libijsche woestijn. Ook droegen zij zorg voor de uitbreiding van bot hieroglyphisch schrift.

De stichter der vierde dynastie, Snevroe of Sophoeris (Soris bij Manotho), liet do kopermijnen en turkooizengroeven op hot schiereiland van den Sinaï bewerken en bouwde op de grenzen naar die zijdo vestingen. Hij, evenals zijne opvolgers, toonden nog meer lust om te bouwen dan de koningen van het ö\'lquot; stamhuis en onderdrukten hot volk, dat bij het oprichten van pyramiden die tot graven dor koningen moesten dio-non, slavendiensten moest verrichten. Ongeveer dertig godenkteekonon van deze (ingeboorde dwingelandij staan nog. Van veertig andoren herkont men nog do overblijfselen) en waarschijnlijk is hot getal groot van die, welke geheel verdwenen zijn. De grootste di\'zer pyramiden bouwde koning Khoefoe (bij de Grieken Kheas), wien Horodot schotste als een geweldig dwingeland, die vijftig jaar regeerde en gedurende dertig jaren\'100,000 men-schon aan dit grafgesteente liet werken. Horodot verhaalt van hem, dat hij do goden verachtte en do offeranden verbood. Kene andore sage luidt, dat Khoefoe in zijn ouderdom vroom werd en zelfs een heilig boek schreef. Er wordt verder van hem verteld, dat, toon zijn geld op was, hij de gunst zijner dochter aan de rijken verkocht, en als oen bewijs hoe vele minnaars zij vond, is medegedeeld, dat zij van de steenen die elk minnaar haar moest geven, eene vrij aanzienlijke-pyramido liet oprichten. Eone rotsplaat aan don Sinaï levert het bewijs dat deze koning eveneens do daar aanwezige kopermijnen liet bewerken.

De gedenkteokonen zolven weerspreken het verhaal van Horodot, dio zijne medodoo-lingon aan do priesters ontleende, want het gestoent« getuigt zonneklaar, dat Khoops de goden mot ijver diende. Zijn opvolger, Khafra (Kephron), bouwde eveneens pyramiden. Doch hot schijnt, dat het volk dien last moede werd en tot opstand kwam, hetgeen bevestigd wordt, doordien men verbrijzelde beelden van dezen koning in eene schacht (nevensden Sphinxtempol) hoeft gevonden, waar zij duizenden van jaren moeten gelogen hebben.

Ook Menkera (Mykorinos) richtte pyramiden op en was een vroom man. (Horodot verhaalt van de dorde dor pyramiden van Dsjizeh, dat dit gesteente gebouwd werd door koning Menkera, den Mykorinos der Grieken, den zoon van Kheops, een vroom, rechtvaardig en mild heerschor). Hij zond zijn zoon Hordoedoow uit om vervallen heiligdommen te herstellen en nieuwe te bouwen. Op dien voorgoschreven tocht vond hij het 649tc hoofdstuk van het Boodenboek te Sesoen (Hermopolis), aan do voeten van don god Thot, mot blauw schrift oj» eene tafel van albast geschreven.

Zijn opvolger Aseskaw (door Horodot Asychis en door Diodor Sasychis genoemd) is door den laatstgenoemde als een dor vijf groote wetgevers van Egypte vermeld. Hij regelde de plechtigheden by don godsdienst, vond de geometrie uit en do kunst om de sterren waar te nomen. Van zijn tijd dagteekent de wet, waarin werd toegestaan de mumie zijns vaders te verpanden. Doch werd de schuld niet betaald, dan behield de pandheer het lijk van den afgestorvene, en het in gebreke gebleven familielid kon geen graf bekomen.

Tijdens de te Memphis heerschende .quot;j\'10 dynastie, onder koning ïota, verhief zich een vorst van Abydos (Elephantine), met name Oosarkara Ati (de 01,heus van Manotho), tot koning van Zuid-Egypto. Hij word vermoord, doch een van zijn gezin, Meri-Ua l\'api I, bleef koning, en zoo verloren do nakomelingen der .Vli\' dynastie hunne macht.

Deze (id\'- dynastie, welke niet te Memphis, maar to Abydos residoerdo, vergrootte

79

-ocr page 96-

80 GKÏLI.USTllEEIIDE AVERELDGESClIIEDENIS.

aanmorkolijk do uitgostrekthoid van hot Egyptische rijk. Imondorheid vond dit plaats ondor don tweedon hoerscher, den reeds genoemden koning I\'api T, die door een buitengemeen werkzaam minister, Oona, daarbij werd ondersteund.

Oena was op jeugdigen leeftijd als page aan hot hof gekomen, won de gunst dos konings en ontving van hom roeds vroeg een ambt en bjjzondoro lastgevingen. Met zoo voel doorzicht bracht de jonkman die ton uitvoer, dat hij tot vriend dos konings en intendant van het huis der koningin werd benoemd. Welhaast stond hij aan het hoofd van alle takken van dienst. Do bij Sinaï gelegen bergwerken waren door Papi weer veroverd. Oena regelde den bergbouw op eone zoo voortreHVlijko wijze, dat daardoor \'s Lands inkomsten aanmerkelijk vormoerdordon. llij liet een weg door de Koptische woestijn tot aan do kust van de Koodo zoo aanleggen, gaf aan eene nieuwe stad hot aanzijn en richtte tempels en andere gebouwen op.

Oena was daarbij eon kundig veldheer. Een groot leger op de heen gebracht hebbende, waarbij hij negers als recruton inlijfde, veroverde hij Nubiö en onderwierp, ofschoon eerst na herhaalde veldtochten, een machtig volk in het zuiden van Syrië, dat do Heroesja\'s, wordt genoemd, en waarvan verhaald wordt, dat het in opstand was gekomen. Hij zijn zegepralenden terugkoor uit dozen veldtocht verleende do koning hem de hoogste oor die bij bewijzen kon: aan don minister werd het recht gegeven , in het paleis des konings, f^n zelfs in diens tegenwoordigheid, — zijne sandalen aan de voeten te houden!

Onder Papi\'s zoon en opvolger Merenra, werd Oena stadhouder van hot gansche land, van Eliphantino tot de Delta. en kreeg don eervollen last om de bouwstoffen voor \'s konings grafgesteente (pyramido) en eono doodkist bijeen te brengen. Het was oen bevel, dat hein een geheel jaar bozig hield. Ten einde alles behoorlijk uit te voeren, moest hij niet alleen schepen laten bouwen, maar ook kanalen en dokken laten graven.

Nowerkara (bij do Grieken Papi II), de jongste broeder van Merenra, rogeerde, volgens Manetho, honderd jaren en zorgde dat hot rijk op de hoogte bleef, waartoe zijn broeder het had verheven. Doch na Noworkara\'s dood braken onlusten uit.

Mentesoophis werd vermoord.

Op hem volgde zijne zuster en gemalin Nitagrit (Nitokris), quot;do schoone, met de !ozewangen die don dood van haar gade wreekte. Zij noodigde alle grooten, die aan de samenzwering dool genomen hadden, op oen groot gastmaal. Eensklaps liet zij een heimelijk gegraven kanaal openen. Hot water stortte zich in de ondoraardscho zaal, en de gasten verdronken.

Nitokris voltooide de derde groote pyramido, die Menkera onvoltooid had gelaten, en maakte haar tot een der schoonste van zoodanige gesteenten. In deze pyramido werd ook hare lijkkist, van blauw bazalt, bijgezet, on dit gaf aanleiding tot de dwaling, dat do oprichting van deze pyramido alleen aan haar to danken was.

Latere (irieksrbe toeristen in Egypte, die hunne gidsen van do quot;schoono met do rozevvangenquot; boorden vertellen, stelden daaruit een verhaal op, waarin zij do geschiedenis van Nitokris op oene jammerlijke wijze verminkten. Volgons hen was deze schoone, dio zij den meer weiluidenden naam gaven van Khodopis, eone betera. Toen zij zich eons in den Njjl baadde, greep een arend een barer sandalen, vloog daarmede weg en liet het schoeisol in den schoot des konings vallen, op een oogenblik dat doze op het marktplein als rechter was gezeten. Door dit wonderbaar verschijnsel en do buiten-gi\'ineeno kleinte van do sierlijke sandaal verrast en opgetogen, liet de monarch door geheel Egypte naar de eigenares zoeken. Khodopis werd gevonden en koningin.

In latere tijden, onder de beerscbappij der Arabieren, ontstond, met betrekking tot

-ocr page 97-

UOÏP\'J\'B (in dkn VOOHllJSTOlUSCIlEN SAGKNTI.IDj.

dn pyrainido van Nitokris eoni^ andere sage. Do geest dor stichteres verscheen, inzonderheid tegen don middag en bij zonsondergang, in de gedaante van eeno bekoorlgko naakte vrouw , die door gebaren do voorbijgangers toolonkto. Doch wie zicli verlokken liet om zich aan hare omarming over te geven, verloor onmiddnllijk het vorstand en moest rusteloos door hot land zwerven.

Met betrekking tot de geschiedenis van K gyp te na den dood van Nitokris weten wij heel weinig. Do bloei van het rijk onder deze dynastie was geenszins van langen duur. Na anderhalve eeuw ging de heerschappij op eeno koninklijke familie over, die uil llerakloopolis (oud-Ugyptisch Ilakhnensonten, quot;do woning van hot koningskindquot;), afstamde, eone overoude, zuidwaarts van Memphis gelegen stad. Dezo plaats werd befaamd door do heerschappij van een vorst, wien de Grieken Acbtlioes noomden , quot;\'een man die zich door ontzettende wreedbeden onderscheidde, eindelijk in krankzinnigheid verviel en door een krokodil verslonden werd. Te llerakloopolis schijnen de en I () dynastiön geheorscht te hebben. \'I\'ogon hen verhieven zich do vorsten van Thebe, die hun allengs de heerschappij over Kgypte ontrukten, en wier 10 koningen de I M1\' (de I Thebeïselu! dynastie) vormden.

Na langen tijd vol binnonlandsche onlusten rn verdooldliedon, gidukto het eerst onder do Idynastio do heerschappij over geheel Egyjite in één hand te horeonigon.

De eerste koning uit dit stamhuis, Ainenemha 1 rJü.SO -2\'M I vóór Christus), was niet alleen een dapper, maar ook een verstandig man. De wijsheid van dien vorst word tot een spreekwoord. Ken tijdgenoot schreef onder \'s konings naam een klein werk, slechts weinige bladzijden groot, waarin onderrichtingen voor den troonsopvolgor door oonige levensbijzonderheden van Amonomha gevolgd werden. Xog duizend jaren later beschouwde men dit schriftje als een klassiek werk, en de kweekelingen in de scholen moesten het als eeno oefening in den stijl overschrijven. Amenomha gaf zich de grootste moeite om de gevp]gen der binnen- en buitenlandscho oorlogen uit te wisschen en zijn volk gelukkig to maken. Nadat hij wijs geregeerd en oud geworden was, nam hij zijn zoon Oesortose.u 1 (Sesortosis) tot tnedorogent aan en liet aan diens jeugdige krachten bet voeren van het bewind over. I)it was oen verstandige maatregel, want zonder deze schikking zou het niet aan pretendenten voor do kroon ontbroken hebben , daar Amenomha eerst na oen harden strijd do heerschappij verworven had. Al zijne opvolgers namen zijn voorbeeld ter harte. Onder hom verkreeg hot oude rijk to Memphis zijn hoogsten glans.

De acht koningen dezer IS\'1® dynastie rogeerden \'iKi jaren I maand en \'■21 dagen. De geschiedenis hunner heerschap))!) treedt helderder voor onze oogon dan die van hunne voorgangers. Zij waren dappere krijgslieden, die, zonder veroveraars te willen zijn, do grenzen dos rijks uitbreidden en haar tegen de invallen van barbaren be schermden. Zij zorgden voor den landbouw en maakten zich bijzonder verdienstelijk door het regelen dor jaarlijksche ovorstroomingen van den Nijl, terwijl zii (1(^ steden door kunstwerken versierden.

De volken aan gene zijde dor Syrische grenzen, even als nog in onzen tijd liedoeïnen geheeten, ondernamen niet zelden strooptochten (razzia\'s). De Kgvptenaren noemden hen bij hun rechten naam quot;spitsboeven en plunderaars,\'\'\' en de liedoeïnen lieten zich dien naam (Shasoe\'s of Shoe\'s) welgevallen. Men noemde hen ook Sati\'s (boogschutters.) Om de grenzen te beveiligen, hadden reeds do vroegere koningen van do Koode zee tot den Xijl sterkten aangelegd en don toegang van de woestijn bij de VVadi-Toemilal door een muur versperd, die de uiterste grens vormde naar het Oosten.

De gemeenschap met Syrië hau in de eerste tijden weinig te beteekenen, Men wist in Kgypto weinig of niet van de daar gezeten volken , ofschoon dikwyls vluchtelingen van

I. ü

81

-ocr page 98-

(iki\'i.m.\'strhiidk werelüohschif.dekts\'.

daar naar liot NijUand overkwamen, wior beschaving voor die dor Egyptenaren weinig bohoefdo onder te doen.

Igt;(gt; gedenkschriften van een vlnrhteling uit dien tijd, te weten van zekeren Sineh, bevatten berichten over Ameneiuba en diens zoon , wier bescherming hü echter niot behouden schijnt to hebben. Hij moest althans Egypte ontwijkon en zich tot Edomieten begeven , die hem gastvrij ontvingen , en bij wien lüj eer en roem inoogstte. Aan hem danken wij oene beschrijving van liet leven der Hedouïnen te dien tijde - voor 4000 jaren — welke van biinno levenswijze in onzon tijd weinig of niet afwijkt. Sineh huwde de dochter van een opperhoofd en werd zelf boofd van een stam. Hij verwierf roem wegens zijn heldenmoed, üo koning van Ternoe benoemde hein tot zijn veldheer, waarop hij een aantal voorspoedige rooftochton ondernam. Doch hij wekte ook den nijd op van een dapperen strijdgenoot uit Ternoe, die bij zijne landgenooten eveneens oen grooten naam bezat. Deze noodigdo Sineh tot een tweestrijd uit. De kamp vond in \'s konings tegenwoordigheid on die van alle stamhoofden plaats. Sineh had het geluk zijne tegenpartij onmiddellijk eone pijl. in den hals te schieten, waardoor deze vijand dood voor zijne voeten nederstortte.

De I -i\'111 dynastie, bleef zich in het bezit der bergwerken (kopennjjnen en groeven van turkooizen) op bet Sinaï-schiereiland handhaven. Zij vergenoegde er zich echter mode,om de werken en rle mijnwerkers te beschermen, zonder zich om de overige bewoners dor streek te bekomraoron.

Uevaarlijker dun de Hedoeïnen waren de volken van het zuidwaarts gelogen Kthio-pie, vooral dio welke langs den Nijl woonden. Onder Oesortosen 111 werd de onderworping van Xubië voldongen en Semneh, dicht bij den tweeden waterval, tot hot zuidelijk uiteinde van Egypte gemaakt. Semneh was de beste plaats om zich het bezit van het Nijldal te verzekeren. Do watervallen te dier plaatse kunnen niet dan bij zeer hoog water bevaren werden, en op de in de stroom vooruitdringonde rotsen werden forten gebouwd, die niet alleen met muren en torens, maar ook met grachten en een glacis voorzien werden , in den smaak onzer hedendaagsche vestingwerken.

Oesortosen III legde zuidwaarts van Elephantine oene stad aan, die hij naar zich lloroe-Khakera noemde , hetgeen zooveel be teekent als de Weg van Khakera, wat \'s konings bij n.iam was. Op dit voetspoor bouwde zijn zoon Amenomha lil tegenover Pselkis eene sterke vesting. Deze groote. koning liet op eene rots bij Semneh den waterstand der Nyl\'s aanduiden, en aan dit peilteeken hebben wij do kennis te danken, dat de vloed destijds 7 meter hooger steeg dan tegenwoordig. Dezelfde koning verwierf zich groote verdienste met betrekking tot den landbouw, naardien hij de overstrooming van het Nijl water beter regelde en daardoor tevens van de noordelijke oase een paradijs maakte.

Om dit te bereiken, besloot hij een groot waterbokken aan te leggen, hetwelk in den nood zou voorzien, wanneer de overstrooming van den Nijl niet den gewonen stand bereikte. Kenige mijlen van Memphis is eene opening in de Libysche bergketen, die tot eene vallei den toegang verleent, welke allengs in breedte toeneemt. De groote hoogvlakte in het midden van het dal heeft op de westzijde eene diepte, waarvan de randen destijds een meer van ruim tien uren in doorsnede omvatten. Dit meer liet do koning door 1quot; meter hooge en 50 meter hreede dijken omringen , met een omkring van ruim iO uren. Twee kanalen met sluizen stelden het door \'t opwerpen van de dijken verdiepte bed in gemeenschap met den Nijl, welks water tijdens de overstrooming herwaarts vloeide en in het bekken werd teruggehouden wanneer de groote stroom weer binnen zijne oevers terugkeerde. Zoo word een nuttig waterhekken verkregen om bij onvoldoenden waterstand van den Nijl de oeverlanden te drenken , terwijl bij te grooten overvloed het overtollige nat werd afgeleid.

Aiiieiiemhn III rj\'j\'j I \'Jl 7!) vóór Christus) voltooide nochtans slechts hetgeen zijne

8lt;J

-ocr page 99-

IxiyPti: (jn den vooiiinsTomsciiKN saduntijd).

vooi\'pangcrs begonnen waren. Immers, reeds Araenemha I on Oesortosen (Sesortosi.s) I wijdden aan Fajoem (zoo hoet thans do oase), hunno opinerkzaainhoid, en men vindt van den laatstgonoemdo gedenkteekenen te Sjed, hotgeon de O rieken Krokodilopolis en lator Ars in oii noemden. Amenomlia lil vestigde te dezer plaatse zijne residentie en bouwde er oen paleis, alsook eene pyramide, zijn graf. Hot paleis word later oon tempel en verkreeg den naam van Lope-ro-hoont, het Labyrinth dor Grieken, die ook den aanleg van het meor een koning Moeris, of Meuris, toeschreven, doch wiens bestaan evenzeer denkbeeldig is als dat van andere door (Iriekscho sch rij vors vermelde vorsten.

liet Labyrinth lag op de oostzijde van het moer, op eene kleine vlakte, die tegenover Krokodilopolis omhoog roes. liet gebouw vormde een vierkant van \'JOO meter lengte bij I7n meter breedte. Het van witten kalksteen opgetrokken front was naar don kant van t meer gelegen. Alle overige zijden bestonden uit aaneengovoegdó granietblokken. liet merkwaardige gebouw schijnt in latere eeuwen door de vorsten der Dodekarchie weder hersteld en vergroot te zijn.

Do firieksche gosehiodschrijver llorodot beeft dit doolhof zelf bezocht en besehreven. Hij zegt: quot;Hot Labyrinth ligt een weinig boven het moer Moeris, niet ver van de stad, die genoemd wordt de Stad dor Krokodillen. Ik heb bet zelf gezien, en het gaat alle beschrijving to boven. Want wanneer iemand alles te zatnon voegde, wat door de Hellenen aan muren en gebouwen is tot stand gebracht, zou bij ondervinden, dat al de daaraan bestede moeiten en kosten beneden dio van het Labyrinth blijven. Kn toch.

-ocr page 100-

84

Jo tmnpol.s van Epliosos un Samos hobbon vrij wat to botoekenen. Wol zijn reeds do Py-rainidoii bovon allo boschrijving1 bowonderenswaardig, en oik van haar weegt tegen eoiio menigte Uolleensciio gebouwen op; doch hot Labyrinth overtreft nog do Pyra;nidon. Want het hooft twaalf overdekte hoven, wier poorten tegenover elkander staan, zes naar het Noordon en zes naar het Zuiden, de een naast de andere. Ook omsluit hon naar iiot Westen een en dezelfde muur. De zalen zijn tweeërlei, eenigon boven, andoren endorde aarde, ÜOUÜ in getal, 150Ü van iedere soort. Do bovenste vertrokken heb ik zelf gezien en bon or doorgegaan , zoodat ik daarvan als ooggetuige kan sproken ; doch die ondor do aarde kon ik alleen uit mededeelingen, want de Eg^ptenaren die als opzichters waren geplaatst, wildon die zalen mij niet laten zien, omdat, zooals zij zeiden, daar de begraafplaatsen zijn der koningen , die het Labyrinth van don grond af gebouwd bobben , en ook do krokodillen. Do bovenste vertrekken echter, die ik gezien heb, zijn bovonmonschelijke werken, want do menigvuldige deuren in de reokson kamers en do slan^vormigo gangen over do hoven leveren duizenden wonderen op. Nu komt tnon uit oen bof in do vertrekken, dan weer uit do vertrekken in galerijen, en uit de galorijon weder in rijen kamers. De zolderingen van die allen, evenals do wanden, zijn van steen, uitmuntend in elkander gevoegd. Daarbij zijn de wanden vol van ingo-houwon hioroglvphttii. Iedere hof hooft zuilengangen in zijne gansche uitgestrektheid en is grootondoels van witte, in elkander gevoegde steenen gebouwd. En in den hook, waar het Labyrinth zijn einde hoeft, staat oeno pyramido van 40 vademen. Daarin zijn grooto dierfiguren ingehouwen, en ook een weg is daardoor aangelegd ondor do aarde.quot;

quot;liet moor Mm-ris zette Herodot nog meer in verbazing dan zelfs liet Labyrinth, liij do oude Egyptonar* n heette dit moor Hoont (quot;overstroomingquot;), of Mori (-\'het meerquot;, waaruit de (Irieken hun Moeris maakten), ook wol Pha-Joem (quot;de zeequot; , waaruit do luiam Fajoem gevormd is , die do Arabieren bot gehoelo gewest geven). In het midden van bot moor, verhaalt Herodot, haddon eens tweo pyramiden gestaan, en op elk daarvan was een reusachtig beeld in zittende houding geplaatst.

Hot kanaal, dat het moor met den N ij 1st room verbond, was 80 stadiën (nagenoeg \'21) uren) lang en !H motor broed. Hot openen en sluiten dor sluizen was kostbaar: bot kwam iodero maal op öO talenten ( I 44,000—100,000 gulden) to staan. In bet moor loefde eone grooto menigte visch. Mon sprak van \'22 soorten, zoodat de vangst dagelijks oen talent afwierp, hetgeen do koning aan zijne gemalin voor een spoldegeld overliet.

Egypte was nooit bloeiender on gelukkiger geweest dan ondor deze I i2llc dynastie, dio met Aineiiemliit IV mi zijno zustor Sevoknovre (Skemiopbris), ongeveer dertien jaren na den dood huns groeten vaders, eindigde.

Daar er geonc. niamielijke orfgonanion waren, ging de regeering op don Thoboïde Sovokhotrp over, oen bloedverwant van hot koninklijk huis. Mot hom begon do dynastie, die 453 jaren geregeerd moet hobbon, doch van welke men slechts weet, dat dlt;\' munnolijko erfopvolging merrmalmi afgebroken is geweest, zoodat do kroon aan d(gt; echtgonooten dor koninklijke prinsossen ten doel viel. Uit vele godonkteekenon schijnt te blijken, dat Kgypte ook ondor deze dynastie onverdeeld en machtig bleef.

Thebo had echter in den loop dor eeuwen zijn aanzien als hoofdstad verloren. De Delta mot hare steden, MeiuLs, Saïs, lloebastis en Tanis, werd voortdurend belang-i ijker, en de 1 ide dynastie kwam uit de stad Xois voort, die in hot middelpunt van de Delta lag. Deze ilvnastie zou 484 jaren geregeerd en 75 koningen geteld hebben. Doch van liuii bedrijf wi-.i men niets. Allen vermoedt men, dat Onder de laatste koningen van

-ocr page 101-

IT.Ym; fix I)RN VOOIlinsTORISCIIKN SACKNM.in).

dit stamhuis bui\'goroorlogdn liet land ver.sclioui\'don, on do vorston van \'i\'liobo huiino vroo-gcru macht poogden terug liekomon. De 14dc dynastie vond ochtor haar ondergang niet door tögyptonaren , maar door volkioi, door hon als barbaren beschouwd, dio door de poort binnenstormden, welke de vorsten der I\'2l\'l! dynastio met zoo voel zorg ver-sterkt hadden , doch door hunne later opvolgors was verwaarloosd.

Een stam dor Koshieton, die langs de l\'or/.ischo Golf\'woonde en bij dn Egyptona-ron ais eon volk van koopliedon en onder don naam der Poims, Peuni\'s of Poeni\'s, bekend stond, zag zich door oen of ander voorval bewogen, om zijne woonplaatsen te ver-iaton en naar het Westen voort te trokken. Deze Pouns drongen tot Syrië on do band-engte van Suez door, noodzaakten oeno menigte halfwilde volken tot wijkon on brachten onder deze eone grooto bewoging voort. De nabijheid van het rijke Egypto was een lokaas voor deze balf-boschaafde stammen, en dit to moer, omdat do aan don Nijl hoer-schendo onlusten een inval begunstigden. Zij vonden dan ook zoo goed als geen tegenstand. Do geheele Delta on Memphis worden door dit barhaarscho , krijgshafte herdersvolk veroverd. Zij plunderden en verwoestten tompols en steden, braditen de mannen om liet leven en maakten de vrouwen en kinderen tot slaven.

De vreemdelingen kozon oen hunner vorston, mot name Shallt (Salatis), tot koning en trollen maatregelen om zich van hunne veroveringen to verzekeren. De koning van Xois was wel is waar verslagen en niet bij machte om iets uit te richten, doch de koningen die te Thebe resideerden, verhieven zich tot lieorscliors van hot nog onvorovord land. Zij vormden de IHdo dynastie en voordon moor dan ÜOO jaren oorlog tegen do koningen (llik\'s) der Sjasoe\'s of Sho\'s, derhalve Hik-Sho\'s, uit welke woorden do Grieken Hyk-sos maakten.

Sho\'s, roovers, dieven, was do naam, dien de Kgyptenaron in den regel aan de stammen der Bedooïnon gaven. Over het geheel echter noonule men hot volk dor veroveraars Mentioe\'s (herders), of ook Satioe\'s (boogschutters).

Aanvankelijk bokomtnerdon de Hyksos zieh niet veel om de Theboïscho koningen en vergenoegden zich mot do schatting dor rijke Delta. Gevaarlijker schenen hun limine stamgonooten toe aan gone zijde der landengte, on nog moor do Khakloouwscho veroveraars, de voroverings/.uchtigo bewerkers der volksverhuizing. Die achtorgèbleven stamverwanten hadden lust bekomen om don rijken buit te doelen, en om togen deze op zijne hoede te zijn , vormde Salatis een verschanst legerkamp bij do stad llaoear (Avaris), waar hij \'240,000 man troepen veroenigde.

Hierheen begaf Salatis zich alle voorjaren, om zijne troepen in den wapenhandel te oefenen. Dit kamp werd eone bestendige inrichting, ook onder de volgende koningen. Mot deze krijgslieden hielden zij de Kgyptonaren in toom en vorzokordon hun gezag tegen invallen uit het Oosten.

De Hyksos resideerden te Tan is. Zij waren verstandig genoeg om do voordcelen der hoogere Egyptische beschaving in te zien en zich daarnaar te vormen , ton minste tot zekeren graad. Egyptische gebruiken en inrichtingen kregen aan hot hof en in bet land invloed, en zelfs ton aanzien van don godsdienst waren zij volgzaam. Men maakte de Kananitische goden tot Egyptische, herstalde do tempels en bouwde paleizen. Do stand-boelden in deze bouwwerken bloven lang aan die dor vorige vorsten herinneren, doch namen allengs in plaats van Egyptische trekken , die van de barbaren aan.

Ofschoon do Egyptonaren zonder twijfel het vreemde juk zwaar genoeg vonden , scbikteu zij zich in hetgeen onvermijdelijk was en namen van de zeden en gebruiken dei- K\'ana-nioten evenzeer het een en ander over. Hot schijnt namelijk , dat/.(j zelfs de Syrische men-

85

-ocr page 102-
-ocr page 103-

EC Y PT li UN DRN VOOIIHISTOIIISCIIKS SAO KNTIJ1) I

schonoffers, ter ooro van don gud der voortteeling, Pacht, invoerden. Do verovering van Egypte door de herders stelt men in het jaar \'2100 vóór Christus. Hij de Egyptische geschiwlsclirijvers vormen de Ilyksos do I (i\'1\'\' dynastie.

Reeds ten tijde van de I\'i1\'0 dynastie waren niet zelden vreedzame landverhuizers uit de landen ten oosten van Suez naar Egypte gekomen. Men had het toegelaten, dat zij zich in en om Maoear nederzetten.

Hoe voorzichtig zij ook «aren, konden de Ilyksos hun land niet voor hunne stamge-nooten afsluiten. Bovendien was het hun gewenscht, uit het ondn vaderland recruten voor liun leger te bekomen. Evenzoo was het natuurlijk, dat zij meer genegenheid koesterden voor mannen die hunne taal spraken en in voorkomen, zeden en gewoonten meer met hen overeenkwamen dan de Egvptenaren, welke de vreemde ovorhoerschcrs onuiogelijk konden liefhebben. Menige Aziatische vluchteling bekwam derhalve grooten invloed aan het hof. Hieruit verklaart zich genoogzaam de belangrijkheid van den toevloed van .Semieten.

Onder deze Ilyksos, van welke ettelijke Apapi heetten, de overlevering noemt ben Aphobis — kwamen de stamvaders der Joden naar Kgvpte.

In Karuuin leefde oen Hebreeuwsch opperhoofd, met name Jakob, met den bijnaam linoo-Israöl, die bij zijne beide vrouwen en eenige maagden twaalf zonen had. Een zoon zijner meest-geliefde vrouw, Kabel of Rachel, Jozef, was zijn lieveling en wekte daardoor den nijd zijner oudere broeders op. Toon Jozef hun derhalve een droom mededeelde , waarin hij gemeend had, de zon, de maan en elf sterren voor zich te zien buigen , en elf korenschoven door zijne broeders opgebonden , voor de zijne eerbiedig te zien neigen , ging de nijd in een zoo hovigen baat over, dat zij hem uit den weg wilden ruimen. Toen hij dus op zekeren tijd door zijn vader tot hen op hot veld werd gezonden, wierpen zij hem in een kuil om hem daarin to laten omkomen. Hom doodslaan wilden zij niet, daar do oudste van Jakob\'s zonen hun het verderfelijke voorhield om Jozefs bloed te vergieten. Op don raad van een anderen broeder, Juda (Jehooda), verkochten zij hem echter aan Ismaelitiscbe kooplieden , die naar Egypte reisden. Toon slachtten zij een bok on besprenkelden mot het bloed den armrok, die Jakob voor zijn lieveling had laten maken en zoo veel tot het opwekken van don nijd dor broeders had bijgedragen. Zij wilden bun vader in den waan brengen, dat een wild dier zijn geliefden Jozef had verslonden.

Do Ismaelitiscbe kooplieden verkochten den schoonen jongeling aan zekeren l\'oti-far, die aan het hof des konings een voornaam ambt bekleedde. lgt;e vrouw van dezen staatsman vond behagen in Jozef en poogde hein te verleiden, doch Jozef had een afkeer van do zonde, en toen het wellustige wijf hem wilde vasthouden, ontvluchtte hij haar, zijn rok, dien zij gegrepen bad, in hare hand latende. Verbitterd over dezen tegenstand des jongelings, klaagde zij hem bij haar man aan en beschuldigde hem van bet kwaad , dat zij bad willen bedrijven , waarop I\'otifar Jozef in de gevangenis liet werpen. Een zelfde lot, wat hot gemis der vrijheid betrof, ondervonden de hofbakker en \'s konings schenker. Deze haddon droomen, die Jozef bun verklaarde, en zijne uitlegging werd bewaarheid : do bakker werd opgehangen, do schenker in zijn ambt hersteld.

Sedert waren meer dan twintig maanden verloopen toen de koning twee merkwaardige droomen had. Hij zag zeven vette koeien uit den Nijl komen, die door zeven magere verslonden werden , en vervolgens zeven volle korenaren , die door zeven ledige werden verteerd. De droomuitleggers in \'s konings hofhouding wisten deze droomen niet te verklaren, en toch wilde de vorst zoo gaarne weten wat zij voorspelden. Eindelijk viel den hofschenker in wat hem in de gevangenis was overkomen. Hij deelde het don koning mede , die bevel gaf om Jozef voor zich te brengen. Do llebreeuwsche jonkman word

87

-ocr page 104-

88 fl EÏM.IJSTHRHIUIK WKHKLDaHSCIUEDRNIS.

voor di\'ii koning gesteld lt;mi verklaarde liem , dat, naar aanleiding der drootnon , zeven jaren van overvloed door /.even jaren van gebrek zouden achtervolgd worden. Hij ried den vorst aan om in de overvloedige jaren koren voor den nood op te zamelen, en dit werk oen verstandig man op te dragen. Met welgevallen hoorde de koning den wijzen jonkman aan. Hij nam hem liij zich aan \'thof en droeg hem het amhtop,door .lozef voorgesteld. 7M werd de Hebreër den eersten man in het koninkrijk.

De pharao noemde hem Zefnathfanach (Kedder dor Wereld) en gaf hem Asnath , de dochtor eens priesters te Heliopolis (On), tot vrouw. Uit dien echt. sproten twee zonen, welke .lozrf Manasse en Ephraïm noemde.

I »e droomverklaring van .iakob\'s zoon werd door de geschiedenis van de volgende veer-tien jaren als juist gestaafd, fleduronde do eerste zeven jaren was de oogst overvloedig, en kon de jeugdige staatsman oen ontzachelijken voorraad graan bijoenbrongen. Maar ook de jaren van misgewas kwamen , en nu verkocht Jozef aan \'t volk het bijeengebrachte koren, eerst voor geld, toen voor ossen en lastdieren, en eindelijk voor landerijen, die op deze wijze de eigendom des konings worden. Alleen do gronden dioden priesters toebehoorden, bleven van dien eigendomsovergang uitgezonderd. Nochtans werden de akkers en het zaadkoren door .lozef den ingezetenen teruggegeven, op voorwaarde, dat men een vijfde van den oogst aan den koning zou afleveren. Ieder kan nagaan, hoezeer de vreemdeling door deze maatregelen in \'s konings gunst rees.

Daar de hongersnood zich ook over Kanaiin uitstrekte, zond Jakob tien zijnor zonen naar Kgypte om koren te koopen. Doch zijn jongste zoon, lienjamin, evenals Jozef uit de verbintenis met Kachel voortgesproten, een knaap wiens geboorte aan zijne moeder het loven had gekost, behield hij bij zich.

•lozef, die zijne broeders terstond herkende, gedroeg zich, als hield hij hen voor spionnen , gekomen om te zien waar hot land m^t do minste moeite en opofferingen kon binnengetrokken worden. Daardoor verschrikt, poogden zij te bewijzen regtschapen lieden te zijn. Maar Jozef verlangde, dat men hom die gezindheid zou bewijzen. Daartoe moest een van hen, Simon, als gijzelaar achterblijven. De Kgyptische staatsman zou hem weder in vrijheid stellen, zoo zij met hun thuis gebleven jongsten broeder terugkeerden. Zoo zij hieraan voldeden, zouden zij vrij in het land mogen verkeeren. Hij liet hunne zakken met koren vullen en in elk daarvan hot gold leggen, daarvoor door hen betaald.

Jakob wilde Benjamin niet medegoven. Doch de nood dwong, en de zonen trekken andermaal, nu ook met lienjamin en vele geschonken voor den groeten minister, naar Kgypte. Het viel Jozef moeiolijk zijne ontroering te verbergen. Hij noodigde zijne broeders uit, te zijnent te komen en bij hom hot maal te bondon. Ook liet hij lienjanlin veel eer bewijzen. Teen beval hij zijn huismeester do zakken dor Hebroërs met koren te vullen, wederom het gold daarin te leggen, en in den zak van Benjamin den zilveren beker te verbergen, waaruit bij gewoon was te drinken.

Zeedra de broeders, met verruimd harte, afgereisd waren, liet hij hen nazetten. Toon do beker uit Benjamin\'s zak te voorschijn werd gebracht, eischte hij , dat dozo els knecht bij hem zon Idijvon. Dat deed Juda vreesolijk jammeren. Hij zoido, dat dit zijn vader het hart zou breken, en daar hij bij den ouden Jakob voor den knaap borg was gebleven , bood hij aan in diens plaats in slavernij achter te blijven, banger kon Jozef zich niet inhouden: liij maakte zich bekend on noodigde Jakob uit om mot zijn gehee-len stam en al zijne kudden naar Kgypte te komen.

De kimiiig, van het gebeurde onderricht, zond den Israëlieten wagons toe om hun den tocht naar de Nyllanden gemakkelijker te maken, en zoo kwamen zij allen naar Kgypte,

-ocr page 105-

volgens liet verhiiiil Til porsoncn sterk. Mon ruimile hun liet weidoland (idscii in, door ili\'ii Sobenit.ischon urm van den Nijl besjjmdd. Daar Icoiidcn zij leven a(\'fj;esclioi-den van do Kgypteiiaren, die niet gaarno herders liij zich zagen, omdat zij die inen-schen voor onrein hielden. Jakob werd 147 jaren oud, en zijn gebalsemd lijk in Kanuiiti begraven. Jozef stierf toon bij zijn I 10\'\'(; jaar bereikt had.

Verschillende geleerde oudheidkenners beweren, dat do overkomst van Jakob en zijne kindoren eerst na bet verdrijven der llyksos en onder digt; regeering van Setbos (llH1

-ocr page 106-

00

dynastie) plaats groop. Zij laten Mozes ook onder Ramses fl optrodon , on de Israëlieten onder Meneplita uit,trokken. Wij kunnen ons bij dit gevoelen niot aansluiten. Bij oen koning van onvermengd Egyptisch bloed zouden de herders allerwaarschijnlijkst niet zoo vriendelijk zijn opgenomen als dit door een nakomeling der herderkoningen kon geschieden. Dat een pharao van dezelfde dynastie tot welke Sethos I behoorde, niots meer van Jozef zon geweten hebben , is ook hoogst onwaarschijnlijk. Dat Meneplita of dions opvolgers niets wisten van den gunsteling eens Hyksos is veel waarschijnlijker. Had Jozef onder Sethos, een echt Egyptisch koning, de hem toegekende groote rol gespeeld, zoo was zijn bedrijf ongetwijfeld op gedenkteekencn van dien tijd vereeuwigd, terwijl dit onder de Egyptische herderkoningen zeer wel kon worden nagelaten.

Do eigenlijke heerschappij der Hyksos strekte zich niet veel verder dan Memphis en do oase Fajoem uit. Meer naar het Zuiden voerden verscheidene genoegzaam onafhankelijke vorsten het bewind, die, wol is waar den te Tanis residoerenden Hyksos eon jaar-lijkschen cijns opbrachten, maar den vorst van Thebe als de rechtmatige erfgenaam dor vroegere monarchen bleven beschouwen en steeds gereed waren zich met hem tegen do Hyksos te verbinden. Hunne pogingen echter om het juk der vreemdelingen af to schudden, hadden langen tijd geen gevolg. Eindelijk evenwel bracht eene onvoorzichtige daad van een der Hyksos, koning Apapi, eene geheele verandering te weeg.

Apapi liet namelijk de wijze staatkunde zijner voorgangers varen. Hij bouwde voor een god der Sho\'s , Soetekh of Set, een tempel, hetgeen de Egyptenaren geweldig tegen de borst stiet. De vorst van Thebe, waar men Ammon-Ra goddelijke oer bewees, verhief uit dien hoofde de vaan des opstands. Omlerhandelingen tusschen Tanis en Thebe voerden tot geene verzoening. Daarbij kwam, dat Apapi met betrekking tot de bevloeiing van het Nijldal . hinderlijke beschikkingen maakte. In het kort, de vorst van Thebe, Ha-Skonen-Taaii I, nam den titel van koning aan, stichtte de I 7\'1(- dynastie en begon tor zelfder tijd (1800 jaren vóór Christus) den lionderdenvijftig Jaren durenden onafhankelijkheidsoorlog, waarbij hij alle kleine Egyptische vorsten op zijne zijde had.

Ken koning, wien Manetho Alisfragmoethosis noemt, veroverde eindelijk Memphis en joeg de indringers naar Haroear (Avaris) terug. Doch het duurde zoor lang eer men hen uit die sterke stelling kon verdrijven. Dit volbracht Ahmes 1, die in het vijfde jaar zijner regeering hot welbevestigde kamp verwon. De overblijfselen van hot vijandelijke leger trokken zich naar Syrië terug, werden vervolgd en bij Sharoohen nogmaals geslagen. Na zes eeuwen was Egypte eindelijk van deze indringers bevrijd.

Volgens andere opgaven zou Thoetmosis lil met de Sho\'s (of Sjasoe\'s) te Avaris eene overeenkomst gesloten iui Imn een vrijen aftocht bewilligd hebben. Het verbaal luidt, dat zij, \'240,000 man sterk, het land verlieten en zich in Syrië ontbonden. De ge-srbiedenis is hier, zooals men ziet, zeer duister.

Ahmes I (Amasis) geldt als de stichter der 18(1(: dynastie (IGOü 1450). Hij deed moeite, en wel met gunstig gevolg, om don luister van hot oude Kgypte te herstellen, inzonderheid om Thebe hot vroegere aanzien terug te geven. Het door do Hyksos ontwijdde Memphis en Tanis liet men vervallen. Doch te Thebe werd voor Ainmon-Ka een luisterrijke tempel gebouwd, waaraan de teruggebleven Kananioten moesten werken. Hun aantal was groot, want velen gaven aan de Egyptische slavernij boven hongerlijden de voorkeur.

Den verbondenen vorsten liet tnen den titel van koningen, doch verder niets DeEtbi-opiërs won Ahmes voor zich door de zwarte koningin Nowertari te huwen. Zij werd mede-regenti\'s en later zelfs eene godin. Egypte reikte nu van Sennaar tot aan de Middellandsche

-ocr page 107-

KfjyiTi: (in dkn vooiitiisToutsciiKN s.vohntijd).

■/.!■(\'. Alunos\' zoon, Amonhotep l (Amenophis), van 105!) tót 10i(i vóór Cliristu.s, hiokl met sterke hand bijeen al hetgeen zijn vader verworven had.

Do gelukkige uitkomst van den honderd- on vijftigjarigen onafhankelijkheidsoorlog had den krijgshaften geest dor Egyptenaren gesterkt. In plaats van zich tegen do Aziaten te verdedigen, voeldo men lust hen aan te grijpen.

Tliotines F (Thoetmosis) was de eerste, die met zijn loger Syrië binnendrong. De geschiedenis van zijn tocht kennen wij niet, docli zuilen ter herinnering aan zijne overwinningen stonden aan de Eufraat opgoricht. Arabië , Syrië en Phoenikië (Eenicië) waren overwonnen en behoorden nu tot het Egyptische rijk, dat wil zeggen , doze landen behielden hunne vorsten en inrichtingen en betaalden zekeren cijns , waaraan zij zich nochtans zoo spoedig mogelijk poogden te onttrekken. Zoodanig een rijk kon in deze uitgestrektheid niet blijven bestaan.

Met Ethiopië stond het anders geschapen. De daar wonende volken behoorden tot Egypte, en het stadhouderschap aldaar word zoo belangrijk geacht, dat de erfgenaam dos troons voortaan don titel van vorst van Kosli aannam, al bleef hij zelden in Ethiopië rosideeron.

Het stamland der Koshieten schijnt het door den Dsjihonstroom doorkronkelde land Kosh in liaktriö geweest te zijn. Zij waren klein van gestalte, maar welgevormd. Zij hadden dicht, veelal gekroesd, maar geenszins negerachtig haar, een donker vel, dat van helderbruin tot zwart afwisselde, regelmatige, veelal toedero gelaatstrekken, oen recht, tamelijk hoog voorhoofd en eene langen, fijn govormdon neus, die zich weinig of niet van dio dor Ariërs onderscheidde. Do mond echter was niet fraai, uithoofde van do dikke vleeschige lippen.

Dezo Koshieten waren een zwervend en daarbij onrustig volk. Men vond hen aan den liindo-Koh, in Midden-Azif. Zij trokken langs den Indus af en verbreidden zich in Dekan. Anderen gingen naar l\'erzië on Arabië, ja staken zolfs over den Hab-ol-Mandob , naar geno zijde der Koode zee, waar zij zich aan do oevers van den lilauwon Nijl nedersloegen. Zij waren ondernemende zeevaarders en als zoodanig mot allo destijds bevaren zeeën bekend. Hunne taal had ovoroenkomst met hot arabisch en andere Semitische talon. Ook schijnen Koshieten ou Semieten aan denzelfden stam hun oorsprong te ontleenen. Wij zullen later nog meer van hen te zeggen hebben.

Toen Thotmes 1 oud word, nam hij zijne dochter llatasoo of llatshepoo als mederegentes aan en gaf baar ten huwelijk aan zijn broeder Thotmes II. Na diens dood voordede koningin do regeering voor haar onmondigen broeder, doch het gezag van dezen vorst werd spoedig door haar ter zijde gesteld. Zij hoerschto sedert, zonder iemand nevens zich , onder den naam van llamaka (I (I I .\'i — I .quot;gt;!) I), voerde de legers aan en liet zich zelfs in statuën mot een kinnobaard afbeelden, zooals die van haar koninklijke voorgangers gezien worden. Zij regeerde met sterke hand en kroeg lust om het land Toe-Nooter (To-Xeter) te bezoeken, oen gewest oostwaarts van hot land der l\'oents gelegen, vanwaar koste-lijke goederen en edelgesteenten kwamen. Te dien einde verzamelde zij eene groote oorlogsvloot, zeker de eerste op do Koode zee. Alles onderwierp zich zonder strijd. Zij gaf evenwel haar plan op om tot Too-Noeter door te dringen en keerde met schatten beladen naar huis terug, waarhoen zij onder andoren ii\'2 boompjes met welriekende bloesem (wierook) medenam, welke hoestors sinds in do tuinen van Tliebe geplant en aangekweekt werden.

Nadat deze krachtige regentes gestorven en baar broeder Thotmes III (l.quot;gt;!)| I.MI.\')) zelfstandig do regeering aanvaard had , werd deze troonsverandering het sein voor de Syriërs tot een algemeenen opstand. Gaza word door hen aangetast. Maar de koning snelde derwaarts

01

-ocr page 108-

GKÏM-I\'STRKKIIDK WKlU:i,l)G KSCin lï DKNIS.

en toondo iikkmI en li«t tulftiit oons veldhoors. Vóór liot slpiitelpnnt tot don Libanon on don wog naar don Eufraat, .Magiddo, kwam hot tot eon veldslag. Do Svriörs worden duur oen panisdien schrik bevangen. Vol vrees, dat do Kgyptenaren ti\' gelijk niet do aftrekkcmdeii ilquot; veste zonden binnendringen, sloot do bezetting van Magiddo do poorten voordo vluchtelingen. Alleen voor do Syrische generaals liet zij koorden neder, om hen op te liijschen. Het aantal dooden bel iep niet ineor dan X:i. Doch de overwinnaars vonden op hot slagveld eono menigte paarden, )gt;8-4 strijdwagens en verderen buit. Magiddo gaf zich over, en de vorston van Syrië en Mesopotamiö onderwierpen zioli,

I Viiigo jaren latr;r stonden de Syrische vorston andermaal op, met den vorst van Kadesli aan hun hoofd. Zijne hoofdstad werd bestormd en geplunderd. Aan do vorsten werd vorgillenis geschonken , doch hunne zonen en broeders worden als gijzelaars naar Kgypté medegenomen.

Nu drong de zegevierende koning over don Knfraat, snelde door Mesopotamié naar den Tigris en drong door tot Xiniveh. Ken oninotelijke buit wenl gewonnen, doch di^ overwonnen vorsten hieven telkens lier het hoofd weer boven, zoodat Thotines tot het einde zijns levens met hen kampen moest.

Tegen zijn zoon Amenhotep II (Ainonophis) 1505 tot 1555 vóór Christus — stelden de Assyriërs zich te weer, nadat zij zich onafhankelijk hadden verklaard. De koning versloeg hen en bleef gedurende den winter in Mesopotamië. Do hoofdstad Ni-niveh ojiende hem hare poorten. Na een zegevierenden oorlog van twee jaren koorde hij naar Kgypte terug. Aan de plecht van zijn vaartuig hingen de lijken van zeven hoofden der opstandelingen, die hij met eigen hand gevold had. Do leden van andoren werden als een voorbeeld ter waarschuwing voor do cijnsbare vorsten in do dichtst-bewoonde oorden hunner landen ten toon gehangen.

De volgende koningen wisten hun gezag te handhaven, en onder Amenhotep III (of Amenemha, ook Amenophis genoemd) reikte het van den Eufraat noordwaarts tot aan het land der Gallas in het Zuiden. Zoowel de koning, als bijna al zijne opvolgers van doze I S\'lquot; dynastie ondernamen den aanlog van grooto werken , waarvan wij in de geschiedenis der beschaving zullen spreken.

Amenhotep IV had oeno niet-Egyptische prinses, met name Taï tot moeder, en hieruit ontsproot lioogstwaarsehijnlijk zijne afschuw voor die Egyptische goden, welke niet de zon vertegenwoordigden. Nadrukkelijk verlangde hij het aanbidden van de zonneschijf. Hij veranderde //\'Ifs zijn naam, omdat deze hem aan den gehaton Ammon herinnerde, in Khoenaten (Glans der Zoimoscbijf). Aanvankelijk nog verdraagzaam, werd hij van lieverlede fanatiek en vervreemdde de Egyptenaron van zich. Hij verliet de Ammonstad Thebe en betrok eenn nieuwe residentie te Tel-el-Ainarna, waar hij een prachtigen zonnetempel bouwde, waarvan de bouwvallen nog heden gezien worden.

Onder de 18lt;l\'- dynastie stond Egypte op hot toppunt zijner kunstmatige ontwikkeling.

De oude Egyptische goden, die de zon voorstelden, zoo als Ka, llarniiiksis en Hor, werden behoudon. Doch de aanhangers van den nieuwen vorm van godsdienst stelden nu den god op do gedenk toeken en als oen zonneschijf voor , waarvan de stralen op do aarde nederdalen. Elk») straal eindigde in ocne hand, welke een hengselkruis, het koken dos levens, omklemde. Deze schijf heette Aten. Na Amodhotep\'s dood werd zijn naam en de teekonon van den zonnedienst op veie gebouwen weggobeitold.

De licliaamsvormon der standbeelden van Amenhotep IV zijn juist dezelfden als die der gesnedenen. Hij was echter jong gehuwd en had bij de koningin Nowertioeta /.even dochters. Daarom vermoedt men, dat hem het onheil der verminking in de oorlogen

02

-ocr page 109-

HoVPTE (IN DRN VoniUdSTOIltSCHFN SAflKNTIJDj.

zijns vaders met do zwarto volken van Kthiopiö overkwam. Immers, nog1 in onzen tijd is hot bij do Oalla\'s do gewoonte, om aan gevangenen on doodon de mannelijke ge-slachtsdeelon als trophefin af te snijden.

Toon Amanhotop IV stierf, word zijn zoogbroeder AT koning , die zijns voorgangers oudste dochter Taï huwde. Op hein volgden achtereenvolgons zijne beide zwagers ïoetankliainon en Uasaakakheproe. De eerste was nog een machtige pharao, doch onder zijne opvolgers verzwakten godsdienstoorlogen hot rijk. Koning Ilaromhob (Armais) bracht den ouden godsdienst weder tot aanzien, maar hij kon do verloren wingewesten, wier vorsten don cijns weigerden , niet heroveren.

Daar hij zonder lijfserven stierf, ging de regeering over op Ramses l, mot wien de groote ID\'\'0 dynastie (ongeveer M-in (\'270 vóór Christus) begint. Het schijnt, dat de nieuwe koning uit de Delta afkomstig was. Na oeno geenszins roomlooze regeering van zes of zeven jaren stierf hij, en zijn zoon Soti (Sothos) word koning (It;)!) — l.\'JSS), Deze was een kloek man, die er naar streefde, om Egypto\'s aanzien tegenover andere landen te herstellen, zooals hot onder de koningen der vorige dynastie, onder l\'hotmes III. en Amenhotep tn , was geweest. Inzonderheid liet hij er zich aan gelogen liggen om de Syriörs weder tot onderwerping te dwingen.

Doch do toestand in Azië was aanmerkelijk veranderd. Het in het noorden van Syrië gevestigde, eens zeer machtige volk der Kootenoe\'s had zijn aanzien verloren, en in zijne plaats, en aan het hoofd der talrijke staten aldaar, waren do vorsten der Kheta\'s (de Hethieten des Bij helt) opgetreden. Eon van hen , Sapalel, had zich den koningstitel toegeëigend en zich op gelijken rang mot de groote pharao\'s van Egypte geplaatst. Ramses I had met hem een verdrag moeten sluiten, hetgeen vroeger nooit had plaats gghad, want do groote pharao\'s schreven stoeds andoren hunne voorwaarden voor.

Sethos rukte Syrië binnen en drong tot aan het Orontesdal door. Men onderwierp zich; de Fhoenikiërs toch, sluwe kooplieden, betaalden gaarne schatting, daar oen oorlog veel meer kosten naar zich sloopte, en zij groot voordeel uit den handel ter zoo met Egypte trokken. Maar in het noordon van Syrië trok koning Sapalel den Egyptenaar te gomoot. Don Hethiet bekwam zijne vermetelheid slecht: Sothos versloeg zijn leger en veroverde de stad Kadesh. Daarmede was nochtans do oorlog niet ton einde, en deze moede, sloot Sethos met Sapalel\'s opvolger een of- en defensief verbond.

De grens van het Egyptische rijk was nu do Orontes. Door de ondervinding geleerd, vergenoegde de koning zich niet moer met schattingen. Hij stolde goevornenrs over de verwonnen volken aan en loide in de vestingen (iaza, Askalon en Magiddo bezettingen.

Kamsos I was, volgens Egyptische beschouwingen, oen overweldiger geweest, en ook Sethos werd niet voor wettig gehouden. Men oordeelde zijne optreding alleen gegrond op de rechten zijner vrouw, Taï, als de kleindochter van Amenehotep ill en diens gade, eveneens Taï geheeten. Eerst Sethes\' zoon, Ramses II, erkende men als legitiem troon-erfgenaam, en uit dien hoofde nam zijn vader, toen die zoon nog oen knaap was,

hom als mede-regent aan. Daardoor werd een opstand voorkomen. li.....Is op lien jarigen

leeftijd woonde deze Ramses II den oorlog in Syrië bij en loerde daardoor reeds jong de kunst van te bevelen. Zijn vader gaf van lieverlede de teugels van het bewind uit de handen, totdat liamses hem geheol verving. Door dézen verstandigon maatregel wist Sethos de rust van het rijk te bewaren.

Er gebeurde thans iets geheel nieuws, iets waaraan nooit was gedacht: Klein-Azi-atische volkeren, wier namen men nog in het geheel niet gehoord had, landden met

-ocr page 110-

QKÏUüStRKKIlUK WKRHLDGESCHIF.DKN\'IS.

vijandolyko bedoelingen in de Delta en verbonden er zich mot Libyscho stammen, iiam-ses sloeg hen nochtans zoo gevoelig, dat hun de lust verging om terug te komen.

Tijdens de laatste levensjaren van Sethos ondernam Ramses II gelukkige, ofschoon slechts weinig verandering te weeg brengende krijgstochten naar Ethiopië. Door den dood zijns vaders word hij alleenheerscher en als zoodanig door allen erkend. Hij maakte zijn naam meer beroemd dan die van eenig koning vóór hem. Do Grieken noemden hom Sesostris of Sesoosis, en de geschiedschrijvers, door dien naam in dwaling gebracht, schreven hem ook menig bedrijf van zijn naamgenoot uit do I -\'llt;\' dynastie toe en verwarden beiden op wonderbare wijze.

llerodot verhaalt, wat hij van de priesters vernam, en Diodor spreekt nog uitvoeriger over de daden van Sesoosis, zooals hij, of Sesostris, zooals llerodot den vorst noemde (l-!SN tot l;gt;2\'2 vóór Christus),

Na zijne komst aan de regoering, luidt hot in de geschriften , bereidde koning Sethos zich op een grooten krijgstocht voor, om de wereld te veroveren. Vooruitziende dat zijne afwezigheid lang zou duren, benoemde hij zijn broeder Armais tot zijn stadhouder. Ili\'t leger, waarmede hij toen uittrok, bestond uit (100,000 man te voet, 24,000 ruiters en 27,!•()() strijdwagens. Door Ethiopië drong hij door tot de zeeëngte, thans Dab-el Mandeb genoemd. Uier zag hij in, dat zijne legermacht niet voldoende zou zijn om de verlangde veroveringen tot stand te brengen. Zijn vaste wil overwon den afkeer die do Egyptenaren tegen de zee koesterden, zoodat het Sesostris gelukte, hen eene vloot te doen bouwen. Een deel daarvan bevoer de Middellatulsche zee, veroverde het eiland Kypros (Cyprus), de kusten van Dhoenikiö en de Kykladen. Vierhonderd schepen waren voor een tocht togen Indië bestemd. Het grootste dezer vaartuigen was 2.S() ellen lang, geheel van cederhout getimmerd, van binnen verzilverd en van buiten verguld. Sesostris had het aan afgod Osiris gewijd. Deze vloot onderwierp alle eilanden en kuststreken tot aan Indië.

De koning zelf rukte met zijn leger over de zeeëngte. Overal werd hij door een ge-temden leeuw vergezeld, die hom ook in de veldslagen begeleidde. Hij overwon de Meden en de Assyriërs, drong tot den Ganges door en nam Indië tot aan de zee in bezit. Vervolgens toog hij noordwaarts naar het land der Skythen tot aan den Tanaïs (don Don) en begaf zich van hier naar Thrakië. Aan de zeeëngte den l!ab-el-Mandeb (bericht Strabo) had hij gedenktoekenen met heilig schrift doon oprichten, en zoodanige monumenten plaatste hij ook op de grenzen van al de overige overwonnen landen. Als opschrift liet hij daarop inhouwen: quot;Een koning der koningen, een hoer der hoeren. Sesostris, heeft dit land door het geweld zijner wapenen bedwongen.quot; Op deze zuilen liet bij tevens aanduiden, of de overwonnen volken zich manmoedig verdedigd of lafhartig overgegeven hadden , en wel door mannelijke en vrouwelijke geslachtsdeelen. Op verscheidene rotsllanken liet Sesostris zijn beeld uithouwen, zoowel op Egyptische als Ktliiopische wijze gewapend en met het opschrift op de borst in de heilige taal: quot;Ik heb dit land mot mijne legers gewoajion.quot;

Tegen de overwonnen volken gedroeg de veroveraar zich zacht, want behalve den buit en de gevangenen, die bij waarschijnlijk als gijzelaars medovoerde, verlangde hij slechts een jaarlijkschen cijns, die hem de vorsten persoon moesten overbrengen. Trok hij echter eene stad binnen , of bezocht bij een tempel, zoo werden vier koningen voor zijn rijtuig gespannen. Iviis met zulk een zeldzaam span rijdende, werd zijne opmerkzaamheid geboeid door een dor afgezette koningen, die onbewegelijk de oogon op de wielen van den wagen gevestigd hield. De stoute overwinnaar

04

-ocr page 111-

r ^ : :: C :::

-ocr page 112-

Scsostris (liam.ses II) in don sla^ van Kadosh. Teekcning van H. V\'o^clj.

-ocr page 113-

fcÓVl\'TE (iN DUN VOOItlllSTOKISCilKN SAfiKNTI.ll)).

vroeg naar do reden van dit staren en ontving ten antwoord: quot;ürooto koning! Dit omdraaien van het wiel herinnert mij aan do wisseling van do fortuin, ieder gedeelte van het wiel is nu eens boven, dan weder onder, en zoo gaat het ook mot de im-n-schen. Wie heden ton troon zit, is morgen wellicht een anno slaaf.quot; Deze woorden maakten een diepen indruk up SesostriS. Hij vernederde nooit weder koningen op zoodanige wijze.

In Thrakiö geraakte hot legor door gebrek en ruw weder in nood. Dit en een bericht, dat hij van den Kgyptischen opperpriester ontving, bewoog hom, na negen Jaren afwezig te zijn geweest, tot den terugkeer. Armais, zoo werd hem medegedeeld, had zicli den koninklijken diadeem op het hoofd geplaatst, de koningin ontoerd en zich van den goheelon harem meester gemaakt. Op deze geschiedenis zullen wij bij h\'amses 111 terugkomen.

Herodot verhaalt, dat hij mot eigen oogen in Palestina zegezuilen met opschriften en vrouwelijke loden gezien heeft, en eveneens beelden van Sosostris. Men heeft werkelijk drie zoodanige in do rotsen uitgehouwen statuon bij Ueyroeth, aan don mond van den Nïahr-el-Kelb , gevonden, die het tweede en vierde rogeeringsjaar van h\'amses aanwijzen. Ook vindt men oen der figuren, die Herodot in Klein-Azië heeft gezien, nog tegenwoordig bij Ninsi, tusschen Sardes on Smyrna. Op hot eerste gezicht meent men in laatst.vernielde statue inderdaad een werk uit do tyd der pharao\'s te ontwaren , doch bij nauwkeuriger beschouwing ontdekt men de dwaling en komt tot de erkenning dat het werk geenszins Egyptisch kan zijn. liet voetbekleedsel van don vorst heeft kromme punten, zooals dit in de middeleeuwen de mode wa.s , terwijl het hoofddeksel meer gelijkt op oeiie l\'hrygi-scho tiara als op oen dubbele kroon. Het werk kan bezwaarlijk door een Egyptenaar zijn gemaakt, en in geen geval stelt hut Sesostris voor.

Keeds als knaap had Sesostris, ol\' liever Eamses-JVliainoen, quot;de door Animin geliefdequot;, zich door makkers omringd, die later kundige aanvoerders werden. De eerste jaren na zijn bewind gingen zonder groote tegenspoeden voorbij, maar in het vierde trokken dreigende onweders te zamon.

De Kheta\'s hadden zich een poos rustig gehouden , doch hot rijke Egypte lokte hen te zeer aan; terwijl andere volken, van wolken oenigen in Klein-Azië gevestigd waren, zooals de Dardaniërs, Mysiërs, Lykiërs, Trojanen enz., zich met elkander verbonden om tot hot Nijldal door te dringen,

li\'amses II rukte hen te gemoet. Door vorradorlijke Bodooïnen werd hij in do nabuurschap van K\'adesh in een valstrik gelokt. Maar tiog in het laatste oogenblik zag hij het gevaar in. Terwijl hij krijgsraad hield, werd zijn leger aangetast. De koning van Khalep, die reeds alleen 18,000 man, en mot zijne bondgenooten 25,000 strijdwagens bezat, bestuurde don aanval, on de kans begon hachelijk voor de Egyptenaren te te staan. Doch h\'ainses wierp zich te midden van bet strijdgewoel en verrichtte heldendaden, die het gevecht een ander aanzien gaven. Het gros zijns legers kwam aanrukken en noopte do woedende scharen oio don strijd op te schorten. Den volgenden morgen werden do bondgenooten in don stroom (don Orontes) gejaagd en eene schitterende overwinning bevochten. Do vorst van Khota verzocht om vrede, die hem bewilligd werd.

In den rug van het zogeviorond leger verhieven zich echter do volken, en do vorst van Khota verbrak toen hij dit ontwaarde, don wapenstilstand. Kamses tong nu naar Oaliloa, on in het negende jaar zijner regeering veroverde hij Askalon. De oorlog duurde nog twee jaren, tot de vorst van Kheta op nieuw om vrede verzocht. Er word een verdrag van wederkeerigo hulp en bijstand gesloten, en het daarvoor opgestelde handschrift is zeker de oudste diplomatische acte op aarde.

05

-ocr page 114-

6 l:ï I. t.l S\'l\' li K E RD R \\\\\' EIIELDG ESC 111H D E MS.

Uot onmiddellijk in do taal dor Kheta\'s ontworpen verdrag word op non stuk zil-voiblik gopravoord on aan Kamsos in Kgypto gezonden. In dit verdrag vindt men vastgo-sti\'ld , dat do vrodo tusschon beide volken , »oon eouwigequot; zou zijn. Wanneer iomaml van d\'lt;n vorst van Kliota inociit verlangen, hom tegon don koning van Eg_ypto l)ii to staan, zou hij liom aangrijpen on vornietigon. Eono zelfde verplichting nam do koning

van i\'.\'gypte op zich ton aanzien van den vorst van Kliota. Ook bovatfo hot vordrag oudere1 artikelen tor bo.schorining van don wedorzijdHclion koophandol on nyverlieid , evenals ton aanzien van hot bewaren van orde en voiliglieid. Ieder misdadiger, die zijti kind ontweek eti naar bot land van den and(n n niouardi \\liii Idle, moest uitgeleverd worden.

-ocr page 115-

KOYPTE (|N DEN II rsTOIUSCIIUN SAGKNrui)).

Anders was hot mot iedor ander vluchteling of\' mot gewold woggevoord onderdaan, ovon als met ieder werkman, die zich binnen het gebied van den ander wilde nederzetten. Elk van hen zou naar zijn land worden teruggezonden , waar men hom zijne overtreding niet zou toerekenen. quot;Men zou zijn huis niet verwoesten of zijne vrouw en kinderen ptnbrengon. Men zon hem noch op de oogon , noch op den mond, noch op de voeten slaan, en geene aanklacht tegen hem to berde brengen. \' In deze overeenkomst is nagenoog alles opgenomen als in de vredesverdragen van onzen tijd.

De andere veroveringen, die aan Sesostris door do Grieken worden toegeschreven , zijn fabelen.

Van zijn SM3\'quot; rogeeringsjaar tot zijn , waarin Ramses II stierf, werd het verdrag gehouden en de vrede niet verbroken. Sesostris-Eamses huwde do oudste dochter des konings van Khota, Isi-Nowert, en deze bezocht zijn schoonzoon in Egypte.

Gedurende dozen langdurigen vrede en zijne gelukkige regeering bracht Eamses 11 onnoemelijk vele grooto werken tot stand, en overal vindt men op gebouwen en godenk-teekenon zijn naam en herinneringen aan zijne daden. Hij bouwde niet alleen tempels, maar ondernam ook vele werken ten algemeene nutte en tot beveiliging dor grenzen. Zoo legde hij naar don oostkant verscheidene steden aan, o. a. Pa-Ramses-Anakthoe (de stad van don dappersten Ramses), die aan een kanaal word gegrondvest, waardoor do Xijl met do Hittere moren werd verbonden, eeno stichting waardom- op de woestijn eon groot, vruchtbaar land word veroverd. Hot heette, dat men dit kanaal tot do Roede zee wilde verlengen , doch daar het land lager dan de omliggende streek \'ag, vreesde men door overstrooming hot Nylwater te bederven en liet hot ontwerp varen.

De drie oudste zonen des konings waren dood, en de vierde, Khamoeas, hooge-prioster te Memphis. Na veertig oorlogsjaren reikhalsde Ramses naar rust en droeg aan zijn zoon de zorgen der regeering op. Toon deze, in het vijf en vijftigste rogeeringsjaar van Kamses stierf, stelde Khamoeas de macht in handen van zijn Izoon, Me-nephta (132\'i—\'1 ÜO\'i), die elf jaren hot regentschap uitoefende en na Ramses1 dood koning word onder don titel van lianramornooteroe (zoon der Zon), Menephta hotep-hi-ma. Aan dezen zoon ontleende Horodot den naam l\'liarao, en do samenstellers van Manetho\'s overgebleven schrift Amenephtes en Amonophls. Ramses II had 5!) zonen en GO dochters.

Menephta was reeds oen oud man toen hij aan do rogeoring kwam, en de door zijn vader zoo streng gebreidelde volken meenden, dat het tijdstip om wraak te nemen was aangebroken. Rooflustige Kloin-Aziatische volken scheepten zich naar do liibysehe kusten in, verbonden zich hier met de daar gevestigde oorlogzuchtige stammen en vielen in Egypte, met het voornemen om zich in de rijke Delta neder te zetten. De vrede had zoo lang geduurd, dat do Kgyptonaren in hot geheel niet meer aan oorlog dachten. Van hier dat het bericht van den inval eeno verbijsterende uitwerking voortbracht. Doch de koning nam terstond krachtige maatregelen on stuurde zijne legers den vijand te gemoot. Een veldslag werd geleverd, waarin na zes uren strijds de Egyptenaron de overwinning behaalden. De Libyers en hunne bondgenooten werden geslagen en waagden geen nieuwen aanval moor. Menephta zelf\' had zich onthouden aan den strijd deel te nemen , quot;want god Phtab was den ouden vorst verschenen en had hem verboden zelf ten sl,rijde uit te trokken,quot; Menephta\'s leger zegepraalde ook zonder hem. Maar mocht hot volk don koning wegens de verlossing van den vijand ten hemel verhellen , vele veldheoren en de afstammelingen der vroegere koningen begrepen zeer wol, dat hij geen held was. Zij I. 7

07

-ocr page 116-

c,KÏLiiU.sTRI:I;RI)I: WKKKI/ÜOISCIIIKDK\\ts.

wachtten dus nauwelijks zijn dood af om zich onafhankelijk te maken en hunne rech-ton tii doen gelden.

SethoH II, Moncphta\'s zoon, Prins van Kosh, kon ton minste niet onbestreden don troon bfiklitnmDn. Eon ander nakomeling van Ramsds 11 — derhalve oen bloedverwant van Sethos — Amenraeses goheeten , wist zich tot macht te verheffen, waarna zijn zoon Menophta II Siphtah, hem in dit aanzien volgde. Of Scthos II mot dezen pretendent eoae overeenkomst wist aan to gaan of wel mot diens hulp zijne tegenstanders overwon, is onzeker, evenals zoo menig punt in dit deel dor geschiedenis. Genoeg, na het afsterven van Meneptha II beklom hij den troon, en men schrijft hem allerlei overwin-gen over vreemde volken toe. Ilij was reeds een ond man toen hij in hot einde zijn doel bereikte, maar nog bij zijn loven braken menigvuldige voeten tusschen de verschillende grooten dos lands uit, die Egypte in een poel van jammeren stortten. Er heerschte do grootste verwarring. Gedurende deze twisten gelukte het zelfs oen Syriër, met name Arisoe, zich tot hot opperhoofd der vorsten te verheffen. Alles word ten ondersteboven gekeerd. Men plunderde en moordde en bekommerde zich niet het minst over don godsdienst en zijne dienaren.

Wij hebben gezien, dat in het noordoosten van Egypte talrijke Syriërs en Ka-nanieton woonden, ton dooie achterblijvers uit don tijd der Hyksos, deels later ovor^okomenon. Tot hen behoorden ook de nakomelingen van Jakob, die zich sodort Jozefs tijden in het land Gosen buitengemeen vermenigvuldigd hadden. Zoo lang de Hyksos regeerden, ging hot hun en allen stamgenooten dor Kananioten wél. 1 hie,h dit veranderde toen koningen don troon beklommen, quot;die van Jozef niets wis--ten.\'\' Even als de Hyksos di\' llgyptonaren voor hen lieten zwoegen, kwam nu do beurt aan hon, die men als herders verachtte, als onroinen en molaatschon beschouwde. Inzondcrlioid moot het Ifamsos II geweest zijn, die de Israelioten en andere vreomdo-lingen tot harden arbeid aan do openbare werken dwong. Immers, sedert liij met de Kbeta\'s in vredo loofde, ontbrak het hem tot dit einde aan Syrische gevangenen. Het kanaal naar de Bittere meron liep door hot land Gosen, en in de nabuurschap daarvan verrezen de steden Ramses en l\'ithom. Het is schier aan geen twijfel onderhevig, .lat do Israëlieten tot bet bouwen dezer steden en dergelijke werken gebezigd zijn, en licht is liet te begrijpen , dat zij dit niet willig deden en zich meermalen weerbarstig toonden.

De opeenhooping van oeno zoo groote menigte van niet-Egvptische inwoners in do nabuurschap van grenzen, die bij voortdunr door do invallen dor Bedooïensche stammen werden bedreigd, was bijzonder geëigend om het wantrouwen oener regeering op te wokken, die door Mnnenlandsche twisten verzwakt, ieder nieuw gevaar met schrik opmerkte. Licht kon het gebeuren, dat zich nakomelingen der Kananioten mot hunne stamgenooten aan gene zijde der landengte van Suez vereenigden en andermaal de helta bezetten, zooals reeds eenmaal had plaats gevonden. Het is derhalve niet onwaarscliijniyk, dal. men eeni- bijzondere strongheid tegenover hen voor noodzakelijk hiidd, i\'ti daar men de groote vormeerdering van hot Israëlitische volk met bezorgdheid waarnam, er naar streefde, om dit aangroeien grenzen te stellen. Daartoe wi\'rd, zoo bericht men, bm-iden , om alle jonggeboren kinderen van het mannelijke ge slacht t.igt; dooden. Do te bock gestehb\' tradition dor Joden verhalen dit als oeno daadzaak. Kene vrouw uit de stam van Levi bad echter haar kind verscheidene maanden aebterenn verborgen gehouden en het daarop in een behoorlijk gesloten biezen kistje aan den N\'ijl toevertrouwd, in de hoop dat oene prinses, die zich te dezer plaatse gewoon wa.4 l,igt; baden, bet, knaapje zou vinden en zich aantrekken. Zoo gebeurde het ook wer-

98

-ocr page 117-

RGYPTU (fN DEN IIISTORlSCUEN SAGKNTIJI)). 90

kc^lijk. Do dochter van den pharao, die om te baden aan don oover dos strooms gekomen was, had liet kistjo opgemerkt en zich over het kind erbarmd. Zij noemde het Mozes (den uit hot water geredde) on liet liet op de zorgvuldigste wijzo opvoeden.

Do Egyptische prinses, die Mozes vond, heette Thermootis. Nadat Mozes zijn

zevende jaar bereikt had, besloot zjjne beschermster hem eon degelijk onderwijs te doen gevon en stolde hem daartoe aan don koning voor. Deze billijkte hot besluit zijner

-ocr page 118-

(i KILL USTIIB K It I) H VV KIIE LI)0 KSCHI E DEN IS.

dochter, ofschoon liot trotscho gedrag van don knaap vooleor goschikt was om tegenzin in to boozoinen. Immers, do Joodsche gesohiedsclirijver Flavins Josephus verhaalt van deze ontmoeting do volgende ovorlovering. Toen Mox.es aan den pharao was voorgesteld, zette do vorst in een OQgenblik van vrgpljjken luim spelenderwijze den knaap de koninklijke kroon op het hoofd. Maar met een gebaar van wrevel rukte do kleine den diadeem af en wierp dien met verachting op don grond.

Aan do zorgen van Thermoetis dankte Mozes eene opvoeding zoo als aan een oigen zoon des konings niet beter ton deel had kunnen vallen. Zijn dorst naar kennis vond in de school der Egyptische priesters alle bevrediging, en zijn voortreffelijke aanleg bood hom dn gelegenheid aan om zijne leermeesters nog te overtreffen. In deze school verzamelde hij de kundigheden, die hem later in de gelegenheid stelden voor de bevrijding zijns volks, zij het ook ten koste zijner verplegers, werkzaam te zijn.

Toen Mozes den mannelijken leeftijd had bereikt, zoo luidt hot verhaal, vielen de Ethio-piors in Egypte, en zoo veel vertrouwen stolde de koning in den jongen Israeliot, dat hij hem beval, het leger aan te voeren en den vijand te verdrijven. Mozes voldeed aan het in hem gesteld vertrouwen: hij dwong do Ethiopiërs tot de vlucht, noodzaakte hen zich binnen de stad Saba op te sluiten en veroverde deze voste na een langdurig bo-leg. Zóó loofde Mozes aan hot hof des konings geëerd en geliefd tot aan zijn veertigste jaar.

Mozes toonde zich steeds de vriend en beschermer zijner stam- en geloofsgenooten. Zekeren dag ontwarende hoe een dor Egyptische opzichters bij do grooto werken eon Israeliot inishandeldo, werd hij zoo verontwaardigd over dit bedrijf, dat hij den Egyptenaar doodsloeg. Om strafte ontgaan, vlood hij naar de Midianieten, huwde de dochter van oen geacht priestervorst en bloof ettelijke jaren uit Egypte weg. Gedurende dezen tijd vatte hij het besluit op om zijn volk uit do verdrukking te bevrijden, llij overlegde hot plan daartoe met zijn broeder Aiiron , die hom in de woestijn te gemoot kwam en mot wion hij naar Egypte terugkeerde. Reiden bereidden hot volk op de verlossing voor. Zij beproef-don allereerst om van don koning oen verlof to bekomen, waarbij aan allo Israolioton weni vergund zich tijdelijk in do woestijn af te zonderen. Toen dit echter niet gelukte , zagen zij naar andere middolon om , quot;do tusschenkomst van den God van Israelquot;, middelen zoo madoelig voor do Kgyptenaren, dat deze waro landplagen ondervonden. Do Egyptische priesters en do koning vermeenden zeker te zijn, dat die plagen door Mozes bewerkt werden, en uit dien hoofde liet de vorst zich niet dwingen. Maar toen uJehova te middernacht uittoog on allo oorstgoboronon in Egypte, bij menschen en vee, sloeg, zoodat zy stiervenquot;, veroorloofde de koning den verlangden uittocht der Israolioton, met al hunne kudden (omstreeks i 320 jaren vóór Christus). Daar men moest vreezen, dat de pharao weder van gedachte zou vorandoron , word tot dien uittocht in do allergrootste haast besloten. Voor hot harde werk , dat de Joden in Egypte verricht haddon, betaalden zij zich zelvon , door, onder het voorwendsel niets dan oen godsdienstig feest to beoogen , van hunno Egyptische buren zoo vele gouden en zilveren vaten te leenen als zij slechts krijgen konden on die mede to nomen. Het aantal uittrekkende strijdbare mannen — de vreomdelingen die zich bij hen aansloten, worden zeker meegeteld beliep volgens de opgave des ZfyéeZ\'s ongeveer 60(),()()(l.

Do koning, zoo gaat hot verhaal voort, had spoedig berouw, dat hij de Israolioton bad laten uittrokken, (hetgeen niet te verwonderen is, daar zij zich met oen onrochtma-tigon Imit, verwijderden), llij zotte hen met een leger na en haalde bon in terwijl zy bij de lïoodo zee gelegerd waren. .Mozes, zoo gaat hot verhaal voort, strekte toen zijn band over hot walor uit. Het water scheidde zicb van oen, o?i de Joden gingen droog-

loo

-ocr page 119-

koyi\'ïh (in den nisTourscirRN saohntijd).

voots door do zoo. Do Kgyptonaron wiirnn lion nageijld, doch Mozes strokto aiidorinaal /ijmg hand uit. Do heorbaan door het wator sloot zich , on do koninf,p on zijn gohool logor vordwenon in do golvon, zoodat oolc niet immi overbleef.

Dat do Joden en met hen velo nakomelingen van Semitische volken onder do leiding van Mozes Egypte verlieten, is oono daadzaak, waaraan niet te twijfelen valt. Hot is nochtans onmogelijk mot juistheid aan te toonon , wanneer en onder welken Egypti-schen koning, even als onder welke bijzondere omstandigheden, dit plaats vond. Egyptische , met hieroglyphon voorziene godenkteekenen , zoowel als in de graven gevonden schriftelijke medodeelingon hebben ons vele verrassende ophelderingen ten aanzien der Egyptische geschiedenis gegeven; doch ten aanzien der in do Joodsche overleveringen medegedeelde wonderbare historie, en in het bijzonder van oen pharao, die met zijn gansche legermacht in de baren omkwam, vermelden zij niet het minste.

Strabo en Diodor berichten, dat de .lam Soef of Scholfzeo, die geheel onjuist tot de Roode zee wordt gerekend, doch in werkelijkheid niets anders is dan eene lange, smalle en diepe koten van meren, welke in hot zuiden nagenoeg de Golf van Suez bereikt — vaak voor doortrekkende troepen verderfelijk is geworden. De voorde Ifa-Khiron, in \'t grioksch Maraktra geheoten, werd niet zelden zoodanig door zand overstelpt, dat men haar voor vastland kon houden. Diodor vermeldt het verzinken van afdeelingen der armoe van Artaxerxes op deze plaats, eene plek die nog tegenwoordig bij springvloeden groot gevaar aanbiedt. Mozes kan door doMidianiton mot do eigenaardigheden van het oord bekend zijn geworden en een der voorden tot overgangspunt gekozen hebben. Dat oen deel der vervolgende troepen hier is omgekomen, is ten minste niet onmogelijk , en dat de traditie daaruit het goheole leger van den pharao maakte, is volkomen in den geest der Hebroouwsche overleveringen.

De reeds meermaal vermelde geschiedschrijver Manotho verhaalt hot gebeurde op eene andore wijze, zooals wij uit een fragment ontwaren, dat door een lateren Jood-schon geschiedschrijver, Flavius Josephus, tot ons gokomen is. Koning Monephta (Amenophis) zoo deelt hij mede — koesterde het verlangen om de goden te zien, zooals dit aan de vroegere koningen was te beurt gevallen , en een zijner zieners gaf hom te kennen, dat dit dan alleen geschieden kon, wanneer hij het land van alle melaatschen en onroinen bevrijdde. Te dien einde bracht de koning SO,OOM dezer ongelukkigen uit alle oorden van Egypte bijeen en wens hun de oostwaarts van den Nijl gelogen steengroeven van Toerah ter woonstede aan. Onder hen bevonden zich echter ook priesters , en dit werd door de goden hoogst euvel opgenomen. Do ziener die het eerst de verbanning ter sprake had gebracht, vooldo welhaast lievig berouw over zijne raadgeving. Zijne wroeging ging zoo verre, dat bij zich van hot leven beroofde, nadat hij had voorspeld, dat de onroinen zich met anderen verbinden en gedurende dertien jaren over Egypte heerschen zouden. Te zelfdor tijd had de koning, tot erbarming bewogen, do straf van verbanning veranderd in een verblijf binnen do reeds lang verlaten stad Avaris. Daar kozen de uitgestootonen een priester van Iloliopolis, met name (,)sarsyph (of Mozes), tot aanvoerder. Deze guf\' hun wetten, die in vele opzichten van de Egyptische afweken, en verbood hun zoowel om de Egyptische goden te aanbidden als de dieren te vereeren. Vervolgens verbond Mozes zich met andere priesters en de mede vroeger uit Egypte verdreven herderstammen, met wier hulp hij nagenoeg hot geheole koninkrijk veroverde. De koning had wel een leger bijeengebracht, doch zich de profetie des zieners herinne rende, durfde hij geen veldslag wagen. Liever verliet hij het land , om eene tijdelijke wijkplaats bij zijn vriend, den koning van Kthiopie, te zookon. Met zich voerde, hij de boelden

101

-ocr page 120-

fi EÏ LLUSTIIK, K III) H IV E11E LDQ ESO HIE I) ENIS.

der godon en do heilige dieren. Zóó verliepen dertien jaren, gedurende wolken tijd do vreemdelingen velerlei boosheden bedreven. Zij verwoestten en plunderden tempels en steden , en dwongen de Egyptlscho priesters om do heilige dieren te slachten, wier vlcesch zij zich wél lioton .smaken. Weigerden priesters aan hun verlangen te voldoen , zoo werden /.ij naakt op straat gezet. Menephta, die zijn vijfjarige zoon Sethos , ook Ramsos geheeten , aan oen vriend in Egypte had toevertrouwd, koorde na verloop dor dertien jaren mot zijn legor uit Ethiopië terug, vereenigde zijne volgelingen met die welke zijn zoon hom thans kon toevoeren en overwon toen de herders en melaatschen. Verdolgen kon hij lion niet, maar hij joeg hen over de Syrische grens.

Andore geschiedschrijvers verhalen deze episode op eone nog geheel verschillende wijze, doch hun verhaal verschaft ons geen verder licht ovor het uittrekken van het Israëlitische volk. Dat dit onder Menephta is voorgevallen , is hoogst onwaarschijnlijk. Veeleer kan men aannemen, dat hot tegen het einde of na do regeering van Setiiosll heeft plaats gehad. Immers, te dien tijde had de Egyptische koning de handen vol om de binnonlandsche onlusten te dempen en de talrijke oproerlingen te bestrijden. Voor de nlgo-meeno geschiedenis is het vaststellen van den tijd dezer gebeurtenis van geen overwegend belang. Wij hielden or ons alleen daarom een geruimen tijd mede bozig, omdat de nakomelingen dier Joodsche landverhuizers nog te midden van ons loven , en hunne traditiën bij alle christe.ijke volken gekend en eenigermate voor heilig gehouden worden.

Een nazaat van dei grooten Ramses II, Nokht-Seti, vorst van Thcbe, overwon al zijne mededingers on word de stichter dor 20sto dynastie. Hij nam zijn zoon tot moderegent aan, en na zijn dood word deze, onder den naam Ramsos III, koning (omstreeks 1269—I \'244 vóór Christus).

Onder Ramsos 111 verhief Egypte zich genoegzaam weder tot den ouden luister. Doze koning tuchtigde do overmoedige Bedoeïnen en overwon do Libyers. Doch te nauwor-nood had hij deze bedwongen, of oen veel grootor gevaar bedreigde het rijk. Ettelijke volken van Klein-Azië en dor Grioksche eilanden verbonden zich met de Filistijnen in Syrië om Egypte te veroveren, waartoo de tijd hun bijzonder gunstig scheen. IIuimo vloten en legers verzamelden zich aan de kust der Delta, niet ver van de plaats waar later Peloosium verrees. Doch Ramsos III versaagde niet. Hij greep hen aan en behaalde op hen eone volkomen overwinning. Dit vond plaats in het achtste jaar zijner regeering. Een gevolg was, dat do vroeger door Egypto veroverde Syrische provinciën zich op nieuw onderwierpen. Nochtans was hot twee jaren later volstrekt noodig om de Libyers nog oeno gevoelige les toe te dienen , ten einde hou te dwingen zich rustig te houden.

De koning ging nu met oeno vloot naar do Arabische kust der Koode zoo. De vorsten van I\'oent en Too-Noeter brachten hem schatting en boden hem hunne kostbaarste goederen aan, to weten rijke koopwaren, die door karavanen naar den Nijl gevoerd en in do haven bij Koptos ingescheept werden. Het schiereiland van den Sinaï met zyne bergwerken werd ook weder gewonnen, en hot aanzien van Egypto naar allo zijden uitgebreid. Do volken van Azië lieten hun voornemen varen om in Mgypto vasten voet te verkrijgen. Zij wendden zich naar hot Noordwesten, naar Europa. De Filistijnen echter bleven, als vassalen dos Egyptischen konings in Syrië, in do oude bezittingen der Kananioten. Aan de Libysche grenzen ruimde Ramsos den stam der Mashoiiash.s zekere landstreek in, terwyl bij uit hun midden oone lijfwacht samenstelde, die in vervolg van tijd eone groote rol speelde.

(ledurende de afwezigheid van Kani.ses III waren door eorzUchtigen pogingen aangewend om zich van don troon meester te maken. Een van \'s konings broeders

102

-ocr page 121-

EGYPT 15 (IN DÜN HISTORISCHICN S.VGKNTUu).

spaiido mot vcrschoidonc voorname buambton on do vrouwon van don harorn to zamon tot \'s vorston ondoi\'gang. Do samenzworing word ontdokt, waarop hot rochtorljjk vunnis conige doolnomors tot den dood en andoron tot kerkerstraf voroordooldo. Hcrodot lieoft deze geschiedenis, met eenigo opsiering, raodogodeold als ware zij onder Sesostris(Eam-sos II) voorgevallen.

Do ovorigo levensjaren van koning Ramsos III, die bijna GO jaren regeerde, liepen in vrodo ten einde. Egypte herstelde zich van de ondervonden schokken. Zijne nijverheid en handel herkregen don ouden bloei. Do gebouwen duor Ramsos III go sticht, leveren or hot bewijs voor, en zijne schatten schijnen onuitputtelijk geweest te zijn.

Deze koning is de Khampsenit van Ilorodot, die van hom do volgende vermakelijke geschiedenis verhaalt. Ten einde zijne schatten tegen de dieven te beschennon, liet lihampsenit oen gebouw voor eene schatkamer oprichten , onmiddellijk togen zijn paleis aan en mot slechts een enkeion ingang. Naar dit wol afgesloten vertrek bracht de koning zijne schatten over, en wanneer hij or eon bezoek had afgelegd, verzegelde hij do deur mot het koninklijk zogol. Kort nadat do bouw was voltooid , werd do bouwmeester doodolijk krank, Hij liet zijne beide zonen aan zijn sterfbed komen en doelde hun mede, dat hij, ton einde hun een vermogen te verzekeren, in don muur der schatkamer eon der steonen zóó had ingevoegd, dat men dien zonder grooto moeite weg kon nomen. Men behoefde dien stoen slechts voor eenigo oogenblikken uit to lichten om to midden dor schatten te komen. Nadat hij don bolden jonkmans allo vorder noodige inlichtingen had verstrekt, gaf hij den geest.

\'s Houwheors zonen maakten van doze ontdekking spoedig gebruik, en do koning zag mot verbazing hoe zijne schatten veruiinderdon, in weerwil dat het zogol aan do deur ongeschonden bleef. Om de dieven te betrappen, liet hij in hot geheim om do vaten die het goud bevatten , sterke vallen plaatsen. Do dieven kwamen als naar gewoonte , en oen van \'s bouwmeester,s zonen bevond zich spoedig in eene zoodanige klein, dat hij zich zelfs met do hulp zijns broeders niet bevrijden kon. Opdat deze nu mode niet verraden zou worden, ried de verschalkte hem, quot;kap mijn hoofd af\'. Hoe onwillig ook, voldeed do tweede zoon aan dien raad. Natuurlijk word het onthoofde lijk door den koning in den val gevonden. Doch daar hij nergens het spoor kon ontdekken waardoor de dieven in de schatkamer waren gekomen, bedacht hij oen maatregel om achter het geheim te komen. Hij liet liet lijk aan den buitenmuur ophangen en eene wacht daarbij plaatsen, mot het bevel om elk te vatton , die bij dit schouwspel zou woonon of jaminoren.

Nauwelijks was do moeder dor broeders van alles onderricht, of zij beval den in quot;t leven gespaarde, het lijk te gaan halen, onder bedreiging, dat, zoo hij hot niet deed, zij alles aan den koning zou verraden. De jonkman verzon derhalve eon list. IIij belaadde eenigo ezels met gevulde wijnzakken en gaf, in de nabijheid der wachtgokoiiK^n , enkelen daarvan ongemerkt prikken , ton gevolge waarvan de wijn wegstroomde. Als ware liij verbijsterd door het ongeval, liep hij heen en weer, steeds overleggende tot welken ezel zich hot eerst te wenden. De soldaten der wacht, dit dralen ziende, kwamen spoedig met potten aanloopen, om den wijn op te vangen, en zich dien wel te laten smaken. De eigenaar vergold hun den roof door hen uit te schelden. Hij hield zich als ware hij woedend van boosheid. Doch hij liet zich tevreden stellen, dronk zelfs mot hen mode, ja gaf hun nog meer wijn ton beste, tot zij dronken werden en insliepen. Intusschen was het nacht geworden, en zonder dat iemand het ontwaar werd, maakte de schalk zich van het lijk zijns broeders meester en schoor elk der dronken soldaten den baard

103

-ocr page 122-

OKÏUXSTRKKUUB WKUELDfjliSClUKDIiNlS.

104

o)) du nichtor wang af. Zoodra de koning van dezen nieuwen streek hoorde, werd hij nog boozer. Maar ten koste van eiken prijs wilde hij weten wie dien had uitgevoerd en nam daartoe eon maatregel, die aan Ilerodot wel ongeloofelijk voorkomt, doch niettemin door hem wordt tnedogedeeld. Do koning beloofde namelijk zijne dochter aan elk , die haar hebben wilde, prijs te geven, onder voorwaarde echter, om haar alvorens de best-overlegde «n de meest schandelijke daad zijns levens mede te doelen.

De diof begreep wel, waarom dit was verzonnen en besloot \'s konings list door een list te overschaduwen. Hij sneed van het nog onverdorven lijk den eenen arm bij den

schouder af, verborg dien onder zijn mantel en begaf zich naar de prinses, die, naar het schijnt, hem in oen donker vertrek ontving. Hij deelde haar mode, dat zijneschan-delykste daad was geweest, om zijn broeder, die in de schatkamer gevangen word, het lumfd af te snijden, wi zijne best overlegde, de wacht dronken gemaakt en het lijk afgenomen te bobben. Toon de prinses dit hoorde, stak zij de band uit om don man te grijpen. Doch deze stak haar, terwijl bij vluchtte, den dooden arm zijns broedors toe. Verbaasd en telourgestold, liet de prinses dien arm vallen. Do koning was buiten zich zelven over de driestheid en liet sluw beleid van don dief. Doch nog grooter was zijn verlangen om den man te kennen. Hij beloofde hem niet alleen straffeloosheid, maar zelfs eeno groote belooning, zoo hij zich aanmeldde. De dief ver-tromvil.. deze belofte, en do koning gaf hein, als den best beradeno zijns volks, zijne doehior tot vrouw.

-ocr page 123-

EGYPTE (IN DUN FtlSTOllIsCIIEN SAOKNTIJI)).

Huiine grooto rijkdommon maakten do voorname Egyptonaron woeldorig en vurwijfd, en het volk, door belastingen en heorendiensten zwaar gedrukt, vond evenmin smaak in het oorlogsbedrijf, waarbij men niets vorder dan wonden of den dood winnen kon.

In een voor ons bewaard geschrift uit den tijd van Ramses 11 (Papyru.t Amstani), schotst eon letterkundige of onderwijzer aan zijne leerlingen quot;do gonoegensquot; van het soldatenleven. quot;Laat mij uzoo luidt ongeveer een der hoofdstukken, quot;hot lot van oen hoofdman vim het voetvolk schetsen. Nauwelijks der kindsheid ontwassen, spert men hem in binnen eene kazerne. Eene wonde plek die hom pijnigt, ontstaat op zijn lijf; twee anderen vertoonen zich boven zijne wenkbrauwen (van het harnas en don helm), en

zijn hoofd is met ongedierte bedekt. Laat mij van zijne niarschen naar Syrië en andoiv vrrro landen verhalen. Als een ezel sleept hij zijn brood en water op zijn ezolaelitigen hals on nek. Zijn rug doet hem zeer. Hij drinkt bedorven water. Komt hij tegenover een vijand, zoo staat hij als een sidderende gans, want lilj heeft geen kracht meer in zijne spieren. Keert hij eindelijk naar Kgypte terug, zoo heeft hij veel van een wormstekig hout. Wordt hij ziek en brengt men hom op zijn ozel terug, zoo stolen de (lieven zijne kleederon, en zijno bedienden loopon weg,

quot;Kavalloristen gaat het weinig beter. Laat mij u de vermoeiende plic\'iten eens olliciers van den strijdwagen schilderen. Zenden hom zijne ouders naar de school, zoo moot liij van de vijf bedienden die hij heeft, twee overgeven (waarschijnlijk om de kosten zijner opvoeding te betalen). Heeft men hem het noodige bygebracht, dan gaat hij uil

105

-ocr page 124-

106 OEÏLLUSTIUiEHDK WERELDGESCHIEDENIS.

*

(im in togonwoordighoid van Zijno Majesteit in do stallen eon span voor zicli uit to kiezen. Hoeft hij goede paarden gevonden, zoo uit hij luide daarover zijno liiijdschap on rent vroolijk weg om zijne woonplaats te bereiken. Doch dit valt zoo yomakkolijk niet als op oen stok te rijden. Daar hij niet weet, hoe het hom gaan zal, draagt hij al zijn have en good aan zijno oudors over. Dan spant hij zijne rossen voor oen on-goschikten wagen, welks dissel drie outen zwaar is, terwijl de wagon zelf slechts vijf weegt. Wil hij met don wag\'on rennen, dan moot hij uitstijgen en hom voorttrekken. Hij struikelt over eon slang of addor en valt neer in do bosschen. Het serpent bjjt hem in de boenen, en zijno voeten worden gewond. Komt men nu om zijne uitrusting te in-spectoeren, zoo bereikt zijno ellende don hoogston graad. Men logt hom neer op den grond en geeft hem honderd stokslagen.

Hot aanzien der soldaten verviel meer en meer gedurende de zeldzame oorlogen, ilio voorkwamen onder de dertien (of zelfs zeventien) op elkander volgende konin-gon, die allen to gador Ramses heetten. Daarentegen steeg de macht dor burgerlijke beambten, en inzonderheid die der priesters, des te hoogor; do laatsten werden zelfs gouverneurs van alle provinciën, ja prinsen van Kosh. Een van hen. Herhor , oigendo zich na don dood van Kamses X, in plaats van don toon heerschen-den liamsos, het hoogste gezag too en noemde zich Hon-noeter-tep-en-Amen (quot;eerste profeet van Ammonquot;), ja matigde zich den koninklijken diadeem aan. Hij werd wel is waar eindelijk weer afgezet, doch zijn zoon behield do opporpriesterlijko waardigheid, en diens zoon word weder, onder eon latoren Kamses, koning in Opper-Kgypte, terwijl in do Igt;lta oen nieuwe oppermachtige hoersohappij, mot Tanis tot re-sidontio, word gesticht door Smondes, die sinds als stamvader dor 218tc dynastie is aangemerkt.

In naam en eere bleef Thebe de hoofdstad van Egypte, want aan deze plaats bleven de sclütterendsle herinneringen van \'s lands ingezetenen verknocht. Zelfs Memphis stond in dit opzicht lager. Doch sedert de koningen steeds togen invallen uit Syrië op hunni\' hoede moesten zijn on zich daartoe in do oostelijke steden van do Delta ophielden , holde het zwaartepunt des rijks derwaarts over.

Do bevolking van het gansche noorderdeel van Egypte had voor liet overige roods lang opgehoudi\'ii zuiver Mgyptisch te zijn. Igt;r grootste helft van ingezetenen bestond thans uit Semieten , i\'ii de koningen zeiven haddon daartoe bjjgodragen , naardien zij hunno legers uit Syrië aanvulden. Do Hyksos — do opperhoofden althans en do legers dor herders — hadden zekerlijk hot land verlaten, doch de massa dos volks, dio roods vijfhonderd jaren in Egypte geleefd had, was, zooals reeds vroeger is opgemerkt, achtergebleven. D.ize lieden bewaarden er zolfs zekere rechten, en ofschoon de Egypte-naren liun allerlei hatelijko b|jnamon gaven, wisten doze Kananioton toch door te drijven, dat voor hunno goden Sootekh, Haal, Astarte en anderen tompels to Memphis gebouwd werden.

Toon Ramses II zich zoo nauw met don koning der Kheta\'s verbond on diens dochter huwde, kwamen Syrische gebruiken en taal in Kgypto in de mode. Hot gold als zei-r voornaam Svrische woorden te gebruiken, in het kort, er hoorschto in Egypte dezelfde dwaasheid, als in de vorige eeuw in Nederland ten aanzien van Fransche voorbeelden.

Alle kinderen, ja zelfs de zwarte dienstboden moesten syrisch loeren. De geleerden doorspekten limine hoeken met Svrische woorden en gezegden. Egyptische pronkers boden den pbarao niet meer hunne hulde aan [aaou), maar maakten een ■talaw. Hone dour noemde

-ocr page 125-

EGYPTE (IN J)HN I1IST01USCI1KN SAGKNTIJu). 107

iiion niet meor in hot egyptlsch ro, maar In \'t syrisch tarda, eone stad niüt uoet, maar kirialh, onz. Voor voorworpen en zaken waarvoor geen syrisch woord bestond, voegde men aan de egyptisclio uitdrukking een syrischen uitgang too. In het kort men was quot;geiimpresseordquot; om de Egyptische taal te quot;corrumpeerenquot; en met do kennis van het syrisch te quot;brilleerenquot;. linjin, wij kunnen liet niet quot;cacheerenquot;, dat de oude Egyp-tonaren even quot;rediculquot; waren als onze met het latijn dweepende geleerden of de Hi-l-landsche lions en lionnes mot het fransch.

Toen Simentoe Meiamoen (Smendes) do \'_,l8|l-, dynastie te Taïs stichtte (1091), kostte hot hem vrij wat mooito geheel Egypte onder zijne heerschappij te brengen. Thebe behoorde hom slechts bij tijd en wijle, terwijl Ethiopië zich, onder do afstammelingen der Ammonpriesters, volstrekt onafhankelijk maakte. Om hun gezag staande te houden , moesten de koningen van dit stamhuis nauwe betrekkingen met het buitonland onderhouden. Egyptische prinsen huwden Kananitischo vrouwen, en Egyptische prinsessen Joodsche koningen.

Wij hebben reeds vroeger hot krijgshafto volk dor Mashonashs vermeld, uit wier midden do koningen eone lijfwacht kozen, on als wier bevelhebber eene koninklijke prins werd aangesteld. Zij waren en bleven soldaten on speelden daarbij nagenoeg dezelfde rol als later do Zwitsers in dienst van Frankrijk, do Vereenigdo Nederlanden on andere mogendheden. Hot woord rnashonash kreeg dezelfde beteekenis als het woord krijgsman of soldaat.

Ouder de tiO\'t® dynastie vestigde een Syriër, mot name Jioeboeai, ook Bebai en lioobastis gohooten, zich in Egypte, en zijne nakomolingschap kwam er tot groot aanzien. De vijfde in do rij, Sjeshonk (Sesonchis 9(51 tot 940) verwierf eone koninklijke prinses tot vrouw , en Nimrod (Sjeshonk\'s zoon), uit deze prinses geboren , werd benoemd tot opperbevel!lebber der mashonashs. Zijn kleinzoon Sjeshonk kroog den titel van quot;Vorst dor Vorstenquot; on\'\'Majesteitquot;, hetgeen aantoont, dat hij den eersten rang bij do mashonashs bekloedde. Hij huwde zijn zoon Osorkon uit aan de dochter van don laatsten koning dor Tanitischo of dynastie, Ilor-I\'sioenka Moiainoen (l\'soosennos 1.1, van Manotho), Toen dozo koning stierf, maakte hij zich van den troon meestor on grondvestte do \'22stu dynastie.

Sjeshonk (Sesonchis of Sisak) vereerde wel is waar in hot openbaar als hoogste goden Ammon-lia en Isis, doch daarnevens in hot geheim ook do goden dor Syriërs. Hij verleende Joodschen vluchtelingen, en onder hen Jeroboam, eone wijkplaats, trok daarna op tegen Jerusalem, veroverde deze hoofdstad en maakte zich daarbij van alle schatten van Salomo meester. Do Israolitischo steden gaven zich zonder tegenweer aan hom over, doch eene blijvondo verovering bezat hij in Israel niet.

De volgende koningen dor \'i\'2sl0 dynastie bleven meestal te lioobastis resideoren. I)e hoorschzucht der priesters vroozendo, gaven zij oen wet, waarbij allo hooge ambten door prinsen van het koninklijk huis moesten bezet worden. Aan den vermoedelijken troonsop-volger werd het ambt van opperpriester bij den Ammondionst en hot bovelhchborschap to Thobo opgedragen, terwijl aan de andore prinsen soortgelijko ambten in do overige voornaamste steden worden too vertrouwd. Ieder had eone legorafdeeling labysdm soldaten (matsioes en mashonashs) onder zijne bevolen on liet zijne ambten en waardigheden aan zijne kinderen ten erfdeel. Van lieverlede werden doze verschillende vorstonliuizon machtig, wendden pogingen aan om zich onafhankolp te maken en namen zelfs den koninklijken titel aan. De een ging voor, do ander volgde, zoodat welhaast eenigon het hoogste gevaar op leverden voor de heerselionde dynastie. Toen Sesonchis IV overleed , was hot aanzien der lioebastischo heerschers genoegzaam vernietigd. De opperheer-

-ocr page 126-

GKÏI.M\'STIU\'.I\'IIDF, IVKltDl.DGF.aclIIKKKNIS.

schappij ging weer op do vorsten van Tanis over. Doch ook dezo dynastie, de in do rij, kon zicli niüt lang handhaven. Zij verloor haar macht door de eerzuchtige vor-\'sten van Saïs.

De eerste koning dezer Saïtischo (\'2i5tl:) dynastie, die wij uit godenkteekenen kennen, was Tawnekht. Hij beoorloogdo de vorsten die liet waagden niet hom naar do (ipporhoer.schappjj te dingen, met g\'rooten voorspoed Niettemin bleven zij hem weerstreven en wondden zich om hulp tot Ethiopië, het steeds onafhankelijke koninkrijk, dooide priestorkoningen van Ammon-Ra gesticht, met Napata tot hoofdplaats.

Van dit Napata poogden do verdreven priesters een tweede Thobe te maken. Althans zij richtten er alles in zoo als dit zich in quot;do hoiligo stad bij uitnemendhoidquot; hrvond. /ij vereorden Ammon-Ka als do koning der goden en bouwden te zijner eerc oen tompol naar het Thebaansche voorbeeld.

liet rijk, dat de priesters gesticht hadden, reikte van den tweeden waterval tot de horgen van Abessinië, doch niet altoos met dezelfde landpalen, daar do grenzen in don loop der tijden inoerraaMi veranderden. Dezo uitgestrekte landstreek word door eone menigte van volken bewoond, t. w. door Kgyptenaren , Arabieren, liorborsen verschillende zwarte stammen. De Egyptische bostanddeelen nochtans waren de voornaam-sten, ten minste in de eersto tijden.

Steeds bleef liet \'t ernstig stroven der priesterkoningen om hunne heerschappij ook in Oppor-Egypte, het land hunner vaderen, te doen golden. Thebo was voor hen de heiligste plaats op aarde. Uoon wonder derhalve, dat toen de smeekbeden dor Noord-Mgyptische vorsten, koning l\'iankhi-Moiamoen te Napata worden overgebracht, doze mot die aanzoeken wonderwel was ingonomon. Hij beloofde en zond hulp aan de tegenstanders des konings van Saïs. Reeds stonden de Ethiopische troepen in het Thebaïs, met voorposten tot hij A by dos. Het leger trok nu voorwaarts, en evenzoo stovende do Ethiopische vloot naar de noordwestkusten der Roede zee.

Tawnekht en zijne bondgonooten trokken den bimiendringenden te gemoet. In do nahijheid van Abydos stieten do legers op elkander, waarop eon veldslag volgde, die drie dagen achtereen dunrde. De Ethiopiërs zegevierden. Ze drongen door tot Memphis, waar binnen Tawnekht zich had verschanst, en maakten zich ook van dezo stad, na twee dagen strijdens in de straten, moester. Welhaast bevond zich ook de goheelo Delta in de macht van den Kthiopischen koning, die in triomf naar zijne hoofdstad terugkeerde. Het oude Egypte stond nu weder onder één regent, doch niet Memphis of Thebo, maar do Ethiopische stad Napata was de koninklijke residentie.

Ethiopië is ver van de Delta. Aan de in dit benedendeel des lands hoerschondo vorsten liet l\'iankhi den koninklijken titel, maar onder de opperheerschappij van Ethiopië. Zoo regeerde Osorken IIi te lioebastis, zekere Nimrod te Sosoen, en Tawnekht te Saïs.

Het aanzien van den laatstgenoemde had in werkelijkheid door zijn nederlaag weinig geleden: integendeel hadden de dapperheid en \'t beleid die hij gedurende den strijd had getoond, eouige modestanders mot vertrouwen vervuld. Van die gunstige gezindheid gebruik makende, trachtte Tawnekht\'s zoon en opvolger, Mokenranw (Boccharis), zich tot opper-rogont to verhelfen Hij was wol is waar van nature een zwak man, doch In1/,at een dos te sluwer geost. De overweldiger l\'iankhi was gestorven, en do Ethiopische troepen waren uit Midden-Egypte teruggeroepen, waarschijnlijk ten gevolge van onlusten. Iiij de troonsopvolging uitgebroken wel gevreesd. Te Napata behield de eerste troonopvolger van l\'ianklii slechts korten tijd hot bewind. Hij word uit het leven genikt en door zijn zoon Shabak (Sahako) opgevolgd. Deze, bekend mot hot

108

-ocr page 127-

KOYPTK (IN DKN HISTOIUSCHP.N SAGKNTIJU).

vooimomon «n ilo kuiperijen van Bokonranvv, marcheordo met oen loger naar Nedcr-Egypte (7^6), naar het schijnt, mot hulp van hen, die zich niet mot den eorzneh-tigen koning van Saïs wilden vorbindon. liokenranw word verslagen on binnen zijne hoofdplaats govangon genomon. Als eon oproerig vassal word hij levond verbrand. Zijne regooring had slechts zeven jaren geduurd.

Zijn gezin vlood naar de moerassen der Delta en wachtte gedurende vijftig jaren op den ondergang der Kthiopischo heerschappij.

Sabako was oen wijs vorst. Hij bevlpigde zich om door grooto werken, to Mom-phis , Thobo en andere plaatsen , do wonden te hooien, die do oorlog hot land had toegebracht. Thobo zelf vertrouwde hij aan hot bijzondere toezicht der koningin, Amoniri-tis, toe. Zijne eeuw vor vooruit, schafte hij do doodstraf af en verving haar door dwangarbeid.

De Syrische vorston , door don Assyrischen koning Salmanasar bedreigd, trachtten Sabako voor zich te winnen. Onder anderen deed dit llozoa, de koning dor Joden, wiens aanzoek door kostbare geschenken werd ondersteund. Algemeen word dezo vereering als oen cijns aangemerkt. Toon Salmanasar konnis daarvan kreeg, riep dezo Hozen op, om aan zjjn hof te komen en Hot hein voor altijd verdwijnen. Inmiddels rukte hot Assyrische leger tegen Samaria en het bevriende Tyrus op, welke beide steden een dapperen wederstand boden. Sabako echter woerstroofdo de verleiding om de landengte over te trekken: hij vergenoegde er zich mede om de grenzen van Egypte to bewaken.

Na Salmanasar\'s dood maakte diens opvolger Sarjoukin (Sargon) oen einde aan hot rijk Israel. Andermaal hielden de bedreigde Syrische vorston om bijstand bij Sabako aan, die te laat zijne fout. inzag van Hozea niet te hulp te zijn gesneld. Dios rukte hij thans Syrië binnen. Maar het krijgsgeluk begunstigde hem hierbij niet. I!ij liopeh (Ka phia), zuidwaarts van Gaza, werden do Egyptonaren en hunne bondgonooten geslagen. Met moeite ontkwam Sabako den ondergang. Op de vlucht aan het dwalen geraakt, werd hy alleen door de hulp van een Filistijnschon herder van het gevaar gered om in de handen dor Assyriërs te vallen (72lt;i vóór Christus).

De kleine Deltavorsten maakten van \'s konings nederlaag gobruik om zich onafhankelijk te verklaren. Sabako werd naar Opper-Egypte teruggejaagd, on oen bloedverwant van liokenranw (Doceharis), door Manotho Stephinatis genoemd, verhief zich te Saïs tot pharao. Dit gebeurde in \'t jaar 7i4 véór Christus. Sabako stierf kort na zijne nederlaag en liet de regeering na aan zijn zoon Shabatok (Sevechos).

Do Assyrische koning Sarjoukin werd vermoord, en de vorsten in de Delta verbonden zich met die van Syrië tegen Sin-akha-irih (Sanherib), Sarjoukin\'s opvolger, wien /.ij de gehoorzaamhoid opzeiden. Hij Altakoo (het Eltekeh van het gebied van Dan) werden de Egyptonaren deerlijk geslagen. Zij herstelden zich echter welhaast van die nederlaag en verbondon zich mot Tahraka (Tirrhaka), die uit Ethiopië opdaagde om den koning van .luda, Hiskia, te ondersteunen.

Sanherib wendde zich zoo spoedig iiij kon, togen de Egyptonaren, om hen nog vóór de aankomst van Tahraka te vernietigen. Doch nog vóór hij de Delta bereikte, werd zijn leger door de pest dermate verzwakt, dat hij zijn voornemen moest opgeven en naar Niniveh terugkoeren.

Toon Herodot zich in Egypte hovend, verhaalden de priesters hom, dat men dit terugtrokken van don Assyrischen koning te danken had aan den priesterkoning Sethes , don hoogepriestor van l\'htah. Daar hij de krijgslieden mot minachting had bejegend en hun zelfs limine akkers ontnomen, hadden deze, toen Sanherib aanrukte, geweigerd

109

-ocr page 128-

r.EÏU.USTKKKIUU: WEllKI.nCiESCIIIEDRNIS.

om to vochton. Nu was goodo raad duur, on Sethos in grooto vorlegonhoid. Im zijii nood knioldo hij noder voor do beeltenis van Phtali, don god om uitkomst smeekonde. Afgemat door zijno kwellingen, sliep lüj in. Doch in don droom vorschoen hom do god, troostte hem en gaf hem do verzekering, dat hem geen tegenspoed zou treffen, wanneer hii tegen do Arabieren uittrok, want dat hij zelf, Phtah, hem hulp zou zenden. Vol van een blij vertrouwen, schaarde Sethos kooplieden, handwerkers en allen die hom volgen wildon, om zich en trok met hen don vijand hij Peloesium to gemoot. Terwijl do beide legers tegenover elkander stonden, was gedurende don nacht oen verbazende troep vold-inuizon het leger der Assyriërs binnengedrongen en had er alle pijlkokers en boogsna-ren stuk gevreten , even als de riemen der schilden. Van hier dat Sanherib\'s krijgers bij hot aanbreken van den morgen genoegzaam weerloos stonden. Verschrikt door dien staat, hadden /.ij de vlucht genomen , niet zonder dat duizenden door de Egyptenaren werden

ingehaald en afgemaakt. In den tempel werd het standbeeld van Sothos met oono muis in do hand geplaatst, mot hot volgende opschrift; quot;Wie mij aanziet, zij vroom\'.

Na het aftrekkon van Sanherib bestreden by voortduur do Tanitische on Saïtischo koningen der Delta elkander. Do Ethiopische dynastie schoon zich onder Shabatok, den zoon van Shabak (Sabako), te. Thebo te zullen handhaven; doch Tahraka schoot hom tor zijde, nam hem gevangen en liet hem dooden. Ook Stephinatis had geen geluk : hem word Memphis ontrukt. Nu hoerschte Tahraka over het geheole rijk en stolde zijne moeder, dlo liij uit Ethiopië tot zich liet komen, tot regentes aan. Maai de Assyrische koning Assoor-akhe-idin (Assarhaddon) kwam dien voorspoed verstoren. Hij rukte over l\'eloesium het Nijldal binnen en versloeg het leger van Tahraka, die gedwongen werd naar Napata te vluchten.

Assarhaddon veroverde Memphis en plunderde Thebo. Hij maakte do \'20 kleine vorston , die do heerschappij over Egypte met elkander deelden, van zich afhankelijk en stolde aan hun hoofd don koning van Saïs, Noko I, den kleinzoon van Stophanites, dlo ton jaro 081 (vMr Christus) was gestorven, en daarna diens zoon Nekhopso, die

no

-ocr page 129-

KOYI\'TH (in DEN IIISTORtSClIKN SAGKNTIJI)).

in G74 aan het bewind kwam. Beide vorston zwoeren trouw aan Assarhaddon, die zicli trouwens daarvan verzekerd had door eene bezetting Assyriërs in Egypte achter to laten.

Assarhaddon stiorl\' in 667, zijn rijk nalatende aan zijn zoon Assoor-ban llabai (As-soor-liani-Pal). Deze vond Egypte in oen onrustbarendon staat. Tahraka was namelyk tijdens de afwezigheid van Assarhaddon uit Ethiopië naar Egypte teruggekéèrd en had na eono strenge belegering van Memphis de Assyrische bezetting dier stad overwonnen. Assoerban-Habal snelde met Syrische hulptroepen naar de Delta, sloeg Tahraka bij Karbanit en heroverde Memphis en Thebo.

Nadat do Assyrische koning do beschikkingen, door zijn vader weioor ten aanzien van Egypte getroffen, had hersteld on Ethiopië voor altoos, zoo hij meende, onschadelijk gemaakt, koorde hij naar huis terug. Doch do Egyptische vorston waren van eono andere mooning: zij vreesden Tahraka meer dan do vorwijdordo Assyriërs on sloten mot hom oen geheim verdrag, waarbij zij zich verbonden om hein woder op don troon dor pharao\'s te herstellen.

Do Assyrische stadhouders kregen konnis van deze samenspanning. Zij namen do hoofden dor saamgozworonon in hechtenis en zonden hen, in ketenen geklonken, naar Ninivoh. Ondor hen bevond zich Neko. Doch Tahraka Hot zich daardoor in zijn marsch niet ophouden. Hij verovordo Thebo on Memphis, en Assoer-ban-Habal oordeelde hot ondor deze omstandigheden verstandig, om den samenzweerders vergiffenis te schonken. Hij overlaadde Neko mot eerbewijzen en herstelde bom niet alleen als vorst van Saïs maar benoemde zHfs Neko\'s zoon, Psametich, tot gouverneur van Athribi.

Toon Neko in Egypte kwam, vond hij Tahraka daar niot meer. Dozo, door 0011 droom verschrikt, was naar Ethiopië teruggeweken, in wolk land bij na eono bijna vijftigjarige rogeering over Ethiopië on eene zos-en-twintigjarigo over Egypte, in hot jaar (166 vóór Christus, overleed. Oord-Amaneh, zijn schoonzoon, verhief zich tot koning van ïhobe en dwong de Assyriërs, dio weder in \'t bezit van Memphis waren gokommi, deze stad aan hem over te geven. Ook Neko viol in zijne bandon on werd tor dood gebracht. Doch Noko\'s zoon, Psametich, ontkwam naar Syrië.

Assoor-ban-Habal\'s geduld was thans Uitgeput. Hij versloeg Oord-Amaneh in do Delta en verovordo en plunderde liet weder tot bloei gekomen Thebo, welks inwoners hij in slavernij wegvoerde. Ondor den buit waren twee obelisken van louter goud, die aan do poort eens tempels haddon gestaan on 100 talenten waarde hadden. Oord-Amaneh vluchtte naar Ethiopië (664).

Ten derde male sinds ungevoor zeven jaren werden do \'20 Egyptische vorston in hun gezag hersteld, doch Psametich kwam niot woder aan hun hoofd. Dit viol to beurt aan zekeren vorst l\'akroor van l\'asoopti, die roods vroeger oen inododingor van Neko was fewest.

Do vorston der Delta schijnen eene erbarmelijke klasse van regenton govvoost te zjjn , want zij kwamen spoedig weder ondor het, Kihiopische Juk. Een der Kthiopisehe koningen , Nooat-Meiamoon , bad zich in oen droom verbeeld als bebeerschor van Kgypto gehuldigd to worden. Dit scheen hem eene vingerwijzing om zich van hot vruchtbare tiabuurland moester te maken. Thebe, waar do AinmenpHesters steeds hot hoogste woord voerden , bood gooii tegenstand, en do prinsen der Delta werden bij Memphis verslagen. Als overwinnaar trok Noeat-Meiamoen deze voste binnen. Do vorston der Delta, mot Pakroer aan het hoofd, gaven zicli over. Allen ontvingen genade. De Ktbiopiër onthaalde bon op brood, bior en allerlei lekkernijen. Doch nauwelijks was hij afgetrokken, of het oudo spel ging van voren af aan. Te zelfder tijd er,liter werd de macht van l\'akroor, die op nieuw aan \'t hoofd der Delta-vorston was getreden, door Psametich van Saïs, den zoon van Neko,

Ill

-ocr page 130-

fiEïuA\'STiiKKRnu werkt,noksciii i;den is.

bodroigd. IJezo was voor den Pasoeptiër oon gevaarlijk tegenstander, want Psamoticli had een eerzuclitig karakter, schroomde geone moeielijke ondernemingen en zocht gaarne avonturen op.

Twaalf vorsten, zoo verhaalt men , deelden destijds de heerschappij over Egypte met elkander. Men voorzag echter eene geheele verandering, want oen orakelspreuk was ter kennis gekomen, dat de heerschappij over het geheele land hem zou ten deel vallen, die de goden in een ijzeren beker zijne offerande zou toebrengen.

Toen de twaalf vorsten zekeren dag in den tempel van Phtah waren vergaderd, deelde do opperpriester do gouden bekers voor het drankoffer onder hen uit. Doch hij had misgcteld: er waren slechts elf bekers voorhanden , en Psamoticli, do laatste in de rij, kroeg er geen. Spoedig beraden, nam deze zijn helm van het hoofd en gebruikte dien als offervat. Op dit gezicht herinnerden allen zich de orakelspreuk. De elf vorsten , daardoor in naijver ontstoken, verbanden Psametich naar de moerassen der Delta, met hot wachtwoord om nimmer terug te koeron.

In dozen nood wendde de vorst van Saïs zich heimelijk tot het orakel van Booto. liet kondigde hem aan, dat mannon van erts, die uit de zee zouden oprijzen, hem zouden helpen wreken. Teleurgesteld ontving Psametich deze spreuk, want hij dacht dat do priesters hom daarmede wildon hoonon. Doch het duurde niet lang, of zijne zienswijze veranderde. Karische en .Ionische zeeroovers in volle wapenrusting plunderden de Egyptische kuststeden, en de bewoners, die tot nog toe geene andere dan Egyptische, slechts deolswjjze geharnaste soldaten gezien haddon, deelden vol schrik mede, dat mannen van erts, die uit de zee waren opgekomen, het land plunderden. Nu vond Psametich don zin van het orakel klaar. Hij nam de zeeroovers in zijnen dienst, en mot hunne hulp overwon hij zijne elf mededingers, wien luj in een veldslag bij Monicmphis de nodorlaag bereidde en aan zich onderwierp.

Thebe gaf zich zonder verzot over. Sabako had do heerschappij over deze provincie aan zijne zuster Amemrites opgedragen. Doze had zekeren Pianklii gehuwd, en van hem eene dochter, Sjapentep, nagelaten. Mot deze roods oenigszins bejaarde prinses verbond l\'samotich zich door den echt m word daardoor, overeenkomstig do zienswijze dor Egyp-tenami , wettig en rechtmatig koning. Na menigen strijd mot zijne mededingers werd by in ()•quot;)() (of 651) werkelijk alloenheorschor van het geheele land, van den eersten waterval des Nijl\'s tot de Jiiddellandsche zoo, en de stamvader der \'2()9le dynastie.

Psametich vond Egypte in een ellendigen staat. Memphis en Thebe waren meermalen geplunderd en de tompels verwoest* Straten en kanalen waren in verval, het volk ontzenuwd en moedeloos. Met groote geestkracht ving Psametich aan om dezen toestand te veranderen . hetgeen hom ook gelukte. Gansch Egypte werd weder een bedrijvig land. De kunsten biociden heerlijker dan ooit.

Psametich was oen verlicht man. Hij doelde niet in den af keer dor Egyptonaren tegon de vreemdelingen. Integendeel genoten de Grieken by hem een groot vertrouwen, want de afzondering waarin Egypte verkeerde, scheen hom nadeelig voor \'slands belangen.

Uit dien hoofde bevorderde hij het verkeer met vreemde volken en veroorloofde niet alleen aan de Joden en Syriër.-c, die ton gevolge van omwentelingen bun eigen land in menigte waren ontweken, om zich in Egypte neer te zetten, maar schonk ook aan de Kariërs en Joniërs, aan wien hij zijn zegepraal over zijne Tnododingers dankte, landerijen aan den Peloosischen arm van den N\'iji. Uitgelokt door dit voorbeeld, liepen op zeker tijdstip dertig Milesische schepen met Grieksche landverhuizers de Holbitische Nijl-mond binnen en stichtten daar eem* versterkte handelsfactorij, het Milesische kamp genoemd.

112

-ocr page 131-

HOVPTE (IN DKX IIISTOnlSCHIN SAfïRNTI.11)).

I\'Sftinn.ticli zorgdo ook voor do veiligheid dos lands togon do boido grooto rijkon. din aan hot /ijnc paalden , t,. vv. Assyria on Ethiopië. Alloroorst stichtte hij tot besolior-minfr zijner noordoostnlijke grenzen de vesting Daplme, niet ver van do oude vos-tiiif,\' Tsal, Vervolgens logdo hij storko bezettingon op hot eiland Aboo (Klophantino), aan don eersten Nijlval, on naar hot westen in do Maroa, in do nabuurschap van hot moer Mareotis, om togen Lybio beschut to zijn. Niettemin word met het laatstgenoomdo land een levendig verkeer ondorlioudon, daar hier, tusschen 648 (gt;n (gt;25 vóór Christus , oono Griokscho kolonie, Kyrone, was aangelegd.

Mot dozo toeboreidsolon gereed gekomen, ging i\'samotich op veroveringen uit. In de eerste plaats viel hij Ethiopië aan, waarin hij tot Kerkis, in de nabghoid van den tweedon waterval, doordrong. In Syrië waagde hij zich slechts tot het land dor Ki-listjjnen, waar hij na 0(^n langdurig beleg Asdod innam. Hij de nadering der Jvime-riërs, dii^ op hunno grooto rooftochten ook Egypte bedreigden, meende iiij nint zich op de wapent\'ii te niooton verlaten, niaiir door rijke geschonken deze woestelingen tot den aftocht te bewogen.

De voordeeion die I\'samotich zijn land door het toelaten van vreemde kolonisten wilde verschaffen , werden door de Egyptenaron niet op prijs gesteld. Syriërs en Joden waren zij sedert lang gewoon , ofschoon zij te veel van deze vreemdelingen geleden hadden om hen met goede oogen aan te zien. Men duldde hen echter. Doch anders was de vei houding tegenover de Grieken , die eene met hoi geheel verscliillendo natie waren.

I. 8

-ocr page 132-

GKÏI.U STIIKKKDK WERELDGESCUl KI)F.NIS,

Hot tot hiertoe voor do vroenulelingen genoegzaam afgesloten Egypte was voor de Iloilonon als het ware oen geheel i\'.iouwo ontdekking. Wij hebben hier eene der merkwaardigste gebonrtenissen uit do geschiedenis van de vroegste oudheid op to toekenen. Met do uiterste verbazing zag\' men or do vruchten oeuor beschaving van eonigo duizonden jarnii , on de verhalen die daarvan naar do Grieksche stranden kwamen, schonen sprookjes en fabelen, üo Grieken worden mot de grootste geestdrift voor Egypte en do Egyptenaron vervuld. Do meestberoemde mannen begaven zich derwaarts om Egyptische w|jsb«georte en wetenschap te loeren. De koning beminde de Hollenen en liet Egyptische kinderen door hen in de Grieksche taal onderrichten, daar do Grieken voor hot egyptisch geen smaak haddon. Het verkeer werd door tolken gevoerd, wier aantal zoo zeer toenam, dat zij in alle steden der Delta eene vry talrijke klasse vormden, De Griokon, die do geschiedenis van alle Oosterscho volken verwarden door hun atroven om hunne oudste herinneringen mot die dor andere natiën te verbinden, deels door vorzonnen fabelen, waartoe nu eens een naam, dan woor eene traditie aanleiding gaf, gingen op dezelfde wijzo ten aanzien van Egypte te work. Zij maakten uit Danaos non Egyptenaar, die uithoofde van een opstand tegen /.ii11 broeder Arrnaïs naar Griekenland was verbannen, fabelen van omzwervingen van Kekrops, van den kamp van Heraklos mot een Egyptisch dwingeland Hoosiris, on van een koning Proteus, aan wiens hof Heli\'iia en Monelaos geweest waren. Zoo zagen zij ook in do godin Neith van Saïshun Atlioitquot; , verzinsels op welke wij in do geschiedenis van Griekenland terugkomen. Do verbazing en bewondering der Grieksche vreemdelingen maakte op de Egyptenaron weinig of geen indruk. Tnsschen de opvoeding en leefwijze van boido volken heorschte daarvoor eon to groot verschil, want do Grieksche gebruiken waren den Egyptonaron oen gruwel. Zelfs het gomeeno volk hield bon voor onrein, at mot hen niet aan dezelfde tafel en huiverde zelfs om iets aan te vatton , wat zij aangeraakt haddon. Do hoogero klassen der Egyptenaron daarentegen beschouwden do Grieken als nieuwsgierige kinderen, als oon volk dat do eerste pogingen deed om zich aan den staat van barbaarsch-heid te onttrekken.

Deze afkeer der Egyptenaron en hunne ijverzucht ten aanzien van do voorrechten (l(ilt;ir hun koning den vreemdelingen geschonken, voordo tot treurige voorvallen. Wij hebhon gezien hoe dankbaar de koning zich jegens de Kariërs en Joniërs bewees. Hij koos uit hen zijne lijfwacht en ruimde deze do eeroplaats in bij zijn leger, die op den rochtervleugel. Dat beloodigde in de hoogste mate do mashouashs en de overige Egyptische troepen. Onder hen die in do grensplaatsen Daphne, A boo en Marea lagen , heerschte de grootste ontevredenheid, ook omdat men hen in geene drie jaren had afgelost. Eon opstand waagden zij niet, doch zij besloten om hunne posten en hot land to verlaten en voerden dit plan uit vóór dat do koning hiervan het minst vermoedde. Eene macht van 240,0(10 man trok met pak en zak naar Ethiopië, waar de koning van Napata hen met blijdschap ontving en hun de vrije hand liet om land op zijno vijanden te verovo-ren. /.ij zotten zich neder op hot schiereiland, dat door den liahr-el-Azrok en liahr el-Aliiad wordt gevormd, en noemden zich, ter herinnering aan don toegevoegdon smaad, Asmakhs of quot;do lieden op do linkorzijde des konings \', dus nagenoeg quot;do mannen die men links heeft laton liggen.quot; De Griokon noomdon hen Automolen en Sombriten.

Deze desertie verhinderde l\'sametich om zich do verwarringen dio in Assyrië heorscliten , ten nulli\' te maken. Hij sti\'-rf in hot jaar 01 I vóór Ghristus. Op hem volgde op rood.s ge-vordi\'rden leeftijd z|jii zoon Neko , die het nier van staat zestien jaren omklemde (01 I -595).

Neko toonde zich zijn grooten vader waardig on begunstigde eveneens do vreemde-

114

-ocr page 133-

EOVl\'TK (IN DUN IllSTOlMSCUEN SAGKN\'IJJI)).

lingon. Psaineticli luid do laatste jaren zijns lovcns besteed om oen stork leger bijeon to brongoa. Noko vestigde nu hot oog op hot schoppen vuil oono grooto macht tor zoo on Hot Crrieksche schoopsbouwmoostcrs oono vloot van triromon to water brengen. \'J\'en einde do Koode zee mot do Middellandscho zoo, door middel v:m don Nijl, to vorbindon , bracht hij oen ontwerp in uitvoering, zoo als roods in vroegere tijden, onderdo iJCiste dynastie, was gevormd. Hot hoot, dat hij bij deze onderneming \'20,000 man verloor en hot liet staken ton gevolge oener orakelspreuk, waarin werd aangekondigd, dat dit ontwerp alleen ton voordeelo dor barbaren zou strekken.

Eene andere onderneming, waarvoor hij ijverig werkzaam was, bestond in het omzeilen van Afrika, door op zijne kosten uitgeruste Phoenikir.rs. lli\'t doel dozor expeditie was om ontdekkingen te doen op do westkusten van liet werelddeel, van waar do Phoenikiörs zoo vele kostbare waren haalden. Zij hielden de ligging dezer landen niet slocht.j geheim, maar verhinderden ook voor andoren do vaart op de Middellandscho zoo en langs do Zuilen van Hercules (de Straat van Gibraltar). Noko boval, dat do expeditie van do Roodo zoo zou vertrokken, langs de zuidelijke kusten zou voortvaren, Afrika omzeilen en langs do Zuilen van Hercules torugkeeron. Ettelijke maanden achtereen stevenden do schepelingen zuidwaarts voort, altoos do Afrikaanscbe kust rechts van zich houdende. Na oono lange vaart ontdekten do koene avonturiers, tot hunno onuitspre-kolyko verbazing, dat do zon niet ineor ter linker, maar ter rechter hand opging , naar do zijde van de kust. Dit was zoor natuurlijk, omdat zij de Kaap die do zuidpunt van Afrika vormt, waren omgezeild on nu naar hot Noordon voereu. Na drie jaren reis kwamen zij in de Middellandscho zoo on Egypte terug. Gevolgen had deze merkwaardige en gewichtige tocht niet. Ontijdig gemaakte uitvindingen of ontdekkingen dragon evenmin vruchten als bloesems die te vroegtijdig uitbotten. Deze ervaring leert do geschiedenis in talloozo voorbeelden.

Neko II was ook bedacht, om Egypto\'s wapenroem up nieuw te doen schitteren, ilij maakte gebruik van de hiertoe gunstige omstandigheden in Assyriö, rukte Syrië binnen, overwon den van Assyriö afhankelpen Joodschen koning Josia bij Magiddo (\'iö.S), deed zich 100 talenten zilver en 1 talent goud uitbetalen, stolde Jojakim, .Tosia\'s zoon, tot zijn onderkoning over Juda aan en koerde in zegepraal naar Egypte terug.

Noko\'s heerschappij over Syrië duurde niet lang. Na drie jaren, dus ongeveer in lt;gt;05 vóór Christus, trok do liabylonscho Prins Noboekadnezar togen hem op en sloeg hem in den slag bij Karchemisch zoo beslissend, dat Neko goono verdere pogingen aanwendde om den oorlog voort te zetten. Do liabylonscho prins was willig hot oor aan vredesvoorstellen te loenen, daar de dood zijns vaders hem naar Jiabylon riep. Z6ó kwam hot spoedig tot eene vreedzame oplossing. Uitvoeriger berichten aangaande dezen veldtocht zullen wij in do Joodscho en Assyrischo geschiedenis verhalen. Noko hoopte wraak te kunnen nemen en bracht om die reden leger en vloot in een botoren staat; doch nog vóór hij gelegenheid vond om de nederlaag van Karchemisch door eono overwinning uit te. wisschen, rukte do dood hem uit dit leven. Hij stierf in \'t jaar 505 voor Christus.

l\'sametich II, zjjn zoon, die hem in het bewind opvolgde, vond geeno gelegenheid de plannen van Noko II ton uitvoer te brengen, want oen aanval van den koning van Napata riep hem naar Kthiopië (501). Vandaar teruggekeerd, overleed hij in 5lt;S!).

Op l\'sametich 11 volgde Oehabra (Hophsa of Aprios), die in HJS!) tot r)(i!) regeerde. Deze verbond zich mot de Syrische vorsten en don koning van Juda, doch kon den val van JeniHalom niet veihinderon. Immers, bij zijns nadering schorste Nehoekadne/.ar voor

nr.

-ocr page 134-

116 ORÏUUSTIIKKRDK tVKIlKI.DOESÓlIIKDRNTS.

korton tijd hot beleg dor stad op 011 trok de Egyptènaars to gomoet. Of liij uit voorzichtigheid terugging of geslagen word, valt niet uit te maken. Later nochtans was Oehabra golnkkiger. Zijne met Grieken bemande vloot bracht der Phoenikische vassalen-vloot en Babylon do neerlaag too, on zijn loger te velde veroverde Sidon door bestorming. Do andere Phoenikische steden onderwierpen zich toen aan zijne zegevierende armoe. Oehabra was dus zoo gelukkig om een doel te bereiken, waarnaar zijne voorgangers te vergeefs gestreefd hadden.

Geschiedenis der beschaving.

(t och dienst. Al hetgeen wij tot hiertoe betrekkelijk den godsdienst der Egyptenareu wisten, ontleenden wij aan do mededeelingon van Grioksche, Romeinsche onchristelijke schrijvers, welke laatston slechts oen oordeel konden vellen over hotgeon zij te hunnen tijde konden waarnemen , oono periode waarin de Egyptische godsdienst aanmerkelijk ontaard was van zijn vroegeron staat. Wij hebben intusschon hier alleen met don tijd van Rsametich te doen en putton onze denkbeelden aangaande den Egyptischen godsdienst uit do schriften die op de gedonktoekenen staan gegriffeld of in do papierrollen der oudsto tyden zijn neergeschreven. Vroeger l.;on men daarvan geen gebruik maken, omdat veel daarvan verborgen was, en niemand in het ontcijferen der hieroglyphon gelukkig slaagde. Sedert dat dit aan Champollion gelukte, zijn wij in staat oen beter oordeelen to vellen.

Eer do wereld bestond — zoo luidde de leer der oude Egyptenareu — dreven de kiemen voor allo dingen in oene zee of chaos, het Noe. Maar van allo eeuwigheid af drong do geest Gods door dien chaos heen. Deze God is een oenig, volkomen wezen, alwetend on alvermogend, onvatbaar en onbegrijpelijk. Hij is de oenige schepper van hemel en aarde, en hij alleen bestaat uit zichzelvon. Hij is en was steeds dezelfde, was altoos alomtegenwoordig en zal dit in alle eeuwigheid zijn. Hij doordringt het ganscho heelal, zonder dat dit slechts oen zwak denkbeeld van zijne oneindigheid kan geven. Men govoolt Gods alomtegenwoordigheid overal, maar ziet hom nergens.

Ofschoon in do hoofdzaak één wezen, is God niet één in persoon. Van alle eeuwigheid af brengt hij in zichzelvon een ander zichzelten voort. Hij is tegelijkertijd God de vader, God de moedor en God do zoon. Voortgebracht door God , geboren uit God, zonder van God uit te gaan, zijn deze drie personen God in God, en, vor verwijderd van de eenheid dor goddelijke natuur to splitsen, dragen alle drie tot zijne eindelooze volmaaktheid bij. Deze goddelijke drieëenhoid is één in alle geestelijke eigenschappen: eeuwigheid, oneindigheid , almacht en algoedheid. De volvoordors van zijnon wil, brengt hjj door zichzelvon voort. quot;Hij brengt zpe eigene leden voort, en deze zijn do goden.quot; Doch deze ondergoden, die met den eenigen god als een geheel uitmakende beschouwd moeten worden, kunnen weer nieuwe, geringere leden vormen, en dat gaat voort van de hoogste tot de laagste trappen dor dingen , die wy in do natuur zien.

In weerwil van hunne groote menigte en verschillende vormen, mag men deze uitvloeisels van God voor verschillende, van elkander onafhankelijke wezens houden, \'/ij zijn voor den verlichten monsch slechts vormen en namen voor een en hetzelfde wezen : God.

Men noemde God met verschillende namen, al naarmate van het goddelijk werk in welks uitoefening men hem wildo voorstellen. Als de schepper en voortbrenger heette hij Ammon, als de hoogste wijsheid Imhotep, als de volvoordor van alles in do verhevenste kunst en in waarheid I\'litah. Als de algoede gaf men hom den naam Osiris.

-ocr page 135-

Isis.

De ulgoede natuur.

1 lor

De opstanding.

Nebt-ha (Ncphthys). Du Godheid der onderwereld .

Anoebis.

Du gids der dooden naar de benedenwereld.

Toth. De maangod.


-ocr page 136-

(ii:ïi,i,i;sTitKi;riie vverkmjgksoiiikdknis.

ledor Egyptlscli landschap had zyn bijzondoren god, dat is hot voroordu don oonigen God ondor oon andoren naam. Zoo werd God onder don naam Amnion to Thoho on ondor dion van Phtah to Memphis vereerd. Mochten nu ook de bewoners van ïhobo aan do voorstelling als Amnion do voorkeur geven, zoo wisten zij toch zoor goed, dat l\'litaii of eenig ander plaatselijk god evenzeer den Schepper van het heelal voorstelde, en men richtte nevens het altaar voor Amnion ook anderen op voor do plaatselijke goden»

Dat het volk de wijsgeerige undorscheidingon ten aanzien van don eenigen God niet in haren gehoolon omvang begreep, mogen wij mot zekerheid aaiinomen, daar wij hetzelfde nog na duizenden van jaren bij de volken vindon, die zich voor do moest beschaafden op aarde houden.

Voor monschen, wier verstand niet genoeg ontwikkeld is om zich eon begrip te vormen van eun geostolijk bestaan, of afgetrokken denkbeelden kunnen omvatten, moet een godsbegrip, zooals hierboven is ontwikkeld, onverstaanbaar blijven. Uit dien hoofde Melden do Egyptische priesters het voor goed en doelmatig om hun de krachten dor Godheid als oven zoovele goddelijke schepselen voor to stollen, als vertegenwoordigers van den Schepper aller dingen. Het waardigste beeld, dat do Godheid kon voorstellen, was naar hunne mooning, de Zon, die eeuwig en onophoudelijk voortbrengt en tevens voortdurend strijd voert met do duisternis, die zij bestendig overwint, zonder haar echter te kunnen vernietigen, en dus in haar gebied hetzelfde doet als God in liet heelal. Naardien God do wetten gaf, die de harmonie in hot geschapene regelen , ontstonden daardoor do verschillende natuurkrachten, zoowel de voor den inensch weldadige als do hem vijandelijke. Hot opperhoofd dor laatstvermelden, quot;de Zoon van don opstand,\'\' word in de beeltenis van eeno groote slang, Apap gohoeten, voorgesteld. Men schetste dit hoofd en zijne gezellen als in strijd gewikkeld met do vertegenwoordigers dor weldadige krachten, do goden die verlichting en bovruchtiging schonken: oen kamp als dagelijks door de Zon mot do duisternis wordt gestreden.

Nog duidelijker voor het volle was de voorstelling van Gods werkzaamheid in don Nijl, den weldoener van Kgypte en do eeuwige bestrijder van de vijandelijke woestijn.

De Zun Ka was voor het volk het lovende lichaam dor Uodheid, Even als deze, al naar hot bijzondere bedrijf, waarin men hem als Schepper en Onderhouder wonschte voor to stellen, nu eens Amnion, dan weder Phtah, linhotep enz. word genoemd , evenzoo had mon ook éigene namen voor de Zon op verschillende tijdstippen van den dag. Vóér haar opgaair heette zij Atoon of Hor-om-akhoo-ti (Hor aan beide gezichteinders), liij het opgaan gaf men haar den naam van Hor in zijne kindsheid, des middags Ifor in het midden, of lia, Sjoo, Anhoor, enz.; bij hot ondergaan Nower-ïoom, en gedurende den nacht Osiris.

Deze hier vënnolde elementen waren eene eindeloos rijke stof bij godsdienstige en dichterlijko fantasiën en wijsgeerige en bovennatuurlijko droomorijen voor poëtische en spitsvondige natnren. Geen wonder, dat het mooielijk is geworden den zin te vatten van al die voorstellingen, welke, do een na don ander, in hot brein van priesters en wijsgeeren ontstonden. Hoe moeiolijk dit valt, blijkt daaruit, dat nauwelijks twee geleerden, die zich de studie der quot;Egyptische wijsheidquot; ten taak gesteld hebben, in hunne verklaringen mot elkander overeenstemmen. Amnion en Phtah beteokenen beidon hetzelfde, en toch, de inwoners van Thebo hielden Ammon voor grootor en machtiger dan Phtah.

De moest gevierde goden der Egyptonaren waren Osiris en zijne zustor en gemalin Isis , en zij /.ijn onk de eenigen van wien eene volkomen logende in omloop is gekomen.

118

-ocr page 137-

KdVI\'TK (IN DKN IIISTOKISOIIHN SAOKN\'J\'IJ I)).

Doze op velerlei wijze versierde logende is in korto trekken de navolgende:

Osiris, de woldooner des lands, word door y.ijn boezen broeder Typlion en diens 11 gezellen nit nijd emgebraeht, waarna zij zijn lijk, na dit in eene kist gelegd te hebben, in den stroom neerlieten Do golven droegen de kist naar Byblos. Aan land gespoeld, groeide oen prachtige tamarisk daarover heen. Maar Isis, do gade en zuster van Osiris, en diens zoon, uit Nephthys geboren, Anoebis, zochten allerwego naar hot lijk. Zij vonden het en lieten het op het heilige rotseiland l\'hiiae begraven. Toen kwam Osiris uit de heerschappij, hem gebleven, hot rijk dor dooden, en verschoen zijn zoon Hor, die hij bij Isis had gewonnen, en oischte van hom wraak over de misdaad to nemen. Hor overwon Typhon en zijne motgezellen on verjoeg hen naar de woestijn. Sedert hoerscht Hor als de laatste der goden van Egypte.

De mythe van Osiris is niets andors als oen dor talrijke vormen, waarin do strijd tusschon hot goede en \'t booze, ol\' van het licht mot de duisternis, wordt voorgesteld. Osiris, de vertegenwoordiger van het goede, is in eeuwigen strijd met Set (Typhon), den vervloekte. Osiris is do Zon: in de gedaante van iia schittert hij gedurende de twaalf uren des daags aan don hemel; onder do gestalte van Osiris Oenowreh regeert hij do aarde. Evenals lia lederen avond door don nacht wordt overwonnen, dio hom voor altijd te verslinden schijnt, zoo wordt Osiris door Typhon verraden, die hom in stukken snijdt om zijne wederverschijning te beletten. Doch in weerwil van hun tijdelijk verdwijnen, is noch Iia noch Osiris dood. Hor (hot kind van do opgaande Zon, die Osiris is), kampt met Typhon en verslaat hom, dat is, verdrijft do duisternis. Hij wreekt zijn vader, zonder diens vijand te vernietigen. Deze iedere dag zich ver-nieuweiido strijd, oen zinnebeeld van het goddelijk loven, diende to zolfdertijd tot zinnebeeld van het monscholijk bestaan.

Eene goheei bijzondere eigenaardigheid van don Egyptischen godsdienst was do ver-oering van zekere heilige dieren. Over don oorsprong van dozen dierendienst wijken de moeningon dor geleerden ver van elkander af, en reeds ton tijde dat do Grieken met de Egyptoiiaren nader bekend werden, kon het volk daarvan goone oplossing moor geveu. Mot do priesters was het waarschijnlijk eveneens gestold. Doch zij hielden zich als waren zij volkomen daaromtrent op de hoogte en wekten hot donkbeeld bij de vreemdelingen op, dat de oorsprong en do beteekenis van don dierondienst een hunner godsdienstige geheimen was.

Daar men niet slechts dieren, maar ook zekere planton voor heilig hield, schijnt ons do volgende verklaring niet onwaarschijnlijk, ofschoon men hare juistheid geenszins kan waarborgen, en zij in workelijklioid niets is dan oen vermoeden.

De lettertookonon der Egyptonaren , de hieroglyphen , waarover later — vooral die van don laatston tijd, bostondon meorondeols uit afbeeldingen van dieren. Do go-schreven namen der goden bevatten alzoo zoodanige dierenbeelden, en men gewonde zich derhalve aan om de goden met de hen aanwijzende diorteekons in gemeenschap te denken , zoodat deze dieren oenigermato als de vortegonwoordigors der goden voorkwamen en daardoor geheiligd werden. De oorspronkelijke beteekenis ging verloren door de vergetelheid, maar do vereering der dieren nam toe met het bijgeloof, dat door do priesters werd aangekweekt.

Volgens eene andere verklaring, zijn do dieren als eene vleoschwording {incarnatie) der goden te beschouwen. Zij zouden dan deze nederige gedaante aangenomen hebben , om onbemerkt alles te kunnen gadeslaan wat met de menschon voorviel.

Ieder landschap {nomon) had een bijzonder dier voor zijne vereoring. Etteljjkon worden

119

-ocr page 138-

120

door gaiiscli Egypto voor hoillg gohoudon, torwijl andoren daarontogon in hot oeno landschap vereord on in hot andero vervolgd wordon. Do inwonor.s van Elophantino dooddon I), v. do krokodillon, torwijl do |iriost(n\'s van Tiiobo ou van Sjod oen tam oxomplaar bij zjch hielden , hotvvelk zij oorriiigon aandedon, on vv(!lk.s vijorjiooton zij mot spangon sierden. Zij voederdon het dier uit do hand mot kook on gobakkon visch on zetton hot zokoren honigdrank voor. üe sponvers waren do Zonnegoden gewijd , de stior aan Osiris, do ram aan Amnion, do bok aan Mondes, het nijlpaard aan Typhon (Set ot\' Tebh), hotgeon ook de Egyptische naam voor hot nijlpaard is. Aan dezen god waren ook hot zwijn, do ezel, en do krododil gewijd. lgt;o koe was hot aan Isis toogohoiligdo dier. Vordor werden veroord de jakhals als do gezel van Anoobis, de Ibis en do buis-aap als die van Thot, de kat als die van de godin dor geboorte Pacht to Boobastis, hot ichneumon als die van liooto, de kever (scarabeus) als die van Phtah, de wolf als die van Hor, de slang als die van Thorinootis, enz.

Eönigo dieren werden als bijzonder lioilig beschouwd, t. w. de vogel feniks, do os Mnovis, do bok van Mondes on do stier liapi (Apis) to Memphis.

Do vogel feniks, of bennoo, die to Heliopolis werd vereerd en voor eene incarnatie van Osiris werd gehouden, is een faboldior, van hetwelk men verhaalde, dat hij allo vijfhonderd jaren uit hot Oosten herwaarts kwam en zich in don tempel van Ka nederliet. Hij vormde zich een nest van niyrrho en andore wolriokendo kruiden, en wanneer hij dit gereed had, verbrandde liij zichzdven tot asch, om daaruit weder verjongd op te rijzen en naar zijn geboorteland terug te koeren. Hij word voorgesteld als een adelaar mot oen kop, oven als die van den kiewiet met praalvodoron versierd, liij de .loden was deze sago mode in omloop, on het is allerwaarschijnlijkst, dat zij die uit Egypto medegobracht hebben. In het Hoek van Job is do vogel echter (-\'hol gonoenul, [Juh XXIX vs. 18). In don Talmud (in hot Sanhedrin) wordt do vogel ook vermeld en van hem gezegd, dat hij in het Paradijs hot oenigo dier is geweest, dat niet van den verboden boom heeft gegoten. Hij wordt in don Talmud ook Bar Joochni (de Zoon van het nest) genoemd.

Do stior Hapi werd allengs hot allerheiligste dier, want inon hield hem voor de

ziel van Osiris, den meest vereerden God, ofschoon hij ook quot;hot tweedo loven van rhtahquot; heette. Intusschon kon niet iedere stior tot don zoogonaamdon godstier verheven worden. Hij moest zeer bijzondere kenteekenen vor toonon. Hij moest zwart van kleur zijn , op hot voorhoofd oeno driekante witte plok heb-bou en op den rug de beeltenis van een adelaar met uitgebreide vleugelen, onder de tong oen knobbel in de gedaante van eon kever en in zijn staart tweeërlei haren. De priesters beslisten of al die teekenen voorhanden waren , en evenals do sterrenwichelaars in Int slorronboeld van den (ïrooten lieer ook do gedaante van oen Wagen zagen, zoo vonden de priesters ook in do aangewezen vlekken driehoekige kolplokkon en adelaars.

Deze heilige stier had eene kapel naast den grooten tempel van I\'litah te zijnor voreering, en zijne priesters bewezen hem goddoliike eer. De Hapi diende ook als orakel. Hij onl-vonkto namelijk df knapen die rondom zijne kapel speelden, in geostdrilt, zoodat zij

-ocr page 139-

121

voorspellingon dodon. Wie don stier mishaagde-, viel ontwijfelbaar aan liet unlieil ten prooi, maar wél hem wien hij aansnoof of belokte. Word de geboorte van oen Hapi vonnold, en hij als zoodanig door do priesters erkend, zou werden grooto feesten gevierd. Zoodra zich het gerucht verbreidde, dat de goddelijke stier het licht der wereld had aanschouwd, begaven zich oenige priesterlijke ambtenaren naar de gelukkige moeder. De jonge god werd in een daartoe opzettelijk ingericht huis drie maanden lang met melk gevoederd, als wanneer hij volwassen werd geacht. Alsdan brachten de gewijde .schrijvers (!ii profeten hem tijdons do nieuwe maan in een daartoe uitgerust vaartuig naar Memphis , waar men hem een aangenaam verblijf met lusttuin binnenvoerde en met oenige gespelinnen van zijn geslacht omringde. Ouder dan vijfentwintig jaren inoclit een llapi niet worden. Had hij dezen ouderdom bereikt, zoo verdronken de priesters hem in eon aan de Zon gewijd water. Overigens was men niet altoos zoo streng, want ten tijde der dynastie had men twee zoodanige dieren van meer dan vijf

entwintig jaren oud. Vóór Ramses II begroef men ieder Hapi afzonderlijk in een prachtig graf. Later bekwamen deze gebalsemde mumiën in eene rotsgalerij sarcophagon, die men toometseldo. Deze Hapi-veroering was zeer oud, en reeds onder do !2lle dynastie voortdurend in acht genomen.

Aan olk der heilig gehouden diersoorten was land toebedeeld, waarvan de opbrengst voorliet ondorhoud ruim voldood. Eene afzonderlijke klasse van menschen, tot do priesterkaste bohoofende, wijdde zich aan de verpleging, en dit beroep erfde van vader op zoon. Zulke dierverplogers, aan wier kleoding reeds te zien was, aan welk schepsel zij zich gewijd haddon, stonden bij het ganscho volk in groote achting. Wanneer zij dooide oenc of andere streek trokken, waarin het door hen verpleegde dier eveneens word vereerd, viel ieder die hen bejegende, vol eerbied voor hen neer, on wie een offerande in geld wilde brengen, gaf het stellig den priesterlijken veeoppasser.

Wanneer eon dor heilige dieren stierf, heerschto door hot geheole gebouw, waar liet gestald was, groote droefenis. Was de afgestorvene eene kat, dan schoren zich de ImiHgenooten de wenkbrauwen af; was het oen hond, dau schoor ir.eu zich het geheele lijf. Van don voorraad spijs en drank in het huis aanwezig, durfde niemand liet geringste nuttigen; het werd weggeworpen. Het doode beest wikkelde men in fijn linnen, balsomde het op kostbare wijze, legde het in eene gewijde kist 011 begroef hot onder teokenon van de diepste droefheid.

Het doodon van zulke geheiligde dieren gold als oen ontzettend misdrijf, grooter dan hot vermoorden van een mensch. Goen Egyptenaar durfde eene koe slachten , wijl zij aan Isis was gewijd. Voor de Egyptenaren waren uit dien hoofde de Grieken aterlingen, omdat deze vreemdelingen rundvloesch aten. Hij oen hongersnood aten de inwoners liever elkander op dan de heilige dieren te slachten. I!ij eiken brand raakten zij in vertwijfeling, niet zoozeer om het verlies hunner have, maar veel meer uit angst voor de katten, die do zonderlinge gewoonte hebben om als bezetenen naar hot vuur te loopon. Verbrandde eene kat zoo was aan het jammeren geen einde.

Wie een der heilige dieren met voorbedacht doodde, moest zonder genade sterven. Geschiedde het doodon bij toeval zoo bleef het uitspreken dor straf aan do willekeur dei-priesters over en bestond dan gewoonlijk in liet opbrengen eeuer aanzienlijke geldsom. Maar was hot gedoode dier oene kat of ibis, dan kon zelfs de aanzienlijkste som de straf niet afkoopen : de dader werd zonder erbarmen aan de schim van \'t afgestorven dier opgeofferd. Geen wonder derhalve , dat elk die op zijn weg een dood dier van deze soorten zag liggen , verschrikt staan bleef en onder jammeren on weeklagen zwoer, het dood gevonden te hebben.

-ocr page 140-

li KÏI.Lim\'IUilCltDK WmiKLlMil\'ISCIUUDKNIS.

Do Griokscho geschiodsclirijvor Diodor verhaalt 0011 voorval, hotwolk goduronde zijn verblijf in Egypte plaats vond en In\'t fanatisme van don dierondionst in li(ft helderste licht .stolt. Hot viol voor in een tijd, waarin hot lot van Egypte van een wenk uit Eorao afhing, en de Egyptenaron alle reden haddon om do welwillendheid der Komei-non niot te verbeuren, in dit tijdsgewricht namelijk, gebeurde hot, dat een Komein het ongeluk had uit onvoorzichtigheid eone kat to dooden. Het volk belegerde zijn huis en verlangde zijn dood. Do aanzienlijkste mannen baden om genade, ja de koning zelf verlangde \'s liomors vrijluting, terwijl hij op de wraak der machtige Latijnen wees. Te vergeefs; hot fanatieke ■ gepeupel luisterde naar goene woorden, en de ongelukkige Komein werd gedood.

Er waren ook heilige visschen on heilige groenten. Boenen mochten zelfs door de priesters niet aangokeken worden. Linzen , look en uien waren eveneons heilig. Men zwoor zelfs bij look en uien, evenals bij do goden.

Over de donkbeeldon der Egyptonaren ton aanzien van \'s monschen bestaan en een loven hier namaals geeft het zoogenoemdo Doodenboek opheldering, waarom men óf een geheel exemplaar, óf wel een uittreksel, in elke doodkist nedorlegde. Dit book bevat eene verzameling van gebeden en formulieren voor het gebruik der ziel in do andere wereld. Eer men don inhoud voldoende kon ontcijferen , was men over de denkbeelden der Kgyptenaren aangaande do ziel alles behalve wol ingelicht, en daardoor ontstonden vele dwaze moeningen.

Wat zulke Egyptonaren die den zin van hunnen godsdienst begrepen, over deze aangelegenheid dachten , laat zich in de volgende regelen samenvatten.

Do som of do onuitputtelijke bron van de hoogste wijsheid, het diepzinnigst vorstand , is God zoll\'. Een deeltje van dien God of van het goddelijke verstand huist in iediT bezield wezen, hetwelk dientongovolgo uit zie! en lichaam bestaat. De kleinste vonk vim deze hoogste wijsheid zou in hare vuurgedaante het lichaam vernielen , zoo zij niot in eone minder verhevene, doch nochtans evenzeer goddelijke zelfstandigheid, de ziel (Ha), ware gehold. Maar eek in dien toestand nog te rein om zich met het lichaam onmiddellijk te verbinden, geschiedt dit door bemiddeling van eene ondergeschikte kracht, den geest of adem (niwoe). Deze kracht kan zich , daar zij onvolkomen is, door alle doelen van het lichaam verwijderen , zonder dit te schaden of te vernietigen. De goddelijke vonk , gehuld in de ziel, voorts omsloten door den geest en zóó gehuisvest in het lichaam : ziedaar den mensch. Even als deze, zijn do dieren geschapen, doch hunne ziid mist de vonk van hot verstand, of wel bezit die in zoo geringe mate. dat de in het lichaam gehulde ziel zich daarboven niet verheffen kan.

liet verstand poogt den mensch van de heerschappij van het lichaam te bevrijden en zich te verheffen. Doch daar hot van zijne licht-atmosfeer is beroofd , en de ziel maar al te zeer aan de neigingen van het lichaam toegeeft, zoo gelukt hot \'t verstand slechts zelden, om do machten en hartstochten te vernietigen, die uit de grove stof van het lichaam geboren worden. IHt lichaam wedorstreeft en overwint met hulp der ziel, waardoor het vorstand eindelijk don strijd voor altoos opgeeft. Dan, van de goddelijke vonk schijnbaar geheel beroofd, verzinkt de mensch tot den staat van het dier. Gelukt het evenwel aan \'t verstand, om de overhand to bekomen, zoo werden de overwonnen hartstochten deugden, die meer en moor rein en zuiver ie voorschijn treden. De ontbonden ziel dringt heen door de stof, die alles voor haar verduisterde, streeft naar het goode en erlangt oen voorgevoel van het goddelijke.

Sterft de inonsch, zoo wordt zijn verstand vrij. Hij bekomt de lichtatmosfeor terug en

122

-ocr page 141-

IXJYPTK (in OUN msT(JllISClIHN S.VGFNTIJD). 123

wordt, eon Domon (Khoo). Do ziol, waaraan tlo goddolijku vonk is ontweken, on wier vorbintonis met hot lichaam evonoons hooft opgeliouden, moet nu voor hot gerecht van Osiris, Khont Amen, verschijnen, oen hof van twooönveortig holscho rechters, liet geweten - of zooals de oude Egyptonaron hot uitdrukten: hot hart —• is do onweerstaanbare on onomkoopbare getuige, en naar zijne getuigenis worden de handelingen afgewogen en hot oordeel geveld, met welks uitvoering hot verstand belast is. Dit kiest nu weder do verdoemde ziel tot woonplaats, maar niet als vroeger in den raensch, ontdaan van liet verteerend vnurkleod. Zij roept thans do van hot lichaam verloste ziol haar vroeger verachte raadgevingen, hare versmaadde beden te binnen, geesolt haar met hare zonden en geeft haar ten prooi aan don stroom dor opgeroepen elementen.

Zóó, tusschen hemel en aarde onverbiddelijk voortgejaagd, zoekt de verdoemde ziel oen menscholijk lichaam op, waarvan zij bezit neemt, en heeft zij dit gevonden , zoo kwelt ou martelt zij het, overhoopt hot met ziekte en drijft het tot moord en waanzin. Bereikt de ziol na eeuwonlango kwelling hot eindo van haar lijden, zoo sterft zij den tweeden dood en vloeit weg in hot niets.

De rechtvaardig bevonden ziel koert ook niet dadelijk lot God terug; zij heeft nog inenigon strijd te strijden en nog menige proef te doorstaan. Zij heft zich op tot de onbekonde ruimten, die haar door den dood ontsloten zijn, geleid door hot verstand en gestaald door de zekerheid van oen nabijzijnd geluk. Hare kennis heeft zich uitgebreid , hare talenten hebben zich vormoerderd. Zij kan iederen vorm aannemen, dien zij wenschelijk acht, b. v. dien van den sperWer, van den lotus, van den feniks, don kraanvogel, de zwaluw, en de adder (allen voorbeelden in hot Doodenhook opgenoemd). Deze dieren zijn, zooals wij weten, slechts symbolische figuren, en het aannemen dier vormen boteekent in werkelijkheid niets dan dat de menschelijko ziel zich met de goddelijke tevens vereenigt, die door de figuur wordt uitgedrukt; geenszins derhalve, dat do ziel in het lichaam van een werkelijk dier overgaat. Haar baan moet de afgescheiden ziel zoolang voortzetten tot zij door het doodengerecht rein wordt bevonden.

Vruchteloos verheft zich het kwade hetgeen in de vignetten van het Dooden-hoek door de figuren van den krokodil en do .slang wordt voorgesteld —■ tegen de afgescheiden zaliggesproken ziel, die in het Dooilenhoek voortdurend de Osiris genoemd wordt. Zegevierend streeft zij door de hemelsche woningen en verricht in de volden van den Aalus de plechtigheden van den mystischen arbeiderskring. Het einde der beproeving nadert. De schaduwen verdwijnen allengs. De dag dor eeuwige zaligheid breekt aan en doordringt de ziel met hare volle klaarheid. Zij mengt zich onder do schaar der goden on gaat met hen op tor aanbidding van het Volkomenste Wezen. Dit is de laatste trap dor glorierijke inwijding van de ziel. Nu wordt zij geheel on al verstand. Zij ziet God van aangezicht tot aangezicht en gaat in hem op.

Te trachten om de beteekenis van al de menigvuldige godsdienstige beelden en allegoriën te verklaren , ware eene vorgeofsche moeite. Intusschen talrijke navorscliers houdim zich daarmede bezig en vermeiden zich daarbij in de wonderlijkste fantasiën. Wij moeten ons vergenoegen met den zin van den Oud-Egyptischen godsdienst aangeduid te hebben: over zijne ontaarding in latere tijden is het thans do tijd niet te spreken.

De Egyptenaren balsemden hunne doodon. Ook daarvoor heeft men gepoogd de zon-derlingsto beweeggronden bij te brengen, daar de zorg voor het behoud des lichaams geenszins op de godsdienstige denkbeelden van dit volk schijnt te steunen. Men behoeft daarvoor echter niet naar verborgen gronden te zoekon: deze liggen inderdaad zeer nabij.

-ocr page 142-
-ocr page 143-

RÖYPTK (iN DEN IIISTOKISCHKN SA0ENÏI.J1)). 125

Hot wodorstreeft lid govoel vu» bijna nik monsch om hot hnold van 0011 goliofd por-soon to verniotigen, on bij eon volk, hotwolk mot zooveel innighoid aan oudo go-bruikon hocht als bot Mgyptiscbo en uit dion bnofdo do lijkon zijnor nabestaanden zoovool mogelijk voor bot vergaan to bewaren poogt, is dat roods op zich zelve eene voldoende reden. Daarenboven werden do ingozotenon door do natuurlijke gesteldheid van bet land tot bet balsemen der lijken gedwongen, want tot verbranden ontbrak bat \'t mot lommer zoo spaarzaam bedeelde Egypte aan hout, en bet begraven was aan grooto bezwaren onderhevig, daar het water bij do jaarlijksche overstroomingen de lijken moest wegspoelen en dezo de lucht zouden verpest bobben.

Stierf iemand, zoo uitte men zijne droefheid niet slechts door klagen, maar ook door velerlei onthoudingen. Do nageblevonon ontzegden zich bet genot van welgekleed te zijn, smakelijk voedsel te nuttigen en zelfs van bet baden. Dan bracht men het lijk naaide balsomers, die een eigene tot do klasse der priesters bohoorond gilde vormden, doch in geene betere verhouding tot het volk stonden dan in latere tijden do scherprechters on beulsknechten. Het werk was bun overigons wél toevertrouwd, want \'s vaders vaardigheid ging allengs op den zoon over. Naarmate de afgestorvene van hoogor stam of rijk was geweest, worden do kosten berekend. Immers, naar dezelfde mate worden de kruiden, bot lijnwaad en de meer of minder omslachtige bereiding gekozen. De balsomers hadden in hunne werkplaatsen verschillende model-mumiën, waaruit do bestellers kondon kiezen.

Even als alles bij de Egyptenaren onder zekere plechtighoden plaats vond, geschiedde hot ook bij bet balsemen. Allereerst duidden quot;de teekenschrijversquot; do plaats aan, op do linkerzijde van het lijk, waar het scherp moot ingezot worden om hot lichaam te openen. Ter nauwornood bad quot;de uitsnijdorquot; mot oen Ethiopisclion steen die aangewezen plek uitgesneden, of bij vlood weg, in de zekerheid, dat nu alle aanwezigen hem zouden ver-wenschen en steenen nawerpen. Op zijn bedrijf volgde dat der quot;lijkzalvors.quot; Allo ingewanden, met uitzondering van nieren eti hart, werden weggenomen. Men spoelde die uit met palmwijn en welriekend water en bewaarde alles in een bijzonder vat, waarvan het deksel mot bet hoofd van een of anderen god was versierd. Deze nog dikwerf in de graven gevonden vaten noemt men thans kanobon. Dan wreef men het lichaam mot allerlei looistoffen en aromatische zelfstandigheden , bij de lijkon van aanzienlijken vide dagen, ja maanden lang, en vulde het binnenste mot hartsen of asphalt, van meer of minder kostbare soort. Ook mot verschillende zouten werden de lijkon behandeld. Men herkont dn wijze van \'t balsemen nog aan de mumiën. Eenigen zijn zeer donker geworden , andoren bolder gebleven ; bij oonigen zijn de gelaatstrekken en hot baar behouden , bij anderen niet. De moest zorgvuldige wijze van balsemen kostte ettelijke duizenden guldens.

Allo doelen van het lichaam worden zorgvuldig mot smalle , nauw aangetrokken linnen strooken omwikkeld en alleen het gezicht vrijgelaten. Do duurste mumiën bekwamen nog een katoenen omkleedsel, waarop het gelaat, niet zelden in verguldsel, was nagebootst. Hot aldus toebereide lijk logde men in eene bouten kist, waarin men ook plaats gaf aan allorloi sieraden, amuletten, ringen, wapenen, enz., bonevens eene papyrusrol, die liet Doodenboek of eon uittreksel daarvan bevatte. Op bet afgeronde deksel van do kist schilderde men allerlei voorstellingen 071 lüeroglypbische opschriften, bestaande uit den naam van den afgestorvene , herinneringen aan zijn lovou en gebeden.

Het tijdstip van t begraven word aan de rechters, de bloodvorwanten oji vrienden bekend gemaakt. De plaats van onze lijkwagens word vervangen door quot;de heilige bark,quot; die op eene slede was geplaatst, waarvoor men vier ossen gespannen bad. Tn déze bark

-ocr page 144-

«KÏU.USTKKKllDK WKIlKLDGPISCIf 1EDHNIS.

word do kist geplaatst, oti nu zette zich do moer of minder plechtig geregelde trein in bowoging. l\'riostcrs, klaagvrouwen on mannon met palmtakkon in de hand ontbraken niet. Do naaste bloedverwanten volgden dicht achter de kist en sloegen zich op do borst.

Genaderd tot don quot;heiligen vijver,quot; die voor elke begraafplaats was gedolven, werd do bark to water gelaten. Staande daarin was een voorman geplaatst, die tie Kgjpto-naron Charon noemden. Hot stond nu elk vrij om klachten togen den afgestorvene in te brengen. Geschiedde dit, zoo onderzochten do veertig rechters, die op oeno stellaadje haddon plaats gommen, do aanklacht. Was deze gegrond, dan werd de begrafenis geweigerd ; was zij ongerecht, zoo werd de aanklager gestraft. Molddo zich geen aanklager aan, dan legden de bloedverwanten de teokonon van rouw af, en men verkondigde den lof van den doodo.

Na hot in brand steken van wierook on hot offeren, werd do kist rechtop in de dooden-kamer geplaatst, en daarnevens waterkruiken en offerkoeken. Goringo lieden begroef

men in gemeenschappelijke rotsliolon. Gezinnen die goon familiegraf bozaton, plaatsten ook wol do lyken in een hijzonder vertrok van hun huis, hotgoon ook geschieden moest, wanneer do dooden wegens nagelaten schulden niet in do begraafplaats worden toegelaten. Ook bjj het begraven was do plechtigheid naar stand on vermogen moer of minder kostbaar ingericht.

Slaat, en maaLtchappi\'lijk leven. Hot is licht te begrijpen, dat velen den Oorsprong dnr Egyptische beschaving van do Indiërs willen afleiden , want in de staatkundige en inaatschappoiyko inrichtingen van beide volken vindt men in het ooglooponde overoen-komsten, nochtans mot dit onderscheid, dat do Indischo gobruikon, evenals dio der Kthiopinrs, dikwerf karikaturen van de Egyptische instellingen oidevoren, zooals dit hij navolging niet zolden hot geval is. Onmogelijk is hot niet, dat in do oudste tijden hcidn volken hunne beschaving aan oeno zelfde bron ontleenden; doch zelfs geene overlevering geeft ons daarvan bericht. Menige overeenkomst laat zich ook verklaren uil de

12(5

-ocr page 145-

EOVFTK (IN HEN ItlSÏORISOlIKN 8AGENTIJI)). 127

omstandigheid, dat goljjko oorzaken gelijke uitwerkselen voortbrongon. In boido landen speelden de rivieren eene grooto rol, in het oen do Nijl, in het andere de heilige Ganga. Doch verschil moest reeds daardoor ontstaan, dat de rijke natuur van Indië \'s lands ingezetenen bijna alles wat zij bohoefden, bijna zonder mooite opleverde, terwijl de Egyptenaren de handen moesten uitstoken om den door don Nijl bevrnchten grond do verlangde oogsten af te winnen. Wij vinden diontengevolgo bij hot eeno volk een lui, beschouwend leven, bij hot andere werkzaamheid en vlijt. Het eerste bevordert het uitpluizen van bovenaardsche dingen, het laatste do heerschappij van het vorstand. Ofschoon in beide landen, ten gevolge van de heerschappij der priesters, do uiterlijke godsdienst bij het volk tot rnorg en been doordrong, zoo wekte do religie don Egyptenaar meer op tot do geestdrift die een matig glas wijn schenkt, terwijl zij in Indië oen orbarmolijkon. dikwerf aan krankzinnigheid gronzendon toestand voortbracht.

Ook in Egypte was hot volk in kasten afgedoold, doch de afstand tusschen haar was minder streng en stuitend dan bij do Ilindo\'s. Herodot spreekt van vijf, Diodor van slechts drie kasten. Beiden hebben gelijk, en wie er vijfentwintig zon willen ondorschoiden, zon eveneens recht hebben. Hot was bij do Egyptenaren hierin ovonzoo gesteld als bij do beschaafde volken van onze eeuw, waar men met het volste recht oven volo kasten tollen kan als bij de Egyptenaren. Hier on daar in Europa is do afscheiding misschien evon streng als toon in hot Nijlland.

De hoogste kaste was die dor priesters. Van allo priesters die do oudheid kende, waren zij zeker de wijston , wohnoonendsten on nuttigst,on. Ofschoon zij te heerschon wonsch-ton en zichzolven geenszins vergaten, kan men toch van hen niet zoggen , dat zij dit onkol on alleen in hun belang doden, daar zij werkelijk hot wolzijn des volks in het oog hielden. Eerst na tal van eeuwen en nadat vreemde bestanddeolon aan do Egyptenaren waren toegevoegd, ontaarden ook zij eonigermato, ofschoon niet zoo jammerlijk, als bij andoren is waargenomen.

Do Egyptische priesters waren de kweekers dor wetenschap in iodoro richting. Mogen zij ook volo uitkomsten hunner studiën als geheimen voor zich gohoudon hebben, omdat zij haar noodig haddon voor het bohoud van hun aanzien, geenszins bezigden zij haar tot verderf of vordiorlijking dos volks. Hunne loer — do inhoud van hot Doodenboek strekt er ton bewijze van — bevatte niets wat hot zedelijk gevoel tot opstand bracht. Integehdeol zij werkten vorodoleml op hot volk. Dat do priesterschap toeliet, dat de allegoriön als iets wezenlijks werden opgovat, kan niet ontkend wordon, maar dit moot haar bij don maatschappolpon staat van land on volk niot al te streng wordon toegerekend.

Wij vindon niet dat do priesters zich bovenmate verrijkten of door hun weelderig en zodeloos loven ergernis verwekten en daardoor oenigennato den godsdienst in min-achting brachten. Ook voorboeldon van persoonlijke eerzucht zijn schaarsch. Al wat zij uit oon wotonschappolijk oogpunt tot stand brachten, al do letterkundige werken door hen samongosteld, waren het product on eigendom van do gohoele priesterschap. Men maakte nooit do namen der uitvinders of opstellers openbaar.

Do priesterkaste word in Egypte zoor hoog geacht, en wat moer is, zij verdiende deze achting.

Do kaste der krijgslieden genoot na die dor priesters hot moeste aanzien. Allen wie tot haar bohuordon, mochten geen handwerk uitoefenon. In vredestijd leefden zij van do opbrengst van hot hun totbedoeldo land (l\'2 akkers van 100 vierkante motors), en in den oorlog ontvingen zij soldij. T\'1quot; tijde van Horodot bestond hun aantal — do

-ocr page 146-

C.KÏIiLUSTIUlERDE W F. II KL Hf; TISC11 Hi I) KNTs.

mannon alloon ■ uit 410,000 personen. In tijd van vrede stonden gemiddeld 180,000 man onder de wapenen on vormden de bezettingen van steden en grensvestingen. Duizend manschappen, die telken jare werden afgelost, vormden \'g konings lijfwacht.

Alle krijgslieden waren in twee klassen afgedeeld: kalasiriërs en hormotybiërs. Waarop deze onderscheiding berustte, is niet volkomen duidelijk. Men had voetvolk, ruiterij en strijdwagens. In de oudste tijden werden do paarden niet tot rijden gebruikt; althans men vindt op do oudste gedenkteekenen geene ruiters. In latere tydon evenwel komt ook cavallorie voor, doch deze speelde juist niet df voornaamste rol. Men schijnt groot gewicht aan de strijdwagens gehecht te hebben. Daarin ontwaart men ook steeds den koning, wanneer veldslagen afgebeeld zijn.

Het overige volk maakte eigenlijk de derde klasse uit; doch tusschen kooplieden, handwerkers, landbouwers en herders bestond niet meer onderscheid, dan wij, ofschoon wellicht niet zoo scherp afgeperkt. nog heden bij alle volken aantreffen. Dat dit onderscheid bij voortduur scherper werd, geschiedde waarschijn lijk ten gevolge van de erfelijkheid van den arbeid. Zulk eene erfelijkheid bestond zelfs onder de priesters, en, ofschoon zeker de aanleg van kinderen niet altoos aan die der vaderen beantwoordt, zoo brengt do erfelijkheid onbetwistbaar menig voordeel mede. Enkele klassen stonden in minachting, b. v. die der herders. Men hoeft daarvoor allerlei gronden aangevoerd, doch is het wol noodig daarnaar te zoeken? Nog altoos zullen weinige gezeten burgers, zelfs boeren en ambachtslieden , zich er over verheugen wanneer hunne zonen of dochters met personen uit den stand van daglooners of sjouwers eon huwelijk aangaan. Wanneer men over de vooroordeelon of gebruiken van andere volken wil oordeelen, is het altoos goed, hen met die van het eigen volk te vergelijken.

De Egyptische koning stond nagenoeg in dezelfde verhouding tot het volk als de Indischo monarchen. Alleen bestond dit onderscheid, dat hij, ofschoon mode tot de kaste der krijgslieden behoorende , bij zijne komst tot don troon tegelijk medelid van do priesterkaste word en in hare geheimen werd ingewijd. Do Egyptenaren bleven zich in dit opzicht veel meer gelijk dan de Ilindo\'s, want werd de koning aan gene zijde van do Koode en Perzische zeeën ook als eene godheid beschouwd , zoo was hij toch geen Brahmaan; ja hij kon niet eens eene dochter uit die kaste tot vrouw nomen. De Egyptische koning kon priesterlijke handelingen verrichten en werd niet door slaven of vrouwen, maar door de zonen der priesters, bediend, dio mot deze onderscheiding hoogelp waren Ingenomen. Voor het overige geldt alles wat wij van de Indische koningen gezegd hebben, ook van de pharao\'s. Ofschoon zij als goden werden aangezien en in naam onbeperkt heerschten, waren zij toch stipt aan do wetten en gewoonten gebonden evenals aan een tot in do kleinste bijzonderheden voorgeschreven ceremonieel. Daarover heeft Diodor ons de uitvoerigste berichten gegeven.

Terstond na zijn opstaan las de koning de talrijke hem toegekomen brieven. Na een bad genomen te hebben, sierde hij zich met de teekenen zijner waardigheid, koos een ruim gewaad en bracht den goden do hun verschuldigde offers. Hij hot uitvoeren van dezen plicht stond de opperpriester nevens hem en bad luide voor zijn behoud on welzijn, wanneer do vorst zijne verplichtingen tegenover de onderdanen stipt vervulde. Hij verkondigde ook \'s konings lof, tolde diens deugden op en verhief diens macht.

Had de koning de offerande bijgewoond en oen gelukkig voorteeken daarin aanschouwd , dan las de kanselier des tompols hem uit do heilige boeken allerlei goede raadgevingen en de handelingen der roemwaardigste mannen voor, ten einde \'s vorston goede voornemens versterkt mochten worden.

128

-ocr page 147-

UGYl\'TE (lN DEN HlSTOKlSCUEN SAGENTl.TI)).

Nauwkeurig was de tijd bepaald, waarin du koning openbare workzaamlieden te vorric.hton had, wanneer hij zich zou baden of gaan wandelen, ja zelfs zijne spijzen waren hem allen voorgeschreven. Op zijne tafel kwamen slechts kalfs- en ganzenvleesch , terwijl do wijn hem slechts in matige hoeveelheid werd toebedeeld. De bekwaamste arts kon geen voor zjine gezondheid doelmatiger levensregel voorgeschreven hebben. Even

zoo moest, hij stipt naar de voorschriften (evenals iti Indië) recht spreken : en overijling, toorn of gunst mochten op zijne uitspraken geen invloed nitoefeiien.

Stierf de koning zoo dmmlu de algoWioene rouw 7\'i dagen, \'ledurende dezen lijd werden de tempels gesloten on de offeranden uitgesteld. Men treurde als om den dood van een geliefd lid van het gezin. Men at noch vleescb noch meelspijzen en over Iwt algemeen slechts schralen kost en dronk geen wijn. Ook onthielden de mannen zich van eiken nanwon omgang met het schoone geslacht. Oeheele scharen van mannen en

129

I.

-ocr page 148-

CIKÏUXSTRKKRDK WHRKI,I)OI«CIIII\'.l)l\'.NTS.

vrouwen, bot hoofd mot aardo bestrooid on ondor do borst mot oon strook lijnwaad omgord, trokken in hot ronde on stemden tweemaal daags klaagzangen aan, waarindo lof van don afgestorvene breed werd uitgemeten.

Was het lijk gebalsemd, zoo werd do lijkkist voor het graf neergezet, en over den afgestorven koning, evenals over ieder ander, een doodengerichtgehouden. Vorscheidwie koningen konden werkelijk niet met de gebruikelijke plechtigheden bijgezet worden , omdat het volk over hunne handelingen niet tevreden was.

Geheel Egypte was in nomen (provinciën) afgedeeld. Ten aanzien van hot getal is men in het onzekere. Volgens eonigen telde men in het Thebaïs KI, in Midden-Egypte Hi en in de Delta 10 nomen. Men vindt echter voor het geheel ook 44 aangegeven. Waarschijnlijk is het dat splitsingen , wellicht ook vereenigingen , hebben plaats gevonden.

Ieder nomen bevatte ééne of meer steden, benevens oen matig groot gedeelte van het platteland on was in verscheidene districten gesplitst, namelijk in: 1. do hoofdstad van den nomen, den zetel van hot burgerlijke en militaire bestuur en het middelpunt van den provincialen godsdienst; \'2. hel akkerland, hetwelk allo jaren werd overstroomd; het moerasland, do streken waarop het Nijlwater bij hooge standen achterbleef, zonder dat het afgeleid kon worden. Deze moerassige landen gebruikte men wanneer het mogelijk was tot weiden, en waar dit niet ging, plantte men er lotus en papyrus op en kweekte er ganzen en ander gevogelte aan. Eindelijk behoorden tot elke provincie de uit den Nijl afgeleide kanalen, ten behoeve van de scheepvaart en den landbouw.

Aan het hoofd van eiken nomen stond niet zelden een erfelijk gouverneur, doch meer nog een door den koning aangesteld nomarch. Eveneens was do plaats van op-pfrpriester hier en daar erfeljjk, maar werd overigens door verkiezingen aangevuld.

De inwoners betaalden zekere belasting, die geregeld werd naar de opbrengst van hun land of hun inkomen en uit dien hoofde aan menigerlei veranderingen onderworpen was. De wet was met betrekking van de noodigo opgaven hiertoe bijzonder streng. De ingezetenen moesten verklaren waarmede zij het noodigo verwierven. Op valscho opgaven of onrechtmatige bedrijven stond do doodstraf. Ook waren zij aan eene soort van conscriptie voor den militairen dienst onderworpen en moesten bij het bouwen van tmnpels, vestingen, wegen en kanalen hand- en spandiensten verrichten.

Ten aanzien der strafwetgeving vermelden wij alleen het volgende; Wio toezag dat door iemand een moordaanslag werd gepleegd , of hem geweld aangedaan , moest .sterven, wanneer aangetoond kon worden, dat hij den bedreigde te hulp had kunnen komen. Was dit onmogelijk, zoo moest hij oogenblikkelijk kennis van het gebeurde geven, den dader aanwijzen i»f hem naar zijn boste vermogen omschrijven. Met hij dit na, zoo bekwam hij een aantal slagen mi gedurende eene opsluiting van drie dagen niets te eten. — Wie een ander valschelijk aanklaagde, onderging de straf, die de ImschuldigdM zou gi\'trofTi\'ii hebben, hadde hij werkelijk het misdadig feit gepleegd.

Wii\' dmi vijand inlirhtingen gal\', moest do tong door uitsnijding verliezen. Aan valsche munters en dezulken die bedriegelijke maten of gewichten vervaardigden, of zegels namaakten, of schrijvers, die in de openbare boeken valsche bijvoegselen stelden, van het ingeschreveiio iels uitwi:scht\'\'n, of oorkonden verduisterden, werden beide handen afgehouwi\'ii.

Moordenaars werden mot den dood gestraft. Een oudermoorder reet men met scherpe haken stukken vleexeh uit het lijf, legde hem dan op dorens en verbrandde hem ton slotte. Kiiidermoordenaressen strafte men daardoor, dat /.(j het lyk van Iwt vennoordo kind

-ocr page 149-

kovi\'ti; (in dkn historischi;n saorn\'I\'IJI)).

drio dagen on drio nachton achtereen in don arm mooton houden. Eone wacht stond daarbij.

Wie eene vrijgeboren vrouw geweld aandeed, werd ontmand. Aan eene echtbreekster werd de neus afgesneden, terwijl haar medeplichtige duizend slagen bekwam.

Voor schulden konden alleen de bezittingen van den schuldenaar met beslag belegd worden, doch van gijzeling was geen sprake. Niemand mocht te hoogo renten vorderen; nooit kondon die het bedrag van het verschuldigde kapitaal te boven gaan. Wie stierf, zonder zijne schalden betaald te hebben, kon niet eer worden begraven dan nadat zijne nabestaanden alle verplichtingen voor hom vervuld hadden. Straffen in den krijgsdienst bestonden in het verlies van eererechten en stokslagen.

Eigenaardig waren do bepalingen tegen don diefstal. Deze toch was oen handwerk, even als elk ander. Wie tot dit bedrijf wilde overgaan, moest zich bij den dievon-hoofdman aanmelden, die \'smans naam opschreef. Slaagde de dief in het wegkapen van het een of ander, zonder dat hij daarin werd verhinderd, zoo moest hij or terstond kennis van geven on de gestolen voorwerpen laten zien. Meldde nu de bestolene zich bij den hoofdman, met eene schriftelijke opgave van hetgeen hem was ontroofd, tevens met eene aanwijzing van plaats, dag en uur van den diefstal, zoo kon de beroofde zijn goed terugbekomen, mits hij oen vierde daarvan don dief liet behouden.

Do rechters werden uit do priesters gekozen, doch ook de gouverneur van den nomen en zijne eerste beambten namen doorgaans in hun midden plaats. Do hoogste rechtbank was uit 3ü rechters saaingostokl, die te Thebe, Memphis en Heliopolis daartoe werden verkozen. Deze benoemden uit hun midden één tot opperrechter, die ton toeken zijner waardigheid eene gouden koten om den hals droog , waaraan een beeld van sailer hing, hetwelk men de waarheid noemde.

liet procos werd schriftelijk gevoerd. Zoodra de opperrechter zijn keten omhing, was do zitting begonnen. De acht boeken der wet lagen nevens hom. Do aanklacht moest met alle omstandigheden schriftelijk overgegeven zijn en werd don beschuldigde tor hand gesteld. Deze antwoordde daarop eveneens schriftelijk, en dit antwoord werd den klager medegedeeld , die het stuk met zijne opmerkingen voorzag. Daarop moest de beschuldigde andermaal antwoorden. Nadat de 30 rechters van alles kennis hadden gonomen , velden zij het vonnis , waarna de opperrechter hot toeken der waarheid op het desbetreffende schrift legde. De welbewaarde voorstellingen in de graven. waarover wij later spreken , stellen, even als de verschillende gevonden en ontcijferde overblijfselen van eene rijke letterkunde, ons in staat, om van het huiselijk en maatschappelijk leven der Egyptonaron voor ettelijk duizend jaren een helderder beeld te schotsen dan oen van onze eigen voorouders voor een tiental eeuwen.

Over het leven des konings hebben wij reeds gesproken. Do kaste der priesters en die der krijgslieden vormden do aristocratie. Do eersten waren, even als in Indië de Urahmanen , do eigenlijke behoerschers dos lands, want van hen gingen de wetten uit, waaraan de koning zoowel als ieder ander onderworpen was, en zij waren betook die den juisten zin der wetten verklaarden. Voor het overige wezen zij den weg aan, die tot de goden voorde, en bekleedden allo belangrijke plaatsen in den staat.

In welke evenredigheid het aantal priesters tot do bevolking dos lands stond, valt niet te berekenen. Hun kring deelde zich in:

i. De profeten, of sprekers, aldus genoemd omdat van hnnno rechtspraken in hoogste ressort alles afhing. Zij waren do grootwaardighoidsbekloeders van den staat en stonden aan het hoofd van allo kerkelijke en wereldlijke aangelegenheden.

\'2. De stolisten , wier taak hot was om de kleederen en de heilige kerksieraden te

-ocr page 150-

1 32 «KÏI.I.fsTKKRKDR WBIlF.I.TJOF.SCtl I l\'.DKN\'IS.

bowarcii. /ij moostoii «mderzookon of do dieren , dir» geofferd zouden worden , aan de voroiachton voldoden eu liet naleven van allo voorgeschreven pleohtighodon handhaven.

De hiorograimnaton of tempelschrijvers. Zij waren inzonderheid de vertegenwoordigers der wetenschap.

De horoskopen. Hunne taak bestond in sterrenwichelarij en magie, terwijl zij tevens de geneeskunde beoefenden.

5. De zangers en muziekanten.

(gt;. De pastophoren, die waarschijnlijk het grootste aantal uitmaakten. Tot hen behoorden, naar het schijnt , allo lieden die op eenigerloi wijze tot de openbare godsdienstige handelingen in betrekking stonden, zoo als de balsemers der lijken, do verplegers van do heilige dieren, do dragers der afgodsboeldon bij procession enz. Zij waren van zeor verschillenden rang, die bepaald word naar de belangrijkheid der hun toebotrouwde ambten.

Ofschoon de Egyptische priesters hot niet noodig oordeelden, zich op gelijke wijze te kwellen als de Jirahmanen en geestdrijvers van andere eerediensten, moesten zij zich toch, even als de koning, naar zekere gebruiken en ceremoniën schikken. Zij droegen altoos pasgewasschen linnen kleederen, moesten zich tweemaal \'s daags en tweemaal \'s nachts baden, zich eiken derden dag het geheole lichaam, inzonderheid den baard en de wenkbrauwen, scheren, zich onthouden om met vreemdelingen aan dezelfde tafel te eten en slechts ééne vrouw nemen, terwijl do overige Egyptenaren zich met zoo vele vronwen verbinden konden als zij wildon. Tegenover deze en andere bepalingen stonden echter verschillende voordeelen en voorrechten, niet het minst do hooge achting en vereering, die den koning werden bewezen.

De kaste dor krijgslieden nam ongeveer dezelfde plaats in, als bij ons het staande leger. Zij mocht niet, zoo als het in Indéquot; geoorloofd was, eonig handwerk drijven. Dat men haar lot geenszins benijdde, hebben wij reeds vroeger opgemerkt.

Ofschoon het ons onmogelijk is, volkomen in de denkbeelden der oude Egyptenaren te dringen, vindt do fantasie toch zekere opheldering in de verschillende voorstellingen, die de Egyptische kunstenaars in schilder- en beeldhouwwerk hebben nagelaten.

Beschouwen wij die tafereelen, zoo ontdekken wij met verwondering, dat do Egyptenaren voor drie- en vierduizend jaren niet zoo geheel anders leefden als wij. Het leven van armen en rijken was even verschillend als bij ons. De laatsten hadden schoone buizen van meer dan één verdieping, met platte daken, galerijen en welingerichte kamers, die op het sierlijkst en keurigst met kanapees en stoelen, fraai gesneden tafeD, vazen mi allerlei voorwerpen van weelde opgevuld waren. Do tuinen hadden schaduwrijke lanen en priéelen, prachtige bloemen, rijke boomgaarden en vischrijko vijvers: in het kort deze menschen wisten zich het loven aangenaam te maken.

Ten einde een denkbeeld te bekomen van de wijze waarop de Egyptenaren hunne woningen inrichtten, geven wij op de volgende bladzijde eene afbeelding van het huis, dat een nomarch ten tijde van Khepren (Kliawra), den derden koning der\'i(\'c dynastie, toebehoorde, alzoo in denzelfden tijd waarin do naar dien vorst genoemde pyramide werd opgericht, derhalve voor 570U jaren. Het geheel beantwoordde, zoo als men ziet, aan eene villa uit onzen tijd.

De afbeelding vertoont de grondvlakte in vogelvlucht, met het woonhuis, de zijgebouwen en tuinen.

De groote menigte bezat natuurlijk veel eenvoudiger huizen, en deze waren , oven als bij ons, veel minder smaakvol dan die dor rijken. In het algemeen echter was de bouwtrant zelf der woningen weinig vorscheiden. Het materiaal, waarvan men de huizen optrok, in

-ocr page 151-

EdYl\'TU (IN DUN IIISÏOIUSCUEN SAOIONTUO). 13ü

do uiulsto tijden bostuud uit Nijlslib, dio moii liot drogon, bouovons papyrus ou ander riet. Later bakte men daarvoor tegels en bezigde ook gehouwen steen en hout, docli de vorm der huizen bleef dezelfde. Do daartoe behoorende tuinen worden mot groote zorgvuldigheid onderhouden.

Eten en drinken spoelden bij de Egyptenaren cene even belangrijke rol als bij ons. Hunne tafels waren met sierlijke vazen van allerlei soort en met eone menigte van spijzen bezet. De dames verschenen in een rijk toilet. Knechten boden do gasten bloemen aan, en speellieden met verschillende instrumenten, leverden de tafelmuziok. liij hot drinken werd niet altoos de matigheid betracht: de afbeeldingen in de openbare gebouwen en rotsspelonken leveren er de meest overtuigende bewijzen van. Men dronk zoowel wijn als bier. Men had in Egypte even goed avondpartijen als bij ons. Ofschoon men geen thee

of kolTio dronk, ontbrak het geenszins aan wijn en fijne spijzen. Hot gezelschap kwam met rijtuigen of in draagstoelen, en buigende slaven ontvingen de gasten. De vrouwen, in den rijksten tooi gedost, onderhielden zich waarschijnlijk met elkander over onderwerpen, als mi nog in onze cercles besproken worden, en even als nog het geval is, vormden zij het middelpunt van het gezelschap. Zij musiceerden en dansten, en do heoren maakten haar het hof. Andoren omlerhielden zich met kansspelen, met dobbel-steonen of op verkeerborden. Ook het balspel was niet onbekend.

In weerwil dat de veelwijverij geoorloofd was, schijnt hot familieleven veel aantrekkelijks bezeten to hebben. De vrouwen waren geenszins opgesloten, zoo ais thans in liet Oosten gebruikelijk is, maar bewogen zich naar verkiezing, werden met achting bejegend en leiden een opgeruimd, vroolijk loven. Hare vertrokken waren mot smaak ingericht mi

-ocr page 152-

134 OEÏIXUSÏUEKHDE WERELDOESCHIEDF.NIS.

mot alle gomakkon voorzien. Ettelijke slaven stonden steeds tot haren dienst bereid.

Herodot verhaalt, dat men op do gastmalen der aanzionlijken een kistje met het beeld van een afgestorvene in bet ronde liet gaan, onder de woorden: quot;Ziet dit aan , en weest vroolijk, want wanneer gij dood zijt, zijt gij als deze.quot; Men liet zich dit niet voor niet zoggen , dronk en at — vaste spijzen met do vingors, en vloeibare mot lepels.

Aan de priesters word dagelijks rundvleesch en gans, heilig brood en wijn in niet geringe hoeveelheid geleverd. Viscli mochten zij niet eton, en boonon — dio anderen ook niet aten — zelfs niet aanzien. De reden daarvan is niet duidelijk, maar stond waarschijnlijk met don godsdienst in verband, even als de verachting van het varkensvleosch en van verscheidene groente- en vischsoorten, dio deels als hoi lig, deels als onrein beschouwd werden.

Van vele gebruiken kunnen wij den zin en oorsprong zolfs niet radon, zoo als van de besnijdenis, die ten minste bij de priesters in den regel plaats moost vinden. Reinheid kon er onmogelijk de aanleiding toe zijn, daar bij een voorgeschreven bad viermalen daags van onreinheid geen sprake kon zijn.

He jacht behoorde tot do grootste vermaken der aanzienlijken, linn joog met pijl en boog, met speer, netten en slingers, veelal met bondon, maar nollt; wol met getemde leeuwen. De woestijn leverde gazellen, struisen en verscheurende dieren in overvloed, en do Nijl bood eene rijke verscheidenheid aan van watervogels, benevens nijlpaarden , die men mot speren velde. liuffels, hyena\'s en hazen vond men hij on in de ikker landen.

Aan openbare feesten was geen gebrek, evenmin aan goochelaars, springers, koorddansers en andere kunstenaars, zoo als men die op onze kermissen ziet.

Fabriekarbeid en handwerken namen reeds eene bongo plaats in. Do wondervolle gebouwen leveren het bewijs, dat do Egyptonaren in de mechanica ongemeen ervaren moeten geweest zijn, en zij zich in vele handwerken als voortreffelijke arbeiders onderscheidden. Do kopermijnen op liet schiereiland van den Sinaï leverden deugdzaam metaal , waarvan de bewerking niet onbelangrijke vorderingen in de scheikunde eischte. .Ia, men vindt zelfs in de graven koperen voorworpen, die den schijn hebben van langs galvanoplastischon weg verkregen te zijn, eene kunst die eerst in onze eeuw in Europa teruggevonden werd. Van hunne vorderingen in de chemie getuigen voorts do prachtige kleuren hunner afbeeldingen , die zich gedurende duizenden van jaren voortreffelijk hebben gehouden.

De bergbouw moet buitengewoon rijke opbrengsten gegeven hebben, want in een opschrift op het quot;Graf van Osymandios\'\', wordt het jaarlijksche bedrag dor Egyptische goud- en zilverborgwerkon op \'■lt;■1 millioen minen in zilver aangegeven. Do waarde van eene Attische mine, een handelsgewicht, bedroeg 64 Nedorlandscho guldens, zoodat alleen deze ontvangst voor do schatkist des konings ruim \'2,000,000,000 gulden jaarlijks beliep! De belangrijkste goudmijn bevond zich aan de Kthiopischo grens.

Men had in do bergwerken schachten,\' oven als bij ons, en de bergwerkers droegen hunne lampjes eveneens op hun voorhoofd. Men werkte dag en nacht, en de werklieden waren daartoe, even als in Europa, in dag- en nachtploegen afgedoold.

Pijn Egyptisch linnen (/iysso.v) en het Egyptische katoen waren beiden beroemd, en men verstond de kunst om deze stoffen te verwen en te drukken. Even zoo weefde men tapijten , die niet zelden honderden ellen lang waren, naar allerlei monsters.

Men vervaardigde vazen en andere vaten, niet alleen van leem, metaal en steen, maar ook van glas.

-ocr page 153-

135

Om te schrijven vervaardigde men uit do papierstruik bladen. Dozo plant bestaat uit een reusachtig riot, van \'•J1,., tot 1)\'/,^ meter lengte, dat in naakte , driekante halmen nit een houtorigen , doch aangenaam riokenden en tevens eetbaren wortel opschiet. Aan liet benedeneinde krijgen (li^zo halmen menigmaal do dikte van oen mansarm. Men maakte daarvan do dunne draadachtige korst los, bestreek die met eene heet gemaakte kleefstof, spreidde oeno andere laag daarover heen , klopte het geheel glad, liet liet in do zon droogon en maakte het oppervlak met oen broeden tand glad. Men vervaardigde verder touw, matton, schoenen, zeilen on zelfs kleederen uit deze plant, die tegenwoordig zelden meer in Egypte voorkomt. Aan haar is do naam van ons papier ontleend. Om daarop te schrijven bediende men zich van oen daartoe opzettelijk gesneden riet.

Egyptische wapens en strijdwagens worden hoog geschat en door de naburige volken mot gretigheid gekocht. Men verstond de kunst van vergulden, even als die van het emailloeron. Valsche edelgesteenten van glas wist men eveneens te vervaardigen. In de lederbereiding waren do Egyptenaren bijzonder vaardig. Ook maakten zij sierlijke voorwerpen van geperst leder, die men mot oen bijzonder vernis overtoog.

Do landbouw veroorzaakte betrekkelijk weinig moeite, en toch had men doorgaans zeer ruime oog-sten. quot;Was de Nijl in zijn bed toruggekoerd, dan zaaide men, on liet men bet zaad door ossen intrappen. Een licht loswoelen van den grond vond ook hier en daar plaats. Dorschen liet men eveneens door ossen verrichten, dat wil zeggen, deze werden zoo lang op den dorschvloor, waarop men het graan had uitgespreid, rondgodre-ven, tot do korrels do halmen verlaten hadden.

Aan don tuinbouw besteedde men grooto zorg. Daardoor had men heerlijk ooft, even als goeden wijn en oliezaden.

Ofschoon do Egyptenaren een afschuw van do herders toonden, wist men toch hun arbeid op prijs te schatten, zoodat de veeteelt duizenden runderen, schapen, geiten, ezels en paarden opleverde. Waartoe ook varkensfokkerij werd uitgeoefend, is mooielijk te radon.

De koning was de eigenaar van al hot land. Nochtans was daarvan aan de priesters en krijgslieden voor hnn onderhoud een aanmerkolijk deel ingeruimd, waarvan zij noch pacht noch belasting belioofden te betalen. Van het overige land, dat aan de andere kasten was overgelaten, hadden doze zekeren cijns op te brengen. Het schijnt evenwel, dat \'s konings cigondomsrecht meer in naam dan in werkelijkheid bestond, zoodat de gebruikers hun land als hun eigendom beschouwden en er bij bun uitersten wil over beschikten.

Do Egyptenaren sloten hun huid, oven als do Chinoozon, zoo voel mogelijk voor hot verkeer met vreemdelingen af, on de koophandel moest zich verschillende beperkingen laten welgevallen. Geheel en al kon men hot vorkoor met hot buitenland niet ontberen, want het rijke Egypto bad gebrek aan timmerhout, aan eenige motalen, ivoor, (ijno specerijen, reukwaren, hartsen enz., al welke goederen men uit Eibyë en Azië moest bokomon. Daar de Egyptenaren zeiven nooit naar vreemde gewesten reisden, zoo liet men. om de zoo noodige voortbrengselen te erlangen, die door karavanen aanvoeren en daarvoor in ruil koren, byssos, wapens en andere kunst- en natuurproducten in ruil aanbieden. Koopwaren die over zoo aangevoerd werden, moesten op daarvoor aangewezen plaatsen gelost en aldaar ingeruild worden, want allo koophandel in die vroege tijden bestond uit ruilhandol. (leid werd niet geslagen, en ofschoon men zich ook met stukjes zilverblik of gouden ringen behielp, valt het ons toch moeielijk te begnj-

-ocr page 154-

(irtl.U\'STIlKKHDK WKKKLIM1 KSOltlKl)KN 18.

pon hoi! iiion (laarinoilo in den kloinhandel kon to rocht komon. Vroomdo scliopon (noch-ton iilleun in don Kanopisclion mond van don Nijl binnenloopon en liet hun aangovvo-zon rak niot voorbijzoilen. Gingen zij vorder, dan worden do vreemde schepelingon ter dood gebracht of als slaven verkocht. In latere tijdon, toon het verkeer met vroom do volkon niet moor to vormijdon was, moest men handel en vorkeer, natuurlijkerwijze, grootero inwilligingen doen.

Wdenschaj) cu knnü. Do oorzaak weshalve men tot voor korten tijd met zoo woi-uig juisthoid do geschiedenis en do toestanden van dit oudst-boschaafde land op aarde kon modedeelon, ninttogelistaando de zoo talrijke gedenkteokönen van hoogen ouderdom, lie, met schrijftookens overdekt, zich in den groeten stroom spiegelen, sproot eenvoudig daaruit voort, dat men dit schrift niet lozen kon. De konnis van het hiorogly-phonschrift, of quot;hot schrift dor goddelijke woordenquot;, was een geheim der priesters en met hou verloren gegaan.

Hot ontcijferen van deze hieroglyphen word zekerlijk door vele geleerden beproefd, maar steeds te vergeefs, tot men eindelijk ton tijde der expeditie van Bonaparte naar Kgvpto, door een gelukkigen vond, tot de verrassende ontdekking kwam, dat men oeuwen achtereen in eene dwaling ten aanzien van dit schrift had verkeerd. Deze dwaling bostond daarin , dat men zich inbeeldde, dat elk afbeeldsel van een dier of ander voorwerp, waaruit voor het grootste deel het hieroglyphenschrift bestond, een bepaald denkbeeld uitdrukte.

In het jaar 17!)!» vond een Fransch artillerie-offlcier, M. Boussard, in de nabijheid der stad liosette oen opschrift, hetwelk in hieroglyphen, zoowel als in Demotisch en (irieksch schrift, was gestrld. Uit don Griekschen tekst zag men, dat het schrift een besluit ten gunste van koning Ptolomeos Kpiphanes was, door do priesters in hot jaar I !)(i vóór (Jiiristus genomen.

De steen waarin dit opschrift gebeiteld was, en die zich thans in hot British Museum to London bevindt, werd do sleutel, die het geheim, dat duizenden jaren lang de Egyptische wonderwereld had omsluierd, oplichtte.

Geleerde navorschers van allo volken spitsten hun vernuft om uit het in hiorogly-plien gebeitoldo vak — dat, o jammer, nog ten deele was beschadigd— eene verklaring dor hioroglyphen samen te stellen. Een groot aantal verhandelingen getuigde van dit streven. Doch niot vóór men ontdekte, dat de afzonderlijke hioroglyphteekens geoiie dunk-beoldon uitdrukten , maar naar klanken waren gerangschikt, gelukte het, metgebruikinaking van andere opschriften in hieroglyphen en van do Koptischo taal, do Egyptische documonten te ontcijferen. Vorbazondo moeielijkheden moesten daarbij overwonnen worden , en deze zijn nog heden niot allen uit don weg geruimd. Maar reeds is men zoo ver gevorderd, dat men vol vertrouwen mag hopen, dat men over weinige jaren de Egyptische schriften met niet meer inspanning zal kunnen ontcijferen dan de Grieksche of Latijnsche.

Do l\'ranschman Silvestro de Saoy (ISO\'i) en de Zweed Akerblad onderzucliton hot eorst het Demotische sciirift en stolden daaruit oimi alphabet te zamen. Daarmede deden zij don oorsten stap voor het ontcijforon van het hieroglypliisch opschrift, maar zj) quot;waagden hol nog niot dit daarop too to passen, uithoofde van don slechten staat, waarin het vak op den steen verkoerde. De Kngelso.hman Th. Young hield zich daarmede bozig van I is 1 \'i tot I S I lt;S on nam daarbij zijne toevlucht tot do hioroglyphon, die oji do ge-denktoekenen binnen zelcro omkringon (carlouche*) gesteld waren, en die men nieendo dal koningsnamen bevatten, In weerwil van zijne grooto moeite, kwam hij tot verkeerde uitkomsten. Hij las b. v. in plaats van autokrator — Arsinoë, en in plaats van K i\'sar Everijel.es.

1:!()

5

1 n

i

1:

1

■ ül

jfi

11

S|

1 w

9 !

i.t

IK I i

-ocr page 155-

EOYl\'TE (IN UKN IIISTOUJSCIIKN SAO KNT! JI)).

Do oorsto diu don goedon wog bewandoldo, was Fnuu/ois Chainpollion , do Jongoro. Hij kwam tot du erkoiining, dat do drio Egyptischo schrijfwijzen in wcrifolijkhoid ovor-eunkwamon on do tookons goonszins zinnobooldige figuren , maar do vertegonwoordigni\'s van klanken waren. Zijn werk Précis du .tynlewe /lieruylypkique werd mot hartstüclito-lijkhoid aangevallon. Doch zijno vordiensto is niot te miskonnen, Andoron arbeidden op do door hom gologdo grondslagen voort toon bij in I stierf, en geleerden van allo volken hebben hot spoor, door bom gebaand, verder gebracht.

Oorspronkelijk was het hioroglyphisch schrift zekerlijk hot eenige, en do tookens daarvan drukten werkelijk slechts donkbeelden uit. Uit diou hoofde noemt inon ze liguur-lijke hieroglyphen. Doch spoedig vulde men dit schrift aan door het invoeren van pho-netische hieroglyphen , dat is door klankteekenen. Ken dusdanig teekon drukte niet meer eon donkbeeld uit, maar bot geluid van do eerste letter of van do eerste lettergreep van eenig woord, hetwelk voor het aangewezen voorwerp werd gebezigd.

Een voorbeeld zal dit ophelderen.

Wilden wij Noderlandsche hieroglyphen schrijven, zoo konden wij voor de klank A eon arend, aap, altaar en aloö afbeelden, of voor dien van li een boom, boor, bom, bloem enz.; voor de L een leeuw, lier, lont en lam, voor de M een mos, maagd, moedor, melkvat en honderd anderen meer. Men ziet hieruit, dat voor eiken klank eene goboole reeks homophone, dat is gelijkluidende, (eekens konden bestaan. Nevens deze en de figuratieve, die men geenszins wegliet, gebruikte men nog anderen, die geheele lettergrepen weergaven, en daar deze polyphon, dat is verschillend, konden luiden, moest men, om misvatting te vermijden, er phonetische aanvullingsteokenen bijzetten.

Het zou overbodig zijn nog andere hieroglyphen als in de hierna volgende gezegden aan te halen , wijl wij toch de Egyptische woorden niet kennen , die de afgebeelde voorwerpen aanduiden. Niettemin willen wij eenige ideographische teekenen, die als dularminalieve, oi bepalende, gebruikt worden , te dezer plaatse invoegen , daar zij voor allen verstaanbaar zijn.

© (Ka) Zon, licht of afwezigheid van licht, of wel tijdsverdeelingen. ^S—; liergland, derhalve vreemd land, wijl het bewoonde Egypte een vlak land was. Qf Zekere strook land. Ook een stad of dorp.

-j, irn Water en wat daarmede in verband staat.

liet vermogen om te zien, waken, wetenschap.

/^) Reuk , adem , vreugde, genoegen.

Treurigheid, gevangenis.

J A y\\ Gang in verschillende beleekonissen.

Boom.

r-j Gebouwen.

Wegen, gang, vervlogen tijd.

G Steen.

O CS 5 Vloeistoffen, als «vijn, molk enz.

o o o Korrels, als van koren , zand enz.

-ocr page 156-

Ü EïLI,USI\' 11K K, II I) I; W E11 F;L DQESCUIEI) KNIS.

Op Jozo wij/.o ontstonden moer dan achthonderd vorschillendo lettertookons, dio bezwaarlijk van allo, zolfs beschaafde tijdgonooten verstaan werden, ofschoon deze toch de woorden kondon voor de als hioroglyphen gebezigde voorwerpen. Hieruit kan men de moeieiijkhoid afmetou om dit schrift thans te lezen, oene thooiolijkhoid, die nog daardoor wordt vermeerderd, omdat do uitspraak der taal gedurende een tijd van eenige duizend jaron noodzakelijk veranderde. Dit hieroglyphenschrift word alleen voor do opschriften op gedonkteekcnen gebezigd ; voor gewoon gebruik bediende men zich van oen daaraan ontleend curciefschrift, hetwelk men tegenwoordig het hiöratischo noemt. Daarin zijn de papyrusrollen, derhalve do lotterkundige werken, opgesteld. Terwijl het hioroglyphisch schrift nu eens van de rechter- naar do linkerhand, dan weder in eono omgekeerde richting, word goschruvon, schreef men hot hiiiratische altijd van do rechter- naar de linkerzijde. In don loop der tijden onderging ook dit schrift veranderingen, zooals blijken kan uit de proeven die wij daarvan geven. Eene derde schrijfwijze ton algomoone go-bruike, zooals voor kooplieden, het demolifsche genoemd, ontstond eerst in het tijds-verloop tusschon het optreden van de en 258le dynastie. Men noemt dit schrift

ook hot enchorische of epislolographische.

Op eeno triomfzuil van Thotmos 111 (IS*1\'-\' dynastie) staat hot volgende opschrift in hioroglyphcn:

Dit luidt in do overzetting:

quot;Ik bon vertrokken. Ik bewillig, (dat) gij de opperhoofden van Tsahi verplettert. Ik werp hen aan uwen voet met hunne landen.

De volgendo regel is eene proof van hiëratisch schrift, ontleend aan een papyrus uit den tijd dor lide dynastie. Het zegt: quot;Uit hot kwade komt goed voort.quot;

De volgendo hiiiratische schriftproef is uit den tijd dor l!illu dynastie.

Dit is:

M it N k II o I\'e DUTH 6 HAI\'AAIJ.

(De oenigzins onduidolgke vertaling laten wij weg).

De nu volgende proeve van hiëratisch schrift behoort wol is waar reeds tot het (Iriokseh-Uomeinscho tijdperk der Kgyptische geschiedenis, doch wij gevqii haar ter will^ der volledigheid :

Do betiM.4enis is:

quot;In uwe berscliopping als gouden sperwer hebt gij het verricht.\'\'

138

-ocr page 157-

HGYl\'TR (IN DUN UlSTOllISClIKN SAGENTIJ1)).

Ten slotto nog oone proeve ,van liet demotischo schrift, zoo als dit in de verdra-gön sedert Sabako en Tahraka gebezigd is:

De vertolking van dezen alles behalve belangrijken regel doet niets ter zako. Hot is hier alleen om do schrijfteekens te doen.

De priesters waren zeer schrijllustig. Allo monumenten zijn mot hioroglyphen bedekt, die dikwijls niets meer dan de eeno of andere zinspreuk behelzen. Intusschon men schreef ook zeer uitvoerige werken , van welke , holaas, slechts enkelen behouden zijn.

Het belangrijkste daarvan gold voor eeno openbaring en werd aan den schrijver des hemels, Thot (Hermos), toegokond , en uit dien hoofde werden deze schriften later de Ilermethche boeken genoemd. Zij zijn in zes afdeolingon en ■W boekon afgedeeld on bevatten de gezamenlijke wetenschappelijke kennis, die de Egyptische priesters zich in den loop der eeuwen hadden eigen gemaakt.

Do beide eerste boeken zijn do Koeken der Zanger*. Hmi inhoud beantwoordt aan de Rig- Veda der ïlindo\'s. Het eerste bevat liederen tor eere der goden, van welken eenigen aan Isis worden toegeschreven, die hen aan haar zoon Hor geleerd zou hebben. Het tweede boek bovat cene schildering van het loven des konings. Deze beide boeken moesten de zangers van buiten kennen.

Dan volgen do Vier Boeken der lloroskopen. Het eerste handelt over de orde bij de vaste sterren. Het tweede en derde geven de nasporingen ton beste mot betrekking tot hot samentreffen van zon en maan on den omloop der maan. liet viordo handelt over den holiatischon opgang der sterren. Mot deze boekon is door bedriegers later voel onbehoorlijks en kwaads gesticht.

Vervolgons komen de Tien Boeken der Tiierogramniaten. liet eerste boek leerde de grondslagen van het hioroglyphenschrift. Het tweede handelt over de cosmographio en aardrjjkskunde. Do inhoud der beide volgende boeken is niet duidelijk, maar het is waarschijnlijk dat daarin allerlei sterrekundige waarnemingen, t. w. .\'gt;71! zons- en 8.1^ rnaansverduistor 111gon , opgetoekend zijn. Hot vijfde en zesde boek leveren eeno beschrijving van Egypte en van den Nijlloop door dit land, inzonderheid ton dienste van de grondbelasting en liet kadaster. Ook was daarin modegedoeld oen inventaris van alle tempelgronden en al wat tot de tompols behoorde.

Do Tien godsdienstige Hoeken der Slolisten bevatten voorschriften over de eerstelingen, het stempelen dor offers, bonevens eeno menigte rangschikkingen bij optochten on dergelijkon.

Do Tien Boeken der Pro/\'eten waren aan do eigenlijke, inzonderheid aan do hoogste klasse der priesters toebetrouwd. Doze boeken handelden over do wetten, do goden en do opleiding van do dienaren voor de godsvoreoring. Een deel dozer boeken vormt het bewaard gobleven Duodenboek, waaruit wij reeds een en ander medegedeeld hebben, liij uitzondering was deze afdoeling in hioroglyphen geschrevoii.

De Zen Boeken der Paslop/ioren handelen over de geneeskunst, waarover wij latei-spreken zullen.

Reods in zeer vroege tijden moeten de Egyptenaren oen schat aan letterkundige werken bozeten hebben, want in do graven van Dsjizeh vindon wij een voornaam ambtenaar uit don oorsten tijd uor (i1!0 dynastie, die, behalve andere titels, ook die van quot;gouverneur van het huis dor boekenquot; (derhalve dien van opperbibliothecaris) voert.

-ocr page 158-

(i EÏ LL LI ST IIK i : K1) K W KIIKL l)( i KSC H1 K U K N1 .s.

In doze, bookorij buvondon zich zonder twijfel boekon, diu uit de tijden der lsludymistie zoo niet uit een vroeger tijdperk, afkomstig waren. Van al deze schatten zijn slechts brokstukken overgebleven.

Ken daarvan is in oen papyrus tot ons gekomen, die in den eersten tijder dor dynastie geschreven moet zijn. Hij deelt fragmenten uit de werken van twee oude auteurs mede, van welke do oen tijdens de 3(le , de andere tijdens de dynastie loi\'fdo. liet volledigste deel van dezen papyrus vormen de laatste vijftien bladzijden, die de oudste pliilosophische vorh indeling bevatten. Deze zijn als de heer van Phtahholep bokond en in verschillende talon overgebracht geworden. Nochtans is deze loer alleen als een deel van hot oudste boek van belang.

Oenoi mde 1\'hfiihhotop was do zoon eens konings van do 5de dynastie en allerwaarschijnlijkst een bojaard man tuon hij dit work op \'t papier bracht. Hij schetst de gebroken dos oudordoms als hoogst bejammerenswaardig en vraagt zeker god, die Hanhan (wellicht een dor namen van Osiris) wordt genoemd, wat hij nog op aarde kan of moot doen om nuttig te wezen, en of hij loeren zal do woorden van hen, die do geschiedenis van vroegeren tijd hebben vernomen, die welke de goden zolven hebben go-boord. De wijsheid van dezen god geeft slechts óón weg aan, waarop grijsaards /.ich nuttig kunnen maken 011 onderricht hen te dien einde in de leer der voorvaderen, opdat zij dio aan jonge lieden zullen mededeelen en deze op aarde een deugdzaam loven kunnen voeren, üoze wijsheid gaat niet ver en is tamelijk dooreengehaspeld medegedeeld. De god roomt do wetenschap omdat zij nuttig is en tot erkenning van liet goede voert. Daar do wolwillondhoid ton aanzien dor ondergeschikten tot ons heil noodzakolijk is, bevoelt hij haar ernstig aan. Zijne raadgevingen strekken zich tot verschillende botrokkingon dos levens uit en loeren hoe men zich tegenover een heerschzuchtig monsch, zoowel als in gezelschap of bij de keuzo eonor vrouw, moet gedragen. Mot betrekking tot den laatston leefregel luidt do tekst:\'\'Indien gjj verstandig wilt handelen , zoo richt uw huis met oordeel in, bemin uwo vrouw, zonder te twisten, voed haar, versier haar, dat is do woelde van hare ledematen. Overgiet haar met liefelijken reuk en vorvroolijk haar zoo lang gij looft, want dit is oen goed dat zijn bezitter waardig moet zijn. Wees niet hard.quot;

Het zou ons te ver vooron, wilden wij don inhoud der teruggevonden, hier en daar verstrooide papyrusrollon vermelden. Wij onderscheiden slechts de bolangwekkonde Herinneringen van den gelukzoeker Sineh, die een tijd lang aan het hof van koning Amonemha I loofde ( vergelijk bladz. H\'i). Voorts de lossen door dezen koning aan zijn zoon Oesortosen, de vonnaningon dos quot;schrijversquot; Doeauw-se-Kharda aan zijn zoon l\'api en eenu schoone llymm aan den Nijl.

Do vermaningen of voorstellingen, die de quot;sclirijverquot; aan zijn zoon richt, om hom ieder ander beroep als dat eens schrijvers to ontraden, mogen do moeiten en zorgon dor ambachtslieden en noringdoonden wol eenigszins mot te schrille klouron scliotson, doch zij gnnnon ons oen morkwaardigon blik op dien vroegeron tijd. Wij zion er mot verbazing , uit, dat hot voor drie- of vierduizend jaren in Kgypto niet veol anders toeging, dan in dezen tijd bij ons. In dit geschrift wordt gezegd:

quot;Ik heb een smid lij) zijn werk gezien aan den mond van zijn oven. Zijne vingors zijn als van krokodillonlmid gemaakt. Hij stinkt erger dan een visch. . . Do metselaar zookt arbeid in iedore soort van harde steenen , en eerst wanneer hij zijne armen niet moyr roeron kan, rust hij. Tot zonsondergang zit hij ineengedoken: zijn knieën en nigtfegraat zijn als stuk geslagen. Do barbier schoort van den morgen tot den avond. .Slochts wanneer hij zich noderzot om to eten, rust hij op zijne ellebogen. Hij gaat van

140

-ocr page 159-

IIOYPTK (IN 1)KK llrsTOillSCllKK SAfiKNTUIgt;), 141

do eene hut naar do andoro, om klantoii to zonken. Hij brookt zijn arm aan stullt; om zich den buik to kunnen vullen, evenals do bijen , die do vrucht van hun arbeid vertoren. . . Do wever, in zijn huis gebannen, is veel ongelukkiger dan none vrouw. Zijne knieën zijn tot op de hoogte van zijn hart opgetrokken, on hij ontbeert do frisscho lucht. Verzuimt hij oen onkolon dag do hem voorgeschrevon honvoelheid weefsel te nm-kon, dan bindt men hem krom, zooals do lotus dor moerassen. Slechts wanneer hij de dorpelwachters brood genft, hoeft hij het geluk hot daglicht tn aanschouwen... Wanneer do koerier naar vreemde landen zal afreizen, vermaakt hij, omdat hij do wilde dieren en de Aziaten vreestgt; zijno havo en goed aan zijne kinderen. Hoe gaat het wanneer hij in Egypte is? Nauwelijks is hij te huis gekomen, of hij moet weer weg... De vingers des verwens stinken naar verrotten visch. Hij brengt zijn tijd daarmndn door, om lompnn stuk te snijden. Dn kloederen baren hom benauwdheid. . . Do schoonmaker

m^Tfë

Bontwerkers. Schoenmakers.

(Nnar Ejtjptisehc wandscliilderijeii).

is zeer ongelukkig. Hij stinkt voortdurend. Zijne gezondheid is die van een visch op \'t apengapen. Hij knaagt aan \'t leder (om zich te voeden).

Daarontogon prijst de samensteller de kennis der lettoren, do wetenschap en het beroep eens schrijvers. quot;Zij (de letterkunde) is belangrijker dan allo handwerken; zij is op dozo wereld geen ledig woord. Wie in zijne jeugd er naar gestroofd heeft om nut uit haar trekken, is geëerd. Men geeft hem belangrijke zendingen tot taak. Alen heeft nooit tot een schrijver gezegd: quot;werk voor deze ol gene, overschrijd niel uwe bevolenquot; . . . Terwijl ik u naar Khennoe bracht (waarschijnlijk oone voorname school), handelde ik zekerlijk uit liefde tot u, want wanneer gij een enkelen dag in de school rustig werkzaam zijt geweest, zoo is dit voor allo tijden. Het werk dat men daarin doet, is duurzaam als de bergen.quot;

Te dien tijde was werkelijk de konnis der letteren de wog tot oer en Voordeel. Had een schrijver de examina in de heilige wetenschap mot goed gevolg afgelegd, dan kon bij generaal, ontvanger of bestuurder van een nomen worden. Niets was voor hem onbereikbaar, althans zoo hy talent bezat.

Ten tijde van den machtigen Ramses II (Sosostris) ontvonkten diens groote daden de geestdrift der dichters.

Ken hnnnor vermeidt zich in fantasiën over de grootte der door Ramscs gebouwde en naar dien vorst genoemde stad.

quot;De zon gaat in haar op en onder,quot;\' klinkt het daarin. Allo menschen verlaten hunne woonplaatsen om zich binnen hare muren neer te zotten. Do bewoners van \'t

-ocr page 160-

OI\'ïl.USTItF.KIUlK VVKHKLBO KS0U1HDHNIS.

kustland brongon haar als hulde alen on visschen. Do stodelingon gaan dagelijks in feestgewaden, welriekende van oliën, en met nieuwe paruiken op quot;t hoofd. Zij staan aan hunne deuren, de handen vol bloemruikers en groene twijgen van Pa Hathor, en mot bloemslingers van l\'ahoer op don dag, waarop de pharao binnenkomt. De vreugde is algemeen. Niets verstoort haar.quot;

De namen van de meest beroemde dichters dezer Bamsesperiode waren Amonemapt on IVntaoer, van wolken de laatste de vervaardiger is van oen voortreffelijk heldendicht, hotwelk de bedrijven van Ramsos togenovor den vorst van Khota en inzondorhoid do voorvallen in don slag by Kadesh bezingt, waar de grooto koning bijna hot offer van vorradoriyke Hedoeïnen was geworden. (Vergelijk bladz. 95). Van doze verraders hot bericht ontvangen hebbende. dat de vorst van Kheta zich nog op een afstand van -40 mijlen bevind, wacht Kamses II niet de legioenen Amnion, Phra, Phtah en Sootekh (de kern zijns legers) af, maar nikt aan het hoofd zijner huistroepen voort. De voorposten brongen twee andere spionnon in \'t leger. Hij den koning welt het denkbeeld op verraden te worden , en stokslagen brongen do Bedooïnon tot bekentenis. De geheele armee der verbonden vorsten wacht slechts zeker oogenblik af om zich op do kleine schaar des konings to werpen. De tot een krijgsraad bijeengekomen legor-aanvoorders weten geono andere hulp dan ijlings boden tot do hoofdmacht van het Egyptische leger te zendon. Terwijl men nog beraadslaagt, komt het bericht, dat de vorst van Khota oprukt. Welhaast is de kleine schaar omsingeld. Acht maal dringt de koning op hot overmachtige leger der vijanden in en houdt hot den ganschon dag schaakmat, tot het toegesnelde Egyptische leger de overwinning beslist.

Do dichter wil alleen de dapperheid van zijn koninklijken held bezingen. Hot belang van den slag gaat hein verder niet aan. — Do kleine schaar is ingesloten.

quot;Nu verheft zich do koning als zijn vader Month. IIjj trekt zijne, wapenrusting aan en grijpt naar zijn wapentuig, evenals Baal in \'t hachelijk uur. De groote koninklijke paarden worden voor den strijdwagen gespannen, en Bamsos dringt de rijen der nietswaardige Kheta\'s binnen. Hij is alleen. Niemand is bij hem. Welhaast is liij door \'2500 strijdwagens ingesloten en hom don aftocht door do Khota\'s on hot volk van Arad, Mysiö en Pedasië, hunne bondgenooten, versperd. Ieder hunner wagens draagt drie manschappon.

quot;fieen vorst is bij mij! geen generaal, goon officier der boogschutters of der strijdwagens. Mijne soldaten hebben mij verlaten, mijne ruiters zijn voor hen gevloden, en geen enkel is gebleven om aan mijne zijde te kampen,quot;

In dozen nood roept de koning zijn god en vader Amnion aan:

quot;Waar zijt gij nu, o vader Amnion? Kan een vader zijn zoon in den steek laten? Heb ik ooit iets zonder n gedaan? Ben ik niet op uw bevel opgetrokken on hob ik niet op uw bevel stand gehouden? Ik ben geen uwer bevelen ongehoorzaam geweest. De heer van Egypte, die de barbaren voor zich nederwerpt, is groot! Wat zijn dan voor u deze Aziaten ? Ammon sterkt de goddeloozen. Heb ik u niet tallooze offers gebracht? Ik heb uwe heilige woning met mijne gevangenen gevuld; ik heb u een tempel voor millioenen jaren gebouwd. Ik hob u al mijne goederen voor uwe magazijnen gegeven. Ik heb u de geheele wereld aangeboden om uwe bezittingen te vermeerderen,,. Zekerlijk wacht bem die zich tegen uwe raadgevingen verzet, een erbarmelijk lot! Uelukkig hij die uwe grootheid erkent! Want uwe handelingen ontspruiten uit een liefderijk hart. Ik roej) n aan, o vader Amnion! Zie mij onder eene menigte van volken, die ik niet ken. Alle natiën hebben zich tegen mij verbonden, en ik bovind my geheel alleen.

-ocr page 161-

KOVl\'TK (in DUN lirSTOIttSCIIKX SAfiKNTlJI))

Niomanfl is bij mij. Mijne talrijke krijgsliedon hebben mij verlaten. Uoon mijner ruiters heeft zijn aangezicht naar mij gekeerd; toen ik hen riep, heeft niet éön naar mijne stom geluisterd. Doch ik geloof, dat gij, o Amnion, meer geldt dan oen millioen soldaten , dan honderdduizend ruiters, dan eono myriade van broeders en jonge zonen, al waren zij allon bijeen! Menschenwerk is niets. Amnion zal in alles overtrnlïen. Ik heb mijne ontwerpen naar den raad uit uw mond, o Amnion! ondernomen, ik bon uwe raadslagen niet voorbijgestreefd. \'/Ac,, ik heb uw roem tot aan do grenzen dor aarde verbreid!quot;

To midden van hot woeden van den slag bidt do koning:

quot;Mijne stem vindt weerklank tot llermonthis (Hor-Month of On in liet Zuiden. eono reeds lang voor Menos bestaande stad). Amnion verhoort mijn gebed. Hij reikt mij zijno hand. Ik galm «en vreugderoep uit, en hij spreekt mij toe: quot;quot;Ik snel aan tot u, Ramsos-Moiamoon L. G. St. 1 Ik ben met u. Ik ben liet, uw vader! Mijne hand is bij u, en ik geld moer dan hondordduizonden. Ik bon de lieer dio de kracht van den heldenmoed waardeer. Ik heb oen moedig hart gevonden en ben tevreden. Mijn wil zal geschied en/\'quot;

quot;.Even als Month, schiet ik mijne pijlen naar do roclitorzijdc. Met de linker werp ik do vijanden ter neder. Ik ben voor hen als Baill in zijne ure. De 2500 wagens, dio mij omringen, breken in stukken voor mijne rossen. Niet óén van hen kan do hand ten strijde opheffen. Het hart daartoe ontbreekt in hunno borst. De vrees maakt hunne leden krachteloos. Zij weten niet hoo zij linnno pijlen zullen afschieten en bobben geono kracht meer om hunne speren te slingeren. Ik stort hen in het water, zooals de krokodil daarin neerplast. Zij liggen op hun gezicht, do een op den ander, on ik slinger don dood midden onder hen. Ik wil niet dat een om zich ziet, noch oen ander zich omkeert. Wie valt, zal zich niet weer verheffen.quot;

Do vorst van Kheta wordt door ontzetting aangegrepen. Doch niettemin voroenigt hij al zijne bondgonooten om zich, do vorsten van Arad, Mysiö, Ilion, Lykio, Dardaniö , Ivarchemisch, Kwarkisha on Khaleb, to zaraen eono verbazende macht vereenigonde, want zij hebben aan strijdwagens minstons oen getal van 3000. Alles te vergeefs.

quot;Dat i.s geen monsch die hier onder ons is,quot; zoggen do vorsten; quot;dat is Sootekh, de groote krijgsman, dat is Baill in persoon. Dat zijn niet de daden van oen monsch. Alleen, geheel alleen, werpt hij hondorddnizondon terug, zonder aanvoerders , zonder soldalen. Maken wij , dat wij wegkomen en trachten wij ons leven te redden.quot;

Kerst terwijl do vijanden vluchten, daagt het Egyptische leger op. liamsos verzamelt zijno legervorsten.

quot;Watzal do wereld zoggen,\' spreekt hij hen aan, quot;dat gij mij alleen en zonder hulp gelaten hebt? Dat niet éón vorst, niet één officier der strijdwagens of boogschuttors eono hand tor hulpo hoeft uitgestoken? Ik, ik alleen liob millioenon vijanden bestreden en teruggeworpen, de overwinnaar te Thebe en Noera (do tevredene). Mijne groote paarden waren allen bij mij, toon ik mij, van allon verlaten, tusschen do verbijsterde vijanden bevond. Wanneer ir weder in mijn paleis zal zijn, wil ik er dagelijks bij wezen wannoor zij gevoederd worden , want ik heb hen gevonden toen ik midden onder de vijanden was, mot Menna, mijn stalmeester, en mot ile officieren van mijn huis, dio mij vergezelden en getuigon van den strijd waren. Dat zijn degenen die ik gevonden

\' Do liicriiicdc ovorcoiikomniidd lotions vim do. Kgyplisoho liinl vindt iiini boatendi^ nohtor do niunru der koningon of do Inm tookomondo, titels. Zij betookiu lolt: Leven, gozondhoid, »lovk(o.

143

-ocr page 162-
-ocr page 163-

KfiVPïH (iN DUN ItTSÏOIlTSCHUN SAO HNTIJo), M.\'i

hob. Uit ooii zegorijkon strijd ben ik toniggokoord, on mot mijn zwaard hob ik do vor-zamelde scharen geslagen.quot;

Om liet govecht op don tweeden dag bekommert de dichter zich wéinig, Zijn lied geldt alleen het gevaar en de dapperheid des konings en de Imlp, don Monarch door de persoorlijko verschijning van Amnion veiioond. De Koning van Kheta smeekt om don vrode. Kamseü koort zegepralend terug, en Ammon begroet hom , torwijl hij don vorst toespreekt: quot;Kom, mijn waarde zoon, o Kamses Meiamoon ! De goden hebben u , eindoloozo perioden der eeuwigheid op den dubbelen voorhof naar nws vaders heiligdom gofjovcn. Allo volken zijn onder uwe sandalen noergoworpen.quot;

(Do tokst van dit heldendicht -— waarschijnlijk hot oudste, althans liet ondst-be-waarde — is in don Papyrnx Raiju on Hallier III Imvaard gobhivon.)

Anienoniapt is de vervaardiger der satire — want ^oo mag men iiot toch wel noemen — waarin eon ander schrijver, Penbesa, quot;het geluk\'\' der officieren van de infanterie on vah do strijdwagens afschetst, een gedicht, waaruit wij vroeger reeds bot oen en ander mededeelden. (Vergelijk bladz. 1 Oo en lOO).

Kone wetenschap die reeds vroeg en met grooto voorliefde door de Egyptenaron werd beoefend, was de astronomie of sterrokundo. Zij ondorscliciddon sterren quot;dio nooit ruston van dezulken quot;die zich nooit bewegen ,quot; derhalve planeten en vaste sterren. Onder do eersten nam Hor, onze Jupiter, don eersten rang in; vervolgens Saturmis, do vorste der planoten, die men met het bloote oog zien kan; Hannakhis (Mars), dio ook uithoofde van zijn rood licht de lioode Hor heette, on wiens schijnbaar teruggaande beweging gedurende een gedeelte des jaars niet onopgemerkt door ben bleef; Sovek (Mer-curius); en Venus, dio als Morgenster Doeëoe heette en als Avondster wellicht Bennee word genoemd. Het schijnt ook, dat men de Aarde tot do planeten rekendo en baar eone gelijke beweging als Mars en Jupiter toeschreef. Zelfs de Zon rekenden zij ondor de wentelende hemellichamen.

Voor de Egyptische astronomen was do hemel eerie vloeibare massa, die de aardo naar alle zijden omringde en op do atmosfeeren als op een vasten grondslag rustto. Op dozen hemelschen oceaan (Noe) dreven de planeten en alle sterren. Dezo worden op do monumenten als geniussen in eone mensclieljjke of dierlijke gedaante voorgesteld , welke allen , ieder in zijne eigene boot, die van Osiris volgde. Eene andore theorie beschouwdo do vaste sterren als lampen, djo aan het hemelgewelf hingen en door de goddoljjkf macht eiken avond aangestoken wordon om de aardo te verlichten. Op do storrowachten te Donderah , Theni, Memphis en Holiopolis teekendquot; men alle jaren den op- en ondergang dier sterren aan, welke men mot het bloote oog zien kon. Fragmenten van deze tafels zijn bewaard gebleven.

De belangrijkste van al deze sterren was de Isis , de Sirins, welke de Egyptenaron Sept en de Grieken Setbis noemden. Met den zomerstilstnnd van deze ster, wiens licht tweeëntwintig jaren noodig heeft om tot ons door te dringen, begon het stijgen van \'t water in don Mijl en het burgerlijke jaar dor Kgyptenaren. Dit was in twaalf maanden , elk van dertig dagen, afgodoeld. Iedere maand heviitte drie dekaden (van tien dagen) , elke dag en iedere nacht twaalf uren. Daar dit jaar tiiet mot deze omloopstijd der maan in ovoreenstemming kon zijn, voegde, men aan de laatste maand vijf dagen too, die epagomenen genoemd werden. Dit gebeurde reeds vóór do tijden van Menes. Over den oorsprong dezer vijf schrikkeldagen was de volgende mythe in omloop, quot;lihoa (Noot) onderhield een geheimen liefdehandel met Kronos (Seb),quot; l)o Zon (Ha), achter dit verkeer gekomen, uitte uit boosheid hierover oene toovor.sprouk, die Klieu verhinderde om zich

I. 10

-ocr page 164-

(ii iM.ivruKKiim: wi:rki,i»;ksO11rf;lgt;kn(s.

in eon dor twaalf maandon to vertounen. Doch Hwmo.s (Thot), dio do godin liet had, dobbelde met do maan on won hot zestigste dool van eiken dag, waaruit hg vijf volle dagen maakte, die hij aan de :i(gt;() overigen toevoegde.quot;

Dit jaar van ■gt;•)•) dagen stemde nochtans mede niet volkomen overeen met het astronomische jaar (weshalve wij elke eeuw vier- of vijfentwintig malen een Februari invoegen), en 1460 der laatston kwamen overeen mot li-lil burgerlijke jaren dor Egyp-tonaren. Een zoodanig tijdstip, waarop het burgerlijke mot hot astronomische jaar tegelijk inviel, heette het begin van oeno nieuwe Sothischo of Sirius-poriode. Do dag waarop dit plaats vond, werd reeds in den vóóiiiistorischon tijd met groote feesten gevierd.

De veelvuldige overeenkomsten tusschen do veranderingen aan don hemel en die op aarde met de goddelijke vereering dio men aan de zon en andere gesternten bewees, brachten de priesters op het denkbeeld, dat ook met do verschillende wezenlijke ot schijnbare bewegingen dor hemellichamen het lot der menschen verbonden is. Zó6 ontstond de astrologie of sterrenwichelarij, waarmede zich de vroeger vermelde horoskopon bozig hielden. Roods sinds onhougelijken tijd hadden deze allo verschijnselen aan het uitspansol gedurende alle dagen des jaars nauwkeurig opgeteekond, en naar die waarno-rningon geschiedden do voorspellingen. Do Egyptische koningen ondernamen zelden iets dan na alvorens de sterren geraadpleegd te hebben.

De goneoskunde word door allo volken dor oude wereld als eene bij uitnemendheid Hgyptischo wetenschap beschouwd en bewonderd. Onze artsen hebben zekeilijk do moedor aller kennis, do ervaring van ettelijke duizend jaren, iu hun voordeel en daarenboven eene nauwkeurige kennis van het inwendige van t inenschelijke lichaam, dio do Egyptische gonoesheeren in dezelfde mate op verre na niet bezitten konden , omdat do godsdienstige denkbeelden des volks de studio der anatomie wederstroofdon. Ook kenden do oude Egyptenaren onmogelijk de verborgen krachten van eon groot aantal planton en zelfstandigheden, die oerst na hen ontdekt zijn en voor oen goed deel uit voor hen onbekende worolddeelen zijn aangevoerd. Niettemin is het hoogst waarschijnlijk , dat zelfs onze artsen nog veel van do oude Mgyptenaren zoudon kunnen loeren, wanneer al ile oude schriften over de geneeskunst behouden waren, waarvan wij nu slechts fragmenten bezitten. Zooveel althans is zeker, dat de Egyptische doctoren voor vier- of vijfduizend jaren van hunne wetenschap meer verstonden dan do onzen voor even zoo vele eeuwen.

Herodot bericht, dat in Egypte voor de ongesteldheid van elk lichaamsdeel bijzondere gonoesheeren waren; doch wij hebben gronden om to gelooven, dat het hiermede niet anders goschapen stond als ton buidigen dage bij ons. Ieder arts, die de pathologie in haren ganschon omvang beoefent, kan daarbij eeno specialiteit zijn voor bijzondere ziektegevallen, zooals bij de oogen , de ooron enz.

Do Egyptische artsen konden hunne voorschriften niet goven zooals zy dit wellicht wonsebten. liet ging hun daarbij als do koningen mot hot regeoren. /.ij waren aan stipte, van oudsher bepaalde regelen gebonden, en overtraden zij deze, zoo deden zy het niet zonder gevaar. Een arts, dio zijne zieken overeenkomstig de oude gebruiken liet sterven dat is, hen naar de bij de wet voorgeschreven wijze behandelde — was niet verantwoordelijk. Had hij echter zijne eigene meening gevolgd, zoo kon hij wegens moord gostraft worden.

Wij bozitton oonige modicinisi\'lio verhrindolin^on uit do hoogste oudheid. Do eerste, die nog niet in hot licht is gegeven, wordt aan hot tydpork vati Kheops toogeschro-

-ocr page 165-

KCiYPTK (tN l)KN I1ISTOEISCIIHN SAOHNTIJD.i

vnn. Twoo aiulero bookon scliijnci) uit den tijd dor 1 on I !M\' dynastio afkumstiy to y-ij11-

Wat ook aan do inodicinischo wetenschap der Kgyptisclu; priesters inog\'o ontbroken hebben, zoo veel is zeker, dat het volk er niet slechter bij stond dan de Europei;rs van onzen tijd. [minors, volgens hot getuigenis van Horodot waren de Kgyptenaren de gozondsten aller stervelingen. Zij namen dan ook verschillende gezondlioidsrogelen in acht en zuiverden hun lichaam elke maand eonige dagen achtereen door braak-en purgeermiddelen of klysteeren, daar zij van meoning waren, dat alle ziekten uit de maag voortkwamen. Wellicht was dit gevoelen nog al overdreven, maar kwam toch in duizenden gevallen de waarheid nabij.

Dat de Kgyptenaren ijverige bewonderaars der sterrekundo en storreiiwichnlarij, aan den invloed Van de maan op het lichaam geloofden, is to eer te verontschuldigen, omdat men nog boden in de kalenders van quot;beschaafdequot; Kuropeërs de dagen aangegeven ziet, waarop het goed is koppen te zetten, ader te laten, enz.

Naar luid van de papyrusrollen, is het moeilijk te bepalen welke ziekten in Kgypte het meest voorkwamen. Nochtans kan men aannemen, dat, het hichtsgestel op velen invloed uitoefende, en de ongesteldheden van dien tijd zoo tamelijk dezelfden zijn , die zich nog tegenwoordig in Egypte het gevoeligst doen kennen; oogziekten, zweren aan de beenon, eene soort van roos, worm in de ingewanden en do dininm morbus der Latijnen, de vallende ziekte of epilepsie

Evenals de bedendaagscho artsen hunne recepten in teekens schrijven, die voor de leeken ware hieroglypbon zijn, zoo gaven do Egyptische de voorkeur om hunne voorschrift-en in het nevelachtige te hullen. Zij schrevon dus geeno plant als artsenijmiddel voor, zonder haar een naam te geven voor de Egyptische leeken even onverstaanbaar als voor onze boeren het Acunilmn napeUvs of Nux vomica. 1)« klimop noemden zij b.v. de \'\'plant van Osirisquot;, het ijzerkruid quot;tranon van Isis\'\', hot St. .Tanskruid quot;hart van Boebastisquot;, de safraan \'\'blood van Khonquot; (Hercules), de zeoui quot;oog van Typhon\'\' enz.

De middelen die de artsen aanwendden, waren van velerlei soort: zalven, drankjes, plijsters en klysteeren. Daartoe werden meer dan vijftig verschillende stoffen gebezigd, uit boomen, heesters, wortelen, bladen en bloemen te winnen. Verder speelden onder de mineralen zont, kopervitriool, nitrum en de Memphische steen (antir ftnpcJ) eene belangrijke rol. Mon schreef hot laatstgenoemde mineraal eene anesthelische kracht toe, evenals ten onzent aan zwavelethor en chloroform. Ook bezigden zij bij limine zalven inzonderheid lichaamsdeelen van sommige dieren, zooals hertehuid en hertshoorn, versch of gedroogd bloed, enz.

Do Egyptische recepten onderscheidden zich — evenals die in onze kloosters—door een rijkdom der meest verschillende bostanddeelen. De geheele mengeling werd doorgaans in water gekookt en door een linnen dook gezeefd. Menigmaal nam men ook zijne toevlucht tot bier (/ui/c), of zoet bier (/uik nolxem) , gerstenschuiin , koe- en geitenmelk, olijfolie {tjak nolsm), aalt en urine. Met brouwsel werd evenals bij ons — met suiker verzoet en dan des morgens of des avonds in eene bepaalde hoeveelheid warm gedronken.

Opmerkelijker dan dit stoll\'elijk deel der medicinale wetenschap, schijnt ons eene phy-siscbe, waarover wij nog vri| wat in bet duister verkeeren , daar degeleerden het oneens zijn, of wij daarbjj aan kwakzalverij of aan ons nog onbekende krachten moeten denken. Wij meonen bet somnabulismus en iiiagnetismus, die beiden bij de Egyptemiren

-ocr page 166-

I 4^ f)HÏIXUSTIIEEKDB WKBELDGKSCHIKDENtS.

oono gewichtige rol apoolden, zooals blijkt uit vorschilloiido fragmenten van geschriften en zelfs schildoringen naar liet loven.

Over hetgeen met de zieken in het binnenste des tempels werd ondernomen, weten wij niets met zekerheid. daar de ingewijden don eed van stilzwijgendheid moesten afleggen, en een oningewijde den toegang ten strengste was ontzegd. Uit hier en daar verstrooide sporen komt men nochtans tot do overtuiging, dat do behandeling der zieken en de versclujns len bij de orakels in de tempels volkomen dezelfden waren als bij hot magnetische somnambulismus van onzen tijd.

De zieken werden door reinigingen, badon, vasten, gebeden, muziek en geheimzinnige plechtigheden in het duister voorbereid, waartoe binnen de uitgestrekte tempels alle middelen voorhanden waren, daarna in oen magnotischen slaap gebracht en in bijzondere vertrekken door de priesters behandeld. Deze deden do patiënten tal van vragen, ten dei de over de aan te wenden middelen, ten dooie over andere dingen, en do ontvangen antwoorden werden als orakelspreuken beschouwd. Dat do priesters daarbij even als onze magnetiseurs te werk gingen, zien wij uit verschillende, voor ons bewaarde geschilderde tafereelen, waarin zij de in slaap gebrachte lijders de handen op hot hoofd,

do maag of don rug loggen.

Zonder twijfel was bij dezo verrichtingen, even als nog tegenwoordig, do hand, het orgaan, waardoor de magnetische kracht werd voortgebracht, en dit verklaart het voorkomen van bandon op veelvuldige Egyptische gelof\'testeonen, wier beteekenis men vóór het herleven van hot dierlijk magnetismus geenszins kon ophelderen.

Dat do hand bij allo magnetische onderzoekingen eene belangrijke rol vervult, is bekend. quot;Uit haar stroomt de geheimzinnige magnetische krachtquot;. Veelal wordt do goheele hand gebruikt, doch meermalen bezigt men slechts de drie eerste vingers of den wijsvinger. Sinds do oudste tijden schroef men aan hot opleggen der handen zekere kracht toe, gelijk het opleggen der handen in do christen kerken, zooals bekend is, eene belangrijke plaats bekleedt. Evenals de punt van een haarfijnen draad toereikend is, om eene elektriekc vonk te doen overspringen, nam men ook aan, dat een enkele vinger hiertoe voldoende was.

Nog tegenwoordig zien wij bij do heiligenbeelden ledematen van was, hout, steen of andore stof opgehangen. Kot zijn de afbeeldingen van leden, die men door do voorspraak dier heiligen van wondon of ziekten meende geheeld te zijn. Do hand op de geloftesteenen der Egyptetiaren, waarbij tweo vingers aaneengesloten en drie uitgestrekt zijn, duidt blijkbaar de dankbaarheid, niet voor de genezing van do hand, maar door de hand , aan , wijl in dit laatste geval daaraan doorgaans andere attributen zijn toegevoegd in betrokking tot de genezen ziekte. Men moet daarbij niet vergeten op te merken , dat al deze handen rechtwhandon zpi, die welke men bij het magnetiseeron gebruikt.

Van do talrijke afbeeldingen die op de behandeling van kranken door magnetismus wijzen, willen wij slechts ówi beschrijven, die op oen mumiehulsel is aangebracht. Voor een kranke, die, in oen bruin kleed gebuid, op eene tafel ligt uitgestrekt on dr oogen open houdt, staat een persoon, mot het makker van den jakhalskop , dus oon apostel van Anoebis. Hot gezicht van don arts is naar den kranke gericht. De linkerhand le^\'t hij op de borst, en do rechter houdt hij boven het hoofd van den zieke, volkomen in de houding van een magnetiseur. Aan het voeteneinde van het bed staan twee vrouwelijke figuren, de eene met opgeheven rechter- , de ander met opgehoveil linkerhand. Onder hot bed staan vier kanoben (vergel. bladz. i2.quot;gt;), die de vier symbolen der heelendi\' goden . Osiris, lsis,Hor en Anoebis , vertoonen. Aan het hoofdeneinde

-ocr page 167-

EGYPTE (IN DEN IITSTOIUSCIIRN\' SAORNTIJü).

van hot krankonloger ziot mon tweo priestors, wier gebaren, oven als die dor vrouwen, schijnen aan te duiden, dat zij bij het magnetiseoren behulpzaam waren. Een van doze priesters draagt een masker met oen sporworkop, derhalve allerwaarschijnlijkst enn priester van Osiris, even als de andere mot den jakhalskop een priester van Anoebis zal zijn. Dat de fjod zelf niot moest voorgesteld worden blijkt duidelijk uit do over hot hoofd getrokken kapot, die door de priesters gedragen werd.

In andere afbeeldingen vindt men d« gemagnetisoordon in het oogenblik van hun ontwaken voorgesteld. Nu on dan ziot men don magnetiseorende priesters naakt, zooals zij zich uit eerbied voor de Godheid vertoonden, wanneer zij niet hunne symbolische kleeding droegen. Dan is ook geene vrouw tegenwoordig.

Tal van ziekten, wier aard rnon niet verklaren kon, schroef men aan boozo geesten toe, die van hot lichaam bezit genomen hadden. Zoo als wij (bladz. 123) gezien hebben, geloofde mon, dat verdoemde zielen zich binnen monschelijke lichamen nestelden, In dat geval moesten do goden te hulp geroepen worden.

Koning Ramses XT (\'Jk29tl! dynastie, omstreeks 1050 vóór Christus), had de dochter van den vorst van Bakhtan (in hot stroomland Naharina) gehuwd. Toen oene jongere zustor van dezen vorst quot;bezetenquot; word, zond do koning het opperhoofd der koninklijke magiërs, Thotemhebi, naar Bakhtan , om haar te hooien. Doch daar dit den wichelaar niet gelukte, bad de Syrische vorst zijn machtigen schoonzoon, hem een god te zen-den, opdat deze den boozen geest mocht uitdrijven. De koning was juist te Thebe bij üi\'ii Ammonsfoest. Nadat do toepasselijke beden en plechtigheden geëindigd waren , reisde do god Khon — die quot;do raadgever van Thebequot; wordt genoemd met een schitterend gevolg naar Bakhtan, waar hot standbeeld na één jaar en vijf maanden aankwam on mot grooten eerbied en praalvertoon werd ontvangen. De god begaf zich in de woning der prinses Bentrochit, die zich dadelijk verlicht gevoelde. De geest sprak door haar tot don god in de volgende bewoordingen; quot;Wees gegroet, gij groote god, die do oproerlingen uitdrijft. De stad Bakhtan is de uwe. Hare bewoners zijn uwe slaven , ik zelve ben uw slavin. Ik zal derwaarts terugkeeren vanwaar ik gekomen ben, om uw hart ten opzichte van het dool uwer reis tevreden te stollen. Moge hot uwer Majesteit behagen, te bevolen, dat de vorst van Bakhtan mij tor oere een feest aan richte.\'

De god zelf verwaardigde zich tot zijn profeet te zeggen: quot;Het is noodzakelijk, dat do vorst van Bakhtan dezen geest oen rijk geschenk aanbiedt.quot;

Terwijl de god zich mot don geest onderhield, wachtte de Bakhtanscho vorst met zijn leger liet einde van de kuur ondor vreozen on beven af. Hij gaf den god, evenals don geest, rijke geschonken en richtte oen feest to hunner eere aan. De geest ging daarop rustig hoen naar de plaats hom door den god aangewezen.

De vorst wilde den god niet weer laten vertrekken. Toen deze echter drie jaren en negen maanden in Bakhtan had verwijld, zag do vorst in den droom een goudsperwer, in de richting naar Egypte het luchtruim doorklieven. Uit dit gezicht leidde hij af dat de god weer naar Kgypte verlangde. Khon koerde, mot geschenken overladen, naar Thebe terug.

Een volkomen Kgyptisch rocspt bestond uit een magisch en een medicinisch deel. De volgende regels vormen het magische formulier, dat bij oen braakmiddel behoorde; quot;Ga uit, o demon, die in den buik van N. N. woont, als wiens vader diegene is genoemd, die de hoofden inneemt, wiens naam dood is, wiens naam man des doods is, wiens naam vervloekt is in alle eeuwigheid.\'quot; Een ander formulier, dat men vier malen moest opzeggen, diende tegen hoofdpijn. Deze magische spreuken moesten op de

-ocr page 168-

dl ïi.m stiu:i:hi)i: \\vkiu:i,ikiksi;iiiki)enis.

^cmoedsaanJooningeii van den zieke werken en koorden dan ook menigmaal door den voortgebraciiten indruk de kwaal af. Geschiedde dit niet, zoo vorwaditte men ton minste (■oiii! betere uitwerking van do artsenij.

Wij besluiten do geschiedenis van do beschaving der Egyptonaren gedurondo dit langdurige tijdperk mot mme beschouwing van hunne bouwkunst, waarbij wij tevens gelegenheid vinden over beeldhouwwerk, schilderkunst on velerlei andere onderworpen te spreken.

Geen volk ter wereld hooft zijne geschiedenis op eeno zoo grootsche wijze aan de nakomelingschap nagelaten als het Egyptische. Hunne koningen schreven haar in steonen monumenten , die mot het zweet en bloed hunner onderdanen besproeid waren, en zoo een menschenvriend deze schandzuilen dor dwingelandij, zij het huiverend, zijne bewondering niet kan ontzeggen, zoo vloeit daarbij oen dankgebed van zijne lippen, dat onze tijd zoodanige geschiedkundige werken niet meer ziet ontstaan. Doch laten wij doorgestane jammeren rusten. In plaats van ons mededoogen aan do ellende van volken te wijden, wier handen en harten nu reeds sedert duizenden van jaren niet meer bloeden , peinzen wij veeleer over het goede dat wij kunnen verrichten om do lijdende na-tuurgenooten die met ons leven, te helpen. Laat ons daarbij oen voorbeeld nemen aan de Mgyptonaron. iiaten wij ook pyramiden bouwen , doch geene reuzenwerken van graniet voor lijken. Neen, elk wie het vermag, drage vrolijk en willig de bouwmaterialen aan, om werken tot stand te brongen, waardoor eenmaal deugd, kennis on welvaart hot eigendom van allen moeten worden.

De gebouwen, wier overblijfselen nog tegenwoordig jaarlijks duizenden reizigers tot zich trekken, zoo als zij het reeds voor meer dan twintig eeuwen deden, bestaan in grafgesteenten, tempels en paleizen. Bijna allen behooron tot het langdurige tijdperk, waarvan wij do goschiedenis hiervoor hebben medegedeeld. Igt;e boschrijvingoii, die reizigers uit de laatste tijden daarvan maakten, vergeleken mot de berichten der oude Hellenen, die deze wonderwerken in beteren staat aanschouwden, vormen reeds eene aanzienlijke bibliotheek. Wij kunnen er slechts eene korte schets van geven en hopen , dat de. bijgevoegde afbeeldingen aan deze schets duidelijkheid en kracht zullen toevoegen.

Wij weten reeds, dat de Egyptenaren bjjzondere zorg voor het behoud hunner lichamen na hot overlijden droegen , en meer dan allen waren de koningen daarop bedacht. Hunne grafgesteenten zijn de pyramiden. Zoodra een koning aan de regeering kwam, begon hij met den bouw, die op de volgende wijze word voortgezet.

Men koos voor het grondvlak eene plok op do .\'iO motor hooge rotsvlakte, die do westzijde van hot Nijldal bozooint, eene plek welko het water nooit bereiken kan. Allereerst werd oen rotsgraf nil gehooid, en daarop legde men een vierkant grondvlak , met de zijden nanwk nrig naar de vier hemelstreken gericht. Uit grondvlak bestond uit eene laag van rots of tegolsteeilen, ongeveer dertien meter hoog mot schuin afhollende wanden. Op deze onderlaag plaatste men eeno tweede van gelijke hoogte, doch met eene kleinere grondvlakte. Op deze wijze ging men voort, tot ton slotte het gebouw in e.\'iie stompe kruin eindigde en de gedaante kreeg van eeno trapvormigo pyramido. Om elkquot; verdieping been bracht men een mantel aan van muurwerk , van\'i\'1, tot (i1 , meter dikte. Deze handelwijze herhaalde men naar omstandigheden verscheidene malen, tot ten slotte de \'quot;trappenquot; waren aangevuld, on elk dor zijwanden eeno enkele driehoekige gladde vlakte vertoonde. Stierf de koning na weinige regoeringsjaron, zoo was de pyramido be t rekkelijk er w ij ze klein ; maar bleef hij langen tijd hot roer van staat omkleni-men, dan werd de eeno steenen mantel na don andere aangevangen en voltooid. Van hier dat ettelijke pyramiden eeno verbazende grootte verkregen.

-ocr page 169-

UOYI\'TH (IN DUN lltSTOIlISCItKN SAOHNTfJI)).

Mim hueft tlo sporon van lt;i i zoodanige pyramidon govonden. Van V(d(\'ii zijn nog sluclits do grondslagen aanwezig. Van de bost-bowaarden zijn ten minste do spitsen verwoord on de zgvlakten ten deelo weggebroken. Aan do Arabieren, die later in Kgypto de heorschappij bekwamen, dienden deze godenkteokeiion tot steengroeven, en als zoodanig boden zij inderdaad eon grooten voorraad aan, want de grootste der pyramidon bevatte niet minder dan millioon kubieke nieters muurwerk.

Dertig tot veertig zoodanige pyramiden bevonden zich in Neder-Egypte, in de nabijheid der dorpen Usjizeli, Sakkara, Uasjoor en Meidoen. Bij Dsjizoh zijn de drie bestbewaarden en schoonsten, die tusschon oono groep van zeven kleineren staan. De grootste van haar, en tevens van alle pyramiden, word gebouwd door Ivhoops of Klioe-foe, zooals de monumenten hom noemen. Van dozen koning verhaalden de Egyptona-

ren , zooals reeds is opgemerkt, aan Herodot, veel kwaads. Zij spraken niet dan mot weerzin van hem en zijn broeder Khophron (Kliafra), ja Diodör deelt mede, dat bot volk hunne lijken uit de sarcopbagen gesleurd en vermorzeld beeft. Do bowoners van liet Nijldal gingen in dien iiaat zoover. dat zij Kheops\' en Kephren\'s pyramiden niH meer naar hen, maar naar een sebaapherder uit deze streek , rbilitis, noemden Zóó althans verhaalt Herodot. Het vorniolingswork , waarvan Diodor gewaagt, kan zeer wi^l plaats gehad hebben , want men vindt de verbrijzelde standbeelden van Khafra in ecni\' bron op korten afstand van een tompol.

De naam van Khoefoo (Khoewoe of Kheops) is nog altoos, als merkteekon der steongravers, mot roode verf, op alle steenblokken te lezen, zoodat over den bouwheer van deze ontzaggelijke pyramide geen twyfel kan bestaan, Het gevaarte had oorspronkelijke ecne grondlijn van en eene. hoogte van 150:t, meter. Tegenwoordig zijn beide afmetingen een weinig venninderd , doch bodrngen nog altoos lil1., en \'ilj.i

151

-ocr page 170-

(I Kï L LUBT UI; K K 1)K w K K KL DG KSC UIK1) F, N IS.

motor. Men zou do {johoole St. Pioterskork van Rome in dezo pyramido kunnen plaatson on wanneor men don Domtoron van Utrecht daarnaast stolde en op dio spits den Munttoron van Amstordara, zon dezo laatste .slechts enkel zijn haantje daarboven vor-hoiïim. Tor hoogto van 1 lt;quot;) \'•, motor boven do door \'t zand ovorstolpto grondvlakte ontwaart men don ingang, die 1 1 , meter lioog on I meter broed is. Daardoor kan men do in do rotsen nitgedolven grafspelonk horeiken, die •!i motor onder hot grondvlak on iiSX motor onder don top dor pyramido ligt.

Door nauwe gangen bereikt men van den ingang, over vlakke, opwaarts voerende vloeren. van graniet, twee ruimten, dio de konings- on de koninginnekamer genoemd worden. Een dezer beide vertrekken had gediend voor het lijkfeost. In hot andere vond men eone vernielde sarcophaag

Herodot verhaalt, dat do steenen voor dezo pyramido in het Arabische gebergte gebroken en van daar 5 stadiën (ruim 9 kilometers) ver naar don Nijl voortgetrokken werden om in schepen overgevoerd en dan weder tot aan het Lybische gebergte gesleept te worden. Om dit mogelijk to maken, logde men allereerst, ton einde door de Nijlover-strooming niet opgehouden te worden, een weg of dam aan, van !!gt; meter breedte en 15 motor hoogte. Hij werd opgetrokken van gepolijste steenon, met beeldwerk versierd Aan dozen dam bouwde men tien jaren. Voor het bouwen der pyramids zelve werden twintig jaren gevorderd, mot wolken arbeid steeds 100,0110 werklieden bozig waren, d\'n- men allo drie maanden allostte. Op do pyramido stond goschrovon hoo-velo radijzen, uien en maten knoflook door de werklieden genuttigd waren, en do tolk, die voor Herodot dit opschrift vertaalde, zoide, dat 1600 talenten — ongeveer \'i inillioenon gulden — daarvoor waren uitgegeven. Daaruit kan men opmaken welke ontzaggeiyke summon het bouwen van deze pyramido kostte, zoodat men gaarne gelooft, dat\'s konings schatkist in \'t einde uitgeput raakte, al acht men het prijs geven zijnor dochter eone fabel. Eone der kleine pyramidon werd voor die dezer prinses gehouden. Men verhaalde, dat zij van steonnn was gebouwd, dio zij zich door hare minnaars liet schenken — van elk oen!

De pyramido van Khafra, die niet ver van de andere, opdenzelfdon ^0 motor hoo-gen heuvel staat, i.s nog MO\', meter hoog en inwendig van dezelfde bouworde, maar niet zoo fraai.

Do schoonste van alle pyramiden is die van Menkera , wier hoogto thans \'i:!\'1, meter bereikt, maar vroeger 08\' , heeft beloopen. In hot grafvertrek stond de heerlijke sarcophaag des konings, van donkerbruin bazalt. Dij zijn vervoor naar Kngoland ging dezo grafkist met hot schip, waarin zij geladen was, op de l\'oitugeescho kust verloren , ter-wijl alleen het houten deksel be ouden bleef. Daarop leest men het volgende opschrift:

\'\'O, gij Osiris, koning der beide Kgypten, eouwiglovondo, in den hemel geboren, kind van Noot, spruit van Seb! Mogo uwe moeder Noot in haren naam hot hemelruim over u uitbreiden. Mogo zij n vergoden en uwe vijanden vernietigen, O eeuwig-li\'vende koning (Menkera)!quot;

Dit en .indere godenkteekonen bevestigen de vroomheid die dozen koning word toe-ireschritTon. Hij zond zijn zoon Hor-Doedoew uit, om hom bericht te geven over Egypto\'s lieiligdommen, op welke reis deze hot (l4a,u hoofdstuk van liet fonnnlior der dooden te Sesoen (llormopolis) ontdekte. Hot lag aan de voeten van Thot en bestond uit een blauw schrift op eone tafel van albast. Dit hoofdstuk is huitongomoon duister, zoodat de Kgyptischo geleerden van dien tijd zich daarover veel hot hoofd braken, ovenals de egyptulogen onzer dagen, zonder tot eeno bevredigende uitkomst te geraken.

152

-ocr page 171-

EGYPTK (IN DUN IIISTOKISCIIRN SAGENTIJD).

Do doodenstad, westwaarts van Memphis en ongeveer een groot uur daarvan verwijderd, strekt zich op do rotsvlakto ettelijke mijlen ver uit. Zij word waarschijnlijk roods aangelegd door koningen die lang vóór Monos regeerden. Van oen dezer stamt ook do ontzaggelijke sphinx af, die daar uit do rots zelve is uitgehouwen, als het symbool van den Harmakhas (de opgaande zon). Die sphinx vertoont zich als oen liggende leeuw met een manshoofd en houdt tusschen do beide klauwen een gewijden tempol. lli\'t stuifzand heeft zich 1 \'21 meter iioog opgehoopt rondom dit reuzenbeeld, waarvan de kop door de mammelukken vreeseljjk werd geschonden, toon zij zien wildon wat kanonskogelen daartegen vermochten, l\'it hoofd is van den schedel tot aan de knie lt;S meter hoog, en het lijf van den leeuw ongeveer :iU meter lang. Vóór de verzanding moet de hoogte minstens 22 meter bedragen hebben. In later tijd bouwde men in de nabijheid een tompol van albast en graniet, oven als kleinere tempels tusschen lt;ln pyramiden.

Aan do lijken van hot getneen besteedde men niet meer zorgen dan Inj ons. Men begroef hen in een kuil ter diepte van ongeveer een meter, dikwerf geheel naakt en zonder kist. Voor anderen metselde men uit geele tegels rechthoekige kolders. Sieraden of kostbaarheden vond men daarin niet, wel vaten van gewoon pottobakkerswerk, mot proviand voor de reis naar de Elysoesche gewesten.

Eijkere lieden legden — even als hier te lande plaats vindt — voor zich en hun geslacht graven aan, en koninklijke prinsen en wellicht ook andere voorname liedon kleine pyramiden. Een eigen graf, zou het volledig zijn, bestond uit eeno kapel, een schacht en onderaardscho kelders. Doven den ingang, op do oostzijde, zag iihmi oonige basreliëfs en een opschrift, hetwelk den naam van den afgestorvene bevatte, benevens eeno opgave der dagen te zijner herinnering bestemd.

De kapel bestond gewoonlijk slechts uit eeno enkele ruimte. Op de eereplaats (aan den oostkant) stond eene groote , rechthoekige zuil, en aan den vuet daarvan eene Inge tafel van graniet, albast of kalksteen. Uochts en links bovondon zich kleine altaivn of obelisken. Op de tafel zelve werden de gebruikelijke gaven gelegd: geheiligd brood en vruchten.

Op de zuil las men in de eerste plaats oen gebed aan Anoebis en de andere goden Dan volgden eeno korte biographie van den overlodone, zijne titels en eeno

ver.....kling van do namen der koningen , wien hij gediend had, quot;die hem hooger dan

elk ander dienaar schatten.quot; Veelal zijn ook taferoelon uit de levensgeschiedenis van den afgestorvene door schilderwerk op de wanden voorgesteld, en deze zien dikwerf zoo frisch, als hadden zij eerst onlangs het aanzijn verkregen. Vooral aan dit schilderwerk, waarvan nog veel is overgebleven, danken wij do nauwkeurige kennis, die wij van het leven der oude Egyptenaren hebben verworven.

In don oenen hoek zijn taforeelen uit hot huiselijk leven voorgesteld. Koks leggen vuren aan on bereiden het maal. Vrouwen in hot vrouwentimmer zingen en dansen, daarbij begeleid door fluiten, harpen, enz. Op eene andere plaats ziet men tooneelen uit de jacht of de vischvangst, watorspelon, taferoelon uit de overstrooming en van don akkerbouw. Op een derden wand ontwaart men werklieden van allerlei beroep aan hunne bezigheden: schoonmakers, glasblazers, kastenmakers, timmerlieden, vrouwen aan het weefgetouw, onder het opzicht van gesnedenen en dergeUjken. Elders ziel men den hnis-hoor, terwijl hij op een vaartuig naar de haven hot graf—stevent. Of wol hij zit en ontvangt geschonken, of de voortbrengselen van zijne landerijen en andere bezittingen. Al deze voorstellingen zijn \'net opschriften voorzien, die haar verklaren. In den regel geschiedt dit door woorden, die den handelenden persoon in den mond gelegd zijn.

-ocr page 172-

f. Kï l.l.l STItKKIlDK W HIIKI, DG KSC111KI) UN 1S.

Dikwerf ziet, mon in non dor wanden oeno insnijding, zoo eng dat mon or nanwo lijks do hand kan instokon. Zij hooft gomeonschap mot oene ruimte, waarin do stand-boeldon der afgestorvenen zijn geplaatst. Op de horinneringsfoosten, dio in deze kapellen gevierd worden , flnistorden de nablijvonden gebeden, mot den mond voor de spleet, of zij lieten te zelfder plaats den geur van wierook opstijgen.

De schacht, die naar den rotskolder voert, wordt dikwijls in oen hoek dor kapel govondon. Doch doorgaans kan men den ingang slechts zien, wanneer men, naar buiten gaande, op het plat van \'t gebouw klimt. Deze schacht heeft vier gelijke zijden en is tot in het hart der rota van fraaie steenon opgemetseld. Zijne middelbare diepte beloopt 12 15 meter, ook wol :tO en meer. Boneden, in den zuidorwand van do schacht, is het begin van een nauwen gang, waarin men slechts gebukt kan binnentreden en voortgaan ; hij voert naar de doodenkamer, die in do rots is uitgehouwen en niet de minste versiering bevat. In liet midden staat eone groote sarcophaag van helder rood graniet, zwart bazalt of fijnen kalksteen, waarin de naam en waardigheid van don doodo staan ingegriffold. I )e toegang tot dit rotsgraf werd steeds toegemetseld , en do schacht tot bovenaan met puin en aarde gevuld en met water overgoten, zoodat alles eone vaste massa vormde en op deze wijze den toegang tot het lijk was afgesloten. Deze graven vormen bij Dsjizeh eone regelmatig aangelegde doodonstad.

Van nog grooter waarde voor do kennis der beschaving van do oude Egyptenaren zijn do graven der -rfelijko vorsten van Meh bij Beni-Hassan. Dit geslacht behoorde tot de hoogste aristocratie, en hare verhouding tot het koninklijke huis was nagenoeg dezelfde als dio dor kleine Duitsche vorsten tot keizer Wilhelm I. Nu eens moer, dan minder afhankelijk, al naarmate van don toestand dos rijks en de macht of de persoonlijke hoedanigheden des konings, dienden zij deze in don oorlog of bekleedden hoogo plaatsen in don staatsdienst. In een opschrift op een van die vorstengraven leest men: quot;Ik heb mijnen hoor gediend, tot hij uittrok om den vijand in vreemde landen to slaan. Ik vergezelde hom in de hoedanigheid van zoon eens opperhoofds , als kamerling, als generaal van het voetvolk, als nomarch van Meh... Niet één mijner soldaten deserteerde toon ik do opbrengst zijner heiligheid koning Oesortoson 1 bracht, die altoos on

eeuwig leeft. \' . n i •

In deze graven vindt men do rijkste on monigvuldigste voorstellingen van allerlei

handwerken en huiselijke bezigheden.

Eon portions van oen zoodanig graf is mot do Dorische zuilen versierd: zij zyn

tweeduizend jaren onder dan do oudsten die in (Jriekenland zijn gebouwd.

De groote pyramiden wokkon meer de belangstelling van den metselaar dan van don bouwmeester on kunstenaar: zij ontleenen hare voornaamste merkwaardigheid aan haar omvang, hare hoogo oudheid on als gedenktoekenen van oen despotisch egoïsmns.

|)(. priesters oordeelden niet gunstig over het oprichten van pyramiden. Daar wij don eigenlijken grond voor dozen weerzin niet kennen. willen wij aannemen, dat zi, hot verdrukken des volks, vooral tot onkel persoonlijke doeleinden, met billijkten. Overal, waar zij alleen te bevelen hadden , bouwden zij slechts tempels,

Ofschoon do godheid zich haren meest verhoven tempel overal zelve bouwt, en geen

behoeft ....... monscheiihandon gesticht. zoo vertegenwoordigen zij toch een verheven denk-

iH.eld, en daarenboven luidden de priesters deze tempels noodig, zoodat deze gebouwen toch een praktisch nut hadden , iets wat aan do plompe pyramiden ontbrak. Do ontworpen voor deze tempels waren vrij wol aan die onzer kerken gelijk,

Hot grondvlak van oen Egyptischen tempel vormde met den hof on al wat vorder

-ocr page 173-

KCIYI\'I K (IN DUN IIIS\'I\'OKISCIIKN SACiKNTIJ I) ).

daartoo bohoordo 0011 langwerpig1 vierkant, dat door een hoogon muur was ingesloten. Slechts op oiikole plaatsen daarvan vond men einie deur. Do hoofdingang1 bevond /ic.h altoos aan eone der smalle zijden. Doze ingang werd altoos door kolossale pijloiieii gevormd, t. w. door scluiins opklimmende munrmassa\'s, met afgeronde hoeken, tevens lijsten om het vlak, on mot kroonlijsten. De deuren waren naar evenredigheid klein. Daardoor bereikte men het eerst een open, naar allo zijden door zuil galerijen omsloten hof en vervolgens eeno groote overdekte zaal, door rijen zuilen in verschillende afdeelingen afgeperkt. Hot middolschip, hoogor dan de beide anderen, had aan den bovenkant oen aantal vensters, waardoor het licht bitinonviel. D.iir dit uit don aurd spaar-

zaain moest zijn, heerschte van binnen In het halfduister oene plechtige schemering. Uit deze zaal (die do Grieken hypostyl noemden) kwam men in het allerheiligsto, waar de staTidbeidden waren geplaatst vim den god, aan wion de teitipol was toegewijd.

Oorspronkelijk was de teinpei ilaannode voltooid. Doch (dk kening die sedert aan de, regeering kwam, wilde zijn aandeel in do verdienste dor stichting hebben en voegde er nieuwe zuilen en hoven aan tu^. Alleen hot allerheiligsto mocht daarbij noch voran dord noch aangetast worden. Wanneer wij do bost bewaarde bouwvallen onzer ridderbnr-gen beschouwen, valt het don bek niet gemakkolijk, om zich voor te stellmi hoe het gebouw moot hebben uitgezien , toon liet nog tot woning van vorsten en ridders diciub\' en daarbinnen oen schitterend leven leidden. Nog moeilijker valt dit met betrekking tot de reusachtige overblijfselen der tógyptischo tompels, die ons wegens hun kolossalen

-ocr page 174-

150

omvang onverklaarbaar zouden zijn, indien kundige onderzoekers dor oudheid ons daarbij nirt te Imlp kwamen. De meest bewonderenswaardige tempelruïnen vinden wij in de nabuurschap van Thebe, bij de dorpen Karnak en Loexor.

Zoo lang de Memphitische dvnastién regeerden, was Thebe slechts eene kleine provinciestad ep den rechter Nijloever, doch men vond er een heiligdom, hetwelk aan de goden Amnion, Neet en Khon was gewijd. Op den anderen stroomoever stonden eenigo pyramiden dor vorsten , en strekte zich de doodenstad uit. De koningen dor 1 \'2lle dynastie verfraaiden de stad. Inzonderheid deden dit Amenemha 1 en Amenemba 111. Deze nog onder de 18^ dynastie geheel ongeschonden monumenten omringde Thotmes 1 met een kring van gebouwen, die Thotmes II en do regentes Ilatasoe voltooiden, rhotmes lil bouwde eon tweede heiligdom van graniet. Zijne opvolgers Thotmes IV en Amenhotep lil vergrootten dezen tempel, en de laatstgemeldo stichtte daarenboven nog een gewijd gebouw voor Amnion , tor plaatse waar thans Loexor staat. Do volgende koningen vergrootten en ver-l\'raaiden dit alles, en inzonderheid deed dit de groote Kamses II (Sesostris), toen hij na zijne veldtochten rust zocht. Daar bij zevenenzestig jaren regeerde, kon hij veel vol-

tooien. Kr is bijna geen enkele merkwaardige bouwval in Egypte en Nubiö, waarin /.Ijtie hand niet te herkennen is.

Hij liet niet alleen zulke praalgestichten bouwen, maar ondernam ook andere groote werken ten nutte des lands. Hij bouwde langs den heerweg, die naar de rijke Nubische goudmijnen voerde, rustplaatsen, die met vergaarbakken voor water voorzien waien, liet de kanalen schoon maken en slatten , onder anderen het kanaal der beide zeeën. Van de grenssteden die hij bouwde, hebben wij reeds gesproken. Al deze grootsche werken zijn uitvoerig beschreven in de verschillende reisverhalen, die sinds de laatste hondeul jaren zijn uitgegeven. Wij kunnen slechts een enkelen blik daarop worpen.

De tempel bij Karnak was :{(gt;7 meters lang, zonder daarbij te rekenen do reeks spliinxen en het bijzondere heiligdom, hetwelk Kamses II aan den zuidelijken ringmuui liet oprichten. Eeno dubbele rij van ramsphinxen geleidde naar de hoofdpoort, die, naar het zuiden gericht, geheel op zich zelve stond en 20 meter hoogte bezat. De zuilen van don voorhof waren \'i:i meter hoog, elk uit een enkel rotsblok gewrocht. Zij liggen thans allen ter neer geworpen , eene enkele uitgezonderd. De steenen zoldering dei-zaal, waarin men uit den voorhof komt, werd door 134 zuilen gedragen. Hot twaalftal vati den middengang heeft elk \'20% meter hoogte, bij een omtrek van II motor. Do overigen zijn 12\', meter hoog en hebben 8% meter in omtrek. De ruimte is 52 meter diep eii 100 broed. Overal te midden van dit zuilenwoud staan de stand-

I.....kien van goden en koningen. De wanden zijn met beeldwerk overdekt, die mythen

uit d.\' godenleer of daden der koningen voorstellen. Dit beeldwerk is deels verheven boven den vlakken wand, deels in den steen uitgehouwen en rijk met kleuren beschilderd, op een witten of heldergoelon grond, donkerrood en blauw.

-ocr page 175-

hoyi\'tf; (tn den nisToiiisaiiHN sagentijd).

Aan den zuidelijken ringmuur is do strijd van koning Ramses I! togon de Khota\'s voorgesteld. De vijanden zijn met bogen en pijlen gewapend en dragon langwerpig vierkante schilden. Zij Imbbon oen baard en op liet hoofd nauwe mutsen, die veelal met oene veder prijken. Het haar valt in lange lokkon op de schouders. Hun lange rok ia gegord en heeft korte arrasmouwen.

De storm op de vesting Kadosh speelt in deze afbeeldingen de hoofdrol. Ook hot verdrag, dat do koning met do Kheta\'s sloot, wordt op den wand weergegeven. Vóór don ingang staan twee kolossale standbeelden van Ramses II van rood graniet. Eon daarvan staat nog rechtop , maar het hoofd is geschonden.

Van den tempel van Amonhotop III, zuidwaarts van Karnak, bij Loexor (ongeveer 1500 jaren vóór Christus opgericht), staan nog slechts do pylonen en ongeveer 200

/.uilen. Deze bijtempel was mot dien to Karnak door een weg verbonden. met kolossale ramsphinxen op elke zijde, de een van do ander achttien schreden verwijderd.

Ook deze tempel werd door liamses I f vergroot en verfraaid , zoowel ter eere van Ammon als van zich zeiven, want zijne daden zijn op de wanden afgebeeld. Vóór een der pylononpoorten lifjft oen door puin omringd standbeeld van zwart graniet, en kolossaio afmetingen, en daarbij staat een 2; i meter hooge schoono obelisk. Deze is de tweeling-broodor van de zuil op de Place de la Concorde te Parijs, waarop men lezen kan, dat quot;Kamses, de hoor der wereld, zonnekoning, wachter dor waarheid on de door 1\'hra uitverkorene, dit gebouw heeft doen tot stand brengen tor eero van zijn vader Ammon-Ka even als deze beide grooto sfceonen obelisken vóór het liammesseum, de stad Amnion\'s.quot;

Op den linkeroever des Nijl\'s, waar do doodenstad zich wijd en zijd, van Goorna tot Medinet-Aboe, uitstrekt, en waar do koningen der I I(,n I dynastie in den steileu rotswand begraven liggen, bouwde, koningin Hatasoe, de dochter van Thotnies II, een tempel, niet een V.gt;\'gt; meter langen weg derwaarts, die op beide zijden motsphinxen

-ocr page 176-

1 58 C.ËÏlXUSTItKKUDK WËRELÜOESCHlEÜENtS.

lirijkto. Haar broodor Thütmes III voltooide dit heiligdom on lichtte nog twee andore tempels op, waarvan de oen nog volkomen bewaard is.

Aan den ingang van Amonhotep\'s tempel, helaas, even als /,00 volen verwoest, stonden twee reusachtige beolden , wier ongeveer \'i-i motor hooge ovorblijfselon nog in do nabuurschap van Modinot-Aboe te zien zijn. Een daarvan werd door eene aardbeving, in het jaar \'27 vóór Christus, vernield. Hot bovenste deel viol omlaag, zoodat alleen het bonedendeel staan bleef. Niettegenstaande de Egvptenaron verzokorden, dat deze kolom een standbeeld van Amenhotop lil was, volhardden de Orieken in hunne mooning, dat zij was opgoriöht ter oore van don Uthiopiör Metütion, don zoon van I ithon en Aurora, die, na Hoktor\'s sneuvelen door do hand van Achilles, koning l\'riamos van Troja te hulp kwam, Omtrent deze gebroken beeldzuil verbreidde men de sage, dat Memnon, wion hot gosteonte zou voorstellen, zijne mooder Aurora ioderen morgen met oen lieldorklinkond geluid begrootte. Talrijke reizigers verzekeren in woord en schrift dien harmonischon groot geboord te hebben. Keizer Hadrianus en keizerin Sabina reisden opzettelijk naar Oppor-Kgypte om dien toon te hooren. Later vatte keizer Soptimius Sevorns het ongelukkig denkbeeld op om do statue te horstellen , on sedert is die stom gebleven.

hot hioroglyphische woord tnenuoe lt; waaruit de Grieken met Grioksche lichtzinnigheid een koning Momnon maakten , botoekont niets anders dan praalgebouw. Do reiziger Lopsins merkt op, dat hot bij hot standbeeld nederdalende gesteente, wanneer men daartegen slaat. oen helderen metaalklank geeft, en een ander reiziger gewaagt van een eigenaardig kraken in deze ruïne, wanneer hot bovenste gedeelte door do zon wordt verwarmd. Aan deze verwarming wil men ook don toon toeschrijven, dio do ■\'Memnonszuir vóór hare horstelling bij hot opgaan dor zon hooren liet.

Vóór een der ingangen van hot torapelpaleis van Kamsos III, in do nabijheid van hot dorp Goerna, stonden twee obelisken van rood graniet, dio naar Aloxandrio go-brai\'ht worden, waar zij door het volk do Naalden van Kleopatra genoemd worden.

........no obelisk stond rechtop; do andere lag ter aarde, tot hij in den jongston tijd

naar Engeland werd ingescheept.

Onder de verbazingwekkende gebouwen , die do grooto Kamses II aanvingen voltooide, verdient hot praalgesticht (bij Goerna) don eersten rang. De Grieken noenidon hot tgraf van Osymandias, en do geloofden van onzen tijd duiden het als hot Uamessoum aan. llemdot en IHodor hebben ons daarvan beschrijvingen nagelaten.

Door een li:t meter langen en :i() meter hoogon ingang (gevormd door pylonen) kwam men in oono zuilenhal, die op elke zijde l\'ir» motor lang was. Do zuilen bestonden allen uit standbeelden, elk 10 motor hoog en uit één stuk. Do zoldering werd door sleenon platen van 4 meter breedte gevormd, allen blauw geschilderd on mot gouden sterren als bezaaid. Van deze zuilen staat nog heden eon tweetal. Door don nu volgenden ingang kwam men in oen voorhof, dio mot vele kunstig ingogrifïeldo heelden was versierd. Nevens dien Ingang stonden drie beeldzuilen, elk uit één stuk van rood graniet uit Syone. Een dier beelden was in eene zittende houding on do grootste statue van gansch Egypte. Het voetstuk was (gt;, en do statuo zelf 17 meter hoog. Het was liet beeld des konings. Hechts en links daarvan stonden twoo kleinere beelden, die van zijne moeder en zijne dochter. Deze beeldzuilen waren niet alleen door bare grootte merkwaardig, maar nog moer door hot kostbare materiaal en de voortreffelijke uitvoering. Zij behoorden tot de schoonste voortbrengselen van Egyptische kunst. In Hero-dot\'s tijd maakte dit praalgesticht zonder twjjlel een dor wereldwonderen uit.

Op do grooto beeldzuil stond (volgons het bericht der Grieken) het volgende opschrift;

-ocr page 177-
-ocr page 178-

MO

quot;Ik him Osymandias, do koning dor koningen. Wil iomand woton hoo grout ik b(!n, on waar ik lig, dio zogoviero over oon mijner workon.quot;

Mon vond er nog een tweede beeld der moeder, 14 moter hoog en mot drie kroo-ncn op het iioofd, als de dochter, gado en moedor van koningen. De zuilenhof was nog merkwaardiger dan de vorige, door voorstollingen uit de oorlogen van Ramses.

In het midden van do hal stond een allerprachtigst altaar, terwjjl men vóór den achterwand weder twee zittende beeldzuilen van K» meter zag, elk uit óén steen gehouwen. Daarnevens voordon drie uitgangen van zwarten steen in eene zuilenhal van 61! meter lengto op elke zijde. In deze hal prijkten dertig houten beelden van hüf ver heven arbeid, die eene zitting van liet gerecht voorstelden. Vervolgens bereikte men oen open plein , door verschillende gebouwen ingesloten , op wier wanden men de smakelijkste spijzen zag afgebeeld. Ook vond men daar, behalve andere ingehouwen beeldwerken, eene schilderij, die den koning voorstelt, terwijl hij do goden eene offerande van goud en zil-vi\'i- brengt. Het is te dezer plaatse dat do waarde van do jaarlijksche opbrengst dezer edele metalen uit de Egyptische mijnen tot millioen minen (vergelijk bladz. i:i4) is opgegeven. Nu volgde do heilige boekverzameling, die het opschrift voerde van quot;Heilinrichting voor de zielquot; en almede met beeldwerken prijkte. Dan naderde men eene zaal voor twintig gaston. Kondom lagen talrijke vertrekken met do afbeeldingen van heilige dieren. Uit het vertrek zelf voerden eonige trappen naar boven tot aan het graf. Daar vond men een gouden kring van 3()5 ollon in omtrek en I el dik. Van el tot el stond do dag des jaars aangegeven , en was de op- en ondergang der sterren aangeduid. (Deze kring, wordt verhaald, is later door Kambyses, bij de verovering van Kgypte buit gemaakt).

De talrijke beeldhouwwerken en statuën stelden niet alleen tafereelen uit do geschiedenis der goden en hot huldigen des konings voor, maar ook voorvallen uit het leven van den vorst, tafereelen dio hoogst merkwaardig zijn. Velen daarvan zijn nog tegenwoordig te aanschouwen, daar zij behouden bleven. De naam Osymandias spruit voort uit eene dwaling dor Oriekon. Kr is geen koning van dien naam geweest. De opschriften noemen den tempel quot;hot grooto huis van Kamsosquot;.

De rotstompels, die Kamsos in Nubiö liet aanleggen, zijn niet minder merkwaardig, te weten die van Aboe-Simbel. Het heiligdom en andere zalen zijn in do rotsen uitgehouwen, die hier tot aan den stroom vooruitdringen, welke goene andere wijze van aanleg veroorloofde. Do welbowaarde beeldwerken, het loven dos konings voorstellende, zijn eveneens het merkwaardigste en schoonste. De oorlog met de Kheta\'s vormt ook hier, even als in het Ramesseum , den voornaamsten inhoud der voorstellingen.

Op beide zijden van den ingang ziet men eene knielende groep: gevangenon uit de woestijn, t. w. drie negers, drie roode baardeloozo mannon en vier gebaarde geelhuiden. De koning grijpt mot de linkerhand de haren dor gevangenen , terwijl bij met do rechterhand do strijdbijl zwaait. Het tooneol vindt vóór do voeten van Amnion plaats, die Ramses eene sikkel reikt, met de woorden; quot;Noem deze sikkel en dood daarmede met groote kracht. Ik veroorloof u de onderwerping van het Zuiden en de verovering van het Noorden , het verstrooien van alle onreine geslachten der gebeele aarde en hot gebouw uwer heerschappy uit to strekkon zoo ver do steunsels des homels reiken in beide he-misfeoren.quot;

Wij kunnen, zooals reeds is opgemerkt, slechts eene korte aanwijzing geven. Do rijkdom van deze verbazende praalgestichten, getuigen van de oudste beschaving op aardo, is zoo groot, dat eene slechts eonigermato voldoende beschrijving veel te ver do gren-

-ocr page 179-

fiövpïe (in den lltSTOIUSCIIKN sagkntijI)).

zen zon ovorsfhrijdnn, wolko dn omvang van dit work noodwikolijk maakt. Voor hot ovorigo vindt men omi groot aantal van bjjzondore workon over Oud-Egypto on zijne wondoron, waartoe wij don ondorzookliovendon lozer verwijzen, liovenaan staat het be-roennle werk van Denon , Voijayn en Jigyple.

Wanneer wij in onze dagbladen en tijdschriften uitvoerige opstellen aantroffen over het vervoer van enkele Egyptische obelisken naar West-Europa, zoo als I), v. van de zuil van Loexor naar Frankrijk en van omi der Naalden van Kleopatra naar Engeland, opgehelderd door een aantal af lieeidingen , zoo komen ons de breed uitgemeten moeilijkheden van dit vervoer bijna kinderachtig voor, wanneer wij denken aan die, welke de oude Egypteliaren voor vier- en vijfduizend jaren . met hunne onvolkomen werktuigen, moeten ondervonden hebben.

Een der reizigers, Belzoni, spreekt in do volgende woorden over de stad dor bouwvallen , Thebe;

uHet is volkomen onmogelijk, zich het tafereel voor te stellen, zonder het gezien te hebben, dat zich hier voor de oogen ontrolt. Do verhevensto id een, door de meest grootsche werken van onze architectuur opgewekt, zouden slechts eene gebrekkige beeltenis van deze bouwvallen geven. Want het onderscheid betreft niet alleen den reusachtigen omvang, maar ook dat van vorm, van verhoudingen, van bouwstijl, zoodat zelfs hot penseel een zwak denkbeeld van hot geheel schenken kan. liet kwam mij voor als ware ik getreden binnen eene stad van reuzen, die na oen langdurigon strijd allen waren omgekomen en de overblijfselen van hunne tompels, als sprekende getuigen van hun vroeger bestaan, voor hot zoo kleinere inensclidom hadden achtergelaten.quot;

De priesters waren do scheppers en kweekers der Egyptische kunsten en wetenschappen , en op alle takken van beiden is do stompol van het priesterdom gedrukt. Alle gebouwen zijn er op berekend, minder qjn hot gevoel voor schoonheid te bevredigen . dan wel om opwellingen vol eerbied te verwokken. Zjj zijn eenigermato bezwangerd met geheimenissen.

Evonzoo is het geschapen met de beeldhouwkunst. De Egypüscbo beelden vertoonen allen het karakter van bet vormelijke, plechtige, geheimzinnige. Do gelaatstrekken zijn stijf en zonder uitdrukking, terwijl de gestalten niet alleen allo beweging ontberen, maar ook allen naar oen streng voorgeschreven model vervaardigd zijn, zonder kennis van de juiste plaatsing van spieren en zenuwen: een gevolg van do afschuw die de Egyptenaren voor de ontleedkunde bezielde, ofschoon doze wetenschap alleen deze kennis kan geven

Eene eigenaardigheid der Egyptische boelden is, dat do goden on koningen in verhouding tot do andere monsciielijko wezens, steeds in reuzengrootte zijn voorgesteld.

Overigens hebben de figuren in de schilderwerken betrokkolijkerwijze juiste afmetingen, doch het perspectief is gebrekkig, en evonzoo dö verdeeling van licht en schaduw. De beelden geven den indruk van uitgevoerde liieroglypbon en hebben ook allnon het zuiver praktische doel om do daadzaak der handeling voor te stellen, een oogmerk dat door de opschriften behmgrijk wordt ondersteund.

Ten tijde der I \'2llc dynastie week men eenigennate van deze zuiver hieroglypbische voorstellingen af, terwijl zekere verhofling van den kunstzin zich deed golden. De vorm der liguron werd ededer, de groepeering levendiger, de versiering rijker, do kleurschakeoring glooiender en bevalliger. Men besteedde grootere zorgen aan do technische uitvoering dan vroeger: in het kort, het tijdperk dor 1 \'2(,(; dynastie was de klassieke periode der Egyptische kunst.

I- I 1

Kil

-ocr page 180-

O F.ïLLUSTK RK111)K WKIIF,LUd KSCHIK Igt;KNIS.

162

I)i! standbeelden zijn met do meest mogelijke zorgvuldigheid uit de hardste steensoorten gewrocht, en hun polijsting is zoo fijn mogelijk. De kleuren van het beeldwerk zijn zeer levendig en zoo voortreffelijk bereid, dat zij nog na duizenden van jaren zich op eene wonderbare wijze als volkomen nieuw vertoonen.

Verklaring der tegenoverstaande plaat.

Architraaf, door twee zuilen gedragen.

waarvan de middenste en de bovenste lijst 1 \'2.

(ki/ma) met het zonneteeken is gesierd.

Zuil 2 is afkomstig van den tempel van 13.

Demlerah, zuil 3 van den tempel te

Karnak.

Deurpost. 14.

Pylonen.

L)c Isistempel te Philao (I\'liilak). 15.

Verschillende voorstellingen van do lotusbloem, in meer of minder gevorderden bloei. 16.

Portret van eene koninklijke prinses. Relief afkomstig van I )ainanhoer.

Tafel met drie pooten, volgens eene 17. wandschildering te Thebe.

Zetel (troon), door vier gevangenen gedragen , met een rijk kussen, naar eene muurschildering in het graf van Ramses 111 te Thebe. IS. Ebbenhouten stoel, mot ivoor ingelegd. 19. liet oorspronkelijke exemplaar is inliet 20.

6.

7.

8. 9.

10.

11.

bezit van hel British Museum te London. Houten hoofdkussen . fraai en rijk bewerkt.

Rieten kast, met verschillende flesschen, (voor artsenijen?), op een voetstuk Het origineel berust in het Berliner Museum. Geschilderde kast, volgens eene wandschildering te Thebe.

Gouden vat (vaas), uit den tijd van Thotmcs lil, volgens eene wandschildering te Thebe.

Gouden vaas, met oor en onderstel, rijk versierd. Naar de wandschilderingen bij het graf van Ramses III te Thebe. Tafereel uit een veldslag (wandschildering). Ramses Meiamoen tegen deKheta\'s voorgesteld in het Ramesseura te Thebe. De koning is in volle krijgsrusting op een strijdwagen en spant den boog.

] Standaarden en veldteekens , naar wand-^ schilderingen te Thebe.


Wapens.

21. Met schild van een infanterist, naar eene wandschildering te Thebe,

22. liijl met een bronzen kling en een houten steel.

23. liijl, naar een wandschildering te Thebe.

24. Mesvonnigo handbijl van brons, van Thebe.

Muziekinstrumenten.

25. Bronzen dolk, waarvan de greep in ecu

vogelkop uitloopt, van Thebe. 20. Speer, van Thebo.

27. Boog, van Thebo.

28. Koker met pijlen, allen rijk versierd, van Thebe.

29. Lier, van hout, in hel Berliner Museum.

30. Trommel, gevonden te Thebe.

lil. Instrument, afwijkende van de harp, lier en guitar. Hot oorspronkelijke vindt men in hel Berliner Museum.

32. Vyfsnarig instrument, naar oen origineel in het Berliner Museum.

33. Sistrum of Kemkem. Het orgineel in

brons bevindt zich in het British Museum.

34. Harpspeelster. Naar eenowandschibb\'ring te Dcnderah.

35. Harpspeelster, naar eene wandschildering bij het graf van Ramses lil te Thebe.

36. Mumiekast, rijk verguld en beschilderd , naar een orgineel uit ïhehe.


-ocr page 181-

Verzameling van mcrkwuardighedcu.

-ocr page 182-

M I DDEN-AZI E.

.\'\'Jhjfrr «1« Ariërs luinno verhuizing naar verschillondo oordon bogonnon , word gohcol Aziö door volken bewoond, die men mot den naam van Skythen Öquot; aanduiddo. Zij Ixdioordon moermidools tot de Toeransche volkeren, van wolken velen nog togonwoordig in \'t Noorden van Europa on Aziö, van Finland tot aan den Amoi-r oj) de (Jliitiofisclii! grens, gevestigd zijn. Velen dezer volkoron vermengden zich mot Imnno iilanke iwiburen, anderen mot do geelo, on van liior, dat men sommigen vindt, dio Kuropeërs gelgken, terwijl anderen do kenschotsendo trekken en kleur van Chinoezon hebben. Dat de meesten echter hij elkander beliooron, bewijzen de spraakkundigeii door do overeenkomst der talen, die allen van Toeranschen oorsprong zijn.

Onder ettelijken dozer rond/wervende volken leeft nog tegenwoordig de herinnering aan hun oorspronkelijk vaderland door de overlevering van ouders en voorouders. Deze woonden, verhalen zij, in een iets noordwaarts van do hoogvlakte Pamir gelogen dal van den Altai, hetwelk door onbeklimbare, ijzerbevattende bergen was ingesloten. Een ontzettend vuurdood deze borgen smelten en ontsloot voor het opgesloten volk de worekl.

Een deel van hou trok westwaarts al verder en verder tot aan don Atlantischon oceaan, bij hot uiterste wosteinde van Europa, en liet vermoeden is min of meer gewettigd dat de llasken van deze eerste landverhuizers afstammen, liet overige volk toog zuidwaarts, breidde zich overdo vlakten van liaktriö uit, drong vervolgens door do passen van den Hindo-Koh en sloeg zich aan den rand dezer hoogvlakte van Iran neder, liet grootste deel bleef in hot oosten van deze hoogvlakte, waaraan men later den naam van Medië gaf. Andore afdeelingon gingen in westelijke richting naar Armenië i\'ii Klein-Azië, en nog anderen regelrecht naar het zuiden en bleven aan don voet der hoogvlakte van Iran, in do vlakte van Soesiana en aan do oevers van den Tigris en den Eufraat.

De overoude gedonkteekonen , waaraan wij deze berichten danken, loeren ons nog een ander geheel verschillend ras kennen, hetwelk zich nevens hot Toeransche uitbreidde, namelijk dat der tot don Semitischen stam behoöfcnde KOshioten of Koesjielon.

Do Koshioton waren klein, rijzig en welgebouwd, met vol, gekroesd, maar geens-

-ocr page 183-

•MlDDES-AZIË (lN DES IIISÏOKISCIIHS SAGHNTIJI)).

zins nogorachtig haar on oeno huidkleur, die van helderbruintotZMrartafwisselde. Hunne trokken waren regelmatig. Hun voorhoofd was smal, recht en matig hoog, en do fijne , smalle neus lang en iets minder vooruitdringend dan bij do andere Arische stammen. Alleen do mond met zijne dikke, vleozige lippen , was naar onze begrippen van,schoonheid, geenszins fraai.

Allt; hun oorspronkelijk vaderland duidt de overlevoring hot land Kosh (Koesh of Koli) in Baktriö aan, hetwelk door don stroom Dsjihon doorkronkeld wordt. Van liior vertrekkende, zetten de Koshieten zich aan den voet van hot gebergte noder, hetwelk Bokharijo van de hoogvlakte van Iran scheidt en nog tegenwoordig den lündo-Koh of llindo-Koesj hoot. Andere stammen van dit volk togen, naar het schijnt, naar Klein-Aziö, waar de Kariörs wellicht van hen afstammen. Nog anderen trokken langs don Indus voort en breidden zich in Dekan uit. Al die zwerftochten voldeden nog niet aan hun lust om vreemde landen op te zoeken. Immers, do moest ondornemenden van bon drongen door I\'erziö on Arabië tot de zeeëngte, ons onder den naam van Uab-el-Mandeb (Poort des Doods) bekend, trokken deze straat over en zetten zich aan den lilaiUYon Nijl neder , waar hunne nakomelingen zich uitbreidden en machtige en verbitterde vijanden dor Egyptenaren werden, die het zuidelijke nabuurland hot quot;nietswaardigequot; of quot;ellendigequot; Kosh of Koesh noemden. (Vergelijk bladz. 85 en !M).

Overoude tradition en andere aanwijzingen maken het waarschijnlijk , dat de Koshieten , die zeevaarders en kooplieden waren, in deze oudste tijden langs de \'zuidkusten van Azië en die van de Koode zoo ongeveer dezelfde rol speelden, als later hunne nakomelingen, de Phoenikiërs , aan de Middellandsche zee. Van den Ganges tot den Nijl, van de Syrische kust tot do Indische zee, overal stuit mon op voetsporen van de Koshieten.

Drie hunner hoofdstammen sloegen zich in de landen neder, die om do Perzische golf gelogen zijn. De eersten van hen, dio do ouden Kissiërs noemen, vond men in hot bergland oostwaarts van den Tigris. Do tweeden zotten zich langs den Kufraat en den Tigris neder, en wel inzonderheid op do Bahreineilanden, waar zij op die, welke zij Tyr of Tsoor on Arad heetten, en op Dilmoen of Dilvoen (niot ver van don Tigris-mond) tompels en andere heiligdommen bouwden.

Deze Koshieten waren reeds in zeer vroegen tijd een beschaafd volk. Men schrijft hun vele sterrekundige waarnemingen en ook do vaststelling van den zodiak (don dierenriem) toe, wolkon zij ook don Chaldeërs deden konnon.

Do taal der Koshieten beeft overeenkomst mot hot Arabisch en Hobreeuwsch, en mon besluit daaruit, dat zij eon tak van het zoogenoemde Semitische geslacht zijn, hetwelk vroeger dan do anderen hot gemeonschappoiyk vaderland verliet, en welks beschaving zich op eene andere wijze ontwikkelde dan die van hmnie stamgonooton, zoo als dit de gesteldheid medebracht der landen waarin zij zich nedersloegen. Terwijl de andere Semitische volken nomaden worden, ontwikkoldo zich bij do Koshieten dio langs de groote stroomen on aan do kusten woonden, smaak voor scboopvaart en den daarmede verbonden koophandel, hetgeen eene snollere ontwikkeling van do beschaving ten gevolge had.

Het land in do nabuurschap der Perzische golf, waarin zich de Tooransche en Kos-hitischo stammen nederzetten, zag er ton tijdf van deze volksverhuizing gidiool anders uit als heden ten dage. Eufraat en Tigris, dio zich thans bij Sjat-ol-Arab vereonigon en te zamon in de Perzische golf uitloopen, waren nog gescheiden, en Imnne monden lagen op oonigen afstand van elkander, want de golf liep nog ruim vijftig uron dieper landwaarts in.

165

-ocr page 184-

OI ÏLl.USTIlF,KIU)i; WKREI.DQKSCin HDKNfS.

I\'!afmat on Tigris ontspringon boidou op dnn berg Nifatos (Kelesjin-Dagh), do hoogste der oveuwijJig van olkandor loopendo bergketenen tnsschen de Zwarte zee en Mesopo-tamiö, de eenigon dezer gebergten, die hier on daar do snoouwiijn bereiken. Bij Malatiëh keert do Enfraat zich plotseling naar het westen, slaat oene richting in als wilde hij dour den Tauros breken en naar de Middellandscho zoo afdalen, doch wendt zich welhaast weder naar de Perzische golf,

Zoodra do Tigris uit liet gebergte te voorschijn treedt, noemt hij eone zuidelijke richting aan en nadert moer en meer den Eufraat, zoodat in do nabuurschap van Bagdad beide stroomen, die daar een vlak land doorsnijden, slechts weinige mijlen van elkander verwijderd zijn. Nadat zij een tijdlang evenwijdig van elkander hebben voortgeloo-pen, vereenigon zij zich 80—90 uren verder, vormen den Sjat-ol-Arab en eindigen vereenigd hun loop in de Perzische golf.

Iti het midden van zijn loop neemt do Eufraat de aanzienlijke Halikh (Bilichos) en iets verder den Khaboer (Aborras) op, beiden op den linkeroever.

De Tigris hoeft ook op zijne linkerzijde bijrivieren: den Bitlis-Khai (\'Kontrites), den Beven- on den Benoden-Zab en don Gyndes (Dijaloh).

Do Enfraat wordt bij Samosate (tegenwoordig Soemnisat), en do Tigris bij Mossoel bevaarbaar. In April, wanneer de sneeuw op do borgen smelt, treden beide stroomen buiten hunne oevers en overstroomen het land, oven als de Nijl do grooto vallei en do Delta van Egypte, en eerst in Juni keeron zij in hun bed terug.

Het geheele benedendeel van beide stroomen is aangespoeld land, dat een deel der IVrzische golf door de meegevoerde stoffen van den Eufraat en Tigris, en dor kleinere rivieren, don Adliem, Gyndes en Khoaspos aanvulde, Uezo aangrooiing vindt nog altoos plaats, want do delta van den Sjat-el-Arab wordt steeds grooter; de stroom heeft gedurende de laatste zestig jaren zijne oevers ongeveer een kwart mijl verlengd.

De tusschen do beide grooto stroomen liggende landen bestonden deels uit in de zon verhard slib, deels uit moeras, doorkronkeld van ettelijke rivierarmen, die in den Tigris uitliepen of wel in het einde vennen vormden. Er groeide daar slechts reusachtig riet ol\' in het geheel niets. Doch niettemin lagen in di-zen aangespoelden grond de kiemen van Imitengewone vruchtbaarheid. De volkplanters, dio reeds zekeren graad van beschaving bereikt hadden, toen zij hunne hooggelegen woonstoden verlieten, dolven er grachten en logden er dijken aan, kortom, zij handelden oven als de Egyptonaron on ver-kregen daardoor dezelfde uitkomsten. Iinlii\'ii al in den eersten tijd olijf- en vijgeboomen, benevens do wijngaarden, slechts tot «ene karige ontwikkeling kwamen, zoo droegen toch de veldvruchten meer dan honderdvoudige opbrengst. Tarwe, gerst en sesam (eene olieplant) schoten tot eeiio reusachtige grootte op, en hare bladeren werden niet zeldi\'ti vier vingers breed. Welhaast verhieven zicb ook palmen, boomen van onschatbaar voordeel, naardien al hunne bestanddoolen nuttig gebruikt konden worden. Visch was er in de stroomen in overvloed, zooals dit nog tegenwoordig het geval is.

De koophandel, inzonderhuid die met Indië, maakten de Koshioton aan de Perzische golf spoedig rijk. Hunne karavanen gingen door Arable naar de Roede zee en brachten ile hooggewaardoerde voortbrengselen van Indië naar Egypte, waarde begeerte naar deze producten zoo groot was, dat zij, zooals wij gezien hebben, koningin Hatasoe tot oen zee- en rooftocht naar het land Too-Noeter aanspoordi\', hetwelk oostwaarts van Poent lag. (Vergelijk bladz. !gt;1),

De Toeransche stammen waren eveneens in beschaving reeds eenige trappen opgeklommen. Zij hadden zich reeds in staten vereenigd, verstonden verschillende hand-

-ocr page 185-

MIDIJUN-A/lii (IN DUN IIISTOBISCIIKN SAGENTUD).

workon, gohoorzaamden aan raaatschappolijko on godsdienstige voorschriften en kenden de schrijfkunst. In hare eerste beginselen geleek hun schrift op do hieroglyphen , doch liet ontwikkelde zich op dezelfde wijze als het Egyptische, zoodat het ontraadselen van de beteekenis der oorspronkelijke schrijfteekenen reeds hunne nakomelingen, die drie- of vierduizend jaren vóór ons leefden, oven groote moeilijkheden opleverde als aan onze geleorden. Dit is ons zonneklaar gebleken uit do talrijke fragmenten van grammaticale woordenboeken, die men in do jongste tijden in do bouwvallen van Niniveh teruggevonden hoeft en nu ook aan onze taalgeleerden tot vraagbaak strekken.

Do ïoeraniiirs brachten de kunst om de metalen te bewerken uit hun aan delfstoffen zoo rijk vaderland naar de boorden van don Tigris over. Zelfs in de alleroudste graven vindt men, nevens do gepolijste steenwerktuigen en wapens, gouden, bronzen en ijzeren voorwerpen. Hot brons is daarbij hot meest voorkomende metaal, en hot meer zeldzame ijzer is niet tot wapens, maar tot tamelijk ruwe sieraden gesmeed.

Van de wetten dezer oude volken weten wij weinig, en het oenige fragment van hot Oud-Toeransche recht, dat tot ons is gekomen, handelt alleen over do verplichtingen en beslissingen in familiezaken. De vrouwen bekleedden, daarnaar te oordoelen , eene haar waardige plaats in het gezin, en zij mochten , zelfs wanneer zij gehuwd waren, haar eigen vermogen bestieren. Mannen, die hunne vrouwen verstieten, moesten haar oen halve mine zilver als schadeloosstolling geven; doch de vrouw die haar man verloochende, word verdronken. De zoon, die zijne moeder niet wilde erkennen, word quot;van aarde en waterquot; uitgesloten, en verloochende hij zijn vader, zoo moest hij herroepen, boete betalen enz.

De ïooraniërs aan don Tigris stelden zich do aarde als oen omgekeerde, rondo kuip voor , of liever, als eene boot van don vorm , zooals nog tegenwoordig vaartuigen aan den bo-nodenloop van den Eufraat in gebruik zijn. Rondom deze aarde vloeide de oceaanstroom (Zoeab). Als hot middelpunt der aarde beschouwden zij , even als schier alle oude volken, het door hen bewoonde land. Het hemolgewolf quot;rustte op do randen dor aardvlakte.\'1

Het over de aarde als een doek uitgespannen firmament draaide zich — zoo meenden zij verder — om hot oostwaarts gelogen gebergte Khoersak-Koerra, dat tot draaispil diende, tevens den hemel en do aarde verbond en in zijne beweging do vaste sterren medevoerde. De zeven planeten beschouwde mon als bezielde wezens, die zich met de wolken, regen, winden en bliksems tusschen hemel en aarde bewogen. Do wereld rustte quot;op don afgrond, waar do duisternis on do dood heerschten.quot;

Do Toeransche godsdienst bevolkte hemel, aarde\' on afgrond met eono oneindige menigte van schepselen. Menschon en dioron waren natuurlijkerwijze aan do aarde gebonden , maar do geesten (£i) bewogen zich naar de mooning dor Tooraniërs door het gansche heelal. Den hoogston rang onder hen bekleedden de goden, die aan het hoofd dor groote weroldafdoelingon stonden. Anna was de goddelijke gedaante van don hemel. Ka, de aardgeest, hoorschto over de aarde en de atmosfeeron, doch hield zich hot liefst aan dan oceaanstroom op, want zijne mooder was de godin h\'iah, het vloeiend element. Men noemde hem ook quot;den verheven vischquot;, of den quot;groeten visch des oceaansquot;. Op oen symbolisch schip, dat door zijne goddelijke kinderen werd bestuurd, doorliep hij zijn rijk. Zijne gade was Damidna (of Davkina), de verpersoonlijking van do aarde. IJit bei der vereeniging ontstond hot water, dat alios met groen bokjèeddo. Moelgho en zijn vrouwelijk spiegelbeeld Ninghe bewoonden den helschen afgrond, eene (uitzettend duistere plaats, het verblijf der zielen van gestorven menschon. Aan helscho straffen na don dood voor de boozen geloofde men evenmin als aan belooiiingen voor de goeden. Ooed en kwaad,

-ocr page 186-

1G8 ORÏI,LUSTltEHIU)!•; AVKli,KIj 1)0 HSOHI KI)EN 18.

alles word op do aai do afgedaan. Uit liet troosteloozo , sonibore verblijf bestond slechts (\'én uitweg voor de zielen. Zij vonden dien . wanneer het haar gelukte, de goden te bewogen, haar uit de quot;bron des levens\'quot; te laten drinken, die op eene verborgene plaats van den afgrond opwelde. Erlangden zij dit, zoo konden zij weder op de aarde terngkeeren. Do geesten der hel gaven zich nochtans do grootste moeite om deze bron voor do zielen

vurborgen te honden \'\'ii haar door allerlei teleur.stollingen en kunstgrepen te ontmoedigon. ^ Hehcilvo deze groote godon , onderscheidden de Toeraniörs nog een oneindig aantal ondergewchikte, ton aanzien van hun rang, geheel verschillende geesten: goeden en kwaden, dio voortdurend tegen elkander strijd voerden.

De god dor zon was Oed. Hij was do vijand van do lengen, do verstoorder van

-ocr page 187-

MIUDKN-AZIË (IN DUN HlSTOllISCItBN SAOKNTJJt)). I GD

lioozo invloeden en van verkeerde raadslagen. Hoven hom .stond ovonwol nog de quot;aarts-priostor van de oppervlakte der geheelo aardeIzbar of liilgi, de verpersoonlijking van li(\'t vuur, do bodo van Silik-Moloe-Klii, don schenker van al hot goode, dun zoon van Ka, den middelaar tusschen zijn goddelijken vader en de lijdende raonschiieid. Door lieni doelde Ea aan do inenschen en ondergoden zjjne bevelen nK\'de en openbaarde hun de woorden, die den demons de vlucht dedon kiezen. Deze demons, die uit don helschon afgrond opdoomden, waren de bewerkers van al het kwade wat inenschen en dieren wedervoer. Alle ziekten, gebreken en plagen kwamen door hen voort. Zij splitsten zich in zeven klassen , en allen waren er op uit, de inenschen te schilden. Tegen hun invloed kon men zich slechts beschermen door zich do goede goden en geniën ton vriend te maken en hunne hulp te verwerven. Ken voortreffelijk hulpmiddel daarbij was de kennis en het gebruik der tooverspreuken en liet tooveren, waartoe do imigio den weg wees.

Do godsdienst der Koshitischo volkeren verschilde van die der Toeraniërs. Daarin vinden wij, even als in de Indische en Kgyptische, quot;een god, die tegelijkertijd enkelvoudig en veelvuldig i.s: oenig, omdat alle stof uit hom voortkomt, en hij zich met do stof vereenigt, veelvuldig, omdat iedere handeling, die liij voor zichzelven en in de stof of de stolfelijke wereld laat plaats grijpen, wordt beschouwd als door oen bepaald wezen voortgebracht, aan hetwelk men oen bijzondoren naam gaf.

Deze bepaalde geestelijke wezens had men in de oudste tijden geone rangregeling geschonken. Zij bestonden mot gelijke rechten nevens elkander, en elk dezer goden werd door dezen of genen volksstam, of in deze of gene stad, als do eerste van allen vereerd, oven als dit in Egypte het geval was. De god Anoe was dio welke te Oeroekh boven allen heilig word gehouden. Bol vereerde men te Nipoer, Sin to Oor, Mardook te Baby Ion , enz.

Deze uit der hoogsten god voortkomende en tevens daarin zetelende ondergoden waren weder dubbel gedacht, zonder dat men hen zich als gedoeld voorstelde. Met elk van hen was namelijk eene vrouwelijke godheid vereenigd , eigenlijk niets anders dan een vrouwelijke naam voor hetzelfde wezen. Do vrouwelijke vorm — zooals men deze opvatting hot best

kan uitdrukken ..... voor Anoe, zoowel als Sin, was do godin Nana. Voor Bel was het

ISelit, voor Manleek Zarpanit, enz. Deze godenparon, tegelijk dezelfde voorstelling van de-zi\'lfde godheid, waren, zooals wij opmerkten, oorspronkelijk in rang gelijk. Verkreeg echter het gewest of de stad, waarin eene godheid bij voorkeur werd vereerd, de bovenhand ovi-r de anderen, zoo nam men dezelfde rangverheffing ook voor den god dezer plaats aan.

Kerst tweeduizend jaren vóór onze jaartelling gelukte het den priesters in dezo republiek der goden eene bepaalde rangorde in te voeren.

De spits van dit godsdienstig stelsel was de hoogste god, Hoe, later te Niniveh Assoor genoemd. Uit dezen god sproot de ongevormde stof, den chaos, voort, dio alle elementen en krachten omvat. Door het machtwoord van dozen god zonderden de elementen zich van elkander af. Het goddelijke licht doordrong hel heelal, schiep de we roldorde en onderhield haar, zooaN zij te voorschijn was geroepen. igt;e stof, het woord en do voorzienigheid zijn de drie machten, die de eerste drieëenheid van den Chal-deeuwschen godsdienst vormen. Kik voor zich is god en kan niet als op zieli zelve staande gedacht worden. Zij zijn slechts drie vormen voor dezelfde kracht bij ver-i liillende werkzaamheden. Volkomen hetzelfde, of althans iets dergelijks, vonden wij in Kgypte, met betrekking tot Ka (de Zon).

De stof noemde men Anoe (Oannes), het woord Bel, do voorzienigheid Noeah.

-ocr page 188-

1 70 r; kïi.lustrk ie ui) !■; wnrei.dg i;sch i f.d f.nis.

Anoo, quot;do vader dor goden, do hoor der onderwereld, do hoor dor duisternis en di\' verborgen sciiattonwerd voorgesteld in eone inonschclijke gedaante, met een vischkop, zoo ontzettend groot, dat gedeelten ovor de schonderon on henpon nederdaal-ili\'ii. Óe figuur had voorts den staart van een adelaar.

Bol, quot;de work meester, do vorst dor wereld, do hoer aller landen, de souveroin •Ier goeston,quot; werd als een op den troon gezeten koning voorgesteld, doch weder in twee verschillende gedaanten, als 15ol-Mardoek to Babyion, en als Bel-Dagon, met het lijt\' van een viscli, maar mot de buste van een man.

Nooah — ook Nisrok on Sjalmanoe (do Eeddor) genoemd — werd vermeld, als quot;do vernuftige leidsman, do vorst der zichtbare wereld, de lieer der wetenschap, de roem van \'t loven.quot; Hij werd voorgesteld als een genius met vier uitgespreide vleugelen.

Als de lijdende vorm, als eone soort van spiegelbeeld, noemden zij de vrouwelijke godheid in doze drie hoogo wezons: Anat (.Vimitis), Belit (Beltis, Mylitta) en Tihavti (Tliaooath). Dozo godinnon stelden te zamon hot wooke, bevruchtigondo, derhalve het vrouwelijke grondbeginsel dor natuur, voor, en men begreep haar doorgaans te zamon onder den naam lïolit.

Naast deze geestelijke, onzeker bepaalde drieëonhoid, stelde men eone moor lichamelijk vatbare, die uit den maangod Sin, den zonnegod Samas en den god dor atmosfeeren Bin bestond.

\\an den maangod Sin ruimden de Chaldeörs, zeldzaam genoeg, den rang vóór don zonnegod in. Hij gold bij hen als quot;het opperhoofd, do machtige en fonkelende\'\', en heette ook quot;do hoer der dertig inaansdagen.quot;

Samas, de zonnegod, was voor hen quot;do groote beweegkracht, de heerscher, do scheidsrechter des hemels en dor aarde.

Bin , do god der atmosfeeren, was quot;do minister des hemels en der aarde, de uit-deider van den overvloed, de beheorschor der kanalenquot;, on speelde in die hoedanigheid to gi\'lijk ecne weldadige en vreosoljjko rol. Hij was de heer van den wind en der ovorstroo-iningen , en als iti dien rang voerde hij een vlammend zwaard, hield hij don in vieren gespleten bliksem in do hand.

Op deze beide drieoonhedon volgden in rang de goden der planeten : Adar (Satur-nus), Mardoek of Merodach (Jupiter), Xergal (Mars), l.star (Venus) en Neboe (Mor-onriusj. Adar, die ook dikwerf Samdan (de machtige) genoemd wordt, is hot oorspronkelijke beeld van Hercules. Men vindt hem op de gedenkteekenen als een reus voorgesteld, die met zijne armen oen leeuw verplettert. Men noemt hom ook quot;den verschrikkelijke, den

1...... dor dapperen, der sterken , den vernieler dor vijanden , der ongehoorzamon en

oproerlingon , don heer van het ijzer.\'quot;

Mardook, de planetarische god, werd in later tijd de voornaamste god te Babyion en smolt met Bel ineen. Xergal gold voor quot;den grootsten held, den koning der veldslagen,quot; met één woord hij was do oorlogsgod. Men stelde hem voor als oen leeuw mot een mannelijk bovenlijf of hoofd.

1st ar was de persoonlijke voorstelling der natuur, even als Anat en Beltis of Bel. Men vindt Istar ook als eeno krijgshaftige amazone, als quot;koningin der overwinningquot; en quot;de oordeelvellende regentes der krijgsdadenquot; voorgesteld , zittende op een leeuw of stier, met eeno tiara van sterren op het hoofd en met boog en pijlkoker voorzien. Zij was ti\'golijkertyd de godin van don wellust en der voortteoling, en erlangde in diehoo-daniulieiil den bijnaam Zir-banit, (of Zirpanit), quot;voortbrengster dor schepselen.quot; Zij werd geheel naakt voorgesteld , met do handen over de borst gevouwen.

-ocr page 189-

MTDDF.N-A/ji: (IN DUN IIISTOIIISCIIHN SA(iHNTIJl)).

Naboo was do quot;bovelhobber van hot heelal, do beschikkor dor natuur, dlo d;\' zon laat op- en ondergaan.quot; Mon beschouwde hom als het toonbeeld van al wat op aarde volkomen was en als voorbeeld, waarnaar do koningen hun streven moesten inrichten.

De grooto god, do goden der beide drieöenhedon on der vijf planeten vormden don grooten raad dor twaalf goden, de heerschors ovor de goden, die do twaalf maanden dos jaars on de twaalf teekonon van den dierenriem beheerden.

Do vereering van deze goden vormde den grondslag voor don ofücieolen godsdienst in het gansche land. Maar het volk bedacht nog eeno menigte ondergoden, voor allerlei bijzondere verrichtingen en mot verschillende namen.

Elam en Chaldea.

De beide volken van Koshitischon en ïoeranschen stam, die nevens en door elkander in de nabijheid dor Perzische golf, buiten do hoogvlakte van Iran en de Arabische woestijn, leefden, splitsten hunno woonstede in twee rijken, wier natuurlijke grens do Tigris vormde.

Ten oosten van deze rivier lag het rijk Klam. Zijn omtrek verhief zich van den alluvialen grond langs den stroom terrasvormig naar omhoog tot aan de grenzen dei Medische hoogvlakte, zoodat naar het oosten dos rijks het klimaat steeds kouder en de grond minder vruchtbaar word. Ettelijke van do bergen afdalende rivieren doorstroomden het land. De Khoaspes, Pasitigris en do Eulaeus (Oelai) waren onder die watoren de voornaamston.

Aan de samenvloeiing der beide armen van den Khoaspes hadden de koningen van Elam de stad Soesa of Susa gebouwd, waarnaar het geheide land Soesiana heette. Vorder op aan do rivier lag Madaktoe (Badaka), terwijl in het overig gedeelte des lands Naditoe, Khamanoe en andere plaatsen waren ontstaan, die ineerendoels hare eigene koningen haddon, welke allen te zamen den te Soesa zetelendeii koning van Klam voor hun opperhoofd erkenden. Daar men in deze landen zoowel aan timmerhout als aan steenen gebrek, maar leem en potaarde in overvloed had, bouwde men deze steden meeat uit in de zon gedroogde tegelon.

In dit koninkrijk Elam was het Toeransche (dement hot meest vertegenwoordigd, en van hier, dat do volkstaal het \'Toeransch was, ofschoon d\') Koshieten tot in latere tijdperken hunne nationaliteit bewaarden.

Soesa werd do zetel van de oudste beschaving in deze oorden, en daar het do gewone residentie van den oppersten koning was, werden ook do plaatselijke goden van Soesa de meostgevierden van gansch Elam. Men voreorde te Soesa eene godin , die Soe-sinka of Nakhoenteh werd genoemd. Haar beeld stond in eene heijige haag, werd (laar voor de oogon der grooto menigte verborgen gehouden en eerst na meer dan dni-zend jaren tor beschouwing van allen gestold. De zeden en gebruiken der bewoners in hot rijk Elam waren ongeveer dezelfden als die hunner andere stanigeiiooteii.

Westwaarts van den Tigris hadden zich twee onafhankelijke natiën gevormd: de Soemiërs en do Akkads. Uit de vermenging van beiden ontstond het volk dor t\'hal-deërs en naar hen heet het land tusschen hot benedenpand van den Eufraat en Tigris Chaldea. Van de oorlogen, welke deze vereeniging van twee zoo ongelijke stammen als de Tooraniërs en Koshieten zekerlijk waren voorafgegaan, is ons noch door de uver-levoring noch door de geschiedenis hot minste bericht be waan I, en zelfs do oudste monu-

171

-ocr page 190-

11 KÏI,U:Sïli UK It 1) I; WKIlKLI)(1 HSCIIIKI)KNIS.

iiKuiton wijzon goon spoor daarvan aan. Zoovor de sago reikt, vindon wij de beide volken als (\'haldeërs voreonigd. Zelfs de oude traditiën van een vroeger vaderland in liet hooggobergto waren verloren geraakt. Al wat daarvan was overgebleven, word op (\'haldca overgedragen.

Terwijl in Klam het Toeranscho element der bevolking do overhand kreeg, won in C\'haldea het Kosliitische (Semitische) liet overwicht. De Toeranscho taal hield zich alleen staande in de tempels en word als de heilige taal in de scholen onderwozen. Doch het volk mengde beide talen ondereen, en wel zoo, dat het Semitisch het grootste aandeel verkreeg.

Ton aanzien van den godsdienst vond dezelfde vermenging plaats, en wel op die wijzo, dat ook hier de Kosliitische meeningen do overhand verwierven. Hij den officioelen godsdienst weken de Toeranscho godennamen en godsdienstige voorstellingen gehool voor do Kosliitische, ofschoon zij bij het volk bleven bestaan en zich in do magie oplosten. Do Toeranscho god Silikh-Moloe-Khi ging in Mardoek over, Ea smolt mot Xoeali te zamen, Sin met Hoerki,

De Chaldeouwsche magiërs verwierven groote beroemdheid, die zij tot vele latere tijden behouden hebben , en het zon niet moeilijk zijn de sporen hunner quot;wetenschapquot; in het bijgeloof van verschillende hedendaagsche volken terug te vinden.

De (\'lialdeenwsche magie nam goede en booze geesten aan. De middelen om do hulp der eersten te winnen en zich tegen den invloed der laatsten, de demons, te boscher-ineii, waren, volgens \'s volks meening, ten volle aan do magiërs bekend, welke uit dien hoofde zeer veel worden ontzien en zich in drie klassen deelden; bezweerders, artsen en theosophen.

Do bezweerders kenden de krachtige spreuken en formulieren, waardoor men do welwillende goden voor zich won en do demons kon weren, Eene belangrijke rol speelden bij die bezweringen talismans en amuletten, waaraan men zelfs zooveel kracht toeschreef, dat zelfs dquot; goden daartegen niets vermochten.

Do bezweerders gaven er zich echter niet alleen meë af om de goede geesten te winnen en togen don invloed der demons te beschermen, zij wilden ook de kunst verstaan , om deze laatsten te dwingen van hunno vijanden of van eenig aangewezen persoon bezit te nemen, In het voorgeven van die macht werden zij onder anderen door de geneeshooren bijgestaan. Ziekte heette altoos het werk van een demon en kon geenszins alleen door lieilmiddelen verdreven worden, maar amuletten en bezweringen moesten de werking der artsenijquot;n ondersteunen. Soortgelijke denkbeelden hebben wij ook bij de Egyptenaren aangetroffen.

Fragmenten van een magiseh boek der ( \'haldeërs zijn voor ons bewaard gebleven (in hel liritish Museum), en eveneens talrijke anmletten, die van den meest verschillenden aard zijn. nu eens onbeteekonendo. waardelooze voorwerpen, dan weder steenen met zekere teeken.s of opsi hriften , of wel grootsche beelden, die demons of allerlei monsters voorstellen. Men zoodanige talismari, die volgens het opschrift den demon van den Zuidoostenwind voorstelt, vindt men in het Louvre te Parijs, Het is eene kleine bronzen tignur. niet hot lijf van een hond, arondspooten, vier armen met loeuwonklauwen , den staart van een schorpioen en den doodskop van eene geit.

Do eerste volkplanters in Chaldoa vonden het land in den vroeger beschreven toestand. Üoiiwinaterialen , met uitzondering van riet, lies en wortelen dier planton, waren niet voorhandon, en daarom moesten deze gewassen strekken om woningen op te richten , tot men er toe kwam, uit het leem, door de zon of eene kunstmatige hitte, steenen to

172

-ocr page 191-

MIDDRN-.VZTK (iN I)I N IIISTOIIISCHKN SAGKNTlJI)).

vervaardigen. Van hier, dat al de oudste steden van Chaldea, waarvan ovorbiijfsolon worden gevonden, uit gebakken steenen zijn opgericht. Tot deze plaatsen behooren Oer, Oeroekh, Larsam , Nipoer, Sipara, Aganeh , Borsi]i, Kabel, Zirgilla, Kridoe, Karrak on Kooti. Al die plaatsen kan men in den Bijbel, den Talmoed en andere werken, zij ln\'t ook onder verschillend klinkende namen, terugvinden.

Oer (in den Bijbel naar do Hoogduitscho klankvorming Ur geheeten) is hot tegenwoordige Moegheir. — Oeroekh, is het door Mozes vernielde Erekh of Orekh, hetwelk door de oude geographen Orchon werd genoemd on tegenwoordig Warka heet. — Larsam is wellicht het Laranchea van Herosos en het Larissa van Apollodor. - Nipoer is het Kalnoh of Kalno des Bijbel\'s en het Nopher des Talmoed\'k\\ het heet ook quot;de woonplaats van den god Anoequot; of Ilekal-Anoe. In onze dagen draagt het den naam van Niffor. — Sipara is het Sopharvaini des BijbeVs. —■ Zirgilla heet thans Zerghool. — Kridoe is het Kata der oude geographen. - Aganeh maakte oene stadswijk van Sipara uit, t. w. die op den rechteroever van don Eufraat en wegens hare grootte en bijzonderheden als eene op zich zelve staande stad te beschouwen.

In deze oudste tijden was Oer de belangrijkste stad. Zij lag op don rechteroever van den Eufraat, niet ver van diens oudon mond en was eene bolangrijko koopstad. Hare schepen bevoeren niet alleen den stroom on do Perzische golf, maar strekten hunno vaarten ook tot Indië uit. Rondom de stad was hot vlak. Hoogstens verhieven zich in don omtrek eenige zandheuvelen, in het midden van Oer verrees eon tempel van drie verdiepingen hoog, uit met asphalt bestreken tegelsteenen gebouwd. Wijd en zijiV buiten de muren lagen graven , wier inhoud nog tegenwoordig menig reiziger opheldering geeft ten aanzien van de overoude Ghaldeeuwsche maatschappij.

Van eene geschiedenis van het Cbaldeeuwsohe rijk kan geene sprake zijn. Slechts enkele namen, feiten en sagen zijn ons bekend geworden uit de reeds vermoldo schrilt-fragmonten op leemen tegels (keilschrift), door den priester Herosos opgeteekend en in do bouwvallen van Niniveh teruggevonden.

Eeno eigenlijke scheppingssage vindt men niet. Het luidt slechts, dat oons alles duisternis en water was. Daarin wemelde het van wonderbaar gevormde schepselen. monschen, die twee of vier vleugels en twoe gezichten hadden en tegelijkertijd man en vrouw waren. Daar waren er ook mot bokshorens en bokkepoóten, oven als wezens die van achteren paard en van voren mensch waren, stieren mot monschenlxoofden, menschon met vischstaarten, draken enz. De boheerscheros van al deze vvezons was eene vrouw , Omorka geheeten. Hel splitste deze vrouw on de duisternis in twen doelen , vormde hemel en aarde, stelde do zon, de maan en do sterren aan het uitspansol, liet hot water alloopen, in het kort, maakte de wereld zoo als zij thans is. Hot licht doodde de aan de duisternis gewende monsters. Nu hieuw Bel zijn hoofd af en beval oen dor goden om uit do met zijn bloed besproeide aarde menschon te vormen en ook dieren hot aanzijn te geven.

De menigte verschillondo menschon, die Chaldea bewoonden , zoo luidt eene andere sago, leefde in wilden staat, even als do dieren. Maar reeds in hot eerste jaar roos uit do Koode zee een mot vernuft begaafd wezen, ofschoon van dierlijken vorm, op. Dit wezen, Oannes geheeten, had de gedaante van een visch, maar ondor den visebkop een monschenhoofd en ook monschelpe voeten ter plaatse van den vischstaart. Deze Oannes, die spreken kon, bleef des daags onder de menschon, doch zonder oenig voedsel te nuttigen, maar des avonds dook hy in do zee, waarin hij den nacht doorbracht. Hij loerde aan de inenschen do letters kern en en onderrichtte hon in alle mogelijke

-ocr page 192-

GKÏI.WJSTIIKHIIDK WKRKLIXSRSCIIIF,DENIS.

kunsten «n wetenschappen. Hij onderwees hen in het houwen van steden , leerde hen zaaien en oogsten en schreef voor hen een boek over den oorsprong der dingen en over do beschaving.

Langen tijd na do verschijning van dit weldadig wezen, gaven de goden het volk-een koning, die .Vloros werd genoemd, en gedurende zes saren (ieder van 3600 jaren), en derhalve I.OOO jaren, rogeerde. Na hem heerschte zijn zoon Alaparos 10,800, en na deze \\millaros (of Almelohn), uit Pantibiblia (Sipara of Ge roek h), 40,800 jaren. Onder zijne heerschappij rees uit de zee andermaal oen vischmensch op, die hot werk van Oannes voortzette. Tijdens de regeering der volgende koningen , wier aantal tien beliep, die te zamen i\'20 saren (432,000 jaren) regeerden, verschenen nog zes zulke vischmenschen, en sinds is niets meer van belang ontdekt of uitgevonden.

De laatste der tien koningen was do zoon van Obartes (of Obartootoo), Xisoethros, onder wien de Zondvloed plaats vond, nadat de wereld 091,200 jaren bestaan had.

Ood Noeah (bij Berosos Saturn us) kondigde Xisoethros dezen Zondvloed aan en leerde hem een schip bouwen. Toen dit gereed was, beval god Samas hem daar binnen te gaan, daar hij een aanhoudenden regen wilde nederzenden (Vergelijk blad/., 213),

De ark landde eindelijk op den top van het Kordyësche gebergte, in het land Nizir. Xisoethros offerde, en zijne en der goden beden ontwapenden den toorn van Hel, die er in bewilligde, om de menschen te laten leven, welke zich in de ark gered hadden. Ook beloofde hij nimmer weder oen Zondvloed aan te richten. Toen dit besluit gevallen was, trad liel in het midden van het schip, nam Xisoethros hij de hand en voerde hem met zijne vrouw naar buiten, om hem, nevens zijne dochter en den stuurman, onder de goden eene plaats te geven.

De menschen , die de aarde op nieuw bevolkten — onder de aarde versta men Ohaldea waren reuzen, die op hunne kracht en grootte trotsch, de goden minachten en, zich boter achtende dan deze, een ontzettend hoogen toren bouwden, ter plaatse van de stad liabel. De winden kwamen den goden te hulp en wierpen het gebouw omver. De bouwval werd liabel genoemd. Tot op dezen tijd spraken de menschen één en dezelfde taal, maar de goden maakten, dat zij zich sedert in verschillende talen uitdrukten. Dat liabel zijn naam aan deze spraakverwarring ontleent, is nochtans eene dwaling, liabel Cl tab-Hoe) beteekent eenvoudig quot;de Poort van god Hoe.\'\'

Na den Zondvloed en de spraakverwarring regeerde do eerste dynastie van menschen. De zesentachtig koningen uit dat huis heerschten over Ohaldea 340,080 jaren. Anderen noemen slechts zes vorsten, die te zamen 225 jaren regeerden. De opgegeven namen en jaartallen hebben wel is waar geen historisch belang, maar aan de heldensagen herinneren beitelwerken op do monumenten, en deze hebben dus wellicht eene geschiedkundige beteekenis.

Onder de helden dier traditiën treedt inzonderheid Nimrod op den voorgrond, die quot;mflchtig op de aarde werd,\'quot; en quot;een groot jager voor den Heer wasquot;, zooals hij in (inncw wordt aangeduid. Hij heerschte over liabel, Krekh, Akkad en Kalneh in het land Sinear. Igt;e overlevering schrijft hem in deze landen al die groote werken toe, waarvan men nog tegenwoordig bouwvallen ziet, ja zelfs het bouwen van don toren van liabel. Verschillende oudheidkenners golooven, dat hij en Helos, wiens naam eveneens uit deze historische nevelen opdoemt, een en dezelfde persoon waren. De Arabische sage verhaalt hem aangaande, dat hij Abraham, den stamvader der Joden, in een vurigen oven liet werpen en het beproefde om op een adelaar ten hemel te stijgen.

Er doomt in dit donkere tijdperk nog een andere naam op, die van Izdoebar,

174

-ocr page 193-

MIDDRN-AZUS (IN DUN IKSTORISOdEN SAOKNTI./ü).

wolko door eenigon voor eeno andoro aauduiding van Nimrod gohoudon wordt. Volgons do logondo althans was deze hold Izdoebar een even geweldig jager als Nimrod. Hij ving een gevleugeldon stier en bevrijdde het land van een ontzettend zoo-gedrocht, Boehl goheeten, dio jongo maagden verslond. Zijn jager Said ontving van hem do opdracht om twee schoone vrouwen te bezigen , ten einde het monster naar het strand te lokken. Toen het gedrocht beiden in hare volle schoonheid naakt op de knst zag, kwam het aan land. Saïd doodde het on trok het kreng in zegepraal Oeroekh binnen. Ook bevrijdde Izdoebar het land van wreedo dwingelanden, die men lielesoe en Hoembaba genoemd vindt.

Zoo vele heldendaden wonnen Izdoebar de liefde der mingodin Tstar, die hom tot gado koos. Doch deze liefde beschermde hem niet tegen ziekte on dood. Ten einde een middel daartegen te vinden, besloot hij den bij de goden levenden Xisoethros die ook

Hasisadra wordt genoemd om bijstand to vragen. Ken droom duidde hem di\'ii in te slagen weg aan. Onder hot geleide van zijn magiër Oorbel ging hij aan boord van een vaartuig (op verscheidene gesneden steenen vindt men hem daarin afgebeeld) en kwam . na eeno vaart van anderhalve maand, don stroom afzakkende, ter plaatse, waarliij Ha-sisadra-Xisoethros vond. Deze verhaalde hem, hoe hij uit don Zondvloed was gered (vergelijk bladz. \'i.\'S en Ll\'t) en deelde hem vervolgens mede, welke plechtigheden hij te vervullen had om niet te sterven.

Wij hebben gezien hoe verschillend dezelfde goden door de Toeransehe en Koshiti-sc.he (Semitische) volken werden genoemd. Hetzelfde is het geval met alle fabelachtige \'■n historische personen, en van hier, dat men zich niet te recht kan vindon in den doolhof van namen, die op de verschillende, eerst voor korten tijd ontdekte mominii\'ii-ton en leemen schrifttafeltjes voorkomen. Met den tijd zal wellicht ook deze meeieiyk-heid overwonnen worden, doch tot nog toe loopen de verhalen verbazend uiteon. Even

-ocr page 194-

(iKÏI.U\'sïlimtliE n-EKKI.DOESCIIIBt)F.SIS.

als tncu in don boginno in dn Egyptische liioroglyplion dingen las, diu later bleken gi\'hoel verkeerd te zijn, zal dit ook wel met liet keilschrift hot geval zijn, Het werk der ontcijfering, waarmede zich thans vele geleerden bozig houden, zal — wij mogen het hopen niet onvruchtbaar blijven.

De oudste koning, van wion de monumenten ons bericht geven, vinden wij te Oer, en wel in koning Oeroekli of Oerkbam (in het Toeransch Likbagas), die zeer machtig moet zijn geweest, zoo als de overblijfselen zijner werken op het gebied van bouwkunst bewijzen. Zijn naam vindt men op de tegels ingedrukt. Men berekent, dat een der tempels, waarvan de ruïnen nog gezien worden, ongeveer 313 millioen dezer tegels moet bevat hebben. Voor zoo verbazende werken was de bevolking van Oeroekb niet groot genoeg, hetgeen het denkbeeld doet opkomen, dat koning Oeroekh een veroveraar was, en do overwonnen volken dit werk liet volvoeren. Zijne opvolgers stichtten eveneens groote bouwwerken te zelfder plaatse, doch in vervolg van tijd verloor Oer zijn aanzien, en de hegemonie in Cbaldea viel toen ten deel aan Karrak (in \'t Toeransch Nisin), welks vorsten Oer en Oeroekh veroverden, maar op hunne beurt weer door andere koningen overwonnen werden. Babylon en Aganeh bewaarden intusschen hunne onafhankelijkheid.

Tusscheu bet jaar li.i(JO en 2280 vóór Christus deed de Elamitische koning van Soesa, Koedoer-Nakhoenta, een inval in het land en veroverde het van Oor tot Babylon. Ilij voerde de (Jhaldeeuwscho afgodsbeelden naar zijn rijk en maakte aan do Chaldeeuw-scbe heerschappij een einde.

Reeds vóór dezen gelukkigen krijgstocht des konings van Elam hadden onder de volken van het Zuidelijk (\'haldoa bewegingen en volksverhuizingen plaats gevonden, wier begin en verloop even weinig zijn vast te stellen als hare oorzaken. Eene duistere traditie geeft bericht omtrent veroveringen van een Skytisch koning, die men Indathyr-ses noemt. Hij zou tot Egypte zijn vuortgedrongen, en men meent, dat de inval zijner benden tot het uittrekken des volks aanleiding beeft gegeven.

Waarschijnlijk is het, dat dusdanige volksverhuizingen in het kustland aan de Perzische golf een begin namen. De van daar vertrokken stammen bleven aan den Midden-Tigris, in do landen van Assoer. Een dier stammen, onder de leiding van den herdervorst Thorah (of Thareh), verliet Oer in Cbaldea en sloeg zich neder in Haran (Kharran of Kharnï) in Mesopotamië. Andere (Koshitische) volken, en onder hen de reeds genoemde l\'oeni\'s, verlieten, volgens do sage, door eene ontzettende aardbeving verschrikt, hunne woonplaatsen aan de Perzische golf en hunne heiligdommen op do eilanden Tyr en Arad.

liet schijnt, dat zij langs den Eufraat stroomopwaarts gingen, oen tijd lang in het gebied van Babylon en aan de oevers van het groote Assyrische meer (Bahr-i-Nodjif) vertoefden en eindelijk in noordwestelijke richting naar Syrië aftrokken. Volgens Arabische overleveringen, gingen zij door Arabië, van de monden van den Eufraat tot de Jordaan-vallei. Hit geheel dit oord verdreven zij de half-beschaaf\'do volken en namen het land van den Eufraat tot de Landengte van Suez in bezit. Verscheidene hunner stammen, of wel de daardoor tot aftrekken gedwongen naburen, aangelokt door den roep die van Egypte\'s rijkdom weerklonk, drongen uit de woestijn bet Nyldal binnen, ineen tijdperk . waarin staatkundige verwikkelingen in dat rijk een dergelijken inval begunstigden. Hoe deze Ilik-Sjoes (Hvksos) Kgypte veroverden en ongeveer vijfhonderd jaren in dit land bloven (21\'Mi I(100 vóór Christus) is ons uit do Egyptische geschiedenis bekend geworden.

Overeenkomstig de handelwijze der overwinnaars in die oude tijden, eischto Koedoer-

-ocr page 195-

middkn-\\/,li; (is dek historischkk .sackntijd).

Niikhoenta, do vorovoraar van Chaldea, van do gedemoodigdo verston slechts zokoron cijns on Hot hun als zijno vassalon in hot onderworpen gebied.

Volgons do berichten van Horosos, don meermalen gonoomden priosterlijkon geschiod-schrijver, word Nalchoenta do stichter van o(*)) niouw koninklijk huis, hot Medische.

Ondor zijno opvolgors vormoldon wij Koedoer-Lagamor, wii\'n dn Bijhei Khodor-Laomer noeint, als overwinnaar. Hij viol in Syriö , door zijios Chaldoeuwscho vassalon (de koningen van Sinear, Ariokh en Klassar, en door Thargal, die over andere Mesopotamische volken hoerschto, ondf^rstonnd. lgt;o Syriërs werden gosiagon on moesten schatting betalen. Twaalf jaren later deden zij oeno poging 0111 hot juk af to schuddon, doch zij werden in hot dal Siddin andermaal geslagen on hunne steden goplundord.

Een dor opvolgers van Lagomer, met name Koodoer-Maboek, ondernam eveneens

Onderworpen volken brengen geschenken.

zegevierende invallen in Syrio, doch de vorsten die zijn gevolg hielpen uitmaken, schenen aan macht on invloed verloren to hebben. althans do Chaldoouwsche vorsten bevrijdden zich van hunne afhankolijkhoid. In Zuid-Chaldea kwamen do koningon van Larsam tot aanzien, terwijl in hot Noorden do vorsten van Aganoh hunne grenzen uitbreidden. In Habyloniö, waar to\'; heden hel ïooransclie bestanddeel des volks do overhand had gehad, namen do Koshieten in macht too, inzonderheid door koning Sar-joukin I (Sargina) van Aganoh, die sinds als 0011 der grootste Chaldoouwsche helden word vereerd, on wiens bedrijf men door velerlei sagen verheerlijkte. Do beeldzuil, die ■hem tor eere, in do stad Aganoh word opgericht, draagt op hel voetstuk hol volgende opschrift:

quot;Ik ben Sarjuukin , de machtige koning van Aganoh. Mijne moeder kende mijne vader niet, maar mijne familie behoorde tot do heeren dos lands. Mjjne moeder ont-1. l\'i

-ocr page 196-

(; ii.i.i stuf,i;lii)i: \\veiiei,i)iii:sckti:i)i:Nis.

ving iin\'i in do stail AzpLranni, dio aan don Eufraat ligt. Zij bracht mij m stilte 0]i hoimoljjko plaats tor woroid. Zij logde mij in oono rioton kist, waarvan zij het dok.sol mot hars toomaakte, en wierp mij in ih\'ii stroom, welks golven mij\'voortdroe-gon on tot don watordragor Akki voerden. Akki, do waterdrager, nam mij, goedig als hij was, uit het kistje en vooddo mij op als zijn eigen zoon. Akki do watordragor maakte oon tuinier van nijj. Als zoodanig betoonde Istar mij hare gunst, on na jaren won ik de koninklljko hoerschappy.quot;

Sarjoukin drong tot de l\'erzisdio golf vooruit on onderwierp allo kleine Clialdoeiiwscho vorsten , mot uitzondering van die van Larsam en Apirak. Toon wondde hij zich tot de Klamioton en dwong hen hem schatting op to brengen. Do stammon dor Goetim , die het land tusschon don Eufraat en de Kordyësche bergen bewoonden , worden evoneons onderworpen. Nadat Sarjoukin ook Syrië was binnengedrongen en vandaar in zegepraal teruggekeerd , herstelde hij don tempel to Aganeh on bouwde de pyramide van Oelbar, dio aan de godin Anoenit word gewijd.

Deze groote koning was ook een begunstiger der wetenschappen. Hij bracht to Uorookh een bibliotheek bijeen, waardoor deze hoofdplaats den naam van boekenstad verkreeg. Hij liet allo oudo Chaldeeuwscho boeken verzamelen, die do heilige overleveringen bevatten, en na hun inhoud nieuwe boekon in de Semitische taal samonstellen. In eon dezer werken staan de regelen dor wichelarij en do waarnemingen van oude astronomen opgoteekend. In een ander vindt men do regels dor Semitische en Toeranscho spraakkunsten. De verhandeling.m over magie en wetgeving, die in den oud-Toeranschen tongval goschrevon waren , liet do koning overzetten on verklaren.

Ken latere Assyrische koning, Assoer-ban-Habal, liet deze schriften op tafelen van gebrand leem overbrengen, waarvan de overblijfselen, niet lang geleden, onder de puin-hoopen van Xiniveh teruggevonden zijn, van waar zij naar hot British Museum te London zijn gekomen.

Sarjoukin\'s zoon, Naram-sin, trad als veroveraar in de voetstappen zijns vaders, doch na hein kwam eone vrouw aan het bowind, Kllat-liaooh. De koning van Larsam, kim-Akoeh, ontrukte haar hot Zuidelijke l\'huldea en maakte zich vaardig om Habylon aan te vallen, toen de koning der Kassi\'s in het land Klam, Khammoeragas (Hamoe-rabi), hem voorkwam. Deze onttroonde do koningin, nam hare plaats in, bevorderde de welvaart des lands door groote zorg voor de kanalen .in andere belangrijke werken en overwon eindelijk koning Kitn-Akoeh , zoodat hij hoerschte over geheel Chaldoa.

Het. door hem vergrooto on verfraaide Babylon werd zijne residentie, evenals vervolgons van zijne opvolgers. Do door hom gostichte dynastie werd do Cissitische genoemd. Zij behield de lieerschappij gedurende verscheidene eeuwen, doch hare geschiedenis levert niet veel merkwaardigs op: do meeste berichten bobben betrekking tot oorlogen met de Klamieten. Kr zjjn echter ook dio allerlei vorbeteringon en groote werken vermelden.

178

-ocr page 197-

A S S Y R I E.

■e gedurondo anderhalve oouw gwoordo oorlogen der Kgyptisclio koningfin tfigon do vreomdo veroveraars liadden zoowel bij dfi vorston als het volk eon krijgshaften geest verwekt. In plaats om er zich mede te vergenoegen, hunne grenzen tegen de hebzuchtige Aziatische volken tfi beschermen, vielen zij zelven Azië aan, zoodat de geschiedenis van Egypte veel van de ondernemingen van Tbot-nifis I, ïhotmes III en Ramses II hoeft te berichten.

Onder de Thotme.s III overwonnen volken vinden wij ook de Assyriers vermeld, die tegen zijn zoon Amenhotep II (of Amenophis) opstonden en daarvoor streng getuchtigd werden. (Vergelijk bladz. 02). Hunne koningen betaalden don pharao\'s gedurende langen tijd schatting.

De oudste geschiedenis van dit later zoo machtig geworden Assyrischo rijk bestond tot hiertoe uit een weefsel van mythologische fabelen, door ond-Grieksche schrijvers, nnar aanleiding van Perzische sagen, opgeteekend. Deze fabelen zijn in latere historische werken opgenomen en eerst in den jongston tijd naar haar wezenlijk gehalte beoordeeld. Of zij echter al of niet op historischen grondslagen rusten, kunnen wij niet nagaan. Zoo wij haar hier mededeelen, geschiedt het, uithoofde wij aordeelen, \'lat geen beschaafd menscb onkundig mag zijn van hetgeen de volken duizenden jaren achtereen geloofd hebben.

De wezenlijke inhoud dier sagen is in de volgende regelen vervat.

In do oudste tijden heerschte een koning Ninos, die zich niet Ariöos, koning van Arabic, tot een krijgstocht togen liabylon verbond. Heide aanvallers maakten zich van den Rabylonschen koning, evenals van diens kinderen, meester, en lieten die ongelnkki-gen ombrengen. Vervolgens overwon Ninos do Armeniërs en Modiërs, wier koningen hij, zoowel als hunne vrouwen en zeven kinderen, liet kruisigen. Ook de Perzen werden door Ninos overwonnen, en toen hij ook over de volken van Klein-Azië had gezegevierd, strekte zijn rijk zich van do Middellandsche zee tot den Indus uit.

Xa deze oorlogen besloot bij eene stad te bouwen , die alle anderen in grootte te

-ocr page 198-

(iKït.l.US\'l\'llKKItDK U\'r,RK]:t)fl KSCKIEDKNMS.

boven zou gaan, en cl« stad van Ninos zou hoeten. Dozd stad vormde een langwerpig vierkant, waarvan do langste zijde 480 en do kortste HO stadiën lang was. Behalve voornamo Assyriors, nam Ninos vele vreemdelingen binnen hare muren op, zoodat de stad van Ninos, Niniveh , de grootste en bloeiendste der wereld word.

Fn zijno vroegere voldtochton had de koning niet over de Baktriörs kunnen zegevieren. Die teleurstelling kon hij niet verkroppen, weshalve hij in het einde besloot hen nogmaals aan te taston. Zijn leger telde 1.700,000 man voetvolk, \'210,000 ruiters en meer dan 10,000 strijdwagens. Trots deze ontzettende macht, gelukte het hem eerst, na groote verliezen . de Baktriörs in hunne steden op to sluiten. Al die plaatsen worden nu, do oone na de andere, aangetast. Zij werden allen ingenomen , met uitzondering van de hoofdstad Baktra, die eene langdurige belegering wederstond.

Een der voor Baktra bevelende hoofdlieden van Ninos, Oannes geheeten , kon hot verlangen niet wedorstaan, om zijno gade, Somiramis, in hot kamp te laten komen. Deze vrouw was de dochter der vischgodin Derketo, van Askalon, en van een inenschen-zoon. Zij was als kirul verstooten , doch door do duiven van hare moedor opgenomen. Herders vonden haar en brachten de kleine aan hun opperherder Simmias, die het kind Somiramis noemde , een naam, die in hot Syrisch dezelfde beteekonis hooft als duif.

Toen Semiramis tot eene huwbare maagd was opgegroeid, trok zij bet oog van don stadhouder van Syrië, Oannes, tot zich. Hij word zoodanig door hare schoonheid getroffen , dat hij haar tot vrouw nam.

Somiramis, voor Baktra aangekomen, maakte do opmerking, dat do verdedigers het wacht houden op don burg verwaarloosden, door to groot vertrouwen op de natuurlijke sterkte. Zekeren nacht ondernam zij het met eene uitgelezen schaar Assyriërs deze vesting te beklimmen, en op oen door haar gegeven toeken begonnen de koninklijke troepen de stad te bestormen.

Do Baktriörs, verbijsterd op het gezicht des vijands binnen hun burg, verlorenden moed, ten gevolge waarvan hunne stad ingenomen werd.

Koning Nines beloonde Somiramis met groote schatten, maar voelde zich te zolfder tijd door hare schoonheid zoodanig getroffen, dat hij haar van haar echtgenoot verlangde, wien hij tor vergoeding zijne eigene dochter ton vrouwe bood. Oannes weigerde , maar moest toch toegeven, daar Ninos dreigde hom de oogen uit te laten steken. Niettemin kwelde hot verdriet over zijn verlies don Syrischen stadhouder dermate , dat hg van smart bezweek. Somiramis werd koningin.

Toon Ninos stierf, liet Somiramis oen grafheuvel voor hom oprichten, van 1700 meter, dat is tor hoogte als waren \'20 Westertorons van Amsterdam op elkander gestapeld, of had men op den Drachenfels bij Bonn don Wolkenburg geplaatst.

Vervolgens ondernam zij niet minder bewonderenswaardige groote werken, en wel in de eerste plaats het bouwen van Babyion, welks grootte die van Niniveh, do stad van Ninos, nog overtreffen zou. De ringnmur was 0(5 kilometer lang — een afstand als van Amsterdam tot Delft — on zoo broed dat zes wagens daarop kondon voortsnellen. Deze muur werd door \'2quot;)0 breedo torens gesteund. Langs den Kufraat werd eene kade aangelegd van 30 kilometer lengte, terwijl oone brug over den ontzettend broeden stroom werd geslagen. In het midden der stad verrees de tempel van god Bel, terwijl onder de andere praalgestichten inzonderheid de dusgenoomdo hangende tuinen uitmuntten.

In het voltooien dezer grootaclio werken werd de koningin door een in Modiö uit-gobroken opstand gestoord. Zjj dwong do oproerlingen om zich te onderwerpen en trok

180

-ocr page 199-

ASSY HIK (in diss iiistorischrn sagentijd).

toen door al do provinciën van haar rijk, waarbij zij op verschillondo punten bovel gaf om niouwe stedon to bouwen of groote gobouwon op to richton. Zij bouwde Ekba-t.ma in Modiö, Semiramocerta in Armoniö, aan hot moor Van, on Tarsos in Kilikiö. Zij doed ook, hoot hot, don zoogonoemden Modischon muur oprichton, van don Eufraat tot dun Tigris, liot op onderscheidene plaatsen do rotsen doorboren 011 breode wogen :ianloggen. Op do vlakte deed zij voor do gesneuvelde veldoversten «it haar leger graf-houvolen opwerpen. Aan de Syrische grenzen gekomen, trok zij over do Landengte van Suez naar Egypte en overwon dit land , evenals Ethiopië.

Door den roep dor groote rijkdommen van Indië aangelokt, besloot zij eon veldtocht tijgen do landen aan gene zijde van den Indus te ondernemen en hiold zich uit dien liuofdo drie jaren achtereen bozig mot toebereidselen ten oorlog. Haar leger tolde toen :! niiliioon man infanterie, een half millioon ruiters en 100,000 strijdwagens. Daar zij geeuo olifanten, zooals do Ilindo\'s had, liet zij 1(»0,000 karneelen in de huiden van stieren naaien, en op elk dezer dieren een man plaatsen. Met deze nagemaakte olifanten hoopte zij de Indiërs te verschalken. Voor liet overtrekken van den Indus wer-ileii quot;JOOO schepen gebouwd, waarvan do afzonderlijke deolen op kamoelen geladen werden.

Het gelukte der koningin ook op den linkeroever van den Indus te komen en zelfs om het land diep binnen te dringen, daar de Indische koning Stabrobates bij voort-duur achteruit week. Maar plotseling veranderde de Hindo van houding en ging tot den aanval over. Aanvankelijk scheen hem dit duur te staan te komen, want zijne ruiterij, \'p hot gezicht der gemaskerde kamoelen onthutst, nam ontmoedigd do vlucht. Maar bet voetvolk hield zich beter, en deed, met hulp van de wezenlijke olifanten don Assyriërs het hazenpad kiezen. Semiramis zelve werd door don koning in don arm on den rug gevend en ontkwam slechts met moeite over den Indus. Op den westeroevor van dion stroom gekomen, beval zij onmiddellijk om de brug af te breken, zoozeer was zij in het gedrang gekomen. Van haar ontzaggelijk leger gingen twee dorden vorloron. Volgens anderen redden zich niet meer dan \'20 man

Op de grenzen der toenmaals bekende wereld had zij zegezuilen laten oprichton, ender andoren in Skythië. niet ver van Jaxarta, waar men die praalteokenen nog ten tijde van Alexander don Grooten gevonden heeft. Zij had daarop laten inhouwen :

quot;De natuur heeft mij het lichaam eener vrouw gegeven, maar mijno bedrijven li\'\'l)ben mij met de mannen gelijk gesteld Ik heb hot rijk van Ninos geregeerd, dat in het westen tot dim stroom Ilinaman (!) reikt, zuidwaarts grenst aan hot land van den winrook en do myrrhe, en noordwaarts aan de Sakers en Sogdianers. Vóór mij had geen Assyriër do zee gezien, ik heb er vier aanschouwd die door niemand waren bereikt, «ijl zij ZOO ver lagen. Ik heb do rivieren gedwongen te stroomen zooals ik bet wilde, \'■n ik wilde dat zij slechts da;ir zouden stroomen waar zij nut zouden doen. Ik heb de onvruchtbare aarde vruchtbaar gemaakt, doordien ik haar door mijne rivieren liet besprooien. Ik heb onneembare vestingen gebouwd; ik heb door mijn ijver onowrkiim-baro rotsen door straten doorsneden. Ik heb mot mijn rijtuig wogen bereden , waar vroeger zelfs wilde dieren niet kondon voortkomen. En te midden van al deze hezig-heilnn heb ik tijd gevonden tot verlustiging van mij zelve en mijne vrienden.quot;

Toon Semiramis na haar terugkeer vernam, dat haar zoon Ninyas tegen haar samenspande, deed zij te zijnor gunste afstand van hot bewind eu vlood in de gedaante eener duif naar de goden. Volgens andere berichten, werd zij door baar zoon vermoord, die verontwaardigd was geworden, omdat zij op hom verliefde. Haar ouderdom wordt gezegd

181

-ocr page 200-

or.ïi t! stiif.niidk wrhrldgkschiudknis.

bij hot oiiido harer regeering (rl jiircn te hebben l)o]ü(ii)eii , waarvan zij gedurende VI hot roer van staat omklemde.

Deze Somiramis-sago werd door het volk op allerlei wijze opgesierd. De bovonvor-molde heuvels, heette hot, waren de graven van hare minnaars, die zij liet ombrengen, wanneer zij hou moede was geworden.

Ninos en Semiramis zijn inderdaad niots dan de godengestalten van Adar-Sadam mi Istar , de eerste de Herculos dor Assyriörs, de laatste hun Venus. Do geschiedenis dezer vorsten behoort tot de klasse dor fabelen, waarmode do Ikibyloniörs hunnen oudsto historiën opsierden. Ton tijdo van do Perzische heerschappij werden zij verzameld door

een Griek Ktesias, van Knidos, die beido mythologische figuren als monschen voorstelde.

Van de werkelijke geschiedenis van Oud-Assyrië weten wij het volgende.

Terwijl het (\'haldeenwsche rijk van lioverlede zwakker werd, begon dat van Assoer machtig te worden on /ieli uit te breiden. Dit rijk besloeg hot middendeel van het Trigrisgebiod , van den mond der Koonüb\'s tot aan do streek waar do Tigris de al-luvialn vlakte van Chaldea bereikt, lil hot oosten word dit land, door hot middenpand di s (Jrooten-Zab\'s en eenigo voorgebergten van den Zagros, goscheiden van het land Namri en die Medische gewesten waar Tooranscbe stammen woonden. In het noorden vormde de berg Musios, in het zuiden de rivier do Adhom de grenzen. In hot westen en zuidwesten liep het .Vssyrische gebied langs den Khaboer en den Eufraat, zonder oven-

182

-ocr page 201-

183

wel, naar hot schijnt, ooit do oovors dier stroomon bereikt te hebben. Het oosten dos lands word door volo wateron dooi\'kronkeld, en zijne honvelon en de glooiingen daarvan waren rijk aan koren on vruchten van allo soort, terwijl hun schoot kostbare minoralen bevatte.

Het land bezat daarenboven eono menigte kanalen, die door den Tigris en zijne talrijke zijrivieren werden gevoed, eon schat te hooger noodig, daar hot hier gedurende do zomermaanden zeiden regent

In dit rijk vond mon eono menigte stedon , waarvan alleen de namen en bouwval-Ion ons bekend zijn. De oorsto Clialdeeuwsche volkplanters stichtten de beide hoofdsteden, Niniveh en Kalakh. Nog ouder iiitussclien schijnen do oud-Assyrische residontiën Singar en El-Assoer geweest te zijn.

Van do oudste priester-koningen van Assoor weten wij niet veel moor dan eenige namen en eenigszins don tijd hunner regeoring. Ismi-Dagan (I «SOÜ vóór Christus), Samsi-

liin (1760), Te—---Ba (?) on Iri-Amtoek (1520). Ettelijken dier vorsten moesten

den pharao\'s schatting betalen.

Op ben volgden koningen , die zoowel van Egypte als van Chaldea onafhankelijk waren. De gedenktoekenen noemen ons; Assoer-Narara, Naboe-Dagan (omstreeks 1500 vtiór Christus), Assoer-Bol-Nisisoe (1400).

Tot dien tijd had men do koningen van Assyrië nog altoos als vassalen van die van Chaldea beschouwd. Doch liel-Nisisoe en zijn zoon Uoesoer-Assoor onderhandelden ais evenknieën met do beide koningen van Chaldea, Kedeh on diens opvolger Boernabooryias I. Ook ging de laatstgenoemde een huwelijk aan mot eene dochter van Assoeroebalat, don opvolger van Boesoor-Assoor.

Do zoon van Boernaboeryias l van Chaldea was bij oen opstand der Kassi\'s gedood, en een overweldiger, Naziboogas, had zich ten troon verhoven. Dit gaf Assoeroo-ballat aanleiding om zich in do binnonlandsche aangelogenhoden van zijns noefs heerschappij te mengen. Hij rukte Babyion binnon , doodde den overweldiger en plaatste vervolgens den tweeden zoon van Boernaboeryias, Koorigalzoo genaamd, op den Chal-doouwschen troon.

Eene oeuw later (omstreeks 1270 vóór Christus), vindon wij, dat de Assyrische koning Toeklat-Adar I, Babyion veroverde en geheel Chaldea aan zijn gezag onderwielp. Achthonderd jaren bleef het Assyrië onderdanig, ofschoon hot menigwerf in opstand kwam.

Reeds dadelijk na Tookiat-Adar\'s dood, kwam do door hom aangestelde .stadhouder, liin-Bal-Idin, tegen Ïoeklat-Adar\'s zoon en opvolger, Bel-Koedoer-Oessoor, in opstand (1200) en rukte vervolgens zelfs Assyrië binnon. Do koning word verslagen en gedood, bot koninklijke zegel van Toeklat-Adar buit gemaakt en als eono trofeo in de schatkamer van Babylon neergelegd, waar het zeshonderd jaren bleef.

De volgende koning, Adar-Habal-Asar (1250), sloeg intusschen liin-lial-ldin, bij El-Assoer, en sedert dit tijdstip steeg do macht van den Assyrischen hoerscher voortdurend hooger. Assoor-Dagan , de zoon van Habal-Asar, quot;overtrof al wat vóór hem was goweest.quot; Onder meer nam bij den koning van Babyion, Zamana-Zikir-Idin, de steden Zabba, Irriga en AgarsaI af. Zijne opvolgers, Aloetakkil-Nobo en Assoer-h\'is-lsi, haddon nog grooter geluk. Van don laatstgenoemde luidt het: quot;Hij tastte de landen der oproerlingen aan on onderwierp de vorsten der gansche aarde,quot; dat is van geheel Chaldea (1150),

Do koning van Babylonië, Noeboe-Koedoer-Oessoer I (Neboekadnezar) verwoestte twee malen Assyrië, doch word schandelijk teruggeworpen en liet wapens en bagaadje.

-ocr page 202-

nl\'.ïl,LUSTRI, KRUK WER KI,1)0 KSCIII Hl)ENIS.

ja zelfs den koninklijken standaard, die hem voornitgedragon word, in don stock.

Do Assyrische vorston haddon goono andore mododingors in imnne nabnnrsehai) dan do Clialdoeuwscho koningon. Do volken, dii\' aan do overige grenzen woonden, spanden niet te zamen, waren van mindere betookenis en worden door do geregelde en woluit-geruste legers dor Assyriörs zonder voel moeite bedwongen. Hot Assyrische gebied strekte zich nu uit over de dalen on zijdalon van den Tigris en gansch Mesopotamië. Hot land Koemookh, hetwelk zich van de hollingen van den Tauros bij Samosate en verder langs den gfdieolon bovenloop van den Tigris tot Diarbokir uitstrekte, benevens het deel van

Zalen in een Assyrisch koninklijk j)iil(!i8.

Naïri op do helling van hot gebergte Masios, tusschen den Bovon-Tigris en den Middon-Knf\'raat, wcnlcn veroverd en cijnsplichtig gemaakt.

De macht i\'H uitgestrektheid iles rijks namen nochtans eerst belangrijk toe onder Tooklat-1 [abal-Asar I (Tiglath l\'halasar of 1\'ilosar), omstreeks don jaro 1 i .\'iO vóór (!hris-tiivS. Deze had onmiddellijk bij ziitii\' komst tot den troon oen hevigen strijd te bestaan met do Moeskai s (Moeskluérs), die op de noordwestelijke helling dor Armenische bergen woonden en voorheen den Assyriörs cijnsi)liclitig waren geweest, doch het thans waagden van hunne bergen neder te dalen en onder het krijgsbeleid van vijf koningen in Koemookh te vallen. Dat land was destijds, naar het schijnt, nog niet geheel door ile Assyriërs onderworpen.

184

-ocr page 203-

ASSVUIË (iN DEN UISTOIIISCHEN SAGBNÏIJD). 185

L)(! vijf koningon wordun doorlijk geslagen, zoodat do Assvrischo koning hot onderschrift kon laten plaatsen :

quot;Ik vulde met hunne lijken de grondslagen der borgen. Ik snood hunno hoofden af i\'ii wierp do muren van hunne steden neder, Ik ontnam hun alle slaven en won grooten buit en tallooze schatten. Zesduizend van hen , die zich togen nüjno macht verzet hadden, wierpen zich voor mijne voeten, en ik maakte hen tot gevangenen.quot;

De Assyriörs staken nu den Tigris ovor en namen de hoofdstad van Koemookh in. Daarna vervolgde de zegevierende koning do opstandelingen, die naar hot gebergte de wijk hadden genomen, en maakte zich meester van het gansche land, hetwelk hij met Assyrië vereenigde. In liet opschrift luidt het deswegens:

quot;Ik ben Toeklat-Habal-Asar, de machtige koning, de vermorzolaar der slechten, die de krijgshoopen der vijanden vernielde.quot;

Om zich van deze verovering te verzekeren , moest de koning de volkeren aan de grenzen eveneens aan zich onderwerpen. Zijne troepen trokken den Kleinen-Zab over en drongen do bergen van Koerdistan binnen, terwijl hij zelf met oen ander deel zijner scharen naar het hart van Armenië voortrukte. Hij trok tegen het land Kharia en de legers van het grooto land Koerkiëh op. Daarbij wierp hij zich in do ondoordringbaro wouden, waarheen nog geen koning gekomen was.

quot;Do god Assoer mijn hoer, beval mij voort te rukken. Ik verdoolde mijne wagens en mijn leger en nam de vestingen der landen Itni en Aya in , niettegenstaande zij op do toppen der meest ongenaakbare borgen, scherp als dolkspitsen, verrezen, strekwi waar mijne wagens nergens komen konden. Ik liet mijno wagons iu de vlakte en drong den doolhof van bergen in.quot;

Hij sloeg do inwoners van Koerkiëh en veroverde in hot land Kharkia vijfentwintig steden.

quot;Ik overdekte de landen Saranit en Ammanit met bouwvallen. Sinds onheugelijke tijden hadden zij zich niet onderworpen. Ik heb mij met hunne logers in het land Aroema genieten. Ik heb hen getuchtigd. Ik heb hunne krijgslieden als wilde dieren vervolgd, hunne steden veroverd en hunno goden medegenomen. Ik heb gevangenen gemaakt. Ik heb hunne bezittingen en schatten bemachtigd. Ik heb hunne steden aan de vlammen prijs gegeven. Ik heb hun het zware juk mijner heerschappij opgelegd, en in hunno tegenwoordigheid heb ik god Assoer, mijn hoor, dankoffers gebracht.quot;

Deze god Assoer was een onvorzadelijk wezen, want hij dreef don koning, zijn dienaar, zoo als hij zeide, telken keere tot nieuwe veroveringen.

quot;De koning verheerlijkt zijne heerschappij \'(!l1 hoogste, doch iiij verheerlijkt do goden nog meer. Hij kampt voor zijn eigen room en de uitbreiding zijns lands, maar hij kampt ook voor de eer der goden, die door de andere volken worden verworpen, wier ver-oering hij over allo bekende landen uitbreidt. Zijne oorlogen zijn evonzoer godsdienst-als veroveringsoorlogen Zijne bouwwerken, althans diegenen, welke hij het liefst onderneemt, zijn gebouwen voor den godsdienst,quot;

In den naam der godheid werden gedurende duizenden van jaren do grootste wreedheden bedreven, en de Assyriërs onderscheidden zich in dit opzicht meer dan oonig volk dor oudheid. Kerst door de belijders van latere eeredionsten zouden zij daarin over -trollen worden, /ij waren een krijgshaftig, bloeddorstig volk, gewelddadig, lougnnacii-tig, zinnelijk, hoogmoedig en zonder geloof of trouw tegenover elk vijand, wien zij diep verachtten. Hij hen trold geen ander recht dan dat van den sterkste, en de wetten der nienschel|jkheid waren hun vreemd. De steden, die zij veroverden, werden

-ocr page 204-

186

verbrand on met de aarde gelijk gemaakt, en do aanvoerders en opstandelingen zonder genade gespietst of levendig geschonden. Niettegenstaande hunne vorderingen in de beschaving, handelden zij als woeste barbaren.

Do Assyrischo historie levert de somberste beelden op, die de geschiedenis heeft aan te wijzen.

God Assoer wekte koning Toeklat-Hubal-Asar op, om een veldtocht tegen de Syriërs te ondernemen. Deze zond geenszins zijne veldoversten, zoo ais vele andore vorsten, maar plaatste zich zelven aan het hoofd zijner scharen. Allereerst voltooide hij de verovering van het land Naïri. Tot aan den Eufraat kwam hij zonder moeite, maar aan do overzjjde van dien stroom vond bij de; vijfentwintifj koningen van Naïri vereenigd en versterkt door troepen, die zij van de kasten dor Middollandscho zoo te hunner hulp opgeroepen hadden. Doch Toeklat-1 labal- Asar zegevierde op de vorbondonon. Ilij overwon de Naïriiirs en verwoestte hunne steden.

In hot volgende jaar en nadat hom in den droom do geluk aanbrengende dag was aangewezen, trok de koning togon hot land Aram (Syrië) op, oen dor gewesten, die zijn hoor, Assoer, weigerden te erkennen, Ilij sloeg hot volk der Tsoekhi\'s, vervolgde hen tot Karcheinisch , drong mot lien door don pas en was do eerste Assyriër, die den voot zette op het gebied dor noordelijke Kheta\'s (Hethieten). Deze waren niet meer het machtige volk, dat eenmaal zich als de tegenstander van Kamses III had doen kennen: zij werden thans zonder veel moeite overwonnen. De zegevierende koning trok over den Libanon in hot land van Akharoe. De stad Arvad opende hom bereidwillig hare poorten en loonde hem hare schepen. De zoo was hom nieuw. Ilij begaf zich aan boord van een vaartuig, stevende de haven uit on was niet weinig trotscb oen dollijn mot eigen hand te vellen.

Ofschoon het land, waarin do Assyrischo veroveraar was doorgedrongen, eigenlijk van Egypte afhankelijk was, achtte do pbarao hot niet doelmatig om zich verstoord te toonen. Integendeel, bij zond don machtigen Assyriër krokodillen en nijlpaarden ton geschenke, welke in Azië nooit geziene monsters aan don Eufraat zoo veel opzien verwekten , dat hunne aankomst in do jaarboeken dos rijks werd opgeteekond.

Aan eene der bronnen van den Tigris liet de koning oeno zegezuil plaatsen, mot hot volgende opschrift:

quot;Overeenkomstig hot gebod van Assoer, Samas en Bin, de grooto goden, mijne heeron, heb ik, Tooklat-Habal-Asar, koning van hot land Assoer, zoon van Assoer-Uis-Isi, kuning van hot land Assoer, zoon van Moetakkil-Nebo, koning van het land Assoer, overwinnaar der volken van de grooto zee tot het land Naïri, ten dorde male hot land Naïri ondorworpen.quot;

Op een andoren tocht vorovordo do koning het land Khoomanoo en reisde vervolgens tweo jaren acliteroen (Tialdoa rond. Sippara, liabylon, Oepi (Opis) en andere plaatsen worden verovord en hot land der Tsookhi\'s verwoest»

Mardoen-Idin-Akheh. koning van Babylon, nam welhaast wraak ovor de ondervonden nederlaag. Hij verjo(v^ do Assyriërs, rukte zelfs hun land binnen, veroverde do stad tlokali en voorde do Assyrischo goden daaruit weg, die vierhonderd en achttien jaren te liabylon gevangen bloven.

Na don dood van Toeklat-llabal-Asar I , beklom zijn oudste zoon, Assoer-Hol-lvala, (omstreoks 10!)0) don Assyrischen troon. Doze rukte tegen liabylon op, veroverde do stad liagdada (liagdad) en dwong den koning van liabylon, Naboo-Zapik-Iskoen, om vrede te sluiten.

-ocr page 205-

assyrli\'; (in den uisïorisciien s.voentijd).

Do goodo verstandhouding mot Chaldoa word niot woder onder de boido nicdedingors verstoord, ook niot nadat de tweodo zoon van den veroveraar, mot name Somsi-Wn II, (omstreeks 1070) de regeoring over Assyrie op zich had genomen.

Do zoon van dezen Samsi-Bin II, Assoer-Rab-Amar, (omstreeks lOüOj, geraakte in oorlog niet do voreenigde stammen dor Khota\'s (Hethioten), die hem bij Karchomisch sloegen on daardoor gansch Syriö van do Assyrischo overheersching bevrijdden.

Eer wij do geschiedenis van Assyriö voortzetten, achten wij liet noodig, de geschiedenis van Syriö to behandelon, welks lotgevallen zoo herhaalde mot die van Egypte on Assyriö samentreffen.

187

-ocr page 206-

Verklaring der tegenoverstaande plaat.

1 l\'ürtaalfiguren, in de gedaante van ge-\'vleugolde stieren met mensclienhoof jden, die met tiara\'s bedekt zijn. Af-\' komstig van Khorsabad.

Koning Hennaclierib opzijn troon. Beeldwerk te Nimroed i 7\'lc eeuw vuur Christus). Koning up de jacht. Relief te Nimroed. De bestorming een er vesting. Op den voorgrond twee zwaar gewapende krijgslieden , met helm, schild en speer en met zwaaiden. Relief van Khorsabad. \\ Vazen van glas en albast, den naam Sar-\'gun in keilschrift dragende van Nimroed). Vaatwerk van verglaasd leem, gevonden bij Babel.

Bronzen drinkvat, met een dierenkop. Lamp van aardewerk.

Kleedingstof, in Assyrischen smaak bewerkt Naar een relief te Nimroed. Tafel met beeldwerk, uit Nimroed. l;i. 1 \'ierenkop (leeuw), van eene portaalfiguur, uit .Nimroed l i. S, \\ Allen afkom-

.. iZwaarden. j .■

1.). \' jstlg van re-

10. Krom zwaard. \' liefs te Nim-

17. Tweesnijdende bijl. om 1 rued en Khor-

met twee handen te zwaaien sabad.

I-J

18, Speer.

11). Kuker en pijlen, rijk met kwasten en schilderwerk versierd.

20. Goog

\'21. I )olken en messen,

\'22. (alle drie in ééne

\'23, schede).

i\'i-. Helm en helmkam wapeml krijgsman.

\'2-«, Kond schild van een voetknecht.

\'2(i. Maliënkolder voor de hoogere afdeelingen der ruiterij

\'27. Zonnescherm van Nimroed (in liet British .Museum).

\'28. Gouden oorring.

f; i *

30. ) (jouden armringen van verschillenden

31.1 vorm.

3\'2. \'

33. i Diademen , naar beeldwerken te Khor-

34. \' sabad.

Allen afkomstig uit de reliefs van Nimroed en Khorsabad.

van een zwaar ge-

afbeel-en te Khorsabad.

35. Wandschildering, leeuwen i naar voorstellende. gt; din

30. Versierd fries: schilderwerk.!


-ocr page 207-
-ocr page 208-

SYRIË.

■o landstrokon, din zich van dn zuidelijke voorbergon van den Tauros naar hot zuiden tot do Roode zee en van don Eufraat in westelijke richting tot de Middellaudsclie zee uitstrekken, heetten te zamon Syrië.

In meer beperkten zin verstond men echter onder dezen naam alleen de smalle kuststreek aan de Middellandsche zee, die rhoenikiö heet, benevens hot zuidwaarts van daar gelegen heuvelland Kanaan. Dit land wordt door oen gebergte doorsneden, hetwelk in het noorden bij den Tauros, en in hot zuiden bij hot Sinaï-gebergte aansluit, en waarvan hot middengedeelte den naam draagt van Libanon. ïusschen dezen liibannii en don daarmede evenwijdig loopenden Anti-Libanon strekt zich eone merkwaardige, langgerekte vallei uit, die de Ouden Ceule-Syrië (hot holle Syrië) noemden. Uoze vallei wordt door twee rivieren doorsneden: den Orontos en den Leontos (of Natsana.)

De Orontes ontspringt op don Anti-Libanon en ontstaat door het te zamonvloeion van verscheidene kleine bergwateren, vormt in de vlakte een weinig belangrijk moer, vloeit vervolgens naar bot noorden, keert zich, in de nabijheid van do stad Antiochia plotseling naar het zuidwesten en vloeit van daar als oen bevaarbare stroom, na een loop van in het geheel ongeveer 80 uren, in zee.

De Leontes (of Natsana) ontspringt ovoneens op don Anti-Libanon, en wnl niet ver van de bronnen van den Orontes. Hij vlooit in zuidelijke richting door Ceulo Syrië. Hi\'t bed, dat bij zich gegraven heeft, wordt van lieverlede nauwer, en op zokoro plaatsen naderen de rotsen langs den oever elkander zoo dicht, dat zij eone natuurlijke brug vormen. Hit dozen pas to voorschijn tredende, stort de vlood zich welhaast, na een loop van in het gebool 40 uren, in de nabijheid der stad Tyr (Tyrus of Tyros), in zoe.

liet ruim ligt;(i uren lange Geule-Syrië, hetwelk alleen aan do bovenpanden van de beide stroomen door lago henvelen wordt doorsneden , was in oude tijden een der vruchtbaarste landen op aarde, met koren, wijn on vrnclitboonion van allerlei soort in do grootste verscheidenheid gezegend. De gewesten die dit dalland insloten, waren wat

-ocr page 209-

SVIUË (IN DUN HISTORISCH RN SAOKNTIJl)).

luiiinn gestoldliuid betrui\', onderling zeer vorschoidon. Het uitgestrekte gebied tusschen den Orontos on Eufraat was zoor onvruchtbaar. In hot noordon on westen word hot door het Tauros- on Kliamana- (Ainanos-)gobergte begrensd, waarvan de voorborgen eeno rotsachtige hoogvlakte vormen, met diopo, wjjde, enge kloven, uls bezaaid met rondgetopte, naakte heuvelen, liij deze hoogo streek sluiten zich broede, door woeste heuvelen doorsneden vlakten aan , met een droogen, steenachtigen grond en sloclits weinig door rivieren doorsneden, die allen traag voortkronkelden. Do belangrijkste onder die water-loopon is de Khalos (zoo als Xenophon hem noemt), of Alep, die van hot noorden naar het zuiden afzakt en eindigt in oen zilt meer, met kleine, lage eilanden bezaaid. Een ander doch grootor zont meer breidt zich in het midden tusschen den Khalos en Eufraat uit en is, evenals den plas waarin do Alep uitloopt, zonder zichtbaar afvoerkanaal.

Oostwaarts van den Anti-Libanon strekt zich eene heerlijke, vruchtbare vlakte, het Daniaskonische Syrië, uit, dat door de rivieren Abana en Phaphar en door vele kanalen wordt besproeid. Aan don rand dezer vlakte ven-ijst de op zijne kruin met sneeuw bedekte Hennon.

Het land op den westkant des Libanon\'s bestaat alleen uit eeno door do zee bo-spoeldo, slechts weinige uren breede strook land, waardoor eenige voorbergen van den Libanon zich tot aan de kust uitstrekken. Besproeid wordt deze lange kustzoom door kleine, wilde bergwateren, die zich onmiddellijk van den Libanon in zee storten. Do heuvoiklingen in dit oord vormden eens een waren tuin, waarvan de schoonheid dooide oude schrijvers niet genoeg geroemd kon worden. Op de hoogste terrassen van den Libanon, welk gebergte tot 3000 meters opklimt, groenden destijds heerlijke eiken-, pijn- en cederwouden.

Aan het zuidereinde van den Anti-Libanon en de westerhellingon van den Her-mon, begint het dal van den Jordaan, welke rivier door verschillende bronnen op het laatstgenoemde gebergte wordt gevormd. Slechts weinige uren van haren oorsprong, vormt deze rivier het kleine meer Moron, hetwelk dos zomers tot een moeras uitdroogt, vol riet on bies, te midden waarvan zich volerloi slangen en wilde dieren ophouden. De spiegel van dit meer ligt op gelijke hoogte met de Middellandsche zee, Verderop vormt do rivier het groote meer van Tiberias (of Gennozareth, of wel Kinnoreth) on loopt eindelijk te niet in de Doode zoo, waarvan hot oppervlak 41\'J motor lager ligt dan de spiegel van don oceaan.

De Doode zee hooft eeno uitgestrektheid van l i tot 10 uren lengte en tot 4 uren breedte en beslaat nagenoeg -ü vierkante goographischo mijlen. Zij is haar ontstaan ontwijfelbaar verschuldigd aan eene vulkanische uitbarsting, die, volgens oude overlevoringen, onder andoren de steden Sodom en öomorrha heeft omgekeerd en in de diepte verzwolgen. Eondom hei meer vindt men zoutrotson, benevens zwavel en andere vulkanische voortbrengselen. Het water van dit eenzame, sombere moor bevat zoovele zoutdeelon, dat geen visch daarin levon, geen watervogel zich daarin ophouden kan. In de diepte van het waterbokken vormt zich, op welke wijze weet men niet, asphalt, hetwelk in groote stukkon op de oppervlakte drijft. Deze harssoort word veel naar Egypte uitgevoerd, waar zij by het balsemen der lijken werd gebezigd. F,ene IM meter hooge zoutzuil draagt nog tegenwoordig den naam Lot\'s vrouw, welbekend uit hot IJijbelsche verhaal.

Het Jordaandal, van het moor Moron tot aan liet meer Tiberias, is, ovenals de Doode zee, door vulkanische krachten ontstaan en weinig meer dan eene diepe kloof. Daarentegen waren de omstreken van het Tiberiasmeor oen vruchtbaar, liefelijk landschap. Ditzelfde is

191

-ocr page 210-

lt; I EÏl/tiUSTKK Kli I)K H\'KllKl,l)(iKsClI lKI)HNIS.

liut mut dn oorden mill lii\'t bonodnnpand van den Jordaan, vóór liij zich in do

Doodo zoo stort. Do omtrek van Jcricho is onn heerlijke tuin, waarin allo vruchten mot bijna tropische weelde tieren. Hot bed van den Jordaan is zelfs in do iieetsto zomers met water gevuld, hetgeen met de meeste andere stroomen van dit land geenszins het geval is.

Zuidwaarts van de Doode zee is eeno voortzetting van do Jordaan vallei, doch /.onder de rivier. Dit dal gaat door tot aan de Ifoode zoo en kli.nt daarbij allengs omhoog tot ongeveer 500 motor boven het vlak van \'t meer.

De gesteldheid des lands oost- en westwaarts van den Jordaan is buitengewoon verschillend. In hot oosten verrijzen de oevers tot oene hoogte van ongeveer 1000 motors en vormen dan eeno zachtgolvonde hoogvlakte, doorkronkold door de zijrivieren van den Jordaan en eenigo andere waterloopen, die in de Doodo zoo hun einde vinden. In weerwil nochtans van die stroornen en stroompjes, wordt dit oord slechts weinig vorfrischt, want do veelvuldige zaidewinden droogen den bodem uit, en regen valt slechts uiterst zeldzaam. Onder de rivieren dezer streek zijn de aanzienlijkston de Jar-mook, do Jabok en de Arnon. Het treurigste is hot land in de nabijheid van de Doode zee, die haar naam bijzonder wel verdient.

I Iet land op de westzijde van den Jordaan is vol ronde, steenachtige toppen van bergen, wier hellingen nochtans zoowol granen als olijf- en vjjgoboomen dragen. Een weinig zuidwaarts van het moor Gennozareth zondert zich van het hoofdgebergte een arm af, die den naam van Karmel draagt, en welks rotsig voorgebergte steil naaide Middellandsche zee afdaalt. Noordwaarts van den Karmel breidt zich eene vruchtbare hoogvlakte uit, onder den naam van Galilea bekend. Meer naar hot zuiden wordt de knslzoom vlakker en broeder. Men hoeft hier langs do zee oen duinlandschap , met weelderige velden, en de daar gebouwde steden (Gaza, Joppe en Asdod) worden ingesloten door kostelijke boomgaarden. Tusschon do zuidelijke holling des Karmel\'s en de kust bij Joppo vindt men de vlakte Saron, benevens Samaria of Kfraïin, een rijk door water besproeid, vruchtbaar land. Doch tusschen de Doodo en do Middellandsche zeeën is nagenoeg alles woest, bergachtig en door kloven gescheurd, zoodat alleen ingespannen vlijt den steenachtigen grond koren on vruchten kan ontlokken. Hoe verder men naar het zuiden komt, des te droeviger is hot aanzien des lands. Do dalen hebben geen water, en de door de zon en de woestijnwinden uitgedroogde volden worden slechts schaars met groen overdekt. Eindelijk volgen zandige vlakten, dio zich tot de bergen Seïr en Sinaï uitstrekken.

De gesteldheid van elk land oefent steeds op de ontwikkeling van het volk dat er zich gevestigd hoeft, een beslissondon invloed uit. Zij was echter in Syrië moer verscheiden dan in nagenoeg eenig land ter wereld, en van hier het grooto verschil, dat wij ontwaren in hot karakter dor volken, dio dit betrekkelijk kleine land bewoonden, iiiettegenstaando zij al te gader mot elkander vermaagschapt en hoofdzakelijk van Seinitischen oorsprong waren, zooals reeds uit de overeenkomst der talen is af te leiden.

De ingezetenen van het kustland, wier woonstede hen tot scheopsvaarders en koop-|[eden vormde, moesten uit dien hoofde spoedig een ander karakter aannemen dan de andere volken, dio vruchtbare, afgesloten valleien en do zoomen daarvan bewoonden, welke als van zeiven tot het aankweeken van allerlei kruiden en gewassen nitnoodig-den. Nog anders moest do ontwikkeling zijn van volken, wier land geenszins voor den landbouw geschikt was, wijl dit slechts tijdelijk met gras en kruiden werd getooid. Zij werden herders. De in de woestijn lovende stammen eindelijk, wier gronden geheel onvoldoende waren, om hen door landbouw of veeteelt te voeden, gingen er

-ocr page 211-

SYlUE (iN KUN HISTOftlSCllPN SAORNTUü). 193

licht too over, om zich hot ontbrokendo voor imn iovonsonderhoud door het boroovon linnner iiabucon te verschaften.

Van do oors|ironkelijke bewoners van Syrië, dat wil zeggen van do volken die het land in den vóórliistorischon tijd bewoonden, hebben wij niet dan karige berichten, hoofdzakelijk in de schriften en overleveringen dor uit Egypte teruggekeerde Hebreërs. Die traditiën schetsen de in het land gevonden overblijfselen der oorspronkelijke bevolking oj) hoogst zonderlinge wijze, doorgaans als reuzen , zooals quot;de kinderen Anak\'s die in do bergen aan de Doode zee hunne woonsteden hadden en bij vvion vergeleken de overige monschon naar quot;sprinkhanenquot; geleken. De Kaphaïm (reuzen), de oude meesters dos lands, bericht de sage, waren vreeselijke monsters (emirn), die ter nauwer-nood eene monscholijke taal spraken.

Met deze Koshieten , die eeuwen vóór do Israelieten het land langs de kusten bezet hadden , ging hot eveneens als met de Ghaldoörs, die in don waan vorkoorden altoos C\'hal-deërs geweest te zijn, en wier oudste overleveringen zelfs niet het minst aangaande hun oorsprong vermeldden. Ook de 1\'hoenikiërs die wij later nader zullen loeren kennen— hielden zich voor de oorspronkelijke bewoners (autochthonen) , hoezeer de sago van hunne komst aan de Syrische kust niet geheel verloren was gegaan , daar de groote (Iriekscho geschiedschrijver Herodot mededeelt, dat de Phoenikiërs van de Roede zee derwaarts waren gekomen.

Hoe uitlokkend en betrekkelijk belangwekkend het onderzoek moge zijn naar de afkomst en vermaagschapping der verschillende volken die Syrië ten tijde van het eerste historische schomerlicht bewoonden , zoowel voor de ethnologie en ethnographie als de andere hulpwetenschappen dor geschiedenis, achten wij het niet gepast, om ons verder daarin te verdiepen, on dit te moer, omdat de, hypothesen, die in betrokking hiertoe door do geleerdste mannen zijn gesteld, aanmerkelijk uiteenloopen. Geen wonder, want het is blijkbaar, dat de nieuwe volksstammen die hier hunne woonsteden zochten, de eono meer dan do andere, een deel der oorspronkelijke bevolking in zich opnamen, terwijl Syrië daarenboven beschouwd moet worden als eene verbindingschakel tusschen het Oosten en het Westen, tusschen groote, welafgeronde, machtige ryken, wier botsingen met elkander telkens nieuwe stroomen volks naar Sy rië voerden, die sporen van hunne aanwezigheid nalieten en daardoor de vraag naar afkomst en verwantschap nog ingewikkelder maakten.

Wij doelen do Syrische volkon in drie verschillende groepen; Aramaniërs, Kana-nieten en Terachieten.

De Aramaniërs bewoonden Aram (het bovenland), dat wil zoggen, dat gedeolto van Hyrki, hetwelk noord- en oostwaarts van den Libanon ligt. De volkplanters die van de oevers van don Kufraat der.vaarts kwamen , zetten zich bij voorkeur neder in het bergland van Noord-Syrië en op de oostelijke hellingen van den Anti-Libanon, tusschen le\'t, gebergte en de woestijn, ofschoon nog ettelijke andere stammen verder gingen, zooals langs do zuidkust van Klein-Azië, tot Lykië. In Aram vormden zich allengs twee middelpunten der bevolking, het eene in Noord-Aram , tusschen den Kufraat en den Amanus, het andere in het Damaskenischo Aram , rondom de groote stad Damas (Damas-kos, Damascus). Luidens de llebreouwscho overlevering, was Damas door Oez, den zoon van Aram en achterneef van Noach , gesticht.

Het Noordelijke Aram was voor de oude maatschappij in het Oosten van groot belang, want daardoor liep de groote handelsweg van Chaldea naar Kgypte. Zeker ware de weg van den lieneden-Kufraat en de Perzische golf door de woestijn, langs de

I. 13

-ocr page 212-

0«ïl,l,USTItEKKDK WKIIKI.DGESCIIfEDRXTS.

Doodf zoo i\'ii het JunlaaiKliil iiador geweest, maar du mooielijkhcdon en gevaren daaraan verbondon . noopten de karavanen om aan de heerbaan door do dalen van den Orontes en Leontos de voorkeur te geven.

De volken die op beide zijden van dezen handelsweg woonden, wisten do voordeeion daarvan zeer wel te schatten on zich ten nutte te maken. Zij hadden de voordon en bruggen door en over do stroonien, evenals do passen, in hunne macht en legden in de nabijheid daarvan vestingen aan om meesters van den doortocht te blijven. Do zuidolijkste dier sterkten was Thapsakos, do noordelijkste Samosata, en midden tusschen heiden lag Karchemisch. Do weg over Samosata, aan den ingang van het gebergte, werd weinig gebruikt, daar hij langer was dan de anderen, en over Thapsakos ging men niet gaarne, daar men dan de woestijn met hare roofzuchtige bevolking te dicht naderde. Men koos alzoo veelal den weg over Karchemisch, welke plaats in eene over het geheel door beschaafde lieden bewoonde streek lag, slechts eenige kilometers van den Eufraat en in de nabijheid van eene bron, waarnaar do stad later Mabog werd gebeeten. Dit Karcbemisch werd spoedig rijk en eene beroemde handels- en bedevaartsplaats waar de feesten ter eere dor godin Atargath gevierd, steeds eene grooto menigte deden simenstrooraou , en uit dien hoofde alle jaren belangrpe markten werden gehouden.

De (Irieken verwisselden deze aanzienlijke stad nu en dan met Niniveh en schreven hare stichting nu eens aan Semiratnis, dan weder aan Deukalion, aan den Lydiiir Attes, of wel aan god Dionysus (Bacchus) toe. üe Syriörs uit don christelyken tijd zeiden, dat de stad ton tijde van Klias, door twee magiërs, den ïhrakiör Orpheus en den Pers Zoroaster, was gebouwd.

Zuidwostwaarts van Karchomisch lagen do steden i\'adan (liatneh) en Khalop (Alep), en zuidwaarts van deze beiden vond men het land Aram-Tsobah, hetwelk zich tusschen don Orontes en Eufraat en tot de hellingen van den Anti-Libanon uitstrekte. De hier wonende stammen vormden de verbindingsschakel tusschen do bevolking van Noord- en van Zuid Arain. Üamas, hetwelk een weinig van den grooten handelsweg verwijderd lag, had in die oude tjjdon geenszins de belangrijkheid welke het later erlangde. Niettemin maakte deze stad het middelpunt uit eener streek, waarvan de bekoorlijkheid als onovertroffen wordt geschetst. Zij ligt meer dan 17U0 meter boven de oppervlakte dor zee, en wie uit de naburige, door de zon geblakerde woostyn derwaarts kwam, moest zich in een paradijs verplaatst gevoelen. Do heerschappij van Datnas strekte zich uit over al de steden en dorpen in de vlakten en dalen des Hermon\'s, over Abila (de wijnstad\'), over Kholbon on over andere districten, die in het Boven-.lordaandal lagen. Dit land noemde men Zuid-Aram.

De stammen die Kanaan — dat is hot Nederland — bewoonden , splitsten zich spoedig na de verovering dezer gewesten in twee groepen. De eene bezette de binnenste dalen van den Amanos tot aan het gebergte Seïr, benevens het land, dat zich zuidwaarts van den berg Karmel tot aan de, woestijn en do Kgyptische grenzen uitstrekt. De andere groep bewoonde den kustzoom tusschen den Karmel en den mond van den Orontes langs de Middollandsche zee en den Libanon.

| )i. \'IVrachieten \'\'indelijk bewoonden de woostyn. Zij warwi moerendeols rondtrekkende nomaden, Dedoeïnonstammen, die, behalve hun gewoon beroep, ook het rooven als oen middel van bestaan uitoefenden, zoodat do Egyptenaars hen, en terecht, quot;She\'s\' of quot;SjasoeBquot;, dat is plunderaars noemden. (Vergelijk bladz. 85). Zij zwierven bestendig langs de grenzen der gezeten volken heen en weer, en zelfs Oule-Syrië en de kust-landen ten noorden van len Karmel waren voor hunne razzia\'s niet veilig.

104

-ocr page 213-

SVUIË (.IN DKN HISTOHTSCHEN sAflKNTIJI)).

Onder duiw Toracliioten nainon do Aiiimoiiioten «eno oorsto plaats in on botwistton mot ili\' wapons in do hand langen tijd den Amorioten hot bezit dor landen ten noorden van don Anion. De Moabieton woondon ton zuiden van deze rivier en aan do lïoode zne. Hmino naburen waren de Edomieton, wier voornaamste woonsteden rondom don berg Seïr lagen. Zij waren voortdurend in strijd gewikkeld met do Bedoeïnon van do Arabische woestijn, de Amalokieten.

Noch de bewoners van Aram noch de Torachieton hebben voor do weroldgoschicdenis boteokenis vorkregen. Doch dit is wel, on zelfs op hoogst belangrijke wijze, hot geval met do Kananioten , van welken zoowol de eene als de andore groep, grooten invloed, ofschoon zeer verschillend, op do beschaving heeft uitgeoefend.

In de geschiodonis van Egypte staan de oorlogen vermeld, dio do pharao\'stegon de Kananitische volken t(,\' voeren hadden. Do geschiodonis dor Israëlieten zullen wij later uitvoeriger behandelen, on thans slechts bet een en ander otntrent die natiën mede-deelon, welke vóór do aankomst der Hebreen hot binnenste van Kanaan bewoonden.

Deze tusschen den Amanos en de noordpunt der Doodo zee gevestigde volkoren maakten verschillende stammen uit. Do belangrijkste van allen in het binnenland waren de llethioten, dio zich in Noordelijke on Zuidelijke Hethieton smaldooldon. Dio van hot noordon zijn de ons uit do Kgyptischo historie wolbekende Kheta\'s. Zij bozotten de hollingen van don Amanos, op de eene zijde tot den Orontes, op de andere zij do tot don Tauros. Vóór het optreden van deze Kheta\'s vermeldt de Egyptische geschiodonis een in Noord-Syriö machtig volk, do Koeten of Koetenoes, over hetwelk koning Thot-mes III zegevierde. Hun naam ging echter te loor, en do macht door hen bezoton , kwam aan do Kheta\'s.

De andere groep der Hothieten had hare woonplaats meer zuidwaarts, in liet bergland op de westzijde der Doodo zee. Zij beheerschto een tijd lang de oorden aan don Midden- Jordaan, doch verloor allengs hare macht en handhaafde zich slechts mot moeito in do streek van Hebron, daarin geholpen door de woestheid des lands.

Na de Hothieten waren do Amorioten het belangrijkste volk dezer oordon. Zij waren iine manhafto natie, die do hoogvlakte oostwaarts van den Jordaan bewoonde on daar twee koninkrijken had gesticht. Hot noordelijke, tusschen don Hormon en don Jabbok, gronsto aan het, Damaskenische Aram, on zijne hoofdstad was Edroï. Het znidolijko Amoritische koninkrijk lag tusschen den Jabbok en den Anion, en zijne hoofdstad was Khesbon.

Men stam der Amorieten was tot het Orontosdal voortgedrongon en bezat hot belangrijke, aan den grooten handelsweg gelegen en uit de geschiedenis var Egvpto Iquot;\' kende Kadesh (niet te verwisselen met oen ander Kadesh, dat noordwaarts van het Tiboriasmeor werd gevonden).

Nog een andero Amoritische stam woonde aan de zoo, tusschen Ekron en .loppe, on een derde bjj Joboes, rondom don berg Moriah, weshalve deze Kananieten ook ,lo-boesioten genoemd worden. Hij Sichorn en zuidwaarts van Ihdiron woondon zoo talrjjko Atnorieten, dat men naar hen do hoogten aan de Doodo zoo de Amoritischo borgen noemde.

Do Hovieton (Khovieton of Avioten) woonden in de dalen van den I!oven-Jordaan i\'ii don Leontes (Natsaiia), en luiiino iiodorzettingeii strekten zich noordwaaris tot Hamath \'\'ii zuidwaarts tot hol land Kdom uit.

Do minder aanzienlijke (lirgozenen woonden of oostwaarts van den Jordaan, óf in di\' nabuurschap dor Karta\'s, de noordoljjko liet bieten.

-ocr page 214-

1 ilt! oi\'iïIjLustrekitni; wkiirli«;i;sc11rkdi:nis.

üoch w(31k1oii wij ons nu tot do Kananieton der kust, en wol hot eorst tot Imn, dio do stronk van do Landengte van Suez tot op dn hoogte van Joppo aan de Mid doliandscho zee bezet haddon ; de Filistijnen.

Ton aanzion van don oorsprong van dit volk is men het niet eens. Hun naam, l\'lishti, beteokont vreemden, landverhuizers of reizigers; doch van waar zij kwamnn, weet men niet mot zekerheid. Het is echter hoogstwaarscliijniijk, dat zij van eon eiland kwamen, wellicht van Kreta ((Jandia), daar zij door de ilobreeuwsche schrijvers meermalen Krethi gonoctnd worden, llotgene wij uit do Egyptische geschiedenis van hen weten, is, dat zij tot die stammen behoorden, welke onder liarnses lil Egypte aantastten. Over wonnon geworden, gavon zij boven andere uitwegen, do voorkeur om in don dienst van dezen pharao te treden. Hjj hunne onderwerping ontvingen zij van dien heerscher verlof om zich in Zuid-Kyrië neder te zetten, wijl het voor dnn koning van belang was, in dio streek een volk te hebben, op hetwelk hij meende zich meer to kunnen verlaten dan op do Semieten, met wien zijne voorvaderen. Se tos I en Ramses II, di\' steden aan de zuidelijke .Syrische kust, b v. Gaza, bezet hadden.

Do Avvim, die in dit land woonden, boden don Filistijnen niet veel wederstand. Ramsos\' beschermelingen veroverden de vijf steden Gaza, Askalon, Asdod, Ekron en (lath en vermengden er zkh met de ingezetenen, wier taal en goden zij tot do hunnen maakten. Even als deze, vereerden zij inzonderheid Dagon en Derketo, de quot;vischgoden van Askalon.quot; De oorspronkelijk Semitischo inwoners vormden do grooto menigte des volks, terwijl de afstammelingen der door Ramses III gezondon kolonisten de militaire aristocratie uitmaakten.

De vijf steden vormden een verbond, doorgaans mot Gaza aan het hoofd. Elk dezer steden, werd door een militair opperhoofd, neren geheeton, bestuurd. Te Gaza waar het oorspronkelijk Kananitische element do meerderheid uitmaakte, werd de waar digheid van seren erfelijk, en de seren noemde zich nielech of koning. Een gemeen scliappelijko raad besliste ten aanzien der algomeene aangelegenheden, even als over oorlog en vrede. Hunne hoofdmacht bestond in strijdwagens on boogschutters, wier vaardigheid bij do Israëlieten tot eeH spreekwoord word.

De Filistijnen waren een woelziek, strijdbaar volk , dat niet alleen krijgstochten ti\' lande, maar ook te water ondernam. Van hunne krijgstochten togen de Israelieten zullen wij later spreken. Moer smaak dan voor den oorlog te lande schenen zij voor don zeeroof te koesteren, en hunne vaartuigen, vooral die welke van Askalon ofMaioe-mas, de haven van Gaza, uitliepen, werden zelfs gevaarlijk voor de Phoonikiërs, zooals wij later zien zullen,

Van de Filistijnen (of i\'hilistijnen) is de naam Palestina afgeleid, daar bot woord l\'hilistina (het Land der Filistijnen) allengs op deze werd wijze verbogen en later op geheel Kanaan toegepast.

-ocr page 215-

PHOENIKIË C\'FVMC/K, POK.\\I!•:quot;).

godsdionst disr Ouden, ofschoon van niot gering belang voor de besclui-fcv? ving dor volken, daar do priesters door hun stand genoopt wurdon om I konnis te vergaderen en kennis te verspreiden, had het nadeel, dat deze bron van troost en bemoediging de natiën verdeelde en als vijanden tegenover elkander stelde; de ijver om te bekeeren heeft maar al te vaak meer tot gruwelen dan hetaan-kweeken van broederliefde geleid.

Men grooter voordeel met betrekking tot de beschaving bracht de koophandel, en in zekeren zin ook de oorlog, voort, welke laatste, hoe jammerlijk ook, do volken bjjoon-voerde, hen noopte andere streken op te zoeken on met nieuwe behoeften bekend maakte. Hoch, wat ook ten gunste van oorlog, vervolging, verdrijving en aanleg van kolo niën in minder beschaafde binden aangevoerd moge worden, de vruchten daarvan kwamen Zelden het levonde geslacht, doorgaans eerst aan verre nakomelingen, ton goede. I)e zegeningen door den handel aangebracht, sproten woliger op, werden niet door zoo bloedige offers gekocht.

Over den oorsprong des koophandels, meer te zeggen dan in den Fvur/wJ\' OAwA/.. 17) h verhaald, is nauwelijks noodig. Dit verkeer bleef duizonden jaren ruilhandel. Wal dal wil zeggen, behoeft niet verklaard te worden: het, blijkt uit den naam. Dat een zoo-ilanige handel zeer omslachtig was en door grooto moeielijkheden werd vergezeld, ligt voor de hand, en in zijn oorspronkelijken vorm was hij nauwelijks op ruime schaal te ilrijven. Dit vond b. v. plaats, wanneer oen land dat weinig koren voortbracht, de lie needigde granen uit gewesten met, rijke korenakkers moest ontbieden, en deze laatsten do overvloedige voortbrengselen van bet aan koren anno land niet noodig hadden. Om derhalve oen zoödanigen handel gemakkelijk, of slechts mogelijk, te maken , moest men bedacht zijn, iets te verzinnen, wat de prijzen der waren met elkander in overeen-stomming kon brengen, namelijk voorwerpen, die voor allen even bruikbaar waren en uit dien hoofde overal wérden gewild. Zóó kwam men aim geld.

Wy verstaan under gold doorgaans gemunt metaal, of wel oene andere op zieh zelve waardelooze grondstof papier — waaraan onder een zekeren waarborg, b. v.

-ocr page 216-

lil-ïl.l.rsTHKKRKK W Hlti;i,U(}i:SCHII\'l)i:NIS.

van don staat, eeno bopaaldo waarde wordt toegokend. Maar in zoer oxide tjjclen, oven alu tegenwoordig nog in volo streken, werden zekere voortbroDgselen, zooals diorvollon bij jagersvolken , vee bij landlieden, schelpen bij kustbewoners, zout, thee, tabak en derge-iijken als koershoudend betaalmiddel uitgegeven en ontvangen. Welhaast editor vond men in do metalen oen beter middel om af te rekenen , vooreerst omdat zij niet bedierven, overal konden gebruikt worden en geen to grooten omvang, bij een bezwaarlijk transport van groot belang, bezaten. Lang woog men elkander het metaal too, maar eindelijk vervaardigde men munten, dat is men sloeg geldstukken van eetie bepaalde zwaarte, wier echtheid door een daarop geplaatst stempel word gewaarborgd.

In den oudsten tijd werd de koophandel alleen te lande, met de hulp van lastdieren, gedreven en was uit dien hoofde hoogst langwjjlig, kostbaar en vol bezwaren. Vervolgens nam men vaartuigen to baat, doch ten gevolge vau de geringe vordoringon in de zeevaartkunde en bare hulpmiddelen, bleef deze handel in de oudheid hoofdzakelijk kustvaart en liijna uitsluitend tot de Middollandsche zee beperkt, want, ofschoon enkele zeevaarders. door ondernemingsgeest en hoop op winst geprikkeld , zich verder waagden, behoorden dergelijke ondernomingen tot de zeldzaamheden.

De ruilhandel van beschaafde volken met wildon werd op dezelfde wijze gedreven als dit nog lieden ten dage op vele plaatsen het geval is. Door dit verkeer leerden woeste volken nieuwe behoeften en nieuwe zoden kennen, en daar men in oude tijden or zeer ver af was om zoo snel te reizen als tegenwoordig on niet altoos voortbrengselen voor den ruilhandel kon aanvoeren, logden volken die zich met hart en ziol op don koophandel toelegden, overal waar het hun doelmatig scheen, factorijen en volkplantingen aan, waardoor het verkeer zich tevens meer en meer uitbreidde.

Welken gang de ontwikkeling des koophandels in de oudheid nam, welke wegen hij insloeg, welke moeieljjkhoden hij te ovorwinnon had, en hoeveel de maatschappij aan dezen tak van volksvlijt te danken heeft, vindt men in tal van bijzondere werken, die dit belangrijke onderwerp met de noodige uitvoerigheid behandelen. In deze wereldgeschiedenis moeten wij ons met enkele aanwijzingen vergenoegen en het don lezers overlaten om uit onze verstrooide mededeelingen zeiven besluiten te trekken.

De l\'hoenikiörs waren het meest ondernemende volk van kooplieden in dit tijdperk, de ijverigste verspreiders der beschaving en in dit opzicht het moest belangrijke volk der oudheid.

Over den oorsprong van hun naam waren verschillende traditiön in omloop. Eono daarvan leidt die af van een stamvader, die Phoenix, Feuniks of Feniks zou geheeten hebben en een zoon van Agenor geweest zijn. Volgons eono andere sayo, is de naam afgeleid van het woord l\'hoenikes of Feunikes, quot;het roode volk,quot; hetzij omdat deze stammen van de iioode zoo kwamen, hetzij naar hunne huidkleur, of wel naar de purperfabrio-ken, die zij in al hunne volkplantingen aanleiden. Weder andere overleveringen vinden in l\'hoenix den naam van den palmboom, zoodat l\'hoenikië quot;het land dor pal menquot; zon beteekenen. Wij kunnen ons over zoo verschillende traditiön en verklaringen niet verbazen, daar do l\'hoenikiörs zeiven ten aanzien van hunne afkomst niets wisten en zich voor de oorspronkelijke bewoners (autochthonen) van het door hen bezette land hielden. Vroegere Nederlanders hebben don naam van dit volk meestal Fonieiörs geschreven, doch gaven te zolfder tijd aan do Karthaagsche l\'hoenikiërs don naam van Puniërs of l\'oeniërs, spraken althans van Punische oorlogen. Wij houden ons aan de benamirg. welke den naam dien zij zich zeiven gaven, het naast komt.

Met zekerheid weten wij thans, dat al die medegedeelde naamsalleidingon valsch

19S

-ocr page 217-

IMIOHMKIK (IN DKN HISTORISCIII\'.N SAGÜNTIJI)).

zijn, en do naam Phoenikiörs nint.s anders is dan oen vorlengdo vorm van Phoon, l\'1oon, Pouiii, Feuni of Pooni, door luinno Koshitischo voorvaderen gedragen , toon deze neg kun vaderland aan do Perzische golf bewoonden , den naam dien zij op al hunne volkplantingen overbrachten.

Zooals wij vermeld hebben , gaf do verhuizing der Pooni\'s van hunne heilige eilanden Tvr on Arad aanleiding tot den inval der llvksos in Egypte. Men moet derhalve aan-iioinon, dat de Poeni\'s zicli omstreeks liet jaar Ü l 00 of 2000 vóór Christus aan do Svrische kust nedorzetton. Toon Thotmes l, meer dan vijfhonderd jaren later, in Syrië viel, bezaten zij roods aan dozo stranden groote en bloeiende koopsteden on waren slim genoeg om geen tegenstand te bieden, maar zich oeno schatting te laten welgevallen. Daaraan gaven zij do voorkeur boven een bloedigen oorlog, die waarschijnlijk voel ineor gekost en daarenboven hun koopliiindol grootelijks benadeeld zou hebben.

Wij hebben gezien . dat de Pooni\'s reeds aan de tfolf van Perziö stoute en ondor-neniende zeevaarders en kooplieden waren. Dit zette hen ongetwijfeld aan om eene kust tot woonplaats te kiozon , wier gesteldheid allergunstigst voor don aanleg van havens was. Er ontstonden talrijke bloeiende steden, waaronder wij, aan hot zuiden begin-neiido, do volgenden noemen: Ako of Akka (St. Joan d\'Acro), Oos, Tyr, Sarepta, Sidon, Beroeth, Dsjebel of Gebel, Arka, Sinna, Botrys, Tripolis, Simron, Somyra, \\rad, Marath, Karno en Paltos.

Ten tijdo van Thotmes Til hadden de inwoners van Arad en Simyra zich laten verleiden aan don opstand dor Eooten togen de Egyptische overheorsching deel te nemon. Daarvoor werden zij zwaar getuchtigd en moesten voel leed verduren , terwijl de steden, die den Egyptonaron trouw waren gebleven, zooals Dsjebel, Beroeth, Sidon en Tyr, de vruchten van hare afwachtende houding genoten. Daardoor toch bekwamen zij hot voorrecht, om don koophandel tusschen Egypte on andere landen te drijven.

De inwoners van dozo steden, of een aantal van haar die zich hiertoe voreenigd hadden, vormden kleine, van elkander onafhankelijke staten, t. w. dio van Sidon, Dsjebel, Arka, Sinna en Simyra,

In de oudste tijdon was de blooiondste on machtigste van allen do stad dor Dsjo-bliten, welke zekere opperhoersohappij over de overige Phoenikiörs uitoefendon. Zij luidden twee koninkrijken, dat van Dsjebel en dat van Beroeth (door de Grieken Byblos geheeten). Dsjebel was, in oen verwijderd tijdperk, eenige uren van de zoo, op den noorderoever van den Nahr-cl Kelb, en, zoo het boette, door god El aangelegd. ■Men zag nochtans spoedig de dwaling van dien god in en logde aan de kust, nabij de rivier den Adonis, eene nieuwe stad aan, die numroveneons Dsjebel of Crobel noemde.

Beroeth (Berothab , of iierythos, tegenwoordig Beirooth), hetwelk eveneens aanspraak maakte om door god KI gesticht te zijn, heette do bronnenstad en lag aan het einde der vruchtbaarste vlakte van gansch l\'hoenikiö, in de nabuurschap van don riviermoml des Lykos\' (tegenwoordig Nahr-d-Kolb).

Aan het gebied van Dsjebel en Beiroeth, dat juist niet groot Was, paaldo dat der Sim y renen, en aan do andere zijde van hot gebergte, aan den Midden-Orontes lag do prachtige stad llamath. Al deze kleine koninkrijken en hunne steden gingen in don loop der tjjdon to gronde, zoodat men geon spoor meer daarvan vindon kan.

De luister der Dsjebliten verdoofde van lieverlede voor hot snel in bloei toenemende Sidon. Ilot was voor onheugelijke tijden door god Bid (don Agenor dor Grieken) aangelegd op de noordelijke helling van een klein voorgebergte, dat in Zuidwestidijke richting vooruitspringt, Sidon, dat zich den naam bjjlegdo van quot;oorstgeborone van

199

I

-ocr page 218-

(i HÏI.I.ISTUKKIIDK WHIlHI.IXiKSCIl I IODUNIs.

K\'iinaan , was oorsjirtmkolijk con visschnrsdorp on godurende langon tijd onbetookcnond, in vorgnlijking mot Dsjobel, Bóroeth on Tyr (of Tyrus), quot;dio tezelfdor tijd van Üd hot aan/ijn ontvingen,quot; Maar Sidon had eeno voortroffelijke haven, gevormd door oono lage rot.skoton , dio zich van hot noordoiijko uiteinde dos Mchiereilands oehige honderd motors vor evonwijdig met de kust in zoo uitstrekte. Do stad werd naar de landzijde door ecno vlakte ingesloten, door den Bostrehn (Nahr-el-Analy) besproeid, eon oord mot heoriyko tuinen , welke deze plaats den naam van het bloemrijke Sidon verschaften. Het tot do stad bohoorende gebied paaldo in hot noorden, waar do Tamoor de grons vormde, aan het koninkrijk Borooth, on naar het zuiden liep hot tot aan den mond van den Loontes (Natsana), waar het gebied van Tyr bogon.

Arad, in hot noorden, en Tyr, iu het zuiden, waren do beide voornaamste mede-dingors van Sidon.

Arad lag oj» eon klein rotseiland, togonover den mond van den Mouthoros (Nahr-cl-Kchir). Het grondvlak was zeor beperkt, uit welken hoofilc do huizen dicht o)) een godrongon stonden, allen ettelijke verdiepingen hoog. Fioo voordoolig deze ligging in vlr opzichten was, halt;l zij toch eon groot gebrek: hot eiland had geen drinkwater, hi\'iiiilvi\' dat hetwelk men in regenlwkken vorzatnolde. In tijd van nood had inon t^venwel nog eone andere hulp «\'ii kon zich bronwater verschaiïen, ofschoon tiiet dan mot giT)ot(! mooiti!. Kene zoodanige bron vond toon namelijk in de straat, dio destijds hot i\'ilanil van don vasti\'ii wal sclwidde, beneden don waterspiegel der zoo. Duikers ovlt;\'nli\'kti\'ii dan de liron met fi\'iin zware loodon klok , waarin eone lederen slang uitliep. Op \'lezo wijze pompte men led. water omhoog en bracht het binnen de muren. De

200

-ocr page 219-

1\'iiOENiKii: (rs nr.n iiistorisOhen svr.KN\'i\'ui)).

voornaamste haven dor stad maakte oon deel van hot bod van don Klonthoros uit.

Tot Arad behoorden do daartegenover op het vasteland liggende aanzionlijko stodon Karno en Maratli , verder naar het noorden Gabala en L\'altos, en naar het zniden Simyra en hot daaraan onderworpen gebied. Ook Hamath, aan den Orontos, was oon tijd lang aan Arad onderdanig.

Wij hebben reeds vroeger medegedeeld, dat do Koshieten aan de IVrzischo golf hnnno hoiligdommen, en waarschijnlijk ook do magazijnen waarin zij bunno kostbaarste waron opstapelden, gewoon waren op eilanden te bouwen. Wij zien, dat hunne nakomelingen, do l\'hoenikiërs, volkomen dezelfde, handelwijze volgden, overal waar zij eilanden bij havens aantroffen.

Ook hot na Sidon beroemd geworden Tyr (Tyros, Tvrus) was voor het hoofdgedeelte cone stad op eilanden. De overlevering omtrent den aanleg van doze stad luidt als volgt: In do alleroudste tijdon, toen do wereld nog jong was, en do goden onder do monschen leefden, bouwde Sainomroem, op het vasteland, zuidwaarts van den Leon-tesmond, cone stad van bies en riet, en zijn broeder Isoos, do corste zeeman, richtte op oen der rotseilanden , die in de nabijheid en dicht bij het land lagen, heilige zuilen op. Vervolgens, in het jaar 2750 vóór Christus, volgens do aanduiding der Tyrische priesters, kwam Melkart (de Tyrische Hercules) naar dit oord, bouwde op oen dezer eilanden een tempel en vernieuwde do stad op den vasten wal, door het bouwen met hechter grondstoffen dan riet en lies. Deze traditie der priesters kan zeer wel op historische grondslagen rusten , want de opgegeven tijd stemt nagenoeg overeen met dien van don inval der herdervolken in Egypte, welke, zooals wij aantoonden, oenigormato door de volksverhuizing der 1\'oeni\'s veroorzaakt werd.

Tyr bestond uit twee doelen. Op hot eiland verrozen de tempels en do tuighuizen, terwijl do oude stad (Paleo-Tyros) zich op het vasteland uitbreidde. Do eilandstad had geen ander drinkwater dan dat hetwelk in regenbakken was Vergaard of wat de inwoners in waterschuiten van hot vasteland lieten komen.

Hot gebied van Tyr strekte zich tot aan het voorgebergte Karmol uit.

Sidon verloor zijn aanzien hot eerst toen zijne vloot door die der Filistijnen, welke do soren van Askalon aanvoerde, geslagen on do stad zelve veroverd werd. Dat verschrikte do kooplieden van Sidon ten hoogste. Een zoodanig geval toch kon zich horhalen , on velen van bon, op wion weer andoren volgden, lioton voor zich kostbare buizen op do eilanden van Tyr bouwen, waar zij hunne schatten oordeelden veiliger to zijn. Daardoor verplaatste zich de koophandel, en daarmede do macht van Sidon, naar Tyr, on trad de eerstgenoemde stad eonige eeuwen lang op don achtergrond. i)e verhuizing van de Sidonscho aristocratie naar Tyr vond omstreeks het jaar I\'200 vóór Christus plaats.

Hetgeen wij vroeger van don invloed en do werkzaamheid dor Koshieten aan do i\'erzischo golf mededeelden, geldt in nog veel grootoro mate vati hunne nakomelingen, do l\'hoonikiórs , aan do Middollandsche zoo. i)o overlevering bericht wel is waar, dat do l\'ooni\'s hunne heilige eilanden en woonplaatsen verlieten, omdat zij door ontzettende aardbevingen worden verdreven; doch deze aardbevingen woedden op do Syrische kust waarschijnlijk nog heviger dan aan do l\'eiv.ische golf, en hot is zoor wel mogelijk, dat do oigoidijke aanleiding tot het vertrek der l\'oeni\'s uit Iran was, dat zij, mot do Syrische kust bekend geworden , daaraan do voorkeur gaven , omdat deze lnin grootero voordooien Idj de hand.dsonderneiningen beloofde.

Do oude overleveringen dor l\'hoenikiërs verhalen, dat Melkart, de reeds genoemde

201

-ocr page 220-

OKÏI.U\'STRKERDi: \\V I; lll\'.LDC i;SCU 1 T I) I N I^.

bouwhoor van Tyr, oeno groote vloot ;;ii oon leger verzamelde, om daarmede Iberië (Spanje) te veroveren, waar Khryasor, de zoon van Geryon, heerschte. Op den weg derwaarts had Melkart de noordkust van Afrika veroverd, er den landbouw ingevoerd en de (fabelachtige) stad Hekatompylos gesticht. Vervolgens was hij over de zeeöngte, waaraan hij zijn naam gaf, gestevend naar Spanje, van welk laad bij zich moester maakte, i\'ii waar iiij fJades (Cadiz) bouwde. Vervolgens was hij over G-allië, Italië, Sardinië en Sicilië naar Azië teruggekeerd.

Deze overleveringen kunnen later zijn ontstaan , doch zij leveren het bewijs, dat de 1\'iioenikiërs reeds in den grijzen voortijd hunne handels- en rooftochten tot aan de uiterste stranden van de Middellandsche zee uitstrekten, waarvan overigens alom on-miskenbare sporen bestaan. De Üsjebliten, die in de alleroudste tijden den eersten rang onder de Phoenikiërs bekleedden, stichtten reeds factorijen en volkplantingen op het in de nabijheid van Klein-Azië en Syrië gelegen Kypros (Kupros). Dit 250 vierkante mijlen groote eiland ten onrechte Cyprus geheeton — dat eene lengte van 6U uren en eene ge-middelde breedte van 10 uren heeft, loopt naar het oosten uit in eene landtong, schuin tegenover den Orontes. lint wordt door borgen doorsneden, waarvan de hoogste top tot omstreeks 2000 meters boven den spiegel der zee oprijst, bergen die in hun schoot kostbare mineralen bevatten, liet Kyprische koper was wijd en zijd beroemd, en de Komeinen noemden dit metaal cyprium, gelijk de woorden koper, kupj\'er, cuivre, enz. allen aan den naam Kypros zijn ontleend, liet eiland bevatte vruchtbare vlakten, en de flanken van \'t gebergte waren in oude tijden met rijke bo.sscben bedekt. De kusten boden gunstige plaatsen aan voor den aanleg van havens, en derhalve is het licht te begrijpen, dat de Koshitische volkplanters, voor wien de kustzoom tusschen de zee en den Libanon spoedig te beperkt werd, zich op dit zoo nabijgelegen eiland uitbreidden. Inzonderheid waren het de Semitische volken der Hamiethen en Kittiërs, die Kypros tot een nieuw vaderland kozen en de oorspronkelijke bewoners naar bet binnenland terugdrongen. De naam van Kittiërs werd welhaast aan alle bewoners des eilands gegeven. Deze volken bouwden de steden llamath (Amathontes of Amathus), en Kition (Cicium), By blos (Dsjebel of (lebon) en stichtten op de westkust het beruchte heiligdom van Paphos, terwijl op verscheidene andere punten Golgos, Lapethos, Kourion, Kar-pasia en Tamassos ontstonden, die kleine, aanvankelijk van Dsjebel, doch later van Sidon afhankelijke koninkrijken vormden. Onder de Sidonsche heorschappjj vermeerderden en vergrootten deze koloniën zich aaninerkelijk.

Op de zuidkust van Syrië vergenoegdi-n do Phoenikiërs zich mot versterkte handels-factor jjen , als Dor en Joppo, te Askalon en aan den berg Casio» (op do Egyptische grens). Maar verder naar hot zuidwesten duldden do pharao s goene zelfstandige forten of koloniën, en do l\'hoonikiërs, die do voordoeion van don handel mot Egypte naar waarde wisten te schatten, waren blijde, dat men hun toeliet, te Tan is, Boebastis, Mendos en Saïs magazijnen aan te leggen. De grootsten dier magazijnen hadden zij te Memphis, waar do wijk daardoor ingenomen, Ankhauï gehoeten, als het ware eene afzonderlijke stad uitmaakte.

Van Egypte voeren dn Sidonschi\' schepen langs do Afrikaanscho kust, doch de gesteldheid ilaarvan, even als de aard on levenswijze der aldaar wonende volken, lokte de l\'hoenikiörs iié\'t zeer aan , zoodat van het koloniseeren aldaar weinig kwam.

Veel voordeeliger en in ieder opzicht gunstiger waren do noordwaarts van Syrië geb\'^en kust-n van Klein-Azir, inzondiTheid die, welke, door de Aegeïsche zee bespoeld, den zeevaarders tallooze havens aanboden , even als op do daarvoor liggende grootere

2(12

-ocr page 221-

203

en kloinero oilandon. Noordwaarts van don mond dus Orontos\' begon do zuidkust van Jüein-A/,iö, on do hier gezeten K\'ilikiürs hadden er niets tegen, dat do Fhoenikiërs zich er nederzetten. Kr ontstonden op deze kust Kibyra, Masoera, Roeskopoes, Sylion, Mygdal», Phaselis on Sidtnya. Do verder naar het westen wonende Lykiërs duldden op hunne kust geene l\'hoenikischo volkplantingen, maar do naburige en wellicht mot hen vormaagschapte Kariërs legden hun weinige hinderpalon in don weg, ja vonden or spoedig hun voordeel in om zich nader met do Phoenikiörs to verbinden en hen bij hunne ondernemingen to ondersteunen.

Van hunne havenplaats Astyra, tegenover Rhodes, staken do Phoonikiërs reeds vroeg naar dat eiland over on bezetten or de drie havens Jalysos, Lindes en Kamyros, waarbij zij met do Karischo volkplanters oéno lijn trokken. Daardoor dwongen zij de oorspronkelijke bewoners om do wijk naar het gebergte to nemen. Kariërs en Phoeni-kiörs werden hier eonigermato één volk.

De Semitische volken, die in don oudsten tijd ook tot Klein-Aziö voortgeschreden waren en zich daar nedergezet haddon , vermengden zich met de inwoners die zij er vonden, oven als mot de binnendringondo landverhuizers van den Arischen stam. Hunne sporen wischten zich echter bijna uit, zoodat zij alleen op de zuidkust bewaard bleven. Gaarne zouden de Phoenikiörs, ook tot het binnenland doorgedrongen zijn, ten einde de stofgoud voerende rivieren tot hare bronnon te volgen, doch zij moesten dit opgeven, omdat do volken uit deze streek dit voornomen beletten. 11et nijvere koopmansvolk moest zich derhalve tevreden stellen met zich op de eilanden te nestelen. Zij bezetten de Kykladen on Sporaden, van welken verscheidonon een grooten rijkdom aan metalen bevatten, terwijl in de nabuurschap van anderen do opbrengst buitengemeen groot was van purpor-scholpen, die do beroemde verfstof leverden.

Met hulp der Kariërs, werd Dolos gekoloniseerd, en eveneens Paros, wolks marmer-grooven voortrellelijke grondstoffen leverden. Oliaros (Anti-Paros) word door de Sidoniörs on Molos door do üsjebliton bozet. Op Molos vond men zwavel en aluin in overvloed, mede voor de verworijen van belang. Evonzoo rijk waren de mijnen van Thora en Siphnos. Bij Nisyra en Gyaros werden de purperscholpen in groote menigte govischt. Op Kos en Amorgos legden do Phoonikiërs verworijen en weverijen aan.

Deze eilanden waren voor do Sidoniërs — zóó noemde men weldra alle Phoonikiërs — van onschatbare waarde, omdat zij veiliger waren dan do volkplantingen op de vaste kust. Van hier deden dezo koopvaarders menigvuldige tochten naar den vasten wal, waarbij zij inzonderheid bedacht waren om uit de mijnon, die de ingezetenen verwaarloosden of nauwelijks kenden, schatten aan motalon te winnen. Dit deden zij onder anderen aan de Thrakischo kust, waar zij do goudmijnen van den berg l\'angeos bowerkton. Zij legden ook koloniën op Samothrake, boinnos en Tha.sos aan, welke nodorzettingen nochtans oorst onder de heerschappij van Tyr tot bloei kwamen.

Aan don Ilollospont stichtten zij Lampsakos en Abydos en verwierven eene vaste stolling bij l\'ronektos , aan de invaart dor golf van Askanië , waar zij den stapel vestigden van do iiithynscho zilvertrijjnen, die zij in bezit erlangden.

Door de Propontes (tegenwoordig de Zoo van Marmara) kwamen dn Phoonikiërs in don l\'ontus-Kuxinus (de Zwarte zee) en voeren naar de oostkust, daartoe uitgelokt door don roem der Ivaukasische mijnen. Met hulp van hunne bondgeneoton, do Kariërs, logden zij van den Uosporus tot Kolchis oen aantal versterkte handelsposten aan, zooals lli-ra-klea, Sosamos, Karambya ou Sinojio.

Aan den mond van den Dnieper ontstonu een nieuw Tyr, en de stoute Sidoniërs

-ocr page 222-

GKÏI.l.rSTRKKIlDE WKIt HLDQKSCII11\'DKNIS.

wiuvifilim zich zolfs tot diep in dr» groote vlak ton van Zuid-Rusland. Uit dcw oordon brach-ton zij, bolialve allorloi zeeprodncton, goud nn zilver, lood on tin, hetwelk zij vroeger over land door Armenië on Syrië ontvingen en in hunno fabrieken van bronzen werken gebruikten.

Op Rhodes ontwaarde men naar liet zuidwesten de borgen van het groote eiland Kreta (Candia). Do Sidoniërs dreven de inboorlingen naar hot gebergte en legden op de kust hunne handelsfactorijen en fabrieken aan, zooals te Itanos, Lappa, Kairatos, Phoonike of Arad, Oortyne on Lebena.

Kythora (Kerigo of Cèrigo), halverwege Kreta en don Poloponnesos, word eveneens bezet. Men vond hior do murex hrandaris, de mosselschelp, waaruit men hot heerlijkste purper trok, en wel in zoo groote menigte\', dat men dit eiland het purporeiland noemde.

Onder het hoofdbewind der Tyriërs namen de ondernemingen ter zee en het aanloggen van volkplantingen do. hoogste vlucht. Syrië. inzonderheid het kustland, werd voor de menigte van volken die daar worden opeen gedrongen, to beperkt. Men go-raak t« or dus op bedacht, om oen dool dier bevolking naar elders over te voeren, en wol naar de koloniën, waar zij in grootor ruimte en welvaart, en derhalve met moor tovredenhoid, kondon iovon. Dat de Tyriërs daarbij het uitbreiden dos koophandels niet uit hot verloren, spreekt van zolven.

Op Sicilië wonnon zij reeds vroeg vasten voet. Uithoofde zijnor driehoekige gedaante noemden zij dit eiland Trinakrial (do Driepunt), gelijk later, naar do nit Italië overgekomen Sikoelen . Sicilië, In hot zuiden, bij Koos (Kaap) Melkart, word eono stad gebouwd, die do Oriekon, wijl Molkart do Tyrischo lleraklos was, don naam van lierakloa gavon, in hot westen des oilands legde men op eene smalle!landtong Motya aan i\'ii in het noorden oeno rotsstad. Solonis, Vorder stichtte men Machanat, welks naam hetzelfde als \'\'kamp der bontwerkersquot; wilde zeggen, naar aanleiding van de daar bloeiende weverijen en verworyon, doch de Grieken noemden de stad l\'anormos (Palermo). Ook 0]) de oostkust schijnen toen de grondslagen der koopsteden Pachynos, Syrakuse, Leon-tini , Thapsos en Catana door do Phoenikiërs gelegd to zijn, daar deze plaatsen eerlang zich ais belangrijke punten in het verkeer doden kennen. Ook is er veel se.hijn, dat zij op do kust van Bonodon-Italië oonige versterkte handelsfactorijon aanlegden.

Het rotseiland Malta (Ogygia, Moiita) was oon te gunstig punt in do Middellandsoh^ zee voor de vaart van l\'hoenikië naar Iberië, dan dat men het niet bezet zou hebben. Do Sidoniërs bouwden er in do eerste plaats voor hunne godin Astarte een tempel, dicht bij do haven, on do Tyriërs, die daarbij niet achter wilden blijven, richtten op limine bourt oen tompol voor Molkart op. Om het eiland bewoonbaar te maken, luidt hot, moest men aarde tot. het bedekken der rotsige oppervlakte van Sicilië overbrengen. Ook up het daarbij liggende eiland Gaolos (Gozzo) stichtte men een tempel.

Op do kusten van Sardinië legden do Phoenikiërs do steden Caralis (Cagliari), Nora en Soelzi aan, en op iR Haloaren worden evonoons nederzettingen, hier door do Tyriërs, gegrond.

Hot meeste belang vrkregen intnsschen lt;le volkplantingen op de noordkust van Afrika, tegenover Sardinië iti Griokonland , on die in Zuid-Spauje.

Di\' volkon , dji1 wostwaarts van Kgyjito in Afrika woonden, gaf men in de oudste tijiRn alli\'ii te gador den naam van Libyors. Toch waren het eene menigte zeer ver-si\'liillendii staminen . die zich in velo opzichten , zoowel in t, uiti\'rlijko als in zeden en gewiiontcn, van i\'lkandor ondorscheiddi\'ii, doch door vermenging met volksvorhuizers

201

-ocr page 223-

t\'IIoKMKIK (iN DUN IltSTOIlTSCHKN S.vGKNTIJl)).

veol vu» hunne oudo levenswijze vorloron. In liet, kustland tusschen Egypte on do streek waar later Carthago werd gebouwd, woonden lundbouwende volken mot vorscliillonde namen. Langs do Kleine-Syrte bezaten de Hyzunti-n een vruchtbaar land, liotwolk naar hen Byzaïcum werd gonoemd. Verder naar hot zuiden leefden donkerkleurige monschon, nomaden, die uit Ethiopië derwaarts schijnen gekomen te zijn. Eindelijk woonden in de oasen en op do hellingen van don Atlas do Gotoelon, Maziken en Noemidiörs (Numidiörs).

Toen do herdersvolken uit Azió in Egypto violen. gingen de stammen verder door de Dolta en zetten zich in het vruchtbare liyzaicum neder. Na do verdrijving der Hyksos, volgden hen andere stamgonooten, en eindelijk, toen de Israëlieten, als veroveraars tot Syrië doordrongen en den rhoenikiors onderscheidone volken op den hals joegen, scheepten dezo die vluchtelingen, als welkome volkplanters naar Noord-Al\'rika In.

Volgens eeno overlevering, die nog in de (i1\'0 eeuw onzer tijdrekening in omloop was, behoorden tot do volken, welke uithoofde van den inval der Israëlieten, naar Noord-Afrika werden gevoerd, de Girgezonen, die zich in verloop van tijd tot aan het westelijk einde van dit werelddeel uitbreidden. Men vindt berichtdat zij zelfs nog indien latoren tijd Phoenikisch spraken, en dat niet ver van Tigisis, waar zg eens oene sterkte hadden gebouwd, nabij eene bron, twee zuilen van witten steen stonden, met opschriften in de Phoenikische taal. Daarin las men: quot;Deze steenen zijn opgericht door hen , die voor Josua , don zoon van Nauëh, op do vlucht togen.quot;

De Sidoniërs trokken uit dit overvoeren van zoo vele Kananieten de grootste voordooien , want de verplaatsing van met hen bevriende volken maakte het hun mogelijk, om hunne handolsfactorijon in Afrika in werkelijke volkplantingen te horschoppen. Er ontstonden langs do stranden der beide Syrten: Leptis, .Vea, Sabrata, Thapsos, Kambe en Oetika (Utica). Ook viel do geheelo koophandel van West-Afrika in de handen der Sidoniërs.

Do Semitische volken, van welke op verschillende tijdstippen, landverhuizers uit Kanaan vroeger-vertrokkenen volgden, vermaagschapton zich met do reeds aldaar wonende Libyers en Berbers. Er ontstond daardoor een gemengd Libisch-Phoenikisch menschenras.

Op de goheelo noordkust van Afrika, on zelfs op de noordwestkust, heerschton nu een opgewekt leven en bedrijf. Hot land was voortreffelijk bebouwd, en Zuigitana en Byzaïcum, aan do Grooto- en de Kleine-Syrte gelegen landen, werden meer en meer beroemd om hunne welige natuur. Do grond droeg er honderdvoudige vrucht. De druif rijpte tweemaal in het jaar, en niet niindor welig tierden zuidelijke vruchten en olijven. Eabrieken, inzonderheid purperverwerijen, werden alom opgericht. In het kort, door de bedrijvigheid des koophandels en der nijverheid van oen verstandig en praktisch volk werd voor de beschaving oen uitgestrekt land gewonnen, dat indien do Phoenikiërs er niet waren gekomen, zeker nog een duizendtal jaren aan do barbaarschheid was ten prooi gebleven.

Wjj hebben do sage van don Tyrischen Hercules, Melkart, vernield. Zoo veel is zeker, en dit moge wel den grondslag van de overlevering uitmaken, dat reeds in den vroegen tyd Phoenikische gelukzoekers naar de zeeëngte kwamen, die di\' Middelland-sche zoo met den Atlantisch en oceaan verbindt. Men hield deze straat voor het einde der wereld en do rotsen op beide kusten eeingennate voor de poortzuilen der bewoonde aarde, zoodat men hen ook de Zuilen van Hercules (Melkart) noemde. Mimi waagde zich niettemin ook daarbuiten, .stevunde langs do Iberische (Spaanscho) kust voort en bereikte er een eilandje, zuidwaarts van den stroom Tartessos of Betis, waar

-ocr page 224-

fi KÏ LLUSTK R iiD n wKrtïLDGKSCHIKnKN IS.

mon oon tompol bonwdo on do grondslagen logdo voor none stad, mot namo Gadir, veale, wolko naam vorvolgons in Gados overging. Do tijd der stichting zal waarschijn-lijk omstreeks het jaar 1100 vóór Christus gowoost zijn, doch de sago schrijft haar aan Melkart too. flades had in zoover overeenkomst met Tyr , dat hot voor een go-doolte was gegrondvest op oen waterloos rotseiland en voor oen ander deel op hot vasteland. Intusschen was\'over de smalle zeestraat eone brug geslagen.

Gados werd do hoofdstapelplaats voor den koophandel niet Tarsis of Tartossos, het California van dien tijd, dat tusschen de rots van Kalpe (hot tegenwoordige Gibraltar) en den Anas (Guadiana) lag en door den Betis (Guadalquivir) word doorsneden. In deze kuststreek dolf men zilver in groote hoevoolheid, en gedegen goud vond men er niet zelden onder hot gras, soms in stukkon van eon half pond zwaarte. Do halfwilde inwoners kenden aan deze metalen geen groot belang toe, zoodat de Phoonikiiirs voor glasparelen en andere nietsbeteokenonde of geringe voorwerpen eene duizendvoudige waarde inruilden. Behalve goud en zilver, bevatten de borgen des lands nog vele andere kostelijke metalen, terwijl de vruchtbare grond zelf een overvloed voortbracht van koren, olio, wijn, was, honig, pek, enz. Er ontstonden eene menigte koloniën in Toer-detanio. het zuidelijke Spanje . en aan de zeeöngte zelve, niet ver van een dor \'/ui-Ion van Hercules, Kalpe, bouwde men Karteja, en verder oostwaarts Malaca (Malaga), bonevens Six en Abderat. Ook ook op de oostkust van Spanje verrezen Phoenikischo koopsteden, evenals aan de monden dor groote stroomen en aan deze rivieren zeiven voor zoo ver zij bevaarbaar waren.

Van do Zuilen van Hercules stevenden do Phoenikiörs naar het noorden en haalden tin van de Kassiteridon (tineilandon), aan do zuidpunt van Rrittanje gelegen, die ton deele onbewoond waren. Ook naar ürittanjo zelf schijnen zij gekomen te zijn, doch dat zij de Oostzee bereikten is onwaarschijnlijk. Men vermoedt het slechts, omdat I\'hoenikische vaartuigen met barnsteen bevracht, uit de noordelijke streken terugkeerden. Het kan echter zeer wel zijn, dat zij deze schoono harssoort inruilden van dichter naar het Westen wonende volken, aan wion de barnsteen niet onbekend kon zijn. Immers, ook op do Nederlandsche kusten is meormalen dit product gevonden. Hoe dit zij, reeds ton tijde van Homeros dreven zij handel met sieraden van quot;elektron\' vervaardigd, die zij op hooge waarde schatten.

Terwijl do i\'hoenikiërs op allo kusten van do destijds bekende aarde voeren, waarbij zij talloozo volkplantingen aanlegden en overal verbindingen aanknoopten met volken, wier bestaan men nu eerst kennen loerde. verzuimden zij geenszins den koophandel te lande. Alle groote handelswegen, die bij de marktplaatsen van hot verre Oosten, in Indiö, liaktrië, Chaldea on Arable, zoowel als in den Kankasus, oen begin namen, liepen op Sidon en Tyros uit. Of do Phoenikiörs zeiven met bunno karavanen deze verre handelplaatsen bezochten, on de koopwaren van don Ganges en hot Altaïgebergto haalden , dan wel, of zij hou naar hunne factorijen in Chaldea en Arable lieten bron gen, is twijfelachtig; maar zooveel is zeker, dat zij langs deze handelswegen ver vooruitgeschoven punton, hij do passen door het gebergte en den overtocht aan de stroomon, bezet hielden. Te Laïs, nabij do bronnen van den Jordaan en de plok, waar do handelsweg van Egypte naar Assyrië , hot daliand Ceulo-Syrië bereikte , vond men oone factorij der Sidoniërs. Kveneens waren Hamath aan don Orontcs, Thapsakos aan don Kufraat en Nisibis in de nabuurschap dor bronnen van den Tigris door I\'hoenikiërs aangelegd, üinnen deze en vele andere aan do groote wegen liggende steden, hadden de Phoenikiërs rijke magazijnen, waaruit, zij do omwonende stammen mot do bonoodigdo koopwaren voorzagen.

20«

-ocr page 225-

rnoi\'nikn; (tx dkx iiisToutsfüiKX saokntijd).

Hier, op liet vasteland nehtw, oven als in Kgypte, mooston zij de wetten van de vorsten dos lands in acht nemen, terwijl /,ij in hunne koloniën meesters waren. Ofschoon zij geene grooto legers bijoenbrachten , ovei\' als de Egyptische pharao\'s of de Assvrischo koningen, genoot hun land geen minder aanzien, behoefden hunne macht en invloed voor die van geen andoren staat onder te doen. llunno zeemacht was de grootste op aarde, en Tyr meer dan vier eeuwen achtereen do aanzienlijkste en meest bewoonde stad van de wereld.

Toen Tyr nog van Sidon afhankelijk was, werd het door twee van de moodorstad

afhankelijke opperhoofden bestuurd, die sjophotim (soetï\'etenj heetten. Doch in do 1 llt;llt;\' eeuw vóór Christus nam de soefl\'eet Abibaal den kuiiiiiklijken titol aan, verklaarde zich van Sidnn onafliankelijk en maakte Tyr tot de eerste plaats in het Piioonikischo l)ondgenootschap. Alleen Arad wist z.yne zelfstandigheid en onafhankelijkheid te howaren. Onder Abibaal, \'\'ii vooral onder zijn zoon Uiram (1 OOI —9(17 vóór Christus), strekten de ondernemingen der Tyrii;rs zich steeds verder uit, quot;zoodat de room van dezen koning do aarde vervuldequot;. Hij sloot verbonden van vriendschappelijk verkeer mot de naburigo volken, inzonderheid met Israël, dat toen ook door koningen werd geregeerd, en dwong de Kittiërs op Kreta, die geen cijns meer wilden opbrengen, zich te onderworpen.

Do Israëlieten, veroveraars van een groot deel van Kanaiin, waren geone zeolieden :

207

-ocr page 226-

O 1,1,L\'STIlKKBI)K WKIlKTjDGESCMIKlgt;KNis.

de kustzoon! had voor hon niot veel aantrekkelijks, en zoo kwamen zij met tl» Phoo-uikiërs zelden in vijandelijke botsing. De Sidoniërs, die steeds den vrede boven den oorlog1 verkozen, indien dit slechts mogelijk was, kantten or zicli het minst tegen aan. dat enkele Israëlitische stammen zich in hun land nederzetten, en deze zagen spoedig het voordeel in om do Phoenikiörs als agenten bij hnmie handelsondernemingen tegen loon te dienen.

Hiram breidde Tyr niet alleen aanmerkelijk uit, maar deed ook zeer veel om de stad te verfraaien. De oude Molkarttempel stond op een klein rotseiland, hetwelk van dat waarop d»» staij was gebouwd, door eene enge zeestraat was gescheiden. De koning liet dezü tnsschenruimte niet alleen met steen en aarde aanvullen , maar ook de oostzijde van het eiland waarop do stad stond, door aanplempingen vergrooten, waardoor de eilanden zich tot den kustzoom uitbreidden (Paleu-Tyros). Zij kwamen den vasten wal zoo nabij dat de afstand niet meer dan I \'200 schredmi bedroeg. Van den grooten omvang van dit werk kan men zich een begrip maken, wanneer men verneemt, dat op die oostelijke eilandwijk niet alleen eene voorstad met een groot marktplein , maar ook een \'\'heilig districtquot; met aanzienlijke tuinen was aangelegd. De beide havens werden door sterke muren beschermd, en magazijnen en andere gebouwen in de nabuurschap opgericht. Hiram liet ook de Melkart- en Astartetcmpels vernieuwen en prachtig versieren. Of de vestingwerken, die do eilandstad beschermden , mede uit den tijd van Hiram dagteekenen , valt te betwijfelen. Zij bestonden uit muren van hechten rotssteen, die uit zee regelrecht in de hoogte oprezen en up den oostkant, zich 50 meter hoog boven het spiegelend vlak verhieven. Op den zuidkant, waar het paleis des konings stond en de scheepstimmerwerven lagen , werden de muren niet zoo hoog.

Dit op de eilanden gebouwde Tyr vormde eenigermate den burg, want als de eigenlijke stad moest men wel die op den kustzoom beschouwen, daar deze zich twee uren ver langs het strand uitbreidde, en in gebouwen en inrichtingen een heerlijk gedenkteeken opleverde van den rijkdom en prachtliefde der ingezetenen.

Toen Hiram stierf, volgde hem zijn zoon lialeastart op den troon. Deze regeerde niet langer dan zeven jaren, waarop het bewind van zijn oudsten zoon, Abdastart, een begin nam. Ook zijne regeering was, even als die zijns vaders, van korten duur. De vier zonen zijner min, die met hem aan het hof waren grootgebracht en door den invloed van hunne moeder hooge posten hadden verkregen, verwekten een opstand togen hun zoogbroeder, waarin koning Abdastart het onderspit dolf. Do oudste der vier zaamgezworonen werd nu koning, en daar het hem gelukte, de krijgsknechten, die in soldij van Tyr stonden, en een groot aantal gelukzoekers, die naar de verschillende Phoonikische steden waren toegestroomd, voor zich te winnen, wist hij zich gedurende twaalf jaren het bezit van don troon te verzekeren.

Doch groote verdeeldheden, het gevolg van deze troonswisseling, verminderden het aanzien en de macht van l\'hoenikiö. De ontevreden patriciërs verlieten de onlangs zoo bloeiende hoofdstad Tyr, terwijl verscheidene koloniën van do verwarring gebruik maakten om zich onafhankelijk te verklaren.

De onderdrukte partij ti Tyr werd dezen staat van zaken moede. De overweldiger werd verjaagd, en de oudste zoon van Haleastart, Astart, op den troon geplaatst, waarop hem nochtans binnen korten tjjd, zijne broeders, Astarim en Pheli, volgden.

Maar ook gedurende de regeering van de drie erfheerschers verbeterde de toestand te Tyr niet. Het einde was, dat een lid van hot koninklijk geslacht, Ithobaiil, opperpriester van Astarte, Phili om het leven bracht (017) en zich diens kroon aanmatigde.

20«

-ocr page 227-

TlIOKNIKTi: IN DEN HISTORISCHEN (sA(ii:NÏTJI)j.

Gelukkigerwijze was Ithobaiil, al harl hij zich door oon moord don weg tot den troon gnbaand, eon krachtig man, die do rust wist te herstellen tijdens de twee-en-dertig jaren waarin iiij het bewind voorde. Ook in het buitonland wist bij zieii groot aanzien te verwerven. Met het Israëlitische hof kwam hij zelfs in nauwe betrekkingen : zijne dochter Jozabel namelijk word door hom aan koning Achab ten huwelijk gegeven.

Zoo lang Ithobaiil leefde, gelukte het hem de vijandelijkheden tusschen de aristocratie, die vooral te Sidon grooton invloed had behouden, en de volkspartij te bedwingen. Doch nauwelijks had bij do oogen gesloten, of do onlusten die bij don dood van Hiram waren ontstaan, herleefden. Zijn zoon lialotsor regeerde slechts acht jaren , en daar diens opvolger, Mattan (of Moettan), niet moer dan acht jaren telde, was deze buiten staat de eiscben der volkspartij af te wijzen.

Mattan horoikto evenmin ais zijn vader een hoogen onderdoij). Hij zijn overlijden

liet hij eene dochter na, Klissar, en een jeugdigen knaap, Pygmalion. Klissar was aan haar oom, Sicharbal, \'s konings broederen opperpriester van don Molkartdienst, tot vrouw gegeven. Aan dozen eersten onderdaan dos troons liad Mattan do voogdijschap over zijn zoon Pygmalion, benevens het regentschap, opgedragen. Doch Sicharbal verstond de kunst niet om zich op zijn hoogen post te handhaven Nadat bij eenige jaron regent was geweest, word hij door de volkspartij afgezet en door zijn neef Pygmalion vermoord.

Klissar, door wraak over het lot van haar gade geprikkeld, spande met de aristocratische partij te /.amen. Zij smeedde een aanslag togen het gezag en \'t loven van haar broeder Pygmalion. Dan deze poging werd ontdekt, waardoor de vorstin en haar aanhang met verderf werden bedreigd. (Jelukkig voor do overwonnej||n , konden zy zich inschepen op eene rijk beladen vloot, die juist gereed lag om uit te loopon en naar Afrika den steven te wenden. De vluchtelingen bereikten de kust van Zuigetanië , aan

-ocr page 228-

fii;ïi,[,LTsTHRi;iugt;F, u i;iu;i,ikii;sciiii;i)i;nis.

(«•»lt;gt; plaats, waar de Sidoniür.s oonigo oeuwon vroeger do stad Kamboh, tusschen de kolonie Oetika (Uticaj en Kaap Hermes, gesticht hadden. Hlissar kocht van een der daar regeerende Libysch-Phoenikische koningen land en verving het oude Kambeh door eene nieuwe stad, Iviriath-lladesjat, waarvan de naam, tot Kart-Hads.jat ingekort, door de ({rieken tot Karkhcdon on door de Uorneinen tot Carthago werd vorbogen.

Hot jaar, waarin Carthago werd gesticht, is niet met juistheid op te geven. Naar het schijnt, voncl hot plaats in do laatste holl\'t der ül\'u eeuw viwir Christus, dat is tusschen 850 en iSlü.

De geschiedenis dezer stichting is, oven als dit bij die van alle belangrijke steden der oudheid het geval is, door fabelen onkenbaar gemaakt. Daar de expeditie waarmede Klissar uittoog, onder de bescherming van Astarte (do schutsgodin van Sidon) de haven was uitgezeild, en de godin ook den bijnaam van Dido voerde, smolt men dezen naam niet dien van Klissar ineen en bad Astarte-Dido als de beschermvrouw van Carthago aan.

Er wordt verhaald, dat Klissar van de Lybische-Phoenikischo koningen zoo veel grond kocht als zij met een ossonlmid kon bedekken en listigonvijzo de huid in dunne roepen liet snijden, waarmede zij eeno zoo groote oppervlakte omspande, dat er ruimte was voor eene uitgestrekte stad. Men vermoedt, dat deze fabel haar oorsprong ontleent aan den naam liyrsa, die aan de oudste stadswijk werd gegeven, een naam die in het Phoenikische hvrcj, maar in het Grieksch vel beduidt. De Grieken waren me sters in het uitdenken van dusdanige sprookjes, en hunne geschiedschrijvers vonden die al te verleidelijk om hen niet mede te deelon. Dat zij daardoor de geschiedenis, vooral die der Oostersche volken, verwarden, behoeft geen betoog. — Zoo wordt ook verteld, dat een koning uit do nabuurschap van\'Cartliago Klissar tot vrouw begeerde, doch dat deze, bevreesd om door eene weigering den jeugdigen staat in gevaar te brengen. en van afschuw bevangen om een barbaar hare hand te reiken , een brandstapel beklom en daarop haar leven eindigde.

De uittocht der aristocratie van Sidon en Tyr gaf aanleiding tot hot verval der macht van eorstgenoemde stad, en eene zelfde uitkomst geschiedde ten aanzien van Tyr door de verhuizing van vele voorname Tyrscho geslachten naar de nieuwe volkplanting Carthago. Maar al te vele notabelen wilden van de volkspartij niets weten, en dat gevoelen brachten zij naar hunne nieuwe woonplaats over. Dit voorbeeld werd door de andere koloniën gevolgd, en zoo daalde de macht van Tyr allengs van haar verheven standpunt. Do burgertwisten en de inval dor Assyriërs, waarvan wij in de geschiedenis van Assyrië uitvoeriger zullen spreken , droegen niet weinig tot hot verzwakken van het Tyrscho aanzien bij, ofschoon dit nog eeuwen lang niet onbelangrijk bleef. Do stad verloor intusschen toch zoo veel van hare macht in PhoenikiS, dat ongeveer eeno eeuw na Klissar\'s vertrek, Sidon op nieuw don verloren voorrang bezat.

De latere lotgevallen van l\'hoenikië, sedert de geweldige botsing mot de rijken der Mgyptenaren en Assyriërs, zullen wij bij de geschiedenis van laatstgenoemd land loeren kennen.

Geschiedenis der beschaving.

Slaalsijo.sUildhrid in Phoe.nikir. Over do rogeeringswijzo van do Phoenikische steden ontbreken ons volledige berichten. Doch uit hetgeen wij ton aanzien der koloniën weten.

210

-ocr page 229-

HIOF.NIKrÜ (IN DEM IllSTOUTSOrrRN SACKNTIJIIj.

waar men den regooringsvorm van hot moederland ten voorbeeld nam, en uit herinneringen der geschiedenis van andere volken bij wion do koophandel alles beheerschte, is het weinige dat ons werd overgeleverd, aan te vullen.

De Koshitischo landverhuizers, die op de Syrische kusten steden aanlegden en scheepvaart begonnen uit te oefenen, namen riatuurlijkonvij\'/.e eene plaats in boven de oor-spronkoljjke bewoners, dilt;i zoo verin beschaving beneden hen stonden. Dit aanzien orfdo over op hunne nazaten , en zóó ontstond in alle Phoenikische steden oeno aristocratie , die meer en meer in aanzien steeg, naarmate deze oude geslachten rijker werden. Het sprak als van zeiven, dat deze invloedrijke quot;gezinnen de stedelijke aangelegenheden regelden, dat zij het beheer voorden, de rogeering vormden. De nakomende landverhuizers uit andere volken, die mon duldde, omdat men hunne diensten noodig had, vonden dozen staat van zaken, en het viel hun langen tjjd geenszins in om daarin verandering te brengen, daar zij hun onderhoud te danken hadden aan do scheepvaart en handelsondernemingen der aristocratische familiön. Do regeering werd hierdoor onder deze laatston erfelijk. en de rijksten en moost begaafden onder hen erlangden den grootsten invloed en bekleedden do hoogste posten. Daar de opperhoofden van alle in Syrii; wonende stammen zich koningen noemden, kan hot niet bevreemden, dat do hoofden dor Phoenikische regenten, die veel machtiger waren dan al de naburige vorsten, eveneens den titel van koning aannamen en daarbij zich met do uiterlijke teokenon der koninklijke macht omringden, iets van ontwijfelbaar nut om het verkregen aanzien te handhaven bij do volken met wien men in betrekking stond.

Daar echter vele andore Phoenikische geslachten even aanzienlijk en rijk waren als dio uit welke do koningen waren voortgesproten, moost de verhouding tusschen troon en aristocratie in deze oorden geheel anders worden dan in do meer barbaarscho i\'ijki\'ii. Het gouvernement was als hot ware een aristocratisch gemeenebest, met oen als koning begroet opperhoofd, wiens macht door een regaorings collegie uit de edele geslachten was beperkt. In latoren tijd, nadat het quot;mindere volkquot;, zij hitt niet tot rijkdom, althans tot een welgezeten burgerstand was opgeklommen , bleef hot niet achterwege, aandeel aan de rogeering te eischen, hetgeen aan die rijke democraten , zij het ook niet zonder botsingen , in het einde moest ingeruimd worden.

De koningen waren do aanvoerders van de legers en do vloten , on zij oefenden hot hoogste gezag bij do rechtspraak uit. Haar geen willekeur kon stand houden, daar de senaten, of wolken naam de hoogste regeeringscollegiën droegen, benovens do opperpriesters zich deden golden. Doorgaans werden de hoofden voor de godsdienstige vereering des volks uit hot vorstelijk huis gekozen, en daar zij hun rang niet minder wisten op to houden dan de koningen, genoten zij oen aanmerkelijk overwicht.

Daar do Phoenikiörs hoofdzakelijk koningen hadden om bij andere volken niet achter te blijven, maar hun vorsten niet dezelfde macht wildon toestaan , bereikte men hot hoofddoel daardoor, dat men hen mot grooto, echt Oosterscho praal omringde en hun allerlei onderscheidingen toestond. Zoo word namelijk eon purperen mantel een voorrecht on zinnebeeld dor vorstelijke waardigheid der koningen van Sidon en Tyr. Deze ondersehei-ding dor Phoenikische. machthebbers word door do vorston van andere staten nagevolgd en bleef tot op onzen tijd in stand.

Het landgebied dor verschillende steden behoorde óf aan den staat, óf aan do edele geslachten, óf wel aan do verschillende tempels. Do volkplanters, die zich daarop vestigden, konden dien grond niet in eigendom, iliaar slechts bij pachtovereenkomst bekomen r

211

-ocr page 230-

liHÏ I.LL\'STIlKEliD R \\\\ KIIKL1K1 BSCIIIK I)EN IS.

terwijl lift- grootste dool van hon zich moost vergenoegen om het noodige onderhond ills diiglooners te verworven. Nam de menigte der plattdandsbevolking te sterk toe, zoo voorde men de overtolligen naar de koloniën, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen.

Zulke akkerlieden haddon in het gehenl goene rechten , maar waren slaven of lijf-eigenon. Ovoreenkomsten, zooals de aristocratie van Sidon met de Israëlitische stammen binnen hun gebied sloot, behoorden tot de uitzonderingen.

Ofschoon elke der Phoenikische steden haar eigen bewind had, vonden zij het toch doelmatig, zich voor zekere gevallen met elkander te verbinden, to weten tot verdediging tegen buitenlandsche vijanden. Hot is natuurlijk, dat de grootste steden, die eene aanzienlijke macht op do been konden brengen , in don raad van het verbond oene meer beslissende stom konden uitbrengen on dien ten gevolge een overwegenden invloed, zoo niet de opperheerschappij, de hegemonie, uitoefendon, gelijk wij dit bij Sidon en Tyr ontwaard hebben.

(loihdien-il. De godsdienstige begrippen der Phoenikiörs bestonden uit eene vermenging der denkbeelden van verschillende volken. Bij hen vinden wij zoowel de Chal-deouwsche als do Egyptische goden terug, al mogen deze ook andere namen dragen. Wij houden het dus voor overtollig do symbolische heteekonis dezer goden en do mythen welke men van lo\'n verhaalde, te verklaren. Beiden voeren ons tot eene verpersoonlijking dor natuurkrachton on der verschijnselon aan hot hemelgewolf en op aarde. Alleen de priesters waren in staat om den samonhang\' der godsdienstleer te vatten. Ook bekonimerdo het volk zich daarover niet het minst. liet vereerde de goden omdat hot voor hunne macht vreesde, of wel door hunne hulp weldaden en voordoelen hoopte te erlangen.

De l\'hoenikiers, altoos op winst en uitbreiding van hun vermogen bedacht, hadden weinig tijd en genegenheid om over bovenaardsche zaken te peinzen. Zij geloofden aan het bestaan van goede en kwade goden, en dat men door offers en allerlei andere plechtigheden invloed op hon kon uitoefenen Dat was voor hon genoeg on de richtsnoer v.jor hunne godsdienstige hamlolingen.

Kven als bij de Chaldeën, vinden wij bij de l\'hoenikiörs do goden in een manne-lijkon en een vronwolijken vorm voreenigd. De vrouwelijke vorm voor Baiil, don zonnegod , den schepper, don heer dos hemels, enz., was Asjera of liaültis. Zij was de vertegenwoordigster dor baronde natuurkracht, dezelfde godin, die wij bij de Chaldoën als lielit, of lieltis, Molitta of Istar loerden kennen. Tegenover den goodon god. Haal , en zijn spiegelbeeld , stonden Moloch, het symbool der gloeiende zon en van hot verteerendo vuur, en Astarto, de kuische en strenge Maangodin, Moloch\'s vrouwelijke gedaante. —Voorts vereerde men Adonis (Adonaï, heer) als den vertegenwoordiger der lente, van de natuur bij haren bloei, even als do zeven Kabiren, over wier heteekonis de navorschers der Syrische oudheden het geenszins eens /.ijii: ons schijnen zij toe eeno soort van ondergeschikte beschermgeesten geweest te zijn.

Even als men in Egypte on Ohaldea, in onderscheidene steden. Ka en Del, onder bijzondere namen , den plaatselijken god vereerde, geschiedde dit ook in l\'hoenikië. Kaul-Alelkart wien de (jrieken wegens do hem toegeschreven zwerftochten den\'i\'yrschon lieraklos nooinden - was do bijzondere beschermgod van Tyr en uit dien hoofde een der vooriiaamste goden. De hesühermgodiu van Sidon en Arad was daarentegen Astarte.

De I\'hoonikiërs waren wereldburgers, oven als de meeste koophandel drijvende volken. Ook in hun godsdienst waren zij kosmopolieten, en daar zij overal andere goden vonden en aan hot bestaan dier wezens geloofden , waren zjj er op bedacht, hot ook met deze niet te vorkerven. Hun godsdienst werd daardoor een zonderling mengsel van allerlei won-

212

-ocr page 231-

plioenikiü (in DUX lltSTOIirSCHHN sao KNTI.IIgt;).

dorlijko voorstel I ing-on. Het kan dus ook niet verbazen, dat zolfs do schriften der priesters , die als heilige boeken beschouwd on Sanc/iuniatk genoemd worden, eveneens een mengsel van Egyptische, Chikloenwsche on andere godsdlonstleeron bevatten. Als vervaardiger van deze schriften noemde inon oen geheimzinnig god , Taiiut.

Herennius Philo, van Byblos, die ten tijde van keizer Nero leefde, vertaalde deze heilige boeken der l\'hoenikiürs, die hij aan eon ouden w^jsgeor, met name Sanchoniathon , toeschreef, welke te Beiroeth of Tyr, omstreeks 1250 jaren vóór Christus, of ten tijde van Semiramis, geleefd en de door do priesters vervalschte leer van Taiiut hersteld zou hebben. Ofschoon do christelijke kerkvader Eusebius deze vertaling van Philo (in het (xrieksch) voor echt verklaart, zijn zaakkundigen het eens, dat dit werk een boek is uit Egyptische, Ohaldoeuwscho en (Irieksciie godsdienstmythen te zamengestold, waarmede men gepoogd heeft, om , naar het voorbeeld van den fïriekschon wijsgeer Euhemeros, do i\'hoenikischo goden als voortreffelijke menschen uit don voortijd voor to stellen. Om aan zijn werk te meer geloofwaardigheid bij te zetten, zou l\'hilo een ouden Phoeniki-schen schrijver als do samensteller gonoomd hebben.

Hot werk van den Griek;, in negen boeken afgedoold, is verloren gegaan. Wij kennen het slechts uit uittreksels, voorkomende in do schrilten van Eusebius\', Porphyrins en anderen. quot;Om hunne vervalschingen niet aan \'t licht to brongen,quot; zegt Philo, quot;hebben de priesters dit werk geheim gehouden.quot;

Het volgende berichtten dn priesters van liet ontstaan dor dingen :

In het begin was de Chaos. Alios was vervuld mot duisternis, en alles word dooreen bewogen. Do adem {Jioeah) zweefde over dien Chaos. Deze was eindeloos, en bleef dit vole eenwen. Toen echter ontbrandde do adem in liefde voor zijn eigen grondbeginsel, en er ontstond eene vermenging, die het verlangen (Khep he Li) werd genoemd, want het verlangen was hot alleen voortbrengende grondbeginsel, on do adem kende zijne eigene schepping niet. De adem en do Chaos vermengden zich mot elkander, en daaruit ontstond Moth , waaruit do zaden voor do schepping voortsproten. Moth werd de vader aller dingen, want Moth had do gedaante van een ei. En do Zon en de Maan en de groote gesternten vonkelden. Er waron lovende wezens zonder bewustzijn, en daaruit ontstonden verstandelijke wozons, tsopkesamim, of beschouwers dos hemels. Immers, de donder, veroorzaakt*door den strijd dor elementen, die zich vaneen scheidden, wekte de andere krachten als uit een slaap op, en daarop begonnen de mannelijke en de vrouwelijke wezens op de aarde en in de zee zich te bewogen en elkander op te zoeken.

Niettegenstaande hot volk niet vool over godsdienstige onderwerpen nadacht, of wellicht juist uit dien hoofde, waron do Phoonikiërs toch zeer bijgeloovig, zooals men dat bij zeelieden dikwijls vindt, en daar zij rijk waren en vele offers konden brengen, waron ook hunne tempels rijk , hunne godsvereering vol pracht, en de priostors mannen van aanzien en rijkdom.

liaiii, het grondbeginsel dor voortbrengende en voortplantende krachten, werd vooral op do bergtoppen vereerd. Zelfs in do vlakten stichtte men de altaren te zijner oore op kunstmatige hoogten. Vóór de ImiM govvijdo tempels zag men zuilen, welke de ledematen tot voortplanting in een rousachtigon maatstaf voorstelden. Hetzelfde symbool was ook Asjora toegohoiligd, en nevons de altaren dier godin, waarop alleen mannelijke dieren mochten geofferd worden, verhief men mode zoodanige palluszuilen. Ook de stier, de geitobok, hot paard, duiven, visschen, in hot kort alle dieren en zolfs kruiden, waarin de goschiktheid om zich voort te planten duidelijk was waar te nemen, waren aan die godin gewijd, Duivonvlncliton en vijvers met heilige visschen vond men in de

213

-ocr page 232-

(1 KïLhUSiquot;IIK i: 111)K W K UKLJ)G IMCUIK I) KN13.

hag\'üti dio hare tompols omrititfdon, on hare priostors mochton geen visch nuttigou. Daar allo physisch loven haar kiem en oorsprong in het vloeibaar element had, was haar ook liet water toogehoiligd.

De wijze waarop deze godin werd vereerd, was eigenaardig en volgens onze voor-stiillingen in do hoogste mato onzedelijk. Jonge dochters ollerdon aan Astarte hare jonk-vronwolijke oer, en op zokere feestdagen, waarop, zooals men licht denken kan, pelgrims van wijd on zijd toestroomden, zag men in het tempeldistrict hutten on tonton, door meisjes opgericht, waarin deze zich aan do omholzingen dezer pelgrims overgaven. Ettelijke vrouwen on meisjes wijdden zich aan dezen dienst in den tempel zeiven toe; anderen trokken het land door, en wat zij op deze wijze verdienden, brachten zij aan den tempel op. l\'it Liyblos werd deze godsdienst op Kypros ingevoerd, waar do offerdienst der godin Asjera (die de («rieken Aphrodite en de Romeinen Venus noemden) in de haag van l\'aphos quot;wereldberoemd \' werd. Zeevaarders gingen met graagte derwaarts, omdat welwillende priesteressen dor godin hen reeds aan het strand opwachtten.

Hot zoo ovongonoomde IJvblos (Dsjebel of Gobel) was ook een der hoofdzetels van den Adonisdienst. Wanneer het schoone jaargetijde ten einde was gespoed, en do herfststormen en regen het water van den Adonis door afgespoelde aarde rood kleurden als blood, betreurde het volk den schoonon jongeling Adonis (de lente), den minnaarder godin van den herfst en don verwinnaar het wilde everzwijn (den winter). Men treurde zeven dagen achter elkander, onder openbaar leedbotoon en plechtigheden aan de schimmen der afgestorvenen. Meisjes sneden beur haar af, of verkochten in plaats daarvan, hare jonkvrouwelijke eer, om de opbrengst als een offer den tempeldienaars van liaiiltis of Asjera aan to bieden. De priesters verschenrdon hunne kleoderen en schoren baard en hoofdhaar af: in hot kort or heersclito none algemeene droefheid in het land, dio eerst oen einde nam wanneer men oen mot specerijen gezalfd houten Adonisbeeld ten grave droeg. Daarentegen vierde men in do lento do opstanding quot;van don heerquot; (Adonaï) mot uitgelaten vreugdeiiodrijven.

Op geheel andore wijzo dan Haal en Baaltis diende men den vreeselyken Moloch en zijn vrouwelijk spiegelbeeld, Astarte.

Moloch was de vertegenwoordiger der verwoesting, de god, die de menschen voor hunne zonden bezocht, en wiens toorn slechts door schrikbarende offers afgewend kon worden. Deze waren Of zuivering- of zoenoffers. Vóór het aanvangen van oorlogen of andere belangrijke ondernemingen bracht men menschenoffers. Daarbij koos men noch slaven noch gevangenen voor zoodanige rampzalige verrichting uit. Neen , de slachtoffers waren altoos kinderen der burgers, ja zelfs somwijlen offerde men oen koningszoon. Toen eens na oen verloren veldslag — het gebeurde in lateren tijd te Carthago en is door don (iriekschen geschiedschrijver Diodor opgeteekend\' werd ontdekt, dat vele aanzienlijken, in plaats van hunne eigene zonen, gekochte slavenkindoren hadden geofferd, si\'hreef men de jammerlijke uitkomst van don oorlog, aan do gepleegde valschhoid toe. Terst.imd werden tweehonderd knapen van do aanzienlijkste geslachten geofferd, waarna nog driehonderd anderen zich vrijwillig ten offerdood overleverden! — Moloch werd ook als de l\'lioenikische oorlogsgod beschouwd.

Astarte word dikwijls — inzonderheid te Carthago als Didp-Astarte —- afgebeeld in de gedaante eener vrouw, die, op eiin leeuw gezeten, eene lans drilde, doch ook, als Maangodin, mot do halve maan (of stierhorens) op het hoofd. Zij was de godin die men door een knisch gedrag en onthouding moest vereeren. Kvon als men Moloch knapen offerde, schijnt hot, dat men haar reine maagden ten olïor bracht. Het

2U

-ocr page 233-

PIIOENIKliv (IN DUN IIISTCJRISCIIIHN SAÖ BNTIJI)).

ecuwig brandondo vuur iu Iiaro tompols word door priosterosson ondorhoudon , dio de gelofte vau voortdurende kuischheid hadden afgelegd. Doch daar in een knd, waar do liaillitdienst talrijke vereerders had , weinige of geene meisjes voor don dienst van Astarte waren op te sporen en in dezen tempeldienst toch voorzien moest worden , koos men in hare plaats priesters en tempel bedienden (Jiierodulen), die galen waren, dat is, verminkte wezens, vvien men zooveel mogelijk geslachtloos had gemaakt. De overlevering schrijft het verminken van mannen op deze wijzo aan Semiramis toe. Zij zou zich mot ontmande jongelingen omringd hebben, opdat haar geslacht niet door den hoogen toon van hare stem zou verraden worden. De blanke slachtoffers van dit wangebruik werden slechts verminkt tot quot;gosnede-nenquot;, doch aan de zwarten ontnam men alle uiterlijke geslachtsdeelen. - In weerwil van do rijkdommen der tempels, waren do inkomsten niet altoos toereikend, om de menigte van deze jammorlijko wezens te onderhouden. (ïe-heele scharen castraten trokken. onder het uitoefenen van godsdienstige goochelarijen, als bedelaars door hot land.

Een oud schrijver schotst ons zulk eon troep bij zoodanige omzwervingen, waarbij deze ellendelingen oen ezel in hun middon voerden, die, naast hot gesluierd symbool der godin, den bedelzak droog.

\'\'De galen gaan in bonte, vuile vrouwengewaden gekleed. Hunne oogen on wangnn zijn beschilderd. Hun hoofd met een gooien tulband omwonden. Velen dragen ook witte kleederen, mot eene roede, nederdalende clava versierd. Hunne armsmouwen zijn tot aan den schouder opgestroopt. Mot groote zwaarden en bijlen, evenals met geoselroeden in de handen, mot kleppers, flniton, cymbalen , tym-panen en schellen, woeste geluiden voortbrengende, trekken zij, meer dravende dan loopendo, langs de wegen. Naderen zij eene pachthoeve, dan beginnen zij hunne vertooningen. Een afschuwelijk gehuil strekt tot inleiding. Dan vliogon zij wild door elkander, het hoofd diep voorover gebogen, zoodat hot loshangende haar in den modder sleept. Daarbij bijten zij zich in do armen en wonden zich ten laatste met do tweesnijdende zwaarden, dio zij gewoon zijn to dragon. Vervolgens vangt een nieuw bedrijf aan. Een van hen die allen in razernij voorgaat, begint onder knchen on steenon, te profeteeren. Hij klaagt zich openlijk wegens zijne zonden aan en verzekert haar door kastijding van het vloesch te willen verzoenen. Iht geesolkoord met knoopen ophoffonde, doet hij dit op zijn rug in breedo striemen nederdalen, /.oodat het bloed, daardoor te voorschijn geroepen, mot dat hetwelk door do zwaarden is voortgobracht, do aarde kleurt. Het slot van het geheel is eene inzameling van giften. Eenige toeschouwers werpen koperen munten , andoren kleine zilverstukken in den wüduitgebreidon schoot van den gaal, terwijl nog anderen deze lieden met wijn , melk , kaas en meel verzorgen, hetgeen mot gretige handen word aangenomen en in don daartoe dienendon zak, nevens de godin , op den rug des ezels, geborgen. Eindelijk breken de galon op om dozolfde tooneelen bij het eerste landhuis of dorp te herhalen. Des avonds in do herberg aangekomen , stellen zjj zich voor de jammerlijke kastijdingen op den dag schadeloos door cono rechte sinulpartij.quot;

Door deze optochten en de gebaren dezer dolle dwoepors worden niet zelden toeschouwers zoodanig opgewonden, dat zij zich /.elven ontmanden. Vele vrou-

215

-ocr page 234-

2lii

wen, zoo vormoldt oen oud schrijver (iiOekian), verkozen hot om mot de galen in go-moeiisc hap te loven, wien zij hartstochtelijk waron toegedaan.

üe feesten van Baiil-Melkart werden mot voel praal gevierd, en do tempels aan dien god gewijd op do kostbaarste wijze versierd, llerodot bewonderde in een dier tempolx twee zuilen, de eene van goud, de andere van smaragd, en dergelijke zuilen bevonden zich in alle tempels aan den l\'hoenikischen Horakles gewijd.

Kunxleu en wetenschappen. I!ij iiandolsvolkon bloeien liet meest zoodanige kunsten en wetenschappen, die tot don koophandel in oniniddellijke betrekking staan, en ;;oo was het ook hij do l\'hoenikiörs. Zij, die met allo landen bekend waron,. maakten zich de voorbeelden van al deze landen ten nutte, wanneer aio hun tot voordeel konden strekken. Inzonderheid oefenden Kgypto en Chaldea te dien opzichte oen grooten invloed op hen uit. Zelfs hunne gebouwen haddon geen eigen stijl, niettegenstaande zij zich bij de technische uitvoering meesters toonden en de andere bewoners van Syrië, zooals de Israelieten, verre in de bouwkunst overtroffen. Hunne beeldhouwkunst stond nog beneden dio der Egyptenaren. Kunne afgodsbeelden lieten /.ij óf in dat land vervaardigen , óf maakten die zeiven in den Egyptischen stijl, doch altoos met nog minder smaak en met attributen overladen. Versierselen van metaal, ivoor en steen maakten zij in groote menigte, doch daarbij stelden zij meer waarde op kostbaarheid, kracht en zwaarte dan op bevalligheid en schoone afmetingen.

De afgodsbeelden die zij op hunne zeetochten, in hunne quot;panekenquot; modenamen, bestonden uit statuën , meerendeels Kabiren , groteske, belachelijke en schrikwekkende ligiirnn, niet beter dan carricaturen.

Van werken der dichtkunst of letterkunde vindt men bij dit altoos op zijn voordeel bedacht volk weinige of geene sporen.

Koophandel en nijverheid. Zoo lang men Phoenikiërs kende, waren zij schippers en dreven koophamhd eti zeeroof, liet laatste achtte men in oude tijden een even eerlijk bedrijf als den oorlog, die doorgaans niet zelden oen georganiseerde rooftocht was. Evenmin voelden de halfwilde volken, waarmede de l\'lioenikiërs te doen hadden, zich bezwaard, om de tot hen gekomen zeevaarders te beroovon. Konden de Phoenikiërs hetgeen zij verlangden dus door list bereiken , zoo trokken zij dit aan gewelddadigheden voor, en hiermede, kwamen zij inderdaad ver, want zij waron alom wegens hunne sluwheid befaamd.

Terwijl wij den aanleg der volkplantingen herdachten , hebben wij mede oen begrip van do uitgestrektheid van don l\'hoenikischen koophandel gegeven. De wereldhandel berustte werkelijk in de handen dezer kustbewoners. Zij ruilden ruwe grondstoffen uit harbaarsche landen voor goodkoope Phoenikische fabriekwaren in en voorden deze naar landen waar zij ontbraken, alles met \'groote winst. Zij handelden niet slechts met natuurproducten en voortbrengselen van volksvlijt, maar ook met slaven, voor wien /.ij goede markten vonden. Zoo zij op vreemde knsten inboorlingen, jongelingen of vrouwen, op hunne schepen konden lokken, voordon zij hen niet zelden weg en verkochten hen.

Met Kgypte en Habvlonië onderhielden de l\'lioenikiërs een levendig handelsverkeer, quot;ii evenzoo met Arahië en Indië, deze in de ouilhoid als wonderlanden beschouwde oorden, die men den gemeenscliappeiyketi naam van Ophir gaf. Uit deze landen kwamen dezelfde proilucten , die wij nog tegenwoordig van daar bekomen, t. w. ivoor, kostelijke specerijen en kruiden, lijn hout en reukwerken, goud en edelgesteenten en merkwaardige dieren, zooals apen en prachtig gevederde vogels, inzonderheid pauwen. Niet onmogelijk is bet, dat de l\'lioenikiërs zei ven reeds in die oude tijden nu en dan on-

-ocr page 235-

PIIOKNIKTR (IN DUN HISTOIllSClIUN S/VOHNÏIJI,)).

middolljjk met deze landen verkeerden, doch doorgaans geschiedde hot door tusschenkomst der aan do Eoode Zee wonende volken, zooals de Edomieten, die de Ophir-waron van do havens en stapelplaatsen afhaalden en naar Tvr voordon. Eerst in Hiram\'s tijd, toen do mot hem bevriende koning dor Israëlieten, Salomo, havens aan de Roode zee verwierf, werd oen direct handolsvorkeer met de landen aan do Perzische golf, de monden van den Inilas en Dokan levendig, ja men heeft aanwijzingen, dat de l\'hoenikiCrs met (Vvlon i» verbinding stonden.

üe oorzaak weshalve het aan nauwkeurige berichten ton aanzien der handelingen en handelsverbindingen der Phoenikiërs ontbreekt, is deze, dat dit volk beiden zoo geheim mogelijk hield on de meest avontuurlijke leugens verhaalde om de mededingers af te schrikken, die voor Tyr, Sidon en do andere steden do markt bederven konden. Van do l\'hoenikische zeevaarders stammen meerendeols de wonderbare fabelen af, die di* lichtgeloovige Grieken van allerlei volkeren in vreemde landen verhaalden.

De meest voordoelige handelsartikelen voor de Phoenikiërs waren ongetwijfeld de metalen van alle soort, weshalve ook hun eerste zorg bij hot bezoek van vreemde landen was, om te ontdekken of do bergen ertsen bevatten en de rivieren stofgoud medevoerden. In hot opsporen daarvan bezaten zij eene buitengewone vaardigheid , oven als in den berg-bouw zeiven, zoodat geen enkel volk op aarde hun daarin nabij kwam. Reeds in vroege tijden trokken zij koper uit don Libanon on van Kypros, en in Spanje vonden en wonnen zij, natuurlijk niet zonder meermaals op hevigen tegenstand van de zijde dor inboorlingen te stuiten, goud en zilver in menigte. Bijna even gezocht als deze edele metalen was het tin, hetwelk men tot het voortbrengen van brons noodig had om wapens en vaatwerk te vervaardigen. Immers, de l\'hoenikiiirs verstonden niet alleen de kunst om metalen op te sporen en nit do ertsen te trekken, zij waren ook bekwaam om die te bewerken. Zij brachten niet slechts bewonderenswaardige groute gegoten werken ter markt, maar vervaardigden ook vaatwerken en schilden met gedreven sieraden , die hoog gewaardeerd werden. Al vermochten zij met betrekking tot de beeldhouwkunst niet bijzonderen roem in te oogsten, zij verstonden zich toch bij uitne-mendhoid op alles wat tot de handelsindustrie behoorde. Ook hunne munten getuigen van groote vaardigheid.

Nevens den koophandel met inetalon, bracht de fabricatie van de purperkleur den rhoenikiërs ontwijfelbaar groot voordeel aan. Men won haar uit het sap van zekere zeeschelpen, die zij in de MMdellandsche zee in groote menigte vonden. Men verhaalt, dat men deze uitvinding aan een hond to danken hooft. Dezo had zulk eene mossel doorgebeten, en nu zag zijn meester met verbazing dat de bek van het dier daardoor prachtig rood was geverfd. Intusschen was do verf, daar men haar uit het sa]) van verschillende mosselen trok, niet altoos rood. Men trok uit do pnrperschelpen ook donkere, bijna zwarte kleuren. Anderen gaven violetkleur, nog anderen scharlakenrood. Door vermenging bracht men allerlei schakeeringen voort, waaronder die welke bloedrood of do amethystkleur vertoonden, hot meest gezocht werden.

Men schreef den Phoenikiërs a\'lorhande uitvindingen toe, waarvan zij niet meer dan de verspreiders en gelukkige navolgers waren. Zoo veronderstelt men, dat zij het purperverwen van de Assyriërs geleerd hebben. Het Tyrscho purper was echter het moest beroemde, on de daarmede gevorfde stollen stonden hoog in prijs, vooral omdat men voor hot verwen van 50 pond wol ongeveer I{00 pond stè|kensap noodig had. Men verfde met deze kleurstof Egyptisch linnen en wol. liet dragon van purperen gewaden werd, zoo als wij reeds verhaald hebben, een voorrecht der vorsten en opperpriesters.

217

-ocr page 236-

riKïLliUSTRKKRI)H WKKHLI)GESCIIIKDKNIS.

ofschoon ook rijko vrouwen en mannen ilio bij feestelijke gelegenhetlen aandeden , althans kleotleren welke mot purperen randen versierd waren.

Te Tyr en in vele steden der koloniën vond men purperverwerijon, en gewoonljjk waren daarmede weverijen verbonden.

I)(^ uitvinding van het glas wordt almede den Phoenikiörs toegeschreven, en men verhaalt dat dit door een toeval heelt plaats gehad. Zeelieden zouden op zeker strand een vuur hebben aangelegd , en daarbij , omdat er geene steenen in de nabuurschap waren , stukken salpeter gebruikt hebben. Door het samensmelten dezer stof mot zand ontstond, volgens de overlevering, eene glasachtige massa. Het is intusschen hoogst waarschijnlijk , dat de 1\'hoenikiërs do kunst om glas te vervaardigen van do Egvptonaren leerden , die haar reeds kenden alvorens de Phoenikiërs op het wereldtooneel verschenen. Men maakte in l\'hocnikic allerlei sieraden en snuisterijen van glas, die men in hot verkeer met wilde volken met buitengemeen voordeel aan den man bracht. Niettemin verkreeg deze tak van industrie geene gruote uitgebreidheid, omdat men tot het maken van drinkvaten doorgaans metaal koos en het glas niet behoefde om de vensters te sluiten.

I\'it het oogpunt van beschaving, waren de Phoenikiërs in het tijdperk dat den bloei van (!riekonland voorafging, hot belangrijkste volk op aarde, en hunne werkzaamheid is nauwelijks door de Grieken, de Romeinen of eenig later volk overtroffen.

Üe verdere lotgevallen der groote l\'hoenikischo koopsteden zullen wij in de geschiedenis der Assyriërs en andere volken loeren kennen. Eveneens zullen wij van den bloei waartoe sommige l\'hoenikischo koloniën zich verhieven, van de ondernemingen ter zee en de stoute scheepvaarten later uitvoerig medudeeling doen.

\'J 18

-ocr page 237-

m

-ocr page 238-

r.Kïu.rsTim\'.itDK wr.iuaiKiKscuihdknis.

quot;Israiil is liut vat gnwoest, waarin liet water dus lov(!iis gngoton, frisch 011 kool bloof, om voortaan do worold te verkwikken.quot; Wegens dit voorrecht gaat zjjno goschie-donis ons nauw tor harto.

Onder de stammen, die uit onbekende oorzaken het Zuidelijk-Clialdea verlieten, wordt ook een vermeld, die onder do leiding van Therah (of Thareh) Oer verliet en zidi op den linker Kufraatoever bij llaran (Kharan) in Mesopotaraië nedersloeg. Een zijner nakomelingen, — volgens de Joodsche traditie zijn zoon Abraham (of Abram)— verliet met zijn gezin ook deze weidegronden (ongeveer 2000 jaren vóór Christus), trok door Syrië en vestigde zich eindelijk met der woon in de streek van Hebron of Kiriat-Aba, waar hij zijne tenten in de haag Mamro oprichtte. Een neef van Abraham, Lot (of liuth), sloeg zich in het Jordaandeel neder, niet ver van do Doodo zee, waar destijds de sedert door eeiie aardbeving verwoeste steden Sodom en Gomorrha lagen.

Deze door do ingezetenen des lands zonder tegenstand opgenomen vreemdelingen worden door hen Hebreen (mannon van do overzijde) genoemd, omdat zij van gene zijde van den Eufraat kwamen.

Ahra/iain en zijne zonen, De gastvrije bevolking dos lands was den koning van Elam Wjnsplichtig geworden. Toen zij zich tegen die schatting verzotte, werd zij doorkoning Koedor Lagamer (vergelijk bladz. 177) en de met hem verbonden vorsten in hot dal Siddin geslagen. Onder do talrijk gevangenon, die do Rlamiot modevoordo, bevond zich Ook Abraham\'s neef, Lot. Abraham verzamelde zijne welgewapende dienaren on viol in het nachtelijk duister binnen het kamp van den zorgeloozon vijand , met het gevolg, datLot, benevens diens geroofde kudden en vele andore gevangenen , bevrijd worden. Dit aanzienlijk nomaden-opperhoofd Abraham wordt als do eigenlijke stamvader der Israëlieten beschouwd.

Hij had, volgens den Hijhei en het geschiedwerk van Plavius Josephus, twee zonen: Ismael, bij eeno Egyptische dienstmaagd Hagar, en Izaiik, van zijne vrouw Sara. Op aanhouden van de laatstgenoemde, verhaalt do overlevering, verstiet Abraham Hagar met haren zoon Ismaël. Aanvankelijk zwierven de beide verlatenon in de woestijn, waar zij groot gevaar liepen om van dorst te versmachten. Zij bleven echter in hot leven, en Lsmael werd, zoo wordt vorder verhaald, do stamvader der Arabieren.

Izaiik had twee zonen: Esau on .lakob. De laatste bedroog zijn broeder, waardoor hij hem het eerstgeboorterecht en daaraan verknocht erfdeel ontroofde, Esau trok daarop naar het zuiden , naar den omtrek van don berg Seïr en werd de stamvader der Edomie-ten. Jakob nam den mystieken naam van Israël aan, waarvan de oorsprong duister is. Het is daarnaar dat het volk, hetwelk van Jakob en zijne zonen afstamt, zich Israëlieten noemt.

Israël heet: quot;Die met God worstelt1quot; of\'\'Godsstrijderquot;. Vandaar quot;Boni-Israëlquot; kinderen Israël\'s.

Het in ({mmsk XXXII vs. \'25 vormolde quot;worstelen met Godquot; is op zeer verschillendo wijze verklaard. De \'\'rechtgeloovigequot; .loden namen dit worsteion op in letterlijken zin , terwijl andoren, zooals Maimonides, een beroemd Joodsch geloerde die in do DJ1\'quot; eeuw in het Oosten leefde, het als een levendige droom, een visioen, verklaarde. quot;Do lamme heup des aartsvadersquot;, schrijft Abarbanel, oen geleerde die, nu vierhonderd jaren geleden, in Spanje bloeide, quot;is wellicht toe te schrijven aan eene hovigo schudding die gedurende den droom werd ondervonden.quot; Ofschoon men toegeven moet, dat zoor levendige

220

-ocr page 239-

ISIIAÜI, (IN DEN IIISTOIIISCHEN SAOKNTIJl)).

ilroomcii licliamolijko werkingen kunnen voortbrengen , en eene verrekte heuj) door hot vallen uit di) legerstede kan voortgebracht worden, is deze verklaring nochtans niet aannemelijk , daar Jakob in hot open veld op do aarde sliep. Wellicht haalde hij zich oone vorkoudhoid op do leden, waarvan eene verlamming hot gevolg was, iets wat meernialen heeft plaats gehad.

Hij zijne vier vrouwen had Jakob twaalf zonen, van wolken de beide jongsten, Jozef en lionjamin , hein door zijiio meest geliefde vrouw, Kachel, geschonken werden.

Do verhalen van Jozefs verheffing tot onderkoning en de verhuizing der Israëlieten naar CJosen, zijn reeds in do geschiedenis van Egypte medegedeeld. Eveneens alle bijzonder-

liwleii die wij aangaande den uittocht huninir nakomelingen ondor Mozos weten. (Vergelijk bladz. 87—90 on 98—iO\'2).

Mozes. Ifet volk, hetwelk Mozos wilde terugvoeren naar het land, vanwaar zij vijfliondord jaren vroeger waren vertrokken, was saamgesteld uit zeer verschillende be-standdeelen. Ofschoon de Israëlieten daaronder hot grootste aantal uitmaakten, en het in dun. Bijbel vernielde getal van 000,000 strijdbare mannen, zeker veel to ruim is opgegevon, was toch de taak door Mozes op zjjne schouderen genomen, allermoeielijkst.

M\'d do cijfers in de jaarboeken der Ili-breërs moet men het niet te stipt nemen; zo zijn bijna altoos overdreven, en dat dit inderdaad het geval is, kan uit eenvoudige berokeningen worden aangetoond. Hot getal strijdbare mannen onder het volk, dat

221

-ocr page 240-

222

Mozos uit Kgypto leiddo, wordt opgegeven (iü;i,550 bedragen to hebben, een cijfer dat de voorttrekkende zwervers tot minstens 15 millioen brengt. Zulk eono menscbenmenigte in cene woestijn te voeden . die tegenwoordig nog goone 5000 Arabieren het noodigo kan verschaffen , schijnt geheel onmogelijk.

Toen deze ontzettende menigte niets anders to nuttigen had, verzadigde zij zich met kwartels en manna. Hüt laatste is eene kleverige hars, die de tamarisken boom uitzweet, ecu zoeten smaak heeft en nog tegenwoordig bij de aan don Sinaï wonende I5edooïnen man hoot. De geheele opbrengst van dit product op het gansche Sinaï-schiereiland wordt jaarlijks op 7(H) ponden geschat. Wanneer men nu op elk hoofd slechts één lood manna per dag wil rekenen, zou het da gel ij ksc he verbruik reels over 90,000 ponden beloopen hebben, dat is de opbrengst van 130 jaren. En de landverhuizers aten zes dagen achtereen daarvan tot zij zat waren en namen dan nog een quot;gemor\'\' mee voor elk , die in de hut was achtergohleven! - quot;En de kinderen Israels aten manna 40 jaren , tot zij in het land kwamen, waar zij wonen zoudenquot;, luidt het in boek Exodus XVI vs. 35.

Met betrekking tot de getallen 40 en 70, die veelvuldig in het Onde TeHamenl voorkomen, valt op te merken , dat men die niet naar ons spraakgebruik moet opvatten. Mozos bleef veertig dagen op den berg Sinaï, zonder eten of drinken. Veertig dagen hadden do kondschappers noodig voor hunne reis vau Kadesh naar Hebron hoon en terug. Veertig en zeventig werden oudtijds door de Israëlieten gebezigd, zooals bij ons ten dage do getallen 100 en 1000. quot;Ik heb het reeds honderdmaal gezegd,quot; of quot;ik verzoek u duizendmaal om verschooning,quot; zijn spreekwijzen die men dagelijks hoort. Doch zwierven de kinderen Israel\'s juist niet bepaald veertig jaren in de woestyn rond, zeker toch een geruimen tijd. Velen meenen, dat Mozos opzettelijk zoo lang in de woestijn bleef, om het oude geslacht te laten uitsterven en met een door het zwervend leven gehard volk ten strijde te trekken. Doch deze meening komt anderen zeer gewaagd voor.

Maar hoe dit zij, in ieder geval was het eene hoogst moeieljjke taak voor Mozes em eene zoo gemengde volksmenigte in orde te houden of haar tegen de aanvallen der woestijnbewoners te beschonnon, haar in deze woestijn te voeden en to verplegen, en daarbij te zorgen, dat zieken en zwakken, vrouwen en kinderen niet te gronde gingen. I)e Joodsche traditie van deze omzwerving is zoo zeer met overdrijvingen en wonderen vervuld, dat daardoor aan de historische waarde dezer berichten groote schade wordt toegebracht. Niettemin dragen de voorvallen die bij dezon zwerftocht staan opgeteekend, voor hot grootste deel karaktertrekken , die volkomen met den natuurlijken loop van zaken overeenkomen, zoodat zij over het algemeen als daadzaken kunnen aangenomen worden, liet is wel mogelijk, dat oen deel van Mozos\' schriften is verloren gegaan, en het verlorene toen door beoefenaren dor oude oorkonden is aangevuld, zooals zij zich meenden te herinneren het eens gelezen of gehoord te hebben.

Hoezeer Mozos door zijn persoonlijk aanzien en het vertrouwen op zijne groote hoe-dunigheden eene uitgestrekte macht op de volksmenigte, die hij aanvoerde, had verkregen, /.ag\' bij toch spoedig in, dat beiden niet toereikend zouden zijn om zoo bont bijeengebrachte volkshoopen in toom te houden, een gevoelen waarin ook zijn schoonvader, de Midianitische priester Jethro, tevens het opperhoofd van zijnen stam. deelde. Op den raad van dezen verstandigen man, gaf Mozes doelmatige voorschriften, voor wier opvolging hij ten strengste waakte.

Keeds in het begin van don zwerftocht bleek het hoe noodzakelijk dit was, want toen men in de woestijn kwam en do levensmiddelen begonnen op te raken, morde het volk. De aankomst van /.wormen kwartels en het vinden van manna en water stilde

-ocr page 241-

ISRAËL (iN DUN mSTORISCIIKN SAGKNTIJI)).

wel is waar voor (iiiii oogenblik dozo ontovrodenlioid, doch toonoolon van tügonwerking on verzot bloven to vreezen.

Mozos koesterde het denkbeeld, dat zoo hot volk van godsdienstig gevoel word doordrongen, do wetten dio hij zijn stamgenooton voorschreef, willig zouden worden opgevolgd. Door zijne opleiding mot de geheimon van den Kgyptischen eorodienst vertrouwd, en tevens hekend tot welke verbastering het verpersoonlijken der symbolen van de goddelijke oigcn schappon had aanleiding gegeven, stelde hij als voorwaarde van allo godsverooring, dat men den Onzienlijke, den Almachtige, niet mocht afbeelden. Zelfs achtte hij hot niet geoorloofd, den naam van den hoogen God, Jehova (of beter Jahve), uit te spreken, tenzij bij bijzonder plechtige gelegenheden.

In eono vlakte, in de nabuurschap van het Sinaï-gebergte, werd de eerste lange rust genomen, en van deze gelegenheid maakte Mozes gebruik om zijne wetten neder te schrijven. Te dien einde besteeg hij den berg Sinaï (waarschijnlijk dien berg, wolken men thans Serbal noemt, of wel—■ zooals anderen oordeelen don Dsjobol-Moesa). Hij bleef er vele dagen achtereen. Deze langdurige afwezigheid verschrikte het volk. Hot geloofde verlaten te zijn en sloeg aan het muiten. Hot vertrouwen op Jehovah verzwond, en toon Mozos terugkeerde, vond hij het volk om hot beeld van een gouden stierkalf verzameld, waaraan hot offers bracht. Vertoornd over dit afdwalen, riep bij do aanhangers van Jehovah bijeen, versloeg met hen .\'3000 afvalligen en verplaatste den tabernakel of do tent van samenkomst buiten het leger. Het volk kwam tot berouw. Mozes, die in zijne verontwaardiging do steenen tafels had stuk geslagen, waarop, naar Kgyptischen stijl, zijne wetten waren geschreven, begaf zich op nieuw in de eenzaamheid en koerde met twee nieuwe tafelen terug, die de bekende Tien geboden bevatten.

Deze geboden vormden den grondslag, waarop de Israëlitische staat word gegrondvest. Igt;o vraag of allo voorschriften en inrichtingen, diode Boeken van Mozes ton aanzien dor staatkundige on maatschappelijke betrekkingen van Israël bevatten, door Mozes zeiven zijn uitgevaardigd of in later\' tijd bijeengevoegd, hoeft tot veelvuldige twisten tusschen do geleerden aanleiding gegeven. Voor ons is het voldoende, dat Mozos het uit Egypte gevoerde volk vormde tot eene geregelde maatschappij, tot een eigen staat.

Als do onzichtbare heorschor van het volk van Israël gold Jehovah zelf. Do op do steenen tafels neergeschreven woorden der Tien geboden waren het grootste heiligdom des volks, weshalve deze bladen in do quot;Ark dos Verbondsquot; werden nodorgelegd, die mon in oeno ruime , verplaatsbare tent, de Stiftshut of Tabernakel, bewaarde. In deze tent loerden Mozos en zijn broeder Ailron den wil van den Almachtige (El Sjadaï) kennen, dien zij vervolgons aan hot volk mododoeldon. Met de bijzondere bescherming van dit heiligdom bolastto men don stam Levi, waartoe ook Mozos en Aiiron behoorden. Alleen do Levieten konden priesters zijn; zij alleen kondon do offers brongen, daar quot;aan Jehovah don reuk dezer offers welgevallig was.quot;

Mozes regelde niet alleen do godsverooring der Israëlieten, hij gaf hot volk ook staatkundige inrichtingen. Hij deelde hot in twaalf stammen, dio naar de twaalf zonon van vader Jakob genoemd werden, eene indeeling, die wij bij genoegzaam alle Semitische stammen ontmoeten. Do vreemdelingen, die zich bij de uitwijkelingen hadden aangesloten, werden bij deze Israëlitische stammen ingedeeld. Iedere stam splitste zich weder in geslachten of huizen, en hot hoofd dor familie die zijne afstamming uit den gemeon-schappeiykon stamvader, met inachtneming van hot eerstgeboorterecht, kon aanwijzen, werd opperhoofd van den stam. Do hoofden dezer stammen en een aantal (70) familiehoofden maakten oen raad der oudsten uit.

-ocr page 242-

OKÏI.LUSTRKERUI: VVKIlKLDOKSCIllKHKNIS.

224

Dat de wetton en inrichtingen van Mozos door de zoo vorschillendo bestanddeolen des volks niet altoos zonder tegenkanting werden aangenomen, is gemakkelijk te begrijpen. Geon wonder, dat de overleveringen van verschillende pogingen tot opstand berichten.

Maar to zelfder tijd ervaren wij ook , dat Mozes do man was om zijne weldoordachte plannen kraehtig ten uitvoer te leggen. Korah (van den stam Levi) en Dathan en Alnrain (van den stam Ruben), met \'250 aanhangers, verzetten zich tegen Mozes en A;iron, wien zij voorwierpen, zich hot bewind aangematigd te hebben. Mozes bedacht

-ocr page 243-

IS RAK Ij (JN DF.N IIISTOIU SCH EN SAGEKTIJü). 225

zich iiiot lang : de muitelingen vorloron, naar hot volk geloofde , door den toorn van Jehovah op eene buitengewone wijze hot loven, en toen het volk over dit strafgericht zijn ongenoegen te kennen gaf, quot;zond de God Israel\'s eene ziekte, waaraan 15,(JOU irumschen stiervenquot;.

liet land Kanaiin , hot vaderland van Abraham en .lakob , op welks bezit Israel. als uit Jakob\'s voorvaders voortgesproten, aanspraak maakte, was het door .lehovah beloofde land, waarheen Mo/,es lint volk voeren wilde. Igt;e weg derwaarts liep door liet. I. 10

-ocr page 244-

OKÏU.rsTKEKKÜE W EUKLÜGÉSCHIKUKSfii.

gebied van krijgshafte vulken , tegen welken de door do slavernij in Egypte verwekelijkte Israëlieten niet waren opgewassen. De door hen uitgezonden verspieders brachten berichten terug, die de Israëlieten deden versagen. Mozes zag in, dal zijn volk nog opleiding noodig had en gestaald behoorde te worden. Derhalve trok hij niet hen de woestijn rond, zoo als do overlevering zegt, veertig jaren lang. Toen deze tijd van beproeving en opvoeding ton einde was, verzamelde Mozes do stammen bij de oase Kadesh, aan den voet van het gebergte Sei\'r. Hij verzocht de mot Israël vermaag-schapte Kdomieten om vrijen doortocht, maar zag zijne vraag afgeslagen. Voorzichtig als hij was, hield hij het voor geraden het land Edom om te trekken. De koning der Amo-rieten, Sihon , weigerde hem eveneens den doortocht. Doch in de woestijn kon Mozes met zijn volk niet blijven. Door den nood gedrongen, greep hij de Amorieten aan en overwon hen. Daardoor aangemoedigd, versloeg bij ook do nakomelingen der oorspronkelijke bevolking, de quot;reuzenquot; van Og, koning van Hasan, Do voortreffelijke weidegronden van Gilead, die oostwaarts van den Jordaan lagen, worden thans door de Israë-lieten in bezit genomen. Drie stammen , of gedeelten van hen , dio do veefokkerij boven den landbouw stelden, bleven in dit land, dat zich van den Anion tot aan den voet des Hormon\'s uitstrekte: Euben (Roeberi), in het zuiden, tusschen den Anion en den bergstroom Arboth: Gad, langs don Jot daan tot het Gallileesche meer; de helft van Mana-se in het koninkrijk Hasan, en een aantal gezinnon van den stam Juda aan de bronnen van den Jordaanstroom.

Mozi\'S stak den Jordaan niet over. Toen hij den dood voelde naderen, benoemde hij een bekwaam man, Josua, den zoon van Noen, tot zijn opvolger. Hij overleed in het land Moab. Waar hij begraven ligt, bleef onbekend.

Nadat Josna door uitgezonden verspieders vernomen had, dat inwoners van het schoone Jericho voor de Israëlieten vol vrees waren, ging hij niet ver van den mond des .lordaan s over dozen stroom en nam Jericho in. De val dezer stad had die van vele andoren ti n gevolge. Ai, Uothel en Sicliem werden veroverd, en de laatste eenigermate tot hoofdstad gemaakt. Op den berg Ebel liet Josua, Jehovah ter eere, een steen op-richten, waarop de Wet was uitgehouwen. De Gibeonieten (in het land der Hevieten) hadden zich vrijwillig onderworpen. Dat was voor de andere volken een kwaad voorbeeld. weshalve de koning van Jeboes , in verbinding met andere vorsten, tegen de Israëlieten optrok. Doch do verbondenen werden onder de muren van Gibeon, in het dal Ajahiii, verslagen. Den koning van Hazor, Jabin, en zijne bondgonooten ging het niet beter; zjj werden in de nabijheid van het Meromnieer geslagen, en Jabin\'s hoofdstad veroverd en verbrand.

In het boek JuKua, Hoofdstuk X vs. H li, luidt het ton aanzien van den veldslag in het dal Ajalon : quot;En toen zjj (de Jeboesieten) voor Israel vluchtten, den weg op naar Heth-Horon, liet de Heer eeno zware hagelbui van den hemel op hen nederdalen, tot aan Aseka, zoodat zij stierven. En veel meer van hen stierven door den hagel dan de kinderen Israel\'s met het zwaard doodden. Toon sprak Josua mot den hoer des daags. wy 1 de Heer de Amorieten aan do kinderen Israel\'s overgaf, en zeide voor het gansche Israëlitische volk; quot;Zon, sta stil te Gibeon, en maan in het dal van Ajalon!quot; Toen ttlon-den de zun en waan util, tot dat het volk zich aan zijne vijanden gewroken had.quot;

Zoo als bekend is, werd deze bijbeltekst in do laatste jaren der middeleeuwen tegenover hetgeen de wetensihap loerde, inzonderheid bij do ontwikkeling van het stelsel van {\'operniens. bijgebracht. om over de stelling dat de zon eene vaste plaats in bet jieinelruiin inneemt, den vloek uit te spreken.

-ocr page 245-

1skaëi. (in den inaTOlUSCIIKN saftentiji)\').

Ifi\'t verblijf in de woostyn, de bezwaren v:iii liet kampleven on de marsch door onherbergzame en vijandelijke streken hadden uit hot verwijfde volk dei\' Israëlieten eone strijdbare natie gemaakt, en met hare overwinningen nam het vertrouwen op hare kracht toe. In korten tijd bevond zich het geheele land oost- en westwaarts van don Jordaan . van Kadesh-Barnea tot aan de bronnon van den stroom, in hunne macht, en zij draalden niet om het onder de twaalf stammen te verdoelen.

Juda (Joeda, .Tehoeda, Joda) verkreeg het zuidelijke deel, tusschen do Doodo zee en de vlakte van Gaza. Zijn gebied paalde in hot zuidoosten aan dat van den stam Simeon en naar het noorden aan de bezittingen van Dan on Benjamin. In hot iniddon des lands bleven Efraïm , henovens het nog niet gevestigde doel van Manasse. Isasjar, Zeboeion, Naftali en Asjer sloegen zich aan de noordzijde van den Kartnel en in de vlakte tot Tyr neder. De stam Levi bekwam geen land. Uit deze gemeenschap worden de priesters genomen, die de aristocratie des lands vormden en door de andere stammen moesten onderhouden worden. Het gemeenschappelijke heiligdom. di^ tabernakel, bleef te Silo (Sjiloh) en werd aan de hoede van den ttani Efraïm toevertrouwd.

Josua had geen opvolger. Zijne taak was vervuld; Kamuin was verdeeld onder de stammen Israel\'s. Intusschen viol het dezen geenszins gemakkelijk om hun erfdeel in bezit te nemen, daar de volken die er zich gevestigd hadden en het als hun eigendom beschouwden, zich met de wapenen verdedigden. Zoo lang nog mannen leefden, dio onder Josua gestreden hadden, bleef ook de oude moed stand houden. Doch de Israëlieten waren over het geheel geen krijgshaftig volk en konden zich bezwaarlijk meten met de zwaar gewapende naburen, de strijdwagens en boogschutters hunner vijanden. Met paarden waren do Israëlieten niet zoor ingenomen: wanneer zij al reden, deden zij dit op ezels, terwijl zij de paarden , die zij buit maakten , verlamden. Juda on Simeon , inliet zuiden, verjoegen de Kananieten uit de Amoritische bergen. Eene uitzondering maakten zij tegenover do Jeboesieton, die zich in hun gewest handhaafden. In het midden drs lands schrikte Manasse terug om al wat binnen de aangewezen grenzen lag in bezit te nemen . want do groote handelsweg liep door zijn gebied, en do in do nabuurschap liggende steden, zoo als Tanaiik en Magiddo, stonden onder de bescherming der pharao\'s.

Asjer, Zeboeion, Naftali, Isasjar en Dan konden slechts een gedeelte van hun gebied bekomen , want hier hadden de 1\'hOenikischo steden bezettingen.

Toen de Israelieten onder Josua de voor hen zwichtende bevolking van eenige landen verdreven, vloden vele Kananitische stammen naar de kust, waar, zooals wij in de geschiedenis van Phoenikiii gezien hebben, de sluwe kooplieden groote voordooien uit deze gebeurtenis trokken. Toen de Israëlieten het land dor Sidoniërs binnenrukten, moest de rijkdom der steden hen prikkelen , doch zij waagden het geenszins om haar aan te tasten. Van hunne zijde duldden de Sidoniërs, dat deze stammen zich in hun rijk vestigden. Ton eerste wilden zij hot niet bij hunne stamgenooten verkerven, dio vele plaatsen aan den groeten, door Kanaan voerenden handelsweg in bezit hadden, en ten tweede konden zij do Israëlieten als handlangers bij hunne groote ondoriiemingen . zoowol als akkerlieden, karavaan voerders, pakkers, lastdragers enz., gebruiken. De Israëlieten hadden zich tegen onderdrukking door bijzondere verdragen gewaarborgd, doch in den loop der tijden geraakten deze overeenkomsten in vergetelheid. Allengs bohandelden de Sidoniërs de Israëlieten In hun gebied als onderdanen, zonden ben, ondanks aller afkeer daarvan, als volkplanters naar afgelegen koloniën of verkochten hen zelfs als slaven. Toen editor de stam Dan, die nog geene vast\' woonplaats had, de Sidonsche volkplanting Liïs overviel en innam, hielden de Sidoniërs zich alsof hen dit niet aanging.

227

-ocr page 246-

(IKÏ [.LUST IIK H Rl) r. W K URL IK) I\'.SC 11[ Rl) K N r s.

Zoo luritf de nagftflachtenis aan Mozos on Josna ondor do Israölioten lovondig- was , namen zij de Tion (lobodon en all^ andore voorschrifton dos legeraanvoerders in acht. Doch van lieverlede deed zich de invloed der volkoren met on bij wien zij leefden , konnen. Zij vermaagschapten zich met do vreomdo stammen, en mot de heidonsche vrouwen kwamen ook do afgoden naar Israël. De tabernakel bleef wol is waar in naam hot nationale heiligdom, doch de vergaderingen daarbinnen werden van lieverlede tnindor bozocht, en nevens Jehovah, of in zijne plaats, werden Baal en Astarto vereerd.

Do staat van zaken, zoo als die tweehonderd jaren na Josua\'s dood heersclite, was buitengemeen verward. Do eensgezindheid, het bewustzijn van oén volk uit te maken,

ging meer en moer verloren. Het aanzien dor hoogepriestors verdween allengs, en do Levieten leden gebrek. De stammen raakten met elkander in oorlog, en derhalve was het, geen wondor, dat enkiden onder do heerschappij kwamen der volkeren, waartegen hunne voorvaderen zoo zegevierend gestreden hadden. quot;Sedert dlt;\' Israëlieten Jehovah verlaten hadden, verliet hij ook hen,quot; spraken de mannon, in wier gozinnen Mozes\' leer het trouwst en zuiverst bewaard was gobloven.

In dezen rampzaligen tijd gebeurde hot echter meonnalon . dat enkele begaafde on dappere mannen opstonden , die , terwijl zij aan den ouden room en de meer waardige gods-vereoring herinnerden, het volk uit zijnquot; dommeling wakker schudden en van de afhankelijkheid bevrijdden , of wel hunne naburen ontzag inboozetndon. Zoo lang zij leefden , oefenden zij door hun persoonlijk aanzien een bolangrijkon invloed uit, maar na hun dood verviel hot volk weder tot den vorigen staat. Doze personen noemde mon in de jaar-boekon rcdUcren. ilgt;t tijdperk waarin zij optraden, was ongeveer dat van 1280 tot

228

-ocr page 247-

rsiuiói. (in den uistoiuscukn sagentiju).

IIl2() vóór Christus. Een oigenljjk oppergezag oefenden deze rechteren niet, on veelal strekte liun invloed zich slechts over enkele stammen uit.

Do geschiodbooken dor Israëlieten uit dozon tijd hobbon slechts ecne geringe historische waarde. Niettemin zijn zij hoogst bolangwokkond als schilderingen vati zeden on gewoonten , waarbij tnon niet vergeten moot, dat zij doorgaans stork gekleurd zijn, Groote overdrijving, inzonderheid ton aanzien van getallen, zijn karaktoristioko konmorkon van alle Israölitischo schriften.

Doorgaans rekent men het getal dozer rechteren op twaalf. Wij willon do lotgo-vallon on daden van enkeion in korte trokken, ovoroonkomstig do overleveringen, modedoelon.

Eglon, koning van Moab , had do zuidolijke stammon beoorloogd iüi Jericho ingenomen. Achttien jaron lang moest men hom schatting opbrengen. Zekeren dag word eon man, Ehoed, naar don koning met geschonken afgevaardigd. Toon die gezant het hom toovortrouwdo had afgegeven, gaf hij voor, «ene geheime boodschap aan den koning t*. hebben, üoze zond allen die bij hem waren, weg, en toen nu boiden alleen waren, trok Ehoed oen onder zijn kleed verborgen zwaard uit en stiet hot don koning door hot lijf. Het gelukte don moordenaar naar hot gebergte Efraïm te ontvlieden. Hij riep hot volk op om do wapens op to nemon, trok mot do saamgekomenon ten strijd on versloeg do Moabioten. quot;Men doodde 10,000 sterke, strijdbare mannon, en niet één man ontkwamquot;. Tachtig jaren lang had hol land nu rust.

Deze Ehoed is een dor eerstgonoomdo rechteren.

Do te llazor regeerende Kananitischo koning Jabin wreekte do nederlaag die hij door Josua had geloden en verdrukte de Israëlieten die van de book Kison tot aan den borg Tabor woonden , twintig jaron lang. Vele inwoners zochten boscherming bij den stam Efraïm. die langen tijd het grootste aanzien onder do Israëlieten genoot. Onder do vluchtelingen bevond zich eeno begaafde vrouw, Deborah, do ochtgenooto van oon man uit den stam Isasjar. Zij woonde onder oen palm in het gebergte tusschon Kamah en Bethel, en do Israëlieten kwamen bij haar in geval van oneeiiighoden en moeilijkheden om hare beslissing in te roepen. Deborah was or op bedacht, haar vaderland van do onderdrukking te bevrijden. Zjj overlegde daartoe met oen man uit don stam van Naftali, Barak goheeten, en riep do twaalf staminon Israel\'s ton strijde togen de Kananioten op.

De stammon Jnda en Simeon, Dan en Asjor, bcnevons oen doel van den stam liuben — men rokende do laatstgenoemde nauwelijks moor tot de Israëlieten, ja noemde de Kubenioten doorgaans slechts quot;bewoners van het land Gileadquot; gaven aan doze oproepingen gei\'ii gehoor, en het leger, dat liarak en Deborah bijeenbrachten, bestond daardoor alleen uit do krijgslieden der stammen Naftali, Zeboolon , Efraïm, Manasse en Benjamin. Met hen trokken de aanvoerders don veldheer van koning Jabin, Sisera, togen, die, niettegenstaande zijne 000 ijzeren strijdwagens, in het dal Magiddo werd geslagen. Sisera vlood en zocht eeno schuilplaats in de tent van Hober, don Koniet, die met den koning van llazor vrede hal gesloten. Zijne vrouw, .laël, ontving den vluchtenden en uitgoputten veldheer met botuigingen van vriendschap, gaf hem melk te drinken en dokte hom met oen kleed toe, toen hij verzocht had zich te mogen nederleggen om te ruston. Toon zijne ademhttjing aankondigde, dat do slaap over zijne kwellingen zegevierde , greep zij oen hamer en eeno tentschroof en sloeg hem die door de slapen in het hoofd. Deze schandelijke daad werd zelfs door Deborah geprezen! In het lollied , voor ons behouden verzen, die zij aan de beek Kison dichtte, zong zij:

O.) o

-ocr page 248-

(i KÏU.L\'STRFF.Ilin: WKRF1,1)(1KSCH11:1)KNIs.

quot;Geprezen boven alle vrouwen zij Jaöl, de huisvrouw van Heber, den Keniet, door de vrouwen in hare tenten to verheerlijken Iquot;

Op deze wijze werden de noordelijke stammen van de overheersching des konings van Hazor verlost.

De Israëlieten die meer naar het zuiden woonden en aan dezen strijd geen deel hadden genomen. werden dom- de kleine vorsten der Arabische woestijnbewoners aangevallen . nadat deze zieli hiertoe met de Midianieten en Amalekieten luidden verbonden. Zij kwamen niet kameelen en hunne kudden, roofden en plunderden en ontnamen den Israëlieten hun vee, teerden hun voorraad op en verwoestten het land tot Gaza.

Tit dezen nood werden de nazaten van Jakob gered door den jongsten zoon van Joas, uit den -tam van Manasse , lijdeon geheeten. Hij had eene bijzondere oorzaak om verbitterd op de Arabieren te zijn , want onder de door hen verslagenen telde men zijn ouderen broeder. In wraak ontgloeid, vernielde hij het altaar van Baal te Ofra . waar hij woonde, en hieuw een aan Astarte gvwijden boom om Daardoor verwierf hij den naam van Jeroe-b.i.\'l BeHnjfler run Rual). Hij verzamelde UOO kloeke mannen in het gebergte rondom zii h , en tuen het naelit was. overviel bij met hen het kamp der vijanden in de vlakte; waarbij hij door talrijke fakkels en een luid rumoer den vijand zooveel schrik aanjoeg, dat deze in overijlde vlucht aftrok. Daarbij vriend noch vijand kunnende onderscheiden , brachten de verbondene Kananitische stammen elkander om.

De vnrsten die Gideon\'s broeder verslagen hadden, waren ontkomen. Gideon zette hen na, slquot;gt;-g hen en maakte hen gevangen. Daar zij zijn broeder gedood hadden, wilde hij, dat zij stierven. Hij beval Jethro, zijn eerstgeborene, hen te dooden. Doch de knaap schrikte daarvoor terug. waarop Gideon zelf hen ombracht. Hij verlangde van den bui; oorring-n gt;l-r vijanden, en zoo groot was dit aantal, dat het goud hetwelk daarvan kwam, ITOO sikkels woog. Met dit goud overtoog hjj eene beeldzuil, die Jehovah zou voorsteilen en richtte die te Ofra op. De oudsten wilden Gideon tot koning maken , ■Inch hij gaf hun op dien voorslag ten antwoord, dat noch bij noch zijn zoon koning wilde zijn , want dat Jehovah Israel\'s koning was.

Dat Gideon, tegen de wet der Tien geboden, van Jehovah een beeld maakte, werd streng aan zijn huis gewroken, verhaalt de samensteller van het Boek des Rechter en. Gideon die vele vrouwen had, liet van haar zeventig zonen na, benevens één , Abiinelech, die hem zijn bijwijf te Sichein had gesi honken. Deze Abimelech kwam tot groot aanzien in zijne treboortestad , waar men voor Baal een tempel had opgericht. De mannen van Nchem maakten hem tot koning Hij werd nu trotsch en opgeblazen en handelde met de grootste wreedheid. Met zjjne ge wapenden ging hij naar zijns vaders huis te Ofra. waar hij negenenzestig zijner broederen op een steen liet slachten. Alleen Jotham . de jnFirste, die zich verscholen had , bleef over.

Nalat Abimelech dri« jaren otrer Sichcm had geregeerd, brak een oj.stand uit. De koniiiL\' bracht d- ingezetenen •m het leven, verwoestte de stad en strooide zout op de plek •I. /ij had g-staan, Verv ilgens trok hij op tegen de stad Thabez. De inwoners vloden i.aar -..n -terken toren binnen de muren, maar toen Abimelech de poort naderde om het 1 :jt» rk daarvan te verbranden, wierp eene vrouw een molensteen van het dak quot;p zijn h Om niet i i t de hand quot;ener vrouw te sneuvelen, beval hij zijn wapendrager hem te d\'Hirsteken.

Wij hebben vermeld , dat de Sidoniërs aanvingen om de Israëlieten die binnen hunne landpalen wanden, d-erlijk te verdrukken. Uit deze slavernij werden zij verlost doordien de FiNMinen gt;idoti veroverden Vergeljjk bladz, 201;, hetgeen de Joden gedurende

230

-ocr page 249-

IS RAKI, (IN DEN IIISIOUISCIIHN SVOIvN\'TIJI)).

opiio lialvo eeuw rust verschafte. Doch iu hot Zaidon onderwierpen de Filistijnen zich de stammen Dan , Simeon en Juda.

Do stammen die in Giload woonden, worden volo jaren achtereen hard verdrukt door do Ammonieten en Amorieten. Eindelijk overschreden deze vganden ook den Jor-daan, om den stammen Juda, lionjaniin on Efraïm eon zolfdo lot te bereiden.

De oudsten van Gilead hadden een man, Jofta genoemd, omdat hij oen zoon was oener lichtokooi, van zijn vaderlijk erfgoed ontzet. Dit bracht Jefta er toe het gewest Tob met rooverijon te vervullen, waartoe hij eene groote bende bijeenbracht. In den nood door do overvallen der Ammonieten en Amorieten veroorzaakt, wendden de oudsten van Gilead zich tot hun uitgestooton landgenoot, met hot aanbod, hem aan hot hoofd van al hunne medeburgers te plaatsen , wanneer liij hen tegen de Ammonieten wilde bijstaan. Jofta nam dien voorslag aan en vorzatneldo bij zijne woonplaats Mizpa al zijne volgelingen. Toon hij uitrukte, legde bij dn gelofte af, dat ingeval iiij als overwinnaar terugkeerde, hij don persoon die hem het eerst uit de dour van zijn huis te gemoet zou komen, Jehovah tot brandoffer zou wijden, naar het voorbeeld der Phoenikiörs en andere Syriërs ter eere van Moloch. Hij sloeg do Ammonieten in een grooten veldslag aan den Anion, maar zegevierend naar huis terugkeeronde, kwam hem zijne dochter met muziek te gemoot, om hom plechtstatig te ontvangen. Jefta verschrikte en was hevig getroffen, doch waagde het niet om zijne gelofte te verbreken. Do dochter schikte zich in haar lot. Alleen smeekte zij om twee, maanden uitstel, om naar het gebergte to gaan en daar met hare gezellinnen haar lot to beweenen. Na twee maanden keerde zij terug, en Jefta slachtte haar tot een offer aan Jehovah 1

Do Efraïmieten waren woedend op Jefta, omdat lüj hen niet had opgeroepen om hen in do overwinning (en buit) op do Amorieten te doen doelen. Daardoor kwam het tot een bloedigon strijd. Jefta sloeg hen en bezette de voorde in den Jordaan. Hier liet hij allo vluchtelingen uit Efraïm dooden , die hot herkenningswoord quot;Sjibbolethquot; niet behoorlijk kondon uitspreken. Alleen door dien maatregel werden 42,000 menschon uit Efraïm omgebracht! (Met getallen springen de Joodsche geschiedschrijvers op kwistige wijze rond). Jefta bleef zes jaren rechter in Gilead. Aan het einde daarvan stierf hij.

De meest vermaarde der Israëlitische rechters is Sirnson, de zoon van Manoah, uit den stam Dan. Zijne historie is door de overlevering tot het wonderbare opgesierd.

Daar hij na oeno lange onvruchtbaarheid zijner moeder werd geboren , en quot;een engel \' zijne geboorte vooraf had aangekondigd , werd hij aan Jehovah toegewijd , en als zulk een sterveling mocht zijn haar nooit gesneden worden. Reeds als jonkman onderscheidde liij zich door eene buitengewone sterkte. De stam Dan stond onder do heerschappij der Filistijnen, en Simson nam eene Filistjjnsche tot vrouw. Doch deze betrekking vor-hindorde hem niet, om do vreemdelingen die meesters des lands waren, zooveel schade too te voegen als hij slechts kon , iedere maal dat zij hem daartoe aanleiding gaven. Toen (lit eens het geval was geweest, ving hij driehonderd vossen of jakhalzen, bond hen twee aan twee mot de staarten te Zamon en stak tnsschon elk paar eene brandende fakkel. Deze 150 paren liet hij loopen , met hot gevolg, dat do veldvruchten op do akkers en in do wijnbergen dor Filistijnen door de vlammen werden verslonden, he Filistijnen raakten eindelijk die aanvallen moede, zoodat zij besloten er een eindo aan te maken. Zij rukten met eene aanzienlijke macht het land van Juda binnen, met de verklaring, dat zij Simson hebben wilden, die zich te dezer tijde in oen rotshol van den borg Etham ophield.

De Israëlieten, bang genaakt door de Filistijnen, trokken, IJOOO man sterk, togen Simson op en verweten hem zijne ondernemingen, waardoor hjj het gansche land in gevaar

231

-ocr page 250-

282 OKÏIiLUSTRKKRUE WKUELDGKSClIl RDKNIS.

bracht. Zij verklaarden hfiin, gekomen te zijn Dm hom te bindon on aan do Filistijnen over te leveren. Simson liet zich willig knovolon , nadat Je Israëlieten beloofd hadden, hom niet te dooden.

De Filistynon Jubelden toon zij hun vijand gebonden zagen. Docli Simson verscheurde /.ijno banden, greop eon ozolskinnebak, dio bij de hand lag, on versloeg daarmede 1000 F:\': Mjnen!

Ven. monde, dat Simson don nacht bij oen meisje van (iaza doorbracht, besloten de Filistijnen, hem des morgens bij do poort op te wachten on hom dood to slaan. Maar Simson verliet roods dos middernachts het huis dor lichtzinnige en hief do ont-

zettend zware poortdeiir uit bare hengsels. Geen wonder, dat do inwoners des morgens verbaasd waren te vernemen , dat men haar temggovondon had op de kruin eens bergs tegenóver Hebron, waarheen Simson haar godragen bad.

Simson was verliefd op oono vrouw in hot Sorokdal, Delila goheeten. Een der vorsten der 1-ilistijneii belooldo haar I 100 sikkels zilver te geven, wanneer zij hun verried aan « elke tooverkracht Simson zijne bijzondere sterkte ontleende, opdat zij hem gevangen konden nemen. Hot valscho wijf vloiddo den zwakken reus en ontlokte hem, niettei,quot;\'ii-taandquot; hij van hear verraderlijk gedrag overtuigd kon zijn, zijn geheim.\'\'Wanneer men mij mijne haren afsnijdt, wijkt alle kracht van mij.quot; deelde bij haar mode. Ioen de sterke ludil up haar schoot insliep, snood zij hem zijn in zeven vlechten opge-

-ocr page 251-

isaAüi, (in dun historischrn sAciKN\'rrjn).

maakt haar af, tengevolge waarvan de Filistijnen hom ovorwoldigdon. Zij staken hom do oogen uit, hooiden hom on lieten hom in zijn gevangen staat koron malen.

Bij oen groot offerfeest ter eero van hun god Dagon, waarbij in oen groot gebouw allo vorston mot hunne vrouwen on ongeveer .\'iOÜO ondor/.aton op hot dak waren, liet men den blinden Simson halon om hom te hoonen en den cons zoo govreosdon hold to bespotten, wiens haren inmiddels weer aangegroeid waren. Maar met zijne lokken waren ook zijno krachten toruggokoord. Toen hij dus binnen de beide hoofdzuilen stond, waarop hot gebouw voornamelijk rustte, riop hij: quot;Ku stervo mijne ziel met de Pilistijnon!quot; Met dezen roep drukte hij rechts on links met rug on handen togen do zuilen, zoodat zij wankelden, waarop hot gebouw met allen die daarin waren, ineenstortte Het luidt deswege in do Joodscho goschiedvorhalen : quot;Er waren daarbij meer dooden, dan Simson ooit in zijn loven had verslagen.quot;

De Filistijnen hadden de stammen Juda on Simeon onderdrukt en dachten hot nu ook te doen mot de moor noordwaarts wonende stammen KlVaïm , Benjamin en Manasse. Om dit gevaar af to wenden en de stammen weder nauwer aan elkander te verbinden, kozen de Israëlieten den hoogepriestor Eli tevens tot bevelhebber van hun leger, ofschoon dit tegen de Mozaïsche voorschriften indruiste. Zoolang Eli in de kracht des levens was, gelukte het hom de Filistijnen te wederstaan; doch toon hij oud was en blind geworden, liet liij het beheer aan zijne beide zonen, Hofni en Pinehas, over, die het volk onderdrukten en door hunne ongeregelde levenswijze bij allo braven groote ergernis verwekten, üozo staat van zaken moedigde de Filistijnen tot nieuwe invallen aan. Doch do Israëlieten geloofden, toen zij zich gereed maakten om den vijand af te wooren, van de overwinning zeker te zijn, wanneer zij de Ark dos vorbonds van Silo in hot leger brachten. Do uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachting. i)e Israëlieten loden een nog veel zwaarder nederlaag dan to voren. Do zonen van Eli werden gedood, en de Ark viel in de handen dor Filistijnen. Eli, op oen hoogen stool voorde poort van Silo gezeten, ontving de tijding van hot groote onheil door een vluchteling, die in allerijl hot slagveld was ontweken. Zoozeer verpletterde dit bericht den negentigjarigen grijsaard , dat bij van den stoel viel en den nek brak. Hij had veertig jaren aan het hoofd van Israël gestaan.

De Filistijnen stelden de Ark des vorbonds als oen zegotookon in den tempel van god Dagon ton toon. Doch slechts voor korten tijd. Op den raad hunner priesters zonden zij hot heiligdom, door geschonken vergezeld, naar Israël terug, waar men er zich, zoo diep was het volk gezonken, weinig om bekommerde. Door de geloden nederlaag bad de Ark, naar het schijnt, allen invloed verloren. Twintig jaren bleef zij in hot huis van oen burger bijna vergeten staan.

Na den dood van den hoogeprioster Eli verkoos bot volk tot opvolger in hot rechterambt Samuël, een van kindsbeen af in het heiligdom van Silo opgevoed man, uit den stam van Kfraïtn. Hij was zijn ouders eerst na lange onvruchtbaarheid der moeder geboren, en uit dankbaarheid aan don dienst van Jehovah toegewijd.

Samuël riep het volk te Mizpa bijeen, vermaande het om den dienst van Haal na te laten en Jehova\'s geboden op te volgen. Juist bracht hij don Almachtige eene oll\'erando, toen men vernam, dat de Filistijnen oprukten. Maar verschrikt dooreen hevig onweder, sloeg do vijand op do vlucht. Dit verhoogde Samuel\'s aanzien, Vervolgens sloeg Samuël de Tyriërs en de Amorieton; doch liij kon niet verliindoren, dat de Filistijnen eenecitadel te Mikhmas oprichtten, en de gouverneur van (übea, in welke stad oene bezetting lag, niet alleen het volk met belastingen bezwaarde, maar ook ontwapondo. Zwaarden en lansen

233

-ocr page 252-

O KÏLÜSTIt K HH I)F WKK KI,DO F.SClil K DF.NIS.

hczat mon niot moer in dn landen dor zuidolijko stammon , on smeden werden daar door de Filistijnen niot goduld. Brak or iots aan de akkorgoreedschappen dor Israëlieten . dan moeston \'/ij naar do oono of andere Filistjjnsche stad gaan, om do schade te laten hor-stollon, of niouwc ploegen, dissels ent, koopon. Do Israëlieten werden ook gedwongen om in de logers dor Filistijnen to troden on togen hunne stamgonooten te vechten.

Sanniël was inmiddels ijverig bezig om don door Mozes aanbevolen godsdienst te hor-stollen, en daar deze gevaar Hop door dien van andere volken verdrongen to worden, richtte hij scholen op, waarin jongelingen in al de wetenschappen werden onderwezen, die hot priesterlijk geslacht in eere had gehouden. Uit deze scholen traden mannen te voorschijn. dio, evenals Samuel zelf, door de historieschrijvers doorgaans profeten genoemd worden. Hunne tydgenooten noemden hen echter zóó niet, maar nebiïm, een Hebreeuwsch woord, dat van het telwoord naba is afgeleid en in de schriften der Israëlieten in versrhillondon zin voorkomt. Do eigenlijke beteekonis van het woord nebiïm komt overeen met die van dichters , zangers, of wel geestdryvers en droomers. Men verstond daardoor mannon vol geestdrift, inzonderheid beschermelingen van en toegewijden aan Jehovah, mannen die in tijden van nood en verdrukking als redenaars optraden en het volk en zijne aanvoerders bestraften of vermaanden. Men schreef hun veelal dezelfde wonderkrachten toe, die men aan Mozes had toegekend.

Deze profeten behooren geenszins alleen aan het Israëlitische volk. Zij hebben zich, inzonderheid ten tijde van nood en opwekking, onder alle volken der wereld vertoond en komen zelfs img tegenwoordig voor. Doch hot spreekwoord, quot;profeten worden in hun vaderland niet geëerdquot; hoeft oen goeden grond. Hunne tijdgenooten erkennen hen zelden in limine waarde, omdat hun geest zich boven hun tijd verheft. Men miskent, veracht , hoont en vervolgt hen niet zeidon, omdat het talent de majesteit der domheid beloodigt.

Samuel koos tot zijn verblijf Kama, zijne geboorteplaats, en bouwde daar tor stede een altaar voor Jehovah. Van hier ging hij naar Bethel, Gilgal en Mizpa, waar hij volksvergaderingen hield, rechtsvragen besliste en leerde.

Oud geworden, droog hij een deel zijner werkzaamheden aan zijne zonen Joël en Abijah op, die te Hersaba recht spraken. Doch, even als de zonen van Eli, verlieten zij den goeden weg, lieten zich omkoopen en weken ver af van het voorbeeld hun door hmi vader gegeven. Het volk, door Samuël eenigermate uit zijne verslapping opgewekt, schaamde zich over zijne onmacht en den verwarden staat des lands. Ziende, dat andere volken onder de heerschappij van koningen machtig we:den, verlangden zij eveneens een koning te hebben. Samuël riep den Israëlieten in het geheugen, dat Jehovah hun koning was, en wendde veel moeite aan om het volk van het opgevatte denkbeeld terug te brongen , door het te .schetsen al wat de inwoners van een koning te verwachten hadden.

quot;Dit zal,quot; zoo sprak hij, quot;des konings recht zijn, die over u heerschen zal: uwe zuiien zal hij nemen bij zijne wagens, en bij zijne ruiters. Zij zullen voor zijne wagons moeten voortdraven. Hij zal hen bij onderhoofdmannen over duizend en over vijfhonderd iiuleelnn , zoo ook bij zijne akkerlieden , die voor hem zijn land bebouwen; en bij de maaiers, wanneer hij wil oogsten; en zy zullen zijn harnas en wat bij zijne wagens behoort. moeten maken. Uwe dochters zal hij nemen voor ziekenverpleegsters, keukenmaagden en bakkerinnen. - I we beste akkers en wijnbergen en olijfgaarden zal hij nernon en aan zijne knechten geven. Daarbij van uw oogst en uwe wijnbergen zal hij de tienden nomen om die aan zijne kamerdienaars en knechten te schenken. Kn uwe knechten en maagden en nwo knapste jongelingen en uwe ezels zal hij nemen om

234

-ocr page 253-

israel (in den historisciikn saokntud).

zijn work daarmodo to volbrongon. Van uwe kuddon zal hij do tiondon nomen, on jjjj zult \'/.ijno knochton zijn.quot;

Hot volk blocf nochtans halsstarrig. Het verlangde naar oen koning, on Samnöl, wel inziende, aan dmi wil dos volks to moeten toogeven, peinsde er over, hoe lijj dc/.ei) vvil vervullon zou, zonder do priostorlijke macht te schonden.

Do Ammoniet Nahash bologorde de stad Jabes in Giload, Do inwoners beloof

Snul door .Siinnu;! lol koninir (joznlfil.

den hem in alles ten dienste to staan, zoo hij hen mot vrede liet. Hij antwoordde, dat hij alleen dan met hon oen bondgenootschap zou sluiten als ieder zich door Uöln het rechteroog liet uitsteken. Zoo nadrukkelijk gaf hij zijne verachting voor Israël te kennen.

De oudsten van Jabes zonden boden naar alle stammen aan gone zijde van don ■lordaan on smeekten om hulp. Zij ontvingen die onverwacht van een man uit den stam Benjamin.

23E

-ocr page 254-

(IRÏI.LUSTIIRKltDK WKllKLDGKSCHI KDKMS.

i )ozo man was Saul, de zoon van eon welgesteld landman, Kis geheoten, die te Gibea woonde. De jonkman onderscheidde zicli boven allen door zijne schoonheid en nog meer door zijne grootte, want hij was een hoofd grooter dan alle andere Israëlieten. Toen hij, achter een span ossen van hot veld terugkeerde, vernam hij welke boodschap uit Jabcs was gekomen. Vertoornd over den smaad Israël aangedaan, hieuw hij beide runderen aan stukken en zond aan alle stammen van Israël één stuk, onder bedreiging, dat hot zóó zou gaan met allo runderen van hen, die hem of Samuël weigerden te volgen. Deze dreigende vermaning miste hare uitwerking niet. Het volk stond op. Saul voordo do strijders over den Jordaan, overviel de belegeraars van Jabes op een vroegen morgen en vernietigde hen. Van het kampveld trok hij naar Gilgal en bracht .lehovah een dankoffer, waarop het verrukte volk hem tot koning uitriep.

Samuël, die in Saul, wijl deze een trouw aanhanger was van Jehovah, oen dankbaar werktuig meende gevonden te hebben, bevestigde deze keuze en maakte hem tot koning imelec/i), en tot gezalfde des lleoren, of matjiah (messias) Jehovah, zooals deze eerste Israëlitische vorst en zijne opvolgors in de gewijde boeken meermalen genoemd worden (|or)5 vóór Christus).

Het eerst wat Saul ais koning deed, was dat hij oen staand leger van 3000 man vormde. Over \'2000 voerde hij in eigen persoon bevel. Over de 1000 overigen stelde bij zijn zoon Jonathan aan. Aan den laatste gelukte het door eene stoute onderneming (libea te veroveren, hetgeen het geheole land der Filistijnen in beweging bracht. Vandaar kwam overhaast een groot leger, in drie corpsen afgedeeld, tegen Israël oprukken.

Saul riep het volk naar Gilgal op om er te offeren en don bijstand van Jehovah at te smeeken. Hij wachtte zeven dagen op Samuël om het offer te verrichten. Doch daar deze op zich liet wachten, en het volk begon te verloopen , besloot Saul zelf het oll\'er op te dragen. Den volgenden dag kwam Samuël aan, en toen nu Saul hem eerbiedig te gemoet ging en mededeelde, wat hij, uithoofde van \'s priesters wegblijven, verricht had, word Samuël hevig vertoornd. Hij berispte den koning streng, dat hij zich do bevoegdheid van den opperpriester, tegen Jehovah\'s gebod, had aangematigd. quot;Waart gij gehoorzaam geweest,\'quot; zoo gaf hij to kennen, dan zou do Hoer uw koningschap voor alle tijden bevestigd hebben; thans echter zal Hij een ander, naar zijn verlangen , uitkiezen.quot; Vervuld van toorn verliet Samuël hot kamp.

Saul, ofschoon zeer onthutst over deze tweespalt met den man dien hij altoos höOg had vereerd, ging voort zijne overwinningen te vervolgen. Hij sloeg de Filistijnen en bevrijdde het land van hot opgelegde juk der vijanden, zonder dat dit nochtans Samuel\'s vijandschap kon bevredigen. Do hoogepriester had wel het voeren van den oorlog aan Saul willen toestaan , maar geenszins het uitoefenen van het rechterambt en nog minder eenige priesterlijke handeling. Zóó verwijderden beide hooggeplaatste personen zich meer en meer van elkander, en daar deze verhouding tusschen quot;kerk en staatquot; — wanneer wij ons zoo modern mogen uitdrukken •—■ bleef bestaan, kwam het eerlang tot eene besliste breuk.

De Amalekioten ondernamen uit het Zuiden verwoestende invallen in het land, en Saul trok tegen hen op, met het uitdrukkelijke, priesterlijke bevel om alles te bannen (dat wil zeggen alles om te brengen), niets te verschoonen, hetzij monschon of beesten. Saul bewoog de Kenieten, die met do Amalekioten verbonden waren, om zich van den vijand af te scheidon, versloeg do Amalekioten en nam Agag, hun koning, gevangen. Hij liet hem in hot loven, en evenzoo was bij verstandig genoeg, om de dieren, die men gebruiken kon , niet om te brengen.

23G

-ocr page 255-

1 SUA KL (lN DBN UlSTOIllaCIIKN SAOKNTfJD).

Naur Gilgal vertrokken oin door oono plnclitige oftbrande Godo voor do ovorvvinniiig\' to danken, ondervond Saul , dat Samuel in do hoogste mate verbitterd was over het nalaten der bevelen die hij den koning had gegeven. De opperpriester voegde den vorst toe, dat, daar Sanl het woord des Hoeren had verworpen, dezo hom insgelijks verworpen had en dus geen koning langer zou zijn. Mot deze woorden keerde de priester zich om, ten einde zich to verwijderen. Doch Saul snelde hem met woorden van verzoening achterna en hield hem bij zijn mantel vast, zoodat doze scheurde. Daarop riep Sauuiel;

quot;Jehovah heeft dozen dag het koningschap van u afgescheurd en hot aan een uwer naasten gegeven, die beter is dan gij!quot;

Aan de domoedige beden des konings gelukte het eindelijk Samuël terug te houden. Deze verlangde nu , dat do krijgsgevangen koning Agag voor hem gebracht zou worden. Do Amale-kietsche vorst trad , niets kwaads vortnoedonde , te. voorschijn , welgemoed dat men hem het leven gelaten had. Doch de verbitterde priester riep : quot;Evenals uw zwaard vrouwen kinderloos heeft gemaakt, zoo zij uwe moeder kinderloos onder de vrouwen!quot; Daarmede stak hij hem met eigen hand dood quot;en hieuw hot lijk aan stukken voor Jehovah te Gilgal.quot;quot; Daarop keerde hij naar Rama terug. Saul zag Samuel dezen dag voor de laatste maal.

Saul was een held, de redder van zijn volk en in vele opzichten oen groot koning. Hij volgde geenszins het voorbeeld van andere Oosterscho monarchen, maar bleef eenvoudig in zijne hofhouding en matig in zijne levenswijze. Hij gedroeg zich vroom 011 was een trouw aanhanger van den Mozaïschen godsdienst. Zoo hij Samuël in vele opzichten weerstand bood, gaf hij hem toch voel meer toe dan overeenkwam met zijne waardigheid als opperhoofd des volks. Maar Samuël vergaf den koning geenszins het niet opvolgen zijner bevelen; hij achtte zich boven Saul verheven.

Samuël dacht er ernstig over om een anderen koning te benoemen. Daartoe vestigde hij het oog op David, den zoon van een rijk man, Isaï geheoten , te Betlehem iti het land Juda.

Als knaap hoedde David de kudde zijns vaders. verwierf zich groote talenten in het zingen, verzen maken, snarenspel on dansen. Tevens toonde hij zich gehard en vlug in al zijne bewegingen. Reeds als knaap, verhaalt de overlevering, oogstte hij grooten room in, toen hij een trotschen Filistijnschen soldaat overwon. Goliath, oen man van bnitengewono grootte, die tot dat oogenblik op spottende wijze, alle Israëlieten tot een kampstrijd had uitgedaagd. David zegevierde over hom door oen wolgemikton worp met een keisteen uit zijn slinger.

Koning Saul, over zijne oneenigheid met Samuël bedroefd en geërgerd, of door den gevaarlijken staat van zaken in hot rijk verontrust, wellicht van naturo daartoe geneigd , werd zwaarmoedig, kwalijk geluimd en argwanend. Ten einde hein op te vroolijken door gezang en spel, riep men den jeugdigen David aan zijn hof. David zong en spoelde uiet alleen , maar werd ook een dapper krijgsman, die zich zoozeer in den oorlog tegen do Filistijnen onderscheidde, dat Saul hem tot zijn wapendrager benoemde. Daarbij word Saul\'s oudste zoon, de dappere Jonathan, David\'s boezemvriend.

Schoon van gestalte, vroolijk, ervaren in sped on zang en eon held, word David do lieveling des volks. Eens van een zegevierenden tocht naar luns torugkeerende, ontvingen do vrouwen den krijgsman mot lofzangen en muziek. quot;Saul,quot; zoo hieven zij aan, quot;heeft duizenden, maar David tienduizenden verslagen!quot;

Die lof schijnt de ijverzucht des konings opgewekt to hebben en legde den eersten grond tot zijn later wantrouwen. Doch Saul onderdrukte deze opwelling, maakte David tot aanvoerder dor koninklpo lijfwacht, een rang volgende op dien van den veldheer Abner,

-ocr page 256-

2Ü8 ftKil/LUSTEKRDK WERKtDOKSCHIKÖKNtH.

on gaf hom zijne schoono dochtor Michal tot vrouw, wior liefde do herderszoon, oven als do vriendschap van Jonathan , gowonnon had. Ook nvt do priesters stond David op oen vriendschappolijkou voot, hotgoen zeker don argwaan dos konings moest vorinoorderon.

Met hot toenemen van Saul\'s zwaarmoedigheid begon do vorst in David den man to zien , die hem naar kroon en loven stond. Toon deze eens voor hem zong , overweldigde Inj dezo gedachte de toorn Saul gehool, zoodat hij zijne speer naar David wierp. Deze week vaardig ter zyde, tot zijn geluk, want de speer drong diep den kamerwand in. Verschrikt door het gebeurde, vlood David naar zijne woning, doch de koninj,\' liet allo uitgangen van hot huis bezetten om don nu zoo gehaten schoonzoon den volgenden dag te dooden. Michal echter , \'s konings dochter , liet haar man uit een venster neder en logdo in David\'s

bed ln\'t ht\'cid van den huisgod, wien zij zoo toedekte, dat iemand in bed scheen te liggen . hetgeen d». wachters misleidde. David vlood naar Kama, tot Samuél, en mengde zich Diuler de jongelingen der profetenschool, die te Najoth bij Kama was gevestigd.

.lonathan , de edele zoon van Saul, deelde geenszins in Saul s wantrouwen tegen David. Hij bleef diens trouwe vriend en poogde zijn vader tot andtin■ gevoelens te brongen. Uoeb de/,i■ viel toornig togtlt;n hom uit, en ook voor hem werd hot duidelijk, dat Saul naar het leven zijns vriends trachtte, zoodat deze zijn heil in de vlucht moest zoeken.

David woek nu naar zijn vriend Abimelech , die opperpriester te Neb was. Deze raad-pleegdi\' voor heii\\ niet .lehovah , dat is mot een niet goud overtogen beeld, hetwelk God moest

-ocr page 257-

iSKAia (in DUS\' fflsTOIltsClIRK sagenTud)

voorstollon on waarvan hij een orakel verlangde. Tevens voorzag deze priester den vreemdeling van levensmiddelen en van een gewijd zwaard , volgens de overlevering hetzelfde hetgeen David weleer aan Goliath had ontnomen. Daarmede vlood do overste dor lijfwacht en schoonzoon van koning Saul naar den koning van Gath , en , zich hier eveneons niet veilig achtende , naar de woeste streken van het oostelijke Judea. Hier leidde hij het leven van een in den ban verklaard stamhoofd. Andere gebannen on woeste gezelion toch verzamelde hij om zich heen, ja eindelijk had hij eene schaar van (iOO mannen in zijn gevolg, onder wolken zich vooral de drie dappere zonen zijner zuster onderscheidden.

David en zijne modgezellen voerden hier het leven van een wilden nomadenstam. Saul trok tegen hen op om hen te vernietigen.

De traditie heeft dien krijgstocht echt romantisch opgesierd, en zij die haar nederschreven, voegden daaraan alles toe wat zij oordeelden, dat tot leering voor het volk kon strekken. Ten bewijze voor David\'s grootmoedig karakter wordt namelijk verhaald , dat hij, toon hij eens Saul, die ingeslapen was, verraste, het verlangen weder-streefde zijner geleiders, die hem rieden hun vervolger om te brengen. In stede daarvan, zoo gaat het verhaal voort, vergenoegde hij zich de slip van \'s konings mantel af te snijden, een bedrijf, dat vervolgens Saul tot tranen roerde en noopte om uit te roepen : •\'(lij zijt beter dan ik, want gij hebt mij goed bewezen, terwijl ik uw verderf zocht. Daarom vergelde Jehovah u het goede van dezen dag, en wanneer gij eens koning zult zijn , zweer mij, dat gij mijn zaad niet zult uitroeien en mijn naam niet verdelgen uit mijns vaders huis!quot;

David zwoer dien eed. Wij zullen later zien hoe hij dien gehouden heeft.

Volgens een ander verhaal, slopen Abisaï en David dos nachts naar den slapendën Saul in zjjn wagenburg. Abisaï ried zijn meester om den koning te dooden, maar David nam slechts \'s konings speer en waterschaal en verweet uit een veilig verstek den veldheer Abner slecht wacht te houden. Saul riep bij deze gelegenheid;

quot;Gezegend zijt gij, mijn zoon David! Gij zult veel ondernemen en ook ten uitvoer brengen 1quot;

Samuel was gestorven en in hem verloor David een machtig beschermer. Saul was de verkozen koning, het volk had zijne heldendaden niet vergoten en kleefde hem aan, niettegenstaande de verandering in zijn karakter en den voet van vijandschap waarop hij met de priesters stond. Aan eene verzoening tusschen hom en l)avid was niet te denken. Immers, Saul had zelfs David\'s echtverbindtenis met Michal verbroken en deze niet eon ander in het huwelijk verbonden. David, bet rondzwervende leven moede, ging met zijne schaar weder tot koning Achis van Gath, die hom volgaarne als zijn vassal aannam en hem do stad Ziklag inruimde. Uit deze veste ondernam hij verschillende rooftochten tegen de naburige volken, de Israëlieten niet uitgezonderd.

Nadat David anderhalf Jaar te Ziklag zijn zetel had gevestigd, brak andermaal een hevige oorlog tusschen de Filistijnen en koning Saul uit. Do koning van Israël verzamelde zijn leger in het noorden van Kfraïm, in de bergen van Gilboa. Naar het sehijnt, verloor de oude held ditmaal zijn zellvertrouwen, want er wordt verhaald, dat hij ditmaal eene. befaamde toovenares te Kndor opzocht en van haar verlangde, dat zij Samuel\'s geest zou bezworen, opdat hij dezen verschillende vragen kon voorhouden. Do geest, zoo deed de heks het voorkomen , verscheen , ofschoon Saul niets daarvan ontwaarde, en, onverzoend, herhaalde Samuël zijn vloek togen den ongehoorzamen koning. Verder profeteerde hij, dat, wijl Saul niet naar de stem van .lohovah had geluisterd, zijn koninkrijk aan David zou gegeven worden en hij en zijne zonen den volgenden dag zouden omkomen.

239

-ocr page 258-

GE\'l\'LLUSTKEERDE WKRKLBOKSCUIEOENIS.

Den volgenden dag viel de veldslag tegon de Filistijnen voor. Do Israëlieten werden geslagen. Jonathan en twee zijner broederen sneuvelden, en Saul, niet in de handen der Filistijnen willende vallen, verzocht zijn wapendrager hem te dooden. Maar deze huiverde om zijn vorst te ontzielen, zoodat Saul zichzelven in zijn zwaard stortte, eene handeling die door zijn schildknaap nagevolgd werd. De Filistijnen hieuwen \'s konings hoofd van den romp en hingen het lijk nevens de lijken zijner zonen aan do muren van Bethsaan. De veroverde wapenen worden als zegeteekenen in den tempel van Astarte opgehangen.

De mannen van Jabes, vroeger door Saul aan de wraak dor Amalekieten onttrokken, verstoutten zich om de lijken van Saul, Jonathan en do beide andere vorstenzonen af te nemen , verbrandden die op een houtstapel en begroeven de gebeenten onder een tamarisk binnen hunne stad.

Zóó eindigde Saul zijn leven na eene twintigjarige regeering.

Toen David te Ziklag den dood van Saul en van zijn vriend Jonathan vernam , toonde hij zich diep bedroefd. Hij dichtte een klaaglied, dat den roem der gevallen helden onder het volk levendig moest honden en voor ons bewaard is gebleven.

David was, zooals de overlevering bericht, reeds een langen tijd te voren , namelijk toen Saul met Samuël overhoop was geraakt, in stilte tot koning van Israël gezalfd. Of ilie overlevering met de werkelijkheid overeenkomt, is twijfelachtig. Doch het is zeker, dat David naar Judea trok en te Hebron tot koning werd uitgeroepen.

Abner, Saul\'s veldheer, was geenszins geneigd om zich naar de stem van een der twaalf stammen te schikken. Hij riep den eenig overgebleven zoon van den gestorven koning Saul, Isboseth (of Isbaiil), tot den troon, vestigde diens nuagt in \'t landschap (Jili,ad en ried hem aan, de oude stad Machanaïm aldaar tot residentie te nemen. Vruchteloos poogde David de inwoners van Jabes op zijne zijde te brengen. De herinnering aan hetgeen Saul eenmaal voor hen had gedaan, weerhield hen tot hem over to gaan. Kil niet alleen zij bleven Isboseth aankleven, hetzelfde deden de mannen van Efraïm , licnjatnin, en andere stammen, daartoe door Abner opgewekt.

David bleef te Hebron resideeren, en wel aanvankelijk als een leenman der Filistijnen. aan wier opperheerschappij men reeds in Juda gewoon was geraakt. Doch veel liet bij er zich aan gelegen zijn, om zijn aanhang to versterken. Vandaar, dat do verdeeldheid onder do stammen een burgeroorlog ten gevolge had, diquot;, met groote verbittering gevoerd, eenige jaren achtereen het land hevige wonden toebracht. Die broeder-,strijd had wellicht zeer te nadeelo van David kunnen eindigen, zoo Isboseth niet de dwaasheid had begaan, zijn veldheer Abner te beleedigen, die, onvoorzichtig genoeg, een van Saul\'s bijwijven had gehuwd. Door Isboseth\'s belcediging getergd, sloeg Abner den koning van Juda voor om met hem te onderhandelen. David stemde daarin met lilijd-schap toe en was niet weinig verheugd toen Abner met twintig man naar Ib\'bron reisde, om de voorwaarden voor eene overeenkomst vast te stellen.

David\'s veldoverste was zijn neef Joab, wiens broeder, Asahel, door do hand van Abner in een eerlyken stryd was gesneuveld. Deze Joab nam Abner tor zijdo, onder het voorwendsel mot hem de eerste schikkingen voor het verbond to willen treffen. Doch .schandelijk bedroog hij A.bner\'s vertrouwen, want hij bracht hem verraderlijk om hot leven.

David vergaf aan Joab dien moord (waaraan men do boteokonis eener bloedwraak over het dooden van Asahel gaf). Hij kon zijn veldoverste niet ontberen. Doch hij vorwenschte het huis van Joab en treurde openlijk over Abner, ofschoon eenigen vermoedden, dut hij innerlijk zich verheugde van dezen gevaarlijken man verlost te zijn. Zelfs dichtte hij een klaaglied over Aimer\'s jammerlijk uiteinde. Twee van David\'s

241)

-ocr page 259-

TSUAKÏj (IN DUN ItlSTOHISCIIKN SAOENTUll).

krijgslieden, die zich bij don koning wildon aanbevolen, vermoordden Isboseth, doch zij ontvingen als dank don dood, wellicht om elke verdenking aan modeplichtighfid van zich af to koeren.

In werkelijkheid was de door velen zoo hoog geprezen, vrome koning David een huichelaar, dio, weonend en klaagliodoren dichtende, zich heimelijk verhengde over do gruweldaden, waardoor zijne dienaren zijne macht vestigden. Hij had Saul beloofd , diens quot;zaad te beschermen.quot; Zoolang echter nakomelingen van dien voorganger loefden, achtte liij zich niet zeker den troon te behouden, inzonderheid daar Michal — die weder aan haar man word ontnomen — hem geene kindoren schonk. Maar hij word van zijno vrees bevrijd.

De Hevieten in Gibeon, wien Saul eons zeer hard behandeld had, kwamen met de verklaring voor den dag, dat de dorheid en hongersnood, die drie jaren achtereen het land teisterden, als een strafgericht van Jehovah moesten worden aangemerkt voor do bloedschuld door Saul op zich geladen, die nog door niets was verzoend. David nam huimo woorden ter harte. Hij liet hun vragen, waarmede zij oordeelden dat deze bloedschuld te verzoenen zou zijn? Hun antwoord luiddo: quot;dat zeven mannen uit Saul\'s geslacht aan hen moesten uitgeleverd worden.quot; Voldeed nu David aan hetgeen hij Sanl beloofd had? Toch niet. Hij gaf aan het bloedige en onrechtvaardige verlangen der Gibeonieten gehoor; twee zonen door Saul bij zijn bijwijf Nizpa verwekt en de vijf zonen van Merab, do oudste dochter van Israel\'s eersten koning, werden aan hunne tegenstanders overgeleverd en door hen opgehangen. Alleen het leven van Meflboseth , den zoon van David\'s boezemvriend Jonathan, werd gespaard. Hij kon voor den nieuwen koning niot gevaarlijk zijn, want hij was oen arme, verlamde kreupele, wiens lijden was veroorzaakt doordien zijne min , toen Meflboseth nog een kind was, hem van haar arm had laten vallen.

Nu had David geen mededinger moer: allo stammen van Israël erkenden hein thans als hun koning.

/00 lang David nog niot onbestreden ten troon zat, was de beacherming der Filistijnen hem hoogst welkom. Doch nadat het. geslacht van Saul genoegzaam was uitgeroeid, en do eenig overgebleven kleinzoon zich onmogelijk tegen hein kon verzetten, word liet zijn ernstig streven do Israëlieten van deze overheersching vrij te maken. In de eerste plaats was er hem veel aan gelegen, eone andere residentie te kiezen, want Hebron, in het land Judea, lag te dicht bij do zuidergrenzen en op te grooten afstand van het middelpunt des lands. Do ligging van de hoofdstad dor Jeboesieton beviel hem hiertoe bij uitnemendheid. Immers, zij lag op eene hoogte, die naar het oosten, zuiden en westen door de beek Kedron en de Kloof van Ilinnom werd beschermd, en in bet noorden door eene flauwe nederdalende glooiing bepaald. De veste stond op geene effen vlakte: zij werd door eene diepe kloof gesplitst, die, van het noorden naar het zniilen loopende, de hoogte van Sion van do heuvelen Millo en Moriah scheidde.

Jeboes behoorde aan een stam der Amorieten, er ofschoon naar allo zijden door Israëlitisch gebied ingesloten, was het sedert Josua\'s tijd onafhankelijk gebleven. Men was, wel is waar, niot in oorlog mot do .Teboesieten, doch koning David achtte het noodig hunne stad in bezit te hebben en eischte hen daarom op, om hem hunne woonplaats over te geven. De ingezetenen, vol vertrouwen op de sterkte hunner veste, zonden hem een hoonend antwoord. Nu maakte David zich meester van do waterleiding, \'n de koene Joab veroverde don burg bjj overrompeling. De geheele bezetting werd in don afgrond gestort.

Het Israëlitische volk gedroeg zich in de hoogste mate onbarmhartig tegenover allen die niot aan Jehovah geloofden,

I. 16

241

-ocr page 260-

(; r.ïi.u\'sïiiknin)e \\veiit;i.dgesci11kden\'is.

De vunjvorde stad werd .Jerusalom genoemd, on David haastte zich haar in een nog moer verdedigbaren staat te brengen. Moriah liet hij voor hot volk over, Millo versterkte hij, en eveneens Shm, waar hij zijne residentie vestigde. Doch deze drie wijken worden voor als nog niet binnen denzelfden muur gebracht.

David besloot niet slechts Sion tot zijne residentie te maken, maar tevens te verheffen tot hoofdplaats van zijn rijk en tot middelpunt van den Mozaïschen eere-dienst. Te dien einde liet hij de bijna vergeten Ark des Verbonds van Kiriath-.Tearim halen. Onder weg stond dit heiligdom op het punt om van den wagen te storten, doch de ramp werd door een der karvoerders verhinderd, door de Ark tegen te houden. Dat bekwam don man allerjammerlijkst. Immers, zoo luidt hel in de Goschiedenu der Koningen, \'Hoen ontbrandde de toorn van Jehovah tegen Oesa, en God sloeg hem, en hij stierf voor de Ark.quot; David begon bevreesd te worden om het gevaarlijke heiligdom verder te brengen. Hij liet het voorloopig waar het was, in het huis eens burgers. Na eenige maanden echter meende hij den tocht weer te kunnen voortzetten.

liet volk ontving het nationale heiligdom met gejuich, gezang, snarenspelquot;, paukon-geroffol en den klank van schellen en cymbalon, en koning David zelf, quot;omgord met een linnen schouderkleedquot; — alzoo in een vrij luchtig en geenszins stemmig gewaad — danste als een uitgelatene vóór de Ark. Hij schijnt bij dit springen zijne luchtige kleeding geheel vergoten te hebben, want zjjno koningin, de trotsche Michal, Saul\'s dochter, bespotte \'s konings sprongen , quot;omdat hij zich voor do maagden van zijne dienaren zoo zeer ontblootte.quot;

Over do Ark dos Verbonds bouwde koning David eono hut, eene herinnering aan den Tabernakel, waarin dit heiligdom gedurende den zwerftocht in de woestijn was geplaatst geweest, en de eenige zoon van Abiinolech, die aan een door Saul aangericht bloedbad was on t kom on , Abjathar, werd tot een der priesters verheven. (Vergelijk bladz. De koning droeg Jehovah branil- en dankoffers op, en gaf ieder man en vrouw van het volk (van Sion waarschijnlijk) een broodkoek, een rozijnenkoek en eene maat wijn.

De ligging van Jerusalem was inderdaad ver te verkiezen boven die van Hebron. De stad Ing in het noorden van \'t gebied dat aan Juda was ten deel gevallen, nabij de landen der machtige stammen Kfraïm en Benjamin, terwijl men van daar, over Jericho en het Jordaandal, zoiub\'r groote moeite naar Gilead kon komen. Alleen de kh\'ino stainnu\'ii Asjer, Zeboeion en Naftali bleven in do landen der l\'hoenikiërs op verren afstand, doch dit had weinig te beteokenen.

De veroeniging der twaalf stammen van Israël en het stout optreden van hem die .steeds hun beschermeling was geweest, bowoog do Filistijnen om op te trekken, ten eiiule Israël weder tot de vroegere afhankelijkheid terug te brengen. Dat strekte hun geenszins ten voordeel. David bracht hun twee nederlagen toe, zette hen van Gaboon tot Gozer na en liet hen niet weder op verhaal komen. De oorlog duurde verscheidene jaren. De koning toonde op nieuw den heldenmoed dio hom bezielde, zoodat, toen hij eens in een veldslag zoo in de engte kwam , dat zyn ondergang nabij schoen, men bij hem aandrong, zich niet meer zoo bloot te stellen, daar zijn loven voor het rijk van zoo groot belang was.

De held had intusschon verscheidene helden aangekweekt, die hem konden vervangen , en do Joodsche geschiedverhalen hebben van hen ettelijke daden opgetoe-kend, waarbij versiorlngen niet ontbreken. Jabsokham versloeg in zekeren veldslag driehonderd Filistijnen , Kabtsel doodde twee dor dapperste mannen vau Moab en daalde vervolgens op een dag waarop het had gesneeuwd, in eene kloof neder, waar hij

242

-ocr page 261-
-ocr page 262-

CiHïI.I.USTREF,lil)I\', WKIIKI.DOESCIU F,I)RNIS.

non loenw dooddo. Dezelfde krijger streed ook togen een reusachtig figyptenaar, ontrukte hem do ontzaggelijke lans en doodde don reus mot ditzelfde wapen. De kern des legors werd gevormd door eene schaar van zeshonderd uitgelezen oorlogsmannen (flib-borim), door Joab en Abisaï aangevoerd.

De Filistijnen moesten in hot einde om vrede smoeken. Oath en het gebied daarvan viel aan Israël ten deel. Do vier andere steden bohioldon hare onafhankelijkheid, doch do macht der Filistijnen was verbroken.

Nadat David met deze vroegere overhoorschors gereed was gekomen, wreekte hij aan do andere omwonende volken den smaad, dien zij eens don Israëlieten hadden aangedaan. Allereerst kwam do beurt aan de Moabieten, mot wien de koning toen Saul hem vervolgde, op oen zoo goeden voet had gestaan, dat hij zijne ouders tot hen had gezonden. Hij versloeg de Moabieten en behandelde hen met ongehoorde wreedheid. De. gevangenen moesten zich ter aarde werpen, waarna zij door een koord in drie afdeolingen worden gescheiden. Over twee dezer derdedeelen liet hij zijne wagens voortrollen. Aan het andere derde deel schonk hij het leven.

De vijf Syrische koninkrijken: Damas, MaiLcha, Rohob, Tsobah on Hamath, waren door koning Hadarezer van Tsobah onderworpen en tot één rijk vereenigd geworden. Het ontstaan van zulk oen rijk in het Orontesdal scheen David voor Israël gevaarlijk , zoodat hij blijde was aanleiding te vinden om hot den oorlog aan te, doen.

De koning der Ammonieten was gestorven , en David zond naar Rabba gezanten aan den Jongen koning om hem met zijne troonbestijging geluk te wenschen. Doch do onderwerping dor Moabieten had do Ammonieten wantrouwend gemaakt, ten gevolge waarvan zij in de Joodscho gezanten spionnen meenden te zien, die den staat des lands kwamen opnemen, om te berekenen hoo men dit op de zekerste wjjze zou kunnen veroveren. Daarom liet do vorst hun do helft van hunne baarden afscheren en hunne rokken tot den gordel inkorten. In dien staat liet hij hen naar huis terugkoeren. David beval hun te .Toricho te blijven tot hunne baarden weder zouden aangegroeid zijn. Inmiddels bereidde hij zich tot don oorlog, en te nauwernood waren de Ammonieten hiervan zeker, nf zij verzochten om hulp aan don Syrischon koning Hadarezer (Hadadoser), die juist gereed stond do grenzen zijns rijks tot den Eufraat uit to breiden.

David was gereed om den oorlog te beginnen. Nog véór de vijanden gelegenheid gehad haddon zich te veroenigen, rukte Joab in het veld. Hij verdeelde zijn leger in twee afdeo-lingon. Terwjjl hij zelf tegen de Syriërs oprukte en hen versloeg, deed zijn broeder Abisaï hetzelfde tegenover de Ammonieten. Do troepen van Damas waren te laat aangekomen om aan den slag deel te nemen. Zij wachtten Joab bij zijn terugkeer op. Doch deze versloeg hou eveneens, veroverde Damas en legde binnen dio veste een Joodsch garnizoen. Deze gelukkige uitkomst verheugde onder andoren don koning van Hamath, die voor Hadarezer had moeten zwichten. Hij zond zijn zoon naar David, om doze met de overwinning geluk te wenschen.

Koning Hadarezer kon do ontvangen nederlaag niot verkroppen. Hij verzamelde eon nieuw leger, waarover hij hot bovol aan zjjn veldheer Sobach toevertrouwde. Gansch Aram stond op, on zelfs uit Mesopotamië kwamen hulptroepen. David voorkwam don aanval. Hjj ging over don .Tordaan, tastte Sobach hij Helam (of Alam) aan en bo-haalde eono schitterondo zegepraal. De vijandolijko veldheer sneuvelde; 700 strijdwagens, 17(10 ruiters en \'20,000 man voetvolk werden gevangen genomen Alle paarden werden verlamd, zooals dit bjj de Israëlieten gebruikelijk was, die toen nog geeno ruitery bezaten.

244

-ocr page 263-

IS1UËI, (lN DEM niSTOUISClIRN SAGHNTTJd).

Do Kdomieten, altoos tot plunderen bereid, maakten van de golegenheid gebruik, dat do zuidelijke streken van hot Israëlitische land van troepen ontbloot waren, om in doze oorden een inval te doen. Maar Joab leverde hun eon veldslag in hot Zoutdal, zuidwaarts van do Roodo zoo, in welken slag 18,000 Edomieten sneuvelden. Do overige wisten zich nog eenige maanden in het gobergto te handhaven. Doch hun koning viel. Zijn zoon Hadad vluchtte naar Egypte, waarop Joab olk Hot ter dood brengen die wapens had gedragen. Edom was overwonnen, en hot land door eene Joodsche krijgsmacht bezet. Onder anderen stonden Israëlitische krijgers te Elath en Etsiongeber, iiiin het noordoosteljjk uiteinde van do Koode zee.

De Ammonieten waren nog niet onderworpen. Joab rukte hun land binnen en huisde or op ontzottondo wijze. Do inwoners werden mot uitgezochte wreedheid behandeld. Joab liet hen levend in stukken zagen, of door wagons en paarden verpletteren, of wel in tichelovens lovend verbranden. Vervolgens belegerde hij de hoofdstad liabba, en toon hot oogonblik naderde, waarin zij vallen moest, riep bij koning David herwaarts, opdat doze den room mocht inoogsten van de stad veroverd te hebben.

David was nu de machtigste vorst in gansch Syrië. Zijn gebiod strekte zich thans uit van den Eufraat tot de grenzen van Egypte en de kusten der Koode zee. Moab, Edom en Damas stonden onder Israëlitische ambtenaren. De Filistijnen leverden de olie on den wijn voor hot koninklijke huis. Do Phoenikiërs zochten David\'s vriendschap en leverden hem werklieden voor do op te richten gebouwen. Tsobah, Hamath en geheel Aram loverden hem schatting.

Niettemin rustte hot rijk van David op zwakke grondslagen. Er ontbrak daaraan nationale en godsdienstige eenheid. Het was niet zulk een Oostorsch rijk als Chaldea on Elain. Do overhoerschto volken betaalden wel is waar cijns, doch zij hadden hunne zelfstandigheid niet gohool verloren on wachtten slechts op eene gunstige gelegenheid om het gehate juk af te schudden. Zoo lang oen koning vol geestkracht over hen hoorschte, die over een aanzienlijk legor kon gebieden en zonder eenig bedenken dui-zonden tor slachtbank liet voeren , wanneer zij togen hem opstonden, kon hot rijk blij-vi\'ii bestaan, althans zoolang die koning macht genoog bezat om aan de naburige groote mogendheden weerstand te bieden. Doch geraakte hot bewind in zwakke handen, zoo moest het in duigon vallen.

Do Israëlieten zeiven waren niet eens een gelijkgezind volk. Sedert Josuu hen naar KanaSn had geleid, hadden de stammen moestal van elkander gescheiden geleefd, zelfs tussdien andere volken, mot wion zij zich vermaagschapten , en wier gebruiken, zeden wi goden zij aannamen. Hoezeer do dienst van Jehovah onder de priesters van Aaron\'s geslacht en de Levieten stand bleef houden , maakte toch de Mozaïsche eeredienst niet alom den staatsgodsdienst uit. Do gemeene man vereerde Uaill, en slechts de priesters, de aristocratie en allen die daartoe behoorden, diendon Jehovah.

Maar zelfs voor de/.e quot;rechtgnloovigeuquot; was Johovah eigenlijk de Daal van Israël, want \'ij maakten van den Almachtige even zoowol afgodsbeelden als do Syriërs van Haiti. Gideon lii\'t, zooals wij verhaald hebben , een zoodanig beeld uit buitgemaakt goud vervaardigen. In het geslacht van Saul ontbrak het, gelijk wij gezien hebben, mode niet aan beeldendienaars. Zelfs de priester Abimelech raadpleegde do met goud overtogen beeldzuil van Jehovah voor den vluchtenden David. Ja Abimolech\'s zoon, Abjathar, die alleen do slachting dor priesters op Saul\'s bevel ontkwam en onder David hoogopriester werd, nam het afgodsbeeld mede. Niet dan in de door Samuel gestichte profetonscholou bleef den Jehovahdionst in volle zuiverheid bewaard.

245

-ocr page 264-

lt; i i ;ï l.l.USTR U !■: R D K WK li KI, 110 use 111KI )EN\' IS.

Vorgoofs editor yvordun do profeten tegen den dienst der afgoden, vergeefs schonk David linn zijn steutl. En zoo de koning dit bij de Israölieten incest ondervinden , kan inon licht begrijpen , dat de uitkomst bij do cijnsplichtigo heidensche volken zooveel als niets moest zijn.

Met David zelf had eene verandering plaats, zooals plotseling verkregen macht bij monschen gewoon is voort te brengen. Als held en koning was hij ontwijfelbaiir groot. Doch zijn roem werd aanmerkelijk benadeeld door velerlei gebroken en zwakheden, die op zijn rijk terugwerkten. Ilij was, toen hij macht kroeg, wreed on wraakzuchtig, al wist hij mot groote sluwheid deze gebreken te verborgen. Hij was een huichelaar, en den room, dien men hom, tot den huidigen dag, als quot;eerv man naar Gods hartquot;, hoeft toegekend , dankt hij alleen aan do partijdige voorstolling der Joodsche priesters un zijne vrome liederen. Daarmede en met groot rouwbetoon was hij steeds bij de hand. Dat zijne schaduwzijden van lieverlede werden vergeten door de Israëlitische natie, bij welke fouten als die welke David aankleefden, zeer gewoon waren, en zij in latere tijdon, bij grooto vernedering mot trots aan hem dacht, is licht te begrijpen. Inimors, onder zijne heerschappij was Israël machtiger dan het ooit is geweest, en de monschen die door zijno gebreken loden, waren lang dood en vergoten,

David richtte zijne hofhouding op Oostorscho wijze in, al schemerde nu en dan daarin de eenvoudigheid door van het herdersgeslacht. Zijn paleis wemelde van beambten van allerlei soort. Hij omringde zich door eene lijfwacht van vreemde soldenieren, Kretenzers en Filistijnen waarvan de uitdrukking Kreti en Plothi afkomstig is — die hom overal vergezelden, hom bewaakten en zijne bevelen zonder bedenken volvoerden. Aan eon harem on gesnedenen, welke dien bewaakten, ontbrak het hem evenmin ; uithoofde van zijne begunstiging der veelwijverij brak zelts een opstand uit. Keeds toen hij to Hebron zetelde, had lilj zeven vrouwen, en haar getal vermeerderde nog te Jerusalem, zonder bij haar te rekenen zijne talrijke bijwijven.

De wijze waarop hij Bathseba tot vrouw kreeg, verwekte grooto onrust. Van het dak zijner residentie zag hij haar in het bad en werd door hare schoonheid botoo-verd. Hij vernam dat zij de vrouw was van een Hothiot, Oeria (üria), die onder de bevelen van Joab in het kamp voor Rabba stond, Ilij liet haar bij zich brengen, en zij werd van hem zwanger. Ten einde het gebeurde geheim te bonden, liet hij Oeria naar Jerusalem komen. Wellicht was dezo iets van de ontrouw zijner vrouw ter ooren gekomen : althans hij wilde den koning niet tot dekmantel dienen en weigerde zijn huis to bétreden. Uit dien hoofde zond David hern terug naar hot leger, mot last om aan Joab een brief te overhandigen , waarin de woorden voorkwamen : quot;Stel Oeria ter plaatse van do felsten strijd en wend u dan van hem af, opdat hij worde geslagen en omkomtquot;. Joab deed liftgei\'ii hom bevolen was, waardoor Oeria sneuvelde als het slachtoffer van den vuigen lust en hi^t verraad zijns koninirs. Nog heden noemt men verraderlijke boodschappen, die tnon een bekende medegeoft. Oeria\'s brieven. Na dien moord nam David Bathseba in zijn paleis, waar zij hom een zoon baarde, die echter na eenigo dagen stierf. Do profeet Nathan hield den koning zijn onrecht voor. David sprak van berouw, bad, vastte en lag tal van nachton, als ware hij verbrijzeld, ter aarde; doch hij behi- ld Hathsoba , die hom later nog een zoon baarde, wolken hij Salomo noemde.

in het geheel had David twintig zonen en ettelijke dochters.

• Imiito ontevivdenheid werd door een maatregel verwekt, die, op zich zelve beschouwd, erkenning verdiende, doch door de priesters aan hoogmoed werd toegeschreven. Wel bewust, dal Israel\'s aanzien alleen op zijne krijgsmacht berustte, was het zeer natuurljjk, dat David

246

-ocr page 265-

i sua il l (in dun histouischen saqkntiji)).

wfttni wild», ovnr welk gotal strijders hij , iu goval dit noodig was, zou kunnen bescliikkon. Juab on oonigo krijgsoversten trokken toon maandon achtereen hot gehoole land door on schrevon alle mannen op in staat om do waponon to dragen. Volgons de gowono overdrijving, wordt het getal tot 1.300,000 opgegeven, doch naar andere aanwijzingen zou het sléchts Ii00,000 bedragen hebben, \'s Konings onderzaten vermoedden in deze volkstelling en monstering de voorbodon van verhoogde belastingen, en daar de voorspellingen van Samuel, toen hij tegen het verkiezen van een koning waarschuwde, allengs begonnen vervuld te worden, toonde het volk zich over deze maatregelen bijzonder ontevreden. In deze verbolgenheid deelden ook do priesters, en daardoor word de volks-opschnjving voorgesteld als waro het denkbeeld daartoe den koning door den Satan ingeblazen, en dus een werk dat Jehovah ten hoogste moest vertoornen. Eeno pestziekte die nu uitbrak en 70,000 menschen wegraapte, werd als oeno straf voor quot;het bedreven kwaadquot; voorgesteld.

David zelf had ook veel ten gevolge zijner misslagen en zonden te lijden , en bij gevolg het volk nog meer. liij eone hofhouding mot zoo vele vrouwen, die in Israël hooger stonden en grooter invloed uitoefenden dan bij de meeste omwonende volken — wellicht nog eene herinnering aan Egypte — kon het bezwaarlijk bij het hof aan kabalen of twisten ontbreken.

David\'s oudste zoon, Amnon , vatte liefde op voor zijne halvo zuster Thamar, lokte haar in zijn huis en ontroofde haar mot geweld hare eer. Door quot;afschuw over de bloedschande na do gepleegde daad aangegrepen,quot; joeg hij Thamar hot huis uit, waarop de beklagenswaardige jonge dochter haar leed aan broeder Absalom klaagde, die met haar van dezelfde moeder het levenslicht had ontvangen. Absolom beloofde wraak te nemen. Twee jaren later noodigde hij allo zonen des konings op het feestmaal bij het scheren der schapen op zijn landgoed, en bij deze gelegenheid werd Amnon door Absalom\'s knechten gedood. Do aanlegger van den moord vluchtte onmiddellijk naar den vader van zijne moeder, bij wien hij drie jaren doorbracht, tot Joab, die Absalom gaarne mocht lijden, \'s prinsen terugroeping bewerkte. Doch nog twee jaren mocht Absalom zijn vader niet onder do oogon komen. Eerst na verloop van dien tijd kon hij verlof daartoe verwerven.

Absalom was do schoonste man in Israël on bij het volk zeer geliefd. Daar hij meende, dat zijn vader hem niet ton volle had vergeven, en hij door den dood zijnor oudere broeders erfgenaam des troons was geworden, vatte hij hot plan op om reeds bij zijns vaders leven de kroon te verworven. Hij schafte zich wagens en paarden aan, nam vijftig voorloopers in dienst en was voortdurend er op uit, om door voorkomendheid het volk meer en meer te behagen. Dit gelukte hem te eer, daar een groot duel van \'t volk David moede werd. In geone streek echter hing men hem zoo zeer aan dan in het land van Juda, waar de ingezetenen, als van den oudste van Jakob\'s zonen afstammende, den voorrang boven allen begeerden en hoogst ontevreden waren, dat zij met al de overigen gelijk gesteld worden.

Ahitofel, David\'s meest vertrouwde en meest invloedrijke raadsheer, kende en begunstigde in stilte de eerzuchtige plannen des troonopvolgers, en zoo werd gemakkelijk een algomeeno opstand voorbereid, waarvan Juda liet middelpunt zou zijn, zonder dat David er hot minste van merkte. Toen Ahitofel met Absalom, onder\'t voorwendsel aan een olTerfoost deel te nemen , te Hebron bijeenkwam , brak do opstand uit.

David , verrast door eeno gebeurtenis, waarvan hij niet hot minst vermoedde , on neergeslagen door het verraad zijns zoons en van zijn eersten staatsdienaar, besloot voor het

-ocr page 266-

OEÏLLUSTKEEUDE WEJiKl,DGESClUEJL)ENIS.

248

oogonblik don storm to ontwijkon. \'Jo wankoltnoodighoid van hot volk konnendo, bosloot liij op goruimon afstand van zijno hoofdstad, don loop van zakon af to wachten. Vergezeld door zijn gehoele gu/.in on do trouwfyoblovon dappere Gibborim, trok David, barrevoets on met omsluierd hoofd, onder liat woegoklag des volks, — welks mede-doogen hij door het tentoonstellen van zijn leed poogde op te wokken over de beek Kédron. Hij verzuimde echter niet om personen to Jorusalom achter to laten, die hem

1 ff

i Jf

I ,r I ; I I

li r\'l

: t\'i

li i.

f! 1

volkomen op do hoogte van alle voorvallen zouden houden. Do voornaamste onder de/.i\' agonton was Hoosaï, na Ahitofel zijn vooriiaaniate en inoost iiivloodr|jke raad, en uit dien hoofde ijverzuchtig op zijn mededinger.

Toen derhalve Absalom kort daarop ondor groote praal de stad Jerusalem binnentrok, ontving lloesaï hem mot den uitroep ; quot;Love do koning!quot; en won daardoor en door verdoro intriguen spoedig \'s prinsen gunst. Met groot» sluwheid wist hij te verhinderen , dat Absalom gehoor gaf aan den raad van Ahitofel , om David onmid-

li

i

1;

-ocr page 267-

ISll.VÜI, (in den HISTORISCIIEN Sagent]JDj.

dellijk na to zutton, maar voeloer bijval schonk aan zgn aanraden, om zich ssolven aan hot houfd van hot volk to plaatson on David in eon open veldslag te vorwinnon. Tozelfdor tijd zond Hoesaï geheime bodon aan David, die hom aanrieden over don Jordaan te gaan, naar aanleiding van zijn vermoeden, dat Ahitofel op eigen hand iets tegen\'s konings leven wilde ondernemen.

Ahitofel, ziende dat zijn raad niet moer werd opgevolgd, en bovroodondo dat hot slecht georganiseerde volk, hetwelk Absalom aanhing, weinig zouden vermogen tegen David\'s dappere troepen, die zich inmiddels konden verzamelen, verliet Jerusalem en ontnam zich zeiven het leven.

Te Machanaïm, waar Isbosoth eens had gezeteld, verzamelde David zijn leger, terwijl Absalom van hot paleis en den harem zijns vaders bozit nam. ïen toeken dat hij thans vurst en heer was, legde do prins zich neder in eone tent op het platte dak der koninklijke

residentie bij do bijwijven zijns vaders. Men zalfde hem tot koning, en daarop trok hij mot zijn leger, dat door Amasa, een neef van Joab, werd aangevoerd, tegen zijn vader op. David wachtte te Machanaïm do oproerlingen af. 1 Hot volk liet don ouden monarch niet toe, om zelf ten strijde to trokken , zoo als hij verlangde. Zijn leger werd door Joab en Abisaï aangevoerd, en in het bosch Efraïm, in het land Qilead, trokken beide partijen tegen elkander op. In weerwil van liet grooto aantal strijders op de zijde van Absalom , word hot leger van den oproorigen zoon geslagen en snelde in do grootste wanorde op de vlucht. Absalom vlood oveneons, on zijn buitengewoon prachtig haar, waarvan de weelderigheid zijn trots uitmaakte, strekte hem ton vor-derve. Toon hij door het boscli wegreed, pakten do takken van een tamarisk zijne lokken en hielden hem daarbij vast. Toon hij, waarschijnlijk met de handen, daarnaar greep, om zich los te maken, reed zijn muildier weg, on Absalom bleef aan den boom hangen. Een soldaat die dit zag, meldde het aan den veldoverste Joab, die ijlings toeschoot en zijne lans Absalom in het hart stiet.

Do opstand duurde nog eene poos voort, doch word door do geestkracht van Joab gedempt. Zijn neef Amasa, die zich onderworpen had, doch zich vervolgens verdacht maakte, word door hom doorstoken, terwijl die veldheer zijn neef oen boodschap gaf.

Na dozen opstand leefde koning David nog ongeveer tien jaren. Gedurende dien tijd oefende de profeet Nathan oen grooten invloed op hem uit. Hetzelfde doden do tweede hoo-gepnester, Zadok, en Benaja, de overste dor lijfwacht. Do oude, zeventigjarige koning was uiterst zwak geworden, terwijl alle warmte uit zijn lichaam schoon verdwenen. Men legde oen jong, frisch meisje, Abisag van Soenam, bij hem, doch zelfs dit kon hem niet verwarmen.

Door Absalom\'s dood werd diens broeder, Adonaï, troonopvolger. Hij was oen

249

-ocr page 268-

11 KÏI il-USTll K K li igt; K \\V Kit KLIKi KSC HI K D F.N IS.

schoon mi krachtig man , doch zijn vador loefdo to lung naar zijn zin. Uit dion hoofde streefdo li ij or naar om do kroon machtig to «ordon. Zyno broeders, evenals Joab en do eerste hoo^eprionter Abjathar, stemden mot zijne wenschen in. Dit vernam Eathseba, aanwin David onder oede had beloofd, dat haar nog jeugdige zoon, Salomo, de kroon van hora zou erven, en zoowel Nathan als Zadok en lienaja schaarden zich aan hare zijde.

Toen Adonaï bij een offerfeest, waartoe hij al zijne broeders, behalve Salomo, had uitgonoodigd, zich tot koning liet uitroepen , snelde Cathsoba, terwijl het feest nog bleef voortduno), op Nathan\'s raad, naar don ouden koning, om hom aan zijn eed te herinneren. Hierdoor in de engte gebracht, beval David den profeet Xathan en den hoogeprioster Zadok om don jeugdigen Salomo tot koning te zalven, onder bazuingeschal rond to voeren on op don troon te plaatsen.

Zoodra dit geschied was, en Adonaï er bericht van kroeg, vloden de foostgenooten. Adonaï zelf zocht bescherming in het heiligdom. Salomo beloofde hom vergiffenis.

Toen David op sterven lag, liet hij Salomo aan zijn b^d komen, en de laatste opdracht die hij zijn opvolger gaf, is voldingend om het over hem gevelde afkeurend oordeel te bevestigen.

\'■Gij weet,quot; sprak hij onder anderen, quot;wat Joab mij gedaan heeft, die twee legeroversten vermoordde. Gij weet, dat hij koninklijk bloed vergoot te midden van don vrede en met het bloed dor edelen zich bevlekte van den gordel om zijne lendenen tot aan zijne schoenriemen. Handel dus naar uwe wijsheid, en laat zijne grauwe haren niet in vrode tot den benedenwereld nederdalen.quot;

Eveneens ried David aan zijn zoon, om Semeï, uit den stam van Saul, die hem terwijl hij uit Jerusalem was gevloden, eon man des bloods en een booswicht had genoemd, ja hem stoenen had achterna geworpen , op gelijke wijze te verderven. Hij had den man tot nu toe gespaard, omdat hij hem onder eede had beloofd, niet aan het leven to komen.

N\'a deze verordeningen aanbevolen te hebben, stierf David, na oen veertigjarig veelbewogen leven.

Salomo was een man naar het voorbeeld zijns vaders. Toon Adonaï na David\'s overlijden, diens jeugdige bedgenoote Abisag tot vrouw verlangde, kreeg Salomo argwaan, dat deze broeder naar dn koninklijke macht wilde streven, weshalve hij hem door üenaja liet ombrengen. De hoogepriester Abjathar word verbannen, on Zadok hot uitsluitend hoofd der priesterschaar.

Zoodra de oude Joab dit vernam, vluchtte hij naar den Tabernakel en omvatte de horens van het altaar. Maar dit woerhiel 1 Salomo geenszins om den raad zijns vaders op bi volgen: hij lii\'t den ouden kr\\jgsinan in het heiligdom door lienaja doorsteken, die nu in Joab\'s plaats opperbevelhebber werd.

Semeï ontving hot bevel Jerusalem niet te verlaten. De dag waarop hij over de beek Kedron zou gaan, zou zijn laatste wezen. Drie jaren verliepen sinds die bedreiging. Toen ontvloden drie knechten het huis van Simeï, waarop deze uitreed om hen te zoeki\'ii. Toen hij terugkeerde, kondigde Salomo hem hot doodvonnis aan, dat lienaja voltrok.

Gedurende do rogeering van Salomo (1020 080) word do vrede slechts zelden verbroken. De naar Ugypte gevloden zoon des konings van Edom, Hadad (vergelijk bladz. _ \'»■quot;)), die aldaar widwillend was opgenomen en zelfs \'s konings schoonzoon geworden was, hiidd het tijdstip voor gunstig om zijn koninkrijk terug te winnen. Zijn schoon-vadi\'r wilde le\'in van do onderneming terughouden, doch Hadad trok in stilte hoon en verwekte in zijn land quot;\'en opstand, naar welk voorbeeld andoren volgden. Al deze opstan-

2 .SO

-ocr page 269-

ISltAËl, (in DKN IIISÏOIUSCIIKN SAGKNTIJI)).

don werden ovenwol door Salomo gedompt. Allnen do stad Gesoor, die aan do zuidor grenzen van Filistina lag, on wier bewoners ovenoons waron opgestaan, kon dour do Israëlitische krijgsbunden niet gewonnen worden, daar zij te geringe vorderingen in de kunst om steden tu belegeren gemaakt hadden. Maar dezelfde 1\'soesonaes (of l\'sinakbes), koning van Tanis, die aan prins Hadad eene schuilplaats had verleend, sloöt een verbond met Salomo, bomachtigdo met oen Egyptisch leger Gosoer en schonk het gebied der stad ais huwelijksgoed aan zijne dochter, dio don koning van Israël trouwde en bij voortduur diens eerste koningin bleef.

David en zijne dappere troepen hadden voor het Israëlitische rijk niet slechts ecno geachte, of wat ongeveer hetzelfde beteekont, gevreesde plaats in do toenmalige staatkundige maatschappij verworven, maar ook de verhouding tusschon do Israëlinten 011 hunne Syrische naburen belangrijk veranderd, üe Filistijnen, dio hen in vroeger tijd uithoofde van hunne wreedheid met hoon hadden overladen, waren hun thans dienstbaar. Alle Amorioten, Hetbieten - de in bet noorden wonende Kbeta\'s uitgezonderd — llovieten, enz. die aan de verdelgingsoorlogen waron ontkomen, mooston do hun opgelegde diensten bewijzen, of wel het land ruimen, in welk geval zij doorgaans de voorkeur gaven om eene schuilplaats bij do Phoenikiërs te zoeken, die hen met blijdschap als koluniston naar hunne volkplantingen overbrachten. Do koning van het machtige Tyr, lliram, onderhield de meest vriendschappelijke betrekkingen mot Salomo, zooals reeds met David bestaan hadden, en Salomo nam oen van Hiram\'s dochters tot vrouw, liet bondgenootschap met Egypte was, zooals wij reeds gezien hebben, op oene zelfde wijze bevestigd.

üe Israëlieten werden door Salomo niet tot heerendionston gebruikt: zij werden krijgslieden , oversten en manschappen zijner wagens en ruiters.

Salomo begreep zeer wol, dat hij tot het behoud van zijne macht oen geducht leger behoefde, en breidde dien tengevolge de weorplicht, die reeds door David was ingevoerd, zoodanig uit, dat alle mannen in staat om de wapenen te dragen, tot den landweerdienst waren gehouden. In de vroegere oorlogen was het maar al te vaak ge-blokon, dat de logoruitrusting, bij vergelijking mot die van andere volken, gebrekkig was, en dat de naburen door hunne strijdwagens, ruiterij en welgeoefende boogschutters groot voordeel boven de Israëlieten bezaten. Uit dien hoofde week de koning aanmerkelijk van de Mozaïsche voorschriften af. Hij vermeerderde zijn leger mot 1400 strijdwagens en I\'2,000 ruiters en stichtte om deze onder dak te brengen, bijzondere wapenplaatsen en vestingen. Zijne paarden en wagens trok hij uit het niet hem bevriende Egypte, waar elko groote stad in de Delta stoeterijen en wapenfabrioken bezat, en de daaruit voortspruitende kosten wist hij door eene belasting to dekken , geheven van elk paard en eiken wagen die andere Syrische en naburige vorsten uit Egypte lieten komen en door zijn gebied moesten gevoerd worden. Voor iedoren wagen deed bij (iUO en voor elk paard 150 zilverstukken als recht van doorvoor vorderen.

Te zelfder tijd zorgde ook Salomo voor de zekerheid des lands door de grenzen te versterken. Het verwoeste Oesoot werd herbouwd en met vestingwerken omringd, on tor verzekering van do passen , die door hot gebergte in zijn land voerden, versterkte bij Magiddo, Hethoron , liaalath. en (in liet Noorden) Hazor.

In een door hem zeiven gevoerde krijgstocht had hij Ilamath ingenomen. Doch te Damas had zich een stout opperhoofd, mot name Kozon, tot regent opgoworpon en zijno onafhankelijkheid weten te handhaven. Dit was Salomo eon doorn in het oog, daar Damas aan eon voolbezochteii handelsweg lag, en de koning zich bemoeide om zijn vnlk

251

-ocr page 270-

O KÏ I.IJJSTRKKIIDK WKUKLL) O KSC F11 KI) K NIS.

meer voordeel van don koopliandol to doen trekken dan tot heden het geval was geweest. Tot nu toe haddon deze voordeeion zich tot don uitvoer beperkt van koren on andere voortbrengselen van don landbouw, die men don Phoenikiörs verkocht, want aan don bloeiendon karavaanhandel, die tusschen Egypte, Phoenikië on de landen aan don • Kufraat werden gedreven, hadden do Israëlieten nog geen aandeel gekregen. Dat, zoo wilde het Salomo, moest anders worden.

De gewone weg die do karavanen namen, ging over Karchemisch, zooals wij vroeger vermeld hebben. Salomo liet het gedeelte dat door zijn land liep op militaire wijze bezetten, Hatnath word de laatste van eeno keten posten, die zich langs don Libanon nitstrekten, om de karavanen te beschermen en de noodige gemakkon te verzekeren. Er waren intusschen nog andere wegen die uit Egypte naar Mesopotamië voerden. Zij weken bij llamath of bij Damas van den gewonen weg af, liepen door do woestijn en voerden naar Thapsakos aan den Kufraat. Wij hebben reeds opgemerkt, dat deze weg, uithoofde van watergebrek , en nog meer uithoofde van do roovergen der liedoeïnen, gevaarlijk was. Nochtans gaven de kooplieden uithoofde van bet kortere traject daaraan niet zelden do voorkour.

Salomo liad hot voornenion dozen weg tot de hoofdroato tusschen Phoenikië en Egypte te maken, en te dezen behoeve bouwde hij Tamar of Tadmor (Palmyra) in de woestijn. De ligging dezer stad had eenige overeenkomst met die van Damas. Zij lag aan den voet oener heuvolketen, loopende van het zuidwesten naar het noordoosten, en werd door twee bronnon besproeid, waaraan het kleine bosch viin palmen zijn oorsprong dankte hetwelk Tadmor den naam van Palmenstad (Palmyra) verschafte. Deze plaats was ri\'i\'ds sedort geruimen tijd eeno geliefkoosde rustplaats der kooplieden geweest vóór dat Salomo haar door hechte muren liet beveiligen. Do inneming van Hamath bevestigde de

I.....rschappij der Israëlieten in Tsobah, en de karavanen konden van Damas of Hamath

naar Tadmor, en van daar naar Thapsakos gaan , zonder van de Arabische of Arameïsche movers iets te moeten vreozen,

Koeds onder David waren Elath en Etsiongeber aan de Koode zee in het bezit der Israëlieten gekomen. Doch daar de Joden, evenals de Egyptonaren, weinig met de scheepvaart ophaddon, en meenden, quot;dat het water geene balkon hadquot;, wisten zij uit de ligging dezer steden weinig voordeel te trokken. Doch do wijze Salomo wist het wel. Door dn Roodo zoo, dat wist men, kwam men naar hot wonderland Ophir, en nu welde bij hom het verstandige denkbeeld op,om daarmede in onmiddellijke betrekking te treden. Todion oindo beried hij zich mot zijn kundigen vriend en schoonvader, den koning van Tyr, lliram, die volgaarne Salomo\'s voorslag aannam. Deze leende zijn schoonzoon Tyrscho scheepsbouwmeesters en zoellodwi, die to Etsiongeber eeno vloot bouwden en bemanden •■li daarmede naar Ophir voeren. Deze vloot bleef drie jaren uit en koorde toen met vcli\'Hoi schatten beladen terug. Zij bracht goud, edelgesteenten, ivoor, sandelhout en reukwaren , apen en pauwen en andere gewenschto en merkwaardige artikelen in menigte modo. Deze Ophir-vaarton werden, althans gedurende een dool van Salomo\'s rogeering, geregeld voortgezet. Men trad daarbij in verbinding met verschillende vorsten van Arable, \'s K\'onings aandool der winst van den oorsten, in gemeenschap mot lliram ondernomen Ophirtocht, moot, naar verzekerd wordt, alleen reeds 4\'2U talenten gond hebben heloopon. liet israëlitischo talent zilver wordt verschillend, van HOU tot 4750 gulden, geschat, zoodat deze WO talonten nagenoeg \'2 millioen zouden beloopen. Maar hot talent goud bedroeg waarschijnlijk moor. Daarnaar kan men eonigerrnato berekenen hoeveel de verbinding mot Ophir opbracht. Door don handel nam do rijkdom des volks toe. Onder Salomo luidt het, vermeerderden do Israëlieten zich als het zand aan den oever der zee. Zij aten.

252

-ocr page 271-

Israel (in dun msToimcirnN saüKNtud). 2m

dronkon, gonoton li^t lovon \'\'on woonden in voiligheid, oik onder zijn wijngaard en zijn vijgeboom, van Dan tot Berseba.quot; — Het land bracht koren in menigte voort; eveneens olie, wijn en wol, welk laatste product inzonderheid oen goeden naam bezat.

Dat mot den toonomonden rijkdom des volks do belastingen worden vermeerderd spreekt van zeiven. De Kaniinitischo volken, die tot op dezen tijd midden onder de Israëlieten gewoond haddon, zonder iets to betalen, moesten nu belastingen opbrengen en heerendiensten verrichten, In welke mate zullen wij later zien. Het land Israël word, zonder daarbij op de stammen te letton, in twaalf ontvangst-districten afgedeeld, aan het hoofd van welken een ambtenaar, veelal een van \'s konings schoonzonen, geplaatst word. Aan het hoofd van hot twaalftal zelf stond Asarja , een zoon van don profeet Nathan. De twaalf ontvangers zeiven hadden, nevens andere bemoeiingen, ook voor de behoeften van bet koninklijke hof te zorgen , een ieder gedurende een dor maanden van liet jaar. Deze behoeften waron niet gering. Zij werden opgegeven tot do dagelijkscho hoeveelheid van :tO kors (elk kor van ;i88 liters of koppen) fijn en 00 kors gewoon meel, 10 gemeste en 20 magere ossen en 100 hamels, zonder nog te rekenen de herten, gazellen, buffels en het gemest gevogelte.

Hot leger moest natuurlijk ook door het volk onderhouden worden.

Reeds David had uitgestrekte eigon goederen verworven en een aanzienlijken schat nagelaten. Salomo vermeerderde beiden. De koninklijke domeinen on hunne opbrengsten , even als de cijnsen der onderworpen volken, vloeiden in zijne schatkist, en do koning der Israëlieten gold te recht voor een der rijkste vorsten op aarde.

David\'s hofstoet, dien hij reeds talrijk oordeelde, was belachelijk klein in vergelijking van dien zijns praalzieken zoons, die quot;het zilver te Jerusalem gelijk maakte aan de steenen.\', David had reeds een aantal vrouwen en bijwijven genomen, dat ergernis verwekte. Doch in Salomo\'s harem waren - naar Joodsche geschiedrollen berichten 700 vorstinnen en 1100 bijwijven, wier uitgaven in overeenstemming kwamen tot haar rang. Het getal van beambten en trawanten was legio, en wanneer de laatsten hij plechtige optochten den koning voorafgingen of volgden, droegen zij schilden met, 00(1 pond goud overtogen, die men in vroegeren tijd aan koning Hadadeser ontnomen had.

Wij hebben gezien, dat David do Ark dos Vorbonds in een gebouw liet plaatsen naar het voorbeeld van don Tabernakel. Zijn plan om Jehovah een heerlijken tempel te bouwen kon liij niet ten uitvoer brengen. Doch do plek daarvoor was reeds door hem uitgezocht. Salomo besloot liet gebouw op te trekken, waartoe waarschijnlijk staat kundige overwogingen medewerkten. Zjjne residentie moest het middelpunt van don Jood-schen eoredienst worden, en in de eerste plaats de godsdienstige eenheid des volks tet stand brengen.

De Israëlieten, die in een betrekkelijk nog niet ver verwijderd tijdperk in hutton gewoond haddon , verstonden weinig van do bouwkunst. Van hier, dat Salomo koning Hiram verzocht, liein architecten en werklieden te zenden. Hij schreef hem: quot;Ik ben er op bedacht een liuis te bouwen ter eero van Jehovah , my non god. Derhalve gebied, dat men coderen houwe op den Libanon, en mijne knechten zullen uwe knechten zijn, en hot loon uwer knechten wil ik u geven, juist zoo als gij dit verlangt, want gij weet dat niemand bij ons kundig is om hout te vellen, zoo als de Sidoniërs.

Hiram was hiertoe volgaarne bereid. Het noodige werkhout zou in vlotten naar Joppo gebracht en van daar door Israëlitische daglooners naar Jerusalem vervoerd worden.

-ocr page 272-

(IKÏU.l\'STRUr.llHn WKIlKMKiKSCIIIKDKXIS,

Voor hot verleende hulpbetoon verbond Salomo zich, om Hiram jaarlijks \'20,000 schepels tarwe en 20,000 maten olio en wijn te zenden.

Do toebereidselen voor den bouw duurden drie jaren. In dezen tijd werd al het houtwerk gereed gemaakt. Steenen werden gebroken en behouwen, en de sieraden van metaal, zuilen, vaatwerken enz. gegoten. Het laatstgenoemde werd vervaardigd door den I\'hee-nikischen kunstenaar Hiram Abif, wiens moeder oone Israëlitische vrouw, en wiens vader een Tyrsche kopersmid was.

Salomo volgde liet voorbeeld der iOgyptenaren en dwong de aan hom onderworpen

Kamuiieti-n hem arbeiders te leveren. Zeventigduizend dienden hem als lastdragers, en tarhtigduizend waren in do steengroeven te zijnen behoeve werkzaam. Toen dit aantal nog altoos onvoldoende bleek te zijn, moesten ook Israëlieten voor deze heerendiensten opkomen. Tienduizend van hen moesten altoos eene maand op den Libanon en twee maanden te buis arbeiden.

i)o geheele leiding van don bouw was opgedragen aan een ervaren bouwmeester van Dsjfbel (Hvblos), en dien architect ter zijde stond een aantal Sidonsche kunstenaars.

David had reeds de plaats bepaald, waar do tempel staan zou. Doch de onregel matige vlakte van den berg Moriah moest eerst geheel veranderd worden, indien de Ti\'tnpi\'l zich daarop zou verheffen. Men metselde te dien eiml^ langs do hellingen van den berg mnren, die boven aan de kruin eene horizontale vierhoekige vlakte insloten; nadat men de opimgebleven ruimte met aarde had aangevuld.

-ocr page 273-

(SKAËL (IN DI\'A IIIS\'X\'OIIIsCIIKjN SACKNTlJDj.

I)« voorgftvol des Tempols word naar hut oosten gericht. I»it hoofdfront was \'in ollon brood, 00 elUm lang on ;i0 ollon hoog. Uo mnron waron van grooto steenblokken opgetrokken en van binnen mot gesnedon en verguld cederhout bokleed. Men trad binnen door oen portiek, aan welks zijden twee ijzeren zuilen omhoog stroefdon, waaraan men de namen Jacliin en Boas had gegovon. Kik daarvan was 18 ellen hoog, en olks kapiteel 5 ellen. Deze kapiteolen hadden don vorm oener geopende lelie, met een gladde kelk, door eon netwerk van zeven kunstig aaneengoketonde dradon overdekt. Boven en onder het netwerk zag men oen krans van kunstige granaatappelen, een algemeen bewonderd werkstuk van meester iliram.

Het inwendige van den Tempel was, evenals do Tabernakel, in twee ruimten afgedeeld : het heilige en hot allerheiligste. De prachtvolle deur tusschen de beide afdee-lingen stond open, doch liet binnenste van hot allerheiligste bevond zich achter een voorhangsel van rood en blauw purper. In het heilige stonden het reukaltaar, een zevenarmige luchter en do tafel voor do toonbrooden. Hot allerheiligste vormde de plaats voor de Ark des Verbonds, dio op do vleugelen van twee houten en vergulde cherubs rustte.

Drie zijdon van hot schip waren door een vijftien ellen hoog, uit drie verdiepingen bestaand zijgebouw ingesloten. Daarin vond mon ettelijke cellen, waarin men de schatten des Tempels en de kerkelijke benoodigdhedon bewaarde. Het allerheiligste mooht alleen door don hoogepriester, en niet meer dan eenmaal \'sjaars, betroden worden. Het heilige was ingericht voor do priesters. Hierheen bracht mon de. reukoffers, en hier ver-richtto men den gewonen godsdienst.

De Tempel bezat twee voorhoven, een binnenste en een grooter buitenste, die door een muur met ijzören poorten werd omsloten. Tegen dezen muur lennden do wallen en cellen. In den binnenhof, dio mede alleen voor do priesters was, en door een lagen muur mot een houten hekwerk daarop van den grooteren buitenhof was gescheiden, bevond zich, tegenover do ingangen des Tempels, hot tien ellen hooge brandofferaltaar. In de nabijheid der ijzeren zuilen zag men do zoogenoemdo ijzeren zee, een waterbokken van vijf ellen hoogte en tien ellen in middellijn, oen meesterstuk van Hiram, nog bewonderens waardiger dan zijne kapiteolen. Het rijk, met verheven slingers versierde bekken werd door twaalf runderen gedragen, drio aan drie bijeen geplaatst. Voor het reinigen der offers en gereedschappen stonden op raderwerken vier ellen hoogo metalen waterkruiken, alli\'ii met schoono figuren versierd.

Tot den buitensten voorhof had hot volk eiken oogenblik toegang , vvordondo het binnenkomen van het heilige district door ettelijke poorten verkregen.

Volgons do nauwkeurigste beschrijving onderscheidde het gehoole gebouw zich meer door do schoonheid zijner sieraden en oeno ontzettende opoenhooping van goud en andere kostbare stoffen, dan wol door zijne architectuur, evenals wij roods omtrent andere door do l\'hoenikiërs opgerichte gebouwen opgemerkt hebben. Maar den Israëlieten , die nooit iets dergelijks gezien hadden, kwam Salonio\'s tempel als het grootste wereldwonder voor. In werkelijkheid echter stond bet gebouw, in vergelijking met do Egyptische en Assyrische praalgestichten, ver daarbij achter.

In het vierde jaar zijner rogooring begon Salomo met hot bouwen van dozen Tempel, dien hij in 7\'., jaar voltooide. Met grooto pracht werd de Ark des Verbonds naar tie voor haar bestemde plaats gebracht, en daarop de Tempel door Salomo met groote feesten ingewijd.

Toen de Tempel gereed was, bouwde de koning in de nabyheid daarvan, doch op

255

-ocr page 274-

(IKÏU.UsTKRRItm; WEIlKtmiKSClKCDRNtS.

ooii iets lagor gelegen terrein, een prachtig paleis van drie verdiopingon, oen gebouw van 1(10 ellen lang, 50 breed en 30 hoog. Voor dit paleis waren dertig ellon brnedo, met zuilen versierde voorhallen, on in oen daarvan stond Salomo\'s troon , een werk , quot;welks gelijke nog niot gemaakt was in eenig koninkrijk.quot; Deze troon stond verheven boven zes treden, op welks zjjden twaalf leeuwen prijkten, terwijl elke armlonning van den zetel eveneens door een leeuw word versierd. De gehoelo troon, dio in eene ronde kroon uitliep, was van ivoor en met goud overtrokken. Nevens het

iioofdgobouw liot de koning twee woonhuizen oprichten, één voor zich en één voor zijne Kgyptisdie gemalin.

rit, het paleis geleidde eene prachtige , opwaarts voerende galerij naar den hooger gelegen Tempel, waarin, aan het eindo van don quot;koningsgangquot;, een overdekte zetel voor den koning was opgericht.

De roep van dn ongeëvenaarde pracht aan het hof van Salomo verbreidde zich door geheel het Voorliggend-Aziö, tezelfdor tijd met den roem van zijne geleerdheid onwijsheid , waarvan de overlevering veel wonderbaars mededeelt. quot;Zij was grooter dan die van alle zonen van hot Morgenland en alle wijsheid van Egypte. Hij vervaardigde drieduizend spreuken, en het getal zijner liederen bedroog duizend en vijf. En hij handelde over do boomen, van den ceder op den Libanon tot aan den hysop, en over hot gewormte

-ocr page 275-

257

on do visschen, on or kwamen allerlei volken on koningen om do wijsheid van Salomo to hooren.quot;

ïonn de koning bij liet aanvaarden der regeering Johovah oen offer bracht, zoo verhaalt do traditie, verschoon hom do Hoor in don droom en sprak: quot;Bid om hetgeen ik u zal geven.quot; Salomo antwoordde: quot;Geef uwen knecht oon verstandig hart om uw volk to rechten on to onderscheiden tusschen goed en kwaad.quot; Dat behaagde Jehovah zoo zeer, dat hij hom niet slechts do grootste wijsheid, maar ook rijkdom en oer schonk.

Met de verhalen, die do oude Israëlieten van die wijsheid gaven , vertellingen die door andere Oostersche volken mede zijn opgesomd, zal het waarschijnlijk evenzoo gesteld zijn als met den roem des Tempels. Deze kwam den Israëlieten van die dagen als een wonderwerk voor, omdat zij nog oen weinig ontwikkeld volk waren, dat met betrekking tot kunsten en wetenschappen nog slechts de eerste schreden had gedaan. De door do traditie uitgedrukte bewondering over zijne kennis van planten en dieren, bevestigt deze zienswjjze. Salomo was zonder twijfel eon verstandig man, met een verlicht oordeel en veel liefde voor kunsten en wetenschappon. Onder anderen boeide de natuurlijke historie hem zoor, hetgeen eeno buiténgomcene bewondering wekte, maar ook tot zonderlinge meeningen en verhalen voerde. Zoo verzekerde men, dat hij eene wonderbare macht over de geesten uitoefende, in hot bezit was van een alvermogenden talisman (Salomo\'s zegel), de taal van alle dieren kon verstaan, enz.

Ons is het uit dien hoofde onmogelijk over den graad dor koninklijke wijsheid en het door hem bereikte wetenschappelijk standpunt te oordoelen , te meer daar geen zijner schriften , het minst wel dat over de natuur, bewaard is gebleven. De hom tot hiertoe toegeschreven, in den Bijbel opgenomen werken zijn, zooals con ernstig onderzoek heeft bewezen, allen togader van lateren tijd. Niettemin kunnen zij hot oen en ander, zelfs veol, bevatten wat werkelijk van Salomo afstamt, en daaruit is eenigermate do aard van Salomo\'s wijsheid op to maken. Op do woorden van koningen wordt door duizenden gelet. Zij worden door velen aan andoren overgebracht, voel meer dan met de woorden van do overige menschen hot geval is. Zij worden door hot volk opgesierd en aangevuld, planten zich van den vader op den zoon voort en groeien als eene lavine aan, inzonderheid wanneer do koning bijzonder machtig, bij \'t volk goliofd of ais een origineel bekend staat. Gezegden van Francjois I, Henri IV en Louis XIV leven nog voort in don volksmond. Die van Friedrich don Grooto, ovenals anekdoten hem betreffende, vullen talrijke boek-deelon. Indien dergelijke vermenigvuldigingen reeds in het nuchtere Avondland voorkomen, en wel na oen betrekkelijk korten tijd, zoo kunnen do wondervolle verhalen van Salomo\'s wijsheid, gedurende een groot aantal eeuwen gekoesterd in hot beeldrijke Morgenland, bij ons geene verbazing wokken. Velen daarvan zijn zoo vaak door schilderijen en teekeningon geïllustreerd, en door het gezag \'t welk de schriften der Hehreön bij ons erlangden, zoo bekend geworden, dat wij ton minste één vermelden moeten, dat als quot;Salomo\'s oerste rechtspraakquot; algemeen is geroemd.

Eeno vrouw drukte in den slaap haar kind dood en verwisselde het lijkje met de levende zuigeling eener andere moeder. Do daardoor ontstane rechtsvraag word ter beslissing aan den koning voorgelegd. Hij beval een zijner trawanten den knaap in twee stukken te houwen en elk der strijdende vrouwen eeno helft te geven. Kene van haar berustte in deze uitspraak , doch de andere wierp zich angstig voor \'s konings voeten, smeokende om het kind liever aan hare tegenpartij over te leveren , dan het te doo-den. Daaraan herkende Salomo de waro moedor on deed dien overeenkomstig uitspraak.

I- 17

-ocr page 276-

I i KÏI.U\'ST IIK K111)K W KUK 1,D(i i:,S(:|11 KI) KMS.

258

Raadsels spelen in allo Morgenlandscho verhalen eeno groote rol en komen ook in de Israëlitische overleveringen, b.v. in het leven van Simson, meermalen voor. Salomo\'s vaardigheid in dit opzicht wordt geroemd. Do .Toodsche geschiedschrijver Flavins Josephns

verhaalt, dat Salomo voortdurend met koning Iliram zoodanige raadsels wisselde, m dat hij, wiens raadsel wrd opgelost, aan den ander eene goldsom moest betalen. Di\' s]i(\'l kostte Iliram veel geld, tot eindeljjk een wijze Tyri^r, Ahdemon ffeheeten , Ih\'ii-bystond en Salomo\'s raadsels hi\'-lp oplossen.

-ocr page 277-

18uaki, (in DUN IIIS\'l\'olllschkn saoknttji)). 259

llii\'rliij willen wij in het voorbijgaan opmerken , dat de rijko Salomo Hiram voel geld schuldig was, en daar iiij ongaarne die sommen afdeed, voor hot verschuldigde on ftono bijbetaling van nog i\'20 talenten goud, twintig (rallileosclie plaatsiui op de Tyrsche grenzen aan Hiram afstond.

De ophef van de buitengewone pracht aan hot Israëlitische lief on Saldino\'s wijsheid, die geheel Azië vervulde, wekte bij do Arabische koningin van Saba do begeerte op om den grooten koning te leeren kennen. Zij legde met oen schitterend gevolg een bezoek bij hem af. Een troop lastdieren volgde, met do kostbaarste voortbrengselen van haar land tot een geschenk beladen. Er waren daarbij , zoo bericht de traditie , |*J0 talenten goud en vonkelende odelges toon ton. Ook zij ging een wedstrijd met Salomo in liet opgeven en oplossen van raadsels aan, on ten hoogste tevreden over al hetgeen zij gezien en gehoord had, keerde zij, eveneens met velerlei geschenken vereerd quot;naar do wjjzo van koning Salomo,quot; naar haar land terug.

De stichting van een prachtvollen Jehovahteinpol to Jerusalem bracht eeno hoogst-belangrijke verandering voort. Tot hiertoe had men don Hoer te Silo, Gilgal, Mizpa en Karna geofferd. Het verlangen om don Tempel te zien voerde groote scharen volk naar Jerusalem. De daar ingevoerde plechtige godsdienst miste zijn indruk niet. De heilige» offerplaatsen in het land stonden verlaten , en bij hot naderen dor groote feestdagen vertrok het volk naar Jerusalem om er te offeren.

Daardoor werd het bestaan der priesters in do overige dooien des lands kommerlijk, al was het juist nooit schitterend geweest. Immers, in plaats van den onzichtbaren ■lehovah, hing een zeer groot, wellicht hot grootste deel des volks, Haal of Astarte aan, en zelfs van hen die Jehovah trouw bleven, vereerden zeer velen hom in de gedaante, van een stior of stierkalf, als een naklank van don Egyptischen Apisdienst. leder bracht zijne offers zelf, doch do priester verleende daarbij hulp. De meeste levieten hielden zich met voorzeggingen bozig; doch in een groot aanzien of welvaart kondon zij zich geenszins verheugen: i n togen dool, velen van hon hadden een armzalig bestaan.

Thans trokken zij in scharen naar Jerusalem, waar voor don nieuw-ingorichten tempeldienst talrijke priesters en tompoldienaren noodig waren. Van lieverlede werd nu deze tempeldienst al plechtiger en plechtiger geregeld. De priesters die hun afkomst nit Mozes en Aiiron konden bewijzen, vormden dn hoogste klasse. Zij maakten de eigenlijke, tot de godsdienstige handelingen gerechtigde priesterkaste uit. Tot de talrijke tweede klasse, behoorden alle andoren , die als godsdienstleeraars bekend stonden, en men gaf lum tot stamvader Levi, den zoon van Jakob , van welke Mozes en Aiiron werkelijk alstamden. Men noemde uit dien hoofde de geheele hoogc en lagere geestelijkheid levieten, en om de geheele inrichting aanzien te geven, verkondigde men, dat deze inrichting reeds door Mozes was vastgesteld.

Do eerste klasse der priesters, cohanim, was in \'24 afdoolingen gesplitst, van welken elke haar hoofd en hare bepaalde godsdienstige verriebtingen bad. Doorgaans bleef bun ambt bij erfenis in hetzelfde geslacht. De cohanim hadden toegang tot het heilige, offerdon op het rookaltaar dos morgens en des avonds, hielden den grooten gouden armluchter schoon , logden allo woken do toonhrooden op do tafel en deelden na het Volbrachte offer den zogen uit. Hun plicht buiten den Tempel bestond in het verklaren van de wet en het bezoeken der zieken.

De gewone levieten, oveneens in 24 afdeelingon onderscheiden, waren moziekanten et zangers, openden en sloten don Tempel, reinigden de heilige vaten, kneden en bakten

! i Hl

-ocr page 278-

260 OKÏliliUSTHKK 11DR WHIliaiXIKSCIIIEUEN1S.

do toonbroodon, hioldon liet toezicht ovor do schattou en den voorraad dos Tempels, waakten bij do tempelpoorten en in do hoven, in liet kort verrichtten allo bezigheden, din men niet met de waardigheid der priesters van do eerste klasse voreenigbaar oordeeldi\'.

Door deze inrichting, vrij wel overeenkomstig mot die welke wij in Egypte loerden kenimn, ontstond een van don staat afgezonderd lichaam , mot bijzondere voorrechten en wetten, eone klasse, die zich boven hot volk verheven achtte, liet is licht begrijpelijk, dat hot opperhoofd van deze gehoole klasse, de hoogepriester, spoedig een aanzienlijken invloed moest uitoefenen, on in latere tijden, toen de koningen niet meer eone zoo geduchte macht als David en Salomo bezaten, eone stelling bereikte, hooger dan die van don monarch.

Ofschoon Salomo voor Jehovah oen prachtigen tempel bouwde en daarin driemalen \'s jaars offerde, richtte hij niettemin ook voor andere goden altaren op, en wel 1 voor de goden dor vreemde volken onder zijn bewind on voor die van don talrijken | vrouwenstoet, met wolken hij zich verbonden had. Deze dienst was veel prachtiger en | meer prikkelend voor de zinnen dan die van Jehovah. Hij bouwde voor don god der Moabieton, Kamosj, een altaar op don tegenover Jerusalem gelogen berg, ovenzoo voor Astarte, Melkart en Moloch. Zijne grooten volgden hem na, en de Israëlieten vierden j dien ten gevolge, even liederlijke offerfeesten als do Phoenikiörs en andere Syriërs; ja, j men beweert, dat ten tijde van Salomo, do uitgelatenheid en weelderigheid dezer fee.- j ten onder do Israëlieten nog grootor waren dan elders.

Met het bouwen van den Tempel en de invoering van den tempeldienst bogon, j niettegenstaande deze jammerlijke afdwalingen, een tijdperk, waarin do Jehovahdienst zich op velerlei wijze ontwikkelde. Doch eerst aan veel latere tijden was het voor-behouden dien tot do hoogste volkomenheid op te voeren.

Het bijeonstroomon des volks te Jerusalem en het verwaarloozen der vroeger voor heilig I gehouden altaren verwekte ontevredenheid bij de bewoners van die streken , waarin deze 1 quot;heiligdommenquot; stonden, eone ontevredenheid, die hoofdzakelijk uit de ijverzucht sproot, 1 welke reeds sedert eeuwen onder de verschillende stammen heerschte. Dat David on Salomo | hunne residentie in het gebied van den stam Juda namen, was reeds ergerlijk genoeg, | inzonderheid voor don stam Efraïm, die zoo lang do eerste plaats had bekleed en met 1 geringschatting nederblikto op Juda, die menigmaal, zoo als ten tijde van Barak en | Deborah. was teruggebleven om deel te nomen aan de oorlogen tegen de Kananitisehc j onderdrukkers. Dat thans ook het middelpunt van den godsdienst naar Juda werd ver- | plaatst, voerde de ontevredonhoid tot de hoogste trap. Zij werd gevoed door do in de | verschillende districten achtergebleven priesters en de ijverige aanhangers van Jehovah. 1 tot welke in de eerste plaats die mannen behoorden, welke uit do profetenscholen wa- I ren voortgekomen en niet alleen Salomo\'s verdraagzaamheid tegenover de quot;heidenenquot; verafschuwden, maar ook daardoor beleedigd waren, dat zij allen invloed bü het hot | verloren hadden.

De ontevredenheid , die door de verhoogde belastingen , door do heerendiensten en andere maatregelen, als een gevolg der praal van Salomo, noodzakelijk waren geworden. | droeg zeker niet weinig bij, om de woelingen door do kerkelijke inrichtingen te we^s.\' gebracht, uit te breiden.

Als een der ijverigste onruststokers gedroeg zich do profeet Ahia (Akhijah), van Silo , dii\' ? tot den stam van Efraïm behoorde. Deze meende in oen Efraïmschen man , Jerubeam, een f geschikt aanvoerder voor een opstand gevonden te hebben. Toen by deze eens op den | akker aan den arbeid zag, vatte hij hem bij den mantel, scheurde dien in twaalf stukken *

-ocr page 279-

i sit a kl (in dun ins\'ioiuscriHN saohntijd). 201

on gaf liom tien daarvan, terwijl hij lioni voorspeldo, dat Jehovah aan David\'s geslacht tien stammen zon ontrukken om hem do heerschappij over die gewesten te geven.

Dezo Jeroheam was do zoon eenor weduwe nit hot land Efraïtn. Hij was lang een ondergfischikt opzichter bij Salomo\'s bouwwerken. Door don koning opgemerkt, kwam hij vooruit, Salomo stelde hom namelijk over allo lastdragers van hot huis van .lozef aan. Daardoor was deze Efraïmiot een man van invloed geworden.

Ondersteund door don profeet, vond Jeroboam aanhangers onder do noordelijke stammen en plaatste zich aan hot hoofd van den opstand. Doch Salomo zond troepen tegen lioin in hot veld, met het gevolg, dat Jeroheam naar Egypte moest vluchten, waar oene nieuwe, mot Salomo bevriende dynastie do heerschappij had verkregen. Niettemin bleef Jeroboam in verbinding met do ontevredenen, en deze wachtten slechts op Salomo\'s dood om beslissende stappen te doen.

Dit overlijden volgde na eeno regeering van veertig jaren (080). Salomo\'s oudste zoon , Rehabeatn, die oene Ammonitische vrouw den koning geschonken had, volgde hem op den troon. Maar tozelfder tijd brak do lang gekoesterde ontevredenheid in Efraïm tot een opstand uit, die onmiddellijk oen dreigend aanzien kroeg.

liet volk werd tot oene vergadering te Sichem opgeroepen. Hier wilde hot met den niunwen koning onderhandelen, en Jeroboam. die men uit Egypte teruggeroepen had, ontving in last, om aan Eehabeam \'s volks wonschen voor te dragon. Men verlangde van Salomo\'s opvolger, dat hij de lasten, die zijn vader had opgelegd, zou verminderen. De oude raadslieden stolden den koning voor do woordvoerders een verzoenend antwoord te geven ; doch de jongeren waren boter mot zijn trots bekend en gaven hem don raad de drieste vragers streng af te wijzen. Nadat de drie dagen van beraad, die hij verlangd had, ton einde waren, gaf Hehaboam den afgezanten des volks ten antwoord :

quot;Mijn pink is dikker dan mijns vaders lendenen, en hooft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, zoo wil ik nog heel wat daaraan toevoegen. Heeft mijn vader u mot geeselroodon getuchtigd, zoo wil ik u tuchtigen met schorpioenen (mot zweopen die in gepunte stekels eindigden).quot;

Dit even onverstandige als brutale antwoord deed hot verzamelde volk in een woedend geschreeuw uitbarsten:

quot;Naar uwe tonton, Israël,quot; riep het en joeg Eehabeam den schrik om \'t hart. Hij zond oen hoofdambtenaar af om hot volk te sussen, maar de verontwaardigde menigte steenigde den gezant, en Rohaboam vlood, zoo snol zijne paarden loepen konden, naar Jomsalem.

Jerobeam werd nu tot koning van Israël uitgeroepen. Doch .luda en do kleine stam Honjamin, benevens do rest van don met Juda saamgesmolten stam van Simeon, bleven aan Rchabeam trouw.

Salomo\'s zoon en opvolger was er, wel is waar, op bedacht om de afvalligendoor het overwicht zijner wapenen tot onderwerping terug te brengen , doch spoedig zag hij in, dat die poging hopeloos was. Hij voegde zich in het onvermijdelijke, hetgeen hom ook door den profeet Somaja werd aanbevolen.

Jeroheam koos allereerst Sichem tot zijne residentie, doch verplaatste zijn zetel later naur Thirza. Zijn rijk droog den naam van Israël, terwijl dat van h\'ehaboam ondor den naam van Juda hekend bleef. Do onderworpen Filistijnen , Moabieton en Ammonieten bleven bij Isnuil, terwijl de Edomioten den koning van Juda voor hun vorst erkenden. De andere, in het Noorden onderworpen volken gingen voor beide staten verloren; zjj kwamen onder don koning van Damas (Damascus).

-ocr page 280-

f; KÏ u,ÜST K i: i; liDK w i ; u i; L DO ESC 111E i) n N i s.

Hot niet moor opvolgen der oud-Israëlitische zeden en do invoering van vroomdo, di\'spotioko vormen waren do voornaamste aanleiding geweest tot den vorminderdon luistm-van David\'s huis, Jerobeam besefte dit ton vollo, en uit dien hoofde liet hij er zich aan geiegon liggen om allo instellingen woder in den oud-nationalen zin to verandoroii. Do uitvoering van don godsdienst in het prachtige stoenon gebouw, dat do groote menigte niet betreden mocht, trok in do eerste plaats zijne aandacht. Hij wist zeer wel, dal hot oude herdersvolk weinig mot die plaats was ingenomen en voel liever op de bergtoppen of in lommorrijko wouden zijne gaven offerde. De oude heilige plaatsen te Gibeon, Hethel, Silo enz. worden dus woder hetgeon zij vóór hot bouwen dos Tempels to Jerusalem geweest waren, en do oude afgodsbeelden, die men van daar verwijderd had, kwamen weder te voorschijn.

De herinnering aan den Egyptischen Apisdienst was, naar hot schijnt, onder de Israëlieten geenszins uitgewischt. Een godsdienst zonder beelden en sieraden maakt ii|i onbeschaafde volken weinig indruk. Tot oen oneindig, onzichtbaar, zuiver geestelijk wezen kan hun donken zich niet verheffen. Zelfs onder de beschaafde volken zijn maar al te velen , die bij een godsdienst in geest en waarheid zichtbare heiligdommen bogeeron. Jeroboam was bij zijn verblijf in Egypte met den Apisdienst bekend geworden, en de oudsten des volks stemden er in too, dat Jehovah onder het beeld van een stier (kalf) zou worden aangeboden. Dientongovolgo richtte do koning dergelijke beelden op de bergen to Dan en te Bethel op on bouwde daarnevens tempel-gebouwon. Deze plaatsen, de eone in hot Noorden, do andere in hot Zuiden, zouden middelpunten van den godsdienst voor Israël worden, zooals Jerusalem het voor Jud.i geworden was.

Daar de meeste levieten aan den tempeldienst te Jerusalem de voorkeur gaven, ontbrak hot aan priesters um bij don godsdienst te Dan en te Hethel voor te gaan. Om hierin te voorzien, schonk Jerobeam de vrijheid om priester te worden aan olk , die zich hiertoe genegen voelde, een maatregel welke de verwijdering tusschen Israël en Juda onherstelbaar maakte.

Jeroboam\'s plan om zijne onderzaten zoo voel mogelijk van die van koning Kehabeam gescheiden te houden, word bereikt; do Israëlieten en Judeërs (Joden) werden twee verschillende volken, en de verwijdering van elkander werd te grooter, naarmate do vormen van den tempeldienst te Jerusalem grooter duurzaamheid verkregen.

Kehabeam, Juda\'s koning, logde tot beveiliging van zjjn ryk tegen overvallen, vijftien vestingen aan. Doch zij beschermden zijne heerschappij niet tegen den machtigen konimr van Kgypte, Sjesjong Sisak of Sesonchis), een vriend van Jerobeam, die in hot jaar l)i!t Jerusalem veroverde, en al wat nog van Salomo\'s schatten, zoowel in het koninklijk paleis als in don Tempel, over was, met zich wegvoerde. Ook bevrijdde hij de Filistijnen en Hdomieten van hunne afhankelijkheid aan Juda.

Kehabeam stierf in !).quot;!!, en zijn zoon Abia rogeordo slechts twee jaren.

De zoon van den laatstgenoemde, Assa of Asa, (O\'i!)- 87;t) was oen ijverig aanhanger van Jehovah. Hij vernielde alle afgodsbeelden en ook dat der Syrische godin der liefde, hetwelk zijne moeder in eene haag had doen oprichten. Hij bracht oen geducht leger op de been en sloeg daarmede een Arabisch vorst, die Juda don oorlog aandeed, lit dankhaarheid voor deze zegepraal bracht hij Jehovah con offer van 700 runderen en 7000 schapen.

Jerobeam, de koning van Israël, was in !tl27 gestorven. Op hem volgde zijn zoon Nadab, die door oen zijner oversten, Hasea goheeton, werd vermoord. Deze veldheer

-ocr page 281-

tsr.vlh; (tv dkn iiistorisciikn saokntmd).

verhief zich tot koning (92(i- !)()(gt;) on ontzag zich niot om allo bloedvorwanton van Joróboam to vormoordon. Ten einde Jerusalem van allo verkoor naar bot woston af te siiijdnn, versterkte hij hot slechts tweo uren van daar gelegen Karna en beoorloogde Juda. Koning Assa riep den koning van Damascus te hulp.

Wij hebben gezien, dat oen vermetel man, Bezon, reeds onder do regooring van Salomo zich van Damascus had ineoster gemaakt en er zich wist to handhaven. Ondor zijn nazaat Bonhadar 1 (Ben-IIadad) werden Hamath, Cenlo-Syriö on do goheole woestijn tot. aan don Kufraat aan don Damasceenor onderworpen, lienhadar rukte vervolgens in Galilea en veroverde er eveneens verscheidene steden. Baaea moest Barna ontruimen.

ïoen Basoa stierf, volgde hom zijn zoon Ela op, doch slechts voor korten tijd, want hij word door een dor officieren van zijne ruiterij, met name Simri, vermoord, waarop do overweldiger een zelfde lot aan alle mannelijke bloedverwanten zijns vroe-goron meesters bereidde.

Het gelukte Simri nochtans niet om de kroon te verworven, want het to velde staande leger, dat togen de Filistijnen was uitgerukt. riep generaal Omri tot koning uit (8!)!) 8iS7^. Deze belegerde Simri in Thirza. Spoedig bleek het, dat voor den moordenaar ynen uitkomst moer bestond; daarom gaf hij zich zelf den dood door hot koninklijk paleis in brand to steken, oen bedrijf waardoor tevens Thirza zoo geheel word verwoest, dat Omri besloot oene nieuwe en beter gelegen residentie te stichten. Een noord westwaarts van Sichoin en den berg Ebal gelegen heuvel behaagde hom daartoe het moest. Hij kocht di\' iioogte van don oigonaar, die Seiner heette, en daardoor kroeg de nieuwe stad don naam van Siniren of Samaria. l)e snelle bloei van deze veste leverde het bewijs dat Omri oene goodo keus had gedaan. De stad bestreek naar alle zijden oene lange on diepe vallei, die door do natuur wél was versterkt en rijkelijk van water voorzien. Samaria werd voor Israël wat Jerusalem was voor Juda, hot middelpunt waarom het goheole volk in tijden van gevaar zich schaarde. Vreemdelingen gaven aan Samaria, en zelfs aan Israël, den naam van Both-Omri, het Hui* van Omri, nog lang nadat Omri\'s nakomelingen epgelioudon hadden over de Hobreën te heorschen.

Oedureiido den burgeroorlog mot een anderen kroonpretendent, Thibni, welke strijd na vier jaren niet den dood van dien eerzuchtige eindigde, had do oude lienhadar I van Damascus Israël verscheidene stoden afgenomen , en den koning zelfs gedwongen om den Syriërs eeno stadswijk binnen Samaria af to staan.

Omri zag mot bezorgdheid de toenemende macht van den Damasceenschen koning, die reeds ^2 Syrische keningen als cijnsplichtige vassalon telde, en vreesde, dat vroeg of laat Israël eveneens tot eeno Syrische provincie zou afdalen, indien niet, om zoo-•liuiige uitkomst te verhoeden, een machtig bondgenootschap tot stand werd gebracht. Mgypto was te ver, Syrië eveneens, en de vijandschap lusschen Juda en Israël nog te groot, om aan eeno ijverige samenwerking te denken. Hij wendde zich derhalve tot do l\'hoo-nikiërs en verwierf voor zijn zoon Achab (of Ahab) do dochter van koning Ithobaal (l\'Itbbaal) , van Tvr, Jezabel tot gade. (Vergelijk bladz. \'209).

\'Poon Omri, na eene merkwaardige regooring, overleed, volgde Achab hein op (ST.quot;) (S53). Deze koning poogde om de wonden, die de burgeroorlog hot land had geslagen , te heelon. Hij bevorderde den koophandel door liet aanleggen van steden en eveneons do nijverheid door den bouw van een groot paleis.

Deze smaak voor handel en industrie werd hem ingeboezemd door zijne gemalin, die van den beginne af een groeten invloed op hem uitoefende. Doch zij bezigde dien invloed ook tot uitbreiding van haren godsdienst en bewoog Achab om voor den Tyr-

263

-ocr page 282-

(IKÏI.I.USTIIUUIU)!\'; W Kit i; liIXi KSCI11 KDKNIS.

sclion liaal onn grooten tempel te bouwen en een andere voor Astarto. Meer dan achthonderd priesters worden bij deze tempels aangesteld, en hun aantal nam in Israël meer on meer toe, daar voortdurond nieuwe Astartehagon werden aangelegd, waarin do dionst den Lsraëlioton buitongemeon beviel.

Terwijl do Baal\'s- en Astartepriesters tor koninklijke tafel aanzaten, moesten die van Jehovah en do profeten zich schuil houden. Hot volk zelf bekommerde zich niet voel om dezen strijd tusschon de geestelijken, maar vereerde zoowel Jehovah als do l\'hoo-nikische godon, hoe weinig beide eerediensten zich in werkelijkheid mot elkander verdroegen. Do koning holde nu eons naar deze, dan neer naar gene zijde over. Nu eens duldde hij, dat do Baal\'spriesters door ijverige Israëlieten werden doodgeslagen, dan weder gaf liij een aantal profoton on Jehovah priesters aan de wraak van Jozabel prijs, die , zooals wij weton , de dochter was van den opperpriester van Astarte , koning Ithobaal.

Daar or in hot rijk Israël, bij do scheiding van Juda, gebrek was aan priesters uit den stam van Levi, waren op Jeroboam\'s last priesters uit do verschillende stammen als godsdienstleeraars aangesteld. Onder hen bevonden zich volo kweokelingon uit do profetenscholen, dio slechts voor eon klein deel tot de levieten behoorden, niet aangestelde kandidaten voor don tempeldienst to Jerusalem. Door hunne grootero beschaving verkregen zij spoedig voel invloed, en het was aan hen te danken, dat do Johovah-dienst door oen dool dos volks werd gevolgd. Zij deden zich kennen als de ijverigste verdedigers van Mozes\' instellingen.

Onder do Israëlitische profeten ton tijde van Achab had Elias (K lij ah), van Thisbe, uit den stam van Naftali, zich een goëordon naam verworven. Hij was oen streng en ijverig dienaar van Jehovah en ten hoogste verontwaardigd over do pogingen van Jozabel om de veroering van liaiil tot godsdienst van den staat te verheffen. Elias was de rochto persoon om hot volk op zijne hand te brongen. Reeds zijne avontuurlijke verschijning droeg veel hiertoe bij. Een schort van vellen omgordde zjjne lendenon, en oen haren mantel bedekte zijne schouders. Onverschrokken en zonder verschooning sprak hij zijne moi\'iiing uit, die elke inwilliging aan do dienaren van Baiil en Astarte ten strengste afkeurde. Volgons het oordeel des volks was liij ook met wonderkrachten begaafd.

Koningin Jozabel toonde zich eeno vrouw van grooto geestkracht. Zij wist, door haar invloed op koning Achab, deze tot alles te bewegen, wat z\\j wenschte, en do monarch, verbitterd wegens den tegenstand die de profeten zich ton aanzien zijner beschikkingen veroorloofden , vaardigde hot bevel uit om al die leeraars te verdelgen en hunne alta-ren te verbrijzelen. Johovali\'s aanhangers vloden nu in allo richtingen en verborgen zich In de woestijn of andore eenzame plaatsen. Een vijftigtal werd door oen voornaam beambte des konings, Obadja, in een rotshol verborgen, een gedrag in lijnrechten strijd met dat van andere hovelingen , die zich tot de aanhangers van liaal rekenden, want het aanbidden van dezen god was mode geworden , ja word oonigermate als een toeken van hoogero beschaving aangezien.

Elias vluchtte over den Jordaan — volgons do sago door zich op zijn mantel te zet-ten on zoo over te steken — en verborg zich in do woestijn, waar hom , naar luid dor traditie, oene vlucht raven met vleesch en brood voedde. Toon echter , na eone langdurige droogte, goen water in zijno schuilplaats moer to bekomen was, vlood Elias naar Sa-repta, in hot land der Sidoniors, en vond er toevlucht bij oene arme weduwe, wier zoon hij quot;van don dood opwektequot;.

Door Obadja\'s tusschon komst verscheen Elias voor Achab, dio, naar hot schijnt, ongerust was geworden door het verschynsel, dat in drie jaren lijds goen regen was gevallen.

264

-ocr page 283-

iSHAËL (in DKN lIISTOtllSCIIRN sagrntijd). 265

Daarvoor had liij luilp gezocht bij don profeet, wiens wonderkracht zoo luide werd geroomd, liet gevolg van dit onderhoud was, dat do koning een voorslag van Klias aannam, om eeno soort van wedstrijd te houden tusschen hem en de liaiil\'spriesters, waarbij het blijken zou wie machtiger was, Jehovah of Melkart.

Op eene hoogte verzamelden zich 450 priesters van liaiil en eene menigte volk, terwijl Elias aHeen Jehovah vertegenwoordigde. Twee stieron worden voorgebracht, geslacht, in stukken gehouwen en op hot hout gelegd, dat men op do altaren had opeengestapeld. De Baiil\'sprieslers zouden hunnen god smeekon hot hout in brand te stoken, on ovenzoo zou Elias Jehovah aanroepen. Diegene van beidon, welke met vuur antwoordde, zou \'s volks god zijn. Do Baal\'spriesters baden uit allo macht. Zij bewogen zich om hot altaar heen mot onstuimige gebaren en brachten zich wonden toe, zoodat het bloed bij hunne lichamen en gewaden nederdroop. Alles te vergeefs, terwijl Elias niot naliet hen te hoonen en te bespotten.

Toen nu de beurt aan den profeet kwam, en hij liet offer had bereid, riep hij ; quot;Jehovah , heden zal liet openbaar worden , dat gij do god van Israël zijt en ik uw dienstknecht. Antwoord mij!\'\' — Toon, zoo verhalen de bijbelsche geschiedenissen, daalde vuur van den hemel en verteerde het brandoffer en liet hout, en do stoenon en do aarde, en het water in do gracht om het altaar droogde uit. Hot quot;wonderquot; deed zijne uitwerking. Het volk riep: quot;Jehovah is god!\'quot; Elias maakte van dit oogenblik gebruik: hij beval de lïaal\'spriosters te grijpen , voordo hen naar do beek Kison en slachtte hen aldaar.

Welhaast meldde een bode, door Elias naar don borg Karmel gezonden, dat oen wolkje, zoo groot als oen manshand, uit do zee kwam aandrijven. Toen liet de profeet koning Achab weten, dat hij zou laten inspannen en naar huis snellen, opdat do regen hom niet zou overvallen.

Nauwelijks had Jezabel vernomen wat gebeurd was, of haar toorn ontwaakte, on Klias moest andermaal naar de woestijn vluchten, quot;waar Jehovah hem door oen ongel spijs en drank toezondquot;.

Deze tot ons overgebrachte tradition betreffende Elias zijn blijkbaar, even als die ten aanzien van Mozos, opgesierd; doch dat waarheid daaraan ton grondslag ligt, kan niot betwijfeld worden. Elias stierf, volgons dozo tradition niet, doch quot;voor opeen vurigon wagen ton hemel.quot; Later ging onder het volk do sago: Elias zou terugkeeren, wanneer de redder dos volks, de Messias, op aarde zou komen.

Doch Elias verdween niet dan na zich iemand tot /.ijn plaatsvervanger gevormd te hebben. Deze was Elisa, wien — zoo verhaalt de overlevering — Elias bij hot ploegen zijns Jkkers opzocht on door het omwerpen van zijn mantel tot zijn jonger verhief.

De verhouding van Israël tot Jnda was in don loop der jaren allengs beter geworden. Men had zich aan do scheiding dor beide rijken gewond, en ofschoon men nu juist niet bijzonder ingenomen met elkander was, voerde men toch geen broederoorlog.

Achab droeg hot zijne bij om do goede verstandhouding tusschen zijn rijk en Juda aan te kweekon. Hij gaf zijne dochter Atalia, hem door Jezabel gebaard, ton vrouwe aan Joram, don zoon van Juda\'s koning Josaphat, welke laatste zijn vader Assa was opgevolgd on van —-843 regeerde.

Josaphat was een verstandig man, die voor goede rechtspleging en scholen zorg droeg en tevens het leger niet verwaarloosde. Ofschoon hij, evenals zijn vader Assa, een belijder was van den Mozaïschon godsdienst, geboden staatkundige overwegingen hem verdraagzaamheid ten aanzien van andersdenkenden. Moab, Amnion en Kdom waren tijdens de oorlogen tusschen Israel en Juda voel te machtig geworden, en nog gevaar-

-ocr page 284-

OKïf,I.USTIIFF.IU)f: WERKI.DGKSCII1KDKNTS.

lijkcr was Damascus. Evenals Achab had ingezien, dat hij bondgenooton behoefde, zag Josaphat de noodzakelijkheid daarvan in. en het hovenvonneldo huwelijk bezegelde eenigor-mate het verbond, waarvan de hechtheid spoedig op do proef gestold zou worden.

Benhadar I, van Syrië of Damascus, was gestorven, en Achab beproefde waarschijnlijk gebruik te maken van do onlusten die doorgaans eene troonwissoling in het Morgenland vergezelden, om zich te bevrijden van do onaangename verplichtingen die aan zijn rijk door den overleden vorst waren opgelegd. Doch Benhadar II liet die inmon-ging niet ongestraft. Geheel onverwacht rukte hij mot oen groot leger naar Samaria op, en Achab, vvM inziende, dat hij den Syriër niet genoeg woorstand kon bieden , .smookte om vrede. Hij wilde dien afkoopen met hot overleveren vim al zijn goud en zilver. Zelfs bood hij zijno vrouwen on kinderen als gjjzdaars aan.

Maar Benhadar II wilde zich geono voorwaarden laten voorschrijven. Hij verlangde, dat het zijn soldaten ingewilligd zou worden om het koninklijke paleis en de huizon der aanzienlijkon to doorzoeken en alles daaruit wog te nomen wat hun beviel. Dit onbe-schaamdo verlangen deed do Israëlieten tot het opnemen dor wapenen besluiten. Achab had slechts 7000 man , doch daarmede overviel hij don zorgeloozen vijand op klaarlichten dag. De overmoedige Syriörs worden zoo geslagen, dat Benhadar en do -Ü van hein afhankelijke vorsten in allerijl naar Damascus vloden.

In hot volgende jaar maakte Benhadar zich op, om wraak over de ondervonden nedor-lang te nemen. Meter op zijno hoede dan de vorige maal, liet hij zich niet naar hot gebergte van Efraïm lokken, waar hij zijne strijdkrachten niet ontwikkelen kou, maar legerde zich in do vlakte van Jozroöl, in de nabuurschap van do kleine stad Aphek. De dappere Achab mot zijne kleine macht, op do borgon geschaard, sloeg met een nauwlettend oog \'s vijands bewegingen gado, terwijl deze van zijn kant in don waan verkeerde , dat do wezens die hij nu en dan de hellingen zag naderen, uit kudden geiten bestonden. Verachting van den vijand werpt nooit goode vruchten af. Na zeven dagen greep Achab den ovennachtigen vijand aan en behaalde andermaal de overwinning. De Joodsche Kronieken nifldcn, dat niet minder dan 100,000 Syriörs sneuvelden, en van do overgeblevenen \'27,000 onder de muren van Aphek werden begraven, in welk steedjo zij gevlucht waren.

Do trotsche Benhadar II word zoo in de engte gedreven, dat hij geen uitweg meer vond. In een ootmoedigon optocht, met strikken om den hals, baden hij en zijne geleiders koning Achab om genade.

quot;Hoe, leeft Benhadar nog?quot; riep Achab. quot;Dat hij mijn broeder zij!\'

Israel\'s koning liet zijn vijand in zijn wagon klimmen en schonk hom de vrijheid ,5iadat I ienhadar zich op plechtige wijze had verbondon om do steden terug te geven, die zijn vader aan Samaria had ontnomen, en in A chat)\'.s verlangen had bewilligd, om aan Israëlitische onderzaten een kwartier der stad Damascus in te ruimen, op gelijke wijze als Benha-dar\'.s vader tegenover Omri dit voor zijne Damasceenen binnen Samaria had bedongen.

Achab\'s handelwijze mocht ten deele uit zijn ridderlijk karakter voortspruiten, ook staatkundige overwegingen oefenden er een grooten invloed op uit. Damascus was een machtig rijk , en het was beter daarmede op een goeden voet te staan, dan het tot het uiterste te drijven.

Doch oenige profeten, die van verschooning tegenover vijanden van Jehovah niet het minst wilden weten , deden Achab bittere verwijten over zijne goddeloeze inschikkelyk-heid en voorspelden hem alle mogeljjke onlieilon uithoofde van deze quot;dwaasheidquot;.

In den herfst van het. jaar srgt;f- véér Christus trok de koning van Assyrië (Salma-

260

-ocr page 285-

TSIl.VKI, (tN l)F,N UISTOIIISCIIKN SAGBNTIJ I)) .

nasar Jll) over den Eufraat om Syrië aan to taston. Bonhadar, die hot vooruitdringen dor Assyriörs al sedert lang mot bezorgdheid had gadegeslagen on uit dien hoofde verbonden mot do Phoenikiërs had gesloten, verzocht den steun der Israëlieten, oven als dien dor Arabieren en Ammonieten, om don gemeenschappoliikon vijand hot hoofd to bieden. Met \'2Ü00 strijdwagens, 10,000 Israëlioton, 700 wagens, 7000 ruitors en 10,000 voetknechten van llamath, lOOO Egyptische soldonieron, 1000 Ammonioton on zijne eigene troepen, in hot goheol mot oen logor van 4810 wagens, 8200 ruitors, 00,000 infanteristen on een corps van 100 kameelen, die een Arabisch opperhoofd, Djendib, hom gezonden had, trok liij den Assyriërs te gomoet. Bij Karkar viol oen bloedige veldslag voor. De bondgonooton leden do nederlaag; zij worden godwongon tot wijkon, waarbij zij 14,000 doodon op hot slagveld achterlieten. Do Assyrischo koning had nochtans van zijne zegepraal weinig voordeel, daar onlusten, dio in zijn rijk waren uitgebroken, hem dwongen terug te keeron en oenige jaren bezig hielden.

De profeten, dio Achab uithoofde van zijne vredelievende gezindheid tegenover Hwi-hadar berispten, hadden gelijk, wat hunne vrees betrof. De Dasmasceensche koning vergat de hem betoonde grootmoedigheid. Hij weigerde de stad Rainoth-Giload af te staan , ofschoon zij tot die plaatsen behoorde, wier teruggave hij op zich had genomen, al had men vergoten haar naam in het verdrag op te tookonon. Dozo stad was nochtans van groot belang, daar zij den gehoelen linker Jordaanoover behoerschto en to zolfdortijd Israël en Juda bedreigde, wanneer zij iu handen der Syriërs bleef. Toen Bonhadar derhalve door do nederlaag te Karkar was verzwakt, besloot Achab hem tot do overgave van Kamoth to dwingen. Tot dit einde zocht liij den koning van Juda aan , om diens krijgsmacht bij de zijne te voegen.

Toon do beide koningen, Achab en Josaphat, vóór do muren van Samaria huniio troepen in oogonschonw namen, vorzekerden 400 profoton, dat zij do overwinning zoudon wegdragen. Doch do profeet Micha was in strijd mot zijne broederen: volgens zijne voorspellingen was oone geweldige nederlaag te wachten. Om dio reden nam Achab dozen ongeluksprofeet gevangen. Hij liet hem bij water on brood insperron, tot hij zegepralend teruggekeerd zou zijn.

Onder do muren van Rainoth stieten de vijandelijke legers op elkander. Reeds in don aanvang word Achab door een afgeschoten pijl zwaar gewond. Doch, ofschoon het bloed hom langs lijf en kleodoren droop, bleof hij tot bot vallen van don avond in zijn strijdwagen deelnemen aan hot gevecht. Toen echter, uitgeput door bloedverlies, zeeg hij stervend neder. Op dit gezicht verloren zijne volgelingen den moed on vlodon. Hot lijk des konings werd door zijn zoon Abasia naar Samaria gevoerd. Wat Josaphat betreft, dezo vlood naar Jerusalem (851),

Israël en Juda schenen verloren. Doch zij werden ditmaal nog gered door een ver-nieuwdon aanval der Assyriörs togen Syrië. Bonhadar onderging in dit jaar en in bet volgende tijdperk gevoelige verliezen, doch ook nu word Salmanaser andermaal door andore oorlogen verhinderd aan het rijk van Damascus een einde to maken. Kerstin Si(i kon bij naar Syrië torugkeoren, en ook dozen koer werd lionhadar geslagen. Kvenzeer moesten echter de Assyriörs op nieuw Syriö verlaten, zonder Damascus veroverd te hebben. Toen Bonhadar van hen bevrijd was, besloot lüj tot een oorlog tégen de llebreön.

Achab\'s zoon Abasia was reeds twoe jaren na zijne troonsbestijging, ten gevolge van een val, gestorven en door zijn broeder Jorain in het bewind opgevolgd. In ver-eeniging mot don koning van Juda, trok deze te veldo togen de Moabieten, die do tot heden door hen betaalde schatting weigerden langer op te brengen. Do koning van

267

-ocr page 286-

208 cjiiYIjLusïbrïidt; wrurlubkschi kdhinis.

Moab, in hot void geslagon, vluchtte naar zijno vesting Kir-Harosoth, waarheen do zcgovierondo laraölieten hem volgden. Zoo vreoselijk kwam do Moabiot in het gedrang, dat iiij \'\'om do goden tot hulp to bewegen,quot; zijn oudsten zoon, op den stadsmuur, ton aanzien der vijanden, slachtte en offerde. Aan zoodanig offer, geloofde men, konden d^ goden f,\'oen wederstand bieden. Ook do Israëlieten waren van dio meening: zij trokken weg, wellicht ook uithoofde hun ter oore was gekomen wat lienhadar tegen hen in hot schild voerde.

Deze koning rukte voor Samaria en bracht het door uithongering in zoo grooten nood, dat zelfs moedors hare kindoren slachtten. Dat spoorde Joram aan om den profeet Klisa den dood to zworen, die hem bij voortduur tot volharding had aangespoord. Op onverwachte wijze werden echter do profeet en de stad gered. Of overtuigd dat hij Samaria niet zou kunnen veroveren, óf verschrikt door het gerucht, dat een leger tot ontzet aanrukte, hief lienhadar plotseling het beleg op en keerde over den Jordaan naar zijn land terug.

Intusschen waren de geheime plannen der profeten tot uitvoering gerijpt, en stond Klisa, die zicli aan het hoofd der samenzwering had geplaatst, bereid om de bevelen te vervullen, welke Elias hem had nagelaten. Deze strekten om hot huis van Omri van don troon te stooten en diens geslacht te verdelgen.

Mot andore Kgyptischo ■wetenschappen was waarschijnlijk ook de geneeskunst op de profetenscholen aangekwoekt. Ais arts zelf had Klisa een grooten naam verkregen nadat hij don Syrischen veldheer Naiiman van eono huidziekte had genezen. Toen vervolgons koning lienhadar ernstig ongesteld werd, liet deze, op den voorslag van oen zijner vertrouwelingen, UasaCl, koning Joram smeeken, hom Klisa toe te zonden. Aan die bede word gehoor gegeven. Klisa ging naar Damascus, doch in plaats van Bonhadar te genezen, word deze in zijn bed verstikt, en Ilasaël tot koning uitgeroepen (Eerste Boek der Koningen, XIS vs. 10).

Op Elisa\'s raad zond Ilasaël terstond een leger tegen Joram in \'t veld, liij Ramoth-Oiload kwam het tot een slag , waarin do koning van Israel zoo word gewond, dat hij hot leger moest verlaten om in zijn paleis te Jozreël zijne genezing af te wachten. Hier ontving hij een bezoek van den koning van Juda, Ahasia, den kleinzoon van Achab on Jozabel.

In Jnda was namelijk na den dood van Josaphat diens zoon, eveneens Joram go-heeton en do ochtgonoot van Atalia, koning geworden. Hij liet zijne zes broeders vermoorden , om zich moester te maken van het rijke erfdeel, dat zijn vader hun had nagelaten. Deze schanddaad bracht hem nochtans weinig voordeel aan. Filistijnen, go-rugsteund door Arabische stammen, overvielen Jerusalem, roofden do schatten en vrouwen des konings en doodden zijne kinderen. Athalia en haar zoon Ahasia bleven in het leven, \'i\'oen Joram, na eene regeoring van acht jaren, stierf, volgde hein Ahasia als koning van Juda op. Daar deze, even als zijne moeder en grootmoeder, don Baiil\'sdienst begunstigde, werd hij door Israel\'s profeten gebaat.

Terwijl Joram van Israël\', Ahasia van Juda en de oude koningin Jozabel to Jozreël waren, zond Klisa oen zijner profeten de Bijbel noemt hem quot;don razendequot; in het kamp voor Ramoth , met last, om don daar bevelenden hoofdman Jehoe, don zoon van Kimsi, tot koning te zalven en in don naam van Jehovah to bevelen, hot gohoolo huis van Achab uit to roeien.

Jehoe nam de hom aangeboden waardigheid aan, waarhij zijne officieren on zijn leger zich voor hem verklaarden. Hij brak terstond naar Jozreël op, on do nog altoos zieke Joram, in het onzekere wat deze komst van Jehoe, onder een zoo talrijk gelolde, moest

-ocr page 287-

tsiuiÓL (in den HïsTokisciIbn saokntud).

botGokonon, trok hom inot Abasia te gomoot. Ontwarende dat Jehoe mot vijandelijke bedoelingen naderde, liet hij do paarden voor zijn rijtuig omkeeren, ton einde zijn vijand to ontkomen. Ahasia deed liétzelfde. Doch Jehoe spande zijn boog en schoot Jórain oen pijl door den rug tot in liet hart. Abasia ontvlood, maar werd ingehaald en .stierf te Magiddo.

Toon Jezabol in bet paleis te Jezrëel vernam wat gebeurd was, sierde zij zich mot haro kleinoodiön. als koningin, en zag uit bot venster Jehoe naderen. Zij riep hem toe; quot;Is hot Simri die zijn heer versloeg, welgegaan?quot;

Maar Jehoe bad geen lust dit te overwogen. Ilij zond eenigen zjjner dienaren inliet paleis, met bevel om Jezabel bet venster uit te werpen, zooals ook oogenblikkelijk geschiedde. Toen men naar haar lijk uitzag om het te begraven, hadden de bonden het roods verslonden, quot;zoo als reeds door li lias was voorspeld.quot;

Koning Joram had zeventig zonen , die aan de aanzienlijkste ingezetenen van Samaria ter opvoeding waren toevertrouwd. Jehoe beval dezen, hem do hoofden hunner kweeke-lingon te zonden, ilij werd goboorzaamd. Men slachtte Joram\'s kinderen, wierp hunne hoofden in korven bijeen en zond hen aan Jehoe , die bon in twee hoopen nevens do poort liet opstapelen.

Naar Samaria voortgetrokken, ontmoette Jehoe twee-en-voertig broeders van Ahasia (of wel bloedverwanten, daar Abasia\'s broeders reeds vroeger omgebracht waren), die van hot voorgevallene te Jezrëel, naar bot schijnt, niets wisten. Zij waren gekomen om hunne magen te bezoeken. Jehoe liet hen bij eene bron quot;slachten.quot;

lUj zijne komst binnen Samaria, kondigde hij af öaill ijveriger te zullen dienen dan iemand zijner voorgangers. Hij richtte werkelijk in den Haal\'.stempel een groot olTerfeest aan , waartoe alle daarbij aangestelde priesters werden uitgenoodigd om tegenwoordig te zijn. Maar toen allen bijeen waren, liet bij hen ombrengen en den tempel verwoesten. TTit do overblijfselen werd oen geheim gemak voor bet gemeeno volk gemaakt. Op deze bloedige wijze schafte Jehoe den Baal\'sdienst af. Niettemin liet hij de standbeelden te Dan en lierseba ii\\ wezen: zij schenen bet Israëlitische volk toe tot don Johovahdienst te behooren.

Do daad van Jehoe had oen ongedacht gevolg te Jerusalem. Toen Athalia van het voorgevallene te Samaria en den dood van haar zoon bericht ontving, liet zij alle mannelijke bloedverwanten van het koninklijke huis ombrengen, verhief zich zelve tot koningin, omringde zich door oene Phoonikiscbe lijfwacht en borstelde den liaal\'sdienst weder. Op deze wijze werden de toestanden in Juda en Israël geheel omgekeerd: in do Jobovastad Jerusalem heerschte Haal, in do Baalstad Samaria Jehovah.

Abasia\'s zuster, de vrouw van don hoogepriester Jojada, had Joas, hot jeugdige zoontje van baren broeder, aan do kinderkamer ontrukt, waardoor dit kind hot bloedbad was ontloopen. Zij bracht hot met zijne min in den Tempel, waar de knaap werd opgevoed, zonder dat Athalia iets van bom wist.

Nadat Joas zijn zevende jaar voleindigd had, won Jojada don aanvoerder dor koninklijke lijfwacht voor het door hem gesmede plan. Hij toonde hem don jongen prins, zalfde deze en liet hein als koning uitroepen. Athalia snelde naar den Tempel, waar zij word gegrepen en buiten de muren van het heiligdom om hot leven gebracht. Hare zevenjarige regeering is do eenigo geweest, waarin do teugels van het bewind over de Hebreen in de hand eener vrouw berustten.

Ter ondersteuning van zijne samenzwering had Jojada allo levieten en Joden naar Jerusalem opgeroepen on hen gewapend. Men zwoor op nieuw Jehovah to zullen dienen, en in de daardoor verwekte geestdrift trok men naar don tempel van iiaal en ver-

-ocr page 288-

(i RÏLI.ÜSTllEKUI)E tt BIIEƒ,DOESCKtRDEN/ij.

moorddo or den opperpriester, Mathan , nan hot altaar. Do tompol zelf werd verwoest, en do .lehovahdienst in Salome\'s tempel stronger on nauwlettender gevierd dan ooit to voren.

Klias schijnt oene dwaling begaan te hebben, toon hij Klisa beval, om Hasaël te onderstounon, ton oindo zich van don troon van Damascus meester te maken, want Hasaöl diende geenszins Jehovah, maar deed al wat hij kon om do boido rijken Israël on .l uda to krenken en nadeel te berokkenen. Ten einde dit to beter to kunnen bowork-stolligon, volgde hij hot voorbeeld dor sluwe Filistijnen en betaalde don Assyriers schatting, opdat zij hem in rust lieten. Jehoe, dio zoo koelbloedig moorden kon, maar juist goen bekwaam veldheer was, word overal door hem geslagen: quot;van don Jordaan in hot oosten on hot ganscho land (liload dor Gadieton, Eubenieton en Manassioton, van Ardar af, dat aan do beek Amon ligt, on Grilead en Hasan.quot; Hasaöl trok ook tegon Juda op, nadat hij tot Gath, aan de gronzon van Filistina, was vooruitgodrongen , en sloeg zich voor Jerusalem neder. De verschrikte Joas bewerkte don aftocht der Damasceonon, doordien liij koning Hasaöl allo tompolschatten en al wat van do rijkdommen zijner voorgangers was overgebleven, nitlevordo.

Jojada had, zooals licht to begrijpen is, do voogdijschap van don zevenjarigen Joas op zich genomen en voedde hem op in eerbied voor Jehovah on do priesters. Deze gebruikten hunne macht om zich een aanmerkelijk doel van de inkomsten dos Tompels toe te eigenen, zoodat Joas zich in hot einde gedwongen zag, hun do vrije boboer over dw.o opbrengsten to ontnemen, die hoofdzakelijk voor hot onderhond van hot ge-liouw bestemd waren.

Zoolang Jojada leefde, bleven Joas en hot volk Jehovah trouw. Doch toon Jojada stierf, volgde de koning den wonsch dor aanzienlijken, waarna de veel vroolijkor ver-oering van liaill en Asjera weder veld wonnen.

Tegon dezen afgodsdienst ijverde Zacharia, de zoon van Jojada. Doch men luisterde iiint naar hom en stoonigdo hom op \'skonings bevel in den tempelhof. Dat bedrijf bleef niet ongewroken. Vrienden van don vermoorde spanden te zanien en worgden Joas op zijne legerstede (7!t7 vóór Christus).

Op Joas volgde zijn zoon Amazia. Deze verzuimde geenszins om do moordenaars zijns vaders te vervolgen. Hij liet bon ombrengen, doch verschoonde hunne kinderen, oono ongehoorde zachtmoedigheid in zijnen tijd. Jong en ijverig, ondernam hij oen veldtocht tegon do Hdomieten , die van Israël waren afgevallen. Na oono schitterende overwinning, ontrukte hij hun do stad Sola on liet i 0,000 govangonen van do rotsen liovi\'ii het Zoutdal in do diepte nederworpen. Tiendnizond andoren lagen roods dood op liet slagveld. Allerwaarschijnlijkst overdrijft de Joodsche kroniek ook hier do cijfers, want wanneer men alle daarin vermelde getallen van gesneuvelden en omgebrachton byecntelt, begrijpt men niet dat nog menschen in het kleine land overbleven, in weerwil van do vruchtbaarheid der Oosterlingen.

Toen Jehoo, van Israël, na eeno acht-en-twintigjarigo regoering stierf (H\'15), volgde hem zijn zoon Joaln\'s op (S-l .■quot;) TOS ), onder wiens zwak bewind Israël in eeno volkomen inachto-luosheid verzonk. Hasaël en dmns zoon Henhadar III van Syrië verwoestten zijn land, ver-overdi\'ii zijne steden en verdelgden zijne soldaten. Het ganscho Israëlitische leger was tot 10 strijdwagens, 50 ruiters en 10,000 man voetvolk saamgosmolten. Toon deze zwakke koning stierf, aanvaardde Joas de regeering. Op aanraden van den beroemden profeet Klisa, schepte deze moed om zijn land van do Syriërs to verlossen. Klisa boval hom, zoo wordt verhaald, uit zjjn boog een pijl in den grond to schieten. Hij schoot driemaal en hield toen stil. De oude profeet word vertoornd en riep:

270

-ocr page 289-

LSKAl\'il. (IN tgt;BN IIlStOlllSCllKS SAOKNTI.Io).

quot;Gij hadt vijf of zus malon moeton schieten. Dan zoudt gij de Syriërs vorniotigd hebben. Tlians zult gij hen sleclits driemalen slaan.quot;

Dat geschiedde inderdaad, en wel het eorst op hot oude slagveld bij Aphek. Vrel(\' steden worden don Syriërs afgenomen , doch geheel verdreven werden zij niet.

Amazia, van Juda, opgeblazen door zijne overwinning op de Edomieten, liet Joas tot oon kampstrijd uitdagen. Hij had geen geringer voornemen opgevat dan om het rijk van Salomo te herstellen. De koning van Israël ried hein aan om op zijne in den oorlog mot de Edomieten behaalde lauweren te gaan ruston en zond hem een spottend antwoord. Amazia blêef echt(w „ijne krachten overschatten. Hij liet zich niet waarschuwen, trok te velde tegen Samaria en werd bij de Pilistijnsche grens ter hoogte van Heth-Semos

niet allei-n geslagen, maar ook op het slagveld gevangen genomen. Joas veroverde daarop •liTusalem , van welks muren een gedeelte ter lengte van \'lOO ollen werd afgebroken. Nadat al het goud en zilver den overwinnaar was uitgeleverd, trok hij af, voerde eon aantal gijzelaars mode en schonk ten slotte den gedomoedigdon Amazia de vrijheid terug. Deze ovoi\'leefde •loas nog v\\jftien jaren, doch werd toen, ten gevolge van eene samenzwering, vermoord.

Dit geschiedde in het jaar vóór Christus. Do Joden maakten toen zijn zestien jarigen zoon Oesia (of Usia) - hot Hoek der Koningen noemt hem Asaria tot koning. Onder de twee en-vijfiigjarige regeering van dezen taluntvollen koning herstelde zich het rijk (7!)\'j 74®. Hij bouwde de maren van Jerusalem weder op en versterkte de veste door torons, die hij ruimschoots van werpgeschut voorzag. Ook aan het leger wijdde hij groote zórgen, bracht het tot ()()() 111:111 i\'ii zorgde voor eene betiM\'e liowapening.

Lgt;7I

-ocr page 290-

f;KÏLLUSTIIKIÏKI)H WKIIKIjIK!KSCIIlKUKNIS.

De soldaten bckwamon harnassen, helmen, sporen, bogen en schilden, hetgeen tot dien tijd geenszins in zoo ruime mate hot geval was geweest. Mot zulk een leger viel iets te ondernemen. Oesia versloeg do Filistijnen, veroverde Oath, Asdod en Jabue on liet in het veroverde land vestingen bouwen. Moabieten en Ammonieten betaalden hem schatting, on hij werd ontzien tot aan de grenzen van Egypte.

Oesia was nochtans niet alleen eon man van beteeken is in den oorlog, hij zorgde ook voor \'s lands welvaart. Hij bevorderde landbouw en veeteelt, liet bronnen delven en wachttorens in do woestijn oprichten. Eveneens zorgde hij voor den bloei des koophandels, inzonderheid voor dien op overzeescho landen. Aan de Koode zee liet liij de havenstad Elath volbouwen, en de sinds lang nagelaten vaart op öphir ving weder aan.

Jammer genoeg keerden met de toenemende welvaart weelde en overdaad in het land terug. Hevig klaagden de profeten over de lichtvaardigheid dor vrouwen, die zich aan den zoo verlokkenden afgodsdienst der Syriërs niet wilden onttrekken.

Oesia schijnt Jehovah trouw gebleven te zijn, do Joodsche priesters geëerd te hebben en ook door hen in eore gehouden te zijn totdat hij op den inval kwam om hunne voorrechten aan te tasten. Toen hij den Tempel betrad, om daarin zelf te offeren, was de vriendschap uit. Igt;e priesters verhalen, dat hij voor deze aanmatiging eensklaps met molaafcsch-heid werd gestraft, ten gevolge waarvan hij als een banneling en onrein schepsel moest leven en aan zijn zoon Jotham gedurende zijn overigen levenstijd het bewind overlaten.

Jotham (757 741 , volgens de Kr unieken des Bijbel\' s, 740—726 volgons anderen) besteedde vele zorgen aan verschillende bouwwerken en dwong de Ammonieten om hem jaarlijks 100 centenaars zilver en 20,000 kors koren op te brongen. Zijne zestienjarige regeering was bijzonder gelukkig.

Ook voor Israël was iiot eon gunstige tijd. Do zoon van Joas, Jeroboam II, (790 tot 7\'(■!)) hield niet alleen alles bijeen, hetgeen zijn dappere vader had veroverd, maar het gelukte hem zelfs al het land te vermeesteren, hetwelk Salomo eens in het Noorden en Oosten had bezeten, ja, er wordt bericht, dat hij Hamath en Damascus innam. In het land zelf keerde de voorspoed weder. De betrekkingen met Phoenikiö worden wederom hersteld. Doch met het goede, kwamen vandaar ook velerlei misbruiken, zooals de liaiiTs- en Asjeradienst, woelde, verwijfdheid, bedrog en ongerechtigheden, waartegen do profeten vruchteloos ijverden. Hadden Juda en Israël bij voortduur kunnen besluiten om eensgezind te handeion, zoo ware hot mogelijk geweest, het oude aanzien der Ilobreën te hernienwen. Doch helaas, hunne bestendige ijverzucht bespoedigde hun ondergang.

De koningen van Assyrië waren sedert lang belust op het bezit van Syrië en zouden het roods lang verworven hebben, zoo niet oorlogen met hunne onmiddellijke naburen hen hierin hadden verhinderd. Zij poogden inmiddels in Syrië zelf bondgo-nooten te bekomen, en Oesia had hunne voorstellen aangenomen. Hunne plannen werden door de gebeurtenissen na Jeroboam\'s dood aanmerkelijk bevorderd.

Zacharia, zijn zoon, werd roods na eene regeering van slechts zes maanden vermoord, en met hom stierf de met Jehoe ten troon gekomen dynastie uit. Salloem, waarschijnlijk de opruier tot den moord , werd koning , doch bleef dit slechts eeno maand. Monahem , van Thirza, versloeg on doodde hem en regeerde toen Samaria tien jaren achtereen (749-—730). Hij behandelde met groote barbaarschheid allen, die zich niet aan hem wildon onderwerpen. \'s bands ellende werd vermeerderd doordien de Syriërs en Phoonikiërs volo Israëlitische steden veroverden, en talryko rooverbendon hot volk door plunderingen teistorden. Het land verkeerde in den erbarrnelijksten staat, zoodat Monahem, zich up goeno andore wyze wetende te helpen, bij buitenlandscho machten hulp zocht. Hij dacht aan Egypte

272

-ocr page 291-

tSKAKI, (lN Di:N IU9Ï0IlISCItKN SAGHNTIJI)).

on zond di-rwaarts geschenkon; maar Phool, do koning van Assyriö, was Syriö bin-nongorukt, on Monahera moest diens boschonning mot 4000 contenaars zilver koopcn. Monahom\'s zoon, l\'ekajah (7;{n—7:i7), regeerde slechts twee jaren. Hij word door don zoon van een zijner oversten, Pekah, in zijn paleis to Samaria vermoord, waarna do moordonaar hom in do koninklijko waardigheid opvolgde (7.\'!7 7.\'i4).

Damascus was zijne tijdelijke zwakheid onder koning llezin te bovengekomen, on I\'ekali verbond zich met dit rijk tot oon oorlog tegen Juda. Koning Jotham bood een hardnokkigen tegenstand, doch hij stierf in 7.\'iO , en op hom volgde zijn twintigjarige zoon Ahas. Diens legers werden meormalen door do veroenigde Damasceonen en Israëlieten geslagen. Terwijl Kezin het geheele land ten oosten van den Jordaan tot aan do Boodo zoo on ook de havenplaats Etliam bezette, woedde do wroede Pekah in de streken bewesten den Jordaanstroom. Vele Joden werden weggesleept en als slaven verkocht.

Alias wist van angst niet wat te beginnen. Eeno Pekah toégodane partij was er op nit hem van den troon te stooten en een a-der tot koning to kiezen. In dezen nood zond Alias den koning van Assyriö, Tooklat-llabal-Asar (Tiglat-Pilesar), schatting on verzocht diens bijstand, trots de dringende vortoogon daartegen van don profeet Jesajas.

De koning van Assyriö kwam Alias\' uitnoodiging bijzonder gewenscht. Hij snelde toe on wierp zich allereerst op Israël. Pekab vluchtte iu allerijl naar Samaria, terwijl Tiglat-l\'ilosar zich van Hion, Abel, Heth-Macha, Janoha, Kedos, Ilazer, Giload en het go-hoele land Naftali moester maakte, waarna hij do inwoners naar Assyriö verplaatste. Het gohoele koninkrijk Israël was nu tot liet gebied van den stam Efraïm en de daarbij liggende districten bepaald.

Doze handelwijze van den Assyriör vervulde geheel Syriö met ontzetting. Ahas\' bijzondere vijand, Hanno, koning van Gaza, vreozende dat thans do beurt aan hom zou komon, vluchtte naar Egypte, waarna do lilistijnon zich zonder stijjd onderwierpen (l\'.li). Onbogrijpolijkerwijzo had Kozin niet de minsto poging aangewend om zijn bondgenoot bij to staan. Do Assyrische koning koorde zich nu togen hem. llezin bood gedurende tffee jaren tegenstand (7•!.\'i—-l\'.Vi). Doch ton slotte van dit tijdperk word Damascus door de Assyriórs ingenomen on Kezin gedood. Achtduizend inwoners werden naar Kir in Annoniö gezonden, welk land eon Assyrische wingewest was geworden. Het Syrische rijk van Damascus had opgehouden te bestaan.

Tiglat-Pilesar riep zijne vassalen bjjoon (7l!\'i). Vjjf-on-twintif,\' koningen gehoorzaamden aan do oproeping, on onder hen Ahas, dio hem ootmoedig dankte en om hein geschenken aan te bieden, zelfs de gereedschappen uit don Tempel en andere tempolsio-raden medebracht.

I\'ekali behield het overschot van zijn landje als Assyrisch vassal. Hij werd door Ilosea, don zoon van Ela, vermoord (734—7l27), die zich in de plaats zijns slaclit-ollers tot koning opwierp en don koning van Assyriö tien talonten goud en duizend talenten zilver zond, om zijne genado to verworven.

Toon do Assyrische koning in 7\'27 overleed, geraakten de Syrische landen in opstand , en dus ook Israel. Salmanasar IV snoldo too, en daar het opgestane Tyros genoeg met do ontevredene Kitiörs te doon had en daardoor Hosea niet te hulp kon komen, was do Israëlitische koning blyde voor ditmaal door eeno domoedlge onderwerping vergiffenis te bekomen.

Hosea quot;deed wat don Hoer slecht beviel, doch niet even als de koningen van Israël, die vóór hem waren.quot; Dit beteekent, dat hij bleof hechton aan den reeds gebruikeljjken

I. 1«

273

-ocr page 292-

ï l f\'

i

1

(IKÏI.L\'si\'llüKltDI\' Wr,llKI,D(iKSCIIir,I)EKIS.

afgodsdion.st, doch niet liandoldo als .Muis van .Jiida, die van zijn bezoek Mi Tiglat-Pilusar to Damascus eon nienw altaar (en waarschijnlijk wn nieuwen Assyrisr.hon afgod) niodebracht, en —- voor hot overige onder goedkonring van den Mozaïschen opperpriester, Oeria -— daarop in don Tempel offerde.

Om te ontwaren, dat het met Israël ton einde liep, was geen profetische blik meer nlt; mdig. Niettemin, de profeten Hosoa on Jesajas verhieven hunne waarsclnuvonde stom-men. ilosea sprak :

quot;Samaria zal verwoest worden, want zijne inwoners zijn hun God ongehoorzaam. Zij znllon door het zwaard vallen, hunne znigolingen worden verpletterd en hunne zwaïigere vrouwen hot lijf opengereten.

.Tosajas riep het wee over het vruchtbare Efraïm nit, over zijne bloemrijke velden on zijne kostelijke wijngaarden op do hoogten.

Voor koning Hosoa bleef het gevaar ook niet verborgen, on angstig zag hij naar bomïgenooten uit. Elam en Babyion, de voortdurende vijanden van Assyrië, waren te ver vun do hand, zoodat men op eono spoedige hulp vandaar niet kon rekenen. De Jodon van Juda, de Filistijnen en Phoenikiers waren te zwak en bezwaarlijk geneigd, om liun bestaan voor Israël op het spol te zetten, fn deze radeloosheid kwam Hosoa op don inval den pharao van Egypte om hulp te smeeken. Daar regeerde, zooals wij weten, te dien tijde Sjabak (of Sabako). Deze nam Ilosea\'s verzoek gunstig op, doch de hem aangeboden geschenken beschouwde hij als oen verschuldigde cijns. In don Bijhd wordt deze koning So genoemd, maar geheel anders luidt zijn naam in andere talon, oen gevolg van hare eigonaardighedon. Zoo heet deze koning in hot Ethiopisch en Egyptisch Sjabak, in het Assyrisch Sjabeh, in het llnbreeuwsch Seveh, Sooa of So, inliet Onokscli Sabachon. Deze verschillende schrijfwijzen van namen en de nog moor van elkander afwijkende chronologiën bohooren tot do grootste struikelblokken voor hot onderzoek van de geschiedenis dezer Aziatische landen.

De onderhandelingen tussciion Ilosea on Israël mot don koning van Egypte kwamen tor kennis van don Assyrisclion koning. Verbolgen daarover, riep hij Ilosea ter vorant woording. Niets kwaads vermoedende, of wel in de hoop zich te rechtvaardigen, volgde dezo de oproeping zijns loonheers, die hem onmiddellijk in don kerker liot werpen on voor altijd verdwijnen. Men iieeft ten minste nooit iets weder van Ilosea gehoord.

Salmanasar belegerde Samaria, welks bewoners, in weerwil van do afwezigheid des Ifonings, zich dapper verdedigden. Uit Egypte kwam geen hulp; doch de Assyrisclie koning werd naar l\'hoonikiö geroepen, welks koning Euliya van Tyr de Kitiërs had omlerworpen en daarop den Assyriërs de gehoorzaamheid opgezegd. liet vasteland van Tyr werd spoedig veroverd, maar de vesting op de eilanden bleef weerstand bieden. I)e Assyrische vassalon van Sidon, Dsjobol en Arad moesten zestig vaartuigen leveren, waarop de Assyrische troepen zich inscheepten, om het eiland aan te tasten.

Tyrscho schepen vernielden echter deze vloot, en vijfhonderd Assyriërs vielen den overwinnaars in handen. Salmanasar hoopte thans do vesting in zij re macht te krijgen door de ingozetenen van dorst te doen versmachten , daar de eilandstad, zooals bekend is, geen drinkwater bezat. Doch te vergeefs. Zoowel Samaria, waarvoor Assyrische troepen het beleg hadden geslirtfnn , als Tyros, verijdelden gedurende twee jaren allo pogingen des vijands. en toen kwam oen gunstig keerpunt, doordien Salmanasar uit het leven werd gerukt (72li). Dit lt;tlt;TfgevaI werd het sein tot. opstand voor alle Syrische volken. Doch nadat de nieuwe Assyrische koning Sarjoukin (Sargon) de opstandelingen op de grenzen zijns lands tot gehoorzaamheid had teruggebracht, verscheen hij met versche troepen voor Samaria. De

274

| II

If

li

I

il

il

li

; .ft

II

H

|

i

4 i

m |

Hl\'

Él \\ I -i

I gt; ü

I I

-ocr page 293-

ISllAËI, (IN DRN niSTOBISCIIRN SAOKXTTJD).

door oene driojarigo bolegering uitgeputte stad werd genomen en geplunderd. Ilure inwoners en die van het omliggende land werden door den overweldiger , deels iiaar Arinwiir , aan de oevers van den Halali en Habor, deels naar de steden van Medië, gezonden. Anderen poogden deze verplaatsing door de vlucht te ontkomen en namen de wijk naar Juda, Egypte en Europa. Hun land werd door gevangen Clialdeërs en later door volkplanters uit Ilamath en andere plaatsen bezet. Al die verschillende kolonisten brachten ile goden van hun vaderland mode. Die van Babel baden Soedioth-Üenoth aan ; die van Roetlia god Nergal, die van Hamath Asima, die van Ava Nibehas on ïharthak, dio van Sepharvaïm (aan don lüifraat) den vuurgod Adrameloch, wien zij kinderen ten offer brachten. Om echter ook de goden des lands niet te vertoornen , stelden zij priesters aan in die quot;heiligdommenquot;, waar door do Israëlieten, tor cere van Jehovah, voor stierkalven brand- en reukaltaren waren geplaatst. Doch wijl men niet wist wat den Isiaolitischen god aangenaam of onaangenaam was, zond de Assyrisclie koning een der gevangen genomen priesters naar zijn vaderland terug, om de gebruikelijke Jehovab-dinusten aan de nieuwe bevolking te loeren.

Zóó eindigde liet rijk Israël.

j

In het rijk Juda regeerde, sedert don dood zijns vaders Alias, koning lliskia Hij was van kindsbeen een vereerder van Jehovah, achtte do profeten en liet zich door hen leiden. Do profoot Josajas word zijn vertrouwde raadgever en in werkelijkheid, zij hot ook niet in naam, zijn eerste minister.

Hot lot van Samaria en zijner ingezetenen had aan de overige Syriërs geleerd wat hun te wachten stond , wanneer zij door do Assyriörs werden overwonnen. Do vorsten van Arpad , Simyra en Damas verbondon zich met elkander om tegenstand te bieden; doch op don raad van Josajas hield lliskia zich stil. De Syrische vorsten vertrouwden op de hulp van den Kgyptischon koning Sabako, niettegenstaande deze Israël zoo smadelijk in den stook had gelaten. Dit kan wellicht do grond van Jesajas\' afkeer tegen een verbond

met Egypte geweest zijn. Eene daadzaak is het, dat hij zich .......Is beslist tegen dit

zoeken van steun bij de Kgyptenaren aankantte. Hij noemde hot rijk van Sabako een geknakt riet. Of hij recht had, zal uit het vervolg blijken.

Eer Sabako Syrië bereikte, sloegen de Assyriërs de verbonden Syriërs, met koning Jahoobid, van Damascus aan de spits, bij Karkar, Jahoebid zelf werd gevangen s^e-nnmen en levend het vel afgestroopt.

Sabako, die eindelijk aankwam, had nauwelijks zijne troepen met die van zijn Ei-listijnschen bondgenoot Hanno, koning van G-aza, veroenigd, toen Sargon hein bij K\'iipeh (of Kaphia), zuidwaarts van Oaza, aantastte. De Kgyptenaren worden geslagen en Hanno gevangen genomen, terwijl Sabako, die verdwaald was geraakt, met moeite een zelfde lot ontging (7\'JO).

Sargon moest in andere landen oorlog voeren, en daardoor bleef .Inda van zijne aanvallen bevrijd.

Zoowel in Assyrië als in Egypte vielen gedurende deze lijden belangrijke veranderingen voor. Sargon was vermoord geworden (705) en door zijn zoon Sin-Akhe-lrib (Sanlierib) opgevolgd.

De nederlagen door Sabako ondergaan, wekten de koningen in de Delta op, om

275

-ocr page 294-

(i KÏI.I.ÜST RE E It ;)K W E UK t,DG HSC1I1EI) F, NIS.

hom mot /ijno Ktlüopiërs naar Oppor-Egypto terug- to dryvcu, waar hij eerlang stierf. De Egyptische vorsten verbonden zich met de koningen van Tyr, Arad, liyblos, Asdod, Ammon en Moab-Askalon; doch Sanherib, die zijne vijanden in het Noorden, Oosten en Westen tot onderwerping had gedwongen, kwam vroeger naar Syrië dan de Egyptenaren. De vorst van Tyr, Looliya (Eloeleos), ontvlood naar eone dor Phoenikischo koloniën, doch in het bezit van Tyr werd Ithobaal IL door Sanherib bevestigd. De andere vorston onderwierpen zich. mot uitzondering dos konings van Askalon, die echter gevangen genomen en met zijn gezin naar Assyrië gezonden werd.

De Kgyptische vorsten kwamen na deze voorvallen in Syrië aan. liij Eltekeh (Altakoe) leverden partijen elkander eon veldslag. De Egyptenaren ondergingen andermaal eeno groote nederlaag, en Sanherib nam Eltekeh, het sterke Tamnah en Ekron in.

De koning van Juda, lliskia, luid wel aan den opstand geen deel genomen, doch zich niettemin met de opstandelingen ingelaten op eene wijze, die den toorn van don Assyrischen koning opwekte. De inwoners van Ekron hadden namelijk den door Sargon over hen aangestelden koning 1\'ali gevangen genomen on aan lliskia toegezonden, die dit bewijs van achting en vertrouwen aanvaardde en I\'ali gevangen hield.

lliskia achtte zich uit dien hoofdo alles behalve veilig en liet in der haast de vervallen vestingwoiken van Jerusalem, zooveel doenlijk, herstellen. Men stopte ook de waterbronnen bniten do stad dicht en leidde binnen de muren een nieuw waterbekken aan.

De Egyptische vorsten herstelden zich wel is waar van hunne nederlaag en vorbon-di\'ii zich mot den Ethiopischnn koning Tirhaka, die ter ondersteuning van koning lliskia aanrukte. Het schijnt, dat de laatstgenoemde om deze hulp door oen geheim gezantschap on tegen den nadrukkolijken raad van Jesajas bad verzocht. Toen echter nog vóór de aankomst der Egyptenaren do koning van Assyrië Jnda binnenrukte en de vesting Laksis veroverde, geraakte lliskia in grooton angst, hoewel bij dien zorgvuldig voor zijne krijgslieden verborg, en het besluit nam do grootste offers te brengen om Sanherib tol op de aankomst van Tirhaka en der Egyptische vorston van Jerusalem verwijderd te houden. Sanherib scheen tot onderhandelen bereid, lliskia liet zelt\'s de gouden platen van de tempeldeuren afnemen , om de door don Assyriër verlangde 30 talenten goud en :tOO talenten zilver bijeen te brengen. Koning l\'ila werd in vrijheid gestold, koerde naar Ekron terug en ontving als schadevergoeding voor zijne gevangenschap oonigo Joodscho plaatsen. Nog ettelijke sioden en dorpen moest lliskia andoren vorsten inruimen ; zij maakten het geschenk uit waarmede Sanherib hunne trouw beloonde.

Terwijl Sanherib te Laksis vertoefde om den cijns in ontvangst te nemen, kroeg hij quot;t bericht, dat oen Egyptisch leger te Peloesium bijeenkwam, dat slechts de aankomst van Tirhaka afwachtte, om tegen hem op te rukken. Daardoor werd het hem duideljjk, dat lliskia geen ander oogmerk had gehad dan om tjjd te winnen. Onder deze omstandigheden deed hij eene poging om met hem langs den weg van onderhandelen gereed te komen, en zond te dien einde drie zijnor voornaamste beambten naar Jerusalem , t. w. zijn opperbevolhebber, het opperhoofd der gesnedenen, en Rabsjakoh, den oppersten schenker, lliskia beantwoordde deze zending door aan drie voorname Joden bet voeren der onderhandelingen mot den Assyriër op te dragen.

Habsjakeh voerde het woord in do llobreouwsche taal, en wat hij zeide verdiende voorzeker opmerking, liij achtte het belachelijk, dat een zoo klein vorst als lliskia hot waag Ie den strijd tegen den koning van Assyrië op te nemen. Hy vroeg waarop do koning van Juda hoopte/ Op den pharao van Egypte? Dezo was een geknakt riet. Wie daarop steunde, liep gevaar dat do stukken hem uit de hand vielen. Op Joh\'ovah? De goden

27f)

-ocr page 295-

ISRAËL (IN UEN UISTOIUSCIIKN S.VGH NTIJU). 277

Vim Hiuniitli mi Arpad, van Knpharvaïm, van Honali on van Hivah haililon do golou-vigMi niot beschermd, en Samaria zolfs was door Johovali verlaten gewordon.

I)i\' afgevaardig-den van Miskia smookton don opperschonkor in \'t Syriscli to sproken, opdat do soldaten, die op don inmir stondon , het onderlioud niot \'/ouden kuniion vol-g(»n. lgt;och Kabsjakeh antwoordde, dat hij juist tot hen was gezonden, en, nu z(jiio woorden bepaaldelijk tot lion richtende, riep liij hun toe, om toch niet zoo dwaas te zijn en op do beloften van Hiskia te vertrouwen. \'/Aj moesten tot bom komen: nimi zou hen naar oen vruchtbaar land voeren, waar elk zijp wijn zou drinken en van zijn eigen vijgidioom eten.

Deerlijk teleurgesteld, keorden do Joodsche afgovaardigdon liinnrii de stad terug. Niotto-inin besloot Hiskia, op den raad van .lesajas, om de veste te blijven verdedigen. De profeet had gezegd: quot;De koning van Assyriö zal niet binnen deze stad komen. Hij zal er geen pijl in kunnen schieten , geen schild daartegen richten en geen wal daartegen opwerpen.quot; Jesajas toonde zich beter ingelicht dan alle hovelingen en verdere ingezetenen.

Toen de Assyrische gezanten met Hiskia\'s weigerend antwoord te Laksis kwamen, was Sanberib met zijn leger afgemarcheerd. Hij was naar Egypte gesneld, waarschijnlijk om do bij Peloesium verzamelde Egyptische vorsten nog vóór de aankomst van Tir-haka de nederlaag te bereiden. Op don weg derwaarts evenwel verloor hij de helft van zijn leger door de pest. Alle krijgstucht hield op, en hij zelf haastte zich naar Nini-veli terug to koeren.

De Joodsche goschiedhoeken verhalen, dat in een enkelen nacht 180,000 Assyriërs quot;door een engel van Jehovahquot; omgebracht werden. Daarentegen schreven do Egyptische priesters de bevrijding aan god Phtah toe, die een leger van veldmuizen bad gezonden. (Vergal, bldz. 110). Genoeg, Sanherib trok terug, en Jerusalem was voor ditmaal gered. Niettemin was het verlies voor do Joden groot, want alvorens weg te trekken, had de Assyriërs \'200,000 mannon, vrouwen en kinderen (mot gohoelo kudden paarden, ossen, ezels en oen onnoemelijk aantal schapen) als gevangenen medegevoerd. Sanherib zag Judoa niet weder : oorlogen die hij in de nabuurschap zijner eigene provinciën moest voeren , hielden hem tot zijnen dood bezig.

Hiskia verwierf groeten roem onder de vorsten van Syrië en onder allen die onder de Assyrische dwingelandij geloden hadden. Zij zonden hem kostbare geschenken. en zijne schatkist, die door den aan Sanherib betaalden cijns zoo veel geleden bad. word van lieverlede weder gevuld. In de Joodsche kronieken luidt het: quot;En Hiskia had groo-ten rijkdom en eer, en bij legde schatten aan van zilver, goud, edelgesteenten, specerijen, schilden en allerlei kostbaar huisraad, verder koren,- wijn- en oliemagazijnen en stallen voor verschillend vee en kooien voor do schapen. Ook bouwde bij steden en had schapen en runderen in menigte, want God gaf hem grooton rijkdom.quot;

De pest die SanberiVs leger teisterde, drong ook binnen Jerusalem door. Zelfs do koning werd or door aangetast. Jesaja, die, evenals vele profeten, ook een kundig arts was, genas hem door op de pestbuilen platgedrukte vijgen te leggen, \'s Koiüngs redding kwam allen als een wonder voor on droeg er natuurlijk toe bij om hot vertrouwen des vromon konings op Jehovah te verhoogen. Hiskia was ook dichter: onder zijne regecring bloeide inzondérheid de gewijde poëzie. Hij zorgde ook, zooals reeds boven is vrmeld, voor de stoffelijke welvaart des lands, en de vijftien jaren, die bij na Sauberib\'s terugtocht nog regeerde, waren jaren van grooton voorspoed en ongestoordeu vrede, daar bij den dringenden raad van Jesajas opvolgde, om de nitnoodiging tot deelneming aan een oorlog tegen Assyrië van c\'e hand te wijzon.

-ocr page 296-

o I ;ï I. I. I sT 11 r. I: I u) i: w n itu l I gt;0 use I u k I) k N J s.

De koiiiiig\' van Babylon zag uit naar bondgenooton om mot hom de Assyriërs to boonrloogoti. Orulor het voorwendsel lliskia, uithoofde van zijne wonderbare genezing , geluk te wonschon, zond hij hem afgevaardigden. De Joodsche vorst voelde zich door dit gezantschap bijzonder gestreeld, bewees hot groote eer en toonde den Chaldeörs met niet geringen hoogmoed zijno schatten en tuighuizen. Jesajas zag dit met leede oogon. De profeet vermaande den koning tot voorzichtigheid en zich voor een bondgenootschap met Kgypto en Clialdea te hoeden. Tot zijn geluk gaf lliskia aan dien raad gehoor en wees de aanbiedingen van iiabol van de hand.

Toon lliskia stierf, volgde hem zijn twaalfjarige zoon Manasse op (G97 —(J42). De aanzienlijken onder do Joden waren wel don overledene gevolgd in zijne veroering van .lohovah, doch geenszins mot geestdrift. Eigenlijk waren zij tegen don Jeliovahdionst iiigononicn. Do boeti)redikatiön dor profeten en het vele psalmgezang hadden hun spotlust opgewekt. Zij reikhalsden naar do uitgelaten Baill\'s- en Molittafoeston. Do heidonsche partij maakte zich van den jeugdigen koning meester, en nu begon voor do aanhangers van .lohovah oen mooielijke tijd. De dienst der Syrische afgoden word weder overal hersteld, Haiil en Asjera ( Haaltis) worden binnen Sion aangebeden, en in het dal llin-nom, waar Alias reeds oen van zijne kinderen Moloch had geofferd, vorrees op nieuw een altaar voor dezen vreoselijken god. Daarnevens worden nog de Chaldoeuwscho af goden aangebod(ui en hun zelfs in den Jehovahtompel altaren toegewijd.

Het volk volgde het door het hof gegeven voorbeeld, en do wanne belijders van ileii Mezaïschen godsdienst, die met sombere blikken de verbastoring gadesloegen, worden uitgelachen. Men stak zelfs de tong tegen hen uit De profeten ijverden tegen dezo gruwelen , doch de afgodendienaars noodzaakten hen tot zwijgen. Velen van hen werden zelfs door Manasse of door het volk omgebracht. quot;Manasse vorgoot veel onschuldig bloed , totdat hij .lenisalem daarmede vervuld had van het eene einde tot hot andere ,n luidt hot in In t Hottk dc.r Koniiujen. Volgons oud-rabbijnschen overleveringen, verloor ook do oude profeet Jesajas door \'s konings gewelddadige handelwijze het loven. Deze, zoo luidt hot, vergramd over de tegen hem gevoerde strafredenen, liet Jesajas in een hollen ieder plaatsen en door midden zagen.

De kroniek verhaalt, dal Manasse door de Assyriërs in ketenen geklonken, naar Nitiiveh word gebracht en als oen vroom vereerder van Jehovah terugkoerdo. Het is niet onmogelijk, dat de Assyriërs zich voor zekeren tijd van den koning meester maakten, opdat hij zich niet bij hunne vijanden kon aansluiten, doch van deze gevangenschap vindt men In geen ander historisch werk do minste aanwijzing.

Anion, Manasse\'s zoon, was niet beter dan zijn vader. Hij word na twee jaren regeerens (ti\'rJ (IH() omgebracht, en daarop zijn achtjarige zoon Josia tot koning verheven ((i U) -(iö!)). De Mozaïsche partij maakte zich van zijne opvoeding meester en voerde voor hem hot bewind.

(tediirendo de eerste jaren van Josia\'s regeering stroopten Skythische roevers, plunderend en verwoestend, in Syrië eu lieten ook Juda niet ongemoeid. Voor de wilde , dappere ruiters vloden de inwoners naar de wouden en borgen, en de ontzetting was overal groot. De, Skythen drongen tot aan de Kgyptische grenzen door, doch verlieten weder het land om zich op liahylon te werpen, üe vreosolijke storm ging dus welhaast over Juda hoon, en van hier, dat de priesters konden opteokenen, dat de gebeden des vminen konings het onweder verjaagd hadden.

Do vreemde godsdiensten worden weder met strengheid onderdrukt, en door do priesters een lang voorbereid plan ten uitvoer gebracht. In het achttiende rogeoringsjaar van

■21»

-ocr page 297-

isii.vel (in dkn\' uraroiusciikn saokntud).

Josia kondigdo (It* lioogepriester llilkia on do tompolschrijvor Safari don koning aan , dat oorstgonoeindo bij horstollingon aan den Tompol hot Book dor Wot had gevondon. Do koning iiot hot zich door Safan voorlozon, on toon hij do vorvlookingen vornam, dio ovor do voroorders van vroomdo godon wordon uitgesproken, schourdo liij zijiKi kleo-doren , liotgeon l)ij do Joden hot toekon was van grooto droefheid of ontzetting. Om to ervaren, of Johovah werkelijk zoo vergramd was over de aanbidding van andero godon, zooals in dit boek geschreven stond, zond hij naar de profetes Hoolda, do vrouw van Salloom, aan wien liet opzicht over do terapolkloederen was opgedragen. Deze bevestigde dadelijk alles, en do verschrikte koning riep oono volksvergadering bijoen, waarin men do Wet voorlas. Op de plechtigste wijze beloofde de koning Jehovah\'s g\'o-bodon te zullen opvolgen, en hot volk moest hetzelfde doen.

Do Jehovahdienst werd nu ingericht zooals het in do Wet was voorgeschreven, en het passahfeost werd mot oono kerkelijke praal gevierd zooals nooit te voren. Allo vreeimlo godsdiensten worden afgeschaft. Do altaren en gewijde hagen worden vernield, en zolfs do tot dien tijd gedulde beelden van Johovah en do huisgoden vorwjjdord. .la, daarmede niet genoeg; do priesters, die don vreemden godsdienst onderwezen of uitgeoefend haddon , worden omgebracht.

In Egypte was Neko II zijn vader Psametich opgevolgd. (Vergelijk biz. 114), Deze maakte van do onlusten in hot Assyrische rijk gobrnik om in Syrië te vallen. Josia, als een vassal van het niomv-ontstane Chaldoeuwscho rijk , trok hein , overeenkomstig zijne verplichtingen, to gomoet, doch werd bij Magiddo (ook Megiddo geschreven) verslagen i\'ii doodelijk gewond (60!)). Hij stierf to Jerusalem, onder groote droefenis over zijn verscheiden. quot;Aan hem gelijk,quot; leest men in de Joodsche kroniek, quot;was vóór hem geon koning geweest, die zoo van ganscher harte en van gansclier ziele zich tot don Iteor bekeerde, naar alle wetten van Mozes. Kn na hem kwam ook weder geen die hem geleek.quot;

Josia\'s jongste zoon , Joahas, dien de Joden tot hun koning verheven hadden, werd door Neko in zijn leger ontboden en naar Egypte gezonden. Men hoorde nooit weder iets van hem.

Toen bezette do pharao het land en liet de Joden voor hunne vormetolheid, om, zonder zijne voorkennis oen koning te kiezen, 100 talenten zilver on 1 talent goud betalen. Daarop stelde hij Mljakim , Josia\'s oudste zoon , tot leenplichtig koning van Juda aan ((gt;n7—598). Deze voorde den dienst der vreemde goden weder in, loefde vroolijk en in woelde en bleef don Egyptonaren trouw. Hij bekreunde zich weinig of niet om do bedreigingen. klachten en voorspellingen der profeten, doch werd toch zoo verbitterd op den profeet Ooria, dat hij hem uit Egypte, waarheen de wijze was gevloden, liet halen en om het leven brengen. Jesajas geraakte eveneens in gevaar om door het volk omgebracht te worden.

Even als Jesajas, had Jeremias togen oen bondgenootschap met Egypte gewaarschuwd, welks ondergang beiden voorzagen. Mot hoeveel recht zij dit voorspelden , bleek , toen Wko bij Karchomisch door den Habylonschen koningszoon Neboekadnezar geslagen wen! (Hl).quot;■)), Door den dood zijns /aders ijlings teruggeroepen on in liabylonië torng-gehouden . kon Nobookadnezar eerst vier jaren na deze overwinning naar Syrië torug-keeron , waar hij het geheelo land van den Eufraat tot aan de Egyptische grensbook aan zich onderwiel-]). Jojakim bail zich door Neko tot een opstand laten verleiden. 1 •aar hem echter al zijne bondgenooten in den steek lieten, moest hij zich onderwerpen.

Drie jaren later geloofde Neko weder in staat te zijn om Neboekadnezar het IkioA) te bieden , en Jojakim was dwaas genoeg den Assyriër schalting te weigeren. Nelioe-

■279

-ocr page 298-

GKÏLLUSTUKKRDK WKIIELIXIKSCM 1 KDKNIS.

\'280

kiulnozar zond togen lioni zijm\' Syrischu vassalen van Damascus, Moab un Ainmon to void, dio nog uit vroogero tijdon, oen gowoldigon haat togen do Jodon kuostordoii. Zij bologordon Joru.salum, on Jojakhn kwam bij dio bologoi-ing om.

Jojaoiiin (of Jojonclia) , .lojakiin\'s achUionjarige zoon , werd nu koning, juist toon Nobookadnozar zelf voor hot bologerdo ■Jeruzalem aankwam. Na drio maanden moest de

stad zich ovorgovon. Zij word niot vfrwoost, ducli al wat hot wogvooron waard was, door de Caldoers uit don Tempol en het 1\'aleis medegenomen .lojachin en zijne familio worden naar (\'haldoa in ballingschap gezonden. ITetzolfde lot iiaddon I7,(ilt;)() krijgs-lioden niet hunne oversten , on met hen vele hondorden bandworksliedon , die hij do opon-haro werken to Hahylon K\'\'bruikt werden . eon groot aantal gijzelaars uit de voornaamste

-ocr page 299-

isiuiól, (in HUN IIISTOIIISCIIEN SAGKNTIJo).

goslacliton, ottclijko priesters on (iciiign profeten. Men liet slechts zooveel lieclen achter als noodig waren, om de akkers te bebouwen en de gesmaldeeldo kuddmi te hoeden. \'I\'ot koning\' over dit schaduwrijk Lenoomde Noboekadnozar den derden zoon van Jojakim , Methanja, onder den naam van Zedekiah (590- -HSO).

Negen jaren had Zedekiah geregeerd toon hij, zoowol als andore Syrische vorsten, zicli andermaal door don Egyptischon koning Oehabra (llophra, Aprir.s) tot oen opstand liet verleiden. Noboekadnozar, die mot oen groot leger bij hot oorste bericht van hot verzot aanrukte, was boshiitoloos of hij zich hot eerst op Kgypto, op L\'hoonikie of wel op Juda zou werpen. Hij, of wel zijn wichelaar, besliste voor liet in hot midden k\'1\'-logon Juda, en terwijl Tvr alleen word geblokkeerd, mareboorde Noboekadnezar met het hoofdgedeelte zijner krijgsmacht derwaarts. Zedekiah bezat don moed niet, om de Oluildoën in bot open veld af te wachten, maar sloot zich binnen .lerusalom op. Neboo-kadnezar liet de onderwerping dos lands aan zijne vassalen, de Filistijnen on Edomioti\'ii, over, en bolegerdo zolf .lerusalom. Toon hij het bericht ontving, dat de koning van Mgypto met een leger in Zuid-Palestina was aangekomen, trok hij hein te gemoet. Of Oehabra zich terugtrok of geslagen word, weet men niet. Zeker is het nochtans, dat Noboekadnozar welhaast weder naar Jerusalem terugkeerde.

De Joden weerden zich dapper, in weerwil Jercmias hun voortdurend voorspelde, dat alles nutteloos was, daar Jehovah besloten had. hen aan don oubanuhartigen vijand over te leveren. Eindelijk werden do opperhoofden zoo boos op den ongeluksprofeet, wiens redenon de soldaten ontmoedigden , dut zij bij den koning— die tot, hiertoe Joremias in zijne boscbenuing had gonomon — aanhielden om hom voor altoos den mond te snoeren. Ito koning gaf den burgers do vrije hand, die nu don profeet iu een regenbak nedorlieton, om hein to verdrinken. lt;folukkig was er niet voel anders dan eenig slijk in den kuil, zoodat toeu de koning van een zwarten gesnedene vernam, dat Joremias oog leefde, hij don profeet naar boven kon laten halen en in de gevangenis een althans moer veilig verblijf verschaffen.

De nood in do stad word door honger on post dagelijks grootor, maar eerst na een hij voortduur hevig beleg van andorhalf jaar, in hot elfde jaar dor regeering van Zedekiah , op don negendon dag van de vierde maand, gelukte hot don Chaldeör oen bros in den noordermuur te beuken. Onophoudeli;k drongen de vijanden daardoor biu-nou en stelden zich bij de middolpoort, niet ver van don burg, op. Van de vertwijfeling en de verwarring binnen de stad maakte Zedekiah gebruik om gedurende den nacht mot zijne soldaten door den zuidwostolijkon muur af to trekken. Chaldoors zetten hen na en haalden ben in do vlakte van Jericho in. Zedekiah werd gevangen on naar Noboekadnezar te liiblu gevoerd. Do Chaldeör liet do kinderen van den Joodschen koning in diens tegenwoordigheid slachten on hem zeiven de oogon uitstoken. Toon werd Zedekiah , mot dubbele ketens beladen, naar Babylon gebracht.

Naboesarhadan , oen der voornaamste ollicieren aan het (Jhaldooscho hof, vertrok op s konings last naar Jerusalem, un het over deze stad uitgesproken vonnis te voltrekken. liet Paleis en do Tempel worden verwoest en alle kunstwerken van lliram beiiovons allo kostbaarheden daaruit geroofd. Do inuron der stad en der buizen werden nederge-worpen en alle inwoners gevangen genomen. Do hoogopriester en verscheidene andore voorname priesters, vele hovelingen en beambten en zestig aanzienlijke burgers worden in ketens naar Kibla gevoerd on daar ter dood gebracht, en ton slotte Sli\'J andere burgers niet hunne gezinnen naar liabylon in gevangenschap weggeleid. In \'t land Juda werden niet dan geringe lieden gelaten, uin wieii de overwinnaars do akkers en

281

-ocr page 300-

282

wijnborgon der woggevoorden ter bearbeiding gaven. Toon do Chaldeën oindolijk aftrokkun , stcldo zij als stadhouder over de nieuwe provincie Gedalja, eon vriend van Joremias, aan.

Deze profeet word na do inneming der stad uit zijne govangenschap bevrijd. No-boekadnozar was to weten gekomen, dat Joremias zich tegen het bondgenootschap niet Kgypto verklaard en voor de onderwerping aan Uhaldea gewerkt had. Hij liet hem de keus óf\' in zijn vaderland te blijven, óf mede naar Babyion te gaan. Joremias koos het eerste, en op Noboekadnozar\'s raad, die hem rijkelijk begiftigde en voor zijn ondor-hmul zorgde, begaf hij zich tot den stadhouder Gedalja te Mizpa.

Dat de in het land gebleven Joden het alles behalve naar hun zin hadden, is Hebt te begrijpen, en wie er toe in staat was, week uit naar Kgypte, hoe ernstig Jeremias ook hiertegen vermaande. Jehovah\'s profeet had zijn aanzien in Juda verloren.

De stadhouder Gedalja werd op een feestmaal vermoord, ten gevolge van eene samon-zworing, door Ismaël, een nazaat van koning David, gesmeed. Ismaël kon zich nochtans niet handhaven tegen Johannan en moest naar de Vmmonieton vluchten. Johan-nan en die bom volgden, vreesden Nobookadnezar\'s gramschap en besloten naar Kgypto te verhuizen, ofschoon Jeremias, die zij om raad vroegen, hun dit dringend afried. Koning Oehabra wees hun woonplaatsen in de nabuurschap van l\'eloesium aan, en velen hunner zotten zich ook in do steden van Neder- en Midden-Egypto neder, waar reeds talrijke llebroën met der woon gevestigd waren, derwaarts gedurende de vroegere oorlogen als vluchtelingen gekomen. In weerwil van zijn afkeer van de Egyptenaren, zag .leremias zich genoodzaakt, met zijn schrijver Baruch eveneens derwaarts tu vlieden. Hij is in dit land gestorven, en men verhaalt, dat hij door zijne landgenOoten om het leven is gebracht. Deze wraakneming is wel mogelijk, want do beschermeling van Neboekadnezar, die voortdurend jammerde en onheil voorspelde, die de bannelingen uitschold en de terugblijvenden wegens hun afval van Jehovah ernstig berispte, word ongetwijfeld door hen gehaat.

Jeremias overleefde niettemin nog hot laatste bedrijf van hot treurspel in Juda. De aldaar teruggebleven Joden waren door hot onheil niet wijzer geworden. Vijf jaren na Jerusalem\'s verwoesting vereenigden zij zich met de Moabieten, die tegen hun heer waren opgestaan. Deze opstand mislukte. Het gclieele land werd verwoest. en nog 7-45 mannen werden naar hunne bedroefde landgenooten in de liabylonsche gevangenschap weggevoerd.

Geschiedenis der Beschaving.

De geschiedenis der Israëlieten splitst zich in twee wezenlijk geheel verschillende afdeelingon: véór en na de liabylonsche gevangenschap. Wij hebben het hier alleen met de eerste dezer perioden te doen , wanneer alle twaalf stammen nog in Kanaiin woonden.

Dat de goschiedenis van don uittocht uit Egypte over hot geheel duister en die van hot daarop volgende tijdperk tot op de regeoring van Saul niet veel duidelijker is, behoeft niet opgemerkt te worden. De oorzaak daarvan is, dat de volksoverleveringen eerst in veel later*! tijden verzameld zijn , zeker niet zonder eenigo versiering. Daarbij speelden do Israëlieten uit die tijden eone te ondergeschikte rol dan dat andere volken die in groote rijken vereenigd waren , zich met hunne aangelegenheden zouden bezig houden. In de Egyptische schriften en op do Egyptische gedenkteekenen vinden wij de Israëlieten op eene zoo twijfelaebtige wijze vermeld . dat het nauwelijks tquot;\' bepalen is . of

-ocr page 301-

isiiAiii. (in den uistorischi:n saoknïud).

do plaatsen dio knndigo oudhoidkonners raoonen op dn Tsraölioteu toepasselijk te zijn, inderdaad op hen botrnkking hebben. Van den grooton minister Jozef en van Jakob boriclit geiu) onkel Egyptisch monument, evenmin als eenige papyrus. Dat do lio-dqn die onder den naam van Aprioe vernield worden, de Israëlieten zijn, is wol is waar hoogst waarschijnlijk, maar geenszins volkomen zeker. Zolfs Mozes wordt door vele geleerde navorschers voor een mythologisch persoon gehouden, eenigermate voor don Israölitischon Osiris. Andoren weder, en wij sluiten ons bij hunne mooning aan , lion-den hem voor den in do Egyptische geschiedenis vormolden priester Osarsiph.

Dat do Hobreön ten tijde van de Hyksos in Egypte zijn gekomen , hobbon wij als hoogst waarschijnlijk aangenomon. Hot is blijkbaar, dat onder do pharao\'s, quot;die van Jozef niets wisten,quot; het lot dezer vreemdelingen alles behalve gunstig kon zijn. Hat het onder Ramses bijzonder hard werd, hobbon wij kunnen opmerken.

Zuidelijker dan Heliopolis zijn do Semitische vreemdelingen Egypte niet binnengedrongen , on daar de Egyptenaren altoos een tegenzin ton aanzien van vreemdelingon koesterden, en vooral van volken die zich met do veeteelt bezig hielden, is hot begrijpelijk, dat de Egyptische beschaving geen to groeten invloed op do Israëlioton kon uitoefenen, al mochten zij van do zeden en gebruiken dor lagere Egyptische standen het oen en ander overnemen.

Do landverhuizers, die Mozes uit Egypte voordon, waren niet alleen Israöiieton. Met hen trokken verscheidene andere grensbewoners en zelfs Egyptenaren. Uitdezovor-menging ontstond hot volk, dat Mozes in twaalf stammen deelde, die liij naar de kinderen van Jakob namen gaf. Dat niet allen van Jakob afstamden, is daaruit over tuigend af te leidon. Ook wordt dit bevestigd door do verschillende volkstypen , die wij nog tegenwoordig onder de Joden terugvinden, die van oone Arabische, Egyptische en Syrische afkomst getuigen. De levieten vormen wellicht den oonigen stam , die op oone onmiddellijke afstamming van Jakob aanspraak kan maken. Zij zijn de Aprioe (Apoerin , Aperjoe) uit do hioroglyphisdie schriften. De stam van Levi splitste zich in drio go-slachten , die vau Gerson, K\'ahath en Merari. Uit de Ka,hat\'s ontsproten Mozes en zijn broeder Aaron en vormde zich de priesteraristocratio des volks.

Hoeveel tegenstand Mozes\' instellingen ondervonden, leert de geschiedenis : li ij achtte hot ongeoorloofd oen beeld naar fxod\'s gelijkenis te maken, en wij hebben gezien , dat zolfs koning David, ettelijke hoogepriestors en loeraren beeldzuilen van Jehovah bij zich aan huis, op bijzondere hoogten of in den Tempel vereerden. Daarbij namen de Israëlieten , toon zij zich met vreemde volken vermengden, ook do goden van die volken aan : zij ofTordon aan liaiil en Asjera, en zelfs vereerders van Jehovah maakten geen bezwaar den Hoer onder do gedaante van oen stierkalf te dienen.

Hot gronddenkbeeld voor don staatsvorm, dien Mozes aan zijn volk gaf, was aan de Egyptische Instellingen ontleend. Volgens deze berustte do hoogste magt in werkelijkheid bij do priesters, want de koningen waren door do wet.ton en door de op last der priesters ingevoerde voorschriften en ceremoniën, doorgaans zeer beperkt in hunne handelingen. Daar nochtans enkele pharao\'s zich om deze beperkingen niet bekreunden of ten minste de mogelijkheid voorde hand lag, dat zij pogingen kondon aanwenden om zich van den priesterinvloed te bevrijden, zoo nam Mozes, om dit gevaar te voorko-mon , niet zelf de waardigheid van koning aan ; evenmin plaatste hij een ander op den troon. Hij begeerde, dat Jehovah zelf koning zou zijn en door den mond zijner opperpriesters regeeren.

Daardoor worden alle voorschriften tot godcNijke bevelen verheven, on maakten zij

-ocr page 302-

ni\'ÏLI.USTIlKF.KDK WKItKLDtiKSCIIIKKKNls.

dj» d» gobodon overtraden, zich schuldig aan vorzot togen .rohovah. Ouwaanligo hoogo-liriostors deden den Mozaïschon oerodionst doorlijk tanen, on zelfs zou, zonder do profetenscholen, door Saniiiël opgoridit, de priesterstand wellicht tot de laagste trap van kennis en wetenschap zijn afgedaald. Helaas, ook onder do profeten vond men mannen , din noch door groote talonten, noch door niunschoninin wordon bezield. Daar hunne voorspellingen soms togen elkander indruischten (Vergelijk bladz. , was de waarschuwing niet doelloos, zich te wachten voor valsche profeten.

Do grootsten der profeten, zooals Jesajas en Jeromias, waren waardige, verlichte mannen, die hunne tijdgenooten tot een waardigen godsdienst, eeno voroering mot hart en /iel, opwekten. Zij verkondigden Johovah als den eonigen god, den geest, die alles wat is heeft voortgebracht, en die de wereld doordringt, een almachtig, alwetend en alomtegenwoordig wezen, hetwelk men quot;in geest en waarheidquot;, en niet alleen mot plechtigheden, moest offeren en niet slechts met de lippen aanbidden.

quot;Wat baat do menigte uwer offers?quot; zoo voert Jesajas don Heer sprekende in. quot;Ik ben zat van uwe brandoffers van rammen, van vetto en gemeste offerdieren, en heb goon lust aan het bloed van varren, lamineren en bokken. Brengt dan niet zoo vele spijsoffers te vergeefs. Uw reukwerk is mij een gruwel. Do nieuwe manen en sabbathdagen, waarop gij to zamenkomt, en moeite en angst hebt, behagen mij niet. Mijne ziel is eun vijand van uwe nieuwe maanden en jaargetijden. Ik ben daarvan moor dan verzadigd, en moor dan moede. En al breidt gij uwe handen uit, ik verberg mijne oogen ; on al bidt gij veel, ik hoor u toch niet, want uwe handen zijn vol bloed. Wascht en reinigt u, verbergt uw boos wezen voor mijn aangezicht, laat af van het kwade. Loert goede te doen, tracht naar recht, helpt do onderdrukten , doet don weozen recht en helpt do zaak der weduwen.quot;

Eveneons spraken andere profeten, als Joel, Amos en Hosea. Zij kondigden echter niet alleen straffen aan voor den afval van Jehovah en vermaanden tot eeno geduldige en ootmoedige onderwerping aan zijn bestuur, — zij beloofden ook zijne gunsten en wederkeerende genade voor de berouwhebbenden, troostten met hoop in lijden en hadden het vaste vertrouwen, dat debovah een held, een gezalfde (Messias) uit hun midden, uit het geslacht van David, zou verwekken, die do oude heerlijkheid van het Israölitische rijk onder David zou herstellen.

Onder Oesia, en inzonderheid onder Hiskia, oefenden do priesters en profeten den grootston invloed uit. Onder de laatsten blinkt boven allen Jesajas uit. Hij was\'s konings vriend en raadsman. Dat Jeromias bij Josia eeno groote rol speelde, hebben wij in de geschiedenis van Israël reeds opgemerkt.

Naarmate de beschaving to Jerusalem vorderde, was do klasse dor profoton oen talrijke en aanzienlijke geworden. Maar geenszins voelden allen zich opgewekt, om, gelijk Jesajas, Amos, Hosea en Jeromias, als volksleiders en raadslieden der koningen op te treden. Ook paste do naam van profeten geenszins in allo doelen, en, zooals reeds vroeger is opgemiTkt, voorden zij dien ook bij de, .loden niet. Zij waren veeleer geloorden, welko zich mot de studie der wetten en andere wetenschappen bezighielden, quot;schriftgoloordenquot; en niet zelden ook dichters.

Ofschoon zij ziel: aan den dienst van Johovah verbondon en de uiterlijke plechtig-hoden geenszins verzuimden , waren er toch velen onder hen , dio zich in hunne moeningen alles behalve streng toonden en voor den afgodsdienst der aanzienlijken en rijken gaarne een oog toedrukten, omdat dit hun voordeel bracht. Velen van hen waren artsen en genazen naar do voorschriften die hun in do scholen waren\'Onderwezen; maar er waren

-ocr page 303-

ISllAkl, IN DUN (IIISTOIUSCIIKN SAOENTIJU).

ook oudor hen, dio amulotton, toovermkldolwi un dcrgoiykeu niot vorsmaadden. Valsclio profeten leert de Bijbel waren er in Israël velen.

Do onder do regeering van Josla op de vermokle wijze quot;gevonden\'\' AVet van Mozes had goen tijd om de daarvan verwachte uitwerking voort te brengen, want do opvolgors van don vromen koning werkten alles behalve tnedo om die wot in to voeren, en hot klagen, ijveren en dreigen van Joremias leverde hom slechts spot en hoon op, ja bracht hein in levensgevaar. Hot door hom en andere profeten aangekondigd strafgerecht daagde : do priesters on allo aanzienlijke lieden werden naar Babyion weggevoerd, en de terapol van Salomo verwoest.

Kerst tijdens en na de Babylonscho gevangenschap ontwikkelde zich onder den invloed van hot unheil en de nieuwe wet, dat Jodendom, hetwelk zoo als wij in de inleiding tot dit hoofdstuk zagen, een zoo belangrijken invloed op de latere volken heeft uitgeoefend. Wij zullen daarover in een later tijdperk uitvoeriger spreken; hier moesten wij ons bepalen tot do lijden vóór de Babylonscho gevangenschap.

Over het karakter en de zedelijke waarde van het Israëlitische volk behoeven we slechts weinig te zeggen, want zij zijn duidelijk genoeg uit het verhaal dor gebeurtenissen op te maken. Mot zeker naïf behagen verhalen de tradition verschillende tekortkomingen uit de levensgeschiedenissen dor aartsvaders, die hun zedelijke zwakheid duidelijk aan den dag leggen. De vrome Jakob bedriegt met hulp zijner moedor Rebokka zijn dooiden ouderdom verblinden vader Izailk en zijn eerlijken , maar miskenden broeder Ksau. Hij wordt op zyne beurt door Laban bedrogen , hetgeen hij dezen bloedverwant vervolgens weder op listige wijze betaald zet. Soortgelijke gevallen komen veel voor. Do I levieten hadden Jakob mot zijn gezin on zijno kudden in hun land vriendschappelijk ontvangen. Zijne nieuwsgierige dochter üina begeeft zich in do stad dor Hevioten. Daar ziet haar Sichem, do zoon dos konings. Hij verlieft op haar, en hot schjjnt niet, dat hij noodig had , haar geweld aan te doen. Hij had ook over hot geheel eerlijke bedoelingen. Hij verzocht haar tot vrouw to mogen bobben, en zijn vader bood Jakob en diens zonen aan om een vrij aanzienlijken bruidschat uit te koeren. Hij kwam hun inderdaad met groote hartelijkheid te gemoet on bood hnn aan om één volk met hen uit te maken. Do zonen van vader Jakob gaven hierop ten antwoord, dat zij hunne zuster niet aan een onbesneden man konden ten huwelijk geven, doch wanneer al wat mannelijk binnen do stad was, zich zou willen laten besnijden, zou de prins Dina hebben, en zij zonden één volk mot elkander vormen. Het gelukte Sichem om de inwoners der stad te overreden, en al wat mannelijk was, liet zich besnijden. Drie dagen later, toon allo mannen der stad zich van pijn nauwelijks kimden verroeren, sloegen Jakob\'s zonen bon allen dood on plunderden zoowel do omge-brachten als de stad. Verschrikt riep Jakob, toon deze nietswaardigheid hein ter oore kwam; \'\'(ly hebt mij ongeluk toegevoegd, zoodat ik stinkende ben geworden voor de inwoners van dit land.quot; Over de handelwijze zelve toonde hij zich echter niet verstoord. Neen, hij vreesde alleen de wraak dor Kananioten en vlood. Jakob\'s zonen logden hnnne daad uit, als hadden zij de scharde hunner zuster willen wrekon.

De trokken van list, valschheid, lafhartigheid en wreedheid, die in dit voorval zijn op te merken, ontsierden vele andere Israelioten, zoo vorsten als onderzaten. David\'s wreedheid tegenover de gevangen Moabioten wekt onze verontwaardiging op, niet minder dan Salome\'s valschheid tegenover Oeria. En hoe treurig was hot gedrag van koning Amazia ten aanzien der Kdomieten! (Vergelijk bladz. 270).

Nochtans moet men niet voorbijzien, dat ook andere volken uit dit tijdperk — b. v. de Assyriërs oven wreed mot hunne gevangenen te werk gingen. Maar wM zon hot

285

-ocr page 304-

G e w i j de Tc in pc;! b v n ood i gd h cdcn.

1. ï iH-litor. 2. IJzeren wnterhckkfn, wanrin de prleslcrs handen en voeieti wasschen moesten. 3. Ark des Vcrhouds. \\. lUuknltnar v» lt; r het voorhangsel in quot;1 alleiheiligstc» 5. Toonbrooden. 0. Brnndotferaltaar. quot;f. Hcnkvaten.

-ocr page 305-

rsilAKI, IN T)KN (iriSTOIUSCItEN SAOKNÏtJl)).

ons zijn. wanneer wij do oude [sraolietcn hoogor zagen staan boven do omwonende volken. Het zon ilit zijn uithoofde van het aandeel dat hunne nazaten ten opzichte dor beschaving gehad hebben.

Stonden de toenmalige .loden niet hoogor dan hunne naburen ten aanzien van zuiverheid van zeden, in andore opzichten stonden zij ver benedon de Kgvptenaren. Kunsten en wetenschappen kwamen bij de Israëlieten niet tot bloei, en zelfs in de gewone handwerken muntten zij geenszins uit. Wij bobben gezien , dat Salomo tot den bouw der Tempels bouwmeesters en kunstenaars uit Pboonikiö liet komen, terwijl hij zelf aan Hiram schreef, dat zijn volk dit werk niet verstond. Ook in den koophandel onderscheidden de Israëlieten zich niet bijzonder, en wol ton gevolge! van dezelfde eigenaardigheden als de Kgyptenaren, omdat zij de aanraking mot andere volken als verontreinigend beschouwden.

Ken tak van beschaving, waarin zij te dien tijde iets voortbrachton , was de lyrische poëzie, waarvan eenige proeven in het lied van Deborah on conigo psalmen die aan koning David worden toogeschreven, bewaard zijn. De voor deze dichtkunst meest gunstige periode was die onder koning Hiskia, die zelf dichter was. De Honken van Mozc.t, meent men thans veelal, zijn eerst in den tijd van koning Josia ontstaan, terwijl men do meeste andere in de Bijbel opgenomen schrifton , zi\'lfs die welke aan David wordon toogeschrevon, en de psalmen, benevens de Spreuken van Salomo, tot een latenm tijd brengt. We zullen in eon volgend tijdvak daarop terugkomen.

287

-ocr page 306-

A R M E N I E.

ï)

ot land, dat ton noordoosten van hot Klein-Aziatischo schiereiland, tusschen

\'f;!-..; de Zwarte en Kaspische zeeën, ligt, heet Armenië.

^ Het wordt in zijne noordelijke streken door do rivieren Koer en Araxes doorkronkold, die na vereenigd te zijn , hare wateren aan do Kaspische zee ten offer brengen. In hot zuiden vlooien de Eufraat on Tigris, wier vereenigdo mond aan do Perzische golf wij roods vroeger gedachten. Behalve deze stroomen, bevat Armenië verscheidene alpenmeeron, van weikon dat van Gevan (iOOO, dat van Wan 4700 on dat van Oermia 4rgt;()0 meter boven den zeespiegel ligt.

Armenië is oen der meest hoog gelogen landen van Westelijk-Azië. Verscheidene zijnor boomlooze vlakten liggen \'2\'200 motors hoog. De hoogste borg is do 188;! motors boroi kende Grootc Ararat, waarbij op korten afstand do Klsino Ararat, een bergreus van :J857 meters, zijne kruin verheft. In het oostelijke dool dos lands zijn nochtans oonige uitgestrekte lagere streken , inzonderheid tusschen de rivieren den Koor en den Araxes.

Uithoofde van dezo hoogo ligging is hot klimaat ruw, en de winter lang.

Do volken, die in hot tijdperk dat wij thans behandelen, Armenië bewoonden, zijn niet do voorvaderen dor tegenwoordige Armeniërs geweest. Men vindt omtrent hunne afstamming alleen opgotoekend , dat zij een Aziatische volksstam waren , die met de Georgiërs en andere volken van den Kaukasus in nauwe verwantschap stond.

Do oudste geschiedenis van deze bewoners des lands is zoo duister en verward, en daarenboven voor de algemeono historie van zoo weinig belang, dat wij haar onvermeld kunnen laten.

Het land was in verscheidene kleine staten verdeeld. Doch mogen wij al de namen der stammen kennen, die hen bezetten, zoo is het toch niet mogelijk met zekerheid do ligging van hunne woonplaatsen te bepalen. Naïri lag aan do bronnon van den Eufraat en Tigris, Manna (Wan) ten oosten van daar, Moessassir (Arsissa) noordwaarts van het meer Wan. Verder vinden wij vorsten van den berg Mildis (hot tegenwoordige Krzeroern) en van Milid genoemd. In het rijk Oerarti of Ararti (het Ararat des Bijbel\'x) waren verschillende stammen Armeniërs vereenigd.

Hetgeno wij van do geschiedenis van Armenië weten, beperkt zich tot dat wat wij uit do Assyrischo opschriften ervaren , want do in de 5,,c eeuw na Christus\' geboorte door Mozes van Chorene saamgostolde geschiedenis van Armenië is een allerzonderlingst mengsel van fabelen, waaruit de historische kom, die mogelijk daarin besloten is, niet is oji te rakelen.

-ocr page 307-

AKMKNIK (IN DEN U ISTOItlSCU UN SA(iKNTIJI)).

289

Wij hebben gezien, dat de Assyrische koningen or roods iti vri/ogon tijd naar trachtten zich van dit zoo nagelegon land meester te maken, en dat Toeklat-Habal-Asar i (li.\'iO II 10) ecu krijgstocht naar Naïri ondornam. (Vergelijk hladz. IS(i). ]lt;]on afbeeldsel van dien vorst staat in do rotsen van Karkar uitgehouwen.

Toeklat-Mabol-Asar\'s opvolgors onderwiorpon het grootste deel dos lands. Doch de oorlogen togen Armenië duurden zoo lang er oen Assyrisch rijk bestond, en wij zullen die bij de goschiedenis dezer heorschappij moeten vernielen. 1)»/-« uorlogen , lioo barbaarsch

quot;M met hoevole gruwelen ook gevoerd, haddon niettomin hot gunstige gevolg, dat zij Assyrische beschaving in dit bergland overplantten. Zij brachten liet spijkersclirift ib\'r Assy-i\'ióra naar Armenië , en de nog in dit land bewaarde gednnkteokenon bevatten in dit ■i.hrift ophelderingen aangaande een vroeger vorlodon , doch vooralsnog zijn zij niet voldoende ontcijferd.

-ocr page 308-

K L El N -AZ I E.

njx

gt;Hl«iii-Azi6 is een l!»() uren lang en 110 men broed, derhalve een meer dan 10,000 vierkante mijlen omvattend scbiereiland, eun land, dat door berg-( ketenen ingesloten en doorsneden is.

quot;Als een klein Iran rijst het uit drio zeeën op,quot; de Middellandsche, iEgeësche en Zwarte zeeën. In hot zuiden loopt eone van den ïanros afwijkend gebergte. In het noorden verrijst eene lagere bergketen van den Kaukasus, in evenwijdige richting met de kust der Zwarte zee tot zij in den Mysischen Olympos eindigt. Kono niet zeer hooge heuvelketen doorsnijdt het schiereiland, in eono diagonale richting van het noordoosten naar het zuidwesten, en verbindt den Tauros met don Olympos. In het oosten wordt het

schiereiland door dé gebergten van Armenië bepaald.

In de zuidelijke zeeën stortten zich ettelijke kustrivieren van beperkte lengte, doch die wij noemen omdat zij in de geschiedenis, in verschillende tijdperken, zekere rol spelen, zooals de Kydnos, Kalkydanos, Eurymedon, Kestros, Xanthos en Glaukos.

In do Egeësche zoo vallen do Hermos en de Moandros, de Paktolos (die op hot goudbevattend gebergte Tmolos ontspringt en korrels van edel metaal in zijn slib me-devoert), en de van den Ida nederdalende Simreïs en Skamander.

In den Hellespont giet zich hot water van den Granikos, en in de Zwarte zee de stroomen van den Sangarios, den Halys en eenige minder aanzienlijke stroomen.

Onder de veelvuldige moren vermelden wij alleen het grootste, de latta, een zil-

ten plas.

Tegenover de veelvuldig diep-ingekorven westkust vindt men een groot aantal eilanden, waaronder Lesbos, Chics, Samos, Kos, lihodos, enz. De meesten daarvan komen het \'land zoo naby dat zij de monden van de rivieren en de havens kunnen beschermen. en zijn ver genoeg verwijderd om bij plotselinge aanvallen uit het binnenland den kustbewoners tot wijkplaatsen te verstrekken,

Klein-Azië werd in eene menigte staten verdeeld, die hunne namen erlangden van de volken welke zich daar hadden nedergezet. Do volgenden lagen aan de zeekust. Het dichtst bij Phoonikie on met de kust daarvan ongeveer een rechthoek vormende, breidde zich Kilikië uit. Daarop volgden l\'amphylië, Lykië, Karilt;!, Dydië, Mysië, Hitbynië, l\'aphlagonië en Pontos. In het binnenland, tusschon Pontos en Kilikië , lag Kappadok ie. Tusschen llitlivnië en l\'aphlagonië naar het noorden, en Painphylië en Kilikië naar het zuiden,

-ocr page 309-

Kl.rlN\'-A/.IK (IN DUN HISTOllISCHHN SA(IRNTIJI)).

strekten zich Oalatiö, Lykaoniê en Pisidië uit. Eindelek vond men, ingesloten door doze drie landen on door Kariö, Mysiö en Bithyniö, liet landschap l\'hrygië, waarvan oen gedeolto door don Propontis (iiot Meer van Marmara) werd bospoeld.

Hot is geheel onmogelijk met eenigo zokorheid den oorsprong van al de volken op to geven, die Klein-Azië in oude tijdon bewoonden. Niet dan vormoedens kunnen we to dion aanzien opperen. Toeraniërs on Koshioton zetten zich hier in de allervroegste tijdon neder, do eersten in hot binnenste des lands, do laatsten aan de kusten dor zee,

Do Koshioton verdwenen reeds in don voorbistorischen tijd, zoodat do Kariörs het eenige volk zijn, aan wier donkore sagen wjj een koshiotischen oorsprong kunnen toekennen. Do Toeraniërs handhaafden er zich tot de tijden der Komeinsche wereldheerschappij; ton minste vindon wij van hen stammen zoowol in het noordon als in het zuiden van hot schiereiland. Do Kolchiërs , Saspieron en Chalybers, die sedert onheugelijke tjjdon don borgbouw beoefenden, leverdon aati de overige Aziaten ijzer, benevens zilver en tin. Moer zuidwaarts heerschten langen tijd twee nauw verbonden volken , de Mooskaï en Toeblaï, (de Meskekh en Toobal van den Bijbel). De laatstvormeldon woonden in liet gebied van den Iris en tot aan do Zwarte zee; do Mooskaï aan don Bovon-Eufraat en Boven-ïigris en tot don Halys. Aan hen behoorden do beide aanzienlijkste steden van Kap-padokië: Mazaka (op den berg Argeion) on Koemanoe (Coniana).

291

De Toeraniërs worden door de Ariërs en Semieten naar den Kaukasus teruggedrongen. Do laatsten, meent men, dat zich uit Syrië en van den Eufraat derwaarts en naar do Zwarte on -ZEgeëscho zeeën hebben uitgebreid, terwijl J,! Bijbel de Lydiërs van Lood (of Lud), een zoon van Som, laat afstammen. Doch al deze berichten zijn uiterst onbepaald, \'t Is mogelijk dat Semieten oen tijd lang in Phrygië woonden, doch zij werden spoedig verdelgd of verjaagd. Niet dan in Lykiü en langs do zuidelijke kusten verwierven zij vaste woonplaatsen. Zuidwaarts van don Tauros woonden eveneens Semitische stammen, die Kilikië koloniseerden en mot do Solymers on Erombers do uiterste voorposten dor Semieten tegenover do Ariërs vormden.

\'iif 11

,;

De Ariërs van Klein-Azië behoorden allen tot één om dezelfde familie, wier heerschappij zich van Armenië tot den Tauros en don lt;Vrchipol uitstrekte. De hoofdmassa des volks bewoonde het westelijke gedeelte der vlakte, die in het noerdon door do Sangaries, gelijk in het zuiden door do met ontelbare kronkelingen voortstroomendo Meandres, wordt doorsneden. Dit heerlijke akker- en weideland heette Phrygiil en werd door oen vlijtig, vredelievend, hoofdzakelijk van don landbouw levend volk bewoond, welks taal met hot (rrioksch ongeveer dezelfde ovoroonkoinst had als liet lt;iotbisch mot het Middenhoogduitsch. De boheorschers van Phrygië waren veelal niachtigo koningen, doch ten aanzien van hunne bedrijven en lotgevallen zijn niet dan overleveringen bewaard gebleven. Oude graven, die men in hot begin van deze eeuw omstreeks de bronnen van den SangarioS beeft gevonden, bobben al oven weinig opheldering gegeven als do duizenden kleine rotswoningen, waarin de Plirygiörs in de oudste tijden schijnen geloefd te hebben eer zy vrijstaande huizon bouwden en groote steden aanlegden, wier ouderdom eveneens tot zeer verre tijdon opklimt De koningen dor Phrvgiërs heetten waarschijnlijk Gordios on Midas. Arulore iiamon worden ton minste nergens gonoemd, met éëne uitzondering evenwel; do koning met wien hot Gerdischo stamhuis in do O1\'1\' eeuw voor Christus een oindo nam, hoetto Adrastos.

\'1

-ocr page 310-

«nïi.ixsTKBKUDK \\VKiu;i,i)(ii;sciiri;t)i;\\\'is.

Omtnmt do stichters diw dynastie, Gordios eu zijn zoon Midas, bericht do sago ons hot volgond». Do eerste Midas, van wien men eonige herinnering hooft, besteeg, naar hot schijnt, omstreeks den jaro 71!« vóór Christus den troon. Hij huwde eone (Iriekscho koningsdochter, Damodike, on wijdde zijn rechterlijken stoel aan het orakel te Dnlphi. Toen do Kimmoriërs een inval in zijn land doden, doodde hij zich door het drinken van stiorenbloed. Van oen derden Midas weten wij verder niets dan dat eon Grieksch dichter een grafschrift te zijner eer vervaardigde.

Do, sagen die omtrent don eersten Gordios en Midas zijn opgoteekend, luiden in do hoofdzaak ;

Gordios was eon landman. Terwijl hij aan het ploegen was, zette een arend zich op het juk en bloot\' or don ganschen dag op zitten. Igt;at oordeelde deze boer moest eone bijzondere betoekenis hebben. Uit dien hoofde begaf hij zich naar Tolmossos, om oen waarzegger daarover te raadplegen. Bij hot binnonkomen der stad ontmoette bij eene bij-zonder schoone maagd, die de kunst van waarzeggen verstond. Zij voorspelde hem, dat hij eens koning zou worden , en ten toeken dat zij vast daaraan geloofde, bood zij zich tot zijne vrouw aan, iets wat Gordios uitermate verheugde.

Niot lang daarna ontstonden oneonigheden onder de l\'hrygiers. Het geiaadpleegde orakel ried hot volk, ton eerste de onlusten te stillen en dan oen koning te kiezen, namelijk den eersten man, die, overeenkomstig de orakelspreuk, op oen wagon don tempel van Zeus (in \'t l\'hrvgisch Man of Manos) zou bezoeken. Nauwelijks hadden de afgevaardigden hot volk die orakelspreuk overgebracht, of men zag een boer met zijn wagon naar den Zeustempel rijden. Deze was Gordios, die nu dadelijk onder het go-jnioh des volks tot koning werd uitgeroepen.

Ter herinnering aan het gebeurde, liet Gordios zijn wagen te Gordion als een aan /eus gewijd heiligdom in den tempel van den god ten toon stollen on knoopte het juk met don dissel door middel van een uit bastvezel gewerkt koord zoo vast aaneen , dat hot orakel dengene de heerschappij over Azië beloofde, welke dien knoop zou losmaken. Wij zullen later zien, hoe Alexander do Groote deze opgave met het zwaard oploste. Sedert noemt men elke onoplosbaar schijnende verwikkeling oen Gordiaanschon knoop, torwijl het doorhakken van knoopen eene wijze van sproken is geworden , waarmode men de gewelddadige oplossing van zoodanige, verwikkelingen aanduidt.

j)o zoon van Gordios en de schoone vrouw, dio hem, toen hij nog een eenvoudig landman was, bet bezit dor kroon voorspelde en geono andere was dan do godin Kybelo zelve, heette Midas. Koods toen hij in do wieg lag, voerden mieren tarwekorrels naar ili\'ti mond van het slapende kind, waaruit het orakel onmetelijke rijkdommen voorspelde. Deze rijkdom schijnt hot gevolg geweest te zijn van eene gelukkige ontginning der mijnen; doch de sage verhaalt een andoren oorsprong. Zij zegt, dat God Dionysios aan Midas op zijne smeekbede de kracht verleende om alles wat hij aanraakte, in goud te veran-(leron. Toen liij daardoor gevaar liep om te verhongeren , werd hij van deze gevaarlijke eigenschap verlost, door zich in den l\'aktolos te baden en onder te duiken, sedert wolkon tijd de rivier het goud in haar slib medevoorde.

De sage verhaalt verder van Midas, dat hij een leerling van Orpheus is geweest. Toen hij eens bij oen wedstrijd in den zang tusschen Apollo en Pan deze goden beluisterde on als ongeroepen scheidsrechter i\'an don prijs toekende, omdat diens rieten lluitje hom boter beviel dan Apollo\'s cither, strafte de vertoornde zonnegod hem met oen paar ezelsooren. Midas verborg dio gernimon tijd door eone hooge eigenaardige hoofdbedekking, do bekende l\'hrygische muts. Doch hij mocht door dezen vond der menigte

292

-ocr page 311-

KLKIN-AZIË (IN DEN IIISTOHISCIIRN SAGENTTJD).

onkundig omtrent do gedaante zijner ooren laten, voor zijn barbier kon iiij zijn gebrek niet geheim houden. Deze moest wel is waar beloven het staatsgeheim niette verraden, maar de praatzieke man voelde zich daardoor vreeselijk bezwaard. Om zijn hart lucht te geven, dolf hij op eene eenzame plek oen kuil in den grond on Duisterde daarin; quot;Koning Midas heeft ezelsooren.quot; Zijne praatzucht en domheid spoelden hom daarbij een jammerlijken trek, want door zijn zonderling1 gedrag werd Midas\' gebrek algemeen bekend. Deze Midasfabels zijn bezwaarlijk eigene sagen der l\'hrygiërs, maar veel meer fragmenten door satirieke Orieksche tooneelspelers opgesteld bij den strijd over de voorrechten van do fluit, die in Griekenland uit Phr^giö werd ingevoerd en do luit dor Grieken.

De godsdienst der Phrygiërs stamde ongetwijfeld uit Syrië af. Hun Baiil heette nochtans Manos. Hunne godenmoeder droogden naam van Amtna, die door de Grieken in Kybele en verscheidene andere namen werd overgezet. Eigenlijk was deze Anima eene samensmelting voor Asjera en Astarte, en hare vereering aan dio van deze godinnen gelijk. Ook de Adonislegonde vond men bij de Phrygiërs, ofschoon in eenigszins veranderden vorm. Hun Adonis heette Pages, terwijl do Grieken hom Attys noemden. Hij vluchtte voor do op hem verliefde godin lt;\'n maakte zich geslachteloos onder een pijnboom. Zijn dood en zijn ontwaken worden mot buitensporige treur- en vreugdefeesten gevierd.

De wetten die door do Phrygiërs werden in acht genomen, kenmerken hen als een eenvoudig volk, bij hetwelk de landbouw de eerste plaats bekleedde. Zoo werd b. v. hot dooden van oen ploegstier on de diefstal van akkerbouwgereedschappon mot den dood gestraft, liet zweren van een eed werd in den regel niet bij de rechtbanken als oen middel om een feit te bevestigen toegelaten, waarschijnlijk uithoofde van don zeer juis-ton grond, dat het den gewotenloozen en ongeloovigen een onrechtmatig overwicht op de rechtschapenen verleent.

Nevens don landbouw bloeiden bij do l\'hrygiërs velerlei hanteoringon. Zij verstonden do kunst om uit zwarte wol zoor schoono weefsels te maken, terwijl ook het borduren bij hen word uitgevonden. De bergbouw werd ijverig en, naar hot schijnt, met goed gevolg gedreven. Ook de uitvinding van wagens met vier wielen on van het anker schrijft men hun toe.

Wat wij van hunne kunst weten, hoeft weinig te boteekenon. Nochtans worden zij do uitvinders der fabolpoëzie genoemd, en de fabeldichter Ksopos, verzekert men , was eon Phrygiër. Ook do muziek verhougdo zich in eene ijverige beoeféning, weshalve l\'hrygischo Muiten en handtrommels bij hunne uitgelateno feesten eene grooto rol vervulden. Do vergelijking tusscben do Griokscho kithara on de l\'hrygischo lluit achtten vele Griokscho kunstrechters zoo smakeloos, dat zij niet alleen Midas wegens het door hem gevelde oordeel ezelsooren toekenden, maar ook do fabel dichtten, dat Apollo Marsyas do huid afstroopte, toon deze do vermotelhoid had gehad op oeno lluit oen wedstrijd tegen zijne muziek aan te gaan. Intusschon kan de muziek, zooals Apollo die o]) zijn cither of lier voortbracht, volgons onze begrippen, juist niet boel bijzonder liefelijk zijn geweest.

Niet alleen bij do Phrygiërs, maar ook hij nagenoeg allo Kloin-Aziatische volken, worden de Syrische goden, ofschoon onder verschillende namen, veroord. Terwijl de grooto godin Anima (Kybele) heette, noemden do Kappadokiërs haar Mono of Ma, do Lydiërs Hlatta, enz. De dienst dezer godin vond niet geringe afwijkingen overal op eenorloi wijze plaats. De vereering kenmerkte zich overliet geheel door eene niengoling van wellust en fanatieke kuischheid.

-ocr page 312-

(IKÏU.DSTKHF.IUH WKKKIiIXïKSCIII KI) KN IS.

Terwyl de inannelijko ilionaron iler godin zich ontmandon , voreerden daarentegen (naar liet verhaal van den Griekschen geschiedschrijver Diodoros) te Koinana aan den Saros, in Zuid-ivappadokiö, niet minder dan OOOO hierodulen in inanskleeding en ge-waiiende vrouwen — want maagden kan men haar bezwaarlijk noemen — de godin Ma met haar lichaam. Onkuischheid was godsdienst. Zoodanige toewijding hebben wij reeds vroeger leeren kennen, en bij de zinnelijke neigingen der Oostersche volken, kan het gcene verwondering baren, dat deze wijze van godsdienstvioring willige dienaren en dienaressen, bij groote verbreiding, vond. De Phoenikiërs brachten hunne goden over naar al hunne volkplantingen, en overal vond men gesneden priesters van Asjera en Astarte (of hoe men haar noemen mocht), en meisjes, die in inanskleeding en gewapend de godin op hare wijze dienden.

Deze gewapende vrouwen gaven aanleiding tot do sage der Amazonen, die de wonderlievende en fantasierijke Grieken tot eene erfelijke historie uitwerkten, waaraan zij als eene niet te bestrijden daadzaak geloof hechtten. Daar nu in verschillende streken op aarde zulke gewapende vrouwen geleefd hebben, namen de Qrieken aan , dat zij het geweest

zijn, die de steden, waar zij leefden, gesticht hebben, en verbonden daarmede allerlei verhalen van wonderbare oorlogs- en veroveringsfeiten der quot;Amazonen.quot;

Daar deze naam, Amazonen, in het Grieksch door borstloozen overgezet kan worden , dichtten de Grieken de fabel, dat deze vrouwen zich de rechterborst afsneden, om daar-(hquot;ir ni-t in het spannen van den boog verhinderd te worden. Op oude beeldwerken vimil men haar echter nooit derwijze verminkt. Zij worden op verschillende wijzen voor-gej-teld. In de oudste tijden beeldde men haar af met een breeden gordel, wijden mantel en de Phrvgische muts. een schild in den vorm eener halve maan, boog en strijdbijl, op latere gedenkteekenen zijn de \\mazonen gewoonlijk te paard afgebeeld, in een Do-riscben chiton een kou wollen hemd, meestal zonder armsmouwen), met naakte armen en scheenbeenen , den helm op het hoofd en een speer in de hand. Ook voor de voortplanting der Amazonen zorgde de fantasie der Grieken, daar zij verhaalden, dat deze vrouwelijkquot; krijgslieden op bepaalde tijden met mannen uit de omringende oorden samen kwamen en van de nit die bijeenkomsten geboren kinderen alleen de meisjes in het leven lieten.

294

-ocr page 313-

295

Wij zulloii dozo Ainazononsagon liorliaaldelijk in do (nidi* goschiedonis ontmonten, 011 daar ons nn bekond is hoo weinig zij mot do waai-hoid ovcri\'i\'ïikoiiuui, vindon wij hol, niot noodig ons m^t do geschiedenis der Amazonen, zooals do Cjriokon ons di{^ hebben overgeleverd, bezig to houden.

Eer wij van het belangrijkste der Kiein-Aziatische volken, de Lydiërs, breeder spreken , willen wo in korte trokken het kenschetsende dor andero nation mededeelen.

De muisto naburen van de Phoenikiiirs waren de Kilikiörs, tot wolken mede de Solyiiien behoorden. Zij zouden van zekeren Kilix, den zoo)i van Agenor, een l\'hoeni-kiör, afstammon.

In hot noorden van Kilikië verrijzen de borgen van den Tan ros, waardoor nauwe rotswegen, bekend als de Kilikisdie passen, do gemeenschap mot Kappadokië bewerkstelligen en het verkeer in genval van nood bezwaarlijk kunnen maken. De vlakte aan do zee was toen vruchtbaar en welbebouwd. De Kilikiörs waren een werkzaam, strijdbaar volk. Zij droegen wollen kleederen , eigenaardige , uit ossenleder vervaardigde helmen , zwaarden die in vorm met de Egyptische overeenkwamen, en twee werpspietsen. Hunne vorston boeten Syennosis, wolk woord waarschijnlijk meer den titel dan den naam uitdrukt. Hunne steden aan de zeekust waren zeer rijk en machtig en bezaten eene groote menigte vaartuigen.

De noordelijke naburen dor Kilikiörs, do Kappadokiërs, noemde men, uithoofde van hunne lichtere huidkleur, ook quot;blanke Svriërs.quot; Zij waren een luchtig, dapper volk, hielden zich meer met de veeteelt dan mot den landbouw bezig en fokten voortreffelijke paarden aan. Aangaande hun godsdienst hebben wij reeds bericht gegeven.

De westwaarts van den Halys, aan de Zwarte zee, wonende Paphlagoniërs waren eveneens van Syrische afkomst. Zij waren een ruw, hoogmoedig en bijgeloovig ruitervolk. Er zijn tijden geweest, waarin zij 120,000 man, meest cavalerie, op do been konden brengen. Zij droegen helmen van govlochten rijs, kleine schilden, werpspietsen en dolken, en laarzen die tot aan het midden van het been reikten.

De Lykiërs zouden uit Kreta overgekomen en weleer Termielen geheeten zijn. Hunne, voornaamste godheid was Lykeios, de zonnogod, naar wien zij genoemd werden. Hunne huizen , wier gevels met allerlei voorstellingen en relief versierd waren. getuigden van lijneren smaak en grooter kunstvaardigheid dan elders in Klein-Azië werden opgemerkt. Hij de Kilikiörs noemde men zich niet naar de voorvaderen, maar naar do voormoeders, om zeker te zijn niet te dwalen. — liet rijk der Lykiërs moet zich op verschillende tjjden tot ver in hot hart van Klein-Azië hebben uitgestrekt, want volgens de Assvrische monumenten verschijnen zij zoowel aan den llalys als aan den Eufraat. Een landschap ten zuiden van den Ida in Mysië droog eveneens den naam van Lykië.

De Kariörs kunnen wellicht van tie Koshieten afstammen, die l\'hoenikië bevolkten. Dat zij zich allereerst op Kreta nederzetten en van hier naar Klein-Azië gingen, of wellicht zich op de tegenovergestelde wijze hier en daar vestigden, hoeft niets onwaarschijnlijks, omdat de Koshieten nienschen waren gewoon de zee te beploegen. Dat zij andere eilanden dan Kreta bezet hadden, waar zij de l\'hoenikiërs ontmoetten, en van waar zij later door de Grieken werden verdreven, dat zij zich van zeeroof geenszins afkoerig toonden en de met hen vermaagscliapte l\'hoenikiërs op verschillende avontuurlijke vaarten vergezelden, weten wij reeds. Zij schjjnen een \\olk geweest te zijn zooals in

-ocr page 314-

OKÏ MiUSTIlKKKDK AVKItHIiDflKSCUI K DENIS.

vervolg viin tijd (1(! Noortnaiinoii. Ook vindon wij hen als hooggewaardeordo soldciiii\'n\'ii. 1\'saiiu\'tich versloeg met hunne hulp zijne mededingers, en Joodsche koningen bezaten eene lijfwacht van Kari/irs. Ilerodotos beweert, dat Kariiirs, Lydiërs en Jlysiërs dezelfde taal gesproken hebben , hetgeen tot eene zelfde afkomst zou doen besluiten.

Doch laten wij den strijd over den oorsprong der Kariërs rusten. Zij waren een stout, krijgshaftig en zeevarend volk. Ken te zamenhangenden staat vormden zij niet, ofschoon de steden die zij bewoonden . met elkander verbonden waren.

Zij waren do eersten, die hunne helmen met pluimen versierden. Ook voorzagen zij limine schilden met vaste grepen en beschilderden deze met wapenfiguren. Hun optreden moet indrukwekkend, krijgshaftig geweest zijn. Toen zij in Egypte verschenen, staarden do inboorlingen hen althans met verbazing en schuchtere bewondering aan , want ware ilit niet hot geval geweest, zoo zou Psametich niets van hen hebben ervaren en hunne diensten niet kunnen koopen.

Het land op do uiterste noordwestpunt van Klein-Azië word bezet door de Mysiërs. Onder de volken, die zich eens tegen Ramses III verbonden, werden ook zij genoemd, in de eerste plaats de ingezetenen van het landschap Troas, waarin de hoofdstad Troja of Ilias aan de rivier de Skamander was gebouwd. De Mysiërs moeten in do oudsto tijden verder naar het oosten gewoond hebben , doch door de füthyniërs verdrongen zijn. Sedert zij door Grieksche volkplanters van do kust naar het gebergte werden achteruit geschoven , schijnen zij weinig of niet in beschaving vooruitgekomen to zijn. Nog in do (i,,e eeuw hadden zij werpspietsen , wier houten punten iti het vuur gehard waren.

Tot de Mysiërs behoorden de stammen der Teukren, Kebrenen en Dardanen. Do geschiedenis dezer volkeren is zoo nauw met de gedichten der Griokscho oudheid samen-geweven. dat men de grenzen tusschen beiden niet kan vaststellen.

Dardanos, do beminde zoon van Zeus en zekere stervelinge, had, naar luid der sago op de helling van den borg Ida de, stad Dardana gesticht. Zijn opvolger. Tros, bezat twee zonen, Hos en (ïanymedes, welke laatste Zeus uithoofde van \'sjongelings schoonheid naar den Olympos ontvoorde. Do oudere zoon, Hos. stichtte de stad Ilion of Troja, in het dal van den Skamander, tot wier bescherming zijn zoon Laomedon den burg 1\'oigamos bouwde. Een andere zoon van Tros was Assarakos, die do grootvader werd van Anchises , op wien de godin der min. Aphrodite, verliefde en hom een zoon, Aeneias, schonk. Een zoon van Laomedon was Priamos, die uithoofde van zijn rijkdom alom werd beroemd. Hij had vijftig zonen, en onder hen Hektor, Paris en Troilos. Paris dankte zijne geboorte, evenals achttien zijner broeders, aan Hekabe, do koningin. Eer dezo den knaap het levenslicht schonk, zag zij in don droom een ontzottenden brand, die geheel Troja verteerde. Uit dien hoofde liet men Paris aan den voet van den Ida onder herders opgroeien. Hn drie godinnen Hora, Pallas en Aphrodite kozen hem , die verstand had van schoonheid, tot scheidsrechter bij de vraag wie van haar in lichamelijk schoon uitmuntte. Hij gaf Aphrodite den prijs en verwierf zich daardoor hare gunst. Hoe zich de droom zijner moeder vervulde en door zijn toedoen Troja veroverd en verwoest word, zullen wij in de Grieksche geschiedi\'nis vernemen.

Het oudste Troja was op de helling van den berg, dicht bij den burg Pergamos, gebouwd, maar door oen brand verwoest. Zóó vonden het do (!rieko?i, toen zij de stad bolcgorden en veroverden.

Omtrent de ligging dezer stad verkeerde men langen tijd in het onzekere. Kerst in onze dagen heeft, men haar toruggovonden, en een Duitschor, die zich te Amsterdam voorbereiddi\', I gt;r. Schliemann , lo eft hare bouwvallen weder aan het daglicht gebracht.

290

-ocr page 315-

K li KIN-AZIË (IN DEN IIISTOIITSCIIHN SAO HNÏIJI)).

297

I)lt;! opgravingen vim Schliemann hebbon den Trojaansclion oorlog van hot gebied der sago in dat der geschiedenis teruggevoerd en ons in staaf gesteld, op grond van talrijke vonden, over de beschaving van het ondo Troja te oordeelen. Deze beschayiBg stond zeer ver ten achteren bij die der Kgyptenaren, Babyloniers en Ass\\ ri(,;rs, doch schijnt zich mede zonder vreemden invloed ontwikkeld te hebben. Ifet door Schliemann ffieonvergaderde leemen vaatwerk is zeer ruw en nog niet op de draaischijf gevormd. Alles is op eenvoudige wijze versierd en noch gekleurd noch verglaasd, maar door steen geglad. Men vond verschillende werktuigen on wapenen uit den oudsten tijd van steen. Ook de slagtanden van everzwijnen waren tot wapenen verwerkt. I.Tzor en staal waren nog niet in Troja bekend : lansen , zwaarden, pijlen en schilden waren van brons. Schliemann vond echter ook vele voorwerpen , t. w. vaten en sieraden , van goud en eene menging van goud en zilver. Kveneens vond hij eene menigte ruwe boelden van goden en andere dingen, die hoogst belangwekkend en voor de wetenschap allermerkwaardigst zijn.

-ocr page 316-

L Y D I E.

«t voor do gesdiieileni.s liclangrijkste volk van Kloin-Aziö is dat dor Lydiórs. Zij bowoondoii oon lieorlijk land. Van dis kuston dor .Egoöscho zoo rijst hot allengs tot hmivclklingcn, dio, mot stutigc busschon bogrooid on door schoone borgwoidon liior en daar doorsnedon, door don rotsigen Ida, den Ttnolos en andoro borgon overschaduwd worden. Deze voreeniging van zookuston on bergstreken maakt het iatid tot een allorbekoorlijkst verblijf. Do dalen van den Hormosstroom en de omstreken van het Gygosmeer waren buitongowoon vruchtbaar aan granen en vruchten, terwijl zioli kustolpe weiden op do borghollingen nitbroiddon, waar onnoemelijk vele paarden weidden , wier aanlok in gansch Azië werd geroomd.

Van waar de Lydiörs afstamden, is onzeker. Hot is intusschen hot moest waarschijnlijk, dat /.ij, evenals do bewoners van Phrygie, Ariërs van afkomst waren. Dat hunne godsdienst dezelfde was als die dor Syriërs, levert geen bewijs dat zij oorspronkelijk mot dozo één volk zijn goweost. Het is /.eer mogelijk dat Semitische stammen in de oudste tijden tot l\'hrvgiö en wellicht ook tot Lydië vooruitdrongen en daar hun godsdienst achterlieten , die hoogst verleidelijk was.

Van de geschiodenis van Lydië in de oudsto tijdon weten wij weinig. De Grieken hebben er voor gezorgd haar in fabelen te hullen. Evenals dit van do eerste koningen doorgaans verhaald werd, stelde men voor zeker, dat ouk do Lydische koningen van goden afstamden. De god Manes, de zoon van Zeus en de Aarde, had bij de dochter van den Oceaan, Kallirhoo, eon zoon Kotys. Diens zonen waren Asios, die het geheole werelddeel den naam gaf, en Atys. Laatstvermeldo werd de stamvader der Atyaden, die over Lydi/i heerschten. Zijne gade, Kallithoa, baarde hem Tyrrhenos (of Tyrsenos, ook wel \'rorrhebos) en Lydos. Naar don laatstgenoemdo verkregen de Lydiërs bun naam, want het volk van welken zij een deel uitmaakten, heette oorspronkelijk Meones. De overige stammen waren do Tyrsenen of Tyrrhenon (Toorsja), de Torrheben en Sjardanen.

Lydie\'s kuston noodigd(\'n tot de scheejivaart nit, evenals tot zeeroof, en Tyrrhe-nen (of Tyrsenen) zotten zich in Umbrië neder. Doze volksverhuizing geschiedde niet op eenmaal, maar van lieverlede, eenigermato trapsgewijze, want men ontmoet Polar-gischo Tyrrbonen op Inibros , Lemnos, Samotlirake enz., ja zelfs in Afrika, waar zij, in gomeonschap met de Lybiërs, Egypte ten tijde van Sethos I aanvielen, en eene geweldige nederlaag leden. Hetzelfde overkwam do Sjardanen door Itamses 11, die velen

-ocr page 317-

209

van lion govangon nam on bij zijn leger inlijfde. Zij strodon in don oorlog mot de Kliota\'s togen do Kléin-Aziatische bondgenooten van dat volk, de Lykiörs, Mysiörs on Troërs.

Horodotos laat do Tyrrlionon, ten gevolge van oen hongersnood in Lydië het land verlaten. Een der opvolgers van Atys was do vrome Alkanos, oen ander Akiamos, wiens veldheer Askalos in Syrië Askalon stichtte. Een dor bijwijven van koning Molos schonk het leven aan oen leeuw. Het orakel, over dit zonderling natuurverschijnsel geraadpleegd , beval den jonggeborene naar do hoofdstad Sardos te brengen. ten einde deze onverwinbaar te maken. Een koning, Kamblotos, offerde en verslond zijne gemalin, nadat hij haar voor het gehoele volk den dood had gegeven. Op hem volgde Jar dan ÓS, die eene dochter, Omphale, kreeg. Deze kocht als slaaf Herakles, die haar geweld aandeed, ton gevolge waarvan zij zwanger word on oen kind ter wereld bracht. Toen zij koningin werd, dwong zij de Lydischo maagden om zich op eene bepaalde plaats aan de slaven prijs te geven, terwijl zij zelve eiken vreemdeling don dood bereidde, wien zij als bedgenoot aannam. Zij had van Herakles een zoon, Alkoos. Een nakomeling van dezen Alkoos, Agron, werd koning, en met hom vangt de dynastie der Herakliden aan (omstreeks li04 jaren vóór Christus). Twee-on-twintig koningen uit dien stam regeerden te zamen 505 jaren. Dit stamhuis der Herakliden word ook dat der Sando-niden genoemd, naar don Lydischon Baiil-Melkart, die do Lydiërs Sandon heetten, en die, zooals wij in de goschiedenis dor l\'hoenikiërs vermeld hebben, bij de Grieken den naam van Herakles droog.

Over de afkomst van dezen Agron — wolk woord in het Assyriscb vluchteling be-teekent — zijn de zonderlingste fabelen opgedischt, die nochtans, ofschoon in allen ernst door talrijke quot;geschiedschrijversquot; medegedeeld, niet de geringste waarde bobben.

De laatste koning dezer Herakliden in Lydië was Kandaules. Hij had eene wonder-schoone gade, op wier bevalligheden hij trotsch was, en tot vertrouwde een aanvoerder van zijne speerdragers, öyges. Om dien veldheer de schoonheid zijner gemalin te toonen , verborg hij hem achter eene deur in haar slaapvertrek, zoodat Gyges haar naakt kon aanschouwen. Toen de veldheer wegsloop, bemerkte de koningin den spion en besloot den geloden smaad te wreken. Den volgenden morgen verzamelde zij hare aanhangers en liet öyges de keus, of hij wilde sterven of wel Kandaules ombrengen en haar huwen, (iyges koos hot laatste. In het slaapvertrek verscholen, doodde hij don koning, en wijl het orakel te Delphi hem tot koning aanbeval, vereenigdo bot volk zich met deze uitspraak. Als dankbaar offer voor do aanbeveling zond de zoo hoog gestegen hoofdman oen aantal gouden voorwerpen, gezamenlijk tot een gewicht van .\'iO talenten, benevens nog ettelijke andere kostbaarheden , naar Delphi.

Plato verhaalt oen nog voel zonderlinger geschiedenis van dezen Gyges. Na een vreoselijk onwodor ontwaarde een schaapherder eene kloof\' in do aarde en daalde daarin af. Hij vond er een half vernield koperen paard en in don buik daarvan een reus, dio een gouden ring aan een der vingers had. Do herder bemerkte dat deze ring de kracht bezat om den drager onzichtbaar temaken (waarschijnlijk alleen (ton lovend mensch, want in het andere geval bad de herder don doodon reus niet kunnen zien). Gyges was deze herder: hij ging naar het hof, maakte gebruik van zijn vond, verleidde de koningin en bracht den koning om het loven.

Langs zoodanigen weg werd Gyges de stichter der dynastie der Mennnaden.

Hij regeerde acht-en-dortig jaren (71!)—(iSl). Aangelokt door den rijkdom der Grieksche handeldrijvende volkplantingen op do kust, voerde hij oorlogen tegen Milete, Smyrna en Kolophon, welke laatste stad hij innam.

-ocr page 318-

OKÏI.IJISTIIKKRDK WK11 KI,I)0liSC1111\'.I)RNIS.

Zijn zoon Ardys zotte den oorlog voort. Doch ton tijde van zijn bewind namen do door do Skythen verdreven Kimmeriërs do stad Sardes in , ofschoon zonder don burg (fifiO). Kerst aan Ardys\' zoon, Sadyattes , ((ilJT—f!25) gelnkte liet die overweldigers to verdrijven. Daarenboven luid hij don voorspoed de Phngiërs aan zich to onderwerpen.

Alyattes (de opvolger van Sadyattes), die van (»\'2.\') heerschte, voordo gedu

rende elf jaren een voorspoedigen oorlog togen di\' Milesiërs, over wien te dier tijde do dwingeland Trasyboelos regeerde. Doch liij moest zich schrap stellen tegen do Meden, die zijn rijk aanvielen. Do vijfjarige oorlog nam aan den Ualys oen einde, tengevolge van eeno zonsverduistering, die gedurende don slag plaats vond (SO September (310 vóór \' \'hristus). Men sloot vrede met elkander, ja zidfs 0(!U vriendschapsverbond. Volgons het toenmalige gebruik bekrachtigden heide vorston, Kyaxaros van Medië, on Alyattos van Lydië, dit verdrag, door zich do armen open te rijten, waarna elk het bloed van zijne tegenpartij opslurpte. Sedert bleef de Halys de grens van het Lydischo rijk naar hot oosten.

Do koning der Mediërs, A sty ages, verbond zich met de dochter van don Lydischon kening door den echt. Do laatstgenoemde wierp zich nu op de naburige gewesten: Karië, Mysië, Uithynië en l\'aphlagonië, die hij aan zich onderwierp. Voorts veroverde bij Smyrna en zegevierde over het weder verrezen Kolophon.

Op Alyattes volgde zijn zoon Kresos (5011 onder wien Lydië zijne hoogste

macht bereikte. Hij zegevierde over de Grieksche steden en maakte haar aan zich cijnsbaar, doch zijne heerschappy over de overvvonnt\'iien was zoo zacht, dat zij die\'niet veelden. Aan do inwoners van Kphesos had het niets geholpen, om koorden to spannen tussehen hunne wallen en den (i stadiën daarvan verwijderden prachtigon Arteinistempid, die ticig onvoltdoid was. Kresus nnderwierji geheel Klein-Azië aan zijne macht, uitgo zonderd evenwel bykië en Kilikië.

Met do grootte zijns rijks stegen do macht en het aanzien van koning Kresos. Zijn hof te Sanies, dat hij met zijn tot een spreekwoord geworden rijkdom tot het schitterendste van dien tijd op do geheelo aarde maakte, was alom beroemd, niet alleen als de zetel van pracht en weelde, maar ook als de verzamelplaats van beroemde mannen . want de geleerden en kunstenaars uit allo landen , t. w. der Grieksche go-westen , verzuimden geenszins om op hunne reizen het vermaarde hof van den rijken Kresos te bezoeken en zich eenigen tijd in de gastvrijheid van don Lydischon koning te verheugen.

Tot hen die van deze gastvrijheid gebruik maakten, verhaalt Herodotos, behoorde de alom beroemde (ïrieksche wijsgeer Solon, van Athene. Kresos geleidde hem, eenigo dagen na zijne aankomst. door ujne schatkamers , om hem al de rijkdommen te laton zien. die hij er bijeengebracht had. Toen Solon al die kostbaarheden, alle kleinoo-diën, alle kunstschatten, al het opgestapelde goud en zilver in oogonschouw had genomen en niet het minst liet verluiden van de loftuitingen , waarin anderen gewoon waren zich uit te putten, vroeg do koning hem: quot;wie bij het gelukkigste oordeelde van alle menschen die hij te eeniger tijd ontmoet had ?quot;

Solon antwoordde;

quot;Daarvoor, o koning, houd ik den Athener Telles. Deze leefde als een welgesteld burger, bezat wakkere zonen en zag van hen allen gezonde kinderen opgroeien. Lin-delijk stierf hij in een veldslag den dood voor liet vaderland, hetwelk hem uit dankbaarheid op de plaats waar hij was gesneuveld , op algemeene kosten liet begraven.

Kresos, niet weinig verwonderd, dat do wijsgeer een gemeen burger voor gelukkiger hield dan hem. den r(jkeM en machtigen koning der Lydiers, vroeg verder:

300

-ocr page 319-

LYDII (IN DEN HISTOMSCHRN SAOKNTUD). 301

quot;En na Tüllos, wiun houdt g\'ij dan voor don gelukkigston storvuling?quot;

quot;Don tweedon prijs,quot; vorvolgdo Solon, \';llt;(ni ik too aan K\'leobi.s on Jiitmi, twoo brooders van Argos, dio zich wegens limine ücharnoHjko storkto boroemd inaaUen on bij dn openbare spolen bekroond werden. Doch niet uit dien hoofdo /.ijii va] gelukkig to noo-mon, maar omdat zij goede zonon wanm en oon schooiion dood stiorvou. Immor.s, toen eens huniio moeder, oone priesteres van Hora, door een span naar den tempel der godin zon getrokken werden on do trokdioron niet ter rechter tijd voorwaren, spanden beide jongolingen zichzolven iu het garool, om don wagon van hunne moeder twee uren vor naar don tompol to trokken. En toen hierop do fiere, gelnkkigo moedor do godin bad aan hare bravo zonon datgono to schonkon, hetwelk voor don mensch hot boste

is, sliepen de jongoliiigon ii:i Oon vroolijk olVennaal in, om iii(it weder to onl.wa.kon.quot;

Nu word Krosos verstoord en vroeg1;

quot;Dorhalvo, o gastvriend uit Athene, werpt gij mijn geluk zoo vor van u, dat gij mij niet oons mot znlko burgormonsohen gelijkstelt?quot;

Solon zag don vorst aan en voegde hem do volgonde schoone woorden toe ;

quot;Het leven van den mensch st.(d ik op zeventig jaron. Deze jaren bevatten vele dagen, maar geen enkele dag is aan den andere gelijk, noch in geluk, noch in ongeluk. Do mensch, o Krosos, is enkel toeval. \'Jij zijl rijk en gebiedt over vele mon-schen ; dat ocliter, waarnaar gij vraagt, kan ik n niet oons zoggen. Eerst dan is dit, mogelijk, wanneer ik vornomen zal hebben, dat gij uw loven gelukkig hebt besloten. Want niemand is vóór zijn dood gelukkig te noemen!quot;\'

-ocr page 320-

flKÏLLUSÏHEEKUE WKKELDC. ESCIII EDENIS.

Dit bozook van Solon bij Krosos is allerwaarschynlgkst eene leerrijke vinding dor Grieken.

Terwijl Kresos zich in het bezit van zijn grooten rijkdom gelukkig droomde, had de Perzische koning Kyros zijne heerschappij oveneens tot di-n Hal^s uitgebreid, waardoor de beide machtigste rijken van Azië bij deze rivier aan elkander stieten. Wanneer het eene het andere overweldigde, viel aan den overwinnaar de wereldheerschappij ten deel. Hierin ligt waarschijnlijk de voornaamste grond tot den oorlog, die eerlang tusschen den ver-overingzuchtigen Kyros en den eerznchtigen Kresos uitbarstte, ofschoon als de naaste aanleiding tot dien oorlog is opgegeven, dat Kresos do onttrooning van den met hem vor-maagschapten Astyages had willen wreken, en tezelfder tjjd de gevaarlijke uitbreiding van het Perzische rijk tegenwerken.

Nadat Kresos in eene uitspraak van het Uelphisch orakel aanmoediging meende te vinden om den oorlog aan te vangen, trok hij over den Halys en gaf daardoor het sein tot de worsteling, die voor hem een zoo noodlottig einde zou nomen.

Men kan rekenen, dat Kresos zijn tragisch lot wijten moest aan zijn vertrouwen op orakeltaal, want iioe groot het fanatisme was, waarmede iiij dit godsdienstig spiegelgevecht beschouwde, en van hoe groot belang hij de orakelspreuken oordeelde, zal uit het volgende verhaal blijken. Tevens geeft dit ons een inzicht op hoe veelvuldige wijze de antwoorden op de vragen die men de orakels voorlegde, konden verklaard worden.

Om te ervaren welk orakel hot meeste geloof verdiende, en waaraan iiij zich bij voorkomende gevallen moest richten, zond Kresos naar allen, die eenige vermaardheid bezaten , gelastigden af, met de opdracht, om op een bepaald uur aan de verschillende orakels te vragen, wat de koning van Lydië op dit oogenblik deed.

Het orakel in Delphi antwoordde :

quot;De korrels zand van iToceaan heb ik geteld,

Kn evenzoo mat ik de diepte van de zee.

Mijn borst juicht bij den geur van \'t sehildpadvleeach ,

Dat met het vleesch van \'t lam bijeen gekookt.

Den bodem drukt van erts, door erts verborgen wordt.quot;

Van de antwoorden van alle orakels behaagde dit aan Kresos het meest, want hij had dezen dag een lam en een schildpad in een ijzeren ketel gekookt, dien hij met een ijzeren deksel had gesloten.

lilt dien hoofde nam Kresos het besluit zich in alle gevallen van het Delphisch orakel te bedienen. De gunst der pythea was hem dus zeer veel waard, en om die te verkrijgen , besloot iiij baar door groote en belangrijke geschenken te verwerven. Hij zag dus voorbij, dat iiij door zi\'k\'i te handelen met zich zeiven in tegenspraak kwam. Immers, indien de orakels werkelijk het toekomstige lot der menschen konden vermei-(Wti , kon dit toch onmogelijk afhangen van de geschenken die de monsch het orakel aanl.....d.

Kresos verspilde een groot deel van zijn rijkdom om het orakel gunstig voor zich te stemmen. Zoo ott\'erde hij niet alleen .\'(000 ossen, maar liet ook vele gouden voorwerpen van huiselijk gebruik samensmelten, waardoor hij, uit den gewonnen goudmassa I 17 tegels kon laten maken, waarvan de grootste (i en do kleinste ü spannen in ile lengte maten, terwijl allen één span in de dikte bezaten. Aan dit zoo rijke geschenk voegde hij nog eene menigte kostbaar vaatwerk , gouden beelden en een uit massief goud gegoten leeuw toe, die tien talenten (ongeveer (ion ponden)

302

-ocr page 321-

f

II

IA\'DIK (IN DRN IIISTOBISCHRN SAOHN\'IM.IDj.

woog. Krosos\' geloof aan goddelijko openbaringen was door oen voorval versterkt, dat volgens het Grieksclie verhaal, kort na hot bezoek van Solon plaats vond. Krosos had twee zonen, van wolken do oen, Atys gehectcn, zoowol door lichamelijke voordoelen als talenten schitterde, terwijl do ander niets moor was dan een arme doofstonnno. Krosos droomde, dat Atys door eono ijzeren spits zou omkomei\'. Uit dien hoofde werd déze liove-lingszoon ver van het krijgsgewoel gehouden , 011 worden alle speeren uit zijne nabijlieid verwijderd. Maar aan hot hof van Sardes leefde een vluchteling, met namo Adrastos, een zoon van den Phrygischon koning Öordios, die uit onvoorzichtigheid zijn broeder go-dood had. Toon klachten inkwamen over een everzwijn, hetwelk vele velden verwoestte, smeekte Atys, hom mede op jacht te laten gaan, daar een ever wel snijtandon, maar geen ijzeren punten had. Krosos gaf toe, doch beval zijn lieveling dringend aan de hoede van Adrastos. Eindelijk op don ever gestooten, slingerde Adrastos zijne lans naar het dier. Helaas, hij trof don ongolukkigon Atys, on de droom was vervuld.

Krosos, die nu alleen een stommen zoon bezat, en voor het behoud van (Vn troon in zijn geslacht bezorgd was, liet eens het orakel vragen, of zijn zoon het nimmer tot spreken zou brengen. Hij bokwam tot antwoord:

303

i i

IJ

quot;O zoon vim Lydiii, ver lieemhend vorst, gij kinderlijke Krcsos,

Trncht niet om \'t zoo gewensoht geluid lo hoorei] in uw liuis,

Te luistreu iianr de stem van uw rampspoedig kind.

Want, zeker, \'t ware u wel, vernaamt gij nooit die klanken.

Uw zoon toeli spreekt niet eer voor \'t uur van droefheid slaat.quot;

Wij zullen zien hoe deze spreuk van het orakel op eene natuurlijke wij/.o in vervulling kwam.

Toen Krosos het plan had govonnd om tegen Kyros te velde te trekken, lint hij het orakel vragen: of hij den oorlog ondornonien kon, en welk einde deze zou hebben i1 Hot antwoord luidde:

I \'■

1

quot;Gaat Kresos door don stroom Halys, zoo valt de machtigste der lleor8chap|)ijOM.,,

Kn op de tweed(3 vraa^, uf de liem aangekondigde heerschappij over Azië hing zou duren, volgde de spreuk:

quot;Wanneer een muildier Medic bcheersehen zal,

Dan, weckgovoetc Lydiër, snol heen naar d\'llcrmosstrooin,

Verhaast dan nwc. vlucht en wedcrstrcef het zelfgevoel,

Dat voor dien muil uw wang van schaamte kleurt.\'\'

Hot was zeer natuurlijk, dat Krosos, die oen zoo onbeperkt vertrouwen In het orakel stelde, door deze spreuken In zijne oorlogsplannen werd versterkt. Toon hij derhalve in don strijd tegen Kyros kroon en vrijheid had verloren , zond hij naar hot orakel om iet hot verwijten hooren over do \'\'gepleegde trouweloosheid.quot; Maar het orakel wees deze verwijten af, want do quot;voorspellingenquot; — zoo antwoordde de pythoa waren vervuld. De quot;machtigste heerschappij,quot; die Krosos door over don llalvs te trekken, vernietigd had, was hot Lydischo rijk geweest, en Kyros bot quot;muildier,quot; want deze was een bastaard nit een echt van verschillend geslacht, daar zijne mooder eene Medische vrouw, zijn vader een l\'ors was geweest.

Kgyptenaren en Lakedomoniërs haddon Krosos hunno hulp toegezegd, maar zonder de aankomst dezer bon dgon ooien af te wachten, was Kresos In Kappadokiö gevallen had

ii:

I ;

)

i M i

Uk-

\'.i;

-ocr page 322-

OKÏLLUS\'rilKERDH WKIIKI.DOESCIÜKDRNlS.

do stiul I\'teria ingenomen on de haar omringende stronk verwoest. Toen rukte Kyros liem te gemoet. Partijen kwamen tot een geweldigen en Moedigen slag, die wel is waar onbeslist bleef, maar Kresos toch bewoog om gedurende den nacht af to trekken en naar zijne hoofdstad Sardes de wijk te nemen. Daar wilde hij overwinteren en zijne bondgenooten afwachten , om in het volgende voorjaar den oorlog te vernieuwen. Wijl hij niet geloofde, dat Kyros dien winter den oorlog zou voortzetten, gaf hij aan de hulptroepen zijner vassalon verlof om voor den tijd van vijf maanden naar huis te keeren. Hij zelf was gereed zich voor den veldtocht van het volgende voorjaar voor te bereiden toon Kyros plotseling voor Sardes stond en toebereidselen maakte om de stad te belegeren. Kresos verzamelde in allerijl alle manschappen in staat om do wapenen te dragen, voor zoover zij bijeen waren te brengen. Daarbij verliet hij zich zeer op zijne welgeoefende hydischo ruiterij , die toenmaals voor de beste op aarde werd gehouden. Doch Kyros maakte haar onschadelijk, naardien hij eene talrijke bende kameelruitors tegen haar liet oprukken, daarbij steunende op don afkeer, die paarden tegen den reuk van kameelen koesteren.

Toen hot nu in de vlakte van Sardes tot een veldslag kwam, weigerden de paarden dor l.ydische ruiterij aan do teugels hunner ruiters te gehoorzamen, en zoo gelukte hot \'t legor van Kyros om oone volkomen overwinning to behalen. Als oen gevolg daarvan word Sardas, waarheen Kresos was teruggetrokken, belegerd.

.Niet lang kon Lydiö\'s hoofdstad do macht van oen belegeraar weerstand biedon. Zij word veroverd, en Kresos zelf viol den overwinnaar in handen.

Kyros had reeds vóór do verovering op nadrukkelijke wijze bevel gegeven om Kresos niet te doodon , zelfs in geval deze zich te weer stelde. Nochtans zou deze hij de in-neming der stad zijn omgekomen, indien zijn stomme zoon hom niet gered had. Want oen vijandelijk krijgsman, die Kresos ni«t konde, had reeds het zwaard boven hem epgi\'hevon , toon do stomme het doodsgevaar zijns vaders ziende, plotseling riep:

quot;Man, dood koning Kresos niet!quot;

De ontzetting had — zooals menigmaal plaats vindt — de banden verscheurd, dio dn tong van don ongolukkige zoo lang gehooid haddon, en sedert dit oogenblik bohiidd hij do spraak. De spreuk van hot orakel was vervuld.

Kyros liet Kresos hot leven behouden, bohandeldo hem met groote achting en behield hem als vriend en raadgever aan zijn hof, zoor tot zijn eigen voordeel, want de overwonnen koning van lAdië bewees zoowel Kyros als diens opvolger Kamhysos menigen gowichtigen dienst. Do aanleiding tot Krosos\' begenadiging worden zeer vorschillend verhaald. !gt;e meostbokondo overlevering is de volgende; Kyros had besloten, den Lydi-schen koning met voortion Lydischo jongelingen op eon brandstapel den dood te doen sterven. Toen Kresos echter het gevaarte had beklommen , en de vlammen aanvingen op to llikkeron, violen don Lydiër eensklaps de modegedeeldo woorden van den wijzen ■Solon te binnen. Nu toch zag hij duidelijk , dat de uitspraak van don wijsgeer waarheid behelsde. In deze geinoodsstemming riep hij met luide stem:

quot;Solon! .Solon, Solon!quot;

Toen Kyros dozen uitroep hoorde , brandde bij van begeerte , om de beteekenis dier woorden te ervaren en beval Kresos van den brandstapel af to voeren , oin te vernomen wat by wenschto te weten. Kresos verhaalde zijn vorwinnaar nu wat hem met Solon was bejegend ; en deze aanduiding van de mogelijkheid om een gelijk ongeval to ondergaan , bewoog don machtigen Kyros tot zacht boid. Dit verhaal is echter blijkbaar verzonnen, want deze wijze van handelen wordt, door hot karakter van Kyros volkomen weersproken. Ook kon hot, den l\'orzon

-ocr page 323-
-ocr page 324-
-ocr page 325-

LYDri; (in t)i:n iiistoiuschkn sagkntijdJ.

iiiot in de gedachten komen om bij liet voltrekken oenor doodstraf liet door hen heilig\'geachte ■vnur te verontreinigen. De loop dezer brandstapelgeschiedenis, wier juistheid door schilderwerken te Pompeji en door het relief op eene vaas in het Louvre to Parijs schijnt bevestigd te worden, was allerwaarschijnlijkst, aldus: Krosos, do machtigste en rijkste vorst in Azië, wilde zijne plotselinge vernedering en don val van Lydië niet overleven. Hij besloot den toorn van den zonnegod Sandon daarmede te verwinnen, door zich zeiven ton otfer to brengen. Dat zoodanigo offers bij do Aziatische volken niet ongewoon waren, hebben wij reeds vroeger opgemerkt. Kyros had goene reden om dit offer te verhinderen , want dat hot hom zou schaden, kon hij niet denken, daar hij in de Lydische goden niet geloofde. Dat Kresos als koning wilde sterven , kwam hem als hoogst natuurlijk voor, en dat veertien jongelingen met hem gooflVrd zouden worden, wits volkomen in don geest dier tijden. Op de bovenvermelde afbeeldingen aanschouwt men Kresos op don brandstapel in koninklijk gewaad en met lauweren versierd, terwijl vrouwen kostbaarheden aandragen om het offer te rijker te maken. De zon vertoonde zich dien dag niet, daar de hemel mot wolken was overdekt. De houtstapel brandde, en de koning smeekte in een vurig gebod, dat do god zijn offer genadig wilde aannemen. Doch eenigermate als ten antwoord, zonden do dreigende wolken een klaterenden regen naar beneden , die het vuur uitdoofde. Sandon verlangde het offer niet.

Het eeuwenoude koninkrijk Lydië had opgehouden te bestaan en was bij de Perzische monarchie ingelijfd. Krosos was een welwillend, levenslustig vorst, dio oen beter lot verdiend had. De pracht van het quot;gouden Sardes,quot; do Lydische hoofdstad, met haren sterken burg op do voor onverwinnolijk gehouden rots Tmolos, werd door alle vreemdelingen vol verbazing aangestaard. Ofschoon geduchte krijgslieden en beroemd vooral wegens hunne voortreffelijke ruiterij, waren de opgeruimde en weelderige Lydiërs toch ijverige beoefenaars van kunsten, nijverheid en koophandel. Zij waren, volgens Herodotos, do eerste kramers en ook de eersten, dio gouden en zilveren munten sloegei. Hunne verwoi\'ijen , inzonderheid , die met de roode , uit de bloesems van den sardvxboom gewonnen kleuren, wedijverden met die der l\'hoenikiërs. Eveneens waren hunne weefsels en borduurwerken beroemd. Niet minder hunne voortbrengselen uit ivoor en verschillende andere artikelen, door hot verlangen naar eon weelderig leven voortgebracht. Hunne muziek stond vrij wat hoogor aangeschreven dan die der Phrygiërs. Behalve de fluit, vonden zij ook de kithara (cither) met drie snaren uit. Hunne welluidende volkszangen vonden zelfs in Griekenland veel bijval.

De rijke Lydiérs droegen kostbare, lange, veolklonrigo gewaden, en gonden hoofdbanden en oorsieraden. Ook gebruikten zij pomadon en renkworken. Zij vonden hot knokkel- en hot balspol uit, evenals het werpen met dobbelsteenen, uitspanningen die •Ie Grieken mot gretigheid van hen overnamen.

Hunne godsdienst was aan die der Phoenikiërs gelijk. Hun Maal was de zonnegod Sandon (of Sandan), welks geheele priesterschaar tot hot geslacht der liraiiihieden behoorde. Hun Asjera-Astarte was, zooals reeds is opgemerkt, de godin Jilatta. Zij werd op dezelfde wijze als deze vereerd, en deze vereering droeg liet gemengde karakter van den Asjera- en Astartodienst, die wreedheid met wellust vereenigde. Prostitutie was eene godsdienstige handeling, maar werd ook eene handelsspecnlatio, want do Lydische

.....Nes gaven do opbrengst geenszins altoos aan de tempels, maar vergaderdon voor

zich op die wjjze een bruidschat. De Grieken noemden de godin Artemis.

20

-ocr page 326-

li

quot;Wij braken de geschiodGnis van Assyriiquot; af bij oon tijdperk van «rooto demofidiging\'. Door don veldslag van Karchomiscli verloor Assoer-Rab-Amar bijna zijn gfihoelo rijk, want niot alleen Syrië, Armenië, Kappadokiö on Tïabylonii\' maakton ziob v.m liet Assyrischo rijk los, maar ook geheel Mesopotamia ginj? verloren, en aan den koning van Assyriö bleef weinig meer over dan het gebied van zijne hoofdstad.

Hij overleefde die vernedering niet lang.

Na hem vindon wij een koning Bol-Kat-Irassoe (omstreeks den jare I O\'iO vóoi Cliristns), die, naar het schijnt, weder meer aanzien verkreeg, want hij wordt de oorsprong van het koningschapquot; genoemd.

Zijne opvolgers, Salmanasar 11. Trib-Bin, Assoer-Idin-Akhe, Assoór-Dan-II I en Hiii-Nirari II. die to zamen een tijd van ongeveer anderhalve eeuw don schepter voerden, herstelden oenigennato den luister, die eens Assyrié had omstraaiil. /ij verfiaaiden stad on tempel weder, zorgden voor het herstel der kanalen en beschermden het land tegen overstroomingen van den Tigris door het aanleggen van dijken.

De zoon van Hin-Ntrari. Toeklat-Adar II, (883—880), betrad weder de baan der veroveraars en onderscheidde zich door zijn moed en Oud-Assyrische woestheid.

Zijn zoon , Assoer-Nazir-Habal, verplaatste zijne residentie van het oude Assoer naar Kalakh. Hier, op den linkeroever van den Tigris en aan don mond van den Groeten Zab, had reeds Salmanasar I eene stad gesticht, die intusschen, uithoofde van do

1

vi:N i ï

il l\' i i «I l i

I

I

\'1 f

i : i\' | f \'

Wi

-ocr page 327-

HET TWKHDH ASSYKIsniK KIJK (IN DUN IIISTOIUSCIIKN SAGKNTIJIi).

binnonlandsojie onluston niot tut bloei geraakte. In hot vierde jaar zijner regoeriiig liet Assoer-Nazir-Habal do oude gebouwen slaopen en eone niouwo stail aanleggen, die gedurende dr. volgondo honderd jaren door zij no opvolgers, Salmanasar ll[, Sarnsi-IÜn on liin-Nirari, op hot prachtigste word voltooid. Hot oone paleis na het andere, op de kostbaarste wijze versierd, verrees op deze merkwaardige plek. Steenen leouwon , .sphinxen , obelisken , altaren, heilige torens verhieven zich overal en verfraaiden do heerlijke stad. In hot midden, op eeno plok , aan wier voet naar de westzijde de Tigris spoelde, verrees bij den tempel van Adar eeno hooge piramide in vorschillendo verdiepingen of trappen (Ziggoerat). Do stad Kalakh leverde een tooverschoon gezicht ojj.

Uit doze stad ondernamen de Assyrische koningen hunne tochten tot verovering. Naar hot noorden en oosten beloonden deze de moeite niet, want naar die zijde woonden niet zeer machtige rondzwervende volken, zoodat van tijd tot tijd ondernonien razzia\'s voldoende waren , om bon in toom te hoadon. Verleidelijker voor veroveringen waren de meer zuidwaarts gelegen landen, t. w. Babylon en Klam, en het naar het westen en zuidwesten zich uit-broidendo Syriö. KarchomiBch werd weder veroverd, en vervolgens l\'hoenikiö en Damas. Daardoor schoven de grenzen zich vooruit tot Egypte, en de grootste heerschappij van Azië paalde nu aan de grootste heerschappij van Afrika. De Kgyptenaren waren in vroegere tijdon de aanvallers geweest, nu greep Assyrië aan. Memphis moest oone Assyrische bezetting ontvangen, en de tempels van Thebe worden door Assyrische veldbeoren geplunderd.

De eerste expeditie, die Assoer-Nazir-Ilabal ondernam, was gericht tegen Koordistan en Armenië. De inwoners vloden naar het gebergte. De Assyrische koning zette hen na tot in hot district Karkhi (tegenwoordig Koerkh), waar hij aan 200 gevangenen hot hoofd liet afslaan on die in eeno piramide opeenstapelen. Vandaar trok hij naar bot land Koemoekh. De Moeskaï had hij reeds cijnsplichtig gemaakt, toen een opstand in Mesopo-tamië den koning naar huis riep. De opstan lelingen smeekten om genade, doch hij doodde eiken dorden man. Hi) liet voor de groote poort dor oproerige stad een muur bouwen en overdekte dien met do hoofden der belhamels. Anderen werden lovend imre-metseld, nog andoren togen den muur gekruisigd of gespietst. Hij beroemde er zich oj), dat hij velen, in zijne tegenwoordigheid had laten verminken en hun huid tegen oen muur uitspannen. Hij vormde uit hunne hoofden kroonen en slingers! De hoofdaanvoerder dor muiters werd naar Niniveh gebracht en daar zyne huid togen den muur gespijkerd. Deze uitkomst schrikte do oproerlingen af.

De jaren 881, 880 en 87Ü verliepen met veldtochten tegen volken, die in de nabuurschap van don Zagros woonden, togen Armenië, Koemoekh, Xaïri en tegen de aan den Boven-Tigris wonondu stammen. De bewoners van Ivarklii kwamen in S7I) andermaal in opstand, maar worden niet minder vroeselijk dan de Moeskaï gestraft. Aan tweehonderd gevangenen werden de voeten afgehouwen, en duizenden gedood. Midden in Mesopotamië handhaafden stammen en steden hunne onafhankelijkheid: zij werden onderworpen. Ken vorst van Tsookhi waagdo het tegenstand te bieden. Hij werd in een veldslag die twee dagen duurde, overwonnen en vlood naar de Arabische woestijn. Assoer-Nazir-Ilabal beroemde zich bij deze gelegenheid ook Ohaldea overwonnen te hebben, ofschoon hij de grens van dit land ongeschonden liet: in waarheid had hij slechts over eenige bondgenooton van den vorst van Tsookhi, die tot de Chaldeeuvvsche opperhoofden behoorden, gezegevierd. Toen de Tsoeklües in 878 op nieuw opstonden, trof hen hot vreoselijkst strafgericht.

In het voorjaar van 877 trok de razende veroveraar Mesopotamië binnen , tot aan den

-ocr page 328-

GKÏI.LUSTIIKKUDE WKllKLDr.KSClIIKDKNtS.

308

II t

f

11

(K-ver .les Eufrant\'s on marcheerde nu tegen Syrië. Do Khota\'s bestonden niet moor als afzondoriyk volk, ofsc.lioon luin naam als Khatti nog veortieofde. Do Khatti waren thans gesmaldeold in ruim twintig koninkrijken, waarvan het voornaamsto Karchemisch (Gar-gamisch) en Hatnan (l\'ateni) waren, wier grenzen zich tot aan den voet van den Atnanos uitbreidden lgt;it was een land rijk aan metalen en door den koophandel mot Phoenikiö in oen wolvarenden staat. De Khatti vorsten dachten niet het minst aan een inval iler Assyriërs, zoodat Sangor, do koning van Karchemisch , hen over den Eufraat liot komen. Nu moest hij voor hen zijne poorten openen. De koning van Koenoelooa betaalde hen eono aanzienlijke schatting, doch die van Loekhoeti waagde het tegenstand te bieden. Df steden werdiTi geplunderd, en de gevangenen gekruisigd. Daarop marcheerde Assoer-Nazir-Ilabal naar l\'hoenikië. Mier bleven vijandelijke botsingen uit, want de koningen van

Tyr, Sidon, Dsjobol en Arvad waren ZOO verstandig nin schatting te beloven. Do Assyriërs lieten er ceders, cypressen en pynboomen omhouwen en zonden die voor hot bouwen van eon Istartempel naar Niniveh.

Wat Assoer-Nazir-llabal de volgende acht jaren zijner regeering deed, weten wij niet.

Zijn zoon, Salmanasar HL, die hein van 858—S\'2\'J in hot bevind verving, trad in de voetstappen zijns vaders. Hij onderdrukte eenige opstanden in Syrië en drong voort tot in het Orontesdal, waar Henhadar i, vaii Damas, hem opwachtte. Deze en zijne bondgenooten worden geslagen, doch de veldslag was voor beide partijen zoo vre^se-Ijjk go woest, dat Salmanasar besloot over den Knfraat terug te keeron , zonder Damas ondor-werpon to hebben. Waarschijnlijk keerde hij ook terug, omdat Mardook-lnudinsoe , koning van Babyion, hem togen diens bastaardbroeder, Mardoek-liel-Oesateb, te lialp riep. Kerst in S.\'i-i gehikte het Salmanasar HF den laatstvonnelde do nederlaag te geven en te dunden , waarop hij liabylon , Uarsip en Koeti innam en eveneens zich van de zeekust van Cbaldea meester maakte. Daarop trok bij andermaal naar Syrië, waar Henhadar

I

■ij \\ \\ if

m} gt;

«i

I J ij

lil !

%

%

i

ij-

J i

i s

li 1 I

-ocr page 329-

II KT TWEHDH ASSYlUSCilH HUK (iN DUN 1IIST0IUS0I115N SAC1 HNTIJIj).

vim Damns door Hasaiil was vunnoord «n dojr den oproerling als koning vervangen. (Vergelijk blad/.. \'.270).

Nadat Salinanasar lil. aan den Boven-Kufraat (845), togen Modië (844) en tegen do volken aan den Amanos (843) do wapenen had gevoerd, rukte hij tegen Aram up. In een zeer bloedigen veldslag word Hasaël verslagen. Damas werd genomon on hot land tot aan do bergen van Iloran verwoest. Sidon en Tyr, ovenals Israël, haastten zich om cijns aan te bieden (X-W). m nadat Hasaël, nogmaals oone nederlaag had ondergaan (840), schikte ook deze Diimasceonsclie koning zich in het lot, schatting op te brengen.

Het overschot zijns levens bracht Salinanasar 111 met expeditiën tegen do volken op de noorder- en oostergrenzon door. Binnen den tijd van twee jaren veroverde hij do hellingen van den Amanos en het vlakke Kilikië. In lt;S.\'J I maakte hij zich zolfs van Tarzi (Tarsos) moostor. Do verovering van Oerarti en Wan in Armenië veroischte een strijd van drie jaren.

Na voortdurende oorlogen gedurende oen tijdperk van dertig jaren . droog do oude koning het bevelhebberschap over zijn leger op aan zijne, voldheeron. Doch rust werd hom niet gegund. Salinanasar 111 leefde to lang naar don zin van zijn oudsten zoon, .Vssoer-Danin-Habal. De prins verwekte een opstand, waarbij hij hulp ondervond van vier-on-twintig steden. Doch Kalakh en Niniveh bleven den ouden koning trouw. Salinanasar droog do zorgen voor liet bewind aan zijn tweeden zoon, Samsi-Bin, op, en deze onderdrukte don opstand. Assoer-Danin-lIabal verloor bij de worsteling het loven. Salinanasar III stierf in , na oene vijf-on-dertigjarige regeering, en werd opgevolgd door zijn zoon Sanisi Bin III (tot NlO). Deze ondernam verscheidene krijgstochten, doorgaans met oen gunstig gevolg, naar het land Xaïri on veroverde Medio tot aan het gewest Bartsoe (Parthië), aan do uiterste oostgrens van do Kaspische zee.

De machtigste vorst van Noord-Chaldea was Mardóek-Balat-Irib, koning van Baby-lonië. Doch, niottogonstaando zijne verbintenis met den koning van Elam en verschillende vorston van Mesopotamiö, word hij in lt;S l9 in oen zwaren veldslag bij Daban geslagen. Hij verloor, behalve 7000 man aan doodon, \'JOU strijdwagens, benevens de koninklijke bagage en standaarden. De Babyloniër was evenwel daardoor niet ontmoedigd, en ofschoon hij nog twee veldslagen (in Sl\'2 en 811) tegen do Assyriërs verloor, geenszins onderworpen.

Bin-Nirari 11 (810 780), oven oorlogzuchtig als zijne voorvaderen, drong zevenmaal Modië binnen, tweemaal in Armenië en driemaal in Syrië, waar hij den koning van Damas, Mariah, overwon on Damascus veroverde.

Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, dat de veroveraars, die destijds optraden, bijna nooit het land dat zij vormoesterden, hij hun rijk inlijfden : zij vorgenoegilen er zich mode, do vorsten van die landen tot hunne vassalen en cijnsplichtig te maken. Deze schatplichtige vorston verhieven , telkens als hun de gelegenheid toelachte , de vaan des opstands; vandaar de herhaalde veldtochten naar deze landen, die door het maken van buit veelal meer opbrachten, dan door hen in bezit te nemen zou verkregen worden.

Wanneer wij deze cijnsplichtigo staten mederekeiien , strekte zich het toenmalige Assy-rise,he rijk tot de Perzische golf uit en over Klam, even als naar de andere zijde tot aan de h\'oode zee en de Egyptische grenzen. In hot oosten waren de meeste Toeransche stannnon van Modië daaraan onderworpen en ook oenige naar de hoogvlakten van Iran voornitgedrongnn Ariërs. Van Armenië kon men tot Assyrië het land van hot lieer van Win tot aan de bronnen van den Tigris rekenen; in do andere doelen leverden het

309

-ocr page 330-

OKÏI.I.USTHKKRIM\' WKRKLIXrKSCIl I R DKNIS.

torroin on do dapperheid der inwoners te grooto zwarigheden om hen te beinachtigon. Mesopotamia. Chaldea en Noord-SyriS stonden mode onder de Assyrische opperheer-sciiappij; ja het rijk strekte zich over don Tauros en Amanos uit tot in de vlakte van Kilikië. De Toebals en Kappadokiërs waren daaraan cijnsbaar. Hetzelfde was het geval mot do bewoners van de Syrische kust, van den mond van den Orontes tot aan Gaza) en mot die der koninkrijken tusschen do Middellandsche zee e?i do woestijn,

Salmanasar IV\' (780—770) schijnt niet don oorlogzuchtigen geest zijnor voorvaderen bezeten te hebben; na eene enkele ondernoming tegen Uainas (772), moest hij Syrië aan zich zelf overlaten.

Ondor zijn opvolger, Assoer-Dan T[ (770—75\'2), namen do opstanden in het rijk eene zeer bedenkelijke richting, daar zij zich niet meer tot de vassalen beperkten. Het oproer roikto tot aan de poorten van Niniveh. Dat viel gemakkelijk te verklaren, want dezo koning bezat geenszins don krijgshaften geest zijnor voorvaderen. Hij bleef te huis en droeg zijne veldhoeren het voeren van den oorlog op.

Assoer-Nirari II was geheid ontaard. Gedurende zijne goheele regeoring werden slechts twee veldtochten ondernomen, en wol alleen togen het land ISTamri, op slechts weinige dag-marschen van de hoofdstad gelogen. Assyrië verloor onder zijn bewind aanmerkelijk in macht.

Do Oriokscho geschiedschrijvers kenden de namen der grooto Assyrische koningen van de N9tu eeuw niet, en dachten met hunne gewone lichtzinnigheid eene gehoele reeks van onbotookenende koningen uit, die zij van Ninos en Semiramis lieten afstammen. Als de laatste dezer koninklijke fantasiebeelden noemden zij Sardanapalos. Deze, zoo verdichtten zij, bracht den moesten tijd in zijn harem door, droeg zelfs vrouwenklee-dcren en vond smaak in vrouwelijken arbeid. Hij was een wollusteling zooals niemand vóór hem , en gaf zich over aan natuurlijke en onnatuurlijke zonden. Zinnelijk genot was zijn oenig levensdoel, en dit gaf hij ook onverholen te kennen, o. a. in een opschrift op zeker gedenkteekon. Dit opschrift luidde;

quot;Sardanapalos, zoon van Anaxeyndaraxas, heeft Anchiale en Tarsos op één dag gebouwd. Kot, drink en bemin, want al het Overige is niet veel waard.quot;

Twee eijnsplichtige vorsten, Arbakes van Medië en Helesys van Babyion, waren in opstand gekomen. Dit wekte Sardanapalos uit zijne lethargie np, on de dapperlndd van zijn geslacht In\'rloefde in zijn gemoed. Hij wa.s den opstandelingen te gemoet getrokken , had hen verechoidone malen verslagen en zou hen vernietigd hebben, zoo niet uit Haktrië teruggekeerde Assyrische troepen, in plaats van hem bijstand te bieden, tot de vjjandon waren overgeloopon. Hij werd binnen Niniveh belegerd, doch bood twee jaren tegenstand. In het dwlo jaar was de Tigris buiten zijne oevers getreden en had daardoor don stadsmuur zoodanig ondermijnd, dat twintig stadiën daarvan in puin stortten, Nu her-innordf Sardanapalos zich een orakel, dat hom zoo lang de zegepraal bidoofde totdat de rivier zich togen h«m zou koeren. Om den vijanden niet levend in handen te vallen, besloot hij zich met zijne vrouwen , zijn paleis en zijne kostbaarste bezittingen te verbranden, lt;\'p een I\'25 meters Imogen brandstapel liet hij eene kamer van •\'i\'i meters lengte en eene gelijke breedte voor zich inrichten. Honderd-on-vyftig gouden, met tapijten bedekte rustbedden werden daarin nedergelegd, en aan hot einde dor zaal onwaardeerbare schat-ten van edel metaal, vonkelende steonen en kunstwerken opgehoopt. Toen dit gereed was, nam hij met zijne vrouwen op de rustbedden plaats, en liet door gesnedenen,

d......ni\'reii ilie met zijn voornemen bekend waren, den brandstapel aansteken. Voortien

dagen duurde de brand. Het volk merkte niets van dit alles, en meende, dat de rook kwam van oen groot olfer. Welhaast werd nu Niniveh ingenomen en verwoest.

310

-ocr page 331-

It KT TWREDH ASSYK.ISOIIH HUK (lN DUN III STO11IH0IIKN S.VORNÏTJ I)) •

Dat gp.hoolo verhaal is oon vordichtsol.

Eon to Kalakli uitgobroken opstand bracht de vorwijdoring van Assoor-Nirari II voort, on daardoor geraakte ton troon Toolak-Habal-Asar II, aangaande wiens familie eti afkomst wij niets weten. Mogelijk is hot, dat liij eon lid was van het koninklijke gezin.

Met betrokking tot do geschiedenis van dezen merkwaardigen koning wijken de Joodsche schriften aanmerkelijk af van de berichten , die wij op de Assyrischo monumenten vinden. Wij volgen die, welke do gedenktoekenen zelvon ons leveren.

Toelak-Habal-Asar II (Tiglat-Pilesar) bestoog don 1April 745 den troon , en regeerde tot 601 (vóór Christus).

Hij golook weinig of niet op zijne vadsige voorgangers, maar doed terstond ernstige pogingen om Assyriö hot oude aanzien terug te verschaffen. Naboe-Natsir (Nabonas-sar), de koning van liabylon, waagde den strijd niet en onderwierp zich als vassal. Do koning van Beth-Sjilan, Naboe-Oesabsi, handoldo niet zoo verstandig on word vóór de poort zjjner stad gekruisigd. Alle naburige koninkrijken worden overwonnen , en Toolak-ilabal-Asar nam l)ij zijne titels dien van koning der Soennio\'s en dor Akka\'s aan. NTii oon veldtocht tegen Namri in 7 4 4, rukte hij Syrië binnen; doch een opstand in Armenië riep hem derwaarts. Hij zijn terugkoor maakte bij zich van Arpad meester, na

oone driejarige belegering (746-- 742), Vervolgens vorovorde hij ITamath en verplaatste de ingezetenen dier stad naar andere, door hom verwoeste plaatsen {T.IU). Dit voorbeeld boezemde vrees in. Achttion koningen, en onder hen die van Israël en Damas, kwamen in onderwerping.

Nu volgde oen vierjarige oorlog tegen Armenië en Medië (7;iS -735). Sedert vele jaren onderhielden de Mesopotamische volken met Indió en do daartnsschen gelegen landen een onafgebi\'öken verkeer. Drie hoofdwegen voerdeti uit het Midden-Tigrisdal naaide hoogvlakte van Iran: de eerste, waarvan men het meeste gebruik maakte, ging over den Grooten Zal) en voerde door den pas van Kalisjin, in het bokken van het Moer van Oeroemia. De tweede voerde midden door den pas van Banneh tot het Kk-batana van het noordwi. Een derde eindelijk steeg langs den Kleinen Zab omhoog. Op deze drie wegen voerden karavanen uit Ninivoh de voortbrengselen nan van Indiëon lïaktriö, t. w. goud, jjzcr en koper, go weefde goederen, kostbare steenen, zooals karneolen , achaten en lapis-lazuli, dikwerf ook merkwaardige dieren, zooals olifanten , neushoorns en de tweobultige kaïneeden (dromedarissen) van Ïrans-Oxianië. De moeste Ninivescho koningen hadden het reeds beproefd , zich in het bezit van het land Kaïri te stellen, waardoor iU deze wegen de reizigers voorden. Eenigon waren tot aan de oostelijke kusten

311

-ocr page 332-

G Uï LLÜSÏRH Kil IJ K VV li HEL DO ESC 111E DUN 1S.

van du Kaspische üee, in Imt land Ikrtsoo (Parthiü) gokoraen, doch had zich door dt» .Medische woestijn gewaagd naar de afgelegen streken van hut verre Oosten.

In het voorjaar van 7,\'iG truk Toeklat-Habal-Asar weder door Namri in \'t gebied van Barrooa, in het land Matti, tot aan hot Moer van Oeroemia. Daarop wendde hij zich naar hot oosten, ging langs hot „uidorstrand van de Kaspische zee en bereikte het land Partsoea, welks hoofdsteden Abdadan, Üorzikki en Istar (thans Asterabad) hij innam. Vervolgens drong hij verder door naar liet gebergte Nahl, (wellicht den Parapamisos of de bergketen die Arachosiii van Indië scheidt), trok toon door het gebied van Zikoeti, Nissa en Tsiboer, deelde daar zijn leger in twee afdeelingen , van welke de eone zuidwaarts in de richting van hot meer Hamoen, door de gewesten Paria en BoflStoes , marcheerdo , terwijl do andere op don weg naar het oosten bloef en Arriarva (Ariö) en het dal van den Ktyinandei\' doorsneed. Heide colonnon vereonigden zich weder in Araqoettoo (Arachosië), en zich toon zuidwaarts wondende, bereikten zy in het In-dnsdal, in het land di\'r Sakbati en Silkhari, waaraan de liabylonsche koopliodon, die dikwijls in deze streken kwamen, den naam Kooad gegeven haddon. Hier nam deze tocht een einde. Het leger keerde terug over Araqoetto en Oesijaqqana en de oostelijke districten van Godrosiö en bereikte langs denzelfden weg waarop liet was uitgetogen , Niniveh.

Deze verre tochten hadden geen ander praktisch dool dan het aanzien van den Assyrischon heerscher te verhoogen. De herinnering aan deze tochten en daaraan , dat de Assyriërs, eens oen tijd lang in het zuiden van don Indisclien Kaukasus hadden ge heerscht, bleef bij het volk bewaard, doch men vergat do bijzonderheden en schroefde onderneming, even als zoo veel wat bij den nakomeling verbazing wekte, toe aan Semiramis.

Nauwelijks was Tooklat-lfabal-Asar van dozen grooton krijgstocht teruggekeerd, of Ahas, do koning van Juda, riep hom te hulp tegen Kezin (of Ketzin), don koning van Damus, die zich met den koning van Israël (Samaria), Pokah, tot oen aanval tegen Jerusalem verbonden had. (Vergelijk bladz. VJ7.\'J).

Ue Assyrische koning beloofde Ahas hulp. Hij trok op togen den Israëlitischen vorst, die zich ijlings binnen Samaria verschanste, terwijl Toeklat-Habal-Asar diens onderdanen naar Assyrië in gevangenschap wegvoerde. Nu wendde do Assyrische veroveraar zich tegen Kezin. Na een tweejarigen strijd, werd Damascus genomen, en Kezin verloor het leven. Achtduizend inwoners worden naar Kir in Armenië gezonden en het land tot eone Assyrische provincie gemaakt.

Eer Toeklat-Habal-Asar het land verliet, vergaderde hij zijne nieuwe vassalen, waarop vijf-en-(wintig koningen bijeenkwamen. Syrië was volkomen onderworpen.

Opstanden in Ohaldea riepen den koning derwaarts. Babylon, waar op Naboe-Natsir eerst Nasid (IXi—7:M), vervolgens Oekinzer en Poel (7B1 — 726) gevolgd waren, bleef trouw, doch voor de opstandelingen in de andere oorden liep het nog erger af dan in 754 , en velen, door de wreedheid der straffen afgeschrikt, onderwierpen zich, zonder van de wapens gebruik te maken. Tot hen behoorde de koning van Beth-.lakin , die nog nopit aan Assyrië onderdanig was geweest. Zijn land lag aan de monden van den Kufraat en Tigris, maar deze niet zeer breede strook werd in hot westen door moerassen en in het zuiden door de Perzische golf beschermd.

Moetton II, van Tyros, stond op, en l\'okah van Israël was vermoord geworden (7\'2!\'). Dat maakte oen nieuwen tocht naar Syrië noodig. Deze maakte \'s konings laatsten veldexpeditie uit. Hij stierf in 727 te Kalakh.

Op den dood van dozen gevreesdon held schenen de onderworpen volken slechts ge-

;U2

-ocr page 333-

II KT TWRUDU Assyiusum: RIJK ([N DUN IIISTOIIISCHKN SAGHN\'I\'IJ d).

wacht te liobbon. Do Israëlieten on do Phoonikiurs vorhiovon zich, maar Saliiianasar V (I\'ll) 1) hraclit hen spoodig- woor tot oiulorworponhoid.

in do Joodscho gBg|hiod«iiis (bladü. -IA) hobbon wij gozlon, dat llosoa, do numr-donaar en opvolger van Pokah, zich aan Sjabak fSabako) van Kgypto ■oin iuil|) weiiddi\', en dat Salmanasar hern govaiigen noinon on van hot toonool dos levens verwijderen üot. Verder weten wij, dat do laatste in 7*2 I stierf, zonder liet opgestane Tyros en Samaria , welke beide steden hij belegerde, ingenomen te hebben.

Op dozen Salmanasar V volgde zijn zoon Sarjoukin of Sargon (7\'2I - 701). Welke rechten bij op de kroon bezat, weten wij nitst. Hij werd de stichtor oenor nienwo dynas(i(^, lt;lie der Sargoniden.

Zooals doorgaans bij troonwisselingen, waagden ook thans do onderworpen volken eono poging om hunne zelfstandigheid terug te bekomwi. Klioembanigas, koning van Elam, verbond zich met Chaldoouwscho vorston. Docli Sargon sloeg hen in do vlakte van Kaloo (721) en snelde naar Syrië, waar Samaria on Tyr zich nog altoos liaiulhaajf^on. Hij veroverde Samaria en maakte aan hot rijk van Israël een oindo. (Vergelijk bladz. 275)

N\'n trok Sargon op togon de verbonden Syrische vorsten, die Jahoebid (ook lloobid genoemd), den overweldiger van llamath, tot hoofd der bijoengebraebte legermacht ge-kozen hadden en hulp uit Mgypto verbeidden. Doch alvorens Sjabak nil bot Nijlland Syrië bereikte, ondergingen do Syriors in den veldslag bij Karkar de nederlaag. .Jahoebid werd gevangen en hem het vol afgestroopt.

Kort hierna kwam koning Sjabak eindelijk in Syrië en voreenigde zich met Hannon , koning van Oaza. Maar ook hij toonde niet tegen den Assyriër opgewassen te zijn. Hij

-ocr page 334-

314 niCÏLLUSTIlEKIlDE WEIIULDGKSCHI KORNIS.

wcril in ili\'ii s);i^ bij Ropoli (of Raphia) goslagon. Mot groote moeito ontkwam hij hot gi\'vaiir om gevangen genomen te worden, maar Hannon moest zich overgeven.

liet Assyrische rijk grensde nu niet meer aan do gebergten van kleine, maclite-looze stammen, maar aan drie groote staten; in het zuidwesten aan Egypte, in het luiorden aan Oorarti en in hot zuidoosten aan liet eeuwenoude rijk van Klam. Do slagen van K\'aloe en van Ropoh verwijderden Klam on Egvpto van de baan en gaven Sargon vrij spel om zich tegen Oorarti te koeren.

Reeds Tooklat-Habal-Asar I was in Naïri gevallen, en in do eeuw was het geheide Boven-Tigrisdal aan Assyrië onderworpen. Assoor-Nazir-Habal begon de verovering van Manna (SM XI\'3), Salmanasar III greep Oorarti (of Ararti) aan, versloeg in 8\'i l Oerarti\'s koning Aramis, diens opvolger Sadoeri in iSli\'J, de legers iles konings van Manna (Wan) in 830 en die van Oerarti andermaal in 82!), doch van oene beslissende zegepraal, dat wil zeggen van oeno volkomen onderwerping van Armenië, was geen sprake, Bin-Nirari lil ondernam twee veldtochten togen Manna (815 en 814), Salmanasar IV7 vier togen Oorarti gedurende 787—784 en twee andoren in 782 — 780.

Uit deze oorlogen trok Armenië voordeel, voor zoo ver hot daardoor binnen den kring der beschaving werd getrokken. Het loerde Assyrische kunsten en schrift kennen. Een dor koningen, Belidoeris I, de zoon van Lootibri, liet van Niniveh schrijvers komen, die oflicieele schriften in don hoogdravonden stijl der Assyrische koningen opstelden. Do Assyrische taal werd oen tijd lang de taal der geleerden in Oerarti, tot. [sbuinis I , do zoon van Belidoeris I, het Assyrische schrift, mot eenige afwijkingen, ook op den Armenischen tongval toepasselijk maakte.

Tooklat-Habal-Asar II was voorspoedig in zijn strijd tegen Oerarti. Hij sloeg den koning van dit rijk, Sarda, in 742 en 734, zoodat die vorst zich rustig moest houden. De opvolger van Sarda baarde hom weinig zorgen, doch Oorsa, de oudste zoon van Minoeas, koesterde do eerzucht om den luister van zijn rijk te herstellen. Toen do koning van Matta zijn voorslag van de hand wees om oen bondgenootschap aan te gaan, wekte hij den koning van Zikartoe (of Sagartme) op tot medewerking bij een opstand. Sargon snelde zijn vassal te hulp, veroverde de steden Soeandakoel en Doerdoekka, die zich aan Mittati. koning van Zikartoe, haddon overgegeven, en nadat hij beide plaatsen had verwoest, zond bij de inwoners naar Syrië.

In verschillende deelen dos rijks moesten opstanden onderdrukt worden. Do koning van Karchemisch werd afgezet (717), en Sargon kon nu den oorlog tegen Armenië voortzetten, waar Iranzoo was gestorven, on diens zoon Aza bij een oproer was vermoord. Laatstgenoemde was door Oelloesoen vervangen , die aan Oorsa ton pand zijner trouw twee-en-twintig van zijne sterke plaatsen inruimde.

Sargon sloeg Oelloesoen, drong tot bet Meer van Wan door en liet den vorst van het gehergto Mildis, Bagadatti, die in zijne macht gevallen was, levend het vel af-stroopon, te /.elfder plaatse waar Aza was vermoord. Oelloesoen, geen lust hebbende een zelfde lot te ondergaan, vlood en wierp zich vervolgens den overwinnaar te voet, die hem als loonplichtig vorst hot verloren rijk terugschonk.

Van meening Oorsa te achterhalen, riep een opstand Sargon naar Karkhar in Medio, waar men den Assyrischen stadhouder gedwongen had, om Dalta, den koning van Kllibi, uls opperheer te erkennen. Sargon tuchtigde de muitelingen en veroverde in 7 I •quot;gt; Kllibi. Mot Modië gereed gekomen, koerde hij naar Armenië terug en zegevierde over Oersa van Oorarti in eon hovigen veldslag (71\'0. Oorsa vlood in het gebergte, en ver-nemondo, dat ook zijn laatste bondgenoot, Oerzana van Moessassir, was overwonnen.

-ocr page 335-

HET TWKHDE AS8ÏKISCI1H IU.IK (iN DEN IIISTOIirSÜJIBN SVUUNTIJU). 315

vertwijfelde hij derwijze, dat liij zich het leven benam. Zijn brooder Argistis vidgde hem in Oerarti op en handhaafde er zich tegen de Assyriërs.

in hot jaar 713 trok Sargon door MWlië, richtte zich daarop naar het noordwesten, t. w. naar Kilikiö, en naar Koemanoe (Koinana), waarover hij in 7!\'2 oen koning aanstelde. Zijne oppermacht reikte nu tot aan den Malys on Saros.

Togen Tyros liepen zijne ondernemingen niet naar wonscli: hij móest het beleg dei-stad ophoffen en zich mot eene meer schijnbare dan werkelijke erkenning zijner opperheerschappij vergenoegen. Opstanden in de landen der Filistijnen en samenspanningen dor Syrische vorsten worden echter door Sargon\'s krachtsontwikkeling snel onderdrukt, zoodat niemand het waagde zijn aanzien in Syrië verder te krenken (711).

Nu had hij vrij spel om zijn oog op het rijk Babylonië te vestigen, welks koning Maidook-BaMdinna zich sedert do nederlaag van Kaloo ijverig had toegerust, en zich mot Soetroek-Nakhoenta (of Sootikrak-Nakhoendi), dlt;\'ii zoon van Khoem-hanigas, koning van Klam, had verbondon. Sargon\'s aanval kwam, niettegenstaande de toebereidselen zijner tegenstanders, voor deze nog geheel onverwacht. Do legers van Babylon en Elam hadden zich nog niet voreenigd, en terwijl Sargon zijn leger splitste, wist hij die vereeniging te voorkomen. Hij bedreigde eenerzijds Soesa (Snsa) loor een deel zijns legers, terwijl hij zelf met het andere gedeelte langs den Tigris afdaalde, een der Babvlonscho veldheeron bij Doer-Atkhar sloeg en zich van geheel Uambool meester maakte. Sargon had zijn doel bereikt: hij had Mardook-Bal-Idinna van dions bondgonooten afgesneden.

De pogingen van Babylon\'s koning om door te breken , mislukten. Er bleef hem uiets over dan langs do zoo naar zijne oude heerschappij Beth-Jakin terug te trokken. Bot prijsgegeven Babylon opende den overwinnaar de poorten, on Sargon, dio er don winter doorbracht. Hot zich tot koning van Chaldoa uitroepen (710).

Mardook-Bal-Idinna had van do steden Oer, Larsain on Kisik, do woning van god Lagoodo, oorlogschattingen gevorderd en zijn leger bij Üoon-Jakin bijeongotrokken. Sargon zocht himi hier in de lente van 709 op en sloeg hom ondor do muren dezer stad in oen beslissemlen veldslag. Mardoek-Bal-Idinna lii^t in zijn kamp de teekenon der koninklijke waardigheid achter: zijn gouden draagzetel, zijn gouden troon, zijn gouden rijksstaf, zijn zilveren wapen on velerlei andere sieraden van edel metaal. Hij ontkwam slechts door eene heimolijlco vlucht. Doen Jakin werd verwoest. Zonder spoor achter te laten, verdween Mardoek-Bal-Idinna, en Sargon verhief in do plaats des ouden konings dions zoon tot vorst van Beth-Jakin (70!»).

Togen hot einde zijns levens toonde hot krijgsgeluk zich koning Sargon ontrouw. Gedurende dén oorlog in Chaldoa had Argistis van Oerarti zich weder in hot bezit gesteld van al de gowosten die zijn broeder in den strijd togen Assyrië had verloren. Zelfs Manna had hij den veroveraar weer ontrukt. Toen Sargon met Chaldoa was gereed gokomon en zich voor Armenië had toegerust, wist Argistis hot aan te leggen, dat de Assyrior eerst hot land Koomoekh aanviel, welks koning werd afgezet (70S). Doch Manna bleef behonden.

Do koning van Klam, die in Kllibi was geslagen (707), veroverde niet alleen alles wat hij in 710 verloren had, maar maakte zich zelfs van eonigo Assyrisohe grensstroken moestor (7O0j.

In hot jaar 704 werd Sargon in zijn paleis te Doer-Sarookin (het tegenwoordige Khorsabad) vermoord. Op hem volgde zijn zoon (704—(iXl).

Deze, Sin-Akhe-Irib gohooten , doch moer bok»nd onder don naam van Sanherib , voorde

-ocr page 336-

OKÏLLUSTUBKIIOE KIlELDOIiSCIIIUDKNIS.

lift bovol tu üaljylon touii hij hot boricht ontving, dat zijn vador was vormoord. Dadelijk ki\'erdi! hij naar Nitüveh torng. De opstandelingen onderwierpen zich; Loeliya (Elooleos),

van Tyres, vluchtte, en Ithobaiil 11 werd in diens plaats aangesteld, lgt;e koning van Askalon , die iti zjjn tegenstreven bleet\' volharden , word gevangen genomen en met zijn gezin naar Assvri\'quot; gezonden. I)e verbonden l)idtavorsten kwamen te laat, evenals in vroege-

-ocr page 337-

11 KT TWEKDT \\SSVllI.S(;il i: liJJK (iN DEN 11ISTOI11SC1I KN SAOKS\'I TJI)).

ren tijd Sjnbak (Sabuko). Zij wcnlcn op c!o volden van Klfiild\'h fri\'slaffi\'ii, voilorcn lint meorondeol liunncr strijdwagens , en oon liiinnnr pi insnn word gi\'vangvn (Vcrgnlijk lilz. \'JTI)),

Hiskia, dn koning van Juda, iiad aan den opstand dcol genomen, na in stilte mot den Etliiopischon koning Tirhak\'a pen verbond te bobben aangegann. Docb alvorens deze .ludea kon bereikrii, verschoon Sanherib voor .lerusalem. Hoe de stad werd gered, hebben wij gezien. Doch Sanherib zond ruim \'iOO.OOU Joden naar .Vssyrië, waarheen hij zelf terugkeerde, nadat do pest de goledoroii zijns legers ain iieikolijk had gedimd. Nu word door een opstand dor Chaldeörs de sinds lang vergoten koinng Mardook-Hal Idinna weder op bet schnuwtoonoid gevoerd. Deze verbond zich met den koning van Klam en met koning Hiskia, welke laatste togen dit samenspannen to vergeefs door don profeet Josajas werd gowaarschuwd. liet liep don verbondenen ook niet mede. Mardoek-Mal-Idinna en zijn veldheer Soezoeb werden geslagen. Vluchtend sneMo de Habvlonsche koning naar Elam, waar bij zijn leven besloot. Sanherib maakte den oudsten zoon des vlnch-telings, Assoor-Nadin, tot koning van Babylon.

Nu kwamen stammen aan de Medische grenzen in opstand. Zij worden overwonnen , on Sanherib trok op tegen Maniya, koning van Dalian. Hij volgde dezen in het woeste gebergte on veroverde do stad Ook koe nevens IW an.lore steden. Al die plaatsen ondergingen oeno volkomen plundering op Assyrischo wijze, zoodat zij sedert woest lagen.

Men gaf intusschon Sanherib geene gelegenboid om het paleis dat hij te Niniveli liet bouwen, to voltooien: een nieuwe opstand riep hem naar de kust der Perzische golf, naar Beth-Jakin. Do inwoners vloden mot bnnno goden over den zeeboezem naar Klam, hiertoe aangemoedigd door het verlof van koning Koodook Nakhoenta, den zoon van Satroek-Nakhoonta, den vroegeren bondgenoot van Mardoek-Dal ldinna. Sanherib, die Syrische matrozen bad laten komen, zotte de vhichtelingon na in oeno vloot, die door de Plioonikiörs te zijnen behoeve was gebouwd. De Klaniioten die niet de minste bezorgdheid voor oen aanval van de zeezijde koesterden, worden door den schrik overmand, zoodat alleen een nieuwe opstand te Habylon , onder don genoemden veldheer Soezoeb , Klam voor don ondergang behoedde. IMaar Soezoeb werd gevangen, en bet Elamilischo leger, dat hem te hulp kwam, overwonnen. De oorlog begon evenwel met de Ion te op nieuw. Steden die de Elamieten gedurende de laatste regeoringsjaren van Sargon den Assyriërs hadden afgenomen, werden weder veroverd, en Sanherib drong verwoestend Nedor-Soesiana binnen, waar hij .ii grooto steden innam. Koedoer-Nakhoenta , die zich te ■Madaktoe bevond, trok naar do stad Khaidala terug, wier gebied a.m Medië paalde. Alleen de voorspelling eens waarzeggers bewoog Sanherib om don oorlog te staken en naar huis to keeren. Drie maanden later stierf Koedoor-Nakhoonta, en overeenkomstig de gebruiken des lands, volgde zijn jongere broeder, Oom man Minanoe, hein in do koninklijke waardigheid op.

De krijgsgevangen gemaakte Soezoeb was naar do moerassen van Glialdea gevloden, waar hij zich bezig hield met pogingen om het volk tot opstand aan te zetten. Doch ■^inhorib dwong hem naar Klam te vluchten. Soezoeb weigerde nochtans in onderwerping te komen. Ton einde Oomraan-Minanoo de middelen te leviTen om den oorlog voort te zotten, vergreep hij zich aan den eigendom der goden. Hij opende don schat in den pyramidontom|iel en eigende zich het aan lgt;el en Zarpanit bohoorendi\' goud toe.

Door Perzische stammen aan den lienoden-Eufraat ondersteund, voreenigdo koning quot;emman-Minanoe zich mot Soezoeb. 11 ij werd hij Khalooli geslagen, doch niet beslissend. \'011 einde eene volkomen overwinning to behalen, kocht Sanherib den overste van don vyaiididyken staf om, en nu, ofschoon mot vrij wat moeite, zegoviorde hij naar wensch.

-ocr page 338-

O F.ï L LU ST 1U;K KI) K W K B K LOG K SC HIK UKNIS.

Oeiniiiiui-i\\linanoe en Soozoob ontkwamen , doch do v(Xirimamsto omlorzaton van den Ba-bylunschon koning stierven of worden gevangen genomen. Babylon viid in Sanherib\'s maciit. De Assyriör besloot nu aan de groote, steeds tot opstand geneigde stad een einde te maken. De zoo trotsche gebouwen werden verwoest en d(! tempels geplunderd. In eon daarvan stonden do standbeelden van god Bin on der godin Sala, die Mardoek-Idin-Akhe, ten tijde van Ïoeklat-Habal-Asar 1, uit de stad Hekali bad weggevoerd. Ook berustte er het zegel van Salmanasar 1, hetwelk de zeeghafte Bin-Bal-Idinna don goden van Bab\\ lonië had gewijd. Deze oude relieken werden naar Niniveh in een tempel gebracht. Acht jaren lang bleef het half-verwoeste Babylon zonder koning.

Nadat Sanherib ook de Arabieren onderworpen en een rooftocht naar Kilikie ondernomen had, waar hij do Grieken te water en te land versloeg, verloor hij op eene treurige wijze het leven : zijne beide zonen Adrammelech en Sarcssar vermoordden hom in den tempel van god Nisroch (081).

De Assyriërs waren ongeneigd Adrammelech als koning te erkennen, zoodat het een halven broeder van dien vadermoorder, t. w. Assoer-Akhe-Idin (Asar-Haddon), gelukte den troon te bestijgen (/iSl Deze had in Armenië hot bevelhebberschap ge

voerd en was met zijn leger naar Niniveh getrokken. Het is onzeker of Adrammelech omkwam, of dat de sago waarheid behelst, dat een Armenisch koning hem een district afstond, hetwelk sedert het eigendom van zijn huis bleef.

Niettegenstaande den bijna altoos voortdurendon oorlogstoestand, had Sanherib tijd gevonden om aan de Assyrische kunst groote opmerkzaamheid te schenken, en de bouwwerken , die hij ondernam, overtroffen alles wat tot dien tijd in het land was tot stand gekomen, Sedert Sargon Niniveh verliet en het den rang van hoofdstad afnam, was deze plaats vervallen. Sanherib echter hergaf haar niet alleen den ouden luister, maar breidde dien nog aanmerkelijk uit. Wij zullen in de geschiedenis der beschaving daarop terugkomen.

Assoer-Akhe-Idin moest onmiddellijk oorlog voeren tegen do Arische volken van Medië, vervolgens tegen de Armeniërs, die do oeverstreken van het Meer van Wan bewoonden, en toen tegen de ïoebals, de Moeskaï en de Kimmeriërs van Albanië. Deze oorlogen duurden van 080 tot 070, en voerden do Assyriërs tot aan de Zwarte zee en den voet van den Kaukasus.

Van hier riepen oproeren hem weder naar Chaldea, waar een zoon van Mardoek-Bal-Idinna, met name Naboe-Zirnab-Azir, die daarbij hulp van de Islamieten ontving, aan den mond van den Kufraat eene vaste stelling had bezet. Nauwelijks had Assoer-Akhe-Idin dien vorst tot cijns verplicht, of hij moest oorlog voeren tegen koning Abdimilkoeth van Sidon, die, voor den Assyriër moetende zwichten , naar Kypms (Cyprus) vlood. Maar sinds het beleg van Tyros hadden de Assyrische koningen de dringende noodzakelijkheid ingezien om zich eene vloot aan te schaffen en deze weten bijeen te brengen. Hierdoor redde de zee den Sidonschen koning niet: hij werd gevangen genomen.

Van deze expeditie teruggekeerd, verwoestte Assoer-Akhe-Idin de oude stad Sidon, doodde do aanzienlijkste ingezetenen wi verplaatste het geringe volk naar Assyrië. Ten einde echter van de /,00 belangrijke kust de verwachte voordooien te behouden, bevolkte hij Phoenikië mot Chaldoön en Klamioten,

Nadat Assoor-Akho-idin (ook Asarhaddon genoemd) Syrië tot rust had gebracht, vestigde bij den blik op Arabië,

Het Arabische schiereiland is een spiegelbeeld van Afrika binnen kleinere afmotin

318

-ocr page 339-

a

II KT TWKKDK ASSYIUSCHK KIJK (iN DUN MJSTOKISCIIKN SAGKNTMI)).

gon en mot moor gomatigdo verhoudingon, maur zonder oen rivierdal als dat van don Nijl.

In hot binnonland is dit 50,000 viorkanto mijlen groote land, moorondeels oeno rotsige zandwoestijn, door zeldzame watorloopon vcifrischt. In iiot Zuiden echter, waar het land terrasvormig naar don Indischon oceaan afdaalt, vertoont hot oono mildo tropische natuur, on daar wordt do hitte door do nabuurschap dor zoo on door do zoo-winden afgekoeld. Hier tieren do hoorlijksto vruchten, nevens boomen on heesters, dio de liefelijkste geuren uitwasemen, zooals do wiorookboom, do myrrha, de kanoel-boom, palmen, cassia\'s, enz. Do oude schrijvers kunnen goono woorden genoog vindon om do wonderen on schatten van dit heerlijke land to roomon en hot mot avontuurlijk praalvertoon op te sieren Do wierook-voortbrengende boomen, verhalen zij, worden door gevleugelde slangen, gelijk do cassiastruiken door vledorniuizen bewaakt. Het kancol, dat niet in Arabië groeit, voerden groote roofvogels uit onbekende streken in hunne nesten aan , on dergelijke fabelen meer. Velo voortbrengselen , die als handelsartikelen uit Indië naar Arabië gebracht worden , tolde men evonoons onder de producten des lands. Men verhaalde oven schitterende fabelen van Arabië als men nog in het begin dezer eeuw van Afrika mededeelde.

Hot binnenste van dit land, zoowol als zijne noordeljjke en oostelijke grenzen, word door een verbazend aantal verschillende volken bewoond. die een krijgshaftig nomadenleven voerden, en wier voornaamste rijkdom in kamoelon en paarden bestond. ZÖ waren Bodooïnen, zooals wij nog tegenwoordig in dit land ontmoeten, en hebben zich vorder in niets veranderd als in hot aannemen van eon anderen godsdienst on hot verwisselen van wapenen. Hun oude godsdienst was ongeveer dezelfde als die van hunne naburen. Menige, stammen baden bij voorkeur do zon en de sterren aan, terwijl andoron de Syrische goden en godinnon voreerdon. Evenals in Lydië godsdienstige handelingen zich aan stoenen verbonden, evonzoo in Arabië. Volgens Strabo vereerden verscheidene stammen hun oorlogsgod Doesaros of Doesjarah in oen zwarten vierkanten steen van vier voeten hoog en twee voeten brood, staande op oen gouden voetstuk, oen steen dien zij met hot bloed van dieren bosprenkoldon, en waarop zij offerden Ook nienschonoffers hadden bij oenigo stammen ingang gevonden , ovenals bij de Phcmikiërs.

Herdervolken schr\\jvon geone goschiodrollen en bouwen ook geone paleizen of pyra-miden, en de Arabische rondzwervende stammen weten niets anders van hun oorsprong dan hetgeen in den Bijhei vermeld staat, Zij stammen af van Ismaël, den oudsten zoon van Abraham, en van do twaalf zenen die de zoon van Hagar verwekte. De stamvaders der Edomieten en Amalekioten zijn Esan en zijn zoon Amalek. Lot\'s zonen Moab en Ammon, zijn do stamvaders dor Moabieten en Ammonieten.

Belangrijker voor de geschiedenis dan deze stammen liedoeïnon waren de volken die de rijke kustlanden van Arabië bewoonden. In do oudsto tijden vinden wij hier do zoo verspreide Koshieten in do landen Ter Noeter en Poent. Ileeds Koning Sankhkara onderhield gemeenschap met deze landen (Ü.\'IOO jaren vóór Christus), on koningin llatasoo (Hamaka) ondernam in \'t jaar 1000 een tocht derwaarts. Eindelijk weten wij dat Eamses III (1300) schepen liet bouwen om met de bewoners van l\'oent handel to dryven.

De Koshieten verloren do opperhoerschappij over dit land aan de stammen der .lek-tanioden. Velen van hen vlodon naar do borgen van Hadramoet, waar zij zich tot in de eerste eeuwen dor christelijke jaartelling staande hielden, doch een voel grootor getal week naar Afrika, waar reeds in de oudste tijden Koshitisclio stammen gezeten waren. Hunne aankomst baarde koning l\'iankhi van Ethiopië groote vreugde, daar zij

.\'HO

i t£

f 11

l t

i \'f i.1

\'II

n

-ocr page 340-

(;HÏI,T.UST11HT:iiüK wrkhldgesciiiedbnis.

hein, ovoiials lator ilc koningen dor vijfentwintigste dynastie, soldaten lovordon voor di-oorlogfin tegen Assyrië.

Ten tijde dor koningen van het Nienw-Assyrische rijk en reeds vroeger bloeide in hot thans Jemen gonoemde land, hot koninkrijk Saba (hot Sjeba dos Bijbels), welks hoofdstad Mariaba (of Marjab) wij in het tegenwoordige Mareb terugvinden. Wij hebben gezion, dat eene koningin van Saba aan koning Salomo een bezoek en rijke geschonken bracht. Koninginnen schijnon liij do Arabieren niet zeldzaam geweest to zijn, want Toeklat-Habal-Asar (Tiglat-Pilesar) beroemt zich (738 vóór Christus) van Zabibiëh, koningin van Aribi (Arabië), schatting verkregen te hebben, on in 734 trok hij op togen do Arabische koningin Sainsiëh, op wio hij 30,000 kamoelen en 20,000 ossen buit maakte. Vervolgens veroverde hij de stad Saba.

Kvoneons beroemt Sargon zich, dat hij verscheidene Arabische stainmen overwonnen en van koningin Sainsiëh en van Jathamir van Saba (Saljiilü) cijns bekomen hoeft (715 vóór Christus). Ook Sanherib had, in 703, aan verschillende Arabische stammen 5330 kameolen en ruim 800,000 .stuks klein vee afgenomen.

Daar do Koshieton zeevaarders waren, voerden zij de voortbrengselen van Indië naar hun land, oen koophandel die lien rijk maakte. Deze handel met Indische en Arabische producten duurde voort, on Katnses II wilde, waarschijnlijk om dien to ondersteunen, den Nijl met de Roode zee verbinden. Even levendig als met Egypte was de handel mot Babylon, waar men jaarlijks 000 centenaars wierook in don tempel van Bolus verbruikte en met wolriekende zalven bijzonder was ingenomen.

De nakoinelingen der Koshieten, de Phoenikiërs, lieten dezen handel geenszins insluimeren, zooals wij in hot verhaal van hun bodrjjf gezien hebben. Dit geschiedde, naar hot schijnt, slechts tijdelijk langs den zeeweg, daar de meeste handel tusschen Zuid-A rabië en rhoenikië door karavanen en door de tusschenkorast van Arabische staimnen werd gedreven. Do karavaanweg, die van Marjab naar Elath, eene haven aan de noordkust der Roode zee, voerde, liep langs of op korten afstand van het zeestrand en ging van Elath over Saba on Bosra door het land der Edomioton, vervolgens door het gebied der Moabieten en Ammonieten en eindelijk over Edie en Astaroth-Karnaïm naar Damascus. Van hier gingen de koopwaren naar Phoenikië. Een andere karavaanweg uit het binnenste van Arabië naar Damascus voerde door de oase Dooma.

Dat de overleveringen mot betrekking tot do pracht van Saba uit geen ijdel gezwets bestonden, toonen nog do overblijfselen van de gebouwen, eens door de Sabeërs en hunno naburen do Chatramieten opgericht.

Het kan derhalve niet verbazen, dat koning Assoer-Akhe-Idin lust bekwam om de kennismaking mot dit land te vernieuwen. Allereerst nam hij de stad Ad-Doeinoo in , die togen hem was opgestaan, en bracht do goden der plaats naar Assyrië, waarop de koningin des lands hare onderwerping aanbood. De bij het vervoer beschadigde goden worden weder opgeknapt en met opschriften, die Assoer\'s roem verkondigden, teruggezonden, evenwel niet alleen, maar met eene koningin, Taboeja, die in het paleis te Niniveh was opgevoed en don Assyriërs eene onverbrekelijke trouw had toegezegd. Toon do koning van Ad-Doomoe, llasaël, stierf, word diens zoon, Jala, in zijne plaats aangesteld, op voorwaarde van, behalve do gewone schatting, nog tien minen goud , duizend karbonkels en vijftig uitnuintondo kamoelen op te brengen.

Na zich den rug gedekt te hebben, brak koning Assoer-Akhe-Idin naar Jemen op. liet gelukte hem nochtans niet de woestijn ton einde te komen. Slechts in zoover slaagde zijne onderneming, dat hij ettelijke koningen aan zich onderwierp.

-ocr page 341-

:i21

Nadat Syriii 011 oen good duel van Arabic vorovord waren, vertrok Asar-Haddon naar Afrika nn slong Tirhaka zoo nadrukkelijk, dat de/.o do wijk naar Napata moest, nninen. Mompliis on Thobo worden geplunderd, de goden en de gouden sieraden van tempels naar Assyrië gezonden. Hot land werd nn op Assyrische wijze ingericht, en aan twintig kleine vorston, togen betaling van zekere schatting, hot bestuur overgegeven. Aan hun hoofd word Noko 1 geplaatst. (Vergelijk hladz. 110).

Toon Asar-Haddon naar huis terugkeerde, liet hij cene zegezuil oprichten, waarop hij zich koning van Egypte, Thebe en Ethiopië noemde.

Van do drie vredojaren (571 — Gü9 maakte hij gebruik, om heerlijke bouwgewrochten te doen optrekken. In de eerste plaats besteedde liij zijne zorgen aan een kostbaren tempel binnen Ninivoh. Het dak bestond uit fraai gesneden balken van cederhout en werd godragen door zuilen van cyprossen, door zilver en ijzer omsloten. Aan do ingangen prijkten steenon leeuwen en stieren. De deuren waren van elibon-en cypressenhout, met inlegwerk van ijzer, zilver en ivoor.

De gebouwen die hij te liabylon en Kalakh ondernam, kon Asar-Haddon niet voltooien. Immers, hij werd in ernstig ziek. Tezelfder tijd rukte Tirhaka weder Egypte binnen en bereidde den Assyriërs bij Memphis eone nederlaag.

Kort vóór zijn overlijden gaf Asar-Haddon de regeering over aan zijn oudsten zoon Assoer-Dan-Habal die dadelijk naar Egypte snelde, Tirhaka bij Karbanit ver

sloeg en hem noodzaakte Thebe over te geven.

Doch nauwelijks was de koning vertrokken , of de kleine Egyptische vorsten spanden weder met Tirhaka te zamon. Neko werd uitgenoodigd naar Assyrië te komen. Hij word er schijnbaar met eer overhoopt, en zijn zoon Psainotich tot gouverneur van Athribi verheven.

Toen Neko in Egypte terugkeerde, was de oude Tirhaka overleden ((i(gt;(i), Diens schoonzoon nam den strijd tegen de Assyriërs terstond weder op ; doch Asoer-l!an-Habal sloeg hem, plunderde nogmaals Thebe en zond de ingezetenen in slavernij uit hnnne woonsteden (()(i5 vóór Christus).

De Phoenikiërs en Kilikiërs hadden van As.soer Ean-llabars verblijf in Ethiopië gebruik gemaakt, om in opstand te komen; doch na zijne zegepraal over Oera-Amen liet de Assyrische koning niet na, de opstandelingen hunne vermetelheid betaald te zetten. liaiil, de koning van Tyros, onderwierp zich, en lakinloe, koning van Arvad , die tot de wapens de toevlucht had genomen , bracht zich , toen liij aan eene goede uitkomst wanhoopte, om het loven. Ook werd Kilikië onderworpen. (Jyges, de koning van Lydië, bewees hulde en smeekte den Assyriër om liulj) tegen de Kimmeriërs. Het Assyrische rijk breidde zich nu. wanneer men de qjnsplichtige staten moderekent, tot aan de Aegaeïscho zee uit.

Wij hebben reeds moennalei! de Kimmeriërs vermeld, die in do geschiedenis van Klein-Azië eene groote rol speelden, zelfs tot Egypte voorn itd rongen, en daarbij méer-malen oorlog voorden met de Assyriërs, die hun den naam van Gimeraï gaven. Men beschouwde hen in de oudste tijden als een wild, half fahelachtig volk, welks womi-steden men in woeste, nevelachtige landen, quot;aan het einde der wereldquot;, plaatste. Zij maakten het echter hun naburen en zelfs den meervenvijderden op zeer merkbare wijze duidelijk, dat zij alles behalve fabelachtige personen waren. De in den Bijbel voorkomende naam van (lomer werdt als die van hun stamvader beschouwd, en het land Homer lag op de noordelijke kust van de Zwaito zee. De Kimmeriërs, woonden waarschijnlijk in de Krim, en hunne woonplaatsen strekten zich vermoedelijk tot aan de I. \'21

-ocr page 342-

Ci KI M. I!»TIt K Kltl» B WE11KLDGESCITIK DENIS.

monden van den Donan uit. Ken godcelte van dit volk droeg den naam van Trerers of\' Trares, een naam dio ook aan een stam der ïhrakiërs gegeven wordt. Ook met de K\'appadokirrs scliijnon Kimmeriërs vermaagschapt te zijn geweest, want als do stamvaders van di\'ze noemt men Clamor on hen zeiven Cfamir, hetgeen hoogst waarschijnlijk eene wijziging van ftomer is. lgt;e invallen van dit strijdbare, woesto volk hadden geene duurzame veroveringen ton gevolge: het waren niets moor dan plimdertoohfeli. liet schijnt niettemin, dat enkele horden verkozen om in verschillende streken achter te blijven. Sinope wordt als een hunner volkplantingen aangewezen.

Assoer-Ban-Habal werd door een inval uit Elam verhinderd om zijn strijd tegen Armenië voort te zetten. In \'t eerstgenoemd land was Oertaki door een moord op zijn oudoren broeder Oommanaldas koning geworden. Hij werd door do Assyriërs overwonnen en bij zijn terugkeer door zijne eigene onderdanen om \'t leven gebracht. Zijn jongste broeder, Teoemman , verdreef zijne neven en nichten , de kinderen zijner broeders , die do wijk naar Assyrië namen , en verhief zich tot koning van Klam.

Deze verwarde toestanden bewogen Assoor-ltan-llabal om den oorlog te vernieuwen Teoemman en zijn oudste zoon waren door de Assyriërs overwonnen, en van do gevluchte zonen van Oertaki, werd Tannnaritoe tot koning van Khaïdala verheven . terwijl Oennnanigas tot koning van Soesa (Snsa) en Madaktoe werd aangesteld , natiinrlijkenvijze (inder A ssyrische opperheerschappij. Assoer-üan-IIiibal liet Teoemman en zijn zoon onthoof den, en hunne veldheeren behandelde bij nog vrij wat rampzaliger, dat is zij werden verminkt , de oogen uitgestoken of levend het vel afgestroopt. Zoo groote wreedheden verschrikten wel is waar de Elamieten, doch ontinoodigden hen niet. Zjj vermeerderden slechts den haat, dien zij de Assyriërs toedroegen.

In llabylon regeerde een jongere broeder van Assoer-rian-Habal, met name Seoel-Masad-.loekin. Deze. bracht in stilte eene samenzworing tot stand, met oogmerk om zich aan het oppergezag zijns broeders te onttrekken. Ofschoon dit bestaan verraden werd , fjelukte het Soool-Masad-Joekin zijn broeder in slaap te wiegen en tijd te winnen.

De opstand brak uit. Oemmanigas van Klam zond zijne beste troepen naar Rabylon. Daarvan maakte \'s konings zoon, die eveneens Tammaritoe heette, gebruik, om , even als zijn oom van Khaïdala, zijn vader gevangen te nemen en te laten onthoofden. Hij werd intiisscben door Assoer-Man-Habal overwonnen. Ken onderworpon houding aannemende, smeekte hij om genade, die de Assyrische monarch hom ook verloondo. Doch de liabylonsche koning verloor daardoor zijn bi\'.steii bondgenoot. Babylon werd belegerd en geraakte in zoo grooten nood, dat ouders hunne kinderen doodden en opaten.

Seoel Masad-doekin werd gevangen en levend verbrand. Zijne aanhangers ging hel niet beter. In het verhaal dor overwinning heet liet: quot;liet overige volk werd voor de groote steenen stieren in rijen geplaatst, die de vader mijns vaders, Sin-Akho-Irib, had laten oprichten. Ik heb hen in de grachten laten worpen en hunne ledematen afhouwen. Ik heb hen door de honden, door de wilde dieren en door do roofvogels laten opvreten, door de dieren «les hemels en doof die uit de wateren. Terwijl ik dit be dreef, verheugde Ik het hart dor groote goden, mijne heeren.quot;

Dit was de tweede maal gedurende eene halve eeuw, dat llabylon door de As.s\\ riers geplundenl werd.

(Iroole om wen telingen in Klam voerden den koning van Assyrië weder n.aar dit land. Mij veroverde zelf Soesa, plumlerde de schatkist aldaar en ontvoerde quot;Soesinak, den god die in hel wond huist, en wiens godilelijk beeld nog nienmnil gezien had, evn als de goden Soem.....loe, Kagamar, l\'artikira, Amman-Kasibar, Ood«)eran en Sapak .

\'.V22

;!

\',|j i 1

li. i.

-ocr page 343-

IIRT TWKEDR A as Y III SC II K RIJK (|N DEK IIISTOIUSCIIRN SAORNTI.il)).

tot wien do koningon van Klam baden, voorts L\'aziba, Soengoomgoora, Ivarsa, Kirsamos, Soodonnoo, Aipaksina, Hilool, Panintimri, Silagara, Stapsa, Nalirtoo on Kindakoorboo. Al dozo goden on godinnen voordo ik weg, nipf, hnnne rijkdommen, limine schatten , hunne prachtige gewaden, hunne priesters en aanbidders, en dat alles zond ik naar het land Assoer. Tweo-en-dertig beelden van koningen, uit zilver, goud, brons en marmer gewrocht, die uit de steden Soesan , Madaktoo en Hoeradi kwamen, hot standbeeld van koning Oemmanigas, den zoon van Oembadara, de statue van Istar-Nakhoenta, die van Halloesi, die van Tamineritoe, den laatsten koning, welke overeenkomstig den wil van Assoer en Istar, zich aan mij onderworpen had, zond ik naar het land Assoer. Ik verbrijzelde do gevleugelde leeuwen en stieren, die voor de tempels de wacht hielden. Ik wierp de gevleugelde stieren om. die voor de poorten van het land Klam opgericht en tot hiertoe nooit aangeraakt waren ; ik wierp hen neder. Ik heb de goden en godinnen in gevangenschap gezonden. Hunne heilige hagen, wier grenzen nooit overschreden waren, zijn mijne soldaten binnengedrongen; zij hebben die goddelijke toevluchtsoorden bewonderd en hen aan de vlammen overgeleverd.quot;

liet bovenstaande zij hier vermeld als eene proef van Assyrischen oorlogsstijl en van Assyrische handelwijze. liijna twee maanden lang werd Klam den krijgslieden ter plundering overgegeven. Al wat van het volk overbleef, werd quot;als eene schaapskudde,quot; binnen de stad gejaagd, waar nu de goden, stadhondors en kommandanten der Assyrians hjón zetel opsloegen.

Oemmanaldas, die zich in het gebergte bleef ophouden, meende den vrede te verkrijgen . door aan te bieden, Naboe-Bel-Soeme, den kleinzoon van Mardoek-Bal-Idinna , uit te leveren , en daar deze zich liever zelf het leven benam dan in de handen van Assoer-nan-IIabal te vallen, bekwamen de Assyriërs slechts een lijk, dat op het vil-dersveld werd geworpen, terwijl men Naboe-lW-Soeme\'s daartoe bereid hoofd in den koninklijken tuin te Niniveh, als een sieraad, ten toon stelde. Ken bas-relief in bef üiitish Museum te London vertoont Assoer-lian-Habal, terwijl hij met zijne vrouwen, voor deze afzichtelijke trofee, bij een feestdisch aanzit.

Oemmanaldas redde het lijf niet door de betoonde nietswaardigheid: hij moest vluchten , en Klam , hot oudste rijk uit deze oorden , nam oen einde. Van zijne goschie-denis wist men gedurende duizenden jaren niets. Deze lag eenigermate in do aarde bedolven. Doch aan ondernemende Britten behoort de verdienste, haar aan hot daglicht gebracht, en daardoor eene menigte eeuwen gekoesterde dwalingen terzijdegesteld te hebben. Ken historisch duister is voor ons opgeklaard.

Assoer-l!an-IIabal versterkte de grenzen zijns lands naar de woestijnzijde door voorspoedige oorlogen tegen de Arabieren, en eveneens Naïri dooreen verdrag met Sadoeri, den koning van Oerarti. Kgypte en Lydi/i hornamen wel is waar hunne onafhankelijkheid, doch het Assyrische rijk bleef nog altoos hot machtigste van Azië.

Wanneer Assoer-ISan-Habal overleed, kan niet met nauwkeurigheid worden bepaald. Op hem volgde Assoer-Kdil-Ilani.

De koning van Medië, die voor niet langen tijd door de Assyriërs was geslagen, had grooto toerustingen gemaakt en ving op nieuw don oorlog aan. De Assyriërs worden overwonnen, en de koning zag zich binnen zjjno hoofdstad belegerd. Doch een inval der Kimnieriërs dwong den koning van Medië, Kyaxares , hot beleg op te breken. Het. be-dreigile Niniveh werd hierdoor voor het oogenblik gered , doch do Kimnieriërs veroverden de andere koninkiijke steden K\'alakh en KI-Assoer, waar zij naar hartelust blaakten en plunderden. Chaldea en Mesopnt.amië werden bijna ontvolkt en verwoest. De barbaren

-ocr page 344-

lirt\'LbUSTBKKIlDK WKIIRI.OOESCIU KI)ION IS.

vcrnieldun don oogst, vurbranddon do dorpen on verschoonden vrouwen noch kindoren. Evenmin waron do kudden voor hen veilig. Als een stormwind breidde deze geosol zich over Aziiquot; uit. Egypte kocht de verovering af.

Hoe Medii! zich van de plaag bevrijdde, zullen wij later zien. Met de Kimineriörsgereed , zotte de koning dor Mediiirs (Kyaxares) den oorlog met de Assyriërs voort. Assoor-EdU-Ilani had oen zyner generaals, Naboel-Bal-Assoer , tot stadhouder van (\'haldea aange-

:!24

i\'

U

m

Assyrisclui krijgslieden (naar C.\'nntBimcci).

steM. !)(gt;/(« verried zijn mnostor, sloot een verbond van wederkeerige hnlp met KyaxiU-\'quot; i\'ii deed ziidi tol koning van Hahyloni^ uitroepen. De koning van Medii1 schonk dei zoon des verraders, Kalioe-K\'oedoer-Assoer (Neboekadnezar), zijne dochter Aniytis to! eclilgeiioote. Assoer-Ivli 1 iliini werd binnen Niniveh belegerd. Toen de Assyriscbe konint; begreep, dat liij zich niet zen knnnen staande honden, wilde hij niet levend in de

m

I \'

tl

-ocr page 345-

U KT TWKHJJE ASSYIUSCIIH KIJK (iN DUN IIJSTOUISCIIHN S.VÜ KNTIJ U).

handeu zijner vijanden vallen en verbrandde zich in zijn paleis ((gt;\'25 vóór Christus).

Niniveh werd verwoest, en wel zoo volkomen, dat men twee oouwen later niet meer met juistheid do plek kun aanwijzen, waar deze hoofdstad had gestaan!

Zóó ging het groote Assyrische koiiinkrijk te. gronde, dat een gruwel voor Azi^ was geweest, en welks koningen zich als do meest afschuwol|jko monsters getoond hadden, die ooit eene kroon gedragen hebben.

Ifunne verstandelijke ontwikkeling ontleenden de Assyriërs onkel en alleen aan andere volken, inzonderheid aan ile Chaldeeis, en wat zich daarvan zeggen laat zullen wij bij de geschiedenis der beschaving in Mabylnnië mededeelen.

325

-ocr page 346-

M E D I E.

odiö lag in hot noordwosten dor hoogvlakte van Iran. l\'olybios bosclirijt\'t hot land op do volgonde wij zo:

quot;Mediö ligt in hot middon van Azici. Hot overtreft door zijno groottr en do vortiovonhoid van zijn grond allo ovcrigo Aziatische landen on bohoorscht door zijno ligging do sterkste on talrijkste volkstammen. Naar hot oosten is hot godi\'kt door de woestijn, die zich tnsschen Porzië en Parthië uitstrekt. Het hoeft do zeogonaamd\' Kaspische poorten in zijne macht en reikt tot do bergen dor Tapooroö, dio niet vei van de Ilvrkanische zoo oprijzen. Naar hot noorden wordt Medië door do Matianon on Kadoosiërs bepaald. Naar hot westen bereikt hot de Saspeiren, dio in do nabuurschap dor stammen loven , welke zich langs don Pontos-Euxinos (do Zwarte zee) gevestigd hohben. Naar het zuiden reikt Medio tot Mosopotamiö on grenst aan Porzië. Hot wordt naar dezo zijde beschut door het voorliggond gebergte Zagros, hetwelk oeno uitgestrektheid van ongeveer liOJiderd stadiën heeft en zich in verschillende ketenen en groepen smaldoelt . dio ten doelo door diepe dalen , ten dooie door opene vlakten zijn vaneen gescheiden , waar lt;1-Kossanen, de Karchen «n andere krijgshafte stammen wonen. Mediii zelf wordt door vorschoidono gebergten van het oosten naar het westen doorsneden, doch daartusschen liggen met steden en dorpen overdekte vlakten. Koren en vee bezilten de Mediërs in onschatbare menigte, en ton opzichte van zijne paarden staat Mediö in de voorste rjj van alle Aziatische landen, zoodat het niet alleen door zijne grootte, maar ook door het aantal en do llinkheid van zijne mannen en paarden de eerste plaats in Azië bekleedt.\'

Do borgen bevatten koper, ijzer, lood, goud en zilver in beperkte hoeveelheid. Zij leverden ook schoone marmersoorten en andere hooggeschatte stoenen , waaronder do lapi ■ lazuli, die men tegenwoordig in deze streken niet meer vindt. Op eenige plaatsen waren de bergen kaal; meestal echter waren zij met dichte wouden bedekt. De dalen van den Zagros en do omstreken van het moer Oeroomia zijn ware oofttuinon. Kr tieren daar appelen, peren, kersen, olijven en andere vruchten. Do perzik schijnt or haar vader land te hebben. Op de bergvlakte groeien de hoornen, en langs do stroomen en heken, waar geen gebrek aan water is, .wassen alle veldvruchten rijkelijk. Men vindt er eene menigte huisdieren of wel zulke beosten die zich daartoe gemakkelijk laten africhten, zooals wilde ezels, buffels, geiten, honden en dromedarissen of tweehultige kameelen, die men vroeger in Egypte en Assyrië In het geheel niet kende Onder iigt; verschillende paardenrassen genoot hot Niseïsche, uithoofde van zijne rijzig\' gestalte en vlugheid, groote vermaardheid. Te allen tijde waren daar ook vele roofdieren, zonal leeuwen , tijgers en luipaarden (die thans verdwenen zijn), alsook vele beeren.

In de oudste tijden zwierven Koshitische stammen door dit land in allerlei rich-

-ocr page 347-

MJSUlii (IN DISK IIISTOIUSCHEN SAGKNTJJU). 327

tingon, zorulor zicli orgons duurzaam uodor tu zutton. Vervolgens daalduu Ariörs van liunno hüoggülogon woonstreken in deze oorden neder en vestigden zieli op vorscliillende plaatson tusschen Uaktrië eu Klein-Azie.

Do belangrijkste dezer stammen was die der Mata\'s of Matiani\'s. Gedeelten vau hen hieven in Sogdiana, maar de lioofduiassa zotte zich zuidwaarts van het moer Oeroemia neder, in het huid, dat later het Atropatenische Medir werd genoemd. Een tak drong door tot den Halys.

\'l\'ooranscho stammen in hot land gevestigd , weerden zich lang met grooten lieldemnoed tegen de Ariërs , die uit het noordon, eu tegen de Semieten , die uit het zuiden kwamen. I!e-sdiermd door du bergketenen dor Khaotias en Zagros , die zelfs Toeklat-Adar en Tiglat-l\'ile-sar I niet waagden te overschrijden, konden hen de Assyriërs weinig doren. Eerst in de \'J1\'0 eeuw maakten Toeklat-Adar 11 en Asoer-Nazir-IIabal oenigo veroveringen, l!e-iialve tegenover de Mata\'s, kwamen zij tegenover ïoeransche stammen. Deze waren, van het zuiden afgerekend, do Kliarkars, aan den Doven-Gyndes en den Khoaspos , en de Namri\'s, die door den Zah van Assyria gescheiden waren. Iets verder in dit gebied woonden ook vullcstammon vau Koshitischen oorsprong. Noordwaarts van het land der Namri\'s, aan den Boven-Zab , begon het land dor Khoeboeskiërs, hetwelk zich langs li«t Khoatras-goborgte, van den pas Eavandiz tot aan het Meer van Wan, uitstrekte. De inwoners van dit land weerstonden de in hunno nabuurscbap wonende Assyriërs niet grooten heldenmoed. Achter lien vonden Assoer-Nazir-llahal on Salmanasar II , aan het moer Oeroumoa, als naburen do Khooboeskiërs, do Mata\'s on vervolgens op den noor-deroevor de Madakhirs, en uj) den oostoever do Kharroes. Meer zuidwaarts waren do Mesa\'s gevestigd. Eindelijk vuud mou, afgescheiden door hooge bergen, wier toppen door do wolken boorden, het land Girathoenda, met zyne honderd steden, waar een volk woonde, dat do Ouden de Kadoosiërs noemden. Zuidwaarts van deze oorden begon het land der Arazia\'s (het eigenlijke Medië), dat tegelijkertijd aan Kharkar on aan Namri paalde, terwijl aan gene zijde der Arazia\'s de Parsoes woonden, die het land liezetten, hetwelk zich van de woestijn tot do Kaspische zee uitstrekte.

Al deze stammen werden door Salmanasar ill overwonnen. In \'t jaar 84gt;i vóór Christus drong bij vorder dan do 1\'arsoos vooruit en stiet op oen nieuw volk, do Amadaï of Madaï, over wion bjj zegoviordo, zoodat hij ben cijnspliehtig maakte.

De Madaï of Medors waren Ariërs, die oorspronkelijk op de hoogvlakte Pamir woondon. Een hunner heilige boeken verhaalt, dat eer zij zich op den grond van Iran vestigden, zij lang hor- en derwaarts waren getrokken en verschillende landen bewoonden, dio Ahoera-Mazda , do milddadige god, voor hen schiep, doch waaruit hot aan do kunstenarijen van hot kwade beginsel, Angro Mainyoes, telkens gelukte hen te verdrijven. Door do koude gedwongen, Airyanem-Vaedjo(quot;do woning der Ariërsquot;), te verlaten, breidden zij zicli over Koegdha (Sogdiana), alsook over de provincie Moeroe (Margiana of Margoos), uit. liurgeroorlogen en invallen van naburige nomaden, dwongen bon nogmaals oen ander land op te zoeken. Zij gingen eerst oostwaarts naar liakhdhi (quot;den Zetel van \'( Koningschapquot;, hot Paktrië der Perzen, liakhtriana), en dan zuidoostelijk naar hei land Nissaya, dat tusschen Hakhosi on Moeroe ligt. Tot dien tjjd hieven zij beperkt tot het hukken van den Oxus: de vrees voor de Tooranscho stammon had hen teruggehouden quot;in de llankon van den llindo-Koh te boklimineii en de hoogvlakte te bereiken, die zich van do Kaspische zee tot don [ndischeii oceaan uitstrekt. Nissaya verlatende, drongen zij het bergland binnen door Harojoo (Ariana) en daalden toen naar Vaekerela Doehzaka af, waar zij zich in verschillende volkstammen deelden. Sommigen gingen dour llaraquiti

-ocr page 348-

(IKlU.USTltKt\'.KOK W K K E1, l)(i HSC111 KI) KN t S.

(Arnlmsiii) on llrlyuinat, naur hot Imlusdal, Iluplahendroe (hot IVnclsjab) , waar zjj st.1111-men van Arisclio afkomst vondon,\' mot weikon zij zich vermengden. Do overigen gingen in zuidwüstolijko richting en bleven op do oostorgrenzen van Klam, in bergachtige oorden, die zij 1\'arssa (Porzië) noemden. Do Mediörs, in plaats van in do woestijn bowoonbare plaatsen op to zoeken, in de strook, die het gebied van den Hclinencl van het gel)orgte Zagros scheidt, trokken langzaam noord westwaarts door Oerwa, Khnonta en Vebrkana (IlyrkanitV), richtten bun tocht verder naar het zuiden en zotten zich eindelijk oostwaarts van de Parsoeas in do landen Khaga en Tsjakhra neder, waar Salma-nasar IV hen in H\'t.\'i moet ontmoet hebben (Cl. Maspero).

De Perzen hadden niet veel moeite om met do Koshitischo en Toeransche volken, die tusschen Klam en Ivaramanië woonden, gereed te komen. Doch de Mediörs moesten hardnekkige oorlogen voeren, en hun voortschrijden is reeds in de !i\'\'u eeuw door aan wijzingen op de Assy rise he gedenkteekenen, met veel juistheid zelfs, na te gaan.

Toon Salmanasar IV weder naar Assyrië terugkeerde, rukten do Mediörs tegen de l\'arsooa\'s op. Deze hadden naar hot westen de Assyriërs achter zich en naar bot zuiden de woestijn. Er bleef huu derhalve geene andore keuzo over, dan om naar do berg achtige streken te vluchten, die later do provincie Parthiü vormden. Samsi-liin III (X\'JO—Slfi) vond de Jlediërs in de landen Varena (wellicht Strabo\'s Khorone) en lllipi (Albanië.\' en hield hen daar oen tijdlang vast. Doch vijftig jaar later strekte Medië zich reeds van don Zagros tot de woestijn, en van de noordergronzen van Klam tot aan do Kaspische zee uit. De Toeransclie volken, die toen in deze landen woonden, moes ten aftrokken of zich onderwerpen.

Wij bobben reeds vroeger bij de geschiodenis van Kloin-Aziö opgemerkt, hoe Grieksche ijdolheid, verdichting en lichtzinnigheid de geschiedenis in verwarring hebben gebracht van dio volken, met welke de Hellenen in aanraking kwamen, liij liet schrijven der Medische geschiedenis ging (irieksche lichtzinnigheid met Porziscbon hoogmoed band aan band. De later zoo machtige Perzen, die zich met de Mediörs vereonigden, weigenten te erkennen , dat Ariërs te eeniger tijd in betrekkingen vau afhankelijkheid tot de Assvri\'Ts gestaan hadden en dachten eene soort van liistorischon roman uit, die de (irieksche geschiedschrijver Ktesias, van Knidos, lijfarts van een der Perzisclp\' koningen, in een samenweefsel van dichterlijke fantasiën te boek stolde en door aan dit verbaal namen en jaartallen te verbinden, hot voorkomen gaf van eene met zorg opgestelde geschiedenis. Dit bedrog is eerst door de kortelings ontdekte Assyrische ine-numonten volledig aan quot;t licht gekomen, doch wij kunnen bij de bijzonderheden daarvan onmogelijk stilstaan.

Toen Toeklat-IIabal-Asar II (Tiglat-I\'ilesar) een inval in Medië deed, bestond er geen Medisch rijk, doch men ontmoetto er een groot aantal vorsten , die , onafhankelijk van idkander, aan \'t hoofd kleine heerschappijon stonden, Sargon onderwierp hen ge noegzaam allen in 71 ^, vereenigde daarop bonne lauden met Assyrië en bouwde in de onderworpen gewesten , om zijn gezag te doen eerbiedigen , vestingen van verschil lend bidang. Verder maakte bij van den toen zeer goliefden maatregel gebruik , om d\' overwonnenen naar verre streken te verplaatsen. Hij zond een groot aantal Mede r naar iVulesvri-, evenals Syriërs en Samaritaanscbe Joden naar Medië.

Laatstgenoemd land moest hem jaarlijks als schatting zeker getal dor beroemd\' Nfiseïsche hengsten leveren.

Sanherib bleef meester van Medië, en Assoer-Akhe-Idin ondernam in \'t jaar liTI vuur (\'bi. een veldtocht naar lükni, het uiterste oosteljjke gewest van Medië, waai

328

-ocr page 349-
-ocr page 350-

GliÏLLUSTKKKKDl: WEIlELDGESCllI T.DENIS.

oiilusttiii warun uitgobrokou. Godurondo oenu halve ouuw was Modii- vulkumeu aiin (1lt;\' Assyrisclio koningen onderworpen.

Om dozen smaad niet te moeten bekennen, doelden do Torzen aan ilerodotos een verhaal mode , dat hij voor waarheid aannam. Zij noemden hom een wijs man, Dejo-kes, don zoon van PliraortoH, die tol koning verhoven, van 708 tot (»5quot;) zou goregoerd hebben en do wondervolle stad Ekbatana bouwde. Van deze geschiedenis is geen en kei woord waar. Sargon onderwierp wel is waar, in 713, het naar vorst Dajakkoe (wellicht door de Grieken tot Dejokes verbogen) genoomdo land Uet-Dajakkoo, maar deze vorst was en bleef oen heerscher over een zeer beperkt gebied, evenals al de anderen. Evenzoo verdicht is Dejokes\' opvolger, l\'iiraortes ((gt;55—-(iulf), die do l\'orzen zou overwonnen hebben en bij een tocht naar Ninivoh omgekomen zijn,

Do grondvester van het groote Medische rijk is Oovakhshatara, die de Grieken Kyaxares noemden, en wien Ilerodotos als de zoon en opvolger van i\'hraortes vermeldde. Men merko tevens op, dat de fabelen die Horodotos den Perzen navertelt, met die van Ktesias weinig overeenstemmen.

Men hoeft redenen om aan te nemen, dat Oovakhshatara, (of quot;om op zijn Grieksch te sprokenquot;, Kyaxares), niet in het eigenlijke Medië, maar ergens aan de Kaspische zee geboren was, en aan het hoofd van nieuwe Arische landverhuizers in dit land verscheen , do kloine vorston zonder veel moeite onderwierp en pogingen aanwendde om het Medisch gebied tot de Tigrisvlakte uit te breiden. De eerste maal dat hij dit beproefde, werd bij door de Assyriërs geslagen; maar eerlang koerde hij, beter toegerust voor den aanval, terug en droef Assoer-Edil-llani naar Niniveh, waar hij hom belegerde. De inval der Kiniraoriërs dwong hem om dit beleg op te heffen en bet barbaarscho volk-uit het Noorden tegemoet te gaan, hetwelk echter door zijne oveigroote menigte over dr Mediërs zegevierde en het eene schatting oplegde.

Do Kiinmeriërs heerschten hier ongeveer zeven jaren en waren gedurende dezen t.iji! ((i.\'i 1—(gt;i27 vóiir Christus) eene geweldige plaag voor Azië, Doch de voortdurende veldtochten verminderden hun getal en ondermijnden allengs hunne macht. Dit moedigde Kyaxares aan om zich van hun juk te bevrijden. Hij noodigde de hoofden der Kiinmeriërs op een groot gastmaal, liet hen allen te zamen vermoorden en greep den volgen den dag de van hunne aanvoerders beroofde barbaren aan. Deze verdedigden zich dapper, ja bielden nog eenige jaren den strijd vol. De geschieden is, die Ktesias van deze oorlogen heeft opgedischt, mist genoegzaam alle waarde; doch het is een feit, dat de Kiinmeriërs in het einde werden teruggedreven en zich niet lang meer in Azië staande hielden.

Van dezen last bevrijd, vestigde Kyaxares de blik weder op Assyrië. Hij maakte een samenspanning met den stadhouder van Babylon, gaf deze zijne dochter tot gade (Vergelijk bladz. 324), en do nieuwe koning van liabylon belegerde mot hem Ninlveli en maakte ten jare 025 aan het Assyrische rijk een einde.

Kene zoo schitterende uitkomst moedigde tot verdere daden aan. Kyaxares viel hel door don inval der Kiinmeriërs verzwakte Gerarti en aanpalende landen aan en overwon de inwoners eveneens als de Moeskaï en de Toebals, welke Toeransche stammen naar de Zwarte zee en den Kaukasus werden gedreven en door volken van Iranschen stam en Kappadok iërs vervangen.

liet rijke Kloin-Azië lokte de Mediërs aan. Een Kimmerisch corps, door Kyaxares in dienst genomen, liep tot Alyattes, den toenmaligen heerscher van Lydië , over. De Medische koning verlangde de uitlevering dor ongetrouweu. Zij werd geweigerd , en daarop

330

-ocr page 351-

m li dl i: (in ubn historisch i;n sagentiju). 331

ili! ourlug vurldiiurd. Dozo dmirdi.) zus jiiron zoihIit boslissundo govulgon. Hoo dio krijg naar uanlmding van oenc züiisvürduistoi\'ing oon cindo nam (DU Soptonibur (ilü), bubbon wij roods vorhaald. (Vorgolijk bladz. .\'300). Nu liuwdo do dochtor van koning Alyattos met don zoon van Kyaxaros, Azi-Daliak (Astyagos), on do Malys vormdo de grens tus-sclion Mediö en Lydiö. Hot eerstgenoemde land reikte, toen Kyaxaros, in .VJü vóór (\'bristus stierf, van dezon stroom tot, do Iransclio woestijn,

Astyagos was goon man als zijn vader. Hij voordo geen anderen oorlog dan tegen du Kadoesiörs, die onderworpen werden. Vooleer schonk hij do voorkeur aan liet weelderige lovon dor Oostersche vorsten. Uij bekommerde zich oneindig meer om do Jacht dan om don oorlog.

Bij zijne talrijke vrouwen had liij niot dan óóne dochtor, Mandano, wier zonen derhalve de erfgenamen van don Medischen troon moesten worden, iljj huwde haar uit nan oen zijner vassalen, Kamboozia I (Kambysos), koning van l\'erziö, en de uitdozen iicht geboren zoon Koeroos, (de Koresch dos Bijbel\'*, den Kyros der (Jrieken «n den (.\'yrns der Latijnen), word aan het hof van Astyagos opgevoed. Toon de knaap opwies, vatte hij hot plan op, zich in de plaats zijns grootvaders te stollen en zijne landslieden, do Perzen, tot het hoerschendo volk te verheffen. Hij ontvlood het hof en begaf zich naar rorzië. In den eersten veldslag dio tnsschen do opstandelingen en do Modiörs plaats vond, worden de Perzen geslagen en de vader van Kyros gedood. Doch later gelukte hot Mandano\'s zoon de overwinning op zijn grootvader te behalen. Hij nam Astyagos govangon , en do Mediörs erkenden hem voor hun koning.

Sage7i Ijelrcjfanilt: Kyros. Wij zijn gerechtigd om dit geheele tijdperk der geschiedenis als quot;historische sagontijdquot; aan te duiden, want zelfs aan het einde daarvan is de geschiedenis zoo verward en duister, dat wij niet «ons de levensomstandigheden van den stichter van het IVrzische rijk kennen. Nationale jjdolheid, zoowel der Meden als der l\'er-zen, heeft do geschiedenis van Kyros derwijze verminkt, dat zij reeds na een verloop van honderd jaren onkenbaar was. Herodotos was niet in staat haar op te heldoren, cu niet veel moer kunnen wij het duister verdrijven, ofschoon wij in don Bijbal en iu gedonkteekenen, die beiden aan Herodotos onbekend bleven, iets meer aanwijzingen bezitten. Wij zouden ons echter tot de bovonvormelde feiten beperken, zoo niet de Kyrossagon — nu eens do eene, dan weder de andere — sedert duizenden van jaren als historische daadzaken werden beschouwd, en wij haar als zoodanig in de scholen geleerd hadden. Dat is do oenige grond weshalve wij haar ton minste aanstippen. Mot de berichten van Ktesias, ovenals met de opgeschroefde verhalen van Xenophon en die van hunne latere naschrijvers en versierders, nunnon wij ons echter niet inlaten.

Astyagos droomde, dat zijne dochtor Mandane langs don natuurlijkon weg zoo veel water loosde, dat geheel Azië daardoor overstroomde. De uitlegging die de magiërs i:in dit droombeeld gaven, verschrikte don koning , en uit dien hoofde gal\'hij zijne dochter ten vrouwe aan een Pers uit een edel geslacht, Kambyses, wiens aanzien bij echter ver beneden dat van oen zijner Medische dienaren achtte.

I oen Mandane zwanger word, droomde Astyagos andere aal, dat uit haar schoot een wijnrank ontsproot, die gansch Azië overschaduwde. Hij liet dien ton gevolge zijno dochter naar Medio komen, en toon zij een knaap het leven schonk, beval hij aan oen zijner bloedverwanton en vertrouwden, 1 larpagos, om hot kind mode naar huis to nomen , liet om te brengen en te bogravon. llarpagos was ovei dai bevel zeer bedroefd en verschrikt, want stierf de onde koning, on Mandane kwam aan do regeering , zoo was liet mot hem gedaan. Hij durfde den moord derhalve niet bedrijven, en meende dus

-ocr page 352-

332

lieol verstandig handolon, door liet misdrijf to laten pingen door eon ander, en wel door ienuuid, die eveneens onmiddellijk van Astyagos ai\'hankulijk was. Hij zond uit dien hoofde naar Mithridates, \'s konings veehoeder. Dezo vond in het huis van Harpagos een kostbaar gekleed kind, terwijl or tegen hem werd gozegd : quot;Astyagcs beveelt dit kind naar den naasten, eonzaamston berg te brengen, opdat liet daar omkome.quot; Mithridates hield het knaapje voor het kind van oen huisgenoot; doch op weg naar huis vernam hij van een bediende, dat het do zoon was dor prinses. Zijn hof binnentredende, berichtte men hom, dat zijne vrouw, die den naam van Spako droeg, van een dooden zoon was bevallen. De vrouw overreedde haren man om het lieve, lovende, vorstelijke kind met haar dood wichtje te verwisselen. Dit geschiedde. Hot lijkje van don herderszoon, met het vorstelijke gewaad versierd, werd in een mand gesloten en buitengezet. Drie dagen later word het vertoond on begraven, en Spako voedde den kleinen Kyros op, wien zij oen anderen naam gaf.

Het koninklijke bloed verloochende zich niet. Toen Kyros tion jaren oud was, kozen zijne speelgenooten hom bij oen hunner spelen tot koning. Zekere knaap, do zoon van een vermogend Modiër, Artembaxos goheeton, volbracht niet wat de kleine koning hom beval en bekwam daarvoor van Kyros zweepslagen. Do gestrafte knaap klaagde over de ondergane beleodiging bij zijn vader, en doze liet niet na den koning in ken nis te stellen, dat de zoon van \'s vorsten veehoeder zijn jongen een vreeselijk leed had aangedaan. Astyagos liet Mithridates en don kleinen Kyros voor zich brengen. De knaap antwoordde op de hom voorgehouden beschuldiging stoutmoedig; dat hij als verkozen koning volkomen overeenkomstig zijn recht had gehandeld. liet drieste optreden van den jongen en nog meer diens gelijkenis op zijne dochter brachten Astyagos op een vermoeden, dat juist bleek te zijn , want Mithridates bekende op do pijnbank den samenhang. De knaap bleef in het loven, omdat de droomuitleggers verklaarden, dat de droom vervuld was, naardien Kyros\' speelmakkers hem tot koning verkozen hadden. Astyagcs vergat nochtans de ongehoorzaamheid van Harpagos niet, hoezeer hü dit eerst niet liet merken. Hij beval hem zijn dortienjarigen zoon tot Kyros te zenden. Toen de knaap kwam, liet hij hom dooden en hot vleesch als lamsvloesch toebereiden. Dij hot maal werd het den vader voorgezet, die, zonder te vermoeden wat opgodischt was, daarvan at. Toen hij op \'s konings vraag antwoordde, dat hot gerecht hem goed had gesmaakt, liet deze een ge dekten mand binnenbrengen en noodigde Harpagos daaruit te nomen wat hom beviel. Kone vreeseiijko gewaarwording schokte nu don hoveling , want in den mand vond hij het hoofd , do handen en do voeten van zijn zoon. Doch als een onderworpen dienaar zijns vorsten be dwong de man zijne smart en verontwaardiging. Hij zoide niets dan: quot;Wat de konim; doet, is altoos hot beste.quot;

Kyros word naar zijn verheugde ouders in i\'erzië ternggozondon. Hij verhaalde hun wat bij aan het hof had vernomen, doch dat bij zich zei ven voor don zoon van\'s koning veehoeder had gehouden en door Spako was opgevoed. Spako is het Medische woord vom toef, en daar bij do l\'erzen de hond eenigormato een heilig dier was, zoo strooiden de ouders uit, dat Kyros toen hij to vondeling was gelogd, door eene toef was gezoogd.

Kyros groeide op, en Harpagos achtte don tijd gekomen om zich op Astyagos t.e wreken. Hij had roods vele Alediërs op zijne zijde gebracht en hun overreed om Kyros in do plaats van Astyagos te stellen. Het was mi zaakquot; den jongen l\'ers van dit voornomen konnis te geven. Dat geschiedde , doordien men hem oen baas ten geschenke zond . mot do aanwijzing om zelfden buik van hot dier te openen. In dien buik was een briel verborgen, die hom het plan deed kennen.

-ocr page 353-

MKDIË (IN l)KN II ISTOIIISCirriN SAOENTIJU).

Kyros was bereid om do gemaakte voorslagen aan te nemen. Hij schroef een anderen brief, waai in Astyages hom tot voldhoer der Perzen bonoomdo. Daarop riep hij eeiie vergadering van Perzen bijeen, las den brief voor en boval den saaingokomen , om op win bepaald uur, elk met een sikkel, zich bij hom te vor voegen. Toen zij bijeen waren, liet hij hen een met wilde dorens begroeid veld van 14 tot \'20 stadiën breedte en lengte voor bearbeiding geschikt maken. Zoodra dit quot;bevel ten uitvoer gebracht was, beval hij, dat zij don volgenden dag, na zich gebaad te hebben, moesten terugkomen. Inmiddels liet hij uit de kudden zijns vaders een groot aantal dieren slachten en onthaalde hot volk rijkelijk op spijs en wijn. ie midden der vroolijkheid vroeg hij den Perzen wat hun beter beviel den dag van gisteren of dien van heden? Nadat zij geantwoord hadden zoo als hij verwacht had, zeide hij, dat het aan henzelven lag om hot alle dagen zoo goed te bobben. Om hen dit duidelijk te maken, ontwikkelde hij hen zijn voornemen, met hot gevolg, dat zij zich bereid verklaarden, den opstand te wagon.

Astyages benoemde in wonderbare verblinding Harpagos tot aanvoerder van hot Medische leger. Wat te voorzien was geweest, gebeurde. Een groot aantal Medische krijgers had Harpagos op zijne hand weten to brengen. Hij bewoog hen het leger te ontwijken, dat daarop geheel verliep. In opbruisenden toorn liet Astyages allo magiër s spietsen, omdat zij hom geraden hadden Kyros naar Perziö te zonden, en stelde zich zeiven aan het hoofd van die troepen, welke de trouw aan zijn persoon bleven bewaren. Maar geweldig zag hij zich bedrogen: hij werd verslagen en gevangen genomen. Kyros wieckto zich echter aan zijn grootvader niet en behield hem bij zich tot de oude vorst stierf.

Dit is in hot kort het verhaal van Herodotos. Dat van Xtesias, hetwelk daarvan in menig opzicht afwijkt, vult een geheel boek, en zijn inderdaad aardige roman is met i.il van bijzonderheden opgesierd, die uitnemend aan den Perzischen koning, wiens lijfarts hij was, moesten behagen.

Op den godsdienst en den staat van beschaving der Mediërs zullen wij in liet vol-tijdperk terugkomen , daar bi idon goheol overeenkomen mot die der Perzen.

-ocr page 354-

C H A L D E A,

van \'i\'^r) tot 538 vóór Christus.

jL n (1^ g«schindftnis van Assyria liohhnn wij ^-ozii\'ii, lun» Babyion iiot mconnalon \'■.-..j\'bftprocfdc out do afhankolijkhoid waarin ln\'t, tot zijn maclitigon nabuur was \'rX gckomon, af to sohnddon. Wij noomdon onder d(^ koninklijko vassalon Naboo-/apik-Iskooïi dio As^oor-liid-Kaia om vrodc smonkto; vorvolgons Naboe-Natsir

en Naind (IX] 731), vordw Onkinzir on ton laatstn Pool (731—7\'2(i), dio Tiglat-l\'ilosar trouw blovon. Wij hebbon bericht, hoe oindolijk hot uur dor verlossing\' sloop i\'ii aan hot Assyrischo rijk door Naboo-Bal-Onssoor, in verbinding met Kyaxares van Modiö, een einde gemaakt word. (Vergelijk o. a. bliulz. IS(i en \'.VIA).

|)e vriondschap tusschen beido mogendheden, Modiö en Chaldea, werd daardoor bevestigd, dat de dochter van Kyaxares, Amytis, met denzoon van den Chaldeeuwschen koning, Naboe K\'oedoor-Oessoer 11 (Neboekadnezar), een huwelijk sloot. Dio vriendschap liad Hchoono gevolgen , want de vrede lusschon Medio igt;n Chaldea duurde eeno halvo eeuw.

Nnboe-Iial-Oossocr bokwam voor zijn aandool, bohalvo nabyloniö , do op]iorheerscha|ipij over Klam. Mesopotamië , Syrië en Palestina. In den oorlog, dio zijn bondgenoot .Kyaxares togen Kydiö voorde, stond hij den Mediër bij. Hot Dabylonsche hulpleger werd door Naboo-Nabid aangevoerd, die bij het afbreken van den slag aan den Halys, ten go volge van oono zonsverduistering, den wapenstilstand oanriod, welke tot een verbond van vrede tiwben Alyattos van Lydiö en Kyaxares voerdo. (Vergelijk bladz. 300).

Terwijl Nabne-lial-Oossoor\'s troepen aan don Lyilischen oorlog dool namen , rustte ko ninn\' Noko van Kgypte zich ton om Syrië to vorovoren. -losia van Juda, die don koning van liabylon als vassal trouw bleef, werd in 708 bij Magiddo geslagen on gedood en Svrië door Neko veroverd , die in zegepraal naar Kgypto terugkeerde, \'s l\'harao\'s heerlijkheid duurde noebtans niet lang. De Lydische oorlog bad oen einde genomen, en Naboo-T!al-Oessoer, zelf te ond om te velde te trokken, zond zijn jeugdigen zoon Noboekadnezar, in \'t jaar (iOrgt; vóiir Christus, naar Syrië.

Wel is waar verpletterde deze Noko niet, maar hij gaf hem toch eene gevooligo les door den veldslag bij Karchemisch, waarin de Assyriërs overwinnaars bleven en Syrië heroverden. Voor verdere ondernemingen der Habyloniërs kwam een belotsel. Neboekadnezar ontving het bericht, dat zyn vader overleden was ((50-i). Dit noopte hem ijlings een verdrag met Neko te sluiten, daar hij vreesde, dat zijne afwezigheid in liabylon door mededingers ton nutte gemaakt zou worden, om hem de kroon te ontrooven. De gewone wequot; was hem te lang. Slechts door een klein gebdde vergezeld, reed hij midden dooide Arabische woestijn en was to Babylon terug vóór iemand er hem verwachtte.

Naboe Koedoor-Hessor II (Neboekadnezar) vond te liabylon alles in orde, want de priesters hadden trouw voor zijne rechten gewaakt. De jonge koning behield lang de heersrliappy , want zijne regeering duurde van (id-i —5(i I.

-ocr page 355-

Cli .v li) ic A (in i)HN inSiORTSCIIKN saoknti.td).

Dn (lood des ondoit konings van Jiabylon had Egypto gored. Noko stierf, en zijn zoon, Psiimoticli If, had geen tijd over do nederlaag van Karchemisch wraak te nemen.

Doch toon Oohabra den Kgyptisclien troon besteeg, begon de oorlog op nieuw. I\'hoonikië en Jnda, Kgypte\'s bondgenooten, stonden tegen Habylon op. De vertoornde Neboekadnezar versohoen zeer spoedig in Syrië, en wol met liet voornomon om allereerst aan het bestaan van Juda een eindo te maken. Wij hebben bij do geschiodenis van Egypte en van Israël (Vergelijk itladz. 115 en 281) verhaald, hoe de oorlog mot de inneming van Jernsalom oen eindo nam. Do zonen van den Joodschen koning Zodokiah worden, nevens de stedelijke opperhoofden, gedood; aan den koning werden do oogen uitgestoken, en hij, met eone dubbele keten beladen, naar Babyion gezonden, .lernsa-lein werd verwoest, en de aanzienlijkste .loden in ballingschap naar de Enfraatoevers weggevoerd.

Men opstaml der achtergoblevonon, in 581, voltooide hot ongeluk dor .loden.

De Ammonieten, Moabieton en Nabatoërs, die aan den opstand deel genomen hadden , werden door Noboekadnezar zeer hard gestraft, en daarmede gereed gekomen, vestigde hij liet oog op Arabië, uitgelokt tot die onderneming door de groote rijkdommen te Saba opeengehoopt.

Hij liet de kleine koningen, die zich rnstig hielden, ongemoeid, doch zegevierde niet. geringe moeite over hen dio hom den tö|g naar .lemen wilden versporren. Hij drong langi den groeten karavaanweg voort en bereikte eindelijk do wostergrenzen van .lemen, quot;och de natnnr besciiermdn dit land al te goed. Hot Chaldeenwscho logor was dooide vermoeienissen in do woestijn zoo nitgepnt, dat Noboekadnezar den tocht moest laken en zich met do verkregen voordooien tevreden stellen. Met grootnn bnit en vele

-ocr page 356-

(1 KÏ 1,1 jl\'STUK Kil 1)1\'. WKItKl.DG KSCllll\'DKNIS.

govangonnn koorde hij naar Ghaldoa terug, naar wolk land li(j tvvoo goheolc Arabische stamraoii verplaatste.

Hij zijn tocht naar Syrië had Noboekadnozar het door do zoo omspoelde Tyros niet kiinnon innomen. Eerst na eeno blokkade, die dertien jaren duurde, liet koning Itho-baül III zich vindon om mot Noboekadnozar een verdrag te sluiten ((gt;7 i). liet verhaal, dat Tyros door Nohookadnezar is veroverd geworden, mist allen historischen grond.

Even valsch is de mededooling van don Joodschen goschiedschrijver Havius Josophus, dat de koning Kgypto veroverd, Oehabra verslagen en gedood, en do Joden, die hij in di^ Delta vond, naar Chaldoa verplaatst hoeft. Integendeel, do Phoenikische vloot, door de (\'haldeërs in dienst genomen, word door Oehabra\'s vloot geslagen, en Sidon door de Mgyptenaron bestormd. Al de overige steden op do Syrische kust werden zonder grooten tegenstand door do Egyptonaren ingenonien.

Van andere oorlogen van Neboekadnezar vermeldt de geschiedenis niets.

De jaren van vrede maakte do groote koning zich mot veel overleg ton nutte om het land, dat door do talrijke oorlogen, vooral door don inval dor Kimmeriers, in een treurigon staat was gebracht, te verbeteren. Met groote voorliefde, versterkte en verfraaide hij Babylon , dat ten gevolge der plundering door Sanherib en vervolgen^ door Assoor-Bal-Habal, even als ten gevolge der talrijke opstanden, zoo veel had gele den. Hij was in werkelijkheid eon zeer verstandig koning en vrij wat moer dan oen geweldenaar die er alleen op uit was, zijne heerschappij door het veroveren van aanpalende en moer verwijderde landen te vorgrooten. Do schots, die de .Toodsche schrijvervan hem geven, is hoogst partijdig en alleen te verklaren uit den haat, dien hij den

Israëlieten inboezemde.

Evon als iu Egypte, was hot regelen van den waterstaat in Chaldoa een aangelegenheid van het grootste belang. Neboekadnezar schonk dit onderworp de meeste be langstelling en deed \'kanalen dolven, die niet alleen dor bewatering, maar ook dei scheepvaart de grootste diensten bewezen en door hun grootschen aanleg verbazing wekten. Vier kanalen, die den Eufraat met den Tigris verbonden, waren moer dan :10 meters breed, hij genoegzame diepte om door zwaar beladen schepen bevaren te worden. Ui\' deze groote vaarten, waarover waar dit noodig was, kostbare bruggen werden geslagen waren anderen ter besproeiing dor landerijen afgeleid. Igt;e meeste verbazing verwekt-een grootsch werk, dat Neboekadnezar tot het regelen van den was en hot vallen van den Eufraat deed uitvoeren. Hij de stad Sippara, iets hoogor dan de vier zoo even vermelde kanalen, liet hij een moer delven van meer dan 10 mijlen in omtrek en 1l2 meters diepte. (Berosus zegt zelfs 30 in omtrek en \'20 ellen diepte). D* sluizen van dit meer waren zoo ingericht, dat zij zich, naarmate van den waterstand van den Knfraat of van het moer, van ze] ven opendon of sloten. Kanalen voordon nit dit groote waterbekken naar alle zijden. Dit Habylonsche meer was derhalve nog veel merk waardiger en doelmatiger dan het meer Mooris (of Meuris) in Egypte, al werd dit laatst, ook door paleizen m pyramiden verfraaid , want terwijl hel inlaten en afvloeien van \'t wat et hier als van zelf geschiedde, vorderde dit in Egypte telkens onzaggelijke sommen.

Dok voor de uitbreiding van den Imitenlandsehen handel droeg Neboekadnezar groot\' zerg, doordien hij de havenplaats Torodon nabij den mond van den Eufraat aanleg.!\' en tierrha verwierf, eeno plaats in het land der Dedanioten , aan de Perzische golt tegenover de llahrein eilanden , gelegen. Waars, hjjnlijk was zij reeds ten tijde der K\'oshieteii eene zeehaven geweest. Daardoor werd de gemeenschap met .lemen bevorderd en de be zwaarljjko kanivaanhandel door Arabié venneden.

xw

lil

i 1

kê \\

ï r

lil

ii:

lil v •

I r i

11

-ocr page 357-

Crm.DKA (IN DKN tflSTOIllSCIIHN SAfi MN\'I\'IJ lgt;).

Ofschoon voor hot oogonblik mot Modiö bovriend, was toch ocno botsing met dit land to voorzion. Do toonnniligo koningon waron onvorzadolijlc in hunne begoerte om inquot;1 door vorovoringen to vorgrooton. Nebookadnozar was uit dien hoofde bedaoht zijn rijk ook naar doze zijde in een geduchton staat van tegenweer to brongen. Hij bouwde dorliaive een muur van 15 mijlen lengte, die van den Eufraat tot den Tigris reikte en hij do Grieken onder don naam van don Medischen muur bokend stond. lgt;o/,e landweer was van gebakken tegels, door asphalt verbonden, opgericht en bezat eene breedte van (1 en eene hoogte van meer dan :{() meters.

De steden Ivoeti, Sippara, Harsig en Babylon zolvon herrezen uit hare bouwvallen. Do schatten uit het geplunderde Niniveh leverden voor een deel het noodigo geld. dat zeker niet doelmatiger besteed kon worden.

Do gebouwen te liabylon overtroften alles wat tot dien tijd in Chaldea was aanschouwd. De !lt;SN meter hooge trappyramide van den ouden Beltempel werd weder vernieuwd, en op de oostzijde van den stroom eene nieuwe stadswijk, niet oen koiiinklijken huig en andere praalgestichten, het aanzijn gegoven. Eene 1(1 meters broede en 5 stadiën lange brug verbond boide stadsdeel en , en aan hare einden verrezen heerlijke paleizen. Die hechte biug van moor dan !)()() meters lengte was een zoo bewonderenswaardig werk. dat de sage niet noodig had hot kostbare gewrocht op te sieren. Toch vond dit plaats, want hot volk verhaalde, dat de beide paleizen ter wederzijde door oen gang onder hot bed van den stroom waron verbonden. Boven hot koninklijk paleis verhief zich tot de hoogte van den stadsmuur een kunstmatig terras, eene breedte hebbonde van Imeters. Het rustte op door zuilen gedragen bogen, niet steenon platen bedekt, terwijl de voegen niet een mengsel van riet. gips en asphalt waterdicht waron go-maakt. Hot geheel was overdekt door eene zoo broede laag aarde, dat greote booinon daarin wortel konden schieten. Deze terrassen werden door het volk later de hangend\'\' tuinen van Semiramis genoemd. In werkelijkheid evenwel waren zij eene schepping van ili\'ii onvermoeiden Neboekadnezar.

Hot schijnt, dat hij deze werken in den naam of ter eere van eene zijner vrouwen ondernam, die ons onder den Egyptischen naam van Nitokris bekend is geworden. Volgens anderen legde hij de hangende tuinon aan ten genoegen van Aniytis, quot;opdat zij in de vlakte een zelfde vergezicht zou hebhon als op de bergen van haar geboorteland. \'

Do werken ter versterking der stad wekten evenzeer de verbazing als de tempels \'ii paleizen. De omtrek der stad bedroeg minstens 7 of lt;S Duitsche mijlen, /ij word door een 10 i.i meters dikken en \'i\'! meters hoogen muur omgord, die met 250 \'quot;ions en 100 poortgebouwen voorzien en door eene broede natte gracht beschermd woid. Daarachter verrees nog een tweede muur , ja op verscheidene plaatsen nog een derde.

De Joodsche profeten spreken dikwijls van do niet geëvenaarde pracht en sterkte dquot;zer heerlijke koninklijke residentie.

De overlevering der Giialdaérs zegt, dat Neboekadnezer op bet einde zijns levens deor oen profetischen geest werd bezield. Eens van het dak van zijn paleis zijne heerlijke schepping aanstarende, verkondigde hjj vol smart don naderenden ondergang van zijn rijk.

De Joodsche logende daarentegen laat Jehovah de verwoesting van zijn tempel aan Neboekadnezar wreken. De Ood van Israël bad den koning in een dier veranderd, omdat do monarch in zijn hoogmoed zich Godo gelyk had geacht. Zoven jaren zou Neboekadnezar gras hebben gegeten op hot veld, alvorens bij tot zijn vrooseren staat terugkeerde.

1

Ot)

-ocr page 358-

f i |-ï I jïiL\'STIl K H IU)K WE HKt l)(5 KSO 1111:1) K NIS.

Di\'/.c. in workolykhi\'iil grootu koning, die /.iju land on volk zoo voelvnldigo wuldadon liewoes «n bij voortdnur niouwo werken tot stand bracht, stierf in het jaar 501 vóór Christus. Een gesneden steen in hot Museum te Berlijn vertoont zijn hoofd, met een opschrift in spijkerschrift: Naba Koedoor Osssoer sar Lialiloo anakoe,quot; (Ik ben Neboekad-nezar van Babyion). Het portret is een profiel, over hot geheel verschillend van het eenigo ons nog bewaarde relief eens konings van Babylon en zeer vor afwijkende van do voorstollingon dor Assyrische koningen. In plaats van de hooge kidaris, hot lange gekroesde haar van hoofd on baard, draagt dit hoofd oen nauwsluitenden helm mot oen lagen kam. Men ziet het haar daaronder, maar hot valt niet in den nek. Het gezicht is glad en zonder baard. Do trekken zijn rond on vol, on do hals breed. Onder den helm treedt hot oenigszins daarboven terugwijkende voorhoofd te voorschijn. De wenkbrauwen zijn te zamengotrokken. Do blik is gebiedond. Do neus is recht en odol gevormd, do mond onorgisch gesloten, de kin kort afgerond en oenigszins opgehoven. Het beeld getuigt van oen welgovestigden, ja dreigenden wil, van eono vaste, zich zolvo bewuste kracht.

Noboekadnozar\'s opvolgers geleken hem weinig. Zij waren zwakke koningen, Oos-torsche despoten. die steeds naar genot haakten, en wier weekheid en wellust ton spreekwoord worden. Vrouwen on gesnodenon oefenden op hen don grootsten invloed uit. Kabalon, samenzweringen en moordon waren aan de orde van den dag.

Do eerste dezer jammerlijke monarchen was Avil-Mardoek (Evil-Morodach), van 501 tot 55!\'. Hij werd door zijn schoonbroeder, Xirgal-Sar-Oessoer (Neriglissar), vermoord, die echter reeds in 550 stierf en den troon naliet aan een knaap, met name Bel-Labar-lskncn (Labosordach). Die jeugdige vorst had mede weinig genot van zijne hooge waardigheid, want ook hij werd spoedig omgebracht, waarop Naboe-Nahit (Nabonit) van 55:}—538 den troon bekleedde.

Reeds Noboekadnozar\'s vader had voorzien, dat te eeniger tijd een aanval van Modie was te wachten, en uit dien hoofde begonnen Babylon te versterken. Zijn zoon voltooide wat hij had aangevangen, en toon Naboe-Nahit het Lydische rijk zag onder gaan, wist ook hij. dat het uur der beslissing voor zijn land naderde. Hij maakte toerustingen om den aanval af te weren, die ook niet lang op zich wachten liet. Ton jare 5.\'18 rukte Kyros Chahlea binnen. Hij sloeg het beleg voor Babyion en veroverde deze groote stad.

Hoe dit plaats vond, zullen wij mededeelen, wanneer wij de daden van den groeten l\'erzischen koning verhalen.

Naboe-iNahit gaf zich te Barsig over, naar vvolko stad hij gevlucht was. Kyros verbande hem en zijn gezin naar Karamanië, en daar de banneling zich onderworpen gedroeg, benoemde Kyros hom tot stadhouder dier provincie.

Zóó eindigde hot groote (\'haldeeuwsche rijk.

Babylonsche en Assyrische beschaving.

(todsdieml. Over den godsdienst dor Chaldoöi\'s en zijn ontstaan uit Toeransche on Koshitiseiie (Somitsehe) bostanddeolon hebben wij reeds uitvoerig gesproken. Wij bobben ook vermold, dat juist, evenals in Mgypto, de eene of andete godheid in verschillende stedwi als b(jzimdore god dier plaats, of liever als haar schutspatroon, werd voroerd. i.\'haldoa was de bron dor godsdiensten van allo volken van Somitischen oorsprong.

-ocr page 359-

CtlAI.DRA (IN I)Kt 11ISTOItfSCI[liN SAf) 11 NTfJd).

Velerlei aanduidingen wijzen er zelfs op, dat wellicht in de alleroudste tijden, eeuwen ilie verder van ons afliggen dan die welke de geschiedenis ons doet kennen , de godsdienst der Kgyptenaren met dien der Kosliioten een en dezelfde was, hoe verschillend zij zich, elk voor zich, in den loop dor eeuwen ontwikkelden.

Te Babylon vereerde men inzonderheid de planotarische goden Mardoek, Nergal, Naboe (of Neboe) en [star, onder den naam van Belit, welke godin Herodotos Mylitta noemt, en natuurlijk ook Bel of Baal. Do hoogste god was, zooals vroeger roods gezegd is, Hoe of El, dien men in Assvrie onder den naam Assoer of Assyr als de hoogste god des lands vereerde. Hoe de namen en de wijze van vereering der Ohaldeeuwscho goden zich naar do verschillende oorden en plaatsen wijzigden, hebben wij in Mam, Syrië en Klein-Azië leeren kennen. Dergelijke onderscheidingen, ofschoon wellicht niet zoo aanmerkelijk, kunnen ook in Chaldea en in Assyriö plaats gevonden hebben. Nauwkeurig kunnen wij die afwijkingen niet opgeven , en hoe belangwekkend dit onderzoek ook voor oudheidkenners, theologen en andere specialiteiten moge zijn, voor ons is deze aangelegenheid van geen overwegend belang, om er lang bij stil te staan.

Op Assyrische gedenkteekenen vinden wij de volgende goden aangeduid, volkomen in overeenstemming met die welke wij vroeger opgenoemd hebben, te weten: Assoer, de machtige heer, koning van de verzameling der goden; Anoe, de ondoorgrondelijke. do hoor, die het lot bestuurt, de heer der landen; Salman-Nisroch (in Chaldea Noeah), koning der vloeistoffen, heer der geheimenissen van den llasisoo; Sin, hoer dersfee-ren, die de vlakte drenkt; Mardoek, de wijze, hoer der orakels, hoofd der goden; Hin, de ondoorgrondelijke, heer der stroomende watoren, die voor de vruchtbaarheid waakt; Adar-Samdan, de verschrikkelijke, de held dor goddelijke kampgevechten, die do vijanden overwint; Nebo, de waakzame, die don schepter verleent; Belit, de gade van Bel, de moedor der goden; Nergal, heer dor veldslagen; Bel-Dagon, do opperste vader der goden, bouwmeester, schepper dor goden; Saraas, de rechter in den hemel en op aarde, gevolmachtigde der godenvergadering; Istar, meesteres des homels en der aarde, rechtsprekende over do helden, goilin der veldslagen.

Wij zien hior Bolit en Istar, die met do Asjera en Astarte overeenkomen. als twee verschillende godinnen vermeld.

Van de wijze waarop do Assyriërs en Babyloniers hun godsdienst uitoefenden, weten wjj weinig meer dan dat zij offers brachten, waaronder drankoffers, want deze zien wij ook in hunne beeldwerken. De koning offert er uit den heiligen beker. De dienst, van Bolit was ongeveer dezelfde als in Syrië. Te Babyion heerschte een bijzonder ge-bruik. Iedere maagd moest haar maagdom der godin offeren, en wel voor gold. De meisjes tot het tijdperk der huwbaarheid gekomen, moesten op een bepaalden feesfccliig in de heilige haag van Belit (Mylitta), te zamon komen , het hoofd met een koord oniwon-•\'quot;\'i, ten toeken dat zij nog gebonden waron, dat wil zeggen, nog niel, door de go-eischte ollerande waren ontstrengold. Naderde nu een man, die haar oen geldstuk in den hoot wierp en van haar quot;\'in don naam dor godinquot; eischte, bom te volgen, zoo moest zij hom tor wille zijn. Het geld behoorde aan don tempelschat, en het meisje quot;\'quot;1 baar plicht vervuld, wanneer zij dit bad uitgeleverd. Velen zullen wel middel gebonden hebben om hen uit te zoeken, die zij het liefst hadden. Als vernederend schijnt •li\'ze offerande niet beschouwd te zijn , want de gekozenen bespotten baar op wie geene kous was gevallen. Leolijken konden niet zelden lang op verlossing wachten. Do docli-quot;■rs dor aanzienlijken kwamen voor de quot;plechtigheidquot; in kostbare rijtuigen en door \'wre bedienden vergezeld. Herodotos\'voegt aan deze mededeeling do woorden toe: quot;en

-ocr page 360-

OI;ï M.USTIIEKIU)E W B REL110 KSC111EI)KN IS.

voortaan kon mon haar nog zoo voel bieden, zij doden het niet weer.quot; Dit is nioeie-lijk zoo onbepaald to golooven, daar de prostitutie tot do godsdienstige gebruiken bohoordo, en mon den vrijon omgang van mannen met vrouwen niet als onzedelijk beschouwde.

De betrekking der priesters was dozolfdo als in Egypte, dat is zij waren de beoefenaars on boschonuors dor wotonschap, on hunne ambten bleven in hun geslacht. Anders toch zou hun aanzien niet zoo groot zijn geweest als dit werkelijk hot geval gewoest schijnt te zijn. Op de godonkteokonon ziet men don koning tegenover hon in eene bjjzondor onderdanige houding. Men herkent hen aan cjpressentakken in huinio handen, of aan een vierkant vaatwerk, dat ook do koning draagt, wanneer hij offert.

IVelenschaj). Van wotonschap in don hedondaagschon zin kan bij de Babyloniörs en Assyriërs nauwolijks do rode zijn. Schryfteekens haddon , zoo als wij gezien hebben, roods do Toeraniörs. Daaruit ontstond van lievorlode het zoogenoemde spijker-, wig-of koil-schrift, dat is een schrift, waarvan do toekons uit verschillend gepluimde rochto strepen bostondon , vry wol overeenkomende met don vorm van spijkers. Als syllabenschrift is hot \'t oudste dat er bestaat. Oorspronkelijk was hot eon aan do Egyptische hieroglyphon verwant schrift, dat van lieverlede in spijkerschrift overging, oven als het Domotisclic uit do Egyptische hioroglyphen. Dit spijkerschrift word door do Assyriërs, Modiörs, Elamioten en i\'orzon aangewend en minstons tot in de eerste eeuw van onze jaartelling op gedonktoekonen aangebracht.

Als oono proeve moge do volgende phrase dienen.

340

K ï

lt;MHT\'TIT .Ef M~JM

Ar

1.1: l ;

Naboo - Koedoer - Oessoor Ni • bi - so soo

ff ff ^rj

za - an - ki

bir

ti sa

i \'i

is - sa - a - a na

ê I

\'M

Assoor a na ka sa di il li ka.

A rk i soo N a b oe K\' o o do e r Oo sso er ni-bi-sosoe is-sa-a-anaza-an-ki-hir ti sa Assoor a na ka sa d i i 1 li ka

(/Va /tem, Nahoe-Koedoer-Oe-isoer (I), zijne wapev* voerde hij aan de passen der grenzen van /Issoer voor de verovering hij kwam).

Do oudste phonetische schriften zijn in werkelijkheid raadsels of rebussen, dikwijls niot mindi\'i- vroomd on gewrongen dan die welke tegenwoordig in velerlei bladen ter oplossing worden gegeven. Wij nomen een voorbeeld uit hot Egyptisch. De lapis lazuh hoot in het Kgyptisch Khesdeh. Nu heet echter Khes trekken on dob zwijn. Dquot; voorstolling voor dion steen was uit dozen hoofde: een men.vh, die een mijn aan den slaarl Ireht.

Men schreof op vochtige loomon tafels, die hard gebrand worden. Ook in de togols voor gohonwen stond Op deze wjjze den naam van don bouwheer, of wel zijn teeken. uitgedrukt.

In do astronomie waren de Chaldoörs reeds in do oudste tijden allen andoren volkon

f :

li:

-ocr page 361-

cii.vLDHA (in dun uisToiirsoHKN «agentijd).

vooruit, on hunno borokeningen van maansvorduisteringon on andoro vorschijnso-len aan den iioinol wijkon, in woorwil zij niet dan onvolkonion werktuigen kondon liozigon , slechts weinig van de onze af. Dat roods do ondo Akkadiörs don dieronriom uitvonden, hebben wij vroeger vermeld. Door do Chaldeörs werd ook do sterrenwicho-larij of astrologie het aanzijn gegeven, en do borichten in onze oude almanakken, onder wolk sterrebeeld quot;hot goed is ader te laten,quot; of wol deze of gene vomehting te ondernomen, ontleonon die boekjes aan do Chaldeörs, wier magiërs zich met deze in-gobeelde wetenschap bo/.ig hielden, waaraan men helaas, hier en daar in \'t beschaafd Europa na duizenden van jaren nog waarde hecht.

Dat men roods in den oudsten tijd er op bedacht was, om do verworven konnis op to teekenon, blijkt uit hot verhaal van den zondvloed, waarin aan Xisoethros (Hasisadra) wordt bevolen, do boekon die de oude wetenschap behelzen, bij Sippara to bogravon. Koning Sargon (1500 vóór Christus), van Aganeh, legde zelfs oene bibliotheek aan on liet oude, toenmaals roods onverstaanbare schriften in do Semitische taal overzotton, waarna koning Assoer-Bau-lIabal hen deed afschrijven. Do overblijfselen van deze merkwaardige bibliotheek bevinden zich thans te London.

Staat. Do staatsvorm, zoowel in Assyriö als in Babyion, vertoonde de volstrekte alleenheerschappij in nog voel onbeperkter wijze dan in China, Indiö of Egypte, waaide koningen aan onaantastbare wetten en ceremoniën gebonden waren.

Do koning was de vertegenwoordiger der godheid, en wat hij dood, was good on hom vim boven ingegeven. Assoer beval om aan zijn dienst het oono of andore land te onderworpen, en de koning deed hot; Assoor vorhougdo zich wanneer hij muiters spiesen, verbranden of lovend de huid liet afstroopen, en in den strijd zweefde - ton minste op de afbeeldingen — steeds eeno gevleugelde godheid boven den monarch. Do koningen van Assyriö stroden im moordden in naam der godheid die zij aanbaden, en vergaten nooit om aan die godheid uit don heiligen beker iets too te brengen, d. i. to ofl\'oren. Zij trokken steeds zolvon ten oorlog en waren geenszins onkel najagers van jammerlijk genot of verwijfde salonrokols. Zij koesterden eeno hartstochtelijke gonogon-licid voor do jacht, wi hiinno jachten bostondon niet bij voorkeur uit bet vervolgen van weerloos wild, maar uit gevochten met do zoo gevaarlijke loouwon, buffels Ojl andore roofdieren , ofschoon gazelion on dergelijk wild ook wel werd opgejaagd. De jacht was eeno oefening en voorbereiding tot den oorlog.

quot;s Konings kleoding bestond uit oen lang, tot op don voet reikend kleed, kostbaar ■ ii smaakvol geborduurd en mot breodo franjes omzet. Op bet hoofd droeg hij oono prachtige mitra, aan de armen en handgewrichten kostbare gespen en op de zjjdo een kunstig versierd zwaard en dolk. Ziot men hom op den troon , zoo houden gesne-ilonen in lange gewaden het koninklijke zonnescherm boven hem , en in do hand houdt M) den beker. De gesneden en spoelden eeno grooto rol aan het hof en bezetten allo posten. Zelden nochtans ziet men hen als krijgslieden.

Trok do koning ton oorlog, zoo geschiedde dit met een groot gevolg, waarbij vrouwen geenszins ontbraken, en alles zoo prachtig mogoiyk was. Het leger bestond uit strijdwagens, ruiters en voetvolk.

Do koning en do aanzienlijken bedienden zich bij voorkeur van do wagens. Deze zagen er uit als de Egyptische, van achteren open op twee wielen rustende, en met voorraad van pijlen en pijlkokers voorzien. Twee paarden trokken don wagon, en \'\'\'laniovons liep oen roservepaard. In don wagen namen drie porsonon plaats; do wagon» \'quot;quot;iiner, do boogschutter en de schilddrager. De boogschuttor droog oen pantsorhomd,

311

-ocr page 362-

UKÏLLUSTllEr.llUK WKllKl.UOKSCIll KU K.NIS.

blooto armen on in plaats van een helm een hoofdband, dio hot haar aan liet achterhoofd to zaraen hiold.

Do ruiters hadden voortreffelijke paarden, dio zij nu eens mot zadels, dan weder onmiddellgk onder den man bereden. Zij voorden zoowel bogen als lange speren.

liet voetvolk wa.s ingedeeld in zwaar gowapenden, boogschutters en slingeraars. Do eersten droegen kegelvormige ijzeren holmen, voorzien van een hoogen kam. Zij haddon het lijf omgord met oen pantser , waarvan liet borstharnas mot allerlei figuren prijkte. Hunne wapenen bostonden in lansen, korte zwaarden, dolken en ronde of ovale schildon. lüj belegeringen waren deze schilden zoo groot, dat zij den goheolen man dekten. De boogschutters hadden ter hunne bedekking niet zelden schilddragers en waren tevens van zwaarden voorzien.

Kc voornaamste bezigheid des konings bestond in het voeren van den oorlog. Do aanleiding tot deze veelvuldige oorlogen hebben wij roods vroeger opgegeven : zij waren een voornaam middel om buit en schattingen te bekomen.

Op do Assyrische beeldwerken staan oorlogstafereelen bij voorkeur afgebeeld. Wij weten daaruit nauwkeurig hoe men streed, hoe men bij belegeringen te werk ging, 011 welke belegeringswerktuigen men bezigde. Men rukte in drie gelederen vooruit: in de beide eersten speerdragers, in de derde boogschuttors. Moesten de laatsten schieten, zoo knielde liet eerste gelid, en het tweede nam eene gebogen houding aan. Jiij belegeringen was hot voornaamste streven om toegang tot do wallen, door liet aanslepen van stormrammen of beweegbare torens, te verkrijgen. Lagen do versterkte plaatsen, zoo als dit veelal het geval was, op eene hoogte, dan maakte men aan den voet van den wal eene soort van glacis. Terwijl de mumbeukondo werktuigen aangevoerd werden of in werking werden gebracht, mikten de boogschutters naar don wal, om do verdedigers van di\' bedreigde, plaats te verwijderen. Deze boproefdon natuurlijk de machines te verwoesten doorliet neerwerpen van groote lasten, of door vuur. Ook mijngangen legde men aan. Voor Imt bestormen had men breede ladders, op wier sporten verscheidene krijgslieden naast elkander plaats vonden.

Koophandel en nijverheid. Wij hebben gezien (bladz. 171), dat do volken uit weikon do Chaldeën ontstonden , reeds ver in beschaving gevorderd waren. In de oude graven hij Oer (Ur) en andore plaatsen van Zuid-Chaldea, wier ouderdom zekerlijk opklimt tot liUOü jaren vóór Christus, vond men gouden, bronzen en ijzeren voorwerpen, do laatst.cn allen tot ruwe sieraden bewerkt, waarschijnlijk omdat het ijzer zeldzamer, oi\' het winnen daarvan uit don erts moeielijker was \' Zoo als wij op de Assyrische beeldwerken zien, was men in alle takken van volksvlijt aanmerkelijk gevorderd. Do woningen waren met dezelfde geriefeiykhoden voorzien, als wij die bij de Egyptenaron vonden. Men had tafels en andere meubelen van metaal of hout, dikwijls mot ivoor ingelegd. Sieraden van goud en zilver werden keurig en mot smaak bewerkt, en de lialivlonsc.he gravuren in kostbaren steen waren wijd en zijd beroemd. Bijzonder prach-üg versierd waren do wapens, even als do dolk- en zwaardgrepon. De vormen der Assyrische en Habylonsche gereedschappen lachen ons veel meer toe dan die der Egyp-tenuren. Het weven van wollen en linnen stoffen behoorde mede tot de belangrijkst

\' liit is Imlcrdaud zildzuntn , d;it men zolf in Hgypte eerst zoo laat met liet bewerken vnn ijzer begon, lUnr dit metaiil in Abossinië, zoo in het voormalige koninkrijk Sjoa als in bet weleer door Dr. Scbimper bestuurde ilUlrict, in gedegen staat aan de oppervlakte der aarde wordt gevonden, zoodat men het ter Hlmiil bewerken kan, lief is te opmerkelijker, omdat de zoo onbesebaafde inboorlingen van Borneo bet ijzer nit den erts weten te trokken en te bewerken.

-ocr page 363-

CIt.VLDEA (iN DEN UISTOKTSCIIKN SAG KNTIJI)). 343

takken dozor kunstvlijt, on men weofdo kostbare voolklenrigo tapijten , zoowel als gewaden en dekens. IFot blauwe laken, do geborduurde stoffen on de katoenen weefsels der Assyriërs en Chaldeërs vonden in Phoenikio grooten aftrok. Do linbylonsche mantels waren in Syrië roods lang vermaard toon do Israëlieten hot land binnentrokkon.

Do oude Koshieton waren oen bedrijvig volk van kooplieden, en hunne.betrokkingen met Indiö, Arable, Egypte en Syrië werden al sinds eeuwen onderhondon. Niniveh on Babylon waren markten voor alle mogelijke waren. Het aantal kooplieden van beide steden staat als buitengewoon groot opgeteekond. De ruwe stoffen bekwamen do Babyloniërs voor het grootste dool van de Arabieren, die hun huiden, wollen en vee toevoerden. Uit Armenië kwam hout in vlotten langs don Enfraat aan, want hout groeide in Chaldea weinig, niet voel meer dan in Egypte. Syrië zond olie en wijn. Uit het Zuidelijk Arabiö en Indië verkroeg men do heerlijkste reukwaren, waarvan men tn Babyion recht voel hield: de zoogenoemde koningspomado werd uit vijf-en-twintig vorschillendo bestanddoelen gemaakt. Uit Indiö kwamen dezelfde koopwaren, die wij roods bij Egypte en l\'hoe-nikië opgeteld hebben, maar ook zijden stoffen en ruwe zijde, hetgeen aanwijst, dat men door bemiddeling van Indiö verbinding met China onderlüold. Hot verkeer mot l\'hoeriikië was buitongomeen, levendig en moot hot grootste overwicht gohad hebben, daar men in Phoenikiö en in het grootste dool van Syrië Babylonsche maten on gewichten aannam, die ook in Griekenland ingevoerd werden.

Hot Babylonsche zware talent woog üO.quot; kilo. Het zestigste doel daarvan was de mine, die derhalve iots zwaarder was dan ons kilogram. Hot lichte talent woog zooveel als do Babylonsche kubieke motor: JSO,3 kilo. Dit was het gewicht voor koopwaren. Voor zilver on goud had men andere gewichten. Men betaalde met goud-en zilverschijven of met ringen van goud- en zilverstrooken, waarvan het kleinste, do sjekel, (gelijk aan dor zware mine), het geldgewicht uitmaakte, waarnaar men rekende. Het zware talent had 3Ö00 sjekels. Doch dit baarde oenigo moeielijk-heid, en daarom rekenden de kooplieden .\'5000 sjekels op het talent zilver of goud, hetwelk dien ton gevolge slechts 101 pond woog, hetgeen voor do mine 1 ;. pond uitmaakte. De Phoenikiërs brachten niet alleen deze gewichten, maar uok de Babylonsche lengtemaat, bij de handeldrijvende wereld in gebruik.

Huiselijk en gezellig leven. Van het maatschappelijk vorkeer dor Assyriörs en Babyloniërs weten wij belangrijk minder dan van dat der Egyptenaron , omdat do boeldworkon der beide oorstgonoomdc volken meestal staatkundige handelingen ol\' oorlogstafereelon voorstollon. Zij zijn in waarheid eon in steen geschreven krijgskroniok. Intussclion weten wij, dat beide volken, ton minste do aanzienlijken onder hen , oen zeer weelderig loven leidden, hetgeen waarschijnlijk to Dabylon een weinig meer verfijnd was dan te Kiniveh, waar naar hot schijnt, alios moor op militairen voet was ingericht. Mon hield eone menigte slaven, ton deelo krijgsgevangonon, die, ten minste to Babylon, doorgaans welwillend behandeld werden.

De inwendige inrichting dor kamers was doorgaans geenszins dezelfde als die in de vertrokken der tegenwoordige Oosterlingen. De Assyriërs zaten op stoelen en aten ■laii tafels, oven als wij. Ook hadden zij roods bronzen vorken, waarvan men oenigon teruggevonden heeft.

De voorname klasse stolde veol prijs op schoono, kostbare gewaden on op een keurig toilet 1\'l1 hinine lange bonte bovenklooderen waren, inzonderheid op de borst, allerlei figuren ge-\'quot;iidmird, zelfs gehoelo jaohttooneelon en andere voorstellingen. Do armen sierden zij mot \'\'quot;\'\'de banden, zoo kostbaar mogelijk; er kwam daarop eveneens sehomi bordanrwerk voor,

-ocr page 364-

(IKÏM.l STItKRRDH: WeKKl,l)GK.SOIII KÜKN1S.

voolal stioron , rams- of loouwenkoppen. In do ooron droog men ringon, doch dozo aan d» vingors to stoken was niet in gebruik. Hot haar droog inon in hot midden gescheiden , en do lokkon daalden achter hot oor op do schouders neer. te zamon gehouden door een fraaien hoofdband, waarvan tippen op don rug nedorhingon. Aan den baard besteedden do mannon groote zorg: men liet dien zoo lang groeien als hij slechts kon (Mi deelde hem in twee of drie rijen lijn gekroesde lokken, Had do baard i\'oen behago-lijke kleur, zoo trachtte men daarin te voorzien door de haren te verwen. Eveneens kleurde men de wenkbrauwen.

Kunsten. Wij voegen do Assyriers steeds mot de Babyloniërs bijeen , omdat do eersten van de laatsten hunne beschaving ontvingen, en do toestanden allerwaarschijnlijkst over het geheel gelijk waren. Hadden Chaldoa en Assyriö donzelfden rijkdom aan bouwmaterialen bezeten als Egypte, zoo zouden hunne gebouwen, in weerwil van alle verwoestingen, nog tegenwoordig do wereld evenzeer, ja wellicht nog meer, in verbazing brengen als Egypte1» pyramiden en tempelgebouwen De waterstaatswerken, die b. v. Neboekadnezar liet uitvoeren, stonden, zooals wij gezien bobben, bij de Egyptische niet achter. In Assyriö had men wel is waar bouwmateriaal genoeg, doch do gewoonte veroorzaakte, dat men voort bleef bouwen zoo als men het van de Chaldoön geloerd had. Men gebruikte tot bouwen meestal gebrande leemtegels en metselde met asphalt. Verder bezigde men in de zon gedroogde tegels van met stroo vermengd leem. De wanden werden dikwijls mot verglaasde tegels bekleed, doch in de paleizen en tempels maakte men in do plaats daarvan niet zelden van kalksteen- of albastplaten gebruik , met reliefs daarop uitgehouwen. Om do muren eone groote hechtheid te geven, maakte men hen verbazend dik. Van de oude gebouwen bij Oor en andore Chaldeeuwsche steden hebben wij reeds gesproken.

Tempels gaf men gewoonlijk don vorm van torens, dat is, op een breeden en langen grondslag plaatste men een gelijken bouw in verkleinde afmeting, mi zóó vele verdiepingen hoog. Men ziet de zoodanigen bij Oer en in de nabuurschap van het oude liabylon, bij een thans Hirs Nimroed genoemden bouwval, die nog tegenwoordig 5i\' motor boven de vlakte oprjjst. Deze ruïne, meent men is do beroemde toren van Italud. Meer daarover deelden wij reeds in do Voorhal mode. (Vergelijk blad/,. :!0).

Aangaande de ontzettende verspilling van edel metaal in het binnenste dezer tempels ontwerpt de fabellievonde historicus Ktesias eene schets die droigt te verblinden. Ontwijfelbaar is hot, dat hij overdrijft, doch dat er vrij wat grond voor zijne schilderij is. wordt ons door de schots van Herodotos bevestigd, wion wij in alles wat hij zelf gezien heeft, gerust kunnen vertrouwen. Hij bezocht dezen toren, die te zijnen tijde nog stond, en die door Neboekadnezar 11, welke hem den Tempel dor zeven lichten (de l\'la neten) noemde, was herbouwd. Eene groote gouden beeldzuil van Bel Herodotos spreekt van Zeus —, eene groote gouden tafel, een voetbank en zetel bevatten, naar de Chal-deën hem verhaalden, 800 talenten goud, derhalve 500 centenaars. Metalen stiften in de muren toonden aan . dat ook deze dikwerf mot platen van edel metaal bekleed waren. Neboekadnezar\'s naam vindt men overal op de tegels der ruïnen van liabylon.

Van de reusachtige vestingmuren hebben wij reeds gesproken. De burgten van liabylon en aiutere plaatsen wanm ongetwijfeld even zoo bewonderenswaardig en grootsch als de tempels.

In Vssyriê. waar de alloenheerscher moer gold dan de priester, schijnt men aan den bouw en do versiering der paleizen de meeste zorg gewjjd te hebben. Niniveh was zeer in verval geraakt. Uetzelfd^ wat Neboekadnezar 11 voor Babylon deed, deed

344

S

H |

Ifïlïa

I

y| ri II

quot;

lil

1

-ocr page 365-

CIIAI.DHA (IN DUN ItlSTOIUSCHKN sagbntijd). \' 315

Hanhorib voor Ninivoh. Hij vorbotordo do oudo paleizen met groote pracht on versierde hnn mot vele kostbaarheden, die hij aan hot door hem verwoeste Jiabyltm ontnam. Du hallen 011 zalen in dezo paleizen waren meestal zeer smal, daar men geono lange balkon voor de zolderingen en vlooren kon belcomon. [iinnen de meeste ruimten heerschte een plechtig halfduister, daar er geene vensters waren , en het licht alleen door de deuren on door openingen in het dak binnendrong. In weerwil van al die pracht welke daarbinnen heerschte , moot men zich in deze zalen niet wel tehuis gevoeld hebben. Do grooto hal in hot paleis te Nimroed was 50 \'z. meter lang en slechts 11 meters breed. Vóór don grooten ingang stonden eenigermate als wachters, kolossale leeuwen of gevleugelde stieren mot menschenhoofden, en voor do deuren der vertrekken andere groote figuren.

De wanden van zoodanige paleizen waren \'i\' en .i meters hoog en met dikke platen van een weeken steen bekleed. Aan den binnenkant waren zij mot oen rijk versierd gips overdekt. Do vloeren bestonden mede uit zoodanige platen, die neergevleid waren over eene door asphalt tegen de vochtigheid beschermde onderlaag. I »e zoldering bestond uit tafelwerk, rijk met ivoor ingelogd. Al doze steenplaten, zelfs die van de vloeren, waren met basreliëfs versierd en met lange opschriften voorzien, die eenigermate het rijksarchief uitmaakten.

liet beeldhouwwerk der Assyriërs onderscheidt zich van hot Egyptische door grootere natuurlijkheid, ofschoon bet, wat do grondstof en de keurigheid van uitvoering betreft, daarvoor moot onderdoen. Eigenaardig is bij de Assyriërs do samenkoppeling van men-schelijke en dierlijke ledematen. Deze opvatting ontleent waarschijnlijk haar oorsprong aan oude (\'haldceuwsche overleveringen. Bijzonder fraai is in do menigvuldige jachttaforeolen de voorstelling van verschillende dieren. De oudste basroliefs hebben geen achtergrond. Doch hierin kwam onder Sanherib verandering. In zijn tijd won het gebruik veld om bij iedere voorstelling ook hot oord aan te duiden , waar dlt;\' gebeurtenis had plaats gevonden. Wij zien derhalve in die tafereelen niet slechts liguren, maar ook bergen , boomen, stroomen, wegen enz., en wel oogenschijnlijk niet slechts uit oen kunstlievend oogpunt, maar ook als een getrouw beeld van de natuur. Verschillende boomsoorten, iliiTen, vogels, vissehen enz. zijn mot de grootste zorgvuldigheid in alle oiidordeolot uitgevoerd. .Men wilde als het ware eene steenon photographie van het gebeurde leveren.

Hetzelfde verlangen om ied^r tafereel dat men schetsen wilde, trouw woder te geven, spiegelt zich al\' in de reliefs, die tooneelen zoowel uit Sanherib\'s loven als volks-vi\'iv.amelingen en huiselijke bedrijven voorstellen. Wij zien het optreden der bedienden, dé\' voor den koning den maaltijd gereed zetten, met het wildbraad en de vruchten die verlangd werden. Wij zien ook in eene rij van basroliefs (b1 werkzaamheden voorgo.stohl, din hot beitolen en opstellen van oen reusachtig stiorenbeeld veroorzaakte, van het oogen-blik dat het ruwe steenblok werd uitgehouwen, tot dat waarin het aan zijne plaats word gebracht. Tot in do kleinste bijzonderheden zijn doze reliefs, welke aan dio in

Egyptische graven horinnenn, uitgevoerd, •lammer slechts, dat zij zoo zeldzaam zijn.

Wij zijn echter overtuigd , dat de schoot der aarde te Niniveh , to Habybm en elders neg tallooze kostbare overblijfselen uit den grijzen voortijd verborgen houdt, en dat do bistorischo ophelderingen dio zij ons gebracht hebben, geenszins de laatsten zullen ziin.

-ocr page 366-

GRIEKENLAND.

i\'t oudr Griokcnlaiul omvatte op oeno oppwrvlakto van 1700 viorkanto iiiijl«ii ^0 (lat giMlcelto van het Balkan-schiereiliind hetwelk zich zuidwaarts van do W Akrokcraunsohe en Karaboenische bergketenen uitstrekt, benevens oen groot aantal uiiamlen langs de kusten.

Tusschcn do beide genoomde bergketenen en hot meer noordwaarts voortloopende Homos-gebergte lagen de drie grooto landen Thrakiö, Makedonië en lllyrië, waarvan de beide laatsten de noordergrenzon van Griekenland bepaalden , terwijl dit in hot westen door de Jonische, in het zuiden door de Muldellandsche on in hot oosten door de Aogci;scho zoo omspoeld werd.

Oeheel Griekenland bestond uit vier doelen, die wij tot oen juist overzicht dor googra-phisclu\' gesteldheid het een na het ander willen beschouwen , waarbij wij tevens op de kaart wijzen.

I. Noord Griekonland. Het bevatte de beide grooto landen ThessalKi en Epoiros. (ieberglen: Alle gebergten die Griekenland doorsnijden en hot tot een der bekoorlijkste landen van Europa maken . zonderen zich af van do Akrokeraunscho en Kam-boenisclie bergwanden , die zelven takken van het groote Illyrische gebergte zijn. De Grioksdio bergketenen voeren in verschillende oorden onderscheidene namen. Van die in Noord-Griekenland onderscheiden wij inzonderheid do in Thessalië verrijzende berggroepen 1\'indos. Ossa en Olympos.

Rivieren: De l\'eneios ontspringt op den Pindos, doorstroomt Thessalië, vormt er het schoon» en bevallige dal Tempo en stort zich in do Aegeësche zee. Evenzoo de Onchestos, dio op den Ossa ontspringt,

Slmlen: In Ep\'iros merken wij het wegens zijn orakel beroemde Donona op; in Thessalië de plaatsen Larissa, I\'here, Demetrias, Kynoskephalo, l\'harsalos en Herakloa.

\'1. Hellas. Ilquot;t bevatte de landen Akarnaniö, Aotoliö, Doris, Phokis, Lokris, l\'.eotië, Megaris en Attika.

(reberylon. Op de noordergrenzon van Aotoliö ontmoeten wij den Oota. Do voortzetting daarvan , de Kallidromos, strekt zich tot aan de Aegeësche zee uit on vormt

-ocr page 367-

(liahkhnj.ani) (in den iiistoiiiscu i;x saqrntjjd).

liior don bcrooindon bergpas van Thormopylo. Vorder onderschoiden wij don l\'arnas of l\'arnassos in Phokis, den Ilolikon in lieotiö en den Hymettos in Attika. Eindelijk hebben wij nog in Akarnaniö het voorgebergte of do kaap Actium op te merken.

Rivieren: Do Achuloos ontspringt in ïiiessaliö, vormt de grenzen tussclmn Akar-nanir en Aetolië en eindigt zijn loop in de Jonischo zee. De Asopos heeft zijne bronnen op den Helikon, doorstroomt Lieotiö en loopt uit in do Jonischo zee. Do Kophis-sos vloeit door Phokis en stort zijn water in hot in lieotië gelegen moer Kopais.

Sleden: In Akarnaniö: Argos; in Aetolië; Kalydon ; in Phokis : Delphi en Cheronea; in Jieotië: Thebe, Orchomenes, Platea, Thospiö en Louktra; in Megaris: Megara; in Attika; Athene, niet do havenstad Pi roos, Marathon on Kleusis.

li. Pe 1 op on ne sos ; Dit alleen door de smalle landengte (den Isthmos van Korinthe) met Hellas verbonden schiereiland bevatte de landen Sikyoniö, Achaja, Klis Messeniö, Lakoniö (ook Lakedeinoniö genoemd), Arkadië , Argolis en Korinthe.

Gebergten: De Krymanthos in Achaja, de Taygotos in Lakonië en de Arkadische bergketen in het middendeel.

Rivieren: De Alpheos doorstroomt Arkadiö en Klis, en loopt uit in de Jonischo zee. De l\'araisos vloeit door Messeniö , de Eurotas door Lakonië.

Sleden: fn Sykoniö: Sikvon ; in Achaja : Aogion ; in Elis: Klis , Kyllene en Olympia , aan don Alpheos; in Messeniö: Messene en de havenstad Pylos; in Lakonië: Sparta en Oythion ; in Arkadiö: Mantinea, Tegoa en Megalopolis; in Argolis; Argos, Kpidanros, Treuzene, Hermion, Mykene en Nemoa; in Korinthe; Korinthe.

4. De E i I an dg roep en. De groote menigte van door Grieken bewoonde eilanden dnrlt men gewoonlijk in zes groepen, welke wij nader zullen beschouwen.

I. /)e Juniicke eilanden. Deze in Jonischo zee liggende eilanden, verheffen zich voor de westkust van Epeiros, Akarnanië en den Peloponnesos. Het voornaamste heette Korkyra, mot de stad van denzelfden naam ; verder morke men op ; Paxes ; Leukadia, met dij stad Leukas; Ithaka; Kephalonia, met de stud van denzolfdon naam; en Zakynthos.

II. De Aegeëftche eilanden. Zij liggen aan do oostkust van Griekenland, in de A.ogeösche zee. De belangrijksten daarvan boetten: Kythera; llydrea; Aegina; Salami», mot do stad van denzelfden naam; Eubea, hot grootste dezer eilanden , met do stad • \'lialkis; Skyros; Lemnos, met do stad Myrrhina; Iinbros, Samothrake , Thasos.

III. De Le.ihlm-ke eilanden. Zij maken een drietal uit, te weten: Tenedos; Lesbos. mot de stad Mitylene; en Chios, met de stad van denzolfdon naam. Deze eilanden verhellen zich uit do zee voor de westkust van Kloin-Aziö , en wel voor dio van Mysië en Lydië.

IV. De Sporadische eilanden, gelogen voor do kusten van Kariö; Sainos, met di\' stad van donzelfden naam; Ikaria ; Patmos; Kalymna; Kos; Khodos , met de stad van donzelfden naam ; enz.

V. De Kykladen vormen en kring ton oosten van den Poloponnesos, in de richting naar Karië. Als de morkwaardigsten komen vooral in aanmerking: Andros, Kimis , lonos, Naxos, Molos on Thora.

\\ I. Krela, in do Middollandsche zoo, hot grootste aller (iriekscho eilanden. Hot ^lrokt zich uit van het westen naar het oosten in eeno lengte van bijna .\'gt;\'2 uren. Het lioofdgebergte heet Ida. Van de groote steden, die hot eiland bevatte, waren do voornaamsten; Lyktos, Elyros en Kydonia.

o 17

-ocr page 368-

oKïi.i.ustkkuuim; whrkldgkschii-.dknis.

Met hot roomrauktigo volk dor Grieken botroodt do gosckiodonis don grond der klassieke oudheid. Do moost bewonderenswaardige worken der beschaving, dio iu Griokon-land ontstonden, on do moost lofwaardige bodrijvon van hot openbare leven, dio hier plaats vonden, hebben dit land to allen tijde on aan alle landen ten voorbeeld gestrekt en In\'t don vereerenden naam van hot moest klassieke land verzekerd.

Do oudste geschiodenis der Grieken is duisterder dan die van eon der volken, welke wij tot heden leerden konnon. Allo chronologische opgaven vóór de 34» eeuw verschillen onderling en zijn derhalve hoogst onzeker. Wij hebben reeds gezien hoe do Grieksche verbeelding de geschiedenis der Aziatische volken omnevold hoeft. hoe overal Grieksche sagen de historische kern oinwoekeron. Hadden de oude volken van Azië, die tot beschaving kwamen, niet zeiven gezorgd. om hunne gpschindenis in steen en schrift tnt

do nakomolingschap over te brengen , en ware deze ons alleen door do Grieken overgeleverd, zoo zouden wij in plaats van historie een samenraapsel van elkander togen-sprokende fabelen hobbon. Het bewijs daarvan ligt in de vervalschingen, dio onze geleerden ons, door hot ontcijferen der hieroglyphon en het spijkerschrift uit de eerst onlangs aan het. daglicht gebrachte Assyrische en Chaldeeuwscho gedenktoekenon, leerden kennen.

Wannoer de Grieken tui roods op zoo lichtzinnige wijze mot de geschiedenis van andere volken te werk gingen , deden zij het mot de hunne op eene nog veel grooter schaal, en deze sagen on fabelen, waaruit de gansche oudste Grioksche historie bestaat, kunnen nimmer opgehelderd worden, daar uit de oudste tjjden goone godenkteekenon aanwezig zijn, die ons ten leiddraad kunnen dienen in dozen doolhof der fantasie.

Do Grieken zijn onder do natiën dat volk , aan hetwelk de nakomelingschap van

348

-ocr page 369-

ORIUKHNI.ANO (IN DUN UTSTOIÏTSCITRN SAORNTI.TI)).

alle stervelingen groote verplichting schuldig is. Uit hnn midden vorbroiddo zich nagenoeg allo beschaving over Europa, en wat zij tot stand brachten, werkte met zoo veel kracht, dat nog tegenwoordig do Grieksche smaak oenigermato hot zuurdeeg vormt van onze wetenschap en kunst. Onze wijsbegeerte wortelt in Grieksche stellingen, onze bouwkunst zoekt hare schoonste voorbeelden in \'t oude Grriekenland , en do beeldwerken die do Grieksche schilders en beeldhouwers voortbrachten, zjjn zelfs in hun bevlekten en verminkten staat do nog niet bereikte modellen dor onzen.

Ja, nog meer. Toen vele eeuwen later, trots don heilrijken invloed dien het Christendom aan Europa had medegedeeld , door hot hechten aan schoolscho vormen en nietigheden , do beschaving werd bedreigd mot oen stilstand als sinds eeuwen bij do Chineezen had plaats gevonden, met een achteruitgang van vrije ontwikkeling, waren het do kiemen dor Grieksche beschaving, die verscholen waren bewaard gebleven, welke deze doodendo beginselen verdreven , het christelijke Europa een nieuw leven schonken.

Wij herhalen het, wij zijn het Grieksche volk groote erkentelijkheid schuldig, ofschoon wij niet kunnen toegeven wanneer overdrijving de verdienste der tegenwoordige wereldbeschaving den Grieken bij uitsluiting wil toekennen , daar dit togen de historische waarheid indruischt.

Do Grieken waren geenszins de eerste kweekers dor Europeesche beschaving. Zij waren slechts de voortplanters en verspreiders. Zij hadden do kiem uit den Oosterschen bloemtuin gehaald en bewerkten die met Hymettischen honig tot een heerlijk gewas. Reeds de geur daarvan verkwikte de Noordelijke barbaren zoozeer, dat ook zij voor zich die plant begeerden

Dat de Grieken, op de wijzo waarop dit plaats vond, die kiem kweekten en heerlijk hielpen ontwikkelen , geschiedde oenigermate onbewust. Waren zij Negers in plaats van Ariërs, en de natuur van Griekenland gelijk aan die van Indië geweest, zoo zouden zij nooit daartoe in staat zijn geweest. Want zelfs toen de op Grieksche wijze aangekweekte en heerlijk ontloken kiem der Oostersche beschaving naar Azië werd teruggevoerd , verkreeg zij daar, ofschoon ook daar Ariërs woonden, niet dan oen voorbij-gaanden , oppervlakkigen invloed, terwijl zij op do verstandelijke ontwikkeling dor Europeesche volken duurzaam voortwerkte. Zóó veel dankt onze beschaving aan het klimaat en de natuurlijke gesteldheid van ons werelddeel!

Dat do Grieken de beginselen van hunne beschaving uit Azië ontvingen, behoeven wij nauwelijks te bewijzen, nadat wij de geschiedenis der Aziatische volken verhaald hebben. Zonder allen twijfel ontvingen de Grieken hunne eerste beschaving van de l\'hoenikiërs. Do oorlog is, trots het verwoestend element dat hij medevoort, een bijzonder werkzaam agent voor de beschaving. Maar van nog veel grooter invloed is sedert en heugelijke tijden de koophandel geweest, en is dit nog. Roods spoedig na hunne vestiging op do Syrische kust, bezochten de l\'hoenikiërs de (irioksche eilanden, waar zij voor hunne verwerjjen mosselen vischten. Zij haalden timmerhont en eiken boomschors voor het looien uit Griekenland, dolven op verschillende plaatsen zilver, koper of ijzer uit den grond, logden op een groot aantal plaatsen handelsfactorijeii aan, en overal vond men in later tijden, ja nog tegenwoordig, sporen van het verblijf der l\'hoenikiërs, zoo als op de zuidelijke Kykladen kleine ruwe aarden beeldjes van de Phoe-nikische godin Asjera, naakt en met do armen ever elkander gekruist, zoo als de godin di\'i zinnelyke liefde voorgesteld werd. (Vergelijk bladz. lid5). Hun schrift ontvingen de Grieken van de Phoenikiérs, en deze noemen Kadmos als don man, die, tot hen gekomen, hnn dit kennen deed. Anderen noemen Orpheus, Linos, Musoos of Palame-

349

-ocr page 370-

OKÏUi;STKKKKt)K WKKRl.OORSCItlEDBSIS.

dos. Al dezo genoemden kunnen invloed op de invoering en vorboteriug gohad hebben.

De vdrtii der oudste akkergoreedschappen wijst naar Bgypte. Ook de pijn- en do olijfboom kwamen van daar, en de invloed, die dit land op den godsdienst en do latere wjjsbegeerte dor Grieken heeft gehad, is onwederlegbaar. Do bewoners van Griokonland bezaton een merkwaardig vermogen om zit\'lt de vorderingen van den geest bij andere volken eigen te maken , en zelfs aan velen hunner sagen die men tot nu toe voor oorspronkelijk ftriekscho hield, wordt thans dooc de navorschers der wetenschap een Aziatischen oorsprong toegeschreven, zooals b. v. die van Oedipus en Jokaste, ja zelfs de Uian!

Hij de quot;Geschiedenis der beschavingquot; zullen wij op deze onderwerpen nader terugkomen , ten eerste om te wijzen hoe groot onze dankbaarheid jegens de Grieken moet zijn, en anderzijds om recht te doen aan andere volken, of liever om beweringen door te groote geestdrift voorgesteld, door historische daadzaken to wederleggen.

Als de oudste bewoners van Griokonland beschouwt men oen uit talrijke stammen saam-gesteld volk, dat men de Pelasgen noemt. Deze l\'elasgen schijnen een volk geweest te zijn, dat genoegzaam alleen als tak van volksvlijt den landbouw beoefende. Doch ten aunzion van hunne afkomst en ontwikkeling weten wij niets mot zekerheid. Ruwe gebouwen die uit reusachtige steenblokkon bestaan. welke noch door kalk noch eenig ander soortgelijk middel zijn saamgevoegd en dio men Kyklopische muren noemt, worden aan deze IVlasgen toegeschreven. Oudheden in do jongste tijdon bij do bouwvallen van die muron gevonden, schijnen aan to duiden, dat reeds zeer vroeg Kaders en Phoenikiërs zich in dit land hebben neergezet, of althans een levendig verkoor met do l\'elasgen hebben onderhouden.

Waarscbijnlyk vermengden dezo Arische landverhuizers zich met de l\'olasgon, on hot duurde geruimon tijd oor de naam Pelasgen uitstierf en voor dien van Hellenon plaats maakto.

Wy hebben gezien hoe alle volken hun naam van een man afleiden. Hetzelfde is ook hot geval met de Hellenen. Als hun stamvador vermelden hunne overleveringen Doukalion, mot wiens sago wij reeds vroeger (bladz. \'iti) kennis maakten. Dezo bezat twoo zonen, Hellen en Araphiktion. Hollen had op zijne beurt drie zonen; Aoolos, Doros on Xuthos, terwijl Amphiktion met twee zonen. Jon en Acheos, gezegend word. Aan dezo kleinzonen van Doukalion ontleenen de vier llolleenscho stammen der Aeoliërs, Horiërs, Joniörs en Acheërs hun oorsprong.

Deze stammen bewoonden langen tijd do bergstreken van don Parnassos, maar voor hun sterk toenemend aantal werd dit oord hun te bekrompen, en het op oorlog en roof beluste volk besloot zijne grenzen met geweld uit to breiden. Kr vingen langdu rige oorlogen aan om de i\'olasgon te verdrgvon en te onderdrukken, mot hot gevolg, dat do Hellenen oindelijk het grootste deel van Griekenland in bezit kregen. De Aeoliërs waren inzonderheid meestor in Akarnanië, Aoolië, l\'hokis. Lokris en do westelijke eilanden; do Doriërs in Thossalië, Doris en Kreta; de Joniërs in hot noordwester gedeelte van don l\'eloponnesos en de Acheërs in do zuidoostelijke streken in dat hooggelegen schiereiland.

Maar nog lang leefden deze Hellenen — die, eerst veel later, en wel door do iiomeinen, naar eon banner stammen, den eerste mot wien do Italianen in aanraking kwamen, Graeci of Grieken genoemd werden— in een staat van woeste barbaarsehhoid.

Oorlog en roof bleven nog lang hunne hoofdbezigheden, terwijl hunne spjjzon ziib

-ocr page 371-

GltlKKKNUNI) (IN DKN IlJSTOKtSCIIHN SAGKNTtJI)). 351

voornaimslijk tot eikols mii rauw vloosch boporkton. (rodsdioast, wetten on zeden waren iio^\' in oon ongeregoldon, vorwardon staat. l\']one onkolo instelling wijst er nochtans op, ilat hot volk roods ontvankelijk was om eene maatschappelijko orde aan te nemen on Kemcenschajipelijk vooruit to stroven: de raad der amphiktions. Dit was oono soort van bomlsgorocht, waardoor verscheidene Holloenschu volken , t, w. in Thessalië, Hootië, Doris, l/okris en l\'hokis, zich vereonigd hadden, om do aan do goden gewijde heiligdommen te beschermen. Tevens moest het strekken om volksrochterlijke grondstellingen vast to stellen on voor do uitvoering daarvan to waken.

Do sage noemt ons do namen van enkele mannen onder do Hellenen, die zich vooi ile beschaving dos volks verdienstelijk maakton, mannen die naar andere landen , inzonderheid naar Kgypto, reisden, om de vorderingen in don maatschappelijkon staat aldaar te leoron kennen en haar op don Griekschon grond over to planten. Zoo was hot Orpheus, die eeno eigene godenleer opstelde en de gebruiken regelde waarnaar men de goden zou aanbidden; Musoos, die door do macht der poëzie, on Amphion, die door do macht van het gezang in bet volk den zin voor beschaving opwekten.

Daarbij kwamen, ongeveer 1500 tot 1 HO O jaren vóór Chr., landverhuizers herwaarts, die op den vorming van de Hellenen den weldadigsten invloed uitoefenden. Zoo verscheen do Egyptenaar Kekrops in Attika , boeide de wilde aldaar wonende horden aan zijn persoon, voerde den landbouw, het huwelijk en eeno regelmatige rechtspraak in on legde eindelijk door hot bouwen van den naar hem genoemden burg Kekropia den grond tot do stad Athene.

Ken ander landverhuizer uit Egypte, verhaalt men, is Danaos geweest, die uit vrees voor zijn broeder Ramses (Sesostris) Egypte ontvlood. Hij landde, naar hot heette, in Argolis en werd daar do stamvader van een koninklijk geslacht, uit hetwelk vervolgens verschoideuo beroemde mannen ontsproten. Do sage van dezen Danaos waarvan wij intusschen niet de minsto melding in do Egyptische geschiedenis vindon , luidt aldus; Danaos had 50 dochters, die zijn broeder als vrouwen wenschte voor do 50 zonen die liij hot leven had gegeven. Doch daar een orakel Danaos had voorspeld, dat hij door een zijner schoonzonen zou vermoord worden, verzotte hij zich tegen deze echtverbinto-ni.ssen en ontweek zijn vaderland. Maar zijne 50 neven volgden hom en noodzaakten hom liun zijne dochters te geven. Dozo bokwamon echter van Danaos het bevel hare mannen in den bruiloftsnacht te dooden.

Allen gehoorzaamden, behalve Hypermnestra, die haar gade Lynkeos redde. De \'iO moordenarosson, gewoonlijk Danaïden genoemd, werden in do benedenwereld tot een onuitvoerbaar werk veroordeeld: oen groot bodemloos vat mot water te vullen , dat zij met emie zoef scheppen moosten.

Ook uit l\'hoenikië laat do sage een verdienstelijk vreemdeling overkomen , zekeren Kadmos, die zich in Heotië nederzette en door hot invoeren van het letterschrifli den grond tot \'s volks verdere beschaving logde. Door hot houwen van den naar hem genoemden burg Kadmea, legde hij den grondslag tot hot latere ïbobe.

lOindelyk is nog de uit l\'hrygië overgekomen l\'elops te, vermeiden , die zich in den I eloponnesos nederzette en daar zich voor de beschaving des volks zoo verdienstelijk \'naakte, dat men het schiereiland naar hem noemde. I\'oloponnesos betookenl namelijk: eiland van l\'elops.

De zaden van beschaving, die op dezo wjjze uitgestrooid werden, schoten allengs wortel Mi het Helleenscho volk, en welhaast zien wij liet eeno geregelde maatschuppy vorinon.

ontstondon steden, en wij vinden (iriekenland met eene menigte koninkrijken bedekt,

-ocr page 372-

I

(; KÏ i.i.UST iiK K iugt; n w I: iua Di i KS( : I n I;D :: N Is.

wi«r huisrschci\'s m«n zich mot ills do koningon moot vooi-stollmi, wolko wij in Aziii loordun kflnnon, maar di« ongevoor dezelfde plaats bokleoddon, wolko ilo vorston vervulden dio aan het hoofd stonden der ludisch-Arische stammon, toon deze nog in hot Pondsjab verwijlden.

Eono goschiodonis dior afzondorlpe staatjes zou ons to ver voeren, on cone historic die allen te gador omvat, is niet te schrijvon. Alios wat uit deze poriodo is mode tc deolen — dio men uit dien hoofde gewoonlijk den tijd der holden noemt— liopaalt zich tot het verhaal dor bedrijven van eenige fabelachtige krijgers en tot do beschrijving van enkele getneenschappolijko ondornemingon der Orieksche vorston.

Ofschoon van eene tijdsbepaling in het loven dior helden zooals licht to donken is,

.\'552

r 5

quot;u

\'jl\'l

HI

geen sprake kan zijn, mag men toch als de oudste daarvan Perseus beschouwen. lir was do zoon van l)anai:, oom; dochter van koning Akrisios van Argos, on (jndorscheidd\' zich door tal van heldenbedrjjven. waaronder de bohingrijksten zijn eon krijgstocht tegen do (lorgone Medusa on hot doodon van dit monster. Kvenzoo schrijft men hom het houwen dor stad Mykene toe, werwaarts liij den keninklijkoii zotel van Argos verplaatste.

De sage van Persons is de volgende; Een orakel had Akrisios voorspeld, dat een zoon zyner dochter Danaö hem om het leven zou brengen. Ton eindo nu eono zwan-

fir

ii M :i

!•

11 li I

m|1

ill |f

m ^ l!i

I

I

-ocr page 373-

CilllKKKNLANl) (iN I)RN UISTOItlSOdKN SAOENTIJd).

gerscliap dor jeugdige schoono te verhinderon, sperde hij haar in oen hochton steonen toren, waar liij haar op liet strengst liet bewaken. Maar god Zims, die op Danaë verliefd geraakte, herschiep zicli in oen gouden regen, die door do steonen van don toren drong en Danaë in don schoot viol. Uit deze zeldzame omarming schonk zij Perseus hot leven. Mon meent, dat deze sage duidt op oone omkooping der wachters door een hoimolijk minnaar van Üanaö, die niet te vergeefs op do macht van hot goud rokende.

Medusa was oone van drie zusters, die don naam van Gorgonen voerden on wegens haar afschuwelijk voorkomen gevreesd worden. Twee van haar, Sthono en Eurjalo, waren onsterfolijk; Medusa, do dorde, had oen hoofd, waarvan do haren uit slangen heston-den, en bij welks aanschouwing ieder sterveling versteende. Perseus echter, Je goddelijke, overwon haar on hieuw haar hot vroosolijke hoofd af, hetwelk hij tot schrik zijner vijanden in zijn schild plaatste. Lrit het bloed, hetwelk aan den romp van Medusa ontstroomde, ontsprongen de beide goddelijke paarden, Chrysaor en l\'ogasos.

Minos. Als do roemwaardigste dor (rriokscho helden noemen wij Minos, eon koning van Kreta, die op de beschaving zijns volks werkte door do verlevendiging van koophandel en scheepvaart. Daartoe maakte hij een einde aan de talloozo zoeroovorijon van do bewoners der eilanden, waardoor eerst te dien tijde do eigendom vollo zekerheid bekwam. Intusschen dankt Minos zijn eervollen naam in de Orieksche jaarboeken voornamelijk aan do door hem uitgevaardigde wetgeving, dio tot toonbeeld .strekte bi] do grondtrekken van vele latere Grioksche wetboeken.

De sage bericht het volgende van dezen vorst.

Zoo gelukkig Minos als koning was, zoo ongelukkig loefde hij als \'t hoofd van zijn gezin. Zijne vrouw Pasiphaö, die hom een zoon, Androgeos, on oone dochter Ariadne, had geschonken, werd door oeno zinnelijke begeerte voor oen stier aangogro-pon, en bracht in gemeenschap met dit dier een monster voort, half dier half rnensch , den Minotauros. Minos liet tot verblijf voor dit monster, dat alleen van menschen-vleesch leefde,\'een grooten doolhof aanleggen, waarhoen hij beval do krijgsgevangenen te voeren , die hij ter voeding van don Minotauros bestemde. Toon nu bij zekere ontmoeting Androgeos, Minos\' zoon, door do inwoners van Attika verslagen werd, legde de destijds zeer machtige koning van Kreta don koning van Attika , tot straf voor den moord, een bloedigen cjjns op, t. w. do levering van zeven jongelingen en zeven maagdon, (dke zeven jaren, om tot spijs voor don Minotauros to dienen. Deze ontzettende sehatting duurde \'21 jaren, tot do held Theseus do Attikers daarvan bevrijdde.

Zij dio zich met do opheldering dor Grioksche sagen hebben bezig gehoiulon, tnee-nen, dat onder dien Minotauros een monsch moet verstaan worden, die aan zijne imit,ongewone woestheid en kracht den naam van Tauros (stier) ontleende,

Ucraklcs. Iloraklos, gewoonlijk naar de liomeinscho schrijfwijze llorcule.s goiioomd, is van allo Grioksche helden de moest fabelachtige, maar ook de moest bekende. Hij stamde uit het geslacht der koningen van Argus, want zijne moeder, Alkinene, was do gade van don Argolischen koning Amphitryon, die uithoofde van een doodslag op een bloedverwant, genoodzaakt was zijn rijk te verlaten en naar Thobe te vluchten, waar men Horakles grootbracht.

I\'o buitengewone krachten die deze koningszoon bezat, bostoeddo h(j, naar zijn verlangen, om het land van wilde dieren te bevrijden en don koning van Thobe in zijne krijgs-tochton hulp to bieden. Voor dozen bijstand beloonde de koning hom met de hand /.ijner dochter Megara. De prinses schonk Horakles twaalf kinderen , maar in eon aanval van razernij versloeg hij hen allen , na vooraf zijne vrouw verstooton te hebben. Toen berouw over deze

I. \'23

-ocr page 374-

(■IKÏI.I.USTllF.KRDE WHam.UOESCIIIKDKNIS.

daad in zijn gomoed oprees, vroeg Herakles hot orakel van Delphi om raad, doorwolke boete hij zijn misdrijf zou kunnen verzoenen. Hij bekwam ten antwoord, dat hij tot Eurvsthens, die het rijk van Amphitryon in bezit had genomen, moest gaan en dien tegenstander zeven jaren dienen. Herakles gehoorzaamde en voordo voor Enrysthens do beroemde twaalf werken uit, dio door do dichters als de grootsten zijn bozongon, wolko ooit door moed en kracht zijn volvoerd.

Eijker en door de dichtkunst meor versierd dan allo overigen is do mythe van Herakles. Volgens dezo was hij do zoon van Alkmone uit eeno omarming van Zeus. Deze had den nacht, dien hij bij Alkmono doorbracht, tot het drievoudige verlengd, om den zoon dio daaruit zou voortspruiten, eene drievoudige monscholijko kracht te ver-leenen. Doch dit geschenk der godheid verloor ontzaggelijk veel door don haat, die Her;\' do gado van Zous, togen do onschuldige vrucht van de ontrouw haars mans koesterde. Hora werd do onverbiddolgko vijandin en vervolgster van Herakles.

Do ontzettende kracht van don held vertoonde zich reeds, terwijl hij als wicht in d wieg lag. Hora had daarin oen paar slangen gelogd om het voorworp van haar haat te dooden : df Jonggeborene knaap verworgde , met lachend gelaat, boido serpenten met zijne kleine hand.

Nadat bet kind tot jongeling was gerijpt en in allo krijgsoefeningen was onderwezen, moest hij oen tijd lang do kudden van Amphitryon hoeden. De eerste daden van Herakles waren toon het verdelgen van wildo dieren. Zoo dooddo hij welhaast een gevroosden loouw, die hot rijk van koning Thespios onveilig maakte. Deze gaf der, overwinnaar van don koning der dieren zijno vijftig dochters tot vrouwen, dio Herakles allen in één nacht tot moeders maakte. Ieder van haar schonk de geboorte aan een zoon, waaruit eeno talrijke nakomelingschap voortsproot.

De beroemde twaalf werken van Herakles waren de volgenden:

-1) Het dooden van don Nemeïschen loouw. Dit ondier verwoestte de omstreken van Nemea, en Herakles boproofdo te vergeefs om het te dooden. Zijne pijion kaatsten tornu togen de ondoordringbare huid , terwijl zijno knots tot splinters brak togen don leeuwonkoii. Maar onvervaard pakte hij het dier met de handen en drukte hot te pletter met zijn ■ boenen. De afgestroopte leeuwenhuid diende hem in het vervolg tot eon pantser, en d« kop tot helm.

ü) Het dooden van do Lomesche slang. Dit onder den naam van Hydra bokondc monster huisvestte in eeno spelonk nabij Lorna. Het bloed en de adem van deze slan^ waren giftig, en daarenboven bezat zij verscheidene koppen, waarvan ieder, zoodra hij werd afgeslagen, tweevoudig aanwies. Herakles volbracht de onderneming door met owi brandenden boomtak do plaats waar hij den kop afhieuw, terstond to verschroeien. Zoo werd het aangroeien belet, en hot monster eindelijk gedood. In het bloed van deze slang doopte Herakles zijne pijlen, die daardoor vergiftigd werden en alzoo steeds doodelflke wonden veroorzaakten.

.\'!) Hot vangen dor Artoinischo hertekoe. Dit aan de godin Artemis gewijde snelvoetige dier werd oen geheel jaar onafgebroken door Herakles vervolgd, kerst tm\'n wondde hij hot door een pijl aan don poot en haalde hot op deze wijze in.

i) Hot vangen van liet Erymanthischo everzwijn. Dit zich bij don borg Erymantlms ophoudende dier ving •Herakles door hot in eeno diepe sneeuw to drijven. Nadat hij\'I n over op doze wyzo had ingehaald, laadde hy het op zyne schouders en bracht het aan Enrysthens.

ö) Hot schoonmaken dor stallen van Augias. Do stallen van koning Augias, waaii\'i 3000 rundoren stonden, waren in geeno dertig jaren gereinigd. Herakles ontving

354

-ocr page 375-

I

lilUF.KKNI.ANIi (IN DEN IIISTOIUSCIIKN SAOKNTtJI»).

(Imi last orn doze reiniging in één onkolcn dag tot stand to brengen. Door do rivier do Alphoos door do stallen to loiden, volbracht liij dit zoo omvangrijke work in do bepaalde uren.

(i) Hot dooden van den Stymphalischon roofvogol. Dit dier hield zich bij het meer Stymphalos in Arkadio op. Hot viel zelfs menschen aan, die hot opvrat. Horakles dood mot zijn pijl den vogol nedervallen.

7) Het opvangen van don Kretenzer stier. Dit wilde op Krota lovende dier was hetzelfde waarmede I\'asiphaö , do vrouw van Minos, het overspel ploegde waaruit de Minotanros geboren werd. Horakles ving het dier on bracht het levend bij Eurvstheus, die bet nochtans do vrijheid teruggaf,

8) Het opvangen dor Diomedischo rossen. Koning Diomodos, oen Thrakisch vorst, bezat verscheidene merriiin, dio mot ijzeren kotons aan steenon kribben waren vastgebonden en met menscbenvleosch gevoederd worden. Horakles kwam in don stal, maakte de paarden los, wierp hun den wroeden Diomedes als voedsel voor en bracht hen vervolgens aan Kurystbens, die hen in zijne fokkerij plaatste,

!)) liet bekomen van don draagband van koningin Hippolyte dor Amazonen. Dezo vorstin bezat oen kostbaren draagband in hare waponrnsting, naar welks bezit eene dochter van koning Eurystheus mot liet grootste verhingen haakte. Heraklos bekwam don band door met de Amazonen om dit kleinood te strijden en de koningin te dooden.

10) Het wegvoeren der Geryonsclie runderen. Goryon was een koning in Iberië (het tegenwoordige Spanje), die kostbare, doch mot zorg bewaakto rnndoron bezat. Eurystheus wonschte dezo dieren te bezitten. Daarom vertrok Horakles naar lborië. Hij doodde Goryon , evenals diens beide veehoeders, oen hond on eon reus, on bracht zijn roof gelukkig naar huis.

I I) Het halen van Ilesporidische appelen. Hot op do westkust van Afrika wonende fabelachtige volk der Hesperiden bezat een schoonen tuin , die door een draak werd bewaakt. Koning Eurystheus verlangde de gouden appolon die in dit lustverblijf wiesen. Horakles slaagde er in die taak to volbrengen, en wol mot hulp van den Atlas, die in do vermelde strook met don hemelbol op zijn schouder moest staan. Terwijl Atlas de appelen haalde, droeg Heraklos don aardglobe tot groote blijdschap van zijn bondgenoot, die mot dit tijdelijk ontslag zoo zoor was ingenomen, dat hij weigerde Heraklos weder van den last te ontheffen. Niet dan door liet aanwenden eenor list, gelukte het Heraklos weder van den hemelbol ontslagen te worden,

12) Hot naar boven brengen van don Korberos. Dozen naam droeg de helhond, aan de poort dor benedenwereld geplaatst om de wnclit te houden. Murvstbous verlangde hot dier op do bovenwereld te zien; maar toen Heraklos bet in zijne armen bracht, moest hij het dadelijk weer torugbrengon: Eurystheus kon het gezicht van den wachter der hel niet uitstaan.

Do overige bedrijven van Heraklos willen wij onvermeld laten en nog alleen van zijne tochten gewagen. Zjjn bestendige begeleider was een schoon jongeling, met name Hylas, die hem echter eens door eeno verliefde nimf ontroofd werd. Om zijn lieveling weder op te zooken, doorreisde Heraklos hot grootste deel der bekende aarde, waarbij bij do Kentauren bezocht, fabelachtige wezens, tor helfte mensch en terbelfte paard. Gedurende dien tocht maakte Horak les groote veroveringen, liij die golegonhoid was \'lot, dat bij ter herinnering aan zjjno komst in hot Westen, aan de zeeöngtc die de Middellandscho zee met den Atlantischon oceaan vereenigt, do beide rotsbergen plaatste, welke onder den naam van do Zuilen van Hercules bekend zijn.

Wegens een moord, dien Heraklos in een toornig oogonblik bodroef, veroordeelde.

355

« i ■ft

-ocr page 376-

35*? (JKÏLLUSTKKKRDE WEIIEIDGESCIIIEUENIS.

hot orakol hem tot eene iMtyarigo slavorng. Diontengevolgo verkocht hij zich aan koningin Omphale van Lydiii (Vergel. bladz. \'29!)), wie hij niet alleen tot hot bevredigen van hare wellustige begeerten, maar ook tot het verrichten van vrouwelijke bezigheden moest dienen. Herakles zat aan hot weefgetouw en spon. Doch nauwelijks was de tijd der slavernij ten einde, of hij was op nieuwe heldendaden bedacht. Het allereerst viel hij in Troja, welke koning hij overwon. Eindelijk koos Herakles zich eene koninklijke prinses, Dejanira, tot gade, en het was de ijverzucht van deze vrouw, die hem den dood berokkende.

Beiden moesten namelijk op zekeren tijd eene rivier oversteken. Terwijl Herakles door den stroom ging, liet hij zijne vrouw gebruik maken van een veer, dat een Kentaur, met name Nessos, bediende. Op hot midden van den stroom wilde Nessos zich met geweld in hot bezit van Dejanira\'s bekoorlijkheden stollen. Doch nauwelijks ontwaarde Herakles, op den anderen stroomoever, hot voornemen des Kontaurs, of hij schoot oon steeds gif-tigon pijl af, dio don belager ton bodem velde. Nessos wildo zich nog in zijne uiterste oogenblikken aan zijn moordenaar wreken. Derhalve prees hij stervende zijn door don pijl vergiftigd bloed Dejanira als oen middel aan om do liefde van Herakles voor altijd to bohoudon. Wanneer zij mot dit bloed hot kleed van haren man zou verwen, zeido hij , kon Herakles haar nimmer ontrouw worden. Toen op zekeren tijd Dejanira meende, dat haar gade op eene andere vrouw verliefd was geworden, wendde zij hot hot middel van Nessos aan. Zij zond haar man, die om oen offer te brongen een gewaad behoefde, een kleed dat mot hot vergiftigd bloed van Nessos was gekleurd. Nauwelijks had Herakles don mantel omgeslagen, of hij voelde, dat deze zich brandend aan zijne loden vasthechtte. Kazend van smart rukte lijj hot kleed af, doch daarmede ook zijn vleesch, dat door hot vree-si\'lijke gift eensklaps was doorknaagd. Om zich een smartolijken dood te besparen, liet do held zich op den berg Oeta brengen, waar hij op een brandstapel aan zijn loven een einde maakte.

Herakles is do grootste heldengestalte der Grieken, hot ideaal om hetwelk nabij to komon, allo Hellenen die de wapenen droegen, hun streven inrichtten. De hor-innoring aan dien hold werd bij hot gehoole Grieksche volk heilig gehouden, en hij zelf door Zous onder de goden geplaatst. Zijne hem toegekende nakomelingen noomt men de Herakliden.

Theseus. Het rijkst aan verdienste van allo Grieksche helden is Theseus. Hoozooi de hom gewijde sage met vrij wat dichterlijken gloed is opgesierd, is haar kern toch de historische waarheid nader dan die van Herakles.

Deze sage luidt in de hoofdzaak aldus:

Aogous, koning van Attika, had geene kinderen. Toen iüj uit dien hoofde hot Delphischo orakel raadpleegde, bekwam hij een zoo duister antwoord, dat hij naar Treuzene ging, om den wijzen, orakelkundigen koning I\'ittheus to raadplegen. Pitthou-wekte zijne dochter Aothra op, om het bed met den Attischen koning te doelen, en dien ton gevolge werd do prinses zwanger. Ten einde later zijn zoon te herkennen , verborg Aogous, alvorens te vertrekken, zijn zwaard en eon paar sandalen onder een steen on beval dor prinses, die hij achterliet, om hot kind, hetwelk zij ter wereld zou brengen, wan noer het tot een knaap zou opgegroeid zijn , met beide horkonningsteekonen naar Athene te zendon. Zij moest dit doen zoodra de Jongeling in staat zou zijn don steen om te wentelen.

Toen deze tijd gekoinon was, en Thoseus . Aegeus\' zoon , zich in het bezit van buitengewone krachten vi\'i hengdo, bogafhij zich op reis naar Athene. Zijn weg derwaarts kenmerkt, hy, door do talrijke roevers, die hot oord onveilig maakten, to overmeesteren en op

-ocr page 377-

ORIKK HNIANI) (iN J)KN IITSTORISCHEN SAOENTIJü).

dozolfdo wijzo om te brongon als waarop zij aanwoorloozo roizigers den tlooil borokkend haddon.

Do eerste, dien liij versloeg, was Periphetes, met don bijnaam van den knotsenzwaaier, uitlioofdo van do ontzaggelijke knods, die hij met zich voerde. Na zijne zegepraal over poriphotos behield Theseus dit wapen.

Do tweede ivas Sinnis, de pijnboombuiger, zoo gehoeten wegens don smartolijken dood dien hij zijno slachtoffers bereidde. Hij boog namelijk do toppen van twoo pijn-boomen bijeen, bond aan elk daarvan een der voeten van zijno prooi en liot deze zoo door do uit elkander springende boomen verscheuren. Thosons dood hem eeno zelfde marteling ondergaan.

De derde was Skiron, een berucht boosdoener, die de reizigers van oeno hoogo rots naar benoden stortte, en wien Theseus oen zelfden dood deed sterven.

Do viorde eindelijk heette Damastos, mot den bjjnaam Pokrustes (de uitrekker). Deze werd zoo genoemd, omdat hij zijno offers, wanneer zij klein waren, op een groot bed vastbond on door marteltuigen zoo lang rekte tot zij de lengte van het bod hadden. Waren echter zijne gevangenen groot van statuur, dan bond hij hen op een klein bed on hieuw de overhangende ledematen één voor éón af. Ook doze deed Theseus de kwellingen ondervindon, die de ellendeling aan zoo velen had bereid.

Toon Theseus in Attika was aangekomen en door zijn vader aan het zwaard en de sandalen was herkend, kwam hem ter oore, dat de Kretenzer stier, dien Eurysthous , zooals wij gezien bobben, had losgelaten, hot land rondom Marathon verwoestte. Dadelijk ging hij uit om dit monster te vangen, en vertoonde het, na hot in ketenen geklonken to hebben, aan het verbaasde volk, dat geone woorden genoog kon vindon om den jongen held te prijzen.

Doch deze wilde zich voor zijn nieuw vaderland eone nog grootore verdienste verwerven, Hij overlegde om het van den verschrikkelijken cijns te bevrijden, dien het Minos moest leveren. (Vergelijk bladz. !153.) Toen do tijd dor voldoening kwam, schaarde Ihescus zicli vrijwillig onder do veertien offers en beloofde zijn vader oene volledige zegepraal. Als teeken daarvan zou hot vaartuig dat hem on zijne gezellen en gezellinnen terugvoerde, in plaats van hot gebruikoljjko zwarte treurzoil, een wit hijschen.

rhoseus kwam op Kreta aan en word naar den Doolhof gevoerd, waar het hom gehikte don verschrikkelijken Minotauros te dooden. Maar nooit zou hij het Labyrinth iiebben kunnen verlaten, had niet Ariadne, Minos\' dochter, wier liefde de schoono vreemdeling had gewonnen, hom den weg gewezen. Zij gaf hem namelijk oen klos garen, waarvan hij hot eeno einde aan den ingang moest vasthechten. Langs don draad, dien hij op deze wjjze afwikkelde, vond hij na de volbrachte heldendaad, zonder eonige moeite, don weg uit de doolgangen, en daar de Minotauros na toch dood was, kostte het hem weinig moeite. Minos tot afschaffing van den cijns to bewegen,

I heseus scheepte zich vroolijk naar Attika in, aan welks kust zjjn vader Aegeus alle dagen uren lang verwijlde om het opdoemen van hot witte zeil te aanschouwen. OBgehliki-uenvijze had men in de vreugde des harten aan boord van hot vaartuig vergeten om i1quot;1 witte zeil te hijschen. Van hier, dat toon Aegeus het zwarte zeil ontwaarde en zijn 1 \'\'quot;\'Sen zoon dood waande, de oude koning door vertwijfeling werd aangogropen. In zii\'ie wanhoop stortte hij zich in zoo, die sedert naar hem do Aegoöscho genoemd is. Hot landschap Attika bestond uit verscheidene kleine rijken, die dikwerf met elkan-\'lquot;1 in strijd geraakten en den genieenschappelijken koning tegenstand boden. Om aan 11 jammer een eindo te maken, besloot Theseus eeno voreeniging van al dio rijkjes stand te brengen. Uit dien hoofde noodigde hij de heerschers van alle distric-

-ocr page 378-

gi;ïi,lustbei;iidr WKiu:r,noi:8Cii[i;i)i;Nis.

ton uit om hunno waardigheid noder to loggen, bouwde eono nieuwe hoofdstad, hot 7,00 merkwaardige Athene (Athonai), vestigde or oon raad voor gohool Attika on even-dims een hooggerechtshof. Het geheolo volk werd door hem in drio klassen verdeeld: als don adel (de eupatriedon), aan wion hot bestuur van den staat, do instandhouding van don godsdienst on liet handhaven der wotton was opgedragen; do akkerlieden (geomoren), die vuor \'s volks onderhoud inoosten zorgen , on do kunstenaars en herders (demioergen), dio alle krachten moesten aanwenden om borg te staan voor eeno toenemende beschaving.

Doch rechtvaardig als Theseus was, wilde hij den afgezotton heerschors der kleine l ijken toonen, dat geon eigenbaat hom tot verandoring van don staatsvorm had gedreven. Daarom, ontzegde hij zich zeiven alle voorrechten van hot koningschap on bo-hidd daarvan niets dan den titel. hot opperbevel ovor \'t leger en hot waken voor hot in stand houden dor wetten: — inderdaad meer plichten dan rechten!

\'/onder oenigen twijfel heeft Theseus door het invoeren van dien vrijen regeerings-vorm den grond gelegd tot de aanstaande grootheid van Griekenland. Niemand toch kan bestrijden, dat \'s lands grootheid in do eerste plaats uit don republikoinschen staatsvorm voortsproot; en wij zullen later zien, dat hot tot stand komen der gemoeiiebesten aan het voorbeeld van Athene is te danken, waartoe door de instellingen van Theseus blijkbaar do stoot word gegeven.

Doch de afgezette opperhoeren zagen niet dan met onwil dat aan hot volk do vrijheid word geschonken , en wijl Thosens dit had gedaan, haatten zij luim en spanden te zamen togen zijn invloed en macht. Aan het hoofd dier samenzwering stond Menestlicus, oen van Theseus\' neven, die zonder diens geboorte den Attischen troon zou geërfd hobbon, en zich door geweld daarvan moester maakte, terwijl Theseus afwezig was. Toen deze terugkeerde, vond hij overal tegenstand waar hij dank vorwachttc, en dit bedroefdo hem zoozeer, dat hij mot eon zwaren vloek zijn ondankbaar vaderland verliet en naar het eiland Eubea ging, waar hij aanspraak op voorouderlijke bezittingen kon maken. Doch de koning te dier plaatse was niet gezind , hem die eigendommen in te ruimen. Om echter een rampspoedigen strijd mot Theseus te vermijden, besloot de Eubesch vorst don vreemdeling te vermoorden. Onder het voorwendsel hem do landerijen te toonen voerde hij hom op eeno hoogo rots en wierp hem daar verraderlijk in den afgrond.

Zóó eindigde Theseus, de held der helden, en ofschoon hij noch op godsdienstige wijze vereerd, noch onder de goden geplaatst word , zal de geschiedenis de herinnering aan zijn edel bedrijf nimmer laten verloren gaan.

Dn tocht der Argonaulen. Deze rooftocht van Orieksche vorsten naar het op den oosteroever van den Pontos Euxeinos gelegen rijk Kolchis, acht men het eerste kentee-ken eoner staatkundige verbinding onder de versplitterde talloozo Grieksche volken, het eerste bewijs van een gemeenschappelijk bedrijf dor Grieken tegenover vreemden. Maar, belaas , de eerlijke napluizing der historie moot dit feit voor cone mythe verklaren.

Mon somt hot getal der vorsten, welke aan dien tocht deelnamen, zeer verscheiden op. Kenigen sproken van V.i, anderen van 50, ;Vi, 54, nog anderen van 70, sommigen zelfs van lüü. Kenigen worden genoemd, zooals Orpheus, lleraklos. Thesen-. Kastor en l\'olydeukes (Pollux). Men noemt bon do Argonauten , d. i. do Argovaai dors, naar den naam van het schip, waarop do tocht word ondernomen, oen vaartuig dat naar zijn bouwmeester, Argos, don naam Argo verkreeg.

De sago is de volgende.

Kuniiig Athamas, van Orchomonos, had van zijne vorstooten eerste echtgenoote. N ephole, twee kiiidoron: een zoon, Pbrixos, en eeno dochter. Helle. Heiden worden

358

-ocr page 379-

T

QniKKHNt.ANI) (in DRN IIISTOBISCIIHN sagentijd). 359

door hunno stiefmoeder, Ino , do twoodo vrouw van Athamafi, sloclit behandeld, weshalve zij besloten het vaderhuis te ontvluchten. Hunne eigene moedor schonk hun daartoe oen ram mot een gouden vlies (vacht), die Chrysomallos heette, spreken kon on zelfs hot vliegen verstond. Op dezen ram nu doorkliefden brooder en zuster de lucht, over de zee, om bij koning Aetos van Kolchis oone schuilplaats te vinden. Maar bij de vlucht over de zeeengte , die de Aegeösche zee mot do Propontis verbindt, stortte Hello naar beneden cn zonk weg in do diepte , zoodat hot water naar haar don Hellespont, d. i. do zee van Helle, genoemd word. Phrixos daarentegen kwam behouden in Kolchis aan, vond gastvrijheid bij Aetos en schonk deze het vlios van den ram, nadat hij het dier, uit erkentelijkheid voor zijne redding, den goden geofferd had. Aetes hing het kostbare vol in do

haag dor godin Aros aan een eik op, en liet het daar bewaken door een draak en twee ossen die vuur uit de neusgaten bliezen. Deze schat was hot doel der wenschen van allo Grieksche holdon. Doch mon hield hot verkrijgen daarvan voor onmogelijk, tot eindelijk Jason, prins van Jolkos, eeno kleine stad in Tliessalhquot;, door zijn oom werd opgewekt om den roof van het gouden vlies te beproeven.

Jason noodigdo do dappersten der Grieksche vorsten uit, hom in de onderneming,

die hij hoopte to volbrengen, bij te staan. Hij bewoog velen hem te volgen, waarop \'\'ij dadelijk een groot schip liet bouwen, waarop de overvaart naar Kolchis zon plaats vindon. \'jij

Na vele wederwaardigheden aldaar aangekomen, oischto Jason van Aetos hot gouden vlios. De koning van Kolchis durfde niet weigenn, doch wilde don ïhessaliër in het verderf

-ocr page 380-

3öO

.storten. Derhalvo beloofde lüj Jason het vel nit te leveren, wanneer de prins een strijd gelukkig ten einde zou brengen, dien Aotes hem voorstelde.

Jason nam den voorslag aan. Nu beval Aetes hom om met de beide wilde, vuur-simivende ossen een steenigen akker om te ploegen , drakentanden in de voren te zaaien en met hot daaruit ontspruitende zaad van geharnaste mannen te kampen, tot hij op hen de overwinning zon behaald hebben. Onmogelijk zou hot voor Jason geweest zijn dozen strijd to bestaan , zoo hom daarbij niet hulpe ware geboden door Aotes\' dochter Modoa, die, zich op tooverkunsten toegelegd hebbende, to goeder ure voor den schoo-ncn Jason in liefde was ontbrand. Haar talent temde de stieren en zaaide tweedracht onder do geharnaste mannon, zoodat deze elkander bestreden, en Jason als overwinnaar uit den kampstrijd te voorschijn trad.

Maar, in weerwil hiervan en van zijne belofte, weigerde Aetes het guldon vlios uit te leveren, zoodat Jason in hot einde besloot, om, met hulp der toovonares .Medea, den schat te roovon. Het plan gelukte. De Grieken kwamen in het bezit van hot reikhalzend gewenschte kleinood en koorden, na vele tochten her- en derwaarts on hot overwinnen van talrijke belemmeringen , behouden in hot vaderland terug.

Als deelnemers aan don Argonautentocht worden Kastor en Pollux genoemd, bekend onder don geraeenschappelijken naam van Dioskoeren, d. i. Zonen van Zeus,want zij waren, luidens de sage, de tweelingszonen van dezen god. Zous was namelijk op Loda, do gade van den Lakedemonschen koning Tyndareus, verliefd geworden, en had haar in de gedaante van eene zwaan omhelsd. Uit deze omarming schonk Leda aan vier kinderen hot loven, twoe zonen; Kastor en Pollux, en twoe dochters: Helena on Klytomnostra. De meisjes bekwamen twee broeders tot mannen; Helena huwde koning Me nelaos van Sparta , en Klvtemnestra , Mi\'iielaos\' broeder, Agamemnon , koning van Mykene-

Kastor en Pollux leefden bij voortduur door do innigste broederliefde verbonden. Steeds waren zij bij en mot elkander in de meest volkomen eendracht. Na hun dood werden zij door Zeus onder de goden geplaatst en door do Grieken, dio hun het gesternte de Tweelingen toewijdden, vereerd en aangebeden.

De Thebaansche oorlogen. Een grooter historisch belang dan de tocht dor Argo muiten hebben de Thebaansche oorlogen (omstreeks 1\'230 -l\'ilO vóór Christus), tot wolken strijd eeno broedertwist aanleiding gaf.

Te Thebo regeerde Oedipus, van wien do sage hot volgende verhaalt.

Koning Laios, van Thebo, een nakomeling van Kadmos, wenschte kinderen te hebben , doch hot orakel kondigde hem aan, dat zoo hij een zoon het leven schonk. deze zijn vader dooden en zijne moeder huwen zou. ïcifii nu de koningin, Jokaste, een zoon baarde, liet de vader het knaapje met gebonden voeten aan een herder geven, om hot zoek te maken. Do herder bracht hot kind bij zijn heer, koning Polybos, van Ivorinthe. Men noemde het Oedipus, uithoofde van zijne gezwollen voeten. Toen hij opwies en het orakel naar zijne afkomst vroeg, waarschuwde dit hom voor een terug ki\'iT. daar hij anders een vadermoord en bloedschande zou bedrijven. Hij ontvlood der halve zijn vermeend geboorteland en begaf zich op weg naar Thebe. In dit land heerschtquot; groote nood. Een zonderling monster. Sphinx genoemd, lag er op don loer om de men schen !gt;• verderven , hield hun een raadsel voor en doodde hen wanneer zij het niet konden oplossen. Laios reisde naar Delphi om het orakel te raadplegen. In oone nauwe rotskloel\' ontmoette liij Oedipus, wien hij mot groeten overmoed bejegende , zoodat de reiziger den vorst •\'ii diens dienaar uit wrevel over die onheusehe behandeling versloeg. Daardoor kwam de troon te Thebe ledig. Om dien zetel weder te bekleeden, beloofde Kroon , Jokaste\'s broeder, dien

-ocr page 381-

GRIEKEN LAND (IN D EN HIST0RISC1IEN S.VQENTIJI)).

man tie heorschappij , welke hot raadsel oplossen en het land van do Sphinx bevrijden zou. Tevens zou die kloeke menschenzoon , do hand van Laios\' weduwe bekomen. Oedipus was zoo gelukkig om het raadsel op te lossen. Hij huwde ten gevolge daarvan zijne moeder, en daarmede was het orakel vervuld. Eono pestziekte brak in hot land uit. Men riep de hulp in van een ziener, ten eindo do oorzaak te ontdekken , en vernam uit diens mond don vadermoord en de bloedschande van Oedipus, Jokaste gaf zich zelve don dood, en Oedipus, die zich de oogen uitstak, werd verdreven. Door zijne dochters, Antigone en Isnione, go-leid, dwaalde hij lang rond, tot hij eindelijk door don dood rust en verzoening vond.

Behalve zijne dochters, had Oedipus nog twee zonen, Eteoklos en Polyneikes. Ton aanzien der regoerllig van het Thobaansche rijk had hij bepaald, dat beide zonen haar bij beurten zouden voeren, en wel op die wijzo, dat elk gedurende een jaar den troon zou bnkleeden. Eteokles besteeg dion het eerst, doch vond in het voeren dor heorschappij zoo voel smaak, dat hij, na verloop van het regeeringsjaar, weigerde den troon te verlaten. Daarover ten hoogste ontevreden, verzocht Polyneikes aan Adrastos, koning van Argos, hulp, en deze bracht nu een bondgenootschap van zeven Grieksche vorsten tot stand om Eteokles to booorlogon. Do namen van dit zevental waren: Polyneikes, Adrastos, Tydeus, Amphiaraos, Kapaneus, llipponiedon 011 Parthenopoos.

De zevon holdon belegerden Thobo. Doch daar do stad wol versterkt was, was al do moed der verbondenen niet in staat om haar in te nomen. Toch werd de toestand binnen de veste onhoudbaar. Daardoor kwamen de beide vijandelijke broeders overeen om door een tweegevecht hunne aanspraken tot oen einde te brengen. Hot duel viel hoogst ongelukkig uit, daar beiden op de plaats bloven. Do oorlog begon op nieuw, want Kroon, do oom van den gevallen Eteokles, vatte de teugels der regoo-ring over Thebe op en bood don belegeraars oen zoo hardnokkigon tegenstand, dat na tangen strijd allen voor do muren van Thebe omkwamen.

Doch de gesneuvelden haddon nakomelingen nagelaten. Hunne zeven zonen, bekend onder don naam van do Epigonen (de later-geborenen), koesterden do begeerte om don dood hunner vaders te wreken. Toen zij derhalve volwassen waren, gaven zij aan dit voornomen gevolg. Zij waren gelukkiger dan do oorsprongen van hun aanzijn; want het gelukte hun , do Thebanen volkomen te slaan on do stad in te nemen, waarop Thorsandor, de zoon van Polyneikes, den Thobaanschon troon beklom, en do vijan-dolijkhodon oen einde namen.

De lockl naar Troja. Do Trojaanscho oorlog, die niet lang na liet beslechten der l\'hobaanscho twisten plaats vond , is do eerste staatkundige ondorneming van liet Grieksche volk, maar, helaas, geone eervolle. Zucht naar verovering en verlangen om buit te bekomen waren do drijfvoeren tot de belegering en verwoesting van hot rijke Troja.

Do historische grond der onderneming togen Troja heeft intusschon weinig sterkte, en menig kundig navorschor dor geschiedenis is geneigd, om het verhaal voor eeno poetische opvatting te houden. Zoker voelden sinds onlieugolijko tijdon de rood listige (irieken zich aangetrokken om do nabijliggende Klein-Aziatischo rijke gewesten te overhoeren, of althans van oen deel hunner suhatton te boroovon. Dit ging zoo ver, dat de Trojanen, bykiörs, Kariërs en andoren vrij wat moesten inschikken, ja zelfs achteruit wijken voor de stammen, dio van hot Grieksche vasteland tot hen overkwamen. Thrakischo volkstammen waren voortdurend over den liosporos gegaan, haddon do inwoners verdreven en zich in liithynië neergezet.

De geschiedenis van dezen strijd en do namen der holdon , die zich daarin onder-

-ocr page 382-

GKÏr.LUSTRKEIlüK TVEIIELDGBSCHIEDKNIS.

scheidden, bloven bij het volk bewaard door overleveringen en gezangen. Zoo huig deze gevechten voortduurden, bleef do herdenking aan do heldendaden dor voorvaderen steods levendig, maar aan hot opteekonen der liederen, die dezo feiten verheerlijkten, word minder gedacht, omdat waarschijnlijk slechts weinigen het opgeteokende konden lezon. Morst toen men in de nieuwe woonplaatsen nut erlangde, en kunsten , ambachten en koophandel het volk meer bezig hielden dan de oorlogen, toen do heldensagen in gevaar geraakten om vergeten of vervalscht te worden, deed zich de behoefte gevoelen , om deze dichterlijke ontboezemingen te verzamelen. Deze loefden doorgaans nog alleen volledig in den mond der rhapsoden (rondtrekkende zangers en deklamatoren).

Dit geschiedde in Griekenland volkomen op dezelfde wijze als in Indio, waar de groote heldendichten Mahahharala en liamajana geboren waren vóór do Ilias en do Otlyxxee.

Als de dichter van beiden gold bij de Grieken en do goheole oudheid Homer of Homeros, en eerst in de jongste tijden heeft men aan de juistheid van dien oorsprong getwijfeld, weshalve men met verschillende hypothesen tor verklaring voor den dag is gekomen. Slechts één daarvan willen wij vermelden. Zij is dio welke de Odyssee van Homeros een veel ouder oorsprong toekent dan aan do Uias, daar beider zamenstelling zoo verbalend uiteenwijkt. Hoogstwaarschijnlijk is hot, dat Homeros hot plan voor do Ilias ontwierp, hot beleg van Troja tot de kern van het dichtstuk maakte en daaromheen de oude liederen en sagen groepeerde. Wanneer hij leefde, is niet wol op te geven. Herodotos zegt: 400 jaar vóór zijn tijd, derhalve ongeveer omstreeks het jaar 900 vóór Christus.

Ons is hot voldoende om te weten, dat de werken van Homeros bot middelpunt werden der Grieksche epische poëzie , dat zij op den kunstzin der Grieken don grootsten invloed uitoefenden en daardoor op allo volken van Europa, die, allen in meer of minder mate , hunne beschaving aan de Grieken te danken hebben.

Rondreizende zangers droegen gedeelten uit de werken van Homeros voor en hebben waarschijnlijk bij toepasselijke gelegenheden menig vers ingevoegd of gewijzigd, want reeds Sulon hield het voor noodig, pogingen tot het uitziften van dergelijke toevoegselen aan te wenden. Niettemin werd eerst door Peisistratos aan eene commissie van geloerde mannen dit werk opgedragen en door haar de Ilias en Odyssee in don vorm gebracht, waaronder wij dezo heerlijke dichtwerken kennen. In de scholen werden de Homerische zangen van buiten geleerd, even als bij ons Bijbel-, psalm- en gezangverzen, en hot is nauwelijks noodig op te merken , dat daardoor aan de levenswijze dor Grieken oen element werd toegevoegd, dat verheffend en veredelend werkte, en oorzaak word, dat de oude Grieken ons nog tegenwoordig in vele opzichten als onbereikte voorbeelden voor oogen staan.

Over do stichting van Ilion door nakomelingen van Dardanos hebben wij reeds go-sproken. \'Vergelijk bladz. \'ÜMi). De stad werd door een brand, waarschijnlijk in den oorlog met een naburig volk, verwoest, doch later weder opgebouwd.

Ten tijde van Kamses 11 (do 1 i(lc eeuw vóór Christus) vinden wij Trojanen onder zijne vijanden. Doch de nederlaag bij Kadosh bedierf hun smaak voor verdere oorlogsondernemingen. Eene op zich zelve onboteekenonde gebeurtenis moest tot den oorlog der Grieken tegen Troja het voorwendsel leveren.

Als de aanleidende persoon van het tragische lot, waardoor de Trojanen getroffen werden, beschouwt men namelijk do ons reeds bekende schoone Helena, eene der dochters van Leda on de vrouw van Menelaos, koning van Sparta.

Toen l\'.iris, een der vijftig kinderen van koning l\'riamos, oen bezoek te Sparta aflegde en in het huis van .Menelaos een liefderijk onthaal genoot, ontbrandde hij

3G2

-ocr page 383-
-ocr page 384-
-ocr page 385-

ÖKTEKENLAND (iN DEN IIISÏOUISOIIEN SAOENÏIJD).

363

in liofdo voor zij no bekoorlijke gastvrouw, on doze was zwak on zinnelijk gonoog, om aan de verleiding van den bovalligen jonkman gehoor to geven. Zij wilde hom voor do toekomst toebohooron. Derhalve werd door de beide verliefden tot eono vlucht besloten.

allo kostbaarheden en schatten van schip van Paris en liet hem hot

-ocr page 386-

GKÏLLUST11EE11DK WEUEI.DGESCHIKDENIS.

van Pvthia, in Thossalië; Odyssons (Ulysses), van Ithaka; Diomedes, van Argos; Nos-tor, van Pylos; Idoincnous, van Kreta; Aias (Ajax), van Salamis,

Het beleg van het welversterkte Troja rekte zich in do lengte, inzonderheid wijl hot den firiekon aan allerlei levensbenoodigdheden ontbrak, en zij uit dien hoofde hot grootste doel van hun tijd met strÖoptochton in Thrakiiï èn op de naburige eilanden moesten doorbrengen , om zich die behoeften te verschaffen. Daarbij kwamen nog oneonig-heden in hun oigen kamp, voorts do belangrijke ondersteuning, die de belegerden van df zijde der naburige Klein-Aziatische volken verkregen , en eindelijk de heldenmoodigo verdediging der Trojanen zeiven, die in do zonen van Priamos, inzonderheid in Hektor rii Aeneas, aanvoerders bezaten, welke zich waardig tegenover Achilles en Odysseus konden stellen.

Eindelijk, na eone tienjarige belegering, nadat de eerste helden op beide zijden, Achilles en Hektor, gevallen waren, gelukte het den Crrieken de stad door list in hunne macht te krijgen. Dit laatste bestaan wordt aldus verhaald:

Op den raad eens waarzeggers lieten de Grieken een groot, kunstig paard vervaardigen , in welks romp do strijdbaarsten des legers zich verborgen. Hierop trokken de Orieken schijnbaar terug, door zich achter hot eiland Tenedos aan do blikken der belegerden te onttrekken. Alleen het houten paard hadden zij laten staan. Terwijl do Trojanen dit nieuwsgierig aankeken, verscheen een Griek, die voorgaf voor Odysseus gevloden te zijn en om toelating binnen Troja smeekte. Men ondervroeg hem omtrent do bestemming van het paard, en de spion, ■— want dat was de man — verklaarde kortweg. dat het paard, vervaardigd was om eene orakelspreuk te vervullen, die verkondigd had, dat de Grieken zouden overwonnen worden, wanneer hot ros niet binnen de stad Troja gesleept kon worden. Bracht men het echter in de stad, zoo zouden de Trojanen den oorlog in Griekenland overbrengen. Uit dien hoofde had men het paard zoo groot gemaakt, dat het de stadspoort niet binnen kon. Zoo als men licht denken kan, wilden de Trojanen nu het paard binnen de stad hebben. To vergeefs waarschuwde de priester Laokoon voor de arglist der Grieken; vergeefs wierp hij eene spies in de lendenen van het ros, zoodat do ijzeren ingewanden van het paard hevig dreunden. Plotseling verschenen twoe slangen, die Laokoon benevens zijne beide zonen worgden. Xn zagen de Trojanen in den waarschuwenden raadgever een door de goden go-straften leugenaar en sleepten jubelend hot paard binnen de stad, nadat het dwaze volk een doel der muren had omvergeworpen. Ter nanwernood was het paard binnen, of do mannen klommen bij hot invallend duister uit den romp, overweldigden do wachters aan de poorten en openden deze voor het teruggekeerde Grieksoho loger.

Wie van do bewoners zich niet door do vlucht redde, viel onder de slagen dor Grii\'ksche zwaarden. De vrouwen worden als slavinnen medegenomen, de schatten onder do overwinnaars verdeeld. Do stad zelve werd, door haar in brand te steken , aan oone volkomen verwoesting gewijd. Ken puinhoop was al wat van het eens zoo gelukkige en rijkquot; Troja overbleef.

|)c overwinnaars, die terstond na hot voltooien van het barbaarscho werk, met elkander onmiig werden over den terugkeer en in afzonderlijke partijen aftrokken, kwamen, mewendeels ^erst na velerlei rampspoeden, in het vaderland terug. Velen hunner vonden daar onheil en ellende, eonigen zelfs den dood.

Het inei-st vermaard zijn de avonturen van den sluwen Odysseus op zijn zwerftocht naar zijn geboortegrond, het eiland Dhaka. Hetgeen hij bij de Kyklopen, bij do men-sclienetende Lestrygonen, bij de tooveres Kirke moest verduren, — hoe hjj, na

364

-ocr page 387-

(Iltl KKHXIANI) (IN\' DEN HISTOUrSCHKN SAdUNTIJD).

eon blik in don Hades goworpon to hohboii, do vorloidolijko zangon dor Sirenen woder-stond -- lioo hij na jaren lang\' door de schoone Kalypso op hot eiland Ogygia vastgo-houden te zijn, eindelijk bij do Phoakon kwam, die hom naar huis brachten, waar bij zijne trouwe Penelope van haro onbeschaamde minnaars verlostte; - dat alles vormt den inhoud van de hoorlijko Odyssee.

Een ellendig lot trof de hoofdaanvoerder, Agamemnon. Zijne vrouw, de ons reeds bekende Klytomnostra, had gedurende zijne afwezigheid mot een neef, Aegisthos, eone ongeoorloofde betrekking aangeknoopt. Do beide schuldigen besloten om den terugkeerenden echtgenoot te vermoorden en volvoerden liet helsche plan.

Aan don zoon van Agamemnon, Orestes, bleef hot overgelaten, zijn vador to wreken. Hij deed dit tien jaren later, want toen zijn vader werd vermoord, was hij nog een kind. Zijne verstandige zustor. Elektra, had hem naar hun oom, koning Stro-phios van Phokis gebracht. Hier was Orestes opgevoed en had met den zoon van Strophios, zijn neef Pylades, oene vriendschap gesloten, die door hare innigheid en onoplosbaarheid tot een spreekwoord word. linden vereonigden zich in liet besluit om Agamemnon te wreken. Zij trokken naar Mykeno, namen onder verdichte namen hun intrek bij Aegisthos en sloegen hom en zijne vrouw Klytemnestra dood.

De Grieksche volksverhuizing,

van HOC—1000 vó(5r Christus.

Deze omwenteling is voor de geschiedenis der Grieken wellicht de belangrijkste, daar zij door de verandering der woonplaatsen van verschillende stammen, na velerlei woelingen, een vasten staat van landbezit vestigde, oene nieuwe orde van zaken schiepen den grond legde voor eone latere vorming van staten.

Men herinnere zich om deze aangelegenheden wél te verstaan, welke doelen des lands do verschillende llelleonscho stammen in bezit hadden.

De stoot tot deze volksverhuizing gaven de ïhossaliörs, die, waarschijnlijk door Illyrischo stammen bedreigd. Hellas binnendrongen en Hootië in bezit namen, waarom zij later Bootiörs genoemd werden. Daardoor werden de in Hellas wonende Doriërs genoodzaakt naar woonplaatsen in den 1\'oloponneses uit te zien, inzonderheid omdat velen hunner vorsten, tot den stam der Horakliden behoorendo, aanspraken meenden te hebben op Argolis, van waar, zooals wij bericht hebben, Heraklos met zijn vador gevloden was om voor Eurystheus plaats te maken. Uithoofde van die aanspraken noemt men de volksverhuizing der Doriërs den terugkeer der Ilerakliden.

Het grootste deel van don Peloponnosos, inzonderheid liet zuidoostelijke, dat door de Acheors werd bewoond, viel na een langen strijd in de macht der Doriërs, waarop de Acheërs zich naar de door Joniërs bewoonde noordwestelijke provinciën tonigtrokken, sinds wolken tijd die streken don naam van Achaja verkregen. De aldus verdreven •loniërs gingen hierop naar Attika, en een ander gedeelte van hen naar de Klein-Aziatische kusten en eilanden.

Deze verhuizingen dor Urieksche volken, die eeno geheele eeuw aanhielden, gaven daarenboven aanleiding tot hot vertrek van vele gezinnen en stammen, en dien tengevolge tot het stichten van verscheidene Grieksche volkplantingen, over welken wij later meer uitvoerig zullen handelen.

-ocr page 388-

GEÏLIiUSTllEKUDK W UIIEI.DO RSCII1 KI) KNT.S.

In hotalgomeon vindon wij na dezen tijd in do Grioksche rijkon overal oon ojigo wokt stroven, vooral daar, door do onrust bij do landverhuizing\', in do begrippen des volks aangaande hut recht dor koningen op het bezit der landen grooto verandering was gekomen. Men begon in te zien, dat do onbeperkte heerschappij van oen enkel man ovor velon do algomeono ontwikkeling beperkte, en sedert Athene, na den dood van koning Ko-dros met de afschaffing dor koninklijke waardigheid oen begin had gemaakt, volgdo hot eone Grioksche rijk na hot andoro dit voorbeeld. Do baan voor den republiekoinschen regeringsvorm word geëffend , en daarmede bogon het tijdperk van Griekenland\'s hoorlijkon bloei.

De afschaffing van liet koningschap to Athene geschiedde zonder bloedvergieten,

.v,t;

zonder onrust on schijnbaar in het govool van erkentelijkheid voor don odelon Kodros. dio zich voor hot behoud van zijn vaderland had opgeofferd.

Toen namoiyk togen het oindo der Dorische landverhuizing, omstreeks hot jaar IOquot;)O vóór Christus, do Dori^rs naar Athono vooruitdrongon on Athene bologordon , verkondigde oen orakel: dat, zoo de Atheenscho koning door de vijanden word verslagen , dozo onverrichterzako zouden moeten aftrekken. Zoo als licht te begrijpen is, hoedden de belegeraars zich om ivodros to trolfen. Doch deze had besloten om zich voor de redding van Athono op te offeren en het door list zoover weten te brongen, dat DoriCrs hom het leven benamen. Hij kleedde zich als eon boor, begaf zich in het Dorisch\'1kamp, begon met do krijgslieden to twisten on ontving in hot daardoor ontstane gevecht eone wond, die hom doodde. Toon de Doriörs den koning horkendon en zich het orakel herinnerden, werden zy moedeloos en trokken af.

1

n

-ocr page 389-

OIUKKENLANl) (iN DUN HISTOlUSCIIEN SAGKNÏI.II)).

Do Athonors, dio reeds lang er op bedacht waren geweest om de koninklijke waardigheid af te schaffen, verklaarden nu, dat niemand waardig was den troon van don edelen Kodros te beklimmen, dat do kroon veeleer aan Zeus moest worden gewijd en het koningschap een einde nemen.

Met deze hervorming van de staatsregeling zien wij tevens eeno splitsing der Griek-sche maatschappij m twee verschillende levensrichtingen. Deze hervorming toch werd do aanleidendo oorzaak tot lange binnenlandsche oorlogen tusschon de Grieksche volken on ten slotte tot hunne onderwerping aan vreemde veroveraars. Deze zoo treurige uitkomst was het gevolg van do strenge afzondering dor Grieksche volkstammen van elkander, eeno afzondering die elk volk ton verderve moot vooron.

Van do vier Grieksche volkstammen erlangden de Doriiirs on Joniiirs aanvankolijk eeno soort van overwicht, later eene vormelijke oppermacht. Uit dien hoofde hebben wij bij do beschouwing der Grieksche maatschappij de Dorische en ,Ionische bestand-deden nauwkeurig te onderscheiden. Beiden stonden scherp tegenover elkander. Do Doriörs hechtten zich stijf en sterk aan het oudo en bestaande, terwijl de Joniörs, bewegelijk van aard, hot nieuwe huldigden en naar veranderingen haakten. De Doriörs waren stug, hardnekkig en langzaam; do Joniörs levendig, gemakkelijk te naderen, buigzaam en lichtvaardig. Do Doriörs leefden afgezonderd in den staat en voor don staat, kool en streng, op militaire wijze, — de Joniörs verstrooid, do ontwikkeling volgende, die vernuft wist aan te brengen, dor beschaving uit hartelijke neiging toegedaan , ingenomen met kunst en wetenschap.

Elke der beide nationale richtingen won eeno soort van middelpunt in don staat dio het moest op den voorgrond trad. Die van het Dorische bestanddeel word van lieverlede Sparta, dio van hot Jonische Athene, en aan het bestaan van deze beide staten hechtte zich gedurende langen tijd hot staatkundige lovon. ja zelfs do staat van beschaving van het Grieksche volk. De geschiedenis dor staten Sparta on Athene is do geschiedenis van Griekenland.

Sparta. )

Doot don terugkeer der Ileraklidon hadden do Doriörs in den Peloponnesos vaste woonplaatsen gewonnen en daarmede begonnen om de uitgeweken Achoörs te onderdrukken.

Hij dit begin onderscheidden zich inzonderheid de bewoners der stad Sparta, waar do Ileraklido Aristodemos hot hoogst gezag uitoefende. Allo volken van Lakoniö worden door de Spartanen overwonnen en schatplichtig gemaakt; en do oorlogon, gevoerd om \'lit dool to bereiken, maken den hoofdinhoud van do geschiedenis van Sparta nit.

Men gevolg dier herhaalde zegepralen was, dat Sparta oen bolangrijknn invloed op don staat van zaken op den Peloponnesos verkreeg.

Onder hen die zich verzetten tegen dien invloed — in werkelijkheid een zwaar juk voor do overwonnenen — onderscheidden zich de bewoners dor stad Helos, de Heloten.

Zij boden den hardnekkigsten tegenstand. Doch het einde was, dat zy voor de over-quot;wcht moesten zwichten.

Een vroeseljjk lot was hot loon voor hun verzet: de Heloten werden naar Sparta gevoerd en daar tot eene erfelijke slavernij gedoemd.

*

-ocr page 390-

GEÏLLUSTREERDE WKIlF.LMQKSClIlF.Df.NlS.

Dozo invloed van Sparta zou reeds vroeger grooter zijn geweest, zoo de ongeregelde vorm van don staat daartegen geen beletsel hadde opgeleverd. Do oorzaak daarvan lag ten deelo in het gemis aan vaste wetten, ten deele aan hot bestaan van een tweekoningschap {Dyarckie) , waartoe de beide zonen van Aristedomos, Eurysthenes en i\'roklns, den grond gelogd hadden. Om bij bot toekennen der kroon geen der beide tweelingzonen onrecht te doen, hadden de Spartanen aan het Delphische orakel eene beslissing verzocht. Do pythea deed de uitspraak, dat men den oudste der beide zonen bet meest

moest eeren. Daar men nochtans niet moer wist wie van do twee zonen het eerst den moedor-schoot had verlaten, worden beiden tot koningen verbeven , opdat de oudste het in ieder geval zon zijn. Hunne afstammelingen handhaafden zich in het bezit der door hen van hunne voorvaderen geërfde kronen met groote hardnekkigheid, en daardoor hoerschten tezelfdoi tjjil twee koninklijke liniën , die der Agieden en die der Eurytionioden , op den Spartaan-schen troon. De Agieden stamden af van Eurythenes, aan wiens zoon Agis zij htm naam dankton. De Eurytionieden, nit Prokles voortgesproten, noemden zich naar diens kleinzoon , Eurytion.

Aan die gedeelde heerschappij is het allerwaarschijnlijkst te danken, dat het koningschap in Sparta langer dan in do overige Grioksche staten bleef voortduren. want de arm der koningen was hier, juist uithoofde der Dyarchie, minder drukkend

-ocr page 391-

GRtKKKNLAN\'l) (in DUN UISroitlSCIlKN SAOKNTUd).

dan oldors. Elk dor beido lieerschers toch ineendo zich tegon de macht van den ander daardoor te beschutten, dat hij do genegenheid dos volks voor zich won. Dit echter kon alleen gesohieden wanneer hij do koninklijke voorrechten aan het volk ten offer bracht; want het volk hecht zicii hot nauwst aan den vorst die zijne onderzaten het meest nadert, die hun medebroeder wil zijn. Dat met die tweeheerschappij het zaad der tweedracht in den staat was geworpen , is licht te begrijpen, oven als dat alleen door eene vaste , onveranderlijke wetgeving het ontkiemen en voortwoekeren van dit onkruid kon verhinderd worden.

Onder eene zoodanige wetgeving moest de Spartaansche staat ontaarden en wegkwijnen. Gelukkig, dat in het einde oen man optrad, dio het zich ten taak stelde, zijn vaderland een staatsvorm te geven, die het de heerschappij over Griekenland kon verzekeren. Die man was Lykurgos.

l\'olydektos, een der beide djarchen , liet bij zijn dood geene kinderen na , ten gevolge waarvan zijn broeder don koninklijken zetel erfde. Doch ter nauwernood had deze (de genoemde Lykurgos) de teugels in handen genomen, of de weduwe van Polydektes liet hem berichten, dat zij zwanger was en de kroon begeerde voor het kind, dat zij onder het harte droeg. Aan dit bericht, dat in stilte werd overgebracht, was do even zoo heimelijk medegedeelde voorslag verbonden, dat Lykurgos dor weduwe zijne hand zou reiken, in welk geval zij hare vrucht zou verderven. Lykurgos dacht eerlijk genoeg om een dergelgkon voorslag van do hand te wijzen. Om intusschon oen onheil to voorkomen, hield hij zich of hij den voorslag aannam, onder voorbehoud nochtans, dat zijne schoonzuster zelve het kind eerst dan zou dooden, wanneer het geboren was, ten einde hare gezondheid niet in gevaar te brengen. Sedert liet hij do koningin tot aan hare bevalling zorgvuldig bewaken en gaf heimelijk het strengste bevel, om hom de jonggeborene, wanneer deze een knaap was, to brengen.

Hij zat juist met eenige voorname Spartanen aan tafel, toen men hem, met het bericht der bevalling, de mededeeling bracht dat de jonggeborene een zoon was. Op het zien van hot knaapje straalde hot gelaat van den edelen man van vreugde. Hij hief het kind omhoog met beide bandon, toonde het z\\jn gaston en riep vol geestdrift:

quot;Spartanen, ons is een koning geboren!quot;

Daarop logde hij den knaap op den koninklijken zetel en gaf hem don naam van Charilaos {yolkxvreurjde).

Daarmede had Lykurgos zijne aanspraken op don Spartaanschen troon te niet gedaan , maar niet evenzeer zijne plannon voor \'s volks wolzijn. Hij verklaarde zich tot •s knapen voogd; doch nu stond hij bloot aan do wraak der versmade weduwe ou haren aanhang. Deze verspreidde den laster, dat Lykurgos\' edelmoedigheid niets anders was dan do grootste huichelarij. quot;Ügt; zoo strooide men uit, zou nu het knaapje uit den weg ruimen, zonder do minste verdenking op to wekken. Lykurgos begreep dat, mocht hot kind eens oen ongeluk to beurt vallen, de argwaan hem als \'s pleegzoons moordenaar zou aanwijzen. Daarom besloot hij eene groote reis naar andere landen te onderno-mon, waardoor hij tevens de gelegenheid zou vinden, om de wetten van andere volken te bestudeoren, hetgeen hom hij zijne edele plannen van den grootsten dienst moest zijn.

Hot allereerst begaf hij zich naar Kreta, om do wetgeving op dat eiland te loeren kennen, en zoo diep drong by in hour geest door, dat men do grondtrekkon der Kretascho wetgeving in de latere Lykurgische terugvindt. Van Kreta reisde hij naar Klein-Azië, ten «mde do daar bloeiende örieksche volkplantingen in oogenschouw te nemen. Ook Egypte quot;o het Noordelijk Afrika moot hij, volgens de verzekering van sommigen, bezocht hel». \'quot;\'O , ja men verhaalt zelfs van reizen door hem naar Indiö en Spanje ondernemen.

quot; i.

-ocr page 392-

iii :

OKiLUSTttERRDK WRRKt.DORSClltKDKNIS.

Inmiddels ging hot ti! Sparta woest en teugelloos toe, want de opgroeiendo l\'ha-rilaos en zijn novenkoning Arohelaos bezaten geono geestkracht genoeg om do ruwe Spartanen in toom to houden. Smartelijk word Lykurgos gemist, en eindeljjk drong men door een gezantschap op zijn terugkeer aan. Hij volgde don roep des vaderlands en kwam na oene tienjarige afwezigheid, mot ervaringen van allerlei aard verrijkt, te Sparta aan, vast besloten om den staat volkomen te hervormen.

Wij zullen den merkwaardigon staatsvorm, dien Lykurgos zijn geboortegrond gaf, in de (1 esehiedcni.i der beschaving loeren kennen. Hier moet hot ons voldoen, do wijze aan te toenen waarop de kloeke ontwerper „ijn stelsel te Sparta invoerde, oene on-

:!70

v, . S

derneming, die wellicht grooter moeiolijkhoden opleverde dan het ontwerpen van den regeeringsvorm zelvon.

Do nieuwe orde van zaken, die de volkomen gelijkstelling van alle burgers ten grondslag had en het opotferen van elks bijzondere belangen oischte, moest roods van zulvct oene machtige tegenwerking opwekken liij hen dio sinds vroegere tijden voorrechton boven anderen genoten. Of zou ons in die verwijderde tydporken iets verbazen , van hetgeen wij in latere dagen zoo dikwerf gelegenheid haddon om op te merken?

Lykurgos vond een beslisten tegenstand. Om dien met een enkelen slag te vernietigen, greop ook hij, voorzeker ongaarne, het geliefdste aller politieke middelen aan : hy rioj) den godsdienst te hulp. Het Delphisoh orakel moest do uitspraak doen, dat zyne wetgeving een goddelijk werk was en voor Sparta\'s room en grootheid zoo voor-

Iflf;

-ocr page 393-

(IRli;k ONLAND (in DKN lltsTolUSCliEN saotontudj.

treffelijk als geen ander oji aarde. Daardoor had Lykurgos het volk op zijne zijde gebracht, was zijn spol gewonnen.

Hoe groot de tegenstand van vele Spartanen tegen den nieuwen staatsvorm was, en hoe vor do haat zijner tegenpartij zich uitstrekte, ziet men uit het feit, dat Lykurgos bijna hot offer van een tegen hem gerichten aanval was geworden. Voor eene tegen hom optrekkende schaar wilde hij in een der nationale heiligdommen vluchten. Men jong, woest man, mot name Alkander, haalde hem in en sloeg hem lüetoen stok zoo hevig in het gelaat, dat het bloed hem langs wangen en neus gudsto. Doch onver-wrikt bleef livkuigos staan en staarde zijne vervolgers aan. Toen de menigte het bloedende gelaat, aanschouwde, schaamde zij zich, bad om vergiffenis en leverde den misdadiger aan de wraak van den mishandelde over. Lykurgos wreekte, zich op edele wijze: hij maakte Alkander tot zijn eersten dienaar en veranderde daardoor oen vijand in een zijner ijverigste vereerders.

De nieuwe staatsvorm was onder de leiding van Lykurgos in het leven geroepen , maar de wetgever was daarbij bedacht deze regeling duurzaamheid te schenken. Hiertoe bezigde hij eeno list, dio op zich zelve onschuldig, eene grootscho daad werd, doordien Lykurgos, om haar to volvoeren, een zijner teedersto gevoelens ton offer moest brongen : de vreugde om in het door hom zoo bevoordeelde geboorteland te leven en to sterven.

Hij riep namelijk eeno algomeeno volksvergadering bijeen en verklaarde haar , dat hij aan do door hem ingevoerde staatsregeling nog den sluitsteen moest toevoegen. Om dien aan to brengen was het noodig, vooraf eeno reis naar Delphi te ondernemen, ten einde de toestemming van hot orakel te bekomen. Doch alvorens te vertrekken , wonschte hij, dat liet volk zou zweren zijn staatsvorm tut zijne terugkomst te handhaven.

Hot volk legde don verlangden eed af. Lykurgos sprak een diep gevoeld vaarwel uit, reisde hoen en kwam nooit weder.

Men verhaalt, dat Lykurgos, na zijne vrijwillige verbanning naar Dejmii, aan zijn leven, door zich van voedsel te onthouden, een einde maakte. Volgons andoren zou hij op oone andere plaats gestorven zijn, met de beschikking zijne asch in zee te strooien, opdat do Spartanen buiten staat zouden zijn, zich van hun eed ontslagen te rekenen, wamieer zjj zijn lijk naar hunne stad teruggevoerd zouden hebben.

Do gosclnodenis van Sparta sinds hot vertrok van Lykurgos is niet zoor belangrijk en daiirbjj duister. Verscliillondo oorlogen, door de koningen tegen do naburige volken, inzonderheid tegen de Arkadiërs en do Argieven, ondernomen, ton einde deze te onderwerpen , vullen hare bladzijden. Eerst sedert de Spartanen don arm van verovering naar het rijke 011 gelukkige Messenië uitstrekten , verkrijgt het eentonige tafereel kleur en loven.

De Messeensche oorlogen.

l)e onder dezen naam bekende kampstrijden veilden bijna eene eeuw lang den schoonen 1\'eloponncsos met het bloed zijner bewoners.

Do oorzaak van deze langdurige oorlogen was blijkbaar het gevolg van den strijdlust on veroveringszucht dor Spartanen. Eene onmiddellijke aanleiding om hen aan te vangen was onder die omstandighodon licht te vinden. Zoo ook bij de Messoenscho

-ocr page 394-

.\'J72 GKÏLLUSTREUItOE WERHLDGESCIIIRDENIS,

oorlogen. Wie echter kan zeggen, of zij niet door de Messeiüers zeiven werd gogeveu, door het beleedigen van Sparta? Immers, men verhaalt, dat eens eenige Spartaan-sche meisjes die zich op weg begeven haddon naar den Dianatempel, welke tusschen Sparta en Messene stond, daar door eenige Messeniërs werden overvallen en goschou-den, nadat die schenders, om tot hun doel te geraken, den Spartaanschen koning Talektos, die de jonge dochters wilde beschermen, verslagen hadden.

De Spartanen hadden derhalve reden om den oorlog te verklaren. Maar ook de Messeniërs hadden zich te beklagen over geleden onrecht, althans zij beweerden, dat men een hunner burgers, die door Spartanen was bedrogen, voldoening had geweigerd,

Hoe dit zij, zoo voel staat vast, dat de verbittering die beide volken togen elkander koesterden, een graad had bereikt, welke een oorlog onvermijdelijk moest maken.

Op welke zijde het grootste onrecht moge geweest zijn, de grootste verbittering was op de zijde dei- Spartanen: zij toch legden vóór hun vertrek uit Sparta de plechtige gelofte af, niet eer terug te keeren vóór Messenio volkomen onderworpen zou zijn.

De eerste Messeensche kampstrijd (742—722 vóór Christus) droeg hot woeste karakter van een verdelgingsoorlog. De Spartanen overvielen de Messeensche opene steden en moordden, zengden en brandschatten mot de wreedheid van woeste horden. Eerst toen de Messeniërs zich wierpen binnen do welversterkte stad door hen op den borg Ithome aangelegd, brak het zegevierende zwaard der Spartanen, daar deze niet wisten hoe zij eeno vesting moesten belegeren. Zij zochten dus hulp bij de Korinthiërs. Maar ook do Messeniërs poogden bijstand te verwerven, en hun koning, Aristodemos, die eerst kort te voron den troon beklommen had, verdedigde, met hulp der Arkadiörs en Argie-ven, het\' sterke Ithome.

Eene orakelspreuk had evenwel aangekondigd, dat de oorlog ten nadeolo der Messeniërs zou afloopen, zoo niet eene maagd uit het koninklijk geslacht aan de godin ten Offer werd gebracht. Met het oog op \'s lands redding bood Aristodemos zijne dochter aan. Doch de verloofde van liet meisje verhief tegenspraak, o. a. bewoe-rende, dat zijne geliefde op den naam van maagd niet meer mocht bogen, daar zij van hem zwanger ging. Aristodemos geraakte in woede, ten eerste om do schande /.(jn geslacht aangedaan, ten tweede over do wijze waarop men hem het offer zijner vaderlandsliefde wilde ontrukken. In dezen toestand greep hij zijne dochter, doodde haar mot eigene hand, reet haar den buik open, toonde het volk het geopende lijk en bewees het daardoor, dat do geliefde zijnor dochter een lasteraar was, daar het meisji\' waardig was als offer te worden aangenomen.

Het geweten wreekte do onnatuurlijke daad. Vreeselpe droomen plaagden don mis dadigen vader, die eindelijk door do furiën van het berouw gefolterd, zich op het graf zijner dochter den doodsteek gaf.

Inmiddels echter had do zielstoestand van Aristodemos do belegerden derwijze verontrust,, dat zij zich tot het Delphischo orakel wendden, om het hun wachtende löt te vernomen. Zij kregen ton antwoord, dat diegene meester van de sterkte zou bljj-ven, die bet eerst in den Jupitortempel te Ithome honderd drievoeten zou plaatsen. Nu geloofden do Messeniërs overwinnaars te zullen zijn; zij lieten om de orakelspreuk te vervullen, honderd drievoeten maken, en wel, wegens geldgebrek, in plaats van metaal , van hout. Doch aan do Spartanen was de orakelspreuk verraden gewor den, en doze, in de hoop om de Messeniërs do loof af te steken, besloten van dr

-ocr page 395-

GRIKKIiKLAMD (iN DEN IIISTOUISCHEN SAQKNTIJI)).

bnkoinon inlicliting partij to trokken. Eon goostig kunstenaar vervaardigde 100 kloine drievoeten uit loera, sloop als een vogelkooper vermomd, Itliome binnen en plaatste zijno 100 drievoeten ongehinderd in don tempel.

Deze list ontmoedigde de Messeniörs. Zij begonnen te wanhopen om de vesting te behouden. Doch eerst na Aristodemos\' dood gelukte het den Spartanen Ithome in te nemen en daardoor aan don oorlog oen einde to maken. Do Mosseniërs werden tot het opbrengen eenor schatting veroordeeld, t. w. tot hot uitkeeren der helft van al wat hun landbouw opleverde.

Hot tijdsverloop tot aan don tweedon Mossoenschon oorlog is belangrijk wegens de invoering der ophoren (eeno soort van rijksbestuurders, van wien wij later meor zullen hooren), on belangwekkend wegens eeno uitgestrekte samenzwering , waarvan do staat het slachtoffer geworden zou zijn, indion men de samenspanning niet door verraad ontdekt nu ten gevolge daarvan in de geboorte gesmoord had.

\'J\'oon namelijk de Spartanen tot het voeren van don eersten Messeonsche oorlog waren uitgetrokken on ten gevolge van hun eed gedurende een langen tijd niet terug konden koeren, ontstond eene afname van do bevolking, daar allo strijdbare mannolijke bewoners aan den krijg deelnamen. Do teruggebleven vrouwen on meisjes klaagden daarover bij do aanvoerders van hot leger, dio tengevolge daarvan toegaven, dat al die mannen welke bij don uittocht uit Sparta minderjarig geweest en uit dien hoofde door hun eed niot gebonden waren , naar de stad konden terugkeeron, om door het sluiten van een wilden echt don staat voor ontvolking te behoeden.

De zonen uit dozo verbintenissen ontsproten, worden Parthoniörs (maagdenzonon) genoemd en door do Spartanen, onverstandig genoeg, als onecht veracht en van allo burgerrechten uitgesloten. Uit verdriet daarover verbonden do Parthoniörs zich mot de Heloten en besloten de staatsinrichting omver to worpen. Do uitbarsting der samen-zworing zou bij de naaste algomoene volksverzameling plaats vinden en het toeken voor den aanval eono omhoog geworpen muts zijn.

Het plan mislukte door den angst van eenigo Heloten, die de gevolgen vreesden on don aanslag verrieden. Onmiddellijk verboden do ophoren op strenge straf om gedurende de volksvergadering eeno muts in do hoogte to werpen. Do Partheniërs zagen nu dat zij verraden waren en gaven hun plan op. Zij werden voor hot overige niet gestraft, waarschijnlijk omdat men inzag, dat men hen onrechtvaardig had behandeld. Men vergenoegde er zich mede, hen uit Sparta to verbannen, en zoo zeilden zjj naar Italië, waar zij zich to Tarente nederzetten.

De Mosseniërs konden hot Spartaansche juk niot lang dragon. Inzonderheid spande Aristomones, eono spruit van het koninklijke geslacht, alle krachten in om hen over te halen dit juk af te worpen, terwijl hij tevens do Arkadiërs on Argiovon wist over to halen, om zich met de Mosseniërs te verbinden. Daardoor brak eindelijk do tweede Messoonsclio oorlog uit (085—668 vóór Christus), waarin do dappere en kloeke Aristomenos door zijn heldonbodrijf onverwelkolijke oer inoogstte. Aan zijne stoute daden haddon de Mosseniërs hot te danken, dat In den eersten tijd don Spartanen alle, moed werd benomen , doordien zij nederlaag op nederlaag ondervonden en zoo gedeemoodigd worden, dat zij den Athoners, hun staatkundigen mededingers, om hulp moesten smeekon. Deze zonden hun — blijkbaar uit spot — oen lammen, overspannen schoolmeester en dichter, Tvrteos geheeton, dio den Athoners waarschijnlijk tot het wit van hun lachlust had gediend, maar wiens strijdzangen derwijze den moed der Spartanen aanvuurden, dat zij den oorlog met vernieuwden lust voortzetten. Hetgeen Aristomones hun met zijn zwaard

373

-ocr page 396-

374 OK\'Ü.I.USTIlKKItDK WRIIRI.IKIKSCIIIKDUNIS.

ontnam, herwon Tyrtoos voor lien door zgne liedoron, on zoo word do oorlog stoods mot afwissolond goluk govoord.

Aristomenes had tot uu too do rol van aanvallor vorvuld on vooral door zijno stouto strooptochton zich voor do Spartanon geducht gemaakt. Eerst toon de Arkadisclio koning Aristokratos, de Mosseniörs verradende, zich bij do Spartanon aansloot, en dezo daarenboven do Korinthiörs voor zich wonnen, hield Aristomenes hot voor geraden, om zich voortaan tot de verdediging van Mossoniö te bepalen. Mij liet don berg ira verstorkon, verdedigde deze hoogte mot evenveel doorzicht als kloekmoedigheid, en eerst na een elfjarig boleg gelukte het don Spartanen door oen onverwacht verraad do sterkte in te nemen.

Ue knecht van enn Spartaansch bevelhebber vond, wanneer hij aan don stroom liet vee drenkte, er menigmaal eene Messeensche vrouw , met welke hij eeno liefdesbetrekking aanknoopte. Deze vrouw deelde hom eens mede, dat het huis van haar man buiten den muur lag en hij den volgenden nacht bij haar kon komen, wijl haar man dan op wacht zou zijn De knecht kwam. Nauwelijks lagen beiden te bed, of do man koerde geheel onverwacht terug. Do minnaar verschool zich, en de man verhaalde aan zijno quot;zeer om hem bezorgdequot; vrouw, dat do wacht uithoofde do nacht zoo stormachtig was, verlof had bekomen om naar huis te gaan. Aristomenes moest wegens eene wond zijne legerstede houden on kon zelf de ronde niet waarnemen. Do Spartaan die alles gehoord luid, sloop stil weg on bracht het gehoorde tor kennis van zijn aanvoerder. Doch de Spartanen vreesden niettemin in den duisteren nacht oen gevocht mot Aristomenes en bloven tot aan don morgen in rust. Toen echter drongen zij, nog onverwacht, de sterkte binnen. Mr ontbrandde oen vreeselijko strijd binnen Ira, een gevecht dat drie dagen en twee nachten duurde, en waaraan zelfs de Messeensche vrouwen deelnamen. Eindelijk bestond voor do bevolking geen hoop moor, om zich binnen de veste te handhaven. Toen beval Aristomenes, ton einde de inwoners te redden, om door den vijand hoen te slaan. Vrouwen, kinderen en grijsaards te midden hunner colonne nemende, rukten de Messeniërs den vijand te gemoet. En zoo vreoselijk waren de aftrekkende helden voor do Spartanen geworden, en zoo gevaarlijk schoen hun een strijd mot do vertwijfelenden, dat zij dezen rechts en links een weg openden en stil lieten wegtrekken.

Mot den val dor gewichtige vesting ira nam do oorlog een einde. Een dool der Messeniërs verliet hot vaderland. Do moesten van hen zeilden naar Italië. waar zij zicii iti de naar hunne geboorteplaats genoemde stad Messana vestigden. Zij die terugbleven , haddon een treurig lot: zij worden door de Spartanon tot slavernij gedoomd en hadden hetzelfde lot als do Heloton. Immers, do Spartanen kenden geene edelmoedigheid tegenover dappere vijanden. Wie bun den vermetolston tegenstand bood, trof ook het hardste lot.

De heldendaden en lotgevallen van den Messoonschon veldheer Aristomenes zijn van oen zoo wonderbaren aard als die dor holden van Homeros en verdienen wel eeno afzonderlijke vermolding.

De met zijn bestuur zoo hoogelijk ingenomen Messeniërs haddon hem don kort te voren opongovallen troon aangeboden. Doch Aristomenes sloeg dat geschenk van de hand en vergenoegde zich mot den post van veldheer, die meer aan zijno zucht voor krijgshalto ondernemingen behaagde. Van \'s mans avonturen willen wij die welke hot meest opmerking verdienen , modedoelen.

Om do bijgeloovige Spartanon te ontmoedigen, sloop hij eens, onder do grootste geva ren, binnen hunne stad, liing daar in den Minervatompel eon schild op en schroef daaronder: \'\'Aristomenes wijdt dit aan de godin uil den buit op do Spartanon behaald.\'

-ocr page 397-

375

Do hold had oon.s eon groot aantal Spartaansche jongo dochters die bijoon gekomen waren om eon focst tar cere der godin Artemis to voeren , overvallen on gevangen genomen. Hot aanzionlijke losgeld, dat hem voor dien buit word betaald, deed hom verlangen nogmaals zulk oene vangst to doen. Doch de nieuwe ondernoming bekwam hem slecht. Er word oen feost ter eere van Dometor te Aogila aangericht, waarbjj geeno mannen tegenwoordig moch-ton zijn. Aristomones evenwel liet zich niot door dit gebod terughouden. Met eenige ondergeschikten trok hij op om do offorendo vrouwen to overvallen. Maar de Spartaanscho schoonen waren kloekmoedig genoeg om tegenstand to bieden. Zij grepen do offermessen , braadspiosen, fakkels en haardijzors on verdedigden zich niot alleen zoor dapper, maar namen zelfs den hold Aristomones gevangen. Wellicht liet hij dit uit berekening goschiodon, want hij had sinds eenigen tijd met de priosterns Archidanioa oene min-

narij aangeknoopt. Zij was hot ook dio hom in den volgenden nacht bevrijdde, doordien /.ij hem behulpzaam was om do strikken in brand to stoken.

Op een zijner strooptochten werd Aristomones na de hevigste togonvveor door de Spartanen gevangen genomen. Door zware wondon getroffen, was hij in oen staat van verbijstering geraakt. Do wreode Spartanen besloten don gevangene in een diep hoi te werpen, waarin anders de grootste misdadigers gestort werden. Nochtans stond men den Messeniër do gunst toe om zijn rusting aan te houden. 1\'ik beschutte hem wol is waar voor don dood bij hot noderstorten, doch niot voor den hongerdood. Op oene wonderbare wijze word iiij voor dit lood gered, ofschoon hij roods drie dagen iionger had geleden en, door rottende lijken omringd, den dood te gomoet zag. Hij had zijn gelaat omhuld on was tot sterven bereid. Eensklaps hoorde hij in zijne nabijheid iets

-ocr page 398-

1

GEÏLLUSTKHRRDR WKllKI.DGRSCHIEIJRNIS.

ritsolon. Hot was oon vos dio aan een lijk knaagde. Aristomones nam eon spoedig bo-slnit. Het dier moest oon weg kennen , die uit deze afschuwelijke spelonk voerde. Dicht den vos genaderd, greep hij het dier bij den staart en volgde den vluchteling, tor-wijl hij hem mot de andore hand afweerde, wanneer Rointjo bijten wilde. Do vos stak eindelijk don kop in een nauw gat. Aristomenos liet hem hier los, daar hij door do opening hot vriendelijke daglicht zag binnendringen. De odole Messeniör vergrootte, mot inspanning zijnor hom nog gebleven krachten, do opening, en kon nu daardoor bij het vallen van den nacht ontvlieden. Vol verbazing en verrukking ontvingen hom zijne trouwe krijgslieden te Ira.

Eeno dorde maal geraakte Aristomenos gedurende don wapenstilstand in do gevangenschap dor Spartanen, doordien negon Kretenzer boogschutters, in soldij van Sparta, den held overvielen , die, op hot gesloten verdrag vertrouwende, zich in do nabijheid des vijands had gewaagd. Twee der boogschutters snelden vol bljjdschap naar Sparta om het gebeurde te berichten. De zeven anderen bewaakten Aristomenos in oen huis , hetwelk alleen door eene weduwe en hare dochter werd bewoond. Het jonge meisje werd zijne redster. Zij had don vorigen nacht gedroomd, een leeuw te zien, wiens klauwen gebonden waren, on die door wolven werd voortgesleept. Zij droomde verder, dat zij do boeien van hot koninklijke dier losmaakte, en de leeuw, dadelijk opgesprongen, zich op do wolven wierp en hen verscheurde. Nauwelijks vernam hot meisje wie de govangono was, of zij dacht aan haren droom. Do Kretenzers worden door haar beschonken gemaakt. Toen zij vast in slaap geraakt waren, nam zij een van hon zijn dolk af, snood daarmede de koorden van don odeion Aristomenos los en gaf hem het wapen. Do Messeniör doodde terstond de valschaards en voorde moeder en dochter naar Ira, waar hij de iaatstvermelde met zijn zoon door hot huwelijk verhoud.

Hoe groot de persoonlijke dapperheid van den held geweest moet zijn, bewijzen do drie hekalomphonlën, die hij vierde. Eene hokatomphonie narnolyk was een olfer, hetwelk diegene don goden moest brengen, welke in don oorlog 100 vijanden mot eigene hand had gevold.

Na den val van Ira begaf Aristomenos zich tot do Arkadiörs , waar hij wraakzuchtige plannen tegen de wreede Spartanen smeedde. Hij besloot de Lydiers togen hen te wapen te roepon, en reeds stond bij op hot punt naar Sardes af te reizen, toon do dood hein van hot woreldtooneel verwijderde. Men was begeorig hot inwendige van don stouten bold to loeren konnon on liet zijn lijk openen. En zie, men vond zijn hart met haar begroeid!

De afloop dor Mosseensche oorlogen voordo don trots en overmoed van Sparta ten top, en toon nu ook in de volgende tijden Arkadifi, Argos, Sikyonië, Korintiie en Elis, het eon moor dan het ander, tot onderdanigheid tegenover Sparta worden gedwongen, begreep geheel Hellas mot schrik dat die overmacht gevaarlijk voor allo staten kon worden. Allo middelen worden aangegrepen em die overmacht te verzwakken , — en het zaad voor de binnenlandsche onlusten, waardoor het Grrieksche volk ten val zou komen, was uitgestrooid.

Maar ook binnen zijn eigen kring genoot Sparta do rust niet, die het zoo- noodig had. Vooral waren hot de twisten tosschon do beide koningen Kleomeiios en Deinara tos (5U() vóór dir.), die voor don staat verderfelijk worden, ivlooinones, oen oorlogzuchtig, wild en arglistig inonsch, die door zijne intrignen veel onheil stichtto, werd uithoofde van menige willokonrigo daad door zijn modekoning Deraaratos bjj do eplioren aangeklaagd. Tegen deze aanklacht voerde Kleoinenes do bewering aan, dat Doma-

:i7ö

t I

IR

■| \' 5

. lt;

-ocr page 399-

GRIEKENLAND (iN DUN UISTOIUSCIIEN SAGENÏIJD).

ratos gome klacht mocht inbrengen, daar hij geenszins het wettig kind zijns vaders was. 11ij wist die bewering door zoo vele schijngronden en door de uitspraken van hot omgekocht orakel te ondersteunen, dat de ophoren Demaratos van don troon ontzetten. Desniettemin bleef deze voortreffelijke man zijn vaderland trouw, ja zelfs nam hij oen heerlijk voorbeeld voor afgezette vorsten — oen gering ambt aan, ton einde door hot ijverig waar te nemen, hot welzijn van Sparta te helpen bevorderen. Eerst toonde in zijne plaats opgetreden koning Lootychides hem door spotternijen uit den eervollon werkkring verjoeg, keerde Demaratos zijn vaderland den rug en begaf zich naar het hof van don Perzischen koning Dareios, waar wij hem later terugvinden.

Kleomones werd door de wraak dos hemels achtervolgd. Hij werd krankzinnig en maakte in dien staat een einde aan zijne leven. In zijne plaats besteeg zijn neef Leonidas den Spartaanschen troon.

Athene.

Zooals wij reeds gemold hebben, is Athene als het middelpunt van den Jonischen stam dor Hellenen te beschouwen. Hetgone Sparta was voor hot woeste oorlogsbedrijf, was Athene voor het aankweeken van de kunsten des vredes. Athene word en bleef de hoofdzetel dor Griekscho beschaving.

Wij hebben reeds gezien hoe na den offerdood van Kodros het Atheensche koningschap werd afgeschaft. Tn de plaats daarvan trad hot ambt der archonten, dat zich van bet koninklijke slechts daarin onderscheidde, dat de archon genoodzaakt was van zijn bewind rekenschap af te leggen. Het ambt van archon was aanvankelijk levenslang en erfelijk. Eerst in het jaar 752 vóór Chr. werd het besluit genomen, do ar-chonton to verkiezen , en wel slechts voor den duur van tien jaren. Eenigen tijd daarna zag men in, dat iedere onbeperkte rogeeringsmacht van een enkel man voor de vrijlu\'id nadeelig moest zijn. Uit dien hoofde bepaalde men het getal der archonton op negen, die ieder jaar verkozen moesten worden.

De eerste der negen archonten droeg zelf don naam van Archon. Hij was do opperste regeoringsbeambte, en na hom werd hot loopendo jaar benoemd, weshalve hij tevens den naam eponymos voerde. De tweede in rang noemde men baslieus; deze had het bestuur over de godsdienstige aangelegenheden, terwijl de dorde, die den titel vim polemarchos voerde , het hoofd was van alle krijgszaken. De overige z\'-s archonton noemde men thesniotheten: aan huiiiH! zorg was inzondorhoid de rechtspleging toevertrouwd.

Waarschijnlijk had deze staatsvorm den Atheners volkomen behaagd, zoo men niet de font had begaan , om de archonten steeds uit de eupatrieden (de voornaamste geslachten) te kiezen, waardoor de regeering een geheel aristocratischen aard vertoonde. Dok schaadde bet, dat oene oepaalde wet ontbrak, waardoor do staatsburgers voor ledore willekeur der regenten beschermd konden worden. Ton einde dit laatste gebrek int don weg te ruimen, droegen do moest invloedrijke Atheners don archon Drakon C\'-i vóór Chr.) op, om een volledig wotbook samen te stellen, waarnaar allo uitspraken dor regenten moesten gegeven wordon.

Drakon. Deze wetgever was eon eerwaard, deugdzaam en streng rechtvaardig man. Deeh deze zoo hoog te schatten eigenschappen worden gebreken wanneer /ij iiij oen wetgever voorkomen , die niet tegelijkertijd wijsgeer genoog is om de monschen naar

-ocr page 400-

GKÏIXUSTHKKIIUK WRIIKLDOKSCH I KDl\'NIS.

hunno inenscholijko natuur to kunnen booordoolon. Hij zal alsdan van allo monschon do eigenschap pen vorderen, die hij zelf niet. bezit; hij zal het gemis van deze eigon-.schappen door zijne wetten wille» vervolgen, zonder in aanmerking te nomon, dat men burgers van den staat tot het bezit dier eigenscbappen niet kan verplichten. Uit dien hoofde zal zijn wetboek hot karakter van eene zedelijke dwingelandij aannemen, en dit is van alle fouten die een wetboek kan hebben , het grootste.

De Drakonsche wet oefende eon zoodanigo dwingelandij uit, en de strengheid daarvan is tot een spreekwoord geworden. Van eene aan wreedheid grenzende hardheid getuigen onder anderen de artikelen, waarbij de geringste diefstal van ooft, het verontreinigen ......... tempel on zelfs de lediggang met don dood gestraft werden.

Doch boe hard deze wet ook was, en hoezeer zij ook de persoonlijke vrijheid beperkte , het uitspreken der openbare meening strafte zij niet, zoo als dit nog heden in sommige staten plaats vindt. Ongehinderd kon eon redenaar (met grooton bijval van de menigte) uitroepen: quot;Drakon\'s wet is niet mot inkt, maar met bloed geschreven!quot;

Hij de vrijheidlievende Atheners moest derhalve bij deze wet het spreekwoord be-waarheid worden; strenge hoeren regeeren niet lang. \'s Volks onwilligheid deed zich gelden : Drakon vlood, en zijne wet ging haar verval te gomoet.

Ken toestand van volkomen anarchie volgde, en van dezen staat maakten de vor-sdüllonde partijen gebruik, om zich te doen gelden en macht uit te oefenon. Een kortstondige, weinig belangwekkende, maar niet geheel onbloedige strijd begon tnssehon de aristocraten onder Kylon en de democraten, aan wier hoofd zich de archon Megakles stelde. Een natuurlijk gevolg van deze botsing was, dat do naburige volken daarvan gebruik maakten, om hunne bezittingen ten koste der Atheners te vermeerderen. Zoo stelden onder anderen do bewoners van Megara zich in het bezit van hot eiland Sa-lamis, dat tot hiertoe aan de Atheners had behoord, en alle pogingen om het te heroveren waren zoo vruchteloos, on de verliezen die de Atheners daarbij ondervonden, zoo aanzienlijk, dat door de beroofden eene verordening werd vastgesteld, waarbij allen die liet volk tot herovering van Salamis •poogden op te wekken, met don dood zouden gestraft worden.

De verdeeldheid tusschen aristocraten en democraten was door geheelo uitputting der eerstgenoemdon nog niot ten einde gekomen, toen zich reeds drie nieuwe partijen opwierpen. De Podiërs, bewoners der vlakte, verlangden dat do regeering in de handen der aanzienlijken zou bornsten, terwijl do Diakriërs (bergbewoners), waarbij do armoro klassen zich aansloten, een zuiver volksbewind verlangden , en do Paralers (kustbewonersquot;) ••\'jH middenweg wenschton ingeslagen. Uien ton gevolge heerschto de grootste verwarring.

Dezen chaos te regolen was aan oen man voorbehouden, die do geschiedenis terecht onder de edelsten en meest verlichten stelt. Hij was do als wijsgeer, redenaar en dichter oven zeer uitmuntende Solon, die zijn vaderland door de herovering van Salamis reeds eene proeve zijner bekwaamheden had gegeven, toen men hem in het jaar 50 \'i vóór Christus tot archon verkoos,

Solon was van koninklijken bloede, ten minste gaf hij zich zeiven voor een nakomeling van Kodrcs nit, te recht of ten onrechte kan ons onverschillig zijn. Waarschijnlijk is het, dat het hem aan geldelijk fortuin ontbrak, want wij vernemen, dat hij het noodige voor zijn levensonderhoud op reizen voor zaken verwierf, waarop hij nochtans ook voor quot;/.ijii dorst naar kennis bevrediging zocht en vond. Als dichter deed hij zich vooral kennen door zedespreuk\'ii en staatkundige grondstellingen in een poëtisch gewaad te klueden. Door dit alles verwierf hij zich te Athene aanzien, room en vrienden.

:gt;78

-ocr page 401-

OIUKKKNLA ND (iN DBN HFSTOIUSOIIKN SAQRNTIJU).

on zijn zacht, odol on beminnelijk wezen droeg or voel toe bij om hem togen vijanden to beschermen.

Even als ieder vriond des vaderlands, smartte hom niets zoo zoor, als de lafhartigheid zijner landgonooton , die zich Salamis haddon laten ontnemen en vertwijfeklen om hot te herovoron. Hij besloot derhalve om tot iederon prijs de Athoners te bewegen, zich weder in hot bezit van hot verloren eiland te stollen. Om do doodstraf te entgaan, waarmede hot opwekken daartoe bedreigd was, stolde iiij zich als 0011 krankzinnige aan. Hij kleedde zich zonderling, zette oou kloinon, belachelijken hoed op, vertoonde zich op do markt en zong daar voor het bijeengostroomdo volk een door hem gedicht klaaglied. Dit lied, dat men als de eerste sport der ladder kan beschouwen,

waarmede Solon tot zijn staatkundig aanzien en zijno historische beroomdhoid upkluin , begon aldus:

quot;Ziet, nu nadert SalnniiiT heraut.

Om u in nadrukkelijke verzen te melden Wal onlangs daar heeft plaats gehad.quot;

Opwekkond vooral workto do volgondo stroplio:

\'Ik we\'.ischte eer mijn geboorte te danken Aan l\'holegondrisehe of Sieinisehe aarde Dan ain Athene, wijl de lieden Die men ontmoet, u zeggen:

uZict, hij is van \'t volk, dat Salamis prijs gaf.quot;

379

-ocr page 402-

380

Hot liod oindigdo:

quot;Op, luat ons de aanspraiik op Siiknüs vernieuwen,

Herstellen wc onze eer door \'s eilands herovering.quot;

Hut volk was gewonnon. De wet, die Solon door zijn voorgowendon waanzin ont-dokon liad , word afgoscliaft, en tie wijsgeer erlangde do waardigheid van opporbovolhobbor in don oorlog tegon Megara. Door list on geweld werd den Megarenzers het land ontnomen , en Solon , die ook de gunst van het Delphisclie orakel had weten te verwerven, was sedert do man des volks.

Als archon ontwierp hij nu do beroemde staatsregeling, waardoor hij aantoonde, dat oen volk alleen vrij kan zijn, wanneer het zelf invloed op het bestuur des lands uitoefent.

Solon. Do invoering der nieuwe wet vond zonder vele moeiolijkheden plaats, daar do Atheners van harte reikhalsdon naar een gerogelden staat van zaken en in Solon een onbeperkt vertrouwen stolden, eene gunstige gezindheid die nog verhoogd was geworden , doordien hij don voorslag van talrijke vrienden van do hand weos om zich tot tiran \' op to werpen. Wat don edelen man echter veel last veroorzaakte was de roem zijner wijsbegeerte. Steeds werd hij door geleerden en belangstellenden omringd, die zijne gronden voor deze of gene instelling verlangden te vernomen. Deels om zich aan die bezwaren te onttrekken, deels om zijne wetten tijd to geven, zonder zijn persoonlijken invloed in den geest des volks vast te wortelen, vroeg en verkreeg hij verlof tot eene tienjarige reis, waarop hij, volgens overlevering, don koning der Lydiërs, Kresos, bezocht zou hebben (Vergelijk bladz. liül—1103).

Doch Solon\'s afwezigheid leverde het bewijs, hoezeer do jeugdige staatsvorm nog ile verpleging van zijn ontwerper behoefde, want nauwelijks had deze zijne reis aangevangen, of reeds kwamen de drie vermelde partijen mot hare eischen voor den dag. Als woordvoerder der Pediöre trad zekere Lykurgos op, als leider der Diakriürs Solon\'s meest vertrouwde vriend Poisistratos, en als opperhoofd der Paralers do ons reeds bekende Megakles. Deze drie partijhoofden bestroden elkander met oen voorbeel-deloozen ijver, zonder dat zij het nochtans waagden, Solon\'s staatsregeling in het minst te schenden. Alleen Peisistratos, oen van het volk zeer bemind en menschlievend man, doch tevens bijzonder hoerschzuchtig van aard, streefde naar de macht, die zijn odel-moodigo vriend Solon niet had willen aanvaarden, naar de alleenheerschappij (lyrannis). Vruchteloos zocht de teruggekeerde Solon hem van dit voornemen af to brengen, vruchteloos maakte de wijze staatsman hot volk opmerkzaam op de sluwheid , waarmede zijn vriend naar het gevaarlijke doel streefde. Peisistratos was wegens zijne persoonlijke hoodanig-heden en milddadigheid zoo bemind, en het volk nog zoo weinig ervaren in de grondstellingen der vrijheid, dat de eerzuchtige zijn doel mot hulp van de volgende plompe list bereikte.

Toen Poisitratos meende, dat men hom de tyrannis niet moer zou kunnen bestrijden , wanneer hij di........ vorworven had , bracht hij zich zeiven eene niet gevaarlijk1

wondi\' toe, vloog naar de markt en gaf voor aldus door zijne vijanden mishandeW te zijn, omdat hij zich altoos een vriend dos volks getoond had. Het door deze ver-

1

Tiran heette bij de Orieken elk heersehc.r die zich op onrechtmatige wijze in het bezit der alleen henjchappij stelde. Kon tiran te zijn sloot dus niet uit een voortreffelijk mnn te wezen of goed en rechtvaardig te regeeren.

-ocr page 403-

lt;iltlKKKN1.ANI) (IN DUN IIISTORlSCIIRN SAOENTiJD).

10011111^ geti\'oll\'en vulk voroorluofdo hom ton bohouvo /.ijner voortdurondo veiligheid zich door eene lijfwacht van knodsdrager,; to doen omringen. Mot deze vrij talrijke wacht bemachtigde Peisistratos den l)iirg (Akropolis) van Athene en regeerde den staat zonder verderon tegenstand als tiran.

Hij werd in zijne aangematigde heerschappij geduld, en Solon , do teleurgestelde volksvriend , vorliot zijn kortzichtig vaderland. Hij bl#ef ook in het vervolg de persoonlijke vriend van Peisistratos, maar do waardigheid van tiran was in zijn oog bij voortduur een onrecht. Van zyne zijdo bleef Peisistratos Solon\'s raad inwinnen en wisselde uit dien hoofde met hem een aantal brieven. Waar Solon gestorven is weot men niet. l)igt; Athenors eerden zijne nagedachtenis door hem op de Markt on op het eiland Salami,s beeldzuilen op te richten, die den wijsgeer in de houding voorstelden, waarin hij gewoon was te spréken : de eene hand in zijn gewaad verborgen.

Peisistratos (5()() vóór Christus) maakte van do geroofde macht geon slecht gebruik, hetzij uit vrees, hetzij uit eerbied voor recht en waarheid. Hij was een zachtmoedig, verstandig en doorgaans rechtschapen man, beschermde kunsten on wetenschappen, liield de persoonlijke vrijheid der burgers in oero en de Solonsche wetgeving in haro hoofdbepaliugen onveranderd. Maar men kon en mocht het hem niet vergeven, dat liij oen aanslag tegen de vrijheid had ondernomen , en als oen tiran leefde, waar oen vrij volk hoerschen moest. Zoo voel verstand en gevoel van eer was bij de Athenors bewaard gebleven, dat zij het geenszins op den duur goedkeurden , dat een overigens braaf man hun hunne vrijheid door list had ontroofd.

Daardoor was het mogelijk, dat Peisistratos\' mededingers, Lykurgos en Megakles, een groeten aanhang verwierven, waardoor zij zich in staat rekenden den tiran te doen vallen. Hun voornemen gelukte, zoodat Peisistratos moest vluchten. Nu eohter begon tusschon Lykurgos en Megakles een strijd om de opperheerschappij, die daarmede eindigde, dat de laatste zich mot Peisistratos verbond en dezen do verlorene tyrannis terug beloofde, zoo hij zich verplichtte om zijne dochter te huwen. Peisistratos nam de voorwaarde aan, waarop Megakles het door eene list zoo ver bracht, dat de afgezette tiran, nu zijn schoonzoon, de verlaten plaats weder innam.

Do list hiertoe aangewend, was zoo grof en met zoo weinig overleg getroffen, dat zij, zonder eene groote voorliefde voor Peisistratos bij de meerderheid der Atheners, bezwaarlijk had kunnen gelukken.

Eeno groote, schoono jonge dochter werd, even als do godin Athene gekleed en opgesierd, nevens Peisistratos in een open rijtuig geplaatst eii SKJp door de stad gereden. Vóór don zonderlingen optocht liepen herauten en riepen met luider stemme: quot;Athe-niënzers, neemt Peisistratos liefderijk op, daar Athene zelvo u hem toevoort.quot;

Het volk liet zich door dit goochelspel verkloeken , en Peisistratos beloonde zijne helpster, do valsche Athene, een vrouwspersoon van geringen stand, Phya geheoten, met de hand van zijn zoon Hipparch.

Maar nog eenmaal zou Peisistratos verdreven worden. Hij had zijne gade, do dochter van Megakles, verwaarloosd , en uit wraak daarover bracht do eerzuchtige schoonvader eene samonzwering tot stand, die tot do door hem verlangde uitkomst voerdo. Peisistratos vlood naar Eretria, doch liet niets onbeproefd om do verlorene heerschappij terug te winnen. Met liulp van vroegere verbintenissen verschafte hij zich geld en soldenieren en rukte , na eene elfjarige verbanning, mot een geducht leger naar Athene op. Hij veroverde Marathon, versterkte zijne troepen door vrienden die uit Athene toesnelden , en greep met zijne macht

hein te gomoet trekkende tegenstanders aan. De zegepraal, die hij op hen bevocht,

-ocr page 404-

382 GRïLljUStaKÈKUU VVÈUiaDÖESCÜIEUËNÏS,

(in il» ziiclith\'iid dtu hij tii^oiiDvor do ovorgt;vonn0iien botoondo, vorzokordon hom ton dorde maal do twoomaa) vertoron plaats. Hij had haar dezo koor op oeuo oorlijko wijzo go-wonnon, on do Athonionzers lieten hem nu tot aan zijn overlijden in hot ongostoordo bezit. Ilij oefende zijne macht, oven ais vroeger vermeld is, met zachtheid, wysheid en vrijzinnigheid uit.

Hipparch en Hippios, zijne bolde zonen, volgden hem in de tyrannis (JViü vóór dir.), en daar zij in de voetstappen huns vaders tradon , zouden zij ook in hunne heerschappij onaangetast zijn gebleven, zoo niet een van beiden zich eeneschandelijke daad van geweld tegenover oen jeugdig Atheensch burger veroorloofd had. Hipparch , door eene tegennatuurlijke zonde bekoord, had de hevigste liefde opgevat voor den schoonen jongeling ilarmodius, die, met zijn boezenivriond Aristogeiton in al te vertrouwelijke betrokking leefde. Hipparch, door hot voorwerp van zijn schandelijken lust afgewezen, bezigde gewold om in zijn verlangen te slagen. Daarover ontbrandde Aristogeiton in een ijverzuchtig wraakgevoel, dat hem drong Hipparch te vernietigen. J)it gevoel word nog versterkt toen Hipparch, wiens genegenheid voor Harmonias wegens de ondervonden tegenkanting in haat was overgeslagen, do zuster van dien jonkman oen vreeseiyken smaad toevoegde, namelijk, om haar te verbieden bij een leest tor oere van Athene plaats to nomen onder de meisjes die der godin de offers overbrachten. igt;it verbod was te smadelykor omdat alleen aan voile deernen die oere bij do wet was ontzegd. Nu brachten Aristogeiton en Harmodias eene samenzwering tegen het leven dor bi\'ido tirannen tot stand. Hij een openbaar feest brak zij uit. Hipparch viel door don dolk van Harmodias, die echter onmiddellijk door do lijfwacht van don tiran werd neergehouwen, terwijl men Aristogeiton gevangen nam.

Aristogeiton schijnt in do gevangenis gestorven of omgebracht te zijn, zonder dat liet Hippias gelukte, hem do namen zijner medestanders te ontwringen. Veeleer noemde Anstogi\'iton, zooals verhaald wordt, uit haat tegen Hippias, de beste vrienden van dim tiran, die, hierdoor verbijsterd, in zijno woode al deze beschuldigden liet ombrengen.

Kcno hooghartige daad, al werd zij door eene diep gezonkene bedreven, schittert te midden van dit jammerlijk bedrijf. Ho minnares van Aristogeiton, Loöna, wie een Cliinees onder de quot;dochters dor bloemenquot; zou gerangschikt hebben, werd gevat om haar de namen van Aristogeiton s medestanders af te persen. Men folterde haar op eene vrei\'seüjke wijze. Toen zij ten laatste die kwellingen niet meer kon verduren, boet zij zich don tong af, om door do ontzettende smarten niet tot verraad gedwongen te worden.

Hun afkeer van de tirannen gaven do Atheniönzers to kennen door de oorbewij-zingen, die zij der nagedachtenis van Harmodias en Aristogeiton bewezen. Voor beidfii werden ijzeren beeldzuilen opgericht. Volkszangen vierden hunne namen, en hunne nakomelingen bleven langen tijd van alle staatslasten bevrijd. Haar zij de nagedachtenis van Leüna, als die van eene openbare lichtekooi, door geen beeldzuil konden eeren, richtten zij, in stede daarvan, mot zinspeling op den naam van \'t meisje, het beeld eener leeuwin op, waarbij de woorden to lezen stonden: quot;zij beet zich zelve do tong af.quot;

Hu gewelddadige dood zijns broeders vervulde hot hart van Hippias met haat togen de Atlie.nienzers. Daarbij voegde zich groote vrees, waarvan het noodzakelijke gevolg\' verschillende despotioke handelingen te voorschijn riep. Op deze wijze ontstond uit den tot hiertoe welwillenden en menschlievenden tiran een wezen als wij thans met zijne waardigheid aanduiden. Doch met deze verandering zijner gezindheid verloor Hippias ooi.

-ocr page 405-

383

do liefde dos volks. Uo vrienden van eon vrijer bestuur kregen weer grootor invloed. Mogakles, een kleinzoon van dien Megaklos, welke ten tijde van Kylon archon was geweest, verzamelde de uit\' Athene gevloden vijanden van Pcisistratos rondom zich en stolde de nadrukkolijkste krachten i» beweging om don tiran den ondergang te bereiden. Megaklos wenschto voor zijn voornemen de machtige hulp der Spartanen te winnen. Ten einde hun eene vijandelijke gezindheid tegenover den tiran in te boezemon, poogde hij de gunst van hot Delphische orakel to verkrijgen. Het gelukte hom do priesteres — de pythoa — om te koopen, zoodat zij, aan olke uitspraak die zij op vragen uit Sparta mededeelde, de vermaning toevoegde: \'\'Athene moet van zijn tiran bevrijd worden.quot; Deze herhaalde toeroep verontrustte do Spartanen in het oinde derwijze, dat zij bo-sloten tegen Athene op to trekken. Met hunne hulp tastte Megaklos Hippias aan. Doch deze, door do Thossaliërs ondersteund, bleef overwinnaar.

Do nederlaag zijner Spartanen verbitterde koning Ivleoinénos dormato, dat hij een veel sterker leger afzond, om Athene in te nomen. Nu werden de Thossaliërs geslagen , en noodzaakten do Spartanen Hippias om zich in do Akropolis op te sluiten, iirzwaar-lijk zouden de belegeraars dien burg gewonnen hebben, daar zij, onervaren in do bo-legeringskunst, tevens spoedig het geduld verloren, maar tot hun geluk violen hun de uit do sterkte gevluchte kinderen van Hippias in handen, waarop hun vader, om hunne vrijheid te bewerken, aanbood, Attika te ontruimen en nimmer weder daarheen te koeren. Hot aanbod werd aangenomen, en Hippias begaf zich iu ballingschap. Eindelijk kwam hij in Perziö, waar wij hom zullen terugvinden.

Mot zijnen val (51 ü vóór dir.), was in Athene do republiek hersteld, maar de aristocratische partij was onder de tyrannis zoo machtig geworden , dat zij , in weerwil van do veranderde omstandigheden, pogingen deed om nog grootero voorrechten te bekomen, ja, haar woordvoerder, Isagoras, dacht er zelfs aan, zich tot tiran op te werpen. Maar het volk had aan de Peisistratieden gezien, waarheen de alleenheerschappij voorde, en de wijze zoon van Megaklos, Kloisthenos , die zich aan het hoofd der volkspartij plaatste , wendde alles aan om do plannon van Isagoras Ie verijdelen.

Togen die volksmacht zocht Isagoras hulp bij do Spartanen, en do hoimelijke afkoer van dit volk tegen zijn staatkundigen tegenstander, maakte hen gewillig tegenover Athene vijandelijk op te treden. Iloo sterk koning Demaratos den Spartanen den oorlog togen de Athoniönzors afried, Kleoinenes trok tegen hen op, veroverde hunne stad, verjoeg Ivleisthones en begon den staatsvorm to veranderen, om voor Isagoras eene nieuwe tyrannis voor te bereiden. Doch zijne grondwet bedreigd ziende, verhief hot volk zich mot al zijne kracht togen de Spartanen en belegerde Kloomonos en Isagoras binnen den burg met zooveel hardnekkigheid, dat deze zich eindelijk genooilzaakt zagen, onder beding van een vrijen aftocht, te kapituloeron.

KJoisthones was teruggekeerd. Een tijd van binnen- en buitenlandsche rust zon \'s volks geluk verzekerd hebben, zou niet Kloomonos er op bedacht ware geweest do ondorvonden teleurstelling te wrekon en tot dit oinde een talrijk leger naar Athene had geveerd. De republiek voelde zich niet sterk genoeg om oono zoo groote macht wederstand te bieden: zij zocht hulp bij de l\'orzon , en hieraan knoopten zich onderhandelingen, Jio daarmede eindigden, datgansch Griekenland tegen het Perzische rijk de wapenen opnam.

Do ontvouwing daarvan behoort in oen volgend tijdperk behandeld te worden.

-ocr page 406-

384 CKÏI.MjSTIIHKIt l)R WEUKlJlGESCIlTEDENtS.

Volkplantingen

Hefcgeoii hot kleino Griekenland oen zoo groot overwicht boven volo vool gniotore rijken gaf, was zijne koloniale macht, voortgesproten uit \'s lands goograplnscho ligging en de staatkundige verwikkelingen , die de grooto landverhuizing voortgebracht hadden. Door geen land op aarde zijn zoo volo, zoo machtige en zoo uitgestrekte volkplantingen gesticht als door Hellas. De bekende kusten der drie werelddeolen waren met \'Grieksche nederzettingen als bezaaid, en daaruit is het te verklaren hoe men overal in do oude wereld Grieksche toestanden en Grieksche beschaving kon aantreffen.

De verhouding dor volkplantingen tot het moederland was, naarmate van het ontstaan der kolonie, verschillend. Waar de Grieksche staat zelf eene volkplanting aan luidde, verkeerde dezo natuurlijk tot het moederland in een afliankelijken staat. Waar landverhuizers de volkplanting stichtten, zien wij deze wol is waar als op zich zelve staande burgers, maar altoos met dezelfde staatsinrichting van het moederland.

Geheel anders was het waar de volkplanting door verdrevenen werd gegrondvest. Waar haat tegen het moederland do borst dor kolonisten vervulde, kon het niet anders of verschillende inrichtingen moesten op een geheel anderen grondslag dan in liet moederland steunen.

Reeds do ligging en gesteldheid van Griekenland nqodigden het volk uit zich op d\' zeevaart toe te leggen en moedigde daardoor tot het stichten van koloniën aan. Waar nog grooter werd deze aanmoediging door de talrijke staatkundige omwentelingen, die in Griekenland na den Trojaanschon oorlog voorvielen. Vele vijandelijk aangevallen stammen moesten oen nieuw vaderland zoeken, en zoo vindon wij dan eindelijk alle kusten van den l\'ontos Kuxoinos tot aan de Zuilen van Hercules met Grieksche volkplantingen overdekt.

Wij hebben in de geschiedenis dor l\'hoenikiërs gezien, met hoeveel ijver dit vreod-zame volk op allo kusten der Middollandsche zee voet zotte, en op allo in do nabuurschap van Griekenland liggende eilanden handelsposten en factorijen aanlegde, eer van de Hellenen eeiüge sprake was, hoe hot door de Zoo van Marmara in de Zwarte zee kwam en overal koloniën vestigde. De (Jrioken worden spoedig hunne leergierige kwo. kolingen in de scheepvaart. Doch liadden de l\'hoenikiërs uls hun gids op de wateren do Poolster aangenomen, do (Iriokoii achtten dat hemellicht voor hunne tochten niet voldoende: zij kozen het meer schitterende sterrebeeld van den Grooten Heer, al kwamen daardoor hunne astronomische waarnemingen niet zoo volkomen tot haar recht als dio van do meesters, wii\'r gelukkige mededingers zij worden. Voor de l\'hoenikiërs was het hoofddoel bij hunne scheepvaart om van do landen waarmede zij kennis maakten, ten bate van hun koophandel en nijverheid voordeel te trekken, waartegen de Grieksche landverhuizers er ernstig op bedacht waren, nieuwe woonplaatsen te bekomen, welke zy uit dion hoofde nadrukkelijk verdedigden. Het gelukte hun spoedig om de l\'hoenikiërs niet alleen uit hunne eigene wat\' ren en van hunne eilanden to verdrijven, maar ook om op de kusten van Klein-Aziii de bovenhand te erlangen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat koning Minos aan de rooftochten der I\'lioonikiers en Kariërs oen einde maakte (Vergelijk bladz. .\'irgt;7). Van dii\'ii tijd dagteokont reeds de heerschappij der Grieken op deze zeeën.

De Klein Azialuche koloniën zijn zonder twijfel do belangrijkste volkplantingen der Grieken, niet alleen omdat zij wat haar getal betreft, do eerste plaatsbekleeddi.\'i,

-ocr page 407-

GIUEKKNLANI) (lN DUN I1IST0IIISCUBN SA0KNT1JI)). 385

maai\' vooral omdat daar do örioksche bosohaving zoo snel tot rijplioid kwam, dat zolfs hot moederland daardoor werd overvleugeld. Hier was namelijk de .Ionische stam de meest invloedrijke en machtigste; deze behoerschto do geheelo kust van Lydië, terwijl de Mjsischi) kust door Aoolische, on de Karische door Dorische stammon gekoloniseerd werden.

De Aeolische volkplantingen bevatten op het vasteland niet minder dan twaalf bloeiende steden, waaronder Smyrna als de voornaamste uitblonk. Dat dit twaalftal in een bondgenootschap vereenigd was, is slechts een vermoeden. Onder do steden der gekoloniséerdo eilanden schittert Mytileno, op Lesbos, boven anderen, en degeschiodiwiis noemt ons Pittakos, oen zijner rogenten, als oen waardig wetgever.

Do .Ionische volkplantingen, eveneens twaalf steden omvattende, vormden tot weder-zijdscho bescherming en voor de gemeenschappelijke godsdienstige feesten den Jonischen bond. Daarin onderscheidde zich Milote (Milet) als do zetel van een uitgebreiden koophandel en de moeder van vole anderen. Milete was zoo rijk, dat het alleen lOd oorlogschepen bezat, en zoo wakker in bedrijf, dat men ongeveer 80 koloniën genoemd vindt, die de Miletiers, tot uitbreiding van hun handel, aan de kusten van den Pontos Kuxeitios gesticht hebben.

Na Milote komen in aanmerking Kphesos, Kolophon, Phokoa en het eiland Samos. i\'hokea had een zoo klein rechtsgebied . dat het slechts drie oorlogschepen kon nitrns-ten, doch do vrijheidsliefde zijner inwoners was zoo groot, dat zij de latere onderdrukking der Perzen niet verdragen konden, maar naar Gallië verhuisden en daar de belangrijke koopstad Massilia (het tegenwoordige Marseille) grondvestten.

Samos, oen vruchtbaar eiland, bereikte hot toppunt zijner macht onder Polykrates, die zich tot tiran had opgeworpen on door krijgsbeleid on mood zijn rijk gedurende oenigen tijd tot liet machtigste van don ganschen Archipel verhief. Hij werd bij al zijne ondernomingen zoo zeer door do fortuin begunstigd, dat zijn naam in dit opzicht in de lijst der spreekwoorden groote beteokenis erlangde.

Do Dorische volkplantingen, wier zes steden zich eveneens tot oen Dorisch verbond vereonigd hadden, waren niet zoo bloeiend en zoo machtig als do overigen. Van baar vquot;rineldon wij alleen Knidos en Halikarnassos.

Do op do noordkust van Klein-Azio gelegen koloniën zijn tneeroiideels door Alile-tiërs gesticht, en het is voldoende wanneer wij do namen der voornaamsten melden , t. w. Ilerak\'lea, Sinope, Kerasunt en Trapesunt.

Ho. llaliaamche volkplanting au waren bijna even talrijk als die in Klein-Azië. Zij zijn ineerendeels door bewoners van den Peloponnosos ontstaan, en geheel Neder-Italië was mot Grioksche koloniën derwijze bedekt, dat dit dool van hot Ovei-Aljiise.ho ^\'liiereiland (ïroot-Griekenland werd genoemd.

\\\\ ij noeinen van die nederzettingen als inzonderheid belangrijk:

Tarente, dat door Spartaanscho Partheniëiizers werd gesticht en zicii welhaast tot oene dor voornaamste Italiaanscho zee- en koopsteden verhief; Kroton, welks bewoners zich door oene strenge, krijgshafte, bijna Spartaanscho levenswijze deden kennen; - on Sjbaris, oene Acheësche kolonie, tevens de rijkste stad van Noder-ltalië, De groote rijkdom van Sybaris droog er toe by, om de bewoners tot een weekhartig en \'iinnelijk volk te maken, dat steeds naar goniotingen zocht. Inderdaad was de weidde-ngheid dor Sybarieten zoo groot, dat men in gansch Italië en Griekenland daarvan sprak, even als het nog tegenwoordig gebruikelijk is, zwelgers en wellustelingen Sybarieten te tioomen. Toen de stad in een oorlog mot Kroton werd verwoest , stichttioi

-ocr page 408-

38() GRÏr.MJSTRKKRnK W RRKLDOKSCU 111\' DKN IS.

do inwoners met hulp dor Atlieniënzers de stad Thnrium, dio zich eerlang tot do be langrijksto dos lands verhief en in Charondas oen wetgever kroeg, die zich door dn strengsto rechtvaardigheid grooten naam verwierf. Hetzelfde voordeel genoot do volkplanting Lokri-Epizephyrii (d. i. West-Lokri) , want haar wetgever Zaloukos verdient eone niet minder eervolle plaats onder de weldoeners dos vaderlands.

Charondas had tut vermijding van bloedige twisten in do bnrgervergadering hij doodstraf verboden, hot voreenigingslokaal gewapend te betreden. Zekeren dag was hij, van hot veld terngkeorende, haastig in de vergadering geroepen en had in zijn ijver om aan do roepstem gehoor te geven, vergeten, zijn zwaard afteleggen. Nauwelijks was liij binnengetreden, of men riep hem too, dat hij zijn eigen voorschrift overtrad, door gewapend binnen te komen. Charondas verschrikte over zijn verzuim, liij een gelijk geval met een ander, zou hij deze waarschijnlijk begenadigd hebben, doch zich zeiven durfde hij geene genade te schenken. Derhalve trok hij zijn zwaard en doorboorde zich daarmede voor de oogen der vergadering, onder don uitroep: quot;Niet geschonden, maar bevestigd wordt door mij de wet!quot;

Eeno soortgelijke odele daad als van Charondos wordt van den wetgever Zalenkos bericht. Deze, aan wiens strenge verordeningen oen zedelijk doel ten grondslag lag, en wiens wetten in do oudsten aller geschreven wetboeken staan vermeld, had onder andere misdrijven, op echtbreuk do straf gesteld om beide oogen te verliezen. Eens werd zijn oigen zoon van dit vergrijp aangeklaagd, schuldig bevonden en — door den vador tot de ge-eischte straf veroordeeld. Zijne smart was niet geringer dan die van zijn tot eeuwige blindheid gedoomden zoon. Te vergeefs smookte het volk om genade voor don jongeling: het vaderhart streed wel een lievigen strijd met do liefde tot gerechtigheid, doch de laatste zegevierde, zoodat de straf werd behouden. Maar bij dio beslissing riep Zaleukos uit; quot;de wet verlangt als zoenoffer voor het vergrijp twee oogen. Welaan, men ontnemo mijn zoon or één, en het andore mij zolven.quot; - ■ Niets kon den ouden wetgever bewegen om van den gevonden uitweg af te wijkon. Hij en zijn zoon worden elk van h-t licht van oen dor beide oogen beroofd.

lïegium en Kama waren nederzettingen, wier bewoners als kolonisten uit Eub\' i waren overgekomen. De laatst\'* werd de moederstad van Neapolis. Ivuma was do zef ; van een orakel, dat bij de Italiaansche Grieken waarschijnlijk do plaats van hot Del-phische bekleedon zou. Do priesteres van dit orakel noemde men do sybilla, en haro ! uitspraken werden door do volken van Groot-\'iriekenland niet minder geëerhiodigd dan | die der Delphische pythia door do Grieken uit het moederland.

Op Sicilië waren de meestvermaarde (irioksche volkplantingen: Messeno, Megara, i Syndense, Agrigent on Kimera.

Messeno, of Me.ssona, oorspronkelijk eeno Eubeasche kolonie , onder den naam/anki werd later door uitgetrokken Messoniërs in bezit genomen en naar hen genoemd. Ond r | de Komeinscho hei\'rschappij speelde zij onder den nieuwen naam eone vrij Man.\'- | rijke rol.

Megara word door de Mogaronzen gesticht.

Syrakuso , do holangrjjkste der Siciliaansche koloniën, door de Korintliiërs gegrondve t. | verwierf door een uitgestrekten koophandel grooten rijkdom en had oen aristocratisch È republikeinschen regooringsverm, die nochtans later in eeno tyrannis overging.

Agrigent verhief zich tot de rijkste stad der Grioksche volkplantingen op Sicilië. Niette | min was zij spoedig na haar ontstaan onder do hoerschappjj van tirannon gekomen. | onder wolken do gewhiedonis den naam van l\'balaris, wegens zyne gruweldaden, n. \' J

-ocr page 409-

GRIRKKNL VNU (IN IIHN IIISTOlUSCItRN SAOKN\' TUI)).

afschuw vorrnoldt. Onder de martelwoidctuigon , waarvan l\'halaris zicli bediende om np-standolingon te straften, en die liij eveneens aanwendde teg-nn doznlkcii welke zich slechts eenigermato verdacht hadden gemaakt, telde men oen door den kunstenaar Porillos uit erts vervaardigden stior, in welks buik de ongelukkigen door middel van een daar onder aangelegd vuur lovend werden gebraden. Het duivelsche talent van Perillos had hot inwendige van dit marteltuig zoo ingericht, dat bet doodsgescbroi dor slachtoffers als het huilen van een stier klonk, eene uitvinding, waarmede de kunstenaar den tiran wilde verrassen. Inderdaad schijnt Pbalaris daarmede buitengemeen in zijn schik geweest te zijn , docb om to beproeven of het werk werkelijk aan Porillos\' verzekering beantwoordde, liet hij den werkmeester zeiven hot eerst daarin verbranden. — In weerwil van den schrik dien bij wist in te boezemen, ja wellicht ten gevolge daarvan, werd de tiran hot offer van een opstand, waarin het verbitterde volk hem ter dood steenigde.

Ilimera was gesticht door ingezetenen van Zankle, doch bereikte nimmer een op-merkolijkon bloei.

Andere volkplantingen van Grieken werden zoo wijd uiteen aangelegd, dat wij baar niet wel in groepen kunnen afdeelen. Wij moeten ons vergenoegen do voornaamsten daarvan naar hare ligging op te noemen.

Dioskurias, in hot landschap Kolchis, aan den Pontos Euxeinos, uit Milete gesticht, werd de belangrijkste plaats voor het verkeer der Grieken mot de barbaren — zoo noemde men allo niot-Griekon — van het Oosten. De hier gehouden markt werd buitengewoon druk door verschillende volken bezocht: men vindt verhaald, dat or wel 300 talen en tongvallen werden gesproken.

i\'anai\'s lag aan don mond van den Don. Het was door Miletiërs gesticht en bloeide als de voornaamste factory voor don koophandel met pelswaren.

Odessos, op de noord-westkust van den Pontos Euxeinos, dankte zijn ontstaan eveneens aan de Mileliörs.

liyzanz, aan den Thrakischon liosporos fossenvoorde), had het aanzijn verkregen door de Megarenzors. Uithoofde van hare gelukkige ligging word deze kolonie eene der voor-spoedigston in deze oorden.

Kyzikos, aan de Propontis, was eene Jlilesische nederzetting, ovenals Lampsakos quot;li Abydos, beiden aan den Hellespont.

Abdora, oene kolonio in Thrakie, kreeg eene zonderlinge vermaardheid. Hare ingezetenen, do Abderieten, stonden alom te boek als kleinsteedsche en onbeholpen schepselen. Hunno dwaasheden beantwoordden volkomen aan dio welke men in de Nederlanden Kamperstreken of Dahnorsprongen noemt.

Olynthos lag eveneens in Thrakië.

1 halkis en h.retrin bloeiden beiden op het eiland Mubea. Zij gingen alle andere koloniale steden op de eilanden van don Archipel in macht en aanzien te hoven.

ivyreno, op do noordkust van Afrika, was eene stichting van Dorische landvorhui-zors. Het word de moodcr van vier andere staten in dit oord, welke dien ten gevolge den naam van IVntapolis (vyfstad) verkregen.

De oorsprong van Massilia, op de Gallischo kust, loerden wij ref\'ds vroeger kennen, staatsvorm onderscheidde er zich door democratische grondstellingen.

^agnnt, in Spanje, was eene stichting van Massilia. Hef verkreeg later groote historische vonnaardhoid.

387

-ocr page 410-

(i I .ï lil.\'sTlt E R1U) I: \\S\' !•: 11K1 i DG ES C111K D F. NIS.

Geschiedenis der beschaving.

Regeeringsoorm. Van allo uangolognnhodon tier volksbeschaving is de staatsrcgoiiii;; do vooniaamsto, omdat zij, moer dan allo anderen, zooals godsdienst, /oden, kunst, wetenschap, koophandel en nijverheid, do natio vereonigt. Een staat zonder staatsvorm is onbestaanbaar, want oen volk dat goone vaste instellingen bezit, waarnaar het beheerd wordt, is niet moor dan oeno horde.

Mvonals do goschiodenis dor overige Griekscho staten in dio van Sparta on Athoiw opgaat, dienden ook do staatsinstellingen van beiden aan de overigen ton voorbeeld, in lui algomeen vindon wij overal in Oriokonland, op het einde van dit tijdperk, het koning-schap, dools go heel, deels wat liot wozen betreft, afgeschaft of zijn einde nabij, Meer bijzonder ziou wij don rogoeringsvorm dor Dorische Grieken zich naar de hoi-r-schendo grondstellingen van Sparta, die dor .Ionische naar die van Athene schikken, on hot zal uit dien hoofde voldoende zijn, zoo wij slechts do staatsregeling van Spart.i on Athene aan oeno nadere beschouwing onderwerpen.

De Spartaansche regeeringsvorm, naar zijn stichter ook do Lykurgischo genoemd. is van beiden blijkbaar do eigenaardigste; ja deze regoering is ook eenig gebleven , want wij vindon in de algemoono geschiedenis tet up deze tijden geen andore grondwet meer, waarbij do Lykurgischo wetgeving tot voorbeeld is genomen. Dit vindt verklaring in don togon-nalmirlijkon grotidslag van do/.on vorm. dio wol is waar de volkomen gelijkhoid van allquot; burgors uitsprak, maar tevens hun do grootste onvrijheid Qplogdo. Want vrij was in Sparta slechts de staat; elk burger was een lid daarvan, maar moest daartoe zijn vrijen wil opofferen on was bij voortduur verplicht om allo lichamelijke en zedelijlc goederen, tot wolzijn van don staat, prijs te geven. Hetgeen daardoor voortgebracht moest worden, word voortgebracht: do moest volkomen eenheid van don staat, maar daardoor ging tevens hot schoonste goed van den monsch te gronde: do vrije wil.

Hij do nadere beschouwing der Lykurgischo wetgeving is nog op te merken, «lal zij alloon betrekking had tot do eigeidijke Spartanen. De onderdrukte Lakoniërs storulMi tegenover hen als onderdanen, de Heloten als slaven,

Do Holoton werden als staatseigendom beschouwd en als zoodanig don burger tut hulp bij don arbeid overgegeven, oonigermate in eene soort van pacht. Geen burger b.\'zat het recht den hom toogevvozon Heloot do vrijheid te schonken, miuir de staat daai -entegen kon naar welgevallen over hom beschikken. Dit laatste geschiedde dikwijls op ontzettende wijze, vooral wanneer hot getal Heloten eene govaardreigomto hoogte li -reikte. Men liot alsdan oeno menigte arglistig ombrengen. Vandaar dat dit gebniiï. onder don naam van kn/ptia (arglist) in de geschiedenis berucht is geworden.

De regecringsvurm was een middclding tusschon koningschap en volkshoerschappij, naardien namolyk in naam koningon aan het hoofd van hot staatsbewind stonden, iikmi\' de eigoniyke rege-Tiiursinacht in handen lag der volksvergadering (ekklcuia) , waaraan alle burgers gerechtigd waren deel tij iiumen. Deze ekkiesia was de oigoniyke wri vendo vergadering, ofschoon haar recht zich slechts bepaalde tot het uitspreken der bi i h\' woorden ja of neen. Zij had, zonder vorder te beraadslagen, alle voorstellen van hn uitvoerend bewind e^nvondig aan te nemen of te verwerpen. Dit uitvoerend bewind, hetwelk naar zijne samenstelling don naam van Geroesia (raad der ouden) voordo, 1«-it«)nd uit dertig mannen, nameljjk uit de beide koningon en 28 voor hun gans«die lei\'i\' gekozen burgers, die echter niet beneden de zestig jaren oud mochten zijn.

388

|

; ■

1

4« I

IK HM

II ii

i I

ill

-ocr page 411-

fillIKKHNI.ANI) (IN DUN IIJSTOItlSCIIKN SACl KNTIJD).

Igt;« kouzo voor don raad der oudon goscliioddo «j) «cue goliool eigenaardige wijzo; di\' kandidaten traden elk afzonderlijk in do vergadering, waar zij óf met vreugdekreten , iif stilzwijgend ontvangen worden. Aangewezen personen die zich in oen vertrek ophielden, waaruit men alles kon hooren , maar niets zien, moesten beslissen, bij wiens binnenkomon do tookonon van goedkeuring hot luidst waren gegeven. Deze word nu tot geront, d. i. tot lid dor fieroesia , verklaard.

IToe onzeker (k\'zo wijzo van verkiezing menigeen moge toeschijnen, is toch aan to nomon, dat zij voordooien bezat boven die waarbij elk kiezer zijne stem ach tereen vul-ifi-tis uitbrengt: ongetwijfeld waren omkoopingen moeiolijker.

üehalve hunne stom in do geroesia, bezaten de koningen nog de waardigheid van opperpriester en die om het leger in den oorlog aan te voeren. In hot laatste geval was hunne macht bijna onbeperkt. Ter vermijding van twisten en onoonigheden, word in lateren tijd ingevoerd, dat wanneer de eeno koning te volde trok, de andere in de stad zou blijven.

Ken bijzonder nuttige werkkring was die der in vervolg van tijd aangestelde epboren. Zij waren hooggeplaatste staatsdienaren, die, ten getale van vijf, tolken jare werden gekozen, deels om voor het in stand houden der wetten te waken, deels om in de ekklesia en geroesia het voorzitterschap waar te nemen , deels om over oorlog en vrede te besluiten en eindelijk om de taak van een hooggerechtshof te vervullen. Aan hunne uüspraken moesten ook de koningen zich onderwerpen, die hen zelfs in zoo verre waren endergoschikt, dat do ophoren hot recht hadden, om hen af te zetten. Ken voorbeeld daarvan bobben wij in het gebeurde met Domaratos. Hoe uitgestrekt de macht der ophoren was, behoefde men nochtans eeno overschrijding daarvan zelden of nooit te vreezen, omdat hunne benoeming slechts voor don tijd van een jaar plaats had.

Toen Lykurgos tot grondslag voor zijne staatsregeling de gelijkheid aller burgers vMststelde, had hij daardoor oen vijand te bestrijden, tegen welks onderwerping zich de grootste zwarigheden verzotten, die namelijk voortgesproten uil de ongelijkheid der bezittingen. Lykurgos wilde noch staatsburgers met groote fortuinon, noch anne lieden, en werkelijk gelukte het hem, door eene gelijkmatige verdeeling van het landbezit , do gewenschte gelijkheid van vermogen voort te brengen en door strenge verordeningen in stand te houden.

Lykurgos had de landerijen der Spartanen in DOOD en die der landbewoners in .\')0,ü()() gelijke deelen gesplitst, onder bepaling, dat geen eigenaar zijn land mocht verkoopen, dat de eigendom steeds van den vader op den oudsten zoon moest overgaan, en zoo in een gezin een mannelijk erfgenaam ontbrak, het bezit ten doel zou vallen aan eene ducliter. In dit geval was het meisje gehouden een burger te trouwen, die nog geen vast eigendom het zijne kon noemen.

Maar deze bepalingen — en dit zag Lykurgos zeer wel in waren niet voldoende ein de, gelijkheid van bezit in stand te houden , want de zucht om rijkdommen te vergaderen, weet allé bepalingen daartegen te boven te komen. Uit dien hoofde besloot Lykurgos tegen elke ontduiking zyner desbetrelleiido voorschriften een hechten dam op te werpen, en derhalve de zucht tot het verzamelen van schutten in do geboorte te verstikken. Te dien einde vaardigde hij verscheidene wetten uit, die de persoonlijkheid van elk individu in vele opzichten vernietigden, maar zeer wol het voorgestelde doel bereikten.

Wij willen deze wetten in oogonschouw nemen.

I\'e kleeding was eenvoudig en doorgaans voor uilen dezelfde. Zelfs de koning mocht

-ocr page 412-

OI\'llMjUSTItEKIIDK WKIIKI.DOKSCIUKDKNIS.

zich door geen bijzonder kleedingstuk ondorscheidon. Een rok en eon mantel maakten liet gehoelo gewaad uit, lietwclk een jaar lang onveranderd gedragen moest wordmi. Goud, edele steenen en sieraden van alle soort waren elk Spartaan verboden, en zoo vrouwen lust daartoe toonden, ging deze verloren door de bepaling, dat slechts veile deernen dusdanige voorwerpen mochten dragen.

Het voedsel was niet minder eenvoudig en eveneens voor allo burgers hetzelfde, üm eon waarborg te dezen opzichte te hebben, werden do maaltijden {syssUiëii) go-meenschappelyk en in het openbaar gehouden, on elk burger was verplicht tot liet aanrichten daarvan een zelfde bedrag te leveren. Dit bedrag bestond maandelijks uit II maten garstemeel, 19 maten wijn, 5 pondon kaas, Ü1,, pond vijgen on eeiie kleine som gekls ter bestrijding van do verdere benoodigdheden. Een hoofdgerecht bij

do svssitiën was lt;!.■ /.oogenoemde zwarte soep, dio ile Spartain\'ii met graagte nuUigili\'ii. doch door andere volken met afschuw werd bejegend; zij bestond uit een mengsel van varkonsvleesch, bloed, zouten azijn. To eten buiten de openbare maaltijden was stnoij,\' verboden, en alleen de vermoeienissen der jacht konden iemand van het deelnemen aan de syssitiim bevrijden. Het drinken was slechts als een middel tegen den dorst geoorloofd. Om den jongelingen een afschuw voor rle dronkenschap in te boezemen, deed men eenigo Heloten zooveel geestrijk vocht inzwelgen , dat zij ziek ais redeloos ven if-droegen , en in dien toestand werden zij dan aan do toekomstige staatsburgers vertoond.

Uit de woningen der Spartanen was allo weelde verbannen , en om ook hierin oeni\' gelijkheid mogelijk te maken, bestond do wet, dat bij het bouwen van huizen en het vervaardigen van meubelen geeno andere werktuigen gebruikt mochten worden dan bijl en zaag.

Vooral mocht do Spartaan in het blinkend geld geen lust vinden. Alle goud en

390

-ocr page 413-

(i 111 KKI\'iN LAN f) (lN lgt;i:N IIISTOItlSCIIHN SAO KN\'I\'U I)).

zilvorstukla\'ii worcli\'ii van onwaaido verklaard en afgeschaft, Alloen ijzeren penningen iimcliten als ruilmiildol dienst doen, 011 zij waren daarbij zoo guvorind, dat zij tut niets anders waren te gebruiken en voor olk ander duel geeno waarde hadden.

Ook do bezigheden waren voor allo Spartanen dezelfden; zij bestonden uit niets dan krijgsoefeningen. Voor alle ander werk ten behoeve van huiselijk en landbouwbedrijf werden de Heloten gebruikt.

Voor den Spartaan mochten goeue andere behoeften bestaan dan die welke tot behoud des levens onvoorwaardelijk noodig waren; maar dit leven zelf moest hom niet als doel, maar alleen als middel om den krijg te voeren, voorkomen. Slechts één gevoel mocht on moest hem dierbaar zijn: de liefde tot het vaderland. Al wat daarbuiten lag moest hem onverschillig wezen.

Doch burgers van een zoodanigen staat worden niet geboren: zij moeten daartoe worden opgekweekt. Daarom maakte do opvoeding der jeugd een hoofdgedeelte van den Lykurgischen staatsvorm uit. Zij was eene staatsinstelling, even als dit ongeveer met liet huwelijk het geval was: men zag daarin verder niets dan een middel om toekomstige staatsburgers het aanzijn te geven.

Wie drie kinderen het leven had gegeven, genoot groote vrijheden. Schonk hij den staat een vierde, zoo was hij vrij van allo belastingen.

Ijverzucht was uit don echt verbannen, want zij kon de geboorte van jonge staatsburgers hinderlijk zijn. Had namelijk eon oud of gebrekkig man eene jonge vrouw, en was hij ingenomen met een mannelijk persoon van jonger leeftijd, zoo begunstigde hij ecno betrekking tusschon dien quot;vriendquot; en zijne vrouw om op deze wijze kinderen te bekomen. Kveiizoo handelde men in een omgekeerd geval. Wanneer aan een man, wiens vrouw onvruchtbaar was, de vrouw van een ander beviel, bekwam hij van haren man gemakkelijk verlof tot don meest vortrouwclijken omgang. Eigenlijke echtbreuk, te weten eene vertrouwelijke betrekking tusschon niet opgenoemde wijze verbondenen, zonder overleg met don dosbotrelïenden echtgenoot, kwam, in weerwil van dit alles, zelden of nooit voor.

Iluiten echt te loven werd voor mannen schandelijk gehouden. Wie don mannolijken leeftijd had bereikt en niet huwde werd zelfs openbaar gestraft; want allo oude vrijers moesten eenmaal in den winter, op don kortsten dag, geheel ontkleed het marktplein in het ronde wandelen, onder hot zingen van een lied, tot hun smaad vervaardigd. Daarop werden zij door de vrouwen om een altaar gevoerd en gedurende dezen omgang mot oorvijgen aan hunne mannelijke plichten herinnerd.

Ook op de achting der jeugd had een oud-vrijer geone aanspraak, (leen jongeling behoefde voor hem op te staan. Do roden was licht te bevroeden: iiiiiners antwoordde een jonkman een oud, maar ongehuwd veldheer, voor wien hij zitten bleef, — quot;gij hebt niemand voortgebracht, die eens voor mij kan opstaan.quot;

Do staatswetten ondorschoiddon ten opzichte van don leeftijd: mannen (boven de dertig jaar), jongelingen (boven de twintig jaar) en knapen (onder do twintig jaar).

i)o man was m den volston zin des woords mondig. Hij erkende niets boven zich dan de wet: hij gohoorzaamdo ui volgde slechts deze. Do jongeling vormde don overgang van knaap tot man. ilij was do eigenlijke opvoeding ontwassen, maar nog geen volkomen staatsburger. Zijne handcliiigon stonden nog onder het opzicht en het oordeel der mannen. Ilij mocht geen rechtsliandel aangaan, moest, even als de knaap, bejaarden zijn eerbied betoonen , o. a. door voor hen op to staan, te allen tijde en op elke plaats limine vragen beantwoorden en stond onder de verplichting olk burger onbedingd te gehoorzanien. De knaap werd omniddellijk na zijne geboorte aan de leiding van den

-ocr page 414-

r.KÏI.I;USTliKKIU)l\'; WKIlRl.lKIKSCllir.DKMS.

staat ovorgogovou. Ir-ilor pasgoboron kind word naar oene bopaaldo plaats gobraidit, dio I/i\'.sclio licetto, daar aan eono booordooling onderworpen. Was het kreupel, zoo werd het, gedood, door hot van het gebergte Taygotos naar benoden te storten. Was het van een gozond uiterlijk cn hiold hot ook, ton toeken zijner sterkte, oen wijnbad uit, dan word het aan do moeder voor de eerste opkwoeking toruggogoven. Maar ook voor dio eersto opvoeding bostonden bepaalde voorschriften, öeon kind mocht in windsels gewikkeld of in meer d;gt;ii een dun honidjo gekleed worden; hoofd noch voeten mochten worden bedekt. Ten einde vroeg te wennen om nooit vrees aan den dag tu leggen, werd liet kind dikwijls alleen en in donker gelaten, en allo weenon en schroeu-won streng gestraft.

De moedorlijko opvoeding duurde tot hot zevende levensjaar van den knaap: alsdan kwam hij in eene staatsinstelling. Aan het hoofd daarvan stond oen man , do pedonom. Onder deze waren jongelingen als opzieners {dreven) over de verschillende afdeelingen aangesteld, want de knapen werden naar hun leeftijd, in bepaalde klassen afgedoold, opdat de opvoeding dos te meer op gelijke leest geschooid zou worden.

IV grondtrekken van deze opvoeding waren: lichaamsoefeningen, bet harden dor spieren, het betoomen der driften en onderricht.

Do lichaamsoofeningon bostonden in worstelen, vochten, jagen, klauteren, zwom men. enz,, en worden naakt gehouden, dikwerf in de tegenwoordigheid dor meisjes, hetgeen wellicht veel hoeft bijgedragen, om do Spartanen tegen allo verlokkingen der /.innen to stalen.

liet voorname oogmerk dozer opvoeding was gericht om hot lichaam te hardon. Iedere ontliering, ieder bezwaar , iedere smart werd knapen en jongelingen opgelegd. Honger, dorst, koude, hitte, waken, geeselslagen, alles moesten zij loeren verdragon, zonder de minste klaiht te slaken, on wie zich het standvastigsto daarbij gedroeg, oogstte don mees-ten lof in. Eene soort van examen in het verdragen van lichamelijke smarten bestond in eene openbare geeseling, waaraan do knapen tolken jare in don tompel van Artotnlsa onderworpen worden. Schande trof hom dio slechts oen enkelen zucht slaakte, en dikwerf stortten do gegeeselden dood neder zonder eenig geluid te hebben geslaakt. Daarentegen was het hun geoorloofd van anderen te stolen, onder beding evenwel, dat /,ij zieli daarbij niet lieten betrappen, want in dit geval worden zij hard gestraft, niet uithoofde van don diefstal, maar wegens hunne onbeholpenheid. Door dit verlof tot diefstal moesten de knapon in krijgslisten geoefend worden. Kon ons bericht geval bo-

wiist Iwveel waarde men er aan hochtto bij den diefstal niet betrapt te worden. Zekeiv 18« ..

knaap had ewi vos gestolen en onder zijn rok verborgen. Men hield hom aan, doch

bij wilde zijn buit niet toonen, en ofschoon do vos hem het lijf openreet, de knaap

VMrtrok geen spier. Hij hield dit vol tot hij, door het dier in hot hart getroffen, dood

\'

nederstortte.

Het onderwijs der knapen was hoogst onvolkomen. Kon weinig lezen en schrijven w as al wat mwi voor den aanstaanden krijgsman noodig oordeelde , want kunsten en weten-■ happen stonden bjj de Spartanen in minachting. Zelfs legen oen kunstig redekavelen was men voorintfenomen. Daarentegen oefende men de knapen om iodoro voorkomende gebeurtenis spoedig ti juist te doorzien , oven als om hunne denkbeelden kort on krachtig uit to drukken. Zij mochten nooit lange phrasen bezigen, maar moesten in weinige woorden veel zoggen. Van hier dat men nog iedere korte, maar geestrijke rede. eene Lakonische noemt,

Kenigo voorbeelden van bakmiisclio nUdrnkkingon zullen zeker hier aan hunne plaats zijn.

?ii

UI

i

-ocr page 415-

OHIKKRNI.ANl) (IN DEN III.STOK I,SC 11KN SAOENTIJü).

Eon slochto korol vroog oens aan Demaratos, wio do beste Spartaan was? quot;Hij, die het minst op u lijkt,quot; was liet antwoord.

Ken Atheonscli redenaar noorado do Spartanen niet-leergierig. quot;Volkomon juist,quot; gaf men hom ten antwoord, quot;want van alle Ilellenon zijn wij do oonigen , die geen kwaad van u loerden.quot;

Men Imod een jongeling lianen ton verkoop . quot;die zouden strijden tot zij dood nodervielen.quot; quot;Eetioud zoquot;, hernam hij, quot;ik wil er hebben, dio in den strijd anderen dooden.quot;

Ken Spartaan las in oen opschrift: quot;Die eons tirannenmacht bluschten, zonken stervend neder.\' Hij voegde er bij: quot;Hun is recht geschied; waarom lieten zij de tirannen macht niet verbranden.quot;

l\'liilippos van Makedoniö schreef oons naar Sparta, om hom binnen do stad te ontvangon. Het antwoord luidde: quot;Neonquot;.

Toen iiij hierop dreigde, liet Spartaansclio land to verwoesten, indien iiij mot zijn h\'gor over do grenzen zou komen, bekwam hij ten antwoord: quot;indienquot;.

Even als boven is vermeld, was do oorlog do levenstaak van don Spartaan, en hykurgos had niets verzuimd, om zijne burgers in den oorlog ook het hoogste genot fquot; doen vindon, waarvoor een Spartaansch hart vatbaar was. Zijne wetten ten aanzien van het krijgswezen bobben alles uitgeput wat strekken kon om Sparta tot een onvorwin-baron krijgshaften staat te maken. En deze krjjgsliafte staat zou de wereld overwonnen hebben , indien — do staatsvorm niet aan zijne erfkwaal, de onvrijheid , te gronde was gegaan.

Ue gobruikon, die op de Lykurgischo krijgswet steunden, waren geheel berekend om dapperheid en doodsverachting als de hoogste mannelijke deugden te doen schitteren. Hot wegworpen van zijn schild maakte do drager eerloos, want dit wegwerpen was hot sein tot vluchten, oven als hot op de andere zijde als eene eer gold. om als gekwetste of doode op zijn schild uit den slag gedragen te worden. Daarom zeido ook quot;One Spartaansclio moeder, terwijl zij haar zoon het schild overhandigde: quot;Keer terug daarmede of daarop.quot;

Het krijgskloed van den Spartaan was rood, omdat —zouals men zeido hij het bloed niet zou zien, dat hij vergoot.

De krijgslieden versierden hun haar met kransen alvorens zij in don slag gingen , \'■n bij do tonen der muziek, onder hot zingen van liedoren die tot geestdrift ontvonkten, trokken zij den vijand to gemoet. Dit gaf den veldslagen hot karakter van een feest, quot;ii den doode oen vriendelijk voorkomen. Hij die dus in een eervol gevecht was geval-\'quot;ii» word mot lauwerkransen versierd, of wel, bij den grootsten lof in een rood krygs-gewaad ton grave gevoerd. In beide gevallen werd op het graf een gedonksteen met vermelding van den naam des holds gesteld, ecim onderschfiding die alleen gesneuvidden \'quot;ii deed kon vallen, wel te verstaan, indien luinno wondon niet op den rug waren, quot;nut. dit zou oen toeken zijn geweest, dat zij op digt; vlucht waren ontvangen. Kon vluclitoling word als de meest eeiiooze onder de mensehen geacht : hij was voor altoos uitgesloten van ioderen eeropost, van de deelneming aan de krjjgsoefi-ningen, van ieder \'quot;echt van een vrij Spartaan. Hij werd minder geacht dan een Heloot.

Vóór do volle maan der maand Karneos — die in onzen Augustus valt — mochten de Spartanen niet te volde trekken, want zij vierden van den 7\'lrl1 tot den I(i\'ltn (i;or jnaand een leest ter oero van l\'hobos. Deze wet, bracht hun het verlies aan, om geen dool te kunnen nemen aan eene der schoonste zegepralen, die ooit door do krieken werd bevochten.

393

-ocr page 416-

(i nï i, lust li k k au !■; w kk. i ; i , ix i ksc u i i : d kkis.

Züdiils roods vonnold is , worden do staatswottnn dor ovorigo landen op don Polopon-nosos wat do hoofdartikolon botroft, uitgovaardigd naar die van Sparta, zelfs wanneer hot staatsbestuur oen geheol anderen vorm bezat.

Zou vindon wij in het door zijne hoogo goborgton ingesloten, veelal ongenaakbare, maar bekoorlijke Arkadiö, hetwelk door oen vrijheidlievend herdervolk was bewoond, eeno menigte steden, die elk voor zich oen afzonderlijk gomoonobost vormden, ofschoon aan hot hoofd des lands een koning stond.

Argos, vóór do opperheerschappij van Sparta do belangrijkste staat van hot scliier-cilaud, waarnaar do Grieken dikwerf Argieven genoemd werden, had alleen in don heroïsch-mythischen tijd koningen, doch schafte hot koningschap kort na do Griek-sclie volksverhuizing af. Het volbracht dit nadat do wakkere koning Phoidon oene staatsregeling had gegeven, ten gevolge waarvan ieder burger, die in staat was, een paard te houden, oen aandeel aan de regeering erlangde.

■7

Landschap b|j Korinthe.

Adiaja bestond uit 12 steden, waarvan elk mot eenig gebied, een onafhankelijk gomoenobest vormde, ofschoon al deze republieken oen bondgenootschap van wodorkeorige lieschorming mot elkander hadden aangegaan.

Korinthe, na Sparta do belangrijkste staat van den l\'oloponnosos, inzonderheid bloeiondi\' door een uitgestrokten koophandel, die medoworkto om do stad met heerlijke liouwgowrociiton to sieren, huisvestte oen volk vol vrijheidsliefde, hetwelk steeds vaardig was tegen eigene en vreemde tirannon do wapenen aan te gorden. Hot rijk word aanvankolijk door koningen mot boperkto macht geregeerd, doch deze waardigheid w-rd reeds ongevoi r 800 jaren vóór Christus afgeschaft en vervangen door een raad van Herakliden, die zich naar eon hunner voorvaderen, Bakchis, het geslacht der Hakchia-di\'ii noemde. Korinthe bekwam op deze wijze een aristocratisclien staatsvorm, tot zich,

304

-ocr page 417-

ülltKKKNlj.VNl) (IN DKN IIISTOIUSOII KN S V(iKNTIJ I)).

umstroi\'ks don jaro li()() vóór Christus, oen man , mot muiio Kypselos, tót tiran opwiorp on ton zogon van \'s volks rochton rogoordo. Gelukkig bowandoldo zijn zoon Poriandor dozen zolfdon wog. Niettemin word na dtons ovorljjden do tyrannis wedor opgehovon on do vroegere aristocratische republiek in hare plaats gesteld.

Een geheel ander karakter als in de Spartaansche constitutie zien wij in den Atheenschen regooringsvorm. Hier maakte niet de gelijkheid, maar do vrijheid der burgers den grondslag uit van het staatsgebouw, door Solon opgericht, liet volk was zijn eigen meestor. Het regeerde zich zelf. Er waren noch in naam noch in werkelijkheid koningen, Athene was van den beginne af eetie zuivero republiek. De staatsregeling van Athene vóór Solon hooft goono historische betookenis, en het weinige, dat daaromtrent opmerking verdiende, hebben wij reeds opgesomd. Hier ter plaatse hebben wij vooral den blik to vestigen op de Solonsche wetgeving als die welke niet slechts voor do lotgevallen van Griekenland, maar die van de gansche aarde, van den grootsten invloed is geweest.

Dat in het vrije Griekonland de slavernij in eono zoo uitgebreide mate bestond als wij dio heden ten dage nog in Zuid-Amerika aantroffen, kan geeno bevreemding wekken , wanneer men do omstandigheden nader in oogenschouw neemt. Do oorlog had destijds uitroeiing en vernietiging ten dool. Men was te patriotisch om in den overwonnen vijand een toekomstig burger van het zegevierende land to zien , oen mensch dio hot welzijn van den overwinnenden staat zou helpen bevorderen. Dit patriotismus aanschouwde in iedoren buitenlander oen vijand van den eigen staat, en zoo bleef niets over dan om de overwonnen vijanden te doodon of tot slaven te maken. Doorzicht en eigenbaat, wellicht ook menscludijkhoid, beslisten in den laats ten zin.

Het lot der Athoenscho slaven zal tegenover dat der overigen ongetwijfeld benijdenswaardig geweest zijn. Wol is waar waren ook zij het volle eigendom van hunne heeron (wier naamcijfers men hun op het lichaam brandde), werden zij niet voel boter geacht dan de huisdieren, en hadden zij niet het minste deel aan do burgerlijke rechten dor Atheniënzers, -— doch zij konden onder zekere voorwaarden goederen verworven, en door de gunst van hunne hoeren, of wel ten gevolge van bewezen diensten, de vrijheid bekomen. Ook kon een slaaf, die zich door zijn meester te hard behandeld oordeelde , naar den Theseustempol als een asyl vluchten en daardoor don wreeden heer ton minste dwingen , om hem aan oen ander te vorkoopen.

liij hot geheelo Atheonscho volk welks aantal op 450,000 is aangegeven — heeft men te onderscheiden burgers {poli/,ai.), wier aantal hot cijfer van \'.20,000 niet mocht te boven gaan ; schutburgers {maloikui) , overgekonienen uit den vreemde , die het burgerrecht verkregen en verplicht waren, een burger tot beschermer {palrun) te kiezen; vreemdelingen (xenoi), zulke lieden die zich slechts tijdelijk te Athene ophielden; en slaven.

Ongerekend deze onderscheiding in burgers, schutburgers en vreemden , bestond reeds van ouds eene indeeling van aet goheelo volk in i- volksstammen {phyhrn), en 17 i ilitini\'M. Deze indeoling behield Solon wel is waar in stand, maar hij voegde er nog eono bij, namelijk eono, die naar aanleiding van hel persoonlijk vermogen, de burgers in vier klassen smaldeolde. Do eerste klasse (die der pen I a kuaiom cd i m nu*) omvatte alle burgers, dio jaarlijks ton minste 500 mndimnos iets meer dan \'J\'Jn hektoliters — koren oogstten of waarscliynlijk een daarmede overeenstemmend inkomen haddon. Tot de tweede klasse (de liippadalcloeiih\'s) behoorden al die burgers, welke een paard

-ocr page 418-

ci i i.i.i sTitKKU ok w i:is i:i.on I.sen i i oims.

koiuli\'ii lioudi\'ii of ■)()() medimnos inoo(?stt«i. Tot do dorde klasse (dn zeugielai) tclilcii diogi\'iimi, wcllf\' \'2110 medimnos inkomsten luidden, en tot de vierde (de l/ielas) idle armen/ liurgors. Deze indocling bestond waarschijnlijk alleen tot hot rugulon der belastingen. Niettemin weot men ouk, dat de laatstgenoemde klasse van alle deelneming aan de ambten en bot voeron van bot bewind was uitgesloten.

!)«• gozamenlijko staatsregoering wi-rd door vier corporatiën gedeeld : de volksvergadering (ekklesia), de grooto raad, de arebonten en de Aroopagos.

In de volksvergadering bad ieder werkelijk burger zitting en stem. liet recht van dit lichaam bestond in het bespreken der voorgeslagen wetten en daarover de beslissing uit to brengen.

De volksvergadering werd door een voorzitter gdeid. Na de opening werd de regeling van zaken door eon heraut voorgedragen, en daarop none oproeping aan de mannen boven do vijftig jaren uitgevaardigd, om hun de voorslagen inedo to deolen en htm gevoelen to leeren kennen. Hadden do ouden gesproken, zoo stond het aan ieder man boven do dertig jaren vrij om zijne meening te uiten. Na gesloten besprekingen werd tot de ballotage overgegaan, waarbij elk burger oen dor boontjes of peentjes, die hij bij zijne komst had ontvangen, in het hiertoe aangewezen vaatwerk wierp.

De grooto raad bestond uit 400 leden, die allo jaren (100 uit elke phyle), door het lot gekozen worden , doch alleen uit bon, die ten mins te dertig jaren oud waren i\'ii op wier naam geen smet kleefde. Aan dozon grooten raad was bot eigenlijk bestnur van diii staat toevertrouwd, dat is, dit college alleen bad de bevoegdheid wetsontwerpen aan do volksvergadoringen ovor te loggen. Niettemin bezat ook elk burger het récht zijne denkbeelden don grootmi raad mede te dooien en ter booordeohng van do ekklesia voor to dragen.

De orde voor de behandeling van zaken bij don grooten raad was de volgende. Do raden van elke pbylo wisselden elkander gedurende den loop des jaars bij de leiding van zaken af, tot wolk einde zij nit hun midden iO loden kozen, die vijfendertig dagen lang hot voorzitterschap nitoofenden. Gedurende dien tijd heetten zij prtj tanen, en van hier, dat eene zoodanige tijdruimte van rogoeringsdagün oene pnjtanea en hot regooringsgebouw bet prylaneion genoemd word. Uit deze 40 pryta non koos men nu weder voor den tijd van zeven dagen 10 loden als voorzitters der prytanis, die voor dezen tijd preurlroi, genoemd worden. Uit hen werd dan wodor voor eiken dag één president gekozen, dien men *:pis lat noemde.

De groote raad had do verplichting aan het einde van zijn regeeringsjaar dor volksverzameling rekenschap over bet. gevoerde bewind af te leggen ; en terwijl de ekklesia het recht bezat om wegens ononlelijk boboer don grooten raad eene straf op te leggen , bezat deze do bevoegdheid om gedurende het looponde jaar onredelijke of nalatige raden onmiddellijk uit zijn midden te verwijderen. I it dien hoofde moesten steeds plaatsvervangers gereed /.ijn.

In de jaarlijksclie verantwoording van don grooten raad bezat het Atheenscbe volk een btii-tongewonen waarborg, en niet licht waagde het een raad van de baan des rechts af te wijken.

De archonton , die door Solon, met zeer behmgrijke boporkingen van hun werkkring, waren behouden, hebben wij roods bij de geschiedenis van bun ontstaan leeren kennen. Zij daalden door Solon\'s beschikkingen van regenten af tot rechterlijke ambtenaren in bepaalde gevallen.

De Aroopagos bestond sinds onhengeiyken tijd als een gerechtshof voor zware misdrijven. Hij hield zijne zittingen (pagon) vroeger op den berg van den A res: vandaal

-ocr page 419-

0111 HK KMA ND (IN DEN il IS I\'OllISCII UN SAOKNTIJDj.

zijn naam. Solon bohiold niot slechts dezo instelling\', maar hij brciddn zelfs dn bevoegdheid van den Aroopagos uit, om daardoor een pork to zotten aan eon woest voort-dringen van te ijverige domocniten. Daardoor kwam het, dat do Aroopagos niotalloen de beslissing bij allo gercchtolijke vonnissen bezat, maar ook het oppertoezicht uitoefenden op liet bestuur van den staat, op do handelingen dor beambten, op hot opvolgen van wetten, het in stand houden dor goede zeden, onz. Ten tijde van zijne hoogste macht bezat hij zelfs do bevoegdheid om de besluiten der volksvergadering to verworpen, in geval zij hom onbillijk lt;d\' onwettig voorkwamen.

Allo misdrijven dio voor don Areopagos kwamen, worden slechts in het duister behandeld en gevonnisd. De duisternis moest de rechters weerhoudon om zich door het voorkomen en de houding der aangeklaagden te laten modeslopen tot eone onwettige uitspraak, /oodanigo grond is echter onvoldoende, want wanneer do rechters op de oeno zijde door het niet zien dor aangeklaagden voor deze soort van om koopbaarheid bewaard bleven 7 zoo ontgingen hun daarvoor ook op do andere zijde de talrijke middelen, dio hot gadeslaan dor aangeklaagden voor het nitvorschon der waarheid kon opleveren.

De Areopagos werd slechts uit diegenen dor afgetreden archonton voltallig gehouden, wier bewind men bij do verantwoording voor deugdelijk en overeenkomstig de wetten had verklaard. De waardigheid dor leden duurde hun geheelo loven. Jfun getal beliep meer dan MOO. Keno eigenaardigheid van dit gerechtshof was do schijn van plechtigheid en ernst, waarmede hij zich gewoon was te omringen. Desniettemin waren zijne zittingen in \'t openbaar: zij worden onder den blooten hemel gehouden.

Ken groot deel zijner zorgen had Solon aan de rechtspraak toegewijd. Hierbij ging hij van de juiste, te weinig gewaardeerde grondstelling uit, dat hot boste middel om de menschelijke onvolmaaktheid der rechters te hulp te komen en de partijen voor persoonlijke moeningen en hartstochten te beschermen, bestaat in den maatregel, om een zoo groot mogelijk getal rechters te doen medewerken. Daar nu bij eenvoudige wetten minder rechtskennis dan wel doorzicht noodig is om juist te oordoelen, en de moeste burgers alzoo in staat zijn om hot rechteramht waar te nemen, had Solon het getal der uit de geheelo burgerij to kiezen gezworenen, uit wolken do Atheenscho rechtbank gevormd moest worden, op GOOD vastgesteld.

Mehalvo door den Areopagos en do archonton, word to Athene rechtgesproken door vier pijnlijke en zes burgerlijke gerechtshoven. Het eerste der vier pijnlijke gerechten was dat dor ephetön , het grootste der zes burgerlpe dat dor heliasten. Bij het eerst beliep het getal der medeloden minstens 51, die al te gader moer dan vijftig jaren oud moesten zijn. Het getal dor plaats noinendo heliasten mocht nooit minder dan 50 bedragen ; van daar dat het gewone getal zyner leden .quot;)!)(• beliep, die in bijzondere gevallen tol lD()U, tot 1500, ja zelfs tot 2000 vermeerderd kondon worden. Men ziet hieruit hoe zeer de edele wetgever er op iiedaeht was om het leven, de vrijheid en den eigendom der staatsburgers tegen elke willekeur te beschermen.

I\'ij de Atheenscho rcclitsploging hebben wij nog oen bijzondei- oigonaardig velks-K\'iieht te vermelden, hetwelk do («rieken gewoon waren uulra/cixmos (scfcérvengericht) lquot; noemen, en waarvan het doel was om den staat van zulke mannen te bevrijden, die door grooton rijkdom of zelfs door uitstekende verdienste een zoo groeten invloed \'dj het volk verkregen hadden, dat de vrijheid daardoor bedreigd werd of het bestaan der republiek gevaar liep.

De wijze waarop het ostrakismos werd uitgeoefend was even eigenaardig als de

397

-ocr page 420-

(iEÏf.MJsTUEKUDl; WFUlKLDCiliSOHIRDENIS,

wot zclvu. Ifidor burgor, die aanleiding vond tot do verbanning van eon ander aan to sporen, nam een tegel of scherf (oslrakon), schroef daarop don naam van hom, dien hij wenschte verbanin\'ii to zien en legde do scherf neder op dn markt op oene daarvoor aangewezen plaats, die door een hi\'k was afgesloten. Wanneer ongeveer (iOOO zoodanige scherven bij elkander waron, werden zij geteld. Vond men er werkelijk ÜÜOO, dan begon do rechtszitting. Do scherven werden naar de namen gesorteerd, en over dien burger, die do meesto stemmen tegen zich had, werd hot vonnis van verbanning uitgesproken. Zoo hel; geveld werd, moest de aangewezene zich uit Athene verwijderen, zonder nochtans zijne goederen of zijne rechter te verliezen.

Eene der belangrijkste instellingen van don staat is zijne wet. waardoor vastgesteld wordt welke handelingen geoorloofd en welke verboden zijn, wat do staats burgers te doen en te laten hebben , wat zijn eigen recht en wat het recht van anderen is. liet Solonsche wetboek werd in de oudheid zeer geprezen, en vele bepalingen daarvan zijn in do wetgevingen van anderen overgegaan. b. v. bij die der Eomeinen.

Zeker hielden Solon\'s bepalingen, behalve strijd tegen willekeur, ook de welvaart des volks in hot oog. Niettemin zullen ons vele bepalingen met het recht in tegenspraak voorkomen, hoe veel eerbied wij ook voor den edelen wetgever koesteren.

De sewacMeia (ontlasting) deed do gezamenlijke sclmlden te niet, om het lot van die armen te verlichten, wier goederen en personen volgens de wetten vervallen waron aan de schuldeisehers. Te zelfder tijd kreeg, voor het vervolg, de bepaling kracht van wet dat geen schuldeischer zijn schuldenaar zon kunnen gijzelen en langs dien weg van zijne vrijheid berooven.

Wanneer oen opstand uitbrak en hot volk zich in staatkundige partijen splitste, was ieder burger gehouden, zich voor eene der partijen te verklaren, terwijl onvor-schilligheid ten aanzien der staatsaangelegenheden met verbanning, met het verlies van vermogen en burgerrechten werd gestraft. Do grond van deze voorzeker onrechtvaardige wet lag in eeno oude en telkens weder nieuwe ervaring, dat bjj oene staatkundige splitsing do openbare tegenpartij op verre na voor hot welzijn van den staat niet zoo nadeelig is als de onverschilligheid van anderen. Wanneer alle leden van een staat gedwongen worden zich voor de eeno of andere zienswijze te verklaren, brengt dit te sneller eene meerderheid voort; eeno goede zaak krijgt te oer haar beslag, en eene slechte gaat te oer to gronde.

Hij de sluiting van huwelijken mocht eene bruid geen uitzet bekomen. Deze vrijheidlievende wet had ten doel echtverbintonisson om geld te voorkomen. Doch zeker kon geene bepaling lichter ontgaan worden dan doze.

Aan het erfrecht werden grondslagen gegeven die nog tegenwoordig moerendeels golden: uiterste wilsbeschikkingen, natuurlijke erfgenamen, verbod om door onwettige middelen zich van erfenissen meester te maken.

Op den lediggang stond eene straf van bijzonderen aard; wie drie malen van lediggang was overtuigd, werd oneerlijk geacht.

De zoon was niet verplicht zijn ouden vader te onderhouden, zoo deze verzuimd had zijn zoon door opvoeding en onderwijs daartoe in slaat te stellen. Wie voor hot overige zijne ouders niet onderhield of zijn vermogen verkwistte, gold voor oneerlijk.

De beloedigde echtgenoot iiad hot recht den op de daad betrapten echtbreker te dooden.

liafhartighejd werd met het verlies der eererechten geboet.

Op lasteringen, belocdigingen en dergelijken stonden geldboeten. Mveneens op vrou

30S

-ocr page 421-

GIUKKUNI.ANI) (IN DEN IIISTORtSCIIKN SAOKNTIJ1)).

wenroof en schaking met geweld. Do boeto op \'t laatste misdrijf boliop 100 drachmen (ongeveer 44 gulden.)

Op diefstal stondon de gewone straffen, docli op diefstal niet verzwarende omstandigheden , even als op moord, don dood.

Personen die tot de overheid behoorden, beliepen strengere straf dan de gewone burgers. Zoo werd de eerste archon voor dronkenschap mot den dood gestraft.

Voor iedere rechtsverkorting, waarvan een burger getuige was, kon li ij als aanklager optreden, zelfs tegen den wil van den beschuldigde; ongetwijfeld eene aanmatiging der wet, bijster ver ging. Doch men ziet meer nevens de grootste wijsheid de grootste beperktheid van gezichtskring.

Alle wetten betrekking hebbende op de handelingen van enkele personen , stonden op houten tafels geschreven, die om eone as gedraaid konden worden, uit welken hoofde

- ,

mÊmlgm

zij axones genoemd Werden. i)oze inrichting had ten doel om oen elk in .slaat t» stollen. de verordeningen te allen tijde te kunnen nazien. Do wetten die de openbare orde betroffen, waren op driehoekige steenen tafels ingegrift en lieetten hi/rbc-w

De staatsinstellingen verkregen later, door de tusschenkomst van Kleislheni\'s, eenige venueerdering Zoo werden door hom de vier phylen tot tien gebracht, en aan elk daarvan de taak opgelegd 50 leden voor den groeten raad te kiezen, zoodat het gezainen-lijko aantal dezer raadsleden quot;gt;(•() bedroeg, [n werkelijkheid bleef do welgrving van ^olon, welke do stichter voor hot verloop van honderd jaren had duen bezweren, een geruiinen tijd achtereen bestaan en droog er veel toe hij, om Athene tot, een Imogen trap van staatkundige en intolloctueolo macht op te voeren.

-ocr page 422-

OEÏIXUSTRKFHDK W RllHl.DO KSCIIIK DKNIS.

400

Dat do overige staten van Hellas zich over het algemeen bij de Atheensche staatsregeling aansloten, hebben wij reeds vermeld. Inzonderheid geldt dit van Platoa en Thospia, die zelfs eene nauwe verbintenis niet Athene aangingen.

De steden van liootiö, dilt;! allen afzonderlijke gemeonebosten uitmaakten, reikten elkander de handen tot eene groote vereeniging, den zoogonoenulun lieotischen steden-bond. Zij vormden eene niet onaanzienlijke macht, aan wier hoofd zich welhaast de republiek Thebe stelde.

Godsdienst.

Do ondo Polasgen— onder welken wij de eerste stammen der Grieken inederekenen dienden, zoo als Herodotos zegt, quot;naamloozo godenquot;, dat wil zeggen, zij hadden in het geheel geen godsdienst in onzen zin en vereerden en vreesden do natuur in hare velschillende uitingon. Kerst toen zij mot de Phoenikiërs, Kléin-Aziaten en eindelijk met do Kgvptonaren in aanraking kwamen , gaven zij aan do natuurkrachten namen. IV vreemde goden werden aangenomen, ofschoon men hunne namen en ook wel de wijze waarop zij gediend werden, veranderde, l!el werd Zeus, en zijne vrouwelijke vorm was Dione, die men in hel oude heiligdom te Dodona vereerde, en wier wil men door allerlei middelen en teekenen poogde uit to vorschen. Na dit orakel ontstond een andei

-ocr page 423-

nuiKKENi.ANn (fn dkn rrTSTontscitnx saodntut)).

to Delphi, hetwelk in den heldentijd nog geenszins die groote beteekenis had welke het later erlangde. Eigenlijke priesters kende men niet. Evenals bij de Hindo\'s in hot 1\'end-sjab, droeg het opperhoofd van den stam , de koning, de offers op. Er waren echter zieners, mannen dio dozen naam verworven hadden omdat hot volk hen met de goden in een nauwer verkeer achtte en derhalve raadpleegde wanneer hot de eono of andere onderneming op het oog had. Zulke zieners waren Orpheus, Kalebas, de ziener dor Grieken in den ïrojaanschen oorlog, Ampiaraos in den Epigononoorlog en anderen.

In dozen verwarden staat van godsvereering poogden do zieners orde en stelsel te brengen, en onder hen, die dit ondernamen, noemt men Orpheus, Homeros en de dichter Hesiodos. Ofschoon de latere Griekscbe wijsgeeren zeer verschillende zienswijzen ten aanzien der schepping en godenleer hadden, kan men toch hot volgende beschouwen als dio welke hot meest was aangenomen.

Het oorspronkelijke element der wereld, hare grondstof, was do natuur of de chaos, die als eone ongeordende massa in hot donkore wereldruim zweefde. Daaruit vormden zich allereerst do Aarde (Gea), de Onderwereld (Tartaros), de Teeldrift (Eros), het eeuwige Duister (Erebos) en do Nacht (Nyx). Uit de vereeniging der beide laatsten ontstonden het eeuwigo Licht (Aether) en do Dag (Hemera). Even als dit alles uit den chaos ontsprong, zoo ontstond weder uit de aarde den hemel (Uranos), de zee (Pontos) en hot gebergte (Ore).

Gea liet uit zich zelve don sterrenhemel, den toekomstigen zetel der goden, voortkomen. Uit het binnenste der aarde drongen de hooge oerbergon te voorschijn, en do woningen der nymphen en satirs werden geboren uit de onvruchtbare wereldzee. Eeusachtig-vreeselijke wezens, eene verpersoonlijking dor natuurkrachten en natuurverschijnselen, ontstonden uit deze vereeniging of do werkingen der aarde op don hemel, of der aarde op de zoo. Deze wezens (uraniden, titanen, giganten, kyklopen) naderden reeds het wezen der monschon, doch waron nog altoos van eone zoo geweldige natuur en zoo volmaakt, dat zij nog niet aan eene woonplaats op aarde gebonden waren. Uit de samenleving en vereeniging van hen ontstonden nu de verschillende godengeslachten, gestalten met menscholijken vorm, maar met bovenmenschelyke krachten en slechts deelswijze mot de aarde verbonden. Dit waron do geslachten van Kronos en Zeas.

Aan de tweedracht, waarin dozo somtijds onder elkander, of met andere hoogero wezens fn machten, geraakten, ontsproten vreeselijke gevechten, ten gevolge waarvan dikwijls hemel en aarde sidderden on woest door elkander werden geworpen. Door zulke gevechten werden gebeele geslachten vernietigd. Van de kruin des Olympos\' streden de Kronieden, door de ontboeide kyklopen ondersteund, tegen de titanen, tot na jaren lang kampen de laatsten door Zeus\' bliksem werden verslagen. Nu ontstonden nieuwe godengestalten in de nakomelingen der goden, wezens van gewone menscheljjke vormen, maar toegerust mot buitengewone krachten. Uithoofde van die eigenschappen vormden zij dó reeks van halfgoden of heroën (helden) en heroïnen (heldinnen). Onder hen onder-sihoidden zich velen die wij reeds uit de oudste volksoverleveringen leerden kennen , zooal.s Denkalion en zijne vrouw Pyrrha, Heraklos, Pelops, K\'ekrops, Danaos, Bolle-i-ephon. Kastor en Pollux, Ariadne, Perseus en Theseus. Do naaste nakomelingen van deze Iwlfgoden zien wij reeds met hot volk in nauwe verbintenis treden, om gemeenschappelijke ondernemingen uit te voeren.

Men waande dus, dat vo\'t het optreden van den monsch eene groote menigte wezens was ontstaan, van grootscher en volmaakter natuur dan de gewone stervelingen. Al deze wezens mi, natuurkrachten, natuurverschijnselen enz., werden door de Grieken

-ocr page 424-

4u2

als godon geacht en vwreenl. Het heelal was voor hen eone godheid, en alzo» was il--Orinksche godsdienst een pantheïsmns.

Hoe volmaakter en grootschor deze schepselen der fantasie waren, des te groo^\'

-ocr page 425-

lilUHKKNLAM) (IN DEN 11 ISTOKtSCIIHN SAOIiNTi.) I)).

was do rang, dien men hun bij do godsveroering inruimdo, en /.00 vinden wij bij de (rriokschc goden eone volledige rangorde, die met don god van hemel en aarde aanvangt en afdaalt tot do goden van enkele hagen en stroomen.

De voorstelling, die men zich van deze bovenaardsche wezens maakte, was eene zuiver menscholijko. Men stelde hen zich voor als van dezelfde gestalte als de aardbewoners, eveneens met mensclielijke hartstochten en tekortkomingen. Uit deze voorstelling ontsproot ook die, waarnaar inon de goden niet als verschijnselen dor natuur, maar als de werkelijke bestuurders van al het waarneembare beschouwde. Derhalve zag men in Phebos niet slechts de zon, maar den god der zon, d. 1. den bestuurder van dat hemellicht. Daarenboven beschouwde men die goden ook als de beschermers der mensclielijke ondernemingen, gevoelens, toostanden enz., zoo als uit verschillende voorbeelden nader zal blijken.

Na deze oinnorkingen blijft ons ten aanzien dor Grieksche mythologie weinig anders mede to deelen als■ de namen dor goden, zoo als zij na den ondergang van het geslacht Kronos in do voorstolling der Grieken leefden.

Zeus, een zoon van Kronos, was de god des hemels en der aarde, de vader on boheerscher der andere goden en inzonderheid do schutspatroon van den echt.

Hera, of Here, de zuster en gade van Zeus, gold als do koningin des liemels en der goden, en iti de eerste plaats als de beschermvrouw van \'t huwelijk.

Poseidon, do brooder van Zens, was de god van alle wateren en de beheersdier dor zeeën.

Aros, de zoon van Zeus en van llera , was do god der vernielende krachten en in het bijzonder do god des oorlogs.

Deineter, de zuster van Zeus, werd vereerd als de godin der aarde en wel in de eerste plaats als die der aardvruchten.

Hostia, de zuster van Zeus, was de godin van \'t vuur, en inzonderheid van den huiselijken haard.

Athene, ook onder den naam van Pallas aangeroepen, was mode eene dochter van Zeus, nit wiens hoofd zij voortgekomen was. Jlen vereerde in haar de godin der wijs-beid, heschermgodin dor wetenschappen en knnsten.

1 lephestos, een zoon van Hora, geboren zonder dal de godin bezwangerd was, vereerde men als do god van \'t vuur en do beschermer van alle knnsten die hare werken met hulp van \'t vuur te voorschijn hrongon.

Hermes, eon zoon vim Zeus, gold als de god der vindingrijke kiaebt, heschenner des koophandels, der markten, havens, wegen en dergel ijken.

Apollo, of Apollon, ook onder den naam van l\'bebos vereerd, werd ;iiinede als een zoon van Zens beschouwd. Hij was de aanvoerder der Muzen. Van daar zijn naam iMnsagetes (nmzenleider), heschenner van het boogschieten, der muziek en dichtkunst, van \'t waarzeggen, het voorspellen en der kudden.

Artemis, of Artemisa, ook al eene dochter van Zens, veroerj|e men als de beschermgodin der jacht.

Aphrodite, eveneens eene dochter van Zeus, was de godin van de zncht naar voortplanting, do boschenngodin dei liefde, en van hare genoegens.

De tot hiertoe vermelde twaalf goden haddon hun zetel op den Olympos , tor oor-zake waarvan zij gezamenlijk do Olynipiërs genoemd worden. Daar, op dien prachtvol-len berg, vormden zij een gomoenscliappoljjlcen godenraad, waarbij Zeus het voorzitterschap bekleedde. De goden leefden op dien berg in eene eeuwige jeugd, doch voor het

-ocr page 426-

(iK\'llXUSTRRKRTgt;K WKKET.DOKSCIUEDF.NtS.

ovorigo even als do menschun op aardo. Zij aten, dronken, sliepen en beminden. Hunno spijs heottc ambrosia, hun drank neklar. Als schenkers dienden hun de jeugdige Hebe en do schoone jongeling Ganyrnedes, als boden Hennes en Iris.

Hades, de broeder van Zeus, was de god deronderaardsche ruimten, de beheerscher der benedenwereld.

l)o dertien genoemde goden golden als de hoogston on machtigsten. Nevens hen leefden en waakten nog vele lagere goden, wier vereoring niet zoo algemeen was en dan grootendeels enkel in aanroeping bestond. Tot hen behoorden: Dionysos (de wijn-god\\ Pan (god dor vrije natuur). Helios (zonnegod), Solone (maangodin), Eos (godin van \'t morgenrood), Aoolos (god dor winden), Themis (godin van \'t recht1), Eros (god der liefde), Plutos (god van den rijkdom). Tycho (geluksgodin), Tris (godin van den regenboog), Hekate (godin der tooverkunst en der boete), Hymeneos (god der bruiloftenquot;), lligveia (godin der gezondheid), Hypnos (god der droomen).

Hij hen sloten zich do Erinnyen aan: onderaardsche wraakgodinnen, ook Eumenie-den geheeten, met name Tisiphono, Megera en Alekta. Deze drie golden als do zinnebeelden der gewetenswroegingen. Verder had mon do Charitinnen (huidegodinnen): Euphro-sine (vrolijke zinquot;), Aglaia (glans) on Thalia (de bloeiende); deze golden als de zinnebeelden van vrouwelijke bevalligheid, ook wel als de godinnen der jaargetijden, lento, zomer en herfst. Do Meuren (godinnen van het noodlot), ook Parzen geheeten, bepaalden naar Zeus\' raadslagen, den duur van \'t menschelijk leven. hetwelk zij onder het beeld van een draad afsponnen; do eene dezer Meuren, mot name Klotho, hield het spinrokken en knoopto do draden vast; de andere, Lachesis, spon dien voort; en de derde, Atropos, sneed don draad door, wanneer het oogenblik van sterven aanbrak. Nog had men de Horen (tijdgodinnen), wier aantal, namen en werkkring door de Grieksche dichters zoo verschillend wordt aangegeven, dat wij, oni niet te wijdloopig te worden , haar moeten voorbijgaan. Eveneens de Muzen, godinnen dor kunsten en wetenschappen, negen in getal: als Klio (do Muze der geschiedenis), Kalliope (der redekunst), Melpomene (van liet treurspel), Thalia (van het blijspel), Erato (van \'t minnedicht), Euterpe (der toou-kunst), Terpsichore (dor danskunst), Polyhymnia (der zangkunst), Urania (der sterrekunde).

Hot getal dor Nymphen (lagere godinnon der natuur) was buitengemeen groot, en bijna allo voortbrengselen der natuur waren door haar bezield. Zoo had men waternym-phen (Najaden), woidenymphon (Leimoniadon), bergnymphen (Oreaden), dalnymphon (Napeiin) en womltiymphen (Dryaden).

De Demonen (beschermgoden) waren afgescheiden geesten van enkele goede men-schen uit den vroogsten tijd waarin de wereld bestond. Zij hadden tot taak om de beschermers en behoeders van \'t menschdom te zijn. Doch er waren ook boozo Demons.

In het nauwste verband met deze mythologie der Grieken stonden hunne denkbeelden omtrent het voortloven na den dood. Volgens deze meoning verliet de ziel van den mensch , do psyche, bij het aanbreken van den dood, het lichaam en loefde als lichten luchtgostalto in de onderaardsche wereld voort, waar, tor vergolding voor het gevoerde aardsche loven, loon of straf baar verbeidde.

Do afgescheiden zielen (schaduwen) werden door Hennes naar de benedenwereld geleid tot aan het meer Acherusia, dat door de boido stroomen Kokytos en Styx werd gevormd. Hier ontving oen oud vervallen roeier, Charon, de schaduw, die lijj tegen een klein veergeld overzette. Vervolgens gingen do afgestorvenen door eene donkere grot, aan wier ingang een driekoppige iiond, Iveiboros, de wacht hield en niemand

404

-ocr page 427-

GltlKKENI.and (|K DEN histohisciien SAOF.NTUd).

dor binnengotrodenon torug liot gaan. Achter deze grot bereikten do zielen eono grooto ruime plaats, waar Minos, als hoogste doodenrechter het vonnis over allen volde en naar hun bedrijf in het aardsche leven bepaalde, of zij rechts naar hot Elysium, do plaats des heils, of links naar den Tartaros, do plaats der straffen, zouden gaan.

Het Elysium was een schoon, eeuwig bloeiend eiland, in het ronde omvloeid dooiden stroom Lethe, waaruit de zalige schaduwen vergetelheid van al het aardsche lijden dronken. Zonder eenige smart, leefden zij hier in hot genot van allo denkbare ge-neuchten, en al wat hun in het leven aangenaam had bezig gehouden, zotten zij hier voort.

m

Do Tartaros daarentegen was oene diep onder het schaduwrijk gelegen kloof, die.

door oen driovondigen muur omringd, word omstuwd door den vuurstroom l\'hlogothon en don bruisenden, in watervallen nedordalenden Acheron. De derwaarts gedoemde zielen verschonen allereerst voor den tweeden doodenrechter, Radamanthos, welke de straf bepaalde, tot welks aanvang de Erinnyen haar zouden geleiden. Van welke soort doze straffen waren ziet men reeds uit liet medegedeelde lot der Danaïden en uit die , waartoe Sisyphus en Tantalos waren veroordeeld. De eerste was aan oen borg vastgeketend, waar een arend hem de lover verscheurde, die olkeii nacht weder aanwies. Sisyphos moest een zwaren steen den berg opduwen, dio boven aangekomen, hem weder ontrolde, zoodat de veroordeelde telkens weder in de diepte moest afdalen , om zijn eindeloos werk op

-ocr page 428-

406 GEÏLLUSTaEEIlDK WF,11KI,DCiESCfIIEDENIS.

nioaw aan to vangen. Tautalos stond, terwijl dlt;; vrcesoljjkste hongor cn dorst hem kwoldon , in oonu biuik van kristalhelder water, oil doschoonsto vruchten üwoefdon bovon zijn hoofd , doch zoodra hij zich bukte om te drinken , of zich omhoog richtte om te eten, ontweken water en vruchten eensklaps don begoorigen inond.

Door hot vorkoor der Aziatische Griokon mot do Syrlörs 011 andere Oosterlingen , waicn reeds vroegtydig de godsdienstige denkbeolden en inzonderheid do mysteriën dezer volken naar Griokonliiml overgeplant. Roods in do zangen van llomeros vindt men aanwijzingen te diwi aanzien , doch het deelnomen aan doze mystoriou nam eerst groote verhoudingen aan in het tijdperk hetwelk aan do Perzische oorlogen voorafging. Speculatieve hoofden, philosophon en droomers, voor wion de goclonsagen door llomeros bezongen, niet voldoende waren, en die over \'s monsclien lot na zijn afsterven bleven peinzen, meenden in deze Oostersche mysteriën de oplossing van onoplosbare vragen gevonden te hebben. Zoo als licht te denken is, werden die gehoimonissen naar Griekscbe denkbeelden gewijzigd.

Wij hebben in de Syrische geschiedenis medegedeeld, dat in do l\'lioonikische stad liyblos het uit Egypte ingevoerde Adonisfeest ingang had gevonden (Blz. 214). Men kan met vrij wat zekerheid aannemen , dat die plechtigheid mot zijne symbolische betoekenis den oorsprong gaf aan die feesten en mysteriën, welke alle jaren twee malen te Eleusis in Griekenland, ter eere van Dometor en l\'ersephone (Kora) on van DionySÖS, met groote opgewondenheid gevierd worden, üemotor, Persephone en Dipnysos, de drie aardsóhe goden, zijn do goden van don akker en wijnbouw, on daardoor eonigermate de voorgangers der wetenschappelijke, beschaving.

Do kleine eleusiniën werden in het voorjaar, wanneer de bloemen ontloken , gevierd, en do groote eleusiniën, die negen dagen duurden, in September. Even als in 1\'hoe-nikië aan de sago van Adonis, paarde in Griekenland zich dit feest aan die van Demetor on hare dochter Kora. Do woeste, uitgelaten gebruiken, die men vrooger leven: tor eere van Dionysos vierde, werden met die van Eleusis verbonden en naar Morgen-landschen aard gowijzigd en door koorzangen, fluitklankon en symbolische gebruiken opgeluisterd. Met do openbare godsdionstviering waren de Elousinische wijdingen , aan do groote en kleine mysteriën verbonden, trapsgewijze onderrichtingen omtrent \'s men-scho\'Ti aanzijn en don staat d^r ziel na den dood, hoopvollo aanwijzing dor in de mythen on symbolon der aardsche goden gehulde denkbeolden. Wie allengs cpnple wa-geworden, dal wil zeggen den hoogston graad der vvijditig had ontvangen, meende de zoki\'rheid te hebben verkregen, dat de vrome vereerders van Demetor on hare dochter na den dood lot een nieuw loven zouden ontwaken.

Tol deze mvsteriëii ingewijd te worden was een der hoogste wenschen van all\'1 Alhoniënzers. De wijding tot de verschillende graden vond onder ceremoniën plaats, die sterk de zinnen prikkelden , zoo als dit neg tegenwoordig bij vele gehoimo gezol-schappen plaats grijpt. Ook bedreigde! hem, die mododeelde wat bij do mysteriën binnen den leinpol geschiedde, een zware vloek; ja er zijn voorbeelden, dat verraders met \'t verlies van hunne goederen en zelfs met don dood gestraft werden. 1 n oudere tyden waren de buitenlanders buitengesloten , doch later alleen do misdadigers en goddeloe-zon. Do Eleusinisehe mysteriën werden ook lot staatkundige doeleinden aangewend. H» staal nam haar onder zyne bijzondere bes(dienning en stelde de beide archonlen aan haar hoofd. terwijl stoeds een lid van \'l oude Atlioensche geslacht der linnndpioden hioropliant (oi)perpriosler) daarvan was.

Hierbij is op te merken, dal bij liet feest der wijding minder het geoHtelijko,

-ocr page 429-

GUIKKKNLAN1) (iN DKN HISTOaiSCHKN SAGENTIJD),

onclerricht ojj den voorgrond werd gestold dan wol hot aosthotischo tor bevordering der kunston, zuoals dit l)ij don ganschon Grieksclion godsdienst hot geval was.

Als oen der meest wezenlijke deelen van don Holloenschen cultus moeton wij do orakol.s ril do volksspelen boschouwen, want juist doze waren het, die den band van eonheid om hot het gohoole Griokscho volk strengeldon on het tot é(inc natie maakten.

Doch alvorens wij die instellingen nader boscliouwen, nioeton wij eerst eenigo woorden wijdon aan do overige onderwerpen van godsdienstigen aard: aan de tempels, de priesterschap, de gebedon en offeranden.

In de eerste tijden waren voor de verwring der goden afzonderlijke landerijen bestemd, wier opbrengst ten behoeve van don godsdienst besteed word. Op een zoo-danigen grond [iemenoa) bouwde men een kunstoloos altaar [bomus), hetwelk later door liet to overdekken, hot middelpunt van een tempel werd. Het voornaamste sieraad van oen zoodanig gebouw was de beeldzuil van don god, tot wiens voroering men hot altaar had opgericht.

Gewoonlijk was oen tempel slechts aan één god toegoheiligd. Doch mon vond ook tompols, waarin oen aantal, ja zelfs al de goden te zamon vereerd worden. Een tempel van de laatste soort hoetto een pantheon.

De bedienaren des tempels waren priesters (hierei») en priesteressen {/liereiai.) Doch dezo priesters waren geone afzonderlijke, goone erfelijke kaste, even als in andere landen. Integendeel, zij waren on bleven burgers, die het priesterambt waarnamen, even als anderen het rechterambt. In deze regeling is de oorzaak te zoeken van hot aangename verschijnsel, dat Griekenland\'s staatkundig streven nooit door den allesbe-hoorschenden wil van oon machtigen priesterstand werd belommerd, llieruit blijkt, dat van oen eigenlijk Grieksch priesterdom geeno sprake kan zijn, en de priesters zeiven, even als allo burgers, familieleden konden wezen. Nochtans schonk men bij hot aanstellen van priesters of priesteressen aan hen de voorkeur, die op dat tijdstip nog door geen huwelijk aan eeno vrouw of een man door den echt verbondon waren.

Do geboden {euchaï) werden of in het openbaar in den tempel, óf wi\'l binnenshuis uitgesproken. Nu eens verrichtte de priester, dan weder hij die do goden om oone gunst smeekte, het gebed. Mon hief bij het bidden de «ogen ten hemel, of in den tempel tot het beeld van den god, naar wion men zijne sraeokingeu opzond, en sprak het gebed óf knielende óf staande.

Groote waarde hechtte men aan het offeren. Ton opzichte der te offeren voorwerpen onderscheidde men brandoffers en drankofl\'ers. Voor de eersten koos men allerlei dÓTen, met uitzondering van visschen. Aan Poseidon, aan Hades en alle onderaardseho maeh-ten werden zwarte offerdieren gewijd. Een drankoffer word zelden alleen gebracht, gewoonlijk was het met eon brandoffer verbonden. Drankoll\'ers bestonden meest uit wijn, nu en dan ook uit melk en dierenbloed. Mot betrekking tot het doel (belde men de offers in dank-, zoen- en bidoffers. Men geloofde daarbij, dat do goden de. offerande persoonlijk, ja voor hunne lievelingen zelfs ziclilbaar, bijwoonden. Hot offer zelf lip-stond daarin, dat men zekere doelen van \'t offerdier den goden ter eero verbrandde, en het overige, onder zekere plechtigheden, nuttigde.

Wij naderen thans tot die takken van den Oriokschen eerodienst, welke een staatkundige beteekenis en staatkundigen invloed uitoefenden en daardoor eeno inderdaad historisch belang erlangdon : do orakels en nationale spelen.

Ton opzichte dor orakels zal hot voldoende zijn bot grootste en meest invhiedrijke aan eene nadere beschouwing te onderworpen, vooral daar wij vroeger reeds gelegen-

107

-ocr page 430-

QHÏLUSTIIEEIIUK VVHUKLDÖESClf ll\'.UKNJS.

huid govondun hebben over verschillende orakels te spreken. Wij vestigen derhalve ome aandacht op het reeds meermalen vernielde Dolphische orakel, d. i. tot dat hetwelk in de nabuurschap der .stad Delphi werd gevonden, door do bewoners aldaar onderhouden en bediend, en door liet doorzicht zijner priesters niet slechts het grootste aanzien, maar ook een bijna fabelachtigen rijkdom verwierf. Het orakel was aanvankelijk aan Gea (do Aarde), later aan Themis, ten laatste aan Apollo gewijd, en eerst onder de bescherming van den zonnegod verkreeg hot, inzonderheid door liet invoeren van een stelselmatigen dienst bij zijne priesterschaar, dien buitengewonen invloed, waardoor dit orakel — in betrekking tot zijne werkzaamheid — den grooten Griok-schen wetgevers nabijkomt.

Dicht bij Delphi, in het gebergte van don Farnassos, had men oene grot ontdekt,

waaruit een verdoovende zwaveldamp oprees. Een mensch, die dit gas inademde, weid daardoor door oene krampachtige aandoening overvallen , waarbij hem onzamenhangendu woorden ontvielen. Deze ontdekking poogden de priesters van Delphi tot hun voordeel aan te wenden, door voor te geven, dat do persoon die door den damp werd bevangen, door de godheid bijzonder word begenadigd en in een staat gebracht om haren wil te verkondigen.

Zóó was het orakel ontstaan. liet bekwam vervolgens eene inrichting, die volkomen berekend scheen, om de achting, die men er voor had, in eerbied te veranderen. Tot hot verkondigen van d u goddelijken wil koos men een vrouweljjk wezon. Deze priesteres . pythia genoemd, moest in de eerste tijden eene maagd zyn. Toen echter eens eeno pytlüa geschandvlekt was, werd een ouderdom van vijftig jaren voor deze waardigheid gevorderd. Do uitspraken van het orakel vonden in de vroegste tijden alleen in eene

40iS

-ocr page 431-

-109

bopaaldo maand van \'t jaar plaats, die uithoofde daarvan den naam van Pythios (orakelmaand) voerde. Later, toon de raadplegingen talrijker werden, zette de pythia zich op een bepaalden dag van iedere maand op don drievoet.

Do vragers, die zich door goboden en offorandon tot liet orakolwork moesten voorbereiden , werden opgevorderd, hunne vragen in zoo weinige woorden als mogelijk voor te brengen. De beantwoording geschiedde alsdan op do volgonde wij zo.

Do pythia werd, nadat zij zich in do bron Kastalis had gebaad , eon aldaar groonondon laurierboom had geschud on zich mot zijne bladeren bekranst, door de priesters in hot i\'ythoion gevoerd. Dit was hot allorhoiligsto dor grot, t. w. eone ruimergomaaktespelonk , in wier midden do opening was, waaruit do damp omhoogsteeg.

Doven deze opouing stond do drievoet, over welks oigonlijke inrichting mon niet voldoende is ingelicht. Eonigen molden, dat het oen koporon pot is gowoest; itndoron honden het voor niet moer dan eene kruk met drie pooton. Hoo dit zij, zooveel is zeker, dat deze drievoet aan de pythia tot zetel diondo, wanneer zij zich door do dampwolk liet omhullen en op de vroeger vermelde wijze in do eigenaardige stemming brengen. In dozen dikwijls vreesolijken toestand, soms aan razernij gelijk, stiet zij enkele onsamenhangende woorden uit, die door do dienstdoende priesters opgevangen en tot hoxamo-ters omgewerkt, den raadplegende als antwoord werden medogodeold.

Van welken aard doze antwoorden waren, en hoo vorschillendo verklaringen zij too-liotcn, hebben wij uit do modogedeolde voorbeelden voldoende gezien. Hot orakel waagde met zijne voorzeggingen niet het minst, en aan dezen kunstgreep dankte het zijn zoo lang bewaard aanzien.

Geen Grieksche staat besloot tot eeno staatkundige handeling, zonder het Delphische orakel geraadpleegd te hebben; geen oorlog word verklaard, geen vrede gesloten, zonder dat men zich van de tbostomming van het orakel had verzekerd, ledero belangrijke handeling, die zonder deze raadpleging had plaats gevonden, was in de oogou der firieken een goddeloos, onheilbrengend bedrijf.

Zoo kwam hot dat hot Delphische orakel in het zoo verdoelde staatsleven dor Griokon \'■no politieke eenheid tot stand bracht, zooals men zonderlingerwijzo slechts in despo-tiën voor mogelijk houdt. liet was de knoop, waardoor al de uiteinden dor dradon saamverbonden waren, die do vorschillendo Grieksche staten bijeonsnoorden.

Griekenland en China zijn de eenigo landen der oudheid, waarin do priesters geenszins eeno bevoorrechte stolling innamen. Dosniettegenstaando zien wij do Grieksche godsdienstleeraren door mot het bijgeloof eon bond to sluiten , zich op eeno merkwaardige wij/.i\' meester maken van de leiding der openbare aangelogenhedon en door don invloed van het orakel tevens do ruwheid der zodon verzachten. Het orakel van Delphi werd voor hen eone goudmijn. Dat vreemde vorsten derwaarts rijke goschenkon zonden om de godheid gunstig voor zich te stommen, is ons reeds uit menig voorbeeld gebleken.

Van nog grootor invloed voor het maatschappelijk leven van hot Grieksche volk als do orakels waren de volksspelen, on ovon als onder do orakels het Delphische allo anderen naar don achtergrond drong, ovonzoo staan onder do nationale feesten die van Olympia in de voorste rij.

De stad Olympia, in hot landschap Mis, was hot schouwtooneel van deze groote kampspelen, waarhoen do Grieken van heinde en ver stroomden, om deelgenooten of hjeschouwers te zijn. Over den oorsprong dor Olympische spelen verkeert men in hot onzekere. Mon houdt hen voor zoor oud en noemt nu eons Zeus , dan weder Herakles, als do ontwerper. Eone nieuwe inrichting en aanzion verkregen zij door Iphitos, koning van

-ocr page 432-

fi rt\'hUJSTHKEilDU WKRKLÜGESCHli; 1)KN1S.

Elis, weshalve mon doze vaak den grondvester dur Olynipische spelen noemt. Mij nn de beroenidu Lykurgos gavon dun spelen het aanzien, hetwelk deze volksvorlustingen in latoren tijd genoten , en dat wel hoofdzakelijk door over het schouwtooneel een heiligen vrede uit te sproken: het geheole gebied van Klis zou van allo vijandelijke invallen verschoond blijven , en gedurende do spelen zei ven moest op den gansdien Poloponnesos de diepste wapenrust heerschen.

Do tijd der spelen viel in met de volle maan, die aan den zonnestilstand voorafging. Zij die aan do wedstrijden wenschten doel te nemen, hadden allereerst aan don Hellonen-rechter (Hellanodikos) het bewijs te leveren, dat zij van Holleonschen oorsprong en vrij

geboren waren on zich in hel genot van allo burgerlijke rechten bevonden. Vervolgers moesten zij bezworen , zich twee maanden te voren aan de voorgeschreven oefeningen te hebben onderworpen, beloven dat zij eerlijk zouden strijden on geene verboden kunsl grepi\'ii aanwenden. Na het voldoen aan dezo voorschriften, volgde oen plechtig oller, onder luid koorgezang. Was dit afgeloopen, dan begonnen de spelen onder het toezicht van den Itellanodikes, di(! op («iiü verhevene plaats zat en oplette, dat geen slecht be faamd mensch binnendrong, en in alle opzichten alles met orde en welvoegolijkheiil geschiedde. Vrouwen worden bij deze s|iolen niet toegelaten , want de strijders traden geheel naakt op, nadat ook de gordel, dien zij in vroegere tijden droegen, als hinder lijk was afgeschaft.

Als kamprechters, wier aantal meermalen werd vermeerderd tot het twaalf beliep,

■110

-ocr page 433-

ORIKK KNLAN I) (iN DEN IUSTOIUSCHRN SAGKNTIJI)).

iiiotilitoii iillwiii ingezotdiion van lOlis worden gökozon. Ton oindo juister te kunnen oor-dcolen stcimlcii hunno zetels binnen de liaan. Zij luulden ti^n taak te beslissen aan wicn bij de verscliilloude wedstrijden de prijs toekwam on dezen prijs uit te deelen.

De plaats waar do spelen werden gehouden, bestond uit een langwerpig perk in twee banen afgedeeld. De baan op de linkerzijde, do hippodromos, was voor wedrennen te paard en in wagons bestemd. De rechterbaiin heette bet stadion, bad eone lengte

-111

van Hui motors en diende als kampplaats voor do wodloüpen. Aan den ingang van bet hijipodromos vond men overwelfde perken, van waar bet rennen een begin nam. In het ronde, zaten op banken, in amphithoatorvorm aangebracht, de toesehouwers.

Do spelen zelvi\'ii bestondquot;!! in wedrennon met wagens, te paard en te voot, in spiingen, worstelen, vuistkampen, het werpen met don diskos , enz. Allengs toeb nam met de belangstolling die men in deze spelen steldo, de versohoidonhoid toe.

De oudste dezer wedstrijden was do wedlooji. De jengelir!gen liepen in groepen van

-ocr page 434-

GKÏl.l.UST 11KKIII)K WKKKI,DOlïs(.\'111 KDKMS.

vior aan vior, door hot stadion. Welhaast echter voldeed een onkolo Joop door do baan niet moor : hot viertal moest die «indolijk tot achtmaal afloggon.

Spoedig voegde men hot worstelen daarbij. Bij dit spel was het voreischte aan de tegonpaitij, zonder dezo to slaan, alleen door drukken en do kracht dor spieren, ter aarde te werpen en daar zoo lang neder te houden, tot de godemoodigdo zich zolvon voor overwonnen verklaarde.

Do strijders (alhhden) gingen, zooals reods opgemerkt is, goheel naakt on haddon hun vel door inwrijvon mot olio glad gemaakt, om het vasthouden mooielijkor to doon zijn.

Hij don vuistkamp, don togonhanger van hot worstelen, mochten de atBleton elkander niet aangrijpen, maar moesten hunne tegenpartij alleen door hot toebrengen van slagen ton val brengen. Zij waren daarbij eveneens naakt, doch hunne armen on handen waren mot harde riemen omwonden, ten oindo do slagen krachtiger te maken. Deze wedstrijd was derhalve niet zondor gevaar: er vielen daarbij niet zoldon ernstige vorwondingon, ja doodslagen voor.

liet worpen met don diskos of sporen kwam\' eveneens aan do orde. De diskos bestond uit eeno platte, rondo schijf van steen of metaal, door wier midden oen riem was gestoken, waardoor do schijf voortgeslingerd word. Do uitvinding van dit spel werd aan l\'orsous toegeschreven.

Hot springen vond plaats in do hoogte over hindernissen, of in do vorto over kuilen , deels met, deels zonder hulp van een polsstok. De deelgonooten bij deze spelen behoorden meereiidecls tot do edelste of rijkste gezinnen, en daar zij paarden hielden, werden do spelen tot wedrennen in wagens en eindelijk mot losse paarden nitgebroid. Ton laatste kwamen hierbij nog wedspelen voor knapen. Hot feest duurde vijf dagen.

Do hippodromes was vier stadiën lang, en do vierspannige wagons moesten doze rnimto twaalf maal doorloopen. Dat dezo wedrennen eene ernstige en gevaarlijke zaak-waren, mag men bij don vorm der Grieksche rijtuigen en de wijze van do paarden aan te spannen, wel aannomon. \'t Omwerpen on broken der wagens, hot op don hol gaan en vallen der paarden, het voortslepen of vertrappen der doolgoncoton dit alles waren dingen, die dikwerf voorkwamen. Polops verzekert mon, is do stichter der Wfistrijihn met vierspannen geweest.

indien do rijke lieden de overwinning met het vierspan het hoogst schatten, toch werd den overwinnaar in don wedloop het grootste eerbetoon verleend.

Mon ziet, dat deze spelen niots anders waren dan do wedstrijden in do gymna tische genootschappen van onzen tijd, on wel zonder oono zelfde verscheidenheid. Doch niettomin hechtten do Grieken aan deze spelen do allergrootste waarde, zoo als blijken kan uit de eerbewijzen die mon don overwinnaars aanbood. Zij werden niet alleen bij hot feest zolf bekroond, maar ook nog goruimen tjjd na do overwinning, ja zelfs na hun overlijden. Menige stad richtto voor een medeburger die in do Olyinpischo spelen de overwinning had behaald, oen marmoren beeldzuil of ander gedonktoekon op.

Het kronen van de overwinnaars vond plaats op don laatsten dag van hot feest, onder hot s,\'ojuich dor gansche vergaderde menigte. Na oen don godon gebracht offer, tmkken de overwinnaars-in eene prachtige kleoding, met palmen in de hand, onder vrooljjk lluitgoklank, naar do voor do kroning bestemde plaats. Hier word door herauten den naam der vaderstad van olk dor overwinnaars uitgeroepen, on aan do geluk kigen een olijfkrans om het hoofd gowondon. Hot was oen krans dos vredes, maar in de oogen dor Grieken eon moor eervol sieraad dan do mot bloedgedrenkte lauwer van oen zegevierend veldheer.

-ocr page 435-
-ocr page 436-

OKÏUA\'STREEIUJK ttBllKl.tMiKSCIllRDRNIS.

Hot) groot meii de eer schatte van tu Olyrnpia gekroond te zijn , ziet men hot bost nit de volgende daadzaak, dio ons met allo teekonen van geloofwaardiglieiil wordt modogodcclil.

Diagoras, een edele Griek van Khodos, dii^ zelf vroeger gekroond was, had op zekeren t|jd twee zijner zonen naar Olympia gebracht, waar beiden den krans dor eere verwierven. Met kindcrlyken zin plaatsten zij hot bekomen zegoteekeu hun ouden vadiT op hot hoofd, hieven den geliefden grijsaard op limine schouders en droegen hem zoo in hot rond, onder de jubelende gelukwenschen des volks. Onverwacht trad een Lakedi\'-moniër op den verrukten vader tor en riop: quot;sterf thans Diagoras, want eon grooter geluk kan u op aarde niet meer ten deel vallen.quot; — En werkelijk was do zaligheid voor liet gemoed dos grijsaards to groot: door vreugde overstelpt, zonk hij ontzield ter aarde.

Doch niet alleen de vlugheid en behendigheid des lichaams verwierven te Olympia zegekransen, hetzelfde was het geval wet do talonten van den geest, naardien dichters, redenaars, schrijvers en schilders van \'t bijeeustroomon des volks gebruik maakten, om hunne werken onder de aandacht der menigte tü brengen en uit \'s volks mond lot en eer te ontvangen.

De Olympische spelen keerden elke viw jaren terug, en zoo belangrijk oordeelde men deze nationale instolliiig, dat mon daarnaar de lt;lriekse,he jaartelling berekendi\'. de tijdrnimto van vier jaren die tusscbeii twee spelen lag, noonulo mon emie Olympiath-.

liet eerste jaar dor eerste Olympiade werd op hot jaar 77(i vóór (Jhl\'istus vastgr-steld. Om In^t juiste begin der Grioksche jaartelling to bepalen, had men den tijd van bet instel Inn der Olympische spelon moeten berekenen. Daar dit nochtans niet mogelijk was, vergenoegde men zich om terug te gaan tot de feestviering waarbij men ten eersto male don naam der overwinnaars vermeld vond.

Do overige openbare spelen hadden minder betookonis, ten deele omdat zij mindi\'i bezocht, ten deelo omdat zij waarscliijnlijk van moer gewostolijkon aard waren Wij vermelden van hen alleen de Pythiscbe, de Istbmische, en do Nemeïsclie spelen.

De l\'ythische spelon werden iuj Delphi, en wel ter eere van Apollo gevierd en ontleenden hun naam ter eere der daar zetelende pytbia. Zij vonden eerst alle negen later alle vijfjaren plaats en gaven inzonderheid gelegenheid om in de muziek i schitteren. De overwinnaars hekwamen aanvankelijk een krans van eiken-, later van lauwerbladen.

De Istlnnische spelen, ter eere van l\'oseidon, op den Korinthischen isthmos f,quot;1 vierd , vonden in den herfst van elk derde, later van elk vijfde jaar plaats. Deprij-bestond in oen krans van sparrogroen of klimopranken.

Do Noinoïscho spelen worden tolken derde jaar bij Nomoa gevierd, naar men zeid ter eere van Horakles\' overwinning op don Nemeïscben leouw. Do overwinnaars bij de spelen bekwamen als prijs oen krans uit klimop gewonden.

Hij het feest dor ranathenoën richtte men eveneens wedstrijden, wedrennen en lakkei optochten aan. Ook droegen rhapsoden de zangen van llemeres in den juist,en vorm en den gozuivorden tekst voor. Dit fenst was het groote feest der godin Athene (l\'alla 1 te Athene. De invoering daarvan word aan Thesous toegoschreven , volgons anderen aan Krechtbous, den zoon van Kekrops. De kleino panathoneön werden telken jaai\', de groet\' allo vier jaren , omstreeks het midden van Augustus (in de Attische, maand Hekatoii boon), gevierd.

I!ij de Groote l\'ana.theneën stroomde al hot volk van Attika naar Athene. D\' safraankieurige, met gonil doorwerkte gewaad {puplo*)t hetwelk di^ vrouwen ter 1quot; kleeding van het oude beeld in het burgtheiligdom geweven hadden, werd in p\'quot;1

414

-ocr page 437-

tllUKKKNlANI) (|K DEN 11 ISTOttlSCIIBN SAOKNTIJI)).

tigen optocht do Akropolis binnengodragon. Vóór do processie gingen do priostors met do offordioron. Op hon volgden do te Athene gevestigde vreemdelingen (meteukon), met de gereedschappen voor het offeren, dan de dochters der burgers, met den oogstknins (üi korven met do gewijde gerst, honig en offerkoeken op het hoofd, waarhij de dochters dw meteukon, zonneschermeii boven de draagsters hielden. De peplos was aan den mastboom van een op wielen bewogen schip gehecht, hetwelk men eene plaats in hot midden van den optocht had aangewezen. Vervolgens kwamen benden muzikanten , on daarna do volwassen jeugd te voet en te paard, bekransd en bewapend en ter eero dor godin liederen aanheffende. Op deze afdeolingen volgden grijsaards met olijftakken in de handen. Achter hen droeg men de kransen voor de overwinnaars bij do wedstrijden. waar achter de ronwagens on renpaarden gevoerd worden. lgt;o achterhoede vormden de Jonge lieden uit die standen welke tot do beide hoogste klasse voor de belasting behoorden, te paard. Het slot van het feest bestond uit, eone hekatombo op de Akropolis on een feestmaal, mot alle mogelijke verlustigingen.

Peisistratos, die zich door Pallas-Athene inzonderheid begunstigd achtte, toondo zijne dankbaarheid daardoor, dat hij dit feest met grooter luister liet vieren dan liet ooit had bezeten.

-ocr page 438-

ITALIË.

JL taliü, door do Griekon Ilosperiö (Avondland^) gonoemd, hot schoono on blooiendft schioreiland, dat in hot noordon tot de Al pon roikt, hooft in dat goborgto on do vior üeoöii, waardoor hot wordt omgord, natuurlijke grenzon. Dit vior-tal 7,eoön liostaat nit do Ligurischo on do Tyrrheonscho zeeön in \'t woston, do Adria-tisclio on do Jonisclio zoeën in \'t ooston.

(leberglen. Schakels der Alpon strekken zich uit door Opper-Italiö on langs do Ligurischo zoo, aan wier stranden zij don naam van Zoo-Alpen dragen. Aan hen sluit zioli hot grooto gebergte, dat do Italianen Apennini noomen, welken naam wij Nederlanders tot Apennijnon verbogen hebben. Deze Apennini doorsnijden het goheelo schior-eiland, van het noorden naar het zuiden, doelen hot in tweo helften , eene zuidoostelijke en eene noordoostelijke, en dragen naar do streken waar zij hunne toppen vorhefTen, verschillende plaatselijke namen.

Rivier cm. De hoofdstroom van Opper-Italiö en do grootste van hot gehoole land is de l\'adus (Po). Hij ontspringt op den Alp Vesulns (Vise), doorstroomt Oppor-Italir van hot westen naar hot ooston en loopt door •/cvon monden in do Adriatischo zoo uit. Van de tnlrijko rivieren, die hij iu zijnen loop opnoemt, noomen wij als linker zijrivieren : de Duria (Dora), den Ticinus (Ticino of Tossino), do Addna (Adda), don Ollius (Oglio) on d\' ii Mincins (Mincio). Als rivieren die ter rechterzijde don l\'o versterken, onderscheiden wij don Tanarus (Tanaro), do Trebia (Trebbia) en don Rhenns (Rono).

lieiialve den l\'o, vinden wij in Oppor-Italh nog do Athosis, de Adigo dor Italianen van onzen tijd of do Elsch dor Dnitsohors. Ook doze valt in de Adriatischo zee.

l)o overige rivieren van Italië zijn, overeenkomstig den vorm des lands, slechts kustrivieron, die op de Apennini ontspringen en zich na oen korten westelijken of oostelijken loop in zoo storten. Daaronder noemen wij allereerst den Amus (Arno) en di\'ii Tiber (of zoo als do Italianen den stroom lieeten , donTovero), met zijne zijrivieren , waaronder de Nar (Nera) lt;\'n de Anio (Teverone of Anionc). Verder moeten opgomerkf worden; den [.iris (Garigliano), den Voltnrnus (Volturno), den Silarus (Selni) on «h\' kh\'inore stroomen Aulidus, 1\'rento en Uubico (l\'isatello.\').

-ocr page 439-

ITALIJÏ (IN DEN HISTOBlSCHKN SAORKTMD).

Meren. Oppor-Italiö is aan moren hot rijkst. Ilier vincloii wij de nieren Vorbanus (Lago-Maggiore), Larius (Lago di Como), Sovinus (Lago dl Isio on Banarus (Lago di Garda). In liet overige Italië zijn op te morken het (thans niot meer aanwezige) ïrasimconsche, hot Vnlsinische on het Facinischo meer.

Do indeclivg van Italië richtto zich naar don staatkundigen staat des lands on was (lerluilvG Oji verschillende tijdstippen onderscheiden. Vóór de oerste geschiedenis van Rome hechten wij ons aan do verdeoling , waarnaar Italië zich splitste in : Galliö aan dozo zijde der Alpen (Gallia-Cisalpina), het eigenlijke Italië (Italia) on Groot-Griokenland.

G a 11 i a-C i s a I p i n a.

Dit gedeelte van Italië, hot noordelijk dordodeol of Oppor-Italiö, strekte zich van do Alpen tot aan do noordelijkste ketenen dor Apcnnijnon en tot aan do rivier do Kubico uit. Do volken, die dit land bewoonden, waren inoerondools van Gallischen oorsprong. Dozo landstreek splitste zich allereerst in drie deolen: 1 Ligiirië, \'2 Gallië aan gono zijde aan den Padus (Gallia-Transpadana) en :! Gallië aan gone zijde van den Padus (Gallia-Cispadana).

I. Lvjnnë. Het omvatte het gehoolo westelijke deel van quot;t Cisalpinisch-Gallië en werd door de volgende volksstammen bewoond; Vediantiörs (met hunne hoofdstad Ceme-lium), Vagiënniërs (met de hoofdstad Augusta-Vagiennorum), Taurinen (mot de hoofdstad Augnsta-Taurinorum), Segusianen (met do hoofdstad Sogusio), Salassiërs, Lepon-tiörs (mot de hoofdstad Oscela), en Libiciërs (mot de hoofdstad Vercella).

Behalve do genoemde steden, hebben wij in Ligurië nog do volgende plaatsen op te merken: Nicea, Vada-Sabatia, Genua, Portus-Dolphinl, Purtus-Luna;, Pollontia, Alba-Pompeja, Asta. Forum-Pulvii, Indnstria, Dortona on Iria.

\'2. (lalüë aan gene zijde van den J\'adun {Pd). Hot bevatte al het land van hot overige Cisalpinische-Gallië noordwaarts van den Po. Do volksstammen die hier woonden. waren do volgenden: do Onobriërs (in wier land men de steden Comnm, Berga-mum (^n Forum-liicinii vond), de Insubriërs (mot do steden Mediolanuni, Laus-Pompeja en Forum-Intuntorum), do Laeviërs (mot de steden Novaria en ïicinium), do Conoma-nen (mot de steden Brixia, Cremona, Mantua en Verona); do Knganeërs (met de .sleden Sabium, Voberna, Edrum en Vannia), de Venoten (met do steden Patavinm, Vicetia, Atesto, Forum-Allioni, Tarvisinm , Cenota, Aquiloja, Forum-.Iulii en Tergosta).

;i. (lallic aan gene zijde des Padus {Po), liet bevatte hot land zuidwanrts van den Po tot aan do Apennijnen on don Kubico, en werd bewoond door do volkstammen dor Boiërs (in wier land men de steden Placentia, Panna, Mutina en llonoiiia vond), en do Digonoil (met de steden Ravenna, Forum-Cornelii, Favontia, Solona, Fornm-l.ivii, Foinm-Pojiilii en Cesena).

Het eigenlijke Italië.

liet eigenlijke Italië (Italia) strekte zich van de Apennijnen en den Kubico tot aan do rivieren der Silarus en Frento uit. Do hier wonende volken waren uit Gallische, Griokscho stannuon te zamongestold en ten dooie ook mot Iberiërs vermengd.

Het eigenlijke Italië splitste zich in de volgende landsehappon : 1 Ktrurië, \'i Um-

417

-ocr page 440-

(irtU.USTKEIUlK WF,RKLDGKSCIIIKDl\'.NlS.

briö, 3 l\'iconum, \'i Samniiim, 5 Latinm on (i Campania. Ton opzichte van do 11^-jfinif iljftr gftwoston verwijzen wij naar ilii des botreffendft kaart.

1. Etmnë. Het wen! door de Mniriiirs of Ktrnsknn bewoond, die zicii in 12 vorschillcndr stammen deelden, van welken ieder eene eigene hoofdstad bad. De namen ilaarvan waren: Volsinii, Clusimn, IVrusia, Cortona , Aretimn, Falerii, Volaterne, Votuloninm, Uoii-sellie, Veji, Tarquinii en Core. Behalve deze steden, hebben wij in Etrnrië nog op te merken, aan ile kust: I\'lsa-, Pertus-TIercnlis, Libnrni, Populania, Tolamon, Cnsa, (JuntnmcftllM\' en Alsinm; in het binnenland: Nepete, Sutriuin, Falerii-Fallscornm , l\'annm Voltmnna!, irortannm, lli\'rbannm, Suana, Satnraia, Senie-Jnlia\', Floientia, Fesnbr, I\'istoria, Luca.

2. Utubrir. He inwoners van Uinbrië waren de Senonen. in wier land men de steden Ariminnm, l\'i.saurnm, Fannm-FortuncB en Sona-Clallica vond; en de Cmbriërs,

gevi\'.stigd o. a. in de steden Urbinnm, ITortonso, Sentinum, inguviimi, Mnvania Siioletinm , \'l\'ifernnrn, Nuceria, Camellaria, Asisium, Interamna, Narnia en Ocricuhnn.

:!, 7\'icenum. Deze door de l\'icentors bewoonde landstreek bevatte do steden: A-HCOna , (\'astrnm-NTovum , (\'antollam-Traontinnin , Auximum , Septempeda, Tollentinnm, I\'irmnin • I\'ircnnm , Ascnlnm-i\'icemim en Atria.

4. Sawnium. Dit landschap werd door eene menigte volken bewoi.nd, van wolken di\' Sanuiirti\'ii de grootste macht bezaten. Aan hon behoorden de steden Hoviainnn Aesernia, Sepinnm , Allifie en Tolesia. Hfthalve de Kanmieten , vinden wy hier nog de velgi\'inle volkeren: de Vestinen (met do steden Angnlns, Pinna en A via); de Marn-einen (tnot de stad Teate); do Peligniërs (met de steden Corfinium en Snlmo); di\' Marsen (met do steden Alba-Fncontla en Marubium); de Frentanen (met de steden

418

-ocr page 441-

1TA1.IK (in DUN UlSTOIltSdllKN SAOKNTtJI)).

Ortona, Anxamnni en Ilistonium); on de llir))itieii (inct do stednn Hoiifvontum, Kqnus , Tuticus, Abollinum on Compsa).

rgt;. haLlum. Ook dit landschap word door vidn volkon lunvoond , ondnr widkon dc Latinnii (Latijnon) ons hot mooste belang inboezemon, linn bohoordrtn di\' steden lionin (Koma), Titnir, Prenesto, Oabii, Tusculum , Aricia, Lannvinni, Alha-I.onga, Lavinium, Lau-rentum, Ostia en Antemna1. Tlebalvo de Latijnon, vinden wij bier nog de navolgende volken: de Sabinen (Sabijnen), die tot hunne bezittingen de stad Cures (later Koate) rekenden; do b\'ntulen o. a. gevestigd in de stad Ardea; de AOciniër.s, aan wien de steden Snbiaci c^n Carseoli toobnhoorden; de llerniciërs, wier gebied de steden Ala-trium, Verube en Forentinum bevatte; de Volscen, in wier gebied men de steden Antium , (Urcoum en Terracina opmorkte ; en de Ansoniërs, bewoners der steden C\'ajeta , Fundi on Forinia),

0. Campania. In deze door de (\'ampaners bewoonde kleine, maar allerbekoorlijkste en vruchtbare landstreek lagen de volgende .steden: Liternnin, iiaja, Misennin, Nea-polis, llerciihineuin, l\'onipoji, Snrrentiuin , (\'apua, Stabhe en Nola. De steden Saler num en l\'icentia waren twee door de Ficenters (hier l\'icentinen genoemd) gestichte volkplantingen.

Groot-Griekenland.

liet gedeelte van \'t schieniiland, hetwelk zich van het eigenlijke Italië tot aan de zuidpunt des lands uitstrekt, boette destijds (I root-flriekenland, omdat bet een groot gelid van \'irieksche steden bevatte, en do inwoners ineerendeels van Uriekscbon oorsprong waren, liet bestond nit do vier landschappen Apnlië, (!alabrië, bncanië en Uruttië.

I . Apulir. Hierin lagen do steden Toanuni-Apnlum, Geryon, Sipnntnin, buceria, Aequnlannni, Arpi, Ascnhun-Apulnm, Vennsia, Aeherontia, (\'annsiuni, (\'annie, Salapia, Rubi, Barium.

\'i. (\'alabrir. Do steden van dit gewest waren: lïrnmlusinm, llidrnntmn, Castrnm-Minorvaï, (\'allipolis, Tarentum, Neritnm, Aletinm.

•\'!. fjucanic. Tn deze strook vond men de steden l\'astnm , Velia, linrentmn, Meta-pontnm , Uerakloa, Sybaris, IVitentia, (frnmentum.

\'t. UruUÏ,-. Opmerking verdienen de steden: Cerilli, Clampetia, Teinsa, Terina, Lametia, Scyllenm, Ifbegiom , Locri, Canlonia, Scylatium, Oroto, l\'etiliii en Unsciannm.

E t r u r i ë.

Op het bekoorlijke Italiaanscho schiereiland woonden in de oudste tijden menigvuldige volken. Men weet echter van do meesten weinig meer dan hunne namen. Van die welke vóór de stichting van Rome do grootste streken in bezit haddon , verdienen de Ktrusken , de Latijnen on de Samnioten bijzondere vermelding.

Etruria — door do Griokon Tyrrhonia geboeton — lag aan do Tyrrheonscho zee. Het riviertje do Mara scboidilo liet van Liguria, do Apennijnen van hol. Cispadanische-Oallië, do Tiber van de lancTen di\'r IJmbriërs, Sabijnen en Latijnen.

De ingezetenen waren oen volk van gemengde afkomst, samengesteld nitllmbriërs, die seilort onheugelijke tijden in Italië gevestigd waren, afstammolingon der ondo

-ocr page 442-

OKÏt.r,CSTRBRRI)fi WF.aEI.I)0ESCHIEDRNTS.

420

Tyrrhenu.s herwaarts gekomen Lydiërs, (Vergeljjk bladz. 299) en uit nakomelingen der Rasenon , waarschijnlijk een uit lihetiö afgezakt volk. Daarbij zullen nog landverhuizers

i

\'v:

I I I

li

uit rtront-öriokoniand zijn gekomen, en uit dien hoofde is het te verklaren, dat wij met betrekking tot velerlei instellingen, godsdienst cn beschaving oone vermenging a;uitigt;iïi\'ii van Chaideouwscho elementen met Grieksclio, oven als oene eigenaar-

.k

-ocr page 443-

T

digo taal en hot schrift dor Etrnskon, dat mon tot nog toe niet ontcijferd heeft.

Hot volk had aanvankelijk eon zuiver monarchalen regeeringsvorm. Doch reeds spoedig werd het koningschap afgeschaft, on trad de republiek daarvoor in do plaats. Hot goheelo land vormde twaalf van elkander onafhankelijke gemeenebesten , lucumoniën genoemd, doch die zich bij grooto staatkundige verwikkelingen, zooals bij oorlogen, vereenigden en alsdan een gemeenschappelijken aanvoerder kozen. Zulk een aanvoerder verkreeg voor don tijd waarin zijn ambt duurde, eene onbeperkte macht, ton teeken waarvan nik gemeenebest, welks troepen hij aanvoerde, hem een voltrekker der door hem opgelegde straffen toezond. Deze voltrekkers der vonnissen heetten lictoren en droegen tot teeken van hun ambt oen bundel staven, uit wier midden een bijl vooruitsprong. Dusdanige teekenen van macht over leven en dood voerden den naam van fasces.

De Etrusken onderscheidden zich reeds in do vroegste tijden door een hoogon graad van beschaving, en deze werd nog vermeerderd door Grieksche landverhuizers, die den weg naar Etrurië insloegen, evenals door verbintenissen met Korinthe. Het aanleggen van steden, landbouw, muziek en beeldende kunsten scliynen de voornaamste bestanddeelen der Etrurische beschaving geweest te zijn, maar de heerlijkste voortbrengselen van bouw-, beeldhouw- en schilderkunst worden aan de herwaarts verplante Grieken toegeschreven. De oudste Etrurische werken verraden hun Aziatischen oorsprong. Zij neigen meer tot het decoratieve dan tot de beeldhouwkunst. Er bestaan nochtans van al dio takken kostbare overblijfselen, vooral van gegoten bronswerken. Etrurische vazen, versierd met gegraveerde teekeningen, worden door de kunstkenners ep hoogen prijs gesteld.

In de bouwkunst waren de Etrusken in menig opzicht den Grieken voorbijgestreefd; en deze kunst ontwikkelde zich op eene geheel eigenaardige wijze.

Het ernstige, melancholische en dweepzieke volkskarakter hechtte inzonderheid aan godsdienstige vormen, en het gevolg daarvan, eene groote mate van bijgoloovigheid, bleef niet achter.

Nevens de vele offers, feesten en ceremoniën, waarmede men de goden meende te dienen, kregen de voorspellingen eene buitengewone kracht, want de priesters lieten dit middel niet ongebruikt om zich te doen gelden. Geene handeling van hot openbare leven mocht ondernomen worden, zonder dat do priesters quot;den wil der godenquot; uit de vlucht der vogels, het neerschieten van den bliksem, do ingewanden der offerdieren en dergelijken verkondigd hadden. Door hen was de kunst van quot;waarzoggenquot; tot een bepaald stelsel gebracht, en daar Etrnrië voor geheel Italië als do zetel der beschaving gold, kan het niet verwonderen, dat met ve^l voortreffelijks ook deze heillooze kunst binnen Rome vasten voet verwierf.

Onder de heilige boeken der Etrusken stond dat hetwelk door den demon Tayes was geschreven, bovenaan. Hij had in do lucumoniën don godsdienst en de offerloor verkondigd. Volgons deze deelden de goden, die in het Noorden woonden, zich in twee orden: de bovensten of de verhulden, anxars goheeten, en de complices, die den raad i der D2 consenles vormden, aan wier hoofd Tinea (Jupiter) stond.

iTAuió (in dkn\' irrsToaisorrnN saoentijd).

421

S a m n i u m.

Samnium werd door een volk bewoond, ontsproten uit verschillende stammen van Sabinen (Sabijnen), Poligniërs, Marsers en anderen, dat ons onder don naam van Sam-nieten bekend is geworden.

-ocr page 444-

42\'2

I )n\'/,o ingozotoiion waroii krygshaftig on vrijlicklliovmid, wooiulon in opon dorpen, diu in kaïituns voruonigd waren on oeuo sourt van oodgcnoutscliap vormden.

L a t i u m.

I\'it land, de moodursclioot van Koino, waarvan liet ook zij no taal, do Latijnsclie, ontving, word door volerloi volken bowoond, doels van Oriekschcn, deels van Galli-schen oorsprong, ton doolo voorgevondo do oor.spronkidijko bevolking uit te inakon. Veelvuldige lanilverhni/.ingen herwaarts en weer naar oldors veroorzaakten, dat oindolijk die volken en staramen hior gezeten waren, welko wij in liet gcographisch overzicht vermeldden. Zij leefden onder koningen, wier iiainon, t. w. dio van Saturnns, Janus en 1\'icus, al te gader tot de labolgescliiodcnis bchooren.

Ouder hun koning Faunns vermeldt do sago do overkomst van Grieksclio volkjilan ti\'is onder Evandor. Hij zou oeno schaar Arkudiörs aangevoerd, de stad l\'allaiitunn gebouwd en , nevens zachtere zeden on minder woeste godsdienstplechtigheden , ook hot letterschrift in het land gobracht hobbon.

Als do zoon on opvolger van Faunus wordt Latinus genoemd, naar welken de onder zijn schoptor staande volken den gemecnschappelijken naam van Latinon of Latijnen verkregen , zoodat sedert dezen tijd het door hen be woonde land den naam van Latinni voordo, Imidcns de sago is godurendo de rogoering- van koning liatinus oen schaar Trojanen, dio na Troje\'s verwoesting hun vaderland was ontweken, in Latium geland, en wol onder aanvoering van den ons welbokoiidon Aouoas (Verg, bladz, liG4). Ovoreenkonistig dezolt\'do overlovering, had Latinus, dio juist oorlog tegen de Kutulon voorde, in den beginne het vooniemon , do Trojaanscho vreeindeliiigen uit zijn land te verdrijven. Doch (oen bij bij den strijd de overtuiging bekwam, dat zij dappere, moedige en voortreftb-lijko lieden waren, verbond hij zich mot Imn aanvoerder Aeneas, en deze bewees hem in den oorlog mot do L\'utnlen zoo goede diensten, dat hij hom zijn eonig kind, Lavinia, tot vrouw gaf. Langs dozen weg kwam Aonoas na zijns schoonvaders dood in het bezit van don l.atiumsehen troon. Kloek en verstandig als hij was, regeerde hij zijne ondor-zalon op zoo voortrellbljjke wijze, dat men liom na zijn dood onder den naam van Jupiter Indigos goddelijke eerbewijzen bood. Aan Aeneas schrijft men do invoering van don Vestadionst toe, tor eere van welke godin bij voortduring een heldor brandend vuur moest onderhouden worden. Voor dezen dienst waren jonkvrouwen, do Vostaalscho maagden, .langosteld, die do gelofte van eeuwige kuischheid moesten afleggen, oone gelofte op welkor verbreking de dood stond.

tip Aeneas volgde zijn zoon Ascanius, ook Julns genoemd, die reeds to Troja geboren, zijn vader op den tocht naar Latium had vergezeld. Maar Aeneas had ook oone Latijnsclie vrouw, Lavinia, nagelaten, en wel in zwangeren staat. Wijl deze do eerzucht van haren stiefzoon vreesde, vlood zij voor hem in het woud, waar zij een zoon baarde die Aeneas Silviiis werd gonooind. Nauwelijks had de edelaardige Vsoanius dit. vernomen, of hij liet moeder en zoon opzoeken en gaf de kroon don recht-niatigen erfgenaam over. Hij «elf wilde voor zich een eigen koninkrijk grondvesten en bouwde te dien eindo eene nieuwe stad , die bij Alba-I/mga noomdo. Zij verhief zich •poeilig tot do machtigste in Latium. Doch daar do splitsing van Imn land in twee verschillende koninkrijken den Latijnen geenszins behaagde , bracht Ascanius langs den weg des vredes eene overeenkomst tot stand, waardoor Aeneas Silvias alleen koning werd • ii Alba-Longa tot residentie verwierf.

-ocr page 445-

ITAUK (in den historisciikn saoentijd).

423

Omstreeks viorhondord jaren rogoerdon do uakomolingon van Aeneas 011 Livinia bin-iiiiii het wolgologon Alba-Longa in hot ongestoord bezit Imnner macht, tot koning\' i\'rocas don troon aan zijn zoon Numitor overliet.

In zijn joiigeron broeder Amulius vond Numitor een modwlingornaar do heerschappij, en hot gevolg dozer broedertwist was, dat Amulius Numitor van den troon stiet en

diens gezin besloot uit to roeien om zich voor hot opgeweklo wraakgevoel in vn liirheid to stollen, l il dien hoofde dooddo hij Numitor\'s oonigen zoon , Kgostns, en doemde ili^\'ns zuster, lihea Silvia, tot den ilionst van Vosta, waardoor zij zich door de gcrischte av-lol\'to verplichtte om altoos maagd to hl ij von.

-ocr page 446-

424 r.RÏLLÜSTIlK.EHDR WR11EI,I)0R8CM IKDRNtS.

In weerwil editor van dezo gelofte, werd Rhea Silvia zwanger en baarde hot twoo-lingpaar Romulus en Komus, do toekomstige stichters van Komo.

Hot verhaal dar kinder- en jongelingsjaren van dit beroemde broederpaar behoort wel is waar geheel tot liet gebied der sago, maar uithoofde van bet grooto belang, betwolk do door hen gestichte stad voor de worolclgoscbiedenis beeft, vervvijlon wjj gaarne oonige oogonblikken bij deze overoude overleveringen.

Omtrekt den man dien men als den vader van Romulus en Remus aanmerkte, geeft do sage geene voldoende opheldering, want zelfs zij bericht op verschillende wijze. Volgens do ocno lezing zouAnuilius zelf zijne nicht Rhea Silvia hebben verleid om haar te gronde to richten, volgens eeno andere was god Mars do vader, eene voorstelling, die ongetwij feld ten dool had, om do beide broeders, zoo Sylvia werkelijk tweelingen had gebaard, tot halve goden te verln\'ffen. Een derde verhaal spreekt van een krijgsman, aan wien Rhi\'a Silvia, die tegen haar wil onder do Vestaalsche maagden was geplaatst, zich overgaf.

|[oe dit ook zy, Rhea Silvia voelde zich zwanger on word door Amulius in do strengste gevangenschap gehouden. Toon zij van de beide broederen verlost was, schotste Amulius het vergrijp zijner nicht met zoo donkere kleuren af, dat moeder en kindoren tor dood veroordeeld werden, liet tweelingpaar moest, volgens do sago, verdronken wordon. Derhalve werden Romulus en Komus in een baktrog gelegd on aan de voet van den borg Palatinus aan don op dat tijdstip buiten zijno oevers getreden Tiber overgegeven. Doch het water viel snol; do trog bleef aan oen boomwortel hangen, on eeno zogende wolvin , die do kinderen vond, koesterde en voedde hen, tot deze door Faustulus, \'s konings opperherder, gevonden en bij zich aan huls genomen werden. Doze sago van do wolvin schijnt. naar gewettigde vermoedens, op hot feit to bernsten, dat Acca Laurontia, Paus-tnlus\' vrouw, die de kindoren, of wol Romulus zoogde, wegens hare zinnelijkheid en liederlijkbeid don bijnaam Lupa [wolvin) voerde.

Van l\'austulns ontvingen do beide knapen do namen\' Romulus en Romus en eeno mot hunne afkomst waardige opvoeding, want \'s Konings opperherder was ton aanzien dor beide vondelingen behoorlijk ingelicht.

Romulus en Renins groeiden tot krachtvolle jongelingen op on onderscheidden zich door hun moed en verstand van alle overige herders bijzonder voordoelig.

Op zekeren tijd ontsproot een twist tusschen de herders van Numitor en die van Amulius, waarbij de beide broeders do zijdo der laatstgenoemden kozen. Hot gevolgvan deze deelneming was, dat Rcmus gevangen en voor Xnmitor gebracht werd, en dit voordo den ouden koning tot do ontdekking, dat Romulus en Remus zijne kleinzonen waren.

Na het booze bedrijf te hebben vernomen , door Amulius ten aanzien van hun grootvader gepleegd, besloten Romulus en Remus den ondergang van den troonoverwoldigor. Hot landvolk werd tot opstand aangevuurd, waarna Amulius word overvallen en gedood. Numitor besteeg nu weder den troon van Alba-Longa, waarvan hij zoo lang verdreven was. Uit darikbaarbfid stemde bij toe in de wenschen1 zijnor boido kleinzonen, om eeno eigene stad t.\' bouwen, waartoe hij bun het door versclieideno heuvelen bedekte oord aan den Tiber schonk , waar zij waren grootgebracht.

Romulus quot;ii R\'-mus verzamelden vorscliillendo bewoners uit liet Latgnseho gebied rondom zich . in/.ondi\'rheid nazaten der Trojanen en legden toen (\'21 April 751! vóór Christus), door het bouwen van oen aantal huizen, de grondslagen voor het later zoo machtige Rome.

-ocr page 447-

ROME,

Onder de koningen.

(75.\'!—50!\' vóór Christus).

1

arwyl do gescliiedenis lugt;t beold dor vroegere weroldhoiTSChoros , hottrotsclio Kmn^, ^ ^Pontsluiort, ontwaren wij hot in do historie ougcövctnaarde viTschijiiscl, dat i)i den j ^korton tijd van weinigo eenwon uit do bowonors van oonige kleine hutten oen volk ontstaat , dat drie worolddeolen ojulor zijn zwaard iloet buigen on oen rijk sticht, \'t wolk de geheele bekende wereld omvat.

En wanneer men nu vraagt, waardoor Rome geworden is wat het is geweest. moeten wij antwoorden : o. a. door do weldaad eener vrije staatsregeling, door do kracht der volksheerschappij, door het onmiskenbare feit dat vrije burgers willig voor \'t vaderland do grootste opofferingen veil hebben.

Gedurende de geheelo eerste eenw, en zelfs nog een geruimen tijd daarna, behoort do Homoinsche geschiedenis tot het gebied der sage, en dit is ook het geval mot het verhaal van do stichting der stad. Doch uithoofde onzer meermalen aangovoordo beschouwingen , mogen wij dit geenszins stilzwijgend voorbijgaan.

De beide broeders, luidde het, kwamen reeds terstond met elkander in verschil over ilo plok waar zij met bonwon moesten beginnen. Eomulus stomde voor den Palatijnschen , 1\'emus voor don Avontijnschen heuvel. Even oneenig waren zij over den toekomstigen naam der stad, want elk was or op uit om zijn naam aan hare stichting te verbinden. Op raad van hun grootvader, lieten zij do beslissing aan df goden over. Wie van hen beiden op een bepaald tijdstip do eerste vlucht of liet grootste aantal arenden zou ontwaren, zou kinnen beslissen over alle opgekomen vragen.

Romus zag hot eerst zes arenden vliegen , maar weinige oogenblikken later Rimnlus twaalf. Do wil der goden was derhalyo weder twijfelachtig, on daardoor ontstond tus-schon beide broederen een stryd , die daarmede eindigde . dat Komulns Romus versloeg.

Volgens een ander verhaal zon deze doodslag eerst Inter plants gevonden hebben, nadat do muren dor stad roods opgetrokken .varen. Renins zon namelijk over de gering\'\'

-ocr page 448-

tül) O KÏLLUSTH KRBDR VVBKKLDGESCUIFDENIS.

lioogto der muron golachon liebbon, 011 — om zijn spottend gedrag nog duidelijker aan den dag te loggen daarover gesprongen zijn. liet verhaal zegt vorder, dat Konmlus hierdoor zoo in woede ontstak, dat hij zijn broeder doodsloeg en daarbij uitriep: quot;dit zal elk wedervaren die over mijne muren wil springen.quot;

Hoe dit zij — Mommson heeft onlangs betoogd , dat Bemus in werkelijkheid niet heeft bestaan — Eomulus bleef meester binnen de nieuwe stad, die hij op don Pala tijnschon heuvel grondvestte en naar zich Roma (Rome) noemde.

Tallooze plechtigheden gingen het leggen dor grondslagen vooraf. Nadat men den goden geolferd had, verklaarde Romulus den adelaar voor het ondorscheidingsteeken dei-stad. Hierop word do grondvlakte afgebakend en daarmede de richting aangewezen, die do stadsmuur zou volgen. Waar eeiie poort zou staan werd geene groeve getrokken, maar de ploeg opgeheven en verder gedragen, en op deze wijze ontstond van het l.atijnsclie woord porlare (dragen) de Romeinsche benaming porta (de poort).

llcL gansche volk volgde den ploeg en gooide de aardkluiten, die hij opwierp, naaide stadzijde. Do beide dieren, door wier gemeenschappelijk trekken onder het juk een beeld van \'t huwelijk als middel om de \'stad te bevolken, werd gegeven, offerde men na afloop der ceromonie aan de goden.

Na deze en andere plochtighoden begon de bouw der huizen, die nochtans weinig vertooning maakten en niet beter dan hutten uitzagen. Hun getal beliep nauwelijks een duizend, en nochtans vond in doze stulpen de geboorte plaats van eone wereldheerschappij.

Daar van Remus geene sprake als bewindvoerder kon zijn, bleef do heerschappij berusten bij lïomulus, welke uit dien hoofde als de eerste koning van Rome wordt aangemerkt. Do geheele bevolking Txvstond uit weinig meer dan .\'SIIOO mannen.

linmulus had zich door zijno volgelingen tot regent laten kiezen, want liij was verstandig genoeg aan de kolonisten do bepaling over te laten hoe zij bestuurd wilden worden. Zij hadden toch beslist, dat Romo een koninkrijk zou zijn, waarvan de monarch door ki\'nze zon worden benoemd, en zoo werd Romulus hot opperhoofd van een klein rijk, dat zich onderscheidde door de eigenaardigheid een staat te zijn geworden alvorens het een volk bezat.

liomulus was eon man zooals de jeugdige\'kolonie behoefde om eens in de wereld-gcsi-hiedonis eene groote rol tn spelen : kloek , krachtig en zich zijn streven volkomen bewust Zijne eerste zorg gold de vermeerdering der bevolking. De gewone wijze daarkv door liet bevorderen van liuwelijken , zelfs met invoering der veelwijverij, duurde te lang. Koine mocht niet een menschenleeftijd lang een nietig steedje blijven. Hij verklaard^ liome tot eene vrijplaats (u.syl\') voor verdrukten en vervolgden uit alle landen en volken. Kn zie, luit duurde niet lang, of er stroomden van alle zijden nieuwe bewoners toe, en onder hen schuldenaars die niet aan hunne verplichtingen voldoen konden of wil den, gevluchte slaven, moordenaars, dieven en gepeupel van allerlei slag. Niettemin heei-srlite bij de meerderheid van Koine\'s bevolking de wensch om onder een vrij bestuur en beschermende wetten een geregeld leven te leiden, waartoe voor hen op hun geboorte gr.....I geene gelegenheid bestond. Immers, niet de minste gruwelen staan geboekt waartoe dit hyeengeloopen volk aanleiding heeft gegeven.

Iioinnlus zelf schijnt do toe^e,stroomde vreemdelingen aanvankelijk weinig vertrouwd te hebben, want hij wees hini als woonplaats den Saturnijnscheu heuvel aan. Doeli welhaast bouwde hij aldaar tot versterking der stad eeu sterken burg, breidde Rome\'.-ringinunr ook om dien heuvel uit en maakte do bewoners van de nieuwe kolonie tot werkeüjke burgers van Romo.

-ocr page 449-

ROME (IN DUN HISTOIUSCHEN SAGENTIJl)).

427

Maar Romulus zag ook in, dat hot zijn jeugtligon staat aan hot voornaamste uiiddol tot voortplanting ontbrak: aan vrouwen. Nadat zijne aanzooken om woderzydstho huwelijken door do naburige volkoren met hoon en verachting van de hand waren gewezen, lm-

sloot hij uit dien hoofde om zijne burgers door list en geweld in het hezit van echt-genooteu te stellen. Te dien einde liet hij een groot feest aankondigen, dat ettelijke dagen achtereen mot kampspelen van allerlei aard gevierd zou worden. Hetgeen Komulus

-ocr page 450-

OKÏI.IXSTItUKKDK WKHRIjDO KSCII! KDKNIS.

had vorwaclit, gebeurde. Vole inanimii, vrouwon en dochters uit do naburige landstreken, inzonderheid uit het volk der Sabijnen, lieten zich als toeschouwers vinden. Op don laat-sten dag van \'t feest stortten , op oen gegeven sein, de Romeinen met blanke zwaarden onderdo talrijke toeschouwers, roofden op deze wijze omstreeks 700 meisjes en sleepten haar als echtgenooten naar hunne woningen.

Deze, onder den naam van den Sabijnschen maagdenroof bekende gewelddadigheid riep verscheidene naburige volken tegen den nieuwen staat in de wapenen. Doch terwijl de Sabijnen er de voorkeur aan gaven om door vredelievende, ofschoon niets vermogende onderhandelingen de uitlevering van hunne geroofde dochters to bewerken, vingen de ingezetenen van Cenina, Crnstinninium en Antemmo een openbaren strijd tegen do Romeinen aan. Romulus overwon allereerst de Cenim.ers, doordien hij hun koning Acron in een tweekamp versloeg.

Die zegepraal was van niet gering belang, omdat zij aanleiding gaf tot liet invoeren der openbare triomfen. Romulus had namelijk de gelofte gedaan aan Jupiter do wapenen van zijn tegenstander te wijden . ingeval hij Acron overwon. Toen dus do koning der Ceninzors door de hand van Romulus was gevallen, liet deze een grooten eik vellen , om den stam tot een standaard voor de uitrusting te bezigen en hing met eigene hand het zege toeken op do hiertoe verkozen plaats. Zich tot do plechtigheid gereed makende, sierde hii zijn hoofd met een lauwerkrans, en terwijl hij dus majestueus de trofee voor zich uitdroeg, hief de vroolijk gestemde krijgsschaar zegeliedoren aan. Op dezo wijze word hot voorbeeld tot do Romeinscho triomftochten gegeven. Jupiter verkreeg naar de hom gewijde wapenrusting van den verslagene don naam Peretrius (van J\'erire, slaan), on do wapenrusting die oen veldheer eigenhandig oen ander bad afgenomen, noemde men sedert dozen tijd spolia opitna. van xpoKum, den buit, en opus, de daad.

Do stad Cenina werd verwoest, doch hare bewoners verplaatste Romulus naar Rome, waar hij hun gelijke rechten met do oudste burgers inruimde, en derhalve tot Romeinen maakte, een lot, hetwelk ook do bewoners van Crustuminium en Antemnao trof, nadat ook zij overwonnen en hunne stoden verwoest waren.

Door dezo handelwijze bracht Romnlus ongeloofelijk veel toe tot uitbreiding en vor-st.orking van zijn jongen staat; want door deze welwillende bejegening on wegens do vrije in-stollingon van don nieuwen staat voelden verschillonde overwonnen stammen zich bewogen naar Rome to verhuizen. Naar landen\', waar recht, wot en vrijheid heerschen, trokken landverhuizers bij voorkeur.

Onder zoodanige nederzettingen is in do eerste plaats die van don Etrurischon veldheer (\'elins merkwaardig. Flij voerde de hem endorworpon scharen naar Rome en bouwde daar up eeno derde hoogte, die naar hem do Colische heuvel werd genoemd, eeno nieuwe wijk.

Eindelyk begonnen ook do Sabgnon deo oorlog tegen Rome. Met 25,000 man te voet en 1000 to paard, rukte hun koning Titus Tatius tegen Romulus op , die tegenover bon, trots de hem door zijn grootvader Numitor verleende hulptroepen, niet moer dan \'20,000 man voetvolk ■■n lt;S0() ruiters stellon kon. Daarbij gelukte het den Sabgnen door verraad Rome\'s sterken burg, op don Saturngnschen heuvel in te nemen.

Hot bevel daarbinnen voerde do Bomein Spurius Tarpejus, en \'t was diens eigen dochter welke zich door do gouden sieraden, die do Sabgnen aan den linkerarm droegen . tot het verraad liet vorloiden. Toen het meisje namelijk op zekeren tijd den burg verliet, mn water voor een offer aan de goden te halen . beloofde zij aan een Sabijn , zijn landzaten

vesting te openen . wanneer deze haar do voorwerpen wilden schenken die zij aan don linkerarm droegen. De Sabgnen bdoofden liet, en Tarpoja liet bon heimelijk binnen.

428

-ocr page 451-

UOMH (tN I)K\\\' HtSTOniSCIIF.N SAORNTIJd).

Maar de vorraderes ontging do welvordiondo straf niot. Iminors. de Sabijnen zelvcu, verontwaardigd over hot afschuwelijk verraad, wierpen na het innemen van den burg Imnno zware schilden, die zjj eveneens aan den linkerarm droegen, op Tarpeja, zoodat deze door de zwaarte van zooveel metaal verpletterd werd.

Naar het verraad van Tarpeja, bekwam de Saturnijnsche heuvel don imam van Tar-pejische rots, en zelts later toon men do hoogte Capitolünschon berg noemde, behield de steilste glooiing den aan Tarpeja ontleenden naam. \'I Was van dio plek Jat staats-misdadigers in do diepte werden geslingerd.

Door Tarpeja\'s verraad zou liomo wellicht verloren zijn gegaan, zoo niet degeroofde Sabijnsche schoonon, van wolkoi velen roods moeders waren geworden, eeno verzoening tusschon de Romeinen en de Sabijnen hadden bewerkt. Want, het gevaar voorbijziendo, wierpen zij zich tusschon do strijdende mannon en bezwoeren hwi een kamp op te geven, die haar — hoe ook de afloop daarvan mocht zijn — ongelukkig moest maken. Inimors, óf zij verloren daardoor hare bloedverwanten en broeders, óf de vaders van hare kinderen.

Do verzoening die op deze wijze tusschon de Komeinen en Sabijnen totstandkwam, voorde later tot eene volkomen samonsmolting dor beide volken. Voer als nog worden omtrent de vereeniging van beiden de volgende punten vastgesteld. Eomulus en Titus ïatius zouden gemeenschappelijk regeeren en hunne residentio binnen Rome houden, de eerste op den Palatijnschen, de tweede op den Tarpojischen lieuvel. Ook worden de Sabjjnen burgers dor stad. Deze behield don naam Koma, en elk burger zou zijn fen Komein, maar hot volk als geheel zou den naam van tiuiriton vooron.

De naam Quiriten, welke tot dion tijd den Sabijnen had behoord, meent. men. was afkomstig van hunne hoofdstad Cures. Anderen echter vooronderstellen , dat Quiriten oene afleiding is van Qnirinus. den naam eenor Sabijnscho godheid, met waarschgnljjk geljjke eigenschappen als aan den Griekschen krijgsgod Ares of don Romeinschon Mars worden toegeschreven.

Deze gemeenschappelijke rogeering duurde slechts vijfjaren, naardien Titius Tatius na verloop van dezen tijd den dood vond, en Romulus sedert de alleenheerschappij behield. Do stichter-koning voordo tijdens en na de gemeenschappolijke rogeering gelukkige oorlogen tegen do omwonende volken, inzonderheid tegen do bewoners der stad Cameria on togen de Fidonaten en Vejenton. Daardoor word hot Romeinscho gebied allerbolang-lijkst vergroot, en ongetwijfeld zouden wij Romulus op eene nog grooteren trap van historische vermaardheid aanschouwen, ware hij niet ton laatste hoogmoedig, eigenmachtig on despotisch geworden. Mot dozo verandering van zijn karakter verzwonden zijn trelnk en zijn room. Onbekend zijn ons zijne verdere handolingon goblevon, ja do goschiedonis verkeert zelfs over do wijze van zijn afsterven in hot onzekere.

Konigon verhalen, dat Romulus wegons zijne despotische handolingon heimelijk igt; vermoord geworden. Do overlevering echter zegt, dat hij, eens op eene vlakte vóór do stad oone wapenschouwing houdondo, plotseling door oen hevig on weder, vergezeld dooi een niet minder hevigen slagregen en hagelbui, werd overvallen, zoodat de gohoole volksmenigte uiteen word gedreven. Toen hot weder woêr opklaarde, en de verstrooiden bijeenkwamen , was Romulus verdwenen. Om het volk, dat de waarheid wellicht vermoedde, to stillen. gaf uien voor, dat Romulus, na gedurondo hot onwodor door eeno vlam te zijn omringd, naar don hemel was opgevoerd, waaruit hij. als eon zoon van Majrs, afstamde. Kort daarop trad een gunstig bekend raadsheer, Julius IVoculus geheeten, op en verhaalde, dat Romulus hem in oone goddelijke godaanto was vorsi honen en tot hein had gezegd:

420

-ocr page 452-

4;{0 a KÏr.rxsTRkkiidr weuki.imiesouiedunis.

quot;Ga tot do Romoiuon on zeg hnn, dat zoo zij bfiradenhoid ou moed bewaren, zij tot do hoogste menschelijke macht zullen opklimmen. Ik zelf zal als hun beschermgod Quirinus ovor hen blijven waken.quot;

Volgens eene tusschen de Romeinen on Sabjjnen getroffen overeenkomst, moes ton de

eorstgenoemdon lot opvolger vah Roinnltls nbtl tnan nil, den stam der laatstgenoonidon kii\'zon. Delvenze viel op den door welwillendheid en vorstand even berooindi-n schoonzoon van Titns Tatius, den waardigim Nimia Pompilins,

• lolukkig hot rijk, welks koning oen echt wijsgeer is, en Mnma was het. Zijne voor Unme zegenrijke instellingen bohooren tot do goschiodenis dor Itoschaving, daar do wijze

-ocr page 453-

ROMK (IN DUN IIISTOIITSCUEN SAGKNTUD),

koning, wiens noigingon hora den vrodo doden vorkiozon, zoor wol inzag, dat niets den jeugdigen staat grooter heil kon aanbrengen dan hot verstorkon van do innorlijko kracht. Alzoo begon hij met hot rogolen van allo godsdionstigo en burgorljjko instol-lingon. Voor dit doel bestooddo Nuina al zijne krachten.

Do sago bericht, dat Nnma, die vroeger als oen eonvondig burger te Cures loefdo, bij zijno omzwervingen langs borg en dal de vriendschap had gewonnen dor bronnimf Egeria, mot wolko hij ook als koning nachtolijko byoonkomsten onderhiold.

Zij stond hem met haar wijzen raad ter zij do on openbaarde hom velerlei gohoimonis-sen on den wil dor goden. Zij deelde hom mede, dat Jupiter geono bloedige oilers, vooral geene menschonoiïers, verlangde, en dien ton gevolge worden in de plaats der laatsten, dien god voortaan in den regel alleen symbolen geofferd, en slechts somtijds dieren.

Numa l\'ompilius\' opvolger, \'l\'nllus Hostilins, een krijgshaftig man, versclieon (e rechter tijd om hot bloeiende Romeinscho volk niet door een te huigdiirigen vrede te doen indoniinelon. Hij besloot de Romeinen tot nieuwe ovorwimiingen te vocivn , nadali hij vooraf de liefde des volks had gewonnen door talrijke landerijen , die tot hiertoe kroondomeinen waren geweest, zonder eenige verplichtingen, onder zulke burgers te verdoelen , die nog geen landbezit verworven liaddon.

Kene aanleiding tot oorlog was spoedig gevonden. Alba-Longa, de moederstad van Rome, werd verteerd door ijverzucht wegens den heerlijken bloei van do nieuwe hoofd stad aan den Tiber. Daardoor ontstonden op beide zijden botsingen, en eindelijk oen oorlog. Alba-ljonga en Rome zagen in, dat beide staten geenszins geruimon tijd nevens elkander bestaan konden. Slechts een van hen kon voortbloeien, en zoo kwam men overeen, dat over de vraag: welke naam van de beide slaton uit de geschiedenis zou verdwijnen, niet het voortzetten van den oorlog, maar oen strijd tusschen eenige uiige lezen buigors van beide partijen tot de beslissing zou voeren. Dien ton gevolge koos men uit elk der tegenover elkander staande legers drie krijgslieden en stolde vast , dat het volk welks kampvechters zouden overwonnen worden, zich aan de overwiinmndd partij zonder verder beding, zou onderwerpen.

Do keus van elk der beide legers viel op drie broeders. Op do Albanische zijde waren hot do drie zonen van Curiatius, op Romeinscho zijde do drie zonen van Hora tins, en uit dien hoofde noemt men den strijd, die thans tnssehen de zes kampvechters om het lot van beide staten werd aangegaan, den strijd^ der Iloratiörs en (\'nriatiörs.

Do voor don strijd uitgekozen jongelingen bostonden •— volgens do vrij fabelachtige overlevering — elkander zeer nauw in den bloede. De sage luidt aldus; Saquinius, een burger van Alba-Longa, had twee dochters. Kene van baar huwde liij uit aan een Albaniër, mot name (Juriatius, do andere aan lloratius, eon Romeinsch burger. Heide zusters kwamen te zelfder tijd in hot kraambed. Kik van haar baarde toen drie zonen, en hot waren deze zes jongelingen, die verkozen werden om het lot van beide staten te, beslissen.

De strijd vond met al de plechtigheid van eeno belangrijke staatsaangelegenheid plaats, in hot gezicht dor beide tegenover elkander staande legers. Xadat de kampvoch-tors, alvorens het gevecht te beginnen, elkander met teekenon van do innigste vriendschap hadden omarmd en zóó der hrooderliefdo hunne laatste schatting betaald, gaf een bepaald sein het toeken om den strijd voor \'t welzijn des vaderlands, dat niet dan door bloed gekocht kon worden, aan te vangen.

De kampvecliters stortten zirh op elkander. Lang vochten zij met gelijke verhitte-

-ocr page 454-

GEÏLIX\'STHEED f, WEHEl.DGESCHIF, DENIS.

ring en gelijk voordeel. Eindelijk zonk een der hunnen ter aarde, en kort daarop oon tweede. Ken jubelkreet weergalmde uit het Albaanscho kamp, terwijl do Romeinen met somboro blikken op den laatste hunner strijders, hun eenige hoop, nederzagen. Doch deze stond nog ongekwetst en in frissche kracht, terwijl de drie Albaniörs uit talrijke wonden bloedden, zoodat een van hen zich nauwelijks staande kon houden.

Op eenmaal zag men den Romein wijken, doch niet uit lafheid, maar uit list. Hij wilde zich laten vervolgen, wel voorziende, dat zijne tegenstanders uithoofde hunner wondon , die bij den een zwaarder dan bij den ander waren, uit elkander zouden geraken. Nauwelijks zag hij zijne list gelukt, of hij keerde zich om en wierp zich mot onverzwakte kracht op den naastbijzijnde der hem vervolgende Albaniörs. Deze viel. Do Romeinen schepten hoop. Thans rende de moedige Jloratiër op zijn tweeden vijand aan. en onder het wydklinkond vreugdegejuich der Romeinen zonk ook dezo ter

aarde. De overwinning was bevochten, want toen eindelijk ook de zwaar-gewonde derde (,\'uratiër kwam aanhinken, werd deze met geringe moeite neergovold.

De blijdschap dor Romeinen uitte zich in luide geestdrift voor den gelukkigen overwinnaar. Men liep op hem toe, omarmde hem en leidde hem in triomf binnen do stad, die hij gen\'d had. Aan do poort ontmoette hem zijne zuster , die aan een dor gesnouvold\' CuratiiTS was verloofd. Toen zij daarbij in do trofee van haren broeder ook den wapenrok ontwaarde , dien zij met eigen hand voor haar bruidegom had vervaardigd , kon zij hare smart niet bedwingen en riep vol droefheid don naam van haar gevallon minnaar uit. Daarover ontstak do zegepralende broeder, wiens hart dronken was van trots on den behaalden roem, in den hovigsten toorn. Verwoed schreeuwde hij zijne zuster in quot;t oor; quot;Vaar hoen tot uw bruidegom, met de ontijdige liefde, die don bronder vergeet, den levende om den doode, evenals het welzijn van quot;t vaderland. \' En mot dezo woorden stiet hy /ijquot; zwaard in hare borst,

-ocr page 455-

HOME (IN DUN HiaTOlllSCHEN S AG RNTUI)).

In weerwil van zijne verdienste ton opzichte van don staat, waren de rechters rechtvaardig genoeg , om den zustermnorder ter dood te veroordoelen, zooals de wet gebood. Kerst toon hij zich op hot volk beriep, word deze doodstraf in die van hot juk ver-anderd, oeno wijze van straf, waarvan wij later zullen spreken.

Alba-Longa begaf zich onder Homo\'s heerschappij. Doch niet dan met wrevel verdroegen do Albaniërs het liomeinsche bewind, en hun veldheer Faffotius smeedde in stilte hot plan om hot to vornietigon. Tot dit einde hitste hij do Vejonten en Fidenaten op tot oen oorlog tegon Rome, waarbij iiij hun de belofte deed om zich godurondo don te verwachten veldslag- bij hen to voegen. Tullus I lostilius ontdekte hot verraad eerst in hot gewoel van den slag, toen Puffetius, in strijd mot \'skonings bevolen, met zijne scharen werkeloos terugtrok, om af to wachten naar welke zij do do overwinning zich zou verklaren. Door deze bewoging word \'s vijands moed blijkbaar verhoogd. Maar het doorzicht des Bomeinschen konings deed hom spoedig het middel aan de hand, dit verraad tot zijn voordeel aan te wenden. Met luider stomme, zoodat beide legers hot kondon hooren, riep hij;

quot;Moed, Romeinen! Ziot naar do Albaniërs, die op mijn bevel ginds iieontrokkon, om zich te midden dor vijanden te werpen.quot;

liij deze woorden waande het vijandelijk leger in oen strik van den Albaanschen veldheer verward te zijn. Aan do Vejonten en Fidenaten ontzonk do mood, en de Romeinen behaalden eono schitterende overwinning.

Vruchteloos spreidde Fuiïotius bij do vervolging den grootsten ijver ten toon, ten einde zijn verraad to bemantelen. Eeno vreesolijke straf word hem don volgenden dag bereid, want op Tullius\' bevel werd hij door paarden lovend vaneen gereten. Ook zijne medeschuldigen ondergingen do doodstraf, maar op oene minder ontzettende wijze.

Ook Alba-Longa moest booten voor hot kwaad door zijn veldheer bedoeld, want Tullus Hostilius wilde iedere verdere poging tot opstand in den wortel smoren. Derhalve liet hij deze oude stad ton gronde vorwoeston. Hare bewoners liet hij naar Homo overbrengen, waar liij hun don Coolischen heuvel tot woonplaats aanwees.

Daardoor en door voorspoedige oorlogen tegen de Sahijnen on Latijnen wies Rome\'s macht tot zoodanige hoogte, dat allo naburige volken met grooto bezorgdheid voor hun bestaan vervuld werden. Tot \'s vijands geluk verviel Tullus in het laatste tijdperk zijns levens in oeno godsdienstige dweepzucht, die zijn strijdbaarheid geheel vernietigde; on zijn opvolger, Ancus Marcius (0-40 vóór Christus) trad te veel in do voetstappen van zijn grootvader Numa Pompilius, dan oorlogen te ondernemen, die niet door de noodzakelijkheid geboden werden.

Koning Ancus Marcius vestigde zijne aandacht boven allo aangologonliedon op de binnenlandscho macht van den staat en do zegeningen van den vrede. Ondorschoidone openbare werken werden op zijn last ondernomen , zeouls hot slaan eener liontni brug over den Tiberstroom (hot eerste gewrocht van dien aard), eeno groole gevangenis, hot aanleggen der haven van Ostia — waardoor hij voor liomo bronnon van handel en ver-koer wilde openen — on eindelijk hot versterken van Rome door het oprichten oener citadel, op don borg Janiculus aan gene zijde van den Tiber, oeno sterkte die welhaast ook binnen don omkring der nieuwe hoofdstad werd getrokken.

Do wapenrust, dio bij do Romeinen wegens do vredoliovendlieid van Ancus heorsciiio. wekte bij do naburige volken do mooning op, dat Koiuo zwak en laf was geworden. Daarom hielden zij don tijd voor gunstig, om den vroeger zoo govroesden staat don oorlog aan to doen. Sahijnen, Fidenaten, Vojenten en Volscers gordden tegon do Ronioinen

433

-ocr page 456-

(ii;ï 1,1,1 s\'ntni\'.ri)i: wkrki.ui.dsciiihoknis.

do wapenen aan. Doch Rotno bewees luin, dat hut door den tijd van rust en onder don zogen van ei^ii zorgvuldig bewind slechts te krachtiger was geworden. Do opgestann volken werden overwonnen, en Ancus vergrootte op nieuw met de onderworpenen hot getal bewoners xijner hoofdstad. Van hier, dat andermaal oenig terrein daarbij moest worden getrokken, de Aventpsohe heuvel.

Lucius Tarquinius (62Ü viwr Chr.), die don bijnaam verwierf van Priscus (du Oudo) ter onderscheiding van don lateren gelijknamingen koning, volgde Ancus Marcius, dio hem tot voogd van zijne beide zonen had benoemd, als regent op. Het volk achtte hem echter grooter en waardiger, want toon de nieuwe koning zou verkozen worden, benoemde liet hom tot deze waardigheid. Niet aan \'t blinde toeval der geboorte, maar aan do verdienste wildo het Komeinscho volk den troon inruimen.

Ten aanzien der afkomst van Lucius Tarquinius verhaalt men het volgende:

Uomaratos, een rijk koopman van Korinthe, had zijne vaderstad uithoofde van twisten die daarbinnen hoerschten, vurlaten en zich naar Ktrurië begeven, waar hij door aankoop gronden te Tarquinii verwierf. Hier trad hij in \'t huwelijk en liet oen zoon na, Lucumo gohoeten, die Tanaquil, een meisje uit een edelen Etrurisch geslacht, tot gade verwierf. Dezo Tanaquil was hoogst eerzuchtig en kon het niet verdragen, dat haar gade als vreemdeling te Tarquinii geen invloed op de algemeeno aangologen-heden kon uitoefenen. Zij bewoog hem derhalve naar Koine te trekken , waar verdienste en talenten werden gehuldigd, zonder aanzien van persoon of afkomst. Terwijl beidon op een open wagen Rome naderden, en den berg .Taniculus in het oog kregen, streek een adelaar neder, lichtte Lucumo den hoed van \'t hoofd en zweefde met luid geschreeuw boven don wagen. Daarop schoot hij op nieuw omlaag en zette den hoed weer op Lucomo\'s hoofd neder. Tanaquil. als Etrurische vrouw hoogst bjjgeloovig, was over dit toeken buitengewoon verheugd en voorspelde haar gade te Rome de schitterendste toekomst.

In do Tiberstad aangekomen, wilde Lucumo oen Romoinschen naam aannemen en noemde zich derhalve Lucius en naar zijne vaderstad (Tarquinii) Tarquinius. Zijne schitterende persoonlijke oigenschappun, waaraan hij eerje schier verkwistende mildheid verbond, doden hem de genegenheid der Romeinen en het volle vertrouwen van Ancus .Marcius winnen.

De stern des volks had nu werkelijk: den rechten man voor den troon aangewezen, want Tarquinius veroenigdu in zijn persoon de verdiensten van Numa met dio van Tullus. Keeds do eerste oorlog, dien hij togen de Latijnen moest voeren, leverde hot bewijs, dat het Romeinsche oorlogszwaard iu goede handen berustte , want do vijand word volkomen ovorwoniion en moest Rome\'s opperheerschappij erkennen. Een zelfde lot hadden de Etrusken, wier twaalf lucumoniën zich tot een oorlog tegen Tarquinius vereonigd hadden , doch tegen den mai htigen arm van hun voormaligen medeburger niet opgewassen waren

Ten bewijze dat do Etruriörs Tarquinius als hun opperheer erkenden, zonden zij hom do by hen gebruikelijke konteokenen dor koninklijke waardigheid: eeno gouden kroon, een ivoren troon, oen schepter met een adelaar op de, spits, een met goud geborduurd kleed, dat verder mot de afbeeldsels van palmtakkon was versierd, on een met allerlei bloemen doorwrocht purperen gewaad. Het volk veroorloofde Tarquinius doze sieraden to dragon, on bij zijn triomf verscheen hij daarmede op een vergulden, door vier paarden getrokken wagen, dio door twaalf lictoren, met het toeken van hun ambt bekleed , werd bogeleid.

Deze tookonen der koninklijke waardigheid bloven sedert bij do Romeinen in gebruik.

-ocr page 457-

Hot tijdperk vim rust, dat Romo na dozo voorspoedige oorlogen beleofdo, gebruikte Tarquinius tot hot instellen van doelmatige regeerhigsmaatregclen en tot het oprichten van gebouwen voor den openbaren dienst. Ten opzichte van laatstgonoemde workzaam-hoid dankte Eome dezen koning de verfraaiing van zijne marktplaats {Fornv/), waarop de openbare vergaderingen gehouden werden, den bouw van den beroemdon .(upiter-toinpel op don Tarpojischen heuvel, het aanloggen van den Circus maximus en van die groote afvoerriolen, die onder don naam van cloaken de bewondering van wlie tijdon gewekt hebben; immers nog altoos staan deze gewelven ongeschonden, en moer dan derde-

halfduizend jaren zijn niet in staat geweest een van hunne steonen uit zijnn voegen to brengen.

De Circus maximus (het Groote Kringplein) was eene voor opojibare kampspelen en lichaamsoefeningen ingerichto renbaan van aanmerkelijke uitgestrektheid en ronden vorm. Van het midden liepen banken amphitheatersgowijs boven elkander, als zitplaatsen voor de toeschouwers. De omtrok van dozen circus was zoo groot, dat hij aan\'iOOjOOO menschen plaats verleende.

Tusschen de heuvelen waarop Kome was aangelegd, vormden zich in do valleien hij regenvlagen stilstaande moerassen, die de wegen geheel onbruikbaar imiakton, en wier uitdampingen do lucht verpestten. Tarquinius vormde uit dien hoofde het plan , dil

-ocr page 458-

OKÏIiUSTKERBnK WEKKLDCESCtUKDKXlS.

water on ook al wat moest wegspoelen door ondoraardsclio kanalen buiten do stad in den Tiber to leiden. Dit werk was niet gering, want deze kanalen moesten overwelfd en zoo sterk gebouwd worden, dat zij de grootste huizen kondon dragen. Zij waren zoo hoog en breed, dat een volgeladen hooiwagen daardoor kon rijden. Dg bouw was mot de grootste mooielijkheden verbonden, doch de koning overwon haar door grooto sommen golds en bekwame ingenieurs. De kosten moeten verbazend zijn geweest, want in latere tijden bekwam de man die het schoonhouden daarvan op zich nam, tot dit einde van den staat niet minder dan duizend talenten of 1 - ton gouds.

Een gelukkige oorlog, door Tarquinius tegen de Sabijnen gevoerd, gaf aanleiding tot hot stichten van een nieuw groofsch gebouw, want de koning had bij den iaatston veldslag die toen werd geleverd, aan god Jupiter en de godinnen Juno en Minerva hot stichten van een grooten gemoenschappelijkon tempel beloofd. Do grondvlakte daarvoor werd op den Tarpejischon heuvel afgeteekend, en hiermede ontstond hot later zoo beroemde Kapitool.

Do naam Kapitool (Capilotinus) is volgens do sago op de volgende wijzo ontstaan.

Hij hot uitgraven van hot aardrijk, waar de eerste steen voor den tempel gelogd zou worden, vonden do werklieden er hot hoofd van een daar sinds lang begraven inensoh. Dit hoofd was ongeschonden gebleven, want hot bloed en de gelaatstrekken waren zoo frisch alsof de afgestorvene oven te voren was overleden. De wichelaars (augu-ren) verklaarden na dezen morkwaardigeii vond; dat Kome eens hot hoofd van geheel Italië zou zijn. Wijl nu de man die eens dat hoofd op de schouders had gedragen, \'Mus had geheeten, gaf men den heuvel tor herinnering aan dit veelbelovende wondor-teekon den naam van Capilotinus, uit do samensmelting van Caput (hoofd) on Tolus.

Het levenseinde van Tarquinius werd, even vroeselijk als onverdiend, op ontijdigi\' wyzo afgesneden. Hij was nagenoeg tachtig jaren oud geworden, toon hij op aanstoken der twee zonen van Ancns Marcins werd vermoord, daar beiden hem als do hinderpaal beschouwden, die hen van den Romeinschen troon verwijderd hield. Dozo vorstenzonen hadden hun voormaligen voogd steeds met afgunst de kroon zien dragen, wier bezit, zooals zij, ofschoon ten onrechte, meenden hun toebehoorde. Voortdurend hoopten zij. dat de dood Tarquinius zou wegnemen, doch steeds te vergeefs. Eindelijk verloren zij hot geduld en besloten don zoo zeer gowenschten dood dos konings op gewelddadige wyzo te verhaasten. Zij huurden twee moordenaars, die, als houthakker.-verkleed, met bijlen op de schouders, hot koninklijke paleis naderden on daar, naar fleno wederzijds goedgekeurde afspraak, met elkander in twist geraakten. Hetgeen zij voorzien hadden, gebeurde. De koning, die zich verplicht achtte, elk\'-n strijd in zijn-\' nabijheid te beslissen, liet beiden voor zich brengen en vorderde van hen, hom de oorzaak hunner twist mede te deelon. Terwijl Tarquinius naar het verdichte varhaal van den oenen moordonaar luisterde, bracht de andere hem met zijne bijl eon diepen .sla_r op bet hoofd toe, liet hot moordwerktuig in de wonde stoken en ontvlood.

De beide zonen van Ancns boroikt-n het oogmerk niet, dat hun tot do euveldaad had geprikkeld. Zij moesten vluchten, terwijl Tanaquil, de echtgenoot van den verslagen koning, gebruik maakte van hot oogenblik der verbijstering, om haar schoonzoon Servins Tnllius de kruon te verzekeren

Deze Servins Tnllius was, volgens eene overlevring die nochtans alle waarborgen mist, de zoon eener gevangene vrouw uit de stad Cornknlum , die Tarquinius m zijn huis had opgenomen. Servins\' vader echter wordt niet genoemd. De sage verhaalt, dat het hoofd van den knaap eens, terwijl hij sliep, door eene gloriquot; w-rl urns\'raald, die echter zoodra

43G

-ocr page 459-

110MU (IN DUN IHSTOKISCIIEN SAÜHNTIJD).

hij ontwaakte, vorblookto. Tanaquil, in \'t uitleggen van bijzondere verschynselon, wèl ervaren, verklaarde dien stralenkrans als hot teeken, dat den kleinen Sorvius eene schitterende toekomst was boschoron. Wellicht ton gevolge van dezo profetie, wellicht ook door zijn natuurlijken aanleg, verwierf de knaap zich de genegenheid van het koninklijke paar in een zoo hoogen graad, dat Ancus en Tanaquil hom als hun eigen zoon beschouwden en behandelden on hem later hunne dochter ten vrouw gaven.

Volgons een ander, meer waarschijnlijk verhaal, was Servius een Etrurisch aanvoerder , die zich te Home nederzette en zich daar gunstig onderscheidde.

Tanaquil had haar lieveling tot opvolger van haar echtgenoot uitvorkoren. Toon derhalve Tarquinius vermoord was, liot zij dadelijk het paleis sluiten en gaf bevel om niemand binnen te laten. Daarop trad zij naar het venster en verklaarde aan hot op\'t plein vergaderde volk, dat do wonde dos konings niet doodelijk was, dat hij binnen kort genezen zou zijn en den Romeinen beval om gedurende zijne ziekte Servius Tullius to gehoorzamen. Don daarop volgenden dag gaf deze, met alle teekenen der koninklijke waardigheid bekleed, een openbaar gehoor, en binnen korten tijd wist hij zoozeer de liefde dos volks to winnen , dat Tanaquil er niets mede meende te wagen, wanneer zy afkondigde, dat Tarquinius in \'t einde aan zijne wonde was gestorven en op zijn sterfbed haar schoonzoon als toekomstig koning had aangeduid. De list om zich van de kroon meester te maken was gelukt, en ditmaal althans tot heil van den staat (570 vóór Christus).

Had Servius Tallius ook de kroon uit de hand van Tanaquil aangenomen , zoo was hij toch én te rechtschapen ón te verstandig om niet te trachten \'s volks goedkeuring op dien stap to bekomen. Het was derhalve zijn ernstig streven zich bij de Komeinen bemind te maken, opdat wanneer eene verkiezing zou plaats vinden, waaraan hij zich gaarne wilde onderwerpen, men hem niet voorbij zou gaan. Te dien einde nam hij de geringe volksklasse (do plebejers), tegen do aanzienlijken (de patriciërs) in bescherming, terwijl hij niet alleen hunne schulden betaalde, maar ook do belofte aflegde, de landerijen die men den vijand had afgenomen, onder hen te verdeden. Doch Servius Tullius beloofde niet alleen, hij hield ook zijn woord. Over het geheel was hij onder Home\'s koningen die nagenoeg allen zich door groote hoedanigheden onderscheidden — de meest verdienstelijke en waardigste. Vredelievend en geheel in do voetstappon van den voortreffelijken Nu ma tredende, voerde hij slechts dan oorlog, wanneer de naburige volken hem daartoe dwongen.

Zulks geschiedde door de Vejenten en eenige andere Etrurischo stammen. Nadat hij die volken volkomen had overwonnen en hem deswegens door hot volk een triomf was toegekend, achtte hij don tijd gekomen om zich aan de voorgeschrovon verkiezing te onderwerpen; en nn smaakte hij do voldoening, dat, niettogonstaando do tegenwerking en logons van velo patriciërs, \'s volks keuze zich op hem vestigde.

Steeds do zegeningen van den vrede in het oog houdende, besloot h\\j, eene vriendschappelijke voreeniging der Sabijnsrhe, Latijnsche en andore volken niet de Komeinen tot stand te brengen. Om dit doel te bereiken, riep hjj don godsdienst te hulp en noodigde allen die hij tot bondgenooten maakte, uit, om een geineenschappelijken tempel te stichten. De Dianatompol op den Aventynschen heuvol dankte daaraan zijn ontstaan. Ken gemeenschappelijk olTerfoest, verbonden mot oen daarbij gehouden jaarmarkt, moest strekkon om do verkregen eenstemmigheid duurzaam te maken.

Het levenseinde van don moedigen Servius Tullius, was ten hoogste beklagenswaardig. 11 ij werd door zijn eigen schoonzoon vermoord, en deze beklom over het koninkiyk lijk don Romeinschen troon.

437

-ocr page 460-

rif.ïl.l.r.STIlEEKDE WKRRI.imKSCIIIKDENIS.

Do vci\'slii^\'iio Tai\'ijniiüus l\'riscus had twoo zonen volgmis andoron twoo kloin-zonon nagolaton, iliü do namen liuciius on Arnns Tarquinius voordon. Aan dozo lioidon hail Servius Tullius zijno twee dochters, beiden Tullia gehooton, ton ocht gego von, doch daarhij zoo weinig de wedorzijd.sche karakters in aanmorking genonien, dat hij don wildon on eerznchtigon Lncins aan do zachtaardige oudste Tullia, en den vrodoliovon-ilüii, goedaardlgen Arnns daarentegen aan de hoorschzuclitige, opstuivende joligere Tullia vorboiid. Hot naaste gevolg daarvan waren twee ongelukkige huwelijken. Iiucins Tar (luinius verachtte zijne vrouw om hare zachtaardigheid niet minder dan dé jongere Tullia haar man Aruns Tarquinius. Ontevreden over diens gebrek aan moed en vermetol-

hfid , sloot zij zich bij Lucius aan, en spoedig was de omgang tusschen de beide go-lijkgozindon zoo vertrouwelijk, dat zij de banden van den ocht waarin zij loofden, door bloedigo bedrijvon vorschonrden. Lucius bracht zijno vrouw , de jongere Tullia haar man om hot levon, en over do lijken van beide slachtoffers, reikten do moordenaar en do moordenares elkander de bandon tot een nieuwon echt.

De gr(jzo Servius Tullius moest het wanbedrijf ongestraft laten, want de aanhang dien de nieuwe eebtenngen onder de patriciërs hadden verworven, was groot genoeg om \'leu ouden koning bezorgd te maken. Uit dien hoofde wilde hij hot onheil dat den staat van de zijde der verbondenen bedreigde, afwenden door uit vrijen wil de koninklijke waardigheid neer te leggen en een geheel republikoinschen rogeerings-

438

-ocr page 461-

ROM K (IN DI!N IDSTOKISCIIKN SAOKNTUI)).

vorm in to voeren, doch nog vóór Inj dozo schrodo kon volbrongon, snoofdo liij modo onder de slagen zijner barbaavsclie bloedverwanten.

Onderstouiid doer zijn aanhang, beschuldigde namelijk Lucius Tarquinius den koning voor don vergaderden senaat van troonroof, terwijl hij zich oji den koninldijki\'ii zetel neerzette en eene hevige redevoering uitte over het rcgeeringsbeleid van Servies \'I\'lillius. Hij overlaadde den ouden koning niet verwijten van allerlei soort en duidde hem met de namen van slaaf, troonroover, plebejervriend en dergelijken aan. Do grijze koning snelde, op het bericht van deze aanvallen, onder eene geringe bedekking, naar den senaat mi beantwoordde de smaadredenen van den overmoedige op waardigo wijze. Kr ontstond een hevige strijd , die niemand der vergaderden den moed had te verstoren cn daarmede eindigde, dat Tarquinius den grijsaard aangreep en hem de trap af op de markt wierp. Zwaar verwond wilde de ongelukkige vorst zich, met de hulp van oenige vrienden , naar huis slepen, doch eenige door Tarquinius gebuurde moordenaars haalden hom in, wierpen zich op hem en brachten hom om \'t leven.

En nu verhaalt de overlevering ons een gruwelstuk, dat in do aan misdaden zoo rijke wereldgeschiedenis geen tegenhanger kent. I\'ullia, de dochter van den mishandehlon en vermoorden goeden koning, de voornaamste bewerkster van al dit onheil, kon het bericht van het voltooien der wandaad niet afwachten. Midden door bet rumoer reed zij naar den senaat en begroette er met opgeruimd gelaat haar man als koning. Deze bezat nog zooveel menschelijk gevoel, dat hem de blijdschap van het duivelachtige wijf hinderde. Hij beval haar terug te koeren, waaraan Tnllia zich wel wachtte niet te gehoorzamen. Op den weg huiswaarts reed het rijtuig door eene steeg, de Goede straat geheeten. Ontzet door hotgoen hij in die engte voor zich zag, hield de koetsier zijne rossen stil. quot;Waarom rijdt ge niet door?quot; vroeg Tnllia. -— quot;Meesteresquot;, antwoordde do koetsier: quot;daar ligt bet nog ademende lijk van uw vader!quot; - Tnllia werd woedend over dit verwijl. Zij greep do voetenbank die voor baar stond , sleeg den koetsier daarmede op het hoofd en schreeuwde : quot;Vooruit, vrees er niet voor om over een lijk te rijden!quot; — De man gehoorzaamde: do wielen van bet rijtuig rolden over \'t lijk van den verslagene, zoodat het omhoog-spattende bloed de kleederen der onnatuurlijke doebter bezoedelde. Sedert verbmr de straat waarin deze schanddaad plaats groep, baar naam van Goede straat om dien van Vicns Sceleratus (Verfoejelijke straat) ami te nemen.

Lucius Tarquinius verkreeg in de geschiedenis, tot onderscboiding van den vroegeren golijknamigen koning en ter aandniding van zijn trotschon, lieerscbzuchtigen aard. den bijnaam van Superbus, die door ons door Overmoedige moet vertolkt worden.

Tarquinius\' bewind was emie keten van ougerei-btigheden. wreedheden en wilb-kenriL\' bedrijven, ofschoon het niet te miskennen valt, dat vele zijie r handelingen de verm-er-dering der macht van den staat ton oogmerk hadden. Hij was een onwaardig, despotisch, doch geenszins een zwak regent.

De eerste daad van Tarquinius, nadat bij zijn schoonvader uit den weg had geruimd . was tegen het in \'t openbaar bespreken der staatsaangelepi-nheden gericht: dquot; i-n-bare volksvergaderingen werden ten strengste verboden.

Al zijne regeoringsdaden geschiedden zonder toestemming van- en rónder raadpleging met den senaat, ja bij liet een derde der leden van dit collegiquot; ombrensren , Zquot;iider in de plaats van die slachtolvers van willekeur, nieuwen te laten kiezen. Het gevolg daarvan was dat de meeste senatoren de stad verlieten, te Gabii eene wijkplaats ■ \' t- nen daardoor aan Tarquinius volledige vrijheid lieten om naar goeddunken (■ hand den. !gt;.■ overweldiger liet deze gelegenheid niet ongeb/nikt. Wie hem uithoofd \' \\an inv!.....I «f

-ocr page 462-

Gi-ÏI.U\'STItEKIlDl; WKRELIKiKSCHlIÏDENIS.

rijkdom in den wog stond, word omgebracht en liet volk tot hand- on spandiensten boneveus andere werkzaamheden verplicht, waardoor verscheidonu nionwo tompels ontstonden, on do voltooiing van hot Kapitool on der riolen word ten oinde gebracht.

Despoten zijn bevreesd: zij zien in iodoren hoek een wreker der geschonden volksrechten. Om zijn persoon tegon zulke wrekers te beschutten, omringde Tarquinius zich door eeno «torke lijfwacht, terwijl hij om oen volksopstand te voorkomen, verdragon met de naburige volken en vorston slout. Op deze wijze ontstond de zoogenoemde Latgnsche bond, die, naar vermeld wordt, 47 steden omvatte.

Als do belangrijkste krijgsondorneming van Tarquinius moet, onder vorscheiden voorspoedige oorlog-•« togen de naburige volken , hot veroveren van Clabii gerekend worden. Üe ingezotenen dier stad, door do gevluchte Komeinsche patriciërs daartoe aangevuurd, waren fel op Tarquinius en de zijnen gebeten. i»e strijd bleef zeven jaren aanhouden zonder eonig gevolg, tot het eindelijk Sextus Tarquinius, een zoon van den koning, door list en verraad gelukte, om de stad Gabii in Rome\'s macht te brengen.

Er was namelijk tusschen Sextus en den koning de afspraak gemaakt, dat de eerstgenoemde don laatste zon beleedigon, en deze hem daarvoor met roeden zou straffen. Hetgeen men door deze comedie hoopte te verkrijgen , gebeurde. De inwoners van Gabii boden hunne stad Sextus ten wijkplaats aan. Schijnbaar weifelend en eerst nadat hij zich de plechtige belofte had doen geven om hem nimmer aan Tarquinius uit te leveren, nam Sextus den voorslag aan. Te Gabii toonde hij zich een zoo hevig vijand zijns koninklijken vaders, dat de Gabenters hem een onbepaald vertrouwen schonken en eono plaats in hun leger aanboden. Maar nog achtte Sextus den tijd niet gekomen om liet masker af te werpen, terwijl Tarquinius hem in zijne rol ondersteunde door hem alle Komeinsche krijgslieden en veldheeron prijs te geven, van wien hij zich wilde ontdoen. Op di.\'ze wijze kon hot niet uitblijven dat Sextus tot opperbevelhebber van Gabii word benoemd. Xn kwam het daarop aan, om te vernemen op welke wijzo hij de stad liet best kon overleveren. Te dien einde zond hij oen slaaf aan zijn vader, met last om te vrag\'-n: wat hij doen moest? Tarquinius, te voorzichtig om den slaaf oen mondeling of schriftelijk antwoord to geven, liet don man in don tuin komen en sloeg toen aldaar, zonder een woord te spreken, aan do grootste slaapbolplanten met een stok de kruinen al\'. N\'u liet hij den man vertrekken. De slaaf deelde Sextus mede wat do koning verricht had, en de gehoorzame zoon verstond den geheimen zin van \'s vaders bedrijf volkomen.

Onder het maar al te vaak misbruikte voorwendsel oenor samenzwering op het spoor te zijn, liet hij de aanzienlijkste Gabenters ombrengen en in de daardoor ontstane verwarring voor de Romeinen de poort openen.

Tarquinius behandelde de ingezetenen, uit verstandige berekening, mot groote zachtheid en sloot zelfs met hen een nauw verbond van vriendschap.

De di\'spotieko handelwijze van Tarquinius moest zijn eigen troon ondermijnen, want een krachtig volk, dat zich bewust is vroeger vrij geweest te zijn, kan niet blijven dulden dat een enkel man mot de heiligste goederen der menschheid een moedwillig spel drijft. Tot de talrijke mannen, die in stilte over hot omverworpen der dwingelandij peinsden, behoorde in de eerste plaats Lucius Junius, oen van Tarquinius\' bloedverwanten, de zoon Vi.n een vermoord patriciër, on zelf \'s konings vervolging alleen ontkomen, door zich krankzinnig te houden, uit welken hoofde hij den naam van Hru-tu.s bad verkregen. Tot bondgenooten had hij i\'ublius Valerius, die later den naam van I\'uhlicola bekwam, en liueins Tarquinius Collatinus.

Terwijl Tarquinius oorlog tegen de Kutulen voerde (510 vóór (!hr.) en do .stad

410

-ocr page 463-

HOM K (IN DEN II1ST0K1SCI1KN SAGKNTIJD).

Ardoa bologordo, gaf Sextus zokore» dag aan zijno broeders cm bloedverwanten, onder wolken zich ook Collatinus bevond, een groot gastmaal. Gedurende dit festijn brak tiisschen do gasten een levendige twist uit over do sclioonhoid en talenten waardoor hunne vrouwen zich onderscheidden. Om dezen strijd te beslechten, kwam men in don roes overeen oiu onmiddellijk op te staan, ten einde de vrouwen to verrassen en do overtuiging te bekomen wie van haar hot nuttigste bezig was. Aan doze zou men een prijs toekennon. Allereerst ging men naar Rome. De koninklijke schoondochters verdreven zich don tijd met nitspanningen van allerlei aurd. Hierop snelde men naar Collatia, de woonplaats van Collatinus. Lucretia zat onder hare maagden en spon. Men kende haar den prijs toe en keerde naar hot leger terug.

Waar do beminnelijkheid dor schoone vrouw had in het hart van den zinnolijken Sextus een zondig verlangen opgewekt. Hij brandde naar haar bezit. Derhalve begaf hij zich op een der volgende dagen, onder oen geschikt voorwendsel, alleen naar Collatia, waar hij, als bloedverwant, gastvrij werd ontvangen. In den nacht overviel hij Lucretia en fluisterde haar in \'t oor, toen zij om hulp wilde roepen: quot;Houd u toch stil, Lucretia; ik ben Sextus Tanjuinins. Ik ben gewapend, en gij zjjt een kind des doods zoo gij schreeuwt.quot; De vrees voor den dood zou de moedige vrouw niet weerhouden hebben om hulp te roepen, maar do ellendeling uitte de bedreiging een slaaf te dooden en het lijk naakt in hare legerstede te loggen, waardoor oen elk zou moeten gelooven, dat zij in overspel met een slaaf betrapt was. Do vrees door haar man miskend te worden, sloot haar den mond, on de gruweldaad werd volvoerd.

Doch nu rees een heldenmoodig besluit op in do borst van do geschandvlekte vrouw. Zij zond boden tot haar man in \'t legerkamp en aan haar ouden vader te Rome, met hot verzoek, spoedig tot haar te komen, pik door eon vriend vergezeld , want er was iets vroeselijks gebeurd. Do oude Lucretius kwam in gezelschap van Valerius, Collatinus in dat van Brutus.

Lucretia klaagde den roever van hare eer aan, en toen men beloofde haar te wreken , stiet zij zicli een verborgen gehouden dolk in do borst. Op dit gezicht wierp Brutus zijn masker af, Hij trok het bloedige mos uit de wonde, en zijne vrienden tot eeu zelfden eed aansporende, zwoor hij, niet oer te zullen rusten voor Taniuinius en zijn geslacht verjaagd en hot koningschap vernietigd zou zijn.

Het bloed dat van den dolk droop, waarmede de hooghartige vrouw zich den dood had gegeven, viel gloeiend op do harten dor patriotten en gaf het sein tot do verdrijving van Tarquinius, hot afschaffen der koninklijke waardigheid en de grondvesting van het Romoinsche gemeenobest.

Na zijne voorgewende krankzinnigheid ter zijde gesteld to hebben, stelde Brutus zich onvervaard aan het boofd der verontwaardigde vaderlanders. Hij riep het volk bijoon, toonde hot \'t bloedige lijk ib\'r geofferde Lucretia, schetste de dwingelandij des konings en doelde het kortelings gepleegde gruwelstuk van Sextus mede. En toen nu hot goheelo volk, in woede ontbrand, om wraak riep, sprak Brutus een banvloek over hot koningschap uit.

Tullia, \'skonings ochtgenoote, was gevloden, en toen Tarquinius, bericht van den opstand bekomen hebbende, naar Rome snelde, vond lüj de poorten der stad gesloten. Het leger, daartoe door lirutus overgehaald, zeide den koning do gehoorzaamheid op. Hij moest naar Gabii vluchton, en — Homo was vrij. \'s Volks eensgezindheid had stad en land , zonder bloedvergieten , uit do ketenen der slavernij verlost.

-ocr page 464-

442 oEïi.lustreukdr wekeldgkschiedknis.

Geschiedenis der beschaving

Regeeringifvori)/. Do oorstc lilik, dien wij op de stunt der boscliaving\' worpen, moet. eone bescliouwing opleveron dor Kotneinsclio staatsinslollliigon, want vim de staatsroge-lingon van allo ondo lumlen , zelfs dio van Griekenland niet uitgezonderd, is die van Romo zonder eenigen twijfol de belangrijkste en merkwaardigste. Ja, hot is niet zonder grond, wanneer mon beweert, dat geen staat op aarde zooveel voor bet regeorings-beleid heeft gewerkt om gezorgd als lionin voor bet zijne. Rome\'s regeeringsvorni was het rnggemerg van zijn staatkundig loven.

Jammer genoeg hecrschfc over bet bovonbescbreven tijdperk te dozen opzichte een ondoordringbaar duister, want do overloveringon van Rome\'s oudste instellingen vormen een doolhof van waarschijnlijkheden , leemten en elkander tegensprekende berichten. Slechts hier on daar boort een lichtstraal door bet duister, en daarnaar willen wij beproeven, een zoo duidelijk mogelijk beeld van don Komninscben staatsvorm te ontwerpen. Mon zij dus indachtig, dat men niet elk onzer schilderingen zoo afgerond moet opnemen, als wij om duidelijk to zijn, ons veroorloven.

Als do ontwerper van don Uomoinschen staatsvorm beschouwt men don stichter der stad, Ifomulus. Zeker was do persoonlijkheid van dezen vorstandigen en krachtigen man voldoende om een volk te regeeren. Doch bij was verstandig genoeg om in te zien, dat onder zijne opvolgors ook lieden konden zijn , aan wien bet talent om hot bewind waardig to voeren, kon ontbreken, en men de wolvaart van \'t volk niet aan znlken mocht prijsgeven. Uit dien hoofde nam bij tot stelregel aan, bet volk moet zich zelf regeeren. en bet hoofd zijner rogoering, den koning, zelf kiezen. Volgens deze grondslagen was do staatsvorm, door Romulus ingesteld, oen republikeinscho met monarchale vormen. Kome was eone constitntionoelo, door de volkskeuze bepaalde monarchie.

In don beginne worden honderd mannen door het gezamenlijke volk gekozen, die den regeerenden senaat vormden en vaders (pafrex) genoemd werden. Aan dezen naam is die van patriciërs ontleend, welke de nakomelingen dezer patres zich toeeigenden.

Het gebeide volk was in drie afdeelingen gesplitst, die Irilms heetten en dio elk een tribuun aan bot hoofd hadden. Do namen dezer tribus waren: Ramnes, Titles en Luceres. Omtrent het eigenlijke wezen dezer tribus verkeert men evenzeer in het onzekere, als over den oorsprong der medegedeelde namen. Volgens sommigen waren de tribus eeiie indeeling naar volksstammen, zoodat tot do Ramnes de eerste volgelingen van Romulus, tot do Titles do inwoners van Sabijnscben en tot do Luceres die van Ktruri-sehen stam behoorden. Volgens anderen stond deze indeeling in verband mot den stand der burgers, zoodat do Ramnes de krijgslieden, de Luceres do priesters en de Titles den zoogenaamden derden stand vormden. Iedere tribus smaldeelde zich in 10 curicn, wier aanvoerders /icli curionen noemden, on elke curie weder in IO decurien, wier opperhoofden decvrionen werden genoemd.

De tribunen, curionen en decurionen mochten, evenals de leden van den senaat, alleen uit do patriciërs gekozen worden. Slechts deze oefenden bet stemrecht in de cnriën uit, weshalve de macht der rogoering in de handen van eon erfelijken stand berustte, \'t Is in dit stelsel, waardoor liet toeval der geboorte over de geschiktheid tot hot regeeren besliste, dat wij bet grootste gebrek zien, dat hot Romeinsche staatsbestuur aankleefde.

-ocr page 465-

•113

Voor lion, die niot tot de patriciërs behoorden, bloven twee wogen opon om do hnn toekomonde plaats in den staat te bekleedon. Zij loofden óf als vrije, maar niet tot do rogoering gerochtigdo burgers, heetten plebejers en vormden to zamon liet plebs ; (Vt zij begaven zich in zekere afhankelijkheid van eon hun beschermend patriciër. In dit geval heetten zij cliënten (in bescherming staanden) on de hen beschermondo lioof-don palroneu (vaders). Do patroon maakte met zijno cliënten een geslacht (gens) uit, eu elk cliënt was verplicht don fatnilionaam van zijn patroon aan don zijnen als geslachtsnaam too to voegen.

Uit deze inrichting verkiaardo zich dan ook de drievoudige naam van oen liomoin. Do eorsto zijner namen was zijn persoonlijke naam, overoenkomoiuli\' met onze voor- of doopnaam. Do tweede was do familienaam, en do derde do goslachtsnaaiu, d. i. do naam van don patroon. Hij die namen kwam niot zeidon nog een bijnaam, ontleend aan oen of ander talent, eone of andere gewoonte, eeno of andere lichaamshoedanighoid. Zoo is in den naam (iuintus Fa bi us Maxitnus Cunctator, hot eerste woord, Quintus, de persoonlijke naam; het tweodo, Pabins, do familienaam; hot dorde, Max trans, de geslachtsnaam; en liet viordo, Cunctator (de draler), do bijnaam. Niot zelden werd ook do drager van een zoodanigon bijnaam de stichter van oen nieuw geslacht, in welk geval de bijnaam als geslachtsnaam hij overerving bloof bestaan, zooals de naam lirutus.

De persoonlijke namen werden in den regel alleen door één of door een tweetal letters aangeduid, en alsdan beteekende: A, Aulus; C. Cajus, Cesar, Cassius; Cl. Claudius; Cn. Cnojus; 1). Decitnus, Decius; E. Ennius; J. Julius; L. Lucius; M. Marcus, Manlins; P. Publius; Q. Quintus; S. Sextus; T. Titus; Tb. Tiberius en V. Valerius.

Do betrekking van den patroon tot zijn cliënt kwam nagenoeg overeen mot dien van oen huisvader tot zijne huisgonooton. Do wederkoerige rechten en plichten van patroons en cliënten waren hoofdzakelijk do volgende : de patroon moest zich alle aan-gelogenhedon van zijn cliënt aantrokken; hij moest hem voor do rechtbanken vertegenwoordigen, voor zijn bestaan en dat zijner kinderen de noodigo zorg dragon on hun welzijn op iedere wijze bevorderen. Van hior, dat do cliënten dikwerf do pachters van de landerijen lunmor patroons waren. Vooral dezo diensten was do cliënt verplicht, den patroon allo mogelijke diensten te bewijzen , hem met geld te ondersteunen, hom of zijne kinderen uit de govangonschap los te koopen, de kosten hunner openbare ambten to dragen, aan do huwelijksgift van \'s patroons dochters zekere som toe te voegen, enz. Onder elkander mochten do cliënten van een patroon oven weinig eon procos voeren als togen hun patroon zeiven. Op do overtreding van dit voorschrift stond zelfs do straf van hoogverraad: elk had het recht don misdadiger dood te slaan.

Als oen middelstand tusschen do patriciërs on plebejers stonden de ridders. Hun nor-sprong leidt men gewoonlijk af van de driohonderd mannon, door Romulus uit het go-heelo volk (100 uit elkon tribus) voor den ruiterdionst uitgekozen, eeleres (renbo-don) genaamd en in drie centuriën (oen aantal van honderd) ingedeeld. Do ridders stemden in de curiën mot do patriciërs. .

Do regeoring van den ouden Eomeinschon staat word derhalve uitgeoefend door don koning, wien het gezamenlijke volk te kiezen had; door den senaat, welks modeloden slechts uit de patriciërs gekozen mochten worden; en de curiën , waarin alleen do patriciërs eeno stom uitbrachten.

De koning word geacht de hoogste magistraatspersoon to zijn. Hij bezat het recht don senaat on do curien bijeen te roepen , daar voorstellen te doen en do genomen besluiten te bekrachtigen. Allo rochtskwostiën worden Iiom ter beslissing voorgelegd, met de vrij-

-ocr page 466-

GEÏLLUSTUKKllDK VVEIIBI.UOBSCHIEDENIS.

hcid die naar den senaat to verwijzen. Servius Tullins dacht verstandig genoeg om den senaat do goheolo rechtspraak , met uitzondering van die over staatsmisdaden , op te dragen. Eene verdere zorg des konings bestond in het bestuur van de openbare staatskas. In den oorlog voerde hij hot opperbevel met onbepaalde macht.

Wanneer een koning stierf, verviel tot op de verkiezing van het nieuwe staatsop-perhoofd, de koninklijke macht aan den senaat. Het tijdperk van dat regentschap heette tusschenregeering [interregnum), en diegeen der elkander afwisselende centuriön, welke voor hot oogenblik do uitoefening van do koninklijke macht waarnam, tusschen-koning {interrex).

De senaat had do verplichting om over alle voor hem gebrachte voorstellen te besluiten , do hem toegewezen rechtszaken te beslissen en de bevoegdheid om de besluiten der curiën te bevestigen. Hij besliste bij meerderheid van stemmen.

De curiën hadden het recht wetten in te voeren en te wijzigen, over oorlog en vrede te beslissen on alle hoofden van het bewind te verkiezen. Doch eerst na eene bevestiging door den senaat kregen hunne besluiten recht van wet.

Dit zijn ongeveer de omtrekken en grondslagen der oude Rorneinsche regeeringsin-stellingen, zooals deze zich tot op den tijd van Servius Tullius hebben staande gehouden , want de snelle vermeerdering van Rome\'s bevolking maakte spoedig veranderingen , vooral ten aanzien van hot getal bewindslieden, noodig. Zoo werd het aantal senatoren kort na Romulus\' dood tot \'200 vermeerderd, en reeds Lucius Tarquinius J\'riscus moest hen tot 300 vermeerderen. Daar verder door de herwaarts gestroomde vreemdelingen het getal plebejers in verhouding tot de patriciërs te groot word, lieten do koningen die uit plebejischen stam waren gesproten, zooals Tarquinius Priscus (üi Servius Tullius, zich er zeer aan gelogen liggen, den regeeringsvorm zoodanig te wijzigen , dat ook den plebejers een aandeel in het bewind werd ingeruimd. Natuurlijk stieten zij bij dit streven op den tegenstand dor patriciërs. Tarquinius ondervond dit reeds toen hij dit ontwerp zocht voor te bereiden, door aan do drie ridder-centuriön drie anderen toe te voegen, die hij uit de plebejers wilde samenstellen.

Do auguur Attus Navins poogde met alle macht dit plan to dwarsboomen en beweerde, dat de instelling der drie riddor-centuriën, die ton gevolge van een angurium was ingevoerd, alleen door een ander angurium gewijzigd kon worden. Tarquinius had doorzicht genoeg om zich verzekerd te achten , dat de patricische auguren door een nieuw angurium zijn plan in duigen wilden doen storten. Daarom besloot hij het erkende aanzien der auguren te vernietigen, door het volk te toonen, dat do uitspraken dezer wichelaars ver van onfeilbaar waren. Uit dien hoofde — zoo verhaalt de sago — liet hij Navius naar do markt roepon en sprak hem voor het vergaderde volk aldus aan: quot;Wichelaar, kunt gij door uwo kunst ontdekken, of hetgeen wat ik thans denk , geschieden kan, ja of neen? Ga heen en raadpleeg uwo vogels.quot; Do auguur ging om spoedig terug te koeren. quot;Ja, Tarquinius, mijne kunst zegt mij, het kan gebeuren waarover gij gedacht hebt.quot; Nn haalde do koning een kiezelsteen en een scheermes uit zijn gordel te voorschijn en zeide: quot;Ik dacht, of het mogelijk kon zijn om dezen keisteen mot dit mes door te snijden. Ik hob n in uw eigen bedrog gevangen. Wanneer uwe kunst u gezegd hooft, dat hot mogelyk is, welnu, doe het dan!quot; Do koning triomfeerde to vroeg. Do auguur was een handig goochelaar. Zonder bot minst te verschrikken, nam hij van den koning steen en mes on sneed don kei met groot gemak door. Tarquinius moest zich overwonnen verklaren en er zich mode vergenoegen, iedere ridder-centurio door plebejers tot de dubbele sterkte te brengen. Eerst don moedigen Servius

444

lib,, VMMW.y;!

f \'I1 jll.1

4il il IS ■ \'

I 1 ■ ^ :

-ocr page 467-

HOME (IN URN ItlSTOIUSCIIRN S.VGlïN\'ftJI)).

Tullius golukto hot, do door Tarquinius besloten horvorming in hot loven te roepen.

Allo landerijen waren tot nu toe staatseigendom en don patriciërs in vruchtgebruik afgestaan, terwijl do cliënten als pachters don arbeid verrichtten. Sorvius Tullius begon zijne hervorming — ovoreonkomstig zijno bolofto — om do tot hiertoe van hot bezit uitg-esloton plebejers van landeigendom to voorzien, door do veroverde landstreken in erven af te zonderen, en door loting ouder hen te verdoelen. Vervolgens deelde hij hot plobs, naar don maatstaf van zijno woonstedon, in dertig tribus, ten eindo die tegenover do dortig curiën den patriciërs to stollen. Daar er iutusschen mot dozo inrichting -voor do regeoringsrochton dor plebejers nog niets was gowonnon, veroonigde hij, zonder de patricische curiën to verwittigen, hot goheolo volk, om telken male de noodige eindstemming uit te brengen in do niouw-gevormdo contnriën. Hij doolde namelijk do

gezamenlijke Uomoinsclio bürgórschap, ilaar don maatstaf van haar vormogon , in zes klassen, van welke ieder zeker aantal centuriën omvatte. Elk dezor conturüm nu had in de uiouw tot stand gebrachte volksvergadering (comüia ccnluriala) éóno stom.

Oiulor centuriën moot men hier niet aan do oigoidijko betookenis van hot woord hechten, want het getal der tot oom centurio bohoorende burgers was merkelijk verschillend. Daar do hoovo^lhoid van hot vormogon oenor goheolo klasso don maatstaf voordoindeo-ling vormde, is hot licht verklaarbaar, dat do oorsto klasso hot grootste getal contu-riün bevatte, evenals dat tot het vormen oenor centurio van de rykoro klassen minder burgers noodig waren dan tor vorming van oeno centurio dor armeron.

Bij olko klasso moest mon nog, in oen gelijk aantal, oudere van jongere conturiën onderspheiden. Tot do laatsten behoorden do mannen van 17 tot \'M jaren, die onder de verplichting stonden om te veldo te trokken. Üij de andoren waren ingedeeld allo

445

-ocr page 468-

440 GEÏI.I.USTREERÜK W E HEL DG KMC »1E L) E N J S.

burgers v;ui meer gevonlercleu leeftijd, die bestemd waren om tot verdediging dor stad achter te blijven.

Tot opname in de eerste klasno behoorde een vermogen van ongovoer 400,000 as (l!!S;ilt;S gulden), ouder bepaling echter, dat allo ridders, zonder bun vennogon in aanmerking te nemen, tut do eerste klasse zouden gerekend worden. Do leden van dezo klasse heetten bij voorkeur classici, en hot is uit dien hoofde dat de woorden klassieken en

klassiek oen zoo groot aanzien verworven hebben. De eerste klasse bevatte, behalve hare 80 gewone centurion, nog 1S riddor-centuriön , weshalve bij stemtningon deze klasse over 98 stommen beschikte. Deze burgers dor eerste klasse dienden in den oorlog — behalve do te paard strijdende ridders — als hot zwaarste en het best-gewapende .voetvolk. limine wapenen bestonden in been- en borstharnasson, helmen, ronde schilden, zwaarden on sporen.

Voor de tweede klasse werd een vermogen geëischt van 7.quot;),000 as (\'2880 gulden). Getal dor centurion \'20, bonovens quot;2 centuriën smeden en timmorlioden , die aan do dorde klasse, waarschijnlijk mot het oog op hunne inkomsten, toegedeeld waren, liowapening: borstharnas, helm, eenvoudig schild, zwaard en spoor.

■Fupitcrhoofil van Otricoli. Derde klasse. Vermogen 50,000 as (1020 gulden).

Onturiën \'20. Bewapening: lielin , scliild, zwaarden speer.

Vierde klasse. Vermogen 25,000 as (900 gulden). Getal centuriën: 20, bonevens \'2 centuriën hoornblazers en verdere krjjgsmuzikanten, die bij dezo klasse, waarschijnlijk zonder hunne inkomsten in aanmerking te nemen, waren ingedeeld. Wapenen : schild, zwaard en speer.

Vijfde klasse. Vrrmogen M,000 as (17!) guldon). Getal centuriën .\'!0. Wapenen: speer en slinger.

Tot de zesde klasse behoorden die burgers, wier vermogen minder dan het bepaalde bij de vijfde klasse bedroeg. Zij heetten proletariërs, waren niet in centuriën afgedeeld en brachten in de volksvergaderingen slechts ééne stem uit. Slechts een zee: klein deel behoefden zij tot de belastingen op te brengen ; ook waren zij van den krijgsdienst geheel vrij. Tot hen behoorden, behalve do arme plebejers, do moeste cliënten.

Ten einde dezen regeeringsvorm door eeno godsdienstige plechtigheid de hoogste wijding te verleonen. verzamelde Servius Tullins al bet volk op hot Marsfeld, oeno vlakte tus-schen do stad en den Tiber, die door Uomulns aan den god dos oorlogs was toegehei-ligd en naar deze genoemd. Hier werd de nieuwe instelling afgekondigd en aan Lna, de godin der verzoening, offeranden gebracht. Hierna heette de plechtigheid, die alle vijf jaren word vernieuwd, en waarbij eeno nieuwe schatting van bet vermogen (census) plaats vond, lus/rum. Dat dit woord 1 astrum nog beden voor een tijdperk van vijf jaren wordt gebezigd, behoeven we nauwelijks aan te stippen.

Wanneer door deze inrichting — waarbij do eerste klasse moer contnriën bevatte dan allo anderen te zamen en derhalve ook een grooter getal stemmen uitbracht — de moest-vermogende burgers een grooter aandeel aan het bestuur bekwamen dan do ge-ringeren, kan dit geenszins ons, Xi-dorlandors, verwonderen, bij wien de stenthebbende burgers bij de verkiezingen slechts een klein deel der gezamenlijke volksmenigte uitmaken.

-ocr page 469-

HO MB (IH DEN UlSTOKlSCIIIiN SAOENTtJu),

Do rechten der staatsburgers ton aanzien der regeering behooren zich te richten naaide diensten die zij don staat bewijzen. Daar deze diensten destijds in niets anders bostonden als in liet djbrongon van belastingen en den krijgsdienst, waartoo een elk zich uit eigen middelen moest wapenen, konden de rijken den staat veel grooter nut aan-brengen dan de armen, en hadden uit dien hoofde ook veel uitgebreider rechten.

Niet hot geringste doel aan do regoering hadden do eigenlijke krijgsgevangenen. Zij dienden de Romeinen als slaven. Niettemin vaardigde Servius Tullius verordeningen uit, waardoor huil gelegenheid werd geboden om door trouwe diensten voor zich de vrijheid te venvorven. Dan hadden zij do keus om naar hun vaderland terug te keeren of\' in Eome te blijvon. Allen die dit laatste kozen, deelde Servius Tullius in

vier stammen. Zij heetten ter onderscheiding van do patriciërs, de plebejers en (luinten , libertï (vrijgelatenen) en waren verstoken van het voorrecht om in de centuriën te stemmen, doch genoten overigens alle rechten van Romeinsche burgers.

Ongetwijfeld was door de hervormingen van Servius Tullius de staatkundige gelijkheid voor de wet onder Rome\'s ingezetenen vastgesteld , doch het was niet te vermijden geweest, dat de patriciërs nog oeno menigte voorrechten behielden. Zij gaven zoowel in \'t vervolg als vroeger hunno stemmen alleen aan personen uit hun midden. Uit hun kring alleen werden de open plaatsen onder de ambtenaren aangevuld en de hoogste priesters benoemd. Allo voorname betrekkingen werden niet dan aan patriciërs opgedragen, en elk huwtdijk tnsschen patriciërs en plebejers was ton strengste verboden, liet waren vooral de wanverhoudingen in hot opleggen van belastingen en de vermelde voorrechten die den grond legden tot de gedurige twisten tusschen de patriciërs en de plebejers,

447

-ocr page 470-

448

wclku later ontstondon en een zoo groot gedeelte der Eotneinscho jaarboeken vullen.

(lodsdienxl. Meer dan bij eonlg volk was bij do Romeinen de godsdienst eene staatkundige instelling. Komulus, en nog moor Nnuia Pompilius, hadden den grond tot deze instelling gelegd. lieido koningen zagen zeer wol in, dat bij bet uit zoo verscbillendo bestanddeelon samengesteld volk, waarbij do beschaving nog in een zoo achterlijken staat verkeordo, een nationaal verbindingsmiddel niet mocht ontbroken. Kn wat was hiertoe moor geschikt dan de godsdienst, welke \'s inonschen gemoed met eerbied en ontzag voor eon bovonaardsch wezen vervult? —- Langs dozen weg was de godsdienst der Uomoinen oeno nationale instelling geworden, een steunpilaar van den regoeringvorm, en hieruit is gemakkelijk do godsdienstigheid der oude Komeinon te verklaren. Allo wanbedrijven togen don staat golden ook als inisdudon tegen de goden, en derhalve als zonden. Noch de eono of andere staatsondorneining, noch eenig bijzonder bedrijf werd ondernomen zonder do goden aan to roepen en te raadplegen. Alle lasten werden den burgers in naam van den godsdienst opgelegd, en elko plicht van den staatsburger gold ook als oen godsdienstig voorschrift. Van hier, dat do Romoinsche godsdienst, in weerwil bij zich naar hot godsdienststelsel dor Grieken rogeldo, wat zijne uitoefening on betookonis voor do burgerij betrof, oen over hot gehool strong en ernstig karakter bezat.

Ofschoon reeds Romulus do veroering van verscheidono Griokscho goden voorgeschreven on tot hun dienst zestig priesters verkozen had, werd toch de eigenlijke cultus eerst door don wyzon Numa vastgesteld, on de godsdienst door hem onder een bepaald stelsel gebracht, waardoor deze dien vorm bekwam , weikon wij uit de volgende modedee-lingen leeron kennen. Door Numa\'s bemoeiingen bij dio regeling acht men vooral dozo vorst do oeroplaats verworven to hobbon, die hij onder do Romoinsche koningen bekleedt. Men zal hem ook uit dozen hoofde hoogschatten, wanneer men overweegt, met wolk volk hij to doen had en iu welken tijd hij loefdo on werkte.

Do Komeinscho godon waron voor hot moerondoel do Griokscho, doch mot veranderde namen. Hun Jupiter was do Zeus der Grieken, hun Juno flcrc, Noptunus Poseidon, Mars Ares, Ceros Uemeier, Vesta Heslia, Minerva Alhnne, Vulcan us Hep/iestos, Mcr

curius Hennes, Apollo Apollon, Diana Artlt;;m\'ut, Venus Aphrodite, Pluto ! I tides , Bacchus Dionysus , Sol Ileliox , Luna Selene, Aurora Jïos, Amor Kros on Fortuna Tyche. Hunne furiën waren de erinuyen, do graciën do chariiin-nen, do parzon de meuren.

Jupiter was do hoogste god , maar hij komt, behalve met zijne oorspronkelijke eigenschappen , bij de Romeinen nog voor in meer dan één gohool eigonaardigen werkkring. Zoo leerden wij reeds eon Jupiter Terminus kennen. Verder vereerde men te Rome eon Jupiter Latialis (ter herinnering aan den 1-a-tijnschen bond), een Jupiter Capitolinus (den op het Kapi-tool vereerde), onz. Andere goden, zooals do Bona Dea (goede godin), Bona Fides (godin dor trouw), Aeneas, Quirinus , Lars (huisgod) , Lua (godin dor verzoening) , en Janus* stamden uit Latium of Etrnriö af.

Janus, was de patroon dor oorlogs- en vrodesvorklaringon on juist uit dien hoofde oen dor belangrijkste Romeinscho goden. Hij werd afge-beeld met twee gezichten, dat van een jongeling en dat van oen grijsaard. Ge-

-ocr page 471-

ItOMK (IN DES HISÏORrSCIIEN SA(iEXTIJD).

hoiligd waron liom allo deuren, allo straten bonovons dn eerste dag on de eerste niaaiid van het jaar. reden waarom de laatste den naam van Januarins voordo.

Numa l\'ompiliiis had voor Janns een grooten tempel te Rome gebouwd, welles deuren in don regel gesloten moesten zijn en slechts wanneer strijd werd gevoerd open zouden staan. De oorlogszuchtige geest der Eemeinen maakte echter hot openblijven der deuren van don Janustempel tot een regel, terwijl di- gesloten deuren eene zeldzaamheid werden. Do krijgshafte ingezetenen voorden bestendig oorlog, zoodat de .Janustom-pel alleen gedurende het bewind van Numa en later nog slechts twee malen gesloten was.

Het voorgaan bij den godsdienst was, evenals bij andere volken, het werk der

priesters, die nochtans te Rome geeno erfoljjki! kaste vormden, maar mesriiideels uit de klasse der patriciërs werden gekozen. Daar liet priesterschap slechts algt; een bur gerlijk godsdienstambt word beschouwd, maakten zjj geen bjjzonderen stand uit. maar konden daarnevens nog andere ambten waarnemen. Na de verscheidenheid hunner priesterlijke waardigheden droegen zjj verschillende namen.

l\'o curiones waren do bjjzondere priesters van elke curie, de famines priesters in den dienst van do bijzondere goden. Auguren heetten de wichelaars, teekenverklaarders en waarzeggers, die den wil dor goden, overeenkomstig de opgemerkte teekenen verklaren moesten; feciales, die priesters wier ambt vorderde om voor beleedigingen

449

-ocr page 472-

O EÏ I, LUST UK Rit IJK WERKLDGESCII1 EDENIS.

door audore volken den Romeinschen staat aangedaan, genoegdoening te vorderen en hun, in geval die genoegdoening werd geweigerd, den oorlog aan te kondigen.

Vele godsdienstige mRoningen on do daardoor voortgebrachte instellingen waren afkomstig uit Ktruriö, wolk gewest, zooals wij vermeld hebben, door oen volk van gemengde afkomst werd bewoond. Onder deze onderscheidden do Rasenen, uit oen Noordsch land, waarschijnlijk Germanië, overgekomen, zich door bijzondere grondstellingen en velerlei bijgelnovigheden. Zoo heerschte bij hen do moening, dat de verborgene hoogste machten haren wil door bijzondere teekonen aan de menschen openbaarden, en in het verklaren dezer teekenen bestond do wetenschap hunner priesters. Reeds Komulus had de wichelarij te Rome ingevoerd, naardien hij bij lederen tribus oen auguur aanstelde. De verklaring der toekenen zelve noemde men een augurium, en er bestonden vijf verschillendo soorten van auguriön. Vooreerst werd zij waargenomen uit verschijnselen aan den hemel, t. w. donder, bliksem, kometen en andere hemel teekonen; ton tweede uit do vlucht van vogels, weshalve deze auspices heetten, van de Latijnsche woorden avis (vogel) en conspicio (waarnemen). Om beide soorten van auguriön te bewerkstelligen, klom do auguur op eeno verhevene plaats, nam don auguurstok (aan do punt ovenals een bisschopsstaf gekromd) en beschreef daarmede do vier templa of onderdooien des homels. Vervolgens richtte hij zich naar het oosten en verbeidde een goddelijk teekeu {omen), doch dat onvoldoende werd geacht, wanneer het niot door eon daarop volgend en daarmede overeenkomstig verschijnsel werd bevestigd. Eeno derde augurio verkreeg men door hot gadeslaan van jonge hoenders, dio men tot dit oindo in kooien hield opgesloten. Zij werden op do volgende wijze bevraagd: \'s morgens vroeg liet do auguur ondor plechtige toebereidselen en oen stilzwijgend handelen de kooi openen en wierp er een handvol vooder in. Wanneer de jonge hoenders deze spys niet bogeerig oppikten, het voeder met de vleugelen verstrooiden of liet meermalen uit hunne snavels lioten vallen, achtti men dit eon ongunstig toeken, dat ten toppunt rees wanneer de hoenders in het geheel niet wildon eten. Vond echter van dit alles het tegendeel plaats, zoo was het beste te verwachten. De viordo augurie werd aan grootore dieren ontleend, aan wolven, geiten, vossen, ezels, koeien, hazen, wezels of muizen. Vertoonden deze schepselen zich aan eeni\' ongewone plaats, kruisten zij den oon of anderen aangewezen wog of deden iets dergelijks, zoo had dit iets te beteekenon. Bij de vijfde augurie was de oene of andere mensch do hoofdpersoon. Men loidde dan de uitkomst af naar aangewezen bijzondere gevallen [dirai\'), b. v. of hij struikelde, buitengewone stemmen hoorde, zeker dier ontmoette, enz.

Ieder auguur kon eigene waarnemingen doen, maar de beoordeeling der omen werd aan de beslissing van do geheele vergadering dor auguren overgelaten.

Eeno bijzondere soort van auguren waren de haruspices. Zij hadden op do gewijde olfor-to lotton en daaruit het welslagen van do oene of andere voorgenomen handeling af te leiden. Zij beschouwden do dieren alvorens hen te olïeron, nauwlettend, en ook het ingewand wanneer borst on buik waren opongosnedon, evenals do hoedanigheid van den tot offer gobe-zigden quot;wierookquot;, van water, meel, onz. Een boos omen was hot, wanneer do offerdieren zich vreeHoiyk verwoorden of hevig brulden. Op de kleur of de gesteldheid der gekozen dieren kwam hot veel aan. Dubbele lovers, kleine harten of in het geheel goen hart, waren boozo omen. Ook uit do vlammen, den rook en dergelijkon werden beslissingen afgeleid.

Eeno andere soort van priesters had voor hot bewaren der Sibyllijnsche boekon zorg to dragen. Deze kerkdienaren heetten naar hun aantal, dat zich aanvankelijk tot two beperkte en later tot tien on eindelijk zelfs tot vijftien word vermeerderd, duümviren (tweemannen), decemviren (tienmannen) enz.

450

-ocr page 473-

451

Omtrent de Sibyllijnscho boeken, die men met grooto zorg op het Kapitool bewaarde, is do volgende sage bewaard geblevoii.

Tijdens liet bewind van Tarquinius kwam eene onbekende vrouw aan \'t hof des konings en bood hem nogen boeken te koop. Do prijs dien zjj daarvoor vorderde, was buitengemoen hoog, weshalve do koning do onbekende liet wegjagen. Deze verbrandde hierop drie van hare boeken, keerde toen terug en eischte nu dezelfde som voor de zes. Andermaal zond Tarquinius haar met spot weg, on nu verbrandde zij weder drie boeken, en bood , na weer teruggekeerd te zijn , de overigen op nieuw te koop aan, nochtans slechts voor gelijke som als zij voor do nogen had geëischt. Dit gedrag verbaasde den koning, zoodat hii do boeken door de augnren liet onderzoeken. Dozo verzekerden, dat de aangeboden geschrif-

ten do orakels der Sibylla van Ouma bevatten , eene uithoofde van hare wijsheid algemeen bekende waarzegstor, en verklaarden plechtig, dat do boekon oono onschatbare waarde bezaten. Op dit bericht betaalde Tarquinius de gevraagde som. Do vrouw verdween. Nu stolde do koning twee mannen van voornamen stand, duümviren, tot bewaarders van den geleerden schat aan, met het bevel, dat dozo boeken in don tempel van Jupiter Capitol inns zoudon worden neergelegd, zoodra hot gebouw gereed zou zijn en daarvoor do grootste zorg worden gedragen. Toen die tempel in vervolg van tjjd afbrandde, verteerden de boeken daarmede tot asch. Wanneer do stad in gevaar verkeerde, moesten de beide duümviren de Sibyllpsclie boeken raadplegen. Dit geschiedde waarschijnlijk, zooals

-ocr page 474-

GHÏLUSTRRERDE WERKI.Üfl HSOHl Rquot;DENIS,

men ill ouilo tijdou den Bijbel, als ware deze «en orakel, opende, t. w. door dn oono of andere bladzijde op te slaan en de eerst voorkomende woorden als oeno uitspraak te be schouwou. Do boeken zelvon bevatten wijze spreuken en waren waarschijnlijk van Grieksclien oorsprong. Hun inhoud werd met do grootste zorgvuldigheid geheim gehouden.

Hot mag niet voorbijgegaan worden te herinneren aan do vrouwelijke priesters (pries toressen), die onder don naam van Vestaalscho maagden bekend stonden. Zij maakten do dienaressen van Vesta uit, en waren met het bewaken van het onuitdoofbaro vuur (het zinnebeeld dor warmte in de natuur) belast, liij hare aanneming moesten zij de gelofte van voortdurende kuischheid afleggen. Tot doze Vestaalscho maagden worden niet dan jonkvrouwen uit do edelste geslachten, en wel dor pontifices, gekozen. Tn don beginne was haar getal tot vier beperkt, doch Tarquinius Prisons vermeerderde het tot zes. Haar ambt, dat zij doorgaans mot haar tiondo levensjaar aanvaardden, duurde dertig jaren. N\'a verloop van dezen tijd stond hot haar vrij af te treden en oono echtverbintenis aan te gaan, waartoe hot natuurlijk in do meeste gevallen te laat was.

Voor misdadige (d. i. voor onkuische) Vestalinnen groef men nabij oeno der poorten der stad in eon heuvel oen diepen kuil. Tn deze groeve plaatste men een bed en oen-tafel met een kleinen voorraad molk, olie, brood en water. Mono brandende lamp verlichtte de duistere spelonk. Do voroordeeldo werd, in dichte sluiers gewikkeld, in een draagstoel do stad uit, naar hot hol, gedragen. Nadat de pontifex maximus hier oenig-gebeden had uitgesproken, moest het ongelukkige slachtoffer van godsdionstigen waan zin oeno ladder afdalen, waar langs zij in do ondoraardsche, afgrijselijke spelonk aan kwam. Het was haar graf. want de vreoselyko schacht, dio met oono deur afgesloten werd, waartegen men aarde wierp, opondo zich nimmer wéder: do veroordeelde was levend begraven. Daarentegen genoten do Vestaalscho maagden, op wie geeno aanmerking te maken viel, oeno buitengewone voreoring.

In hot hoogste aanzien stonden do pontifices, namelijk die priesters, aan wien het waken voor hot inachtnomen dor godsdienstige gebruiken was opgedragen, mannon, die eonigermate als do superintendanton dor priesters aan te merken zijn. Hun opperhoofd was do reeds genoemde pontifex maximus, en zijn ambt beschouwde men als oen der voornaamste in don staat.

Keno belangrijke plaats in het geloof der Italiaansche volken bekleedden de geesten en demons, en verder de goniön of beschermgeesten, die elk mensch als raadgevers en helpers waren toegevoegd. Nog meer vertrouwd was mon met do lares en penal e, de verklaarde geesten van afgestorvene bloedverwanten. Van hen geloofde men, dat zy im : altoos aan de lotgevallen van hot gezin en geslacht deelnamen. Do gesneden beelden van deze lares stonden in het atrium boven den haard, do heiligste plaats van \'t hui . tentoongesteld. Aan hen vertrouwde men zjjno zorgen toe , vereerde hen biddend en bracht hen op geboortodagon en bij andore feestolijko gelegenheden gaven en offeranden.

Tegenover do lares en penates stonden do geesten der boozon, dio men larves en loinures noomde en zich voorstelde als wezens die zonder rust of duur rondzwierven.

Do naam van manos gaf men aan do zielen dor afgestorvenen, die in do nabij heil hunner lichamen als schaduwen voortleefden en door de nablijvenden van .spijs en drank worden voorzien.

Hetgeen verder over de godsdienstige gebruiken dor Romeinen to zeggen valt, zuil\'quot;-wij in het volgende tijdperk bespreken, evenals al wat vorder omtrent hunne vordorin-giiu in do boschaving verdient opgeteokond te worden.

452

-ocr page 475-

CHRONOLOGISCH OVERZICHT.

OUDSTE VOLKEN EN RIJKEN

IN AZIË.

Ohinoomi. Ifindo\'s. Egyptoiiaron, - Ariërs. Toeranscho volken.

Khun, (,\'liiildea; Assyrio, Babyloniö; Modio, l\'mië. ..... Skythen.

Koshioten. Syriö (Mesopotamia); Baktriö, Aramanië; Phoonikiürs (Fmü-ciërs), l\'ilisl Ijnen (Pliilistijnen) , Kanaiiiiieton , Israëlieten: Armeniërs.— Lykiërs, Phrygiër.s , Grieken, Kariers , Kilikiërs, Kappadokiërs, l\'aplila-goniërs, [Mysiërs (Troja), Lydiörs. — Parthen.

IN A FE 1 KA.

Egyptenaren. — Ethiopiërs (Koshieten). — Libyors. — Numidiörs, Karthagers.

IN GlilEKI^NLANT) (gedurende en na den sagimtijd).

Bewoners: Oudste tijden: Pelasgen , verdreven door do Hollenen, in Noord-Griekenland: Thessalië en Epeiros (Pindos, Ossa en Olympos).

Hellas: Akarnanië (Argos), Aetolië, Doris, Phoids (Parnassos, Delphi), Lokris, Beotië (Thobe), Megaris, Attika (Athene, Mlmisis).

Peloponnosos: Sikyonië (Sikyon), Achaja, Klis (Elis , Olympia), Messonië (Messene), Lakonië (Sparta), Arkadië (Mantinea), Argolis (Argos, Mykcno, Epidauros), Korinthe (mot Korinthe).

Stamvaders der Hellenon: Dcnkalion,— diens zonen: Hellen, Ainphiktion. — Zonon van Hollen: Aeolos, Doros, Xuthos. — Zonen van Xuthos: Jon, Acbeos.

Fabelachtigo landverhuizors (immigranten): Kekrops (in Attika), Kadmos (in Thebo). — Nakomelingen van dezen in Athos (Makedonië). Danaos (in Argolis), Pelops (in don l\'eloponnesos).

V ior h o ofds ta m m o n : A oo 1 i ë r s, in Akarnanië, Aetolië, Phokis, Lokris, de westelijke eilanden onz. — Doriörs, in Thessalië (Beotië), Doris, Kreta, - Joniërs, in don noordwestoljjken Pelojionnesos. —

-ocr page 476-

(1 Hï 1, [,1\'SSÏ III; K III) K W RIIE LBO ESCIII F, I) UN IS.

Vói\'ir Christus Achofirs, in het znidoostun van don Peloponnosos, Korintho, Sparta, Horoën (Holdon): Hor aki os, do held des volks bij ultnemond-lield; Porsons (in Argolis, —■ Medusa); Minos (op Krota); Tho-oinstr. 1200. sous (in Attika); Jason (Tocht dor Argonanten naar Kolchis,■— Modea);

Meleagros (in Thessalië); Oedipus (Tocht tegen Thobe; oorlog der Epigonen).

Oorlog tegen Troja (II ion), Agamomnon, Nestor, Menelaos, (Helena); Odysseus, Achilleus, Ajax, Diomedes, Patroklos; Piramos, Hektor, Paris, Polydoros, enz,; Aeneas; Laokoon. (Iphigoneia. Kly-teinnestra, Andromache).

Tochten van Odysseus. Lestrygonen; Seirenen; Thrinakria; Phaiaken; Kalypso. Penolope, Telomachos,

Aeneas in Afrika (Dido) en in Italië (koning van Latium). Volkplantingen: In K1 e i n - A z i 6 : De Aeoliërs, Doriërs uii Kariers bevolken Smyrna, Mytilene en andere plaatsen en eilanden ou maken de meerderheid uit op de Mysischo kust.

De Joniërs, op de kust van Lydië, Twaalf .Ionische steden (daaronder Mileto, Ephesos, Kolophon) zijn vereenigd door den Jonischen Bond. — Phokea en hot eiland Samos, — Later: Stichting van Massilia door de Klein-Aziatische Joniërs ten tijde van do Perzische heerschappij. — De Doriërs, in liet Dorische bond vereenigd, zijn in zes steden gevestigd en brengen Knidos en Halikarnassos tot bloei.

In don Archipel e n a a n d e m e o r n o o r d e 1 ij k o k u s t s t r e-ken: Door de Hellenen zijn, na de Dorische landverhuizing, bevolkt: de Jonische, Aegeösche, Kykladischo, Lesbische en Sporadische eilanden (Kubea, Aegina, Samothrake, Kreta, Chios, Samos, Ikaria, Ehodos, Kypros, Melos\', N\'axos).—Merkwaardige nederzettingen in Kolchis, aan den Pontos-Enxeinos, aan den Chersones (Lampsakos, Abydos), aan den Hellespont; Sinopo, Tanaïs, aan den mond van den Don; Byzanz, aan den Thrakischen Bosporos, Olynthos in Thrakiö,

In Afrika: Kyrene, op do noordkust, tusschen Egypte en Kar-thago.

In Spanje: Sagunt.

In Italië wordt bijna geheel Boneden-Italië met Orieksche volkplantingen overdekt, weshalve het den naam van Groot-Griekenland verkrijgt, Hveneens op Sicilië: Steden, op het vasteland: Tarente, Kroton , Thu-rium, Uogium, Svbaris. Op Sicilië: Syrakuse, Messana, Megara,

TN ITALIË,

In N oo i d - f t al i ë : Liguriërs (later: Kelten), Onobriërs, Insubriërs (met Mediolannm), Leviërs, Euganeërs, Vonoten (mot Patavium, Aqui If!ja, Tergeste enz,), lioiers (Placentia en/„), lagonen (Ravenna),

In Ktrurië (in \'fcGrieksch: Tyrrhenia): Ktruriërs (mot Clusium, Perusia, Veji, Voltorra, Tarquinii, Pisae, Liburni, Plorentia, Luca, In Unibrië: Senonen en Uinbriërs (mot Sontinum, Spolotium, enz,,), In I\'iconum: Picentors (mot Ancona, Asculmn, Atria om.).

454

-ocr page 477-

CUttONOljOOlSCH OVKHZICIIT.

In Sa in ii iu in: Samnioten, Vostinon, Marucinen, Mar.son, Pronta-nen, Ilirpinen (met lioviaiiuin, Corfiniura, Alba-Fucentia, Ortona, Anxiiiimn, Beneventum enz.).

Ia Latium: Latinen of Latijnon, Sabinon of Sabjjnoii, liutulcn, Aoquiörs, Horniciörs, Volscen, Ausoniörs (mot Eomo, Tibur, Praiostn, Alba-Longa, Lavinium, Cures, Ardea, Subiaoi, Vernla, Ferontinum, Antium, Terracina, Formia, enz.)

In a in )) a n i a; Campaniors (met JJaja , Misenum , Neapolis, Iler-cnlanuin, Pompeji, Surrentinm, Capua, Stabiao, Nola; Salernum on Picontia, koloniestoden der Pioentors.

In Ir oo t-Gr i eken lan d (door de herwaarts gekomen Grieken gekoloniseerd) de landschappen; Apulië, Calabriö, Lucanië, liruttiö (met de steden; Teanuin, Apnlum, Canusium, Cannae, Brundusiuin, Taren-tinn, l\'aestum (Posidonia), Sybaris, Heraklea, Velia; lüiogiurn, Corilli, Clampotia, Kroton , Petelia, enz.).

Eilanden: Sicilië, Corsica, Sardinië.

Pabolachtigo stamvaders van h e r w a a r t s g e k o m en 1 a n d-vorli nizors: Paunus, Latinus; Aeneas, Ascanius, Aeneas-Sylvius, l\'rocas en Numitor, Amulius, Egestus (Ehea-Sylvia).

455

-ocr page 478-

Dl- HISTORISCHE SAG E NT LI I).

AZIATISCHE EX AKUlKAAXSU1 K HUKKX

Stiehtiug (lor stiul Momphis.

Eerste Egyptische dynastie (Menes).

Stichting van het ondo rijk van Babyion (Nimrod).

De koningen Cheops, Khephren en My kor! no.s, de stichters der drie grootste pyramiden.

Koning Amonemha 1 en Oosortoson 1. lilooi van het Ond-Egyptischo rijk te Memphis.

Stichting van Xiniveh door Nines,

Semiramis. Assyria\'s toenemend aanzien in Voor-Aziö.

Amenemha te Krokodilopolis. — Aanleg van het Labynnth.

Volksverhuizing der Koshieten. Heerschappij der Ilyksus of herdervorsten in Egypte, van Tanis tot Memphis. — Volksverhuizing der AriOrs

Stichting van Sidon (Tyros).

Begin der Phoenikische heerschappij ter zeo.

Abraham trekt naar Kanaftn.

Ahmes I un Thotmosis 111 bewerken den aftocht der llyksus, na een zeshonderdjarig verblijf in Egypte. — Optreden diT ISlt;lc dynastie (Itifiü tot 1 i50).

Thobe. hoofdstad van Egypte.

Thotmes [ dringt door tot Arabic, Syrb1 on Phoenikiö, Thotmes 111 tot den Eufraat.

Jozef verplaatst zijn geslacht naar Egypte.

Aankomst der Ariërs in Indie. — In later\' tijd hun vooruitdringen naar het Westen.

Assyrie maakt zich onafhankelijk van Babyion.

Krijgstocht van Bamses 11 (Sesostris den Uroote) naar Azië. — Oroob\' bloei van \'t Egyptische rijk.

Mozes voert de Israëlieten uit Egypte.

Zoroaster (Zarathoestra) in Medië-IVrzië.

•I.isua verovert liet Beloofde Land. — Tijdperk der Uoclitorun.

l)i\' l\'hoenikiërs stichten Gades (Cadiz).

Samuel, hoogepriester in Israël.

Koning Saul regeert Israël.

Koning David. Zangerscholen te Jerusalem.

Groote bloei van Sidon en Tyros. Koning Hiram verfraait en vergroot Tyros. — Stichting van volkplantingen op Sicile , Kypros en Kreta.

Koning Salomo komt tot den troon in Israël. — Bloei van Jerusalem. Het bouwen des Tempels.

Vuór Chriitus. «892.

sooo.

2800 2700.

2380 -2371.

üiustr. 2274.

2220 -2179. 2100.

2000. 1800. 1700. cmistr. 1(550.

1000 15.quot;iS,

1550. 1500.

1388—1322. 1350.

1320. 1300. 12S0—1120. 1100. 1075. 1065—li 33. 1033- 993 1001—967.

( 1

993.

-ocr page 479-

C11KONOLOGISCII OVKU/.Kilï,

Splitsing van het Joodsche rijk in leraöl on Juda.

Uitbreiding van den Barildienst in Israël.

Stichting van Karthago (kolonie dor Tyriörs) door Elissa (Dido). Grootste ontwikkeling van macht van liet Assyrisclie rijk.

Toenemende bloei van Karthago.

riglat-Pilesar (Toeklat-Asar I) onderwerpt geheel Syrië aan de As.syri-scho heerschappij.

Heerschappij der Kthio])ischo koningen in Egypto.

Salmanasar V van Assyria onderwerpt de Phoonikiërs (behulv Tyn.s). \' •ndorgang van hot rijk Israël, na de verwoesting van Samaria door den Assyrischen koning Sarjoukin (Sargon).

Optreden van China in do geschiedenis.

Do dynastie der Mermuaden in Lydië.

Egypte onder Assyrisclie heerschappij.

Psamotich, alloonhoerscher in Egypte (Saïsj.

Pliraortes van Modië schudt do Assyrisclie hnorschappij af, Do Assyrisclie heerschappij waggelt door de invallen der Skythen. Geboorte van den godsdienstleeraar Boeddha (Indië).

Grooto, door I hales van Milote aangekondigde zonsverduistering. Ninivoh wordt door Naboel-lial-Assoer (Nabojiola^sar) van Habylnn verwoest.

Naboe-Koedoer-Oessoèr II (Neboekadnezarj overwint Neko II van Kgvpllt;-bij Karchemisch.

Verwoesting van Oud-ïyros.

liet rijk van Juda vernietigd.

Neboekadnezar verwoest Jerusalem. — Wegvoering der Joden in dquot; Babylonsche gevangenschap (tot .quot;ill.S),

De profeten Jeremias, Ilesekifil, Daniël.

Krosos in Lydië. - Einde van het Lvdisclie rijk.

De Perzen onderwerpen aan hunne heerschappij de Grioksche kuststeden in Azië,

Azi-Dahak (Astyagos), koning van .Medio, door Kyros bij Pasargade.* overwonnen.

Stichting van hot Perzische rijk door Kyros.

Kong-foe-tse (Confusius) in China.

Gr R I E K E N L A ND.

157

Vóór Christus 1)80.

900.

846.

75;{. 750.

7:i0.

7:i0 672. 725.

722.

689 -546. 672 - 655. 664. 655. 630. 023. 610. 606.

604.

536.

563—549. 660—548.

559.

551-

t79.

Tocht der Argonauten. (Zio bladz.

Trojaanscho oorlog. Verwoesting van Troja in 1 I hessalischo en Dorische volksverhuizers in don Kodros, koning van Athene.

An honten voor levenslang gekozen. — Amplnktionon.

Sticliting van Helleenscho volkplantingen op do Griekscle- eilanden, Ai\'olische, JoOlflCho en Dorische volkplantingen op de kasten van Kleiu-Aziö.

Zangen van Homeros, — Hesiodos,

1250. 1193 1183. omslr. 1104. 1006.

oiaslr. 10,quot;)Ü.

181.

l\'aloponnesus.

OKistr, 900.

-ocr page 480-

I.USTKKKRDK WKKEI.IXiKSCUI KOKNIS.

Lyknrgos in Sparta. — Niouwo wetgeving, — Vijl\' ephoron. Vornieuwing der Olympische spelen door Lykurgos.

Eerste olympiade.

Tempelbouw door de Doriörs on Joniörs.

Stiehting van Griekscho volkplantingen op Sicilië en in Boneden-ltalië.

Te Athene archonten voor den tijd van tien jaar gekozen.

Sparta treedt meer en meer op don voorgrond.

Eerste Messeensche oorlog.

Stichting van Syrakuse.

Aristodemos by Ithome.

Archilochos, dichter van jamben.

Archonten te Athene voor slechts één jaar.

Argos, Korinthe en Aegina worden machtig tor zee.

Tweede Messeensche oorlog. — Tyrteos helpt Sparta redden.

Begin van Sparta\'s hegemonie.

Drakon\'s geschreven wetten to Athene.

Verbanning der Alkmeonieden. Kpimenides.

Periander te Korinthe.

Vroegste bloei der lyrische dichtkunst in Griekenland. Dichters van elegiën : Kallinos , Tyrteos; Archiloches (700—000); Aesopos, do fabeldichter; do lyrische dichters: Alkman, Arion, Alkaios (omstreeks (llü) Anakreon; Sappho.

Orieksche wijsgeeren: Thales van Milote, Anaximander (OIO—546). Solon. — Wetgeving door Solon te Athene. Areopagos.

458

Vóór (Ihrisliu. 880.

884.

776.

752.

750 7i:i 724 73.1. 727. omstr. 700. C8;i. 675—610. fi 13—630.

624.

SUl.

R O M E.

751 (753), Stichting van Eome door liomulus. — Eemus.

Sabijnsche maagdenroof.

716. Dood van Romulus.

715 (172. Nutna Pompilius. — Kegeling van den godsdienst (Pontifices, Ves-taalsche maagden),

672 610. Tullus Ilostilins. — Oorlog met Alba-Longa — Beslechting van den strijd door hot kampgevecht der drie Horatiërs mot de drie Curiatiërs.

640—611, Ancns Marcius. — \'t Opkomen van het plebs, — Begin van den tempelbouw op den Capitolinns. — Aanleg van het Forum en dor cloaken, — Bouw van het Circus.

614—57». Tarquinins I\'riscus. — Dianateinpel op den Aventinus. — Moord op den koning.

578 5;u, Servius Tuliins, — Burgerlijke orde te Rome. — Verhefling der Plo-bejt\'rs. — Vermoording des Konings in den Senaat.

534 r.io. Tarquinins Superbus. — Sibyllijnsche boeken. — Sextus Tarquinins L\'ci\'ft aanlf\'iding tot den zelfmoord van Lucretia en de verdrijving der Tarqniniërs. — Kome wordt eene republiek.

| I

-ocr page 481-

LIJST DER PLATEN

Losse platen.

iiid/

fecsostris (Eamses II) in den slag vim Kaclesh Ifrosos op den brandstapel

,„ , , 1 ............................. 304

Mjkfeest tor oere van Patrokles..............

In den tekst opgenomen platen,

AFBEELDINGEN, STEEKKKNDE TER AANDUIDING VAN \'s MKNSCHEN ONTWïKKELING.

Jaiel I, Voortijd; Wapens, gereedschappen, ringen enz. uit de steen-, de brons-

en de ijzorperiodc............................j ^

» Egypte. Oud-Egyptische kunst: bouwkunstige kenmerken en sieraden,

schilderwerken, Iniisraiid, wapens, muziekinstrumenten enz........ 163

„ III. Assyriè\'; beeldwerk, voortbrengselen der bouwkunst, schilderwerk, drinkvaten, wapens, versierselen..............

„ IV. Israöl; Tempelgereedschappen en versierselen.............\' 286\'

Beeltenissen, standbeelden, busten.

. . lildz- Blltz i Bldz

Aclulles........ 303 Janus.........448 Nestor. 363

Agamemnon...... 303 Jupiter.........440 Odysseos......! \' 363

®oeddha........ 62 Menelaos........ 303 Paris............363

Diomedes....... 363

Vóörbistorische en

lildz.

Noach\'s ark............................24 !

Het uiteengaan der stammen bij den

torenbouw te Babol..............\'28

Uittocht der Ariërs....................48

Inval der llyksos......................§6

Jozef maakt zich aan zijne broeders

bekend............................89

Mozes gevonden........................99

\'s Konings soldaten ontwaren bij hun

ontwaken verschalkt te zijn .... 104

\'s Konings dochter teleurgesteld . . . 105

] )e koning in zijn strijdwagen bedreigd HO

)rische tafereelen.

Hldz

Psametich verzamelt zijne eigene en

vreemde krijgslieden 0111 zich heen H3

Esau en Jakob........................221

Uittocht dor Israëlieten................224

Josua trekt door het Beloofde Land . 225

Simson\'s einde........................232

Saul door den profeet .Samuel tot koning gezalfd........................235

Saul werpt zijne speer naar David. . 238 Koning David voert de Ark des Ver-

bonds naar Jerusalem..............243

Absalom\'s dood........................248


-ocr page 482-

1.1.1 ST DO I\'LATHN.

lilllz.

Salumu\'s eerste rechtspraak............258

liestoniiiiig van Jerusalem door Joas. \'J7 I Wegvoering der Joden naar Habvlon. \'280 Kresos geleidt Solon door zijne schatkamers ..............................ïlO\'l

lijstoriiiiiig van eone versterkte stad

door de Assyriërs..................32U

Jason vlucht mot Medea cn hot gou-lihlz.

den vlies op de Argo..............i!5(J

Offerdood van Kodros..................300

Aristomenos uit de rotskloof gered. . 375

Do Sahijnscho maagdenroof............427

Numa Ponipilius en Egeria............430

Het vertrek der Horatiërs............432

Tarquinius Superbus verdringt zijn

schoonvader..........................438


Volkstypen.

\' I\'ll jen van volken van versehillende rassen: Nieuw-Hollandcr, Molane-siër, Chinees, Indiaan van Noord-Anierikii, Hiudo, lloschjcsnian,

| Bldz.

Neger, Europeaan..................5

Tjpe van een Azteek..................8

Oude bewoners van China: viertal

afboeldingen........................39


Godsdienst en Mythologie

lil.l/.

lilllz .

lirahnm en Saraswatl..................53

Brahmanen............................55

Indische boetelingen..................57

Het baden in den heiligen stroom te

Benares............................59

Maja cn haar zoon Sakia Moeni ... 00 Dé berg Jloroe , du aarde en hel, gedragen door eone grootc schildpad. 65 Egyptische goden (12 afbeeldingen). 117

De stier Apis..........................120

Offerende priesters ................126

Jonge Egyptische koning in den tempel 129

De godin Astarte der 1\'hoenikiërs . . 215 Hebreeuwsche priesters en levieten. . 228 Inwijding van den Tempel te Jerusalem door koning Salomo .... 250 Perscus, op den gevleugölden Pegasos . 3quot;gt;2

De goden op den Olympos............400

Strijd der goden tegen de titanen . . 402

Eleusinische feesten....................405

De pytliia op don drievoet te Delphi. 408

Offerande aan Jupiter................447

Tempeldienst der Vestaalsche maagden 449

Offerande aan de lares................451


Krijgswezen

lildz.

Kgyptische krijgslieden van verschillende wapenen........... 70

Triomftocht van een Egyptischen koning 144

Amazonen.............. 294

Het uittrekken van eene Assyrische

legermacht .... ........ 308

Een Assyrisch koning in zijn strijdwagen ............... 311

lildz.

Belegering eener stad door de Assyriërs ................ 313

Inneming van eene vesting cn wegvoering van gevangenen...... 313

Assyrische krijgslieden........ 324

Bestorming van eene versterkte stad

door de Assyriërs......... 32!)


Openbaar en Huiselijk leven.

lildz

Doodengoricht over een Kgyptischen

koning............... 124

lildz.

Onderworpen volken brengen den Chal-deeuwschen overheerscher geschenken 177


-ocr page 483-

lust nr.ii pt.aten.

Bldz.

.Toilen trenrcmlo over luinne ballingschap................................33,quot;i

Pe Spartaanscho jongelingschap . . . r!7() Soion , wetgever van Athene mot zijne

jongeren............................379

(irieksche kleeding....................390

niih.

Gneksch reiskostuum......... 390

Grieksche renspolen..........

(irieksche spelen (7 voorstellingen). . 411 Ontvangst van oen overwinnaar hij de Olympische spelen hinnen zijne vaderstad............... 413


Volksvlijt.

Bldz.

Het net aangewend bij de visclivangst 15 Chinecsche pottebakkerskunst: bot verbrijzelen van den feldspath, het stampen, liet vormen op de schijf, het branden in een open on in een gesloten oven (4 afbeeldingen). . . . 41

Egyptische bontwerkers. ......

Kgyptische schoonmakers......

Phoenikische koopljoflen......

De zoogenaamde schat van Priamos

uit do opdolvingen te Troja. . Kunstnijvorhcid van de oude Ktruriiirs


Wetenschap: Taal- en Letterkunde.

Hldz.

Chincesch schrift........... 42

Egyptische hioroglyphen. . . . 137 cn 138 Egyptisch hiiiratiseh schrift (.\'! voor-iildz

beelden).............. -jgg

Egyptisch domotisch schrift..... 139

Assyrisch spijkerschrift (.\'i regels) , . 340


Beeldhouwkunst

RotsboeM aan de Syrische kust bij Beyroeth......

Bouwkunst.

lildz.

Eerste woningen der menscben. ... 13

Paalwoningen..........................14

Chineesch woonhuis van bamboes . , 43

Woningen der Ariërs..................49

Pyrainiden van Psjizeh................7h

Het landhuis van een Egyptisch 110-

maroh................................133

Ingang van een graf bij lieiii-Hassan 151 Een Egyptische tempel, met zijne hoven, vijver en omtrek..............155

Tempelmuren op Philae..............15c

Zuilenhal in don Osiristmnpel op l\'iiilao 157 Het bouwen van Egyptische praalgestichten ............................159

El Kasr (hetKasleelj in de bouwvallen van liabylon....................-108

De Toren van Nimrod (Mirs Ximrod),

in do bouwvallen van Babyion . . 175 j Trap voerende naar het koninklijke

lildz

paleis te Niniveh......... ^ S\'j

Zalou in een Assyrisch koninklijk paleis 184 Opgang naar den Tempel te .lerusalom \'219 Absalom\'s graf bij Jerusalem .... \'249

Assyrisch paleis............ 306

Xoordervleugel van bet paleis te Khor-

sabad................ 3.1,1

Bouwvallen van den tempel van Athene

op het voorgebergte Soenion. . . . 348 Muren en overblijfselen van Oud Ita-liaansche gebouwen ,■ 1. muurwerk te Bovianum , \'2, muurwerk te Lista , 3. de Cucumella, 4. grafheuvel te Vulci, muren te Volterra, (i. muur te Olivano, 7. muur te Signia, 8.

muur te Arpiura.......... 42:i

\'lot bouwen van don Jupitertcmpol op den Tarpojisohen heuvel .... 434


-ocr page 484-

LUST DER PLATEN.

462

Merkwaardige plaatsen.

lildz.

Het Nyidal bij overstrooming .... 7.\'i De watervallen van don Nijl, bij het

Granietgebergte......................83

In den Libanon........ . . . . 207

Havenstad aan de PJioenikischo kust. 209 Jerusalem, ton tijde van David en

Salomo..............................254

lildz,

In het Armenische hoogland..........28!)

Landschap bij Sparta..................308

Landschap bij Korinthe..............394

Het dal van Delphi met don Parnassos 399

In de nabuurschap van Alba-Longa . 418

Homo onder de koningen..............445


Vignetten.

Hldz.

Vignet, mot het hoofd van oen oud

1

Vignet, met het beeld der heerschappij

20

Vignet, roet het beeld van een Chi-

neesch wijsgeer..........

35

Vignet, mot een Hindobeeld.....

40

Vignet, met Egyptisch beeldwerk . .

71

Bldz.

Vignet, met Chaldceuwsch beeldwerk 164 Vignet, met Assyrisch beeldwerk . . 179 Vignet, met een l\'lioenikisch vaartuig 197 Vignet, met de portretten van Lykurgos

en Solon...............gt;40

Vignet, met Italiaansch beeldwerk. . 410 Vignet, mot Romeinsche sieraden . . 42:)


-ocr page 485-

VERBETERINGEN.

Toclak-ITabiil-Asai- If lees Toeklat-Adar I

bouw van het, lichaam

Hasiasadra

toon

wilden de

stamvader

overstrokon

Zadradras

voor

lfo])lisa

Kulaens

Nauflli

Elissar

Kon iet des

fiabcon Gozer

EtsiongolKn\' Etsiongcber Arnon

ïoelak • 1 labal-A sar 11

. lichaam is niet fraai. Hasisadra mom

wilde den

stamvader der

overstreken

Zadadras.

door

Ilojthra

Eulaos

Nun of Nnen Elissa

n

Ivothlct der

Gibeon Gaza

Kziongclier Eziongcber Amon

Toeklat-Adar I

do Jiaartooi

Bladz. XIV

reg

.19 van bov.

n

6

V

7

on d.

n

15

•\'i „

bov.

n

16

n

8 „

■n

n

25

n

24 „

n

30

r)

21 „

n

31

n

10 „

rgt;

n

47

n

15 „

n

n

51

n

10 „

oud.

gt;,

115

3 „

n

171

19 „

bov.

r

205

..

20 n

n

209

51

13 „

oud.

n

210

n

2 „

n

229

n

8 n

ri

li

230

n

18 ,

n

242

n

11 „

n

»

r

10 „

r

245

8 „

bov.

n

.. 21 en 13 oud.

ÏI

27S

n

13 van

n

n

311

„3 en 8 „

bov.

staat

-ocr page 486-
-ocr page 487-

{?M gW FtKïi

• : ,

r

I \'

t-

|

|

wk

\'

• • . .. . . ■ \' ■ 1 \' ■ ■

■■ ■ ■

...

-ocr page 488-
-ocr page 489-