-ocr page 1-

égt; 2 G

\'. / f\' ^\'T.

631

TAL 626

-ocr page 2-

1

\' -

-ocr page 3-

Overgedrukt uit de Nederlandsche Spectaior, 1884 , Nu. 42.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

COLL. THOMAASSE

DE BOEKDRUKKER DOEN PIETERSZ. EN DE GRAVEUR JACOB CORNELISZ.

Onder de zeldzaam voorkomende Amsterdamsche drukken van do \'16e eeuw behoort hel mirakelboekje, waarin, voor het eerst in een afzonderlijk geschrift, een omstandig verhaal wordt gegeven van liet wonder, zooals het zich twee eeuwen vroeger zou hebben toegedragen.

Er bestaat van dit boekje eene Nederlandsche en eene Latijnsche uitgave, die ongeveer gelijktijdig verschonen. De laatste draagt geen jaartal; aan het einde lezen wij alleen; sExcusum Amstelredami in Antiquo latere, in vico diuae Annae, per me Guilielrnum Jacobi, sub inter-signio arcis Angelicae.\'\'

Aan denzelfden boekdrukker Willem Jacobsz., wonende in St. Anna-straat »in Engelenburchhebben wij de Nederlandsche uitgave te danken, van welke ik diie verschillende drukken in handen heb gehad. Laler hoop ik ze nauwkeurig te beschrijven, thans vermeld ik alleen, dat ze allen den naam van Willem Jacobs als drukker vermelden. Twee hebben bovendien het jaartal 1508, terwijl de derde uitgave, hoewel het jaartal niet wordt genoemd, blijkbaar van denzelfden tijd is.

Volgens mr. N. de Roever 1 zullen alle deze uitgaven herdrukken zijn van een druk van \'lü\'18, die op dit oogenblik spoorloos schijnt verdwenen te zijn. Hij verze-

1 Zie zijn art. over „Amsterdamsche boekdrukkers en boekverkoopera in de IGe eeuwquot; in Oud-Holland, I). II, all. 1.

-ocr page 4-

2

kert dit op gezag van geschrevene aanteekeningen van Jacobus Koning, waarop ik onlangs (Nïeuwsbl. v. d. boekh. nquot;. 42) de aandacht vestigde. Doch Koning bezat alleen bovengenoemde Lalijnsche uitgave 1 en hieli\' deze voor de eerste uitgave van het jaar ISIS, zonder zich rekenschap te geven, of Willem Jacobsz. werkelijk reeds in dat jaar als uitgever te Amsterdam gevestigd was.

Mr. De Roever doet te recht opmerken, dat Willem Jacobsz. eerst minstens tien jaren later als diukker is opgetreden. Toch rees geen twijfel bij hem op aan de juistheid vim het jaartal, en daaraan vasthoudende kwam hij lot het besluit, dat het mirakelboekje allereerst door Doen Pietersz. moest zijn ter perse gelegd, niettegenstaande in Konings catalogussen uitdrukkelijk het »Excusum per Guil. Jacobiquot; wordt opgegeven. Doch Pietersz. was, naar hij meent, toen de eenige drukker in Amsterdam. Hel is echter bewezen dat Thibaut in dat jaar ook reeds werkzaam was. Uit mijne bibliographie zal later blijken, dat beiden veel vroeger te Amsterdam hebben gedrukt, dan de heer De Roever vermoedde.

Hoe kwam Koning aan het jaar 1518? Hij heeft zich, evenals Le Long en Wagenaar, laten misleiden dooide houtgravure, die voorkomt op de keerzijde van het titelblad in de Latijnsche en éeneder Nederlandsche uitgaven. Die houtsnede geell in drie tafereelen hel gebeurde met de heilige hostie te aanschouwen, en draagt, behalve liet wapen van Amsterdam, een monogram en hel jaar 1518. Le Long (Hist, beschrijv. v. d. reform, v. Amst. bl. 199) maakt hieruit op, »dal er nog een andere druk van den jare 1518 van dit boecxken moet zijn, toen dit printjen sal gemaakt wesen, en dal de bijstaande letters het merk van den drukker zijn, bij wien het gedrukt is, te meer vermits Willem Jacobsz een ander merk gevoert heeft.quot; Koning heeft op dit laatste geen acht geslagen, en uit hel monogram Willem Jacobs trachten le lezen Het is vreemd, dal hij geen oogenblik aan den graveur heeft gedacht.

Naar mijne overtuiging behoorden de houtsnede en

\' Catal. ISaS bl. 7«, No. 288. Catal. 1833, bl. 20G, Nu. 513. 2 Zie de aaut. iu liet art. vau mr. De Koever.

-ocr page 5-

3

liet boekje oorspronkelijk niel bij elkander, en liet verdient opmerking, dat De Jongh, die in 1764 »het leven der schilders door K. van Manderquot; opnieuw uitgaf, en de eenige is die van deze gravure gewag maakt, enkel spreekt van »prenfjens van het zoogenaamd Amslerdamsch mirakel, in 1518 gedruktquot;, zonder een woord van het boekje te reppen. Het prentje, door latere schrijvers over onze kunstgeschiedenis geheel over het hoofd gezien, is een der vele kunstwerken van den Nederlandschen schilder en graveur, die zijne stukken altijd met hetzelfde monogram teekent, bestaande uit de letters I en A, gescheiden door een teeken, dat doet denken aan een M of omgekeerde W met een V erin. Ofschoon deze hoogst verdienstelijke maar nog te weinig gekende kunstenaar enkele uitgaven van zijn tijd met de scheppingen van zijn teekenstift heeft opgeluisterd, zoo werkte iiij toch meestal zelfstandig. Het Rijksprentenkabinet bevat vele merkwaardige gravuren, die zeker niet voor boeken zijn be.slemd geweest, en misschien voor een deel ontwerpen behelzen van grootere schilderwerken , die nog bestaan , of helaas zijn verloren gegaan De kundige directeur van het prentenkabinet, die jarenlang van dit onderwerp studie heeft gemaakt, is zeker veel bevoegder dan ik, om dezen Nederlander naar waarde te doen kennen Ik wil alleen doen opmerken, dat de kunstenaar, die bij voorkeur godsdienstige onderwerpen behandelde, waarschijnlijk dit mirakelprentje zal hebben vervaardigd, om verkocht te worden aan de vromen, die jaarlijks ter bedevaart gingen naar de «Heilige Stede. quot;

Dat dit meer dan eene gissing is, blijkt uit hel prentje zelf. De Koninklijke Bibliotheek bewaart een ongeschonden exemplaar, dat, als uitslaand plaatje, in een dei-exemplaren is ingevoegd. Het is aan de keerzijde onbedrukt, 128 mm. hoog en 105 mm. breed. Onder de houtsnede leest men ;

Lof wouderlijok ghcbeucdijt hcylich Sacranicnl Mieraculoos ghcvondcii biuncu Acmstclredain//

Ju verde Landen zijn v micraculcii wel bekeul;,

Eeu Vroukeu dat uam v wtteu vierijgheii Vlam Alsnic sell reef M.CCC.XLV. veel leykene men dan vernam Ter zee, te Lande ouer cil zijn v eraeliten Present.

-ocr page 6-

4

Van deze houtsnede heeft Willem Jacobs gebruik gemaakt. Maar het prentje was te groot voor het klein 8° formaat van zijn boekje. Zooals wij het zien afgedrukt op de keerzijde van de titelbladen is het, vooral aan de beide zijden, sterk afgesneden. In dien toestand heeft ook Le Long, die de oorspronkelijke uitgave niet kende, het weergegeven.

Er is meer. Eene nauwkeurige vergelijking doet ons zien, dat het afzonderlijke prentje niet geheel overeenkomt met de houtsnede op de titelbladen van het mirakelboekje, zoodat ze niet van hetzelfde houtblok kunnen afgedrukt zijn. De betere bewerking en het versje geven ons recht het afzonderlijke voor het oorspronkelijke, de afdruk in het boekje voor de navolging te houden. Voorts verdient opmerking, dat de oorspronkelijke houtsnede ook staat afgedrukt op de voorlaatste bladzijde van een bundel Latijnsche gedichten van Alardus Amstelredarnus, door dezen bij Doen Pietersz. in 1523 uitgegeven 1, bij wien hij toen, blijkens de onderteekening van den voorrede, in Engelenburg woonde. Bij de onderwerpen, door den dichter bezongen, past het prentje wel. De onderstelling li^t nu voor de hand, dat men in 1568 het prentje op nieuw in den handel heeft gebracht, maar daarvan een anderen vorm heeft doen snijden, omdat de eerste was verfjleten of verloren gegaan Geen ander dan Willen\'. Jacobs kan de uitgever zijn geweest, die er tevens gebruik van maakte voor zijn boekje. Het jaartal 1518, dat bij de navolging behouden bleef, verliest dus alle be-leekenis voor de uitgave van het mirakelboekje.

Hier komt bij, dat het zich gemakkelijk laat begrijpen, waarom juist in 1568 dat mirakelboekje, en wel in zoovele uitgaven, het licht heeft gezien. Men her-innere zich de gebeurtenissen van dien tijd. De hand

1

llitvs cdendi Pasclialis ngui... Ciï alijs nou nullis eode spectantibus . . . per Alardü Amstelrcdama — Apud sacrosauctum, rcligiosumque Am-stelredamum . .. Dodo Petrus Typograplms ad castrum augelicum ... excudebat Auuu 1533.

- Eene afzonderlijke afdruk van dit nagemaakte prentje, dat, hoewel aan do keerzijde onbedrukt , te veel is afgesneden om over de grootte te kunnen oordeelen, ia iu bet bezit van den beer K. W. 1*. de Vries.

-ocr page 7-

over Fiand toenemende godsdienstige beweging had ook do gemoederen te Amsterdam in heftige beroering gebracht. In Augustus 1506 had in de onmiddellijke nabijheid van de stad de eerste hagepreek plaats. De beeldstorm sloeg van Vlaanderen naar Holland over. Men kent den moedwil, gepleegd door de opgewondene menigte in de Oude kerk. en in de Minderbroeder- en Karthuiser-kloosters. De geestelijkheid trachlie te redden wat nog geborgen kon worden; aan bedevaarten naar de Heilige Stede en aan procession met het mirakel kon niet worden gedacht. Reeds in den aanvang van 1507 begon de toestand eene andere te worden, ofschoon de houding van de hervormden, gesteund door de tegenwoordigheid van den heer van Brederode, de regeering belette doortastende maatregelen te nemen. Maar het blaadje werd omgekeerd, toen in 1568 Alva was verschenen. De schuldigen moestens het gepleegde kwaad met hun leven boeten, voor zooverre zij niet hadden kunnen vluchten. De katholieke eeredienst werd in zijn luister hersteld en het protestantisme met alle macht bestreden. Ook de vereering van hel mirakel, waaraan Amsterdam zooveel te danken had, zou weder plants hebben met dezelfde devotie van weleer, en het boekje moest daartoe het zijne bijdragen. De verschillende uitgaven bewijzen, dunkt mij dat het door de geloovigen gretig werd gekocht en gelezen.

Dit zijn de grot,den waarom ik meen te kunnen vaststellen, dat eene uitgave van 1518 alleen in de verbeelding bestaat. Niemand heeft, zoover ik weet, beweerd, haar ooit werkelijk gezien te hebben 1.

Hieruit behoeft geenszins te volgen, dal het mirakelprentje niet bij Doen Pieters gedrukt en door dezen in den handel gebracht zal zijn. Wel is waar komt zijn drukkersmerk er niet op voor, maar het is bewezen, dat hij verschillende houtsneewerken van dezen graveur heeft uitgegeven, en boeken in het licht gezonden, die

1

Kramm zegt, dat de Konmklijke Bibliotheek de gelukkige bezitster is van do gewaande uitgave. Maar hij was zoo weinig ojj de hoogte, dat hij zieh een boekje voorstelde met verschillende prentjes, die latei-in het bekende boekje van L. Marins zouden zijn nagevolgd.

-ocr page 8-

G

gravures bevatten van dezelfde bekwame hand. Ik verwijs alleen naar de beide uitgaven, die Le Long bezat *, en naar een klein 8quot;. boekje, getiteld «Passie Domini nostri Jesu Cbrisliquot; met 62 houtsneden, dat in 1523 verscheen. Bovendien stelt de afdruk van het prentje in den dichtbundel van Alardus het boven alle bedenking, dat dit op de persen van Doen Pietersz. werd afgedrukt. Of de drukker tegelijk de man is geweest, die de teeke-ningen van den meester in hout heeft gesneden, zou ik niet durven beweeren; daarvoor beslaat althans geen enkel bewijs. Eerder kunnen wij aannemen, dal de graveur, die ook voor anderen, zooals voor Jan Severs, heeft gewerkt, zijne eigene teekeningen zoo voortreffelijk in hout zal hebben uitgevoerd.

Wie is de graveur van hel mirakelprentje, die zich achter bovengenoemd monogram verschuilt ?

Omtrent de verklaring van dit monogram heerscht een ware spraakverwarring. In de -17de eeuw schijnt men aan niemand anders dan aan Jacob Gornelisz. te hebben gedacht, wiens werken door Karei van Mander zeer geroemd worden. In 1651 wei den door den uitgever Joannes Mommarl te Brussel de met dit monogram geteekende groote houtsneden, voorstellende tafereelen uit de lijdensgeschiedenis, bekend onder den naam van «de ronde passienquot;, uitgegeven met den titel «Historia Christi palientis et morientis iconibus artificiosissimis delineata per Jacobum Gorneliszquot;.

Raadpleegt men de buitenlandsche schiijvers, die in de 18de en in het begin der 19de eeuw de werken van Nederlandsche schilders en graveurs bespraken, dan ontmoet men allerlei andere namen. Men noemt den graveur Werner van Ossanen, vermoedelijk omdat men Oostzaan,

1 Libri iu 4°., No. 530, iu Squot;., Nu, 228.\'i. liet eerste is ongetwijfeld hetzelfde werkje, waarvan Nagler e. a. den titel zoo verhaspelen. 1\'assavant, Nagler eu lirulliot weten ook geen raad met een Latijnsehen titel, die blijkens bet exemplaar in het prentenkabinet aldns luidt: „Cuin grii et privileijio Kar. Rei.\'. Arastclredaïïi frequentissiö totins hollü emporio. 1 )odo petrus Typograpluis exeudebat. Auisdin 1530 Kalend, Aprilisquot;. Ook de prentwerken hoop ik in mijne bibliograpbie op te nemen.

-ocr page 9-

7

de geboorteplaats van Gornelisz., voor een t\'arailmaam hield. Een ander doopt hem Waer van Hassane, en zoo heeft men ten laatste uit het monogram een Jan Walther van Assen doen geboren worden, die inderdaad tiooil heeft beslaan. » Ce monogrammequot;, zegt Bartsch (Le peintre graveur VII, 444) «est presque généralement attribué a Jean Walter van Assen, artiste qui cependanl n\'est pas connu, et dont on sail seulement qu\'il a vécu a ^ Amsterdam vers Tan 4517quot;.

Niettegenstaande men niets wist omtrent een schilder van dien naam, en dat waar het een zoo vruchtbaar penceel, zulk eene ijverige teekenstift, zulk eene meesterhand gold, toch duurde het lang eer de beoefenaars dei-kunstgeschiedenis de dwaling begonnen in te zien. Nagler wijdde in zijn Künstler-Lexicon nog een artikel aan dezen Van Assen, ondanks zijn twijfel\'. Heller (Geschichte der Holzschneidekunst) vermoedt zelfs niet, dat hij de met het monogram geteekende gravures aan een denkbeeldig persoon toekent. Onze Collot d\'Escury (Hollands roem. III, 209) bewondert de werken van dezen Willem van Assen, »wiens voornaam Jan Walther wasquot;. ZelfsKramm, ofschoon hij van Assen en Gornelisz. voor dezelfde personen houdt, ruimt den gewaanden graveur eene plaats in zijn woordenboek in, zich beroepende op Gollot d\'Escury.

Nog op de historische tentoonstelling van Amsterdam van 187G (Catal. hl. 101) werd het mirakelprentje aan dezen Van Assen toegekend.

Is het monogram dan dat van Jacob Gornelisz., den leermeester van Schorel ?

Passavant (La peintre graveur. III, 24), Brulliot (Dic-tionn. des monogrammes. I, 3, 10) en Nagler (Die Monogrammisten. IV, 7) houden dezen werkelijk voor den schilder en graveur van al de met het monogram geteekende werken. Doch zij weten geen raad met de teekens. »La marquequot;, zegt Brulliot, sne coincide pas avec ce nom, elle doit avoir rapport avec ie nom de familie de nótre artiste, qui n\'est pas connnquot;. a Nous ne connais-

1 In de ui™He uitgave van Meyer wunll Van Asseu alleen „angeb-liclicr Formscheiilerquot; genoemd.

-ocr page 10-

8

sons pas son nom de familiequot;, schrijft Passavant, »qui pourrail peut-êlre expliquer d\'une manière plus salis-faisanle, les lettres donl se compose le monogramme.quot; Zij wisten niet, dat men het in de 10de eeuw hier te lande wel buiten familienamen stellen kon, en de zonen zich eenvoudig naar hunne vaders noemden. Doen Pieterszoon, de drukker, was in dit opzicht niet rijker dan de graveur, wiens werken hij uitgaf\'. Ook voor Nagler blijft het monogram een steen des aanstoots, »welches auf Jakob Cornelisz. von Oostzanen ohne Gewalt-streich nicht gedeutet werden kannquot;; en hij weet er zich niet beter uit te redden, dan door er den naam van Jan van der Meren uit te lezen, een vormsnijder uit Antwerpen. Zulk een conjectuur verdient waarlijk geene ernstige bestrijding.

Welke bewijzen voert men aan voor de stelling, dat wij werkelijk met den Jacob Cornelisz. van Van Mander te doen hebben?

Vooreerst de uitgave van de ronde passiön van 1651, waarop zijn naam wordt genoemd. Doch die uitgave is meer dan een eeuw na het vervaardigen der gravures in hel licht verschenen, en bewijst alleen, dat men toen Jacob Cornelisz. voor den graveur hield. sCependant, encore que Ton ne puisse expliquer suffisamment la signification du nom de Jacob Cornelisz. sur la réimpression de Mommart, il est évident que ce nom ne saurait ètre celui que l\'artisle inconnn a cache sous le monogramme qui nous occupequot; («Notice hislor. et descript.quot; van het Haagsche Museum bij het eerste schilderij).

Een tweede bewijs wordt geput, uit eene aanteekening of een inschrift in een boek, hetwelk Jacobus Koning bezat. Brulliot beroept er zich op, en ook Slanley wijst daarop in de nieuwe uitgave van Bryan\'s Dictionary ot\' painters. Ik heb in de catalogussen van Koning te vergeefs naar zulk een boek gezocht. Toch heeft Koning het boek gehad, maar helaas, men heeft het handschrift van het boek gescheiden. Het eerste bevat de woorden: »Dit boeck behoor toe Jacob Corneliss schilder tot Amsterdam in die Caluerslraetquot;, waaronder het monogram, en werd in 1882 door Frederik Muller amp; Co. verkocht (Catal.

-ocr page 11-

9

No. 416). Ik kan er bijvoegen, dat volgens getuigenis van den Amsterdamschen boekhandelaar Groebe t, een vriend van Koning, deze laatste nog een ander boek moet hebben gehad, waarin geschreven stond : »Jacob Corneliss tot arasterda in die Caluerstraat, schilderquot;, met het monogram. Doch wat geeft ons de zekerheid, dat Jacob Cornelisz. dit met eigene hand geschreven heeft? Zoolang wij het laatste boekje niet terugvinden, en niet weten in welk werk het eerste te lezen stond, heeft dit bewijs weinig kracht.

Het komt mij voor, dat er een zekerder weg bestaat om deze zaak ter klaarheid te brengen. De monogrammist was niet alleen graveur maar ook schilder, en wij bezitten nog meer dan een schilderstuk, waarop deze teekens zeer duidelijk te lezen zijn. Van Mander, die Cornelisz. wel niet persoonlijk gekend heeft maar toch in dezelfde eeuw leefde, noemt verschillende voortbrengselen van diens penseel. Het altaarstuk en andere schilderwerken, die de Oude Kerk te Amsterdam versierden, zijn bij den beeldstorm geheel of gedeeltelijk verloren gegaan , maar Gornelis Suycker te Haarlem bewaarde in zijn tijd nog een fragment van dat altaarstuk , alsmede »een stuck van Christi be-snydinghe, dat vervvonderlijck wel ghedaen en suyver isquot;, met het jaartal 1517. »My ghedencktquot;, verhaalt Van Mander verder, »te hebben ghesien, niet wijt van den Dam, eenighe stucken van een ghebroken altaer-tafel, van hem ghedaen, en was een cruysinge Christiquot;. Eindelijk roemt hij eene afneming van het kruis, met voortreffelijk geschilderde figuren, welk stuk in het bezit was van de weduwe Sonneveldt, uit het geslacht Nijeborgh, te Alkmaar. Wanneer wij een dezer schilderstukken kunnen aanwijzen, met het bekende naamteeken er op, dan blijft er geen reden meer om te twijfelen aan de identiteit van den monogrammist en den schilder-graveur Jacob Cornelisz.

Voor zoover mij bekend is zijn de bovengenoemde stukken tot heden spoorloos verdwenen. Kramm kent maar drie schilderijen van Jacob Cornelisz., 1°. de Sa-

1 Aauteekening vau zijne hand in een exemplaar van liet werk van Bartsch op de Hibliotlieck van de Kou. Akademie van Wetenschappen.

-ocr page 12-

40

lome uit de verzameling van Koning\' Willem II, die thans een sieraad uitmaakt van het Haagsche museum, 2°. eene schilderij voorkomende in den catalogus van Campe\'s verzameling te Leipzig, waarvan de beschrijving mij onbekend bleef, en 3U. de afbeelding van den os, die als prijs heeft gediend bij een schutterswedstrijd. Dit laatste stuk, dat vroeger in de kamer van het Groot Kramers-gild op het voormalig stadhuis hing, en nu naar de rariteitskamer op het raadhuis is overgebracht, tnag stellig, blijkens het jaartal 4564, evenmin aan Gornelisz. worden toegekend, als een schutterstuk van 1556, mede aldaar te vinden. Van Dijk, die beide stukken in zijne «Beschrijving van alle de schilderijen op het stadhuisquot; werken van dezen mees\'er noemt, ofschoon er geen naamteekens op zijn te vinden, bedacht niet dat Gornelisz., mocht hij al zoolang geleefd hebben, op zulk een ouderdom wel niet meer geschilderd zal hebben. Krarnm zwijgt van den Sau\\ met de heks van Endor, gedagteekend 29 Nov. 1500, welk stuk echter eerst in 1879 te Valenciennes werd aangekocht voor het rijksmuseum Ie Amsterdam. Ook maakt hij geen gewag van het prachtige vleugelaltaar te Cassel, voorstellende de vereering van de H. Drieeenheid door hemel en aarde \', van 4523, misschien het voortreffelijkste kunstwerk dat wij van dezen meester bezitten. Doch toen hij zijn artikel schreef verkeerde men te Cassel nog in den waan, dat dit stuk aan Joan de Mabuse moest worden toegekend. 1 Alle deze stukken dragen het monogram van het mirakelprentje en de andere houtsneden, doch Van Mander noemt ze niet, enZoeteboom, die in zijn »Zaanlants Arkadiaquot; niet vergeet den schilder te gedenken, liet zich alleen door dezen voorlichten.

Ware de Groote Kerk te Hoorn maar in haar voorma-

1

Door Nagler e. a. teu onrechte ,,de zegepraal van den godsdienstquot; genoemd.

-ocr page 13-

li

ligen luister bewaard gebleven! Velius teekent aan op liet jaar 1522, dat toen sis geschüdert het Oordeel aan \'t achter voorhemelt van de kerck, als ook de schilderijen boven \'t choor, door eenen Jacob Gorneliz. geboortig uit Oostzanen, woonachtig te Amsterdam , een man zeer voor-treftig in zijn konstquot; 1. Met den ondergang van dit grootsch gebouw zijn echter niet alle sporen verdwenen van hetgeen Cornelisz heeft verricht tot versiering onzer Holland-sche kerken. Ik aarzel geen oogenblik aan te nemen, op het gezag van den heer Van der Keilen, dat de schilderingen aan het gewelf van de kerk te Naarden aan dezen meester moeten worden toegekend. De overeenkomst der voorstellingen met de tafereelen, die wij in de houtsneden bezitten, valt. in het oog. Zou ook het monogram niet ergens zijn weer te vinden?

Al kunnen wij vooralsnog niet wijzen op een met het monogram geteekend schilderwerk, dat volgens tijdge-nooten van Cornelisz. afkomstig is, wij mogen ons voorshands tevreden stellen met hetgeen Van Mander 2 mededeelt omtrent de «boute printenquot; van dezen meester. Het is bijna niet mogelijk aan andere houtsneden te denken dan aan de voor ons liggende exemplaren, die het monogram dragen. En ik aarzel te minder, omdat het monogram geen grond lot twijfel oplevert.

Het is onbegrijpelijk hoe men daarmede zoo heeft kunnen sollen; het vroeger beschreven teeken tusschen de letters J. en A. is toch niet anders dan een merk-teeken , zooals men gewoon was in die dagen te gebruiken. De drukker Doen Pietersz plaatste evenzoo een merk-teeken tusschen de letters d en p, en het is nog niemand

1

Zie verder S. Centen in zijne aanteekeningen op den 4en dr. van Velius, Chronyk van Hoorn, bl. 219.

2

- Uit de Fransehe vertaling van het werk van C. van Mander, zoo even door H. Hijmans, den kundigen conservator aan de Koninkl. Bibliotheek te Brussel, uitgegeven en met aanteekeningen toegelicht, blijkt mij, dat L. Sehcibler (Jahrb. d. k. Preus. KunstSamml. Th. ïlf.) 80 schilderstukken aan Jacob Cornelisz. toekent, die in verschillende museums bewaard worden, waaronder echter niet een der door van Mander . genoemde. Hijmans uit het vermoeden, dat eene kruisafneming in het Louvre (No. 280) het verloren altaarstuk uit de Oude Kerk zou kunnen zijn.

-ocr page 14-

12

in het hoofd gekomen om in die willekeurige strepen de beginletters van een deel van zijn naam te willen zien. Al zou dit merkteeken aan een M, of omgekeerde W, en een V kunnen doen denken, men bespeurt dadelijk dat die letters geheel anders gevormd zijn, dan de werkelijke letters die ter zijde staan. Ten slotte blijft de eenige moeielijkheid, dat wij J. C. in plaats van J. A. zouden willen lezen. Bedenken wij echter, dat Cornelisz. »tAmsterdam een borgher wesende, aldaer zijn leven heeft geeyndichtquot;, zooals Van Mander zegt, is het dan zoo onwaarschijnlijk dat hij zich, naar de stad waar hij leefde en arbeidde, Jacobus Amstelodamensis of Amstelredamus noemde? Het was geen zeldzaam verschijnsel, dat iemand zijn naam ontleende aan de plaals zijner geboorte. Ik herinner alleen aan bovengenoemden Alardus Amstelredamus, aan Henricus Bommelius en Gerard van Zutfen. Wel is waar zag Cornelisz. het levenslicht te Oostzaan, doch hij heeft waarschijnlijk reeds in zijn vroege jeugd die plants verlaten. Va^ Mander wist niet shoe hij aen de const is geraekt, onder den boeren voort ghe-comen wesendequot;. Nu wij echter weten, dat hij in 1505 bij het St. Lucas gild te Antwerpen werd ingeschreven 1is de gissing geoorloofd, dat hij zeer jong naar elders is gelrokken, om zich op de kunst toe te leggen. Dat hij, van zijne geboorteplaats vervreemd, sedert hij te Amsterdam gevestigd was, zich liever noemde naar deze stad, door Doen Pietersz. sfrequentissimum totius hollandiae emporium quot;, door Johan Ewouts »de vermaerde coopstadtquot; geheeten, laat zich gemakkelijk denken Men was er trotsch op Amsterdammer te heeten, en voor een kunstenaar zoowel als voor een geleerde klonk het zeker oneindig beter zich Amstelodamensis, dan Cornelisz. of Van Oost-sane te kunnen noemen, welke eerste naam zonder eenige beteekenis was, terwijl Oostzaan buiten Holland wel geheel onbekend zal zijn geweest. H. C. Rogge.

1

De Reifenberg, De la peinture sur verre aux Pays-Bas. Brux. 1832.

-ocr page 15-