-ocr page 1-

VERZAMELIM

m

VAN

WETTEN EN BESLUITEN

BETREFFENDE HET

01 iiAlulUij/jiUi

NEDERLAND,

vastgesteld Uisscben 20 Juli 1870 en 6 September 1882, die op 1 Maart 1884 nog van krarbl zijn.

Uitgegevon door. het Depai-tement van Binnenlandsoho Zaken.

r 1 8 84.

gt;

Diergen, C.157Ü

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2911 892 8

-ocr page 5-

/-/C. /syo VERZAMELING

VA N

WETTEN EN BESLUITEN

BETREFFENDE HET

T N

NEDERLAND,

Vaslgoslcltl lussclieii \'2(1 Juli 1S70 en 6 Soplenibci\' ISSi, die nn I .Maart 1884 nog van kracht zijn.

Uitgegeven door het Departement van Binnen!andsehe Zaken.

i aai.

PRECHT

BIüLi wT H EEK DIERGENEESKUNDE UTRECHT

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Deze verzameling bevat alleen de wetten en besluiten betreffende het veeartseuijkuudig Staatstoezicht, die op het tijdstip der uitgave van kracht zijn.

De wet van 5 Juni 1875 {Staatshlad n0. 110) is daarbij gevoegd ,• hoewel zij uitsluitend op honden en katten betrekking heeft, die , volgens art. 42 der wet tot regeling van het vee-artsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie, niet ouder het vee gerekend worden. Zij kan in deze verzameling kwalijk gemist worden.

De volgorde is niet chronologisch ; voor het gebruik scheen het gemakkelijker de verschillende onderwerpen bij elkander te plaatsen, zoodat eerst de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) en de besluiten omtrent ontsmetting en besmettelijke veeziekten in het algemeen zijn opgenomen en daarna de besluiten , die in het bijzonder op enkele besmettelijke veeziekten betrekking hebben, en eindelijk die, omtrent verbod van in-en doorvoer, keuring van vee, openbare verkoopingen van onteigend of in beslag genomen vee en roerende goederen, het vervoer vau vee langs spoorwegen en de ontsmetting van veewagens, benevens de uitzonderingswet ton opzichte van legerpaarden.

\'s Gravenhnge , Februari 1884.

De Samenstüi.l en ■

-ocr page 8-
-ocr page 9-

WET van den \'listen J ui ij 1870 (Staatsblad n0.131), gewijzigd lij de wet van 1 Augustus 1880 (Staats-blad n0. 123), tot regeling van het veeartsenij kundig Staatstoezigt en de veeartsenij kundige \'politie.

Wu WILLEM III, bij de gratie Gods , Koning der Nederlanden , Prins van Or an je-Nassau , Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz, , enz.

Allen, die deze zulleu zieuj of hoeren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben , dat het noodzakelijk is het veeartsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsenij-kundige politie bij de wet te regelen;

Zoo is het, dat Wij , den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaa\' , hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Van het veeartsenijkundig Staatstoezigt.

Artikel 1.

Het veeartsenijkundig Staatstoezigt omvat:

a. het onderzoek naar den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel en , waar noodig, de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering ;

1). de handhaving van de wetten en verordeningen in het belang van den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel vastgesteld.

-ocr page 10-

6

Artikel 2.

Ilct is onder Onzen Minister van BinnenlauJsche Zaken opgedragen aan districtsveeartsen. Zij worden door Ons benoemd uit personen, die de akte van bevoegdheid als veearts van Rijkswege ontvangen hebben. Zij kunnen door Ons worden gescliorst en ontslagen.

Hunne standplaatsen, alsmede de kringen, waar binnen zij werkzaam zijn , worden hun door Onzen Minister van Binnen-landsebe Zaken aangewezen.

Voor iederen districtsveearts worden door Ons één of meer plaatsvervangers benoemd, die, bij volstrekte verhindering van dien ambtenaar, zijne betrekking waarnemen.

Artikel 3.

Bij do aanvaarding hunner betrekking leggen de districtsvec-artsen en de plaatsvervangende districtsveeartsen den volgenden eed (belofte) af in hanGen van Onzen Commissaris in de provincie:

» Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, verbonden aan » de betrekking van districtsveearts (plaatsvervangend districts-» veearts), getrouw vervullen zal.

» Zoo waarlijk heipe mij God Almagtig (Dat beloof ik).quot;

Artikel 4.

Bij schorsing van districtsveeartseu bepaalt bet besluit of dit geschiedt met behoud, dan wel met getteel of gedeeltelijk verlies der bezoldiging gedurende den tijd der schorsing. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt op welke wijze, gedurende den tijd der schorsing, in de dienst zal worden voorzien.

Artikel 5.

De districtsveeartsen zijn bevoegd binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, onder vertoon des gevorderd van hunne akte van aanstelling, bij het aanwezig zijn van eene besmettelijke veeziekte of wanneer die vermoed wordt, de bij deze wet aan huntoezigt onderworpen erven, weiden, stallen en andere verblijfplaatsen

-ocr page 11-

7

van vee, slagthuizeu, winkels of bergplaatsen van vleesch en spek, alsmede diergaarden, tentoonstellingen van vee, vilderijen , penserijen en dergelijke werkplaatsen, zelfs ondanks den wil der bewoners of gebruikers , tusschen zons op- en ondergang binnen te treden. Zij moeten daarbij voorzien zijn van een\' schriftelij-ken last van den burgemeester of den kantonregter en dien des gevorderd vertoonen.

Artikel lt;).

De districtsveeartseu zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen in het belang van den veestapel proces-verbaal op te maken, op den eed bij de aanvaarding hunner bediening afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan het openbaar ministerie.

Artikel 7.

Db districtsveeartsen genieten eene vaste bezoldiging uit \'s lands kas, benevens vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten.

Zij oefenen de veeartsenij kunst niet uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

De plaatsvervangende districtsveeartsen zijn bevoegd de vee-artsenijkunst uit te oefenen. Zij ontvangen geene bezoldiging, maar vergoeding voor reis- en verblijfkosten en vacatiegelden.

Artikel 8.

Jaarlijks geven de districtsveeartsen vóór den Isten April aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een verslag van de werkzaamheden van het veeartsenijkundig Staatstoezigt over het afgeloopen jaar in hunnen kring. Zij zenden van dit verslag een afschrift aan Gedeputeerde Staten der provincie of der provinciën waarin zij gestationeerd zijn.

Artikel \'J.

De districtsveeartsen houden , binnen den kring waarvoor zij zijn aangesteld, een naauwkeurig toezigt op den gezondheidstoestand van den veestapel en op de handhaving der wetten en verordeningen, in het belang van den veestapel vastgesteld, en

-ocr page 12-

8

viseren kosteloos do diplomata en de bewijzen van bevoegdheid der veeartsen.

Zij bezoeken zooveel mogelijk do markten, waar handel in vee wordt gedreven, alsmede de plaatsen waar openbare ver-koopingen van vee worden gehouden en gelasten do inbeslagneming en afzondering van aldaar aanwezig, aan eeno besmettelijke ziekte lijdend vee.

Artikel 10.

Bij het ontstaan eener de gezondheid van den veestapel bedreigende of buitengewone sterfte veroorzakende, of eener voor dan mensch schadelijke ziekte onder het vee, of wanneer er vrees bestaat dat zoodanige ziekte van buiten \'s lands zal worden overgebragt, geven zij onmiddellijk berigt aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, aan den Commissaris of de Commissarissen des Konings van de provincie of de provinciën waarin zij gestationeerd zijn en aan de districtsveeartsen in de aangrenzende kringen. Zij maken zich, wanneer zich zulk eene ziekte in bunnen kring vertoont , persoonlijk bekend met den aard daarvan en stellen den burgemeester der betrokken gemeente de maatregelen voor, die dadelijk tot stuiting der z:ekte te nemen zijn.

Van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten geven zij ook berigt aan den geneeskundigen inspecteur in den kring waarin zij gevestigd zijn, en treden met hem in overleg over de voor te stellen maatregelen.

Artikel 11.

Bij het uitbreken van besmettelijke veeziekten kunnen door Üns tijdelijk buitengewone districtsveeartsen worden aangesteld.

Zij genieten bezoldiging en vergoeding voor bureau-, reis-en verblijfkosten uit \'s lands kas, door Ons te bepalen, en hebben, zoolang zij in dienst zijn , dezelfde bevoegdheden en verpligtin-gen als de gewone districtsveeartsen.

Zij mogen echter de veeartsenijkunst blijven uitoefenen.

Artikel 12.

On?e Minister van Binnenlandsche Zaken geeft Üns jaarlijks een

-ocr page 13-

O

verslag van de bevindingen en handelingen van het veeartsenij-kimdig Staatstoezig-t. Dit verslag wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld eu door den druk openbaar gemaakt.

§ 2. Bemalingen omlrcnl de veeartsenijkundige poliiie.

Artikel 13,

Wanneer zich bij eenig stuk vee verschijnselen van eeuc besmettelijke ziekte openbaren , is de houder of hoeder verpligt daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het vee zich bevindt.

Artikel 14.

Een stuk vee, dat verschijnselen eeuer besmettelijke ziekte vertoont , moet onmiddellijk door den eigenaar, houder of hoeder van helt; overige vee worden verwijderd en zoolang afgezonderd gehouden worden, tot dat daaromtrent door den burgemeester, in overleg met den districts-veearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeiscbende gevallen met eenen geëxamineerden veearts, overeenkomstig de bepalingen dezer wet zal beslist zijn.

Artikel 15.

Wanneer, bij het bestaan, binnen of buiten\'s lands , eener besmettelijke veeziekte , de zorg voor het behoud van den veestapel en voor de gezondheid der ingezetenen het vereischt, kunnen door Ons in- en doorvoer van buiten\'s lands, en vervoer binnen \'s lands van levend en dood vee, vleesch , huiden , haar , wol, mest en verderen afval, veevoeder, gereedschappen en voorwerpen , die bij de behandeling van vee gebruikt worden, en het houden van markten , verkoopingen , tentoonstellingen en andere vereenigingen van vee verboden, en verbods- en andere bepalingen vastgesteld worden omtrent aangifte , verkoop, behandeling en visitatie van alle in dit artikel genoemde voorwerpen, alsmede op de middelen , waarmede zij vervoerd worden, een en ander onverminderd de door provinciale en gemeentebesturen vast te

-ocr page 14-

10

stullcu reglementen cu verordeningen, voor zooverre zij met Onze voorschrifteu niet in strijd zijn.

Artikel 16.

Bij aangifte eener besmettelijke veeziekte door den eigenaar, houder of hoeder, of wanneer een stuk vee vermoed wordt door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, doet de burgemeester onverwijld door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen eu van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen door eenen geëxamiueerden veearts het zieke vee, of dat vermoed wordt ziek te zijn, onderzoeken. Deze geeft daarvan aan den burgemeester schriftelijk verslag, en, zoo het geval hem blijkt van een besmettelijken aard te zijn , brengt hij daarbij advies uit omtrent de te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte, aan welk advies de burgemeester verpligt is, overeenkomstig de bepalingen dezer wet, onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn beroep op Onzen Minister van Binneulandsche Zaken,

In gevallen van twijfelachtigen aard wordt aan Onzen Minister van Binneulandsche Zaken terstond kennis gegeven. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle die bij de wet toegelaten maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

Artikel 17.

Op last van den burgemeester wordt, zoo mogelijk na overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxamineerden veearts, de hoeve, het erf, de stal of weide , waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid vim een\' politiedienaar duidelijk kenbaar gemankt; de kenteekenen , daartoe gebezigd, blijven daar geplaatst gedurende een tijd, door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts, te bepalen , doch niet langer dan honderd dagen na het einde van het laatste geval.

Artikel 18.

De stof, vorm en grootte van deze kenteekenen worden door

-ocr page 15-

11

Uüzen Minister van Binueulauclsche Zaken vastgesteld en duur middel der Staatscourant ter openbare kennis gebragt.

Artikel 19.

De burgemeester is verpligt om, op advies van den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen van eenen gei1 xamineerden veearts, vee door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, of nadat liet hersteld is , van een merkteeken te doen voorzien.

Artikel 20.

üe werktuigen tot het merken van vee en de keuteekenen, bedoeld in art. 17, zijn voor Rijksrekening in iedere gemeente aanwezig.

Artikel 21.

Vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, is verboden.

Wanneer echter dit vervoer noodzakelijk is , kan de burgemeester, den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen deu geöxamineerden veearts gehoord, het vervoer doen plaats hebben onder de door dezen aan te wijzen voorzorgmaatregelen.

Artikel 22.

Het vee wordt verdacht gehouden, wanneer de districtsveeartsen daaraan kenteekenen meenen te bespeuren van eene besmettelijke ziekte, wanneer het door smetstof bezoedeld kan zijn, zich met aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats bevindt of sedert een termijn, voor elke ziekte in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur volgens art. 34 te bepalen, bevonden heeft, of daarmede in onmiddellijke aanraking is geweest.

Üe beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee dat voor dezelfde ziekte vatbaar is, waaraan het vee lijdt, waarmede het in dezelfde verblijfplaats is of geweest is, of waarmede het in onmiddellijke aanraking is gekomen.

-ocr page 16-

12

Artikel 23.

Onverminderd de bepalingen der wet van 28 Augustus 1851 {Stuatsblad n0. 125) voor alle andere gevallen van onteigening dan die van besmetting bij veeziekten, wordt, wanneer afmaking van vee noodig is, het besluit daartoe genomen door den burgemeester. Het vermeldt den eigenaar van bet vee of houdt de verklaring in, dat de eigenaar den burgemeester onbekend is, en omschrijft het vee; het beveelt de onmiddellijke inbeslagneming daarvan en moet berusten op het verslag van den districtsveearts, in art. 16 bedoeld.

Artikel 24.

De afmaking geschiedt niet dan na voorafgaande onteigening.

Alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan, benoemt de burgemeester een deskundige om het vee te waarderen, waarbij moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de volle waarde , voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, de helft der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

De toestand van ziek of verdacht wordt, wat de vergoeding betreft, beoordeeld naar het oogenblik dat het vee in het bezit van den burgemeester overgaat

Wanneer de burgemeester of de eigenaar of beiden geen genoegen nemen met de waardering (van welke omstandigheid de burgemeester in zijn straks te noemen proces-verbaal melding maakt), benoemt de kantonregter terstond bij eenvoudige beschikking, op een verzoek van den burgemeester, twee deskundigen, die met den eersten deskundige beslissen bij meerderheid.

De, hetzij volgens het tweede of volgens het vierde lid van dit artikel, getaxeerde prijs wordt den eigenaar aangeboden en, bij weigering of ontstentenis van den eigenaar, in handen van den gemeente-ontvanger gedeponeerd. Voor liet doen der in dit artikel vermelde aanbieding, zijn de vormen, voorgeschreven bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Eegts-vordering, niet toepasselijk; do aanbieding wordt, even als do andere in dit artikel genoemde handelingen des burgemeesters, of die, waarbij deze tegenwoordig is, geconstateerd bij procesverbaal van den burgemeester op zijn ambtseed opgemaakt.

-ocr page 17-

43

Zoowel de burgemeestet als de eigenaar kan vorderen, dat de deskundige of ieder der deskundigen , alvorens te waarderen , den eed of de belofte aflegge van naar zijn beste weten de waardering te zullen doen. Deze eed of belofte wordt in handen vaii den burgemeester afgelegd.

Bij afwezigheid van deu eigenaar, wordt hij, ten opzigte der bepalingen van dit artikel, vervangen door zijnen gemagtigde ter plaatse waar het vee zich bevindt, of zoo deze ontbreekt, door den houder of hoeder van het vee. De koopprijs wordt evenwol ten behoeve van afwezige eigenaars altijd gedeponeerd bij den gemeente-ontvanger.

Artikel 25.

quot;Wanneer tot afmaking moet worden overgegaan, of ziektegevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen geven, is de burgemeester verpligt te onteigenen en te vernietigen de voorwerpen, door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger , in spoedeischende gevallen door eenen geëxamineerden veearts aan te wijzen. Deze onteigening geschiedt op de wijze in art. 24 vermeld. Het besluit daartoe wordt genomen op gelijke wijze als dat in art. 23 bedoeld, en daarbij kan de inbeslagneming der voorwerpen bevolen worden.

Artikel 26.

De eigenaar van volgens deze wet afgemaakt vee of van onteigende voorwerpen in art. 25 genoemd, die den aangeboden prijs niet heeft aangenomen, kan dien nog gedurende zes maanden bij den gemeente-ontvanger in ontvang nemen.

Na verloop van dezen termijn wordt de som in de kas der geregtelijke en vrijwillige consignatien gestort. Het bewijs van uitbetaling aan den regthebbende of van storting in de consignatiekas wordt door den gemeente-ontvanger aan de Algemeene Rekenkamer gezonden.

Voor het overbrengen der gelden naar de consignatiekas zijn de vormen, voorgeschreven bij art. 1442 van het Burgerlijk Wetboek, niet toepasselijk.

De onteigende kan zich, gedurende vijf jaren na de consig-

-ocr page 18-

14

natie, aan de consignatiekas aanmelden om alsnog de som te ontvangen. In dat geval worden hem de kosten van overbrenging in consignatie, door liet Rijk voorgeschoten, gekort.

Ka verloop van deze vijf jaren is de vordering van den eigenaar verjaard en vervalt de som aan het Rijk. De kosten blijven in dat geval ten laste van het Rijk.

Artikel 27.

De aanspraak op vergoeding wegens de onteigeningen krach-, tens de artt. 2-i en 25 vervalt, wanneer de bij art. 13 voorgeschreven aangifte of de bij art. 14 voorgeschreven afzondering is verzuimd, of wanneer de eigenaar binnen den verboden termijn vee heeft gebragt of doen brengen op stallen, hoeven of weiden, waar eene besmettelijke ziekte heeft geheerscht, ofopeenige andere wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebragt of doen brengen.

In geval van bevinding van eene dezer misdrijven, wordt de vergoeding wel volgens artt. 24 en 25 bepaald, maar bij den gemeente-ontvanger gesequestreerd tot na afloop van die strafzaak.

In geval van vrijspraak of ontslag van [regtsvervolging begint de termijn, vermeld in de eerste alinea van art. 26, van de uitspraak van het eindvonnis.

In dat geval zendt de gemeente-ontvanger met de quitantie van den onteigende een ongezegekV afschrift van het eindvonnis, waarbij de strafzaak in diens ^voordeel is uitgewezen, aan de Algemeene Rekenkamer.

Artikel 28.

De schadevergoeding wordt uit de gemeentekas voorgeschoten , waartoe aan den burgemeester, met de onteigening belast, op zijne aanvraag het vereischte bedrag door den gemeente-ontvanger tegen quitantie wordt ter hand gesteld. Het voorschrift der tweede zinsnede van art. 114 der wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad n0. 85) geldt daarbij niet.

Zoo de burgemeester ten genoegen van Onzen Commissaris in de provincie aantoont, dat de kas der gemeente ontoereikend is voor de betaling of aanbieding, bedoeld in de artt. 24 en 25,

-ocr page 19-

15

■«•orden hem de daarvoor benoodigdc gelden ter goede rekening uit \'s Rijks schatkist verstrekt.

Deze verstrekkingen zijn niet aan de voorafgaande verevening dèr Algemeene Rekenkamer onderworpen. Evenmin is de bepaling van art. 51 der wet van 5 October 1841 {Staatsblad n0. 40) daarop van toepassing-.

De burgemeester is niet gehouden deswege borgtogt te stellen , döch verpligt van de ter goede rekening ontvangen gelden binnen tWee maanden na de dagteekening van het stuk , waarop hem die 2ijn uitbetaald, rekening te doen aan de Algemeene Rekenkamer, overeenkomstig de bepalingen der in de vorige zinsnede aangehaalde wet.

Van iedere verstrekking wordt door Onzen Minister van liiu-iienlandsche Zaken aan. gemeld collegie mededeeling gedaan.

Dit artikel is ook toepasselijk op alle onkosten, waartoe de Onteigening aanleiding geeft, zoomeile op de kosten van aanschaffing van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het begraven , verbranden of onbruikbaar maken van afgemaakt of gestorven vee worden aangewend, alsmede op de kosten tot zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen.

Artikel 29.

Wanneer dit door den districts veearts noodig wordt geoordeeld , worden besmette hoeven of weiden, zoo noodig met inbegrip der naast aangelegen landerijen of erven , op last van den burgemeester, die daartoe de hulp van de militaire magt kan inroepen, afgesloten.

Vervoer uit en naar het in dien afgesloten kring besloten terrein van de voorwerpen , bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, aangewezen, is verboden.

Uitzonderingen op dit verbod kunnen in zeer bijzondere gevallen door Onzen Commissaris in de provincie worden verleend.

De kleederen der personen, die het bovengemelde terrein verlaten, worden vooraf ontsmet.

Artikel 30.

Bij het heerschen van besmettelijke veeziekten kan, in de

-ocr page 20-

10

gevallen aan te wijzen bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, liet vastleggen of vasthouden van honden worden geboden in de gemeente of een gedeelte der gemeente waar de ziekte voorkomt, en des noodig in naburige gemeenten.

De burgemeester brengt op advies van den districtsveearts het ingaan van dit gebod ter openbare kennis, ea kondigt evenzeer de opheffing van het gebod aan, 30 dagen nadat het laatste geval van ziekte zich heeft voorgedaan.

Losloopende houden in die gemeenten of gedeelten van gemeenten, kunnen door de ambtenaren vau politie worden gedood.

Van de verpligting om honden vast te leggen of vast te houden kan Onze Commissaris in de provincie, den burgemeester en den districtsveearts gehoord, in gemeenten of. gedeelten van gemeenten ontheffing verkenen.

Artikel 31.

Omtrent de verpligting tot en de plaats en wijze van begraven- , verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens deze wet afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee, en van andere voorwerpen en de ontsmetting.der stallen en andere gebouwen en onschadelijkmaking van mestvaalten, worden de voorschriften gevolgd, door Ons gegeven of te geven.

De ontsmetting heeft plaats ten koste van het Rijk op aanwijzing en onder toezigt van den districtsveearts.

De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen n; dat het laatste ziektegeval is geconstateerd. Deze termijn kan door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken waar dit noodig blijkt, worden verlengd.

Wanneer de begraving of de verbranding door eenige omstac. digheid onmogelijk is op het erf of op het land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is, en geen erf in de gemeente voor den burgemeester beschikbaar is, doet deze de begraving plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

Wanneer het vee in een stal of eene schuur is gestorven of afgemaakt en geen gemeentegrond beschikbaar is, wijst de burgemeester een terrein aan voor de begraving of verbranding op

-ocr page 21-

17

minstens 50 meters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

Bij verschil over het bedrag der schade, in de beide vorige zinsneden bedoeld , wordt deze door den kantonregter begroot bij beschikking op verzoek van de meest gereede partij, zonder hooger beroep.

Artikel 32.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, hetwelk aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft, mag geen vee gebragt worden gedurende een termijn, voor elke ziekte te bepalen in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld.

Artikel 33.

üe burgemeester, al of niet vergezeld van het door hem noodig gekeurde personeel, is bevoegd de weiden, stallen en woningen der eigenaars, houders of hoeders van vee , zelfs zonder hunne toestemming, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

Artikel 34.

Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur eene commissie van deskundigen gehoord, aangewezen welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden , waarbij tevens wordt vastgesteld, welke der in deze wet genoemde maatregelen bij het hcersclien of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

§ 3. Straf hepalingen.

Artikel 35.

Onverminderd de toepassing van bij de gewone strafwet be-

2

-ocr page 22-

•18

dreigde straffen, zoo daartoe termen zijn , wordt weigering of feitelijke verhindering om de ambtenaren, belast met of bevoegd tot het opsporen van overtredingen of het doen van visitatie, in hoeven, erven, weiden, stallen, slagthuizen, winkels of bergplaatsen van vleesch toe te laten, belemmering of verhindering van de tenuitvoerlegging v»n deze wet of verhindering van de tenuitvoerlegging van deze wet of van Onze, krachtensartt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het wegnemen, verplaatsen of onkenbaar maken der kenteekenen in art. 17 bedoeld, het onkenbaar maken der merk-teekenen in art. 19 bedoeld, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met dat artikel, of met den algeraeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 32 dezer wet en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, gestraft met gevangenisstraf van ééne maand tot één jaar en met geldboete van f 25 tot f 500, te zamen of afzonderlijk.

Roerende voorwerpen , waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den regter bij veroordeeling verbeurd verklaard, en , voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig, wordt de vernietiging of het onschadelijk maken daarvan bevolen. Vernietiging of onschadelijk making wordt gelijkerwijze bevolen bij vrijspraak of ontslag van regtsvervol-ging , wanneer het algemeen belang dit raadzaam maakt, tegen schadeloosstelling bij het vonnis door den regter te bepalen.

Artikel 36.

Wanneer de in beslag genomen voorwerpen uit hoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zijn , worden deze, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in be-

-ocr page 23-

lil

slag heeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom , vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Zij wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van regts-vervolging, aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd.

Artikel 37.

Levend vee wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, na te zijn gewöardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, vrijgegeven, wanneer daarvoor binnen 8 dagen na de inbeslagneming het bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeente-ontvanger gestort wordt.

Na dien tijd wordt het, op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht.

In beslag genomen voor bederf vatbaar goed wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, eveneens op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie , zoodra mogelijk in het openbaar verkocht , ten ware het bedrag , gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, onmiddellijk bij den gemeente-ontvanger mogt worden gestort.

In de gevallen, bedoeld in het 2Je en 3de lid van dit artikel, wordt de opbrengst van den verkoop aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Uit die opbrengst worden de kosten van onderhoud van het vee sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop gekweten.

Het zuiver overschot der opbrengst wordt in geval van veroordeeling in \'s Rijks schatkist gestort, in geval van vrijspraak of ontslag van regtsvervolging aan den eigenaar van het vee of ander goed , dat in beslag genomen was, uitgekeerd.

Artikel 38.

Is, in de gevallen bij de twee vorige artikelen bedoeld, de

-ocr page 24-

20

eigenaar niet in liet Rijk te vinden, en wordt het te zijner be-schikking\' liggende door liem niet binnen zes maanden na liet eindvonnis gereclameerd, dan zijn de vier laatste alinea\'s van art. 2G eu de laatste van art. 27 van toepassing.

Artikel 39.

Overtreding van art. 13 wordt gestraft niet geldboete van f 25 tot f 75.

Het laten losloopen van honden in de gemeenten of gedeelten van gemeenten en binnen den tijd , bedoeld bij art. 30, wordt gestraft met eene geldboete van f 10 tot f 25.

Do artt. 142 en 143 van het Strafwetboek (het laatste in verband met art. 5 der wet van 29 Junij 1854 {Staatsblad n0.102) zijn toepasselijk op bet maken of het bedriegelijk gebruik makeu van de in deze wet vermelde ken- of raerkteekenen.

Artikel 40.

Zoo, in geval van overtreding van eenig voorschrift,hetwelk krachtens deze wet tijdelijk is gegeven, dat voorschrift opgehouden heeft te gelden op het oogenblik dat de zaak voor den regter, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of in cassatie, wordt behandeld, is art. 52 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving niet van toepassing.

De strafbepaling, zoo als zij geldt op het oogenblik dat het misdrijf gepleegd wordt, blijft daarop toepasselijk.

Artikel 41.

Art. 4G3 van het Strafwetboek en art. 20 der wet van 20 Junij 1854 (Siaatshlacl n». 102) zijn op de misdrijven, voorzien bij de artt. 35 en 39 , van toepassing.

§ 4, Slotbepalingen.

Artikel 42.

In deze wet wordt verstaan;

1°. door vee: de eenhoevige en de herkaauwende dieren en de varkens;

-ocr page 25-

\'21

2°. door vlee.scli: alle zachte bastanddeelen van boveug\'e-melde dieren afkomstig:, ouverscliillig- of zij al dan niet en hoe zij zijn bewerkt of vermengd, mitsdien ook gezouten, gerookt en hoofdvleesch, spek, hammen, worst, enz.

De bepalingen van deze wet kunnen door Ons bij algemeeiien maatregel van inwendig bestuur ook van toepassing worden verklaard op andere in deze wet niet genoemde dieren, wanneer de zorg voor den veestapel dit vereischt.

Schorsing van veemarkten, sluiting van diergaarden en soortgelijke inrigtingen kan door Ous in zoodanig geval worden bevolen. Het daartoe strekkend besluit bepaald den tijd, gedurende welke de inrigting gesloten blijft. Zoo noodig kan die termijn door Ons worden verlengd.

Artikel 43.

De stukken, krachtens deze wet opgemaakt en waaromtrent geene afzonderlijke bepaling in deze wet voorkomt, zijn vrij van zegel- en registratieregt en uitvoerbaar ook vóór dat zij zijn geregistreerd.

Artikel 44.

Met het Jn werking treden dezer wet zijn vervallen de wet van 19 April 18G7 [Staatsblad n0. 30), de wet van 19 December 1867 (Staatsblad n0. 12G), de artt. 459, 460 en 461 van het Strafwetboek, de artt. 19 van den Isten titel 4de sectie en de artt. 13 en 23 van den 2ilen titel der wet van 6 October 1791, artt. 39 en 40 van het Keizerlijk decreet van 18 Junij 1811 voor zooveel het onderwerp betreft, bij deze wet geregeld, en artt, 5 en 6 der wet van 9 Julij 1842 {Staatsblad n0. 21).

Artikel 45.

Voor zoover de toepassing dezer wet dit vordert, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bijzondere bepalingen vastgesteld met betrekking tot den accijns op het geslagt.

Artikel 46.

Deze wet treedt in werking op den Isten Januarij 1871,

-ocr page 26-

22

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst , ea dat alle Ministeriële Departementen , Autoriteiten , Collegiën en Ambtenaren , wien zulks aangaat, aan de naauw-keurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te \'s Gravenhage, den 20sten Julij 1870.

WILLEM.

De Minister van Binnc/ilandschc Zaken,

F o c K.

Uitgegeven den vijfden Augustus 1870. De Minister van Justitie,

VAN L 1 I, A A K.

-ocr page 27-

Ontsméttings-regulatief.

KONINKLIJK BESLUIT van den Men December 1870, (Staatsblad n°. 191), gewijzigd bij besluit van 6 April 1882, (Staatsblad n°. 49j,

houdende voorschriften betreffende het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens de wet van 20 Jul ij 1870 (Staatsblad na. 131) afgemaakte of aan besmettelijke ziekte gestorven vee en van andere voorwerpen, en de ontsmetting van stallen en andere gebomcen en hei onschadelijk maken van mestvaalten.

Wij WILLEM III, bij de geatie Gods , Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-NassauGroot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Op de voordragt vau Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 31 October 1870, n0. 251, 9de afdeeling;

Gelet op art. 31 der wet van 20 Julij 1870 (^Yaa^Wa^n0.131);

Den Raad van State geboord (advies van 22 November 1870, n0. 11);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemdeii Minister , van 1 December 1870 , Lit. B, 9de afdeeling;

Hebben besloten en besluiten :

Artikel 1.

Omtrent het begraven, verbranden of op andere ■wijze ver-

-ocr page 28-

24

nietigen van bet volgens do wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131) afgeraaakte of aan eeno besmettelijke ziekte gestorven vee en van andere voorwerpen, en de ontsmetting van stallen en andero gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten , gelden de voorschriften, die, bij dit besluit gevoegd, geacht worden daarmede één geheel uit te maken.

Artkel 2.

Dit besluit treedt in werking 1°. Januarij 1871.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met do uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Eaad van State.

Het Loo, den 4den December 1870.

WILLEM.

Dc Minister mn Binnenlandsche Zakm,

F o c K.

Uitgegeven den elfden December 1870.

Dc Minister tan Justitie ,

VAN LIL AAK.

-ocr page 29-

VOORSCHRIFTEN betreffende liet begraven , verbranden of op andere v/ijze vernietigen van het volgens de wet van 20 Julij 1870 {Staats-blad 110. 131) afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee en van andere voorwerpen, en de ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten.

Het onschadelijk maken van vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is gestorven, en van mestvaalten en andere voorwerpen en de ontsmetting der stallen en andere gebouwen , benevens de voorwerpen, die zich daarin bevinden, geschiedt op drieërlei wijze, namelijk :

1°. door bet besmette voorwerp te vernietigen;

2°. door het van smetstof te zuiveren;

3°. door de smetstof te vernietigen of onschadelijk te maken.

§ 1. Het vernietigen van besmette roonoerpen door verbranding of begraving.

Verbrand moet worden besmet hooi, stroo , riet, drooge mest, gebrekkige houten bevloeringen, oud latwerk , sterk besmette kleederen en verdere voorwerpen die niet voor ontsmetting geschikt zijn.

Kan door het digt bebouwd zijn der buurt, sterke wind of dergelijke oorzaken van gevaar voor de openbare veiligheid de verbranding niet plaats hebben , dan worden de bedoelde voorwerpen begraven.

Het verbranden van afgemaakt of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee geschiedt vooral na besmetting door veepest of schaapspokken, of wanneer de gesteldheid van den bodem het begraven niet toelaat.

-ocr page 30-

2G

Nadat het vee , hooi, stroo , mest en do verder te verbrauden ■voorwerpen ziju zamengebrag-t en do bovenlaag\' van den weg, waarlangs dit alles is vervoerd, is afgestoken en met die voorwerpen onder in een kuil geworpen, wordt die kuil met de noodige hoeveelheid koolteer en petroleum begoten en genoemde zaken daarna in brand gestoken. Het overschot wordt zoo mogelijk één meter diep begraven.

Bij begraving zonder verbranding wordt de buikholte van het vee opengesneden , de huiden door kruissneden onbruikbaar gemaakt en vervolgens in den kuil met koolteer, petroleum of minstens één decimeter dikke laag ongebluschte kalk overgoten of bestrooid en daarna met te begraven mest, hooi en stroo en eindelijk met één meter hooge laag aarde overdekt.

Waar zulks door den burgemeester in overleg met den dis-tricts-veearts noodig wordt geacht, moet de begraafplaats onmiddellijk .na de begraving door eene stevige omheining, die voor vee ondoordringbaar is, afgesloten en gedurende een jaar afgesloten gehouden worden.

Het binnentreden van de omheinde begraafplaats of het ontsluiten der omheining is binnen dat tijdperk verboden, behalve met verlof of op last van den burgemeester.

§ 2. Het onschadelijk maken der smetstof door zidvering der besmette voorwerpen.

Het zuiveren van besmette voorwerpen heeft plaats door deze eerst af te krabben , zoo als bijv. kan geschieden niet wanden , stijlen, voederbakken, ruiven, en ze daarna met sterk heet zeepsop af te schrobben, hetgeen ook met besmette vloeren en kleederen kan geschieden. Deze zuivering wordt gevolgd dooide ontsmetting volgens § 3.

§ 3. Het vernietigen der smetstof.

Het vernietigen der smetstof heeft plaats door de besmette voorwerpen bloot te stellen aan een luchtstroom of aan een hoogen warmtegraad of door aanwending van zoogenaamde des-in fcctie-middelen.

-ocr page 31-

27

De distncts-veearts beslist welke dier middelen moeten worden toegepast.

De meest gebruikelijke desinfectie-middelen zijn; het chloor als chloorgas of chloorkalk , het zwavelig zuur en het carlolzuur.

De chloorkalk wordt voore.1 gebezigd om, met of zonder witkalk, na de chloorberooking, wanden en muren te bestrijken, of ook om in met vee bezette stallen eene zachte cldoorontwik-keling te doen plaats hebben. Tot dat einde wordt chloorkalk daarin op verschillende punten in aarden schotels geplaatst.

Zwaveligzure dampen zijn aangewezen ter ontsmetting van huiden , wol en dergelijke voorwerpen en in het algemeen waar andere middelen het te ontsmetten voorwerp zouden benadeelen.

Het carlolzuur wordt niet alleen voor de ontsmetting van lovend vee, maar ook van andere voorwerpen gebezigd in naar omstandigheden meer of minder sterke oplossing.

De ontsmetting van personen heeft .plaats door zorgvuldige wassching van handen Jen aangezigt met zeepwater en bepaalt zich verder in den regel tot de bovenkleederen , waarbij het schoeisel bijzondere zorg vereischt. Zijn ook de onderkleederen besmet, zoo als bij slagters ligt het geval kan zijn, dan worden die kleedingstukken mede in de ontsmetting begrepen.

Kleedereu, met bloed of slijm verontreinigd, worden met kokend heet zeepwater gewasschen of, zoo zij daarvoor niet geschikt zijn, of zeer weinig waarde hebben, verbrand. Wanneer het zeker J is dat de kleedereu niet in onmiddellijke aanraking met smetstof zijn geweest, dan worden zij enkel aan eene chloorberooking blootgesteld.

Het schoeisel wordt naauwkeurig afgewasschen met carbol-zuurhoudend water.

Stallen en andere gehouwen worden eerst ontledigd van de daarin aanwezige mest.

Deze worat vervoerd onder de noodige voorzorgen, zoodat b. v. mest van aan veepest lijdende dieren niet met rundvee wordt vervoerd en zooveel mogelijk in de nabijheid van het gebouw of het vervoermiddel begraven of ontsmet.

Alle de in bovenvermelde gebouwen voorhanden voorwerpen die ongeschikt zijn voor ontsmetting, als gebrekkige bevloering, latwerk, enz., worden, na volgens art. 25 der wet van 20 Julij

-ocr page 32-

28

1870 {Staatsblad n0. 131) onteigend te zijn, uitgebroken om to worden verbrand of begraven. Vervolgens worden wanden en vloer naauwkeurig afgekrabt en afgeschrobt met kokend heet water en daarna nngespoeld met carbolzuurhoudend water en , zoodra dit is afgevloeid, wordt alles aan eene krachtige ebloor-berooking blootgesteld.

De ruimten, waarin de chloordampen ontwikkeld worden, blijven minstens zes uren gesloten , waarna zij aan de vrije toe-strooming der lucbt worden blootgesteld.

Vuurvaste voorwerpen worden aan de roede gloeihitte blootgesteld.

De onschadelijkmaking van mestvaalten geschiedt:

1°. door ontsmetting. Zij worden met eene ruime hoeveelheid carbolzuurhoudend water overgoten of, waar zulks de voorkeur verdient, met chloorkalk bestrooid.

2°. door de mest naar bouwland te brengen en onmiddellijk onder te ploegen.

Behoort bij het Koninklijk besluit van 4 December 1870 , n°. 26 {Staatsblad nquot;. 191).

Mij bekend,

De Minister van Binnenlandsóhc Zaken, F o c K.

-ocr page 33-

Besmettelijke yeezieMen.

KONINKLIJK BESLUIT van den Helen Maart 1880 (Staatsblad n°. 31), v:aarhij, met intrekking van het Koninklijk lesluit van 30 October 1872 (Staatsblad n°. 105), nader wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en welke der in de toet van 20 Julij 1870 (Staatsblad v°. Yè\\)genoemde-maatregelen hij het heerschen of bij hel dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

Wij WILLEM III, bij de ghatie Gods, Koning dek Nederlanden, Peins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Overwegende, dat herziening van Ons besluit van 30 October 1872 {Staatsblad n0. 105) noodzakelijk is geworden ;

Gezien de artike\'en 29 , 31, 32 en 34 der wet van 20 Julij 1870 [Staatsblad n0. J31);

De Commissie van deskundigen, benoemd bij Ons besluit van 30 October 1879, u0. 19, gehoord;

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 3 January 1880, litt. H. H., afdecling Medische politie;

Den Raad van State gehoord (advies van 19 Februarij jl., n°. 5),

-ocr page 34-

31)

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoenulen Minister, van den 12den dezer, litt. I, afdeeling Medische politie;

Hebben goedgevonden en verstaan :

Artikel f.

Voor besmettelijke ziekten van het vee worden gehouden:

1°. de veepest (veetyphus) bij herkaauwende dieren ; -

2°. de longziekte bij runderen;quot;

o0. het mond- en klaauwzeer (besmettelijke blaaruitslag van den mond en de klaauwen) bij herkaauwende dieren en varkens;

4°. de kwade droes on huidworm bij eenhoevige dieren; de dierenschurft bij paarden en bij schapen;

C0. de pokken bij schapen ;

^0. het miltvuur bij alle vee;

b\'0. de hondsdolheid bij alle vee.

Artikel 2.

Bij elke der in artikel 1 genoemde ziekten zijn de bepalingen der artt. 13 en 14 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad iA 131) van toepassing.

Afzondering van vee , hetwelk vermoed wordt door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, kan , volgens art. 16 der aangehaalde wet, door den burgemeester, in overleg met den districts-veearts, zijn plaatsvervanger, of bij afwezigheid van beiden, in spoedeischende gevallen met een geëxamineerden veearts worden bevolen.

Artikel 3.

Behalve de in artt. 13 en 14 voorgeschreven aangiften en aiy.ondering moeten de volgende maatregelen worden toegepast:

-ocr page 35-

31

§ 1. Bij de veepest {veetypJins).

Het door veepest aangetaste vee en liet daarvan verdachte moet worden afgemaakt en daarna verbrand of begraven.

De stal of het gebouw, waarin zich door veepest aangetast of daarvan verdacht vee heeft bevonden, moet worden ontsmet.

De op het erf of de hoeve aanwezige mestvaalt moet worden onschadelijk gemaakt.

Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden , met inachtneming van het bepaalde bij art. 30 der wet van 20 Julij 1870 {SlaalsUad n0. 131).

§ 2. Bij de longziekte.

Runderen , door de longziekte aangetast, moeten worden afgemaakt. De borst- en buiksingewanden van het afgemaakte dier moeten worden verbrand of begraven. De huiden der afgemaakte runderen worden ontsmet.

De plaats in den stal of het gebouw , waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van het bepaalde bij art. 30 der wet van 20 Julij 1870 {Staatshlad n0. 131).

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken kan afmaking van regeringswege voor bepaalde streken en bepaalden tijd doen staken en afmaking van verdachte runderen bevelen.

Eigenaars van longziek vee zijn bevoegd dit te slagten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezigt der politie, onverminderd hunne verpligting tot naleving der orerige bepalingen van de aangehaalde wet en van dit besluit.

§ 3. Bij het mond- en Jdaauwzeer {besmettelijke hlaar-vAtslag tan den mond en de klaauwen).

De door mond- en klaauwzeer aangetaste herkaauwende dieren en varkens moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

quot;Wanneer, naar het oordeel van den districts-veearts , van zijn plaatsvervanger of, bij afwezigheid van beiden , in spoedeischende gevallen, van een geëxamineerden veearts, het afgezonderd

-ocr page 36-

houden van enkele dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming- van de besmetting van den geüeelen koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districts-veearts of van wie hem vervangt, vergunning de aangetaste dieren in den verdachten koppel te laten verblijven.

De stal of het gebouw, waarin eenig aan mond- en klaauw-zeer lijdend dier heeft gestaan, moet na afloop van het laatste geval worden ontsmet.

§ 4. Bij den kwaden droes en huidivorm.

Wanneer de districts-veearts het noodig oordeelt, moet het aangetaste dier worden afgemaakt en daarna verbrand of begraven.

De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakt dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

§ 5. Bij de schurft.

De door schurft aangetaste paarden of schapen moeten van de overigen afgezonderd worden gehouden.

§ 6. Bij de schaapspoMen.

In bijzondere gevallen, waar dit door den districts-veearts noodig wordt geoordeeld, kunnen door pokken aangetaste schapen worden afgemaakt.

Het afgemaakte dier moet worden verbrand of begraven.

Waar afmaking niet plaats vindt, moet het aangetaste schaap van do overigen worden afgezonderd gehouden.

De stal of het gebouw, waarin eenig aan pokken lijdend schaap gestaan heeft, moet na afloop van het laatste geval worden ontsmet.

§ 7. Bij het miltvuur.

Het aan miltvuur lijdende dier moet van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

-ocr page 37-

33

Na den dood of na het herstel van het aangetaste dier moet de plaats in den stal of het gebouw, waar het gestaan heeft, worden ontsmet.

§ 8. Bij de hondsdolheid.

Het door hondsdolheid aangetaste vee moet worden afgemaakt en daarna verbrand of begraven.

De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Artikel 4.

Vee, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of aan miltvuur lijdende geslagt, moet door de zorg en op kosten van den eigenaar worden verbrand of begraven.

De daarvoor benoodigde koolteer, petroleum of ongebluschte kalk worden hem door den burgemeester op rijkskosten verstrekt.

Artikel 5.

Vee, dat volgens artikel 22 van de wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131) als verdacht wordt beschouwd, blijft in dien toestand:

bij longziekte, 3 maanden;

bij mond- en klaauwzeer van herkaauwer.de dieren en varkens , 7 dagen ;

bij kwaden droes en huidworm, 30 dagen;

bij schurft van paarden en schapen, 15 dagen;

bij schaapspokken , 15 dagen ;

bij miltvuur , 8 dagen ;

bij hondsdolheid van schapen , geiten en varkens, 2 maanden;

bij hondsdolheid van rundvee en eenhoevige dieren, 6 maanden ;

alles te rekenen van het eindigen van het laatste geval door herstel of door dood of afmaking.

Het oogenblik, waarop de bij dit artikel bedoelde termijn voor

3

-ocr page 38-

34

het geval van herstel begint te loopen , wordt door den distriets-veearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Zoo verdacht vee van een merkteeken is voorzien, wordt dit, wanneer het vee opgehouden heeft verdacht te zijn, onkenbaar gemaakt.

Voor vee verdacht van longziekte kan de termijn van 3 maanden door den Commissaris des Konings in de provincie met eene maand worden verminderd, indien de districts-veearts of zijn plaatsvervanger schriftelijk verklaart, dat het binnen acht dagen , nadat het in verdachte toestand is geraakt, door een geëxami-neerden veearts met goed gevolg is ingeënt.

Artikel 6.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Julij 1870 {Staatshlacl n0. 131), wordt gesteld :

voor veepest (veetyphus) op 15 dagen;

voor longziekte op 3 maanden ;

voor mond- en klaauwzeer van herkaauwende dieren en varkens op 7 dagen;

voor kwaden droes en huidworm op 30 dagen;

voor schurft bij paarden en schapen op 15 dagen;

voor schaapspokken op 15 dagen.

Artikel 7.

Bij afsluiting van besmette hoeven of weiden, ingevolge het 1ste lid van artikel 29 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n\'. 131) is verboden ;

a. bij veepest (veetyphus), invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkaauwende dieren, honden, katten en pluimgedierte en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en varkens en van versch vleeseh, onbereide huiden, haar, vederen, horens, beenderen, klaauwen, wol, ongesmolten vet, mest en alle anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stal gereedschap;

-ocr page 39-

h. bij longziekte, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van runderen en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, van onbereide huiden , mest, hooi, stroo en ander veevoeder ;

c. bij mond- en klaauwzeer, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkaauwende dieren en varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van onbereide huiden , klaauwen, wol, mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder; touw, koedekken en stalgereedschap ;

d. bij kwaden droes en huidworm , invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren;

e. bij schurft van paarden , invoer in en uitvoer uit den afgesloten-kring van paarden en bij schurft van schapen, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen;

ƒ. bij schaapspokken, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen;

g. bij miltvuur, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van vee;

h. bij hondsdolheid, uitvoer uit den afgesloten kring van vee, honden en katten.

Artikel 8.

De termijnen , bij artikel 32 der wet van 20 Julij 1870 {Staais-llad n0. 131) bedoeld, worden gesteld:

bij veepest (veetyphus), 30 dagen voor alle vee;

bij longziekte, op 90 dagen voor runderen, doch wanneer de stal of weide, waarin zich geen runderen bevinden , is ontsmet, op 15 dagen;

bij mond- en klaauwzeer, op 15 dagen voor herkaauwende dieren en varkens;

bij kwaden droes en huidworm, op 15 dagen voor eenhoevige dieren;

-ocr page 40-

30

bij schurft, op 30 dagen voor paarden en schapen;

bij schaapspokken , op 15 dagen voor schapen;

bij miltvuur, op 10 dagen voor alle vee;

bij dolheid, op 3 dagen voor alle vee;

alles te rekenen van den dag, waarop het laatste geval door herstel, door dood of afmaking is geëindigd.

Het oogenblik, waarop de bij dit artikel bedoelde termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districts-veearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Artikel 9.

Ons besluit van 30 October 1872 {Staatsblad n0. 105) wordt ingetrokken.

Artikel 10.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Slaatshlacl en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

\'s Gravenhage, den 14den Maart 1880.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

six.

Uitgegeven den us en twintigsten Maart 1880.

Be Minister van Justitie,

A. E. J. MODDERMAN.

-ocr page 41-

Bijzondere bepalingen betreffende veepest.

KONINKLIJK BESLUIT van den lasten Februari) 1877, (Staatsblad n°. 29), houdende lefaling en omtrent het vervoer van rundvee, schapen, hokken en geiten, enz.

Wij WILLEM III, bij de öratie Gods , Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Overwegende, dat het tot wering der veepest noodzakelijk is bepalingen vast te stellen omtrent liet vervoer van rundvee, schapen , bokken en geiten ;

Gezien art. 15 der wet van 20 Julij 1870 n0.131);

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsehe Zaken, van 23 Februarij 1877, lit. Q, 9de afdeeling;

Den Raad van State gehoord (advies van den 27sten Februarij 1877, n0. 15);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 27 Februarij 1877, lit. U, 9de afdeeling;

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

In de door Onzen Minister van Binnenlandsehe Zaken bij aankondiging in de Staatscourant aan te wijzen streken is het

-ocr page 42-

38

Terboden .evend rundvee, schapen, bokken of geiten te vervoeren of te doen vervoeren , zonder vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester der gemeente, waar dat vee zich bevindt.

Op het vervoerbiljet wordt vermeld het getal eu de soort van het te vervoeren vee, de weg, die tot aan de plaats van bestemming gevolgd moet worden, alsmede de tijd gedurende welken het biljet geldig is. Het wordt door den burgemeester niet afgegeven dan in de volgende gevallen:

1°. voor het vervoer van vee naar de slagtbank ;

2°. bij verhuizing van den eigenaar of houder van vee;

3°. bij vervoer door den kooper van vee op eene openbare verkooping.

Indien het vervoer naar eene andere gemeente plaats heeft, zendt de burgemeester, die het vervoerbiljet heeft afgegeven, een afschrift daarvan aan den burgemeester der gemeente, werwaarts het vervoer geschieden zal.

Artikel 2.

Wanneer de geleider van vee niet van een vervoerbiljet is voorzien , of wanneer het vervoer op een andereu tijd of langs een anderen weg dan in het vervoerbiljet bepaald is, plaats heeft, wordt het vee in beslag genomen en tegen den geleider procesverbaal opgemaakt.

De slagting van het in het vorige artikel onder 1°. bedoeld vee geschiedt onder toezigt der politie binnen den door den burgemeester der gemeente, waar het zich na het vervoer bevindt, te bepalen tijd.

Artikel 3.

Het houden van markten en openbare verkoopingen van alle vee, voor zoover door gemeenteverordeningen vrijgelaten, is verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis zal worden gebragt. Openbare verkooping van vee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd.

-ocr page 43-

30

Artikel 4.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de. Staatscourant.

Onze Minister van Binuenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

\'s Gravenhage, den 28sten February 1877.

WILLEM.

De Minister van Binuenlandsche Zaken,

Heemskeek.

Uitgegeven den tweeden Maart 1877. De Minister van Justitie, Van Ltnden van Sandenburg.

-ocr page 44-

Bijzondere bepalingen betreffende besmettelijke longziekte.

L

KONINKLIJK BESLUIT van den Men October 1873 (Staatsblad a0. 135), houdende bepalingen betreffende visitatie, aangifte en vervoer van rundvee en het schorsen van markten en openbare verhoopingen van rundvee , een en ander tot beteugeling der longziekte onder het rundvee.

Wij WILLEM 111, bij de gratie GodS, Koning dek Nederlanden , Prins van Oranje-Nassau , Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Overwegende, dat het tot beteugeling der longziekte onder het rundvee noodzakelijk is bepalingen vast te stellen , betreffende visitatie, aangifte en vervoer van rundvee en het schorsen van markten en openbare verkooplngen van rundvee;

Gezien art. 15 der wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad n0.131);

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 13 September 1873, n0. 217, 9de afdeeling-;

Den Raad van State gehoord (advies van 23 September 1873, n0. 14);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 30 September 1873, litt. E , 9de afdeeling ;

-ocr page 45-

41

Hebben besloten en besluiten;

Artikel 1.

liet is verboden rundvee te vervoeren uit of naar de gemeenten of gedeelten van gemeenten , door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken aangewezeo. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatsourant ter algemeene kennis gebragt.

In bijzondere gevallen kan de burgemeester vergunning ver-leenen tot dat vervoer, na daarover den districtsveearts te hebben gehoord en onder de door dezen noodzakelijk geachte voorwaarden.

Artikel 2.

Het houden van markten en openbare verkoopingen van rundvee , voor zoover door gemeente-verordeningen vrijgelaten, is verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis zal worden gebragt. Openbare verkooping van rundvee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft steeds geoorloofd.

Artikel 3.

In de in art. 1 bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten wordt door opzigters al het rundvee opgeschreven.

Deze opzigters worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Bij de aanvaarding hunner bediening leggen de opzigters in handen van den burgemeester der gemeente, die hun als standplaats is aangewezen, den volgenden eed of belofte af:

» Ik zweer (beloof) dat ik de verpligtingen, verbonden aan de betrekking van opzigter van het rundvee, naar behooren vervullen zal.

Zoo waarlijk helpe mij God Almaa-tia-!quot;

(» Dit beloof ikquot;.)

Artikel 4.

Op de van hot rundvee van eiken eigenaar afzonderlijk door

-ocr page 46-

42

de opzigters in duplo op te maken lijstea wordt dat vee genummerd en beschreven. De lijsten worden door de eigenaars of, bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien geteekeiid; één exemplaar wordt aan den burgemeester toegezonden.

Artikel 5.

Van elke verandering in het op de lijst aangeteekende getal van het rundvee door geboorte, overlijden, slagting of verplaatsing binnen de gemeente of het deel daarvan, volgens art. 1 aangewezen, geeft de eigenaar, houder of hoeder binnen 24 uren kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het bij hem berustend exemplaar der lijst.

Artikel 6,

Onmiddellijk en uiterlijk binnen twaalf uren na het overlijden of na de slagting van een stuk rundvee geeft de eigenaar, houder of hoeder daarvan kennis aan den opzigter, die het gestorven of geslagte dier binnen vier en twintig uren na de aangifte moet visiteren.

Zoolang deze visitatie niet heeft plaats gehad, is het verboden de longen los te maken of eenig deel van het stuk vee te vervoeren.

Artikel 7.

De opzigters zijn gehouden al het rundvee, vermeld op de door hen opgemaakte lijsten, ten minste eenmaal \'s weeks te visiteren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen, in art. 5 vermeld , worden onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien geteekend. Vermoeden de opzigters bij deze visitatie of bij die in art. 6 vermeld , dat een stuk rundvee aan longziekte lijdt of geleden heeft, of ontdekken zij ongewettigde verandering in de getalsterkte, zoo geven zij in het eerste geval daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester, die handelt als in de wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad n0. 131) is voorgeschreven, en in het laatste geval maken zij op hunnen ambtseed proces-verbaal op van de overtreding.

-ocr page 47-

43

Artikel 8.

Ons tegenwoordig\' besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig iu de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

\'s Gravenhage, den 3den October 1873.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zalen,

QEERTSEMA.

Uitgegeven den elfden October 1873. Be Minister van Justitie,

DE VRIES.

-ocr page 48-

II.

KONINKLIJK BESLUIT van den Men, Februarij 1877 (Staatsblad u0. 17), houdende mststelling van nadere bemalingen tot heteugeling der longziekte onder het rnnd-vee, en zulks met intrekking der Koninklijke hesluiten van 17 April 1874 (Staatsblad n°. 59), van 9 Octo-1874 (Staatsblad n°. 132) en lan 30 Junij 1875 (Staatsblad n°. 126).

quot;Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Overwegende, dat ter vervanging; van Ons besluit van 17 April 1874 {Staatsblad n0. 59), aangevuld bij Ous besluit van 30 Junij 1875 {Staatsblad n0. 126), nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee vastgesteld beboeren te worden;

Gezien art. 15 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad x^.YSï) en Onze voormelde besluiten ;

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandscbe Zaken, van 11 Januarij 1877, n0. 49, afdeeling IX;

Den Eaad van State gehoord (advies van 26 Januarij 1877, n0. 4);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Binnen-andsche Zaken, van 31 Januarij 1877, litt. D, 9de afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Zoodra een stuk rundvee door longziekte is aangetast, is de

-ocr page 49-

45

eigenaar, houder of hoeder verpligt al het rundvee, hetwelk dien ten gevolge in verdachten toestand is geraakt, door een geëxamineerden veearts te doen inenten , indien de burgemeester dit beveelt. De burgemeester wint, alvorens dit bevel te geven , het advies van den districts-veearts in.

Ter voldoening der kosten van door den burgemeester bevolen inenting, zal voor elk rund de som vamp;n vijf tig centen uit\'s Rijks schatkist worden uitbetaald.

Indien geen geschikte entstof voorbanlen is, ter-beoordeeling van den districts-veearts, verleent de burgemeester uitstel der inenting, tot dat die stof aanwezig is. De districts-veearts voorziet den veearts, met de inenting belast, zoodra mogelijk van goede entstof.

Voldoet de eigenaar, houder of hoeder niet aanstonds ann de in dit artikel hem opgelegde verpligting, dan geschiedt de inenting door de zorg van den burgemeester, onverminderd de tegen den nalatige in te stellen strafvervolging.

Artikel 2.

Indien van longziekte verdacht rundvee in de weide niet voldoende kan worden afgezonderd, ter beoordeeling van den dis-tricts-veearts, moet het, onder de op advies van dezen door den burgemeester te bepalen voorzorgen, naar een stal of ander gebouw worden vervoerd en aldaar afgezonderd blijven tot na den afloop van den termijn, vermeld in art. 5 van het Koninklijk besluit van 30 October 1872 {Staatsblad n . 105).

Artikel 3.

Onze besluiten van 17 April 1874 {Staatshlai n0. 59), van 9 October 1874 {Staatsblad n0. 132) en van 30 Junij 1875 {Staatsblad n0, 126) zijn ingetrokken.

Artikel 4.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

-ocr page 50-

46

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig\' in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 3den February 1877.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

HEEMSKEEK.

Uitgegeven den tienden Februarij 1877.

De Minister van Justitie,

VAN LYNDEN VAN SANDENBURS.

-ocr page 51-

III.

WET van den Ssfen Augustus 1878 (Staatsblad n0.115), houdende vaststelling van bijzondere lepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands.

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau , Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij iu overweging genomen hebben , dat het noodzakelijk is bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte in bepaalde deelen des lands vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaa1 , hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.

Door Ons kan worden bevolen, dat het rundvee in bepaalde gedeelten van het Rijk, door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, aan te wijzen, moet worden ingeënt en gemerkt of een van beide.

Weigert de eigenaar of houder van dat vee die inenting of dat merken toe te laten, dan wordt dat vee door den burgemeester in beslag genomen en zorgt deze, dat de inenting of het merken ten koste van den eigenaar behoorlijk geschiedt.

Is, tengevolge van eene volgens dit artikel ondergane inenting , een stuk rundvee, volgens verklaring van den district»-

-ocr page 52-

48

veearts of zijn plaatsvervanger, gestorven, dan wordt aan den eigenaar de volle waarde van dat rund in gezonden toestand vergoed.

Artikel 2.

Eigenaars of houders van vee in de gedeelten van bet Rijk, in het vorig artikel bedoeld, zijn verpligt den districts-veearts of zijnen plaatsvervangers en den door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, daartoe aangewezen opzigters in de stallen , weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen tusschen zonsop- en ondergang, op vertoon, desgevorderd, van hunne acte van aanstelling.

Artikel 3.

Weigering of feitelijke verhindering om de ambtenaren , in art. 2 bedoeld, in stallen , weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen , wordt gestraft met gevangenisstraf van eene maand tot een jaar en geldboete van f 100 tut f 500. Bij herhaling van misdrijf worden de daartegen bedreigde straffen verdubbeld.

Artikel 4.

Art. 463 van het Strafwetboek en art. 20 der wet van 29 Junij 1854 {Staatsblad, n0. 102) zijn op de misdrijven, bij het vorig artikel voorzien, van toepassing.

Artikel 5.

De bepalingen der wet van 20 Julij 1870 {Staatshlad n0.131) en van de krachtens die wet door Ons genomen besluiten blijven , na het in werking treden dezer wet, onverminderd van kracht.

Artikel 6.

Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging.

-ocr page 53-

49

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst , en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauw-keurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 8sten Augustus 1878.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

K APPEYNK.

Uitgegeven den elfden Augustus 1878. De Minister van Justitie,

H J. SMID T.

-ocr page 54-

IV.

KONINKLIJK BESLUIT van dm 11 den Augustus 1878 (Staatsblad n0. 128), gewijzigd hij hesluit van 9 January 1879 (Staatsblad n0. 2), houdende vaststelling van nadere bepalingen tot heteugeling der longziekte onder het rundvee.

Wij WILLEM 111, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Grogt-Hertoct van Luxemburg, enz., enz., enz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder bet rundvee vast te stellen;

Gezien art. 15 der wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad n0. 131) en art. 1 der wet van 8 Augustus 1878 (Staatsblad n0. 115);

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandscbe Zaken, van G Augustus 1878, n0. 6, afd. Medische politie;

Den Raad van State gehoord (advies van 13 Augustus 1878, n». 11);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Binnen- . landsehe Zaken, van 14 Augustus 1878, lit. K, afd. Medische politie ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Het is verboden uit de kringen, door Onzen Minister van Binnenlandscbe Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren zonder vergunning van den burgemeester der gemeente, waarin zich het vee bevindt. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebragt.

-ocr page 55-

51

Artikel 2.

De iu art. 1 vermelde vergunning wordt niet gegeven dan na verhoor van den districts-veearts en op diens verklaring dat hem , na onderzoek, van de noodzakelijkheid van het vervoer is gebleken en hij daartegen geene bedenking heeft.

De burgemeester verleent deze vergunning door afgifte van een vervoerbiljel. Dit ■biljet moet voorzien zijn van het wapen der gemeente; het vermeldt de namen en de woonplaats \\an den aanvrager, het advies van den districts-veearts, alsmede de namen en de woonplaats van hem , aan wien het rundvee verzonden wordt, omschrijft het vee naauwkeurig door opgave van geslacht, ouderdom , kleur en blijvende bijzondere kenteekenen en wordt afgegeven aan den vervoerder, die zorgt dat het uiterlijk twaalf uren na aankomst op de plaats van bestemming bij den burgemeester wordt ingeleverd.

Indien het aldus vervoerde vee niet voor de slagtbank is bestemd zendt de burgemeester afschrift van het vervoerbiljet aan den districts-veearts in zijnen kring.

Artikel 3.

Het aldus vervoerde vee mag niet met ander vee in aanraking worden gebragt en zonder schriftelijke toestemming van den burgemeester, den districts-veearts gehoord, niet levend van het erf, waarop het zich bevindt, worden verwijderd binnen dri maanden na aankomst aldaar. Bij den dood van het vee of na verloop van drie maanden na het in de vorige artikelen vermeld vervoer, wordt het vervoerbiljet door de zorg van den burgemeester vernietigd.

Artikel 4.

Het is den ondernemers van openbare middelen van vervoe verboden uit een volgens art. 1 afgesloten kring rundvee te vervoeren anders dan in een afgesloten wagen of afgesloten gedeelte van het vervoermiddel op zoodanige wijze, dat het niet in aanraking gebragt worde met ander vee of andere goederen.

De wagen of het afgesloten gedeelte, waarin zich zoodanig

-ocr page 56-

52

rnndvee bevindt, moet voorzien zijn van het opschrift: vee uit afgesloten kring. Het vee mag daaruit niet worden verwijderd dan ter plaatse zijner bestemming. Het is verboden het aldaar te lossen anders dan onder toezigt der rijksveldwacht of der plaatselijke politie.

Het is verboden het vervoermiddel van de plaats van aankomst te verwijderen alvorens het onder toezigt der rijksveldwacht of der plaatselijke politie en ten koste der ondernemers ontsmet zij.

Op deze ontsrcetting is Ons besluit van 4 December 1870 (Stnatsblad n0. 191) toepasselijk.

Artikel 5.

Uitvoer van het vee uit volgens art. 1 afgesloten kringen naar buiten\'slands kan, behoudens het bepaalde in Ons besluit van 28 Mei 1871 {Staatsllad n0. 42), zonder vergunning geschieden. In dat geval is het bepaalde in de eerste zinsnede van art. 3 slechts van toepassing tot het tijdstip der inlading in de vervoermiddelen waarmede de uitvoer plaats heeft. Uit deze vervoermiddelen mag geen vee op Nederlandsch gebied worden gelost. Indien het vervoer per spoorweg geschiedt, moeten de wagens, waarin het vee zich bevindt, gesloten zijn.

Artikel 6.

Al het rundvee, hetwelk zich in volgens art. 1 afgesloten kringen bevindt, wordt door geëxamineerde veeartsen, daartoe tijdelijk door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen , ingeënt en door de zorg van den burgemeester voorzien van een brandmerk met de letter V in den regterhoorn of, bij gemis van dezen, in den linkerhoorn, of bij gemis van beide hoorns, in den hoef van het regter voorbeen. Evenzoo wordt al het rundvee, hetwelk in voormelde kringen wordt ingevoerd, binnen drie dagen na aankomst ter plaatse van bestemming door een der daarmede belaste veeartsen ingeënt en tusschen den 7den en lOden dag na de inenting door de zorg van den burgemeester van voormeld brandmerk voorzien. Vóór dat deze merking heeft plaats gehad, mag het niet met gemerkt rundvee in aanraking worden gebragt.

-ocr page 57-

53

Artikel 7.

Do met de inenting belaste veeartsen ontvangen uit \'s Rijks schatkist eene maandelijksche belooning, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald.

Artikel 8.

Ingeval, krachtens art. 2; vergunning tot vervoer van niet voor de slagtbank bestemd vee gegeven is, wordt het vóór den uitvoer ten tweeden male met de letter V gebrand, naast het eerste brandmerk.

Artikel 9.

Het op eenigerlei wijze onkenbaar of minder duidelijk herkenbaar maken van het in art. G vermelde brandmerk is verboden.

De eigenaar, houder of hoeder van rundvee in een der volgens art. 1 afgesloten kringen, die in het bezit gevonden wordt van rundvee waarbij het in art. 6 vermelde merk niet duidelijk zigt-baar is, wordt alleen dan geacht niet in overtreding te zijn , wanneer hij bewijst dat het vee binnen de drie laatste dagen in den afgesloten kring is ingevoerd en hij van dien invoer binnen 12 uren aan den burgemeester kennis heeft gegeven.

Artikel 10.

Het is verboden buiten den volgens art. 1 afgesloten kring in het bezit te zijn van niet voor de slagtbank bestemd rundvee, gemerkt met eene V of, indien niet in art. 2 vermelde ver-voerbiljet bij den burgemeesser is ingeleverd, met \\Tquot;V.

Indien het vervoerbiljet, krachtens art. 3 wegens het verstrijken van den termijn van drie maanden na het vervoer, vernietigd wordt, geeft de burgemeester hiervan aan den eigenaar, houder of hoeder eene verklaring af.

Artikel 11.

Bij opheffing van de in art. 1 bedoelde kringen wordt al het zich daarin bevindende rundvee vooraf door de zorg van deu

-ocr page 58-

54

burgemeester mot een tweede brandmerk, bestaande in een omgekeerde V (A), naast het eerste gemerkt. Het aldus gemerkte vee mag vrij vervoerd worden.

Artikel 12.

Kalveren worden uiet ingeënt eer zij den leeftijd van drie maanden bereikt hebben.

Artikel i3.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit , dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift al worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 17den Augustus 1878.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

K APPE YNE.

Uitgegeven den drie en tiointigsten Augustus 1878.

De Minister van Justitie,

H. J. SMID T.

-ocr page 59-

Verbod van in- en doorvoer.

KONINKLIJK BESLUIT van den Ksien December 1870 (Staatsblad n0. 194), houdeade verbod mn in-en doorvoer van huiten \'s lands van rundvee , schapen , hokken , geiten, versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolteu vet, mest, onhcwerkte wol, onbewerkt haar, klaauwen en hoornen, alsmede van allen afval van genoemde dieren.

Wij WILLEM 111, bij de gratie \'Gods , Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau , Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Overwegende :

dat op 31 December 1870 de wet van 17 October 1865 (Staatsblad n0. 121) en daarmede Onze besluiten van 10 en 20 September 1870 [Staatsblad nquot;. 160 en 163) hare verbindende kracht verliezen;

dat echter de uitbreiding van den veetyphus in naburige rijken maatregelen tot voortdurende afwering voor alsnog noodzakelijk blijft maken.

Gezien art. 15 der wet vau 20 Julij 187U {Staatsblad n0. 131), welke wet op 1 Januarij 1874 iu werking zal treden;

Op de voordragt van Onze Ministers van Biimeulaudsche

-ocr page 60-

Zaken en van Finaucien, van 17 October 1870, n0. 24(), 9de afdeeling, en 28 daaraanvolgende , n0. 126;

Den Raad van State gehoor 1 (advies van den 29sten November 1870, n0. 6);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers, van den 3/6 December daaraanvolgende,

0. 172, 9de afdeeling u quot; 77, I. U. R. en acc. \'

Hebben besloten eu besluiten:

1.

Üe in- en doorvoor van buiten \'s lands van rundvee, schapen , bokken en geiten en van versche huiden , versch en gezouten vleesch, ongesraolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klaauwen, hoornen en van allen afval van genoemde dieren is verboden.

Artikel 2.

Dit artikel is niet van toepassing op gezouten vleesch , wol, haar, hoornen en klaauwen, regtstreeks aangevoerd uit landen buiten Europa.

Artikel 3.

Wanneer bijzondere redenen eenej afwijking van dit verbod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binnenlandsche Zaken zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging der besmetting, en met medewerking van Onzen Minister van Financien.

Artikel 4.

Dit besluit treedt in werking op 1 Januarij 1871.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financien

-ocr page 61-

57

zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 8sten December 1870.

WILL E M.

De Minister van Binnenlandschc Zaken,

F o c K.

De Minister van Financiën,

VAN BOSSE.

Uitgegeven den twintig sten December 1870.

De Minister van Justitie,

VAN L I L A A 1{.

-ocr page 62-

Keuring van vee vóór de inlading in schepen.

KONINKLIJK BESLUIT van den 28stcii Mei 1871 (Staatsblad u0. 42), gewijzigd bij besluit van 18 Maart 1878 (Staatsblad a0. 20), houdende verbod van inlading van vee in een schip, naar buiten \'s lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van eenquot; veearts, van Regeringswege daartoe aangesteld.

Wij WILLEM 111, bij de gkatie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Overwegende, dat in strijd met art. 21 der wet van 20 Julij 1870 [Staatsblad n0. 131) vervoer heeft plaats gehad van longziek vee naar stoombooten te Rotterdam, met bestemming naar het buitenland, en dat visitatie van het ten uitvoer bestemde vee vóór de inscheping derhalve noodzakelijk is; m

Gelet op de artt. 15 en 21 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131);

Op de voordragt van Onzen Minister van Staat en vau Bin-nenlandsche Zaken, van 9 Mei 1871, n0. 169, 9de afd.,envan Onzen Minister van Financien, van den 12den daaraanvolgende , n0. 42, I. ü. R. en Acc.;

Den Raad van State gehoord (advies van 23 Mei 1871, n0. 6);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers , van 25 Mei 1871, lit. G.;

-ocr page 63-

59

Hebben besloten en besluiten :

Artikel 1.

Het is verboden in een schip, naar buiten \'s lands bestemd, vee te laden of vee ter inlading aan te bieden , zonder voorafgaande visitatie van een\' veearts, van Regeringswege daartoe aangesteld.

De visitatie geschiedt niet dan bij dag, tusschen zons op- en ondergang.

Van laatstgemeldo bepaling kan door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken tijdelijk ontheffing verleend worden.

Artikel 2.

Ons besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit , dut in het Slaats-hlad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 28sten Mei 1871.

WILLEM.

De Minister van Staat en van

Binnenlandsche Zaken,

• THOKBECKE.

De Minister van Financien,

bi, us SÉ.

Uitgegeven den een en dertigsten Mei 1871.

De Minister van Justitie,

J. A. JOLLES.

-ocr page 64-

Bepalingen omtrent openbare verkoopingen van roerende goederen, wegens besmettelijke ziekten onteigend of in beslag genomen.

I.

KONINKLIJK BESLUIT van dm Udeu Jnlij 1871 (Staatsblad n0. 75), waarhij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen, voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend, enz.

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods , Koning der Nederlanden , Pkixs van Oranje-Nassau , Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Op de gemeenschappelijke voordrag-t van Onzen Minister van Staat en van Biimenlandscbe Zaken, van 24 Mei 1871, nquot;. 218, 1ste afd., en van Onzen Minister van Justitie, van den Sisten daaraanvolgende , n0. 133, 2de afd. A ;

Gelet op art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII {Bulletin des Lois n0. 258), op de arrêtés van 12 Fructidor, jaar IV, en 27 Nivose, jaar V {Bulletin des Lois n0. 72 en 101), den openbaren verkoop van goederen betreffende, alsmede op art. 81 der wet op bet notarisambt van 9 Jnlij 1842 {Staatsblad n0. 20);

Willende, ter uitvoering van art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, de ambtenaren aanwijzen, bevoegd tot het houden van

-ocr page 65-

64

openbare verkoopingen van de na te melden aan het Rijk toe-behoorende roerende goederen ;

Den Raad van State gehoord (advies van 27 Junij 1871, n0. 6);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 1 Julij 1871, n0. 231, 1ste afd., en van den 7den daaraanvolgende, n0. 169, 2de afd. A ;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, zijn bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen, voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend , of voor Rijksrekening aangeschaft om tot ontsmetting , waarschuwing of afzondering in die ziekten te dienen , doch voor Rijksdienst niet meer noodig.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Slaatsllad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financien en aan den Raad van State.

Het Loc, den llden Julij 1871.

WILL E M.

De Minister van Staat en tan

Binnenlandsche Zalen,

THOEBECKE.

De Minister van Justitie,

J. A. J Oi, LES.

Uitgegeven den achttienden Julij 1871.

De Minister van Justitie,

J. A. J 0 1. LES.

-ocr page 66-

11.

KONINKLIJK BESLUIT van den Wden Julij 1874 (Staatsblad n°. 109), tcaarlij de burgemeesters, of die hen als zoodanig xerxangen, bevoegd worden verklaard tol het houden van openbare verkocpingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad nquot;. 131).

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Op de gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van 22 Mei 1874, n0.233, 9de afdeeling, en van Justitie, van den 30sten daaraanvolgende, n0. 147,2de afdeeling a;

Gelet op art. ] der wet van 22 Pluviose, jaar VU [Bulletin des Lois n0. 258), op de arrêtés van 12 Fructidor, jaar IV, en 27 Nivose, jaar V {Bulletin des Lois n0. 72 en 101), den openbaren verkoop van roerende goederen betreffende, alsmede op art. 81 der wet op het notarisambt, van 9 Julij 1842 {Staatsblad n0. 20);

Willende, ter uitvoering van art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, de ambtenaren aanwijzen , bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131);

Den Raad van State gehoord (advies van 23 Junij 1874, n0.13);

-ocr page 67-

63

Gezieu het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 26 Junij 1874, n°. 185, 9de afdeeling, en 3 Julij daaraanvolgende , nn. 161;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen , zijn bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen , bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870 (Staatsllad n0. 131).

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het SlaatsMad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financiën en aan den Kaad van State.

Montrenx, den llden Julij 1874.

W I L L E M.

De Minister van Binnenlandsche Zaken ,

GEERTSEMA.

De Minister mn Justitie,

DE VEI ES.

Uitgegeven den een en twintigsten Julij 1874.

De Minister van Justitie, DE VRIES.

-ocr page 68-

Bepalingen omtrent vervoer yan vee langs spoorwegen en de ontsmetting van veewagens.

KONINKLIJK BESLUIT van den Isten November 1881 (Staatsblad n°. 174) aangevuld hij besluit van 6 September 1882 (Staatsblad uquot;. 124), waarbij, met intrekking van het Koninklijk besluit dd0. 19 October 1874 (Staatsblad n°. 104), nadere bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoorwegen en de ontsmetting van veewagens.

Wij WILLEM III, bij de ghatie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Overwegende, dat nadere bepalingen moeten worden vastgesteld omtrent het vervoeren van vee langs spoorwegen en de ontsmetting van veewagens, ten einde overbrenging van besmetting te verhinderen;

Gelet op art. 15 der wet van20 Julij 1870 {Staatsblad n0.131) en op Ons besluit van 19 October 1871 (Staatsblad n0 104);

Op de voordragt van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken , van quot;Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën, ad interim, van 4 Julij 1881, n0. 908, afdeeling Medische politie , van 12 Jnlij 1881, n0. 31, afdeeling Waterstaat B, en van 15 Julij 1881, n0. 63, Invoerregten en Accijnsen ;

Den Raad van State gehoord (advies van 13 September 1881, no. 11);

-ocr page 69-

65

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers, van 18 October 1881, n0. 1431, afdeeling Medische politie, van 25 October 1881, afdeeling-Waterstaat B , en van 28 October 1881, ii0. 84, Invoerregten en Accijnsen;

Hebben goedgevonden en verstaan :

Artikel 1.

Vervoer van vee langs spoorwegen mag alleen in daartoe 1 e-stemde wagens geschieden.

Artikel 2.

De besturen van spoorwegmaatschappijen zijn verpligt wagens , waarin vee is vervoerd , na elk gebruik te doen reinigen en ontsmetten, met inachtneming van de voorschriften, door Ons vastgesteld of vast te stellen, krachtens art. 31 der wet van 20 Julij 1870 [Staatsilad n0. 131).

Dezelfde verpligting bestaat ten opzigte van alle voorwerpen, waarmede het vee op de terreinen van den spoorweg in aanraking is geweest, als: loopplanken, emmers, voederbakken, touwen , enz., en van het terrein , waar de in- en uitlading-plaats heeft.

Ter voorziening in de kosten dier reiniging en ontsmetting kunnen de spoorwegmaatschappijen van hen, wier vee zij vervoeren , met inachtneming van hoofdstuk III der wet van 9 April 1875 {Staatsblad n0. 67), eene geldelijke bijdrage vorderen.

Artikel 3.

Veewagens, uit den vreemde binnenkomende, worden aan liet grensstation , door de zorg van de spoorwegmaatschappij, gezuiverd en ontsmet, met inachtneming van de voorschriften, inde eerste zinsnede van het vorig artikel vermeld.

Artikel 4.

Dit besluit is niet van toepassing bij het vervoer van tot liet leger behoorende paarden.

-ocr page 70-

GG

Artikel 5.

Uns besluit van 19 October 1871 {Staatsblad n0. 104) wordt iiigetrokkeD.

Artikel 6.

Ons tegenwoordig\' besluit treedt in werking op den vijfdén dag na de afkondiging in het Staatshlad en in de htaatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Waterstaat, Handel eu Nijverheid en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in liet Staatshlad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den Isten November 1881.

W I L L E M.

Dc Minister mu Binnenlandsche Zaken,

s i x.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,

Cr. J. G. KLERCK.

De Minister van Financiën ,

VAN I. YXDEN VAN SANDENBUEG.

Uitgegeven den achttienden November 1881. De Minister van Justitie ,

A. E. J. MODDERMAN.

-ocr page 71-

Bepalingen betreffende paarden yan het leger.

WET van den 2ded Jvnij 1875 (Staatsblad n0. 94), houdende bepalingen betrefende de veeartsenij kundige politie ten opzigtc van paarden van het leger, in verband met de wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad n0. 131).

Wij WILLEM 111, uu dk gkatie Gods, Koning deu Nederlanden , Prins van Oranje-Nassau , Groot-Hertoö van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben , dat het noodzakelijk is om , met behoud overigens der algeineene voorschriften van de wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad nquot;. 131), bijzondere bepalingen vast te stellen voor de behandeling van door besmettelijke ziekten aangetaste of daarvan verdachte paarden van het leger;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.

Bij het voorkomen van eeue besmettelijke ziekte onder de tot het leger behoorende paarden , officierspaarden, voor zooverre zij zich bevinden in stallen, bestemd voor paarden van het

-ocr page 72-

08

leger, of met dezen te zamcii weiden , daaronder begrepen , treedt, voor de toepassing van de artt. 13, 14, 16, 17, 19, 21 , 22, 23, 24, 25, 26, 27, alinea 1 , 2 en 3 .van art. 31 en art. 33 der wet van 20 Julij 1870 [Staatsblad na. 131), de plaatselijke of gnrnizoens-kommandant, daar waar de paarden zich bevinden, in de plaats van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire paardenarts in de plaats van den districtsveearts.

Doet zich het ziektegeval voor bij een paard , tijdens de troep , waarbij liet behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, dan wordt de ter plaatse bevelvoerende officier voor de toepassing van deze wet gelijk gesteld niet den garnizoens-kommandant.

Bij ontstentenis van een militairen paardenarts wordt de wet door den burgemeester en den districts-veearts toegepast.

Wanneer do districts-veearts of die hem vervangt, of de in dit artikel bedoelde paardenarts de onteigening noodig oordeelt van een paard of van voorwerpen , toabehoorende aan den ter plaatse kommanderenden oflicier of aan gemelden paardenarts zeiven, geschiedt de onteigening door den\' burgemeester.

Artikel 2.

l)e militaire paardenartsen , die ten tijde van het in werkingtreden dezer wet in dienst zijn, leggen binnen eene maand na dat tijdstip, — zij, die later als zoodanig in dienst komen , bij de aanvaarding hunner betrekking — in handen van Onzen Commissaris in de provincie hunner garnizoensplaats den volgenden eed (belofie) af:

» Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, mij als militairen paardenarts bij de wet betreffende de veeartsenij kundige politic ten opzigte van paarden van het leger opgedragen, getrouw vervullen zal.quot;

gt; Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig (Dat beloof ik)!quot;

Artikel 3.

De militaire paardenartsen zijn bevoegd van overtredingen der

-ocr page 73-

69

wetten en verordeningen betreffende veeartsenij kundige politie, gepleegd ten opzigte van tot hot leger behoorende paarden en dienstpaarden van officieren , proces-verbaal op te maken , op den eed, door hen krachtens art. 2 afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan den ambtenaar of officier, die voor de vervolging van het misdrijf heeft te zorgen.

Artikel 4.

De in art. 1 vermelde kommanderende officier doet, wanneer een of meer paarden door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast of daarvan verdacht worden , hiervan binnen 24 uren nadat dit te zijner kennis is gekomen , mededeeling aan den burgemeester der gemeente, waarin de paarden zicli bevinden, met opgave van de ziekte en van het getal der aangetaste of verdachte paarden.

Artikel 5.

In gevallen van twijfelachtigen aard of bij verschil van gevoelen tusschen den in art. i bedoelden kommanderenden officier en den militairen paardenarts, geeft eerstgemelde terstond daarvan kennis aan Onzen Minister van Oorlog. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle de bij de wet bedoelde maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

Artikel 6.

Bij de onteigeningen ter zake van het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de paarden, op welke art. 1 toepasselijk is, hunne afmaking , begraving, verbranding of on-schadelijkmaking en bij de zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen , waarin zich die paarden bevonden hebben , is art. 28 der wet van 20 Julij 1870 131) niet van

toepassing.

Alle kosten van onteigening van dienstpaarden en voorwerpen van officieren , alle kosten van ontsmetting en alle verdere uitgaven , welke gedaan worden ten gevolge van het voorkomen

-ocr page 74-

70

van besmettelijke ziekten onder de tot het leger beboerende paarden, de dienstpaarden van officieren daaronder begrepen, komen ten laste van bet Rijk en worden geleden op het hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het Departement van Oorlog.

Artikel 7.

Geen tot het leger beboerend aan het Rijk in eigendom toebe-hoorend paard wordt verkocht of ten verkoop aangeboden, tenzij:

1°. door den kommandant van het corps , waartoe bet behoort, ten minste acht dagen to voren aan den burgemeester der gemeente , waar de verkoop geschieden zal, schriftelijk kennis is gegeven van den dag, het uur en de plaats der verkooping, en

2°. aan dien burgemeester verstrekt is eene, hoogstens tweemaal 24 uren te voren, door den hoogst in rang aanwezigen paardenarts, ter plaatse waar de verkoop geschie4t, onderteekende schriftelijke verklaring , houdende dat het paavd door hem is onderzocht en bevonden aan geene besmettelijke ziekte te lijden , en dat. hij geen reden heeft om te vermoeden dat het in aanraking of in dezelfde verblijfplaats is geweest met een paard, lijdende aan eene besmettelijke ziekte.

Wanneer ter plaatse, waar de verkoop geschiedt, geen paardenarts is , wordt eene met de sub 2°. bedoelde gelijkstaande verklaring van den districts-veearts, binnen wiens ressort de verkooping geschiedt, vereischt.

Artikel 8.

Jaarlijks, vóór den Isten April, zendt de inspecteur van de geneeskundige dienst der landmagt aan Onzen Minister van Oorlog een verslag van hetgeen door de militaire paardenartsen ter toepassing van deze wet is verrigt en van hunne bevindingen daarbij, van welk verslag te gel ijker tijd een afschrift wordt gezonden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken , ten einde daarvan gebruik te maken voor het aan Ons uit te brengen verslag, bedoeld in art. 12 der wet van 20 Julij 1870 Staatsblad n0. 131).

-ocr page 75-

71

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst , en dat alle Ministeriële Departementen , Autoriteiten , Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauw-keurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 2den Junij 1875.

WILLE M.

De Minister van Binnenlandsche Zaken ,

HEEMSKERK.

De Minister van Oorlof/,

E N D E R L EI N.

Uitgegeven den tienden Junij 1875. De Minister tan Justitie,

VAX I. Y N D E N VAN SAND E N H U R G.

-ocr page 76-

WET van den Men Junij 1873 {Staatsblad n0. 110), tot vaststelling van bemalingen lij het voorkomen van hondsdolheid.

Wij WILLEM III, nu de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Ohanje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen , die deze zullen zien of hooren lezen , sal ut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging\' genomen Lebben, dat liet noodzakelijk is bepalingen bij liet voorkomen van hondsdolheid vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij , den Raad van quot;State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.

Zoodra zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of zoodra een dezer dieren door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, behoort de eigenaar, houder of hoeder dien hond of die kat terstond af te maken of te doen afmaken, of vast te leggen en op te sluiten, of te doen vastleggen en opsluiten. Hij geeft van zijne bevinding en van het door hem of van zijnentwege verrigte onverwijld kennis aan den burgemeester of aan den commissaris van politie zijner woonplaats.

Tot die kennisgeving is hij ook verpligt, wanneer het hem niet mogelijk is geweest den hond of de kat te dooden, op te sluiten of vast te leggen.

Artikel 2.

Zoodra bij den burgemeester of commissaris van politie aangifte is gedaan of hem op andere wijze gebleken is, dat zich bij

-ocr page 77-

73

oen hond of ocne kat verschijnselen van dolheid voordoen, of dat een hond of eene kat door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, doet hij met den meesten spoed door den dis-tricts-veearts, of, een districts-veearts-plaatsvervanger, of, bij afwezigheid van beiden, door een geëxamineerden veearts, dien hond of die kat, of, indien zij gedood of gestorven zijn, hunne overblijfselen onderzoeken.

De veearts, die met het onderzoek belast werd , brengt de uitkomst daarvan onverwijld ter kennis van den burgemeester of commissaris van politie.

Indien het blijkbaar gevaarlijk is deu hond of de kat in leven te laten, kan afmaking plaats hebben buiten de aanwezigheid en vóór liet onderzoek van den veearts.

Artikel 3.

Wordt bij dit onderzoek de hond of de kat dol of door een dol dier gebeten bevonden, of wordt deswege door deu veearts twijfel uitgedrukt, dan wordt het dier terstond op bevel en dooide zorg vau den burgemeester of van deu commissaris van politie afgemaakt.

De burgemeester der gemeente, in welke een geval van hondsdolheid is voorgekomen, beveelt bij een bevelschrift, dat hij onverwijld doet afkondigen, dat gedurende vier maanden, te rekenen van den dag der afkondiging, alle honden die zich buiten woningen of vaartuigen (geene openbare, middelen van vervoer zijnde), in de gemeente bevinden en niei binnen een afgesloten erf aan een ketting liggen, moeten voorzien zijn van een muilkorf, volgens een model door Onzen Minister van Bin-nenlandsche Zaken vast te stellen.

Van dit bevel geeft de burgemeester onverwijld kennis aan de burgemeesters van alle aangrenzende gemeenten, die dan onmiddellijk gelijk bevel voor hunne gemeenten kunnen uitvaardigen. Ook aan Onzen Commissaris in iedere provincie, in welke de betrokken gemeenten liggen , wordt afschrift van het bevelschrift gezonden. Deze kan gelijk bevelschrift uitvaardigen en terstond doen afkondigen voor do geheele provincie of een deel daarvan.

-ocr page 78-

74

Artikel 4.

Ambteuareii van politie, waaronder, voor de uitvoering van deze wet, ook worden verstaan de door den burgemeester of den commissaris van politie met het vatten, opvangen of afmaken van een houd of eene kat belaste personen, zijn, ter uitvoering van dien last, bevoegd de erven, woningen of andere gebouwen en vaartuigen, zelfs zonder toestemming van den eigenaar of bewoner, tusschen 7 uur des morgeus en 9 uur des avonds binnen te treden, mits voorzien- van eene schriftelijke lastgeving van den burgemeester of commissaris vau politie.

Artikel 5.

Overblijtselen vau honden of katten, die aan dolheid gestorven, of iu eeu der gevallen, in artt. 1, 2 of 3 bedoeld, afgemaakt zijn , worden , voor zoover dit niet reeds door of van wege belanghebbenden is geschied, door de zorg van den burgemeester op Rijkskosten verbrand of begraven, overeenkomstig de voorschriften, door Ons krachtens art. 31 der wet van 20Julijl870 {Staatsblad n0. 131) gegeven.

Voorwerpen, welke met zoodanige honden of katten in aanraking zijn geweest, worden overeenkomstig dezelfde voorsclirif-ten op Rijkskosten door de zorg van den burgemeester gereinigd en ontsmet, of, indien de districts-veearts, of die hem vervangt, dit noodig oordeelt, verbrand , des noods na onteigening.

Bij deze onteigening zijn de bepalingen van art. 24 der hierboven aangehaalde wet toepasselijk.

Artikel (5.

De eigenaar, houder of hoeder van honden , die het bevelschrift van den burgemeester of van Onzen Commissaris, in art. 3 bedoeld, overtreelt, is strafbaar met eene geldboete van f 3 tot f 10.

Bij ontdekking van deze overtreding wordt de hond in beslag genomen, of, indien daartoe geene gelegenheid is, of blijkbaar gevaar bestaat, afgemaakt en alsdau met de overblijfselen gehandeld, zooals in art- 5 is voorgeschreven.

-ocr page 79-

75

Bij liet veroordeeleud vonnis wordt de hond verbeurd verklaard, indien liij nog in wezen is.

In ieder geval kan bij het vonnis de afmaking van den in beslag genomen hond. worden bevolen.

Art. 254 van het Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op de overtreding- in dit artikel bedoeld.

Ingeval de eigenaar, houder of hoeder het maximum der boete betaalt, beslist het hoofd der politie of de hond hem kan worden teruggegeven of moet wordeu afgemaakt.

Is de eigenaar, houder of hoeder onbekend, dan wordt de hond, die bevonden wordt zonder muilkorf rond teloopen, door of van wege de politie afgemaakt.

Artikel 7.

Het moedwillig kwellen, pijnigen of mishandelen vaneen hond of eeue kat wordt gestraft met geldboete van f 5 tot f 25 en gevangenisstraf van 1 tot 5 dagen, te /.amen of afzonderlijk.

Honden en katten, die zonder opzigt rond loopende, zich op een vreemd erf bevinden, mogen straffeloos door of van wege den bewoner of bruiker worden gedood.

Artikel S,

Verzuim van de in art. I voorgeschreven kennisgeving, alsmede verzet tegen het vatten, opvangen of afmaken van honden of katten in de gevallen bij art. 3 en 4 voorzien eu weigering om ambtenaren van politie, in eene der plaatsen, vermeld in. art. 4, toe te laten, wordt gestraft met geldboete van f 25 tot f 75 en gevangenis van drie tot zeven dagen , te zamen of afzonderlijk , behoudens zwaardere straffen in geval van feitelijkeu wederstand of rebellie.

Artikel 9.

Art. 4(53 van het Strafwetboek en art. 20 der wet van 20 Junij 1854 {StaalslJad n0. 102) ziju op de misdrijven, voorzien bij de artt. G, 7 en 8, toepasselijk.

Artikel 10.

Deze wet is niet toepasselijk op het terrein van \'s Rijks vee-

-ocr page 80-

70

artsenijschool. De voorzorgen, aldaar te nemen, bij bet onderzoek van dollo of van dolheid verdachte dieren, worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den directeur der school gehoord , geregeld.

Artikel 11.

Provinciale en plaatselijke verordeningen , betreffende bet onderwerp bij deze wet geregeld, zijn verbindend, voor zooverre zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.

Onder hetzelfde voorbehoud kunnen nieuwe verordeningen worden vastgesteld.

Artikel 12.

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegieu en Ambtenaren , w7ien zulks aangaat, aan de naauw-keurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den oden Junij 1875.

WILLE M.

I)c. Minister van Binnenlandsche Zaken ,

HEEMSKERK.

Uitgegeven den zeventienden Junij 1875.

De Minister van Justitie,

Van Lynden van Sandenburg.

-ocr page 81-

I If H O U D.

Bladz.

Wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131), gewijzigd bij de wet van 1 Augustus 1880 {Staatsblad n0. 123), tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie. . . ........ 5.

Ontsmettings-regulatief. Koninklijk besluit van 4 December 1870 {Staatsblad nquot;. 191), gewijzigd bij besluit van 6 April 1882 {Staatsblad n0.49), houdende voorschriften betreffende het begraven , verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee en van andere voorwerpen ,

en de ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten...... 23.

Besmettelijke veeziekten. Koninklijk besluit van 14 Maart 1880 {Staatsblad n0. 31), waarbij, met intrekking van het Koninklijk besluit van 30 October 1872 {Staatsblad n0. 105), nader wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en welke der iu de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden....... 29.

Bijzondere bepalingen betreffende veepest. Koninklijk besluit van 28 Februari 1877 {Staatsblad u0. 29), houdende bepalingen omtrent het vervoer van rundvee , schapen , bokken en geiten , enz............. 37.

-ocr page 82-

Bijzondere bepalingen betreffende besmettelijke longziekte. ]. Koninklijk besluit van 3 October 1873 (Staatsblad ii0. 135), houdende bepalingen betreffende visitatie, aangifte en vervoer van rundvee en het schorsen van markten en openbare verkoopingén van rundvee, een en ander tot beteugeling der longziekte onder het rundvee . . .

II. Koninklijk besluit van 3 Februari 1877 {Staatsblad n0.17) , houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee, en zulks met intrekking der Koninklijke besluiten van 17 April 1874 (Staatsblad n0. 59), van 9 October 1874 (Staatsblad n0. 132) en van 30 Juni 1875 (Staatsblad n0. 12(3). . .

III. Wet van 8 Augustus 1878 {Staatsblad n0. 115) , houdende vaststelling vjin bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands...............

IV. Koninklijk besluit van 17 Augustus 1^78 (Staatsblad u0. 128), gewijzigd bij besluit van 9 Januari 1879 (Staatsblad n0. 2), houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee.

Verbod xan in- en doorvoer. Koninklijk besluit van 8 December 1870 (Staatsblad n0. 194), houdende verbod van in- en doorvoer van buiten\'s lands van rundvee, schapen , bokken , geiten, versche hulden , versch en gezouten vleesch , ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klaauwen en hoornen, alsmede van allen afval van genoemde dieren.........

Keuring van vee vóór de inlading in schepen Koninklijk besluit van 28 Mei 1871 (Staatsblad n0. 42) , gewijzigd bij besluit van 18 Maart 1878 (Staatsblad n0. 20), houdende verbod van inladlag van vee in een schip, naar bulten\'s lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van ee:i veearts, van Regeringswege daartoe aangesteld . .

Bemalingen omtrent openbare verkoopingen van roerende goederen xoegens besmettelijke ziekten onteigend of in beslag genomen.

-ocr page 83-

I. Koninklijk besluit van 11 Juli 1871 {Staatsblad n0. 75), waarbij de burgemeesters, of die lien als zoodanig vervangen , bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen, voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend, enz................

II. Koninklijk besluit van 11 Juli 1874 [Staatsblad n0. 109), waarbij de burgemeesters , of die hen als zoodanig vervangen , bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870 [Staatsblad n0. 131) . . ............

Bepalingen omtrent het vervoer van vee langs spoorwegen en de ontsmetting van veewagens. Koninklijk besluit van

1 November 1881 (Staatsblad n0. 174), aangevuld bij besluit van 6 September 1882 [Staatsblad n0. 124), waarbij, met intrekking van het Koninklijk besluit van 19 October 1874 [Staatsblad n0. 104), nadere bepalingen n-orden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoorwegen en de ontsmetting van veewagens.....\' . . . .

Bepalingen betreffende paarden van het leger. Wet van

2 Juni 1875 [Staatsblad n0. 94), houdende bepalingen betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzigte van paarden van het leger, in verband met de\' wet van 20 Juli 1870 [Staatsblad n0. 131).........

Wet van 5 Juli 1875 [Staatsblad nquot;. 110), tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid.

-ocr page 84-
-ocr page 85-
-ocr page 86-
-ocr page 87-
-ocr page 88-