-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

f

tx

f ■

1 W-\\r\'\'

T

\\

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

-rf~-

r it

I

2856 562 4

-ocr page 5-

■ \'.Zui

VERSLAG omtrent hel lusschen 16 en 21 September\'lSQb in Bern qehomlen , internationaal veeartsenijkumlig congres, uil-(jebraclit door dr. A. W. H. Wirtz, directeur van \'.s- Rijks veeartsenijschool te Utrecht.

Aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Bij Harer Majesteits besluit vau 2 Augustus 1895 11\'. 67 benoemd om de Regeering te vertegenwoordigen op liet 6de internationaal veeartsenijkundig congres te Bern, lieb ik de eer ingevolge Uwer Excellentie \'s opdracht een overzicht aan te bieden van de verhandelingen van het congres, voor zoover deze voor ons land van bijzonder belang zijn.

Tot mijn leedwezen is het voleindigen van dit verslag wegens mijne langdurige ziekte geruiuien tijd uitgesteld moeten worden; hot wenscht dan ook alleen te worden aangemerkt als een relaas van hetgeen door mij zeiven is bijgewoond en van de persoonlijke indrukken die de verhandelingen op mij hebben gemaakt.

Het congres telde een groot aantal deelnemers; veel meer dan een der vorige congressen. Van de ongeveer 700 ingeschreven leden, voor ruim de helft uit Zwitserland. werd door omstreeks 300 aan vergaderingen deelgenomen ; maar niet alle vergaderingen werden even goed bezocht. Nagenoeg alle Euro-peesche Staten waren officieel vertegenwoordigd.

In den avond van Zondag 15 September had op uitnoodiging van de regelingscommissie eene samenkomst plaats, die zeer talrijk was en den deelnemers eene goede gelegenheid aanbood tot onderlinge kennismaking.

Maandag 16 September werd het congres geopend in de zittingzaal van den Nationalen Raad, waar ook de volgende vergaderingen werden gehouden. Een treffende welkomstgroet werd den deelnemers gebracht bij monde van dr. Deucher, Lid van den Bondsraad , hoofd van het departement van nijverheid en landbouw , die in eene schoone openingsrede van zijne groote belangstelling in het streven der internationale veeartsenij-

-ocr page 6-

kundige congressen getuigde en zeer waardeereude woorden wijdde aan hetgeen zij, van het eerste af, in verloop van 32 jaren ten bate der volkswelvaart hebben helpen tot stand brengen.

Als benoemd Eere-Voorzitter van liet congres, had daarna dr. Deucber van de vergadering het getuigenis barer bijzondere ingenomenheid in ontvangst te nemen.

Vervolgens gaf de heer Potterat (Bern), voorzitter der rege-lingscommissie, een overzicht van liet werk der vijf vorige congressen (Hamburg 18(53, Weenen 1805, Zurich 1867, Brussel 1883. Parijs 1889) en van zijne gevolgen. Het door de commissie ontworpen reglement van orde werd eenparig goedgekeurd. De heer Noyer (Hem), secretaris der commissie , deed verslag van hare voorbereidende werkzaamheden.

Op voorstel der regelingscommissie werd het eerelidmaatschap van het congres opgedragen .aan Robert Koch (Berlijn\\ Pasteur (Parijs) en Röll (Graz) en werden voor de zes congresdagen tot voorzitters benoemd , ieder voor een dag, Chauveau (Parijs), Lydtin (Karlsruhe), Raupach (Dorpat), Hutyra (Budapest), Berdez (Bern) en C. Muller (Berlijn). Voor eiken dag werden tevens twee onder-voorzitters benoemd. Het secretariaat werd opgedragen aan Noyer (Bern).

Nadat aldus het congres was geconstitueerd en de gang der werkzaamheden geregeld , gaf dr. Deucber het presidium over aan den voorzitter Chauveau, onder wiens leiding het eerste punt van het programma werd behandeld en denzelfden dag ten einde gebracht.

Het eerste eu voornaamste onderwerp van het zeer ruim voorziene congres-programma, dat ook reeds de congressen te Brussel (18S3) eu te Parijs (1889) heeft beziggehouden , betrof eene regeling, die practisch even moeilijk als gewichtig, ja sollier onmogelijk is te achten. Daarin ligt dan ook de ver-klaring van het feit, dat het onderwerp van het eene naar het andere congres werd gedragen. Het gold namelijk de internationale veterinaire polilie; en wel in den zin van eene internationale ouereciilomxl hetrcjfende het verkeer met vee, benevens het uitgeven van een inleruationaal bulletin van besmeltelijhe veeziekten.

Van de drie rapporteurs over dit punt had Hutyra (Budapest) een uitvoerig ontwerp-besluit voorgesteld, houdende de eischen waaraan de contracteerende staten op eigen gebied, in zake veterinaire politie zouden hebben te voldoen , de regeling van het grensverkeer met vee, benevens eene conventie betreffende den internationalen veehandel, alsmede de wekelijksche uitgifte van een bulletin van besmettelijke veeziekten door elk der staten. Om de zaak een grooten stap verder te brengen tot het doel _T00r zoover dit ideaal bereikbaar zal blijken — was ongetwijfeld van beteekenis een slotvoorstel van den rapporteur, om namelijk tot den Zwitserschen Bondsraad bet verzoek te richten.

-ocr page 7-

de besluiten van het congres aan ile overige Staatsregeeringen mede te deelen en hun tevens te willen voorstellen de samen-roeping eener internationale, veterinaire conferentie. De rapporteur üegive (Brussel) had in denzelfdeu geest geadviseerd, zonder echter in bijzonderheden der regeling zoover af te dalen als in het eerstbedoeld rapport was geschied.

De rapporteur Berdez (Bern) bepaalde zich tot een voorstel om invoering van een internationaal veeziekten-bulletin ; cn oui daartoe te geraken , stelde hij tevens voor tot den Zwitserschen Bondsraad het verzoek te richten, om de andere regeeringen uit te noodigen tot het houden van eene internationale conferentie voor de regeling van de uitgifte van zulk internationaal bulletin.

De beraadslaging over deze voorstellen was van langen duur. Zij betrof enkel hoofdpunten, aangezien de bespreking van bijzonderheden der meer of minder uitvoerige voorstellen, indien daarvoor tijd beschikbaar ware geweest, toch geen vrucht zou hebben kunnen opleveren. Het spreekt wel vanzelf dat, mocht het ten deze komen tot het beramen van eene internationale conventie, de betrokken regeeringen allerlei bepalingen, ook van anderen dan veeartsenijkundigeu aard, naar eigen inzichten en behoeften in overweging zullen nemen , en dat in elk geval congresstemmingen daarbij wel niet den doorslag kunnen geven.

Dat zelfs voor het beginsel van het denkbeeld men van de zijde van Engeland volstrekt niets te wachten zou hebben, werd ten overvloede door den officieelen vertegenwoordiger Oope, en na hem nog eens door Mae Fadyean , ten duidelijkste te kennen gegeven. Na vergelijking van het verleden met het heden, inzonderheid wat veepest, longziekte en mond- en klauwzeer betreft, verklaarden zij dat Engeland, door ervaring wijs geworden , zonder eenigen twijfel de meest afdoende voorzorgen zou blijven nemen eu derhalve in de toelating van levend vee niet zou treden.

Met de grootste ingenomenheid werd daarentegen het denkbeeld begroet door Raupach (Dorpat) als vertegenwoordiger van Rusland. De reden ligt voor de hand , nu het geldt een land van uitvoer, waartegen tot afwering der veepest, en met het beste gevolg, reeds zoovele jaren de grenssluiting door Duitschland en Oo^tenrijk-Hongarije is toegepast. Zich vleiende met eene internationale conferentie in het verschiet, bepleitte Raupach nu reeds de noodzakelijkheid dat, indien bij conventie de uitvoer verboden zou mogen worden uit een land waar veepest voorkwam , voor Rusland alsdan enkel de toestand in het Éuro-peesch deel van het rijk in rekening zou moeten komen. Immers, aangezien er niet alleen in den Kaukasus nog wel langen tijd veepest zal voorkomen, maar elders in Aziatisch Rusland de ziekte steeds aauwezig is te achten. zou Europeesch Rusland

-ocr page 8-

(waar 10 javeu geleden, voor zoover bekend, nog een jaarlij ksch verlies van 700 000 stuks rundvee door do veepest kon voorkomen) van de verwachte conventie peen voordeel kunnen trekken. De groote afstanden van de ziekteterreineu achtte hij een zekeren waarborg tegen gevaar voor Westelijk Europa. Eene volkomen ijdele verwachting ; waartegen tc recht door Lydtin werd opgemerkt. dat als veevervoer zulke gevaren kan meebrengen, de grootte der afstanden niet in rekening mag komen.

Lydtin was van oordeel dat, zooals trouwens tusscheu naburige staten reeds in den eenen ot anderen vorm is aan te treffen, de regeling van het internationaal verkeer met vee onderscheid heeft te maken tusschen toelating van slachtvee, waarbij wegens den aanvoer per spoorweg maatregelen van voorzorg het gemakkelijkst op afdoende wijze zijn te nemen; van fokvee, waaraan meer bezwaren zijn verbonden; van bedrijisvee, dat bij het grensverkeer over en weer, voor het nemen van afdoende maatregelen vooral bezwaar lean opleveren. Tevens wees hij er op , zooals trouwens op vorige congressen reeds herhaaldelijk was gedaan. dat buiten en behalve het internationaal bulletin ook bekendmaking langs telegraphischen weg verplichtend behoort te zijn , als ziektegevallen zijn opgetreden die voor het internationaal verkeer met vee gevaar opleveren. Maar ook hieromtrent bestaan of bestonden immers reeds overeenkomsten tusschen naburige staten , althans wat het gevaar voor veepest betreft.

Wat het bulletin van veeziekten aangaat, was de meaning ook niet onverdeeld over de vraag , of een internationaal bulletin wel inderdaad doelmatiger is te achten dan dat zooveel mogelijk gelijkvormige bulletins geregeld door eiken staat aan de overige staten worden gezonden. Deze vraag schijnt mij reeds daarom van gewicht, omdat met de samenstelling en uitgifte van ee\'n centraal-bulletin , uit al de ingekomen periodieke berichten der verschillende staten op te maken , onvermijdelijk tijd moet verloren gaan.

Ten slotte werd eenparig aangenomen het volgend tweeledig besluit;

Het congres spreekt den wensch uit, dat de Zwitsersche Bondsraad het initiatief moge nemen :

1quot;. voor de instelling van een internationalen dienst van veeziektenberichten en de uitgifte van een internationaal bulletin van veeziekten ;

2\'. voor de samenroeping van eene internationale conferentie tot het beramen van eene overeenkomst betreffende het verkeer met vee.

(Wat van dit verzoek aan den Bondsraad verwacht mag worden is reeds duidelijk gebleken bij het feestmaal te Interlaken, na, de sluiting van het congres, toen de gewezen eerevoorzitter dr.

-ocr page 9-

5

Deucher, hoofd van liet departement van nijverheid en landbouw , in eene rede o. a. het volgende sprak; Gij hebt den Bondsraad eene groote en schoone taak toevertrouwd ; ik meen te mogen zeggen, dat de Zwitsersche Bondsraad die taak zal aanvaarden en zoo goed mogelijk volbrengen.)

De tweede dag, Dinsdag 17 September, was bestemd voor het bespreken van de waarde ran malléïne en van tuherculine als herhenningsniiddelen reap, ran kwaden droes en van tuberculose. Het eerste nam den voormiddag in beslag; voor het tweede werd eene namiddag vergadering gehouden van langen duur.

Wat betreft de malleiue, stelde Nocard (Alfort) uit zijn congresrapport op den voorgrond , dat voor de beoordeeling van den uitslag eener malleïnatie de z. g. organische reactie (zwelling ann de plaats van inspuiting, neerslachtigheid, overeindstaande haren, rillingen, verlies van eetlust enz.) van even groote be-teekenis zijn als de vroeger op zichzelve te hoog aangeslagen thermische reactie (verhooging der inwendige lichaamstemperatuur binnen de 20 uren na de inspuiting). Volgens hem is die uitslag gewoonlijk zeer duidelijk:

1\'. Indien geenerlei thermische of organische reactie optreedt, of indien de zwelling aan de entplaats gering en van korten duur is, of wel de temperatuursverhooging minder dan l0p. bedraagt, mag men het voor zeker houden , dat het paard niet aan kwaden droes lijdt. 2\'. Indien daarentegen de plaatselijke zwelling omvangrijk en pijnlijk is en lang voortduurt, de voornoemde algemeone verschijnselen optreden , de lichaamstemperatuur boven 40\'C. stijgt en daarbij de normale minstens 1,5quot; te boven gaat, de zwelling en de temperatuursverhooging 36 uren na de inspuiting nog in duidelijke mate aanwezig zijn, mag men het voor zeker houden , dat het paard aan kwaden droes lijdt. 3 . Er zijn echter ook gevallen waarin de reactie twijfelachtig is en eene stellige diagnose niet mogelijk maakt, hetzij omdat de organische reactie ontbreekt, terwijl de temperatuursverhooging 1,5quot;, 2,0\' en meer bedraagt, of wel eene verhooging tusschen 1,0 \' eu 1,5\' gepaard gaat niet eene geringe en kort durende organische reactie. De onder 3 bedoelde paarden zijn alle verdacht, moeten afgezonderd worden gehouden en na minstens eene maand weder eene inspuiting ondergaan. De onder 2\'. bedoelde, door de nialleïneproef als kwaaddroezig aangeduid, behoeven volgens Nocard slechts afgemaakt te worden voor zoover zij voor of na ziekteverschijnselen vertoonen die op kwaden droes wijzen ; de overige blijven afgezonderd , zij worden voorts om de maand of twee maanden gemalleïneerd, en geheel vrijgelaten zoodra zij na twee opvolgende inspuitingen geene organische of thermische reactie meer hebben vertoond. Nocard is namelijk van meening dat bij zulke paarden de herhaaldelijk ingespoten malleïue eene genezende werking uitoefent.

-ocr page 10-

6

De rapporteur Preusse (Danzig) is een even groot voorstander van de diagnostische waarde der malleïne. Hij is echter vooreerst vaii oordeel. dat de grenzen der temperatuursverhoogingen verschillen in verband met de bereidingswijze der malleïne en den tijd dat zij bewaard is ; en anderdeels hecht hij bijzonder aan de onderscheiding eener z. g. typische malleïne-reactie. Daaronder is namelijk volgens hem te verstaan, dat de tem-peratunrsverbooging enkele uren na de inspuiting aanvangt en 12—16 uren daarna haar maximum bereikt, vervolgens weder spoedig begint te dalen . maar langzamer daalt dan zij is gestegen en dikwijls tijdens de daling nog kleine verheffingen vertoont. Zijns inziens beboeren alle paarden afgemaakt te worden, die eene temperatuursverhooging van 1,5quot; — 2.0, (naarmate van de malleïne-soort) met typische reactie vertoonen , terwijl de verdachte berhaaldelijk gemalleïneerd behooren te worden. Hij erkent dat nu en dan bij afgemaakte paarden de lijkopening geen enkel bewijs voor liet bestaan van kwaden droes vermocht te leveren , maar acht deze weinige uitzonderingen van geen belang tegenover het groote nut, dat van dit herkenningsmiddel in den regel te trekken valt.

Voor den rapporteur Foth (Oderberg), inzonderheid bekend om de door hem ingevoerde gedroogde malleïne (Foth\'sche malleïne), stond de beteekenis van de malleïnatie voor de veterinaire politie nog alles behalve vast. Het optreden van reactie, waar men daarvoor later geen grond kon vinden , en het uitblijven in het tegenovergestelde geval komen zijns inziens nog te dikwijls voor om het middel zonder voorbehoud te kunnen aanbevelen. Hij acht derhalve noodig, dat op ruime schaal met het middel nauwkeurige proeven worden genomen op paarden , die te voren opzettelijk met kwaden droes besmet zijn geworden.

De rapporteur Sehindelka (Weenen) deelde mede , dat van 352 paarden, die vroeger of later na de malleïnatie ter sectie kwamen, 92 geene reactie hadden vertoond, 218 wegens den graad van reactie als aan kwaden droes lijdend waren afgemaakt (temperatuursverhooging van meer dan 2quot;, lang aanhoudend , onverschillig of na daling eene tweede verhooging was opgetreden en of er al of niet plaatselijke zwelliug was ontstaan) en bij 52 de uitslag der éénmaal verrichte malleïnatie twijfelachtig was geweest. Bij de lijkopeningen was hem gebleken , dat van de eerste groep (92) geen enkel paard aan kwaden droes had geleden , dat van de tweede groep (218) b\\j 207 wel, bij 11 niet het bestaan hebben van kwaden droes uit de lijkbevinding kon wordi-n geconstateerd, en dat van de derde groep (52) aan het licht kwam, dat 18 wel, 34 niet door de ziekte waren aangetast.

Zooals trouwens uit de ter zake bestaande literatuur te verwachten was. bleken de ineeniugen omtrent de beteekenis en

-ocr page 11-

7

de bruikbaarheid vau dit diagnostiseli hulpmiddel uog verre vau eenstemmig, en bij gevolg het vraagstuk nog niet rijp om door eene eongres-steimning te worden uitgemaakt.

Tegenover enkele leden die dit herkenningsmiddel voor onfeilbaar schenen te honden , en zelfs als geneesmiddel der ziekte niet minder groote verwachtingen er van koesterden, stonden andere die er meer of minder teleurstelling, zoowel wat de verkregen positieve als de negatieve aanwijzingen betreft, van , . ondervonden hadden. Zelfs werd beweerd , dat in plaats van

j op de verschillende onderdeelen der malleïne-werking geza

menlijk zijn oordeel te vestigen, men geheel kon volstaan met den omvang en den duur der zwelling aan de plaats van aanwending als maatstaf voor de heoordeeling te nemen.

Ook werd van meer dan eene zijde betoogd, dat men door het gebruik der malleïne meer en meer de groote beteekenis der ziekteverschijnselen voor de onderkenning van kwaden droes ging voorbijzien, en geheel vergat, dat het in vroeger tijd in verschillende landen toch ook volkomen gelukte den kwaden droes onder een grooter of kleiner aantal paarden geheel uit te roeien. De laatste opmerking is ongetwijfeld volkomen juist; ook Nederland kan daarvan getuigen. Niettemin loopt men door dergelijk betoog gevaar van te veel te willen bewijzen. ,gt;Indien toch de malleïne een voldoend zeker middel is om bij ^ dieren zonder ziekteverschijnseleu het geheel verborgen bestaan

y, van kwaden droes aan te toonen , zal met behulp daarvan de

uitroeiing veel spoediger en gemakkelijker kunnen plaats hebben \'dan wanneer men al de van besmetting verdachte paarden afgezonderd , althans ouder toezicht moet kouden totdat bij de werkelijk besmette dieren de ziekte zich heeft geopenbaard. Het middel kan dus zeer nuttig zijn , al is het niet onfeilbaar.

Het verschil van meening openbaarde zich ten slotte ook duidelijk bij do stemming over de volgende voorstellen.

Met slechts 49 tegen 39 stemmen werd aangenomen een voorstel van Nocard en Preusse , luidende: a. De malleïne is een krachtig middel om in verdachte gevallen het bestaan van kwaden droes te herkennen, b. Het stelselmatig gebruik van mal-A-, leïne in stallen, waar kwade droes heerseht, is het beste

middel om de ziekte uit te roeien.

Met eenparige stemmen daarentegen werd aangenomen een voorstel van Foth, Ghauveau, Leblanc, Arloiug en Mfiller, luidende: Tot de llegeeringen wordt het verzoek gericht, de noodige middelen beschikbaar te stellen om het vraagstuk betreffende de waarde der malleïne-inspuiting als maatregel van veterinaire politie tot volledige oplossing te brengen door geheel betrouwbare proefnemingen — namelijk kunstmatige infectie van. een aantal paarden met kwaden droes en opvolgende aan-^ wending van malleïne.

-ocr page 12-

Wat de tnhemilina aangaat, had Bang (Kopenhagen) de be-teekenis van het middel in eeu congres-rapport in het lieht gesteld op grond van de uitgebreide toepassing der tuberculinatie in Denemarken. Daaromtrent beschikte hij over ingekomen berichten betreffende 46495 getuberculineerde runderen in 1G75 koppels. Van deze hadden reactie vertoond 39,6 pet., geen reactie 60,4 pet. De uitbreiding der tuberculose scheen echter in de verschillende provinciën zeer uiteenloopend te zijn. Zoo bij voorbeeld reageerden op Bornholm van 6318 dieren 21,5 pet., op Funen van 5490 dieren 29,6 pet., in Jutland van 20920 dieren 43,8 pet., op Seelaud van 9617 dieren 50,9 pet. Het verschil hing ten deele daarvan af, dat het of\' vele groote koppels gold op uitgebreide landgoederen (vooral op Seeland), of aankoop in den regel van vreemd fokvee bij uitgebreiden veehandel (Jutland).

Omtrent de diagnostische waarde van bet middel was hem uit 514 lijkopeningen gebleken, dat in 50 dier gevallen = 9.7 pet. de diagnose op grond van den uitslag der tuberculinatie onjuist was gesteld; hetzij, en dit vooral, dat dieren tuberculeus bevonden werden die niet gerengeerd hadden , hetzij , en dit in slechts zeer enkele gevallen, dat bij dieren die gereageerd luidden , ook bij een allernauwkeurigst onderzoek geene tuberculeuze aandoening was te vinden. Zulk een graad van feilbaarheid belet echter zijns inziens volstrekt niet, dat het middel van groot nut kan zijn om in besmette veekoppels de ziekte uit te roeien.

Het daarvoor in Denemarken met financieelen steun der Regeering (wet van 14 April 1893) en slechts geringe kosten voor de eigenaren toegepast stelsel is in hoofdzaak het volgende; 1quot;. De gezond bevonden dieren afzonderen , hunne besmetting voorkomen en jaarlijks bij deze de tuberculinatie herhalen. 2 . De kalveren uitsluitend voederen met melk van gezond bevonden koeien of met melk die gekookt of op 851 O. verwarmd is. 3quot;. Kalveren van zeer tuberculeuze koeien niet opfokken , of anders tijdig aan de tuberculine proef onderwerpen, terwijl daarentegen kalveren van koeien met geringen graad van tuberculose zonder bezwaar opgefokt kunnen worden , mits zij dadelijk uit den besmetten stal worden verwijderd en op de aangegeven wijze worden gevoed. De tijd zal moeten leeren, wat deze bestrijding na eenige jaren zal hebben opgeleverd; de tot hiertoe verkregen uitkomsten schenen echter recht te geven tot groote verwachtingen.

De melk van tuberculeuze dieren is volgens Bang in de meeste gevallen niet gevaarlijk , namelijk waar geene tuberculose van den uier bestaat of de dieren niet in zeer hoogen graad door de ziekte zijn aangetast.

-ocr page 13-

9

Dat ten gevolge van de tuberculinatie, uit bij runderen bestaande latente, plaatselijke tuberculose zich algemoene tuberculose (acute, miliaire tuberculose) ontwikkelt, houdt Bang voor uiterst zeldzaam.

Een tweede rapporteur, Semmer (Petersburg), ging veel verder; hij betoogde dat de tuberculine niet alleen het beste middel is ter herkenning van tuberculose, maar dat zij bovendien, in herhaalde groote giften aangewend, aan de diereu immuniteit tegen tuberculose verschaft, ja dat zij zelfs als geneesmiddel van tuberculose bij dieren gebezigd kan worden.

Onder de talrijke voorstanders van de tuberculine , als diagnostisch middel, bekleedde Nocard mede eene eerste plaats. Op grond van zijne ruime ervaring verklaarde hij niet te gelooven aan reactie-verschijnselen na inspuiting van tuberculine bij niet tuberculeuze dieren. Overigens is volgens hem de reactie te sterker en zekerder naarmate de tuberculeuze aandoening van geringer omvang is. Gevaar ten gevolge van de inspuiting levert zijns inziens de melk nooit op; bij 3000 inspuitingen z-.ig hij echter tweemaal acute, miliaire tuberculose ten gevolge der malleïnatie optreden.

Siedamgrotzky (Dresden), ofschoon een groot voorstander van het middel, al liet dit dan ook nu en dan in den steek, mankte eene zeer juiste opmerking, die stellig ook voor andere landen toepassing zou kunnen vinden. In Saksen was namelijk het vertrouwen iu de waarde der tuberculine zeer geschokt geworden, doordat vele eigenaren hunne runderen, die gereageerd hadden bij de tuberculine-proef, aan slagers hadden verkocht en dan later door deze slagers beweerd was geworden dat die diereu niet tuberculeus waren geweest. In het feit zelf, dat door de tuberculine-procf als tuberculeus aangewezen dieren aan slagers verkocht worden en, zonder dat keuring plaatsheeft, deze door de slagers veelvuldig gezpud worden verklaard, ziet hij overigens gevaar voor de toepassing der methode.

Verklaarde tegenstanders der tuberculinatie bleken uog steeds te zijn Hess en Guillebeau (Bern). In een congres-rapport had Hess getracht door eene uitgebreide casuistiek fe bewijzen, dat de^ tuberculine , ofschoon een goed diagnosticum, mits niet voor erge of oude gevallen van tuberculose, toch voor de rundveepraktijk ten eeueu male verwerpelijk is, omdat zij dikwijls bij tuberculeuze dieren eene acute, miliaire tuberculose doet ont-staau. Geheel van dezelfde meeuing was Guillebeau. Beide tegenstanders spraken overigens een mijns inziens alleszins juist woord , toen zij er op wezen , dat er kwalijk van uitroeien der tuberculose onder het vee sprake kan zijn , zoolang onder de menschen de tuberculose verbreid is Huns inziens is de tuberculose van den mensch de hoofdoorzaak der tuberculose van het rundvee en vau andere huisdieren. Dat, zooals zij te verstaan

-ocr page 14-

10

gaven , tuberculeuze runderen voor den mensch geen gevaar opleveren, is echter vermoedelijk te veel beweerd; omtrent de melk toch bestaat er gegronde reden voor eene andere meening.

De gevoerde beraadslagingen gaven den indruk, dat omtrent de, waarde der tuberculine als diagnosticum de meening eenstemmig mocht heeten . al waren de gevoelens verdeeld omtrent de wijze, waarop door tuberculinatie op groote schaal de tuberculose van het rundvee met vrucht bestreden zou kannen worden. Daarvan getuigt ook de uitslag der stemmingen over de na te noemen voorstellen.

Met 98 stemmen tegen eene werd aangenomen een voorstel van Bang en Nocard, luidende; De tuberculine is een zeer belangrijk diagnosticum en kan in den strijd tegen de tuberculose den grootsten dienst bewijzen. Er bestaat geen reden tegen de algemeene aanwending van dit middel te waarschuwen , uit vrees dat het bestaande tuberculose kan doen verergeren.

Een voorstel van Arloing (Lyon) en Perroncito (Turijn), houdende de verklaring: De tuberculine is een belangrijk diagnosticum ; het congres beveelt de in Denemarken gebezigde metbode aan ter bestrijding van de tuberculose •— werd met 73 tegen 31 stemmen afgewezen. De groote meerderheid was blijkbaar van oordeel, dat aanbeveling eener bepaalde methode in deze niet wenschelijk was te achten ; dat namelijk eene methode welke in een bepaald land goed mocht werken , daarom nog niet voor ieder ander land de meest geschikte kon heeten. En zoo werd dan ook insgelijks met eene groote meerderheid tegen 12 stemmen verworpen een voorstel van Feser (Munchen), waarbij de in Denemarken in gang zijnde uitgebreide proefneming geroemd werd , ook reeds om de zijns inziens ontwijfelbaar daarmee te verkrijgen uitkomst, en voorts tot den Zwitserschen Bondsraad het verzoek werd gericht, deze Deensche methode aan alle andere regeeringen met de grootste waardeering aan te bevelen.

Insgelijks werd verworpen, met 65 tegen 49 stemmen , een voorstel van Butel (Meaux). houdende den wensch, dat do aanwending der tuberculine in de verschillende staten bij reglementair voorschrift verplicht zou worden gesteld. Het voorstel luidde; Het congres, van oordeel dat de tuberculine thans het beste middel is ter herkenning van de tuberculose van het vee en bijgevolg het beste middel ter bestrijding der tuberculose , spreekt den wensch uit, dat het gebruik der tuberculine ten behoeve der veeartsenijkundige politie door reglementaire voorschriften in de verschillende staten worde bevolen.

Aan het slot der lange en vermoeiende vergadering , terwijl de beraadslaging verward was geraakt door opkomende, veranderende en weder verdwijnende voorstellen, mocht het Nocard gelukken de kern van het denkbeeld van verworpen voorstellen

-ocr page 15-

11

iu gewijzigden vorm aangenomen te krijgen. Een door hem gedaan algemeen voorstel, luidende: Het congres spreekt den wenseh uit, dat de regeeringen de aaiiwending van tubereuline voorschrijven ten aanzien van veekoppels waaronder de tuberculose is geconstateerd — werd met 73 tegen 32 stemmen aangenomen. Met het verworpen voorstel-Butel was wezenlijk volmaakt hetzelfde bedoeld.

Voor de vergadering op den derden dag, Woensdag 18 September, was allereerst aan de orde gesteld: de waarde der pneumobacilline als lierheiiningsmiddel der besmettelijke longziekte, van hel rundvee.

Arloing (Lyon), die als de oorzaak der longziekte eene bacterie (bacil) ontdekt meent le hebben, waaraan hij den naam „Pneu-mobacillus liqnefa:ciens bovisquot; heeft gegeven , deelde uit zijn congres-rapport eenige bijzonderheden mede omtrent de als „pneumobacillinequot; aangeduide, in haren aard nog onbekende stof, eene toxiue der longziekte, die volgens hem door de voren bedoelde bacillen wordt voortgebracht, als zij in bouillon worden gekweekt evenals in de aan longziekte lijdende runderen.

Om die stof te verkrijgen, steriliseert hij zulke bouillon, waarin de kweeking dier bacillen heeft plaats gehad , of wel liet exsndaat uit de zieke longen, door verwarming op 80° 0. gedurende 20 minuten, en voegt er vervolgens glycerine aan toe; waarna dat glycerine-mengsel door wateronttrekking wordt ingedikt en vervolgens gefiltreerd. De aldus verkregen „pneumobacillinequot; verschilt in sterkte naar de variëteiten der bacillen, die volgens Arloing bij dergelijke kunstmatige kweeking optreden.

Wat de werking dezer stof op liet rund betreft, zij reeds dadelijk opgemerkt, dat ook gezonde dieren door deze toxine sterk worden aangegrepen: zelfs in die mate, dat 5 — 6 cMquot;. in de halsader gespoten , een os van 400 — 500 K. (t. in eenige minuten kunnen dooden. Na onderhuidsche inspuiting van zeer groote giften of bij zeer gevoelige dieren kan hetzelfde plaats hebben. Maar ook na veel kleinere giften (1 — 3 cM\' naar gelang van het lichaamsgewicht van het rund), ouder de huid ingespoten, treden in de opvolgende 6 — 8 uren, naast verhooging der lichaamstemperatuur, belangrijke storingen in den bloedsomloop, de ademhaling, de verrichtingen der darmen , nieren , enz te voorschijn. Het verschil zou nu echter hierin zijn gelegen, dat bij aan de longziekte lijdende runderen de werking merkbaar sterker optreedt dan bij gezonde. Wat de lichaamstemperatuur aangaat, zou bij de eerste eeneverliooging ontstaan van gemiddeld omstreeks 1,2\', by de laatste van 0,6\'. Over het geheel is de ter beoordeeling ontworpen maatstaf uitermate lastig en alles behalve van voldoende zekerheid.

De betrouwbaarheid vau dit diagnosticum staat iu elk geval zeer ver achter bij de malleïne ten aanzien van kwaden droes

-ocr page 16-

12

eu de tuberculine ten aanzien van tuberculose. De thermische reactie (verhoogin^ der lichaamstemperatuur) heeft voor de diagnostiek zelfs zeer weinig te beteekenen.

Maar niet alleen dat de praetische waarde dezer „pneunioha-cillinequot; nog bewezen dient te worden, ook omtrent den „pneu-mobacillusquot; , als de oorzaak der longziekte, is twijfel alleszins geoorloofd.

Arloing had de welwillendheid op een bijzonderen avond voor enkele belangstellenden zijne ontdekking door afbeeldingen en praeparaten van runderlongen te demonstreer en. Die praepa-raten van door inspuiting dezer\' pueumobacillen verwekte longontsteking waren mijns inziens niet overtuigend. Dit toestemmende , werd door hem echter opgemerkt, dat hij over veel betere praeparaten beschikte, maar dat bij vergissing deze hem niet uit Lyon voor zijne demonstratie waren toegezonden.

Denzelfden dag kwam in behandeling de voorbehoedende inenling lerjen het 3. f/. boiilvnur bij het rundvee. Dienaangaande waren congres-rapporten opgemaakt door Cornevin (Lyon), Hess (Bern) en Strebel (Freiburg, Zw.).

Het mag overbodig heeten lang stil te staan bij deze inenting die reeds gedurende tal van jaren in verschillende landen zeer nuttig is gebleken en vasten voet heeft gekregen.

De groote waarde der uitvinding van de thans gebruikelijke inentingsmethode tegen het houtvuur, door Arloing, Cornevin en Thomas nu ruim tien jaren geleden, was weldra practisch op de meest overtuigende wijze gebleken. Eene aanbeveling van dit middel, thans reeds in menig land op ruime schaal toegepast, was voor deskundigen wel niet meer noodig; en het was dan ook meer eene hulde aan de uitvinders . dat met eenparige stemmen het congres een voorstel van Kitt (Munchen) aannam, luidende; Het congres verklaart de door Arloing, Cornevin en Thomas uitgevonden inenting tegen het houtvuur een uitstekend voorbehoedmiddel tegen deze ziekte, dat in landen, waar voor ziektegevallen, die bij ingeente dieren mochten voorkomen, vergoeding wordt verleend, zeer goed (algemeene) toepa3gt;ing kan vinden.

Enkele opmerkingen verdienen hier nog eene plaats. Aangezien Strebel van 7200 in het voorjaar van 1895 ingeente runderen een verlies door de inenting van 56 ( 0,78 pet.) had vermeld , hadden Cornevin en Arloing een onderzoek ingesteld bij een aantal veeartsen in Nederland, Frankrijk eu Algerië omtrent den afloop hunner inentingen met de uit Lyon ontvangen, geheel op dezelfde wijze bereide entstof in 1893, 1894 eu 1895. De daarop ontvangen berichten omtrent 21854 inentingen vermeldden een gezamenlijk verlies van 18 dieren 0,082 pet. of 1 op de 1214 runderen. Daaronder behooren 726 inentingen in Nederland , verricht door drie veeartsen met een

-ocr page 17-

13

verlies van 1 dier = 0,137 pet. (In Cornevin \'s rapport is

abusievelijk gerekend: „snr 726 vaccinations.....un

accident, soit utie proportion de 0,72 ponr 1000quot;).

Strebel bleef aan de gewone . namelijk de dubbele inenting (eerst met zwakke, daarna met sterke entstof, evenals tegen miltvuur) de voorkeur geven , omdat de enkelvoudige inenting met middelmatig sterke entstof (volgens de methode van Kitt) zijns inziens minder zeker is en bovendien meer gevaar oplevert. Ook achtte hij de inenting in de schouderstreek minder veilig dan de inenting aan den staart, inzonderheid omdat bij de inenting op de eerstgenoemde plaats de entstof bij toeval in het spierweefsel kan geraken. Kitt weersprak deze beweringen van Strobel; in elk geval had hij gelijk toen hij zeide, dat niemand anders dan Htrebel zelf vroeger, op grond van ruime ervaring , het gevaar bij inenting aan den schouder veel geringer achtte dan bij inenting aan den staart.

Het uitgebreid optreden der „Scliweineseuche \', onder welke benaming echter geenszins mede te verstaan is de ten onzent heerschend voorkomende vlekziekte der varkens, was voor de regelingscommissiede aanleiding geweest om aan de hrstrijdiug dezet ziekte eene plaats op het programma in te ruimen. Zooals ten overvloede uit de discussiën bleek, was het onderwerp nog niet rijp voor eene afdoende behandeling.

Onder „Schweiueseuchequot;, in nauweren zin , wordt veelal verstaan de in Nederland als „besmettelijke borstziekte der varkensquot; aangeduide kwaal. Met den naam „Schweinepestquot; wordt sedert eenige jaren bestempeld de varkensziekte, die sedert ruim dertig jaren in Engeland heerscht („swine feverquot;, ,pig typhoidquot;, ,infectious pneumo-enteritisquot; enz.), in 1887 in Zweden („svin-pestquot;) en Denemarken (,swinediphtheriequot;) optrad, bovendien in Duitschland („Schweinepestquot;) en in het zuiden van Frankrijk voorkwam („pneumo-entérite contagieusequot;), later ook nog elders werd waargenomen.

In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, waar sedert een halve eeuw in verschillende streken eene zeer kwaadaardige ziekte onder de varkens zeer uitgebreid heeft geheerscht, werd deze sedert eenige jaren als van tweeërlei aard beschouwd. Men onderscheidde er de „swine plaguequot; en de „hog choleraquot;; de eerste werd nadien geacht dezelfde te zijn als de .Schweine-seuchequot; in Duitschland, de tweede werd voor de „Schweinepestquot; gehouden. De meeningen dienaangaande loopen echter nog steeds uiteen. Onze vlekziekte is in elk geval in Noord-Ame-rika onbekend ; evenzeer als tot hiertoe de z. g. varkenspest aan Nederland vreemd is gebleven.

De in Noord-Amerika veelvuldig behandelde vraag, of de twee onderscheiden varkensziekten, „swine plaguequot; eu „hog choleraquot;\', als verschillende soorten of slechts als variëteiten van

-ocr page 18-

éene soort zijn aan te merken, is in de laatste Jaren in Europa ook herliaaldelijk gesteld ten aanzien van de besmettelijke borstziekte („Schweineseuchequot;) en de z. g. varkenspest (,Schwei-nepestquot;). Inzonderheid was dit weder het geval bij gelegenheid van het hevig heerscheii eener varkensziekte in 1895 in Oostenrijk en Hongarije.

De bedoeling van den rapporteur Zscliokke (Zurich), in zake de bestrijding der heersehende varkensziekten , was nu enkel deze, dat — geheel afgescheiden van de z. g. vlekziekte — de twee vorengenoemde varkensziekten „Schweineseuchequot; en „Schweinepestquot;. zij mogen dan al ot\' niet gelijksoortig zijn, in elk geval door het congres aangeduid zouden worden als ziekten die regeeringsmaatregelen noodig maken. Zijn tweeledig voorstel , dat deze twee ziekten onder een gemeenschappelijken naam (b. v. „Schweineseuchequot;) opgenomen hebooren te worden onder de ziekten , die van regeeringswege worden bestreden, maar dat elk land de te nemen maatregelen naar de daar gegeven omstandigheden heeft te kiezen , werd nagenoeg eenparig aangenomen.

/ooals reeds werd opgemerkt, was eene grondige beslissing omtrent dit onderwerp nog niet mogelijk. Do ervaring loopt daarvoor naar tijd en plaats nog te veel uiteen. Te oordeelen naar betgeen in Nederland en eenige andere landen omtrent bet voorkomen van de besmettelijke borstziekte van het varken gebleken is, kan men slechts instemmen met de meening, die Bang (Kopenhagen) op grond van haar voorkomen in Denemarken te kennen gaf. Dat de „varkenspestquot; eene kwaadaardige ziekte is, die zich zeer gemakkelijk door besmetting verbreidt en daarom door politiemaatregelen bestreden behoort te worden, stemde hij volkomen toe; de „besmettelijke borstziektequot; daarentegen kende hij slechts als eeno kwaal, die in verspreide gevallen optreedt zooals longontsteking onder de menschen, maar die niet zulke uitbreiding krijgt dat zij maatregelen als tegen de varkenspest noodig maakt.

In do vierde vergadering. Donderdag 19 September, hield Nocard eene korte voordracht over de voorbehoedende behandeling tegen tetanus door middel van antitetanisch serum en de gelegenheden die nu en dan de praktijk aanbood om inzonderheid bij paarden daarvan partij te trekken.

Daarna werd aan Lorenz (Darmstadt) gelegenheid gegeven het nut te bepleiten van de door hem beproefde loorhe/iocdcntln, behandeling der varkens lenen de vlekzielile, door middel van inspuiting van serum, ter vervanging van de aanwending dei-Pasteur\'sche entstof. Zijns inziens laat de methode van Pasteur veel te wenschen over en is in elk geval de daarmee te verkrijgen immuniteit der dieren van korten duur. Hij beweerde dat niet zijne serum-behandeling reeds op ruime schaal betere

-ocr page 19-

15

uitkomsten en eene im mnniteit van langtT dvmr waren verkregen en wel zonder naziekten (endocarditis. gewrichtsaandoeningen enz).

Te recht werd de opmerking gemaakt, dat het congres toch geene uitspraak kon doen over eene methode, die door Lorenz nog geheim gehouden werd. Wel is waar merkte de spreker daartegen op. dat hij r°eds bekendgemaakt had hoe men het door hem bereid serum behoorde aan te wenden, maar hij was toch verplicht daaraan toe te voegen , dat hij inderdaad sommige bijzonderheden betreffende de bereiding nog voor zich wenschte te honden.

Zijn volgend tweeledig voorstel werd aangenomen : a. De voorbehoedende inenting is een onontbeerlijk middel bij de bestrijding der vlekziekte. (Aangenomen met groote meerderheid tegen 6 stemmen). !gt;. Het congres vraagt daarvoor de aandacht der regeeringen en beveelt aan , de inenting tegen de vlekziekte financieel te steunen en door toezicht op de inentingen en invoering eener statistiek daarvan de waarde der verschillende entmethoden vast te stellen. (Aangenomen met 54 tegen 31 stemmen.)

Dat de tegenwoordig in gebruik zijnde Pasteur\'sche methode nog geene algemeene instemming vond, blijkt uit het feit, dat onmiddellijk te voren met (ü tegen 45 stemmen verworpen was een voorstel van Malm (Christiania), luidende: Het congres, de waarde der voorbehoedende inenting voor de bestrijding der vlekziekte erkennende , gaat over tot de orde van den dag.

Vervolgens hield Pourtalé (Bordeaux) een pleidooi voor de waarde zijier ontdekking, dat de in haar aard onbekende smetstof der dolheid tot eene voorbehoedende entstof tegen die ziekte is te maken door de dolheid van den hond over te brengen op de geit en vervolgens bij deze diersoort de ziekte enkele (li — 3) malen van dier op dier voort te planten , en dat ook het bloedserum van tegen dolheid geïmmuniseerde geiten en andere dieren een geschikt middel is om tegen dolheid onvatbaar te maken en zelfs dolheid te genezen. In weerwil van de belangrijkheid van het onderwerp vermocht de spreker niet de aandacht der weinig talrijke vergadering te boeien. Hij stelde voor, dat het congres controle zijner proefnemingen zou aanbevelen en tevens voor die controle den financieelen steun der regeeringen zou vragen. Uet eerste gedeelte van het voorstel werd aangenomen met 31 tegen 26 stemmen, maar het tweede gedeelte met 27 tegen 23 stemmen verworpen.

Het volgende punt der agenda was van buitengewonen aard, aangezien het geen onderwerp van beraadslaging zou uitmaken. Door Lydtin (Karlsruhe) zou namelijk eene voordracht gehouden worden over den invloed der veeartsenijkunde op de sociale ontwikkeling en op de vermeerdering der volkswelvaart. De

-ocr page 20-

16

belangrijke vevhandeling, welke in hoofdzaak een historisch overzicht bevat van het ontstaan, de uitbreiding eu de nit-komsteu van staatsbemoeiingen in veeartsenijkundige aangelegenheden , werd wegens gebrek aan tijd niet voorgedragen en zal in het congresverslag worden opgenomen.

De vijfde vergadering, op Vrijdag 20 September, was in den voormiddag gewijd aan de bespreking van de maatregelen ter bestrijding der besmettelijke longziekte van liet rundvee, waarmee reeds in de vorige vergadering een aanvang was gemaakt.

Ook dit onderwerp had reeds meer dan een der vroegere congressen beziggehouden. Door een groot aantal rapporteurs waren omtrent verschillende landen congres-rapporten opgemaakt , omtrent het voorkomen der ziekte , de genomen maatregelen en hunne uitkomsten ; voor Nederland door den heer Thomassen (Utrecht).

Het mag overbodig heeten op te merken, dat aangaande één punt men liet zoogoed als algemeen eens was, namelijk dat de afmaking van alle zieke en alle verdachte runderen het zekerste middel is om do longziekte uit te roeien. Sedert de overtuiging algemeen is geworden, dat deze ziekte nergens in-heemsch is of zoogenaamd oorspronkelijk ontstaat, kan het oordeel omtrent de zekere uitkomst der algemeene afmaking als uitroeiingsmaatregel eigenlijk wel niet anders dan eenstemmig luiden.

De vraag kon alleen zijn , of onder bepaalde omstandigheden, waar bij het heerschen der ziekte de algemeene afmaking, wegens de kostbaarheid van den maatregel en den aard van het bedrijf waarvoor het vee gehouden wordt, hnancieele en andere bezwaren ontmoet, zij ten deele vervangen kan worden eensdeels door strenge afzondering der verdachte dieren, anderdeels door de voorbehoedende inenting der dieren, die van besmetting verdacht zijn of wel gemakkelijk gevaar kunnen loopen van besmet te worden. Bijgevolg de vraag, of en in hoever, naast den strijd tegen de oorzaak, namelijk de vernietiging der smetstof, ook cene behandeling tegen den aanleg, het onvatbaar maken door inenting, met voordeel kan worden toegepast.

Dat men in landen , waar de ziekte nergens meer heerscht, of nog nooit heerschend is voorgekomen, of zelfs nog in het geheel niet is verschenen, voor die vraag geen open oor heeft, is gemakkelijk te begrijpen. Maar voor zulke verhoudingen behoort de vraag ook niet gesteld te worden.

De algemeene rapporteur omtrent dit onderwerp, Hirzel (Zurich), die op grond der verschillende congres-rapporten den stand van zaken resumeerde , had van het rapport betreffende Nederland blijkbaar niet op voldoende wijze kennis genomen. Hij verklaarde namelijk, dat in Nederland de longziekte „jetzt im Erloschen begrifl\'en istquot;. Dit zonderling gedeelte van Hirzel \'s

-ocr page 21-

17

ruondeliugr résumé gaf mij aanleiding liet congres met nadrnk er 0]) te wyzen , dat liet ten onzent met de zaak geheel anders was gesteld; dat na met behulp der inenting in verschillende deelen des lands de uitbreiding der ziekte tegengegaan en een lager ziektecijfer verkregen te hebben . ten slotte de uitroeiing door afmaking had plaats gehad: dat deze strijd, ten laatste in het z. g. spoelingsdistrict gevoerd, in 1885 het land van de longziekte had vrijgemaakt: dat reeds sedert 10 jaren in Nederland de ziekte „erloschenquot; was. Van deze goede gelegenheid werd tevens door mij gebruik gemaakt om te verklaren . dat alle berichten , die in dat tijdsverloop nu en dan in Dnitsche bladen of\' geschriften, tot zelfs in het officieele jaarverslag omtrent de heersehende veeziekten in Duitschland, werden opgenomen omtrent uit Nederland in Duitschland ingevoerde gevallen van longziekte, zonder uitzondering onjuist waren , en dat trouwens van elk dier beweerde gevallen, waarover dezerzijds een onderzoek heeft kannen plaats hebben, ook dooide betrokken buitenlandsclie autoriteiten, ingevolgeVle uitkomst van dat onderzoek. de begane vergissing ten volle werd erkend.

Wat de te nemen maatregelen betreft, deed de algemeene rapporteur lürzel , die de zaak van het standpunt van Zwitserland had. opgevat, het volgend voorstel: Het congres is van oordeel, dat de uitbreiding der besmettelijke longziekte van het rundvee ia korten tijd en volkomen kan gestuit worden, als de bestrijding op de volgende grondslagen plaats heeft: 1quot;. De door longziekte aangetaste dieren moeten voor altijd uitgesloten blijven van het openbaar verkeer. 2\'. Bij het uitbreken der ziekte is het noodzakelijk dat alle zieke, van ziekte verdachte en van besmetting verdachte dieren worden geslacht. 3quot;. De verplichte vleeschkeuring behoort overal te worden ingevoerd. Dit voorstel werd aangenomen met 62 tegen 2 stemmen.

Maar met de aanneming van deze drieledige conclusie van den algemeenen rapporteur konden tal van leden zich niet voldaan verklaren, omdat daarbij de voorbehoedende inenting tegen de longziekte van de naar omstandigheden te nemen maatregelen stilzwijgend zou zijn uitgesloten.

Dat de waarde der inenting , ter bestrijding van de longziekte onder zekere omstandigheden, erkend behoorde te worden, vond zijne uitdrukking in een vijftal voorstellen. Daaruit werd na eenige beraadslaging in stemming gebracht een voorstel van Arloing, luidende :3 De voorbehoedende inenting kan nuttig zijn op plaatsen, waar de rundveestapel blootgesteld is aan veelvuldige.wisseling en het nemen van politiemaatregelen dooide bestaande verhoudingen meer of minder wordt verhinderd. En zoo werd dus , evenals in ISSÜ op het congres te Brussel en in 1889 op het congres te Parijs, naast de afmaking als

-ocr page 22-

18

hoofdmaatregel tegen de loupziekte , ook de inenting yoor bepaalde omstandigheden aanbevolen , nameliik waar zij dienen moet om liet aantal ziektegevallen te verminderen en aldus de toepassing der afmaking zonder te groote kosten mogelijk te maken.

De namiddag werd besteed aan de behandeling van de voor-zorgsmia!regelen te nemen legen hel gehrnlk van vleesch van luher-culanze dieren.

De eerste rapporteur over dit onderwerp was Butel (Meaux), wiens voorstel tot vernietiging van alle vleesch, afkomstig van tuberculeuze dieren, door het Iste tnberculose-congres te Parijs iu 1888 met nagenoeg ulgemeene stemmen werd aangenomen. Zulk oordeel was te voren reeds uitgesproken op het 4de internationaal veeartsenijkundig congres te Brussel in 1883, met eene stem meerderheid (bij welke stemming echter vele leden zich onthielden, omdat zij het vraagstuk niet rijp voor beoordeeling achtten) en in het volgend jaar op het hygiënisch congres te \'s-Gravenhage. Het was nadien, in 1889, met bijna algemeene stemmen bevestigd, op voorstel van Arloing, door het 5de internationaal veeartsenijkundig congres te Parijs.

Thans te Bern bleef, in zijn congres-rapport, Butel zich gelijk. Hij verlangde, naast algemeene vleeschkeuring, onttrekking aan de consumptie, of sterilisatie vóór de toelating tot consumptie, van alle vleesch afkomstig van tuberculeuze dieren , zonder eenige rekening te houden met den graad der ziekte en het uiterlijk aanzien van het vleesch: daarbij tevens schadeloosstelling van den eigenaar. Zulk een voorstel had geen kans van slagen ; het kwam dan ook niet in stemming.

Een tweede rapporteur, Guillebeau (Bern), nam een geheel ander standpunt in. Zijns inziens ware namelijk in streken , waar men het vleesch gaar toebereid eet, gezond uitziend vleesch van tuberculeuze dieren geheel M-ij te laten , na verwijdering der zieke gedeelten; maar behoort zulk vleesch steeds als minderwaardig ot, nog beter, eerst na voorafgegane sterilisatie ter „Freibankquot; ten verkoop gesteld te worden in landen , waar het vleesch ten deele rauw wordt gegeten. Daarover had geen stemming plaats. Ken ander voorstel van Guillebeau, inhoudende dat eene krachtige bestrijding der tuberculose van het rundvee gelegen is in de zorgvuldige verzameling en vernietiging der sputa van tuberculeuze menschen (later bijgevoegd: in de veestallen) werd met groote meerderheid verworpen.

Naast deze twee rapporteurs werd nog door den heer de Jong (Leiden) gepleit voor de toepassing der stoom-sterilisatie op vleesch van tuberculeuze dieren, voor zoover het niet kon worden vrijgelaten en anderdeels de waarde van het gesteriliseerde vleesch de kosten dezer behandeling zou overtreffen. Daaromtrent was eene afzonderlijke memorie door hem opgemaakt.

-ocr page 23-

19

Het was te verwachten dat omtrent den aard der aan te bovelen maatregelen een groot verschil van meening zich zou openbaren ; en het stond te vreezen dat na even onvruchtbare als langdurige beraadslagingen de tijd ontoereikend zou zijn om, zoo mogelijk, tot eene beslissing te komen, ingeval het congres ten aanzien van die maatregelen in te vele bijzonderheden zou treden betreffende bij de vleeschkeuring ten deze te volgen regelen. Vandaar dat reeds te voren onder eenige leden besprekingen waren gehouden en een voorstel was ontworpen, ( waarin enkel eenige hoofdpunten aan het oordeel van het congres

werden onderworpen. Xadat dit nader te vermelden voorstel van 22 leden door Butel was bekendgemaakt, had eene uitvoerige beraadslaging plaats, waaruit hier slechts enkele punten zijn aan te halen.

Mae Fadyean (Londen) verklaarde niet te gelooven dat de tuberculose van den mensch voor een noemenswaardig deel afkomstig is van die der dieren ; hij verlangde dan ook, dat tlit congres de uitspraak van het congres te Parijs (1889) omtrent de schadelijkheid van tuberculeus vleesch zou te niet doen. Nocard (Alfort) hield het gevaar van zulk vleesch voor den mensch voor zeer gering. Chauveau merkte op dat het reeds sedert vele jaren zijne overtuiging was, dat wel is waar het eigenlijke vleesch als zoodanig geen gevaar van eenige beteekenis oplevert, maar dat in liet vleesch tuberculeuze lymphklieren kunnen voorkomen , die inderdaad gevaarlijk zijn te achten.

Trasbot (Alfort) vroeg dat het congres, naast het vorenbedoeld voorstel , den wensch zou uitspreken, dat iu elk land eene commissie nauwkeurige regelen zal vaststellen , waarnaar hij de keuring van vleesch van tuberculeuze dieren het oordeel over vrijlating en geheele of gedeeltelijke afkeuring zich zal hebben te richten.

Een voorstel, door Beisswanger (Stuttgart) en 15 andere leden aangeboden, had ten doel dat dit congres, ingeval Trasbot\'s nevenvoorstel niet mocht aangenomen worden, niet zou overgaan tot het bepalen van zulke regelen voor de keuring van vleesch van tuberculeuze dieren , aangezien dit onderdeel van liet onderwerp niet behoorlijk was voorbereid, maar dat die taak aan het volgend congres zou worden overgelaten. Siegmund (Bazel) verlangde daarentegen, dat door dit congres zou bepaald worden , dat naarmate van den graad der tuberculose het vleesch worde; óf vrijgelaten (bij geringen graad, resp. locale tuberculose): óf gesteriliseerd (bij hoogen graad, zonder vermagering); óf onvoorwaardelijk afgekeurd (bij hoogen graad, met vermagering). In geen geval zou volgens hem het vleesch iu verschen staat ter „Freibankquot; te koop gesteld mogen worden. H ij trok dit voorstel echter in ten gunste van het voorstel-Trasbot.

Lanzilotti (.Milaan) stelde voor, dat al het vleesch van tu-

-ocr page 24-

20

bereuleuze dieren uiet auders d.m ua stoom-sterilisatie in consumptie mocht worden gebracht. JEdelmann (Dresden) besprak de sterilisatie van het vleeseh van het standpunt der practijk. Hij verklaarde zicli sterk tegen verplichte sterilisatie, wegens de daaraan verbonden kosten en de aanzienlijke waardevermindering die het vleeseh er door ondergaat; volgens zijne ervaring 40 — 00 pet. Voor het platteland achtte hij dat middel geheel onbruikbaar. In 20 steden van Saksen werden in 1893 van 69000 runderen 12000 (ruim 17 pet.) tuberculeus bevonden; van ruim 5 pet. der laatste ging het vleeseh naar de „Freibank ; van 90 pet. werd het geheel vrijgelaten ; van ruim 4 pet. werd het vernietigd. .^Morot (Troyes) merkte op dat het gesteriliseerde vleeseh spoedig bederft en door het publiek niet gewild is. De Jong (Leiden) verlangde overal, ook ten plattelande, de sterilisatie ; maar alleen voor zoover zij noodig blijkt en voordeel kan opleveren.

De stemmingen over het vorenbedoeld voorstel van 22 leden hadden de volgende uitkomsten:

1. Het congres vraagt de aandacht der regeeringen , die er officieel zijn vertegenwoordigd, voor de noodzakelijkheid van algemeene invoering van vleeschkeuring. (Aangenomen met algemeene stemmen.)

2. Ten aanzien van het vleeseh van tuberculeuze dieren behooren bijzondere maatregelen te worden genomen. (Aangenomen met algemeene stemmen.)

3. Indien bij de keuring het vleeseh niet wordt vrijgelaten , behoort den eigenaar schadevergoeding te worden verleend, mits hij de bestaande voorsthriften heeft nageleefd. (Aangenomen niet groote meerderheid tegen .3 stemmen.)

4. Het vleeseh wordt niet vrijgelaten als de tuberculeuze veranderingen, door hare uitgebreidheid en haar karakter, voor schadelijk zijn te houden. (Aangenomen met 8U tegen 8 stemmen.)

5. Het niet vrijgelaten vleeseh mag niet in het verkeer komen: als het van een vermagerd dier alkomstig is; (Aange-

nouien met algemeene stemmen.)

b. als het een slecht aanzien heeft; (Aangenomen met 50 tegen 5 stemmen.)

c. als tuberculeuze veranderingen aanwezig zijn in de spieren; (Aangenomen met algemeene stemmen.)

lt;/. als belangrijke tuberculeuze veranderingen in verschillende ingewanden aanwezig zijn. (Aangenomen met 71 tegen 18 stemmen.)

6. Het is weaschelijk dat het .vleeseh\' van tuberculeuze dieren , voor zoover het voor consumptie is goedgekeurd, alleen mag te koop gesteld worden in bijzondere lokalen , met opgaaf

-ocr page 25-

21

van de afkomst, of wel na afdoende te zijn gesteriliseerp (Aangenomen m^t 57 tegen 35 stemmen.)

7. Het congres spreekt den wensch uit, dat de invoering van sterilisatietoestelleu vanwege do regeeringen zooveel\'mogelijk worde bevorderd. (Aangenomen met groote meerderheid.)

Vervolcrens werd met 80 tegen 8 stemmen aangenomen liet voorstel-Trasbot, boven vermeld, volgens hetwelk aan elk land de raad wordt gegeven door eene bijzondere commissie een reglement te laten vaststellen. waarnaar de keurmeesters in algemeene en particuliere slachthuizen /.uilen hebben te be-oordeelen, of vleesch van tuberculeuze dieren kan worden vrijgelaten of wel geheel of ten deele in beslag moet worden genomen. Heb behoeft wel niet opgemerkt te worden . dat voor het bedenken van eene dergelijke raadgeving, ter zake van het moeilijkste onderdeel van het vraagstuk. nu juist geen bemoeiing van een internationaal congres noodig is. Dat zulk reglement in elk land noodzakelijk is, wordt door het aangenomen voorstel erkend; dat het echter bijzonder moeilijk moet zijn het doeltreffend te ontwerpen. ligt in het voorstel vanzelf opgesloten, aangezien het die taak door het congres laat overdragen op deskundigen in de afzonderlijke landen.

Van de gelegenheid van het congres hebben eeuige veterinair-anatomen, docenten aan veeartsenijscholen , gebruik gemaakt om, in eene afzonderlijke sectie-, over een door hen gemeenschappelijk te ondernemen arbeid te beraadslagen, namelijk eene unificatie der veterinair-anatomische nomenclatuur ; in dien zin, dat door eene uit die sectie te vormen commissie vastgesteld zullen worden de Latijnsche benamingen, die als internationale nomenclatuur zullen gelden. De daaromtrent gedane voorstellen weiden goedgekeurd.

De vergadering tot sluiting van het congres, op Zaterdag 21 September, had plaats te Interlaken. Voor den tocht daarheen waren de congresleden uitgenoodigd door den Bondsraad. Op voorstel van een comité, bestaande uit de voorzitters en ondervoorzitters van het congres en de regelings-commissie, werd besloten dat het 7de congres gehouden zal worden in 1899 te Baden-Baden.

Te Interlaken werd den congresleden een feestmaal aangeboden , dat door eeuige leden van den Bondsraad en den Nationalen Raad met hunne tegenwoordigheid werd vereerd.

Eene buitengewone aantrekkelijkheid leverde de gedurende de congresweek te Bern gehouden Algemeene Zwitsersche Landbouwtentoonstelling op. de (ide sedert 1873. Niet alleen door haren zeer aanzienlijken omvang, maar ook en veel meer door het bij elkaar vereenigd zijn , uit alle oorden van het land. van eigenaardige variëteiten van verschillende soorten van vee, inzonderheid schoone runderen en geiten , en van allerlei land-

-ocr page 26-

22

bouwproducten , was dit grootseh laiulbouwfeest hoogst merk-waardig. Jammer slechts dat de congresarbeid te weinig tijd overliet om in ruime mate er van te genieten; jammer tevens dat blijkbaar menig congreslid er anders over dacht en aan de landbouwtentoonstelling op dezen of genen dag de voorkeur gaf. Vandaar ook voor een deel, dat de cijfers der stemmingen lang niet beantwoorden aan liet aantal opgekomen congresleden.

Het is mij een aangename plicht Uwer Excellentie mede te deelen, dat van Nederland\'s Minister-resident te Bern, W. A. F. baron Gevers, die met bijzondere belangstelling de handelingen van het congres volgde, de meest voorkomende ontvangst my is ten deel gevallen.

Dr. A. W. H. Wiktz,

dirccleiir dor It ij lisucca risen ijsch ooi.

-ocr page 27-
-ocr page 28-
-ocr page 29-
-ocr page 30-
-ocr page 31-
-ocr page 32-