ocr page 1

■£*. t?/. t _

E I N ]) li X A M E N S

DKR

HOOGEHE Bl IKiEliSCHOLI^N

I H ( gt; o ! H D i.

V-KUZAMELmii DEI* gt;S(\'11 h\'IITELM K E \\ |{A(iEN

.\\AN(ii:i.i:(ii) HOOK

Dr. V. A. JULIUS

VOOHTO UZKÏ DOOi:

Dr. J. D. VAN DER PLAATS.

VIJFDE, HERZIENE EN VERMEERDERDE DRUK.

■ f. HMI.KV\'ELl).

UTUKOIfT,

1891.

ocr page 2

Oct

ocr page 3

■

ocr page 4

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1405 6596

ocr page 5

EINDEXAMENS

DER

HOOGERE BURGERSCHOLEN.

1805 — 3 801.

)

VERZAMELING DER SCHRIFTELIJKE VRAGEN,

AANGKLKüD DOOR

Dr. V. A. JULIUS,

VOOKTGltZKT DOOH

Dr. J. D. VAN DER PLAATS.

J. lll.l [JEVELD. -

UTRECHT.

18lt;M.

ocr page 6

dNKLP FiRSPUUK VAN II. C. A. THIKMK TK i\\-IJ.M fOEN.

ocr page 7

VOORBERICHT VA.N DE EERSTE EN TWEEDE UITGAVE.

Ik had deze verzameling volledig gewenscht. Het is mij evenwel niet gelukt de vragen van het eindexamen Limburg 1866 machtig te worden; zij schijnen door niemand bewaard te zijn.

Mijne pogingen om ook de vragen der Delftsche examens „Aquot; 1865—66 bijeen te brengen, hadden in den aanvang geen beteren uitslag. Slechts een klein deel van hetgeen ik verlangde, kwam mij in handen. Maar toen reeds het grootste gedeelte van deze verzameling ajgedrukt ivas, werd ik door de welwillendheid van den president der toenmalige commissies in staat gesteld aan te vullen, wat nog ontbrak. Men vindt die vragen daarom afzonderlijk geplaatst.

De stukken in 1865 — 67 ter verbetering of ter vertaling opgegeven, heb ik gemeend te kunnen tveglaten.

Ten slotte zijn nog toegevoegd de vragen van de eindexamens in de jaren 1874, 1875 en 1876.

Voor het geval dat leerlingen der hoogere burgerscholen in deze verzameling belang stellen, heb ik de vragen, die er zich toe lecnen, van antwoorden voorzien.

V. A, J.

VOORBERICHT VOOR DE DERDE UITGAVE.

JDe Heer Julius was verhinderd deze nieuwe uitgave gereed te maken. Ik heb die taak op mij genomen, en het werk voortgezet op dezelfde wijze, als het was aangelegd. Het geheel is zooveel mogelijk herzien.

Be vragen van 1874—1880 zijn bij de vroegere ingedeeld. De Delftsche examens blijven a/zonderli/k geplaatst, omdat zij eene afzonderlijke groep vormen.

ocr page 8

In 1866 en 1867 gaf iedere Provinciale Commissie hare eigene vragen\', sedert 1868 worden jaarlijks door het Ministerie van Binnenlandsche Zaken aan eiken examinandus dezelfde vragen gedrukt ter hand gesteld.

Het is mij evenmin als den Heer Julius geluld, de vragen 1866 Limburg op te sporen. Zij ontbreken ook in het Verslag van dat Eindexamen in de Staatscourant van 2 en 3 December 1866.

Nu dit bock compleet is tot en met de Eindexamens van 1880, zal deze nieuwe druk voorzeker niet minder dan de vorige zijn weg vinden.

September 1880. J. D. v. d. P.

VOORBERICHT VOOR DEiV VIJFDEN DRUK.

Ue derde druk is verschenen in October 1884 en de Vierde in September 1888, terwijl in 1882, 1886 en 1890 Supplementen werden uitgegeven, die de vragen uit de jaren 1881/2, 1885/6, en 1889190 bevatten.

De Bepalingen betreffende -de eindexamens zijn in 1884 voor de eerste maal opgenomen.

De vijfde druk loopt over de jaren 1865 tot en met 1891, en is overigens geheel overeenkomstig den vierden druk.

J. D, v. D. P.

Utrecht, September 1891.

ocr page 9

BEPALINGEN BETREFFENDE DE EINDEXAMENS.

I. Wet tot Regeling van het Middelbaar Onderwijs, van 3 Mei 1863, (Staatsblad No. 50.)

Art. 17. Aan de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica, van de kennis van werktuigen en van de technologie;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen ;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen ;

e. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde;

f. die der kosmographie;

g. de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland;; li. staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland eu van

zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen ; i. de aardrijkskunde ;

k. de geschiedenis ;

l. de nederlandsche taal en letterkunde;

m. de fransche taal en letterkunde;

n. de engelsche taal en letterkunde;

o. de hoogduitsche taal eu letterkunde;

p. de beginselen der haadelswetenschappen, daaronder die der warenkennis

en het boekhouden ;

q. het schoonschrijven ;

r. het hand- en regtlijnig teekenen ;

s. de gymnastiek.

Art. 55. Aan hen, die aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus het onderwijs hebben bijgewoond, wordt eenmaal \'sjaars gelegenheid gegeven om ten gevolge van een examen een getuigschrift of een diploma te verkrijgen.

ocr page 10

O

Tot die examens wordeu ook toegelaten zij, die het onderwijs aan die scholen niet hebben bijgewoond.

De examens worden in het openbaar gehouden.

Art. 57. De eindexamens voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus worden afgenomen door comtnissien, jaarlijks te benoemen door Onzen Commissaris in iedere provincie, waar zoodanige scholen aanwezig zijn.

De leden genieten uit \'s Rijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

Het eindexamen voor de hoogere burgerscholen betreft de vakken, vermeld onder a~p en r van art. 17.

Art. CG. Wanneer een der in de voorgaande artikelen vermelde examens naar genoegen der commissie is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde een getuigschrift of een diploma afgegeven, volgens het model door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld.

Getuigschriften wordeu afgegeven voor goed volbrachte eindexamens der hoogere burgerscholen.

De getuigschriften worden kosteloos afgegeven.

Art. C7ö. De commissien, bedoeld in art. 57, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen Commissaris in de provincie, en een afschrift aan den inspecteur of de inspecteurs met het toezicht op de hoogere burgerscholen belast.

II. ALGEMEEN REGLEMENT \') voor de eindexamens der hoogere burgerscholen, vastgesteld bij Kon.

Besluit van 10 Maart 1870 (Stbl. No. 49), gewijzigd bij Besluiten van 10 Maart 1883 (Stbl. No. 31) en 22 Maart 1885 (Stbl. No. 73).

Art. 1. De eindexamens der hoogere burgerscholen worden in de provinciën, waar openbare hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus aanwezig zijn, afgenomen bij het einde van den cursus, in den loop der maanden Junij, Julij en zoo noodig Augustus.

Art. 2. De Commissarissen des Konings benoemen de examen comtnissien vóór den lsU\'quot; Mei en wijzen te gelijker tijd de gemeente aan, waar het examen zal worden gehouden.

Van die benoeming en aanwijzing doen zij aanstonds mededeeling aan den

\') In Mei 1868 gaf do Minister een „Voorschrift betrekkGlijk hot oindoxarnen der H. B. S.\'\', en in 1809 oen „Ontwerp van algemeen Keglementquot;. Hot K. B. van 10 Maart 1870 is bijna eensluidend met deze vroegere regelingen. De wijziging van 1883 betrof artt. 1, 2n, 6, ü/», 9, 19 en 216. In 1885 werd letter K van liet programma gewijzigd.

ocr page 11

7

Minister van^Biniienlanrlsche Zaken en aan den inspecteur van het middelbaar onderwijs in de provincie.

Art. 3. De voorzitter[der commissie wordt door den Commissaris des Konings aangewezen.

De commissie benoemt een barer leden tot haren secretaris.

Art. 4. Het examen wordt schriftelijk en mondeling afgenomen.

De omvang der kennis, die in elk vak van de kandidaten kan worden gevorderd, is aangewezen in het als bijlage bij dit reglement gevoegde Programma.

Art. 5. Het schriftelijk examen heeft plaats aan de hoogere burgerscholen, het mondeling onderzoek \') in de gemeente, door den Commissaris des Konings krachtens artikel 3 aangewezen.

Art. 6. De voorzitters der commissien doen terstond na hunne benoeming, in eenige dagbladen naar hunne keuze, oproepingen plaatsen waarbij zij, die het eindexamen in de provincie wenschen af te leggen, worden verzocht zich schriftelijk bij hen aan te melden, met opgave van de school, aan welke zij onderwijs ontvangen, en, zoo zij geen leerlingen eener hoogere burgerschool zijn, met aanwijzing van de hoogere burgerschool, aan welke zij het schriftelijk examen wenschen af te leggen.

De voorzitters zenden vóór den 208ten Mei aan den inspecteur van het middelbaar onderwijs in de provincie eene lijst der kandidaten, met aanwijzing der school, aan welke elk hunner het schriftelijk examen zal afleggen.

Art. 7. Het schriftelijk examen omvat de volgende vakken :

1°.

de wiskunde;

2°.

de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica;

8°.

de natuurkunde;

4°.

de scheikunde;

5°.

de Nederlandsche taal;

6°.

de Fransche taal ;

7°.

de Engelsche taal;

8°.

de Hoogduitsche taal;

9°.

het boekhouden ;

10°.

het hand- en regtlijnig teekenen.

Art.

8. De voorzitter der examen-commissie roept, zoo spoedig mogelijk

na de benoeming, de leden zamen ter plaatse, waar het mondeling examen zal worden gehouden. In die bijeenkomst verdeelt de commissie zich in sub-commissien, elke meer bepaaldelijk belast met het onderzoek in eene of meer der volgende groepen van vakken :

A. wis- en werktuigkunde (vak a en b van art. 17 der wet);

\') Vóór 1883 had het examen in handteekenen plaats tegelijk met het mondeling onderzoek, en mochten beide te zamen vier dagen duren (zie art. 19).

ocr page 12

8

B. natuurkundige wetenschappen (vak c, d, e en ƒ van art. 17 der wet)»

C. geschiedkundige, Staats- en handelswetenschappen (vak g, h, i, k ea p van art. 17 der wet) ;

D. taal en letterkunde (vak l, m, n ea o van art. 17 der wet);

E. hand- en regtlijnig teekenen (vak r van art. 17 der wet).

Een zelfde lid der commissie kan in verschillende sub-comraissien zitting hebben.

Voor ieder vak of onderdeel daarvan wordt één lid meer bepaald aangewezen als examinator, die zich belast met het nazien van het daarvoor gemaakte schriftelijk werk en het afnemen van het mondeling examen; een tweede lid om eveneens het schriftelijk werk na te zien en bij het mondeling examen tegenwoordig te zijn

De leden van elke sub-commissie treden onderling in overleg, zoowel aangaande den duur en de uitgebreidheid van het mondeling examen in alle tot de afdeeling behoorende vakken, ■ als omtrent de daarbij te volgen wijze van ondervragen en beoordeelen.

Art. 9. In dezelfde of in eene volgende bijeenkomst der commissie worden door de leden opgemaakte opgaven voor het schriftelijk werk in de onderscheidene vakken van het examen besproken en vastgesteld. Deze worden vóór den 208ten Mei, met de noodige toelichting, en voor zooveel de voorgestelde vraagstukken betreft, vergezeld van de oplossing, gezonden aan den inspecteur van het onderwijs in de provincie.

Art. 10. Het schriftelijk examen wordt ieder jaar door den Minister van Binnenlandsche Zaken, op voordracht van de inspecteurs van het middelbaar onderwijs, zoodanig geregeld, dat alle kandidaten op denzelfden dag het schriftelijk werk voor hetzelfde vak verrichten.

De dagen, waarop het schriftelijk examen plaats heeft, en de duur van elk examen worden door de inspecteurs medegedeeld aan de voorzitters der examen-commissien, aan de directeuren der hoogere burgerscholen, aan welke het schriftelijk werk wordt gemaakt, en aan de plaatselijke commissien, met het toezicht op die scholen belast.

De vooratters der examen-commissien geven daarvan kennis aan de kandidaten.

Art. 11. De inspecteurs doen, in eene daarvoor bestemde bijeenkomst, eene keus uit de hun door de voorzitters der examen-commissien toegezonden opgaven voor schriftelijk werk. Zij kunnen zich daarbij doen voorlichten door leden dier commissien of door leeraren der hoogere burgerscholen. Voor die vakken, waarin een opstel wordt gevorderd, zorgen zij, dat den kandidaten de keus tusschen verschillende onderwerpen wordt gelaten.

Deze opgaven worden, met de vereischte zorg voor geheimhouding, op Rijkskosten gedrukt.

Art, 12, De inspecteurs zenden aan de directeuren der hoogere burgerscho-

ocr page 13

9

ien, aan welke het schriftelijk examen zal plaats hebben, eene lijst der kandidaten, die daaraan zullen deelnemen, alsmede in verzegelde pakketten de noodige exemplaren der in het voorgaande artikel vermelde gedrukte opgaven. Op die pakketten zijn uitgedrukt: het vak, tot hetwelk de opgaven behooren, de dag waarop zij moeten worden gebruikt, en de tijd, die voor het werk beschikbaar is gesteld.

De pakketten worden in tegenwoordigheid der kandidaten geopend bij den aanvang van het schriftelijk werk in elk vak.

Art. 13. De kandidaten maken het schriftelijk werk onder het toezigt van den directeur en de leeraren der hoogere burgerschool, met dien verstande, dat steeds in elk locaal, waar dit werk gemaakt wordt, of twee leeraren of de directeur en een leeraar tegenwoordig zijn.

Pauzeringen worden den kandidaten niet toegestaan, behalve bij het examen in het teekenen.

Het gebruik van boeken, met uitzondering van logarithmentafels, is verboden.

Kandidaten, die zich aan eenig bedrog bij het schriftelijk examen schuldig maken, worden niet verder tot het examen toegelaten. l)

Van ieder schriftelijk examen wordt door hen, die daarbij het toezigt hebben uitgeoefend, een proces-verbaal opgemaakt. Aan de directeuren worden de daarvoor noodige gedrukte exemplaren door of van wege den Minister van Binnen-landsche Zaken toegezonden.

Art. 14. lederen dag wordt het door de kandidaten gemaakte werk, met een exemplaar der gedrukte opgave en het proces-verbaal van het examen, door den directeur der school gezonden aan den voorzitter der examen-commissie, die het vervolgens toezendt aan het lid of de leden, meer bepaald met het examen in dat vak belast.

Art. 15. Na afloop van het geheele schriftelijk examen zenden de inspecteurs, door tusschenkomst van de voorzitters der commissien, aan ieder lid een volledig stel der opgaven voor het schriftelijk werk.

Art. 16. Indien een kandidaat door behoorlijk bewezen ongesteldheid of om andere wettige reden, ter beoordeeling van den voorzitter der commissie, verhinderd is om bij het schriftelijk examen in eenig vak tegenwoordig te zijn, dan wordt hem nog tijdens de mondelinge examens gelegenheid tot het maken van schriftelijk werk onder toezigt der commissie zelve gegeven. De opgaven voor zoodanig werk stelt de commissie vast, daarbij zorgende, dat deze niet dezelfde zijn als de aan de andere kandidaten voorgestelde, maar zooveel mogelijk van gelijken omvang en rooeielijkheid.

\') Bedrog pleegt ook hij, die aan een anderen kandidaat de middelen tot bedrog verschaft.

ocr page 14

10

Art. 17. Een mondeling examen moet worden afgenomen in alle krachtens de wet tot het examen behoorende vakken, waarvoor geen schriftelijk werk is gemaakt. Voor die, waarin schriftelijk examen is afgelegd, beslist de commissie of dit al dan niet ook mondeling zal geschieden.

Art. 18. De commissie stelt den dag vast, waarop met het mondeling examen in de provincie een aanvang zal worden gemaakt. Het kan echter niet aanvangen dan na den geheelen afloop van het schriftelijk examen.

De regeling der mondelinge examens geschiedt door den voorzitter, met inachtneming van het in het volgende artikel voorgeschrevene.

Art. 19. Het mondeling examen loopt voor iederen kandidaat binnen drie dagen ten einde. De commissie beslist, hoeveel tijd voor het examen van iederen kandidaat in elk vak beschikbaar zal worden gesteld. Daarbij is te zorgen, dat de mondelinge examens in alle vakken te zamen voor iederen kandidaat niet langer duren dan drie uren daags.

Des avonds wordt geen mondeling examen gehouden.

Elke kandidaat wordt afzonderlijk ondervraagd.

Art. 20. De voorzitter geeft aan de kandidaten tijdig kennis van den tijd en de plaats, waar het mondeling examen zal worden afgenomen.

Hij noodigt de plaatselijke commissie van toezigt op het middelbaar onderwijs in de gemeente, waar die examens gehouden worden, ter bijwoning uit.

Art. 21. Voor de beslissing omtrent de toelating der kandidaten worden de vakken, waarover het examen zich uitstrekt, verdeeld in de vijf\' afdeelingen, die in art. 8 zijn aangewezen.

Onverminderd het bepaalde in de laatste twee alinea\'s van art, 8, nemen de leden der sub-commissien zooveel mogelijk kennis van het schriftelijk werk in alle tot hunne afdeeling behoorende vakken, en wonen zij zooveel mogelijk de mondelijke examens in al die vakken bij.

Art. 22. Het is aan de sub-commissieu geheel vrijgelaten, op welke wijze zij tot een oordeel over de kennis van de kandidaten in eenig vak of in elke der in art, 8 genoemde afdeelingen willen geraken. 1)

Het eindoordeel over de kennis der kandidaten in elk dier afdeelingen wordt, na onderling overleg tusschen de leden der sub-commissie, uitgedrukt door een der cijfers van 1 tot 10, aan welke de volgende beteekenis is te hechten:

10, uitmuntend;

9, zeer goed ;

8, goed;

7, ruim voldoende;

Ö, voldoende ;

ö, even voldoende;

*) Dc Subcommissie E. kan b.v. hot oordeel van een deskundige over de teekeningen inroepen.

ocr page 15

11

4. onvoklnenrle ;

3, gering;

2, slecht;

1, zeer slecht.

De aldus toegekende cijfers worden op daartoe bestemde tabellen ingevuld en maken den grondslag uit voor de beslissing der commissie omtrent den uitslag van het examen.

Art. 23. Is aan eenen kandidaat voor elke der vijf afdeelingen het cijfer 5 of\' hooger toegekend, dan wordt hem het getuigschrift wegens voldoend afgelegd examen uitgereikt.

Heeft hij voor eene of meer dier afdeelingen het cijfer 4 of lager verkregen, dan wordt door de commissie over zijne toelating beraadslaagd en, zoo noodig, bij meerderheid van stemmen beslist. Bij staking der stemmen is de kandidaat toegelaten.

Is uithoofde van het groote getal der kandidaten splitsing in op elkander volgende reeksen noodig, dau heeft de definitieve beslissing over allen eerst plaats na afloop van het examen der laatste reeks.

De uitslag wordt aan de kandidaten zoo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.

Art. 24. Zoowel de afgewezen kandidaten als zij. wier examen voldoende is geweest, ontvangen van de examen-cornmissien mededeeling van de hun voor iedere afdeeling en zoo mogelijk voor ieder vak toegekende cijfers.

III. PROGRAMMA, volgens art. 4 van het Algemeen Reglement. (Gewijzigd bij K. B. van 22 Maart 1885,

Stbl. No. 73.)

Daar het eindexamen der hoogere burgerscholen moet dienen om te onderzoeken, of de jongelieden, die zich daartoe aanmelden, niet vrucht den vijfjarigen cursus eener hoogere burgerschool hebben gevolgd, of een daarmede gelijkstaand onderricht hebben genoten, behoort bij dit onderzoek het hoofddoel der hoogere burgerschool, de vorming van ontwikkelde jongelieden, toegerust met de kundigheden, die de hedendaagsche maatschappij in elk beschaafd man eischt, op den voorgrond te staan. De kandidaten moeten dus bewijzen kunnen geven, dat zij door degelijke studie een voldoenden grondslag hebben gelegd voor de speciale voorbereiding tot elk bedrijf of ambt, en door veelzijdige oefening van het verstand in staat gesteld zijn om met oordeel partij te trekken van de ervaringen, die het praktische leven hun zal aanbieden.

Bij het examen is daarom meer te eischen van het verstand dan van het geheugen; het moet meer de strekking henben om te ontdekken, wat de kandi-

ocr page 16

12

daten weten en tot welke mate van inzigt hunne studie heeft geleid, dan om de leemten op te zoeken, die in zaken van ondergeschikt belang hunne kennis verraadt. Een grondige en degelijke kennis van hoofdzaken kan ten aanzien van de wis- en natuurkundige wetenschappen, aardrijkskunde, wereldgeschiedenis, geschiedenis der letterkunde, staathuishoudkunde en staatsinrigtiug voldoende worden geacht. De grenzen, die voor elk dezer vakken behooren te worden gesteld, en de eischen, welke ten aanzien van de kennis der talen en van het teekenen als billijk mogen worden beschouwd, worden hieronder opgegeven.

A. De wiskunde.

In de relcmlcunde en gewone stelkunde behoort de kandidaat voldoende kennis en oefening te bezitten om met vaardigheid en oordeel de onderscheidene leerwijzen toe te passen op vraagstukken, die zonder zoogenaamde kunstgrepen kunnen worden opgelost. Hij behoort de door hem toegepaste leerwijze te kunnen verklaren en zijne berekening, wanneer slechts eene benadering mogelijk is of verlangd wordt, naar den vereischten graad van nauwkeurigheid te kunnen inrigten. Oefening in het gebruik van logarithmen wordt inzonderheid vereischt. De reken- en meetkundige reeksen, de beginselen van de leer der rekenkundige reeksen van hoogere orde, de onbepaalde en exponentiele vergelijkingen en het bi-nomium van Newton worden geacht nog tot de gewone stelkunde te behooren.

De in meetkunde gevorderde kennis strekt zich uit tot de inhoudsvindiug van de veelvlakkige ligchamen, van den cilinder, den kegel en den bol, de geometrische eigenschappen van den bolvormigen driehoek en de leerstukken van de meetkunde der ruimte en van het platte vak, die hieraan voorafgaan.

De kandidaat heeft het bewijs te leveren, dat hij een duidelijk begrip heeft van de eischen van een wiskundig betoog en van het onderlinge verband der onderscheidene leerstukken.

Eenige kennis van de harmonische snijding, de transversalen en de gelijk-vormigheidspunten strekt tot aanbeveling.

Tot de goniometrie en de trigonometrie worden geacht te behooren de oplossing van eenvoudige goniometrische vergelijkingen en de toepassing der vlakke trigonometrie op eenvoudige vraagstukken der werkdadige meetkunde.

De kennis der beschrijvende meetkunde behoort zich uit te strekken tot aan de gebogene oppervlakken.

B. De beginselen van de theoretische en toegepaste

mechanica, van de kennis van werktuigen en van de technologie.

Door theoretische eu toegepaste mechanica is te verstaan de kennis der wetten van evenwigt en beweging van vaste ligchamen, vloeistoffen eu gassen en van

ocr page 17

13

hare toepassing op werktuigen. De kandidaat behoort de evenwigtsvergelijking te kunnen opmaken van de enkelvoudige eu van eenige zaraengestelde werktuigen (windas, takel, bok), met inachtneming der wrijving, eu het beginsel der virtuele snelheden te kunnen toepassen op het evenwigt van werktuigen zonder wrijving. Hij behoort bekend te zijn met de leer van de koppels, van het zwaartepunt en van de stabiliteit. De wetten der beweging van vaste ligchamen, hierboven vermeld, omvatten die der eenparig versnelde beweging, dealgemeene eigenschappen der kromlijnige beweging (middelpuntvliedingskracht), de wetten van den slinger, de beweging om eene vaste as, de botsing en de leer van het behoud van arbeidsvermogen. De leer van het evenwigt en de beweging van vloeistoffen en gassen bepaalt zich tot de wetten der drukking van vloeistoffen en gassen tegen de wanden der vaten, waarin zij besloten zijn, eu op ingedompelde ligchamen, en tot die van de uitstrooming door nauwe openingen.

Bij het examen in de kennis van werktuigen en de technologie behoort geëischt te worden, dat de kandidaat bekend zij met de voornaamste mechanische hulpmiddelen tot het overbrengen en veranderen van beweging, met enkele der voornaamste werktuigen, welke dienen om de beweegkracht van wind, water en stoom aan te wenden, alsmede met de wijze, waarop de mechanische eu scheikundige verwerking van enkele der meest voorkomende stoffen, zooals metalen, glas, aardewerk, vezelstoffen, wol, papier, vetten, zeep en lichtgas, geschiedt.

C. De natuurkunde en hare voornaamste toepassingen.

Dit examen omvat de proefondervindelijke natuurkunde en de belangrijkste toepassingen, die in het dagelijksch leven en de nijverheid voorkomen. De kandidaat behoort bekend te zijn met de voornaamste natuurkundige methoden, welke dienen tot het opsporen der natuurwetten en tot de bepaling der standvastige grootheden, en de wiskundige uitdrukking dier wetten te kunnen toepassen op eenvoudige vraagstukken.

Inzonderheid is gewigt te hechten aan een juist begrip van het verband der verschillende natuurkrachten, meer dan aan eene uitvoerige kennis van bijzonderheden. Zoo is van interferentie en polarisatie van licht en warmtestralen niet meer te vragen, dan voor eeu kort begrip van de undulatie-theorie en het betoog van de identiteit van licht- en warmtestralen noodig is.

D. De scheikunde en hare voornaamste toepassingen.

Het examen in scheikunde omvat de anorganische scheikunde en de hoofdpunten der organische. De kandidaten zijn vrij in de keuze tusschen de oude en nieuwe voorstellingswijze vüu scheikundige verbindingen.

ocr page 18

14

Eenige praktische bedrevenheid in de qualitatieve ontleding van anorganische verbindingen strekt tot aanbeveling.

E. De beginselen van delfstof-, aard-, plant- en dierkunde.

Het examen in delfstof- en aardkunde omvat de voornaamste vormen der kristalstelsels, de algemeene kenmerken der mineralen, enkele der voor de aardkunde en nijverheid meest belangrijke delfstoffen; de hoofdtijdperken van de geschiedenis der aardkorst, hunne kenmerken vooral ten aanzien van de versteeningen, en de hoofdtrekken van de geologie van Nederland.

Het examen \\n plantkunde handelt hoofdzakelijk over de organographie en het stelsel van Linné, dat in dierkunde over het zamenstel der dieren en de kenmerken, waarop hunne verdeeling in hoofdvormen en klassen rust. Eenige kennis van het zamenstel en de levensverrigtingen van de onderscheidene deelen der plant en van de levensverrigtingen in het dierlijk ligchaam, alsmede eene meer uitgebreide door eigen aanschouwing verkregen kennis van eene of meer der natuurlijke plantenfarailien, of van eene of meer klassen uit het dierenrijk, strekken tot aanbeveling.

Bij het examen wordt zooveel mogelijk gebruikgemaakt van natuur-voorwerpen.

P. De beginselen der Icosmographie.

Het examen in de kosmographie strekt zich uit over de gedaante en de afmetingen der aarde, de wijze, waarop deze bepaald worden, de plaatsbepaling op hare oppervlakte en aan den hemel, de verschijnselen ontstaande door de asbeweging der aarde, door de beweging zoowel van de aarde als van de planeten om de zon, en door beweging der wachters ; de bewegingswetten en de algemeene aantrekkingskracht; eenige kennis van de kometen, alsmede van de vaste sterren, voor zooveel betreft de bepaling van haren afstand en hare eigen beweging, de nevelvlekkeu en den melkweg.

GK De gronden van de gemeente-, provinciale- en Staatsinrichting van Nederland.

Bij dit exatuen is hoofdzakelijk kennis te eischeu van de inrichting van het bestuur van het Rijk, de provinciën en gemeenle.n, zooals dit door de grondwet, de provinciale wet, de gemeentewet en eenige andere organieke wetten is geregeld, en van de onderlinge verhouding der onderscheidene staatsmagteu in Nederland, alsmede een kort overzigt van de zamenstelling van het bestuur in de koloniën en bezittingen van Nederland in andere werelddeelen.

ocr page 19

15

H. De staathuishoudkunde en de statistiek, inzonder

heid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelm.

Het examen in staathuishoudkunde omvat de hoofdbeginselen der leer van de voortbrenging, de verdeeling, den omloop, de ruil en het verbruik der maatschappelijke goederen, van den invloed der Regeeriug op de volkswelvaart, van belastingen en van publieke schuld, van vrij verkeer en de beperking daarvan.

Het examen in de statistiek bepale zich tot hare hulpbronnen, inzonderheid voor de statistiek van Nederland, en tot een beknopt overzigt van den toestand van landbouw, nijverheid, handel en financien in ons vaderland en in Nederlandsch Indie; veel kennis van cijfers is niet daarbij te vorderen.

I. De aardrijkskunde.

Het wiskundig gedeelte der aardrijkskunde is reeds hiervóór bij de kosrao-graphie vermeld. Met natuurkundige aardrijksbeschrijving behoort de kennis van klimaten, zeestroomingen, heerschende winden, de verspreiding van plauteui dieren en menschenrassen over de oppervlakte der aarde verbonden te worden.

Het examen omvat verder een algemeen overzigt van de politische verdeeling der werelddeelen, de grenzen en de natuurlijke gesteldheid, de staatsregeling, de nijverheid, de handelsbetrekkingen der voornaamste Staten, vooral uitvoerig ten aanzien van Nederland en zijne koloniën en overzeesclie bezittingen.

K. De geschiedeuis.

Bij het examen in geschiedenis wordt eenige keunis der oude en middel-eeuwsche en meer uitgebreide kennis der nieuwe geschiedenis vereisoht. Het karakter van de hoofdtijdvakken en het kenmerkende van den toestand van de verschillende volkeren in elk tijdvak trede daarbij op den voorgrond.

Bij de kennis van de geschiedenis van Nederland, ook in betrekking tot andere Europeesche Staten, en van de regeeringsvormen, die in ons vaderland aan den tegen woord igen tijd zijn voorafgegaan, voege zich die van het ontstaan en van de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën.

L. De Nederlandsche taal en letterkunde.

Zoowel bij het schriftelijk als bij het mondeling examen heeft de kandidaat te toonen, dat hij bij grondige kennis van de Nederlandsche taal en van hare spelling, spraakkunst en stijl, vaardigheid bezit om zich nauwkeurig en duidelijk in beschaafd nederlandsch uit te drukken.

ocr page 20

10

Het examen iu letterkunde omvat de hoofdtrekkeu van de geschiedenis der Nederlandsehe letterkunde en de kennis van enkele van hare voornaamste voortbrengselen, meer bijzonder in de 17de, 18de en 19de eeuw.

M, N, O. De Fransche, Engelsche en Hooyduitsche taal en letterkunde.

Uit schriftelijke opstellen over eenig opgegeven onderwerp moet blijken, dat de kandidaat zich zonder grove fouten tegen de regelen der spraakkunst, van de Fransche, Engelsche en lloogduitsche taal bedienen kan. Bij het mondeling onderzoek mag geeischt worden, dat de kandidaat zich in de vreemde taal redelijk wete uit te drukken en van de toepassing der taalregels behoorlijk rekenschap wete te geven.

Het onderzoek in letterkunde bepale zich tot de hoofdtijdvakken der letterkundige geschiedenis en enkele der voornaamste voortbrengselen der letterkunde, inzonderheid van dat tijdvak, waarin do letterkunde bijzonder heeft gebloeid, en van den laatsten tijd.

P. De beginselen der handelswetenschappen, daaronder die der \'Warenkennis en het boekhouden.

De kandidaat behoort eenige kennis te toonen van de afkomst, bereidingswijze, soorten, hoofdkenmerken en de meest voorkomende vervalschingen van enkele handelswaren, belangrijk door de toepassing, die zij in het dagelijksch leven of in de nijverheid vinden.

In het dubbel of Italiaausch boekhouden behoort hij genoegzaam ervaren te zijn om eenige memoriaalposten in journaal over te kunnen brengen, en eene proefbalans en eene balans op te kunnen maken. Daarbij is eenige kennis te eischen van de voornaamste berekeningen, die bij het boekhouden te pas komen, en van handelspapier met de daaruit voortvloeiende verpligtingen.

R. Het hand- en rechtlijnig teekenen.

De candidaat moet vaardigiieid bezitten:

a. in het teekenen van eene niet te ingewikkelde vlakversiering naar plaat;

b. in het schetsen en schaduwen naar de natuur van eenvoudige voorwerpen en van een eenvoudig reliefornament; en

c. in het op verkleinde schaal projecteeren en zuiver iu teekeuing brengen

van een eenvoudig voorwerp.

Voor het schetsen en schaduwen, sub b bedoeld, zijn bij voorkeur gipsafgietsels naar goede beeldhouwwerken te gebruiken.

ocr page 21

17

IV. VERSCHILLENDE BEPALINGEN.

1. Jongelieden uit elke provincie kunnen onvoorwaardelijk bij elke commissie voor de eindexamens der hoogere burgerscholen worden toegelaten.

2. De getuigschriften zijn vrij van zegelrecht.

Aanvankelijk (Minist. Besl. van 16 Juni 1805) vermeldde het getuigschrift den uitslag van het examen voor ieder vak afzonderlijk. Later is het volgende model vastgesteld:

Q-etuigscliri ft.

De Commissie van Examen, krachtens artt. 55 en 57 der Wet van den 2den jyjgj iggg (Staatsblad n0. 50), door den Commissaris des Konings iu de

provincie........... bij beschikking van den......... n0...... belast

met het afnemen der eind-examens voor de hoogere burgerscholen met vi/fjarigen

cursus in gemelde provincie voor het jaar....., heeft in hare zittingen van

den......... geëxamineerd......... geboren te........ den..........

en hem op grond van dat examen dit getuigschrift uitgereikt wegens voldoend afleggen van het eind-examen voor de hoogere burgerscholen met vi/f jarigen cursus.

Namens de Commissie: (jen .....Voorzitter.

.....Secretaris.

De Commissaris des Konings in de provincie, waar het eindexamen is afgelegd, geeft op verzoek eene verklaring af\' ter vervanging van een vroeger uitgereikt maar in het ongereede geraakt getuigschrift. (Zie Wet M. O. Artt. 66 en 67b).

3. De eindexamens der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus in Nederlandsch Indië worden afgenomen met gelijke eischen en zooveel doenlijk volgens dezelfde regelen als voor die examens in Nederland zijn vastgesteld, en de getuigschriften van goed volbracht eindexamen in N. I. uitgereikt in 1870 en later, geven gelijke rechten als die uitgereikt in Nederland. Ook betreffende de toelating tot de eindexamens gelden in N. I. en Nederland dezelfde bepalingen.

(Wet van 21 Mei 1873, Staatsblad N». 56).

V. EENIGE STATISTIEKE OPGAVEN.

Er bestaan in Nederland 61 Hoogere Burgerscholen, waarvan;

met vijfjarigen cursus: 11 Rijks, 24 Gemeentelijke en 1 Bijzondere; » vierjarigen » - » 1 »

» driejarigen » 10 » 14

In Nederlandsch Indië bestaan de H.B.S. met vijfjarigen cursus te Batavia, opgericht in (1807), Samarang (1877) en Soerabaya (1875).

ocr page 22

H. 11 8. MET VIJFJARIGEN CURSUS, IN. NEDERLAND.

In de Gemeenten

Opgericht in

Kandidaten geslaagd b^j het eindexamen 1865—1889.

In de Gemeenten

Opgericht in

Kandidaten geslaagd by het eindexamen 1876-1889.

*Alkmaar . .

1867

42

quot;\'Leeuwarden .

1867

169

Amersfoort .

71

66

Leiden . .

64

177

Amsterdam . .

65

359

Maastricht. .

64

102

Arnhem . . ,

66

147

^Middelburg . ,

65

90

*Assen.....

68

55

Nijmegen . . ,

65

58

Breda.....

67

80

quot;■Roermond . .

64

95

Delft.....

64

190

fRolduc ....

72

52

Deventer .

64

121

Rotterdam. . .

65

199

Dordrecht. .

65

133

Schiedam .

69

58

Enschedé l). ,

62

5

Sneek.....

64

91

Goes......

65

43

Tiel......

70

48

Gorinchem .

71

50

quot;Tilburg ....

66

40

quot;Gouda.....

65

18

quot;quot;Utrecht ....

66

225

\'s-Gravenhage. .

65

351

Veendam . . .

66

71

quot;Groningen .

64

230

Zlerikzee . . .

69

58

Haarlem . ,

64

187

Zutphen . .

64

147

*\'s Hertogenbosch.

67

73

quot;quot;Zwolle . . .

67

76

Hoorn.....

68

44

Apeldoorn li) . .

77

38

Kampen ....

68

118

Zaandam 8) . .

66

21

\') Kijks JI. 1$. S. f) Byzondere U. K. Hoogero Burgerschool, tegeiyk kostschool. 1)«; ovorieo zün Gemeente Scholen. Alkmaar, Assen, Hoorn en Gouda hadden eerst oen driejarigen cursus, die respectievelijk in 1870, 1877, 1881 en 1881 in een vyfjarigen is veranderd.

1) De Twentsche Industrie- en Handelsschool te Enschedé, opgericht in 1862, eerst met 5 en later met öjarigen cursus, was tot 1885 eene bijzondere gesubsidieerde II. li. S., die echter sedert 1868 geen kandidaten meer voor het eindexamen leverde. In 1880 word zy veranderd in de Geraoentelyke Neder-landsche School voor Nyverheid en Handel met vyfjarigen cursus. — 2) De laagste twee klassen ontbreken. — 8) Vierjarigen cursus. Geen vyfde klasse.

AANTAL KANDIDATEN VOOR HET EINDEXAMEN.

geëxamineerd

geëxa-mineerd

afgewezen.

toegelaten

afgewezen

in de jaren

in de jaren

toegelaten

189 219 206

283 803 324

284 289 272 293 336

24

27

28 34 52 37 51 40 42 32 32

165 192 178 249 251 287 233 249 230 261 304

12 26

14 17

15 20 32 42

35 26

36 32 21

1879 80 81

82

83

84

85

86

87

88 89

38 74 81 95 108 125 160 214 197 211 201 217 186

26 48 67 78 93 105 128 172 162 185 165 185 165

727

52

4905

4178 87

139

Daaronder kandidaten niet van een H. B. S.

18G6

67

68

69

70

71

72

73

74

75

76

77

78

Totaal

..

ocr page 23

A. Stelkunde.

Tijd 1): 3 uren.

1866. Zuid-Holland.

l8le Ploeg.

1. Het getal 1150 wordt in een ander getalstelsel uitgedrukt door 950. Welk is het grondtal van dat getalstelsel? Antw. 11.

2. Herleid tot de eenvoudigste gedaante;

V (6_ VS 1/3) V(6 — V8 -1/3).

Antw. 2 1/^6.

3. Welke waarde heeft x in de vergelijking:

2 — lO1\'1 = 10®. Antw. De waarde nul.

2le Ploeg.

1. Een kapitaal groot /quot;3000 staat gedurende 6 jaren tegen 4^ ten honderd \'s jaars interest op interest; bovendien wordt aan het einde van ieder jaar f200 bij de hoofdsom gevoegd. Men vraagt naar het bedrag van kapitaal en interest aan het einde van het 6lla jaar. Antw. f 5250,16.

2. Bepaal de waarden van X in de vergelijking:

X — VX 4

X V X ~ X2 — X_

Antw. V Xz= 2, VX=—l, VX=:l ^~ 7, V X=— 7

3. Herleid: [/7—4 j/lT- 7 -f 4 V 3;

en 1/a2 -f 2xVa2—x*.

Antw. — 2 1X3; x 4- j/quot;«2 — x2.

3\'1quot; Ploeg.

1. Uit een vat met 360 kan alcohol wordt eene zekere hoeveelheid uitgetapt en vervangen door water. Daarna worden er evenveel kannen uitgetapt als den eersten keer en nog 84 kan, en het vat weder aangevuld met water. Indien nu juist zooveel alcohol als water in het vat aanwezig is, hoeveel kannen werden er dan den eersten keer uitgetapt? Anhv. 60 kan.

2. Welke waarde van x voldoet aan de vergelijking:

1/ (25 — x) 1/(1-1- x) =)/ {2x -1- 86).

Anhv. x = 0 en x — 7,

\') Deze en volgende tijdsopgaven hebben alleen betrekking op de jaren 1877 tot 1891.

ocr page 24

20

3. Herleid tot de eenvoudigste gedaante:

v-^xv~~^-

Anlw. —\\\'r (3i0!.

b0 * bac*

1866. Gelderland.

l5\'quot; Ploeg\'.

1. Zoek de waarde van x uit:

i0log- ^ = 16. A)itw. x — 4.

2. Los de volgende vergelijkingen op:

I/ (a;2 aji/ — 10) 1 = « 1 y

x2 \'dxy -j-l . „ .

en -!-u r =x-\\ri2y - 1.

x-\\-y

. , . o 1517 26

Anhv. x = o. y = 2-, x = y = —

2\'le Ploeg.

1. Zoek de waarde van X in de vergelijking:

/• YJ- n\'0^ (^\'h !)

( ^ L)_ =0,01.

{X l)3

Antw. X = 9 of X = 99.

2. Los de volgende vergelijking op:

(X2-f6JÏ-4 K3)2 3(JCa 6X) —2(6K3 —1) = 0. Antw. Xz=z —3±(1 -\\-y3)K2; X— — 1 1/3; JC =-5 — KB.

1867. Zuid-Holland. rie Ploeg.

2 3 1 ,

fig* X 1

-i ,

[/quot; cr4

Anhv.

a8pj-a7\'

2. Welk kapitaal zal men gedurende 10 jaren tegen 40/o interest op interest moeten uitzetten, opdat er, wanneer men er jaarlijks f 1000 afneemt, niets overhlijve?

Anhv. /\'8110,90.

ocr page 25

21

3. x te bepalen uit ate — h = a?*.

Anhv.

2 log. a

3\'1\' Ploeg.

1. Deel 12 door 3 — l3-^ 3.

Aniw. 9 (3 f3)^3.

2. Iemand is over zes jaren schuldig f 3750. Hij wil deze schuld terstond afdoen, mits kortende 40/o \'s jaars interest op interest. Hoeveel moet hij betalen?

Aniw. /• 2963,68.

3. Welke waarde heeft x in de vergelijking:

_\\/2 = s\' -

Anhv. x= — f ± l ^ en dus x——0,56142

en x= — 2,43858.

3\',e Ploeg.

1. Te deelen 1/5-f- \\V 3 door 1/5 — 3.

Antw 674-5(3 5|K3)(l/5 ^3) 3]/5i^ \'J

2. De bevolking van zekere stad bedraagt thans 80000 inwoners ; als men rekent, dat zij sedert 20 jaren jaarlijks 3^ is toegenomen, hoe groot was toen de bevolking?

Antw. 41522 inwoners.

3. Welke waarde heeft x in de vergelijking:

2 loq. x x \' = 15.

— 1 rh [/\' 1 loq. 15 Anhv. x=\\0 \' = 2,98647 of 0,003348.

4lt;quot;! Ploeg-.

1. Herleid de uitdrukking;

K (15 - 1/ 6 — 6 1/ 2) — 1/ (15 4- ]/ 6 -f- 6 1/ 2).

■ Anhv. ]/quot;6 2l/3.

2. Eene bevolking van 15000 zielen is na een tijdsverloop van 10 jaren tot 32000 toegenomen. Hoeveel pet. is de jaarlijksche toeneming geweest?

Anhv. 7,9 pot. bijna.

3. Welke waarde heeft x in de vergelijking;

log. {x v)

(104a?)

5 loc/, x

(104«)

O.

AlltlV, X-TTTO TTTT ï ^ — 1 J

= 1,

ocr page 26

22

1867. Noord-Holland.

I\'16 Ploeg.

1. Herleid de volgende uitdrukkingen;

(a -f x)~ »\\y {a V (« -|- a)- ^ lK (a — x)~ %;

K (_ V—l)-, _

y(10_6K — 3)±l/quot;(42 6 1/ — 3).___

±^-1/^1)1/2; 2 l/l3rh 2(6-^^3):

2. Bepaal de waarde van x uit:

ax^ — bx~ v =V c.

c2 ab ±: (c 4 ah)

Antw. x—-^--.

3. Welke is de rekenkundige reeks van vier termen, wier verschil a is en wier termen fc tot product hebben?

Antw. Noemt men de termen der reeks x, x ft, x 2o en x 3a, dan is __

X= — ^a — |ft2±:^ «4 b.

2\'\'quot; Ploeg.

1 Herleid de volgende uitdrukkingen:

\\a-3^(2a2V a)-i]l;

]/\'(« ab — 2a V b):

V (7 — 2 ]/TI)±: 1/(13

1

Antw. a4lgt;2i0 ft13; Va — Vab-, ^20 ± 2 (6 — 1/11).

2 Zoek de vier waarden van x, welke voldoen aan de vergelijking:

(X _ 3)4 _ s (^2 _ _

Antw. x—l, x — 5, x = \'d — 1, £c = 3 —1^-1.

3. Als men eene partij goed voor /\'1000 koopt en op denzelfden dag voor f 1200 verkoopt, hoeveel pet. \'sjaars heeft men dan gewonnen: als de helft van den verkoopprijs over 3, en de andere helft over 6 maanden betaald wordt? Antw. 54,36 pet, bijna.

I

è

1867. Zeeland.

ocr page 27

28

5. 7°

Antw. 8

2. Herleid ;

^p^Tzhl/ ii sVirf: Antw. 5 ^ 2 ; — ^ —6.

3, Op te lossen de vergelijking:

]/\' 12-f » ]/ .«—3 = 1^ 33 - 2x. Antw. x = 4.

1867. Utrecht.

1. Als bij het begin van ieder jaar, gedurende 28 jaren, /\'25 tegen 4 0/0 interest op interest wordt uitgezet, vraagt men het geheele bedrag der uitgezette sommen aan het einde der 28 jaren, met het bewijs voor de gezegde formules.

Antw.

2. Bepaal de waarde van x uit:

Antw. x = 1,27497.

3. Vereenvoudig:

(2a.\' Kquot; x 7) X V (2xiyx~l) X V {2x^{3x2\\^^a)}.

Antw. 2x\\/\' 2 . 312. a.

1867. Overijsel.

Bepaal de waarde van x uit de vergelijking: ^(Jog.x-iy = x_ Antiv. x — 100 \\ x = \\/\\0.

1867. Groningen.

lquot;e Ploeg.

1. Iemand heeft eene partij goederen contant ingekocht tegen/\'2500, en verkoopt ze, op voorwaarde van de helft der koopsom over 6 en de andere helft over 12 maanden te betalen. Hoe hoog moet hij den verkoopprijs stellen om 20 0/ in het jaar te winnen ?

Antw. Z12869,56 B.

2. Bereken het aantal termen eener meetkunstige reeks, als de

28

som = 166,6, de eerste term — 90 en de reden ~ is (het naastbijko-mende geheele getal). Anhv. 4.

ocr page 28

24

3. Herleid tot hare algemeene gedaante de vergelijking;

aj 1 l y —x V(i x2) — ya—x2)-Anhv. xs 2x\'\' -t- Sa?0 — 5.r4 2a;3 dx2 4x — 0.

4. Los de onbekenden op uit;

X2 -j- 2y2 = 22-, X — z = — 3-, y x-— 8. A 4 O O c 1 23

Aniw. x= 2, ?/ = 3, x. = 5 ; x = —, y = ^,x = ~.

3 \'quot; Ploeg.

1. A. is aan B f 5000 schuldig, te betalen na drie jaren. B. biedt A. aan, dat zoo A. hem / 4300 contant geeft, bij hem voldoen zal. Als A. 6 0/0 interest in het jaar van zijn geld kan maken, welke wijze van betalen is dan voor A. het voordeeligst en hoeveel verschil maakt het ?

Anhv. De eerste; aan het einde der drie jaren is het verschil / 121,37.

2. Bereken het aantal termen eener meetkunstige reeks, waarvan

de eerste term = 90, de laatste = 0,0000080284 en de reden 44

85

is (het naastbijkomende geheele getal.) Anhv. 10.

3. Herleid tot hare algemeene gedaante de vergelijking:

x— 1_ _ 1 ]/ — 2^

V (1 x2) V (\\ — x2) \'

Antw. xs — % x1 -\\- 1$ xa -\\- x* -\\- 16 a;3 -f- 8x = 0.

4. Los de onbekenden op uit:

3x2 — y2 = 3-, x -\\- x ==■ 1 •, x -\\- y — x.

Antw. a: = 2, ?/ == 3, ï = 5 ; x = 26, y= — 45, x = — 19.

1867. Limburg.

1, a;2_2/2_|_a. 2/=;0)375

ajs — ^2 — (pj — y)=i 0,125.

Antw. x — 0,125; y — 0,375 en == 0,625.

2. ^ x^ y = \\2\\ x -\\- y = 4i§S.

Antiv. a; = 343, y~\\2b\\ a? = 125, ?/= 343. x-\\- 1 x-\\-2

x-j-2 x/^-\'ó

3. 3125 X 15625 =0,2 Antw. x = 3-, x = csz] x— — oo

4. Y~x VTT~X=^rT 7quot;

Antw. x =

5 ^ x im_x -f- 2m

X/\' x-\\-3n x-\\- n

Antiv. x = i mn \\

\\m—nj

ocr page 29

25

2 2.2

fi 3 2 2 8^3 a ■

quot;• .1 T—q--ö---• Antw. x~-~

A- v 0 6 ^ \\ 3 3 X 3 X

7. Bewijs de formule van het binominm van Newton voor het geval, dal de exponent positief en een geheel getal is.

8. Bepaal de som der vierkanten van de getallen 1, 2, 3 n

Antw. (2 u±21

6

9. Bepaal de som der oneindige reeks;

1 |2 1 3 1 2 3 1

7 yiT \'Ys quot;tT quot;Y» Töquot; quot;tT enzquot; {I)eriot\'e c\'er cijfers 1, 2, 3). Antw.

10. Bepaal met behulp van hetgeen u aangaande de eigenschappen der tweedemachtsvergelijkingen bekend is, de wortels der twee vergelijkingen:

x2 — 714 a; -f- 78105 — 0

x^ — UAx— 78165 = 0,

waarvan de eerste wortels gelijk zijn; de tweede wortels zijn eveneens gelijk maar van omgekeerd teeken. Antw. 579, 135; 579, — 135.

1868.

1. De waarde van x te bepalen uit de vergelijking:

amp; (x 4- V 2) — IK (£C — 1/ 2) = K 2.

Antw. « = 1/2; x = — V 2.

2. Welke is na verloop van n jaren de waarde van een kapitaal k, dat tegen p ten honderd, interest op interest, wordt uitgezet en na verloop van elk jaar met eene som a wordt verminderd?

| (1 Iy. p,. _!!££] 1C5±,

0 3. Twee lichamen vertrekken uit twee punten A en B, welker

afstand = tl is, en bewegen zich met eenparige snelheid elkander tegemoet. Vertrekt het eerste n seconden vroeger dan het tweede, dan ontmoeten zij elkander op het midden tusschen A en B; vertrekken beide op hetzelfde oogenblik, dan zijn zij na t seconden\'nog op een afstand = h van elkander verwijderd In hoeveel tijd zou elk der beide lichamen den geheelen weg A B afleggen ?

Beredeneer de verkregen uitkomst.

Antw. A in n -f ^ t -f V sec.;

ocr page 30

26

B in (_i_j t* sec.

1869.

1. Welke waarden van x en ij voldoen aan de vergelijkingen:

(x—?/)2 -\\-(?c — y) — IQ-, V{x I) V 0/ 2) = 7.

1325 3089

Ajitw, x — 15, y •—• w |(j0 » U 196 *

2. Welke geheele positieve waarden van x en y voldoen aan de vergelijking:

öx 1% = 106.

Aniw. x — 2, y = 8; as =14, y = 3.

3. Aan iemand, die zijn huis wil verkoopen, worden drie aanbiedingen gedaan. A biedt /quot;48000, te betalen over 12 jaren; B wil gedurende 12 jaren aan het eind van ieder jaar f 3200 betalen; C biedt /quot;10000 contant en aan het einde van elk der 7 eerste jaren/quot;3400. Wie doet het voordeeligste bod, als men den interest van het geld op 4 0/0 stele?

Anhv. Op het oogenblik van aanbieding is het bod van A waard /quot;29980,66; dat van B /quot; 30032,24; dat van C /quot;80400,97.

1870.

1. Welke waarden van x en y voldoen aan de vergelijkingen: 17 7 V{x y) _ \' 10» . _ _ 1

YW iï » - !/)quot;\' J y \'

Anhv. x = l, y — 3\\ » = (—i)2, y = ®-

2. Twee koeriers A en B vertrekken op denzelfden tijd uit de steden P en Q elkander tegemoet. Aan het ontmoetingspunt gekomen heeft A 30 kilometers meer afgelegd dan B en heeft hij nog 2f uur noodig om te Q, te komen, terwijl B nog 13| uur noodig zou hebben om P te bereiken. Men vraagt den afstand van P en Q,, alsmede de snelheid waarmede de koeriers gereisd hebben.

Aniw. De afstand van P tot Q, is 78 kilom.; A legt 9 kilora. per uur af, B 4.

3. Een kapitaal groot /\'5000 is uitgezet tegen 5 ten honderd\'sjaars, interest van interest. Aan het einde van elk jaar wordt er nog / 200 bijgevoegd; men vraagt wanneer het kapitaal zal verdubbeld zijn?

Anhv. Na 9 jaar en bijna ééne maand.

1871.

1. De waarden van x te vinden, welke voldoen aan de vergelijking;

%• x = 2,

Anhv. »= 1,1463; » = 0,00000871967.

ocr page 31

27

2. De drie kleinste op elkander volgende positieve getallen te vinden, van welke het kleinste door 7, liet volgende door 9 en het grootste door 13 deelbaar is. Anhv. 791, 792, 793.

3. De Maatschappij van gemeente-crediet levert aan de gemeenten kapitalen, waarvoor deze 68 jaar lang 5 0/o interest moeten betalen om zoodoende tevens het kapitaal te delgen. Indien nu de Maatschappij hare gelden tegen 4| 0/o kan verkrijgen en hare administratie-kosten ^ quot;\'/o \'sjaars van die opgenomen gelden bedragen, hoeveel zal dan na die 68 jaar hare winst ten honderd bedragen ? Anhv. 93,03,

1873.

1. De waarden van X en ij te vinden, die voldoen aan de vergelijkingen:

x\'J = tf en x* = //2.

/3^ /3\\3

Antw. x — ü,y — O-, x— l, y = l; x—[^j y = \\2}

2. Van twee cirkels bevinden zich de middelpunten elk op een der beenen van een rechten hoek. Zij bewegen zich naar het hoekpunt toe met snelheden, de een van p, de ander van p\' meter in de seconde. De stralen der cirkels zijn r en r\' meter; de afstanden der middelpunten tot het hoekpunt zijn op een gegeven oogenblik a en a\' meter; na hoeveel seconden zullen de cirkels elkander uitwendig aanraken?

Antw. n/\'f a\'quot;\'- I/ (p\' fquot;) O\' \'\'T -(«\'p «i/)F gec

\'P P

3. Iemand zet een kapitaal van f 100000 tegen 5 0/0 uit en voegt aan het einde van elk jaar de rente verminderd met f 3000 bij het kapitaal. Na hoeveel jaren zal op die wijze het kapitaal töt f 150000 aangegroeid zijn? Anhv. Na 16 jaren en 4^ maand.

1873.

1. De waarden van x en ij te bepalen in de vergelijkingen:

x ;jJr\\f1E±IL= x- y\' = 353.

\\ x — y x —y J

Antw. x = Y\\, y = S-, x—H, y = — 8.

2. Eene roeiboot kan eene rivier over een afstand van 3| kilometer op- en weder afvaren in den tijd van 1quot; 40\'quot;. Indien de snelheid van den stroom 2 kilometer per uur is, vraagt men de snelheid van de boot in stil water te bepalen. Anhv, 5 kilom. per uur.

3. Een vader belooft zijn zoon hem bij het begin van elk jaar a (/\' 100) te zullen geven zonder kapitaal of rente in te vorderen, mits de geheele schuld hem na het overlijden van den vader bij zijn erfdeel worde in rekening gebracht. Indien nu jaarlijks 4 0/0 samengestelden interest gerekend wordt en de zoon bij den dood des vaders in \'t geheel A (1100,60quot;) schuldig is, vraagt men, hoeveel jaren na die overeenkomst de vader overleden is?

ocr page 32

28

Avitv, Wanneer de waarde der breuk

log. (A -f- 25«) — log. 25a log. 1,04

ligt tusschen de geheele getallen x en x -\\- 1, dan zal de vader sterven na den aanvang van het a?\'le jaar en vóór den aanvang van het x ]8te jaar; en wel aan het einde der maand van liet x\'x\' jaar, zoo

f=12 [ï(W^T--25]\'

Wil het vraagstuk op te lossen zijn, zoo moet

— ^ --25 lt; 1 zijn

a (1,04)® — 1 = J

Stelt men «=ƒ\'100 en 4 =/\'IIOO.GO5, zoo is x — 9 en y=12; de vader sterft dus aan het einde van het 9\'le jaar, vóór den aanvang van het tiende.

1874.

1. Los x en y op uit de vergelijkingen:

aVx yy _11 (\\2{2xA-y)-a

log. xy (x y)

en (x ?/) = \\y 10.

Antiv. Indien a niet gelijk 1 is: x—\\, y = Q-, x = — 9, ?/= 19.

2. Een wijnhandelaar heeft van een zeker soort wijn slechts vaten van 155 liter inhoud; een andere wijnhandelaar heeft van dezelfde soort slechts vaten van 84 liter inhoud. De eerste is aan den tweeden 587 liter schuldig. Hoeveel vaten moet de eerste geven aan en krijgen van den tweeden, als de schuld in wijn zal vereffend worden en geen vat raag opengeslagen worden.

Antw. De eerste handelaar moet geven 13 vaten en ontvangen 17 vaten,

3. Een vader laat zijn zoon een vermogen na van /\'20000, dat tegen 5 ten honderd wordt uitgezet. Deze gebruikt jaarlijks voor zijn onderhoud f 1445,75. Na hoeveel tijd zal het kapitaal met den interest verbruikt zijn ? Antw. Na ruim 24 jaar.

1875.

1. De waarden van x, y en x te vinden uit de vergelijkingen:

x -\\-y -\\- z=: 41, x2 -\\- y2 -\\- x* = 725, xx, = 168.

Antw. 3? — 24, ?/ = 10, x = 7; x = 7, y =10, « = 24 ; .r = 5 25,9 j/ — 1, y — 31, * = 5 — 25,9 \\

x = b — 25,9 ]/ —■ 1, ?/ = 31, « = 5 4- 25,9 —

ocr page 33

29

2, In een der lioekpimten van een gelijkzijdigen driehoek, waarvan de zijde 10 meter bedraagt, bevinden zich twee lichamen, die zich in dezelfde richting met snelheden van 5 en 4 meter in de seconde langs den omtrek bewegen. Na hoeveel tijd zal voor de eerste maal het eerste lichaam in het tweede hoekpunt en te gelijker tijd het tweede lichaam in het derde hoekpunt gekomen zijn ? Antw. Na 20 seconden,

3. Eene grootheid a wordt in twee deelen verdeeld, zoodanig dat de som der vierkanten van de deelen gelijk is aan tweemaal het verschil der vierkanten. Het grootste der verkregen deelen wordt weder op dezelfde wijze verdeeld, en zoo gaat men voort tot in het oneindige. Bepaal de som van al de grootste deelen, die men aldus verkregen heeft.

Antw, Indien a positief is, is de gevraagde som a |/^ 3.

1870.

1. Bepaal de waarden van x en ij uit de vergelijkingen:

xV y u V x = 2640 enxV x yV y = 2728.

Antw. De reëele waarden van x en y zijn : x = 100, y — 144 ; X — 144, y = 100.

2. Drie personen, P, Q en i?, hebben te zamen een werk aangenomen. Wordt F gedurende 4 dagen door Q en R geholpen, dan kan hij het overige van het werk in 3 dagen voltooien ; helpen P en R samen Q gedurende 3 dagen, dan kan deze de rest in 7 dagen afwerken; werken allen te zamen 5 dagen aan het werk, dan kan R de rest in 1-^ dag afmaken. In hoeveel dagen kan ieder alleen het werk voltooien ?

Antiv. F kan het werk alleen volbrengen in 12 dagen, Q in 1G dagen, R in 24 dagen.

3. Van eene rekenkundige reeks van 20 termen is de eerste term 10 en de laatste 50 ; van eene andere reeks van 9 termen is de eerste 6 en de laatste 34. Hoeveel termen moet men in die beide reeksen tusschen elke twee opeenvolgende termen interpoleereu, opdat na die interpolatie de som van al de termen in beide reeksen even groot zij?

Anhv. In de eerste reeks termen; in de tweede 24-f-57 p

termen.

1877.

1. Welke waarden van x voldoen aan de vergelijking:

_12, 11 _11 _i _i

2a rc ¥ — 2a s x —\'da 3 3 = 0.

Antw. -f-a; ± 1,3554a ;± 1,3554a — 1.

2. Iemand vertrekt \'s morgens 5 uren uit A naar B. Wanneer hij de helft van den weg heeft afgelegd, passeert hem de spoortrein, die te 8U 20m uit A vertrokken is; één uur later ontmoet hij den trein, te 9U SOquot;1 van B naar A vertrokken. Indien de afstand tusschen A en B 40 kilometer bedraagt, vraagt men de snelheid van den spoortrein en van den wandelaar te bepalen.

Anhv. De snelheid van den spoortrein is 30, die van den wandelaar 5 kilometer per uur.

ocr page 34

30

3. Iemand wil zorgen, dat van 1 Jan. 1878 tot en met 1 Jan. 1890 aan eene Vereeniging ieder jaar /\'250 wordt uitbetaald; hij stort te dien einde van 1 Jan. 1853 tot en met l Jan. 1870 jaarlijks eene zelfde som. Hoeveel moet deze bedragen, als de interest tegen 4 0/0 berekend wordt? Anhv. ƒ74.,

1878.

1. Bepaal de waarden van x en ?/, die voldoen aan de vergelijkingen :

VJöcï y) x ~V{x yY\' (\'X\' y^~V

7 1

Antw.x— 1 ewy = 3 ot x=-^eny —-g. Zie 1870.

2. Er worden drie kapitalen geleend; het eerste, groot / 18000 tegen 3| 0/0 interest \'s jaars, het tweede, groot / 17500 tegen 4 0/0 interest \'s jaars en het derde, groot /\'1(3000 tegen 5 0/0 interest \'s jaars. Hoeveel geheele jaren- zal men eik dier kapitalen moeten behouden, opdat deze respectievelijk met de daarvan betaalde rente vermeerderd, dezelfde som opleveren. (Geen samengestelde interest.)

Ardw. Na 26, 23 en 22 jaren bedraagt de som voor elk /quot;33600.

3. Iemand bepaalt in zijn testament, dat zijne erfgenamen aan A moeten uitbetalen: na verloop van één jaar /1600, na verloop van twee jaren /quot;800, na verloop van drie jaren/\'400, enz., ieder volgend jaar de helft van het bedrag van het vorige. De erfgenamen stellen aan A voor, hem aanstonds ƒ 1500 te betalen, /quot;500 over een half jaar en anderhalf jaar na deze laatste uitbetaling nog/ 1066. Indien de interest tegen 40/0 wordt gerekend en A waarschijnlijk nog 20 jaar heeft te leven, moet hij dan dit aanbod aannemen of niet ?

Antw. Ja ; want over 20 jaren bedraagt het aanbod, hoofdsom met samengesteiden interest, ƒ 6519,77 en de erflating slechts /\'6463,14,

1879.

1. De waarden van x en y te vinden, welke voldoen aan de vergelijkingen :

2a;3 -j- xy 3?/2 = 13; 3a32 — 2xy -f- /y2 = 9.

3

Aniw. x — 2,y = l \\ x = — 2,y= — l •, x = ^V2,y — — - V 2;

x — — I- V 2, y = ^ V 2.

2. Iemand zet gedurende a jaren, telkens aan het begin van elk jaar, 2) gulden op samengesteiden interest tegen t ten honderd. Welke som kan hij gedurende de volgende b jaren, telkens aan het begin van ieder jaar terug ontvangen, tot hij niets meer te ontvangen heeft ?

Die som te berekenen voor het geval, dat p = /\'2000, a — 5, 6 = 6 en if = 4 is.

Anhv. Stel 1 -j- = k, dan is de som — pk1\' of /\'2171,14.

1 (JU li — l

ocr page 35

31

3. quot;Van de rekenkundige reeks 5, 9, 13, 17 enz. de eerste drie opeenvolgende termen te vinden, die respectievelijk door 3, 5 en 7 deelbaar zijn. Anhv. 321, 325, 329,

1880.

1. Bepaal de waarden van x, y en z, die voldoen aan de vergelijkingen

log. Qx - z? a3x — y

2x-\\-\'óij — z ^ 5\' ]/ a \'quot;J ~= a

52 (to ^ — 6 X 5 ^ quot; _ 2 5 = 0.

Voor welke waarde van a wordt het vraagstuk onbepaald?

Anhv. x—1, y = 2, z — \'d of x = ^, y — 2£, z = Onbepaald voor a = 1.

2. Het getal 30 zoodanig in drie deelen te verdeelen dat, wanneer men bet eerste met 7, bet tweede met 19 en bet derde met 38 vermenigvuldigt, de som dezer producten 745 zij. Atitw. 6, 11 en 13.

3. A is aan B f 10000 scbuldig, die hij over een jaar moet betalen. Hij doet de schuld af op eene andere wijze, namelijk f 1000 terstond en vervolgens jaarlijks gedurende zes jaren telkens eene gelijke som. Hoe groot is die som, als de interest 4 ten honderd bedraagt. Anhv. f\' 1644.

1881.

1. Bepaal de waarden van x en y, die voldoen aan de vergelijkingen:

x-\\-y-\\-V{x -f- y) = 2, x8 -j-y3 = 19.

Anhv. x—\'è, 2|, 1| of —2.

«/ = - 2, li, 21 of 3.

2. -Een zilversmid beeft zilver van 980, 770 en 630 deelen fijn. Zoo hij 30 hectogram zilver van 840 deelen fijn moet hebben, hoeveel hectogrammen moet hij dan van elke soort nemen ?

Anhv. Van de eerste soort 10

12

14

16

18

» ». tweede » 20

15

10

5

0

» » derde » 0

3

6

9

12

3. Iemand zet 1 Jan. 1880, 1 Jan. 1881 ... tot en met 1 Jan. 1890 telkens eene zelfde som f x op samengestelden interest, om daardoor van 1 Jan. 1900 tot en met 1 Jan. 1910 eene jaarlijksche lijfrente van /\' a te kunnen trekken.

Als de jaarlijksche rente = p, 0/o gerekend wordt, bepaal dan x.

( 100 V0

Anhv. ;r — -{-p) \' ^erëe^j\'? 1877 en 1879.

1882.

1. Bepaal de waarden van x, y en x, die voldoen aan de vergelijkingen: x -\\- y x = x2-\\-y2-\\-z* = 12h, xx — 168.

Anhv. « = 24 of 7; 10; x=7 of 24. Zie 1875.

ocr page 36

32

2. Drie rekenkundige reeksen hebben te zamen 60 termen, waarvan de som 561^- is. A.ls van de eerste reeks de eerste term 2 en de laatste 5, van de tweede reeks de eerste term 1 en de laatste 23, en van de derde reeks de eerste term 3 en de laatste 18 is, hoe groot is dan het aantal termen van elk der drie reeksen?

Antw. 13, 15 en 32, of 16, 29 en 15.

3. Iemand bezit /\' 50000. Na twee jaren erft hij nog /\' 20000. Na hoeveel jaren kan hij f 90000 rijk zijn, als hij jaarlijks f 2500 gebruikt voor zijn onderhoud? Rentevoet 40/o-

Antw. Na bijna 39 jaren.

1883.

1. Iemand neemt op 1 Januari 1883 eene hypotheek van f 20000, Hij moet daarvoor bij den aanvang van elk volgend jaar, te beginnen met 1 Januari 1884, eene vaste som terugbetalen, waardoor na 25 jaren de schuld, met inbegrip van de rente afgelost is. Als hij evenwel na 15 stortingen zijne dan nog overblijvende schuld in één termijn wil aflossen, hoeveel moet hij dan nog betalen?

De rente wordt tegen 4^ 0/o berekend.

Anhv. Na 15 stortingen van f 1364,40 moet op 1 Januari 1899 nog f 11284 in eens worden betaald.

2. Van een rechthoekigen driehoek is de rechthoekzijde AC = 30 M., de schuine zijde BC = 50 M. In A bevindt zich een punt, dat met eene snelheid van 3 M. per seconde; in B een punt dat met eene snelheid van 5 M.; en in C een punt, dat met eene snelheid van 2^ M. per seconde langs den omtrek in de richting ABC wordt voortbewogen. Deze punten beginnen hunne beweging op hetzelfde oogenblik.

Na hoeveel tijd zullen zij tegelijk in A zijn?

Anhv. Voor de eerste maal na 280 seconden en vervolgens om de 480 seconden.

1884.

1. Twee op elkander volgende getallen te vinden, die tusschen 300 en 400 liggen, en waarvan het kleinste door 13 en het grootste dooi.\' 16 deelbaar is. Anhv. 351 en 352.

2. Ontbind in factoren:

2£C2 — \'dx-\\-xV2 7.

Anhv. {x — 3 V2) {2x — 3 — V2).

1885.

1. De waarden van x en y te bepalen uit de vergelijkingen :

£C3 — xhj — xij2 /y3 — x — y ~ 2480 en x — y = $■

Anhv. £c = 20; ?/ = 11.

2. Twee personen, A en B, vertrekken op hetzelfde oogenblik uit twee plaatsen, M. en N, elkaar tegemoet. Toen zij elkander ont-

ocr page 37

33

moetten had A 15 K.M. meer afgelegd dan B. Als A lt; uren na de ontmoeting in N, en B 9 uren na de ontmoeting in M aankomt, hoe groot is dan de afstand van M en N ?

Antw. Afstand = 75 K.M. Snelheid A = 74 K.M.; snelheid B = 5 K.M per uur.

1886.

1. Bereken x in de volgende vergelijking:

(a x) :r -f- 6 (a — x ) :1\' = 5 («2—x2)

7 13

Antw. x = 7ra of x = a.

9 14

2. A, B en O handelen Do inleg van B is de vierkantswortel van dien van A, terwijl C tweemaal de meetkunstige middenevenredige tusschen de kapitalen van A en B inlegt. Zij winnen driemaal den wortel uit hun inleg en daardoor bedragen kapitaal en winst /quot;990. Hoeveel heeft elk ingelegd?

Antw. A = /\'625; B—f25; C = f2ö0.

1887.

1. X en /ƒ up te lossen uit de volgende vergelijkingen:

x* — ya — 7 aj -|_ 7 ,y = o en xy = 2.

Antiv. x = ±2,y = ±\\ ■, x = ± \\ ,y = ±2-, x = ij = ± l/quot;2.

2. Een spoortrein krijgt 1 uur na zijn vertrek een ongeluk, waardoor hij 1 uur wordt opgehouden. Hij zet de reis voort met | der vroegere snelheid en komt 3 uur te laat op de plaats der bestemming. Was het ongeluk voorgevallen, nadat 50 K.M. meer waren afgelegd, dan zou de trein 1-|- uur te laat zijn aangekomen. Hoe lang is de weg?

Antw. 100 K.M. De oorspronkelijke snelheid was 25 K.M, per uur.

1888.

1. De som van de uiterste termen eener meetkunstige reeks van 3 termen is 25; het gedurig product der 3 termen 1000, Bepaal hieruit die reeks. Antw. 5; 10 en 20.

2. Twee kooplieden hebben goed verkocht, de eene 3 M. minder dan de andere; zij hebben samen /\'35 ontvangen. Als ik uw waar voor den prijs van de mijne had verkocht, zegt de een, zon ik /24 ontvangen hebben. De ander antwoordt hierop: en als ik uw waar tegen den prijs van de mijne had verkocht, zou ik /\'12,50 ontvangen hebben. Hoeveel M. heeft ieder verkocht ?

Antw. 15 en 18 M. of 5 en 8 AI.

ocr page 38

34

1889.

1. Bereken x en y uit de volgende vergelijkingen:

xV ij = aA/ 2/2= 1312.

Antw. y = 4 en x= ± 18 of y = 36 en x — ± f.

2, Twee lichamen A en B gaan elkander tegemoet uit twee plaatsen P en Q, die Ö000 Meter van elkander verwijderd zijn. A vertrekt uit P 12 minuten later dan B uit Q,, en de ontmoeting heeft plaats op de helft van den weg. A legt in 2 minuten 15 Meter meer af dan B. Wordt gevraagd naar de snelheid per minuut van A en B.

Antw. De snelheid van A = ^ (-f- 3 |/^ 1209) Meter; die van B = (— 3 [X 1209) Meter.

1890.

1. De waarden van X en y te bepalen uit:

a _ W \\! x ~ ■\' = en a;2 ï/2 = 168f

x ^ ^ v x y x y rj

Antw. a? = 12| en y = 3|.

2. Van eene meetkundige evenredigheid is de som der termen 21 de som hunner tweede machten 125 en het product van al de termen 576. Welke is die evenredigheid ?

Antw. 3 : 4 = 6:8.

1891.

1 Bepaal de waarden van x, die voldoen aan de vergelijking

rox2 l0!l- x — 47»109 x — 30 = 0.

Antw. x = 10 of 0,1.

2. Van eene meetkunstige reeks is de som der eerste twee termen = 18, die der laatste twee = 288 en de som der termen = 378. Welke is die reeks ?

Antw. 6, 12, 24, 48, 96, 192.

B. Goniometrie en Trigonometrie.

Tijd 3 uren.

1866. Zuid-Holland.

Isquot;\' Ploeg.

Zie Meetkunde, vraag 2.

S\'1 Ploeg.

1. Wanneer twee punten C ea D met eene verticale hoogte AB in

een\'zelfde vlak liggen en men gemeten heeft / 25ü18\'25//, / ACB = 32quot;10/15//, DC= 126\'quot;,28, hoe hoog is dan AB? [B, C eü D liggen in hetzelfde horizontale vlak).

Antw. 24,087 meter of 240,487 meter, naarmate C en D aan

weerszijden van AB liggen, of beide aan denzelfden kant van AB.

i

ocr page 39

35

3de Ploeg.

1. Van een rechthoekigen driehoek is de omtrek 15 palmen en een der hoeken 64n12/35//. Men vraagt de zijden dezes driehoeks te berekenen. Antiv. 2,79; 5,78; 6,42.

1866. G-elderland.

l8quot;1 Ploeg.

1. Als gegeven is ïaug. u = p en Tang. b = vraagt men te vinden

ïang. («-f- b), en de uitkomst te verklaren uit de betrekking, die blijkens de gegevens tusschen de bogen a en h bestaat.

Antw. ïang. (a-\\- b)~ oo.

2. Van een trapezium ABCD zijn gegeven eene der evenwijdige zijden AB = 172,30 el, de opstaande zijden AD = 110,48 el, benevens de hoeken ^0= 34017/49//,3 en BAC= 22quot;38/ll//,4) die de diagonalen met de zijde AB maken. Men vraagt de beide diagonalen te berekenen.

Antw. Dit vraagstuk laat twee oplossingen toe: AC — 131,523 el, BD = 89,835 el, en J.C = 285,412 el, /?£gt;== 194,947 el.

3lle Ploeg.

1. Wanneer gegeven is Tang. 18° = 5 (5—2 \\/ 5), vraagt men

O

daaruit Cosec. 342° te berekenen. Antiv. — (1 v/ 5).

2. Men vraagt de hoogte van eenen toren te berekenen, als gegeven is dat de hoeken, waaronder de spits gezien wordt uit twee punten, die met den voet des torens in een rechte, horizontale lijn liggen, respectievelijk 48017/15//,2 en 69quot;53/46//,4 zijn, terwijl de onderlinge afstand der genoemde twee punten 10,39 el bedraagt.

Antw. 13,035 el of 31,199 el, naarmate de punten aan weerszijden van den toren liggen of aan denzelfden kant.

1867. Zuid-Holland.

lquot;6 Ploeg.

1. Van een vierhoek ABCD wordt gegeven:

AB = 1,25; BC= 0,75; GD = 2,00; //£=110o15/; ^/C—IO^IO\', Vraag AD. Antw. 0,87.

2. De formule te vinden voor het herleiden van een hoek tot den horizon. 3lt;le Ploeg.

1. Van twee bogen, die tot elkander staan als 3 tot 5, zijn de sinussen tot elkaar als 2 tot 3. Welke zijn die bogen?

Antw. 33n24\'32//,4 en 55o40/54//.

2. Den afstand te berekenen van twee ontoegankelijke punten P en Q, als gegeven is de lijn AB==76,9, de hoeken uit A naar P en

ocr page 40

3G

^ = 40n15/30// en 25016/25// en die van B naar P en lt;3= 19025\'40// en b§quot;20\'\'6üquot;. Antw. 36,882.

31« pioeg.

1. Van een regelmatigen vijfhoek is elke zijde = 1 meter; men vraagt den inhoud Anhv. 1,725 vierk. meter.

2. Welke waarde heeft x in de vergelijking:

tg. x coUj. x = 3 sec. x ?

Anüv. 19028/16//,4; 160o31/43\'\'/,6; enz.

3. Van een driehoek zijn gegeven de lengten der lijnen, die den tophoek in vier gelijke deelen verdeelen = 17,8; 13,25 en 12,8. Men vraagt de zijden van den driehoek te berekenen.

Antw. 15,73; 40,81; 48,20.

4\'lc Ploeg.

1. Welke waarde heeft x in de uitdrukking:

sin. x -f- cos. x = sec. x Anhv. x — 0°, x = 450, « = 180quot;, 33 = 225°, « = 360quot;, enz.

2. Van een ruit is de scherpe hoek = 40\'gt;25/ en de inhoud 65 [~J ellen. Hoe lang zijn de diagonalen? Antw. 18,793 el en 0,918 el.

1867. Noord-Holland.

Is18 Ploeg.

Bereken de elementen van een driehoek, wiens basis wiens tophoek a en wiens inhoud I gegeven is.

S1quot; Ploeg.

Bereken de hoeken eens driehoeks, wiens zijden 2,845; 5,614 en 6,819 meters lang zijn.

Anhv. 18°42\'44quot;; 50quot;10/41//,4; lll06/34//,8.

1867. Zeeland.

Indien de opstaande zijden van een driehoek te zamen 12,6378 palmen bedragen en de hoeken aan de basis 74quot;15/32//en 23quot;41/12//zijn, vraagt men de beide andere zijden van den driehoek te berekenen.

Antw. 3,7215 en 8,9163 palmen.

1867. Utrecht.

1. Twee zijden eens driehoeks zijn 25 duim en 22 duim, en de ingesloten hoek is 2maal zoo groot als de hoek, die over eerstgenoemde zijde staat. Bereken lt;le andere elementen des driehoeks.

Anhv. De boeken zijn: 39quot;50/2.r)//; 46quot;43/ll//,7; 93quot;26/23//,4; de derde zijde is 34,28 duim.

a T-i •• i sin. 33° sm. 3J , r. , ,

2. Bewus dat--r-r—^--r- = tanq. 18°, als bewezen aan-

J cos. 33quot; cos. 3°

nemende de formules vonr sin. (rt i b) en cos. (rtit/;).

ocr page 41

37

3. Van een driehoek zijn gegeven tie iioogte — h, de basis — b en de tophoek = x. Druk de beide andere zijden in deze gegevens uit.

Antrr 2M r.oty X i h \\/ -f- 4/j/j cotxj. x — 4//2

y/ ■ _

1867. Overijsel.

1. De vergelijkingen \'è sin, xb cos. x ~ 1 op te lossen.

Aiitiv. a; = lllquot;5/19//)4; SlO\'öO\'lD\'^; enz.

2. De vergelijking a cos.2.» -f- fc slt;m. a;cos. x c sin. \'2x — cl op te lossen.

Ant,,. ^ = 1 F= ^d—a—c) ± (,.-c)|/y 4(,i-0) (.-rf)!

2 L (a—c)2 -1- 62 J

_ 1 r,.„„ . («—c) (2(/—a-c) t ^ lX^2 4 {d-a) (c-101 - 2 ocj yeos. - ia_cy b* J

3. Van een driehoek is gegeven a = 13,47 el, b = 9,77 el, de loodlijn p, die uit A op a is neergelaten = 6,4097 el. Bereken c, A, B en G, Antiv. c = 8,846 e\\A = 92\',33/55//,2 ; B = 46quot;26/4//,7 ; C = 41°.

1867. Q-roningen.

lquot;te Ploeg.

1. Bewijs uit een figuur de formule voor sinus [u -f- b).

2. Gegeven zijnde tany. 45quot; = 1 en tang. 30quot; = J \\/ 3, dan vraagt men de tangens van 7o30/.

Antw. 2]/ 2 1/3 —(2 K 3).

3. Van een driehoek ABC is de zijde AB — 32 cm. en de overstaande hoek C == 62quot;l6/\'; men vraagt de middellijn van den omgeschreven cirkel. Antw. 18,08 cm.

3l10 Ploeg.

1. Bewijs uit eene figuur de formule voor cosinus {a-\\-b).

2. Gegeven de sinus-versus 60° = | en de sinus versus 45quot; = 1 — ■ï V 2 ; gevraagd de tangens van 52quot;30/.

Antw. (2 - 1/quot; 3) (1 2 |/ 2 1/3).

3. In een hal ven cirkel is een vierhoek beschreven. Wanneer de zijde BG—32, de middellijn van den cirkel ^1D = 42, CD = 5 en de hoek C = 136\'J14/ is, dan vraagt men naar de diagonaal BD en den inhoud van het vlak.

Antw. In dit vraagstuk is klaarblijkelijk eene fout ingeslopen ; er zijn te veel gegevens en zij zijn met elkander in strijd.

ocr page 42

38

1867. Limburg.

1. Construeer en los trigonometrisch op een driehoek, waarvan bekend zijn de basis a, de tophoek A en de som der opstaande zijden.

2. Construeer en los trigonometrisch op een driehoek, waarvan twee hoeken en i? en de som der drie zijden = 2s gegeven zijn.

3. Bewijs dat tang. A tang. B -f tang. C == tang. A tang. B tang. G is, wanneer de hoeken A, B en 0 te zamen 180quot; bevatten.

1868.

1. De zijde c te berekenen van een driehoek, waarvan gegeven is

a = 78,246; 6 = 35,928; C= 47quot;12/35quot;..

Antw. c = 59,949.

2. Bewijs dat

2 Bg. [tg = --=:= ^00fJ is\'\'n — %)•

3. De waarde van (p te bepalen uit;

2

sin. (f -|- cos. lt;? \'(/• f cotci. (p = —r—.

sm. 2 lt;f

Anhv. (p = 0, (p — 90°, lt;p = 135°, = 315°, enz.

1869.

1. Welke waarden van «p voldoen aan de vergelijkiug;

sin. [a lt;f) sin. (a — lt;p) 2 sin. a = co tg.

Anhv. lt;p — 180°; lt;p = bq. F sin. = ^—!-quot;1.

L 2 sm. aJ

2. Van een driehoek ABC zijn gegeven ^1.0= 57,28 meter, AG = 50,06 meter, 50 = 32,74 meter; uit G is eene lijn getrokken naar de overstaande zijde, zoodat zij met de zijde AC een hoek maakt gelijk aan hoek A; men vraagt de lengte der stukken, waarin AB door die lijn verdeeld wordt. Antw. 30,443 en 26,837 meter.

1870.

1. Bewijs de formule :

tang. {a b) tang. } (a — b) -

cos. a cos. b\'

2. Van een driehoek ABC zijn gegeven de zijde ^.5=13 m., BG=15 m., .40=14 m.; men vraagt de lengte der lijn BD, die den hoek B middendoor deelt, benevens den hoek BDA, dien zij met de zijde AG maakt, te berekenen.

Antw. BD = 12,093 m.; hoek BDA = 82o52/30//.

1871.

1. Om twee schijven is een koord gespannen; indien de stralen der schijven 1,357 en 0,452 meter zijn en de afstand der middelpunten 3,965 meter bedraagt, hoe lang is dan het koord ?

Antw. 13,8206 meter.

ocr page 43

39

2. Op een heuvel, van waar men in het dal een toren kan zien, staat een gebouw. Meet men aan den voet van het gebouw op den heuvel den hoek, dien de verticaal maakt met de lijn, welke van daar getrokken wordt naar den voet van den toren, dan is die gelijk 70quot; 10\', terwijl van daar de hoogte van den toren gezien wordt onder een hoek van 4quot;50/. Plaatst men zich op het gebouw 20 meter hooger, dan is de hoek, dien de verticaal maakt met de lijn, welke naar den voet van den toren getrokken wordt, gelijk Hoe hoog is de toren ?

Antiv. 187,461 Meter.

1872.

1. De waarden van (p te vinden, die voldoen aan de vergelijking:

sec. lt;p — sin. lt;p -f cos. lt;p.

Antiv. cp = 0quot;, = 45°, lt;jp—180, = 225°, enz. Zie blz. 36.

2. Van een vierhoek ABGD is gegeven de zijde AB = 1045,9. Verder zijn gemeten de hoeken, die de diagonaal A O met de zijden AB en AD maakt, te weten hoek CAB = 5So20/ en hoek CAD — 37°, en de hoeken, die de diagonaal BD met de zijden A B en BC maakt, te weten hoek DBA—b\'S\'SW en hoek DBC — 4ÓA5\'. Men vraagt de zijde CD te berekenen. Antiv. (72) = 2632,362.

1873.

1. Op een der beenen van een hoek «, op een afstand a van liet hoekpunt, is een punt gelegen; uit dit punt wordt eene loodlijn op het andere been neergelaten, uit den voet dier loodlijn weer eene loodlijn op het eerste been, en zoo vervolgens tot in het oneindige. Men vraagt de som van al die loodlijnen te berekenen.

a sin. a

Anhv, --.

1 — cos. a

2. Voor een standbeeld van h — 8,77 meter hoogte moet een voetstuk gemaakt worden, zoodat een beschouwer, wiens oog zich op eene hoogte van b = 1,57 meter boven den grond bevindt, op een afstand a, = 14 meter het standbeeld benevens het voetstuk onder een hoek van 38° ziet. Hoe hoog moet het voetstuk zijn ?

Antw. 6,413 meter.

1874.

1. Voor welke hoeken is de cosinus-versus het dubbel van den sinus-versus ?

Antw. Voor de hoeken 36052/ll//,6; 270° ; 396052/ll//,6; enz.

2. Van een trapezium is eene der evenwijdige zijden 237,34 meter, de beide daaraan liggende hoeken zijn 117036/8// en 135029/12//; de hoogte bedraagt 87,05 meter. Men vraagt den inhoud te berekenen.

Antiv. De inhoud is 26495,1 vierk. meter.

ocr page 44

40

1875.

1. De vergelijking;

tang. y — sin. lt;f = a tang. lt;f sin. lt;p

op te lossen.

Antw. ^ — (,0. v= 1800, lt;^= 360° enz.; vervolgens y = boog

sin. — -—;—-) en wel 1 a2J

als 0 lt;; « lt;; 1 Hgt lt;p iu het lstl! kwadrant;

ills a gt; 1 ligt (f in liet 2\'le kwadrant;

als 0 gt; a gt; — 1 ligt y in het 4du kwadrant;

als nc — 1 ligt (p in het Squot;10 kwadrant.

i. Uit den top van een toren, die 60 meter boven het oppervlak der^ zee ligt, ziet men twee schepen. De lijn, uit den top naar het eene schip getrokken, maakt met het horizontale vlak, dat door den top gaat, een hoek van en de lijn, die naar het andere schip getrok

ken wordt, maakt met dat vlak een hoek van 9o16/40//. Beide lijnen vormen samen een hoek van 51°13/10// Hoe ver zijn de schepen van elkander verwijderd? Antw 294,3 meter.

1876.

1. In een gelijkbeenigen driehoek wordt een cirkel beschreven, en aan dien cirkel eene raaklijn getrokken, evenwijdig met de basis. In den gelijkbeenigen driehoek, die hierdoor ontstaat, wordt weer een cirkel beschreven, en zoo gaat men voort tot in het oneindige. Bepaal de som der inhouden van al die cirkels, als de tophoek van den driehoek «en de opstaande zijde a is.

Antw. —g—. sm,a cos.

_ 2. Wanneer van een gelijkbeenig trapezium gegeven zijn ééne der niet evenwijdige zijden c=13, de grootste hoek, dien deze met eene diagonaal maakt y = 59029/23//,l eu die diagonaal b—15, dan vraagt men de evenwijdige zijden eu de hoekeu van het trapezium te berekenen.

Antw. De evenwijdige zijden zijn 4 en 14; de hoeken G7022/48,5 eu 112037/ll//,5.

1877.

1. De waarden van x te vinden, die voldoen aan de vergelijking:

(cos. a [/ — 1. sin. a)2 = cos. x -f \\S — ï. sin. x.

Antw. x=2a, x=2a-]- 360quot;, enz.

2. De zijden van een driehoek zijn 18, 14 en 15 meter. Hoe lang is de lijn, die het hoekpunt van den kleinsten hoek verbindt met het middelpunt van den ingeschreven cirkel? Anttv. 8,945 meter.

1878.

1. Bereken de deeleu van een boog van 45quot;, welker tangenten staan

als 2 tot 3. Antw. IS^\'ö7\', en 26033/54//, cl. x. Bcj. tg. ^ en Bg. tg.-±.

2. Van eeu vierhoek ABCD, die in D een inspringenden hoek heeft.

ocr page 45

41

zijn gegeven de zijden AB = 809,54 meter, BC = 751,62 meteren de inwendige diagonaal 710=: 518,14 nieter, benevens de hoeken, welke deze diagonaal met de zijden BA en DC maakt, namelijk /_ ADB — a = 116quot;44/24// en CDB — p = 137quot;i;-}/46\'\'/ Men vraagt de andere diagonaal AC te berekenen Antw. 578,33 meter.

1879.

1. In een gegeven vierkant is een ander vierkant zoodanig geplaatst, dat de hoekpunten van het laatste in de zijden van het eerste gelegen zijn

Als de inhoud van het ingeschreven vierkant | is van den inhoud van het gegeven vierkant, dan vraagt men naar den hoek tusschen de zijden van het grootste en die van liet kleiuste vierkant. Antw. 15quot;

2. Van een driehoek ABC zijn gegeven de zijde AB = 2§,2i, de lijn CD, uit het overstaande hoekpunt C naar het midden dier zijde getrokken = 22,68 en de straal van den omgeschreven cirkel = 15,46 centimeter. Hoe groot is de inhoud van dien driehoek.

Antw. 274,54 vierkante centimeter.

1880.

1. De waarden van x te vinden, die voldoen aan de vergelijking:

/Y)o ^ \'y

Tang. (45quot; -j- x). cotcj. (45 - x) — ^ ^ 2 x = 2\'

Antw. Cotq. = 0 of\' -f- ^ dus x = 90quot;, 270° of iB\'^ö\'öquot; en

igs\'^ev7.

2. Van een vierhoek ABCD zijn gegeven; AB — BC — 0,T5-t Cl) = 2-, /_B XWXh\' en C=70quot;IÜ/. Bereken de zijde AD.

Antw. 0,86596. Zie blz. 35.

1881.

1. Bepaal de waarden van x, die voldoen aan de vergelijking:

cos. x cos. \'2 x -\\- cos. 3 x = 0.

Antw. x — Bcj. {Cos. =. ± ^ Y 2) = 45quot; n. 90° en x = By. (Cos. — — -£) = 120quot; -j- u. 360° of 240quot; -j- n. 360° waarin jï — 0 of een willekeurig geheel getal.

2. De zijden van een driehoek zijn 562,44 M., 611, 82 M. en 407,94 M. Hoe groot is de straal van den ingeschreven cirkel, en hoe groot zijn de hoeken van den driehoek, die gevormd wordt door de vereeniging der raakpunten? Antw. 140,9 M.; SB\'^l\'SO\'\', 51quot;50/ en 69!gt;48/30//.

1883.

1. Bepaal de waarden van y, die voldoen aan de vergelijking:

lmkj. tf cotg. lt;f -)- sec lt;p cosec = |- l/3.

Antw. (p — Bg [tg = Vr 3) of — Bg [tg = \\ ]/ 3), dus = 30quot; of = 60quot;.

ocr page 46

4:2

2. Van een driehoek zijn gegeven de zijden a = 130 M., b = 262 M. en c = 289 M. Men vraagt den inhoud te berekenen van het segment, dat door de grootste zijde wordt afgesneden van den omgeschreven cirkel. Antw. 328 A.

1883.

1. Welke waarden van x voldoen aan de vergelijking;

sec2, l x-\\- cosec2. aj = 16 cotg x?

Antw, # = 15quot;, 75°, 195° en 225quot;.

2. Van een driehoek zijn de zijden 13, 14 en 15 cM. lang. Uit het tegenover de kleinste zijde gelegen hoekpunt als middelpunt, is een cirkelboog beschreven, die den driehoek in twee deelen van gelijken inhoud verdeelt. Hoe groot is de straal van dien cirkelboog?

Antw. 9,517 cM.

3. Van een driehoek ABC zijn gegeven:

/_ A = öO^O^Oquot;; /_ B =: de inhoud = 100 M2.

Bereken de zijde, die tegenover den derden hoek ligt. 15,17 M.

1884.

1. Welke waarden van x voldoen aan de vergelijking:

/ . 1 \\ n 2 8171. 2 X

sin. x tanq. x A--] \\/ o — z—;-rr—?

^ •\' sec. x.\' 1 - cos. 2 x

Antw. 60quot;. 90quot;, 120quot;, 240quot;, 270quot;, 300°.

2. Van een scheefhoekigen driehoek is gegeven: eene zijde a = 17,46, eene zijde i = 23,87 en de ingesloten hoek C = 65quot;23\'\'20quot;. Vrage de lengte der lijn, die in dien driehoek den gegeven hoek C middendoor deelt. Antw, 16,97.

3. Als van een driehoek ABC gegeven is:

cos2. A -f- cos2. B cos2. C= 1,

dan is een dier hoeken recht. Bewijs dit.

1885.

1. Bepaal de waarde van in de vergelijking;

(sin. 1 a -f- cos. l «)2 -|- sin. 2 « -f- cos. « = 0.

Antw, 135°, 180°, 270quot;, 315quot;.

2. Van een ABC zijn de zijde AB = 30, de zijde .60= 37 cM. en de hoek ^$0= 47quot;12/40//, Op AC als basis wordt eene gelijk-beenige driehoek ADC beschreven, die evenveel inhoud heeft als A ABC. Bereken l_ ADC.

Antw. 50quot;4/30//.

3. Als « y = 180quot; is, dan is

sin. 2« sin aP sin. 2y = 2 (1 cos. a cos. p cos. y).

Men vraagt het bewijs.

ocr page 47

43

1886.

1. Van een vierhoek ABCD is gegeven: AB—l,2b\\ BC—--0,15; CD = 2-, LB=\\l0o\\b\' en /_ Bereken AD.

Antw. Dit vraagstuk werd ook opgegeven in 1880 en in 1867, Zuid-Holland Is10 Ploeg. De uitkomst is 0,86596.

2. De waarden van x te vinden, welke voldoen aan de vergelijking: 6 sin 2 x ö = 3 {tg. x -f- cotg. x).

Antw. Sin.Zx—\'^, of x = 20°54/l8//,6 of 6905/41//,4 of 180°

grooter dan een van deze twee hoeken.

8. Te bewijzen dat de inhoud eens driehoeks gelijk is aan r2 eot. ^ A cot. I B cot. I C, waarbij r de straal des ingeschreven cirkels en A, B en C de hoeken des driehoeks voorstellen.

1887.

1. Bepaal x uit de vergelijking:

sin. x sin. 2x -f- sin. 3x sin. ix == O.

Antw. Sin, x = 0, of cos x = 0, of cos. x — | (— lij/ 5), dus x = 7i.lt;d0quot; of 72° of 144°.

2. Van een driehoek zijn gegeven de opstaande zijden 834,75 en 698,23 en de lijn die den tophoek middendoor deelt 725,83. Bereken de hoeken en de basis van den driehoek.

Antw. Tophoek = 34041/33//; hoeken aan de basis: 88\'gt;34/l// en 56\'gt;44/25//. De basis 475,26.

3. Van een driehoek ABC is gegeven:

sin.2 A sin.2 B — sin.2 (J.

Bewijs dat C recht is. Vergelijk 1884 en 1885.

888.

1. Van een driehoek is de basis 49 en zijn de twee opstaande zijden 40 en 21 M. lang. De langste opstaande zijde wordt door den top verlengd, en de alzoo ontstaande buitenhoek middendoor gedeeld. Welke is de lengte dezer deellijn tot aan het snijpunt met de verlengde basis, hoe lang het verlengde der basis en welken hoek vormen deze beide lijnen ?

Antw, De deellijn 68,898 M.; het verlengde der basis 54,158 M. De hoek 1403/57/\'\'.

2. Bereken x uit: tang, x — sin. x = tang. x, sin x.

Antw. Zie 1875. ,^ = 0quot; of 180quot;.

3. Bewijs dat tang. a tang. b -f- tang. c = lanrj. a. tang, b. tang. c is, als ^ rt Z ^ quot;f- Z c — \' ^0quot; is.

Antw. Zie 1867, Limburg.

ocr page 48

44

1889.

1. as op te lossen uit de vergelijking:

(sin, 2x — ^)2 — {sin. x — cos. x)2 — ^ cos. 2x.

Anhv. Sin. x=± \\ {— 1 rh K 5), eu aj = 18° of 54°.

2. Van een rechthoekigen driehoek ABC, rechthoekig in C, is gegeven de omtrek = 8,704 d.M. en = Hoe lang is elke zijde?

Antw. AB = 1,5506; AC =1,2839; BC = 0,8695 d.M.

3. Te bewijzen: r — 4 R sin. i, A sin j, B sin. \\ C, indien r en li de stralen van den in- en omgeschreven cirkel zijn en A, B en C de hoeken van een driehoek.

1890.

1. Ondersteld „/ A 4- Z B = 90quot;.

. , ,, cos. 2B — cos, 2A Bewijs: tang. A — tang. B =-:——--.

2. Van een vierhoek ABCD zijn gegeven de overstaande zijden AB = 30, CD = 11, _/ A = 45°, /,B = 56quot;8/, / G = 116quot;50/.

Bereken de diagonaal AC.

Anhv, — cota. ACB = coüi, (A -4- B) -f- ——. ^ — ———- • J ^ v 1 \' 1 30 sm, B son, (A B)\'

/ ACB = 94quot;34/43// en AC = 24,99.

3. Bepaal « uit:

tang. « colang, « = 3 sec. «.

Antw, sin. «= ^, dus «= 19quot;28/16//,4; I60o31/43//,6 enz. Zie blz. 36.

1891.

1. Bepaal de waarden van x, die voldoen aan do vergelijking:

sin. xsin. öx = |/ 3 cos. 2x.

Anhv. cos. 2a; = 0, dus « = 45quot;, 135quot;, 225°, 315°; of sin. 3« = 11/quot;3, dus x — 20quot;, 40quot;, 140quot;, 160°, 260quot;, 280°.

2. Bewijs dat in eiken driehoek, waarvan de hoeken A, B en C en de overstaande zijden a, b en c zijn:

(a amp;) sin. \\C — c cos. |(A — B).

3. Van een driehoek ABC zijn gegeven: AC = 98, BC = 205 en de ingesloten hoek C = 69quot;54/24//. Men vraagt naar den straal van den omgeschreven cirkel.

Antw. 103,541.

ocr page 49

C. Meetkunde.

Tijd 3 uren.

1866, Zuid-Holland.

lquot;8 Ploeg.

1. Hoeveel graden bevat de hoek eens sectors, wiens inhoud gelijk is aan het vierkant op den straal? Antw. 114035/29//,612494.

2. Van een kegel is het gebogen oppervlak 926,534, het grondvlak 29S,407 vierk. palm. Hoe groot is de tophoekquot;? Antw. 37034/33//,9.

3. In een afgeknotten kegel, waarvan de straal des grondvlaks 72, en die van het bovenvlak r is, wordt een bol beschreven. Hoe groot is de inhoud diens bols?

Antxv. Alleen wanneer de afstand van grond- en bovenvlak gelijk is aan 2V Tlr zal het mogelijk zijn een bol in dien afgeknotten Uegel

4 3 8

te beschrijven. De inhoud van den bol is dan ,-r.

2\',e Ploeg.

1. Van een driehoek zijn de drie zijden «, b en c gegeven. Men vraagt den straal van den omgeschreven cirkel te berekenen.

Anhv. Stelt I den inhoud van een driehoek voor, zoo is de

gevraagde straal -jj.

2. Van een metaal, welks soortelijk gewicht s is, wordt een holle kogel vervaardigd, die in het water zweeft. Zoo de middellijn buiten-zijds d is, en de kogel van binnen luchtledig wordt ondersteld, vraagt men de dikte van het metaal.

Anhv.

3\'le Ploeg.

1. In een driehoek, wiens zijden zijn a, b en c, is een rechthoek beschreven, waarvan eone zijde in de zijde a van den driehoek is gelegen en wiens omtrek is d. Men vraagt de zijden en den inhoud van dien rechthoek te berekenen.

2 ___

Anhv. Stel J. (ct-f- b-\\-c) — s en ■ ■ [/ s (s — a) (* — b) {s — c) =h

dan is de zijde, welke langs de zijde a van den driehoek valt:

2h — d a h — a 2\'

en de andere

d — 2a h h — a \' 2\'

Aan de volgende voorwaarden zal intnsschen moeten voldaan zijn:

ocr page 50

46

1°. Zoowel a2 -|- b* — c2 als fl2 — ft2 -j- c2 moet grooter zijn dan nul (geen hoek aan de zijde a mag stomp zijn);

2°. Wanneer h gt; a is, moet d lt; 2h en gt; 2a gegeven zijn; wanneer h lt; a is, moet d gt; 2h en lt; 2a gegeven zijn; wanneer h = a is, moet d — 2a gegeven zijn.

Is h = a, zoo laat het vraagstuk een onbeperkt aantal oplossingen toe.

2. In een rechten kegel, waarvan de schuine zijde a palmen en de straal van het grondvlak b palmen bedraagt, is een bol beschreven. Men vraagt het oppervlak van het bolvormig segment, dat boven den rakenden cirkel is gelegen.

. . 2nb2(a — b)2

Antw. -, , ,, .

a {a -f- b)

1866. Gelderland.

l8quot; Ploeg.

1. Van eene regelmatige vierhoekige piramide is de opstaande ribbe V 3 en de ribbe van het grondvlak 2 el; men vraagt hieruit den standhoek van het grondvlak met elk der opstaande zijvlakken te berekenen. Antw. 45quot;.

2. Van twee elkander snijdende bollen zijn de stralen 5 en 8 duim; als nu de afstand der middelpunten 7,8 duim is, hoe groot is dan het gemeenschappelijk deel van beide bollen?

Antw. De inhoud van het gemeenschappelijke dubbele segment is 68,363 n kub. duim.

3. In een rechten cirkelvormigen kegel heeft men een bol beschreven, die het grondvlak en het ronde oppervlak van den kegel raakt. Men begeert den inhoud van een tweeden bol te vinden, die den eersten bol en het ronde oppervlak van den kegel raakt, als gegeven zijn de straal van het grondvlak 12 en de schuine zijde 15 duim.

Antw. „ n kub. duim.

Jloi

4. Eene driehoekige piramide, waarvan gegeven zijn de ribben van het grondvlak a, b en c, wil men in drie gelijke deelen verdeelen door twee vlakken, die beide door den top en door het midden van de ribbe a gaan; men vraagt de deelen te berekenen, waarin de ribben b of c door die vlakken verdeeld worden.

Antw. Het eene vlak zal de ribbe b snijden in het punt dat van

2

het snijpunt der ribben a enb, b verwijderd is; evenzoo zal het andere

O

vlak de ribbe c snijden.

3de Ploeg.

1. Van een cirkelsector is gegeven de omtrek a duim en de inhoud b2 vierkante duim. Bereken hieruit den straal en druk den boog in duimen en in graden uit.

Na de oplossing 20 voor a en 24 voor b2 te substitueeren.

ocr page 51

47

I

, , ] . a±]/ a2 —löft2 rtTlX a2 — löfe2

Antw. i)e straal is------duim; de boog-------

■j . a2 -8fc2;Fal/^ aa—I662 180 ,

duim, en---graden.

Na substitutie: de straal 6 of 4 duim, de boog 8 of 12 dui.u,

240 ,540 en -of- graden.

n jr amp;

2. Zoek de oppervlakte en den inhoud van een cubus, die met een der zijvlakken in bet grondvlak en met de hoekpunten van het overstaande vlak in het ronde oppervlak van een kegel ligt, waarvan gegeven is de sohuine zijde 9 en de straal van het grondvlak 3 duim.

Antw. Oppervl. = 48 vierk. duim ; inhoud = 16 2 kub. duim.

3. Van eene afgeknotte regelmatige vierhoekige piramide is de ribbe van het grondvlak 48, die van het bovenvlak 3 en de opstaande ribbe 33,75 duim. Men vraagt de inhouden van de beide gelijkvormige afgeknotte piramiden, waarin de gegevene verdeeld kan worden door een vlak evenwijdig aan grond- en bovenvlak.

Antiv. 9072 kub. duim en 141,75 kub. duim.

4. Van een bol, wiens straal R gegeven is, heeft men een bolvormig segment afgesneden, wiens pijl h is. Druk in deze gegevens de hoogte uit van een kegel, die op het grondvlak van dit segment staat en daarmede dezelfde oppervlakte heeft.

Antw. h Y

1867. Zuid-Holland.

lBt9 Ploeg.

1. In een bolvormig segment is een kegel beschreven ; men vraagt de verhouding tusschen de ronde oppervlakken dezer twee lichamen.

Antw, Is li de straal van den bol, h de pijl van het segment, zoo

is oppervl. bolv. segm. — V zii—h X 0PPervl- kegeI

2. Eene formule te vinden ter bepaling van den inhoud van eene bolvormige schijf, uitgedrukt in de stralen van het grond- en bovenvlak en de hoogte.

Aniiv. Zijn r en r\' de stralen van grond- en bovenvlak, is h de hoogte der schijf, zoo is haar inhoud

^[/*2 3{r2 »-/2)].

3lt;ie pioeg.

1. De formule te vinden voor het oppervlak van eene bolvormige schijf, als de stralen van het grond- en bovenvlak zijn R en r en de hoogte = h. Antw. n ]/ 4/j2/-a (//,2 R2 — r2)2.

2. De straal van een ingeschreven cirkel in een regelmatigen tien-hoek, uit te drukken in den straal van den omgeschreven cirkel.

1

i

ocr page 52

48

Anhv. Is r de straal van den ingeschreven, R die van den omgeschreven cirkel, zoo is r = ^ j/ lO-f- ^ K5.

3\'1quot; Ploeg.

Den straal te berekenen van een bol, die in een gegeven bolvormigen sector kan beschreven worden.

Anhv. Is Tl. de straal, h de pijl van den sector, zoo is de gevraagde

quot;trial ^ ^ n

\' {li~hY

4\'10 Ploeg.

1. Wanneer men niet eene gegeven lijn r als straal een cirkelsector wil beschrijven, die evenveel inhoud heeft als een gegeven cirkel, die R tot straal heeft, hoeveel graden bevat dan de boog van dien sector?

R2

Anhv. — 360 graden.

2. Den inhoud te berekenen van een afgeknotten kegel, als de straal van het grondvlak het dubbel is van zijne hoogte en de schuine zijde niet het grondvlak een hoek maakt van 45quot;.

Anhv. Is h de hoogte van dien afgeknotten kegel, zoo is de 7

inhoud — h*n.

1867. Noord-Holland.

Ist0 Ploeg.

1. Een vierkant te construeeren, wanneer de som van de zijden en van de diagonaal gegeven is. \'

2. Van een regehnatigen tienhoek laat men om zijn 2\'1quot; diagonaal (dat is de koorde, die van den omgeschreven cirkel een hoog van 108° onderspant) het kleinste gedeelte omwentelen. Men vraagt naar den inhoud van het omwentelingslichaam, als de zijde van den tieuluek gegeven is.

Antw. Zij a de gegeven zijde, dan is de inhoud .-r aa ———— 3\'le Ploeg.

1. Een gelijkbeenigen driehoek te construeeren, wiens hoogte en omtrek gegeven zijn.

2. Een rechthoekig trapezium, waarvan de evenwijdige zijden a en 2a zijn, en welks hoogte h, is, wentelt om zijne schuine zijde; men vraagt naar den inhoud van liet omwentelingslichaam.

, , 7.t a2h*

Anhv. —• =.

3 1/ rlt;3 //2

ocr page 53

49

1867. Zeeland.

1. In een gelijkzijdigen driehoek, wiens zijde a is, heeft men een vierkant beschreven. Men vraagt den inhond van dit vierkant te berekenen. Antw. a2 (21 — 6 3).

2. In een bol van den straal r is een kegel beschreven, die denzelfden inhoud hoeft als het segment, dat aan het grondvlak van den kegel grenst. Welke hoogte heeft het segment ?

7-1X17

Antw. -f-r.

1867. Utrecht.

1. Bepaal de hoogte van het bolv. segra. behoorende tot den bolv. sector, waarvan het geheele opp. — a2 is, als de straal des bols = R is.

, , 2a2 .-t R* — 1/ ^7^quot; 4tt a2 R2 - a*

Amw. -p—n-

bn R

2. Met het hoekpunt A van een regelmatigen tetraëder jj^j)

middelpunt en de ribbe AB tot straal, is een bol beschreven. Bereken den inhond des bolv. driehoeks BCD als de ribbe des tetraëders 2 palm is, en de te berekenen hoeken slechts tot in minuten benaderd worden.

Antw. vierk, palm.

3. Bewijs, dat de inhoud eener afgeknotte piramide gelijk is aan een zesde der hoogte vermenigvuldigd met de som van grondvlak, bovenvlak en 4maal de doorsnede der piramide met een vlak, dat evenwijdig is met het grondvlak, in het midden der hoogte. Als bekend wordt aangenomen de inhoud eenor piramide uitgedrukt in basis en hoogte.

1867. Overijsel.

1. Drie rechte lijnen snijden elkander onder de scherpe hoeken «, /5 en y. Een stuk van de eerste lijn, van gegeven lengte w, wordt op de tweede geprojecteerd, deze projectie op de derde lijn, de tweede projectie op de eerste lijn enz. tot in het oneindige. Hoe groot is de som der lijn m en van al hare projectiën ?

14- cos. ct 4- cos. « cos.

Antw. tn. —;-----

1 — cos. « cos. p cos. y

2. Wanneer de zijde des regelmatigen twaalfhoeks als eenheid genomen wordt, begeert men daarin den inhoud uit te drukken,

Antw. 6 -f- 3 )/ 3.

3. Wanneer van eene afgeknotte piramide gegeven is het grondvlak = 100 Q palm, het bovenvlak = 10 fj palm en de hoogte = 6 palm, vraagt men de verhouding van de inhouden der deelen te vinden, waarin dit lichaam verdeeld wordt door een vlak, dat op twee palm afstands van het grondvlak, evenwijdig aan het grondvlak, gebracht wordt

Antw. De inhouden verhonden zich als 61 tot 50.

4

ocr page 54

50

4. Bereken den inhoud van het lichaam, voortgebracht door de omwenteling van een cirkelsegment om eene middellijn, die door het uiteinde van den boog gaat, wanneer gegeven is, dat de koorde van het segment de zijde is van den ingeschreven regelmatigen driehoek.

3

Antw. Zij r de straal van den cirkel, zoo is de gevraagde inhoud — nra.

1867. Groningen.

I516 Ploeg.

1. Van een rechthoekigen driehoek ABC is de rechthoekszijde

= 20 en de rechthoekszijde BC = 15 Ned. duim Men vraagt den afstand van den hoek C tot het middelpunt van den ingeschreven cirkel. Anke. 5 ]/ 5 duim.

2. Men heeft van kneedbare stof een afgeknot driehoekig prisma, waarvan de zijden van het grondvlak 13, 14 en 15 Ned. duim zijn, terwijl de ribben loodrecht op het grondvlak staande, 27, 36 en 48 Ned. duim zijn. Wanneer men deze stof wil vervormen tot een regelmatig octaëdrum, hoe groot is dan de as? Antw. 26,52 duim.

3. Een driehoek, wiens zijden 26, 28 en 30 Ned. duim zijn, wentelt men om eene as evenwijdig aan en op een afstand van 8 Ned. duim van de langste zijde. Hoe groot is dan de inhoud van het door omwenteling ontstane ringvormige lichaam\'? Antw. 10393,6^ kub. duim,,

3\'10 Ploeg.

1. Om en in een rechthoekigen driehoek, wiens rechthoekszijden 12 en 16 duim zijn, is een cirkel beschreven: men vraagt naar den afstand der middelpunten van deze cirkels. Antio. [X 20 duim.

2. Ecu cirkelsegment, waarvan de projectie van den boog op eene as 6 duim is, terwijl de uiteinden der koorde 14 en 21 duim van genoemde as verwijderd zijn, wordt om dien as gewenteld; men vraagt den inhoud, welke door die omwenteling ontstaat.

Antw. Is R de straal van den cirkel; sin /3 = terwijl 3

u Jl

wordt uitgedrukt in graden, dan is de gevraagde inhoud:

4 it R* ^iL2 17,5 [/85 -3 1/ 4 R* — 85 \\

]/ 85 180V K )

—-^J/ i Rquot; — 85 (l7,5]/quot;85 —}/ —Böj.

ï 3, Uit een bol, wiens straal — a is, heeft men een cirkelvormigen bolvonnigen sector gesneden, waarvan de tophoek = 60quot; is. Hoe groot zullen lt;le ribben van een tetraëdrum zijn, welks inhoud gelijk is aan dien van den bovengenoemden sector?

Antw. 2jt (2 V 2 — V 6).

\'

ocr page 55

51

1867. Limburg.

1. Bewijs dat, waaneer een rechte liju loodrecht op een vlak staat, de projectie van die lijn op een ander vlak loodrecht op de snijlijn der twee vlakken staat.

2. Bepaal den kortsten afstand van twee rechte lijnen, welke elkander kruisen.

3. Van eene driehoekige piramide hebben de opstaande zijvlakken elk een tophoek vau 60°. Indien nu de opstaande ribben 1, 2 en 3 palm lang zijn, vraagt men den inhoud dezer piramide te berekenen.

Aniw. ^ 2 kub. palm.

4. Bewijs, dat twee driehoekige piramiden van gelijke basis en gelijke hoogte gelijken inhoud hebben.

5. Wanneer van een kegel de hoogte h en de schuine zijde s gegeven zijn, hoeveel graden bevat dan de hoek van den cirkelsector, die door de ontwikkeling van het ronde oppervlak ontstaat?

6. Te bewijzen dat de inhoud van het lichaam, dat voortgebracht wordt door de omwenteling van een driehoek om een zijner zijden, gevonden wordt door den inhoud dezes driehoeks te vermenigvuldigen met het één derde van den omtrek des cirkels, die door het zich bewegende toppunt doorloopen wordt.

7. Van een bol, wiens straal R gegeven is, wil men een bolvormig segment afsnijden, welks rond oppervlak gelijk is aan den inhoud van een grooten cirkel des bols. Hoe groot moet de straal van het grondvlak van dit bolvormig segment zijn 7 Antw.

1868.

1. Op een holle cilindervormige buis rust een bol; de hoogte van het ingezonken segment is gelijk aan den halven straal r der cirkelvormige opening. Men vraagt den inhoud te bepalen van het ingezonken, alsmede van het boven de buis uitstekende segment.

13

Anttu. De inhoud van het ingezonken segment is -r^Tcr3; de inhoud

4:0

7

vau het boven de buis uitstekende segment is 7rjt?,a.

O

2. Den inhoud te berekenen van een kubus, beschreven in een rechten cirkelvormigen kegel, zoodat de hoekpunten van het bovenvlak liggen in het oppervlak des kegels; en het grondvlak van den kubus, in het grondvlak des kegels. De straal van het grondvlak des kegels is = E, de hoogte — H.

8 Ra TP

Antw. ^2 P -f- JT y 2)3\' Gelderland, 2\'\'quot; Ploeg.

ocr page 56

52

1869.

1. De lijn te construeeren, wier lengte is aangewezen door de formule x — ^/b (ab cd), waarin a, b, c en d gegeven lijnen voorstellen.

2. Binnen een regelmatig achtvlak ligt een cilinder zoodanig, dat de omtrekken van grond- en bovenvlak de zijvlakken van den octaëder raken in hun zwaartepunten. Als de ribbe van het achtvlak n is, hoe groot is dan de inhoud van den cilinder?

Antw. jra8.

3 Hoe ver moet het oog van het middelpunt eens bols verwijderd zijn om —de gedeelte van de oppervlakte des bols te kunnen overzien ?

• 71V

Antiv. Is r de straal van den bol, zoo is de gevraagde afstand

n—2

1879-

1. Een driehoek middendoor te deelen door eene lijn, die door een gegeven punt van eene der zijden gaat.

2. Den inhoud te berekenen van de stukken, waarin een bol, welks straal R is, verdeeld wordt door een cilinder, welks as door het middelpunt van den bol gaat en die een straal r heeft.

Antw De inhoud van het stuk, door het cilinderoppervlak uit den

4 4 £ .

bol gesneden, is —n R3 — {ll2—r2y ■, de inhoud van het overige

4 3-

gedeelte van den bol — — r2)2.

3. De verhouding te vinden tusschen de inhouden der beide omwentelingslichamen, die worden voortgebracht door een zelfde rechthoekig trapezium, wanneer het beurtelings om eene der twee niet evenwijdige zijden wentelt.

Antiv. De inhoud van het lichaam is omgekeerd evenredig aan de lengte der zijde, door de wenteling waarom het ontstaan is.

1871.

1. Een gegeven cirkel door concentrische cirkels in zeven gelijke deelen te verdeelen.

2. In een bol is een kegelvormig gat, zoodanig, dat de top van den kegel in het oppervlak van den bol ligt, terwijl de as door het middelpunt van den bol gaat. Als nu de inhoud van het overblijvende gedeelte driemaal grooter is dan die van de in den bol gemaakte opening, hoe groot is dan de straal van het grondvlak van den kegel?

Antw. Is R de straal van den bol, dan is de gevraagde straal

— 3 \\/12. »Driemaal grooter danquot;, lees: driemaal zoo groot dan-

3. Bereken den inhoud van een regelmatig twintigvlak, welks ribbe

• , , 5(3 1/ 5) 8 « is. Antw. —-—-- a3.

ocr page 57

53

1873.

1. Een vierhoek te construeeren, als gegeven zijn drie zijden en de hoeken aan de vierde zijde.

2. Een kegel is met zijn top in een der hoekpunten van een gegeven kubus geplaatst, terwijl de omtrek van zijn grondvlak door het midden gaat van de drie ribben, die in het tegenovergestelde hoekpunt van den kubus samenkomen. Men vraagt den inhoud van dien kegel te bepalen, als de ribbe van den kubus gegeven is.

Antw. Zij a de ribbe van den kubus, zoo is de gevraagde inhoud

\'6. Uit een punt F, gelegen op het verlengde van de middellijn AB van een halven cirkel, is eene lijn getrokken, die den halven cirkel in een punt C raakt. Indien nu Ali = 2u en boog iyC=60o is, vraagt men het oppervlak en den inhoud te berekenen van het lichaam, dat ontstaat door de wenteling van de figuur ACP om de lijn AF.

9 tjc ct^ 3

Antw. Het gevraagde oppervlak is - ; de inhoud —jt«3.

Z Ij

1873.

1. Indien men uit een der hoekpunten van een parallelogram lijnen trekt naar de middelpunten van de twee zijden, die den tegenoverge-stelden hoek insluiten, en de beide middelpunten door eene rechte lijn vereenigt, dan vraagt men de verhoudiug van de inhouden van den driehoek, door die drie lijnen gevormd, en van het geheele parallelogram te bepalen. Antw. jj.

O

2. Aan twee cirkels, die elkander uitwendig raken en waarvan de stralen R en r gegeven zijn, is eene gemeenschappelijke raaklijn getrokken. Bereken den inhoud van het lichaam, dat ontstaat door de figuur, welke begrensd wordt door de raaklijn en de cirkelbogen, begrepen tusschen hunne raakpunten met de rechte lijn en hun gemeenschappelijk raakpunt, te laten omwentelen om de lijn, die de middelpunten vereenigt.

1874.

1 Op eene gegeven lijn als hypothenusa is een rechthoekige driehoek geconstrueerd, welks zijden eene gedurige meetkundige evenredigheid vormen. Men vraagt eene uitdrukking te vinden voor eene der recht-hoekszijden en naar aanleiding van deze den driehoek te construeeren.

Antw. Als a de lengte der gegeven lijn voorstelt, zijn de recht-

ocr page 58

54

2. Een regelmatig viervlak en achtvlak hebben gelijke oppervlakken. Welke is de verhouding van hunne inhouden ?

Antw Het achtvlak heeft een ]/ 2 maal zoo grooten inhoud dan het viervlak.

3. In en om een gelijkzijdigen driehoek zijn cirkels beschreven. De figuur wentelt om de middellijn, die door een der hoekpunten gaat. Men vraagt den inhoud der verschillende deelen te berekenen, waaruit het omwentelingslichaam is samengesteld, als men den straal des grootsten cirkels K noemt?

15 23

Antw. De gevraagde inhoudt n zijn : - n R3, R3 en jr Ra.

1875.

1. Van een gelijkbeenig trapezium, waarin een cirkel kan beschreven worden, zijn de evenwijdige zijden a en b gegeven. Men vraagt:

a. dit trapezium en den ingeschreven cirkel te construeeren, benevens den vierhoek, die de raakpunten des cirkels tot hoekpunten heeft;

b. den inhoud van dezen vierhoek uit. te drukken in «en b;

c. een gelijkzijdigen driehoek te construeeren, die denzelfden inhoud heeft als laatstgenoemde vierhoek.

Anito. De inhoud van den vierhoek is —lt;^-—r V ah.

a-\\-b

2. Als een regelmatige vijfhoek, beschreven in een cirkel, welks straal 1 meter is, om eene middellijn wentelt, die door een zijner hoekpunten gaat, vraagt men het oppervlak en den inhoud te bepalen van het omwentelingslichaam, dat hierdoor ontstaat.

Antw. Het oppervlak is 10,28 vierk. meter; de inhoud 2,7725 kub. meter.

3. Een bol rust in een rechten kegel, welks as loodrecht staat terwijl de top naar beneden is gekeerd. Het grondvlak van den kegel is gelijk aan het oppervlak van den bol; de inhoud van den kegel is 2\\ {p) maal grooter dan de inhoud van den bol, die 16 [q) kub. decin, is. Bereken den afstand van het middelpunt van den bol tot den top van den kegel.

Antw. De afstand is j-\\/quot; p2-j-4 6 g = 2,53 decim.

Met -!gt;[) maal grooter danquot; wordt hier bedoeld; p maal zoo groot dan.

1876.

1. Beschrijf in een gegeven vierkant, welks zijde a is, een gelijk-beenigen driehoek, welks inhoud een vierde gedeelte van dien van het vierkant bedraagt, zoodanig, dat de top van den driehoek ligt in een der hoekpunten van het vierkant en dat de uiteinden der basis van den driehoek in de zijden van het vierkant gelegen zijn. Laat deze constructie op berekening gegrond zijn.

ocr page 59

55

2. Op de zijde van een gelijkzljdigen driehoek als middellijn wordt een halven cirkel beschreven. Men vraagt naar den inhoud van het omwentelingslichaam, dat ontstaat door het gedeelte van den driehoek, dat buiten den halven cirkel ligt, om de middellijn te laten wentelen.

Antw. Is a de zijde van den gelijkzijdigen drieiioek, dan is de

5

gevraagde inhoud n a3.

3. Van een biconvex lensvormig lichaam i.s de dikte 5 centim. en zijn de stralen van de bolvormige oppervlakken, die het begrenzen, 55 en 37,5 centim. Men vraagt den inbond van het lichaam te berekenen.

Antw. 1714,79 kub, centim.

1877.

1. Construeer een gelijkzijdigen driehoek, die evenveel inhoud beeft als een gegeven trapezium.

2. In een bol is een regelmatig tetraëder beschreven, welks ribbe a is. Men vraagt den inhoud te berekenen van de beide segmenten, waarin de bol verdeeld wordt door een vlak, samenvallende met een der zijvlakken van het tetraëder.

5 7

Antw. aBV ü en TrrprJt aa V 6-54 21b

8. Twee kegels liggen binnen een bol ; zij hebben denzelfden top, en de beschrijvende lijnen van den eenen zijn de verlengden van die des anderen ; de omtrekken der grondvlakken liggen op het oppervlak van den bol. De straal van den bol is 29 centim., de afstand van de grondvlakken der beide kegels bedraagt 41 centim., en de afstand van den gemeenschappelijken top tot het middelpunt des bols 1 centim. Men vraagt den inhoud van het omwentelingslichaam, dat door de beide kegel/lakken en door het oppervlak van den bol begrensd wordt.

Antw. 22973f .t kub. centim.

1878.

1. Bewijs dat de diagonalen van een regelmatigen vijfhoek elkander in de uiterste en middelste reden verdeden, en dat het grootste stuk gelijk is aan de zijde van den vijfhoek. Construeer met behulp van deze eigenschap een regelmatigen vijfhoek, welks zijde gegeven is.

2. Van een kubus wordt een driehoekige piramide afgesneden, waarvan de top gelegen is in een der hoekpunten van den kubus en de opstaande ribben met die van den kubus samenvallen. Indien die opstaande ribben alle gelijk zijn, vraagt men naar de hoogte der piramide en naar de plaats waar haar grondvlak de ribben van den kubus snijdt, als de inhoud der piramide een zesde bedraagt van dien van den kubus.

Antw. Noemt men de ribbe van den kubus a. dan is de hoogte

der piramide ^ 3, en haar grondvlak gaat door de drie hoekpunten van den kubus om den top.

ocr page 60

56

3. Op liet oppervlak van een bol zijn een groote en een kleine cirkel getrokken, die elkander raken en welker vlakken een hoek van 30u met elkander maken.

Hoe groot zijn het ronde oppervlak en de inhoud van het gedeelte van den bol, tusschen die beide vlakken begrepen, indien het oppervlak van den bol als eenheid van vlaktemaat en de inhoud van den bol als eenheid van inhoudsmaat worden aangenomen ?

Antw. Het oppervlak —; de inhoud

1879.

1. Uit een punt D van de zijde AB van een driehoek ABC is eene lijn DE getrokken, evenwijdig met AC. Uit B eene lijn te trekken, die AC in G en DE in F snijdt, zoodat de driehoeken DBF en BGC denzelfden inhoud hebben.

2. Van een lichaam is het grondvlak een rechthoek; de opstaande zijvlakken, die door de langste zijden van liet grondvlak gaan, maken met dit laatste hoeken van 30°, terwijl de beide andere zijvlakken, gaande door de kortste zijden van den rechthoek, met het grondvlak hoeken van 60quot; maken. Men vraagt den inhoud van het lichaam, als de zijden van het grondvlak a en ^ zijn,

Antw, Als a de langste zijde is, — b1 (a —^ 3.

3. Uit een punt C, gelegen op het verlengde van de middellijn AB eens halven cirkels, is eene lijn getrokken, die den halven cirkel in D raakt. Als nu de straal van den cirkel MA = r en de lijn MC = a gegeven is, vraagt men de inhouden te berekenen van de lichamen voortgebracht door de wenteling der figuren CDB en CDA om de lijn CB.

I T* 1

Antic. 77 n— (ci r)2 en - x — (ct — r)2.

ó Ct ó ct

1880.

1. Van een gelijkbeenigen driehoek is gegeven de hoogte h en de straal van den ingeschreven cirkel r. Men vraagt door berekening en door constructie de basis en de opstaande zijden van den driehoek te vinden

Antw.

f It f If De basis = 2r \\/ -—-ijp de opstaande zijde = (/lt; — gt;•) -

1

Van een kubus wordt door een vlak, dat loodrecht staat op een der diagonalen, eene driehoekige piramide afgesneden. Men vraagt de verhouding te bepalen tusschen de stukken, waarin de diagonaal door dat vlak wordt verdeeld, wanneer het oppervlak der piramide deel van dat van den kubus is.

Antw. 1 tot — \\ -\\- V (18 -f 6 1/ 3).

ocr page 61

57

van dien des ingeschreven bols. Men vraagt de verhouding te berekenen, 1°. tusschen den inhoud van den afgeknotten kegel en dien van den ingeschreven bol; 2quot;. tusschen de segmenten, waarin de bol door den raakcirkel verdeeld wordt.

Antw. lü. 2Ü. Zie 18G6 Zuid-Holland, lBlc Ploeg.

1881.

1. Aan twee elkander in C uitwendig rakende cirkels, welker stralen \'da eu a zijn, trekt men eeue raaklijn, die de beide cirkels respectievelijk raakt in A en B. Bepaal den inhoud van den driehoek, die ontstaat, als C met A en B vereenigd wordt.

Antw. - d\' V 3.

Een bol rust op een horizontaal vlak; in de verticaal, die door het middelpunt gaat, bevindt zich een lichtgevend punt. Hoe groot is de afstand van dit punt tot het middelpunt van den bol, als het verlichte gedeelte van het bolvormig oppervlak even groot is als de schaduw, die de bol op het horizontale vlak werpt?

Antw. r ^5-|-17^, als r = de straal van den bol,

3. Van een gelijkbeenig trapezium is elke hoek aan eene der evenwijdige zijden 45quot;, de kleinste der evenwijdige zijden = a, en elke der opstaande zijden = b.

Bepaal de verhouding van de inhouden der omwentelingslichamen, die beschreven worden, als men achtereenvolgens dit trapezium wentelt om de kleinste der evenwijdige zijden, om de grootste der evenwijdige zijden en om eene der opstaande zijden.

Na de oplossing a — b te stellen.

\'óct^

Antw. 3 a 2 6 1/ 2 tot H a -t- ö K 2 tot 3 a I/ 2 2 b -\\—^ Als a — b wordt de verhouding: 3 -f- 2 2 tot 3 -j- 1^ 2 tot 5 -j- 3 2.

1882.

1. Wanneer men uit het hoekpunt B van den driehoek ABC eene lijn trekt, die de zijde AC in D ontmoet, zoodanig dat ABD gelijk is aan ^ C, vraagt men de stralen te berekenen van de cirkels, die in en u)ii de driehoeken ABD en BDC kunnen beschreven worden. De zijden van den driehoek ABC zijn a, b en c.

Antw. Als 1 voorstelt de inhoud van den driehoek ABC, dan zijn

^ C Cl

de stralen voor driehoek ABD; -—7—;—. en -—y en voor driehoek

a 0 c b 4/

2 1 b —c aquot;2 c

BCD: ——- —-— en

a -\\- b — c b Al

2. Van eene regelmatige vijfzijdige piramide is eene zijde van het

ocr page 62

58

grondvlak = a. Men weet tevens, dat, als de opstaande zijvlakken om de ribben van het grondvlak worden neergeslagen, tot zij in het vlak, waarop het grondvlak rust, komen te liggen, de opstaande ribben in het verlengde der zijden, van den vijfhoek zullen komen. Men vraagt den inhoud dezer piramide.

Antw. aa{5 -]-2 V 5).

8. Twee raaklijnen aan een cirkel, waarvan de straal r is, ontmoeten elkander onder een hoek van 60quot;. De figuur, ingesloten door de twee raaklijnen en den kleinsten boog des cirkels tusschen de twee raakpunten begrepen, wentelt ora de middellijn des cirkels, die door een der raakpunten gaat. Men vraagt den inhoud van het lichaam, dat door deze wenteling ontstaat.

Antw. ~nr3.

Li

1883.

1. Een gelijkbeenig trapezium in twee deelen van gelijken inhoud te verdeelen door eene lijn, die evenwijdig is met eene diagonaal.

2. Om een rechten cirkelkegel, waarvan de hoogte h en de straal van het grondvlak r is, is een bol beschreven. Beide lichamen worden gesneden door ee.i plat vlak, evenwijdig met het grondvlak van den kegel, zoodat de inhouden van de cirkels, volgens vvelke de bol en de kegel worden .gesneden, zich verhouden als n tot 1. Op welken afstand van den top moet het snijvlak aangebracht worden?

h? -4- r2

Antw. Op den afstand h. ,, ,——=-.

h1 n r

3. De top van een rechten cirkelkegel, waarvan de schuine zijde 4, de hoogte 3 is, valt samen met het middelpunt van een bol. Hoe groot moet de straal van dezen bol zijn, opdat de inhoud van het deel van den bol, dat buiten den kegel ligt, gelijk zij aan tweemaal het deel van den kegel, dat buiten den bol ligt ?

Anho. 252 = 2,105.

1884.

1. Eene koorde snijdt de middellijn eens cirkels onder een hoek van 45°. Men vraagt te bewijzen, dat de som van de vierkanten der stukken, waarin de koorde door het snijpunt verdeeld wordt, gelijk is aan tweemaal het vierkant van den straal.

2. De straal van een bol is in de uiterste en middelste reden verdeeld ; het grootste stuk ligt aan het middelpunt. Door het deelpunt is een vlak gebracht, loodrecht op dien straal. In het grootste bol-segment, hetwelk dit vlak van den bol afsnijdt, is eene regelmatige vierzijdige piramide beschreven, waarvan de top ligt in het oppervlak van het bolsegment en het grondvlak in het loodrechte vlak. Bepaal van deze piramide den inhoud en het geheele oppervlak.

ocr page 63

59

Antw. Als r de straal van den bol is : Inhoud = ra en oppervlak = r2 (— 1 K 5) -f- r2 K (10 -f 2 1/quot; 5).

3. Op den bodem van een hollen cilinder, wiens hoogte gelijk is aan den straal van het grondvlak, is een halve bol geplaatst, wiens benedenvlak juist den bodem van den cilinder bedekt. De overgebleven ruimte is voor de helft met water gevuld. Hoe hoog staat het water boven het grondvlak des cilinders?

Anttc. Als r de straal is, ^ hoog.

1885.

1. Gevraagd een driehoek te construeeren, als gegeven zijn : de lijn, die den tophoek middendoordeelt; de lijn, die den top met het midden der basis vereenigt, en het stuk van de basis, dat tusschen de uiteinden dezer gegeven lijnen ligt.

2. Van een rechten cirkelvormigcn kegel met een tophoek van 60° is de straal van het grondvlak gegeven. In dezen kegel een cilinder te beschrijven, waarvan de inhoud gelijk is aan den inhoud van den bol, die in den overblijvenden kegel kan beschreven worden.

4

Antxo. De hoogte van den cilinder moet van die des kegels zijn.

O 1

3. Van een cubus wordt door vlakken, welke loodrecht zijn op de diagonalen, aan elk der hoekpunten een even groot stuk afgesneden en wel zoodanig, dat het oppervlak van het overblijvende lichaam 5/6 deel van het oppervlak van den cubus is. Hoe groot is de inhoud van het overblijvende lichaam, wanneer de inhoud van den cubus als eenheid wordt aangenomen ?

Antw. 0,8833.

1886.

1. Op AB als middellijn is een halve cirkel beschreven; twee willekeurige koorden AD en BC snijden elkander in P. Te bewijzen: AB2 = AD X AP -f- BC X BP.

2. Aan de uiteinden A en B van een cirkelboog ACB zijn raaklijnen getrokken, die elkaar snijden in D. De punten A en B zijn met het middelpunt M van den boog ACB vereenigd, de hoek M is 45° en MA = r. De figuur MADB wentelt om MA als «s Bepaal de inhouden der lichamen die ontstaan door de wenteling van den driehoek AMB, van het cirkelsegment ACB en van de figuur ADBC.

Antw. r8; i (3 — 2 V 2);t r3; i (10 - 7 1/ 2) jr r3. b b o

3. In het grondvlak van eene regelmatige vierzijdige piramide, waarvan elke ribbe a is, heeft men een cirkel beschreven; op dezen cirkel is een rechte cilinder beschreven, welks cilindervlak de opstaande ribben snijdt. In het vierkant waarvan deze snijpunten de hoekpunten zijn, heeft men eveneens een cirkel beschreven. Men vraagt den inhoud

ocr page 64

60

te bepalen van den afgeknotten kegel, waarvan deze cirkels het gronden bovenvlak zijn.

Antw. (— 1 2]/ 2) na3.

1887.

1. In en om zeker trapezium, waarvan de evenwijdige zijden a en h lang zijn, kan een cirkel worden beschreven.

Bewijs dat de middellijn vau den ingeschreven cirkel = 1/ ab is.

2. Wanneer men in een halven cirkel twee gelijke cirkels trekt, die elkander, den boog van den halven cirkel en de middellijn raken, en in het overblijvende deel, dat door de drie cirkels wordt begrensd, nog een cirkel trekt, die de drie cirkels raakt, vraagt men de verhouding te berekenen van den straal van dien laatsten cirkel en dien der gelijke cirkels.

Antw. 2 — |/ 2 tot 1.

3. Een driehoek ABC, rechthoekig in C, wordt door eene lijn CD, die den rechten hoek middendoor deelt in twee driehoeken ACD en BCD verdeeld. Door het punt C wordt in het vlak van den driehoek eene lijn loodrecht op CD getrokken. Als de driehoek om de laatste lijn wentelt, bepaal dan de verhouding van de inhouden der twee lichamen door de driehoeken ACD en BCD beschreven. De rechthoekszijden zijn a en Lgt; lang.

Antw. a3 -|- \'óa2b tot 3ab2 b3.

1888.

1. Construeer een driehoek, waarvan de hoeken zich verhouden als 1, 2 en 3, met een oppervlak gelijk aan dat van een gelijkzijdigen driehoek met eene zijde a.

Antiv. De driehoek is rechthoekig en zijne hypothenusa ~a]/ 2.

2. In een driehoek zijn 3 lijnen getrokken die den tophoek in 4 gelijke deelen verdeelen ; als de basis daardoor zoodanig verdeeld wordt dat de op elkander volgende deelen tot elkander in reden staan als de getallen 2, 1, 1, 2, hoe groot is dan de tophoek ?

Antw. 120°.

3. Op het bovenvlak van een afgeknotten kegel staat een cilinder met hetzelfde grondvlak als het bovenvlak van den afgeknotten kegel. De hoogte van den cilinder is gelijk aan de hoogte van den afgeknotten kegel; de straal van het bovenvlak is = r; de inhouden der lichamen staan tot elkander als p : q. Hoe groot is de straal van het grondvlak van den afgeknotten kegel ?

Antw. ~ 1 ~ ]/ 12 pq —3p2j.

ocr page 65

61

1889.

1. In een gegeven cirkel, die M tot middelpunt heeft, is AB eene middellijn en C een gegeven punt, op de middellijn gelegen tusschen A en M. Door het punt C is eene lijn CD getrokken loodrecht op AB. Men vraagt door het punt A eene koorde AE te trekken, die de loodlijn CD snijdt in een punt F zoodanig, dat het stuk FE eene gegeven lengte h heeft. AM = r en AC = a.

Anho. De driehoeken ADF en ADE ziin geliikvormig. AE = iö l/ 2ra-\\-\\h2.

2 ABCD is een parallelogram. De cirkel, die door de hoekpunten A, B en D gaat, snijdt de diagonaal AC of haar verlengde in E. Bewijs dat

AB* AD* =ACX AE.

3. Van eene regelmatige, vierhoekige piramide is elke ribbe vau het grondvlak 10 d.M. en de hoogte 12 d.M. Op welken afstand van den top moet een vlak, evenwijdig aan hel grondvlak, gebracht worden, opdat in de overblijvende afgeknotte piramide een bol kunne beschreven worden; en welke is de verhouding tusschen de inhouden van dien bol en de afgeknotte piramide?

Antw. 51. d.M.; 18 jr : 133.

1890.

1. in driehoek ABC, rechthoekig in C, trekt men de lijn CD loodrecht op AB. Te bewijzen, dat het oppervlak van den ingeschreven cirkel van driehoek ABC gelijk is aan de som van de oppervlakken der ingeschreven cirkels van de driehoeken ACD en BCD.

2. Een rechthoekigen driehoek te construeeren, waarvan de omtrek en het oppervlak gegeven zijn.

3. Van een rechten cirkelvormigen kegel is de straal van het grondvlak r en de schuine zijde .s\\ Op welken afstand vau den top in de schuine zijde moet deze kegel gesneden worden door een vlak, evenwijdig aan de basis, opdat de totale oppervlakken van elk der deelen, waarin de kegel wordt verdeeld, gelijk zijn.

Den gevraagden afstand na berekening te construeeren.

Antw. Op den afstand ^ \'S\'.

1891.

1. Door de hoekpunten van een gelijkbeenigen driehoek ABC gaat een cirkel. Uit den top C is eene lijn getrokken, die den cirkel in D en de basis in E snijdt. Bewijs dat eene opstaande zijde des driehoeks middenevenredig is tusschen CD en CE.

2. Een driehoek te construeeren als gegeven zijn de tophoek en de hoogte, terwijl de stukken, waarin de basis door de hoogtelijn verdeeld wordt, zich verhouden als twee gegeven lijnen.

3. Op de as van een kegel, waarvan de hoogte gelijk is aan de

ocr page 66

62

middellijn van het grondvlak, is als middellijn een bol beschreven. Men vraagt hoe groot het stuk van den bol is, dat buiten den kegel ligt, en hoe groot de stukken zijn, waarin het vlak van de doorsnede van kegel- en boloppervlak den bol verdeelt.

Antio. Als I de inhoud van den bol voorstelt, dan ligt ^ I buiten den kegel en zijn de bedoelde stukken I en I.

D. Beschrijvende Meetkunde.

Tijd 3 uren.

1866. Zuid-Holland.

l8\'8 Ploeg-.

1. Door een gegeven punt eene lijn te trekken, die gegeven hoeken met de projectie-vlakken maakt.

2. Door een gegeven lijn een vlak te brengen, dat met een gegeven vlak een gegeven hoek maakt.

3. De projectiën eener regeltnatige vierhoekige piramide te constru-eeren, die met een der zijvlakken op het horizontale vlak ligt, en waarvan grondvlak en hoogte gegeven zijn.

S\'1quot; Ploeg.

1. De doorsnede te bepalen van twee vlakken, waarvan noch de horizontale, noch de vertikale doorgangen elkander in het vlak van teekening snijden.

2. Door een gegeven punt een vlak te brengen, dat gegeven hoeken met de projectie-vlakken maakt.

3. Een kubus te projecteeren, die met een der ribben in het horizontale vlak ligt, terwijl de aangrenzende rib ben hoeken van 45° met het vertikale vlak maken.

3\'\'c Ploeg.

1. Van elk van twee vlakken vallen de doorgangan in elkanders verlengde: bovendien gaan de vier doorgangen door eenzelfde punt van de as. Men vraagt de gemeene doorsnede te bepalen.

2. Door eene lijn evenwijdig met een vlak, een vlak te brengen, hetwelk met dat vlak een gegeven hoek maakt.

3. Van een rechthoekig parallelepipedum, dat op een gegeven hellend vlak rust, is de horizontale projectie van een der ribben van het grondvlak en de ware lengte van de ribben, die aan deze grenzen, gegeven.

Men vraagt de horizontale en verticale projectiën van het parallelepipedum.

ocr page 67

63

1866. Gelderland.

lste Ploeg.

1. Van twee vlakken zijn de horizontale doorgangen evenwijdig aan elkander, en van een derde zijn de beide doorgangen evenwijdig aan de as; men vraagt het punt van doorsnijding dezer drie vlakken te construeeren.

2. Van twee lijnen, die elkander snijden, is de eerste evenwijdig aan het horizontale en de tweede evenwijdig aan het verticale vlak: men vraagt de hoeken te vinden, waaronder deze lijnen elkander snijden.

3. Eene driehoekige piramide rust met een zijvlak op het horizontale vlak. Men vraagt de projectiën van dit lichaam te bepalen, zoo het om eene lijn, in het horizontale vlak liggende en door een der hoekpunten gaande, opwaarts wordt bewogen, totdat het grondvlak een gegeven hoek met het horizontale vlak maakt.

2 le Ploeg.

1. Construeer de gemeene doorsnede van twee vlakken, die zoodanig gegeven zijn, dat van ieder de beide doorgangen in elkanders verlengde vallen. Bepaal ook de projectie dier doorsnede op het tweede verticale vlak (derde projectie vlak).

2. Eene lijn loopt evenwijdig aan een hellend vlak; men vraagt door de lijn een vlak te brengen, loodrecht op het gegeven vlak.

3. In een gegeven hellend vlak ligt een vijfhoek, waarvan twee hoekpunten in het eerste, één hoekpunt in het ticeede en de twee laatste in het vierde quadrant vallen. Zoo de horizontale projectie diens veelhoeks gegeven is, vraagt men vooreerst de verticale te bepalen, en daarna de figuur om den horizontalen doorgang des vlaks op het horizontale vlak neer te slaan.

1866. Zuid-Holland.

Is10 Ploeg.

1. Het punt te bepalen, waarin eene gegeven lijn een gegeven vlak ontmoet

2. In de as van projectie het punt te vinden, dat even ver verwijderd is van elk van twee gegeven punten.

3. Den hoek te bepalen, dien eene gegeven lijn maakt met een gegeven vlak.

4. Op het horizontale vlak van projectie is eene driehoekige piramide geplaatst. De piramide wordt gesneden door een vlak, dat loodrecht is op het horizontale en een hoek van 45quot; maakt met het vertica\'e vlak van projectie. Men vraagt de verticale projectie der doorsnede te construeeren.

3\'quot; Ploeg.

1. In een gegeven lijn de punten te bepalen, die even ver van de beide vlakken van projectie verwijderd zijn.

2. Het punt van de as van projectie te bepalen, dat even ver verwijderd is van elk van twee elkander snijdende vlakken.

ocr page 68

64

3. Door eene gegeven lijn een vlak te brengen, dat loodrecht is op een gegeven vlak.

4. Op een vlak, dat evenwijdig is aan de as van projectie, is een cubus geplaatst. Een der hoekpunten van het grondvlak van den cubus ligt in den horizontalen doorgang van het vlak, terwijl een der ribben een hoek van 30° vormt met den doorgang. Men vraagt de verticale projectie van den cubus te bepalen.

3\'1quot; Ploeg.

1. Den hoek te bepalen, welken twee lijnen met elkander maken.

2 Twee vlakken hebben denzelfden verticalen doorgang. Men vraagt te bepalen den standhoek van den tweevlakkigen hoek, dien deze vlakken met elkander vormen.

3. De lijn te bepalen, die in een gegeven vlak ligt en loodrecht is op eene lijn, mede in het vlak gelegen.

4, Een rechthoekig parallelepipednm is zoodanig geplaatst, dat slechts één zijner ribben met het horizontale en een ander met het verticale vlak van projectie samenvalt. De projectiën van dit lichaam te construeeren.

4Ile Ploeg.

1. Den hoek te bepalen, welken de doorgangen van een vlak met elkander maken.

2. In een vlak, dat evenwijdig is aan de as van projectie, ligt een driehoek. Men vraagt te bepalen het middelpunt van den cirkel, die om den driehoek kan beschreven worden.

3. Het snijpunt te bepalen van drie vlakken, waarvan één loodrecht is op het horizontale, het tweede loodrecht is op het verticale vlak van projectie, terwijl het derde evenwijdig is aan de as van projectie.

4 Van een regelmatig achtvlak ligt een der hoekpunten in het horizontale vlak van projectie, de diagonaal, welke in dat hoekpunt uitloopt, is loodrecht op dat vlak. Men vraagt de projectiën te bepalen van de doorsnede van dat lichaam met een vlak, dat evenwijdig is aar^ de as van projectie.

1867. Noord-Holland.

l310 Ploeg.

1. Door eene lijn, die evenwijdig is met de as, een vlak te brengen» dat met het horizontale een gegeven hoek maakt.

2. De projectiën van een rechthoekig parallelepipednm, dat met zijn grondvlak op het horizontale vlak staat, te bepalen ten opzichte van een vlak, dat met het horizontale een hoek maakt van 45°.

2 lB Ploeg.

1. De gemeene doorsnede van twee vlakken te construeeren, als alle doorgangen door één punt van de as gaan.

ocr page 69

65

2. De projectiën van eene regelmatige vierzijdige piramide, die met haar grondvlak rust op het horizontale vlak en wier hoogte gegeven is, te bepalen ten opzichte van een vlak, dat met het horizontale den hoek van 60° maakt.

1867. Zeeland.

Een rechthoekig parallelopipedum staat met een zijner zijvlakken op het horizontale vlak. Men wenscht het te snijden door eenquot; willekeurig vlak en de doorsnede op beide projectievlakken neer te slaan.

1867. Utrecht.

1. Gegeven zijn een punt in den 2\'lon en een punt in den 3\'10quot; hoek van projectie. Bepaal eene lijn, wier punten op gelijken afstand van de beide vlakken van projectie en van de gegeven punten liggen.

2. Gegeven zijn een punt in den l81quot;quot;, een punt in den 2\'1quot;quot; en een punt in den 3lt;l0quot; hoek van projectie, benevens een willekeurig vlak. Bepaal in dit vlak een punt, dat op gelijken afstand van de gegeven punten ligt.

3. Van een rechthoek zijn gegeven de heide projectiën van eéne zijde, benevens de horizontale projectie van eene aangrenzende zijde. Construeer de beide projectiën des rechthoeks.

1867. Overijssel.

1. Door een gegeven punt een vlak te brengen, evenwijdig aan twee gegeven kruisende lijnen.

2. Den afstand te construeeren van een gegeven punt tot het vlak, dat door drie gegeven punten gaat. Het eerste aan te nemen in het 4\'10 quadrant — onder het horizontale, vöór het verticale vlak — de drie overige in het 2\'le quadrant — boven het horizontale, achter het verticale vlak.

3. Een vijfhoek ligt in het horizontale vlak, en wordt om een zijner diagonalen gewenteld, totdat zijn vlak een gegeven hoek met het horizontale vlak maakt. Men verlangt de projectiën der figuur in dezen nieuwen stand te construeeren.

4. Van de vier hoekpunten eener driehoekige piramide ligt één in het horizontale vlak, één boven het horizontale vlak en vóór het verticale, en de beide overige boven het horizontale en achter het verticale vlak. Men vraagt de figuur van doorsnede dier piramide met het verticale vlak te bepalen.

1867. Groningen.

Jsle ploeg-,

1

Eene gegeven lijn te projecteeren op een gegeven vlak, en op een ander vlak, dat loodrecht op het eerste staat.

ocr page 70

66

wijdige ribben gegeven zijn, met een gegeven vlak, en de ware gedaante van de doorsnede te vinden.

3. De 3 vlakke hoeken van een drievlakkigen hoek gegeven zijnde, vraagt men de projectie van de 3d0 ribbe op het tegenover gelegen zijvlak te vinden, alsmede de 3 standhoeken.

316 Ploeg.

1. Den hoek te bepalen, dien een gegeven lijn met een gegeven vlak maakt.

2. De doorsnede te bepalen van een gegeven driehoekige piramide (door hare hoekpunten bepaald) met eene gegeven vlak, en de ware gedaante dier doorsnede.

3. Twee zijvlakken en de ingesloten standhoek van een drievlakkigen hoek bekend zijnde, vraagt men daaruit den 3llen standhoek en den 3\'10quot; vlakken hoek te vinden.

3\'1quot; Ploeg.

1. De doorsnede te bepalen van twee vlakken, waarvan het eene gegeven is en het andere loodrecht staat op eene gegeven lijn.

2. Den standhoek van twee gegeven vlakken te bepalen.

8. Een zijvlak en de twee aanliggende standhoeken van een drievlakkigen hoek gegeven zijnde, vraagt men den 3\'len standhoek te vinden.

1867. Limburg,

1. Van een drievlakkigen hoek gegeven zijnde twee zijvlakken met een standhoek over een dezer zijvlakken, vraagt men het derde zijvlak en de beide overige standhoeken te construeeren.

2. Gegeven de doorgangen van een vlak, benevens de horizontale projectie van een der zijden van een regelmatigen zeshoek in dat vlak gelegen. Men vraagt de beide projectiën van den zeshoek te construeeren.

3. De doorsnede te bepalen van een willekeurig plat vlak met eene regelmatige vijfhoekige piramide, wier grondvlak met eene der zijden in het horizontale vlak ligt en met dit vlak een hoek van 30° maakt, en van welke tevens de hoogte gegeven is.

4. De projectiën te vinden van eene regelmatige zeshoekige piramide, die met een der zijvlakken op het horizontale vlak ligt.

1868.

1. Den hoek te construeeren van een willekeurig gegeven vlak met een vlak, dat door de as gaat.

2. Gegeven zijn een lijn en een punt daar buiten. Projecteer den gelijkbeenigen driehoek, waarvan het gegeven punt de top is, de basis in de gegevene lijn ligt, en waarvan de opstaande zijden gelijk zijn aan § maal de hoogte des driehoeks.

3. De verticale projectie te vinden van eene lijn, waarvan de horizontale projectie gegeven is, en waarvan bekend is, dat zij iu een gegeven punt loodrecht staat op eene gegevene lijn.

ocr page 71

67

1869.

1. Door een gegeven punt in een gegeven vlak eene lijn te trekken, die in dat vlak ligt en een gegeven hoek maakt met het horizontale vlak.

2. In een gegeven vlak een punt aan te wijzen, dat op gelijken afstand verwijderd is van drie buiten dat vlak gelegen punten.

3. Te construeeren den hoek, dien een naar willekeur gegeven vlak maakt met een vlak, dat loodrecht op de as staat, en de doorgangen van het vlak, dat dezen hoek middendoor deelt.

1870.

1 Door een gegeven punt een vlak te brengen, evenwijdig met de as en met eene gegevene de as kruisende lijn.

2. Gegeven zijn; een hellend vlak en de drie hoekpunten van een daarbuiten gelegen driehoek. Men vraagt den afstand te construeeren van het zwaartepunt des driehoeks tot het gegeven vlak.

3. Op een gegeven vlak zijn in twee verschillende gegeven punten loodlijnen opgericiit in tegenovergestelde richtingen en van gegevene lengten. Men vraagt het punt te bepalen, waarin de lijn, die de uiteinden dezer loodlijnen vereenigt, het gegeven vlak snijdt.

1871.

1. Van drie punten liggen twee beneden en éön boven het horizontale vlak. Construeer het middelpunt van den cirkel, welke door die punten gaat.

2. Door een in de ruimte gegeven punt een vlak te brengen, dat loodrecht staat op twee elkander snijdende vlakken.

3. Wanneer de doorgang van een hellend vlak met een der pro-jectievlakken, en de werkelijke hoek van dien doorgang met den tweeden doorgang gegeven zijn, vraagt men den onbekenden doorgang te construeeren.

1872.

1. Den hoek te bepalen, onder welken twee gegeven lijnen elkander kruisen.

2. Van een vierkant, dat gelegen is in een gegeven vlak, zijn twee tegenovergestelde hoekpunten gegeven, te weten het eene in den horizontalen, het andere in den verticalen doorgang. ïeeken de projectiën van dat vierkant.

3. Door een gegeven punt een vlak te brengen, loodrecht op een gegeven vlak en evenwijdig met eene gegeven lijn, die de as rechthoekig kruist.

1873.

1. Door een gegeven punt buiten eene gegevene lijn, eene lijn te trokken, die met die gegeven lijn een gegeven hoek maakt.

ocr page 72

68

2. Gegeven zijnde de doorgangen van een vlak en de projectiën van drie punten, buiten dat vlak gelegen, vraagt men de projectiën van een punt, dat in het vlak is gelegen en van de drie gegeven punten even ver is verwijderd,

3. Door een gegfven punt eene lijn te trekken, die eene gegeven lijn rechthoekig kruist en op een bepaalden afstand er van verwijderd blijft.

1874.

1. Van eene lijn, die de as van projectie snijdt, is gegeven eene der projectiën en de hoek, dien de lijn nu t de as maakt. Men vraagt de andere projectie van de lijn te vinden.

2. Do projectiën te bepalen van eene lijn van gegeven lengte, die in een gegeven punt loodrecht staat op eene lijn in het horizontale vlak, en met haar ander uiteinde in een gegeven vlak ligt.

3. Wanneer twee kruisende lijnen gegeven zijn, vraagt men door een gegeven punt, buiten die lijnen, eene lijn te trekken, die evenwijdig loopt aan het vlak, dat met de gegeven lijnen evenwijdig is, en den hoek dier lijnen middendoor deelt.

1875.

1. In een gegeven lijn een punt te vinden, dat even ver van het horizontaal projectievlak als van een gegeven hellend vlak verwijderd is.

2. Twee elkander kruisende lijnen en een vlak zijn gegeven. Men vraagt eene lijn te trekken, die loodrecht staat op het gegeven vlak en de beide kruisende lijnen snijdt.

3. In een gegeven vlak een punt te vinden, dat van twee buiten dat vlak gegeven punten op gegeven afstanden gelegen is.

1876.

1. In de as van projectie een punt te bepalen, dat gelijken afstand heeft van twee gegeven elkander snijdende vlakken.

2. Een gegeven ongelijkzijdige driehoek, waarvan de basis niet evenwijdig loopt aan de as van projectie, ligt in het horizontale vlak van projectie. Hij wordt gewenteld om zijne basis, totdat do loodlijn, die uit den top op die basis is neergelaten, evenwijdig loopt aan een vlak dat, de beide projectievlakken snijdende, evenwijdig loopt met de as van projectie. Men vraagt de projectien van den driehoek in dien stand te construeeren.

3. Door een gegeven punt eener gegeven lijn eene lijn te trekken, loodrecht op de gegeven lijn en evenwijdig aan een gegeven vlak.

1877.

1. De projectiën te bepalen van eene lijn, die door een gegeven punt gaat, en twee elkander kruisende lijnen snijdt.

2. In een gegeven vlak het punt te bepalen, waarvoor de som der

ocr page 73

69

afstanden tot twee gegeven punten, buiten dat vlak en aan denzelfden kant daarvan gelegen, zoo klein mogelijk is.

3. Gegeven zijnde twee vlakken en een punt, vraagt men: 1°. door dit punt een vlak te brengen, loodrecht op de gegeven vlakken; 2°. in dit vlak een punt te bepalen, dat op gegeven gelijke afstanden van deze beide vlakken verwijderd is.

1878.

1. Door een gegeven punt een vlak te brengen, evenwijdig aan eene gegeven lijn en op een gegeven afstand van die lijn.

2. Door het snijpunt van twee gegeven lijnen eene lijn te trekken, die met beide lijnen gelijke hoeken maakt en eene andere gegeven lijn snijdt.

3. Gegeven zijnde de drie hoekpunten van het grondvlak eener driezijdige piramide, waarvan de opstaande ribben gelijk zijn, benevens de hoogte der piramide, vraagt men de projectiën van den top te bepalen.

1879.

1. Het vlak te oonstrueeren, dat door eene gegeven lyn gaat en met het horizontale projectievlak een hoek vormt, gelijk aan den hoek, dien de lijn met het derde projectievlak maakt.

2. De projectiën te vinden van eene lijn, die evenwijdig loopt aan het derde vlak, met het horizontale vlak een gegeven hoek maakt, en op twee gegeven lijnen van willekeurigen stand rust.

3. Door de doorsneden van twee gegeven vlakken een vlak te brengen, dat met het eene vlak een driemaal zoo grooten hoek maakt als met het andere, indien een van de gegeven vlakken evenwijdig is met de as van projectie.

1880.

1. Men vraagt eene lijn te construeeren, die in een gegeven vlak ligt en eene gegeven lijn rechthoekig snijdt.

2. Een gegeven driehoek ligt in het horizontale vlak van projectie en wordt om een harer zijden gewenteld, totdat het tegenoverstaande hoekpunt in een gegeven vlak ligt. Bepaal de projectiën van dit punt.

3. Door een gegeven punt in een gegeven vlak eene lijn te trekken, die in dit vlak is gelegen en waarvan door twee gegeven evenwijdige vlakken een stuk wordt afgesneden van gegeven lengte.

1881.

1. Eene lijn evenwijdig met de as en een punt daarbuiten zijn gegeven. Construeer een vlak, dat op een gegeven afstand ligt van het punt en door de lijn gaat.

2. In het verticale vlak is eene lijn gegeven, die een hoek van 45quot; met de as maakt; in het horizontale vlak ligt eene lijn, die een hoek

ocr page 74

70

van 30° met de as maakt. Men vraagt eene lijn te constrneeren, die deze beide lijnen snijdt entevens evenwijdig is aan twee gegeven vlakken.

3. In een gegeven vlak eene lijn te trekken, die evenwijdig loopt aan een ander gegeven vlak en op een gegeven afstand daarvan verwijderd is.

1882.

1. Van twee gelijkbeenige driehoeken zijn gegeven de projectiën der uiteinden van de basis. Men weet tevens, dat deze driehoeken een gemeenschappelijken top hebben, die in het verticale vlak ligt. Men vraagt dezen top te bepalen.

2. Gegeven eene lijn en een punt buiten die lijn. De projectiën te constrneeren van het vierkant, waarvan de eene diagonaal met de gegeven lijn samenvalt en waarvan het gegeven punt een hoekpunt is.

3. Men vraagt in een gegeven vlak eene lijn te construeeren, die op een gegeven afstand ligt van, en evenwijdig is aan eene gegeven lijn, evenwijdig met dat vlak loopende.

1883.

1. Het grondvlak van eene willekeurige driezijdige piramide ligt in een vlak, dat een hoek van 30quot; maakt met het horizontale vlak en waarvan de horizontale doorgang een hoek van 60° maakt met de as. De hoogte van de piramide is gegeven en het voetpunt van de hoogtelijn is het zwaartepunt van het grondvlak.

Teeken do projecties van die piramide.

2. Er zijn gegeven een vlak en twee punten, A en B, buiten dat vlak. Bepaal de projecties van eene lijn, die in dat vlak ligt en waarvan alle punten even ver van A als van B verwijderd zijn.

3. Door een gegeven punt, buiten eene gegeven lijn, eene lijn te trekken, die de gegeven lijn onder een gegeven hoek snijdt.

1884.

1. Een vlak te brengen door twee lijnen, die denzelfden verticalen doorgang hebben en waarvan de eene evenwijdig loopt met het horizontale vlak; neem in het vlak, waarnaar gevraagd is, een punt aan en trek door dat punt eene lijn, die evenwijdig loopt met het verticale vlak.

2. Uit een gegeven punt in de as van projectie eene lijn te trekken, die een gegeven hoek met die as vormt en tevens een gegeven hoek met het horizontale vlak maakt.

3. Breng een vlak door twee lijnen, die elkander in de as snijden.

1885.

1. Door een punt eene lijn te trekken, die twee elkander kruisende lijnen rechthoekig kruist.

2. In de as van projectie een punt te bepalen, waarvan de afstanden tot twee elkander snijdende vlakken zich verhouden als l : 2.

ocr page 75

71

3. Van een rechthoekig parallelopipedutn zijn gegeven de horizontale projecties van drie in één hoekpunt samenkomende ribben, benevens de verticale projectie van ééne dier ribben, Construeer het parallelopipedum.

1886.

1. In een gegeven vlak een punt te vinden dat even ver verwijderd is van de beide projectievlakken en tevens op een gegeven afstand van de as van projectie is gelegen.

2. Door een gegeven punt eener lijn cene lijn te trekken loodrecht op de gegeven lijn en evenwijdig aan een gegeven vlak.

3. Door een gegeven punt eene lijn te trekken die twee gegeven elkander kruisende lijnen snijdt; een der gegeven lijnen moet evenwijdig aan de as genomen worden, de andere de as loodrecht kruisen.

1887.

1. Gegeven een vlak, eene lijn in dat vlak en een punt buiten dat vlak. Men vraagt door dat punt eene lijn te trekken, die met de gegeven lijn een hoek van 45° maakt.

2. In de doorsnede van twee vlakken een punt te vinden dat op een bepaalden afstand van de as van projectie is verwijderd.

NB. De doorgangen van beide vlakken gaan door eenzelfde punt van de as.

3. Van een gelijkzijdigen driehoek zijn gegeven: de standhoek van zijn vlak met het horizontale projectievak, de projecties van een hoekpunt en de projecties en lengte eener aan dit hoekpunt uitkomende zijde. Men vraagt de projecties van dien driehoek te teekenen.

1888.

1. Twee elkander snijdende vlakken V en W zijn gegeven. Men vraagt in eene gegeven lijn AB een punt te bepalen, dat op gelijke afstanden van beide vlakken verwijderd is.

2. Van een gelijkzijdigen driehoek de projection te construceren, als gegeven zijn: van eene zijde de eerste projectie en van het vlak, waarin de driehoek ligt, de beide doorgangen.

3. Van twee elkander kruisende lijnen is de eene evenwijdig met het horizontale, de andere met het verticale projectie vlak. Gevraagd de kortste lijn te eonstrueeren, die een punt van de eene lijn verbindt met een punt van de andere lijn.

1889.

1. In een gegeven vlak een punt te vinden, dat op gelijken afstand verwijderd is van drie in de ruimte gegeven punten.

2. Door een gegeven punt eene lijn te trekken, evenwijdig met een gegeven vlak en een gegeven hoek met het horizontale vlak makende.

ocr page 76

72

3. De rneetkuudige plaats te bepalen der punten, welke op gelijken afstand liggen van twee elkander snijdende lijnen.

NB. Van deze vraagstukken moesten er ieder jaar twee gemaakt worden.

1890.

1. Van een gelijkbeeuig trapezium ABCD zijn gegeven de projecties van eene der evenwijdige zijden AB en de projecties van het hoekpunt C. Te construeeren de projecties van het vierde hoekpunt.

2. Van twee elkander snijdende lijnen ligt de eene in het horizontale, de andere in het verticale projectie vlak. Op eene derde lijn een punt te bepalen, dat op gelijke afstanden ligt van die twee lijnen,

1891.

1. Uit een punt van het verticale vlak is eene lijn getrokken, die de as loodrecht kruist en met het verticale vlak een hoek van 45quot; maakt. Men vraagt uit dit punt eene lijn te trekken, die een hoek van 30quot; vormt met de gegeven lijn en evenwijdig is aan een gegeven vlak.

2 Door een gegeven punt eene lijn te trekken die eene gegeven lijn. rechthoekig kruist en evenwijdig aan een gegeven vlak is.

E. Beschrijvende Meetkunde en lieclitlijnig\'

Teekenen.

1867. Utrecht,

Construeer de projectie eener driehoekige piramide lt; onder de

volgende gegevens: het grondvlak BCD ligt in het horizontale vlak; BC =11 duim, CD = 12 duim, BD = ligt; duim, AB = 14 duim, AC = 15 duim, AD = 16 duim; BC is loodrecht op de as en de afstand van A tot het verticale vlak = 12 duim. Leg door de as een vlak, dat een hoek van 30quot; maakt met het horizontale vlak, projecteer de gemeene doorsnede van dit vlak met de piramide en sla deze doorsnede om de as, op het verticale vlak neer.

1868,

Projecteer eene regelmatige vijfhoekige piramide, met haar grondvlak staande op het horizontale vlak, en waarvan gegeven zijn:

de lengte van de zijde van het grondvlak = 7 centimeters, de lengte der opstaande ribben . . . = 14 » Ter bepaling van den stand der piramide zijn bij voorkeur de volgende gegevens te bezigen:

de afstand van het middelpunt van het grondvlak tot de as =: 11 centimeters.

ocr page 77

de afstand van een der hoekpunten van het grondvlak tot de as = 5,5 centimeters.

Projecteer voorts de geraeene doorsnede van de piramide met een vlak, dat door de as gaat en een hoek van 30° maakt met het horizontale vlak, en ontwikkel het oppervlak der scheef afgeknotte piramide.

1869.

Eene regelmatige achtzijdige piramide, waarvan de zijde des grond-vlaks 2 decimeter en de hoogte 5 decimeter is, ligt met een harer zijvlakken op het horizontale vlak, in diervoege, dat de top 3,5 decimeter vóór het verticale vlak ligt, en de loodlijn, uit den top neergelaten op de zijde van het grondvlak, welke in het horizontale vlak ligt, evenwijdig is met de as van projectie.

Construeer op der ware grootte de projectiën dier piramide en die van hare doorsnede met een horizontaal vlak, dat door het middelpunt van het achthoekig grondvlak gaat, en ontwikkel het gedeelte van het oppervlak, dat hoven dit snijvlak ligt.

1870.

De heide projectiën te construeeren van een regelmatig twaalfvlak, rustende met een der zijvlakken op het horizontale vlak, zoodanig dat een der zijden van het grondvlak loodrecht staat op de as.

De straal van den omgeschreven cirkel van het grondvlak is 5 centim.; de afstand van het middelpunt tot de as is naar willekeur aan te nemen.

1871.

Teekeu de projectiën van een kubus van 8 centim. ribbe, waarvan «ene der inwendige diagonalen loodrecht staat op het horizontale vlak,

1872.

Van een regelmatig achtvlak, welks ribbe 8 centim. is, staat eene diagonaal loodrecht op het horizontale vlak. Het midden van deze diagonaal ligt één decimeter boven het horizontale en 9 centimeter vóór het verticale vlak. De twee verticale diagonaalvlakken maken met het verticale vlak hoeken van 45°.

Men vraagt de projectiën te construeeren van dat achtvlak, nadat het 45quot; gewenteld is om de lijn, die in het horizontale vlak door de projectie van de verticale diagonaal gaat en loodrecht staat op het verticale vlak.

1873.

Een kubus van 1,5 decimeter ribbe staat op het horizontale vlak, met eene opstaande ribbe in het verticale. De beide ribben van het grondvlak, die in de as van projectie samenkomen, maken met deze hoeken van 30quot; en 60°. De kubus wordt om de laatstbedoelde ribbe een hoek van 15° naar beneden gewenteld. Men vraagt in dien nieuwen stand zijne projectiën te bepalen.

ocr page 78

74

F. Rechtlijnig- teekenen.

Tijd: in 1883, 1884 en 1885, 3 uren. In de overige jaren onhepaald. 1867. Groningen.

1. De uit- en inwendige raaklijnen aan twee gegeven cirkels te cou-strueeren.

2. De vier cirkels te beschrijven, die de drie zijden van een gegeven stomphoekigen driehoek of hare verlengden raken.

1874.

Een regelmatige vijfhoek (zijde = 0,02 meter) ligt in een gegeven hellend vlak met éèm zijde evenwijdig aan den eersten of horizontalen doorgang, op een afstand daarvan van 0,05 meter, in het eerste kwadrant. Men vraagt de projectie van dezen vijfhoek te eonstrueeren op een vlak, loodrecht op de as van projectie, en het zijdelingsch oppervlak van het afgeknot prisma te ontwikkelen, dat do beide vijfhoeken tot eindvlakken heeft.

1875.

Construeer een driehoek, die een hoek van 36° heeft, terwijl de zijden om dien hoek 10 en 8 centimeier lang zijn. Beschrijf den cirkel, die de zijden inwendig aanraakt, en de drie cirkels, die twee zijden inwendig en de derde uitwendig raken, en trek de lijnen, die de middenpunten der drie laatste cirkels verbinden.

» De zijden des driehoeks en de cirkels moeten worden doorgetrokken, de hulplijnen gestippeld, en de drie laatste in het vraagstuk genoemde lijnen uit streepjes en stippen samengesteld.

1876.

Eene regelmatige zeshoekige piramide is geplaatst op het horizontale vlak van projectie. Do hoogte bedraagt 10 centim, de zijde van het grondvlak 4 centim. Deze piramide wordt gesneden door een vlak, dat loodrecht staat op het verticale en een hoek van 30° maakt met het horizontale vlak van projectie, terwijl de horizontale doorgang van dit vlak 5 centim. van het middenpunt van het grondvlak der piramide verwijderd is. Men vraagt de projectiën en de ware gedaante van deze doorsnede te bepalen.

1877.

Trek drie cirkels, die elkander twee aan twee uitwendig raken en welker stralen zijn 6, 3|- en 2 centimeter

Construeer aan elk paar cirkels de uitwendige raaklijnen en verleng deze tot zij do lijn der middenpunten snijden.

ocr page 79

Er ontstaan alzoo drie verschillende snijpunten. Vereenig de vvvee uiterste punten door eene rechte lijn,

(De cirkels moeten worden doorgetrokken, de hulpconstructiën gestippeld; de raaklijnen worden doorgetrokken, de andere rechte lijnen mot streepjes en stippen afwisselend.)

1878.

Het grondvlak van een prisma, dat samenvalt met het horizontale vlak van projectie, is een regelmatige vijfhoek, waarvan de zijde 3 centimeter bedraagt, terwijl de opstaande ribben, die 1 decimeter lang zijn, evenwijdig zijn met het verticale vlak en hoeken van (30quot; met het horizontale vlak maken. Dit prisma wordt gesneden door een vlak, dat loodrecht op het verticale vlak staat eu een hoek van 30° maakt mot het horizontale, eu waarvan de horizontale doorgang 5| centimeter van het middenpunt van den vijfhoek verwijderd is. Men vraagt:

1quot;. de projectiën der doorsnede te construeeren ;

2quot;. de doorsnede in hare ware gedaante te construeeren;

3quot;. dat gedeelte van het zijdelingsch oppervlak van hot prisma te ontwikkelen, dat zich tusschen het horizontale vlak eu het snijdend vlak bevindt.

1879.

Beschrijf een driehoek ABC, waarvan de zijden AB = 10, AC = 1L en BC — 9 centimeter zijn, en vereenig het punt D, op het verlengde van AB gelegen en op een afstand van 3,5 centimeter van B verwijderd, met het midden E der zijde AC, welke lijn de zijde BC snijdt in F.

Beschrijf vervolgens iu driehoek ADE en om de driehoeken ABC, ADE, BDF en CEF cirkels, dan zullen de vier laatste elkander in één punt F snijden. Laat uit F loodlijnen neer op de zijdeu van driehoek ABC en op de lijn DE, en trek de rechte lijn, welke de voetpunten vereenigt.

Alle lijnen moeten geirokkon worden, behalve de hulpconstructiën en de loodlijnen, die worden gestippeld, en de lijn, welke de voetpunten verbindt, die gestippeld en gestreept moet worden.

1880.

Construeer de drie aangeschreven cirkels van eeu gegeven driehoek, waarvan do basis 10 centimeter is en de hoeken aan de basis 36° en 60quot; zijn. Vereenig de raakpunten, die op do verlengden van twee zijden en op denzelfden cirkel liggen, twee aan twee. Deze lijnen vormen een driehoek, waarvan de hoekpunten vereenigd worden met de naastbij gelegen hoekpunten van den eersten driehoek Verleng de laatste lijnen tot zij elkander snijden.

De zijden van den gegeven driehoek en de cirkels moeten gelrokken worden; de drie laatstgemelde lijnen gestippeld en gestreept; de overige gestippeld.

ocr page 80

76

1881.

Construeer een cirkel met een straal van 10 eM. Neem hierop een boog, waarvan de koorde 12 cM. bedraagt. Construeer door de uiteinden van dien boog een tweeden cirkel, die den eersten rechthoekig snijdt. Trek de lijn, die de middelpunten verbindt. Teeken om het uiterste snijpunt van deze middellijn met den grootsten cirkel, waarvan de straal 9 cM. bedraagt, en om het andere snijpunt van de middellijn met den grootsten cirkel, een waarvan de straal 3 cM. is. Construeer de uitwendige en de inwendige gemeenschappelijke raaklijnen aan de beide laatstgeteekende cirkels.

De twee eerste cirkels en de raaklijnen moeten voluit getrokken worden, de twee laatste cirkels en de middellijn afwisselend pimten ■en strepen, de hulpconstructiên gestippeld.

1882.

Teeken een cirkel met een straal van G cM., en beschrijf in dien cirkel een regelraatigen vijfhoek. Trek uit de uiteinden eener zijde en uit het tegenover die zijde gelegen hoekpunt als middenpunten drie cirkels met de halve zijden van den vijfhoek als stralen; construeer de raaklijnen aan de cirkels, die eikander niet raken, alsmede den cirkel, die de drie cirkels aanraakt.

De zijden van den vijfhoek, de cirkels en twee der raaklijnen moeten voluit getrokken worden, de beide andere raaklijnen afwisselend punten en strepen, de hulpconstructiên gestippeld.

1883.

Teeken een hoek van GO0. Bepaal op het eene been, te rekenen van het hoekpunt A, de stukken AB = 8 cM. en AC = 20 cM.; op het andere been de stukken AD — 11 cM. en AE — 18 cM. Vereenig C met D, B met E, Het snijpunt van de lijnen CD en BE zij E. Beschrijf om de driehoeken ADC, ABE, DEE en BEC cirkels. Construeer een vijfden cirkel, gaande door de middelpunten van de cirkels, die om de drie eerstgenoemde driehoeken beschreven zijn.

De lijnen AC, AE, benevens de eerste vier cirkels moeten voluit getrokken worden; de lijnen CD en BE afwisselend met punten en strepen-, de vijfde cirkel gestreept; de hulpconstructies gestippeld

1884.

Een cirkel met een straal van 7 cM. is gegeven. Beschrijf in en om dien cirkel vijf cirkels, die elkander, twee aan twee, en den gegeven cirkel aanraken.

De gegeven cirkel en de gevraagde cirkels moeten getrokken worden; de lijnen, die den gegeven cirkel in 5 gelijke sectoren verdeden, moeten gestippeld en gestreept, de overige hulplijnen gestippeld worden.

1885.

Trek eene lijn AB, lang 5 cM., verleng AB met een stuk BC = ü cM.

ocr page 81

77

Beschrijf 2 cirkels met stralen van 4 en 10 cM., die beide door A en B gaan en waarvan de middelpunten beide aan denzelfden kant der lijn AB liggen, en een cirkel met eeu straal van 7 cM., ook door A en B gaande, maar waarvan het middelpunt aan den anderen kant der lijn AB ligt. Trek uit C de raaklijnen aan elk der cirkels, en trek eindelijk-door de raakpunten den cirkel, die C tot middelpunt heeft.

De drie gegeven cirkels, de zes raaklijnen en de lijn AB moeten (jetrokken worden ; de lijn BC en de laatste cirkel afwisselend gestreept en gestippeld, terwijl de overige lijnen, voor de constructie benoodigd, gestippeld behooren te worden.

1886.

Projecteer eene regelmatige vierhoekige piramide, met het grondvlak staande op het horizontale vlak, waarvan gegeven zijn :

De afstand van het hoekpunt van het grondvlak dat het dichtst bij de as ligt, tot de as 30 cM.;

De hoek, welke eene der zijden van het grondvlak met de as maakt, GOquot;;

De zijden van het grondvlak 60 cM.;

De hoogte der piramide 120 cM.

Projecteer vervolgens de doorsnede van deze piramide met een vlak dat loodrecht op het verticale vlak staat en met het horizontale vlak een hoek van 45° vormt en bepaal de ware gedaante dier doorsnede.

Te teekenen op eene schaal van ^ der ware grootte.

1887. Zonder teekening niet duidelijk te maken.

1888.

Een regelmatig vijfhoekig prisma, waarvan de ribben van het grondvlak = 3,5 cM. en de opstaande ribben — 7 cM. zijn, wordt gesneden door een vlak, dat door eene der ribben van het grondvlak en door het midden van de overstaande opstaande ribbe gebracht is. Construeer de projectiën van eeu der twee deelen, als dit met het vlak van doorsnede op het horizontale projectie-vlak rust. Geen der zijden van het vlak van doorsnede staat loodrecht op de as van projectie.

1889.

Eene regelmatige afgeknotte piramide staat met het grondvlak ABODE op het horizontale vlak, terwij! de ribbe AB rechthoekig op de as van projectie staat. B is het naar de as gekeerde uiteinde van die ribbe. Dit lichaam wordt gevonden [lees: gesneden| door eeu vlak, gaande dooide ribbe DE en dat een hoek van 30quot; met het grondvlak vormt.

Men vraagt de projecties en de ware grootte van de doorsnede te construeeren, benevens de projecties van het boven het snijvlak gelegen deel der afgeknotte piramide te bepalen; wanneer dit om den horizontalen doorgang van het snijvlak gewenteld is, tot het met een zijvlak op het horizontale vlak ligt,

ocr page 82

78

Gegevens: de straal van den omgeschreven cirkel van het grondvlak is 5 cM., terwijl de opstaande ribben ieder 65 mM. lang zijn en hoeken van 60quot; met het grondvlak vormen.

1890.

Men vraagt tc teekenen de drie projecties van een regelmatig octaëder, bepaald als volgt:

De horizontale projectie eener hoofddiagonaal snijdt de horizontale as van projectie op 15 cM. afstand van de verticale as van projectie, en de verticale as van prnjectic op 18 cM. onder de horizontale as van projectie.

Het eene der eindpunten dezer hoofddiagonaal, dus een hoekpunt van het lichaam, ligt in het horizontale vlak van projectie op 4 cM. vóór het verticale vlak van projectie.

Genoemde hoofddiagonaal zelve maakt een hoek van 45° met het horizontale vlak van projectie.

ïwee ribben des lichaams, zijden van het loodrecht op genoemde hoofddiagonaal staande diagonaalvlak, zijn evenwijdig aan het horizontale vlak van projectie.

De ribbe van het octaëder is 10 cM.

De twee assen benevens de zichtbare ribben in de drie projecties worden voluit en vrij krachtig getrokken.

De onzichtbare ribben insgelijks voluit, doch zeer fijn.

De horizontale projectie der boven omschreven hoofddiagonaal moet worden gestreept in eene dunne lijn. De verticale en de derde projectie van die diagonaal behoeven niet te worden geteekend.

De nevcnconstructies in eene dunne lijn, afwisselend punten en strepen.

Slechts ééne projecteerende lijn en een projecteerende cirkel behoeven te worden geteekend en wel fijn gestippeld.

De figuur kan juist besloten worden in een rechthoek, welks breedte 32 en welks hoogte 28 cM. is. De verticale as ligt 2 cM. rechts van het midden, indien het derde projectievlak rechts van het lichaam is gedacht. De horizontale as ligt 4 cM. boven het midden.

1891.

Op een vlak evenwijdig aan de horizontale as van projectie, en welks horizontale doorgang 14 cM. onder die as en welks verticale doorgang 6 cM boven die as is gelegen, ligt met een zijner zijvlakken een oubus Een hoekpunt van genoemd zijvlak ligt in den horizontalen doorgang van het vlak en op een afstand van 18 cM. verwijderd van het derde projectievlak. Eene der ribben van genoemd zijvlak maakt een hoek van 15° met den horizontalen doorgang van het vlak. De ribbe van den cubus is 10 cM. lang. Nadat deze cubus is geteekend, denke men er acht driezijdige pyramides van afgesneden door vlakken, gaande door het midden van elke ribbe van den cubus. Zoodoende ontstaat een lichaam begrensd door 6 vierkanten en 8 gelijkzijdige driehoeken — een bekende kristalvorm —. Men vraagt de drie projecties van dit lichaam te teekenen.

De assen en de in de drie projecties zichtbare ribben van het lichaam

ocr page 83

79

worden voluit en vrij zwaar geteekend. De doorgangen van het vlak, voorzoover zij niet bedekt worden, insgelijks voluit en vrij zwaar. De onzichtbare ribben van het lichaam worden voluit getrokken, doch zeer fijn; de hulpconstructies gestreept. Slechts édne projecteerende lijn en één projecteerende cirkel moeten worden geteekend en deze beide fijn gestippeld.

De geheele figuur kan besloten worden in een rechthoek, hoog 40 cM. en breed 48 cM, Men neme het papier echter grooter. Het snijpunt van de horizontale en verticale assen ligt juist in het midden van den rechthoek.

G. H a n d t e e k e ii e 11.

Tijd: Ieder yedeclte 3 uren.

Eerste gedeelte. De modellen bij de gemaakte teekeningen te doen toekomen aan den Voorzitter der Examencommissie.

1883.

Te teekenen een eenvoudigen kop naar ■Julien of Bargue,

1884 en 1885.

Te teekenen een eenvoudigen kop naar een iu de verzameling der school aanwezig voorbeeld.

Tweede gedeelte. Bij de gemaakte teekeningen aan den Voorzitter der Examencommissie over te leggen eene teekening van de groep, waarnaar is gewerkt, in horizontale en in verticale projectie, op de halve grootte. (1883 en 1884).

1888.

Te teekenen eene groep lichamen, samengesteld als volgt:

Op eene tafel worde een kubus zoodanig geplaatst, dat twee der zijvlakken benevens het bovenvlak voor den teekenaar zichtbaar zijn. Op dezen kubus plaatse men eene driezijdige piramide zoodanig, dat ééne der punten van het grondvlak uitsteke vöór het meest verlichte zijvlak van den kubus Naast deze twee lichamen worde op de tafel een cylinder zoodanig geplaatst, dat de slagschaduw van eerstgenoemden gedeeltelijk op den cylinder valle. De schaduw zij eenigszins verlicht door reflexliehl.

(De kubus kan worden vervangen door een parallelopipedum, de piramide door een drie- of vierzijdig prisma, en de cylinder door een kegel.)

I884.

Te teekenen eene groep lichamen, samengesteld als volgt:

Op eene tafel worde een kegel naast een kubus geplaatst, zoodanig dat op de verlichte zijde van den kubus de slagschaduw van den kegel

ocr page 84

80

valt. Op den kubus ligt een 5-zijdig prisma op eene der opstaande zijden; behalve twee of drie der zijden van dit prisma, is ook het grondvlak voor den teekenaar zichtbaar.

1885.

Eene teekening te leveren naar een niet al te samengesteld, maar ook niet te eenvoudig, ornament (pleisterafgietsel).

De vormen moeten flink, en het relief mag niet te vlak zijn, opdat uit de teekening kunne blijken of de candidaat in staat is, verkortingen waar te nemen en in teekening te brengen.

De juiste schets is hoofdzaak; de schaduwen zijn op eenvoudige wijze aan te geven, zoo, dat alle deelen nagenoeg evenveel zijn bewerkt.

Het model dient — wat relief en moeielijkheid der reproductie aangaat — te zijn in den geest der twee Romeinsche rosetten uit de Delftsche collectie (serie A, Nos. 27 en 28).

Het verdient aanbeveling, het model — wanneer eene regelmatige verdeeling daarvan de grondvorm is — zoo te plaatsen, dat geen der candidaten dien grondvorm in onverkorten stand zie.

1886.

Eene teekening te maken naar een der volgende modellen:

Acanthusblad, Serie B, No. 49 ^ i n .•

Romeinsche roset, serie A, No. 27 | Delfeche collectie-

Bladvorm, No. 31 of No. 52 ) ,, ,.

Roset, No. 16 of No. 25 j collectie Klijsen

of een daarmede in moeilijkheid overeenkomend model, te nemen uit de verzameling in de school aanwezig.

De hoofd verdeeling en vormen moeten goed zijn weergegeven, de schaduwbehandeling liefst eenvoudig te houden.

Wanneer het aantal candidaten te groot is om alle naar een model te laten werken, kunnen verschillende modellen worden gebruikt.

1887.

Eene teekening te maken naar een der volgende modellen uit de Delftsche verzameling:

Romeinsche roset, Serie A. No. 28; Romeinsche Eierlijst, Serie A. No. 19; twee appelen met bladen (natuurafgietsel) Serie C. No 58; of, wanneer deze afgietsels niet aan de school aanwezig zijn, naar een weinig samengesteld stil leven, bestaande uit eene eenvoudige kan of vaas, waarbij een paar boekwerken zijn gelegd, naar een stoel in hellenden stand of een bibliotheektrapje.

De hoofdverdeelingen en voornaamste vormen moeten goed zijn wêer-gegeven, de schaduwbehandeling liefst eenvoudig te houden.

Wanneer het aantal candidaten te groot is om alle naar één model te laten werken, kunnen verschillende modellen worden gebruikt.

ocr page 85

81

1888.

De teekenleeraar kieze uit de aan de school aanwezige collectie een of meer ornamentmodellen van gelijke moeilijkheid. Bij dio keuze neme hij vooral modellen met een krachtig relief, opdat de perspectivische gedaante daarvan voor de leerlingen merkbaar verschille naar gelang van den stand dien zij innemen met betrekking tot dit model.

De behandeling der schaduwen zij eenvoudig.

1889 en 1890.

Uit de verzameling gipsmodellen der school kieze men een of meer modellen naar gelang van het aantal candidaten. Het model zij eenvoudig van vorm, symmetrisch en zonder veel détails. Het relief zij eenvoudig, doch krachtig. Do sehaduwgedeelten moeten eenigszins verlicht zijn door reflex-licht.

In de teekening, naar het gegeven model te vervaardigen, moeten vooral de hoofdvormen juist zijn weergegeven; de schaduwbehandeling zij eenvoudig.

1891.

Uit de verzameling gipsmodellen der school kieze men een of meer modellen naar gelang van het aantal candidaten. Het model zij eenvoudig van vorm, symmetrisch en zonder veel détails. Het relief zij eenvoudig, doch krachtig. De sehaduwgedeelten moeten eenigszins verlicht zijn door retlex-licht.

In de teekeningen, naar het gegeven model te vervaardigen, moeten vooral de hoofdvormen juist zijn weergegeven; de schaduwbehandeling zij eenvoudig. In de wijze van bewerken is den candidaat do keuze geheel vrijgelaten.

H. Werktuigkunde en Kennis van Werktnigen.

Tijd 3 itren.

1866. Zuid-Holland.

lste Ploeg.

1. Hoe kan men de resultante van twee krachten Pen Q uitdrukken in functie van F en Q, en omgekeerd elke der composanten in functie van de resultante?

2. Bepaal het zwaartepunt van eene bolvormige schijf (voor een\' segment is* = i. f ■)

Anhv. Is q de straal van het grondvlak, p de straal van het bovenvlak der schijf, zoo is de afstand van het zwaartepunt tot het middenpunt van den bol:

6

ocr page 86

82

3 (72 P2)[(2 B2 j)2)^a—p2 (2 7i)3 ry2) VR* —rj2 ]

4\' ((jf2 pa)3 3 iia (g2-f-p2) — q^p2

3. Een lichaam wordt met eene aanvaugsnellieid van 100 el verticaal in de hoogte geworpen en verkrijgt na 4 seconden eene nieuwe snelheid van 50 el. Hoe hoog was het toen gestegen? Hoe hoog zal het nog stijgen ? In hoeveel tijd komt het beneden ?

Antw. Aan het einde der 4 sec. was het lichaam 321,504 el gestegen; daarna stijgt het nog 625,051 el, en komt vervolgens in 13,89 seconden beneden.

Ploeg.

1. Geef een overzicht van de theorie van het hellend vlak; 1quot;. wat betreft do voorwaarden van evenwicht, zoowel zonder als met inachtneming der wrijving; 2°, met het oog op den val langs dat vlak.

2. Welke zijn de valwetten? Hoe bewijst men die, en welke gevolgen kan men uit de formules afleiden?

3. In een stoomwerktuig van hoogen druk heeft de stoom eene spanning van 5 atm., de cylinder eene middellijn van 7 palm ; de slag is 15 palm en de zuiger doet 80 slagen per minuut; hoe groot is de verrichte arbeid?

Antw. Elke minuut wordt door den stoom een arbeid van 238G655 kilogrammeters verricht, waarvan 477331 kgm. dienen tot het overwinnen van de drukking der lucht. Er blijven dus over 4241 paardekracht.

3\'le Ploeg-.

1. Welke is de voorwaarde van evenwicht voor een stel krachten, die in verschillende vlakken op een lichaam werken.

2. Een lichaam wordt in verticale richting opgeworpen met eene snelheid c; na t sec. wordt het eene nieuwe snelheid medegedeeld c\'; men vraagt de grootste hoogte, die het lichaam bereiken zal in den tijd, welken het in beweging is geweest.

Anttv. Is (j de versnelling van de zwaartekracht, zoo is de gevraagde

hoogte - c\'t.

%

3. Hoeveel kracht is noodig om een lichaam van 300 kilogr. op eene helling van 30° in evenwicht te houden en hoeveel om het er tegen op te trekken? (/\'= 0,3)

Antw. De kleinste kracht, die het lichaam in evenwicht kan houden, is 72,057 KG.; de kracht, die het lichaam tegen de helling optrekt, is grooter dan 227,943 KG.

4. Beschrijf oen of ander samengesteld werktuig.

1866. Gelderland.

Is10 Ploeg.

1. Op eene staaf zonder gewicht werken, op onderling gelijke afstanden van 4 palm, zes evenwijdige krachten, respectievelijk groot 8, 10,

ocr page 87

83

12, 20, 17 en 7 pond, terwijl de 1quot;, 3quot; en 5quot; kracht eene richting hebben tegengesteld aan die van de 2quot;, 4quot; en 6quot;. Men vraagt richting, grootte en aangrijpingspunt der resultante te bepalen.

Ardw. Deze krachten hebben geene resultante; zij geven een rosul-teerend koppel, waarvan het moment 52 (pond X palm) is.

2. Op een hellend vlak, makende eenen hoek a met den horizon, is een lichaam, wegende P pond, geplaatst. In hoeveel tijd zal het van eene hoogte h hoven den horizon beneden komen, zoo de wrijving van het lifhaam over het hellend vlak in rekening gebracht, en de wrijvingsl.\'iek genoemd wordt?

Anhv. Wanneer y de versnelling der zwaartekracht en /i lt;« is,

dan is de gevraagde tijd / = \\/-----

\' (j. sin u (sin a — Uj fi cos u)

3. Verklaar de inrichting der Bascule of Brugbalans.

2,quot;, Ploeg\'.

1, Aan de uiteinden eener homogene cylindrische staaf, van welke de lengte l, de straal der doorsnede r en het soortelijk gewicht d is, zijn twee homogene bollen bevestigd, wier middelpunten op de as des cylinders liggen. De stralen dier bollen zijn II en 11\' en hunne soortelijke gewichten D en D\'; men vraagt de plaats van het zwaartepunt, ten opzichte van het midden der staaf, te berekenen.

De berekening toe te passen op het geval, dat:

l = 1,852 el; r== 0,007 el; d = 1,M.

R — 0,048 el; /^ = 0,065 el.

£=19,26; D\' = 10,47.

Anlw. Wanneer R\'* //ji?\'gt; 7igt;3 7^/2ligt het zwaartepunt tusschen het, midden der staaf en den bol, waarvan de straal is R\'; wanneer R\'s D\' (^R\' -(- 7,j lt; It3 I) (^ R ligt het tusschen het

midden der staaf en den bol, waarvan de straal is R. De afstand van het zwaartepunt tot het midden der staaf is de volstrekte waarde van de uitdrukking

R\'* IJ\' [R\' R* D^R ^

7?\'3 jy R:i 1) -f r* ld 4

Voor de gegeven waarden der verschillende grootheden wordt deze afstand 0,14 el; het zwaartepunt ligt tusschen het midden der staaf en den bol, waarvan de straal 0,005 el is.

2. Op twee hellende vlakken, die tegen elkander zijn geplaatst, en met den horizon de hoeken a en /? maken, rusten twee lichamen P en Q, die verbonden zijn door een koord, welke over een katrolschijf bij het vereenigingspunt der vlakken loopt. Zoo de wrijving, het gewicht van de koord en de massa der katrolschijf buiten rekening

ocr page 88

84

gelaten worden, vraagt men de lengte van den weg te vinden, dien het stelsel der lichamen in l secunden zal doorloopen.

De berekening uit te voeren, voor het geval dat:

« = 31048/3; P— 875 pond; ,_ ,

= 53014/,5 ; ()=328 pond; — \'

Antiv. Is (j de vorsuelling der zwaartekracht, dan is de gevraagde-weg gelijk aan de volstrekte waarde van de uitdrukking

1 Qsin p—Psinu l2

2 Q 1\' fl ■

Voor de gegeven waarden der verschillen lo grootheden wordt deze weg 12,9\'! 1 nieter.

3. Verklaar de inrichting van een kraan, en bepaal de verhouding van macht en last bij een dergelijk werktuig. (De wrijving, enz. wordt buiten rekening gelaten).

1867. Zuid-Holland.

l8le Ploeg.

1. Aan het uiteinde A van een hefboom der eerste soort AB, die den vorm heeft van een rechthoekig parallelopipedum en 6 meters lang-, 2 centimeters hoog en 3 centimeters breed is, hangt een gewicht vau 200 kilo. Het steunpunt C ligt op een afstand AC =1,5 meter van het uiteinde A. Aan het uiteinde B werkt eene kracht verticaal naai beneden. Hoe groot moet deze kracht zijn, als de toestel in evenwicht is ? De hefboom is van ijzer, het soort, gewicht van ijzer bedraagt 7,8.

AntlO. Wanneer de toestel in horizontalen stand in evenwicht is, werkt aan B eene kracht van 57,307 KG.

2. Hoe bewijst men, dat de resultante van twee evenwijdige krachten, die in denzelfden zin werken, gelijk is aan de som der krachten \'f

3. Een lichaam wordt met eene eenparige snelheid van G meters in de seconde in beweging gebracht. Na 35 seconden verlaat een tweede lichaam hetzelfde punt. De beweging van dit lichaam geschiedt volgons dezelfde lijn, in dezelfde richting, en is eenparig versneld ; de versnelling bedraagt 3 meters. Na hoeveel tijd zal het tweede lichaam het eerste inhalen ? Antio. Na 14 seconden.

gde ploeg.

1. Een cylinder wordt door een vlak, dat evenwijdig is aan het grondvlak, verdeeld in twee deelen van gelijken inhoud. De bovenste helft is van ijzer; de onderste van lood. Hoe hoog ligt het zwaartepunt van den geheelen cylinder boven het grondvlak ? De hoogte van den cylinder is gelijk aan 4 meters; soort. gew. ijzer = 7,8; soort, gevv. lood = 11,2. Antio 1,821 meter.

2. Te bewijzen, dat de algebraïsche som der momenten van twee krachten, die op hetzelfde punt doch in verschillende richting werken, met betrekking tot een punt barer resultante gelijk nul is.

3. Een lichaam beweegt zich met eene eenparige snelheid van 20

ocr page 89

85

meters in de seconde; op een gegeven tijdstip gaat die beweging over in eene eenparig vertraagde, de vertraging bedraagt 1 meter in de seconde. Hoeveel tijd na genoemd tijdstip zal het lichaam in rust gekomen zijn, en hoe groot is de afstand, dien het dan nog doorloopen heeft ?

Antio- Na 20 seconden zal het lichaam in rust zijn ; daarin zal het afgelegd hebben een weg van 200 meters,

3J0 Ploeg.

1. Tegen het eene uiteinde van een cylindervormigen stok, die 3 meters lang en 2 centimeters dik is, is een looden kogel bevestigd, waarvan de middellijn gelijk 4 centimeters is; tegen het andere uiteinde van den stok is een ijzeren kogel bevestigd, wiens middellijn gelijk 8 centimeters is. Men vraagt den afstand van het zwaartepunt van den geheelen toestel tot een der uiteinden van den stok te bepalen. Soort, gew. houtsoort = 0,6 ; ijzer = 7,8 ; lood = 11,1,

Antio. Do afstand van het zwaartepunt tot het uiteinde van den stok, waaraan de ijzeren kogel bevestigd is, is 0,023 meter.

2. Van eene wig is de hoogte gelijk aan tweemaal de breedte. Loodrecht op het bovenvlak der wig wordt eene drukking uitgeoefend van 100 kilo. Men vraagt de drukking loodrecht op de zijvlakken te berekenen. Antio. 206,155 KG.

3. Eene buis, wier as een hoek van 30° maakt met het horizontale vlak, heeft eene lengte van 100 meters. In de bovenopening van de buis wordt een bal geplaatst en daarna aan zich zelf overgelaten. Na hoeveel tijd en met welke snelheid zal de bal de benedenopening bereiken ?

Antio. Na 6,4 sec., met eene snelheid van 31,324 meters.

4. Korte beschrijving van een samengesteld werktuig, met eene schetsteekening.

4\'10 Ploeg.

1. Op een gelijkzijdigen cylinder is een kegel geplaatst; het grondvlak van den kegel bedekt het bovenvlak van den cylinder volkomen. De cylinder is van ijzer, de kegel van hout. Indien nu de hoogte, 6n van den cylinder, én van den kegel gelijk 5,2 meters is, vraagt men den afstand te vinden van het zwaartepunt van het geheele lichaam tot het grondvlak van den cylinder. Soort. gew. ijzer = 8. Soort. gew. hout=l. Antic. 2,756 meters.

2. Een hefboom van de tweede soort is in evenwicht onder de werking van twee in verschillende richting werkende krachten. Hoe vindt men de betrekking tusschen de grootte dezer krachten, en waarop steunt de aangewezen handelwijze ?

3. Twee lichamen zijn op een afstand van 500 meters van elkander verwijderd. Op hetzelfde tijdstip beginnen zij zich naar elkander toe te bewegen, het eene lichaam met eene eenparige snelheid van 5 meters in de seconde, het tweede met eene eenparig versnelde beweging, waarbij de versnelling gelijk 2 meters is. Na hoeveel tijd en op welk punt zullen de lichamen elkaar ontmoeten ?

Antio. De lichamen ontmoeten elkander na 20 seconden; het lichaam

ocr page 90

86

dat eene eenparige beweging heeft, is 100 meters van zijn uitgangspunt verwijderd.

4. Korte beschrijving van een samengesteld werktuig, met schets-teekening.

1867. Noord-Holland.

I810 Ploeg1.

1. Een lichaam, dat F kilogram weegt, ligt op een volkomen glad hellend vlak en wordt daar in evenwicht gehouden, doordien er 3

krachten op werken, elk in \'t bijzonder — — P. Welken hoek maakt

O

dit vlak met het horizontale, als eene dor krachten horizontaal, de tweede in eene richting tegenovergesteld aan die van \'t gewicht, en de derde loodrecht op het hellend vlak werkt?

■ Antw. 26quot;33/54//,2. De kracht, die loodrecht op het hellend vlak werkt, kan ook gemist worden.

2. Een lichaam, dat 02,75 kilogram weegt, ligt op een vlak, dat een hoek van 45quot; maakt met den horizon. Hoe groot is de kracht, die een hoek van 50quot; met den horizon makende, het lichaam in evenwicht houdt ? (wrijvingscoëff. — 0,35).

Antw. De kleinste kracht, die het lichaam in evenwicht houdt, is 29,860 kilogram.

3. Een steen valt van eene hoogte; hoeveel later zal hij worden ingehaald door een anderen, die hem, nadat hij gedurende 5 seconden gevallen is, met eene snelheid van 60 meters wordt achternageworpen ?

Antw. De steen zal na 16,21 sec. worden ingehaald.

4. Geef eene beschrijving van een stoomwerktuig van hooge drukking.

gJe p]oegf

1. Eene kracht van 500 kilo werkt onder een hoek van 70quot; tegen een volkomen glad hellend vlak. Hoe groot is de normale drukking en welken hoek zal het hellend vlak met het horizontale moeten maken, als men wil dat er evenwicht is ?

Antw. In deze opgave is waarschijnlijk hij vergissing iets weggelaten ; zooals zij daar staat, is zij niet te begrijpen.

2. Een lichaam, dat 100 kilo weegt, wordt met gelijkmatige snelheid tegen een hellend vlak opgetrokken, dat een hoek van 30quot; maakt met den horizon. Hoe groot zal de daartoe vereischte kracht zijn, als zij horizontaal werkt en 0,2 de wrijvingscoëfficient is ?

Antw. Wanneer de kracht is 87,S82 kilo, zal het lichaam eene eenmaal verkregen snelheid behouden.

3. Twee punten liggen op een afstand van 50 meters boven elkander. Na hoeveel tijd zal een lichaam, dat uit het laagste punt valt, door een ander ingehaald worden, dat 1 seconde van te voren viel uit het hoogste punt \'t Antw, Na bijna 4,6 sec.

ocr page 91

87

4. Geef in korte trekken de beschrijving van een of ander samengesteld werktuig.

1867. Zeeland.

1. Een lichaam is samengesteld uit een rechten cylinder, wiens straal r gegeven is, en uit een halven bol, die hetzelfde grondvlak heeft als de cylinder. Welke hoogte moet de cylinder hebben, opdat het zwaartepunt van het geheele lichaam in het middelpunt van het

gemeenschappelijk grondvlak gelegen zij? Antiv, — r j/ 2.

2. Een secundeslinger van de lengte l, wordt door warmte 0,012 l langer, Hoevele slingeringen maakt die slinger daags minder ?

Antw. Wordt de lengte l in meters uitgedrukt, dan is het gevraagde

aantal

512

I/ i

3. Een lichaam, waarvan het gewicht F ponden bedraagt, wordt op een hellend vlak gelegd. In het zwaartepunt van het lichaam wordt eene kracht P\' aangebracht, opwaarts in de richting van de lengte van het hellend vlak, en zoodanig, dat de minste vergrooting van de kracht eene beweging opwaarts ten gevolge zou hebben. Hoe groot moet de helling a van het hellend vlak wezen, opdat 1quot; = P worde, wanneer de wrijvingscoëfficient /\' is ?

1867. Utrecht.

1. Door middel van welke werktuigen kan men eene ronddraaiende beweging veranderen in eene heen en weer gaande ?

2. Bepaal de plaats, de snelheid en de richting der beweging van een kogel, die met eene aanvangssnelheid c onder een hoek x niet den horizon is voortgeschoten, t seconden na het verlaten van het kanon, en bereken den tijd na welken en den afstand waarop de kogel den grond bereikt. De hoogte van het kanon boven den grond wordt gelijk 0 aangenomen ; de versnelling van de zwaartekracht is y.

Antw. Na t sec. bevindt de kogel zich op een afstand ct sin x —

Ci

boven den grond; do afstand van de verticaal, waarop zich de kogel bevindt, tot het uitgangspunt van den kogel is cl cos X\', de snelheid is dan V ca — 2 egt sin x -|- g2t2 ; de richting der beweging maakt een

, , , , cstnx—ql hoek = hq \\tq = --—

\\ C COS X

2c sm x ■, , i. 1 --; de gevraagde aistand

j met den horizon. De gevraagde lijd is

. 2c2 sin xcos x

U


ocr page 92

88

3. Men vraagt het zwaartepunt te bepalen van een bolvormig segment, dat li tot hoogte heeft, terwijl de straal van den bol v is, gebruik makende van de formules voor het zwaartepunt van den kogel, en van het gebogen oppervlak van een bolvormig segment.

Antw. De afstand van het zwaartepunt tot het middenpunt van den

bol is 4-^^)!.

4 3«; — h

4. Men vraagt de betrekking te ontwikkelen tusschen kracht en last bij een takeltuig, bestaande uit een vast blok van n -\\- \\ en een los blok van n onderling gelijke katrollen, waarbij het begin van het koord aan het losso blok is bevestigd. Do wrijving, doch niet de stramheid en dikte van het koord, moet worden in rekening gebracht.

1867. Overijsel.

1. Waar ligt het zwaartepunt van een rechten cirkelvormigen cylinder, die aan eene zijde concentrisch is uitgeboord, wanneer de straal van het grondvlak is 2, die van het cylindrisch gat 1,2, de hoogte des cylinders 8 en de diepte der uitholling 3 palm is?

Antio. Het zwaartepunt ligt op do gemeenschappelijke as des cylinders, op een afstand van 3,61 palm van het grondvlak.

2. Op een hellend vlak, makende met den horizon den hoek «, is een lichaam geplaatst, wegende G pond. Bereken de kracht K, die, werkende onder een hoek /? met de richting der zwaartekracht, het lichaam tegen het vlak zal kunnen opsleepen, zoo de wrijvingshoek /i genoemd

sin (« /t) ^

wordt. Antw. K = . /0—--r G.

sin [ft — « — fi)

3. Een lichaam wordt met eene snelheid van 49 el per sec. verticaal opgeworpen. 4 sec. later wordt een tweede lichaam met een snelheid van 39,2 el per sec. evenzoo opgeworpen. Na hoeveel tijd zullen zij elkander ontmoeten, en op welke hoogte\'.\' (De versnelling der zwaartekracht g — 9,8 el.) Antw. Zij ontmoeten elkander 4 sec. nadat het tweede lichaam is opgeworpen, op eene hoogte van 78,4 el.

4. Een lichaam, wegende 100 pond, rust op een hellend vlak, welks hellingshoek 25quot; bedraagt. Hoe groot moet de kracht zijn, werkende evenwijdig aan de helling, die na 3 seconden aan dit lichaam eene snelheid van 20 el zal meedeelen ? (Wrijvingscoëfficient = 0,36; (y = 9,8 et). Antw, 142,910 pond.

1867. Groningen.

Ist0 Ploeg.

1. Zoek de resultante van 3 krachten, die in hetzelfde vlak werken, en bepaal de ligging van haar aangrijpingspunt, als gegeven is de grootte der krachten = Pi, Pi en 1\\.

Hare verlengde richtingen snijden de lijn OX, zoodat Obi = hi, Obgt; = ki, Oba=h.

De hoeken zijn: aibiX= «i, a2l)iX = ca, a^haX— «3.

ocr page 93

89

2. Eene katrol heeft een straal van a (= 3) palm, de spil een straal van h (== 1) duim. Aan liet eene einde van het touw hangt een gewicht van P{= 1) kilogram; aan het andere een van Q kilogram. De wrij-vingscoëfficient van de spil in de pan is =tangiec(— 0,4), Gevraagd de grootste en kleinste waarde van Q, die met P evenwicht maakt.

Anüv. Verwaarloost men het gewicht van de katrol, dan is de kleinste

, „ a — h sin fi „ , , i a-\\~b sin. ^ „

waarde van Q: ———;-P. en do grootste -;—;—— P.

a ^ sin /I a — b sin. /u

Voor de gegeven getallenwaarden: 0,970 en 1,025 kilogram.

3. Bij een toestel van Atwood bevindt zich een gewicht van 4 ons op 3,9 el hoogte boven den grond; het andere van 38 lood is beneden. In hoeveel tijd zal het grootere gewicht, het kleine optrekkende, den afstand tot den grond doorvallen, en met welke snelheid komt het daar aan ? Hoeveel elpond arbeidsvermogen van plaats is er dan verloren gegaan ? (g = 9,8).

Anhv. In 5i sec. bereikt het grootere gewicht den grond en wel met eene snelheid van 1,4 el; er is dan 0,078 elpond arbeidsvermogen van plaats verloren gegaan.

310 Ploeg.

1. In twee vlakken, wier standhoek = ^ is, werken twee koppels. De krachten zijn 1\\ en la, de hefboomsarmen «i en (U. Bereken het resulteerend koppel.

2. Een hefboom heeft twee armen van a en h {— 3 en 7) palm. Zijne spil heeft c (= 3) duim middellijn, en rust in eene cylindervormige pan. Aan den langsten arm werkt eene kracht van P (= 3) kilogr., aan den anderen eene van Q kilogr. De wrijvingscoëfficient van de spil in de pan is = tang /t (= 0,4). Men vraagt de grootste en kleinste waarde van Q, die met P evenwicht maakt.

Anttv. Verwaarloost men het gewicht van den hefboom, zoo is de

... , h — c sin fi j, i . . b c sin n kleinste waarde van Q: —;-;-J ; de grootste -;-P.

« i- c sin fi a — c sin n

Voor de gegeven getallenwaarden; 6,642 en 7,386 kilogram.

3. Een blok van 2gt; = 320 glijdt naar beneden langs eene helling van (i = 30quot;. De wrijvingscoëfficient van beweging is = tang ,« = 0,12. Bereken de versnelling en den tijd, waarin liet blok de 200 el lange helling doorloopt [g = 9,8).

Antw. De versnelling is 3,882 meter; in 10,15 sec. wordt de helling doorloopen. p is willekeurig.

1867. Limburg.

1. Een lichaam wordt schuin naar boven geworpen in eene richting, die met de verticaal een hoek «=125° maakt, en met eene snelheid van u — 24,4 meter.

a. In weiken tijd t zal het lichaam het punt bereiken, dat 86,1 meter lager ligt dan het uitgangspunt?

ocr page 94

90

h. Welken afstand zal het lichaam in dien tijd in horizontale richting afleggen ?

c. Welke snelheid zal het lichaam op dat oogenblik hebben, en welke is de richting dier snelheid ?

d. Na hoeveel seconden heeft het lichaam de grootste hoogte bereikt, en hoever bevindt het zich op dat oogenblik in verticale en horizontale richting van het aanvangspunt verwijderd ?

Atitw. a. In 5,85 sec.; b. 116,926 meter; c. de snelheid is 47,802 meter, en hare richting maakt met den horizon een hoek van 65° 17\'; d. na 1,43 sec.; de verticale afstand is 9,981, de horizontale 28,509 meter.

2. Wanneer bij een vliegwiel de druk in eene der tappannen D — 10000 kilo en do wrijvingscoöfllcient f = 0,08 bedraagt, hoe groot is dan de wrijving? Wanneer verder de tapstraal (J — 0,075 meter, en het getal omwentelingen per minuut n = G bedraagt, hoeveel arbeid moet er dan per seconde verricht worden, om deze wrijving te overwinnen ?

Antio. De wrijving in dien tap is 797,452 KG.; de gevraagde arbeid 37,579 KGM.

3. Een lichaam, dat P kilo weegt, ligt op een hellend vlak, waarvan de hellingshoek « is. Hoe groot is de kracht k, die op het punt is het lichaam naar boven te doen glijden, wanneer zij in het zwaartepunt aangrijpt, en met den horizon den hoek $ maakt?

Atiiw. Verwaarloost men de wrijving, dan is k — —^ —r P.

0 cos {[t — «)

4. ïwee veerkrachtige bollen, de een van 20 kilo, de ander van 32 kilo, botsen met snelheden van 15 meter en 8 meter in tegenovergestelde richting centraal tegen elkander; hoe groot zijn de snelheden na de botsing\',\' Antw. 13en 913.r meter.

1868.

1. Eene rechte horizontale staaf rust met een cylindrischen tap in eene pan. Het zwaartepunt der staaf is 4 decimeters, de uiteinden der staaf zijn 2 en 6 decimeters van het middelpunt des taps verwijderd. De straal van deu tap is 0,3 decimeter, het gewicht der staaf 4 kilogram, de wrijvingscoëfficient 0,21. Men vraagt, hoeveel kilogram aan den kortsten arm moet worden opgehangen, om evenwicht te maken met 25 kilogram aan het uiteinde van den langsten arm ?

Antw. Het kleinste gewicht, waarmede men evenwicht kan maken, is 79,050 kilogr. ; het grootste waarbij nog evenwicht bestaat 86,563 kilogr.

2. Welke snelheid deelt eene kracht van 30 kilogram aan een lichaam mede, dat 600 kilogram weegt, wanneer de kracht 10 seconden werkt? Welken afstand heeft het lichaam na verloop van dien tijd afgelegd? Hoeveel arbeidsvermogen is er in het lichaam opgehoopt, ea indien de kracht na tien seconden ophoudt te werken en vervangen wordt door een weerstand van 12 kilogram, hoe lang blijft het lichaam dan nog in beweging en welken weg legt het af?

Antw. Na 10 seconden heeft hot lichaam eene snelheid van 4,906

ocr page 95

91

meter; liet heeft dan afgelegd een weg van 24,53 meter, en bezit een arbeidsvermogen van 785,9 KGM. Komt het dan onder de inwerking van een weerstand van 12 kilogram, zoo blijft het nog gedurende 25 sec. in beweging, en legt nog af (31,325 meter.

1869.

1. Een last, wegende P kilogram, moet tot eene hoogte van h meter worden opgeheven. Men kan daartoe gebruik maken of van eene vaste katrol, bi\' van een hellend vlak. Van de katrol heeft de schijf een straal van 1 decimeter, de nagel of spil een straal van 1 centimeter ; de wrijvingscoëfficient is Ü,3G. Het hellend vlak maakt met den grond een hoek van 30quot;; bij het glijden van den last over dit vlak is de wrijvings-hoek 9°. Men onderstelt verder, dat bij het sleepen van den last het touw evenwijdig met het vlak is.

Men vraagt de grootte van den in beide gevallen te verrichten arbeid te bepalen.

Anlw. Bij gebruik van de katrol is de arbeid 1,07 Ph KGM.; bij gebruik van het hellend vlak 1,27 Ph KGM.

2. Eene locomotief doorloopt een boog. waarvan de straal 100 meter is. Haar zwaartepunt ligt 1,6 meter boven de spoorstaven. De buitenkanten der spoorstaven hebben een afstand van 1,5 meter. Bij welke snelheid zou de locomotief door de middenpuntvliedingskracht naar buiten omkantelen? Hoeveel moet de spoorstaaf, die aan den buitenkant der bocht ligt, hooger gelegd worden dan de binnenste, opdat bij eene snelheid van 3 meter de resultante van zwaartekracht en middenpuntvliedingskracht loodrecht zij op het vlak, dat door de bovenkanten der spoorstaven kan gebracht worden, zoodat de flenzen niet zijdelings tegen de spoorstaven gedrukt worden ?

Antiv. Bij eene snelheid grooter dan 21,446 meter zou de locomotief omkantelen. Bij eene snelheid van 3 meter zal, opdat de spoorstaven geene zijdelingsche drukking ondervinden, de buitenste spoorstaaf 0,014 meter hooger moeten liggen dan de binnenste.

3. Een heiblok van 600 kilogram heeft eene valhoogte van 1,2 meter, slaat op een heipaal, die 420 kilogram weegt, en drijft dezen in de laatste 20 slagen 0,015 meter dieper in den grond. In de onderstelling, 1°. dat de weerstand van den bodem daarbij standvastig is, 2°. dat heiblok en paal harde, niet veerkrachtige lichamen zijn, worden gevraagd : a) het draagvermogen des paals; b) het arbeidsvermogen bij é(5n slag verbruikt en de nuttige arbeid daardoor verkregen.

Aniw. a. 564700 kilogram ; h. het verbruikte arbeidsvermogen bij iederen slag is 720 KGM ; de nuttige arbeid 423,5 KGM.

1870.

1. Een looden halve bol is tegen een der eindvlakken van een kurken cylinder bevestigd. De stralen van bol en cylinder zijn gelijk. Het soortelijk gewicht van lood is 11,35, dat van kurk 0,24.

ocr page 96

92

Welke is de grootste verhouding tusschen lengte en straal van den ■cylinder, die nog kan voorkomen, wanneer het lichaam, nedergelegd zijnde, zich weder zal oprichten ?

Antio. De verhouding moet kleiner zijn dan 4,8(527 tot 1.

2. Op een lichaam van 10000 kilogram, dat zich op een horizontalen weg bevindt, werkt gedurende 2,5 minuut eene kracht van 200 kilogram. In de onderstelling, dat de aanvangssnelheid 5 meter en de wrijvingscoëfficient 0,01 is, vraagt men ;

a. de snelheid na 2,5 minuut;

b. den weg in dien tijd afgelegd ;

c. het arbeidsvermogen alsdan in het lichaam opgehoopt;

d. den weg, dien het nog zou kunnen atloggeii, als na den tijd van 2,5 minuut de kracht ophoudt te werken.

Antw. a. 19,7 meter; h. 1852,5 meter; c. 198005 kilogrammeter; d. 1980,05 meter.

1871.

1. Een ijzeren staaf, lang 12 decimeter, heeft den vorm van een afgeknotten kegel, welks eindvlakken stralen van 4 en van 2 centimeter hebben. Het soortelijk gewicht van het ijzer is 7,0. Aan het dikke einde hangt een gewicht van 200 kilogram, en op 5 decimeter afstand van dit uiteinde is het middelpunt van een tap, welks straal 2 centimeter is. Men vraagt naar de grenswaarden der kracht, welke, aan het dunne uiteinde aangebracht, dezen hefboom in evenwicht kan houden, wanneer de wrijvingscoëfficient van tap en pan = 0,08 is.

Antw. 143,107 en 144,794 kilogram.

2. Welken hoek moet de as van een mortier met den horizon maken, opdat het projectiel, dat den mond met eene snelheid s verlaat, op een horizontalen afstand l neerkome ?

Antw, Is (j de versnelling van de zwaartekracht, dan is de gevraagde

1872.

1. Eene kraan is op de volgende wijze ingericht; De last L hangt aan een takel van twee blokken, elk met twee schijven. Het koord van den takel is aan het bovenste blok vastgemaakt en loopt van den takel naar eene spil, welker straal = 0,37 meter is. Op deze spil is een getand rad bevestigd van 60 tanden, grijpende in een rondsel van 0 tanden, op welks as een tweede getand rad is geplaatst van 30 tanden, werkende op een rondsel van 0 tanden. Op de as van dit rondsel is de kruk bevestigd, waarop de kracht werkt; de lengte van den krukarm is 0,55 meter. Men vraagt de verhouding van kracht en last in geval van evenwicht te bepalen.

(De inrichting door een figuur duidelijk te maken.)

Antw. Stelt men de kracht door K, den last door L voor, zoo is K 37 L ~ 13200quot;

ocr page 97

93

2. Een materieel punt valt langs een hellend vlak over eene lengte l = 7,8 meter. Van dit vlak gaat het punt, zonder snelheid te verliezen, op een horizontaal vlak over. De hellingshoek van het hellend vlak is 35°. De wrijving, die het punt op het hellend vlak ondergaat, is gegeven door den wrijvingshoek fi = 7quot;; de wrijving op het horizontale vlak door den wrijvingscoëfficient /\' =: 0,3. Men vraagt, welken weg het punt op het horizontale vlak zal afleggen, en hoe lang het daarop in beweging zal blijven.

Ant\'W. Waar er gezegd wordt, dat het punt zonder snelheid te verliezen op het horizontale vlak overgaat, wordt waarschijnlijk bedoeld, dat het zijne snelheid in horizoi.tale richting behoudt. De weg dien liet punt dan op het horizontale vlak aflegt is 8,252 nieter; de gevraagde tijd 2,37 sec. {Julius). l)

1873.

1. Tegen een vertikalen muur staat op een horizontaal vlak eene ladder, waarvan het zwaartepunt, van onderen af gerekend, op J van de lengte L ligt. Welke is do kleinste hoek, dien de ladder met het horizontale vlak kan maken zonder uit te glijden? De wrijvingscoëfficient f en het gewicht G van de ladder worden bekend ondersteld.

2. Op een heipaal, die 800 kilogram weegt, valt een blok, zwaar 1200 kilogram, nadat het tot eene hoogte van 2,5 meter opgetrokken was. Indien bekend is, dat de paal door don stoot 0,045 meter daalt, wenscht men hieruit den gemiddelden weerstand van den grond te berekenen, alsmede welk deel van den verrichten arbeid hier nuttig gebruikt wordt. De stoot wordt als volkomen onelastisch beschouwd,

Antw. De gemiddelde weerstand is 40000 kilogram; ^ van den

O

verrichten arbeid wordt nuttig gebruikt. Zie 1869, no. 3.

1874.

1. In een houten kegel is eene uitholling gemaakt, die den vorm heeft van eenen rechten cirkelvormigen cylinder, wiens grondvlak en as met die van den kegel samenvallen, en die met lood wordt gevuld. Welke kracht moet men in het zwaartepunt van het lichaam loodrecht op de as laten aangrijpen om het te doen kantelen, als het op een horizontaal vlak staat.

De straal van het grondvlak van den kegel is H, die van den cylinder r, de hoogte van den kegel h, die van den cylinder ^ h, het soortelijk gewicht van hout s, dat van lood s\'.

gt;) Ik heb in 1872 onder „zonder snelheid te verliezenquot; verstaan: „zonder dat zijn arbeidsvermogen van beweging verandert.quot; Het komt mij nog voor, dat dit wel de bedoeling zal geweest zijn. De weg is dan 12,298 nieter; de tijd 2,892 sec. In ieder geval behelzen de genoemde woorden, letterlijk opgevat, eene onmogelijkheid.

(v. d. P.).

ocr page 98

94

Antw. Zijn li en r uitgedrukt in decimeters, dan moet de gevraagde kracht grooter zijn dan (2 R2— 3/\'2) s 2/quot;2 s\'J kilogr.

2. Een hellend vlak maakt met den horizon een hoek a = 4quot;30/. quot;Wanneer een lichaam, dat tegen die helling wordt opgetrokken, nadat de kracht ophoudt te werken nog 5 meter in 3 seconden ufiegt, voordat zijne snelheid uitgeput is, bereken dan den wrijvingscoëlficient en de snelheid, die het lichaam heeft, ééne seconde voor het stilhoudt.

Antw. De wrijviugs-coëfficient is 0,03489; de gevraagde snelheid

meter.

3. Eene stang is met het eene uiteinde door een scharnier aan eene verticale as verbonden . en draagt aan het andere uiteinde een zwaren bol. Hoeveel omwentelingen om de verticale as moet de toestel in lt;;éne seconde maken, opdat de stang een hoek van 30quot; met die as vorme? Het gewicht van de stang worde verwaarloosd; de afstand van het scharnier tot het midden van den bol bedraagt 6 decimeter.

Antw. 0,0910 omwenteling in de seconde.

1875.

1. Eene schroef, waarvan de spoed 1,5 centimeter en de straal 3 centimeter is, wordt bezwaard met een last van 1000 kilogram; indien de wrijvingscoëfficient 0,15 is, vraagt men:

a. welke horizontaal werkende kracht op een afstand van 3 decimeter, gerekend van het midden der schroef, moet werken aan de stang, die door den schroefkop gestoken is, om op het punt te zijn den last omhoog te brengen?

b. hoe groot die kracht, zou moeten zijn om te beletten, dat de last de schroef naar beneden doet gaan.

Antw. a. 23,335 kilogram; b. er is geene kracht noodig om de schroef het naar beneden gaan te beletten; wil men, dat zij naar beneden gaat, zoo is daartoe eene kracht noodig grooter dan 6,959 kilogr.

2. Een verticaal vliegwiel, bestaande hoofdzakelijk uit een cylinder-vormigen dunnen ring, waarvan het gewicht P en de straal li is, maakt n omwentelingen in de seconde. Men vraagt:

a. hoe groot is het arbeidsvermogen van het vliegwiel?

b. na hoeveel omwentelingen zal dit arbeidsvermogen door do tap-wr ij ving zijn uitgeput, indien de tapstraal r en do wrijvingscoëfficient f is.

C. in hoeveel seconden zal het vliegwiel door de tapwrijving tot stilstand komen ?

Gegeven P = 100 kilogram, R. = 0,4 meter, n — 2t r — 0,015 en /\'—0,05.

2 Ti2 n2 R2 P 1007K0 wc \\r

An/it\'. a........ — 128,(o2 KGM.;

9

ocr page 99

95

_ „2 »2 T/l I f2

b......JprJ\'-^ = 273,56 omwentelingen;

c.....hcnWVl -]■ !* seconfjengt;

gr f

1876.

1. Aan het grondvlak van een rechten cirkelvormigen cylinder is een halve bol van dezelfde stof zoodanig bevestigd, dat de middenpunten van grondvlak en bol samenvallen. Uit het aldus samengestelde lichaam is uit de andere zijde weggeboord een gedeelte, gelijkvormig met het geheel, en zoodanig dat de as der holte samenvalt met die van den cylinder. Men wil nu, dat het lichaam, met het bolvormig gedeelte op een horizontaal vlak rustende, in onverschillig evenwicht zij. Hoe groot moet de hoogte van den cylinder genomen worden, indien de straal van den cylinder en van den halven bol R bedraagt en de afmetingen van het geheele lichaam het dubbel bedragen van die der holte?

Antiv. 0,813 R.

2. Een stoffelijk punt met een gewicht van 5 kilogram beweegt zich, tegen de werking der zwaartekracht in, van beneden naar boven langs den binnenomtrek van een cirkel, die in een verticaal vlak geplaatst is, en heeft in het punt van zijne baan, dat in do horizontale middellijn gelegen is, eene snelheid van 40 meter. Welke drukking zal het in het bovenste punt van den cirkel in de richting van den straal op de baan uitoefenen, wanneer de straal van den cirkel insgelijks 40 meter bedraagt en men y, de versnelling der zwaartekracht, eeuvoudigheidshalve op JG meter stelt? En op welken afstand van de verticale middellijn van den cirkel zal het zich bewegende punt het horizontale vlak ontmoeten, dat 100 meter beneden het middelpunt van den cirkel gelegen is, indien het stoffelijk punt zich van liet bovenste punt der baan af verder vrij kan bewegen.

AntlO. Het lichaam zal in het hoogste punt op de baan een drukking uitoefenen van 5 kilogram. De gevraagde afstand is 149,67 meter.

1877.

1. Een balk van 200 kilogram rust met één zijner uiteinden opeen horizontaal, met het andere op een hellend vlak, waarvan de heliings-hoek 45quot; bedraagt. Men vraagt, welken hoek de balk met het horizontale vlak moet maken om in evenwicht te zijn, en iioe groot de drukkingen zijn, die op beide vlakken worden uitgeoefend, als f = 0,325

Antw, Als de balk over zijn geheele lengte even dik en van dezelfde stof is, moet de hoek = 29quot;7/ wezen, de drukking tegen het horizontale vlak = 122,10 kilogr,, en die tegen het hellend vlak 83,14 kilogr

2. Een looden kogel bevindt zich in eene buis, welker as een hoek c« met het horizontale vlak maakt en die zich eenparig beweegt om eene verticale as, welke door het onderste punt der buis gaat. Hoe groot moot de duur eener geheele omwenteling zijn, opdat de kogel,

ocr page 100

96

1878.

1. Uit eene cirkelvormige schijf, welker middellijn 16 decimeter bedraagt, moet eene kleinere schijf worden gestoken, welke eene middellijn van 8 decimeter heeft. Hoe ver moot het middenpunt van het cirkelvormig grensvlak van de laatstbedoelde schijf verwijderd zijn van dat van eerstgenoemde, opdat het zwaartepunt van het overblijvende gedeelte juist in den omtrek van de kleinere schijf ligge ? Antw. 3 decimeter.

2. Een lichaam van 260000 kilogram ontmoet met eene snelheid van 8 meter een ander lichaam, dat zich in tegenovergestelde richting beweegt en een gewicht van 200000 kilogram heeft. Dit laatste had gedurende 10 seconden vóór de botsing een wrijvingsweerstand van 5000 kilogram te overwinnen, en zijne snelheid bedroeg vóór die 10 seconden 8,95 meter. Hoe groot is de levendige kracht, die bij do botsing dier lichamen verloren gaat, indien zij als volkomen on veerkrachtig worden beschouwd en de versnelling der zwaartekracht op 9,8 meter gesteld wordt.

Antw. Als men onder levendige kracht verstaat het halve produkt van de massa en het kwadraat der snelheid, dan is het verlies 1212600 kilogrammeter.

1879.

1. Een rechte kegel, waarvan de straal van het grondvlak 2 decimeter en de hoogte 16 decimeter is, rust met zijn grondvlak op een hellend vlak. Als deze kegel op het punt is fcn van om te vallen, èn van naar beneden te glijden, vraagt men den hellingshoek en den wrij-vingscoëfficient.

Antw, De hellingshoek = 26quot;34/; de wrijv. coëff. —

2. Op een horizontaal vlak is een lichaam van Q, = 100 kilogram geplaatst. Dit lichaam wordt voortgetrokken door eene kracht K —- 100 kilogram, welker richting met den horizon een hoek a — 60° maakt. Als de wrijvingscoëfficient /■=:0,1 is, vraagt men:

a. Welke snelheid het lichaam hebben zal, if = 5 seconden nadat de kracht begon te werken ?

b. Welken weg het in dien tijd zal doorloopen hebben ?

c. Als op het einde der 5\'le seconde de kracht ophoudt te werken, hoe lang de beweging dan nog zal duren ?

cl. Welken weg het lichaam dan nog zal afleggen?

Men stelle ^ = 10 meter.

Antw. a. 24,33 meter. b. 60,825 met. c. 24,33 second, cl. 296 met.

in een punt P van de buis gelegd, op die plaats in evenwicht blijve, wanneer dat punt P zicli op een afstand h boven het horizontale vlak bevindt, dat door het onderste punt der buis gaat?

ocr page 101

97

1880.

1. Van een cirkelsegment bedraagt de koorde 4 centimeter, terwijl de boog 50° bevat. Op welken afstand van het middenpunt is het zwaartepunt gelegen? Antw. 4,216 centimeter.

2. Een bol wordt van een punt, a meter vöór een verticalen muur en b meter boven den horizontalen bodem gelegen, opgeworpen met eene snelheid c en onder een hoek n met den horizon, in een vlak loodrecht staande op den muur. Waar, onder welken hoek en met welke snelheid zal hij den muur treffen ? Waar zal hij den bodem bereiken, als bol en muur beide volkomen veerkrachtig zijn ?

Antto. De bol treft den muur op eene hoogte boven den bodem = Cl Cl^

b 4- a tq « — i ^—, onder een hoek met den verticaal naar beneden

c3 cos* a

waarvan de cotn = 2 tq ci — „ a, met eene Snelheid = J J C COS2 cc \'

c2-\\-—z-4--2 aqtq ((■ . Hij komt op den bodem

C COS1 « a J j J I

c2 sin es cos « , i A 2c sin « 4- 2amp; ,, ,

---\\-ccosti \\ /---a, voor den muur.

9 V g

1881.

1. Aan den top en aau een punt van den omtrek van het grondvlak van een gelijkzijdigen kegel zijn de uiteinden bevestigd van een koord, dat tweemaal zoo lang is als de schuine zijde van dien kegel. Als de kegel aan dat koord zoodanig wordt opgehangen, dat het ophangpunt juist het midden van het koord is, vraagt men : welken hoek de as des kegels met den horizon zal maken, en hoe groot de spanningen der beide deelen van het koord zijn?

Antu\\ De hoek is Bq {tg = — 1^ 3) = 83° 0\' 15quot;.

O

De spanningen zijn 0,524 en 0,629 van het gewicht des kegels.

2. Een zwaar stoffelijk punt kan slingeren aan een onrekbaren draad, welks lengte één meter is en welks massa verwaarloosd mag worden. Het stoffelijk punt wordt met den draad 90quot; uit zijn stand van evenwicht gebracht en daarna losgelaten, terwijl men het tegelijk eene aanvangsnelheid van 4 meter in de richting van do raaklijn van den te beschrijven boog mededeelt.

Men vraagt: 1quot;. naar de snelheid, die het stoffelijk punt zal hebben, als de slinger door de verticaal gaat ; 2°. tot welk eene hoogte boven zijne laagste plaats het stoffelijk punt aan den anderen kant der verticaal zal stijgen; 8°. hoe groot de kracht is, waardoor de draad gespannen wordt op het oogeublik, dat het punt door zijn evenwichtsstand gaat, zoo men het gewicht van het punt = 0,1 kilogram stelt. De versnelling der zwaartekracht worde = 10 meter genomen.

Antw. 1quot;. Y 26 meter. 2quot;, 1,3 meter. 3°. 0,36 kilogram.

7

ocr page 102

98

1882.

1. Van een windas is de straal der spil 30 c.M., die van de tappen 3 cM. en die van het rad 1 M. Om de spil is een touw geslagen van 2 cM. dikte, en daaraan hangt een last van 1000 KG., terwijl het windas zelf 100 K.G. weegt. Men vraagt:

a. de grenswaarden der kracht te bepalen, welke aan den omtrek van het rad in de richting der raaklijn moet werken om met dien last evenwicht te maken;

b. aan te toonen, dat voor het opheffen van den last met eenparige beweging bedoelde kracht niet standvastig kan zijn.

De wrijvings-coëff\'icient wordt — 0,08 gesteld.

Antio. Als de kracht verticaal naar beneden werkt, zijn hare grenswaarden 313,39 en 306,62 KG.; als zij verticaal naar boven werkt, 311,89 en 308,10 KG.

2. Een spoortrein van 100 000 KG. gewicht, zich voortbewegende met eene snelheid van 12 M., ontmoet eene helling van lü Daarboven. Wanneer op hetzelfde oogenblik de machine ophoudt te werken en de trein, door den weerstand, na een weg van 300 M. te hebben afgelegd, tot rust komt, hoe groot is dan de wrijvingscoëfficient ? (lt;/ — 10 M. te nemen.) Alltw. 0,00655.

1883.

1. Een lichaam, zwaar 1000 KG., heeft eene begin-snelheid van 100 M. en legt langs een horizontaal vlak een weg van 500 M. af. De wrijvingscoëfficient is

Vervolgens botst het lichaam tegen een ander van 100 KG. gewicht, dat ligt aan den voet van een hellend vlak, waarvan de hellingshoek 30quot; bedraagt, en waarvan de doorsnede met het horizontale vlak lood-. recht is op de richting der beweging van dit lichaam. Beide lichamen worden als volkomen veerkrachtig beschouwd.

Tot welke hoogte zal het tweede lichaam tegen de helling oploopeu ? De wrijvingscoëfficient is ook nu ■£.

Antw. Als het tweede lichaam op het hellend vlak overgaat, zonder aan arbeidsvermogen van beweging te verliezen, zal het eene hoogte van 443 M. bereiken.

2. Een lichaam wordt zoodanig op een hellend vlak geplaatst, dat het er afglijdt en eene versnelling van 2 M. verkrijgt.

Op een ander bellend vlak geplaatst, waarvan de helling 12 graden bedraagt, blijft het nog juist in evenwicht.

De wrijvingscoëfficient is voor beide vlakken dezelfde.

Hoe groot is de helling van het eerste vlak ?

Antw. Als g — 10 M., 23\'J1G/,

1884.

1. Een ladder van 150 K.G. gewicht, wier zwaartepunt van het ondereinde ligt, staat onder een hoek van 30° met den grond tegen een muur.

ocr page 103

99

a. Indien ondersteld wordt, dat er geene wrijving is, vraagt men de horizontale kracht, die men tegen het ondereinde moet aanbrengen om het uitglijden te beletten.

h. Hoe groot zou die kracht moeten zijn, als er alleen wrijving met den grond was, terwijl daarvan de wrijvingscoëfficient gegeven is = 0,5 7 Antw. a. 50 V 3 K.G. b. 50 ]/quot; 3 — 75 K.G.

2. Drie volkomen gelijke cylinders, die ieder P K.G. wegen, zijn zoodanig geplaatst, dat zij elkander raken. De eerste rust op een horizontaal vlak en raakt een hellend vlak; de tweede rust op het hellend vlak en raakt den eersten; de derde rust op den eersten en tweeden. De assen dezer cylinders kruisen de richting van het hellend vlak rechthoekig. Hoe groot moet de kracht zijn, die deze cylinders zal kunnen tegenhouden, als de richting dier kracht door de middelpunten van de eerstgenoemde cylinders gaat en de hellingshoek van het hellend vlak « is? — (Er wordt ondersteld, dat er geene wrijving is en dat zoowel de vlakken als do cylinders volkomen hard zijn.)

Antw, Wanneer « gt; 30quot; is, zou de derde cylinder niet meer tegen den tweeden rusten en van den eersten afrollen; wanneer 80quot; gt; « gt; lO\'^S\'SG\'7 moet de kracht zijn — V 3. P [cos « — sec « sin a l/\' 31; wanneer « lt; lO\'^S\'SGquot; wordt de tweede cylinder door den derden tegen de helling opgeduwd, en zijn twee tegengestelde krachten noodig, ééne — } P V 3 [4 ces « — 3 sec «] voor den eersten cylinder en de andere = J P [— \'J sin « -|- cos « V 3| voor den tweeden cylinder.

1885.

1. Eene homogene ijzeren plaat van den vorm van een parallelogram moet door drie werklieden gedragen worden, zoodanig dat iedereen evenveel draagt. Eén der werklieden grijpt de plaat aan een hoekpunt. Aan welke punten van den omtrek moeten nu de beide andere werklieden de plaat vasthouden?

Aniw. In de middenpunten der zijden tegenover dat hoekpunt.

2. Een lichaam wordt aan \'t boveneind van een hellend vlak losgelaten en glijdt naar beneden. Op \'t midden van het hellend vlak wordt door een stoot zijn snelheid plotseling vermeerderd met 3,4 M. Aan het ondereind van het hellend vlak gekomen, zet het tengevolge der verkregen snelheid en onder do werking der zwaartekracht zijne beweging voort, totdat het na drie seconden den horizontalen grond bereikt. Nu wordt gevraagd te berekenen:

a. den duur der beweging;

b. hoever het ondereind van het hellend vlak boven den grond is,-

c. in welk punt het lichaam den grond bereikt;

cl. de eindsnelheid;

e. het arbeidsvermogen van beweging, dat het lichaam aan het eind van zijne baan bezit (uitgedrukt in dynamische eenheden).

Gegeven zijn :

lengte van het hellend vlak 8,2 M.;

ocr page 104

100

hoogte van het hellend vlak 1,S M.;

gewicht van het lichaam 205 KG.;

g = 9,8 M.;

wrijvingscoëfficient Antw. a, 9,7 sec,; b. 47,4 M. ; c. 14,6 M. voorbij het hellend vlak ; d. 30,9 M,; e. 977750 000000 Erg (C2 GSquot;2),

1886.

1. Een lichaam van 49 KG. valt uit een punt A, dat 17G,4 M. boven den bodem is gelegen. Na 3 seconden laat men op dat lichaam gedurende 2 seconden eene horizontale kracht van 10 KG. werken. Na hoeveel tijd, met welke snelheid en op welken afstand van de vertikaal van A zal het lichaam den bodem bereiken? g—Q,8 M.

Antw. Na 6 sec.; met bijna 59 M. snelheid en op 8 M. afstand.

2, In een ijzeren cilinder (soortelijk gewicht 7,8) wordt eene kegelvormige holte geboord, zoodanig dat de as des kegels samenvalt met die des cilinders, de straal van het grondvlak de helft is van dien des cilinders en de hoogte eveneens gelijk aan de helft van de hoogte des cilinders. Deze holte wordt gevuld met eene stof, wier soortelijk gewicht 12 is. Indien nu de hoogte van den cilinder 000 mM. bedraagt, waar ligt dan het zwaartepunt van het nieuwe lichaam ?

Antw. In de as en 295 mM. boven het grondvlak.

1887.

1. Een zware staaf AB is in een verticaal vlak draaibaar om eene gladde horizontale as, die zich aan het uiteinde A bevindt; aan het uiteinde B is een koord bevestigd, dat, gaande over eene gladde pen C, loodrecht boven A, een gewicht P draagt. Welken hoek met de verticaal maakt de staaf in den stand van evenwicht?

Stel AB = 2a, AC = b, het gewicht van de homogene, overal even dikke staaf =G.

2. Tegen een hellend vlak wordt een lichaam, waarvan het gewicht G is, opgetrokken door een gewicht 2 G, dat verticaal daalt. Nadat beide een weg C doorloopeu hebben, breekt het koord. Zoo nu na dien tijd het lichaam op het hellend vlak nóg een weg C aflegt eer het begint te dalen, hoe groot is dan de helling van het vlak.

NB. De wrijving te verwaarloozen.

Antiv. \\ (hellingshoek 30°).

1888.

1. ïwee hellende vlakken staan met de hoogte tegen elkander, de helling van het eene is 10quot;, die van het andere 0quot;. Op het eerste ligt een last van 500 kilo; hoe groot is de last die op het andere hellend vlak moet liggen, opdat er evenwicht zij, als de beide lasten

ocr page 105

101

verbonden zijn door een volkomen buigzaam touw, dat over een katrol loopt, op heit hoogste punt der helling geplaatst. De wrijvingscoëfficient op de hellingen is de wrijving der katrol op hare as wordt

verwaarloosd.

Antw. Tusschen 897 en 770 KG.

2. Een homogene, over zijne geheele lengte even dikke balk rust met het eene eind op een horizontaal vlak, met het andere eind tegen een hellend vlak, dat met het horizontale een hoek van 00° maakt. Men vraagt den kleinsten hoek te vinden, dien de balk met het horizontale vlak maken kan, om in evenwicht te zijn.

Op het hellend vlak is geen wrijving; de wrijvingscoëfficient op het horizontale vlak is 3.

Antw. 4906/ of Bg. {tang — % Y 3).

1889.

1. Een halve bol van marmer is tegen het grondvlak van een houten kegel zoodanig bevestigd, dat het middelpunt van den bol en het middelpunt van het grondvlak des kegels samenvallen, terwijl de straal van den bol en van het grondvlak des kegels gelijk zijn. Het specifiek gewicht van marmer is 2,5 en van dit hout Hoe groot moet de hoogte des kegels zijn, opdat het zwaartepunt van het geheele lichaam in het gemeenschappelijk cirkelvlak valle? De straal van den bol wordt als gegeven beschouwd.

Antw. h — rV 10.

2. Uit het hoogste punt van een hellend vlak, waarvan de hellings-hoek 45° is, wordt in horizontale richting in een vertikaal vlak, dat loodrecht op het hellend vlak staat, een stoffelijk punt voortgeworpen met eene aanvangsnelheid van 10 M. per sec. Het punt en het vlak worden als volkomen veerkrachtig bij botsing aangemerkt. Als de tweede botsing van het punt op het vlak plaats heeft in het laagste punt van het vlak, vraagt men, hoe lang het vlak is. Men stelle g gelijk 10 M. per sec.

Antw. 60 2 meters.

1890.

1. Een homogene sta^f is rechthoekig omgebogen en daarna aan een der uiteinden opgehangen. Lengte der beenen: a en b. Men vraagt in den stand van evenw\'cht de helling van een der beenen met de ver-tiaal te berekenen.

Antw. Als de staaf een lijn zonder dikte is en opgehangen wordt aan het been a, dan maakt a een hoek x met de verticaal en b2

irr i\'jn- -

0 a2 2ab\'

2. Een lichaam valt vrij van eene hoogte van 142 M. Nadat het 25 M. heeft afgelegd, werpt men \' van dezelfde hoogte een tweede lichaam verticaal naar beueden. Welke aanvangssnelhekl moet aan dat

ocr page 106

102

lichaam gegeven worden, opdat beide lichamen gelijktijdig den grond bereiken?

Antw, 30,44 M. als ^ =: 10 M.

1891.

1. Een stuk marmer heeft de gedaante van een afgeknot prisma. De zijden van het driehoekig grondvlak AB = BC = 13 dM. en AC = 10 dM. De opstaande ribben, die loodrecht staan op het grondvlak ABC, zijn AD = CF = 2 dM. en BE = 5 dM. Als dit lichaam in de drie hoekpunten zoo ondersteund wordt, dat het vlak ABC horizontaal ligt, hoe groot zijn dan de drukkingen in de steunpunten? S. gew. marmer = 2,8.

Antw. In A en C ieder 154 K.G. en] in B 196 K.G.

2. Een volkomen veerkrachtig lichaam wordt uit een punt, dat 20 M. boven een horizontaal vlak gelegen is, in horizontale richting voortge-worpen met eene snelheid van 50 M.

Waar, wanneer en onder welken hoek komt het den tweeden keer cp het horizontale vlak ? g = 10 M.

Antw. Na 6 secuuden; onder een hoek van 21n48/; en 300 M. verder dan het voetpunt der loodlijn uit het beginpunt op het horizontale vlak neergelaten.

I. T e c h n o 1 o g1 i e.

1866. Zuid-Holland.

Istquot; en 3\'le Ploeg.

Beschrijf in groote trekken de inrichting van eene of andere fabriek, of geef een overzicht van de wijze, waarop eenig veel voorkomend product bereid wordt.

1866. Gelderland.

Is\'0 Ploeg.

Geef eene beschrijving van de bereiding van papier of van die van glas. S\'0 Ploeg.

Geef eene beschrijving van de wijze, waarop het ijzer verkregen en het staal bereid wordt; of beschrijf eene gasfabriek.

1867. Zuid-Holland.

l8\'0 Ploeg.

1. Spinnerij.

2. Papierfabrikage.

2\'le Ploeg.

1. Weven.

2. Bewerken van metalen.

ocr page 107

103

3\'10 en 4l,e Ploeg.

Korte schets van eenig onderwerp uit de mechanische technologie.

1867. Utrecht.

Beschrijf de verschillende bewerkingen, die het ijzer, na in de hoogovens uitgesmolten te zijn, moet ondergaan, voordat het als gevormd smeedijzer kan gebruikt worden.

1867. Overijsel.

1. Geef eene schets van het spinnen van katoen.

2. Idem van het weven.

1867. Groningen.

Ist6 Ploeg.

Beschrijf één of\' meer soorten van werktuigen, die het doel hebben om water op te voeren, en verklaar er de werking van.

2110 Ploeg.

Beschrijf één of meer werktuigen, waardoor de beweegkracht van water aangewend wordt tot het drijven van fabrieken en beschrijf er de werking van.

J. K o s m o g- r a p li i e. 1867. Utrecht.

1. Op welke gronden neemt men aan, dat de aarde om hare as wentelt ?

2. Wat is u bekend aangaande eb en vloed?

K. N u t ii ii r k u n d e.

Tijd. Voor vraagstukken en opsleUen tc xamen, in 1880 en 1881: 3 uren; in 1882—1891: 4 uren, In 1877—1879 voor vraag-stukken en opstellen ieder afzonderlijk 3 uren.

I. Vraagstukken.

1867. Zuid-Holland.

Ist0 Ploeg.

Van een driehoekig gelijkslachtig prisma zijn de afmetingen en het soortelijk gewicht gegeven; het drijft in water en wel met een der zijvlakken, evenwijdig met den waterspiegel, onder water; men vraagt eene formule te vinden ter berekening van den diepgang.

ocr page 108

104

Aniw. Zij h de afstand vau het bedoelde zijvlak tot de overstaande ribben en d het soortelijk gewicht van de stof, waaruit het prisma bestaat, dan is de diepgang li (1 — Yl—d).

2\'\'° Ploeg.

1. Van een driehoekig gelijkslachtig prisma zijn de afmetingen en het soortelijk gewicht gegeven; het drijft in water en wel met een der zijvlakken, evenwijdig met den waterspiegel, boven water. Men vraagt eene formule te vinden ter bepaling van den diepgang.

Anliv. Zij h de afstand van het bedoelde zijvlak tot de overstaande ribbe en d het soortelijk gewicht van de stof, waaruit het prisma bestaat, dan is de diepgang/d Y d.

2. Van een gas is de dichtheid bij io en een barometerstand van h eM. gegeven, men vraagt de dichtheid bij t\'o en een barometerstand van h\' cM.

3\'le Ploeg.

Van een gelijkslachtigen rechten kegel zijn de afmetingen en het soortelijk gewicht bekend; het lichaam drijft in water met den top naar beneden ; men vraagt eene formule te vinden ter berekening van den diepgang.

Antiv. Zij li de hoogte van den kegel en d het soortelijk gewicht van de stof, waaruit hij bestaat, dan is de diepgang li V d.

4\'\'° Ploeg.

1. Van een gelijkslachtigen rechten kegel zijn de afmetingen en het soortelijk gewicht bekend. Het lichaam drijft in water met den top naar boven; men vraagt eene formule te vinden ter bepaling vau den diepgang.

Antw. Zij h de hoogte van den kegel en d het soortelijk gewicht van de stof, waaruit hij bestaat, dan is de diepgang h (1 — ^ i — d).

2. Een lichaam wegende P kilo en van eene temperatuur van Ta, is gedompeld in een bak, wegende Q kilo en waarin i? kilo water van

de eindtemperatuur is ^0; de soortelijke warmte van de stof, waaruit de bak bestaat, is c. Men vraagt de soortelijke warmte van het ingedompelde lichaam. De invloed van het glas en het kwik van den thermometer kan verwaarloosd worden.

Antw WV\'-A

1867. Noord-Holland.

rte Ploeg.

1. Een bol van 2 kubieke palm inhoud is bij eene luchtdrukking van 74 cm. en eene temperatuur van 13° C. gevuld met droge lucht. Door eene kraan wordt de ruimte van den bol in gemeenschap gebracht met eene volkomen luchtledige ruimte van 3 kubieke palm inhoud. Wordt gevraagd het gewicht van de lucht, die in den eersten bol blijven zal.

ocr page 109

105

Gewicht van 1 kubieke palm lucht bij 0° en 760 mm. 1,3 wichtje. Uitzettingscoëfllicient van de lucht Antw. 0,9C7 wichtjes.

u ( ó

2. Een holle spiegel heeft een brandpuntsafstand van 0,5 palm. Op welken afstand van den spiegel zal het beeld gevormd worden vai; een lichtend punt, dat, op de hoofdas, 2 palm van den spiegel verwijderd is. Teeken den gang van twee lichtstralen, uit dat punt op den spiegel vallend.

2

Antw, Op een afstand van — palm.

O

S\'1quot; Ploeg.

1. Men heeft een luchtballon vervaardigd, waarvan de opstijgingskracht is 5 kilogram bij 21° C. en een barometerstand van 74 duim. Hoe groot is de inhoud van dien ballon, als het gewicht van de stof, waaruit hij vervaardigd is, en dat van het schuitje te zaraen 365 kilogram is?

Dichtheid van het gas, waarmede de ballon gevuld is 0,07. Gewicht van 1 kubieke palm lucht bij 0° en 760 mm, 1,3 wichtje. Uitzettings-

coëfficient van de gassen -r^. Antw. 338,487 kubieke meters.

u i O

2. Een convergeerende lens heeft een brandpuntsafstand van 1 palm. Op welken afstand van de lens zal het beeld gevormd worden van een lichtend punt, dat op de hoofdas 5 duim van de lens verwijderd is. Teeken den gang van twee lichtstralen uit dat punt op de lens vallend.

Antw. Het beeld zal virtueel zijn en aan denzelfden kant als het lichtend punt op 1 palm afstand van de lens worden gevormd.

1867. Zeeland.

1. Een glazen vat is geheel gevuld met 6 kilogram kwikzilver van 30° C. Men vraagt het volumen van het vat bij 0° C.

Soortelijk gewicht van kwik bij 0° = 13,59.

Kub. uitzettingscoëfficient van kwik = . r\\ .

OO0U

Kub. uitzettingscoëfficient van glas .= ^ .

ÖOIÜU

Antw. 0,4435 kub. decim.

2. Men mengt 15 kilogram kwik van 65° C. met 4(^kilogram water van 5° C. Men vraagt de temperatuur van het mengsel.

Soortelijke warmte van kwik = 0,03; het vat, waarin zich het water bevindt, weegt 0,753 kilogram, en de stof, waaruit het vat bestaat,

heelt tot soortelijke warmte —.

Antio. 50,G6C.

3- Eene biconvexe lens heeft een brandpuntsafstand van 10 duim. Welke is de grootte van het beeld, dat gevormd wordt van een voorwerp, dat 36 duimen van de lens is verwijderd ?

ocr page 110

106

Antic. De grootte van het beeld is het ^V^e van die van het voorwerp.

4. Welke is de sterkte van een galvanischen stroom, die, bij eene luchtdrukking van 754 strepen en eene temperatuur van 20° C. in 45 sec. 20 kub. duimen knalgas levert?

Uitzettingscoëfficient van knalgas = aan dien van lucht.

Antw. In eenheden van Jacobi (één kubieke duim knalgas per minuut) uitgedrukt, is de stroomsterkte 24,65.

1867. Utrecht.

1. Een fleschje weegt ledig 10 gram, met water gevuld 25 gram, met olie gevuld 22,9 gram. Brengt men er een lichaam in dat 34 gram weegt en vult het fleschje verder met olie, dan weegt het 52,8 gram. Wat is het soortelijk gewicht van dat lichaam? Antw. 7,13.

2. In een gesloten kwikmanometer, bestaande uit een w-vormig gebogen buis, staat het kwik in beide beenen even iioog, zoo de druk van de buitenlucht 700 millimeter is. Aan een stoomketel aangebracht stijgt het kwik in de gesloten buis 3 palm boven den kwikspiegel in de andere buis. Hoe groot is de druk van dien stoom in millimeters kwik en in kilogrammen per Q palm. Het uiteinde van de gesloten cylindrische buis is 4 palm boven den kwikspiegel in de andere buis gelegen.

Antw. Laat men den invloed der temperatuursverhooging buiten rekening en stelt men het soortelijk gewicht van kwik 13,598, dan is de druk van den stoom 2200 millimeters kwik of 299,156 kilogr. per Qj palm.

3. Twee lenzen zijn op een afstand van 4 duim achter elkaar geplaatst, zoodat van een voorwerp, dat 2 duim van de vooi-ste lens verwijderd is, door breking van beide lenzen een recht opstaand virtueel beeld op een afstand van 51 duim van de voorste lens wordt gevormd. Hoe groot is de brandpuntsafstand van de achterste lens, zoo die van de voorste 5 duim is ? Antw. 8T0g- duim.

1867. Overijsel.

Het volume van een gas is V bij eene temperatuur t en eene drukking h, terwijl het gas verzadigd is van waterdamp. Hoe groot is het volume van dit gas bij eene temperatuur t\' en eene drukking h\', als het dan ook van waterdamp verzadigd is ? Do spanning van den waterdamp is in het eerste geval in het tweede f\'; de kubieke uitzettingscoëfficient van het gas is k.

Antw V ^ ^ ^ ^

. hl_f/ j kt •

1868.

1. De middellijn van den bol eens kwikthermometers is 12 mm. Het nulpunt der schaal van Celsius \') bevindt zich 50 mm. boven den

bol. De afstand van het vriespunt tot het kookpunt bedraagt 80 ram.

Deze afmetingen zijn bepaald bij een temperatuur van 0° C. Men -vraagt

de doorsnede van de thermometerbuis te bepalen.

\') Celsius plaatste 0 bij het kookpunt en 100 bij het vriespunt. In het vraagstuk ia de tegenwoordige honderddeeiige schaal bedoeld.

ocr page 111

107

De uitzettingscoëfficient van kwikzilver is 0,0001822. Verder is bekend dat eene staaf van dezelfde glassoort als die, waaruit de thermometer is vervaardigd, van één decimeter lengte, bij 10quot; Reaumur 0,0095 millimeter langer is dan bij 0quot; R. Antw. 0,182 vierk. millimeter.

2. Een prisma met een brekenden hoek van 60quot; geeft aan zekeren lichtstraal een minimum van afwijking van 80°. Hoe groot is de brekingsexponent van de stof, waaruit het prisma is vervaardigd, voor dezen lichtstraal ? Anho. J/ 2.

1869.

1. Hoeveel weegt een kubiek meter vochtige lucht bij 20quot; en eene spanning van 0,77 meter kwikdruk, wanneer de vochtigheidstoestand der lucht 0,75 is?

Maximum van spankracht van waterdamp bij 20quot; = 17,39 millimeter. Gewicht van een liter droge lucht bij 0quot; en 0,76 meter kwikdruk = 1,293 gram. Dichtheid van waterdamp 0,622. Uitzettingscoëfficient

van lucht . Antw. 1,212777 kilogram.

^ I O

2. Het objectief van een samengesteld mikroskoop heeft een brandpuntsafstand van 5quot;quot;quot;. Het voorwerp is 5,1quot;quot;quot; van de lens verwijderd. De collectief-lens is 200mra van het objectief verwijderd en heeft een brandpuntsafstand van 100l,im. Waar valt het beeld van het voorwerp en hoever moet het oculair van de collectief-lens verwijderd zijn, om een virtueel beeld te doen ontstaan op den afstand van 250quot;quot;quot; van het oculair, welks brandpuntsafstand 5mra is ?

Aniw. Het beeld van het voorwerp valt op 35 miliim. voorbij de collectief-leus; het oculair moet 40,4 miliim. van de collectief-lens verwijderd zijn.

1870.

1. De stroom eener voltasche cel doet de naald eener tangenten-boussole 70,5 afwijken en ontwikkelt in twee minuten tijds in den voltameter 45 kub. centimeter knalgas van eene temperatuur van 15quot;. De vloeistof van den voltameter stond, bij het aflezen van het volume gas, in de buis 3 centimeter hooger dan in het glas daarbuiten ; de barometer wees 770\'quot;quot;\'. Men vraagt, hoeveel kub. centimeter knalgas van 0quot; en 760\'quot;\'quot; de stroom in de seconde zal ontwikkelen, wanneer de stroom de naald der boussole 45° doet afwijken, en hoe groot in dat geval de stroomsterkte is, uitgedrukt in electromagnetische eenheden.

A7Z?. De verbetering wegens den vochtigheidstoestand van het gas blijft buiten rekening.

Gegeven zijn :

Soortelijk gewicht van de vloeistof in den voltameter = 1,2 ;

Soortelijk gewicht van kwikzilver = 13,6 ;

Gewicht van een liter waterstof = 0,0896 gr.;

Uitzettingscoëfficient van knalgas = 0,00367 ;

Electrochemisch aequivalent van water - 0,00938 mgr.

Antw. 2,726 kub. centim.; de stroomsterkte is 156,231.

ocr page 112

10S

2. Een hollaridsclie verrekijker heeft een voorwerpglas van 10 centimeter en een oogglas van 2 centimeter brandpuntsafstand.

Een astronomische verrekijker heeft een voorwerpglas van 30 centimeter en een oogglas van 1 centimeter brandpuntsafstand.

Hoe groot is van elk dezer kijkers de lengte, de vergrooting en het gezichtsveld ?

Anhv. Van den astronoraischen verrekijker is de lengte l ongeveer 31 centimeter, de vergrooting n ongeveer 30 malen. Is de middellijn van het oogglas d centimeter, dan is het gezichtsveld een kegel met

tophoek van ■ y = 1,85 d graden.

Van den hollandschen verrekijker is de lengte L ongeveer 8 centimeter, de vergrooting N ongeveer 5 malen. Vroeger hield men, in navolging van Euler, voor het gezichtsveld een kegel van gelijken tophoek met dien, welke gevormd wordt door de pupil van het oog als basis en het middelpunt van het voorwerpglas als top. In 1873 toonde Lubimoff (Pogg. Ann. Bd. 148, S. 405) de onjuistheid dezer meening

aan, en gaf de formule —. y. -r-T graden voor den tophoek. D =

Zit Lj js

middellijn van het oogglas.

Voor dit vraagstuk is dus het gezichtsveld van den hollandschen verrekijker een kegel met tophoek van 1,44 I) graden.

1871.

1, Wat is de stelkunstige uitdrukking voor de sterkte van den stroom eener Voltasche batterij ? Hoe kan daaruit worden afgeleid, op welke wijze, in onderscheiden gevallen, eenige elementen het voordeeligst tot eene batterij worden verbonden?

2. Een looden kogel van 30° C. temperatuur en 25 kilogram zwaar beweegt zich met eene snelheid van 500 meter in de seconde. Hoeveel lood wordt er gesmolten, als hij in zijne beweging plotseling wordt gestuit, en daarbij geene warmte aan andere voorwerpen afstaat?

Versnelling der zwaartekracht........= 9,812 meter.

Soortelijke warmte van lood........— 0,0314.

Smeltpunt van lood...........= 330quot; C.

Latente smeltingswarmte van lood......= 5,4.

Mechanisch aequivalent der warmte......= 424.

Antw. De hoeveelheid warmte, welke overblijft, nadat de kogel tot de temperatuur van zijn smeltpunt is verhit, zou voldoende zijn om 95,491. kilogram lood te smelten.

1872.

1. Een electrische stroom doet eene tangenten boussole ö\'^O\' afwijken, terwijl hij in een voltameter 7 C. C. knalgas van 12° C. en 0,74 meter spanning in de minuut ontwikkelt. Welken hoek zal de tangenten-boussole aanwijzen, als de knalgasontwikkeling tot 8 C. C. in de minuut toeneemt, genieten bij eene temperatuur van 13° C. en eene spanning van 0,72 meter? Antw. 6o5/20//.

ocr page 113

109

2. Eene opene orgelpijp, 6 decimeter lang en met lucht gevuld, geeft, als zij aangeblazen wordt, eeue reeks van tonen. De toon, die

op den grondtoon volgt, heeft een trillingsduur van —. seconde. Men

000

vraagt, welke voortplantings-snelheid van het geluid in de lucht hieruit berekend wordt.

Tevens vraagt men naar de snelheid in geel koper, als eene staaf van dat metaal, 8 decimeter lang en aan haar eene uiteinde vastgemaakt, longitidunaal trillende een grondtoon heeft, die de 2\'10 hoogere octaaf is van den grondtoon der orgelpijp.

Antiv. De snelheid in de lucht is 333 meters; de snelheid in geel koper is 3552 meters.

1873.

1. Een thermometer van Celsius met een cylindervormig reservoir van eene lengte van 2 centimeter heeft het smeltpunt 3 centimeter boven het reservoir en het kookpunt 20 centimeter boven het smeltpunt. De middellijn der\' buis is 0,5 millimeter. Welke is de middellijn van het reservoir\'!

Uitzettingscoëfficient van kwikzilver .r,^ ;

» » glas 0,000024.

Anhv. 1,26 centimeters. Zie 1868.

2. Welke lens is er noodig om de voorwerpen op een afstand van 25 centimeter duidelijk te zien:

a. voor een bijziend oog, waarvan de afstand van duidelijk zien 10 centimeter is?

b. voor een verziend oog, waarvan de afstand van duidelijk zien 75 centimeter is?

ïeeken den gang der lichtstralen.

Antw. Voor het bijziend oog eene divergeerende lens met een brandpuntsafstand van 161 centimeter (— 6 dioptrieën), voor het verziend oog eene convergeerende lens met een brandpuntsafstand van 37| centimeter ( 2| dioptr.).

1874.

1. Een paar Maagdeburger halve bollen van 10 centimeter straal is opgehangen aan een haak, die zich in het midden van den eenen halven bol bevindt. In het midden van den anderen halvea bol is evenzeer een haak, waaraan een gewicht van 50 kilogram hangt. De spanning van de lucht in de halve bollen is 50 centimeter, die van de buitenlucht 70 centimeter kwikzilver; de temperatuur is 15° C. Tot welke temperatuur moet men de halve bollen verwarmen, opdat de onderste afvalle?

Het soortelijk gewicht van kwikzilver bedraagt 13,G; de uitzettingscoëfficient van lucht .jyr,. Het gewicht en de uitzetting van de halve bollen worden buiten rekening gelaten. Antw. Tot 97quot;,4.

ocr page 114

110

2. Verbindt meu van vier gelijke galvanische elementen alle gelijknamige polen met elkander, eo brengt men in den stroomloop eene tangentenboussole en 10 meter normaaldraad van Jacobi, dan wijkt de naald 45° af. Verbindt men de positieve pool van ieder element met de negatieve van het volgende, en lascht men met de boussole 35 meter van bedoeld draad in den stroomloop, dan is de intensiteit van den stroom slechts 0,5 van die in het eerste geval. Verbindt men eindelijk de elementen zoodanig, dat de stroom zich daarin in tweeën vertakt en elke tak twee elementen achter elkander doorloopt, dan is de stroom-intensiteit met inlassching van boussole en 5 meter draad wederom gelijk aan die in het eerste geval. Welken wederstand biedt de boussole, en ook ieder element, uitgedrukt in de eenheden van Jacobi?

Antw. De weerstand der boussole is 5 eenheden van Jacobi; die van ieder element 40 eenheden.

1875.

1. Een volume van 1 kub. meter met waterdamp verzadigde lucht, bij eene temperatuur van 39° C. en onder eene drukking van 760 millim. wordt bij onveranderde drukking afgekoeld tot 0° C. Men vraagt:

a. naar het volume, dat de lucht dan inneemt;

h. naar het gewicht van den gecondenseerdcn damp;

c. naar het aantal caloriën, dat door den waterdamp is afgestaan.

Gewicht van 1 kub. centim. droge lucht bij 0° C. en 7öC millim. drukking.......................igt;0r gr-

Soortelijk gewicht van waterdamp met betrekking tot lucht . |

Coëfficiënt van uitzetting der lucht...........273

Maximum van spanning van waterdamp bij 39° C. . . . 52 millim.

Maximum van spanning van waterdamp bij 0° C.....4,6 »

(De beteekenis der formule L — 606,5 0,305 t wordt bekend ondersteld).

Antw. Neemt men aan dat het gewicht van 1 kub. centim. droge lucht bij 0° C. en 760 millim. drukking niet is 1,3 gr. maar 1,3 milligr., zoo vindt men; rt. 820,095 liter; h. 44,610 gram. c. 27,59 caloriën.

2. Om den brandpuntsafstand van eene biconcave lens .e bepalen plaatst men deze achter eene biconvexe, die een brandpuntsafstand van 8 centimeter heeft, en neemt men, bij een afstand van 2,5 centimeter van beide lenzen, een brandpuntsafstand van het stelsel van 6,7 centimeter achter de biconcave lens waar.

Men vraagt uit deze gegevens den brandpuntsafstand van de biconcave lens te berekenen, en zoo deze gevonden is, den brandpuntsafstand van het stelsel, wanneer de biconcave lens op denzelfden afstand vóór de biconvexe geplaatst wordt.

Anüv. De brandpuntsafstand der biconcave lens is 30,7 centimeter; het brandpunt van het genoemde stelsel ligt 10,5 centimeter achter de biconvexe lens.

ocr page 115

UI

1876.

1. In een cylindervormig vat, waarvan de bodem 0,5 vierk. meter oppervlakte heeft, bevindt zich 800 kub. decim. lucht bij eene temperatuur van 10° C. Het vat is gesloten door een beweeglijken zuiger, die 34 kilogram weegt. Wanneer deze lucht tot 100quot; C. wordt verwarmd, vraagt men:

a. Tot welke hoogte de zuiger, bij onveranderden barometerstand, boven den bodem zal stijgen?

b. Hoeveel caloriën voor deze verwarming noodig zijn?

c. Hoeveel caloriën hiervoor noodig zouden zijn, indien de zuiger zoodanig was bevestigd, dat de lucht zich niet kon uitzetten?

De barometerstand is 755 millimeter; de uitzettingscoëfficient der

lucht — ; het gewicht van een kub. decim. lucht bij 0quot; C. en 7C0 millim.

^ ( O

drukking is 1,3 gram; het soortelijk gewicht van kwikzilver 13,0; de soortelijke warmte van lucht is 0,2a75; het mechanisch aequivalent der warmte-eenheid 424.

Alltw, Neemt men aan dat het vat zich niet uitzet, dan heeft men ■ a. 21,088 decim.; h. 21,44 caloriën; c. 15,24 caloriën.

2. Worden twee gelijke galvanische elementen naast elkander geplaatst en de gelijknamige polen met elkander verbonden, en sluit men daarna den stroom door een sluitdraad van 15,89 nieter lengte, waarin eene tangentenboussole is geplaatst, dan wijkt deze 45° af. Neemt men daarentegen een sluitdraad van dezelfde stof maar van de halve lengte en de dubbele doorsnede, dan is de afwijking 63\'2G/,07. Hoeveel enkele van deze galvanische elementen moet men achter elkander plaatsen, zoodat telkens de positieve pool van het eene element met de negatieve pool van het volgende verbonden wordt, opdat de tangentenboussole eene afwijking van 50quot; aanwijze, wanneer de stroom gesloten wordt door een 41,1 meter langen draad van dezelfde stof en dezelfde doorsnede als in liet eerste geval? De weerstand van de tangentenboussole worde verwaarloosd. Antiv. 10.

1877.

1. In een gesloten fiesch bevindt zich aether, en daarboven droge lucht en aetherdamp, welke beide laatste te zamen esne ruimte van 1,5 liter beslaan. Bereken het gewicht van dit mengsel, in de onderstelling dat daarop de wetten van lioyle eu Gay-Lussac kunnen worden toegepast.

De temperatuur bedraagt 20° C.

De dichtheid van aetherdamp is 2,6; zijne maximum-spanning bij 20° C. is 432 millim.

De spanning in de fiesch bedraagt 876 millim.

Het gewicht van een liter lucht bij 0quot; C. en 700 millim. bedraagt 1,3 gram. De uitzettingscoëfficient voor aetherdamp wordt, evenals die voor lucht, = -g|3 gesteld.

Autw. 3,7465 gram.

ocr page 116

112

2. Een electrisehe stroom gaat gelijktijdig door een voltameter met water en door een bak met AgNOa. Hoeveel gram zilver wordt er neergeslagen, terwijl er 80 kub. centim. knalgas wordt gevormd, waarvan de temperatuur 20quot; C. en de drukking 750 millim. bedragen.

Uitzettingscoëfiicient van knalgas = .

u i ó

Gewicht van een liter knalgas bij 0° C. en 760 millim. = 0,536 gram.

Atoomgewicht H = 1, O =16, Ag = 108. Anho. 0,47312 gram.

3. Eene bolle lens met een brandpuntsafstand van 5 centim. is . geplaatst op een afstand van 2 centim. vóór eene holle lens, die een

hoofdbrandpuntsafstand heeft van 14 centim.; zoodanig, dat de hoofdassen samenvallen. Op welken afstand van de holle lens zal het beeld ontstaan van een voorwerp, dat zich op een afstand van 20 centim. vóór de bolle lens bevindt ? ïeeken den gang der lichtstralen en bereken de vergrooting.

Antw. Op den afstand van 7 centim. De vergrooting is 1.

1878.

1. In eeu vat, dat een inhoud van 2 kub. decim. heeft en gevuld is met droge lucht van 30° C. onder eene drukking van 0,70 meter, brengt men 20 milligram water van dezelfde temperatuur, waarna liet vat wordt gesloten. Men vraagt, nadat de verdamping zoo volkomen, als mogelijk is, heeft plaats gehad :

1°. den vochtigheidstoestand,

2°, de spanning, en

3quot;. liet gewicht van het mengsel lucht en waterdamp.

(Maximum van spanning van waterdamp van 30° C. = 31,5 millim.

Dichtheid van waterdamp = 0,G22.

Soortelijk gewicht van lucht bij 0quot; C. en eene drukking van 0,76 meter 0,001293.)

Antw. Vochtigheidstoestand 0,33296; spanning 770,49 millim.; gewicht 2,350 gram.

2. Als men eene batterij van n cellen achter elkander gebruikt en den stroom door p omwindingen van eene tangenten-boussole leidt, geeft deze zekere afwijking. Verbindt men de cellen, door ze naast elkander te plaatsen, tot één element, door hoeveel omvvindingen der tangenten-boussole moet men dan den stroom laten gaan om eene even sterke afwijking als in het eerste geval te verkrijgen ?

(Weerstand van één element = r, van ééne omwinding = «f. buiten de batterij en de boussole in beide gevallen = li).

Aniiv. Door n ■--—^ quot; --- omwindingen.

nr R — {n — 1) im

1879.

1. Eene opene orgelpijp, 5 decimeter lang, brengt, met lucht aangeblazen wordende, den tweeden toon voort van do reeks van tonen, die men met haar kan verkrijgen. Eene gesloten pijp brengt

ocr page 117

113

evenzoo den tweeden toon van hare reeks voort. De toon, door de gesloten pijp voortgebracht, maakt met den iets lageren toon, dien men met de opene pijp verkrijgt, 4 zwevingen per seconde. Hoe groot is de trillingsduur van den grondtoon der gesloten pijp, als de voortplantingssnelheid van het geluid in de lucht op 340 meter wordt gesteld ? Antiv. 0,0043 seconden.

2. Een koperen bak weegt 2,5 kilogram en bevat 200 kilogram water en 120 kilogram ijs. Hoeveel kilogram waterdamp van 100\'\' C, moet er in gevoerd worden om alles tot 104° F. te verhitten, als de bak geen warmte naar buiten afstaat.

Soortelijke warmte van koper = 0,1.

Smeltingswarmte van ijs == 80 caloriën.

Verdampingswarmte van water = 540 caloriën.

Antw. 37,35 kilogram.

3. Vlt;)lt;5r een spherischen hollen spiegel, waarvan de hoofdbrandpnnts-afstand 5 decimeter bedraagt, staat een voorwerp op een afstand van 3 decimeter. De stralen die, van dit voorwerp uitgaande, den spiegel treffen en van daar teruggekaatst worden, vallen op eene lens, die op een afstand van 14,5 decimeter vóór den spiegel is geplaatst en do door den spiegel teruggekaatste stralen tot een beeld doet convergeeren. Men verlangt de plaats van dit beeld en zijne grootte met betrekking tot het voorwerp te kennen, zoo de lens een hoofdbrandpuntsafstand van 2 decimeter heeft. Tevens wenscht men de constructie van het beeld uitgevoerd te zien.

Antw. Het beeld ligt 2,2 decimeter achter de lens. Zijn grootte is ^ van het voorwerp.

1880.

Een vat van één liter inhoud wordt op de temperatuur van 15° C. gehouden; het is met verzadigden waterdamp gevuld en wordt in gemeenschap gesteld met een tweede even groot luchtledig vat, dat in smeltend ijs gedompeld is. Bereken het gewicht van den waterdamp, in die beide vaten voorhanden, en van het water.

Maximum van spanning van waterdamp bij 15° C. . 12,7 mM.

» » » » » » 0° C. . 4,5 »

Soort, gewicht van waterdamp ten opzichte van lucht 0,6 »

Gewicht van een liter normale lucht 1,3 gram.

Uitzettingscoëfficient van waterdamp 0,003GG

Antiv. In het eerste vat blijft 4,378 milligram waterdamp; inliet tweede komt 4,(518 milligram waterdamp en verdicht zich bovendien 3,360 milligram water.

1881.

Een voltameter en eene tangenten-boussole zijn in denzelfden stroomloop geplaatst. De verdeelde buis van den voltameter is bij het begin der proefneming tot bovenaan met vloeistof gevuld; nadat de stroom 5 minuten gewerkt heeft, bevat zij 44 kub. centimeter knalgas en staat de vloeistof (water en zwavelzuur met het soortelijk gewicht 1,2 bij

8

ocr page 118

114

13° C.) 102 millimeter hooger clan daarbuiten; de tangenten-boussole heeft 40° aangewezen. De barometerstand tijdens de proefneming was 770,8 millimeter, de temperatuur van het knalgas, de vloeistof en het kwikzilver van den barometer =130C.

De boussole wordt nu met een galvanoplastisch toestel in één stroomloop geplaatst en wijst 13^quot; aan. Hoeveel koper zal uit de geconcentreerde oplossing van kopervitriool in 5 uren neerslaan?

Soortelijk gewicht van kwikzilver bij 0quot; = 13,6.

Uitzettingscoëfficient vau kwikzilver = ^ , van knalgas =

OOOU Jé l o

Gewicht van een liter waterstofgas = 0,09 gram bij normale temperatuur en drukking. Atoomgewicht van koper Cu — 63,5.

Aulw. Als de darapspanning van het verdunde zwavelzuur (zie 1883) verwaarloosd wordt, en de schaal van den barometer bij 13° haar juiste lengte heeft, 1,373 gram koper.

1882.

Een areometer, die 50 gram weegt, drijft eerst in eene vloeistof, waarvan het soortelijk gewicht bij 0° C. 1,69 en de uitzettingscoëfficient 0,001 bedraagt, en die eene temperatuur van 14quot; C. heeft. Daarna laat men hem in eene andere vloeistof drijven, waarvan de uitzettingscoëfficient 0,002 is en die eene temperatuur van 40° C. heeft. In dit tweede geval verplaatst de areometer 1,2 maal het volume, dat van de eerste vloeistof werd verplaatst. Wat is het soortelijk gewicht dei-tweede vloeistof bij 0quot; C., in de onderstelling, dat de uitzettingscoëfficient der vloeistoffen bij alle temperaturen dezelfde is?

Antir, 1,5. Het gewicht van den areometer is onverschillig.

1883.

Een stroom, die door eene vloeistof gaat om galvanisch te verzilveren, en door een voltameter, ontwikkelt per minuut in den voltameter, bij 10° C., 1 kub. millimeter knalgas, waarvan de hygrometrische toestand

is. In de buis van den voltameter staat de zure vloeistof (soortelijk gewicht 1,2) 68 millimeter hooger dan in het bakje. In de verzilve-ringsvloeistof hangt een koperen plaatje, dat den vorm van een rechthoek heeft en waarvan de zijden respectievelijk 0,5 centimeter en 2 centimeter lang zijn. Men wil dat plaatje aan beide zijden met eene laag zilver van ^ millimeter bekleeden. Hoeveel tijd zal de genoemde stroom daartoe noodig hebben ?

Uitzettingscoëfficient van knalgas ~

Soortelijk gewicht van knalgas, bij 0quot; en 760 mM., ten opzichte van water = 0,0005.

Barometerstand = 779 mM.

Maximum van spanning van waterdamp bij 10oC. = 9mM,

Soortelijk gewicht van kwik = 13,6.

Soortelijk gewicht van zilver = 10,5.

H = l; 0 = 16; Ag = 108. Antw. 298 uren en 37 minuten.

ocr page 119

115

1884.

Een optiscli stelsel bestaat uit eene divergeerende lens, eene conver-geerende lens on een hollen spiegel, wier hoofdassen alle samenvallen. Een evenwijdig met de gemeenschappelijke hoofdas invallende bundel zonnestralen gaat achtereenvolgens door de divergeerende en dooide convergeerende lens en wordt daarna op den spiegel teruggekaatst.

Op welken afstand van de divergeerende lens aullen de teruggekaatste stralen samenkomen?

Gegeven: 1°. de hoofdbrandpuntsafstanden der beide lenzen en van den spiegel alle = 1 dM.; 2quot;. de afstanden van de divergeerende hns tot de convergeerende, en van de convergeerende lens tot den spiegel beide == 1 dM.

Anüc. Op 1,5 dM, afstand van de divergeerende lens en 0,5 dM. van den spiegel,

1885.

1. Een ijzeren ballon wordt bij 0° C. en normalen barometerstand niet lucht gevuld en gesloten. Hoeveel atraospheren zal de inwendige drukking worden als de ballon op 300° C. verwarmd wordt?

(Lineaire uitzettingscoëfficient van ijzer: ■g-1-J^Tr).

(Uitzettingscoëfficient van lucht:

Antw. atmospheren.

2. Eene sinnsboussole van zeer geringen (te verwaarloozen) weerstand wordt gebracht in eene galvanische keten, bestaande uit 12 elementen, welke in ééne reeks achter elkaar verbonden zijn, en eene draadgeleiding. De weerstand van ieder element is 2; de weerstand van de draadgeleiding is 1000; de afwijking der naald is 15°. Hoe groot zal de afwijking der naald worden, als deze 12 elementen worden verbonden tot eene batterij, bevattende 3 reeksen naast elkaar, iedere reeks met 4 elementen achter elkaar, en als de weerstand van de draadgeleiding met de sinnsboussole onveranderd blijft.

ïeeken de verbindingen van de elementen. Antw. 50S/.

1886.

Vóór eene lens, waarvan de hoofdbrandpuntsafstand fs Meter is, staat op een afstand van 100 Meter een voorwerp, waarvan de hoogte is 5 Meter. Op een afstand van de lens, maar er achter, is een vlakke spiegel geplaatst, die de hoofdas der lens onder een hoek van 45° snijdt; de afstand van dat snijpunt tot de lens is gelijk 1 Meter. Het door die lens en dien spiegel gevormde beeld wordt beschouwd door een loupe, waarvan de hoofdbrandpuntsafstand 5 cM. is. Men vraagt a. hoever die tweede lens van de hoofdas der eerste lens zal moeten verwijderd zijn om op den afstand van duidelijk zien (= 30 cM.) een beeld te verkrijgen ; b, hoe groot dit laatstgenoemd beeld zal zijn.

Antw. a. 35367- 4| cM. ; h. M.

ocr page 120

116

1887.

Om de wet van Boyle te bewijzen voor drukkingen minder dan 1 atmosfeer, gebruikt men een diepen bak met kwik en eene glazen buis van 1175 m.M. lengte. Daartoe wordt deze buis tot op 80 m.M. na met kwik gevuld, met den vinger gesloten, omgekeerd in den bak met kwik geplaatst, do vinger weggenomen en de buis losgelaten. De buis zal dan tot op zekere diepte in het kwik zakken en een deel van liet kwik uit de buis loopen. Nu vraagt men hoe diep die buis zal inzinken eu welke spanning de lucht in de buis dan heel\'t, als gegeven is: inwendige doorsnede van de buis 0,80 c.M2.; doorsnede van den wand der buis 0,38 c.M2.; gewicht der buis 136 G.; barometerstand 765 m.M.; soortelijk gewicht van kwik 13,6.

Antw. 800 m.M. diep en 510 m.M. spanning. (Do kop van de buis wordt verondersteld plat te wezen.)

1888.

Twee bolle lenzen hebben eene gemeenschappelijke hoofdas en staan 17 c.M. van elkander verwijderd. De hoofdbrandpuntsafstand der eerste lens bedraagt 3 c.M., der tweede lens 6 c.M. Een voorwerp bevindt zich op een afstand van 4 c.M. vóór de eerste lens. Waar ligt het beeld, dat gevormd wordt na de breking door beide lenzen en hoeveelmaal is het vergroot ?

Antw. Het beeld is virtueel, ligt 13 c.M. vóór de eerste lens en is 18 malen vergroot.

1889.

Men verwarmt onder de constante drukking van één atmosfeer 20 kilogram waterstofgas van 0 tot 100quot; C.

Bereken 1°. do vermeerdering in volume van het gas, 2°. den daarbij verrichten arbeid en 3°. do verhouding C ; C\'.

Gegeven zijn: soort. gew. van kwik ■= 13,G, soort. gew. van normale lucht = 0,00129, dichtheid van waterstof [(/as] = 0,07, zijne soort, warmte C = 3,409, zijn uitzettingscoëfficient = en liet mechanisch equivalent der warmte-eenheid = 425 KGM.

Antw. 81,13 M3.; 8385G0 KGM.; 1,407.

1890.

Plaatst men 18 elementen in óéne reeks achter elkander en leidt men den stroom door 3 omwindingen van eene tangentenboussole, zoo wijkt deze 40quot; af. Welke afwijking geeft de boussole, indien men do elementen, naast elkander geplaatst, tot één element vereenigt en nu den stroom laat gaan door 5 omwindingen der boussole?

De weerstand van één element = 20, de weerstand in boussole en sluitdraad samen in beide gevallen — 40.

ocr page 121

117

Men vraagt bovendien, hoe men de elementen zou moeten verbinden, om bij denzelfden uitwendigeu weerstand (40) de grootste stroomsterkte te verkrijgen.

Antw. 37quot;5\'. — Plaats achter elkander G groepen ieder vai; 3 onderling gelijknamig verbonden elementen.

1891.

Men heeft een cylindervormig glas met kwikzilver. De doorsnede van dat glas is 20 cM2. Er staat eene van boven gesloten glazen cylinder-vormige buis in, zoodat het kwik binnen en buiten even hoog staat. De luchtkolom in de buis is 20 cM. en het ondergedompelde deel is 30 cM. lang. De doorsnede van de buis is uitwendig 3 cM2. en inwendig 2 cM2. Zij weegt 125 G. Hoe ver moet de buis, ten opzichte van het glas, omhoog getrokken worden om te maken, dat de luchtkolom 25 cM. lang wordt en hoe groot is de kracht, die noodig is om de buis in dien nieuwen stand te houden. Barometerhoogte = 75 cM. S. gew. kwik—13,6.

Anhv. Ten opzichte van het kwik 20 cM. en ten opzichte van het glas 17 | cM. De kracht is 397 G. De capillariteit wordt verwaarloosd. Vergelijk 1887.

II. Beschrijvingen, Opstellen, enz.

1866. Zuid-Holland.

Is10 Ploeg.

1. Hoe kan het soortelijk gewicht van een vast, niet in water oplosbaar, lichaam worden bepaald?

2. Wanneer de temperatuur van een lichaam stijgt van f\' tot A, door welke formule wordt dan de opgenomen warmte uitgedrukt?

3. Bij een bolvormigen spiegel neemt men een verkleind omgekeerd beeld waar; men vraagt den vorm van den spiegel (hol of bol) en ten ruwe de plaats van het voorwerp en het beeld.

4. Welken invloed heeft de vorm van geïsoleerde goede geleiders op de spanning der electriciteit in de verschillende deelen van het oppervlak?

5. Wat leert de wet van Ohm? Geef eenige gevolgen aan. 2\'le Ploeg.

1. Hoe kan het soortelijk gewicht van een vast, niet in water oplosbaar, lichaam worden bepaald door den areometer van Nicholson ?

2. Hoe bepaalt men de specifieke warmte van een lichaam ?

3. Bij een bolvormigen spiegel neemt men een verkleind recht beeld waar; men vraagt den vorm van den spiegel (hol of bol) en ten ruwe de plaats van het voorwerp en het beeld.

4. Hoe kan men onderzoeken of een lichaam -f- of — electrisch is?

5. Hoe moet eene batterij ingericht worden om draden te verwarmen, en waarom ?

ocr page 122

118

3\'iquot; ploeg.

1. Hoe kan het soortelijk gewicht eener vloeistof bepaald worden ?

2. Hoe kan de latente warmte van stoom worden bepaald?

3. Bewijs, dat bij een hollen spiegel de verhouding tusschen de grootte van het voorwerp en het beeld dezelfde Is, als tusschen hunne afstanden van den spiegel.

4. Noem eene proef, waaruit de scheikundige werking der statische electricitelt blijke.

5. Waarop berust de electro-magnetlsche telegraaf?

1866. Gelderland.

l3\'0 Ploeg.

1. Wat is de wet van Mariotte en hoe wordt zij voor verschillende spanningen bewezen ?

2. Construeer het beeld, gevormd door eene biconvexe lens, van een voorwerp geplaatst bulten, en van een voorwerp geplaatst binnen brandpuntsafstand, en verklaar de constructie; wijs uit de formules aan, dat de uitkomst der constructie goed is.

3. Welke zijn de wetten voor transversale trillingen van snaren?

4. Hoe bepaalt men het maximum van spanning van waterdamp bij verschillende temperaturen ?

5. Beschrijf een standvastig galvanisch element met opgave van de verbindingen en ontledingen, die er in plaats hebben.

2lt;io pioeg.

1. Hoe bepaalt men de densiteit van vaste lichamen?

2. Construeer het beeld, gevormd door een hollen bolvormigen spiegel,, van een voorwerp geplaatst buiten, en van een voorwerp geplaatst binnen brandpuntsafstand en verklaar de constructie; wijs uit de formules aan, dat de uitkomst der constructie goed is.

Welke zijn de wetten van Bernoulli voor orgelpijpen?

4. Hoe bepaalt men de specifieke warmte van vaste lichamen door de methode der menging?

5. Wat is de wet van Ohm, en hoe wordt de formule, welke deze wet uitdrukt, gewijzigd voor de verschillende combinatiën van galvanische elementen?

1867. Zuid-Holland.

Is10 Ploeg.

1. Hoe kan de uitzettlngscoëfficient bepaald worden voor dampkringslucht ; vind de formule.

(Aanm. De barometerstand wordt gedurende het onderzoek als veranderlijk beschouwd).

2. Eene formule te vinden ter bepaling van de vergrooting bij den enkelvoudigen microscoop.

3. Hoe verklaart men het ontstaan van de elcctrische werking in een galvanisch element ?

ocr page 123

119

4. Wat verstaat men door galvanoplastiek ; beschrijf de inrichting van een daarvoor geschikt toestel.

Ploeg.

1. Waar moet bij een samengesteld microscoop het voorwerp geplaatst worden, en waarom ?

2. Waarvan is de stroomsterkte van een galvanischen stroom afhankelijk, en hoe bepaalt men de stroomsterkte ?

3. Geef eene korte beschrijving van een electro-magnetisch telegraaftoestel.

3,e Ploeg.

1. Hoe bepaalt men den waren of absoluten uitzettingsooëfficient van kwik?

2. Den gang der lichtstralen te bepalen bij een kijker.

3. Wat verstaat men door een constant galvanisch element; hoedanig is de samenstelling en waarop berust deze ?

4. Geef eene beschrijving en verklaring van een stereoscoop.

4\'10 Ploeg.

1. Den gang der lichtstralen aan te geven bij een spiegcltelescoop.

2. Te verklaren de theorie der tangentenboussole en door een voorbeeld het gebruik op te helderen.

3. Wat verstaat men door inductieverschijnselen bij galvanische electriclteit; geef daarvan eene toepassing.

1867. Noord-Holland.

l8\'6 Ploeg.

1. Wat is soortelijke warmte? Beschrijf in algemeene trekken de wijze, waarop men deze door de mengingsmethode bepaalt,

2. Verklaar de samenstelling en werking van een constant galvanisch element (b.v. van Daniell).

2,k\' Ploeg.

1. Welke werkingen oefenen galvanische stroomen op elkander uit?

2. Hoe i.s de uitzettingscoëfficient bepaald van vloeistoffen ?

1867. Utrecht.

1. Wat is schijnbare, wat ware uitzetting vau eene vloeistof; welke betrekking bestaat tusschen beide, en hoe is, onafhankelijk van de schijnbare uitzetting, de ware uitzettingscoëfficient van kwik bepaald ?

2. Beschrijf een galvanometer met astatisch naaldenstelsel. Bij welke waarnemingen gebruikt men er een met veel omwindingen, bij welke een met weinig omwindingen, en geef de reden hiervan op.

3. Beschrijf de inrichting van een Morse-telegraaf met seinsleutel en relais.

1867. Overijsel.

1. Beschrijf de inrichting en werking van een klepluchtpomp en bereken de drukking der lucht na den ruien zuigerslag.

ocr page 124

120

2. Op welke wijze wordt de spanning van den waterdamp bij verschillende temperaturen bepaald ?

3. Waarvan hangen de sterkte, de hoogte en het timbre van een toon af?

4. Beschrijf de inrichting en werking van den hollandschen verrekijker en construeer het beeld, door zoodanigen kijker van een oneindig ver verwijderd voorwerp gevormd.

5. Wat verstaat men door inductiestroomen en hoe ontstaan zij ? Beschrijf de inrichting van den inductietoestel van Ruhmkorff.

6. Geef eene beknopte beschrijving van de telegraaf van Morse.

1867. Groningen.

lslc Ploeg.

1. Noem en verklaar de warmteverschijnselen, die er plaatsgrijpen, als men een stuk ijs van — 10° tot boven 100°, bij gewonen damp-kringsdruk verwarmt. Welke omstandigheden hebben invloed op het smeltpunt van ijs, en op het vriespunt en kookpunt van water?

2. Verklaar hoé men een electroscoop door influentie met tegengestelde electrlclteit kan laden, en waarom de lading tegengesteld is; verklaar eindelijk den condensator.

3. Wat is lichtbreking; welke zijn hare wetten ; wat is dispersie ? Verklaar het achromatismus.

S116 Ploeg.

1. Behandel de verdamping in het luchtledig en in met lucht gevulde ruimten, het maximum van spanning bij verschillende temperaturen, de condensatie van gassen door afkoeling, door drukking, of door beide.

2. Welke zijn de werkingen, die constante en onafgebroken galvanische stroomen op elkaar hebben 1 Verklaar hieruit de werking van het aardmagnetisme op een beweeglijken, ringvormigen, verticaal geplaatsten stroom, en die van slroomen op magneten.

8. Verklaar de vorming van het lichtbeeld van eenig voorwerp, zijn afstand en de vergrooting bij holle spiegels, en dat wel voor verschillende afstanden van het voorwerp.

1867. Limburg.

1. Korte schets der methoden ter bepaling van het soortelijk gewicht van vaste lichamen en vloeistoffen.

2. Wat verstaat men door mechanisch aequivalent der warmte ? Op welke wijze hebben Joule en Mayer dit bepaald en welke gevolgen spruiten daaruit voort voor de theorie der warmte?

3. Theorie van Ampère over het magnetisme. Door welke natuurkundige verschijnselen en wetten wordt zij bevestigd?

4. ïelegraaf-toestel van Morse, benevens opgave en beschrijving der toestellen, welke op een telegraafkantoor gebruikt worden, zoowel als opgave en beschrijving hunner onderlinge verbinding.

5. Beknopte theorie der convergeerende lenzen.

ocr page 125

121

1868.

1. De latente smeltingswarmte; de bepaling van haar bedrag; toepassingen.

2. De inductiestroomen en hunne toepassingen.

1869.

1. Het zonnespectrum en het spectrum van andere lichtbronnen.

2. Warmtestralen.

( 8. Het beginsel van Watt en zijne toepassingen.

4. De Volta\'sche cellen. (Beginsel waarop hare werking berust; veranderlijke en standvastige cellen; scheikundige werkingen, die in de cel voorvallen; omstandigheden, die de stroomsterkte bepalen.)

1870.

1. De redenen, waarom warmte als een soort van beweging wordt 1 aangemerkt,

2. De electrodynamische verschijnselen en de theorie van Ampère omtrent magneetkracht.

3. Latente verdampingswarmte. Bepaling van haar bedrag en toepassingen.

1871.

1. Condensatie van wrijvingselectriciteit; beginsel en toepassingen.

2. Verrekijker en mikroskoop.

1872.

1. Beschrijf de verschillende methoden ter bepaling van den vochtigheidstoestand van den dampkring.

2. De stoomwerktuigen; de natuurkundige wetten, waarop hunne werking berust, en hunne inrichting.

3. Hoe bepaalt men den brekings-index bij vaste, vloeibare en gasvormige stoffen ?

1873.

1. De uitzetting der lichamen door de warmte, en de beste methoden om de uitzettingscoëfficienten voor v:iste lichamen, voor vloeistoffen en voor gassen te bepalen.

l 2. Over het onderscheid in hoogte, sterkte en klank (timbre) der

ï verschillende tonen en de wijze, waarop dit met den aard der trillende

beweging samenhangt.

3. Beschrijf de inrichting van een speetroskoop en de bestemming der verscliillende deelen, waaruit dit werktuig bestaat. Beschouw eenige uitkomsten, die door de spectraal-analyse zijn verkregen.

4. Het verband tusschen de wetten betreffende de stroomsterkte (Olim), de hoeveelheid der door den stroom scheikundig ontlede stof (Faraday) en de hoeveelheid der door den stroom ontwikkelde warmte (Joule).

ocr page 126

122

1874.

1. Het koken en de omstandigheden, die van invloed zijn op het kookpunt,

2. De electrolyse en hare toepassingen.

3. De tonen, door orgelpijpen voortgebracht.

4. Vergelijking van concave spherische spiegels met convergeerende lenzen.

1875.

1. Bepaling van het soortelijk gewicht van vaste lichamen en vloeistoffen met inachtneming der temperatuur.

2. Eigenschappen der dampen; bepaling van het maximum van spanning van waterdamp.

3. De onderlinge werking van stroomen en magneten.

4. Het licht- en warmtespectrum; licht- en warmte-kleuren der lichamen.

1876.

1. De wetten .van Boyle of Mariotte en van Gay-Lussac.

2. Soortelijke warmte.

3. Beschrijf en verklaar de toestellen, die dienen om de sterkte van een electrischen stroom te meten.

4. De spectroskoop en zijne toepassingen.

1877-

1. Hoe bepaalt men het mechanisch aequivalent der warmte-eenheid?

2. Identiteit van stralende warmte en licht.

3. De breking der lichtstralen door lenzen.

4. Het aardmagnetisme.

1878.

1. Methoden ter bepaling van de temperatuur.

2. Ladings- en ontladings-verschijnseleu bij de Leidsche flesch.

3. Magneto-inductie en hare toepassingen.

4. Bepaling van de snelheid van het licht.

1879.

1. De voortplantingssnelheid van het geluid in de lucht.

2. De soortelijke warmte van gassen bij constante drukking en bij constant volumen.

3. Constante elementen.

4. Wetten der breking van het licht. Bepaling der brekings exponenten,

1880.

1. De verschijnselen, waarmede de veranderingen van agregaats-toestand gepaard gaan.

2. Electriseermachines.

3. Inductiestroomen.

4. De wetten der terugkaatsing van het licht en hare toepassing op platte en bolvormige spiegels.

ocr page 127

123

1881.

1. De spankracht van waterdamp bij verschillende temperaturen.

2. Het meten van electrische stroomen en weerstanden,

3. Staande golven.

4. De mikroskoop en de astronomische kijker.

1882.

1. Calorimetrie.

2. De bepaling van het mechanisch aequivalent der warmte.

3. De scheikundige werking van den electrischen stroom; toepassing bij de galvanoplastiek.

4. Het spectrum.

1883.

1. Dampvorming en dampen.

2. De inductie-stroomen en enkele hunner voornaamste toepassingen.

3. Geluidssterkte. Hoogte van den toon. Klank.

I. De theorie der microscopen en van den astronomischen verrekijker.

1884.

1. Hygrometers.

2. Electrische condensatoren en accumulatoren.

3. De tonen, door orgelpijpen voortgebracht.

4. De voortplantingssnelheid van het licht.

1885.

1. De luchtpomp en de luchtperspomp. Theorie en toepassingen.

2. Wrijvingselectriciteit.

3. Magneten en solenoïden.

4. De terugkaatsing van het licht in vlakke en bolle spiegels.

1886.

1. ïelegraphie en telephonic.

2. Uitzettings-coëfficienten.

3. Verband tusschen arbeid en warmte.

4. De verschillende methoden ter bepaling van do temperatuur van een lichaam.

1887.

1. De spectraal analyse.

2. Areometers.

3. De voortplanting van het geluid.

4. De smeltings- en de verdampingswarmte.

ocr page 128

124

1888.

1. Het verband tusschen volume, spanning en temperatuur van gassen.

2. Moleculaire trillingen.

3. Inductiestroomen.

4. Verzadigde en niet-verzadigde dampen.

1889.

Geef een beknopt, zakelijk antwoord op de drie volgende vragen:

1. Hoe bepaalt men den coëfficiënt van kubieke uitzetting van een vast lichaam ?

2. Wat is in de leer der electriciteit een condensator en hoe verklaart men zijne werking?

3. Wat is u bekend van het minumum van deviatie bij lichtstralen, welke op een prisma invallen ?

1890.

1. Hoe bepaalt men de latente smeltingswarmte van eene stof?

2. Wat weet gij van de transversale trillingen van snaren?

3. Welke is de inrichting en werking van den Hollandschee verrekijker? Wat is de lengte, wat de vergrooting van dit instrument?

4. Welke is de inrichting en werking van den inductor van Ruhmkorff ?

1891.

1. Hoe bewijst men de wet van Mariotte bij hoogeren en bij lageren druk dan 1 atmosfeer?

2. Geef de overeenkomst en het verschil op tusschen bolle lenzen en holle spiegels.

3. Geef het principe aan van eene dynamo electrische machine.

L. S c h e i k u n cl e.

Tijd: Voor het vraagstuk en het opstel over anorcjanische chemie 3 uren; voor het opstel over oryanische chemie nog eens 3 uren. In 1880 cn later voor het opstel alleen 3 uren.

I. Vraagstukken.

1866. G-elderland.

lsle Ploeg.

Hoeveel chloorzuur kali is er benoodigd voor de ontwikkeling van 25 liter zuurstofgas?

(Aeq.: H = 1; 0 = 8; Cl = 35,5; K = 39. Gewicht van één liter waterstof = 0,089 gram. Spec. gew. van zuurstof = 16, wanneer dat van waterstof\' = 1 gesteld wordt). Antiv. 90,85 gram.

ocr page 129

125

2,le Ploeg.

Hoeveel liter zuurstof is noodig voor de volkotnene verbranding van 100 liter zwaarkoolwaterstofgas ?

NB. Deze vraag naar keuze te beantwoorden, hetzij met behulp der aequivalent-vohunina (Aeq. vol. van zwaarkoolwaterstofgas = 4, van zuurstof = 1), hetzij met behulp der volgende gegevens :

\'Aeq. : C = 6; O = 8; H = l.

Gewicht van één liter lucht = 1,293 gram.

Spec. gew. van ü = 1,1056 » » » C4H1 ==0,97. Antw. 300 liter.

1867. Zuid-Holland.

I810 Ploeg.

Hoeveel zwavelzuurhydraat (H0,SO3) is er noodig tot het oplossen van 20 lood zink en hoeveel wichtjes waterstof worden daarbij ontwikkeld ?

Antw. 30,06 lood zwavelzuurhydraat en G,1 wichtje waterstof.

(Zn = 32^6; 8=16).

3\'10 Ploeg.

Hoeveel ijzeroxyde blijft er terug bij de verhitting van 25 lood watervrij zwavelzuur ijzeroxydule ? Fe = 28; S= 16.

Antw. 13,16 lood.

Squot;10 Ploeg.

Hoeveel koolzure kalk heeft men noodig om daaruit door middel van zwavelzuur 50 kan koolzuur (bij 0quot; en onder ecue drukking van 760 mm.) te ontwikkelen? Soort. gew. van koolzuur = 1,5.

Antw. 221,6 gram. (Ca = 20.)

4l\'\', Ploeg.

Hoeveel kan zwaveligzuur (op 0° onder eene drukking van 7G0 mm.) wordt er gevormd door de werking van 10 lood zwavelzuur (HO, SOa) op eene voldoende hoeveelheid koper? Spec. gew. 80^=2,25; 1 kan 11101^=1,3 wichtje. Antw. 10 kan.

1867. Noord-Holland.

r1quot; Ploeg.

Hoeveel wichtjes KO, ClOr, zal men moeten gebruiken om O genoeg te ontwikkelen ter verbranding van eene kan Ca Ht ?

H = 1; C = 6 ; 0 = 8; Cl = 35,5 ; K = 39 ;

1 kan lucht =1,3 wichtje.

spec. gew. C2 Ht =0,559; » » O =1,105.

Antw. 7,4 wichtjes.

2\'10 Ploeg.

Hoeveel SOa, HO heeft men noodig om uit KO, 2(Cr03) tien kan O te bereiden ?

ocr page 130

126

11 = 1, O = 8, S = 16, K = 39, Cr = 26,26; s. zuurstof = 1,105; 1 kan lucht = 1,3 wichtje.

Antw, 117,3 wichtjes.

1867. Zeeland.

Hoeveel gekristalliseerde koolzure soda heeft men noodig om 5 kilogr. zwavelzuur (eerste hydraat) te verzadigen ?

0 = 6, 0 = 8, Na = 23, S = 16, H = 1. yintw. 14,6 kilogr.

1867. Utrecht.

1. Men vraagt hoeveel liter- tweede stikstofoxydgas en hoeveel gram salpeterzuur koperoxyd (Cu O, NO5) zal gevormd worden, wanneer men 50 gram koper overgiet met 000 gram water en 100 gram salpeterzuur eerste hydraat, in de onderstelling dat de reactie tusschen koper en verdund salpeterzuur volkomen wordt uitgedrukt door do formule

3 Cu 4 (HO, NO5) = 3 (Cu O, NO5) 4- 4 HO -j- NO2.

Aeq. gew. koper = 31,7; aeq. gew. stikstof = 14 ; s. g. stikstofoxyd = 1,038.

Antw. 8,8 liter stikstofoxydgas en 111,5 gram salpeterz, koperoxyd.

2. Men vraagt hoeveel liter zuurstof noodig zijn ter volkomen verbranding van een liter zwaar kool waterstofgas, hoeveel liter koolzuur en hoeveel gram water bij die verbranding gevormd worden.

Soort. gew. zwaar koolwaterstofgaa 0.967.

De gassen worden beschouwd als vrij van waterdamp en onder de normale omstandigheden van temperatuur en drukking.

Antw. 3 liter zuurstof, 2 liter koolzuur en 1,6 gram water.

1867. Overijsel.

Bereken het soortelijk gewicht van waterdamp (H = 1) uit de volgende gegevens: 2 vol. waterstof -f-1 vol. zuurstof verbinden zich tot 2 vol. waterdamp. Soortelijk gewicht H=], soortelijk gewicht O = 16.

Antw. 9.

1867. Groningen.

lsle Ploeg.

Hoeveel zwavelzuur heeft men noodig om 500 kilo beenderenmeel zoodanig te ontleden, dat er oplosbare phosphorzure zouten ontstaan?

Het beenderenmeel is aldus samengesteld:

58o/o phosphorzure kalk, 10o/o koolzure kalk,

1% » magnesia, 310/o lijmgevend weefsel.

Hoeveel gips ontstaat er?

Antw. 236,1 KG. zwavelzuur; er worden gevormd 407,8 KG. gips. 2,le Ploeg.

Wanneer 196 w. ijzer uit 556,5 w. kopervitriool al het koper neerslaan, welke is dan het aequivalent van het koper?

(De formule van kopervitriool en de aequivalent gewichten van zwavel, ijzer en zuurstof worden als bekend verondersteld.) Antw, 63.

ocr page 131

127

1867. Limburg.

1. Hoeveel zwavelijzer en hoeveel zwavelzuur (eerste liydraat) heeft men noodig om ééne kan water te verzadigen met zwavelwaterstof (l vol. HO zal 2 vol. HS opnemen; sp. gew. van HS = 1,191) en hoeveel ijzervitriool zou men daarbij als nevenprodukt kunnen verkrijgen?

Antio. 8 gram zwavelijzer; 8,9 gr. zwavelzuur en 25,2 gr. ijzervitriool.

2. 0,4 wichtjes rietsuiker hebben door verbranding met CuO opgeleverd 0,G17544 w. CO2 en 0,231579 w. HO. Maak daaruit de empirische formule voor de rietsuiker op, zoover de gegevens voldoende daarvoor zijn.

AntlV. Cij,, Hoj,, Ojin,

»Die besten Wagen gestatten 0,0001 Grammschon mit Sicherheit nicht raehr zu bestimmenquot; (Bunsen: Gasometrische Methoden. 1877. S. 151).

1868.

5 gram eener zilverlegeering worden in salpeterzuur opgelost; uit de oplossing wordt het zilverzout door middel eener oplossing van keukenzout neergeslagen. Indien nu deze keukenzoutloplossing 58,5 gram NaCl per liter bevat, en er 41,5 kub. centimeters noodig zijn, om al het zilver neer te slaan, hoeveel percent fijn zilver bevat dan de legeering?

Na = 23; Cl = 35,5; Ag =108.

Antw. 89,64 percent.

1869.

50 C. C. van eene zoutzuuroplossing, die per liter 36,5 gram zoutzuur bevat, worden gevoegd bij 10 gram gekristalliseerde koolzure soda lt;Na0,C02 10 HO). Hoeveel gram chloornatrium en iioeveel liter koolzuur van 0° en 760 m.m. drukking zal bij deze reactie worden gevormd ?

(Het aeq. gewicht is van Natrium = 23; Chloor = 35,5; Koolstof = 6; Waterstof = 1 ; Zuurstof = 8 ; het soortelijk gewicht van Koolzuur = 1,529).

Deze vraag is door alle candidaten te beantwoorden. Zij, die niet met de oude, maar met de nieuwe schrijfwijze der formule bekend zijn, nemen in aanmerking, dat de formule van koolzure soda volgens de nieuwe schrijfwijze is CNa203 -f- 10 H20, en dat het atoomgewicht is; van Koolstof=12, van Natrium = 23, van Zuurstof =16, van Waterstof = 1, van Chloor = 35,5.

Anhv. 2,9 gram chloornatrium en 0,55 liter koolzuur.

1870.

Hoeveel keukenzout en zwavelzuur zijn noodig om met het daaruit ontwikkelde zoutzuur 1600 C. C. eener oplossing van ammoniak te verzadigen ? 10 C. C. dezer ammoniak-oplossing worden geneutraliseerd door 8 C. C. eener zuringzuur-oplossing, welke 31,5 gr. gekristalliseerd zuringzuur (CüOa, HüO, 2 aq) in den liter bevat

Aequivalenten: Cl = 35,5; Na = 23; 0 = 16; C=12; S = 32. Oude » Cl = 35,5; Na = 23; O = 8;C= 6; S = 16.

Antw. 14,04 gram keukenzout en 11,76 gram zwavelzuur.

ocr page 132

128

1871.

Eene flescli van 3^- liter is gevuld met lucht uit een vertrek. De inhoud wordt met 50 C. C. barytwater geschud; 25 C. C. dezer vloeistof blijken nu 12 C. C. te verzadigen van eene oplossing van znringzuur, bevattende 2,859 gram gekristalliseerd znringzuur (C2O3, H2O, 2 aq.) per liter. Vólt;ir de inwerking van het koolzuur verzadigden deze 25 C. C. barytwater 20 C. C. der oplossing van znringzuur.

Hoeveel koolzuur in gewicht en in volume bevatte de lucht uit het vertrek per liter ?

Atoomgewicht: C = 12. Antw. 0,00228 gram of 1,15 C. C.

1872.

100 gram pyroluziet van 95 o/0 MnOa worden door zoutzuur geheel ontleed ter bereiding van chloor. De overgebleven mangaan-oplossing wordt met kalk ontleed, het gevormde neerslag afgezonderd en zoo lang aan de inwerking der lucht blootgesteld, totdat het geheel geoxydeerd is.

Men vraagt hoeveel gram chloor men daarmede weder kan ontwikkelen, indien het onder de vereischte omstandigheden met zoutzuur wordt behandeld.

Atoomgewicht van Mn = 55; Cl = 35,5; O = 10.

Aequivalentgewicht van Mn = 27,5; Cl = 35,5; O = 8.

Anhv. Als het neerslag wordt geoxydeerd tot Mti^ (OH)(i, dan levert het 38,7G gram chloor.

1873.

5,35 gram chloorammonium NH4C1 wordt met 7 gram gebluschte kalk Ca(HO)2 (of volgens de oude schrijfwijze Ca O, H O) en een weinig water verhit, totdat het chloorammonium geheel ontleed is. Men leidt het gas, dat zich ontwikkelt, in een bekerglas, waarin men 20 C, C. van eene zoutzuuroplossing gebracht heeft, die een soortelijk gewicht heeft van 1,10 en die 20,4 percent chloorwaterstof en 7!J,0 percent water bevat. Zal er nog vrij zuur in de vloeistof\' zijn, als de werking is afgeloopen ? En zoo ja, hoeveel C. C. zal men dan van eene soda-oplossing moeten laten toevloeien om het overgebleven zoutzuur te neutraliseeren, indien de gebruikte soda oplossing per liter 40 gram natrium-hydroxyde NaOH (of volgens de oude schrijfwijze NaO,HO) bevat? Het atoomgewicht van N =14, het aequivalentgewicht van N =14 » » » H = 1, » » » H = 1

» » » Cl = 35,5, » » » Cl = 35,5

» » » Ca = 40, » » » Ca = 20

» » »0=10,» » »0=8 » » » Na = 23, » » » Na =23.

Anho. In de vloeistof is nog vrij zoutzuur, dat door 23 C. C. van de soda-oplossing wordt geneutraliseerd.

1874.

Hoeveel liter chloor zijn noodig om het jodium, in 14,87 gram KI

ocr page 133

129

aanwezig, af te scheiden en te veranderen in joodzuur? Hoeveel liter SO2 zijn noodig om dit joodzuur in joodwaterstof te veranderen ?

Oudere richting. Aequivalentgewichten: K = 39 J = 127 Cl = 35,5 S = 16 0 = 8 dens. chloor = 2,47 » SO2 2,234

Antw. Bijna 6 liter chloor; bijna 6 liter SOj. Van de nieuwe richting zijn Cl, S en O overtollig gegeven. Bij de oudere richting behoorden in plaats van de (bovendien onnauwkeurige) densiteiten de volume-gewichten gegeven te zijn.

1875.

Bij de elementair-analyse eener organische verbinding, die koolstof, waterstof en zuurstof bevat, verkreeg men door verbranding van 0,5 gram der stof 1,25 gram koolzuur en 0,612 gram water. Aan welke moleculair-formule beantwoordt de samenstelling dezer verbinding?

Gegeven: de dampdichtheid =: 44 (H= l); atoomgewicht van C = 12, id. van H = 1, id. van 0 = 16. [aequivalentgewicht van C =; 6, id. van H = 1, id. van 0 = 8.| Antw. Cs H12 O.

1876.

Hoeveel liter zwavelwaterstofgas kan men ontwikkelen uit 50 gram zwavelijzer (FeS) en de noodige hoeveelheid verdund zwavelzuur? Hoeveel gram gekristalliseerd ijzervitriool (met 7 molec, kristalwater) kan men daarbij verkrijgen? Als het zwavelwaterstofgas door eene oplossing van kopervitriool geleid wordt, hoeveel kopervitriool (met 5 molec. kristalwater) kan daardoor ontleed worden ?

Atoomgewichten Fe = 56, S = 32, H = 1, O = 16, Cu = 63,5.

Dichtheid van zwavelwaterstofgas vergeleken met lucht 1,191.

Gewicht van een liter lucht bij 0° en 760 mm. druk l,29i5 gr.

Antio. 12,5 liter zwavelwaterstofgas; bijna 158 gram ijzervitriool; bijna 142 gram kopervitriool.

1877.

100 cM8. van een mengsel van waterstof en moerasgas werden in oen eudiometer met 200 cM3. zuurstof vermengd. Na ontploffing bleek do overtollige hoeveelheid zuurstof en het gevormde koolzuur 120 cM8. te bedragen. Dit gasmengsel, langdurig met eene voldoende hoeveelheid bijtende potasch in aanraking, verminderde tot op de helft.

Welke is de proeentische samenstelling in volumen van het onderzochte gasmengsel, en hoeveel milligram bedraagt de gevormde hoeveelheid kaliumcarbonaat ?

Gegevens. Nieuwe richting. Atoomgewichten. K = 39 J = 127 Cl = 35,5 S = 32 0 = 16

Een liter H weegt 0,0S96 gram.

9

ocr page 134

130

NB. Na de ontploffing bleek al de kool tot koolzuur te zijn overgegaan.

JDe waterstof\', het moerasgas en de zuurstof waren volkomen droog, bezaten eene temperatuur van 0° en verkeerden onder eenen druk v in 760 mM. Het cijfer 120 en dat van de daarop volgende vermindering zijn verkregen na reductie tot dezelfde omstandigheden.

1 Liter koolzuurgas weegt bij O\'1 en 760 mM. 1,977 gram.

Aioomgewicht van zuurstof — 16,

» » kool =; 12,

» » kalium = 39,18.

Antw. 40 0/0 waterstof en 60 ü/0 moerasgas. Het gevormde kaüum-carbonaat bedraagt 372,74 milligram.

1878.

Eene oplossing bevat 20 G. zilvernitraat. Met eene keukenzout-oplossing wordt al het zilver als chloorzilver neergeslagen. Men vraagt de hoeveelheid natriumnitraat, die hierbij gevormd wordt.

Kg = 108. N = 14. O = 16. Na = 23. Cl = 35,5.

Antiv. 10 gram. Het atoomgewicht van is onnoodig gegeven.

1879.

Een gulden, wegende 10 gram, wordt in salpeterzuur opgelost en aan de oplossing zooveel natriumchloride (No C/) toegevoegd als noodig is om al het zilver als zilverchloride (Kg Cl) neer te slaan. Na uitwas-schen en gloeien van dit neerslag houdt men 12,622 gram Kg Ql terug.

Wat is het zilver-gehalte van het muntstuk\'?

Hoeveel natriumchloride moet worden toegevoegd om al het zilver neer te slaan *?

(Atoomgewichten: Ar/ = 108; N = 14; O = 16; Na = 23; Cl = 35,5.)

Antw. Gehalte == 950! duizendsten. 5,145 gram natriumchloride. De atoomgew. van N en O behoeft men niet te kennen. Bij dit en de vorige vraagstukken is geen rekening gehouden met de oplosbaarheid van Kg Cl in water (van Setten, Stas).

1880—1891. O eene vraagstukken.

JI. Beschrijvingen, Opstellen enz.

1866. Zuid-Holland.

l»io pioeg-#

1. Maak een opstel over de dampkringslucht, onder anderen behelzende de samenstelling, eigenschappen, het nuttige of schadelijke der bestanddeelen, het verband tusschen het planten- en dierenrijk, enz.

2. Hoe bereidt men zwaveligzuur, welke eigenschappen heeft het en waarvoor wordt het gebruikt?

ocr page 135

131

3. Hoe maakt men gietijzer uit de ijzerertsen?

4. Hoe wordt de zeep bereid? Verklaar welke scheikundige werking bij de zeepfabriceering plaats grijpt.

3,c Ploeg.

1. Maak een opstel over liet water, onder anderen behelzende de samenstelling en eigenschappen, de verschillende hoofdsoorten, waarin men de natuurlijke wateren kan onderscheiden, en het verschil in de voornaamste bestanddeelen dier soorten.

2. Beschrijf eene zwavelzuurfabriek en geef tevens eene verklaring der scheikundige werkingen, die daarbij plaats grijpen.

3. Hoe bereidt men aluin ? door welke formule kan men zijne samenstelling uitdrukken? Welke eigenschappen bezit het en waarvoor wordt het gebruikt?

4. Hoe wordt de gewone alcohol gemaakt? Door welke formule wordt zijne samenstelling uitgedrukt, en door welke algemeene formules kan men de samenstelling der alcoholische radicalen, aethers, alcoholen uitdrukken?

3lt;ie pioeg.

1. Beschrijf eene gasfabriek, vermeld de producten door de droge distillatie der steenkolen ontstaan, het doel der zuiveringsmiddelen, de toepassing der bijproducten.

2. Hoe maakt men aluminium? door welke eigenschappen verschilt het van zilver, en waarvoor wordt het gebruikt?

3. Welke stoffen worden tot het maken van kaarsen aangewend? Hoe worden de gewone stearine-kaarsen gemaakt, en welke scheikundige werking heeft daarbij plaats ?

4. Hoe maakt men houtazijn, bierazijn en snelazijn ? Door welke formule wordt de samenstelling van azijnzuur uitgedrukt, en welke azijnzure zouten vinden in de nijverheid toepassing ?

1866. Gelderland.

Is10 Ploeg.

1. Beschrijf eene proef, waaruit overtuigend blijkt, dat water uit waterstof en zuurstof bestaat.

2. Waarop berust het veelvuldig gebruik, dat de scheikundigen bij analytische onderzoekingen van zwavelwaterstof en zwavel-ammoninm maken ?

3. Geef eene beschrijving van de alcoholische gisting.

2\'le Ploeg.

1. Wat is het onderscheid tusschen één , twee en driebasisch phos-phorzuur ?

2. Hoe verhouden zich de verschillende metalen tegenover water ?

3 Welk verband bestaat er tusschen de koolwaterstoffen van de algemeene formule C.2n Han o, de aethers, de alcoholen, de aldehyden en dc vetzuren van de formule C2n H2|1 O\'?

ocr page 136

132

1867. Zuid-Holland.

Iquot;6 Ploeg\'.

1. Hoe bereidt men chloor, welke eigenschappen heeft het, en waarvoor wordt het gebruikt?

2. Hoe worden loodglit, menie en loodwit gemaakt, en waarvoor worden deze stoffen gebruikt ?

3. Beschrijf de bereiding van alcohol, en helder het verband tusschen alcoholradicalen, aethers, alcoholen enz. door formules op.

g\'io pioeg-.

1. Hoe bereidt men zwavel waterstofgas, welke eigenschappen bezit het, en hoe gedraagt het zich ten opzichte van metaalzouten ?

2. Hoe maakt men gietijzer, staal en smeedijzer ?

3. Hoe wordt zeep gemaakt, en welke scheikundige werking heeft er bij de zeepbereiding plaats ?

3lt;i9 pioeg.

1. Beschrijf eens zwaveizuurfabriek, en vermeld de werking der stoffen op elkaar.\'

2. Beschrijf de bereiding van koolzure natron uit chloornatrium, en haar gebruik.

3. Wat verstaat men door fermentatie, en onder welke omstandigheden grijpt zij plaats?

4\'ie pioeg.

1. Beschrijf de bereiding, de eigenschappen en het gebruik van phosphorus.

2. Wat zijn koolhydraten ? Beschrijf de bereiding van rietsuiker.

3. Hoe worden loodwit, menie en loodglit gemaakt, en waarvoor worden deze stoffen gebruikt ?

1867. Noord-Holland.

Ist0 Ploeg.

1. Beschrijf do bereiding van zwavelwaterstof, haar voorkomen in de natuur, hare eigenschappen en hare verhouding tegenover metaalzouten.

2. Hoe worden koolzure potasch en soda bereid, en welk gebruik wordt van deze stoffen in de nijverheid gemaakt ?

3. Welke zijn de voornaamste suikersoorten? Waardoor worden zij van elkander onderscheiden ? Hoe wordt rietsuiker bereid \'t

2\'1quot; Ploeg.

1. Hoe wordt phosphorus bereid, welke eigenschappen bezit hij, en welk gebruik maakt men er van ?

2. Hoe wordt lood verkregen, wat is loodwit en hoe wordt het gemaakt?

3. Geef efen kort overzicht van de vetten, hunne samenstelling, de verzeeping, en de bereiding van kaarsen.

1867. Zeeland.

1. Hoe bereidt men phosphorus ?

ocr page 137

133

2. Hoe ontstaat azijnzuur? Hoe wordt het in zuiveren toestand verkregen ?

1867. Utrecht.

1. Eene beschrijving van de bereiding van chloorgas en van de scheikundige werking van dit gas op waterstof, zwavel, phosphorus, metalen, water, ammonia, zwavelwaterstof, waterhoudend zwaveligzuur en potasch.

2. Eene beschrijving van de samenstelling der lucht en van eene voldoende methode ter luchtanalyse, met vermelding van de voornaamste werkingen, die voortdurend deze samenstelling trachten te wijzigen.

3. Eene beschrijving van de verschillende handelwijzen gevolgd ter bereiding van aluin en zwavelzure aluinaarde uit de verschillende grondstoffen, waaruit deze twee lichamen fabriekmatig worden verkregen, van de scheikundige werking, die ten grondslag ligt aan hunne aanwending in de ververij, en van de omstandigheden, die beslissen ol\' het wenschelijk zal zijn, aluin uit de grondstof te bereiden dan wel zwavelzure aluinaarde.

4. Wat verstaat men door grauw gietijzer, wit gietijzer, staal en week ijzer? Uit welke ertsen verkrijgt men gietijzer en langs welken weg ?

5. Op welke verschillende wijzen verkrijgt men fabriekmatig uit cinnaber het kwik van den handel? Welke zijn de meest gewone verontreinigingen van het handelskwik, en hoe kan men die daaruit verwijderen ?

6. Hoe essayeert men zilveren munten langs den drogen weg, en hoe langs den natten weg?

7. Eene beschrijving van de fabrikatie van rood bloedloogzout en van de wijze, waarop men kan bereiden: rood bloedloogzout, blauwzuur, cyanzilver-cyankalium, cyankalium, cyanzure potascb, rhodan kalium en Berlijnsch blauw.

8. Noem eenige homologe alcoholradicalen van de formule Cn Hn 1, beschrijf de algemeene bereidingswijze hunner oxyden, samengestelde aethers, gepaarde zuren, joodverbindingen, cyanverbindingen, aldehyden en vetzuren, en vermeld de nijverheidsproducten, waarin hunne moeder-stoffen (de alcoholen) worden aangetroffen.

9. Vermeld de redenen, waarom men de vetzuren tot eene homologe reeks vereenigt. Beschrijf eene of meer bereidingswijzen van 5 der voornaamste zuren van deze reeks.

1867. Overijsel.

1. Maak door voorbeelden duidelijk, wat men verstaat door de uitdrukkingen allotropie en isomeric.

2. Op welke wijzen kan men de volgende metaaloxyden herleiden; kali, aluinaarde, ijzeroxyde, koperoxyde, zilveroxyde?

3. Beschrijf de elementair-analyse van een stikstofvrij lichaam.

4. In eene oplossing, die slechts ééne basis en één zuur bevat, geven zoutzuur en zwavelwaterstofgas geen neerslag, ammonia en zwavel-ammonium daarentegen wel. Men vraagt welke bases tegenwoordig kunnen zijn, en door welke proeven men deze kan onderscheiden.

ocr page 138

134

5. Wat zijn samengestelde amnioniakken, en geef daarvan voorbeelden.

6. Wat zijn één-, twee- en drie-atomige alcoholen, en geef daarvan voorbeelden.

7. Beschrijf de bereiding van soda volgens de handelwijze van Lebianc.

8. Welke producten worden bereid uit gaswater en welke uit gasteer ?

9. Geef eene beschrijving van de bierbereiding.

1867. Groningen.

lste Ploeg.

1. Welk verband is u bekend, in samenstelling en bereiding, tusschen alcoholen (met één-, twee- en drie-valente radicalen), aldehyden, aethers, esters en afgeleide zuren ?

2. Geef eene beschrijving en verklaring van de bierbereiding.

3. Geef eeue beschrijving en verklaring van de bereiding van gietijzer, smeedijzer en staal.

2\'1|, Ploeg. .

1. Wat verstaat men onder gisting, vertering (Verwesung), rotting, droge distillatie?

2. Beschrijf en verklaar de zeepbereiding.

3. Beschrijf en verklaar de bereiding van salpeter.

1867. Limburg.

1. Welke elementen dragen den naam van zoutvormers en waarom? Geef eene algemeene formule op volgens welke die elementen kunnen worden bereid; vergelijk deze stoffen met elkander ten opzichte harer voornaamste physische en scheikundige eigenschappen en hare reagentiën.

2. Geef eene algemeene karakteristiek van de zwavelzure zouten (constitutie, reactie, oplosbaarheid enz.) Noem de voornaamste zwavelzure zouten en geef van een dier zouten eenige bijzonderheden op.

3. Welke zijn de voornaamste ertsen, waaruit lood verkregen wordt? Op welke wijze en volgens welke scheikundige processen wordt het verkregen ?

4. Welke reagentiën gebruikt men om koper te onderscheiden ? Verklaar de daarbij voorkomende verschijnselen.

5. Wat verstaat men door een organisch radicaal? Hoe heeft men door zulke radicalen aan te nemen de organische verbindingen getracht in overeenstemming te brengen met de anorganische ? Maak dit duidelijk bij een of meer u bekende stoffen, en geef daarvan eenige bijzonderheden op.

1868.

1. De indeeling der metalen en de gronden, waarop zij rust.

2. Phosphorus. De voornaamste verbindingen van dit element, die in de drie rijken der natuur voorkomen. Bereiding.

3. Vetten. Wat men daaronder verstaat. Zeepbereiding.

ocr page 139

135

1869.

1. Beschrijf de bereiding en de voornaamste eigenschappen van zwavelwaterstof\'; in \'t bijzonder hare verhouding tegenover de oplossing van de belangrijkste zouten,

2. Welke zijn de scheikundige beginselen, waarop de fabrikatie van het Engelsche zwavelzuur berust. Welke zijn de meest voorkomende verontreinigingen in deze vloeistof? Op welke wijze worden zij er in gebracht en hoe zal men ze ontdekken ?

3. De bereiding te beschrijven van het salpeterzuur, zijne werking op verschillende metalen, eenige eigenschappen der salpeterzure zouten en de middelen om deze te herkennen.

4. Beschrijf de scheikundige beginselen van de bereiding van spiritus uit aardappelen. Hoe kan men de foezelolie afzonderen, en hoe zal men uit de foezelolie bereiden: valeriaanzuur, valeriaanzuur-atnyloxyd, amylzwavelzure baryt, joodamyl en amylamine.

5. Geef een overzicht van de kenmerken, waardoor zich het verschil tusschen de een- en tweebasische zuren openbaart, en beschrijf\'de bereiding van twee der voornaamste organische zuren uit beide afdeelingen.

6 Welke zijn de voornaamste producten der droge distillatie van steenkolen? Tot welke doeleinden worden zij in de nijverheid gebruikt?

1870.

1. Ammonia, hare voornaamste verbindingen en het gebruik, dat van ammonia gemaakt wordt vooral in het scheikundig laboratorium.

2. De bereidingswijze van phosphorus uit beenderenasch, met een overzicht van de belangrijkste verbindingen, hare samenstelling en eigenschappen.

3 De samenstelling van een graankorrel en de veranderingen, die het zetmeel en de eiwitstoffen ondergaan bij do spijsvertering, bij do kieming van het zaad en bij do bereiding van een alcoholischen drank.

4. De vetten en hunne aanwending ter fabricatie van zeep en kaarsen.

1871.

1. Gasfabrikatie en het nut van het steenkolenteer,

2. Gisting.

3. Chloorkalk, samenstelling, bereidingswijze, gebruik en bepaling van hare waarde.

4. IJzer; bereiding uit ertsen en belangrijkste verbindingen.

1872.

1. De eigenschappen der voornaamste metalen met betrekking tot droge lucht, vochtige lucht, zuren, bijtende alkaliën, en bij verhitting aan de lucht.

2. De soda-fabrikatie volgens de methode van Leblanc en de waardebepaling der soda.

3. Cyaan-, ferrocyaan- en ferridcyaan-verbindingen.

ocr page 140

136

4. De koolhydraten ; hun voorkomen in de natuur; hoe zij in elkander kunnen worden omgezet.

1873.

1. Beschrijf do bereiding van eenige reductie middelen en helder hunne werking door voorbeelden met formules op.

2. Welke calcium verbindingen komen het meest in de natuur vooi\'? Hoe kan men het oxyde, het sulphide en het chloride van calcium bereiden uit krijt? Hoe kan men dezelfde verbindingen maken uit gips? Hoe wordt de chloorkalk bereid ? Welke veranderingen ondergaat de chloorkalk in aanraking met zwakkere zuren (koolzuur, azijnzuur), welke met zwavelzuur ?

3 Welke verschillende werkingen kan Cl op organische stoffen hebben? Geef daarvan voorbeelden.

4 Geef eene beschrijving van de samenstelling en eigenschappen der alcoholen. Welke zijn hunne afgeleide verbindingen en omzettingsproducten ?

1874.

1. Het ijzer en zijne belangrijkste verbindingen.

2. Het ontstaan, de bereiding, de eigenschappen en de herkenningsmiddelen, benevens het gebruik van de verbindingen van stikstof en zuurstof, en van de belangrijkste der daarvan afgeleide zuren.

3. Benzol en de voornaamste verbindingen, welke van die stof kunnen worden afgeleid.

4. De constitutie en de ontleding der vetten

1875.

1. Chloor, broom en jood: de verspreiding dezer stoffen jn de natuur, hare bereiding, hare physische en chemische eigenschappen, hare voornaamste verbindingen, en van laatstgenoemde verbindingen de herkenningsmiddelen en het gebruik.

2. Het lood: zijn voorkomen in de natuur, de afscheiding van het metaal uit de ertsen, zijn physische en chemische eigenschappen ; de voornaamste loodverbindingen, die als verfstoffen worden gebezigd, hare bereiding en eigenschappen, hare vervalsching in den handel en de middelen, waardoor deze laatste kunnen worden aan het licht gebracht,

3. Welke homologe reeksen kent ge? Geef van sommige daarvan eene beschrijving der voornaamste termen.

4. De spiritus-, wijn- en bierbereiding, en de chemische grondslagen, waarop zij berusten

1876.

1. Door welke proeven kan men aantoonen, dat de dampkringslucht hoofdzakelijk uit zuurstof en stikstof bestaat? Hoe kan men de hoeveel-

ocr page 141

137

heden waterdamp, kooldioxyde (koolzuur), zuurstof en stikstof, die in de lucht voorkomen, nauwkeurig bepalen ?

Welke zijn de belangrijkste scheikundige werkingen, die invloed hebben op de samenstelling der lucht?

2 Een kort overzicht te geven van de scheikundige geschiedenis van het salpeterzuur, waarin o. a. behandeld wordt: zijne bereiding, zijne werking op bases, op earbonaten, op metalen, op andere oxydeerbare stoffen, en eindelijk de reacties, waardoor men het zuur en zijne zouten herkent.

3. De scheikundige werkingen te beschrijven, waarop de afscheiding der voornaamste metalen uit hunne ertsen berust.

4. Hoe fabriceert men do verschillende azijnsoorten ? Hoe maakt men uit den houtazijn het watervrij of ijsachtig azijnzuur? Welke zijn de belangrijkste lichamen, die uit dit zuur bereid kunnen worden, en hoe maakt men ze ?

5. Hoe bereidt men geel bloedloogzout ? Welke zijn do belangrijkste cyanverbindingen, en hoe zal men ze uit geel bloedloogzout bereiden?

G. In welke groepen kan men de koolhydraten verdeden? Waardoor onderscheiden zich die groepen van elkander? Hoe komen de belangrijkste koolhydraten in de plant voor? Welke kan men niet kunstmatig uit andere bereiden ? Met welke kan dit wel geschieden en hoe ?

1877.

1. Zwavel; hare belangrijkste verbindingen, en het gebruik, dat van zwavel wordt gemaakt.

2. Aluminium en de voornaamste verbindingen van dat clement (bereiding van het metaal uit de ertsen; aluin, bereiding en gebruik daarvan; veldspaath, verweering daarvan; klei, porselein en aardewerk).

3. Eene vergelijking der metalen: zink, tin, lood, antimonium en koper, wat betreft hunne physische en chemische eigenschappen en het chemisch karakter en de constitutie hunner verbindingen.

4. De belangrijkste verbindingen, die in het steenkolenteer worden aangetroffen, en hare toepassing in de nijverheid.

5. Wat verstaat men onder alcoholen, aethers, samengestelde aethers, haloïdaethers en organische zuren? Hoe worden zij over \'t algemeen gevormd, en welke zijn hunne belangrijkste chemische eigenschappen ?

G. De melk. Omschrijf hare bestanddeelen en verklaar de veranderingen, welke zij bij het staan ondergaat.

1878.

1. De koolstof en de verbindingen van dit element met zuurstof.

2. De voornaamste natriumverbindingen ; eigenschappen, bereidingswijzen en toepassingen.

3. Hoe komt het zilver in de natuur voor en hoe wordt het uit de ertsen afgezonderd? Door welke physische en chemische eigenschappen is het gekenmerkt? Wat weet ge van de belangrijkste legeeringen en verbindingen van dit metaal en hare toepassingen?

ocr page 142

138

4. Noem eenige homologe reeksen en vermeld hare vormingswijze en eigenschappen.

5 De vetten, hun voorkomen en hunne samenstelling in het algemeen, de belangrijkste stoffen, die er uit worden bereid.

6. Het zetmeel ; voorkomen in de natuur, bereiding, omzetting in andere verbindingen, en daarop berustende technische bedrijven.

1879.

1. De stikstof en hare voornaamste verbindingen met waterstof en zuurstof.

2 Het calcium en zijne voornaamste verbindingen.

3. Het ijzer: metallurgie, zouten, herkenningsmiddelen.

4. Het cyaan en zijne voornaamste verbindingen.

5. Benzol, en de voornaamste verbindingen, welke daarvan kunnen worden afgeleid.

6. De suiker^: druiven-, riet- en melksuiker in \'t bijzonder.

1880.

1. Droge distillatie: de stoffen, die door dit proces gevormd kunnen worden, en hare toepassingen in het dagelijksch leven en in de nijverheid.

2. Wat zijn zuren? Welke toepassingen vinden zij in het dagelijksch leven en in de nijverheid?

1881.

1. Welke zijn de belangrijkste reductiemethoden, waarvan in de scheikunde gebruik wordt gemaakt?

Op welke scheikundige werkingen rusten zij en welke toepassingen worden er van gemaakt ?

2. Azijnzuur, oxaalzuur, wijnsteenzuur en salicylzuur.

1882.

L. De belangrijkste oxydatiemiddelen; hunne bereiding en hun gebruik bij de vorming van anorganische en organische verbindingen.

2. Het lood: bereiding, eigenschappen en voornaamste verbindingen ; herkenning van lood in verbindingen.

3. De voornaamste reeksen der koolwaterstoffen.

4. De vetten : hun voorkomen, hunne samenstelling en hunne ontleding.

1883.

1. De wijze, waarop men tot de kennis der scheikundige formules komt.

2. Kalium en natrium en hunne voornaamste verbindingen.

3. Do metaal-oxyden en sulphiden; hoe ze in de natuur worden gevonden, of kunstmatig worden bereid; hun scheikundig karakter; hunne beteekenis voor de bereiding der metalen en metaal-praeparaten.

ocr page 143

139

4. Alcoholen, aethers, samengestelde aethers en organische zuren; wat men er onder verstaat, en in welk verband ze tot elkander staan; welke soorten men onderscheidt; hoe ze over het algemeen gevormd worden en welke hunne voornaamste eigenschappen zijn.

1884.

1. Zouten. Verdeeling in soorten. Verschillende wijzen, waarop zij worden gevormd en ontleed. Belangrijke stoffen in de anorganische en de organische scheikunde, die door ontleding van zouten worden verkregen,

2. De bereiding en eigenschappen van salpeterzuur of zwavelzuur [naar keuxe) en \'t gebruik, dat men van dit zuur maakt in de a;ior-ganische en in de organische scheikunde.

3. Het zink. Eigenschappen, afscheiding en voornaamste verbindingen. Reacties op de zinkverbindingen.

4. Benzol en eenige der voornaamste afgeleiden van deze koolwaterstof.

1885.

1. Het chloor: bereiding, eigenschappen, werking op organische en anorganische stoffen.

2. Het koper en zijne belangrijkste verbindingen ; bereiding, eigenschappen, herkenningsmiddelen,

3. De cyaanverbindingen

4. Kleurstoffen (anorganische en organische).

1886.

1. De zwavel, hare verbindingen en toepassing

2. Het ijzer, zijne verbindingen en toepassing.

3. Vetten, verzeeping,

4. De dampkringslucht. De meest gebruikelijke methoden van onderzoek naar hare samenstelling, hare eigenschappen en de scheikundige verschijnselen, waarin zij eene hoofdrol speelt.

1887.

1. De phosphorus en hare verbindingen.

2. De alcoholen.

3. De stikstof en zijne (sic) verbindingen met zuurstof.

4. Aluminium en de belangrijkste verbindingen van dit metaal.

1888.

1. Het zilver.

2. Het voorkomen, de bereiding en de eigenschappen der elementen zuurstof, waterstof, chloor en phosphorus.

3. Hoe ontstaan zouten, hoe onderscheidt men ze en waardoor worden ze over het algemeen ontleed?

4. Alkali-metalen. Vergelijking met andere elementen en onderling. Het verkrijgen hunner voornaamste verbindingen.

ocr page 144

140

1889.

1. Over de bereiding, de eigenschappen en het gebruik der voornaamste organische en anorganische zuren. _

2. Over de bereiding en de eigenschappen van eemge zouten, die veel gebruikt worden in de industrie en in het dagelijksch leven.

3. Over de bereiding van het bier. Beschrijf het voorkomen, de bereiding en de eigenschappen der lichamen, die er in zijn.

4. Wat weet ge omtrent het verband tusschen scheikundige en

natuurkundige eigenschappen ?

1890- . . . ..

1. Zwavelzuur; bereiding en eigenschappen; inwerking op verschillende anorganische en organische lichamen en de toepassingen, die men

daarvan maakt, _. ......

2 Stikstof, bereiding en eigenschappen. Uitvoerige beschrijving van eenquot; paar anorganische en een paar organische verbindingen van dit

3 De vlam en de belangrijkste stoffen, die tot verlichting dienen. 4\'. Het voorkomen, de bereiding en de eigenschappen der verschillende groepen van organische verbindingen.

1891.

1. Bepaling van atoom- en moleculair gewichten.

2! Stikstof, bereiding en eigenschappen. Beknopte behandeling van ecnige belangrijke anorganische en organische stikstof verb nchngen.

3. Wat verstaat men in de scheikunde onder een continu proces. Beschrijf uitvoerig eenige bereidingen van anorganische en organische verbindingen, waaraan een zoodanig proces ten grondslag ligt.

M. Beginselen der Dier-, Plant-, Aard- en Delfstofkunde.

1866. Zuid-Holland.

lste Ploeg**

1. Geef eene beschrijving van het hart en den bloedsomloop bij de

zoogdieren. , , i • i .u

2. Op welke wijze heeft de bevruchting plaats bij de zichtbaar

bloeiende planten ? _ 1 ,

3. Welke deelen onderscheidt men op de doorsneden van den stam

eener tweezaadlobbige plant?

4. Hoe verklaren de Plutonisten de uitbarstingen der vulkanen, en

hoe doen dit de Neptunisten?

5. Welke geologische formatiën vindt men in Nederland?

6. Geef eene beschrijving van de verschillende kristalstelsels.

7. Hoe onderscheidt men graniet van gneiss?

ocr page 145

141

3\'le Ploeg.

1. Hoe wordt bij de gewervelde dieren het voedsel verteerd, en opgenomen in het bloed?

2. Welke zijn de voornaamste voedingsstoffen der planten, en hoe worden die stoffen door de planten opgenomen ?

3. Beschrijf de eene of andere plantenfamilie.

4. Beschrijf de verschillende geologische formatiën zooalï zij op elkander volgen.

5. Hoe stelt men zich de vorming der steenkolen voor?

ö. Geef eene beschrijving van de verschillende kristalstelsels.

7. Op welke eigenschappen heeft men bij het onderzoek der mineralen te letten ?

3\'\'° Ploeg.

1. Hoe geschiedt de ademhaling bij de dieren, welke in de lucht ademen, en bij die, welke in het water ademen ?

2. Beschrijf de centraaldeelen van het zenuwstelsel bij de gewervelde dieren.

3. Beschrijf den vorm, de plaatsing en de verrichting van de ver schillende deelen eener volledige bloem.

4. Beschrijf de eene of andere plantenfamilie.

5. Beschrijf het een of ander geologische tijdvak.

6. Hoe bepaalt men in welk tijdvak een bergsysteem is opgeheven?

7. Beschrijf eenige zandachtige en kalkachtige gesteenten.

1866. Zuid-Holland.

Ist0 Ploeg.

1. Beschrijf den bloedsomloop bij do zoogdieren.

2. Waardoor onderscheiden zich de éénzaadlobbige planten van de tweezaadlobbige ?

3. Onder welke voorwaarden ontstaan hooge en lage veenen ?

4. Op welke eigenschappen moet men bij het onderzoek van mineralen letten?

giio pioeg.

1. Hoe wordt het voedsel verteerd bij de gewervelde dieren?

2. Welke deelen onderscheidt men aan eene volledige bloem? Beschrijf den vorm en de verrichtingen dier deelen

3. Geef eene beschrijving van de geologische formatiën in de orde, waarin zij op elkaar volgen.

4. Geef eene beschrijving van de verschillende kristalstelsels.

3\',e Ploeg.

1 Geef eene beschrijving van de klasse der vogels of van die der visschen.

2. Beschrijf eenige soorten van vruchten.

3. Beschrijf het een of ander geologisch tijdvak.

4. Op welke eigenschappen moet men bij het onderzoek van mineralen letten ?

ocr page 146

142

4\'\'° Ploeg.

1. Geef een kort overzieht, waardoor de groote afdeelingen van het flierenrijk zich van elkaar onderscheiden.

2. Vermeld eenige kenmerken van ééne of meer plantenfamiliën.

3. Hoe kan men zich de vorming van steenkolen voorstellen ?

4. Beschrijf eenige kwartssoorten en eenige kalkhoudende mineralen.

1866. Utrecht.

1. Men beschrijve de samenstelling, en de functiën van het zenuwstelsel bij den mensch.

2. Welke 4 grondvormen vindt men in het dierenrijk, en in welke opzichten onderscheiden zich deze grondvormen van elkander ?

3. Men vermelde de voornaamste klassen tot eene der 4 hoofdafd, van het dierenrijk behoorende, verdeele een dier klassen in orden, een dier orden in familiën, en geve van een dier familiën of orden eene meer nauwkeurige beschrijving.

4. Welke deelen vindt men gewoonlijk in de bloem der phanerogameu ? Men geve een kort overzicht van de levensgeschiedenis dezer deelen.

5. Men beschrijve nauwkeurig de kenmerken van minstens drie dei-meest voorkomende plantenfamiliën.

6. Men geve een duidelijk overzicht van de hoofdverdeeling van het plantenrijk volgens een der aangenomen stelsels.

7. Geef eene beschrijving van de verdeeling der gesteenten naar hunne wijze van ontstaan ; van de ligging der gesteenten tot elke der hoofdafdeelingen behoorende, met betrekking tot die der gesteenten van de overige hoofdafdeelingen; en noem eenige der gesteenten uit elke der hoofdafdeelingen.

8. Geef eene beschrijving van de geologische werking van het ijs vooral met het oog op de vorming van het diluvium, dat in Nederland wordt aangetroffen.

9. Op welke wijze vormen zich in de tegenwoordige aardperiode lagen van min of meer veranderde planten-overblijfselen ? Op welke gronden berust de meening, dat bruinkolen, steenkolen, anthraciet gevormd zijn uit lagen, die in vroegere perioden door eene dergelijke werking zijn gevormd \'?

10. Men vraagt op welke wijze, uit den grondvorm van het hexagonale stelsel: de hexagonale piramide met de asverhouding a, Cl, a, b, de voornaamste vormen van het hexagonale stelsel kristallographisch kunnen worden afgeleid. Onder die voornaamste vormen vermelde men ten minste de afgel. pir., het prisma, het basisch vlak, de rhomboëder.

11. Geef eene beschrijving van 5 mineralen, die vooreen belangrijk deel bijdragen tot de samenstelling der aardkorst.

12. Men vraagt welke morphologische, physische of chemische eigenschappen men het eenvoudigst in de volgende mineralen zal onderscheiden : kwarts, augiet, hornblende, kalkspaath, arragoniet, talk, fluorcalcium, magneetijzersteen, ijzerkies, loodglans, zinkblende.

ocr page 147

143

N. Gronden van de Gemeente-, Provinciale en Staatsinriclitino- van Nederland.

1866. Zuid-Holland.

l5le Ploeg.

1. Wat verstaat men volgens de Grondwet, onder wetgevende macht, en op welke wijze is luiar beginsel toegepast ?

2 Welke zijn de verschillende bronnen van de gewone inkomsten van Nederland ? Welke veranderingen zijn sedert 1848 in ons belastingstelsel gebracht?

2\'1quot; Ploeg.

1. Hoe verklaart zich in den constitutioneelen Slaat do niet-verant-woordelijkheid en bijgevolg de onschendbaarheid van den Vorst?

2. Welke is de inrichting van het Provinciaal bestuur? Welke de roeping van den Commissaris des Konings, van de Gedeputeerde Staten en van de Provinciale Staten ? Hoeveel bedragen ongeveer de gezamenlijke Provinciale inkomsten en uitgaven ?

S\'10 Ploeg.

1. Op welke grondslagen is hier te lande het recht van verecniging en vergadering gevestigd ?

2. Van welken aard is het toezicht van de Staten-Generaal op de diplomatische handelingen der Regeering met het buitenland ?

1867. Zuid-Holland.

rte Ploeg.

1. Wat is het recht van petitie, zijn nut, de wijze waarop het wordt uitgeoefend ?

2. Welke zijn onze directe en indirecte belastingen?

3. Wat bepaalt de Grondwet ten aanzien van benoeming en werkkring van den Hoogen Raad ?

4. Wat zijn Gedeputeerde Staten, welke is hun werkkring?

5 Beschrijf de wijze van verkiezing en de samenstelling van den Gemeenteraad ?

2\'10 Ploeg.

1. Benoeming, samenstelling en werkkring van den Raad van State.

2. Het recht van amendement, zijn nut, de wijze, waarop het in toepassing wordt gebracht.

3. Het recht van vereeniging en vergadering.

4. Indiening, vaststelling en inhoud der Provinciale begrooting.

5. De belastingen, die door de gemeenten geheven mogen worden en de gemeente-accijnsen.

ocr page 148

144

3\'« Ploeg.

1. Naturalisatie, hoe en onder welke voorwaarden die verkregen wordt?

2. De verantwoordelijkheid der Ministers.

3. Uitzetting en uitlevering van vreemdelingen.

4. De wijze, waarop gemeente-verordeningen gemaakt worden en wettelijke kracht verkrijgen.

5. Waarom mag de Commissaris des Konings geen lid zijn van de Provinciale Staten en is hij integendeel lid van Gedeputeerde Staten?

4,1\', Ploeg.

1. Het recht van enquête, zijn nut, de wijze, waarop het wordt uitgeoefend.

2. Den loop te beschrijven, dien een wetsvoorstel neemt, totdat het tot wet verheven is.

3. De nationale militie.

4. De verhouding der Provinciale Stalen tot de Waterschapsbesturen,

5. De werking van liet College van dagelijksch bestuur in do Gemeente.

1867. Noord-Holland.

Ist0 Ploeg.

1. Verklaar, hoe in Nederland eene wet tot stand komt.

2. Welke inkomsten heeft Nederland tot bestrijding der uitgaven ?

2gt;io pioeg,

1, Beschrijf den werkkring van den Raad van State.

2. Hoe is het bestuur der Gemeente ingericht?

1867. Zeeland.

1. Wat beteekent de bepaling, dat de Koning onschendbaar is, en wat is de strekking er van ? Welke andere bepaling der Grondwet staat met die onschendbaarheid onmiddellijk in verband, en hoe is dat verband? Sedert wanneer zijn ze in de Grondwet opgenomen? Wat is het zoogenaamde contresein van Koninklijke besluiten?

2. Wat is do strekking van \'s Konings recht tot ontbinding van do Kamers? Door welke andere bepalingen der Grondwet wordt de Koning gehandhaafd, als het hoofd van den Staat tegenover de Staten-Generaal ? Hoe komt eene wet tot stand?

3. Is het maken van de begrooting des Rijks eene daad van wetgeving of van uitvoering? Wat is in de Grondwet bepaald omtrent den tijd, waarop de begrooting des Rijks gemaakt moet worden? Wat is door de wet bepaald omtrent den tijd, waarop de Provinciale begrooting gemaakt moet worden ? Welk verband bestaat er tusschen die beide tijdsbepalingen ?

1867. Utrecht.

1. Welke zijn de hoofdzakelijkste wijzigingen in het jaar 1848 in de Grondwet aangebracht ?

ocr page 149

145

2. Beschrijf\' de wijze waarop een wetsontwerp kracht van wet verkrijgt, ü. Hoe is de Rechterlijke macht ingedeeld ? Welke taak vervult daarbij het Openbaar Ministerie ?

1867. Overijsel.

1. Welke zijn de staatsburgerlijke en staatkundige rechten en verplichtingen van Nederlanders, zich bevindende op het grondgebied van het Rijk in Europa? Welke wijzigingen ondergaan de bepalingen dei-Grondwet ten opzichte van Nederlanders in Nederlmidsch Oost-Inclië?

2. Welke is de werkkring van den Commissaris des Konings in de provincie ?

3. In hoeverre is de ministerieele verantwoordelijkheid door de wet geregeld; tot hoever strekt zij zich uit?

4. Welke zijn de grondslagen van ons kiesstelsel?

Hoe wordt een wetsontwerp tot wet verheven ?

1867. Limburg.

1. Beschrijf\' in korte trekken de inrichting van ons staats-, provinciaal* en gemeentebestuur.

2. Welke zijn onze waarborgen voor ;

a. eene goede wetgeving,

b. eene eerlijke rechtsbedeeling,

c. een richtig beheer der geldmiddelen ?

3. Wat verstaat gij door;

a. burgerlijke rechten,

b. staatsburgerlijke rechten,

c. burgerschapsrechten ?

4. Noem, met eenige toelichting, enkele der voornaamste rechten en vrijheden, die ons door de tegenwoordige Grondwet worden toegekend.

1869.

1. Omschrijving van de veranderingen, door de Grondwetsherziening van 1848 in de Grondwet van 1814 gebracht

2. Hoe komt in Nederland eene wet tol stand ?

3. Over de inkomsten van den Nederlandschen staat.

4. De rechterlijke macht naar de Grondwet.

5. Samenstelling en werkkring van den Baad van State.

6. Samenstelling en bevoegdheid van het Brovinciaal bestuur.

7. De geraeente-finantiën.

8. Omschrijving van den werkkring van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsc-hlndië

10

ocr page 150

14(5

O. Staathuishoudkunde en Statistiek.

1866. Zuid-Holland.

Is10 Ploeg.

1. Wat is de prijs eener zaak en het verschil tusschen productie-en marktprijs? Welke is doorgaans in het maatschappelijk verkeer de verhouding tusschen de beide soorten van prijs, en welke oorzaken regelen de verhouding ?

2. Wat zijn crediet-instellingen en welk is het nut van hare werking? Wat verstaat gij onder depositobanken, beleenings- en disconto-banken en circulatiebanken ?

2le Ploeg-.

]. In het muntwezen der verschillende volkeren bestaat of een gouden öf een zilveren öf een dubbele standaard. Welke van deze drie wijzen van muntinrichting verdient de voorkeur, en om welke redenen ?

2. In welke landen is het stelsel van vrijen handel thans het meest ontwikkeld ? Van welken tijd dagteekent de toepassing van den vrijen handel? Hoe is in dit opzicht de toestand in Nederland?

3\'le Ploeg.

1. Wat beoogt men met het stelsel van bescherming van nijverheid en handel ? Op welke wijze wordt het in praktijk gebracht, en met welke gevolgen voor de volkswelvaart ?

2. Is eene toeneming van bevolking te beschouwen als een teeken van toenemende welvaart? In hoeverre staat zij in verband met het hooger of lager loon ?

1866. Gelderland.

rle Ploeg.

1. Welke zijn de voor-, welke de nadeeleu van het groote fabriekswezen ? Welke beschuldigingen zijn er tegen aangevoerd ? En wat is er van die beschuldigingen ?

2. Waarom moeten in den regel nijverheidsondernemingen van particulieren uitgaan ?

8. Wat is geldcrisis, wat handelscrisis ? Waaruit ontstaan zij ? Welke zijn hare gevolgen?

4. Is er gegronde vrees voor algemeene overbevolking? Welke zijn de oorzaken eener plaatselijke overbevolking? Welke zijn de middelen om deze te bestrijden ?

5. Wat is armoede? Met welke middelen tracht men haar gewoonlijk te bestrijden ? Hoe ver strekt zich de zorg van den Staat in dit opzicht uit?

6. Sedert wanneer en door wien is de statistiek het eerst wetenschappelijk beoefend ?

7. Welke zijn de hoofdbronnen van bestaan in de verschillende pro-

ocr page 151

147

vinciëu van Nederland? Deel tevens mede in welke streken van Nederland zich de voornaamste takken van nijverheid bevinden.

2\'1quot; Ploeg.

1. Welke zijn de vormen, waarin de maatschappelijke arbeid zich vertoont? Wat is het doel van den arbeid? Welke zijn de voordeden van de verdeeling van den arbeid ?

2. Wat is kapitaal, wat zijn aard, wat zijne bestemming? Hoe wordt liet verdeeld ? Deel eenige bijzonderheden mede met betrekking tot den interest.

3. Wat is geld ? Waarom worden bij voorkeur edele metalen daartoe gebezigd ? Waarom is de enkele standaard te verkiezen ? Hoe geschiedt de aanmunting zoo van het standaardgeld als van de pasmunt V

4. Onder welke vormen wordt het stelsel van bescherming der nijverheid toegepast? Op welken grond wordt de bescherming gevraagd, en tot hoever moet zich de staatszorg met betrekking tot de nijverheid uitstrekken ?

5. Welke is de bestemming en onderscheiding van de banken in het algemeen ? Welke is het karakter, de werking en het octrooi van de Nederlandsche bank ?

6. Wat is statistiek? Hoe moet zij worden toegepast en wat is haar nut ?

7. Wat leert de statistiek met betrekking tot den handel en scheepvaart van Nederland ?

1867. Zuid-Holland.

rie Ploeg.

1. Wat is rente; is in Nederland liet bedingen van rente vrij ; is dit op staathuishoudkundige gronden goed of af\' te keuren ?

2. Welke verhouding bestaat er tusschen den productie- en den marktprijs ?

3. Wat is de landbouwnijverheid; welke middelen heeft men vroeger aangewend om haar te bevorderen ; welke lasten drukken haar nog ten onzent, die verminderd of weggeruimd moeten worden ?

3.1e pioeg-.

1. Wat is de verdeeling van arbeid; wat is haar nut?

2. Welke zijn de voor- (of na-) deelen aan het gebruik van dubbelen geldstandaard verbonden ?

3. Is de oorlog een gewenscht middel om de juiste verhouding tusschen de bevolking en hare middelen van bestaan te bevorderen; zoo ja, waarom? zoo neen, waarom niet?

3\'18 Ploeg.

1. Welke middelen heeft men vroeger aangenomen tot bescherming der inlandsehe nijverheid; wat dunkt u van dat stelsel?

2. Welke verschillende soorten van koloniën zijn u gekend; wat is het karakter van elke dier soorten?

3. Is \'t waar, dat de staat, die de meeste schulden heeft, het gelukkigst is; zoo ja, waarom? zoo neen, waarom niet?

ocr page 152

148

i\'6 Ploeg.

1. Het mercantiel-stelsel; de nadeelen daaraan verbonden.

2. De verschillende stelsels ten aanzien van circulatie-banken; waar elk dier stelsels werkt; welk stelsel het best wordt geacht\'?

3. De invloed, welke het gebruik van werktuigen op het lot der fabrieksarbeiders en op de maatschappij in \'t algemeen heeft uitgeoefend.

1867. Noord-Holland.

rte Ploeg.

1. Geef eene korte beschrijving van de verschillende crediet-instellingen

2. Wat heeft invloed op het arbeidsloon ?

2\'° Ploeg.

1. Waarom zijn de beschermende rechten af te keuren ?

2. Hoe wordt de natuurlijke, hoe de marktwaarde bepaald?

1867. Zeeland.

1. ïe ontwikkelen het denkbeeld van rijkdom. Op te geven en te wederleggen de voornaamste dwaalbegrippen aangaande het wezen van rijkdom.

2. Wat is het wezen van credietpapier? Wat is het nut er van? Eene beschrijving en vergelijking te geven van de voornaamste soorten van credietpapier?

3. Wat verstaat men onder gilden ? En hoever is, volgens de beginselen van staathuishoudkunde, het gildewezen goed of af te keuren ? Wat weet ge van de geschiedenis der gilden ?

1867. Utrecht.

1. Wat heeft men onder maatschappelijken rijkdom te verstaan ? en hoe wordt hij in het algemeen verkregen?

2. Wat verstaat men onder marktprijs; wat onder productieprijs; welken invloed oefenen verbeterde middelen van vervoer op de prijzen uit ?

3. Wat is het hoofdzakelijk nut, dat de banken aanbrengen?

4. Welke zijn de voornaamste bronnen van inkomsten van den Nederlandschen staat ?

5. Geef eene korte beschrijving van het eiland Java, zijne ligging, lucht- en grondgesteldheid en voornaamste producten betreffende.

(gt;. Wat verstaat men onder het cultuurstelsel?

1867. Overijsel.

1. Wat heeft men te verstaan onder maatschappelijken rijkdom? Is het uit de geschiedenis ook aan te toonen, hoe verderfelijk onjuiste begrippen hieromtrent hebben gewerkt?

2. Hoe wordt door den handel rijkdom voortgebracht? Waarom is de stelling onjuist, dat wat het eene volk wint door het andere moet

ocr page 153

149

verloren worden ? Hoe geschiedt in den regel de schuldvereffening tusschen do volken onderling?

3. Welke diensten bewijzen de banken in het algemeen ? Hoedanig is de inrichting en werking eener hypotheekbank ? Waarom worden circulatiebanken gewoonlijk in aantal beperkt, en onder toezicht van den staat geplaatst?

4. Waarvan hangt de waarde van het geld af? Waarom heeft goud eene grootere waarde dan zilver? Op welke gronden wordt het aannemen van een dubbelen standaard afgekeurd ?

5. Welken invloed heeft de invoering der machines op het lot der arbeidende klassen gehad ?

G. Deel eenige bijzonderheden mede aangaande de ligging, gronden luchtgesteldheid en bevolkingstoestand van het eiland Java.

7. Wat verstaat men onder het cultuurstelsel ? Welke producten worden tegenwoordig nog door dwangcultuur verkregen ?

8. Wat zijn de voornaamste artikelen van Nederland\'s in- en uitvoer? Noem van elke provincie een kenmerkend landbouwproduct en een daar bijzonder bloeienden tak van nijverheid.

1867. Groningen.

Jsie ploeg.,

1. Waartoe dient het geld? Wat wordt er toe gebruikt? Waarom en hoe gebruikt men dit ?

2. Wat is interest? Waarvan hangt zijiie hoogte af? Kan deze op een vast bedrag bepaald worden ?

3. Wat verstaat men door uitoefening der nijverheid op groote schaal ? Welke is haar invloed ?

2\',\', Ploeg.

1. Wat is credietpapier? Waartoe gebruikt men het, en welke soorten zijn u bekend ?

2. Wat is kapitaal ? Waaruit bestaat het, en in welke soorten kan men het indeelen ?

3 Wat is mededinging? Hoe wordt zij belemmerd, en welke zijn de gevolgen hiervan ?

1867. Limburg.

1. Geef eene duidelijke beschouwing van den arbeid ten aanzien van:

de oorzaken; h. het doel; c. de voorwaarden; d. de hulpmiddelen.

2. Geef een duidelijk begrip van crediet, van zijne bestemming en van zijn invloed. Geef eene eenigszins uitvoerige beschrijving van de inrichting der Nederlandsche bank, of der hypotheekbanken.

3. Welk is het onderscheid tusschen bank- en muntbiljetten; op welken hoofdgrond berust uns vertrouwen in die beide soorten van credietpapier ? Hoe groot is ten naastenbij het bedrag van beide soorten thans in omloop ?

ocr page 154

150

4. Wat verstaat gij door prijs; hoe wordt hij onderscheiden? Geef van elke onderscheiding eene toelichting met voorheelden. Wat wenscht de staathuishoudkunde ten aanzien dier onderscheidingen, en door welke middelen is de vervulling van dien vvensch het meest te bevorderen ?

5. Wat verstaat gij door statistiek, welke zijn de voorwaarden tot eene goede statistiek, en welke de voornaamste hulpbronnen voor de statistiek van ons land?

6. Wat verstaat gij door eene staatsbegrooting; hoe komt zij tot stand; hoe wordt zij verdeeld; noem de hoofdstukken van uitgaaf, en ten naastenbij het eindcijfer onzer staatsbegrooting voor het loopende jaar.

Noem de bestemming der voornaamste buitengewone uitgaven voor de laatste jaren.

Welke zijn de voornaamste bronnen van inkomsten tot bestrijding der staatsuitgaven?

1868.

1. Volksrijkdom, met aanwijzing van den nadeeligeu invloed, dien vroegere minder juiste opvattingen hebben te weeg gebracht (Mercan-tielstelsel).

2 Ondernemers, arbeiders, kapitalisten ; hun aandeel in de productie en de opbrengst.

3. Geld. Waartoe het dient. Onderscheidene soorten van geld. Regeling van aanmunting en uitgifte in Nederland.

4 Banken. In het bijzonder de werking van circulatiebanken, eigt; het vraagstuk van vrijheid of monopolie van laatstgenoemde inrichtingen.

P. A a r (1 r ij k s k u n d e.

1867. Groningen.

jsle ploeg,

1. Geef in algemeene trekken eene beschrijving van de Vereenigde-Staten van Noord-Amerika, waarbij te letten, beiialve op het staatkundig gedeelte, op den vorm van \'t land, op berg- en rivierstelsel, klimaat, bevolking, producten, industrie, handel.

2. Beschrijf, met opgave van landen, plaatsen (havens), producten-uitvoer, klimaat, zeestroomingen, golven, riviermonden, kapen enz. het oostelijk deel van den Grooten of Stillen Oceaan.

2\'\'e Ploeg.

1. Geef in algemeene trekken eene beschrijving van Voor-Indië, waarbij te letten, behalve op het staatkundig gedeelte, op den vorm van \'t land, op berg- en rivierstelsel, klimaat, bevolking, producten, industrie,, handel.

2. Beschrijf, met opgave van landen, plaatsen (havens), producten-uitvoer, klimaat, zeestroomingen, kapen, golven, riviermonden euz. het westelijk deel van den Grooten of Stillen Oceaan.

ocr page 155

151

3 \'e Ploeg-.

1, Geel\'in algemeene trekken eene beschrijving van Ecuador, Columbia (Nieuw Granada) en Venezuela, waarbij te letten, behalve op het staatkundig gedeelte, op berg- en rivierstelsel, klimaat, bevolking, industrie, handel.

2. Beschrijf, met opgave van landen, plaatsen (havens), producten-uitvoer, klimaat, zeestroomingen, kapen, golven, riviermonden enz. het oostelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan, waar deze Afrika bespoelt.

1867. Limburg.

1. Eene opgave en aardrijkskundige beschrijving van de bezittingen der Nederlanden buiten Europa.

2. De rivieren tot het Alpenstelsel behoorende, die hunnen loop richten naar de Zwarte Zee.

3. Een overzicht van do aardrijkskunde van het Scandinavisch schiereiland.

4. Verdeeling van China met het oog op het klimaat.

5. Eene reis per overland-mail van Roermond naar Batavia (via Marseille).

6. Eene beschrijving van de Andes van Zuid-Amerika.

7. Het ontstaan der passaatwinden en der moussons te verklaren.

8. Isothermen en isotheren. Vallen de eerste te zamen met de parallellen of met de isotheren? Zoo niet, waaraan is dit toe te schrijven ?

Q. Ges c h i e (1 e n i s. 1866. Zuid-Holland.

1. Het binnenlandsche bestuur van Karei den Groote.

2. Invloed der kruistochten op den derden stand.

o. Gregorius VII.

4. De jaren 1587 en 1588 in den godsdienstoorlog.

5. Cromwell.

6. Oorzaken van de Engelsche revolutie.

7. Ferdinand en Isabella.

8. De hervorming in Zweden; Gustaaf Wasa.

ü. Vorming van de Engelsche macht in Indië.

10. Geschiedenis van de Constitueerende Vergadering (Assemblée Constituante) in Frankrijk (1789—91).

11. Over het ontstaan en de geschiedenis der steden in ons vaderland.

12. Welke is de invloed geweest van de regeering van het Bourgondische Huis op de ontwikkeling van ons inwendig bestuur?

13. Marnix van St. Aldegonde.

14. De staatsinrichting van de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

ocr page 156

152

15. Leycester in Nederland.

16. Regeering van Willem III (stadhouder).

17. De staatkunde onzer Republiek na 17I;5.

18. De Bataafsche Republiek.

1866. Gelderland.

Is\'0 Ploeg.

1. Pericles en zijn tijd.

2. Marius en Sylla.

3. Do vestiging en uitbreiding van het Kalifaat.

4. Het Leenstelsel.

5. Richard Leeuwenhart.

6. De veroveringen der Portugeezen in Indië.

7. De Spaansche Armada in 1588.

8. De Nederlanden gedurende bet Twaalfjarig Bestand.

9. Rusland onder Peter den Groote.

210 Ploeg.

1. Do strijd om de Hegemonie in Griekenland.

2. Do dood van C. Julius Caesar.

3. Hot Frankische rijk onder Karei den Groote.

4. De gevolgen der kruistochten.

5. Do ondergang van het Byzantijnsche rijk,

6. Karei V en zijn tijd.

7. Engeland onder Koningin Elizabeth.

8. Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, tegenover de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

9. Nederland onder de Fransche overheersching.

1867. Zuid-Holland.

lslc Ploeg.

1. Oorzaken van den val van bet Westersch Roraeinsche rijk.

2. De West-Gothen in Spanje.

3. Justinianus I.

4. Ontstaan van de Magna Charta.

5. Maximiliaan I van Dnitschland.

fl. Hendrik Hl van Frankrijk.

7. Frederik Wilhelm, de Groote Keurvorst.

8. Schrikbewind.

9. Inrichting van het staatsbestuur bier te lande bij het vertrek van Philips 11 naar Spanje.

10. Staatkunde van Jan de Witt.

11. Pacificatie van Gent.

12. Oorzaak van den oorlog van 1G72.

310 Ploeg.

1. De Oost-Gothen in Italië.

2. Hendrik IV van Dnitschland.

ocr page 157

153

3. Ontslaan, ontwikkeling en val der Hanze.

4. Oorzaken en gevolgen van den val des Oosterschen Romeinschen rijks.

5. Richelieu.

6. Ontstaan van het koninkrijk Pruisen.

7. Willem JII (als koning van Engeland).

8. Consulaat in Frankrijk.

9. Oorzaak van den opstand tegen Spanje.

10. Ontstaan en gevolgen der triple alliantie (l(i68).

11. Oorzaken van den afnemende invloed der Republiek dor Vereenigde Nederlanden op het buitenland na 1713.

12. Oorzaak en gevolgen van den oorlog met Engeland van 1780 —1784.

3lt;ie pioeg.

1. Mahomed.

2. Welfen en Ghibellinen.

3 Vierde kruistocht.

4 Gevolgen van de ontdekking van Amerika.

5. Gustaaf Adolf.

6. Mazarin.

7. Herroeping van het Edict van Nantes.

8. Lodewijk Philips.

9. Margaretha van Parma.

10. Willem II (Stadhouder).

11. Oorzaken van de verheffing van W. K. H. Frisotot Stadhouder enz.

12. De Oostenrijksche Nederlanden onder Jozef II.

4\'le Ploeg.

1. Frederik Barbarossa.

2. Gevolgen der kruistochten.

3. Oorzaken der oorlogen van Frans I en Karei V.

4. Christiaan II van Denemarken.

5. Bepalingen van den vrede van Munster.

6. Elisabeth van Engeland.

7. Jacobus II van Engeland.

8. Oorzaken van de Fransche omwenteling van 1789.

9. Don Juan van Oostenrijk.

10. Vermindering der Nederlandsche macht in Oost-Indië.

11. Eeuwig Edict van 1667

12. Oorzaken van den Belgischen opstand in 1830.

1867. Noord-Holland.

l8\'0 Ploeg.

1. De politieke partijen tijdens deGracchen.

2. De oorlog tusschen Engeland en Frankrijk in de middeleeuwen.

3. De Spaansche successie-oorlog.

4. De Nederlanders onder Philips den Goede.

5. De opkomst en macht van de Staten.

G. De gevolgen van den N.-Amerikaanschen vrijheidsoorlog voor ons land.

ocr page 158

154

2\'\'e Ploeg.

1. De eeuw van Pericles.

2. De opheffing van de orde der Tempelieren.

3. Keizer Jozef II.

4. Instellingen en gebreken in deze landen vóór Karei den Groote, waarvan de sporen nog heden te onderkennen zijn.

5. Prins Willem IV.

0. De oorzaken der Belgische revolutie.

1867. Utrecht.

1. Kort overzicht van de geschiedenis van Aegypte tot aan de Dodecarchie.

2. Over de Pacificatie van Gent, de Unie van Utrecht en van Atrecht,

3. De voornaamste bijzonderheden uit den oorlog, welke eindigde met den vrede van Cateau-Cambrésis

4. Over de Fransche omwenteling.

1867. Overijsel.

1. De ondergang der Perzische heerschappij.

2. Alcibiades.

3. De Gracchen.

4. Het verdrag van Verdun.

5. De strijd tusschen de Guelfen en de Gibellijnen.

(.1. Jeanne dArc,

7. Maximiliaan I en zijn tijd.

8. Richelieu.

9. De oorzaken der Engelsche omwenteling.

10. De Bataafsche Republiek.

1867. Groningen.

Is10 Ploeg.

1. De eeuw van Pericles.

2. De Engelsche revoluties van 1648 en 1(588.

3. Welke vredesverdragen in de nieuwe geschiedenis hebben den mecsten invloed gehad op den toestand van Europa, en waarom?

4. De regeeringsvormen in Nederland met de omstandigheden, waardoor de verandering van bestuur is veroorzaakt.

5. Vestiging der Nederlanders in Overzeesche gewesten.

2,le Ploeg.

1. De eeuw van Augustus.

2. De revoluties der lOquot; eeuw.

3. Beschrijf de gevolgen van de ontdekking van Amerika.

4. De oorsprong en aard der voornaamste staats- en kerkpartijen in de Nederlanden.

5. De hoofdgebeurtenissen in de Nederlanden na 1814.

ocr page 159

155

1867. Limburg.

1. Geef de feiten op uit het leven van Karei den Groote, Otto I, Frederik Barbarossa en Frederik II, waaruit men het best de punten van overeenkomst en onderscheid van het regeeringsstelsel dier vorsten kan leeren kennen,

2. Schets den invloed en de gevolgen der kruistochten in westelijk Europa, en knoop daaraan eenige trekken uit de geschiedenis van \'t onderwijs, den handel en de nijverheid der vroegere middeleeuwen, zoowel als uit die der dertiende eeuw.

3. Verhaal de geschiedenis van Engeland gedurende het koningschap van Willem UI.

4. Schets de aanleiding, het doel en de gevolgen van den zevenjarigen oorlog.

5. Geef een overzicht der hoofdfeiten uit de regeering van Napoleon I, en vermeld de heilzame en verderfelijke gevolgen zijner maatregelen.

6. Waardoor ging het huis van Bourgondië over tot het Oostenrijksche, en wat is er van dit laatste te vermelden tot aan Philips II (III) ?

7. Eene beknopte schets van de gebeurtenissen in ons Vaderland, van de afzwering van Philips tot aan het einde van het twaalfjarig bestand.

8. Waardoor is het stadhouderschap van Willem III vermaard geworden ?

9. Welke was de toestand van ons Vaderland onder den stadhouder Willem V, en wat gaf aanleiding tot zijn vertrek naar Engeland ?

1868.

1. De val der Stuarts in Engeland.

2. De opstand der Engelsche koloniën in Amerika.

3. Jozef II.

1. De invloed der Fransche revolutie in 1830 op onderscheidene Staten van Europa.

5. De Unie van Utrecht; bij welke gelegenheden werden de bepalingen der Unie overtreden ?

6. Nederland onder Lodewijk Napoleon.

7. Vestiging en uitbreiding van de macht der Nederlanders op Java.

1869.

1. De vergroot ing van het Romeinsche Rijk in chronologische orde. \' 2. Op welke gronden wordt het einde der 15\'\'quot; en het begin der 16\'\'° eeuw beschouwd als den aanvang eener nieuwe periode in de wereldgeschiedenis ?

3. Richelieu.

4. Verklaring der volgende plaats uit van der Palm\'s Gedenkschrift: sGansch Europa lag aan zijne voeten. Pruisen had in éénen veldslag

salles verloren en bestond slechts door des overwinnaars genade. Duitsch-»land huldigde zijnen verdrukker onder den nieuwen titel van Bescher-

ocr page 160

15(5

»mer; Zwitserland onder dien van Bemiddelaar. België was reeds vroeg »aan Frankrijk gehecht; de Hollandsche gewesten, lang geplaagd en «uitgemergeld, waren eindelijk zonder schaamte ingezwolgen. Gekwetste »eer had Denemarken voor hem gewonnen. Zweden had een Franschen «krijgsman tot de erfenis der Kareis en Gustaven geroepen. In Italië nverd geene andere niagt geëerbiedigd dan de zijne. Oostenrijk, van mjne schoonste provinciën beroofd, perste nog het bloed zijner onder-»danen in drukkende oorlogsschattingen voor hem af.quot;

5. Johan de Witt.

6. De opstand van België in 1830.

R. Nederlamlsche Taal.

Tijd: 3 uren.

Een opstel ie maken over een der volgende onderwerpen.

1866. Gelderland.

I\'10 Ploeg.

1. De voortbrengselen der Nederlamlsche letteren in het eerste en tweede tijdvak, geordend volgens stof en inhoud. Het karakter van elk der dichtsoorten.

2. De minstreels en de rederijkers in hun bedrijf geschilderd.

3. De Muiderkring.

4. Vondel, als treurspeldichter. De ontleding van een zijner stukken.

5. Bilderdijk. Levens- en karakterschets. Verdeeling zijner dichtwerken naarde soorten van dichtkunde. Beschouwing van eenige dier werken.

2\',(! Ploeg.

1. Oorsprong der Nederlandsche taal. Eerste letterkundige voortbrengselen in die taal. Verdeeling van de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in tijdperken.

2. De liederen en de romans van de 12lt;,e en 13at\' eeuw. Hun ooi-sprong en inhoud.

3. De voornaamste schrijvers van de 16(,e tot de ]8\',e eeuw.

4. Hooft, in zijn leven en zijne werken beschouwd.

5. De meest beroemde dichters uit de 19quot;u\' eeuw, met eene korte inhoudsopgave van het een of ander beroemd dichtstuk.

1867. Zeeland.

1. De voor- en nadeelen van den handel.

2. Hoe geeft eene despotieke regeering noodzakelijk aanleiding tot spoediger verval van den Staat?

3. Hoe kan men verklaren, dat het kleine Europa zooveel volkrijker, welvarender en beschaafder is dan Afrika ?

ocr page 161

157

4. Welke voordeelige kansen tot welvaren biedt ons vaderland aan zijne bewoners?

5. Eene verklaring van het gezegde: tijd is geld.

(i. De gevolgen der kruistochten voor Europa.

1867. Utrecht.

1. Inhoud van een dramatisch stuk uit de I7lt;1() eeuw.

2. Invloed der Fransche letterkunde op onze taal en letteren.

3. Dordtsche of Zeeuwsche school.

4. Muiderkring.

5. Inhoud van een of meer gedichten in de 19clu eeuw gemaakt.

6. Nederlandsche geschiedschrijvers.

1867. Limburg.

JACOB VAN MAERLANT.

Den grijzen Dichter uit o n d i c h te r 1 ij keu tijd,

Wiens kunstelooze pen, der Waarheid toegewijd. Zoetvloeiendheid van taal met kracht en kieschheid paarde, Ge schicht- en Z edele er, Natuur en Kunst verklaarde, Vereeuwigt geen penceel noch kopervlijmend stift.

Maar \'t beeld hetgeen zich-zelf in \'t hart zijns lezers grift. Rechtschapenheid en trouw met haat voor logen vonden Drukt Maerlants inborst uit, aan noeste vl ij t verbonden.

(W. Bilderdijk.)

1. Verklaar de onderstreepte woorden en uitdrukkingen, of geef eene duidelijke toelichting van de bedoeling des dichters, wat Maer-lants tijd en werken betreft.

2. Breng het gedichtje over in proza, en maak daarbij gebruik van de gegeven verklaringen.

3. Vondel (hetzij eene schets van zijn leven en zijne werken, of eene beschouwing naar aanleiding van eenig voortbrengsel des dichters, door den leerling gelezen.)

4. De achttiende eeuw in de geschiedenis onzer letterkunde, hetzij in algemeene trekken, waarin het karakter dier eeuw uitkomt, of eenig gedeelte daarvan afzonderlijk.

5. Beschrijving- van een zomerlandschap.

lt;). De kunst van te zwijgen.

Een Opstel tc malen over eeti der volgende ondencerpen : 1868.

1. Ons volkskarakter.

2. De voordeelen van het meer uitgebreid verkeer der v Ik en. 8. Het woord van eer.

4, Recht door zee.

ocr page 162

158

5. Volksweerbaarheid.

6 Lodewijk XIV en Willem III.

7. De Muiderkring.

1869.

1. Tentoonstellingen.

2. lieizen.

3. De afschaffing der slavernij.

4. Leeringen wekken, voorbeelden trekken

5. Loevestein.

6. Jacob van Lennep.

1870.

1. Het kanaal van Suez.

2. Oorzaken van de Fransche omwenteling.

3. De Doodstraf.

4. »Weea u zelf,quot; zei ik tot iemand,

»Maar hij kon niet: hij was niemand.quot; (Dk Genestet.)

5. »Die zorght, en waeckt, en sloeft, en ploeght, en zvvoeght, en zweet, »Ten oirbaar van het lant een lastigh ampt bekleet,

»En waant de menschen aan zijn vroomheid te verbinden, »Zal zich te jammerlijck in \'t eind bedroghen vinden »Van \'t wispeltuurigh volck.quot; (Vondel. Palamedes.) (5. Bilderdijk.

1871.

1. Groote openbare werken, in de laatste jaren in ons land tot stand gebracht, aangevangen of ontworpen.

2. Oorzaken der staatkundige grootheid onzer oude republiek.

3. Arbeid adelt.

4. »Want veel te pogen zonder raad,

»En ver te springen zonder maat,

»En zaken aangaan zonder macht,

»Dat brengt er menig in de gracht.quot; (Cats.)

1872.

1. Stoomvaart op Java.

2. De beste stuurlui staan aan wal.

3. Een verslag van een bezoek aan eene fabriek.

4. Korte geschiedenis van het Nederlandsche proza in de 19de eeuw

1873.

1. Nederland en de zee.

2. De wonderen der 19de eeuw.

3. Groote kleinigheden.

4. »Kweek maar ieder, vroom en blij,

^Zijn geluk op aardel »Tooit de roos zich zelve — zij

»Siort meteen de gaarde.quot; (De Gknespet.)

ocr page 163

15! I

1874.

1. De voordeelen van gemakkelijk binnenlaudsch verkeer.

2. Johan de Witt,

3. Kleine oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen.

4. Men moet de imid niet verkoopen voor de beer gevangen

1875.

1. Noordpoolexpedities.

2. «Stilstand is achteruitgang.quot;

3. »Men kent den man aan zijn gezelschap.quot;

4. »Wat schoon is, moet eenvoudig zijn.

»Maar eenvoud mag geen ruwheid wezen,

»Eenvoudig zij \'t gevoel, maar fijn;

«Eenvoudig \'t woord, maar uitgelezen.quot; (Beets).

1876.

1. Het strand.

2. Keizen.

3. De Muiderkring.

4. »De liefde tot zijn land is ieder aangeboren.quot; (Vondel.)

1877.

1. Een dramatisch gedicht van Vondel.

2. IJmuiden.

3. Examens.

4. »De meester, in zijn wijsheid, gist;

»De leerling, in zijn waan, beslist.quot; (Staking.)

1878.

1. Stokpaardjes.

2. Dierenbescherming.

3. Loevestein.

4. »Wie vint of\' wint een waren vrient,

»Die heeft zijn daghloon wel verdient.quot; (Cats )

1879.

1. Prins Hendrik der Nederlanden.

2. Het leenstelsel.

3. Suez en Panama.

4\'. Plichten gaan vóór rechten.

1880.

1. De Muiderkring.

2. Holland\'s roem ter zee ten tijde van Jan de Witt

3. De tocht van Prof. Nordenskiöld met de Vega.

4. De leugen gaat toch nooit zoo snel,

Of waarheid achterhaalt haar wel.

ocr page 164

160

1881.

1. Oudejaarsavond en nieuwjaarsmorgen.

2. Het slot te Muiden.

3. Het kanaal van Suez.

4. »Wie aan den weg timmert, heeft veel bekijks.quot;

1882.

1. De Rederijkers in de Middeleeuwen.

2. De Camara Obscnra van Hildebrand.

3. De Nederlanden en de Noordpool-expedities,

4. »De wereld is een speeltooneel,

»Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel.quot; (Vondel.)

1883.

1. De menschelijke spraak.

2. Het Oosten- en het Westen van ons Land.

;5. Hugo de Groot.

4. »Als U het hart tot spreken dringt,

»Zoo spreek !

»Maar wat gij spreekt, of preekt, of zingt,

»Hou steek !quot; (De Génestet.)

1884.

1. Eerzucht.

2. De Transvaal.

3. Nicolaas Beets.

4. »Wanneer het water stille staet,

»Wanneer de mensche ledigh gaet,

»Wanneer het ijser rusten moet,

»Niet een van drie en blijfter goet.quot; (Cats.)

1885.

1. De Meimaand.

2. Het Nijldal en zijne herinneringen.

8. Volksdichters.

4. »Geeft kennis, naar het spreekwoord, macht,

»Karakter maakt den man geacht.quot; (Opzoomeu.)

1886.

1. Tijd is geld.

2. Werkstakingen.

i). De Meimaand.

4. Het is niet al goud wat er blinkt.

ocr page 165

161

1887.

1. Van school af.

2. Tentoonstellingen.

3. Nederland en de zee.

4. Andere tijden, andere zeden.

1888.

1. Poëzie schuilt overal.

2. Ervarenheid en tijd den ruensch veel dingen leeren. (Vondel,)

3. Stokpaardjes.

4. Die koninkrijken won en legers heeft verslagen,

Die mag vrij van laurier een trotsche krone dragen;

Maar die nog boven dat zicli zeiven winnen kan.

Geeft dien de hoogste kroon, dat is de sterkste man.

1889.

1. Het Koningsfeest in Mei 1889.

2. Lof verdienen en ontvlieden

Is het werk van wijze lieden. (Beets.)

3. De macht van het kleine.

4. Stanley.

1890.

1. Gedachten van eea telegrafist.

2. Oudejaarsavond.

3. De schooljaren.

4. Onze volksliederen.

1891.

1. De winter van 1890 — 1891.

2. Na gedanen arbeid is het goed rusten,

3. Hollanders en Afrika.

4. De zee, een vriend en een vijand.

S. Franse h e T a a 1.

Tijd: 3 uren.

Ecu opsiel tn maken over een der volgende onderwerpen; 1888. Zuid-Holland.

1. Charles Ie ïéméraire.

2. Le Siége de Leide par les Espagnols.

3. La mort de Guillaume le Taciturne.

4. Analyser une pitce de Corneille,

5. Analyser une pièce de Racine.

11

ocr page 166

162

6. Analyser une pièce de Molière.

7. Vie de Voltaire.

8. Vie de Jean Jacques Rousseau.

9. V^ie de Molière.

10. Sur la Henriade.

11. Les auteurs satyriques du XVl\' siècle.

1868. G-elderland.

Ist0 Ploeg.

1. La poésie fran^aise, ses oaraetères, ses formes et ses genres.

2. l\'Epopée, servant d\'introduction ö, l\'analyse de la «Henriadequot; de Voltaire.

3. Le fabuliste La Fontaine, sa vie, ses principales fables et le développement du »Chêne et le Roseau,quot; de la »Laitière et le Pot au laitquot; ou d\'une autre fable bien connue du célèbre »fablierquot;,

4. Frangois de Salignac, de la Mothe Fénelon.

5. Voltaire, considéré dans son caractère de poète et d\'historien.

6. Louis Adolphe Thiers.

2gt;io pioeg.

1. Le siècle de Louis XIV et son influence sur le développement de la littérature fran9aise.

2. Pierre Corneille, le père du theatre classique en France.

8. Jean Raoine et ses principaux ouvrages.

4. l\'Analyse de r»Athalie1\' de J. Racine.

5. La vie de Molière avec l\'analyse de »rAvarequot; ou du »Tartufequot;.

6. George Sand, Louis Thiers, ou tel autre des célébrités coutem-poraines.

1867. Zuid-Holland.

l8tlt;! Ploeg.

1. Charlemagne.

2. Christophe Colomb et ses découvertes.

3. Marie Stuart.

4. Louis XVI.

2Iquot;! Ploeg.

1. La première Croisade.

2. Charles Quint.

3. Cromwell.

4. Biographic do Molière.

3\'° Ploeg.

1. Jeanne d\'Arc,

2. Philippe II d\'Espagne.

3. Massacre de la St. Barthélémy.

4. Napoleon I.

5. Corneille et son tliamp;Ure,

ocr page 167

1G3

4\'le Ploeg.

1. Louis XI et Charles le Téméraire.

2. Les comtes d\'Egmont et d\'Hoorn.

3. Mort de Henri IV.

4. Charles XII.

5. Ilacine et ses oeuvres.

1867. Noord-Holland.

l5\'0 Ploeg\'.

1. Guillaume le Conquérant.

2. Jeanne d\'Arc.

3. Louis XIV.

4. Pascal.

5. Madame de Staël.

6. Lamartine.

7. Analyse du Cid.

8. » de Brittannieus,

9. » d\'Esther.

10. » de Zaïre.

11. » de Tartufe.

12. » des Femmes Savantes.

S\'16 Ploeg.

1. Les Vêpres Siciliennes.

2. Henri IV.

3. Oldenbarnevelt.

4. Fénelou.

5. FHotel de Ilambouillet.

6. Chateaubriand.

7. Analyse de Cinna.

8. » d\'Iphigénie en Aulide.

9. » d\'Athalie.

10. » de l\'Avare.

11. » du Misanthrope.

1867. Zeeland.

1. La mort de Socrate,

2. Coriolan.

3. Eruption du Vésuve sous le règue de Titus.

4. Déeouverte de 1\'Amérique.

5. De Ruyter.

6. Incendie de Moscou.

7. Garibaldi.

8. Le vieillard et les trois jeunes hommes (fable de la Fontaine).

ocr page 168

164

1867. Utrecht.

1. Quand emploie t on le subjonctif?

2. » » » » parfait déf\'ini et l\'imparfait ? (avec deux exeraples.)

3. Quand supprime-t-on I\'article en fraD9ais?

4. La difference entre apprendre, enseigner et instruire.

5. La différenee entre bouche, gueule et embouchure.

6. Traduire de deux manières les expressions: al had ik, al moesten wij, al hadden wij gesproken.

7. Pourquoi dire: il n\'y a que vous qui s\'occupe de cette affaire, plutót que: qui vous occupiez.

8. Corriger:

Les deux chambres furent unies pour acquérir leur consentement.

On lit dans une place souvent citée, que la citée fut fortifiée de n anière si la rendre imprimable.

9. La différenee entre commencer il, de et par; entre continuer il et de; entre se lasser de et il.

10. Raconter une anecdote.

11. Que savez vous de Molière et de ses ouvrages.

12. Que savez vous de Voltaire et de ses ouvrages.

13. » » » » Buffon » » » »

14. » » » » Bossuet » » » »

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1867. Overijsel.

1. Troubadours et Trouvères.

2, Ronsard et son école.

3, Pierre Corneille.

4. Définir ia Tragédie et ia Comédie et analyser une comédie de Molière et une tragédie de Racine.

5, 1\'Encyclopédie.

6. Chateaubriand, Mm0 de Staël, Victor Hugo ou tel autre écrivain du 19\'quot;° siècle.

1867. Groningen.

Isquot; Ploeg.

1. Het buskruit.

2. De Fransche omwenteling van het jaar 1789.

3. De doorgraving van Holland op zijn smalst. 2\'quot; Ploeg.

1. De uitvinding der boekdrukkunst.

2. Napoleon 1.

3. Beschrijving van eene kermis.

1867. Limburg.

1. Caractère général de la littérature fran^aisc au XVIr siècle et

ocr page 169

165

agents principaux de la modification littéraire, qui se produisit il cette époque.

2. Système dramatique de Racine, comparé ü celui de Corteille.

3. XIV siècle; Romantiques et Classiques.

4. Des cinq parties du monde, 1\'Europe est la plus favorisée: 1°. Climat.....Agriculture.....

2°. Sciences et Arts.....Industrie.....Civilisation.

3°. Moeurs et Religion.....

4°. Hommes illustrés.....

1868.

1. Annibal.

2. Fin tragique de Maximilien, Empereur du Mexique.

3. Le prisonnier de St. Hélène.

4. Surprise du chateau de Loevesteyn par Herman de Ruyter,

5. Les aérostats,

6. La profession, que je voudrais embrasser.

7. Explosion d\'une chaudière dans une fabrique.

1869.

1. L\'union fait la force.

2. Le théMre.

3. Un séjour amp; la campagne (lettre a un ami).

4. Franklin et le paratonnerre.

5. Surprise de Bréda par Héraugière.

6. Raconter la vie d\'un personnage célèbre (de Ruyter, Gustave Adolphe, Wellington, Washington, Robert Stephenson).

1870.

1. Les pyramides d\'Egypte.

2. Gloire maritime de la Neêrlande.

3. Chftteaux en Espagne.

4. Le duel.

5. Qui trop embrasse, mal étreint.

6. Molière.

1871.

1. Un habitant des Pays-Bas, séjournant amp; Paris, dépeint dans une lettre les horreurs de la guerre civile.

2. La guerre de 1870.

3. Les ligues de la paix.

4. Tant va la cruche H l\'eau, qu\'ft la fin elle se brise.

1872.

1. La fête nationale du lquot; Avril 1872.

2. Une éruption du Vésuve.

ocr page 170

1G6

3. Le ciel étoilé.

4. Les régions polaires.

1873.

1. La gnerrc contre Atchin.

2. Contrastes entre les climats.

»Aiclons-nous mutuellement,

»La charge des malheurs en sera plus légbre.quot; (Fi.orian.) 4. Compte rendu d\'une pièce de théatre ou de l\'un ou 1\'autre ouvrage, qu\'on vient de lire.

1874.

]. La fète nationale du 12 Mai 1874.

2. L\'instinet des animaux.

3. Uno journée a la campagne.

4. Tout n\'est pas or qui brille.

1875.

1. Un hiver en Hollande.

2. Nos animaux domestiques.

3. Séjour de Pierre le Grand en Hollande.

4. «Patience et longueur de temps,

»Font plus que force ni que rage.1\' (La Fontaine.)

1876.

1. Ma bibliothèque.

2. De Kuyter.

3. »La ilatterie est une fausse monnaie, qui n\'a de cours que par notre vanité.quot; (La Rochefoucauld,)

4. Analyse d\'une des oeuvres de Corneille, de Racine ou de Molière

1877.

1. Analyse d\'une comédie de Molière.

2. Guillaume le Taciturne.

3. Description d\'une gare et d\'une salie d\'attente de cheniiii de fer avant l\'arrivée d\'un train et au moment de son départ.

4. »Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux quot;

(Voltaire.)

1878.

1. Les expositions universelles.

2. Perspective d\'un examen.

3. Le choix d\'une carrière.

4. Un tiens vaut mieux que deux tu 1\'auras.

ocr page 171

ie?

1879.

1. Analyse d\'une pièce de Racine.

2. Voyages au pole arctique,

3. Les chateaux en Espague. Zie 1870.

4. On cherche souvent au loin ce qu\'on a sous la main.

1880.

1. Pierre le Grand, de Russie,

2. Lafontaine et ses fables.

3. L\'hiver de 1879—1880.

4. Chacun se dit ami, mais fou qui s\'y repose:

Rien n\'est plus commun que le nom,

Rien n\'est plus rare que la chose. (La Fontaine.)

1881.

1. Un printemps tardif.

2. Les Pyramides.

3. Les romans d\'Erckmann- Chatrian.

4. »A vaincre sans péril on trioraphe saus gloire.quot;

1882.

1. L\'an 1672.

2. Victor Hugo.

3. La persécution des Juifs en Russie.

4. »Dis moi qui tu hantes, je te dirai qui tu es.quot;

1883.

1. La chevalerie au moyen age.

2. Charles XII, roi de Suède.

3. Utilité des Grandes Expositions.

4. Les petits ruisseaux font les grandes rivières.

1884.

1. La Belgique et la Hollande (1830 et 1884).

2. Richelieu.

3. Le grand désastre de Java (éruption du volcan le Krakatoa).

4. »Heureux, tu compteras des amities sans nombre;

»Mais adieu les amis, si le temps devient sombre.quot;

Ponsard, l\'Honneur et l\'Argent. Acte IV, Se. (i.

1885.

1. Le commerce.

2. La protection des animaux.

3. Mettez en parallèle le siècle dAugnste et celui de Louis XIV.

4. »Précaution vaut mieux que souci.quot;

ocr page 172

168

1886.

1. Une tempête.

2. La mer et le désert.

3. La vapeur et ses applications.

4. Chose promise, chose due.

1887.

1. L\'ami et le flatteur,

2. Le jour de Tan.

3. Les voyages de Jadis et d\'A présent.

4. Teute médaille a son revers.

1888.

1. Le choix d\'une profession.

2. La gare.

3. II faut casser la noix pour en avoir 1\'amande.

4. Si vous aime? la vie, ne dissipez pas le temps, car la vie en faite. La plus forte dépense qu\'on puisse faire, est celle du temps.

1889.

1. L\'exposition commémorative de 1889.

2. Les grèves.

3. Un accident de chemin de fer.

4. L\'oeil du maitre engraisse le cheval.

1890.

1. Un incendie.

2. A beau mentir qui vient de loin.

3. Le Jour de Tan.

4. Dommage rend sage.

1891.

1. Départ d\'un bateau il vapeur pour les Indes.

2. Qui veut la fin, veut les moyens.

3. Le deuil de la familie royale.

4. L\'avare et le dissipateur.

T. Hoogduitsclie Taal.

Tijd: 3 uren.

Een opstel te maken ov er een der volgende onderwerpen: 1867. Gelderland.

rie Ploeg.

1. Die Gudrun. Art und Inhalt dieses Gedichtes.

ocr page 173

169

2. Reinecke Fuchs. Tendenz des Stückes.

3. Der Göttinger Dichterbund.

4. Der Musensitz Weimar in seiner Bliithe.

5. Ein Drama Scbiller\'s nach Inhalt und Composition. 2d6 Ploeg.

1. Die Zeit der HohenstaufFeu litterarisch geschildert.

2. Das Nibelungenlied.

3. Die berühraiesten Dichter am Ende des 18t(!n Jahrhunderts.

4. Lessing\'s Verdienste als Theaterdichter.

5. Die romantische Schule.

1867. Zuid-Holland.

Vte Ploeg.

1. Karl der Grosse.

2. Trojanischer Krieg,

3. Wilhelm der Verschwiegene.

4. Maria Stuart.

5. 1812.

6. Schiller. Hoffmann von Fallersleben, 3\'lc Ploeg.

1. Alexander der Grosse.

2. Gustav Adolph.

3. Abfall der Niederlande.

4. Ludwig der Fromme.

5. Kopernicus.

6. Göthe. ühland.

3lt;i6 pioeg.

1. Karl der Kühne.

2. Friedrich Heinrich.

3. Wilhelm Teil.

4. Heinrich der Vogelsteller.

5. Prinz Moritz.

6. Körner. Kerner.

4lt;le Ploeg.

1. Der alte Fritz

2. Wilhelm III.

3. Maximilian I.

4. Hannibal.

5. Die Jungfrau von Orleans,

6. Lessing. Heine.

1867. Noord-Holland. rt0 Ploeg.

1. Rom\'s Gründung

ocr page 174

170

2. Solon und Krösus.

3. Ueberwinterung der Hollander auf Novvaja Semlja.

4. Was ist llinen bekannt von Schiller\'s Leben ?

5. In erziililender Prosa den Inhalt irgend einer Ballade von Schiller, Göthe oder Bürger wieder zu geben.

(j. Dampf.

g\'io pioeg.

1. Der Argonanten-Zug.

2. Alexander der Grosse.

3. Wilhelm der Schweiger.

4. Wie lieiszt in prosaischer Form vorgetragen der Parabel in Les-sing\'s Nathan der Weise.

5. Wilhelm ïell, mitBerücksichtignngdes Schiller\'schcn Sohauspiels.

6. Eisenbahneu.

1867. Zeeland.

1. Theodor Körher\'s Tod.

2. Gnstav Adolph im dreissigjahrigen Kriege.

3. Reise auf einem Darapfschiffe.

4. Eine Feuersbrunst.

5. Peter der Grosse in Holland.

G. Brief eines verwundeten Kriegers an seine Mutter.

1867. Utrecht.

1. Inhaltsangabe von Schiller\'s Maria Stuart oder Goethe\'s Iphigenie auf ïauris.

2. Die Perserkriege.

3. Dor Abfall der Niéderlande.

4. Gliederung der Hauptwerke Lossings.

1867. Overijsel.

1, Die Gralsage.

2, Die Minnesanger.

3, Die erste schlesische Schule.

4, Analyse eines Theaterstiickes.

5, Das junge Deutschland.

1867. Groningen.

r10 Ploeg.

1. De dertigjarige oorlog.

2. Opstand der Zwitsers tegen het huis van Oostenrijk.

3. Spoorwegen.

4. Do scheepvaart.

3\'quot; Ploeg.

1. Frederik de Groote.

2. Mexico (1861— 1867).

ocr page 175

171

3. De telegraaf.

4. Het reizen.

2\'!e Ploeg.

1. De eerste jaren van den tachtigjarigen oorlog.

2. Wallenstein.

3. De zee.

4. De zomer.

1867. Limburg.

1. Die Fabel irgend eines gelesenen Drama\'s zu erziihlen mit Hin-zufügung dessen, was man sonst noch von demselben weiss.

2. Die Feuersbrunst.

3. Der Frühling mit seinen Freuden.

4. Der Nutzen des Eeisens.

5. Eine Illumination.

6. Ein Sonntag auf dem Lande.

1868.

1. Wilhelm ïell.

2. Columbus.

3. Die beiden Gracchen zu Rom.

4. Das Wasser im Dienste des Menschen.

5. BeschreiLuiig meines Geburtsortes.

0. Nutzen der Telegraphic für das Leben und die Wissenschaft. 7. Es giebt kein Zeiclien der Höflichkeit, welches nicht auf eincm sittlichen Grimde ruhe.

1869.

1. Die vier Jahreszeiten ein Bild des Lebens.

2. Folgen der Erfindung der Buchdruckerkunst.

3. Der Entdecker und der Eroberer.

4. Der Kanal von Suez.

5. Peter der Grosse.

6......»Die Elemente bassen

»Das Gebild der Menschenhand.quot; (Schu.ler.)

1870.

1. Der Kreislauf des Wassers in der Natuj\'.

2. Auswanderer.

3. Schwert und Feder.

4. Oldenbarneveldt.

5. »Wohlthatig ist des Feuers Macht,

»Wenn sie der Mensch bezahmt, bewaclit.quot; (Schiller.)

6. Schiller.

1871.

1. Volksfeste.

ocr page 176

172

2. Die Vogelwelt.

3. sGefahrlich ist\'s, den Leu zu wecken,

»Ver(lerblicli ist des Tigers Zahn;

»Jedoch der schrecklichste der Schrecken,

»Das ist der Mensch in seinem Wahn.quot; (Schiller.)

4. »Nichtswiirdig ist die Nation, die nicht ihr Allea freudig setzt an ihre Ehre.quot; (Schiller.)

1872.

1. Das Meer,

2. Afrika.

3. Die Ueberwinterung der Hollander auf Nova-Zembla.

4. »An\'s Vaterlaud, an\'s theure schliess dich an,

»Das halte fest mit deinem ganzen Herzen.quot; (Schiller.)

1873.

1. Kleider raachen Leute.

2. Mein Wohnort.

3. »Theuer ist mir der Freund, doch auch den Feind kann ich nützen; »Zeigt mir der Freund, was ich kann, lehrt mich der Feind,

was ich soil.quot; (Schiller.)

(Schiller.)

4, »Das alte stürzt, es andert sich die Zeit, »Und neues Leben blüht aus den Ruinen.quot;

1874.

1. Ein Jeder ist seines Glückes Schraied.

2. Charakteristik irgend einer dramatischen Hauptperson.

3. Durch wiederholte Streiche Fiillt auch die grösste Eiche.

4. xWas ist unschuldig, heilig, menschlich, gut,

Wenn es der Kampf nicht ist ums Vaterlaud?quot; (Schiller.)

1875.

1. Das Wasser.

2. »Geld ist ein guter Diencr, aber ein böser Herr,quot;

3. »Uebung macht den Meister.quot;

4. »Wenn dich die Liisterzunge sticht.

So lass dir dies zum Troste sagen: Die schlecht\'sten Früchte sind es nicht,

Woran die Wespen nagen.quot;

1876.

1. Das Eisen.

2. Ueberschwemmungen.

3. Wer sich zum Schaf macht, den frisst der Wolf.

ocr page 177

173

4. A us der VVolke Quillt der Segen,

Strömt der Regen;

Aus der Wolke, oline Wahl, Zuckt der Strahl.

1877.

1. Das Lied von der Glocke.

2. Der Rhein.

;}. Stadt- und Landleben.

4. »Nicht der ist auf der Welt verwaist,

»Dem Vater und Mutter gestorben,

»Sondern der für Herz und Geist »Keine Lieb\' und kein Wissen erworben.quot; (Rückert.)

1878.

1. Wahl macht Qual.

2. Nordpolfahrten.

3. Entstehung, Nutzen und Schadliohkeit des Windes.

4. Wer gar zu viel bedenkt, wird wepig leisten.

1879.

1. Friedrich der Grosse.

2. Die Steinkohle.

3. Das Wasser unser Landesfeind.

4. »Nicht stille steht die Zeit,

der Augenbliek entschwebt,

Und den du nicht benutzt,

den hast du nicht gelebt.quot; (Rückert.)

1880.

1. Die Belgische Revolution in 1830.

2. Der Menscb in Kampfe mit den Elementen.

3. Freundschaft.

4. Der brave Mann denkt an sichselbst zuletzt. (Scmr-ler.)

1881.

1. Die Mappe des Brieftragers.

2. Die edlen Metalle irn Dienste des Menschen.

3. Das Milrchen.

4. »Von der Stirne heisz «Rinnen musz der Schweisz,

sSoll das Werk den Meister loben.quot; (Schiller.)

1882.

1. Maria Stuart.

ocr page 178

174

2. Der Telephon.

3. Geschichte einer Banknote.

4. »In müssker Weile schafft der böse Geist.quot; . C,1 ^

(SchilIjER. Maria Stuart.)

1883.

1. Wasserbauten in Holland.

2. Vulkane.

3. Die Jungfrau von Orleans.

4. »VVas du gelernt, begleitet dich zeitlebens,

»Wohin du gehst, wie ein begabter Freund.quot; (Hopf.)

1884.

1. Unser Klima.

2. Die Ameise.

3. Koningin Elisabeth und Maria Stuart.

4. »Erst wiigen, dann wagen.quot; (Von Molïke.)

1885.

1. Was treibt die Menschen in die Ferne?

2. Das Theater.

3. Flüsse.

4. »Nie kampflos wird dir ganz

»Das Schone im Leben geglückt sein —

»Selbst Diamantenglanz

»Will seiner Hiille entrückt sein;

»Und windest du einen Kranz,

»Jede Blume dazu will geptliickt sein.quot;

Ml HZ A SCHAFFY (BODENSTEDÏ.)

1886.

1. Das Leben eine Eeise.

2. Ein Erdbeben.

3. Robinson Crusoë.

4. Ebbe und Flut der grossen Meere.

1887.

1. Eine Ferienreise.

2. Unsere Haustiere.

3. Das Zeitunglesen.

4. Wer den Kern essen will, musz die Nusz knacken.

1888.

1. Das Werk soil den Meister loben.

2. Die Liebe zur Heimat.

3 Jeder ist seines Glückes Schmied.

4. Was Hiinschen nicht lernt, lernt Hans nimmermenr.

ocr page 179

175

1889.

1. Nationalitatseigenthümlichkeiten.

2. Stoter Tropfen höhlt den Stein.

3. Geschiclite eines Zehnguldenseheins von ihtn selbst erzahlt.

4. Ijehrstand, Wehrsland, Nahrstand.

1890.

1. Wer an den Weg baut, hat viele Meister.

2. Volle Aehren neigen sich.

3. Das Feuer.

4. Vor und nach detn Examen.

1891.

1. Das Eisen und das Gold.

2. Der Militiirstand.

3. Aufschub ist ein Dieb der Zeit.

4. Erst wiige, dann wage. Zie 1884.

U. Engelsche Taal.

Tijd: 3 uren.

Een Opstel le maken over een der volgende ondencerpen : 1867. Zuid-Holland.

1. Death of Charles I, with a short account of\' the political state of England at that period.

2. Death of the brothers de Witt.

3. Napoleon\'s return from Elba, with the battle of Waterloo and its consequences.

4. Life of de Huyter.

5. King Louis Napoleon.

6. The revolution in 1(388 in England.

7. The campaign in Russia in 1812.

8. Macbeth.

1867. Gelderland.

I51quot; Ploeg.

1. William Shakespeare and the old English drama.

2. Analysis of Shakespeare\'s Merchant of Venice, with an introductory word on the poet\'s life and works.

3. The essayists during the fifth period of English literature (Reigns of William III, Anne and George I (1G89—1727).

4. John Milton.

5. Jonathan Swift.

(5, The novelists and romancers of the seventh period of English literature, from 1780 to the present day.

2\'k\' Ploeg.

1. Geoffrey Chaucer, the morning star of English poetry.

ocr page 180

170

2. Shakespeare, his immediate predecessors and his contemporaries,

3. Reigns of William III, Anne and George I (1689- 1727).

4. Analysis of Shakespeare\'s Hamlet, Macbeth, Othello or King Lear, with an introduction on the poet\'s life and works in general.

5. Lake school of poetry and its chief contributors.

6. Lord Macaulay.

1867. Zuid-Holland.

Is19 Ploeg.

1. Shakespeare.

2. Cromwell.

3. One of the English humorists of the present century.

4. The wars in France (1328—1450).

5. The wars of the Roses.

2\'quot;quot;\' Ploeg.

1. Chaucer and his time.

2. The Spanish armada.

3. Lord Eyron.

4. William III as king of England.

5. The Restoration.

3\'\' Ploeg.

1. The Reformation.

2. One of Shakespeare\'s tragedies (analysis).

3. The gunpowderplot.

4. Sir Walter Scott.

5. The American war of Independance.

4,lc Ploeg.

1. The Norman conquest.

2. Milton.

3. Mary, queen of Scots.

4. Oliver Goldsmith.

5. Lord Macaulay.

1867. Noord-Holland.

l5\'0 Ploeg.

1. Battle of Thermopylae.

2. Charlemagne.

3. Discovery of America.

4. Siege of Haarlem.

5. Mary Stuart.

6. Give a sketch of the life of some novelist of the 18quot;\' or 19\'h century; and what is tiie subject of some of their writings.

2\'1quot; Ploeg.

1. Peloponesian war.

2. Account of the first Crusade.

3. William the Silent.

ocr page 181

177

4. Revolution of 1688.

5. Peter the Great.

(). What, writers lived under queen Anne ? Give a sketch of the life of one of them, and the contents of some of their writings.

1867. Zeeland.

1. Alexander the great in Asia.

2. Croesus and Solon.

3. Death of William the Silent.

4. Lord Byron\'s youth.

5. Joan of Arc.

G. Alfred the Great

1867. Utrecht.

1. An analysis of any play of Shakspeare you have read.

2. The life of Milton and a notice of his works.

3. An analysis of the 18th or 19th century.

4. Oliver Cromwell.

1867. Overijsel.

1. The author of the Canterbury Tales.

\'2. Spencer.

3. Gibbon,

4. Shakespeare.

5. Analysis of any dramatic work.

1867. Groningen.

r18 Ploeg.

1. Koning Willem III.

2. Maria Stuart.

3. Ijsvermaak.

4. Stoombooten.

2\']\' Ploeg.

1. De Eegeering van Elisabeth.

2. Karei I en Cromwell.

3. Het leven op het land en in de stad.

4. Het papier

1867. Limburg.

1. Eene kleine schets van de geschiedenis der Engelsche taal.

2. Chaucer en zijn tijd.

3. Shakspere naar aanleiding van een drama door den leerling gelezen.

4. Vriendschap, toegelicht door eenig voorbeeld uit het dagelijksch leven of de geschiedenis.

5. Vaderlandsliefde, weder met vrijheid tot behandeling van een voorval uit de geschiedenis.

12

ocr page 182

178

6. Beschrijving van eene reis of een uitstapje, in den vorm van een brief aan een vriend.

1868.

1. Mary Stuart.

2. Benjamin Franklin.

3. The Duke of Wellington.

4. The fall of Carthage.

5. The art of printing.

6. The barge, the stage-coach and the railway-carriage.

7. Never put of till to-morrow, what can be done to-day.

1869.

1. Mahomet.

2. Flight of Hugo Grotius.

3. Where there is a will, there is a way.

4. Time is money.

5. The atlantic cable.

6. Our colonies.

1870.

1. Coal and iron.

2. Mary Stuart.

3. On avarice.

4. Necessity, the mother of inventions.

5. There was never great excellence without great effort.

6. Bnlwer.

1871.

1. The loss of the «Willem IIIquot; by fire.

2. Constitutional government and anarchy.

3. »Lives of great men all remind us »We can make our lives suhlime,

«And, departing, leave behind us «Footprints on the sands of time.quot;

4. Learning is wealth to the poor, an honour to the rich, and a support and comfort to old age.

1872.

1. Pigeon-Post and Ballooning in modern war,

2. The working children in mines and manufactories.

3. Little strokes fell great oaks.

4. The literature of England during the reign of Queen Elisabeth.

1873.

1. Describe a rainy day.

2. Look before you leap.

ocr page 183

179

3. Advantages of public exhibitions.

4. Dickens.

1874.

1. A letter to a friend, recommending some English books.

2. Knowledge is power.

H. All\'s well, that ends well.

4. Newspapers.

1875.

1. »\\Vhere there\'s a will, there\'s a way.quot;

2. Tobacco, its use and abuse.

3. Emigration.

4. »There is a silver lining to every cloud.quot; (Fanny Fern.)

1876.

1. Arctic expeditions and discoveries.

2. Your favorite book.

3. The catastrophe at Bremerhaven.

4. The stone is hard, and the drop is small. But a hole is made by the constant fall.

1877.

1. Analysis of one of Shakespeare\'s dramatic pieces.

2. Peter the Great, of Russia.

3. A description of your native place, or of the place where you live.

4. »Honor and shame from no condition rise,

»Act well your part, there all the honor lies.quot;

1878-,.

1. Winter amusements.

2. The war between Russia and Turkey in 1877/78,

3. Live and death of Oldenbarnevelt.

4. Cleopatra\'s needle.

1879.

1. Byron\'s life and poetry.

2. The art of printing, its invention and its consequences.

3. The power of Music.

4. »Seven times tried that judgment is.

That did never choose amiss.quot; (Shakespeare.)

1880.

1. The rise of the United States.

2. Travelling.

3. Domestic animals.

ocr page 184

180

4. Words are like leaves, and where they most abound,

Much fruit of sense beneath is rarely found. (Pope.)

1881.

1. Tramways.

2. The Dutch Boors in South-Afrika.

3. Charles Dickens.

4. »The purest treasure mortal times afford «Is, — spotless reputation; that away,

»Men are but gilded loam or painted clay.quot; (Shakkspeare.)

1882.

1. O. Cromwell.

2. Tobacco.

8. Write out an account of the chief employments of the working

class in the town or village in which you live.

4. »Ear!y to bed, and early to rise,

»Makes a man healthy, wealthy and wise.quot;

1883.

1. Flowers.

2. Great African travellers.

3. The present state of Ireland.

4. »A stitch in time saves nine.quot;

1884.

1. The straggle for life.

2. Egypt in 188-4.

3. The battle of Hastings.

4. »Little sticks kindle fire, great ones put it out.quot;

1885.

1. Ancient and modern modes of travelling.

2. Queen Elisabeth.

3. Electric light.

4. »If you want a faithful servant, serve yourself.quot;

1886.

1. A severe winter.

2. Why do we study foreign languages?

3. Practice makes perfect.

4. In the world\'s broad field of battle,

In the bivouac of life.

Be not like dumb, driven cattle.

Be a hero in the strife. (Longfellow.)

ocr page 185

181

1887.

1. Africa and its future.

2. Modern discoveries.

3. Earthquakes.

4. Sport.

1888.

1. Feelings before an examination.

2. Long winters.

3. Custom is second nature.

4. The language I like best.

1889.

1. My hero in modern history.

2. Help yourself.

3. Unity is strength,

4. Make hay while the sun shines.

1890.

1. Description of a day\'s trip on a bicycle.

2. The dunes along the coast of Holland. 3 Choice of a profession.

4. The foundation of Batavia.

1891.

1. Sport.

2. Strikes.

3. Wei begun is half done.

4. Count von Moltke.

V. B o e k li o u d e n.

Tycl: In 1877—1880 en in 1S88: 3 uren; in 1881—1887 en 1889—1891: 2 uren.

1866. Zuid-Holland.

lsle Ploeg.

1. Wordt in den eersten post in het journaal, waar gesproken wordt over de middelen, waarmede handel wordt gedreven, de kapitaalrekening gedebiteerd of gecrediteerd, en waarom ?

2. Waarom wordt het verlies op de debetzijde en niet op de creditzijde der winst- en verliesrekening geboekt ?

3. Journaliseer:

ocr page 186

182

Verkocht aan A. diverse goederen bedragende.....f 3010,00

af voor contante betaling.............- 30,10

Welk bedrag hij mij in specie heeft betaald......f 2979.90

4. Journaliseer:

Ter voldoening mijner schuld van f 516 endosseerde ik aan B 1 wissel op Amsterdam.................f 600,00

waarvoor hij mij terugbetaalde...........- 84,00

f 516,00

2\'\'e Ploeg.

1. Geef de verklaring van debet en credit, geen enkel geval uitgesloten.

2. Waardoor ontstaat er een verlies op de wisselrekening, en hoe is het in het grootboek op die rekening merkbaar ?

3. Journaliseer:

Rekening ontvangen van A. over diverse goederen, bedragende f 1619,45

af voor contant 1 .percent............- 16,19

f 1603^26

4. Journaliseer:

Te kort in de kas.................f 17,40

3\'10 Ploeg.

1. Wat is eene proefbalans, waaruit blijkt dat zij goed is, en wat is daarvan de oorzaak?

2. In welk geval opent men voor dén persoon in zijn grootboek meer dan ééne rekening, en welke zaken worden op ieder van deze geboekt ?

3. Journaliseer:

Bevonden dat er te veel geld in kas is........f 23,50

4. Journaliseer:

A is schuldig ƒ 1000, waarvan hij mij in bankpapier betaalt ƒ 500,00, terwijl hij door .staking van betaling van de voldoening der andere f 500 door mij wordt ontheven.

1866. Gelderland.

Is10 Ploeg.

1. Wanneer gebruikt men de Tusschenrekeningen, Remise- en Traiterekening ? Helder beide met een voorbeeld op.

2. Geef de bepaling van elk der vier hoofdboeken van den handelaar. Welke worden door de wet gevorderd en waarom houdt de koopman de andere?

3. Wat is Rekeningcourant; hoe en met wien wordt zij gehouden?

4. Geef volledige Journaalposten in de boeken van A,, B. en C, voortvloeiende uit de volgende handelingen:

3 Jan. 1866. A. te Utrecht koopt van B. te Amsterdam 400 balen ryst tl /\' 10 de baal.

10 Jan. A. betaalt aan B. in een wissel op D. te Londen, groot 300 pond sterling ü f 11,70, vervallende 6 April, en per kassa /\' 490,

ocr page 187

188

3 April. 15 verkoopt aan C. te Rotterdam bovengenoemden wissel op D., tegen den koers van /\' 11,80.

5 April. C. zendt naar D. te Londen om voor zijne rekening te verkoo-pen: 50 vaten Meekrap a /\'310 het vat, met de onkosten ƒ 16860,80. 211quot; Ploeg.

1. Wat zijn Collectieve-rekeningen, en toon de voordeelen e;-van aan.

2. Wat zijn Tusschen-rekeningen, en helder het gebruik met een voorbeeld op.

3. Waartoe dient de Balans, en wat weet gij van hare inrichting?

4 Geef volkomene Jonrnaalposten in de boeken van A., B. on C., voortvloeiende uit de volgende daden:

1 Febr. 1866. A. te Amsterdam koopt van B. te Londen eenige goederen voor 100 pond sterling il /\'11,80......../\' 1180

2 Febr. C. te Rotterdam verkoopt aan B. te Londen eenige goederen voor 100 pond sterling sl ƒ 11,80...........f 1180

8 Febr. B. trekt op A. aan de order van C. een wissel, groot 1U0 pond sterling il ƒ11,80, en geeft daarvan advies aan A.

14 Febr. A. betaalt den wissel aan C.

1866. Zuid-Holland.

rquot;quot; Ploeg.

1. Wat zijn persoonlijke en zakelijke rekeningen?

2. Welk is het onderscheid tussehen remise- en traiterekening?

3. Journaliseer:

Ontvangen van A. te Hamburg de verkooprekening over eene partij goederen aan hem in commissie gezonden, waarvan het netto bedrag in B0m 4833,5,4 fl ^ 36................./\'4350

4. Journaliseer:

Getrokken op A. te Hamburg voor eigen rekening een wisselbrief 2/m dato groot B0m 4305,8,10, welke vernegotieerd en het bedrag

ontvangen is il / 36 \')................ /\'3875

2,fi Ploeg.

1. Wordt het verlies op de debet-of creditzijde gebracht,en waaróm?

2. Wat zijn wissels, en wat is wisselkoers?

3. Journaliseer;

Verkooprekening gezonden aan B. te Louden over eene partij goederen in commissie ontvangen, waarvan het netto bedrag is . . /\' 3762,25

zijnde het netto provenu...............- 8450,00

de onkosten....................- 241,75

provisie.....•................- 70,50

/ 3762,25

4. Journaliseer:

Verkocht en het bedrag ontvangen, 6 stuks, ieder groot /\'1000 5 quot;/„ obl. Rusland f 103-J 0/0............./\' 6292,50

Verschenen interest................- 46,50

__~f 633(J,00

1) Hier ontbreekt de 2/m koers. 1870, n0. 4; 187\'1, n0. 4 en 1873 nquot; 1, geven aanleiding tot gelijksoortige opmerkingen.

ocr page 188

184

3\'le Ploeg.

1. Waarin is de proefbalans van de wezenlijke balans onderscheiden?

2. Welk is het verschil tussehen een wisselbrief en eene assignatie ?

3. Journaliseer:

Ontvangen uit den gefailleerden boedel van M. te Amsterdam 15quot;/,, der pretensie groot /\'1800 ...............f 270,00

Af wegens gemaakte onkosten............- 35,40

/\' 234,60

4. Journaliseer:

Afgeschreven op de winst- en verliesrekening het verlies op de pretensie uit den gefailleerden boedel van M. te Amsterdam . . f 1530

4:\'le Ploeg.

1. Wordt do kapitaalberekening, waarmede eene zaak aanvangt, gedebiteerd of gecrediteerd, en waarom ?

2. Wanneer wordt voor denzelfden persoon in het grootboek meer dan ééne rekening geopend, en wat bevat elke dier rekeningen?

3. Journaliseer:

Verkooprekening gezonden aan C. te Londen over eene partij goederen voor halve rekening verkocht, zijnde tot netto bedrag van f 18(57,50

dus voor zijne helft.................f 9ï53,75

» » mijne helft.................- 933,75

onkosten......................- 132,50

/\' 2000,00

4. Journaliseer:

Geremitteerd aan C. te Londen voor m/r een wisselbrief, op 2/in ten laste R. Brown, groot 203ü a /■ 11,80, en daarvan betaald /\'2395,40.

1866 Noord-Holland.

1quot; Ploeg.

1. Journaliseer de volgende Memoriaalposten met de berekeningen:

Gekocht van A. de Ruyter 100 kranjangs Java-suiker nto 22125 Kquot;.

tl /\'26p. 100 Kquot;. met 1| 0/0 korting voor contant.

Zoo mogelijk in 4 verschillende vormen.

Naar Hamburg ten verkoop gezonden aan E. Fasbender 100 kranjangs Java-suiker als boven, met bijberekening van /\'84,20 onkosten.

Verkooprekening ontvangen van E. Fasbender over 100 kranjangs Java-suiker tot een n\'quot; Provenu van Büm1\' 6820,12 ü /\'35,50.

Getrokken op E. Fasbender te Hamburg voor eigen rekening Bquot;mk 6800 p. 38 zicht, amp; 35 0/0P. Koopman, van wien daarvoor ontvangen.

2. Iemand in Amsterdam heeft in Parijs te goed eene zekere som francs. Hij kan daarvoor:

1°. een wissel trekken tot den koers van /\'56J,

of: 2° zich laten remitteeren tot den koers van fr. 214; welke weg is de voordeeligste, en hoe groot is het verschil ?

(NB. in decimalen van percenten of in eene gewone breuk)

3. Schrijf eens uit, den wissel onder Memoriaalpost nquot;. 4 vermeld.

ocr page 189

185

3\'le Ploeg.

1. Jourualiseer de volgende Meraoriaalposteu met de berekeningen ; Gekocht van C. Koopman 48 kisten thee, n10 2396 K0. amp; 125c p £ K0.

met 1^ »/o korting voor contant.

Zoo mogelijk in 4 verschillende vormen.

Factuur gezonden aan J. Merchant te Londen over 48 kisten thee als boven, met bijberekening van /\'86,20 onkosten en 1^ 0/o provisie Getrokken op J. Merchant te Londen voor zijne rekening in een wissel per 2 maanden p. st. 514,19,10 amp; /11,70 .../.;. en dezen wissel voor mijne eigene rekening aan P. Canterbury te Liverpool geremitteerd.

Verdisconteerd bij de Ned. Bank een wissel op P. Landgraaf per 31 Augustus f 6524,80.

Af 57/d. disconto tl 40/0.

Het netto provenu in geld ontvangen.

2. Iemand in Amsterdam heeft in Parijs te goed Frs. 25412,16 Hij kan daarvoor:

1quot;. een wissel trekken tot den koers van /\' 56 of: 2°. zich laten remitteeren tot den koers van 214 fr. Welke weg is de voordeeligste, en hoe groot is het verschil?

3. Schrijf\' eens uit, den wissel onder Memoriaalpost ii\'J. 4 vermeld.

1866. Zeeland.

1. Te journaliseeren :

1°. Gekocht van A. eene partij goederen voor /\' 100, en het

bedrag betaald................../\' 100.

2quot;. Verkocht aan B. diezelfde goederen voor f 125, en het

bedrag ontvangen........ ........f 125.

2. Getrokken op C. aan eigen order een wissel van ... - 250. 1°. Advies ontvangen van D., dat hij op mij getrokken heeft

aan de order van U, een wissel van........./\'275.

2°. Betaald de traite van D. in mijne traite op C. en de rest

/quot;25 in specie..................ƒ 275.

3. Voor X., Y. en Z.:

April 1. Y. te Parijs verkoopt aan X. te Amsterdam eenige goederen voor /\'1000 il fr. 210.

» 1. Y. te Parijs koopt van Z. te Amsterdam eenige goederen voor /\' 1000 A fr. 210.

» 7. V. te Parijs trekt op X. te Amsterdam aan de order van Z. te Amsterdam een wissel, groot f 1000 il fr. 212, en X. ontvangt daarvan advies.

» 12. X. betaalt den wissel aan Z.

N.B. De vaste valuta van den wissel op Amsterdam is te Parijs /100.

1866. Utrecht.

1. Welke middelen geeft de boekhouding volgens de dubbele methode aan de hand om begane abuizen op te sporen?

ocr page 190

18(5

2. Welk is het nut van Collectieve rekeningen?

3. Hoe worden persoonlijke rekeningen afgesloten ?

4. Breng in het journaal en grootboek van A. de navolgende posten over:

1 Juni. A. te Amsterdam koopt diverse goederen van B. aldaar ten bedrage van f 1000, en betaalt met eene quitantie op de associatie-cassa f 1000.

6 » A. verkoopt diverse goederen aan C. te Hamburg ten bedrage van f 40000.

20 » A. trekt op C. een wissel aan eigen order voor het bovenstaand bedrag il f 36.

31 » A. incasseert den wissel op C. te Hamburg il f 35|-.

1866. Overijsel.

1. Welke boekeu is de koopman verplicht te houden? Waarom vordert de wet juist deze?

2. Welke eigenaardige voordeelen levert het boekhouden volgens de dubbele methode op?

3. Wat is de beteekenis van debet en credit?

4. Welke rekeningen worden bij de afsluiting der boeken met balans, welke met winst en verlies, welke met de beide afgesloten?

5. Schets in eenige hoofdtrekken do boekhouding in eene fabriekszaak, (j. 1 Juni 1867. B. te Amsterdam verkoopt aan A. te Hamburg

diverse goederen ten bedrage van f 7200. A. betaalt de helft contant; voor do andere helft trekt B. een wissel op A. op 3 maanden a f 36.

7 » » B. koopt van X. te Parijs diverse goederen ten bedrage van 1200 fr,, met den last voor het bedrag te trekken il f 56£. 12 » » B. accepteert de traite van X.

20 » » B. koopt diverse goederen van C. te Hamburg ten bedrage van 4000 Marc Banco, en maakt hem tor voldoening de traite op A, over.

Men verlangt de overbrenging der bovenstaande posten in het journaal en grootboek van B.

1866. Groningen.

Ist0 Ploeg.

Jonrnaliseer de volgende posten;

Juli 20. Gekocht op 2 maand van P. B. te L. 20 kisten sigaren, gemerkt A. S., N0. 1— 20, il f 18,50 de kist . . ƒ 370.

» 21. Gekocht il contant van A. L. te P. 10 kisten sigaren, gemerkt. P. L., N0. 80 - 89, il /\' 22,50. ... ƒ 225.

ocr page 191

187

September 20. Geremitteerd aau P. B. te L. een wissel op A. Z, te L, groot 700 fr. A, 475 cent, welken wissel ik heden gekocht heb van H. L. te P. voor f 330 . . f 332,50.

» 20. Betaald aan P, B. te L. de somma van f 37,50 voor de nog verschuldigde gelden van de rekening van den 20 Juli 1.1.

N.B. Men heeft eene sigarenrekening en eene winst- nu verliesrekening, terwijl P. B. te L. onder de diversen behoort.

2\'quot;, Ploeg.

Journaliseer de volgende posten :

September 13. Gekocht en betaald il contant van S. M. te A. 10 last rogge il 160 gulden het last......./\' 1600.

» 20. Verkocht op 2 maanden aan B. B. tc P. 6 last rogge

il f 170 het last............f 1020.

November 20. Ontvangen van B. B. te P. de somma van f 1020 voor de aan hem op den 20 September 1.1. geleverde rogge.

November 28. Gekocht en betaald f\\ contant een wissel groot 100 ,£ voor f 1187,50 en deze geremitteerd aan P. B te G.

N.B. De rogge mag onder de goederenrekening en B. B te P. onder de diversen worden gebracht.

1867. Limburg.

1. Wij koopen tijd 3 maanden van Groen te N. 3 vat. koffie No. J, te zamen br. 1142 tSï tarra 5 quot;/0 il 45 c.; wij betalen echter contant met disconto il 0/„ maandelijks,

2. Jong te li. koopt van ons 2 vat suiker, netto 720 ® il 41c. per 3 maanden, en geeft ons een wisselbrief op N. bedragende /\' 200 per 3 maanden.

3. Wij trekken op onzen schuldenaar Krijt aan de order van onzen schuldeischer Kool wisselbrief Nquot;. 5, f 450.

N.B. Maak dezen wisselbrief en voeg er de ontbrekende gegevens bij.

4. Wij ruilen met Arm, en geven hem wisselbrief Nquot;. 9, Thlr. 800 op Berlijn en krijgen wisselbrief Nquot;. 7, frs. 2500 op Parijs. Het verschil wordt door contanten vereffend. (Koers op Berlijn 35,10; koers op Parijs 56,10.)

5. Arbitrage.

6. Wij zijn te Parijs frs. 6000 schuldig en kunnen:

a) remitteeren il 56 ;

b) doen trekken il 210;

c) Londensche brieven sturen, die 11,70 kosten en tegen 25,05 geaccepteerd worden;

d) Londen gelasten il 25,10 te remitteeren en op ons il 11,72 te trekken.

Wat is het voordeeligst voor ons?

ocr page 192

188

1868.

Te Jourualiseeren de volgende tuemoriaalposten:

1. Gekocht van P. Klok 20 vaten lijnolie, inhoudende 6255 kan, a f 35 p. 100 kan, met 10/o korting voor contant . . f . . .

2. Verkocht aan B. Groen 100 balen rijst, wegende n\'0 18650 kquot;, /\' 9^- p. 50 k0, op 3 maanden, met bijberekening van /\' 6 onkosten.

3. Van C. flijkhart ter leen ontvangen ƒ 10000.

4. Factuur gezonden aan C. Laplace te Havre over 1 vat Ceylon-koffie, wegende blquot; 450 k°, tar. 36 k0, il 52° p. kilo il contant met korting van 10/ogt; niet bijberekening van /\'6,25 onkosten en 2 0/o C()n)missie\'

5. Aan N. N. toegestaan eeue vergoeding van te veel berekende provisie ten bedrage van /\'20. (N.B. Nog niet uitbetaald.)

6. Aan P. Olie uitbetaald voor 2 maanden huur over een van hem geleend kapitaal..............f 100.

1869.

De volgende posten in Journaal over te brengen:

1. Ik koop tegen contanten van P. Alois 3 vat koffie, bruto 636 (l kilogr.), tarra 5 0/o ^ 46.

2. Ik verkoop aan Jorissen alhier, tijd 3 maanden, 1 vat koffie 212 lt;«; bruto, tarra 5 0/o, ^ 52.

3. Ik koop tegen contanten bij mijn bankier Hope frs. 1268 per 8 dagen ü 55^-, en betaal tevens |% provisie.

4. Ik remitteer dezen wisselbrief aan J. Marchand te Parijs.

5. Ik trek op mijn bankier Hope /\'600 per 8 dagen aan de order van H. Meeussen, ter vereffening zijner factuur heden betaalbaar.

Schrijf de traite, vermeld onder nquot;, 5.

1870.

De volgende posten in Journaal over te brengen:

1. Mei 3. Gekocht van K. alhier 100 balen katoen, bruto 13700

tarra 4 0/o. ^ 38 c. het op promesse van 3/m. . /\'

2. » 5. Afgegeven mijne promesse aan K. per 3 Aug. . f

3. » 7. Factuur gezonden aan O. te Antwerpen over 100 balen

katoen, om voor mijne rekening te verkoopen.

Het katoen......../\' 1000

Onkosten.........- 320

- /\' 10320

4. » 8. Getrokken op O. te Antwerpen eeu wissel groot 20000 frs.

per 8 Aug. aan de order van IJ alhier, van wien daarvoor ontvangen il /\' 56......... f

5. » 10. A deposito genomen van N.N. alhier, tegen 5 c/0 / 10000.

6. » 12. Verkooprekening gezonden aan M. te Hamburg over 200

pakken Portorico tabak, mij door hem ten verkoop gezonden.

ocr page 193

189

Netto provenu......f 16000

Onkosten.......- 420

Provisie 2 0/0.......-

J!

T

1871.

De volgende posten in Journaal te brengen:

1. Mei 24. Verkocht aan F. alhier 150 halen Javakoffie, bruto

9380 kilo, tarra 3 ü 34 c. het ^ kilo . . f Contant 1 0/0.......-

2. » 25. Afgegeven aan S. en Co. alhier mijne kwitantie op F.

alhier................f

3. » 27. Factuur gezonden aan A. te Londen, over 200 blokken

Banca tin, om voor mijne rekening te verkoopen.

Het tin bedraagt......f 9600,00

Onkosten..........- 65,30

Commissie 2 0/0 .......- 193,31

/\' 9858,61

4 Mei 28. Getrokken op A. te Londen een wissel groot £ 828 11 s. 1 d. per 28 Augustus aan de order van U alhier, van wien ik daarvoor heb ontvangen tl ƒ 11,90 f

5. » 29. Ontvangen van C. te Amsterdam het saldo zijner reke

ning.................f 1615,30

6. » 30. Geaccepteerd de traite van G. te Parijs in dato 23 dezer

per 3 maanden, order P. voor rekening van D. te Mannheim, groot fr. 12600 il ƒ 56......f

1872.

1. Waartoe dient de proefbalans?

2. Wat weet gij van de kapitaal-rekening en hare hulprekeningen?

3. Schrijf een wissel, eene assignatie en eene promesse, en endosseer die.

4. Journaliseer de volgende posten:

a. Verkocht aan Muis alhier 50 balen koffie, bruto 2480 kilo, tarra

3 0/o a 36 cent per kilo.

h. Getrokken op Berg, te Amsterdam, een wissel betaalbaar op vertoon, welken wissel ik verkocht aan Dal alhier, waarvan deze mij het montant per kas betaalde met f 1000.

c. Tot eigen gebruik genomen uit mijn pakhuis een okshoofd rooden wijn, St. Estèphe, f 125.

d. Aan Radijs alhier geremitteerd in eene assignatie op den kassier Loof ƒ 730, en in contanten f 45,30.

1873.

Journaliseer de volgende posten;

1. Getrokken aan de order van mij zeiven 3 md. dato op C. te Parijs frs, 3222,70 il f 56^................_ƒ__

2. Geaccepteerd eene traite van D. te Bremen per 15 Aug. T. Ld. 1350 il ƒ 1,93.................._ƒ___

ocr page 194

190

3. Ontvangen van A. alhier:

1 wissel op Parijs 3 md, dato frs. 2500 il f 56,20 f

en hem gegeven:

1 wissel op Berlijn 3 md. dato Th. 800 amp; f\' 1,77 -

NB. Het verschil per cassa bijgepast . . . . -

4. Factuur van H. te Londen voor 300 kranjangs suiker 3 md. £ 734 12/— fl f 11,89..............f

5, Rekening van J, te Rotterdam over 200 halen rijst, Netto 30516 Kquot;. a f 7f per 50 Kquot;............f

2% . . . -_____

Onkosten ... - 8,42

Commissie 1^ quot;/„ . . . -

1874.

Journaliseer de volgende posten :

1. Gekocht van A. alhier 100 balen koffie, bruto

5600 kilogr. Tarra 2-^ quot;/o» ^ 42 c. het -J- kilogr.....f......

2. Ik geef A. eene promesse op 2/m voor dat bedrag f......

3. Factuur ontvangen van K. te Londen over eene partij

Rangoon rijst, bedragende ü 150.11, is i\\ ƒ 11,80 . , . f......

4. Gekocht van N. N. alhier een wissel op Londen groot £ 150.11 zicht, eigen order A /11,90. Het bedrag

per kas betaald..................f ......

5. Dezen wissel heb ik heden geremitteerd aan K.

te Londen....................f......

6 Verkocht aan C. alhier de partij Rangoon rijst,

uit Londen ontvangen; bedragende met berekening van f 40 onkosten................../\' 2000,—

1875.

Journaliseer de volgende posten :

Juni 1. Gekocht van Suermondt tijd 3 maanden 3 baal koffie Nquot;. 1/3 br. 402 kilo, tarra 3 0/o ^ 68 c. het halve kilo, en er voor gegeven promesse per 1 Sept.

» 2. Remise ontvangen van Kcrdel N0. 12 ƒ 127,80 op Herrig alhier. » 3. Geruild met Bernhard alhier wisselbrief Nquot;. 11 Rijksmark 875 tegen wisselbrief frs. 910; koers op Berlijn 56,70; op Parijs 46,80.

Het verschil wordt in contanten vereffend » 4. Gekocht 2 stuks il f 500 twee en een half pet. Nederl. Werkelijke Schuld ft 62 o/o.

Coupons vervallen 1 Januari en 1 Juli. » 5, Getrokken op Gérard te Parijs frs. 870,60 aan de order van Jacques alhier tegen kortzicht 46,50. (Het bedrag ontvangen.)

ocr page 195

191

Juni 6. Gedisconteerd factuur van Bertrams groot f 778,78 il quot;/0 maandelijks (per 65 dagen).

Schrijf; a. Promesse van post Juni l.

b. Traite van post Juni 5.

I

1876.

I. Journaliseer de volgende posten ;

Juni 1. Devrient te Haarlem verkoopt tijd 3 m. aan Boeren aldaar

2 vat suiker, te zamen netto kilo 300, il f 50 per 100 halve kilo en ontvangt daarvoor een wisselbrief groot f 300 op Zadel te Middelburg per 2 September.

» 12. Devrient verdisconteert aan Vletter te Haarlem dezen wisselbrief. Disconto 5 0/0 jaarlijks.

» 13. Devrient betaalt voor rekening van Baal te Schiedam aan Koersch te Haarlem f 250.

» 24. Devrient koopt contant van Dirks te Haarlem een certificaat van f 500 Ned. Werkel. 2-\\ quot;/„ Schuld, il 63 0/o-

(Vervaldagen der coupons 1 Januari en 1 Juli).

» 25. Devrient koopt van Gerritsen wisselbrief op Marx te Parijs, groot frs. 660 per 4 Juli il 46,40, en endosseert dezen wisselbrief aan Gérard te Parijs.

» 26. Devrient ontvangt contant 60 0/n u\'t den faillieten boedel van Doyer te Hoorn, wiens rekening bij hem f 768,60 debet bedroeg.

II. Maak den wisselbrief uit post 5.

1877.

A. In het journaal van Ollandt, te Haarlem, over te brengen :

Juni 1. Ollandt ontvangt op dien datum de erfenis van zijn oom, bestaande in :

a. f 5000 contanten ;

h. vijf certificaten 21 0/o Ned. Werk, Schuld, ieder groot /\' 1000, tegen den koers van 62,50. (De coupons vervallen op 1 Januari en 1 Juli.)

» 10. Ollandt koopt, tijd 2 maanden, van Helmers te Amsterdam

3 baal koffie li. S. Nquot;. br. Kquot;. 61, 62 en 63, tarra 1 quot;/„ 3-75 (per £ Kquot;).

» 20. Ollandt verkoopt, tijd 3 maanden, aan Rechter te Haarlem 1 baal koffie R. S. Nu. 1 br. K0. 61, tarra 1 quot;/o amp; 80.

Juli 1. Ollandt disconteert factuur van den 10quot; van Helmers te Amsterdam (zie post 10 Juni) tegen J 0/o maandelijkscb disconto, en zendt tot dit doel zijne traite op Willeras te Amsterdam per 5 Juli aan Helmers.

» 1. Ollandt wisselt in al pari (dus zonder coupons-belasting) bij Hoorn te Haarlem 5 coupons (zie post 1 Juni, b).

» 10. Ollandt koopt contant van Hoorn te Haarlem wisselbrief op Mun te Parijs, groot frcs. 1000. tegen den koers A 46,90.

ocr page 196

192

Juli 12. Ollaiidt endosseert wisselbrief op Mun te Parijs, groot

frcs. 1000 il 212^, aan Gounod te Parijs.

B. Maak de traite (uit post 1 Juli) van Ollandt op Willems te Amsterdam.

1878.

A. De volgende posten te journaliseeren voor Arend, te Nijmegen : Juni 1. Arend te Nijmegen trekt op Pieters te Amsterdam, order

Jacobs aldaar, f 1400 per 8 dagen.

» 2. Arend te Nijmegen ontvangt van Willems te Utrecht remise

f 1250 op Geradts te Nijmegen per 8 Juni.

» 5. Arend te Nijmegen verkoopt, tijd 2 maanden, aan Vogel aldaar een baal koffie br. kilo 87,5, tarra 2 % ^76 per halve kilo, en ontvangt daarvoor eene promesse. » 9. Arend ontvangt het bedrag van den wisselbrief uit post Juni 2. » 10. Arend remitteert aan Haaks te Amsterdam wisselbrief f 870 op Andries te Amsterdam per 15 Juni.

B. ïe maken :

a. de traite uit post Juni 1;

b. de promesse uit post Juni 5.

1879.

A. Te journaliseeren de volgende memoriaalposten :

1. Verdisconteerd bij L. te M. een wissel op P. te G. per 1 September 1879 . f 3040,75.

Af: 75/d. disconto a 3| 0/o.

Netto provenu ontvangen in geld.

2. A. te Rotterdam trekt op F. te Parijs aan de order van G. aldaar een wissel zicht, groot frcs. 6000 il /\' 47,25.

(Te journaliseeren in de boeken van A. en van F., wien terstond advies gegeven is.)

3. In consignatie gezonden aan W. te A. 1000 KG. geel-Java-koffie it / 0,75; betaald aan den expediteur voor vracht en andere onkosten, op de verzending gevallen, f 7,80.

4. Bericht ontvangen, dat een accoord van 50 0/o, aangeboden door C. te E., in de vergadering van schuldeischers is aangenomen, en door de rechtbank is gehomologeerd.

Mijne schuldvordering op C. bedraagt per saldo f 600.

B. Te berekenen :

A. te Amsterdam is schuldig 1/m. aan F. te Parijs frcs. 5000. Hij kan :

a. remitteeren a f 47,30;

b. doen trekken il frcs. 208,95;

c. een wissel op Londen zenden, die gem. f 11,73 kost en tegen frcs. 25,09 geaccepteerd wordt;

d. Londen laten remitteeren il frcs. 25,12, en op zich il f 11,73 laten trekken.

Wat is het meest voordeelig voor A ?

(Beredeneerd op te lossen.)

ocr page 197

193

1880.

A. Te journaliseeren de volgende memoriaalposten :

1. Getrokken aan de order van W. te H., op L. te A., 8 dagen zicht, /\' 1000.

2. Verzekerd ten behoeve van K., te R,, op het casco van het schip »Christiaanquot;, kapitein Vos, van hier naar Batavia, f 7000.

Polis /\' 1,50

3. Toegetreden tot het accoord van L. P., te A. (mijn debiteur voor f 3000), waarbij deze aanneemt te betalen 00 0/o.

4. Verkooprekening gezonden aan M,, te L., over eene partij goederen van hem in commissie ontvangen (commissieboek, N0. 01.)

Netto opbrengst . . f 8000, Nadere onkosten . . - 200.

Provisie 2 0/o.

B. Te berekenen:

\\V. J., te Amsterdam, is te Londen ^6 100, kort zicht, schuldig en kan remitteeren il /\'12,11 k./z., of a /quot;12,05 per 2/m. Welke remise is voor W. J. de voordeeligste, als het disconto te Londen 4 0/o bedraagt ?

1881.

A. Te journaliseeren de volgende memoriaalposten:

1. Gekocht van A. Girard, tegen afgifte van mijn promesse aan zijn order, 25 balen koffie, bruto 1492 kil., tarra 3 0/o, a 52-J cent per | kilo, promesse-zegel f 1,38.

2. Verkocht aan Snellius en Co., tegen ontvangst van hun promesse aan mijn order, 20 balen koffie, bruto 1207 kil., tarra 3quot;/o) amp; 54 «ent per ^ kilo, promesse zegel /\' 1,03^.

3. Verdisconteerd op 18 Juni bij de Nederlandsche bank de promesse van Snellius en Co, (zie post no. 2), vervallende 14 September aanstaande, disconto 4 n/o en (le contante waarde ontvangen.

4. Geaccepteerd eene traite van D. Bogen te Frankfurt voor rekening van D. Willeins te Antwerpen / 2500.

B. Schrijf de promesse uit post No. I .

C. Hamburg is te Londen schuldig. Moet Hamburg remitteeren il 20,80 of op zich laten trekken tegen 20,59 ? Uiteengezet te beantwoorden.

1882.

A. Journaliseer de volgende memoriaalposten:

10 Juni. Bericht ontvangen van P. van Leer te Rotterdam, dat hij op mij getrokken heeft een wissel aan de order van S. Perk, vervallende 15 Juni a.s,, groot /\'350,75.

12 » Gekocht van Willems alhier een wissel op Londen, 130 p. st, il /\' 11,85; dezen wissel remitteer ik voor mijne

13

ocr page 198

194

rekening aan James te Londen, terwijl ik Willems betaal in mijne kwitantie op de Associatiekassa.

18 Juni Toegetreden tot het accoord, aangeboden door J. Müller

te Mannheim, waarin hij aanneemt te betalen 80 u/o van zijne schulden. Mijne rekening bedraagt /\'4468,15.

19 » Ontvangen van den notaris Van Tol te Utrecht, als legaat

van wijlen mijn oom Alberti, 12 certificaten 2|- quot;/o N. W. S., ieder groot / 1000, A 56f0/o (vervaldagen der coupons en YO, en in geld /\'3049,17.

B. Schrijf den wissel, bedoeld in den post van 10 Juni.

C. Ik ben te Parijs schuldig frcs. 6000 en kan 1quot;. remitteeron 46,67;

2quot;. doen trekken il 210;

3°. Londensche brieven sturen, die 11,70 kosten en tl 25,05 geaccepteerd worden ;

4quot;, Londen gelasten A 25,10 te remitteeren en op mij il 11,72 te

trekken ;

wat is voor mij \'t voordeeligst ?

1883.

A. Journaliseer de volgende memoriaalposten:

5 Mei. Gekocht van J. van der Zaan 90 vaten Terpentijn, bruto

15030 K.G., tarra 20 quot;/„, il /\' 16 per 50 K.G.; promessezegel /2,76; per 21 Augustus.

6 » Afgegeven mijne promesse aan J. van der Zaan.

8 Juni. Factuur gezonden aan H. Blitzenstein te Hamburg, over 90 vaten Terpentijn, bruto 15030 K.G., tarra 20 0/o, si /\' 17 per 50 KG.; onkosten /\'31,43; provisie l-|u/o. Per 8 September. 17 Juli. Ontvangen van H. Blitzenstein 1 remise op P. Zinger, /\'4036,57; per 5 September.

21 Augustus. Betaald aan de Nederlandsche Bank mijne promesse 0/.

J. van der Zaan.

5 September. Ontvangen van P. Zinger /\'4036,57.

B. Schrijf de promesse, voorkomende in den eersten post.

C. Beantwoord, met uiteenzetting van redenen, de vraag: Wat is voor H. Blitzenstein het voordeeligste: te remitteeren il 169, of op zich te laten trekken il /\'58,90?

1884.

A. Journaliseer de volgende memoriaalposten:

I. 5 Mei. Gekocht A contant van J. P. Koon te Amsterdam 100

balen Java-koffie, bedragende met de onkosten /\' 6000. II. 9 » Advies ontvangen van J, P. Koen te Amsterdam, dat hij op mij getrokken heeft, aan de order van de Twentsche Bank aldaar een wissel op zicht voor de leverantie van 5 Mei jl.

ocr page 199

195

III 13 Mei. Betaald aan P. Barrevoets alhier den wissel van J, P. Koen.

IV, 31 » Verkooprekening ontvangen van PI. Sachs to Bremen, over 100 balen Java-koffie, hem 8 Mei jl. gezonden om ze voor mijne rekening te verkoopen; bedragende het netto provenu 107G9,2B RM. a 58,50.

V. 2 Juni. Overeengekomen met PI. Sukkel, dat hij mij van mijne vordering, groot /\'750, terstond 80quot;/,, zal betalen, waarvoor ik hem quitantie over het volle bedrag zal geven. De 80 ü/i) heden ontvangen tot een bedrag van /\'GOO.

B, Schrijf\' don wissel, bedoeld in den post van 9 Mei.

C. Indien do koers van Amsterdam op Bremen is 58,55, en die van Bremen op Amsterdam 170,10, wal is dan voor mij voordeeliger: trekken of laten remitteeren?

1885.

A. Journaliseer de volgende meruoriaalposten;

1. Juni 1. Verkocht aan D. alhier 200 balen Java-koffie, bruto

12620 kilo, tarra 3 0/0, il 33 ets. per ^ kilo. Contant 10/0.

2. » 3. Ontvangen van D, zijne promesse per 1 September, voor

aan hem verkocht 200 kranjangs Java-suiker, netto 40800 kilo, il f 19,70 de lÖO kilo. Begistratie 1°^. 3 » 11. Verdisconteerd de bovenstaande promesse. Disconto!0/ \'s jaars

4. lt;gt; 1G. Bericht ontvangen, dat P. een wissel op mij ge

trokken heeft aan de order van S., vervallende 1 Juli e k., groot /\' 1080

5. » 17, Gekocht 30 certific. 2| % N. W. S., ieder groot

/\' 1000, il 62i o/oi provisie .i_ Vervaldagen der coupons 1 Januari en 1 Juli,

B. Schrijf de promesse van 3 Juni,

C. A,, te Rotterdam, is te Parijs , . , frcs, schuldig en kan

a. remitteeren il 48;

b. doen trekk?n il 208;

c. wissels op Londen remitteeren, die /\'11,80 kosten en tegen 25,15 geaccepteerd worden.

Wat ia voor hem \'t voordeeligst?

1886.

A. Journaliseer de volgende memoriaalposten:

1, Juni 1, Gekocht van R, Spiegel alhier 100 balen Javakoffie,

bruto 6180 KG., tarra 3 0/0 ii 32 cent per J KG,, veilingkosten 10/0, promessezegel /\'2,

2, » 5, Afgegeven aan R. Spiegel alhier mijn promesse voor den

bovenstaanden inkoop, vervallen 16 September a. s,

3, » 16. Verkocht aan Wolf en C°, alhier/\'15000 Nederlandsche

ocr page 200

196

Werkelijke Schuld 4 quot;/„ il 101| quot;/01 provisie \'\'/o! vervaldagen der rente 1 April en 1 October.

4, Juni. 20. Gedisconteerd mijn promesse aan li. Spiegel (zie post, 2)

met 3 0/0 disconto \'s jaars.

5. » 25. Getrokken op R. Schaap te Rotterdam, aan de order

van di! kasvereeniging te Arasterdam, een wissel groot /\'4750,25, vervallende 8 dagen na dato, en dezen wissel aan de kasvereeniging ter incasseering gegeven.

B. Schrijf den wissel in post 5.

C. Amsterdam heeft eene vordering op Borlijn en kan trekken fl 59,25. Ook kan hij Parijs last geven om op Berlijn to trekken a 123|, in welk geval hij op Parijs kan trekken fl 48,10. Wat is voor hem het voordeeligst ?

1887.

A. Journaliseer de volgende ruemoriaalposten:

1. Juni 10. Factuur ontvangen van J. Salmon te Londen over 300

balen katoen bedragende met de onkosten £ 49G—8,7 ii 12,05.

2. »11, Remise gezonden aan J. Salmon te Londen in een wissel

van J 500 op de London Bank per 14 Augustus, van de Wit amp; C. alhier il 12,03 gekocht.

3. » 12. Verdisconteerd aan de Ned. Bank alhier een wissel ten

laste van Blaar amp; Zn, te Zwolle, groot/\'8540,40 per 21 Augustus, disconto 2|-0/()\'

4. » 13, Gekocht van G. Bomer alhier /\'5000,— 2J- quot;/o Ned.

Werk, Schuld, coupon 1 Jan, en 1 Juli, il 730/o( courtage J 0/o.

5. » 14. Geconsigneerd aan G, Wagner te Hamburg: 280 balen

Java koffie, bruto 18025 KG,, tarra 3 quot;/o il 32 ets. per \\ KG, netto; registratie 1 contant 1 ^quot;/0, waarop aan onkosten berekend /\' 325,00,

B. Schrijf den wissel vermeld in den tweeden post.

C. Rotterdam moet Londen betalen £ 500 per 3/md, Wissels op Londen staan genoteerd: te Rotterdam 3/md, 11,98; te Parijs 8/md. 25,02; te Hamburg 3/ind. 20,25, Verder noteert Rotterdam wissels op. Parijs k/z 47,70; op Hamburg k/z 59, Zal Rotterdam zelf remitteeren of remise door Parijs of Hamburg doen geschieden ?

1888.

A. Journaliseer de volgende posten :

1. Juni 10, Verkocht a contant aan P, Leenderts alhier 40 balen

koffie, bruto 2000 KG,, tarra 30/o il 50 ets, per | KG, Korting voor contant 2 quot;/o.

2. » 12, Ontvangen van P, Leenderts liet bedrag, mijner nota

van 10 Juni in een zichtwissel op G. Buurman, groot /\' 500 en het overige in contanten.

3. » 16, Ontvangen van Klaassen en Comp, do volgons mijne

order door hen gekochte 3 stuks N, W, S. 2^ quot;/oi ieder groot /1000, koers 73%, provisie -J-

ocr page 201

197

(De coupons vervallen op 1 Januari en 1 Juli.)

Klaassen en Comp. betaald in eene kwitantie op de kasvereeniging.

4. Verkooprekening gezonden aan P. Johnson te London van de voor zijne rekening verkochte 400 kranjangs suiker.

Het bruto provenu bedraagt ƒ 14570, diverse onkosten ƒ820, commissie 2 7o.

5. Geaccepteerd de traite van E. Brown te Liverpool voor mij te rekening, order R. Cornelissen alhier £ 203.9.7 il f 12,05.

B. Schrijf den wissei uit post 2.

C, Parijs heeft van Weenen te vorderen 1200 fi. en kan trekken a 223,50 of laten reraitteeren il 44,10. Wat zal Parijs doen ?

1889.

A. Journaliseer de volgende posten :

1. Verkocht op driemaands promesse aan P. Betu alhier, 400 balen koffie voor f 11576,40. (Denk aan het promessezegel).

Vroegere jaren was het hedrchi van dit xegel gegeven. Zie 1890.

2. Factuur ontvangen van F. Schulze te Bremen over 50 vaten tabak, verzonden per /Tritonquot;, die hebben gekost Km. 17460. De onkosten bedragen Rm. 27G en de commissie 1^- 0/o. De koers is f 58,30.

3. Factuur gezonden aan G. Brown te Londen, over 100 vaten boter, die mij kosten f 7674,20. De onkosten bedragen f 140,50, de commissie 1^ 0/i) waarde op heden.

4. Gelost uit de »Tritonquot; de tabak, vermeld in post 2. Onkosten bij de ontvangst enz. f 134,75.

5. Toegetreden tot het accoord in het faillissement van J. Liever alhier, die 60 % aan zijne crediteuren zal betalen. Mijne vordering bestaat in een hypotheek groot f GOOO op het huis van den gefailleerde en in eene pretensie van f 2500 voor geleverde goederen. Het mij toekomende per kassa ontvangen.

B. Schrijf de promesse van post 1.

C. Wat is voor mij voordeeliger en hoe groot is het verschil, indien ik van eene der volgende wijzen, om eene contante vordering op Londen te innen, kan gebruik maken (disconto 3 0/o).

1. Ik kan direct trekken tegen den k/z koers van f 12,05.

2. Ik kan mij direct laten remitteeren tegen den 3/m koers van f 12,205.

3. Ik kan mij laten remitteeren op Parijs tegen den k/z koers van /\' 12,15 en op Parijs trekken tegen den 2/m koers van f 47,75.

De gegevens voor dit arbitrage-vraagstuk zijn niet in orde.

1890.

A. Journaliseer voor J, Pekelharing te Lobith:

1 Juni. J. Pekelharing koopt op promesse van 3 maanden van

J. Crediet te Rotterdam 100 balen katoen, bruto 19220 K.G., tarra 4 0/o amp; 37-|- ct. per | K.G., promessezegel f 7.

2 » J. Pekelharing zendt factuur aan H. Wurst te Keulen over

de bovengenoemde partij katoen, brengt het inkoopsbedrag

ocr page 202

](J8

zonder promessezegel in rekening en berekent bovendien f 250 onkosten en quot;/„ provisie.

6 Juni. J. Pekelharing geeft aan J. Crediet te Rotterdam de pro

messe, bedoeld in den post van 1 Juni.

5 Juli. J. Pekelharing disconteert deze promesse met 3 0/o disconto. 28 Aug. J. Pekelharing trekt voor het factuurbedrag in den post van 2 Juni op H. Wurst te Keulen een wissel 3 dagen na zicht, aan de order van de Disconto-Gesellschaft aldaar il f 59.

B. Schrijft de promesse uit den post van G Juni en den wissel uit den post van 28 Augustus.

C. Wat zou voor H. Wurst te Keulen voordeeliger geweest zijn: zelf te remitteeren il 170 of op zich te laten trekken a 59 (zie den post van 28 Augustus).

1891.

A. Journaliseer voor J. Verbrugge te Rotterdam :

1 Juni. J. Verbrugge ontvangt van Baring en Cquot;. te Londen factuur over 100 pakken tabak, ter waarde van . . . £ 1254,10 Onkosten bij de verzending . . . 45,10

Provisie 2 0/o.

I £ = f 12,10.

5 » J. Verbrugge accepteert de traite van Baring en Cquot;. ter grootte van het bedrag der bovenstaande factuur, aan de order van de Rotterdamsehe bank, vervallende 3 dagen na zicht. \\ £ — f 12,11.

7 » J. Verbrugge ontvangt uit Londen de tabak, waarvan hij

op 1 Juni de factuur ontving (zie boven) en betaalt voor vracht, lossen, wegen en opslaan f 595.

8 » J. Verbrugge betaalt aan de Rotterdamsehe bank den wissel

voorkomende in den post van 5 Juni. 15 » J. Verbrugge verkoopt aan B. Wiliems te Rotterdam, op promesse van 3^ maand, 50 pakken tabak, bruto (5540 K.G., tarra 2 0/o amp; f 1,28 per K.G., promessezegel f 8,50, — en ontvangt gelijktijdig de promesse.

B. Schrijf de promesse uit den post van 15 Juni.

C. Zon het niet voordeeliger geweest zijn voor J. Verbrugge, zijne schuld aan Baring en Cquot;., in plaats van met de traite uit den post van 5 Juni, af te doen met een remise in francs, te Rotterdam gekocht il f 48 per 100 francs en te Londen geplaatst il 25,21 francs per Ü ?

W. W arenkenni s.

1867. Limburg.

Bereiding van eene der vezelstoffen (katoen, vlas, wol, zijde) tot garen. Suiker.

ocr page 203

DELïTSCHE EXAMENS „Aquot;

1865 en 1866.

A. Stelkunde.

1865.

1. Bereken de waarde van x uit:

a\' = b c,

wanneer (i= 17,356; ft — 11,039; c — 0,7254 is.

Antw. x = 3,3095.

2. De waarden van x te vinden, die voldoen aan de vergelijking:

]/r—8 xV2(xe — 1) =yr x2 111,

Antw. x—Yl\\x = — 7 V — 1.

3. Voor welke waarden van x wordt de uitdrukking:

rt ^ (a — xY {a—x) {b — x)

bestaanbaar, positief\', negatief, 0, lt;xgt;, als gegeven is a gt; b ?

Antiv. De uitdrukking is bestaanbaar voor xlt;^.a\\ positief voor xlt;b\\ negatief voor x gt; b en lt; a-, nul voor = 1X1 vlt;)or x = b, — «a voor x = a.

1866.

1. De theorie der vierkantsvergelijkingen.

2. Iemand zet gedurende (i jaar, bij het begin van elk jaar, b gulden uit op samengestelden interest, il c ten honderd; hoeveel bedraagt de geheele som aan het einde van dien tijd.

Antw. | (100-fc) [|1Q^ C)- 1 j Zie 1867, Utrecht.

3. Te herleiden;

Antw. a {quot;3)

ocr page 204

200

4. Tusschen x V V en y \\S x vraagt men 7 termen eener meetkunstige reeks te interpoleeren.

\\i(y--i(y--

/ —•

er.

B. Goniometrie en Trigonometrie.

1865.

1. Te ontwikkelen in goniometrische lijnen van a en b:

cot (270° — a 2 fc).

2. Bewijs cle formule tang\\r a = cosec a—col «, daarbij alleen de

£

formules tot ontwikkeling van sin (« h) en cos [a b) als bewezen aannemende.

3. De formules op te geven, waardoor men, wanneer van een trapezium gegeven zijn drie zijden (waaronder twee evenwijdige) en de hoek tusschen twee dezer zijden, tot de berekening van de 4\'10 zijde komen kan.

Antiv. Zijn a en b de evenwijdige zijden, c de derde gegeven zijde, « de hoek tusschen b en c, dan is, zoo x de gevraagde zijde voorstelt; x2 = c2 (a — b)2 — 2c(a — b) cos «.

4. In driehoek ABC is de lijn CD getrokken, die hoek C middendoor deelt. Zoo CA = 25035, CD = 18379 en CB = 30003 is, vraagt men de derde zijde en hoek C.

Antw, De derde zijde is = 40828,1; hoek C = 95quot;20\'50quot;,G.

1866.

1. Van een cirkelsegment is de koorde = 3 en de pijl—4; men vraagt den middelpuntshoek en den straal te berekenen.

Antw, De middelpuntshoek is 277quot;46/33//; de straal 2,28.

2. Den inhoud van een regelmatigen n hoek, welks zijde = a is, op de eenvoudigste wijze in a en n uit te drukken.

a lt; 1 2 v 180 Antw. — na* coin-.

4 n

3. Te bewijzen:

^80° ^ (30--^)=!^.

4. lt;p op te lossen uit: sin lt;p 5 sin lt;p cos lt;f cos (p= 1.

Antw. if = 0quot;; lt;p = 90quot;; v = 21Gquot;52\'11\'/,G; ^ = 23307/\'l8//,4 ; lt;p — 360° enz.

ocr page 205

201

5. Vau vierhoek ABCD is gegeven :

XE = 1293,5; AC = 1330,2; AD =1100,0; BD = 1560,08; BC = 1109,07; door driehoeksmeting DG te berekenen.

Antw. DC = 684,9.

C. M e e t k u n d e.

1865.

1. Uit een uiteinde van de middellijn eens bols is met £ des straals van den bol tot straal eeu cirkel op den bol beschreven. Een kegelvak gaat door het andere uiteinde der middellijn en door dezen cirkel; men vraagt de verhouding te vinden van de inhouden der deelen, waarin het kegelvlak den bol verdeelt.

Antw. H ■

2. Eene lijn staat schuin op een vlak; men vraagt in dit vlak door het ontmoetingspunt de lijnen te trekken, die met de eerste den grootst mogelijken, den kleinst mogelijken en een rechten hoek vormen, en de juistheid der opgegeven constructie te bewijzen.

3. Een afgeknot driehoekig prisma staat op een grondvlak, waarvan de inhoud 2 [_ palm bedraagt, terwijl de evenwijdige ribben, die hoeken van 30° maken met het grondvlak, eene lengte hebben van 3, 4 en 5 palm.

Men vraagt; 1°. den inhoud van dat lichaam, en 2quot;. te bepalen op welke afstanden van het grondvlak vlakken evenwijdig aan dat grondvlak moeten gebracht worden om het lichaam in drie deelen te ver-deelen, wier inhouden lot elkaar staan als de getallen 1, 2 en 3.

Anhv. De inhoud is 4 kub. palm; de gevraagde afstanden palm en 1 palm.

1866.

1. De formule te bewijzen, waardoor het oppervlak van den bol in den straal wordt uitgedrukt, uitgaande van de formule voor het ronde oppervlak van den kegel.

2. Bewijs dat de inhoud van een afgeknot driehoekig prisma gelijk is aan de som van drie piramiden, die het grondvlak van bet prisma tot grondvlak hebben, enz.

3. Van een bol is een segment afgesneden, zoodanig dat, als men een kegel beschrijft op hetzelfde grondvlak staande en den bol rakende, de kegel den dubbelen inhoud hebbe van het segment. Men vraagt de hoogte van bet segment in den straal des bols uit te drukken

Antw. Is r de straal van den bol, dan is de hoogte van het segment (2 — V 2) r.

ocr page 206

202

D. Beschrijvende Meetkunde.

1865.

1. Breng een vlak door 3 punten, waarvan één in het 2quot;, één in het 3e en één in het 4quot; kwadrant ligt.

2. Construeer de gemeene doorsnede van twee vlakken, die elkaar in de as snijden.

3. Er zijn gegeven twee elkander kruisende lijnen, en in de eerste twee punten. Men vraagt in de tweede een punt te vinden, dat op gelijke afstanden van de genoemde punten verwijderd is.

4. Van eene lijn, die in een gegeven vlak ligt, is de horizontale projectie gegeven evenwijdig aan den horizontalen doorgang van het gegeven vlak. Men vraagt door deze lijn de vlakken te brengen, die met het gegeven vlak hoeken maken, gelijk aan een gegeven hoek.

5. Een scheefhoekig, vierhoekig prisma staat op het horizontale vlak. Buiten zijn grondvlak is gegeven eene lijn in het horizontale vlak. Men vraagt de nieuwe projectiën van het prisma te bepalen, nadat het vlak, waarin het grondvlak gelegen is, om de gegeven lijn is omgewen-teld, totdat het met het horizontale vlak een gegeven hoek maakt; en ook te bepalen in welke punten het prisma in dien stand wordt gesneden door eene lijn, loodrecht op het horizontale vlak.

1866.

1. Van een gelijkzijdigen driehoek zijn gegeven de projectiën van den top en die van de lijn, waarop de basis ligt. Men vraagt de projectiën van den driehoek te vinden, en den driehoek in werkelijke grootte te construeeren.

2. Bepaal den hoek van een willekeurig gegeven vlak met een vlak, dat door de as gaat.

3. Door een gegeven punt eene lijn te trekken, die den hoek van twee gegevene, elkaar kruisende lijnen middendoor deelt.

4. Van een scheefhoekig afgeknot prisma ligt het grondvlak in \'t horizontale en het bovenvlak in \'t verticale vlak. Bepaal de doorsnede van dit prisma met een vlak, dat door de as gaat en gelijke hoeken maakt met beide vlakken van projectie; en sla die gemeene doorsnede om de as neer op \'t horizontale vlak.

5. Op het horizontale vlak staat een kubus, zoodanig dat een zijner zijvlakken eene ribbe in het verticale vlak heeft, en met dit vlak een hoek van 30\' maakt. Deze kubus wordt om die diagonaal van het grondvlak, welke in de as van projectie eindigt, omgewenteld, totdat zijn grondvlak met het horizontale vlak een hoek maakt van 30°. Men vraagt dien kubus op beide projectievlakken te projecteeren. De ribbe is één palm lang.

ocr page 207

203

E. Werktuigkunde en Kennis van Werktuigen.

1865.

1. Het zwaartepunt te bepalen van een kegelvormig ultgeholden cylinder. Het grondvlak des cylinders is tevens het grondvlak des kegels, welks top in het middelpunt van het bovenvlak des cylinders gelegen is.

Antw. Het zwaartepunt ligt op de gemeenschappelijke as van cylinder

5

en kegel, op een afstand — h van het gemeenschappelijk grondvlak, ala

k de hoogte van cylinder en kegel voorstelt.

2. In twee punten eener gebogene staaf, welke om een steunpunt in een harer uiteinden draaien kan, werken in hetzelfde vlak, doch niet in evenwijdige richtingen, twee krachten P en Q, die evenwicht maken. Van de eerste zijn richting en grootte, van de tweede is alleen de richting bekend. Men vraagt door constructie te bepalen de grootte der tweede kracht, en richting en grootte van de drukking in het steunpunt.

3. Op een lichaam van F pond, geplaatst op een horizontaal vlak, werkt eene kracht K, onder een hoek /i met den horizon. Men vraagt te berekenen, hoe groot deze kracht zijn moet om het lichaam te kunnen voortbewegen. Het bedrag der wrijving wordt als bekend aangenomen.

Antw. Is /\' de coëfficiënt van wrijving, dan moet K grooter zijn dan

fP

cos (i f sin fi

4. Een lichaam wordt met eene snelheid c opgeworpen tegen een hellend vlak, welks hellingshoek « gegeven is. Men vraagt hoe ver het lichaam tegen het hellend vlak zal oploopen, en hoeveel tijd het voor deze beweging zal besteden. (De wrijving komt niet in aanmerking.)

Antiv, Stelt g de versnelling der zwaartekracht voor en zijn c en //

£gt;2

uitgedrukt in meters, zoo zal het lichaam —;- meter tegen het

6 2 (j sin «

c

hellend vlak oploopen, en wel in -7- secunden.

1 y sm a

5. ïwee lichamen, wegende het eene F, het andere Q pond, zijn door een koord verbonden. Het eerste is geplaatst op een horizontaal vlak, waar zijn beweging wrijvingsweerstand ondervindt. Het tweede hangt aan het verbindingskoord, dat over eene katrol is geslagen, vrij neer. Men vraagt, welke snelheid het stelsel van deze lichamen zal verkregen hebben t secunden, nadat het in beweging is gekomen. (De wrijving der katrolschijf kan buiten rekening blijven ; voor die over het horizontale vlak is de wrijvingshoek = p te stellen.

Antw. Als g de versnelling is der zwaartekracht, dan is de gevraagde

11 -i Q — P twin p snelheid -j) ^ J g t.

ocr page 208

204

6. Eene beschrijving te geven van verschillende takeltoestellen, en de evenwichts-verhouding van kracht en last voor een dezer toestellen op te maken. (De wrijving kan hierbij buiten aanmerking blijven.)

1866.

1. Het zwaai\'tepnnt te bepalen van den inhoud van een halven bol.

2. Beschrijf de brugbalans, en verklaar de gronden, waarop de inrichting van dit werktuig berust.

3. Langs een helleud vlak, waarvan de lengte s en de hellingshoek « is, glijdt een lichaam naar beneden in t secunden neer; men vraagt hieruit eene formule af te leiden voor den wrijvingseoëfficient.

Antw. Is g de versnelling der zwaartekracht, dan is de wrijvings-

• • 2^1

coëfficiënt = tang cc---r -.

(J t* cos cc

4. Eene staaf zonder gewicht is opgehangen in het punt O. Een palm boven het punt O is 1 lt;«,\' aangebracht, 2 palm beneden O 2

en 3 palm beneden O, 3 Dit geheele samenstel vormt een samen-gestelden slinger, waarvan men vraagt den slingertijd te bepalen.

Anhv, Is c) de versnelling der zwaartekracht uitgedrukt in palmen,

dan is de slingertijd = ?t\\/ -= 0,55 sec.

F. T e c h n o 1 o g1 i e.

1865.

Eene korte beschrijving te geven van eenige fabriek, of meer uitvoerig eenige mechanische bewerking te verklaren.

1866.

Geef eene beschrijving van eene steenbakkerij, of een houtzaagmolen, of eene glasblazerij of de fabricatie van porselein en aardewerk.

G. K o s m o g\' r a p li i e.

1865.

1. Door welke stelsels van coördinaten worden punten aan den hemel bepaald.

2. Beschrijf den schijnbaren jaarlijkschen loop van de zon voor een waarnemer, geplaatst aan de pool en onder den aequator ; en de verdeeling van dag on nacht, die daarvan het gevolg is.

3. Geef eene korte beschrijving van de wijze, waarop eene graad-

ocr page 209

205

meting wordt verricht; en deel mede hoe hieruit resultaten kunnen worden afgeleid ten opzichte van de gedaante der aarde.

4, Op welke wijze wordt de schijnbare plaats der hemellichamen gewijzigd door de jaarlijksche beweging van de aarde om de zon (Aberratie en Parallaxis) ?

1866.

1. Men vraagt een opstel over de wetten van Keppler.

2. Hoe bepaalt raen de breedte van eene plaats op aarde?

3. Verklaar de schijnbare beweging van eene binnen- en die van eene buitenplaneet.

4. Hoe heeft men den afstand van de aarde tot de zon bepaald?

H. Nat uur kun d e.

1865.

1. Eene beschrijving te geven van de dubbele luchtpomp, en den graad van luchtverdunning te berekenen na den n\'Xm zuigerslag.

2. Beschrijf den areometer van Nicholson en het gebruik, dat van dit werktuig wordt gemaakt. Verklaar de handelwijze en de berekening ter bepaling van liet soortelijk gewicht van een voorwerp, dat lichter is dan water.

3. Eeue schets te geven van de methoden, die dienen om de spanning van waterdamp bij verschillende temperaturen — hooger en lager dan 100quot; C. — te bepalen.

4. Eene schets te geven van de verschijnselen van magnetische en galvanische inductie en hunne voornaamste toepassingen.

5. Het beeld te construeeren door een hollen spiegel ontworpen van een voorwerp buiten het middelpunt geplaatst, en de verhouding te berekenen van de grootte van het voorwerp en die van het beeld.

1866.

1. Een opstel over de verandering van agregatietoestand, de verschijnselen, die zich daarbij voordoen, en do wetten die daarbij vallen op te merken.

2. Een opstel over het mechanisch aequivalent van de warmte.

H. In de keten eener galvanische batterij van zes elementen is een voltameter geplaatst. In zeker tijdsverloop is in den voltameter 300 kub. centimeter knalgas ontwikkeld, bij eene temperatuur van 15quot; C. en een barometerstand van 77 centimeter, terwijl do vloeistof van den voltameter, welks soort, gewicht = 1,1 is, in de gasbuis 24,6 centim. hooger staat dan daarbuiten. Men vraagt te berekenen, hoeveel zink in elk dei-cellen is opgelost. Anhv. 0,545 gram. Zie blz. 114.

4. Den loop der lichtstralen te construeeren in een Hollandschen kijker of in een samengesteld mikroskoop.

ocr page 210

206

I. Scheikunde.

1865.

1. Wanneer uit 4,5 kilogram gekristalliseerd zwavelzuur koperoxyde (5 aequiv. kristalwater bevattende) door ijzer 1,139 kilogr. koper wordt verkregen, hoe groot is dan het aequivalent van het koper? Hoeveel ijzer is daartoe noodig?

Antiv. Het aequivalent van koper is 31,5; de hoeveelheid ijzer is 0,987 kilogram. Bekend verondersteld de aequ. van O, S en Fe.

2. Op welke wijze kan men aantoonen, dat water uit waterstof en zuurstof bestaat?

3. Door welke middelen kan men metaaloxyden tot metalen herleiden ? Geef\' daarvan voorbeelden uit de praktijk.

4. Hoe verkrijgt men koolzure soda uit keukenzout ?

5. Geef de hoofdgroepen der organische verbindingen op, en voor twee der voornaamste de belangrijkste kenmerken. Deel eenige bijzonderheden mede van ééne of meer stoffen uit de genoemde groepen.

6. Beschrijf en verklaar de verzeeping van olijfolie door bijtende soda.

1866.

1. Hoe komt het koolzuur in de natuur voor, en hoe kan men het zuiver bereiden ?

2. Wat weet gij van de verbindingen van zuurstof en stikstof?

3. Hoeveel zwavelzuur heeft men noodig om 1 kilogram gekristalliseerde koolzure soda te veranderen in zwavelzure soda ? Gekrist, kook. soda CO2, Nn O -f 10 HO. Na = 23.

A)ilw. 343 gram. Zie 1867, Zeeland.

4. Wat is het verschil tusschen gietijzer, smeedijzer en staal, en hoe worden smeedijzer en staal bereid?

5. Een o pstel over de zoogenaamde koolhydraten.

K. Beginselen der Dier-, Plant-, Aard- en Delfstofkunde.

1865.

1. Een overzicht te geven van de stofwisseling en de daartoe dienstige werktuigen in het dierenrijk.

2. Een overzicht te geven van de typen (grondvormen) of hoofd-afdeelingen van liet dierenrijk, met nadere beschouwing van één dezer typen.

3. ^ Een algemeen overzicht van het samenstel der bloem, met vermelding der bijzonderheden, die tor kenschetsing der klassen en orden van het stelsel van Linnaeus gebezigd worden.

ocr page 211

207

4. Beschouwing van den stengel en wortel, met beschrijving van den inwendigen bouw des stengels.

5. Een beknopt overzicht van de wijzen, waarop de oppervlakte der aarde veranderd wordt door het water of door vulkanische werkingen.

6. Eene beschrijving van de vorming der Venen.

7. Eene beschrijving van het Nederlandsch diluvium.

8. Van welke kenmerken maakt men vooral gebruik om de mineralen te onderscheiden ?

9. Een beknopt overzicht van de leer der kristallen.

1866.

1. Wat weet ge van het bloed en den bloedsomloop in het raen-schelijk lichaam.

2. Welke voorstelling hebt ge van den algemeenen bouw van ons gezichtszintuig ?

3. Wat zijn gelede dieren (Cuvier); waarin zijn Insecten, Spinnen en Schaaldieren van elkander onderscheiden, en welke zijn de karakters van de orden der Kevers, der Vlinders en der Vliegen ?

N.B. Bij de beantwoording der laatste vraag kan, desverkiezende, voor gelede dieren: gewervelde dieren; voor Insecten, Spinnen en Schaaldieren: Zoogdieren, Vogels, Reptiliën en Visschen; voor Kevers, Vlinders en Vliegen: Vleermuizen, Herkauwende dieren en Buideldieren worden in de plaats gesteld.

4. .Noem en beschrijf de deelen, die behooren te worden onderscheiden in de bloem; en vervolg hunne levensgeschiedenis zoover ge kunt.

5. Deel mede, wat u bekend is aangaande den bouw, de levensverrichtingen en de vermenigvuldiging der plantencel.

6. Verklaar de volgende uitdrukkingen;

1. enkelvoudig en samengesteld blad ;

2. éénhokkig en veelhokkig vruchtbeginsel;

3. jaarringen ;

4. één- en tweezaadlobbige planten;

5. saAmhelmigen (syngenesia); i

» broederigen (synadelphia); I (Linnaeus)

» machtigen (syndynaniia); \\

G. twintighelmigen (icosandria; I /r •

en veelhelmigen (polyandria). ^ ^ jumaeus)

7. Wat weet ge van het voorkomen en de vorming van het Nederlandsch diluvium? Zie hierboven 1865.

S. Wat weet ge van de steenkolen, van de wijze waarop, en den tijd, waarin die vooral zijn gevormd?

9. Wat weet ge van de inrichting van geologische kaarten ?

(Bij de beantwoording dezer vraag wordt de schets van een voorbeeld verlangd.)

10. Geef een beknopt overzicht van de kristalstelsels; beschrijf de

ocr page 212

208

enkelvoudige vormen van het regulaire stelsel, en toon daarbij met een paar voorbeelden aan, op welke wijze de heraiëdrische vormen worden afgeleid.

11. Noem en beschrijf de belangrijkste edelgesteenten.

12. Deel mede, wat u bekend is aangaande de belangrijkste ertsen van het ijzer of van het koper, en wijs diegenen daaronder aan, waaruit het metaal vooral wordt gewonnen.

L. Gronden van de Gemeente-, Provinciale en Staatsinrichting* van Nederland.

1865.

1. Beschrijf in hoofdtrekken, hoe een Gemeente bestuurd wordt, en op welke wijze de ingezetenen zelve en de hoogere machten in den Staat, invloed uitoefenen op het bestuur der Gemeente en hare geldmiddelen.

2. Zeg, met eenige toelichting over benoeming enz, bij wie de wetgevende macht en de uitvoerende macht berusten

voor het rijk » de provincie » de gemeente,

en hoe die worden uitgeoefend.

3. Duid de onderwerpen aan, voor welke do Grondwet eene regeling bij de wet vereischt, en voor welke onderwerpen die regeling heeft plaats gehad.

4. Wat is de rijksbegrooting? Hoe komt die tot stand, en hoe worden de staatsuitgaven verantwoord?

1866.

1. Hoe wordt het bestuur over onze Oost-Indische bezittingen uitgeoefend ; beschrijf den werkkring der verschillende autoriteiten, die daarmede belast zijn.

2. Beschrijving van het bestuur eener provincie.

M. Staathuishoudkunde en Statistiek.

1866.

1. Wat verstaat men onder zoogenaamde Bescherming van nationalen arbeid? Geef eenige voorbeelden van dergelijke bescherming — ook voor andere takken dan fabrieksnijverheid — en zeg, met uwe beoordeeling, welke de gevolgen zijn van zoodanig stelsel op de nijverheid zelve, en de ingezetenen in het algemeen.

ocr page 213

209

2. Noem eenige soorten van Banken, met korte aanduiding van haren werkkring, en beschrijf eenigszins uitvoeriger de inrichling oenor circulatiebank.

3. Welke zijn de onderscheidene voordeelen van stelselmatige verdeeling van arbeid in eene fabriekinrichtiug?

4. Welk is het verschil tusschen vasten verloopend kapitaal? Noem eenige voorbeelden van beide, en hoe zij bij de voortbrenging worden aangewend?

5. Welk is het verschil tusschen voo rtb ren gers prij s en marktprijs; en hoe worden beide bepaald en op den duur geregeld?

G. Waarom is do waarde van goud en zilver betrekkelijk zooveel vaster dan die van de overige koopwaren ?

7. Wat is het Entrepot en zijne bestemming?

8. Wat zijn Land bo u w t i en de n, en wat is hun invloed?

9. Noem eenige belangrijke onderwerpen voor statistiek voor ons vaderland.

10. Welke zijn de voornaamste voortbrengselen van onzen landbouw?

En de voornaamste artikelen

van onzen invoerhandel ?

van onzen uitvoer?

11. Geef\' een paar voorbeelden van de wijze, waarop statistieke opgaven nuttig kunnen worden gebruikt.

1866.

1. Een opstel over waarde, prijs en prijsregeling.

2. Welke verschillende soorten van banken zijn u bekend; geef\'eene korte beschrijving van haar werkkring.

3. Wat zijn de bronnen van vaste inkomsten van den staat; geef\' daarvan een korte beschrijving.

4. Geef eene beschrijving van de voornaamste bronnen voor de bevolkingsstatistiek.

Wat is volstrekte en betrekkelijke bevolking van een Staat, en hoe is het in dit opzicht gesteld met Nederland, vergeleken met eenige andere landen van Europa.

N. Aardrijkskunde.

1865.

1. Beschrijf\' den loop van den Rijn op Nederlandsch grondgebied, met opnoeming van de steden, die hij bespoelt, zijne takken en zijrivieren.

2. Welke namen dragen de monden van Maas en Schelde, en welke eilanden vormen zij ?

14

ocr page 214

210

3. Welke groepen en afzonderlijke eilanden vormen de Nederland-sche Oost-Indische Bezittingen, en welke zijn er de voornaamste steden ?

4. Wat weet ge van de luchts- en grondsgesteldheid van Java, en welke zijn zijne voornaamste producten ?

5. Geeft een overzicht van het bergstelsel van Azië.

G. Teeken eene kaart van Groot-Brittannië en Ierland.

1866.

1. Beschrijving van eene Nederlandsche Provincie.

2. Algemeene beschrijving van onze bezittingen in O. I.

3. Aanwijzing van de Staten, waaruit het tegenwoordig koninkrijk Italië is samengesteld; opnoeming van de voornaamste steden in elk dier afdeelingen, met opgave der rivieren of zeeën, waaraan of in wier nabijheid zij liggen.

4. Opsomming van de hoofdvoortbrengselen en voorname takken van nijverheid van eenig land van Europa of Amerika, met opnoeming der plaatsen, waar eenige industrie voornamelijk wordt uitgeoefend.

(), G e s c li i e (l e n i s.

1865.

1. Geef een overzicht (met nauwkeurige opgave der jaren) van den Peloponnesischen oorlog, of van den tweeden Punischen oorlog.

2. Geef een overzicht (met nauwkeurige opgave der jaren) van den strijd tusschen Hendrik IV en Gregorius Vil, of van dc kruistochten.

3. Geef een overzicht (met nauwkeurige opgave der jaren) van do geschiedenis van Engeland, ten tijde van Cromwell, of van den tweeden stadhouderloozen tijd.

4. Welke zijn de bepalingen van den vrede van Munster?

5. Geef een overzicht van de gebeurtenissen in het jaar 1815.

1866.

1. Een tijdperk uit den 80-jarigen oorlog, n.1. of de komst en het bestuur van Alva; ftf de gebeurtenissen na den dood van Requcsetis en onder het bestuur van Don Juan; of het tijdperk van Leicester; öf het stadhouderschap van Frederik Hendrik.

2. Korte schets van de geschiedenis des vaderlands van 1790—1848, met chronologische opgaven.

3. Oorzaak en loop der Persische oorlogen.

4. Oorzaak en loop van den Peloponnesischen oorlog. Zie 1865.

5. De veroveringstochten van Alexander met hunne gevolgen.

6. De strijd tusschen Patriciërs en Plebejers.

7. Oorzaken en loop der Punische oorlogen. Zie 1805.

ocr page 215

21 I

8. Schets van den gang der groote Volksverhuizing.

9. De kruistochten. Zie 18G5.

10. Ontdekkingen en vestiging der Europeesche volken in Amerika of in Oost-Jndië.

11. De Engelsche omwenteling in de 17\'le eeuw.

12. Een tijdperk uit de Fransche geschiedenis onder de regiering van een der koningen uit het huis der Bourbons,

1*. Nederlandsche Taal.

1865.

1. Geef eene grammaticale en logische ontleding van de volgende regels:

\'t Was ol\' natuur verbood, den toeleg door te drijven;

Zij wijst de schepen af, die wreev\'lig binnen blijven;

Uit deernis met de ramp, die \'t opzet kosten zou,

Geeft zij hun tegenwind voor de afgebeden kou.

2. In welke tijdvakken kan de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde verdeeld worden; wat is het kenmerkende, en welke zijn de voornaamste schrijvers in ieder tijdvak?

3. Wat is, buiten rijm en maat, het onderscheid tusschen proza en poëzie.

4. Geef een oordeelkundig overzicht van een dicht- of prozawerk van een schrijver uit de 17\'10 of 18lt;l0 eeuw.

1866.

1. Welke zijn de voornaamste dichters uit de 17\'1quot; eeuw, en hunne meest bekende werken ? Geef tevens, minstens van- één hunner, eene korte levensbeschrijving, of de analyse van één hunner hoofdwerken.

2. De Nederlandsche letteren in het midden der 18\'\'\', eeuw, karakter van dat tijdperk; opgave der voornaamste toen levende dichters.

3. Schets eener geschiedenis van het Nederlandsche tooneel.

Q. Fransche Taal.

1865.

1. Quelle est 1\'influence, que la réformation a eue sur la languc franyaise ?

2. Donnez un aperyu d\'une tragédie ou d\'une comédie frangaise du XVU siècle.

3. Donnez une petite biographic de Molière, et indiquez en quoi consiste son mérite comme auteur comique.

4. Quelle est la part, qu\'ont eue les grands auteurs du XVIII siècle il la révolution de 1789?

ocr page 216

212

1866.

Noraraez du siècle de Loui.s XIV les principaux éorivains avec leurs oeuvrps, et pariui ces dcrivaius, choisissez ud, dout vous dounerez uue petite notice biographique, accotnpagnée d\'un aperyu de quelqu\'une de ses productions littéraires.

R. Hoog\'duitsche Taal.

1865.

1. Ueber Minnezanger und Mcistersünger.

2. Das Nibelungenlied.

3 Stand der Literatur ira lCgt;tün Jahrliundert.

I, Lessing als dramatischer Dichter.

5. Schiller.

6, Die patriotischen Dichtér der letzten fünf\'zig Jahre. llic.htung, Ein-Huss, Producte.

1866.

1. Welche Fabeldichter finden sich in der deutschen Literatur, welche sind ihre Producte, und in welcher Zeit habcn sie gelebt?

2. Welche Dichter sind Ihnen bekaunt aus dem achtzelinten Jahrliundert; was wissen Sie von ihren Werken?

3. Welche sind die bedeutendsten Werke von Schiller und von Göthe, und durch welche Richtung unterscheiden sich diese beiden Dichter ?

S. EngeLsche Taal.

1865.

1. Welke belangrijke verschijnselen in de letterkunde, en vooral in de dramatische literatuur van Engeland, deden zich voor gedurende den burgeroorlog in de 17\'le eeuw, en onmiddellijk na de herstelling van het koningschap ?

2. Wat weet gij van de eerste schrijvers van Engeland, die ons dichtwerken hebben nagelaten als zoodanig nog beroemd?

En wat van die geschriften zelve?

3. Welke zedekundige schrijvers hebben in de eerste helft der 18\'quot; eeuw getracht de periodieke pers te doen dienen tot verbetering van den smaak tot waardeering van juiste critiek en tot bevordering van de beschaving in het algemeen? En wat weet gij van hen?

4. Geef eene zeer korte schets van eenig klassiek Engelsch werk van den laatsten tijd {]9\'le eeuw) door U gelezen; vermeld in welk genre en door welke bijzondere eigenschappen het volgens uw oordeel min of meer uitmunt, en voeg er bij wat gij van den schrijver weet.

ocr page 217

1866.

1, What English historical writers have you read? Give some account of tiieir writings.

2. With what writers are you acquainted belonging to the 1.7quot;\' or 19quot;\' century? Which of their works have you read? State your opinion on their peculiar merits or defects.

T. Boekhouden.

1865.

1. Welke zijn de drie hoofdboeken, die bij de dubbele boekhouding gebruikelijk zijn?

2. Geef eene definitie van het tweede.

3. Geef een voorbeeld, dat wisselrekening winst afwerpt, en een ander, dat zij verlies geeft.

4. Wat is het accepteeren van een wissel, en hoe geschiedt het?

5. Waarom is de voortdurende optelling van het journaal aanbevelenswaardig ?

6. Wat verstaat gij door debiteeren en crediteeren van eene persoonlijke rekening?

7. Welke zijn de drie rekeningen in het Grootboek, die met wisselbrieven in verband staan? Wanneer en waarvoor moeten zij worden gedebiteerd en gecrediteerd? Wat zal, bij het sluiten der boeken, door een eventueel verschil der optellingen debet en credit van elk der drie, ten opzichte van het vermogen des koopmans worden aangeduid?

8. 1865. 3 Juli. A. te Delft verkoopt aan li. te Amsterdam op twee maanden tijd: 30 vaten tabak, wegende 71-10 kilo A 35 cents per | kilo......................../\' •llt;.)98.

18(35, 7 Juli. B. betaalt (deze tabak te Amsterdam ontvangende) daarop vracht en andere onkosten.............ƒ 90.

18()5. 3 Augustus. A. trekt een wissel op B., betaalbaar eene maand na dato, aan de order van C., en zendt dien aan C.....ƒ 4998.

1865. 4 Augustus. B. accepteert dezen wissel.

1865. 3 September. B. betaalt dien wissel aan C.

Geef volledige journaalposten, die uit deze daden voor het journaal van A., van B. en van C. voortvloeien.

1866.

1. Te journaliseeren de volgende Memoriaalposten:

Januari 1. Begint A. te Amsterdam zijne zaken met /\' 12 000 aan contant geld. Aan onderscheidene personen is hij schuldig de totale som van f 4 000. Van onderscheidene andere heeft hij f 5 500 te vorderen.

» 3. Hij koopt van P. Landgraaf 200 balen Java-koffie wegende netto 12 000 pond il 42|- cent per \'/a pond, ;■gt; contant met 1^ pet. korting.

ocr page 218

Jaiuiuri \'( Hij zendt deze koffie naar Londen aan J. Merchant, oj) diens order en voor diens rekening, en voegt daarbij eene factuur, waarbij hij de koffie tot denzelfden prijs berekent (echter nu zonder korting voor contant, en alzoo op 3 maanden gesteld) mot toevoeging van ƒ 50,20 voor onkosten en !■£ pet. commissie.

» 5. P. Landgraaf wordt door A. betaald.

» 8. A. ontvangt van J. Merchant, in mindering van diens schuld, een wissel op Peabody, groot f 10 000 betaalbaar 4 April e. k.

» 10. Deze wissel wordt door A. bij de Ned, Bank verdisconteerd met 85 d. disconto il 5 pet., en bet netto beloop van de Ned. Bank ontvangen.

» 11. A. betaalt de ƒ50,20 onkosten.

2. Iemand heeft in Parijs te goed 2514 franken, en kan daarvoor afgeven tot 56| frank, of ook zich laten remitteeren tot 213 franken. Welke weg is het voordeeligst, en hoe groot is het verschil ?

3. Beschrijf een wissel van £ 500, door Claassens te Amsterdam aan de order van Lafontaine te Parijs, op P. Canterbury te Londen, getrokken op 3 maanden na dato.

[J. Warenkennis.

1865.

1. Van welke grondstoffen worden weefsels vervaardigd ? Hoe kan men ze van elkander onderkennen ? Deel eenige bijzonderheden mede wat betreft de plaatsen van oorsprong.

2. Welke is de samenstelling der voornaamste witte verfstoffen ? Hoe kan men ze onderkennen ? Welke vervalschingen komen er somwijlen in voor ?

1866.

Cultuur en bereiding van een onzer koloniale producten.

ocr page 219

1 N HO IT I).

BEPAT.ItfGEN BETREFFEN OB DE EINDEXAMENS..........................5.

1. Wet tot Regeling van liet Middelbaar Onderwijs..................5.

2. Algemeen Reglement voor de Eindexamens......................0.

3. Programma der eischen voor elk der vakken................11.

4. Verschillende bepalingen ... ....................17.

5. Eenige Statistieke opgaven.........................17.

A.^ Stelkunde................ ............10.

B. Goniometrie en Trigonometrie..........................34.

O. Meetkunde............. . . ..............45.

D, Beschrijvende Meetkunde..................(i-2.

E. Beschrijvende Meetkunde en Rechtlijnig Teekenen..................72.

P. Rechtlijnig Teekenen..........................................74.

G. Handteekenen................................................79,

H. Werktuigkunde en Kennis van Werktuigen........................81.

I. Technologie ..................................................102.

J. Kosmographie..................................................103.

K. Natuurkunde I. Vraagstukken..................................103.

„ II. Bcschrijoinynn, Opstellen, enz..............117.

L. Scheikunde. I. Vraax/slxtkken..................................124.

„ II. Beschrijvingen, Opstellen, enz........................130.

ocr page 220

216

Bladz.

M. Beginselen der Dier-, Plant-, Aard cn Deifatofknnde . ............140.

N. Gronden van de Gemeente-, Provinciale en Staatsinrichting van

Nederland..................................143,

O. Staathuishoudkunde en Statistiek......... ............14(5.

P. Aardrijkskunde..................................................150

Q. Geschiedenis...................................151.

B. Nederlandsche Taal..............................................156.

S. Fransche Taal................................................löl.

T, Hoogduitsche Taal . . . ■......................................168.

U. Engeische Taal..................................................175.

V. Boekhouden....................................................1^1

W. Warenkennis . . ...............................................198.

Delftsche examens „Aquot;, 1865 en 1866, A tot U............100.

E R RATA.

_ A -| 1/^ 1 —j - 1 oer *1

bi/,. 21, regel 11 van onder, lees: Anlw. x = 10 t amp;■ = enz.

biz. 48, » 7 » » staal 3\'\'(\', lees: 2llu.

blz. 05, staal Overijssel. De officieele spelling is niet twee s; de menr gebruikejijke met één s.

blz. 66, regel 12 van boven, slaat standhoek, lees: (?) standhoek.

blz. 100, 1887, 1, Anlw. lees: De hoek is 0quot; of 180quot; of zijn cosinus = enz.

1)1/. 101, regel 13 van boven, lees: Antir. 30quot; of Bg (ig = y\\/ 3).

blz. 161, 1801 nquot;. 3, slaat en, lees in.

d. H31

ocr page 221

SUPPLEMENT.

EINDEXAMENS

DER

HOOGrERE BURGERSCHOLEN.

Verzameling der Schriftelijke Vragen.

1892—1893.

A. Stelkunde.

1S92.

1, Bereken do waarde van x in de volgende vergelijking:

{x1 — Qx \'12)2 — {x — 3)2 nr 15.

Anlw. « — -1-2; a? —-[-4 of « zm 3 zh ]/ — 6.

2. Do Jaren van 7 personen vormen eene rekenkunstige reeks. Als de oudslc 30 jaren telt en liet derde doel van hel produkt van de jaren der beide jongslen 48 minder is dan de som der jaren van allen, vraagt men, hoe oud ieder is.

Anlw. 30, 28, 20, 24, 22, 20 en 18 jaren.

is»».

1, Los x en t/ op uit de vergelijkingen:

2/3 — üTa; — 67)/ z= 0 en x — 2*/ := 5.

Anlui. « = 9, 2/1=4-2;» — — 9, y = — 7-, « = 4-4,

y = — l

2, Een vader wil, le beginnen met 1 Januari 1894, voor zijn zoon die op dien datum zes jaar oud is, lelken jare bij begin van hel jaar een gelijk bedrag bij eene bank op inlérest zeilen, opdat deze aan den zoon, als hij den leeftijd van aclillien jaren bereikt heeft, gedurende zes achtereenvolgende jaren bij liet begin van elk jaar een bedrag van veertienhonderd gulden zal\'uitbetalen. Indien nu de laalsle storting van den vader samenvalt met de laulsle uilbe-

ocr page 222

2

taling van de bank aan den zoon, hoeveel bedraagt dan die laatste storting, als samengestelde interest a 4% gerekend wordt?

Antw. Gedurende \'18 jaren stort de vader ieder jaar /\'362,10.

B. Tpigonometpie.

1893.

, •. , v, • tang 2/ tang/ _ a

1. Los / op uit de vergelijking: — *■

Anlw. tg / = zt (1 ± i/ 2), dus y = 22° 30\', / — 07° 30\' enz.

2_scc 2 ci

2. Bewijs dat tang (30° -1- ct) tang (30 a) ~ quot;a | zcc^a\'

3. Uepaal de waarden van x, die voldoen aan de vergelijking:

— 1_2 sin2®.

12 cot x

Anlw. Sin 2x =: dus a; = 28° 13\'17quot; ol 01° ^0\'43quot;.

1893.

1, In driehoek A 13 G besclirijft men een cirkel. De raakpunten van dezen cirkel met de zijden zijn de hoekpunten van een anderen driehoek D E F. Bewijs dat de verhouding der inhouden van de driehoeken ü IC F en ABC wordt voorgesteld door:

2 sin Vi A. sin V» B. sin 1 /2 G.

2, In eiken driehoek is:

sin G_sin (A — B)

c 2 «2 —

Bewijs dit. [Voor c 2, lees c2.]

3, Los x op uil de vergelijking: _

sin a; -j- cos a; -j- 1 /3 \\/ 0 sin (45° — x)—\\/ 2.

Anlw. .t =z -j- ^5° of — 15°.

C. Meetkunde.

1893.

1, Van een driehoek A B G is gegeven de tophoek C, de basis A B en op de basis het punt D, waarin de basis gesneden wordt

ocr page 223

3

door dc lijn, welke den tophoek in twee gelijke deelen verdeelt. Wordt gevraagd den driehoek te construeeren.

2, Bewijs dat de inhoud van eene afgeknotte pyramide ook gelijk is aan \'/o van de hoogte, vermenigvuldigd met de som van grondvlak, bovenvlak en 4maal het vlak, dat op het midden van de hoogte evenwijdig aan de eindvlakken wordt aangebracht.

3, Een bol met een straal U en een kegel met een hoogte S R en met den straal van het grondvlak R, zijn naaft elkander op een vlak P\'J geplaatst. Men vraagt op welken afstand van het vlak P\'; men een vlak M N moet aanbrengen evenwijdig aan vlak P\', opdat de inhouden der deelen van beide lichamen tusschen deze vlakken gelijk zijn.

Anlw. Op den afstand 0 of -l R (9 — j/21).

1, Wanneer men uit de hoekpunten van een in een cirkel beschreven gelijkzijdigen driehoek loodlijnen neerlaat op eene willekeurige middellijn ^n den cirkel, dan is de som der loodlijnen, die aan dezelfde zijde van die middellijn liggen, gelijk aan de derde loodlijn. Dit te bewijzen.

2, In een halven bol (straal — R) beschrijft men een kubus zoo, dat de hoekpunten van bet bovenvlak in bet oppervlak van den bal-ven bol liggen, terwijl het grondvlak van den kubus in het platte grensvlak van den halven bol ligt.

Men vraagt: 1°. de verhouding van de inhouden van den kubus en van de bolschijf begrepen tusschen grond- en bovenvlak van den kubus en 2f\'. de verhouding van de ronde oppervlakken der lichamen, waarin het bovenvlak van den kubus — behoorlijk verlengd — den halven bol verdeelt.

Antw. 4quot;. 0 : 7 tt. ^0. 2 -[- i/ 6 :1. Zijde van den kubus — J i/ 0.

3, Twee overstaande ribben van een viervlak kruisen elkander rechthoekig en zijn gelijk aan n en b. Indien dit viervlak gesneden wordt door een vlak, evenwijdig met die ribben en daartusschen gelegen, vraagt men:

1°. te bewijzen dal de doorsnede een rechthoek is;

2°. de oppervlakte van dezen rechthoek te berekenen, als de afstanden der ribben a en 6 tot dit vlak zich verhouden als \\ : 2.

Anhv. Dc zijden van den rechthoek zijn | a en J h.

ocr page 224

/l.

D. Beschpijveode Meetkunde.

ÏH02

1. Door eon punt oonor pegoven lijn ecno lijn lo trokken, die loodrecht staat op de gegeven lijn en evenwijdig is aan een gegeven vlak.

2. Opgeven een vlak evenwijdig aan do as van projectie, een vlak loodrecht op die as en ecno lijn, welke die as loodrecht kruist.

Men vraagt in die lijn de punten to bepalen, die op denzelfden afstand van do beide gegeven vlakken verwijderd zijn.

1««:*.

1, Door een gegeven punt in de as van projectie cene lijn te trekken, die twee lijnen snijdt, waarvan de eene de as loodrecht kruist en de tweede willekeurig gegeven is.

2. Construeer een gelijkbeenigen driehoek, waarvan basis en hoogte gegeven zijn. De top van den driehoek moet op de eone van twee gegeven lijnen liggen, de basis op de andere. De twee gegeven lijnen snijden do as in hetzellde punt.

F. Rechtlijnig teekenen.

I Slt;gt;2.

Een regelmalig zeszijdig prisma (ribbe van liet grondvlak — 2 cM., opslaande ribben ~ 10 cM.) ligt met eeu der opslaande ziivlakken in het horizontale vlak, terwijl de eindvlal\'ken hoeken van (30° met het verlicaie vlak maken. Kene regelmatige afgeknotte vijfzijdige piramide (ribbe van het grondvlak — 4 cM. van het bovenvlak — 2 cM., hoogte = l/p cM.) ligt met eene der ribben van het grondvlak in het horizontale vlak cn steunt met het aan die ribbe sluitende opstaande zijvlak tegen eene der lange ribben van het prisma. Dit zijvlak maakt mei het horizontale vlak een hock van 4-5°.

Men vraagt de projection van beide lichamen te teekenen. De onzichtbare ribben moeten mol punten worden gestippeld. De as van projectie neme men op ongeveer een derde van de hoogte van het papier, van den bovenkant af gerekend.

1 SI»».

Eene lijn in het horizontale vlak snijdt do as van projectie onder een hoek van 30° in een punt A. Op die lijn zijn twee punten 13

ocr page 225

cn C genomen zoodanig dal A13 = 14 c.M. en AC — 30 c.M. is. De punten U en C zijn do middelpunten van twee cirkels mei stralen — 6 c.M. In den cirkel B is ecu regelmatige vijfhoek en in den cirkel C een regelmatige zeshoek beschreven. De zijden Gil van den vijl-hoek en (31\' van den zeshoek staan loodrecht op IJC cn liggen heide tusschen IJ en G. Deze veelhoeken zijn de grondvlakken van regelmatige piramiden met gelijke hoogten — 40 c.M. De zeshoekige piramide wentelt om OP, totdat de top op een zijvlak van dc vijfhoekige piramide valt. Men vraagt do projectiën van beide lichamen in dien staiid te projecteeren.

De onzichtbare ribben worden gestippeld. De as neme men op een derde van de hoogte van het papier; het punt A op een derde van de lengte van het papier.

(i. Handteekenen.

1S93.

TWEEDE GEDEELTE.

Uit de verzameling gipsmodellen der school kieze men een of meer modellen naar gelang van het aantal candidaten. liet model zij eenvoudig van vorm, symmetrisch en zonder veel détails, liet relief zij eenvoudig, doch krachtig. Dc schaduwgedeeltcn moeten eenigszins verlicht zijn door reflex-licht.

in do teekening, naar het gegeven model te vervaardigen, moeten vooral de hooldvormen juist zijn weergegeven. Dc schaduwbehan-deling zij eenvoudig. Jn de wijze van bewerken is den candidaat de keuze geheel vrijgelaten.

1893,

TWEEDE GEDEELTE.

Uil de verzameling gipsmodellen der scholen kieze men een of meer modellen naar gelang van het aantal candidaten. Het model zij eenvoudig van vorm, zonder veel détails, liet relief zij eenvoudig doch krachtig. Dc schaduwgcdeelten moeten eenigszins verlicht zijn door reflex-licht.

in dc teekening moeten vooral de hoofdvormen juist zijn weêr-gegeven. De wijze der schaduwbehandeling is vrijgelaten.

ocr page 226

ü

H. Werktuigkunde.

1 S!gt;*.

1, Eene homogene slaaf lang (3 d.M rust mol hel onderuileinde op een horizonlaal vlak en wordl op \'/3 van hare lengte, van liet bovenuiteinde gerekend, gesteund door eene horizontale pen. Floe hoog moet deze pen boven het horizontale vlak liggen, opdat de staal op hel punt zij van uit te glijden? De wrijvingscoëlficient is, voor beide punten, waar de slaaf steun vindt, fzzzO.V.

Anlw. Noemt men « den hoek, dien de slaaf met den verticaal maakt, dan is Sin 2 « §£, en de gevraagde hoogte 3,85(3 dM. of 1,063 dM.

2. Eene ijzeren afgeknotte pyramide, waarvan grond- en bovenvlak vierkanten zijn, slaat op een horizontaal vlak. Hoeveel arbeid is er noodig, om haar om eene der rihhen van liet grondvlak zóó ver te kantelen, dat zij juist in onstandvastig evenwicht komt?

Anlw. Zij a de ribbe van het grondvlak, h die van het bovenvlak, h de \'hoogte en s het soortelijk gewicht der afgeknotte pyramide, dan is haar gewicht P ~ | h s (.r ^ h\') en ligt haar

, 2 a b —1— 3 h j-, .

zwaartepunt op een hoogte } h. —^ _u (j- gevraagde

arbeid is P (\\/ x\' I a\' — ■\'\'\')•

I H!»».

1, In een bolsegment van hout, waarvan het soortelijk gewicht 0,8 is, heeft men een cilindervormig gat geboord cn dit vervolgens met lood, waarvan het soortelijk gewicht gelijk 12 wordt gesteld, gevuld. Als de as van den cilinder mei de pijl van het segment en hel grondvlak van den cilinder met hel platte grensvlak van het segment samenvalt, vraagt men den afstand van het zwaartepunt van hel aldus gevormde lichaam tot dit grensvlak te berekenen.

De straal van den hol, waartoe het segment behoort, is 10 c.M., de lengte van den pijl is ü c.M., de straal van den cilinder is 4 c.M. en de hoogte eveneens 4 c.M.

Anlw. 2ï^cM.

2. Een staaf steunt met het ondereinde tegen een verticalen muur en is in het midden aan eene koord bevestigd dat aan den muur is vastgemaakt, in een punt verticaal boven het steunpunt van de slaaf gelegen, op een afstand gelijk aan de lengte van de slaaf. Aan het vrije uiteinde is een gewicht gehangen dat 7 maal zoo groot is als het gewicht van de staaf, waardoor deze op hel punt staat van uil

ocr page 227

7

le glijden. Zoo in dezen stand hel koord con lioek van 90° met de staal\' maakt, en liet zwaartepunt van deze laatste in het midden is gelegen, vraagt men naar de wrijvingscoëlïicient tusfclien staaf en muur.

Anlw. De wrijvingscoëfficient — [ ï j/ 3 — 0,50037.

K. Natuurkunde.

1893.

A. Geef een beknopt en zakelijk antwoord op de volgende drie vragen:

1. Hoe bepaalt men het mechanisch aequivalent der warmte?

2. Hoe bepaalt men door de proef van Kundt de voortplantings-snelheid van het geluid in vaste en gasvormige lichamen ?

3. Waarvan is de warmteontwikkeling bij den galvanischen stroom afhankelijk?

B. liet volgende vraagstuk op to lossen:

Door het deksel van een overigens gesloten cilindervormig val van 3 dM. hoogte gaal eene buis, die aan heide einden open is, tot op \\ dM. afstand van den bodem dos cilinders. In deze buis giet men water, totdat de buis tol op 1 M. boven hot deksel van den cilinder gevuld is. Hoe hoog staat het water in den cilinder boven hel ondereind dor buis?

Neem don barometerstand = 740 mM. en het sp. gewicht van kwik z= \'13,5.

Anlw. Ruim 21,1 mM., als de lucht uil de buis en die uit hel vat. beneden do buis ontwijken kunnen.

18«».

A. Geef een belmopt zakelijk antwoord op de volgende drie vragen:

1. Wal is de latente verdampingswarmte eener vloeistof en hoe wordt zij bij verschillende temperaturen bepaald?

2. Beschrijf de inrichting en hel gebruik van den speclroscoop.

3. Beschrijf de inrichting en het gebruik dor tangenlenboussole.

B. Hel volgende vraagstuk op te lossen:

Vóór eene convergeerende lens, waarvan do hoofdbrandpunlsafstand 50 c.M. is, staal op oen afstand van 70 c.M. een voorwerp. Op een afstand van 125 c.M. achter deze lens staat een divergeerende lens

ocr page 228

8

met een hoofdbrandpuntsafstand van 80 c.M. Waar ligt het beeld, dat gevormd wordt na de breking door beide lenzen, en lioevecl maal is liet vergroot ?

Teeken den gang der lichtstralen.

Antw. liet werkelijke beeld ligt 133j cJI. achter de divergee-rende lens en is maal vergroot.

L. Scheikunde.

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1. üe phosphorus, lieschrijt zijn voorkomen in de natuur, zijne bereiding, allotropische toestanden en eigenschappen. Geef verder de bereidingen en eigenschappen zijner zuurstof- en waterstof-verbindingen aan.

2. Welke anorganische en organische reductiemiddelen zijn u bekend? Verklaar hunne werking en geef eenige reacties op, waarbij deze middelen werkzaam zijn.

3. Op welke verschillende wijzen worden zouten gemaakt? Hoe werken zij onderling op elkander en welke veranderingen ondergaan zij door loogen en door zuren ? De voorbeelden moeten zoowel aan anorganische als aan organische verbindingen ontleend worden.

4. Hoe bepaalt men de atoomgewichten der elementen en op welke wijze is men er toe gekomen om de samenstelling van water door de ibrmule 1L0 voor te stellen?

1893.

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1. Salpeterzuur, vorming in de natuur, bereiding en eigenschappen, inwerking op een ge metalloïden en metalen, de belangrijkste toepassingen in de organische scheikunde.

2. De vlam en de belangrijkste stollen die tot verlichting dienen.

3. Aluminium; voorkomen in dc natuur, oudere en nieuwere bereidingswijze en de eigenschappen van het metaal, toepassing van de belangrijkste verbindingen, gebruik van chlooraluminium in dc organische scheikunde.

ocr page 229

9

R. Nederlandseh.

1 H»3.

Een opslcl le maken over een der volgende onderwerpen:

1, Do macht van hel kleine.

2. Stokpaardjes.

3. Mijn eerste en mijn laatste schooldag.

4, De droogmaking der Zuiderzee.

1S93.

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1. Eene langdurige droogte.

2. Waar de noodvlag waait, vraag daar niet naar de nationaliteit.

3. Rust roest.

4. De zee en ons volk.

S. Franseh.

1893.

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1, Les victiines du devoir.

2. La famine en Russie.

3, La santé comme la fortune retirent leurs faveurs a ceux cpii en abusent

4. Qui jeune n\'apprend, vieux ne saura.

1

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1, Noblesse oblige.

2. Ferdinand de Lesseps.

3. Une visite royale.

4, Le bonheur de l\'homme ne consiste pas dans les biens qu\'il a, mais dans le bien qu\'il peut i\'aire.

ocr page 230

10

T. Hoogduitseh.

»

1 .S!gt;2.

Een opslol te maken over een der volgende onderwerpen:

1. Nichl der Sland elirl den Menschen, sondern der Monseh den Stand.

2. Es liilli keine Eiche von einern Stroiclie.

3. Der Kampf ums Dasein.

4. Jeder isl seines Glückes Schmied.

180».

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen:

1. Eine Ileise nach Amerika im Jahre 1893.

2. Früh übt sieh, was ein Meister werden will. (Schiller.)

3, König Dampl\'.

4, Mein Lieblingsbuch.

U. Engelseh.

1S»2.

Een opstel te maken over een der volgende onderwerpen;

1, Honesty is the best policy.

2, A royal visit (o a town.

3, ïlie best way to succeed in life.

4, A new broom sweeps clean.

18»».

1. Energy.

2. A book you liave read.

3, Toynbee-work.

4, Mr. Gladstone and Home-Rule.

ocr page 231

41

V. Boekhouden.

1802.

A. Journaliseer do volgende posten:

1 Mei. Rekening ontvangen van G. de Jager te Rotterdam over 1ÜÜ kisten suiker, bruto 2010ÜKG., tarra 18 0/o a ƒ 37.50 per 100 KG., contant 11/«0/a.

5 Mei. Factuur gezonden aan [1. Blankenheim te Hamburg over 100 kisten suiker, bruto 20000 KG., tarra 180/0 a ƒ 38 per 100 KG., onkosten/OS ; commissie 20/o- Per 5 Augustus.

5 Mei. Getrokken op II. Blankenheim te Hamburg voor zijn rekening een wissel groot R. M. 11000, 3/md. na dato aan de orde van mijzelven a /58.40 3/m.

10 Mei. Afgegeven aan de kasvereeniging mijne quitantie op P. Gros te Rotterdam ter inning van liet saldo van rekening y 75.24.

5 Juni. Verkocht een wissel op Hamburg groot R. M. 11000 per 2/md. tegen den 3 maandskoers van / 58.50, disconto SVo-

B. Schrijf den wissel bedoeld in den post van 5 Mei.

G. Amsterdam is frs 0000 contant schuldig te Parijs. Het kan direct remitteeren a 47,70 k/z. Hel kan ook 2 maands-wissels op Londen sturen, die te Amsterdam gekocht kunnen worden a 11.96 2/m. en die te Parijs aangenomen worden i 25.22s k/z. met een disconto van 3 0/0. Wat is voor Amsterdam het voordeeligst?

189».

A. Journaliseer voor F. Jas te Amsterdam de volgende memoriaal-posten :

1, Juni 14. F. Jas koopt van G. de Veer te Amsterdam, op promesse

van 3 maanden, 100 balen katoen, bruto 20510 KG., tarra 4% a ct. per y, KG., promesse-zegel ƒ 5.

2, Juni 15. F. Jas zendt deze partij ten verkoop voor eigen

rekening aan G. Stern te Bremen en maakt bij de verzending ƒ 145.70 onkosten.

3, Juni 10. F. Jas trekt op G. Stern een wissel groot R. M. 10000,

3 maanden na dato, aan de order van M. Wertheim, die het stuk betaalt a /58.50 per 3/m.

4, Juni id. F. Jas geeft aan G. de Veer de promesse af, bedoeld

in post 1.

ocr page 232

12

5. Juli 25. F. Jas ontvangt van G. Stern verkooprekening over de partij katoen in post 2. liet bruto provenu bedraagt R. M. 18210.50, de onkosten R. M. SöG.\'iO, de commissie 2%. Koers op Bremen f 59.

B. Schrijf den wissel van post 3 en de promesse van post 4.

G. F. Jas kan zijne vordering op G. Stern innen met eene directe traite ü 59. Ook kan bij aan G. Stern last geven om een wissel op Londen te remittecren die te Bremen a 20.45 ge-koebt en te Amsterdam a 12.08 verkocht kan worden.

Wat is het voordeeligst ?

ERRATA bij „Eindexamens 11. B. S. 1860-1891,5e Druk.quot;

Blz. 34, Stelkunde 1801, nH. 2. of — 18,-f-30, — 72,

144, —288, 576.

„ 60, Meetkunde 1887, n0. 3. Anhv. lees: 3 ah1 i3 :o3 3 a2 h.

„ 97, Werktuigkunde 1880, n0. 1. Antw. lees: 4,467 centimeter.

Uitgever — J. liULEVELD. — Utrecht.

/ / , ./1 ƒ

ocr page 233

■■

nmfrnj •;

,-^ -ft V

fyflnHHn

: .)i«W. rj^:- •■.•S#»\'

ocr page 234

.. ■ - . , .

.....

- . - - -

:

■■ \' - \' ...... - - \' ^ -

^■W :r\'Vi- ■:-v- •

\'y;.1 • ■■•••/•.• •■\'

ocr page 235

■ ■ ■

0.

ocr page 236

SXWI.I\'KHSDRUK VAN H. C. A. Til I KM K TK MJMKGKN.