ocr page 1

KUNST EN LEVEN

STUDIES

DOOR

M AU RITS SMIT.

(F. M. JAEGER.)

ZUTPHEK , W. J. THIEME amp; Cifi. 1892.

- . v..quot; \'

ÏWr ïi -

ocr page 2

Kast 205

6 No. 11

ocr page 3

1 - 32

(

^ t -

\'

U . ^31

T

H jji

3r

ocr page 4
ocr page 5

M.Qh-

!

KUNST EN LEVEN.

STUDIE .

DOOR

MAURITS SMIT.

(F. M. JAEGER.)

ZüTPHEN , W. J. THIEME amp; Cie.

1892.

1756 9975

ocr page 6
ocr page 7

Deze opstellen zijn, op de Toekomstbeschouwingen na, verschenen in „De Tijdspiegelquot;. Uier en daar zijn kleine wijzigingen aangebracht; zoo heb ik o. a. in mijn studie over „De Suggestiequot; enkele voorname punten ingelaschf die over dit ondenverp ter sprake zijn gekomen op het Crimineel Anthrapologisch Congres, gehouden in de maand Au gustus van dit jaar- Het karakter der stukken is onveranderd gebleven.

De meesten dezer studies zijn ontstaan naar aanleiding van mijne kennismaking met de werken van den Franschen philosoof M. Guy au. Met Alfred de Fouillce en andere geestverwanten stelt Guy au zich lijnrecht tegenover het pessimistisch realisme en het mysticisme van de Fransche schrijvers van den la at sten tijd; zijne werken zijn de rijpe vruchten van een dichterlijken, veelomvattenden geest, ge-paard aan een bewonderenswaardige werkkracht- Toen Guy au eenige jaren geleden op 33-jarigen leeftijd stierf, liet hij niet minder dan negen wijsgeerige werken na, waaronder vrij omvangrijke, die zonder onderscheid getuigen van een ontzaglijke belezenheid en van een helderen , diepdenkenden geest. Bij de vele stroomingen, die op\'t gebied van kunst als evenzoo vele uitingen van het maatschappelijk leven en streven zijn waar te nemen, kwam het mij ge-wenscht voor om allen , die daarin belangstellen en daarbij niet in de gelegenheid zijn om de vrij uitvoerige werken van

ocr page 8

Guy au te bestudeeren, hier mei enkele beschouwingen en gevoelens van den te vroeg gestorven denker en dichter, voor zoover die op kunst en hare sociologische verhoudingen betrekking hebben, in kennis te stellen. De humamstmhe gevoelens en het gezonde idealisme, die de kern uitmaken van Gmjaus beschouwingen, doen toch in onzen tijd hoogst iveldadig aan; wanneer hij tot ons spreekt, is \'t of we een melodische troostende stem hooren. En naar zoó\'n stem luisteren ive gaarne te midden van al die groote geluiden en schrille noodkreten, die in deze dagen van alle zijden ro)idom ons weerklinken\'

DE SCHRIJVER.

Den Haag , November 1892

ocr page 9

Russische Kunst op het Hollandsch Tooneel.

(Alexander Nicolaiêvitch Ostrovsky.)

Ons volk — en vooral \'t meer beschaafd en ontwikkeld deel van ons volk — heeft zich altijd gekenmerkt door eene zekere voorliefde voor al, wat uit den vreemde komt. Het ligt voor de hand, dat deze karaktertrek het duidelijkst uitkomt op \'t gebied van smaak en kunst. Zelfs de meest rechtzinnige patriot, die uit pure verkleefdheid aan het plekje gronds, dat hij zijn vaderland mag noemen, op al zijn doen en laten den stempel van zijne nationaliteit tracht te drukken, zal, zoodra zijn genoegen en smaak in het spel komen, nog lang niet zoo afkeerig zijn van internationale neigingen, als hij ons wel zou willen wijsmaken. Alleen moeten we zorg dragen het woord internationaal in zijne tegenwoordigheid niet te noemen, want dan zou hij zich-allicht opwinden of boosmaken. Maar het zal hem niet in het hoofd komen , eene aanmerking te maken op zijne vrouw en dochters, wanneer zij zich kleeden naar de laatste mode, — die sinds menschenheugenis uit Parijs wordt Maurits Smit , Kunst en Leven. j

ocr page 10

2

gedecreteerd ; hij zal goedwillig zijn jongen toestemming geven deel te nemen aan het alles overheerschende Sport — quite English, in woord en daad ; en, om zijne inconsequentie een muts op te zetten, zal hij minstens eens per week eene zoogenaamde Hollandsche tooneel-voorstelling bijwonen, waar hij zich bij voorkeur vergast aan eene of andere Duitsche Posse, — in een slordig Xederlandsch pakje gestoken — die hem de lever doet schudden en hem zoodoende wellicht nog eene badkuur uithaalt. Toch zou onze gemoedelijke vriend vreemd opkijken, indien gij zijne beginselvastheid in twijfel zoudt willen trekken ; vermoedelijk zal hij u de heilige verzekering geven, dat hij zich zeer goed kan vereeni-gén met die maltentige zwartkijkers, die over al die zucht naar het uitheemsche bedenkelijk het hoofd schudden. Minder zwaartillende lieden bepalen zich tot het belachen van onze Anglomanie, Galliomanie en die ontelbaar vele manieën, die wij erop nahouden. Zeker hebben zij alle recht er zich vroolijk over te maken ; maar laten zij nooit vergeten , dat, al worden de grenzen ook voortdurend overschreden , juist die karaktertrek, dien ik hierboven noemde, ons volk ervoor bewaard heeft, om als eene curiositeit onder eene stolp gezet te worden, waaraan de vreemdeling zijne spotzucht naar hartelust zou kunnen botvieren. Het nationaliteitsbeginsel moge tot op zekere hoogte een deugdelijk beginsel zijn — waar \'t de vrije ontwikkeling en uitwisseling van denkbeelden geldt, moeten de staatkundige

ocr page 11

3

grenzen wegvallen. De snelle en hooge ontwikkeling , die onze eeuw kenmerkt, zou nooit hebben kunnen plaats grijpen zonder dat cosmopolitisch streven, dat juist het karakter is van onzen tijd; een streven, dat zich telkens in. nieuwe vormen openbaart en dat elk stelsel van kunstmatige afsluiting ten doode verwijst.

Vooral op \'t gebied onzer letterkunde heeft zich die behoefte aan ontplooiing en aansluiting aan \'t groote geheel in steeds sterker mate doen gevoelen. Onze vader-landsche trots moge het aanstootelijk vinden, dat in ons land meer Fransche, Duitsche, Engelsche en vooral vertaalde werken worden gelezen dan zuiver oorspronkelijke, — de Nederlander is er als wereldburger niet minder door geworden. Bovendien, vergeten wij niet, dat ons land zeer klein is en dat de scheppende krachten uit ons midden minder toereikend zouden zijn geweest , om den steeds toenemenden drang naar kennis, ontwikkeling en kunstgenot te bevredigen. Het zou bekrompen , ondankbaar zijn, om met eene soort van minachting neer te zien op \'tgeen ook in den vorm van vertalingen tot ons is gekomen : het zou er met onze oorspronkelijkheid treurig hebben uitgezien, indien wij altijd uit eigen boezem hadden moeten putten. Wij s mogen het veeleer een verblijdend verschijnsel noemen,

dat in de laatste jaren de letterkundige vruchten uit alle windstreken worden aangevoerd. Alleen de hee-ren verslaggevers en gepatenteerde recensenten heb-

1 *

ocr page 12

4

ben het recht, daarover nu en dan eene verzuchting te slaken.

Ook de letterkundige stroomingen zijn onderhevig aan manieën: in de laatste jaren viel daarin duidelijk eene zekere Russiomanie waar te nemen. De Russische klank van een schrijversnaam was soms al voldoende, om het succes van zijn werk te verzekeren. Langs een omweg, gewoonlijk over Parijs, kwamen de geschriften uit het oosten tot ons. Ontdaan van hun nationaal gewaad, werden zij snel in een Fransch, vele zelfs daarna weer in een Hollandsch, modepakje gestoken en kwamen zoo stormenderhand de harten van het lezend publiek veroveren. Toch is terecht de opmerking gemaakt, dat niettegenstaande de rage, die bij ons voor Russische literatuur bestaat, wij nog niet veel verder zijn gekomen dan Tolstoï en Dostoievsky. Onder de Russische schrijvers, die hier weinig of in \'t geheel niet bekend waren, behoort ook Ostrovsky. Nu een der voornaamste werken van dezen tooneelschrijver, vroeger onder den titel van VGrage te Parijs opgevoerd, ook tot ons gebied, en zelfs tot ons tooneel, is doorgedrongen , zal eene nadere kennismaking met het leven en werken van dezen Rus het kunstminnend publiek zeker niet ongevallig zijn. Deze veronderstelling, gepaard aan de omstandigheid, dat Ostrovsky onder de tooneelsch rij vers in Rusland eene zeer hooge plaats bekleedt ; dat velen in hem zelfs den Shakespeare van Rusland willen zien; dat hij in Rusland in populariteit

ocr page 13

5

wellicht zijne vederga niet heeft; dat de critiek, zo» in als buiten Rusland, lang niet eenstemmig is in haar oordeel over zijne scheppingen, — dat alles gaf mij voldoende aanleiding, om hetgeen ik van en over hem las, in korte trekken weer te geven.

Tusschen Ostrovsky en de bij ons meest bekende Russjsche auteurs bestaat deze overeenkomst, dat zijne werken eene belangrijke bijdrage vormen tot de kennis van het leven en van de toestanden in Rusland. Maar terwijl b. v. Tolstoï door zijne meesterlijke schilderingen ons de meest uiteenloopende volkstypen voor oogen toovert en ons binnenleidt zoowel in de aristocratische en militaire kringen als in het leven der moejiks, is het terrein, waarop Ostrovsky zich beweegt, meer beperkt. De personen, die hij in zijne meest geroemde werken laat optreden, behooren allen tot eene bepaalde, en wel tot eene zeer weinig ontwikkelde, klasse van het Russische volk: de klasse der kooplieden, zooals hij ze in Moskou heeft leeren kennen. Veel verder dan Moskou schijnt Ostrovsky zich niet bewogen te hebben : hij is in Moskou geboren , hij heeft er geleefd, hij is er gestorven. Zijn vader behoorde tot den adelstand en bekleedde een voorname betrekking aan het gerechtshof in Moskou. Zijne woning lag in een gedeelte der stad, aan de overzijde der Moskwa , dat men de koopmanswijk zou kunnen noemen, aangezien de voornaamste kooplui daar hun intrek plegen te nemen en er een soort van

ocr page 14

6

familieleven leiden. In de laatste jaren zijn in deze buurt prachtige huizen verrezen ; maar in den tijd, waarin onze schrijver werd geboren (1823), bewoonden de meeste kooplieden, aelfs de rijkste, eenvoudige houten huisjes, waarin elk spoor van weelde ontbrak. In eene dergelijke eenvoudige woning aanschouwde Alexander Ostrovsky het levenslicht. Zijne opvoeding schijnt eene zeer vrije te zijn geweest, gelijk meer in Rusland voorkomt ; hij verloor zijne moeder reeds op jeugdigen leeftijd, en nadat zijn vader met eene rijke barones was hertrouwd, werd de zorg voor zijne ontwikkeling toevertrouwd aan een paar onderwijzers, die noch door bekwaamheid , noch door strenge plichtsbetrachting schijnen uitgemunt te hebben. Later bezocht hij het gymnasium en daarna de hoogeschool, om in de rechten te studeeren. Een twist met een zijner professoren was aanleiding, dat hij de hoogeschool verliet, alvorens zijne studiën voltooid te hebben. Toch kreeg hij, vermoedelijk door de protectie zijns vaders, nog een postje bij de rechtbank van koophandel te Moskou.

Zoo heett Ostrovsky zich zoowel in zijne jeugd als in zijne latere betrekking steeds onder kooplieden bewogen en is hij in de gelegenheid geweest, alle gewoonten en eigenaardigheden van deze klasse van menschen, zoo in hun openbaar als in hun meer intiem leven, op te merken en te bestudeeren. Wij moeten aannemen, dat in deze omgeving de pijnlijke indrukken en bittere ervaringen bij Ostrovsky verre de overhand hebben

ocr page 15

7

gehad boven de gelukkige gewaarwordingen ; de pessimistische geest, die in zijne voornaamste werken doorstraalt , rechtvaardigt dat vermoeden. Ostrovsky behoort bovendien tot diegenen, wier gemoed sterker getroffen wordt door de schaduw- dan door de lichtbeelden uit hunne omgeving en die zich gedrongen voelen , om het leelijke en afzichtelijke, waardoor hun poëtische zin wordt beleedigd, door eene krachtige schildering aan de kaak te stellen. De dwingelandij der patroons, de knevelarijen van woekeraars en geldschieters, het ruwe despotisme van de hoofden van huisgezinnen, de slaaf-sche onderwerping der vrouwen, het bijgeloof, de onkunde , de slechte zeden en gewoonten, voortspruitende uit verouderde instellingen , — dat alles wordt door hem in harde kleuren geteekend.

Door deze richting behoort Ostrovsky tot de realistische schrijvers van den nieuweren tijd; maar hij is geen realist uit modezucht, hij is realist uit zijne natuur. Zeker heeft hij daaraan ook voor het grootste deel zijne populariteit in Rusland te danken : de behoudsmannen hebben in zijne schilderingen van oud-Russische typen een vasthouden aan oude instellingen willen zien, terwijl de voorstanders van hervorming hem toejuichten om den moed, waarmee hij de noodlottige gevolgen van verkleefdheid aan ingewortelde vooroordeelen ten toon stelde.

De beelden , die Ostrovsky ons te aanschouwen geeft, behooren tot die wereld van zedelijke duisternis, waarop

ocr page 16

8

ook het drama van Tolstoï doelt. Hooren wij, hoe een zijner tijdgenooten, de dichter en criticus Dobrolioubof, in eene studie over Ostrovsky, getiteld; Het rijk der Duisternis, over diens werken spreekt. „Wij aanschouwen hierquot;, zoo zegt hy , „de nederige en treurige figuren van onze jongere broeders, die door het lot gedoemd zijn tot een afhankelijk en droevig bestaan. Treurig, in stomme onderwerping staan zij daar voor ons. Wij aanschouwen die wereld van verborgen droefheid, die zich slechts uit in gesmoorde zuchten; van die stomme, vlijmende smart; van die stilte, — de stilte van het kerkhof of van het graf — die ternauwernood verbroken wordt door een dof en zwak gemompel uit de verte, dat even snel wegsterft, als het ontstaat. Hier is geen lucht, geen warmte, geen ruimte; in dezen engen, duisteren kerker verspreidt zich niets dan een vochtige, bedorven lucht. Geen enkel geruisch, dat van leven getuigt, geen lichtstraal dringt tot hier door. Ternauwernood ziet men hiér bij tusschenpoozen een vonkje glinsteren van die heilige vlam, die nog in elke men-schenziel blijft flikkeren, zoolang zij nog niet door het slijk des levens is verstikt. Die vonk verspreidt gewoonlijk slechts een zwak schijnsel in dezen muffen kerker eene enkele maal schittert zij , misschien een minuut lang, met een levendiger glans en werpt op de rampzalige gevangenen een lichtstraal van het goede en liet schoone. Bij dit vluchtig schijnsel ontwaren wij dan, dat zij, die daar lijden, onze broeders zijn ; dat die verwil-

ocr page 17

9

derde schepsels, wien de gave van het spreken is ontzegd, werkelijk eenige gelijkenis aanbieden met hun medemensch, — en ons hart krimpt toe van smart en van afgrijzen.quot;

In eene dergelijke beeldspraak schildert Dobrolioubof tevens de toestanden, waarin een groot deel van de Russische bevolking verkeert. Met die verpeste atmosfeer doelt hij op de afwezigheid van beschaving, de zwarte onwetendheid en het bijgeloof; den kerker kiest hij als symbool voor liet juk, dat de oude en tyran-nieke zeden den mensch hier opleggen, voor de stomme onderworpenheid , waarmee mannen , vrouwen, kinderen dat juk torsen en gehoorzamen aan den wil hunner despotische beheerschers.

Aan al deze ellenden, aan al dat onrecht en lijden heeft Ostrovsky de stof ontleend voor de werken van zijne eerste — misschien ook zijne beste — periode. Evenals zoovele andere Russische schrijvers — Dostoievsky , Grarchine , Gontscharof, Kohanovsky, Bouk-hanoff — is ook Ostrovsky het meest geïnspireerd geworden door de sombere en gewonde zielen. Hij acht zich geroepen tot priester van den godsdienst van het menschelijk lijden; hij treedt op als aanklager, als strijder voor de rechten zijner verdrukte broeders. Geen wonder, dat dan ook zijne voornaamste scheppingen doortrokken zijn van pessimisme en dat door velen zijn drama\'s als tendenz-stukken zijn aangemerkt. Tot dat laatste heeft ook in niet geringe mate bijgedragen de eigenaardige keuze van de titels, die hij aan zijne

ocr page 18

10

werken heeft gegeven. Tooneelstukken, getiteld als: Armoede is geen ondeugd — Menigeen lijdt zonder schuld — Schoenmaker blij/\' bij uwe leest — Men kan niet leven , zooais men wil, lokken de onderstelling uit 7 dat de schrijver eene moraal op \'t oog heeft. Dat laatste valt dan ook moeilijk te loochenen; maar Ostrovsky staat daarin niet alleen: de meeste werken van den nieuweren tijd, en in \'t bijzonder die van Russische, Noorsche en Pransche auteurs , waarin de slechte zeden, de hartstochten en de misdaden geschilderd worden met al de daaraan verbonden tragische gevolgen , zijn ten-denz-werken. \'t Is een en al geroep om verandering, hervorming van de bestaande instellingen, verlossing van de zedelijke kwalen. De meerdere of mindere kunstwaarde van een werk wordt echter tegenwoordig — en zeker te recht — minder beoordeeld naar de bedoeling, die de schrijver op \'t oog heeft, dan wel naar de wijze, waarop hij de stof behandelt. Om nu een denkbeeld te geven van de manier, waarop Ostrovsky werkt, zal ik een zijner drama\'s, Het onweer, waarvan reeds eene Hollandsche vertaling is verschenen, eenigszins uitvoerig bespreken.

De hoofdpersonen van dit drama vertegenwoordigen de meest uiteenloopende typen van den Russischen koopmansstand. Wij ontmoeten hier een ouden geldwolf en woekeraar, Dikoï, die zijne onderhoorigen mishandelt en die onder verdenking staat, de aan hem toevertrouwde

ocr page 19

11

gelden, ouder anderen die van zijn minderjarigen neef Boris ten eigen bate aan te wenden ; verder Kabanof, een karakterloos wezen, aan den drank verslaafd, die geheel onder de pantoffel staat van zijne moeder Martha Ignatieva Kabanova , eene oude , rijke weduwe , die , evenals Dikoï, zich onderscheidt door eene verfoeilijke geldzucht en een grenzenloos despotisme. Tegenover deze typen staan Boris, een welopgevoed jongmeusch , neef van Dikoï, die tot aan zijne meerderjarigheid aan do hoede van zijn oom is toevertrouwd, en Catherina, in de wandeling Katia genoemd, de vrouw van Kabanof. Katia, met haar hartstochtelijk karakter, hare behoefte aan eene groote liefde, hare zucht naar het romantische en poëtische, is het tegenbeeld van hare huichelachtige, onvrouwelijke schoonmoeder. Om deze hoofdpersonen groepeeren zich enkele evenzeer echt Russische typen, zooals Varvara, Kabanof\'s zuster, een lichtzinnig per-: soontje; Koliguïne, een werkman, die van geregeld onderwijs is verstoken geweest, maar die zich door eigen kracht de gronden van enkele wetenschappen, vooral die der natuurkundige wetenschappen, heeft eigen gemaakt; Fékloucha , eene bedevaartzuster , wier verstandelijke ontwikkeling nog verre staat beneden die van de ons bekende vrouwelijke elementen van het Legar des Heils. Hare gesprekken met Kabanova en met de dienstboden geven eene trouwe afspiegeling van Jen bijzonder lagen trap van ontwikkeling, waarop een groot deel van de Russische bevolking staat.

ocr page 20

12

Kabanova en Dikoï behooren tot die typen, die Ostrovsky met den naam van Samodour bestempelt. In menschen, die tot het Samodour-type behooren, schijnt alles saamgedrongen, wat in de oogen van den meer beschaafde moet stempelen tot verachtelijke wezens: hunne kracht openbaart zich in het ruwste despotisme en de grofste zelfzucht, hunne handelingen zijn lijnrecht in strijd met onze goede zeden en hun gevoel uit zich in den vorm van een fanatiek bijgeloof. Onze westersche beschaving kent deze typen niet; bij ons vertoonen zich de zelfzucht , het fanatisme, de heerschzucht doorgaans in deftige vormen , liefst met glacé-handschoenen.

Een gesprek tusschen Boris en Koliguïne brengt ons spoedig op de hoogte van de toestanden, die wij zullen aanschouwen. Koliguïne vertelt aan Boris, die zich beklaagt over de behandeling, welke hij van zijn oom Dikoï moet verduren, hoe deze de arme moejiks, die voor hem arbeiden, uitzuigt en hoe de kooplui door valsche beschuldigingen en de daaruit ontstane processen elkaar trachten te gronde te richten. Boris raadt Koliguïne aan , zijne ervaringen te boek te stellen; door zijn schrijven zou hij veel nut kunnen stichten.

„Hoe komt het bij u op !quot; zegt Koliguïne. „Zij zouden mij hier opeten , levend verslinden !quot;

Hij belooft Boris bij gelegenheid nog wel eens staaltjes , van het familieleven hier op te disschen. Het volgende toc-neel stelt ons reeds in staat daarvan een kijkje te nemen.

Kabanova verwijt haar zoon Kabanof, liefst in tegen-

ocr page 21

13

woordigheid van zijne vrouw Kitia, dat hij na zijn hiwelijk zijns moeder niet meer schijnt te respecteeren en dat hij haar verwaarloost. Het helpt niet, dat de kirakterlooze Kabanof zijne moeder al bezweert, dat hij dag en nacht Grod bidt, om zijne moeder te zegenen met gezondheid en voorspoed. „Houd maar op met die mooie praatjesquot;, snauwt Kabanova hem toe. „Misschien heb je eens van je moeder gehouden , toen je nog een kleine jongen waart, maar je hebt nu genoeg van haar. Je hebt nu een jonge vrouw!quot;

Niet onduidelijk geeft Kabanova haar zoon te kennen, dat hij op die jonge vrouw wel goed mag passen, want dat er wel eens kapers op de kust konden komen. Werkelijk toont Kabanova hier eene vrouwelijke eigenschap te bezitten, en wel de gave der scherpziendheid. Want wanneer na dit tooneel Kabanof heensloft, om zich met Dikoï te gaan bedrinken , blijft Katia alleen met hare schoonzuster Var vara en deelt deze in een vertrouwelijk gesprek mee , hoe ongelukkig zij zich met den ruwen Kabanof voelt. Zij verdiept zich in de herinneringen en droomen barer jeugd en weldra bemerkt de sluwe Varvara, dat Katia eene liefde heeft opgevat voor den fijnbeschaafden Boris. Katia is ontsteld, dat zij haar geheim verraden heeft; maar de lichtzinnige Varvara geeft haar te kennen, dat het zoo erg niet is, wanneer zij maar op hare hoede is.

„Maar ik kan niet bedriegenquot;, zegt Katia hierop, „ik kan niets verbergen.quot;

ocr page 22

14

„Het is wat moöisquot;, geeft Varvara ten antwoord, „zonder veinzen zou men \'t hier niet ver brengen. Het heele huis is op leugens gebouwd. Vroeger kon ik ook niet veinzen, maar ik heb het wel moeten leeren.quot;

Het contrast tusschen deze beide vrouwen kamt hier scherp uit. Yarvara, met een weinig ontwikkeld zede-delijk bewustzijn, vat het leven van den vroolijken en practischen kant op. Zij vindt het maar dwaasheid , zichzelf zoo te kwellen. Memand bekreunt er zich toch om: wij moeten maar zien te genieten, wat er te genieten valt Bij Katia daarentegen strijdt de hartstocht voortdurend tegen haar godsdienstig gevoel en zedelijk bewustzijn. Te sterven vindt zij niet verschrikkelijk , maar wel zoo beladen met zonden en slechte gedachten door den dood verrast te worden. Katia is uit hare natuur eenvoudig, oprecht, waarheidlievend — en daardoor wordt de strijd tegen den hartstocht, die zich van haar heeft meester gemaakt, des te heviger. Wanneer zij verneemt, dat haar man veertien dagen uit de stad zal gaan, en Varvara een plannetje beraamt tot eene samenkomst met Boris, wijst zij dat met verachting af. Liever zou zij zich in de Wolga verdrinken. Maar. tegelijkertijd voelt zij toch hare zwakheid en begrijpt zij, dat het gevaar grooter is, dan zij wel wil bekennen. Zij smeekt haar man niet heen te gaan of, zoo hij gaan moet, hem te mogen vergezellen.

„Neem mij mee, Ticha!quot; smeekt Katia. ■

„Jou meenemen ?quot; zegt Kabanof. „Dat zou me een

ocr page 23

15

pretje zijn! Ik verheug ér mij op eens een tijdlang vrij en van jullie allen ontslagèn te zijn. Ik. begrijp ook niet, waarvoor je eigenlijk zoo bevreesd bent. Je blijft immers niet alleen achter, je blijft bij mijn moeder.quot;

„Spreek mij niet van je moederquot;, roept Katia uit. Et pour cause. Kabanova toch heeft hare schoondochter tot in het diepst harer ziel beleedigd. Even voor het vertrek van haar zoon heeft zij dezen gedwongen zijne vrouw de belofte af te persen, dat zij gedurende zijne afwezigheid haar tijd niet in ledigheid zal doorbrengen, dat zij niet voortdurend voor het venster zal zitten en den voorbijgaanden jongelui lonkjes zal toewerpen . . .

Zeer karakteristiek is het tooneel, waarin Kabanof afscheid neemt van zijne huisgenooten. Wanneer een Kus op reis gaat, moeten namelijk, volgens het oude gebruik, alle huisgenooten bijeenkomen en een oogen-blik bij elkaar gaan zitten. De zoon zegt dan zijne ouders vaarwel, terwijl hij voor hen knielt, en de vrouw moet op dezelfde wijze afscheid nemen van haar man. Kabanova wenscht, dat het afscheid van Kabanof stipt in den ouderwetschen vorm zal plaats\' hebben. Katia stoort zich echter daaraan niet en omhelst haar man op het oogenblik, dat hij haar goedendagzegt.

„Wat is dat daar ?quot; roept Kabanova uit. „Onbeschaamde , is dat een manier, om je man om den hals te vliegen ? Hij is je man, je meester! Ken je de wet niet meer? Kniel!quot;

Later verwijt Kabanova hare schoondochter, dat zij

ocr page 24

16

verzuimt, om volgens het oude gebruik minstens een uur laag op den drempel van hare woning te gaan zitten lamenteeren over de afwezigheid van haar echtgenoot.

„quot;Waarvoor zou dat dienen ?quot; zegt Katia. „Wat heb-b3Q de menschen daarmede te maken ? Ik kan niet op die wijze treuren.quot;

Kabanova geeft haar hierop ten antwoord, dat zij er dan ten minste den schijn van had behooren aan te nemen. Zoo is deze despotiscln vrouw de incarnatie van het Russische conservatisme; het zondigen tegen de oude instellingen en tegen den vorm is in hare oogen eene doodzonde. Deze Kabanova, die hare schoondochter het leven in huis tot een hel maakt, en de lichtzinnige Varvara, die Katia voortdurend het zoete van de verboden vrucht voorhoudt, zijn eigenlijk de twee duivel-sche machten, aan wier invloed Katia zich niet kan onttrekken. Na het vertrek van Kabanof begint haar zielestrijd opnieuw; aan den eenen kant gedreven door hare kwaadaardige schoonmoeder, aan den anderen kant gelokt door de schoone voorspiegelingen en de bedrieglijke redeneeringen van Varvara , laat zij ten slotte hare goede voornemens varen. Varvara heeft hare moeder den sleutel weten te ontfutselen, waarmee men eene verborgen deur in den tuinmuur kan openen. Boris zal Katia \'s avonds aan die deur opwachten. quot;Wanneer Katia den sleutel van Varvara heeft aangenomen, blijft zij , met den sleutel in de hand, eenige oogenblikken

ocr page 25

17

droomerig zitten staren. De wisselende en tegenstrijdige gevoelens, waaraan zij nu ten prooi is, worden dooiden dichter in een monoloog teruggegeven,

„Die sleutel brandt mij in de hand als een gloeiende koolzegt zij bij zichzelf. „Ja, zoo gaan wij ongeluk-kigen ons verderf te gemoet! O , die slavernij , die is voor niemand goed ! Hoeveel gedachten jagen er niet door mijn arm hoofd ! Een ander zou misschien verrukt zijn over hetgeen mij overkomt en zou zich blindelings in den stroom van geluk dompelen. Hoe is \'t mogelijk te handelen zonder na te denken, zonder zijn verstand te gebruiken ? Een ongelukkige daad is zoo gauw gedaan — en dan, ja, dan heeft men zijn gansche leven, om uit te weenen, om zich te kwellen, en de slavernij knelt nog harder dan vroeger. O, die slavernij is bitter, vreesehjk bitter, wie lijdt er niet onder ? En wij vrouwen nog meer dan de rest. Ik, bij voorbeeld, ik worstel op dit oogenblik tevergeefs, zonder een enkel lichtpunt te zien ! En dat zal ik nooit zien , dat weet ik. Hoe verder ik ga, des te erger wordt het. En nu ga ik mijn geweten nog met een nieuwe zonde bezoedelenquot;. ... (Zij blijft een oogenblik in gepeins verzonken ) „Zonder mijn schoonmoeder.... zij heeft mij vernietigd. Zij is \'t, die mij van dit huis doet walgen, ■— tot de muren toe haat ik.quot; (Zij bekijkt den sleutel met aandacht.) „Zal ik hem wegwerpen ? Zeker moet ik dat! En waarom is hij in mijn handen gekomen ? Om mij te verleiden en in \'t verderf te storten.quot; (Plotseling maakt Maurits Smit , Kunst en Leven. 2

ocr page 26

18

zij eene angstige beweging en luistert.) „Hoorde ik daar niet iemand ? o , hemel!quot; (Zij steekt den sleutel snel in haar zak.) „Neen , er was tocli niemand. Waarom ben ik toch zoo angstig ? Ik heb den sleutel immers verborgen ... welnu , dat moest zoo zijn. Het is duidelijk, het noodlot wil het zoo. — Zou liet wel zoo\'n groote zonde zijn hem eens te zien, desnoods uit de verte ? En als ik hem nu eens sprak , welk kwaad zou daar dan eigenlijk in steken? — Maar mijn man... nu, hij heeft zelf immers niet anders gewild. Misschien zal zich in mijn geheele leven zoo\'n gelegenheid niet meer voordoen. En dan zal ik het later betreuren, wanneer ik tot mijzelf moet zeggen : Je hebt een gelegenheid gehad hem te ontmoeten en je hebt die ongebruikt laten voorbijgaan. Maar wat zeg ik daar? Waarom lieg ik mij wat voor ? Als het moet, zal ik ervoor sterven, maar ik zal hem zien ! Wie wil ik hier dan eigenlijk bedriegen ? Den sleutel weggooien ? — Neen , voor alle schatten der wereld niet. Ik bewaar hem. Er moge gebeuren wat wil, ik zal Boris zien ! O, kwam de nacht toch maar spoedig!quot;

Duidelijk openbaart zich hier de toeleg van den dichter , om de ontrouw van Katia zoo weinig mogelijk in een schuldig daglicht te stellen. Door een samenloop van omstandigheden, die op haar zwak en hartstochtelijk karakter zoo ongunstig mogelijk werken, wil hij hare verantwoordelijkheid voor hare daad tot een minimum

ocr page 27

19

terugbrengen. Zelfs den sleutel, waarmee zij eigenhandig de poort der verleiding zal ontsluiten, laat hij door eene hallucinatie in haar zak terechtkomen. Katia is een van die naturen, die niet in staat zijn volop te genieten van het geluk, waarnaar zij streven, zoodra zij zich ter bereiking van dat geluk los moeten maken van de beginselen , waarin zij zijn opgevoed en opgegroeid. De moedwillige schending van den huwelijksband moge het geluk van den philosoof of van den vrijdenker niet in weg staan ; maar Katia is een kind in verstandelijke ontwikkeling, eenvoudig, naïef, bijgeloovig. Haar geheele wezen komt in opstand tegen dien noodlottigen hartstocht, en toch voelt zij, dat het haar aan kracht ontbreekt, om zich daaraan te onttrekken. Zelfs hare bijeenkomsten met haar minnaar zijn meer het tooneel van een diep lijden dan van genot. Wanneer TJoris bij hunne eerste nachtelijke ontmoeting haar zegt, dat hij er zoo dankbaar voor is,, dat zij is gekomen, zegt Katia: „Gra heen, vervloekte! weet je dan niet, dat een geheel leven van gebeden niet in staat zal zijn deze zonde af te wisschen ?.. Moet ik niet met mjjn man leven tot aan de planken van mijn doodkist, — zeg, tot aan de planken van mijn doodkist ?quot;

quot;Wanneer zij later Boris omhelst, zegt zij: „Zie je nu wel, dat jou wil over mij is gekomen ? Ik heb geen wil meer. Als ik er een had, zou ik niet hier zijn gekomen.quot;

Zoo schildert Ostrovsky de macht van den hartstocht^

2 *

ocr page 28

20

die den wil, ook van de besten, kan buigen en breken. Het is, alsof wij hier het woord van Tolstoï hooren : „Oordeel niet, gij, die meent sterk te zijn.quot; Katia, de vrouw, die echtbreekt, mag hier geene misdadigster zijn; zij is slechts een slachtoffer. Wie haar lijden begrijpen , kunnen haar niet veroordeelen; zij mogen haar slechts beklagen. — De gelukkigste momenten worden Katia vergald door haar schuldbewustzijn, het besef van hare zwakheid en de gedachte aan de toekomst. In de armen van haar minnaar gevoelt zij , dat zij het bedrog tegenover haar man op den duur nooit zal kunnen volhouden. Zij weet, dat zij hem eens alles zal moeten bekennen.

Het tooneel van deze bekentenis, waaraan het drama zijn naam ontleent, is zeker een model van karakteristieke compositie.

Het is een feestdag. Terwijl een aantal burgers en boeren op een publieke wandelplaats bijeen zijn, komt er een donderbui opzetten. Het bijgeloovige volk is bevreesd voo.r onweer, waarin zij eene uiting van Gods toorn zien. Zij bespotten Koliguïne, die hun vertelt dat het onweer maar een gewoon natuurverschijnsel is ■en dat hij het gevaar van den bliksem wel zou kunnen afweren, indien men hem maar geld wilde geven voor afleiders. Dikoï, die zich bij hen heeft gevoegd, noemt Koliguïne een godslasteraar en bedrieger, die verdiende achter de tralies gezet te worden. Onder de wandelaars vertoont zich nu ook Kabanof met zijne huisgenooten.

ocr page 29

21

Katia is sedert den terugkeer van haar man voortdurend onrustig en angstig geweest; het naderend onweer doet haar angst toenemen en zij deelt Varvara mee, dat zij gelooft, dat nu haar laatste uur geslagen is : God zal haar nu bestraffen voor hare zonden. Terwijl de duisternis toeneemt en de donderslagen feller worden, bemerkt zij eensklaps Boris. In haar angst klampt zij zich aan Kabanof vast en op zijne vraag, waarom zij zoo bevreesd is, geeft zij ten antwoord, dat zij stellig weet, dat het onweer haar zal dooden. Op dit oogenblik treedt uit de menigte eene half waanzinnige vrouw te voorschijn; reeds vroeger heeft Katia deze vrouw ontmoet, die haar gezegd heeft, dat zij door hare schoonheid nog eens te gronde zal gaan. Katia is bevreesd voor deze vrouw, want het volksgeloof in Rusland kent aan zinueloozen eene profetische kracht toe. Ook nu houdt de vrouw Katia staande, beschimpt haar en voorspelt haar, dat zij met alle zondaren in het vagevuur zal branden. Katia valt bevend op de knieën, een ratelende donderslag doet haar bijna alle tegenwoordigheid van geest verliezen. Kabanova, die vermoedt, dat Katia eene zware schuld op haar geweten heeft, spoort haar zoon aan , zijne vrouw te ondervragen, — en de ongelukkige Katia, half waanzinnig van angst, bekent nu te midden van alle omstanders hare schuld, waarna zij in de armen van Kabanof in zwijm valt.

De ontknooping van het drama volgt nu spoedig, ïfadat Kabanof op bijzonder verlangen van zijne moeder

ocr page 30

22

zijne vrouw eene kastijding met de zweep heeft toegediend , gaat hij zich in gezelschap van Dikoï bedrinken, om zijn leed te verzetten. Boris wordt door zijn oom naar Siberië gezonden en vindt voor zijn vertrek nog gelegenheid, om van Katia afscheid te nemen. Ueze afscheids-scène is een der aangrijpendste tooneelen van dit werk. Katia zoekt den dood in de Wolga. In het laatste tooneel wordt haar lijk op het tooneel gebracht, en nadat Kabanof zijne moeder heeft verweten, dat zij alleen de schuld is van al het onheil, dat over lien is gekomen, valt hij bewusteloos neer op het lijk zijner vrouw.

Ziedaar de hoofdtrekken van Ostrovsky\'s drama. Het is een stuk Russisch leven, met forsche hand getee-kend. Al het licht valt op Katia, na Boris en Koli-guïne de eenige sympathieke figuur te midden van een troep ellendelingen. De figuren en toestanden zijn geen verdichtsels, maar uit het werkelijke leven gegrepen ; vandaar , dat sommige tooneelen weerzinwekkend moeten zijn, o. a. dat, waarin Dikoï eene samenkomst heeft met Kabanova, waarbij Dikoï beschonken optreedt. Ruwheid, hartstocht en fijn gevoel vinden wij hier wonderlijk dooreengemengd. De laatste tooneelen, waarin Katia afscheid neemt van Boris, worden door Durand-Gróville, die eene Fransche vertaling van enkele drama\'s van Ostrovsky heeft bezorgd, gerekend tot het schoonste, wat aan \'s dichters pen is ontvloeid. De rol

ocr page 31

23

van Katia is zeker niet veel minder zwaar dan die van eon Ophelia , Julia , Grretchen — ofschoon deze figuren ontegenzeggelijk veel hooger staan. De groote moeilijkheid ligt hier in het zich streng onthouden van alle gekunsteldheid en dramatisch vertoon: eenvoud in toon, in woord en gebaar, natuurlijkheid, naïveteit vormen den grondtoon van Katia\'s wezen. In geen der andere werken van Ostrovsky, die tot ons zijn doorgedrongen, vinden wij eene zoo teedere , sympathieke figuur terug. De overige typen echter worden in al zijne werken met de noodige nuances herhaald. Het scherpe contrast tus-schen het leven der jonge meisjes, die vrijen omgang hebben met de jongelieden van haar stand en die met hen in de troïka rijden of uit spelevaren gaan op de AYolga, en het bestaan der gehuwde vrouwen, die door hare mannen als slavinnen worden behandeld en opgesloten, treedt bij Ostrovsky overal op den voorgrond. Het mag ons vreemd in de ooren klinken, maar het is een feit, dat in \'t begin der 16de eeuw nog bij de meeste Russische gezinnen in de huiskamer eene zweep aan den muur was opgehangen, waarmee het hoofd des huizes zijne vrouw eene bestraffing mocht toedienen, indien zij hem ongehoorzaam was; en zelfs in het begin van onze verlichte eeuw was dit gebruik in Rusland nog hier en daar in zwang. Zelfs heden vindt men nog bij de bewoners van het platteland de sporen van de despotische macht der huisvaders terug. Wanneer wij dit in \'t oog houden, dan zullen wij de

ocr page 32

24

tooneelen tusschen Kabanova, Katia en Kabanof minder stuitend vinden, dan zij ons in \'t eerst toeschijnen.

Over \'t algemeen zijn de vrouwentypen in Ostrovsky\'s werken aantrekkelijker dan de mannen , die door hunne ruwheid en hun despotisme onzen weerzin opwekken. iNaast het samodour-type treffen wij altijd de beminnelijke , zachte, zelfopofferende vrouw aan, maar toch in geen enkel werk in een zoo scherp, helder licht als in Het onweer. Met dit werk schijnt Ostrovsky zijn hoogtepunt bereikt te hebben. Het heeft zijne populariteit in Rusland verzekerd en hem gestempeld tot het hoofd van de dramatische beweging in Rusland.

In 1886 werd hij door den Czaar tot directeur van den schouwburg in Moskou benoemd. In betrekkelijk korten tijd zijn door hem belangrijke hervormingen in het Russisch tooneel tot stand gebracht. Het was hem echter niet lang vergund deze betrekking waar te nemen: hij stierf nog in het jaar zijner benoeming op 66-jarigen leeftijd.

De bijzondere vereering van een artist voor een groeten voorganger moet altijd meer of min schadelijk werken op zijne oorspronkelijkheid. Een der eerste prikkels tot voortbrenging op kunstgebied was en zal ten allen tijde zijn de zucht tot nabootsing ; paart zich daaraan eene groote ingenomenheid met de werken van een machtigen geestverwant, dan treedt die overheer-schende kracht op, die scheppende talenten dwingt zich te

ocr page 33

25

bewegen in de banen , die reeds door anderen zijn bewandeld. Zoo ontstaan de volgers van eene methode, van eene school.

Ook bij Ostrovsky valt eene sterke navolging van Shakespeare, dien hij hartstochtelijk vereerde, niet te loochenen. In de wijze van dramatische behandeling, in de constructie en typeering van Ostrovsky\'s werken is duidelijk de invloed aan te wijzen, dien het bestudeeren van Shakespeare\'s werken op dezen schrijver heeft gehad. Voor zoover men van eene Shakespeareaansche methode zou mogen spreken, zou men kunnen zeggen, dat Ostrovsky getracht heeft de Russische stof naar deze methode te verwerken. Zonder twijfel heeft deze vereering van den Engelschen dramaturg Ostrovsky ook gebracht tot het samenstellen van enkele historische drama\'s. Deee werken spelen in den tijd, toen Rusland na den dood van Iwan den Wreede geteisterd werd door hevige beroeringen en binnenlandsche twisten over de troonsopvolging, die ten slotte geleid hebben tot de vestiging der tegenwoordige dynastie in Rusland. Ostrovsky heeft aldus een stuk van Rusland\'s geschiedenis vereeuwigd in een soort van tetralogie, waarin achtereenvolgens behandeld worden: De inhuldiging van den Pieudo-Dmitri, De samenzwering van Vassili Chouïsky, De onlusten van Touchino en De bevrijding van Rusland door Kouzma Minine. Deze drama\'s zijn grootendeels in verzen geschreven; ofschoon zij verre beneden zijne overige werken worden gesteld, kenmerken zij zich door

ocr page 34

26

historische getrouwheid en door de stipte, niet-geïdeali-seerde schildering van Russische typen en toestanden.

Vermoedelijk heeft ook Shakespeare\'s Midzomernachts-droom Ostrovsky geïnspireerd tot het schrijven van een tooverspel, Sneeuiohloempje getiteld. In dit stuk zijn een aantal volksmythen opgenomen , afkomstig uit overoude tijden, toen de Russen nog heidenen waren en den Zonnegod aanbaden. Moge deze schepping enkelen componisten , waaronder Tschaïkovsky, aanleiding hebben gegeven tot muzikale dramatische composities, voor het tooneel wordt zij te lang en weinig geschikt geoordeeld. Uit een en ander blijkt dus, dat de waarde van Ostrovsky als tooneelschrijver in hoofdzaak moet beoordeeld worden uit de werken van zijne eerste periode , in den aanvang van dit opstel genoemd, waaronder Het onweer dan een eerste plaats inneemt.

Nu is een der eigenaardigheden van Ostrovsky, dat hij zich in zijne meest populaire werken niet bedient van eene bloemrijke taal, van dichterlijke wendingen en figuren, maar van de eenvoudige taal, zooals de Russische boeren die onder elkaar spreken; deze taal moet zich niet alleen kenmerken door eene bijzondere originaliteit, maar ook door een zeker poëtisch gehalte , uithoofde van haar rijkdom aan uitdrukkingen, afkomstig uit volkslegenden en oud-Russische volksliederen , die in hoofdzaak in het Slavisch dialect zijn geschreven. Deskundigen verzekeren, dat het een buitengewoon genot is de werken van Ostrovsky in het oorspronkelijk

ocr page 35

27

te lezen, en dat de groote waarde en populariteit van deze werken vooral gezocht moet worden in den eigen-aardigen origineelen vorm en in de taal.

• Wij willen dat gaarne gelooven.

Maar dan volgt daaruit ook tegelijkertijd, dat er ontzaglijk veel van de waarde dezer scheppingen door overzetting in onze Westersche talen moet verloren zijn gegaan. Wat er voor ons dan nog van die werken te genieten blijft, moet zich geheel bepalen tot de karakter-teekening en den dramatischen inhoud.

Gelijk ik nu in den aanvang zeide, men heeft Ostrovsky wel eens den Shakespeare van Rusland genoemd. Zonder nu zijne groote verdiensten gering te schatten; zonder over \'t hoofd te zien, dat hij door de krachtige schildering van verderfelijke instellingen veel kan hebben bijgedragen tot de opvoeding en de geestelijke ontwikkeling van het Russische volk, komt het mij toch voor, dat de eerenaam , dien men Ostrovsky heeft toegekend , meer het gevolg mag heeten van zijne pogingen, om in dramatische behandeling zijner onderwerpen Shakespeare na te streven, dan van do werkelijke overeenkomst, die tusschen zijne scheppingen en die van Shakespeare zou bestaan. Neemt men d j voornaamste figuren uit Ostrovsky\'s geroemde werken, dan zal men moeten erkennen, dat zij in karaktertee-kitiing, in psychologische beteekenis, in diepte van opvatting verre achterstaan bij de meest bekende typen uit de werken van Shakespeare. Al het verheffende en

ocr page 36

28

bezielende , de machtig aangrijpende zielstoestanden , de demonische krachten, die bij Shakespeare in het spel treden , ontbreken bij . Ostrovsky ten eenen male. Wij weten bij ervaring, dat een goede vertaling van een werk van Shakespeare ons nog altijd een groot kunstgenot verschaft, zoowel bij lezing als bij de opvoering; de beteekenis van een werk van Ostrovsky daarentegen gaat door overzetting grootendeels verloren. Wanneer wij in liet onweer voor een oogeublik de personen en handelingen ontdoen van de karakteristieke en locale kleur, waarin wij die steeds geplaatst moeten denken, — wat blijft er dan over ? Mets dan het afgezaagde thema van de echtbreuk, dat ons in de literatuur van den lateren tijd met alle denkbare variaties en in alle mogelijke nuances tot vervelens toe is opgedischt. Zelfs de motieven , die Katia tot bekentenis van hare schuld brengen , kunnen dan slechts op onze lachspieren werken en de dramatische ontknooping wordt zelfs hoogst banaal. Alleen tegen den donkeren achtergrond , waarin de personen zijn gehouden , van wier lage ontwikkeling wij ons maar een flauw denkbeeld kunnen maken , schijnen de vale schimmen van hartstocht en bijgeloof ons toe helverlichte gestalten te zijn.

Wanneer Durand-Grréville ons meedeelt, dat een stuk als Schoenmaker, blijf bij uwe leest in Rusland even populair is en wellicht evenveel opvoeringen heeft beleefd als La Dame Blanche in Frankrijk, dan eerst begrijpen wij , hoever de eischen , die in Rusland aan het

ocr page 37

29

tooneel worden gesteld, beneden de onze blijven. Wio dit stuk leest, zal moeten erkennen, dat decompositie, de intrige , de gesprekken zich in niets van het dooien door gewone onderscheiden. Alles is hierin zoo laag bij den grond, dat ik het niet de moeite waard achtte, na bespreking van Het onweer hieraan nog een enkel woord te wijden.

Over \'t algemeen blijven de personen in Ostrovsky\'s werken in een te lage sfeer, dan dat wij voor hen eenige bijzondere belangstelling kunnen gevoelen. Wanneer wij de geestelijke zuster Fékloucha in ernst hooren vertellen, dat zij de schoorsteenvegers op de daken voor booze geesten en de locomotieven voor vuurdraken houdt, die zonde en verderf over het volk brengen, dan zijn wij eer geneigd aan wilden en vuuraanbidders te denken dan aan bewoners van het beschaafde werelddeel.

De afstand tusschen onze minst ontwikkelde burgers en de door Ostrovsky geschilderde typen is te groot, dan dat wij daarin iets anders zouden kunnen zien dan monstrueuze caricaturen en curiositeiten. Van zielkundige problemen, van gedachten en gevoelens, die zich maar eenigszins boven het peil van het allergewoonste verheffen , is in \'t algemeen geen sprake; de karakters liggen alle aan de oppervlakte — wij hebben maar toe te kijken en te beklagen. Het zou werkelijk geen ongepast slot zijn, om aan het eind van de vertooning bij het publiek eene schaalcollecte te houden voor bijdragen aan een fonds tot oprichting van scholen voor

ocr page 38

30

arme Russische kindertjes. Ontdaan van de karakteristieke taal, die aan deze vertooningen eene bijzondere tint moet verleenen , zijn de toestanden , die ons hier worden voorgesteld , zoo weinig in overeenstemming met de meest eenvoudige begrippen onzer beschaving, dat zij op ons Hollandsch tooneel ongeveer hetzelfde effect moeten maken als de tonen van den gamelang in een artistiek salon van Erard.

Mogen wij dan aan de rage voor Russische literatuur de kennismaking met enkele meesterwerken te danken hebben — de invoering van dramatische werken als de hierbedoelde kan bezwaarlijk van eenig belang geacht worden. Door de sappige vruchten van Nederlandsche , Pransche, Engelsche en Duitsche tooneelschrijvers is onze smaak te zeer verfijnd, dan dat wij nog behagen zouden kunnen vinden in de ruwe volksspijs , die ons door Ostrovsky wordt opgedischt. De vruchten van Ostrovsky\'s geest zijn van een te specifiek-Russisch karakter, dan dat zij in ons klimaat zouden kunnen gedijen. Alleen de modezucht, waarvoor nu en dan ook het gezond verstand schijnt te moeten wijken, zal nog het debiet van deze curiositeit bij ons kunnen bevorderen.

Ik acht het dan ook niet onwaarschijnlijk, dat door velen alweer een groot geroep over deze soort van dramatische kunst zal worden aangeheven. Ostrovsky\'s werken leveren toch weer een nieuwen aanvoer tot den grooten voorraad van pessimisme, waarvan de kunstwerken van den lateren tijd zijn doortrokken. Het pes-

ocr page 39

31

simisme is in de mode: wijsgeeren en ar listen wedijveren om strijd, om ons het leven en de toestanden zoo zwart mogelijk af te malen, en Ostrovsky staat hun daarin waardig ter zijde-

Ik zal het niet wagen te beslissen, in hoever het op den weg der kunst ligt, propaganda te maken voor vrijzinnige denkbeelden en door de pikante en ruwe schildering van noodlottige hartstochten en aangrijpende tooneelen van het menschelijk lijden de menschheid op te wekken tot hervorming en verbetering van bestaande toestanden. Het zal altijd de vraag blijven, of de indruk , dien een kunstwerk op ons maakt, niet te véél afhankelijk is van oogenblikkebjke stemming, niet al te zeer gemengd en al te snel voorbijgaand, dan dat wij daarvan groote zedelijke gevolgen zouden mogen verwachten. Maar in elk geval is het zeker , dat door dit streven in de kunst, dat dikwijls gepaard gaat met een ziekelijk rond woelen in de meest verborgen schuilhoeken van \'s menschen zieleleven , alle gezonde levenslust, alle vroolijkheid in de kunstwerken dreigen onder te gaan. Indien- Goethe in onzen tijd geleefd had, zou hij zeker niet gezegd hebben: ernst isl das Leien, heiter ist die Kunst. Want inderdaad, de kunst is tegenwoordig veel somberder dan het leven zelf. Zij kent slechts tranen en verzuchtingen. Uit alle windstreken waaien de jammerklachten in proza en dichtvorm tot ons over. quot;Wij zijn allen op weg het lachen te verleeren. Laten wij \'t dan onzen braven burgers niet kwalijk

ocr page 40

32

duiden, dat zij bij voorkeur de schouwburgen vullen, Wimneer een Duitsche klucht wordt opgevoerd: is \'t niet natuurlijk, dat zij de kunst, die opvroolijkt, verkiezen boven die, welke neerdrukt en bedroeft?

Al trachten zij dan niet naar \'t verhevene, zij zoeken tea minste het gezonde. En het gezoade is in onzen tijd schaars te vinden. Zelfs het zuivere Noorsche klimaat stortte in den laatsten tijd weer een overvloed van jammerklachten , protesten , onopgeloste vragen over ons tooneel uit. De ingenomenheid met Ibsen\'s werken vindt ook alweer voor een groot deel haar grond in die contagion ncrveuse, die onze atmosfeer bezwangert. Toch verdient Ibsen zeker onze aandacht en waardeering dooide diepe zielkundige problemen, die hij stelt, —- problemen , die wellicht beter op hunne plaats zouden zijn in den roman dan op het tooneel. Ziedaar dan de Noor en de Rus, beiden strevend naar hetzelfde doel, beiden te velde trekkend tegen de leugen en de menschelijke zwakheden — maar toch op zoo geheel tegenovergestelde wijze : wat bij Ibsen te veel is, is bij Ostrovsky te weinig.

Wie zal ons brengen L; juste milieu ? En wie vooral zal ons weer wat brengen van die gezonde vroolijk-heid, van dien guitigen humor, van die weldadige afwisseling van ernst en dartelheid, die de kunst maken tot dat lichtgevleugeld wezen, waarnaar wij reeds zoo lang tevergeefs hebben uitgezien ?

ocr page 41

De Kunst der Naturalisten en Decadenten van een sociologisch standpunt beschouwd.

,Wat ook de stoffelijke oorzaken mogen uitwerken , het zijn ten slotte do denkbeelden, die de wereld re-geeren . . . Wording, ontwikkeling, evolutie . . . ziedaar de wachtwoorden van onzen tijd. Zij vertegenwoordigen denkbeelden , waaraan het jongere geslacht dat ons ouderen vervangen zal, zich reeds vroeg moet gewennen , zal evolutie nooit in revolutie ontaardenquot;. — Dat waren de woorden , waarmee de Hoogleeraar Harting, even voor zijn dood, in een kort geschrift afscheid nam van zijne vrienden en geestverwanten. Voor hen, die Harting gekend en gewaardeerd hebben, zijn deze woorden eene trouwe afspiegeling van zijn persoon: zij kenmerken den man, die aan eene wetenschappelijke genialiteit een sterk sprekend gevoel van groote belangstelling paarde voor de verschijnselen en bewegingen van zijn tijd, en die het van evenveel belang achtte, door te dringen tot de kennis van de verschijnselen en de wet\' ten der samenleving als tot die van de levensfunctiën ■Maurits Smit, Kunst en Leven 3

ocr page 42

34

van het individu; die, lettend op de teekenen destijds, bedenkelijk het hoofd kon schudden , wanneer hij peinsde over de toekomst van het jongere geslacht, waarvoor zijn hart zoo warm klopte. Maar vooral treffen wij hier het juiste type aan van den denker van onze eeuw, waarin al het zoeken, al het trachten zich met eene zekere voorliefde in één richting beweegt, en wel in de sociologische richting. Die beweging mag voor een deel zijn aan te merken als eene natuurlijke reactie op de denkwijzen der vorige eeuw , toen de theorieën van Helvetius en De Volney en het eenigszins naïeve materialisme van Holbach en La Mettrie de denkbeelden beheerschten, — voorzeker is zij in hoofdzaak toe te schrijven aan de snelle en machtige ontwikkeling der physiologische en psychologische wetenschap, het troetelkind van onzen tijd, — het stokpaardje, waarop zelfs onze hedendaagsche romanschrijvers met eene nagenoeg hartstochtelijke voorliefde rondrijden. De methode, gevolgd bij het zoeken naar het verband der dingen in den mensch, werd de aangewezen weg, om door te dringen tot de grondige kennis van de betrekkingen tussohen de menschen onderling en van de wisselwerkingen in het maatschappelijk leven: de physiologie baarde de sociologie.

Maar de denkbeelden, die de wereld regeeren, besturen dus ook onze gevoelens, leiden onze gewaarwordingen ; en de sensaties en impressies openbaren zich allereerst in de kunst. Elk tijdperk van de evolutie der

ocr page 43

35

menscliheid vond immer zijne afspiegeling in de kunstgewrochten — volgens John Ruskin zouden zelfs alle heerschende deugden en ondeugden hare uitdrukking hebben gekregen in de kunst. Tusschen de moderne wetenschappen , de sociologie en de kunst moet dus eene nauwe betrekking bestaan. Maar geen actie zonder reactie: ondervindt de kunst den invloed der zich steeds wijzigende denkbeelden en sociale verhoudingen, dan moet zij ook omgekeerd eene bepaalde werking uitoefenen op het denken en leven van een volk of van een geheel geslacht.

In hoever nu aan de kunst een sociologisch karakter kan worden toegekend ; welke rol zij in den eerstko-menden tijd zal hebben te vervullen bij het streven naar de maatschappelijke eenheid, waarop al het denken en handelen in onze dagen uitsluitend schijnt gericht te zijn; tod welke gevolgtrekkingen wij moeten geraken omtrent de toekomst der kunst zelve , wanneer wij haar ontwikkelingsgang volgen en het oog vestigen op de tegenwoordige verschijnselen, waartoe die ontwikkeling heeft geleid, — ziedaar de hoogst belangrijke onderwerpen , die de Fransche philosoof Guyau in een zijner jongste geschriften, Vart au point de vue socioloyique behandelt.

Reeds vroeger bracht Gruyau in Les Problèmes de l\'cs-ihélique contemporaine, die in 1884 verschenen, het laatstgo-noemde onderwerp, de evolutie en de vermoedelijke toekomst der kunst, ter sprake. Dit geschrift draagt echter

3*

ocr page 44

36

een meer polemisch karakter, aangezien de schrijver zich hier in hoofdzaak bepaalt tot het weerleggen van de uitspraken van enkele philosofen, zooals Spencer, Stuart-Mill, Renan, Hartmann, die zich geroepen achtten, op grond van het toenemend wetenschappelijk en critisch denken, van de overheersching dor industrie en van het toenemend overwicht der democratische beginselen de langzame verkwijning en don ondergang der verschillende kunstvormen te profeteeren. Daarentegen kan zijn later werk — L\'art au point de vun sociologique — meer als een direct vervolg op een vroeger van zijne hand verschenen geschrift, L\'irréligion de Vavenir, worden aangemerkt. Ook Virréligion de Vavenir is eene sociologische studie, waarin de wording dor godsdiensten in de oorspron-kekelijke maatschappijen en de trapsgewijze ontbinding dier godsdiensten in de tegenwoordige en komende orde van samenleving worden besproken. Wat Guyau daarin zegt over de transformatie der religieuze denkbeelden en gevoelens, vindt zijne eigenlijke oplossing in het bovengenoemde laatste geschrift, waarin hij den onwikkelings-gang der kunst en haar solidair verband met de evolutie van den godsdienst, van de wijsbegeerte en de wetenschap aan een critisch onderzoek onderwerpt, om daaruit tot bepaalde gevolgtrekkingen omtrent de sociologische beteekenis der kunst te geraken.

Ik geloof niet, dat men Guyau er een bijzonder verwijt van mag maken, dat hij zich bij de wijsgeerige en critische beschouwingen, die hij in dit werk ten

ocr page 45

37

beste geeft, in hoofdzaak bepaalt tot de kunst, waarop de evolutie der denkbeelden direct den krachtigsten invloed heeft uitgeoefend, en dat hij bij de geschiedenis van de transformatie onzer opvatting van schoon en van kunst uitsluitend het dynamischc element der kunst behandelt en het statische element stil laat rusten. Niettegenstaande hij zich in de Prohlèmes voortdurend kant tegen het gevoelen van hen, die beweren, dat de tijd der beeldende kunsten voorbij is en dat van alle kunsten alleen de muziek en de literatuur in de toekomst nog reden van bestaan hebben, plaatst hij zich toch hier — misschien malgré lui — op het standpunt Tan den schepper der deutschen Kunst. In een zijner geschriften laat toch Wagner zich over de verschillende kunstvormen aldus uit: „Die hilJende Kunst ist monumental ,bcwelt;jungs-/os. A\'itr in derjenigen Kunst ist uber eivig neu zu er finden, die einen ewig neuen Qfgen stand hat: die ist aber die rein mensMiche dramatische Kunst, weil sie das rnensch-liche Leben selbst in der Bewegung durstellt.quot; Nu wijdt Gruyau wel een paar hoofdstukken aan beschouwingen over de mededeeling en uitwisseling der gewaarwordingen en over het sociaal karakter van de aesthetische en artistieke emoties in het algemeen, maar voor \'t overige heeft geheel zijne beschouwing meer bepaald betrekking op de Fransche literatuur. Men zou dus alleen bedenking kunnen hebben tegen den titel van zijn werk; Vart litléraiie au point de vue sociologique zou hier beter op zijne plaats zijn geweest.

ocr page 46

38

Dit heeft mij er ook als vanzelf toe gebracht, om mij bij hetgeen ik hier over deze studiën van Gruyau wilde mededeelen, te bepalen tot eene beschouwing van zijne denkbeelden omtrent de ontwikkeling der moderne literatuur in verband met die der maatschappij. Het ligt voor de hand, dat Gruyau allereerst de aandacht vestigt op de ontwikkeling en de beteekenis van den hedendaagschen roman. Dit kunstwerk is toch te beschouwen als het sociaal epos, dat het leven in al zijne schakeeringen teruggeeft. De meest complexe verschijnselen , de innigste en diepste gevoelens, de hartstochten in alle mogelijke graden van ontwikkeling vinden hierin hunne uitdrukking : dit kunstgebied verleent den artist eene nagenoeg onbeperkte vrijheid. De tooneeldichter toch is altijd eenigermate gebonden aan de conventie; in den roman is plaats voor elke emotie, op het tooneel niet. Hier moet men werken op het uitwendig dramatische , op het duidelijk zichtbare en tastbare. Diepzinnige problemen, raadselachtige zielstoestanden zijn op het tooneel misplaatst — getuige de kunst van Ibsen. Aan den tooneel-schrijver zijn andere en meer strenge eischen gesteld; vandaar, dat vele romanschrijvers fiasco maken, zoodra zij voor het tooneel gaan schrijven. Het tooneel is een soort van tribunaal, waar men gehouden is zichtbare en tastbare bewijzen te geven, wil men begrepen worden. De romanschrijver daarentegen staat geheel vrij tegenover zijn publiek; hij kan het rijke materiaal, waarover hij te beschikken heeft, naar goedvinden kneden en vervormen; het

ocr page 47

39

staat hem vrij de kleuren op zijn palet te mengen, gelijk hij verkiest; — hij kan , naar gelang van zijne stemming en opvatting, schilderen in een stillen, gedekten toon of zich bedienen van de meest schitterende en gloeiende verven. Van deze vrijheid hebben dan ook de romanschrijvers gebruik —- dikwijls zelfs misbruik — gemaakt. In de laatste jaren openbaarde zich bij velen van hen, als eene natuurlijke reactie op de overdrijving der romantiek, een jagen naar realisme, en onder de leus van: „waarheid , niets dan de waarheidquot;, heschen de naturalisten de roode vlag.

Gruyau tracht nu aan te toonen , dat de leus, waaronder de naturalisten zijn opgetreden , volkomen valsch is. Wanneer de naturalisten beweren , dat zij de waarheid teruggeven , misleiden zij zoowel het publiek als zichzelven.

Indien de hoogepriester van het naturalisme zich de moeite had willen getroosten beter door te dringen in de methode der experiraenteele wetenschap, die hij voorwendt als grondslag te nemen voor zijne leer en richting, dan zou hijzelf het hoogst gebrekkige, het bedrieglijke van zijne school hebben moeten erkennen en zou hij — indien het streven naar waarheid hem ernst is — nimmer vervallen zijn in den waan, waarin al zijne volgers en aanbidders nog steeds verkeeren. Volgens Zola toch moet de naturalistische schrijver zooveel mogelijk trachten door te dringen tot het geheele mechanismus van de verschijnselen, die zich bij den

ocr page 48

40

mensch en in de maatscliappij voordoen; hij moet voortdurend het oog gevestigd houden op het raderwerk der intellectueele en sensueele verschijnselen, zooals de physiologie ons die doet kennen onder den invloed van de erfelijkheid en van de maatschappelijke omgeving. De karakterontleding en de beschrijving moeten geheel en al steunen op de physiologie, om te komen tot de oplossing van de vraag, hoe de mensch zich in de samenleving beweegt en hoe hij op zijne omgeving reageert. Ten einde nu dit programma van werkzaamheden ten uitvoer te brengen, begint de naturalistische schrijver met eene bepaalde categorie van menschen in hun dagelijksch doen en leven waar te nemen. Hij tracht op de hoogte te komen van hunne gewoonten , denkwijzen, karaktertrekken; uit den aard der zaak bepalen zich zijne waarnemingen tot enkele, gewoonlijk een zeer beperkt aantal individuen, die hem de stof moeten leveren voor zijne aanteekeningen. ïfu wordt het zorgvuldig verzameld materiaal overzien, gegroepeerd, gerangschikt; het combinatievermogen en de phantasie van den schrijver treden in werking, en het beeld, dat nu ontstaat, wordt het publiek aangeboden als eene kopie der werkelijkheid, als een type. Op die wijze wil Zola ons in VAssommoir het type geven van den Parij-schen werkman, die aan den drank is verslaafd; in Germinal het beeld van den mijnwerker, in Nana het type van de ontuchtige, verdierlijkte vrouw.

Gij zult misschien, getroffen als gij zijt door die op-

ocr page 49

41

eonhoopiiig van afschuwelijkheden, een oogenblik twijfelen aan de juistheid van deze typen? Maar hoe kon dat in uw brein opkomen? De naturalist heeft immers zijne aanteekeningen, zijne gegevens; -— hij heeft immers de inductieve methode gevolgd, dezelfde methode, die de natuurkundige aanwendt, om uit zijne waarnemingen een theorie, een wet op te bouwen! Wanneer gij geen geloof wilt slaan aan de waarheid van het naturalistisch kunstproduct, twijfel dan ook op dienzelfden grond aan de juistheid van Newton\'s gravitatiewet, aan het stelsel van Copernicus, aan Darwin\'s evolutieleer.

Ziedaar de redeneering, waarmee de volgers der naturalistische school hunne tegenstanders trachten te ontwapenen.

Bij een weinig nadenken treedt echter het bedrieglijke van deze argumenten spoedig aan het licht. De inductieve methode heeft voorzeker eene zwakke zijde — doch est modus in rebus. Indien de naturalist in staat ware, om bij zijne experimentatie op dezelfde wijze te werk te gaan als de natuurkundige, die het in zijne macht heeft, om bij zijn minutieus onderzoek alle omstandigheden, die op zijne proefneming storend zouden kunnen werken, te elimineeren; die kan beschikken over een groot aantal feiten, die hij onder van te voren beredeneerde omstandigheden met de meeste volledigheid heeft kunnen onderzoeken; die de uitkomsten zijner waarnemingen kan onderwerpen aan de scherpste controle, en die bij het maken zijner gevolg-

ocr page 50

42

trekkingen de natuur onophoudelijk met proefnemingen blijft ondervragen; — indien de naturalist diezelfde scherpte van onderzoek, dienzelfden streng afgebaken-den weg kon volgen, dan voorzeker zou hij recht hebben zich op de natuurkundige methode te beroepen. Maar \'t springt toch reeds dadelijk in \'t oog, hoe weinig zijne handelwijze met deze methode gemeen heeft! Reeds de samengesteldheid en de verwikkeling der verschijnselen , al het raadselachtige en onverklaarbare in \'s men-schen natuur, waarop hij wil experimenteeren; die duizenden omstandigheden, die aan zijne waarneming ontsnappen en waarvan de kennis toch onmisbaar is voor de juistheid zijner gevolgtrekkingen, — dat alles stelt hem onoverkomelijke hinderpalen bij de verzameling zijner bouwstoffen. Dat zich voortdurend beroepen op de experimenteele methode is niets dan eene schijnbewe-ring, eene drogreden, een pronken met valsche veeren. De geheele methode van den naturalist is niets meer dan een manier, die ten slotte neerkomt op een handig geknutsel met brokstukjes van feiten, die wonderlijk dooreengehaspeld en ten slotte overgoten worden met de pikante saus van een overprikkelde verbeelding. . Want behalve dat zijne waarnemingen hoogst gebrekkig en onvolledig zjjn, blijft de romanschrijver altijd veel meer het werktuig van zijne verbeelding en van zjjn idealiseerend combinatievermogen, dan hij zich wel bewust is. De geheele quaestie van de erfelijkheid bij de familie Rougon-Macquart is ten slotte veel meer eene

ocr page 51

43

zaak van de verbeelding dan van het experiment. Al de daarin voorkomende typen zijn feitelijk niets meer dan producten van Zola\'s phantasie ; de experimentatie bepaalt zich eigenlijk tot den romanschrijver zelf, zoodat de lezer daaruit kan besluiten, dat de schrijver hersens heeft van dit of dat maaksel of oogen, die op eene bepaalde wijze zien. Het resultaat, waartoe de naturalist komt, verdient nauwelijks den naam van een losse hypothese, en de lezer ziet bij de schatting van de waarde dezer kunstproducten gewoonlijk over \'t hoofd, dat het altjjd mogelijk is een zeker aantal feiten zoo te groepeeren , dat daarmee de schijnbare juistheid van een stelsel, dat de ontwerper is toegedaan , kan worden aangetoond. Het publiek is in \'t algemeen de dupe van de handigheid der denkers. Het is bijna ongeloofehjk, hoe willekeurig een handig schrijver met zijne gegevens kan omspringen. Taine verzamelt een aantal feiten uit het leven van Napoleon en besluit daaruit, dat hij een nietswaardig monster is geweest; morgen komt er een ander, die uit diezelfde of uit een ander stel van gegevens een achtenswaardigen held zal formeeren!

A.an deze onnauwkeurigheid paart de naturalist bovendien eene verregaande eenzijdigheid ; hij , die met zooveel minachting neerziet op de idealisten en de scholastici, die aan de metaphysica hunne onderwerpen ontleenen, is ten slotte zelf niets anders dan een metaphysicus — alleen met dit onderscheid, dat zijn stelsel op eene andere leest is geschoeid.

ocr page 52

44

De idealisten zeggen : zie , alles moet schoon en goed zijn in het werk van God , — en op dien grond bouwen zij voort. Wel neen , — zegt de realist — alles in den mensch is in den grond leelijk en slecht; het beestachtige in den mensch moet het eenige ware uitgangspunt zijn van elke beschouwing , van elke studie over den mensch en de maatschappij. Maar omdat nu de volgers der romantiek enkele belangrijke punten in het bestaan en in de ontwikkeling van den mensch over \'t hoofd hebben gezien en daardoor in een zeer laakbare onvolledigheid en overdrijving zijn vervallen, geeft dat nog den naturalisten het r.echt niet, om op die enkele feiten , met moedwillig voorbijzien van al het overige ,. een nieuw systeem te gaan opbouwen. Daardoor maken zij zich schuldig aan overdrijving in tegen-overgestelden zin. ♦

Onder de belofte en het voorwendsel ons een juisten blik op de maatschappelijke verhoudingen en op den mensch te geven, schilderen zij ons een klein stukje van die maatschappij, die volgens hen uitsluitend bestaat uit ontzenuwden, woestelingen, gekken en schelmen. Wij worden onthaald op de portretten van zedelijke monsters , bij uitzondering nu en dan op die van middelmatigheden ; alles, wat naar het hoogere en edelere zweemt, moet worden verbannen ; in plaats van wonderen van braafheid krijgen wij wonderen van slechtheid te zien; van de onbereikbare hoogten, tot welke de romantici ons wilden opvoeren, worden wij neergetrok-

ocr page 53

45

ken in den diepsten afgrond — de balans is van den einen uitersten stand in den anderen overgeslagen. In plaats van een sympathie bij den lezer op te wekken, die zou kunnen leiden tot eene gemeenschap en tot een overeenstemming van gevoelens, welke de eerste voorwaarde van een waardig naturalisme behoorden te zijn, zoeken de naturalisten hun steunpunt in de antipathische naturen.

De eenige verontschuldiging, die zij voor dit alles kunnen aanvoeren, is , dat zij zich werkelijk ten doel stellen den mensch te schilderen in zijne sociale verhoudingen ; zij willen aan hunne geschriften allereerst een sociologisch karakter geven. Daartoe vestigen zij het oog uitsluitend op den algemeenen strijd om \'t bestaan, en zij blijven daarop zoo lang staren, totdat zij ten laatste in de geheele maatschappij ook niets anders meer kunnen ontdekken dan dien strijd ; the struggle for life wordt een stokpaardje voor de modernisten en een valstrik voor menigen talentvollen schrijver — getuige het fiasco van Daudet, die zich in een onbewaakt oogen-blik geroepen achtte dit afgezaagd thema nog eens voor het voetlicht te brengen. Maar hierbij zien zij geheel over \'t hoofd , dat zich uit al dien strijd en uit al die mededinging in \'t leven ook tegelijkertijd de coöperatie ontwikkelt; en zoo houden zij geene rekening met die kracht, die stets das Bose luill und stets das Gute schafft. De hoofdfactor, die in dezen strijd om \'t bestaan bij den mensch optreedt en die al zijne handelingen be-

ocr page 54

46

stuurt, is dan volgens de naturalisten de geslachtsdrift; elk liooger begrip van liefde wordt eenvoudig geëlimineerd en alle vormen van affiniteit worden teruggebracht tot het voortplantingsinstinct. Vandaar, dat bijna alle schrijvers, die in deze richting zijn vervallen, ons onthalen op de platte schildering van de natuurlijke driften en van de lagere hartstochten.

Gruyau is van oordeel, dat velen, die in dezen trant schrijven, daartoe vooral gedreven worden door de hoop op een financieel succes. Hij kan niet aannemen, dat Zola en zijne volgers naiëf genoeg zouden zijn te ge-looven, dat de duizenden, die naar zijne boeken grijpen, daartoe gedreven worden door het groot verlangen, om van hunne zedelijke kwalen verlost te worden. Het is niet alleen aan het verlangen naar eene noviteit, maar wel degeljjk aan de geheime zucht naar een zeker genot van lageren oorsprong, dat Zola de snelle verspreiding van zijne werken over de geheele beschaafde wereld heeft te danken. Misschien zijn de lezers van de minste soort, dat zijn zij , die belust zijn op vuiligheid, wel het talrijkst. Het lijdt geen twijfel, dat de naturalisten speculeeren op die atavistische neigingen, die ook bij den meest ontwikkelden en edelgezinden mensch nog sluimeren; en in plaats dat hunne kunst die neigingen tracht te onderdrukken, — \'t geen juist de schoone roeping is van ware kunst — zal zij die veeleer opwekken. Dat hunne werken den mensch zouden aanmoedigen , om hervorming en verbetering te brengen in treurige

ocr page 55

47

maatschappelijke toestanden, is een phrase, waaraan de naturalisten ten slotte zelf geen geloof slaan. Het onvolledige en fictieve van de constructie dier werken, het onsympathische element, dat zich hierin voortdurend aan den lezer opdringt, beneemt hun de moreele, hervormende kracht, die de modernisten hun zoo gaarne willen toedichten: ook als tendenz-werken behooren zij dus als mislukt te worden beschouwd.

Ofschoon reeds vroeger door romanschrijvers sociale vraagstukken zijn te berde gebracht, o. a. door George Sand in Le Compagnon du tour de France, wordt volgens Guyau de roman eerst sociologisch bij Balzac. Men kan Balzac en Stendhal tevens als de voorloopers en grondvesters van het hedendaagsche realisme aanmerken. Balzac legt vooral den nadruk op psychologische en sociale waarheden; hij zoekt ze zoowel in het leelijke als in hetschoone, voor\'t meerendeel zelfs in het leelijke. Ook kan men het realisme beschouwen als een direct gevolg van het romantisme van Victor Hugo, en niet alleen ten gevolge van een reactie, maar ook door evolutie. L\'assomtnoir is reeds in kiem in Les Misêrahles; Gruyau toont dat door onderlinge vergelijking van verschillende typen uit beide werken aan. Eindelijk vindt men in de psychologische studiën van Flaubert de romantiek met het realisme vereenigd; in deze geschriften treedt ook vooral de door de Duitschers zoozeer geliefde EutwickIungsidee op den voorgrond. Flaubert toont reeds die bijzondere voorliefde voor pLithologische gevallen en

ocr page 56

48

abnormale toestanden, waartoe schrijvers, zooals De Gon-conrt, zich zoo sterk voelen aangetrokken.

Het heeft mij wel eenigszins verwonderd, dat Guyau bij zijn overzicht van de ontwikkeling van het naturalisme hoegenaamd geen gewag maakt van Baudelaire, wiens geschriften hij eerst later in een ander gedeelte van zijn werk bespreekt. Baudelaire heeft toch ontegenzeglijk een zeer overwegenden invloed op de moderne romanschrijvers uitgeoefend. Wie de onlangs verschenen laatste uitgave van zijne werken opslaat, waarin ook enkele stukken zijn opgenomen, die Baudelaire oorspronkelijk niet voor de pers had bestemd en die nu ongeveer een halve eeuw oud zijn. vindt de grondbeginselen van het hedendaagsche naturalisme daarin herhaaldelijk uiteengezet. Zoo zegt hij o. a. in Le Peintre de la vie moderne, dat men alle hoedanigheden, die onmiddellijk voortvloeien uit de natuur van den mensch, slechts nauwkeurig behoeft waar te nemen en te analyseeren, om tot de overtuiging te komen, dat er in die natuur niets dan afgrijselijks is te vinden. „Alles wat schoon is, is het resultaat van overleg en berekening.quot; (Volgens B. schijnt dus de ontwikkeling van \'s menschen intellect iets te zijn, dat geheel buiten de natuur van den mensch omgaat.) „De misdaad,quot; zoo heet het verder, „waarvoor de lust bij den mensch reeds in den moederschoot is ontwikkeld, is alleen origineel natuurlijk. De deugd daarentegen is kunstmatig en boven(on)natuurlijk, omdat er ten allen tijde bij alle volken goden en profeten

ocr page 57

49

noodig waren, om den mensch aan te sporen tot het streven naar iets, dat hij uit zichzelf nooit zou hebben kunnen vinden.quot; (Welk vreemdsoortig denkbeeld, vraagt men onwillekeurig, moet B. zich wel van goden en profeten gevormd hebben?) „Het kwaad geschiedt als yanzelf, zonder inspanning, op natuurlijke wijze, bij fataliteit; het goede is altijd het product van een kunst.quot; Wij zien dus hier reeds alle gegevens voor La Béte Humaiae voorhanden; Zola komt de eer dezer vinding niet toe: dit beestje was reeds lang volwassen en wachtte slechts op zijn Barnum, om opgang te kunnen maken bij het publiek.

De eenige verdienste, die Gruyau den naturalistischen schrijvers gaarne toekent, — een verdienste, die van een zuiver literair standpunt beschouwd zeker niet gering is te schatten, — is de bijzondere zorg, die zij aan den stijl besteden. Hij erkent. dat er onder hen voortreffelijke stilisten te vinden zijn. In de vinding van beelden en metaphoren, in de keuze en vorming van woorden en uitdrukkingen, in zuiverheid van rhythmischen bouw, in de geheele technische behandeling van het literair materiaal hebben enkelen ontegenzeglij k een groot meesterschap bereikt. Guyau haalt enkele passages aan uit de werken van Flaubert en Zola, waar men de regels slechts onder elkaar behoeft te schrijven , om zeer goed gerhythmeerde njmlooze verzen te krijgen. Hij constateert den graoten vooruitgang, de dichterlijke ontwikkeling van den prozastijl, waaruit men de conventioneele Maurits Smit , Kunst en Leven. 4

ocr page 58

50

uitdrukkingen hoe langer hoe meer tracht te verbannen, terwijl men zoekt naar de levendige expressie, naar he\'; woord, dat oogenblikkelijk en zoo sterk mogelijk de impressie teruggeeft. De eerste eisch, dien men aan een gosi prozaschrijver stelt, is, volgens Flaubert, deze, dat hij op h3t juiste oogenblik met een woord weet te treffen, zooals men met een wapen zou treffen. Het is een onbetwistbare waarheid, dat vele moderne schrijvers , Zola ia de eerste plaats, het ver in deze kunst hebben gebracht.

Deze evolutie van den prozastijl staat weer in nauw varband met de maatschappelijke bewegingen en transformaties. „Le style nest pas seulement Vhommequot;, zegt Guyau , vil est la nation et le siècle vus a travers une individuaUté.quot; De maatschappij is onderworpen aan een wet van snelle, ingewikkelde progressie, die wij in alle uitingen van het sociale leven terugvinden, dus ook in de kunst. De moderne gevoelens hebben door de wetenschappelijke en philosophische denkbeelden een meer gecompliceerd karakter gekregen, waarvan het natuurlijke gevolg is de behoefte aan talrijker , krachtiger en meer afwisselende middelen van uitdrukking. Reeds in zijne Prohlèmes wijst Guyau op de overeenstemming tusschen de evolutie jn den stijl en die in de muziek. Oor en oog zijn gaandeweg meer ontwikkeld, ons geheele perceptievermogen is meer ontvankelijk geworden voor fijnere nuances, vuor rijkere combinaties van toon en kleur. Ook bij de moderne schrijvers treedt de meerdere

ocr page 59

51

gevoeligheid voor zintuiglijke gewaarwordingen duidelijk aan \'t licht; zij rusten niet, voordat zij den juisten klank hebben gevonden, om hunne levendige sensaties weer te geven. Zij trachten te schrijven in sterksprekende kleuren: hunne beschrijvingen en expressies dragen veelal het karakter van aquarellen. Dat echter bij die artistieke reproductie van zintuiglijke gewaarwordingen en van stemmingen de groote kans bestaat, om te vervallen tot eentonigheid en manier, ligt voor de hand; aan die fouten maken zich dan ook de meeste naturalisten schuldig.

Het is juist deze manier, waarbij de gedachte dikwijls geheel over \'t hoofd gezien of liever geheel opgeofferd wordt aan den vorm en aan den klank, waardoor de zoogenaamde decadenten in de literatuur zich onderscheiden. Toch zou het, volgens Griiyau, verkeerd zijn de oorzaak van het ontstaan dezer letterkundige richting geheel alleen aan dat streven naar den krachtigst mogelijken vorm van uitdrukking en aan de vergoding van het woord toe te schrijven. De oorzaak en de beteekenis der letterkundige decadentie moeten wij dieper zoeken: volgens Gruyau hangt zij nauw samen met biologische en sociologische verschijnselen, is zij het kenteeken van verval in het leven van een volk of van een geheel geslacht. En daar het leven van een volk weer dezelfde phasen vertoont als het leven van het individu, moot een periode van verval zich allereerst kenmerken

door de verschijnselen , die wij bij den ouderdom waar-

4 *

ocr page 60

50

uitdrukkingen hoe langer hoe meer tracht te verbannen, terwijl men zoekt naar de levendige expressie, naar he\'; woord, dat oogenblikkehjk en zoo sterk mogelijk de impressie teruggeeft. De eerste eisch, dien men aan een gosi prozaschrijver stelt, is, volgens Flaubert, deze, dat hij op h3t juiste oogenblik met een woord weet te treffen, zooals men met een wapen zou treffen. Het is een onbetwistbare waarheid, dat vele moderne schrijvers , Zola in de eerste plaats, het ver in deze kunst hebben gebracht.

Deze evolutie van den prozastijl staat weer in nauw verband met de maatschappelijke bewegingen en transformaties. „Lc style nest pas seulement Vhommequot;, zegt Gruyau , VH esl la nation et le siècle vus d travers une individaahté.quot; De maatschappij is onderworpen aan een wet van snelle, ingewikkelde progressie, die wij in alle uitingen van het sociale leven terugvinden, dus ook in de kunst. De moderne gevoelens hebben door de wetenschappelijke en philosophische denkbeelden een meer gecompliceerd karakter gekregen, waarvan het natuurlijke gevolg is de behoefte aan talrijker, krachtiger en meer afwisselende middelen van uitdrukking. Reeds in zijne Problem es wijst Guyau op de overeenstemming tusschen de evolutie jn den stijl en die in de muziek. Oor en oog zijn gaandeweg meer ontwikkeld, ons geheele perceptievermogen is meer ontvankelijk geworden voor fijnere nuances, vuor rijkere combinaties van toon en kleur. Ook bij de moderne schrijvers treedt de meerdere

ocr page 61

51

gevoeligheid voor zintuiglijke gewaarwordingen duidelijk aan \'t licht; zij rusten niet. voordat zij den juisten klank hsbben gevonden, om hunne levendige sensaties weer te geven. Zij trachten te schrijven in sterksprekende kleuren: hunne beschrijvingen en expressies dragen veelal het karakter van aquarellen. Dat echter bij die artistieke reproductie van zintuiglijke gewaarwordingen en van stemmingen de groote kans bestaat, om te vervallen tot eentonigheid en manier, ligt voor de hand; aan die fouten maken zich dan ook de meeste naturalisten schuldig.

Het is juist deze manier, waarbij de gedachte dikwijls geheel over \'t hoofd gezien of liever geheel opgeofferd wordt aan den vorm en aan den klank, waardoor de zoogenaamde decadenten in do literatuur zich onderscheiden. Toch zou het, volgens Gruyau, verkeerd zijn de oorzaak van het ontstaan dezer letterkundige richting geheel alleen aan dat streven naar den krachtigst mogelijken vorm van uitdrukking en aan de vergoding van het woord toe te schrijven. De oorzaak en de beteekenis der letterkundige decadentie moeten wij dieper zoeken : volgens Cfuyau hangt zij nauw samen met biologische en sociologische verschijnselen, is zij het kenteeken van verval in het leven van een volk of van een geheel geslacht. En daar het leven van een volk weer dezelfde phasen vertoont als het leven van het individu, moet een periode van verval zich allereerst kenmerken

door do verschijnselen, die wij bij den ouderdom waar-

4 *

ocr page 62

52

nemen en vooral bij die afgeleefdheid, die zich nog een schijn tracht te geven van jeugd en kracht. Eet beeld van den eerbiedwaardigen grijsaard heeft zeker niets afschrikwekkends — ook de avond des levens heeft nog zijn eigenaardig schoon; — maar de afgeleefde, die door allerlei kunstmiddelen de uitputting zijner krachten en zijn onvermogen tracht te verbergen, maakt een walglijken indruk; dan eerst vertoonen zich de ware symptomen van geestelijken en zedelijken teruggang. Het afnemen der levenskracht gaat doorgaans gepaard met het toenemen van de kracht der gewoonten ; het denken en handelen geraakt hoe langer hoe meer besloten binnen een engeu kring ; de afgeleefde teert op op zijne herinneringen, vervalt doorgaans in dezelfde phrasen en gewoonten, waarmee zijne natuur zich gaandeweg heeft vereenzelvigd; — het assimilatievermogen van den geest neemt gelijktijdig met dat van het lichaam af. Doorgaans kenmerkt zich de ouderdom ook door een zekere overgevoeligheid: niet alleen de zenuwen , maar ook de gevoelens, de gewaarwordingen verslappen; en indien dan de afgeleefde verbeeldingskracht de aangename krachtige sensaties, die alleen aan den jeugdigen leeftijd eigen zijn, tracht te doen herleven en door kunstmiddelen poogt te verkrijgen , wat de natuur weigert , dan openbaart zich een zeker geestelijk ea lichamelijk bederf- Zoo treft men reeds in de oudheid de o-rootste wellustelingen en de meeste verdorvenheid aan

O O

cnder de grijsaards. In \'t algemeen kan men zeggen ,

ocr page 63

53

dat bij liet individu het verval zich het duidelijkst openbaart , zoodra de wil in botsing komt met de natuur, waardoor de solidariteit noodwendig verzwakt, het evenwicht verbroken wordt.

Zoo is ook het geheele sociale probleem een quaestie van de handhaving van het evenwicht tusschen den wil van het individu en de wetten, die tot instandhouding van het geheel noodzakelijk zijn. De verstoring van dat evenwicht loopt des te meer gevaar, naarmate de toenemende beschaving de individualiteit meer ontwikkelt ; deze ontwikkeling kan toch een oorzaak van verval worden , wanneer de individualiteit zich minder vrijwillig aan de wetten van liet sociaal geheel onderwerpt. Zoodra het individu te veel wil toegeven aan zijne egoïstische neigingen, aan zijne zucht tot exclusivisme ten koste van het algemeen welzijn, dan wordt het evenwicht verbroken en alle symptomen van verval, van ouderdom treden aan den dag; de zelfzucht van het individu kenmerkt zich door het jagen naar genot en voordeel, door overgevoeligheid voor eigen smart en nooden, — ingebeelde of werkelijke — waardoor het medegevoel wordt onderdrukt; door een ontevredenheid met en een hekelzucht van bestaande toestanden; door een zekere wellustige neiging, om het verrotte en bedorvene uit te pluizen, waardoor eer de besmetting-verspreid dan het bederf geweerd wordt.

Gruyau wijst er nu op, dat al die eigenschappen van de leden eener maatschappij , die in staat van ontbin-

ocr page 64

54 \'

ding verkeert, al die kenmerken van afgeleefdheid, die meer onzen afkeer dan ons medelijden opwekken, bij de decadenten worden teruggevonden. Als automaten herhalen zij voortdurend dezelfde phrasen en vervallen gestadig in de eentonige manier, die zij zich hebben eigen gemaakt. Bij voorkeur verdiepen zij zich in\' wellustige tooneelen en in bedorven, ziekelij ke toestanden en onthalen ons op schilderingen, die lijden aan een langdradigheid, zooals wij die bij oude, sufferige men-schen aantreffen. Zij loopen te koop met hunne ingebeelde kwalen, coquetteeren met hunne overgevoeligheid en scheppen een ongemeen behagen in een ziekelijke analyse van zichzelf.

Bij de decadenten bestaat werkelijk een bepaalde rage voor de autobiographie ; zelfs de geringste en meest onbeduidende trekjes van hun leven zullen zij trachten te vereeuwigen. Deze ziekelijke ingenomenheid met zichzelf gaat doorgaans gepaard met een grenzenlooze minachting voor hetgeen andereu, die niet tot hunne richting behooren , hebben voortgebracht; toch openbaart zich bij hen de verzwakking van den geest nog minder door deze baldadige hekelzucht dan wel door het kennelijk onvermogen , om nieuwe , frissche denkbeelden te scheppen. Gedreven door een zekere manie voor den vorm en voor het woord, jagen zij slechts naar effect: het woordensmedend talent moet de inspiratie vervangen. Deze manier van werken nu kan bij enkelen op zijn hoogst talentvol, maar nooit geniaal zijn; vergeleken

ocr page 65

55

bij het genie, — een bergstroom, die zich in zijn vaart niet laat stuiten — is het talent niet veel meer dan een draineerbuis, die zorgt, dat van het zorgvuldig omsloten waterstraaltje geen druppeltje verloren gaat.

Gruyau legt hier vooral den nadruk op de eigenaardige opvatting, die de decadenten van de poëzie zelve hebben. Zij volgen hier gewillig de voorschriften en denkbeelden, die hun door enkele zeloten op naturalistisch gebied zijn aan de hand gedaan. Zoo zou naar de meening van Grautier de poëzie niets meer zijn dan een kunst, die men door oefening wel onder den duim kan krijgen en die er bepaalde methoden, formules en kunstmiddeltjes op nahoudt; evenals de muziek, ver-eischt zij kennis van het contrapunt en van de harmonieleer.

Men zou met Gruyau hiertegen kunnen aanvoeren, dat de kennis van het contrapunt op zichzelf nog niet veel beteekent: op zijn hoogst kan men daarmee een geschikt muziekonderwijzer zijn — eerst de inspiratie vormt den artist en den componist. Maar door zulke argumenten laten de decadenten zich niet uit het veld slaan; terstond hebben zij Baudelaire bij de hand en zullen zij ons beduiden, hoe deze de inspiratie eerst juist heeft verklaard als een lange en aanhoudende oefening — als een soort van gymnastiek; inspiratie moet ten slotte gelijkstaan met een gewonen, dagelijk-schen arbeid: laat de schrijver zich maar stevig en geregeld voeden — de inspiratie zal niet uitblijven; — zij gc-

ocr page 66

56

hoorzaamt evenals de honger, de spijsvertering, de slaap (1).

Guyau geeft in zijn werk eigenaardige staaltjes van die zoogenaamde muziek in woorden , waarop de decadenten zich laten voorstaan. Een gedichtje (!), dat door Verlaine, een der warmste voorstanders van deze rich-tiag , is samengesteld en dat hij — zonderling genoeg — betitelt met „romance sans parolesquot;, laat ik hier als curiositeit volgen:

„En ta dentclle oü n\'est notoire Mon doux évanouissement,

Faisons pour l\'atre sans histoire Tel voeu de lèvres rêsumant.

Toute ombre hors d\'un territoire Se tente itérativement A la lueur exhalatoire Des pétales de rerauement.quot;

Guyau meent, dat Verlaine beter zou gedaan hebben die composities te betitelen met „paroles sans penséesquot;. Hij verwacht, dat het gezond verstand zal blijven protesteeren tegen dergelijke absurditeiten. Dat er onder de schrijvers van naam nog te vinden zijn, die voor deze richting een lans kunnen breken, zooals b.v. Paul Bourget, die het standpunt der decadenten heeft trachten te verdedigen, kan hij alleen hieraan toeschrijven dat zij, ten gevolge van eene zekere verblinding of stijfhoofdig-

1

Oeuvres completes de Ch. Baudelaire. L\'arl romantique, p. 258.

ocr page 67

•57

heid, standvastig -weigeren de armoede van geest te erkennen, die zich achter dat woordenspel en die taaiverkrachting verbergt. Wie zich aan de zijde schaart van een partij , die in alles het ziekelijke en onbeduidende vooropstelt, die den dood belangwekkender vindt dan het leven en die aan de pestlucht van het lijkhuis de voorkeur geeft boven de geuren der levende bloem, bewijst daardoor slechts een boosaardige voorliefde te bezitten voor die werkingen, die alleen kunnen leiden tot een ontbinding van de maatschappij zelve.

De wijze, waarop Guyau zijn afkeurend oordeel over de decadenten uitspreekt, waarbij hjj nimmer den fijnen, waardigen toon uit het oog verliest, die zijne geschriften in \'t algemeen kenmerkt, dwingt den lezer ongetwijfeld eerbied af; zijn edele verontwaardiging wekt onwillekeurig sympathie en men koestert zich aan den gloed der overtuiging, die uit zijne fraai gestileerde zinnen spreekt. Toch kan men niet nalaten hier en daar protest aan te teekenen tegen enkele meeningen, op grond waarvan hij de moderne kunstrichting veroordeelt; nu en dan stuit men op \'tegenstrijdigheden, die de waarde van zijn betoog ontegenzeglijk verzwakken.

Zoo verwijt hij o.a. den decadenten, dat zij de kunst ontzenuwen, door opzettelijk al, wat naar een doel zweemt, buiten haar bereik te houden. „Het is immers juist het doelzoo redeneert hij , „dat aan elke handeling het karakter van het nuttige en het aangename

ocr page 68

58

geeft; in een nutteloos werk, in een doelloos leven ligt iets verlammends. Vandaar dat menschen, die niet behoeven te werken om te leven, zoo vaak aan spleen lijden; — vandaar ook do verveling, die de modernisten ons noodwendig bereiden.quot;

Deze vergelijking acht ik hier minder gelukkig. Ten aanzien van het doelmatige mag de kunst met de gewone bezigheden en met het werkzame leven niet op één lijn gesteld worden. Gruyau plaatst zich door deze redeneering op het standpunt van hen, die meenen, dat een artist noodwendig moet onderwijzen en moraliseeren; menigmaal heeft de critiek hem dan ook van dit standpunt een verwijt gemaakt quot;Wel tracht hij deze aantijging van zich af te werpen , maar zijne weerlegging maakt de zaak niet veel beter. „Het zij verre van ons te beweren,quot; zegt hij, „ dat de artist de verdediging van eene zedelijke leerstelling volstrekt zou moeten be-oogen of dat hij zelfs zou moeten trachten door middel van de kunst een zedelijk doel te bereiken. Maar wij stellen ons voor, dat de verheven gedachte, die het onderwerp behoort uit te maken van hooge poëzie en van groote kunst, daarvan onafscheidelijk is, omdat zij een werkelijk bestanddeel uitmaakt van de ziel van den dichter zelf.quot;

Volgens Guy au zal dus de meerdere of mindere waarde van het kunstwerk in hoofdzaak bepaald worden door het zedelijk gehalte van den artist; m. a. w.: een onzedelijk mensch kan nimmer een groot artist zijn.

ocr page 69

59

Ik geloof niet, dat deze stelling, die bij nadere beschouwing een zeer ingewikkeld en ook altijd een subjectief karakter aanneemt, voor een volstrekt bewijs of eene directe weerlegging vatbaar is. Er beeft ten allen tijde een groote verdeeldheid van gevoelen bestaan omtrent de opvatting van schoon en van kunst in verband met het begrip van het ware en goede ; en die verdeeldheid zal altijd blijven bestaan, gelijk in alle dingen, waarbij het gevoel eene hoofdrol speelt. Maar zeker is het, dat Guyau hier van eenzijdigheid niet is vrij te pleiten en dat hij zich door deze opvatting lijnrecht plaatst tegenover de impressionisten en het ineerendeel der moderne kunstbeoefenaars. Aan den anderen kant is het verklaarbaar, dat hij bij eene bespreking van de sociologische beteekenis der kuust een bij zonderen nadruk legt op de zedelijke waarde van den artist. quot;Wil de kunst zich progressief ontwikkelen en een gunstigen invloed op de evolutie der maatschappij blijven uitoefenen, dan moet zij , volgens Guyau, steeds blijven streven naar meerderen rijkdom en naar veredeling van gedachte, naaide meest harmonische eenheid van vorm en inhoud.

Ook in de Problèmes spreekt Gruyau die overtuiging herhaaldelijk uit.

„De schoonheid moet zich als \'t ware intellectualisee-renquot;, zoo lezen wij daar. „Het aangename van do aesthetische emotie, die in hoofdzaak op sensueel genot berust, moet zooveel mogelijk één worden met het intellectueel genot. De verschillende kunstvormen zullen

ocr page 70

60

voortdurend getransformeerd worden door de intellectueele ontwikkeling; het gevoel zal meer en meer door de intelligentie worden doordrongen en die nauwe verbinding zal een der hoofdoorzaken zijn van de zedelijke en aesthe-tische progressie. In een meer of minder verre toekomst kan de volkomen vereeniging van de dichterlijke originaliteit met de adspiraties der wetenschap en der philosophie plaats hebben.quot;

Op al de bedenkingen, die hiertegen zijn aangevoerd, op alle vraagpunten , die op dit gebied kunnen gesteld worden, zooals b.v. in hoever de geest van wetenschappelijk en critisch onderzoek schadelijk zal zijn voor de evolutie van het gevoel voor het schoone en voor de spontane ontwikkeling van het genie, heeft GTuyau zijn antwoord gereed en komt hij tot deze conclusie: „Grelijk aanvankelijk het nadenken schijnt voortgekomen uit het vermogen van te gevoelen, zoo ontwikkelt zich nu door een evolutie in tegenovergestelden zin een fijner en veredeld gevoel uit het verstand. Wij leeren in onszel-ven iets van de eeuwige beweging der dingen terugvinden ; het is ons, alsof wij in onze sensaties de geheele natuur hooren weerklinken , gelijk wij in een schelp , op het strand geworpen , het gemurmel van den on-metelijken oceaan meenen te hooren.quot; Dit alles is zeer fraai gezegd; maar ontegenzeglijk maakt Guyau hier den indruk van een optimistisch profeet, die ons op een gelukzaligen toestand wijst, zooals die eenmaal door de harmonische vereeniging van het gevoel en van

ocr page 71

61

de rede zou kunnen bereikt worden. Ongelukkigerwijze wordt echter ons vertrouwen in de vervulling dezer optimistische voorspelling eenigszins verzwakt door de teekenen van verval in de kunst, die Guyau in zijn laatste werk moet erkennen en die hij ook voor een groot deel moet verklaren als een gevolg van diezelfde wetenschappelijke evolutie, die in de Problèmes zoo hemelhoog wordt geprezen.

quot;Want ook in zijn overzicht van den invloed der wetenschappelijke en wijsgeerige denkbeelden op de ontwikkeling der Fransche poëzie in de 19lt;le eeuw komt Guyau tot gevolgtrekkingen, die moeilijk zijn te rijmen met de zoo even meegedeelde optimistische denkbeelden. Dit overzicht vangt aan met Lamartine en eindigt met de decadenten. Bij Lamartine staan wij nog dichter bij de theologie dan bij de philosophie; in zijne dichtkunst vindt men slechts zeer zwakke sporen van al die zedelijke en wijsgeerige stellingen, waarmee onze tijdgenoo-ten zich zullen bezighouden. Bij De Vigny treedt het gevoel van de wereldsmart duidelijk op den voorgrond; hij is de zanger van het pessimisme , een pessimisme, dat ten sloite op stoïcisme uitloopt. Bij De Vigny openbaart zich reeds die eigenaardige gemoedstoestand, die bij De Musset overslaat in een hartstochtelijk snikken , in smartkreten. Eerst bij Victor Hugo krijgt de poëzie een meer sociaal karakter ; in zijne werken vindt men de gevoelens van de geheele samenleving van zijn tijd terug : de sociale problemen leveren hem de stof voor

ocr page 72

62

zijne dramatische werken. Lang staat Guyau bij dezen dichter stil, wiens machtige en veelomvattende geest gean vrede kon hebben met het scepticisme en het pessimisme uan onzen tijd ; Victor Hugo is optimist uithoofde van zijne natuur. Hij. gelooft aan de toekomst van het volk, van het menschdom ; geheel zijn geloof steunt op de groote kracht, die in alle tijden door alle stormen heen heeft gezegevierd , — op de kracht der liefde. „L\'amour — voila la seule chose qui puisse occu-per et remplir l\'éternitéquot;, zegt Victor Hugo in Les Misérables. Geen wonder, dat zij ne denkbeelden geen ingang konden vinden bij velen zijner tijdgenooten! Het is dan ook opmerkelijk, zegt Guyau, dat nimmer over een dichter de oordeelvellingen zoo uiteenloopend zijn geweest als over Victor Hugo. Mérimée ziet in Victor Hugo niets dan een dwaas; het eigenbelang zou, volgens A. Dumas fils, de eenige drijfveer voor Hugo zijn geweest, die hem voor de vrijheid deed pleiten. Volgens Schérer en Brunetière is Victor Hugo een virtuoos, een verzenmaker zonder weerga, die alleen gemeenplaatsen heeft vereeuwigd; Faguet noemt hem een dichter zonder denkbeelden. quot;Waarom, zou men kunnen vragen, is de critiek, die zoo menigmaal vergoelijkend tegenover uiterst middelmatige tijdgenooten optreedt, zoo ontzaglijk bar en streng tegenover Victor Hugo? Guyau schrijft dat in hoofdzaak toe aan het pessimistisch dogmatisme onzer tijdgenooten, dat een te scherpe tegenstelling vormt met het idealiscerend optimisme van dezen

ocr page 73

63

grooten dichter. Toch telt hij ook onder de realisten talrijke vereerders. Baudelaire o. a. noemt hem een reuzengenie, wiens oppermachtige geest alles omvat, wat er menschelijks, goddelijks, heiligs en diabolisch is. „Ik heb mij wel eens afgevraagdschrijft Baudelaire in zijne Ré flexions sur mes contemporains, „aan welken zonderlingen samenloop van omstandigheden en gebeurtenissea wij liet toch te danken hebben, dat zulk een man onder ons kon geboren worden? Misschien is het, omdat Duitschland zijn Goethe , Engeland zijn Shakespeare en Byron gehad heeft, dat Frankrijk zijn Victor Hugo moest hebben. Ik zie uit de geschiedenis, dat elk volk op zijne beurt is aangewezen de wereld te veroveren: misschien zal het met de heerschappij der poëzie evenzoo gesteld zijn als met die der wapenen.quot;

Guyau is van oordeel, dat in Victor Hugo alle gegevens en eigenschappen zijn vereenigd, die een waarlijk groot dichter vormen. De onvergelijkelijke macht van zijas alles omvattende verbeelding, ziju philosophische zin , zijn meesterschap over de taal, zijn enthousiasme voor alles, wat er groots en edels is in don mensch , en zijn diep medegevoel voor alles, wat lijdt, wat zwak, hulpbehoevend en verlaten is, — dat alles stempelt hem tot een der raichtigste verschijningen van onze eeuw. Indien Victor Hugo een meer wetenschappelijke opvoeding had genoten , waardoor de meer harmonische ontwikkeling van al die groote hoedanigheden zou zijn

ocr page 74

64

bevorderd , en indien hij op staatkundig gebied zich wat minder door zijn gevoel had laten meesleepen, zou hij het type van de hoogste poëzie hebben verwezenlijkt: namelijk van die poëzie, waarin de metaphysische, godsdienstige, zedelijke en sociale denkbeelden levend worden en zich in den meest volmaakten vorm aan ons openbaren. In zijne gelukkigste scheppingen treft men nu en dan die ondeelbare eenheid van de schoone gedachte en den schoonen vorm aan, door welke de poëzie alleen in staat zal zijn hare zedelijke en sociale roeping te vervullen, omdat zij daardoor tot een der hoogste openbaringen van het gemeenschapsleven in de geestelijke wereld en tot een der voornaamste krachten wordt, die de progressieve ontwikkeling van het menschdom verzekeren.

Bij de volgers van Victor Hugo laat zich de invloed der philosophische denkbeelden in steeds sterker mate gelden. Sully-Prudhomme geeft met een ongeëvenaard meesterschap over de taal in zijne gedichten La Justice en Le Bonheur eigenlijk een wijsgeerig systeem in prachtige verzen. Hier en daar maakt zijn werk wel eens den indruk van een wetenschappelijke dissertatie in vlek-kclooze alexandrijnen — men voelt, dat de zware, moeilijk verteerbare kern niet past bij het licht geweven , zwevende gewaad, waarin de dichter haar hulde. Bij Leconte de Lisle vinden wij duidelijk het streven naar de volmaaktheid van vorm : zijne verzen zijn als \'t ware gebeeldhouwde figuren, zuiver van lijn, soms

ocr page 75

65

koud van kleur. Coppée vereenigt in zich de eigenschappen van den psycholoog, den moralist en den poëet, en terwijl Mme Ackermann zich geroepen voelt de denkbeelden van Schopenhauer en de hypothese van Darwin in hare gedichten te vereeuwigen, treedt Ri-chepin op als de apostel van het atheïsme en onthaalt ons op een extract van het grofste realisme. Hij ziet in den mensch niets anders dan le fils du hasard, in de geheele natuur slechts een kunsteloos mengsel, dat zijn ontstaan aan het toeval te danken heeft:

rKature , tu n\'es rien qu\'un mélange sans art :

Car celui qui te crée a pom- nom le hasard.

Lui seul se trouve au fond de l\'être et de la cliose Les caprices n\'ont point de hut et point de causequot; (1).

Terecht merkt Guyau op, dat Richepin, die zich een profeet van het materialisme waant, ten slotte geen enkel nieuw denkbeeld verkondigt; zijne thema\'s zijn alle afgezaagd en men denkt bij het lezen van Les Blasphemes onwillekeurig La Mettrie en Ilolbach te hooren. Men zou den dichter van La Mer moeilijk in den schrijver van Les Blasphemes terugvinden. Dit werk toont ons duidelijk, waartoe het schandelijk misbruiken van groote, benijdenswaardige gaven kan leiden. En

1

Les Blasphemes.

Maükits Smit , Kunst en Leven.

ocr page 76

66

juist dat moedwillig misbruik maken van een groot talent merken wij zoo veelvuldig op bij de moderne schrijvers,, vooral bij de naturalisten en decadenten. Reeds bij den stamvader der decadenten , bij Baudelaire , moeten wij dit treurig verschijnsel constateeren, en het schijnt, dat allen , die zijne begrippen hebben ingezogen, hem ook in dit opzicht willen navolgen. Gruyau wijst er op, hoe zelfs de overdreven en dwaze angst voor den dood , de ziekelijke neiging, om in alles den dood, soms in de afzichtelijkste vormen, te willen terugvinden, — een der kenmerkende eigenschappen van Baudelaire — ook weer bij de meeste modernisten worden aangetroffen (1j. Zoo zegt b. v. Baudelaire in zijn gedicht Le Guignon:

„Mon cocur comme un tambour voilé Va battant des marches funèbres.quot;

De hemel wordt voor hem de muur van een grafkelder , die hem verstikt; en zelfs in een hymne aan de schoonheid roept hij uit:

„Tu marches sur des morts, Beauté, dont tu te moques, De tes bijoux 1\'Horreur n\'est pas le moins charmant.quot;

Gruyau treedt hier in een eigenaardige vergelijking tusschen Baudelaire en Pierre Loti, wien hij overigens

1

Ook bij enkelen onzer Nederlandsche impressionisten, o.a. bij Aletrino, treedt deze voorliei\'de sterk op den voorgrond.

ocr page 77

67

onder de silirijvers van den tegenwoordigen tijd een eerste plaats toekent. Voor beiden tosh is de dood altijd tegenwoordig — maar dat is ook het eenige punt van overeenstemming. In Pêcheurs cT Mande voelt men van het begin tot liet einde den doodswind waaien, die zich als \'t ware mot den zeewind vereenzelvigt, maar tevens merken wij nu ook het groot verschil in opvatting tusschen beide schrijvers op ; bij Baudelaire doet de dood hst leven verdorren, bij Loti wordt het leven door den dood geïdealiseerd.

Het eenige, waarin Baudelaire zich nog van zijne volgers, zooals Paul Verlaine, Stephane Mallarmé c. s., onderscheidt, is de fraaie, wegsleepende stijl, waarin hij zijne denkbeelden heeft neergeschreven; meester over den vorm, houdt hij zich vrij van die moedwillige taaiverwringing, waardoor zich de symbolistes en désé-quilibrés kenmerken. In zijne critische geschriften doet hij zelfs zijne waarschuwende stem hooren tegen de overdrijving van don vorm: „Le goüt immodéré do la forme pousse a des désordres monstrueux et inconnus .... La folie de l\'art est égale a Tabus de l\'esprit.quot; Hij vergelijkt den dichter, die misbruik maakt van zijne talenten, bij den laaghartige, die den hulpbehoevende , die om eene aalmoes smeekt, afscheept met een valsch geldstuk. Voorzeker eene treffende gelijkenis ; alleen is het te bejammeren, dat hij die niet op den schrijver van La Fleurs da Mal zeiven heeft toegepast; zeker zou dan in de letterkundige wereld minder valsche

5 *

ocr page 78

68

munt in omloop zijn gebracht, dan nu het geval is.

Het valt dus niet te loochenen , dat Guyau na Victor Hugo eeno duidelijk retrograde beweging in de Fransche jjoszie constateert; want bij alle verdiensten, die hij aan sommigen der jongste tijdgenooten toekent, blijft toch Victor Hugo het meest aan zijn ideaal beantwoorden. Maar evenals Guy de Maupassant beschouwt ook Guyau het zich in dezen tijd openbarend verval slechts als eene tijdelijke verontreiniging van een helderen stroom. Het pessimistisch realisme , zooals zich dat bij vele moderne auteurs vertoont, is even onwaar en even onoprecht als het pseudo-idealisme van enkele volgers der romantiek. Het tijdperk, waarin wij thans leven, kan als een „tusschenregeeringquot; worden beschouwd: de poëzie zal haar weg blijven zoeken en ook tenslotte vinden in de richting der philosophischc , wetenschappelijke en sociale denkbeelden.

Uitgaande van dit standpunt, komt Guyau tot zijne gevolgtrekkingen omtrent de rol, die de kunst in de maatschappelijke ontwikkeling zal spelen. Er heeft altijd verschil van gevoelen bestaan omtrent de meer of minder zedelijke waarde van do kunst; volgens Guyau is deze quaestie geheel terug te brengen tot de vraag: in welke mate is de zoogenaamde sociabiliteit der kunst — eene eigenscliap , die zich moet openbaren in de innige vereeniging van maatschappelijk loven, zedelijkheid, godsdienst en kunst, — voor uitbreiding vatbaar, zonder dat de kunst zelve daardoor wordt geschaad ?

ocr page 79

69

Oogenschijnlijk valt tegen de uitbreiding der sociabiliteit veel te zeggen. Vooreerst moet zij toch noodwendig ten gevolge hebben , dat de lamst voortdurend meer democratisch zal worden , en velen zien daarin een onvermijdelijk verval der kunst. Waar de menigte aan het voord komt, daar kan de banaliteit niet uitblijven, zoo redeneert men ; waar de schrijver ter wille van de democratische richting de naakte werkelijkheid zal schilderen en zijne stof moet putten uit eene maatschappelijke omgeving , waaruit het verhevene is verbannen , moet het gehalte van het kunstwerk noodwendig dalen, getuige de figuren en de toestanden , waarmee Zola en zijne volgers ons in kennis brengen.

Reeds in de Problèmes tracht (jiiyau de onjuistheid dezer redeneering aan te toonen. Dat de kunst niet meer , gelijk vroeger het geval was , door de aristocratie in bescherming zal worden genomen , acht hij eer een voor- dan een nadeel. De aristocratie van geest, waarop het toch vooral aankomt, kan ook bij het volkskind wonen. Zij , die in de democratische richting niets dan verval willen zien , nemen ook niet in aanmerking, dat de ontwikkeling van het volk steeds toeneemt on dat verheven gevoelens veeleer samengaan met een zekere soberheid van stoffelijke omgeving dan met weelde en rijkdom. Bovendien zal bij minder knellende zorgen voor het dageljjksch brood, waartoe eene meerdere sociale nivelleering kan leiden, de beoefening van kunst in ruimer kring kunnen plaats hebben ; het gevoel en do

ocr page 80

70

bewondering voor kunst zullen meer algemeen worden; door geene etiquette of partijzucht zal men zich meer in zijn lof of zijn blaam laten weerhouden. Ook de vrees voor het americanisme, waarbij het utiliteits-be-ginsel wordt vooropgezet en dat onafscheidelijk wordt geacht van de democratische richting, vindt Guyau ten aanzien van de kunst overdreven. Bij het meest practisch ontwikkelde volk wordt de wetenschap niet uitsluitend met een mercantiel of industrieel doel beoefend, maar ook ter wille van de wetenschap zelve ; en zoolang dit het geval zal zijn , zal er ook altijd zijn kunst ter wille van de kunst.

Meer bedenking kan men echter hebben tegen liet schilderen van hartstochten en ondeugden , waartoe de schrijvers , reeds alleen in het sociaal belang, zich steeds meer en meer verplicht zullen rekenen; bovendien blijft de hartstocht altijd het hoofdelement voor de dramatische handeling en vormt het gebied, waarop do schrijver zich het gemakkelijkst en met de meeste kans op succes beweegt. De stille aandoeningen, die deugd-zamen naturen eigen zijn ; do zielsrust van den rechtvaardige ; het kalme, reine licht, waarin hun geestesleven zich vertoont, — dat alles is niet geschikt het publiek te boeien , d. w. z. emoties op te wekken. Men wil strijd, men haakt naar machtige beweging, hevige aandoeningen. De waarde van een kunstwerk wordt in \'t algemeen minder beoordeeld naar de hoedanigheid dan wel naar de intensiteit der gevoelens, die het bij ons

ocr page 81

71

opwekt. De deugd en de rechtvaardigheid kunnen zelfs geen aanspraak maken op kunstwaarde, wanneer zij niet gesteund worden door het hartstochtelijk element van het medelijden of van de zelfopoffering, of wanneer zij niet in botsing komen met de ondeugd. Volgens de modernisten zou alle kunst zelfs niets anders behooren te zijn dan uitdrukking van passie. Is u is op moreel gebied niets aanstekelijker dan hartstocht; de schildering daarvan wekt altijd hartstochtelijke aandoeningen op, waardoor de mensch in \'t algemeen meer geschaad dan gebaat wordt. Zelfs de goede invloed , dien men aan de schildering van edelmoedige en verheven gevoelens heeft willen toekennen, is door velen jn twijfel getrokken. Eekend is onder anderen de uitspraak van Rousseau, die in zijn brief aan D\'Alembert beweert, dat de opwellingen van edelmoedigheid, door kunstgenot opgewekt , ons eerder zullen terughouden van een edelmoedige daad , dan dat ze ons daartoe zullen drijven (1). Het is zoo gemakkelijk deugdzaam, grootmoedig, heldhaftig te zijn bij het genieten van een kunstwerk, dat dergelijke gevoelens in ons wakker schudt! ilaar ter-

1

Onder de velen, die tegen deze meening van Jean Jacques zijn opgekomen, behoort ook Sulzer, een Zwitsersch aesthetieus en tijdgenoot van Rousseau. Hij schreef hem, naar aanleiding van zijn brief aan D\'Alembert: „Du selbst, besserer Diogenes unter den neuern Griechen, verehrungs- und bewundrungswürdiger Rousseau, hattest den Musen erst alles zurückgeben sollen , was du ilinen schuldig bist, ehe du deine offenüiche Anklage gegen sie vorbrachtest.quot; — Sulzer verwachtte namelyk veel van het drama met betrekking tot de veredeling van het volk

ocr page 82

72

wijl wij misscliien tranen storten bij de aanschouwing\' van het aangrijpend beeld, dat de dichter ons voor oogen toovert, zullen wij in ons gevoel van loutering ons allicht gaan verbeelden , dat wij nu in dat opzicht met onzen medemensch hebben afgerekend, en bepalen ons verder tot een zuiver platonische liefde voor de zedelijke en sociale deugden! De romanlectuur heeft ontegenzeglijk velen tot zwakheid en misdaad gebracht — de zenuwoverspanning, die meermalen het gevolg is van kunstbeoefening, heeft menig gezond lichaam gesloopt , menigen krachtigen geest verwoest; maar het zou moeilijk zijn één groote , edelmoedige daad aan te wijzen, die haar bestaan direct aan de kunst heeft te danken. — Uit deze beschouwing zou men dus onwillekeurig-tot de gevolgtrekking komen, dat de kunst in \'t algemeen de sociale evolutie eer moet belemmeren dan bevorderen, Guyau is echter niet van die meening. Alles zal volgens hem hierin afhangen van de soort van maatschappelijke omgeving, waarvoor de artist onze sympathie zal opwekken. Daar de aesthetische aandoening in hoofdzaak is terug te brengen tot een zenuwwerking , is de invloed, dien de artist op zijne omgeving uitoefent, gelijk te stellen met eene suggestie-werking, die der maatschappij zoowel ten goede als ten kwade kan komen. De schrijvers, die zich dan uitgeven voor physiologen en psychologen , mogen dan wel in de eerste plaats rekening houden met de physiologische uitwerkingen hunner suggestie. Indien het te voorzien ware gt;

ocr page 83

73

dat de kunst der naturalisten en der decadenten de kunst van de toekomst zou zijn, dan voorzeker zou hiervan een zeer schadelijke invloed op het maatschappelijke leven te verwachten zijn. quot;Reide richtingen zijn toch gevaarlijk, zoowel door de aanstekelijkheid, die der schildering der lage hartstochten en der ondeugd in hooge mate eigen is, als door de kracht der sympathie, die de noodkreten der déséquilibrés bij den mensch kunnen opwekken ; in deze kunst schuilen slechts ontbindende , geen opbouwende krachten. Maar aangezien deze kunst, gelijk boven werd aangetoond, zoowel in haar wezen als in haar streven den stempel draagt van onwaarheid en onoprechtheid en daardoor in strijd komt met de wetten der gezonde rede en met de wetten der natuur, waarmee zij wederrechtelijk voorgeeft nauw verwant te zijn , draagt zij de kiem van haar ondergang in zichzelve. Deze ziekelijke kunst, die alleen den vorm dient en in den grond vreemd blijft aan de groote aandoeningen der menschelijke ziel, zal wijken en plaats maken voor eene nieuwe, krachtige, gezonde kunst, die de rijke, machtige uitdrukking zal zijn van het bewogen gemoed en die als een nieuwe godsdienst, vrij van dogma\'s en vooroordeelen , aan onze hoogste ideale behoeften beantwoordend, den mensch tot troost en steun, der maatschappij ten zegen zal zijn.

ocr page 84

Toekomst-beschouwingen.

Nu ik in het vorige stuk over den invloed van de litteraire kunst op het maatschappelijk leven heb gesproken , willen we hier onze gedachten eens laten gaan over de verschijnselen, die zich in de laatste twintig jaren ook op het gebied der toonkunst en der schilderkunst hebben voorgedaan.

Van alle kunsten worden toch de muziek en de schilderkunst in onze dagen het meest beoefend. Ze zijn een integreerend bestanddeel geworden van een behoorlijke opvoeding — ze zijn onmisbaar voor de harmonische ontwikkeling van den mensch. Zonder twijfel oefent de eerste dezer beide kunsten den grootsten, den machtig-sten invloed op den mensch uit. Geen kunst, die zoo direkt inwerkt op ons gevoel, die zoo diep ingrijpt in ons gemoedsleven, als de muziek. Daarom geloof ik ook dat de muziek de meest populaire is van alle kunsten. Zij is de kunst die men allereerst liefheeft. Wemogen bewondering gevoelen voor de gewrochten der beeldende kunsten — we kunnen ons laten meesleepen door een mooi gedicht, door een boeienden roman — maar de muziek hebben we lief. Terecht noemde een wijsgeer

ocr page 85

75

haar een hemelsche bloem, die in dit tranendal is geplant tot verkwikking en vertroosting der menschlieid. Muziek is in de eerste plaats de kunst der stemming; die stemming moge doorgaans vaag, snel voorbijgaand zijn, — zoolang wij onder den machtigen invloed van schoone muziek zijn, bespeuren wij een eigenaardige trans-formatie van ons gevoelsleven, van een verfrisschen-den, dikwijls veredelenden aard. Wordt die weldadige inwerking van tijd tot tijd herhaald en hernieuwd, dan kunnen daardoor blijvende veranderingen in ons wezen worden teweeggebracht, die van grooten invloed kunnen zijn op ons zedelijk en maatschappelijk leven.

Ka de harmonie der tonen komt de harmonie dei-lijnen, vormen, kleuren haar invloed op den schoonheidszin van den mensch uitoefenen. Ook het scheppend genie van den beeldenden artist tracht \'s menschen drang naar bevrediging van het verlangen naar harmonisch evenwicht te gemoet te komen ; en in hoe sterker mate dat verlangen zal bevredigd worden, des te hooger is de essentieele waarde, die men aan een kunstschepping zal toekennen.

Men kan nu de vraag stellen of de ontwikkelingsgang, die in den laatsten tijd in de wijze van uitvoering en van beoefening dezer kunsten is waar te nemen, werkelijk een zoodanige is, dat het verlangen naar harmonisch evenwicht in toenemende mate wordt bevredigd. Bij het beantwoorden dier vraag dringt zich al direkt het verschijnsel op den voorgrond, dat

ocr page 86

76

de beoefenaars van muziek en van schilderkunst meer en meer de grenzen tracliteri te verwijden, binnen welke zij door hun techniek als door de materie, waarover zij kunnen beschikken , zijn gehouden. Men meent zelfs oj) te merken dat er in den laatsten tijd niet alleen een uitbreiding, maar zelfs een verregaande overschrijding van de tot nu toe getrokken grenzen valt waar te nemen.

Zoo is in de moderne muziek duidelijk het streven op den voorgrond getreden om, in plaats van vage, minder bepaalde stemmingen aan te geven, de muzikale idee meer dienstbaar te maken aan de uitdrukking van bepaalde denkbeelden en voorstellingen. In vroegeren tijd was men weinig gewoon zich rekenschap te geven van de gedachten die den componist bij zijn compositie konden hebben geleid ; men nam de muzikale idee voor wat zij was, een ieder naar zijn individueelc opvatting en stemming. Tegenwoordig vraagt men bij voorkeur: wat kan de componist met de toonzetting hebben bedoeld ? Men zoekt het bepaalde in het onbepaalde. Men wil in de muziek meer uitgedrukt hebben dan vage, zwevende stemmingen. Componisten als Liszt, Berlioz, Vincent-d\'Indy hebben zich bepaald toegelegd op die zoogenaamde ideëen-muziek: men denke bijv. aan de Paust-symphonie, de ïïarold-symphonie, de Wallenstein-trilogie. Zonder een zekere dosis wijsgeerige en littera-rische ontwikkeling is deze muziek niet meer te verstaan. Het „grübelnquot; van een Faust, de emoties en indrukken van een Harold in Italië, de wederwaardig-

ocr page 87

77

heden van een quot;VVallenstein wil men door de muziek uitgedrukt en geschilderd zien. Er is als \'t ware een wijsgeerig element in de muziek gekomen. Deze kunst sluit zich nauw aan bij die van Wagner, die de muziek, de handeling en de aanschouwelijke voorstelling vereenigt tot een kunst-geheel, het muziekdrama. Al deze composities kenmerken zich door een rijkdom van instrumentatie, waarin de muzikale idee als \'t ware \' wegsmelt. De nieuwere componisten streven naar de meest rijke en schitterende klankeffecten : hunne werken behooren uitgevoerd te worden door orkesten, die in wijze van uitvoering grenzen aan het volmaakte. Do scheppingen van een Haydu, van een Mozart, indertijd aangemerkt als \'t hoogste dat door een spontane en zuiver muzikale intuïtie was voortgebracht, schijnen in vergelijking met die nieuwere composities ons hoogst naief toe; de instrumentatie van de oudere werken maakt de indruk van soberheid en schraalheid, de eenvoudige muzikale ideëen lijken ons een kinderlijk dartelen te zijn in vergelijking met do wijsgeerige bespiegelingen der hedendaagsche musici.

Opmerkelijk is het dat op \'t gebied der schilderkunst juist het tegenovergestelde valt waar te nemen. Hier ziet men de zuiverheid der lijnen , de juistheid en duidelijkheid van vorm en beeld meer en meer op den achtergrond treden ; vele schilders trachten in den laat-sten tijd door een mengeling van kleuren min of meer vage stemmingen en gedachten op te wekken, en meer-

ocr page 88

78

malen ziet men de schoonheid van vorm opgeofferd aan den rijkdom van tint en coloriet. Nieuwe methoden, andere procéde\'s worden uitgedacht, die allen ten doel schijnen te hebben de wazigheid der voorstellingen en de veelkleurigheid tot het hoogste stadium op te voeren. Onder de moderne schilders zijn er enkelen, die er zich in zekeren zin op laten voorstaan dat zij slecht of in in \'t geheel niet kunnen teekenen. De schilder spreekt bij voorkeur over de harmonie zijner tinten en kleuren,-terwijl de componist hoog opgeeft van de kleur zijner „tonmalereienquot;. Het is of de schilder er zich op toelegt om te doen wat uitsluitend tot het gebied van den toonkunstenaar behoort, terwijl de componist streeft naar effecten die allereerst voor den schilder bereikbaar zijn. Eindelijk komt de moderne poëet en tracht zich een plaats te veroveren zoowel op het gebied der toonkunst als op dat der schilderkunst: met eene onmiskenbare geringschatting van alles wat naar een denkbeeld zweemt, tracht hij door een klinkklank van onverstaanbare woorden, zonder begrip of zin, bepaalde klankeffecten of kleur-ge waar wordingen op te wekken ; de menschelijke aandoeningen evenals de geluiden meent hij in een bepaalde kleur te zien , — hooren, zien , gevoelen mogen niet meer gesjheiden zijn. Kortom, er valt tusschen de verschillende kunstvormen een bepaalde strijd om \'t bestaan op te merken. Het is alsof zij , bij voortdurende uitbreiding hunner grenzen, elkaar trachten te doordringen , zich in elkaar trachten op te lossen.

ocr page 89

79

Mearmilen hoort men de meening verkondigen dat die verschijnselen onmiskenbaar wijzen op een toenemend verval der sclioone kunsten , een verval dat op haar ge-hselen ondergang moet uitloopen. Geen wonder dat men tot zulke gevolgtrekkingen komt, wanneer men uitsluitend hst oog gevestigd houdt op de ziekelijke excentrici-tait en de overdrijving, waartoe de zucht naar het zoeken van nieuwe wegen kan leiden. In de literatuur kan ons de brabbeltaal van sommigen, die er op uit zijn ons met allerlei nietszeggende klankeffecten te vervolgen en wier leus is: „gean denkbeelden, alleen klankenquot;, slechts met walo-inquot;- vervullen. In de schilderkunst laten

O O

de wazige voorstellingen, waarin geen idee van proportie of lij nen-harmonie is te bespeuren en alleen de meest grillige tinten en kleuren op wonderlijke wijze zijn dooreengehaspeld, ons totaal onbevredigd. In den laatsten tijd wordt o. a. door eenige jonge artiesten een nieuw procédé gevolgd, de zoogenaamde „pointillagequot; of stippelkunst, waarbij de verf niet meer door middel van het penseel, maar direkt uit de tuben zeiven op het doek wordt gebracht. Elk onpartijdig beoordeelaar, die de produkten, volgens dit nieuwe procédé vervaardigd , heeft aanschouwd, zal moeten erkennen dat in deze voorstellingen alles ontbreekt, wat wij in de eerste plaats in elk kunstwerk wenschon , namelijk: warmte, ziel, leven. Men kan het alleen bejammeren dat men-schen, waarvan het sommigen blijkbaar aan talent niet ontbreekt, hun tijd, misschien hun geheele leven ver-

ocr page 90

so

knoeien met zulk een onbeteekenend knutselen. Daarbij beelden zij zich in dat zij iets individueels leveren, terwijl zij in werkelijkheid geheel hunne individualiteit, het hoogste dat een artiest bezit, aan het procédé ten offer brengen. Het kan niet anders of een dergelijk streven moet in hoofdzaak voortvloeien uit de mee-ning, dat op de oude wegen der kunst en der techniek niets hoogers en schooners bereikbaar zou zijn dan wat de oude meesters hebben voortgebracht. Om naam te maken, moeten dus nieuwe wegen en methoden worden uitgedacht. Men vrage dan ook niet welk een mate van ij delheid en van persoonlijke eerzucht bij een dergelijk streven in het spel is. Om nog een schijnreden van bestaan tegenover het publiek op te houden, vereenigen zich de knutselaars, waarvan sommigen zelfs niet eens vertrouwd zijn met de eenvoudigste gronden van het teekenen , tot een „kliekquot;, vormen een „associationquot;, noemen zich „les jeunesquot; en trachten , door een hoogen toon aan te slaan tegenover die „modellen van onnoozele incompetentiequot;, gelijk zij allen betitelen die niet met hun maaksels ziju ingenomen, een schijn-pleidooi te leveren voor hunne zaak. En voorzoover het dezen „jongerenquot; werkelijk ernst is met hun streven , zijn zij waarlijk te beklagen: wie bijv. alle nuances van kleuren meent te hooren en geluiden beweert te zien , met diens zenuwstelsel ziet liet er inderdaad be-klaffen swaardis: uit. Want evenzeer als er een natuur-

O O

lijk verband bestaat tusscheu onze verschillende zintui-

ocr page 91

81

gelij ke gewaarwordingen, een verband, dat vooral dui-delijk aan \'t licht komt, wanneer wij teruggaan tot de physieke oorzaken dezer gewaarwordingen — evenzeer zal de verwarring dezer subjectieve gewaarwordingen het kenmerk zijn van een abnormalen zenuwtoestand , van een neuropathie, die hoogst bedenkelijk kan worden en die soms tot de treurigste psychische stoornissen kan leiden.

Het is dan ook met het oog op deze bedenkelijke verschijnselen, die in nauw verband staan met de ge-heele overdrijvingszucht, waardoor dit gedeelte der eeuw zich kenmerkt, dat men dikwijls de beoefening van kunst als schadelijk voor het individu , den invloed van de kunst als nadeelig voor de sociale verhoudingen hoort veroordeelen. De kunst maakt nerveus, beweert men ; zij werkt de prikkelbaarheid, de overspanning van zenuwen in de hand en maakt den mensch week , ongeschikt voor het praktische leven. Zie maar eens naar de artiesten : zijn er ziekelijker, onhandiger, ongelukkiger menschen dan zij ? Al hun zoeken en streve i leidt tot niets bruikbaars, zij zijn veel prikkelbaarder, veel naijveriger dan andere menschen. Onverbeterlijke egoïsten. Onder de leus van harmonie te zoeken en te bevorderen, kweeken zij tweedracht en gunnan elkaar\' het licht in de oogen niet. Zij zijn de grootste voorstanders van partij- en clubgeest, kortom, anti-sociabel in den hoogsten graad.

Wie zoo spreken, houden, gelijk ik boven zeide, MaüRITS Smit, Kunst en L:oen 6

ocr page 92

82

alleen het oog gevestigd op de ziekelijke uitwassen , waartoe de overdrijving en de eerzucht hebben geleid. Maar het gaat niet aan alleen op grond van deze verschijnselen een uitspraak te doen over de vermoedelijke toekomst der kunst in haar geheel. Geen leer , zoo verheven , geen kunstvorm , zoo edel en schoon of zij hebben aanleiding gegeven tot ziekelijke overdrijving. Dat ligt zoo in de natuur van den mensch. Maar tusschen het streng vasthouden aan oude methoden en het met moedwillig voorbijgaan van alle kunstideaal onzinnig voorthollen op ongebaande wegen, om in een soort van „artistieken roesquot; — de uitdrukking is van de jongeren — allerlei dwaasheden te begaan, ligt nog een middenweg. Het valt toch niet te ontkennen dat ook bij de jongeren , te midden van alle ongerijmdheden en tastbare overdrijving, soms een ernstig zoeken naaide beste kunstinterpretatie, is te constateeren, een krachtig streven naar de hoogste uiting van het indivi-dueel-sensitieve, dat in hen is. Ten gevolge van het zich steeds meer verfijnend organisme worden nieuwe complicaties gecreëerd, en treden nieuwe factoren in werking, wier onmisbaarheid zich meer en meer laat gevoelen, in de literatuur, in de schilderkunst, in de muziek. Wanneer wij bijv. aannemen dat de stemmingsmuziek met Bach , Beethoven , Schumann haar hoogtepunt heeft bereikt, dan behoeven wij daaruit niet te besluiten dat wij nu op het gebied der toonkunst niets schooners meer hebben te verwachten en dat de oogenblik-

ocr page 93

83

kelijk retrograde beweging in de eene richting niet door een stijgende beweging in een andere richting kan gevolgd worden. Wie weet of bij de voortdurende verfijning van ons j oor, na verloop van tijd bijv. de kleinste muzikale in- [ tervallen niet \'/i toon zullen bedragen, in plaats van \'/2 toon, zooals nu het geval is. Reeds daardoor alleen zou een ontzaglijke verandering in de muziek worden teweeggebracht. Met de voortdurende verwording en verandering die onophoudelijk in de natuur en in de samenleving plaats vindt, met de altijd voortschrijdende vervorming die ons geheele wezen, die al onze organen ondergaan — onmerkbaar van dag tot dag, zeer merkbaar van eeuw tot eeuw — zal toch ook altijd gepaard gaan een transformatie van de kunstvormen , waarin het wel en wee van de denkende en voelende menschheid zijn afspiegeling, zijn weerklank vindt. De schoonlieids-idee blijft altijd — alleen de vorm, waarin zij zich openbaart, verandert onophoudelijk. Maar die transformatie zal niet plaats hebben plotseling, gedwongen ; zij zal niet worden bewerkstelligd door gedach-telooze niets-zeggende taalverknoeiers, door wijsgeerige muzikale improvisators of door onbezielde verfknutse-laars; maar zij zal geschieden langzaam, natuurlijk en ongedwongen , evenals de natuur in haar werk voortgaat , — geleidelijk, zonder sprongen.

Wie in de ku^st iets meer ziet dan een ijdel en wuft ^ spel der verbeelding; wie de kunst beschouwt als de individueele interpretatie van het hoogste, van het

G *

ocr page 94

84

onaantastbare dat in den mensch leeft en daarbij gelooft in de voortdurende herschepping van het leven, kan geen geloof slaan aan den ondergang, aan de geheele ontbinding der kunst. Een dergelijke overtuiging, zulk een stellig geloof in de toekomst der kunst treffen wij weer bij Gruyau aan. Hij voorziet in de toekomst een vereeniging van de hoogere elementen van de wijsbegeerte en van de kunst, die de reinste openbaring van den geest der dingen zal zijn.

Het spreekt wel van zelf dat een zoodanige overtuiging niet uitsluitend kan gegrond zijn op logische rede-neering en op directe bewijsgronden, maar dat zij in de eerste plaats steunt op het intuïtief dichterlijk gevoel , op de liefde voor de kunst en voor het schoone. En volgens Gruyau is het in de eerste plaats, en misschien wel uitsluitend , de liefde , Vaffection, qui éclaire. De woorden van Wagner: „Alles Verstandniss komme mis nur durch die Liehequot; gelden zeker wel allereerst voor de kunst, wier geheele wezen op liefde en harmonie is gegrond. Wat Guyau dan ook over kunst zegt, berust uitsluitend op zijn groote liefde voor het schoone en op zijn hooge opvatting van kunst, die naar zijn gevoelen synoniem is met universeele sympathie.

De hoogst gewichtige rol die de kunst in het mensch elijk leven speelt en altijd spelen zal, is door Gruyau meermalen besproken, niet alleen in zijne proza-geschrif-ten, maar ook in zijne gedichten, die hij onder den titel Vers dun ])liiloso\'ji]ie in \'t licht heeft gegeven.

ocr page 95

85

Guyau geeft hierin een poëzie, waarin volheid en diepte van gedachten samengaan met een bewonderenswaardige schoonheid van vorm. Men kan niet zeggen dat liier het eene aan het andere is opgeofferd; hij geeft een harmonie, die zoowel den denkenden, als den poëtischen geest weldadig aandoet. Hij ziet in den dichter, in den artiest den weldoener, den trooster van de mensch-heid; den lijdenden mensch, die in de kunst zijn troost zoekt, vergelijkt hij hij het onrustig jammerend kind, dat, luistèrend naar de weldadig-zachte stem van zijn moeder, ophoudt met schreien en eindelijk meteen tevreden glimlach inslaapt.

Vous qui parfois, le soiv, en enfants que vous êtes,

Vous plaignez de la vie et, vous tenant le coeur,

Eclatez en sanglots, c\'est a nous, les poétes,

Cast a nous de bercer d\'un ehant votre douleur.

Nous nous penchons sur vous et, navrante ou joyeuse,

Notre voix vous répond conime un écho lointain.

O chanson du poète, éternelle berceuse,

Tel qu\'un enfant qui souffre endors le genre humain ;

Enveloppant sou coeur dans un oubli suprème

Viens fermer sa paupiére a la réalité.

L\'art seul peut ici-bas, ainsi que la mort même,

Nous prendre tout entiers , et donner a qui l\'aime

Le sourire immortel de sa sérénite.

De dichter moet niet te veel vorschen en onderzoe\' ken, niet te veel vragen naar het waarom en hoe ; de schoonheid is het wezen, waarin hij zich verdiept, waarin hij zijn vreugde , zijn geluk, zijn alles vindt.

Sans chcrcher le pourquoi caché derrière tout,

Simple artiste, je veux admirer sans connaitre;

Je veux qu\'en mos yeux seuls se concentre mou ètre.

ocr page 96

86

Dat geluk van den artiest vindt zijn grond in zijne onmetelijke liefde voor liet schoone, voor alles wat hij met zijn kunst wil omvatten. Artiest zijn is synoniem met liefhebben.

Oh ! quel enivrement! je sens de toute chose

Une douceur monter, qui m\'attire, et je n\'ose

Choisir, moi qui voudrais tout chanter a la fois.

Si j\'admire une fleur, vite une autre m\'appelle

Et, se penchant vers moi, dit: Suis-je done moins belle ?

Je me sens pris d\'amour pour tout ce que je vois

L\'art, c\'est de la tendresse.

Maar de liefde van den artiest, die de goheele wereld van lief en leed in zich wil opnemen en daaraan uiting tracht te geven in zijn kunst, is zoo nauw verwant met de smart; de teederste gevoelens leiden tot de hoogste genietingen, en het edelste genot is altijd vermengd met weemoed.

Ainsi que la vertu, l\'art se sent généreux:

Lorsque je vois le beau , je voudrais être deux.

Dans eet enivrement je ne sais quoi se cache D\'infini, de trop grand pour un coeur isolé;

Le partager s\'impose a nous comme une tache:

De ce désir profond bat notre sein troublé.

Mais alors , mesurant tout a coup sa faiblesse,

L\'homme devant le beau se prend a soupirer;

Sur sou coeur trop étroit descend une tristesse:

Les hauts plaisirs sont ceux qui font presquè plenrer.

Volgens Gruyau is het genot van den artiest dus geen zuiver-egoïstisch genot, de arbeid van den waren artiest bepaalt zich niet uitsluitend tot zijn eigen-ik. De kunst ontwikkelt en versterkt allereerst het medegevoel in den

ocr page 97

87

mensch ; zij moet het oog openen voor het zwoegen en lijden van anderen; zij, die altijd dorst naar harmonie, kan geen vrede hebben met de menschelijke ellenden en de schrille contrasten, die het maatschappelijk leven aanbiedt. Dat ook Guyau\'s dichterlijke geest de maatschappelijke toestanden niet alleen van een objectief\' standpunt kan beschouwen, maar dat hij altijd behoefte gevoelt zich in het wezen van een toestand te verdiepen en mee te lijden, bewijst o. a. het volgende keurige gedichtje.

Dans une mine.

Frappe hardiment et brise la pierre,

O pic, frappe fort!

L\'étincelle éclate et, rouge lumière ,

Du roe déchirê dans l\'ombre elle sort.

Frappe hardiment et brise mon arae Vibrante douleur!

Souffrir, c\'est connaitre, et d\'unc apre flamme

Ton déchirement éclaire mon coeur.

Guyau ziet in de kunst, waarin zich langzamerhand de religieuse en philosophische denkbeelden met de ethische en aesthetische gevoelens zullen oplossen en concentreeren, het machtig-bezielende element, dat de teedere en betere gewaarwordingen in den mensch in toenemende mate moet ontwikkelen. Het is o. a. een feit dat de afschuw van den oorlog steeds grooter en algemeener wordt. Dit is niet alleen een gevolg van sociale en economische begrippen. Die afschuw vindt zijn grond in een dieper, reiner gevoel, dat in ons leeft —

ocr page 98

88

\'t is een uiting van den drang naar harmonie, naar liefde. Niet de geschiedschrijvers, de wijsgeeren, de staathuishoudkundigen zijn \'t, die dat gevoel van een grooten afschuw hebben opgewekt — maar \'t is de dichter, die het humaniteits-gevoel bij ons wakker roept, als hij zingt van den eeuwigen vrede.

Quel siècle mettra fin a ce cycle fatal ?

Renoiicfmt a saisir la devnlère victoire ,

Quel peuple élargira I\'horizon de l\'histoire ?

Je ne sais, mais mon coeur d\'avance t\'a béni,

Peuple grand , par lequel la guerre aura flni!

Wat in onzen tijd op het gebied der schoone kunsten valt waar te nemen, namelijk een neiging tot voortdurende uitbreiding der grenzen, tot een overgaan en zich oplossen in elkaar, dat openbaart zich ook gaandeweg in de geheele maatschappelijke ontwikkeling. Door alles heen valt duidelijk een drang waar te nemen naar aansluiting, naar samenwerking, — naar solidariteit. De nationale begrippen en gevoelens, die de oorlogen bevorderen , hebben in hun tijd groote diensten bewezen ; maar zij hebben langzamerhand uitgediend en zullen gaandeweg worden overstemd door de internationale^ denkbeelden, die door de wetenschap en de kunst worden gedragen en ontwikkeld. Inderdaad, voor den dichterlijken geest ligt er in het nationaliteitsgevoel iets kleins, iets bekrompens.

Pourquoi eet orgueil ?

vraagt Guyau. En hij laat er op volgen:

Un poème éternel se déroule et vit dans l\'univers.

ocr page 99

89

Immers de mensch is op zich zelf niets, hij is alleen iets als deel van het oneindig geheel.

Vibrant avee le Tout, que me sert de poursuivre

Ce mot si donx au coeur et si cher: Liberté ?

J\'en préfcre encore un; c\'est: Solidarité.

De geheele maatschappelijke evolutie is eigenlijk een voortdurende strijd tegen dat eigen-ik. Het verlangen naar persoonlijke vrijheid — een waan — is een uiting van een egoïstisch exclusivisme. Gaandeweg moet dit verlangen plaats maken voor den wensch naar sympathie met al het ons omringende, voor het bewust solidariteits-gevoel. Gruyau gelooft aan de voortdurende ontwikkeling van dat gevoel en acht den tijd, waarin dit tot zijn hoogste stadium zal zijn opgevoerd, niet onbereikbaar.

Une joie ici-bas est d\'autant plus profonde

Qu\'elle est plus large : un jour, je le crois , doit venir

Oü nul ne pourra seul ni jouir ni souffrir,

Ou tont se mêlera , plaisirs , peines , pensees,

Oü chantera dans l\'ame un éternel écho.

Tous les hommes alors de leurs mains enlacées,

Formeront une chaine immense oü chaque anneau ,

Palpitant et vivant, ne pourra sans seoousse

Voir un autre frappé: Ia souffrance s\'émousse

Lorsqu\'elle unit les coeurs comme fait un aimant

Et les soulcve tous d\'un inème battement;

Ainsi que la pitié la douleur devient douce.

Niettegenstaande Guyau dan een open oog heeft voor al het verdorvene en ontaarde in de maatschappij en voor alle abnormaliteit en ziekelijke excentriciteit in

ocr page 100

90

de kunst, voorziet hij toch een toenemende evolutie en voorspelt voor beiden een betere, een gelukkige toekomst. Deze profetie is gegrond op zijn geloof, op zijn vast vertrouwen op de ideale natuur van den mensch en op de hooge roeping, die de kunst ten allen tijde zal hebben te vervullen. In plaats van onder te gaan , zal zij altijd, bij alle wisseling van vormen , in steeds hoogere beteekenis de draagster zijn van de meest subtiele en innige gewaarwordingen en medewerken tot de ontplooiing en volmaking van al wat er groots en moois is in het rijke, zich altijd hernieuwende menschenleven.

ocr page 101

Critiek en Kunst.

{Fragment uit een brief aan een jomje.i kunstbroeder.)

Vox populi, vox critici.

.....Indien ge, mijn waarde, mij niet hadt gevraagd , u mijn gevoelen te zeggen over uw plan, om als recensent aan een onzer tijdschriften op te treden, dan zou ik dit onderwerp liefst onaangeroerd hebben gelaten; te meer, omdat de quaestie van de critiek op het laatste letterkundig congres te Amsterdam ter sprake is gekomen. Daar ik echter uit uwe vraag moet opmaken , dat gij behalve aan de meening van de autoriteiten , die op bedoeld congres over kunstcritiek van gedachten hebben gewisseld, ook aan mijn persoonlijk gevoelen schijnt te hechten , wil ik trachten naar mijn beste weten aan uw verzoek te voldoen.

Zooals ik uit uw schrijven bespeur, stelt gij er u veel van voor, om als criticus de tusschenpersoon, de bemiddelaar te worden tusschen den artiest of het kunstwerk en het publiek. Gij wenscht als \'t ware de kloof te overbruggen, die doorgaans beiden scheidt. Ik

ocr page 102

92

kan niet anders zeggen , dan dat ik deze roeping schoon, uw streven hoogst loffelijk vind. En daarom vind ik het zoo jammer u te moeten verklaren, dat ik vrees, — neen, dat ik stellig overtuigd ben, dat gij u in uwe verwachtingen op dit punt ontzaglijk zult teleurgesteld vinden en dat gij zelfs in de verste verte niet zult kunnen bereiken, wat gy u voorstelt.

Om u daarvan te overtuigen , moet ik allereerst uwe aandacht vestigen op het onloochenbare feit, dat de critiek door het publiek in \'t algemeen zeer gewild en gewaardeerd is, terwijl zij door den artiest veelal gewantrouwd of met minachting bejegend, soms ook totaal genegeerd wordt. Voor middelmatige artiesten is zij doorgaans een cauchemar; hoog-staande artiesten trekken de schouders voor haar op, en velen onderschrijven het bekende gezegde van Lamartine: „La critique est la puissance des impuissants.quot; In den Haag-schen Kunstkring, waar de critiek nog al eens over de tong gaat en waar ik nevensgaande beschouwingen aan een debat heb onderworpen , heb ik slechts bij uitzondering waardeerend over enkele critieken , en dan nog wel over critische beschouwingen van een bepaalde kleur, hooren spreken. Schilders, musici, schrijvers hoort men onophoudelijk smalen op de critici, als eigenwijze beoordeelaars van een vak, dat zij niet meester zijn. „Laat het kunstwerk met rustquot;, roepen zij hun toe. „Waar bemoeit gij u toch mee ? Matig u geen gezag aan , waar gij in de eerste plaats met bewonde-

ocr page 103

93

ring en eerbied hebt op te zien quot; AVilliam Hunt zegt, over critici sprekend: „Fouten te zoeken schijnt hun «enig streven, fouten te vinden hun eenige eerzucht te zijn. In plaats van te critiseeren en naar fouten te zoeken, behoorde de letterkundige te zeggen; „Wat kan ik doen om u te helpen ? Hoe kan ik u van dienst zijn ?quot; — Zegt hij of zegt iemand dat ? Keen, zij denken hooger van zich zelf dan van de kunstquot; (1). Hunt is verontwaardigd, dat de recensenten zooveel jonge en veelbelovende talenten afschrikken. „Het is de critiek,quot; zegt hij, „die ze zoo bang maakt. Men durft niet precies meer weergeven wat men ziet en voelt.quot;

Ik wil \'t voor het oogenblik geheel in het midden laten, in hoever deze opvatting van critiek juist of overdreven mag heeten; het feit bestaat, dat er van een vriendschappelijke, sympathische gezindheid tusschen artiesten en critici bijna nimmer sprake is. Daarom ligt het voor de hand, dat de criticus een zeer moeilijke en ondankbare taak heeft te vervullen, zoodra hij, door al critiseerende het publiek voor te lichten, ernaar streeft kunstenaar en kunstliefhebber meer tot elkaar te brengen. Alleen in \'t geval, dat de criticus zich bepaalde tot eene zuiver bewonderende bespreking van het kunstwerk en dat hij het publiek trachtte te onder-

1

Praatjes over kunst van W. Hunt, vertaald door Dr. J. de Jong.

ocr page 104

94

richten, door alleen op de schoonheden van het werk te wijzen, zou hij erin kunnen slagen het gemeenschapsgevoel en de sympathie, die tusschen hem en den artiest bestaan, bij liet publiek aan te kweeken. Maar — en hierin ligt juist de moeilijkheid — men verwacht van den criticus meer. Hij mag zich niet verlagen — (of verheffen?) — tot een enthousiastisch bewonderaar. Hij moot critiseeren; d. w. z., hij moet schiften en ontleden; scherp toezien, met overleg waarnemen; het schoone van het onschoone, het ware van het valsche weten te onderscheiden. De criticus moet op- en aanmerkingen weten te maken, fouten en gebreken weten op te sporen; en hoe scherper en pittiger hij dat doet, des te meer zal hij bij het groote publiek in aanzien stijgen. De meeste menschen toch zijn van oordeel, dat de objectiviteit van den beoordeelaar, die men onder de eerste deugden van den criticus rangschikt, — ofschoon zij feitelijk nooit bestaat — zich veel meer openbaart door hekelen dan door bewonderen; veleu beschouwen de hekelende critiek als de eenig vruchtbare. Het komt mij voor, dat de eigenlijke grond voor die meening hoofdzakelijk deze is, dat er voor een tal van menschen in het prikkelend genot van een geestige en scherpe critiek veel meer aantrekkelijks ligt dan in de meer verheven en vredige stemming, waarin de bewondering van een artistiek geheel den mensch kan brengen.

Deze besliste voorliefde voor critiek is zeker allereerst een gevolg van onzen tijdgeest. Onze tijd is uiterst

ocr page 105

95

sceptisch en critisch. Alles wordt overwogen en vergeleken, niets ontsnapt aan de critiek. In vroegere tijden mogen de schoone kunsten gebloeid liebben, in onzen tijd bloeit\' in de eerste plaats de critiek. Op elk gebied tiert zij welig, is zij gewild en gezocht. Wij allen cri-tiseeren onophoudelijk, eiken dag, elk uur, zonder pardon of genade. De ouders worden gecritiseerd door de kinderen; de onderwijzers door de schooljeugd; de werkgevers door de werklieden; do regeering en de vorsten door de onderdanen. Daarin is ontegenzeglij k veel goeds; de ontwikkeling van het oordeel is toch een gevolg van de verhooging van het peil, waarop het intellect staat. Door de versterking van ons critisch vermogen wordt ons weerstandsvermogen tegen verderfelijke invloeden van misbruiken en v.ooroordeelen voortdurend vergroot.

Maar daartegenover staat, dat door de critische richting ons vermogen van onverdeeld te bewonderen niet alleen wordt gewijzigd, maar ook wordt verzwakt, en dat het gevoel van eerbied, van ontzag en van waardeering bij menigeen op den achtergrond geraakt.

Geldt deze waarheid voor het maatschappelijk leven in het algemeen, zij geldt niet minder op het gebied van de kunst. Wanneer wij eens de verschillende soorten en genres van kansthcwondcmars en van kunstcritici wilden nagaan, dan zou het ons treffen, hoe talrijk de laatsten vertegenwoordigd zijn in tegenstelling van de eersten. Laat ons b. v. eens een oogenblik blijven stilstaan bij de kunst der fraaie letteren. AVie als

ocr page 106

96

niet-criticus een roman, een novelle, een gedicht ter hand neemt, zal lezen tot verfrissching of verheffing van zijn geest; zijne gedachten vereenzelvigen zich met de denkbeelden en gevoelens van den schrijver, of hij vermeit zich in den letterkundigen vorm van het werk; of wel, men leest voor geheele ontspanning van den geest, om afleiding te zoeken, soms uit eene zekere nieuwsgierigheid of uit verveling, om den tijd te dooden. Ik geloof, dat hiermee de hoofdgenres van niet-critisee-rende lezers vrij wel zijn aangeduid. Maar letten wij nu eens op de verschillende soorten van critici op dit gebied; — al t3rstond rijst een geheel heir voor onze verbeelding op. Daar hebben we onder anderen:

Den criticus-journalist. Bij is vluchtig, gehaast, leest met het vouwbeen. Moet bergen van boeken doorwerken — in zijn vrijen tijd — en die is schaarsch. Heeft eene verbazende handigheid zijne indrukken snel en beknopt weer te geven. Zijne oordeelvellingen zijn niet veel meer dan aankondigingen, als \'t er maar even door kan, welwillend en in Nederland altijd te goeder trouw. Gaarne bereid schrijvers en uitgevers een handje te helpen. Deze kunstbeschouwingen, uit den aard der zaak oppervlakkig, bezitten de negatieve deugd, niet vervelend of langdradig te zijn.

Den criticus-dilettant. Dit genre is zeer sterk vertegenwoordigd. Hij bezondigt zich niet aan schrijven — daartoe voelt hij zich niet g3roepen, zegt hij; kwaadsprekende tongen fluisteren, dat hij \'t niet kan. Maar hij

ocr page 107

97

spreekt des te meer. Hij gaat rond bij zijne kennissen en in gezelschappen, neemt een hoogen toon aan, gispt en hekelt, keurt weinig goed en veel af Hij tracht den lachlust op te wekken, door op fouten te wijzen, die hijzelf gevonden heeft, — denk eens aan, zelf gevon- * den, de benijdenswaardige! — Hij spreekt zijn oordeel uit, zoo vast en stellig, dat gij zoudt zweren dat hij op letterkundig gebied zijne sporen reeds heeft verdiend. Maar hij schrijft niet en hij zal ook nimmer schrijven. Al dat geschrijf vindt hij verachtelijk. Er zijn veel te veel boeken, zegt hij. Negen en negentig percent ver-■diende verbrand te worden. En dan bleven er nog te veel over.

Den verwaanden criticus. Kenbaar aan een gedegen, ■deftigen stijl. Treedt elke maand voor het voetlicht in verschillende tijdschriften. Maakt doorgaans gebruik van het pluralis majestatis. „Wij, bij de gratie Gods beoordeelaars van de gewrochten op het gebied der fraaie letteren, hebben goedgevonden en verstaanquot; —nu volgt een breeksprakige aankondiging met de daarbij behoo-rende goed- of afkeuring, soms met een deftige vermaning of een strenge berisping. Hoeden af, vrienden,, voor dezen oppersten rechter ! quot;VVant hij is niet alleen beoordeelaar, hij is ook profeet. Luistert naar dat verpletterende vonnis: „Het is onze waarachtige overtuiging ,quot; zoo spreekt hij, „dat iedereen , die dit geschrift ter hand neemt, het met teleurstalling zal ter zijde leggen.quot; Let wel: de profetie geldt voor alle tjjden en voor M.vürits Smit , Kunst en Leven. 7

ocr page 108

98

iedereen — dat is geheel het lezend publiek, letterkundigen en niet-letterkundigen , van de bezoekers onzer salons af tot het keukenpersoneel incluis. Behooren wij niet bewonderend op te zien tot zooveel doorzicht en vooral tot zooveel objectiviteit ? quot;Want van een subjectief gevoelen kan hier immers geen sprake zijn. Daarboven waant zich dit genus van beoordeelaars verre verheven.

Den criticus-psycholoog. Voor hem is het werk bijzaak de schrijver hoofdzaak. Hij zal het geheele werk ontleden en elk brokstuk verklaren in verband met den lichamelijken en geestelijken toestand van den auteur. Voor hem blijft niets verborgen. Hij doorziet den schrijver tot op den bodem zijner ziel en komt ten slotte tot hoogst belangrijke gevolgtrekkingen omtrent den toestand van des schrijvers hartwerking en spijsvertering. Hij doet sterk aan visie en spreekt onophoudelijk van de visie van den artiest; hetgeen des te bewonderenswaardiger is , wanneer men in aanmerking neemt, dat deze criticus gewoonlijk stekeblind is voor zijn eigen visie , die toch in de eerste plaats in aanmerking zou moeten komen voor een juiste verklaring van de visie van den artiest.

Den schoolschen criticus , nauw verwant aan den crili-\'Cus-dwepef. Hij is voorstander van een bepaalde school of richting. Alles, wat daartoe behoort, is goed en schoon — wat daarbuiten ligt, is de aandacht niet waard. Ten allen tijde gereed tot een zalvende loftuiting of wel tot een verpletterend oordeel, draagt hij in de eene

ocr page 109

99

hand een stroopkan, in de andere een breekijzer. De schoolsche criticus acht zich geroepen , om zijne kunstbeschouwingen in denzelfden vorm en stijl te uiten , als waarin de werken zijn geschreven , wier lof hij zal verkondigen. Is dat naar den eisch geschied, eerst dan is hij over zich zelf voldaan.

Niet zelden openbaart zich bij hem een sterke neiging om in den toon te vervallen van den brutalen of revolutionnairen criticus , wiens manier van schrijven altijd veel onhebbelijker is dan zijn wijze van spreken. Zijne kunstbeschouwingen zijn kenbaar aan een over\' vloed van studentikooze uitdrukkingen en verkleinwoordjes ; door zijn overmatig gebruik van jij en jou is hij gemaakt fideel. Volgens Alphonse Karr zou dat tutoyee-ren lang niet zoo onschuldig zijn, als het wel lijkt; deze herinnert er aan, hoe dit ten tijde der Fransche revolutie algemeen in gebruik en zelfs verplichtend was voor de mannen van gelijkheid, vrijheid en broederschap. Maar het tutoyeeren, zegt hij, is niet alleen een bewijs van vertrouwelijkheid en gemeenzaamheid ; dikwijls ligt er een honend minachten in opgesloten. Stellig zouden in dien tijd een tal van menschen niet in aanraking zijn gekomen met de guillotine, indien men ze niet met tu had durven aanspreken. De overgang van iu tot tue is gemakkelijk; één stomme e, en men is er. Werkelijk kan men zich den revolutionnairen criticus moeilijk anders denken dan met een roode muts op de zwierige lokken , penkrassend , als met eiken haal van zijne spat-

7*

ocr page 110

100

tende en opspikkelende penpunten een doodvonnis onderschrijvend.

Verder ontmoeten wij daar nog den voorbarigen criticus, yeel minder sanguinisch van aard dan de zoo even besprokene, maar stellig niet minder gewild. Doorgaans is hij pessimist. Geen wonder! Al die geschriften, die hij dag in dag uit moet doorwerken, zijn voor 9/10 niet veel meer dan de somberste uitingen van levensmoeheid en levenszatheid. Tot in zijne droomen wordt de ongelukkige vervolgd door de schrikgestalten van ontzenuwden , krankzinnigen. Eindelijk ontwaart hij in dien grijzen chaos plotseling een meteoor — daar is een werk verschenen, in een vrooljjken en luchtigen trant geschreven. Bij nader inzien bezit dit werk al de gebreken van zijn tijd en munt ook niet uit door bijzondere letterkundige waarde — maar — het bezit de verdienste op de lachspieren te werken v.an den zwaarmoe-digen criticus. Daarmee is alles bereikt. Gezegend zij de gelukkige schrijver! Hij heeft den zwartgallige doen lachen. AVat is het gevolg? Dit werk wordt ons aangekondigd aW een gebeurtenis in de geschiedenis der fraaie letteren — het heet een meesterwerk — een openbaring — iedereen moet het genieten. Lachen is aanstekelijk. De criticus heeft gelachen; de uitgever lacht in zijn vuistje , het publiek giegelt mee — en later wordt er gemompeld, dat men zich knollen voor citroenen heeft laten verkoopen.

Ook den criticus-schoolmeester mogen wij niet met stil-

ocr page 111

101

zwijgen voorbijgaan. Het zou onbeleefd zijn van dezen eerwaardige geen notitie te nemen. Ik heb hooren zeggen dat zijn geslacht langzamerhand uitsterft. Dat zou jammer zijn. Want hij is zachtzinnig van aard, gemoedelijk , hulpvaardig, als \'t erop aankomt. Alleen op één punt is hij onverbiddelijk streng. quot;Waag het niet te zondigen tegen zijne taalregels, tegen zijne begrippen van stijl en zinbouw. Onophoudelijk trekt hij de schrijvers bij de ooren wegens vergrijpen tegen de spelling, interpunctie en nauwgezetheid van uitdrukking. Hevig gaat hij te keer tegen germanismen en het gebruik van uit-heemsche woorden. Want hij is nationaal tot in merg en been. Zoo wandelt hij voort, streng en deugdzaam, en telt de takken van de boomen — zonder het bosch te zien.

En zal ik nu nog spreken van den geleerden en brced-sprakigen criticus, die de beoordeeling van een werk als aanleiding neemt, om zijn persoonlijk gevoelen over kunst en literatuur aan den man te brengen; die het werk ontleedt en uitpluist, totdat er geen draad meer aan heel is, en die niet rust, voordat hij het uitgerafeld weefsel handig heeft overdekt met zijn eigen borduurpatroontje , dat hij o zoo lief en zoo aardig vindt? Wie zal het durven ontkennen, dat wij in de laatste jaren tot in het oneindige toe vervolgd zijn met critische studiën en letterkundige vertoogen, waarvan — hoe knap en verdienstelijk ze ook zijn —• het effect moest verloren gaan door den stortvloed, waarmee we zijn over-

ocr page 112

102

stelpt ? Men heeft er indertijd jvel eens den draak mee gestoken, toen in Duitschland zooveel werd geschreven over Groethe. Het was Goethe voor en Goethe na, Goethe ~ und kein Ende. Maar zijn wij niet in denzelfden toon vervallen ? Is het bij ons ook niet den laatsten tijd geweest: Busken Huet en Multatuli — zonder einde ? Men laat den familiebetrekkingen geen rust, voordat al de bijzonderheden uit het persoonlijk leven van den gevierde, al zijne brieven en aanteekeningen aan het publiek zijn geopenbaard. Zal alles, waterover de kunst van Zola en over de kunst van Wagner is geschreven, in volume niet duizendmaal de quantiteit van hunne eigen geschriften overtreffen ?

Men spreekt wel eens van overdrijving in de kunst, maar er bestaat veel meer overdrijving in de critiek. Er is overdrijving door blinde vooringenomenheid nier een bepaalde school of richting. Wanneer wij de kunstproducten .van een zekere school in een bijna onleesbare taal door geestverwante critici hooren aanbevelen; of wanneer wij iemand van een heel gewoon talent hooren aanduiden als den gebenedijde, van God gezalfde, dan denkt men onwillekeurig aan het verstandeloos tongenlallen van pinksterjongeren in een toestand van hysterische extase.

Ook is er schromelijke overdrijving in de methode der critiek — die zich niet meer wil tevredenstellen met eenvoudig te erkennen, maar die zich het bedrieglijk air gaat geven van een exacte, verklarende wetenschap.

ocr page 113

103

Onze eerste tijdschriften, zoowel binnen- als buitenland-sche , werken die overdrijving in de hand.

Onlangs verscheen nog in de Revue des deux Mondes ■een artikel over „Le sens de la vue chez Victor Hugo.quot; Er is al heel wat over Victor Hugo geschreven, zoo over zijne werken als over zijn particulier leven. Maar dat was niet genoeg. De biograaf en de criticus mogen niet rusfen, voordat zij alles, wat betrekking heeft op de physieke gewoonten, de impressionabiliteit, de organische functies en de hersenwerking van den artiest, tot in de kleinste bijzonderheden hebben nagespeurd. Deze criticus nu — Leopold Mabilleau —zal ons spreken over de visie van Victor Hugo; hij wenscht aan te toonen, hoe deze dichter de dingen moet gezien hebben, in welk licht, in welke kleur. Hij zal ons dat bewijzen uit de licht- en kleurbeschrijvingen, die in Victor Hugo\'s werken voorkomen. Zoo spreekt o. a. Hugo ergens van: „Le hussard rnpide Parant de gerbes d\'or sa poilrine intrépide.quot;

De dichter beschrijft dus het geel van de huzarenuniform als goud. Elders beschrijft hij weer het blauw als azuur of violet; hij spreekt ook van „la noirceur absorbée, la blanche ar rayonnante, van coups de lumière, lames d\'argent, jlaques ci\'om\'jrequot;, enz., en Mabilleau besluit daaruit, dat Hugo alles vergroot moet hebben gezien, als versterkt in tint en in glans; dat zijn oog minder gevoelig is geweest voor fijne schakeeringen en overgangen van kleuren dan wel voor sterk contras-

ocr page 114

104

teerende lichteffecten, die zich op zijn netvlies in buitengewone mate moeten hebben verspreid, althans in sterker mate, dan bij het normale oog plaats heeft. Het oog van Victor Hugo moet dus sterk onderhevig zijn geweest aan zoogenaamde irradiatie.

Maar Mabilleau gaat nog verder. Hij tracht ons te verklaren, hoe Victor Hugo in de verschillende tijdperken van zijn leven moat hebben gezien en waargenomen^ Hij maakt ons opmerkzaam op het feit, dat de dichter in zijne latere werken de fijne en wisselende tinten van den dageraad beschrijft als „unc fumée de saphirs, d\'onyx et de diamantsquot;; dat het heelal hem voorkomt te zijn „un amas de clartés, de h raises, de rayons, de rub is\'\\ en schroomt niet, daaruit de gevolgtrekking te maken , dat, naarmate hij de klimming der jaren hij Victor Hugo de kracht van reactie geringer is geworden, door de verhoogde spanning der spieren de toevoer van bloed zal zijn versneld, waardoor de oogzenuw door oogenhlikkelijke congesties werd aangedaan.

Ziedaar een treffend staaltje van het streven der he-dendaagsche critiek. Men wil voor elke perceptie, voor elke kunstuiting een physiologisch-psychologischen grond zoeken; de arme ziel tobt zich af, om alles te ontleden^ verdiept zich in allerlei gissingen en hypothesen, en ten slotte maakt het geheel den indruk van een would-be verklaring. Men meent door deze gezochte en verfijnde beschouwingen erin geslaagd te zijn het kunstwerk beter te doorgronden; maar men vergeet, dat de

ocr page 115

105

appreciatie en het kunstgenot groot gevaar loopen, in deze philosophisclie en abstracte beschouwingen te verzinken.

Wanneer ik u nu de vraag stel: bij welke categorie van de zoo even geschetste critici wenscht gij u aan te sluiten ? dan zult ge mij zeker antwoorden: bij geene van deze. Vermoedelijk zult ge mij voor de voeten werpen, dat ik door dergelijke beschouwingen, die niet van veelzijdigheid getuigen, de waarde der critiek verklein. Gij zult mij wijzen op menschcn, die op meesterlijke wijze over kunstwerken en artiesten hebben geschreven, en mij vragen, of die dan niets hebben toegebracht tot de ware appreciatie van hooge kunst. Gij zult u beroepen op Winckelmann, Lessing, Lübke, Taine, Ruskin, Hanslick — op het meesterschap van onzen Huet. Gij zult mij voor oogen houden, hoeveel studie er vereischt wordt en welk een groote mate van sympathie voor een kunstwerk moet aanwezig zijn, om het publiek te brengen tot het ware begrip en de rechte bewondering van al het schoone, dat het bevat; hoezeer het noodig is, dat in onzen tijd, waar zooveel kaf onder het koren is, de roskam zich nu en dan eens late voelen , en hoe de meer bevoegde beoordeelaar ervoor heeft te waken, dat men het publiek, dat niet gewoon is zich rekenschap te geven van zijne indrukken, geen valsche munt voor ware in de hand stopt; hoe eindelijk de artiest zelf in een grondige beschouwing van zijn werk eene aanmoediging kan vinden of door de opmerkingen, die gemaakt zijn, ertoe gebracht wordt, om te

ocr page 116

106

streven naar meerdere volkomenheid van vorm en van uitdrukking in zijne creaties. Gij zult mij een tal van recensies opnoemen, in dén laatsten tijd uitgebracht, die getuigen van hoogen ernst en van een diep doordringen in het wezen der compositie, en gij zult mij trachten te overtuigen, dat het altijd mogelijk is een juist oordeel uit te spreken, indien men zich maar gedraagt naar het voorschrift vanGriiyau, die van meening is, dat om een letterkundig werk of een muzikale compositie goed te kunnen beoordeelen, de kennismaking met het werk in drie perioden moet plaats hebben, en wel op de volgende wijze: in de eerste periode doet men niets dan het lezen, het ontcijferen; in de tweede herleest men het tot verzadigings toe; in de derde periode leeft men als \'t ware eenigen tijd mee met het werk, dat men nu grondig kent en waarmee men zich geheel hoeft vereenzelvigd, en eerst dan is het geschikte moment voor het uitbrengen van een juist oordeel aangebroken. En nu zult gij mij vragen , of de criticus, die aldus zijne taak opvat, niet in staat zal zijn den goeden smaak en de liefde voor de kunst bij het publiek aan te kweeken, in stede van die uit te dooven?

Hierop kan ik niets anders antwoorden dan: ja, zeker. Ik wil de waarde eener goede, ernstige critiek niet verkleinen en ik geloof zelfs, dat elke artiest aan de critiek wel iets te danken heeft. Ik zal niet ontkennen, dat het schrijven over kunst meermalen nader tot de kunst heeft gebracht. Maar gij

ocr page 117

107

zult mij toch moeten toegeven dat de critiek, zooals gij die dan wenscht opgevat te zien, in onzen tijd bijna niet uitvoerbaar is en zeker tot de uitzonderingen behoort.

Bedenk wel, dat wij leven in een tijd van overproductie, ook op kunstgebied. Alleen met het schiften van al die kunstvoortbrengselen, die zich met iederen dag meer en meer ophoopen, heeft de kunstbeoordeel-aar de handen vol. Bepalen wij ons eens alleen tot de letterkundige producten. Wie zich ten doel stelt om in een maand- of weekblad een overzicht te geven van de lectuur van den laatsten tijd, ziet zijn tafel, zelfs den vloer van zijn studeervertrek overdekt met stapels geschriften van den meest verschillenden aard. De indruk , dien het lezen van een roman of van een novelle bij hem heeft gewekt, is nauwelijks tot stand gekomen, of alweer een ander boek vraagt zijne aandacht; hij moet door dien berg heen, hij moet zich haasten, hij is beperkt in tijd, in plaatsruimte. Gesteld, dat onze recensent een beschouwing wil geven alleen over de voornaamste producten der oorspronkelijke Fransche bel-letrie. Weet ge wel, dat het aantal oorspronkelijke Fransche romans in den laatsten tijd geschat wordt op - 300 per jaar? Dat is dus bijna een boek per dag! Acht het geen kleinigheid, om uit die stapels juist dat tien- of vijftiental te voorschijn te halen, waarvan het de moeite waard is een bespreking en een beoordeeling te geven. Alleen dat schiften en uitzoeken eischt

ocr page 118

108

al heel wat tijd en hersenarbeid en zenuwinspanning. Zoudt gij heusch meenen, dat onder deze omstandigheden de criticus in staat en ook altijd gedisponeerd is, om zich behoorlijk rekenschap te geven van al de motieven en bedoelingen der verschillende auteurs ? Ik heb deze soort van arbeid nooit bij de hand gehad, maar ik vermoed, mijn waarde, dat er van die drie perioden, waarvan Guyau spreekt, doorgaans niet heel veel terechtkomt en dat die bij de meeste recensenten worden gecondenseerd tot een kleine fractie van de eerste periode. Komaan, een criticus is toch ook, evengoed als een artiest, een mensch met zenuwen en stemmingen en voorliefden. En deze zullen zich sterker doen gelden, naarmate een meer artistieke geest zijne gedachten en beschouwingen leidt. Hij moet lezen — haastig en toch aandachtig lezen — lezen zonder ophouden; al die snel opvolgende indrukken woelen in bonte warreling dooreen, als de beelden in een caleidoscoop. Een arbeid van maanden, soms van jaren, moet in een ommezien opgenomen, doorwerkt en besproken worden. Zal het niet menigmaal gebeuren, dat voor dien afgetobden geest, voor dat vermoeide oog een werk haast onopgemerkt voorbijgaat, dat bij een meer rustige beschouwing toch wel de moeite waard bleek te zijn ?

Onder deze omstandigheden kan het wel niet anders, of bij den best gezinden criticus moet de subjectiviteit van zijn oordeel, alles, wat in nauw verband staat met

ocr page 119

109

zijne individualiteit, ten slotte den doorslag geven aan zijne bewonderende of hekelende critiek. En daarin ligt nu juist de verkeerde uitwerking der critiek opgesloten. Het publiek zoekt toch in de uitspraken der critici veel te veel objectiviteit; het publiek praat den recensent na, alsof deze de absolute, de waarheid in pacht zou hebben. Men kan in onze dagen wel zeggen : Vox populi, vox critici. Het publiek vergeet, dat, waar ook al van eene volkomen objectiviteit geene sprake kan zijn, bovendien de omstandigheden de subjectieve, soms oppervlakkige uitingen der critici verbazend in de hand werken. Menigmaal heb ik van een zelfde werk de meest uiteenloopende recensies aangetroffen; ik zou u werken kunnen noemen, die in het eene tijdschrift als prullen, in het andere nagenoeg als meesterwerken zijn aangekondigd. Wie heeft in dat geval gelijk? En vooral, wie heeft er iets aan in zulke gevallen? Het publiek wordt er niets wijzer door, en de artiest weet niet, waaraan zich te houden. De uitwerking der critiek, voor zoover zij zich dan ten doel stelt te onderrichten en den weg te wijzen, gaat op die manier geheel te loor.

Grij zult mij dan ook moeten toegeven, dat Guyau, die den weg aanwijst, langs welken een vruchtbare critiek kan worden verkregen, ook wel een open oog heeft voor deze zwakke zijde der critiek. De recensent is al te veel Vhomme de tous les Uvres, zegt hij. Met evenveel recht kan men beweren, dat de verslaggever

ocr page 120

110

Yan tentoonstellingen, van schilderkunst of van muziek en tooneel is Vhomme de tous les tableaux, de tous les concerts et de tous les thédtres. Iemand, die gehouden is de eene tentoonstelling na de andere te bezoeken, of die dag in dag uit concerten of tooneelvoorstellingen moet bijwonen , zal zich bezwaarlijk vrij kunnen houden van den invloed van het afmattende en het eentonige, aan dezen arbeid eigen. Hij is lastig te voldoen, zegt men dan, hij is erg difficiel. Kan het anders? En bedenk eens, hoe gemakkelijk gij te voldoen zijt, als gij in geen weken muziek hebt gehoord en ge dan eens een oogenblik voor uw piano gaat zitten!

Gruyau stelt dan ook in vele gevallen het naiëve, onbevangen oordeel van de groote menigte boven de beredeneerde uitspraken der critici, die zich bovendien bewust zijn van hun invloed en die zoo dikwijls hun oordeel verkondigen , terwijl zij geleid worden door allerlei bijgedachten en vooroordeelen. Hij wijst erop, hoe de criticus altijd staat op een glibberig, hellend vlak. Meer dan anderen toch komt deze in de verleiding toe te geven aan die algemeen menschelijke zwakheid, zich vroolijk te maken of geestig te zijn ten koste van anderen, zich te verheffen, door anderen te deuken. Die demonische prikkel sluimert in ons allen, en de beoefening der critiek is uitermate geschikt, dien prikkel nog meer te ontwikkelen. Daarom is ook een ijdeltuit van een criticus een veel gevaarlijker wezea dan de ijdelste onder de artiesten.

ocr page 121

Ill

Er wordt wel beweerd, dat de doorgaans spannende verhouding tusschen critici en artiesten meer te wijten is aan dè prikkelbaarheid en de overgevoeligheid der laatsten dan aan de onheusche handelwijzen der eersten. De waarheid zal hier wel in het midden liggen. Maar in elk geval behoorde de hekelende criticus altijd te bedenken, dat in de oogen van het publiek de artiest vrij weerloos tegenover hem staat en dat een anticritiek weinig of niets vermag. Daarom zou \'t zoo wenschelijk zijn, dat een criticus nimmer een werk behoefde te beoordeelen, dat niet in zijn smaak viel. Ik meen eens gelezen te hebben dat iemand, wien men vroeg een werk te recenseeren, ten antwoord gaf: „Dit werk kan ik niet beoordeelen. Want ik heb nooit eenige sympathie gevoeld voor dien eigenaardigen trant van schrijven.quot; Ik geloof dat dit antwoord, behalve heel oprecht, ook heel juist was. Kunstopvatting is toch allereerst een quaestie van smaak en van persoonlijk gevoelen; wat in de kunst objectief te beredeneeren valt, is zoo weinig in vergelijking met datgene, waarbij persoonlijke opvatting in \'i spel komt.

Aangezien wij nu alleen het recht hebben mee te praten over dingen, waarvoor wij zin of smaak hebben, die wij in ons kunnen opnemen en waarmee wij ons kunnen vereenzelvigen, heeft reeds daarom een opbouwende critiek veel meer reden van bestaan dan een afbrekende, die dikwijls het gevolg is van een gebrek aan bevattings- en accomodatie-vermogen. De artiest,

ocr page 122

112

die door zijn werk een daad verrichtte, een positieve Leistung, heeft in de eerste plaats aanspraak op een positieve daad van den criticus en verdient-niet afgescheept te worden met een negatie. Daaruit volgt nog niet dat de criticus alles „mooiquot; behoeft te vinden, wat de artiest te berde brengt; maar hij geve althans door zijne opmerkingen blijken, dat hij de creatie van den artiest tot op een zekere hoogte heeft kunnen doorgronden. Wanneer hem dat om de eene of andere reden niet is mogen gelukken, dan behoort hij den moed te hebben dat openlijk te erkennen, of, wat in dat geval nog beter is, — hij zwijge. Indien de recensent dan bovendien altjjd voor oogen houdt, dat zijne critiek geen exacte kennis is, maar alleen een indi-vidueele manier van zien en dat hij bij alles, wat hij zegt, gesuggereerd wordt door de vroeger ontvangen indrukken van andere kunstwerken, zal hij zeker den gematigden, welwillenden toon bij zijne besprekingen nimmer uit het oog verliezen. Hij kan bovendien overtuigd zijn, dat een waar en ernstig artiest — dat is een, die alleen werkt uit waren scheppingsdrang en uit liefde voor de kunst, — ook in de eerste plaats niet zal hunkeren naar onverdeelden lof en naar dwaze vergoding: zijn grootste wensch is begrepen te worden. Hij vraagt sympathie, weerklank — meer niet. Voor hem geldt, wat Schumann zegt: „Nicht das Lob erhcht den Künsller, sondcm die 1\'reude, dass, ivas er empfunden, harmonisch a us Menschenherzen zurückklingt.quot;

ocr page 123

113

Men hoort het standpunt van de critiek menigmaal Terdedigen op dezen grond, dat onze natuur ons onophoudelijk tot vergelijken en critiseeren dwingt. Zeker, ons critisch vermogen is een stuk van onze natuur. Wanneer wij na het genieten van eenig kunstwerk zoo tot elkaar zeggen: „Jongen, wat \'n heerlijke uitdrukking ligt daarinquot;, of wij fluisteren; „Neen, dat pakt me toch nietquot;, of ook wel, wanneer wij, geheel onder den indruk van iets schoons, niemendal zeggen, — misschien de meest welsprekende vorm van critiek — dan critiseeren wij, ongetwijfeld. Maar laat ons deze spontane, oogenblikkelijke uiting toch vooral niet op «én lijn stellen met de beredeneerde, bestudeerde critiek, die wordt uitgebracht onder den indruk van het gevoel van onze verantwoordelijkheid of van onze macht, omdat morgen dit oordeel door do dagbladen of tijdschriften den volke zal verkondigd wordea Onze eerste, oogenblikkelijke critiek is zuiver natuur; de laatste daarentegen heeft altijd iets kunstmatigs, gedwongens, ik zou bijna zeggen, iets onnatuurlijks. Wanneer wij tot zoo iets geroepen of verplicht worden, moet dat noodwendig ons kunstgenot schaden. Het wordt een gewelddadige besnoeiing, een beknibbeling van onze hoogste genietingen — van ons kunstgenot.

Ziedaar het punt, waarop ik u ten laatste, maar ook met den meesten aandrang wilde wijzen. Kunstgenot is een onuitsprekelijk, een onvergelijkelijk hoog genot, dat wij niet mogen aanranden of bezoedelen. Kunstgenot Maueits Smit , Kunst en Leven. 8

ocr page 124

114

neemt in de rij onzer geestelijke genietingen de eerste-plaats in Dit acht ik geen willekeurige, individueels opvatting, maar een waarheid, die op een duidelijk aanwijsbaren grond berust. Kunstgenot bestaat toch in hoofdzaak in de herkenning en de herinnering onzer eigen gewaarwordingen, in het gevoel van sympathie-met den artiest, met zijn ziening en met zijne creaties. De artiest schept een associatie, waarvan wij ons op dat oogenblik een deel voelen. Ons individueel leven wordt daardoor als \'t ware uitgebreid, het smelt samen met een ruimer, meer universeel bestaan. De artistieke emotie is daarom in den hoogsten graad sociabel. En in hoe sterker mate dat gevoel van hooge, innige gemeenschap wordt gekweekt, des te hooger staat het kunstwerk. Mist het die uitwerking , dan veroordeelt het zichzelf ; in dat geval treedt zijn onbeduidendheid klaar genoeg aan \'t licht, ook zonder behulp van de critiek. Nu kan het niet anders of deze sympathische aandoeningen moeten bij den criticus door een gedwongen cri-tische sociabiliteit noodzakelijk worden verkleind , — de critiek werkt deze sociabiliteit tegen. In de kunst toch is alles bezieling, gloed, teederheid, ontplooiing van onze individualiteit — de beredeneerde critiek daarentegen eischt bezadigdheid, omzichtigheid, kalm overleg , spitsvondigheid, beperking onzer individueele opvatting. Vandaar, dat kunstgenot en critische beschouwing r ofschoon schijnbaar nauw verbonden , elkaar voortdurend in den weg staan.

ocr page 125

115

En daarom, al ware het u mogelijk u geheel \\nj te houden van al die invloeden, die ik daar straks noemde en die onophoudelijk het helder oordeel komen belemmeren ; al zou het u mogelijk zijn in uwe kunstbeschouwingen dat element van sociabiliteit te ontwikkelen tot een tot nog toe ongekenden graad , dan nog zou ik u raden van uw plan af te zien. Voor de lauweren, die ge op het veld der critiek zoudt kunnen inoogsten , zoudt ge een groot deel van uw genot ten offer moeten brengen.

En het ligt niet op den weg van den mensch, tenzij de omstandigheden hem ertoe noodzaken, zijne hoogste gaven te gaan beknibbelen en zich moedwillig te kortwieken. Probeer liever zelf te vliegen , dan voortdurend toe te kijken wat er hapert aan de slagpennen van anderen. En wilt ge absoluut critisch te werk gaan, oefen dan critiek uit op uw eigen arbeid ; maar voor \'t overige — laat de critiek met rust. Het is naar mijn inzien de eenige weg om te blijven, die gij zijt, en vast te houden, wat u lief is.

8*

ocr page 126

Het spook van onzen tijd.

i.

Sedert Zola zijn Béte humaine de wereld inzond, hebben tal van moderne schrijvers en psychologen hunne krachten beproefd aan het typeeren van personen, in welke de specifiek-lagere of beestachtige eigenschappen der menschelijke natuur zooveel mogelijk scherp gescheiden werden van de specifiek-hoogere, zoogenaamd bovenzinnelijke qualiteiten. Zoo heeft o. a. Couperus in zijn werk Extaze ons een man en een vrouw geschilderd, die ernaar streven, om uit het innig-sympathieke gevoel, waardoor ze onweerstaanbaar tot elkaar worden getrokken , al het specifiek-zinnelijke zooveel mogelijk te verbannen ; deze wezens trachten zich door een hyper-platonische en super-extatische gevoelsstemming een toestand te scheppen , die zou moeten voeren tot het hoogst-denkbare geluk. Het feit, dat de door Couperus geschilderde typen mij met veel meer walging hebben vervuld dan de monsters, die ons in La héte humaine

ocr page 127

117

voor den geest treden , heeft mij onwillekeurig tot nadenken gebracht. Hoe is het mogelijk, zoo heb ik mij afgevraagd , dat een werk , waarin moordenaars , wellustelingen van de laagste soort ten tooneele worden gevoerd, ons toch ten slotte minder weëe indrukken geeft dan die overgevoelige, zwak-gezenuwde figuren, die geen schepsel een haar krenken ? Dat geheel toe te schrijven aau de meerdere kracht en aan het meesterschap van beschrijving en typeering, waardoor Zola zich kenmerkt, zou toch, dunkt mij , niet geheel juist zijn. Zonder Zola het meesterschap te willen betwisten, moet erkend worden, dat Couperus in zijne beschrijvingenen schilderingen een kolossaal talent heeft geopenbaard , dat onze bewondering afdwingt; al die figuren zijn door hem gehouden in een kader, zoo passend, in een licht en in een milieu, zoo fijn en gedistingeerd, zoo in-har-monieus met alles , wat daarin leeft en handelt, dat ik mij moeilijk zou kunnen voorstellen dat iemand hem dat zou kunnen verbeteren. Ik geloof dus niet dat het hier uitsluitend het geringer gehalte van technische behandeling is, waardoor onze weerzin zoo wordt opgewekt. De oorzaak moet dieper liggen ; zij moet gezocht worden in het gehalte der figuren zeiven, die in het brein van den auteur zijn geboren en waaraan zijne scheppingskracht het leven heeft gegeven. Onze afkeer moet zetelen in het levendig besef, dat die typen, zooals zij geschapen zijn, geen reden van bestaan hebben, — dat het zijn wangedrochten, misgeboorten.

ocr page 128

118

De eerste eisch dien een schrijver aan zichzelf moet stellen, is, dat hij in de creatie zijner typen rekening houdt met de werkelijkheid, met de mogelijkheid. Daarom behoeft hij geen kopie van de werkelijkheid te geven ; een auteur is een schilder, en een schilder doet anders en doet ook veel hooger dan de photograaf. Wil de artiest ons afwijkingen toonen van het gemiddelde in de realiteit, goed, niemand zal er hem minder om achten. Yoor een sterk sprekend type, veel krasser dan de werkelijkheid ons te zien geeft, mits artistiek gedaan, nemen wij den hoed af. Een schilder, die ons een afzichtelijken bultenaar te zien geeft, kan daarmee een groot artistiek werk geleverd hebben; wij zullen zeggen : „Wat is dat afschuwelijk-mooi!quot; Maar als hij ons een mensch laat zien met twee hoofden of zonder armen of beenen, dan zeggen wij : „Ajakkes.quot;

Er is dus ontegenzeglijk een grens, binnen welke de phantasie behoort te blijven, wil zij door hare gewrochten op den aesthetischen, den harmonischen zin van den mensch blijven werken. Die grens nauwkeurig te omschrijven, zou moeilijk gaan; Lessing heeft er indertijd zijne krachten aan beproefd en niemand zal beweren, zonder daardoor aan Lessing\'s groote verdiensten te kort te doen , dat hij in dit opzicht een volko men arbeid heeft geleverd. Maar evenmin zou het aangaan die grens geheel afhankelijk te stellen van persoonlijk gevoel en van individueele ziening. Door te zeggen: „Wat voor den een abnormaal en misvormd

ocr page 129

119

:1s, kan voor den ander normaal en welgeschapen zijn ; wat ik gezond noem, heet voor een ander ziek; dat is maar een quaestie van opvattingquot;, maakt men zich van de zaak af. Het blijft een feit, dat een mensch door :zijn natuurlijk instinctief gevoel, buiten zijn gescherpt ■en ontwikkeld redeneervermogen om, het onderscheid tusschen genot en pijn, tusschen aangename en pijnlijke indrukken blijft ondervinden. De quaestie van het on-■deelbaar moment, waarop de eerste soort van gewaarwordingen ophoudt en de laatste aanvangt, is misschien • een heel belangrijk vraagstuk ; maar ik geloof dat dit kan teruggebracht worden tot die spitsvondigheden van het menschelijk vernuft, die bij deze beschouwingen jgeheel buiten rekening kunnen blijven.

Bij onze schatting van de creaties der dichterlijke phantasie houden wij natuurlijk in de eerste plaats rekening met hetgeen de artiest door zijne beelden heeft willen uitdrukken. In allegorische en symbolische voor-.stellingen zullen menschen met vleugels, leeuwen met menschenkoppen , vrouwen met vischstaarten ons hoegenaamd geen aanstoot geven. Wilde men ons daarentegen die beelden als typen van werkelijk bestaande wezens geven , dan zouden wij ze onuitstaanbaar vinden.

Ons begrip van het wanschapene is dus gegrond op onze erkenning van de bedoeling in verband met de uitdrukking en typeering. De hedendaagsche romanschrij-■vers nu stellen zich veelal ten doel, ons typen te geven wan de menschen, zooals die leven en lijden in onze

ocr page 130

120

samenleving. Wanneer wij dus die beelden aanschouwen , dan denken wij aan de msnsehen, zooals wij die dagelijks ontmoeten, of zooals wij die gezien hebben op de spoorwegen, of in de kolenmijnen, of op zee, of in de gevangenissen en werkplaatsen , of in Parijs op de boulevards , of in Scheveningen en in de Scheveningsche Boschjes. Ook denken wij daarbij dikwijls aan onszelf. En wanneer dan de beelden van de phantasie der romanschrijvers al te sterk gaan afwijken van hetgeen ons voorstellingsvermogen in verband met onze ervaring en herinnering ons te zien geeft, dan zeggen wij : dat is wanschapen, dat is gedrochtelijk.

quot;Wanneer wij ons nu den mensch voorstellen , zooals-wij dien hebben leeren kennen aan anderen en aan ons-zelven , dan zien wij daarin een machtige, onbegrijpelijk gecompliceerde samenstelling van de meest uiteen-loopende functies en hoedanigheden , de laagst dierlijke eigenschappen, gepaard aan de hoogste qualiteiten. Eu alleen dat complex, die innige verbinding van die oneindig vele hoedanigheden met al die schakeeringen, die de natuur toelaat, vormt dat geheel, dat wonder, dat wij mensch noemen.

quot;Want de mensch is een wonder, gelijk de geheele natuur. quot;Wij trachten de natuur in hare werkingen na te gaan, en wanneer wij dan een of ander verschijnsel op het spoor zijn gekomen, dan denken we dat wij erachter zijn. Maar in werkelijkheid blijft de natuur voor ons altijd een gesloten boek, een wonderlijk ge-

ocr page 131

121

heim. Wanneer ik het prachtig glanzende kwikzilver met die gele, stinkende zwavel zich zie verbinden tot een roode verfstof, het vermiljoen , dan aanschouw ik een wonder. Er is geen mensch , die dat begrijpt of die dat ooit begrijpen zal. Geen scheikundige zal ons ooit kunnen verklaren, hoe die roode verstof uit de verbinding van twee zoo geheel van elkaar verschillende stoffen kan ontstaan , al kent hij ook precies de verhouding, waarin die stoffen moeten worden samengebracht, om het verlangde resultaat te verkrijgen.

Nu heeft de ervaring ons geleerd dat zoo\'n samengestelde stof als het vermiljoen weer in hare bestand-deelen kan ontleed worden ; maar zoodra die ontleding in kwik en zwavel plaats heeft, houdt het vermiljoen op te bestaan. Het zou dus heel verkeerd zijn, indien iemand, die ons met de eigenschappen van het vermiljoen wilde bekendmaken, alleen ging spreken over het kwik of over de zwavel, als geheel op zichzelf staande.

Evenmin nu zullen de schrijvers en psychologen , die ons een beeld willen geven van dat oneindig meer ingewikkeld complex , den mensch , daarin kunnen slagen , indien zij typen creëeren, waarin de eigenschappen en functies, wier noodwendige verbinding eene eerste voorwaarde is voor het menschzijn, willekeurig zijn gescheiden en geïsoleerd.

Misschien zullen enkelen hier willen opmerken, dat dé hier gebezigde vergelijking alles behalve juist is. Het vermiljoen laat toch evenmin als elke andere schei-

ocr page 132

122

kundige verbinding de minste variatie toe in de verhouding zijner bestahddeelen, zonder dat het als zoodanig zou ophouden te bestaan; terwijl bjj den mensch in de verbinding zijner eigenschappen en functies een oneindige variatie in hoeveelheid en qualiteit bestaat, waarbij hij niettemin mensch blijft. Maar wanneer wij nu alleen in \'t oog houden de twee hoofdgroepen van werkingen in het menschelijk bestaan, het zinnelijk, stoffelijk leven en het geestelijk leven, functies, die wij wel weten te onderscheiden , maar die toch in werkelijkheid nooit geheel te scheiden zijn, dan zal de lezer begrijpen, waar ik heen wil. Dan zal hij begrijpen dat ik bedoel, dat de fout, waaraan de hedendaagsche schrijvers zich dikwijls schuldig maken, deze is, dat zij de twee innig-verbonden hoofdgroepen van hoedanigheden in den mensch op kunstmatige en moedwillige wijze gaan scheiden. Het gevolg daarvan is, dat zij er zoodoende toe komen, om abnormaliteiten en wangestalten te scheppen, die onzen schoonheidszin, die toch streeft naar de erkenning van een geheel, van een harmonisch geheel, moeten beleedigen. Wij zoeken een mensch, en wij vinden iets, dat heel weinig op een mensch lijkt en dat doorgaans te ernstig is opgevat, om nog als caricatuur indruk te kunnen maken.

II.

De psychologische analyse is de meest verleidelijke maar ook de meest gevaarlijke klip voor de hedendaag-

ocr page 133

123

sche auteurs. De zucht, om door een aanhoudend en scherp analyseeren te komen tot een verklaring en juiste beschrijving van de werking en de eigenschappen van het geheel, leidt onwillekeurig tot buitensporigheden , die , in plaats van een weldadige harmonie, soms schrille wanklanken doen ontstaan.

Men is gewoon de zinelij ke lusten te qualificeeren als het beestachtige , het dierlijke element in den mensch terwijl de aandoeningen, waarbij het zingenot zooveel mogelijk op den achtergrond zou treden, worden gerekend tot de meer edele en verheven qualiteiten. Doorgaans wordt hierbij geheel over \'t hoofd gezien, dat er geen enkel zinnelijk genot kan bestaan, waarin niet de geest zijn aandeel heeft, en dat er omgekeerd geen enkele zoogenaamde geestelijke genieting tot stand kan komen zonder zinnelijke prikkels. De meest verheven aandoeningen en gewaarwordingen zijn nog gebonden aan onze stoffelijke en zinnelijke functies, evengoed als de geur der fijnste roos nog verband houdt met den vuilen mest, waarin zij is geteeld. ïfu is het heel natuurlijk, dat wij bij het genieten van den rozengeur den mest geheel uit het oog verliezen ; maar toch zou het heel onverstandig zijn, op dien mest te gaan smalen. Zoo onbeholpen is men nu echter te werk gegaan, toen men over het zingenot den banvloek is gaan uitspreken ; behalve toch dat men tegelijkertijd al de daarmee gepaard gaande geestelijke functies in den ban heeft gedaan, is men, om de ongerijmdheid te voltooien,

ocr page 134

124

een tal van zoogenaamd bovenzinnelijke en verheven adspiraties, waaronder nota bene soms de meest hysterische aandoeningen voorkomen , als mooi en goed en heilig gaan aanprijzen. Men heeft niet willen begrijpen dat het mooie en het leelijke , het goede en het kwade niet uitsluitend aan een bepaalde groep van functies behoeven gebonden te zijn. Bij een groot deel van de ontwikkelde menschheid leeft nog altijd het vooroordeel voort, dat alles, wat onmiddellijk met de vleeschelijke en zinnelijke genietingen in verband staat, absoluut zondig en leelijk en verdoemenswaardig moet zijn. Dergelijke wanbegrippen zijn natuurlijk nog in de hand gewerkt door den sleurgeest en den suggestieven invloed van dogmatische , totaal verkeerd opgevatte of verklaarde zedenkundige herstellingen; terwijl eindelijk een preut-sche modestie en een conventioneele beschavingsvorm, die in alle opzichten het kenmerk draagt van kunstmatige oververfijning, op dit werk nog de kroon hebben gezet. Zoo is men voor een essentieel bestanddeel der menschelijke natuur bang gaan worden; men heeft er de voorstelling van den duivel aan vastgeknoopt. De mensch is bang geworden voor zichzelf. Het begrip van mooi en leelijk, van goed en kwaad is zoodoende veel meer gaan steunen op conventie en bijgeloof dan op eeu vrij en zelfstandig oordeel. Maar wie de kracht heeft zich van die conventie los te maken en in staat is eenigszins objectief te denken en waar te nemen, moet vanzelf tot de eenvoudige conclusie komen, dat het

ocr page 135

125

leelijke en het kwade in den mensch eerst daar optreden , waar het evenwicht tusschen de verschillende werkingen in de menschelijke complicatie merkbaar wordt verstoord, waar het harmonisch geheel wordt verbroken.

Het begrip van evenwicht, van harmonie, van mooi-zijn en goed-zijn is één. Harmonie is evenwicht, is een eenheid, samengesteld uit de innige verbinding van onderscheiden werkingen. Een normaal oog, een normaal oor, een normale geest vindt zijn grootste behagen in die harmonie ; het is het hoogste en te gelijk ook het eenige, dat wij zoeken en wenschen in de natuur, in de kunst. Alles, wat dat evenwicht komt verstoren , doet ons onbehaaglijk aan , — daarin zetelt alles , wat leelijk , schadelijk , slecht is.

Zoodra nu de eene of andere specifieke neiging of eigenschap in den mensch al te sterk op den voorgrond treedt, zoodra er overdrijving plaats vindt in de eene of andere richting, wordt het harmonisch evenwicht verbroken ; dan moet het geheel, in plaats van een wel-gevalligen, een gebrekkigen, pijnlijken indruk maken, en bij sterke overdrijving ontstaan de wangedrochten, die ons doen walgen. Het leelijke zetelt dus niet in een bepaalde functie of neiging, maar wel in het dominee-ren van een zekere fuuctie ten koste van de overige. Vandaar, dat de groote wijsgeeren altijd de gematigdheid hebben gepredikt, beperking in behoeften, in neigingen , lusten van welken aard ook ; want zij beseften, dat dit de eenige weg was, die er toe kon leiden, om

ocr page 136

126

het evenwicht te bewaren. Het onbeperkt toegeven aan neigingen en hartstochten leidt tot de monstruositeiten, de evenwichtsloozen, wier afzichtelijke beelden ons door sommige auteurs worden afgemaald ; maar men bedenke daarbij wel, dat het beeld van een mensch zonder hartstochten en lusten een niet minder jammerlijken indruk zou maken. „Ce semit done un bonheurquot; zegt Diderot r d\'avoir les passions fortes? O ai, sans doute , si toules sant d Vunisson .. . Cest le comhle de la folie , que de se proposer la mine des passions. Le beau projet que celui d\'un dévot qui se tourmente comme un forcené, poiir ne rien désirer, ne rien aimer , ne rien sentir, et qui finirait par devenir un vrai moustre, s\'il réussirail /quot;

Wat dan onzen afkeer en onze walging opwekt, vindt niet zijn grond in de aanwezigheid van een bepaalde functie, mactr alleen in het te veel of het te weinig, in de overdrijving. liet kennen van de juiste maat en verhouding, de leer van het gulden midden, dat blijft altijd het groote geheim voor het leven, voor de kunst. Niet ten onrechte, geloof ik, noemde ik zoo even het anatomisch, analyseerend zoeken van onze moderne schrijvers een gevaarlijke klip, waarop velen moeten stranden; want door deze wijze van zien en vorschen verliezen zij den blik voor het groote geheel. De analyse heeft ontegenzeglijk, vooral in de natuurwetenschap , groote vorderingen gemaakt, maar met de synthese is \'t nog vrij treurig gesteld. Evenals de beoefenaars der operatieve heelkunde, grijpen deze psycho-

ocr page 137

127

logische ontleders bij voorkeur naar de zoogenaamd interessante gevallen, waarbij zich de sterkste abnormaliteiten voordoen. De mensclielijke aandoeningen worden bestudeerd als pathologische verschijnselen; de geheele maatschappij wordt in hun brein herschapen in een groot gasthuis. Als de lijders niet ernstig ziek zijn, is het niet de moeite waard er gewag van te maken. Op die manier , door altijd de aandacht uitsluitend op eene bepaalde groep van functies te vestigen, heeft de analyse dat leelijke spook in \'t leven geroepen, het menschbeest, waarin de verbeelding van den dichter opzettelijk het evenwicht zooveel mogelijk heeft verbroken ; terwijl weer anderen zich geroepen hebben gevoeld om als tegenhanger daarvan een type te creëeren, dat aan den anderen kant mank gaat, even abnormaal en wanstaltig als het eerste. Wanneer wij dan ervaren, dat b. v. Zola bij gelijke kracht van koloriet ons met zijne zinnelijke typen minder pijnlijk aandoet dan Couperus met zijne geëxalteerde schimmen, die — om in den geest van den schrijver te spreken —- daar vaag rondzweven in een lauwe sfeer van weëe exquisiteit, dan bewijst dat alleen, dat de eerste bij de creatie zijner typen de grenzen der realiteit minder sterk heeft overschreden dan de laatste. Maar het rijkste palet, de meest teedere en schitterende kleuren zullen nimmer in staat zijn aan deze figuren de macht der aantrekkelijkheid, der sympathie te geven. Wij mogen de knapheid bewonderen, waarmee dat alles is gedaan , — deze kunst maakt ons

ocr page 138

128

niet warzn; zij stemt ous niet, doet ons niet aan, maar zij laat ons koud. Zij werkt ontbindend, doodend. quot;Wanneer wij die beelden hebben leeren kennen, dan zijn wij deu hemel dankbaar, dat onze maatschappij ons degelijker en gezonder figuren te zien geeft en dat wij slechts de phantomen hebben aanschouwd van een ziekelijke , overspannen verbeelding.

III.

De overdrijving in de kunstuitingen is natuurlijk geen verschijnsel, dat op zichzelf staat. Dit verschijnsel staat in het nauwste verband met de algemeene overdrijving, waardoor in onze dagen geheel het maatschappelijk leven, al het denken en trachten en doen van de rusteloos voortjagende menschheid zich kenmerken. Overdrijving is de eigenlijke karakteristiek van hetgeen men gewoon is samen te vatten in de benaming fin-de-siècle. Het zijn niet alleen de artiesten, die door overdrijving vervallen in de creatie van wanstaltige beelden; in al het denken en doen, in de voorstellingen , die de menschen zich maken van de toekomst, in de wenschen, die zij daarvoor koesteren, in de overijling, waarmee onrijpe denkbeelden worden geuit en gepubliceerd, in dat alles is evenzeer iets wanstaltigs, gedrochtelijks. Al die typen, die wij tegenwoordig aantreffen, nihilisten en anarchisten op politiek, impressionisten en symbolisten op artistiek, idealisten en positivisten op wijsgeerig en maatschappelijk gebied , \'t zijn allen typen, die hun steunpunt kwijt zijn,

ocr page 139

129

vtói\'- ■*

Avaarin het evenwicht is zoekgeraakt. Nu langzamerhand ■de oogen zijn geopend voor een tal van gebreken, die het gevolg zjjn van zekere maatschappelijke instellingen, is er bij velen een sterk sprekende neiging ontstaan, niet tot eene langzame hervorming, maar tot een ruw, gewelddadig afbreken en ten onderstboven halen. Men wil niet trachten het evenwicht te bewaren door geleidelijke verplaatsing van het zwaartepunt — men wil het evenwicht met ruwe hand verstoren. De opgezweepte en ■overspannen verbeelding ziet de toekomst niet alleen .somber in, maar zij schept zich beelden, koolzwart, akelig misvormd, rondwarend in een stikdonkeren nacht. .Bij de erkenning van de vele gebreken , die den normalen mensch aankleven, wordt de onvolkomenheid van den mensch vergroot voorgesteld in het mensch-beest, terwijl ons als tegenbeeld daarvan wordt gegeven het ziekelijke product van eene hysterische exaltatie.

Al meermalen is erop gewezen, hoe tijden als die, welke wij nu doorleven, zich in de geschiedenis der menscliheid meer hebben voorgedaan en hoe de fin-de--siècle-begrippen en -voorstellingen van onzen tijd niet veel meer zijn dan een herhaling van oudere denkbeelden en gevoelens in een gewijzigden vorm. Ook uit dat oogpunt beschouwd, ziet men terstond in, dat de .kunstuitingen van den laatsten tijd in vele opzichten een zuiver fin-de-siècle-karakter dragen en dat b. v. de kunst van Couperus een zeer sterk sprekend type daarvan vertegenwoordigt.

Maurits Smit Kunst en Leven. 9

ocr page 140

130

Zoo is het onder anderen in \'t oog loopend , hoe do gedachten en gewaarwordingen, die hij in zijn Exiaze heeft ontwikkeld, ons terugvoeren naar de valsche sentimenten , die ons zoozeer tegenstaan in La nouvelle Iléloïse van Rousseau.

Rousseau is de groote voorbereider geweest van de-fin-de-siècle-ideeën , die in het laatste tijdperk der vorige eeuw hebhfen geheerscht, van die machtige beweging in de gedachten, die geleid heeft tot de groote revolutie. Wanneer men nu vraagt of ook onze tijd een Rousseau-type kan aanwijzen, dan geloof ik dat die vraag direct toestemmend kan worden beantwoord; en het heeft mij wel verwonderd dat de schrijver Hooijer, die in een artikel over Madame Dudeffand op zoo sprekende wijze de overeenkomst tusschen de gevoelens en de verschijnselen van onzen tijd en die van het einde der vorige eeuw heeft aangetoond, juist dit merkwaardige punt niet heeft aangeroerd. De persoon toch , die in zijn denken en streven een merkwaardige overeenkomst met Rousseau vertoont, is Tolstoï. Hij kan in alle opzichten de Rousseau van onzen tijd worden genoemd, en in de mate van overdrijving is hij hem zelfs de baas. Tolstoï ziet even als Rousseau in de tegenwoordige beschavingstoestanden niets dan verderf en ellende voor de mensch-heid; alleen door deze uitgeleefde maatschappij af te breken en door terug te keeren tot de meest eenvoudige «n primitieve toestanden, zou de mensch weer gelukkig kunnen worden.

ocr page 141

131

Kunst, beschaving, geestelijke ontwikkeling, \'tzijn volgens Tolstoï niets dan abnormaliteiten, die den mensch zwak , ziek , slecht maken ; de eenige normale toestand , waarbij de mensch vrede kan hebben, is het werken in het zweet zijns aanschijns, zware handenarbeid, het land bebouwen, zaaien en maaien, zooals de moejiks doen. De school, waarin het komende geslacht moet worden onderwezen, moet zijn een school, waar geen dwang , geen tucht noodig is , omdat er niets zal gedaan worden wat de orde -en den goeden geest zal kunnen verstoren; het systeem van onderwijs, ingericht naar de modelschool van Yasnaïa Poliana, biedt merkwaardige overeenkomsten met de denkbeelden over onderwijs en opvoeding, door Rousseau in zijn Émile ontwikkeld. Evenals Rousseau veroordeelt Tolstoï in \'t groot, wat hij in \'t klein heeft geobserveerd en slechts voor een deel kent; beider werken en geschriften wemelen van partieele waarheden, vermengd met de schitterendste paradoxen en de meest onhoudbare utopieën. Beiden zijn machtige vereerders van het goede, van de kern der christelijke leer. Het evangelie van Christus behoort de eenige richtsnoer te zijn voor onze handelingen, voor ons leven. Al wat daarvan afwijkt, is slechts waard vernietigd te worden. Waar geheel de menschheid lijdt, behooren wij de vruchten van onzen arbeid zooveel mogelijk aan te wenden voor het welzijn van anderen , voor onszelf niets te behouden dan het hoog noodige. Al ons doen en denken behoort alleen gericht te zijn

9*

ocr page 142

132

op het welzijn van den naaste, terwijl de mensch alle lagere neigingen en zelfzuchtige begeerten, alle dierlijke lusten en sexueele driften in zich behoort te onderdrukken en uit te roeien. De verhouding tusschen man en vrouw mag geen andere zijn dan die van een broeder tot zijne zuster, van een zoon tot zijne moeder. Tolstoï verkondigt niet alleen de leer der gematigdheid , der beperking — hij predikt de totale onthouding. De tegenwerping , dat zoodoende het menschelijk geslacht zou uitsterven, is hierbij van hoegenaamd geen beteekenis. Beter dat het geslacht uitsterft, dan dat het behouden zou blijven door het toegeven aan dierlijke lusten, die in strijd zijn met het evangelie, met de leer. Beter als een engel te sterven, dan als een beest te leven.

Zoo wordt de leer der hoogste naastenliefde en der reinste zelfverloochening bij consequente doorvoering omgezet in de leer der zelfvernietiging. Tolstoï is begonnen als dichter, is voortgegaan als philosoof en eindigt als utopist. De liefelijke verschijning der deugd wordt door overdrijving misvormd tot een wangedrocht. De hooge zedenleer, die moest strekken om met wijsheid te leven, wordt slechts een middel om behoorlij k te sterven.

Inderdaad, geen sprekender, geen treffender fin-de-siècle-type dan deze Tolstoï, die daar met zooveel overtuiging te velde trekt tegen al wat dierlijk is in den mensch. Denk dit essentieel bestanddeel uit den mensch weg, en geheel de menschheid gaat ten onder.

ocr page 143

133

*

quot;Want ook voor dezen moedigen, edel-gezinden her-yormer is het mensch-beest het grimmige spooksel, dat hem overal aangrijnst. Hij ziet het in alles en in allen, dat duizendkoppige monster, dat wij met alle krachten moeten trachten uit te roeien en te verdelgen. Zooals de maatschappij nu bestaat, is zij alleen geschikt om de levenskracht van dat ondier te verhoogen; dat spook wordt gevoed en gekoesterd ten koste van het ware geluk van den mensch door al onze maatschappelijke instellingen, door onze gewoonten , onze uitspanningen en vermaken, door geheel onze leefwijze.

Onder den titel van Plaisirs vicieux is nog onlangs een vertaling verschenen van Tolstoï\'s laatste geschriften , waarin op onbarmhartige wijze de geeselroede wordt gezwaaid over enkele gewoonten en hebbelijkheden, die in onze beschaafde samenleving zijn ingeslopen. Tolstoï richt hier zijn aanval vooral op het gebruik van alcoholische dranken en van tabak. Het is niet alleen het misbruik, dat daarvan wordt gemaakt, zegt hij; \'t zijn niet alleen de misdaden, waartoe het kunstmatig bedwelmen en het opzweepen der hartstochten leiden , — neen, ook het matigste gebruik van deze prikkels moet verderfelijk werken. Het rooken, het nemen van een zoogenaamde „hartsterkingquot; is een afschuwelijke gewoonte. De menschen hebben zich die gewoonte met inspanning eigen gemaakt, want hunne natuur is oor-

ocr page 144

134

tsproiikclijk afkeerig van die narcotische prikkels; dat zien wij aan de kinderen. Men heeft anderen, die drinken en rooken, willen navolgen, en dat niet zonder moeite en smarten, want men gewent niet zoo spoedig aan die vergiften. quot;Welke bedoeling kan men du met dezen knnstmatigen dwang van zijne natuur anders gehad hebben, dan zoodoende zijn brein te benevelen en het geweten in slaap te sussen ? De zucht naar narcotische prikkels is alleen als zoodanig te verklaren; men wil het denkvermogen bedwelmen, de stem van het geweten smoren, en waar het geweten inslaapt, daar ontwaakt het mensch-beest, daar steekt het ondier den kop op.

Tolstoï bekent gaarne dat hij vroeger ook gerookt heeft. „Ik herinner mij nog heel goed, wanneer ik rooktequot;, zegt hij. „Als ik niets te doen had of wanneer ik wist, dat ik moest werken, maar ik had er geen lust in, dan stak ik een sigaar op , en ik ging kalm voort met niets uit te voeren. Of wanneer ik iets had beloofd en ik was die belofte niet nagekomen, of wanneer ik iets had vergeten, zoodat ik ontstemd was, dan rookte ik en trachtte mijne onaangename gedachten met de rookwolkjes te laten wegzweven. quot;Wanneer ik bij het kaartspelen veel geld had verloren en ik het stellig bewustzijn had, dat het hoog tijd was, om er uit te scheiden en niet meer geld te verspelen, dan stak ik een sigaar op en ik speelde zonder verdere gewetensbezwaren door. Als ik bezig was met het schrijven van\' een roman of van eene novelle en ik was niet tevreden

ocr page 145

135

met wat ik geschreven had, terwijl ik mij moe voelde ■en begreep dat het verstandig zou zijn dit werk een poosje te laten rusten, dan begon ik te rooken en ik .schreef door. Kortom, telkens wanneer ik mij in een valschen toestand bevond, als ik toegaf aan een dwaalbegrip of iets deed of wilde doen, dat ik voelde, dat niet goed of laakbaar was, dan rookte ik.quot;

Tolstoi wijst er verder op dat de meeste spelers sterke rookers zijn. Waarom rooken de fatsoenlijke vrouwen doorgaans niet, vraagt hij, terwijl de publieke vrouwen bijna zonder onderscheid rooken? Volgt uit dit alles niet duidelijk dat het rooken , dat men voor een onschuldige gewoonte houdt, in werkelijkheid een zeer onzedelijken grond, en alleen ten doel heeft, het helder bewustzijn met opzet te benevelen ? En niet alleen misdadigers haken naar dien narcotischen prikkel, maar de meeste menschen in onze samenleving, ook de zoogenaamde braven en goeden. En waarom ? Omdat de mensch zich in onze maatschappij noodwendig ongelukkig moet voelen; indien hij voortdurend met een helderen , onbevangen geest in die treurige omgeving moest rondzien, dan zou hij zijn toestand ondraaglijk vinden ; tij zou \'t leven verachten, hij zou dat lijden niet kunnen aanzien. Daarom gaat hij opzettelijk zijne gedachten benevelen en tracht zijne zenuwen in dien eigenaardigen overprikkelden toestand te brengen, waardoor hij zich beter naar de, bestaande toestanden kan accomodeeren. J)oor het beest in zich te voeden, onderdrukt en ver-

ocr page 146

136

stompt hij kunstmatig het gevoel voor het lijden en het verdriet van anderen, dat hem overal omringt.

En wat voor het gebruik van tabak geldt, geldt natuurlijk evenzeer voor het gebruik van sterken drank , van alle narcotische prikkels. Dat deze gebruiken in onze beschaafde kringen worden geduld, is alleen een bewijs , op welk een laag zedelijk peil onze zoogenaamde-beschaving staat.

Alexander Dumas hls, die met een pikante voorrede dit geschrift bij zijne landgenooten inleidt, is het in hoofdzaak met den schrijver eens. Ook hij is van óórdeel, dat, indien men eene leer verkondigt of aanhangt,, men ook verplicht is die leer tot het uiterste door te voeren. De kracht openbaart zich juist in datgene, wat de menschen overdrijving noemen. Blyft men halverwege staan , dan veroordeelt men zichzelf en de beginselen r die men voorstaat. Vandaar zijne groote eerbied voor Tolstoï, die voor niets terugdeinst, die zijne theorieën doordrijft jusqiCd leurs consequences fatalcs.

Volgens Dumas is het heel begrijpelijk dat de menschen meer en meer behoefte gaan voelen aan narcotische middelen. Als de mensch een oogenblik gaat nadenken over de onbevredigende en negatieve resultaten van alle-kennis , van alle wetenschap, van al het streven, eeuwen en eeuwen lang, dan moet hij wel wanhopig worden. Alle pogingen, die in het werk zijn gesteld om hem beter en gelukkiger te maken, zijn afgestuit op zijne ongelukkige natuur. Op de groote vragen, wier beant-

ocr page 147

137

woording voor den mensch het meest van balang is, blijft de wetenschap het antwoord schuldig. Honderden eeuwen van beschaving en ontwikkeling hebben hem nog niets kunnen leeren omtrent zijn oorsprong of zijne bestemming; de mensch doet altijd precies hetzelfde als zijne woonplaats, de aarde : — hij blijft in een zelfde kringetje ronddraaien. Maar wij zijn toch vooruitgegaan, zult gij zeggen; wel zeker, wij reizen nu per spoor, in plaats van in een karretje, met ossen bespannen , en wij kunnen zelfs onzen nevenmensch op vijftien kilometer afstand vermoorden! Maar wat wij toch \'t liefst zouden willen kennen en weten , daaromtrent zijn wij nog altijd even onkundig en ongerust. Tot welke resultaten zijn de wijsgeeren, de zedenleeraars gekomen ? Alle godsdiensten zijn met elkaar in tegenspraak; zij bestrijden, zij haten elkaar; de wijsgeerige stelsels steken den draak met elkaar. quot;Waar blijven de onfeilbare wetboeken, de onbetwistbare bijbels? quot;Wie heeft het bij het rechte eind , Mozes , Jezus, Mahomet, Brahma — het materialisme, het positivisme, het spiritualisme , het goddelijk recht, het volkenrecht? Al die wijsgeeren en denkers hebben zich afgezonderd —- zij hebben alleen hijn geweten geraadpleegd — met al de kracht van hun helderen, onbevangen geest hebben zij gestreefd naar het goede — zij rookten niet, zij dronken niet — en wat hebben zij ten slotte gewrocht? Wat hebben wij erbij gewonnen ? Hunne denkbeelden hebben twist en tweedracht onder de menschen gezaaid, hebben geleid

ocr page 148

138

tot de gruwelijkste omwentelingen, stroomen bloeds zijn er vergoten. En met welke resultaten ! Moeten wij er ons dan nog over verwonderen, dat de menseh, misleid door zijne zintuigen, verbijsterd door zijne droombeelden, zich teleurgesteld ziende door godsdienstige en wijsgeerige stelsels, niet meer wetende , wat te gelooven, waaraan zich vast te houden, — onophoudelijk gekweld door al die zedelijke en maatschappelijke vraagstukken, die daar van alle kanten oprijzen, ten slotte nog maar één ding wenscht: — zich te bedwelmen, om dat alles te ontvluchten? Met een beetje nicotine, met een paar druppels alcohol of opium helpt hij zich zoo gemakkelijk over al die bezwaren heen — het leven is dan veel makkelijker te dragen. Men bereikt er wel is waar geen volkomen geluk mee, maar men dommelt toch zoo genoeglijk in — al die kwellende gedachten , al die tobberijen worden dan zoo gemakkelijk op zij gezet. Ja, de dieren moeten toch wel gelukkig zijn ; die denken aan al die dingen niet! Och, een mensch wil wel zoo\'n beetje mensch-beest zijn, zegt Dumas. Hij is er lang niet zoo afkeerig van, als hij gewoonlijk voorgeeft.

Alweer dat mensch-beest. Met geweld wordt het uit zijn hok gesleept; het moet op den voorgrond geplaatst of het wil of niet. Al onze beschaving en verlichting drijft ons dus ten slotte weer naar dat spook terug — alle philosophie moet dan leiden tot wanhoop, tot eene zinsverbijstering, waarin die afzichtelijke gestalte tot eene welkome verschijning wordt ?

ocr page 149

139

Maar dat al dat analyseeren en philosopheeren ons niet nader brengt tot den gelukstaat — dat is geen nieuw denkbeeld. Dat is al duizenden malen gezegd en herzegd. Denken wij maar eens aan De Génestet:

„Kwel u niet Met te veel gedachten.quot;

Toch raadt hij ons niet aan die kwelling te verdrijven, door ons opzettelijk te gaan bedwelmen of bedrinken. Ook worden wij niet aangemaand te streven naar een ideëelen toestand van volkomen onzelfzuchtigheid. De dichter laat er eenvoudig op volgen:

„Werk uw werk en zing uw lied Onder blij verwachten!quot;

Hè, wat doen die woorden ons toch weer goed en weldadig aan! Is het niet of daar op eens een heerlijk malsche regen neervalt op de gloeiende, brandende vlakte? — En terwijl ik ze neerschrijf, met innig welbehagen, doe ik nog een trekje aan mijn sigaar, en — op mijn woord — op dit oogenblik voel ik niets van het beest in mij.

Maar De Génestet was ook geen fin-de-siècle-type. Och, de tijd van vroolijk arbeiden en blijmoedig wachten schijnt voorbij. Onze tijd kent slechts uitersten. Wij hebben wanhopig te arbeiden, te streven naar het onbereikbare of — onder te gaan. Als de mensch geen

ocr page 150

140

godheid is, moet hij een duivel zijn — als hij geen heilige is, is hij een beest.

Zal dat spook, het product van eene fm-de-siècle-kunst en van eene fin-de-siècle philosophic, met onze eeuw worden weggevaagd ?

Moeilijk, onmogelijk zelfs, die vraag te beantwoorden. Want al mogen wij met al die overdrijving en verwarring van denkbeelden en voorstellingen een oogenblik den draak steken; al mogen wij die paradoxen en uitersten , waartoe de opgeschroefde verbeelding van het uitgesponnen denken hebben geleid , belachelijk vinden, — te ontkennen valt het niet, dat er in al die overdreven theorieën , in al die onhoudbare stellingen een kern van waarheid schuilt, die geen eerlijk-denkend mensch kan loochenen. Wanneer wij ons gaan afvragen, wat er in die beschouwingen over het wezen en het streven van den mensch waar en onwaar is; wanneer wij beproeven precies de grens te trekken, waar de waarheid ophoudt en het paradoxale begint, dan bevinden wij , dat dit onmogelijk is. Wij voelen alleen dat de uitersten elkaar raken, de uitersten van deugd en ondeugd, van waarheid en logen , van genie en waanzin. Indien iemand tot mij zegt: eet en drink matig, beperk u in al uwe behoeften, — dan noem ik hem een wijsgeer; — maar als hij zegt: eet en drink niet, onthoud u geheel, — dan noem ik hem een dwaas.

ocr page 151

141

Waar nu houdt de mate van beperking op ? Wie zal de grens daarvan aangeven — of is die voor ieder individueel ? Wij voelen wel dat bij doorvoering van die beschouwingen , die ons aantrekken door een begin van waarheid, het evenwicht wordt verbroken; maar dat «venwicht herstellen, dat kunnen wij niet. Geen leer, hoe verheven ook, hoe goed en edel ook bedoeld, die ten slotte niet ondoelmatig en onvolkomen blijkt te zijn in hare consequente toepassing op den mensch. Meer en meer moet zich de overtuiging vestigen, dat de mensch is een dualistisch wezen , waarin de tegenstrijdige behoeften en functies het bereiken van een duurzaam harmonisch evenwicht voortdurend in den weg staan. Of echter nit die worsteling van denkbeelden en gevoelens , uit dien storm der gewaarwordingen, bij al dat haastig en toch soms zoo ernstig streven naar het beste en hoogste , dat zich juist in onze dagen te midden van alle overdrijving en ver-reiking der gedachten zoo duidelijk openbaart , een toestand kan veroverd worden, waarin bij ons stoffelijk bestaan de schommelingen om den even-wichtsstand minder hevig zuilen zijn, dan op dit oogen-blik het geval is, — dat moet de tijd leeren.

ocr page 152

De suggestie in de samenleving en in de opvoeding.

INLEIDING.

Ik wil beginnen met de lezers, die, na,kennis genomen te hebben van den titel van dit opstel, allicht zouden meenen, dat zij hier onthaald zullen worden op een beschrijving van hypnotische séances of op treffende mededeelingen over genezingen van zenuwlijders, op dit punt gerust te stellen. Het is geenszins mijn plan hier in een herhaling te \'treden van beschrijvingen van de in den laatsten tijd zooveel besproken verschijnselen, die vooral uit hoofde van den schijnbaar mystieken vorm, waaronder zij zich vertoonen, de nieuwsgierigheid en de belangstelling van het publiek in zoo hooge mate vermochten te prikkelen. Dat toch ligt evenmin op mijn weg als in de bedoeling van dit opstel. Bij de volgende beschouwingen ga ik zelfs uit van de zeker gerechtvaardigde veronderstelling, dat allen, die dit zullen lezen, in hoofdzaak bekend zijn met de eigenaardige resultaten der proefnemingen, die door zoogenaamde magnetiseurs tot amusement van het publiek, door geneeskundigen

ocr page 153

143

tot heil van een deel der lijdende menschheid worden gedaan. quot;Wie niet in de gelegenheid was dergelijke séances bij te wonen, heeft zich door de geschriften, die over dit onderwerp van bevoegde hand zijn verschenen, van die resultaten voldoende op de hoogte kunnen stellen. Aan zeer verdienstelijke en tevens zeer populaire beschouwingen over de hypnotische suggestie heeft het toch den laatsten tijd niet ontbroken: als zoodanig noem ik b. v. het artikel van Dr. Menno Huizinga in de Gids van 1889, getiteld Slapende zielen] de verhandeling over De psychische geneeswijze van Dr. F. van Eeden in De Nieuwe Gids van 1888 en de overige psychologische Stu-die\'s van dezen schrijver, vroeger in hetzelfde tijdschrift , onlangs afzonderlijk verschenen ; het opstel van Dr. Ale-trino in Eigen Haard, 1890. Ook de Vragen van den Dag en de Vragen des Tijds bevatten artikelen over dit onderwerp.

Het is bekend hoe de hypnotische suggestie, vooral waar \'t hare toepassing in de geneeskunde geldt, door velen hemelhoog is verheven en als een schitterende lichtstraal in den baaierd der natuurwerkingen is begroot ; hoe zij daarentegen weer door anderen als kwakzalverij is uitgekreten. Dat tot dit laatste de soms onwaardige vertooningen en de kunststukjes, door magnetiseurs in het publiek verricht, veel hebben bijgedragen, ligt voor de hand ; maar toch zal men üioeten erkennen dat het hoogst bekrompen en onbillijk is, de waarde van een zaak uitsluitend te beoordeelen naar het on-

ocr page 154

144

waardig gdbruik, dat daarvan kan worden gemaakt. Aan den anderen heeft de overdreven ophemeling van van de uitwerkingen der hypnotische suggestie aan de zaak ook niet veel goed gedaan. Toch is het te voorzien dat weldra beide overdreven opvattingen zullen gaan plaats maken voor een meer bezadigde, voor een erkentelijke waardeering, nu toch meer en meer het gevoelen veld wint, dat al deze hypnotische verschijnselen kunnen opgevat worden als uitbreidingen, als sterke vergrootingen van toestanden , zooals wij die dagelijks aan onszelven en in onze omgeving kunnen waarnemen.

En juist die dagelijks terugkeerende, doodgewone verschijnselen zijn het, die , niet minder dan de zeldzaam voorkomende , verdienen door ons te worden opgemerkt en die aanspraak maken op onze overdenking. Ik wil niet ontkennen dat men zich hiervoor eenig geweld moet aandoen; want de mensch, die haakt naar afwisseling van prikkels, is van nature geneigd, om het alledaagsche en gewone synoniem te verklaren met het onbeduidende. Maar hoe onjuist dat is, blijkt nu weer uit het feit, dat al het geheimzinnige en wonderbaarlijke , dat ons bij de eerste kennismaking met hypnotische toestanden en suggestie werkingen in zoo hooge mate treft, in de gewone, alledaagsche toestanden weer is terug te vinden, zij \'t dan ook in zwakkeren graad.

Ik stel mij voor in deze beschouwing dit verband zoo-■ veel mogelijk in \'t licht te stellen.

ocr page 155

145

Dat de wetenschappelijke mannen, die zich aan de -studie der hypnotische verschijnselen wijden, \'t er vrij wel over eens zijn, dat er tusschen de invloeden, die elk normaal mensch dagelijks van zijne omgeving ondervindt of die hij op anderen uitoefent, en de suggestie-werkingen , zooals die in den toestand van hypnose worden verkregen, eene stellige overeenkomst bestaat, blijkt reeds duidelijk uit de bovengenoemde populaire beschouwingen over suggestiewerkingen. Daar toch vinden wij die meening meermalen uitgesproken. Zoo verklaart b. v. Menno Huizinga in zijne verhandeling over Slapende-zielen : jjdat ons bewustzijn dagelijks een nimmer eindigenden kamp heeft te voeren tegen tal van invloeden, die streven naar verduistering onzer waarneming en verslapping onzer critiek.quot; Als een enkel voorbeeld haalt de schrijver de verveling aan, die hij de machtigste der hypnotiseurs noemt; en hij herinnert ons, hoe in dien doffen, slaperigen toestand, waarin de mensch door de verveling geraakt, vaak denkbeelden kunnen gesuggereerd worden, die zouden kunnen leiden tot een daad, waarvan men in normalen toestand afkeerig is. Op dit punt deelt de .schrijver dus de meening van Schopenhauer, die de verveling de hoofdoorzaak noemt, die bij vele menschen aanleiding geeft tot afdwalingen, tot het toegeven aan hartstochten en tot handelingen, die strijdig zijn met het welzijn van den mensch. Vandaar de meermalen uitgesproken meening , dat de arbeid , die de verveling verjaagt , in elk geval, ook zelfs wanneer hij voor anderen Maurits Smit , Kunst en Leven. 10

ocr page 156

146

geheel nutteloos is, toch altijd aanbevelenswaardig blijft^ omdat hij den mensch minder schadelijk maakt voor zich-zelven en voor anderen. Genoemde schrijver erkent dus de hypnotiseerende invloeden, die aanhoudend rondom ons aanwezig zijn, en ziet in het volkomen wakend bewustzijn den trouwen wachter, die alles, wat in den geest wordt ingevoerd , aan een scherp onderzoek onderwerpt. Plet is niet alleen het totale , maar ook het gedeeltelijke verlies van die critiek , dat men reeds hypnose kan noemen.

Evenzoo werd er door Dr. Van Eeden in zijne voordracht , gehouden in het Genootschap „Oefening en Wetenschappenquot; te Haarlem, die in De Nieuwe Gids is overgenomen, nadrukkelijk op gewezen , dat men toch in de psychische geneeswijze vooral niet meer mystieks en wonderdadigs moet zien dan in de gewone, natuurlijke toestanden van ons dagelijksch leven en doen. Sprekende over de verhouding tusschen den hypnotiseur en den geh ypnotiseerde , zegt hij o. a.: „ Be in vloed, waaronder de patiënt zich stelt, is van gelijke soort, als die van een goed vriend, waarmee ge een poosje zit te praten, — slechts ivat sterker. Als het mij gelukt u heden avond anders te doen denken dan te voren , heb ik u ook gesuggereerd.quot;, Ook haalt hij eigenaardige voorbeelden aan van suggestie, zooals die in het dagelijksch leven herhaaldelijk voorkomen, van de zoogenaamde „Wach-suggestionen ,quot; zooals , de Duitschers zeggen.

Op hetzelfde punt stelt zich Dr. Aletrino , waar hij

ocr page 157

147

in zijn reeds genoemd opstel den invloed bespreekt, dien de hypnose en de suggestie op het mensehelijk lichaam uitoefenen. De hypnose is, volgens hem, de slapende toestand, waarin men den patiënt brengt, opdat de suggestie meer vat op hem liebbe. En hij legt vooral den nadruk op dat meer vat hebben. quot;Want ook in den wakenden toestand is toch ieder vatbaar voor het aannemen van een opgedrongen denkbeeld. Wij zullen echter aanstonds zien, dat deze door Dr. Aletrino gegeven definitie van hypnose onvolledig moet zijn.

Wij vinden hier dus overal de\'nieening uitgesproken, dat de hoofdzaak bij de psychische geneeswijze is de suggestie, het doen ingang vinden van een denkbeeld, van eene gedachte , door den hypnotiseur uitgesproken. In de kracht van het gesproken woord , die de verbeeldingskracht van den patiënt zoo levendig weet op te wekken en weet te richten, dat de uitgesproken mee-ning als een onbetwistbare waarheid, als een feit door den patiënt wordt erkend , zetelt volgens de aanhangers van de school te Xancy, waarvan Dr. Liébault de grondlegger kan genoemd worden, de eigenlijke genezende kracht. De hypnose zou dan slechts een hulpmiddel zijn, waardoor de suggestie gemakkelijker of beter kan inwer-werken. De vroegere meening, dat de hypnose een ziektetoestand zou zijn, gaat allengs meer plaats maken voor de opvatting, dat al deze schijnbaar zoo mystieke verschijnselen identiek zijn met de normale toestanden in het dagelijksjh leven, nu men meer oog krijgt voor de onein-

10*

ocr page 158

148

dig vele overgangsvormen en graden van suggestie en hypnose.

Ook in Duitschland , waar de geleerde wereld zich zoo scherp heeft gekant tegen alles , wat met het hypnotisme in betrekking stond, — hetgeen reeds hieruit is te verklaren, dat de psychische geneeswijze een plant is, die voornamelijk op Fi\'anschen bodem is gekweekt, —schijnt men bovengenoemde opvatting te gaan huldigen. Een Duitsch Hoogleeraar , Kraepelin te Dor pat, sprak o. a. in eene voordracht, waarbij hij op verschillende gronden verklaarde een aanhanger te zijn van de school van ^fancv , het volgende: „fh\'e anscheincnd so wunderbaren Thatsachen gewinnen durch diese Auffassung der hypno-iischen Zuslande eit-e Anknüpfung an die Erfahrungen des Uiglichen Lebens , deuen sie nun nicht mehr als elwas vüllig Neues und Unerhörtes , son der n nur als die Forl-bildung normaler Zuslande und Vorgünge unter besondern, eijenarlvjen Bedingungen gegenüberslehen. Slrenggenomtaen können die hypnotischen Erscheinungen aueh ohne das Einschlafen seller zu Stande kommen; unter günstigen Umstanden kunnen selbst im vollen Wachen Suggestion-wirkungen erzielt werden , welche denjenigen der Hypnose in allen wesentlichen Si Heken vollkommen gleichen.quot; Met verschillende voorbeelden toont Kraepelin aan, hoezeer wij in ons gevoelen, denken en handelen steeds onder den invloed zijn van onze omgeving, en wijst vooral met nadruk op onze neiging tot navolging en nabootsing van zenuwwerkingen en op het aanstekelijke van alle

ocr page 159

149

werkingen en verschijnselen, die met de zenuwen in verband staan. In het geeuwen, hoesten , in de toejuiching , in de bezieling ziet hij evenzeer eene suggestieve macht als „in den polilischen unci wissenscha/llichen Schlagworten und — last not least — in der unbesiegbaren Tyrannei auch der abgeschmacktesten Modequot; !

Ditzelfde beginsel nu, namelijk de erkenning van het bestaan eener sociale suggestie, waardoor de normale mensch wel niet onder den invloed zou staan van één enkelen persoon, gelijk het geval is met de in hypno-tischen slaap verzonkenen , maar ten gevolge waarvan hij voortdurend vatbaar zou zijn voor een oneindig aantal meer of minder zwakke suggesties van zijne omgeving, waardoor zijne schijnbaar vrijwillige handelingen steeds worden geleid, is ook door Guyau als grondslag genomen voor eenigo zeer belangrijke beschouwingen over de erfelijkheid en de opvoeding. Men vindt ze in het laatste werk, dat door den genialen denker werd geschreven ; door de zorg van Alfred Fouillée werd het na zijn overlijden onder den titel Hérédité et Education in het licht gegeven. Wanneer men de denkbeelden, die Guyau in dit werk ontwikkelt, gaat toetsen aan hetgeen wij op dit oogenblik van de suggestie- en hypnose verschijnselen weten en ervaren, dan komt men onwillekeurig tot gevolgtrekkingen, die wel de moeite waard kunnen geacht worden, om ze aan het publiek kenbaar te maken ; al ware het alleen , om overdenking en gedachtenwisseling uit te lokken over een zaak,

ocr page 160

150

waarbij ook de herediteits-qnaestie, die in onze dagen een zoo overwegende rol speelt, zoo nauw is betrokken.

Het spreekt vanzelf, dat voor een goed verstaan van de bedoelingen van den Fransclien wijsgeer een juist inzicht in de grondbeginselen, waarvan hij uitgaat, hoofdvereischte is. En daar ik nu voorzie, dat na deze zeer oppervlakkige mededeelingen omtrent het bestaan eener sociale suggestie enkele lezers over deze quaestie wellicht met een ongeloovig glimlachje de schouders zullen ophalen, acht ik het niet overbodig, alvorens de hoofdpunten van Guyau\'s arbeid te bespreken, hier in eene korte beschouwing te treden over het wezen en de beteekenis der zoogenaamde maatschappelijke suggestie.

I. DE SUGGESTIE IX DE SAMENLEVING.

quot;Wanneer wij maar een oogenblik onze gedachten laten gaan over de invloeden, die wij van onze omgeving ondervinden, dan dringt zich al aanstonds zoo\'n macht van voorbeelden aan ons op , waaruit die invloed blijkt, dat het bijna ondoenlijk schijnt, in eene korte verhandeling ook maar de voornaamste daarvan aan te geven. Ik zal mij dus uit den aard der zaak bepalen tot een bespreking van enkele hoofdgroepen van de hier bedoelde verschijnselen.

In de eerste plaats hebben wij te letten op de omstandigheid , dat alleen de tegenwoordigheid van één

ocr page 161

151

persoon of van verschillende personen een belemmerenden invloed op ons denken en handelen kan uitoefenen. Wanneer wij iets onder handen hebben, waarvoor onze geheele oplettendheid wordt vereischt en waarbij wij onze gedachten zooveel mogelijk wenschen te concentreeren, dan zoeken wij de stilte, de afzondering. De reden van bestaan van het studeervertrek zal wel door niemand worden ontkend. En niet alleen dat men daar de stilte zoekt: men wil alleen zijn, alleen , vrij ; want reeds de tegenwoordigheid van een persoon, al houdt deze zich in \'t geheel niet met ons bezig, al zit hij b. v. stil te lezen, kan toch storend werken op onzen gedachtengang. „Die Gegenwart ist cine macht1 ge Götlinquot;, dichtte Goethe, en wij beweren ongeveer hetzelfde , wanneer wij zeggen: „Uit het oog, uit het hart.quot; vGanz sich selbst seinquot;, zegt Schopcnhauer, vdarf Jeder nur so lange er allein isl; denn nur wenn man allein ist, ist mann frei In der Einsamkeit fühlt Jeder sich als was er ist.quot; En \'t is niet uitsluitend bij geestesarbeid , dat zich die behoefte naar alleenzijn dikwijls openbaart; wie onzer heeft niet soms den hinderlijken invloed ondervonden van de tegenwoordigheid van iemand, die , zij \'t dan ook met belangstelling, onzen arbeid gadesloeg , wanneer wij aan iets bezig waren, waarbij onze gedachten zelfs vrij konden afdwalen ? Mevrouw A., die met zooveel ijver een paar pantoffels voor haar eega zit te borduren, zal u volmondig verklaren, dat het werk niet vlotten wil, zoolang gij haar arbeid met uwe

ocr page 162

152

beleefde opmerkzaamheid blijft vereeren ; en mejuffrouw B., eene zeer goede pianiste, beweert, dat zij terstond de kluts kwijt is, zoodra zij bemerkt, dat er iemand naar hare noten of naar hare vingers kijkt. Zullen wij nu aan deze vrouwen maar zoo zonder vorm van proces een plaats aanwijzen in de gelederen der neurasthenici ? Maar dan behooren wij allen daartoe ; want werkelijk wij wenschen geen van allen op de vingers gekeken te worden, noch in figuurlijken noch in eigenlijken zin.

De hier bedoelde belemmerende invloed openbaart zich doorgaans nog in sterker mate bij tegenwoordigheid van meer dan één persoon. Alsdan is die invloed zelfs dikwijls merkbaar op de onwillekeurige handelingen en bewegingen. Zoo hebben de meeste menschen, wanneer zij zich in gezelschap vertoonen , iets gedwongens, iets onnatuurlijks in hun gang, in hunne houding, in hun spreektoon. De zoogenaamde intimideerende invloed , die zich op de meest verschillende wijzen uit, is bij de nieesten duidelijk te bespeuren. In gezelschap wordt de anders zoo spraakzame dikwijls stilzwijgend, de kalme windt zich op , de onbeschroomde spreekt voorzichtig en op afgemeten toon, de anders zoo welbespraakte blijft in zijn toost steken en uit zich gebrekkig. Het wordt\' den menschen wel eens tot verwijt gemaakt, dat zij in gezelschap zoo geheel anders zijn dan thuis, in hun eigen kring; dat verwijt is dikwijls ongegrond, want in de meeste gevallen is die verandering niet overlegdr niet vrijwillig: de meesten kunnen den invloed niet

ocr page 163

153

weerstaan, die eene tijdelijke verandering brengt in hunne gewone manier van doen. De comédie humaine is niet geheel eene quaestie van berekening en van slim overleg; zij is voor een groot deel het gevolg van de natuur van den mensch , van zijne gevoeligheid voor indrukken. Vooral bij kinderen is die gevoeligheid duidelijk merkbaar, omdat zij zich gewoonlijk geven, zooals zij zijn; de volwassenen kunnen soms, door zich geweld aan te doen, den schijn aannemen van dien invloed niets te bespeuren. Iedereen weet bij ondervinding, wat het zeggen wil, ook bij een tamelijk rein geweten, zich niet op zijn gemak te gevoelen, zichzelf niet te zijn. Zeer duidelijk openbaart zich dat soms bij menschen, die in het publiek optreden , in de zoogenaamde tooneel koorts. De eerste beweging , die de redenaar gewoonlijk maakt, nadat hij het spreekgestoelte heeft beklommen, is het zenuwachtig grijpen naar het glaasje water , dat dan ook bij eene behoorlijke lezing nimmer mag ontbreken. Onder de grootste artiesten , die honderden malen voor een uitgelezen publiek zijn opgetreden en die , uit hoofde van het hooge standpunt, dat zij innemen, eigenlijk boven de critiek staan, zijn er nog altijd, die den belemraêrenden invloed van het publiek blijven ondervinden. Patti, Joachim b. v. hebben dat meermalen geuit. Bij enkelen is zelfs die invloed zoo sterk toegenomen, dat zij van het optreden in \'t publiek hebben moeten afzien.

Wanneer men nu vraagt naar de reden van dien

ocr page 164

154

oiibestemden angst, van dat gevoel van onzekerheid, dat de tooneelkoorts kenmerkt, dan zal het in vele gevallen moeilijk zijn eene grondige reden daarvoor aan te voeren. Want het publiek, dat is samengestroomd om den artiest, van wien een groote roep is uitgegaan, te bewonderen , heeft dus a priori een gevoel van sympathie , van groote genegenheid voor den artiest. Deze verschijnt dus doorgaans in een kring van menschen, waarbij hij geen vijandige gezindheid kan onderstellen.

In enkele gevallen kan nu de vrees om fiasco te maken of niet aan de gespannen verwachtingen te voldoen , de oorzaak zijn van de belemmering, die de artiest in het gebruik zijner vermogens ondervindt; maar bij den hoog-staanden kunstenaar is ook zelfs die vrees ongegrond en denkbeeldig. Het is dus in de eerste plaats zijne verbeelding, die door de tegenwoordigheid van de hem omringende personen wordt gewekt en die in meer of minder sterke mate verlammend werkt op zijne verrichtingen. Op denzelfden grond moeten wij den storen-den invloed verklaren, dien in al de hier genoemde gevallen een persoon van de tegenwoordigheid van een of meer zijner natuurgenooten ondervindt. In al die gevallen speelt de verbeelding de hoofdrol; zij is het, die ons parten speelt en die, door op onze zenuwen een eigenaardigen invloed uit te oefenen, de tijdelijke verandering in ons wezen te voorschijn roept. Voegt zich bij die inbeelding nog de vrees van een gek figuur te kunnen slaan of van te kunnen mislukken, dan wordt

ocr page 165

155

daardoor natuurlijk de belemmereude invloed slechts versterkt. Ook het besef van de waarde, die wij aan eene handeling toekennen , kan die inbeelding zeer versterken : wij behoeven maar een oogenblik te denken aan de examenvrees, waarvan zoo menige candidaat het slachtoffer wordt.

De uitzonderingsgevallen, die men op de hier gegeven voorbeelden zou kunnen aanhalen, kunnen slechts strekken tot bevestiging van de hier voorgestane zienswijze; want wanneer het iemand gelukt is, zich door oefening of door zelfbeheersching zooveel mogelijk onafhankelijk te maken van de hem omringende invloeden, dan blijkt uit de oefening of inspanning, die daartoe werd ver-eischt, juist het bestaan van dat iets, dat bestreden en onderdrukt moest worden. En van eene volkomen overwinning , in den zin van vernietiging, kan in dezen zeker wel geen sprake zijn; hoogstens van eene krachtige beheersching of onderdrukking.

In de tweede plaats moeten wij het oog vestigen op onze onoverwinlijke neiging, op ons instinct tot nabootsen. De behoefte om na te volgen is een der machtigste factoren in \'s menschen ontwikkeling; alles wat bij ons van lieverlede tot gewoonte is geworden , is voor het grootste gedeelte verkregen door navolging. De macht der aanstekelijkheid van alles, wat wij zien en ervaren, doet zich voortdurend gelden; zij openbaart zich zoowel in ons natuur- als in ons geestesle-

ocr page 166

156

ven. Doen, wat anderen doen, zeggen, wat anderen zeggen, — de mode, de publieke opinie zijn er het bewijs van. De volksuitdrukking: „waarmee men omgaat, daarmee wordt men besmetquot;, zegt het ons duidelijk, dat de omgeving, waarin iemand is geplaatst, aanstekelijk of besmettelijk werkt. In elke zenuwwerking, die wij\' waarnemen, ligt iets sterk aanstekelijks; wij hebben moeite het geeuwen te bedwingen, wanneer wij anderen zien geeuwen, of niet uit de plooi te geraken, als wij anderen zien lachen; en den danslustige kost het veel, beenen en hoofd stil te houden bij het hooren der dansmuziek en bij het zien rondzweven der dansende paren. Maar ook in onze onwillekeurige bewegingen en handelingen, in onzen gang, onzen toon van spreken dragen wij over \'t algemeen het kenmerk van onze omgeving, van ons beroep, van de denkbeelden, waarmee wij omgaan. Zelfs de uitdrukking van het gelaat accomodeert zich dikwijls naar de dagelijksche omgeving, naar den aard der werkzaamheden, die men verricht; vandaar, dat men kan spreken van het militaire type r het geleerde type, het artistieke type, het zeemans-, het landmanstype. Die overeenstemming tusschen individuen , welke gelijksoortige werkzaamheden verrichten , zou bij de oneindige verscheidenheid, die bij de natuur-gewrochten, ook bij de inwerking van gelijksoortige invloeden , valt waar te nemen , nimmer kunnen bestaan zonder de machtige gave van imitatie en accomodatie. En die zucht tot navolging wordt niet alleen opgewekt

ocr page 167

157

door de directe waarneming van de handeling: ook dooide abstracte gedachte, het lezen van een boek , de beschrijving van eene daad, waardoor de verbeeldingskracht sterk wordt gewekt, door eiken prikkel, die op \'s menschen verbeelding sterk werkt, kan die zucht tot nabootsing zoo krachtig worden opgewekt, dat daardoor gelijksoortige handelingen worden teweeggebracht.

Over dit punt sprekende, vestigt Gruyau te recht de aandacht op de snelle herhaling van misdrijven in denzelfden vorm en onder dezelfde omstandigheden. De beschrijving van eene gruwelijke misdaad in alle bijzonderheden is een sterke zenuwprikkel, die bij enkele zwakgezenuwden den onweerstaanbaren lust tot navolging opwekt. De afschuwelijke vrouwenmoorden , waarvan wij meermalen hoorden, kunnen bezwaarlijk aan één en denzelfden persoon worden toegeschreven; en wij herinneren ons nog levendig, hoe in de dagen, toen in onze residentie een afschuwelijke kindermoord werd gepleegd , bij welke gelegenheid de betrokken familie een brandbrief ontving, de brandbrieven niet van de lucht waren. Guyau wijdt die snelle verspreiding van gelijksoortige daden in hoofdzaak aan de pers; zonder de dagbladen, die de wandaden soms tot in de kleinste bijzonderheden meedeelen, zouden eene dergelijke snelle verspreiding en besmetting onmogelijk zijn. Hij vermeldt tevens, dat de directeur van de Morning-Herald , uit hoofde van het gevaar, dat aan dergelijke mededee-lingen is verbonden, in zijn blad geen enkel bericht

ocr page 168

158

wil opnemen van gepleegde misdaden, zelfmoorden ot in \'t algemeen van daden, die tot noodlottige navolging zouden kunnen leiden. Zeker zou het te wenschen zijn, dat alle couranten dat loffelijk voorbeeld volgden; of dat echter naar den smaak van het publiek zou zijn waag ik te betwijfelen.

Ook bij de imitatie is het dus in hoofdzaak de in den mensch krachtig opgewekte verbeelding, die hem doet handelen in een zin, afwijkende van dien, waarin zijne handelingen zouden hebben plaats gehad, indien hij aan de hem omringende invloeden ware onttrokken.

Xu ligt het voor de hand, dat, indien uit hoofde van onze natuur onze handelingen reeds voor een groot deel door den invloed onzer omgeving en de daardoor bij ons opgewekte denkbeelden worden geleid, die invloed zich nog in sterker mate zal doen gelden, wanneer van de ons omringende individuen een bej) a al de w e n s c h of wil ten onzen opzichte uitgaat. Zonder dat wij nu nog met de gehoorzaamheid van een automaat den wensch of den wil van iemand behoeven op te volgen , kan het toch niet anders, of onze denkbeelden en onze verbeelding worden onophoudelijk gewijzigd door de gedachtenwisseling met onze omgeving, waarbij dan eene overreding aan do eene of andere zijde plaats heeft; en zoodoende wordt altijd de een meer of minder het werktuig van den ander. Daarbij moeten wij in \'t oog houden dat de meerdere of mindere willigheid T

ocr page 169

159

waarmee een individu gehoorzaamt aan de hem gegeven wenken of bevelen, niet alleen afhangt van de kracht en van don aard der aangewende invloeden en argumenten , maar vooral van zijn weerstandsvermogen tegen de op hem werkende zinnelijke en geestelijke prikkels, en dat dit weerstandsvermogen in hoofdzaak bepaald wordt door de mate en de scherpte der zelfstandige critiek, die hij in staat is uit te oefenen op de handelingen, waartoe hij zou kunnen gedreven worden. Maar daar wij nu boven hebben aangetoond, dat de mensch door de onophoudelijk hem omringende invloeden de vrije beschikking over dit critisch vermogen in meerdere of mindere mate verliest, openbaart zich dus altijd iets passiefs , waardoor de actief werkende invloed zich meer of minder zal kunnen doen gelden.

Aldus beschouwd, wordt de geheele individualiteit als \'t ware een complex van twee toestanden, die zelden scherp gescheiden zijn, maar die in de meest verschillende graden en verhoudingen tot elkaar kunnen voorkomen en aan voortdurende veranderinaren onderhe-

O

vig zijn. De hier bedoelde toestanden zijn die , welke door de psychologen onderscheiden worden als het wakend-ik en het dubbel-ik; vandaar, dat de benamingen actief en passief niet volkomen juist zijn , evenmin als bewust en onbewust. Want die tweede-ikheid laat evenzeer handelingen toe en kan dus niet volkomen passief of werktuiglijk genoemd worden ; maar het zijn handelingen en gewaarwordingen , die aan onze volkomen be-

ocr page 170

160

wuste critiek als \'t ware ontsnappen. Daar echter dit opstel geene hypothetische beschouwingen over den aard dezer toestanden ten doel heett, maar \'t hier alleen te doen is, om het verband tusschen de verschijnselen in het gemeenschapsleven zooveel mogelijk aan te wijzen, zal de lezer de hier gebezigde benamingen wel voor lief willen nemen.

De hier bedoelde passieve toestand nu schijnt volkomen identisch te zijn met den zoogenaamden hypnoti-schen toestand; en de wijze, waarop de laatste op den toestand van het volkomen wakend-ik inwerkt, alsmede de veranderingen , waaraan beide toestanden onderhevig kunnen zijn , bepalen de mate van suggestibiliteit van het individu.

Het mag hier niet onopgemerkt blijven dat in de opvatting van hetgeen men gewoon is onder hypnose te verstaan, vooral bij de medici nog altijd verschil schijnt te bestaan. Volgens Braid had men door hypnose den toestand te verstaan, waarin een persoon geraakt door het langdurig onafgebroken staren op een klein, glinsterend voorwerp. Later werd door doctoren, die zich met hypnotisme bezighielden , alleen dan van hypnose gesproken, wanneer de eigenlijke slaaptoestand was ingetreden, waarin de gehypnotiseerde volkomen willoos is. Daarna werden door Liébault, Charcot, Bernheim en anderen graden van hypnose aangenomen tegenwoordig spreekt men ook van de pathologische en van de normale hypnose , welke laatste zeer nauw aan

ocr page 171

161

den wakenden toestand zou grenzen. Eindelijk geeft Dr. Van Eeden , die tallooze graden van hypnose aanneemt, in zijne meergenoemde verhandeling een meer alge-meene bepaling van hypnose ; hij noemt hypnose den toestand, waarin men den patiënt moet brengen, om de suggestie mogelijk te maken. Deze definitie, die ook geheel overeenkomt met de zienswijze van Guyau , leidt dus noodwendig tot de gevolgtrekking, dat geen suggestie in werking kan treden zonder hypnose, al is \'t dan ook in zeer zwakken graad. Het begrip van suggestie , zoowel als dat van hypnose, is veelomvattend. Het aannemen van een beperkt aantal graden van hypnose moge bij medische \'experimenten eenig practisch nut opleveren , om zoodoende gemakkelijker punten van vergelijking in de uitkomsten der proefnemingen te kunnen vaststellen, maar uit een wetenschappelijk oogpunt beschouwd, zou dit in hooge mate willekeurig, doctrinair, foutief zijn. Het zou b. v. even verkeerd zijn, alleen dan tot de aanwezigheid van een electrischen stroom te besluiten, wanneer zich in de geleiding duidelijk waarneembare licht-en warmte verschijnselen voordeden. Wanneer iemand gevraagd wordt: hoeveel graden van sterkte van den electrischen stroom bestaan er ? dan behoort zijn antwoord te zijn : oneindig veel. Want ook met die zwakke stroomen dient rekening gehouden te worden, waarbij de naald van den meest gevoeligen galvanometer nog maar een fractie van een schaaldeel zou afwijken. Zoodra een verschijnsel met afwisselende

MaüRITS Smit, Kunst en Leoen 11

ocr page 172

160

wuste critiek als \'t ware ontsnappen. Daar echter dit opstel geene hypothetische beschouwingen over den aard dezer toestanden ten doel heelt, maar \'t hier alleen te doen is, om het verband tusschen de verschijnselen in het gemeenschapsleven zooveel mogelijk aan te wijzen, zal de lezer de hier gebezigde benamingen wel voor lief willen nemen.

De hier bedoelde passieve toestand nu schijnt volkomen identisch te zijn met den zoogenaamden hypnoti-schen toestand; en de wijze, waarop de laatste op den toestand van het volkomen wakend-ik inwerkt, alsmede de veranderingen , waaraan beide toestanden onderhevig kunnen zijn, bepalen de mate van suggestibiliteit van het individu.

Het mag hier niet onopgemerkt blijven dat in de opvatting van hetgeen men gewoon is onder hypnose te verstaan, vooral bij de medici nog altijd verschil schijnt te bestaan. Volgens Braid had men door hypnose den toestand te verstaan , waarin een persoon geraakt door het langdurig onafgebroken staren op een klein, glinsterend voorwerp. Later werd door doctoren, die zich met hypnotisme bezighielden , alleen dan van hypnose gesproken, wanneer de eigenlijke slaaptoestand was ingetreden, waarin de gehypnotiseerde volkomen willoos is. Daarna werden door Liébault, Charcot y, Bernheim en anderen graden van hypnose aangenomen tegenwoordig spreekt men ook van de pathologische en van de normale hypnose, welke laatste zeer nauw aan

ocr page 173

161

den wakenden toestand zou grenzen. Eindelijk geeft Dr. Van Eeden , die tallooze graden van hypnose aanneemt, in zijne meergenoemde verhandeling een meer alge-meene bepaling van hypnose; hij noemt hypnose den toestand, waarin men den patiënt moet brengen, om de suggestie mogelijk te maken. Deze definitie, die ook geheel overeenkomt met de zienswijze van Gruyau , leidt dus noodwendig tot de gevolgtrekking, dat geen suggestie in werking kan treden zonder hypnose, al is \'t dan ook in zeer zwakken graad. Het begrip van suggestie , zoowel als dat van hypnose, is veelomvattend. Het aannemen van een beperkt aantal graden van hypnose moge bij medische \'experimenten eenig practisch nut opleveren, om zoodoende gemakkelijker punten van vergelijking in de uitkomsten der proefnemingen te kunnen vaststellen, maar uit een wetenschappelijk oogpunt beschouwd, zou dit in hooge mate willekeurig, doctrinair, foutief\' zijn. Het zou b. v. even verkeerd zijn , alleen dan tot de aanwezigheid van een electrischen stroom te besluiten, wanneer zich in de geleiding duidelijk waarneembare licht-en warmteverschijnselen voordeden. Wanneer iemand gevraagd wordt: hoeveel graden van sterkte van den electrischen stroom bestaan er ? dan behoort zijn antwoord te zijn: oneindig veel. Want ook met die zwakke stroomen dient rekening gehouden te worden, waarbij de naald van den meest gevoeligen galvanometer nog maar een fractie van een schaaldeel zou afwijken. Zoodra een verschijnsel met afwisselende

MaüRITS Smit, Kunst en Leven 11

ocr page 174

162

intensiteit kan optreden, is men gerechtigd oneindig veel graden van overgang aan te nemen op grond van ons begrip van continuïteit. En nu bestaat er geene enkele reden, waarom die beschouwing niet zou gelden voor de hypnose-toestanden; ook daar heeft men het recht te besluiten tot oneindig veel overgangen, van den diepen hynotischen slaap tot die stadiën , waarin ook maar een fractie van ons wakend bewustzijn voor kor-teren of langeren tijd buiten werking is gesteld.

Zoodanig opgevat, behooren dus suggestie en hypnose onafscheidelijk bij elkaar. Men kan zich niet voorstellen r dat de eerste in werking zou kunnen treden zonder het bestaan der laatste; zij gedraagt zich eenigermate als het positieve element tegenover het negatieve, wier samenwerking streeft naar een zekeren toestand van evenwicht. Vat men de suggestibiliteit op als eene al-gemeen-menschelijke eigenschap, dan duidt men daarmee tevens aan, dat alle menschen voortdurend in een meerderen of minderen graad van hypnose-toestand ver-keeren, waardoor de suggesties, door hunne omgeving uitgeoefend, in werking kunnen treden. Het weerstandsvermogen tegen die suggesties zal niet alleen bij ver-scbilllende menschen in verschillende mate voorhanden zijn , maar men kan zelfs aannemen, dat het bij eenzelfde individu voortdurend varieert, al naar gelang van zijn physieken toestand, die weer op zijn zenuw-toestand terugwerkt. Door duizenderlei indrukken , die wij op een dag ontvangen, wordt het gebruik, dat wij van onze

ocr page 175

163

vermogens maken , op duizenderlei manieren gewijzigd ; wij veranderen, om zoo te zeggen, onophoudelijk in een enkelen dag. Toen de kinderen van Diderot hem vroegen , of hij voldaan was over het van hem gemaakte portret, gaf hij hun ten antwoord : „Mes enfants, je vous préviens que ce n\'est pas moi. J\'avais en une journée cent physionomies diverses, selon la cliose dont j\'étais affecté. J\'étais serein , triste , rêveur , tendre , violent, passionné , enthousiaste ..

Op deze nauwe overeenkomst, die , bij nader inzien, bestaat tusschen de verschijnselen in normale en in kunstmatig opgewekte toestanden, berust Guyau\'s opvatting van het maatschappelijk samenleven als eene voortdurende uitwisseling van suggesties ; de suggestibi ■ liteit van een persoon zal de rol bepalen, die hij in de inaatsohappij onder den invloed zijner omgeving speelt. Al de hier vroeger besproken verschijnselen: de belemmering , die men in zijne handelingen ondervindt door de tegenwoordigheid van personen; de tooneelkoorts; de examenvrees ; al die gevallen , waarin zich eene zekere machteloosheid openbaart; onze neiging tot imitatie, waardoor onze handelingen dikwijls in strijd met onzen wil in eene bepaalde richting worden gedreven, — ze zjjn alle op te vatten als graden van hypnose, als vormen van gelijksoortige verschijnselen, zooals men die bij sterk gehypnotiseerde sujetten waarneemt. Guy au wijst erop, hoe elke gewaarwording, elke perceptie , ook bij den normalen mensch , eene neiging doet ont-

11*

ocr page 176

164

staan tot het scheppen van een toestand, die in overeenstemming is met-dien, welken hij bij anderen waarneemt ; er schijnt dus een zekere drang naar het bereiken van een evenwichtstoestand te bestaan, evenals voorwerpen van verschillende temperatuur, in eene besloten ruimte geplaatst, door uitstraling en absorptie streven naar een evenwicht van temperatuur. Guyau stelt dan ook elke perceptie gelijk met een suggestie , waardoor iemand van eene meer passieve natuur onder den invloed van een meer actief-werkenden persoon zich naar dezen tracht te richten , gelijk een schommelende magneetnaald onder den invloed van een vasten, sterkeren magneet een bepaalden stand aanneemt.

Ofschoon de hier uitgesproken onderstelling niet mathematisch valt te bewijzen , is er op grond van onze ervaring en van \'t geen wij zoowel bij anderen als bij onszelven voortdurend kunnen waarnemen, veel, dat voor de juistheid dezer opvatting pleit; ja, zelfs een tal van maatschappelijke verschijnselen, die ons anders tegenstrijdig en moeilijk verklaarbaar toeschijnen, ver-toonen zich, van dit standpunt bezien, in een geheel ander licht; — wij vinden ze meer natuurlijk en begrijpelijk. Door den invloed, dien het eene individu op het «pMfaaÉ andere uitoefent, altijd te beschouwen als een gevolg van de werking dier algemeene natuurkracht, die in het levend schepsel huisvest, bespeuren wij een nauw , een natuurlijk verband tusschen die groote, uitgebreide werkingen in onze woelige maatschappij en de

ocr page 177

165

kleine, schijnbaar weinig beteekenende verschijnseltjes in kleineren kring en in elk deel der samenleving, waarmee wij in aanraking komen. Dat bij die wisselwerkingen een zelfde persoon nu eens actief, dan weer passief kan optreden, ligt voor de hand: de individualiteit , die zich bewust is invloed op den een te kunnen uitoefenen, kan tegelijkertijd gedomineerd worden door een ander.

Laat ons een enkel voorbeeld stellen. Het is zeer goed mogelijk dat diezelfde vrouw, die straks den lezer werd voorgesteld als onder den invloed harer verbeelding , opgewekt door het bijzijn van een tweeden persoon, en daardoor tijdelijk ongeschikt voor haar arbeid , een oogenblik later sterk suggereerend zal optreden. Wij zullen veronderstellen dat haar vijfjarig kind, dat daar zoo vroohjk in de kamer om haar heen dartelt, zijn hoofdje stoot tegen een scherpen kant van de tafel. Het kind begint luid te schreeuwen. „Kom, een flinke jongen huilt nietquot;, zegt de moeder. „Komhier, moeder zal je een kus geven op de plek, waar je je gestooten hebt, en je zult het zien — weg is de pijn!quot; Demoeder geeft het kind een kus, en weldra lacht het ventje door zijne traantjes heen en vervolgt zijn spel, even vroolijk als te voren. Het kind voelt geen pijn meer. Toch wijst de geelblauwe plek, die zich nog dagenlang op het hoofd van het kind vertoont, duidelijk aan, dat de oorzaak van de pijn niet zoo spoedig kon zijn weggenomen. Wat is hier gebeurd? De moeder heeft haar

ocr page 178

166

kind gehypnotiseerd en door eene tactvolle suggestie het kind gevoelloos gemaakt voor de pijn, die werkelijk aanwezig was. Waarom is die suggestie zoo goed gelukt ? Omdat het kind , in zijne stellige overtuiging dat „moeder alles kanquot;, een vast vertrouwen stelde , omdat het geloofde in do woorden en in de daad zijner moeder.

Er zal wel niemand onder de lezers zijn, die de overeenkomst tusschen het hier gestelde geval, dat zich eiken dag kan voordoen , en de methode der psychische geneeswijze niet direct inziet. Ook bij de geneeswijze door suggestie en hypnose is het spreken tot deu kranke, het opdringen van de stellige overtuiging, dat de kwaal hem zal verlaten of dat hij kan doen, wat hij meende niet te kunnen doen, de eigenlijke geneeskracht. Wordt deze overtuiging zonder schroom aanvaard, geloof t de patiënt, dan is hij veelal geholpen. Menige zieke voelt zich reeds beter en opgewekter bij de verzekering van den arts, dat de pols rustiger en regelmatiger is en dat de patiënt er beter uitziet, al zijn die beweringen van den esculaap geheel in strijd met zijne bevinding. En juist die luchtiger gemoedsstemming, door een schrander en ervaren arts opgewekt, kan in een tal van gevallen zooveel bijdragen tot verbetering van den physie-ken toestand van den lijder. Men hoort wel eens klagen over de vluchtige en oppervlakkige wijze van behandeling door sommige geneesheeren : er zijn er, die zich doorgaans bepalen tot een vluchtig polsvoelen, tongkijken en eene oppervlakkige informatie naar enkele

ocr page 179

167

organische functies, om dan, na snel een recept te hebben neergekrabbeld en onder belofte van „morgen wel eens te komen kijkenquot;, schielijk in het koetsje te te wippen en eenige huizen verder weer hetzelfde te vertoonen. Alleen in de voor den medicus zoogenaamd meer interessante — voor den patiënt echter minder benijdenswaardige — gevallen wordt dan aan de zaak wat meer tijd en zorg besteed. Mij dunkt, dat deze klacht niet ongegrond is; want ,de patiënt heeft in de meeste gevallen het recht van zijn geneesheer te verlangen , dat deze zich althans in hoofdzaak op de hoogte stelle van zijne richting van denken en gevoelen, opdat een gepaste psychische methode de physieke behandeling ondersteune. Doctoren, die dan ook zoogenaamd „het vertrouwen bezittenquot;, hebben dat wellicht nog meer te danken aan hun persoonlijken, suggestieven invloed dan aan de onfeilbaarheid hunner methode of aan de doeltreffendheid der aangewende middelen.

Evenals in de psychische geneeswijze zien wij ook in de maatschappij de groote macht van het geloof aan het uitgesproken denkbeeld of de gegeven verzekering. Gelooven is eigenlijk het ingang doen vinden en opnemen van een denkbeeld langs anderen weg dan langs dien der logische rede ; ongetwijfeld speelt daarbij het dubbel-ik in den mensch de hoofdrol. Het geloof kan niet tot stand komen zonder geheele of gedeeltelijke afwezigheid der zelfstandige critiek ; elk geloof onder-quot; stelt iets passiefs, het is niet alleen een gave, maar

ocr page 180

168

yelfs een overgave. Dat zich overgeven is de eigenschap der vrouw bij uitnemendheid: vermoedelijk zou men daaruit kunnen verklaren, dat er in \'t algemeen meer zoogenaamd geloovigen zijn onder de vrouwen dan onder de mannen. Zoodra de zelfstandige critiek van het wakend-ik zich tegenover het geloof laat gelden, ontstaat de twijfel of het ongeloof. De mate van geloovig-heid van een persoon moet dus wel nauw samenhangen met zijne suggestibiliteit: er zijn menschen, waarbij het zelfstandig critisch vermogen zoo weinig is ontwikkeld ? dat zij zich door allerlei raeeningen en verzekeringen — die dikwijls geheel strijdig met elkander zijn — laten suggereeren; zij vormen de klasse der KcWgeloovigen of ^geloovigen. Ik meen, dat het Multatuli is, die ergens gezegd heeft, dat alle geloof bijgeloof is. Dat schijnt mij volkomen onjuist. Bijgeloof ontstaat, wanneer de zelfstandige critiek, in het geval dat zij met vrucht zou kunnen aangewend worden, zich laat terugdringen of reeds afwezig is ; geloof daarentegen is het opnemen van denkbeelden op dat gebied, waarop de logische redeneering niet kan worden aangewend. Geloof bestaat op het gebied der mysterie, van den godsdienst, van de kunst en in alle zaken, waarbij het gevoel op den voorgrond treedt. Gelooven is eene erkenning a priori, in tegenoverstelling van het weten, dat eene erkenning is a posteriori. Het is zeer waarschijnlijk, dat het besef van elke waarheid, die wij meenen te doorgronden, langs beide wegen van erkenning tot ons komt, zoodat ook

ocr page 181

169

in ons kenvermogen het wakend-ik en het dubbel-ik evenmin scherp zouden gescheiden zijn als in onze ge-heele individualiteit. De stellige overtuiging, dat aan onze ervarings-kennif, ook bij eene oneindig voortgaande ontwikkeling, grenzen zijn gesteld (1), pleit voor de juistheid dezer onderstelling. Met elk weten gaat altijd onvermijdelijk een gelooven gepaard, dat, zooals Dr. Van Eeden dat zeer juist in een zijner psychologische Studie\'s uitdrukt, moet beschouwd worden als eene al-gemeene en noodzakelijke functie der menschelijke ziel. Het is niets dan zelfbedrog te meenen dat het geloof in onzen tijd vermindert: alleen de vorm van geloof wijzigt zich voortdurend. Vandaar, dat het zoo onjuist is te meenen, dat do wetenschap het geloof zou kunnen verdringen: de wetenschappelijke ontwikkeling versterkt het critisch vermogen en kan dus — in verband met het zoo even gezegde — alleen leiden tot het verbannen van het fiïjgeloof. Juist de wetenschappelijk ontwikkelde mensch beseft beter dan de onontwikkelde, in welke gevallen de zelfstandige critiek aanwendbaar is en in welke gevallen zij ongepast zou zijn. De grootste wetenschappelijke mannen hebben zich doorgaans gekenmerkt door een godsdienstig geloof. Zoo schrijft o. a. Darwin in een zijner brieven: „The Theory of Evolution is quite compatible with the Belief in a God, but you

1

Men denke hier o. a. aan het Zevenvoudig Wereldraadsel van ii Kois-Reymond, besproken in het AHum der iïatuvr, jaarg. 1883.

ocr page 182

170

must remember that different persons have different definitions of what the mean by God.quot; Het is dan ook niet te verwonderen dat de twijfel en het ongeloof, o. a. op godsdienstig gebied, het meest worden aangetroffen bij niet- of half-ontwikkelden; want dezen zijn veel meer geneigd de critiek over te brengen op een terrein, waar zij volkomen ongepast is.

Dat het gesproken woord eene groote suggestieve kracht bezit, berust op eene algemeene psychologische wet. Het woord roept in onzen geest een beeld te voorschijn, en elk beeld, in ons helder bewustzijn opgenomen , lokt uit tot eene handeling, tot eene daad. Daarmee stemt dan ook de door Dr. Bernheim gegeven definitie van suggestibiliteit volkomen overeen; door suggestibiliteit van een persoon verstaat hij de meerdere of mindere geschiktheid, om een ontvangen denkbeeld om te zetten in een daad. De suggestieve kracht van het gesproken woord wordt voor een groot deel bepaald door den toon, waarop het wordt uitgesproken: de ernstige, bevelende toon, de toon van gezag missen veelal hunne werking niet. Daaruit laat zich de groote invloed verklaren, dien redenaars en predikanten op de menigte kunnen uitoefenen; vooral de invloed van de laatsten kan groot zijn , omdat zij zich bewegen op een gebied, waar de critiek of doorgaans gemakkelijk is terug te dringen of niets vermag. Vandaar ook, dat de taak van den redenaar in eene vergadering, waar debat is toegelaten, zooveel zwaarder is dan die van den pre-

ocr page 183

171

diker op den kansel, die het woord alleen heeft en maar rustig doorsuggereert.

In onzen tijd, waarin het niet kunnen lezen uitzondering is geworden, mag de suggestieve macht van het geschreven woord wel niet minder groot genoemd worden dan die van het gesproken woord. De invloed van de verspreiding der denkbeelden van wijsgeeren, romanschrijvers en dichters op de denkwijzen en de handelingen der menigte is in elk tijdperk van de ontwikkeling der beschaving duidelijk aan te wijzen. Ook uit dien hoofde verdient de pers reeds den naam van Koningin der Aarde, wier despotieke macht soms heilzame, vaak ook noodlottige werkingen in \'t leven roept. Bekend is \'t, hoe vooral door het lezen van romans de verbeelding der lezers in zoo hooge mate kan worden geprikkeld en verhit, dat daardoor suggesties worden opgewekt, die aanleiding geven tot menige heillooze daad. Men hoort zoo dikwijls zeggen,, dat iemand zich door het lezen van een roman heeft laten „meeslcepenquot;; dat hij geheel onder den invloed is van de gedachten, door den schrijver opgewekt. Zou dat „meesleepenquot; iets anders kunnen zijn dan een hypnose-toestand, waardoor de onbevangen critiek onmachtig is geworden de gesuggereerde denkbeelden te weerleggen, zoodat men werkelijk tijdelijk of blijvend onder den invloed van den schrijver denkt en handelt ?

Het is een onbetwistbare waarheid, dat allen, die in vroegeren of lateren een sterken invloed op de groote

ocr page 184

172

menigte hebbea uitgeoefend, dit met elkaar gemeen hadden, dat zij doordrongen waren van de juistheid hunner inzichten of dat zij althans den schijn van die overtuiging wisten te handhaven. Dat geldt voor alle groote staatslieden , redenaars , wijsgeeren , predikers , profeten, volksleiders, aanvoerders van partijen. Men zou hier kunnen spreken van volkshypnotisme. Wanneer gij van iets stellig overtuigd zijt, zetelt in die vaste overtuiging eene suggestieve kracht, waardoor gij ook anderen kunt doen gelooven of kunt overtuigen. Maar ook hy, die op handige wijze den schijn van die overtuiging weet te bewaren , kan een dergelijken invloed uitoefenen. Op dezelfde basis steunt dan ook de suggestieve kracht van voor hun beroep geschikte handelsreizigers , colporteurs, kwakzalvers. Houden wij daarbij in het oog, wat hierboven is gezegd met betrekking tot \'s menschen onbedwingbare neiging tot navolging en over het aanstekelijke van zenuwwerkingen, dan laat zich daaruit psychologisch verklaren, hoe het ten allen tijde mogelijk was en ook altijd mogelijk zal zijn, dat een enkele persoon, van wien eene groote suggestieve kracht uitgaat, een geheele schare, een volk, verschillende volken zelfs aan zijn wil kan onderwerpen. Gelijk bij hypnotische experimenten personen, die in den hyp-notischen slaap wenschen gebracht te worden, des te spoediger zullen inslapen, naarmate zij meer slapers om zich heen zien, zoo is ook in de samenleving de aanstekelijkheid der hypnotische werkingen en toestanden

ocr page 185

173

gewoonlijk duidelijk aan te wijzen : is één schaap over de brug, dan volgen spoedig de andere.

Onder de personen, die in deze eeuw den grootsten invloed op den loop der Europeesche gebeurtenissen hebben uitgeoefend, nemen zeker Napoleon I en Bismarck wel eene eerste plaats in ; men kan hen terecht de grootste hypnotiseurs onzer eeuw noemen, althans met betrekking tot de ontzaglijke uitbreiding van hun invloed. Wij vinden het meermalen gezegd en beschreven , hoe vooral Napoleon in bijzondere mate de gave bezat, om geheel zijne omgeving naar zijne hand te zetten; hoe hij generaals, staatslieden , gezanten voor zijn wil deed buigen. Die toestand van willoosheid, die hypnotische toestand, waarin zij, die in zijne directe omgeving waren, werden gebracht, breidde zich als epidemisch uit over anderen en van dezen weer verder en verder. Bovendien moest de eigenaardige geagiteerde toestand, waarin niet alleen het Fransche volk, maar ook de andere Enropeesche volken in den eersten tijd na de Fransche omwenteling nog altijd verkeerden , uitermate bevorderlijk zijn aan de snelle verspreiding dier zoogenaamde contagion nerveuse; terwijl Napoleon de suggestiemiddelen , die hem van nature eigen waren, deed samenwerken met de zoo doeltreffende kunstmatige suggestie , die in het mititairisme is gelegen, waarop wij aanstonds terugkomen. Wanneer Napoleon maar eenige woorden — gewoonlijk slechts holle phrasen —-tot zijne troepen richtte, waarbij men mag aannemen, dat er

ocr page 186

174

misschien hoogstens vijftig waren, die verstonden, wat hij zeide, dan brulden de duizenden, die er geen woord van verstaan hadden, van geestdrift; het geheele leger was als geëlectriseerd, Een dergelijke toestand, die zich dus kenmerkt door eene totale absentie en onderdrukking van de gezonde rede, kan bezwaarlijk anders dan als een zuiver hypnotisch verschijnsel worden verklaard; denkt men den hypnotischen toestand en zijne snelle verspreiding over die menschenmassa weg, dan blijft er geen enkele redelijke en natuurlijke grond over, waarop dergelijke verschijnselen en gebeurtenissen zijn te verklaren.

Op treffende wijze heeft Tolstoï dit verschijnsel besproken in zijn meesterwerk: Oorlog en Vrede. Sprekende over den veldtocht naar Rusland en over de gebeurtenissen in het jaar 1812, zegt Tolstoï: „En zoo geschiedde het dat mïllioeaen rnenschen met verloochening van alle gezond verstand en met onderdrukking van elk menschelijk gevoel zich in beweging stelden van het westen naar het oosten, om hunne rnedememchen te vermoorden, zooals eenige eeuwen vroeger tallooze horden van het oosten naar het westen waren getrokken, alles doodende wat hun in den weg kwam!quot;

Vanwaar die tijdelijke onderdrukking van de gezonde rede , van het gevoel, van alles, wat er menschelijks is in den raensch ? vraagt Tolstoï. Het is immers niet aan te nemen, dat daar millioenen Christenen elkaar met voorbedachten rade gingen vermoorden, omdat Na-

ocr page 187

175

poleon heersahzuchtig of omdat Keizer Alexander standvastig was, omdat Engeland list gebruikte of omdat de Hertog van Oldenburg beleedigd was ? De motieven, die de gescbiedsdirijvers gewoonlijk als aanleiding tot dergelijke gebeurtenissen opgeven, zegt hij, zijn inderdaad maar bijzaken, voorwendsels.

De oorzaak ligt veel dieper. En Tolstoï, de zaak van een psychologisch standpunt beschouwende, komt terecht tot de gevolgtrekking, dat de eigenlijk oorzaak van die gebeurtenissen ligt in de omstandigheid, dat millioencn menschen, in wier handen de eigenlijke macht tot handelen berust, genegen bevonden worden de hevelen op ie volgen van enkele individuen.

Tolstoï voelt hier, wat hij ten slotte niet formuleert. Hij zegt, dat dergelijke verschijnselen alleen begrijpelijk worden wanneer men in de geschiedenis zijne toevlucht neemt tot het fatalisme. Maar wij moeten hier vooral letten op de beteekenis, waarin het woord fatalisme is gebruikt; Tolstoï wil duidelijk aanwijzen, — ofschoon hij het woord niet noemt •— dat de eigenlijke oorzaak van deze gebeurtenissen zetelt in de natuur van den mensch zeiven , dat is in zijne vatbaarheid voor hypnotische suggestie , waardoor hij kan gedreven worden tot daden, waarvan hij in den grond afkeerig is ; tot handelingen, die in strijd zijn met zijne gezonde rede en met zijn gevoel, en waardoor hij wordt tot een willoos werktuig in de hand van enkele gewetenlooze hypnotiseurs. Hier dus eigenlijk niet sprake van een onvermijdelijk nood-

ocr page 188

176

lot; want de menssh b3ho3ft niet gedreven te worden tot handelingen, die in strijd zijn niet zijne zedelijke natuur; de historische feiten bewijzen meer de mogelijkheid van het tot stand komen dier suggesties dan wel hare noodzakelijkheid. De verantwoordelijkheid voor de onbeschrijfelijke rampen van een vernielenden oorlog berust niet bij de krijgslieden, — de werktuigen — maar wel bij de suggereerende machten, die de massa dwingen tot menschonteerende daden.

Want de geschiedenis leert het en de ervaring bewijst het, dat de groote massa , het volk , — het kind bij uitnemendheid — gemakkelijk hypnotiseerbaar is. In \'t algemeen kan men aannemen, dat de suggestibiliteit van de massa grooter is dan die van den eenling, omdat in het eerste geval de invloed der individuen op elkaar, de aanstekelijkheid der zenuwwerkingen, de neiging tot imitatie , het in werking treden der suggesties aanmerkelijk bevorderen. De mate van suggestibiliteit van een volk zal ook natuurlijk afhangen van den volksaard, van het temperament, van het volkskarakter. Het kan ons niet bevreemden, dat in \'t bijzonder het Fransche volk zoo dikwijls ten speelbal is geweest aan den suggestieven invloed van dezen of genen overheerscher: het ligt in de natuur van het Fransche karakter spoedig aan de eerste opwellingen gehoor te geven, zich te laten verblinden en meesleepen, geene kalme, bezadigde cri-tiek uit te oefenen op het denken en handelen. Vandaar dat gelukzoekers, die de gave der suggestie bezaten,

ocr page 189

177

nog altijd kans hadden in Frankrijk te slagen, waar zij elders waarschijnlijk fiasco zouden hebben gemaakt.

Zooals ik boven reeds met een enkel woord opmerkte, kan een suggestieve werking worden voortgebracht door den invloed, dien een persoon uithoofde van zijne wilskrachtige, sterk actieve natuur uitoefent, of ook door het gezag, dat hem bij onderlinge overeenkomst is toegekend. In het laatste geval is de uitgeoefende suggestie kunstmatig, conventioneel; zij is niet het uitvloeisel van de natuur des pgrsoons, maar zij gaat uit van het gezag of van de waardigheid, waarmee men den persoon heeft bekleed: het gezag, dat iemand zal hebben uit te oefenen, zetelt dan niet in hem, maar het is hem als een kleed omgehangen. Volksleiders en volks-beheerschers hebben veelal ijverig gebruik gemaakt van deze kunstmatige suggestiemiddelen, om hun invloed te vergrooten en uit te breiden ; en in onze maatschappij, zooals die op \'t oogenblik bestaat, speelt die kunstmatige suggestie eene zoo overwegende rol, dat zij in deze beschouwing niet met stilzwijgen mag worden voorbijgegaan.

Ten aanzien van het gezag, dat iemand uitoefent uit hoofde van den rang, dien hij in de maatschappij heeft verworven, valt allereerst op te merken, dat dit nooit zonder invloed blijft op de natuur en op het karakter van den persbon zeiven; want het bewustzijn gezag te mogen en te kunnen uitoefenen, werkt altijd op de ver-Maurits Smit , Kunst en Leven. 12

ocr page 190

178

beelding zoodanig in, dat wij ons door eene auto-s ug-gestie overreden, dat het ons toegekende gezag ons van nature eigen is.

De natuur en het karakter van den mensch zullen zich dus altijd min of meer vereenzelvigen met het ambt, dat hij bekleedt, en wel in des te sterker mate, naarmate de aard der werkzaamheden, aan het ambt verbonden, meer in overeenstemming is met de natuurlijke eigenschappen en de neigingen van den ambtsbekleedcr, — beroepssuggestie. Deze suggestie, door het beroep op den niensch uitgeoefend, komt overeen met hetgeen Dr. Richet verstaat onder „het objectiveeron van het type.quot; quot;Wanneer men iemand, die in hypnoti-schen slaap is gebracht, suggereert dat hij generaal is, zal hij zich ook als een generaal gedragen: hij zal spreken op een toon van gezag , bevelen uitdeelen, zijn degen trekken, wanneer men hem beleedigt. Suggereert men hem dat hij winkelier is, dan zal hij op onder-danigen toon spreken en ons beleefd zijne waron aanbieden. Zoodra men dus in iemand een zeker type suggereert, zal hij altijd trachten de eigenaardigheden gt; waardoor zich dit type kenmerkt, zich zooveel mogelijk eigen te maken en die zoo getrouw mogelijk weer te jjeven. Precies hetzelfde zien wij nu in het dagelij ksch leven : de mensch draagt dikwyls in zijne geheele manier van doen en spreken het kenmerk van den aard zijner beroepsbezigheden; en het verdient vooral opmerking, dat deze suggestie, door het beroep uitgeoefend, zoo sterk

ocr page 191

179

kan zijn, dat in enkele gevallen daardoor natuurlijke en erfelijke eigenschappen in den mensch worden onderdrukt en verdrongen. Vandaar, dat de uitoefening van een beroep over het algemeen een weldadigen, zedelijken invloed heeft, omdat de daardoor uitgeoefende suggesties meer evenwicht en regelmaat brengen in het denken en handelen en omdat zij zich richten naar het gemeenschapsleven ; terwijl hij, die geen beroep uitoefent, deze suggesties mist en daardoor vrijer spel kan bieden aan den invloed van hartstochten en van erfelijke neigingen.

Ofschoon er dus bij iemand, die door de positie welke hij in de maatschappij inneemt, een zeker gezag uitoefent , wel nimmer sprake kan zijn van een zuiver kunstmatig gezag , doordat zijne natuur nimmer geheel vreemd blijft aan den aard zijner beroepsbezigheden, zoo zijn er toch bij de eigenaardige verhoudingen en betrekkingen in onze maatschappij een onnoemelijk aantal gevallen aan te wijzen , waarin die vereenzelviging van de natuur van den mensch met den aard van zijn beroep slechts in zeer geringe mate tot stand kan komen en waar dus de kunstmatige suggestie altijd sterk op den voorgrond treedt. Het heeft mij verwonderd dat Gruyau bij zijne bespreking van de sociale suggestie deze quaestie nagenoeg geheel over \'t hoofd heeft gezien j niet alleen omdat wij haar in allerlei vormen, zoowel in uitgebreiden als in kleineren kring aantreffen, maar ook omdat zij , naar mijne bescheiden meening, in zekeren zin als toets kan dienen ter beoordeeling van

12*

ocr page 192

180

de deugdelijkheid van enkele maatschappelijke toestanden.

Wij vinden de kunstmatige suggestie, het conventioneel gezag, het zuiverst getypeerd in het militaire beroep.

Een ieder, die wel eens toeschouwer is geweest bij militaire oefeningen, b. v. bij eene groote parade, en daarbij een oogenblik heeft willen nadenken over de reden, waarom toch eigenlijk die honderden krachtig gespierde, bovendien goed gewapende mannen onvoorwaardelijk gehoorzamen aan het bevel van een enkelen — bij de trage promotie in het Nederlandsche leger doorgaans vrij afgeleefden — hoofdofficier, moet wel tot de gevolgtrekking zijn gekomen, dat hij hier te doen heeft met een uiterst abnormaal verschijnsel, dat geheel in strijd schijnt te zijn met alle wetten der bewerktuigde natuur.

En wie zich afvraagt, hoe toch dat lijdelijk opvolgen van de bevelen van den meerdere tot stand kan komen, zonder dat daarbij eenige critiek op die bevelen wordt uitgeoefend of dat men zich rekenschap geeft van de te verrichten handeling, moet wel tot het besluit komen, dat hier een zekere graad van hypnotischen toestand in het spel is, waardoor de uitgevaardigde bevelen, als even zoovele suggesties , in werking kunnen treden. De zelfstandige critiek op denken en handelen moet bij den militair, vooral in de lagere rangen, voortdurend kunstmatig worden teruggeschoven en onderdrukt, wil hij

ocr page 193

181

ten slotte een goed militair zijn. Professor Kraepelin maakt er dan ook opzettelijk melding van, dat de meest geschikte objecten voor hypnotische proefnemingen te vinden zijn onder de soldaten en in \'t algemeen onder die personen, die aan blinde gehoorzaamheid zijn gewend. Deze zelfde opmerking heb ik kunnen maken bij gelegenheid van eene hypnotische séance , welke ik in de residentie bijwoonde; onder de sujetten, waarmee bij die gelegenheid werd geëxperimenteerd, bevond zich een onderofficier der Jagers, die zoo uitermate gevoelig was voor den invloed van den hypnotiseur, dat verschei-denen der aanwezigen zich niet konden weerhouden om hunne — geheel ongegronde — verontwaardiging lucht te geven over het feit, dat een zoogenaamde landsverdediger op zoo ergerlijke wijze met zich liet sollen.

De hoofdverdienste van den militair moet zijn gehoorzaamheid , blinde gehoorzaamheid aan de bevelen van zijn meerderen; elk woord van den meerdere moet zijn eene suggestie, die terstond bij den mindere eene bepaalde handeling te voorschijn roept. Houden wij daarbij in het oog, dat het gezag van den meerdere hier geen kracht is die hem van nature eigen is, maar dat de meerdere alleen beveelt uithoofde van het gezag, dat hem bij onderlinge overeenkomst is toegekend en waarvan hij moet laten blijken door duidelijk zichtbare kenteekenen op zijne uniform, — door strepen, sterren, gouden kragen, kwasten, — dan zien wij dat men hier te doen heeft met een conventioneel gezag, dat met de natuur

ocr page 194

182

Tan den persoon, die in de uniform is gestoken , niets behoeft gemeen te hebben. Spoort men nu de basis, ■waarop dat kunstmatig gezag berust, op, dan vindt men als eersten grond de vrees voor straf. De militair, die met de zoogenaamde krijgsartikelen, waarin de toe te passen straffen zijn vermeld, bekend is, weet, dat hij bij ongehoorzaamheid of nalatigheid in het opvolgen van de gegeven bevelen gestraft wordt met vermindering zijner persoonlijke vrijheid, met arrest, gedwongen diensten, degradatie, in tijd van oorlog zelfs met het verlies van zijn leven. Deze krijgsartikelen worden dan ook, bij wijze van herinnering, den troepen op bepaalde tijden telkens weer voorgelezen en vormen dus als \'t ware het Braidsche punt, waarop de soldaat voortdurend heeft te staren, ten einde in den gewenschten staat van hypnose te geraken. De soldaat weet nu, dat hij alleen straffeloos kan leven, door terstond de hem gegeven bevelen op te volgen; zijn utiliteitsbegrip werkt zoodoende het aan den meerdere toegekende gezag in de hand , en het stipt gehoorzamen wordt na verloop van tijd, zonder dat daarbij verder aan de krijgsartikelen wordt gedacht, door gewoonte en door imitatie eene vanzelfheid — het geschiedt nagenoeg onbewust.

Daarom mag, uit dit oogpunt beschouwd, het militaire beroep werkelijk het rustigste , het kalmste beroep genoemd worden, dat ter wereld denkbaar is. „ Oui, j\'airne mon métier— hooren wij den Hertog zeggen in het tooneelspel Lc Gendre de Mr. Poirier, — „c\'est amusant.

ocr page 195

183

vois-tic, cclle existence active el aventureuse; il ny a pas jusqiCa la discipline qui n\'ait son charme; c\'e.st sain, cela repose l\'esprit d\'avoir sa vie réglée d\'avance, sans discussion possible et par conséquent sans irrésolution et sans regrets

.....On sait ce qiCon doit faire, on le fait , et on est

content.quot;

Augier slaat hier ongetwijfeld den spijker op den kop. Want inderdaad, in geen enkel ander beroep , in geen enkelen maatschappelijken kring is de plicht zoo scherp begrensd , zoo duidelijk aangewezen , is zoo weinig speling overgelaten voor overdenkingen en beschouwingen. Do meerdere is steeds overtuigd, dat zijne bevelen zullen worden nagekomen; de uitvaardiging van die bevelen kost hem niet de minste inspanning, kan als \'t ware buiten zijne natuur omgaan. De meest gedweëe, zachtzinnige, volgzame, hypnotiseerbare mensch krijgt, zoodra hij in eene officiersjas is gestoken, een suggestieven invloed over eenige honderden, waarvan er zich misschien geen enkele in normale omstandigheden aan zijn natuurlijk suggestief vermogen zou onderwerpen. De mindere , wien bevolen wordt, weet dat hij gehoorzamen moet; geen gevoel van verantwoordelijkheid over de gevolgen van zijne daad behoeft hem te drukken of te plagen.... „C\'est de la que viennent Vinsouciance et la qaietéquot;, zegt Augier.

•

Natuurlijk laat zich ook in de militaire wereld de invloed der beroepssuggestie op de natuur en het karakter van het individu gelden; dat is merkbaar zoowel in

ocr page 196

184

lt;ie hoogere als in de lagere rangen. Menig officier houdt ook buiten zijne militaire omgeving dat strenge, afge-metene, onvoorwaardelijke, dat hem tot eene tweede natuur is geworden; het voortdurend terugdringen en ongebruikt laten van de zelfstandige critiek moet noodzakelijk het critisch vermogen verminderen en verslappen. Maar toch moet by de meesten, en zeker bij allen, bij wie het zelfstandig denkon en oordeelen zich ondanks de aangewende drilmethode heeft blijven ontwikkelen, een scherp contrast blijven bestaan tusschen hunne natuur en hun vertoon van gezag of van gehoorzaamheid; vooral wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat voor zoovelen de uitoefening van het militaire beroep geene zaak van vrije keuze of werkelijke roeping is, maar veeleer een dwang, hun opjeLegd. Het conventioneele moet dus uit den aard der zaak in het militairisme veel sterker op den voorgrond treden dan in elke andere maatschappelijke betrekking. Het is zeer goed mogelijk dat dezelfde hoofdofficier, op wiens wenken honderden gehoorzamen, thuis onder de plak zit van eeue wispelturige vrouw of van een paar ondeugende bengels van kinderen; of dat de militair, die in dienst stipt de hem gegeven bevelen opvolgt, in het gewone leven een schrandere , nadenkende kop blijkt te zijn, die den bekrompen chef, aan wien hij moet gehoorzamen, verreweg de baas is. En nu kan men hiertegen aanwenden, dat ook in de militaire verhoudingen de meer ongedwongen , natuurlijke gewaarwordingen zich wel kunnen

ocr page 197

185

laten gelden en dat b.v. van verschillende chefs van gelijken rang de een meer gezien is dan de ander; maar dan zal men mij toch toegeven, dat hij, die zich door dergelijke persoonlijke sympathieën of antipathieën in de vervulling zijner militaire plichten liet leiden, al oen zeer slecht militair zou zijn.

Nu treffen wij dit kunstmatig gezag, dat in het mi-litairisme zoo scherp getypeerd is en dat dus alleen ten doel heeft den wil en de persoonlijke neigingen van het individu ondergeschikt te maken aan den wil van den gezagvoerder, om zoodoende eene eenstemmige samenwerking te verkrijgen ter bereiking van een bepaald doel, in de geheele samenleving, zoowel in het geheel als in de verschillende onderdeelen, in allerlei vormen aan. Overal, waar men door uiterlijke kenteekenen de herinnering aan het gezag van bepaalde personen wil opwekken, daar is sprake van deze kunstmatige suggestie. Op hetzelfde beginsel berusten o. a. de uniformen der verschillende staatsbeambten, de toga en bef van de leden der rechterlijke macht, de bijzondere kleeding der geestelijken, enz. Vandaar, dat sommige vrijzinnige predikanten toga en bef hebben afgelegd, wanneer zij tot de gemeente spreken, omdat zij alles, wat naar vertoon van gezag, naar kunstmatige suggestie zweemt, willen vermijden en hun suggestieven invloed alleen wenschen te bepalen tot de kracht van hunne woorden en van hunne overtuiging.

Dat nu is zeker zeer juist gezien, waar het bijeen-

ocr page 198

186

komsten betreft met ontwikkelde, wijsgeerig ontwikkelde menschen ; maar met betrekking tot de groote massa, wier ontwikkeling nog op een vrij laag peil staat, zou het zeker hoogst onverstandig zijn al te spoedig te breken met de vormen en de gewoonten, die van geslacht tot geslacht zijn gevolgd. De minder ontwikkelde hecht gewoonlijk zoozeer aan den vorm, dat het wezen der zaak en de vorm voor hem één zijn; de meesten vereeren de zaak slechts in den vorm, zoodat mot het wegnemen van den vorm de zaak zelve voor hen zou verdwijnen. Dat hebben de wetgevers en de overheden ook ten allen tijde ingezien ; de handhaving van het uitwendig decorum was de handhaving van het gezag zelf. De kerkgebruiken, de vormendienst, de ceremoniën en uiterlijke plechtigheden, geheel dat uitwendig vertoon , dat alles is niet zinledig : — het berust op den wensch, op de natuurlijke behoefte van de groote menigte , om door iets beziggehouden , geboeid , m. a. w. gehypnotiseerd te worden. De bekende volksspreuk : de wereld wil bedrogen worden, — in den grond onwaar, want niemand is zoo dwaas dit te verlangen, — behoorde vervangen te worden door: de wereld wil (jehypnotiseerd tuorde».

Nu heeft de wijsgeerig ontwikkelde mensch het volle recht voor zijn persoon den draak te steken met alle uitwendig vertoon; hij, wiens zedelijke kracht en wiens plichtgevoel steunen op de hoogere levensbeginselen, kan in alles, wat zijn invloed moet staande houden door wat

ocr page 199

187

uiterlijken schijn, niets anders zien dan een armzalig vertoon, dat hem met medelijden moet vervullen, omdat het hem onwillekeurig herinnert aan de lagere beschavingstoestanden. De wijsgeerig ontwikkelde leeft met zijne gedachten in eene andere sfeer dan de minder ontwikkelde ; zijne hypnose is als \'t ware van hoogere orde. Want alle menschen hebben zeker dit met elkaar gemeen, dat voor elk hunner een zoogenaamd Braidsch punt bestaat, waarop hij staart; daardoor wordt ieder ontvankelijk voor die suggestion , waarvan de natuur en de kracht geëvenredigd zijn aan den staat zijner hypnose. Alleen ligt voor den één dat Braidsche punt wat hooger dan voor den ander.

De meest ontwikkelde heeft evengoed als de laagst ontwikkelde behoefte aan een gezag, waardoor zijn denken en zijne handelingen worden geleid en geregeld. De aard van dat gezag is natuurlijk geëvenredigd aan de mate van ontwikkeling van het individu. En openbaart zich die behoefte bij elk individu in \'t bijzonder, hoeveel te sterker moet zich die behoefte dan niet doen gevoelen bij elke groep van individuen, bij een volk, waar het bestaan van zooveel tegenstrijdige persoonlijke neigingen en verlangens het bereiken van den evenwichtstoestand voortdurend in den weg staat. Men zou elke vereeniging van individuën, elk volk, kunnen vergelijken bij eene groep zeer beweeglijke, onrustige magneetnaaldjes, die alle zijn toegerust met eene verschillende mate van magnetische kracht, waardoor zij

ocr page 200

188

in eikaars nabijheid, steeds door inductie op ekaar werkend, elkaar onophoudelijk verstoren en tevergeefs trachten naar een evenwichtstoestand. Om nu die schommelingen en storingen tot een zoo klein mogelijk bedrag te beperken, is het noodig, dat daar is één groote, sterke magneet, die in staat is hen allen te richten en onder wiens invloed zij zich allen stellen. Die groote magneet is in den staat HET GEZAG; het zijn de burgerlijke en zedelijke wetten, die de handelingen der burgers leiden. Daarom is ook de voorstelling van ge-heele persoonlijke vrijheid, bij ontstentenis van een domineerend gezag, eene utopie, eene ongerijmdheid. De mensch — het beweeglijke maagneetnaaldje — zal onder den induceerenden invloed van al de hem omringende individuën, met al hunne verschillende belangetjes en wenschjes en willetjes, nooit tot rust, tot een zelfstandig evenwicht komen. Daarom moet ook de volkomen persoonlijke vrijheid en zelfstandigheid, waarvan men wel eens spreekt, in de samenleving onbestaanbaar zijn; want zij is in strijd met \'s menschen natuur, onveree-nigbaar met het bestaan der krachten, die in elk bewerktuigd wezen huisvesten. Alleen het gemeenschapsleven is denkbaar, is evident.

Die behoefte aan gezag, dat verlangen naar een leiding, waardoor de onderlinge storingen tot een minimum worden beperkt, heeft zich dan ook ten allen tijde bij alle volken, van de primitieve toestanden af tot de meer ontwikkelde toe, geopenbaard.

ocr page 201

189

De hulde, aan Bismarck bij zijn aftreden gebracht, is een bewijs voor het gevoel van erkentelijkheid van zoovele individuën, dat hij door zijne natuurlijke en kunstmatige suggestie een tijdlang het evenwicht in Europa heeft weten te handhaven en groote storingen heeft weten te voorkomen. Dat hij daartoe zijne kracht heeft gegrond op het militairisme, is zeker meer te betreuren dan te veroordeelen. Het is niet waarschijnlijk dat Bismarck met andere middelen zou hebben kunnen doen, wat hij bereikt heeft. Wanneer wij opmerken hoe groot in \'t algemeen de suggestieve invloed van \'t kunstmatig gezag, van \'t uitwendig vertoon op de groote menigte nog blijkt te zijn en hoe onontbeerlijk dat nog is voor de handhaving van de orde en de rust, zoowel in uitgebreiden als in beperkten kring, dan volgt daaruit tevens, dat liet gemiddeld peil van intellectueele en zedelijke ontwikkeling nog vrij laag moet zijn; en alleen door dat peil te verhoogen, zal het mogelijk worden, om door eene suggestie van hoogere orde, van edeler motieven, met geringer uiterlijk en kunstmatig vertoon, de orde in een staat te handhaven. quot;Wij mogen alles , wat naar conventie zweemt, in den grond veroordeelen en kleinzielig vinden — zoolang het gemeenschapsgevoel, steunend op het moreele plichtgevoel, niet meer algemeen ontwikkeld is, kan de maatschappij er niet buiten. Vandaar ook de algemeene drang naar ontwikkeling en opheffing van het volk; men voelt als \'t ware instinctmatig, dat groote rampen, zooals ver-

ocr page 202

190

woestende oorlogen, alleen zullen kunnen vermeden worden, door het intellect en het zedelijk bewustzijii in den mensch te ontwikkelen en te yerhoogen, omdat hij daardoor meer weerstand zal kunnen bieden aan de heillooze hypnotische invloeden, waarvan de geschiedenis gewaagt. De geheele sociale beweging, in dezen tijd reeds zoo merkbaar, is eigenlijk eene beweging in deze richting. Zij beoogt in hoofdzaak de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel. Velen zien in deze beweging eene oppositie tegen alle gezag, omdat enkele heethoofden in den waan verkeeren deze beweging te bevorderen door het gezag aan te randen. Maar dat is blijkbaar een dollemanswaan. Uit hetgeen boven is gezegd, volgt, dat hij, die het gezag wil vernietigen, zich aanstelt als iemand, die de algemeene aantrekkingskracht of het magnetisme zou willen te niet doen: hij komt in opstand tegen zijne eigen natuur. Maar wel zal de sociale beweging eene verandering brengen in de basis, waarop het gezag steunt, in den aard der suggestieve invloeden ; naarmate het zelfstandig bewustzijn der individuën zich zal ontwikkelen , moeten ook de suggereerende invloeden, de wetten en bepalingen, gaandeweg veranderen. Het ideaal, waarop deze beweging is gericht, is een gemeenschapsleven, waarin zich alleen de meest edele en onzelfzuchtige motieven als suggereerende machten kunnen doen gelden en waar elk spoor van het conven-tioneele zal zijn uitgewischt.

ocr page 203

191

Wat wij bij een geheel volk opmerken, vinden wij ook weer terug by de kleinere groepen en onderafdee-lingen. In elke vereeniging, waar wordt gestreefd naar een bepaald doel, bestaat een leidend, suggereerend gezag. Deze suggereerende invloed is doorgaans een complex van de natuurlijke en de kunstmatige suggestie; onze eigenaardige maatschappelijke verhoudingen brengen mee , dat de laatste dikwijls verreweg de overhand heeft. Aldus ontstaat de comédie humaine, waarin wij allen onze rol hebben te spelen. Wie kunstmatig suggereert, doet als de tooneelspeler, die door zijne bestudeerde kunst opzettelijk bepaalde aandoeningen en gewaarwordingen bij de toeschouwers wil opwekken.

Overbekend is de hypnotiseerende invloed, door rangen , titels, door namen in \'t algemeen uitgeoefend. Heeft een schrijver of componist naam gemaakt, dan heeft hij altijd kans, dat een groot deel van het publiek een of ander prulwerk, dat onder zijn naam verschijnt, met ingenomenheid zal ontvangen. Eene van de hoofdverdiensten van een goed criticus is dan ook zeker deze, dat hij weerstand kan bieden aan kunstmatig hypnotiseerende invloeden. De roep, die van iemand uitgaat , zijne reputatie, versterkt zijn hypnoti-seerend vermogen in hooge mate. Op hetzelfde beginsel steunt het middel der reclame, waarvan de werking door het overmatig gebruik natuurlijk moet verzwakken. Het valt zeer zeker niet te ontkennen, dat in onzen tijd duidelijke kenteekenen zijn waar te nemen van een

ocr page 204

192

algemeen toenemend weerstandsvermogen tegen deze soort van suggesties. Het critiscli vermogen .is in de laatste helft onzer eeuw ongetwijfeld in hooge mate verscherpt; men krijgt meer en meer oog voor het belachelijke dezer conventioneele middelen, en — le ridicule lue. Zoodra de tooneelspeler zijne kunst verraadt, is zijne suggeree-rende macht gebroken.

Eindelijk moet ik hier nog opmerken dat meermalen de vrees is geuit, dat de suggestie en hypnose , vooral waar zij als geneesmethode worden aangewend , uitgeoefend door onbevoegde of door onzedelijke menschen, zouden kunnen leiden tot groote misbruiken en zelfs tot wandaden. Die bewering is ongetwijfeld juist; vooral als wij in aanmerking nemen, dat, naar aanleiding van het zoo even gezegde, de afgrijselijkste rampen in onze maatschappij voor een groot deel zijn opgewekt door heillooze suggestieve en hypnotische invloeden. Indien b. v. Napoleon zich een oogenblik bewust is geweest van de namelooze ellende, die hij door zijn natuurlijken en kunstmatigen invloed heeft veroorzaakt, moet zijne wroeging onbeschrijfelijk zijn geweest. Zeker is het, dat het bewustzijn gezag te kunnen of te mogen uitoefenen, altijd de mogelijkheid insluit van misbruik van dat gezag, van willekeur. Het zedelijk standpunt, waarop de operateur staat, zal het gebruik bepalen, dat hij van zijn invloed maakt. Maar wanneer de vraag gesteld wordt, of de kans, om tot willekeur te vervallen, niet grooter is in het geval, dat het gezag een kunstmatig

ocr page 205

193

prestige is, dat voor een groot gedeelte vreemd is aan de natuur van den operateur, dan in het geval dat de-invloed van den persoon zelf uitgaat en onder de controle staat zijner eigen natuur, dan zou ik geneigd zijn deze vraag in bevestigenden zin te beantwoorden. De kans, om tot overdrijving en tot misbruik te vervallen, moet, dunkt mij , in het eerste geval grooter zijn, en de ervaring leert ons, dat kunstmatig gezag vaak tot willekeur leidt. Verder moeten wij niet vergeten dat wij allen onophoudelijk blootstaan aan suggestiën, die, wanneer zij in werking traden, noodlottige gevolgen zouden kunnen hebben en waartegen wij ons alleen door ons weerstandsvermogen kunnen beveiligen. Het komt mij voor dat vrij daarbij het minst hebben te vreezen van personen, die zich ten doel hebben gesteld en wier belang het meebrengt, de menschen van hunne physieke en zedelijke kwalen te verlossen. Zeker is het, dat wij in de toenemende ontwikkeling van het zelfstandig bewustzijn en in de meerdere verspreiding der humanistische gevoelens de macht kunnen begroeten, die de willekeur, waartoe het kunstmatig en natuurlijk gezag kunnen leiden, meer en meer aan banden zal leggen.

Uit het zoo even besprokene volgt, dat een groot deel van de verdienste van ieder, die aangewezen is om als leider van eene kleine of grootere groep van individuen op te treden, zetelt in zijn suggestief vermogen en in de wijze, waarop hij dat aanwendt. Bij-Maurits Smit Kunst en Leven. 13

ocr page 206

194

zondere muzikale gaven vormen nog niet den geschikten muziekdirigent, evenmin als de man, toegerust met groote ■wetenschappelijke kennis, altijd een goed onderwijzer zal zijn. Daartoe is meer noodig: die als leider wil optreden, moet naast de vereischte bekwaamheden de gave bezitten de oplettendheid van al die personen voortdurend iu beslag te nemen, hen te boeien, hun wil en hun gedachtengang een tijdlang ondergeschikt te maken aan zijn wil en aan zijne gedachten , — m. a. w. hij moet de gave der suggestie bezitten.

Zoo is ook voor den ouderwijzer het hierbedoelde suggestievermogen een onmisbaar vereischte. Den onderwijzer , die geen directeur der school is, staan gewoonlijk slechts geringe middelen van kunstmatig gezag ten dienste ; hij zal dus ziju prestige noodzakelijk moeten gronden op zijn intellectueel en moreel overwicht en op zijn natuurlijk suggestievermogen. De eigenaardige moeilijkheid nu , die zich voordoet vooral bij het onderwijs a-.xu scholen, die bezocht worden door jongelieden van zeer verschillenden leeftijd en die soms den eigenlijken kinderjaren reeds ontwassen zijn, •— zooals aan de H. Burgerscholen en de Gymnasia — bestaat hierin, dat do onderwijzer zijn invloed moet doen gelden op indi-viduën van een zeer uiteenloopend weerstandsvermogen, bij wie bovendien het plichtgevoel en het utiliteitsbegrip nog zeer weinig ontwikkeld zijn; en, gelijk boven is gezegd, zijn juist deze begrippen zeer bevorderlijk voor het tot stand brengen van dien graad van passi-

ocr page 207

195

viteit, die aanwezig moet zijn, zullen de aangebrachte denkbeelden ingang vinden en worden opgenomen. Bovendien doet zich op dien leeftijd bij jongemenschen van beiderlei kunne de macht der aanstekelijkheid — der contagion ucrveusc — in elko groep, m. a. w. in elke klasse, in sterke mate gelden, zoodat de taak van den onderwijzer , bij een goring suggestief vermogen , eene zeer moeilijke, in enkele gevallen zelfs eene onuitvoerbare, kan worden. Vandaar de noodzakelijkheid van het bestaan dor schooltucht, d. w. z. de noodzakelijkheid van het brn.kden van het vaak uitspattend weerstandsvermogen der scholieren; daartoe is dus noo-dig de aanwending van een kunstmatig gezag, dat \'aan den directeur cl, r school en aan de over de school gestelde autorraiten is toegekend. De directeur toch, voor zoover hij niet onderwijst, suggereert in hoofdzaak kiinstmatig ; vandaar, dat iemand een goed directeur kan zijn eu toch als gewoon leeraar misschien een minder goed nguur zou maken, liet spreekt dus vanzelf, dat aan elke welingerichte school eene harmonische samenwerking moet bestaan van deze kunstmatige suggestie met do natuurlijke suggestieve invloeden, die van de onderwijzers uitgaan.

Aangezien de geschiktheid van den onderwijzer voor zijne taak voor zoo\'n groot deel afhangt van zijn suggestief element, waarvan hij op zijne examens niet kan doen blijken, zou er veel voor te zeggen zijn, indien elke onderwijzer, alvorens hij definitief werd aangesteld,

13*

ocr page 208

196

in de gelegenheid werd gesteld zijn suggestief vermogen in verschillende klassen te beproeven. Algemeene regels voor de ontwikkeling en versterking van dit suggestief vermogen zijn bezwaarlijk aan te geven: een ieder suggereert op zijne eigen wijze, al naar gelang van zijn karakter en zijne natuur. In \'t algemeen kan men aannemen , dat bij het vaste voornemen om zijn suggestief vermogen te ontwikkelen, die invloed op jongeren vermeerdert bij gevorderden leeftijd.

Onder den invloed van aandoeningen en hartstochten worden bij den mensch toestanden gecreëerd, die eene volkomen overeenkomst aanbieden met hypnotische toestanden in de meest verschillende graden. De mensch kan b. v. door drift „zijne tegenwoordigheid van geest verliezenquot;, m. a. w. tijdelijk niet in staat zijn kritiek uit te oefenen op zijn denken en handelen. Men is in lt;lrift „zichzelfquot; niet; men is geen meester over zijne woorden en daden. De vrees, de angst, de schrik, groote smart kunnen „verlammendquot; werken , zoowel op de geestelijke als op de lichamelijke functies. Evenzoo kunnen ook groote vreugde, opwinding, eene onverwachte tijding ons tijdelijk benevelen. Bij elke plotselinge verandering in de zenuwstroomingen of zenuwwerkingen ziet men die verschijnselen van tijdelijke machteloosheid of willoosheid in verscliillende graden optreden. De wilskracht, de zelfkeheersching, de logi-snhe denkkracht worden door aandoeningen van allerlei aard onderdrukt, en wel in ecno mate, die geëvenre-

ocr page 209

197

digd is aan de intensiteit der aandoeningen. Men is onder den invloed zijner aandoeningen en hartstochten eenigermate als de gehypnotiseerde onder invloed van den operateur. In minder sterken graad vinden wij die toestanden terug in persoonlijke voorliefden, in de voor-ingenomenheid , in het (hoepen met bijzondere kunstrichtingen of met personen. In de partijdigheid , in de bijzondere persoonlijke vereering of miskenning openbaart zich altijd de afwezigheid van de onbevangen normale beoordeelingskracht. Uit de omstandigheid, dat bij de meeste menschen eene vaak onbedwingbare neiging bestaat , om eene zaakquaestie om te zetten in eene per-sonenquaestie, zou men geneigd zijn de gevolgtrekking-te maken , dat de mensch — im Durchschnitt — er een zeker behagen in vindt zijn wakend-ik eenigszins terug te dringen. Ook zou men hierbij kunnen veronderstellen , dat liet beschouwen van eene zaak, geheel onafhankelijk van de daarbij betrokken personen , een ab-straheerend vermogen vereischt, dat den minsten menschen eigen is. Uitgaande van deze praemissen, zou dus partijdigheid altijd gegrond zijn óf op eene instinctmatige zelfzuchtige dispositie , of op onmacht.

De bedwelmende invloed, opgewekt door de meest natuurlijke en meest intensieve van alle driften, de sexueele drift, is zoo overbekend, dat het bijna overbodig schijnt daarop hier nog te wijzen. Hare inwerking op den geest en op de verbeelding doet de zoogenaamde verliefdheid ontstaan; en bij verliefden ziet

ocr page 210

198

men doorgaans tijdelijke sterke veranderingen optreden die zich in al hun denken en handelen, soms tot in hun spreektoon, duidelijk openbaren. Den door den hartstocht benevelden goest is de vrije critiek, het zelfstandig oordeel over alles, wat liet beminde voorwerp betreft, ontnomen. Do verliefde ziet alle eigenschappen en hoedanigheden van liet beminde object in een ander licht, waardoor de gebreken doorgaans verkleind en ontkend, do deugden sterk vergroot worden.

„Tiet minnende ongh bedrieglit, en schat ook quot;t leelijok schoon.\'\'

dichtte Vondel, en Shakespeare was van meening:

„Do krankzinnige, cle verliefde, de dichter, zijn een en al verbeelding quot;

De invloed kan hier zoo overweldigend zijn, dat soms de belangstelling voor alles, wat tot het geliefde voorwerp in geene betrekking staat, tijdelijk geheel wegvalt. Men heeft slechts oogen voor elkaar, al het overige is als in een nevel gehuld. Voorzeker une obsession ajirable. Gelijk de hypnotische slaper dikwijls een kracht en een vermogen openbaart, die hem in den normalen toestand ontbreken, zoo is do toestand, waarin de verliefdhei 1 soms den mensch kan brengen, geschikt voor het tot stand brengen van de meest excentrieke, soms groote en edelmoedige, dikwerf ook dolzinnige en slechte daden. Eerst na het verdwijnen van dien nevel laat zich do vrije critiek weer gelden — eerst in het

ocr page 211

199

huwelijk leert men elkaar kennen. Is de geest uit den hypnotischen toestand ontwaakt, dan eerst kan de werkelijke appreciatie van eikaars eigenschappen plaats vinden; eerst dan is er plaats voor het gevoel van ware waardeeriug, van hoogachting, van vriendschap; of ook — voor het gevoel van teleurstelling, van wrevel cn onverschilligheid, van minachting, van haat. Het aanprijzen van langdurige engagementen (verlovingen), dat soms geschiedt, omdat men meent, dat de verliefden elkaar dan beter zullen leeren kennen, moet dus een dwaalbegrip zijn; behalve dat zij uit een physiek oogpunt zijn te ontraden, zullen zij in de meeste gevallen, wegens de aanwezige hypnose, weinig waarborg bieden voor een gelukkig huwelijksleven. Op deze gronden berust dan ook de bekende volksmeening, dat het huwen gelijkstaat met een spelen in de loterij: de vergelijking is ten aanzien van verliefden zeker niet onjuist. De ontgoocheling, die dikwijls volgt op het ontwaken uit dezen hypnotischen toestand, wordt door vele moderne romanschrijvers als basis genomen voor hunne uitgesponnen tragediën. Bekend is het, dat sommige vrouwen door kunstmiddelen, b.v. door een eigen-aardigen opschik, door parfums, de zinsbegoocheling, die zij op de mannen uitoefenen en waarvan zij zich ■dan ook wel bewust zijn, trachten te versterken. Enkele schrijvers hebben het ver gebracht in de kunst, om de aldus opgewekte tribulatiën tot in de kleinste bijzonderheden te ontleden en te beschrijven.

ocr page 212

200

De zinsbegoochelingen zien wij bij mensohen van een zeer gevoelig en prikkelbaar zenuwgestel soms in zeer sterke mate optreden. Grelijk de magnetiseur de gehypnotiseerde sujetten iets kan doen zien, dat niet aanwezig is, of hun omgekeerd het waarnemingsvermogen voor de hen omringende voorwerpen kan ontnemen (negatieve hallucinaties), zoo kunnen ook bij menschen van eene zeer sierke verbeeldingskracht allerlei valsche voorstellingen ontstaan. In de geschiedenis vinden wij herhaaldelijk melding gemaakt van zulke visioenen, vooral in tijden van oorlog of revolutie, wanneer het zenuwleven meer geschokt, de mensch meer gevoelig voor indrukken, m. a. w. gemakkelijker hypnotiseerbaar is dan in gewone, rustige tijden.

Bij personen,- die het in hunne macht hebben hun voorstellingsvermogen tot het uiterste op te zweepen,. zooals bij schrijvers, dichters, componisten, artiesten in \'t algemeen, veelvuldig voorkomt, ontstaan deze valsche voorstellingen door auto-suggestie. Pope, Johnson, Swift,. Byron, Lenau, Weber en vele anderen schijnen allen visioenen gehad te hebben. Van Beethoven en Mevr, De Stael lezen wij, dat zij nu en dan zich hoegenaamd geen denkbeeld konden vormen van hun eigen persoon met betrekking tot hunne omgeving; van Flaubert zegt men, dat hij het arsenicum proefde, toen hij de vergiftiging van Mrae Bovary beschreef; en Malibran moet zich meermalen verbeeld hebben Desdemona zelve te zijn.

Het onderdrukken van ons waarnemingsvermogen komt

ocr page 213

201

ook in normalen toestand herhaaldelijk voor: b.v. wanneer wij, verdiept in onzen arbeid, het tikken van de duidelijk hoorbare wandklok niet bemerken of wanneer wij niets verstaan van hetgeen er om ons been of tot ons gesproken wordt.

De hypochondristen suggereeren zichzelven het bestaan van eene kwaal; bij eene verhoogde auto-suggestie kunnen de dwangdenkbeelden, de manie optreden. Het denl-en en tobben over eene kwaal kan de kwaal zelve voortbrengen en zal, als zij eens aanwezig-is, haar slechts doen toenemen. De schitterende resultaten van genezing, die men in vele dezer gevallen met de psychische geneeswijze heeft verkregen, zijn meerendeels bekend.

Maar diezelfde auto-suggestie, die den mensch zieken ongelukkig kan maken, kan ook heilzaam werken. Rij zoogenaamde energieke menschon, bij menschen van karakter treft men dat vermogen evenzeer aan. Bij een wilskrachtig mensch gaat het bevel tot handelen in eene bepaalde richting niet uit van een tweeden persoon buiten hem — hij suggereert zichzelven. Hij is soms in staat, door eene krachtige auto-suggestie zijne kwalen te onderdrukken, hare voortwoekering te beperken. Van zulke menschen gaat doorgaans eene krachtige suggestieve werking uit op meer passieve, weifelende naturen. Zij zijn de menschen van initiatief; in hen zetelt eene actieve kracht, die naar buiten werkt en anderen opwekt tot handelen en tot het navolgen van hun voor-

ocr page 214

202

boeld. Voor zoover geene persoonlijke eerzucht of ver-regaande zelfzucht hierbij in het spel zijn, oefent de energieke mensch een heilzamen invloed uit op den socialen kring, waarvan hij het middelpunt uitmaakt.

Tn het hier gegeven schematisch overzicht heb ik getracht de overeenkomst tusschen enkele belangrijke verschijnselen in het maatschappelijk leven en de sterk sprekende verschijnselen, die de magnetiseur te tooi-schijn roept, duidelijk in \'t licht te stellen. De magnetiseur doet ous als \'t ware door een vergrootglas zien, wat wij eiken dag rondom ons en bij onszelven in meer of minder zwakken graad kunnen waarnemen. Wij zijn ons bewust van den invloed, dien wij op elkaar nitoe-fenen, en dus van eene kracht, die in ous is en die wij bij elk levend schepsel kunnen waarnemen. Wij kunnen die niet loochenen. En door nu al de hier besproken verschijnselen in verband te brengen met die kracht en met dien invloed, wordt zooveel, dat ons anders als raadselachtig, onbegrijpelijk, onverklaarbaar in de menschelijke natuur voorkomt, begrijpelijk en verklaarbaar, althans in zijn onderling verband. Wij zien die verschijnselen dan niet meer als op zichzelf staande feiten, strijdig met elkaar; maar wij zien ze als schakels van een groot geheel, van elkaar afhankelijk. Daarmede is natuurlijk de identiteit van die verschijnselen nog niet bewezen. Al wat onze kennis van het psychischa betreft, is nog te veel in wording; men kan

ocr page 215

203

zich alleen beroepen op geconstateerde feiten, waardoor men een ander oog krijgt op de verschijnselen zelve. quot;Wij doen dus, door een verband tusschen die verschijnselen op te sporen, precies hetzelfde, als wat in de geheele natuurwetenschap geschiedt. Want ook daar is in den eigenlijken zin geene sprake van bewijzen noch van grondige verklaring. Men combineert de waargenomen verschijnselen en men tracht een verband te vinden, uit het enkele tot het geheel op te klimmen, waarbij de mathesis als ladder dient. Maar het mystieke, het raadselachtige bestaat in de natuurwetenschap evenzeer als op het gebied van het psychische.

De kracht, waarvan wij ons bewust zijn, de biologische of magnetische kracht of hoe men haar noemen wil, is niet meer geheimzinnig dan andere natuurkrachten , waarmee wij soms meenen wonderwel vertrouwd te zijn. Wat weten wij van de aantrekkingskracht, van de electrische krachten anders, dan dat zij zekere verschijnselen voortbrengen, die zich onder bepaalde omstandigheden in eene zekere orde voordoen, welke men wetten noemt? Wij kennen de krachten alleen aan enkele verschijnselen, die zij voortbrengen, maar het eigenlijke wezen der krachten en zelfs het wezen dei-verschijnselen is een raadsel, een mysterie. Het geheele gebouw der natuurwetenschap is opgetrokken op enkele hypothesen, op een mysterie. Wanneer wij het griezelig zouden vinden, dat de eene mensch onder den invloed staat en handelt van den anderen, dan behoorden wij

ocr page 216

204

het even griezelig te vinden, dat wij, als we opspringen, weer direct door de aarde worden teruggetrokken. quot;Want ook dat begrijpen wij niet. Wij constateeren slechts het feit Toch schroomt men niet op bepaalde gronden dat verschijnsel in verband te brengen met een tal van andere verschijnselen, die men aan dezelfde oorzaak toeschrijft.

Evenmin nu als voor hem, die overtuigd is van het bestaan eener algemeene aantrekkingskracht, de wenteling der hemelbollen om hunne centra van aantrekking en het vallen van een regendruppel op de aarde verschijnselen zijn, die in het wezen der zaak verschillen, — evenmin kan hij, die het oog gevestigd houdt op de in alle levende individuen zetelende biologische kracht, een principieel verschil bespeuren tusschen de moeder, die bij haar kind de pijn wegkust, en den geneesheer, die op een enkel bevel den lamme laat loopen, den stomme doet spreken; of tusschen de in hypnotischen slaap verzonkenen, die op bevel van den magnetiseur eene bepaalde handeling zullen volbrengen, en het aangetreden bataljon, dat zoo aanstonds op bevel van den commandant het geweer zal schouderen, — al is ook in het laatste geval de suggestie in hoofdzaak kunstmatig, in het eerste geval natuurlijk; of tusschen de redenaars, schrijvers, artiesten, die door de kracht van hunne woorden of van hunne uitdrukkingswijzen bepaalde gevoelens en voorstellingen bij het auditorium of bij de lezers zullen suggereeren, en de met bijzon-

ocr page 217

205

dere biologische kracht toegerusten, die bij de gehypno-tiseerdeu de zonderlingste gewaarwordingen en voorstellingen zullen te voorschijn roepen. Het gaat bezwaarlijk aan in dit alles iets anders te zien dan een verschil in graad, in hoeveelheid, in intensiteit (1).

IL DE SUGGESTIE IN DE ZEDELIJKE OPVOEDING.

Vat men den toestand van hypnose op als een zeer teederen , eigenaardig-gevoeligen toestand , waarin men zeer vatbaar is voor indrukken en geneigd is om naar die indrukken te ageeren, dan volgt daaruit, dat de toestand , waarin het kind zich in de eerste levensjaren bevindt, een hypnotische toestand is. In deze beteeke-nis acht Guyau het kind dan ook uitermate hypnoti-seerbaar: bij eene groote mate van suggestibiliteit is

1

Het toeval heeft gewild, dat ik, even voor het ontvangen der drukproeven van dit opstel, in de Bibliothèque Universelle et Bevue Suisse van Februari 1891 een artikel aantrof van Émile Yiing: Hypnotisme et Psijclwloyie , dat geheel in overeenstemming is met de hier gegeven beschouwingen. Ook daarin wordt betoogd, dat er in de uitvoering van het bevel, gegeven door den meerdere aan den ondergeschikte of door de ouders aan het kind, en de verrichtingen van den gehypnotiseerde, die handelt op bevel van den hypnotiseur, geen principieel verschil kan bestaan. „II n\'existe entre ces fails que des differences quantitatives (pag. 279), zegt Yung. De overeenkomst tusschen deze beschouwingen en de door Yung gemaakte gevolgtrekkingen kwam mij te treffend voor, om er den belangstellenden lezer niet even opmerkzaam op (e maken.

ocr page 218

206

liet weerstandsvermogen tegen uitwendige invloeden hoogst gering. Deze uiterst subtiele toestand, waarin het kind in de eerste levensjaren verkeert, brengt mee eene verbazend krachtige inwerking van indrukken, die het kind ontvangt; sommige van die indrukken blijven voor het geheele leven, werken tot in hoogen ouderdom na , wanneer de herinnering aan later ontvangen indrukken soms geheel is uitgewischt. Bij hoogbejaarde kiudsch geworden menschen is soms de herinnering aan voorvallen en toestanden uit hunne eerste jeugd nog onverzwakt, terwijl van latere indrukken geen spoor meer te vinden is ; onwillekeurig komt men ertoe deze door alles heen blijvende indrukken op te vatten als postl)3rpnotisclie suggesties.

Op grond van die bestaande buitengewone gevoeligheid voor indrukken waarschuwt men dan ook tegen al te overweldigende indrukken bij kinderen. AVijlen de Hoogleeraar Gr. J. Mulder deelt daarvan in zijne autobiographic een treffend staaltje mee. Toen hij drie jaar oud was, ontstond er \'s avonds brand in een huis vlak bij de woning zijner ouders. Hij werd in den slaap opgenomen en naar buiten gedragen, daar men vreesde , dat door den sterken wind de belendende huizen zouden worden aangetast. Mulder beschrijft, hoe het zien van dien vuurgloed, het loeien van den wind, het gejoel der menschen, de ontsteltenis en de drukte een zoo overweldigenden indruk op hem hebben gemaakt, dat deze hem niet alleen nooit meer heeft verlaten, maar

ocr page 219

207

hem zelfs gedureude zijn geheele leveu eene kwelling is gebleven. Hij wijt daaraan zijn voortdurenden af keer van slapen en de ellendige perioden van slapeloooheid, waaraan hij zijn gelieele leven hééft geleden. „Xeem dien brand uit mijne eerste jeugd wegquot;, zegt luj , „en gy hebt een geheel ander inensch.quot;

Ook de besmettelijkheid van zenuwwerkingen eu zenuwaandoeningen schijnt bij kinderen bijzonder groot to zijn. Een kind te brengen in de omgeving van men-schen , die aan zenuwtrekkingen of aan zenuwaandoeningen lijden , van idioten, van personen met vitusdans, is niets minder dan hoogst gevaarlijk. Ook menige afdwaling in moreelen zin op lateren leeftijd kan het gevolg \'zijn van eene verkeerde of noodlottige suggestie, in de jeugd ontvangen.

Verschillende kinderen zijn in verschillende mate gevoelig voor indrukken; is liet kind zeer impressionabel, dan zal het op elke suggestie levendig en krachtig ageeren. In de biographiëen van zeer impressionabole menschen vindt men daarvan de meest treffende voorbeelden. Menschen, die b. v. genieën zijn geworden, hebben in hunne jeugd niet altijd eene bijzondere voorliefde getoond voor één zaak in \'t bijzonder, maar doorgaans wel eene groote gevoeligheid voor suggesties van zeer verschillenden aard. Het genie kenmerkt zich doorgaans door eene veel minder eenzijdige impressic-nabiliteit, dan men gewoonlijk wel meent. Bekend is b. v. de bijzondere gevoeligheid van Mozart, die zich reeds

ocr page 220

208

in de eerste levensjaren reeds openbaarde. Zeer karakteristiek is daaromtrent de mededeeling van Sehachtner, een huisvriend van Mozart\'s vader, die o. a. over den jongen Mozart hetquot; volgende meedeelt: „l.lcvor er die Musik anfmg, war er fïir jede Kinder ei, die mil ein lunchen Wilz anfmg , so em/p/anglich, dass er darüher Essen nnd Trinken und alles andere vergessen konnte. Er konnte nicht oft genug fragen, oh ich ihn lieh hütte, und wenn ich es auch nur zum Spasz verneinte , standen ihm gleich die helhten Thranen im Auge. Was man ihm ausserdem zu lemen gah, dem hing er so ganz an, dass er alles ührige, auch sogar die Musik auf die Seite setzte. In der Zeit, als er rechnen lernte, waren Tisch , Sessel, Clavier, ja sogar der Fussboden voll van Zijfern rnit der Kreide überschriehen. Er war voll Feuer, seine Neigung hing jede in Gegenstande sehr leuht an. Im Ermangelungs-jalle von so vortheilhaft ga ter Erziehung , wie er hatte , hatte er der ruchloseste Büsewicht werden kannen, so emp-fanglich war er f ür jeden lleiz , dessen Güte oder Schud-li chkeit er zu prüfen noch nicht im Stande war.quot;

Sehachtner maakt dus melding, ook in dit zeer speciaal geval, van de macht der verschillende invloeden op het impressionabele kind. Het gevoelige kinderhart — zooals men pleegt te zeggen — kan ten goede of ten kwade worden geleid, naar gelang van den aard der uitgeoefende suggesties. De geheele zedelijke opvoeding moet dus in hoofdzaak bestaan in het suggereeren van de overtuiging bij het kind , dat het in staat is tot het

ocr page 221

209

goede; dat het in zich heeft eene kracht, eene machtr waarover het kan beschikken, om goed te zijn en gced te doen, en waardoor het kan weerstand bieden aan de verleiding tot het kwade. Het weerstandsvermogen tegen schadelijke invloeden behoort dus bij het kind voortdu-durend versterkt, tegen goede invloeden daarentegen verzwakt te worden ; de resultante dezer werkingen moet dan noodwendig leiden tot eene ontwikkeling van het actieve element in gunstigen zin.

Ziedaar in korte trekken de taak van den opvoeder, zooals Gruyau die omschrijft. Hij vergelijkt de opvoeders van het kind bij hypnotiseurs , die met de middelen , welke hun ten dienste staan , en op eene wijze , die in overeenstemming is met de natuur van het te suggereeren individu , den wil van het kind hebben te ondersteunen en te ontwikkelen in goeden zin. Evenals men bij een persoon, die in hypnotischen slaap is gebracht, do overtuiging kan suggereeren, dat hij in staat is iets te doen of iets te laten, acht Guyau het tot stand komen van dergelijke suggesties bij het kind, uithoofde van deszelfs eigenaardigen hypnotischen toestand, altijd mogelijk. Te recht wijst hij erop , hoe dergelijke suggesties , in den vorm van eene uitgesproken stellige overtuiging , ook zelfs bij volwassen menschen, die dus in \'t algemeen een grooter weerstandsvermogen bezitten , in geheel normale omstandigheden in werking kunnen treden. Laat een jong, enthousiastisch advocaat, zegt hij , zijn cliënt, een dief, die misschien voor de tiende maal

MaüRIÏS smit, Kunst en l.ecen 14

ocr page 222

210

terechtstaat, ten aanschouwe van het geheele publiek de hand schudden ; laat hij in tegenwoordigheid van de geheele balie verklaren , dat hij zich vast overtuigd houdt, dat zijn cliënt zich nooit meer aan eenig misdrijf zal schuldig maken, — wellicht kan daardoor een zedelijke invloed worden uitgeoefend, krachtiger en blijvender dan door ellenlange vermaningen en zedepree-ken. Iemand te verdenken van misdaad en die verdenking te uiten , is soms al voldoende , om hem misdadig te maken. Daarentegen heeft de stellige betuiging van vertrouwen, het uitgesproken geloof in iemands goeden wil en in zijne deugdzaamheid een suggereerend vermogen , waardoor die hoedanigheden in hooge mate kunnen versterkt worden. De betuiging van hoogachting is een der machtigste middelen van suggestie ; iemand in de oogen van het publiek een zeker vermogen toe te kennen , heeft bijna altijd ten gevolge, dat die persoon door eene auto-suggestie dat vermogen in den aangeduiden zin ontwikkelt. Reeds bij de beroepssug-gostie werd van diezelfde uitwerking melding gemaakt. Op denzelfden grond nu , zegt Guyau, steunen de bekende regels voor de zedelijke opvoeding. Menige ondeugd kin in het kind worden gewekt door eene onverstandig aangebrachte, eene onhandige suggestie. Het kind te verdenken van eene ondeugd, van eene leugen en die verdenking te uiten , leidt dikwijls tot het ontwikkelen van die ondeugd of van het liegen. Daarentegen tot lt;ien traag kind te zeggen, dat hjj beter kan en dat gij

ocr page 223

211

u overtuigd houdt dat hij in \'t vervolg beter zal doen ; ot\' tot een leugenachtig kind te zeggen, dat gij er zeker van zijt dat hij niet meer liegen zal, is het eerste middel tot verbetering, tot versterking van den goeden wil.

Menigeen onder de lezers zal hier waarschijnlijk tegen dit reeds meermalen verkondigd beginsel protest aantee-kenen. De hier gegeven beschouwing is in hooge mate optimistisch, zal men zeggen ; in de practijk van de opvoeding stuit men op een tal van bezwaren en eigenaardigheden , waarmee bij deze theorie geene rekening is gehouden. Het kind zal met de verworven hoedanigheden een aantal erfelijke eigenschappen in zich vereenigen, die bezwaarlijk veranderd of onderdrukt kunnen worden. Wat vermag de opvoeding tegen de macht der herediteit, tegen het instinct, tegen geheel de natuur van het kind ?

Deze vraag wordt in onzen tijd verschillend beantwoord. De mesaingen hieromtrent zijn uiteenloopend, terwijl de juiste gronden voor die meeningen veelal ontbreken. Bij dit alles is de erfelijkheidsquaestie altijd het cardinale punt. Natuurkenners en wijsgee-ren zijn daarin voorgegaan, romanschrijvers en too- x neeldichters zijn gevolgd: de macht der aanstekelijkheid bestaat ook op intellectueel gebied. En als wij een oogenblik denken aan al de tragediën, die ons in den laatsten tijd als so.nbsre beelden der werkelijkheid en als naargeestige profetieën worden voorge-

14 *

ocr page 224

212

houden , dan moeten wij erkennen , dat wij het woord erfelijk niet kunnen noemen zonder een gevoel van groot ontzag, met een sterk tintje van vrees en angst. Sommigen meenen dat de opvoeding weinig of niets vermag, waar het erop aankomt het temperament, het karakter, de natuur van het individu te wijzigen ; dr.t er geen kruid is gewassen voor de zedelijke kwalen van al die bezetenen, misdadigers, overspanneuen en hysterici. Velen zijn van oordeel dat men evengoed als misdadiger of als dichter gewonnen en geboren wordt; dat de geheele zedelijke bestemming van het kind reeds vervat is in den moederschoot en zich in het leven overeenkomstig hare natuur moet ontwikkelen. Bij deze fatalisten heeft het geloof in de macht der erfelijke neurasthenie het geloof in de macht der opvoeding verdrongen. Weer anderen meenen op grond van ervaring of van enkele onderstellingen hiertegen te moeten protesteeren : zonder de macht der erfelijkheid te loochenen, kennen zij aan de opvoeding een vermogen toe, in staat om tot op eene zekere hoogte de eigenschappen in het kind te leiden en te wijzigen.

Een ieder gevoelt het hoogst gewichtige van dit probleem. De geheele menschheid is erbij betrokken. De oplossing van dit probleem moet van den grootsten invloed zijn op onze levensbeschouwing, op ons levensgeluk. quot;Wij wenschen geen fatalisten te zijn; en toch begrijpen we, dat wij alleen op een redelijken grond ons kunnen plaatsen aan de zijde van hen , die tegen

ocr page 225

213

de onbeperkte heerschappij van de hereditaire macht te velde trekken, indien wij het bestaan van eene even natuurlijke en uitgebreide macht kunnen aanwijzen, die in staat is die hereditaire macht te bedwingen en haar invloed te temperen.

Welnu, zegt Guyau, deze macht, die gij wenscht, bestaat: het is de suggestie. Indien de opvoeding niets meer kon zijn dan eene kunstmatige aankweeking en opfokking, dan zou elk schepsel tamelijk weerloos aan de macht der erfelijkheid zijn overgeleverd. Maar de opvoedende kracht is meer; zij is eene suggestieve kracht, die in staat is erfelijke neigingen, waar het noodig is, te bedwingen en te onderdrukken. De proefnemingen met suggestie en hypnose, in de laatste jaren door vele geneeskundigen weer met zooveel ijver opgevat, hebben niet alleen een tal van zenuwlijders van hunne kwalen verlost, maar zij hebben ook dit groote nut opgeleverd, dat proefondervindelijk is bewezenquot;, dat de mogelijkheid bestaat, om, door als het ware kunstmatige instincten in te voeren, erfelijke predisposities, hartstochten, ondeugden en kwalen te onderdrukken. Op het laatste geneeskundig congres te Berlijn (1890) is door Dr. Bérillon en Dr. Voisin melding gemaakt van gevallen van genezing van verslaafdheid aan den drank, van morphinomanie, van karakterfouten , van slechte zeden en kwade gewoonten, soms bij personen uit een geslacht, waarin die kwalen erfelijk voorkwamen. En zulke genezigen komen voortdurend

ocr page 226

214

voor; in al die gevallen wijkt de macht der erfelijkheid voor de macht der suggestie. Ku bestaat er geene enkele reden , zegt Guyau , om te veronderstellen, dat in den normalen staat, hij verschillende en zelfs zeer zwakke graden van hypnose, het invoeren van zedelijke gewaarwordingen en instincten door zuiver psychologische en zedelijke middelen niet mogelijk zou zijn. De waarneming van het feit, dat door de gewone maatschappelijke suggesties zulke eigenaardige veranderingen in het individu kunnen optreden en dat zelfs erfelijke neigingen, b. v. door de beroeps-suggestie, menigmaal worden onderdrukt, pleit zeer voor de juistheid dezer onderstelling.

. Vooral op de mogelijkheid van HEÏ WIJZIGEN VAX INSTINCTEN legt Guyau een bijzonderen nadruk. Hij herinnert eraan dat op psychologische gronden geen principieel onderscheid kan gemaakt worden tusschen instinct en gewoonte. Guyau verklaart het instinct identiek met erfelijke gewoonte. Die opvatting is niet van den laatsten tijd. Reeds Cuvier (1800) beschouwde zoowel het natuurlijk als het zedelijk instinct als ontstaan door eene soort van suggestie of somnambulisme, omdat het instinct ons een bevel tot handelen geeft, waarvan wij de reden niet kennen. In elk instinct ligt de eigenlijke kiem van een gevoel van noodzakelijkheid en zelfs van verplichting tot handelen. Wij luisteren naar de stem van ons geweten, maar wij weten niet vanwaar zij komt; wij weten alleen dat zij in ons is en dat zij is als een echo, van generatie tot

ocr page 227

215

generatie overgeplant en zoo eindelijk tot ons gekomen. Het geweten is evengoed eene quaestie van evolutie als-elk ander geestelijk ontwikkelingsproces in den mensch. Indien men nu vraagt aan een gehypnotiseerde, wien een bevel tot eene zekere handeling is gesuggereerd, waarom hij aldus gehandeld heeft, dan is het antwoord altijd , dat de door hem verrichte daad hem voorkwam als een hem opgelegde plicht, waaraan hij zich niet kon onttrekken; — of hij zal trachten , wanneer de handeling in strijd was met zijn karakter, zijne handeling te motiveeren. Geheel op dezelfde wijze handelt de mensch in het dagelijksch leven, gedreven door zijn zedelijk en natuurlijk instinct. En nu wij overtuigd zijn dat men niet alleen bepaalde handelingen kan sugge-reeren, maar ook bepaalde aandoeningen : aandoeningen van bewondering of van minachting, van sympathie of antipathie , van vrees, van liefde , van haat, en dat niet alleen momentaneel, maar ook blijvend — wordt daardoor de juistheid van de opvatting ook van het zedelijk instinct als eene erfelijke suggestie meer en meer bevestigd. Wij behoeven er ons dan niet over te verwonderen , wanneer wij vernemen , dat door suggestie instincten , erfelijke gewoonten kunnen worden gewijzigd of vernietigd ; want wat door suggestie is ontstaan, zal ook door suggestie wel te veranderen of te verdrijven zijn.

Wij hebben dan het kind te beschouwen als een complex van zyne erfelijke eigenschappen en van zijne suggestibiliteit. Bij de ontwikkeling van het kind treedt

ocr page 228

216

de macht der herediteit op als handhaafster van de eigenschappen der soort, die van geslacht tot geslacht zij a overgeplant, — de suggestibiliteit als wijzigster van de natuurlijke en zedelijke instincten. De suggesties, die door de omgeving voortdurend op het kind worden uitgeoefend , zullen het vermogen der herediteit óf ondersteunen óf tegenwerken. Daardoor is de taak ,. die de op voiding heeft te vervullen, duidelijk aangewezen: men zal de ontwikkeling der eigenschappen, die gunstig zijn voor het individu , trachten te bevorderen — en door een krachtigeu suggestieven invloed, geëvenredigd aaa het weerstandsvermogen en aan de natuur van het kind, de schadelijke neigingen pogen te weren en te onderdrukken.

Volgens deze zienswijze zou dus aan de opvoedingeen veel sterker wijzigend vermogen behooren toegekend te worden, dan volgens velen mogelijk werd geacht. Men zou dus hier de vraag kunnen stellen, of het feit, dat de uitkomsten van zoo menige opvoeding, waaraan veel zorg en moeite zijn besteed, toch zeer onbevredigend en onvoldoende kunnen zijn, niet in lijnrechte tegenspraak is met de hier uitgesproken onderstelling. Ten aanzien hiervan valt op te merken , dat de onbevredigende uitkomsten van eene zoogenaamd zorgvuldige opvoeding het gevolg kunnen zijn zoowel van den aard der aangewende suggestieve invloeden als van de groote suggestibiliteit van het opgevoede kind, waardoor de gesuggereerde hoedanigheden weer gemakkelijk kunnen

ocr page 229

217

plaats maken voor suggesties van minder nuttige en minder heilzame werking. De wijziging van de indivi-dueele eigenschappen, met de opvoeding aangevangen, wordt toch later in het maatschappelijk leven voortgezet; menigmaal blijken dan de sociale suggesties zoo krachtig te zijn, dat bij personen van groote suggesti-b\'liteit de vroeger ontvangen indrukken door nieuwere en soms door tegenovergestelde indrukken worden overvleugeld en vervangen. En dat laatste zal weer des te meer het geval kunnen zijn, naarmate de suggestieve invloeden in de eerste levensjaren minder krachtig zijn geweest of op eene minder handige of minder doeltreffende wijze zijn aangewend.

Nu zijn natuurlijk de ouders de aangewezen opvoeders van het kind. En toch zal het menigmaal voorkomen , dat het suggestief vermogen van de ouders op de kinderen onvoldoende blijkt te zijn. Daarvoor bestaan dikwijls zulke natuurlijke redenen , dat het in vele gevallen onbillijk zou zijn, den ouders daarvan een verwijt te maken. De gemeenzame omgang toch van de ouders met de kinderen leidt onwillekeurig tot eene vermindering van het gezag, dat de ouders soms op de kinderen dienen uit te oefenen; want al mogen aanhankelijkheid en liefde ook de basis vormen voor de leiding der kinderen , ook het gezag moet zich dikwijls laten gelden in de suggestieve invloeden, vooral waar het aankomt op eene wijziging of onderdrukking van verkeerde neigingen. Dat de ouders zich van dat onvermogen dikwijls

ocr page 230

218

bewust zijn, blijkt uit de overtuiging, waarmede zij de juistheid beamen van het bekende gezegde: vreemde oocjen dwingen.

Menigmaal kunnen voogden, onderwijzers, vreemden van kinderen meer gedaan krijgen dan de ouders, omdat het gezag in die ongewone suggestieve werkingen eene grootere rol speelt; waarschijnlijk komt ook daarbij de verandering van prikkel, waardoor de indruk en de uitwerking verlevendigd en verhoogd worden. De ondervinding leert dan ook, dat eene tijdelijke verplaatsing uit het ouderlijke huis in eene andere omgeving op kinderen, bij welke het weerstandsvermogen ten gevolge van erfelijke eigenschappen op sommige punten vrij sterk is ontwikkeld, doorgaans een heilzamen invloed uitoefent.

In hoever het wenschelijk zou zijn dat kinderen, waarbij zich hereditaire gebreken openbaren, die van een noodlottigen invloed op hun physiek of moreel leven kunnen zijn, in een sterkeren, dus meer abnormalen graad van hypnose gebracht zouden moeten worden, om door eene krachtige suggestie van die verderfelijke gewoonten verlost te worden, is eene quaestie, die op medisch terrein thuis behoort. Hierin zal ook de medicus alleen mogen beslissen. De medicus zal behooren aan te geven in hoever de substitutie van een voor het individu verderfelijk instinct door een ander kunstmatig gesuggereerd instinct zal kunnen plaats hebben, zonder dat daardoor eene bijzondere nerveuze dispositie of in \'t algemeen gevaarlijke zenuwstoringen zullen wor-

ocr page 231

219

den teweeggebracht. Natuurlijk mag het remedie niet erger zijn dan de kwaal.

Reeds zijn door Dr. Liebaulfc en vooral door Dr. Voisin bijzonder gunstige resultaten op het gebied van genezing van zedelijke kwalen door de psychische geneeswijze verkregen. In het reeds vroeger genoemde opstel van Emile Yung in de Revue Suisse vind ik hieromtrent nog het volgende vermeld: „Een bijzonder luie jongen, die altijd de laatste van zijne klasse was, werd in tegenwoordigheid van zijne moeder door Dr. Liébault éénmaal gehypnotiseerd. Toen de knaap in hypnotischen slaap was gebracht, suggereerde Dr. Liébault hem, „voortaan meer zijn best te doen en met veel ijver en toewijding te studeerenquot;. Na deze suggestie werd het gedrag van het kind zooveel beter, dat het in de zes eerstvolgende weken tot tweemaal toe de eerste van zijne klasse werd. Een ander kind, dat zeer achterlijk was en tot nog toe niet had kunnen lezen of rekenen, werd door Dr. L. herhaaldelijk gehypnotiseerd, met dit gevolg, dat het binnen twee maanden behoorlijk kon lezen en de vier hoofdbewerkingeu van de rekenkunde goed kende.quot; — Nadrukkelijk wijst ook Yung er op , dat de aanwending van de hypnotische suggestie bij kinderen met de meeste omzichtigheid moet geschieden en nooit mag plaats hebben, dan nadat alle andere pogingen van onderwijs en van opvoeders vruchteloos zijn gebleken. Door Dr. Delboeuf is ook voor eenigen tijd voorgesteld deze methode aan te wenden in de ver-

ocr page 232

220

beteringsgestichten voor jeugdige boosdoeners, en vele geneeskundigen hebben zijn voorbeeld gevolgd.

Wat de onhandige en verkeerde suggestieve invloeden betreft, daartegen kunnen de ouders zich althans gedeeltelijk wapenen, door zich vertrouwd te maken met de meest algemeene regels voor opvoedkunde. Natuurlijk voorzien deze niet in alle gevallen; en bovendien, al kenden wij ze ook uit het hoofd, wij zullen allen nog wel eens onhandig zijn, zoolang wij niet onfeilbaar zijn. Ervaring en observatie zullen in de eerste plaats noodig blijven, en vooral waakzaamheid, dat niet door een verkeerden omgang met slechte vrienden schadelijke suggesties worden uitgeoefend. Door de taak van den opvoeder te identifieeren met de werking van den hypnotiseur, wordt de opvoeder in dubbele mate opmerkzaam gemaakt op het hoogst gewichtige van zijne taak en op de verantwoordelijkheid, die op hem rust. De gevolgen van eene suggestie kunnen toch evenzeer heilzaam als verderfelijk zijn en zich uitstrekken over het geheele leven, door de wet der erfelijkheid zich zelfs uitbreiden van geslacht tot geslacht. De ouders kunnen dus niet genoegzaam doordrongen zijn van het groote gewicht der invloeden, die door de geheele omgeving op het kind worden uitgeoefend. Reeds boven is in \'t algemeen aangegeven, in welken zin de suggesties op het voor indrukken zoo gevoelige kind behooren te geschieden, opdat zijn goede wil zooveel mogelijk gesteund worde. Verder is het hier

ocr page 233

221

de plaats niet in bijzondere overwegingen te treden betreffende de bestaande opvoedkundige regels en voorschriften. Alleen kan het van belang geacht worden, een paar van de meest algemeen bekende voorschriften in verband met de suggestie te beschouwen.

Evenals bij de sociale suggestie het gesproken woord en de aanstekelijkheid van alle werkingen, die met het zenuwleven in verband staan, de hoofdfactoren zijn, zoo treden ook deze als hoofdwerkingen bij de opvoeding op. De toon, waarop een vermanend of goedkeurend woord, tot een kind gericht, wordt uitgesproken, — de ernst, het vaste geloof en het vertrouwen in de uitgesproken overtuiging bepalen de kracht van suggestie op het kind. Alles, wat onvast, nevelachtig, wankelbaar is, mist zijne werking in de opvoeding. Het kind, dat zoo uiterst gevoelige en beweeglijke magneetnaaldje, zoekt een houvast voor zijn evenwichtsstand, die elk oogenblik verstoord wordt; het zoekt een sterken magneet , om zich daarnaar te richten. Op dien grond waarschuwt ook Guyau tegen eene voortdurende her-baling van waarschuwingen en bedreigingen en tegen het overmatig gebruik van voorwaardelijke uitdrukkingen, zooals b. v. tegen het bij ons gebruikelijke woord als. „Pas op, als je dat weer doet, zal ik je bestraffen.quot; Dit als doet in den geest van het kind allerlei afwijkingen ontstaan uit de richting, waarin men den wil tracht te brengen; want door deze zwakke suggestie zou juist plaats worden gemaakt voor en gelegenheid worden gegeven

ocr page 234

222

tot het tot stand komen van eene auto-suggestie, die in afwijkenden of in tegenovergestel.den zin werkt. De strenge opvoeder, mits hij consequent, billijk, overtuigend en en niet veeleischend zij, zal daarom meer uitwerken dan iemand, die meegaande of geneigd is in beschouwingen t» vervallen, die het kind verwarren en besluiteloos maken. Daarom is het ook absurd, alle gezag uit de opvoeding te willen verbannen en te droomen van eene volkomen vrije ontwikkeling; wie zich aan die proef heeft gewaagd, heeft er dan ook doorgaans de wrange vruchten van geplukt.

Ook ten aanzien van de straf, die in enkele gevallen als correctiemiddel moet worden aangewend, plaatst Guyau zich op het standpunt van bekende paedagogen. Zelfs de lichamelijke straffen kunnen bij kinderen , die niet al te gevoelig van aard zijn, nu en dan tot goede resultaten leiden, mits de opvoeder zich daarbij nimmer laat verleiden tot drift of geweld en alleen zijne verontwaardiging toone over de begane ondeugd. Elke straf mag, volkens Guyau, nooit meer zijn dan een symbool en moet als zoodanig eene zedelijke tint hebben; vrees in te boezemen door straf, is in \'t algemeen eene dei-schadelijkste suggesties, want dat leidt tot liegen en huichelen. De hoofdzaak is dat men het kind tot de overtuiging brenge, dat het op weg was zichzelf te be-nadeelen en dat het daardoor zijn opvoeders verdriet heeft aangedaan. Waar dit laatste gevoel ingang vindt, wordt de straf nagenoeg overbodig.

ocr page 235

223

Instinctmatig verlangt het kind naar eeno leiding, waardoor eene zekere orde, een zekere rhythmus wordt gebracht in zijn denken en doen en waardoor de basis wordt gelegd voor DE GEWOONTE. Sommigen beweren ten onrechte, dat kinderen in \'t algemeen aan wanorde de voorkeur zouden geven: zij mogen het een tijdlang aangenaam vinden, aan hunne willekeur en ingevingen vrij gevolg te geven, •— ten slotte verveelt hen toch de wanorde en zij zullen altijd een gevoel van geringschatting hebben voor hem , die de orde niet wist te handhaven of te herstellen. Gruyau wijst met nadruk niet alleen op de macht der gewoonten, maar ook op den ernst, waarmee het kind, evenals de mensch in den primitieven ontwikkelingstoestand , aan de gewoonte, als aan iets heiligs, vasthoudt. Op die instinctmatige gehechtheid aan gewoonten berust zeker ook in het maatschappelijk leven het vasthouden aan bepaalde gebruiken en vormen en in hoofdzaak de omvangrijke invloed van het reeds vroeger besproken conventioneel gezag. Zelfs kan men aannemen dat de herediteit zelve voor een groot deel gegrond is op het verlangen naar den terugkeer en naar de herhaling van eenzelfde verschijnsel onder denzelfden vorm , op de behoefte aan het volgen van bepaalde gewoonten.

Uit de gewoonte ontstaat het vermogen van iets te kunnen, en het besef van te kunnen leidt tot het moeten, tot het gevoel van ylicht. Guyau acht het onjuist het gevoel van plicht geheel te identifieeren met het

ocr page 236

224

gevoel van dwang, zooals meermalen wordt gedaan. In het plichtgevoel ziet hij veeleer een gevoel van macht. „ Pouvoir agir, c\'est devoir agir. Chez les êtres intérieurs , oü la vie intellectuelle est en travee et étouffée , il y a peu de devoirs; mais c\'est qu\'il y a peu de pouvoirs.quot; Met dat gevoel van plicht — het bewustzijn van te hunnen — gaat samen het instinctmatig streven naar beter: ik kan meer en beter, dus ik w\'ü meer en beter. Die neiging van den menschelijken geest, om te streven naar een maximum van werking, is, volgens Kant, een dei-meest algemeene kenmerken der practische rede. Hoe meer men doet, hoe meer en hoe beter men wil doen; die neiging tot ontplooiing van een maximum van vermogen wordt door de erfelijkheid ontwikkeld en kan door de opvoeding worden aangekweekt. Die krachtige impulsie wordt tot eene gewoonte , evenals andere neigingen. Elke gewoonte wordt voor het individu eene zekere formule van handeling, eene immanente wet, die, zooals boven reeds is gezegd, door erfelijkheid wordt tot instinct. Men zou de vraag kunnen stellen, zegt Guyau, of alle wetten, de natuurwetten daaronder begrepen, niet zouden zijn terug te brengen tot gewoonten.

Daarom is het ook nuttig, het kind eene taak op te geven; daardoor gewent het zich om iets te tvillen, en door het volbrengen van zijne taak wordt het besef opgewekt te kunnen. Zoo suggereert men het zelfvertrouwen ; en het zelfvertrouwen, het gelooven in eigen kracht mag eene der heilzaamste auto-suggesties heeten.

ocr page 237

225

Daarom moet ook de opgegeven taak nimmer te zwaaien geëvenredigd zijn aan de krachten van het kind; door de taak te zwaar te maken, kan het zelfvertrouwen geschokt en ondermijnd worden.

Krachtiger nog dan het voorschrift werkt bij dit alles DE INVLOED VAN HET VOORBEELD en van de daad. De behoefte tot navolging is bij het kind doorgaans zóó sterk, dat het in al zijn doen en spreken dikwijls het karakter draagt van de omgeving, waarin het is grootgebracht. Zoo wordt ook het denkbeeld van liefde voor anderen, van mededeelzaamheid in het kind eerst ontwikkeld door het zien liefhebben, het zien geven.

Het kind is van nature egoist. Men zou, indien men een kind in zijn eerste ontwikkelingstijdperk gadeslaat, moeilijk kunnen beweren , dat de liefde het individu is aangeboren. Alle bewegingen van het jonge kind , alle kleine gewaarwordingen en aandoeningen zijn gericht op zijn eigen ik. Het gevoel van welbehagen ontlokt het kind een glimlach van vreugde , een kreet — latei-mengt zich onder die gewaarwording een gevoel van dankbaarheid voor de weldaden, die het ontvangt, en in de erkenning van de weldaad ligt de kiem van het gevoel van liefde. Zoo wordt bij de verdere ontwikkeling het kind , door het observeeren van zijne weldoeners , door imitatie gebracht tot geven, vooral wanneer men het daarbij opmerkzaam maakt op het genot en het geluk, dat in het geven is gelegen. Door het ver-MauritS Smit, Kunst en Leven. 15

ocr page 238

226

trouwen op de realiteit van de liefde zijner opvoeders worden de egoistische neigingen gaandeweg verzwakt en er wordt plaats gemaakt voor het altruïsme, voor het gemeenschapsgevoel.

Guyau onderscheidt de door de opvoeding te ontwikkelen soorten van gevoel in twee hoofdgroepen: het gevoel van sociabiliteit en dat van anti-sociabiliteit. De laatste behooren door de opvoeding onderdrukt — de eerste, de soorten van gemeenschapsgevoel, door de opvoeding aangekweekt te worden. Heeds zeer vroeg moet men het kind gewennen om bij al wat het wil doen, te denken aan „het verdriet, dat hij anderen daarmee zou kunnen aandoenquot;, want die gedachte is de basis van het ware gemeenschapsgevoel. Sommige stemmingen, zooals pruilen, stuurschheid, een slecht humeur, die dikwijls van weinig beteekenis worden geacht, trachte men door gepaste middelen bij het kind te onderdrukken ; want j uist in die stemmingen ligt de kiem van aandoeningen , die in strijd zijn met het gemeenschapsgevoel. En het is juist dat gebrek aan gemeenschapsgevoel , dat, gepaard aan eene zekere machteloosheid en een gebrek aan zelfbeheersching, de ontzenuwden, do misdadigers , de déséquilibrés in \'t algemeen kenmerkt. Juist bij dezen treffen wij doorgaans een verregaand egoïsme, een blinde ingenomenheid met zichzelf aan ; daar vinden wij altijd dat denken aan het eigen ik, dat door eene krachtige moreele suggestie zeker voor oen doel onderdrukt had kunnen worden.

ocr page 239

227

Bij eene beoordeeling van de meerdere of mindere toerekenbaarheid van den misdadiger zou men dus vooral hebben na te gaan , in hoever de voor hem zoo noodige heilzame suggestieve invloeden, vooral ook gedurende de opvoeding, hebben ontbroken. Zeker is het, dat van een psychologisch standpunt de quaestie der toerekenbaarheid , de vraag, in hoever de zelfstandige critiek zich bij het plegen van het misdrijf al of niet heeft kunnen doen gelden, in de strafwetgeving een van de moeilijkste door den jurist op te lossen problemen is geworden. Hot stellen van eene bepaalde straf voor een bepaald misdrijf wordt onmogelijk en onhoudbaar, zoodra men rekening gaat houden met de erfelijke eigenschappen en met de suggestieve invloeden , die op den misdadiger , zoowel in zijne jeugd als op lateren leeftijd, hebben ingewerkt. En toch zal het niet aangaan, nu eens het oog voor deze psychische verschijnselen is geopend, daarmede geene rekening te houden en zich te bepalen tot eene soms vrij oppervlakkige opgave van verzachtende omstandigheden; het rechtsgevoel zou daartegen in opstand komen. Terwijl natuurlijk do noodzakelijkheid van liet onschadelijk maken van personen, die zondigen tegen do burgerlijke en zedelijke wetten, zal blijven bestaan, kan hot niet anders, of in de verhouding der toe te kennen straffen zal gaandeweg een groote wijziging worden gebracht.

Dia hoogst belangrijke kwesties zijn op het onlangs

ocr page 240

228

te Brussel gehouden Crimineel Anthropologisch Congres (Augustus \'92) behandeld. Uit hetgeen daar door Yer-schillende psychologen , rechtsgeleerden, medici en geleerden is besproken en meegedeeld, mag men, in verband met de wenschen die door het Congres zijn aangenomen, besluiten dat ingrijpende wijzigingen en verbeteringen in de rechtspleging en in de strafwetgeving mettertijd niet zullen uitblijven.

Algemeen werd op dit congres de theorie van Lom-broso, die het bestaan van geboren misdadigers aanneemt en die uitgaat van een misdadigerstype dat anatomisch, organisch bewijsbaar zou zijn, scherp gecritiseerd en als onjuist en onvolledig verworpen. De misdadiger behoort beschouwd te worden als een gedegenereerde; hij is een produkt van de sociale omgeving, waarin hij is opgegroeid. Elk misdrijf behoort te worden beschouwd als een psychologisch probleem , waarbij de vraag dient gesteld te worden: hoe werken de verschillende phy-siologische omstandigheden en maatschappelijke verhoudingen , waarin de misdadiger is geplaatst, op zijn gemoed en op zijn geest? Om deze vraag zoo volledig mogelijk te kunnen beantwoorden, zal de rechter doorgaans met het advies van den geneeskundige, van den psycholoog moeten te rade gaan. Het algemeen gevoelen was dat het hoog noodig was dat in crimineels zaken de rechters meer grondige kennis verkrijgen van de omgeving, in wier midden zij leven en waarover zij moeten rechtspreken. Het was vooral Dr. quot;VVinkler (uit Utrecht) die

ocr page 241

229

op de noodzakelijkheid wees, dat zoowel toekomstige doktoren, die in strafprocessen zullen worden gehoord, als de toekomstige rechters en advocaten, die de toestanden der misdadigers zullen moeten begrijpen om ze te beoordeelen, zich vertrouwd dienen te maken met de studie en met de methode der crimineeje anthropologie. Immers deze studie is het uitgangspunt zoowel van de krankzinnige als van de misdadige wereld; op dit punt zullen dus de rechtsgeleerdheid en de medicijnen meer tot elkaar moeten naderen. Onder de eind-wenschen, die door het congres zijn aangenomen, behoorde dan ook allereerst het verplichtend stellen van de anthropologisch-crimineele studiën voor de studenten in de rechten en in de medicynen. Verder werd \'t wenschelijk geacht in alle landen de methode der anthropologische metingen en signalementen volgens Dr. Bertillon (de Bertillon-nage) in te voeren benevens een verbetering in de „feuilles de renseignementquot; in strafzaken, waardoor men een beter oordeel zou kunnen vellen over den lichamelijken en geestelijken toestand der beklaagden. In \'t algemeen zal een grondiger psychisch onderzoek naar den geestestoestand der gevangenen noodig worden, welk onderzoek zal kunnen bevorderd worden door de voorwaardelijke veroordeeling en door de oprichting van speciale asyls, die afgescheiden zijn van de eigenlijke gevangenissen en krankzinnigengestichten.

Uit deze wenschen, door het congres geuit en aangenomen, blijkt dus duidelijk welk standpunt men in den

ocr page 242

230

eerstkomenden tijd door den strafrechter wenscht ingenomen te zien.

Uit hetgeen ik hier heb meegedeeld, blijkt genoegzaam dat ook van het standpunt beschouwd, waarvan Griiyan uitgaat, alle wcnschelijke veranderingen en hervormingen in de bestaande maatschappelijke toestanden voor een groot deel zullen worden bedongen door de opvoeding der komende geslachten. Alleen van de meerdere ontwikkeling van het altruïstische en het humanistische gevoel verwacht hij een trapsgewijs opklimmende vervorming en verheffing van het gemeenschapsleven , waarin gaandeweg het conventioneele en het kunstmatige gezag zal moeten plaats maken voor een meer natuurlijk gezag, waarvan de basis is gelegen in de hoogere zedelijke natuur van den mensch. Uitgaande van de niet te loochenen suggereerende invloeden, die in de jeugd met de eigenlijke opvoeding zijn aangevangen en die in het maatschappelijk leven onverzwakt blijven doorwerken, en rekening houdende met do daarbij voorkomende ontelbare en onmerkbare overgangen van normale tot abnormale toestanden, opent hij het oog voor een natuurlijk verband, maakt hij ons opmerkzaam op een zekere orde in de soms schijnbaar zoo tegenstrijdige on vaak zonderlinge verschijnselen in het maatschappelijk leven.

Maar bovenal — want dit is zeker niet do minst belangrijke zijde van zijne beschouwing — worden wij

ocr page 243

231

door deze opvatting ertoe geleid, om in de invloeden , die zich in het gemeenschapsleven openbaren, eene macht te erkennen, die als wijzigster optreedt van de zoozeer geduchte macht der herediteit. Die schrikgestalte wijkt bij deze beschouwing terug, hare zoozeer gevreesde despotische macht wordt teruggebracht tot een zuiver constitutioneelen regeeringsvorm.

Zal deze opvatting al te optimistisch mogen worden genoemd — zal zij niet meer zijn dan een losse hypothese, in strijd met de werkelijkheid?

Weinigen zullen er zijn, die, rekening houdende met de aanvankelijke resultaten der nieuwere wetenschappen, zulks zonder voorbehoud zullen durven beamen. Zonder vooruit te loopen op de groote wetenschappelijke ontdekkingen van den laatsten tijd en zonder de waarde daarvan te overschatten, kunnen wij ons toch, op grond van de steeds toenemende ervaringskennis, wel overtuigd houden, dat de mensch meer is dan de machtelooze drager van parasieten en van erfelijke kwalen. Terwijl een Pasteur, een Koch, een Liebreich ons trachten aan te wijzen, hoe langs physiologischen weg die schadelijke invloeden zijn te bekampen, toonen ons een Liébault, een Charcot, een Bernheim en verder allen, die in hun geest experimenteeren, hoe zulks langs psychischen weg zal kunnen geschieden. En door die psychische invloeden na te sporen tot in de zwakkere graden, waar

ocr page 244

232

wij ze weer in de normale, alledaagsche toestanden en verhoudingen aantreffen, bestaat er alle grond om te zeggen, dat de opvoeder niet geheel machteloos staat tegenover het kind, noch de mensch tegenover zich-zelven. Brengen wij dat in verband met den zich overal openbarenden, steeds toenemenden drang naar zelfstandige ontwikkeling van het menschelijk bewustzijn, dan is men geneigd met Guyau te gelooven dat de ontwikkeling van het menschelijk geslacht niet volgens een cirkel , maar volgens een spiraalgang voortschrijdt.

ocr page 245
ocr page 246
ocr page 247
ocr page 248

Bij de Uitgevers dezes is mede verschenen:

HEMEL en AARDE,

Populair® beschrijving van het Heelal, naar PLAMMAEION

DOOK

Dr. B. C. GOUDSMIT.

Met meer dan 100 illustratiëa.

Prijs inj;. f 3, iO, seb. f 2-90o

ARNOLD BERKEN,

N v\'i • • quot;t- \' ■ V*

SOCIALE ROMAN ,

NAAK

quot; ■ i . - ■ „, \' -v?

ERNST WICHERT.

Prijs f *i,4».

\'\' i