(\\5X»
tSlT)
â¢; y.::»;- â â â¦;⢠gt;:: .gt;:. x x gt;-..,gt;x.x .gt;:. x x .gt;â - gt;â v. x a v â gt;: x x x x
* 1? * M M M * M M *
x: x:; x:- x;.x.;x.vx x/ x, x x .x x .x Xv X:
â gt;:, ⢠â V â , - ⢠V * . ⢠â¢
~v.y
quot;15quot;
(5#=^*
E E Æ4 E PERIODE
âuit het leven
ö)
y. g g ;
jft « ^ ^ ^
e)
5 nan iliitvn!x
t t
⦠* ij(H( Sint- 1 ilcgamlc.
|
⢠| ||
|
x::x.x.x.x::x.x^x.gt;j |
. :X X X- X-..gt; | |
|
% ^ ^ ^ | ||
|
^..x- x :lt; x, xx: v x. x |
gt;; â gt;;:. gt;, .-â¦gt; | |
|
e â=: |
c®) |
DOOFl
B. PEGMAN Hz.,
Hoofd der Chr. School te \'s-Heer en Loo.
VAN
[0^--^
_2L.
MET EEN WOORD VOORAF VAN
D3. M. J. VAN DER ^öögt.
.^^3)
vm.x.-x:x.vxix-x x.xx- X xxx x x: x: x. x..x: x x-x x x x. x x x. x x gt;-. gt;⢠x: x x. x: X\' .x\'.gt;- x. x x. x.x x. x:x â¢
i M M^ ^ ^ ^ M ^ M M
1
wn
I: i~J
â x^x x x...xv.x.\'x:..x x gt;; x; x xl\' x x FV v-:quot; x x X\' x -«fx\'x \'^gt;quot;gt;quot;quot;,7quot;quot;;- gt;:⢠gt;:⢠gt;- ..⢠.:â¢â y x. ^ x x x. x\' x. ;â¦
â¢xsx)
Cns*
C. oct.
A ^ - .
lo /z
Wie aanteeketr\'ngen maakt in de boeken der Universiteitsbibliotheek, is verplicht een nieuw exemplaar te vergoeden. In= dien bij het uitleenen niet direct is opgemerkt en op het re^u vermeld, dat daarin strepen of aanteekeningen met potlood of inkt voorkomen, dan wordt de leener in zijn eigen belang aangeraden hiervan onmiddellijk kennis te geven, daar hij anders gevaar loopt hiervoor aansprakelijk te worden gesteld.
UTRECHT, April 1934.
De Bibliothecaris Dr. A. HULSHOF
UJ
dpgt; F 0 /4
EENE PERIODE UIT HET LEVEN
VAN
fan immx vi hl-
B. P E G M A N Hz.,
Hoofd dor dir. School tc \'.v-Heeren Loo.
Met een voorwoord van 2)s. M- -3. van der Hoogt.
\'V \'---u
wS j
ERMELO, ZENDINGSDRUKKERIJ.
EEN WOORD VOORAF-
Gaarne voldoe ik aan het verzoek van den en uitgever, om aan dit geschrift over Marnix van Sint Aldogonde een inleidend woord vooraf te doen gaan.
Niet omdat het dit noodig zou hebben, om van eene gunstige ontvangst bij het publiek verzekerd te zijn ; hot werkje zal wel voor zich zelf spreken; maar omdat het mij gelegenheid geeft openlijk mijne blijdschap te betuigen over de gemeen-making door de pers van wat als voordracht in meer beperkten kring met onverdeeld genoegen is aangehoord.
De heer Pegman heeft er goed aan gedaan, om met terzijdestelling van de hem eigene schroomvalligheid, die hem niet licht uit zijn afgezonderden werkkring op het stille \'s-Heerenloo naar het publiek terrein van den redenaar en schrijver doet uitgaan, deze studie aan de pers toe te vertrouwen.
Ik twijfel niet of zij zal haren weg vinden naar huis en hart dergenen, die, mede ter toetsing en verklaring van hedendaagsche toestanden, gaarne een blik werpen in het verleden, en die zich daarbij het liefst laten leiden en voorlichten door studiën als deze, waarin de groote mannen, die vóór ons geweest zijn, ten voeten uit worden geteekend.
Het kan nooit anders dan een weldadigen invloed hebben op het thans levend geslacht, als het nog eens gewezen wordt op die kloeke heldengestalten uit onze vaderlandsche historie, die in hun tijd golden als âlevend programquot; van de beginselen, welke zij in Gods mogendheid naar Zijn heilig Woord voorstonden en in toepassing brachten.
Staande op de schouderen van ons voorgeslacht, maken
wij daar mot ouzo kloinlioid cn ongliartighoid, ons gomis aan kloekheid on veerkracht, onze vluchtigheid in donken en doen, eeue helaas maar al te poovere figuur.
Zeker, er zijn ook onder ons mannon van talent, begiftigd met een machtigen geest. Maar groote gooston zijn nog geen grooto mannen.
De wetenschap is ook onder ons in eore. Maar geleerdheid is nog goon gezond verstand.
De godsdienst wordt ook nu nog door velen gezocht. Maar godsdienstigheid is nog geene godsvrucht.
Aan reformatorische bewegingen ontbreekt het ook thans niet. Maar zij bepalen zich vaak moer tot uitwendige vormen dan dat zij het innerlijk wezen raken, terwijl eeno onmiskenbare neiging tot formalistisch drijven gebrek verraadt aan geestelijke drijfkracht.
Dat dan onze rijke historie met hare heroïeke figuren tot het nageslacht spreke, ter beschaming en verootmoediging bij ontdekking van het grooto verschil tusschen voorhoen en thans, maar ook ter opwekking en bemoediging bij de gedachte, dat al wat onze vaderen aan wijsheid en kracht bezaten, gevloeid is uit dezelfde Bron, die ook thans nog is geopend.
Zij daartoe ook dit geschrift, waarmee do schat onzer historische litteratuur niet onverdienstelijk wordt vermeerderd, een gezegend middel.
Ermolo-Vel dw ij k, Febr. 1897.
M. J. VAN DER HOOGT.
Eene periode uit het leVeq
van
j-\'hilips van jaarhix van jslnt-yf^ldegonde.
âMen zegtquot;, zoo besluit Da Costa zijn zwanenzang De Slarj hij Nicuwpoort,
.Men zegt, dat op dien stond, bij \'t dond\'ren der bazuinen. Twee guoote schaduwen gezien zijn op de duinen.
De een, prinslijk van gestalte, en niet de rechterhand Geslagen op liet hart en die voor God en \'t land Door \'t opgetogen oog zoo wel erkenbre wonde,
Terwijl de linker, aan den halsvriend (Aldeooxdk, In zweem en zwier gelijk) zich vasthield; beider oog Met dankb\'ren weemoed, dan geheven naar omhoog. Dan weer omlaag gewend naar \'t strand en naar die velden. Pas van het bloed doorweekt der Nederlandsche heldenquot;.
Ziedaar in treffend beeld u de plaats aangewezen, welke Ai.dkoommo aan de zijde van Oua.vje innam in den vrijheidskamp onzer vaderen. Oprechte vriendschap, gevoegd bij hartelijke belangstelling in de zaak van het verdrukte volk, bracht beide mannen samen.
AVilt ge U het beeld van onzen held geschetst?
Mevrouw Bosüoom-Toussaixt teekent hem ons in Leicester in Nederland, wanneer ze do woordvoerders der verschillende partijen op kerkelijk en staatkundig gebied ten huize van den kanselier van Gelderland, Dk. Ei.p.ert Leo.ninus, samen-
6
brengt. â âToen deze edelmanquot;, zegt ze, âden hoed aflichtte, zag men een ernstig en schrander gelaat met een hoog voorhoofd, dat nog sterker uitkwam door het kort afgesneden haar, dat, als de mode eischte, naar boven opgericht was, met sterk geteekende wenkbrauwen, die zich welfden over donkere, zwaarmoedige oogen; een paar groeven onder de oogleden, enkele rimpels op het voorhoofd en eenige vermagering waren niet de eenige kenmerken van een eenigszins gevorderden leeftijd en zware levensondervinding. Het haar grijsde aanvankelijk, de knevels aan de bovenlip en het spitse kinvlokje droegen mede die tint van oudlieid. De neus was in betere verhouding tot de overige trekken dan het voorhoofd en de kin was spichtig en fijn. Dit laatste wordt wel eens voor een kenmerk van schranderheid gehouden en hier althans werd die opmerking der gelaatkundigen niet gelogenstraft.quot; Inderdaad Aldegonde was een man, die, behalve nauwkeurige kennis van alle talen en eene onmetelijke geleerdheid, eene wonderlijke gevatheid in het weerleggen van zijne tegenstanders, eene bijzondere helderheid in het schrijven en eene buitengewone scherpzinnigheid aan den dag legde. â Hij was de eersteling van een geslacht, dat onder andere vormen, nog gemimen tijd eene waardige plaats innemen zou. Hij, de edelman-theoloog-philoloog, de edel-man-dichter, prozaschrijver, tevens rechtsgeleerde, diplomaat, stedenbestuurder, soldaat. In \'t kort, een man van grooten bedrijve, besogne en memorie, ja, singnlier in alles. â Een man, wiens gehecle leven één strijd was voor den naam en de zaak des Heeren, die niet zocht het genot dezer wereld, maar wien de zinspreuk, die hij zich koos, âLe repos ailleurs!quot; (de ruste elders) eene zaak des harten was.quot;
PuiLirs van Mak.nix, J [eer van Mout Sint-Aldegonde, een dorpje van Henegouwen, in de nabijheid van Charleroi gelegen, West-Souburg en Touwinck, werd in het jaar 1538 te Brussel geboren in het hoekhuis aan de straat en het plein van liet tegenwoordig Museum. Hij was de jongere zoon uit het huwelijk van Jacou van Mak.mx, Heer van
Thoulouse, commissaris-gcnoraal der monstering in de Ncd., en Maug. d\'Haméeicourt. Zijn grootvader, Jan van Maenix, secretaris en thesaurier der landvoogdesse Maugauetua van Oostenrijk, was met deze vorstin uit Savoije in de Nederlanden gekomen. Van aanzienlijke familie, genoot hij eene zorgvuldige opvoeding, en hoewel ons van de jeugd en jongelingsjaren van F imps evenals van zoovele groote mannen van dien tijd, weinig met zekerheid bekend is, dit staat echter vast, dat hij en zijn oudere broeder Jan beiden te Leuven hebben gestudeerd en dat zo zich ter voltooiing hunner studiën naar Grenève begaven. Hier woonden ze de lessen bij van Calvijn, wiens huisgenootcn ze eenigen tijd waren, en later die van Beza. Hier maakten ze kennis met zoovele groote mannen, die van heinde en verre gekomen waren, om don grooten Meester te hooren, o. a. met Joux Knox, Schotlands grooten Reformator in ballingschap. Wat zij daar hoorden, was den Roomsch opgevoeden, doch humanistisch gezinden jongelingen geheel nieuw. De consequentie der denkbeelden van die vaders der reformatie â het wonder-schoone, het massieve van de gereformeerde leer naar de grondstellingen van Calvijn maakte een overweldigenden indruk op de naar waarheid dorstende edellieden. De Heere opende hunne oogen voor Zijne waarheid. Hij leerde hun den weg der zaligheid kennen en nu konden de broeders met vrijmoedigheid zich scharen aan do zijde van de om hun geloof zoo zeer vervolgde landgenooten.
Jan de man van de daad, Philips de man van het woord en de daad.
\'t Was op een avond, zoo vonden we vermeld, dat Beza, die zich zeer tot den ernstigen Piiilu» voelde aangetrokken, in den kleinen vriendenkring zijn leerling aldus toesprak: -Jonge vriend! gij staat aan den ingang van het leven! Dat leven schijnt U een lusthof, waarin de schoonste bloemen U toelachen, en gij â ge hebt ze voor het plukken. Maar ge weet ook, dat rozen dorens hebben; ge hebt reeds geleerd, dat geen lauwerkrans zonder strijd, gociie kroou
8
zonder kruis verkregen wordt. Gij zult, hoop ik, nog lang hier toeven, maar dan roept u het leven, de strijd voor kerk en land, en dan wordt het de vraag, wien ge gehoorzamen zult, voor wien go de knie zult buigen.quot;
Philips staat op; met van geestdrift gloeiend oog en vaste stem, die de andereu bezielt, roept hij uit: âDoor Gods genade, ja â Hem wil ik dienen. Hem alleen. Hem met al mijne kracht. Strijden wil ik voor Zijn woord, het zuivere Woord des levens; lijden wil ik, met de arme schapen Christi en sterven zal ik, des noods zijnde, met mijnen Heilandquot;.
Zoo was de keuze gedaan, eene keuze beslissend voor geheel zijn volgend leven. Sbg twee jaren vertoefden de broeders aan Geneve\'s hoogeschool en na een kort uitstapje door Noord-Italië keerden zo naar het vaderland terug. Hier was echter de ontvangst niet, zooals ze die hadden mogen hopen. Hun vader was hertrouwd en verkeerde geheel onder den invloed van zijne echtgenoote, de streng Catholieke gravin Mama dk Boxmère, Vrouwe van Ogimont. Geen wonder dus, dat onze Calvinisten zich te huis niet thuis gevoelden, en slechts kort te Brussel vertoefden. Jan koos het krijgsmansleven, en vond zijne vrienden in Bkedekodk, Lodewijk van Nassau e. a. Philips trok naar Fransch-Vlaanderen, waar hij in de eenzaamheid zijne studiën voortzette, zij het ook onder het kruis der vervolging, gelijk o. m. blijkt uit eenen brief, welken hij Bloeimaand 1561 schreef aan Peter vax Dei.en, predikant te Londen, waarin hij dezen de merkwaardige verlossing der twee predikanten van Valenciennes meldt er bijvoegende, dat hij zichzelvcn en zoo-velen, die om \'t geloof in de gevangenis geworpen waren, aan zijne voorbede aanbeval.
In Vlaanderen maakte hij kennis met de even vrome als beminnelijke jonkvrouwe Pnixipotte de Baiu.klt, â eene vrouw, die met hart en ziel do zaak der Gereformeerden was toegedaan â eene ijveraarster; die indruk toch maakt ze op ons, wanneer we lezen, dat ze zoowel te voet als te paard de predikatiën der calvinistische sectarissen bijwoonde
O
o. a. die welke gehouden werden in liet huis van Antofne Bachelier; dat ze die predikanten vriendelijk herbergde â eene liefdevolle echtgenoote, die straks ballingschap en lijden en de berooving barer, goederen met haren Aldkgoxdk zou deelen. âZoo was voor hem zelf die tijd van afzondering alleszins gezegend. De talenten, alvorens uit te blinken, kouden eenigen tijd van rust en oefening genieten; de vastheid van beginselen en overtuiging, door lijden beproefd, nog sterker, do geleerdheid degelijker worden; het geloof, door het kruis der vervolging gelouterd, vaster wortel schieten. Wat in hem was, wat hem bezielde, zou stormen te verduren hebben, het moest daaronder niet licht bewogen worden als een baar der zee, maar zijn als eene rots in het midden der golven.quot;
Ka vijf jaren van voorbereiding zien we hem omstreeks 15G5 meer op den voorgrond treden, door der tijden nood gedrongen. Hij stelde zich toen in betrekking met den Adel, wat hem door bemiddeling van zijn broeder gemakkelijk viel. Van dat oogenblik, geene gebeurtenis van eenige be-teekenis waarbij Ai-degoxde niet is betrokken, zoowel op staatkundig als kerkelijk terrein. Te Breda, waar hij zich vestigde was zijn huis menigmaal de veilige schuilplaats voor vervolgde predikanten en voortvluchtige geloofsgenooten. Verschillende bijeenkomsten hadden er plaats o. a. eene van Gereformeerde ouderlingen en die van de Augsburgsche confessie tot verkrijging van eenheid op het punt der belijdenis, en eene van Edelen, die de voortzetting was van de vergaderingen te Spa en te Brussel in Aug. en November (1565) gehouden. Voor deu adel toch dreigde een dubbel gevaar. Het volk, dat lang geduldig had gedragen, geleden, doch, dat nu door de verscherping der plakkaten (17 Oct. \'65) tot opstand en wanhopig verzet geprikkeld werd, bedreigde de eenzaam gelegen sloten en onbeschermde kasteelen. De hebzuchtige, roofgierige Inquisiteurs, door de onbegrensde volmacht hen verstrekt schier alvermojj-end, sloejren beereeria-e
o / o o o
blikken op hunne goederen, terwijl veel aanzienlijke hovelingen gebelgd waren over de achterstelling bij vreemde-
10
lingeii aan het Hof to Brussel. In vereoniging zochten ze kracht. Naast den bond van kooplieden en burgers ontstond de Adelbond, liet grootsch ontwerp van Lodkwuk yax Nassau, den wapenheraut der vliesridders, Nic. de Hames, de gebroeders Ai.uegonjje, Gilles de Ci.euq. â Deze bond plaatste zich deels uit eigenbelang aan het hoofd der beweging. Te St. Truyen werden de Statuten, door Aldegoxde ontworpen, goedgekeurd en levendig toegejuicht. Met alle krachten de Inquisitie tegengaan en de privilegies gehandhaafd te zien, dat was het doel. In alles getrouw aan den koning tot den bedelzak â dat was do leuze, het geuzennapje â het insigne! \'t Stuk ging van hand tot hand en telde in korten tijd honderden onderteekenaars voor wie Mauxix\' woorden als uit het hart gegrepen waren. Twee maanden later werd de Landvoogdesse het eveneens door Aldegoxde opgestelde, bekende smeekschrift door 300 edelen overhandigd. Een tijd van verademing scheen te volgen. De edelen, door beloften tevreden gesteld, hadden hun doel, de beveiliging hunner goederen bereikt â het meesterstuk van staatkunde en vrijheidsliefde spat uiteen. Vele leden treden uit, uit vrees, uit eigenbelang of uit liefde tot de Catholieke kerk. Nu sluiten de getrouwen zich nauwer aanéén. Bue-dekode zamelt reeds gelden in voor één gewapend verzet. Aldegoxde is zijn penningmeester.
Intusschen is deze op kerkelijk terrein niet minder ijverig bezig geweest. Ook daar deed hij zijn invloed gelden, een invloed, die een natuurlijk gevolg was van zijne wetenschappelijke ontwikkeling en innige christelijke overtuiging. Toen in Juli \'66 de kerken onder het kruis, te Antwerpen in Synode bijeen, besloten tot liet overzien der confessie, benoemde ze ook Aldegoxde, ofschoon geen kerkelijk persoon, in de commissie daartoe.
Evenals te St. Truyen spoorde hij ook door scherpe adviesen hier aan tot liet nemen van zulke maatregelen, waardoor het meer beslist en beslissend optreden der kerken bevorderd kou worden. Tot het eerste behoort de hagepreek.
11
tot hot tweede de kerkelijke politieke bond der consistoriën, waarvan de sticlitingsactc door Alhegoxde werd ontworpen.
De prediking was tot nu, steeds in \'t geheim, bij nacht en ontijden gehouden. Behalve het lastige kon daaruit voor de kerken ontspruiten ten eerste: er kon geonc tucht go-oefend worden op leer en leven der predikanten, wat toen inzonderheid noodig was, daar do leeraars meest uit de Ca-tholieke kerk overkwamen, en ten tweede: de vijanden, door het geheimzinnige gesterkt, hadden ruimschoots gelegenheid, die geheime prediking te beschuldigen van allerlei oproerige en onchristelijke strekking te hebben. Op voorstel van Axdegonde besloten nu de kerken bij âgemeen accoordquot; en na rijp beraad van de leeraars en ouderlingen der gemeente, dat voortaan de prediking in het openbaar zoude gehouden worden.
âDe openbare preek!
En op die prediking, die versche wedergeving.
Van \'t levend Bijbelblad, was in het land een beving.
Een koking als der zee vernomen.quot;
De beeldenstorm!
Niet op bevel of met afspraak (en hierin verschilde de hagepreek van den beeldenstorm) neen, maar tengevolge eener sterke impulsie, waarbij men van tijd en gelegenheid geen meester bleef. In een onbewaakt oogenblik greep het volk te Antwerpen en elders naar hamer en houweel en werden de beelden en \'t kerkgeraad afgeworpen en vernield onder het aanheffen van Datheex\'s lied:
Onse Godt woont in den hemel voorwaar,
Hij maakt en doet alles in \'t openbaar.
Wat hij wil in de landen.
Maar aller Heidenen afgoden zijn Met dan goud en zilver, gelouterd fijn Werken der menschenhanden.
Niet te vergeefs had men het volk geleerd, dat men in de kerken de beelden ook als boeken der leeken niet lijden mag. Door de omstandigheden werd men gedwongen tot
openbare prediking en derhalve gedrongen tot aanvankelijke schoonmaak.
Het oordeel over die afwerping der beelden moge verschillend zijn, al naar gelang het standpunt waarop men zich plaatst.
Da Costa spreekt zelfs van:
........ Een schaar,
Men weet niet door wat geest gedreven of vanwaar Vergaderd, had op eens bewustelooze handen Aan beeld of kunst gewaagd van kerk en kloosterwanden.
En \'t zij haar ijver of baar plonderlust gekoeld Als met der stormen vaart.quot;
De Calvinisten van dien tijd zagen dat zoo erg niet in. Zij beschouwden die afwerping der beelden nu het toch geschied was, als eene noodzakelijkheid, als iets zeer natuurlijks. Het was in hunne oogen een werk der goddelijke voorzienigheid, waarbij de hand des menschen slechts instrument was. De overheid had die beelden weg moeten nemen, en waar deze nalatig was en bleef, daar moest liet volk wel handelend optreden. De eere Gods toch was er mede gemoeid. De godvruchtige overheid, als Cllemüouo, Buedeuode, Okaxje hebben het beeldbreken op hunne goederen dan ook verwilligd niet ja en amen zeggen, al hebben ze er ook niet aan mede gedaan \'t Is waar, later is dat oordeel wel eenigszins gewijzigd, vooral ook tengevolge van de houding van sommigen voor den bloedraad, waar de vraag gold of zij persoonlijk en daadwerkelijk hadden meegeholpen en waar liet een maatregel van gepaste voorzichtigheid was de beeldstormers niet te verdedigen of in bescherming te nemen â terwijl toen later de overheid zelf aan het werk toog, een zekere weerzin tegen de âGeuseriequot; op den voorgrond trad â- Aldegoxde achtte geen gevaar, waaraan hij zich blootstelde. Hij zoude pleitbezorger der beeldbrekers worden en deze hadden wel bij slechter advocaat kunnen belanden. Door den beeldenstorm toch was niet alleen de hoop op eene vereeniging van Gereformeerden en Lutheranen voor goed vervlogen, maar kreeg
13
ook de ziXiik dov Geroformocrdon don scliijn van opvoer en muiterij. Graaf Jan vax Nassau, die persoonlijk zich gaarne warmde aan een vuurtje van beelden en ander Roomscli kerk-geraad gestookt, schreef nu aan zijn broer Lodewijk: âdat de Duitsclie vorsten, die tocli al tegen liet Calvinisme ingenomen waren nu stellig do reeds toegezegde hulp zouden inhouden.quot; Ai.degonde doorzag dit alles en daarom trachtte hij den verkeerden indruk uit te wisschen. Eene gereede aanleiding daartoe hood een geschriftje van een Martinist. Deze wilde bewijzen, dat men wel gedenk- of getuigenisbeelden mag hebben, maar geen om die te aanbidden en dat het afwerpen der beelden alleen de hooge overheid geoorloofd was. Hij begaat daarbij de onhandigheid om zijne voorbeelden uit de Schrift te zoeken en noemt o.a. de koperen slang; het altaar door Josua opgericht; Eben-Haëzer; het altaar opgericht in hot Overjordaanscho, Saamans aarde; Castor en Pollux op Paulus\' schip, en eindigt zijn betoog aldus: âAl wat Mozcs, de ordentelijke overheid beveelt, dat duiden de beeldstormers op het gemeene volk, dat stormot die beelden uit moetwil en zij kunnen niet een â Vader ons quot; bidden, maar in \'t Oude Testament en andere Kerkhistoriën staat geschreven, dat niet de dolle hoop maar de overheid als Coninck Ji:iir, Josia, Hisklv ze afgeworpen hebbenquot;.
Hoe gebrekkig ook in opzet en ontwikkeling, toch had dat geschrift een schijntje van waarheid en daarom groep xVi.nEGONm; naar de pen. Roods vroeger had hij blijk gegeven die vaardig te» kunnen hanteeren, zoowol in zijn: Vertoog der Kerken van Christi en in zijn smeekbrief aan Keizer Maximiliaax It.
Achtereenvolgens verschonen nu een drietal brochures, waarin hij het goed recht dor Goreformeerdon bepleit en do afwerping der beelden op grond van Gods AVoord verdedigt. In -Yan do Beelden afgeworpen in do Nederlanden in Augustus 1566,quot; weerlegt hij punt voor punt do assertie van den Martinist, wat iemand met zulk eene grondige kennis dor schriften gemakkelijk vallen moest, lieods deze eerste brochure draagt
14
don stempel van al Marnix\' strijdschriften: grooto historische kennis, gemakkelijkheid van uitdrukking en eenc onder soms bijtende ironie kwalijk verborgen heilige verontwaardiging. âWelquot;, zoo zegt hij, ,de sterke Bewijzer, stort al met eenen zijn bitteren moet uit tegen degenen die vijftig jaren lang eene gedurige vervolging geleden hebben, en haar liever ter dood lieten brengen, dan dat zij hun zelve met eenige afgoderij besmet zouden hebben, en dat volk zou met verachting van de overheid de beelden uitgestormt hebben op aandringen dei-predikanten, neen, geenszins, maar door een onbedwongen ijver hebben zij allen menschen willen te kennen geven, dat liet hun leed was alle die afgoderij, die zij zoo menig jaar met groote lastering; en verachtino- des naams Gods hadden bedreven. Maar
o o
die dolle hoop â kan geen âYader onsquot; bidden â geen wonder, zij hebben ook niet zooveel leeraars als de kleine luyden van zijn gezindheid, die kunnen wel alle geschikte en geleerde doctoren zijn, immers zooveel beelden men snijden of schilderen kan zooveel leeraars â ons gemeene volk heeft evenwel zooveel boeken niet als gedenkbeelden om hun memorie daarbij te oefenen. â En wat dien dollen hoop betreft, willen we maar niet zoolang met antwoord wachten tot de stereke Bewijzer toont wel bij zinnen te zijn? â Maarquot; en hiermede eindigt Ai.deooxde, .het is een vermetel ende opgeblazen oordeel van degenen die in liet gericht Gods treden, ende en schromen zich niet de levende beelden Gods des Heeren, liaer eygene broeders en lidmaten Christi Jesu wreedelijk te verdoemen, die God nogtans niet verdoemd.quot; â
Kort daarop verscheen in de Fransche taal een historisch overzicht van hetgeen op liet punt van religie in 1566 was geschied, voor liet meerendeel eene omwerking van, eene nadere toelichting tot bovengenoemd werkje â dat tevens als apologie dienen moest. In dit Waarachtig Verhaal, een model van historiebeschrijving, schildert Aldkooxde met levendige kleuren den ellendigen toestand, waarin het land dooide Inquisitie gebracht was. Geheele landstreken ontvolkt, kasteelen vervallen tot ruïnen, de nijverheid verplaatst naar
15
liet Imitenland, tnoci\' clan honclonlduizencl mensclion door beuls lianden omgebracht in dit kleine land! â Verder behandelt hij zeer uitvoerig liet ontstaan en de werkzaamheden van den Adelbond, het overhandigen van het smeekschrift en ten slotte bespreekt hij den beeldenstorm en verklaart openlijk, dat zo komt voor rekening der gezamenlijke Calvinisten.
De aanhalingen ii-t de TT. S. en de Kerkvaders toonen eene belezenheid aan, die verbazing wekt. Dit werkje is dan ook in expositie, stijl en strekking niet alleen een sieraad onzer letterkunde, maar mag gerekend worden onder de beste bronnen voor de kennis van dat zoo belangrijke tijdvak onzer geschiedenis.
Ar.DEOGNDK had evenwel nog een pijl op zijn boog, een pijl, waarvan iemand getuigt: âdat hij geslepen was op de rots eener innige overtuiging met al de kracht, die het geloof schenktquot;. Een pijl, niet afgeschoten door een man in zijne eenvoudigheid, maar met vaste hand en juist mikkend oog, en die eene doodelijke wonde toebracht aan bijgeloof, priesterheerschappij en priesterbedrog.
Het was de derde bundel, waarin Amjeooxde nu niet verwerend maar aanvallend optrad.
quot;Wij bedoelen zijn meest bekende werk: âDe Eiönkoif der H. R. Kerk, welke is een clare en grondelicke uitlegging des Sendsbrief van Mr. Gentian us Heuvet; nu corts uitgegaan in Francoys ende in \'t Dietsch geschreven aan alle afgedoelden van den Christen gheloove:
Leser, leest met vliet, hier zulde zien en merken De wijsheid en \'t verstand der Lovenensche klerken.quot;
Zooals reeds uit den titel blijkt, gaf zekeren Zendbrief aan alle Protestanten gericht door eon Ekuiseu kannunnik, Mr. Gtentianus Heuvet die in 20 art. de macht, authoriteit en waardigheid der TT. R. Kerk had uiteengezet Aedegoxde aanleiding tot het schrijven van dat strijdschrift, een boek van meer dan 500 bladz. Aldegoxde houdt zich alsof de bewijsgronden van Hervet veel te zwak zijn, zoodat hij als geloovig zoon der kerk zich geroepen voelt, ja, zich verplicht
16
acht, hom to hulp te komon. Eon vrienclondicnst, dio don schrijver van don Zendbrief stellig niet li ij zonder aangenaam zal zijn geweest. Tot op de laatste bladzijde blijft hij op onverbeterlijke wijze in zijne rol en toont hij mot alles wat tot don lloomschen eerodienst behoort goed op do hoogte te zijn. ïo Leuven was hij in die gohoimon ingewijd. In eene quasi nederige en ootmoedige opdracht van zijn boekje aan den bisschop Soxxius roemt bij diens slimheid, omdat hij door het dooden der Protestanten zich de moeite bespaard heeft, hen uit do Schrift to weerleggen. Dat dooden is dan ook verre weg verkieselijker aangezien de Roomsche geestelijkheid in \'t weerleggen niet sterk is, .overmits oen getijdenboek met een canue-kon goeden Rijnschen wijn Uwe Eerwaardigheid lichterlijk vorffonooffon kan.quot; Wanneer dio trouwe zoon dor Kerk dan ook
O O
denkt voor welke groote gevaren do bisschop de H. Kerk behoed hoeft, roept hij mot geveinsden schrik uit: (en deze aanhaling diene tevens tot proeve van stijl en taal)
.De misse, de misse, zegge ick, ja, dio heilige lieve Misse lag so cranck, dat men aireede haar Requiem begon te singon. Do Santen kregen geen vette offerande meer â ja, men begon aireede hare beelden van de altaren af te werpen. De aflaten en Pausbullen konden niet moer golden. Daarentegen men hoorde niets anders so binnen als buiten de steden, noch las ook iets dan den Bijbel of St. Paulus, men wilde anders niemand aanbidden dan God alleen; geen middelaar hebben dan Christus Jezus; geen troost noch toeverlaat dan in sijn satisfactie oude voldoeninge; geen roem dan in Zijn cruijs en in zijn lijdon en sterven; geen sacramenten anders dan doop on nachtmaal oude deselvo nog zeer slecht en simpel, zonder oonige stacio of fraijigheid, zonder bezwering des duivels, zonder speeksel, zonder zout of smout.
Meukende maar een Hoofd der Kerken Jezus Christus, summa summarum, men wilde een heel nieuwe reformatie inbrengen, die bij de 11. R. Kerk, noch bij onze vaderen ooit gezien was. Men wilde het alles weder brengen op de oude plooi van de Apostelen on de Evangelisten. Och, wat
17
eon jammer, wat een last encle verdriet haddet geweest voor ouzo lieve moedor de H. I!. Kercke ende al hare goede ou-dersaten. \'t Hartken klopt haar nog als zij daar slechts van hooren vermanen. Maar gedankt zij onze lieve Vrouwe van Antwerpen, van Waveren, van Hallo, en die van de Zeven Weeën te Leuven en die van de Zeven Eiken in Vlaanderen, daar heeft Uwe Eerwaardigheid wel intijds bij geweest met alle vlijt en arbeid. Zij heeft do Inquisitie in het land gebracht, de Spanjaards ingevoerd, de Geusen verjaagd, de heeren gevangen, den adel en de burgers gebannen ende op de vleeschbank gebracht, \'t vuur en \'t zwaard tot een teeken der victorie opgestoken en in alle lioeken galgen opgericht, \'t nieuw Evangelisch bloed vergoten!quot;
Op deze wijze gaat de schrijver voort en geeselt de Roomsche Kerk onbarmhartig, in haar priesters, in summa âalle den geschoren hoopquot; â in haar leerstellingen, sacramenten, ceremonies.
Het is alles afbreken onder den schijn van opbouwen, aanvallen onder don naam van verdedigen.
Het weerleggen van den ketter geschiedt door tegenover wel aangevoerde gronden iets nietigs te stellen, terwijl het bewijzen insgelijks gevoerd wordt door voor iedere instelling, waarvan de rechtsgrond moot betoogd worden, bloot aan te voeren: âde kerk heeft hot zoo gedecreteerd!quot; Bovendien vergeet de schrijver niet telkens (met bittere ironie) er aan te herinneren, dat do Kerk een machtig argument in haar voordeel heeft en waarvan de Leuvensche doktoren een kwistig gebruik maken. Het is het âargument van don mutsaard,quot; â ende daarom, lezen we âzoo de Kerk iet ordonneert en gebiedt, dat tegen de Schrift strijdt, men zal de Schrift een eerlijck paspoort geven, en veele goede nachte seggen, en de Heilige Kercke als een clisse aanhangen, want de Schrift en can zich niet weeren, maar de heilige Kerck can een man aan do staak brengen.quot; Ten slotte geeft de schrijver in een twaalftal capittelen rekenschap en uitlegging, waarom hij zijn boek âBijenkorfquot; ge-
2
18
noemd heeft, \'t Was namelijk om aan te duiden, dat gelijk eene honigbij, niet alleen uit óéne bloem, maar uit verscheidene haren honig zuigt, alzoo de R. C. Kerk niet op eenerlei schrift. Bijbel, concilie of decreetboek steunt, maar dat zij uit elk in het bijzonder gebruikt, wat haar het meeste voordeel aanbrengt.
Ai.degondes wapen is de spot, bittere spotternij, nu eens geestig, dan ruw en grof. Een bekend criticus Busken Hukt, zegt dan ook: âMarxix scherts is de scherts van een1 haai. Zij laat twee rijen scherp gepunte tanden zien, zoodat de Nederlandsche Gereformeerden van dien ouden tijd zenuwen van ijzer en staal gehad moeten hebben om deze parodie van het pausdom te kunnen verdragen!quot; En dat ze zich in het bezit van zulke zenuwen mochten verheugen, wij kunnen het gemakkelijk aantoonen: de Bijenkorf toch werd gelezen, werd verslonden. Aluegoxde\'s arbeid opende menigeen de oogen. Sedert 1569 verschenen meer dan dertig drukken, soms 2 en 3 in een jaar.
De vraag is gedaan of die luchtige, die spottende toon aan een zoo teer onderwerp paste en een man als Aldegoxde voegde. Het is waar, wie nu de Bijenkorf leest, zal menige bladzijde met een gevoel van onvoldaanheid omslaan, zal tal van uitdrukkingen ontmoeten op do grens van het profane.
Men moet echter niet vergeten, dat Aldegoxde schreef voor het volk in 1566, schreef met een van verontwaardiging vervuld gemoed bij het gezicht van de rookende brandstapels, en boomen waaraan de lijken zijner geloofsge-nooten gerist hingen, \'t Was hem er niet om te doen, zoo als bovenstaande criticus wel keurig doch onwaar beweert, om met nauw verholen vreugde, onder wat theologischen schimp onze lieve Moeder, de H. R. K. op de pijnbank te leggen, alsof zij eene heks ware, wier rijden op bezemstelen, naar den Roomschen Bloksberg, door folteren tot bekentenis gebracht moest worden, om wanneer men daarna de rivier-kuur der grijnzende vroolijkheid op haar toepast uit haar
19
bovendrijven haar schuld te bewijzen. Xeen waarlijk niet. Aldegonde liad verlievener doel. Hij behoorde niet tot die afbrekers van den godsdienst, die wanneer men hun scherts, ironie of satire wegdenkt, waarmede zij het hart trachten te veroveren, oen okelig- ledig achterlaten bij hun afbreken, zooals o. a. Voltai;:e, Rousseau, Muetatüm, Nietscjie, e. a.
Bij Aeuegonde is de scherts, als de donker gedoezelde achtergrond, waardoor hot beeld der waarheid te helderder uitkomt. Laat men die scherts weg, men houdt eene heldere uiteenzetting van de leer der Grereformeerde Kerken over, vandaar dan ook dat, moge het ongeloof hem een dweeper, een fanatist noemen, onze mannen met Voetius aan hot hoofd (in de Exercitia piëtatis) omstandig beweren, dat die schrijftrant geoorloofd, betamelijk en nuttig was; daarbij welk een moed behoorde er toe, om zoo te schrijven in don bloedigsten tijd van Aiaa\'s schrikbewind. Die moed word ruimschoots beloond. In \'t Noorden gingen juichkreten op. Het boek werkte krachtiger nog dan Calvijns werken. âMen meende er het gegrijns in te hooren van alle door Ai.va afgehouwen hoofden.quot; In \'t Zuiden werd een kreet van verontwaardiging vernomen. De lafhartige Bisschop van Roermond van der Linde of Lixuaxus, koelde zijne wraak aan een honderdtal exemplaren, welke hij \'s nachts te Well aan de oevers der Maas liet verbranden.
Reeds in 1567, kort na don dood van zijn broeder Jan, te Austmweel 13 Mrt., verliet Aldegonde mot vrouw en twee kinderen bet land. Hij trok naar Embden, die âherborghe van Gods verdrukte gemeentequot; die
âAls een moeder in haar schoot
Ballingen verborg in nood Hollands toevlucht, Brabants schuil.quot;
Met open armen werd hij hier ontvangen. Hij vertoefde in Oost-Friesland tot het einde van 1568 en was veelal de gast van den Edelen Drost Unico Mannixga te Lützburg bij borden. Tot de gemeenschap der kerk was hij toegetre-
20
den on onder degenen, die op do wokelijksclie of veertien-daagsche bijeenkomsten der gemeente, âprofecijonquot; genoemd, tot aller stichting oen gedeelte der schrift verklaarden, vinden we ook den lieer van Sr. Aigt;deooxdk vermeld. Hier schreef hij namens do Embder gemeente twee brieven aan Pieïeu Carpentiek, liector van het Gymnasium te Norwich: âDes Hoeren van Aldogondes advies aangaande don twist in de Sed. Herv. gomeonto te Londen in Engeland (anno 68)quot;. De uitgewekene Gereformeerden, die onder Ei-izabeth, welvergunning hadden verkregen tot hot houden van bijeenkomsten, maar niet onder eigen toezicht en onafhankelijk van do Staatskerk, hadden langzamerhand hun aanvankelijk protest laten varen en enkele gebruiken, voornamelijk bij den doop, uit die Staatskerk overgenomen. Sedert 1564 was daarover verdeeldheid ontstaan tusschen de eerst en de later aangekomen Calvinisten. godfrte» va.v Wixoex, een Luikenaar van geboorte, die in nauwe betrekking had gestaan tot a Lasco, plaatste zich aan het hoofd der beweging, on toon in 1566 nieuwe vluchtelingen, krachtige on krachtig reformeerondo loten van don gereformeerden stam, aankwamen kreeg de oppositie grooter omvang.
Het consistorie besloot deputaton te zenden naar de kerken van Genève, Bern, Lausanne, Zurich, Heidelberg en Embden, om broeder verslag van alles te geven, die van Norwich o. a. den bekenden Herman Mobed. Zij hadden bij zich een in 27 art. vervat rondschrijven over de christelijke vrijheid in kerkelijke zaken en over het gezag dor overheid. Aldegoxde plaatste namens die van Embden zijne beschouwing naast die art. en hoewol slechts dertig jaar, geven die kant-teekeningen blijk van ervaring en konnis, eigen aan rijper leeftijd. Ook voor dozen tijd hebben die adviezen hunne boteekonis behouden.
Lang zou Aldeooxde niet te Embden vertoeven. Was hij in 1568 (17 Augs.) bij vonnis van Alva uit hot land verbannen met verbeurdverklaring van al zijne goederen. Zijnen vrienden wilde hij geen\' overlast aandoen, maar in eigen onderhoud voorzien. Wolkom was hem dan ook oene roeping
21
naar Heidelberg, waar de keurvorst Fkedeuik he van de Paltz hem aanstelde tot hoofd en raad der opperkerkeraad, eene soort ministerie van eeredienst, dat uit 3 kerkelijke en 3 wereldlijke leden bestond en waardoor allo kerkelijke aangelegenheden, die in de Paltz voorvielen, werden behandeld. Nu begon eerst recht een zwervend leven. Ai.deoomho bezoekt de gemeente, neemt zitting in do verschillende Synoden. Nu is hij te Heidelberg, dan te AYesel of Keulen. Tot de gewichtigste posten roept men hem, in de moeilijkste gevallen wint men zijn raad in. ïe midden van deze beslommeringen vergeet hij zijne trouwe vrienden te Enibden niet. Uit Keulen schrijft hij een roerend schoonen troostbrief. Ook vergeet de Geuzen-penningmeester zijne verdrukte landgenooten niet, maar treedt met Ds. Caspau van dki: Hevuen te Frankendaal in onderhandeling, tot het doen van een schriftelijken voorslag aan die van Embden ter oprichting van eene beurs voor de verstrooide Nederlandsche Gemeenten, om daaruit de noodige handreiking te doen inzonderheid aan behoeftige kerkedienaren en andere bekwame mannen ten einde men zich bij voorkomende gelegenheden van hen zou kunnen bedienen; â eene instelling die nu nog bestaat onder den naam ,Vreemde diaconie.quot; In 1571 droeg de Synode te Embden hem op eene historie te schrijven van de dingen, die sommige jaren herwaarts geschied zijn en voornamelijk van de dingen, die de oprichting der kerken, de vervolging enz. betroffen. Aldegonde neemt die opdracht aan, â doch hoe groot historicus hij ook was â voor dien arbeid zouden de tijdsomstandigheden hem geene rust laten. Hij had eene andere roeping te vervullen. Op een zijner reizen ontmoette hij Oranje.
Oranje en Aldegoxde!
quot;Wat zal er bij die ontmoeting in het hart van beiden zijn omgegaan. Voor \'6(3 hadden ze elkander vaak gezien, doch toen liet de verhouding veel te wenschen over. Zou nu Oranje Audegonde zijn ongeduldigen ijver verwijten, die al zijne plannen zoo jammerlijk had verijdeld? En At.de-gonde â zou hij Oranje nu zijne huiverende hoogheid ver-
22
wijten, die de goede zaak had doen verloren gaan ? Zou Alde-gonde nu nog gedenken aan Austruweel, waar, bij dien mislukten tocht naar Walcheren zijn broeder Jan zoo ellendig werd vermoord onder de muren van Antwerpen, in het gezicht van den Prins, die geene poging in liet werk stelde om hem te redden; ook niet toen de Trouwe van Thoulouse met loshangende haren hem te voet viel en hem smeekte haren man ter hulp te snellen; die zelfs de poging tot verzet verhinderde, omdat ze niet met zijn politiek inzicht strookte ?
Neen â niets van dat alles. Oranje is niet meer de aristocraat, die met alle partijen in vrede wil leven, om zoo het gunstige oogenblik af te wachten.
In zijn hart is eene andere overtuiging gerijpt. Hij is zich bewust wat hij wil. Van enkel politicus is hij geloofsheld geworden en daarom â legt dan ook nu de volksman vol vertrouwen zijne hand in die van den man des volks â God had ze samengebracht. Nu verstonden zij elkander. Op Oranje was het oog gevestigd en Aldegonde stond hem terzijde al raadsman en vriend.
Groot is de invloed geweest, die deze vurige Calvinist op den Prins heeft uitgeoefend. Aan de hand van Oranje heeft Aldegonde gewerkt; in gezelschap van en in samenwerking met hem zal hij, onder \'s Heeren zegen, do verlossing dezer landen leiden, maar toch ook van tijd tot tijd op eigenaardige wijze zelfstandig optreden.
Zoo was de eerste zege, in \'68 bij Heiligerlee behaald, duur gekocht:
Graaf Adolf is gebleven In Friesland in den slag.
En na dien zege, hoe donker zag het er uit. Egmond, Hoorn en zoovele edelen meer, onthoofd. Prins Willem\'s eerste veldtocht totaal mislukt na de verstrooiing van Coque-villes troepen en Lodewijks nederlaag. Het groote leger van den Prins, hoe wonderbaar ook over de Maas getrokken, hoe moedig op den vijand ingedrongen, zonder overwinning, ja zonder strijd ontbonden. He moed is gezonken. He balling
23
ziet in wanhoop nit naar con ander vaderland. Die blijven, buigen, onder \'t lijden als verdoofd, den nek onder \'t loodzware juk. Alva jubelt: âze zijn verslagen en van honger stervend weggedropen!quot;
O! \'t was in Neerland nacht, van uur tot uur verdikking Der tastbre duisternis en van rondom verschrikking. Ook over Kassau\'s erf en Dille\'s oevcrslot Scheen op dien nacht van leed en ongena van \'t lot Geen morgen denkbaar meer, â voor tranen en gebeden De nadring tot Gods hart, waar \'t mooglijk, afgesneden, En op herademing de laatste hoop verbeurd.
In dien stik donkeren nacht nu ziet Aldegonde licht, een oogenblik is het hem helder voor den geest, \'t Yolle, \'t aangedane hart vloeit over van troost, \'t Stort zich uit in een lied des geloofs. âGetroffen door de zedelijke verslapping der Nederlanden, die korts te voren, zoo fier en vol geestdrift waren zegt Quinet, (de enthousiastische levensbeschrijver van Aldegonde) tast Marnix in het diepst van zijn gemoed, om er tonen uit op te delven, die tot het hart der verdoofde menigte kunnen doordringen en hij vindt een volkslied bij uitnemendheid, het Wilhelmus lied, die machtige wapenkreet in geheel den Spaanschen krijg. âDat begeesterend lied, dat neerslachtigheid weer ophief tot vertrouwen, dat verslagenheid troostte en bemoedigde, dat gestorven hope weder uit den doodslaap opwekte en herleven deed, dat daarenboven prikkelde en aanvuurde tot feilen kamp, dat de spieren stevigde en verstaalde in de bloedige worsteling, dat als de hoogklinkende psalm der\' victorie heenruischte over de mot lijken bedekte velden, waar do oraujebanier do zegepraal der Neder-landsche zaak verkondigde.
Op den klank van dat lied doorkliefden de Kederlandsche schepen de golven van de Zuiderzee tot den Zuideroceaan en klampten er in de zestiende en zeventiende eeuw den vijand medé aan boord*). Langen tijd waren or, die het in
*) Hofdijk.
24
twijfel trokken dat Aldeooxde de dichter van liet Wilhelmus geweest zon, zijn. Liever schreven ze het toe aan den bekenden Libertijn Diek Volkerts Coornhert. Het ingestelde onderzoek (o. a. door Dr. Schotel) heeft aan het licht gebracht, dat niemand anders dan Marnix de dichter is geweest. Uit alles blijkt, dat de vervaardiger een edelman is, die Oranje niet alleen als zijnsgelijke nioclit toespreken, maar die hem hoogacht en vurige liefde toedraagt, en die hem dan ook met vrijmoedigheid in eigen geloofsbelijdenis, het geloof predikt; die op hope tegen hope gelooft aan de redding van het vaderland, doch die daarom toch niet don verschuldigden eerbied aan den koning van Spanje, als zijn wettigen Souverein uit het oog verliest. Wat evenwel sterker voor Aldegonde spreekt, het is de dogmatiek van het Wilhelmus, èen dogmatiek, die Coornhert steeds verfoeide. De oudst bekende uitgave is die, welke voorkomt in het Gensenliedtboek van 1581, waar het tot opschrift hoeft: .Een uien Christelick liedt gemaect ter ecren des Doorluchtigsten Heeren, Heere Wilhelmus Prince van Orangien, Grave van Xassou, Patris patriae, mijner Genadigon Vorst en Heer. Waarvan de eerste capitael letteren van elck veers sijner Furstelicke Genade name metbrengen.
Wat de melodie betreft: In de 15\'le eeuw werd door het volk een lied gezongen: âdie vogelkens in der muttenquot;, dat door de aantrekkelijke melodie, bijzonder in den smaak viel. In de verzameling âMederlandische Volkslieder van Hoffmann von Fallerslebenquot; treft men het aan. Op die zangwijze werd in do zestiende eeuw in Duitschland een loflied gezongen op Karel V: âJetzund so wollen wir singenquot; en in Frankrijk en Vlaanderen een op de belegering van Chartres door Condé: ,A la folie entreprise du prince de Condé.quot; Dit had tengevolge dat boven sommige uitgaven staat op de wijs van âCharlesquot; en boven anderen op de wijs van rChartresquot;. Op deze door gansch Neerland bekende melodie schreef Aldegondio âdien alarmkreet, liet ballingslied van den vorstelijken zwerver, die zich nu tot het volk wendt
en niet meer tot den adel; den zang van den a rmen geus; het lied der berusting na de geleden nederlaag, maar tevens der bemoediging tot eene toekomstige overwinning. Troost-lied in druk; gebed voor den armen krijgsman; zang der hope op God bovenal; een veldpsahn; een lied van Deboea in het barre Noorden.quot;
Schoon is de aanhef, waardoor het volk als \'t ware gedwongen wordt, liet oog te vestigen op den Prins. Hij staat nog, terwijl alles hem ontvalt. Standvastig in tegenspoed, vrij onversaagd, als een held zonder vreeze, welbewust van zijne zaaksgerechtigheid.quot;
Wilhelmus van Nassouwe Ben ick van Duitschen bloed Den Vaderland getrouwe Blijf ick tot in den dood.
Schoon zijn do coupletten, waarin de dichter, Oranjes vurige liefde tot land en volk schetst, nadat hij vooraf al den nadruk gelegd heeft op zijne booge positie. Edel en hooggeboren, van Keizerlijken stam, een vorst des Kijks geboren. Xeen, Okaxje is geen fortuinzoeker, geen berooid edelman, die niets heeft te wagen en alles te winnen. Zuivere liefde drijft den Prins, zoodat hij kan zeggen:
Niets doet mij meer erbarmen
In mijnen wederspoet.
Dan dat men ziet verarmen Des Konings landen goed.
Dat U de Spanjaards krenken
O Edel Neerland soet.
Als ik daaraan gedenke Mijn edel hert dat bloedt.
Oorlof, mijn arme schapen.
Die sijr in grooten nood,
l\'w Harder sal niet slapen Al zijt gij nu verstrooid.
26
Tot Godt wilt U begeven
Zijn heilzaam woord neemt aan. Als vrome christen leven,
\'t Zal hier haast zijn gedaan.
Schoon ook die, waarin de belangeloosheid en do zelfverloochening van den Prins in herinnering wordt gebracht, die lijf en goed altesamen niet verschoond had, doch die hier geen ander loon verwachtte dan:
Isa \'t suer sal ik ontvangen.
Van Godt mijn Heer dat soet.
Daarna zoo doet verlangen.
Mijn Vorstelijk gemoet Dat is, dat ik mag sterven
Met eeren in dat veld Een eeuwich rijck verwerven Als een getrouwen helt.
Schoon, dat zesde, zevende en laatste couplet, waarin de Prins zich wendt tot zijn God, indrukwekkend door kalmte en eenvoud van uitdrukking:
Mijn schild en mijn betrouwen,
Zijt Gij o God mijn Heer Op U, so wil ik bouwen.
Verlaat mij nimmermeer Dat ik toch vroom mag blijven.
Uw dienaar \'t allerstond.
De tirannie verdrijven
Die mij, mijn hart doorwondt.
Eenvoud ook in die schoonste coupletten, geen verhevenheid van gedachte, geen sieraad van beelden. Alle kunst is er vreemd aan. \'t Is zoo uit het hart gevloeid en spreekt tot het hart en daardoor was het de tijden door, trots alle navolgingen en omwerkingen, de meest geliefde vaderlandsche zang. -Van 1568 af,quot; zegt Hofdijk, âruischt en bruist het door heel onze geschiedenis met vollen toongalm.
\'t Is oen volkslied, zoo als geen enkelen natie er een bezit en had Aldegonde nooit iets anders gewrocht dan dit politiek manifest, hij zon aireede onder de holdon van don vrijheidskamp eene oereplaats innemen.quot;
\'t Jaar 1572 brak aan. \'t Eerste morgenrood dor vrijheid schemerde. Door het beleid van Lumey en do Rejk was don Briel ingenomen on weldra:
Seven kleijn en vijf steden groot Sijn ingenomen sonder stoot Do Gousen zijn er ingelaten.
En als straks Alva heentrekt om Eergen in Hene-gouwen te ontzetten, dat door Lodewejk van Nassau en J)e la Noue bij verrassing was ingenomen, achtte de Puixs den tijd gekomen om naar het vaderland terug te keeron. Aldegonde, die zich destijds te Frankfort bevond, snelt hom vooruit. Wel zou hij hier niet allen wodervindon, maar wel die mot het toeken des kruises gemerkt waren. Hoe ademt de vaderlandscho lucht weer in! O, stellig ging er iets in zijn hart om als in dat van dien balling uit lateren tijd, die bij den terugkeer in het vaderland uiting gaf aan zijne vreugde in deze schoone verzen:
\'k Heb dan met mijn strammen voet,
Eindlijk uit d\' onstuimen vloed,
Hollands vasten wal betreden.
\'k Heb mijn kromgesloofde leden Op zijn bodem uitgestrekt;
\'k Heb hem met mijn lijf bedekt;
\'k Heb hem met mijn arm omvademd;
\'k Heb zijn lucht weer ingeademd;
\'k Heb zijn Hemel weer gezien .... God geprezen op mijn knien. ,
Maar dat dan ook nu allen onder het gejubel van een blijden welkomstgroet don Prins krachtig ondersteunen iu zijn pogen. Daartoe wekt Aldegonde zijn landgeuootcn op als hij hun toeroept:
28
Ras, seventien provincen Stelt u op eciien voet,
Trekt de comste der princen
Yriendelijk te gemoet.
Stelt ii, met sijn banieren
Elk als een trouwe man Doet helpen verlogieren
Jhic d\' Alve den tiran.
Krijgslien, wilt u oprusten,
In God bestaat u craclit;
Strijdt ridderlijk met lusten.
Op storm, slacli ende wacht,
Voor Gods Woord en \'s Lands rechten
Met een verbonden scilt.
Den sold van vrome landsknechten
Gijlien ontvangen zult.
Prinselijk God geprezen,
Uw volk victorie geeft.
Dat haar worde bewezen.
Dat Gij regeert en leeft.
Want sij naar Uw Woord haken.
Met harten seer benaauwd.
Tot Gij in alle saken
Den lof en prijs behoudt.
Reeds den 15 Juli 1572 waren de zaken zoo ver gevorderd, dat te Dordrecht de eerste vrije vergadering der steden-afgevaardigden kon gehouden worden. Deze vergadering, door den afgevaardigde dier stad, den heer van Wijxgaardex, plechtig geopend, werd door Oranje zelf niet bijgewoond, maar Zijn luitenant Lcjiey vax deu Mauck verscheen er met Aedegoxue, die \'s Prinsen voorstellen ter tafel brengen zou. In eene treffende rode, waarin hij don toestand des lands bloot logt eu den steden van Holland den dank van zijn1 meester overbrengt voor hare trouw en aanhankelijkheid, wijst hij verder op de groote opofferingen, welke Okaxjf,
29
zich getroost had. Hij brengt in herinnering, hoe deze met zware kosten een schoonon hoop ruiteren en voetknechten had bijeengebracht, waarmede hij
So het de wil des Heeren
Op dien tijd had gheweest.
Had geerne willen keeren
Yan hen dit swaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
Die alle dinck regeert.
Die men altijdt moet loven,
En hceftet niet begeert.
Xu waren Okanje\'.s middelen uitgeput, doch niettegenstaande dat, had hij opnieuw beproefd, een leger in \'t veld te brengen. En thans was het zijn ernstig begeeren en bidden, dat men hem, zichzelf en het gansche land niet in eeuwige schande, verderf, jammer en ellende brengen zoude, maar dat ieder naar vermogen zou bijdragen.
De Staten besloten dit verzoek in te willigen. Zij bleven Oranje als \'s Konings wettigen stadhouder erkennen, belovende onder handtasting hem getrouw te zijn. Van zijn kant vernieuwde Aldegoxde namens Oiiaxje den eed van getrouwheid aan de Staten, er bijvoegende, dat hot quot;s Prinsen uitdrukkelijk verlangen was, dat den Hervormden en Room-schen vrije godsdienstoefening zou toegestaan worden; hetgeen vele leden, die zoo groote verdraagzaamheid afkeurden, tegenstond.
In de oorlogskosten zouden de Staten voorzien door den Prins terstond 100000 kronen te verschaffen en verder eenen schuldbrief van 500000 Kar. guldens voor de eerste maand.
Niet lang daarna, in Dec., werd Aldegoxde eene gevaarvolle zending opgedragen naar Haarlem. De Spanjaards bedreigden die veste. Oranje en de Staten wantrouwden het stedelijk Bestuur, dat voor het meerendeel uit Spaansch-gezinden bestond. Aldegoxde kreeg nu in opdracht,, in
80
overleg te treden met de hoofdmannen der gilden en der schutterij, tot verandering der wet. Boven verwachting mocht hij hierin slagen. De vijand vond een hardnekkigen tegenstand, die niet dan met inspanning van alle krachten te overwinnen was.
In den loop van het volgende jaar zien wc hem aangesteld tot Gouverneur van Delftland. Na de nederlaag voor Alkmaar trokken de Spanjaarden op \'s-Gravenhage, Delft en Rotterdam terug. Vóór alles wenschte de Prins met het oog op eene inundatie van Delftland de Maasland-sluis te behouden. Aan Aldegoxde droeg hij de versterking daarvan op. Yóór echter de verdedigingswerken gereed waren, verscheen op het onverwachts de vijand. In den omtrek wonende boeren hadden hem langs binnenpaden geleid en de waakzame held wordt overvallen. Zijn soldaten kiezen in allerijl het hazenpad. Ook Aldeoomh: zoekt zich door de vlucht te redden. Met zijn kapitein Jean Pettix verbergt hij zich in \'t riet en water. Weldra is men hem op het spoor. Hij wordt ontdekt en in triomf naar Den Haag meegevoerd. Alva begreep terstond de waarde van de vangst, die men gedaan had. Hij schreef terstond aan zijn koninklijken meester: âDe troepen in Holland hebben een groot aantal vijanden gedood en den Heer van Moxr St.-Alde-goxde gevangen, een zeer gevaarlijken ketter, van wien Oranje zich meer bedient, dan van iemand andersquot;. Terstond werd het doodvonnis uitgesproken, doch de voltrekking daarvan uitgesteld. Gelukkig voor Aldegonde, dat de Graaf van Bos.su, Alva\'s gunsteling, die zich in den slag op de Zuiderzee had moeten overgeven, nog altijd in Hoorn werd gevangen gehouden.
-De Prins was zeer droevigquot;, zegt Bor, âals hij het bericht van zijne gevanckenis vernam en deed Diederik Sonoy, goeverneur van N.-Holland, weten, dat hij den Grave van Bossu een alsulcken tractement zoude doen, als hij zou verhoeren, dat den Heer van Aldegoxde gedaan werdquot;.
Zoo werd Aeva tusschen de keuze gestold, om zijn
yl
gunsteling to veiliozcn en zijne wraak op Aldegoxde tc koelen of om beiden liet leven te redden. Voorshands was het leven van Aldkgomji; geveiligd. Zijn toestand was evenwel verre van benijdenswaardig. Hij wist zijn vonnis. Hij wist ook, van welke middelen de koning zich kon bedienen om zijne gevangenen nit den weg te ruimen. Drie maanden bracht hij in spanning door. Menigmaal, als hij zich des avonds ter ruste begaf vreesde hij in te sluimeren. Eiken dag kon hij zijn laatsten rekenen. Dit, alsmede de werkeloosheid, waartoe hij, de man van liet âllopos aüleursquot; gedoemd werd, brachten hem in een licht verklaarbaren toestand van moedeloosheid en neerslachtigheid. Zijn Hebreeuwsch psalmboekje, dat hem nooit verliet, schonk hem in die dagen veel troost; tocli liet hij zich in zulk een oogenblik enkele woorden ontvallen, die zijn listige bewaarder, de oude Romero, gretig aangreep als middel, om met Ouanje in onderhandeling te treden over een te sluiten vrede. Aldegoxde ontvangt nu meer vrijheid.
Den 7 November schreef hij Ouanje een\' brief, waarin zijne moedeloosheid hem deze woorden uit de pen deed vloeien: âWat mij aangaat, omdat ik zie, dat onze godsdienst, door welken wij eenig en alleen steunen op het Woord Gods, zoo gehaat is, dat het onmogelijk is, dat hij in deze wereld rust vindt zonder kruis en vervolging, acht ik het beter alle geriefelijkheden des vaderlands en der goederen dezer wereld te verlaten en in een vreemd land te verkoeren, zijne ziel in lijdzaamheid bezittende, dan in onophoude-lijken oorlog te levenquot;
Begrijpelijk is het, dat de Prins op dit schrijven niet inging. Nadat nog eenmaal door Junius de Jonge, pogingen waren aangewend, schoen het of later de Heer van Champigny beter zou slagen. Ook hij gebruikte Aldegoxde als tusschenpersoon en wist hem te overreden, dat hij Oranje een rekwest aan zou prijzen, door dezen en de Staten aan Philips te richten, en waarbij \'s Konings achtbaarheid volkomen zou bewaard worden, en het punt van godsdienstvrijheid
32
mot stilzwijgen zou worden voorbijgegaan. Voorts wist hij te bewerken, dat Aldkgoxde voor enkele dagen, onder behoorlijk geleide, zou ontslagen worden om het genoemde ontwerp-rekwest den Prins aan te bevelen. Aluegoxde vertrok naar Rotterdam, waar Ouaxji: zich destijds bevond. Hij was nu geheel voor den vrede gewonnen. Hoe meer hij het indacht, hoe schooner het ontwerp hem toelachte. Vrede, bij wel gewaarborgde en verzekerde godsdienstvrijheid, was zijn ideaal geworden, terwijl Oranje, die scherper politiek inzicht had dan zijn vriend, wel inzag, dat dit laatste niet zou verkregen worden, dan door oen met inspanning van alle krachten doorgezetten oorlog. Bij de conferentie kwam dit verschil van gevoelen zoo sterk uit, dat Oranje al zijne welsprekendheid noodig had, om Aldegoxde van de onmogelijkheid van zijn voorstel te overtuigen. Hij wist toch te bewerken, dat eene reeds opgestelde scherpe memorie veranderd werd in een nederig verzoekschrift; zoodat ook die zending zooal niet geheel mislukte, toch niet aan het voorgestelde doel beantwoordde.
Van Den Haag werd Aldeooxde nu overgebracht naar het kasteel Vredeburch in Utrecht. En scheen thans ook alle hoop op ontslag voorgoed vervlogen, spoediger dan verwacht werd, zou er uitkomst komen. Middelburg moest zich na een tweejarig beleg aan de Watergeuzen overgeven. JVIondragox, de Spaansche bevelhebber, bleef gevangen; doch toon hij beloofde, to zullen bevorderen, dat Aldegoxde en drie andere gevangenon van zijn\' stand losgelaten zouden worden, liet men hem vrij. Lang aarzelde hij on het scheen wel, of hij zijn woord niet zou houden. Op een dreigend schrijven van Oranje volgde, kort na het ontzet van Leiden, de invrijheidstelling. Toch waren de Spanjaarden er slechts noode toe overgegaan. Tijdens het beleg van Leiden was de Prins ernstig ongesteld. Het gerucht ging zelfs, dat hij overleden was. Voor men nu do kerkerdeuren voor Aldegoxde opende, worden twee soldaten uitgezonden om een onderzoek naar het loopend gerucht in te stellen.
33
Do Prins reisde zijn\' vriend tot Gouda te gemoot. En werden Amhcgonih; aanvankelijk ook geene gewichtige zendingen opgedragen, weldra zou hij weder evenals vroeger zijne oude plaats aan de zijde van Ouanjk innemen. Een nieuw tijdperk brak aan, een tijdperk, waarin AnuiaioxDK zou uitblinken als staatsman.
Liever dan hem thans te volgen op de glibberige paden der politiek, staan we stil bij een letterkundigen arbeid, in ballingschap begonnen, onder de handen van den vijand, onder allerlei bekommernissen voortgezet en voltooid â ul. de Psalmen Davids. Uit de Hebreeuwsche sprake in Xederduitsche dichte, op de gewoonlijcke Eransoysche wijzen ovcrgesctt.
Wij onderscheiden namelijk drie perioden in ons kerkgezang en wel:
a. het tijdperk van het Latijnscli-Duitsche kerkgezang, 1518â31 ;
h. het tijdperk van de Souterliedekens; geestelijke liederen op wereldsche wijzen, waaronder die van quot;Willem vax Zur.iLEx van ïfrjEVELu1) uitmuntten (1539);
c. het calvinistisch tijdperk, waarin eerst verscheen iu 1560 de berijming van 37 psalmen door Lucas de Heere, eene vertaling van Marot en Beza ; vervolgens die van Johan Utenhoven een Gentsch edelman2). Deze berijming tijdens
3
1
\') Willem van Zuijlen van Nijeveld.
Souterliedekens, gemaakt ter eere Gods op alle die Psalmen Davids, tot stichtinge en vermakinge van alle Christenmenschen, eene berijming van de Latijnsche overzetting welke op de kant wordt aangetroffen.
Jesaja, Ezecliiël, Hanna, I Kon. 11, Mozes, Habakuk e. a. Den Pater Nos ter, de Ave Maria, Credo in Deum, Credo in Spiritum, Augustinus, Ambrosius, Te Deum, werden berijmd op 156 zangwijzen van volksliederen.
2
) Jan Utenhoven, die ook met Godfried van Wingen, Joh. a Lasco en Micron het Nieuwe Testament uit het Grieksch vertaald heeft.
Utenhoven\'s verblijf in Engeland l)ij gedeelten uitgegeven, werd na zijn dood door Wingius verzameld.1) In 156G2) verschenen Datheen\'s psalmen, die tot lang na 1784 de psalmen waren, ja, die nog door enkele Ledeboeriaansche gemeenten gezongen worden. Aanstonds werd die bundel met \'n zekere vreugde ontvangen en ingevoerd, zoowel bij de openbare godsdienstoefeningen als in den buiselijken kring. In de veelbewogen jaren van 66 en 67 maakten zij, onder de gemoedsbewegingen van de hagepreek en den beeldstorm, een indruk op bet volk onvergeetlijkenonuitwischbaar. Met \'n psalm op de lippen beklommen de martelaren den brandstapel en zongen tot rook en vlammen hunne stemmen verstikten.
De persoonlijkheid van Datheen merkte zeer mede tot de algemeene invoering. Yan onverdachte gereformeerdheid was âde minister metten rossen baerdquot; de geliefde volksredenaar, beroemd om zijne kanselwelsprekendheid geheel Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland door. En al was hij geen dichter, hij had het Xederlandsch dialect geheel in zijne macht, zoodat hij, hoe kreupel de verzen ook gingen en hoeveel âstoplappenquot; er ook in voorkwamen, eene vertaalde berijming leverde, die geheel op den aanleg en den smaak van het volk berekend was.
1
*) Eerst verschenen in 1561 100 Psalmen, in 1566 verscheen eene volledige uitgave onder den titel: De Psalmen Davidis in Nederl. zangryme door Jan Utenhoven van Gent, waar toegedaan zijn de Gezangen van Maria, Zacharias, Simeon mittsamen den 10 Geboden en den Gebed des Heeren. Item is hier noch voor iegelyken Psalme gestelt sijn inholdt, en aan \'t eynde een voegelük gebedt daarop.
Gedrukt te Londen bij Jan Doije, 12 Sept. 1566.
Datheen nam uit die verzameling over den Bedezang voor de predikatie en den Avondzang.
2
) 2 Maart 1566 onderteekent uit Frankenthal.
Op verschillende zangwijze, waaronder enkele van Cl. Goud-dimel. Achter volgen Liturgie, benevens de kl. Katechismus van Micron.
35
Den meer ontwikkelden stond deze berijming echter tegen, en het behoeft ons niet te verwonderen, dat een man van zoo dichterlijken aanleg als Ai.degonde geenen vrede er mede hebben kon. Hij toog zelf aan het werk, en door zijne grondige kennis van het Hebreeuwsch, zoowel als van het iSederlandsch ; door zijne dichterlijke gaven; door zijne godsvrucht, was hij meer dan iemand tot die taak de aangewezen persoon. Dat hij zich zelf hooge eischen stelde, wie zou het betwijfelen. Ten opzichte van de taal is hij keurig. In de voorrede verklaart hij, zooveel mogelijk getracht te hebben, de gemeene ende gebruickelijke wijze van spreken te hebben gevolgd ; maar tevens ook, âalle geschuijmde en vreemde woorden uijt andere talen ontleend vermeden te hebben, mitsgaders ook alle stopwoorden, die men in den dichte plach te gebruiken.quot;
Alleen, daarin week hij af, dat hij de enkelvoudsvormen van den 2den persoon, du richtst, dijner, dij enz. bleef be-houdeni).
Hij zorgde er voor de woorden der profeten, blootelijk en slechtelijk uit te leggen in den zin des Heiligen Geestes, naar de waarheid van den Hebreeuwschen tekst. Bovendien Ai.degonde had de Psalmen beleefd. Eene merkwaardige overeenkomst valt op te merken tusschen zijn leven en dat van Israels koninklijken zanger. En legt hij Oranje de woorden in den mond :
âAls David moeste vluchten Voor Saul den tiran.quot;
Was dit niet als uit zijn eigen leven gegrepen ? Ook hij had als balling rondgezworven, omringd door allerlei gevaren ; in de gevangenis gezucht, waar tusschen hem en den dood als maar een schrede was; ook hem
\') quot;Wat voor ons aan die psalmen iets ongewoons, maar toch ook weer iets zoetvloeiends geeft.
30
hield dat onwankolbaav vertnmwon oji zijn God staande», dat hem kon doen zingen :
Het gae so \'t wil, mij sal altoos aancleve
Genaed on gunst, so lanclt als ik zal leven En \'t Instich huis des Ileereu hooggepresen
Sal eeuweclijk, mijne vaste woonstedt wesen. Zoo was psalm aan psalm letterlijk passend op zijnen toestand en dat geeft aan die psalmen, dien doorgaans sombron en scherpen klaagtoon, alsmede die bijzondere, krachtige en schilderachtige uitdrukkingen.
Beluisteren we hem bijv. in psalm 60 :
Dn liebst ons Oodt, voor eenen tijd
Yerstooten en verstrooijt seer wijd,
Zijnd over ons vertoornigt seer,
Keert dij nu gunstig \'t ons waart! ITeer, Die hebst het land niet anxst verschrikt,
Van een gescheurd, sodat het swickt.
Heel doch do schaarden ende spleten Want d\' eerdrijk is van een gereten.
Of ook in psalm 3 :
IToo groot o Heer, boe zwaar,
Is mijner haters schaar.
Die mij brengt iu dit lijden.
Hoe sterk is desen hoop,
Hoe noest is hot geloop
Van die mij tegenstrijden;
Veel zeggen, m j ten spijt,
\'t Is immers nu ten tijt Ton eind met hem gekomen.
Zijn ziel en heeft nu meer,
Geen hulp aan God den Heer,
Dion troost is hem benomen.
Doch bist du mijn scild,
O Heer, dijn goedheid milt
llccft altoos op mij il oogc ;
Du bist mijn eer, mijn lof,
Die mij den hoofd uit den stof\'
lïiclitst op en lieft omhooge.
Of schooner nog in Ps. 42;
Als een hert, met dorst bevangen,
Hij gt nae waterbeekon koel,
Also hijgt mot groot verlangen
Mijn siel na God met gewoel.
Ende dorst begeerlijk zeer
Nae des levens God en lieer. Och, wanneer zal ik voor d\' oogen,
Gods des Heeren mij vertoogen ? Mijne spijs zijn bittre tranen,
l)ie ik storte dag end\' nacht.
Als ick daeglix hoor vermanen,
Waer is dijn God met sijn macht ? \'t Hert ontsinkt mij, als \'t mij heugt Hoe ick met veel volks in vreugt. Met lofsangen oud gebeden
Tot aan quot;t huis Gods placht te treden. Als ick dijns denk in dit dwalen
Alhier over den Jordaan Jae, wijt over Hermonspalen,
Ende Misars berg daaraan.
Daar den eenen afgrond slorpt Xae den andren, ende worpt Vloeken schuijms op, met liet bruijsen
Van dijn sterke watersluijsen. Daervoorts alle dijne baren
En de stormen op mij slaen Maar dat zal mij \'t hart opclaren,
Dat Godt, nu versoent, voortaen. \'s Daegs mij zijn genade biedt
End \'s nachts geeft sijn lofsangs lied.
38
Dies sal ik mot geest verheven Bidden God, welck is mijn leven.
Geldt dit Aldegoxde\'s persoonlijke ervaring, die hem tot psalmdichter stempelde, er is nog eene bijzonderheid, die aan zijne berijming een eigenaardigen gloed verleent. Alue-goxde had een helderen blik in de wonderlijke wegen Gods met Neerlands volk. Hij merkte Gods vinger op in onze historie: de overeenkomst tusschen Israels ellende en verlossing en Nederlands verdrukking en uitredding uit het diensthuis. Busken Huet moge al beweren, dat Ai.degonde de eerste, de voorganger is van hen, die oorzaak waren, dat het Hebreeuwsch monotheïsme, zooals hij het noemt, den vorm aannam van een nationaal geloof en eene nationaal Xederlandsche Godheid, juist dat is het, waarin voor ons Aldegonde\'s roem ligt, waarom wij hem hoogachten en eeren als een der onzen. Onder het lezen van zijne psalmen verrijst het Nederland van zijnen tijd ons voor den geest. Zijn psalmbundel is het âGeusenliedboekquot; in den verhevenstcn zin. Reeds in de berijmde opdracht aan de Algemeene Staten laat de dichter dit zijn beginsel sterk uitkomen, als hij zegt;
âWant heeft de sterke God, die eerd en hemel schiep.
Ooit Sijne hooge macht, oijt Sijne wijsheijd diep,
Oijt Sijne wondren groot, ende Sijne gunst gepresen Den menschen hier op aard oogschijnelick bewesen, Sulx is terecht geschiedt, nu in ons vaderland
Daar iegelijk heeft gesien des Heeren sterke hand. Die zijn ellendig volk, met vele zware plagen,
Met kommer en verdriet versocht had en geslagen Jae, had es als vuijl stof, van hem gestoten schier
End langen tijd beproefd, door water end door vier\') Hij had \'s alom verstrooid, uit haere vaders erven
End doen in ballingschap ginds ende weder zwerven. Doch heeft ze wederom door zijne groote cracht,
In haere Vaderland met vreugde tliuijs gebracht.
\') Vuur.
89
Gelijck hij voortijds deed, doe d\' Israölsche scharen
In \'t Babylonsche land, vorstroijt en balling waren, Want hij se daar nac weer, na \'t zeventigste jaar
Tehuijs bracht, daar zij hem lofsongon al te gaar, End kenden met der daad, dat God tot alle tijden Sijn nitvercoren volk verlost uit cruijs en lijden.quot;
In die zelfde opdracht komt ook voor de aangrijpend schoone vergelijking van Oranje met David in zoo heerlijke poëzie, dat ze ons telkens doet denken aan den Prins onzer dichters, Yondel.
.Desolve Godt heeft nu in descn laatsten tijd Sijn wonderlijke hulp, sijn trouw gebenedijt.
Hier over sijn gemeent end Christen nitvercoren
So claerlijk laten zien, als immers oit te voren.
Want hij in Israël een lamp altoos bewaard
Die in Jen duister nacht der wereld, ons verclaert.
Dies hij ons ook verweckt heeft eenen trouwen vader.
Die hier des Heeren volk als David bracht te gader. Opdat sij sijnen dienst end levendige woord
Genieten mochten vrij, end volgen onverstoord Wij hebben hem gezien, zijn trouwe schaepkens leijden.
Aan \'t waterrijke land op schoon begroeide weijden. Maar doch niet zonder moeijt end swaren harden strijdt.
Want daar stond veel volks op, uijt enkel haat en nijd. Die met een vinnich hart, in haar gemoed verbolgen. Den vader \'s vaderlands sich poogden te vervolgen. Jsochtans werd Goliath met schande neergeveld.
Den vijand werde meest ontbloot van zijn geweld. Men sach voor hem verjaagd de wreede Philistienen,
Men sach zijn haters zelfs haars ondancs hem nocli dienen. Men sach des Sauls hand en Coninclijke macht
Door zijne vaste hoop, in groot gevaar gebracht,
Maar God verwekte hem ook ontrouwe Ziphienen, Met Doëg, Simei, end andren, die wel schienen. Hem toegedaan te zijn, end toonden schoon gelaat,
40
Maar droegen hem nogtaris in \'t hart zeer bittren haat. Ja, zelve, die zijn brood, als vrienden kwamen eten Die waren allerhardst end\' meest op hem gebeten Ephraims stam viel af â met sijnen aanhang veel.
Wij hebben (zeiden zij) met David geen gedeel. Wij willen Sauls stam en Benjamins geslachten
End onser vaders wet en \'t oud gebruik natrachten, Hoe dikmaals hebben sij hem schendelich gelaakt
End door haar onverstand mismoedig schier genaakt, Maar Gods hand stond hem bij, in sijue heiig\' aanslagen,
End keerde van hem af, des vijands schalke lagen. Totdat hij op het lest (om in des Hemels troon)
Van alle zorg bevrijd, \'t ontvangen d\' eeuwge kroon, Yan eens verraders hand, verraderlijk geschoten,
Yoor sijue schaapkens heeft zijn edel bloed vergoten.
Telkens, waar we het boek der Psalmen ook opslaan, kunnen we bijna vermoeden, welke tafereelen uit onze geschiedenis Aldegonde daarbij voor den geest stonden, toen hij de verzen neerschreef.
Zoo bv. in Psalm 79:
Het Heydenseh volk, versaamt met groote hopen Heeft dijn erf. Heer, geweldig afgeloopen,
Den tempel, schoon dijus heiligdoms, onteeret, Jerusalem tot hoopen puins gekeeret.
De leden (naakt en bloot)
Yan dijne dienaars dood Den voog\'len voorgestoten!
Den dieren op het veld.
Tot aas te voorgesteld quot;t A\'leesch dijner gunstgenooten.
Men heeft haar bloed, als water van vuyl sloten Rondom de stad Jerusalem vergoten.
Daar was niet één, die s\' aannam te begraven.
Maar lagen daar voor honden ende raven.
41
Wij sijn, nadat ons gaat,
Een enkel spot en smaad Der naast gelegen vloeken.
\'t Tolk dat men rondom sict,
Doet met ons anders niet Dan spotten ende gecken.
Is het niet of we Alva\'s benden hot land zien rondtrekken, de gemeenten uiteendrijvend, roovend en plunderend, ouder het bedrijven van moordtooncelen, waarbij die uit Armenië slechts kinderspel mogen gerekend worden. Denk aan Zutfen, aan Kaarden, aan Haarlem.
En als de dichter in Ps. 126 zinart:
o
Doe Godt uit \'s vijands sterke macht, \'t Gevangen volk van Si on bracht.
Het docht ons oenen droom te zijn Oft een gesicht end loosen schijn.
\'t Hert was zoo vroolijck, dat de monden End tongen ons na lachen stonden.
Heer, wil ook d\' ander mitgevangen t\' Huis wederbrengen nae verlangen,
\'t quot;Welk waar oft eenen vloed wel diep Door dorr\' en heete landen liep.
Is het niet de juichtoon van de teruggekeerden bij het doorbreken van tie eerste morgenroodstralen der vrijheid, gevoegd bij de bede om doorbreking van het volle zonnelicht ?
Hoe mat, hoe koel is daarbij vergeleken de tegenwoordige berijming, samengesteld in jaren, ver verwijderd van den tijd, toen geene verbeeldingskracht te hulp behoefde geroepen te worden om zich eene voorstelling van de vreugde van den psalmist te kunnen maken, maar die zelf mee beleefd was. Een enkel voorbeeld stave dit:
Vergelijk slechts uit I\'s. 35 liet slepende:
Twist met mijn twisters. Hemelheer,
Ga mijn bestrijders toch te keer.
42
Wil spies, rondas en schild gebruiken Om linn gevreesd geweld te fnuiken,
niet Aldegonde\'s kort uitgestooten kreten:
Twist met mijn twisters, sta mij bij,
Mijn wederstrijders. Heer, bestrij;
Grijp naar den schild, tast na de speere.
Maak dij doch op, end mij verweere.
Lang voorts de spiess, stop toe de baan;
Wilt mijn vervolgren tegengaan;
Seg mijner siele: Yreese niet,
Jk ben dijn helper in verdriet!
Is dat niet de noodkreet van de in de engte gedreven ziel? Zoo ook de verzen uit het lied van Mozes:
Du bist altoos van d\'een geslacht op d\'ander Ons borgt geweest end eenich onderstander.
Eer oyt gebercht of heuvel was gerezen.
Eer d\' eerdrijk vorm of wereld luidde wesen. Du waerst, o Heer, deselve God van macht Onwankelbaar in wezen end in kracht.
Du brengst den mensch tot niet hier op dor eerden. End morselt hem als stof van kleiner weerden Als du maar spreekt: âKeert menschen wederommequot;. Want in dijn oog zijn duizend jaren omme Gelijck den dag, die gister ginck voorbij.
Of als bij nacht een korte waakgetij.
Wij zouden evenwel Aldegonde onrecht aandoen, indien we slechts tot den klaagzang ons bepaalden; ook in het loflied wist hij den juisten toon te treffen:
Prijst den Heer, alom end om.
Prijst Hem in zijn heiligdom In den hemel uytgebreidt Ende door Sijn cracht bereidt
43
God de Heer sij hoog geprosen Om zijn wonderbare macht,
Om de grootheid ende kracht Yan 8iju eeuwig godlijk wesen.
Dat men hij der stemmen sanck Voeghe des bazuyns geclanck Psalter en de harpen soct Om te loven Gods naem goed.
Op violen ende snaren Citers, orgels ende luyt Wilt met trommelslag end fiuit Sijnen lofzang hoog vermaren.
Looft God met cimbalen hel Ende met schalmeyenspel Zijnd\' in uw gemoed verheugd.
Loof den Heer met rechter vreugd Laat al wat kan tonge roeren.
Oft wat leeft en adem heeft End op deser wereld leeft,
In den mond Gods lofsanck voeren.
Hallelujah, Geef den Heere Prijs end eere!
In 1580 had Aldegoxde zijn bundel voor de pers gereed. Hij verkocht het recht van uitgave aan den Leidschen professor-uitgever: Boxavextura Vulkanius, die hem te Worms en Antwerpen als amanuensis gediend had. Beiden hadden er belang bij, dat de uitgave slaagde en de psalmen kerkelijk ingevoerd werden. Aldegoxde was betrekkelijk arm, de professor niet bemiddeld. Toch zouden beiden teleurgesteld worden. En hoewel Aldegoxde bescheidenlijk beweerde: âWij willen Mu. Peeteu Datuexum niet schelden of straffen uochte zijne overzetting der Psalmen uit des gemeenen mans hand rukken; wij kunnen zeer wel lijden, dat de Psalm-liederen van üathexu-u overblijven en de onze onderdrukt wordenquot;, â de Leidsche professor is scherper in zijn optreden.
44
In 1Ã6S op de AVoselsclto synode, in \'74 op de Piov. synode van Dordt en op de Nationale van Dordt in 1578, waarbij telkens Datueex tegenwoordig was, werd zijn bundel kerkelijk gesanctioneerd. Eerst na 1581 kwam de nieuwe berijming ter sprake. De tijdsomstandiglieden, en vooral de kerkelijke beweging te L\'treclit, de strijd tusschen Daïiieex en Ouaxje, bet optreden der Libertijnen: Coolifaas, (jteesteuanus, Cooun-iieitr, maakte, dat die bespreking tot niets leidde.
Op de Synode van 1018/19, waar tot de overzetting der II. 8. besloten was, schijnt men geen moed geliad te hebben, nu ook nog met oen nieuwen psalmbundel aan te komen. AVas men er toe overgegaan, het zon zeker veel tegenkanting ondervonden hebben, want Aldegonde had door laster en logen het vertrouwen bij een groot deel des volks verloren. Ook verschilde hij te veel van Datheex, om diens plaats in te nemen. Hij was hoveling, de vriend van Ouaxje, en hoe hoog men Oranje ook vereerde, op het punt van religie was lüj te verdraagzaam, en genoot hij niet het volle vertrouwen. Dit wantrouwen van den meester werd op den dienaar overgebracht en partijdigheid voor den persoon ontaardt immers bijna altijd in partijdigheid tegen zijne geschriften.
Boxaventuua liet evenwel den moed niet zinken. Hij schreef aan do Z.-Hollandsche Synode: âdat Datiieex\'s psalmen, niet wel mochten trouwclijk zijn overgeset, ja, zulcs sijnde, dat, let wel! vele treffelijke luiden lieten ter predicatie te gaan als die gezongen werden.quot; Edoch, ook die vermaning baatte niet, evenmin als Huygens puntdicht:
Ja, dat één van Datiieex, daar is de wereld sot na.
Waarom? â quot;t Is \'t oudste kind en daarom goed en soet.
De vromen zijn er mee te vree in hun gemoed.
\'t A lag wesen, maar ik vrees, quot;t is al te vreen op God na.
Critiek kwam te laat! Datiieex bleef gehandhaafd, \'t Volk dacht toe n reeds ids de AVandsbecker Bode onder
4.quot;)
gelijke niiistiindiglioilon nnn zijn vriend schreef: ..ei kunnen wel liederen zijn, die niet zijn als ze wezen moesten; maar toch - ik weet niet of liet aan het verbeteren ligt of aan de verbeteraars â ik kan niet nalaten eenige gezangen te betreuren en terug te wenschcn. i)c kleeren maken den man niet, dunkt mij en is de man goed, dan is alles goed. Of er een knoop verkeerd zit, en of er eene valschc plooi in is, doet eigenlijk niets ter zake en wie let er op? Men raakt er aan gewoon. Zoo\'n lied is als eon oude huisvriend, die men vertrouwt en bij wieu men raad en troost zoekt. Als men dien nu, anders gekleed en in oen nieuwerwetschen rok terug ziet dan vertrouwt men hem niet eu men is niet zeker of de oude vriend er nog wel in zit. Ik verlang dan altijd weer naar dien verkeerden knoop en die valschc plooi.quot;
Aldeoonde\'.s berijming beleefde drie uitgaven: in 1580 bij Gilles vax dei: Rade te Antwerpen, in 1591 bij IvicnAun scmldeus te Middelburg en de derde bij Lowus Elzevier te Leyden in 1617. Deze laatste uitgave was een curiositeit. De psalmen van Datueex en Aldegosde waren daarin be-kwamelijk tegen elkander over gesteld om beide dichten te mogen vergelijken en te zingen, het een of liet ander al na eens iegelijks behagen. Aan de tweede uitgave werden toegevoegd eenige schriftuurlijke lofzangen o. a. het lied van Mozes, van Deborah, Hanna, enkele hoofdstukken uit de profetieën van Jesaja, Ezechiël e. a. Een van do schoonste is ongetwijfeld de berijming van .Tesnia 5:
Ik wil mijn liefste singen,
Een rechtsinnig, vriendlijk lied End van mijn wijngaard dingen Seggen, die hem sijn geschiet.
Op een bergsken, reedlijk hoog.
Vet van grond, en schoon in dquot; oog Had mijn lief om vreugd \'t oorboren Eenen wijngaard uitvercoren.
Dien hoeft liij aan allo canten
46
Tast bemuiird, gespit, geveod End met ranken doen beplanten Van de schoonste, die men weet.
End heeft eenen toren dicht Daar in \'t midden opgericht,
End oen wijnpers met haar wellen Daar beneffens op doen stellen;
Want hij vastelijk vertrouwde.
Dat zijn wijngaardplant gewis Groede druiven brengen zoude;
Maar voorwaar het sloeg hem mis,
AVant in steed van goede vrucht Die hij wachtte onbeducht.
Heeft sij, tot sijn groot mishagen.
Wilt en bitter goed gedragen.
Nu dan gij die uw woonstede
Houdet in Jerusalem,
Ende die van Juda mede Geeft hierover uwe stem.
Oordeelt ende richtet gij Tusschen mijnen berg\' en mij.
Wat konde ik doen te sijner bate.
Dat ik hebbe nagelaten? â
Veel vreugde beleefde Aldegonde niet van zijnen arbeid. Jaren later, als hij schier alle hoop op eene kerkelijke invoering in ons land had opgegeven, voegt hij bij eene trouwe vermaning aan de verstrooide broeders in het Zuiden een paar zijner psalmen, waarschijnlijk met het doel om de aandacht van die kerken er op te vestigen. Is dit zoo, dan is ook die poging mislukt.
En hiermede ben ik dan aan het einde gekomen van do taak, die ik mij had voorgesteld. Mocht ik er in geslaagd zijn U slechts enkele oogenblikken te doen inleven in ons roemrijk verleden â ik zal mijn doel bereikt rekenen. Het
47
sclioonc vors, dat aan dio âTrouwe Yormaningquot; voorafgaat, meen ik U echter thans niet te mogen onthouden ;
U moet ik vrij getuigenisse geven
Yan mijne iiofde en broederlijk gemoed,
Die buiten \'s lands verstrooid sijt en verdreven
End welgerust leeft onder Gods behoed.
Hoe eond ik U, mijn broeders, ooit vergeten.
Daar wij toch zijn in eenen stronk geplant;
Al sijn wij nog zoo veer vaneen gesmeten,
So kan ons docli gescheiden zee noch land.
Gij zijt, \'t is waar, van dit verkeerd geslachte
Onrechtelijk verworpen ende versmaad,
Ende uit uw goed gejaagd, met wil en krachte Wordt alom nog, vervolgd schier en gehaat.
d\' Een wordt alhier, als vreemdeling verstooten. Den ander daar verargwaand ende verdacht;
Ja, gij en zijt geen \'s werelds erfgenooten.
Maar \'t vaagsel zelf der wereld schier geacht.
Doch, broeders, \'t is om Christi Jesu wille.
Dien aldus hier dobbelfout vereerd,
quot;Want gij in Hem gelooft, gerust en stille
End daertoe noch voor Hem lijden leert.
Daarom roept Hij: âen wilt u niet versagen.
Gij kleinen hoop! dat \'t hart u niet bezwijk\'.
Want \'t is gewis des Vaders welbehagen
Dat hij u schenk dat hemelsch koninkrijk.quot;
Ik wil mij dan bij uwer liefde voegen.
End spreken uit des Hoeren Christi lof.
Om in Hem vast te stichten ons genoegen.
Mits hij daartoe ons geeft volcomen stof.
Want wij zijn doch sijns lichaams eigen leden,
Yleesch van sijn vleesch, en beenen van sijn been. End mogen nu tot God vrijmoedig treden.
Als sijnd in Hem, en met Hem in God één.
Wiens tonge can uitspreken of vermonden
4iS
Sulek oon gonnod end womlorlijko dnad?
Wiens cloeck verstand sond konnen ondergronden Sulek een liefde en sul eken lioogen raad?
IToe soudt ge dan nog stellen daarentegen Uw tijdlijk cruys, uw ballingscliap, uw kwaal,
Alsof suleks iets in \'t minste konde wegen,
Zijnd opgehaald in deze tegenscliaal?
Och broeders, is de Heer aan onse sijde,
Wie can ons noch doen hinder of belet;
Is God met ons, wie can ons wederstrijden.
Daar ons sijn hand so menichmaal ontset.
Bovenstaand opstel werd gelezen in een vergadering van de Ermelosche vereeniging »Unitasquot;, een vereeniging, die zich ten doel stelt: ouderlingen steun in het werk der barmhartigheid. Het was natuurlijk niet voor de pers bestemd, te meer niet, omdat hot eenvoudig eene bloemlezing is uit de meest bekende werken over Aldegonde, o. a. die van Prins, Biioes, Qüinet, Prof. Vax Toorenenbergen\', Van Have e. a.
Op vriendelijk en dringend verzoek stond de schrijver het af â en waarom ook niet ? Immers, ook nu schonk de Heere ons groote mannen, versierd met uitnemende gaven. Yurige Calvinisten, die, met Aldegonde\'s zinspreuk: ,Lo repos ailleursquot; voor oogen, ijveren voor hetzelfde hoog heerlijk beginsel, dat ook dien held bezielde.
Het Calvinisme ontplooit zich schooner dan ooit, en moer het gansche terrein des levens omvattende. En waar dat zoo is, zal dunkt ons, een periode uit het leven van oon dier weinige Nederlanders, die aan do voeten van Cal-vlin zat, die van zoo grooten invloed is geweest voor de verbreiding van het Calvinisme in deze landen, niet omvol-kom zijn. Moge deze terugblik ook maar eenigszins bevorderlijk zijn, onder \'s Hoeren zegen, aan het beter bekend raken met het tijdvak, waarin Aldegonde leefde !
Don lezer heil!
lt;S\'l â i\' £ 31