ocr page 1
ocr page 2

E. oct.

1982

G !•] S C H E N K

VAX HET

UT li. OUi )-ST UDENT EN FONDS.

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HTJYFEK\'Ö F.N( VVK I X)PA

UITEENGEZET EN BEOORDEELD

DOOR

Dr. F. K. D A U B A,NT ON.

ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0884 9329

ocr page 7

d: \'\'{J/

KUYPER\'S ENCYKLOPAEDIE

UITEENGEZET EN BEOORDEELD

DOOR

Dr. F. E. r)A.TJBA.NTO N.

ocr page 8
ocr page 9

Kuyper \'s Encyklopaedie uiteengezet en \'beoordeeld.

Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid door Dr. A. Kuyper, Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit. Amsterdam J. A. Wormser. 1894.

Daar liggen ze vóór mij de drie kloeke, statige boek-deelen van Kuyper\'s encyklopaedie. De heer J. A. Wormser, die de eer heeft uitgever van dit standaardwerk te zijn, was zoo beleefd een recensie-exemplaar aan de redactie van ons tijdschrift te zenden. De redactie vond \'t goed, om redenen hier niet te vermelden, aan mij de beoordeeling van het boek op te dragen. Tot die taak schik ik mij niet zonder schroom en toch met hartelust. Voor zooverre tijd en kracht het mij vergunnen zal ik mijn plicht volbrengen als .... een eerlijk man. Diplomatische berekeningen — wij leven in een klein landjen! — mochten ze in mij opkomen, zal ik dadelijk den gemeenen kop inknijpen. Ik zal prijzen wat ik lofwaardig acht en laken wat mijns inziens afkeuring verdient. Persoonlijke sympathieën of antipathieën mogen, moeten zwijgen. Kerkelijke verdeeldheid en strijd, staatkundig partij-geharrewar zullen op mijn oordeel geen invloed oefenen. Daartegen te waken valt mij licht. Aan den „kerkdijken strijdquot; nam ik nooit deel, in het openbaar ten minste — al heb ik de kerk, wier brood ik eet, hartgrondig lief. En bidt mijn gemoed voor Vaderland en Vorstenhuis — mijn inzicht in staatkundige zaken vergunt mij

i

ocr page 10

juist eveh — \'k beken het gul — om met meerdere of mindere zelfstandigheid mijn stembillet in te vullen. Liever dan aan Politiek doe ik aan Encyklopaediek.

Maar wat dwaal ik af? Dit wilde ik zeggen: tusschen Kuyper\'s encyklopaedie en mijn wetenschappelijk geweten zal niemand, zal niets staan. Vraagt de heer A, verstoord: „waarom hebt gij dit of dat zoo geprezen ?quot; vraagt de heer B, boos: „waarom hebt gij dit of dat zoo gelaakt?quot; . . . . dan zal mijn andwoord steeds eentonig, maar oprecht, luiden: „omdat ik meende dit moest geprezen, dat moest gelaakt worden.quot;

Zoo begin ik dan met de verklaring dat mijn blik vol eerbied rust op die drie deelen daar vóór mij. Vol eerbied! Een zwakker woord zou hier te zwak zijn. Daarom zeg ik: „Vol eerbied.quot; Van hoe noesten ijver, van hoe liefdevolle vlijt, van hoe machtige denkkracht wordt ons hier de vrucht geboden! Wat er ook in ons theologiesch Nederland geleverd werd op het gebied der Encyklopaedie van de f Godgeleerdheid, déze „Encyclopaedicquot; is prima inter pares, om haar koninklijk-breeden opzet, om hare forschheid van bouw, om haren buitengewonen rijkdom, om de warmte harer inspiratie, om hare fijne, zeer fijne, analyse, om hare volle, machtige synthese. Met de voltooiing van dit meesterwerk wensch ik den hoogleeraar Dr. A. Kuyper van harte geluk. Door dit boek heeft hij én onder ons, én voor de oogen der buitenlanders, de eere onzer Sacro-Sancta Theo-logia hoog, zéér hoog gehouden. Daarom heeft hij recht op onzen dank. En schreef in deze „Theologische Studiënquot; een algemeen geacht geleerde, de wijze en voorzichtige Prof. Dr. E. H. van Leeuwen, van zijn „eeresaluutquot; „aan een zoo eerbiedwekkenden theologischen arbeidquot;1), ik — die wel eens wenschte voor wat méér voorzichtigheid te mogen danken — ik breng aan Kuyper\'s jongste werk mijn „eeresaluutquot; op zeer hoog waardeerenden toon. Het eerste woord mijner kritiek doe haar kennen als kritiek der bewondering.

1

Theol. Stud. 1894, p. 348.

ocr page 11

3

Bewondering is synthetiesch. De kritiek der bewondering bezigt niet vele woorden. En zal ik, waar ik meen te moeten afkeuren en veroordeelen, breedvoeriger mijn oordeel toelichten — deze kritiek, in haar geheel, versta de lezer als uitdrukking van wélgemeende waardeering en van grooten eerbied.

Neander hield er van in zijne beschouwingen van het uitwendige naar het inwendige te gaan. Wij zullen zijnen weg volgen. Een enkel woord dan over deze „Encyclopaediequot; als uitgave.

Met dit royaal octavo handhaafde de heer J. A. Wormser den goeden naam zijner firma. De flinke bladzijde herbergt breede regels ruim en onbekrompen, zoodat een „margoquot; overblijft. Boven de bladzijden zijn de titels der §§ nog eens gedrukt op dezelfde hoogte als het cijfer der pagineering. De lettertype is scherp, dus helder. De onderstreeping wordt aangegeven door cursiveering niet door spatieëring. De bibliophiel zou dit massieve werk liefst op „Hollandschquot; papier hebben. Maar „financiertquot; de bibliophiel geenszins — de uitgevers moeten het wél doen en — ni fallor — doen ze het ook. Toch gaf de heer Wormser ons een goed en deugdzaam papier. Kort en bondig: ook als uitgave heeft dit werk recht op eene zeer eervolle vermelding.

Dr. Kuyper publiceerde zijne „Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheidquot; in drie deelen. Hij noemt ze: „Deel Eenquot;, „Deel Tweequot;, „Deel Driequot;. Ik kan niet goed vinden dat hij op die manier het cardinaal voor het ordinaal bezigt. Dat heeft iets „genegligeerdsquot;. Ja — in spreektaal luidt \'t: „dit of dat staat in deel één, in deel twééquot;.- Maar schrijven wij-, dan heeft „Eerste Deelquot;, „Tweede Deelquot; meer rust en gepastheid. Nog iets over de titelbladen! \'t Is wel eene kleinigheid, maar bij werken van beteekenis geeft waardeerende

l*

ocr page 12

4

kritiek ook op kleinigheden acht. Op de titelbladen lezen wij: Deel Een Inleidend Deel. — Deel Twee Algemeen Deel. — Deel Drie Bijzonder Deelquot;. Dat noem ik kakophonische monotonie, of, wil men, monotonische kakophonie. Hoeveel beter klinkt: Eerste Deel: Inleiding. Tweede Deel: Grondlegging (of iets dergelijks). Derde Deel: Instituut (of iets dergelijks). Ook het titelblad van een boek getuige van zorg en smaak, getuige van tucht! Ieder deel dezer ency-klopaedie wordt geopend met een „Voorwoordquot;. Die naam wordt boven het voorwoord van het eerste deel met een ander type gedrukt dan in het tweede en derde deel. Als ik daar aanmerking op maak, zullen Schrijver en Uitgever beiden erkennen dat ik gelijk heb. — Het eerste deel heeft 486; het tweede 628; het derde 577 bladzijden. Na ieder deel komt eene inhoudsopgave. In die van het eerste deel loopt de pagineering niet door, wel in die van het tweede en derde deel. Al hebben wij geen lust in de eenvormigheid van het moderne leven, toch beweren wij dat eenheid van vorm hier gewenscht is. Aan het derde deel wordt eene lijst van „Errata in Deel Iquot; toegevoegd. Lang niet alle drukfouten worden vermeld. Dat zou anders een lijst maken! Het „Eerste Deelquot; wriemelt, krioelt van fouten in \'t Neder-landsch, in \'t Grieksch, in \'t Latijn, \'t Is inderdaad jammer dat Di*. Kuyper zoo verbazend slordig de drukproeven nazag. Het tweede en het derde deel zien er in dit opzicht beter uit. Onze wederzijdsche vriend, de nauwkeurige Prof. Woltjer, kreeg het grootste gedeelte der proeven onder de oogen vóór dat het „imprimaturquot; gegeven werd. Met dat al . . . . „Errata in Deel II en Hlquot; worden niet genoteerd. Hadde ik tijd en lust er toe, ik zou met gemak eenige tientallen bokjes, en ook wel bokken, kunnen neêrschieten. En in de lijst „Errata in Deel 1quot; komen óók weêr drukfouten voor. Het eerste woord is al aanstonds mis; „pag. 31 „Hodoge-ti cquot; lees: Hodegetiekquot;. Maar „Hodogetiecquot; — met \'n „cquot; — staat nergens op blz. 31. Wél lezen wij daar, en op ontelbaar andere plaatsen : „Hodogetiekquot; voor „Hodegetiekquot;. Alsof er over de schrijfwijze eenige quaestie ware, annoteert Dr-

ocr page 13

5

Kuyper bij de opgave van dit erratum: „De schrijfwijze met o, hier en elders, eerst nog bijgehouden, moet toch etymologisch prijs gegeven.quot; Dat is — latine loquamur! — een ..doekje voor het bloeden.quot; Het Grieksch kent; sSa ttoisu , óoo-miyirii, oamp;o-iroiix, c^o-ttoioc. Maar steeds is het; oü-yyeca, olyyo:. — Leelijk is ook dat „Staiidlinquot; steeds „Standlinquot; genoemd wordt: in den titel van § 99; in het opschrift van die §; in den text van die §; in de Inhoudsopgave achter „Deel Eenquot;. Niemand klage; „die zetter! die zetter!quot; Want, honderd tegen één, de man heeft er part noch deel aan. Uit Kuyper\'s handteekening blijkt dat de Hoogleeraar de „Uquot; zeer duidelijk schrijft. Ik geloof dat Dr. Kuyper in den waan verkeerde dat Staiidlin „Standlinquot; heette. Errare est humanum.

Uit het oogpunt van de orthographic moet heel deze meesterlijke encyklopaedie duchtig, duchtig herzien worden. De „negligentiaquot; (\'k gebruik met opzet het latijnsche woord, want „slordigheidquot; klinkt zoo onvriendelijk) van Dr. Kuyper doet den lezer — mij tenminste — onaangenaam aan. Neem het „Voorwoordquot; op „Deel Eenquot;. De aanhef is reeds fout. „De Theologische Encyclopaedic, waarvan hiermeê het eerste deel het licht ziet, zal met nog twee deelen van iets grooteren omvang compleet zijnquot;. Het gaat niet aan van „Theologischequot; Encyklopaedie te spreken. Dat is fout. Alle Encyklopaedie is philosophiesch. Met „Theologische Encyclopaediequot; (Godgeleerde Encyclopaedic I, 1.) bedoelt Dr. Kuyper „Encyclopaedie der Theologiequot; (Encyklopaedie der Godgeleerdheid). Deze fout wordt heel het werk door gemaakt. — „De Theologische Encyclopaediequot; schrijft Dr. Kuyper, met „Thquot;. Een oogenblik later schrijft hij: „de theologische Encyclopaediequot; met „thquot;. Die willekeur heerscht heel het werk door. Hetzelfde geldt van Palingenesie, met „Pquot;, en palingenesie, met „pquot;. — De schrijfwijze „chaosquot; wisselt met die van „chaosquot;. — I blz. 5 lezen we: „QsoXoyioc, Qsaplx of yvüaigquot; waarom niet Tvccvtc ? Bldz. 5, van het tweede deel, lezen we: \'OpSiv, (oXsttsiv, iïsïv, fyopxi, dsao^xi, Ssèopxévxi, — spicere, pkcit — (in txKSTneoQo», sic, lees:

ocr page 14

6

trtcsTrrevQxi), enz. drukken alle zekere waarneming door het oog uit, maar op onderscheidene wijzequot;. Waarom worden niet, naar goede orde, al die werkwoorden in infinitive opgegeven? Wanneer Dr. Kuyper bij het naamwoord het artikel in \'t Nederlandsch plaatst bezigt hij niet steeds het neutrum, wat alleen gepast is, maar nü eens het femi-ninum (bv. II, bldz. 53: „tengevolge der bestaande dan weer het masculinum (b.v. II, bldz. 60: „het vaderschap van dezen ipfDSs?quot;). II bldz. 163 schrijft Kuyper de „/Vwftixquot; (sic: lees (rüftx) voor „hetquot; eü/zx. Van „theoriequot; vormt de schrijver het meervoud „theorieënquot; (zie b.v. II, § 6), maar van „theologiequot;: „theologiënquot; (zie b.v. I, § 29). — Genoeg over deze en dergelijke dingen. Ik houd niet van „schoolmeesterenquot;, al acht ik alle achtenswaardige schoolmeesters.

Over taal en stijl van deze encyklopaedie kunnen wij kort zijn. Hoe Dr. Kuyper schrijft weet ieder beschaafd Nederlander. De deugden en de gebreken van- dezen krachtvollen stylist vinden wij in deze drie boekdoelen allen terug. Om met de laatsten te beginnen: breedsprakigheid, onnauwkeurigheid , onjuistheid, bonte opsiering, doorspekking van de nederlandsche zinsnede met vreemde woorden, zóó dat hier en daar een ware „glossolaliequot; weêrklinkt, platheid van ! uitdrukking .... van dat alles zou ik vele staaltjens kunnen aanvoeren. Daar ik echter afkeerig ben van vitten, wijs ik alleen op enkele plaatsen om de billijkheid van mijn oordeel te staven. Wij lezen (I, bldz. 1): „Daar het ency-clopaedisch, wetenschappelijk en theologisch standpunt van deze Godgeleerde Encyclopaedic in meer dan één opzicht afwijkt van de thans, ook onder „geloovigequot; Godgeleerden, meest gangbare denkbeelden, eischt de duidelijkheid, dat van dit verschil aanwijzing geschiede en rekenschap worde gegevenquot;. Welnu die drie eerste bijvoegelijke naamwoorden „encyclopaedisch, wetenschappelijk en theologischquot; zijn te veel. Bovendien is hier sprake van een standpunt dat „wijktquot;, immers „afwijkt.quot; Van „afwijkende richtingenquot; spreken, dat gaat. Terecht schrijft Dr. K. (Voorwoord, tweede deel) van „de verstafgewekene richtingquot;. Maar een afwijkend

ocr page 15

7

„standpuntquot;? En dat standpunt wijkt af van „de meest f gangbare denkbeeldenquot;!

Wij lezen (I, bldz. 10) van een „goedkoopen prysquot; voor „lagen prijsquot;, en ook van „alfabetische Encyclopaediën (die) thans schier voor alle vakken en wetenschappen bestaan, deels voor geleerden, deels populairquot;. Wat is toch een encyklopaedie die „populairquot; bestaat?

Wij lezen (I, bldz. 17) „Werkte alzoo reeds sinds Plato het besef, dat de onderscheidene deelen onzer kennis één aaix.» vormen; had men voorts op allerlei wijze gepoogd aan dit besef uitdrukking te geven door feitelijk de verschillende brokstukken dezer ééne kennis dan ook in één werk saam te vatten, of juister gezegd in één speculum af te kaatsen; en had de schikking van deze rudis indigestaque moles vanzelf genoopt, om zich rekenschap te geven van de wijze

waarop deze van het ééne vwpx samenhingen.......quot;

Me dunkt dat het nu bont genoeg is.

Wij lezen (I, bldz. 333, noot) „Hebben wij ons dusver tot plicht gesteld, de onderscheidene schrijvers in breeden

sier met hun eigen woorden te laten spreken......quot; „In

breeden sierquot;. Kon het niet eenvoudiger gezegd worden?

Wij lezen (I, bldz. 22) van „saamstouwen der (weten- \' schappelijke!) stofquot;.

Dergelijke aanmerkingen zouden wij in grooten, zeer grooten, getale kunnen maken, indien het ons lustte. Maar zij zouden toch de lofspraak niet overstemmen die taal en stijl van het werk in zijn geheel verdienen. Eenvoud en rust ontbreken

meer dan ééns ..... maar wat rijkdom van woordenkeus,

wat warmte, wat gloed van dictie, wat krachtige stijl; wat heir van beelden, vergelijkingen, voorbeelden, veelal treffend, ontleend aan letterlijk heel de waereld der bestaande dingen! Er zit gang in deze encyklopaedie. Een ziel leeft er in, een ziel met groote, diepe liefde tot de Heilige Godgeleerdheid. Dat doet zoo weldadig aan in deze dagen van kritiek, kritiek, en nog eens, kritiek; in deze dagen van „malaisequot; op het gebied van wijsgeerig dogmatische en encyklopaedische studiën.

ocr page 16

8

Wij gaan thands tot den inhoud van het werk over.

Het eerste deel dan, de Inleiding, wordt geopend met eene beschouwing van „De Encyclopaediequot; in het algemeen. Hoofdstuk I handelt over „De naam Encyclopaediequot;. \'t Bevat § 1. — § 8. — §1. „Gewicht aan den naam te hechtenquot;. Immers „in den regel schuilt reeds in den naam eene geschiedenis, die iets te zeggen heeft. En dit is zelfs in bijzonderen zin het geval met den naam Encyclopaediequot;. § 2. „Gebruik in de Grieksche Classiciteitquot;. Voor wat het besef van den Griek aangaat spreekt uit het gebruik van het woord xvkïos bij iraihix drieerlei: „1°. dat hij uit het geheel van de destijds verworven kennis enkele deelen afzonderde; 2°. dat hij deze deelen niet wilkeurig koos, maar schikte naar bepaalden maatstaf; en 3°. dat hij dezen maatstaf aan een kring in het leven ontleende, en, in rapport met dezen kring van het leven, de door hem afgezonderde deelen van menschelijke kennis tot één geheel groepeerde. Een drievoudige bezigheid van zijn geest, die tevens onderstelde, dat hij min of meer bet geheel van menschelijke kundigheden voor zich geobjectiveerd hadquot; (bldz. 4.) — § 3. „Overgang bij de Patresquot;. „In het Grieksch der Kerkelijke letterkunde erlangt iyjrJxA/o? ttxiIsIix. allengs een gewijzigde beteekenis en gaat nu beteekenen: de kennis of wetenschap, die geheel den kring van het heiden sch-classieke leven dekte; waartegen dan de ©so/.oylx, amp; sap lx of yvüvic als hoogere kennis overstondquot;. (bldz. 5). § 4. „Gebruik in bet tijdperk der Reformatiequot;. „In het scholastiek en kerkelijk spraakgebruik, dat zich onder Westerschen invloed vormde, drukte men het oorspronkelijk begrip van de syic. zxtè. uit door Trivium et Quadrivium; en het latere begrip van rix ypx,u,u.xTx óf door lilterae profanae óf door artes liberates. Van Encyclopaedia leest men in de Middeleeuwen niets. Het woord was in de spreektaal, ook der „Clerckenquot;, te loor gegaan, en eerst achter het Humanisme duikt het in de 16e eeuw weer op; maar nu naar de interpretatie van Quintilianus, als kring van wetenschappenquot; (bldz. 6). § 5. „Gebruik sedert de zeventiende eeuwquot;. „Voor het organische

ocr page 17

9

systeem treedt, eenigszins ia den geest van Suidas, het alfabet in de plaats en de dusgenaamde Alfabetische Real-Encyclopaedie houdt haar intochtquot; (bldz. 9, 10). § 6. „In onze eeuwquot;. Het systematische in het begrip van Encyclo-paedie „drong eerst met volle bewustheid op den voorgrond , toen Fichte de wetenschap zelve tot object van wetenschap stempelde, en Hegel, in dit voetspoor tredende, den naam van Encyclopaedic met dit denkbeeld huwde. De wetenschap als zoodanig werd nu een voorwerp van wetenschappelijk onderzoek; het systematische in de Encyclopaedie hoofddoel; en uit de stof van elke wetenschap werd slechts zóóveel opgenomen als voor het recht verstand van haar organisch leven noodig wasquot;, (bldz. 11). § 7. „Conclusiequot;. „Het woord Encyclopaedie doet dus achtereenvolgens dienst; als aanduiding voor een deel der menschelijke kennis; als aanwijzing van de profane weienschap; als naam van een boek, deels als compendium, deels als alfabetisch agglomeraal gedacht, en eindelijk als naam van een zelfslandige weienschapquot; (bldz. 12, 13).

Het tweede hoofdstuk „De idee van de Encyclopaediequot; is in vijf paragraphen verdeeld. § 8. „Eerste opkomen dezer ideequot;. De stof van dit caput, in onderscheiding van het vorige, wordt door den Schrijver zelf aanstonds helder aangeduid: „Het geschiedkundig verloop van het denkbeeld of de idee der Encyclopaedie is een ander dan dat van den naam. Veel toch wat onder die idee valt droeg een anderen naam, terwijl omgekeerd de naam Encyclopaedie herhaaldelijk gebruikt is voor wat de idee er van geheel losliet. De idee van Encyclopaedie ligt in het denkbeeld, dat er samenhang tusschen de onderscheidene deelen der menschelijke kennis bestaat, en dat het voor onzen geest mogelijk en plichtmatig is, in dezen samenhang in te dringen en dezen samenhang te doen uitkomenquot;, (bldz. 14, 15). Na het eerste opkomen van de idee der Encyklopaedie wordt dan in § 9 de „Ontwikkeling der organische ideequot; nagegaan. „Werkte alzoo reeds sinds Plato het besef, dat de onderscheidene deelen onzer kennis één vormen; had men

ocr page 18

10

voorts op allerlei wijze gepoogd aan dit besef uitdrukking te geven door feitelijk de verschillende brokstukken dezer ééne kennis dan ook in één werk saam te vatten, of juister gezegd in één speculum af te kaatsen; en had de schikking van deze rudis indigeslaque molet vanzelf genoopt, om zich rekenschap te geven van de wijze waarop deze nshy van het ééne samenhingen, toch moest de steeds aan

groeiende last van de voorhanden kennis van de schouders geworpen, eer de geest genoegzaam vrijheid van beweging erlangde, om den samenhang telkens meer opzettelijk tot voorwerp van onderzoek te kiezenquot;, (bldz. 17). § 10. „De zegepraal der organische ideequot;. Na Fichte was „de Ency-clopaedie van techniek, wat ze dusver was, in een wijs-geerig begrip omgezet, en toen Schelling, door deze gedachte bezield, zijn Vorlesungen über die Methode des Academi-schen Sludiums uitgaf, en na hem Tittmann en Beneke in gelijken trant de mechanische opvatting der studie door de organische verdrongen, wachtte het proces slechts op Hegels denkkracht, om ons de eerste encyclopaedic in hoo-geren zin, niet van alle maar dan toch van de philoso-phische wetenschap te gevenquot;, (bldz. 20). § 11 bepaalt ons bij de „Storing van het procesquot;. „Juist dit optreden van de Encyclopaedic, als eene wijsgeerige wetenschap, die de wetenschap zelve tot voorwerp heeft, noodzaakte om de Encyclopaedic der algemeene wetenschap voorloopig te laten rusten, en de ontwikkeling van deze nieuwgeboren wetenschap allereerst op het terrein der bijzondere wetenschappen te zoeken. Ook hier moest van het bijzondere tot het algemeene worden opgeklommen. En zoo zag dan vooral de tweede helft dezer eeuw in niet gering aantal eene reeks van speciale Encyclopaediën in het licht verschijnen, die meest de indeeling van het groote veld der wetenschap in een theologische, philosophische, philologische, iuridische, medische en natuurkundige wetenschap volgdenquot;, (bldz. 20). In § 12 formuleert de Schrijver zijn „Voorloopig resultaatquot; als volgt: „De Encyclopaedische idee ontsproot uit het besef, dat we ook over de ons ten dienst staande kennis kunnen nadenken,

ocr page 19

11

en dat dit nadenken er toe leidt, om haar stof groepsgewijze te ordenen. Dit besef vond aanvankelijk nog slechts een practische uitdrukking, zoo in het kiezen van den naam syxuy.^io?, als in de onderscheiding tusschen een hoogere er; lagere, heilige of profane groep van kennis. Van daar schreed men voort tot objectiveering van het lichaam of vü/tx dezer kennis in groote compendia, die alle beschikbare wetenschap bijeenvoegde en dus als eenheid voorstelde. In deze compendia was de samenvoeging eerst bloot willekeurig of toevallig, tot allengs de behoefte zich gevoelen deed, om in de rangschikking systeem te brengen. Naarmate allengs de saam te voegen stof steeds aanzwol, werd het steeds moeilijker dit systematische tot zijn recht te doen komen, tot eindelijk beide motieven uit elkaar gingen, een eenerzijds de stof, met terzijdestelling van alle systema, alfabetisch gerangschikt werd, terwijl anderzijds de rangschikking en samenhang zelfstandig bestudeerd werd. Toch bleef deze laatste studie aanvankelijk nog bijna uitsluitend technisch, tot Fichte den stoot gaf, om een onderzoek naar het organisch systema van alle wetenschap zelf als noodzakelijke en zelfstandige wetenschap te postuleeren. Hierbij deed zich aanvankelijk het misverstand voor, dat de naam Encyclopaedie in bezit werd gehouden door hen, die bij het saamstouwen der stof elk Encyclopaedisch denkbeeld lieten varen; terwijl zij die de eigenlijke Encyclopaedie beoefenden, den naam glippen lieten. Eerst in de laatste decenniën is de Encyclopaedie ook als naam tot haar eigenlijke studie teruggekeerd, en gaan de Reallexica als compendiën der stof, en de Encyclopaediën als studiën over het organisch verband van deze stof weer uit elkaar. Aanvankelijk zijn deze Encyclo-paedische studiën in engeren zin nog meer van specialen aard; en eerst zoo deze speciale studiën een rustpunt bereikt hebben en elkander de hand reiken, komt de tijd, dat de algemeene Encyclopaedie weer met vrucht zal kunnen beoefend wordenquot;, (bldz. 22).

In „Hoofdstuk IHquot; handelt Dr. Kuyper nu voorts over „Het begrip der Encyclopaedie.quot; § 13 „Vorming van het

ocr page 20

12

begripquot; — begrip genomen als laatste schakel in de keten: drang naar eenheid, besef, woord, idee, begrip. „Genetisch staan we voor dit proces, dat oorspronkelijk in den inen-schelijken geest de behoefte werkte, om in den chaos van zijn kennis zekere orde aan le brengen; niet naar wilkeur, maar overeenkomstig een onderscheidend beginsel, dat zich aan hem opdrong. Voorts, dat deze behoefte het besef wekte, dat er in hetgeen zich als chaos aan hem voordeed zekere orde verborgen lag, en dat hij ook voor dit besef een voorstelling zocht in de figuur en de activiteit van den cyclos, en aldus het woord Encyclopaeclie formeerde. Dat onder den drang van dit in het woord verhelderd besef encyclopae-dische arbeid door hem verricht wierd. Dat bij dezen arbeid de encyclopaedische idee hem eerst met minder, straks met meerdere helderheid leidde. En dat eerst daarna deze encyclopaedische gedachte op haar beurt zelve door hem wierd ingedacht, tot hij zich ten leste ook rekenschap kon geven van wat hij bij dezen encyclopaedischen arbeid verrichtte en beoogde. Op die wijze eerst greep hij de Encyclopaedische gedachte met zijn helder bewustzijn, en formeerde hij haar begripquot;, (bldz. 24, 25). Bij deze begripsbepaling moet men kritiesch te werk gaan, § 14. Immers: „Juist doordien de Encyclopaedische arbeiders langen tijd nog slechts door het iesef gedreven, door het woord geleid, of door het denkbeeld bezield werden, maar de controle van het heldere begrip misten, kon het niets anders of velerlei, dat op minderen of verderen afstand aan de Encyclopaedic verwant was, moest met haar naam getooid worden; veel dat onder haar hoorde, verkeerd worden opgevat; en ook veel, dat onafscheidelijk van haar wezen is, verwaarloosd worden. De bepaling van het begrip der Encyclopaedic eischt dus dat hier critisch geschift worde, en dat eenerzijds uit wat zich onder dien naam aanbiedt de idee worde gegrepen, maar ook anderzijds naar den eisch van deze idee de historische inhoud gekeurd wordequot;, (bldz. 25). De „Encyclopaedische noodwendigheid\'\' berust hier in, dat ons denken niet kan rusten „eer het in den schat van onze kennis eene zoodanige encyclopaedische

ocr page 21

13

orde heeft blootgelegd, als met den organischen samenhang èn van de waereld onzer kennis en van de waereld der verschijnselen overeenstemt. Wat onze menschelijke geest heeft te doen is, niet een zekere orde voor onze kennis te verzinnen, maar de orde die er in schuilt, te zoeken en aan te wijzenquot;, (bldz. 27). Uit de noodwendigheid der Encyklopaedie vloeit voort haar „Wetenschappelijk karakterquot; (§ 16). „Zoodra wierd ingezien, dat wij in onze kennis geen orde hebben in te dragen, maar slechts de orde die er in schuilt hebben op te sporen, werd de Encyclopaedie wetenschappelijk. Nu toch werd ze een onderzoek niet naar een mechanische rangschikking, maar naar een organisch levensverband. Men kreeg te doen met een heerschend beginsel, dat naar vaste wet, met noodzakelijkheid , den organischen samenhang teweegbracht , en eerst alzoo ontstond het streven, om dezen samenhang niet slechts aan te wijzen, maar ook dat beginsel en die werking na te speurenquot;, (bldz. 29). In § 17 „Beperking van het begripquot; wijst Dr. Kuyper er op dat „al wat in de vele bestaande encyclopaediën nog dienst doet om bouwstof aan te dragen, of hulpmiddelen aan te wijzen, of door resumtie het overzicht te vergemakkelijken niet behoort tot de eigenlijke Encyclopaedie. Het is of overtollige en hinderlijke ballast, of wel toepassing van een resultaat der Encyclopaedie. Zij zelve daarentegen is slechts daar aan het woord, waar de wetenschap zelve, in haar organisch bestaan, voorwerp van onderzoek is geworden, en er dus geen orde in den chaos wordt aangebracht, maar uitkomt, hoe hetgeen op ons aanvankelijk den indruk van het chaotische maakte, bij dieper onderzoek kosmisch of organisch blijkt te bestaanquot;, (blzd. 30). Dat één en ander mijne hartelijke instemming heeft, blijkt uit wat ik vroeger, nu tien jaar geleden — fugit irreparabile tempus! — in dit tijdschrift stelde: „Is de Encyclopaedie de photographie van het organisme der Theologie dan dient men, wél onderscheidend, haar niet met bet werk der Historiographie te bezwaren. Veelal neemt men de geschiedenis der disciplinen in de Encyclopaedie op. De geschiedenis kan dan slechts zeer

ocr page 22

14

rudimentair worden gegeven. Zij behoort in de Encyclopaedic niet te huis. Zij vindt hare natuurlijke plaats in de speciaal over de verschillende vakken handelende werken. — De boekenlijsten moeten eveneens uit de bandleidingen der Encyclopaedic verwijderd worden, wijl de Encyclopaedic zich daar niet meê bezighoudt. Zij ontcieren die werken. Een algemeene systematisch- chronologisch geordende katalogus der theologische litteratuur is hoogst nuttig, en zou tegenwoordig in eene erkende behoefte voorzienquot; 1).

In § 18 verklaart de Hoogleeraar dat de Encyclopadie, iedere speciale Encyclopaedic „onderdeel is der Wijsbegeertequot;. „De Medische Encyclopaedic behoort niet tot de medische wetenschappen, de Theologische Encyclopaedic behoort niet tot de theologische wetenschappen, maar alle encyclopae-dische studie is wijsgeerig en vormt een onderdeel van de

philosophie.....Slechts de bijkomstige omstandigheid, dat

de beoefening van deze wetenschap van de speciale vakken beginnen moest, benevelde den blik. Toch lijdt het wel geen tegenspraak, dat de onderdeden van elke wetenschap tot die wetenschap zelve behooren, en dat dus het onloochenbaar wijsgeerig karakter der algemeene Encyclopaedic eo ipso alle speciale encyclopaedische studie voor de philosophie opeischtquot; (bldz. 31).

Dat ik een en ander met verwondering en niet zonder eenige zelfvoldoening las zal een ieder begrijpen die het volgende overweegt.

In 1884 schreef ik; „Uit het reeds besprokene blijkt dat de Encyclopaedic der Theologie zelf niet eene theologische discipline is. Theologen beoefenen haar. Zij veronderstelt in haar beoefenaar de kennis der theologische wetenschap. Maar voor de Encyclopaedic der Theologie zelf is in de Encyclopaedic der Theologie geen plaats. De Encyclopaedic is een philosophisch vak. Iedere bijzondere encyclopaedie verbindt deze of gene concrete wetenschap met de Philosophie. De Philosophie nu is, naar Hegels diepe opvatting,

1

cf. Theol. Stud. 1884, bldz. 74.

ocr page 23

15

niets clan Encyclopaedie. \'t Is dus zeker verkeerd om van eene theologische formeele Encyclopaedie te spreken. Da Encyclopaedie der Theologie is volstrekt niet theologisch, ook al zijn de materialen waarmee zij werkt de disoiplinen der Theologie. Zij is philosophischquot; !).

Prof. Kuyper, wiens blik toen nog zeker door eene bijkomstige omstandigheid „beneveldquot; was, kwam tegen mij op. Niet in een wetenschappelijk orgaan, maar in het populaire weekblad „de Herautquot; (N0 326). Niet met argumenten maar met een vonnis. Dat was toen ter tijde de booze taktiek, onder de leuze „Zeg het der Gemeentequot;. De hoogleeraar hief zijn masjal op. En hij verkondigde, in een zoet-bitter stukje, dat mijne studie gebruikte als een stok om Prof. Doedes te slaan, o. a. het volgende: „En toch, hoe hoog we Dr. Daubantons studie ook aanslaan toch moet het ons uit de pen, dat de richting ook van deze Encyclopaedie o. i. van de waarachtige studie der echte godgeleerdheid afleidt.

Reeds het enkele feit, dat de Encyclopaedie van de theologie door Dr. Daubanton buiten de theologie geplaatst en in de algemeene wetenschapsleer wordt ingedeeld, stelt een onoverkomelijken slagboom in zijn weg.

Hierdoor toch wordt eerst de Encyclopaedie en straks ook door kracht van consequentie de theologie zelve gesae-culariseerd, d. w. z. vervreemd van haar particulier beginsel en gedwongen om dienst te doen onder het ge me ene recht.

Zoomin iemands zelfbewustzijn buiten zijn persoon valt, zoomin kan de Encyclopaedie der godgeleerdheid buiten de godgeleerdheid liggen.

Encyclopaedie van een wetenschap toch is niets dan de afspiegeling van haar zelfbewustzijn.

Wat ze meer en anders wil zijn, miskent haar karakterquot;.

Thands erkent Dr. Kuyper dat „het onloochenbaar wijs-geerig karakter der algemeene Encyclopaedie eo ipso alle

1) Theol. Stud. 1884, p. 72, 73.

ocr page 24

16

speciale encyclopaedische studie voor de philosophie opeischtquot;. Met genoegen teeken ik aan dat mijn beoordeelaar, al spreekt hij geen woord over zijne fronts verandering, in mijn schuitje overstapt. Maar nü — wij komen er later op terug — nü overdrijft Dr. Kuyper de portee der erkende waarheid zóó dat hij de Historia Encyclopaediae Theologiae in het kader vat der Historia Philosophiae en verklaart; „De dusver meest gevolgde indeeling beging de fout, dat ze niet aan de groote sttox*\' in de geschiedenis der Wijsbegeerte, maar der Theologie ontleend was. Al wordt toch niet ontkend, dat ook de geschiedenis der Theologie op het verloop van dezen Encyclopaedischen arbeid sterken invloed oefende, toch mag nimmer vergeten, dat ook de Theologische Encyclopaedic een wijsgeerige en niet eene theologische wetenschap is, en dus ten principale den gang der Wijsbegeerte volgt en met haar lotgemeen isquot; (bldz, 54, 55).

Thands volgen wij weer den Hoogleeraar die in § 19 over twee, met de Encyklopaedie verwante, wetenschappen de „Methodologie en de Hodegetiekquot; spreekt. Hij onderscheidt „Methodologie en „Hodegetiekquot;. De laatste wijst den weg aan voor hem, wien die weg nog vreemd is. Bij haar hoort dus thuis eene korte resumtie van hetgeen voor elk vak de primitieve gegevens zijn; een aanwijzing van de hoofdliteratuur; een kort overzicht der historie; een opgave der requisita; en een aanwijzing van den studiegang. Hodogetiek leert de theorie van het studeeren aan wie zelf nog niet studeeren kanquot;. De Methodologie daarentegen „is de theoretische wetenschap, die rekenschap geeft van de reden waarom de weg zóó en niet anders gelegd werd, en de vraag beslist of er ook oorzaak zij den weg te verleggenquot;. — Hoe de Schrijver beweren kon dat het woord „methodequot; afgeleid is van psTspxo/txi is mij een raadsel; of liever \'t is een fout. — De Schrijver verwart begrip en woordvorm. Terecht wijst Kuyper op de dubbele taak der methode. Eerst voert haar weg van buiten naar binnen. Wij speuren de gedachte na die in het object verwezenlijkt is. Hebben wij dat gedaan dan voert de weg van binnen naar buiten en

ocr page 25

17

doorzien we het ontstaan van dit object. Voorts hebben wij aan eene algemeene Methodologie der Wetenschappen niet genoeg. „Ook de Methodologie moet zich specialiseeren, en overmits de bijzondere methode voor elk vak en elk onderdeel van een vak geheel beheerscht wordt door den Ehcy-clopaedischen samenhang van de deelen met het geheel, wordt deze speciale Methodologie door de Encyclopaedie in zich opgenomenquot;. In § 20 „Wissenschaftslehrequot; waarschuwt de Schrijver tegen de verwarring van „Encyclopaediequot; en „Allgemeine Wissenschaftslehrequot;. Wetenschap immers is iets anders dan weten. Over het organiesch charakter der Ency-klopaedie handelt § 21. De Encyklopaedie heeft rekenschap te houden met het organiesch verband, waarin de deelen van het geheel onzer kennis met elkander staan. „Het veld onzer kennis zelve treedt in zijn organischen samenhang als het te onderzoeken voorwerp op.quot; Daar nu onze kennis nog onvolkomen is, is ook de Encyklopaedie „Nog ongereedquot; (§ 22). Zij schrijdt echter voorwaarts naar mate de inhoud onzer kennis verrijkt wordt en zij zelf haar „Drieërlei taakquot;, § 23, trouw vervult. Want „het is de taak der Encyclo-N paedie het organisme der wetenschap physiologisch, anatomisch en pathologisch te onderzoekenquot;. Hare Methode, , § 24, wordt in deze drie stelregels aangegeven: „Historisch zij haar uitgangspunt. Uit het historisch gevondene ontwik-kele zij het ideale denkbeeld. En met dezen maatstaf in handen trede ze critisch en medisch opquot; (blzd. 41). Eindelijk is de Encyklopaedie eene formeele wetenschap. „Bloot formeelquot; § 25. Wat de physioloog doet op het gebied der medische wetenschap dat doet de Encyklopaedoloog op het gebied der wetenschap in het algemeen. „De stof der wetenschap onderstelt hij als bekend. Die schept hij dus niet, noch reproduceert ze, noch voegt er bij. Maar in die vele stof zoekt hij het weefsel op, dat de groepen van gelijksoortige deelen aan elkander verbindt. Zoover nu dit weefsel in de breedte of in de diepte reikt, zoover reikt ook zijn naspeuring, maar daar waar het weefsel in de gewone stof uitloopt, eindigt zijn onderzoekquot; (bldz. 41, 42).

ocr page 26

I8

In § 26 formuleert de Schrijver zijn tot nu toe verkregen „Resultaatquot;.

Met de „Tweede Afdeelingquot; gaan wij van het algemeene tot het bizondere over. Boven deze afdeeling schreef Dr. Kuyper: „De Theologische Encyclopaediequot;. Dat dit geenszins nauwkeurig is zal de geleerde Schrijver zelf aanstonds toegeven. Ook zal hij afkeuren dat hij van den „Theologischen Encyclopaedistquot; sprak (bldz. 47). „De Encyclopaedie der Theologiequot; zóó had de titel moeten luiden, of zooals Kuyper geheel zijn werk noemde; „De Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheidquot;. De „Tweede Afdeelingquot; dan — terwijl de eerste slechts twee-en-veertig bladzijden telt — neemt voorts heel het „Deel Eenquot; in beslag, (bldz. 43—486). Zij bevat drie hoofdstukken. H. I: Het begrip der theologische encyclopaedie, (bldz. 43—53). H. II: Haar indeeling, (bldz. 53_54). H. III. De geschiedenis der theologische encyclopaedie (bldz. 54—486).

Hoofdstuk I begint, wél verrassend, met „Twee bezwarenquot; §27, en die paragraaf met de kreupele zinsnede: „Alsnu komende tot het begrip van die speciale Encyclopaedie, die men de Theologische noemt, kan niet volstaan met de eenvoudige toepassing op de Theologie van wat voor het begrip der Algemeene Encyclopaedie gewonnen wierdquot; (bldz. 43). Immers het wetenschappelijk charakter der Theologie wordt door velen betwist, en ten tweede: zij die dit niet betwisten zijn het oneens over hetgeen onder Theologie zij te verstaan. Om deze moeilijkheden te overwinnen stelde Rabiger (Theo-logik oder Encyklop. der Theol. Leipzig, 1880, p. 94) voor uit de onderscheidene „theologiëenquot; zich een algemeen begrip van Theologie te scheppen en nu „voorts dit algemeen begrip van Theologie wetenschappelijk in te denken.quot; Dien weg wil Dr. Kuyper niet op. De Encyklopaedie is niet geroepen „alle formeele en materieele quaestiën, die op theologisch gebied in geschil zijn , zelfstandig te onderzoeken. Dit doende

ocr page 27

19

zou ze derhalve zelve de hoofdvakken der Theologie principieel moeten behandelen, en zoodoende in dogmatiek, apologetiek , kerkhistorie enz. verloopen en dus ophouden Ency-clopaedie te zijnquot;. Bovendien zou het subjectieve inzien van den Encyklopaedoloog criterium worden. „Er zou gepronkt worden met eene algemeene Theologie, en achter dezen schoonen schijn, zou het subiectieve standpunt, dat men voorgaf te mijden, toch geheel de uiteenzetting beheerschenquot;, (bldz. 44). Hoe doet nu Dr. Kuyper ? Hij opent een nieuw paragraafje (§ 28): „Het eerste bezwaarquot;, (bldz. 44—45). Hij geeft voetstoots toe dat „de Theologische Encyclopaedic, eer zij zich aan haar eigenlijke taak kan zetten, het wetenschappelijk karakter der Theologie te vindiceeren heeft. . . . Daar nu deze twijfel omtrent het wetenschappelijk karakter der Theologie niet voortkomt uit de nog gebrekkige ontwikkeling dezer wetenschap, maar zijn oorsprong vindt in het eigenaardig karakter, dat ze in onderscheiding van alle overige wetenschappen draagt, rust derhalve op den schrijver van eene Encyclopaedie dezer wetenschap de taak, om aan te toonen, op wat gronden hij aan dezen twijfel het recht van bestaan betwist. Dit bewijs nu moet op tweeërlei wijs geleverd. Vooreerst door zoodanige bepaling van het begrip „wetenschapquot; en van het begrip „Theologiequot;, dat het tweede blijkt aan het eerste gesubordineerd te zijn. En ten andere door de aanwijzing, dat de deelen der Theologie organisch onderling samenhangen, en, als geheel genomen, in organisch verband staan met het overige organisme der „Wetenschapquot;. Aan deze verplichting nu voldoet Dr. Kuyper in zijn „Deel Tweequot;. Tusschen de belofte en hare vervulling plaatst hij de „Geschiedenis der Theologische Encyclopaediequot;. Is dat wel goed gedaan? O. i. had éérst vastgesteld moeten worden het begrip „Theologiequot;. Nü geeft Kuyper ons de geschiedenis van de encyklopaedie eener wetenschap, waarvan hij nog niet aantoonde op wat grond hij haar als wetenschap begroet. Nu gaat hij den arbeid der encyklopaedolog m be-oordeelen volgens het criterium; in hoeverre weerspiegelen hunne werken het wezen der Godgeleerdheid? alvorens dat

2*

ocr page 28

20

wezen beschreven te hebben. M. a. w. de geschiedenis van de Encyklopaedie der Theologie had m. i. na „Deel Tweequot; moeten komen. Op dit formeele punt willen wij echter geen nadruk leggen.

Ietwat uitvoeriger bespreekt Kuyper het tweede bezwaar in § 29. „Er is een Grieksche Theologie, er is een Roomsche Theologie, een Luthersche, een Gereformeerde, en voorts eene Moderne Theologie, een Vermittelungstheologie, zelfs spreekt men in individueelen zin van een Schleiermach(er)i-aansche, Ritscheliaansche (sic) Theologie enzquot;. Kuyper erkent onbewimpeld: „Zoo blijkt dan dat de Theologische Encyclopaedist onmogelijk anders dan eene Encyclopaedic van zijn theologie geven kan. Want al ontkent men dit, en stelt zich aan, als gaf men Theologische Encyclopaedie in alge-meenen zin, dan toont de uitkomst steeds, hoe de Schrijver toch eigenlijk niet anders doet, dan voor zijne theologie algemeene geldigheid vorderenquot; (bldz. 47). Wat Kuyper dus aan Rabiger verwijt is niet zijn subjectivisme, maar wel dat hij zijn subjectivisme verkapt. En wat wij van Kuyper eischen mogen is dat zijne theologie als wetenschap zich wettige, dat hij toone dat zij naar haar begrip gesubordineerd is aan het begrip „Wetenschapquot;.

Erkent Kuyper de wettigheid, immers de noodzakelijkheid, van den subjectieven factor in de „Theologiequot; — hij waakt tegen eenzijdigheid. „Geen eenzijdigheidquot; heet § 30. De subjectieve factor, zoo even aangeduid, mag niet tot scepticisme leiden. Wie de Encyklopaedie van zijne theologie schrijft erkent de verplichting „om in de overige theologiën het onhoudbare en inconsequente aan te wijzen, en het betrekkelijk ware te waardeeren, ja tot op zekere hoogte de noodzakelijkheid van haar bestaan aan te toonenquot;. Vervolgends weet „elk theoloog dat noch hij persoonlijk, noch de stroom der historie waarin hij zich beweegt, in staat is, om het voorwerp van zijn onderzoek alzijdig en volledig aan het licht te brengenquot;. Ten derde bestaan er voor hem „ook theologiën, die niet eenvoudig aberratiën maar slechts eenzijdige ontwikkelingen zijn, wier betrekkelijk recht hij waar-

ocr page 29

21

deert en met wier vrucht hij zich verrijktquot;____Geen nivelleeren

dus van de onderscheidene theologiën, om alleen het aau alle gemeenschappelijke encyclopaedisch te onderzoeken, maar integendeel het uitgaan van een eigen overtuiging, maar om met een open oog voor eigen beperktheid, anderer arbeid en streven oprechtelijk te waardeeren, en op assimileering van hun vrucht bedacht te zijnquot;. (1)1. 48). Voorts geeft Dr. Kuyper (§ 31) zijn standpunt aan. Hem is de Gereformeerde Theologie de Theologie in haar zuiverste verschijning. Zij, 1°, heeft het voorwerp der theologie het zuiverst gevat; zij, 2°, wees ons het best den weg om tot de kennis van dit voorwerp te geraken. Draagt dan Kuyper\'s Encyklopaedie een confessioneel stempel? „Dit kan nietquot; zegt de Schrijver, „dewijl „confessioneelquot; en „wetenschappelijkquot; heterogene begrippen zijnquot;. Maar wel is zijn toeleg, om het voorwerp der Theologie weer in zijn eigen levensbodem te zoeken en zoo ook het voorwerp der Theologie in de historie der kerk te bestudeeren. De taak der Encyklopaedie, § 32, is dan: „1° om het wetenschappelijk karakter der Theologie te vin-diceeren; 2° het verband der Theologische wetenschap met de overige wetenschappen toe te lichten; 3° bij de eigen keuze van het voorwerp der Theologie de fout in de afwijkende keuzen aan te toonen, en het rechtmatige in anderer streven te waardeeren en zich toe te eigenen; en dan voorts 4° voor de Theologie te doen wat de algemeene encyclopaedic voor de wetenschap in het algemeen doetquot;, (bldz. 50). Over de verhouding van de Encyklopaedie tegenover de Methodologie sprekende, § 33, keurt de Schrijver eene afzonderlijke behandeling van de theologische methodologie af. „Wie ze als afzonderlijke studie buiten zijn Encyclopaedie plaatst, moet ze toch in die Encyclopaedie telkens te hulp roepen, en kan evenmin zijn Methodologie leveren, zonder het grooter deel van den inhoud zijner Encyclopaedie te herhalen . . . . Deswege verdient het voorkeur de methode der Theologie als geheel genomen in het algemeen deel der Encyclopaedie te behandelen, en voorts bij elk onderdeel, voor zooveel noodig, de wijzigingen die deze methode voor dit onderdeel

ocr page 30

22

ondergaatquot;, (bldz. 52). Het doel der Encyklopaedie wordt, § 34, als een vierledig aangegeven, a. Wijsgeerig doel. De wijsgeerige aandrift drijft er toe de Theologie, deel van het groote organisme der wetenschap, te onderzoeken, ten einde het in zijn organischen samenhang en verband te leeren kennen, h. Zij wil de Theologie tot zelfbewustheid brengen, c. Zij heeft een defensief of apologetiesch doel: „Veel toch geeft zich voor theologie uit, met de prententie van de eigenlijke theologie te mogen omzetten in wat geen theologie is. Eindelijk, d. bedoelt zij „aan niet-theologen, die toch met de theologie rekenen moeten, in wetenschappelijken samenhang te zeggen wat de Theologie isquot;. In § 35 formuleert Kuyper zijn resultaat aldus: „Als resultaat van het voorafgaande blijkt derhalve dat het begrip der Theologische Encyclopaedie bestaat in het wetenschappelijk onderzoek naar het organisch bestand en verhand van de Theologie in zich zelf en als integreerend deel van het organisme der wetenschap. Ze vormt als zoodanig een onderdeel van de alge-meene Encyclopaedie, en hoort met deze thuis in de wetenschap der wijsbegeerte. Als zoodanig is ze formeel, niet in dien zin, als had ze slechts een dor schema van vakken en namen te leveren, maar wel in den zin, dat ze niet materieel mag worden, als had ze den theologischen inhoud in een handboek saam te stouwen. Slechts zoover mag ze in het materieele indringen, als noodig is om het formeele bestand en verband der Theologie bloot te leggen. Van de Hodogetiek en Historia litter{ar)ia onderscheiden, is ze niet geroepen een handboek voor pas beginnenden te leveren; al verbiedt niets dat eene beknopte historia litteraria aan haar worde toegevoegd; mits dit slechts niet als een deel der eigenlijke Encyclopaedie voorkomequot;.

In Hoofdstuk II wordt over „de indeeling der Theologische Encyclopaediequot; gesproken. § 36. Zij valt in twee deelen uit-een: „1° De encyclopaedie van de Theologie als geheel en 2° de encyclopaedie van de Theologie in haar deelenquot;. Alvorens tot de uitwerking van beiden over te gaan, beschrijft Dr. Kuyper „de Geschiedenis der Theologische Ency-

ocr page 31

23

clopaediequot; iu het derde Hoofdstuk dezer tweede Afdeeling. Hij verdeelt heel die rijke geschiedenis in drie „Sectiesquot;.

De eerste bevat het eerste tijdperk, dat van Origenes tot Nicolas de Clémanges loopt, § 38—58. § 59 biedt eene resumtie.

De tweede Sectie (Tweede Tijkperk „Van de Renaissance tot op de nieuwere philosophiequot;) is in tweeën verdeeld. § 60 Roger Bacon tot Bartholomaeus Keckermann, § 76. Resumtie § 77—§ 78 Overgang, § 79 Etienne Gaussen tot § 92 Karl Friedrich Bahrdt.

De derde Sectie (Derde Tijdperk, De nieuwere Wijsbegeerte) schetst eerst de geschiedenis der Encyklopaedie van de Theologie onder den zijdelingschen invloed der nieuwere Wijsbegeerte, § 93 Immanuël Kant — § 105 Frank Ober-thür; voorts die geschiedenis onder den rechtstreekschen invloed der nieuwere Wijsbegeerte § 106 D. F. Schleiermacher tot § 141 Reischle (Hagenbach 12e editie). § 142 „Conclusiequot; besluit het historiesch overzicht en heel het „Inleidend Deelquot;.

Wij kunnen Dr. Kuyper\'s historische uiteenzetting niet op den voet volgen, veel minder nog hem overal controleeren. Dat wordt ons verhinderd door de hier beschikbare ruimte en door de beperktheid van den tijd, dien wij aan dit werk wijden. Wij geven alleen de opschriften der §§ aan en voegen daar eenige op- en aanmerkingen aan toe.

Eerste Sectie. — Eerste Tijdperk § 38—§ 59.

Origenes, Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus, Ticho-nius, Eucherius, Junilius, Cassiodorus, Isidorus van Sevilla, Hrabanus Maurus, Hugo van St. Victor, Johannes Damas-cenus, Vincentius Bellovacensis, De Scholastiek, Ansel-mus, Petrus Lombardus, Thomas van Aquino, De Mystiek, Pierre d\'Ailli, J ohannes Gerson, Nicolas de Clémanges. Resumtie.

Tweede Sectie. — Tweede Tijdperk, § 60—§ 92. Roger Bacon, Het Humanisme, De Reformatie, Calvijn, Erasmus, Melanchton, Bullinger, Andreas Hyperius, Franciscus lunius, Hieronymus Zanchi, Johann Heinrich Alstedt, Gijsbertus

ocr page 32

24

Voetius, David Chytraeus, Abraham Calov, Johann Gerhard, Zacharias Ursiaus, Bartholomaeus Keckermann. Resumtie.

Overgang. Etienne Gaussen, Samuel Werenfels, Samuel Mursinna, Van Diest c. a. Johannes Clarisse, Georg Calixtus , Philipp Jacob Spener, Joachim Lange, Johannes Franciscus Bud deus, Johann Georg Walch, Johann Lorenz von Mos-heim, Joannes Augustus Ernesti, Johann Salomo Semler, Karl Friedrich Bahrdt.

Derde Sectie. — Derde Tijdperk. § 93—142.

A. Immanuel Kant, Herder en Lessing, Johann August Nösselt, G. J. Planck, Joh. Friedr. Kleuker, Leonhard Ber-thold, Garl Friedrich Staudlin, Latomus en Laurentius de Villavicentio, Antonio Possevino, Ratio Studii Soc. Jesu, Jean Mabillon, Louis Ellies du Pin en Martin Gerbert, Frank Oberthür c. al.

B. D. F. Schleiermacher, K. R. Hagenbach, Ant. Friedr. Ludwig Pelt, H. Reuterdahl, H. W. Kienlen, Dr. J. F. L. Danz, G. C. Adolph Harless, Drey, Klee en Büchner, Dr. Franz Anton Staudenmaier, Hofstede de Groot en Pareau, J. 1. Doedes, Friedrich Wilhelm Joseph von Schelling, Carl Daub, Simon Erhardt, G. W. F. Hegel, K. Rosenkranz, L. Noack, Ph. R. Hugenholtz, J. F. Rabiger, Richard Rothe, J. P. Lange, J. Ch. K. von Hoffmann, Dr. O. Zöckler, Dr. Daubanton, J. Drummond, A. Grétillat, Martin von Nathu-sius, Dr. Martin Kahler, J. Gottschick, Alfred Cave, Dr. Philipp Schaff, Dr. C. F. Georg Heinrici, Bring, Pehr Eklund en Johansson, Ernest Martin, Lichtenberger en Vaucher, Wirthmuller en Heinrich Kihn, M. Reischle (Hagenbach )2e ed.). Conclusie.

Ziedaar de beeldengalerij!

Onze eerste opmerking is een welgemeende lofspraak. Deze beschrijving van de geschiedenis der Encyclopaedia Theologiae is, kort en goed, een der rijksten die er bestaan. Ik ten minste ken geen die er meê mag wedijveren in breeden, kloeken opzet, ia dramatiek van teekening, in volledigheid. Kuyper laat den zeer eruditen Clarisse, uit vroegere, en Rabiger uit ónze dagen, verre achter zich. Onder den naam

ocr page 33

25

„Geschiedenis der Encyklopaediequot; geven verreweg de meeste handboeken eene dorre, ziellooze opgave van titels. Wat hebben we aan die saaie catalogi ? \'t Zijn bibliographische lijsten, onnoodige ballast, die opgenomen in handleidingen, den gang dier werken beletten, hun vorm ontcieren. Titels maken ons niet wijzer. Wij moeten de betitelde werken kennen. Welnu Kuyper slaat de boeken voor ons open. Hij leest ze vóór ons en mét ons. Hij wijst ons op wat ze charakteriseert. Hij stelt ze in het licht van hun tijd. Hij bepaalt de richting waarin zij zich bewegen. Hij geelt naar aanleiding van het gelezene kernachtige opmerkingen. Daar hebben wij wat aan. Nu zien wij hoe de beoefening der Encyklopaedie ontstond, groeide, bloeide. Maar die boekentitels? .... Mij dunkt ieder Nederlander, die het hart op de rechte plaats draagt, is er trotsch op dat een medevaderlander zulk een arbeid leverde. Zóó meen ik het. En zóó zeg ik het bij dezen.

Echter heb ik ook aanmerkingen te maken. Hier zijn ze.

„On a les défauts de ses qualitésquot;. Dat geldt ook van Dr. Kuyper. Hij wilde eene zooveel mogelijk volledige geschiedenis schrijven. Maar hij streefde het doel voorbij. Hij wijdde heele bladzijden aan mannen, die zulk eene breede vermelding volstrekt niet verdienden. Dat een viertal bladzijden aan Origenes, dien genialen theoloog geofferd werden, dat vind ik uitstekend. Maar moest er hier zóó worden uitgewijd over Chrysostomus, wiens „geschrift Tspi hpxauvtj: voor het Encyclopaedisch onderzoek te leur steltquot;? En heeft Ambrosius, die „nog minder dan Chrysostomus geeftquot; wel recht op eene afzonderlijke paragraaf? Augustinus heeft het wél. Tichonius echter, met Eucherius en Junilius, Cas-siodorus\' voorgangers, hadden kortelings in één paragraaf gecharakteriseerd kunnen worden. En dat is waar van menig ander schrijver hier vermeld. Niet dat ik hun de breedere vermelding misgunne .... maar de aesthetiek van Kuyper\'s werk lijdt er ouder. Voorts: breede citaten invlechten uit onbeduidende werken, om aan te toonen dat zij onbeduidend zijn, is toch eigenlijk monnikenwerk. Het

ocr page 34

26

houdt alleen op monniken-werk te wezen, wanneer men optreedt tegen iemand die snugger beweert dat het onbeduidende beduidend is. Bovendien er zit geen perspectief in Kuyper\'s schilderij. De dramatiek der teekening kan dat gebrek niet verbloemen, veel minder vergoeden. Wij zien niet duidelijk genoeg figuren die op den voorgrond staan in i onderscheiding van anderen, die zich op den tweeden, die zich op den achtergrond bewegen. Een historieschrijver is geen chronist. Ik zal niet kleingeestig vitten op zoo menige onnoodige uitwijding. Toch moet ik zeggen dat Dr. Kuyper, door heel wat verstandig te schrappen, zijn werk aanmerkelijk had kunnen bekorten zonder het ook hoegenaamd in waarde te verminderen. De noeste vlijt en de vurige ijver, die den echt wetenschappelijken onderzoeker naar de bronnen drijven, eieren den Schrijver in hooge mate. De lust om het gevondene te bewerken, te polijsten en ons in keurigen vorm te bieden ontbrak hem meer dan eens. In deze historische schets werkt de hoogleeraar meer breed dan diep. Niemand pure venijn uit mijne woorden, want er schuilt geen gif in: aan dit overrijke werk ontbreekt tucht. Dat breede en overvloedige hier valt te meer in het oog door het onvolledige dé,ar. Om eens iets te noemen! Van de nederlandsche beoefenaars der Encyklopaedie vermeldt Dr. Kuyper: Clarisse, Hofstede de Groot-Pareau, Doedes, Dau-banton. Voor de nog al waardeerende vermelding van mijne opstellen ben ik den Schrijver dankbaar. Wie zegt dat hij niet gevoelig is voor erkenning door een hoogst bekwaam vakgenoot hem betuigd, die (laat ons goed Hollandsch spreken) die liegt. Met des te meer vrijmoedigheid veroordeel ik, dat, tot mijne bevreemding en droefheid, de oude de la Saussaye hier vergeten, ten minste verzwegen, wordt. De intense denker die „Het Wezen der Theologiequot; schreef1); die te Groningen oreerde over „De plaats der Theologische

1

Brief aan den Hoogleeraar P. Hofstede de Groot. Rotterdam, E. H. Tassemeyer, 1867.

ocr page 35

27

Wetenschap in de Encyclopaedie der Wetenschappenquot; ^, en over „De gebondenheid en de Vrijheid der Theologische Wetenschapquot;1); meesterstukken zijn die Oraties! die schier overal in zijne werken de diepste gedachten over het organisme onzer wetenschap openbaarde, gedachten waarvan meer dan eene door Dr. Kuyper in „Deel Tweequot; wordt ontwikkeld; die man heeft recht in eene geschiedenis der Encyclopaedia Theologiae met hooge eere te worden vermeld.

Overigens komt Dr. Kuyper de lof toe dat hij gemeenlijk eerlijk, d. i. zuiver refereert, en billijk oordeelt. Hier en \' daar echter zouden wij zijn oordeel wel eenigszins willen wijzigen.

Laat ons dezen historicus eens controleeren. Wij kiezen daartoe paragrafen niet over Patres, niet over Scholastici, noch over buitenlandsche encyklopaedologen maar over Nederlanders handelende.

Lezen wij eerst wat Dr. Kuyper schrijft over Clarisse. Hij vermeldt niet de „Oratio de arctissime inter se nexis, dog-maticis et moralibus Religionis christianae praeceptis docenti non sejungendisquot;2) — de eerste door dien polyhistor gehouden en die van belang is voor zijne bepaling der verhouding tusschen de Dogmatiek en de Ethiek. Met geen enkel woord wordt gewezen op de redevoering: „De injusto theologici studii contemtuquot;3) — dat bezielde stuk, van belang voor wie Clarisse als Encyklopaedoloog en Hodegeet wil charakte-riseeren. Evenmin wordt de leidsche inaugureele Oratie „de Theologo vere liberaliquot; vermeld 3). Dr. Kuyper stipt met

1

Twee Voorlezingen tot opening zijner theologische lessen aan de hoogeschool te Groningen, 1873.

2

3; Publice habita, die XIII Juni, A. MDCCCIV, quum ordiuariam Theologiae professiouem in Academia Batava, quae est Harderovioi, solenni ritu auspicaretur, Harderovioi, apud E. Tyhoff, Academiae Typographum.

3

Oratio, A. D. XI Junii 1806 in Academia Harderovicena habita quum magistratum academicum depoueret.

ocr page 36

28

een enkel woord alleen de „Oratio de conjungenda, in quarumvis doctrinarum, etiam Theologiae, stuilio , cognitione historica et philosophaquot; \') aan. De redevoering mag trouwens „prima inter paresquot; heeten. Ik beschouwde haar in den lijst van haar tijd. „\'t Is een tijdrede (s. v. v.). Eenzijdigheid dreigde empirie en speculatie van elkaêr te scheiden. Clarissa zag in zijne dagen denkbeelden opkomen die met logische noodwendigheid tot het moderne positivisme moesten leiden. Tot de vragen; „Wat is erf en „hoe is het?quot; gaat men het wetenschappelijk onderzoek beperken. Voor de vragen „Waarom is het?quot; en „vanwaar is het?quot; wordt geeu plaats gelaten. Aan den anderen kant doet een a prioristiesch speculeeren als kon de bespiegeling \'t wel buiten ervaring en waarneming stellen. Clarisse treedt voor het juiste evenwicht op. Helder wijst hij den weg der wetenschap aan. Deze heeft zijn uitgangspunt in de empirie. De wetenschap rust op empirische basis. De echt wetenschappelijke onderzoeker spilt zijne krachten niet aan de luchtgymnastiek eener bloot logische speculatie maar vindt de stof voor de kate-goriën van het denken in de hem omringende werkelijkheid. Als bloote empirie is de wetenschap echter niet voltooid. Veeleer roept de waarneming het nadenken wakker en vindt er haar middel in. Zoo ontstaat er dan tusschen de twee groote werkzaamheden van \'s menschen geest — tusschen waarneming en bespiegeling — eene wisselwerking. De Geschiedenis blijft, zonder de Wijsbegeerte, chroniek. Eerst door het wijsgeerig bestanddeel wordt zij tot Geschiedenis geadeld. De Wijsbegeerte van haar kant trekt nut uit de Geschiedenis.

Deze methodische beginselen aller wetenschap op de Godgeleerdheid in \'t bizonder toepassend, verklaart Clarisse terecht

Profeasionem in Academia Lugduno-Batava Solenni ritu capesceret. Lugduni Batavorum, apud H. W. Hazenberg, 1815.

1) Habita Die VIII Februarii Anni MDCCCXXII, quum magistratum academicum soleuni ritu deponeret. (In de, .Annales Academiae Lugduno-Batavaequot; 1821—1822 te vinden).

ocr page 37

29

dat deze laatste deels geschiedkundig, deels wijsgeerig is. Tot de geschiedkundige vakken telt hij met name de Kerken de Dogmenhistorie, de gewijde Philologie. de Kritiek, de Hermeneutiek. Wat volgt hieruit? Dat het geheele organisme van de encyklopaedie der Godgeleerdheid in twee hoofddeelen gesplitst wordt: eene bipartitie. Eerst de empirische (of historische) theologie, dan de wijsgeerige of bespiegelende. Komt de praktische theologie hier bij zoo verkrijgen wij de tripartitiequot; 1). Dr. Kuyper haalt een paar zinsneden uit de Oratie aan om Clarisse dualisme te verwijten; om aan te toonen dat bij „zulk eene philosophie voor de Theologie geen eigene plaats overblijft, en het dan ook alleen aan het kerkelijk nog tamelijk geloovig standpunt van Clarisse te danken is, dat hij desniettemin nog, door gelukkige inconsequentie, ook aan de Theologie haar eere laatquot;.

In het „Juger les écrits d\'après leur datequot; schuilt hier, als altijd, het geheim der juiste waardeering.

Terecht handelt Kuyper breed over Clarisse\'s hoofdwerk. Zijne beoordeeling er van vind ik waar en billijk. Evenals ik het deed klaagt hij over de poverheid van het grondleg-gend gedeelte; acht hij dat het werk in zijn geheel geen encyklopaedie is, in den organischen zin van het woord; wijst hij op de verwarring van Encyklopaedie en Hodegetiek; oordeelt hij „al schreef Clarisse tegen het midden der 19® eeuw, hij hoort nog in de 18e eeuw thuisquot; (bldz 234) — bevestiging van de slotwoorden mijner monographie: „Clarisse blijft vreemd aan de organische, echt wijsgeerige opvatting van de Godgeleerdheid. In dit opzicht kan men zeggen dat zijn boek reeds verouderd was toen \'t geboren werd. Levend in een nieuw tijdvak is Clarisse de vertegenwoordiger van eene periode die reeds afgesloten wasquot; 2).

Hard is Kuypers oordeel over de „Encyclopaedia Theologi Christianiquot; van de Groot en Pareau. „Deze poging der

1

cf. Theol. Stud. 1888 , p. 213, 214.

2

Theol. Stud. 1888, bldz. 346.

ocr page 38

30

Groninger Theologie moet als geheel mislukt beschouwd wordenquot;, (bldz. 372). Dit harde oordeel is echter niet een volkomen billijk oordeel. Om te beslissen of een werk, dit of dat, al dan niet „misluktquot; is, vrage men in de allereerste plaats naar het doel, dat de Schrijver er mede beoogde. Wat wilden de Groot en Pareau? Eene „Encyclopaedia Theologiaequot; geven? Volstrekt niet! Zóó hoog mikten zij geenszins. Zij zeggen \'t zelf in de „Praefatioquot; van hun werk waaruit Dr. Kuyper een paar woorden aanhaalt. Ziehier wat zij verklaren: „Causa, cur hanc Encyclopaediam edamus, jam ipso nomine declaratur. Neque enim ignoramus, exstare multa ac praeclara pericula Encyclopaediae Theologiae Ghris-tianae, id est vel doctrinae vel doctrinarum Theologicarum, ut vix opus sit iis novum addere periculumquot;, (Praef. Editionis Alterius). quot;Vind nu dat dit naief gezegd is. Betreur het terwille van die zóó spraken, daar zij, bij dieper doordringen in het wezen der Theologie (onwillekeurig komt de titel van de la Saussaye\'s gulden boekske mij uit de pen) heel wat leemten in hunne „theologiequot; zouden ontdekt hebben .... maar beoordeel hun werk naar het doel dat zij er zich meê voorstelden. Is dan hunne Encyclopaedia Theologi Christiani d. i. per slot van rekening eene Hodegetiek, vol leenstellingen uit de Encyclopaedia Theologiae — zoo bot weg „misluktquot; te noemen? Uit dat oogpunt beoordeelde ik het werk — dat trouwens volstrekt niet mijne voorliefde heeft

Scherp wordt Dr. Kuyper wanneer hij Prof. Doedes\' Ency-klopaedie bespreekt. Dat staat hem vrij. Van zoetige liflafjens houdt de, door zoovele nederlandsche, protestantsche godgeleerden en Evangeliedienaren geachte en geliefde, oud-hoogleeraar volstrekt niet. Kuyper\'s scherpe woorden hinderen mij evenmin. Maar wat mij hindert is dat hij Prof. Doedes woorden onjuist weergeeft. Zie hier Kuyper\'s geïncrimineerde zinsnede. Ik geef haar natuurlijk in haar geheel weêr wijl dat alleen nauwkeurig en betamelijk is. „Hoe formeel wetenschappelijk zijn (nl. Prof. Doedes\') onderzoek dan ook poogt

1) Theol. Stud. 1884, p. 72, 92,

ocr page 39

31

te zijn, het doel om de Theologie, als zijnde zelve een wetenschap, te leeren begrijpen, wordt niet door hem bereikt; en zij het dan al, dat Doedes een Roomsch Theoloog voor onbekwaam verklaart, om wetenschappelijke Theologie te leveren (p. 21), toch zal, bij vergelijking tusschen zijne Encyclopaerlie en die van Staudenmaier het antwoord op de vraag, welke dier beide uit wetenschappelijk oogpunt de voorkeur verdient, wel voor niemand twijfelachtig zijn. Stau-denmaier heeft althans gevoeld, dat er samenhang moet bestaan tusschen onze theologie en ons menschelijk bewustzijnquot;. Dat staat bij Dr. Kuyper te lezen bldz. 375. Toen ik van dezen wierook, den roomschen Staudenmaier ontstoken , iets geroken had, dacht ik terstond: hoe, Prof. Doedes, de vir xpitikcctxto:, zou „een Roomsch Theoloog voor onbekwaam verklaren om wetenschappelijke Theologie te leveren? Zoo maar in het algemeen zou hij dat zeggen; „een Roomsch Theoloogquot; .... „wetenschappelijke Theologiequot;? Neen maar zoo iets heeft Doedes nooit, nooit gezegd. En — vijand van alle apriorisme sloeg ik § 5 van de „Inleidingquot; tot Doedes\' — „Encyclopedie der Christelijke Theologiequot; nog eens op. Daar staat geschreven (wie mij leest, rekene mij na!): „Zij (nl. de wetenschap der Christelijke Theologie) heeft zich bij het onderzoek van de waarheid en bij het vaststellen van hare resultaten aan geenerlei autoriteit te onderwerpen. Daar dit laatste niet toegestemd, integendeel veroordeeld wordt door de Roomsch-Katholieke Kerk, die zich zelve of liever den Paus te Rome onfeilbaarheid in geloofszaken toekent, zoo is in die Kerk geen vrije, zelfstandige, beoefening van de christelijke Theologie toegelaten, maar moet zij altijd de traditie der Kerk of de uitspraken van den onfeilbaar ge-achten Paus naar de oogen zien. Onder de Protestanten daarentegen kan de Christelijke Theologie hare onafhankelijkheid als wetenschap vrij handhaven en alle kerkelijke voogdij afwijzenquot;. Een en ander wordt door den Hoogleeraar geheel naar waarheid gezegd !). Een en ander wordt door

1) Enpyclopedie der Christelijke Theologie, 1876, bldz. 21.

ocr page 40

den Hoogleeraar als volgt toegelicht: „ De Roomscb-Katholieke Kerk kan niet geacht worden de beoefening en den bloei der Christelijke Theologie in gelijke mate te bevorderen, als de Protestantsche kerkgenootschappen. Het is dan ook niet te ontkennen, dat sommige godgeleerde wetenschappen lijden onder de suprematie van het Roomsch-Katholicisme, bijv. die, welke betrekking hebben op de verklaring van de Heilige Schriften en hetgeen daartoe voorbereidt, en op de behandeling vooral van de Geloofs- of Heilsleer en hetgeen daarmede in verband staat. Wij kunnen niet anders dan volhouden, dat de Christelijke Theologie veel meer bloeien kan onder de Protestanten, dan onder de Roomsch-Katholieken, al moet erkend worden, dat ook van deze laatstgenoemde zijde zeer belangrijke bijdragen, vooral op het gebied der historische theologie, geleverd zijnquot;\'). Wie ons leest ziet dat de woorden door Dr. Kuyper Dr. Doedes in den mond gelegd, door den Utrechtschen hoogleeraar volstrekt niet gebezigd waren. Deze handelwijze van Dr. Kuyper kan ik niet rijmen met de eischen der

wetenschappelijke.....laat ons zeggen: nauwkeurigheid.

Evenmin begrijp ik hoe de opmerking „Staudenmaier heeft althans gevoeld, dat er samenhang moet bestaan tusschen onze theologie en ons menschelijk bewustzijnquot; tegen Doedes dienstig is. Trouwens Dr. Kuyper is niet gelukkig wanneer hij Staudenmaier, juist Staudenmaier, prijst ten koste van den protestantschen hoogleeraar. Alle achting voed ik voor de speculatieve denkkracht van dezen roomschen theoloog. Maar zijne Encyklopaedie is, als Encyklopaedie1) geheel mislukt. Op de grondslagen door hem gelegd kan hij zijn gebouw niet doen rusten. Hoogst merkwaardig is het dat Dr. Kuyper — in § 114, aan Staudenmaier gewijd — ware dingen zegt .... die Doedes\' oordeel, omdat het waar is, bevestigen. „In zijn uitgangspunt trad bijquot; (nl. Staudenmaier)

1

Eacyclopaedie der theologischen Wissenschaften als System der ge-SBrnmtea Theologie. Vou Dr. F. A. Staudenmaier, Maiuz. 1834.

ocr page 41

33

achter de Protestantsche Theologie op het terrein der Philo-sophie terug; in zijn wetenschappelijke aandrift gaat hij geheel als Protestantsch Theoloog te werk, maar in zijn resultaten blijft hij als goed Roomsch binnen het perk van zijn kerk. Hiermeê was echter het gevaar niet geweken, dat bij minder overtuigde geesten uit zijn theorie kon voortvloeien, om het positief karakter der Roomsche kerkleer te ondermijnen, gelijk dit bij hem zeiven op anthropologisch gebied reeds gedeeltelijk het geval was. En zoo laat het zich volkomen begrijpen, dat men te Rome allengs het gevaar van deze speculatieve Theologie is gaan inzien, en dit eerst door de veroordeeling van Hermes, von Baader en Gunther, en ten slotte door het dogma van de infallibilitas Papae ex Cathedra loquentis voor goed heeft bezworen. De scholastiek in het nieuwe kleed, dat Perrone en Kleutgen voor haar weefden, heeft onder de leiding der Jezuieten haar heerschappij hernomen .... Liguori is tot Doctor ecclesiae uitgeroepen , en het Congres van Duitsche Katholieken te München is feitelijk door den Paus vernietigd. Thomas van Aquino is door de Encyclica van 1879 weer de leermeester in de Roomsch-Katholieke scholen gewordenquot; (bldz. 370). Voor Doedes\' stelling brengt Dr. Kuyper ons het historiesch bewijs aan. Ik moet deze dingen op den voorgrond stellen tot wettiging van mijne kritiek: Dr. Kuyper, als historicus, is niet altijd vrij van hartstocht. En vrij te zijn van hartstocht is een eerste voorwaarde waaraan de geschiedschrijver moet voldoen. Deze rijk-begaafde man buige onder de tucht der broederliefde. Daar het zeer waarschijnlijk is dat zijne meesterlijke „Encyclopaediequot; een tweeden druk zal beleven; daar — ben ik wél ingelicht — binnen kort eene vertaling er van in het Engelsch zal verschijnen; daar onedele „Sei-tenhiebequot; het rijke werk ontluisteren — zorge Dr. Kuyper dat iedere volgende editie eene editio casligata zij. Wanneer Dr. Kuyper gedurende de verkiezingsweken in „de Standaardquot; geloovige protestanten een deuk geeft en roomschen ophemelt .... och dan denk ik: „hoe jammer, \'t is weêr febris politica intermittensquot;. Maar in een standaadrwerk als deze

ocr page 42

34

Encyklopaedie zijn zulke praktijken hinderlijk. Het nageslacht zal, bedroefd over dat elkaer verbijten en verteeren van protestanten, van hervormden (gereformeerden) oordeelen: dat had Kuyper nu maar moeten overlaten aan leerlingen van pater de Groot, die — onder handgeklap van verstandige roomschen, van beginsellooze sceptici en van eenige malcontente protestanten — den len October van het jaar 1894 onzes Heeren een leerstoel beklom in de Aula der Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam.

Daar ik in deze beoordeeling geen „Oratio pro domoquot; wil opnemen zwijg ik over § 129 waarin Dr. Kuyper niet zonder waardeering mijne bijdragen op het gebied der Encyklopaedie bespreekt.

Na deze détail-opmerkingen kom ik tot bet voornaamste bezwaar dat m. i. de historische schets in haar geheel drukt. Ik kan geen vrede hebben met het kader waarin Dr. Kuyper zijne stoffe dringt en dwingt. Hij neemt drie perioden aan „die in de Renaissance en het opkomen der nieuwere wijsbegeerte hare mijlpalen vindenquot;. Hij zegt: „De dusver meest gevolgde indeeling beging de fout, dat ze niet aan de groote svox*\' in de geschiedenis der wijsbegeerte, maar der Theologie ontleend was. Al wordt toch niet ontkend, dat ook de geschiedenis der Theologie op het verloop van dezen Encyclopaedischen arbeid sterken invloed oefende, toch mag nimmer vergeten, dat ook de Theologische Ency-clopaedie een wijsgeerige, en niet een theologische wetenschap is, en dus ten principale den gang der Wijsbegeerte volgt en met haar lotgemeen isquot;, (bldz. 55). In deze stelling herkenden wij reeds de waarheid, door mij vóór eenige jaren gehuldigd, door Dr. Kuyper toén bestreden. Nu erkent hij die waarheid maar miskent haar beteekenis, overdrijft haar portée en past haar verkeerd toe. Zóó komt de hoogleeraar op allerlei wijze in \'t gedrang.

Elders beweerde hij „dat de Medische Encyclopaedic niet

ocr page 43

35

tot de medische wetenschappen, de Theologische Encyclopaedic niet tot de theologische wetenschappen behoort, maar dat alle encyclopaedische studie wijsgeerig is, en een onderdeel vormt van de philosophiequot;. Uitnemend! Maar ging nu de toepassing door Kuyper van die waarheid op historiesch gebied gemaakt inderdaad op dan zou de geschiedenis der wijsbegeerte den ontwikkelingsgang aller speciale encyklopaedie moeten bepalen, der Theologie zoowel als der medische wetenschap; der Letteren zoowel als der Rechten. Onder eenzelfde kader zou de geschiedenis van al de bizondere Encyklopaediën te vangen zijn. Iedere skqxv in de historia philosophiae vond haar terugslag in de sttoxm van de geschiedenis der bizondere encyklopaedieën. Derhalve een vooruitgang, een wending in de encyklopaedie dézer wetenschap moest rythmiesch correspondeeren met een vooruitgang, eene wending in de encyklopaedie van géne.\' Dat het zoo niet is bewijst de historie en wordt door Dr. Kuyper elders erkend. In de tweede plaats ligt in de stelling van Dr. Kuyper eene onderwerping van de Theologie aan de Philosophie waarmee wij evenmin vrede kunnen hebben. Is de Encyklopaedie de beschrijving der Theologie als organisme dan zullen de perioden harer geschiedenis niet bepaald worden door de historie der Wijsbegeerte, maar door die der Godgeleerdheid. De verrijking, de uitbreiding, de diepere ontwikkeling der Theologie die geven het chronologiesch. schema voor de historia Encyclopaediae. Die ontwikkeling nu der Godgeleerdheid staat zeer zeker onder den invloed — den middellijken en den onmiddellijken — der wijsbegeerte, maar wordt in den grond, in den diepsten grond, door andere factoren beheerscht. Niemand verwacht van ons dat wij hier over die factoren volledig handelen. Alleen wijzen wij op mannen, die — electi! — als voorbereiders of als toongevers eener nieuwe ontwikkeling in de Godgeleerdheid optreden. Niet wijsgeeren maar theologen, niet de Hegels maar de Schleier-machers, niet de Renaissance maar de Reformatie zijn „mijlpalenquot; in den ontwikkelingsgang der Theologie en derhalve óók in de geschiedenis harer Encyklopaedie. Of die baan-

ocr page 44

36

brekers op theologiesch gebied zelf al dan niet eene„ ency-klopaediequot; schreven, doet er niets toe. En boven rlie mannen en in hen regeert de Heilige Geest aan wiens goddelijke leiding zoowel de geschiedenis der Kerk als die de Godgeleerdheid is toevertrouwd. Nu weet ik wel dat Dr. Kuyper dit lezende met wapenen aan het tuighuis der formeele logika ontleend mij zal bestrijden. „Gij erkent dat de Encyklopaedie der Godgeleerdheid een wijsgeerig vak is. Dat erken ik thands mét U. Maar nu dwing ik ü tot een „plus ultraquot;, tot de conclusie: dus volgt de geschiedenis van de Encyklopaedie ten principale den gang der wijsbegeertequot;. De formeele logika heeft altijd gelijk. Maar wie haar aanwenden hebben dikwijls ongelijk. In casu Dr. Kuyper. De wijsbegeerte is de wetenschap der wetenschappen, of liever, wijsbegeerte is het opspeuren, vinden en indenken van de wetten die de ontwikkeling der verschillende concrete wetenschappen be-heerschen. Maar die verschillende concrete wetenschappen leven ieder beur eigen leven, uit beur eigen beginsel, op beur eigen gebied. Zij hebben ieder beur eigen geschiedenis. Op het terrein van al die concrete wetenschappen nu gaart de Wijsbegeerte wat van haar gading is. Daarmede verrijkt zij hare schatkameren. Zij deduceert uit de concrete verschijnselen algemeene wetten; taak in deze waereld-oekonomie nimmer ten einde gebracht. Telkens immers plaatsen de vorderingen der concrete wetenschappen haar voor nieuwe verschijnselen. Maar die wijsbegeerte schrijft geen wetten voor, dan alléén als formeele logika — formeele wetten. Meent zij op materieel gebied te kunnen overstappen — de peTufixtric (\'n xMo yev:? wordt vroeg of laat in hare onbescheidenheid gestraft. Wij kennen allen de geschiedenis van den aprioristischen speculator, die in\'s blaue hinein voort-redeneerende, „beweesquot; dat er niet meer dan zóó en zóó veel hemellichamen van die en die soort „kondenquot; zfjn. Intusschen vond terzelfder ure een astronoom, toen hij met het gewapend oog Gods hemel bespiedde, het hemellichaam dat er — niet volgends de wijsbegeerte, maar volgends dien onhandigen beoefenaar der wijsbegeerte — niet zijn kón, \'t Was er dus.

ocr page 45

37

De Encyklopaedie der Theologie is een wijsgeerig vak. De theoloog met wijsgeerigen blik het organisme zijner wetenschap indenkende, is encyklopaedoloog. De beoefening van dit vak wordt zeer zeker geïnfluenceerd door de Wijsbegeerte, beter door de wijsgeerige richting die den boventoon voert in de periode waarin dit vak beoefend wordt. Maar ten principale hangt de geschiedenis der Encyklopaedie der Theologie van de geschiedenis der Godgeleerdheid af.

Het verwijt door Dr. Kuyper nu zoo een twintig jaren lang den „ethischenquot; voor de voeten geworpen: „gijlieden verknecht de Sacro-Sancto Theologia aan de Wijsbegeertequot; — dat verwijt treft hem zelf. Ook dat andere, telkens tegen de „ethischenquot; gebruikt: „gijlieden laat u afdrijven op pantheïstische stroomingquot;. Treffend is in Kuyper\'s belangrijk werk het gedurig en gedurig weêr voorkomen van uitdrukkingen als „procesquot;; „doorgaand procesquot;; „gedachteprocesquot;; „noodwendigheidquot;; „noodzakelijke ontwikkelingquot;; „inhaerente energieënquot;; „immanente virtualiteitquot; en dergelijken. En hoe zelden rust de blik van dezen boeienden schrijver op betee-kenisvolle persoonlijkheden ! Mannen die leven en liefhebben; die gelooven en denken, die hopen en strijden worden bij Dr. Kuyper „namenquot;. Een die namen zijn de exponenten van de alles beheerschende onpersoonlijke krachten en tijds-stroomingen. Van den „ethieschquot; genoemden Gunning Sr. had Dr. Kuyper in dit opzicht kunnen leeren. De christelijke persoonlijkheid, door den Heiligen Geest gevormd en door Hem gebruikt in de ontwikkeling van het Godsrijk en van de Theologie, komt bij Dr. Kuyper niet tot haar recht. Het is of Vinet niet bestaan heeft voor dezen historiograaf der Encyklopaedie. Nu ziet hij de hulke dobberen op den tijds-stroom — terecht! Maar den stuurman, wiens hand het roer omknelt, ziet hij niet. Hiermede hangt saam dat gebrek aan relief en aan perspectief, waarop wij reeds wezen, in dit overigens zoo hoog verdienstelijk historiesch overzicht. De toon-gevende mannen staan hier niet aan het hoofd, omringd door hunne geestverwanten en leerlingen, die met meerder of minder zelfstandigheid hen navolgen. De groote

ocr page 46

38

„Sectiënquot; worden niet onderverdeeld in hoofdstukken en deze in paragrafen. Zij vallen terstond in paragrafen uit-één. Schleiermacher vooral komt tegenover zijne epigonen niet genoeg scherp uit als aanvoerder van de phalanx. Dr. Kuyper groepeert feitelijk niet. Hij plaatst de mannen, als nummers, naast elkander. Dat verklaart dat zijne historie, trots de dramatiek die iedere paragraaf op zich zelf doet leven, in haar geheel iets monotoon heeft. Wij zien de boomen, niet het woud. Dit gebrek vloeit mede voort uit het beweerde losmaken der geschiedenis van de Encyklopaedie der Theologie van de geschiedenis der Godgeleerdheid zelf; uit het binden van de geschiedenis der Encyclopaedia Theologiae aan de groote èrroxizi in de geschiedenis der Wijsbegeerte.

Maar kón Dr. Kuyper naar die stelling zijne schets consequent inrichten? Hoe geeft hij de verschillende tijdperken aan? Op grond van zijn voorgesteld principium divisionis zou men indeelingen verwachten als: Platonisten, Aristote-lianen, Kantianen, Hegelianen — naar „de groote imx«i in de geschiedenis der wijsbegeertequot;. Dat is echter geenszins het geval. Laten wij ons door de opschriften der „Sectiënquot; niet verblinden dan zien wij duidelijk dat de Schrijver feitelijk de geschiedenis der Encyklopaedie bindt aan die der Theologie, \'k Zal wat ik zeg met voorbeelden staven. Hoe resumeert Dr. Kuyper (§ 59) de eerste periode? „Met de tegenstelling tusschen de intellectueele en mystieke scholastieken bereikte de ontwikkeling der Theologie haar eersten mijlpaalquot;. De ontwikkeling der Theologie, niet die der wijsbegeerte bepaalt hier dus de indeeling van het historiesch overzicht. ,,De Eeformatiequot;, zoo gaat hij verder, „gaf aan die ontwikkeling een principieel afwijkende richtingquot;. De Reformatie — niet de Renaissance. Waarom dan het tweede tijdperk betiteld: „Van de Renaissance tot op de nieuwere philosophiequot; ? „Het initiatiefquot;, vervolgt Kuyper, „dat men gewoonlijk aan Roger Bacon toeschrijft, leidde van het pad der Theologie af\'. Natuurlijk! Komt in de plaats der Renaissance de Reformatie dan treedt Bacon af. Melanchthon, Bullinger,

ocr page 47

39

Hyperius moeten op den voorgrond gebracht. En nogmaals bindt do hoogleeraar de geschiedenis der Encyklopaedie aan die der Theologie en niet aan de groote sttqxxi der Wijsbegeerte, wanneer hij aan het bereids gezegde toevoegt; „Overzien wij nu kortelijk den loop, dien de Theologie in dit eerste tijdperk namquot;.

De tweede „Sectiequot;, in tweeën gesplitst, loopt in haar geheel, naar Dr. Kuyper zegt: „van de Renaissance tot op de nieuwere philosophiequot;. Eene resumtie § 77 sluit de eerste onderafdeeling, nadat het werk van Keckermann gecharak-teriseerd werd. De Schrijver gaat wederom tegen zijn eigene, door ons bestreden, stelling in door te zeggen: „Een terugblik op hetgeen deze eerste periode ons bood, wijst ons vanzelf op drieërlei tegenstelling, die van het Protestantisme tegenover de Roomsche scholastiek; die van de Lulhersche tegenover de Gereformeerde Theologie; en die van het opkomen dezer nieuwe theologiën tegenover haar saamvatting in een vast systeemquot;. Heel deze § beweegt zich op het gebied der Godgeleerdheid en verwijst slechts, en dat terecht, een enkele maal naar de verhouding tusschen de Theologie en de Philosophie. Ook § 78 „Overgangquot; brengt koorn op onzen molen : de geschiedenis der Theologie bepaalt die der Encyklopaedie. Of lezen wij niet (bldz. 208): „Met het midden der zeventiende eeuw is de Theologie der Reformatie tot haar keerpunt gekomen. Bijna andorbalve eeuw had ze gebloeid en in krachtsontwikkeling zich zelve overtroffen; maar omstreeks 1650 is haar oorspronkelijke levenskracht tijdelijk uitgeput; kan ze niet verder; en moet ze het gedoogen, dat het Mysticisme en Rationalisme haar gaan terugdringen, terwijl zij zelve wegkwijnt en versteent .... Fan eene eigenlijke ontwikkeling der Theologie is van 1650 tot op Schleiermacher dan ook nauwhjks sprake, en althans \') de Encyclopaedie is, nu afgezien van meer gepaste rangschikking en vollediger opgave der Litteratuur, in geheel deze periode geen stap verder gekomen.....Eerst toen de ontzettende gebeur te-

1) Wie hier voor „althansquot; „derhalvequot; leest zet het puntje op Kuyper\'a i.

ocr page 48

40

nissen van het laatst tier vorige en het begin dezer eeuw-het nationale loven weer tot in zijn fundamenten beroerd hadden, ontwaakte er een frisscher en heel onze mensche-lijke persoonlijkheid aangrijpende geest, die wee?\', als in de dagen der Reformatie, hart en hoofd tegelijk, en met even krachtige bezieling, naar den levenden Christus uitdreef; en zoo eerst is toen een herleving der Theologie mogelijk geworden. Deze stilstand in de algemeens en \') met name in de Encyclopaedische ontvnkkeling der Theologie ontslaat ons uiteraard van de taak om hetgeen deze periode der versmelting en versteening opleverde, in alle bijzonderheden na te speurenquot;. Indien nu de welwillende lezer acht geeft op de cursiveering, door ons aangebracht, zal hij erkennen dat Dr. Kuyper in deze zoo warm en krachtvol gestyleerde woorden mijne bewering steunt en zijn eigen bewering nekt. Neen! Ten principale hangt de geschiedenis der Encyklo-paedie der Theologie niet af van de ontwikkeling der wijsbegeerte maar van die der Godgeleerdheid. En deze laatste bloeit wanneer de geest die naar Christus uitdrijft harten en hoofden bestuurt!

Aan het slot der tweede Sectie vinden we geen resumtie. H. F. Barhdt wordt, § 92, \'t laatst vermeld, in zijne gemeenheid naar verdienste ten toon gesteld. Dan gaan we aanstonds over tot het Derde Tijdvak: „De nieuwe wijsbegeertequot;.

Wij verwachten hier eene inleidende § over die nieuwere wijsbegeerte wier sttoxxi immers de geschiedenis der Ency-klopaedia Theologiae zouden bepalen. Wij verwachten een korte, scherp geteekende charakteristiek van Kant\'s methode , van de systemen die de namen van Fichte, Schelling, Hegel onsterfelijk maken. Duidelijk moest hier aangetoond worden de momenten waardoor die systemen den ontwikkelingsgang onzer Encyklopaedie stuurden. Niets er van! In het eerste gedeelte (A. Zijdelingsche invloed der nieuwere wijsbegeerte)

!) Voeg wederom in „derhalvequot; en de schemering wijkt voor liet volle licht.

ocr page 49

41

wordt nog wel in de eerste plaats (§ 93) over Immanuel Kant gesproken. Maar in het tweede (B. Rechtstreeksche invloed der nieuwere wijsbegeerte) komt, § 106, Schleier-macher voorop. Von Schelling staat tusschen Prof. Doedes en Carl Daub; Hegel tusschen Simon Erbardt en K. Rosen-kranz. Het is schier ongeloovelijk! Hoe? Gij zegt de geschiedenis onzer Encyklopaedie hangt af van de sttdx1*1 der wijsbegeerte en gij behan delt Scbleiermacher en Doedes vóór Schelling en Hegel? Het is mij een raadsel hoe Dr. Kuyper, die geoefende dialecticus, tot zulk eene verwarring kon komen.

eene ontwikkeling, die den rechtstreekschen invloed dei-nieuwere wijsbegeerte op de beoef ening van de Encyklopaedie der Godgeleerdheid zal schetsen, volgen zoo maar op de rij: Scbleiermacher, Hagenbach .... Staudenmaier, Hofstede de Groot-Pareau, Doedes .... Schelling , Daub .... Hegel. \'t Is niet minder dan duizelingwekkend.

In die derde Sectie worden dan eerst de mannen beschouwd die onder den zijdelingschen invloed der nieuwere wijsbegeerte werkten. Wij hebben volstrekt geen bezwaar tegen het erkennen van den invloed der wijsbegeerte op de beoefening van de Theologie en dus van hare Encyklopaedie; noch tegen het erkennen van den zijdelingschen, noch van den rechtstreekschen invloed. Steeds hebben Theologie en Philosophic in nauwe wisselwerking met elkander gestaan, vooral op formeel gebied. Wat wij tegen Prof. Kuyper hebben is niet dat hij dat feit beaamt maar dat hij het eerst onjuist opvat en vervolgends zijne onjuiste opvatting schromelijk overdrijft.

Toen in de dagen der oppervlakkige en geestelijk arme Aufklarung de Theologie kwijnde viel hare erflating het Kantisme ten deel. Niet dat Kant, die eene nieuwe s-Troxn in de geschiedenis der wijsbegeerte inwijdde, eene nieuwe skcxv in de historie der Theologie aangaf. Dr. Kuyper zelf verklaart: „dat Kant niet een nieuwe Theologie heeft opgebouwd , maar feitelijk ook de zaak der Religie in de teute der Philosopbie heeft ondergebracht, d. w. z. ze als Theologie heeft begravenquot; (bldz. 282). In de dagen van het Kantisme

ocr page 50

42

sliep de Godgeleerdheid haren winterslaap. Niet omdat het kritiesch idealisme bloeide maar omdat er in Kerk en Theologie eene inzinking was van het geloof in het Eeuwig Evangelie. Zulke perioden van verslapping zien wij meer dan eens intreden, \'t alles onder Gods bestuur dat de ver-andwoordelijkheid der gemeente niet uitsluit. Uit haren dommel werd de Theologie gewekt niét door eene kentering in de wijsbegeerte, niet door de Suhellings en de Hegels maar door dien „frisseher en heel onze menschelijke persoonlijkheid aangrijpenden geest, die weêr, als in de dagen der Reformatie, hart en hoofd tegelijk, en met even krachtige bezieling, naar den levenden Christus uitdreef\'. Van die bezieling was Schleiermacher de welsprekende tolk. Dr. Kuyper wordt dan ook door de feiten gedwongen zijn van buiten aangebracht kader te breken, Schleiermacher en niet Fichfe, Schelling, Hegel voorop te plaatsen, wanneer hij de wederopluiking der Theologie en dus harer Encyklo-paedie zoo sympathiesch beschrijft. Hij wordt door de feiten gedwongen nogmaals een démenti te geven aan zijne eigen stelling. Laat het waar zijn „dat in Schleiermacher de Philosooph met den Theoloog om den voorrang worsteldequot;. .. het andwoord op de vraag „hoe te verklaren dat Schleier-macher\'s optreden „Epochemachendquot; was voor de Godgeleerdheid en hare Encyklopaedie ? dat andwoord staat vast. Als Theoloog en niet als Philosooph is Schleiermacher een historische hoofdfiguur. Theologische, d. i. religieuze, beter: christelijke interessen dreven den man van de „Kurze Dar-stellungquot;. In de geschiedenis der Theologie en derhalve harer Encyklopaedie bekleedt Schleiermacher eene eerste plaats der eere. In de geschiedenis der wijsbegeerte komt zulk eene plaats hem volstrekt niet toe. Hegel voorwaar begroette in Schleiermacher geen medestander op wien hij eenige hope bouwde. De dialecticus bij uitnemendheid had niets dan spot voor den prediker van het „Slechthinnige Abhangigskeitsgefühlquot;. Toen de denkers met de pantheïstische immanentie dweepten trad Schleiermacher op. Kind van zijnen tijd stond hij onder den invloed zijner omgeving. Maar

ocr page 51

43

wat hem kenmerkt is ziju opkomen voor de rechten der religieuse, der christelijke persoonlijkheid, die vermorseld werd tusscheu de molensteenen van Hegels these, antithese en synthese. Dat is de waarheid, door Dr. Kuyper — die oprecht historie schrijven wilde, maar ter kwader ure de geschiedenis in een vreemd keurslijf prangde — gehuldigd, wanneer hij schrijft; „Bij zijn optreden vond Schleiermacher, de Sancta Theologia, nog, met het worgkoort der Philosophie om den hals, smadelijk op een uithoek van het kerkhof nederliggen, kariglijk door halve vrienden met wat bloemen uit de Polyhistorie en het Humanisme overstrooid. De Theologie was het lot der Religie gevolgd, en beiden hadden geen positie meer. Al wat nog kerk of kerkelijk heette, was met zichzelf verlegen. En juist dit duldde Schleiermacher niet langer. Hem is het religieuse leven een keur-gesteente tot sieraad van de eigen ziel, en de levenstinctuur voor zijn volk. Aan die religie wil hij haar eere hergeven, en omdat die eere niet is te winnen, zoolang ze haar hoofd ook niet „unter den Gibildeten der Deutschen Nationquot; met wetenschappelijk „selfrespectquot; kan opheffen, is het zijn eerzucht, ja, zijn jaloerschheid, haar weer een Theologie die meêtelt te scheppen; en vrucht van die edele passie was het Encyclopaedisch kunststuk, dat hij in zijn „Kurze Dar-stellungquot; plotseling, als met meesterhand, voor het oog van Duitschlands theologen te too veren wistquot; (blz. 334).

Trots het van buiten aangebrachte chronologische schema, moet Dr. Kuyper de geschiedenis onzer Encyklopaedie — \'t blijkt weêr uit het keurig en krachtig gestyleerde stuk, dat wij om zijne schoonheid daar pas aanhaalden — binden aan die der Theologie. Er is strijd tusschen den vorm en den inhoud van zijn werk. Dat is het hoofdgebrek in deze historie-beschrijving. Daar ik Kuyper\'s Encyklopaedie zeer hoog stel hoop ik dat de schrijver, wien het voorwaar niet aan plastiesch vermogen ontbreekt, in eene volgende editie zijne stofie zal voordragen onder den vorm door haar ge-eischt. Zonder \'t in de verste verte te willen is de hoogleeraar nu op den weg die naar het diensthuis voert, waar

ocr page 52

44

de Philosophie de Godgeleerdheid tracht te overheerschen. Hoeveel natuurlijker wordt de geschiedenis der Encylclopaedie verhaald wanneer men haar die der Godgeleerdheid laat volgen! Dan ontwikkelt zich het tafereel ongedwongen. Dan staan wij niet in eene Stsjs Koixify verbaasd over de wonderlijke groepeering van mannen die niet bij elkaêr hooren. Als voorbeeld van een beter ingerichte schets noem ik die van Pelt. Diens „Theologische Encyklopadie als Systemquot; wordt door Dr. Kuyper evenals door mij gewaardeerd, om hare groote verdiensten vooral op formeel gebied. Reeds de titel van dat werk wijst de goede richting aan. Hij luidt: Theologische Eneyklopaedie als System im Zusammenhange mit der Geschichte der theologischen Wissenschaft und ihrer einielnen Zweige enlwickeW\'. Dat is het. Nü is in beginsel het gevaar waarmede de Scholastiek dreigt; dienstbaarheid n.1. van de Godgeleerdheid aan eenig wijsgeerig systeem welk ook; in beginsel geweerd. Ziehier nu Pelts Indeeling.

Erste Periode. Zeit der Vorarbeiten bis auf die Reformation.

Zweite Periode. Methodologische Werke im subjectiven charakter der Reformation bis auf Calixt.

Dritte Periode. Zeit der empirischen und besonders lit-terarhistorischen Behandlung bis auf Semler.

Vierte Periode. Die Eneyklopaedie unter der einseitigen Herrschaft der Kritik bis auf Schleiermacher.

Fiinfte Periode. Versuche die Theologie zum streng ver-gliederten Organismus zu erheben: die neuste Zeitquot; !).

Is de taak der formeele Eneyklopaedie, organiesch opgevat, om de inhaerente eenheid der theologische disciplinae architektoniesch in het licht te stellen; heeft zij de Theologie zelve tot object — zooals ik schreef1) en wat Dr. Kuyper „zeer juistquot; noemt (bldz. 415) — dan volgt daaruit onmid-delijk dat de geschiedenis van de Theologie die van hare Eneyklopaedie bepaalt ... zij het dan mede onder invloed der wijsbegeerte.

1

Theol. Stud. 1884.

ocr page 53

45

In een volgend opstel beschouwen wij D. V. het „alge-meene Deelquot; van Kuyper\'s Encyklopaedie. Van de „Inleidingquot;, die voornamelijk geschiedenis gaf, nemen wij afscheid. Deze geschiedsheschrijving, rijk van inhoud, warm van toon, krachtig in de teekening van de enkele figuren, is een reuzenwerk, is een meesterwerk. Maar een meesterwerk dat om revisie vraagt.

Wanneer wij, het tweede deel van Kuyper\'s Encyklopaedie beoordeelende, naar juiste verhouding der deelen onderling, naar harmonische evenredigheid der saamstellende partijen vragen, worden we teleurgesteld. „Deel Tweequot; bevat zes honderd acht en twintig bladzijden. Niet minder dan bladzijden 291—511 handelen over het „Principium Theologiaequot;, Hier vinden wij heel een breede ontwikkeling, die in de Dogmatiek thuis behoort; in den locus „de Sacra Scripturaquot;. Zij wordt hier ingelascht ten spot van alle symmetrie. Toch zal een welwillend beoordeelaar hiervan geen grief tegen den schrijver maken. Dr. Kuyper zélf erkent dit euvel. Hij spreekt er onbewimpeld van in zijn „Voorwoordquot;. Hij verdedigt dit zijn beleid. „Ware schrijver dezes dan ook zoo gelukkig geweest, reeds naar zijn „Dogmatiekquot; te kunnen verwijzen, zoo zou de behandeling van dit onderwerp merkelijk korter zijn uitgevallen, en veel als Lehnsatz uit die „Dogmatiekquot; zijn overgenomen, wat thans toelichting en nader betoog vereischte.

Nu echter zijn „Dogmatiekquot; wel in Collegie-Dictaten de

4

ocr page 54

46

pers verliet, maar nog niet op de markt is, schoot hem niet anders over, dan in zijn Encyclopaedic een gedeelte van het betoog te voeren, dat anders in den locus de S. Scriplura thuis hoortquot;. Geene uitdrukking is den hoogleeraar te sterk, te kras, wanneer hij over het hoog belang van het princi-pium Theologiae handelt. Alleen op den wortel van haar eigen principiura kan de Theologie bloeien: alleen in de Heilige Schrift kan dit principium worden gezocht. Op de aloude leer van dit Principium Theologiae zal Dr. Kuyper teruggaan „niet om dit eenvoudig uit de oude Theologie over te nemen; maar om het door nadere ontwikkeling in te sluiten in de vormen van ons hedeudaagsch bewustzijn.quot; Dat laatste acht ik nog al raadselachtig gezegd. Wat moet ik toch verstaan onder die nadere ontwikkeling waardoor het prin-quot; cipium Theologiae ingesloten zal worden in de vormen van ons hedendaagsche bewustzijn? Me dunkt indien dat niet beteekent: ik zal U aantoonen dat de aloude leer van de Schrift als Principium Theologiae, óf in haar geheel, óf in haar kern, houdbaar is, óók na al wat het historiesch-kritiesch onderzoek, toegepast op de Heilige Schrift, ons leerde .... dan beteekent het niets. Maar hierover later!

„Deel Tweequot; bevat twee „Afdeelingenquot;. Eerste Afdeeling: „Het Organisme der Wetenschapquot; (bldz. 1—176). Tweede Afdeeling; „De Theologie (bldz. 177—628). Die indeeling is juist, dus helder. Eerst het algemeene begrip, dat extensief rijker, intensief armer is; dan het bizondere begrip, dat extensief armer, intensief rijker is. Alleen zou men kunnen vragen: waarom de eerste afdeeling betiteld „Het Organisme der Wetenschapquot; en niet korter „De Wetenschapquot;, daar immers de tweede afdeeling „De Theologiequot; heet? Dat is echter een kleinigheid.

De eerste afdeeling bevat; (§ 1) eene „Inleidingquot; en wordt voorts onderverdeeld in „Hoofdstukkenquot;, die wederom in §§ uit-één-vallen. Als volgt — want ik acht het van belang voor mijn lezer, dat hij dit overzicht hebbe:

Hoofdstuk I. Het begrip der weienschap.

§ 2. De etymologie en het spraakgebruik. § 3. Subiect

ocr page 55

4t

eu obiect. § 4. Organisch verband tusschen subieot en obiect. § 5. De taal. § 6. Verkeerde theoriën. § 7. De geestelijke wetenschappen.

Hoofdstuk II. De wetenschap gestoord door de zonde. § 8. De wetenschap en het feit der zonde. § 9. De waarheid. § 10. De wijsheid. § 11. Het geloof. § 12. De religie.

Hoofdstuk Hl. Tweeërlei ontwikkeling der wetenschap.

§ 13. Twèeërlei soort menschen. § 14. Tweeërlei wetenschap. § 15. Proces der wetenschap. § 16. Beide wetenschappen algemeen.

Hoofdstuk IV. Verdeeling der Wetenschap. § 17. De organische verdeeling van den wetenschappelijken arbeid. § 18. De vijf faculteiten.

Hoofdstuk V. De Theologie in het organisme der wetenschap.

§ 19. Is er in het organisme der wetenschap plaats voor de Theologie? § 20. De invloed der Palingenesie op onze beschouwing van de Theologie en hare verhouding tot de overige wetenschappen.

Voorwaar een breed en ruim gebied van onderzoek! Wij laten ons door den Schrijver er op rondleiden, met voorbehoud van ons recht om vragen te doen, opmerkingen te maken en ook aanmerkingen.

Na de „Inleidingquot; dan — waarvan wél het laatste, niet het eerste gedeelte ons duidelijk werd — spreekt Dr. Kuyper (Hoofdstuk I) over „Het begrip der Wetenschapquot; en wel éérst (§ 2) over de „Etymologie en het spraakgebruikquot;. Een principieele uiteenzetting van „de leer der wetenschapquot; ligt buiten des Schrijvers bestek. Het is echter onmogelijk het wezen der Theologie als wetenschap te beschrijven tenzij het begrip van wetenschap vast sta. Heerscht er hier veel spraakverwarring .... Dr. Kuyper belooft dat hij ons duidelijk zeggen zal hoe hij dit begrip verstaat. Wij luisteren aandachtig naar het duidelijk andwoord op de vraag: „wat is voor ü, volgens U, „wetenschapquot; ? Indien de Schrijver nu begonnen ware met terstond zijne bepaling van het begrip „Wetenschapquot; te geven, om haar vervolgends toe-te-lichten en te wettigen zou hij ons een grooten dienst hebben

4*

ocr page 56

48

bewezen. JVij zouden richting en stuur gevoelen. Dat doet hij echter niet. Hij eischt heel wat inspanning van ons. Allerlei beschouwingen moeten wij met hem doormaken, terwijl het doel, waar \'t op aangaat, lang niet altijd helder op den voorgrond staat.

§ 2 dan is aan do etymologie en het spraakgebruik gewijd. Weten als intellectueel begrip is ontleend aan het zinlijk begrip van het zien, en wel bepaaldelijk aan het zien van iets dat men zocht, in den zin van ons vinden. Eene boeiende bladzijde toont dit aan zoo op het gebied der indo-germaansche als der semitische talen. Op het einde zijner ontwikkeling betrekt Dr. Kuyper 1 Cor. XIII: 8—12 in zijne beschouwing, op zulk eene wijze, dat, wie den klassieken locus niet even opslaat, meenen gaat dat Paulus daar (oXstsiv tegenover QsxaQxi gebruikt — wat geenszins het geval is. Over „wetenquot; en „kennenquot; in het spraakgebruik wordt vervolgends gehandeld. De begrippen „wetenschapquot; en „waarheidquot; worden met elkander vergeleken. „Naar taalrecht wordt van de „wetenschapquot; gevergd, dat ze ons weten doe, wat er is, dat het er is en hoe het er

is.....Er leeft in ons een dorst naar een wetenschap der

dingen, die vrucht van onmiddellijk zien, zij het dan ook van een zien zonder somatisch oog zij; en, waar nu de tegenwoordige werkelijkheid ons de voldoening aan deze neiging ontzegt, opent Gods Woord ons een verschiet, waarin dit rechtstreeksch doorschouwen der dingen, dit Qexvóxi, dit zien van TrpótraTrov Trpo: xpiauirov kenmerk eener andere raliteit zal zijn. Het taalgebruik, dat het begrip van zien in weten vasthoudt, is alzoo in overeenstemming met de Openbaring, die ons op een wetenschap, die in zien bestaan zal, henenwijst.quot;

Zeer helder is dat alles niet. Of beter gezegd: de Schrijver gebruikt wel wat veel woorden, die ons van het punt in quaestie afleiden, in plaats van ons kort en duidelijk te zeggen wat voor hém „wetenschapquot; is.

Bovendien valt er heel wat af-te-dingen op wat hij zegt: „Er leeft in ons een dorst naar een wetenschap der dingen die vrucht van onmiddellijk zien .... zij; en waar nu de tegenwoordige

ocr page 57

49

werkelijkheid ons tie voldoeiiiug aan deze ueigiug ontzegtquot;.

.....Wij vallen Dr. Kuyper even in de rede. Hoe ? Kunnen

wij thands niet, door onmiddellijk zien, constateeren „wat er is, dat er iets is, en hoe het isquot;? of beter „dat er iets is, wat er is, en hoe het isquot; ? Is er dan gansch geene wetenschap? Leeft onze eeuw dan in een reusachtigen waan? Wat Paulus leert over het fiteTrsiy Trpoauxov Trpos Kpoocuirov wordt hier, uit zijn verband gescheurd, zeer ten onrechte bijgebracht. Eene duidelijke definitie van „wetenschapquot; hebben wij tot dusver in ieder geval niet ontfangen van Dr. Kuyper, die nu gaat handelen over „wetenschapquot; en „waarheidquot;.

Wetenschap is volstrekt niet een antithetiesch begrip. Dat juist, wil Dr. Kuyper, is de waarheid altoos. Waarheid (stam: ver-, denk aan verurn, verbum, woord, rspsh (sic: lees: Vepeiv) wijst op het gesprokene. „De dorst naar wetenschap vindt haar oorsprong in onze zucht, om wat bestaat in ons bewustzijn aftespiegelen; de dorst naar waarheid daarentegen, om wat het bestaande anders voorstelt dan het is, uit ons bewustzijn te bannen. In praegnanten zin staat dus, gelijk we later breeder aantoonen, waarheid tegenover leugen. Doch ook waar waarheid gezocht wordt om de opzettelijke vergissing, een ter goeder trouw opgekomen waan, of ook de onjuistheid, die gevolg is van ontoereikend onderzoek, te mijden of te bestrijden, blijft toch altoos een tegenstelling over, die alzoo tot het wezen van dit begrip behoort. Ware noch leugen, noch vergissing, noch waan, noch onjuistheid denkbaar, zoo zou de dorst naar waarheid niet kunnen opkomen. Dat de wetenschap waarheid zoekt, en waarheid haar boven alles gaat, drukt dus niet haar grondgedachte uit. Dit is en blijft: te weten te komen wat er is, dat het er is en hoe het er is; en dit streven neemt slechts in zooverre den vorm aan van „zoeken naar waarheidquot;, als ze, om tot het bestaande door te dringen , allerlei valsche voorstellingen van het bestaande te verwijderen heeft. In een stand van zaken, gelijk de Open-buring ons dien in het rijk der heerlijkheid teekent, blijft de zucht werken om te zien en te weten; dan natuurlijk

ocr page 58

50

door onmiddellijke waarneming; maar de tegenstelling tus-schen leugen, vergissing, waan en onjuistheid eenerzijds en waarheid anderzijds valt alsdan geheel wegquot;, (bldz. 7, 8). Deze treffende bespiegeling over „de waarheidquot; als anti-thetiesch begrip heeft wel iets, dat bij den eersten indruk, onze bevreemding wekt. Daar Kuyper in het vervolg (§ 9) hier dieper op ingaat, zullen ook wij er later op terug komen. Thans alleen eene opmerking over de wijze waarop Dr. Kuyper, méér dan ééns, aan woordafleidingen wijsgeerige bespiegelingen ontleent. Van onvoorzichtigheid is de Hoogleeraar m.i. in dit opzicht niet geheel vrij te pleiten. Op etymologieën, aan één taalgebied ontleend, bouwt hij algemeene philosophische beschouwingen, \'t Gebeurt ook in zijn betoog dat de waarheid een antithetiesch begrip is. Hij vindt den stam van dit woord in „verquot;. Daar die stam voorkomt in ver-um, ver-bum, woord, verklaart Kuyper dat die stam wijst niet op het geziene, noch op het gewetene, maar op het gesprokene. Gesteld nu eens dat dit alles in den haak ware, dan volgde er uit dat in het Latijn „verumquot; bepaald ziet op het gesprokene. Geheel overeenkomstig zijn practi-tischen aanleg en zin voor het concreete grijpt de Romein het begrip van waarheid in het gesproken woord dat de werkelijkheid weergeeft. Dat doet de Romein. Maar de Griek? \'KXvfiss wijst volstrekt niet, in de eerste plaats, op het gesproken woord. \'Ahyöss (a privans voor den stam fyó) geeft te kennen het niet verborgene, en wijst dus zeer zeker op het geziene. Het hebreeuwsche rraN (■px, ■ps:) wijst volstrekt niet in de eerste plaats op het gesprokene, maar op het voortdurend zijnde, \'t Zelfde geldt van het verwante arabische woord. Aangenomen dus dat „verumquot; in het Latijn op het gesproken woord ziet, dan gaat het toch niet, op dit verschijnsel in ééne taal, heel een theorie te bouwen. Ons „woordquot; is zeker verwant met „verbumquot; en „verquot; is „waarquot;. Ziet „waarquot; oorspronkelijk op het gesprokene? Ik meen dat dit geenszins het geval is. Zou „waarquot;, door den tusschen-vorm „wes-róquot;, niet teruggebracht moeten worden tot den indo-germaanschen wortel „wesquot;: het „wezenquot;, het zijn?

ocr page 59

51

Treffend is dan de overeenkomst tusschen de Semitische en enkele Indogermaansche talen. Onze germaansche talen noemen „waarquot; het wezenlijke. Hebreeërs eu Arabieren noemen „waarquot; het vast, het constant „wezenlijkequot;. De Griek noemt „waarquot; het niet verborgene, dus zichtbare wezen, (dfySsg). De Romein noemt „waarquot; het gesprokene, als vertolking in klanken, van het wezenlijke. Maar deze gedachtenwisseling met Dr. Kuyper over etymologische dingen mag ik niet verder voortzetten. Etymologie kan diensten bewijzen aan de Philosophic. Maar dan moeten wij haar -— krachtens het organiesch bestaan der menschheid — breed, naar compa-ratieve methode, aanwenden. Dan ook verbreidt zij licht over de vraag of „waarheidquot; wel een antitbetiesch begrip is. Wanneer Dr. Kuyper eene kleine vermaning invlecht, op grond van zijne etymologie van „waarheidquot;: „eene herkomst waarin tevens de veroordeeling ligt van het thans insluipend gebruik, om waar met een toestand of zedelijke gesteldheid te verbinden, en te spreken van „waar zijnquot;, dan annoteer ik even : i° dat er voor die vermaning andere gronden moeten gegeven worden; 2° dat Ovidius — een Romein — ergens zegt „Vera fuit vatesquot;; 3° dat Dr. Kuyper (II bldz. 60) schrijft: „Wie zich vergiste ter goeder trouw, was onjuist, niet onwaar.quot; Ik neem het echter voor die spreekwijze niet op. Maar wie haar veroordeelt doe \'t op goede gronden.

Wat de belofte van den hooggeleerden Schrijver aangaat, dat hij ons duidelijk zal zeggen wat hij onder „wetenschapquot; verstaat .... vinden wij ons vooralsnog teleurgesteld. We moeten geduld oefenen. Dit kunnen wij uit het gelezene vasthouden; Naar taalrecht wordt van de „wetenschapquot; gevergd , dat ze ons welen doe, wat er is, dat het er is en hoe het er is. Voorts vernamen wij iets over den oorsprong van den dorst naar wetenschap, nl. „onze zucht om wat bestaat in ons bewustzijn aftespiegelenquot;. (bldz. 6, 7). Iets later (§ 3) wordt ons aangezegd dat in het begrip van wetenschap het gronddenkbeeld van weten streng moet worden vastgehouden. Dankbaar willen we zijn. Voldaan zijn kunnen wij niet. Wij wilden, eene duidelijke, liefst korte, bepaling van „wetenschapquot;\'.

ocr page 60

In § 3 wordt gehandeld over „Subiect en Obiectquot; Subject van de wetenschap is niet deze of die mensch, maar de menschheid, het menschelijk bewustzijn- Wij kunnen lot geen begrip van „wetenschapquot; in hoogeren zin opklimmen tenzij we ons de menschheid als organiesch geheel denken. „Niet atomistischquot;, doceert Prof. Kuyper, „werkt de wetenschap alsof de totaliteit der individuen enkelen met de taak belastte, om aan de algemeene zucht naar bevrediging te schenken, en alsof deze lasthebbers naar een onderling afgesproken plan te werk gingen. Maar organisch, d. i. in dien zin, dat de behoefte om te weten in onze menschelijke natuur ligt; dat onze menschelijke natuur, binnen zekere grenzen, wetenschap verkrijgen kan, dat de aandrift om zich aan deze taak te wijden, met de gaven om aan die taak te kunnen arbeiden, van zelf uitkomt; en dat deze coryphaeën van ons geslacht op intellectueel gebied, zonder het te merken, schier onbewust, naar een plan te werk gaan, waardoor de menschheid verder komtquot;, (bldz. 9). Uit de wilswerking van het individu, uit het toeval kunnen wij dit organiesch samenhangen niet verklaren. „Er moet hier een hoogere factor in het spel zijn, die in den loop der eeuwen en onder tal van geheel verschillende volken, toch de eenheid van ons geslacht ook voor het leven van ons memchelijk bewustzijn handhaaft; tot weten prikkelt; voor het kunnen weten begaaft; geheel dezen arbeid leidt; en de resultaten van dien arbeid, voor zooverre deze tot weten leiden tot één geheel, naar een verborgen bestek, opbouwtquot;, (bldz. 9). Die hoogere factor heet voor de persoonsverbeelding „de Wetenschapquot;. Maar — ziehier weer de „ipsissima verbaquot; van Kuyper — „acht men dit een poëzie, die alleen op paganistisch gebied thuishoort, dan kan men onder verkregen „wetenschapquot; verstaan: die plek licht, die nu reeds tengevolge van de inwerking dezer hoogere macht in de duisternis van het menschelijk bewustzijn ontstaan is; dat licht natuurlijk niet enkel als resultaat gedacht, maar gedacht met de actuositeit die in alle licht zit, om te heerschen en nieuw licht te ontsteken. Eerst bij die opvatting valt al het acci-

ocr page 61

53

dentcele eu individueele weg , eu erlangt de wetenschap als zoodanig een noodzakelijk en algemeen karakter. Wetenschap, in dien zin verstaan, maakt dat „de geest des men-schenquot; weet, en aan deze wetenschap erlangt de enkele mensch deel naar de mate van zijn aanleg en zijn levenspositie. Waaraan reeds nu zij toegevoegd, dat de wetenschap eerst bij deze opvatting haar goddelijke wijding ontvangt, omdat de hoogere factor, die in de wetenschap bleek te werken, niets anders dan zelfbewust te denken is, en er zonder een God, die tot wetenschap prikkelt, haar schenkt, en haar organisch verband handhaaft, geen wetenschap voor het menschelijk bewustzijn als zoodanig bestaan kan. Met de menschelijke individuen komt ge hier geen stap verder, en ook al wilde men zich den „Gemeingeistquot; onzer menschelijke natuur gepersonificeerd denken, toch zou men ook hiermeê niet uitkomen, daar immers deze hoogere factor zelfbewust moet wezen, en deze Gemeingeist juist eerst door de wetenschap tot zelfbewustheid moet gebracht worden. Deze hoogere factor, die ons menschelijk bewustzijn tot wetenschap zal opvoeren, moet zelf weten, wat hij ons wil doen weten.quot; (bldz. 10).

Zóó handelt Dr. Kuyper over het subject der wetenschap. Hij zegt meer dan eens belangrijke en behartenswaardige dingen. Maar wie vindt dat alles nu eenvoudig en duidelijk gezegd. Ronduit verklaar ik dat ik rust derf te midden van al dien woordenrijkdom, \'t Valt moeilijk een „houvastquot; te grijpen in dien steeds aanzwellenden stroom van woorden. Van de lange rede zal, dunkt mij, dit wel de korte zin zijn. De menschheid vormt eene organische eenheid; de menschelijke natuur is aangelegd op wetenschap. (Dit laatste impliceert een persoonlijken Schepper: den God der wetenschappen , want er is geen vermogen in de creatura dat niet in den Creator zijn bestaansgrond vindt). Niet de wil en gril van A en B drijven tot het verkrijgen van wetenschap, maar wel de drang der menschelijke natuur. De aanleg om tot wetenschap te komen is echter niet in alle individuen met voldoende intensiteit aanwezig. Ook verhinderen de

ocr page 62

54

omstaudigheden uienigwerf de ontwikkeling van dit vermogen. Waar deze twee hindernissen niet zijn, treedt de man van wetenschap op. Krachtens het organiesch bestaan der mensch-heid (en krachtens de solidariteit harer leden) werkt de man van wetenschap, als lid van het geheel, naar de bestaanswet van bet geheel en ten bate van het geheel. — Indien dat niet, kort gezegd, de beteekenis is van Dr. Kuyper\'s woorden, dan hébben zij geen zin, óf ik ben niet in staat den Schrijver te begrijpen.

Object der wetenschap is al het bestaande „voor zoover dit zijn bestaan aan ons menschelijk bewustzijn reeds ontdekte, nog ontdekken zal of vermoeden laatquot;, (bldz. 10). Die laatste woorden verbazen mij. Wat zich nog ontdekken moet aan ons menschelijk bewustzijn moet nog object van wetenschap worden. Wat zich vermoeden laat is niet, nog niet, object van wetenschap, \'t Kan het worden: indien nl. later blijkt dat ons vermoeden gegrond was. De hypothese wordt dan these.

Het object der wetenschap splitst zich terstond drieledig „in zooverre niet alleen hetgeen buiten het denkend subiect is, maar evenzoo dat subiect zelf, als het bewustzijn van dit subiect, voorwerp van wetenschappelijk onderzoek wordtquot;. Geheel helder is dit voor mij niet. Object van wetenschap is: het niet-ik; het ik en dan ten derde het ik-bewustzijn. Maar hoe kan mijn „ikquot; object zijn van mijne wetenschap tenzij onder den vorm van ik-bewustzijn?

Met volkomen instemming lees ik wat nu volgt — eene gedachte zoo menigmaal door de la Saussaye Sr. met warmte en diepte ontwikkeld: — „ Dit obiect als zoodanig zou echter nooit stoffe van wetenschap voor den mensch kunnen zijn, indien het louter atomistisch bestond, of enkel atomistisch kon gekend wordenquot;. „Het denkbeeld van „wetenschapquot; onderstelt toch, dat uit het velerlei dat ik weet een samenhangend weten geboren zij; en dit nu ware onmogelijk, zoo er geen samenhang bestond tusschen de onderscheidene deelen van het obiectquot;. Dit organiesch bestaan van het we^enschaps-object correspondeert met het organiesch bestaan

ocr page 63

vau bet weteuschaps-subject en sluit iu zich „natuurlijke overgangen waardoor men uit het eene gebied in het andere komtquot;. Zeer tersnede merkt Dr. Kuyper hierbij op: „Het Darwinisme dankt meer nog aan dezen drang der wetenschap dan aan de deugdelijkheid zijner resultaten den ongemeenen opgang, dien bet maakte. Veilig mag dus gezegd, dat óf ons ideaal van wetenschap ten slotte een illusie zal blijken, óf wel, dat het obiect door haar gegrepen moet worden als organisch bestaandequot;.

Het organiesch verband tusschen subject en object komt in § 4 ter sprake. Zulk een verband moet er bestaan omdat „zoowel het subiect zelf als het denken van het subiect, mede obiect van wetenschap wordtquot;, (bldz. 12). Dit verband is drieledig nl. tusschen het object en ons wezen; tusschen het object en ons bewustzijn; tusschen het object en onze denkwaereld. Tusschen het object en ons wezen: de mensch is fiixpoKoafio:. Tusschen het object en ons bewustzijn: de mensch kan van het bestaan en van de bestaanswijze van het object een besef, een gewaarwording, een indruk ont-fangen (gewaarwording en waarneming). Kuyper keurt bet af hierbij van het „gevoelsvermogenquot; als van een derde facultas gecoördineerd met de facultas intelligendi en volendi te spreken (bldz. 15) en betoogt in zeer, zeer beeldrijke taal: „Noch gewaarwording, noch waarneming is alzoo mogelijk, tenzij in ons menschelijk bewustzijn een zoodanige receptiviteit voor het obiect besta, dat het door ons bewustzijn naar zijn aard en vorm kunne gegrepen wordenquot;. „Eerst door dit oorspronkelijk en aan alle waarneming of gewaarwording voorafgaande rapport tusschen het obiect buiten ons en de receptiviteit voor dit obiect, die in ons bewustzijn aanwezig, wijl ingeschapen is, komt én gewaarwording én waarneming tot standquot;. Eindelijk moet er organiesch verband zijn tusschen het object en onze denkwaereld zal er wetenschap geboren worden. Denken veronderstelt in het subject meerdere zintuigen; in het object onderscheidene momenten en relatiën. „Overmits nu ons menschelijk bewustzijn, krachtens zijn mikrokosmisoh karakter, ook op de waarneming van

T

ocr page 64

deze relutiën is aangelegd, eu deze relatiëu, afgetrokken van de momenten waar tusschen ze bestaan, niet afgebeeld noch voorgesteld, maar slechts gedacht kunnen worden, zoo is het metterdaad uit deze oneindige reeks van organisch samenhangende relation, dat geheel de wereld van ons denken geboren wordtquot;, (bldz. 20). Intusschen is ons denken niet slechts receptief maar ook actief. Ons denken is aangelegd op de objectieve relatiën waarin wij wederom ons denken geobjectiveerd zien. „Iets wat zoo streng doorgaat, dat zich uitnemend goed verstaan laat, hoe meer dan één philosoof de obiectiviteit van deze relatiën ontkend heeft, om er alleen de reproductie van ons denken in te zienquot;, (bldz. 22). Dat subjectivisme echter is onhoudbaar en de objectiviteit der relatiëu eischt „een oorspronkelijk subiect, dat ze gedacht heeft, en de macht bezat om dit product zijner gedachten in heel den kosmos te laten heerschenquot;. (bldz. 23). „Als wij ons indenken in deze relatiën, doen wij dus niets dan nadenken de gedachte, waardoor het Subiect, dat deze relatiën in het leven riep, ze bepaald heeft. Als er geen gedachte in het obiect school, zou het voor ons denken onverteerbaar zijnquot;. — Nu blijkt duidelijk dat er naast de facultas intelligendi en de facultas volendi in het subject geen plaats is voor wat men gevoels- of waarnemingsvermogen noemt. Intelligere is waarnemen en indenken beiden: „eene onderscheidingquot;, zegt Kuyper, „die op haar beurt weer haar grond vindt in ons dichotomisch bestaan, als deels somatische, deels psychische wezens; daar toch de voorstelling meer een somatisch, het begrip een meer psychisch karakter draagtquot;, (blz. 26). Na eene breede, boeiende ontwikkeling formuleert de hoogleeraar alsvolgt zijn resultaat over de onderlinge verhouding van object en subject: „Obiect en subiect staan dus tegenover elkander, als volkomen aan elkander verwant, en hoe dieper het ons menschelijk bewustzijn gelukt in den kosmos in te dringen, des te inniger blijkt die verwantschap te zijn, zoowel wat aangaat de substantie en de morphologic van het obiect, als de gedachten, die in de relatiën van het obiect liggen uitgesproken. En

ocr page 65

57

daar nu noch het obiecfc het subiect, noch liet subiect het obiect produceert, moet de macht, die beide organisch saamverbindt, uiteraard buiten beide gezocht worden. Hoe men dan ook zinne of peinze, nooit zal de genoegzame grond voor deze bewonderenswaardige correspondentie of verwantschap tusschen het obiect en het subiect, waarop toch geheel de mogelijkheid en de ontwikkeling der wetenschap rust, voor ons besef verklaard worden, tenzij we met de H. Schrift belijden, dat de Auteur van den kosmos, in dien kosmos, den mensch als mikrokosmos schiep „naar zijn beeld en naar zijne gelijkenisquot;. Aldus opgevat komt dus „de wetenschapquot; voor ons te staan, als een te zijner tijd met noodzakelijkheid opgekomene, en steeds voortgaande, drang in den menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen, en logisch in zijne relatiën door te denkenquot;, (bldz. 28, 29). Dat is dan eindelijk de zoo lang verwachtte en begeerde bepaling van „de wetenschapquot;. Of wij er vrede meê kunnen hebben? Naar de bedoeling van den Schrijver zeer zeker. Naar de formuleering zeer zeker niet. Is dan de wetenschap een drang? Zij het dan een drang in den menschelijken geest, een drang in den menschelijken geest te zijner tijd opgekomen, met noodzakelijkheid opgekomen ? Maar de drang tot wetenschap is iets anders dan de wetenschap zelf. In welke richting de bepaling te corrigeeren en aantevullen is geven wij hierdoor voldoende te kennen.

Daar nu de wetenschap tot hare ontwikkeling de taal vereischt behandelt Dr. Kuyper in § 5 „öe laal\'\'\\ Waarom wij den schrijver hier niet op den voet volgen zal wel voor een ieder duidelijk zijn.

Maar uit § 6 „ Verkeerde theoriën,\' moeten wij weêr refe-reeren. De gang der wetenschap zou een geregeld voortschrijdende , zegevierende, veroveringstocht zijn geweest, ware de zonde niet tusschen beiden gekomen. Hoe daardoor „het subiectivisme opsproot, dat als een kanker onze wetenschap vergiftigtquot; zal Schrijver later aantoonen. Thands wijst hij

ocr page 66

58

er alleen op: „hoe volkomen natuurlijk het is, dat denkers, die de stoornis door de zonde loochenen, zich ook nu nog de wetenschap als een absolute macht voorstellen, en er hierdoor toekomen, om óf de wetenschap te beperken tot de „sciences exactesquot;, óf wel ze opvatten als een wijsgeerig systeem, waarnaar de realiteit moet verwrongen wordenquot;, (bldz. 36). De eerste richting, in Frankrijk opgekomen, heerscht in Engeland. Zij beperkt de wetenschap tot de natuurwetenschappen; weegt en meet, weegt en meet nog eens en wil zoo tot voor allen vaststaande resultaten komen. Intusschen leert de geschiedenis (Darwinisme) dat de natuurwetenschappen met wegen en meten niet volstaan kunnen en haar dwingend charakter ten laatste missen. Ook ligt \'t in de consequentie dezer richting zich óf in materialisme te verloopen, of alle organiesch verband tusschen de ponderabele en de geestelijke waereld te loochenen en zóó den kosmos op te offeren.

De tweede richting zegevierde in Duitschland. Haar ideaal, van wetenschap is organische kennis van den geheelen kosmos uit één beginsel afgeleid. Ware de zonde niet tusschen beiden gekomen dan zou in deze richting de taak der wetenschap aangeduid zijn. Maar de zonde kwam tusschen beiden en .... men hield er geen rekenschap mede. Daar de ontwikkelingen van Kuyper over den invloed van de zonde en ook van de palingenesie naar mijn oordeel zeer diep en ernstig, dus beteekenisvol, zijn, wil ik den Schrijver reeds nu, als hij voorloopig die onderwerpen aanraakt, het woord geven.

„Veel hooger staat dan ook de tweede richting, die, als vrucht van Duitsche denkkracht, nog steeds de hooge hand behield, en den eisch, dat de wetenschap ons tot een organisch, uit één beginsel afgeleide kennis van den geheelen kosmos zal leiden, onverzwakt handhaaft. Het ongeluk is maar, dat deze theorie, die bij een onzondige ontwikkeling de eenig ware zou gebleken zijn, thans nog wel in idealen zin waar blijft, maar op de werkelijkheid niet meer past; deels niet, omdat de onderzoekende subiecten disharmonisch tegenover elkander staan, en deels omdat ook in het obiect

ocr page 67

59

allerlei anomaliën intraden; denk slechts aan de menschelijko taal en den strijd die over analogie en anomalie in de taal sinds de dagen der Sophisten en Alexandrijnen gevoerd is. Weigert men nu op dit standpunt met de verstoring van de harmonie, zoo in het suhiect als in het ohiect, rekening te houden, en zet men dan toch zijn wil door, om ook het disharmonische logisch uit één beginsel te verklaren, dan verloopt men in speculatie, en leert ons niet den kosmos kennen, maar komt er toe, om óf een kosmos te fantasee-ren, die niet bestaat, óf wel om pantheïstisch alle grenzen uit te wisschen, tot ten laatste zelfs het verschil tusschen goed en kwaad indifferent wordt.

Metterdaad wordt dus de geheele opvatting van de wetenschap , toegepast op den kosmos gelijk hij thans zich aan ons voordoet, en beoefend door het subiect mensch, gelijk dit thans bestaat, in volstrekten zin door de vraag beheerscht, of er al dan ,niet door de zonde, \'t zij in het ohiect, \'t zij in het subiect der wetenschap stoornis zij aangebrachtquot;, (bldz. 37, 38).

Wij danken Dr. Kuyper voor dit belangrijke, ernstig en diep gedachte stuk dat tevens helder en eenvoudig gestyleerd is. Voorwaar de geest die het doorademt is niet die eener muffe, matte scholastiek! Dit stuk is ingedacht en uitgewerkt onder de groote bezieling van het ethiesch beginsel. Zóó dacht een Vinet; zóó een de la Saussaye Sr. De richting van ons denken, het charakter onzer wetenschap worden niet bepaald door eenige uitwendige autoriteit, welke ook; op ethiesch gebied liggen de uitgangen onzes levens; óók van ons wetenschappelijk leven. Naast het geweten staat de logica als dienstmaagd.

Zijnen weg voorts zuiver afbakenende handelt de hoogleeraar nu éérst (§ 7) over „De geestelijke wetenschappenquot;. Naar aanleiding van dat opschrift zullen we maar niet twisten. Bedoeld worden de wetenschappen die de geestelijke zijde van des kosmos tot object hebben. Geestig en goed logiesch leidt Kuyper zijne ontwikkeling in: „Bestond de kosmos, en dus ook de mensch, uitsluitend uit ponderabilia, zoo zou

ocr page 68

60

de kennisneming van den kosmos veel eenvoudiger zijn dan thans, maar het subioct, dat zich die kennis eigen kon maken, zoo ontbreken. Do wetenschap mist dus allo recht, om er over te klagen dat de kosmos niet enkel ponderabel bestaatquot;. Deze wetenschappen nu gaan onder drieërlei moeilijkheden gedrukt, a. Het psychische is amorphiesch. Derhalve blijft ons morphologiesch vermogen hier rusten. „Overmits we nu als somatisch-psychische wezens vanzelf de neiging hebben, om elk obiect èn plastisch èn logisch te assimilee-ren, voelen we ten deze op geestelijk terrein zeker gemis. Een gemis, dat er dan maar al te licht toe leidt, om dit geheele terrein enkel logisch op te vatten, en zoodoende een valsch intellectualisme, of een gevaarlijke speculatie in de hand te werkenquot;, (bldz. 39).

h. Het obiect dezer wetenschappen is zoo onvast. De natuurwetenschappen kunnen hare objecten naar vaste kenmerken classificeeren. Dat kan de wetenschap, die zich op den mensch richt, niet. „Zelfs de classificatie naar de sexen lijdt vaak schipbreuk op verwijfde mannen en mansche vrouwenquot;. Hier treedt het individueele op. Het gemeenschappelijke vertoont zich telkens weer anders gewijzigd. Hoe rijker een individu is hoe minder hij zich leent tot vergelijking.

c. Juist in de geestelijke wetenschappen hangen wij af van de zelfmeêdeeling door het object, die uit den aard der zaak door tal van bezwaren gedrukt wordt. Vandaar dat de vorderingen der „geestelijke wetenschappenquot; vergeleken met die der natuurwetenschap gering zijn. Ja, de schoone kunsten trachten te vertolken wat er omgaat in de geestelijke waereld. Maar zij geven ons geen kennis in den streng-wetenschappelijken zin van het woord. Symboliek is heur taal. Zal „de empirie van de meer algemeen psychische levensuitingenquot; ons verder brengen? Dr. Kuyper wil het nut der historiesch-vergelijkende studie van het zedelijke, sociale en religieuse leven der volkeren niet wegcijferen. Maar hij ontkent dat in haar de eigenlijke beoefening der geestelijke wetenschappen ligt. „Ge kuntquot;, zegt hij, „in alle deze

ocr page 69

61

studiën geconfijt zijn, zonder ook nog maar het minste te weten omtrent uwe eigene ziel, die subiectief toch voor alle psychische onderzoek het middelpunt vormt. En wat nog veel bedenkelijker is, ge loopt op deze wijze grootelijks gevaar, ongemerkt het obiect van uw wetenschap te ver-valschen, zoo niet te denatureerenquot; (bldz. 43). De geestelijke wetenschappen moeten uit het subject zelf opgebouwd worden d. i. uit het menschelijke bewustzijn in het algemeen. Zagen wij nu dat wetenschap van den zichtbaren kosmos in het menschelijk bewustzijn veronderstelt de archetypische ontvankelijkheid voor de zichtbare objecten — hetzelfde is waar op geestelijk gebied. In ons bewustzijn wordt gevonden de archetypische receptiviteit voor wat recht is, liefde is enz. Deze receptiviteit moet komen onder invloed van het wetenschappelijk object, middellijk of onmiddellijk. „Feitelijkquot;, zegt Kuyper, „grijpt derhalve bij de overbrenging in ons bewustzijn van het obiect der geestelijke wetenschappen hetzelfde proces plaats als bij de ontdekking van ons bewustzijn voor het obiect der natuurwetenschappen. Beide malen moeten we onderscheidenlijk het moment en onderscheidenlijk de relatiën in ons opnemen. Beide malen moet, zoo voor die momenten als voor die relatiën, de receptiviteit in ons aanwezig zijn. En ook, beide malen kan ons denken ons alleen de relatiën doen kennen, terwijl de gewaarwording van het moment ons uit het obiect zelf toekomt. Maar hierin zijn beide soort van wetenschappen onderscheiden, dat het moment der opxTa. eenen anderen weg volgt om in ons bewustzijn te dringen dan het moment der vviufiXTucd. En dit wel zoo, dat de momenten der opxrx door de zintuigen op ons voorstellingsvermogen werken, terwijl de momenten der irvsufiXTixx, zonder zintuigen, en zonder een ons bekende tusschenschakel ons subiect geestelijk aangrijpen en alzoo, voor ons besef, rechtstreeks in ons bewustzijn ingaanquot;, (bldz. 47).

Zoo wordt dan de wetenschap van hot geestelijk object geput uit ons individueel subject in zijn organischen samenhang met het algemeen menschelijke subject. Vergeet dit laatste — en wetenschappen als Philologie, Historie, Politica,

ocr page 70

62

sociale wetenschappen - enz. zijn onmogelijk Toch blijft het subjectief charakter dezer wetenschappen want „altijd ligt in ons eigen subiectief besef de voorwaarde voor de beoefening dezer wetenschappenquot;, (bldz. 48). Wel draagt een groot deel van den arbeid aan de geestelijke studie ten koste gelegd -\'een meer objectief charakter. Het physicopsychische experiment, de vergelijkende studie der psychische uitingen, de ethnologiesch-historische studiën leveren bijdragen tot de Psychologie. Maar ook deze voorstudiën veronderstellen reeds het eigen psychiesch besef en — \'t zijn voorstudiën. Wel moeten wij onderscheiden tusschen zuivere en gemengde geestelijke wetenschappen. De Linguïstiek b.v. is eene gemengde geestelijke wetenschap. In het der taalquot; tracht men door te dringen tot den logos als haar psychiesch bestanddeel. Maar elke inbeelding om de geestelijke wetenschappen — gemengde of zuivere — „op eenzelfde leest te schoeien met de natuurkundige wetenschappen berust op zelfbedrogquot;, (bldz. 50). En ook bij deze laatsten kan enkel empirie nooit volstaan. Wie meent dat de Descendenz-theorie niet anders is dan logische deductie uit empirische gegevens — misleidt zich zelf.

„De Wetenschap gestoord door de zondequot;. Zóó luidt het opschrift van Hoofdstuk II. Paragraaf 8 opent het: „Do Wetenschap eu het feit der Zomlequot;. Het subjectief charakter der geestelijke wetenschappen wordt een gevaar door de zonde. Ware er geen zonde dan zouden de onderscheidene subjecten, in ongestoorde harmonie, elkander aanvullen. Maar zoo is het niet. De wetenschappelijke overtuiging van den één gaat tegen die van den ander in. Deze treurige werkelijkheid mag niet verbloemd worden. Wij moeten erkennen dat de zonde, die niet tot het thelematische alleen beperkt is, óók haar invloed oefent op wetenschappelijk gebied. Dr. Kuyper stipt aan:

1°. Er is leugen in de waereld, in allerlei zin, onder allerlei vorm. Meer dan ééne „geestelijkequot; wetenschap berust

ocr page 71

63

bijna uitsluitend op mededeeling van personen. Tengevolge van de leugen lijdt dus de zekerheid dezer wetenschappen groote schade.

2°. Vergissing is mogelijk in de waarneming, in de herinnering, in het denken. Vooral op het gebied der „geestelijkequot; wetenschappen is haar invloed van gewicht.

3°. Zelfbedrog en zelfmisleiding, die vijanden van wetenschappelijke zelfkennis spelen eene groote rol — en vergeet niet dat bijna alle diepere studie, op dit gebied van wetenschap, uitgaat van het subjectieve beeld.

4°, De verbeelding speelt ons parten; wischt het onderscheid tusschen phantasie en werkelijkheid weg.

5°. Wij ondergaan den invloed van een wetenschappelijk milieu waarin al die machten van stoornis werken.

6°. Door ons lichaam, dat nooit geheel normaal bestaat, oefent de zonde invloed op onzen geest.

7°. De levensverhoudingen, door de zonde gedesorganiseerd, benevelen onzen blik.

8°. Daar wij in ons bewustzijn niet atomistiesch bestaan, werkt eene valsche voorstelling op dit levensgebied onwillekeurig terug op voorstellingen van een ander gebied.

Dit alles echter betreft nog maar de formeele werking der zonde op onzen geest. Allerlei motieven van zedelijken aard staan haar ook nog ten dienste. Onze blik op de dingen wordt beheerscht door tal van belangen, die ons persoonlijk raken. Somtijds verleiden die belangen zelfs tot conscientie-verkrachting. Meestal beheerschen zij den uitslag onzer studie onbewust en ongemerkt.

Ten derde oefent de zonde rechtstreeks invloed op onze natuur. Er is eene verduistering des verstands, beter: van ons bewustzijn. Liefde, sympathie tot het wetenschappelijk object is de groote voorwaarde om tot kennis ervan te geraken. En zonde nu is juist het tegendeel van liefde. „Ze heeft ons, generaal gesproken, alle zoekende sympathie ontnomen, om ons slechts op een enkel terrein en dan nog in gebrekkigen vorm dit zoeken der liefde te laten. Maar onze geest, als geheel genomen, staande tegenover den kosmos

5*

ocr page 72

64

als zijn totaal obiect, gevoelt zich geïsoleerd; het obiect ligt buiten hem; en de band der liefde ontbreekt, die er hem in doet dringen en het doet verstaan. Deze fatale uitwerking der zonde moet natuurlijk haar dieperen grond daarin vinden, dat de levensharmonie tusschen ons en het obiect verstoord is. Wat eens organisch truvstmixc, bestaat dientengevolge thans als aan elkaar vreemd; en het is deze vervreemding van het obiect onzer kennis, die het meest aan onze kennis van het obiect in den weg staatquot;, (bldz. 57). De desorganisatie, gevolg der zonde, verbrak ook de levensharmonie in ons eigen wezen. Eindelijk komt hier nog bij de vernieling „die de zonde teweegbracht in de gegevens, die ons voor de kennnisse van God, en dus voor de conceptie van het geheel, ten dienste stondenquot;, (bldz. 58). Hieruit volgt „dat de kennisse van den kosmos als één geheel , of wilt ge de philosophic in engeren zin, eveneens op deze verwoesting, die de zonde heeft aangericht, afstuit. Gesteld toch al, dat het u gelukt ware te komen tot een aedaequate kennis van al de deelen van den kosmos, dan zou de optelsom van deze uitkomsten u nog geenszins de aedaequate kennis van het geheel geven. Het geheel is altijd nog iets anders dan de bijeenvoeging der deelen. Vooreerst om het organisch verband dat de deelen samenhoudt; maar veelmeer nog om de geheel nieuwe vragen, die de samenvatting van het geheel u stelt. Vragen naar den oorsprongen en het einddoel van het geheel. Vragen naar de categoriën die het obiect bij zijn afspiegeling in uw bewustzijn beheerschten. Vragen naar het absolute zijn , en naar wat wie^-kosmos is. Om nu tot de beantwoording dezer vragen te komen, moet ge natuurlijk heel den kosmos, met uzelven er in besloten, aan uzelven onderwerpen; daartoe moet ge in uw bewustzijn buiten den kosmos treden; om dit te kunnen doen, moet ge een Sa? pot zoü ttü in den niet-kosvaos hebben; en dit al te gader wordt u onmogelijk gemaakt, zoolang de zonde u met uw bewustzijn in den kosmos opsluitquot;, (bldz. 59).

Deze paragraaf las ik met steeds klimmende belangstelling.

ocr page 73

65

Over het .geheel ias ik baar met hartelijke instemming. Het pelagianisme — gekroonde oppervlakkigheid; ongelukkige richting, die haar matte zegepralen behaalt ten koste van geweten en alle dieper wijsgeerig denken — het pelagianisme, dat zijn bestaan alleen rekt onder de valsche gunst der psychologische atomistiek, wordt door Kuyper met ernst en zegevierend bestreden. Ik verheug mij in bet flinke beleid van dezen gids. Het is gedaan met alle Theologie, dien naam waardig, wanneer de beteekenis van de zonde, ook op het gebied der wetenschap, óf voorbij gezien, óf te licht gesteld, óf onjuist opgevat wordt. Over eene theologie, die ethische momenten verwaarloost, gaat het veroordeelend vonnis: Mene, Tekel. Het ethiesch charakter van Kuyper\'s ontwikkeling is haar adeldom. Onder de bezieling van ethische motieven tref ik dezen gereformeerden godgeleerde, evenals Calvijn, het liefst aan. Dat de woorden „ethieschquot; en „gereformeerdquot; mij in één streek uit de pen komen verwondere niemand. Die twee hooren bij elkaêr. Gereformeerde theologie, ontdaan van het ethiesch bestanddeel, versteent tot een dood-geloopen scholastiek. Ethische theologie, die het gereformeerde „Soli Deoquot; niet hoog houdt, zinkt weg in een alle-daagsch moralisme of vervloeit in pantheïstiesch idealisme. Maar nu vind ik het jammer dat de hoogleeraar zich een Seitenhieb tegen „de ethisch getinte Theologenquot; veroorloofde, die hen waarlijk niet treft. „Veritas sese ipsa defendetquot; riepen reods de ouden, en de ethisch getinte Theologen roepen hen dit na, zonder ook maar van verre te vermoeden, hoe juist hierdoor onze blik op de historie vervalscht wordt, en ons eigen plichtsbesef wordt verzwaktquot;, (bldz. 54). Deze tirade zal wel gericht zijn tegen uitspraken als van Vinet: „la vérité brille de son propre éclatquot; en zoo vele anderen meer, die wij vinden in de geschriften b.v. van Astié, de la Saussaye Sr., Gunning Sr. Vragen wij wat die mannen, .zóó sprekende, bedoelen! Geenszins eene wegcijfering van het zedelijk geweten, als zou de invloed der zonde niet verstorend werken ook in de waereld van ons weten en deuken. Zij huldigen geenszins de pelagiaansche domheid ;

ocr page 74

66

wanneer de waarheid zich vertoont kan en wil en zal ieder mensch haar zien. Tegen het peuterige intellectualisme van het supranaturalisme gaat hun protest. Dat protest is niet anders dan een pleit voor de noodzakelijkheid der wedergeboorte; niet anders tevens dan erkenning van het testimonium Spiritus Sancti. „Laat uw kaarsje niet schijnen en uw nachtpitje niet knapperen opdat de menschen, die zien kunnen, de zon aanschouwenquot;. Dat roepen de „ethisch-getinte theologenquot; toe aan knutselende apologeten. Zij doen dat niet als navolgers van de OuJen, maar als discipelen van Hem die déze, nog al „ethisch getintequot;, woorden sprak: „£«!/ rig to Qetyftx xötqu (s. 1. tov tts^xvto: pe) noieiv,

yuatrsTixi Trspi tyg quot;ètèxxtfc TroTspov êx to\'j 6sou ior/i/, ^ syu xif ifixuTOu s.xKk (Joh. VII; 17).

Niet geheel duidelijk werden mij — beter: niet juist geformuleerd vond ik — enkele uitdrukkingen van den hooggeleerden schrijver over het charakter en het straalgebied der zonde. Ziehier zulk eene uitlating — eene typische — in den lijst harcr omgeving. De slottirade van § 8 luidt; „Overwegingen waaruit nu wel geenszins volgt, dat ge sceptisch aan alle wetenschap vertwijfelen zult, maar die u toch toonen, dat het niet aangaat in de theorie uwer kennis de zonde buiten rekening te laten. Dit zoudt ge zelfs dan niet mogen doen, bijaldien de zonde enkel een thelematisch begrip en dus bloot ethisch ware; maar mag nog veel minder nu de zonde ook in hooge mate, zoo rechtstreeks als middellijk, alle die gegevens wijzigt, waarmee ge bij het opbouwen uwer weienschap, en dus op intellectueel gebied, te rekenen hebt. De xyvoi», die de zonde wrocht, is het moeilijkst struikelblok voor alle echte wetenschapquot;, (bldz. 59). De zonde niet enkel een „thelematisch begripquot;. Bedoelt de schrijver dat de zonde niet alleen \'s menschen wil aan zich dienstbaar maakt maar heur verdervenden invloed over heel onze persoonlijkheid uitstrekt, al onze krachten en vermogens aangrijpt, dan ben ik het van harte met hem eens; dan staan wij — in goed gezelschap! — met Augustinus tegenover Pelagius, met Calvijn tegenover Erasmus, met de

ocr page 75

67

gereformeerde godgeleerden tegenover de casuïstiek der Jesuieten. Wie dat niet doet, huldigt, bewust er van of niet, de psychologische atomistiek. Maar volgt hier nu uit dat de zonde nog iets anders is dan een ethiesch — een anorm ethiesch — verschijnsel? Volstrekt niet! Zeker wij hebben bok „op intellectueel gebiedquot; met de zoude te rekenen. Op ieder gebied moeten wij met haar rekenen. Toch neemt dit niet weg dat de aftapTia, als zoodanig, een ethiesch verschijnsel is, een „blootquot; ethiesch verschijnsel, dat echter — krachtens ons niet atomistiesch maar organiesch bestaan — zijn verstorenden invloed oefent op heel ons „ikquot;, over heel ons geslacht.

Voorts hadde ik gewenscht dat in deze fijn bewerkte paragraaf over de Wetenschap en het feit der zonde niet alleen gehandeld ware over den invloed der zonde in het wetenschappelijk subject, maar ook in het wetenschaps-object. Dit bestanddeel ontbreekt wel niet geheel, maar het had breeder ontplooit kunnen worden. De kosmos, dien wij onderzoeken, ook in zijn niet ponderabel bestaan, is een verstoorde waereld. thzea ■/) xtitis aversvx^si.

Aan „De Waarheidquot; wijdde Dr. Kuyper § 9. Hij onderscheidt tusschen „onjuistquot; en „onwaarquot;. Hij stelt dat het zoeken naar waarheid geen ander doel heeft „dau om aan de heillooze macht van wat Christus ro ■Jjsu\'Sq; noemde te ontkomenquot;, (bldz. 60). De H. Schrift leert ons in to -jjsvtos een onheilig beginsel kennen, waaruit een Zerrbild van al het bestaande geboren wordt, en het vaderschap van dezen S^iSs-: wijst ze ons aan in Satanquot;. Schier op elk levensterrein sloop eene valsche voorstelling van de realiteit binnen. Zij komt, overwonnen, telkens weer in een nieuwen vorm te voorschijn. „Kennelijk heeft men dus in de Leugen, noch met een vergissing, noch met enkele tijdelijk heerschende onwaarheden te doen, maar met een macht, die op het bewustzijn des menschen inwerkt, en hem telkens niet slechts phantasie voor werkelijkheid, noch alleen fictie voor drama in handen speelt, maar die opzettelijk in onzen geest eene voorstelling van het bestaande inbrengt, die tegen de realiteit

ocr page 76

68

vloekt, met het doel om ons van die realiteit te vervreemdenquot;. (bldz. 61). Vandaar het heilig belang van den strijd voor de waarheid. Die strijd zal eens ten einde zijn. In het hemelsch leven is geen ijveren voor de waarheid tegen de leugen meer. „Wie toch zou, waar geen leugen ook maar denkbaar is, voor de waarheid in het strijdperk treden? En zoo nu ook kan de waarheid niet behoord hebben tot de begrippen, die oorspronkelijk aan den mensch

in den staat der rechtheid eigen waren..... Het was dus

niet te sterk gesproken, toen we zeiden, dat het begrip van „waarheidquot; eerst in het gevolg der zonde kon opkomen. quot;Wetenschap is dus iets geheel anders dan waarheid. Denkt ge u een menschelijke ontwikkeling buiten zonde, zoo zou toch de drang bestaan hebben, om den kosmos te leeren kennen en te doorzien, en door die kennisse te beheerschen; maar naar waarheid zou men niet gezocht hebben, eenvoudig omdat het gevaar, van in de leugen als resultaat van onderzoek te berusten niet bestond. Thands daarentegen, in onzen zondigen toestand, terwijl het net van de leugen telkens over het bewustzijn der menscbheid wordt geworpen, heeft de wetenschap uiteraard een dubbele roeping, niet alleen om het obiect te onderzoeken en te leeren verstaan, maar ook, en niet minder, om de valsche voorstellingen omtrent het obiect uit te bannenquot;, (bldz. 61, 62).

De verwijdering van valsche voorstellingen is een moeilijk werk voor den onderzoeker der zicht- en tastbare waereld. \'t Is een moeielijker, veel moeilijker werk voor hem, die het niet stoffelijk levensgebied wil kennen. „Hier toch wordt de subiectieve factor overwegend; juist die subiectieve factor is afhankelijk van de tegenstelling tusschen ro ■■psvhz en yj xkvideiix; en zoo moet én het inzicht in de feiten én de constructie, die men op zijn inzicht in de feiten bouwt, wel uiteenloopen, en ten slotte eerst contradictoir, en dan contrair, wordenquot;, (bldz. 63).

In wat nu volgt schijnt het mij toe dat Dr. Kuyper niet weinig overdrijft: nu eens te pessimistiesch, dan weêr te optimistiesch oordeelt. Om met dit laatste, het min belang-

ocr page 77

69

rijke, te beginnen, „Niemand schrijft een wetenschappelijke studie met bet doel om de leugen te propageeren; doel van allen wetenschappelijken arbeid is het ijveren voor de waarheidquot;. (bldz. 63). Ja, wanneer ik „wetenschappelijke studiequot; in den hoogen, idealen zin neem, dan veronderstelt zij noodwendig ijver voor de waarheid. Maar die restrictie maakt de Schrijver niet. En wanneer wij nu „wetenschappelijke studiesquot; onder de oogen krijgen waarin betoogd wordt dat Luther zelfmoord pleegde, waarin de „légende du fer rougequot; opgewarmd wordt om Calvijn\'s jongelingsjaren te bezwalken, zijn wij dan niet al te optimistiesch, wanneer wij meenen dat Ultramontanen en Jesuïeten aan het „Calumniare semperquot; nooit „wetenschappelijke studiequot; dienstbaar maken?1) Andere uitspraken van Dr. Kuyper zijn pessimistiesch en in haar volstrektheid m. i. onbillijk en onjuist. Nadat hij verklaard heeft: „Niemand schrijft een wetenschappelijke studie met het doel om de leugen te propageeren; doel van allen weten-schappelijken arbeid is het ijveren voor de waarheidquot; gaat Prof. Kuyper aldus verder: „Juist hieruit echter volgt, dat, waar twee mannen van wetenschap tot vlak tegenovergestelde uitkomsten geraken, ze beiderzijds in hun eigen resultaat de waarheid, en in het resultaat van hun tegenstander de leugen zien, en dat ze zich geroepen achten voor wat hun als waarheid geldt te strijden, en wat hun leugen dunkt tegen te staan. Raakt dit nu een détailpunt, zoo heeft dit geen verdere gevolgen; maar neemt deze tegenstelling een meer algemeen en principieel karakter aan, zoo vormt zich school tegenover school, stelsel tegenover stelsel, wereldbeschouwing tegenover wereldbeschouwing, en komen ten slotte twee geheel verschillende en elkaar uitsluitende voorstellingen van het obiect, beide malen in organischen samenhang, een geheele reeks van subiecten beheerschen. Van beide kanten zegt men dan: „Aan onze zijde is de waarheid, aan uwe zijde de leugenquot; En de waan alsof de wetenschap dit ge-

1

Cf. o. a. „Triersche Studiën over Lutherquot; van Dr. J. Herderschee, iu „De Tijdspiegelquot;, Maart 1895, bldz. 289—299.

ocr page 78

66

waaneer de waarheid zich vertoont kan en wil en zal ieder mensch haar zien. Tegen het peuterige intellectualisme van het supranaturalisme gaat hun protest. Dat protest is niet anders dan een pleit voor de noodzakelijkheid der wedergeboorte; niet anders tevens dan erkenning van het testimonium Spiritus Sancti. „Laat uw kaarsje niet schijnen en uw nachtpitje niet knapperen opdat de menschen, die zien kunnen, de zon aanschouwenquot;. Dat roepen de „ethisch-getinte theologenquot; toe aan knutselende apologeten. Zij doen dat niet als navolgers van de Ouden, maar als discipelen van Hem die déze, nog al „ethisch getintequot;, woorden sprak; „£«!/ tis sshy to qshyiftu xvtou (s. 1. tou irepipxvtoc ps) koisiv , yvucrsTxi Trspi zy: irotspov ix tou 6eou èvrtv, ■/) syu xir

sHOiUTOv (Joh. VII: 17).

Niet geheel duidelijk werden mij — beter: niet juist geformuleerd vond ik — enkele uitdrukkingen van den hooggeleerden schrijver over het charakter en het straalgebied der zonde. Ziehier zulk eene uitlating — eene typische — in den lijst barer omgeving. De slottirade van § 8 luidt; „Overwegingen waaruit nu wel geenszins volgt, dat ge sceptisch aan alle wetenschap vertwijfelen zult, maar die u toch toonen, dat het niet aangaat in de theorie uwer kennis de zonde buiten rekening te laten. Dit zoudt ge zelfs dan niet mogen doen, bijaldien de zonde enkel een thelematisch begrip en dus bloot ethisch ware; maar mag nog veel minder nu de zonde ook in hooge mate, zoo rechtstreeks als middellijk, alle die gegevens wijzigt, waarmeê ge bij het opbouwen uwer weienschap, en dus op intellectueel gebied, te rekenen hebt. De Scyvoi», die de zonde wrocht, is het moeilijkst struikelblok voor alle echte wetenschapquot;, (bldz. 59). De zonde niet enkel een „thelematisch begripquot;. Bedoelt de schrijver dat de zonde niet alleen \'s menschen wil aan zich dienstbaar maakt maar beur verdervenden invloed over heel onze persoonlijkheid uitstrekt, al onze krachten en vermogens aangrijpt, dan ben ik het van harte met hem eens; dan staan wij — in goed gezelschap! — met Augustinus tegenover Pelagius, met Calvijn tegenover Erasmus, met de

ocr page 79

67

gereformeerde godgeleerden tegenover de casuïstiek der Jesuieten. Wie dat niet doet, huldigt, bewust er van of niet, de psychologische atomistiek. Maar volgt hier nu uit dat de zonde nog iets anders is dan een ethiesch — een anorm ethiesch — verschijnsel? Volstrekt niet! Zeker wij hebben bok „op intellectueel gebiedquot; met de zonde te rekenen. Op ieder gebied moeten wij met haar rekenen. Toch neemt dit niet weg dat de x/taprix, als zoodanig, een ethiesch verschijnsel is, een „blootquot; ethiesch verschijnsel, dat echter — krachtens ons niet atomistiesch maar organiesch bestaan — zijn verstorenden invloed oefent op heel ons „ikquot;, over heel ons geslacht.

Voorts hadde ik gewenscht dat in deze fijn bewerkte paragraaf over de Wetenschap en het feit der zonde niet alleen gehandeld ware over den invloed der zonde in het wetenschappelijk subject, maar ook in het wetenschaps-object. Dit bestanddeel ontbreekt wel niet geheel, maar het had breeder ontplooit kunnen worden. De kosmos, dien wij onderzoeken, ook in zijn niet ponderabel bestaan, is een verstoorde waereld. Yhxea j ktigu; avvtsvx^ai.

Aan „De Waarheidquot; wijdde Dr. Kuyper § 9. Hij onderscheidt tusschen „onjuistquot; en „onwaarquot;. Hij stelt dat het zoeken naar waarheid geen ander doel heeft „dan om aan de heillooze macht van wat Christus to -hsvlo; noemde te ontkomenquot;, (bldz. 60). De H. Schrift leert ons in to ■■psvïsg een onheilig beginsel kennen, waaruit een Zerrbild van al het bestaande geboren wordt, en het vaderschap van dezen wijst ze ons aan in Satanquot;. Schier op elk levensterrein sloop eene valsche voorstelling van de realiteit binnen. Zij komt, overwonnen, telkens weer in een nieuwen vorm te voorschijn. „Kennelijk heeft men dus in de Leugen, noch met een vergissing, noch met enkele tijdelijk heerschende onwaarheden te doen, maar met een macht, die op het bewustzijn des menschen inwerkt, en hem telkens niet slechts phantasie voor werkelijkheid, noch alleen fictie voor drama iu handen speelt, maar die opzettelijk in onzen geest eene voorstelling van het bestaande inbrengt, die tegen de realiteit

ocr page 80

68

vloekt, met het doel om ons van die realiteit te vervreemdenquot;. (bldz. 61). Vandaar het heilig belang van den strijd voor de waarheid. Die strijd zal eens ten einde zijn. In het hemelsch leven is geen ijveren voor de waarheid tegen de leugen meer. „Wie toch zou, waar geen leugen ook maar denkbaar is, voor de waarheid in het strijdperk treden? En zoo nu ook kan de waarheid niet behoord hebben tot de begrippen, die oorspronkelijk aan den mensch

in den staat der rechtheid eigen waren..... Het was dus

niet te sterk gesproken, toen we zeiden, dat het begrip van „waarheidquot; eerst in het gevolg der zonde kon opkomen. Wetenschap is dus iets geheel anders dan waarheid. Denkt ge u een menschelijke ontwikkeliug buiten zonde, zoo zou toch de drang bestaan hebben, om den kosmos te leeren kennen en te doorzien, en door die kennisse te beheorschen; maar naar waarheid zou men niet gezocht hebben, eenvoudig omdat het gevaar, van in de leugen als resultaat van onderzoek te berusten niet bestond. Thauds daarentegen, in onzen zondigen toestanrl, terwijl het net van de leugen telkens over het bewustzijn der menschheid wordt geworpen, heeft de wetenschap uiteraard een dubbele roeping, niet alleen om het obiect te onderzoeken en te leeren verstaan, maar ook, en niet minder, om de valsche voorstellingen omtrent het obiect uit te bannenquot;, (bldz. 61, 62).

De verwijdering van valsche voorstellingen is een moeilijk werk voor den onderzoeker der zicht- en tastbare waereld. \'t Is een moeielijker, veel moeilijker werk voor hem, die het niet stoffelijk levensgebied wil kennen. „Hier toch wordt de subiectieve factor overwegend; juist die subiectieve factor is afhankelijk van de tegenstelling tusschen to xpeviïo? en ^ tx^óeix-, en zoo moet én het inzicht in de feiten én de constructie, die men op zijn inzicht in de feiten bouwt, wei uiteenloopen, en ten slotte eerst contradictoir, en dan contrair, wordenquot;, (bldz. 63).

In wat nü volgt schijnt het mij toe dat Dr. Kuyper niet weinig overdrijft: nu eens te pessimistiesch, dan weêr te optimistiesch oordeelt. Om met dit laatste, het min belang-

ocr page 81

69

rijke, te beginnen. „Niemand schrijft een wetenschappelijke studie met bet doel om de leugen te propageeren; doel van allen wetenschappelijken arbeid is bet ijveren voor de waarheidquot;. (bldz. 63). Ja, wanneer ik „wetenschappelijke studiequot; in den hoogen, idealen zin neem, dan veronderstelt zij noodwendig ijver voor de waarheid. Maar die restrictie maakt de Schrijver niet. En wanneer wij nu „wetenschappelijke studiesquot; onder de oogen krijgen waarin betoogd wordt dat Luther zelfmoord pleegde, waarin de „légende du fer rougequot; opgewarmd wordt om Calvijn\'s jongelingsjaren te bezwalken, zijn wij dan niet al te optimistiesch, wanneer wij meenen dat Ultramontanen en Jesuïeten aan het „Calumniare semperquot; nooit „wetenschappelijke studiequot; dienstbaar maken?\') Andere uitspraken van Dr. Kuyper zijn pessimistiesch en in haar volstrektheid m. i. onbillijk en onjuist. Nadat hij verklaard heeft: „Niemand schrijft een wetenschappelijke studie met het doel om de leugen te propageeren; doel van allen wetenschappelijken arbeid is het ijveren voor de waarheidquot; gaat Prof. Kuyper aldus verder; „Juist hieruit echter volgt, dat, waar. twee mannen van wetenschap tot vlak tegenovergestelde uitkomsten geraken, ze beiderzijds in hun eigen resultaat de waarheid, en in het resultaat van hun tegenstander de leugen zien, en dat ze zich geroepen achten voor wat hun als waarheid geldt te strijden, en wat hun leugen dunkt tegen te staan. Raakt dit nu een détailpunt, zoo heeft dit geen verdere gevolgen; maar neemt deze tegenstelling een meer algemeen en principieël karakter aan, zoo vormt zich school tegenover school, stelsel tegenover stelsel, wereldbeschouwing tegenover wereldbeschouwing, en komen ten slotte twee geheel verschillende en elkaar uitsluitende voorstellingen van het obiect, beide malen in organischen samenhang, een gebeele reeks van subiecten beheerschen. Van beide kanten zegt men dan: „Aan onze zijde is de waarheid, aan uwe zijde de leugenquot; En de waan alsof de wetenschap dit ge-

1) Cf. o. a. „Triersche Studiën over Lutherquot; van Dr. J. Herderschee, iu „De Tijdspiegelquot;, Maart 1895, bldz. 289—299.

ocr page 82

70

schil beslechten kon, is natuurlijk volkomen ijdel, want we spreken juist van twee alles omvattende voorstellingen van het obiect, die beiden als resultaat van ernstige wetenschappelijke studie gewonnen zijnquot;, (bldz. 63, 64). In de eerste plaats zou ik willen vragen: komen twee mannen van wetenschap in den hoogen zin van het woord, wel dikwijls tot „vlak tegenovergestelde uitkomstenquot;? Dat „vlak tegenovergesteldequot; moet hier, in dit redeverbanrl, beteekenen „absoluut-tegenovergesteldequot;, zóó tegenover elkander gesteld als ja en neen, als waarheid en leugen, als zijn en niet-zijn? Zou dat wel dikwijls gebeuren ? Dikwijls gebeuren waar het „détailpuntenquot; raakt? \'k Geloof het niet! Neem een concreet geval. A. een orthodox theoloog komt in zijne wetenschappelijke beschouwing van het psychologiesch verschijnsel , dat wij „berouwquot; noemen, tot eene uitkomst vlak tegenovergesteld aan die van B. een modern philosooph. Zal hij nu — de man van wetenschap, die bescheiden is, nederig, doordrongen van het besef zijner eigen feilbaarheid — zeggen: „bij mij de waarheid; bij U de leugenquot; ? Zal hij niet veeleer eigen werk herzien? Zal hij niet onderzoeken of er in de beschouwing van zijn tegenstander hestanddeelen van waarheid zijn, waaraan de zijne geen recht liet wedervaren; be-standdeelen van waarheid, door hem op te nemen in zijne beschouwing? En wat is dat anders dan de belijdenis: zooals de waarheid tegenover de leugen staat, zóó staat mijne uitkomst niet tegenover de uwe. Die verhouding komt eerst te voorschijn bij de diepstgaande principieele vraagstukken.: En dan moeten wij het woord eeren dat er geene gemeenschap is tusschen het licht en de duisternis. Wordt de vraag naar den oorsprong opgeworpen, dan erkennen wij dat atheïstische en theïstische wetenschap steeds tegenover elkander staan, gescheiden door eene klove, die de wetenschap zélf natuurlijk niet overbruggen kan.

Zeer hartelijk beaam ik weêr Kuyper\'s besluit, dat hulde brengt aan de religieus-ethische factoren, die op het gebied van de beginselen alles beheerschen. „In verband niet het feit der zonde, waaruit heel de tegenstelling tusschen Waar-

ocr page 83

71

beid en Leugen geboren werd, doet zich dit verscbijnsel dan in dezen vorm voor, dat de één bet feit der zonde erkent, de ander bet loochent of er niet meê rekent. Zoo wordt voor den één normaal, wat voor den ander de volstrekte abnormaliteit is. Dit geeft aan beiden een gebeel verschillenden maatstaf in banden. En waar nu beiden met dezen subiectieven maatstaf te war k gaan, moei beider wetenschap wel een geheel andere worden, en is de eenheid der wetenschap weg. De één kan niet gedwongen worden te aanvaarden, wat de ander voor waar houdt, en z. i. als waarheid vondquot;, (bldz. 65). Juist en helder gezegd! Op grond van zulke wél gemeende verklaringen wachten wij van den Hoogleeraar eene Theologie — niet des verstands maar des gewetens. Hier liggen, in de diepte, punten van aanraking, die tot bereeniging zullen brengen theologen, ten onzent meer door kerkelijke twisten dan door beginselen gescheiden. Mij dunkt — ieder die van jongeling man werd; studeeren bleef; in zijne studiën zich niet op détailpnnten blind tuurde maar naar de breede wegen der beginselen vroeg, is bet immers met mij eens? — mij dunkt dat erkenning bier, ontkenning daar van bet feit der zonde, de wetenschappelijke waereld in twee kampen verdeelt. De ernst, waarmede dit criterium in Kuyper\'s Encyklopaedie gehandhaafd wordt, bindt mij met waardeering aan zijn boek. Eéne bamartiologie ver-eenigt, in hoofdzaken, onderscheidene godgeleerden. Zullen zij niet tot ééne Christologie komen, moeten komen? Zonder twijfel. En zou \'t één en het ander niet leiden tot eene theologische wetenschap, in den grond één, al laat zij in hare eenheid verscheidenheid des levens toe? Ik moet wéér bevestigend andwoorden. Eene onbescheiden Scholastiek, partijgeest, cóteriëngehaspel zullen op den duur die bereeniging niet beletten. Vooral niet nu wij zulke ernstige tijden beleven. Maar — ik mag niet afdwalen door van idealen, vrome wenscben en — toch niet eens bedrogen? — verwachtingen te spreken!

Met paragraaf 9 ben ik nog niet in bet reine. Kuyper ontwikkelt daarin wat hij vroeger schreef en wat mij toen

ocr page 84

72

reeds verwonderde: „De waarheid is altoos een antithetisch begripquot;, (hldz. 9). Zoo duidelijk en zoo sterk mogelijk zegt hij nu: „En zoo kan de waarheid niet behoort hebben tot de begrippen, die oorspronkelijk aan den mensch in den staat der rechtheid eigen warenquot;, (bldz. 61). Daarmeê juist dat de waarheid een antithetiesch begrip is altoos, een begrip dus den mensch in statu integritatis niet eigen, daarmeê juist stem ik niet in. Hoe betoogt Dr. Kuyper zijne stelling ? „Denkt gij u in het leven des hemels in dan gevoelt ge, hoe terstond alle ijveren voor de waarheid wegvalt. Wie toch zou, waar geen leugen ook maar denkbaar is, voor de waarheid in het strijdperk treden?.... Zoolang de zonde niet in het hart was geslopen, kon de drang, om tegenover de nog niet bestaande leugen de waarheid te verdedigen, niet bij ons opkomenquot;. Ik meen dat dit alles geen hout snijdt. Dat er vóór het intreden van to tpsudo? geene aanleiding was tot strijd voor de waarheid, tot verdediging van de waarheid tegen de leugen — dat spreekt wel van zelf. Maar betoogd moest worden dat het begrip „waarheidquot; zelf, den mensch vóór den val vreemd was. Dat wordt niet betoogd. En dat kón niet betoogd worden omdat Dr. Kuyper naliet het begrip waarheid te definieeeren — logiesch-formeel te definieeren. Hij brengt het genesiaansche verhaal, betreffend wat den val onmiddelijk voorafging, te pas. Maar niet juist te pas. Kuyper schrijft: „Geheel hiermede in overeenstemming laat het schriftuurlijk verhaal van den val dan ook eerst door Satan de leugen influisteren, dat, wat God gezegd had, niet waar was, en eerst van dat oogenblik af vangt de strijd voor de waarheid aanquot;, (bldz. 61). Wederom: hier vangt de strijd voor de waarheid aan. Maar de Schrift leert niet dat het bestaan van de waarheid en des menschen besef van de waarheid hier aanvangt. Dr. Kuyper zelf erkent dat. Immers hij laat Satan de leugen influisteren „dat wat God gezegd had, niet waar wasquot;. Dit impliceert dat Eva tot nu toe erkende dat, wat God gezegd had, wel waar was. Zullen wij met de quaestie verder komen, dan dienen wij eerst eene formeele definitie van waarheid te geven. „ Waar-

ocr page 85

73

held is de juiste verhouding lusschen hel subject en hel object, door het subject gekend niet als tegenstelling lot eene onjuiste verhouding maar als constante ervaring van juiste verhouding lusschen het „ikquot; en het „niet-ikquot;. Die ervaring smaakte de mensch, vóór den val, telkens weer, wanneer hij van het ééne gebied in den organiesch bestaanden kosmos op het andere overging. Er was waarheid d. i. gekende, als zoodanig gekende, juiste verhouding tusschen subject en object voor er leugen was. De leugen is niet thesis en de waarheid het antithetische begrip er van. De waarheid is thesis, is het oorspronkelijke De leugen is antithese, later opgekomen. De waarheid is het positieve, de leugen is het negatieve. Niet het negatieve is eerst maar het positieve, waarvan het negatieve de ontkenning is. De leugen behoort tot de zonde. Niet de zonde is eerst en dan de oorspronkelijke heiligheid. Maar de heiligheid is eerst en dan de zonde. De gereformeerde dogmatici noemden de zonde „ens negativumquot;, later ingekomen tegen het „ens positivumquot;. De waarheid kan bestaan zonder de leugen, maar de leugen niet zonder de waarheid.

Zie ik wél, dan is mijne redeneering in overeenstemming met het genesiaansche verhaal. Vóór dat de slang liegen kon: „Gij zult den dood niet stervenquot; (Gen. 3:4) en dus het besef van het antithetische in de vrouw wekte, moest er zijn de waarheid: „Gij zult den dood stervenquot;. Het gewijde verhaal biedt ons tot tweemaal toe een treffend voorbeeld van „waarheidquot; naar onze bepaling. Eerst H. 2:17. Jhvh God zegt: „tendage, als gij daarvan eet, zult gij den dood stervenquot;. Hier is waarheid: juiste verhouding, als zoodanig gekend, tusschen het sprekend subject en het besproken object. Het laatste is hier: de wet krachtens welke de mensch — overtreedt hij het gebod! — sterven zal. Het eerste is God, die als God der waarheid, metaphysiesch en heilig noodzakelijk, in juiste verhouding tot die wet staat en die verhouding als zoodanig kent, want hij is de God des Lichts, in wien gansch geen duisternis is, geen plaats is voor het „Onbewustequot;. Nu wordt vervolgends door het spreken

ocr page 86

74

Gods de niet gevallen mensch in contact geliracht met die wet. De verhouding die aanvankelijk heerscht tusschen het subject — den mensch nu en het object — die wet — is juist, is normaal. De mensch erkent: „Zóó spreekt Jhvh God en zóó is hetquot;. Hij eert vóór den val die juiste verhouding en ervaart zóó, in zijne harmonische ontwikkeling het genot van de waarheid, die hij kent — niet als tegenstelling tot to •■ptvèoc, maar als positief genot van de juiste verhouding tusschen subject en object. Hij eet niet van de verboden vrucht en sterft niet, maar leeft en leeft in ongestoord geluk. Dan komt de slang en liegt: „Gijlieden zult den dood niet stervenquot;. Nu ontstaat er voor de vrouw strijd tusschen de waarheid en de leugen. — Nóg eens : waarheid is een thetiesch begrip en daarvan is de leugen de antithese, de negatie. Ik kan mij een lichaam voorstellen, dat geen schaduw projecteert omdat er geen licht op speelt of er geen wand is waartegen het schaduwbeeld zich teekent. Maar een schaduw zonder projecteerend lichaam is niet denkbaar. Zóó kan ik de waarheid denken zonder de leugen. Maar de leugen „construïrenquot;, zonder de waai-heid op den achtergrond, dat kan zelfs geen Hegeliaan. —

De strijd tusschen waarheid en leugen brengt het gevaar van skepsis nabij. Dat deze niet aller geest overmant is in de eerste plaats te danken aan „het altoos min of meer raadselachtig verschijnsel, dat men Wijsheid noemtquot;. (§ 10). Zij is wijsbegeerte noch wetenschap, noch resultaat der discursieve gedachte. De etymologie geeft dit in meer dan ééne taal te verstaan. (Sapientia, sapere; trxCpm;, vaCpvc, uxTrpoi;; wijs; DDti, riDn). De wijze „bezit een algemeene dispositie van geest, die hem in staat stelt, in al wat hem voorkomt, een juisten blik op de dingen te hebben, en dienovereenkomstig met beleid te kiezen en te handelen. Resultaat is derhalve, dat er, geheel afgescheiden van de ontwikkeling der wetenschap, bij enkele personen een aprioristisch, niet aangeleerd, algemeen inzicht bestaat, dat in zijn doeltreffende, practische vrucht, de proef op de som levert, van te passen op de realiteit der dingenquot;, (bldz. 67). Door

ocr page 87

75

de tegenstellingen „gekquot; en „dwaasquot; licht Dr. K. een en ander nader toe. Algemeene basis voor de wijsheid biedt het gezond verstand, niet te verwarren met de communis opinio uit de dagen van het rationalisme. Wijsheid is „eene zekere bekwaamheid van den menschelijken geest, die niet van buiten af wordt ingedragen, maar in dien geest als zoodanig huist en aanwezig is.....een inzicht, dat rechtstreeks voortvloeit uit de affiniteit, waarin we van nature tot de wereld om ons heen, en tot de wereld der hoogere dingen staanquot;, (bldz. 69). Dat die wijsheid een dam tegen de skepsis opwerpt wordt verder aangetoond. „Nu toch bezitten we zeker inzicht, en op grond van dit inzicht een betrekkelijke zekerheid, die zich met den discursieven strijd tusschen waarheid en leugen niet inlaat, en, gedurig door de vuurproef van het practische handelen in de realiteit bevestigd , ons een SJ? ftoi ttoü otcb geeft, waardoor de overtuiging, dat we de waarheid der dingen grijpen kunnen, in ons standhoudt. En waar nu deze wijsheid en dit gezond verstand juist die uitgangen en beginselen des levens voor ons vaststellen, waarop anders het Scepticisme zijn zwaarste en bedenkelijkste aanvallen richt, is ons in dit op zich zelf mysterieuse verschijnsel een behoudende kracht geboden, die \'s menschen geest telkens meer in staat stelt, om zich aan de omarming van het Scepticisme te ontwringen. Want wel kan deze Wijsheid nooit voor het discursieve denken in de plaats treden, noch ook de plaats der empirie vervangen, maar ze bezit toch harerzijds die algemeene strekking, dat ze óók bij dat discursieve denken van dwaasheden afhoudt, en bij dit empirisch onderzoek de juistheid van onzen tact verhoogtquot;, (bldz. 70).

Belangrijker nog dan deze leerzame paragraaf over de Wijsheid is het onderwerp dat nu vervolgends aangeroerd wordt in § 11 en § 12. Deze paragrafen, ofschoon verschillend betiteld („Het Geloofquot;; „De Religiequot;), zijn eigenlijk• één. Immers gaat beider inhoud over „het Geloofquot;. De ttkttig wordt hier formeel bedoeld: niet als ttivtic sv Xpiarcj \'ïya-cu; niet als „ttktth; clg amp;sovquot;, maar als „die formeele

ocr page 88

76

functie van ons zieleleven, die aan elk feit in ons menschelijk bewustzijn ten grondslag ligtquot;. Tegen de Skepsis is zij een nog machtiger wapen clan de Wijsheid. Aanstonds wijst Dr. Kuyper af wat hij noemt „de gemeene tegenstelling tusschen „gelooven en wetenquot;. „Wil menquot;, zegt hij, „ook met opzicht tot deze tegenstelling positie nemen, dan is het noodzakelijk, dat men op de formeels functie van de tt\'kjtis terugga, en onderzoeke of deze functie al dan niet een algemeen karakter vertoont. Immers, blijkt dit, dan bestaat er ook een invloed van deze algemeene functie der ttItti: op die bijzondere functie, waardoor het wetenschappelijk resultaat wordt verkregen, en kan worden nagegaan, tot hoeverre de functie van de tt/Vtj? zich kan doen gelden, en waar ze de grens voor haar werking vindt. Met opzet brengen we deze functie van de tt/o-t/,-, na de bespreking der roQlx, als met haar tegen het Scepticisme reageereend, ter sprake. Alle scepticisme ontstaat toch uit den waan, dat onze zekerheid afhangt van het resultaat van ons wetenschappelijk onderzoek; en wijl nu dit resultaat gedurig blijkt beheerscht te worden door subiectieve invloeden, en verwikkeld ligt in den strijd tusschen de Waarheid en de Leugen, die gevolg van de zonde is, ligt er geen verweer tegen het Scepticisme dan juist in het subiect zelf, en kan het verweer, dat het subiect tegen het Scepticisme bezit, voor onze wetenschap geen vrucht dragen, tenzij blijke, dat dit verweer geen individueel-subiectief karakter draagt, maar in zijn eigenlijke beteekenis aan het subiect als zoodanig eigen is, en alzoo subiectief in generalen en communalen zin mag heeten. En juist dezen aard vertoont de Tr/Vn?quot;. (bldz. 72).

Twee bezwaren hebben we hier te overwinnen.

a. n/frn? is een begrip dat voornamelijk uit het Nieuwe Testament in ons spraakgebruik indrong en dus een religieus, bepaaldelijk een soteriologiesch stempel draagt. „Zoo opgevat is echter met dit begrip in onze Erkenntnisstheorie niets uit te richten, en ontstaat veeleer de schijn, alsof de mim? elk algemeen karakter mistequot;.

b. In de profane litteratuur is ttkttic geen terminus technicus.

ocr page 89

77

In onze Erkenntnisstheorie hebben wij met de kutiz in haar algemeen charakter te doen. Hebr. XI : 1 gaat ons daarin voor. De afleiding van ttittic , van quot;pysn, van ons „geloovenquot; (lieven, loven) (latijn: „lubetquot;; sanskrit „lubhquot;) en het gebruik van die woorden staan aan deze algemeene aanwending van het begrip volstrekt niet in den weg.

„Geloofquot; mogen we dus „bezigen voor die functie van onze ipiiXV\' waardoor ze, zonder eenig discursief bewijs te voeren, rechtstreeks en onmiddellijk zekerheid erlangt. „Geloof\' ko.nt daardoor te staan tegenover „bewijsvoeringquot;; niet op zich zelf tegenover het welen .... Een bewijs bewijst alleen datgene wat het streng en bondig bewijst, en al wat in de uitkomst dit bondige karakter mist, is niet uit uw bewijsvoering maar van elders herkomstig; en juist op die andere bron van zekerheid komt het hier aan. Of liever, want ook zoo spreken we nog niet sterk genoeg, juist in dat andere, wat we geloof noemen, ligt de eenige bron van zekerheid, ook bij hetgeen ge door bewijsvoering streng en bondig uitmaaktquot;, (bldz. 75). — Dat wordt niet door allen erkend. Niet allen trekken één doorloopende lijn van het uiterste punt in de peripherie van het object tot de kern van hun ik. Dringen wij tot dat ik door dan zien wij aanstonds dat alle begin van wetenschap geloof is. „Wie niet begint met aan zich zelf te gelooven, komt geen stap verder. Nooit kan iets anders dan de w/sr/? u in uw bewustzijn zekerheid omtrent het bestaan van uw ik geven; en zelfs alle proef op de som, die ge moogt pogen te leveren, door uw wil te toonen, desnoods uw moedwil te openbaren, en wat dies meer zij, zal nooit eenige kracht van bewijs bezitten, tenzij, vooralle dingen, alleen op grond van de ttIttic, de wetenschap van uw ik voor uzelven vaststa. In het cogito ergo sum is de logische fout dan ook sinds lang aangetoond. Het ego, waarop de conclusie bij het sum wil neerkomen, is in de praemisse bij het cogito reeds geponeerdquot;, (bldz. 77). TlitTi? als middel om tot zekerheid te komen „behoeft niet alleen geen bewijs, maar laat zelfs geen bewijs toe. In dien zin nu wezen wij er in de eerste plaats op, dat de zekerheid omtrent ons

6

ocr page 90

78

ik in ons eigen zelfbewustzijn, als aan elke denk- of waar-nemingsacte voorafgaande, alleen door TriaTis in ons ontstaan kan, of, wilt ge, niet door ons verworven wordt, maar ontvangen bezit is, waarvan geen rekenschap kan worden afgelegdquot;. (bldz. 78). Evenzoo staat het met het uitgangspunt voor alle waarneming. Niet onze zintuigen nemen waar, maar ons ik doet het door hunne bemiddeling. En feitelijk gelooft ons ik aan onze zintuigen. Ja zelfs aan ttittic alleen danken we heel onze overtuiging omtrent de realiteit van het object. „Zonder deze tt/o-t/? kunt ge uit uw ik nooit tot het niet ik komen; er is nooit een andere brug van het Qxivipsvov naar het vov/jlivov te leggenquot;, (bldz. 80). Zonder tti/ïtic is het óók uit met alle axiomata. Zonder axiomata komen we niet op gang. En axiomata kunnen we niet bewijzen. Zij zijn ons echter grondslag voor alle discursief denken omdat wij er onvoorwaardelijk aan gelooven. „Al nam men enkel het identiteitsbegrip, \'dat A = A is, zoo zou nochtans het feit ontstaan, da,t de overtuiging, die uitgangspunt voor alle bewijsvoering vormt, zelve niet door bewijsvoering, maar alleen door vhrt: ontstaatquot;, (bldz. 83). Meer nog! De ■zicti: geeft ons het motief voor de opbouwing van alle wetenschap. Wetenschap bedoelt de codificeering van de algemeene wetten die de verschijnselen beheerschen. Maar hoe komen wij tot de kennis van deze wetten? Op grond van eene volledige waarneming van alle, volstrekt alle, verschijnselen? Voorzeker niet, want zulk eene waarneming is niet mogelijk: tijd en plaats verhinderen ons. Wij kunnen de verschijnselen, die wij waarnemen, thands, niet waarnemen zooals zij optraden eeuwen vóór ons, zooals zij optreden zullen, na ons. Wij kunnen zélf waarnemen cp de plaats waar we zijn. Op de plaats waar we niet zijn, kunnen wij het niet. Met wat recht concludeeren we dan uit eenige waarnemingen tot algemeene wetten? „Op die vraag is nooit een ander antwoord te geven, dan dat ook hier de Trlanc intreedt, om u aan het bestaan en aan de absolute geldigheid van zulk een wet te doen gelooven. Niet natuurlijk alsof de formule voor deze bepaalde wet op ttIoti? zou rusten. De formule is resultaat van uw onderzoek. Maar

ocr page 91

79

het denkbeeld zelf, dat er zulke wetten zijn, en dat het bestaan van zulke wetten voor u vaststaat, zoo zich die en die verschijnselen voordoen, komt niet uit uwe bewijsvoering, maar wordt bij uw bewijsvoering ondersteld, is de basis waarop uw bewijsvoering rust, en blijkt van achter datgene te zijn, waardoor ge zekerheid erlangt. Zonder het geloof aan het bestaan van het generale in het bijzondere, van wetten die dit bijzondere beheerschen, en aan uw recht om op zeker aantal waarnemingen een generale conclusie te bouwen, kwaamt ge tot de erkenning van zulk een wet nooit. Immers een der primordiale stellingen in uw logica is: a particulari ad generale non valet conclusio. Zeer juist, maar al uw waarneming heeft altoos met het particulare te doen. En zoo zoudt ge nooit tot een generale conclusie komen, indien de w/sr/r u niet èn de idéé van dat generale èn het recht om er toe te concludeeren, schonkquot;, (bldz. 85, 86).

Speelt de ttittic zulk eene rol in de natuurkundige wetenschappen, hoeveel een gewichtiger moet zij spelen in de geestelijken! „Hoe zal er in de rij der wetenschappen ooit plaats zijn voor een wetenschap der historie, zoo ge èn bij uw constateering van het verleden èn bij uw poging tot verklaring van dat verleden, èn bij uw oordeel over dat verleden, alle TrlffTic uitsluit, en niets toelaat dan wat vrucht is van rechtstreeksche waarneming der zintuigen of door logische bewijsvoering is verkregen?quot; (bldz. 87). Zonder ttktti? is ons maatschappelijk leven ondenkbaar. Zonder haar is er geene traditie die ons met het verleden in aanraking brengt. Geloof is en blijft bij alle wetenschappen de laatste schakel „waardoor het obiect van ons weten met ons wetend ik in verband wordt gezetquot;.

Toch werkt de ttivti? op het gebied der geestelijke wetenschappen anders dan op dat der natuurkundigen. Bij allen werkt zij op dezelfde wijze wanneer de ponderabele kosmos onderzocht wordt. Maar op het gebied der geestelijke wetenschappen werkt zij bij den één anders dan bij den ander. Vandaar de mindere graad van zekerheid bij de laatste wetenschappen te bereiken. De kiittic werkt hier verschil-

6*

ocr page 92

80

lend: a. door de inwerking van de gesteldheid van het subject op de ■histic, want „de unificeerende macht van het obiect beheerscht bij de geestelijke wetenschappen de subiectieve differentieering niet. Dit subiectieve karakter der ttizti: is bij deze wetenschappen geen vergissing, noch een gebrek, maar in den aard van haar obiect en haar methode met noodzakelijkheid gegeven. Het is de conditio sine qua non, waaronder er van bloei dezer wetenschappen alleen sprake kan zijnquot;, (bldz, 92). De ttittis werkt hier verschillend: b. door dat zij niet alleen formeel bezig is, maar ook inhoud aanbiedt. Bij de Psychologie b.v. waarborgt de ttivti? alleen „mij rechtstreeks, de aanwezigheid van mijne ziel, van mijn ik, van mijn zelfbesef. Alle gegevens, waarmeê ik op psychisch gebied werk, vallen terstond weg, zoodra ik de Trtaric op nonactiviteit stel. En ga ik van mij zeiven uit, om met andere personen in gemeenschap te treden, dan is in negen van de tien gevallen de Trianc het eenig mij ten dienste staande middel, waardoor ik de openbaring van hun persoonlijkheid in mij kan opnemen, en aan die openbaring waarde kan hechten. Dit nu levert geen bezwaar op, zoolang het een inhoud geldt, die mij alleen raakt; zoodra echter deze inhoud een algemeen karakter erlangt, en strekt om de wetten voor het psychische leven vast te stellen, ziet men op moreel, politiek, aeconomisch, paedagogisch, iuridisch en philosophisch gebied allerlei groepen van individuen in scholen uiteengaan, en is er van eenheid en gemeene zekerheid geen sprake meerquot;, (bldz. 93).

In de slotparagraaf van dit Hoofdstuk spreekt Kuyper over „De religiequot;. (§ 12). Hangt voor alle wetenschap ten laatste alles aan de ttittic, a fortiori is dat waar van de wetenschap, die zich met de religie bezighoudt. Alle religie veronderstelt zekere gemeenschap met iets dat boven den kosmos uitgaat. Dit geldt óók van het Ethicisme, wannneer \'t ten minste niet beperkt blijft tot Utilisme of Eudaemonisme. Zelfs bij Kant erkent het ethiesch subject „een hoogeren ethischen wil, waaraan zijn wil onderworpen moet zijnquot;, (bldz. 93). Die hoogere ethische wil is de centrale macht

ocr page 93

81

waaraan het subject zich zelf en ook het object onderwerpt, want in haar hebben subject en object en beider relatie hun grond en dus hunne verklaring. „Dit extra-kosmisch en hyper-kosmisch karakter van alle centrale macht, die in hoogeren zin voorwerp van religie zal zijn, maakt, dat noch de waarneming noch de bewijsvoering bij het leggen van den band tusschen ons subiect en deze centrale macht ook maar het minste vermogen, en dat uw redeneerend verstand even onmachtig is om religie te kweeken, als om religie uit te roeienquot;, (bldz. 94). Hoe zal nu het subject met die centrale macht in contact komen? Il/crn? wederom is hier de eenige weg en zij veronderstelt aan de zijde van die centrale macht zelfopenbaring. Die zelfopenbaring moet er zijn of — er is geen religie. Maar er is religie. Derhalve die zelfopenbaring is. „Indien dus deze centrale macht niet op een wijze, die van ons onafhankelijk is, en die toch berekend is op den vorm van ons besef en van ons bewustzijn, zelve zich aan ons gevoelen doe en zich aan ons openbare, bestaat ze voor ons niet, en is er geen religie denkbaar. Reden waarom ook alle stelsels, die deze centrale macht ethiesch uit het subiect of naturalisfisch uit het obiect pogen te construeeren, buiten de religie omgaan en haar feitelijk loochenenquot;, (bldz. 95). „Alle goudmijn der religie ligt in de zelfopenbaring van deze centrale macht aan het subiect, en het subiect heeft geen ander middel dan de om het goud uit

deze mijn zich toe te eigenen. Wien iets in zake de religie op grond van deze tt/Vt/? niet zeker in zichzelf is, kunt gij het door betoog noch bewijsvoering ooit zeker maken. Geestelijke napraters kunt ge op die wijze legio kweeken, religie in het hart nooitquot;, (bldz. 96).

Ik heb op deze § slechts één aanmerking. En dan nog maar een formeele. Haar inhoud hadde ik liever opgenomen in de vorige. Immers handelt de schrijver niet zoozeer over „De religiequot; als wel over de noodzakelijkheid der thst/? zullen wij op het gebied der religie tot wetenschap komen. Opgenomen in de vorige paragraaf had wat hier gezegd wordt Kuypers bezield en bezielend betoog, van de nood-

ocr page 94

82

wendigheid der tt/o-t/? op wetenschappelijk terrein, in volle kracht doen uitkomen. Thans worden de afmetingen der paragraaf gedrukt door dien, zoo alles omvattenden, titel: de religie. Nog eens: \'t is maar eene kritiek op de redactie. Bij den tweeden druk — die komt zeer zeker en die moet een herziene zijn — houdt de Schrijver er allicht rekening mede. Voorts heb ik geen lust over kleinigheden te vallen, daar ik, in beginsel, het hier over de niarii gezegde, cordiaal beaam.

Wat Dr. Kuyper in de paragraaf over de Wetenschap en het feit der zonde aantoonde doet ons tweeërlei ontwikkeling der wetenschap verwachten. Erkent de één — wat de ander ontkent — dat in den kosmos anorme krachten tegen normale indruischen, dan moet beider waardeering van verschijnselen en gebeurtenissen verschillen, dan moet hun wetenschap uitééngaan, dan moeten de resultaten, waartoe consequent-logische deductie hen voeren, eindelijk als ja en neen tegenover elkaêr komen te staan. Met het al of niet erkennen van het objectief bestaan der zonde gaat nu een verschil in de wetenschappelijke subjecten gepaard om meê te werken tot tweeërlei ontwikkeling der wetenschap. Er is n.1. (§ 13) „Tweeërlei soort menschen.quot; Bedoeld wordt hier niet een gradueel onderscheid, van minder tot meer, voortgekomen uit hooger of lager graad van ontwikkeling; evenmin een onderscheid uit krachten, aan de menschheid inhaerent, te verklaren. Zulk een onderscheid zou op den duur niet leiden tot tweeëtlei ontwikkeling der wetenschap. „Naar den regel van het „du choc des opinions jaillit la véritéquot; zou men dus ook deze aanvankelijke en noodzakelijke divergentiën rustig kunnen aanzien, vastelijk wetende, dat uit deze veelheid toch de eenheid zal voortkomen, bijaldien het karakter dezer divergentiën tusschen mensch en mensch uitsluitend relatief en gradueel was.quot; (bldz. 98). Maar het verschil is principieel, \'t Heeft zijne oorzaak niet in, wel buiten de menschheid. Onder keurige uitwerking van het beeld, door wild en geënt hout, ons geboden; gebruik makende

ocr page 95

83

van de rijke duitsche woorden Wildling en Edelreis; en meer dan ééne treffende menschkundige opmerking ten beste gevende, wijst Dr. Kuyper ons op het gewichtige feit waarvoor de Christelijke religie ons plaatst. „Zij toch spreekt ons van een Tnxïiyysvhtoi,, van een ivxyevvyvn;, gevolgd door een (pccnrr^éc, die den mensch in zijn bestaanswijze verandert; en wel met eene verandering of omzetting die teweeg wordt gebracht door een bovenmenschelijke oorzaak. Nu hoort zeker de toelichting van dit feit in de Dogmatiek thuis en zou hier dus niet aan haar plaats zijn. Maar het spreekt toch vanzelf, dat ook onze beschouwing van de wetenschap in zoo volstrekten zin door dit feit beheerscht wordt, dat het gelijk zou staan met een zich zelf willens blinddoeken, indien we er hier van zwegen. Deze Trxhtyysvéa-ia, toch breekt de menschheid in tweeën, en heft de eenheid van het men-schelijk bewustzijn op. Brengt toch deze van buiten inkomende daad der xvxyêvvwis, zij het ook slechts potentiëel, een principiëele verandering in het zijn des menschen tot stand, en oefent deze verandering tevens invloed op ons bewustzijn, dan bestaat er van dat oogenblik af een klove, waarover geen brug is te leggen, tusschen het menschelijk bewustzijn, voorzoover het deze omzetting onderging, en het menschelijk bewustzijn, voorzoover het er vreemd aan bleefquot;, (bldz. 99).

Mijne instemming met wat Kuyper over de wetenschap en het feit der zonde voordroeg dwingt mij hier ook, in alle hoofdzaken, met hem mede te gaan. En mij dunkt dat geen hervormd theoloog, behalve een enkele formeele opmerking, iets kan inbrengen tegen wat Dr. Kuyper hier zegt. Feitelijk herhaalt hij wat de Heer in zijn nachtelijk gesprek met Nikodeinus leerde. Wie ontkent dat er tweeërlei soort menschen zijn heeft volle recht de uitvaart der Theologie aan te kondigen. Maar wie zich verzet tegen het luiden van die doodsklok ontleent zijn recht daartoe alleen aan de eerbiediging van de Trxy.r/ysvsa-u ook in haar kritischen, schiftenden , invloed op het ge\'uied van menschheid en van wetenschap.

Tweeërlei soort menschen — maar dan óók „Tweeërlei

ocr page 96

84

Wetenschapquot; (§ 14). Later (bldz. 124) erkent Dr. Kuyper dat deze uitdrukking slechts de accomodatie is aan een spraakgebruik, wijl er rechtens voor niemands overtuiging meer dan eene wetenschap kan bestaan. Zoowel die dooide palingenesie bewerkt werden, als zij, die er geen deel aan hadden, gevoelen de aandrift om het object te onderzoeken op wetenschappelijke wijze en tot de systematische saamvatting van de bestaande dingen te komen. Formeel doen ze hetzelfde. Maar niet materieel. „Omdat ze zelve anders bestaan , bestaan de dingen voor hen andersquot;. Beiden eischen voor hunne wetenschap, den eerenaam van „dequot; wetenschap. Dat kan niet anders. „Immers erkende men ook dat andere als ware wetenschap, dan zou men het ook zelf aanvaarden moeten. Ge kunt niet iets voor wetenschappelijk goud verklaren en het toch verwerpen. Het recht om iets te verwerpen ontleent ge alleen aan uw overtuiging, dat iets geen waarheid zij; en omgekeerd uw overtuiging, dat het waarheid is, dwingt u het zelf te aanvaarden. Die tweeërlei stroom van wetenschap, die in gescheiden bedding zich voortbeweegt, heft dus in beginsel de eenheid der wetenschap in het minst niet op. Dit kan niet, dit ware volstrekt ondenkbaar. Slechts wordt uitgesproken, dat beide groepen formeel wetenschappelijken arbeid verrichten; en in zooverre erkennen ze over en weer elkanders wetenschappelijk karakter, op gelijke manier als twee over elkander staande legers over en weder in elkander de krijgsmanseer en den militairen adel waardeeren kunnen. Maar toegekomen aan hun resultaat, kunnen ze zich niet verhelen, dat die resultaten veelszins strijdig zijn en geheel uiteen-loopen; en voor zooverre dit nu het geval is, loochent natuurlijk elke groep door wat ze zelve poneert al hetgeen de andere groep hier tegenover steltquot;, (bldz. 103).

Natuurlijk leidt het bestaan van tweeërlei soort menschen niet tot dat van tweeërlei wetenschap bij het empiriesch onderzoek, onderzoek door middel van onze zintuigen, onderzoek dat zich tot meten, wegen en tellen bepaalt. Dit lager gebied der wetenschap is gemeenschappelijk. Gingen de

ocr page 97

85

natuurwetenschappen in dit lagere geheel op, dan zou men haar dus buiten dit verschil moeten plaatsen. Maar men ontadelt die wetenschappen wanneer men ze beperkt tot die eerste functies, die wél de wetenschap dienen, maar in zich zelf niet wetenschappelijk zijn. Ook bij de geestelijke wetenschappen opent zich éérst zulk een gemeenschappelijk terrein. Dit is een gevolg van de gemengde, psychiesch-somatische, natuur des menschen. De logos zoekt een lichaam in de taal. De phonetiek, de eerste aanvangen der Historie, ja zelfs die der Psychologie — die immers haar physiologische zijde heeft — staan hier in zooverre op een lijn met de natuurkundige wetenschappen. „Mits de studie van de obiec-tieve zijde der geestelijke wetenschappen zich niet onbescheiden gedrage en binnen haar grenzen blijve, dient toch met vreugde erkend, dat ook hier zich een zeer breed terrein van studie opent, waarvan de resultaten aan beide groepen van denkers, en alzoo aan de tweeërlei wetenschap ten goede komtquot;, (bldz. 106).

De beteekenis van dit gemeenschappelijke wordt verhoogd hierdoor dat „door het feit der zonde de formeele arbeid van het denken niet aangetast is, en uit dien hoofde de palingenesie in dezen denkarbeid geen verandering teweeg brengt. Er is niet tweeërlei, er is slechts ééne logicaquot;. Hieruit volgt dat de mannen der twee tegengestelde groepen eikaars bewijsvoering beoordeelen kunnen „althans voor zooverre de uitkomst in strengen zin van de gemaakte deductie afhangt. Scherp op elkander toeziende, zal men dus over en weer elkander den dienst doen, om de logische fouten in elkanders bewijsvoering te ontdekken; en alzoo formeel steeds op elkander inwerken. Maar ook ten andere zal men over en weder elkaar dwingen kunnen, om zijn standpunt voor elkander te rechtvaardigenquot;, (bldz. 107). De détailpolemiek moet dan loopen over de constateering van een objectief waarneembaar feit, over de somatische zijden dei-psychische wetenschappen, over logische fouten in de rede-neering. Zoodra de Apologetiek daar buiten treedt wordt oi^ vruchtbaar,

ocr page 98

86

Ontwikkelt de tweeërlei wetenschap zich in tweeërlei richting — van het hoogste belang blijft het de aandacht te vestigen op het punt waar de divergentie aanvangt. Men toone aan waarom de één naar rechts, de ander naar links gaat. Laat dit na — en hoogmoed en laatdunkenheid spelen U parten: gij miskent ook het formeel wetenschappelijk karakter van wie niet üw richting inslaat. „Hoe onverbloemd en onverholen we dus ook van tweeërlei wetenschap spreken, en achten dat in geen enkele faculteit het wetenschappelijk onderzoek door allen saam kan worden len einde gebracht; ja, zelfs niet voortgezet, zoodra de palingenesie scheiding tusschen de onderzoekers maakt, even beslist erkennen we, niet onzes ondanks, maar met vreugde, dat er wel terdege, bijna voor elke faculteit zekere arbeid overblijft, die gemeenschappelijk is te achten, en, wat bijna nog meer zegt, dat van beide uitgangspunten over en weder rekenschap is te gevenquot;, (bldz. 109). Het lagere, gemeenschappelijke gebied verklaart dat het duidelijk uiteengaan van deze tweeërlei wetenschap zoolang bedekt bleef. Nog een machtiger aanleiding daartoe is „het langzame proces dat verloopt eer zich actie ontwikkelt, uit wat potentieel in de palingenesie gegeven isquot;. De palingenesie werkt niet plotseling uit het centrum van ons innerlijk leven tot den buitensten omtrek van ons zijn en ons bewustzijn. Het gaat als bij de enting. De edele loot trekt eerst langzamerhand de levenssappen in haren dienst. De palingenesie werkt gestadig door, maar stuit niet plotseling de voorafgaande ontwikkeling, openbaart niet aanstonds de krachtige ontplooiing van de nieuwe ontwikkeling. „Gevolg hiervan moet wel zijn, dat de wetenschappelijke rekenschap, die men zich beiderzijds in zijn bewustzijn gaf, niet aanstonds tot principieele en welbewuste scheiding kon leidenquot;, (bldz. 110). Daartoe werkte mede dat men beiderzijds eeuwen lang zijne grondvoorstellingen door de gegevens der Bizondere Openbaring beheerschen liet. Wie beaamde. niet of wie durfde openlijk te loochenen het bestaan van God? Wie de Schepping? Wie \'s menschen val? Eerst sinds de vorige eeuw vestigt zich eene communis

ocr page 99

87

opinio op den grondslag van Pantheïsme en Naturalisme. Vóór dien tijd leefde heel de officieele, geldende „Wetenschapquot;, exceptis excipiundis, uit praemissen, die juist bij de palingenesie thuis behoorden. Thands is er scheiding gekomen. „ De Schepping is voor de Evolutie geweken, en de groote menigte heeft daarom den overgang van Schepping op Evolutie met zoo verbazende snelheid meê gemaakt, omdat ze feitelijk nooit aan de Schepping geloofd had, of althans de wereld van gedachten, die in dit ééne woord van Schepping schuilt, nooit had geassimileerdquot;, (bldz. 111). Hoe kon men dan zóó lang in gewaande harmonie leven? Dat is óók te verklaren uit het feit dat de palingenesie niet in de allereerste plaats tot wetenschappelijk werk dringt. Edele bezieling tintelt in Kuyper\'s nu volgende woorden, die ik mijnen lezer onthouden mag noch wil: „Er is een menschelijke ontwikkeling en levensuiting, die zich niet op wetenschappelijk gebied beweegt, en toch veel hooger staat. Er is een aanbidding en zelfverloochening voor God: er is een liefde en zelfverloochening voor den naaste, er is een opbloeien in wat rein en heldenmoedig en karaktervormend is, dat zeer verre boven alle schoon der wetenschap uitgaat. Of de wetenschap, gebonden als ze is aan de bewustzijnsvormen van dit ons aanzijn, in ons eeuwig aanzijn nog iets zal geven, is in hooge mate twijfelachtig; maar dit weten we, dat, zoo zeker er een vonk van heilige liefde in ons hart gloort, deze vonk niet kan gebluscht worden, en eerst bij den ademtocht der eeuwigheid in vollen gloed kan ontbranden. En nu leert de ervaring, dat het nieuwe leven, dat uit de palingenesie opstaat, veel meer geneigd is zich in deze edeler richting te bewegen, dan te dorsten naar wetenschapquot;, (bldz. 112, 113). Bovendien terwijl de levensomstandigheden weinigen toelaten — vooral weinigen uit den kring der palingenesie — zich geheel aan de wetenschap te geven, zijn er onder die weinigen maar zeer enkelen, die zich wijden aan de bestudeering van de diepste levensbeginselen. Wat minder talent, wat minder denkkracht, wat geringer offer van tijd en van inspanning en — gij zijt

ocr page 100

88

toch eeu verdienstelijk specialist! De geschiedenis van het universitaire leven schrijft bij dezen text den duidelijken historischen commentaar. — Trots dat alles: de scheiding tusschen „tweeërlei wetenschapquot; moest komen en is gekomen. Hierom: wijl door de palingenesie tweeërlei uitgangspunt gegeven is. Zet de palingenesie het subject geheel om, dan moet die omzetting nawerken op het gebied der wetenschap zoover als hier de invloed der subjectieve factoren draagt. „Vandaar dat alle wetenschappelijke onderzoek, dat alleen de opxTx tot voorwerp heeft, of ook alleen gedreven wordt met die subiectieve factoren die geen verandering ondergingen , voor beide gemeenschappelijk blijft. Laag bij den weg is de stam der wetenschap voor allen één. Maar nauwelijks verheft deze plants zich opwaarts, of de twee takken gaan uit elkander, juist op dezelfde wijs, als dit te zien is aan een boom, dien men rechts op den afgeknotten stam ent, en links nog met een spruit uit den wilden wortel laat voortgroeien. Dan is de plant in haar benedenste deelen één, maar op zekere hoogte gekomen, splitst zij zich, en als in tweeërlei ontwikkeling loopt de ééne tak naast den ander omhoog. Welke van die twee ontwikkelingen nu de wilde zij te achten, die dus doelloos wordt en weg moet, en welke de edele ontwikkeling van den stam is, die vrucht zal dragen, is door den één voor den ander niet uit te maken. De negatie van den één is hierbij de \'positie voor den ander. Dit staat echter voor heiden over en weder gelijk; en de keuze, die een iegelijk hierin doet, wordt niet beheerscht door de resultaten van zijn discursief nadenken, maar uitsluitend door de diepste aandrift van beider levensbewustzijn. Zoo de één in die diepste aandrift was gelijk de ander, zou hij evenzoo kiezen. Dat hij dit niet doet, is alleen omdat hij anders bestaatquot;, (bldz. 116). Nu phantaseere echter niemand dat „de wetenschappelijke ontwikkeling in den kring der palingenesie eenvormig zij, in een vast model gewrongen, tot eensluidende resultaten gedwongen. Haar embleem is geen feuillemortequot;. De rijke verscheidenheid der individualiteit blijft ook hier, en blijkt hier ook op wetenschap-

ocr page 101

89

pelijk gebied. Niet één individu heeft de wetenschap. „Het subiect van de wetenschap is en blijft altoos het algemeen menschelijk bewustzijn in zijn rijkste ontplooing genomen, en de enkele individuen kunnen in den kring en in den tijd waarin ze leven nooit iets anders zijn, dan de zeer partiëele dragers van een stuk der wetenschap in een bepaalden vorm en bij een bepaald licht bezienquot;. De individuën blijven steeds gradueel en specifiek verschillen. Vandaar allerlei theorieën en scholen, die elkaar bestrijden en door dien strijd zegenen. Vandaar in elke eeuw en in eiken kring zekere zienswijzen die bovendrijven en den toon aangeven. Vandaar allerlei persoonlijke invloed gestrengeld door de macht der communis opinio. Deze alsoortige stukarbeid zou dan ook nooit de wetenschap vooruitbrengen, indien het obiect der wetenschap zelf niet organisch bestond, en de onderzoekende individuen , zonder het te bedoelen of vaak te merken, niet onder alle hemelstreek en door alle eeuw toch in organisch verband stonden. Deze aanvullende, critiseerende en toch organisch samenhangende veelvormigheid te willen wegnemen, ware de dood voor de wetenschapquot;, (bldz. 117). Gelijk wij nu reeds zagen heft de palingenesie het onderscheid tusschen de individuën voorwaar niet op.

Aan het eind van deze paragraaf bespreekt Dr. Kuyper een drietal bedenkingen ingebracht tegen de wetenschap binnen den kring der palingenesie beoefend. 1°. Dat deze wetenschap gebonden is aan den inhoud der Openbaring. 2°. Dat haar vrijheid belemmerd wordt door het kerkelijk placet. 3°. Dat haar uitkomst vooraf vast staat. In de ontzenuwing van deze tegenwerpingen is Kuyper mijns inziens geslaagd, \'t Verwondert mij echter dat hij ze hier bespreekt. Ja — „menquot; kan wel ieder oogenblik te pas en te onpas met bedenkingen aankomen. Maar Kuyper zélf brengt ze hier te berde en breekt daardoor de rustige ontwikkeling van zijn betoog. „Inhoud der Openbaringquot;? Maar er is van bizondere Openbaring — en die wordt hier bedoeld —-nog geen sprake geweest. „Kerkelijk placetquot;? Maar wie ter waereld — hij beame of verwerpe wat Kuyper tot nu toe

ocr page 102

90

aanvoerde — zal, indien hij een logische kop is, het „kerkelijk placetquot; thands in \'t debat mengen ? Kort en goed: ik vind hier een hinderlijk hors-d\'oeuvre. Onze strijdvaardige Schrijver hanteert truffel en zwaard. Hier had hij het laatste in de schede moeten laten. Meer dan eens betreurde ik dat Dr. Kuyper zijne rustige, thetische uiteenzetting afbrak om, terwijl zulks volstrekt niet noodig was, polemiesch of apologetiesch op te treden. Dan dacht ik: maar ga toch stillekens voort, waag \'t met een „veritas sese ipsa defen-detquot; — gij behoeft dat nu juist niet te doen op voorgang van heidensche ouden alleen — allen, die zien kunnen en zien willen, zien! Dat ik overigens op alle principieele punten met den Schrijver instem zal niemand verwonderen die kennis nam van wat ik, een tien jaar geleden reeds, schreef in mijn „De Inrichting der wijsgeerige Godgeleerdheidquot; \'). Op beperkter gebied eerde ik de beginselen wier beteekenis op breeder terrein door Dr. Kuyper meesterlijk aangetoond wordt.

De hooggeleerde Schrijver beweert niet dat bij die beginselen het éérst voorstelt. Zijne verdienste is hunne werking op heel het erf der Wetenschap met logische consequentie na te speuren, \'t Zijn de groote ethische beginselen. Hoor ik dan ook dezer dagen gedurig het woord „Scholastiekquot; gebruiken wanneer er sprake is van Kuyper\'s Encyklopaedie, dan zeg ik tot mij zelf: dat Scholastieke moet zeker nog komen. Wij zijn nog niet aan het eind. Wij zullen verder zien!

Van duffe Scholastiek bespeur ik nog niets in § 15: Proces der Wetenschap. Alle wetenschap — ze ga uit van het beginsel der palingenesie of van het naturalistische — doorloopt een organiesch proces: „de roeping der wetenschap , om, door alle slingeringen der subiectiviteit henen, te streven naar een obiectieve eenheid van resultaat, die uit de veelvormigheid geboren wordt is gemeen aan beiden. . . . . Men wane dus in het minst niet, dat de Christelijke

1) Cf. Theol. Stud. 1885, bldï. 7, 13, 25, 121, 123.

ocr page 103

91

wetenschap, zoo we de wetenschap die de palingenesie tot uitgangspunt heeft, kortweg zoo noemen mogen, terstond en bij al haar onderzoekers tot geheel overeenstemmende en gelijkluidende resultaten zal leiden. Dit kan niet, omdat ook bij den wedergeborene het verschil van subiectieven aanleg, van levensniilieu en van de eeuw, waarin men leeft, bestaan blijft. En kan evenmin, omdat de Christelijke wetenschap geen wetenschap zijn zou, indien ze niet een proces doorliep, van minder tot meer voortschreed, en, behoudens de gebondenheid aan haar uitgangspunt, niet vrij in haar onderzoek was. Hetgeen de beoefenaar der Christelijke wetenschap als uitgangspunt bezit, is voor hem zoomin als voor den naturalist ooit resultaat van wetenschap; maar wat voor hem resultaat van wetenschap zal zijn, moet evenals bij den naturalist door onderzoek en bewijsvoering door hem verworven zijnquot;, (bldz. 126). Bij dit alles wachte men zich, onder den vlag der wettige subjectiviteit, een valsch subjectivisme te erkennen en in de wetenschap te huldigen. Het te overwinnen is juist de roeping der wetenschap. Het wettige subjectieve element gaat saam met de veelvormigheid van alle menschelijk leven, wordt sterker onder den invloed der palingenesie, terwijl het naturalisme het in eenvormigheid onderdrukt. Die subjectieve factor verklaart hoe de wetenschap steeds voortschrijdt te midden en door middel van allerlei tegenstelling, allerlei richting, allerlei school.

Ik moet bekennen dat ik door den inhoud dezer paragraaf eenigszins teleurgesteld ben. Dat opschrift „Proces der Wetenschapquot; — \'t is niet zoo hegeliaansch bedoeld — doet meer verwachten. Maar wij worden niet dieper in de dingen ingeleid. Ik las hier niets wat ik niet reeds vroeger — in dit werk nl. — gelezen had. Alleen wordt de stoffe ietwat anders inééngevoegd.

Dat beide wetenschappen algemeen zijn wordt in het zestiende paragraafje herinnerd. De palingenesie — om nu bij de aantooning van de algemeenheid der wetenschap op haar bodem beoefend te blijven — de palingenesie; a. beheerscht het subject geheel bij al zijne onderzoekingen; h. beheerscht

ocr page 104

92

niet slechts de i/uy/xi der personen, maar ook de ctcc/axtx , maar ook den Mirpo?. „Vandaar het centraal karakter van de Opstanding van den Christus, en de verreikende betee-kenis van de nxMy/svsaix van den kosmos, die in Mathaeus 19: 28 met dit eigen woord van palingenesie is aangeduidquot;, (bldz. 130.)

Over de „Verdeeling der Wetenschapquot; handelt Hoofdstuk IV dat geopend wordt met § 17 „De organische verdeeling van den weten schappelijken arbeidquot;. Met opzet gebruikt Dr. Kuyper de uitdrukking: organische verdeeling van den weten-schappelijken arbeid. Hij doet het om niet in eene abstractie te vervallen die buiten de geschiedenis en de werkelijkheid omgaat: een gevaar dat dreigt wanneer men buiten verband met de praktijk de organische verdeeling der wetenschap zelve beschouwt. Wat het organiesch charakter der Wetenschap betreft moet men met déze drie rekening houden: 1°. met den organischen samenhang die tusschen de onderscheidene deelen van het obiect der wetenschap bestaat; 2°. met den organischen samenhang die bestaat tusschen de verschillende vermogens van het subiect, en de gegevens, die tot wetenschap van het obiect leiden; en 3°. met den organischen samenhang die als gevolg van 1 en 2 in het resultaat van den wetenschappelijken arbeid moet uitkomenquot;, (bldz. 131—132). De wetenschappelijke arbeid zag niet aanstonds deze onderscheidingen maar ving aan „in het instinctief geloof aan dezen ouderlingen samenhangquot;. Prikkel tot dien arbeid was de ons ingeschapen neiging tot onderzoek. De levensstrijd bepaalde richting en voortduring van dien arbeid. De School is om en door het leven. Dat de school aan het leven gebonden is, staat haar bloei niet in den weg. „De practische behoefte van het leven wordt geboren uit de verhouding waarin het subiect tot het obiect staat en uit de noodzakelijke wijze waarop het subiect (de mensch-heid) zich uit zich zeiven organisch ontwikkeltquot;. De wetenschappelijke arbeid maakt dan ook al de slingeringen van

ocr page 105

93

het leven door. Beiden: én de ontwikkeling van het leven én die van den wetenschappelijken arbeid worden beheerscht door het werkelijk bestand en het organiesch verband van object en subject. „Elke encyclopaedische indeeling der wetenschappen, die iets meer dan proeve van denkgymnastiek wil zijn, zal daarom altoos in hoofdzaak uitgaan van de practische indeeling, die in de faculteiten historisch gegeven is. Niet alsof men die indeeling eenvoudig had te copieeren, want ook die indeeling, die reeds gestadig zekere wijziging onderging, blijft nog steeds voor wijziging vatbaar; maar ook die toekomstige wijzigingen zullen zich niet abstract naar de eischen van uw schema regelen, maar duurzaam door de practijk beheerscht worden; en dan eerst als uw schematisch inzicht wijziging teweegbracht in den vorm waarin de practische levensbehoefte zich doet gelden, zou dit inzicht, door het intermediair van het practisch leven, invloed oefenen op de grensbepaling der faculteitenquot;, (bldz. 134). De Encyklopaedie is dan ook eene positieve niet een speculatieve wetenschap. Haar object is de feitelijk gegeven wetenschap in haar tegenwoordige ontwikkeling. — De wetenschappelijke arbeid vindt zijne exponenten in de onderscheiden faculteiten. De theologische treedt historiesch het eerst op in vaster vorm. Zij wordt door de juridische gevolgd. Ten derde komt de medische. Eindelijk de litte-rarische, al dan niet vereenigd met die der natuurkunde. Het alles werd beheerscht door practische levensbehoeften. „Hiermee is intusschen volstrekt niet beweerd, dat de beoefening der wetenschap, en in verband hiermee het universitaire leven, uitsluitend de practische opleiding zou moeten bedoelen. Integendeel: de beoefening der wetenschap om haarzelve blijft het ideaal, dat nooit mag losgelaten. Slechts wordt uitgesproken, dat de weg, die naar dit ideaal toe-leidt , niet door lucht en wolken, maar door het practische leven loopt. Een wetenschap, die zich in speculatie en abstractie verliest, bereikt haar ideaal nooit, maar zinkt in; en alleen dan zal men het hooge ideaal der wetenschap feitelijk nader komen, als de dorst naar en de behoefte aan dit ideaal

ocr page 106

94

sterker in het mensclielijk leven gaat spreken, en dus de practisnhe behoefte van het leven er door geprikkeld wordt. Naarmate de overgang uit het onbewuste leven in het bewuste leven voortschrijdt, klimt vanzelf de aandrang, die uit de maatschappij opkomt, om zich van alle moment en alle relatie rekenschap te geven, en het is, dank zij dezen aandrang, dat de beoefening van de wetenschap om haarzelve veld-wintquot;. (bldz. 136). Opmerkelijk is dat de drie hoofdfaculteiten geboren werden om een kwaad afteweeren. De naam van „medischequot; (niet somatische, noch hygieenische) faculteit wijst het duidelijk aan. Haar object is. naar haren naam, het kranke lichaam. — „Niet om het recht als zoodanig te bestudeeren, maar om te midden eener zondige maatschappij een geordende menschelijke samenleving mogelijk te maken , toog de iurisprudentie aan den arbeid, en om mannen op te leiden, die als staatslieden en rechters de maatschappij leiden konden, trad de iuridische faculteit in het levenquot;, (bldz. 137); — Mediesch is ook de bedoeling van de theologische faculteit, niet op somatiesch, maar op psychiesch terrein. „Al moet erkend, dat de Theologische faculteit van den aanvang af niet uitsluitend soteriologisch optrad, maar integendeel ook thetisch kennisse Gods zocht aan te kweeken, toch is de behoefte aan de opleiding van geestelijken, en daarmeê de bloei dezer faculteit, in de eerste plaats te danken aan het feit, dat er allerwegen mannen noodig waren, die als medicijnmeester tegen de zonde en haar gevolgen konden optreden. Het is dus feitelijk de worsteling tegen het kwaad, in het lichaam, in de maatschappij en in de ziel, waaruit de aandrift voor deze drie groepen van wetenschappen , de behoefte aan geheel een schaar van mannen, om tegen dit kwaad te strijden en diensvolgens de noodzakelijkheid voor het optreden van deze drie faculteiten geboren is. Ze droegen alle drie oorspronkelijk een militant karakter. Dit nu geldt niet van de Ai-tisten, noch ook van de later uit hun kring gevormde Letterkundige en Natuurkundige faculteiten. Bij deze studiën was het veelmeer rechtstreeks om positieve kennis te doen, ook al dient erkend.

ocr page 107

95

dat deze kennis slechts zeer zelden om haar zelve, en veel meer uit utiliteit, werd nagestreefd. Men studeerde natuurkunde en letteren om iurist, medicus en theoloog te kunnen worden, of ook om macht over de natuur te erlangen. Maar met dit voorbehoud blijkt dan toch dat deze aanvankelijk ondergeschikte faculteiten van meet af nader aan het wetenschappelijk ideaal stonden, en formeel hooger standpunt innamenquot;, (bldz 138).

Deze feitelijke indeeling van den wetenschappelijken arbeid valt saam met de inhaerente verdeelingsprincipen der wetenschap. De mensch is het groot principium divisionis. De mensch — de natuur die hij beheerscht — zijn God door wien hij beheerscht wordt. De mensch nu bestaat somatiesch en psychiesch. Ook is hij één te midden van velen. Zóó treden aan den dag de theologische, medische, juridische, philologische en natuurkundige faculteiten.

Die vijf faculteiten worden nu voorts beschouwd in § 18. Natuurlijk wordt Kuyper tot die beschouwing geleid door een theologiesch interesse. De „positie, die aan de Theologie in het organisme der wetenschap toekomtquot; is hier de vraag. Feitelijk handelt de hoogleeraar dan ook niet over „de vijfquot; maar over vier faculteiten. Hij teek.mt haar beeld om daarna de vraag te stellen „of de Theologische Faculteit zich hieraan, in organischen samenhang, met een eigen obiect en in goede coördinatie aansluitquot;, (bldz. 159). Op den titel van deze § valt dus aanmerking te maken. Hij is niet juist. Vier is één minder dan vijf. — Kuyper zet de philologische faculteit voorop. Zij is voor zijn onderzoek de belangrijkste. Afgescheiden van de natuurkundige faculteit omvat zij nog de philosophische en de philologische studie in engeren zin. Moet zij uitsluitend faculteit der letteren worden, zich bepalen tot al die studiën „waartoe de littera scripta aanleiding geeft of toe in staat steltquot;? Moet verder de tegenstelling tusschen historische en eigenlijk philologische studiën tot nieuwe faculteitsvorming aanleiding geven? Neen! Dl ij ft dezer faculteit, als object, niet anders over dan het geschrevene, dan is zij, als zelfstandige facul-

l*

ocr page 108

96

teit, veroordeeld. „Het litteraire toch, hoe hoog men zijn waardij ook schatte, vormt in het organisme van hét obiect nooit een hoofdgroep; en is tot op zekere hoogte zelfs contingentquot;. (bldz. 142). De naam „letterkundigequot; faculteit, van humanistischen oorsprong, leidt door zijne oppervlakkigheid op een dwaalspoor. „Philologische faculteitquot; — die naam verdient de voorkeur. „Logosquot; wyst niet op de letter, maar op datgeen waarvoor de letter als dienst doet.

Logos is gedachte; logos is woord. Het bewuste leven van den mensch — bewust in praegnanten zin genomen — is het object dezer faculteit. (Boeckh, Woltjer). „Stond bij Boeckh nog te zeer het denken op den voorgrond, Dr. Woltjer zag terecht in, dat van het denken op den Logos als rede in den mensch moet teruggegaan; en het is dan ook geheel in het door hem gelegde verband, dat we in Philologie het woord Logos opvatten als de aanduiding van het bewuste in ons levenquot;, (bldz. 143). Nu zien we ook dat philosophische, s historische en philologische studiën onder één dak moeten ^ wonen. Deze bijeenvoeging is niet een aggregraat. Zij vormt eene organische eenheid „die op uitnemende wijze een hoofdgroep van het obiect der wetenschap tot een eigen terrein afbakent. Het is de mensch in tegenstelling met de natuur, en in dien mensch zijn logische, in tegenstelling met zijn lichamelijke verschijning, die de grenzen voor dit terrein bepaaltquot;, (bldz. 144). Deze faculteit onderzoeke „de taal, als het wondere instrument, dat aan ons bewustzijn als voertuig geschonken is; de rijkste ontwikkeling waarvoor die taal in de classieke talen van den ouden en den nieuwen tijd vatbaar bleek; en de volgroeide en gerijpte vrucht die dit taaiwezen in de classieke letterkunde voortbracht. Op deze studie van de taal, als het voertuig en de incorporatie van ons bewustzijn, volge dan het onderzoek naar de actie, die dit bewustzijn in het leven der menschheid heeft uitgeoefend, d. i. de breede studie der Historie. En dan kome ten slotte de formeele en materieele Philosophie; de eerste, om het bewuste leven in zijn aard en in de wetten die het beheer-schen te onderzoeken; de tweede om de vraag te beantwoor-

ocr page 109

97

den, hoe zich in dit bewustzijn allengs het „Weltbildquot; gevormd heeft en in wat vorm het op dit oogenblik zich vertoont. Een volgorde, die zeer zeker aanleiding geeft tot de opmerking, dat de formeele philosophie eigenlijk voorop moest gaan; maar die we nochtans meenen te moeten handhaven, omdat evenzeer de formeele als de materieele philosophie de voorafgaande ontwikkeling van het taaiwezen, en dus ook een voorafgaande historie, ondersteltquot;, (bldz. 145).

Beknopter schrijft Kuyper over de medische faculteit, wier naam hij niet veranderd wenscht in somatologische of phi-losomatische. In den traditioneelen naam ligt de historische oorsprong dezer faculteit. Haar object is het menschelijk lichaam, niet alleen het kranke maar ook het betrekkelijk gezonde. Het psychiesch leven worde door de philologische faculteit bestudeerd. „Hierbij nu moet als regel gelden, dat de Psychologie haar physische gegevens aan de Medische faculteit ontleent; en omgekeerd de Medische faculteit haar psychologische gegevens aan de Philologische faculteit. Dat ook de Theologische faculteit hierbij in aanmerking komt, wordt hiermeê niet ontkend, maar omdat ons onderzoek juist ten doel heeft, de plaats aan te wijzen, die in het organisme der wetenschap aan de Theologische faculteit toekomt, blijve zij voorshands buiten rekening. Slechts sta hier de noodzakelijke opmerking, dat het in tegenspraak is met het eigenaardig karakter der medische studiën, om de gewichtige beslissing over de toerekenbaarheid van schuld in het strafproces, zonder meer, aan medici ter beantwoording over te laten. Een laatste grens eindelijk moet voor de medische faculteit getrokken naar den kant der iuridische faculteit. Ook naar die zijde toch overschrijdt de medische wetenschap gedurig haar bevoegdheid. Ze wil toch, dat de overheid haar resultaten op medisch en hygiënisch terrein als ordinantiën op civiel terrein zal overnemen, en uit zal voeren wat zij voorschrijft. Een eisch die daarom moet afgewezen, omdat ten eerste deze resultaten een absoluut, soms zelfs elk constant karakter missen, en omdat ten tweede, niet zij, maar de iuridische wetenschap tr onderzoeken heeft, in hoeverre

ocr page 110

98

de eischen van het eagt;[/,x behooren af te stuiten op hoogere eischea vaa het psychische en het sociale levenquot;, (bldz. 147—148).

Meer bladzijden worden aan de juridische faculteit besteed „wijl zij in nauwer samenhang staat met die der Theologiequot;, (bldz. 149). Haar terrein is de mensch, in zijn verband met anderen menschen. Niet dat in sociologie, de- juridische studie opgaat. De oorsprong dezer faculteit leert het ons. Zij leidde op tot Staatsbestuur en tot uitoefening van de rechterlijke macht. Deze beiden werden afgeleid uit het hoofdbegrip: Het hoog gezag. Er werd gezag uitgeoefend over de menschen — een gezag niet uit den mensch opgekomen, maar van Godswege op de overheid neêrgedaald. Alle wet en regeling den onderdaan opgelegd, moest zich dan ook legitimeeren voor Gods ordinantiën in de Schepping gesteld en nader toegelicht in de bizondere Openbaring. „Hierbij nu ging men uit van het alleszins juiste besef, dat er noch overheid, noch rechtsregeling, noch dus ook rechtsstudie, noodig zou geweest zijn, indien er geen zedelijk kwaad onder de menschen ware geweest.. In onzondigen toestand zou de samenleving der menschen spontaan naar

het zuiverst recht toegaan......In verband hiermede droeg

de luridische faculteit dan ook een gewijd karakter. Ze bestudeerde toch niet in eigen zelfgenoegzaamheid de mensche-lijke verhoudingen, maar gevoelde de roeping, om het gezag, dat van Godswege op menschen gelegd was, te leiden in het door Hem gewilde spoor van het Rechtquot;, (bldz. 150). Daarom ook mag het oorspronkelijk juridiesch charakter dezer faculteit niet overgaan in pure sociologie. Zij beperke zich tot de saamleving voor zooverre deze rechtsverhoudingen in het leven roept. Principieel worden dan ook alle juridische studiën beheerscht door de opvatting van het gezag.

De natuurkundige faculteit beoefent in de eerste plaats de drie formeele vakken: Mathesis, Algebra en Arithmetica. De materieele vakken vinden in het object der natuurkundige wetenschap hun principium divisionis. „Eerst krijgt men dus de vakken die de elementen (zoo de stoffen als de krachten)

ocr page 111

99

onderzoeken, en die saam zijn te vatten onder Physica en Chemie. Dan komen de wetenschappen, die zekere groepen van elementen in haar organisch verband onderzoeken, t. w. de Mineralogie, de Botanie en de Zoölogie. Daarna komen de studiën die zich op onze aarde als zoodanig richten, de Geologie, de Geographie in al haar omvang, en de Metereo-logie. En ten slotte volgt de Astronomie; en eindelijk de Kosmologie als samenvatting van het geheelquot;. Men heelde zich echter niet in, dat deze wetenschappen als zoodanig alle tot de dusgenaamde exacte wetenschappen te rekenen zijn. Van de Kosmogonie zal niemand dit kunnen beweren, en reeds de evolutietheorie van Darwin bewijst genoegzaam, dat ook de natuurkunde niet bij de nuchtere resultaten van het wegen, tellen en meten kan blijven staanquot;, (bldz. 157—158).

Voor deze uitwijding over de vier faculteiten dank ik Dr. Kuyper, want ik leerde van hem. Toch wil ik mijn klacht over de breedvoerigheid en breedsprakigheid van den Schrijver niet onderdrukken. Wat veel en verlerlei wordt er hier omgehaald en er bij gehaald. Kuyper kon voor zijn doel volstaan door in korte woorden aan te geven het object van wetenschap door de verschillende faculteiten onderzocht. Dat doel is de vraag te beandwoorden: „kan de Theologische faculteit zich aansluiten in den kring der Faculteiten in organischen samenhang, met een eigen obiect, en in goede coördinatiequot; ? Men versta hier onder Theologie niets anders dan Theologie, niet „Godsdienstwetenschapquot; of wat ook. Terecht voelt Kuyper dat hier eene formeele moeielijkheid opduikt. „Nu komt de bespreking van het wezen der Theologie eerst in de volgende afdeeling aan de ordequot;. De definitieve, methodiesch-gewettigde beandwoording van de gestelde vraag is eerst later mogelijk. Voorshands kan Dr. Kuyper niet anders doen „dan het begrip, waarvan we uitgaan, poneeren, daarnaar de Theologische faculteit beoordeelen, en, in historisch verband hiermeê, de plaats bepalen van de Theologie in het organisme der wetenschapquot;. Dat gebeurt dan in een afzonderlijk hoofdstuk, het vijfde.

ocr page 112

100

De negentiende paragraaf handelt over de vraag: „Is er in het organisme der wetenschap plaats voor de Theologiequot;? Kuyper wil niet weten van „coquetteerenquot; met „de Wetenschapquot;. Neem eens aan dat er voor de Theologie geen plaats ware in het organisme der wetenschap. Zou zij zelve er iets minder om zijn? Wie aan de Godgeleerdheid het hart uitsnijdt om haar pas-klaar te maken voor het kader der naturalistische wetenschap, doodt haar en onteert zich zelf.

Wij zagen de vier faculteiten optreden naar de volgende distinctieën: de mensch en zijn psyche; de mensch en zijn soma; de mensch en zijne medemenschen; de mensch en de natuur. Nog ééne onderscheiding blijft over: de mensch en zijn God. Aangenomen dat deze onderscheiding juist is, dan is er ook een vijfde faculteit. Breken wij de Theologie af door het phaenomenale religieuse leven als haar eenig object te stellen — en zóó niets over te houden dan Godsdienstwetenschap — dan zal die Godsdienstwetenschap geen faculteit vormen naast de vier overigen. Het religieus gevoel behoort tot de psyche. Wie het bestudeert onderzoekt het object;: den psychischen mensch. Hij werkt in de philologische faculteit. De trichotomie van trcopx, ipiixv, nvsupx hier ter hulpe te roepen is dwaasheid. De pneumatologie blijft anthropologic. Zij valt binnen de laatst genoemde faculteit. „Zelfs zij, die van een faculteit der godsdienstwetenschap spreken, hebben dan ook zeer goed ingezien, dat met het ■xvcvpoi als zoodanig hier niets was uit te richten, en wierpen zich daarom op de religie, als zeer gecompliceerde levensuiting en rijk aan phenomenaal levenquot;, (bldz. 163). Maar eene Theologische faculteit veronderstelt de onderscheiding van zelfbewusten mensch en God. Zij heeft tot object niet de religie maar God.

Hier stuiten wij op een bezwaar. Object der Theologie is God. Het denkend subject is de mensch. Het denkend subject, qua tale, staat boven het gedachte object dat hij onderzoekt. Maar „De denkende mensch als subiecl tegenover God als obiecl, is eene logische contradictio in terminisquot;. Uit ons zelf kunnen wij tot den mensch concludeeren. De

ocr page 113

101

mensch treedt ook phaeuomenaal op; wij kuunen hem waarnemen. Door vergelijking van verschillende menschen onderling komen wij verder. Dit alles ontbreekt bij het object: God. Hij is univocus. „Uit dien hoofde is het dan ook volkomen consequent, dat de naturalistische richting in de wetenschap geen oogenblik heeft geaarzeld om de Theologie te schrappen .... dat de Theologen, die met de Bijzondere Openbaring braken, geweigerd hebben, langer in het oude spoor te loopen, ó @sói als obiect van wetenschap hebben prijs gegeven, en verklaard hebben: We kunnen niet God onderzoeken, maar wel de religiequot;, (bldz. 164).

De moeilijkheid wordt alleen overwonnen door de oude, maar niet verouderde, leer van de Cognitio Dei ectypa. De Theologie is niet — óf zij heeft haar object in de, ons geopenbaarde, ectypische kennisse Gods. Wat wij daaronder te verstaan hebben wordt eerst later breed ontwikkeld. Thands wordt van hare hoofdbestanddeelen vermeld. God zelf alleen kent zichzelf. (Cognitio Dei archetypa). Niemand kan iets van Hem kennen, tenzij God het openbare. (Cognitio Dei ectypa). Die openbaring moet onder onze bevatting vallen (pro mensura nostra.) Hadde nu deze openbaring plaats in een wetenschappelijken vorm dan zou haar inhoud, zonder meer, intevoegen zijn in ons wetenschappelijk bezit. Maar dat is niet het geval. De Openbaring biedt ons gegevens waaruit wij het resultaat moeten opmaken. „En zoo nu verstaan, vormt het complex van al wat tot deze openbaring behoort, een in zijn uitgangspunt en doel „einheitlichquot; obiect, dat uitnoodigt tot onderzoek, en door wetenschappelijk streven moet omgezet in dien vorm, die de eischen van ons men-schelijk bewustzijn bevredigtquot;, (bldz. 165). God openbaart zich, maar niet zonder het te bedoelen. Opzettelijk deelt Hij kennis van zijn Wezen mede: eene kennis in voor ons bruikbaren vorm. In de monumenten en documenten dei-Openbaring ligt een beeld door God zelf, met opzet, van zich zelf geschetst, gelijk Hij wil dat wij dit in ons zullen opnemen. „Onderzoeken we dus deze monumenten en documenten, dan is het obiect, dat we hier in naspeuren, niet

ocr page 114

102

het Wezen Gods, maai\' die Coijniliu echjpa Dei, die God zelf hierin gedeponeerd heeft, en gedeponeerd heeft op een wijze, die met den aard van onze menschelijke natuur en ons menschelijk bewustzijn overeenstemtquot;. Dat het opsporen van de Cognitio Dei ectypa een wetenschappelijke arbeid vereischt, is duidelijk. Al wat hier gezegd wordt van eene openbaring, in wier documenten de Cognitio Dei ectypa door ons gevonden kan worden, is zuiver hypothese. Blijkt latei-dat de onderstelling stelling wordt „dan is op deze wijze metterdaad een Theologie gevonden, die de roeping heeft, om een wetenschappelijke taak te volvoeren, en als zoodanig in het organisme der wetenschap hare plaats heeft. Immers in deze hypothese ligt vanzelf in, dat èn de phaenomena waaruit deze cognitio moet geput, èn deze cognitio zelve, organisch samenhangen zoo met het obiect als met het subiect der wetenschap. Met het obiect, omdat deze phaenomena in den kosmos en in de historie gegeven zijn, en met het subiect, overmits deze cognitio juist als ectypa in overeenstemming is met de „mensura humanaquot;. En dit nu zoo zijnde, is hiermeê vanzelf het optreden van een eigen faculteit voor dit wetenschappelijk onderzoek gerechtvaardigd. Het obiect toch, dat in deze phaenomena wordt gezocht, is onder geen der vier andere hoofden te brengen; de phaenomena, die onderzocht moeten worden, vormen een geheel eigenaardige groep; en het obiect zelf is van zoo eminent belang, dat niet alleen de behoefte van het practisch leven, maar evenzeer het onvolledig karakter van de overige wetenschap, de beoefening der Theologie noodzakelijk maakt\', (bldz. 167).

Men kan tegenwerpen dat de Schrijver vroeger den kosmc s poneerde als object der Wetenschap; dat God buiten den kosmos staat, dat dus de Theologie niet tot „de Wetenschapquot; behoort. Kuyper andwoordt dat wél het Wezen Gods maar de Openbaring niet buiten den kosmos bestaat. Object der Theologie is alleen en uitsluitend de ons bekend gemaakte „revelatio ectypaquot; (sic; ik meen dat wij moeten lezen „cognitio ectypaquot;). „Want al sluit het poneeren van een kosmos

ocr page 115

103

liet belijden van een wezensgrond voor dien kosmos in zich, niet de wetenschap, en dus ook niet de Theologie, maar alleen de mystiek van ons innerlijk leven besluit in zich de gegevens waardoor we persoonlijk weten en ervaren, dat we met dien extra-kosmischen wezensgrond in gemeenschap staanquot;, (bldz. 168).

Hoe komt het dat een gevoel van onvoldaanheid zich van mij meester maakt na lezing en herhaalde lezing van deze paragraaf? Aan het hypothetiesch charakter van haren inhoud kan het niet liggen. Zegt een Schrijver ons meer dan eens: „neem voor het oogenblik dit aan en dat aan, later zal ik het waar makenquot;, dan maant voorzichtigheid ons wél om aandachtig op te letten of de belofte vervuld wordt — anders bouwen wij a op h, en b op c, en c op a, wat naar goede logika niet te pas komt. Wij weten dus dat we met een hypothese te doen hebben. Dr. Kuyper zegt het ons rond en eerlijk. Maar juist die hypothese, zooals ze hier wordt voorgedragen, juist wat de Hoogleeraar zegt over de Cognitio Dei eetypa schijnt mij onvoldoende te zijn. Er ontbreekt iets aan. Kuyper betoont zoo scherp mogelijk dat het beeld ons in de openbaring gegeven „anders is dan het eigen Wezenquot;. Wat in de Openbaring voor ons ligt is „niet de kennisse van het eigen Wezen Gods, maar een beeld door God zelf van zich zeiven geschetst, gelijk Hij wil, dat wij dit in ons zullen opnemenquot;. In eene vergelijking, aan de Aegyptologie ontleend, heet het; „Denk dat een Oostersch despoot opzettelijk bij een volgend geslacht een bepaalde voorstolling van zijn verschijning had willen wekken, die niet met de werkelijkheid overeenkwam, en hiertoe allerlei monumenten en documenten had vervaardigd, dan natuurlijk zou uit deze monumenten en documenten niet zijn wezenlijk figuur, maar alleen die door hem bedoelde voorstelling zijn te construeeren. Obiect van uw onderzoek zou dan dus niet zijn die despoot zelf, maar wel degelijk „de kennisse van zijn persoonquot; gelijk hij die heeft willen overleveren aan het

navolgend nageslacht. En juist zoo is het nu hier.....

Wat wij bij dien Aziatischen despoot onderstelden als voort-

ocr page 116

104

gesproten uit de zucht, om oen ander beeld van zich te doen voortleven dan hij in de werkelijkheid vertoond had, grijpt ook hier dus door het tertium comparationis plaats. Ook hier toch is het beeld dat opzettelijk getoond wordt anders dan het eigen Wezen, eenvoudig omdat het alleen in dien bepaalden vorm, pro mensura hominis, door ons kan worden opgenomenquot;, (bldz. 166). Nu vind ik dat de vergelijking met dien oosterschen gekroonden leugenaar ongelukkig gekozen is. In ieder geval had Dr. Kuyper, die zoo scherp onderscheidt tusschen het beeld in de Openbarings-documenten van Gods Wezen geschetst en dat Wezen zélf, zeer sterk had moeten wijzen op Gods waarachtigheid. Krachtens Gods waarachtigheid is er analogie, harmonie tusschen Gods Wezen en het beeld er van in de Openbaring. Wanneer God zich aan ons openbaart moet Hij zich — \'t spreekt van zelf — openbaren pro mensura nostra. Maar in de voorstelling moeten wij naar de mate en de natuur onzer receptiviteit het Wezen hebben. Ons voorstellingsvermogen, ons denken, onze taal zijn óók uit God, die ons schiep naar Zijn beeld, volgends Zijne gelijkenis. De hegel-sche onderscheiding tusschen Vorstellung en Sein (Begrif), onder welken vorm ook, moet uit de Theologie geweerd worden. Zij maakt de Godgeleerdheid tot een symbolen-spel. Gelijk eene hinde naar waterstroomen schreeuwt, zoo schreeuwt onze ziel niet naar eene voorstelling van God, maar naaiden levenden God zélf. Dat wij God zelf, evenals al wat wij geestelijk bezitten, niet bezitten dan in de voorstelling, is onvermijdelijk- Maar in die voorstelling moeten wij toch het Wezen zélf hebben naar de mate onzer ontfankelijkheid. Het religieuse, het christelijke hart moet rusten in den wezensgrond van den kosmos, in God, die zich zelf in de cognitio ectypa, objectief waar, aan ons doet kennen. .,Dat is mystiek van uw innerlijk leven en niet zaak van wetenschapquot; zal Dr. Kuyper objecteeren. Zeker! Maar met die mystiek van ons innerlijk leven moet de Wetenschap rekening houden. Ook die gezonde mystiek ontwikkelt zich naar wetten door de Theologie te bestudeeren. Die mystiek is feitelijk

ocr page 117

t05

niet anders dan rle -ziiti;. Zij staat onder invloed van het testimonium Spiritus Sancti. Zij vergunt ons in den tijde-lijken, wisselenden vorm der Openbaring, het blijvende, het eeuwige te grijpen. Buiten haar moeten wij vervallen tot de meest dorre scholastiek die er bestaan kan: eene scholastiek , die met beelden en vormen speelt: beelden en vormen waaraan geen „Wezenquot; beandwoordt. Is Dr. Kuyper naar die Scholastiek op weg ? Het zou ons om zijn werk, dat van zooveel toewijding getuigt, innig spijten. Schorten wij ons oordeel op. Nü reeds mogen wij dit aanteekenen. Die mystiek alleen waarborgt het bestaan der Godgeleerdheid als zelfstandige wetenschap. Zij immers alleen ontziet de relatie; de mensch en zijn God. Hebben wij te doen slechts met een beeld, slechts met eene voorstelling in openbaringsdocumenten geschetst — zonder dat krachtens de waarachtigheid Gods waaraan de ttigti; getuigenis geeft, vaststaat: in dit beeld hebben wij het Wezen — dan zie ik niet dat de theologische Faculteit naast de philologische bestaan kan. Dan moeten we, wat Dr. Kuyper ook aanvoere, terug naar het standpunt h.v. van Wopko Gnoop Koopmans en spreken „de Theologiae disciplina, prorsus litterariaquot;1). Dat wil Kuyper voor geen prijs ter waereld, evenmin als ik. Maar dan moet deze geestvolle en bezielde encyklopaedoloog met mij instemmen, wanneer ik zeg: „laat ons flink en moedig in ons theologiesch denken rekening houden „met de mystiek van ons innerlijk levenquot;. Indien wij daardoor „persoonlijk weten en ervaren, dat we met den extrakosmischen wezens-grond in gemeenschap staanquot; — dan doen we zeer dwaas en zeer onwetenschappelijk door dit weten en ervaren links te laten liggen. Doen wij, wijs en wetenschappelijk, dat niet — dan deert het ons bitter weinig of eene wetenschappelijke richting in dienst van het ongeloof, zegt: „ik negeer uw geloof, uwe mystiekquot;. Wij and woorden: „te coquetteeren met „de wetenschapquot; past ons niet. Maar U, ongeloof, te negeeren, dat past ons wél.

1

Cf. Theol. Stud. 1889, bldz. 360—326.

ocr page 118

106

In de laatste paragraaf (20) dezer afdeeling wijst Kuyper op den invloed der palingenesie op onze beschouwing van de Theologie (a) en op hare verhou ling tot de overige wetenschappen (b). Nieuwe momenten worden niet in beschouwing gebracht. Algemeene beginselen worden op een bepaaM gebied toegepast. Het streven, het kennelijk, streven naar volledigheid en duidelijkheid verleidt Dr. Kuyper meer dan eens tot breedsprakigheid. Ook vervalt hij in herhalingen. Gedachtig aan: „Incidit in Scyllam qui vult vitare Charybdinquot;, willen wij hem dat niet hoog aanrekenen. Welmeenend geven wij hem echter den raad bij volgende uitgaven ook hier het snoeimes der tucht te gebruiken. Ziehier de kern van \'s Schrijver\'s betoog. Ontken de palingenesie en gij moet al het bestaande als normaal erkennen. Wat afwijking of verstoring schijnt, is niet anders dan noodzakelijke overgang in het ontwikkelingsproces. Erken de palingenesie en gij erkent dat het bestaande een bouwval is; dat herstel van den bouwval mogelijk is; dat herstel reeds aanvankelijk plaats greep. Gij concludeert niet dringend uit wat buiten de palingenesie bestaat; gij breekt met het evolutie-proces; kritiek op het bestaande, schifting tusschen het normale en het anormale is ü het summum der wetenschap. Hoe booger bet terrein van onderzoek eener faculteit ligt, hoe scherper ontkenning en erkenning der palingenesie zich afteekenen. Het scherpst komt dit onderscheid dus uit voor de Theologische Faculteit. Zeg: geen palingenesie, dan zegt gij: geen zonde, geen vervreemding van God, geen verduistering des verstands, geen verstoring in de natuur. Dus ook geen herstellende macht die inwerkt op de waereld, op ons hart, op ons denken, geen openbaring buiten het — immers normale — ontwikkelingsproces. Krachtens dat proces is er niets dan vooruitgang, steeds meer-heldere kennis, „in onze 19e eeuw moet de kennisse van Godquot; (aangenomen dat er een God is, en dat die God kenbaar is) „oneindig booger staan dan in de dagen van Abraham en Mozes, van David en Jesaia, van Christus en zijne Apostelen. Op dit standpunt kan men niet rusten voor dat alle phaenoraena

ocr page 119

107

op godsdienstig gebied, van hun buitengewoon cbarakter ontdaan, opgenomen zijn in het normale, alles omvattende, ontwikkelingsproces. Is er op dit standpunt nog sprake van eene theologische wetenschap, van eene theologische faculteit? Trots den reusachtigen arbeid, door de „modernequot; theologen verricht, moet het andwoord ontkennend luiden. De relatie „de mensch en zijn Godquot; is het palladium der theologische faculteit . . . „maar, en dit is hier beslissend , oi) dit standpunt (nl. het naturalistische) is het bestaan zelf van God quaestieus. De één zegt wel, dat er een God is; maar de ander loochent dit, en ook onder hen, die Gods bestaan erkennen, zijn er, die Hem voor kenbaar houden, maar ook anderen, die de „kenbaarheid Gods betwistenquot;, (bldz. 171). Vandaar de poging om den godsdienst, niet de kennisse Gods, als voorwerp der Godgeleerdheid te stellen. IJdele poging! Want bestudeering van het phaenomenale godsdienstige leven is roeping der philologische faculteit. Ga daarentegen van de palingenesie uit — dan erkent gij dat er een God is, dat die God gekend kan worden, dat er revelatie is, dat de theologische faculteit een objectum sui generis heeft.

Ik gaf de quintessens van Kuyper\'s betoog. Zóó wettigde ik de uitspraak dat er geen nieuw momenten in de ontwikkeling worden aangebracht. Maar nu heb ik aanmerking op het eerste gedeelte ven den paragraaf-titel: „De invloed der Palingenesie op onze beschouwing van de Theologiequot;. Die titel is niet juist. Kuyper zelf toont het aan. Buiten de palingenesie is er geen Theologie. Theologie, in oprechten — wetenschappelijken — zin, impliceert erkenning van de palingenesie. Er is geen Theologie gereed, waarop vervolgends de palingenesie invloed oefent. De titel dezer § had moeten luiden, b. v.: Erkenning van de palingenesie: criterium tusschen Theologie en Godsdienstwetenschap. Zou er tusschen de minder gelukkige formuleering van dien titel en Kuyper\'s verklaring over de verhouding tusschen de Theologie en de mystiek van ons innerlijk leven (§ 19) verband zijn?

ocr page 120

108

Zien wij nog, volledigheiilshalve, wat Prof. Kuyper aanstipt over de verhouding die, op het standpunt der palingenesie, tusschen de theologische en de overige faculteiten moet bestaan. Wat hij hier zegt is zoo helder als glas. Zeker omdat het zoo waar is. De palingenesie strekt zich uit over subject en object der wetenschap. Er is palingenesie voor \'s menschen inwendig leven en voor zijn somatiesch bestaan. Er is palingenesie voor heel den kosmos. Ware zij tot den mensch — enger, tot \'s menschen religieuze leven — beperkt, dan zou men kunnen zeggen dat alleen de faculteit der Theologie er meê te maken heeft. Dat is echter geenszins \'t geval. De palingenesie beheerscht uw persoon geheel: uw ethiesch, uw aesthetiesch, uw intellectueel leven. Zij beheerscht ook het leven om u heen geheel. Alle faculteiten hebben er rekening meê te houden. „Juist dit heeft men in een vroegere periode vaak te veel voorbijgezien; dientengevolge de consequentiën der palingenesie alleen bij de Theologie gezocht; en juist daardoor aan de overige wetenschappen den averechtschen eisch gesteld, dat zij zich aan de uitspraak der Theologie, ook waar het niet haar voorwerp van onderzoek gold, zouden onderwerpen. Alleen de Gereformeerden stelden ten opzichte van de Overheid van oudsher den regel op, dat deze niet van de Kerk zou vragen, wat Gods ordinantiën voor haar levenstaak waren, maar dat — de Overheidspersonen deze zelfstandig uit de natuur en uit

__Gods Woord zouden opsporen. Hiermede was derhalve het

beginsel gehuldigd, dat een iegelijk, die onder de actie der palingenesie leefde, voor wat zijn eigen terrein aanging, zelfstandig zou oordeelen. Ditzelfde, eenig ware beginsel heeft men dus slechts op de beoefening van alle wetenschappen toe te passen, om in te zien, dat de Theologie volstrekt niet geroepen is, om op allerlei terrein van wetenschap uitspraken te doen; maar ook van den anderen kant, dat zich voor alle wetenschappen een dubbele beoefening moet ontwikkelen , eenerzijds van hen, die de palingenesie wel moeten loochenen, en anderzijds van diegenen, die er meê moeien rekenenquot;, (bldz. 174—175). Arbeidsverdeeling echter ver-

ocr page 121

109

Idaart dat het onderzoek van de palingenesie zelve aan de Theologie werd opgedragen. Zij bestudeert „1° de inspiratie als inleidend feit op de psychische palingenesie; 2° die psychische palingenesie zelve; 3° de manifestatie, die inlei -dend op de Kosmische palingenesie werkt; en 4° die Kosmische palingenesie zelvequot;. Geen der andere faculteiten gaat een eigen onderzoek naar de palingenesie instellen, maar neemt de Lehnsatze hiervoor over uit de Theologie.

Wij staan nu bij het einde der „Eerste Afdeelingquot;. Wat Kuyper onder „Wetenschapquot; verstaat weten wij. Hoe hij voor de Theologie — als wetenschap wier object de cognitio Dei ectypa, neergelegd in de Openbaringsdocumenten en monumenten, is — in den kring der wetenschappen eene plaats opeischt werd ons getoond. Reeds maakten wij bezwaar tegen zijne voorstelling der cognitio Dei ectypa, waarin het beslissend moment der Waarachtigheid Gods niet door werkt. Dat kon niet omdat Dr. Kuyper wisselwerking tusschen de Theologie en de mystiek van ons innerlijk leven afsluit. Hoe hij nu de Theologie in een eigen faculteit, naast die der Philologie kan handhaven is mij een raadsel. Wat er van zij ... onder hypothetischen vorm gaf hij de hoofdbe-standdeelen van zijne theorie der cognitio Dei ectypa. Die hypothese zal nu in de Tweede Afdeeling als eene wettige, \'op de werkelijkheid gegronde, gehandhaafd worden.

Nadat hij, in de eerste afdeeling van „Deel Tweequot;, over de wetensshap in het algemeen gehandeld heeft, spreekt Dr. Kuyper, in de tweede afdeeling, over de Theologie. Hoofdstuk I van die afdeeling „Het begrip der Theologiequot; (bldz. 177—290) vangt aan met § 21 „Haar naamquot;. Zoowel de etymologie als de usus van het woord komen hier in aanmerking. De etymoloog heeft drie vragen te beandwoor-den. a.: „In welken zin is logia op te vatten?quot; Andwoord: „boyix in deze samenstelling is oorspronkelijk gebezigd in

8

ocr page 122

110

den zin van sprekenquot;, b.: „In welken zin is Qso; op te vatten ?quot; Andwoord: „In den zin van „godenquot;. Immers verwisselt Plato zélf „Qsohoylxv met een èv sxsai, [ih.sat of rpxyuSix spreken over de godenquot;, c.; „Moet in Theologia 0«? actief of passief verstaan worden?quot; Andwoord: „Qsohoylx kan, etymologisch, zoowel beduiden: het spreken van God, als het spreken over Godquot;.

Staat het zóó met de etymologie van het woord, dan moet de usus vocis ons meerder licht .geven. Anders blijven we in onzekere schemering. Kuyper resumeert de geschiedenis van het woord als volgt: „Eerst is het woord uit het pa-ganistisch taalgebruik overgenomen, om aan te duiden een spreken over hetgeen op de zaak der goden of van God betrekking had, hetzij materieel, omdat men iets aangaande de goddelijke zaken uitsprak, of bloot formeel, omdat men deftig en met zekere wijding sprak. Daarop is in den strijd over de goddelijke natuur van den Christus het nog levende Grieksche taalbewustzijn den term amp;soXoyelv actief gaan bezigen in den zin van,: Deum praedicare, en kreeg hierdoor allengs Qsohoyix de beteekenis van: de belijdenis van Christus\' Godheid. Overmits nu de Christologische strijd al spoedig een Trinitarisch karakter aannam, en de belijdenis der Triniteit aan de erkenning van Christus\' Godheid hing, vatte men allengs Theologie op in den zin van: het mysterie van het Goddelijk Wezen als Trinitarisch. En zoo eindelijk ging men onder Theologie verstaan, datgene wat ons omtrent dit mysterie geopenbaard was, naardien wij alleen in zooverre met dit mysterie konden rekenen. Op het punt der historie, toen de leiding der Kerk van het Oosten naar het Westen overging, en men niet meer met het levende woord ®so\\oyix, maar met het doode Barbarisme Theologia te doen kreeg, verstond men alzoo onder dezen Latijnschen term: De ons geopenbaarde kennisse omtrent het mysterie van het Drievuldig Wezen Gods, en in het minste niet, zekere beoefening van Godgeleerde studievakkenquot;, (bldz. 184). Deze §, die van groote eruditie getuigt, zij allen studenten in de eerste plaats, en voorts allen theologen ter lezing aanbevolen.

ocr page 123

Ill

Waarom echter, deze vraag wil ik niet onderdrukken, bleef Dr. Kuyper staan „op het punt der historie, toen de leiding der Kerk van het Oosten naar het Westen overgingquot;? Waarom ging hij de geschiedenis van dit woord niet na, alle eeuwen door, tot op onzen tijd? Een historicus als Dr. Kuyper kan toch niet meenen dat die latere tijden een afgelezen akker zijn!

Door beperking en schifting van het aangebrachte histo-riesch materiaal, hoe belangrijk het ook zijn moge, had Dr. Kuyper § 22 smaakvoller en duidelijker voorgedragen. Hij spreekt daar over „de theologische modaliteit van het begrip der Theologiequot;. Op voorgang van Augustinus, Thomas Aquinas, Calvijn, de vroegere gereformeerde theologen, dringt hij er op aan „dat het begrip der Theologie niet abstract logisch, maar tegelijk theologisch behoort geconstrueerd te wordenquot;, (bldz. 185). Zei de Schrijver nu maar kort en goed wat hij verstaat onder „theologische constructie van het begrip Theologiequot;! Eene rustige, duidelijke ontwikkeling van dat punt wordt ons hier niet gegeven. Uit Kuypers vele woorden moeten wij opmaken wat die „theologische constructiequot; dan toch eigenlijk is. En al vindt nu een geoefend lezer wel wat de Hoogleeraar bedoelt, wij mogen eischen dat hij zélf duidelijk zegge wat hij wil. „Het veld van kennis tochquot;, zoo lezen wij, bldz. 187—188, „dat zich in de Theologie voor ons ontsluit, kan niet logisch gecoördineerd met de overige terreinen, die door onze kennis onderzocht worden. Zoodra men in deze coördinatie vervalt, is de Theologie reeds van haar eigenaardig karakter beroofd, en kan niet anders worden opgevat dan óf als een deel der metaphysica, óf als een wetenschap, die het empirisch verschijnsel van de, of wel van de Christelijke religie tot voorwerp van onderzoek heeft. Is daarentegen de Theologie een kennisse, die ons niet over het geschapene, maar over den Schepper, en alzoo over het principium et finis omnium rerum licht ontsteekt, zoo volgt reeds hieruit, dat deze kennisse van andere natuur moet zijn, en langs anderen weg tot ons moet komen. De elders geldende normae voor

8»

ocr page 124

112

onze kennis kunnen hier niet gebruikt worden; de via cog-nitionis moet hier een andere zijn, en de aard zelf van deze kennis van alle overige scientia verschillen. Gelijk ge nu reeds binnen de grenzen van het eindige een andere via cognitionis voor de geestelijke dan voor de natuurlijke wetenschappen moet volgen, zoo kan ook de via cognitionis voor de kennis van hetgeen het eindige perk te buiten gaat en er de grens van is, niet met de Erkenntnisstheorie van het eindige saamvallen. Men mag dus niet logisch indeelen en zeggen: De wetenschap onderzoekt de natuur, den mensch en God, en de wetenschap, die het laatste doet, is de Theologie, eenvoudig wijl de coördinatie van natuur, God en mensch valsch is. Wie deze drie als coördinata beschouwt, gaat hiermeê logisch van de loochening van God als God uitquot;. Ik begrijp niet hoe dit alles te rijmen valt met wat Dr. Kuyper vroeger leerde (bldz. 168) over de revelatio, die niet builen maar in den kosmos ligt, revelatio, wier monumenten en documenten de Theologie onderzoeken moet om tot de cognitio Dei ectypa te komen. Houden wij ons daaraan dan is er geen quaestie meer van té coördineeren: natuur, God, mensch. Dan coördineeren we: natuur, monu-menta et documenta revelationis, mensch. En daar is weinig tegen in te brengen. Verder dan over die monumenten en documenten der Openbaring strekt de Theologie volgends Dr. Kuyper (bldz. 168) zich niet uit. Immers het conclu-deeren van het, in de Openbaring geteekende, beeld Gods tot God zelf onthoudt Kuyper aan de Theologie, om het over te laten aan de mystiek van ons innerlyk leven. Uit de moeilijkheid helpt ons niet \'s Schrijver\'s verklaring (bldz. 189) dat hij onder theologische modaliteit verstaat „dat het eigenaardig karakter der Theologie ook op de vorming zelve van dit begrip (nl. der Theologie) invloed heeft geoefend.quot; Wederom verwijst Kuyper naar de volgende §§. Wederom zullen wij ons oordeel dus maar opschorten.

De éérst volgende paragraaf, de drie-en-twintigste, draagt het opschrift: „De idee der Theologiequot;. Idee is onderscheiden van begrip. Het begrip der Theologie „is gebonden aan de

ocr page 125

113

via cognitionis, die we bewandelen; de idee daarentegen stelt het einddoel, afgescheiden van de vraag naar den weg, die ons dat doel zal doen bereikenquot;, (bldz. 190). De idee der Theologie kan niet anders zijn dan de kennisse Gods, in zeer eigenlijken zin. Wie iets lagers stelt, verlaagt de Theologie. „Naar haar idee ontstaat de Theologie uit den overweldigenden indruk, dien God zelf, als de eenig absoluut bestaande op het menschelijk bewustzijn uitoefent, en vindt haar motief in de bewondering, die vanzelf de dorst om God te kennen krachtig wektquot;, (bldz. 191). „Zij schrijdtquot;, heet het eene bladzijde verder, „naar heur idee zelfs over de grens van ons tegenwoordig bestaan, om zich tot in het eeuwige en het oneindige uit-te-strekkenquot;. Zie ik wel dan neemt Dr. Kuyper hier terug wat hij leerde bldz. 168, in het stuk dat mijne bevreemding wekte. Hier innige doordringing van de Theologie met het mystieke bestanddeel; hier is de Theologie gezond mystiek. Daar was het „al sluit het poneeren van een kosmos het belijden van een wezensgrond voor dien kosmos in zich, niet de wetenschap, en dus ook niet de Theologie, maar alleen de mystiek van ons innerlijk leven besluit in zich de gegevens waardoor we persoonlijk weten en ervaren, dat we met dien extra-kosmischen wezensgrond in gemeenschap staanquot;. Doet het u niet denken aan een Sic et non? Waar is hier eenheid van opvatting? Gaat er niet tweeërlei strooming door het breede werk van Kuypers\'s Encyklopaedie ? De mogelijkheid daarvan aantenemen is zeker niet onbesuisd. Of hebben wij niet te doen met een rijk-aangelegd man, wiens dogmatische uitwerkingen ons vaak doen denken aan algebraïsche uitrekeningen; wiens meditatiën ons telkens weer dompelen in, ja weelderige, maar toch ook innig-gevoelvolle mystiek?

Scherp moeten we onderscheiden tusschen de idee der Theologie en de verschillende begrippen van de ééne Theologie. Uit deze laatsten vat Kuyper bepaaldelijk de Theologia Stadii en de Theologia Patriae in het oog. Hij knoopt zijne ontwikkeling vast aan den locus classicus I Cor. XIII: 8—13.

ocr page 126

114

Volgends die plaats is er aan déze zijde van het graf een fifoTtcirÖM §/\' iaoTTTpsi) èv xhi^fiocTi, aan géne zijde een fixs-■zsjSxi Trpscruirov Trpos TrpotruTnv. Telkens leidt het (oKszeattxi tot eene yvuns. De idee der Theologie is en blijft het kennen van God, niet van goddelijke zaken (xxfag iyvcorfyi/). „Kennen gelijk ik gekend ben kan toch niet anders beteekenen, dan Hem kennen, door wien ik ben gekendquot;, (bldz. 194)» Het onderscheid tusschen de yvwris in den tijd en in de eeuwigheid is niet principieel maar gradueel, (ex pepovt-TsKeiov). Het onderscheid tusschen de modi cognoscendi schuilt in het mediate en immediate. De identiteit van ons bewustzijn blijft. „Datzelfde ik, dat nu het beeld Gods slechts in een spiegel kan bespieden, zal straks weten, dat het als dan dienzelfden God kent, wiens beeld we eerst sv cc\'iviyitxri zagen, en zal alsdan in de trekken van het Goddelijk gelaat dezelfde trekken terugvinden, die het vroeger op gebrekkige en afgeleide wijze in den spiegel waarnam. Slechts zooveel blijkt hieruit, dat het dusgenaamde wetenschappelijk onderzoek dan wegvalt; dat dit alzoo geen absoluut karakter draagt; en zijn tijdelijke noodzakelijkheid slechts ontleent aan den toestand, waarin de zonde ons bracht, en zijn mogelijkheid, logisch aan de gratia communis, en theologice aan de gratia specialis van den CpuTiv^ig. En is dit zoo, dan volgt hier immers vanzelf uit, dat het wetenschappelijk onderzoek nooit de Theologie zelve kan zijn, en niets dan een accidenteele actie is, waartoe de drang naar Theologie, of wil men de drang naar kennisse Gods, in onzen huidigen toestand, en binnen bepaalde grenzen aandrijft. Het hoogere denkbeeld van de kennisse Gods bepaalt dientengevolge de Theologische wetenschap en niet omgekeerd de Theologische wetenschap het denkbeeld der Theologie. Er kan, er zal eens rijke Theologie bestaan, zonder het hulpmiddel der Theologische wetenschap ; terwijl omgekeerd de Theologische wetenschap alle ratio sufficiens verliest, en niets dan een nominaal bestaan kan leiden, waar ze zich van de Godskennisse afsluitquot;, (bldz. 195).

Idee der Theologie is dan: God te kennen, of te leeren kennen. Aan die idee moet elk begrip worden gesubordi-

ocr page 127

115

neerd. „Zoo is de idee der Theologie onvergankelijk, en leidt ons, al naar gelang van de eischen, die onze toestand ons stelt, langs verschillende wegen naar ons ideaal. De weg, die hiervoor thans moet bewandeld worden, is die van de theologische studie, en in zooverre kan thans met het volste recht aan de wetenschap zelve, die uit deze studie geboren wordt, de naam van theologie worden gegeven, mits dit maar niet in exclusieven zin geschiede, en de wetenschap metterdaad geen ander motief toelate, dan God te kennen of te keren kennen.quot; (bldz. 196).

Terstond wordt nu, § 24, over „Het afhankelijk karakter der Theologiequot; gesproken. In de oude onderscheiding tus-schen Theologia archetypa en Theologia ectypa ligt déze ware gedachte „dat alle persoonlijk leven voor ons een gesloten mysterie blijft, zoolang niet hij zelf, wiens dit leven is, het voor ons ontsluitquot;, (bldz. 197). Om tot kennis van de menschelijke persoonlijkheid te komen staan ons allerlei hulpmiddelen — Kuyper somt er vijf van op — ten bate. Zij ontbreken ons, wanneer wij tot kennisse Gods willen komen. Daarom is de Theologie afhankelijk. De theoloog „kan God niet onderzoeken. Er valt hier niets te ontleden. Er zijn hier geen verschijnselen / waaruit te concludeeren valt. Alleen zoo die wondere God spreken wil, kan hij luisteren. En alzoo blijft hij voor alle kennisse Gods volstrekt van Gods wil, om hem die kennisse al dan niet te geven, afhankelijkquot;, (bldz. 200). Alle kennis van den theoloog aangaande God blijft ontfangen kennis.

Op twee kenmerken der ectypische theologie moet nadruk worden gelegd. Ten eerste dat er in de Openbaring niets onwillekeurigs is. Men wake tegen de dwaalleer „alsof God zelf in meerdere of mindere mate de volkomen bewustheid van zichzelven zou missen, of ook in zijn werken door ons zou kunnen bespied worden, zonder dat Hij dit zelf wilde of merkte. Doordien toch deze Theologia ectypa slechts tot stand komt doordat de Theologia archetypa zich in haar afdrukt, is er niets in de ectypa, dat niet eerst in de archetypa wasquot;, (bldz. 202). Ten tweede: het ectypische beeld

ocr page 128

116

is geen phantasie, geen poësie, maar een beeld in tvaarheid. „Hieraan nu ontleent de Cognitio Dei, die ons gegeven is, haar absoluut karakter, niet wat haar graad van volkomenheid, maar wat haar samenhang met het obiect, d. i. met God, betreft. God die is, bezit kennisse van zichzelven, en het is door God zeiven dat uit deze eigen kennis de ons geschonken kennis genomen is. Dit nu sluit niet enkel den twijfel uit, maar ook de verwatering van het subiectivisme, alsof onze uitdrukking van de kennisse Gods in onze belijdenis onverschillig ware, en, zonder verlies van waarheid, voor allerlei andere belijdenis kon worden uitgeruild of er in waardij meê gelijkgesteldquot;, (bldz, 203). Met hartelijke instemming las ik deze woorden. Kuyper vult hier aan wat hij in § 19 leerde. Ik opperde bij de bespreking van die § het bezwaar dat het bestanddeel van de waarachtigheid Gods niet tot zijn recht was gekomen. Onbewimpeld erken ik dat Kuyper thands, bldz, 203, dat bezwaar uit den weg ruimt.

Wat de archetypische kennisse Gods betreft — wij mogen ons haar niet als eene menschelijke voorstellen. In God is geen sprake van toenemende zelfkennis; geen sprake van een zijn, dat voorafgaat aan bewustzijn. Beiden zijn in God eeuwig. Evenmin vergete men bij de genesis der Theologia ectypa dat God kennis van zich zelf mededeelt niet aan Zijns gelijken, maar aan den mensch. Die mensch is een wezen, geschapen, maar geschapen naar Gods beeld, volgends zijne gelijkenis. „Gelijk \'s menschen wezen ectypisch tegenover God als archetype staat, zoo ook, en als gevolg hiervan, kan de kennisse, die de mensch van zijn God erlangt, nooit anders dan een ectypisch karakter dragen. Dit nu is het wat we bedoelden, toen we de Theologie een afhankelijke kennisse noemden, dat is zulk een kennisse, die niet het resultaat is van activiteit onzerzijds, maar vrucht van een actie, die van God naar ons uitgaat; en die actie is in wijderen zin Gods zelfopenbaring aan zijn creatuurquot;, (bldz. 205).

Nu is de weg gebaand tot de belangrijke vijf-en-twintigste paragraaf „De Theologia ectypa vrucht van Openbaringquot;.

ocr page 129

117

Zal het archetypon afgedrukt worden, dan moet er een stof zijn waarop die actie zich uitoefent opdat het ectype ontsta. De Openbaring veronderstelt: één, die zich openbaart; één, aan wien hij zich openbaart; de mogelijkheid van het ver-eischte rapport tusschen die twee. De openbaring houdt rekening met den mensch, met den zondaar, opdat zij niet buiten den mensch blijve en zóó haar doel misse. Bovendien: de zich openbarende God is \'s menschen Schepper en Onderhouder. Hij legt de via communicationis zóó als voor Zijn doel noodig is. Vervolgends is de Openbaring niet één concrete daad, maar een doorgaand proces dat zich over eeuwen uitstrekt. Die Openbaring richt zich tot de mensch-heid als een organiesch geheel, en in dit geheel tot den enkelen mensch. Eindelijk doelt de Openbaring op een eindtoestand der dingen, waarin de zonde niet meer zal zijn. Zij draagt wel een soteriologiesch charakter, maar slechts voor een tijd. „Zij doelt op een staat van zaken, waarin geen zonde meer zijn zal, en alzoo elke soteriologische actie tot een nooit terugkeerend verleden zal behoorenquot;. (bldz. 207).

Na deze inleiding, die de verdienste heeft, van ons inderdaad te oriënteeren, kiest Dr. Kuyper voor de uiteenzetting van zijne denkbeelden een helderen, duidelijken vorm. Hadde hij die wijze van voordragen maar meer gevolgd! Eene korte stelling geeft den zakelijken inhoud, die voorts breeder toegelicht wordt.

Ziehier de eerste stelling: „God openbaart zich om zichzelf s wille, en niet ten behoeve van den mensch.\'quot; Kuyper noemt deze stelling het „eenig goede uitgangspunt voor de deugdelijke beschouwing van de Openbaringquot;. Zij werd zelfs in den bloeitijd der echte Theologie te veel uit het oog verloren. Wat verstaat de Schrijver — deze vraag ligt voor de hand — onder den bloeitijd der echte Theologie? Ik denk dat hij bedoelt de gereformeerde Theologie vóór dat de scholastische versteening intrad. Om soteriologische motieven eischte men de Openbaring. En toch „elke opvatting van de openbaring, als geschied om \'s menschen wil, misvormt haarquot;, (bldz. 207). Wij staan voor dit dilemma:

ocr page 130

118

„Openbaring in de Schepping of eerst nd de Scheppingquot;. Beslis, met de Socinianen, voor het laatste, en gij vervalt tot intellectualisme. Er is voor ü geen openbaring meer, die in de religie zelf wortelt. Beslis voor het eerste, maar dan kan het motief voor de Openbaring niet in den mensch zijn. Vóór de Schepping was er geen mensch. Alle Schepping is reeds openbaring. Het motief voor de Schepping nu is enkel in God-zelf. God schept tot Zijne eigene verheerlijking. En Hij kan alleen verheerlijkt worden door het Zijne. Is dat waar van de Schepping, van de openbaring in de Schepping, dan is het waar voor elke openbaring — welke ook. „Waar dus deze openbaring tot creatuurlijke kennisse van God, d. i. tot ectypische theologie, leidt, komt deze Godskennisse tot stand, niet overmits het ons dienstig is, dat wij deze kennisse bezitten, maar omdat God er in Zijn vrijmacht lust aan heeft, van zijn creatuur gekend te zijn. Een waarheid door de Heilige Schrift aldus geformuleerd, dat God alle deze dingen doet om zijns Naams wille; soms met de biivoeeing: niet om uwentwille o, Israelquot;, (bldz. 209).

In alle hoofdzaken stem ik in met de toelichting, die Dr. Kuyper bij zijne eerste stelling geeft. Tegen hare formuleering heb ik enkele bezwaren. 1°. Wanneer ik zeg „dat God zich openbaart om zichzelfs willequot;, wanneer ik dat zeg in een wetenschappelijk werk, vestig ik de praesumptie dat God voor Zich behoefte had aan Openbaring, alsof hij buiten haar niet de Volzalige ware. Maar God heeft aan niets behoefte. Liever zeg ik: God openbaart Zichzelf krachtens zijn Wezen. Mij dunkt dat Dr. Kuyper die juistere formuleering overneemt. 2°. Om polemische belangen naar het schijnt kiest Dr. Kuyper de antithetische formuleering: „en niet ten behoeve van den menschquot;. In die woorden schuilen reeds hamartiologische motieven, die Kuyper — zeer terecht — bij de eerste constructe van het Openbaringsbegrip juist wil buiten sluiten. Is er Openbaring in de Schepping, is de Schepping in haar geheel Openbaring, dan is er openbaring vóór het optreden der «//at/m». De antithese tus-

ocr page 131

119

sclien Gods Wezen en de behoeften van den mensch kan, krachtens \'s menschen oorsprong niet principieel zijn. Gods eer sluit in, bestaat mede in het geluk van den, door God geschapen, mensch. Ik zou de eerste stelling aldus willen lezen; „God openbaart zich krachtens Zijn Wezen ea vervult daardoor alle behoeften van den menschquot;.

De tweede stelling luidt: „dal de Openbaring Gods een creatuur eischt, in staat om deze Openbaring in subiectieve kennisse van God om te zettenquot;. Stel u eene schepping voor zonder redelijke wezens dan mist de openbaring haar doel. Aan God zelf kan de openbaring niets openbaren. Hij kent het geopenbaarde alvorens het te openbaren. In de toelichting van zijne stelling wijst Kuyper er op dat er geen sprake kan zijn van een onbedoeld openbaar worden Gods. „Zijne openbaring onderstelt alzoo den wil en de bedoeling, om zich te openbaren, en dit nu ware ondenkbaar, zonder dat tevens een bewust wezen buiten God geponeerd worde, in staat om het geopenbaarde in zich op te nemen en voor wie deze openbaring bestemd isquot;. Bovendien moet het geopenbaarde door het redelijke creatuur in subjectieve kennis worden omgezet. Puntig zegt Dr. Kuyper; „De openbaring zelve is dus in eigenlijken zin geen Theologie, maar ze vloeit uit de auto-theologie in God zelf en heeft theologie, d. i. kennisse Gods in den mensch tot resultaatquot;, (bldz. 212).

Uit de kritiek die wij ons veroorloofden op de eerste stelling volgt dat Dr. Kuyper niet buiten tegenspraak met zich zelf kon blijven. Inderdaad vinden we op bldz. 207— 212 verklaringen die tot elkaêr staan als Sic en Non. B.v. Sic. „God openbaart zichzelf om zichzelfs willequot;, (bldz. 207). Non. „Wat we ontkennen is dat dit (nl. het zien en hooren van het schoon in zijn Schepping) voor God een hoo-gere genieting zou zijn dan bet aanschouwen van zijn volmaaktheden in Zich zelfquot;, (bldz. 210).

Sic. „God openbaart zichzelf . . . niet ten behoeve van den

menschquot;. (bldz. 207).

Non. „Er zou geen openbaring, noch in de Schepping, noch in eenige latere daad Gods zijn, indien er geen crea-

ocr page 132

120

tuur ware, waarvoor dit alles de openbaring van een mysterie worden konquot;, (bldz. 210).

Sic. „Elke opvatting van de Openbaring, als geschied om

\'s menschen wil misvormt haarquot;, (bldz. 207). Non. „Juist daarom echter kan deze openbaring van zijn deugden geen doel noch rustpunt bereiken, tenzij die openbaring er toe leidt, dat Hij gekend wordequot;, (bldz. 212). Sic. „Van alle openbaring moet toegestemd, dat ze ons gewerd, niet om onzentwille, maar ter laatster instantie om Gods wilquot;, (bldz. 209).

Non. „Als Mozart een volkomen zelfbewust musicus ware geweest, zou hij zijne compositiën niet anders hebben kunnen saamstellen, dan met den wil en den toeleg, om voor zijne compositiën uitvoerders en hoorders te vinden, die ze niet slechts naspeelden en aanhoorden, maar ze ook verslonden .... De Openbaring streeft er naar om ectypische kennisse Gods in den mensch te wordenquot;, (bldz. 212).

Sic.....Maar genoeg! Dat deze tegenstrijdige verklaringen heenwijzen naar een fout in den grondslag van heel het betoog, is duidelijk. En die fout is, naar ik bescheiden meen, te vinden. Dr. Kuyper gaat uit van een conflict van belangen, indien ik \'t zoo eens noemen mag, tusschen God en mensch. Nu moet hij telkens beslissen: doet God dit of dat „om zichzelfs willequot; of ter wille van den mensch ? Maar nu moet de hoogleeraar tot tegenstrijdigheden vervallen. Hij scheidde wat God de Schepper vereenigde. Dat is vooral duidelijk voor de Openbaring in de Schepping gegeven. Wat God doet, doet Hij krachtens Zijn heilig, volkomen getrouw Wezen. Wat de Schepper doet, doet hij krachtens de eenheid in zijne schepping ten bate van zijn, van Hem volkomen afhankelijk schepsel.

De derde stelling zit feitelijk in de tweede. Zij luidt dat: „De mensch) om dit te kunnen praesteeren (n.1. het geopenbaarde om te zetten in subjectieve kennisse Gods) er in zijn natuur, verband en proces, op moet zijn aangelegd,

ocr page 133

121

om. hel geopenbaarde als openbaring van God op te vatten en tot subiectieve kennisse van God te herleidenquot;.

De waereld is het tooneel der Openbaring. In die waereld is de mensch toeschouwer, maar tevens instrument waarin en waardoor God zich openbaart. Het pneumatiesch bestanddeel in zijn wezen is „èn het keurgesteente in het diadeem der openbaring, èn het instrument waardoor de mensch al het geopenbaarde in kennisse Gods omzetquot;, (bldz. 213). Denk U den eersten mensch van den kosmos geïsoleerd — hij zou toch in zich zelf alles gehad hebben om tot kennisse Gods te komen. In zijn eigen bewustzijn was zij gegeven onmiddelijk. (Theologia innata, semen religionis). In Adam was de tt/st/? als habitus der menschelijke natuur. Zij leert den mensch dat een eeuwig Wezen staat boven zijn ik „maar wat dit eeuwig Wezen is en van ons wil, zegt ons niet het geloof, maar de cognitio innata Dei, straks door de acquisita verrijktquot;, (bldz. 216). Het ontwaren van een machtiger Ik boven ons — uitgangspunt van alle religie en van alle Godskennis, doet den mensch — geschapen naar Gods beeld — weldadig aan. „Er ontstaat tusschen dat vrede aanbrengende Wezen, dat zich aan ons ontdekt,

en ons eigen ik een commercium.....Noch kennis, noch

vroom gevoel mag zonder meer religie heeten. Eerst waar die twee, uw God en gij, elkaar ontmoet hebben en nu saam verkeeren en wandelen, leeft de religie in uw hartquot;, (bldz. 217). Nog één bestanddeel is noodig tot de constructie van het begrip der theologia innata. De mystieke ervaring moec kennis worden, de revelatio theologia. Daartoe moet de logische actie intreden. Zij was dan ook in de theologia innata begrepen. „Het is toch duidelijk dat de geheele voorstelling, die de Schrift ons geeft van het verkeer met God in het paradijs, van den val en de daarop gevolgde belofte, onverstaanbaar wordt en wegvalt, zoo men in Adam uitsluitend beseffen van het eeuwige onderstelt, en alle bewuste kennisse van God aan Adam ontzegtquot;, (bldz. 219). De theologia innata (concreata) onderstelt drie factoren: „1°. de inwerking en verschijning van God zelf in Adam\'s innerlijk

ocr page 134

122

wezen; 2°. de zkttic , waardoor het subiect deze inwerking en verschijning ontwaarde en aangreep; en 3°. de logische actie, waardoor hij dezen inhoud in zijn gemoed vanzelf en met noodzakelijkheid herleidde tot kermiste Gods, in den vorm der gedachte en van het woordquot;, (bldz. 219). Alle drie factoren vallen binnen het gebied der Openbaring, immers binnen dat der Schepping.

De theologia concfeata nu, moest door de theologia acqui-sita verrijkt worden. Niet door uitwendige toevoeging. Want in zich zelf was zij een afgerond geheel in de enkele ziel. Maar de enkele ziel staat in organiesch verband met heel het menschelijk geslacht, en dat menschelijk geslacht met heel den kosmos. Er is een Gods-openbaring óók in die twee laatsten. Stelt ge u dus een ontwikkeling buiten zonde voor, zoo zou toch de theologia acquisita zich vanzelf aan de theologia innata hebben aangesloten, zoodra de mensch in bewust verband met den kosmos en met de menschheid als organisch geheel ware getreden. Niet om wat onvolledig was aan te vullen, maar om de in zichzelf volledige kennisse te verrijken met de openbaring in deze beide andere sferenquot;, (bldz. 220). Krachtens het organiesch samenhangen der menschheid moeten wij letten „op het proces dat de men-schelijke ontwikkeling met noodzakelijkheid doorlooptquot;, (bldz. 221). Ook indien de zonde niet tusschenbeide gekomen was zou er een proces van ontwikkeling in de menscheid hebben plaats gehad. Hieruit zou verschil ontstaan zijn in de zich opvolgende relatiën tusschen den mensch en God. De kennis van God zou zich ontwikkeld hebben door het telkens rijker worden van de openbaring in de geschiedenis gegeven en door het telkens krachtiger worden van \'s menschen vermogen om zich het geopenbaarde toe te eigenen. „De Theologie als wetenschap zou alsdan rechtstreeks en met noodzakelijkheid uit de Theologie als persoonlijke en gemeenschappelijke Gods-kennisse zijn voortgekomen, en het zou nooit iemand in het hoofd zijn gekomen, iets anders dan die Godskennisse zelve onder den naam van Theologie te verstaan. Ook de wetenschappelijke Theologie zou streng haar karakter van kennisse

ocr page 135

123

Gods behouden hebbenquot;, (bldz. 223). Maar de zonde kwam, den ontwikkelingsgang storende, tusschenbeiden.

De vierde stelling luidt derhalve: „dal de openharing Gods aan den zondaar dezelfde blijft als de openbaring Gods aan den mensch builen zonde, slechts met dit tweeërlei noodzakelijk verschil, dat formeel het ongereede in den zondaar geneutraliseerd worde, en materieel de kennisse Gods worde uitgebreid tot de kennisse van Gods verhouding tot den mensch, die zondaar werdquot;.

Om een helderen blik te hebben op de wijziging die de openbaring onderging wegens de zonde „moeten wij de vraag stellen, in welke conditie de drie factoren der cognitio Dei, t. w. de revelatio, de pistis en de logische actie van \'s men-schen geest, zich onder deze constellatie zouden vertoonenquot;. (bldz. 225).

Gods inwerking en verschijning in \'s menschen wezen houdt met de zonde niet op. De „revelatio in corde hominumquot; gaat door. Maar van „sympathetisch wordt zij „antipathe-tischquot;. Tot \'s menschen natuur hoort de pistis. Zij blijft. Maar ze verkeert onder de zonde tot xttigtix, deze laatste begrepen niet bloot als carentia fidei maar als actuosa pri-vatio. De logische actie van den mensch verdwijnt niet dooide zonde, maar leidt tot Godloochening in plaats van tot cognitio Dei.

In al die duisternis kan de mensch geen licht ontsteken. Dat kan God alleen. God wijzigt de openbaring naar de behoeften van den zondaar, die mensch bleef. Hij wijzigt haar naar de wijziging die in den mensch, zondigen mensch geworden, plaats greep. Hier is buiten gesloten alle willekeur. Bovendien „en moest onverwijld stuiting van de doode-lijke doorwerking der zonde plaats hebben, zou zulk een gewijzigde openbaring nog efiect kunnen sorteerenquot;. (bldz. 228). De openbaring aan den zondaar veronderstelt de gratia communis die, negatief, de doorwerking van Satan, dood en zonde stuit, en, positief, een tusschentoestand in het leven roept „zoo voor dezen kosmos als voor ons menschelijk geslacht, tusschentoestand die in beginsel nog wel diep

ocr page 136

124

zondig was en bleef, maar zonder dat de zonde er haar tO.oq in kon uitwerkenquot; (bldz. 228).

Ziehier nu de wijzigingen in elk der drie factoren, die tot de cognitio Dei leiden. De revelatio moest van het inwendige tot het uitwendige overgaan. De methode der openbaring wordt eene omgekeerde. Wat haar inhoud betreft? God moet zich aan den zondaar Openbaren „niet antipathetisch in zijn toorn, maar sympathetisch, d. i. in zijn ontfermende genadequot;, (bldz. 230). Vraagt ge naar de wijziging in het pistiesch leven ? Zij eischt palingenesie in de eerste plaats; in de tweede plaats: richting van de pistis niet op de verschijning Gods in het gemoed, maar op de verschijning van God in het vleesch; in de derde plaats; uitsluiting van de mogelijkheid dat de hernieuwde pistis wederom tot xtthttix worde. Welke verandering moet eindelijk de logische actie ondergaan? Eene uitsluitend soteriologische beschouwing van de dingen misleide ons hier niet! Wij moeten vasthouden dat de openbaring uitgaat tot de mensch-heid als één geheel. Ontplooit die ééne menschheid zich historiesch — dan draagt de openbaring — de „bizondeiequot; — ook een historiesch charakter. Bestaat die ééne menschheid organiesch — dan moet ook rle openbaring — de „bizonderequot; — organiesch om één centrum zich bewegen. Theologiesch is en blijft haar motief. Gods wijsheid moet afgespiegeld worden in het logiesch bewustzijn der menschheid. Zeg „geloovigequot; menschheid „mits men maar inzie, hoe verkeerd het is, te meenen dat de eigenlijke stam der menschheid verloren zou gaan, en dat slechts een aggregaat van uitverkoren individuen zalig zou worden. Eer omgekeerd toch moet beleden, dat in de hel slechts een aggregaat is van verloren individuen, die van den stam der menschheid werden afgehouwen, terwijl de stam der menschheid als organiesch geheel gered wordt, en als zoodanig het tcü xp™ vormt. Onder „geloovige menschheid verstaan we derhalve het menschelijk geslacht als organisch geheel, voor zoover het leeft, d. w. z. voor zoover de aKivTix weer in Trlcmg omsloeg of omslaan zalquot;, (bldz. 233).

ocr page 137

125

Indien de zonde niet tusschenbeiden ware gekomen, zou in de menschheid de logische actie, waardoor de inhoud der pistis tot cognitio Dei wordt, van binnen naar buiten, van de enkelen op het geheel hebben gewerkt. Nu moet de omgekeerde weg bewandeld worden. Voor dit uiterst ingewikkeld probleem was uit den aard der zaak geen eenvoudige, maar alleen een zeer saamgestelde oplossing mogelijk, die eerst bij het principium Iheologiae volledig kan worden uiteengezet. Hier kunnen dus alleen de lijnen worden uitgestippeld, wier saamvoeging en doorkruising de figuur voor deze oplossing aanbiedtquot;, (bldz. 234). Denkend subject dan der herstelde menschheid is de Christus. Hij is onze propheet. Hij is onze wijsheid. Hij is j) diyósix. Dat kan hij zijn, omdat hij s Aoyo; is. Uit hem daalt de cognitio Dei naar de enkele geloovigen af. {tou nxripx ciSf/c striytvucksi si ftil b u\'io? xxi $ sxv poukyrxi 5 uïos xTToxxXvpxi). In Christus is de Dei Cognitio volkomen, {xxöas yivmxst f^s ó ttxtvp xxya yivutrxu tov irxtspx). Christus heeft de Theologia Unionis. (fV« xxt o TTxrvp \'tv itrpsv). Intusschen moet, door logische actie, de enkele geloovige tot Cognitio Dei komen. Ook moet de cognitio Dei, die het aupx tou xp:7tou in den Christus heeft, door al de geledingen der herboren menschheid, in dialectiesch bewustzijn tot truvseic worden. Het eerste veronderstelt den cpcüTKrpiot;, waardoor ons logiesch instrument in contact komt met God, naar de capaciteit ieder individu gegeven. Het tweede veronderstelt de werking des Heiligen Geestes, den Doctor Ecclesiae.

De vier stellingen loopen, de twee eerste, de twee volgende, paarsgewijze. De bezwaren nu daargelaten die ik tegen enkele formuleeringen en ontwikkelingen reeds uitsprak, en óók voorshands daargelaten dat ik er geen vrede mee heb, als Kuyper den Heere Christus — die het organiesch hoofd der herstelde menschheid is — haar „centraal subiectquot; haar „denkend subiectquot; noemt, heb ik veel lof voor deze met zorg bewerkte paragraaf. Kuyper heeft op heldere wijze aangetoond dat en hoe de Theologia ectypa vrucht is van openbaring. Dat was hier het voornaamste. Hoe juist gaat

9

ocr page 138

126

hij na wat het geschapen zijn van den mensch naar Gods beeld heteekent voor de Theologie als Godskennis! Wie mijne „dogmatische fragmentenquot;, voor zooverre ze in deze „Studiënquot; verschenen, las, begrijpt dat ik in alle hoofdzaken instem met wat Kuyper hier bijbrengt uit de leer van den Status Integritatis. Hoe juist teekent hij voorts de pistis als habitus onzer natuur. Hoe juist de wedergeboorte, die niet magiesch-mechaniesch maar gezond psychologiesch wordt opgevat naar de grondwaarheid dat herschepping nooit absolute Schepping is. Hoe zorgvuldig waakt hij tegen het intellectualisme door de uiteenscheuring van openbaring en religie telkens te brandmerken. Tegen het dogmatiesch intellectualisme gaat ook zijne voorstelling van de cognitio Dei wier princiep in het mysterie van het gemoed ligt. Wie deze ontwikkeling leest en nog een greintje sympathie voor Soci-nianisme voedt, is meer verhard dan de verstokte Pharao uit Mozes\' dagen. Met fijne analyse en grondig speurt Kuyper de wijzigingen na in den modus revelationis, na het intreden der zonde. Over het geheel is deze paragraaf een energiek protest tegen alle piëtistiesch en methodistiesch akosmisme. Op dézen grondslag kan nu verder worden gebouwd, nl. „aan het begrip van de Theologie als wetenschapquot;. (§ 26).

„Theologiequot; kan beteekenen de wetenschappelijke arbeid aan de taak der Theologie besteed, én het resultaat van dien arbeid. In den laatsten zin blijft „Theologiequot;, ook als wetenschap, „kennisse Godsquot;. De mogelijkheid en de noo-digheid van wetenschappelijk inzicht in de kennisse Gods worden bepaald door den ontwikkelingsgraad van het men-schelijk bewustzijn. Van vooruitgang spreekt ons de geschiedenis der Theologie. Ja, de organische opvatting onzer wetenschap dagteekent eerst van ónze eeuw. Thands „rust men niet eer men zijn Sa\'? pot ttoxj o-to voor de Theologie in het geheel der wetenschap heeft gevonden; en poogt men, in dit verband, ook het wezen der Theologie zelf organisch te verstaanquot;, (bldz. 243). In dezen vooruitgang dreigen gevaren. \'t Gevaar om het wezenlijke te zoeken in het bijkomstige ; \'t gevaar om het wezen der Theologie „niet alleen uit

ocr page 139

127

haar eigen beginsel, maar ook uit het algemeene beginsel der wetenschap te verklarenquot;, (bldz. 244). — De kennisse Gods is dan hoofdbestanddeel in de idee en in het begrip der „Theologiequot;. Alle theologische studievakken — waarvan later aangetoond zal worden, dat ze organiesch samenhangen

--moeten door één motief onderling verbonden zijn. Dat

motief is de kennisse Gods, die, in de Openbaring gegeven, door wetenschappelijken arbeid, ons geestelijk eigendom moet worden. De Theologie, als wetenschap, wordt geboren wan-wij de mechanische verhouding tusschen ons zelf en den openbaringsinhoud in eene organische omzetten. De Theologie, m. a. w. is „eene logische actie, die de ectypische kennisse Gods uit de Openbaring, als avuevi:, overdraagt ia het generale subiect der (herboren) menschheidquot;. (bldz. 247). Der herhoren menschheid, want krachtens den samenhang tusschen ons zijn en ons bewustzijn veronderstelt de Theologie, dien naam waardig, palingenesie en QjiTicfto;. De Wetenschap der Theologie is een arbeid „die onder de leiding van den Heiligen Geest volbracht moet worden door de herboren menschheid, en in haar midden door hen, die palingenesie deelachtig en door CpuTiirpói; verrijkt, tevens in hun natuurlijken aanleg die bijzondere talenten ontvingen, die voor dezen denkarbeid noodig zijnquot;, (bldz. 248). „Neemt men daarentegen de wetenschap der Theologie niet in actieven zin, maar als product, dan is de Theologie het wetenschappelijk inzicht van het herboren menschelijk bewustzijn in de geopenbaarde kennisse Godsquot;, (bldz. 249). Daar nu Dr. Kuyper meent, dat er allerlei verbasteringen zijn van de Theologie als Godskennis, en allerlei vervalschingen van het begrip der Theologie als wetenschap, gaat hij, in een tweetal geharnaste paragrafen, tegen die dwalingen ten strijde.

§ 27. „De verbasteringen der Theologie, als „Godsken-nissequot;. Diepste oorzaak van deze verbasteringen is de verwarring tusschen religie en kennisse Gods. De vrome agnosticus bewijst dat beiden volstrekt niet identiesch zijn. De band tusschen ons en de paganistische volken moet gezocht worden in de theologia naturalis. Zelfs „de stuitendste af-

ocr page 140

128

goderij staat in organisch verband met de zuiverste Openbaringquot;. „Zonder theologia naturalisquot; zegt Kuyper puntig en waar, „is er zoomin een Abba, Vader, als een Molochdienst denkbaar. In zooverre gaan we dus met de hedendaagsche Religionswissenschaft in hoofdzaak meê. Daarentegen stellen we ons tegen haar over, zoodra ze den afstand tusschen dit Abba Vader en den Molochdienst vullen wil met de golvingen van een gradueel voortschrijdend proces. Er is hier geen overgang noch geleidelijke ontwikkeling, maar tegenstelling tusschen de positieve en negatieve werking van eenzelfde krachtquot;, (bldz. 251). De „afgoderijquot; is vrucht van eene actuosa privatio der natuurlijke Godskennis, gelijk zonde niet slechts is carentia, maar actuosa privatio, gelijk xttutix niet is carentia fidei, maar actuosa fidei privatio. „Religio Christiana en Paganismus staan dus niet tot elkander als de hoogere en lagere ontwikkelingsvorm van eenzelfde wezen; maar de religio christiana is de hoogste ontwikkelingsvorm, waarvoor de theologia naturalis vatbaar was op de positieve lijn; terwijl alle paganisme een ontwikkeling van diezelfde theologia naturalis is in negatieve richting. Christendom en Paganisme staan tot elkander als de \'plus- en minusvormen van eenzelfde reeksquot;, (bldz. 251—252).

Ieder bespeurt dat in dit redebeleid „theologiae naturalisquot;\' beteekent de Godskennis die nog in den zondaar overig is: zij veronderstelt de gratia communis. Deze wordt door den zondaar misbruikt. Voor dit misbruik is de straf de loslating van den zondaar door God. Hieruit volgt de zelfverlaging en de verdierlijking van het Paganisme. De oudere theologen dwaalden óf door het Paganisme te ignoreeren, óf door \'t uitsluitend uit daemonisch motief te verklaren. Thands gaat men verkeerd door het specifiche onderscheid tusschen theologia vera en theologia falsa, in het ontwikkelingsproces uit te wisschen. Wel was er proces. Maar een tweeledig: ééne ontwikkeling van de theologia vera in déze; ééne ontwikkeling van de theologia falsa in die richting.

Het begrip der Theologie als wetenschap wordt vervalscht (§ 28) door de principieele loochening van elke speciale

ocr page 141

129

openbaring. Die loochening verwijt Kuyper aan wat hij noemt „de speculatieve en empirische godgeleerdheidquot;. De eerste verloopt in Philosophic. De tweede verloopt in Naturalisme. Ontkent methodistische oppervlakkigheid de theologia naturalis, waardoor de revelatio specialis in de lucht komt te hangen, de „speculatieve en empirische godgeleerdheidquot; vergeet dat de theologie naturalis in den zondestaat der menschheid — zal zij ons met de realiteit van het oneindige inderdaad in verband brengen — een accidens, nl. de revelatio specialis behoeft. De theologia specialis inderdaad is accidenteel, tijdelijk. De theologia naturalis is eeuwig. Deze twee staan tot elkander als Aaron en Melchizedek. Wanneer God eens itxv h ttomi zal zijn (1 Cor. XV) heeft de revelatio specialis uit. Dat besefte Schleiermacher. Dat besefte Hegel. Dat zag, eeuwen vóór hen, Calvijn diep en helder in „toen hij de theologia ectypa, gelijk ze, dank zij de gratia communis, thans nog in en voor den zondaar aanwezig is, vergeleek bij een boek waarvan het schrift onhelder was geworden , zoodat het alleen met een loep, d. w. z. met behulp van de revelatio specialis, kon ontcijferd wordenquot;, (bldz. 259). Kuyper vergelijkt de naturaal bij het natuurlijk stel beenen waarop wij gaan moeten. Nu zij verzwakt of gebroken zijn moeten krukken hulpdienst doen. Dat stel krukken is de revelatio specialis. Dat stel krukken hebben wij thands volstrekt noodig. Schleiermacher en Hegel vergaten het. Toch blijft hun hoofdmotief waar. Dat hoofdmotief drong Schleiermacher om „uit de subiectiviteit, d. i. uit de mystiek, tot het theologisch denkenquot;, drong Hegel om „uit het denken des menschen, aizoo uit het intellectualisme tot de religiequot; te komen. Zóó „hieven zij het isolement op, waarin de theologie gevlucht wasquot;, (bldz. 261). Schleiermacher en Hegel vulden formeel elkaer aan. „Dreigde men in Schleiermacher\'s subiectieve school de theologie om de religie te verliezen, en in Hegel\'s speculatieve richting de theologie als het een en al der religie te verheerlijken, zoo lag het voor de hand, dat mannen van ernst en dieper zin in de saamvoeging van beide elementen de theologie der toekomst zagen. Immers

ocr page 142

130

de theologia naturalis had twee zijden, en eerst door Schleiermacher en Hegel te combineeren, kwam geheel de theologia naturalis tot haar rechtquot; (hldz. 261). De poging leed schipbreuk naar de geschiedenis der Theologie leert, wijl er nóch voor Schleiermacher, nóch voor Hegel plaats was voor eene supranatureele, h. i. anorme actie van den levenden God. Hegels pantheïsme dwong hem in het groote waereldproces eene algeheele omkeering van de dingen te stellen: de cognitio archetypa niet in God maar in den mensch, en de cognitio ectypa in den ongrijpbaren God! Schleiermacher kon in de Theologie niet anders zien dan een aggregaat van disparate wetenschappen „die in het verschijnsel der kerk haar band van vereeniging ad hoe vindenquot;, (bldz. 263). Hij opereert met drie gegevens: de menschelijke natuur, God, en het denken. Van deze drie is alleen de menschelijke natuur autonoom. „De Christelijke religie moest zoodoende al meer verlaagd worden tot het product der voorafgaande religieuze ontwikkeling. Die voorafgaande religieuze ontwikkeling kon ten slotte niet anders zijn dan de noodzakelijke ontwikkeling van een psychologische eigenaardigheid. Die psychologische eigenaardigheid moest op haar beurt resultaat zijn van de grondgegevens in onze menschelijke natuur. De menschelijke natuur kon niet anders zijn dan het product van de gestadige ontwikkeling der organische natuur. Die organische natuur kon weer niet principieel verschillen van de anorganische natuur. En zoo moest ten slotte al wat op Christelijk terrein voor hoog en heilig gold onder de macht der evolutietheorie komen; en de theoloog van den natuurkundige vernemen, waar de oorsprong van het obiect zijner wetenschap lagquot;, (bldz. 264). Consequentie van beider richting was dat de Theologie plaats ruimde voor de Godsdienstwetenschap. „In zake het eeuwige Wezen was alles problematisch geworden; en wat alleen vaststond was het religieus phaenomenon. Het vou,uevov bleef „problematiekquot;. Dat die consequentie velen afschrikte verklaart Kuyper uit den historischen vorm onzer theologische faculteiten; uit het bestaan der Christelijke kerk en uit de hoogheid der Christe-

ocr page 143

131

lijke religie. Toch gevoelde men dat naam en zaak elkander niet dekten en definieerde de Theologie als „de Wetenschap der Christelijke religiequot;. Die naam is onwetenschappelijk en valsch in den mond van hem die de bovennatuurlijke Openbaring loochent en in het Christendom één der religieën begroet. Wie hem gebruikt en het Christendom uit speciale openbaring verklaart, moet niet: in „religiequot; maar in die openbaring het object zijner wetenschap stellen. Dat voelde Hodge die het object der Godgeleerdheid vond „the facts of the Biblequot;.

Bij deze breed en rijk bewerkte paragraaf sluit de negen-en-twintigste zich nauw en natuurlijk aan. Zij heet „Defor-matiën der Theologiequot;. De „deformatiënquot; zijn vrucht van schisma en haeresie. Door het begrip „deformatiequot; sluit Dr. Kuyper buiten zijne beschouwing „tweeërlei onhoudbaar standpuntquot;. In de eerste plaats liet sceptische „dat aan de Protestantsche Theologie geen hoogere waarde toekent dan aan de Roomsche of Oostersche, en er steeds meer toe neigt, deze alle op één lijn te stellen; en ten andere het absolute, dat elke andere theologie dan zijn eigene voor waardeloos houdt en ze kortweg als uit den Booze veroordeeltquot;. (bldz. 271). „Deformatiequot; — een begrip waarin zoowel veroordeeling als waardeering ligt — noemt de Protestant de roomsche Theologie, de hervormde de luthersche en omgekeerd. „Vast en onwrikbaar belijden we, dat het spoor, waarlangs wij ons bewegen, het zuiverst ons bekende is, en krachtens die overtuiging aarzelen we geen oogenblik, het afwijkende van anderer spoor als deformatie te brandmerken. Tegen dat gedeformeerde keert zich dan onze polemiek. Maar tegelijk blijft ons oog er voor open, dat niet wij alleen de Kerk van Christus op aarde uitmaken; dat er alzoo overtuiging van waarheid ook buiten onzen kring werkt; en dat de charismata ook onder al zulke deformatie voortgaan theologisch leven, dien naam waard, te kweeken. Vandaar onze Ireniekquot;. (bldz. 270).

In § 30 komt „de Verhouding van de Theologie tot haar obiectquot; ter sprake. Nadat Kuyper, in een keurig stuk aantoonde dat de Theologie uit de kerk en niet omgekeerd.

ocr page 144

132

de kerk uit de Theologie geboren wordt krachtens den adel onzer menachelijke gedachte; geeft hij te kennen dat de Theologie haar object — in het spreken Gods gegeven — zoo volledig, zoo juist, zoo helder mogelijk wil kennen. Niet dat de Godgeleerdheid geheel opgaat in Theologie in den engeren zin. Ook de natuur, ook de geschiedenis, ook den mensch onderzoekt zij, maar — theologiesch. Haar drijvend motief nl. is kennisse Gods. Daarin heeft zij tevens een maatstaf ter bepaling van „wat in de Schrift van eminent, van gewoon, en van minder gewicht is (bldz. 282). Ter volledige bepaling van de verhouding tusschen de Theor logie en haar object, de geopenbaarde kennisse Gods, rekene men niet alleen met den inhoud der openbaring, maar ook met de openbaring als zoodanig. Welke werking ging van haar uit? Wat verband is er tusschen haar en onze psychische vermogens?

Het begrip der Theologie, volgends Kuyper ligt geheel voor ons ontvouwd, wanneer ten slotte betoogd wordt dat de Theologia is Sancta Theologie. Dat aloude epitheton licht Dr. Kuyper toe in § 31. Wie het schrapt is bezig de Theologie te seculariseeren en vernietigt haar onderscheidend charakter. Ontken de revelatie specialis, denk logiesch dóór, en gij moogt niet meer van Sancta Theologia spreken. Handhaaf het „Sandaquot;, denk logiesch dóór, en gij handhaaft een eigen sfeer voor onze wetenschap. Het woordgebruik van Sancta Theologia sluit zich aan bij het taaleigen der Heilige Schrift, zoowel des Ouden als des Nieuwen Verbonds. Heilig is het gebied der revelatio specialis en al wat er toe behoort. Dit spraakgebruik wordt door de Kerkgeschiedenis geijkt. Waakte men men in den Reformatie-tijd tegen roomsch misbruik van dit bijvoeglijk naamwoord — vóór Theologia liet men het staan. Zóó duidde men het onderscheid aan tusschen den inhoud der profane en der Heilige Schriften. De ontwikkeling der wetenschap eischt in onze dagen wettiging van dit taalgebruik zoo voor object, als subject en methode der Theologie. Wat het object aangaat: de ectypische Gadskeanis gewordt ons niet op dezelfde wijze, uit dezelfde bron, bij

ocr page 145

133

hetzelfde licht als onze overige wetenschap. Twee principia cognoscendi staan hier naast; tegenover elkander. — Wat het subject betreft, 1 Cor. 2: 14 blijft hier het parool. „Al is het volkomen waar, dat in de wetenschap der Theologie het ik vau het algemeen menschelijke bewustzijn het generale subiect is, toch is dit ik hier onbekwaam voor zijne taak, tenzij de verduistering, die de zonde over zijn besef bracht, allengs weekquot;, (bldz. 289). En wat de methode aanbelangt — de belijdenis van den Spiritus Sanctus, als Doctor Ecclesiae, zegt hier alles.

Het tweede hoofdstuk van „Deel Tweequot; (bldz. 291—511) behelst een breede uiteenzetting van „Het principium Theolo-giaequot;. Wij weten reeds dat Dr. K. hier, in zijne encyklopae-die , gastvrijheid verleent aan zijne dogmatiek. De hoofdlijnen zijner leer de Scriptura Sacra zullen ons geteekend worden. Éérst (§ 32) beandwoordt hij de vraag: „Wal hier onder PRINCIPIUM le verslaan zijquot;. Principium is niet fons. „Als ik spreek van de fontes eener wetenschap, versta ik daaronder zekere groep uit het geheel der verschijnselen, waaruit zeker afzonderlijk geheel van wetenschap door mij gedistilleerd wordt. Voor den zoöloog liggen die fontes in de dierenwereld, voor den botanicus in de plantenwereld, voor den historicus in de veelzijdige traditie enz.quot; Ik moet den hoogleeraar even in de rede vallen. Zou een zoöloog wel zeggen: „in de dierenwaereld heb ik de fontes mijner wetenschapquot;? Immers neen! De zoöloog noemt het dier, het object van zijn onderzoek. Maar de historicus spreekt van fontes: de mondelinge of schriftelijke overlevering. Door middel van die bronnen komt hij tot zijn object. Dr. K.

10

ocr page 146

134

laat clan ook onmiddellijk volgen; „Maar hoe ook op elk dezer terreinen van wetenschap de fonles verschillen, zoo blijft het nochtans éénzelfde principium cognoscendi, waaruit ons bij deze onderscheidene groepen van phaenomena de kennisse toe komt. Het is namelijk de natuurlijke mensch, die door zijn rede deze kennisse aan zijn obiect ontlokt; en dat obiect is aan hem als denkend subiect onderworpenquot;. Maar op theologiesch terrein moeten we van „principiumquot; spreken. „Bij alle ander obiect was het toch het denkende subiect, dat kennis nam; hier was het het obiect zelf, dat kennis gafquot;, (bldz. 292). Buiten de zonde, en buiten de revelatio specialis geredeneerd zou toch, formaliter, een eigen principium voor de Theologie eisch zijn. God is God. En de Creator kan nooit object worden van creatuurlijke kennis. Van het eindige valt niet tot het oneindige te besluiten „tenzij die reëele God zelf zich in mijn bewustzijn aan mijn ik ontdekt; zich ontdekt als God; en hierdoor mij noopt en er toebrengt, om in deze eindige phaenomena, een xvauycKfftx van zijn heerlijkheid te zienquot;, (bldz. 293). Uit tweëerlei principium erlangt het denkend subject kennis „óf, zoo het adief te werk gaat, uit zichzelf, óf, waar het passief\' (ik zou liever zeggen: receptief) „blijven moet, niet uit zichzelf, maar uit een principium waarvan de drijfveer van het obiect, in casu van God, uitgaat en eerst zoo in hem werktquot;, (bldz. 294V Bovendien hebben wij met de zonde te rekenen. De mensch, die als creatuur, active geen kennis van God kon nemen, kan zich als zondaar, passive (receptief) , de kennisse van God door God niet meer laten geven. „Deze wijziging in den mensch en in zijn verhouding tot God moet dus öf ten gevolge hebben, dat de zondaar buiten „kennisse Godsquot; voortleefde, öf wel dat er van Gods zijde een actie uitging, om hem die kennisse thands ook als zondaar, en in overeenstemming met zijn behoefte, als zondaar, aan te brengen.....Lag derhalve reeds in de Theologie

als zoodanig formaliter de eisch, dat ze opsproot uit een eigen principium cognoscendi, door en tengevolge van de zonde werd dit Principium Theologiae ook malericiliter van

ocr page 147

135

het principium cognoscendi op het erf der overige wetenschappen onderscheiden, zoowel dus wat het formeele, als wat het materieele principium aangingquot;, (bldz. 295). Principium materiale der Theologie is dus — strikt genomen — de zelfmedédeeling Gods aan den zondaar; in den regel na intreding van palingenesie en (paritrizo?. Die zelfmededeeling is het principium remotum. Zij was er voor nog ééne bladzijde der Heilige Schrift geschreven was. „Als nu desniettemin de S. Scriptura het principium unicum theologiae heet, dan wordt de Schrift hier genomen als de plant, die uit de kiem is opgeschoten, die haar knoppen zette en die knoppen ontluiken deed. Niet dus het principium nudum, maar het principium met wat het voortbrachtquot;, (bldz. 297).

Heel wat uitwijdingen, vergelijkingen, beelden zou ik in deze § gemist en daarvoor gekregen hebben de, brood-noodige, heldere bepalingen. Wat hier onder Principium te verstaan zij? Principium is niet fons zegt Dr. K. Zeker niet! En object is nog iets anders dan dit en dat voegen wij er aan toe. Maar wat verstaat gij onder „principiumquot; ? En wanneer ik de begrippen „principiumquot; en „fonsquot; scherp onderscheiden moet — och, definieer beiden dan scherp. Het eigenaardig wezen der Theologie eischt een eigen principium. Alles goed en wel: maar wat verstaat gij onder „principiumquot;? Nu krijgen we allerlei te lezen. Wij vernemen ten slotte dat de H. S. het „principium (proximum) unicum theologiaequot; is. Maar eene kristal-heldere definitie van „principiumquot; wordt ons niet ten deel. Aanstonds gaat Dr. K. (§ 33) spreken over „Uiteenloopende voorstellingen omtrent de werking van dit principiumquot;. Wij luisteren. Toch kunnen we er niet over-heen, over dat opereeren met on-bepaalde begrippen.

Allen, die nog aan de Theologie in den oorspronkelijken zin vasthouden, erkennen dat haar object een eigen principium cognoscendi eischt. Onder hen komt tweespalt wanneer we vragen op wat wijze dit principium gewerkt heeft of nóg werkt. K. onderscheidt de mystiek-atomistische richting — die hij bestrijdt — van de organische. Deze laatste wordt

10*

ocr page 148

136

door alle „kerkenquot; gehuldigd. In deze laatste onderscheidt hij Rome\'s opvatting (die de inspiratie als nog steeds doorwerkende in het organisme der Kerk stelt), door hém bestreden , van die welke de ingeving opvat „als een abnormale, tijdelijke, organische werking, wier vrucht thans in de Heilige Schrift voor ons ligt. „De zucht om hierbij scherpe grenslijnen tusschen het normale en abnormale te trekken, sprak zich het duidelijkst uit in de verwerping der apocryphenquot;. (bldz. 203). Een bezwaar tegen K. terminologie wil ik niet verzwijgen. Hier en elders noemt hij de revelatio specialis en wat daaruit voortvloeit „abnormaalquot;, in tegenstelling tot de revelatio naturalis. Etymologiesch gaat dat. Naar het „Verba valent usuquot;, wat hier saamvalt met de religieus-ethische waardeering van de dingen, gaat het niet. Als noodzakelijk tegenover de zonde, d. i. tegenover het abnorme, kan de revelatio specialis niet „abnormaalquot; heeten. Veeleer dient zij normeerend, normaal in hooger potentie, genoemd te worden. Dat de eenvoudige taal der wetenschap in deze paragraaf meer dan eens overstemd wordt door hoogdravende rhetoriek, blijkt b.v. uit deze zinsnede: „Juist deze organische opvatting brengt dan ook mede, dat hetgeen ge van de H. Schrift belijdt, eerst geldt als ze gereed is, en dat diensvolgens voor de eeuwen, die tusschen het Paradijs en Patmos verliepen, de zelfopenbaring Gods aan de zijnen een ten deele ander karakter droegquot;. Ik zal niet lang uitwijden over deze rhetoriek. Om haar van harte te beamen moet men zich zóó diep en zóó ongereformeerd buigen voor wat de Conciliën van Hippo en Karthago (393—397) vaststelden, dat men zich met de roomsche kerk minstens „de inspiratie denkt als nog steeds doorwerkend in het organisme der Kerkquot;. Een gereformeerd, wat zeg ik? een protestantsch theoloog, durft ook conciliëen en wat zij vaststelden te kritiseeren. Zelfs het Vaticanum. Dat leerde hij van Luther en Calvijn. De geest van scholastiek apriorisme begint hier te waaien door Dr. K.\'s werk in periodiesch-breed aangelegde zinnen.

Gaan we maar over tot § 34 „Het verband tusschen dit

ocr page 149

137

principium en ons bewustzijnquot;. Dit verband is onmiddellijk. Geen derde waarborgt aan ons bewustzijn de realiteit van dit principium. Een principium is zelf (jrond, en duldt geen grond onder zich. In sclioolsch Latijn beschrijft Kuyper de bizondere ingeving — want hij gaat in zijne beschouwing van het principium remotum, niet van het proximum, uit — „Deus e mente sua impirat in mentem hominis .... in mentem hominis peccatoris, et quidem modo speciali. Dit en niets anders is het principium, waaruit ons, zondaren, de Godskennisse toekomt, en waaruit dus ook de Theologie als wetenschap haar levenskracht trekt.quot; Zoo krijgen wij dan twee principiën, die afgescheiden van elkander op ons bewustzijn inwerken, n.1. de actie van den Deus creans en die van den Deus inspirans modo speciali. Dat dit onnatuurlijk is, dat dit dualisme niet blijven kan, toont K. zeer overtuigend aan. „Er zal in den Status gloriae „geen tempel meer in de stadquot;, maar ook geen Bijbel meer in de bidcel wezenquot;, (bldz. 308). In het begin zijner toelichting redeneert K. als wandelde hij op het, door hem veroordeelde pad der mystiek, om dan op ééns te zwenken, bldz. 209: „Het bovenstaande zou dan ook niet licht op tegenspraak stuiten, bijaldien deze inspiratio Dei in mentem peccatoris hoofd voor hoofd plaats greep .... Maar, en hier nu juist ontstaat de moeilijkheid, zoo werkt dit principium nietquot;. Uitstekend! Om die reden echter had Dr. Kuyper „het bovenstaandequot; hier niet moeten schrijven, \'t Behoort thuis waar gesproken wordt over de verhouding tusschen de Openbaring en hare tolken. Tegenover de mystieken dan leert hij; „Er wordt ééne centrale openbaring voor allen gegeven, en het is uit deze centrale openbaring dat elk uitverkorene voor zich de kennisse Gods te putten heeft. ... En van die ééne zich niet repeteerende en niet voortzettende centrale openbaring ligt het getuigenis voor in de Heilige Schriftquot;. Zal de zondige mensch in die Schrift Godskennis putten, dan natuurlijk is het Testimonium Spiritus Sancti onmisbaar. Maar dit neemt niet weg dat de H. S. op zich zelf principium Theologiae is, nl. principium proximum. Tot mijne

ocr page 150

138

vreugde is zeer helder wat Dr. Kuyper, blz. 311, zegt over centrale Openbaring en Heilige Schrift!). Derhalve: Openbaring, Hulp-Openbaring, en die Openbaring Centraal. Van die Openbaring wordt het afbeeldsel ons in de Heilige Schrift geboden. De Heilige Schrift is dus niet de Openbaring. Maar in de Heilige Schrift vinden wij het afbeeldsel der Openbaring. Niemand zal het willekeurig, overmoedig — wijl ongegrond — vinden indien wij zeggen: Openbaring = Gods Woord. Dan blijkt, luce clarius, dat Dr. K. ons de formule voorschrijft: „Gods Woord in den Bijbelquot;. Hij zelf leert ons de uitdrukking; „De Bijbel is Gods Woordquot; uit breviloquentia verklaren.

\'t Is of onze door- en- door-geoefende debater aanstonds gevoelt dat hij zich dekken moet. De thetische uiteenzetting wijkt voor een polemischen passage. De beelden komen, rijk en verscheiden; een schalm in de keten die knakt, de keten die breekt; ontbladeren, afpellen, leegdoppen van de Heilige Schrift; uw persoon, die zijn eigen beeld op de collodionplaat teekent; ijs dat organiesch één is met de koude die het u overbrengt; het land en de landkaart. Ziehier de quintessens van wat K. schrijft. Niet alleen de kennisse Gods in de Schrift zelf is den zondaar van Godswege toegekomen. — Wij merken op: de occasio, naar aanleiding waarvan de Openbaring tot ons kwam, was toch eene andere

1) „Ons mensehelijk geslacht, esnmaal ia zoude gevallen, kan uit het priucipium naturale zich geen zuivere of genoegzame kennisse Gods meer zien toeTloeieu. Diensvolgens brengt God voor ons mensehelijk geslacht een iïtJpopenbaring teweeg, die, uit een eigen principium speciale en onder de noodige bedingen, in het bereik van den zondaar een kennisse van God stelt, die op zijn toestand is berekend. Het tot stand komen van deze Centrale Openbaring nam vele eeuwen in beslag, tot ze eindelijk haar afronding erlangde. Van deze actie Gods nu, t. w. het verschaffen van deze centrale Openbaring aan ons mensehelijk geslacht, is het afbeeldsel ons in de Heilige Schrift geboden. Wie deze Centrale Openbaring kennen wil, moet ze dus in de Heilige Schrift zoeken. En in dien zin moet op de vraag, waar het principium speciale, met de centrale Openbaring aan ons geslacht als zijn vrucht, thans te vinden is, zonder aarzelen geantwoord: In de Heilige Schrift en in de Heilige Schrift alleenquot;.

ocr page 151

139

dan die tot het ontstaan der Schriften leidde. De val onzes geslachts ia zijne protoplasten beweegt — ik spreek naar den mensch — den God der liefde tot revelatio specialis. Maar de occasio tot het onstaan der Schrift, de occasiones tot het ontstaan der Schriften, zijn anderen. Gesteld: Paulus hadde zijn plan naar Rome te gaan terstond kunnen verwezenlijken; gesteld: er waren te Corinthe geen grove onzedelijkheid in de gemeente geweest noch partijstrijd; gesteld: Timotheüs hadde des apostels gevangenschap gedeeld .... zouden wij dan de brieven aan de Romeinen, aan de Co-rinthen, aan Timotheüs hebben? Wij vragen slechts, gedachtig aan het woord der Ouden, dat niet verouderd is, „Qui bene dinstinguit, bene docetquot;. Daarbij erkennen wij dat de tijden en de gelegenheden in Gods hand zijn. Bovendien is het den protestantschen dogmaticus geraden, steeds te vragen wat exegese en historische kritiek leeren. Indien de Schrift den zondaar niet van Godswege ware toegekomen zegt Dr. K., „is zij als zoodanig niets dan toevallige, menschelijke annotatie, en hebben wij nog eerst uit te maken, wat hierin al dan niet steek houdt. Als criterium hiervoor bezitten we nu geen individueele inspiratie; dan toch zou geheel het begrip van centraal-organische inspiratie weer wegvallen. We hebben dus geen ander criterium ter beschikking dan ons principium naturale. En zoo moet dan de uitkomst wel zijn, dat ge op dit onhoudbaar standpunt niet alleen door historische critiek de Schrift uiteenrafelt, maar ook dat ge den inhoud der centrale Openbaring wegcijfert en herleidt tot het principium naturale om ten slotte élk principium speciale te loochenen, en alzoo, na volbrachten cirkelloop terug te keeren tot het niets waarmeê ge begonnen waart. Zoo is het dan ook feitelijk geschied. Na heel de Schrift ontbladerd, afgepeld en leeggedopt te hebben, komt men thands, na een worsteling van achttien eeuwen, over Origenes weer bij de Grieksche philosofen uit, en de keuze blijft: Aristoteles of Platoquot;, (bldz. 311—312).

Heel deze tirade doet mij denken aan het „Annibal ante portasquot; waarmeê de romeiusche moeders haar jongens dreig-

ocr page 152

140

den. Indien — en zóó wds het — historische omstandigheden de occasiones waren, die tot het ontstaan der Schriften aanleiding gaven, is de Schrift dan niets dan toevallige menschelijke annotatie, waarvan wij uitmaken wat er steek in houdt? Bovendien heeft de theoloog, wanneer hij b.v. bepalen wil wat in de Schrift van hooger, wat van lager belang is (Dr. K. erkent zulke een onderscheiding) geen ander criterium dan het principium naturale ? Waarom wordt hier het testimonium Spiritus Sancti, waarom alle christelijke ervaring en bevinding, waarom alle gezonde mystiek weggecijferd? Gij moogt de Schrift niet huiten de Openbaring stellen leert K. verder. Wij beamen dat. Vooral omdat hij erkent „Die Schrift als het document der centrale Openbaring is dus organisch met die Openbaring zelve verbondenquot;. De Schrift document der Openbaring. Indien dat maar consequent gehandhaafd blijft, is allerlei dwaling in beginsel gestuit. Vooral wanneer men — zooals K. bldz. 312 „dorre abstractiequot;, „geestelijk (zeg liever geestdoodend) „intellectualismequot;, „verkeerdheidquot; noemt „de voorstelling van een woord voor woord gedicteerden Bijbelquot;. Op grond van de onderscheiding tusschen „Openbaringquot; en „Openbaringsdocumentquot;, dringt K. er dan ook op aan dat „men de inspiratie, die in de Openbaring zelve werkte, afzonderlijk behandele, en daarnaast een eigene voorstelling geve van de inspiratie, die werkte in en bij de teboekstelling der Heilige Schrift. Hoe sterk we er echter op drukken, dat de eigenlijke Schriftinspiratie nauwkeurig van de inspiratie der Openbaring, als geheel andersoortig, onderscheiden worde, toch mag dit nooit zóó voorgesteld, als stond de ééne actie des Geestes met de andere in geen organisch verband. Beide toch zijn uitingen van den éénen wil Gods, om aan ons in zonde verzonken geslacht eene centrale Openbaring te schenken, en deze centrale Openbaring onder het bereik van alle eeuw en van alle volk te brengenquot;, (bldz. 313). De eenvoudig geloovige — leert Dr. K. heeft op deze onderscheiding niet in te gaan n)mits hij nu maar niet zijn eigen ondoordachte voorstelling tot dogma verheffe, en met dit eigenmachtig

ocr page 153

141

geformuleerde dogma zich tegen de juiste voorstelling inzettequot;. Ik vind dat zeer verstandig door Dr. K. gesproken en hoop dat Z. H. G. L. den geachten hoofdredacteur van „de Herautquot; altijd in die richting van raad en advies zal dienen. Niet zoo goed kan ik mij schikken in wat Dr. K. een oogenhlik later zegt (bldz. 314) over de Schrift als „centraal instrument der Openbaring „waar nooit meer iets bij komtquot;. Om de volgende redenen kan ik mij in dit zeggen niet vinden. Dr. K. verzekert, bldz. 488 „dat er ongetwijfeld honderden brieven van de Apostelen zijn uitgegaanquot;. Honderden! Wij willen voorzichtiger spreken. Wij weten dat Paulus drie brieven schreef aan de gemeente te Corinthe. Twee ervan bleven ons bewaard. Neemt eens aan dat wij op het eind der negentiende eeuw het voorrecht hadden den éenen, die verloren ging, te vinden. In die veronderstelling is niets onmogelijks. In die veronderstelling is niets dwaas. In die veronderstelling is niets van ongeloof. Scholastiek schrijft God een program voor. Het geloof schrijft chronieken Gods waereldbestuur volgend. Gesteld dan: wij vonden dien bedoelden brief aan de Corinthen. Zouden wij dan zeggen: de Schrift, zooals zij daar vóór ons ligt, naar de besluiten der Conciliën van Hippo en Karthago is het „gereede openbaringsinstrument, daar komt nooit meer iets bijquot;? Rome zou zoo niet spreken: Rome met haar, door K. afgewezen, leer van de voortdurende inspiratie. Maar hoe zouden de kerken van het protestantisme handelen? Zouden zij buigen onder het gezach van de twee bovengenoemde Conciliën? Zouden zij zich laten knechten door eene traditie, die niet leeft gelijk die der roomsche kerk, maar door eene geheel versteende? Ik ga op den man af. Wat zou Dr. K. de protestantsche, de hervormde — wil men liever — de gereformeerde theoloog doen? Zou hij erkennen: Gods leiding in de geschiedenis verplettert de bouwing mijner theorie? Neen waarlijk, hij zou het niet! Zóó ten minste beweert hij thands1). Welaan, dat citaat is glasheldere taal. Bukt

X) Hij schrijft inderdaad (bldz. 333): „Stel er werden straks nog brieven

ocr page 154

142

voor den kanon, als zoodanig, voor den kanon, zooals die na veel strijd door twee Conciliën werd vastgesteld — of uwe beschouwing van de Heilige Schrift gaat geheel in het historiesch-accidenteele onder. Historiesch-accidenteele? Neen! In het historiesch-providentieele rust mijne beschouwing van de Heilige Schrift. Of liever; zeg maar „historiesch-acciden-teelquot;, mits gij, als christen-mensch gelooft dat ook de accidentia vallen onder Gods Voorzienigheid! Dr. K. sluit toch het gebied van het „accidenteelequot; niet buiten Gods Raad? Om kort te zijn, ga ik in aphorismen spreken. De Schrift, zooals zij daar ligt, is een organiesch geheel. Niet slechts een mechaniesch, volstrekt niet een magiesch, maar een historiesch geworden en organiesch geheel. Is het in Gods Raad besloten dat de zonen der twintigste eeuw zullen danken voor het bezit óók van een Evangelie door Philippus te boek gesteld, dan zal die Schrift voor hen een organiesch geheel zijn — rijker geheel dan wij naar Gods bestel hadden. Heeft naar Gods Raad een bekeerde heiden niet meer dan de vier Evangeliën, dan zijn die vier Evangeliën voor hem een organiesch geheel. De Schrift is voor mij evenzeer gereed als voor Dr. K. Maar op een gansch andere wijze. Uwe beschouwing, zal K. mij tegenwerpen is „in lijnrechten strijd met de beschouwing die ons in Rom. XV: 4 en elders omtrent het Oude Testament wordt gegevenquot;. Omtrent het Oude Testament. Maar wij spreken thands over de Canones van Oud en Nieuw Verbond, over den Bijbel. Dat echter daar gelaten! „Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven; opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zoudenquot;. Wil dat nu zeggen, ligt daar nu bij consequente deductie in,

Tan Thomas of van Filippua, of een evangelie van Audreaa gevonden, zoo zoudt gijquot; (naamt ge niet aan dat de Schrift „een afgerond geheelquot;, neen organische eenheidquot; is) „ook deze stukken in uw Bijbel moeten laten bijbin-deu. De Schrift wordt dan een onvolledig, contingent brokstnk van een geheel, om van elders haar complement te postuleeren; en op die wijs gaat de theologische en daarom organische en teleologische, beschouwing van de Heilige Schrift geheel in de historisch-accidenteele onderquot;.

ocr page 155

143

dat ik buigen moeten voor de decreten van Hippo en Kar-thago? O, Paulus, man des geestes, en niet knecht van de letter, gij, wien wij een enkel dictum agraphon des Heeren danken — zonder dat dictum waren de Evangeliën ons toch wel gereed! — zou dat uw bedoeling zijn? „Van het Oude Testament spreekt Paulusquot; valt Dr. K. mij in de rede. O ja! Gesteld (de hypothese is niet dwaas, en Dr. K., zooals wij zagen is niet aartsvijand van hypothesen) gesteld dat in Paulus\' dagen, een handschrift uit Israëls glorietijd gevonden ware, een kunstjuweel, zeg een gouden kleinood van den dichter-Koning David, zou Paulus, Paulus dan beweerd hebben: „dezen Psalm zullen we niet eeren onder B-ibnn. Deze Psalm werd niet opgenomen in den bundel der mannen van de groote Synagoge. Want die bundel is gereed: zoo gereed dat al wat te voren in D^bnn geschreven werd tot onze leering, er in opgenomen is. Wat er niet in is opgenomen werd niet tot onze leering geschrevenquot;. Zou Paulus zóó geadviseerd hebben? Zóó had hij moeten adviseeren indien hij eene Schrift had geleerd „gereedquot; in den zin van Dr. K. Voor zijne theologische constructie heeft de hoogleeraar eene Schrift noodig, die „gereedquot; is, „gereedquot; in den zin door hem aangegeven, bldz. 313. Geenszins dat wij ontkennen: „de Schrift is gereedquot;. Zij zou gereed zijn zelfs al moesten wij Luther\'s onbezonnen uitlatingen over Jakobus\' brief als een bezonnen oordeel aannemen. Zij is gereed, al vonden wij uit de christelijke oudheid dien brief van Paulus aan de Gorinthen terug.

Getrouw aan de ons voorgestelde taak K. Encyklopaedie óók uiteen te zetten geven wij onzen encyklopaedoloog wederom het woord. „Dit centrale openbaringsmonument wordt niet midden in de wereld neergelegd, opdat God nu toezie en afwachte, wat de mensch er meê doen zal. Integendeel, thans volgt die geheel andere actie, om die Schrift te bewaren, om die Schrift uit te leggen, om die Schrift toe te passen, en, nog specialer, om die Schrift tot de enkele zielen te brengen, die zielen op haar voor te bereiden, met haar in contact te brengen, en zoo ten slotte, door wat

ocr page 156

144

onze Gereformeerde Theologen de providentia specialissima noemden, deze Schrift te maken tot eene speciale openbaring voor dezen en dien bepaalden persoon. De erkentenis van allen, die de Schrift het volst bezeten en het rijkst genoten hebben, is dan ook steeds geweest, dat het God was, die hen tot de Schrift en de Schrift tot hen bracht; dat Hij hun het oog opende, opdat ze die Schrift verstaan zouden; en dat eerst door het licht, dat uit die Schrift hun toe straalde, het licht over hun eigen persoon en over het leven om hen heen is opgegaanquot;, (bldz. 314). Al wat er van christelijke, gezonde mystiek in die woorden schuilt beamen wij van harte. Wat Gods „actiequot; aangaat „om die Schrift te bewaren, om die Schrift uit te leggenquot; zullen wij ons niet laten gezeggen door aprioristische constructiën, noch door evolutionistische, noch door sch^astiek-orthodoxistische, maar laten beleeren door bistoriesch-kritiesch onderzoek, dat alleen op theïstiesch standpunt vrij en onbevangen is. Wij anticipeeren niet. \'t Vervolg zal ons vanzelf dieper in de concrete dingen brengen. Het woord, waarmede Dr. K. eene beschouwing over bruto en netto geloof in de Schrift aanvangt — die handelstermen kunnen mij niet bekoren — zullen wij tot bet onze maken, eerlijk en trouw: „Op niet één punt van den weg is hier plaats voor een steunsel aan betoog of redeneering ontleendquot;. Ons betoogen inderdaad ontleent vaak, zondig, zijn mobiel aan vreemde belangen. Ons redeneeren wordt zoo menig werf door sophistiek aan \'t dwalen gebracht. Wie over de Schrift leert moet eerst uit de Schrift leeren, haar ondervragen, haar waarnemen, de Schrift én hare geschiedenis. Allicht zijn we dan met onze Schrift-theorie niet zoo spoedig „gereedquot;. Wat nood? Zullen we in den tijd wel ooit met tx xyix gereed zijnr In de eeuwigheid, als ook de Bijbel, maar niet Gods woord, tot de eerste dingen behooren zal, die voorbij gingen, zullen wij gereed zijn met onze Bijbel-beschouwing. Maar dan hebben we geen Bijbel meer noodig. Dan zien wij aangezicht tot aangezicht. „De strijd over de Heilige Schriftquot; — wij zeggen \'t K. van harte na — „zal wel niet ophouden

ocr page 157

146

gevoerd te worden tot aan de wederkomst des Heeren. En hoe zou dan ooit het geloof op het resultaat dier studiën als fundament kunnen rusten, daar immers het geloof er van den aanvang zijn moest, en juist in die eerste tijden, toen er van die studiën nog geen sprake was, het geloof het hezieldst en het krachtigst is geweestquot;, (bldz. 317). Dat alles is zeer waar gezegd. Naar die waarheid moet gehandeld worden. Voor ons en onder ons, theologen, het wetenschappelijk d. i. kritiesch onderzoek van de Schrift. Met zijne opvatting, zijne theorie, valle niemand onzer „den eenvoudigen geloovigequot; lastig. Voelt bij zich in liefde gedrongen iets voor „den eenvoudigen geloovigequot; te doen — hij steune het Nederlandsche Bijbelgenootschap. Heeft hij tegen dat genootschap bezwaren, dan het Britsche. En voorts God zegene ons met flinke exegeten in de katechisatie-kamer, op den kanzei, bij de pers.

§ 35 bespreekt het „Verband tusschen dit principium en het principium naturalequot;. Wij zullen trachten de hoofdzaken te refereeren, te meer daar de herhalingen waarin de geachte Schrijver vervalt ons een „Quousque tandem ?quot; op de lippen brengen. Wij komen tot Cognitio Dei door het principium naturale en door het principium speciale. Het laatste, valt eens, in de volmaaktheid, weg. Maar het feit dat zij een tijd lang naast elkander bestaan, eischt een onderzoek naar hunne wederzijdsche verhouding. De buitengewone Openbaring valt eens weg. Toch meene men niet dat haar doel was „ons terug te leiden naar de kennisse Gods, die Adam bezat. Ook deze zou eens overgaan in het zien aangezicht tot aangezicht, krachtens de ontplooiing van het principium naturale. De orthodoxe theologie zag een en ander al te veel voorbij. De vraag „uit welk principium cognitionis de gezaligden denken zullenquot; kwam zelfs niet aan de orde. Na de Reformatie plaatste men de naturaal, als eene afzonderlijke theologie, naast de theologia specialis — geheel me-chaniesch. De eigenlijke Theologie werd haar overgelaten. Zóó ontplooide zij hare vleugelen ten koste van de theologia specialis. De revelatio specialis is intusschen geen oogenblik

ocr page 158

140

denkbaar zonder de onderstelling der naturaal omdat „de gratia nooit één enkele nieuwe realiteit scheptquot;. Hoe zou dan de revelatio specialis op eigen wortel kunnen staan? Zij brengt geen andere realiteit aan dan de bestaande. Zij plaatst ons voor nieuwe verhoudingen, nieuwe bestaanswijzen, nieuwe vormen, nooit voor een nieuw ontstaan moment. De voorstelling van de theologia naturalis en specialis als twee concurrente grootheden is tegen den gereformeerden leertypus. De theologia specialis is als een loot geënt op de naturaal. Enting veronderstelt eenheid van natuurlijke geaardheid. Theologia naturalis en specialis zijn aan elkaêr verwant, kunnen daarom op elkaêr inwerken. De laatste sluit zich aan bij de scintillae of rudera die uit de revelatio naturalis in den mensch overbleven. Neem het semen religionis uit den zondaar weg — hij is ontoegankelijk voor de revelatio specialis. „Daarom is de Heilige Schrift dan ook geen wetboek noch een catechismus, maar de documenteering van een stuk menschelijk leven, en in dat menschelijk leven van goddelijke inwerkingquot;, (bldz. 326). Aan den anderen kant wordt de cognitio naturalis eerst bruikbaar door de specialis.

Wonderlijk zal men den titel van § 36 vinden: „Kan het principium nalurale het principium speciale voor zijn vierschaar dagenquot;? Zulke opschriften zijn te dulden in dagblad-asterisken. Niet in wetenschappelijke werken. Zóóver drijft Dr. Kuyper in deze § de dramatiek dat hij nu en dan de beide principia letterlijk personifieert, als waren \'t twistende partijen. In eene uitwijding van acht bladzijden, die — enkele gegevens uit de Historia Theolögiae daargelaten — niets nieuws bieden, besluit hij tot een ontkennend and woord. „Dat de sfeer van dit principium speciale grooter van omvang is dan de omvang van de Heilige Schrift, behoeft geen opzettelijke aanwijzingquot;. Met die verklaring vangt Dr. Kuyper zijne § 38 „Dit principium en de Heilige Schriftquot; aan. Toch gaat hij het wél opzettelijk aanwijzen, in een stuk zeer bont met termini technici uitgemonsterd. Feit en woord loopen in de bizondere openbaring naast elkander.

ocr page 159

Ï47

staan met elkander in verband. K. veroordeelt de voorstelling „alsof ons een weg des levens ontsloten had kunnen zijn door een uit den hemel neergedaald boek of uit den hemel gedicteerden Bijbelquot;. Die voorstelling „berust dan ook op niets dan op een intellectualistische abstractie, die de verhouding tusschen zijn en denken; tusschen feit en woord geheel onjuist opvatquot;. Het Schriftwoord, zegt hij, is „zonder concomitantia werkeloosquot;. In de „Schrift als zoodanigquot; schuilt geen „actieve krachtquot;. „Aan de Schrift, als boek, mag geen „soort sacramenteele kracht worden toegekendquot;. „Op zichzelve is de Schrift niets dan draagster en voertuigquot;. Het principium speciale omvat „al wat van Gods zijde, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk geschied is, en dat niet uitging van het principium naturalequot;. De Schrift daarentegen „is zelve dus slechts één gewrocht van die actiequot;. Mag men dan zeggen dat de Schrift ten minste identiesch is met de vrucht van het principium cognoscendi ? Neen andwoordt Dr. K.\').

Nadere bepaling wordt vereischt, zoo doceert de Hoogleeraar, zal men de juiste verhouding tusschen „dit principium speciale in God en de Heilige Schrift inzienquot;. Tot die „nadere bepalingquot; komt men echter „eerst door een dubbele distinctiequot;. De eerste distinctie is „tusschen hetgeen ons geslacht als organische eenheid aanbelangt en de kennisse Gods van het enkele individuquot;. Deze distinctie eischt toelichting. Tegen de bewering der roomsche dogmatici „dat de Heilige Schrift daarom niet in absoluten zin het instru-mentum Salutis kon wezen, omdat er eeuwen verliepen, eer de Schrift tot stand kwam, en er toch niet weinigen waren, die in dien voortijd, nochtans zonder Schrift behouden wer-

1) 1°. Omdat allerlei historiën in de Schrift zijn opgenomen en ze dus in niets op een leerboek of wetboek gelijkt;

2°. Omdat „uit het principium cognoscendi volstrekt niet enkel de Schrift vloeide, maar ook nog de werking van den Heiligen Geest voorkomt, die deels door illuminatie in het bewustzijn van den enkele, deels door de actie van het ambt de kennisse Gods in stand houdt, toebrengt en bezieltquot;, (bldz. 343).

ocr page 160

148

denquot;, zegt Kuyper, „is niets in te brengen. Dit is eenvoudig zoo. Maar de kracht dezer tegenwerping valt terstond, zoodra ge let op het groote fivtrrijpiov!). De Openbaring is, na den val, niet aphoristiesch, noch atomistiesch voortgeschreden. Zij doorliep vaste stadiën. Zij bewoog zich naar haar eindpunt, dat bereikt werd toen de olxou.usvyt zich ontsloot, ora haar in zich op te nemen. Toen in den Christus het „goddelijk essequot; in ons geslacht werd ingedragen, toen ging in de Heilige Schrift het „goddelijk pijfi»quot; uit tot den kosmos. „Het is de ééne Aa/o?, die in Christus door èvtrdp-, en in de Schrift door inscripturatio naar geheel de menschheid uitgaat. Vraagt ge dus wat als materie der cognitio Dei uit het principium speciale naar ons menschelijk geslacht als zoodanig uitgaat, dan is te antwoorden: De Schrift en niets dan de Schrift; en in dien zin is de Schrift met het principium in zijn werking identischquot;. (bldz. 350).

Ziedaar eene „toelichtingquot; bij eene „distinctiequot;, die .... te denken geeft. Waar brengt K.\'s philosophic, want al die bespiegeling is geen theologie meer, ons heen? De Schrift leert de Vleeschwording van den Logos. Daarnaast leert Dr. K. de Schriftwording van den Logos. Dat philosopheem zit in de aangehaalde woorden, of er zit niets in. Dat Dr. K. echter zeer zeker bedoelt de Boek-wording des Woords blijkt nog uit wat hij schrijft bldz. 408; 424—425; 427.

Nu de tweede „distinctiequot; en hare „toelichtingquot;. Wij moeten dan onderscheiden „tusschen de stof der Cognitio Dei die ons wordt aangebracht en de wijze waarop de stof ons eigendom wordtquot;. Ik vraag: wie ter waereld heeft noodig

1) In Eom. XVI: 25, in Efeze 1:9, 111:9, Col. 1:26, 2 Tim. 1:9, Tit. 1:2 en 1 Petr. 1 : 20 wordt op dit fivtrTyfiov telkens en telkens weer gewezen als op den sleutel, die ons het inzicht in den gang der openbaring ontsluit. Het geldt hier dus geen bijzaak, maar een hoofdzaak, en deze hoofdzaak komt, gelijk we in Col. I: 26 lezen, hierop neer, dat er „iets verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachtenquot;, dat nu voor achttien eeuwen geopenbaard is aan Gods heiligen, „aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid zijner verborgenheid onder de Heidenen, welke is de Christus onder u, de hope der heerlijkheidquot;, (bldz. 348—349).

ocr page 161

149

aan eene distinctie herinnerd te worden tusschen wat geheel andersoortig is nl. „stofquot; en „wijze waarop die stof toege-eigend wordtquot;? Noodig of niet noodig: ziehier bij de distinctie de toelichting. K. betoogt dat individuën: Noach, Mozes, Samuel afzonderlijke openbaringen ontfingen „eenvoudig wijl de menschheid als zoodanig nog haar openbaring niet bezatquot;, (bldz. 350). „Maar toen eenmaal de menschheid als geheel haar revelatio ontvangen had, en deze voltooid was, verviel voor alle bijzondere openbaring de ratio sufficiens; en alle mystiek, die ook daarna nog deze afzonderlijke, persoonlijke openbaring voorwendt, verijdelt het organisch bestel des Heeren. Voor wie leefde, leeft of leven zal, nadat ons geslacht zijn Christus en zijn Schrift ontvangen heeftquot; (dus na de conciliën van Hippo en Karthago? Een weinig histo-riesch, bon-sens is wel gewenscht bij het waardeeren van deze bespiegeling waarin de Vleeschwording en de Schriftwording van den Logos saamgaan) „bestaat er geen andere weg, die hem tot kennisse Gods kan leiden, dan in aansluiting aan deze centrale openbaring.quot; Intusschen heeft de individu aan de H. S. zonder meer niet genoeg. De iliumi-natio des H. G. moet haar inhoud ons toeeigenen.

„Dit principium en de Heilige Schriftquot; zóó heet § 38. Nu zou men zeggen, daar „Schriftquot; beteekent „geschreven woordquot;, dat § 39 niet kan heeten: „Het principium speciale en het Geschreven woordquot;. Toch is dat het geval. Dezelfde titel onder andere woorden staat boven twee op elkaer volgende paragrafen. Het speciale Woord van God dan richt zich tot de menschheid. Waarom behoefde het den vorm bepaaldelijk van geschreven woord? „Sta op den voorgrond, dat het geschrevene woord, in vergelijking met het gesprokene woord het vierledig karakter van het duurzame, het katholieke, het vaste en het onvervalschte toekomtquot;. De geleerde Schrijver bedoelt zeker dat dit vierledig charakter in hoogere, in veel hoogere mate, aan het geschreven dan aan het gesproken woord toekomt. Immers manuscripten verslijten. Door overschrijving moet het geschrevene woord verduurzaamd worden. Het katholieke? Heeft een niet

11

ocr page 162

15ö

hebraïcus iets aan eeu bebreeuwschen text? Kan ieder Germaan een grieksch boek lezen? Zijn er vertalers noodig? Het vaste en het onvervalschte ? Zijn er ook drukfouten in boeken? Omissies, glossen, varianten in handschriften?

In de toelichting van zijne stelling biedt K. ons zeer lezenswaardige opmerkingen over het schrift. Dan brengt het „verba volant, littera scripta manetquot; ons madias in res. Hoog verheft Dr. Kuyper het blijvende van het schrift. Schier te hoog! „Door het schrift nadert de menschelijke gedachte het eeuwige, het duurzame, het blijvende, en drukt zich tot op zekere hoogte een goddelijk stempel opquot; (bldz. 356). Wij vragen: Wat rest ons toch b.v. van de grieksche en romeinsche litteratuur ? Hoe betrekkelijk weinig! Heel een gunstig milieu is noodig of het duurzame der littera scripta valt weg. Als hij over het katholieke van het geschreven woord uitwijdt, juicht Dr. K. letterlijk; „Het schrift geeft aan de gedachte vleugelen. Het heft afstand van tijd en plaats op, en drukt daardoor op de gedachte het stempel van het eeuwige én van het overal tegenwoordige. Voor zoover de menschelijke gedachte formeel het goddelijke nabij kan komen, dankt ze dien hoogeren adel aan het schriftquot; (bldz. 359). Het kan prozaïesch schijnen tegen dezen dithyrambe op te merken dat de droom van één waereldtaal een — droom is. Toch zullen wij \'t maar doen. Immers wanneer Dr. K. ter illustreering het pakkend voorbeeld aanbrengt: „Een belangrijke verklaring door Gladstone in het Engelsche parlement na zonsondergang uitgesproken is, eer de zon weer opgaat, hier en over zee, tot ver in Amerika, reecis gedrukt en in millioenen afdrukken onder de menigte verspreidquot;, dan fluistert de eenvoudige waarheid ons in het oor: zeker, dank zij electriciteit, en stoompers en vertalers en zooveel meer. Over de vastheid van het schrift zegt K.: „Het religieus besef heeft behoefte aan vastheid. Zoolang het goddelijke zich nog alleen in den wisselenden stroom van het menschelijke afspiegelt, grijpt het niet aan, wijl juist dit wisselende en verschuivende met de idee van het goddelijk-majestueuse in strijd isquot; .... Op dien toon gaat

ocr page 163

151

\'t verder. Wij vragen: is het geschreven woord niet men-schelijk? Waarom redeneert Dr. Kuyper als ware de litte-rarische kritiek niet noodzakelijk ? Iets lager gestemd is wat hij zegt over de onvervalschtheid. Indien „reeds van den eersten aanvang der openbaring de boekdrukkunst in haar tegenwoordige volkomenheid had bestaan! Indien „het destijds gesprokene stenographisch opgeteekend en terstond in duizenden bij duizenden exemplaren door den druk verspreid ware gewordenquot;! Ja „indienquot;! Maar de geschiedenis leert dat dit reporters-ideaal niet verwezenlijkt werd. Gode zij dank dat het zóó is. Nu kan ons christelijk leven en denken geen afgodischen steun vinden in een soort notarieel stuk. Nu kan onze theologie niet opgaan in bloot logische redeneering, in becijfering. De lezing van deze paragraaf liet een pijnlijken indruk bij mij achter.

Over „De inspiratie. Haar verband met het principium essendiquot; handelt § 40. Eigenlijk principium der Theologie is dan Gods bizondere Openbaring. Product daarvan is de Sacra Scriptura. Nu moet gehandeld worden over de inspiratie „de actie waardoor dit product uit deze goddelijke energie voortkomtquot;, (bldz. 363). De inspiratie is niet een geïsoleerd feit maar de actie van eene goddelijke energie, die inwerkt „op geheel de realiteit van ons menschelijk aanzijn, met inbegrip van de natuur buiten onsquot;. Deze „Goddelijke energie is ten deele principium essendiquot;. Uit haar komt het wonder voort.!). Veel en verlerlei wordt verder in deze paragraaf aangevoerd. Maar wij krijgen niet wat we gaarne hadden, n.1. eene korte, sobere, heldere bepaling van „Inspiratiequot;.

Over „de inspiratie in verband met het wonderquot; spreekt K. in § 4l, Formeel heeft de inspiratie het karakteristieke met het wonder gemeen. De formeele zijde van het wonder

1) „De band, die het denken aan het zijn en het zijn aan het denken bindt, werkt ook hier. Er is niet een openbaring door het dicteeren van eea leer en wet, en daarnaast een openbaring door wat men het wonder noemt; maar èn de openbaring in de wereld der realiteit, én de openbaring in de wereld der gedachte zijn dooreengevlochtenquot; (bldz. 364).

11*

ocr page 164

152

wordt besproken. Er zijn wonderen op stoffelijk en op geestelijk gebied. ïusschen beiden is samenhang. Het wonder der palingenesie gaat steeds door. De sfeer van wat K. noemt „het stoffelijk wonderquot; is beperkt naar tijd en plaats. Psyche, soma en kosmos hooren bij elkaêr. Dat ze lotgemeen zijn in schepping, val en herschepping wordt breed en goed ontwikkeld. K. neemt de mechaniesch-deïstische waereldbeschouwing duchtig onder handen in een stuk, waarvan men echter vraagt waarom het in al zijn breedte hier ingelascht werd. Slechts enkele regels feitelijk worden gewijd aan wat de titel der § belooft.

In § 42 over „de inspiratie volgens het zelfgetuigenis der Schriftquot; handelend, noemt Dr. K. \'t eene „naïeve catechisatiemethodequot; om de inspiratie der Schrift te bewijzen door aanhaling van 2 Tim. III: 16 of 2 Petri 1:20. Wij zijn dat met den hoogleeraar eens en verwachten dat hij zelf zich van zulke naïveteiten onthouden zal. Een oogenblik later zegt hij „De plant spreekt niet over zich zelve, de Schrift welquot;. „In de Schrift heerscht een bewust levenquot;. „Er wordt in de Schrift over de Schrift zelve gesprokenquot;. Ziedaar al aanstonds drie naïveteiten, of liever, drie dichterlijke figuren. Maar naïveteit of dichterlijke figuur geen van beiden is van pas in een wetenschappelijk betoog. Heerscht er in de Schrift — niet in de mannen die de Bijbel-boeken schreven, niet in God die de Openbaring gaf, waarvan de Schrift het voertuig is — maar in de Schrift zelve een bewust leven? Kent, voelt de Schrift zich zelf, denkt ze over zich zelf na. Nog duidelijker is de Schrift een persoon? Zou Dr. K. zóó ver drijven zijne reeds door ons besproken stelling; de Logos werd vleesch in Jezus Christus; de Logos werd Schrift door inscripturatie ? Maar dat is gnostiek. Erger; dat is afgoderij! Met „in de Schrift heerscht een bewust levenquot; moet K. wat anders bedoelen. De tweede verklaring! „De plant spreekt niet over zichzelve, de Schrift welquot;. Maar indien de Schrift (heel de Schrift) over zich zelf (heel de Schrift) sprak zou dit testimonium naast, dus buiten, de Schrift moeten bestaan. Quod absurdum. De

ocr page 165

153

hoogleeraar verbetert in één opzicht zijn zeggen: „Er wordt in de Schrift over de Schrift zelve gesprokenquot;. Nemen wij het strikt dan blijft er toch eene onjuistheid in de laatste woorden. Nergens wordt er in de Schrift over heel de Schrift gesproken. En dat om de eenvoudige reden dat heel de Schrift nog niet was, toen de plaatsen waar K. op doelt, voor het eerst geschreven werden. In de boeken van het N. T. wordt gesproken over de Schrift des ouden T. Ook wordt in 2 Petri over de brieven van Paulus gesproken (2 Petri 3:15—16). Over heel de Schrift, over den Bijbel, wordt in de Schrift niet gesproken. De wordings-geschiedenis der Schrift leert waarom dat niet kon plaats vinden.

Nu kunnen wij bij het onderzoek naar de inspiratie der Schrift twee wegen volgen: de Schrift bespieden en hen ondervragen die in de Schrift over de zaak zich uitspreken. Wanneer K. de gronden aangeeft waarom wij met het zelf-getuigenis der Schrift moeten beginnen — wij voor ons hebben daar vrede meê — zegt hij o. a. „In absoluten zin kan zelfs alleen van den Christus gezegd, dat het zelfbewustzijn der Schrift zich in Hem volkomen uitsprakquot;. Daar hebben wij geen vrede meê. Zelfbewustzijn hoort bij de persoonlijkheid. Eene contradictio in terminis is het te spreken van een onpersoonlijk iets dat zelfbewustzijn heeft.

K. begint dan ook met te vragen wat volgends de Schrift de Heere Christus (niet de Schrift) leerde over de geheele Schriftuur des Ouden Verbonds (niet over de geheele Schriftuur des Ouden en des Nieuwen Verbonds). Zoo erkent hij implicite onze boven gemaakte aanmerkingen. „Blijkt tochquot; gaat hij voort, „dat de Christus aan het Oude Verbond, als organisch geheel, absolute autoriteit heeft toegekend, dan is hiermeê voor een iegelijk, die voor Hem als zijn Heere en zijn God nederknielt, en alzoo belijdt, dat Hij niet kon dwalen, de zaak uitgemaaktquot; (bldz. 378—379). Dat woord beaam ik van ganscher harte. Als in zake het O. T. in zijn geheel of in zake een zijner deelen het „Jaquot; van Christus — al begrijp ik het niet — komt te staan tegenover het „Neenquot; van alle Oud-Testamentici, dat ik wél

ocr page 166

154

begrijp, dan zeg ik „Jaquot;. Hierom: al die Oud-Testamentici (en ik) zijn feilbaar. De Heer kon niet dwalen. Ik ga dus op het „jaquot; des Heeren af. Al mijne kritiek zal, aan de leuze „per fidem ad intellectumquot; trouw, niet anders zijn dan een poging om het gewettigde van dit „Jaquot; in te zien. Dat geldt voor mij van al wat de Christus leerde, zooals Hij het leerde, in den geest waarin, naar het doel waarom, hij het leerde. Daarbij zal ik vooral waken tegen misbruik van \'s Heeren woorden. Ook neem ik nota van Dr. K.\'s opmerking „dat de berichten der Evangeliën omtrent hetgeen Jezus over het Oude Testament heeft gezegd, op dit punt van onze argumentatie, nog alleen als berichten voorkomen, en dus nog niet als reeds geijkt getuigenisquot; (bldz. 379).

Vóórop plaatst K. de verklaring „dat Jezus de onderscheidene geschriften van het Oude Testament beschouwd heeft als uitmakende één organisch geheel. Ze vormden Hem niet een bundel van producten der Hebreeuwsche letterkunde, maar golden in zijn oog als een heilige eenheid van eigen soortquot;. Tegen het antithetische in dit stukje heb ik bezwaar. Waarom kan de Schrift d. O. V. niet zijn „een organisch geheelquot; en toch tevens een „bundel van producten.quot; Strijdt dat tegen de idee „organiesch geheelquot; — dan mag Dr. K. evenmin van „onderscheidene geschriften van het O. T.quot; spreken. Wanneer „onderscheidenequot; geschriften — in verscheidene tijden, door verscheidene personen, op verscheidene plaatsen te boek gesteld — een geheel vormen, moeten ze in één bundel worden vereenigd. Dat is dan de gemaakte, uitwendige, mechanische eenheid. Vormen zij tevens een organiesch geheel, dan is het organische niet te verklaren uit dat mechanische, maar alleen uit den inhoud, uit den geest, uit de bezielende macht in die geschriften, waardoor zij sui generis zijn.

Tal van bijbel-plaatsen, hier te pas komende, worden nu door Dr. K. aangebracht

1) Om één staaltje te toonen Tan dit „Schrift-bewijsquot; zien we welk gebruik de Sclirijvcr maakt van Joh. VI: 45. „Wil men het bewijs, dat Jezus niet

ocr page 167

155

„In de tweede plaatsquot; vervolgt Kuyper, „blijkt dat Jezus de Schrift des Ouden Testaments in zulk een zin als één geheel van gezaghebbende Schriftuur heeft erkend, dat een woord, een stuk er uit als zoodanig autoriteit had, en als ypxQy, of yeypxy^èvov, of ytypxTrrxt die hooge conditie bezat, dat men er zich op kon beroepen. Het gebruik van deze uitdrukkingen toch wijst niet op een citaat, maar op een autoriteit in den zin, waarin Pilatus uitriep: o yiypxQx, ysypxCpx, wat hij niet zei als auteur, maar als Landvoogd bekleed met discretionair gezagquot; (bldz. 382). Deze illustree-ring acht ik minder gelukkig aangebracht. Pilatus, de Joden eindelijk moé, voegt hun toe „o ysypxtpx, yeypxtpx . . . valt mij niet meer lastig, wat ik geschreven heb, heb ik geschreven en daarmeê uitquot; De gedachte aan zijn discretionair gezach als Landvoogd komt in den ontstemden man niet eens op. Maar dit ten onrechte bijgebrachte voorbeeld dient Dr. Kuyper als geleidelijke overgang tot zijne volgende redeneering. Teypxzrxt en yeypx^y.evov veronderstelt een subject. Wordt nu dat subject niet expres uitgedrukt dan is bedoeld het

alleen het geheel als organisch één beschouwde, maar ook de groepen in dit geheel zich voorstelde als organisch samenhangende, zie dan in Joh. VI: 45, waar hij citeert uit Jesaia LIV en uit Jeremia XXXI, en nu zegt, niet dat dit bij Jesaia en Jeremia alzoo voorkomt, maar iv to7; TrpoQyTecie. Ook dat onderdeel van «/ ypxipzc, dat D\'Wa; heette, wordt alzoo door het lidwoord als een organisch geheel aangeduid, dat als zoodanig ons het program der toekomst biedtquot;, (bldz. 382). Slaan wij nu de Schrift op. Johannes VI: 45: „Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijnquot;. Jesaja LIV : 13: „En al uwe kinderen zullen van den Heer geleerd zijnquot;. Jeremia XXXI: 34 : „Want zij zullen Mij allen kennenquot;. Let nu op de door ons gecursiveerde woorden. Mogen wij hier van „citeerenquot; spreken? Immers niet- Hier is een vrij, toch getrouw-reproduceeren. Och, de Heer Christus vraag niet naar de letter maar naar den geest. Uit de volle kennis en het geestelijk inzicht dat hij in de Schriften had reproduceert de Heer zeer vrij beide plaatsen. De gedachte „ik citeerquot;; „ik citeer uit Jesaja en uit Jeremiaquot;; „ik citeer uit Jesaja en uit Jeremia en noem hen opzettelijk ot \'xfo^rxt om aan te duiden dat ik mij de groepen in het geheel der Schriften als organiesch samenhangend voorstelquot; — die gedachte, dat doel mogen wij den Heer niet toeschrijven. Hij stelt een waarheid op den voorgrond en zegt dat die waarheid reeds geleerd werd in dat gedeelte der Schrift dat o! vfo^Tui heet. Wat bij den Heer geest is en leven mogen wij niet versteenen tot schoolsche letter.

ocr page 168

156

absolute subject: God. Nu bezigt Jezus op deze wijze de Schrift des O. T. als iudex litis. Enkele plaatsen noemt hij ypocCpy. Hetzelfde geldt van yiypxiiTxi en yeypx/t/tevov. — Wat zullen wij tot deze redeneering zeggen? De Schrift en bloc, zooals zij daar voor den Heer lag, was Hem judex litis. Wat wint Dr. K. er nu bij dat de naam van het geheel , ook wel wordt overgedragen op gedeelten van dat geheel ? Ik zie niet dat zijne argumentatie daardoor in kracht toeneemt. Hoe verwarrend fijn spreekt onze dialecticus over het niet uitgedrukte subject bij ysypxTrrai. Hoe weet hij dat het bij te denken subject alleen het absolutie is? Indien de „auctor secundariusquot; wel genoemd wordt {-jtto c. gen. auct.) mogen we dan niet aan het absolute subject denken? Ik vind iets deïstiesch in dat alles. Men vraagt onwillekeurig waarom Dr. K. er zoo nadruk op legt dat de Heer eene enkele perikope ypxQy noemt. Dat blijkt uit wat volgt. De Hoogleeraar bedoelt deze climax; Voor den Heer heeft goddelijk gezach: de O. T.ische Schrift in haar geheel; een bepaalde groep van geschriften in het O. T.; een enkele locus in het O. T.; een enkel woord — ja een enkele letter in het O. T.

1) Ter kenschetsing ran Kuypers Schrift-theorie willen wij alleen nagaan wat hij van den laatsten gradus in deze climax zegt. „Zelfs tot op de letter breidt Jezus dit gezag uit, als hij luk. XVI: 17 zegt, dat eer hemel en aarde zullen voorbijgaan, dan in\'xv xefaiav Terrav roü vónou; iets wat blijkens het voorafgaande vs. 16 niet slaat op de tien geboden, noch op bepaalde wetten maar op de wet en de profeten, d. i. op geheel de Schriftuurquot;. Ik zal er met Dr. Kuyper niet over twisten of deze xepaiec op de afgekapte jod zag. Maar wanneer hij beweert „het zeggen, dat zelfs geen xepcetx vallen zal, vindiceert dus de autoriteit tot op de letterquot;, dan vraag ik in gemoede of Dr. K. niet weet te onderscheiden tusschen oostersche beeldspraak en de taal der school? En zoo ja wie hem dan recht gaf des Heeren figuurlijke uitspraak als eigenlijk te nemen ? Waarom \'s Heeren woorden zóó geïnterpreteerd dat zij in tegenspraak komen met de werkelijkheid? Welk eerlijk theoloog zal durven beweren dat er niet tientallen van corrupte plaatsen zijn in den text van het O. T. ? Maar, door zijn stelsel gebonden, moet Dr. K. voor niets terug schrikken. ,,In Matth. XXII: 41 en vv. hangt de bondigheid van Jezus\' betoog aan het ééne woordquot; iJINb. ,,De Heere heeft tot mijnen Heere gezegdquot;; ja strenger nog genomen, aan de ééne iod. De klem toch valt op het: mijnen Heerequot;. Had Dr. Kuyper een enkelen blik geworpen op den context dan had hij een waarschuwing gelezen tegen zijn litteralisme.

ocr page 169

157

Wij ademen ruimer wanneer Dr. K. de vraag behandelt hoe Jezus oordeelde over den inhoud der Oud-Testamentische Schriftuur? Hij ontwikkelt hier \'s Heeren „hi Tr^puóvvxi1\' en „oii tivvarxi luóyvxiquot; van de Schrift gezegd. De Heer zag in het O. ï. niet slechts een mozaiek, waaruit Hij waar het pas gaf, een enkele ypxQy opnam. „Integendeel het Oude Testament is Hem één geheel, dat als geheel op Hem doelt . . . Als geheel wijzen deze Schriften dus concentrisch op Hemquot;. Eene theorie der inspiratie heeft Jezus nooit voorgedragen. Maar de idee der inspiratie heeft hij uitgesproken. Deze idee is „dat God met zijnen Geest in den geest des menschen indringt, en in zijn geest, d. i. in zijn bewustzijn, een concrete gedachte inbrengt, die deze mensch niet uit zichzelf noch van andere menschen zou erlangenquot;.

„Het getuigenis der Apostelenquot; heet § 43. De benaming van § 42 is dus minder juist. Die had moeten luiden: „Het getuigenis van Jezusquot;. K. wettigt in zijne praktijk onze kritiek dat van „zelfgetuigenis der Schriftquot; te spreken minder

Tot tweemaal toe worden Davids woorden opgenomen in \'s Heeren prediking met transpositie van den eersten persoon „tnijuen Heerquot; in den derden „zijnen Heerquot;. Tot tweemaal toe moest de Staten-Vertsling dit „zijnenquot; eursivceren, d. i. invoegen, omdat liet niet uitgedrukt wordt in liet Grieksch noch bij Matthaeus, noch bij Marcus, noch bij Lukas. Indien de Heer aan die jod zulk een gewicht had gehecht had hij haar in de transpositie zeer zeker weergegeven. Maar de bondigheid van het betoog hangt niet aan die jod. Onderzoek van den Psalm leert het ons.

tllfp dn; : Woord van Jhvh tot mijaen Heer. Een onderdaan in Israel noemt zijn Koning (1 Sam. 22:12; 1 Kon. 1:17). Soms

wordt TjbMlTt er bij uitgedrukt (1 Sam. 24:9; 1 Kon. 1:13). Uit de volle uitdrukking blijkt reeds dat de nadruk niet valt op den suffix (mijn) maar op het nomen (Heer). Anders luidde de volle vorm: ^3^73 Nu wordt

de pericoop Matth. 22: 41—46 ons duidelijk\'. De Phariseeërs en de Heer vatten Ps. 110 messianiesch op. Wij ook. De Heer dwingt de Phariseeërs, op grond van het Psalmwoord, de bovennatuurlijke beteekenis van den Messias te erkennen. Anders had David hem, zijnen zoon, niet kunnen noemen „Heerquot;, (mijn) „Heerquot;, öeen regeerend Koning spreekt van zijn Zoon als van eenen (zijnen) Heer, als van een die boven hem staat. Deze opvatting van Matth. 22:41—46 , door Christus zelf aangegeven, werpt K\'s. theorie, gebouwd „op de eene iodquot;. omver. In de transpositie van Davids woorden laat de Heer, in den letterlijken zin, eene iod tot tweemaal toe vallen!

ocr page 170

158

nauwkeurig is. Tal van plaatsen steuuen zijne stelling „dat het niet moeilijk valt aan te toonen, dat ook de Apostelen de idee der inspiratie kenden en eerden. Act 2:4; 8 : 29; Rom. 3:2; 1 Cor. 7 : 40. Wie de plaatsen nagaat ziet dat Dr. K. zich hier verwijdert van het eigenlijke onderwerp der §. Nauwer omsluit hij het met de tweede opmerking „dat ook de apostelen het Oude Testament niet als eene collectie van litterarische documenten, maar als één codex, die organisch ineenzat, en met Goddelijke autoriteit bekleed was, hebben beschouwdquot;. Gelijk vroeger bij eene soortgelijke verklaring maken wij bezwaar tegen de negatie „niet als eene collectie van litterarische documentenquot;. De Schrift is één in het onderscheidene; eenheid in de veelheid; ypxtyy én ypxlt;pxc. Finesses als wij in de vorige § vonden ontbreken ook hier niet. De apostelen „baseeren hun betoog op een enkel woord uit het Oude Testament, haast zou men zeggen op een enkele letter. In Gal. Ill: 16 rust het geheele redebeleid op het enkelvoud airspfiKTii zoo in het oorspronkelijke ééne letter anders ware geschreven geweest, en er meervoud ware gelezen, zou geheel het apostolisch betoog vervallen zijn. Geheel hetzelfde vindt ge in I Petr. 111:5, 6 waar de vermaning rust op het feit, dat Sarah haar man ijin noemdequot;. Om Dr. K. bewijsvoering te cha-rakteriseeren schreef ik ook die laatste zinsneden af. Uitgewerkte beoordeeling bespaar ik den lezer. Dr. K. verstaat de kunst „de solliciter les textesquot; zooals Renan het noemde. Maar hij doet het niet altijd „doucementquot;.

Ten derde constateert K. „dat ook in den apostolischen kring het O. T. gold als het gepraedestineerde dzoypxCpcv van Gods Raad, waarvoor de auctor secundarius vaak slechts onbewust het documentquot; leverde, dat als van hooger oorsprong Goddelijke autoriteit bezitquot;, (bldz. 394)!).

I) Ter kenschetsing van de bewijsvoering geven wij één staaltje. „Sterk komt dit uit in Acta II: 21, 25, waar Petrus zegt: oi/x ïjv Suvxtov , dat Hij van den dood gehouden werd. En waarom acht hij dit onmogelijk? Is het, omdat Jezus de Zone Gods was? Ongetwijfeld óók daarom; maar toch

ocr page 171

159

Opmerkelijk is wat Dr. K. schrijft over de afwijking in citaten uit het O. ï. in de apostolische geschriften. „Hun citaten zijn lang niet altoos een letterlijke vertaling vau wat in het oorspronkelijke te lezen staat .... Wie oordeelt dat de Schrijvers uit den apostolischen kring suo marte schrijven, kan hier dan ook kwalijk tot een andere conclusie komen, dan dat deze wijze van doen fout was, en op willekeurige of onwillekeurige, maar in geen geval verschoonlijke, vergissing berustte. Heel anders echter komt de zaak te staan, zoo men uitgaat van de stelling, dat ook deze Schrijvers zeiven op analoge wijze geïnspireerd waren als de Schrijvers, wier tekst zij citeerden. Wie eens anders taal citeert, moet letterlijk aanhalen, maar een schrijver, die zich zei ven citeert, is alleen aan den zakelijken inhoud, niet aan den vorm van wat hij schreef, tenzij dan tegenover derden, gebonden. Is het dus dezelfde Uvevpx quot;Ayiov, die door de profeten sprak en de apostelen inspireerde, dan is het dezelfde auctor primarius, die bij de apostelen zich zeiven citeert, en juist daarom volkomen gerechtigd is, zijn oorspronkelijke bedoeling, in de toepassing op het geval, waarvoor geciteerd

hiervan zwijgt Petrus, en als eenige reden geeft hij op, dat in Faalm XVI geschreven stond: „Gij zult uw Heilige niet overgeven, om verderving te zienquot;. Het ouk ijv Suvctrov rust alzoo op het feit, dat het tegenovergestelde in het Oude Testament stond; een redeneering die alleen klopt bij de onderstelling, dat het Oude Testament ons het program voorlegt van hetgeen naar Gods Baad en wil moet geschiedenquot;, (bldz. 394—395). Ik leg den klemtoon op de laatste woorden. Psalm 16 is dus door Petrus erkend als docu-mentum revelationis. Uit het documentum leer en wij kennen wat geschieden moest, \'t Moest niet geschieden omdat \'t in het documentum staat, maar het staat in het documentum omdat \'t geschieden moest. Waarom was het niet mogelijk dat Christus van den dood zou gehouden worden? Daarop luidt het andwoord: Omdat hij Gods Zoon was. Daarom en daarom alleen. „Neenquot; zegt Dr. Kuyper, óók daaromquot;. Oók daarom? Neen, daarom alleeu. „Maar hiervan zwijgt Petrusquot;. Hiervan zwijgt Petrus niet. Hij haalt juist den Psalm aan waarin staat: „Gij zult uw Heilige niet overgeven, om verderving te zienquot;. Christus kan van den dood niet gehouden worden — geenszins omdat die woorden in den Psalm staan — maar krachtens eene wet in die woorden vertolkt, krachtens de wet der heiligheid. Wij mogen het priucipium esseudi niet verwarreu met het priueipium cognosceudi.

ocr page 172

160

wordt, in eenigszins gewijzigden vorm, en in aansluiting aan de gangbare vertaling, weer te geven. . . . Zoo zou een ander niet mogen doen, maar wel de auctor zelf, overmits hij gerechtigd en in staat is, tegen miskenning van zijn oorspronkelijke bedoeling te wakenquot;, (bldz. 398—399) i).

1) Zie hier bij de theorie de praktijk! „Het citaat uit Psalm XL: 7 in Hebr. X: 5 moge dit toelichten. Ongetwijfeld is de vertaling, die hier gegeven wordt, ontleend aan de LXX, en even ongetwijfeld is de overzetting van de LXX fout, en óf door de verwisseling van oitix, óf, gelijk andereu willen, door die van iróiix, met s-wfia in de afschriften bedorven. D\'ÏTSt is nu eenmaal niet maar urtx. of Sra. Moet nu daarom gezegd, dat

de lezing o-aifta een andere gedachte aangeeft? Zeer zeker, indien men het rrl3 QirTN vertaalt: „Mij hebt Gij de ooren doorboordquot;, in den zin, waarin de vrijwillige slaaf met het oor aan den deurpost zijns heeren genageld werd. Deze vertaling is echter volstrekt onhoudbaar, eenvoudig wijl dit nooit van de Ö^ITN in duali gezegd kon of kan worden. De eenig juiste vertaling is dan ook: Mij hebt ge de ooren uitgegraven, in den zin van geopend, d. i. Gij hebt mij toebereid tot den dienst der gehoorzaamheid. Voor deze gedachte nu kon de uitdrukking: sünx SI xzTvpn\'cna [/.oi evengoed dieust doen, naar den regel van het totum \'pro parte. Als ik een wond aan den duim heb, kan ik drieërlei uitdrukking bezigen: ik heb iets aan mijn duim, ik heb iets aan mijn vinger, of ook: ik heb iets aan mijn hand. Voor de toebereiding van het oor kon dus evengoed gezet: de toebereiding van het trüiix-, mits beiden in den zin, dat dit physico-symboiisch doelt op de geestelijke gehoorzaamheid, die ook in het uitwendige te volbrengen is. Welnu, dat in Hebr. X : 5 zóó en niet anders dat a-üna wordt opgevat, blijkt uit vs. 9, waar de epexegese uit Ps. XL : 8 wordt overgenomen: .,Zie, ik kom om uwen wil te doen, d. i. om te gehoorzamenquot;. En dat hiermee werkelijk verklaring van het tühx sè nxriiptiiru (j.oi wordt bedoeld, blijkt uit de bijvoeging: „Hij neemt het eerste (de brandotferen en slaeht-offeren) weg, om het tweede (de volkomene offerande der gehoorzaamheid) te stellen. De verzoenende daad van Christus\' offerande lag dan ook niet in de kruising van zijn a-Sifix op zich zelf, maar in zijn wil om te gehoorzamen; gelijk er uitdrukkelijk in vs. 10 bij staat: in welken wil (niet in welk lichaam) wij geheiligd zijn. De vraag of het volgende rij? Trpoa-tyópxQ toü awiixroi; tou Xpirrov op het rü/zx in vs. 8 terugslaat, ia dan ook nooit met zekerheid te beantwoorden. Maar ook al neemt men deze toespeling aan, dan volgt hieruit nog nooit, dat in vs. 8 rechtstreeks de incarnatie, d. i. het verschaffen van het lichaam voor zijne zelfofferande bedoeld is. Eer het tegendeel; want de exegese, die vs. 9, gelijk we zagen, onmiddelijk op vs. 8 volgen laat, zegt het omgekeerde. De onmiskenbare fout in de vertaling, of althans in de afschriften, leende zich dus uitnemend, om nochtans de oorspronkelijke bedoeling van den auctor primarius in Ps. XL : 7 uit te drukken, en dit nu maakt, dat in een Grieksch geschrift deze Gricksche

ocr page 173

161

In dé polemische § 44 „Beteckenis van dit resultaat vooi\' het Oude Testamentquot; vinden wij menige belangrijke opmerking, ook op het gebied van de geschiedenis der Godgeleerdheid. Maar een polemiek ten bate van een theorie en eene praktijk, als wij uit gegeven staaltjens kennen, gaan wij liever stilzwijgend voorbij. Dat mogen wij niet doen met § 45. „De inspiratie van het Nieuwe Testament.quot;, (bldz. 408). In den kring van Jezus moest de Schriftuur des N. Testaments buiten beoordeeling blijven om de eenvoudige reden dat zij nog niet bestond. De autoriteit van den Paus „ontbeert zelve het Goddelijk zegel, dat ze zou behoeven, om op de Schriftuur des N. T. het Goddelijk stempel te kunnen drukken. De voor zulk een bezegeling noodige absolute autoriteit buiten ons, ontbreekt dusquot;. Terstond daarop verklaart Dr. K.: „Het Oude Testament is ons vaste steunpuntquot;. Ik zou zeggen: dit steunpunt is toch „buiten ons gegevenquot;. Ook heeft Dr. K. (§ 42, § 43) het O. T. trachten te steunen op gegevens door het Nieuwe hem verschaft. Dat heeft wel iets van eene cirkelredeneering. Het N. T. dan kan zich niet legitimeeren tenzij als complement en kroon van het Oude; als door het Oude gepostuleerd; als door Christus ondersteld en geprofeteerd; als feitelijk gekomen; als door de continuïteit des geloofs in de Kerk van Christus aanvaard. De voorlaatste argumenteering zal wel overtollig blijken. Heeft de Schriftuur des N. T. zich te „legitimeerenquot; — dit sluit in dat zij „feitelijk gekomenquot; is. Alvorens nu die punten toe te lichten schrijft K. een inleidende opmerking, waaraan ik mijne sympathische toestemming geef. (bldz. 409— 410). K. spreekt van „een gezag vanzelf opgekomen; resul-

lezing uiet noodwendig letterlijk naar het Hebreeuwsch behoefde veranderd te worden, maar kon worden overgenomen, als in zin en gedachte aan liet oorspronkelijke gelijk. Iets wat wel ongeoorloofd zou geweest zijn bij het gewone citeeren door een ander, maar geen het minste bezwaar opleverde, nu de auctor primarius van Psalm XL en Hebr. X één en dezelfde wasquot;, (bldz. 399—400). Over beiden, over deze theorie en deze praktijk, mogen onbevooroordeelden zich uitspreken. De oude harmonistiek is niets bij Dr. Kuyper\'s fijn berekende tours-de-force.

ocr page 174

162

taat van organische factoren, dat eerst van lieverlee vast bestand had gekregen, dat zich geleidelijk door psychische factoren, en in organisch verband met het leven van Gods volk, kan vestigen, dat zich zonder uitwendige legitimeering als van zelf oplegt, en dan van achteren blijkt volkomen rechtmatig gevestigd te zijnquot;. Zie dat is geestelijk gesproken, \'t Is het „Veritas sese ipsa defendetquot; geëerd. De Schrift is er. Zij oefent gezach. Waarom? Omdat de Schrift de Schrift is. Door scholastieke redeneeringen zult gij dat gezach niet handhaven. Juist dat gezach verklaart het ontstaan van die schoolsche constructiën. Wagen wij het maar met de Schrift, met het testimonium Spiritus Sancti. Uitwendige middeltjes uit de apologetische apotheek haten toch niet. Men vergeve mij een paradox: ik wilde wel dat orthodoxe theologen de Schrift nooit verdedigd hadden.

Niet concludeerend vinden wij het betoog van den hoogleeraar dat de Schriftuur van het Oude Testament om haar schriftelijk complement in het Nieuwe riep, (hldz. 414) al geven we van harte toe dat „de inhoud van het Oude Testament riep om de completeerende manifestatie in Christusquot;. Slechts door een logiesch niet gewettigden sprong komt men van het laatste tot het eerste. Maar ook Christus zelf, zegt Dr. K. postuleert zulk een tweede Heilige Schriftuur. Toch niet uitdrukkelijk! Ik heb er in de Kanonieke Evangelien nooit van gelezen. Maar dan implicite! Dat tracht Dr. K. aan te toonen. Op Apok 1:11 zal hij den klemtoon niet leggen, omdat het „ypi^pov te ahrupt-mechanisch invaltquot;. Dat vind ik door Dr. K. nog al onvoorzichtig gezegd. Ook komt het voor in een xvriXeyoftcvov. Raakt dat onzen Schrijver op zijn standpunt? Liever wijst K. „op de positie waarin Jezus het apostolaat plaatstquot;. De taak van het apostolaat is o. a.: „1° het optreden als getuigen van de manifestatie, die ze gezien hadden en 2° het verkondigen van tx ipxopevx. Deze dubbele taak nu wordt ten deze op hen gelegd, niet enkel met het oog op de toen levenden, voor wien zij met mondelinge prediking zouden optreden, maar met het oog op „alle volkenquot;, in die volken tot alle geloovigen; en voor

ocr page 175

163

die geloovigen „tot aan het einde der wereldquot;. Voegt men dit nu saamp;tn, hoe wilden dan de apostelen dit dubbele getuigenis aan alle volken en door alle eeuwen brengen, dan óf door niet te sterven, of, waar ze vroeg zelfs wegsterven, door het voertuig der Scripturaquot;. (bldz. 415). Wat zullen wij van het gestelde dilemma zeggen? Wilden wij evenals Dr. K. aprioristiesch redeneeren, wij zouden tegenwerpen; tertium datur: óf de Almachtige God had een, volkomen betrouwbare, mondelinge overlevering doen ontstaan. Tegen dat tertium is heel wat aan te voeren. Toch is het minstens even probabel als het „entwederquot; in K\'s. constructie dat het niet sterven der Apostelen stelt. Zóó wonderlijk construeert Dr. K. zijn dilemma om den lezer te dwingen tot het „oderquot;: „de Apostelen moesten het voertuig der Scriptura hanteerenquot;. Hoe sterk zou nu K.\'s constructie staan indien de Kanon des N. Testaments door de Apostelen saamgesteld was zooals b. v. de legende het Apostolicuum laat ontstaan. Twaalf-Apostelen; ieder één artikel; ziedaar de Twaal-Artikelen. Maar wij weten dat het zóó niet toeging. Wij weten dat de N. Tische boeken gelegenheidsschriften zijn, niet saamgesteld als integreerende deelen van een program naar \'s Heeren opdracht of prophetie vervaardigd. In den drang der omstandigheden erkennen wij Gods aanbiddelijk bestuur. Alle volken die met het Evangelie in aanraking kwamen bezitten Paulus\' brief aan de Romeinen. Was dat des Apostels beweegreden om dien brief te schrijven? Dr. K. gaat in zijne constructie zóó ver dat hij 2 Tim. 2:2 aldus inleidt: „Zelfs zien we Paulus maatregelen nemen, om, zoolang de Scriptura nog toeft, de leemte aan te vullenquot;. Nóch in den text, (waar Rome haar letter in vindt), nóch in den context is er iets, dat ons wettigt aan Paulus de gedachte toe te schrijven: de Scriptura toeft nog. Nóch Paulus, nóch een ander Apostel heeft gesproken van die nog toevende Schrift. Dr. K\'s. ingewikkelde constructie en de geschiedenis zijn twéé. Een oogenblik later (bldz. 419) schrijft de Hoogleeraar zeer terecht: „Er is door de apostelen niet aan gedacht om een soort boek in gereedheid te brengen, dat ze, onder

ocr page 176

164

het zegel van hun naam, op gemeenschappelijke autoriteit zouden achter latenquot;. Er loopen twee stroomingen door K\'s. geest, door heel zijne theologie, door zijne schriftbeschouwing in \'t bizonder: ééne organiesch-spiritualistische en een mechaniesch-scholastieke. De eerste, die ons aantrekt, laat plaats voor de historische kritiek. De tweede, die ons afstoot, is met de kritiek, dus met de historie, onvereenigbaar.

„Over „Eenheid en veelheidquot; in de Schrift gaat \'t in § 46. „De Heilige Schrift biedt zich aan het geloof als een eenheid aan en het is die eenheid, die onze oude Theologen haar essentia noemden, d. w. z. datgene wat haar tot Schrift maaktquot;. Dus biedt de Schrift zich zelf aan als haar eigen essentia, als datgene wat haar tot Schrift maakt. Ik gevoel me als rondgedraaid in een cirkel van woorden. „In dien zin is de Schriftuur het Woord Gods, en is elke onderscheiding, die alleen van een Woord Gods in de Schriftuur wil hooren, eene loochening van haar essentia of wezenquot;. Al die woorden maken mij niet wijzer, vooral niet daar de Schrijver mij weldra vermaant „den goudkorrel in het ertsblok te onderscheidenquot;, mij herinnert: „lang niet alles wat aan en in den halm opschiet is tarwequot;; mij leert „de vrucht van wat geen vrucht is (te) onderscheidenquot; en „de goudader van den goddelijken factor zuiver te houdenquot;. Niet in de Schrift echter is Gods Woord, maar „de Schrift is de photographie van Gods Woordquot;. Tal van beelden en vergelijkingen volgen, de paralel tusschen den Aoyo? ivexpxw/tsvoi; en èyypxQoc •, de msóca die in de menschelijke realiteit ingrijpen; de Acyoc, die niet verschijnt èv itoptp# Ty: maar in knechtsgestalte, de tuttoi met gebrek en zonde behebt; de axixt die altijd menschelijk gebrekkig blijven; de faftarx steeds gebonden aan de beperktheid van onze door anomaliën gestoorde taal; kwabben en bobbels in de schilderstukken der jongste fran-sche school; chemiesch onderzoek van het vleesch en bloed van Christus en het onze . . . . \'k heb dat alles gelezen en ik smacht naar eenvoud en naar helderheid. Wat toch de eenheid in de veelheid en de veelheid in de eenheid der

ocr page 177

1(55

Schrift aangaat. Dr. Kuyper heeft er niet rustig en duidelijk over gesproken.

Voor „het velequot; wordt voorts onze aandacht gevraagd, al dadelijk in § 47 „De instrumenten der inspiratiequot;. Kuyper onderscheidt 1° „Subiectieve en obiectieve instrumenta in-spirationisquot; en 2° ,.de middelen, die in den mensch en in de wereld om hem van zelf aanwezig zijn, en die andere welke God er opzettelijk voor doet ontstaan of inrichtquot;. De subjectieve en voorhandene middelen zijn de uitspraak, de toespraak, de impuls. De subjectieve, maar door God verwekte middelen zijn de ï-raTin, de aibn, de -pin. Tot de objectieve openbaringsmiddelen rekent Kuyper de mniN in den ruimsten zin, het ddto, de niNbsï. Deze § brengt ons over op het gebied Theologia Biblica, bepaaldelijk van het Oude Testament. Zij is zeer leerrijk. Zij behoort tot de beste gedeelten van heel het werk. De Schrijver is hier helder en klaar. Al dat gekunstelde en gewrongene dat zoo dikwijls zijne uiteenzetting ontciert, wanneer hij eigen constructiën vertolkt, wijkt hier nu hij het objectieve refereert. Even gunstig moet ons dankbaar getuigenis luiden aangaande § 48. „De termen der inspiratiequot;. Van de inspiratio revela-tionis, niet van de inspiratio Sacrae Scripturae is hier sprake. Met de scherpe onderscheiding tusschen die twee wensch ik Dr. K. geluk. Inspiratie berust op „de tegenstelling tusschen het Kvevpx Gods en het ttvsu/^x des menschenquot;. „Onderscheidingquot; ware hier beter woord dan „tegenstellingquot;. Een oogenblik later immers spreekt K. van „de meerdere of mindere affiniteitquot; tusschen ons en Gods Trvsvpx. Daardoor kan eene centrale inwerking van Gods Geest op onzen geest uitgaan. Dat is de algemeene inspiratie. Zij heeft haar grond 1° in de alomtegenwoordige immanentie Gods. \'Ev ccüra leven we, bewegen we ons en zijn we. Deze verhouding wordt 2° bepaald door ons geschapen zijn naar Gods beeld. 3° TfXo; van den mensch als zich ontwikkelend wezen is het zijn van God in hem, en van hem in God. Wij hebben dus bij de inspiratie drie termen: a. den spiritus inspirans; b. den spiritus cui inspiratur; c. den inhoud van het geïn-

12

ocr page 178

1 Öf)

spireerde. Op deze keurig bewerkte § volgt de 49e over „De vormen der inspiratie. Kuyper onderscheidt de volgende typen: „lyrische, cbokraatische, profetische inspiratie; inspiratie van den Christus; inspiratie der apostelen. In een afzonderlijke § (50) komt de „graphischequot; inspiratie ter sprake. Even dankbaar als ik het schoone en ware van § 49 erken, even onbewimpeld verklaar ik dat die § 50 over de „graphische inspiratiequot; bijster zwak is. Een koninkrijk tegen zich zelf verdeeld is die §, waar volgends K. theorie alles op aan komt. De twee stroomingen van gezonde, christelijke mystiek en die van scholastiek a priorisme botsen gedurig tegen elkander. Spreekt Kuyper-mysticus dan blijkt het geloof niet in strijd te zijn met de wetenschap. Spreekt Kuyper-scholasticus dan wordt alle resultaat van wetenschappelijk onderzoek genegeerd. Wij moeten, zullen wij niet onbillijk zijn jegens den begaafden Schrijver, dit oordeel staven. Daartoe willen wij hem, hoe uitgebreid deze uiteenzetting ook worde, eerst op den voet volgen. De hors-d\'oeuvre laten wij liggen. Wij hebben ons weêr voor te bereiden op allerlei heenwijzingen naar wat later behandeld zal worden, later bij de disciplinae Canonicae en de ars textualis. „Het tot dusver omtrent de inspiratie gezegdequot;, zoo vangt de hoogleeraar aan, „gaat nog geheel buiten de Heilige Schrift als canonieke schriftuur omquot;. Welken waarborg hebt gij tot nu toe „dat hetgeen de Heilige Schrift u biedt, metterdaad uit de sfeer van deze inspiratie genomen, en in een vorm, waarop ge genoegzaam aan kunt, tot u is gekomenquot;? Wij merken op dat het woordje „genoegzaamquot; hier te onbepaald is, en voor K\'s. theorie te zwak. Die theorie eischt „volkomenquot;, eischt „met volstrekte zekerheidquot;. „Genoegzaamquot; is een relatief begrip. Waartoe „genoegzaamquot;?

„Hoe bijna niets is ons bekend van de prediking der meeste apostelen, zelfs van Petrus en Paulus, die toch jaren lang keer op keer, hun apostolisch getuigenis uitbrachten. Wat zijn dertien brieven voor een man als Paulus, in zulk een carrière, met zoo wijd vertakte relatiën?. Wat is er niet over zijn brief aan de Laodicensen verhandeld, alsof dat

ocr page 179

167

heusch de eenige ware, die in de Schrift niet is opgenomenquot;? Zie dat is ronduit den toestand teekenen! Duidelijkheidshalve had Dr. Kuyper nu de toepassing moeten maken: Op welken grond, met welk recht, beweer ik nu dat de Kanon van het O. T., dat die van het N, T. „gereedquot; is , „gereedquot; in den zin door mij bedoeld: niets er af, niets er bij?

„En van den anderen kantquot; — K. spreekt — „wat laat de inspiratie, gelijk ze dusver beschouwd is, een aanmerkelijk deel der Schrift ongedekt! Ook al rekent ge Samuel en Koningen onder de cwa:, dan blijft toch nog altoos het boek der Kronieken, Ezra, Esther en Nehemia enz overquot;. Wat K. hiermeê bedoelt is mij niet recht duidelijk. Zou er eene bekentenis in schuilen dat het hoofdstuk over de Vormen der inspiratie onvolledig is, wijl het historische genre daar niet ter sprake komt? „En, wat in de derde plaats, alles afdoet, ook al bestond dit verschil in omvang niet, dan nog zou het dusver verhandelde nooit tot een verder resultaat leiden, dan dat er zoodanige inspiratie in een ge-heele reeks van Godsgezanten plaats greep, maar zonder dat de teboekstelling van wat ze onder die inspiratie zongen of uitspraken, onder controle stondquot;. Duidelijk gezegd! Aan dat ééne, alles afdoende, hangt heel K\'s. theorie als aan een zijden draad. Indien de draad eens brak ten gevolge van fausse steeën!

Wat is dan de graphische inspiratie? De Hoogleeraar andwoordt: „die leiding door den Geest Gods aan den geest der Schrijvers, verzamelaars en redacteuren van de Heilige Schrift gegeven, waardoor deze xytxi ypdQxi zulk een gestalte aannamen, als dit in den Raad des heils, onder de media gratiae, door God voor zijn Kerk gepraedestineerd wasquot;, (bldz. 493). Staan we even stil. Schrijvers — goed. Verzamelaars — goed. Maar nu nog „redacteurenquot;. Wie zijn dat? Is er voor hen wel\'plaats in K\'s. theorie? Voor „redactoresquot; b.v. van de Thora? Laat de Wet van Mozes in den zin, waarin Dr. K. die laatste woorden ieder oogenblik, tegen de kritiek, sterk betoont, wel plaats voor „redacteurenquot;?

ocr page 180

168

En voorts kan Dr. K., in dezen context, wel zwijgen van de overschrijvers, van de vertalers?

Nu moet een misverstand worden afgeweerd. „Deze gra-phische inspiratie valt bij een brief als die aan de Galatiërs bijna geheel met de apostolische inspiratie samen, omdat, waar het een verzonden brief gold, de apostolische inspiratie zelve een graphisch karakter droegquot;. Wat K. hier zegt begrijp ik niet. .,En toch dekt ook hier het ééne begrip het andere niet volkomen. Voor zoover er toch keuze plaats greep tusschen onderscheidene brieven, of ook tusschen onderscheidene afschriften van denzelfden brief, kwam er een andere factor in het spelquot;. Het is me als stond ik te Delphi orakeltaal te hooren. Ik zie geen verband tusschen deze zinsnede, en de onmiddelijk voorafgaande. Maar verder ! „Ook geven we toe dat het logischer zou zijn, hetgeen niet als graphische inspiratie wordt aangeduid als onderdeel op te nemen onder de actio Dei circa Canonem, die op haar beurt weer onder de Opera Dei quoad providentiam, en wel quoad providentiam specialem thuis hoort. ... O. i. zou het zelfs voorkeur verdienen, deze geheele materie onder de disciplina Canonica (waarover later) te behandelen, en zou er veel verwarring voorkomen zijn, indien men deze actio Dei circa Canonem steeds principieel van de eigenlijke inspiratie onderscheiden had. Nu toch is er een verwarring van begrippen ontstaan, die voor velen elk helder inzicht bijna ondoenlijk maaktquot;. Ik zou adviseeren: indien dat logischer is, indien dat de voorkeur verdient, indien dit, indien dat . . doe het dan! Dr. K. doet \'t niet. „Het kerkelijk spraakgebruik gedoogt het nietquot;. Zóó groot een respect voor het kerkelijk spraakgebruik had ik in een wetenschappelijk werk liever niet gevonden. Enfin — dit onduidelijk stukje is een incident. Wij komen weer bij de „graphische inspiratiequot;. „Deze graphische inspiratie nu draagt allerminst een eenvormig karakter, maar verschilt naar de geaardheid van de onderscheidene deelen der Heilige Schrift. Het minst komt ze, gelijk we reeds opmerkten, uit bij de apostolische brieven , daar deze reeds êv ypxCpïj gereed lagenquot;. Ik begrijp er

ocr page 181

169

weêr geen zikkepit van! Een apostolische brief moet geschreven worden. Daartoe is graphische inspiratie noodig. Nu, niet zoo hoog noodig, zegt Dr. K., want die brief ligt reeds iu ypmQy gereed. Gereed sv ? En hij moet juist

geschreven worden!

De graphische inspiratie leert Dr. K. verder was ook niet van aanmerkelijke beteekenis bij zuiver lyrische dichtstukken. Zij was niet het sterkst bij stukken van chokmatischen, profetischen of lyriesch-didaktischeu inhoud. Neen, maar ze moest vooral sterk zijn bij het opstellen van historische geschriften. Wij luisteren: .,Ook bij deze geschriften toch heeft, blijkens den inhoud, geen op zij zetten plaats gehad van die natuurlijk gegevens, die voor dergelijk auteurschap in den mensch gelegd, en door de gratia communis bestendigd waren, maar sluit zich integendeel de graphische inspiratie geheel aan deze natuurlijke gegevens aan. Gelijk men thans, om een stuk historie te boek te stellen, de woordelijke overlevering raadpleegt, oude kronieken of documenten verzamelt, navraagt bij wie er van weten kan, en zich op die wijs een voorstelling poogt te vormen van wat werkelijk geschied is, zoo ook zijn de historieschrijvers der Heilige Schrift zoowel van Oud- als Nieuw Testament te werk gegaan. Wat Lukas zelf mededeelt 1° dat V0AA5/ snsxelpyixv xvoiTx^xffdxt or/wciv, 2° dat hij onderscheid maakt tusschen hetgeen al dan niet volle zekerheid had, 3° dat hij nogmaals alles van voren af aan onderzocht heeft, 4° dat hij vooral afgaat op de traditie van oor- en ooggetuigen, en 5° dat hij eerst toen zich in staat achtte, nogmaals een verhaal in goede orde (y.xös^c) te boek te stellen, sluit elk denkbeeld van mechanische instillatie van den iinhoud van zijn Evangelie uit, en mag als regel gelden, dien elk der historieschrijvers gevolgd isquot;, (bldz. 496). Verwonderlijk, niet waar, dat Lukas zélf van die „graphische inspiratiequot; met geen enkel woord melding maakt, dat er nergens in de Schrift sprake van is. Zij is, als ik wél zie, een theo-logoumenon van Dr. Kuyper. De lof dat hij zijne vinding met zekere consequentie door voert, mag hem niet onthouden

ocr page 182

170

worden. Maar die medaille heeft een keerzij! K. zegt dat wij iu de Schrift verhalen hebben, die herzien zijn door redacteuren, door tweede, door derde redacteuren. Hij leert dat die redacteuren hier en daar inlasschingen en bijvoegingen hebben aangebracht. Nu ligt de tegenwerping voor de hand dat die tweede en derde redacteuren den vorm van het geschrift, waarop wij , dank zij der graphische inspiratie, genoegzaam aankunnen, wijzigden en zóó tegen die graphische inspiratie inwerkten. Dr. K. weet echter raad. „Slechts moet dan de graphische inspiratie ook tot deze redacteuren uitgestrekt, daar immers zij het geschrift eerst afleverden, gelijk de Kerk bezitten zouquot;. Slechts! Als of het een kleinigheid gold. Maar: eenmaal aan het „construirenquot; moet men zoo nauw niet zien. En — \'t is „inventé pour le besoin de la causequot; toch vernuftig gevonden. Maar Dr. K. komt er mee in den klem. Onder graphische inspiratie schrijft een historiesch auteur zijn boek. Zóó erlangt het den vorm waar wij, „genoegzaam op aan kunnenquot;. Daar komt nu een redactor, en nóg een, en nóg een. Onder actie der graphische inspiratie zijn zij werkzaam. Waartoe? Om het boek den vorm te geven waar wij genoegzaam op aan kunnen. Maar het boek heeft dien vorm reeds krachtens de graphische inspiratie van den auteur! Dr. K. wil ons de graphische inspiratie van die redacteuren, die inlasschen en bijvoegen, opdringen door te zeggen: ,.Zij leverden het geschrift af, gelijk de Kerk het bezitten zouquot;. Words! Words! Wanneer bezit de Kerk een geschrift in den genoegzaam betrouwbaren vorm door den laatsten redactor er aangegeven onder invloed der graphische inspiratie ? Hoe heet het N. T.ische boek waarbij vergelijking van de verschillende Codices overbodig is? Wij kunnen toch niet gaan rusten op het doornen-bed van den Textus Receptus? Er komen meer moeielijkheden! Dr. K. spreekt niet van de Canones die in het bezit der Kerk kwamen. Dan zou hij nog een weinig kunnen argumenteeren op gezach van de bisschoppen van Hippo\'s en Karthago\'s concilieën. Geen aangename bezigheid voor een protestant! Maar hij spreekt telkens van „een geschriftquot;. De geschie-

ocr page 183

Ifl

denis kan niet aanwijzen wanneer „een geschrift overging in het bezit van „de Kerkquot;. De autographa éérst, de apographa daarna waren in handen van één, kwamen langzamerhand in \'t bezit van twee, van drie, van meer plaatselijke kerken. Het oogenblik, zelfs het tijdvak waarin een geschrift overging in het bezit, „der Kerkquot;, dus officieel, kan hij niet aangeven. Op een x bouwt hij zijne argumenteering, aldus voortgaande: „Wel ontstaat hierbij de moeielijkheid, dat ongeroepen redacteuren, ook nadat zulk een geschrift reeds in het bezit der Kerk was overgegaan, nog wijzigingen poogden aan te brengen, die er dus niet in hoorden, en deze moeten natuurlijk teruggedrongenquot;. Er zijn dus twee soorten van redacteuren. Geroepenen en — ongeroepenen. Vrage: hoe zal ik tusschen die twee soorten onderscheiden? Het criterium; een geroepen redactor herziet, lascht in, voegt bij (Kuyper laat hem niets schrappen) vóór dat een geschrift officieel eigendom der Kerk werd; een ongeroepen redactor herziet, lascht in, voegt bij daarna — dat criterium kan ik, zooals we zagen, niet toepassen. Bovendien: „geroepen redacteurenquot; ? Door wjen geroepen ? „Ongeroepen redacteurenquot;? Door wien niet geroepen? Wat weet de historie van dat alles? Dr. Kuyper biedt ons geen geschiedenis, maar een scholastiek-iiprioristische constructie onder den vorm van historie. Die retlactores echter — geroepen dan of niet-geroepen — zijn er geweest. Zij hebben herzien, ingelascht, bij gevoegd. Zij hebben ook geschrapt, weggelaten, zich vergist. Geen graphische inspiratie voerde ten slotte tot éénen vorm der Schriften. Dr. K. kan dat feit niet loochenen. Hij erkent het eerlijk. En nu, nu brengt de eerlijke erkenning van de feiten hem uit de scholastieke in de spiritualistische strooming. „Dit hangt saamquot;, zegt hij, „met_ de algemeene positie, die de Kerk tegenover de Schrift inneemt, en die juist strekt, om nooit Ae. wiskunstige zekerheid voor de r/e/tw/s-zekerheid in de plaats te doen tredenquot;. Dat gaat den goeden kant uit! Vaarwel, theologie van (a -)- b)3 =: a2 -f- ^ab b2! Of liever: vaar niet wel. Het geloof wil de Schrift zooals het God behaagde

ocr page 184

112

liaar ons te geven. Het geloof, de geloovige man van wetenschap, zegt: ysypxTTTxi, mét den Christus, in zijnen geest, naar zijne bedoeling. Tsypx^rxi, ook al erkent men — met Dr. K. — dat er redactores geweest zijn die hebben herzien, ingelascht, bijgevoegd — hadden zij \'t maar niet gedaan! VsypxiTTXi — en de tekstkritiek blijve haar ideaal najagen! rcypxTTTxi — en wat duidelijk een glosseraatiesch charakter draagt wordt gebrandmerkt, het kome dan van een redactor die „ongeroepenquot; was, of ook van een wien K. \'t getuigenis geeft: „deze is een geroepene.quot; Heb ik dan wel eene Heilige Schrift die „gereedquot; is? Deze tegenwerping kan hém niet deeren, die voor den Christus buigt als voor zijn Heer en zijn God. Zulk een herhaalt de volgende woorden van Dr. K. \'t Zijn woorden die tintelen van echt Christelijk Spiritualisme, \'t Zijn woorden die ons doen hopen dat eens de protestantsche theoloog in Kuyper zal zegevieren over den Scholastieken-leader, \'t Zijn déze woorden, die ik niet gekortwiekt in eene noot wedergeve ^! Zóó spreekt

1) „De tegenwerping, dat men den Christus toch eerst uit de Schrift leert keuneu, en dat dus het geloof aau den Heiland eerst volgen kan op een voorafgaand geloof aan de Schrilt, houdt hierbij geen steek. Nooit kan de lezing der Schrift, als zoodanig, zonder meer, één eenige ziel uit den dood tot het leven brengen. De Schrift is op zichzelve even dof als een diamant in het duister, en gelijk de diamant eerst glinsteren gaat, als de lichtstraal er doorheenschiet, zoo verkrijgt ook de Schrift eerst de kracht om ons zielsoog aau te trekken, als het licht van den Heiligen Geest er doorheen speelt. De Christus leeft, en werkt nu nog door zijn Heiligen Geest op het hart en in liet bewustzijn, van Gods uitverkorenen. De palingenesie grijpt soms reeds in de wieg plaats, of ge zoudt alle jeugdig stervende kinderen als verleren moeten beschouwen. Ook toont menig kind bij de opvoedig, dat de vijandschap tegen God in zijn jeugdig hart reeds gebroken was, nog eer het tot de Schrift kwam. Feitelijk is het dus onjuist te zeggen , dat we eerst tot de Schrift komen, en eerst door die Schrift tot den Christus. Ook waar men eerst op later jaren, na de Schrift te hebben leeren kennen, tot den Christus als zijn Heiland nadert,-moge die Schrift instrumenteel medewerken, maar gaat de wederbarende actie toch altoos- ten principale uit den hemel, van God, door zijn Christus uit; terwijl omgekeerd de meest nauwkeurige bestudeering van die Schrift, zonder dit xvuQev, nooit tot wedergeboorte, en alzoo nooit tot een a-vutpvrov yevéaöxi met den Christus leiden kan. Wel rust een bloot historisch geloof in den Christus enkel op de traditie.

ocr page 185

173

dezelfde man die Hoofdredacteur is van „de Herautquot;! Heb ik recht in zeer strikten zin van twee rnenschen in Dr. Kuyper te gewagen? Het laatste citaat sticht ons. Het steunt ons tot de indenking van het Testimonium Spiritus Sancti (§ 51).

Trachten wij de hoofdlijnen te volgen. Het echte, niet het historische, geloot — dat zal dus wel zijn de fides sal-vifica — is in den zondaar ondenkbaar tenzij hij „den Christus en al zijne weldaden omhelze. Toch is hiermee nog volstrekt niet datgene uitgeput, wat men verstaat onder het testimonium Spiritus Sancti. Dit gaat veel dieper. Al is het toch volkomen concludent, dat wie in den Christus, als God geopenbaard in het vleesch, gelooft, niet tegelijkertijd verwerpen kan het stellig en beslist getuigenis door dien Christus omtrent de Schriftuur des Ouden Verbonds gegeven . toch is en blijft dit bewijs voor de graphische inspiratie altoos een bewijs, dat door conclusie en niet door eigen erkentenis verkregen is. Beide gronden voor het geloof aan de graphische inspiratie moet men dus wel onderscheiden, want al is het geloof, dat op het getuigenis.van den Christus rust, meer absoluut van aard, het testimonium Sp. Sancti

gelijk deze door de Schrift gevoed en gecontroleerd wordt, maar dit geloof bezwijkt dan ook in breeden kring, zoodra een andere opvatting van de Schrift veld wint. Doch omgekeerd toont dan ook de uitkomat, dat waa? werkelijk het civaSev, de krachtaopenbaring uit den hemel, plaata greep, en het zielsbeataan en zielsbeaef omzette, de aanbidding van den Chriatua, ook in de dorste tijden, telkena weer opwaakte, en ateeda, ook bij de kundigate individuen en zelfs te midden van een algemeene negatie, een zich weer onderwerpen aan de autoriteit der Schrift, in maniere ala Jezua ze erkende ten gevolge had. Wat Jezus eens in den tempel te Jeruzalem, sprak: txv ti; SéAji to SeAtffia al/Toü voieïv, yvüa-CTai irept Tij? SiSxxyit KÓrepov lx amp;eov errn, is ook hier de canon. Eerst als we in ons inwendig bestaan en zielsbeaef zijn omgezet, voelen en tasten we in den Christus to @s7ov, en al daalde er een engel uit den hemel in zichtbare gedaante neder, zonder die voorafgaande omzetting van hart en onze toebrenging tot Chriatua, zou toch niemand zich aan Gods Woord onderwerpen. Het uitgangspunt moet altoos in ons innerlijk ik liggen, en zonder dit met de openbaring der Schrift sympathiseerende uitgangspunt, neigt alles in ons er toe, niet om de autoriteit der Schrift te eeren, maar om ze te weerstaan met alle krachtquot; (bldz. 499—501)

13

ocr page 186

174

is, hoewel langzaam rijpend, klaarder en meer in overeenstemming met de vrijheid van Gods kindquot;, (bldz. 501—502). Geheel duidelijk is mij dit niet. Christus\' getuigenis aangaande de boeken des O. ï. is toch heel iets anders dan K\'s. theorie der graphische inspiratie. Ook zie ik niet in dat het Testimonium S.S1 meer in overeenstemming is met de vrijheid van Gods kind dan het gelooven op Christus\' getuigenis. Die twee vallen in werkelijkheid saam. Alleen het discursieve denken onderscheidt ze in de logische argumenteering. — Het Testimonium S.S1 dan is „een getuigenis, dat rechtstreeks van den Heiligen Geest, als de(n) auteur der Schrift, tot ons persoonlijk ik uitgaatquot;. Terecht noemden de Reformatoren het testimonium een argumentum externum, niet internum. Het is geenszins een supranatureele mededeeling van Gods wege, waarin ons gezegd wordt „Die Schriftuur is mijn Woordquot;. Zoo spraken wél minkundigen onder invloed van valsche mystiek. Voor de Reformatoren is het testimonium „lux quaedam mentem ita perfundens ut eam leniter afficiat, eique ostendat rationes ipsi rei insitas, sed antea occultasquot;. Hoe het testimonium op ons inwerkt langs psychologischen weg toont K. in hoofdzaken aan. Het begint met ons aan de Heilige Schrift in haar centrale waarheden te binden en werkt uit dit centrum naar den omtrek. Dit „overtuigingsprocesquot; des Geestes in ons blijft steeds een geestelijk werk. Het laat zich met de schoolwetenschap niet in. Het is buiten machte zich theoretiesch te handhaven, of zich voort te zetten in een bepaald systeem. Veel van het hier ontwikkelde heeft onze welgemeende instemming. Terecht zegt de Schrijver dat „de waarheid der graphische inspiratie nooit uit het Testimonium zou zijn af te leidenquot;, (bldz. 509). Wanneer K. echter zijne theorie van de graphische inspiratie wil handhaven door een teruggaan van het testimonium op de „communis fides, en het kleven aan den Christusquot; dan is zijn betoog volstrekt niet klemmend.

Met dit alles is de leer van Dr. K. over de Heilige Schrift nog niet compleet. Gelijk \'t gedurig in deze encyklopaedie geschiedt, worden wij ook nu weer verwezen naar wat later

ocr page 187

175

betoogd zal worden. Toch kuunen we, na onze detail-kritiek, oordeelen over wat ons tot nu toe geboden werd. Het is eene constructie breed opgezet, fijn uitgewerkt, met vindingrijk vernuft verdedigd, maar nu juist niet gebouwd op heel de werkelijkheid in Schrift en Geschiedenis gegeven.

Wij komen weer op het terrein der Encyklopaedie. Nog een driefal hoofdstukken bevat het „Algemeen Deelquot; van Kuyper\'s werk. Zij handelen over de Methode (H. III, hldz. 511—549), over het Organisme (H. IV, bldz. 547—585), over de Geschiedenis der Theologie (H. V, bldz. 585—628).

De methode der Theologie wordt bepaald door den aard van haar principium. (§ 52). De mechanische behandeling van de Schrift, als ware zij een codex, dien men citeert op den klank af, veroordeelt onze Schrijver- De ektypische Godskennis ligt in de Schrift gelijk het goud in de mijn. De mijn te exploiteeren is een reuzenwerk. De enkeling zou er onder bezwijken. Het subject der theologische wetenschap is dan ook „het bewustzijn der herboren menschheidquot;. In alle landen, in alle eeuwen is, om het uittedrukken in Kuyper\'s termen, dat bewustzijn der herboren menschheid bezig met „1° het constateeren, 2° het assimileeren en 3° het reproduceeren van den in de Heilige Schrift geboden inhoudquot;. Een en ander wordt nader ontwikkeld in een stuk dat uitmuntende methodologische wenken geeft. Daar het gevaar dreigt dat men heel de Theologie als Dogmatiek opvatte, beschrijft K. (§ 53) „het principium Theologiae in werkingquot;. De ektypische Godskennis, in de Schrift neder-gelegd, werd ter waereld ingedragen, heeft in de waereld

13*

ocr page 188

176

actie geoefend: eene actie van Kerk-formeering en Kerk-instandhouding. Hieruit volgt dat de Theologie óók is Ekkle-siologie en Kerkhistorie en Kerkrecht. Uit het levend phae-nomenon der Kerk spreekt een principium vol actie nóg tot ons. De methode der Theologie brengt van zelf tot de vraag naar de verhouding tusschen de Kerk en de Theologie. Er is tusschen beide een uitwendig verband. De kerk, als instituut, kan de Theologie beoefenen door het orgaan van door haar aangestelde theologen. Deze staan dan onder kerkelijke tucht. De Overheid, ook particulieren, kunnen evenzoo doen. De kerk kan eene theologische school oprichten en haar volkomen leervrijheid gunnen. Maar dat alles raakt uitwendige verhoudingen. Wij moeten, over de methode der Theologie handelend , uitgaan van „het essentieel en noodzakelijk verband, dat tusschen de Heilige Schrift en de Kerk, als haar product, bestaatquot;. K. bestrijdt de illusie, door Dr. Böhl nog gekoesterd, „alsof men met de Heilige Schrift voor zich, geheel zelfstandig uit dit principium zijn theologie opbouwdequot;. De factor der Kerk moet zonder aarzeling in het theologiesch onderzoek worden opgenomen. Haar geschiedenis en haar heden spreken van allerlei opvatting van het principium Theologiae. Wie met de lessen der historie geen rekening houdt doet dwaas. Bovendien: de theoloog zelf leeft in de kerk. In de belijdenis spreekt het bewustzijn der kerk tot het zijne. Gelijkstelling van die belijdenis met eene particuliere opinie beet haar te miskennen. Hieruit volgt nu dat er van de theologie als wetenschap „geen sprake kan zijn buiten het erf der Kerk, omdat er buiten dit erf geen palingenesie noch photismos is, en deze beide toch voor de theologie onnaisbaar zijn. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de kerk daarom als geïnstitueerde corporatie zelve theologie kan beoefenenquot; \').

1) „Dit instituut heeft een beperlcte ambtélijlce taak, en bestrijkt volstrekt niet geheel ons Christelijk leven. Ook buiten dit instituut werken op het erf der Kerk allerlei factoren van ons menschelijk leven, en moet op elk van die de Geest van Christus zijn invloed oefenen. Een dier factoren nu is de wetenschap, en die wetenschap gaat zoo weiuig van de geïnstitueerde Kerk

ocr page 189

177

Wij hebben geen lust ons te mengen in den strijd die heel wat warme hoofden maakt in de kerken genaamd A en B: Theologische School of Universiteit? Maar zie ik wél dan gaat K\'s. redeneering niet zoo glad op. Zeker, de geïnstitueerde kerk beoefent niet de wetenschap, niet de medische, niet de natuurkundige, noch de Astronomie b.v. Toch is iedere kerk een instituut dat, door zijne daartoe geschikte organen, naar zelfkennis streeft, naar eigen raison-d\'être, naar eigen verleden en oorsprong, heden en roeping, toekomst en beteekenis vraagt, i. e. w. tot helder zelfbewustzijn tracht te komen. Wat is dat anders dan Theologie als wetenschap te beoefenen ? Of waren Clemens Alexan-drinus en Origenes en zoovele anderen in zulke conditieën arbeidende, niet theologen ? Aan Kuypers dilemma is te ontkomen! „Uw theologie heeft tot subiect de geïnstitueerde Kerk, maar dan is ze ook geen wetenschap, of wel ze is wetenschap maar dan kan ook de Kerk als instituut niet haar subiect zijnquot;. Dat dilemma werd geconstrueerd op grond van de overweging: het subiect van de christelijke wetenschap is óók het subiect der Theologie; of hoe kon anders de Theologie in het organisme dezer wetenschap een plaats innemen. Daar nu de geïnstitueerde kerk nooit het subject van de christelijke wetenschap kan zijn, kan ze het evenmin van de Theologie wezen. Juist in dat laatste schuilt, meen ik, de fout. Subject der Chr. wetenschap is voor K. de herboren menschheid. Maar dat subject mogen we ons niet denken als een soort platonische ovaix., beter als een monade van Leibnitz, als een atoom, \'t Is een menschen-waereld! En in die waereld heeft ieder lid, iedere leden-

uit, daf ze veeleer die Kerk mede opneemt in haar obieet, en haar voor de volvoering van haar taat moet dienen. Het subiect van de Christelijke wetenschap is óók het subiect der Christelijke theologie; of hoe kon anders de theologie in het organisme dezer wetenschap een plaats nemen? Nu kan de geïnstitueerde Kerk nooit het subiect van de Christelijke wetenschap, en dus ook niet van de wetenschap der theologie zijn. Het dilemma staat derhalve zoo: Uw theologie heeft tot subiect de geïnstitueerde Kerk, maar dan is ze ook geen wetenschap, of wel ze is wetenschap, maar dan kan ook de Kerk als instituut niet haar subiect zijn.quot; (bldz. 525— 526).

ocr page 190

178

groep eigen roeping voor het geheel. Aan de wetenschap werkt de herboren menschheid, als een geheel gedacht, door het orgaan van verschillende leden, die werken de één aan déze, de andere aan géne wetenschap. Neem aan dat de geïnstitueerde kerk de Theologie beoefent dan is zij subject niet van heel de „chr.quot; wetenschap — dat is alleen heel de herboren menschheid — maar subject van een bepaald deel der wetenschap. En de Theologie, door haar beoefend, kau opgenomen worden in het geheel der wetenschap omdat de geïnstitueerde kerk tot de herboren menschheid behoort. Voor K\'s. dilemma komt du te staan: üw theologie heeft tot subject de geïnstitueerde kerk en is chr. wetenschap omdat haar subject behoort tot het generale subject van de chr. wetenschap. Zulk eene opvatting van de dingen wordt feitelijk gesteund door de volgende § (54). „Verband met de geestelijke realiteitquot;. K. betoogt hier uitvoerig, dat de theoloog, zal hij niet blijven staan bij de peripherische studie, maar doordringen tot de centrale, deel moet hebben aan de. wedergeboorte, aan de verlichting en ook aan de gemeenschap der heiligen, opdat zijne gemeenschap zij met den Vader en met den Zoon. De kerk als organisme is een huis des levenden Gods. „Naarmate nu de geïnstitueerde kerk zuiverder openbaring van haar verborgen organisch, geestelijk leven is, verhoogt dit derhalve de autoriteit die in geestelijken zin door de kerk op het bewustzijn van den theoloog wordt uitgeoefendquot;, (bldz. 526). In deze § treedt de theoloog steeds op als orgaan der geïnstitueerde kerk in wier gemeenschap hij leeft. Zie ik wél dan is er te vreezen dat partijstrijd, uit ingeschreven cirkels, tegenstellingen tracht op te bouwen. Subject der Theologie is de theoloog, als orgaan eener geïnstitueerde kerk: engste cirkel. Subject der Theologie in ruimer zin is de geïnstitueerde kerk, openbaringsvorm van de kerk; eerste omgeschreven cirkel. Subject zoowel der Theologie als der „chrquot; wetenschap is de menschheid, die palingenesie deelachtig werd en waarmede de Kerk coïncideert: tweede omgeschreven cirkel. Dr. K. redeneert van het algemeene tot het bizoudere. Die hij bestrijdt rede-

ocr page 191

179

neeren van het bizondere tot het algemeene. Feitelijk staan ze uiet tegenover elkander als Ja en Neen. Dat zal ons duidelijker worden wanneer K. na eerst in § 55 over den „Spiritus Sanctus Doctorquot; te hebben gehandeld, in § 56. (De kerk en het ambt) concludeert dat de Theologische Wetenschap alleen bestaan kan in de kerk van Christus. Terstond treedt hij polemiesch op. „Hiermee is echter nog volstrekt niet gezegd, dat het orgaan voor de theologische wetenschap gegeven zou zijn in de ecclesia institutaquot;. Het grootste gedeelte van de § bevat eene ontwikkeling over de persoonlijke, de kerkelijke en de wetenschappelijke theologie. Met die distinctie heeft geen vrede al wie acht dat er geen wetenschap der Godgeleerdheid is die niet wetenschappelijk zou zijn. Er komen belangrijke en schoone momenten in dit stuk, die echter m. i. K\'s. polemiesch interesse geenszins voldoende steunen. Juist dat polemische moeten we nadex-bij bezien. Eerst de hoofdstelling: Geen Theologie dan in de Kerk van Christus. Dan de tegenstelling: Het orgaan voor de theologische wetenschap is niet gegeven in de ecclesia instituta. Waarom niet? De geïnstitueerde kerk is veel enger begrip dan de Kerk van Christus als zijn lichaam gedacht. Als zoodanig sluit deze in zich alle krachten en werkingen , die uit de herschepping opkomen, maar die daarom volstrekt niet van de ecclesia instituta uitgaan. Deze ziet haar werkkring bepaald door hare ampten: de dienst des Woords, der Sacramenten, der Barmhartigheid en der Kerkregeering. Alle overige christelijke levensuiting werkt door de organen van het herschapen natuurlijk leven. Zoo de christelijke school door den geloovigen magister. Hieruit volgt dat de wetenschap op het terrein der palingenesie door de herboren natuurlijke organen tot openbaring komt. Zonder de Theologie hiervan uit — en gij plaatst haar buiten het organisme der Christelijke Wetenschap, zij heeft niet langer eenzelfde subject met de overige wetenschappen \').

1) „Al moge dus ook de ecclesia iustituta, bij ontstentenis van beter of voor haar zekerheid, een eigen school voor de opleiding van haar dienaren

ocr page 192

180

Ik heb Kuypers betoog niet geheel geciteerd, maar geresumeerd. Die resumptie echter is eerlijk, d. i. verzwijgt geen der bijgebrachte argumenten. Welnu dat betoog (\'t beweegt zich tusschen de stations Amsterdam—Kampen; Kampen—Amsterdam) heeft mij niet overtuigd, \'k Vind het niet logiesch stringent. De geïnstitueerde kerk heeft den dienst des Woords. Zij mag eene school voor de opleiding van haar Dienaren stichten. Maar zullen die predikers niet enkel Dienaren des Woords maar tevens theologen zijn — dan is universitaire ontwikkeling onmisbaar. Ik maak mij nu eens pleitbezorger van die geïnstitueerde kerk. Zij wil niet oefenaars, niet een soort hulpprediking door mannen met singuliere gaven, maar regelmatige Dienaren des Woords. Dat sluit in zich theologiesch gevormde mannen. Dan is universitaire ontwikkeling onmisbaar, zegt Dr. K. Ik maak dien sprong niet mede. Ik zeg, met K\'s. voorafgaande woorden: dan is grondige beoefening der Theologie ook om haar zelfs wille onmisbaar. Indien nu. eene geïnstitueerde kerk zegt: „Ik wil Dienaren des Woords, dus wil ik theologen. Dat is mijn einddoel. Maar „qui veut le but doit vouloir les moyens.quot; En daarom wil ik beoefening der Theologie ook om haar zelfs willequot;... wat dan? Op die beoefening der Theologie ook om haar zelfs wille legge Dr. Kuyper niet te sterken nadruk. Hij haalt toch immers geen streep door wat hij leerde over het ontstaan der Faculteit? Gesteld er waren geen geïnstitueerde Kerken, zou er dan wel een theologische faculteit bij de Universiteit zijn? Zou echt wetenschappelijke Theologie alleen mogelijk zijn aan eene Universiteit? Kom! Moei het onderwijs in de Dogmatiek door Bavinck voorgedragen, zuiver wetenschappelijk beoordeeld, beneden dat van Kuyper staan? Was het onderricht in

stichten, nooit mag daarom zulk een school, als, in eigenlijken zin, een wetenschappelijk instituut worden beschouwd, en veel minder mag men zich, met het oog op zulk een kweekschool aan de verplichting om de wetenschap der Theologie ook om haar zelfswille te beoefenen, onttrekken. Zullen de predikers niet enkel Dieuaren des Woords, maar tevens theologen zijn, dan is universitaire ontwikkeling onmisbaar.quot; (bldz. 533—536).

ocr page 193

181

Practica door Vinet gegeven in de Vrije Faculteit voor Theologie te Lausanne van minder gehalte dan dat van zijn collega aan de Hoogeschool aldaar? Moet Gauthier — de door onzen de Goeje als Orientalist hooggeachte Oud-Testa-menticus — den vlag strijken voor Villeumier, omdat hij aan eene kerkelijke inrichting doceert en de laatstgenoemde aan eene „Universiteitquot;? Stond om dezelfde reden Her-minjard, en de vormende kracht van hem uitgaande, beneden die van Prof. Dandiran? Gaat om hetzelfde motief Kuyper\'s veroordeelend vonnis over de Exegese van Godet? Wij doen een paar grepen in de werkelijkheid om aan te toonen dat het leven zich niet binden laat door theoretische beschouwingen, hoe gecompliceerd ook. Indien nu de ervaring leert dat grondige, echt-wetenschappelijke beoefening van de Theologie mogelijk is buiten het universitair instituut, dan komt de vraag aan de orde: waarom mag eene geïnstitueerde kerk niet overgaan tot de beoefening van de Theologie als wetenschap? Dr. K. grondt zijne ontkenning niet op historisch betoog. Evenmin toont hij aan dat wat hij bestrijdt antischriftuurlijk is. Neen, hij baseert zich op wat hij tot nog toe construeerde. Subject der wetenschap der palingenesie is de herboren menschheid. Eene geïnstitueerde kerk is iets anders dan de wedergeboren menschheid. Derhalve heeft de theologie door haar beoefend een ander subject dan de wetenschap en valt buiten deze laatste. De redeneering zou opgaan, indien, \'k denk aan de ingeschreven cirkels, indien die geïnstitueerde kerk buiten de menschheid der palingenesie stond. Maar dat is zoo niet. Zoo valt de tegenstelling tusschen „kerkelijkequot; en „wetenschappelijkequot; theologie. Wat de „universitairequot; theologie gemeen heeft met de „kerkelijkequot; dat is theologie. Wat zij meer heeft — ze „zet met wat buiten ligt in verbandquot; — is encyklopaedie, is wijsbegeerte. Voor de praktijk volgt hieruit: Theologen kunnen gevormd worden aan Universiteiten. Zij kunnen gevormd worden aan kerkelijke Faculteiten. Waar zij beter gevormd worden hangt grootendeels af van het doceerend personeel. Natuurlijk ga ik van de onderstelling uit dat de

ocr page 194

182

propaedeuse voor beiden gelijk zij. Want theologen zonder voldoende kennis van Latijn, Grieksch en Hebieeuwsch; zonder studie van Logika, Psychologie en Geschiedenis der Wijsbegeerte zijn onmogelijk.1).

De breed opgezette § 57 „De Vrijheid der wetenschappelijke theologiequot; besluit dit hoofdstuk, dat in zijne algemeenheid plaats laat voor de eigenlijk methodologische regels en wenken en opmerkingen, die ons zeker in het derde deel wachten.

Over het organisme der Theologie sprekend (H. IV) bevestigt K. éérst (§ 58) dat de Theologie zélf deel van een organisme is en gaat dan resumeeren wat hij reeds ontwikkelde in het eerste hoofdstuk. Die resumptie laten wij varen en we zien wat § 59 ons brengt. Zij heet „In het organisme der wetenschap de Theologie een zelfstandig orgaanquot;. Zij bevat wederom een resumptie. Nu hebben we § 60 voorden boeg: „De begrenzing van de Theologie in het organisme der wetenschapquot;. Zie hier de hoofdlijnen der paragraaf, die door breede uitwerking van menig détail, niet zeer makkelijk te zien zijn. De Theologie is organiesch verbonden met heel het organisme der wetenschap. Tusschen haar en de vier andere groote wetenschappelijke complexen is steeds gemeenschap. Maar ook zijn er grenzen iedere wetenschap gesteld. Die grenzen meet gij van het centrum naar de straallengte uit. Middenpunt der Theologie is de geopenbaarde ektypische zelfkennis Gods. Zoover het licht dezer cognitio straalt, zoover strekken de grenzen der Theologie zich uit. Den invloed, dien ze oefent buiten haar eigen sfeer, oefent zij door Lehnsatze, waarmeê dan de andere wetenschappen opereeren. Bedoeld worden wetenschappen van het standpunt der palingenesie bezorgd. Tusschen haar is geen sprake van eene dienstbaarheid aller aan de Theologie.

1

Dit stuk was reeds gesteld toen ik kennis nam van de artikelen „Kerkelijke of Universitaire opleidingquot; van Da. N. ter Hoor in de „Vrije Kerkquot;. Zij bevatten — al is kerkelijke partijstrijd een gevaar voor weteu-schappelijke kritiek — veel voortreffelijks.

ocr page 195

183

Iedere wetenschap met Lehnsatze uit de Theologie werkend, blijft zelfstandig. Ontstaan er conflicten — \'t zijn geen anderen dan die de theoloog ook op eigen gebied ontmoet. Zij ontstaan door dat de herschepping wel potentieel intrad maar eerst met de Parousie voltooid wordt. Wij hebben steeds, op ieder gebied van wetenschap, te doen met natuurlijke en met bovennatuurlijke gegevens. Vandaar conflicten. Zij worden eerst opgeheven door den juisten blik op den samenhang tusschen de reeksen van beiderlei soort gegevens. Ignoreering van één der twee is struisvogelwetenschap. Op theologiesch terrein ontstaan vaak zulke conflicten door de incongruïteit tusschen de theologia naturalis en revelata. Wij hebben hier steeds de duïteit van de oude en nieuwe gegevens. De juiste verhouding tusschen beiden te bepalen is dan ook van het hoogste gewicht. De oudere gereformeerden dachten hier veel juister dan de latere supranatu-ralisteu. Moeten zulke conflicten erkend, ze mogen niet breeder uitgemeten worden, dan ze zijn 1). Vooral dient op de verhouding tusschen theologie en philosophic gelet te worden. Schrijver ontleedt nader het begrip der philosophic. Vooral in zooverre zij de principiën van het zijn onderzoekt, moeten wij waken dat zij zich niet in de plaats der theologie stelle, maar ook dat de theologie niet in philosophie ontaarde. Dit brengt ons van zelf tot de „Zelfbepaling van het organisme der Theologiequot; (§ 61). De § geeft niet wat de titel belooft. K. wil niet dat de Overheid zich menge in de

1

Zie hier een voorbeeld. „Bevindt de natuurkundige, dat de aanslibbing van den Nijl \'s jaarlijks zóó en zooveel millimeter aanwast, en zóó en zooveel meter hoog is, dan is zijn conclusie onbetwistbaar, dat, indien deze aanslibbing steeds constant ware geweest, voor de nu bereikte hoogte van 12.47 meter een veel langer tijdperk dan onze jaartelling kent noodig zou zijn geweest. Wat hij daarentegen niet kan bewijzen is, dat metterdaad de aanslibbing constant bleef. Of dit zoo was, ligt buiten het empirisch terrein, waartoe zijn oordeel zich bepalen moet. Iets wat hier niet wordt aangevoerd, om geen langere existentie dan van 6000 jaren voor onze aaide te vindiceeren; immers wat de Schrift hieraangaande leert staat exegetisch nog op verre na niet vast; maar om in een concreet voorbeeld te toonen, wat we ouder een ongeoorloofde verbreeding van het conflict verstaan, (bldz. 558—li9).

ocr page 196

184

inrichting der Theologie en dus der theologische faculteit; zegt een hartig woordje tegen de Wet op Hooger Onderwijs (28 April 1876, Stbl. n0. 102, art. 42), wet, die de Dogmatiek liefst, het hart uit het lichaam der Theologie wegsnijdt, en staat aan de Kerk alleen invloed toe „door de bepaling der studiën, die zij noodig acht voor haar levensbloei, mits ze zich maar niet aanmatige te bepalen op wat wijze in die behoeften moet worden voorzienquot;. Volkomen juist besluit hij „dat derhalve de compositie van het lichaam der Theologie alleen door haar zelve kan bepaald worden, doordien ze haar organisch bestaan ontsluit. Hiermee is natuurlijk niet ontkend, dat het ons denken is, waardoor deze organische „Gliederungquot; in formule wordt gebracht. Maar zal die taak naar behooren worden verricht, dan mag ze toch alleen hierin bestaan, dat we constateeren, hoe we dit organisch leven in het organisme der Theologie bevonden te zijnquot; !). Zeer boeiend is de con amore geschreven § 62 „Organische aansluiting der propaedeusequot;. Ik weet wel dat de geleerde Schrijver zich- elders tegen de afzonderlijke behandeling der Methodologie verklaart. Maar wie zóó flink over methodische vraagstukken schrijft, moest zijne vakge-nooten, én de juventus academica, op een methodologie — hij noeme haar ratio studiorum — onthalen1).

1

theologische stadiën tot zijn recht moet komen; dat de theoloog de z. g. propaedeutische vakken blijve beoefenen. In bizonderheden komend wil K. dat de theoloog een helder, algemeen linguïstiesch taalbegrip hebbe; dat hij in zijne moedertaal doordringe en niet onbekend zij met de moderne talen; dat het Latijn in de theologische propaedeuse blijve, niet alleen het klassieke maar ook de taal der Patres Occidentales, der Scholastieken, der Refonua-

ocr page 197

185

Wie den titel van § 63 leest „Organische aansluiting aan de geestelijke realiteitquot; is eenigszins verrast dat in deze § aangetoond wordt, om \'t nu eens eenvoudig te zeggen, dat de theoloog een geloovig Christen moet zijn. — Een helder gesteld stuk is § 64 „Het organisme der Theologie in zijn deelenquot;. De Schrijver heeft mij niet ontrouw kunnen maken aan de trichotomie. Maar onder de tetratomische schemata vind ik het zijne een der best geadstrueerden. Van „indeelingquot; der theologische vakken wil K. niet hooren. Mén deelt geen organisme in. Men legt de saamstellende deelen er van bloot. Het organisme der Theologie moet voor ons liggen — niet het agglomeraat van vakken, waar Schleier-macher van sprak, noch de „Godsdienstwetenschapquot;. De communis opinio neemt vier groepen aan in het organisme der Theologie. Men bezag ze echter bijna uitsluitend uit het subject, vroeg niet hoe ze in het object zelf lagen. Vandaar de benamingen exegetische, historische, systematische en praktische vakken. Die benaming is niet consequent. De drie eerste namen zij genomen naar de werkzaamheid van \'s menschen geest, maar dan had men de laatste moeten noemen de technische vakken. Het principium divisionis bovendien ligt hier in het subject. Ik merk even op dat K. zélf meer dan eens aan het subject zijn princiep van verdeeling ontleent. Het bezwaar dat hij vervolgends oppert dat deze indeeling op bijna alle wetenschappen past, kan ik niet deelen. Is de Theologie een wetenschap naast de andere wetenschappen, dan is zulks natuurlijk. K. onderscheidt — naar het principium der Theologie, de Heilige Schrift — Het Woord Gods eerst als zoodanig, dan in zijne werking, daarna naar zijn inhoud en eindelijk in zijn propaganda: de Bibliologische, de Ecclesiologische, de Dogma-tologische, de Diaconiologische groep. Loopt die indeeling nu juist? Het Woord in zijn werking; het Woord in zijn

toren en der latere theologen; dat het Grieksch beoefend worde: het klasaieke, de xoivif en de taal der Patres Orientilles, dat het Hebreeuwsch grondig worde leatudeerd.

ocr page 198

186

propaganda. Is de propaganda niet eene werking? Dan: mag men coördineeren: Het Woord, het Woord in werking, het Woord zich refiecteerend door het dogma en — de rainisterieele dienst „die ten behoeve van het Woord vervuld moet wordenquot;? Is hier niet de sprong, door Kuyper gewraakt, van het object op de activiteit van het subject? De activiteit van het subject, ten derde], schuilt reeds in de „dogmatologischequot; groep. Zij wordt gemaskeerd door Kuyper\'s inkleeding; „door het Dogma reflecteert zich de inhoud van dit woord in het geheiligd menschelijk bewustzijnquot;. Druk hetzelfde eigenlijk uit: Het dogma is vrucht der poging van het geheiligd menschelijk bewustzijn om den inhoud van dit woord te reflecteeren — en gij ziet het goed recht onzer kritiek. Tetratomische indeelingen — laat ze uitgaan van het subject of van het object — zullen veelal saamvallen. Er is logos in ons. Er is logos in het object. Maar er is één logos. — Kuyper toont juist aan dat de benaming „exegetischequot; vakken voor „bibliologischequot;, onvoldoende is. Wij behoeven niet stil te staan bij de breedvoerige verdediging van de benaming „diakoniologischequot; groep. Welluidend is het adjectivum niet. Terloops merken we met instemming op dat Kuyper, naar aanleiding van de „ Dogmatalogischequot; vakken zich verheft tegen de illusie als zou „de Onderzoeker, met voorbijzien van de historie der Belijdenis, zelf uit de Heilige Schrift zich een systeem opbouwenquot; 1).

Het laatste Hoofdstuk van „Deel Tweequot; gaat over de Geschiedenis der Theologie. Zal de lezer er iets aan hebben dan moet hij op de hoogte zijn van de geschiedenis der dogmata en der Godgeleerdheid.

Veel en velerlei ging voor ons oog voorbij. Het tweede deel van Kuyper\'s Encyklopaedie is een rijk boek. Juister

1

Bldz. 583—584. Cf. mijn „C^afessie eu Dogmatiek,quot; en het artikel van Pr. Bavinek, onder denzelfden titel, Theol. Stud. 1891. (bldz. 258—274).

ocr page 199

187

is het wellicht van een zeer vol werk te spreken. „Rijkquot; veronderstelt dat steeds orde, eenheid, consequentie, helderheid rustig heerschen in de overvloedig aangebrachte stoffe. In dat opzicht worden onze billijke wenschen wel eens teleurgesteld. Afscheid nemende van het „Algemeen Deelquot; laten wij rusten wat bepaaldelijk tot de Dogmatiek behoort. Tal van vragen komen anders in ons op, vooral wanneer Dr. K. handelt over de Openbaring; wanneer hij de verhouding van de algemeene openbaring tot de bizondere bepaalt; wanneer hij dé laatste gedurig weer de „abnormalequot; heet. quot; Hoe de hoogleeraar daar vrede mee kan hebben is mij een raadsel. Wat komt er van de protestantsche Theologie terecht wanneer het Evangelie het abnormale is? Het Kruis was het abnormale, eene dwaasheid, voor den Oud-griekschen Wae-reldwijze. Voor Dr. K. moet het zijn de herstelling van het abnormale. Maar nog eens wij zwijgen over dogmatica.

Men mag niet eischen dat wie eene Encyklopaedie der Godgeleerdheid schrijft daarin heel zijne theorie van het kenvermogen opneme. Alles heeft zijn tijd, zijne plaats. Had Dr. K. echter in enkele grondlijnen aangeduid, eenvoudig en helder, hoe volgends hem de weg der kennis loopt, dan ware veel wat ons nu minder duidelijk is, opgeklaard geweest. Hoewel hij zeer nadrukkelijk verklaart dat de Encyklopaedie der Theologie een wijsgeerig vak is, dat hare geschiedenis beheerscht wordt door die der Wijsbegeerte, doet de Schrijver als ware deze laatste sedert Kant tot stilstaan gekomen. Maar binnen de door hem afgemeten omtuining missen wij meer dan eens wat ons toch niet had mogen onthouden worden. Al dadelijk missen wij eene scherp belijnde, eenmaal vastgestelde en voorts consequent aangehouden bepaling van wetenschap. Nu eens wordt haar wezen in het systematiesch kennen gezocht Dan weêr krijgen wij bepalingen, die te herleiden zijn tot het identi-

1) „Wetenschap is systematisch, cl. i. geordend kennenquot; (I, bldz. 2»), „Het denkbeeld van „wetenschapquot; onderstelt toch, dat uit het velerlei dat ik weet een samenhangend weten geboren zij.quot; (TI, bldz. 10 e. a. p.).

ocr page 200

188

teits begrip a = a, en waar wij dus niets aan hebben In de derde plaats is zij de logische reproductie van den kosmos, dus eigenlijk wijsbegeerte, „drangquot; tot wijsbegeerte1). De bepaling dat wetenschap systematische kennis is vervult eene ondergeschikte rol in Kuypers constructie. Gemeenlijk opereert hij met de derde definitie. Dat blijkt uit wat hij als object der wetenschap stelt, n.1. al het bestaande2), den kosmos3). Dat deze objects-bepaling te ruim genomen is behoeft geen betoog. Immers al het bestaande, heel de kosmos is niet object van ons weten. Neem deze objects-aangave strikt en er is thands nog geen wetenschap. Hoeveel van al het bestaande moet door de wetenschap nog veroverd worden! Dr. K. komt dan ook tot de verrassende tegenspraak dat object van wetenschap is wat niet object van wetenschap is, nl. wat nog niet ontdekt is, wat zich nog maar vermoeden laat4). \'t Is duidelijk dat hij ons niet in de werkelijkheid rond leidt, maar op boeiende wijze ons eene ideëele constructie voortoovert. Met die verrukkelijke phantasie valt onze feitelijke toestand niet saam. Zal dat ooit, in den tijd, wél het geval zijn? Blijft ons weten niet stukwerk? Ja, veronderstelt al het bestaande, als object van wetenschap, niet alwetendheid? En zal de creatura in de eeuwigheid daartoe komen? Behoort zij niet tot de heer-

1

„De Wetenschap is een te zijner tijd met noodzakelijkheid opgekomene, en steeds voortgaande, drang in den menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen, en logisch in zijne relatiën door te denkenquot; (II, bldz. 29 e. a. p.) Cf. IX, bldz. 559: Philosophic „is de poging van den denkenden measch, om den kosmos, die zich als organisch bestaande aan hem opdringt, un ook als organisch geheel in den spiegel van zijn bewustzijn te reflecteercn.quot;

2

II, bldz. 10 e. a p.

3

II, bldz. 35, e. a. p.

4

II, bldz. 10: „Object der wetenschap „kan niet anders zijn dan al het bestaande, voor zoover dit zijn bestaan aan ons menschelijk bewustzijn reeds ontdekte, nog ontdekken zal of vermoeden laat.quot;

ocr page 201

189

lijkheid van den Creator? — Wat Dr. K. leert over het object der wetenschap, beheerscht zijne theorie over haar subject. Natuurlijk kan men honderd plaatsen vooréén bijbrengen waarin hij den wetenschappelijken onderzoeker als subject van wetenschap ten tooneele voert. Maar eigenlijk is die man niet meer dan een moment, een exponent van het ware, eigenlijke subject der ideëel geconstrueerde wetenschap: een golf die opkomt en verdwijnt op de zee van het groot geheel. „Het subiect van de wetenschap moet zijn de mensch-heid, of wilt ge, het menschelijk bewustzijnquot;1). Die verklaring kan ik beamen wanneer ik haar opvat van het standpunt der solidariteit en der coöperatie. Gelijk wij ingaan tot den wetenschappelijken oogst onzer voorgangers, zal de nakomelingschap erven wat wij zochten en vonden. Dat is K\'s. volle bedoelen echter niet. Hij onderscheidt een generaal menschelijk bewustzijn, een generaal ik, dat iets anders is dan het bewustzijn, dan het ik, der millioenen menschen-kinderen2). Dr. Kuyper construeert zuiver realistiesch een algemeen menschelijk bewustzijn, in dat bewustzijn een „ikquot;, een „generaal ikquot;; het subject der Wetenschap.

Een en ander komt nog sterker uit wanneer hij — na krachtige ontwikkeling van de heteekenis de palingenesie op wetenschappelijk gebied — over de Theologie handelt.

Met de onderscheiding — om niet te zeggen de tegenstelling die K. maakt tusschen persoonlijke, kerkelijke en wetenschappelijk Theologie 3) houden wij ons niet bezig. De eerste

14

1

11, bldz. 8.

2

II, bldz. 536—538.

ocr page 202

190

toch is geen Theologie. En de tweede, zal zij Theologie zijn, moet wetenschappelijk wezen. Wij vragen wat is volgends U Theologie, de Theologie? De hoogleeraar geeft ons breede ontwikkelingen over de idee der Theologie — waaraan haar begrip steeds gesubordineerd is —; over haar afhankelijk charakter; over de Openbaring; over dit, over dat — alles zeer interessant. Maar wij ontbeeren, gelijk uit onze uiteenzetting bleek, wat wij hoopten dat toch eindelijk eens komen zou: eene scherp belijnde, eenmaal vastgestelde en voorts consequent aangehouden bepaling van de Theologie. Wij worden ook teleurgesteld wanneer wij vragen: wat is dan het object der Theologie? Want daarop krijgen wij ten andwoord, nü eens: God, dé,n eens: de revelatio ectypa, of: de cognitio ectypa, maar God, God-zelf niet1). Ik zie niet in hoe deze tegenspraak opgelost kan worden door de onderscheiding tusschen voorstelling (idee) en begrip. Het laatste, gesubordineerd aan de eerste, ontkenne niet wat de voorstelling bevestigt. — Daar Dr. K. het subject der wetenschap in het algemeen streng realistiesch construeerde, moet hij evenzoo doen met het subject der wetenschap in den

„De denkende mensch ala mhiest tegenover God als obiect, ia eene logische contradictio in terminis (II, bldz. 164).

„Er ontstaat noodzakelijkheid tot een eigenaardigen wetenschappelijken arbeid, die tot obiect heeft niet God, wat niet kan, maar zijn cognitio ectypa.quot; (II, bldz. 167).

„Voor ons toch is het obieci der Theologie niet het ongekende Wezen Gods, maar de ons hekend gemaakte revelatio ectypa.quot; (II, bldz. 168).

„Theologie blijft ons theologie in den stipten zin van het woord; d. i. de wetenschap die tot obiect heeft de theologia ectypa.quot; (II, bldz. 521, e. a. p.


1

De theologiache idee ligt in den drang van ons menaclielijk bewaat-lijn, om God te heren kennenquot; (II, bldz. 196).

„De theologie mag geen ander motief toelaten „dan God te kennen of te leeren kennen (II, Wdz. 196).

„De theoloog ataat niet hoven, maar onder hetgeen hem voorwerp van zijn onderzoek i», en bevindt zich tegenover het ohieot van zijn onderzoek in een poaitie van volkomen afhankelijkheidquot; (II, bldz. 197).

„In de Theologie ataat het kennende subiect in een geheel eigenaardige poaitie tegenover God als het te kennen obiect.quot; (II: bldz. 292, e. a. p.)

ocr page 203

1S1

kring der palingenesie beoefend, en evenzoo doen met het subject bepaaldelijk der Theologie. „De wetenschap der Theologie is die logische actie van het generale subiect der herboren menschheid, waardoor het, bij het licht des Heiligen Geestes, de geopenbaarde kennisse Gods in zijn bewustzijn opneemt en uit zijn bewustzijn reflecteertquot; \'). Wat is, wie is het generale subject der herboren menschheid? Is het wel realistiesch gedacht, maar dan toch als in de menschheid inhaerent, naar het bekende „universale in requot;? Dat schijnt in menigen passage zoo te zijn. Maar elders verklaart K. uitdrukkelijk; „Christus is dit generale subject in cen-tralen zinquot;, „Christus is het centrale subiectquot; 1). Zoo wordt, ni fallor, de apostolische leer van Christus als het Hoofd der Gemeente in een haar vreemde omgeving ingedragen. Christus wordt hier niet voorgesteld als subject der Theologia unionis, maar als centraal subject der Theologia Viatorum

.....iets wat, zoover ik weet, eenig is in de geschiedenis

der gereformeerde Theologie. Ik zie niet hoe bij een consequent doortrekken van de hier aangegeven lijnen de wezenlijke onderscheiding tusschen Christus en de herboren menschheid te behouden is. Of het „ikquot; van Christus wordt gehandhaafd — maar dan is de herboren menschheid, op zich zelf beschouwd, een bewustlooze grootheid, zij heeft geen „ikquot; dan Christus\' „ikquot;. Of het realistisch geconstrueerde ik-bewustzijn der herboren menschheid wordt gehandhaafd — maar dan is er geen plaats in haar voor een persoonlijken Christus als haar generaal subject. Alleen op pantheïstischen weg is er aan het dilemma te ontkomen. Maar tot wat prijs! Christus staat als een soort natura naturans tegenover de herboren menschheid als een soort natura naturata. In wezenlijkheid echter verliest zich die onderscheiding in het to kv Kxi to irav. Er gingen dan ook reeds stemmen op in onze theologische waereld die Dr. K. van pantheïsme beschuldigden. Men zij hiermede voorzichtig. Van bedoeld,

14*

1

II, bldz. 246, 247, e. a. p.

ocr page 204

192

van gewild pantheïsme kan, a priori geredeneerd, geen sprake zijn bij een denker, die zoo beslist opkomt voor het theïsme van Schrift en Belijdenis. Zijn er in de wijsgeerige constructiën van zulk een man momenten, die bij logische ontwikkeling tot pantheïsme leiden, dan moeten ze als indringers gebrandmerkt worden en verwijderd door de stuwkracht van het theïstiesch beginsel. Een vonnis ter veroordeeling der geheele constructie leest er niet uit saam, wie gevoelde, wat raadsel het is, bij dieper indenken van de dingen, tot monisme te komen met behoud van de ethische grootheden, van de persoonlijkheid in God en mensch. Toch wachten wij van den theoloog, al treedt hij als encyklopaedoloog op het gebied der Wijsbegeerte, dat hij meer dan voor het eerste, voor het laatste interesse wake.

In het derde, bizondere, deel van zijn werk legt Dr. K. ons zijn encyklopaediesch schema voor. \'t Is geen dorre lijst der onderscheidene disciplinen, die opgeteld worden, ingedeeld als ze zijn volgends het aangenomen principium divisionis, in de verschillende groepen. Neen; iedere discipline wordt besproken; haar charakter, haar methode, haar roeping in het geheel der Theologie. Haar geschiedenis wordt niet opzettelijk verhaald — en terecht! — maar telkens put onze encyklopaedoloog uit die geschiedenis treffende illustraties, sprekende voorbeelden, boeiende wenken. Waar gij dit deel ook openslaat is het interessant, pakt het, prikkelt het. Laat het honderd keer tot tegenspraak prikkelen — \'t verveelt u nooit. De beperkte ruimte waarover wij beschikken noopt ons tal van onderwerpen die wij gaarne bespraken, stilzwijgend voorbij te gaan. Zóó wat tot de materies van wijsbegeerte en dogmatiek behoort. Zóó heel wat dat voortvloeit uit de door ons reeds besproken a prio-ristische constructiën, b. v. in zake de H. Schrift. De schrijver heeft zijne grondslagen gelegd. Wij hebben gezegd wat wij er van vonden. Nu gaat hij op die grondslagen bouwen. Wij bezien het gebouw. Het schema, als zoodanig, zal ons voornamelijk bezig houden.

ocr page 205

193

De inleiding (§ 1) handelt kort over de benaming der disciplinae Theologiae: „vakkenquot;, „deelenquot;, „onderdeelenquot;, „ledenquot;, „membraquot;. Bij een „organismequot; passen „ledenquot;. Maar \'t is pedant van de „ledematenquot; der Godgeleerdheid te spreken. Toch doet K. het een enkele maal, b. v. bldz. 183, 185. Tyrannie van den usus! \'t Blijve dan „vakkenquot;. Indien we maar niet vergeten dat de Theologie een levend organisme is. § 2 resumeert eene ontwikkeling in het „Algemeen Deelquot; te vinden: hoe het subject der Theologie tot de eerste groep van vakken komt. Heel het schema valt nu uit één in vier hoofdgroepen. A. De bibliologische groep. B. De ecclesiologische groep. C. De dogmatologische groep. D. De diaconiologische groep.

A. De bibliologische groep

omvat alle vakken die ontstaan wanneer het theologiesch subject doordringt in het object tu bipmx. Wie de organische eenheid van tx ontkent moet voor de „exegetischequot; vakken eenheid zoeken „of in het begrip van Israëlitische en oud-Christelijke Letterkunde, öf in de opvatting van de Schrift als Oorkondenboek voor het ontstaan der christelijke Kerkquot;. Gelukkig bestrijdt K. de eerste poging, die ons intusschen aan Art. 42 van de Wet op het Hooger Onderwijs hielp. (Wet van 28 April 1876 Stbl. n0 102). Niet zoo overtuigend acht ik zijne bestrijding van het tweede, historische, standpunt dat hij zelf „verre boven het littera-rischequot; stelt. Beweert hij „dat bij deze opvatting het Oude Testament met het Nieuwe eenvoudig in geen vergelijking komtquot;, dan andwoorden wij dat dit argument niet treft al wie met de beste gereformeerde theologen Gods Kerk erkent zoo onder de oude als onder de nieuwe bedeeling. Staat hij sterk tegenover hen die „in de meeste Nieuw Testamen-tische geschriften pseudepigraphaquot; zien, hij staat niet sterk tegenover wie de resultaten van het kritiesch radikalisme verwerpt. Argumenteert hij dilemmatiesch: „Van tweeën, één toch. Ge erkent en belijdt, dat er een exceptioneele

ocr page 206

194

openbaring heeft plaats gegrepen en dat de Schrift hiervan het exceptioneele product is, of wel ge loochent en betwist deze beidequot; — tertium datur! Er zijn theologen die op dit „historisch standpuntquot; staan en voor het „entwederquot; kiezen. — K. bespreekt (§ 4) „deze groep in haar ontledingquot;. Ik plaats even een? bij zijn zeggen „Alleen door den Canon is deze bundel van geschriften organisch éénquot;, (bldz. 21). In een bundel, als zoodanig, zie ik alleen mechanische eenheid. De organische eenheid moet dieper schuilen: in den inhoud der boeken tot bundel vereenigd. Eenvoudig en scherp is de schoone verdeeling (ja, hadden wij voor het duitsche „Gliede-rungquot; maar een nederlandsch woord! „Geledingquot; gaat niet), der bibliogische groep. I. Tx Bi0aix als Boek; de Canoni-sche vakken. II. T. B. als Geschrift: De exegetische vakken. III. T. B. als Getuigenis: de pragmatische vakken.

I. De canonische vakken zijn: 1. De Canonica generalis. 2. De Canonica specialis. K. behandelt ze in Hoofdstuk I. (bldz. 22—61). Éérst (§ 5) de canonische vakken als zoodanig. Zij bevatten wat men noemt de Isagogiek of Historisch-Critische inleiding; de leer van den Canon met inbegrip van een deel uit den locus de Sacra Scriptura. Op grond der geschiedenis toont hij helder aan dat de naam Isagogiek, Inleiding, uit den tijd is. Eene korte definitie van de Kanoniek geeft hij niet, maar beschrijft haar taak !).

1) „Wij zoeken het uitgangspunt van deze studiën in den Canon. Het praedicaat van Heilig voor Schriftuur wordt in zijn toepassing op de enkele boeken het praedicaat van Canoniek. Gelijk de Heilige Schriftuur daar Ligt, en gelijk ze «ubiectief door den theoloog aanvaard wordt, maakt ze exceptie; beweert ze iets te zijn, wat geen ander boek noch collectie van schrifturen is; en maakt ze aanspraak op de uitoefening van zekere autoriteit. Gaat nu de wetenschap er toe over, om deze Biblia te onderzoeken, dan is derhalve dit exceptioneele, dit eigenaardige, deze hooge pretentie het hoofdpunt, waarop zich het onderzoek te richten heeft, en hebben alle overige onderzoekingen zich om dit eene hoofdpunt te schikken...... De studie der

Theologie heeft een eigen uitgangspunt. Dit uitgangspunt ligt in het feit, dat er èn door de historie der Kerk in gemeenen, èn door het testimonium Spiritus Sancti in individueelen zin, zekere band ontstaan is tasschen die Schriftuur en den onderzoeker, een band, in de Schrift zelve aldus gequali-ficeerd, dan men voor Gods Woord beeft. Dit mystieke feit mag dus geen

ocr page 207

195\'

In die beschrijving ligt aanleiding tot vragen. Wanneer de wetenschap de kanoniciteit der Bijbel-boeken onderzoekt en tot het resultaat komt: dit of dat boek werd ten onrechte opgenomen, is dan het „mystieke feitquot; weggecijferd, is dan de wetenschap buiten hare competentie gegaan? Zoo ja, dan hebben wij hier een wetenschappelijk onderzoek met den remschoen door de traditie aangelegd, een wetenschappelijk onderzoek met tevoren vaststaand resultaat, een onderzoek dat niet wetenschappelijk is en eigenlijk ook geen onderzoek mag heeten. Zoo neen, dan wordt de overgeleverde Kanon niet gedekt door „het mystieke feitquot;. Dr. Kuyper beslist nü eens voor het eerste alternatief. Dat moet wel, want, volgends hem schuilt de organische — niet alleen de mechanische — eenheid der Schrift in den Kanon. (bldz. 21). Daarom moet ook de algemeene kanoniek éérst behandeld worden. En „het doel dezer studiënquot;, leert hij, „kan nooit zijn, voor u of voor de Kerk te bepalen, wat de Schrift zijn zalquot; !). Dr. K. beslist dan weer voor het tweede alternatief. Hij gewaagt van een leven bij de Schrift dat wij geheel onafhankelijk van de kanonische studiën voortzetten. Aan het resultaat dezer studiën hangt ons leven bij de Schrift niet. Die gedachte mag zelfs geen oogenblik opkomen. — \'t Is traditionalisme of mystiek! Volgends de laatste kan ik leven bij de Schrift, al ware ook — \'k zeg niet dat \'t zoo is — maar al ware ook besluit van mijn onderzoek dat het boek Esther b.v. ten onrechte in den Kanon opgenomen werd. Dat beteekenen Kuypers laatst ingevlochten woorden of ze beteekenen niets.

oogenblik buiten rekening gelaten. Wie er niet op acht, rukt de Schriftuur uit het levensverband los, en behoudt niets dan een abstractie. Het ia juist dit mystieke feit, waarover deze studiën licht moeten verspreiden, en dat ze niet ignoreeren uoch wegcijferen, maar verklaren moeten. En overmits nu ia het begrip van den Canon juist de formule ligt, die dit mystiek karakter van de Heilige Schrift aanduidt, schijnt „canonische vakkenquot; de meest passende naam, om het speciaal karakter dezer studiën uit te drukkenquot;, (bldz. 24—25).

1) bldz. 25.

ocr page 208

196

De algemeene Kanoniek gaat dan voorop. (§ 6). Haar taak is niet bepaald tot het historiesch onderzoek „in welken tijd en door wien de canonische boeken op den Canon, in den zin van Boekenlijst, waren gebrachtquot;, (bldz. 27). Die verouderde meening moest vallen zegt K. „zoodra men inzag dat de onbekende verzamelaar van „het Oude Testamentquot; geen uitdrukkelijk mandaat had, inzag dat de kerkvergadering van Carthago het praedicaat van infallibiliteit miste. Het motief, dat een boek op de boekenlijst deed komen, daarin ligt „het eigenlijk beginsel van canonieke autoriteitquot;, (bldz. 28). Dr. K. verwerpt onderscheidene principia cano-nicitatis. Het aanleggen van eene nota canonicitatis als maatstaf had historiesch nimmer plaats, beweert hij, en is in strijd met den aard van elk organiesch verschijnsel. „De Heilige Schrift is onder de werking van deels geestelijke, deels historische, \'t zij dan goddelijke, \'t zij menschelijke factoren, nu eenmaal tot stand gekomen en het is als product van die factoren, dat ze het eigendom der Kerk werdquot;, (bldz. 29). De Kanon, als zoodanig, is voor Dr. K. een organisme. Dat organisme werd „geschapenquot;. Wij moeten naspeuren welke gedachte aan de „Scheppingquot; van dat organisme ten grondslag ligt. Hij erkent wel dat hier „scheppingquot; „op zich zelf een min juiste uitdrukking isquot;. Maar „toch moet dit krasse woord hier gebezigd, om voor de Heilige Schrift het karakter van een organisme te handhaven en het onderzoek naar de nota canonicitatis tot haar juiste evenredigheden te herleidenquot;, (bldz. 30). Is het niet duidelijk dat onze Schrijver, bij gebrek aan historische gegevens, onder den drang om klaar te komen met zijne theorie, heil zoekt in de aprioristische constructie? Hij geeft ons eenige beteekenissen van het woord xxvuv bij Paulus, bij de Patres, bij de Klassieken en zegt dan „dat de onveranderlijke en alleen gezaghebbende canon voor den mensch gezocht moet worden in God zeiven. \'O Qsóg so-tiv o xavcivquot;. (bldz. 31). Het komt op hetzelfde neer „of ge van God als 5 tiavciv spreekt, den naam van xkvuv op den Middelaar toegepast, of belijdt die y.xvxv te bezitten in de Heilige Schriftquot;. De

ocr page 209

197

goddelijke kanon komt in de zondige waereld „in den Christus door svaipKmn;, en in de Heilige Schrift door inscripturatioquot;. (bldz. 33). De historiesch-phaenomenale verklaring van 5 xxvcci/ kan niet worden toegelaten. Zij dekt alleen de fides historica. In „Canoniekquot; ligt echter „een algemeen, recht-streeksch psychisch gezagquot;. Elke andere opvatting verloochent het theologiesch beginsel. De Kanon is product van goddelijk providentieel beschikken. Het menschelijk wikken is daardoor niet uitgesloten. Maar die wikkende menscben waren instrumenten in Gods hand. Hunne meeningen stonden dikwijls tegenover elkander. Zij aarzelden. Zij wijzigden hun oordeel gedurig. Zij waren feilbaar. Hun juiste tact van kiezen werd gedurig op het dwaalspoor geleid door sympathiën en antipatbiën. Boven al die schommelingen stond echter Gods raadsplan. Vóór er een letter van de Schrift te boek stond, was de Schrift gepraedestineerd. — Ziedaar in hoofdlijnen Kuypers talentvol inééngezette bouwing. Zij is in werkelijkheid de stoute poging om een theoreem, dat niet voldoende gesteund wordt door historische gegevens te handhaven op grond van mystieke motieven, die op zich zelf waar, hier ten onrechte aangewend worden. Wanneer historische gegevens ontbreken moeten wij durven zeggen: Ignoramus. Maar de leegte aanvullen door hypothesen en redeneeringen, hoe schoon ook, is onwetenschappelijk. Dr. K. — kerkelijk en staatkundig leider van duizenden — voelt behoefte aan autoriteit. Het geestelijk gezach van den Christus, dien wij uit de Schriften kennen — gezach dat onder den invloed des Heiligen Geestes ons tot wet der vrijheid wordt, wijl het ons vrij maakt door ons te binden — is hem te vaag. Het staat hem, mag \'k bet zóó eens zeggen, te ver. De Logos, vleeschgeworden en gekend uit de Schriften, voldoet niet. De Logos moet ook door inscripturatio „Schriftquot; worden. En zal die Schrift nu de behoefte aan tastbaar gezach bevredigen, dan natuurlijk moet er een gepraedestineerde Kanon zijn.

In onze theologoumena schreeuwen levens-nooden. Kende Yinet niet oogenblikken waarin heel zijne ziel riep „geef

ocr page 210

198

mij uitwendig gezachquot;? Maar die oogenblikken waren zijne beste niet. De daemon van het kleingeloof, van het ongeloof stormde op Luther aan met de dreiging „het gezach dei-Kerkquot;. Dat waren de niet-reformatische dagen in den strijd van den Reformator. En waarom construeerde de roomsche kerk de onfeilbaarheid van den paus?

De bizondere kanoniek (§ 7) richt zich op het onderzoek der afzonderlijke boeken, als kanonieke geschriften. Haar hoofddoel is „om ons te zeggen, wat elk dezer geschriften in den Canon doet; waarom dit of dat geschrift een integreerend deel van het organisme van den Canon uitmaakt; en uit wat oorzaak het ons als canoniek geschrift bindtquot;, (bldz. 45). De theoloog houdt bij dat onderzoek steeds rekening met de mystieke overtuiging dat in de Schrift twee factoren, één goddelijke en één menschelijke, actief waren. Nadat K. aangetoond heeft wat uit de erkenning van den eersten factor volgt, geeft hij rond en eerlijk toe dat het onderzoek naar de auctores secundarii volle vrijheid geniet om, b.v. te besluiten dat de Pentateuch uit onderscheiden stukken bestaat; dat de verzameling van die stukken allengs volledig werd; dat de eindredactie eerst in eene latere periode tot stand kwam; dat Mozes zélf niet heel den Pentateuch heeft geschreven; dat het tegenovergestelde van die meening niet opgesloten ligt in de uitdrukking „Mozes en de Profetenquot; (Luc. 16:31 enz.); dat met name de eindredactie van Deu-teronomium eerst, wie zal zeggen hoe lang, na den dood van Mozes vaststond; dat een bijbel-boek aan redactioneele revisiën werd onderworpen; dat het bijvoegselen opnam, dat de tekst wijzigingen onderging; dat de inspiratie voor elk boek niet gelijk was; dat men spreken moet van Pentateuch of Hexa-teuch. (bldz. 56—59). Van zekere zijde heeft men ach en wee geroepen over de ketterijen die Kuyper\'s bizondere Kanoniek aankleven. Veeleer moest men juichen. Magna Veritas — praevalebit. De hoogl. beweegt zich hier op de lijn van Calvijn en de beste hervormde godgeleerden. Maar dat hij-zelf den stok in de hand gaf aan wie thands den hond slaat, dat bewijst menig Heraut-artikel. De Nemesis der

ocr page 211

199

Historie! Het doet mij hartelijk genoegen in het Standaardwerk van K. óók verklaringen te ontmoeten, die tegen het scholastieke apriorisme ingaan, en de erkenning zijn van het streven onzer z. g. „ethischenquot;. „Niet wij hebben Gode voorteschrijven hoedanige Schriftuur ons door Hem moet verstrekt worden , maar ootmoedig en dankbaar de Schriftuur te accepteeren, gelijk Hij ons die biedtquot;, (bldz. 56) i).

Hoofdstuk Twee handelt over de exegetische vakken, die eerst als zoodanig worden beschouwd. (§ 8). Zij onderzoeken wat een kanoniek boek, als geschrift, te zeggen heeft. Zij zijn noodzakelijk, omdat de Schriftuur als geschrift niet prima facie doorzichtig is. K. toont aan dat deze verklaring niet in strijd is met de wel begrepen leer van de „per-spicuitas Sacrae Scripturae. De vijf exegetische vakken zijn; 1. de theorie der tekstcritiek. 2. de philologia sacra. 3. de theorie der uitlegkunde of hermeneutiek. 4. de exegese. 5. de theorie der metaphrase of van de vertaling der Heilige Schriftuur.

Men vatte de theorie der tekstkritiek niet op als Ars critica, want kunst en wetenschap zijn twee, noch als critica biblica, want dan neemt men haar veel te ruim. Tekstkritiek veronderstelt het feit dat het Gode niet beliefd heeft „ons de feillooze autographa te doen overblijvenquot;. Daar Dr. K. nooit een der autographa zag, zou ik wel willen vragen op wat grond hij ze „feilloosquot; noemt. Wij staan hier doodeenvoudig voor eene petitio principii. Is het ook wel verstandig te beweren dat de Providentia specialissima zorg droeg dat feillooze autographa ontstonden om — weldra teloor te gaan? De Heilige Schriftuur werd blootgesteld „aan den tand des tijdsquot;. (bldz. 68). De oorspronkelijke

1) Schema der Canonica apecialis: „I Onderzoek naar de afzonderlijke hoelcen van den Canon, en wel: 1. onderzoek naar den memchelijken factor, voor wat aangaat: a. hun ontstaan, b. hun saamstelling, c. hun geachiedenis en 2. onderzoek naar den goddelijken factor, voor wat aangaat; a. de hun eigenaardige inspiratie, b. hun heteekenie als lid van den Canon, c. hun heilig gebruik. II Onderzoek naar de groepen van geschriften in den Canon voor wat hun eenheid ais groep aangaatquot;, bldz. 61.

ocr page 212

200

tekst (of we bevestigen dat hij „feilloosquot; was, dan wel dat niet doen, omdat wij er niets van weten) was reeds spoedig „op tal van punten onzeker gewordenquot;. De gedurige inspanning is ons opgelegd „om in het onzekere onzen weg te vindenquot;. Toch was óók de tekst „voorwerp van de provi-dentia specialissimaquot;. „Het onzeker maken van den tekst was derhalve wel toegelaten, maar niet dan binnen zekere grenzen, die door God zelf bepaald werden, en die krachtens den aard en de roeping der Schriftuur, alle zoodanige ver-valsching voorkomen moesten, waardoor de waarheid, en alzoo de toekomst der Kerk, op losse schroeven zou zijn gezetquot;, (bldz. 68). Wie dat erkent slaat de waarde dei-traditie niet te laag aan; doet zijne kritiek, „minder een „subjectief-ideëel dan een historisch obiectief karakter dragen en zal alle jacht op emendaties voor zooverre deze de Goddelijke mysteriën zouden aantastenquot; buiten sluiten. Een verstandig woord spreekt K. vóór het gebruik, tégen het misbruik van de conjectuur, al weet ik niet wat zin hechten aan de uitspraak: „De Kerk gebruikt de facto de Heilige Schriftuur alleen in vertaling; een coniectuur is derhalve dan eerst gelegitimeerd, zoo ze ook in deze vertalingen als vanzelff sprekend, is opgenomen: en de gevallen waarin dit kan en mag zullen, ook bij meerdere energie op het terrein der vertaling, niet licht vele zijnquot;, (bldz. 73)1). — Zeer leerrijk en boeiend is § 10 De Philologia Sacra2). Hetzelfde geldt

1

Schema. De tekstkritiek heeft de vierledige taak: 1° de nog roorhanden afschriften te verzamelen en de lezingen er van vast te stellen, 2° de lezingen vast te stellen van de te loor gegane codices, die dienst hebben gedaan voor de vertalingen, paraphrasen en citaten; 3° de genealogie dezer onderacneidene lezingen bij eiken tekst, en in het generaal, op te sporen; 4° met behulp van dit critisch apparaat, en in verband met den geest van den auteur en van de geheele Schrift, de lezing te bepalen, die vermoedelijk in het auto-graphon van elk boek heeft gestaanquot;, (bldz. 77—78).

2

Schema. I. De Studiën van de talen des Ouden Testaments. 1. de linguische, 2. de grammaticale, 3. de lexicographische stadiën: a. de philo-logisehe, b. de theologische lexicographie. II. De studiën van de talen des Nieuwen Testaments volgen dezelfde onderverdeeling. (bldz. 89). Dat K. van „de talenquot; des O. T. spreekt kan er nog bij door. Maar „de talen des N. T.quot; dat gaat niet aan.

ocr page 213

Ö01

van § 11 „de Hermeneutiekquot;, aanvangende met de even korte als pikante bepaling „Hermeneutiek is op zich zelf niets dan de logica der exegesequot; (bldz. 90) ^ van § 12 „de Exegesequot; a) in puntige tegenstelling met de vorige dus geopend „Exegese mag niet beschouwd als toegepaste hermeneutiekquot;, en van § 13 „De Metaphrasequot; 1).

De derde groep der bibliologische disciplinen bevat de pragmatische vakken. K. bespreekt ze éérst „als zoodanigquot; in § 14 en behandelt dan achtereenvolgends „De Archae-

1

Schema. „Voor dit vak van studie is alzoo de taak weggelegd: I. De methode der Bijbelsche metaphrase vast te stellen. II. De geschiedenis der metaphrase te schrijven. III. De geïnstitueerde kerken in staat te stellen, om tot het bezit eener metaphrase voor de onderscheidene natiën en volken te geraken. En IV. Voor het werk der zending de metaphrase te leveren in de talen der nog niet gekerstende volkerenquot;, (bdlz. 129).

ocr page 214

202

ologia Sacraquot; (§ 15), de „Historia Sacraquot; (§ 16), de „Historia Revelationisquot;. (§ 17) De usus heeft ons nu eenmaal opgescheept met den ongelukkigen naam van Archae-ologie. Het betere „Volkskundequot; zal wel geen ingang vinden. De dubbelzinnige en onjuiste naam van Archaeologie is een reden te meer dit vak scherp te bepalen vooral in zijne verhouding tot de Historie. De Archaeologie is de bedding {to hsvov). De Historie is de stroom pst). Men

heperke de Archaeologia Sacra niet tot de israëlitische of joodsche oudheidkunde en „Neutestamentliche Zeitgeschichtequot;. „Zij heeft zoo volledig mogelijk de alzijdige toestanden te beschrijven, die bestonden en tot stand kwamen op het breede terrein, waarop het drama van de Bijzondere Openbaring wordt afgespeeldquot;, (bldz. 137). K. handhaaft flink het theologiesch charakter dezer discipline als Archaeologie der bizondere Openbaring. Zij is eene systematiesch-beschrij-vende maar tevéns eene historiesch-systematische wetenschap. De taak der Archaeologia Sacra eindigt waar die der kerkelijke Archaeologie aanvangt n.1. met het wegsterven van het apostolaat!).

De benaming „Historia Sacraquot; (§ 16) dient boven die van „Historia Biblicaquot; geacht. „Door de geschiedenis van ons menschelijk geslacht is de geschiedenis van een anderen factor heengeweven, die niet uit de natuurlijke gegevens, maar alleen uit de inwerking van een heilige manifestatie en revelatie te verklaren isquot;, (bldz. 148). „De Historia Sacra is „in eminenten zin universalistisch van aard. Ze handelt niet van de historie van één bepaald volk, maar van de historie der wereld, en dus van heel ons menschelijk ge-

ïijn. nvtv/ix é uÊog. (Joh. 4:24). Een geestelijken achtergrond in Gods Wezen schuilend, en dus van dat Wezen onderscheiden, te stellen is eene ketterij, die K. mij dunkt, niet bedoelen kan.

1) Schema. I Archaeologie van den bodem. (Geographie, Fauna, Flora, Klima). II Archaeologie van het seculaire leven. (Genealogie, Linguïstiek. Physieke gesteldheid der volken. Hun persoonlijk, huiselijk, maatschappelijk en staatkundig leven). III Archaeologie van het relegieuze leven. IT Als aanhangsel: Archaeologie van het letterkundig leven. (bldz. 147).

ocr page 215

203

slachtquot; (bldz. 152). Haar methode kan niet de genetische der historia profana zijn. De goddelijke factor is niet cau-saliter uit den loop der gebeurtenissen te verklaren, maar werkt er telkens unvermittelt op in. Daarom echter wordt de Historia Sacra geenszins chroniek. Het universalistiesch charakter der Historia Sacra eischt „dat ze niet in engeren zin soteriologisch mag voorgesteldquot; en verbiedt de uitéén-rukking van Oud en Nieuw Verbond. De vraag of er in het organisme der Theologie plaats is voor eene biographic van Jezus wordt door K., m. i. terecht, ontkennend beandwoord. Zij is onmogelijk. Ware zij mogelijk, zij is ongeoorloofd \').

In § 17 komt K. op tegen de benaming „Theologia Biblicaquot;. Wat hij er tegen aanvoert acht ik in hoofdzaak steekhoudend. Die naam werd in de dagen van het rationalisme ongelukkig gekozen. Ik reken \'t Kuyper tot eene verdienste dat hij het historiesch charakter van dit leervak zoo sterk betoont. Dat historische wil hij in de benaming eeren. Hij spreekt van Historia revelationis naast de Historia Sacra 1). Veel van wat K. ter verdediging van den voorgestelden naam

1

„Er wordt ons in de Heilige Schrift tweeërlei voorgelegd. Vooreerst het verhaal van een reeks reëele geleurtenissen, en ten andere eene mededee-ling omtrent hetgeen te midden dier historische realiteit ons als waarheid geopenbaard is. Leven en Leer staan ook in de Heilige Schrift naast elkander, niet afgescheiden, maar toch onderscheiden. Het zijn en het bewustzijn hebben ook hier elk een eigen sfeer, die tot afzonderlijke behandeling noodzaakt..... Al geven we dan ook toe, dat de naam Historia Revelationis,

in ruimeren zin opgevat, feiten en uitspraken zou kunnen -omvatten, en zich dan in twee deelen, t. w. de Historia rerum gestarum en de Historia idearum, zou kunnen splitsen, toch scheen het eenvoudiger voor de res gestae den naam van Historia Sacra te bezigen, en den naam van Historia revelationis te kiezen voor wat de openbaring in de wereld van ons bewustzijn betrofquot;, (bldz. 174—175). Cf. Dr. E. H. van Leeuwen, „Historia revelationisquot; of „Theologia biblicaquot;? (Een encyclopaedisch vraagstuk) Theol. Stud. 1894 bldz, 348—365.

ocr page 216

204

zegt, beaam ik. Maar ik trek er eene andere conclusie uit. De term „Historia revelationisquot;, 1° is zóó ruim, dat hij heel de „Historia Sacraquot; omvat. De revelatie, 2° bestaat éérst in feiten, in daden Gods, daarna in ideeën, in leeringen, die in verschillende betrekking tot die feiten staan. Zoo gaat het zijn aan het bewustzijn vooraf. De Historia revelationis is dus a. Historia rerum gestarum en b. Historia idearum. Verwerpen wij nu voor de laatste den verouderden en onjuisten naam „Theologia Biblicaquot; dan pleit alles voor den naam „Historia doctrinae revelatae (Sacrae). Het parallelisme tusschen deze beide disciplinen eenerzijds en anderzijds tusschen de Kerkgeschiedenis en de Dogmenhistorie pleit mede ten gunste van ons voorstel. — Voorts trof mij bij de lezing van deze § dat K. wel het volle licht laat vallen op het algemeene, het objectieve, maar het bizondere en subjectieve in den schemer laat. Hij cijfert voorwaar het laatste niet weg! Maar wisten wij er niet van Dr. K. zou ons hier niets geleerd hebben b.v. aangaande de jakobische, petrinische, paulinische, johanneïsche leertypen 1).

B. De ecclesiologische groep.

De tweede afdeeling, door den hoogleeraar blijkbaar con amore beschreven, vangt aan met de zeer breed uitgewerkte § 19. „De Ecclesiologische groep als zoodanigquot;, (blz. 183— 213). Het recht van deze groep om naast de andere groepen gecoördineerd op te treden werd eerst na eeuwen van ontwikkeling, vooral na de Reformatie erkend. K. handhaaft deze pretentie met nadruk. Niet in het historiesch charakter van enkele dezer vakken maar in haar voorwerp heeft deze groep haar eenheid: niet in de Ecclesiae Historia maar in de Ecclesia zelf. Naast de Schrift, het Dogma en het Ampt

1

Schema. „I. Historia revelationis generalis. II. Historia revelationis specialis. Twee doelen, waarbij dan ook hier de beide formeele vakken komen, waarvan het éene de methode van deze geschiedenis voorstelt, en het andere het verloop van de geschiedbeschrijving der Openbaring in het licht plaatstquot; (bldi. 159—180).

ocr page 217

205

is de Ecclesia een zelfstandig moment. Zij is eene speciale verschijning in de geschiedenis, niet te verklaren uit het generale leven der waereld maar „door een van buiten intredenden factor in en uit het menschelijk leven gevormdquot;. Geen kerk zonder Revelatio Specialis. Zij is door herschepping niet door schepping ontstaan. Denken wij over de kerk na dan moeten we ook hier rekenen met het zijn en het bewustzijn. „Diensvolgens komt ze op en bestaat door twee factoren: ten eerste door een reëelen factor, t. w. door de wedergeboorte, en ten tweede door een dianoëtischen factor, t. w. door het Kyipuypx des Woordsquot;. Voorts beschouwe men de kerk niet atomistiesch, als een optelsom, maar organiesch als „de absolute organisatie van het door palin-genesie herstelde leven van heel ons menschelijk geslachtquot;. Hier blijkt bet belang „van het reformatorische dogma van de Ecclesia invisibilis en visibilisquot;. Achter de phaenomenale kerk ligt de noumenale. Dat miskent Rome en identificeert Kerk en Koninkrijk der hemelen. In ideëelen, noumenalen, zin besluit de Kerk in zich geheel de uitverkoren mensch-heid. Phaenomenaal omvat zij allen die op een gegeven oogenblik door den Doop in haar zijn opgenomen. De ekkle-siologische vakken hebben uit den aard der zaak voornamelijk met de geïnstitueerde Kerk, in haar organisatie en haar historie te doen. Maar zij richten zich ook op de kerk als organisme. Wat hebben we onder „geïnstitueerdequot; kerk te verstaan? Zelfs Rome kan niet zeggen: dat is mijne kerk, mijne kerk alleen. Haar leer over den Doop verhindert dat. Voor den Protestant moet het onderzoek der ekklesiologische vakken gaan „over alle kerkelijk leven, dat zich georganiseerd voordoet. Dit onderzoek zij kritiesch. Daartoe moet de kerk naar hare idee worden gekend, in haar samenhang met het aaitx tov xpivrov. Met die idee als maatstaf worde kritiek geoefend op alle phaenomenale levensuiting der kerk. Vandaar het confessioneele stempel op de Ekklesiologie. Daar nu dit stempel getoetst moet worden aan het princi-pium Theologiae in Sacra Scriptura, komt natuurlijker wijze ter sprake de verhouding waarin de Ekklesiologische groep

15

ocr page 218

206

tot de bibliologische staat en ook de vraag hoe de S. S. principium theologiae is voor de éérste vakkengroep. Als vrucht van het wpv/px komen de kerken op. Naar het Woord consolideeren zij zich. „Alzoo opgevat is derhalve de Kerk het phaenomenon, waarin de energie der Heilige Schrift zich geopenbaard heeftquot;. Zij kwam tot ontwikkeling niet door de onbewuste evolutie eener haar inhaerente idee maar door een bewusten, menschelijken factor „die geheel onder de heerschappij der Schrift stondquot;. Vandaar de aansluiting tusschen Bibliologie en Ekklesiologie. Uit eenzelfde goddelijke openbaring kwamen én Schrift én Kerk voort, en „overmits de Heilige Schrift ons die Goddelijke Openbaring in haar verloop documenteert, is zij zelve ook voor de beschouwing der kerk het principium theologicumquot;. Zonder de norma der H. S. wordt heel het phaenomenale leven der kerk een chaos, juist omdat de Schrift ons het stroomgebied der Revelatio in kaart brengt en de kerk ons de haar inwonende krachten openbaart.

In § 20 wordt de „Gliederungquot; der Ekklesiologische vakken besproken. Objekt dezer vakken is de kerk, nl. de Kerk in hare verschijning, waarvan hare idee, ons in de H. S. geopenbaard, onderscheiden is. De kerk verschijnt ons als instituut, maar ook als organisme. Vandaar de hoofdindee-ling dezer vakkengroep: I. Vakken die de kerk als instituut behandelen. II. Vakken die betrekking hebben op de kerk als organisme.

I. De Institutaire vakken!). Uit de rijke stoffe die K. ons biedt stippen wij slechts enkele punten aan. 1. a. Terecht m. i. weigert K. het Kerkrecht — onderscheiden van de Kybernitiek — tot de praktische vakken te rekenen. Voetius reeds ging ons in zijne Politica Ecclesiastica voor dit vak

1) Schema. 1. De diathetisohe Talken: a. Het kerkrecht, b. De kerkelijke Geographic, c. De kerkelijke Oeconomie. d. De kerkelijke Archaeologie. 2. De historische vakken: a. De algemeene kerkhistorie, b. De biiondere kerkhistorie c. De chronologische indeeling der kerkhistorie. 3. De statistische vakken: a. De algemeene en bijzondere Statistiek, b. De getallen statistiek. c. De historische statistiek.

ocr page 219

207

op te vatten principieel en theoretiesch „als de uiteenzetting van de architectoniek van het kerkelijk instituut als zoodanig (bldz. 232). Aan de Dogmatiek ontleent het Kerkrecht dan ook zijn uitgangspunt. En de Dogmatiek ontleent wat zij over de kerk als instituut leert aan de H. S. Gelijk wij vroeger bezwaar maakten tegen het opnemen van de historie der Exegese onder de exegetische vakken, hebben wij hier geen vrede met de opname van de geschiedenis van het Kerkrecht onder het Kerkrecht. Dit laatste „principieel en theoretiesch opgevatquot; kan niet doen wat de taak is der Historia Theologiae. — 1. b. Van eene methodologie en eene historie der kerkelijke Geographie, Cartographie en Topographic kan nog geen sprake zijn. Toch heeft K. groot gelijk dat hij deze vakken in zijn kader vermeldt. Vooral daar hij behartigenswaardige wenken er over geeft. De Encyklopaedie inderdaad, opgevat niet als inleidend tot de Theologie, maar als wijsgeerig vak heeft het oog te richten op de toekomst zooals die bepaald is door de ontwikkeling van het organisme onzer wetenschap. 1. c. Onder kerkelijke Oeconomie behandelt K. wat men gewoonlijk kerkelijke Archaeologie noemt. Zij heeft te doen met de kerkelijke huishouding binnen den kring der juridiesch bepaalde rechtsverhoudingen. Sedert de geschiedenis dieper ging dan het bloot verhaal der res gestae kan geen conservatisme Rosen-kranz\'s voorstel in den weg blijven staan „om de bestudeering van de kerkelijke toestanden door alle eeuwen heen met de kerkhistorie evenwijdig te laten loopenquot;. De verschillende benamingen van dit vak (Kerkdienst, Leven der kerk, Kerkelijke Oeconomie) worden door K. besproken. Zoo ook de verschillende indeelingen, (Schultze, Baumgarten). K. stelt, juist, de hoofdverdeeling naar „de levensopenbaring van het instituut in en buiten den Cultusquot;. In het eerste gedeelte hebben wij te doen met plaatsen, tijden, gang, inrichting, instrument van den eeredienst. De stoffe in het tweede gedeelte te behandelen zal varieeren naar de grieksche, roomsche, luthersche typen „terwijl de Gereformeerde kerken buiten de saamvergadering der geloovigen gansch geen insti-

15*

ocr page 220

208

tutairen cultus kennenquot;. Wanneer K. bij deze opvatting van de kerkelijke Oecomie, in § 25, de kerkelijke Archaeologie met haar coördineert doet hij eene concessie aan traditie en praktijk ten koste van de encyklopaedische arcbitektopiek.

2. De historische vakken houden zich bezig met de kerk in institutairen vorm — niet met bet Christendom, niet met het Koninkrijk Gods. Hunne metbode is genetiesch-ideolo-giescb. Historie is niet chroniek. Maar de geschiedenis is evenmin een physiesch proces als de evolutie van de absolute idee als eenige substanz. (Hegel). De kerkhistorie beeft met drie factoren te rekenen: met den goddelijken, den satani-schen, den menschelijken. Op eene juiste verhouding tusscben traditie en kritiek dringt K. aan. Van de eerste gelde: justa babeatur donec probetur contrarium. Gaarne had ik gezien dat de Hoogl. na handhaving van de rechten der traditie voor de kritiek nog iets anders gedaan badde dan waarschuwen tegen excessen. 2. a. De algemeene kerkhistorie (§ 27) vraagt naar wat van algemeene beteekenis is voor het kerkelijk leven; naar de kerk van Christus; niet naar eenig speciaal instituut. Zij houdt rekening met de waereld-geschiedenis, verliest er zich niet in maar neemt er uit op wat tot recht verstand van de kerkelijke ontwikkeling noociig is. K. wil dat zij aanvange met het apostoliesch tijdvak toen de Kerk weer internationaal en oekumeniescb werd en met eigen organisatie, in eigen instituut optrad. — 2. b. Bij de bijzondere kerkhistorie, die extensief zich beweegt over het gebeele terrein der algemeene kerkhistorie, en intensief dieper in de voorhanden stof indringt, onderscheidt K.: 1. De geschiedenis der Missie. 2. Het patristiesch tijdvak. 3. De geschiedenis der Reformatie. 4. De geschiedenis der instituten. 5. De geschiedenis der landskerken. Dat bet ook bij de bespreking van die onderdeelen aan treffende opmerkingen niet ontbreekt, boeven wij niet te bewijzen door citaten. Terecht merkt K. b. v. op dat de historie der Zending encyklopaediescb niet gerekend mag worden tot de praktische vakken, maar tot de geschiedkundige; dat de bestudeering van het patristiesch tijdvak niet mag opgaan

ocr page 221

209

in de z. g. litterarische patristiek; dat de reformatorische drijfkracht in de kerk van alle eeuwen woelde; dat de geschiedenis der kerkelijke instituten tot nu toe door de Protestanten te zeer verwaarloosd werd ten gevolge van de nationaliseering van de kerken der Reformatie; dat echter de eerste die der ecclesia patria niet overbodig maakt, wijl de kerk van Christus niet anabaptistiesch naast het volk leeft, maar er wisselwerking is tusschen heiden. 2. c. Voor de chronologische indeeling der Kerkhistorie wil K. natuurlijk niet meer weten van die bij eeuwen, die te uitwendig is. De kerkhistorie moet voorts haar chronologie inrichten naar de transformatiën van het kerkelijk leven, niet naar de evolutie der idee van het christendom.

3. In de derde Sectie komen de statistische vakken ter sprake in déze volgorde: § 30. Be Statistiek als zoodanig. Het opkomen der empirische richting schoof deze vakken op den voorgrond. Over den naam „Statistiekquot; krijgen we belangrijke mededeelingen. K. ijvert tegen de z. i. overdreven portee sedert Schleiermacher aan de Statistiek toegeschreven en teekent nauwkeurig de verhouding tusschen Statistiek en en Historie. Evenals bij de Historie is er bij de algemeene en hizondere Statistiek (§ 31) wisselwerking. De beteekenis der cijfers wordt hier terecht bepaald tegenover de waarde van zedelijke factoren. Aan de Getallen-Statistiek wordt eene afzonderlijke § gewijd evenals aan de z. g. historische Statistiek die eigenlijk geen aanspraak mag maken op den naam van wetenschap.

H. De Organische vakken1). Het onderscheid tusschen de kerk als organisme en als instituut is schriftuurlijk. Maar de onderscheiding is geene scheiding. De Kerk is één, is krachtens haar wezen een organisme onder wiens openbaririgs-

1) Schema. 1. Vakken rakende de kerstening van het persoonlijk leTen: a. De chriatelijke biographie. b. De clir. karakterkunde, c. De beschrijving der chr. vroomheid. 2. Vakken rakende de kerstening van het georganiseerde leven: a Het chr. huisgezin, b. Het chr. volksleven, c. De chr. Staat. 3. Vakken rakende de kerstening van het niet georganiseerde leven: a. Pe chr. letterkunde, b. De chr. wetenschap, c. De chr, kunst.

ocr page 222

210

vormen ook de institutaire gestalte behoort. En het insti-tutaire én het organische leven der kerk moet in de wetenschap afzonderlijk worden behandeld. Men verwarre toch niet de onderscheiding tusschen de kerk als instituut en de kerk als organisme met die tusschen de kerk en het Koninkrijk Gods. Dit laatste is zélf een institutair begrip. Na de Parousie zal „dit heilig en hoogheerlijk instituut door alle sferen der Schepping schitterenquot;. Maar, evenals de kerk, is het Koninkrijk Gods én instituut én organisme. Het is breeder van omvang dan de kerk, wier organische werkingen niet met het Koninkrijk geïdentificeerd mogen worden. — Een enkele blik op het breed uitgewerkte schema der Organische vakken (en nog gaven wij de onderverdeelingen niet op) zegt ons wat rijke, hoogst belangwekkende, onderwerpen hier ter sprake komen. Veel ethische stof wordt hier behandeld. Recht op deze verrijking der ekklesiologische vakken vindt K. in de overweging dat de Ethiek, als normatieve wetenschap, volgends het principium Theologiae, de H. S., leert hoe het chr. huisgezin, hoe het chr. charakter moet zijn. De phaenomenale ontwikkeling te beschrijven van beiden en zooveel meer is de roeping der historie, bepaaldelijk der kerkhistorie, dus der Ekklesiologie.

C. De Dogmatologische Groep.

De inleidende § 45 schetst in hoofdlijnen de lotgevallen van het eigenlijk heiligdom der Theologie, de Dogmatiek, die thands „ten onzent als bannelinge zwerft buiten de grenzen der faculteit om; elders als eene onttroonde vorstin in een stulp schuiltquot;. Dat is het noodzakelijk gevolg van het seculariseeren der Theologie. Dr. K. verwerpt, zeer terecht, voor deze vakkengroep den naam van „Systematischequot;. Naar haar inhoud, niet naar haar vorm, moet zij benoemd worden; „naar den waarheidsinhoud der Openbaringquot;. De assimileering en reproductie van dien inhoud is niet aan de wetenschap, als zoodanig, overgelaten. Die waarheid staat in verband met de geestelijke realiteit, waarvan

ocr page 223

211

ze den logischen inhoud uitspreekt. De kerk grijpt eerst deze realiteit door haar beleefd en beleden. Met haar geestelijke ontwikkeling gaat die van haar inzicht gepaard. Beider stuwkracht is uit den Heiligen Geest. Daar de kerk niet alleen organiesch maar ook als instituut bestaat, wordt dit inzicht uitgesproken in de belijdenis. Vandaar het dogma als zelfstanding moment naast de Biblia en de Ecclesia, het dogma derhalve als encyklopaediesch verdeelingsprinciep.

Helder en scherp is K\'s. indeeling van deze vakkengroep naar het beginsel: SixQsiris, öcïh;, xvtiQutis. Bespreekt de hoogl. deze indeeling dan geeft hij rijken overvloed van treffende opmerkingen — teveel dan dat ik wagen zou er iets van te vermelden. Wat hij schrijft behoort tot het beste dat ik ooit over deze materie las. In alle hoofdzaken ben ik \'t met hem van harte eens !).

I. De diathetische vakken. Nu volgen slag op slag zeer belangrijke, boeiende ontwikkelingen over: de Symboliek (§ 47). Scherp bakent K. hare grenzen af. Symboliek is niet kerkelijke „Prinzipiënlehrequot; noch „Vergleichende Konfes-sionskundequot;. Obiectum positum der Symboliek zijn en blijven de kerkelijke symbolen: de eigenlijke symbolen, ten eerste, de Liturgieën en Kerkenordeningen, ten tweede; en eindelijk monumenten als b.v. de Walchersche artikelen. Een vraag-teeken zet ik achter K\'s. verklaring: „Het is dus niet op den inhoud, dat de Symboliek hare studie richt, maar op de Txkig, op den vorm van het Dogma, waarin het zich aanmeldt, d. i. op den vorm van het Dogma, die in de Symbolen voor ons ligtquot;. Tot die verklaring ware de hoogl. niet overgegaan indien Doedes\' juiste onderscheiding tusschen Symbolologie en Symboliek door hem geëerd ware. Door die verklaring komt hij, ni fallor, met zich-zelf in tegenspraak, b. v. wanneer hij de Symboliek óók opdraagt om het „cen-

1) Schema. I. De Diathetische vakken. 1. De Symboliek. 2. De Historie Tan het Dogma, met als onderdeel de Patristiek. 3. De Statistiek der Dogmatische ontwikkeling. II. De Thetische vakken. 1. De Dogmatiek. 2. De Ethiek. III. De Antithetische vakken. 1. De Polemiek. 2. De Elenctiek. 3. De Apologetiek, (bldz. 365—366).

ocr page 224

212

trale symbool genetisch toe te lichten en door vergelijking met de overige symbolen in zijn eigenlijke beteekenis te doen uitkomenquot; (bldz. 373), of wanneer hij de taak aangeeft der genetiesch-comparatieve en der exegetiesch-systematische Symboliek. De exegese immers heeft zeer zeker met den inhoud der Symbolen te doen. Al mag ze „nooit verloopen in eene dogmatische ontwikkeling er vanquot; (bldz. 375) toch heeft zij „door uitlegging en rangschikking van den inhoud der Symbolen de juiste en volle beteekenis van den symbo-lischen inhoud weer te gevenquot;, (bldz. 376). Van eene afzonderlijke kritische Symboliek wil K. niet weten, al erkent hij het goed recht der kritiek om leemten, onduidelijkheden, tegenstrijdigheden in het kerkelijk symbool aan te toonen ï). — § 48 „De geschiedenis van het Dogmaquot; bevat goede opmerkingen over de geschiedenis van dit vak; over den innigen band tusschen hu/jlx en bij het dogma: over het charakter van het dogma als niet onderscheiden van de uitspraken der Symbolen; over de verhouding der subjectiviteit van den dogmen-historicus tot zijn object; over de baeresieën, die in de Dogmenhistorie aan het woord moeten komen; over haar beteekenis voor de dogmatische ontwikkeling; over de verhouding tusschen de dogmen en het Dogme; over het dóórloopen der Dogmenhistorie ook na het fixeeren van het dogme; over de chronologie der Dogmenhistorie onderscheiden van die der kerkhistorie in het algemeena). Voor zijne stelling dat de Symboliek aan de geschiedenis van het dogma voorafgaan moet, had Dr. K. wel krachtiger redenen mogen aanbrengen. — De Patristiek (§ 49) als onderdeel van de Dogmenhistorie verdient afzonderlijke behandeling. Aan de roomsche theologie ontleent K. de criteria ter bepaling wie patres ecclesiae zijn, (aetas competens; sanctitas vitae; doc-trina orthodoxa; approbatio ecclesiae), \'t Onderscheid lus-

1) Schema, 1. De litterarlsch-critische Symboliek. 2. De genetisch-com-paratieve Symboliek. 3. De exegetisch-aystematische Symboliek, (bldz. 376).

2) Schema. 1. De algemeene, 2. De speciale Dogmageschiedenis. 3. De dogmatische monographie. (bldz. 386).

ocr page 225

213

schen patres en doctores ecclesiae: „De pater ecclesiae schittert door het dogmatisch genie; de doctor ecclesiae door het dogmatisch talentquot;, (bldz. 389). Zoo was Thomas een doctor; Calvijn een pater. De Patristiek dringt in den dogmatischen arbeid der Patres zóó in „dat ze het eigenaardige van elk hunner karakteriseert, het motief dat hen leidde opspoort, hun gedachtengang bloot legt, en in dezen gedachtengang de verschillende stadiën van ontwikkeling aantoontquot;, (bldz. 391).

II. De thetische vakken der dogmatologische groep. Bij eene tweede uitgave van zijn werk lette Dr. K. op deze kleinigheid dat er symmetrie zij tusschen den titel van H. I en III eenerzijds en van H. II anderszijds. In § 51, De Dogmatiek, begint K. met déze formeele verdienste in Schleiennacher\'s optreden te waardeeren, dat hij en zijne volgelingen het dogma weer als dogma, als decretum ecclesiae, niet bloot als opinio fidelium erkenden. Over historie en etymologie van het woord „dogmaquot; biedt hij ons een zaakrijk overzicht. Zegt K, bldz. 397, „Overmits een Concilie of Synode geacht wordt onder het praesidium Spiritus sancti saam te komen, ligt ook dit ideëele subiect in het sSsi-e ingesloten. Tijdens het leven der apostelen gold dit zelfs in zoo ahsoluten zin, dat zij schreven: (So%s rcji xyiq ÏIvcviaxti xx) y/tïv; iets dat zeer zeker in dien absoluten zin later niet meer gold, maar toch relatief zijn kracht bleef behoudenquot; — dan vragen hoe mikroskopiesch klein dit „relatievequot; wel eens werd, b.v. op een zekere „rooverquot;-synode, of op een Concilie dat aan een kerkvorst e cathedra loquentem onfeilbaarheid toeschreef; daad die Gods eere te na kwam. Zou de charakterlooze houding van eenige — éérst protesteerende — bisschoppen op het Vaticanum niet te verklaren zijn mede uit eene niet kritische, onbijbelsche opvatting van het tu xyta Uvsu^xti ? Wat er van zij — dogma zegt K. „is eene door de kerk, als met gezag bekleed Instituut, gegeven leerstellige uitspraakquot;. Wie de kerk als zoodanig loochent heeft geen dogma noch dogmatiek meer. Onwillekeurig vragen wij wat hier verstaan wordt onder het „gezagquot; van dat instituut. Wij zijn, in zekeren zin, niet gaarne naar Rome op weg.

ocr page 226

214

Waar is en wat is „de institutaire kerkquot; die „alle eeuwen door aanspraak maakte op autoriteitquot;. Dat een roomsche zoo spreekt, wijl voor hem zijne roomsche kerk, die hij de Katholieke kerk noemt, de kerk is — al zijn er in Rome\'s leer bestanddeelen die tegen dat exclusief particularisme ingaan — dat verstaan wij. Wij Protestanten kennen echter zulk eene, éene, institutaire kerk niet. In den loop der eeuwen ontstonden onderscheidene kerk-instituten. De dogmata van het ééne staan dikwijls vijandig tegen die van het andere. Tenzij men de poging van Calixtus hernieuwe en in een breed syncretisme heil zoeke — Dr. K. wil dat evenmin als wij — moet het gezach van het dogme worden beperkt binnen den kerkelijken kring waarin het ontstond. Ik b.v. loochen met gepaste vrijmoedigheid de autoriteit van het dogma der Immaculata Conceptio, der Onfeilbaarheid des Pausen, zelfs al spreekt de man e cathedra. En zoo aanstonds zal de hoogl. mijn recht daartoe erkennen.

Wat de taak van den dogmaticus betreft — hij heeft niet „slechts historisch te constateeren, welke op een gegeven tijdstip de belijdenis der kerk wasquot;. Hij moet „de waarheid van de belijdenis (zijner kerk) systematisch in het licht stellenquot;. Wat dat in heeft wordt door K. weêr meesterlijk ontwikkeld bij het licht der waarheid „dat de dogmatische ontwikkeling der kerk van Christus nog bezig is, haar proces te voleindenquot;. Ook erkent K. de kritische roeping der Dogmatiek. De kerk immers spreekt niet met onfeilbaar gezach. Haar gezach draag een betrekkelijk charakter. — De materialen der Dogmatiek zijn niet de geïsoleerde dogmata, maar de dogmen zooals ze organiesch ontsproten zijn aan de Waarheid „die ons in Gods Woord is geopenbaardquot;. Haar bewerking is toevertrouwd niet aan den dogmaticus als geïsoleerd individu maar als staande „én historisch, en actueel in de volle gemeenschap der heiligenquot;, (bldz. 410). De methode kan gaan van het dogma op de Schrift terug of van de Schrift naar het dogma. De laatste weg, tot nu toe bijna uitsluitend gevolgd, wordt door K. aanbevolen. De eerste is bruikbaar voor de dogmatische monographie.

ocr page 227

215

Treffende opmerkingen vinden wij in § 52 .,De Ethiekquot; over idog en mores; over de verhouding tusschen Dogmatiek en Ethiek. Schrijver verklaart „dat de Ethiek door ons als het tweede deel der Dogmatiek, hetwelk de norma agendorum onderzoekt, onder de dogmatologische vakken wordt gehandhaafdquot;, Hij buigt voor de macht der gewoonte — en wij maken er hem geen verwijt van — al is het wel jammer, want zijn voorstel: „De thetische dogmatiek onavat tweeërlei terrein, zoowel de norma credendorum als de norma agendorum , en om zich volledig uit te drukken, zou men dus moeten zeggen, dat de Dogmatiek uit twee deelen bestaat: de „Aletbetiek en de Ethiekquot; (bldz. 417) is excellent. K. spreekt dan ook gedurig zeer juist van dogmata veritatis en dogmata ethica of vitae wanneer hij voorts het goed recht der afzonderlijke behandeling van de Ethiek aantoont. Dat hij de theologische ethiek niet tot eene „doublure van de philosopbischequot; wil maken, pleit voor onzen theoloog, die wél wil dat Theologie en Philosophic elkaêr aanvullen. Ge-wenscht licht laat hij vallen „op de verstoring, die ook hier teweeg is gebracht door het feit der zonde, en de tweeheid van empirie die een gevolg is van het feit der palingenesiequot; (bldz. 420). De onderscheiding tusschen credenda en agenda acht hij „de eenig juiste onderscheiding, die hier de grenzen afbakentquot; Als norma der Ethiek blijft hij de Wet der Tien Geboden handhaven. „Eene theologische ethiek, die, met voorbijgang van de Wet des Heeren, een eigen norma agendorum poogde op te stellen, zou tegen de Heilige Schrift ingaanquot;, (bldz. 427). Naar die norma worde de leer van agenda en vitanda systematiesch voorgedragen. Grondbeginsel van het ethiesch leven is de liefde, wier anti-thetiesch beginsel — pseudo-agape — de haat is. Casuïstiek en Ascetiek erkent K. niet als zelfstandige vakken. Zij vormen onderdeden der Ethiek.

III. De antithetische vakken. De Polemiek (§ 53) gaat zoowel chronologiesch als logiesch aan de Apologetiek vooraf. Het laatste beslist over haar plaats in het encyklopaediesch instituut. „Verschil in eigen boezem moet beslecht, eer ge

ocr page 228

216

met goed gevolg den wederpartijder buiten uw kring zult weerstaanquot;, (bldz. 436). Met de Polemiek — die alleen rusten kan in tijden van dogmatiesch indifferentisme — coördineerde men de Ireniek of Henotiek, die toch geen zelfstandig vak vormt, wijl de comparatieve Symboliek de roeping heeft om het gemeenschappelijke in de onderscheidene belijdenissen te doen uitkomen. Ne bis in idem. De Polemiek richt zich tegen de heterodoxie wanneer deze „onder den christelijken naam een tegen het christendom gekeerde levensopvatting drijftquot;; wanneer deze het christendom vermengt met judaïstische of paganistische bestanddeelen; wanneer deze de harmonie der chr. waarheid verbreekt. De heterodoxie kan zich voordoen óf zélf kerkelijk georganiseerd óf \'t zij binnen, \'t zij buiten eene bestaande kerkelijke organisatie. Van daar de splitsing in generale en speciale Polemiek. De eerste, die naar de diepste beginselen van Christendom en niet-Christendom vraagt, wijdt dit studievak in zijn geheel tot eene wetenschap. De tweede heeft meer een praktiesch dan een zuiver wetenschappelijk belang. Natuurlijk neemt de Polemiek een confessioneel standpunt in.

De Elenctiek — niet Elenehtiek — (§ 54) richt zich tegen de pseudo-religiën „geroepen, om bij het licht van het christelijke Dogma, de abnormale en zondige ontwikkeling van de natuurlijke Godskennisse, als ook de vervalsching van de traditie der Openbaring, gelijk die zich in de pseudo-religiën van Heidenen, Joden en Mohamedanen vertoont, in haar innerlijke onhoudbaarheid te doen uitkomenquot;, (bldz. 446). Zij is een protest tegen de moderne coördineering van de afgodendiensten met het christendom. Zij veronderstelt de „historie der Godsdienstenquot; in de litterarische faculteit gewonnen. Hare verwaarloozing verklaart menig échec der Zending. Wat K. hierover te berde brengt neme ieder Zendelinggenootschap zeer ernstig ter harte. Heel deze §, waarin wij wederom den breeden blik en de rijke geleerdheid van den Schrijver bewonderden, zij elk theoloog ter lezing aanbevolen. Op de vraag welke houding ons theologen past tegenover de pseudo religiën vinden wij hier het m. i.

ocr page 229

217

juiste — niet methorllstiesch, — niet sceptiesch of eklek-tiesch-getinte andwoord.

Het gebruik wilde dat „de antithetische behandeling van de pseudo-philosophiequot; Apologetiek heette. (§ 55). Juist is die benaming in zooverre de Theologie haar positie verdedigt, niet op eigen terrein maar op dat der philosophie. Duidelijk geeft K. het onderscheid aan tusschen apologie en apologetiek, plaatst deze laatste na de Dogmatiek en de Ethiek, en beschrijft uitvoerig en grondig haar taak.

D. Be Diaconiologische groep.

Bij de indeeling van de vakken tot deze groep behoorende wijkt K. willends en wetends af van het beginsel dat het logiesch moment over de plaats van elke discipline beslist. Volgends zijne beschouwing van de ampten in de kerk (§ 57 „De diaconiologische groep als zoodanig) zouden de „laïcalequot; vakken eerst moeten komen. Onder het regimen der „Prac-tische Theologiequot; werden die studiën echter bijna geheel verwaarloosd. Zoo weinig ontwikkeld, moeten zij vooralsnog achteraan komen in dit kader: I. De didascalische, II. De Presbyteriale, III. De Diaconale, IV. De laïcale vakken.

I. De didascalische vakken. Zij schikken zich om den h^xTuxXoc als middelpunt, bespreken leiddraad en regel voor de uitvoering van zijn ampt. Kuyper wettigt déze opvolging der didascalische vakken: Homiletiek (§ 60), Catechetiek (§ 61), Liturgiek (§ 62), Prosthetiek (§ 63). Telkens worden de onderscheiden benamingen der vakken besproken en over etymologie en usus van de verkozene interessante opmerkingen gemaakt. Zoo blijve, „Homiletiekquot; gehandhaafd, trots het later voorgestelde „Keryktiekquot;. Kort en goed spreekt K. over de roeping en de geheiligde kunst van den prediker, over de katechismus-prediking en tegen de z. g. mottopredicatie. — Catechese noemt K. „de paedagogische inleiding in de traditie, de denkbeelden, de usantiën en de verwachtingen der christelijke kerkquot;, (bldz. 504). Zij staat in nauw verband met de prediking. Zij vormt „den kerke-

ocr page 230

218

lijken overgang van het ééne Sacrament naar het andere, van den Heiligen Doop naar het Heilige Avondmaalquot;. Zij moet in den strengsten zin confessioneel zijn. Kuyper heeft — tot mijn groot genoegen — geen vrede met „vraagboeken over de Bijbelsche geschiedenisquot;. Voorverhalen en doen naverhalen is hier de eenig profijtelijke methodequot;. — Voor „Halieutiekquot;, waar wij aangewend zijn, kiest K. „Prosthetiekquot;. In dien naam vindt hij de waarheid „dat alle zending uit haren aard niet in de handen van particulieren thuishoort, maar van de kerk als zoodanig moet uitgaan, en door haar moet verzorgd wordenquot;, (bldz. 519). Zeer actueel is K\'s. opmerking „De stof die ter bewerking gereed ligt is alzoo metterdaad onafzienbaar, en indien niet meerdere mannen van wetenschap in de gelegenheid worden gesteld, hun krachten eeniglijk aan dit ééne studievak te wijden, is te voorzien, dat, tot groote schade èn van de kerken èn van de Zending, de Prosthetiek nog lange jaren als bijvak zal worden behandeld, en deswege buiten staat zal blijken, de Zending uit haar dilettantisme op te hefifenquot;. (bldz. 524).

H. De presbyteriale vakken. (Bij ten titel van Hoofdstuk I ontbreekt het lidwoord „Dequot;). Zij worden in twee §§ behandeld: De Poemeniek en de Kybernetiek. De npsir-(Svrspos is óf alleen „regeerendequot; of ook „in het openbaar leerendequot;. Wat tot de \'hila.ey.a.xia behoort werd reeds besproken. De presbyteriale vakken doelen alleen op het „regeerenquot;: op de herderlijke zorg (Poemeniek) en op het regeeren in engeren zin (Kybernetiek). Alle presbyters zijn „herdersquot; — niet alleen de „Dienaren des Woordsquot;. De Schrijver begrenst den werkkring van den „herderquot; tegenover het „leeraarsambt1\' en tegenover de xvpspvyiric. Uit den aard der zaak is de eigenlijke Poemeniek nog weinig tot ontwikkeling gekomen. En van haar verderen groei belooft K. zich „geen gouden bergenquot;. De Kybernetiek (§ 65) doet onderzoek „naar de beste wijze om de regeering der kerk door de ambtsdragers te laten uitoefenenquot;. Zij mag het kerkrecht niet annexeeren: haar terrein is uitsluitend het kerkelijk regeenngstalentquot;.

ocr page 231

219

III. De diaconale vakken. Daar de theologische studiën in de laatste tijden voornamelijk onder leiding van Duitsch-luthersche geleerden stonden en het diaconaat alleen in de gereformeerde kerken tot bloei kwam, werden deze vakken verwaarloosd. Over de geschiedenis van het diaconaat geeft K. enkele uitmuntende opmerkingen. Het diaconaat is het ampt voor den dienst der Barmhartigheid (tegen Jacobson-Mejer, in Herzog\'s Encykl., en Uhlhorn). De diakonale vakken bespreken dit ampt niet als zoodanig — dat doet het kerkrecht — maar beandwoorden de vraag „op wat wijze de Diaken zich van zijn ambtsbediening heeft te kwijtenquot;, (bldz. 537). Zij deelen zich in drieën; 1. De Prophylaktiek — zij tracht armoede en lijden te voorkomen; 2. De Boëthetiek — zij heeft armoede te lenigen en lijden te verzachten; 3. De Lepsiek — zij vraagt hoe men aan middelen komt opdat de diakonie haar liefdewerk volbrenge.

IV. De laïcale vakken berusten op het algemeene priesterschap der geloovigen en vallen uiteen in de institutaire en de organische laïek. De institutaire functiën zijn normaal of abnormaal, al naar de verhouding is tusschen de ampts-dragers en de geloovigen. De organische laïek (§ 72) bestudeert het optreden der geloovigen uit particulier initiatief. Zij heeft te letten op de juiste verhouding tusschen dit initiatief en het institutaire leven der kerk. Haar gebied is dat der z. g. Innere Mission.

Het schema der „diakoniologische vakkenquot;, zooals men ziet, wordt door K. fijn uitgesponnen en breed uitgewerkt. Dat reken ik tot de groote verdiensten van zijne Encyklo-paedie. De dagen van de „Praktische Theologiequot;, die schier uitsluitend oog had voor den „Herder en leeraar\' zijn geweest. De Encyklopaedie, opgevat als wijsgeerige wetenschap van het organisme der Theologie, moet de enge perken verbreken, waarbinnen methodologische wenken, ten bate van één amptsdrager zich bewegen. De kerk leeft. Naarmate haar leven zich ontplooit, ontwikkelen zich hare functiën ad intra en ad extra. Dat alles moet theologiesch ingedacht worden, zal onze wetenschap niet een petrefact worden

ocr page 232

220

waar de levensstroom langs spoelt. Maar dat zal niet gebeuren , nooit gebeuren. Dat zal zelfs niet gebeuren in kringen die zich behelpen moeten met eene „theologischequot; Faculteit, onder de leuze van neutraliteit en onbegrijpelijk- hooge-hooge wetenschappelijkheid, allertreurigst verminkt. De wetenschap — indenking van het leven — lacht toch om uitgerafelde banden waarmede vreemde belangen haar trachten te knevelen. De levensbewegingen der wetenschap op te merken en van haar eerste begin aan te beschrijven is de roeping der Encyklopaedie, die niet alleen naar het verleden maar óók naar de toekomst ziet.

In een „Aanhangselquot; bespreekt K. „Niet-theologische vakken, die met het organisme der Theologie in enger verband staanquot;, (bldz. 554—577). Eerst „de Encyclopaedic der Theologiequot; (§ 74) wier wijsgcerig charakter de S. weêr zoo sterk mogelijk vindiceert. Dan „de Theologische Isagogiekquot; (§ 75), wier taak bet is den student tot het heiligdom der Theologie in te leiden. Voorts „de Theologische Hodegetiekquot; (§ 76) en „de Theologische Bibliographicquot; (§ 77). In hoofdzaken wordt ons hier niets geboden dat we niet reeds vroeger lazen. Dat is ook het geval met § 78 „De Geschiedenis der Pseudoreligiequot; en § 79 „De wijsbegeerte van den Godsdienstquot;.

„Wie het „Encyclopaedisch Overzichtquot;, aan het derde deel toegevoegd, beschouwt zal erkennen dat K. zijn schema volgends de aangenomen principia divisionis flink en fijn, helder wijl logiesch, boeiend wijl rijk beeft uitgewerkt. Afkeurende kritiek over dit en dat détail kan samengaan met een zeer waardeerend oordeel over het schema in zijn geheel, over het schema als zoodanig. Het getuigt van een diepen en sympathischen blik in het organisme onzer wetenschap, van een groot talent tot het weergeven, het in teekening-brengen van dat organisme en zijn teerste gele-

ocr page 233

221

dingen. Vele schemata ken ik, die, formeel beschouwd, ver beneden dat van Kuyper staan, weinigen die zóó goed en schoon zijn.

Wanneer een boek van beteekenis het licht ziet vraagt men onwillekeurig met Horatius welke de fata libelli wel zullen zijn. Die fata worden méde-bepaald door den captus lectorum, maar hangen in hoofdzaak van het boek-zélf af. Kuyper\'s Encyklopaedie is volstrekt niet een andere „Hagenbachquot;: een boek voorstudenten. Pasbeginners hebben er niet aan. \'t Kan hen niet oriënteeren. Zij zouden verdwalen in die drie volumineuze deelen. Eene bloemlezing alleen van isagogische en methodologische wenken, enkele capita selecta zouden studenten van nut kunnen zijn. Een flink candjdaat of doctorandus, die met noeste vlijt gestudeerd en kennis genomen heeft, grondig, van de voornaamste formeele encyklopaedieën zoo profijt hebben van eene geduldige bestudeering van dit boek. Wat ik hier schrijf is lof, geen blaam. De schrijver van „Scholasticaquot; heeft ditmaal niet voor studenten gewerkt. Hij wilde eene Encyklopaedie geven, niet eene Isagogiek, niet eene Hodegetiek, maar eene wijsgeerige beschrijving van het organisme der Theologie. Dus richt hij zich tot theologen, bepaaldelijk tot encyklo-paedologen. Geenszins dat dit boek, binnen de wanden van studeerkamers gebannen, zonder nawerking zou zijn in bree-deren kring! In de diakoniologische vakkengroep vooral komen momenten voor waarmede predikanten, ouderlingen en diakenen middelijk of onmiddelijk rekenen zullen. Een wijsgeerig werk — heeft het beteekenis als zoodanig — zal altijd beteekenis hebben voor de praktijk. Wijsbegeerte is niet te scheiden van het leven. Door duizend banden zijn zij met elkaer verbonden. De vakmannen nu zullen oordeelen dat een merkwaardig werk hun door Kuyper voorgelegd werd, een werk dat, herzien, een toekomst heeft. Als onze S. zijn Dogmatiek uitgegeven en de honderden bladzijden — nu in de Encyklopaedie aan den locus de Sacra Scriptura

ocr page 234

222

gewijd — er uit verwijderd zal hebben, dan zal het werk tot de proporties gebracht zijn van het oorspronkelijk plan —. Als onze S. zijne tweede uitgave duchtig herziet, immers met het doel om alle herhalingen te vermijden, schoonheid van dictie te zoeken óók in eenvoud en het „kort en krachtigquot; te eeren, dan zal zijn boek — meer dan thands het geval is — met vrucht worden geraadpleegd.

Kuypers Encyklopaedie doet mij denken aan een eerbied-waardigen dom in gothischen stijl zooals der Middeleeuwen ze deden verrijzen. Wat rijkdom van enkele partijen dienstbaar aan, in overeenstemming mét de ééne groote idee van het geheel. Gij staat eerst verrast, verwonderd en bewon-, derend, voor de gothische bouwing van dezen meester, die toch leeft in de negentiende eeuw — a la fin du siècle. Gij gaat het heiligdom binnen en waardeert de piëteit vertolkt door pijler en boog. Maar, zoo de bekoring, waaronder gij zijt, de kritiek in uwe bewondering niet sluimeren doet, zegt ge: „een panorama!quot; Niet zulk een als de Heere God, Schepper van hemel en aarde u biedt wanneer gij staat op een Alpentop — maar zoo\'n „panoramaquot; door menschen gemaakt. Deze pilaar — zeker, onderzoek gerust — is werkelijk van steen. Die boog eehter is geschilderd op een doek. Blaast de wind, die pijler blijft staan — het bemaalde doek golft heen en weer. Wezen en schijn! Werkelijkheid en constructie! Die tegenstelling voelen wij nog scherper wanneer de vindingrijke architekt ons even ter zijde neemt, en ons spreekt over den grondslag van zijn kunstig werk. Hoe fijn en logiesch hij er over redeneert — wij bezagen dien grondslag ook — op wat niet werkelijk is valt niet werkelijk te bouwen.

Als een merkwaardig verschijnsel in de wetenschappelijke waereld van onzen tijd zal Kuypers Encyklopaedie nog jarenlang veler aandacht tot zich trekken. Tijdgenoot en naneef, die niet kleinhartig vitten wil, wél in gul waardeeren lust heeft, zal den Schrijver ervan erkennen als een man van breede geleerdheid, van schitterende talenten in het formeele, van een machtig dialektiesch vermogen, van scherpe analyse,

ocr page 235

223

van groote synthese, die al deze gaven dienstbaar maken wil — van die onderstelling gaat de eerlijke beoordeelaar uit — aan den bloei der protestantsche theologie naar hervormden type. En tevens zal hij staan voor het raadsel: hoe kon die geest bevestigen zonder voldoenden grond voor zijne uitspraken; ontkennen wat helder is als de dag; niet zien wat ieder onbevooroordeeld theoloog toch zien moet?

F. E. Daübanton.

Amsterdam, 1895.

ocr page 236
ocr page 237
ocr page 238
ocr page 239
ocr page 240