ocr page 1

I»

ocr page 2

Z. oct.

?Si9

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

quot;

lt;-

_

—

ocr page 6

-.fye, ......

■

••• ■ ■

1

I

.

\'

I

ocr page 7

EEN SLEUTEL

TWEEDE DEEL.

ocr page 8

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0374 6827

ocr page 9

doxgt;tr,

EEN SLEUTEL.

TEU V00KBE11EIDINÜ VAX

DE STUDIE ONZER LETTERKUNDE,

VEKZAMELD DOOK

TK GKONINGKN JUJ J. 1gt;. WOLTKHS, 1894,

ocr page 10

Stoomdrukkerij van J. li. Wolters.

ocr page 11

VOORBERICHT.

„Bedriegen wij ons, of is \'t een feil, dat liet „jonge Nederlandquot; onzer dagen geen bijzonder groote voorliefde toont voor de voortbrengselen der Nederlandsche letterkunde? — dat de zoogenoemde „Hollandsche boekenquot;, welke men in zijne banden ziet, grootendeels tot de vertaalde romans behooren, die plaats maken voor de orgineelen, zoodra de jeugdige lezer zich genoegzaam thuis gevoelt in de vreemde talen?

Zoo \'t een feit is — en onze ervaring pleit er voor — wat mag er de oorzaak van zijn? Ligt de schuld aan onze bloemlezingen of aan de jonge lezers en lezeressen?

Wij meenen: aan geen van beiden. Wij hebben voortreffelijke bloemlezingen, op tal van Gynmasien en Middelbare scholen in gebruik, die — zelfs door de ijverigste leerlingen — alleen „voor en in de lees- of litteratuurlesquot; worden ingekeken.

Een onzer jonge vrienden, een vlugge, scherpzinnige leerling van de vierde klasse eener H. I?., gaf met jeugdige, onverholen schalkheid de volgende verklaring van het verschijnsel. Op de vraag: „Waarom leest gij thuis nooit in uwe bloemlezing voor de Nederlandsche letterkunde?quot; luidde quot;t antwoord: „De stukken in dat boek zijn te mooi voor ons!quot;

Te mooi. Dat woord in dien mond moest natuurlijk beteekenen: „Onze leeraar verklaart en betoogt ons de schoonheden onzer dichters en prozaschrijvers, en wij gelooven hem gaarne op zijn woord, maar — — wij blijven er vrij onverschillig onder; — als er een traan in ons oog welt, is die eerder het gevolg van ee i half onderdrukten geeuw dan van innerlijke aandoening. Wij vinden datgene, Vat gij zoo schoon vindt, met uw verlof — vervelend.quot;

Alzoo onverschilligheid, geboren uit onrijpheid. Daarmee meenen wij \'t kind bij zijn waren naam genoemd te hebben. Wij vreezen, dat onze leerlingen niet altijd voldoende voorbereid worden voor den dikwijls zwaren kost onzer klassieke schrijvers. Van de gewone schoolleesboeken tot de bloemlezingen met Hooft en Vondel is de sprong wat heel groot. Kn om die gaping aan te vullen, moet — als wij onze taak van verzamelaars goed volbracht hebben — de rij van prozastukken (gedichten) dienen, die in dit boek zijn opgenomen.

ocr page 12

Wij willen de andere goede bloemlezingen niet overbodig maken, integendeel — wij wensclien juist het nut er van algemeener en grooter te doen zijn.

Omdat ons doel was, onze jongen lezers en lezeressen die stukken te geven, welke bij een pittigen inhoud een aangenamen, licht bevattelijken vorm hebben; met één woord: stukken, die door hen uit eigen beweging en gaarne worden gelezen, hebben we ons in onze keuze de meest mogelijke vrijheid veroorloofd: we hebben alleen op bet letterkundig voortbrengsel en niet op het meer of minder beroemde van den naam eens schrijvers gelet.

Zal onze bloemlezing met vrucht in de middelklassen van Gymnasium en Middelbare school gebruikt kunnen worden?

Wij hopen het van harte, i5n om onze aankomende jongelingen en jonkvrouwen, die daardoor naar onze overtuiging eene soort van sleutel tot de schatkamer onzer letterkunde zullen verkregen hebben, èn om onzen wakkeren uitgever, èn — ter vergoeding voor ons schommelen, zoeken en schiften — voor ons zeiven.quot;

Zoo luiden de ophelderende woorden, waarvan wij het proza-de el dezer bloemlezing lieten vooralgaan.

Wat konden wij beter doen, dan ze voor deze Rij van dichtstukken nog eens te laten drukken? Wat voor \'t éene geldt, dat geldt ook volkomen voor \'t andere. We hebben er daarom niets bij te voegen dan de bekentenis, dat ons de samenstelling van dit deel met het oog op ons bijzonder doel veel tijd en moeite heeft gekost.

Voor de groote wilwillendheid, die wij van de meeste dichters en uitgevers mochten ondervinden, zijn we zeer dankbaar. Moge deze tweede „sleutelquot; evenveel jonge vrienden vinden als de eerste.

Augustus 1877. de verzamelaars,

BERICHT VOOR DEN VIERDEN DRUK.

Ken paar veranderingen uitgenomen, is deze druk gelijk aan den vorigen. December \'93. de v.

ocr page 13

DE NOORDAMERIKAANSCHE JAGER.

De jachtstoet vloog bij d\' eersten straal Der najaarszon uit kamp en dal, Met wapenklank en horenschal ,

Met spriet en mes en roer in \'t zadl; De jachtschreeuw klonk door bosch en velden \'t Zou buffel, ree en eland gelden.

Zoo ving het aan, zoo ging het voort. De drift naar buit, de dorst naar eer Ontgloeiden \'t hart van knecht en heer; Het vluchtend wild werd nagespoord: De rossen brieschten , schuimden, snoven , De brakken roken in de kloven.

Zoo ging het voort, berg op en af, De wouden in, de grebben door,

Langs heiden, met of zonder spoor,

Door stof en slijk in ééuen draf,

Langs rotsen en verbrokte paden,

Den spriet geveld en \'t roer geladen.

Eén hunner echter, min verhit.

Maar meer op kunst en list gevat,

Verkoos een min gevaarlijk pad En dwong zijn ros tot zachter rit:

Hij liet de makkers voorwaarts stuiven En spottend hem van verre wuiven.

Hij was wel zeker van zijn buit:

Hij had van jongs door \'t woud gezwierd, De taal geleerd van al \'t gediert\';

Hij wist, hoe \'t loeit of blaat of fluit. En, wat in veld of bosch mocht leven, Kon hij verstaan en antwoord geven.

M. en L. LEOPOLD, Sleutel, II. 4e druk

ocr page 14

2

Zoo lokte hij uit hol en grot,

Uit ieder veld, uit ieder bosch,

Gazel en bever, wolf en vos En kreeg hen langzaam onder \'t schot; En, als zij \'t minst, aan onraad dachten , Dan brandde \'t lood hun door de vachten.

Ook kwam hij telkens — hij het meest — Met keur van wildbraad \'s avonds weer. De beker ging te zijner eer Op menig nachtlijk jagersfeest,

En, liep de kans eens allen tegen,

Hij liet de braadspit nooit verlegen.

Ook nu — nu school hij weer in \'t loof, En hield den spriet aan d\' eenen kant, Het dubbel roer in de andre hand: Zoo keek hij uit naar klip en kloof. En, wel bedekt door struik en doren.

Liet hij somwijl zijn lokstem hooren.

En zie! terwijl hij rondom schouwt,

Daar schiet een hinde, vliegensvlug. Van uit het loof — in \'t loof terug — Nog eens vooruit, en weer in \'t hout . . Verwilderd kwam zij aangestoven.

Verdeeld in twijflen en gelooven.

Zij had, verschrikt van \'t jachtmisbaar, Beducht voor \'t weerloos jong vooral, Zich voortgerept langs berg en dal; Zij dacht, het veulen volgde haar:

Maar toen ze in \'t loof zich nedervlijde — Geen veulen kwispelde aan haar zijde.

Och, raadloos sprong zij ijlings op; Zij riep, zij kreet, zij blaatte luid; Het kille doodszweet brak haar uit, Zij vloog langs dal en heuveltop, Zij zwom door kreken en door vlieten En gaf om roeren noch om sprieten.

ocr page 15

3

En hoor! daar klinkt op eens de stem Des jagers, die haar kreet verstaat: Hij antwoordt haar, hij lokt, hij bhsat; Zij hoort, zij hoopt, zij nadert hem .... Wel wijkt zij telkens in \'t gebladert\',

Maar luistert weer en hoort en — nadert.

En eensklaps — eensklaps staat zij pal . . . . Dat is geen dwaling, geen bedrog!

Al ziet zij \'t niet, zij hoort het toch!

Haar veulen zoekt in \'tzelfde dal .... En, \'t oog geboeid aan struik en boomen, Wacht — staart ze, vandaar \'t op zal komen.

De sluwe jager, oog en oor.

Legt middlerwijl bedachtzaam aan:

\'t Zal lijnrecht door de hersens gaan, Te midden van de horens door ....

Geen schooner schot van heel zijn leven! Dat zal hem nieuwen jachtroem geven.

En vast van hand, en vast van blik,

Loert, mikt en richt hij wisser steeds;

Zijn vinger raakt den trekker reeds . . . . o God! hij deinst in eens van schrik!

Zijn boezem jaagt, zijn leden trillen:

Hij dreigt zijn huivring uit te gillen.

Hij zag, — terwijl de hinde tuurt. De vreugd der hoop in \'t zoekend oog, De vrees, dat haar de hoop bedroog, De twijfling, die te pijnlijk duurt, —

Hij zag een traan haar oog ontrollen: En \'t bloed scheen hem om \'t hart te stollen,

o God! zoo stond ook in zijn jeugd Zijn moeder dikwijls op de wacht.

Als hij te laat kwam van de jacht, — Zoo fonkelde ook haar blik van vreugd. Ook zulk een traan dreef haar in de oogen, Tot weer de vreugd dien op deed drogen.

ocr page 16

4

Neen, dacht hij, neen! bewaar ons, Heer!

Als toen een wouddier mij en haar Op eens gescheurd had van elkaar ....

Doch neen! hij had geen denkkracht meer;

Zijn ziel was \'t besef doordrongen:

De dieren minnen ook hun jongen.

En, kort beraden, ras gedaan!

Hij brandt zijn roer af in de lucht.

De hinde schrikt en rilt en vlucht.

Haar hoeve liet geen teeken staan;

Langs heuvels op, in dalen neder Zocht zij haar veulen elders weder.

Maar toen bij \'t feestmaal in den nacht Weer heer en knecht zich had verzadmd,

Toen stond de jager diep beschaamd,

Die niets ten disch had aangebracht,

Hij liet de makkers brassen, klinken.

Maar kon niet eten, kon niet drinken.

En toen hij eindlijk, lang gekweld.

Hun had verhaald, wat hem weervoer,

Toen steeg de spot met luid rumoer En schaterde om den weeken held; —

Doch, hoe verguisd en uitgefloten.

Ik had hem graag aan \'t hart gesloten.

(Gezamenlijke Dichtwerken, bij Hugo Suringar //. Tollens Cc. (1780-1856).

te Leeuwarden).

DE WENSCHEN.

Ali, in zijn bedecel.

Smeekt den engel Gabriêl Om geleerdheid en verstand, — En ontvangt het van zijn hand.

Drie jaar later bidt hij weer.

En zijn wenschen zijn om eer.

ocr page 17

5

Zijn begeerte wordt voldaan. —

Nu ontbreekt er rijkdom aan;

Nauwlijks vraagt hij geld of goed,

Of hij zwemt in overvloed.

Thans zijn \'t vrienden, die hij smeekt,

En hij heeft die, eer hij spreekt.

Daarop haakt hij naar gezag:

Hij bezit het nog dien dag.

Eindlijk dorst zijn ziel naar rust;

Hij verkrijgt zijn hartelust.

Die verveelt hem wederom

Kn — de wanhoop maakt hem stom.

Wreevlig, dof, en buiten raad,

In een deerniswaarden staat,

Mijmrend, kwijnend zonder end,

Slaat hij \'t oog naar \'t firmament:

„Zie, o Hemel, hoe ik lij!

Is er geen geluk voor mij ?quot;

Gabriêl verschijnt op \'t woord.

Zoo als hij dit zuchten hoort:

„Slechthoofd (zegt hij), die daar klaagt!

Hebt gij ooit geluk gevraagd?quot;

{üichtwerkcn, bij A, C. Kruseman te Haarlem). IV. Hildeniijk (I / 5\'\'—1 lt;gt;31)•

GEVEINSDE HEILIGHEID.

Hoe deftig, ernstgelatig, Hoe stemmig en hoe statig Treedt deze man op straat! Elk oogt, waarheen hij gaat.

Dan kijkt hij naar den hoogen Met opgeslagen oogen,

Of hij bij klaren dag Den hemel open zag.

Komt hem een arme tegen, Hij geeft hem geld — of zegen; Hij bidt in \'t openbaar Gebeden, luid en klaar.

ocr page 18

li

Op kreuken en op vouwen En zoomen zijner mouwen Staan titels van de wet Met letteren gezet.

\'t Volk, om zijne eer te tuigen, Doet niet dan stuipen, buigen Kn groeten, zoo wanneer Hem voorkomt zulk een Heer.

En met die ijdelheden Toont hij zich wel tevreden —

Is dat wel \'t recht bescheid Der ware Heiligheid?

[Gedichten, te Rotterdam). Pie ter Kahus. (1660 -1708).

HET VLIEGEND SCHIP.

VADERLANDSCHE LEGENDE.

I.

DE VLOEK.

„Land! Land in \'t Oost! roept schel en luid l)e wachter in den mastkorf uit. En \'t scheepsvolk vliegt in want en touwen, Om eindlijk na de lange vaart De kust, ook \'t ruwste hart zoo waard. De vaderlandsche kust te aanschouwen.

Of is \'t misschien een ijdle waan?

Zoo vaak reeds zijn de turende oogen Des wachters door een wolk bedrogen ....

Neen, neen! aan \'t eind der zilte baan Verheft zich \'t rond der bleeke duinen. Die Hollands dierbren grond omtuinen

En schutten voor den Oceaan;

Neen, \'t is geen ijdle schijn! Zij naadren. Zij zien het weer, het land der vaadren,

ocr page 19

7

En ongekemle zaligheid Doortintelt aller hart en aadren Bij \'t vroolijk uitzicht, dat hen beidt.

En \'t luid en schaterend; „Hoezee!quot; Begroet de vaderlandsche ree,

Die, aan der golven nacht onttogen.

Haar kruin steeds hooger opwaarts beurt Ka , door het zonlicht roodgekleurd ,

Zich vroolijk spiegelt in hunne oogen. „Hoezee!quot; zoo heft men juichend aan, „Hoezee! de zeetocht is gedaan; Wat onheil kan ons nu nog treffen ?

Hoezee! reeds zien wij Hollands vaan Zich van Kijkduin ten hemel heffen!

Hoezee! eer \'t licht ten avond neigt Kn wegsterft aan de westertinnen

Zijn wij, door vloed noch storm bedreigd, Behouden Tessels reede binnen!quot;

Die dwazen! — Zou dan ongewroken Het schuldloos bloed ten hemel rooken,

Waarmee hun nooit gestilde dorst Naar goud het vroolijk lachend Eden Van \'t rijk Guinea heeft bemorst? Zoo zouden dan de wraakgebeden Der moeders, kermend neergeknield Bij \'t kroost, door hunne vuist ontzield, Niet opwaarts tot Gods zetel rijzen? Zoo wanen zij het bloed der grijzen, Dat roekeloos hun staal vergoot,

Verstomd in \'s aardrijks diepen schoot? Die dwazen! — Moog \'t verstaald geweten Al voor een oogenblik vergeten,

Dat bloed aan hunne schatten kleeft, Dat boven nog een Wreker leeft .... Vergeefs! Het uur der straf rukt nader Kn treft den snooden gruweldader,

Hoe lang hij haar te ontkomen streeft.

Doch \'t onheildreigend Schilbols-rak \') Is lang uit aller oog verdwenen,

M Eene bekende zandbank voor Texel.

ocr page 20

8

Thans, na het wijken van \'t gevaar,

Laat zorgeloos de woeste schaar Den vollen welkomstbeker klinken;

Steeds sneller zwiert van mond tot mond De feestelijke kruik in \'t rond,

En dol verheft zich bij het drinken.

Met vloek gepaard en smaad en hoon,

De schaterende jubeltoon,

Als waar het, om die stem te smoren.

Die vaak nog, vreeselijk en luid,

Zich in de ruwste borst doet hooren.

„Nu, jongens!quot; roept het scheepshoofd uit,

„Kan Hel noch Duivel ons meer deren:

Vrij moge ons God met onzen buit —

Kan Hij \'t! — van gindsche kusten weren!

Gij weet toch, wat die slavenhond.

Eer hem dit staal ter helle zond,

Ons van zijn Goeden Geest vertelde?

Gij weet wel, hoe hij ons voorspelde.

Dat niemand onzer ooit den grond Van \'t vaderland weer zou betreden;

Gods wraak verzelde ons aller schreden, —

Zoo sprak die dwaas, en, heeft zijn mond Geen valsche orakeltaal verkond,

Dan dient die wraak wat aan te treden:

Één uur —- wij zijn op Hollands grond!quot;

Nauw was \'t afgrijslijk woord den snooden mond ontvaren,

Daar schokt en deinst de kiel, daar rijst elk, schrik in \'t ocg, De wang van angst verkleurd, het hart versteend, omhoog; Want zie, het schijnt hun toe, alsof van uit de baren.

Die, straks nog kalm en stil, nu eensklaps als verwoed. Met akelig gedruisch om \'t kreunend vaartuig waren, Een brekend, stervend oog, welks aanblik siddren doet, Hen aanstaart. Nog een hoofd duikt opwaarts uit den vloed; Daar rijst een romp omhoog; nog honderd andren beuren Zich uit den afgrond op en staaplen, zwart als git,

Een dam van lijken op, wier bloed het glanzig wit Van \'t schuimend golvennat met purper schijnt te kleuren.

De storm groeit staag in kracht, grijpt machtig \'t vaartuig aan,

ocr page 21

9

Dat vruchtloos weerstand biedt, wendt ijlings boeg en steven Geen roer, geen anker baat; door hooger hand gedreven, Stuift straks de kiel terug langs de afgelegde baan.

II.

DE VERVULLING.

Wanneer de nacht zijn zwarte vlerk Ter neer spreidt op de onstuime vloeden, Die, door een noodstorm aan het woeden,

Nu steigren tot aan \'t vliegend zwerk,

Dan weer, ten afgrond ingedreven ,

Het slingrend, hortend, krakend schip Met ziedend golvenschuim omgeven

En \'t smakken doen op rif en klip, -— Dan hooren soms de schepelingen

(Zoo zegt men), trots \'t geloei der zee. Een angstgehuil, een snerpend wee Door \'t buldren van de orkanen dringen.

Bij \'t flikkrend vuur der bliksemschicht. Die kronklend lucht en zee verlicht.

Ontwaart hun oog op \'t eind der baren

Een zwarte kiel, wier lichte spriet.

Een pijl gelijk, den boog ontvaren.

Door \'t woedend zeeveld henen schiet. Het scheepsvolk slaat met angstige oogen Het naadren van dien steven ga;

„God sta ons bij! \'t Is ons reeds na!

Het Zwarte Schip komt aangevlogen!quot;

Zoo stamelt aller bleeke mond En smeekt den Vader in den hoogen Om bijstand in zoo bangen stond.

Steeds luider wanhoopskreet doorboort Hun luistrend oor; de bliksem gloort — Wat zien ze? \'t Spookschip, voorwaarts hollend.

Laat ijlings de oude sloep van boord, Die, Hollands vale vlag ontrollend,

In spijt van wind en zee en vloed Met bliksemsnelheid tot hen spoedt.

Zij naakt, zij klampt, — de wrakke haken

ocr page 22

10

Slaan dreunend vast in wand en plank, En met een doffen jammerklank Hoort men de doemelingen naken.

God! geeft het graf zijn prooi weerom? Die uitgeteerde, bleeke drom,

Die met de lijkkleur op de kaken

Uit de oude boot te voorschijn dringt, De dorre handen huilend wringt,

Zijn \'t geesten, die bij nachtlijk duister. Ontslagen van de zwarte kluister.

Waarin de dood hen hield geboeid,

In storm en nevel ommewaren.

Totdat de morgenscheemring gloeit?

Daar treedt er een met grijze haren

Te voorschijn uit den dichten kring ;

Zijn dracht tuigt van vervlogen jaren;

Zijn blik, die zielloos rond blijft staren.

Verwekt een kille huivering.

Ken lach omspeelt zijn holle koonen, — Een lach, die ieder ijzing baart! —

Nu hij de kleuren weer ontwaart,

Die zich op Hollands vlag vertoonen.

Hij reikt de dorre hand ten groet Den stuurman, \'t scheepsvolk te gemoet,

Maar niemand strekt een hand hem tegen.

Maar niemand, die de zijne omvat:

Ze is rood, met menschenbloed bespat

„Weest welkom!quot; hoort men van zijn lippen Ken hollen, sombren graftoon glippen;

„Weest welkom, landsliên, weest gegroet! Zoo lang reeds hebben we op den vloed Geen vaderlandsche kiel ontmoet,

Geen mensch aanschouwd, die kond kon geven Van \'t vurig aangebeden land.

Waar velen, duur aan ons verpand,

Waar gade en kroost en magen leven.

Eens naakten wij dat dierbaar strand; Een storm heeft ons teruggedreven;

Sinds zoeken wij het vruchtloos weer,

ocr page 23

11

Ons oog blijft er vergeefs naar staren,

Wij zwalpen hulploos op de baren

En weten raad noch uitkomst meer.

Doch nu — de rampspoed is geleden,

Vergeten \'t uitgestaan verdriet!

Nu zullen we eindlijk weer \'t gebied,

Dat Willems vuist beschermt, betreden!

Wij zien hem weer, den dappren vorst,

Die Spanje\'s ijzren juk verbreken

En Hollands rechten schutten dorst.

Laat landsliên, ons niet vruchtloos smeeken!

Huist medelijden in uw borst,

Dan voert ge ons spoedig naar die streken,

Waar alles, wat ons hart bemint,

Waar ouders, vrienden, gade en kind,

Waar allen , die ons dier zijn, wonen!

Wij kunnen vorstlijk u beloonen.

Wij hebben geld en goed en schat;

De helft van \'tgeen ons schip bevat Zij \'t uwe, hoort gij onze bede;

Ons tal is klein en breed uw boot:

Brengt ons terug naar Hollands reede,

En \'t loon zal heerlijk zijn en groot!quot;

Hij zwijgt. Elk hoorde \'t angstig aan.

Met woord, dat van zijn lippen vloeide;

Maar, schoon op veler wang een traan Van meelij en ontferming gloeide.

Zijn zoekend oog dwaalt vruchtloos rond.

Poogt vruchtloos op des scheepshoofds mond Een woord van zoeten troost te ontwaren.

„Spreekt,quot; kermt hij, „spreekt, gij hoort mijn beó, \'k Bezweer u bij dees grijze haren,

\'k Hezweer u, landsliên, voert ons mee,

Erbarmt u! Neen, dat duldloos wee ,

Wij kunnen, willen \'t niet meer dragen!

Ontzielt ons, rijt ons \'t lijf in twee.

Geen marteling zal ons versagen.

Maar wijken, neen, geene enkle schree!quot;

„Zwijg, Grijsaard! Spaar uwe ijdle klachten!quot;

Voert thans hem \'t scheepshoofd te gemoet:

ocr page 24

12

„Wij kunnen \'t oordeel niet verzachten,

Dat u Gods Almacht lijden doet.

Die God is liefderijk en goed,

Van Hem slechts moogt gij uitkomst wachten, Hij slechts kan redden uit den nood; Ons wacht vernietiging en dood,

Zoo wij \'t ons roekeloos vermeten.

Wij kennen u, wij allen weten,

Welk lot de hemel u beschoor;

Sinds eeuwen ploegt ge \'t zeeveld door En tuurt vergeefs naar Hollands kusten.

Wat zoekt ge er? Kind en echtgenoot? Gij vindt ze er niet! — Sinds eeuwen rusten Ze in \'s aardrijks diepen, stillen schoot; Zoo menig nieuw geslacht ontsproot En werd weer \'t offer van den dood,

Sinds gij, ter prooi aan vloed en baren,

De zee doorkruist......quot;

„Gij liegt, barbaren!quot; Zoo gillen de armen \'t uit en treên,

De hel in \'t oog, om \'t scheepshoofd heen. „Gij liegt! Zij leven! — lange jaren

Verbeidden ze ons met droef geween Maar stierven niet! — Verlaten zwerven Ze op \'t woest en eenzaam zeestrand rond En vragen met bestorven mond Naar man en vader, dien zij derven.

Maar sterven? Neen! Wij stierven niet, Kn waarom zouden zij dan sneven?

In \'t vaderland knaagt dat verdriet, Die helsche wroeging niet aan \'t leven, Die vlijmend ons het hart doorboort;

Daar leeft men kalm en rustig voort .... Wij Amen nog! — Mocht God het geven. Dat ons de dood .... maar, ijdle waan! Er kan, er mag geen God bestaan! Wij hebben hem om hulp gebeden.

Met tranen \'t heilig beeld doorweekt; Hij hoorde \'t niet! — den dood gesmeekt: Vergeefs! — Wij hebben onze leden Met riemen tot op \'t been doorwroet,

ocr page 25

13

Maar vruchtloos vloot ons gutsend bloed:

Hij zag het niet! \'t Is prlesterlogen,

Geen Godheid leeft! Neen, \'t is geen God, Die straffeloos zoo kan gedoogen,

Dat men hem lastert, hem bespot!

Wij deên \'t, wij vloekten hem, wij baden Zijn gramschap af ... . geen bliksemstraal Verloste ons van de onduldbre kwaal,

Waarmede \'t lot ons heeft beladen!

Wij hebben in den oceaan Ons afgemarteld lijk bedolven :

Geen rustplaats boden ons de golven,

Ken grimmig spooksel greep ons aan En sleurde ons weer terug in \'t leven. — Dat schrikbeeld volgt alom ons spoor En grijnst ons hoonend in het oor:

„Nooit, nooit zal ik u ruste geven!quot; ....

Ha! Zie het ginds te voorschijn zweven,

Daar ginds! Reeds breidt het de armen uit.

Het wenkt, — zijn vloek boort door \'t geluid Der ratelende donderslagen, —

Ha! \'t roept! — Maar neen! geen goochelspel,

Geen ijdel vloekgedrocht der hel Zal ons van deze kiel verjagen!

Reeds naadren wij het vaderland,

Reeds zien wij op het verre strand Onze arme kindren om ons weenen,

Zij strekken de armpjes naar ons henen,

Wij komen .... God! neen, makkers, ziet. Die kindren, neen, \'t zijn de onze niet!

Die moeder, die met nokkend stenen Aan de ijslijk opgereten borst De lijken van haar kindren torst.

Zij noemt ons . . . . moorders! — Ja, wij bluschten

De vonk des levens in haar borst,

Wij deên na bittre zorg haar rusten.

En toch, zij vloekt ons? Zalig zijn,

Die vroeg, die spoedig mogen sneven

En van der wroeging folterpijn,

Die langzaam \'t hart doorvlijmt, ontheven,

Ter ruste gaan in \'t vredig graf! (

Wij hebben lang genoeg geleden,

ocr page 26

14

Neemt, landslicn , ons de kluisters af,

Die ons aan \'t duldloos leven smeden!

Wij zeegnen u, geen vloekgebeden

Vervolgen u, schenkt ge ons den dood;

Gods rijkste zegen volgt uw schreden;

Hij wil; wie schuldloos bloed vergoot,

Diens bloed moet m\' op z ij n beurt vergieten,

En wij — Guinéa\'s kust is rood Van \'t schuldloos bloed, dat wij deên vlieten —

Wij vordren wraak en straf en dood,

Wij zijn vervloekt, zijn moordenaren,

Geens moorders leven moogt gij sparen!

Wij wijken niet! Aan \'t vaderland Zult gij ons dor gebeent vertrouwen,

Of levend zullen wij \'t aanschouwen,

Wij wijken niet!quot; —

„In naam van God,

Den Opperheer van dood en leven,

Rampzaalgen! weg van dezen steven!quot;

Roept nu het scheepshoofd. — Voortgedreven Door hooger, onweerstaanbre macht.

Klemt zich de schaar met reuzenkracht Aan steng en mast, maar — ijdel streven!

Die macht sleurt hen verheerend voort;

Hun krijschend angstgeluid versmoort In \'t stormgeloei. En schip en golven,

\'t Is alles weer in nacht bedolven.

[Gezamenlijke Gedichten en Rijmen, bij J. J, A, Goei\'ervenr. (1809—1889).

y li. IVolters, te Groningen),

HET GRAAN,

\'t Gezaaide graan lijdt onder de aarde last

Kn boven de aarde, en worstelt, daar het wast, Met regen, zon en vorst en schrale vlagen.

\'t Wordt dikwijls van een hagelbui geslagen,

Terwijl het bloeit of in zijne aren schiet En zwelt, — het lijdt van mist en lucht verdriet.

ocr page 27

ir.

En, schoon de zeis het maaide op \'t veld terneder,

Nog worstelt het met wisseling van weder

En winden, eer het op den dorschvloer raakt;

Daar gaat het op een beuken, dat het kraakt;

De vlegel spaart den halm, noch kaf, noch koren: — De korenaar wordt tot verdriet geboren.

Vier tijden gaan in arbeid van dees vrucht:

De herfst ontvangt het zaad, de winterlucht De teere spruit, de lent de groene stelen,

De zomerzon begint den halm te gelen

En kroont de vrucht, die \'t leven onderhoudt,

Om \'t blonde hoofd met eene kroon van goud,

Met straal op straal. Nog moet ze in \'t einde lijden ,

Dat \'s maaiers vuist haar koom\' met zeisen snijden ,

Dat de akkerman haar binde en sleepe en tors\'.

De vlegel haar op \'s huismans dorschvloer dorsch\'.

De wan haar wann\', de molensteen haar breke,

De voet haar knede en \'s ovens gloed haar steke Op \'t hoofd en sluit\' de kruim in eene korst.

Zoo dekt ze op \'t lest de tafel van den Vorst Kil spijst en voedt de koninklijke monden:

Zij stond op \'t veld, nu wordt ze op \'t hof gevonden.

Fluks dekte haar de schuur en grove zak,

Nu dekt haar \'t hofgewelf en gouden dak.

O edele aar! laat treffen, wat kan treffen:

Gij neigt uw hoofd, om \'t hoofd omhoog te heffen ;

Laat hagelen, laat maaien, dorschen, slaan:

Gij valt, om eens op \'s konings discli te staan;

\'t Vernederen schijnt vruchteloos en deerlijk,

Doch geeft in \'r. eind meer luisters aan het heerlijk.

{Dichtwerken, bij Gebr. Binger J. Van iten Vondel. ^5^7—gt;lt;\'79).

Ie Amsterdam.

GOEDEN NACHT VAN DE ARMEN AAN DE RIJKEN.

Een goeden nacht! een goeden nacht! Gelukkigen, uw bed is zacht:

Gij moogt het hoofd op pluimen strekken; Al kraakt de sneeuw, al vriest het fel,

Gij hebt het warm, gij hebt het wel,

Die u met dons en wol moogt dekken.

ocr page 28

16

Dat mag niet elk, die \'t gaarne zou: Zoo menig slaapt niet in van kou, Die hongrig op zijn peul gaat leggen.

God gaf niet elk. — Hij gaf niet ons Een dek van wol, een bed van dons,

Noch zooveel stof om dank te zeggen.

Maar hij, die \'t heeft, hij slape zacht! Een goeden nacht, gerusten nacht,

Gij, rijk bedeelden met Gods zegen!

Geniet, geniet! het is Zijn wil.

En dat geen schepsel Hem bedill\',

Omdat niet allen \'tzelfde kregen.

Ja, \'t is wel wis benijdenswaard,

Een milde disch, een warme haard, Een donzen bed en luttel zorgen!

Hem is wel wis het leven zoet.

Die voor den nacht niet schrikken moet, Noch beven voor den dag van morgen.

Hem is het aanzijn wel een schat, Die zooveel bloemen langs zijn pad Ook nog des winters ziet ontspruiten;

Die na \'t genot van eiken dag De handen \'s avonds vouwen mag En dankbaar de oogen dicht mag sluiten!

Een goeden nacht, gerusten nacht!

Slaapt dankbaar in en sluimert zacht En dekt u warmer dan we ons kunnen. Ons bed is hard! . . . Maar elk zijn lot! Geniet het uwe; \'t komt van God: Wie zou Gods zegen u misgunnen?

Maar — is \'t niet, als gij slapen gaat. Of soms een schrikbeeld voor u staat. Dat, hoe gij \'t afweert, niet wil deinzen? Kwam niet somwijl — en \'s avonds meest Ons treurig lot u voor den geest En deed u huivren bij \'t bepeinzen?

ocr page 29

17

Zegt, rijken! zegt, heeft aan uw bed Zich soms geen bleeke schim gezet, Die klappertandt en rilt van koude?

Zaagt gij daar soms geen moeder staan, Die op haar kind u \'t oog deed slaan En de uitgedorde handen vouwde?

Dat was wel aaklig om te zien!

Het hield u uit den slaap misschien En bleef u in den droom verzeilen;

Al sloot gij de oogen vaster dicht. Het kwam alweer, dat naar gezicht,

Alsof het lust had, u te kwellen.

Een goeden nacht! gerusten nacht! — Er is een heulsap voor bedacht,

Er is een raad voor zulke spoken:

Beproeft het maar! het kost u min, En — blijder beelden treden in.

Zoo ras gij de oogen hebt geloken.

Helpt, redt, wie roepen! voedt en kleedt. En denkt het na, wat goeds gij deedt, Hoe veler tranen gij mocht drogen.

Wat hulp gij bracht, wat troost gij liet, En welk een voorrecht gij geniet.

Dat alles in Gods plaats te mogen!

Ziet! — \'t is een heerlijk nachtgezicht — Daar knielt een moeder met haar wicht En zendt voor u tot God een bede!

Hoort! \'t is een danktoon, die daar rijst, Van wie gij laafde en hebt gespijsd En van de naakten, die gij kleedde.

Dat geeft een kostbaar slaapvertrek, Die weduwen met brood en dek,

Die blijde weezen in haar midden!

Zoo velen gij hebt welgedaan, Die scheemrend langs uwe oogen gaan, En, als gij sluimert, voor u bidden!

Dat kunt gij hebben, rijken, gij!

Beproeft en onderzoekt het vrij:

De proef kan daaglijks zijn genomen.

M. en L. LEOPOLD, Sleutel, U, 4e druk.

ocr page 30

IS

Gevoed, gelaafd, het leed verzacht,

En — goeden nacht! genisten nacht!

Gij zult genoeglijk droomen.

[Gezamenlijke Diehlwerken, bij Hugo //. Tollens Cz. ^1780—1856). .

Sm itigar te /.eetrwarden).

MOEDER EN ZOON.

uit: „dk r.Kir/.HN.quot; XIIdu zang.

Wanneer, door bitt\'ren nood gedrongen,

Uit Oud\'ren huis een eenig zoon,

Van zijne moeders zij gewrongen,

In verre landen houdt de woon,

Dan leeft de moeder in verlangen,

Geen rust kan hare ziel ontvangen:

Ze hoopt, ze wenscht, dat zij den dag,

Den blijden dag eens mag beleven,

Die \'t waarde pand zal wedergeven,

Dat eens aan haren boezem lag!

Maar, als het tijdstip is gekomen,

Dat ze onverwachts de tijding hoort,

Dat op de kusten is vernomen

Een schip met haren zoon aan boord, —

Dan wegen uur en oogenblikken,

Het minste windje doet haar schrikken,

Door hare vrees tot storm gemaakt!

Haar zorgen zijn niet opgeheven,

Eer in haar arm is weergegeven,

Die \'t moederhart zoo teeder raakt.

Dan dwaalt de stem op hare lippen,

Dan zoekt vergeefs het kortste woord Uit haren mond verhaast te glippen,

Door nieuwe woorden weer gestoord.

Zij wil verhalen, zij wil vragen,

Wat zij, wat hij al heeft verdragen.

Terwijl de vreugd den gorgel sluit:

Ze weet slechts zuchten uit te brengen,

Daar zich tie snikken onder mengen In heesch en stamelend geluid!

{Dichterlijke Werken, bij M. Westerman O. Z. van Haren. (1711 — 1779).

te Amsterdam).

ocr page 31

]!)

OP DE GESTOLEN KAT VAN PHYLLIS.

Is het niet een groote spijt?

Phyllis is haar puisje kwijt,

\'t Katje meen ik, dat voor dezen

Placht haar tijdverdrijf te wezen

Nevens Lobben, haren hond.

Die zoo breed is in zijn bont.

Deze vriendelijke dieren

Placht ze te eeren en te vieren,

Deze had zij in haar schoot.

Deze deelden in haar brood

En ontnamen haar de beten.

Die ze zelve meende te eten,

En in plaatse van de roe

Kregen zij een kusje toe.

Nu is Phyllis\' puis gestolen,

En de dief die blijft verholen,

En zij is in groot verdriet.

Wat haar puis mag zijn geschied;

Of ze leeft, dan of ze dood is.

Of ze weer in iemands schoot is.

Of ze nog loopt over \'t huis,

Of ze speelt met rat of muis,

Of ze zachtjes wordt getroeteld

Of gestooten of gehoeteld,

Of ze niet en is gestroopt.

Of men niet haar vel verkoopt.

Of dit niet en is te touwen \')

Om, wanneer \'t begint te kouwen,

In een mof van hare puis,

\'t Zij of in of buitenshuis,

Zijne handen te verwarmen.

Phyllis roept: och heer, och armen!

Is \'t ook niet een groote spijt?

Phyllis is haar puisje kwijt.

{Alle de Gedichten bij A. en J. \'Tengerloo J. Westerbaen. (1599—1670).

te \'\'s- Graven h agé).

\') Bereiden.

2\'

ocr page 32

20

GROOTMOEDER.

In haren lederen zetel Zit Groütjen, en met spijt Herdenkt zij heure jonkheid,

Den goeden ouden tijd.

„Hoe wordt de wereld zieklijk!quot; —

Zoo lispelt ze, schudt het hoofd,

„Steeds korter schijnt de zomer,

Steeds bitterder smaakt het ooft.quot;

„Kn de winter, die zoo streng is,

Die zich oneindig rekt!

En menschen- en plantenziekte,

Die immer ons kommer verwekt!quot;

„De bloem verspreidt geen geur meer Als vroeger in mijne jeugd;

Vaal zijn hare verven en kleuren,

Weg is alle wereldsche vreugd!quot;

„Wel praat onze Karei van kringen,

Van dansfeest en banket, —

Wat is \'t moderne springen Bij \'t lieflijke menuet?quot;

„Heen zijt ge, o gulden eeuwe,

O eeuwe van vreugd en geneugt!

Wat liefde en vriendschap beduiden,

Dat wist men in mijne jeugd.quot;

Kn Grootjen aanschouwde droevig \'s Egaas beeld, gelijst in goud.

En zei dan, hevig kuchend:

„Ach, wereld! wat wordt gij oud!quot;

6\'. y. Dodd. (1821—).

ocr page 33

21

WELDADIGHEID.

Zij zaten gedoken in duffel en bont,

Zij bibberden braaf met hun achten,

Kn opende éen hunner eens even den mond,

Dan was \'t voor hartroerende klachten;

\'t Is waar: met den postwagen \'s winters op reis Is hard, doch — de zaken, ze doen soms dien eisch.

Koud waren die acht, me: de kragen omhoog,

Alleen aan den neus te herkennen;

Het vroor dan ook hard, en quot;t behoeft geen beloog,

Dat lui van fatsoen zich verwennen.

Het Noorden blies geeslend en snijdend en fel En speelde ongedeerd zijn meedoogenloos spel.

Eén plaats was er ledig, en \'t strekte tot grief

Der twee, die tie voorbank bezett\'en;

Zij hadden toch beiden de warmte zoo lief

En peinsden op een van haar wetten:

Zoo daar nog een derde, zoo dachten ze, zat,

\'l Was zeker, dat elk er wat warmte van had.

Dat diep te overdenken, had veel van een straf;

Zij zaten ook zuchten te slaken.

Toen plotsling de voerman der viervoeten draf

Tot aller verwondring deed staken;

Toen kwamen de neuzen uit kraag en uit bont En zag men naar de oorzaak van \'t oponthoud rond.

Daar stond aan den heerweg een klagende vrouw

En riep: „Conducteur! zie mijn lijden!

„Och! laat mij — \'k bezwijk van vermoeidheid en kou

„Och! laat mij een poos met u rijden!quot;

En —■ in een minuut had de man der trompet Haar tusschen zich zelf en den voerman gezet.

ocr page 34

22

Voort draafden al klinglend de dampende vier,

En de acht gluurden sluik door de ramen;

Zij zagen, hoe bel, conducteur en koetsier,

De kleumende tusschen zich namen,

Kn hoe van pijekker en mantel een baan De vrouw om het siddrende lijf werd gedaan.

Wat ging in hen om bij dat heimlijk bespiên?

Wie kan daar het antwoord op wenschen,

\'t Is nooit nog aan punten van neuzen gezien.

Wat omgaat in \'t harte van menschen.

Ze doken maar dieper en dieper in \'t bont En openden zelden tot spieken den mond.

Daar klonk de trompet vreugdewekkend en schel

Voor de eenzame halt op de heide.

Waar \'t vuur, als een mutsaard zoo groot en zoo fel.

Ons hunkerend achttal verbeidde;

Zij lachten vernoegd op het zien van den haard En stonden er spoedig en dicht om geschaard.

Toen kwamen de neuzen uit kraag en uit bont,

En \'t werd een tooneeltje vol leven;

„Kop koffie! Grog! Wijn!quot; klonk het driftig in \'t rond,

„Zoo heet, als je \'m, hospes! kunt geven!quot;

De neuzen ontdooiden al vast bij het vuur,

En \'t hart onderging door de dranken die kuur.

— „Voorwaar, conducteur!quot; ving er deftig een aan. En knikte beschermend hem tegen,

„\'k Had vast, als gij deedt, in uw plaats ook gedaan;

„Het vrouwmensch was nedergezegen!

„Voor mijn part! — de deur dicht! de wind is zoo kil „Rij \'t schepsel zoo ver met ons mee, als ze wil.quot;

Dat vonden ze alle acht, medelijdend van ziel.

Gevoelig voor kou en voor lijden;

De vrouw mocht voorzeker, zoolang \'t haar beviel. Waarachtig! ze mocht met hen rijden!

— „Hei, hospes! geef spoedig dat kleumende wijf,quot; Zoo riep de trompet — „wat verwarmends in \'t lijf.quot;

ocr page 35

•2\'ó

In eens viel ons achttal een slot op tien mond,

\'t Gesprek wou nu vertier niet vlotten;

Ze keken gansch doelloos naar buiten: daar stond

Ken hooglandsche koopvrouw in potten. —- „Wel, mensch!quot; klonk het zeker wat schel en wat luid „Ben jij met die plunje in zulk weer er op uit?quot;

\'Toen streek ze met twijfel op \'t eerlijk gelaat De kleumende vrouw langs de kleeren.

— „God zegen ons!quot; riep zij, „is dat me een gewaad! „Dat vod kan de koude niet keeren!

„Mier, menschlief! ik laat je zoo verder niet gaan: „Toe! rep je als de wind! doe mijn overrok aan.quot;

En vlug liet het kloeke, schel sprekende wijf

Den kostlijken baaien rok glippen Kn schoot dien de kleumende aan \'t siddrende lijf, Die dankte met staamlende lippen.

— „Opstijgen!quot; klonk \'t ietwat bevelend voor de acht; „God zegen je!quot; — hoorde de pottenvrouw zacht.

Toen hebben de acht heeren in duffel en bont

Ken poosje nog stom zitten denken;

Maar eindlijk toch opende een hunner den mond

Voor zuiver menschlievende wenken;

Daar voor op den bok was ze vinnig, de kou.

Een man kon het harden, wel ja .... maar een vrouw?

Toen stelde de tweede, hoe heerlijk het waar\'

Voor \'t vrouwmensch, als \'t ophield met waaien; De derde had tegen die stelling bezwaar,

Wou liever den wind laten draaien,

En werd naar den wil van den vierde gehoord.

Het Zuiden verhuisde dan eensklaps naar \'t Noord.

Toen meende de vijfde: \'t was Gode geklaagd,

Dat de arme gedoemd was tot wandlen,

Was hem vóór de postwet zijn meening gevraagd,

Hij had dan wel anders doen handlen.

Dien gruwel — hij had dien al jaren verfoeid:

De Kamer zou dra met de zaak eens gemoeid.

ocr page 36

24

Hij ijverde voor een afzonderlijk hok,

Van iederen postdienst te vergen;

Daar kon dan „zoo\'n schepsel als voor op den bok,quot;

Voor weinige centen zich bergen;

En, had ze geen centen; wel! lui van fatsoen Zijn altijd gereed, om een weldaad te doen.

Dat, meende de zesde, was afdoend, maar kras!

Een mensch in een hok te logeeren!

Een mensch bleef een mensch, en dat gaf toch geen pas,

Men kon het ook anders begeeren:

Een bijwagen was zoo\'n afzonderlijk hok;

De naam was maar beter: die klonk als een klok.

Toen wou ook de zevende, een snuggere bol,

Zijn duit in het armzakje gooien;

De wagen was, docht hem, niet gansch en al vol;

De zaak waar\' hier beter te plooien:

Wanneer maar de heeren zoo dachten als hij,

Dan hielden ze saam hun beschermeling vrij.

— „Uitmuntend!quot; riep de achtste, adspirant-philantroop

Voor dieven, maar — dieven in cellen;

„Ziedaar, wat reeds lang als een wensch mij bekroop,

„Maar \'k wou me op den voorgrond niet stellen; „De man maar een kwartje, \'t is lichtlijk te doen; „Een voorbeeld te geven, past lui van fatsoen.quot;

Toen werden de „marenquot; in \'t midden gebracht.

Gevolgen van wikken en wegen;

De zaak was door allen reeds lang overdacht.

Een was er aanvanklijk nog tegen:

Hij strooide zijn weldaden nooit in het wild.....

Maar eindlijk zijn alle bezwaren gestild.

Toen hebben die acht in hun beurzen getast,

Men zegt, zonder zuchten en klagen;

Elk heeft toen zijn beurs van een kwartjen ontlast,

Om samen de kosten te dragen;

Toen werd op de ruiten van \'t voorraam getikt En —- wijd voor het „schepselquot; een plaats ingeschikt.

ocr page 37

25

Als nu de koetsier of de man der trompet

Toevallig dit alles verhalen,

Dan hebben die altijd onheblijk veel pret

Om \'t juist-met-acht-kwartjes-betalen:

\'t Is zucht om te schimpen op lui van fatsoen;

Zoo is het kanalje — daar \'s niets aan te doen.

//. G. Roodhuyzen.

MOEDER EN KIND.

Wanneer ik , weeldedronken, Mijn rozig kind beschouw, En die \'t mij heeft geschonken,

Mijne aangebedene vrouw; Zoo vraag niet, wie van beiden

Mijn hart het meest bemint: Mijn hart en kan niet scheiden De moeder van het kind.

Ik doe mijne armen open En sluit ze er in bijeen,

En vreugdetranen loopen

Mij langs de wangen heen ....

„Ach! wist gij,quot; spreek ik stille,

„Hoezeer gij wordt bemind,

Gij, kind, om moeders wille !

Gij, moeder, om uw kind!quot;

{Liederen, bij y. li. IVo/tcrs te Groningen). Frans lie Cort. (1834 1878\'.

DE BESTE VRIEND.

Ik heb een vriend met ijzren hand

En koel gebiedend oog, Met recht gevoel en kloek verstand. Doch vaak wel norsch en droug.

ocr page 38

26

Zijn woord voor mij, zijn wil is wet,

Zijn wenken is gebod;

Wee! zoo mijn ziele zich verzet —

Hij rooft mij elk genot.

Hij stoort mij soms in \'t zaligst uur Bij lust en feest en lied.

Als in de weelde der natuur Mijn droomend hart geniet.

Hij jaagt mij van de liefste plek,

Hoe zoet de morgen lacht.

En sluit mij op in \'t eng vertrek.

Daar lastige arbeid wacht.

Hij dwingt mij kalm te zijn en sterk,

Terwijl mij \'t harte bloedt;

En als ik ween, dan zegt hij: werk!

Als ik niet kan: gij moet!

Hij baart mij strijd, hij geeft mij rust,

In zorg of zweet verdiend;

Hij is mijn Last, hij is mijn Lust,

Mijn Plaag en toch — mijn Vriend.

Want volg ik hem, dan rondom mij Schept hij mij vrede en licht,

En stemt mij \'t hart zoo ruim, zoo vrij....

Hoe is zijn naam? — De Plicht.

{Dichtwerken, bij Gcbr. Kraay P. A. de Génesiet. (1829 —1861).

te Amsterdam).

AFSCHEID VAN DEN ZEEMAN.

Toen ik voor de eerste maal ging varen En van mijn moeder afscheid nam,

Ik zal het nooit, neen! nooit vergeten, Hoe toen mij \'t vocht in de oogen kwam; En hoe ze mij, die Lieve Moeder! Al weenend in hare armen sloot.

Ik zal het nooit, neen! nooit vergeten. Al is zij nu al jaren dood.

ocr page 39

27

Al snikkend sprak ze bij het scheiden: „O! blijf toch altijd flink en goed! Word nooit losbandig, beste jongen! Maar blijf in \'t diepst van uw gemoed God en Zijn heilgen wil vereeren , Zoek in gemeenheid nooit uwe eer, En kom van al die verre tochten Steeds als mijn jongen tot mij weer!quot;

Dat woord — het klinkt mij nog in de ooren,

Als \'k in de stilte van den nacht

Aan haar gedenk, die mij zoo liefhad,

Met zooveel zorg heeft grootgebracht.

In menige ure van verzoeking

Was \'t mij, of ik mijn moeder zag,

Of \'k weer haar lieve stem mocht hoorcn,

Als o]) dien eersten afscheidsdag.

( Tijdspiegel, hij D. A. T/tieme te Arnhem). IK Mallinckrodt. (1844—).

HEIMWEE.

Wanneer de winter ons verlaat En naar het noorden vlucht. Wanneer \'t viooltje, in blauw gewaad.

Naar \'t lentelachjen zucht.

Wanneer de Mei naar \'t liedjen hoort.

Dat hem de kever bromt,

De zwaluw weer uit warmer oord Naar \'t wiegenestjen komt:

Dan roept een stem in mijn gemoed;

„Wat suft gij in uw kluis?quot; Dan trekt het mij zoo sterk en zoet

Naar \'t vroeg verlaten huis;

Dan zie ik achter berg en bosch Ken dal, voor storm beschut;

Daar tooit de lente in schooner dos De vaderlijke hut.

ocr page 40

28

In Limburg ligt de stille plaats,

Die zoo mijn hart bekoort; In Limburg stroomt de breede Maas,

Niet ver van \'t dierbaar oord; En vogellied en lentepracht,

En wat de ziel verheugt,.

Verlokken mij met wondre macht Naar \'t erfdeel mijner jeugd.

Ik speelde vroolijk daar als kind

Langs beek en bloemenwei,

En met met mij speelde menig vrind

Door \'s leven bonten Mei; O, mocht mijn oog nog eens u zien.

Die mij zoo dierbaar zijt,

En ii den trouwen handslag biCn, Gelijk in vroeger\' tijd!

Thans dwalen velen, ach! als ik. Door streken, minder schoon. En werpen vaak een droeven blik

Naar hunner oudren woon; Die ginder bleven, spelens moê.

Verlieten kolf en schijf En snelden reeds ten grave toe. Tot rust voor ziel en lijf.

Eén vriend liet mij des hemels wil

Van al dat vriendental.

En die alleen herdenkt nog stil

Ons spel met kaats en bal; Die leidt mij dan van huis tot huis,

Kom ik ten dorpe weer,

Verklaart op \'t kerkhof ieder kruis: „Zij slapen in den lieer!quot;

Dan schenken wij een weemoedstraan

Aan eiken zaal\'gen vrind En denken, als wij henengaan: „Wat hebben we u bemind!quot;

ocr page 41

29

Wij scheiden traagzaam van elkaar,

En teeknen eerst een plek Op \'t kerkhof, achter \'t hoofdaltaar:

„Dat die ons beide eens dekk\'!quot;

(Gedichten, hij C. Muquardt te Brussel). J. M. Dautzenberg. {|8(,8—1869I.

EEN VERS, DAT ALS EEN NACHTKAARS UITGAAT1).

In een diligence zaten

Negen menschen bij elkaar;

\'t Was een dag van groote iiette,

En de lucht was drukkend zwaar.

Alles, wat die menschen zeiden Kwam zoowat op \'tzelfde neer:

Niemand hunner sprak ten minste Anders dan van \'t heete weer.

Naast een jongen, dwazen dandy Zat een onderofficier;

Nevens hem een rijzig zeeman,

Over dien een rentenier.

Naast den rentenier een nufje,

Als een uitgeknipte prent.

En naast haar een burgerjuffrouw Met een Amsterdamsch accent.

\'t Was een ruwe paardenkooper,

Die weer achter deze zat

En gewoon was, zóó te spreken,

Of hij hooge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand\'laar,

In zijn spreken razend vlug,

En daarnaast een rimp\'lig bestje,

Bevend en gekromd van rug.

\') Bepaaldelijk geschreven met liet oog op uitspraak en mimiek.

ocr page 42

30

„\'t Is fameus!quot; zoo spreekt de dandy,

En daarbij wordt uiterst net Met twee vingers en twee duimen \'t Kneveltjen in krul gezet;

„\'t Is fameus vandaag, meneeren!

Etouflfant is de atmosfeer!

Men gaat waarlijk languisseeren

Naar wat vocht, — mijn woord van eer!quot;

„Ja!quot; zoo antwoordt hem de zeeman,

En zijn dasknoop zit al laag,

Maar hij trekt dien nog wat lager,

Tot zoo wat de streek der maag:

„Krger nog as in Oostinje

Brandt de zon hier op je huid;

\'t Merg druipt weg uit al je knokkels,

\'t Pek loopt al de naden uit.quot;

„Ja, \'t is warm,quot; zoo zegt de man nu,

Die stil van zijn renten leeft,

En wiens hals een hooge heining.

Wit en helder, om zich heeft;

„\'t Is zeer warm,quot; vervolgt hij, — keurig,

Of \'t zoo naar de drukpers moet:

„Anders is de zon zoo lieflijk,

Maar thans kwelt derzelver gloed.quot;

„Stel je voor,quot; zoo zegt de krijger. Trekkend aan zijn kinnebaard, — Hand\'ling, waar een ernstig fronsen Van het voorhoofd zich mee paart:

„Stel je voor, \'k heb met zoo\'n hette

Kens vijf uren gemarcheerd;

\'t Was wat! Maar — in mijn carrière Dient bepaald geobedicerd.quot;

„Nou maarquot;, spreekt de paardenkooper

Op zijn ouden ruzietoon, —

En zijn pet, heel schuin gestooten,

Dekt zijn hoofd niet, maar zijn koon, —

ocr page 43

81

„Nou maar, wat wou jullie praten!

\'k Leg hier de verklaring af,

Dat ik eens een dag beleefd heb,

Dat een perd geen schaduw gaf.quot;

,,\'k Was op weg; ik wou wat schuilen

Achter \'t perd, maar, ja! toen scheen -\'t Is zoo waar, als ik \'t je zeg, hoor! — \'t Zonnelicht er dwars doorheen.quot;

„\'k Weet nog wel,quot; zegt nu het bestje,

En het bruine bovenvlak Van haar hand loopt langs haar neus heen Dat de musschen van het dak

„Zoo maar morsdood kwamen vallen ,

Doe ik nog een meiske was;

En het vee kreeg \'s zeutners koeken,

Want er ston geen spiertje gras.quot;

„Ja, enfin!quot; zoo spreekt de hand\'laar

In een snellen woordenvloed:

„Zie je? een glaasje grog van bessen. Straks in \'t Posthuis, dat doet goed.quot;

„Ik ben altijd reizend, zie je ?

Nu, enfin! dan kent men dat.

Grog of Beiersch, — prachtig! heerlijk! Van dat Beiersch, frisch van \'t vat!quot;

„Och!quot; zucht nu de burgerjuffrouw,

„Lieve minsch! \'k bin sou verhit;

\'t Mot wel sijn, sou \'k haast gelouven, Da \'k sou an de sonsij sit.

„Op uws plaassie is \'t nog beiter.

Maar hier zweit een minsch zich doud, \'k Mot u seggen: van mijn handen Loupt een plassie in me schout.quot;

ocr page 44

32

Van de hette spraken allen, —

Maar die eene, stijve nuf?

Wel, die zei daarbij maar telkens,

Met haar zakdoek waaiend; p f!

In meer dan éénen zin, maar ook door dat besluit

Gaat dit verheven dicht gelijk een nachtkaars uit.

{Ernstig en los, bij L. F. J- Haspels Lanrillard, (1830

te Amsterdam).

JAROMIR TE PRAAG.

Een Oud-Student, dien \'k Jaromir zal noemen,

Ken Theoloog, befaamd aan IC a re Is \') School te Praag Vóór twee paar eeuwen, mocht zich roemen Van een gezonde maag;

Maar ach, zijn beurs lag ziek! De Wissel veertien daag Ontbrekend, was \'t crediet verdwenen

liij Schacher-Ephraïm, zijn weibeklanten buur; Het, anders lokkend, etensuur Dreef Jaromir \'t Boheemsche Athenen

Als een verstootling uit; en bergwaart sloop hij voort. Op \'t eenzaam pad in de overlegging niet gestoord: Hoe met een platten bull een maaltijd te vereenen.

De reiszak, dien hij wandlend droeg,

Was licht genoeg En kon hem weinig hinder baren :

Een Plautus ï) en \'t Studenten-zangboek waren Het meest omslachtig deel van \'t pak,

Dat in \'t herbergzaam juchtleer stak.

Hij zweette niettemin! De rommlende ingewanden,

Schoon bol van enkel wind,

Bezwaarden onzen vrind In \'t lest tot flauwens toe, — als over de akkerlanden Zich \'t avondkoeltje, net van pas, vermeien ging En hij \'t, met open borst, op dorre lippen ving.

\') Keizer Karei IV, de stichter (1348).

2) (De gedichten van) een beroemd blijspeldichter.

ocr page 45

o O oo

Dus nieuwgesterkt, jaagt weer zijn blik den kring\'

Rondom hem zoekend af.

Een dorp verheft zijn daken Rechts, tusschen ooftgeboomt\'. Links breidt zich aan den weg Een perk uit, voor de leuze omsingeld met een heg.

Die hier zijn handwerk drijft, vaart best, wanneer de zaken Der boeren slechter gaan, en droes of runderpest Haar zetel in hun stallen heeft gevest.

Dan is hij daaglijks hier als anatoom te vinden En pleegt de kraaien aan zijn mildheid te verbinden.

Hier valt thans Jaromir nabij de heg in \'t oog,

Wat fluks het radertuig van zijnen geest bewoog En zijn verbeelding spande: „O schat, waarmede een Heilig\' Mij redding biedt!

Gespijsd, gelaafd voor niet! Voor niet Gekoesterd als een prins, rust ik den nacht door veilig In gindsche herberg!quot; riep hij uit.

„Wat vond hij dan?quot;

Iets, wat bij u of mij de hebzucht niet zou tergen:

Twee paarde voeten en een koestaart vond de man.

Hij spoedt, ze bij zijn Plautus weg te bergen.

En stapt nu, trotscher dan een haan,

Op \'t uithangbord der „Zeven Slapersquot; aan.

„Heer waard, een goeden schotel eten!

Maar geen getalm! ik val wat haastig, moet ge weten.

De wijn — van \'t beste vat — begrijpt gij!quot;

In dien toon

Houdt Jaromir het vol, — eet, drinkt, dat elk zich wondert, — Schimpt, scheldt er tusschen met een basstem, of het dondert, En snauwt nu: „Wijst me een bed!quot;

Het loon

Van die, bij \'t nachttoilet, zich naar zijn laarzen bukte. Voorkwam het dienstbewijs: een treó.

Die klinkt! waarmee De ongure gast, wiens zool zijn lenden drukte,

Te kooi sprong.

m. en L. LEOPOLD, Sleutel, it, 4c rlruk. 3

ocr page 46

\'64

\'t Machtwoord: „Grijp!quot; besloot hierop de klucht,

Terwijl de laarzen, als twee zwaluwen, de lucht Doorscheerden; en \'t gordijn viel neder.

Den andren morgen rees het weder

Met d\'aangebroken dag. Een schrikkelijk rumoer Van trapplend klossen op den vloer,

En „Laarzen! laarzen!quot; tot men admloos komt geloopen.

„Gaan de ezelsooren hier te negen uur eerst open?quot;

Die vraag gold d\'eigen hals van gistren. Wit als krijt,

Staat hij en gaapt met mond en oogen even wijd.

De laarzen laat hij slippen: uit de deken

Van \'t veldbed, waar de bulderbas Na zijn gemaakt alarm weer ingedoken was.

Zag Jochem een ontzettend voorwerp steken.

En keerde in \'t volle zweet, dat hij van angst vergoot.

„Helpe ons Sint Nepomuk! wat is mij wedervaren!quot;

Berst hij in \'t einde los. „Ik kom . . . daar kijkt een poot — Een paardepoot met lange, zwarte haren Kijkt uit het bed van onzen Gast!quot;

„Loop naar de pomp, en drink u nuchtren, kwast!quot;

Voegt hem zijn Meester toe; maar naadrend, om de kamer Van Belzebub op zijn beurt in te gaan,

Vergeet hij niet, een kruis te slaan,

En, bleef hij op den drempel roerloos staan.

Begon ook hem het hart te kloppen als een hamer,

\'t Had dubblen grond: niet één — twéé hoeven staken \'t bed Thans uit! — Hij komt terug, onmachtig, dat hij stamer\' Van \'tgeen hij zag, en zwijgt geheel verplet.

Toch moest een Derde nog gaan kijken!

Een Invalied, naar \'t land in rust verzet.

Zijn knevels streek hij op; zijn kuif rees zonder strijken Vanzelve omhoog, zoodra hij binnenkwam En, bij twee hoeven, nog een langen staart vernam. Die kwisplend heen en weder speelde.

Weg liep ook nommer Drie! en \'t scheelde

De Waard alleen, zoo liep het huis leeg. Voor \'t ontbijt Bezorgd, laat Jaromir aan hem geen vluchtenstijd.

ocr page 47

Met huivrende angst gediend, roert deze nu zijn kaken Vannieuvvs, — tot hij beveelt, de reekning op te maken.

De Waard, bij dit gebod, voelt zijn bevrozen bloed Straks weder tintiend slaan in de Aren,

Daar \'t blijkt, dat zonder hem de Vijand heen zal varen.

Hij wil erkentlijk zijn; ook valt hem in: \'t Waar\' goed.

Zich daar beneden voor den nood wat gunst te sparen.

Dus antwoordt hij: „Genadig Heer!

Dat kost en drank alhier tot uw beschikking waren ,

Is plicht geweest, en \'t strekte mij tot eer,

Bleev\' deze kleinigheid de vriendschap onderhouen.quot;

„Goed!quot; spreekt de Gast, „het zij. — Dit zal u ééns niet rouwen.

Heer Waard! — Wij zien elkander weer.quot;

{Gedichten, bij A. C. Kntseman A. C. IV. Staring. (1776—1840).

ie JJaariem).

ZOMERAVOND.

Wij hadden gestoeid en gelachen

Als kindren, wild en blij,

En zaten nu neer op den bergtop.

Gezellig zij aan zij.

De zon goot, reeds dalend ter kimme,

Een zee van purper uit,

En in de vallei, in het dorpjen.

Werd de avondklok geluid.

We hadden gestoeid en gelachen,

Gedarteld, ongestoord,

Nu zaten wij stil en eerbiedig.

En niemand sprak een woord.

Een adem van heiligen vrede

Drong door in ons gemoed,

En in plechtige stilte bracht ieder Der zon zijn avondgroet.

3\'

ocr page 48

8(i

Maar wij, onbezorgd en vol leven,

Wij lachten spoedig weer.

En daalden met luide gezangen Langs \'t steile bergpad neer.

Daar lag op de helling een landgoed.

Gekleurd door \'t zonnegoud,

Met bloeiende rozen omgeven En statig beukenwoud.

Men sloot er voorzichtig de vensters

Voor de avondkoelte dicht,

Bevreesd voor den jeugdigen kranke Met mager, bleek gezicht.

Die zag naar de gloeiende stralen

Van \'t stervend avondrood.

Al luistrend naar \'t luidende klokjen,

En denkend aan zijn dood.

[Gedichten, bij S. en IV. IV. van Nooten C. P. Tiele. (1830

te Schoonhoven),

VROOLIJK LEVEN.

Waar is mijn citer toe bereid? Wat klanken wil ze geven?

Wat zing ik, daar een ander schreit? De vroolijke blijgeestigheid Is \'t leven van het leven.

Wat laat zich \'t volk door ijdlen schrik En mijmerende zorgen Beknellen? Vrienden, doet als ik: Gebruikt toch \'s levens oogenblik.

Zoolang de dood wil borgen.

Zoudt gij gestaag bekommerd zijn? Zou druk uw vreugd besnoeien?

Neen, neen! Verdrijf die boezempijn: Ge woont zoo ver niet van den Rijn, Waar muskadellen groeien!

ocr page 49

7

Ó\'t Ol

Hoeft gij geen kleeren nochte kost Van goede lión te prachen:

Wat scheelt \'t u, hoe de wereld host ?

Waar Herakliet om schreien most,

Most Demokriet om lachen.

Maar, zegt gij, och! het weer wordt zwaar,

Ons dreigt een felle donder! —

Geen nood! ai, beidt een luttel maar:

De nevel scheurt, de lucht wordt klaar.

Het onweer is al onder.

Dan — \'t licht is ook aan \'t ondergaan.

De nacht zal u benarren. —

Mij niet, nu komt de blanke maan Met haar vergulde horens aan En honderdduizend starren.

(Gedichten bij S J. Baalde te Amsterdam). //, C. Poot. (1689—1733).

TWEE OOSTERSCHE ZINNEBEELDEN,

I.

„Zijt gij amber?quot; sprak een wijsgeer Tot een nietig klompje stof.

Dat door zoeten geur hem trof. —

„Neen!quot; was \'t antwoord van het klompje,

„Maar ik woonde een korte poos In gezelschap van de roos.quot;

H.

De glans en de vreugd van \'t herbloeiende jaar.

De roos en de nachtegaal minnen elkaar.

En nergens is liefdegevoelen oprechter.

En nergens een paar aan elkander gehechter.

Zoo haast als de schoone haar tooisels ontvouwt,

Klinkt \'s minnaars gezang door het geurige woud,

En als zij zich kleedt in haar prachtigen luister.

Dan plengt hij zijn tonen bij dag en bij duister.

En, als zij verwelkt, — ach! de schoonheid is teer! —

Dan hoort men in \'t loover geen nachtegaal meer.

(Gedichten, hij A\'. L. Ledeganck. (1S05—1S47).

/. S. Van Doosclacrc te Geut).

ocr page 50

DE HANDDRUK,

O, tintel\' uw hart in den druk van uw hand;

Ik dank voor een vinger twee, drie!

Ik walg van een kneepjen, koket en pedant,

Een pink van een man van genie . . .

En, vrindlief, uw bevende, klevende hand Is waarlijk mijne antipathie!

Verstijve de hand, die den hoveling speelt:

Beleefde, verneedrende hand!

Verdorre de hand, die verraderlijk streelt:

\'k Voel liever een klauw of een tand!

Den handdruk, die louter „een gunstjenquot; verbeeldt,

üien wijs ik bepaald van de hand!

Ik weiger uw handjen, zoo keurig en teer,

Mij angstig en huivrend geboón!

Ik vraag u geen handschoen: ik weiger die eer,

Al waart gij Jouvin in persoon!

Uw harige rechte, mijn Bello! zegt meer,

Dan \'t pootjen zoo keurig, zoo schoon!

Een hand zonder zenuw of leven of kracht,

\'t Is onzin, \'t is laster, verraad!

Een ledige vorm, dien de liefde veracht.

De vriendschap, de geestdrift versmaadt!

De hand, die mij treft, die mijn lijden verzacht.

Die hand zij een druk! zij een daad!

Neen, \'k vraag u geen woorden, geen ijdel verhaal:

Uw hand zij mij tolk van uw hart!

Uw handdruk, mijn vriend, zij welsprekende taal Bij weerzien in blijdschap en smart!

Ja, teeder en trouw, of veerkrachtig als staal —

Uw hand zij de tolk van uw hart!

{Dichlwerkcn, bij Gebv. Kraay P. A, De Géncstct, (i H29—1S61).

te Amsterdam),

ocr page 51

39

DE GOUDEN BRUILOFT.

Twee kinders uit éen dorpje: Zij gingen school te gadr;

Nu was \'t hun gouden bruiloft, Zij zaten naast elkaar.

En nicht en neven kwamen In bonten feestdos uit;

Des bruigoms oude zuster, De broeders van de bruid.

Hij streek zijn zilvren lokken En zeide stil tot haar;

„Zoo zaten we aan ons bruiloft „Met wit gepoederd haar.quot;

En de oude vrouwe lachte En zei aan d\' ouden man:

„Dat is zoo lang geleden, „En weet gij daar nog van?quot;

Zij zaten aan de tafel.

En zang en kout begon:

Zij zong het oude liedjen. Het eenig, dat zij kon.

Zij zong niet luid, niet helder: Zij zong alleen voor hem;

Was \'t de ouderdom, die beefde In hare trage stem ?

Een traan zwol in zijne oogen, Hij glimlachte en hij dronk:

Hij dacht aan \'t kleine meisje, Dat ze eens in slaap zoo zong!

Och! \'t was hun eenig kindje. Het groeide in schaatrend spel —

Dat is zoo lang geleden.

En \'t heugt hem nog zoo wel.

ocr page 52

40

Op zijne knieün zat het En speelde met zijn ring

Of met de gouden keten,

Waaraan zijn uurwerk hing.

En vader lachte, en moeder Zei, dat hij \'t kind bedierf. —

De koorts kwam in de woning:

Het kleine meisje stierf.

Toen gaarden zij haar kleertjes En \'t kinderspeelgoed op:

Een paar versleten schoentjes.

Een valhoed en een pop.

Daar lag \'t gesloten grafje,

Daar stond het kleine kruis.

En vader zat bij moeder.

En \'t was zoo stil in huis!

En lange, lange jaren Zijn sedert heengegaan.

En andre houten kruiskens Op kindergrafjes staan.

Nu was \'t hun gouden bruiloft;

De gasten waren heen,

En de oude vrouw zat weder Met d\' ouden man alleen,

Alleen na vijftig jaren:

Waaraan dacht de oude man?

Wat dacht zijne oude huisvrouw?...

Daar spraken zij niet van.

{Gedichten, bij J B. Walters Rosalie Loveling. (1834-1875).

te Groningen).

ocr page 53

\'11

HET LIEDJE MIJNER KINDSHEID.

Wat in de kinderjaren

Het harte boeit en tooit,

Blijft eeuwig in \'t geheugen,

En men vergeet het nooit.

Als men \'t eenvoudig liedje

Van mijne kindsheid zingt,

Dan denk ik aan de liefde,

Waarmede ik was omringd, -—

Dan denk ik aan de stemme,

Die \'t liedje klagend zong.

Wanneer de zonne daalde.

Wanneer het maantje blonk,

Wanneer de sterren schenen,

Wanneer de zwaluw zweeg En alles op den buiten In zachte sluimring zeeg.

Het lied weerklonk zoo troostend

In halve duisternis.

Gelijk de zucht van \'t windjen In \'t hangend waterlisch.

Het wiegde \'t hart in ruste,

Gelijk het zoet gezang Van \'t klokjen in de verte Bij zonnenondergang.

O zachte en stille tonen!

Gij hebt mij vaak ontroerd En in vervlogen dagen Van heil teruggevoerd.

O oud, eentonig liedje,

Hoor ik u thans niet meer,

Toch klinkt gij in mijn harte Zoo helder als weleer.

(Gedichten, hij J. B. Welters Virgiuic Lovcling. (1836

Ic Grotüngeti).

ocr page 54

42

VRIJHEID.

Het kopje in de veertjens,

Zoo donzigjens fijn,

Wat is wel uw krankte,

Zoet vogelijn?

Het kopje in de veertjens,

Wat zaad men u strooi\',

Hoe zacht ook uw nestjen,

Hoe weeldrig de kooi!

„Ik hoor ze daar fluiten

„In \'t ruim van de lucht,

„Tk hoor ze daar zwieren „In klepprende vlucht!

„O, mocht ik ze volgen

„Bij \'t juublend geschal „Van twijgen op twijgen „Langs heuvel en dal!

„O, mocht ik ze volgen „In \'t verre verschiet,

„\'k Ontplooide er mijn wiekjens,

„Ik zong er een lied!quot;

Het kopje in de veertjens,

Zoo donzigjens fijn.

Wat is wel uw krankte.

Zoet vogelijn?

(Nieuwe Gcdifhtcn, bij J. C. Lokman Jr. //. J, Schimmel,

te Amsterdam^..

ocr page 55

43

HET GENEZEND MAAL,

\'t Zat Klaas in d\' onderbuik: hij wou gedurig sterven!

Maar \'t liep in \'t achtste jaar,

Hij kwam er niet mee klaar,

En neefje niet aan \'t erven.

Zijn vrienden lachen: ongestoord Gaat hij terwijl met sterven voort.

Tot eindlijk slaagt (voor \'t minst naar zijn gedachten),

Waarop hij ze al zoo lang liet wachten.

Eens \'s ochtends luiert hij; men komt aan \'t bed: „Wel, man, Hoe is \'t?quot; - „Gedaan! - \'k ben dood!quot; - „Dit van uzelv\' te hooren.

Geeft troost! - Ge ontbijt toch mee? - Een lijk, dat spreken kan. Heeft wist ook d\' eetlust niet verloren.quot;

„Ontbijt! — toen \'k leefde, had ik boeken, vol van \'tgeen „De dooden spraken! Dat zij aten ? noem er een,

Waarin dat staat! mij kwam het nooit te voren.

Dus — weg, verleider! \'k wil een Doo met eere zijn.quot;

Hij zegt het, houdt het vol, — heet Vrind en Dokter zwijgen.

En kost, noch drank, noch medicijn Is onzen Klaas in \'t lijf te krijgen.

Begraven moet men hem; dit eischt hij met geweld.

Wat zou men doen? Een klein vertrek werd tocgesteld.

Gelijk een Grafgewelf. Drie Kisten langs de wanden.

Waarop men naam en sterfdag leest.

Verkonden, wie er eerder zijn geweest En sluimren, bij den schijn van lampen, die daar branden.

Intusschen was met een bedeesd gezicht De droeve mare aan Klaas bericht.

Dat vroeger reeds de Dood naar andere offers tastte En elk onthutst is van het plotslijk sterfgeval Dier tafelvrienden, drie in tal.

Waarmee hij zich, een week vóór hem zijn eind verraste.

Nog op een Mosseltjen, in \'t Zeeuwsche Jacht, vergastte.

„Die Mossels! ja, daar heb je \'t al!

Die deden \'t ons!quot;

ocr page 56

4-1

„Het kon licht wezen!

Wij gisten \'t mee en spraken af,

Dat, daar u \'tzelfde lot hier wegnam, ook na dezen

Een zelfde Graf U saam vereenen zou. Gij maakt dus nog op heden Het Viertal vol, met hen, die u zijn voorgetreden.quot;

De nacht kwam aan, en Klaas werd, naar zijn wensch, gebracht, Waar reeds in iedre kist een Levende op hem wacht.

Stil was \'t een klein half uur; daar slaat de stadsklok negen;

Metéén begint Vriend Dirk zich te bewegen.

„\'t Is etenstijd; waar of de Koster blijft!quot;

Gromt hij, als in zichzelv\'. Eene echo volgt — van woorden

Uit Heins en Jaspers kist; „Ik wed. Sint Velten drijft Hem weer zijn kroegen langs!quot; — „„De Grafprovisors hoorden Zoo\'n lap te ontzetten, als hij Dooden hongren laat!quot;quot;

„Vergiffnis, Heeren!quot; spreekt hij zelf, die binnen staat. Hij brengt een tafeltjen; hij dekt het: uit den oven.

Snikheet geland, zendt een Pastei haar walm naar boven.

Haar geur in \'t rond; een smaaklijk toebehoor Omringt ze, en, wekt zij dorst, daar staat de Lankhals voor.

Dirk, Hein en Jas hun kist uit! „Welkom, Klaasje!

Gij óók hier, na die Mossels? \'k Drink een glaasje

Te meer deez\' avond, op ons weerzien, oude Vrind! —

Maar hoe zoo roerloos? toch niet blind? —

Kijk! ik ben Dirk — die Hein — en die Jas! — Op de beenen! Uit liw maag zijn de Mossels vast verdwenen.

Gelijk uit de onze, toen wij, boven, zijn gekist.

Het Maal wacht; kom!quot;

„Dat \'s meerder, dan ik wist,quot;

Zegt Klaas, „dat Dooden eten!

Maar, als liet zijn moet, \'k ben het kauwen niet vergeten, En, bleef ik weigerig, om \'t, na mijn eind, te doen.

Ik hield, als Doó, zoo \'k meende, mijn fatsoen.quot;

Zij zitten aan; zij leegen bord en beker.

En \'t einde spreekt vanzelf; voor Klaas was door d\'apteker

ocr page 57

45

Ëen spiritus bezorgd, die, in zijn glas geplengd

Met handigheid, hem tot bezinning brengt--

En radikaal geneest! — Helpt Eskulaap de zieken Prozaïsch traag — zijns Vaders \') hulp heeft wieken!

(Gedichten, bij A. C. Krnseman A. C. /K. Staring. (1776 -1840).

te //(lariem).

BUITENLEVEN.

Die (f onrust niet in \'t hart en heeft, Leeft zalig, nis hij buiten leeft.

Gelukkig mensch, wien \'t is gegeven 13ij \'t vreedzame en onnoozle vee,

Dat nooit noch kwaad, noch onrecht deó, In \'t veld zijn dagen af te leven! De bloemenkrans^braveertMe gouden kroon,

Die \'s konings zorg bij nacht doet waken.

Geruster zit men onder daken.

Van riet gebouwd, dan op den hoogen troon.

O! hoe pleizierig is \'t, te kruipen Ter kooie op eenen veedren zak In \'t landhuis, onder \'t lage dak.

Wanneer de regenvlagen druipen,

Een koele wind in hooge beuken ruischt!

De krekel, die geen zorg wil dragen Voor winter, zingt uit ruigte en hagen.

Totdat men wordt in zoeten slaap gesuisd.

Daar ligt me\' en ronkt en droomt in vreden!

Niet als de vorst, die onverwacht Uit zijnen slaap springt, en bij nacht Het klamme zweet vindt op zijn leden.

Omdat hem docht, men stak hem naar het hart, — Maar — hoe het veld begint te gelen,

Hoe in het groen de geitjes spelen,

Hoe Bloem erts fluit de nachtegalen tart.

\') Apollo,

ocr page 58

4(5

De hofhond bast met zijnen makker; Wanneer de huisman \'s morgens vroeg Vóór dag met omgekeerden ploeg, Al zingend trekkende ten akker,

Op zijnen guil \') voorbij de hoven rijdt, Dan waakt me en hoort de wakkre hanen. Die ons tot naarstigheid vermanen. Gelukkig mensch, die zoo zijn jaren slijt!

Men opent vensteren en deuren,

Men ziet de starren dun gezaaid, Men voelt, hoe \'t westenwindje waait, Dat met een schat van versche geuren Van vlierbloem en violen suikerzoet. Van wijnruit, thijm en hagerozen.

Die als een rood scharlaken blozen, U in uw huis zoo liefelijk begroet.

Daar ziet men \'t bloode haasje loopen, Ginds zeilt de havik door de lucht, De klokhen raast en is beducht.

Dat hij haar komt heur kiekens stroopen; De tortel kirt, de zwarte lijster fluit,

Men hoort langs \'t veld de beesten loeien, Terwijl de dag begint te gloeien En langs hoe meer zijn licht te spreiden uit.

Men ziet den hof met vruchten prijken; Men zaait of plant of ent den boom. Of kweelt een deuntjen aan den stroom: Zoo gaat de zomermiddag strijken.

Totdat de zon, in \'t west aan \'t ondergaan, De schaduw rekt langs beemd en heide, En jaagt de beesten uit de weide Ter kooie met hunne uiers vol gelaAn.

Bij winter, als de waatren sluiten.

Wanneer het snerpen van de vorst Het land met eene harde korst Bedekt, dan blijft men in de muiten8).

\') Guil — werkpaard.

2) In de muiten = letterl. in de kooi, hier: t\'huis.

ocr page 59

47

Mrii steekt de lamp heel vroeg des avonds aan,

De deeren zit er bij te spinnen,

Men sluit den lauwen zomer binnen lin laat gerust den winter buiten staan.

Dan groeit het roet in schoorsteenhoeken,

Dan knapt de harde beukestam En roost de schenen met zijn vlam.

Terwijl men gaat te gast in boeken;

Men braadt in de asch kastanjes of vertelt Elkander sprookjes; zoo met vreden Verwacht men weer de zoetigheden Der zomerzon, die koade bergsneeuw smelt.

Dit leven loofden alle wijzen,

Dit haagde Cats en Westerbaen,

Die prijzen \'t ons met verzen aan;

Dit leven zal ik altijd prijzen.

O! dat het lot mij zulk een leven gaf!

Mijn zanglust zou veel schooner bloeien En met de wilg aan \'t beekje groeien:

Gelijk een zwaan leide ik het leven af.

Gelukkig menself, wien \'t is gegeven Bij \'t vreedzame en onnoozle vee,

Dat nooit noch kwaad, noch onrecht deé,

In \'t veld zijn dagen af te leven!

De bloemenkrans braveert de gouden kroon.

Die \'s konings zorg bij nacht doet waken.

Geruster zit men onder daken,

Van riet gebouwd, dan op den hoogen troon.

{Duytiche Lto\', te Ainsteniam). y, Luyken. (1649—1712).

EEN KUNSTSTUKJE,

I.

Kom! ik wil-je, als Kunstje, leeren, Hoe een Perzik \'t lekkerst smaakt!

ocr page 60

4S II.

Eerst moet gij ..aar lang begeeren,

Eer ge tot den pluk geraakt;

Hebt ge lang clan haar bekeken,

U vermeid in vorm en kleur,

Recht genoten van haar geur,

Dan moet gij het steeltje breken, —

Dan haar brengen naar uw mond, —

Dan . .. djlt zeg ik u terstond!

HL

Dan — wanneer ze haast de tippen Van uw lippen Sappig aanraakt... en gij ziet,

Eér zij in uw mond gaat slippen.

Dat uw vrouw of dat uw kind,

Dat uw liefste of dat uw vrind U bespiedt . . .

Moet ge uw perzik laten glippen —

In zoo\'n mondje welbemind!

IV.

Maakt ge dein mijn Kunst te schande . . .

Zegt ge dan niet, één, twee, drie,

„Dat nooit Perzik in den lande U zóó lekker smaakte als die. ..quot;

Dan verbeur \'k een volle mande!

{Al de Volksdichten, bij G. L. Funke J. P. Heije. (1S09 - 1876).

te Amsterdam).

HET GESCHENK,

Bood dikwijls Japiks schaamle grond Hem knollen, smaaklijk en gezond.

Een teelt nochtans, als nu gerooid. Zoo groot, zoo zwaar! — hij dolf ze nooit; Wie ze ook te zien kreeg, vreemde of buur, Elk riep: „\'t zijn wondren der natuur!quot;

ocr page 61

4i)

Maar wat nu (ja, daar wrong de schoen)

Wat met dit puikgewas te doen ?

Dat onze Lieve Heer het niet

Voor arme lui zoo groeien liet,

Dit leed geen twijfel. — Iedereen

Dacht toen als Jaap. \'t Is lang geleOn. —

En (\'t merk almee diens ouden tijds) Monarchen golden nog hun prijs.

Men zag niets groots, niets ongemeens. Of aan een koning dacht m\' op eens. Zoo wekte ook nu een groote raap Het denkbeeld van zijn vorst bij [aap.

Die vorst (het Hoofd van \'t • Lelierijk, Met name de Elfde I,odewijk) Was buitendien een duchtig Heer,

Die \'t groot geboefte ging te keer En knappe kleintjes vaak verhief:

En daarom juist had Jaap hem lief.

Zoo kiemde er in zijn brein een plan;

Doch (Dames, hoort, hoe braaf een man!) Eer hij iets zetten wilde op touw.

Kwam hij gulhartig bij zijn vrouw.

Hij vroeg heur raad en wijs van zien:

Geen zegen, wist hij, zonder dien.

„Onze akker, liefste! droeg (niet waar?) „Een prachtig knollensoort van \'t jaar; „Een kost, niet voor een boerenmond, „Neen, waard, dat ze op een hofdisch stond; „Mij is \'t, als riep mij elke raap: „„De koning moet me proeven. Jaap!quot;quot; —

„Juist, manlief! (viel ze hem in \'t woord) „Iets heerlijks bracht ons landje voort; „Wel zijn we verre van Parijs,

„Doch, ja, zoo\'n spijs is koningsspijs;

„Hoor, schiet het keurigste uit den hoop „En vent het aan het hof te koop.quot; — M. cn i,. I.nopüi.i), Sleutel, II. 4c dnik

ocr page 62

50

,,„Te koop! (hernam hij, half te onvreón,

Maar lachte er gauw weer overheen)

„„Uw zuinige aard doet, wijfje! u eer;

„„Doch \'t geldt hier, schat! \'s rijks Opperheer: „ „Wat.. . zoo de vorst van onzentweeg „„Het beste ten geschenke kreeg?quot;quot; —

„Wel, kostlijk! (zei ze) wijs bedacht!

„Zijn Hoogheid een present gebracht!

„Of ook de man verblijd zal zien,

„Want zoo iets schoons... nu, wacht, misschien.

„Doch ga, mijn Japik! en onthou,

„Dat ge ook den vorst groet van uw vrouw.quot; —

Mèt ging de boer vol vroolijk vuur Aan \'t knollen kiezen in zijn schuur:

De grootste lei hij naast zich neer.

Zocht flus daaruit de grootste weer,

Ivoos toen nog eens en nam een zak,

Waarin hij niet dan reuzen stak.

En \'s andrendaags bij \'t ochtendrood Met luttel reisgeld en wat brood Verliet hij \'t huis, tevreón en vlug, (De zeldzaamheden op zijn rug)

Door Grietje van een heuvelhoogt\',

Zoo ver ze kon, nog nageoogd.

Aanvanklijk viel hem \'t reisje mee;

De lucht was helder, \'t land in vree.

Wierd soms de zak wat zwaar, hij koos Een plek in \'t lommer, sliep een poos Rn droomde, dat een hof vol pracht Verbaasd stond van zijn knollenvracht.

Dan ging hij weer met verschen moed Van vroeg tot laat vooruit de voet;

Maar de ijver vergde \'t lijf te veel;

Zijn kracht verging, ze week geheel,

Zijn beenen weigerden hun stut:

Krank zeeg hij neder in een hut.

ocr page 63

51

Van huis en krank, dat \'s dubbel krank! Wat woog — wat viel de tijd hem langk ! Maar liefde woonde in de enge stulp; Zij schafte raad, rust, spijs en hulp, F,n, zonder lekkers uit de ap\'theek, Was Jaap hersteld in ééne week.

Ziek, had hij reeds zijn plan vergooid; Nu, kras weer, vond hij \'t fraai als ooit! Nieuw leven tintelde in zijn bloed: Na krankte smaakt eerst \'t welzijn zoet! Hij liet zijn dank aan \'t gastvrij dak En toog weer voorwaarts met zijn zak.

En blijde liedjes hief hij aan.

En deuntjes floot hij onder \'t gaan;

Maar (korte vreugd!) de dag verging,

Daar zag hij iets — een leelijk ding,

Waar menigeen de koorts van kreeg! — Hij zag en schrok: zijn beurs was leeg.

Daaraan had Jaap (\'t is de oude klacht)

Bij al zijn blijheid niet gedacht.

Wat nu? Ja, wat? Geen geld, geen spijs,

En ver van huis en van Parijs!

Dak, dek — daarbuiten kon hij nog —

Maar eten, eten moest hij toch.

Inmiddels werd het (wreede plaag!)

Volslagen oproer in zijn maag:

Of hij al slurpte uit beek en vliet,

Te paaien was de honger niet.

Hij stak — maar \'t pijnde hem verbruid -

Uit nood de hand tot beedlen uit

Doch elk, dien hij een penning vroeg, Vroeg bot daarop weer, wat hij droeg: En zei hij \'t — „schaam je!quot; was het dan Foe! beedlen! eet jou knollen, man!quot; En, dorst hij reppen van \'t present. Dan was het lachen zonder end.

ocr page 64

52

Mismoedig, flauw en afgesloofd,

Zat, zuchtte, krabde hij zich \'t hoofd.

„Dood (zei hij) kan ik toch niet voort;

„Dan komt geen enkle knol, waar \'t hoort.

„Welaan, mij met een deel gevoed!

„Zoo krijgt mijn vorst nog iets! Ja, \'t moet!quot;

En na dit droef, maar wijs besluit,

Schoot hij, wat minder gaaf scheen, uit, En, ging \'t hem ook aan \'t hart, hij at Bij \'t maangegloor een beet of wat. „\'t Is zonde!quot; riep hij tusschentands, „Zóó lekker smult geen koning thans!quot;

De zon, toen ze in het Oost verscheen.

Vond Jaap weer vlijtig op de been;

Maar ver verwijderd (droef gevoel!),

Nog dagen verre lag zijn doel;

En, of hij langzaam ging of ras,

Zijn eetlust hield gelijken pas.

Zoo zag aldra de tweede dag Denzeifden strijd, dien de eerste zag;

De maag wou spijs, kreeg niets, werd boos. Dwong, eischte . .. nog weerstond m\' een poos; Maar, bij verdrag, trok, haar ten buit. Op \'t laatst een knol den zak weer uit.

Die nederlagen — wat hij vocht —

Jaap leed ze telkens op zijn tocht;

\'t Was weg, dat schouderkrommend pak; Hij droeg op d\' arm den schralen zak, En, zuchtend, wischte hij er vaak Ken traan mee van zijn dorre kaak.

In \'t einde, raadloos van verdriet.

Daar speurt hij torens in \'t verschiet.

Hij trilt, hij vraagt: o blij bericht!

Ja, \'t is Parijs, dat ginder ligt!

Parijs, o vreugde! en \'s konings hof!

Hij heeft nog éénen knol, God lof!

ocr page 65

53

Slechts éénen knol, maar — welk een knol

Van de antlren allemaal tien bol!

Eene aardvrucht zonder haars gelijk!

Een olifant in \'t plantenrijk I

Een knol, als Reekers, zoo \'k vertrouw,

Een paradijsknol schildren zou.

Een etmaal reeds had Jaap gevast En, smakkend, vaak dien knol betast; Een duivel (scheen \'t hem) dreef hem aan, Het graag gebit er in te slaan;

Doch „neen!quot; dus riep de brave steeds, „\'k Verslond veeleer mijn eigen vleesch!quot;

Nu voelde hij geen honger meer.

Maar vloog den weg langs als een veer; Al nader glansden trans en tin,

Dra hupte hij de stadspoort in;

Men wees den blijden man het pad.

Zoodat hij \'t hofplein flus betrad.

Hest trof hij \'t. Juist viel \'s konings oog Op Japik, toen hij binnentoog;

Hij hoorde, dat de boer hem vroeg,

Slechts hem wou toonen, wat hij droeg; \'t Bevel weerklonk, en Jaap verscheen, \'t Nieuwsgierig hofvolk om hem heen.

Nauw had de boer den vorst gezien, Of needrig bogen zich zijn knicn; Hij beefde; maar een milde blik Gaf Japik moed, verdreef zijn schrik;

Straks dorst hij spreken. Klonk het plat, \'t Was, of men toch er schik in had.

Welk pronkgewas zijn knollenveld

Van \'t jaar hem schonk, werd eerst verteld,

En hoe \'t hem voorkwam en Margriet

(Die wel Zijn Hoogheid groeten liet),

Dat iets zoo keurig en /00 vremd

Voor \'s konings tong slechts was bestemd.

ocr page 66

54

Zijn reis, zijn rampen volgden toen: Wat bittre nood hem dwong te doen; Moe hij gevast had, dood bijkans. En rammelde van honger thans. (Een ronding, uit zijn vest gehoord, Bekrachtte zeer van pas dit woord.)

„Maar (riep hij eensklaps, blij vervoerd,) „Dit, dit toch bleef onaangeroerd! „Een veldmirakel, nooit gezien,

„Mag ik mijn grooten koning bión!quot;

En met een triumfanten lach Trok hij de prachtraap voor den dag.

De vorst nam ze aan met gul gebaar,

Keek, woog ze, of hij een kenner waar\': „\'t Is (sprak hij) boertje, een oogenlust; — „Doch spijs behoeft ge, spijs en rust; „Verkwik u. — Dienaars! helpt den man! „Tot morgen, vriend! Ik spreek u dan.quot;

Jaap stond verrukt. Des konings taal Beviel hem zeer, niet minder \'t maal;

Want, dra geplaatst bij bord en flesch,

At hij voor vier en dronk voor zes.

Totdat hij wierd naar bed getorst.

Een liedje zingend op den vorst.

En \'s andrendaags, goed uitgedut,

De kracht door forsch ontbijt gestut,

Zocht Jaap, dien \'t harte huiswaarts trok, Den vorst weer, — klaar met pak en stok -En dankte, dankte duizendmaal Voor \'t lekker, overrijk onthaal.

„Vaarwel, braaf man! \'k waardeer uw trouw „Ga, leef gezegend met uw vrouw, (Zoo sprak de koning) „trek in vree:

„Neem dees gedachtnis van mij mee.quot;

En op zijn arm ving Jaap , ontsteld, Een zware vracht — een zak vol geld!

ocr page 67

Hij gaapte en leek een beeld van steen:

Nooit zag hij zooveel schats bijeen.

„Droom, droom ik steeds? dampt nóg de wijn?quot; Maar \'t wichtig pak weersprak den schijn. Nu, lijke ook op een droom, wat kan, Ken geldbuil heeft het minst er van.

Dank stottrend, buigend — lang en diep — Verliet hij \'t hof. — Ken poos verliep,

Eer \'t denken hem weer vlotten wou. — Hij kocht wat tooipronk voor zijn vrouw En schafte zich een ezel aan ;

Geen man meer, om te voet te gaan.

Snel toog hij af, snel toog hij voort,

Door vreugde en ongeduld gespoord;

En eindlijk — heil hem! — „ja! dat is \'t!quot;

Zijn dorpje rijst uit de ochtendmist:

Waar ginds die rook het loof ontzweeft.

Daar toeft hem \'t liefste, dat hij heeft.

„furt!quot; schreeuwt hij, en een forsche schop Zet d\' ezel in een handgalop.

\'t Is Jaap, bij \'t schokken en den spoed, Als danst hem de afstand te gemoet;

Hij nadert: luid weergalmt zijn „hou!quot;

Jaap ligt in de armen van zijn vrouw.

Wat smaakten hem die kussen zoet!

Wat deden hem die tranen goed!

Wat klonk (schoon onverdiende grief)

\'t Verwijt om \'t lang vertoef hem lief!

Praal\' \'s konings slot met trans en tin,

Zijn hut was meer met Grietje er in.

Nu gaf hij haar zijn reisverhaal,

Van blijdschap warrende in zijn taal;

Vergeten waren nood en druk;

Hij meldde op eenmaal al \'t geluk,

En welk een schat hij medebracht,

En hoe de vorst ook haar bedacht!

1 • J

ocr page 68

56

En de oogen hel, de wangen rood,

Zag Grietjen al het kostbre ontbloot.

„Dank, (riep ze) Jaaplief! — Welk een vorst!quot;

En drukte Japik aan haar borst.

Nog eens zoo groot leek hem zijn schat,

Nu \'t vrouwtje er zooveel pret van had.

{Gezamenlijke Dichtwerken, bij si. Bogaers, (1795 -1870).

Km se man en Tjeenk IVillink te Haarlem).

AVONDWANDELING.

Als de avondzon in \'t nederzinken

Haar afscheidsgroet aan de aarde geeft, Het koeltje door cïe toppen beeft En paarlen op de grasspriet blinken, — Als \'t veld herademt, de omtrek geurt, Nog slechts een enkle vogel neurt, Eer hij zich toedekt met de vlerken, —

Als alles stil wordt, lucht en grond, Dan dool ik liefst de wandelperken. De dreven en de beemden rond;

Want heerlijk. God! zijn al uw werken,

Maar heerlijkst is uw avondstond. Dan kruis ik eenzaam door uw loover. Bekoorlijk R ij s w ij k ! op en neer En geef in \'t zwerven heen en weer Mij aan \'t genot der mijmring over.

Wat is die kalmte streelend zoet, Dat suizen en in sluimer zijgen. Dat plechtig stil en stiller zwijgen,

Die rozenkleurige avondgloed!

\'t Is, of de rust rondom ons henen Een zachter inborst in ons stort; \'t Is, of ons harte reiner wordt En wat er boos was, is verdwenen.

Een onbestemd en diep gevoel Ontwaakt en trilt er in onze Aren . . . Wie mocht dien indruk nooit ontwaren ?

ocr page 69

57

Wien laat dat purprend Westen koel? —

Dan zweven als op donzen schachten Geliefde beelden om ons heen;

Dan wemelt droom aan droom dooreen En zielsgepeinzen en gedachten.

De ontroering grijpt ons in \'t gemoed,

Haars ondanks wordt de ziel bewogen;

Er klopt een heimwee in ons bloed;

Soms wisschen wij een traan uit de oogen,

Onwetend, wat hem drupplen doet.

{Gezamenlijke Dichtwerken, //. Tollens Czn, (1780—1856).

bij Hugo Suringar te Leeuwarden).

LENTEMORGEN.

Hoe schittert de zonne zoo helder,

Zoo kleurig de dropplende dauw!

Hoe zijt ge zoo geurig, gij geuren!

Gij, heemlen, hoe zijt ge zoo blauw!

Hoe koost ge onder \'t juublen der vooglen

Zoo lustig, gij vlinder en blom!

Hoe stuiven de sneeuwige bloesems Zoo dartel op \'t windeken om!

Mij duizelt, o vriendlijke Lente,

Van kleuren en geuren en zang.

En tranen verduistren mijne oogen ...

Mijn bede versmelt in mijn dank!

{Licht en Schaduw, bij y. L. Bejers Soera Rana [/. Esser \'//■.] (1845—).

te Utrecht).

INVALIDEN DER ZEE.

Daar liggen, geworpen op \'t zilte strand.

Vier oude ribben van pinken.

Doortrokken van teer, verweerd en verbrand. Met duchtig verroeste klinken.

ocr page 70

58

Ze liepen van stapel zoo glad en vlug,

En sprongen van \'t strand op der golven rug, En werden wel vaak bedolven, —

Maar kwamen weer thuis niet den kostb\'ren buit, En zagen niet veel, jaar in en jaar uit,

Dan duinen en lucht en golven.

Nu liggen ze stil, waar het lot hen liet,

En \'t is nu gedaan met varen, —

De pit is er uit, maar het zeewater niet,

De pekel der zilte baren.

Daar babblen, gezeten aan \'t zilte strand,

Vier oude robben, en smoken.

Doortrokken van teer, verweerd en verbrand,

Met jichtige, stramme knoken.

Ze liepen de zee in, zoo rad en vlug,

Ze vlogen omhoog op der golven rug.

En werden wel vaak bedolven,

Maar kwamen weer thuis met den kostb\'ren buit, En zagen niet veel, jaar in en jaar uit.

Dan duinen en lucht en golven.

Nu praten zij druk over wind en weer.

De zee, de vangst en de prijzen,

En drent\'len, als kenners, het strand op en neer.

En zien er de pinken rijzen.

Zoo blijven zij stil, waar het lot hen liet.

En \'t is nu gedaan met het varen, —

De pit is er uit, maar het zeewater niet,

De pekel der zilte baren.

{Eigen //auril, 1S82, hij II. /gt;. Tjeenk Willink Jo. Je Vries. (1838

ie Haarlem\').

PUNTDICHTEN.

DU VEUWAANDH HOLI.ANDSCHE KRANSCHMAN.

Als ik het wel considereer.

Vind ik het Hollandsch detestabel;

\'t Klinkt dégoutant, abominabel... — „Ja, zeker... in uw mond. Mijnheer!quot;

ocr page 71

59

OP HET OVKRUJDI\'.N VAN EEN\' LUIAAKIquot;).

De dood heeft luien Kiliaan Een onbetaalbren dienst gedaan,

Met van de moeite hem te ontslaan Van alle morgen op te staan.

BEHOUDEN TANDEN.

Het komt mij als geen wonder voor,

Dat sedert veertig jaren Koosje Geen enklen tand of kies verloor,

Want zij bewaart ze \'s nachts zorgvuldig in een doosje.

GEESTIG.

Wees geestig, dat is goed, Marlijn!

Maar \'k raad u, wil niet geestig zijn.

AAN TURPIJN.

De vroomheid, zegt ge, ontstaat uit domheid. O Turpijn! Hoe vroom moet gij dan zijn!

GRAFSCHRIFT VOOR EEN* LUIAARD.

Hieronder rust Sebastiaan,

Die nooit iets anders heeft gedaan.

{Puntdichten, bij C. L. Sc h U ij er /\'. G. IVitsen Geysbeek. (1774—1 lt;quot;gt;33)-

te Amsterdam).

DE AKKERMAN,

(Uit een\' rei van den Pahvnedes.\')

Die in een liefelijke streek Bij \'t ruischen van een klare beek Zijn landhuis sticht en akkerwoning — Wat is dat een gezegend koning! Die nimmer vlamt op ijdlen lof En zijne lusten bij zijn hof

ocr page 72

CO

Bepaalt en indrinkt met zijne ooien Den vooglenzang, die zich laat hooren,

Als de uchtenddauw als paarlen leit Bij druppels, hier en daar gespreid,

Op rozebladen, versch ontloken, —

Wanneer zich opdoen duizend roken En duizend kleuren voor het oog Van bloemen , als een regenboog,

Als Iris\' bruiloftskleed geweven :

Een schilderij, vol geest en leven.

Hij plant, hij poot of hij verzet.

Belaagt de vooglen met zijn net,

Of, overlenende met ijver.

Trekt spartelvisschen uit den vijver Met zijn gebogen hengelroó;

Of, is hij zulke spelen moe,

Hij spant zijn paarden in vóór \'t dagen En gaat met honden \'t knijn belagen,

Of rijdt bij klaren zonneschijn Door wegen, die gestrengeld zijn Als voormaals der Cretensen doolhof.

Hier bloeit een afgetuinde koolhof.

Daar lacht een beemd, een klaverwei,

Omsingeld met een boomenrij.

Men melkt der koeien uiers wakker;

Hier zwoegt en ploegt men op den akker.

En ginder hoopt men op \'t gewas;

Daar zaait men boekweit, ginder vlas;

Hier groeit en bloeit het weeldrig koren.

Omheind met stekeligen doren;

Daar spoeit een speeljacht over \'t meer;

Hier rookt een dorrep, ginder veer Wil in \'t verschiet een slot verflauwen En hoogerop \'t gebergte blauwen.

Ver dwaalt hij van dit leven af.

Dien de onrust nagaat tot in \'t graf.

Die tot den avond van den morgen,

Geknaagd, geplaagd wordt van de zorgen.

(/)ichtuh\'r/\\\'ii, hij Gcbr. /linger van den Vondel (15S7 167\'j).

te Amsterdam).

ocr page 73

61

JONG-HOLLANDSCH BINNENHUISJE.

\\ \'s Wintersavonds houd ik mij Cgt;v-^ In mijn bezig leven

Graag, als \'t mag, een uurtje vrij , N \\\\ ,v Zoo van zes tot zeven :

. \\j .vH

x Dan is \'t vrooiijk woonvertrek

Vol gezelligheden ;

Nieuwspapier en boekenrek Laat ik meest rnet vreden:

1

\\\\

■gt;

s)\' o\' Kn genietend staar ik om,

V ^ lt;

yjquot; ty Met mijn dank verlegen,

^ S \\v\'v ^ In dit dierbaar heiligdom

v-v Van mijns Heeren zegen.

quot;) .lt;1V

\\f -vv Alles stemt er vroom en blij,

^ U\' Kleuren, tonen, beelden,

Al uw zoete poCzij,

Kleine levensweelden!

Praalziek was ik nimmermeer,

\'t Rijmt niet met mijn zeden; Ik benijd geen mensch zijne eer,

Geld noch heerlijkheden;

Maar ik ben \'t gezelligst dier,

Kn zie! mijn vriendinnen Stichtten mij een kluisje hier, Stemmend ziel en zinnen.

\'t Leven is mij lief en waard

In dat hartlijk uurtje. Levenslustig in den haard

Knapt het knettrend vuurtje; Hij der vlammen heldren gloed.

Schept men fantazietjes, Neuriet, stillekens en zoet,

Ras vergeten liedjes, Allervriendlijkst begeleid Door het lief geluidje, \'t Liedje der gezelligheid, Uit het stoomend tuitje.

ocr page 74

62

Poëzie schuilt overal,

Overal, mijn vrinden!

\'t Is de vraag maar, wie haar al,

Wie ze niet kan vinden.

Menig schilder heeft geen oog

Voor een binnenhuisje,

\'k Weet pocten, duf en droog,

In hun smaakloos kluisje,

Menig boezem blaakt alleen

Voor het hoogverheven\' — Mij trekt alles, groot en kleen, In dit lieve leven!

Doch, mijn kleintjes! gij het meest.

Springende gedichtjes,

Tintelend van leest en geest,

Aangebeden wichtjes!

U ook moet deze avondstond

Allermeest behooren,

U , mijn oudste , zacht en blond ,

Lieflijke eerstgeboren!

U , mijn jongste, dwaas en blijd,

Pittig donkerbruintje, Die voorwaar geen schaduw zijt In ons levenstuintje!

Haalt uw schatten voor den dag!

Zal ik u een toren Bouwen, dien we met één slag

Schaatrend weer verstoren?

Moet ik ook, al wederom, \'t Beestenspel verklaren ? Leeuwgebrul en beergebrom

Pogen te evenaren ?

Wilt gij met de koomenij

Of de zuurkraam spelen ?

Wat zal \'t wezen „nu ereisquot;? Mij kan \'t, heusch, niet schelen.

Niets van alles! — half tevrec

Komt men vleiend nader: \'t Liefste speelgoed van mijn twee. Dat\'s haar jonge vader!

ocr page 75

68

Als zoodanig meer geliefd

(\'k Zeg het zonder jokken,

Schoon \'t mijn eigenliefde grieft) Dan — de doos met blokken! Meer dan \'t wilde beestenspel

Zelfs, trots aap en beren!

Van uw kinderen kunt gij wel Eenige\' ootmoed leeren!

\'t Speelgoed dan wordt nu met list,

Vleien , plagen , lokken , (Kinderliefde is egoïst)

Naar den vloer getrokken,

En daar vangt je \'t leven aan!

Lustige oogjes gloeien.

Mondjes, handjes, voetjes gaan,

Bij het rustloos stoeien!

\'k Geef mij aan uw armpjes prijs,

C) mijn krullebollen!

\'k Laat, naar koninklijke wijs, \'t: Volkje met mij sollen.

Moeders oog staart vroom en zacht

Op het dwaas tooneeltje;

Ik geloof wel, daar ze lacht,

Dankt ze voor haar deeltje. Ik geloof wel, zij geniet

(Schoon haar de ooren tuiten!) Meer dan eens, bij \'tsmachtend lied,

Dat ons streelde, buiten,

Als wij samen hand in hand.

Aan zijn toon gekluisterd, Dwaalden door het droomenland. Daar men dweept en fluistert.

Half gebluscht is \'t eerste vier,

Purpren koontjes blozen!

Op het wild gegier, getier

Volgt een zoet verpoozen. Dan , bekomend van \'t gejoel,

Onder duizend grappen,

ocr page 76

64

Zitten we in den grooten stoel

Alle drie te snappen.

\'k Word beloond soms met een keur

Geestige gedichtjes,

Altemaal van Goeverneur,

Lievling onzer wichtjes.

Zeven men slaat de klok ;

Weelde moet niet duren;

En mijn kippen gaan op stok

Klokke zeven uren!

Liefde wenkt en niemand dwingt,

Om te blijven hangen;

De oudste noch de jongste zingt

\'t Liedje van verlangen.

Slechts mijn hart, vol zaligheid,

Stemt het voor d\' Algoede,

Die mij al dit heil bereidt,

Die ons huis behoede!

Om dees vroolijke avondrust

In Zijn gunst te smaken.

Wil ik, al mijn dag, met lust Werken, zorgen, waken; — (Is \'t niet voor het daaglijksch brood,

\'t Is om \'t brood des levens. Dat slechts de arbeid klein en groot

Schenkt, met vreugde tevens!) Wil ik, onvermoeid en trouw,

Kleine kruisjes dragen.

Die mij God óók schenken wou In Zijn welbehagen.

Wat mij toch daar buiten griev\'

In \'t aandoenlijk harte.

Immers bij ons huislijk lief

Bloeit weer troost voor smarte. Wat me ook treurig tegenviel

In deze aardsche dreven.

Niet de reinste droom der ziel, \'t Zoet van \'t huislijk leven!

ocr page 77

65

i

Niet de weelde en \'t rijk genot,

Dat uit kinderoogen

Straalt — ten trooste in \'t menschenlot,

Vrede, zegen, licht van God,

Glimlach uit den Hoogen!

{Dichtwerken, bij Gebr. k\'raay p, A. de Gênestet. (1829-

te Amsterdam},

h

li

1861;

!/ u-\'i-i

J A M

4 -d

lUt UV] f i

\\ jia. ^

ROZEMOND.

UIT: „DE GEUZEN.quot; XXIlDE ZANG.

\'t Geweld der winden, aan het woelen, c

Heeft niet alleen aan Vlaandrens kant Zijn woeste werking doen gevoelen,

Maar ook langs Walchrens westerstrand. Ter Veer, het oostlijkst\' van de steden Heeft door het onweer niet geleden,

Maar hoorde \'t buldren van den wind. Wie kan gerust in stormen wezen,

Wanneer men heeft in zee te vreezen Voor \'t lot van vader, man of kind?

Maar niemand heeft in deze wallen

Met meerder\' angst den avondstond In zwarte wolk zien nedervallen,

Dan gij, deugdrijke Rozemond!

\'t Is juist acht jaren thans geleden, Dat Rozemond, zoo zacht van zeden,

Haar trouw, De Lange! aan u verbond, I )at gij, gelukkigste aller menschen !

Genoot het toppunt uwer wenschen In \'t blij bezit van Rozemond.

Ci(-j

i

X.

ij

gt;f

v7

\'t Is waar, wanneer de lentedagen

Met d\' eersten milden zonnegloed De felberoerde wintervlagen

Verdreven van den breeden vloed. Dat jaarlijks uwe nijvre zorgen U maanden lang voor \'t oog verborgen M. en L. LUol\'oi.i), Sleutel, 11, 4e druk.

ocr page 78

fi6

Van echtgenoote en huisgezin;

Maar welk een vreugd in najaarstijden, Als vader kroost en gd verblijden En voeden kwam door zijn gewin!

Hoe glijden dan de lieflijke uren

Van \'t weer vereende jonge paar,

Wen ze in de kou bij goede vuren De winst bereeknen van het jaar, Als, samen aan den disch gezeten,

Na vroeg en matig avondeten ,

In \'t langzaam naadren van den nacht Zij hem verhaalt, wat kinders zeiden,

Die om zijn afzijn dikwijls schreiden.

En wat zij al tot troost bedacht.

Of wel, als hij, in Kersttijds rusten. De Zeekaart toont aan Rozemond En aanwijst, waar, op Groenlands kusten,

Hij \'t laatst de beste nering vond.

„Hier,quot; zegt hij, „ziet men Hekla branden, „Daar was \'t, in \'t ijs, op Spitsbergs randen,

„Dat storm ons \'t noodgebed afwrong. „De Hemel in deze oogenblikken „Zag mij voor u alleen verblikken!quot; —

Haar oog en hart volgt zijne tong.

Zoo lang de Dwinglandij, aan \'t woeden.

Noch wederstand, noch palen kent,

Is \'t al haar zorg, voor drift te hoeden

De Lange, aan haren raad gewend;

Doch, als nu God, getergd door Spanje, De Vrijheid toonde bij Oranje,

Toen was zij de eerste, die haar\' man Vermaande, in \'t dringen der gevaren Zijn bloed en leven niet te sparen.

Daar God en \'t land hem roepen kan.

„Nooit!quot; sprak zij, „zoude ik overleven,

„O waarde, dierbare echtgenoot!

„Den dag, die u den dood zou geven „Voor \'t Vaderland op kust of vloot;

ocr page 79

67

„Maar \'k wensch het einde mijner dagen „Veeleer, dan dat de Spanjaards zagen, „Dat voor \'t gevaar De Lange beeft, „Dat ik \'t verwijt zou moeten hooren, „Dat laffe rust hem kan bekoren,

„Als \'t Vaderland hem noodig heeft.quot;

Hij antwoordt: „O mijn zielsbeminde!

„Mijn welzijn is altijd gewis,

„Mits Rozemond slechts ondervinde,

„Dat haar De Lange waardig is.

„Ik ga voor \'t recht der Nederlanden, „Voor Rozemond en onze panden

„De vrijheid zoeken of den dood. „Het zal Oranje nooit berouwen,

„Wat mij zijn zorg mag toebetrouwen, „Hetzij te Land of op de Vloot.quot;

Hij scheen nog meer te willen spreken;

Maar \'t zwellend oog verkropt een vloed Van vocht, gereed om door te breken,

In weerwil van zijn taaien moed.

Doch Rozemond durft vrijlijk storten Die tranen, welke ons leed verkorten!

Een kus scheidt haar en haren man: Een teedre kus, die op de lippen Hun beider zielen saam doet glippen En echtemin maar geven kan.

Wijl tweedracht, uit de hel ontsloten, Gansch Nederland in onrust zet En \'t menschenbloed, alom vergoten.

Rivieren, kust en zee besmet,

Vult zachte vreê, de deugdbelooning, O Rozemond! uw hart en woning, —

In beide is alles even rein!

Geen driften gaan in \'t harte zweven.

Geen weelde stoort de rust van \'t leven: Het zedig huis is net en klein.

Drie kindren, zoete en waarde panden, Gewenschte vruchten van haar trouw, Vernauwen nog de teedre banden.

ocr page 80

fi8

Zoo heilig bij de kuische vrouw! De grootste zoon, nu zeven jaren,

Spreekt reeds van over zee te varen;

Het meisje speelt aan Moeders schoot; üe meerdre gunst schijnt haar te spijten, Wanneer de moeder, onder \'t krijten Van \'t zuigend wicht, de borst ontbloot.

Een weinig melk, een weinig water.

Met meel of luttel broods gemengd,

Geeft d\' eenen vroeger, d\' andren later. Het voedsel, eerst op \'t vuur gezengd. Terwijl gaan Moeders oogen dwalen: Zij zoekt, op wien zij \'t meest kan pralen;

\'t Is echter, of zij \'t meeste prijkt Op hem, die \'t eerst haar is gegeven.

Die \'t verst gevorderd is in \'t leven,

Die \'t meest op haren man gelijkt.

De buien, die zich laten hooren,

\'t Gehuil der winden door de lucht Komt deze zoete vreugde storen

En wekt zoo menig bangen zucht. „Wie weet,quot; dus zegt ze, in zwaren regen, „Wie weet, waar hij nu is gelegen,

„Of zwerft, verwaaid in woeste zee! „Zij spraken laatst van uit te varen „En nergens Spanjes vloot te sparen, „Al waar\' het op de Britsche reó.

„O dat men tijden mocht beleven ,

„Dat ieder teedre, jonge vrouw „Niet hoefde voor haar man te beven,

„Noch wie haar weezen voeden zou!quot; „„Haar weezen!quot;quot; — Rozemond, bewogen. Voelt tranen duisteren hare oogen,

Haar vinger veegt ze spoedig af;

Maar de oudste kindren laten \'t spelen, Om door hun zoentjes \'t leed te heelen, \'t Geen ieder vreesde, dat hij gaf.

Die kinders eischen nieuwe zorgen. De kindsheid vordert vroege rust,

ocr page 81

(59

De aanstaande nacht kweekt voor den morgen

Weer nieuwe kracht en nieuwen lust.

Vermoeidheid rekt hun teere leden,

De slaap vervangt hun korte beden;

Hun rust is zuiver, ongestoord,

Wijl Rozemond, diep in gedachten Op \'t zeemanslot in zulke nachten.

Met siddring eiken rukwind hoort.

Maar, denkt ze, \'t zorgen kan niet helpen!

Hij is, o God! in uwe hand,

\'t Zij hem de golven overstelpen,

Hetzij zijn plicht hem vinde aan land!

Ik moet voor deze kindren leven :

Nog eens de borst aan \'t klein\' gegeven!

En, als de lamp is uitgebluscht,

Keert Rozemond zich in gebeden Tot \'s Hemels goedertierenheden.

En hare slaap is ook gerust.

(Dichterlijke Werken, bij M. / Vest er matt O. Z. van Haren. (1711—1779)*

te Amsterdam).

OUDE ZEDEN.

Moeder had het brood gesneden.

Vader had zich neergezet.

Krulkop Anna kijkt tevreden,

\'t Goudblond Mieken joelt van pret. Karei met zijn roode wangen Had zijn deel als andre\' ontvangen;

Maar de stouterd spiedt rondom,

Past op \'t zijne en vlamoogt tevens Op zijn zusjens eigendom.

Vader wenkte, moeder knikte;

Moeder stemde in vaders bee.

Allen zwegen; quot;t klokje tikte.

En het water raasde mee.

Karei staart naar vaders dopjen,

Mieken buigt het blonde kopjen.

Pinkt •— \'t gevouwen handjen bloot — Met de wimpers, om te toonen Dat ze de oogjes deeglijk sloot.

ocr page 82

70

Smaaklijk werd het brood gegeten,

Karei kreeg een dubbel deel.

\'t Was, dit kon zijn vader weten,

Voor een jongen niet te veel. \'t Laatste kruimken was genoten.

Vader had het Woord ontsloten,

En de man, zoo vroed, zoo kloek , Las als met een kinderstemme Uit het oude bijbelboek.

En hij las er van den Heere,

Die op aarde had gediend,

Van den Koning zonder eere,

Van den lieven Kindervriend, Die zoo minlijk had gesproken Tot den wijze, in toorn ontstoken;

„Word den kinderkens gelijk;

„Laat de kleinen tot mij komen. Hunner is mijn Koninkrijk.quot;

Moeder hield het hoofd gebogen;

Vaders stemme trilde wat.

Karei had een traan in de oogen,

Mieken knipoogde, of ze bad.

Anna hoorde, bloode en blozend;

Want dien Heer, een kleene koozend.

Had zij op een prent gezien, — En die kleene — mocht zij \'t denken! Was een meisje als zij misschien.

Vader docht het wèl voor heden.

\'t Boek ging dicht — \'t gezin uiteen. Moeder dribbelt naar beneden,

\'t Kleine goedjen schoolwaarts heen. Vader, in zijn cel gesloten.

Gaat den gang na van zijn vloten,

Die er dobberden op zee,

Deelt bevelen uit aan \'t Oosten,

Geeft den krijg of schenkt den vree.

En toen de avond was gevallen,

\'t Moede lijf was afgestreên En om rust vroeg, drongen allen

ocr page 83

71

Zich om vaders leunstoel heen.

En zijn hand lag innig teeder Zeegnend op hun hoofdjens neder,

En zijn groet was: „goedennacht!quot;

Goed geschud was ieders peluw:

Oude\' en jongen sliepen zacht.

{Nieuwe Gedichten, hij J. C. Loman Jr. //. J. Schimmel (1824-

te Amsterdam).

HET MOEDERTJEN,

— SCHETSJF.N NAAK DE NATUUR. —

Vóór dag en vóór dauw is de vader er bij,

Des arbeids nimmer moe;

Zijn wijfjen staat hem trouw ter zij En zwengelt er lustig op toe;

Blond Aagjen van zeven jaren Zal deftig het huis bewaren.

Haar post is de dorpel: daar zet ze zich neer

Met vroolijk krijgsmuziek;

Daar overziet ze heinde en veer\'

Haar woelige republiek:

Haar Broertjen, \'t klein boertjen, haar schatjen, De kippen, de kiekens, het katjen.

Zij doedelt haar deuntjen en neuriet haar lied

Voor \'t kleine huisgezin;

Want meisjensaard verzaakt zich niet: Het moedertjen zit er al in!

Zij snapt en zij snatert met lusten,

En laat er hare oogjes niet rusten.

En alles zingt mee, want het windeken waait

Door \'t wingerdloof voor \'t raam.

Het poesjen spint, het haantjen kraait,

De hennekens klokken te zaam.....

En \'t broertjen ?... Hoe kun-je \'t nog vragen — Giert het uit van de pret in zijn wagen!

(Dichtwerken , bij A. W. Sijthoff J. J- L. Ten Knte (1819—1

te Leiden).

ocr page 84

72

STUURLUI.

De beste Stuurlui staan aan wal

En turen door hun vuisten;

Ze weten \'t nóg — ze wisten \'t Al —

Ze zijn, van louter wijsheid, mal....

Maar roeren vin noch knuisten!

Ik ken er éen, ik ken er twéé,

Ze staan op alle kaaien,

Ze sturen alle scheepjes mee: —

\'t Is, of de winden van de Zee Op hun koramando waaien!

Hoor, Jongens! als ik steek van wal,

Tot zeilen of tot roeien,

\'k Geef om die praatjes niemendal....

De beste Stuurlui staan aan wal:

Ik — vaar maar .... met de goeien!

{Al de Volksdichten, bij G. L. Funke J, p, Ueye. (1809___1876).

te Amsterdam\').

TOEN WIJ NOG KINDEREN WAREN.

Toen wij nog kindren waren, Wat was toen alles mooi! Hoe blauw was toen de Hemel! Hoe lekker rook het hooi!

Wat bloeiden alle boomen Toen prachtig in den tuin! Oneindig hoog verheven Scheen ons der eiken kruin.

Met open monden staarden Wij aarde en hemel aan. Wij konden nog zoo weinig \'t Waarom en \'t hoe verstaan.

Die tuin, wat was hij heerlijk! Wat hebben wij gerold Daar op het groene grasveld, En met den hond gesold!

0^

U-

ai:1.\'

Â¥

A/

ocr page 85

73

De sloot, de schuur, \'t prieeltje, De poort, den hazelaar:

Ik zal ze nooit vergeten, Al word ik honderd jaar!

Wij maakten mooie bergen Van \'t helder witte zand I Met kittelsteenen trappen En palm aan eiken kant.

BK ;

1

\'!

AVij staken groen en bloemen Rondom in \'t mulle zand: Zoo werden onze bergjes Een keurig bloemenland.

Wij vouwden kaartenhuizen En zett\'en die daarin: Dat waren onze buitens, Zoo gansch naar onzen zin.

Wat voelden we ons gelukkig In onze frissche jeugd,

In die vervlogen dagen Vol kinderlijke vreugd!

Dat huis, waarin wij woonden, Is \'t onze nu niet meer. Die tuin, waarin wij speelden, Heeft lang een andren heer.

Wellicht is hij veranderd En niet meer als voorheen, En verre scheidde \'t leven. Geliefden, ons vaneen.

Maar eeuwig blijft de liefde. Die, daar in \'t hart ontwaakt. Ons samen blijft verbinden, Ons nog gelukkig maakt.

[De Tijdspiegel, bij D. A. te Arnhem).

I y. MaHhickrodt ,1X44 ).

Thie me

ocr page 86

74

HET KINDERBAL.

EENF, TRAGISCHE HISTORIE.

I.

De balzaal straalt van honderdduizend kaarsjes;

\'t Jong-volkje danst op schoetjes en op laarsjes.

En alle hartjes kloppen blij en tierig;

Eén hartje slechts bonst bang en onpleizierig.

Dat is het hart van juffer Annekoosje:

Pas ellef jaar, maar snoeprig als een roosje.

Ze was al voor een derde of vierde keertje

Ten dans geleid door Frits — zoo\'n lief jongheertje!

Maar \'t was gezien door Hein, wiens ingewanden Daarop van woede en ijverzucht ontbrandden.

Waarom hij ging tot Frits en zei: „Kom even Naar buiten mee: daar wil ik je doen sneven.quot;

II.

De maan speelt in den tuin door groene abeeltjes. Weergalmend van \'t gekweel der filomeeltjes.

De jongheer Hein trekt fluks zijn pennies nakend; De jongheer Frits staat ook van moordlust blakend.

„Wèt, mispunt! jij, wou jij me een beentje lichten?quot;

Brult Hein. „Dat nooit .... óf jij, óf ik moet zwichten.quot;

„Maak maar geen praat,quot; zegt Frits, „want wis, jou mol ik, Daar \'k meester ben op \'t mes en op den dollik.quot;

Mèt gaan zij op elkander los en houwen En steken, dat het aaklig is te aanschouwen.

\\ f./V

w%

* V

li

ocr page 87

75

Ach, eer nog vijf minuten zijn verloopen,

Daar liggen ze al, dood en met bloed bedropen.

III.

Pas hoort men in de zaal de messen klinken, Of ieder denkt van schrik omver te zinken.

\'t Stormt al naar buiten, juffers en jongheeren;

Doch ach, te laat, om \'t ongeluk te keeren.

Annkoosje kermt: „Och hemel en geen ende,

Daar liggen ze al.....wat is \'t een bittre ellende!\'

i|i

Zoo roept de juffer, eerzaam, pas elf jaren, En trekt een naald uit heure blonde haren,

Kijkt naar de maan nog, naar den lindebloesem En stoot de naald ter plaatse van heur boezem.

Waarop ze neerzijgt op de beide lijken — Die dood, en zij ook dito van \'s gelijken.

LEER ING.

Och, lieve jeugd! och, wil je op kinderbals gaan, Pas op, pas op, je waagt er licht den hals aan.

Jaloerschheid kan van allerlei gevaren:

Nijd, ruzie, twist — ja, moord en doodslag baren.

Hoe, meisjes! je ook \'t verdriet komt te overstelpen,

Je doet nooit wijs, je zelv\' van kant te helpen.

{Gezamenlijke Gedichten en Rijmen, bij J* jf A Coevemenr. (1809- 1889).

J. /gt;\'. Walters te Groningen).

ocr page 88

76

v

DE REUS VAN SPAERNWOUDE.

(1298).

Aj \'i \\ ^ v — y ^t ^ w -— y\' wj ^ v ) l)e vesper ging uit op den dag des gebeds,

Het groepte om ilen lindeboom heen;

De kleenen, uit vreeze, wat ver van den kring, 1

w ^ /

V ^ /,

u i V ^ v\\

Die koutende en snappend den landreus omving.

Wiens blik dien van alle overscheen.

— „Landreus Claes!quot; sprak een visscher en zag tot hem op Met een blik, half benijding, half schroom:

,,Ik verdubbel het loon voor een krachtig gerijf,

„Stelt ge uw arm mij ten dienst bij het moeizaam bedrijf, „Met de fuiken op \'t diepst van den stroom.quot; —

— „Visscher Crijn!quot; sprak de landreus en zag op hem neer Met goedhartigen ernst, zonder spot:

„Daartoe viel mij de kracht van mijn arm niet ten deel,

„Om de winzucht te stijven met weinig of veel:

„Wees te vree met uw dagelijksch lot.quot;

— „Landreus Claes!quot; sprak een veldman: „bederf in het nat „Niet de kracht van uw kostelijk lijf!

„Gij hebt sterkte voor vier; ik heb arbeids genoeg:

Over huis op den darsch, op het veld aan den ploeg — „In mijn dienst vindt ge loon naar gerijf.quot;

— „Bouwer Borts!quot; en zijn oog viel met straffenden blik Op den rijzigen landbouwer neer:

,.\'k Waar\' een hartlooze dief, zoo ik \'t werkloon ontstal

„Aan vier nijvere knechten, mijn tasch ten geval, „En \'t waar\' bloedschuld in \'t oog van den Heer!quot;

— „Makker Claes! laat dien dorpers hun vrekkigen aard!quot; Zoo ried hem een speerman van \'t slot:

„Het schubbejak past u wat beter aan \'t lijf.

„In \'t veld met de heirbijl, op \'t huis met de schijf —■ „Dat is een begeerlijker lot!quot; —

ocr page 89

77

— „Al min ik de schijve en het werpbord een keer — „Uw schubbejak acht ik geen oort!

„Ter heirvaart was nimmer Van Kyten een laf;

„Maar buiten de beurt leg ik \'t wapentuig af:

„Ik vind geen geneugte in den moord.quot; —

— „Ook leidt daar een zekerder weg ter fortuin,quot; Zoo viel hem een schuitevaar bij:

„De penning is zoet, dien men wint buiten nood:

„\'k Voer u rond in mijn praam — en dan half iedre groot „Voor wie zien wil, in dorp of in steê.quot; —

— „Ook zonder dien oorbaren tocht ter fortuin, „Alf Seileman! houden we peis.

„Als een aap of een woudheer te dolen door \'t land,

„Is geen aas, dat verlokt, voor een man van verstand: „Nog heugt mij mijne Engelsche reis!quot;

Hij sprak nog • — toen klonk er een kreet uit de vert, Die trilde door merg en door bloed.

Een kreet, waar ontzetting en doodsangst uit sprak;

Ken kreet, als de stormvlaag, die \'t spieglende vlak Verkeert in een bruisenden vloed.

— „Berg u \'t leven! de stier van Bart Amse brak los „En rent in zijn dolheid hierheen!....quot;

En bouwers en visschers, tot speerlién incluis,

Ze vloden, en schuilden in stulp en in hui

Toen stond er de landreus alleen.

Alleen .... neen: een moeder nog, jeugdig en teer,

Ontzet door \'t gekrijt en gekerm.

Scheen verstijfd van den schrik; en in \'t eind, toen ze vlood, Toen was \'t, of heur luttele kracht haar ontschoot,

En gleed haar het wichtjen uit d\' arm.

En het monster stoof aan, van een stofwolk omhuld —

Maar toen was heur zwakheid daarheen:

Zij stortte zich neer op het schreiende wicht En bood aan het ondier, ten aanval gericht,

Heur eigen, heur tengere leên.

ocr page 90

78

En \'t monster sprong toe met een brullend gesnuif, Den schuimenden muil nog bebloed.

En de adem, verhit als zijn vuurschietend oog,

Scheen een stormvlaag, die wild om heur kleederen vloog,

En om \'t stof, van zijn hoeven doorwroet.

Toen boog hij den kop en stiet toe — maar een vuist Als van staal had zijn horens omkneld;

En de kracht van den reus wrong hem brullend ter aard.

Al zweepte hij loeiend den grond met zijn staart,

Al ploegden zijn hoeven het veld.

Toen schoot van rondom de gemeente weer toe En knevelde \'t ondier de leên.

Ze wreekten zich fel van ontzetting en schrik:

Ze knelden het horen en hoef in den strik En sleepten het jubelend heen.

Maar zoeter gevoel vloot door \'t tintelend hart Van den trouwe, die hulp had gebracht.

Hij hief het trouwhartig gelaat naar omhoog,

En \'t zwol uit zijn borst, met een fonkelend oog:

„Ik dank U, o Heer! voor mijn kracht.quot; —

En toen zich de moeder daar wierp aan zijn voet,

(Den blik vol weisprekenden glans!)

En luid schreiend hem dankbaar heur kind hief omhoog —

Toen boog hij het hoofd, met een traan in het oog;

En nooit was hij groot er dan thans.

{Kennemerland, Balladen, bij IV. J. Hofdijk. (1818—1888).

y. van der Endt en Zoon te Maassluis).

ocr page 91

79

HET MELKMEISJE.

Daar speelt de eerste zonstraal met \'t haantje der kerk, Daar licht \'t eerste vogelijn lustig de vlerk,

Daar bomt de eerste kloktoon — en \'t wekkend gebrom Zendt leven in hoven en huttekens om.

En op is het maagdlijn, en op is de knaap,

En weg zijn de droomen, en weg is de slaap,

Ei spoedig! de spade of den paardtoom gevat,

En de eenen naar \'t landwerk en de andren naar stad.

Daar staat reeds èn klepper èn karre gereed, En \'t snuggere melkmeisje, netjes gekleed,

Springt, licht als een ruiter, op \'t aardig gespan En vliegt door de ruimte met vaatjen en kan.

Zij snelt naar de stad langs de stuivende baan:

Heur liedje wekt \'t dravende klepperken aan,

Maar nog slaapt de wachter — de stadspoort is dicht. — „He! wachtertje!quot; roept ze, „open! open! \'t is licht!quot;

En op is de wachter — en open de poort,

En blij rent het hunkerend klepperke voort, En \'s maagdelijns mondeke roept: „Goeden dag,

„Heer wachter!quot; — en rijdt hem voorbij met een lach.

Al heeft zij voor troon maar een bosselken hooi, Al draagt zij voor kroon maar een hoedje van strooi, Nooit trad er in stad een vorstinne zoo schoon,

Nooit blonk majesteit, als de blos harer koon.

De tred van heur klepper, heur ramlende trein Dat klinkt in der burgeren oor als een sein;

De deuren ontluiken — als wachtte reeds elk Het lieve gezichtje — nog eer dan haar melk.

De knapen betwisten den moeders de pan En wachten ten drempel op \'s meisjes gespan,

En koopen haar melk, als amandels zoo zoet, En smeeken een lonkje af, nog zoeter dan zoet.

ocr page 92

80

Zoo deelt zij in straat en in steeg hare waar,

Men roept en men wenkt heur langs hier en langs daar;

Heur arremke rond rijst bevallig omhoog,

En \'t kruikje geeft melk, tot de bodem is droog.

Heur kruiken zijn ledig — en \'t maagdelijn lacht Gelukkig en vreugdig: heur taak is volbracht.

„Keer, klepperke, keer!quot; roept ze, en \'t dier hoort heur aan. Schudt blijde zijn manen en snelt langs de baan.

Maar \'t klepperke rijdt snel en sneller nu voort;

Daar beidt al de wachter, daar staat al de poort,

En \'s maagdelijns mondeke roept: „Goeden dag!

„Tot morgen!quot; en rijdt hem voorbij met een lach.

{Ncderlandsch Letterkundig Jaarboekje hij Willent Hogghé (1824—).

/. S. Tan Doosselaere te Gent).

KOFFIELIED.

Het Gersten heb ik steeds geprezen, Het Leuvensch valt in mijnen smaak, Den Bruinen drink ik met vermaak. En de Uitzet mag er stellig wezen; Met Faro, Beiersch, Porter, Ale, Verfrisch ik gaarne mij de keel,

En, zit mijn buidel vol vijffranken, Zoo vul ik zingend mijnen nap Met rood of gulden druivensap --Mij smaken allerhande dranken:

Maar boven alle spant de kroon De zoete drank der mokkaboon!

De koffie laat ik voor de vrouwen, Zoo roept een logge brouwer fier : Ons mannen past het sterke bier. Dat wij niet voor de ganzen brouwen! — Een dokter vat me bij den kraag: De koffie deugt niet voor de maag . . .

ocr page 93

81

Een giftdrank is \'t, die traag, maar zeker, Al wie hem lust ten grave leidt... Zoo doe veel liever mij bescheid Met helder water in den beker!

Ik echter roem op blijden toon Den zoeten drank der mokkaboon!

Want medicus en brouwer slagen Den spijker vast niet op den kop: U roep ik tot getuigen op.

Wier schedels lauwerkronen dragen; Voltaire, Goethe, Walter Scott,

Die op de koffie waart.... verzot! Ja gij, wier naam de wereld huldigt, Gij zijt, daar twijfelt niemand aan,

Niet slechts uw langgerekt bestaan,

Maar uwe scheppingskracht verschuldigd En dankt dus uwen glorietroon Den zoeten drank der mokkaboon!

\'t Is in het land der Arabieren,

Volop gekoesterd door de zon. Dat, eene weelde- en wellustbron, De koffieboom vooreerst zou tieren; \'t Is daar, dat hij, als pyramied. De flinke kruin naar boven schiet.. . Men kweekt hem wel in andre streken En brengt er zelfs op Java voort. Die vruchten geeft van beste soort.

Maar wie van koffie mee mag spreken. Verkiest, aan goeds en fijns gewoon, Den zoeten drank der mokkaboon!

Den eedlen nectar zelf bereiden Is vast mijne allergrootste vreugd. Het malen doet mij zulke deugd,

Dat ik er nooit mee uit kan scheiden; En als de moor \') zijn liedje zingt, Dan zing ik mede, dat het klinkt! Ik laat het water dapper stoomen,

En vul dan langzaam mijne kruik, Die juist bevat in haren buik

\') Moor, koffie- of theeketel.

M. en i.. LEOPOLD, Sleutel, II, 4e druk.

6

ocr page 94

82

Wat ik behoef, om toe te komen . . .

De geur is fijn, de kleur is schoon Des zoeten dranks der mokkaboon!

\'k Beklaag ze diep, die melk en suiker Er tusschen mengen op zijn Fransch!

Ik laat hem zijnen maagdom gansch:

De drank is — puur — oneindig puiker!

Ik krijg hem daags twee keeren dus In puris naturalibus,

Des morgens bij de warme weggen,

En bij de pijp na \'t middagmaal. ..

O, machteloos is menschentaal,

Om klaar en duidelijk uit te leggen,

Wat heil u dankt mijns vaders zoon,

O, zoete drank der mokkaboon!

{Liederen, bij J. B. Walters Frans De Corl, (1834 -1878).

te Groningen).

WILLEM VAN ORANJE.-

A, D. 806.

„Nu, \'t zij zoo! \'t is waar. . . het is Sinte Matthijs!

„Wel, schaf dan voor heden min sobere spijs;

„Want anders. . . gij weet, in den tijd van de vasten,

„Zou \'k noode de Abdij op forellen vergasten.

„Wat groente, wat brood .... \'t is al meer dan betaamt: „De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;quot;

Zoo, zittende voor een kwartijn van Cyrillus,

Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.

„Maar wie zal.. . ?quot; — „Wie gaan zal ? \'t Zij de eerste, die kan,... „Wien hoor \'k in de gangen? Hij zij onze man!

„Ha, \'t is broeder Willem... Ja, \'k wenschte wel, broeder,

„Wat visch voor vandaag; geef de merrie haar voeder.

ocr page 95

83

„En neem een paar korfjens en \'t stalknaapjen mee.

„Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André „Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden . . .

„Daar wonen de visschers, daar komt gij in orden,

„Geef gij aan den broeder het noodige geld!quot;

Nu dit hem meteen in de hand is geteld,

Knikt Willem genoedlijk en keert op zijn schreden En was ook al gauw uit het klooster gereden.

Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.

De bles was \'t ontwend; en die pij en dat koord . . . Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren . . . Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.

Zoo\'n kloostergeleerde — \'t staat vreemd op een paard! Die staljongen — is zonder grond niet vervaard:

Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)

Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.

Zoo denkt ge! — maar och, hoe bedriegt soms de schijn! Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn! —

Al lijken de kappen een haar op elkander,

Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.

Nu rijdt broeder Willem zoo zachtjens door \'t bosch;

Twee korfjens, een knaap, voert hij mee op zijn ros; Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch, en die scheede Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.

Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst —

Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt en vorscht, Moe lang men nog zuidwaarts zal hebben te rijden —

Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden —

En de vuist, die den slappenden toom soms vervat —

En de knie, die zich spant en het bergachtig pad Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,

En springen en waden, waar beektakken vlieten,

Of heester en kloof hun den weg soms verspart —-Tuigt kracht in de spieren en moed in het hart.

Geen wonder, geen wonder! de bode, die heden Om visch voor het klooster daarheen gaat gereden,

Hem sierde eens een naam, in de wereld vermaard.

Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:

Dat schild was het wapen van \'t Prinsdom Oranje!

6*

ocr page 96

84

Oranje! geen held, onverwinbaar als hij!

Een Roelant alléén streeft dees Willem op zij.

Waar Ronceval davert op d\'aanren diens braven,

Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.

Daar klieve \'t Verraad hun den helm van de romp:

Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp;

Daar steek\' Groote Karei met droelheid zijn horen, Herroepend zijn helden ; . . . . Geen dooden, die hooren!

Oranje! — steeds galmden de harpen zijn naam!

Niets kon hij benijden: geen\' Koning zijn faam! De dichters, na eeuwen, weerhielden hun tongen — Eer Willem den roem van zijn Heer hadd\' verdrongen!

/ Nog schalt soms den vreedzamen Benedictijn

De strijdleus in \'t oor van den krijgspaladijn;

Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.

Daar levend voor jaren, sinds jaren vervlogen.

\'t Is lang geleên! — hij had, na fel gevochten strijd, Van \'t Saracijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.

Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,

Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhóne. Doorblaakt van Christenvuur, sloeg hij \'t beleg er neer. Sneed iedren toevoer af en nooddwong \'t Moorsche heir, Dat op de wallen van de leeggeroofde veste Zijn vaandels had geplant, bij \'t krijgstuig, dat hun restte, De stoutste plonderaars te leevren in zijn hand En aan den dood; hun trillende Emir, zelf in band, Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor, Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,

Naar wellust martlen wou, den jongen Christen Grave Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht —

Toen d\'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.

En de Emir, dol van spijt, doch met betoomde woede De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede \'t Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees; \'t Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: „Gij, Emir, wees

ocr page 97

85

„Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dada,

„Me op \'t open veld getoond, geworde u lijfsgenade!

„Uw woord tot onderpand — en, om mijns Heilands wil, „Ontboeit hem, knechten!quot; — Maar op eens, wat luide gil! Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen; Een parelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;

Den sluier hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,

Waar zich, in tlukschen blos, een vreugde zonder maat Op uitspreekt; met de ziel in eiken blik der oogen,

Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,

Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros Kn barst in dank op dank en tranenstroomen los.

„Gij schenkt hem \'t leven!... O, de dochter kust uw voeten! „En wat de vader deed — ik wil daar nóg voor boeten, „Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed „In dank vbor zooveel deugd. O, zeg mij, wat voldoet „Voor deze weldaad?... Is hij, is hij wel behouön?...

„O, vraag een losprijs! — dat mijn harte moog vertrouwen!quot;

— „\'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,

„Die mij mijn vijand leert beminnen — die begeert:

„Doet wel aan wie u haat, dat ik den vader heden

„Der dochter weergeef; \'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!quot;

Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst, —

Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom ?) gelooven dorst

En hupplend aan de zij des grijsaards henentreden —

Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden

Een schuchtre gloed doordrong) en sprak met teere stem:

„Dien Heiland, Dien gij dient, waar. Heer, waar vind ik Hem?quot;

„O! dat tooneel wordt in zijn rustig later leven Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.

Geen wonder! \'t heeft voor hem beslist van heel zijn lot:

De God van Willem werd der teedre maged God,

En — knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,

Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.

Wat zegen, wat geluk, wat bittre rampspoed viel Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel.

Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden. Ten zijnent. O, zijn hart waant reeds \'t geluk hervonden In de armen van zijn gade en kindren... Wreede slag!

ocr page 98

86

Hij naakt zijn stad, betreedt zijn slot: — de volle dag,

Zijn gloónde heilzon, keert in middernachtlijk duister.

Hij zinkt ter aard; de krans van licht en rozenluister

Is hem van \'t hoofd gerukt; daar kwam hij aangetreên —

Daar draagt men, die hij riep, naar de eeuwge rustplaats heen I ... .

Nu wil ook hij de rust; ja... hij is oud van dagen! ...

Ja!... de arm verloor zijn kracht... ja! \'t hart telt minder slagen;

Ja, \'t was te lang zich-zelf met zoo veel werks belast.. .

Zijn erfzoon zij de zorg op \'t schoudrenpaar getast

Bij \'t streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan \'t harte

En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en srnarte.

Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,

Kn waar hij \'t oud geluk bij meerder vree hervindt.

„Heer! — Heer! — hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch? „\'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!quot; met een kruis Kn een ril sprak, van achter op \'t lastpaard gezeten,

De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.

„Wat?... Onraad?... Wel foei! Wees niet bang, beste man, „Zóo zijn wij het bosch uit. .. Ons valt men niet dn:

„Mijn tasch is te dun, om tot roof te bekoren;

„Kom, laat mij veel liever uw liedjen eens hooren.

„Gedraafd en gezongen met vroolijken zin!

„Dan halen niet eens die kornuiten ons in.quot;

— „Heer!... \'k durf niet... Maar toch — daar ge \'t wilt — zal \'t gebeuren.quot; Kn bevend begon hij een liedjen te neuren.

Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch Denkt telkens het knaapjen : „och, waren wij thuis!quot;

Ken windvlaag verheft zich; de kruinen der boomen ,

Zij spellen den Stalknaap: ze komen, ze komen!

Kn Willem, al zwijgt hij nog, wat hij gelooft.

Keert somtijds met zorgende blikken het hoofd.

Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden.

Die ginds langs het loover de takken ontbladrden,

Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach,

Kn \'t sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag.

Den een na den ander, een zevental ruiters,

Dat vlak op hen aanreed; \'t zijn Moorsche vrijbuiters!

ocr page 99

87

„Heer Jezus! wees mét ons!quot; zoo fluistert de knecht, Terwijl hij zich krampig aan \'t monnikskleed hecht. En Willem rijdt door. „Sta, gij monnik! bij MAmet!

„Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!quot;

„Sta, monnik! , . Uw buidel! . . Voort, mannen! dat pak „Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak . . .quot; En Willem betoomt zich met moeite van binnen En antwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:

„Dat pak? — \'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt „Voor schatten vermoeden in grauwharen pij ?

„Ik bid — laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen! . . „Aan \'t rooven op klerken is voordeel noch zegen.quot;

— „Wat, klerken!quot; zoo joelt men, „\'t is juist uws gelijk, „Die \'t meest ons belemmert . . . maar üit heeft uw rijk! — „Hier, mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten! — „En beiden de plunje van \'t lichaam gereten!quot;

Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steö,

Zij binden hem handen en voeten; en reê,

Den monnik, dien zij met hun vijven omringen. Tot afstappen en tot ontkleeding te dwingen.

Smaalt schaatrend hun hoofdman: „Gij zijt, arme bloed, „Gelukkig niet de eerste, dien \'k heden ontmoet . . . „Wij hebben daar ginder een lijk of wat leggen . . . „Zoo varen zij, die zich niet laten gezeggen.

„We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,

„Gepakt in die kar ... \'t Zag er slecht met u uit,

„Zoo de hongrige wolven voor \'t eerste verlangen „Niet reeds een kapoentje of wat hadden gevangen:

„Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest! „Toe! voort uit den tabberd! Het minst is óns meest! „Die tasch en die rozenkrans! Kousen en schoenen . . . „Uw pij uit! — Die hoofdkap bij de andre kaproenen!quot;

„A.i God !quot; bidt de knaap, en hij heft uit de kreek Zijne armen ten Hemel, „ai Heere, verbreek „Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!

„En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!quot;

Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat Den huifwagen in met het zadelgeraad;

ocr page 100

88

„Foei!quot; spreekt hij, en denkt: O mij! hadde ik een wapen! . , „Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen . . . „Een weerlooze monnik! — maar geeft me mijn knecht „Voor \'t minste dan weder!quot; —„Dien knaap? - Gij hebt recht „\'k Vergat \'em al haast,quot; sprak het hoofd van de Mooren; „Den knaap in de kar! — en den paarden de sporen! — „Vaarwel, vrome vader! en als ge in dit bosch „Alleen u verveelt in uw luchtigen dos, —

„Dat kan toch den beste\' eremiet overkomen, —

„Hier hebt gij een koord ... en daar ginder staan boomen!quot;

Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,

Ontrent hem de hoofdman; maar spottend en straf Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven Met huifkar en schreienden knaap hem begeven:

„Fraai, mannen! fraai, helden! — Uw prooi lacht u uit: „Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit! „10e gordel, die schuilt in mijne onderste kleeren,

„Is meer dan uw dubbele roof te waardeeren!

„Een gesp is er aan van het edelste goud,

„Die pronkt met een krans van robijn, esmeraud „En keurdiamanten; voor tweeduizend ponden „Wordt iedere goudsmid hier kooper bevonden.

„Gij kweet u voorbeeldig!quot; De troep wendt den kop. De hoofdman rijdt nader: „Zou \'t waar zijn? — Pas op, „Vrome klerk! heeft uwe arglooze scherts ons belogen,

„Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen! . . „Te voorschijn die gordel!quot; — „Ik schenk hem u. Heer,quot;

Zegt Willem, .. „maar, eer ik hem geef (bij uwe eer, „Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren, „Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!quot;

— „Dat gaat!quot; roept de hoofdman en stijgt van zijn paard, „En haakt zich den riem van het lijf, en, ter aard Zich buigend, om \'t kleinood van Willem te ontvangen,

Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen,

Daar heft hij de vuist, en met morslenden slag,

Een slag, als geen hamer op \'t aanbeeld vermag.

Verplet hij de hersens van \'t hoofd der bandieten.

Dat breinstof en bloed door het scheilelbeen schieten.

Mèt rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;

Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!

ocr page 101

89

Hij stort zich te midden der wanklende knechten,

Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.

„Oranje vooruit! — Ha, gij, wolvengebroed!

„De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed! „Voort, schurken! of \'k laat naar het diepste der hellen „Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!...

Een bliksem gelijk, zwiert het staal in zijn vuist;

Hij houwt en verminkt, en verjaagt, en vergruist.

Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;

Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.

Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;

Reeds zijn zij geweken in \'t verste verschiet.

En Willem, van d\'aakligen rechtsplicht ontslagen.

Vereent\'zijn gebed... met een toon uit den wagen.

Hij nadert dien, opent de huif.. . Groote God!

Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot:

Twee andre gevangnen, wien doeken en banden Het roepen belett\'en en \'t roeren der handen!. ..

De schaduw der huive floerst Willem het oog;

Daar kerft hij de boeien . . . Neen, God! hij bedroog Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen...

Daar schalt het „mijn vader!quot; „mijn kindren!quot; daar klemmen Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan \'t hart. „Hoe dus?. .. hoe gij beiden!.. . Dank, God! dat die smart „In vreugde gekeerd is! .. . Gij waart overvallen „Door \'t helsche geboefte!... en alleen . .. tegen allen .. .quot;

— „Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,

„Zijn ginder verslagen . . .de schaamte en de rouw,

„Dat ik ze overleef... haar kon niets weer verzoeten „Dan \'t uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:

„De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...quot;

— „We aanvaardden,quot; zoo koosde de zuster, „dees tocht, „Om u in het klooster te komen verrassen ...

„We hebben steeds in de Cortesische plassen „Niet ver van het burchtslot zoo heerlijke visch „En hadden die heden bestemd voor uw disch;

„Zij hangt in een korfjen hier achter den wagen.quot; — „Zoo waarlijk!quot; schertst Willem, „dan mocht ik toch slagen

ocr page 102

90

„Om visch weid de reis dezen morgen aanvaard ..

En glimlachend lei hij de zweep op het paard;

De staljongen moest met den bles het maar stellen,

Kn de Abt kreeg twee gasten en — goede forellen.

\'Karolingsche verhalen, bij J. A. Albei-dingk Thijm. (1S20—1S89).

C. L. van Langenhnijsen te Amsterdam).

ELEGIE.

AAN EEN SPELEND KIND

Wees niet zoo druk en woelig, lieve Kleene!

Wend niet uw hoofd half spijtig van mij af!

Verstoort het u, dat ik om Moeder weene,

Nu pas haar lijk geborgen werd in \'t graf? — Het treurig zwart omhuift uw bruine lokken

Kn tengre leest — en toch, gij schreidet niet,

Toen \'t vreemd gewaad u \'t eerst werd aangetrokken,

Maar danst van vreugd, nu ge u in \'t rouwkleed ziet

Ach, speel zoo niet! — Uw blijdschap breekt mij \'t harte!

Staak voor een poos dat hupplen, dat gedruisch! Uw vreugde scherpt den angelsteek der smarte,

Ze is wanklank in den treurtoon van dit huis! Uw lachje is als de zon, die straalt en schittert

In \'t doodsch vertrek door luik en vensterreet, —

Wier vroolijk licht de droefheid meer verbittert.

Als spotte zij gevoelloos met ons leed!

Uw zon betrok in \'t vriendlijk uchtenddagen;

Geen zevenmaal ontlook de Lenteroos,

Of, half verweesd, moet gij dat rouwfloers dragen —

Geen zeven jaar! —■ reeds zijt gij Moederloos! Uw Vaders stem blijft in zijn tranen smoren.

Slaat hij op 11 de vochtige oogen neer —

Gij lacht, gij juicht, als hadt gij niets verloren;

Gij speelt — en, kind, gij hebt geen Moeder meer!

Wat was zij trotsch op u! — Wat reine weelde Sprak uit haar blos en schitterde uit haar oog,

ocr page 103

91

Als \'t zoet gefleem van uwe stem haar streelde,

Toen \'t eerst uw voet zacht tripplend zich bewoog,

Als ge om haar stoeide, aan hare knie gedrongen,

Of \'t strooien hoedje aan \'t rozekleurig lint —

Op \'t zonnig pad haar blij vooruitgesprongen —

Los in de lucht liet wappren op den wind!

O! \'k zie u nog, hoe gij in \'t grasperk bukte

En bloemen, in een ruiker saamvergaard.

Van \'t bont terras u tot een kransje plukte,

Dat in den schoot van Moeder werd bewaard. — Dat kroontje, dat de wind hief van uw lokken,

Die kaarslichibloem, waarmee gij hebt gespeeld,

Die, toen gij bliest, verstoof in grijze vlokken —

Aanvallig Kind! het was uw Moeders beeld!

\'k Zie nog, hoe ge, op uw teentjes aangetreden,

Stil luistren kwaamt, of Moeder waakte of sliep,

Gelijk een schim langs \'t ledikant gegleden.

Als haar uw mond zacht: goeden morgen! riep.

\'k Zie nog, hoe ge eens met teedre schuwheid blikte

De plooien langs van \'t gapend bedgordijn,

Maar voor \'t gelaat der doodlijk kranke schrikte,

Als \'sprak uw oog: „Kan dat mijn Moeder zijn?quot;

Haar smart heeft uit en werd in vreugd herschapen.

De dood nam haar, als vriendlijk Godsgezant, De doornenkroon van de ingevallen slapen;

Thans draagt ze omhoog den palmtak in tie hand!

Haar siert de kroon van \'s Hemels uitverkoornen,

Maar ons, om wie zij de aarde had bemind,

Vlocht haar gemis een nieuwen krans van doornen — Ach, speel dan niet, maar ween met ons, lief kind!

Maar neen, speel voort! - Gij haat het smartverduren;

Gij, vroolijk wicht, zijt nog voor droefheid bang!

Als wist gij \'t reeds: men telt de vreugd bij uren.

De tijd der smart duurt dikwijls jaren lang!

Onnoozel lam!— Uw jeugd heeft niet berekend.

Wat schrikbre slag, zóó vroeg, uw schedel treft!

Wat wees te zijn, op \'t zesde jaar beteekent: —

\'t Is weldaad, Kind, dat gij het niet beseft!

{Gedichten, bij D. A. Thievie te Arnhem). H. Ter Haar. 1807—1880;,

ocr page 104

M C

92 lb o v

2 5

xu

VOOR DE TERECHTSTELLING.

I.

- o . 0 ■ o ^ ^

Het was nog nacht: zij timmerden \'t schavot . . . De Groote Markt weergalmde van het kloppen; Er staken dra uit al de vensters koppen;

Maar niemand sprak, en ieder dacht aan God.

„Snel doorgewerkt! — Laat ons wat stiller slagen . . Zei de oudste tot den jongsten timmerman;

En allen, die door de oopne vensters lagen, Verdwenen éen voor éen er uit, — en dan Ging de arbeid voort, alsof hij hen beschaamde.

Maar of eene onweerstaanbre macht hen praamde. Het was uit vreeze voor het daglicht. — ,Jan,quot;

Sprak nu de jongste, „ik kan het u niet zwijgen, \'k Maakte al zoo lief mijn eigen doodkist; \'k zou, Zoo ik niet moest voor kinderen en vrouw,

Neen, \'k zou het over mijn gemoed niet krijgen . . .quot; En de oude sprak: „Spoed! maken wij gedaan. De meester wil het, en op mijne jaren Weet Goil alleen, hoe droevig ik zou varen,

Zond hij mij weg. Het staat ook mij niet aan,

Maar ik kan toch van honger niet vergaan .... Och, Kasper, vriend! hadde ik het kunnen droomen. Dat het met mij zoo verre eens zoude komen! Meewerken, oude Jan, aan iemands dood, —

Wat is het zuur, mijn duur gewonnen brood!quot;

Twee zware tranen rolden uit zijne oogen .... Die beide mannen met eene eedle ziel In \'t ruwe lichaam onder eenen kiel.

Gevoelden, dat een gruwel ging geplogen.

Wat gaf het, dat hij \'t worden zoude met Den schijn des rechts, de ontzaglijkheid der wet? Een gruwel moet toch steeds een gruwel heeten, En \'t was een moord, zoo zegde \'t hun geweten! Wetgevers! zij begrepen niet, hoe gij Gerust kunt slapen en niet gruwt als zij;

Hoe slechts één mensch het zijne bij wil brengen, Om, zoo hij brood heeft, menschenbloed te plengen.

ocr page 105

93

II.

Hun werk was af, de stelling was aanéén,

Rn beide mannen gingen zwijgend heen.

En, als de zonne nauwlijks was verrezen,

Werd in de stad reeds t\' allen kant gezegd.

Dat het schavot dien nacht was opgerecht,

Doch — niemand zegde \'t met een lachend wezen.... Kr lag iets sombers over elk gelaat,

En geen, geen droeg nog doodelijken haat.

Meer vrouwen dan op andre dagen togen Ter kerke heen, met neergeslagen oogen;

En geene kleedden hunne kindren aan,

Om naar de school te loopen, of zij zeiden Hun, kussend en met moederlijk vermaan.

Dien dag op strate niet te blijven staan;

En streng bevalen zij aan knechts en meiden,

Die kinderen naar schole moesten leiden.

Toch niet langsheen de Groote Markt te gaan... (Drie menschen, van de wieg tot in het graf, J. de Geyter. (1830

bij Willem Rogghê te Gent).

HEIDEBRAND. I.

Zij leefden er zoo rustig In hunne kleien hut. De goede bessembinders,

Voor zon en wind beschut. Het barre kruid der heide Was hun geheele schat, En de afgemaakte bessems Verkochten ze in de stad.

Grootvader was der kindren

Getrouwe speelgenoot; Zij kropen op zijn knieën Gelijk op Moeders schoot.

u

\\orA

,VV

w

, r, ^

ocr page 106

94

En de ouders, onder \'t binden,

Van op hun manken stoel, Aanschouwden \'t lustig leven Met liefderijk gevoel.

Het was vooral hun Willem,

Op wien hun oogslag viel,

Hij, de oudste hunner kleinen,

Een zoon naar hunne ziel.

Ging Vader of zou Moeder Rijs snijden in het zand, De vlugge knaap liep mede, Al hupplend aan hun hand.

Dan zocht hij vogelnesten,

Liep in de heide rond.

Verstak zich achter duinen,

Of lei zich op den grond;

Zoovele leeuweriken

Sloeg hij ten hemel gd En snelde, waar zij daalden, Hen glurend achterna....

Eene ekster wist hij houden.

Niet hoog in eenen mast,

En eens trok hij den tak neer En nam een jongsken vast;

Doch ijlings pikte de oude,

Dat hij een angstschreeuw liet: „Mijn Willem!quot; sprak zijn moeder, „Verstoor hun liefde niet. . . .quot;

En weder thuis gekomen,

Sprak hij Grootvader aan; Hij zegde hem, al snikkend,

Wat de ekster had gedaan;

Maar de oude, om hem te troosten,

Vertelde van zijn jeugd.

En ras blonk Willems wezen Van kinderlijke vreugd.

Weer sprak de goede grijsaard Hem van den heidebrand.

ocr page 107

95

Den brand, die schrik verspreid had

Door gansch het Kempenland, Die mijlen wijd de bosschen

Verteerde in asch en rook, — En spijtig vroeg dan Willem: „De kleine vogels ook? ..

II.

Zoo leefden zij gelukkig In hunne kleien hut,

De eenvoude bessembinders,

Voor zon en wind beschut. Zij vreesden geenen heibrand,

Maar, dankbaar om hun lot.

Lei \'s avonds elk het hoofd neer, Rn dacht alleen aan God.

Doch eens, wen heel de huiskring

Het middagvoedsel nam,

Sloeg plotsling in de verte

Een slingerende vlam.

„Brand!quot; riep Grootvader huivrend, „Brand! brand!quot; hernam hij luid, En met gehevene armen Liep hij de woning uit.

Ginds in de onmeetbre vlakte Ginds rees een rookkolom, Die breed, in zwarte golven. En traag ten hemel klom.

Geen vlamme was meer zichtbaar.

Doch , rollend in het rond,

Steeg immer breeder, breeder. De rook op uit den grond.

Zoo snel als van een vuurberg.

Wiens lava overkookt.

Liep in de hei de brand voort.

Door kruid en wind gestookt. Slechts toen de rook, als slangen, Zich kronkelde op een duin.

ocr page 108

96

Kon men een wijl de vlamme Zien flikkren op de kruin.

Grootvader zuchtte droevig:

,,\'t Is met de hei gedaan .... De wind drijft naar de bosschen:

Daar helpt geen blusschen aan.quot; Met Willems vader liep hij

Waar moed nog nuttig scheen ; En, wat de moeder wilde, Ook Willem snelde er heen.

Zij hoorden, hoe de dorpsklok

Het volk ter hulpe riep,

En zagen in de verte,

Wat drom er henen liep.

Geen kindren merkte Willem,

Slechts mannen in den drom; Uit vrees, verjaagd te worden,

Liep hij een eindweg om . ..

Met oogen vol van tranen En nauw benepen hart Zag de arme knaap, hoe \'t heikruid

Als afgeschoren werd,

Hoe ras de leeuweriken

Opvlogen vóór den brand, En kermden, daar hun jongen Verbrandden in het zand.

Maar, toen de wind het vuur in

Het eerste mastbosch joeg.

Toen plots de vlamme krakend

En hoog ten hemel sloeg,

Toen half het bosch in gloed stond,

Een helschen kolk geleek En zelfs zijn koene vader Een eind terugge week: —

Toen hoorde de arme Willem

Het jammerend gekras Der eksters om hun jongen,

Wier nest nog redbaar was.

ocr page 109

97

Met roekelooze stoutheid

Liep hij er heen, ontzind,

Ontheven \') als een moeder Ter redding van haar kind.

Grootvader ziet en roept hem,

En al zijn bloed wordt koud;

Doch spoedig komt de kleine

Al juichend uit het hout;

En wen de grijsaard, weenend,

Hem kust en met hem vliedt.

Spreekt Willem, \'t nest hem toonend:

„Nu pikte de oude niet!quot;

En reeds na \'t eerste mastbosch

Heeft de aangeblazen brand Met zijne lange tongen Een ander aangerand.

Al sneller slaat de vlamme

In dezen nieuwen buit, —

Doch ijlings keert de wind, en Hij jaagt ze \'t mastbosch uit.

Een lange juichkreet stijgt er

Uit honderd monden, en Het vuur loopt ras de hei in.

Zich richtend naar een ven.

Een ven, die breed en verre

Zich door de vlakte strekt: —

De brand sterft op zijn oever,

Zoohaast hij water lekt . . .

En thans, wanneer een zwerver

Zich in de hut bevindt.

Ziet hij er twee paar eksters.

Gehoorzaam aan een kind.

Zij zitten op zijn schouders

En eten uit zijn hand;

En Willem zegt, vol hoogmoed:

„Die redde ik uit den brand!quot;

J. De Geyter. (1S30—^).

\') I luiten zicli zeiven.

M. en I.. LEOPOLD, Sleutel, II, 4c druk, 7

ocr page 110

98

PUNTDICHTEN.

INSCHIKKELIJKHEID.

Twaalf mannen spreken recht naar de oude Britsche wetten.

Men vraagde, wat voor twaalf een dief wou, dat hem rechtten;

Hij zei: de Apostelen. Dat waren fijne liên.

Daar sprak een statig man: die zou men niet weer zien,

Vóórdat de jongste dag de wereld zou doen scheiden.

Mijn\' Heeren! zei de dief, ik wil zoo lang wel beiden.

C. Jluygeus.

AALMOES ONTLEGD.

Jan zag een arm man naakt, maar zocht geen geld te derven.

Ik sterf van kou, zei de arme man.

Zoo doen wij allegaar, sprak Jan;

Want, wierd een mensch niet koud, een mensch en zou niet sterven.

C. Jluygeus.

MIJN SCHOOTHOND GEKJE\'S GRAFSCHRIFT.

Dit is mijn hondje\'s graf;

Ik zeg er niet meer af,

Dan dat ik wenschte — en de wer\'ld waar\' niet bedurven — Dat mijn klein Gekje leefde en all\' de groote sturven.

{Korenbloemen). C. l/uygens. (159^—\'öSy).

AANGEBRAND.

Aagt Morsebel nam kleinen Piet In kost, en, als het kind, te raiddag aangezeten,

Haar soms zijn walging merken liet:

De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweien

Aan kaarsvet, roet, noch snuif; \'t was altoos: „Lekkertand, Wat zou het zijn, als aangebrand?quot;

Nu kwam er eens een schotelvol groen eten

Te voorschijn, die kok Aagt spinazie had geheeten.

Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op \'t bord gesmakt; Hij roert er in; hij vindt twee achterpooten

ocr page 111

99

Van d\'armen kikvorsch, onder \'t warmoes kort gehakt, En legt, met de oogen half gesloten,

Zijn eetvork neer, terwijl hij vraagt:

„Heeft „aangebrandquot; ook voetjes, moeder Aagt?quot;

A. C. W. Starin^

hans tonka\'s zoon.

Hans Tonka\'s fiere spruit kwam van \'t Bataafsche strand

Schatrijk terug in Zwabenland —

En kocht een adelbrief, \'t Waar\' beter nooit geschied!

De helm , op \'t wapen van den kinkel,

Herinnert elk, die \'t ziet,

Den snuifpot voor zijn vaArtje\'s winkel.

A. C IV. Staring

aan pegasus.

Pegaasjen, hou\' eens stil!

Ik ben geen vriend van vitten;

Ik zuiver slechts uit goeden wil üw schoone manen van de klitten

En lees de noppen uit uw staart:

Laat Pluto \'t haavloos kinhaar zitten,

Apollo scheert zijn baard.

A. C. IV, Staring

aan een te zedigen schrijver.

Waarom uw boek aan \'t licht onttogen ?

\'t Verschijn\' gerust, al is \'t niet groot:

Wordt eikenschors bij \'t pond gewogen,

Men weegt kaneel bij \'t lood.

{Gedichten, hij A. C. Krusevwn A. C. IV. Staring. (1776 — 1840

te !tan riem).

ocr page 112

100

IN DE KAMER.

Ze waren in de kamer.

De vader zeide, dat De winter voor de deur stond;

De moeder deed het huiswerk,

Terwijl hun eersteling,

Een lieve, blonde kleine,

Met zijnen kaatsbal speelde.

Maar nu betrok de lucht;

De zon verdween, de wind

Bedaarde langzaam, en

De sneeuw bestoof het stroodak.

„Van waarquot; — zoo sprak het kind,

Terwijl het opkeek — „komen

Die leliewitte pluimen?quot;

Waarop de moeder zeide:

„Mijn kind, de heilige engelen

Bereiden in den hemel

Het zachte, warme beddeken,

Waarin de kleinen rusten

En slapen moeten, die

Vandaag verhuizen naar

Het hooge vaderland.quot;

„Ik ga niet mede, ik ga

Niet mede,quot; — kwam het kind —

„Ik slaap gerust en goed

In mijne kleine kribbe.

Die ge alle dagen opmaakt.quot;

De moeder zweeg en kuste Het goede, lieve kind.

{Kozen en Doornen, bij IV. Kogghé Th. Sevens. (1848

te Cent).

ocr page 113

101

TURKSCHE BEELDSPRAAK.

U volgen op uw levenspaAn Twee Englen, die u gadeslaan,

Ter rechte en linke; beiden schoon En goed, twee milde hemelboón.

En als ge een eedle daad verricht,

Den zwakke steunt, den arme geeft,

Den lijder troost — dan aanstonds zweeft Omhoog, naar \'t rijk van Vrede en Licht, Die wachter aan uw rechte, en grift In heilig schrift Het werk uwer Liefde, met dankend genot,

In \'t Hoek des Gerichts voor den troon van zijn God.

Doch als gij haatlijk onrecht pleegt,

Als booze drift uw hart beweegt.

Dan weent van rouw en medelij Die Engel aan uw linkerzij.

En teekent op de booze daad.

Het bitter woord; doch hij verlaat Uw zij nog niet en vaart daarheen —

Maar blijft! Hij teekent op alléén Wat gij misdeedt... en toeft.. . en wacht Tot middernacht.

Met stille gebeden, met engelentrouw,

Of ge ook uwe schuld nog erkent met berouw.

En — zoo uw hart nog eindlijk breekt En gij voor \'t kwaad vergeving smeekt, Dan wischt hij de aanklacht uit, terstond. En hij blijft waken aan uw spond!

Maar sluit gij onboetvaardig \'t oog.

Dan buigt hij \'t blonde hoofd en staart U somber aan een poos — en vaart Op matte vleug\'len naar omhoog.

Als die een harden, harden plicht.

Maar noó verricht.

En dan eerst, de ziele van weemoed vervuld, In \'t Boek van de Toekomst vermeldt hij — uw {Dichtwerken, bij Gehr. Kraay P. A. de Génesiet

te Amsterdani).

schuld! . (1829—1861).

ocr page 114

102

ARBEID.

De wetenschap steekt in geen bed met pluimen:

Wie leeren wil, moet vroeg de veeren ruimen;

Wie eerdt noch egt, die heeft geen kans van graan; Wie dorschen wil, moet eerst den ploeg doen gaan;

Wie niet en turft, kan zich daarna niet warmen;

Wie winst wil doen, die reppe hand en armen;

Wie prijs begeert, die stelle zich ter loop;

Voor arbeid heeft God alle ding te koop.

Alle de Gedichten, bij A. en J. Tongerloo IVes/eriaen. (1599—1670).

te \'s-Gravenhage).

VREDE,

Schoon is het goud, het schoonste der metalen.

Schoon \'t alebast en \'t luchtige kristal;

Schoon is het licht, wanneer de zon gaat dalen,

Schoon \'t elpenbeen en \'t rozenrood koral;

Schoon is de Mei met bloemen zonder tal.

Schoon is de zeeg\' met haar bekranste zweerden;

Maar, die de kroon moet dragen bovenal:

Schoon is de VREE, de schoonste op der eerden! — {Over-yssclsche Sangen en Dichten, J. Reef sen. (1581—1C49).

te Deventer).

TAFELRECHT.

Al die zit aan mijnen disch.

Drinkt zooveel als noodig is!

Ket naar uwes hongers eisch,

Maar — en eet geen menschenvieisch; Weet gij niet, wat dat beduidt?

Hoort, ik zal \'t u leggen uit:

ocr page 115

103

Spreekt niet kwalijk van een vriend,

I )ie dat niet en heeft verdiend;

Spreekt niet kwalijk van een man,

Die zich niet verweren kan;

Neemt hem niet met uwen mond,

\'tGeen gij hem niet geven kondt.

Zijt gij anders van manier,

Mijnenthalve blijft van hier;

\'t Zij u eens vooral gezegd:

I)4t is hier het Tafelrecht. —

\'^Over-yssclsche Sangcn en Dichten quot;J. Keef sen. (1581 1649). te Deventer}.

GEEN ROOSJE ZONDER DOORNEN.

Een roos, die zonder doornen bloeit.

Waar mag ze zijn te vinden ?

\'k Vrees, dat ze in weinig hoven groeit;

Je zoekt vergeefs, mê-vrinden!

En, of ze ook al te vinden waar\'.

Licht, dat ze u zou mishagen;

Het \'hoort nu eenmaal bij elkaar.

Dat roosjes Doornen dragen.

Wat leed in lust, wat lust in leed,

Zóo is ons aardsche leven;

En, als het ons geen goed en deed,

\'t Ware antlers ons gegeven.

Dies neemt de roosjes, als ze zijn,

Het leven met zijn nukken;

En doet het soms een beetje pijn ....

Het leer\' voorzichtig plukken.

(Al de Volksdichten, bij G. L. Fnnke \'J■ J\'- Ueye. (1809 1876). te Amsterdam).

ocr page 116

104

DE AANHALING.

Eens ging een kommies aan den zeekant in \'t rond:

(\'s Mans naam wil ik liefst u verzwijgen)

Hij dacht, zoo hij hier eens een smokkelaar vond,

Wat lof en wat loon hij zou krijgen.

Hij was er geweest van des morgens al vroeg, —

Wanneer hij Louw Hendriks ontmoette, Die, zwoegend, een fustjen met brandewijn droeg. En dien hij dus minzaam begroette:

„Vriend Louw! in dat fustjen is meer dan één kan:

Kunt gij het biljet er van toonen?quot; —

„Wel zeker,quot; sprak Louw; „maar gij zult mij, goé man

Daarvan, vooralsnog, wel verschoonen.quot; — „Hei! hei!quot; riep nu de ander, „er wordt met de wet

Zoo makk\'lijk de draak niet gestoken,

Onthoft gij uw dag maar. Gij hebt geen biljet: Die drank is voorzeker gesloken.

„Gij loopt in het net, en dat vaatjen is prijs.

Kom! breng het maar fluks naar d\'ontvanger.quot; — „Wat zou ik?quot; zei Louw: „wel, dan ware ik niet wijs.

Is \'t prijs — dan draag ik het niet langer.quot; — Zoo sprak hij en zette het neer in het zand,

Wijl ile ander niet lang zich beraadde,

— Er was hier noch kruier, noch kar bij de hand — En \'t fust op zijn schouderen laadde.

Nu kuierden beiden de weilanden door.

De zon was ten toppunt gestegen.

Het was nog twee uren naar \'t naaste kantoor.

En hobbelig waren de wegen.

Louw floot soms een deuntjen, wijl de arme kommies

Niet afliet van blazen en hijgen,

Maar echter hij gaf om vermoeidheid of niets.

Hij zou er zijn loon wel voor krijgen.

Zij hadden een uurtjen geloopen omtrent,

Toen Louw zei: — \'t leek d\'ander wel drooraen —

ocr page 117

105

„Zet neer maar uw vracht, want de reis is ten end:

Wij zijn aan mijn woning gekomen.quot; —

„Neen,quot; zei de kommies weer, „het fustjen moet mee.

Ik mag u volstrekt niet verschoonen.quot; —

„Och vriend,quot; hernam Louw, „laat het fustjen met vree:

Ik zal het biljet u vertoonen.quot; —

„\'t Biljet? — En waarom dat zoo straks niet gedaan?quot;

„Wel, vriendlief! waarom het verzwegen?

Ik meende, toen ik aan den dijk u zag staan,

Je waart om een vrachtjen verlegen.

En zie, ik was juist met een helper gediend:

Dat fust viel zoo zwaar te behandelen.

Heb dank voor je moeite en ik wensch, goede vriend!

U verder pleizierig te wandelen.

{Dichtwerken, bij D. A. Thienie J. Van Lennep. (1802—1868).

te Arnhem).

TWEE VUURTJES.

Ik ken een vuurtje, brandendheet,

Steeds fel en feller gloeiend,

En hem, die \'t al te dicht genaakt.

Soms lijf en ziel verschroeiend.

En nimmer heeft het in dien haard

Aan brandstof nog ontbroken :

De Haat met heel zijn norsch gevolg Zorgt voor \'t gedurig stoken.

Maar ginder brandt met schooner gloed

Een liefelijker vuurtje,

Daar koestert zich zoo jong als oud Soms menig zalig uurtje.

Het zengt niet, maar verwarmt alleen;

Uw hand hier, wie mij griefde! —

De haat bevriest, maar \'t hart ontgloeit Bij \'t vuurtje van de Liefde.

(XX Kleine Liederen, bij \'J. L. Beijers J. N. van Hall, (1840—).

te Utrecht).

ocr page 118

106

CHINEESCHE WIJSHEID.

Hoe lieflijker de Pekoe geurt,

Hoe eer zijn pluim wordt afgescheurd.

Om \'t schittren van d\' ivoren tand

Vermoordt de jager d\' elefant.

De vogel Tsu viel nooit in \'t net,

Was niet zijn wiek met goud bezet.

En de oester bleef in \'t veilig diep,

Als in zijn schulp geen parel sliep.

De schildpad doodt men om heur schaal,

De mijn doorwroet men om \'t metaal.

Zoo slijt ook zelfs het kunstwerk af

Door alles, wat het waarde gaf.

Ten langelesten berst de klok

Door \'t galmen van den klepelschok.

En na een korte flikkring zwicht

De fakkel door zijn eigen licht.

Helaas! niet anders ondervindt

Het wankelmoedig menschenkind.

Zoo waak, dat uw voortreflijkheid

Niet juist uw diepsten val bereid\'!

{Dichtwerken, bij A. IV. Sjthoff J. J. L. Ten Kate. (1818—1889).

te Leiden).

ZONDAGMORGEN AAN \'T STRAND.

Blauw en wolkloos welft zich de hemel Boven de wijdgestrekte zee.

Van zongloed wemelt de tintlende dampkring;

Parelkleurig rust het zeevlak.

Ongerimpeld, zilverglanzend;

Aarde en hemel vloeien ongescheiden ineen.

Meeuwtjes, duiven der zee, zittende op \'t spieglende vlak, Droomen van eeuwigen vrede,

Spartlend gaapt een vischjen even boven.

Ginder drijven slapend voor hun anker Enkle visschersscheepjes;

Slap is \'t zeil, en roerloos hangt naar omlaag

ocr page 119

107

\'t Wimpeldoek, en als een zwarte kanten sluier Plooit zich sierlijk \'t drogende net langs het want.

Nauwelijks hoorbaar suist \'t eentonig zingen van den knaap aan boord In de doodsche stilte.

Op \'t heet gestoofde zand vlak ligt een stille plas,

Door de ebbe nagelaten Als een groot stuk blauwe zielevrede üit kinderlijken tijd.

Visscherskinderen spelen aan zijn rand:

\'t Knaapje heeft een klomp getuigd met mast en spriet En eindjes pikdraad;

Rood geverfd staat achterop een hart En: „Vrouw Katrijnequot;;

\'t Zusje had tot zeil getooverd quot;t Lapje groen en paars gespikkeld sits.

Aan \'t roer staat, oud en verveloos, een poppetje Als vader.

Zachtjes blaast het meisjen in het zeil.

Maar den knaap was \'t te stil;

Hij roerde in den plas,

Om storm te hebben,

En hij plonst en hij stampt met de voeten in \'t nat,

Dat de blauwe spiegel rimpelt en golft,

Tot hobblend \'t klompje kantelt,

En \'t popjen over boord valt in den plas.

Ach ! klaagt het meisje :

Zoo is ons vadertjen ook vergaan.

En zoo bederf je ons schuitje heel en al.

{Vogels van diverse pluimage, bij C. Vosmaer. (1826—1888).

A. W. Sijthoff te Leiden).

ocr page 120

108

DE BALLING.

(1310).

De kleurige aster tooit den gaard,

De krekel zingt in \'t groen.

Reeds geelt het fijne berkenblad En kleurt reeds hier en daar het pad En spreekt van \'t na-seizoen.

Als sloeg ze een gouden sluiergaas

Om \'t hooggegloeid gelaat,

Zoo dook de zon aan d\'avondtrans En wierp een laatsten rozenglans Op \'t veld, in dauw gebaad.

Waar \'t Rynegommer binnenpad De baan naar Egtnond kruist.

Daar vangt een bruine popeltop Den adem van het koeltjen op. Dat door zijn loover ruischt.

Een grijsaard zat er aan den voet.

Als aan den stam geschroefd. Der jaren sneeuw vlokte om zijn kruin. Zijn oog was dof, zijn kaak was bruin, Zijn voorhoofd diep gegroefd.

Zijn serge-kap was grauw van \'t stof.

Van \'t slijk zijn hozen grijs. Een kleene harp stond aan zijn zij; Daar lag een oude palster \') bij,

Naar arme Pelgrims wijs.

Ginds, tusschen Egmonds gevelgaard,

Rijst Raaphorst\'s landkasteel. Nog speelt de laatste purperglans Op geveltop en torentrans.

Op ringmuur en kanteel.

ocr page 121

109

De grijsaard hing met vochten blik

Aan trans en torenboog.

Een lange, lange jarenrij Ging in de schaduw hem voorbij,

Die langs zijn wangen toog.

— „Welop! welop, mijn appelgrauw!quot; Zoo klonk het langs de baan.

En op een fier en trapplend ros, En schittrende in zijn edeldos,

Sprong daar een Jonker aan.

„Gegroet, gij Minstreel! God ten groet!

„Ei — waarom hier gemard ?

„Neem \'t nachtverblijf, dat ik u bied, „En trooste een zacht, een teeder lied „Mijn droeve moeder \'t hart.quot; —

De grijsaard sidderde en verschoot

En lei zijn handen saam:

„Uw moeder — schoone Jonker! spreek (Zijn bruine wang werd doodlijk bleek): „Wie is ze — hoe heur naam?quot; —

„Zij stamt van d\' eedlen Raaphorst af,

„Een Vrouwe, wei-bemind.

„Mijn vader trok voor lang uit \'t land; „Sinds bleef ze bij heur bloedverwant, „Als weduw met heur kind.quot; —

De grijs kromp met een zucht inéén.

De Jonker sprong van \'t zaal: „Kom met mij, kranke man! kom mee: „Ik biede u spijs en legerstee „En minnelijk onthaal.quot;

— „Neen!quot; nokte nu de grijsaard: „neen! „Maar stijg te paard met spoed:

„En breng uw moeder dezen ring, „En zeg, dat haar de Banneling „Van verre heeft gegroet.

ocr page 122

no

„Zeg, dat zijn oog nog eenmaal hing „Aan \'t landslot, zoo bemind;

„Zeg, dat hij met een dankbaar hart

„Haar heeft gezegend uit de vert „Voor zich en voor zijn kind.

„Zeg, dat zijn oog den zuigeling „Als jong ling heeft aanschouwd.

„En dat hij toen is heengespoed —

„Wel met een diep verscheurd gemoed,

„Maar dat op God betrouwt.quot;

Toen zag hij lang met wondren blik Den schoonen Jonker aan.

Sloot hem met sombre drift aan \'t hart,

Wrong zich weer los met wilde smart —

En was aan \'t oog ontgaan.

De Jonker reed de heirbaan op.

Maar spoorde traag zijn ros.

En toen de Burchtvrouw straks den ring

En \'s Ballings afscheidsgroet ontving,

Toen brak ze in tranen los.

— „Hoe!quot; —- sprak de Jonker, wien heur smart Door hart en ziele ging;

„Hoe kunt ge toch zoo droevig zijn?

„Wat weent ge, liefste moeder mijn!

„Dus om een vreemdeling?quot; —

Toen hief ze \'t bleek gelaat omhoog .

Met tranen overplast.

Toen kuste zij den gouden ring

En snikte: „Kind! een vreemdeling?.. ..

„Uw arme vader was \'t!quot; —

{Kennemerlavd: Balladen, bij J. vati der IV. y Hofdijk (1816—18S8).

Endt en /,11. te Maassluis).

ocr page 123

Ill

DE TEMPEL VAN DEN ROEM.

(Kene oude fabel, opnieuw berijmd).

„Maakt ruimte! ruimte! plaats! op zij!quot; Zoo schreeuwde een voerman van zijn wagen „Gij, die uw pakje zelf kunt dragen,

„Maakt ruimte! ruimte! plaats voor mij! „Laat een fatsoenlijk man voorbij.

„Ziet, beuzelende treuzelaren ,

„Die altoos hinkende achterbleeft „En mooglijk ieder tiental jaren

„Ternauwernood één boekdeel schreeft! „Ziet, tijdverkwisters! trage knechten, „Die Phoebus\' akker braak liet staan, „Ik heb wat meer mijn best gedaan, „Om mij den krans om \'t hoofd te vlechten;

„Nu rijd ik met mijn arbeid aan „En doe, naar aanspraak van mijn rechten,

„Den glorietempel me opengaan.

„Ziet I wat al korven, wat al balen

„Voer ik als eertropeeën heen!

„Het zijn gedichten, \'t zijn verhalen, „Recensies, drama\'s en journalen:

„Die allen schreef ik, ik-alleen! „Weg! uit den weg! men zit te toeven;

„Het eergestoelte wacht me in \'t koor. „Voort, bles en schimmel! rept de hoeven!

„Rijdt, overrijdt en breekt er door!quot; Zoo riep de auteur, die alle dagen

Zijn naam deed klinken langs de straat, En weeklijks bij een breed plakkaat Zijn werk te koop zag aangeslagen.

Hij had medaljes om den hals,

Hij droeg juweelen in zijn linnen,

En ringen — \'t zij dan echt of valsch — \'t Geschenk van vorsten en vorstinnen.

Zoo draafde hij den heuveltop (Het voetstuk van den glorietempel) De lauwerlaan en \'t voorplein op En steeg van \'t rijtuig aan den drempel.

ocr page 124

112

„Doet open! open! knapen, hoort!

„Ontsluit mij onverwijld de poort:

„Hier ben ik met mijn letterschooven!

„Verzorgt mijn paarden in den stal, „Draagt kist en koffer op naar boven „En wijst mij, waar ik zeetien zal.quot; — Men keek op \'t hooren van zijn naam Eens even uit een bovenraam En sloeg een glimlach op zijn wagen.

„Neen, heerschap! (riep men) ga voorbij, „Wij hebben hier geen pakhuis vrij, „En niemand om die vracht te dragen .. . „Dus, goede reis, waarheen het zij.quot; — De schrijver stond versuft van schrik: „Ik ben het! (riep hij luidkeels) ik !quot;

Maar poort noch venster ging weer open; Men liet hem schreeuwen, lachte en zweeg. En — of hij elders herberg kreeg . . ? Wij willen \'t beste daarvan hopen.

Doch, waar men hem ook binnenliet, De Roem deed in zijn tempel \'t niet.

Intusschen stonden, vroeg en laat,

Meer andren voor de poort op straat, Die op hun beurt een zitplaats vroegen;

En enklen, niet te zwaar belast,

Of die hun eigen reiszak droegen.

Ontving men er somwijl als gast.

De éen bleef er acht of veertien dagen; Een ander soms een week drie, vier:

Veel langer houdt men \'t zelden hier.

Waar passagier op passagier Weer beurtlings bed en tafel vragen.

Doch, schoon het drok en woelig was En maagd en knaap te hijgen zaten Van \'t binnen- en het buitenlaten.

Toch keek men door het vensterglas Nog telkens uit langs plein en straten; Er werd sinds lang, en dag en nacht, Nog op een andren gast gewacht;

Zijn naam stond in een nis geschreven,

Zijn stoel was onbezet gebleven

ocr page 125

lis

En nieuw bekleed en ruim en zacht. —

In \'t eind, toen weer des ochtends vroeg Een knaap het oog naar buiten sloeg,

Daar zat de vreemdling, half verstoken,

Bedeesd en zonder aanspraak, neer,

Als had hij weinig recht op de eer,

Dat hier ;;ijn plaats reeds was besproken.

Maar ijlings steeg een luid geschal Door voorportaal en hof en hal:

„Daar is hij! leidt hem plechtig binnen!quot;

De knapen bogen langs zijn pad,

De gansche schaar der zanggodinnen

Bestrooide \'t met gebloemte en blad,

Rn \'t klonk tot aan de tempeltinnen :

„Treê in, en neem voor jaren lang „Hier de eerste plaats in d\' eersten rang!quot;

Rn welk. een kleinood bracht hij aan,

Dat hem het koor deed opengaan ?

Hij droeg zijn rijkdom in een doekje.

En, bij \'t ontknoopen van zijn schat,

Wat denkt men, dat hij bij zich had?

Het was een klein-octavo boekje.

{Gezamenlijke Dichtwerken, //, Tollens Czn. (1780—1856).

bij Hugo Suringar te Leeuwarden).

TROLLHETTA.

De wateren ruischen Met dond\'rend geweld, — De gierende wolken, In rennende vaart,

Jagen voorbij De blinkende zon. Dwarr\'lend en fladd\'rend Vliegen de bladers Hoog door de lucht. Dwarr\'lend en fladd\'rend Vallen zij neder

M. cn 1,. i.KOPOi.D, Sleutel, II, 4e druk.

ocr page 126

114

In \'t rollende water, Dat schuimspat en kookt. De wateren ruischen Verder steeds voort, Tot waar de gapende Afgrond ze grijpt.

Rollend en klaterend Storten zij neder,

Sissend en spattend In \'t zwartbewolkte dal. Dan gaan zij verder,

Verder naar zee, En brengen haar konde Van \'t sombere lied,

Dat op Trollhetta Een grijsaard hun voorzong. Woester en wilder Bij deze tonen Schuimspat de zee.

Hooger en sterker Gaan hare golven En breken krakend Tegen de kust.

Ver in het ronde Klinken en dreunen Donderende echo\'s. —

Een grijsaard staat Op Trollhetta\'s hoogte, Zijn vingeren tokk\'len Een gouden lier.

Droevig en somber Klinken haar tonen;

Verder en verder Dragen de winden Het ernstig gezang, De trillende tonen Der gouden lier.

„Ik heb gezongen ,,Zoo menig lied „Van bloedigen kamp.

ocr page 127

115

„Wanneer door de dalen

„De waapnen der Zweden

„Kletterend klonken,

„Of galmend de strijdklok

„Riep door het land.

„En, was de strijd geweken,

„De zege behaald,

„Dan heb ik gezongen

„Bij \'t juublen der snaren

„Zoo menigen zegezang

„Ter eere van \'t land mijner vaadren. —

„Maar de roem is gestorven,

„De lauwer verdord.

„Nu kan ik slechts zingen

„Van neerlaag en smaad.

„Vertrapt en vertreden

„Is \'t land mijner vaadren :

„Het heilige Zweden

„Ligt in smaadheid terneer.

„Ik wil niet meer zingen!quot; . ..

Wild en driftig Grijpt hij de lier;

Zijn ving\'ren verpletten Haar tegen den rotswand;

Verbrijzeld stort zij Terneer in de diepte.

En dreigend verheft zich De hand van den grijsaard In wanhoop ten hemel. —

Droeve melodieën

Murmelen de waatren

Van den Trollhetta.

Zachtkens voeren

De donkere golven

Het lijk van den zanger

Met zich naar zee.

[Liederen, bij IV. A. Kirberger IV. L. Welter Jr. (1849

te Amsterdam].

8*

ocr page 128

11(5

DE KLEINSTE.

In \'t groene dal, in \'t stille dal,

Waar kleine bloempjes groeien,

Daar ruischt een blanke waterval, En druppels spatten overal,

Om ieder bloempje te besproeien . . . Ook \'t kleinste]

En boven op der heuvlen spits,

Waar forsche boomen groeien,

Daar zweept de stormvlaag fel en bits ,

Daar treft de rosse bliksemflits.

En splijt, bij \'t daavrend onweersloeien, Den grootste!

Omhoog, omlaag, op berg en dal,

Ben \'k in de hand des Heeren!

Toch kies ik, als ik kiezen zal.

Mijn stille plek, mijn waterval;

W (

Toch blijf ik steeds, naar mijn begeeren.

De kleinste!

(/4/ de Volksdichten, bij G. L. Flinke te Amsterdam).

J. P. Jleye. (1809—1876).

JAN JANSZEN.

Eer brengt een arme Vader met vreugd zes kindren groot,

Dan dat zes rijke kinderen

hem koestren in den nood.

Jan Janszen had gehamerd, gezaagd, geboord, geschaafd.

Bij dag en nacht gezorgd, gezweet,

geploegd, gezwoegd, geslaafd.

Zijn wijfje wist van sparen en zuinig overleg;

Zoo brachten zij zes kindren groot,

en legden nog wat weg.

ocr page 129

117

De zonen kregen vrouwen, de dochtren kregen mans:

Geen vader was gelukkiger

of rijker dan Jan Jansz.

Jan Janszens haar werd grijzer, maar dat was niemendal!

Maar hij verloor zijn brave vrouw —

dat was een treurgeval;

Maar hij verloor zijn wijfje, dat was een bitter kruis;

Daar zat hij oud en eenzaam neer

in \'t uitgestorven huis.

Daar zat hij, oud en eenzaam, te suffen bij den haard;

En menig, menig dikke traan

rolde in zijn grijzen baard.

Daar zat hij, oud en eenzaam, en sloeg zich voor den kop:

„Och, dat hij maar wat jonger waar\',

hij nam het werk weer op!quot;

Hij zat zoo lang te peinzen in doffe mijmerij:

Zoo mager werd hij als een hout

en zag den dood nabij.

Zijn kindren kwamen dikwijls en aten aan zijn disch;

Maar dubbel woog hem de eenzaamheid na korte lafenis.

„Kom,quot; sprak hij, ,,\'k heb drie zonen, en elk zijn huisgezin;

„Kom, ik verkoop mijn have en goed,

en woon bij d\' oudsten in.quot;

Jan Jansz verkocht zijn boéltje en deelde met zijn kroost.

„Vriend!quot; sprak hij tot zijn oudsten zoon,

„ik zoek bij u mijn troost.quot;

\'t Ging goed in de eerste weken, wat minder op den duur.

En, eer het jaar verstreken was,

kwam menig moeilijk uur.

En op een vroegen morgen riep zoonlief vroolijk uit:

„Heeft vader niets gehoord van nacht?

Ik kreeg een jonge spruit!

ocr page 130

118

En eer nog de avond daalde, sprak hij zijn vader aan:

„Hoor, vader, waar uw armstoel stond,

moet nu het wiegje staan.quot;

„Wij wonen wat bekrompen en in een klein bestek:

Gij moest bij broeder Gerrit gaan:

die heeft een groot vertrek-quot;

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!quot; Dies trok hij naar den tweeden zoon

en schepte nieuwen moed.

\'t Ging best in de eerste dagen, in de eerste maand misschien; Maar, eer \'t een half jaar verder was,

had vader \'t al gezien!

En op een kouden avond, daar hoorde de oude man: „Gij stookt de kachel veel te heet;

ik krijg er hoofdpijn van.quot;

„Maar warmte hebt gij noodig; welnu, ik weet goed raad; Uw derde zoon is bakker, best,

dat gij daar wonen gaat.quot;

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!quot; Dus trok hij naar zijn derden zoon,

maar met een droef gemoed.

\'t Ging heerlijk de eerste dagen; \'t ging goed een week of wat Maar eer \'t drie maanden verder was,

was hem de bakker zat.

En op een schoonen morgen sprak hij zijn huisvrouw aan, Daar vader in den leunstoel zat,

zoodat hij \'t kon verstaan;

„Een bakkers huis, lief wijfjen! is net een duiventil;

Een ieder loopt er in en uit,

en vader houdt van stil.quot;

„Ik wil den man niet jagen, maar beter leek hem wis Het stille huis van Leentje-zus,

dat op den stadsmuur is.quot;

ocr page 131

119

Jan Janszen zuchtte in stilte. „Maarquot;, dacht hij: ,.\'t is ook waar, Een dochter hangt veel teerder aan,

veel beter ben ik daar.quot;

\'t Ging best in de eerste dagen; \'t ging goed nog menig week; Maar ook het dochterhart liet los,

eer \'t eerste jaar verstreek.

En in \'t begin van \'t tweede, daar kwam de schoonzoon aan En zei: „Hoe graag ik vader hield,

\'t is niet om uit te staan 1quot;

„Mijn vrouw sterft duizend dooden, als zij haar vaders stap Bij uitgang of bij thuiskomst hoort

op deze steile trap.quot;

„Zij zegt wel duizend malen: De man zou denken, dat Hij ons te veel was: ver van daar!

maar anders, weet je wat?quot;

„Hij moest bij Betje wonen; die is nog wel jaloersch,

Dat vader ons gekozen heeft;

daar woont hij gelijkvloers.quot;

Jan Janszen dacht: „Mijn Leentje, die meent het zeker goed, En Betjen is jaloersch! Kom aan,

dat geeft een burger moed!quot;

\'t Ging extra, de eerste dagen; \'t ging goed een langen tijd; Toen ging ook Betjes teeder hart

zijn eerste warmte kwijt.

„Och vader! lieve vader, die booze rheumatiek:

Ik vrees, het aan mijn huisje ligt,

gij zijt hier altijd ziek.quot;

„Wou Grietjes man u hebben, dat was zoo mooi, als \'t kon! Haar huisjen, dat bij \'t kerkhof staat,

heeft altoos lucht en zon.quot;

Jan Janszen dacht: „Mijn Betje heeft gansch geen ongelijk;quot; Dus nam hij met een hoopvol hart

bij Grietjes man de wijk.

ocr page 132

120

Hij was in \'t kurkdroog huisje geheel op zijn gemak.

Doodgraver was zijn Grietjes man:

dat was geen vroolijk vak.

\'t Ging goed in de eerste dagen; maar na een week of wat:

„Grootvader!quot; zei het jongste kind,

daar \'t op zijn knieën zat:

„Weet u, wat Leenmoei zeide, toen zij bij Moeder was?

Dat u geen kamer beter leek

dan onder \'t groene gras;quot;

„Een kamer, zoo als Vader er daaglijks maakt en sluit . . .

„Kind!quot; riep Jan Janszen, zuchtte diep,

en — blies den adem uit.

Straks maakt de man van Grietje zijn kamertje gereed.

Nu komen al de kindren op,

in \'t effen zwarte kleed.

Jan Janszen wordt begraven met plechtig rouwmisbaar,

En op zijn grafsteen staat: HIER RUST.....

En dat is dan ook waar.

Eer brengt een arme vader met vreugd zes kindren groot.

Dan dat zes rijke kinderen

hem koestren in zijn nood.

{Dichtwerken, bij IV. //. Kirberger N. Heets. (1814

te Amsterdam).

ocr page 133

121

HERINNERING.

AAN MIJNEN VADER.

o Moeder...................

. . . Alles, wat de ziel door klanken of vertoogen

Kan aandoen, brengt me een schijn, een zweem van uw gezicht.

K. L. LEDEGANCK.

Vurig bemin ik de plek,

waar de zonne me vriendelijk toeloeg,

Toen ik een kind was, — en vurig

verlang ik mijn nederig dorpken Ieder jaar te groeten.

Daar lacht me de lieve natuur zoo Minzaam tegen, daar klinken

de klanken, die moeder me leerde. Murmelend snelt daar de beek

door de weide en omarmt onderwege Koozend het hangende riet;

en onder het loover der eiken Schuilen de hoeven, waarachter

de zonnige moeshof zich uitstrekt.

Met eene omheining van hulst of palmen.

De dalende zonne

Hing in het Westen, toen

ik den weerhaan der kerke zag blinken Boven het dennenwoud.

Schoon glansde de schepping; de vogelen Zongen hun avondlied

in de bosschen; wemelend goud en purper Kleurde lt;Je vlakte en den groezigen

heuvel bezuiden ons stroodak.

Maar nu klonk het getamp

van de brommende bedeklok plechtig Over het dorp, — en de landman,

stakend het zwoegen en zweeten,

Keerde vermoeid en langzaam naar de rustige hoeve

ocr page 134

122

Weder, waar wenkend de rook

van het schaddenvuur opging. Hier wipte Vlug een boer op den schimmel;

daar kwam eene jeugdige deerne Die eene kruikar met geurende

spurrie naar huis reed; en verder.....

Maar het gernisch van den dag

verstierf; het uur van de rust en Stilte was daar, en, terwijl

de maan zich verhief aan den hemel, Zat ik alleen, op het doodsche

kerkhof, te midden der graven. . .

Vader, ik zat op het graf

Van mijne moeder; ik weende,

Bad en gevoelde — en dien stond

zal ik nooit in mijn leven vergeten.

{Letteroefeningen, bij li. en J. Vanderpoorten Th. Sevens. (1848

te Gent).

OUDE JANS.

Wat is \'t keurig in \'t vertrekjen. Wat is \'t zindlijk op de deel!

Wit geschuurd is bord en rekjen, Nergens iets te min, te veel!

Aan de tafel kleeft geen pluisken, Tin en blik is nieuw van glans . . . .

\'t Is dan ook het nette kluisken Van onze oude Jans.

Zie, haar mutsje is stijf gesteven,

Maar wat lichtblauw doorgehaald!

\'t Jak is altijd heel gebleven.

Dank den knijpbril en de naald,

ocr page 135

123

Zie, daar zit ze ... . In \'t zonnelichtjen Stooft ze de oude leden thans....

\'t Is hetzelfde goed gezichtjen Van onze oude Jans!

„Jans, je weet nog.. . . ? Hoe je vaagde, „En ik vuil bracht op die steê?

„Hoe ik je met vrijers plaagde „En je blij waart, dat ik \'t deé?

„En dan \'s avonds! \'k Leerde rooken, „En je spraakt van Moeder Gans .. .

„Zoo \'k nog angstig ben voor spoken, „\'t Is jou schuld dan, Jans!quot;

Ze antwoordt niet, maar glimlacht goedig, \'t Heet zoo veel als: Of ik \'t weet!

Eindlijk zegt ze, maar weemoedig: „Jongen! zoo \'k dat ooit vergeet!

„\'k Was als van je vaders magen;

„Het is waar: ik was wat mans;

„Maar ook — in haar laatste dagen „Geeft hij \'t brood aan Jans!quot;

Zij is dankbaar, kleen in \'t wenschen. De arbeid boog haar schouders krom;

Toch dankt zij de goede menschen Voor haar zorglooze\' ouderdom.

Wèl verdient zij \'t voor haar sloven. Sloven onder vreugd en grief. ..

Wie goed dient, is rijp voor boven. Wie goed dient, heeft, ook veel lief.

Zij werd ouder, zij werd zwakker. Zij verlangde naar de rust.

Eens sliep ze in en werd niet wakker; \'k Heb haar toen goê-nacht gekust.

\'k Wou haar naar het graf geleiden, \'k Was ook de eenigste bijkans.

Weenend sprak ik bij het scheiden: „Wel te rusten, Jans!quot;

ocr page 136

124

Oude Jans is lang vergeten :

\'t Leven is zoo\'n snelle vliet!

In die lange menschenketen

Mist men zulk een schakel niet.

Maar ik zie het bevend kruisken,

— \'t Schrift van Jans — nog dikwijls aan;

\'k Denk nog vaak aan \'t nette huisken ;

Maar \'k ben \'t nooit weer langs gegaan.

(Nieuwe GeJichleit, hij J. C. Lom an Jr. //. J. Schimmel. (1824-

te Amsterdam).

NURK NURKSCH IN \'T VOORJAAR.

„Wordt het dan al weer lente, Daan? — „ „Mijnheer, \'t is hemelsch buiten.quot; quot; — „Och, dan is \'t met mijn slaap gedaan. Dan vangt de nachtegaal weer aan, Dat men geen oog kan sluiten.

„\'k Heb met die lente niets van doen, \'t Is toch maar \'t oud spectakel:

De hemel blauw, de boomen groen. Wat bloemen, al naar \'t oud fatsoen , En \'t oude haangekakel.

„Als ze eens van dracht verwisslen wou En zich wat anders kleeden:

De lucht in \'t groen, het veld in \'t blauw, Licht, dat mij dit verleiden zou,

Me ook eens te gaan vertreden.

„Maar nu, och hemel, neen, ik pas!

Al is m\' ook zóo voorzichtig En stopt zich in zijn dikste jas: Dat wandlen in het koude gras Maakt rheümatiek en jichtig.

ocr page 137

125

„Wat gaan mij bloei en bloesems aan?

Ik houd het met de vruchten.

De herfst, de herfst is mijn kompaan!

Die brengt ons nog wat deeglijks aan En niet maar ijdle kluchten.quot;

(Gezamenlijke Gedichten en Rijmen, bij J. J. A. Goevernenr. (1S09—1889).

7. li. Walters te Groningen).

VADER EN MOEDER.

„Het is vandaag zijn bruiloft,quot; sprak hij En toen welde er een zucht uit zijn herte,

„De bruiloft van ons eenig kind!quot;

Hij hoorde \'t geschut in de verte.

„Ja,quot; zegde de moeder, „het eenige kind,

„Dat de hemel ons liet van de zeven —

„Zoo vroeg aan het werk steeds, de vreugde van \'t huis, „En nu het verdriet van ons leven.quot;

„Ik wil er geen traan meer om laten,quot; zei hij,

„Ik zal \'t hem niet langer beletten;

„Maar nimmer, dat weet hij, zal hij hier met haar „Den voet op den huisdrempel zetten.quot;

„Ja,quot; sprak weer de moeder, „wanneer hij vertrok,

„Ik wou het voor \'t laatst hem nog zeggen,

„Dat hij zoo verblind is, en dat hij ons bel „Van verdriet in het graf nog zal leggen.quot;

Toen zag de oude vader aan \'t raam, waar hij stond, Zijn zoon op den naadrenden wagen

En zegde bedroefd, wijl die aankwam: „Ik zou „Hem nog liever naar \'t kerkhof zien dragen.quot;

De zonschijn lag over den weg, en het zand Vloog op voor de paarden, die stoven.

Hoe blonken de wielen, hoe wapperde hoog Het sneeuwwitte linnen daarboven!

ocr page 138

126

De bruid en de bruidegom waren op eens Aan \'t hof uit den wagen gestegen

En kwamen voor vader en moeder nu staan,

En baden hun beide om den zegen.

Zij kenden haar niet, en zij stond daar zoo stil En zoo bang de oude moeder te aanschouwen,

Een traan in het oog en geen woord op de tong:

Zij stond met de handen gevouwen.

En moeder wist niet, wat zij deed, want zij hief Hare hand als een zeegning ten hoogen.

En wendde het hoofd van hen beiden weer af,

En hield toen de hand voor hare oogen.

En hij zegde zachtjens met bevende stem:

„Leeft, kinderen, samen ir.. vrede!quot;

En vader en moeder ging mede ter kerk:

Zij vierden het bruiloftsfeest mede!

{Gedichten, bij J. B. IVolters Rosalie Love ling. (1834-1875).

te Groningen).

DE SCHOONE REIS.

Zij hadden lang daarvan gesproken:

Een zotnerreisje naar de zee.

Zij trokken vroeg van huis des mor-gens. En beide kindren mochten mee.

De lucht was grauw, en weinig wandlaars,

En fel de wind, en \'t water hoog.

Daar lag de zee in al haar woestheid Zoo grootsch en eindloos voor hun oog.

Hij zag bekommerd naar de wolken.

— Mij dunkt, wij hebben, sprak hij toen. Een taamlijk schoonen dag gekozen;

Het is in \'t beste van \'t seizoen.

ocr page 139

vn

\'k Heb liever dat betrokken weder

Dan al te warmen zonneschijn,

En \'t is hier beter om te wandlen,

Dan als er zooveel vreemden zijn.

Zij gingen langs de hooge duinen;

Daar blies de wind zoo scherp en koud; Een arme man, langsheen den oever,

Gadrt de uitgeworpen stukjes hout.

Zij stapte zwijgend aan zijn zijde;

Het jonge knaapje liep vooraan;

Zij trok het kleine meisje mede,

Dat schreide en niet meer voort wou gaan

Daar vielen groote regendrupplen

En bluschten \'t stuivend oeverzand, En wilde baren rolden schuimend En immer verder over \'t strand.

Toen zonk de treurnis in hun harte, Zij keerden naar het gasthof weer. Het meisje brak haar schelpenmandje. En \'t knaapje had zijn schop niet meer.

Dat was een droefheid en een schreien!

— Zwijgt, sprak de moeder toen met spijt Wat zouden wel de lieden denken

Van stoute kindren als gij zijt!

— Ik zal u straffen, sprak de vader. De kindren weenden traan op traan,

En legden \'t hoofdje op moeders knieün, En vroegen om naar huis te gaan.

— Zij waren best te huis gebleven, Die kindren zijn te jong, zei hij,

Waarom op reis hen medebrengen?

— Gij hebt het zelf gewild, sprak zij.

Daar brak het zonlicht door de wolken.

— Laat ons terug, sprak hij, kom mee! Wij gaan in \'t gasthof hier niet blijven,

Wij zijn gekomen voor de zee.

ocr page 140

128

— Ach, laat ze slapen, sprak de moeder, Die arme kindren zijn zoo moe;

Zij zijn te vroeg gewekt deez\' morgen, En zie, hunne oogjes vallen toe.

Zoo ging de dag allengs ten einde

Met blauwe lucht en zonneschijn: De kindren sliepen vast, — en de ouders Zij wenschten om te huis te zijn.

II.

Sinds was zoo menig jaar verloopen;

Zij zaten rond het open vuur Bij \'t lamplicht, in de warme kamer, In \'t huislijk winteravonduur.

Hij staroogt in de roode kolen,

Terwijl hij stil inwendig lacht, Als weggedwaald in zoete droomen.

Toen vroeg zij hem, waaraan hij dacht?

— O, aan de zee, de zomervreugden, Aan \'t vroolijk reisje, sprak hij nu,

Dat wij eens met de kindren deden, In \'t badseizoen, herinnert ge u?

— Ja, sprak zij, in den warmen zomer: Die schoone reis vergeet ik nooit.

En al die duizend vreemdelingen , Zoo bont gekleed, zoo rijk getooid.

En hoe de kindren ginder speelden!

Zoo lief als englen waren zij,

Dat aller oog hen achtervolgde;

Helaas, het is nu ook voorbij.

Vervlogen tijd, wat schijnt gij zalig!. .. .

Zoo zaten zij in stillen kring Te kouten, op den winteravond. En leefden in herinnering.

ocr page 141

129

De dochter had dat al vergeten.

— Gij waart toen nog geen drie jaar oud ;

Het ware een wonder, sprak de moeder,

Dat gij er iets van weten zoudt.

Toen sprak de zoon, zich half herinrend:

— Mij dunkt, ik weet nog iets van \'t strand,

En dat wij door den regen gingen.

En dat ik weende aan vaders hand.

— O, gij vergist u, riep de vader.

Nooit zag ik schooner zonneschijn;

En zij: — Gij zat met ons aan tafel

Zoo wijs, als groote lieden zijn.

{Gedichten, bij J. /gt;. IVolters Virgin ie Loveling. (i S36

te Groningen).

KONING KNUTS FAMILIEZWAK.

De booswicht had gebrand, geroofd, Vermoord, wie zich te weer wou stellen;

Nu hing de straf hem boven \'t hoofd, Hem en zijn snooden bentgezellen.

Hij was op heeter daad gevat:

De dag verscheen, de rechter zat. Om vonnis naar de wet te vellen.

De schurk was leep en glad van tong; Koelbloedig stond hij overende,

Hoe fel \'t bewijs hem drukte en drong; Doch, wat hij voorloog of ontkende. De waarheid schoot haar licht er op: Hij werd verwezen tot den strop,

Hij met zijn gansche rooverbende.

Maar, zoo was niet de doem gehoord, Of: ,,Gunt me (riep hij) \'t woord nog even!quot;

Men liet den schelm nog even \'t woord. „Ja, (zuchtte hij) \'k heb zwaar misdreven;

M. en I.. LEOPOLD, Sleutel, II, 4e druk.

ocr page 142

130

„Doch dezen brief... leest dezen brief! „\'k Ben neef des Konings, rechterslief! „Men hangt zoo maar geen koningsneven!quot;

Ze namen \'t schrift, te recht mistrouwd; (Er zat daar menig letterkloover)

Maar \'t was bezegeld, echt en oud. De rechters lazen \'t, lazen \'t over En riepen straks eenstemmig uit: „Ja, \'t huis, waaruit de koning spruit, „Is ook het stamhuis van den roover!quot;

Nu was men toen nog bijster dom: Vanzelf, met zeker welbehagen

Trok zich de rug voor grooten krom. Een klein verschil met onze dagen,

Nu \'t volk zijn recht kent op zijn duim, En zelfs wel, in een kwade luim,

Zijn koning soms durft weg te jagen.

Maar toen nog ging \'t zoo niet; de moed. Als m\' aan een vorst maar dacht, bekoelde.

Niet vreemd dus, dat de wijze stoet Verlegen op zijn zetels woelde.

En, spijt al \'t vuige wanbedrijf.

Voor \'t vorstlijk bloed in \'t schurkenlijf Een heimelijk ontzag gevoelde.

Daarbij, al spaarde koning Knut Tot heden nooit een plichtverbreker,

Hij, steeds van \'t Recht de trouwste stut En Onschulds onverbuigbre wreker.

Of toch \'t hem wel bevallen zou,

Een neef te zien aan \'t galgetouw — Dit scheen bij lange na niet zeker.

Er werd gewikt, gegist, getwist;

Elk zei, hoe best de zaak te klaren.

Men stemde, en (wat wel eensjes mist. Wanneer collegiön vergaren)

De beste raad verkreeg gehoor:

Met éene stem ging \'t plan er door, Om \'t rijkshoofd alles te openbaren.

ocr page 143

131

En daacilijk zag men de achtbre rij Naar \'s vorsten woon de schreden richten

In plechtdos, en (dit hoort er bij)

Met veelbeteeknende aangezichten.

\'t Janhagel volgde in bont gewoel,

Benieuwd, of \'s konings rechtsgevoel Voor \'t eedle neefschap niet zou zwichten.

Zoo kwam men aan het breede plein,

Waar \'t hofgebouw blonk met zijn tinnen;

Een poosje stopte daar de trein lïn stapte toen ter poorte binnen.

De voorman opende den tocht.

Terwijl hij zijden woordjes zocht,

Om \'t hard bericht er in te spinnen.

Ter zale deftig ingeleid.

Waar niets de ontzagbre stilte stoorde,

Boog alles voor zijn Majesteit,

Wiens blik tot ernst en eerbied spoorde:

„Vorst! (sprak de voorman) leen uw oor!

„Een wondre rechtszaak kwam ons voor,

„Ze raakt een man, die stal en moordde.

„Hij heeft geplast in \'s naasten bloed,

„Misdaan op velerlei manieren,

„En, ja, \'t is in abstracta goed,

„Dat uil en raaf zijne uitvaart vieren;

„Er blijft maar ééne zwarigheid:

„De schelm is (met verlof gezeid)

„Zoo wat.. . van uw famielje, Sire!quot; —

„„Famielje? (riep de vorst) kan \'t zijn!quot; quot;

(Zijn wang werd rood, zijn blikken gloorden)

„\'t Is, Sire! uw neef.quot; — „„Geen looze schijn?quot; quot; — „Wij hebben schrift, geen bloote woorden.quot; —

„„En de euvlen? blijken ze evenzeer?quot;quot;

„Nóg zijn we suf, genadig Heer!

„Van al \'t getuignis, dat we hoorden.quot;

„ „Zoo . ..quot; quot; zei toen Knut en zweeg. — \'t Was stil. Hij scheen in diep gepeins te raken. —

9*

ocr page 144

132

Eerst na een poos klonk dus zijn wil:

„\'k Mag de eer mijns stambooms niet verzaken: „\'t Is Vorstenbloed, hoe boos \'t misdreef;

„Laat, achtbre rechters! voor mijn neef „De galg een endje hooger maken.quot;

{Gezamenlijke Dichtwerken, bij d- Bogaers. fiycjs—1S70).

Krust\'mdn en Tjeoik Willink te //uuvleni).

LIEDJE.

Daar sluipen giftige adders Door \'t mos in \'t zangrig woud,

En klamme paddestoelen Bekruipen \'t levend hout;

Daar knaagt in \'t geurig bloemeken Een heimelijke worm;

Het rozig avondwolkje Voorspelt een wilden storm.

Het dartel stroomend water Verkilt tot brokklig ijs;

Die glanzig zwarte lokken Zijn spoedig dof en grijs.

Het is een oud, oud liedeken,

Dat alles gaat voorbij;

Geen ding, — dat leert ons quot;t leven wel — Of \'t heeft zijn zwarte zij!

En zie, wanneer uw lachje niet Soms plaats maakt voor een traan:

We kunnen op den levensweg Onmooglijk samengaan.

Maar, zoo gij altijd ernstig kijkt Of jammert steen en been —

Dan loop ik even zeker weg En zing mijn lied alleen.

(Licht en Schaduw, bij J- L. Beljers Soera Rana. [/. Esser Jr.] (1845—\\

te Utrecht).

ocr page 145

133

OUD-VADERKEN IN HET GROEN.

Niet waar, het doet uw harte goed,

Zoo vaak ge ginder poost,

Waar \'t klimop kronkelt aan uw voet

En \'t bloempje u tegenbloost. In \'t dichte lommer van \'t prieel,

Door \'t kind uws kinds gebouwd,

Daar zijn uw jaren niet zoo veel.

Daar voelt ge u minder oud.

Te schuilen onder \'t groene dons.

Te luistren, uren lang,

Naar \'t bladgesuis, het biegegons Of naar der vooglen zang, —

Terwijl de zonne buiten gloeit

En noodt tot loome rust.

Het windeke\' in uw haren stoeit En u de wangen kust.

Daar binnen was het kil en koud

En hing de lucht zoo zwaar,

Schoon Moeder \'t hoekje er open houdt.

Het best\' voor BestevaAr.

Maar onder de essche- of lindenbocht

Daar vlamt een beter vuur,

En sneller gaat er de ademtocht Bij \'t aadmen der natuur.

Best vaderken, die \'t grijze hoofd

Zoo vriendlijk nederbuigt,

Wiens blik, hoe mat ook en gedoofd.

Van zoeten vrede tuigt;

Wat plooit dien glimlach om uw mond?

Wat knikt ge blij te moe? Wat stemme fluistert er in \'t rond, En spreekt u vleiend toe?

Gij hoort gewis de zoete taal. Die kindren \'t best verstaan, Die murmelt in den waterstraal En langs de bloemenpadn;

ocr page 146

134

Die als op eiken boomtak beeft,

Der heide een toon ontlokt,

De taal, die woord noch zegel heeft En toch de ziele schokt.

Er rijst een stemme uit gindschen boom.

Ten leven weer verjongd.

Uit d\' eens in band geslagen stroom.

Waar \'t schubbig vischjen vonkt;

Ze ruischt het groene loover door.

Dat eens zijn verve dierf.

En zingt van \'t zaadjen in de voor.

Dat, om te leven, stierf.

En ruischend buigt de korenhalm

Zijn volgeladen aar;

En \'t ruischen wordt een zegepsalm

In \'t oor van Beste-vadr;

En stem bij stem, ze plant zich voort,

Zoo snel de vooglen spoên: —

Wat ge al niet hoort, wat ge al niet hoort,

Oud-Vaderken in \'t groen!

{Gedichten, bij J. C. Loman Jr. //. y. Schimmel, (1824—).

te Amsterdam).

KRELIS LOUWEN ALS ALEXANDER DE GROOTE\').

(Uit: „Krelis Louwen of Alexander de Groote op met Poéetenmaalquot;). kees (opstaande en om zich ziende).

Waer bin ik? droom ik ook? ja wel.

Ik weet niet, wat ik denken zei!

Ik bin nou wakker, en ik slaep niet meer, zou \'k mienen. Wel ja, \'k bin wakker: ik sta immers op men bienen,

\'k Bin wel te weten wakker. Maer Wat zijn hier alle dingen raer!

\') Krelis (Kees) Louwen, een boer, die zeer hoog tegen zicii zeiven opziet, is op zekeren avond, nadat hij te lang in de herberg heeft gezeten, in de handen van een gezelschap Rederijkers vervallen, die hem in zijnen slaap opnemen en in een rijk versierd vertrek brengen, waar hij bij zijn ontwaken als Alexander de Groote wordt aangesproken.

ocr page 147

135

O, sinte Julfus, wat is dit een mooie weuning,

\'t Lijkt wel een kamer van een Prins of van een Keuning

Hoe kom ik op dut mooie bed ?

Wie, drommel, heit me hier \'ezet?

o Pimpernikkel! hoe bin ik hier in \'ekomen?

Ei, bin ik gek, ik leg nog op mijn bed te droonien.

piETER. {Evenals de anderen, in Grieksch gewaad).

\'t Kus met eerbiedigheid de koninklijke voeten Van zijn geduchte Majesteit,

En ben tot uwen dienst bereid In alles, wat gij mij, uw\' dienaar, zult gebieden.

KEES.

Wel hoe, wat zeit die vent? wat of hier zei geschieden?

PIETER.

Ik hoorde u roepen onverwacht

In \'t midden van den naren nacht;

Derhalve ben ik hier in dit vertrek gekomen.

Mijn Vorst! ei zeg, wat doet u zoo onrustig droomen?

KEES.

Wat zeg je daer? Ik droom niet, vent!

Ik stae hier ummers overend.

PIETER.

Zijn Majesteit schijnt op zijn slaaf vergramd te wezen; Ik bid ootmoedig, dat gij zegt, wat u doet vreezen.

Heeft u een droom zoo zeer ontsteld?

Ik bid u, zeg mij, wat u kwelt.

Gij kent mijn deugd en trouw, gij weet, dat ik veel jaren Uw dienaar ben geweest, wil mij uw droom verklaren.

KEES.

Dat is al praet, die niet en sluit.

Jij lijkt wel met den kop \'ebruid.

Maer zeg me, waer ik bin, dat kan ik niet begrijpen,

Ik bin al bezig, mijn verstangd er op te slijpen. .. .

PIETER.

De vorst is nog niet heel ontwaakt,

Zijn zinnen schijnen wat geraakt.

De slaap had nauwelijks uwe oogen toegesloten ,

Of gij zijt schielijk in uw droom uit \'t bed gescholen.

Al \'t hofgezin gaat reeds ter rust.

ocr page 148

136

KEES.

Ik merk wel, fijnman! jij hebt lust

Mit mij te gekken, maer ik laet me zoo niet loeren!

Ho! ho! ik bin almee een hachje bij de boeren!

Maer, zeper, zeg me, waer ik ben?

\'k Zweer, dat ik \'t niet begrijpen ken.

PIETER.

De vorst belieft zich met zijn dienaar te vermaken. Ik ben tot uw pleizier, mijn heer, in alle zaken: Het past een hoveling altijd.

Een grooten koning, als gij zijt,

Te dienen, in al \'tgeen, dat hem vermaak kan geven.

Ik ben uw slaaf, gij kunt mij sterven doen en leven:

Gij, die de wereld sidd\'ren doet

Voor uwe macht en heldenmoed,

üie meester zijt van zooveel groote koninkrijken

En vorst Darius doet voor uwe macht bezwijken.

KEES.

Wel, maetjelief, wat zeg je daer?

Ben ik je keuning? dat is raer!

PIETER.

Helaas! wat schort mijn vorst! O wakkere Alexander!

Gij, die gansch Azie deedt buigen voor uw stander.

Die aan den oever van d\' Eufraat

Ons voorging als een kloek soldaat.

Alwaar de Perziaan moest vluchten voor uw sabel;

Gij, die nog gistren hebt getriumfeerd in Babel,

O groote vorst! en \'s werelds heer.

Kent gij Haefestion niet meer ?

Uw allergrootsten vriend? Helaas! waar zijn uw zinnen? O Macedoniörs! wat zult gij nu beginnen ?

Uw vorst is van \'t verstand beroofd!

KEES.

Wel man, het schort je zelf in \'t hoofd.

Ik bon een melkboer en gien keuning, zoete vaertje, Ik hiet Kees Louwen, en mijiv wijf \'er naam is Klaertje. PIETER.

Maar — is mijn naam u onbekend?

KEES.

Dat \'s raer! weet ik, wie dat je bent?

ocr page 149

137

PIETER.

o Vorst! waar is uw groot verstand?

KEES.

Kom, alle gekjes \'an een kant,

Hoe kom ik hier in huis, vertel me dat wat nader.

PIETER.

Ik ben Haefestion, aan \'t hof van uw heer vader

Filippus met u opgevoed;

Ik ben, als gij, van vorstlijk bloed

Gesproten; ik heb u gevolgd door alle landen

En koninkrijken, die gij moedig aan dorst randen.

KEES.

Wat bruit het mij, hoe dat je hiet,

Jij antwoordt op mijn vraegen niet.

Ik ben van keuningen noch edellui geboren,

Bezie me vrijelijk van acht\'ren en van voren,

Mijn naam is Kees, mijn wijf hiet Klaer;

Dat zweer ik, en dat \'s waerlijk waer.

PIETER.

Daar is Filippus, uw doktoor. Wil hier vrij komen. Mijnheer.

FILIPPIJN.

De Koning schijnt ontrust door zware droomen;

Daar dient intijds voor hem gewaakt.

KEES.

Zeg, hoe bin ik hierin geraekt?

FILIPPIJN.

Geef mij uw hand, mijn Vorst! ik zal uw pols eens voelen.

KEES.

Wat ben jelui voor volk?

FILIPPIJN.

Gij moet zoo sterk niet woelen. Ren heete damp, die uit de maag Komt rijzen, baart u deze plaag;

Als gij u stilhoudt, zijt gij maklijk te genezen.

KEES.

Ik ben \'t niet, die je mient, Doctoor! hoe zei het wezen?

ocr page 150

138

(filippijn en pieter treden verbaasd terug) kees voor zich:

Ik loof, het is heur in de harsentjes \'eslagen.

Of zou ik ook een Keuning zijn

En weten \'t niet ? — dat heit geen schijn;

Had ik het ooit \'eweest, ik zou er wat of weten!

Men naem is ummers Kees t — wis, \'t is me niet vergeten:

Men aaige wijf hiet ummers Klaerl

En Louw de melkboer was men vaêr?

Wel ja, hoe ken ik dan, terwijl ik leg te droomen

En zongder dat ik \'t weet, een Keuningdom bekomen? ....

Maer zacht, ik heb de zaek \'egist:

Heur Keuning is misschien \'emist.

En ik zei meugelijk die Keuning net gelijken.

Ik zei me houwen, of ik \'t bin.

(Jot de vorigen, bij wie jan, een ander der Rederijkers, zich gevoegd heeft-)

Maer zonder gekken, zeg me nou,

In welk\'en land wij zijn; ik ken \'t me niet verzinnen, \'t Is alles hier zoo mooi, van buiten en van binnen,

Dat ik verwonderd stae en kijk.

pieter.

Wij zijn nu in het Koninkrijk

Van Babel, dat gij hebt met wapenen verwonnen.

Mijn Vorst! gij weet zooveel, als ik zou zeggen konnen.

kees.

Te Babel zeg je? Hoe veer leit Dat hier van daen?

pieter.

Zijn Majesteit

Is nu in Babel.

kees.

Wel, wie heit \'et ooit \'elezen! Hoe veer zou Babel wel omtrent van Haerlem wezen?

Jan.

o Groote Vorst! in uw gebied Ken ik geen stad, die Haarlem hiet.

ocr page 151

139

KEES.

Dat \'s raer! Wel mannen! dut gaat mijn verstangd te boven, Je kent wel Amsterdam, dat zou ik vast gelooven?

Dat is er dordhalf uur van daen.

Wanneer we met de trekschuit gaen.

PIETER.

\'k Heb nooit geen Amsterdam of trekschuit hooren noemen! Zijn Majesteit belieft zijn reden te verbloemen.

KEES.

Wel, Amsterdam dat is een stad.

Die overvloeit van geld en schat.

Daer kan men al wat in de worreld is veur koopen;

Ik heb er menigmael met karremelk \'eloopen;

Een mensch kijkt daer zijne oogen blind

Aan al de waer, die hij er vindt.

FILIPPIJN.

Die ziekte maakt mijn hart vol vrees!

KEES.

Maer, zeper, is mijn naem geen Keest Bin ik gien melkboer?

FILIPPIJN.

Neen! gij zijt een machtig Koning. KEES.

Een Keuning inderdaed!

FILIPPIJN.

O ja.

KEES.

Niet in vertooning?

FILIPPIJN.

Gij zijt een Koning inderdaad.

KEES.

Is \'t meugelijk! wel wat een praet!

Zoo heb ik dan geen wijf, die Klaer hiet ?

FILIPPIJN.

IJdle droomen!

ocr page 152

140

KEES.

Wat zeg je!

FILIPPIJN.

\'t Is u in den droom zoo voorgekomen. Uw Koningin heet Statira,

Uw moeder was Olimpia.

KEES.

Maer Louw, de melkboer, was nochtans mijn aaige vader.

PIETER.

De Macedoonsc-he Vorst, die door een snood verrader Weleer om \'t leven werd gebracht.

Was uw Heer vader, voor wiens macht LacedetnoniC en Athene moesten beven.

JAN.

Gij doet gansch Perzie naar uwe wetten leven.

KEES.

Wat of een mensch al droomen kan,

Ik bin nou meer als Edelman!

JAN.

Igt;e Vorst begint nu tot zijn zinnen weer te komen,

En hij begrijpt alreeds de dwaasheid van zijn droomen.

KEES.

Wel, als jelui \'et zeker weet,

\'Et scheelt me waerlijk niet een beet:

Ik wil wel Keuning zijn en je allegaer regeeren.

{Gcdichten, te Amsterdam}. /\'. Langcndijk. (1683—1756).

ocr page 153

141

DE HOLLANDERS OP NOVA ZEMBLA.

(1596—1597).

Waar zijn zij? t Grauwe zwerk hangt loodzwaar naar beneden

Hier zit natuur in rouw, den doodstooi om de leden;

\'t Is alles leeg, en stil, en onbezield, en naar.

Alleen een enkle meeuw vliegt hongrig hier en daar;

Alleen een enkle klip, nog uit de sneeuw geheven,

Vertoont een valen den, die loover heeft noch leven;

Alleen een zware klomp, die door de scherven kruit,

Geeft in dit zwijgend graf een donderdof geluid:

Verschriklijk dreunt die toon het siddrend volk in de ooren!

\'t Gevreesd gevaarte naakt, dat ze in de verte hooren;

Het naakt: — verdelgend en verbreedend giert het aan

En spat de brokken weg, die \'t in zijn loop weerstaan;

Ontzettend is zijn kracht, zijn razen en zijn rollen;

\'t Sleept schuim en golven mee, die om zijn korsten stollen;

Het stuift den rukwind voor, die \'t najaagt wat hij kan.

En alles davert, bonst en klotst en kookt er van.

Het naakt, — en ieder knielt en stort zijn jongste bede ....

Het schaaft de kiel voorbij, maar neemt de spaanders mede

En tuimelt verder heen, tot uit het oor en \'t oog.

Doch schriklijk slaat de zee en \'t splijtend ijs omhoog,

\'t Woelt alles, alles werkt, het water en de schotsen.

Zij klemmen \'t schip tot éen in \'t horten en het botsen

En slaan met schok op schok en ratelend gerucht

Den spiegel in het ijs, den steven in de lucht.

\'t Barst alles, alles scheurt en wordt aan stuk gewrongen.

De bootsliên storten neer, in \'t schokken saamgedrongen.

En grijpen takel, blok en kabeltouw en koord.

En warlen uit elkaar en slingren over boord.

De schrik hecht wieken aan hun voeten, aan hun leden;

Zij vliegen over \'t ijs, door niemand nog betreden,

Zij waden door de sneeuw, die nog geen voetzool droeg.

En weten niet, waarheen noch waar de schrik hen joeg.

o Heul, in zooveel ramp met luide vreugd vernomen!

1 v *

Ginds steekt een landtong uit! zij naadren haar! zij komen! Als aan den dood ontsneld, die op hun hielen jaagt, Verdubblen zij hun vlucht, nu ginds een wijkplaats daagt. Langs rotsen, torenhoog, en lijnrecht opgespleten,

ocr page 154

142

Ontsluiten zij hun pad door de ingescheurde reten,

Genaken, ijlen aan, beklimmen rots en zoom:

En Nova Zembla\'s kust draagt menschen op haar boom.

Hier heeft de wintervorst zijn zetel opgeslagen;

Hier is zijn erf, zijn rijk! hier zijn geen lentedagen.

\'t Van ver genaderd licht, dat door den nevel schiet,

Moog lekken aan de sneeuw, maar deert den ijsklomp niet.

Eene altoos grauwe lucht weegt drukkende op de stranden;

Hier houdt geen sterv\'ling \'t uit; hier komt geen Noorman landen

Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,

Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt.

Hier is de grond versteend, om nimmermeer te ontdooien;

\'t Zijn vlokken, anders niet, wat hier de wolken strooien;

Het doodlijk wit alleen, dat op den omtrek kleeft,

Is \'t on verwisseld kleed, dat hier de schepping heeft.

\'t Zijn klippen van rondom, zoo ver de blikken snellen,

\'t Zijn rotsen louter ijs, die topzwaar overhellen.

Die, van den vloed geknaagd en door den wind gekraakt.

Den dood bedreigen aan den eerste, die hen naakt.

Ziedaar \'t ongastvrij oord, van \'t menschdom afgesloten.

Den boöm, dien Heemskerk drukt met al zijn tochtgenooten,

Den onbetreden grond, waarop hij bidt en knielt

En de Almacht vurig dankt, die al zijn volk behield.

Hij rijst, omarmt hen in vervoering, slaat zijne oogen

d\' Onmeetbren afstand door, zoo ver zij reiken mogen,

En — siddert. Alles beeft bij d\' aanblik op dit oord....

Nochtans de nacht daalt neer en drijft hen verder voort.

En jaagt hen landwaarts in, opdat ze aan schuilplaats komen . ..

Maar nergens staat een hut, maar nergens groeien boomen!

De naakte grond-alleen, in \'t hart verstaald en stijf,

Biedt hun een rustbed aan voor \'t afgetobde lijf.

Bij eiken verdren tred klopt ieders boezem banger.

Geen enkle star breekt door: zij zien elkaar niet langer;

Hun knieën knikken; de een na d\' ander zijgt ter neer;

Zij zijgen allen, wenden \'t lichaam heen en weer.

Verschikken \'t machtloos hoofd, dat ze op de handen strekken.

En laten door de sneeuw, die nederstuift, zich dekken.

Helaas, de slaap is kort, die \'t matte lijf bekruipt!

Ginds snuffelt de ijsbeer rond, die telkens nader sluipt

En vreemden roofbuit riekt en vlamt in de ingewanden.

ocr page 155

143

Hij naakt, ontdekt zijn prooi, strekt nagels uit en tanden

En grijpt éen hunner met de klauwen en den muil

Van \'t harde leger weg en sleurt hem naar zijn kuil.

Zij rillen wakker, grijpen, duizlend en verschrokken,

In \'t wild; de nacht is ruw, de maan is dicht betrokken...

Zij zoeken tastend om naar \'t kermen van \'t gerucht . ..

Maar spoedig zwijgt het stil en eindigt in een zucht.

Nu scholen ze in een kring en hand aan hand te zamen.

En monstren man voor man bij \'t noemen van de namen,

En — missen éenen. De angst valt doodskil op hen neer.

Zij leggen \'t matte hoofd op d\' ijzren grond niet weer.

Maar staan en waken, dmen nauwlijks, luistren, zwijgen.

Nog is de morgen ver, waarnaar zij angstig hijgen;

De lange nacht is traag en sleept zich langs zijn baan

En rekt zijne uren uit. Zij tintien, daar zij staan;

De kou bevangt hen, maar zij roeren noch bewegen.

Toch eindlijk glimt een straal in \'t ver verschiet hun tegen;

De lucht wordt dunner, \'t grauw is bleeker, \'t licht komt door .. .

Zij zien huns makkers lot in \'t langsgesleurde spoor:

\'t Gestolde bloed liet in de sneeuw zijn vlekken steken!

Zij huivren bij \'t gezicht en rillen en verbleeken

En vlieden rugwaarts naar het strand, dat hen ontving.

Zij zien \'t gebrijzeld schip, dat in het ijs verging;

Zij zien de onmeetbre zee, ter halver weg bevrozen,

En staren op het land, dat zij ter schuilplaats kozen!

De wanhoop viert zich bot in uitgelaten smart. —

Maar B a r e n d s blijft bedaard en spreekt hun moed in \'t hart:

„Ja, mannen! \'t lot is bang: men denk\' hier aan geen keeren,

Elk volgend ochtenduur zal nog den nood vermeeren;

De winter is nabij: God weet, hoe streng, hoe koud! ...

Maar de Almacht ziet ons aan, waar ons geen mensch aanschouwt.

Komt, in die hoop getroost, de hand aan \'t werk geslagen!

Den leeftocht, die ons rest, het scheepshol uitgedragen:

God geve, dat hij strekk\', tot ons eene uitkomst wacht!

De boot van \'t ijs gesleept en hier aan wal gebracht;

God geev\', dat ze eenmaal ons te std zal mogen komen!

Geweer en kruit verzadmd, de zeilen afgenomen.

De takels ingehaald; wat redbaar is, gered,

En van \'t gesloopte wrak een woning opgezet!

Aan \'t werk! de nood wil spoed! Komt, makkers, \'t geldt ons leven!quot; Hij dringt zich voor hen uit en gaat hun \'t voorbeeld geven, En rept zich over \'t ijs en wuift hen op zijn spoor.

ocr page 156

144

\'t IJlt alles weer naar boord en stuift elkandren voor, En vindt de kiel ontbloot en op een klip geschoven,

Maar klimt van ondren aan, en klautert voort naar boven, En de opgegrepen bijl, in aller vuisten vast.

Scheert want en takel weg en drilt in spriet en mast.

\'t Was schriklijk ruw en koud: de scherpe hagels vlogen;

De los gewaaide sneeuw stuift warlend in hunne oogen

En vriest hun vast aan \'t lijf. De kiel wiegt heen en weer.

Zij hijgen van den storm en rusten keer op keer,

En halen vrouw en kind voor de afgedwaalde zinnen;

Maar \'t nijpen van de kou doet d\' arbeid weer beginnen.

Dees zeulen leeftocht aan en rollen fust van boord;

Die sleepen balen weg of trekken kisten voort;

Hier draagt men \'t huisraad op en gaart geweer en wapen;

Ginds pakt men korven vol met wat men saam mag rapen.

Weer andren schuren over \'t ijs de boot naar land.

Dees timmren sleden, die zij schuiven langs het strand.

En dolen mijlen ver, en halen stam en boomen,

In \'t water neergewaaid, van elders afgekomen,

En hier in \'t ijs geklemd met wortelstruik en al.

Zij staaplen reis op reis hun lading op den wal

En trekken heen en weer en tassen hoop op hoopen

Bij de afbraak van liet schip, dat ginds hun makkers sloopen.

De spaanders vliegen van den scheepsromp wijd en zijd;

De voorraad meerdert en verdubbelt nog de vlijt;

De bange nacht alleen dwingt d\' arbeid weer te staken.

Zij slapen in het hol en staan om beurt te waken.

En reppen weer de bijl, als de eerste schemer gloort:

Zoo gaat het dag aan dag in zuren arbeid voort.

Het schip kort in, de bouwstof groeit, de sleden snellen;

Het strand ligt opgehoopt van \'t sloopen en het vellen;

De laatste toevoer is ontladen en vergaard. —

Nu vat men schop en spa en schept de sneeuw van de aard.

En bakent d\' omtrek af, waarin men \'t huis zal bouwen.

En rekent na en meet. De lijn wordt uitgehouën,

De sliet wordt aangebracht, de slegel rijst en raakt:

En de eerste spar breekt in, dat strand en ijskorst kraakt.

Nu klinkt de hamerslag, dat rots en reé \'t herhalen; De zaagtand snijdt het hout, de dissel punt de palen, De stijlen rijzen in de rondte lijnrecht op:

ocr page 157

t)e spanning glooit er bovenover, top aan top;

De binten hechten en vereenen \'t rank gevaarte;

\'t Groeit uit hun handen aan en wint in kracht en zwaarte; Het snerpen van de kou, die telkens feller woedt.

Jaagt vuist en hamer voort met dubble drift en spoed, \'t Geraas vermengt zich met het huilen van de vlagen: Zoo gaat het dag aan dag met onverpoosde slagen. De planken klimmen langs de stijlen uit den grond; De vlugge teerkwast breeuwt en zoekt naar naden rond; De scheepsplecht rijst omhoog, om \'t open dak te sluiten; Een sneeuwen meiboom steekt bevrozen zich naar buiten; Een bodemlooze ton bedekt de ruwe schouw;

De hangmat slingert aan de balken van \'t gebouw.

De zeilen dubblen en behangen \'t hout met linnen; Men draagt de bulsters in en kist en korven binnen. Verdeelt en rangschikt bank en huisraad langs den wand: En \'t schip staat in een hut herschapen op het land.

Maar nauw was de eerste nacht in \'t nieuw verblijf gesleten Nauw kwam de trage dag, zijn tijd al meer vergeten. Met loomer schreden aan, of bij den eersten blik Stolt hun het bloed om \'t hart van onverwachten schrik. Een aantal beren, van den honger opgestooten.

Belegert hen in \'t huis en houdt hen opgesloten En rekt zich, snuivend langs de planken, rechtop uit. Zij lekken zich den muil en hunkren naar den buit. Het volk is raadloos en dringt siddrend zich te zatnen.

Maar spoort geen uitkomst op in \'t wikken en beramen, En spelt in \'t naadrend uur zich d\' ijselijksten dood.

Doch Barends blijft bedaard in d\' aangedrongen nood: „Komt!quot; roept hij, „makkers, komt! den vijand aangevallen Verdreven of vernield! bestreden met ons allen!

Wij hebben kruit en lood en jachtroer en geweer:

Komt! stijgen we op het dak en schieten wij hem neer!quot; Hij zegt, en geeft zich op, en breekt de planken open. En alles klimt hem na, langs spar en bint gekropen, En schrijdt zich om de nok of zit den schoorsteen rond. \'t Gedierte grimt hen aan en schuimbekt van den grond. En spant de klauwen uit met uitgehongerd smachten . . . Daar brandt het eerste schot hun schriklijk door de vachten Een tweede knalt, een derde volgt; het vuur en \'t kruit en I,. LEOPOLD, Sleutel, H, 4c druk.

ocr page 158

146

Jaagt schroot en kogel uit de tromp hun in de huid, En \'t vliegend lood vermaalt hun schenkels en hun schoften. Zij vluchten inderijl en stromplen naar hun kroften,

Van de ongekende pijn en \'t vlijmend wee verwoed;

Maar \'t meerendeel stort neer en stuiptrekt in zijn bloed. Nu ijlt het volk omlaag en komt naar buiten snellen, En maakt de monsters af, en stroopt de ruige vellen Van \'t log en rookend vleesch, en warmt zich aan den damp En gaart het smeer en \'t vet tot brandstof voor de lamp. Zij spannen hier en ginds aan staken en aan bogen De vochte huiden uit, om ze in den wind te drogen.

En, als een lauwerkrans, op \'t veld van eer gemaaid,

Siert hen de bonte muts, van \'t ruige leer genaaid.

Maar langer duurt de nacht, en grauwer zijn de dagen. En flauwer wordt het licht en ruwer nog de vlagen; De telkens feller kou, die doordringt tot den haard.

Kort ras de brandstof in, bij \'t bouwen uitgespaard.

Zij tijgen weer aan \'t werk en schuiven weer de sleden Den barren oever langs, met pelzen om de leden,

En zoeken, uren wijd, naar drijfhout langs de zee. En hakken \'t uit het ijs en zeulen \'t op de slee.

Soms is de dag voorbij en reeds de nacht aan \'t dalen — Gedurig vóór zijn tijd —, eer dat ze \'t huis weer halen: Dan dolen ze om en rond met telkens schuwer tred,

Totdat zij \'t lamplicht zien, als baken uitgezet.

Soms schiet een ijsbeer toe, vóórdat zij \'t jachtroer grepen, En valt den achterste aan, het nekbeen ingenepen.

En sleept hem mede, dunt de manschap, en verhaalt Hun krijgskunst op zijn prooi, die \'t met den dood betaalt. Soms doen de mist, de sneeuw, de stormen, die er jagen, Hen bibbren van de kou, bij \'t hakken en het zagen. En dringen door in \'t bloed, en vriezen \'t lichaam stijf, En stollen eiken damp en \'t kille zweet aan \'t lijf.

Dan baat er bont noch wol, hoe dik en dicht zij \'t knoopen Dan zwelt het duizlig hoofd, het strakke vel springt open. En de adem uit de long, die zich met pijn ontlast.

Zet zich tot ijs en rijp aan baard en lippen vast.

Dan vlucht het volk in huis en sluit de ruwe deuren.

Schuift klep en luiken dicht, stopt lompen in de scheuren En hoopt het haardvuur op, of klimt de hangmat in

ocr page 159

147

En wentelt zich in \'t bont, maar tintelt niettemin.

De heete moutwijn stremt, in spijt van al het stoken; De wanden zijn berijpt, al zien ze zwart van \'t rocken.

En de ingedragen sneeuw, die aan hun hoosblok zit.

Valt op de vuurplaat af, maar blijft er droog en wit.

Des avonds dringt de vreugd door al de zorg naar binnen; Dan bannen zij \'t verdriet, verzetten zich de zinnen.

Ontdooien zich den wijn en grijpen naar de kruik En klinken met den kroes, naar vaderlandsch gebruik. Dan wordt een voller teug, met milder hand geschonken.

Voor minnares en maag, voor vrouw en kind gedronken; En, mengt zich ook een traan met d\' ingegoten wijn,

Dat doet hun harten goed, rampzaalgen als ze zijn!

Eén hunner hijgt naar lucht; zijn makkers moeten \'t weten, Hoe lief zijn vrouw hem heeft, hoe al zijn kindren heeten, — Hoe bang hem \'t scheiden valt bij elk vertrek naar boord. Als ze in zijn armen hangt en in haar tranen smoort, — Hoe de oudste knaap hem lijkt, en, schoon pas zeven jaren. Reeds plaagt bij elke reis, om met hem mee te varen.

En hoe zijn droeve vrouw, terwijl de jongen smeekt.

Den lach geen meester is, die door haar tranen breekt, — Hoe bij het laatst vaarwel, zoo zuur hun opgebroken. De zuigling aan haar borst, met de armpjes uitgestoken. Hem nareikte om een kus en toeriep honderd keer....

Hier houdt de spreker stil: hij snikt, hij kan niet meer.

Een ander, minder week, en niet zoo licht aan \'t weenen. Schudt middlerwijl de kaart of rammelt met de steenen En daagt de makkers aan \'t verkeerbord om zich heen; Het lokaas trekt hen aan: zij komen éen voor éen Al nader, zitten neer en leögen zonder sparen Den vollen buidel, dien zij nutloos toch bewaren.

Een derde breit of knoopt en houdt zijn plaats bij \'t vuur, En denkt zijn reizen na en \'s levens zoet en zuur.

Maar drijft zijn mijmring weg en blijft op God vertrouwen. En heft zijn landslied aan: \'t Wilhelmus van Nassouwen, Of zingt van Maurits\' moed, en hoe zijn krijgsbeleid Breda door list verwint en Hulst door dapperheid.

Soms schiet een wondre glans, een dichte vloed van stralen, Zich spieglend in de sneeuw, langs klippen en langs dalen,

10*

ocr page 160

148

Als uit de diepte voort, en gloeit hun in \'t gezicht,

En voert hun geest omhoog: het is het Noorderlicht.

Nu zien zij \'t huivrende aan en bloedrood opwaarts klimmen En spellen wee, — dan danst en speelt het aan de kimmen En schept hun vreugde in \'t hart, zoo min aan vreugd gewoon. Maar meestal blinkt dat licht verblindend grootsch en schoon. Nu daagt het heerlijk op in cirkelronde kringen En regenbogen, die zich vormen en verdringen,

Waaruit een tintiend vuur, van alle verf en gloed,

In zuilen afstroomt, schuimt en d\' omtrek fonklen doet; —

Dan zijn het bergen gouds, die bliksemflitsen schieten. Of solferzeeën, die haar springvloed overgieten,

Of kolken louter licht, waaruit een laaie brand Van vlammend purper stijgt en borlend diamant.

Dan knapt en kraakt het, spat in sprankels heen en weder En sist als pulver, zijgt in vonken lijnrecht neder.

Vernieuwt zijn glans, hervat zijn luister, vlamt en vliedt; — En biddend zinkt hij neer, die \'t prachtig vuurwerk ziet.

{Geiamenlijke Dichtwerken, //. Tollens Cz. (17S0—1S56).

bij Hugo Snringar te Leeuwarden),

DE PRIESTERZEGEN.

(twee beelden).

I.

\'t Is feestdag voor Isról. De klank der bazuinen Weergalmde op Moriahs geheiligden top;

En duizenden groeten met wellust den morgen, En duizenden dringen den Tempelberg op.

Ze komen van \'t Noorden, ze komen van \'t Zuiden, Van de oevers der zee, van den zoom der woestijn.

Van \'t steile gebergte, uit de grazige velden.

Om heden op Sion vereenigd te zijn.

Ze vieren den feestdag van lente en van vrijheid:

Niet spoorloos zonk Isröls verleden in \'t graf;

Neen, \'t volk voelt zich leven, het voelt zich herboren, Als schudde \'t eerst heden de slavenboei af.

ocr page 161

149

Zoo snellen ze tempelwaarts, trillend van weelde, En dragen hun feest- en hun dankoffers aan,

En de Oostersche morgen begroet hen met geuren:

Natuur schijnt hun heilige vreugd te verstaan.

En hoog in \'t verschiet giet de zonne op de tinnen Des tempels haar licht als een vlammenzee uit;

En suizende pahnbosschen leiden hun voetspoor Naar \'t Huis, dat voor allen zich lievend ontsluit.

Hoe schittren die oogen! Hoe plooien die lippen Zich half tot een bede, en toch half tot een lach!

Wat leven en warmte in die sprekende trekken, Wat fierheid, gemengeld met heilig ontzag!

Daar buigen ze neder, de weemlende scharen,

Kn de offervlam flikkert, de wierookgeur stijgt;

De Priester alleen heft zijn stem tot den Heere,

Waar alles in \'t mateloos heiligdom zwijgt!

Maar dan bij het ruischen van harp en cymbalen Verheffen die duizenden stemmen hun lied.

Als \'t bruisen der golven, melodisch en krachtig,

Of zoet als de zang van den murmlenden vliet.

\'t Zijn psalmen van Isrêls geliefkoosden dichter,

\'t Zijn liedren voor Hem, die de bergtoppen splijt.

Die troont op de wolken, die spreekt in het koeltje. Die Isrêl tot priester der volkeren wijdt.

\'t Zijn liedren vol ootmoed, vol hope en vol liefde,

Van \'t volk, dat een rustpunt, een vaderland heeft;

\'t Zijn vurige zangen, die tuigen van leven,

Van zielvolle kracht, die naar \'t hoogere streeft.

En weder versmelten die plechtige tonen

Tot plechtiger zwijgen. De dienst is volbracht.

Doch ziet, daar ontsluit zich de purperen voorhang.

En \'t volk buigt vol eerbied het voorhoofd — en wacht.

Daar treden ze voorwaarts, de zonen van Aron,

De schare in het blinkend en sneeuwwit gewaad;

Daar staan zij en heffen de handen ten hemel.

En heilige ontroering bezielt hun gelaat.

ocr page 162

150

Weest rein! is hun roeping. Weest zuiver van handen,

Gij, dragers van \'t licht, dat den tempel vervult! Weest heilig en rein, gij, die Jacobs geslachten In Naam van den Eeuwige zegenen zult!

Ze bidden, die mannen; ze wijden den Eeuwge

Die wereld van dank, die hun boezem omsluit, En storten bij de aêmlooze stilte rondom hen In zwellenden koorzang de zegenspreuk uit:

„üe Heer zij met 11, Hij verhoore uwe bede.

Zijn aanschijn verlichte u hij iedere schrede:

Hij zij u genadig en schenke u Zijn vrede!quot;

En \'t volk trok gezegend terug naar zijn tenten.

En, waar het ook trad, was het licht voor zijn voet;

\'t Zag d\' overvloed rijpen op wijnberg en akker,

\'t Had liefde, \'t had vrede in het dankbaar gemoed.

Het stootte den vreemdling niet weg uit zijn poorten. Het stootte den zwerver niet weg van zijn haard.

Gedachtig aan \'t woord van den Vader der volken: „Vergeet niet, dat gij ook eens vreemdlingen waart!quot;

II.

\'t Is feest in het Ghetto. Eene ordlooze schare Heeft vroeg reeds de rijzende zonne begroet.

Die flauw in de donkere, bochtige straten Haar weifelend morgenlicht schemeren doet.

Niet waar, gij herkent ze, die kindren van \'t Oosten, Die palmen, naar \'t nevelig Westen verplant.

Die kwijnende bloemen, die krimpen van koude En smachten naar d\' adem van \'t warmere land?

Gij weet het, wat lijden die harten verschrompelt.

Wat last op die schouders drukt, zwaarder dan lood;

Gij weet, wat in \'t Oosten hun trots was en krone,

Is hier in het Ghetto hun smaadwoord: — „de Jood.quot;

ocr page 163

151

De Jood mag niet voelen, niet denken als andren,

Niet juichen van vreugde, niet klagen van pijn, De Jood heeft geen rechten, geen recht zelfs op \'t leven, En, waar men \'t hem gunt, moet hij Paria zijn.

De Jood moet zijn schatten, zijn zielszijn begraven:

Zijn kennis baart spot, en zijn goud brengt den dood. Gedoemd als hij is, om, gehoond en vertreden. Te zwoegen, te slaven voor \'t dagelijksch brood.

Dat angstige bukken voor snerpende geesels.

Dat smadelijk wroeten en kruipen in \'t stof.

Dat heeft dien gestalten de veerkracht ontnomen. Dat maakte die schitterende oogen zoo dof.

Zoo sluipen ze voort door het kommervol leven. —

Doch zietl als de feestdag, een Seraf gelijk.

Meewarig zijn lichtende vleugelen uitslaat In de enge verblijven der donkere wijk, —

Dan voelen ze toch weer een levenssprank trillen,

Dan keert zich het droevige hart weer naar \'t Oost En vindt in den luister van \'t verre verleden

Als waar\' \'t een voorspelling van hope en van troost.

lui, is al de harp van Judea gebroken,

Is \'t lied van den tempel sinds jaren verstomd, En liggen de zonen van priesters en vorsten

Als slaven voor beulen in \'t voetzand gekromd: —

\'t Is feestdag in \'t Ghetto. Ze snellen ter kerke.

Ze laten hun smaad en hun smarte aan haar poort.

Daar binnen leert Isröl zich zelf weer beseffen,

Daar laaft het zich weer aan de bron van Gods woord.

Daar rijzen die beelden van \'t schittrend verleden,

Daar ruischen die zangen nog krachtig en stout,

Daar trillen die beden vol ootmoed en hope

Van \'t volk, dat op God en zijn toekomst vertrouwt;

Daar worden blijmoedig voor wees en voor weduw

Ook offers op \'t altaar van liefde gebracht. Een plechtige stilte vervult nu de ruimte:

Het volk buigt vol eerbied het voorhoofd — er. wacht.

ocr page 164

Iö2

Het wacht op den zegen, die hier ook zal ruischen In \'t land der verdrukking, in naam van den Heer;

En ziet! voor de Bondsark, die wijst naar het Oosten,

Daar staan Arons zonen geschaard als weleer.

W e e s t rein! is \'t symbool, dat hun waard is gebleven, En ja, als de priester ten dienst zich bereidt,

Dan voelt hij zijn wijding, dan jubelt zijn ziele: Almachtige, uw Huis is vol liefelijkheid.

Wellicht staat daar buiten een roofzieke menigt,

Die zelfs in het bedehuis de armen verrast

En plundring en moord dreigt, wijl \'t bekken van goud is. Waar thans nog de priester de handen in wascht; —

Wellicht.... maar geen vreeze vindt ruimte in die harten, Een heilige glimlach omstraalt hun gelaat;

Ook zij heffen zeegnend de handen ten hemel,

Als eenmaal de schare in het blinkend gewaad:

„De Heer zij met ü, Hij verhoore uwe bede,

Zijn aanschijn verlichte u bij iedere schrede,

Hij zij u genadig en schenke u Zijn vrede!quot;

Zoo galmt het bezielend door \'t heiligdom henen.

En \'t volk keert terug naar de donkere wijk,

Maar \'t neemt toch den vrede en de zegening mede.

Al moet het weer wroeten en krimpen in \'t slijk.

Wat zouden ze beven, waar \'t aanschijn des Eeuwgen Hen voorlicht op \'t somber en kronkelend pad?

Wat stierf in hun binnenst, toch zijn ze gezegend.

Toch blijft hun het Godswoord de kostbaarste schat.

\'t Geweld moog hen trappen, de dweepzucht verguizen: Ze dragen geduldig dien hoon en dien spot.

Vervolgd en verdreven, en zwervers op aarde.

Toch dragers der waarheid, toch kindren van God!

{Gedichten, bij Gehr. Estella Hij mans—Hertzveld. (1837-1881),

Bclinfante te V- Gravenhage).

ocr page 165

153

KIJKJES OP EEN „GOUDEN BRUILOFT,quot;

I.

De morgenstond brak aan. In lentetooi gekleed,

Scheen Grasmaands tiende dag ter feestvreugd toegereed,

Die jong en oud verzaamde in \'t huis van van der woude.

\'t Was vijftig jaar geleên, dat hij zijn klaartjen trouwde; Hij, steunpilaar der Beurs, en om \'t vergaarde goed Gezien bij arm en rijk, doch meer om \'t vroom gemoed.

Zijn klaartjen was zijn vreugd, de lust van heel zijn leven, Hem had zij, met haar hand, haar gansche ziel gegeven;

En van het altaar af was door geen enkel woord De liefde in \'t hart verkoeld, de vrede in huis gestoord.

Nu brak de morgen aan van \'t Gouden Feest. — Nog toefde Het grijze Bruiloftspaar, dat langer rust behoefde,

In \'t stille slaapvertrek; maar, vroeger op de been,

Was Kind en Kindskind reeds vóór dag en dauw bijeen, In \'t Ouderlijke huis door saartjens zorg bescheiden,

Om aan den ochtenddisch het Bruiloftspaar te beiden.

Nu tijgen zij aan \'t werk, en schudden \'t frissche groen De wijde korven uit, en binden \'t saam, en vlechten De breede slingers, die ze aan wand en huisraad hechten.

Elk doet zijn best en toont voor \'t feestwerk zich bereid.

De zoon des huizes zelf vergeet zijn deftigheid En hangt, met lossen sprong een armstoel opgestegen, De bloemenkransen aan de spiegellijst ter degen.

De vrouwen voegen \'t loof naar soort en kleur bijeen,

En strenglen bloemen door de groene bladers heen.

En binden ze aan elkaar met linten en met strikken,

En hebben nooit gedaan met schikken en verschikken.

De spiegel torst een krans, die van de kroonlijst daalt En tweemaal zich vertoont, door \'t glas teruggestraald.

Een bochtige festoen zweeft langs de kamerwanden.

Een bloemtuin vult de schouw, waar \'t haardvuur placht te branden. De roosjes lokken \'t oog en tergen tot den pluk.

De barre winter zelfs op \'t oude schoorsteenstuk Is groen van welig loof. De stoel is niet vergeten,

De ruime zorgstoel, die door Vader wordt bezeten.

Zijn leuning draagt een kroon, waarvan de wederga

ocr page 166

154

De zitplaats siert der Bruid. — Zoo raakt het werk weldra

Gereed. — „\'t Zal d\' Oudelui gewis tot vreugd verstrekken,quot;

Zegt saartje en heeft het druk met d\' ochtenddisch te dekken.

Het keurig proefstuk van der Japanneezen vlijt,

\'t Doorschijnend aardewerk, dat heugt van Grootvadrs tijd,

Wordt uit de kas gehaald, waarin het staat te pronken.

De thee smaakt beter, uit Japanschen kop gedronken.

De witgepunte thee, voor Vorsten opgegaard.

Maar kooplién niet te duur, als \'t Feestgetij verjaart:

Reeds kleurt zij \'t kokend vocht, ter trekking opgegoten.

De bruingerooste boon, op Java\'s grond ontsproten.

Tot stof vermalen, wordt in de enge vaas gestampt

En overstelpt van \'t nat, dat uit den ketel dampt.

\'t Zijgt door den droesem heen, wiens kruidgeur zich ontwikkelt,

En, walmend wijd en zijd, den reuk vergast en prikkelt.

Men brengt het versche brood, dat d\' oven pas verliet.

Maar weigert zwakker maag het brood van gister niet.

Bij \'t korstgebak, waarop de tandeloozen schrollen.

Staat Vaders liefste ontbijt: de zachte krentenbollen.

Zoo is de disch gespreid, en alles kant en klaar:

Aan \'t bruiloftsfeest ontbreekt alleen het Bruiloftspaar.

Maar zacht! Daar stoot de kruk van Vader op de trap;

Daar klept de vilten muil bij Moeders zwaren stap.

„Zij komen!quot; is de kreet, en Kind en Kindskind scharen Zich op een breede rij, geschikt naar rang van jaren.

Daar opent zich de deur. Een blij gejuich vangt aan.

En \'t Grijze Bruiloftspaar blijft op den dorpel staan.

Getroffen en verrast door \'t onverwacht ontmoeten.

En groet in \'t rond, en weet niet, wien het eerst te groeten.

II.

De feestdisch staat gereed in de opgesierde zaal.

De Gasten treden toe, en de eersteling van \'t maal.

De blanke Meirbaars, ligt in \'t ziltig nat te stoomen.

„Komt vrienden, toeft niet meer,quot; zegt saartjf.n, „plaats genomen!

„Het eten wordt reeds koud; \'t is zonde van de visch.quot;

Nu zet zich \'t Bruidspaar neer aan \'t midden van den disch. En ieder zoekt zijn plaats en vindt zijn naam geschreven Op kaartjens, sierlijk met een gouden rand omgeven.

Het blonde saartjen vraagt, op d\' eisch van \'t maal bedacht. Het dungesneden brood, dat op de boter wacht.

ocr page 167

155

Haar Nichten schieten toe en helpen, waar zij mogen. Het goudgeel boterschaap, dat krenten heeft voor oogen,

Door \'s Leeraars jonge GA van \'t dorp ten disch gebracht Als de eerste lentevrucht, gevoelt weldra de kracht Van \'t klievend lemmer in de net gevormde leden En spreidt zich onder \'t mes op blanke tarwesneden,

En kleeft ze aan \'t bruine brood. — „Dat is een welkom gast Zoo spreekt de bruid, „die ons zoo vroeg in \'t jaar verrast „Met grazig zuivel, daar de Mei op placht te roemen: „Men proeft er \'t weiland in en keur van boterbloemen.quot;

Nu tast men naar de spijs en dient, daar elk zich rept, De blanke baarzen rond, de schotels uitgeschept Met wortels en met loof. Door éenen geest gedreven.

Kiest elk de besten uit, om \'t Bruidspaar die te geven. Dan denkt men aan zich zelf en lacht vol ongeduld Het smaaklijk baarsjen toe, dat in het water krult.

De gasten vallen graag en schijnen, onder \'t eten En \'t pluizen van de baars, èn stem èn spraak vergeten.

Aan de andre zij der zaal verheffen, moe van \'t wachten. De kindren luid hun stem, hoe ook de moeders trachten Dien kreet te stillen. Zij vermanen zoet en zacht En wijzen naar de spijs, die reeds wordt opgebracht.

Het oog der Gasten volgt de schotels, die zich schikken In afgemeten rij. Bij voorraad gaan hun blikken Aan \'t lekker maal te gast. De wasemende geur Belooft den smaak genot. Elk heeft hier kust en keur. De Bruiloftstafel prijkt met de uitgezochtste spijzen,

En allen stemmen saam, om saartjens zorg te prijzen.

Wie met een grage maag, aan mannenkost gewoon.

Zich vlijden aan den disch, hun staat de kans hier schoon. De bruin gebraden Harst steekt hun het meest in de oogen, Of de opgesierde Ham, veelkleurig overtogen Met lijmig beendernat, gestold tot lillend glas.

De malsche Lamsbout komt voor andren recht van pas.

Die \'t sterk gekruide vleesch en \'t prikklend zuur beminnen. Ook wenscht er menigeen \'t Bredaasch geschenk te ontginnen Den stevigen Kapoen, waarom de garnaal zwemt.

Het blanke Kieken schijnt door saartjens zorg bestemd Voor \'t grijze Bruiloftspaar, wiens tandelooze kaken De scherp gezouten ham en \'t krachtig rundbraad wraken. Of voor de kindren, wien, op Grootvadrs feest te gast. Het teedcr hoendervleesch als lekkernij verrast.

ocr page 168

156

Een deftige Pastei, die in haar volle wanden

\'t Gekruide veldhoen bergt, doet Groenhof watertanden;

Een opgetooide Pauw, die in zijn veeren pronkt.

Wordt als een vreemd gerecht bekeken en belonkt.

Ook mist men aan den disch geen toespijs, wel gekozen;

Al ligt de moestuin braak, in \'t bar seizoen bevrozen,

En nauw door \'t lentevuur gekoesterd, saartjen geeft.

Wat menig hovenier den grond ontwoekerd heeft,

Door \'t pas ontkiemend groen met stovend glas te dekken:

En \'t vroege hofgewas weet elk tot lof te wekken.

De Britsche Podding vult, van trosrozijnen zwart

En krenten, mede een plaats op \'t Hollandsch feest, en tart

De uitheemsche kookkunst, wie zij naam en roem moet danken.

Het velerlei gebak, dat menig gast doet wanken

In keus van lekkernij, bezet den disch en kampt

Met puik van zoetigheid, daar \'t kinderoog op vlamt.

Men spoort de gasten aan en regelt met beleid

Naar eisch der tafelwet den rang der hoofdgerechten.

Wat voedzaamst is, gaat voor. Gebruik en smaak beslechten,

Wat volgen moet, en \'t fijnst bewaart men voor het laatst.

Elk dient den schotel voor, die bij hem is geplaatst.

De een deelt de ham in breede dun geschaafde sneden.

Een ander toont zich vlug en handig in \'t ontleden

Van kieken en kapoen. Aan Groenhof valt de pauw,

\'t Gepluimde dier, te beurt en brengt hem heel in \'t nauw.

Hij vraagt des Doctors hulp met woorden en met wenken.

„De ontleedkunst is mv vak, ik houd mij liefst bij \'t schenken,quot;

Zoo spreekt hij, wacht niet meer, maar schuift, gerust te moe.

Den schotel, die hem kwelt, zijn Overbuurman toe.

\'t Maal gaat intusschen voort, en menig lekkre beet Houdt d\' eetlust aan den gang. Geen dischgenoot vergeet De taart te prijzen, vol gesuikerde ingewanden.

Men zendt gebak en zoet, de roomvlA, bruin van \'t branden. Den tulband, blank van deeg, de Bruiloftstafel rond. En kweemoes, klaar als glas, dat wegsmelt in den mond.

Dat smaakt den Kindren recht. — Zij juichen en verblijen Zich in den overvloed van zooveel lekkernijen,

En vragen immer meer, al zijn zij ruim verzaad.

Hun moeder weigert, maar: „Wat zoet is, kan geen kwaad,quot; Zegt keer op keer de Bruid, „het eten doet hen groeien, „\'t Feest moet hun heugen en met loopen en met stoeien „Komt alles weer terecht. Neme elk, zooveel hem lust.quot;

ocr page 169

ir,7

Nu geeft de Moeder toe, haars ondanks, ongerust Voor de uitkomst, en ziet rond, en telt, door zorg gedreven, De schotels, op den disch nog ongerept gebleven.

De laatste is aan de beurt. — Het blonde saartjen vraagt . Of iemand nog iets wenscht? — Men weigert. — Man en maagd Staan op haar wenk gereed en draven op en neder En dragen schotels weg en brengen schotels weder;

En saartjen wenkt en wijst, eer zich hun drift vergiss\', — En \'t sierlijk nagerecht prijkt op den Bruiloftsdisch.

De Gasten zijn verbaasd. Hun rondgeslagen blikken Zien \'t jaargetij beschaamd door saartjens tafelschikken. En, schoon de lentezon de bloesems nauw ontsluit,

Toch mist men op het feest geen overvloed van fruit. Den gladden pippeling, dien \'t herfstseizoen deed gdren, Kon saartjens zorg voor koude en vroeg bederf bewaren.

Zijn gouden schil steekt af bij \'t bonte spruitkoolblad.

Waarin hij zich verschuilt. Eene andre schaal bevat Den Sinaas-appel, vrucht van immer groene boomen.

Met Vaders eigen schip uit Portugal gekomen.

De blauwe druiventros, bedekt met teeder waas,

De perzik, zacht van blos, vervullen mede een plaats. En \'t steeklig kroongewas, de geurige ananassen.

Door kunstvuur rijp gestoofd in dichtgesloten kassen.

Ook mangelt de aardbei niet. De tuinman deed zijn best. Op kleiner schalen wordt de vrucht van Oost en West, (Doorsuikerd kruidooft) vijg en pruimedant, gevonden.

En keur van zoetigheid, met geestig schrift omwonden.

In vazen van kristal gloeit de ingelegde vrucht,

In \'t geestrijk vocht bewaard, van Frankrijks zuiderlucht Doortinteld. Zoete vld, tot killig ijs bevrozen,

Smelt weg in \'t warm vertrek en noopt, niet lang te poozen.

Intusschen bleef de disch niet ongenoten staan.

De schalen gingen rond, de borden af en aan.

Het ijs deed menig gast, op eens van kou bevangen,

De tanden rillen en een beker wijn verlangen,

Die lauw scheen op de tong. Het uitgelezen fruit Lokte in het vroeg seizoen der Gasten lofspraak uit.

De malsche perzik die van \'t Bruidspaar, — en \'t vermaakte De Bruid, dat de ananas den kinders lekker smaakte, Een vrucht, hun tongen vreemd. Het suikergoed ontstak Door \'t aangehechte schrift den lust tot scherts. Men brak De kalken schalen door, om geestig rijm te vinden

ocr page 170

168

Als kern van \'t kunstig ooft. De vreugd der Bruiloftsvrinden

Neemt toe. Reeds is de pijp, naar vaderlandschen trant,

Den mannen rondgediend, \'t Vuur gaat van hand tot hand.

De rookkolom stijgt op, met wellust uitgeblazen.

De vreugdegalm stijgt mee. De wijn schuimt in de glazen.

\'t Gewoel van \'t feest, \'t gelach, \'t gepraat, \'t gesnap

Groeit aan. Op groenhofs last wordt nu het gloeiend sap

Der Portugeesche druif de tafel rondgeschonken

En Spanjes wijngaardteelt, waar zuider-zonnevonken

In spelen. Saartjen dient, gereed op Moeders vraag,

Den gemberwortel voor, die goed doet in de maag.

Dat smaakt de Bruid. Zij noopt den Bruigom, toe te tasten.

De Dokter raadt het af. „Laat dat voor andre gasten,quot;

Zoo spreekt hij: „\'t mocht uw borst soms schaden, en de kuch.

De Bruigom dankt zijn Arts en trekt de hand terug:

Hij wil de vreugd van \'t feest aan \'t kort genot niet wagen.

De Dokter zelf, en wie de prikkling kan verdragen

Van \'t heete zoet, tast toe, verwarmt de maag, en eet

Van \'t lekkre nagerecht den laatsten lekkren beet.

Straks heft de Feestdisch aan, daar elk zich vaardig toont, En paters lied: Hoe zoet is V, daar de Vriendschap woont! Galmt door de ruime zaal. — Het lied is uitgezongen.

De beker is geleegd. De vreugd zweeft op de tongen. Men zoekt, wat lied nu best \'t gezongen lied vervangt.

Maar \'t blonde saartjen ziet, hoe \'t Bruidspaar rust verlangt En stoot haar Broeder aan: „Daar is een tijd van scheiden; „Laat ons de gasten nu naar \'t voorvertrek geleiden,

„Waar reeds de koffievaas gereed staat.quot; — „\'k Ben bereid,quot; Is \'t antwoord: „Vrienden, komt, een glas van dankbaarheid „Aan \'t Bruidspaar, dat dees dag, die allen lang zal heugen, „Ons zooveel vreugde schonk. Komt, met de laatste teugen „Gedronken op het heil van Bruigom en van Bruid!quot; —

Men drinkt de glazen leeg en klopt de pijpen uit.

De jonge Leeraar spreekt voor \'t goede, hier genoten. Een stichtlijk woord tot dank, en \'t feestmaal wordt besloten.

III.

De klok slaat zeven. Bij de gulle tafelvreugd Vloog, snel en ongemerkt, voor ouderdom en jeugd De voorjaarsdag ten eind. De vensterluiken sluiten.

Nu \'t helder waslicht brandt, den avondschemer buiten.

ocr page 171

150

De Bruigom wenschte rust na \'t langgerekte maal En zonderde zich af, bij \'t scheiden uit de zaal;

De bruid was hem gevolgd, die, schoon zij liefst bleef praten Te midden van \'t gezin, hem niet alleen wou laten.

Al de andere Vrienden zijn in \'t voorvertrek bijeen En zetten zich ter neer, of staan om saartjen heen.

Die, naar den eisch van \'t feest, (haar zorg heeft niets vergeten) Met Mokka\'s geurig vocht haar Gasten toeft na \'t eten.

Zij dient de kopjes rond. „Zeg, is het naar uw smaak?quot;

Vraagt zij haar Zuster knop, let, ijvrig in haar taak.

Op allen, reikt aan d\' een de suiker, vraagt den ander: „Wat kiest gij, melk of room? Hier staat het bij elkander.quot; —

Doch stil! daar treedt de Bruid op eens de kamer binnen En lacht haar kindren toe. „\'k Kom deelen in uw vreugd,quot; Zoo spreekt zij: „Vader slaapt. Wat was de man verheugd, „Dat alles aan den disch zoo wel is afgeloopen.

„Hij voelde zich vermoeid maar hield toch de oogen open. „„Ik wil niet slapen, neen!quot; (zoo sprak hij) „\'t is te laat.quot;quot; „Maar nauwlijks zat hij neer (ik weet wel, hoe het gaat)

„Daar knikte hij en zweeg en sluimerde in. Ik wachtte „En sprak een poos geen woord. Toen stond ik op en trachtte „Zijn stoel langs, onbemerkt, de kamer uit te gaan.

„Dat lukte best; de deur was open blijven staan.

„Hij bleef in rust. Ik zit weer naast hem bij \'t ontwaken. „Hoe stelt gij \'t allen hier? Kost gij u wel vermaken „A.an \'t maal? \'t Was saartjens werk. Wat was zij op haar dreef, „Ik weet niet, dat er iets te wenschen overbleef.quot;

Zoo keuvelt zij, en zet zich eindlijk neer, en zamelt De kindren om haar schoot. Haar achterkleinzoon stamelt In nauw verstaanbre taal den naam van Ootemoe En reikt van Moeders arm haar bel zijn handjes toe.

Zij neemt het jongsken aan en kust het op de wangen.

En host het op haar knie, en neuriet de oude zangen.

Die ze eertijds aan de wieg van \'s knaapjens Grootvadr zong.

De kleine hupt en springt en kraait bij eiken sprong Zijn vreugde luidkeels uit, en doet wel twintig malen Haar \'t uitgezongen lied met nieuw vermaak herhalen. „Kom,quot; zegt zijn Moeder nu, „geef mij den kleine weer: „Hij maakt het al te druk.quot; — „Eerst nog een enklen keer „Gezongen,quot; spreekt de Bruid, „\'k Kan \'t heden wel verdragen. „Ik voel mij jong opnieuw en heb niet alle dagen „Mijn achterkleinzoon hier. Kom, jongen, wees maar blij,quot;

ocr page 172

KiO

Zij heft weef vroolijk aan, en \'t knaapjen lacht er bij En dartelt op haar schoot; maar eindlijk reikt zij \'t over. Het jongsken plooit de lip tot schreien, dwingt al grover En vangt met krijten aan, om \'t buigen van zijn wil.

De Moeder dreigt het met den vinger, en \'t is stil. —

De Bruid hoort onvermoeid naar \'t kinderlijk gesnap,

En maakt door vraag bij vraag de kleine tongen rap,

En laat hen, stuk voor stuk, het gansche feest verhalen.

Doch eindlijk rijst zij op. „Ik mag niet langer dralen,quot;

Zoo spreekt zij: „Vader mocht ontwaken, \'k Heb reeds lang „Gekeuveld, \'t Kleine goed, is \'t eenmaal aan den gang,

„Weet van geen einde. Nu, \'k kom straks terug met Vader.quot;

Zij kust, eer zij vertrekt, de kleinen al te gader En wenkt haar jongste telg: „Vertoeven wij misschien „Naar uwen zin te lang, zoo kom eens naar ons zien.

„Vaarwel! \'t is meer dan tijd; ik keer gezwind naar boven.quot;

Zij gaat. — „Wat is zij vlug; geen vreemde zou \'t gelooven, „Dat zij reeds vijftig jaar getrouwd is,quot; zegt haar Zoon;

„Ons treft het minder, die, aan al haar doen gewoon,

„Niet beter weten, of het hoort zoo, en vergeten,

„Hoe zeldzaam de oude dag zoo rustig wordt gesleten.quot; —

(De gouden Bruiloft, te Leiden). PV. Messchert. (1790—1844).

IK WEET NIET, WAAR IK STERVEN ZAL.

(Lied van SAïniAH, den Javaan).

Ik weet niet, waar ik sterven zal.

Ik heb de groote zee gezien aan de zuidkust, toen ik daar was met

mijn Vader, om zout te maken: Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe water,

zullen er haaien komen; Zij zullen rondzwemmen om mijn lijk en vragen: „Wie van ons zal het lichaam verslinden, dat daar daalt in het water?quot; Ik zal het niet hooren.

ocr page 173

161

Ik weet niet, waar ik sterven zal.

Ik heb het huis zien branden van Pa-ansoe, dat hij zelf had aangestoken,

omdat hij matah-glap \') was, Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout

neervallen op mijn lijk; En buiten het huis zal een groot geroep zijn van menschen, die water

werpen, om het vuur te dooden ; —■ Ik zal het niet hooren.

Ik weet niet, waar ik sterven zal.

Ik heb den kleinen Si-oenah zien vallen uit den klappahoom, toen hij

een klappa 1) plukte voor zijn moeder; Als ik val uit een klappaboom zal ik dood nederliggen aan den voet,

in de struiken, als Si-oenah; Dan zal mijne moeder niet schreien, want zij is dood. Maar anderen zullen roepen: „Zie, daar ligt Saïdjah!quot; met harde stem; — Ik zal het niet hooren.

Ik weet niet, waar ik sterven zal.

Ik heb het lijk gezien van Pa-lisoe, die gestorven was van hoogen

ouderdom, want zijne haren waren wit; Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen

om mijn lijk staan, En zij zullen misbaar maken, als de klaagvrouwen bij Pa-lisoe\'s lijk, en ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid; — Ik zal het niet hooren.

Ik weet niet, waar ik sterven zal.

Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men kleedde hen

in een wit kleed en begroef hen in den grond; Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessah :\'), oostwaarts

tegen den heuvel, waar het gras hoog is. Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar\' Sarong\') zal

zachtkens voortschuiven langs het gras......

Ik zal het hooren.

(Max Havelaar, bij Multatuli. \\E. Douiues Dekker], (1820—1887).

G. L. Fnnke te Amsterdam).

1

i) Klappa. Kokosnoot.

ocr page 174

102

MOEDERLIEFDE.

Van de heuvlen stroomt de waterval In het dal,

En verspreidt de zomerregen Milden zegen,

Waar het koele, zoele, klare nat Henen spat.

Is het niet, of ik Uw beeld aanschouw,

Moedertrouw ?

Eer zou ik de druppels tellen Van de wellen.

Dan het heil en leven, dat Uw vloed Spruiten doet.

Als de winter nijpt, de zomer brandt Op het land.

Beekje, zult ge uw nat verliezen.

Of bevriezen!

Moederliefde blijft in hitte of kou Even trouw.

Zalig \'t huis dan, (zij de muur van goud Of van hout!)

Waar die bron van heil zijn vlieten Uit mag gieten ....

En nog steeds, schoon ze Allen alles geeft,

Over-heeft!

(.\'// ile Volksdichten, hij G. /.. Fnnke 7- Htijc- (1809 1876).

te Amsterdam).

ocr page 175

163

ROOSJE.

— eene vertelling. —

Daar was in Zeeland eens een man, Hij had een aardig kind,

Een meisje, dat van iedereen Om \'t zeerste werd bemind!

De man, gelijk men denken kan, Was grootsch op zulk een schat;

Te meer — daar hij zijn lieve vrouw Daarbij verloren had.

Wat nam hij roosje menigmaal Al zuchtende in zijn arm

En kuste met een tranend oog Heur roode kaakjes warm!

Dan zei de teedre, goede man: „Gij hebt geen moeder meer!quot; —

„Ja wel!quot; zei dan het zoete kind, „Bij onzen lieven Heer!quot;

„Dat hebt gij immers zelf gezegd ?

Maar waarom ging zij heen?

Zij had mij niet zoo lief als gij,

Want zij liet ons alleen!quot;

He vader sprak geen enkel woord, Maar kuste \'t kleine wicht;

Kn, onder \'t kussen, dekte een stroom Van tranen zijn gezicht.

Dit meisje werd wel schielijk groot; Zij was de roem der stad:

Geen vader, die haar voor zijn zoon Niet reeds gekozen had!

Wat was dat lieve meisje schoon, Wat had ze een nette leest!

Wat was zij aardig en beleefd, Zoo deugdzaam, zoo vol geest!

ocr page 176

164

Zoo vriendlijk als de schoone maan,

Als ze opkomt uit de zee En op de blanke duinen schijnt — Zoo vriendlijk was ze mee!

Heur lieflijke oogen waren bruin;

Niet vurig: — kwijnend, zacht.

Meur lachje was als \'t morgenrood, Dat aan de kimmen lacht.

Wanneer zij met de Zeeuwsche jeugd

Hen luchtje schepte aan \'t strand, Dan las ze op eiken tred heur naam, Geschreven in het zand.

Geen jongeling, die niet voor haar

Met eerbied was bezield —

Haar niet voor de allerschoonste bloem Der Zeeuwsche meisjes hield!

Daar leeft in Zeeland aan het strand

Ken kleine, ronde visch,

Die voor der Zeeuwen kieschen smaak Een lekker voedsel is.

Des zomers, als de zuidenwind

Langs kleine golfjes speelt Kn vriendlijk \'t gloeiende gelaat Des nijvren landmans streelt:

Dan gaat de jeugd met spade en ploeg

Naar \'t breede, vlakke strand,

En ploegt dan, vol van vroolijkheid, Het dorre, natte zand;

Dan grijpt in de opgeploegde voor\'

Een rappe hand den visch,

En dikwijls is de vlugste hand Te traag bij dezen visch!

Intusschen speelt en stoeit de jeugd

En fladdert door het nat, Dat, schuimend, met een groot gedniisch In mond en oogen spat.

ocr page 177

165

De jongling grijpt een meisjen op En draagt haar mede in zee;

Het meisje roept en wringt: — vergeefs! Hij draagt haar mede in zee.

\'t Was eens een schoone zomerdag, En \'t puikje van de jeugd

Ging naar het strand met spade en ploeg En voelde niets dan vreugd.

Het lieve Roosje was er bij,

En ieder jongeling

Vergat den ploeg — vergat den visch, Als ze aan zijn zijde ging.

Een jongling, die haar \'t meest beviel. Bleef immer aan haar zij\',

Hij zeide aan Roosje menigmaal De zoetste koozerij.

Nu drukt hij eens heur zachte hand. Daar hij een kusje steelt

En met de lokjes om haar hals,

Heur bruine lokjes, speelt.

Het meisje wringt zich los en zegt: „Gij stouterd, daar gij zijt!

Plaag nu ook de andre meisjes wat!

Gij plaagt ook mij altijd.

Ai! ga naar de andre meisjes heen! En laat mij nu met vree!quot;. ..

„ „Zoo gij mij nu geen kusje geeft — Dan draag ik u in zee!quot; quot;

Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht, Zij vlucht al lachend heen.

Hij volgt haar na en slaat zijn arm Al lachend om haar heen.

Nu roept en schatert al de jeugd;

„Draag Roosje nu in zee!quot;

Hij grijpt haar ijlings van den grond En loopt met haar in zee!

ocr page 178

De sterke jongling kust den last,

Dien hij zoo gretig torst,

Kn klemt het allerliefste kind Nog vaster aan zijn borst.

Het meisje roept en bidt vergeefs.

Hij gaat al fladdrend voort:

Het water spat en klotst en bruist,

Dat hij haar nauwlijks hoort.

in \'t eind was hij zoo ver gegaan. Dat iedereen aan \'t strand

Vol vreeze en schrik gedurig riep:

„Genoeg! keer weer naar \'t strand!quot;

Op eens, daar hij teruggekeert,

Staat hij vertwijfeld stil;

„Helpt Roosje!quot; roept hij, „groote God!quot; Kn Roosje geeft een gil!

„Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink Hier in een draaikolk neer!quot;

Het meisje grijpt hem om den hals Kn zinkt met hem terneer!

Zij zinkt en draait voor \'t laatst haar hoofd Stilzwijgend naar het strand —

Doch was in \'t eigen oogenblik Verzwolgen in het zand!

Daar stond de jeugd gelijk versteend,

Geen mensch, die zuchtte of sprak.

Tot eindlijk uit eens ieders oog Ken stroom van tranen brak.

„Mijn God! is \'t waar? Is Roosje dood — Ligt Roosje daar in zee?quot;

Zoo gilt en klaagt een iedereen:

De duinen gillen mee!

Wel schielijk wordt dit droef geval Verkondigd in de stad;

Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar\'. Die niet verslagen zat.

ocr page 179

1H7

De jeugd ging zwijgend van liet strand

En zag gedurig om:

Eens ieders hart was vol gevoel —

Maar ieders tong was stom!

De maan klom stil en statig op Kn scheen op \'t aaklig graf,

Waarin het lieve, jonge paar Het laatste zuchtje gaf.

De wind stak hevig op uit zee,

De golven beukten \'t strand,

Kn schielijk was de droeve maar Verspreid door \'t gansche land.

(/\'roeven voor het Verstand, den Smaak y. lielluniy. (1757—17^6).

en het Hurl, bij A. /\'. //. Smit te Rolterdam).

DRIE GHAZELEN\'),

LELIE; ROZE.

Trotsch prijkt de lelie aan des beekjens stille zoomen, lelie; Zie, hoe de golfjens één voor één ze groeten komen, lelie.

Ze kussen haren voet, en murmelen al stervend

Nogmaals: „We zijn door dijne schoonheid ingenomen, lelie!quot;

— Dat hoort de bloem, maar schijnt het niet te hooren;

Niet één heeft ooit een gunstig wederwoord bekomen, lelie.

Zij spiegelt zich en is verrukt om hare reinheid;

— Zij droomt er van: — heb nooit toch zulke leliedroomen, lelie!

\') (iliazelc beleekent eigenlijk lofgedicht en is een oorspronkelijk l\'erzisehc dichtvorm, door Ktlckert en Platen bij de Duitschers ingevoerd.

De bouw der Ghazele is zeer kunstig, bijzonder wat liet rijm betreft, dal van zes tot achttien malen weerklinkt en zelfs dubbel, ja, van eene geheelc phrase gevolgd, voorkomt.

Het metrum dezer gedichten is gansch willekeurig; enkel moet bet eens aangeslagene het geheelc stuk door volgehouden worden.

Meestal verdeelt men de Ghazelcn in tweeregelige strophen; de regels der eerste strophen rijmen, en in de volgende komt het rijm als eene soort van referein terug.

De Ghazelen zijn uit haren aard lyrisch. A/Uit, Tan den dichter).

ocr page 180

Nu speelt de zoete wind in ro/.eboomen, roze; Dij streel\' de zoete wind der rozendroomen, roze!

Du bloeis in onverschilligheid, o schoone bloeme,

Hebs du in \'t windgezucht mijn zuchten niet vernomen, roze?

De nachtegaal, hij heeft zoo zeer, zoo teer geklaagd, dat

Der roze een traantjen dauw is op de wang gekomen, roze.

O! als de perel des gevoels ze dus versierde,

Heeft heure schoonheid nog in schoonheid toegenomen, roze.

Mij arme! Stom is mijne liefde, ik kan niet zingen;

Verwelkt zijn mij de wangen: tranen stroomen, roze.

Erbarm di mijns; wil mijn verlangen langer niet meer

Door dijner strengheid scherpe dorenen betoomen, roze!

DE WERELD IS ZOO WILD EEN WOUD.

De wereld is zoo wild een woud, zoo wild, Daarin loopt menig dierken stout, zoo wild.

De bloeme bloeit er in de bonte wei;

De vogel zwiert er door het hout, zoo wild.

Men is er \'s morgens rijk, des- avonds arm;

Men is er jong, men wordt er oud, zoo wild.

— Ik loop er als het vrije dierken voort.

Door dik en dun, door heet en koud, zoo wild.

Ik ledig mijnen beker, (schoon het lot

Mij soms een bitter bierken brouwt), zoo wild!

Eens had ik geld; dan zag ik, hoe de gek

Den nek brak, jagend achter goud, zoo wild;

Toen smeet ik snel de beurs van mij, — en thans

Zwier ik als vogel door het woud, zoo wild.

ocr page 181

169

DE VOLLE BEKER WIJN.

Mijn levensbeker is — die volle beker wijn daar!

Geloofd zij God, is steeds die volle beker wijn klaar!

Ik heb er dertig teugen van gedronken, — nog vol Is mij die beker, als de volle beker wijn daar.

De morgen laat de vreugdevanen waaien — daar glanst Het oosten, of \'t een volle reuzenbeker wijn waar\'.

Een vloed van purperkleuren, rozengeuren stroomt dan, Als goot men dronken uit des godenbekers wijn, daar!

Des avonds druipt de dauwe lavend neder, alsof Elk dropjen in den fulpen tulpenbeker wijn waar\'.

Zoo zie ik dus de gansche vreugdewereld, wen ik Verdwaald, verrukt, op eenen vollen beker wijn staar\'.

Mijn oog is nat van stille zielsvoldoening, — of steeds Mijn mond bedauwd met eenen vollen beker wijn waar\'!

Ferguut! Hoe aangenaam zijn dijne zangen! Elk woord

Is zoet, alsof het ons een volle beker wijn waar\'!

{Miikiiuun en Ghazelen: Proeven Jan Ferguut.

Oosterscher poëzie, bij IV. Rogghé te Cent). iy. A. van Droogenbroeck] (1X34-

ocr page 182

170

ZOO SPREEKT JAN FERGUUT.

MAKAMF, \').

Zou spreekt Jan Ferguut, ilie zijne edele moedertaal en den ouden kunstroem zijns stammes liefheeft.

De zucht naar taalkennis, — en de haat veur taaischennis, — dreef mij steeds naar verstandigen — en weg van onhandigen; — want ik bemin het Dietsch om zijne waardigheid, — Dietsch te spreken met vaardigheid — en aardigheid, — is mijne eenigste hoovaardigheid. — Mijn vriend is hij, die het recht spreekt, — mijn vijand, die het slecht spreekt. — Wel hem, die veur de tonen dezer schoone eene lans in liet gevecht breekt! — Wee hem, die veur accoorden uitheemscher woorden met haar den echt breekt! — Ik zocht, als een dorstige naar de bronne,— als de bloeme naar de zonne, — naar hem, die mijn hert mochte drenken , — wiens licht mij licht mochte schenken, — wiens hand mij, te rechten pade mochte wenken.

Kn, wanneer ik kon naderen, — waar geleerden vergaderen, — waar klinkt de taal onzer vaderen, — dan stormde mij het bloed door de aderen, — ik werd door de ketens der aandacht gesnoerd, — op den wagen der verrukking vervoerd; — ik werd gelijk de aarde, bevende onder de vleugelrepping — van den Geest der Schepping.

Eens, en de dag zij gezegend, — dat het op mijne dorre weide heeft geregend, — dat ik door het blinde geluk werd bejegend, — eens dreef de wind des toevals mijn schip in de bocht, — die ik zocht. — Ik

\') Makamc (Maqudmc) beteekent oorspronkelijk in liet Arabisch eene plaats, waar men verzameld is ten gesprek; verder dit gesprek zelf, eene vertelling, en eindelijk een diclitvonn: gerijmd proza met verzen afgewisseld.

Het proza munt uit door rijmenrijkdom — tot zooverre, dat soms het tweede deel der phrase de klanken des eersten deels volkomen terugkaatst; zelfs zet het stafrijm er zijne veerkracht wel eens bij, om den rhythmus te versterken en aldus de rijmenharmonie nog heller te doen klinken.

De gedichten zijn op één rijm en volgens een vast schema gebouwd; doch, daar de Arabische metriek op gansch andere gronden steunt dan de onze, zoo is het onmogelijk, er in bel Dietsch eenige nabootsing van te maken.

De stijl is zeer gekunsteld, vol stoute wendingen, verrassende uitdrukkingen, wondere vergelijkingen, spreuken, woordspelingen en geestige zetten; dikwijls wordt op eene scherpzinnige wijze een vers uit gewijde schriften te pas gebracht.

Zijn grondkarakter is het parallelismus. (Aant. van den dichter}.

ocr page 183

171

vond eenen kring van hoogvereerde — hooggeleerden, die schitteren door hunnen verren glans, — als een sterrenkrans. — Bedrukt om mijne onbedrevenheid — en verrukt om hunne verhevenheid, — bood ik zoet — smeekende mijnen groet, — zeggende:

„Meesterdichters! — Geestverlichters! — Laat mij, worm der vermetelheid, — nemen uit het stof der vergetelheid — de perelen, uwen monde ontvallen!

„Gedachtentelers! — Geslachtenpenseelers! — Laat mij, armen schamele, — de kleuren verzamelen, — uwer palet bij het kwistig schilderen ontvallen!

„Minnezangers! — Zinnenvangers! — Laat mij vergaderen — de rozenbladeren — uwer kroon bij het dartelen ontvallen!

„Der snoodheid belichters en bevecliters! — Der grootheid richters en rechters! — Tolken — der volken! — wier dolken — de vorsten doen rillen, — wanneer gij ze op hunne borsten doet drillen! — Laat mij rapen het wapen, — uwer hand in den strijde ontvallen!

„Immer helle kunstzonnen! — Immer wellende gunstbronnen! — Laat een straaltjen van welgevallen, — doet een dropjen uwer kristallen, — over mijne armoede, uwen overvloede ontvallen!quot;

Maar éen sprak: „Zij, die ons afluisteren, —- zijn het, die ons opluisteren.quot; — De andere: „Die wel leert, — wel eert.quot; — Ken derde: „Gelukkig de dorst, dien lessen — lesschen!quot; — Toen zegde een oude, gekroond met der zilveren kroon der grijsheid — en der goudene kroon der wijsheid: „De beken komen — bij de stroomen; — het staat geschreven: Laat de kleinen tot mij komen!quot;

— En ik zettede mij neder, om in des stilzwijgens duistere — op hunner geesten luister te luisteren. —

Ik hoorde eene stem, die mij het hert doordrong — en aldus zong \'): — „Dietsch! — du schoonc, du hemelsche taal, ons Dietsch! Bekoorlijke, zonder vlek of faal, — ons Dietsch!

Dietsch, dat het oor verrukt door rijmengeklingel,

Zacht als de toon der zilveren schaal, — ons Dietsch!

Wen de maged lachelt en lispelt van liefde, als peerlen Rolt dan van der lippen koraal — ons Dietsch!

Zwijgt, harpengetril en klanken der vedel.

Waar orgelt der spraken nachtegaal: — Ons Dietsch!quot;

\') Zie ilo noot op blz. 167.

ocr page 184

172

Zijn lof breidde zich uit, gelijk het morgenlicht — over de aarde, die nog in harer schaduw verborgen ligt. — Doch aller stem werd stom, — aller oog glom, — toen een jonge het gestoelte beklom:

„Dietsch! du krachtige, prachtige taal, — ons Dietsch! Duizendtonig, als des Beiaarts metaal, — ons Dietsch!

De Dichter zingt: — Wat brult als de opgeruide golven, Wat doorsiddert de ziel als een bliksemstraal? — ons Dietsch!

Zij hooren \'t en grijnzen, zij hooren den nagalm nog Des Heds op Kortrijks zegepraal: — ons Dietsch!

Hoe klonk u Schild eti Vriend! in het oor? Hoe klonk u Breydels staal en Breydels taal, — ons Dietsch?

Waar zijn ze? — Ze zijn verzwonden als sneeuw voor de zon. En — hoort men in Belgiens Statenzaal — ons Dietsch?

Waar zijn ze? — De grooten, bestuurders eens vrijen volks, Bejegenen stout, met gesnoef en gesmaal, — ons Dietsch!quot;

En de stilte — doorrilde — de vergadering, — gelijk bij eene onweder-nadering — de golven zwijgen — en hijgen.

Toen, als de stem van Sinaï\'s kruin, — als de laatste bazuin, — rondscha-terend over der wereld puin, — klonk onmiddellijk — en onverbiddelijk: — „Dietsch! wie vergeet er veur vreemde praal, — ons Dietsch ? Wie verwisselt veur vodden, vuil en vaal, — ons Dietsch?

Is de zot dan koning, de dwaze prins in den lande.

Dat men minacht des volkes taal, — ons Dietsch?

Graaft eenen put, o graven, om \'t Dietsch te smoren,

Versmoren zal u altemaal — ons Dietsch!

Lacht, spot, hoont; eens, ja, zal u Verworgen aan der schande paal — ons Dietsch!quot;

Vuur doorgloeide mij de borst — en, daar ik uit eerbied niet spreken dorst, — zuchtte ik: „Ware ik naast deze vlammen slechts eene vonk, — naast deze stammen slechts een tronk! — O ja, de kunst — is eene hemelgunst; — ik voel mij tot haren dienst geboren; — doch, velen zijn geroepen, en weinigen uitverkoren!quot; —

Maar de grijsaard \'), die mijn gelispel hoorde, — wederwoordde: „De kunst, mijn jonge vriend, wordt niet gegeven,

Dien schat moet elke mensch veur zich verwerven.

Hij vindt hem niet, die, stil te huis gebleven,

Verveerd was, door de woestenij te zwerven.

Wie lediglijk geleefd heeft, zal niet leven.

Wie stervend nog gestreefd heeft, zal niet sterven!quot;

l) De dichter Dautzenberg. Vtrz.

ocr page 185

173

Zijne tong was de stift, — die deze verzen in mijn hert heef1: gegrift; — als verterend vergift — woelde in mij eene wilde drift, — en ik juichte: —

„Vooruit, vooruit nu, het woord is gesproken, — vooruit! Des roemes machtige spoor heeft gestoken, — vooruit!

De zonne straalt: ik en blijve niet onder De tent des duisteren zwijgens verstoken, — vooruit!

Wees vrij, mijn geest, als het ros in der weide.

Du hebs den kluister des twijfels verbroken, — vooruit!

De lente is daar: in den herte des jonglings Is thans de roze der zangen ontloken, — vooruit!

Mijn lied ontvlamm\', dat de gensters der dichtkunst Niet blijven moedeloos smoken en rooken, — vooruit!

Vooruit, en verder! en immer vooruit, ja.

Ik heb het ooge der vreeze geloken. — Vooruit!quot;

Dan glimlachte de wijze — grijze — en zegde: „Du hebs het beste deel verkoren; — al het overige gaat verloren! — Waar is Salomo in der heerlijkheid zijner pracht — en der verveerlijkheid zijner macht? — Slechts de zang, waarin hij zijn hert omhoog liet, — zijn Hooglied — vervloog niet!quot; —

Hij sprak en drukte mij de hand, — en liet mij alleen met mijnen verstand\'. —

Dan zwierde ik den lossen vleugel, — en vierde ik mijnen rosse den teugel. — Rusteloos rende ik over helling — en delling; — over heiden en rotsen; — door weiden en bosschen; — van waar Hafiz zijn blijd lied zong, tot waar Ossians strijdlied klonk; — waar de vredevlag in pracht en prale pronkte, — waar het vuur der veete vunzig vonkte; — waar tranen vloeiden, hoofden zonken, — waar oogen gloeiden, lachjens blonken; — waar, in de armen des wijns verzonken, — werd geklonken , — geschonken, — gedronken; — waar liefde stoeide, groeide, — boeide, — bloeide; — waar wapengekletter, — trompettengeschetter, — muskettengeknetter, — geratel der trom, — kanonnengebom, — brand-

klokgebrom, — bulderde als dondergegrom. —......Ik verwijlde,

waar de westenwind suisde, waar de ziedende zee brullend bruiste; — waar de treurende tortel met stiller stemme steende, — waar de wasemende weide van weelde en wellust weende. —......Ik zag, hoe

bij den avondgroet des westens trans vergrauwde, — de leste glansen blauwden; hoe bij den morgengloed der sterren glans verflauwde ■— en het sterrenkransen dauwde. —......

ocr page 186

174

Zoo heb ik het land der Poözie doorkruist, — overal met den geeste gehuisd; — hier zwaaide men zegepalmen, — stegen wierookwalmen, — hoorde ik hoogtijdspsalmen — galmen; — daar klonk met somberder klem — de stem — van hem, — die vroeger riep: „Wee, wee Jerusalem! — Gij kendet den stond uwer bezoeking niet! — gij wederstondt de verzoeking niet — gij vreest uwer vaderen vervloeking niet!quot; — Kn, het hart — door smart — benard, — zong de bard; —

„Ontwaakt! ten einde is ons geduld, — Vlaanderen!

Boeien knellen, al zijn ze verguld, — Vlaanderen!

Gij waant u groot? Uwe dichters zuchten en vragen,

Hoe lang, hoe laag ge nog zinken zult, — Vlaanderen!

Gij waant u vrij! uwe eigene taal miskend,

Is dat niet den beker des smaads gevuld, — Vlaanderen?

De volkeren schudden het hoofd, zij schimpen: wie ligt daar

Vergeten, in lompen gehuld? — Vlaanderen!

Is dat het land, het graf der Fransche roovers,

Dat geene vreemde beheerschers duldt, — Vlaanderen?

Ach! hoe zijt gij gevallen in schande en rouwe.....

Gij hebt het gewild, het is uwe schuld, — Vlaanderen!quot;

Ik troostte mij met der spreuk: Het volk, dat dichters heeft, —leeft.— De poëzie verdwijnt — waar de vrijheid kwijnt; —in het niet verzinkt — een land, waar geen lied meer klinkt. —

En, mij keerende tot den zanger, — sprak ik: „Ween niet langer! — De toekomst is zwanger — van grootheid en roem; — de knop dei-hope wordt eene bloem! — De beschaving — leidt tot ontslaving; — maar geene tranen — zullen ons den weg banen; — werk -— alleen maakt sterk! — Vereenigen wij onze krachten, — wij brengen het zoo verre, als anderen het brachten; — men kan ons verachten, — niet versmachten ! Geene klachten: — gedachten! — Zwaaien wij de toorts - des vrijen woords. — Ten strijde, niet met staal, — maar met der taal! — Laat ons de laflfen — straffen, — de versmaders versmaden, — de verraders verraden, — en die ons verguizen — vergruizen! —

„Een goed schrift — is den vijande erger dan vergift, — en het licht, — dat hij zwicht, — treft zekerder dan de schicht. — Uwe eer — slaat hem ter neer; — uwe heerlijkheid — maakt zijne deerlijkheid; — uw glans — doorboort hem als eene lans; — hij buigt den hals onder den zwaarde •— uwer eigenwaarde!quot;

Ik zag in zijnen oogen het vuur hergloren; — hij riep: „Ik ben herboren! — du hebs mijne smerten gelenigd; — blijven immer onze

ocr page 187

175

herten vereenigd! — Wil het volk veur opperste den geest erkennen, — dan zal het zijnen waren meester kennen!quot; —

Toen ik dat woord — had gehoord, — trok ik voort — naar een ander oord. — Maar deze spreuk heb ik verborgen gespaard, — en met zorge bewaard; — terwijl ik de dichterijen — der dichte dichterrijen, — waarin men alle versmaat — versmaadt, — het onbekende veracht, — en malkanders ellende betracht, — heb versmeten — en vergeten. — Wanneer ik in der dichteren gaarde — waarde, — en er, wat mij scheen van waarde, — gaarde, — zag ik bloemen genoeg, rijk in geuren — en kleuren, — verven en tinten, — narcissen, jasminen, hyacinthen, — leliOn, reine — madelieven, kleine, — fulpen — tulpen, — blozende rozen, — verscholene violen, — dat ik disteltoppen — kon verschoppen. — Daar heb ik gepoogd te onderscheiden het echte — van het slechte; — den kunstenaar — van den knutselaar, — niet nemende onbeschaafdheid — veur begaafdheid, — gemaaktheid — veur volmaaktheid, — overdrevenheid — veur verhevenheid; — maar kennende de meeuw — aan haren gesclireeuw, en den nachtegaal — aan zijner zachte taal. —

Zoo gewon ik op mijnen reizen den gloed der vinding — en den moed der ondervinding: — beware mij God voor des overmoeds verblinding! —.....

Kn zoo er iemand verwonderd om mijn vers staat, — daar hij het bij den eersten opslage niet verstaat, — dat komt, omdat hij te verstaat. — Ik zeg hem: „kom wat dichter, — dan begrijps du den dichter, — lees, maar loop niet licht er over, — zoo straalt veur dij het licht er over! — Wil niet zonder bewijzen — verwijzen; — want, die mij aangrijpen, — omdat ze mij niet begrijpen, — zullen zich deerlijk vergrijpen!quot; — (Makamen en G hazel en: Proeven Oosterscher Jan Ferguul,

poëzie, bij IV. Rogghé te Gent). YJ. A. Van Droogenbroeck] (1834—).

ocr page 188

178

PROEF VAN TROUWE.

(1362).

De grauwbewolkte kimmen Verbleeken aan het oost;

De doffe nevels kleuren : De voorjaarsmorgen bloost.

En uit de dwaal van dampen Windt zich het stijgend licht,

En drijft haar voor zich henen,

En vaagt haar van \'t gezicht.

Rem revnderts sprong van \'t leger En zag ten venster uit:

„Dat spelt een schoonen morgen; „Nu vaar ik naar mijn bruid.

„Op, nella, zoete zuster!

„Schoon kind! het is reeds dag:

„Nu stuur ik naar den Horen \'), „Zoo snel ik varen mag.quot; —

De blonde nelle ontwaakte En bood hem goeden dag,

Maar smoorde een heimlijk zuchten, Toen zij hem vroolijk zag.

De kloeke Visscher schertste Bij d\' opgedragen brij;

Toch werd de blonde nelle Zoo lustig niet als hij.

„Och! ga niet thans naar \'t eiland, „Om wat u dierbaar is:

„Ik zag te nacht drie visschen

„(En levend!) — op den dischquot;\'). —

\') Thans Schermerhorn, in N.-Holland, vroeger aan een meer gelefjen. :) Nog wel bij \'l volk een voorteeken van naderenden dood.

ocr page 189

177

— „De deur was losgebleven : „Ik had te zwaar gestookt.

„Wis heeft het groene Meirwijf „Te nacht hier rondgespookt.quot; —

„De zon verdreef de wolkbank, „Die om de kimmen lag —

„Schoon kind! wat zoudt ge vreezen? „\'t Spelt al een blijden dag!quot; —

De kaan lag aan den oever, Het golfjen krulde om \'t riet.

— „Met d\' avond, liefste zuster! „Breng ik uw vrees tot niet.

„Met d\' avond, liefste zuster! „Dan keer ik, weltevree,

„En breng uw blonden lokken

„Een nieuwen tipdoek \') mee.quot; —

— „Wel over!quot; sprak ze zuchtend. En kuste hem den mond;

„Och! waart ge hier maar weder, „Hier weder — en gezond!quot; —

De kleene kaan stak wieglend Van wal bij d\' eersten stoot,

Totdat ze bij den tweeden Met vaart door \'t golfvlak schoot.

Zijn kloeke rechte voerde

Met kracht den taaien boom;

Zijn slinke wuifde een groete Van ver nog op den stroom.

Zij wuifde nog heur groeten,

Tot in de schemering

Der wijde waterverte De grauwe stip verging.

Toen poosde ze aan den oever Mn staarde naar \'t zuidoost,

En staarde naar den hemel.

Maar vond er luttel troost:

\') Ken hoofddoek, die met de tippen op de selioiulers liing.

M. en l.. LEOPOLD, Sleutel, II, 4e druk.

ocr page 190

I)aar rees aan \'t verre westen Een enkel wolkjen op ....

Maar straks een heir van wolken Met Week verlichten top;

\'t Verschiet zwijmde in den nevel,

Die omging langs de kim;

De glans der zonnestralen Verdoofde in flauw geglim.

En aan het verre westen

Ontrees een naar gerucht,

Als gonsde er \'t angstig stenen Der geesten van de lucht.

Ze huivert van ontzetting —

Ze gilt heur doodsangst uit:

Zij kent die holle stemme,

Zij weet, wat die beduidt!

Hoor . .. hoor! . . . het naakt ... het nadert . . .

Snel — hevig —• zwaar en luid En raatlend schiet de windvlaag Langs \'t effen golfbed uit.

De wilde geest der stormen Bruist in dat naar gehuil En roept de felle baren Van uit hun diepsten kuil;

En brullend stuiven ze opwaart,

De golven, wit van schuim —

En kokend is de bedding Van \'t loeiend waterruim.

De storm kreet langs de waatren ,

Luid brulde \'t wilde meir,

En raatlend gaf de donder Daar boven antwoord weer.

De zwarte wolken braakten Hun klettrend ingewand:

\'t Was donker aan den hemel,

\'t Was donker over \'t land.

ocr page 191

170

Maar, zette een blauwe vuurstraal Het luchtruim in den brand —

Dan zag men de arme nelle Gekromd op \'t dreunend zand;

Dan zag men de arme nelle

Van \'t wervlend schuim omspat:

Niet meer voor \'s broeders redding,

Maar voor zijn ziel ze bad. —

Het maanlicht goot zijn stralen

Op \'t Scharmeir-eiland uit.

Een maagd trad langs den oever:

Dat was rem ueynderts bruid.

Nog wierp de zware deining

De golven hoog opeen;

Van somberheid bevangen,

Ging zij langs d\' oever heen.

Maar eensklaps staat — en stokt ze.

Een marmerbeeld gelijk,

En stort ze, wild en gillend.

Op des beminden lijk.

\'t Was droef, haar sinds te aanschouwen:

In kermend rouwmisbaar Doordwaalde zij de velden Met losgereten hair.

Zij hield niet op van klagen.

Van klagen, lang en luid.

En kreet met wilde vlagen De pijn heurs harten uit. —

Zoo waren zeven maanden

In bangen rouw vergaan, —

Toen deed zij op den feestdag Weer kap en schoeisel aan,

Bond d\' opgestoken lokken

Den blanken hoofddoek om —

En nam in \'t buiig voorjaar Een nieuwen bruidegom. —

12f

ocr page 192

iso

In \'t Aeckerslooler stulpjen,

Gansch eenzaam en alleen,

Doorsleet de droeve nklle Meur dagen in geween.

De morgen vond haar treurend;

En als er de avond viel,

Dan ging zij naar den oever En bad voor \'s broeders ziel.

Tot na drie droeve maanden, —

Toen was beur rouw voorbij;

Toen sliep zij op het kerkhof En aan heurs broeders zij.

{A\'eniienierlcind: Balladen, bij IV j ■ Hof dijk. (1816—1888).

. van der Endt en Zn. te Maassluis).

POËZIE.

The use of a picturesque imagirmlion

is to brighten and adorn good sense. Waybin\'ton*s edition of Pope.

Prologue to the Satires.

Poëzie is ernst en waarheid, maar met bloemen rijk omkranst;

\'t Is de lichtstraal, die door \'t loover over \'t golvend water danst.

Ze is als \'t lieflijk heidebloempje, dat de dorre vlakte siert.

Als de leeuwrik, die, al kweelend, door de ruime luchten zwiert.

Ze is de weelde, waar in \'t boschje \'t nachtegalenlied van zingt.

Ze is als de onweerstaanbre warmte, die door alles henen dringt.

Ze is als \'t goud, waarmee de zonne \'t vluchtend wolkenheir verguldt. Ze is de hoop, waarmee \'t geloove zelfs het lijdend hart vervult. Mannenkracht en vrouwenzachtheid meng\'len haar verheven schoon In de ware dichterzangen, vol van leven, zacht van toon.

Zalig, die in blijden voorspoed en in tegenspoed en smart Voor de poüzie des levens nog een oog heeft en een hart.

Die de poëzie als waarheid, schoone, heil\'ge waarheid eert,

En die nooit tot holle klanken, leege woorden haar verneört.

Neen, zij is geen dwepend droomen der verwarde phantasie;

Rein gevoelen, helder denken, schoone vormen: deze drie Blijven steeds onmisb\'re merken van de ware poëzie.

De Tijdspiegel, bij D. A. \'Thie me IV. Mallinckrodt. (1844—).

te Amsterdavi).

ocr page 193

]S1

VOORBEREIDING.

Wilt ge een welig land bezaaien,

Zuiver \'t eerst van \'t wilde kruid;

Ruk de heesterwortels uit,

Om den korenoogst te maaien.

Zoeter is des bietjens zweet,

Als men eerst in alsem beet.

\'t Starrenlicht heeft schooner luister Na het bulderend geluid Van het regenbrengend Zuid;

Lucifer verjaagt het duister.

Eer de schoone Dageraad Heur gespan ter heirbaan laat.

Leer ook eerst het valsche kennen

En uw hals het juk ontwennen,

Daar gij aan gekluisterd zijt;

Dat ge dan met vrijer zinnen

\'t Ware goed moogt leeren minnen.

Van beneveling bevrijd.

[Dichtwerken, bij A. C. Kruseman IV. llihlerdijk. (175Ö—1831).

te Haarlem).

DE TORENBRAND.

Verstomm\', wie Giieksclie fabels zoekt

Kn voorliegt in zijn lied,

Als hem lt;le waarheid wondren boekt, 0[) eigen bouin gesellied.

— Tollens. —

I.

De zuster van den God der dagen,

] )e bleekc maan,

Had door heur glans het heir der starren Doen ondergaan.

ocr page 194

182

Kn statig schoot ;:ij zilvren glansen

Naar \'t aardrijk af,

Waarop een cloodsche stilte heerschte, Als in een graf.

Geen kerkuil deed zich krijschend hooren,

Geen nachtwacht riep;

Geen beekje, dat zijn golfjens roerde... De schepping sliep.

De schepping sliep: dat is te zeggen.

Zoo ver men ziet;

Want, wat er in de huizen omgaat. Dat raakt mij niet.

Maar eensklaps rees er langs de huizen

Een wolkjen op.

Dat zachtjes door den dampkring vlotte Naast Rombouts top;

Een mengeling van rook en dampen.

Die, naar men gist. De schoorsteenpijp was uitgebulderd Van een chemist.

En statig hing het boven Mechlen Op d\' aöm des winds, Dan weer omhoog, nu weer wat lager. Soms hier, dan ginds.

Het zwenkt en zwaait en rekt zich breeder

En rolt en tast,

En klampt op \'t eind in de uurwerkplaten Des torens vast.

Daar heft zich Rombouts trotsche toren.

Als Ida\'s top.

Door wolk en grauwen damp omgeven, Ten hemel op.

Daar rees hij statig in de hoogte,

Gelijk de piek Van TenerifF, de kruin omtulband,

Zooals een Griek.

ocr page 195

183

Maar Luna, denklijk moe geschilderd En lam gestaan,

Dacht, dat het zeker tijd moest wezen, Om heen te gaan.

Zij deed haar slaaprige oogen open,

Zoo wijd zij kon,

En riep, gestoord naar \'t oosten ziende:

„Waar blijft de zon?

,,\'t Moet toch omtrent vier uren wezen.quot; Nu zag zij ras

Naar Mechlens hoog gebouwden toren,

Hoe laat het was.

Want doorgaans nam zij hem te rade In zulk geval;

Maar zie, zij zag van plaat noch wijzer Al nietmetal.

„Wat drommel!quot; sprak zij, „wordt de wijzer „Al weer verguld?

„Och, zie! hij is in donkre neevlen En rook gehuld!

„Waar komt dat duister stoomgewemel „Op eens vandaan ?

„Wacht, \'k zal dien boel daar op het spoedigst „Eens klaren gaan.quot;

Zij was maar om het vreemd verschijnsel Niet in heur schik.

En zag van uit heur toppunt neder Met hellen blik,

Met wolkje, van dien glans doorbroken.

Eerst grauw als lood,

Had thans een kleur, om zoo te zeggen. Als vlammend rood.

Dit kleurde de eene zij des torens Met warmer licht.

En denklijk gaf dit van beneden Een vreemd gezicht.

ocr page 196

Een waker, die met stok en horen In straat en steeg

Op \'t branden paste en luistrend rondging, Of alles zweeg.

Had ook eens naar omhoog gekeken, Of \'t haast zou slaan,

En was op \'t onverwacht verschijnsel Wat blijven staan.

„Hoe!quot; riep hij, „zou de toren branden? „Ik zie toch rook!

„Er is wel iets, want gindsche schildwacht „Bemerkt het ook.

„Ja, ja, hij brandt, ik zie hem smoken, „Gelijk een schouw.

„Brand! brand! Op! burgers, haalt de spuiten „Brand! brand! gauw! gauw!quot;

„Sint-Rombouts toren staat op \'t vallen!

„Hulp! mensch en vrouw!

„Ter hulp met haken en met ladders!

„Brand! brand ! gauw! gauw!quot;

Hij blaasde vreeslijk op zijn\' horen Voor poort en gang.

De honden blaften, en nu werden De kinders bang.

Een schildwacht, die den wal bewaakte. Schreeuwde al zoo zeer.

En garnizoen en wacht en voorpost Kwam in \'t geweer.

\'t Geroep van brand klonk door de straten. Zoo naar als luid;

Het volk werd wakker, kwam aan \'t venster En keek eens uit.

Doch toen men hoorde, dat Sint-Rombout Was in gevaar.

Toen maakte men zoo spoedig mooglijk Ter hulp zich klaar.

ocr page 197

185

De buurvrouw maakt\' haar buurman wakker Door haar geraas;

De meiden gingen juffrouw wekken, De knecht zijn baas.

Geen mensch durfde in zijn woning blijven, \'t Kwam al te been,

En angstig stoof m* uit alle wijken Naar \'t kerkhof heen.

Daar stond het volk, opeengedrongen Gelijk het zand;

Daar schreeuwde \'t al uit duizend monden; „Ja, ja, hij brandt!

„Hij brandt, er is niet aan te twijflen, „Dat ziet men klaar!

„Maar wat toch staan wij hier te kijken „In zulk gevaar?

„Komt, breken wij den tempel open; „De nood wil spoed,

„Eer \'t vinnig vuur op onze daken „En panden woedt!

„Breekt op dan, dat wij blusschen kunnen, „Of \'t is te laat!

„Waar blijft de spuit? Waar zijn de heeren Van \'t magistraat?

„Waar blijven schout en burgemeester? „Die rijke lién

„Zijn voor het algemeen belangen „Schier nooit te zien.

„De stad zou zonder onzen toren „Niet veel meer zijn.

„Daar staan er zoo in heel de wereld „Geen half dozijn!quot;

Zoo riep het volk bij duizendtallen Straat in, straat uit;

Zoo liep het hier om haak en ladder,

Ginds om de spuit.

ocr page 198

186

Geen kleed, geen stand werd onderscheiden,

Geen rang af staat;

De schoorsteenveger stond te praten Met d\' advocaat.

Ginds tuurde een tachtigjarig vrouwtje Door \'t vensterglas;

\'t Scheen haar, dat Alva met de Geuzen Aan \'t vechten was.

Wat verder stak een grijze dichter Op \'t woest geluid

Zijn breed en diep gerimpeld voorhoofd Ten zolder uit.

„Zoosprak hij, „liep ook \'t volk in Troje „De straten rond,

„Wanneer die stad in laaie vlammen „Te flikkren stond.

„\'t Is, of \'t hier ergens ook mocht branden... „Bij god Jupijn!

„Dat moet ik zien, dat kan mij somtijds „Een studie zijn.

„O! dat zal wis poëtisch wezen,

„Een brand bij nacht!

„Ik had mij nimmer in mijn leven „Daaraan verwacht.quot;

Dra zat hij op den top zijns gevels,

De drift in \'t bloed,

De dichtgeest in zijn slaanden boezem.

De ziel in gloed.

„Daar,quot; riep hij \'): „\'k Vlieg uil mijne sluim\'ring Op vaders dak.

„O, spoei 11 voort, gij zoon van Venus,

„Sla op, en pak

I) Vopilcls Kneus, tweede bock.

ocr page 199

187

U weg. Dc vijand heeft de Vesten: „Het is gedaan

„Mei [Hum... „Buur Thijs, zie! ginder Komt Ajax aan.quot;

Wat deert u, dat ge een grijzen dichter Zoo laag bespot?

Ja, maar die vent was, per traditie. Ook stapelzot.

De dichters waren te allen tijde Hier toch miskend.

En nog ontvangen zij in Brabant Zulk compliment.

Het zij, zoo \'t wil: waar wetenschappen En kunsten vliên.

Heeft altoos \'t volk geleerde mannen Voor gek aanzien.

Om voort te gaan, de burgers waren Nu fel aan \'t werk.

En aller bijstand werd gevorderd Voor Rombouts kerk.

II.

Nu trok men de spuiten Met woede naar buiten Uit pakhuis en poort;

Nu kwamen soldaten Met waschkuip en vaten, Met ladders en koord;

Nu drongen de gilden Met kruisboog en schilden Al schreeuwende voort;

De brandklokken klepten De juffrouwen schepten Met emmer en kop;

ocr page 200

188

De iicichtwachten joegen Het volk uit de kroegen Naar draagvat en tob.

De monniken pompten,

Kn de overheên stompten De burgers voorop.

Nu smeet men uitzinnig,

En driftig en vinnig Het nat door de lucht,

Om \'t brandpunt te raken: — Nu dropen de daken

Van \'t neerstuivend vocht.

Men waadde door \'t water Met plassend geklater,

Tot over de kniên;

Doch, hoe zij ook spoten Uit zolder en goten.

Om \'t branden te stuiten,

Het vuur bleef aan \'t muiten En liet zich hoe langer, hoe gloeiender zien.

Nooit heeft het eenig mensch gedacht, Wat er tot blusschen in dien nacht Door arm en rijk werd aangebracht;

Nooit heb \'k zoo iets gelezen ... Wel hem! die toen te slapen lag,

Die niets van zulke omwending zag; Zoo aaklig kan \'t in d\' oordeelsdag,

Maar akeliger toch niet wezen;

Want fakkelrook,

En pektonsmook,

En zwavelstank.

En emrenklank,

En vrouwengejank, En kindergegrijs, En wagengekrijsch,

En uilengekras.

En hondengebas,

ocr page 201

189

En watergeklas,

En hevig getrom, En klokkengebrom Omringden, verzelden de blusschende scharen. Het water spoot Van dak en goot;

Men kon gemaklijk met een boot Door al de straten varen.

Maar afgemat En druipend nat Van \'t heen en weder loopen Met pot en pan,

Met kop en kan,

Met holle en volle stoopen;

Maar lam en voos En krachteloos Van \'t draven en van \'t drillen,

Wilde in het end Noch wijf, noch vent Een enkle kruik meer tillen.

En moede en lam.

En stijf en stram In armen en in handen.

Sloop vriend en buur Langs hoek en muur En lieten \'t klokhuis branden.

Och! riep men uit,

Hoe meer men spuit,

Hoe meer hij steeds blijft rooken:

Daar, kijkt eens wèl,

\'t Is, of de hel Den brand hadde aangestoken.

Ik ga naar huis;

Hij valle in gruis,

Als \'t Gode moet behagen.

\'k Heb kind en wijf,

Ik mag mijn lijf Zoo roekeloos niet wagen.

ocr page 202

190

Maar zie! een gast,

Ken rare kwast,

Dien vuur noch water schrikte.

Brak eensklaps door Een wolk van smoor,

Waarin hij haast verstikte.

,,Ik zal,quot; riep hij De burgerij Met heesche woorden tegen,

„\'k Zal langs de trap „Het vuur eens rap „Den toren uit gaan vegen.quot;

En ieder stond stom op den moed van den gast,

Die ras voor het oog was verdwenen ;

In afwachting werd er geen drop meer geklast;

Men zag naar den torentop henen.

En dra stak de knaap tusschen neevlen en domp

Zijn kop uit den toren naar buiten:

„Houdt,quot; riep hij, „houdt op met dat hevig gepomp,

„Vermoeit u niet langer met spuiten!

„Ik riek hier, ik zie hier geen sporen van vuur;

„Wis, dat u de maan heeft bedrogen!

„Komt op maar, komt, voelt maar aan stijl en aan muur, „\'k Verkoop u, \'k vertel u geen logen.quot;

Wel hemeltje! riep men, waarachtig, \'t is waar! \'t Is niets dan het maanlicht, nu ziet men het klaar! Een wolkje, dat zeker aan de ijzeren randen

Van \'t uurwerk zich vasthield, verlicht door de maan, Scheen net van omlaag, of de toren moest branden. Wie kan het gelooven, wat vangt me al niet aan! Hoe zal men dit grapjen in Brabant verstaan ?

Wis zal dit den spotlust van sommigen wekken.

En \'t is ook een zaak, om eens braaf mee te gekken! Zoo iets heeft er nooit in de wereld bestaan:

Ha! ha! ha! wij bluschten de maan.

Nu wrong men het water uit broek en uit buis.

Elk trok naar zijn huis.

Beschaamd voor de daad, die zij plogen:

De maan had hen allen bedrogen.

ocr page 203

1!)1

Voorzichtigheidshalven is, kort na dien stond,

Een man op den toren gaan waken;

Bij middernacht staart hij en zoekt in het rond, En, blikkert het maantjen op toren en daken. En ziet hij, of hoort hij de burgers ontwaken, Dan doet hij hun ras door zijn horen verstaan: ,,\'t Is niets! \'t Is de maan!quot;

{Volledige werken, bij J. P. Van Dieren Th. van Rijsiuijck. CiSu

te Ant-Merpenquot;).

UIT MIJN DAGBOEK.

Daar zijn in \'t leven van die vriendelijke dagen,

Die ons de koude borst verwarmen door hun gloed. Den hemel brengen in het zoekende gemoed,

Die allen twijfel, alle donkerheid verjagen,

Die ons verjongen, ons vervoeren van genot. Den sluimerenden droom des harten doen ontwaken, Ons nader voeren tot geloof en hope en God En bijna weer tot kindren maken;

Wanneer geen wanklank in ons hart dringt of ons huis Ons oog alleenig rust op troostende aangezichten, Als heldre blikken ons in de eenzaamheid verlichten, Als \'t kind de woning vult met feestelijk gedruisch. Als we in de buitenlucht eens zuiver ademhalen. En wandelen in geur en kleur, in lucht en lied. Als we in de zoete scheemring dwalen.

En de armen strekken naar een beeld, dat niemand ziet!

O buiten, buiten gaat mijn hart zoo heerlijk open

En geurt en bloeit en zingt met bloemenhof en woud: Ik ben gelukkig als een kind en dwaas en stout, Ik durf weer veilig van het leven alles hopen!

Het morgenkoeltje waait mijn opgeruimden geest Zoo vroolijk wakker met de bloemen in de dalen!

Mij kwelt een kwaal, die slechts van rozengeur geneest Een heimwee naar de lucht en zuivre zonnestralen!

O buiten ken ik van die dagen, die zoo zacht Voorbij mijn dankend oog en koeler voorhoofd zweven, Als stemmen uit dien oord, waar onze dopden leven,

ocr page 204

Die om ons fluistren in het heilig uur der nacht,

Dat ik geen wrevel in mijn hart meer kan bewaren,

Dat ik mijn vijand — vriend en broeder noemen zou;

Dat ieder blaadje ruischt, als de Evangeliebldren Van Gods belofte en liefde-trouw!

Daar gaat mijn eenzaam pad langs zegenruischend koren,

Muziek stijgt uit het dal, muziek van golvend graan:

De koeltjes keuvlen en de vogelkoren slaan ....

\'t Gegons der wereld is verbannen uit mijne ooren.

Daar rust ik op het mos, het bruidsbed der natuur,

Aan mijner heuvlen voet zoo zalig en tevreden.

Als in het vleiend avonduur Een jonge bruigom aan den voet der aangebeden\'!

Ik zwerf door \'t woud, gelijk een sombre kluizenaar.

En — als \'t raij soms verveelt al zwijgend rond te dwalen — Dan, of een zoete stem mijn klanken mocht herhalen.

Noem ik een dierbren naam, op mijn verliefde snaar;

Of wel, ik troost mij met mijn liefelijk verleden.

Die bleeke schoone, die ons altijd volgt en mint,

Die mij herinnert al mijn moeders teederheden En menig dierbre smart en jonggestorven kind!

Ik voel mij veilig in de lommer mijner linden,

Als in een tempel Gods; \'t is of mijn rustloos hoofd Eerbiediger zich buigt, mijn ziele meer gelooft. .. .

\'k Zou graag op eenzaam mos een rustig sterfbed vinden!

Ik schep daar levenslust, en kalme stervensmoed Daalt neder in mijn borst; met zonde en smart beladen,

Vlucht ik naar buiten en — voor mijn verdoolden voet Strooit God zijn woord, zijn troost, in bloemen op mijn paden!

Dan rust mijn blik zoo kalm op \'t leven, dat ik min.

Als op de kleuren, op het landschap voor mijn oogen,

En — moedig, als \'t geloof staart in de hemelbogen.

Staar ik de toekomst van mijn jeugdig leven in.

En aan den avond van die dagen rijst mijn bede

Tot Hem, die iets van \'t zoet der heem\'len mij vertrouwt:

„Hetzij ik leef, hetzij ik sterf, — ik ga in vrede.

Ik heb Uw zaligheid aanschouwd!quot;

{Dichtwerken, bij Gebr. Kraay J\'. A. Je Génestet. (1829—1861).

ie Amsterdam).

ocr page 205

19,3

LOVERKENS.

M I D D E L N E D E R L A N D S C H F, LIEDEREN.

EN IC MOET ALTOOS BLIVEN OUT.

Hoe stont het wide, wilde wout in loverkens so groen en stout! hoe loeghen al de bloemekijn so minlic bi het sonneschijn!

en éne nacht, het is ghedaen, éen rijm, en alles is vergaen.

Toch comt de lieve meientijt,

die alles wederom verblijt. de voghelkens met soet gheschal, die singhen over berch en dal,

en al de bloemkens waken op en strecken uut haer arm en cop.

Ic was so jonc, een bloejent rijs, nu ben ic out, mijn hooft is grijs, gheen lentelust int herte mijn,

voor mi salt altoos winter sijn. den mei maect jonc het velt en wout, en ic moet altoos bliven out.

SINT JANS GHELEIDE \').

lieden sijn wi noch int lant, morghen aen den noortseecant, en wi moeten varen, varen door de groenen baren.

Onse schip is sterc en vast van den kiel tot acn den mast.

\') Het was een oud gebruik, iemand, clie vertrok, St. Jans gheleide of St. Geerten minne toe te drinken, St. Geertruid en St. Jan waren beschermheiligen van de reizigers. M. en L. LEOPOLD, Sleutel, 11, 4e druk. 13

ocr page 206

104

cn het sal ons draghen, draghen, ooc bi storm en vlaghen.

Darom drijft toch ghenen rouw, lieven vriende, kint en vrouw!

laet ons vrolic scheiden, scheiden ! God sal ons gheleiden.

Drinct ter eer van sinte Jan, dat hi goede vaert ons an \')!

altoos naer en verre, verre si hi onsen sterre!

MIJN HOPPELKEN 2).

So gheschiede dan, wat ic nie ghedocht; och, ons hoppelken, och, het is vercocht!

Gae ic naer den stal, hebbic maer verdriet, want mijn hoppelken sie en vindic niet.

Gae ic door het velt, ben ic stil en loor3), dat iet hoppelken niewers sie of hoor.

Twas die beste coe, welc ic ie ghesach! om mijn hoppelken groon 4) ic nacht en dach.

Vrolic wordic nie, nie ter werelt meer, crijghict hoppelken, crijghic het niet weer!

STIL ENDE VREDSAEM 1ST GHEHUCHT.

Stil ende vredsaem ist ghehucht, tsoeset sachtelic die lucht,

coelen dau daelt op den rosch \'), loofstil wordt het door het bosch.

\') Gunne. 2j Bonte koe. Mismoedig. \'\') Zucht, ween.

5) Grasplein, weide.

ocr page 207

105

Welcom, vrede, welcom, rust! sus, mijn hert! nu alles sust. davontsterre van hemel lacht, ii ooc wenscht si goeden nacht.

DAER STA ET EEN BLOEMKEN IN GHENEN DAL.

Daer staet een bloemken in ghenen dal,

dat bloemken wil ic u schenken,

ende als ic ver van u wesen sal,

dan suit ghi noch mijns ghedencken.

So dicmael als ghi dat bloemken siet,

so sal het spreken beghinnen:

vergheet mijn niet! vergheet mijn niet!

ic sal u altijt minnen.

{Loverkens en Nieuwe Lover kens, in de Ilorae Hoffmann

Belgicae bij Carl Rumpler te Hannover}, von Fallersleben. (1798 — 1874).

KEN VOGHËLKEN ENDE EEN BLOEMEKEN.

Van veil ende winghert ondersteunt. Tegen den bergh een hutteken leunt, Ende veuren Aen der deuren Hanght aen hechter kempen tou \')

Eene clene voghelcou.

Dichte daerbi een pot jasmijn Cieret dat heldere vensterkijn;

Door die ruten Clinct naer buten Uter stillen leemen woon Eene stemme frisch ende schoon.

\') Henniptomv.

\'3*

ocr page 208

196

Wie die blocme quecct ende hoedt, Wie dien vine versorgt ende voedt, Wie so rustich Ende lustich Biden wereke singhen can,

Die en is gheen slechte man.

d.

DE BERGHWERKER.

Diep in der aerde gheheimen schoot Hamert ende beitelt de cnape,

Opdatti silver ochte loot Den meestere samenschrape.

Dat lampkijn werpet door die mijn Een naer ende doodsch ghefloncker. Terwijl een heldere morgenschijn Opclaret sijns herten doncker.

Hi peinset aen smeesters bloeijende kint. Hi dencket dier schoone maghet,

Die hi so tederlicken bemint,

Die hem so wale behaghet.

Ende waer die clocke ter kereken luudt, Dicht bider groenen linde,

Daer biddet in anxten die jonghe bruut Veur heuren troubeminde.

Dies duncket hem der aerde schoot Verwandelt in bloemighe dreven.

Dies sietti met gout ende roosenroot Omgheven sijn jeughdich leven.

Daer schieten op eens uten diepen gront Der wateren woeste golven — Die hebben dat blide herte terstont Met al sire hope bedolven.

ocr page 209

li)7

TAFEREELTJENS.

I.

In eener earner arm ende cout,

In rouwe ghecleet eene moeder sit;

Tot haren kinde si nederschout,

Dat halfwech opent sijn ooghenlit.

Al isset ghedect in haren sdioot,

Sijne wanghen verliesen heur roosenroot.

Isset wichteken levent of isset doot?

Dat moederhert clopt traeg ende bangh,

Die smerte die hevet heel vervolt,

Ende langhsaem langhs die bleecke wangh

Een enkele tranenperel rolt.

Die perel blincket als smeecghebet

Tot Hem, die ghenen worm en verplet,

Maer weeu ende weese minsaem redt.

II.

Sacht deur een camervensterkijn Die morghenstrael der sonne schiet,

Ende met teder guldenen schijn Een biesen wieghsken overghiet,

Waerin een meideken lief als een enghel Ende slanc als een jeughdighe bloemenstenghel Hiauooghigh, vroom ende schoon besielt Ten dancghebede nedercnielt.

Dicht bider wieghe de moeder staet.

Ooghen ende handen ten hemel ghericht. Si draegbt een vleckenloos morghenghewaet, Ende leeret bidden dat bloeijende wicht. Een milde sweem van hemelschen seghen Is over die salighen nederghesteghen.

So een eenvoudigh huuselic beelt Heeft menighen twijfel des herten gheheelt.

ocr page 210

11)8

III.

Wel blide singhet die leeweric

Die swalem singht wel soete,

Die ploegher heffet den claren blic Ten dancbren morghengroete.

Die sonne schiet deurt hetnelblau

Heure joncxste lentestralen,

Si flickert ende blickert in den dau Ende wecket de lelie der dalen.

Si wecket ooc menighe weidenblom

Al uten winterslape,

Si roepet tot Codes heiligdom Dat meisken ende den cnape.

Die vlieghen vrolic over dat velt,

Die ijlen ten cnoppenden bossche. Die bidden waer alles den Schepper vermeit, Ghecnielt op fluweelen mosse.

\') Waarom.

SED1CHIET ENDE LED1CHE1T

Daer quam eens deur dat velt ghegaen

Een oude, vrolicke droomer.

Hi sach dat graen al gulden staen. Het was wel in den somer.

Veel airen boghen loch ende swaer

Ter aerde metten stenghel,

Anderen schoten hoogh ende claer Boven dat airenghemenghel.

De droomer en was voorwaer niet dom:

Hi woogh dat logghe coren,

Ende twi \') dat andere hoogher clom. Dat wisti op te sporen:

ocr page 211

199

„Alt leeglie groeit in ijdelheit,

Wat ijdel is, is ledich,

Die conde, deughet ende beleit Sijn nederich ende sedich.

Dat ghesonde verstant, dat sware graen

En houden niet van pralen,

Terwile die leecheit ende die waen

In allen landen stralen.quot;

{Verspreide en Nagelaten Gedichten bij J. M, Dautzenberg. (1808—1869).

/•\'rans de Cart te Brussel).

DE VRIENDEN VAN DEN DOODE.

Ze hadden den vriend naar het kerkhof gebracht

En keerden nu samen nnar huis.

„Die is er geweest weer!quot; heeft de eerste gezegd;

De tweede: „\'t Is uit met zijn kruis!quot;

De derde zei: „\'t Is toch een treurig geval,

Verliest men zoo vroeg reeds den vrind!quot;

De vierde; „Ach, wat mis ik een makker in hem.

Gelijk ik er nooit weer een vind.quot;

De vijfde: „\'t Blijft altijd een troost voor het hart:

Hierboven zien wij hem weerom.quot;

De zesde alleen zweeg met een traan in het oog .... Waarachtige droefheid maakt stom.

{Gezamenlijke Gedichten en Rijtnen, bij J. J. A. Goevernevr. (1S09—1889).

J. B. VVolters te Groningen).

SPREEKWOORDJES.

Dorst maakt van de frissche stroomen, Die den wandlaar doen bekomen Van de hitte van zijn pad.

Meer dan kostlijk druivennat; Honger stooft de rauwste bldren.

Harde boonen maakt hij zoet;

Slaap schudt veeren van de varen, En maakt nacht van middaggloed;

ocr page 212

200

Zuinigheid maakt eerlijke armen,

Arbeid alle menschen rijk;

Mededoogen en erbarmen

Maakt het schepsel God gelijk.

Kleine handen, reine tanden Maken alle meisjes mooi;

Liefde tooit de barste stranden,

Maakt een hemel van een kooi;

Witte dassen, witte haren ,

Pruikjes maken dominees Van wie vroeger losser waren

Dan studenten op een sjees;

Geld maakt uil en aap en ezel

Burgemeester, man van staat;

Wijn maakt d\' allerfijnsten kwezel

Tot een wakkren kameraad;

Zoute scherts maakt flauwe spijzen

Hartig, water-wijntjes fijn;

Eetlust, kippen tot patrijzen.

En „een broodjequot; tot festijn;

Gouden knoopen, modekleeren

Maken mof en intrigant Vette hanzen, groote heeren;

Twintig leugentjes — een krant.

Van gebrek aan krakelingen

Maakt u de angst een hongersnood;

Praatjes maken menschen dood.

Die nog vrij door \'t leven springen;

Onbeschaamheid maakt een nul Nommer-één in \'t wereldspul;

Lucht maakt kranken tot gezonden;

Educatie maakt de honden,

De aapjes in de kermistent.

Bijna menschen van talent;

Onze tijd maakt diplomaten,

Philosofen, democraten,

Van mijn kruier en mijn „Janquot;; —

Maar geen kist vol ridderstarren Maakt van vijf en twintig narren Ooit één knap, verstandig man.

{Dichtwerken, bij Gebr. Kraay p. A. de Génestct. (1829—1861).

te Amsterdam).

ocr page 213

201

MINERVA.

Toen eertijds vader Jupiter

Aan zijnen lijfarts klaagde,

Uat hem een catarrhale stof

Of rheumalismus plaagde, —

Althans een duldclooze pijn

Door hoofd en hersens woelde.

Zoodat hij zich maar gansch niet wel

Ja, bijna gek gevoelde: —

Toen werd hem poeier, drank noch pil

Noch lating voorgeschreven,

Maar men besloot: (in onzen tijd

Zou \'t een patient doen beven,

En als het niet geschreven stond

Zoude ik het niet gelooven)

Maar men besloot na rijp beraad,

Jupijn den kop te klooven.

Dat middel zou probatum zijn,

Het moest de pijn verlichten.

Dan wie, — dit bleef de groote vraag, —

Wie zou die kuur verrichten?

De hoofden toch van groote lui —

Men was toen nog niet wijzer —

Zijn meestal zeer onhandelbaar

Rn harder nog dan ijzer;

Het gild althans had weinig zin

In zulk eene operatie,

Totdat men, na veel overleg

En menig consultatie,

Op het natuurlijk denkbeeld kwam,

Vulkaan eens te doen halen;

Die was, dacht men, zulk werk gewoon.

En de uitkomst kon niet falen. —

\'t Was zoo gezegd en zoo gedaan;

Met d\' ijslijk grooten hamer

Voorzien, trad onze zwarte smid

Nu in de ziekenkamer;

En met één slag — dat mocht met recht

Eene operatie heeten —

ocr page 214

202

Zag men knaphandig \'t achtbaar hoofd Des Dondergods gespleten. —

Die slag — het wondervreemd geval Staat accuraat beschreven,

Hesiodus vertelt het zelf —

Schonk aan minerva \'t leven;

En nauwlijks was dat lieve kind Uit \'s vaders brein geslopen,

Of van de ziekte lag voor elk De causa movens open:

De wijsheid zelve was de kwaal,

Die \'t vorstlijk hoofd doorknaagde.

Hem dag en nacht geen ruste liet En allergruwlijkst plaagde.

Sinds zegt men — of het waarheid zij,

Durf ik hier niet beslissen —

Dat velen zonder hoofdpijn zijn En zulk een plaagster missen:

Dat and\'ren, die men wijzen noemt,

Verschrikkiijk soms souffreeren En vruchtloos zoeken naar een smid.

Die hen kan opcrecren.

\'t Is mooglijk: — koning Salomo Deed in zijn tijd reeds hooren,

Dat uit veel wijsheid veel verdriet Voor menschen wordt geboren.

Daarom maakt thans de kunst al vroeg Der kindren kopjes open,

En — is de wijsheid, eer men \'t denkt.

Aan \'t jeugdig brein ontslopen. —

{losse bladen uit mijne Portefeuille bij A. Modderman. (1793—1 ^71 )■

J. B. Wolters ie Groningen).

HET GRAF MIJNER MOEDER.

Al is in mij geen sprank van \'s dichters vuur meer over.

Al is mij alle hoop op aardsch genot ontvlucht,

Al is mijn hart verdord als afgevallen loover.

En mijn vermoeide borst in weedom afgezucht,

ocr page 215

203

Al heb ik u sinds lang met treurig floers omhangen,

Nog eenmaal, dierbre Harp! verlang ik naar uw toon, Gelijk de rouw verlangt naar tranen op de wangen .

Gelijk naar moedertroost een moederlooze zoon!

De Schepper wist een heil bij elke ramp te stichten:

De haagdoorn draagt de roos, de bergrots heeft de bron, De nacht praalt met een kleed van glinsterende lichten, En ieder blad des wouds biedt schaduw voor de zon. De storm, die ceders velt, jaagt misten heen en dampen,

De schrikba^ oceaan bergt schatten boven maat, — En \'t menschdom, samenhang van boosheid en van rampen.

Heeft als een zegening de moeder tot sieraad! De moeder! O dit woord viel uit den mond der engelen

Voorzeker op de tong van d\' eersten sterveling,

Toen hij in éénen klank, in éénen galm wou mengelen

Al \'t edelst, dat uit God in schepslen overging:

De zachte lijdzaamheid, \'t verheven zelfverachten, De balsemende troost in rouw en bange smart,

De liefde in al haar schoon, de liefde in al haar krachten,

En, wat geen tong ooit meldt: het moederlijke hart! Een hart, dat, als een vat vol heiige wondergaven,

Den omtrek zalig maakt, waarin \'t zijn geuren brengt, Dat , nimmer uitgeput, hoe veel er zich aan laven.

Nog altijd voller wordt, hoe meer \'t zijn schatten plengt! En zoo, zoo was heur hart in al zijn teeder pogen;

Wanneer zij nederzat bij haar zoo talrijk kroost.

Sprak zij tot ieder oog de zachte taal der oogen,

En ieder had haar zorg, en ieder had haar troost. Aandoenlijk was \'t tooneel van haar veelvuldig streven:

Eén zuigling aan de borst, éen spelend op haar schoot, Eén kwijnend in de wieg, met angst in slaap gedreven.

Terwijl ze aan andren nog haar gulden lessen bood! Zij mochten éen voor éen om hare gunst verlangen.

Of komen al te zaam en hangen aan haar zij;

De kring in \'t algemeen had gansch haar hart ontvangen,

En nog dacht iedereen: „de voorrang is aan mij!quot;

Haar ziel was als de zon, die op de blaadren wiegelt. Die tevens op heel \'t veld en op elk bloempje lacht, Die zich in d\' oceaan en in het dropje spiegelt Met even vollen glans en even volle kracht.

ocr page 216

204

O moeder, die zoolang deze aard\' mij hebt verhemeld!

Wanneer de weedom mij met looden handen drukt,

Ontwaar ik soms uw beeld, dat voor mijne oogen wemelt.

Terwijl het hangend hoofd mij op den boezem bukt.

En, als ik eenzaam dan door veld en wouden dwale.

En, als een zachte wind dan in mijn haren speelt,

Zeg, zweeft gij in de lucht, waarin ik ademhale.

En is die wind uw ziel, die mij het voorhoofd streelt?

Of, als ik soms des nachts, om weer aan u te denken.

De legerspond verlaat en \'t firmament betracht.

Zeg, leeft gij in die ster, die mij schijnt toe te wenken,

F,n is dit licht uw oog, dat mij dan tegenlacht?

(Gedichten, bij I. S. van Doosselaeve K. L. Ledeganck. (1805—1847).

te Cent).

DE GETROUWE HAGEDIS,

Gelukkig is zij, die hier leeft

Van zorgen en gevaar bevrijd En altijd eene schildwacht heeft;

Want zelden leeft men zonder strijd. En ongeval en harteleed Genaakt den mensch, ook eer men \'t weet.

Twee jonge maagden waren uit-

Gegaan, in \'t krieken van den dag.

Daar niemand hek noch draaiboom sluit.

Het Gooi voor ieder open lag,

Natuur haar keur van bloemen mild Alszins te plukken gaf in \'t wild.

De lentezon bescheen het groen Met puik van stralen overal, Het landschap stond in zijn seizoen.

De bijen zogen berg en dal Van honig ledig te gelijk.

En alle honigkorven rijk.

ocr page 217

205

De maagden, op een heuvelkijn Gelegen en van plukken moe,

Beschut met loof voor zonneschijn En zon, haar oogen loken toe,

En sliepen zoo gerust in \'t gras.

Alsof de slaap haar hart genas.

Maar midden onder \'t slapen kwam

Een adder uit haar duister hol Gekropen langs een eikestam;

Zij glom om haren hals, en zwol Allengs van boosheid in den dag.

Toen zij de zusters liggen zag.

Dit merkte een wakkre Hagedis,

Die vrouw Natuur in stilheid dient.

Den mensch bemint en gunstig is

En gadeslaat en houdt te vriend;

Hoe was dit lieve dier zoo bang!

Zij kroop verbaasd op hals en wang.

Zij streek ze en wekte ze op het lest

Met strijken, juist alsof ze riep:

„Waakt op! waakt op! ontvlucht deez\' pest!quot;

Het paar ontwaakte en zag en liep.

En strooide in \'t loopen voor gevaar Den schoot met bloemen hier en daar.

Nu twijfel ik niet langer, of

Het een of \'t ander stomme dier Bewaakt de onnoozlen, en haar lof

Behoeft noch handbus, noch rapier.

Al schiet een adder gif en gal :

De deugd is veilig overal.

(Dic/Uwtrken, bij Gebr, Binger J, Van den Vondel. (15^7—1669).

te Amsterdam).

ocr page 218

20Ö

DE OUDE SCHIPPER.

Hij kruiste vijftig jaar op zee

De wereld om en rond,

Nu lag hij oud en krachtloos neer In \'t stulpje, dat bij \'t woelig meer In \'t zicht der golven stond.

Daar hoorde hij het windgegons.

Dat door den schoorsteen joeg.

Daar zag hij uit het klein vertrek Nog eens naar de onafzienbre plek. Die forsch haar golven sloeg.

„Ach!quot; sprak hij tot zijn trouwen maat

En reikte hem de hand:

„Ik hijg naar lucht, mijn adem stuit! „Kom, hef mij \'t muflfe leger uit „En breng mij op het strand.....

„Verfrisch\' de zeewind mij nog eens,

„Help mij den heuvel op; „Het waterkoeltje doet mij wel, „Kom, breng mij, trouwe bootsgezel, „Nog eens bij \'t stuivend sop!

„Neen! weiger dit mijn aanzoek niet,

„Mijn leven reikt naar \'t graf;

„Hoor, hoe de stormwind loeit en woedt! „Het tochtje koel\' mij \'t ziedend bloed: „Ach! help mij \'t leger af!

Nu zat hij op de hooge rots En admde zacht en ruim;

De rukvlaag dreef zijn lokken om, De orkaan stak op, de golfslag klom En smeet met kokend schuim.

ocr page 219

207

Mij wierp den laatsten straal der zon

Ken schampren glimlach toe,

Zag in de verte een ranke schuit, Het woón des elements ten buit, En snikte droef te moC:

„Ginds slaapt mijn vader, ginds, in zee,

„Mijn broeder ligt er bij,

„Mijn zoon is in den vloed vergaan; „Zij rusten in den Oceaan, —

„Hadde ik een graf als zij!quot;

En wagglend richtte hij zich op, Als waar\' hij weer aan boord; Als hing hij in het zwierend want. Het kijkglas in de vaste hand.

Gericht naar \'t blauwend oord.

Hij spiedde, waar zijn vader sliep.

En waar zijn broeder was.

En waar zijn zoontje was vergaan .... Nu hief de rukwind feller aan.

En wilder sloeg de plas.

Hij draaide en viel, en plofte in \'t nat.

En dreef met stroom en tij,

En zonk getroost naar \'s afgronds diep.

Waar vader, broer en zoontje sliep,

En had een graf als zij!

{Volledige werken, hij J. van Dieren Th. van Kijswijck. (l8tl—1Ü49

te Antwerfeii),

MODERNE POËTRIJE.

Een klinkdicht, ja! dat wil ik eens probeeren . . . ■ \'t Is wel een sjouw, zoo viermaal \'tzelfde rijm! En dat nog wel op dat ellendige „ij mquot;;

Maar \'k heb den tijd, en \'k wil en zal het leeren,

ocr page 220

2(18

Dat \'s een couplet! Het zal wel rettsseeren.

Maar kieze ik nu, eer ik soms verder lijm,

Een onderwerp... Tsa, Muze! ik bezwijm En weet niet, waar ik \'t eerste mij zal keeren!

Een rijkdom van gedachten lacht mij aan :

Wien voegt het meest de hulde mijner noten?

De Roos? De Herfst? Maria, of de Maan?

Een min-begaafde hadd\' al lang besloten.

\'t Wordt toch hoog tijd, zoo \'t ergens op wil slaan ...

Neen, \'t hoeft niet meer: \'t ding staat al op zijn pooten!

{Dichtwerken, bij A. IK Sythoff J. J. /„ ten Kate. (1818—iSSgV

te Leiden).

DE VROUWEN VAN WIJNSBERG.

Wie zegt mij best, waar Wijnsberg ligt?

Het is een stad met eeren;

Zij is door Noach zelv\' gesticht.

Daar woont zoo menig lief gezicht,

Zoo menig brave Deeren! —

Indien ik van mijn leven trouw. Uit Wijnsberg neem ik vast een vrouw.

De keizer Koenraad (lang geleón!)

Was op die stad gebeten.

Hij bracht een leger op de been. En stommelde om heur muren heen,

Alsof hij ze op wou vreten.

Toen plantte hij zijn grof geschut En schoot de halve stad tot grut.

En, als het steedjen weerstand bood,

Toen zond hij zijn Trompetter, Die dreigde \'t alles met den dood. Wat leven in de vest genoot, En bulderde als een ketter;

„Weet, Schurken, kom ik in den wal, Dat ik u allen hangen zal.quot;

ocr page 221

209

Zoo haast de Burger dat verstond,

Gaf elk den moed verloren.

Men zag verwilderd in het rond En bibberde als een juffershond,

Te halver lijf geschoren.

Het brood was duur in dezen staat,

Maar nog veel duurder: goede raad.

„O weh mir, weh mir!quot; riep het al.

„O Mise — miserere!

„Es ahnet mir ein Todesfall!

(Die treurtoon klonk door vest en wal)

„Dass ich nur draussen ware!quot; —

„O weh mir! (klonk de neventoon)

„Es juckt mir an der Kehle schon.quot;

Doch, als de nood ten hoogsten graad

Van \'t onheil is geklommen.

Dan is het somtijds vrouwenraad,

Die redding uitdenkt voor het kwaad,

Daar mannen bij verstommen. —

Want vrouwenlist, zoo \'t spreekwoord zeit,

Gaat boven alle listigheid.

Een wijfjen als eene Engelin,

Gehuwd sinds twee paar dagen,

Schoot straks een inval in den zin,

(De vrucht van brave huwlijkstnin)

Die ieder moest behagen,

En daar ge, hebt ge slechts geduld.

Om lachen of bij huilen zult.

In \'t midden van den hollen nacht

Trok daar eene Ambassade Van schoone vrouwtjes onverwacht Bij Koenraad in zijn legermacht

En smeekte zijn genade.

Zij baden daar met al heur kunst.

Maar — wonnen niets dan deze gunst:

M. en L. LEOPOLD, Sleutel, II, 4e druk. 14

ocr page 222

210

„Den vrouwen wordt het toegestaan,

„Om met haar beste panden „Te voet het steedjen uit te gaan;

„Maar wat men zóo niet op kan ladn,

„Vervalt in \'s Keizers handen!quot;

Met deze boodschap keert men weer En ziet droefgeestig voor zich neer.

De morgen rees, de dag kwam voort.

Maar, let eens, wat voor kuren!

Daar opent zich de naaste poort;

Daar trekken op \'t gegeven woord

De vrouwtjes uit de muren.

En ieder torst een grooten zak,

Waar zij haar\' eigen\' man in stak!

De landsknecht merkt de kneep en raast;

Zij zien zich aangehouên.

Maar Koenraad nadert metterhaast,

En, \'t hart was bij hem wel geplaatst.

Hij prijst de brave vrouwen.

„Neen,quot; zegt hij, „\'k gaf mijn woord van eer,

„En de uitleg staat aan mij niet meer.quot;

Hij gaf een algemeen pardon

En liet de pauken klinken.

Vernagelde zijn veldkanon.

Schonk elk\' soldaat een\' dukaton,

Om op zijn gunst te drinken,

En jaarlijks ter gedachteniss\'

Drie grossen voor een vrouwenmis.

Wie zegt mij nu, waar Wijnsberg ligt?

Het is een stad met eeren:

Zij is door Noach-zelv\' gesticht.

Daar woont zoo menig lief gezicht.

Zoo menig brave deeren!

Indien ik van mijn leven trouw.

Uit Wijnsberg neem ik vast een vrouw.

{Dichtwerken , bij A. G. Kruzeman IV. Bilderdijk. (175^—1 ^31■

te Haarlem).

ocr page 223

211

MORGENZANG.

De morgenstond, gehuld met stralen Nog schooner dan hij voortijds plag,

Bezaait het voorhoofd van den dag Met goud, met paarlen en koralen.

De maan verflauwt schier, dat men \'t ziet; De nacht, allengskens aan \'t verdwijnen,

Rolt op haar duistere gordijnen;

De starren deinzen in \'t verschiet.

Kwijt is de hemel duizend oogen En wacht de schooner komst van één;

Het bijtje draagt zijn buit vast heen.

Dien \'t heeft uit roos en tijm gezogen.

Hoe vroolijk komt dat meisje zingen,

Dat voor haar schaapjes, dik van vacht, Zoo vriendlijk als de morgen lacht.

Als hij komt uit de kimmen dringen.

Het lammeke, zoo jong als \'t kruid,

Zoo wit als melk, zoo zacht als rozen.

Schijnt met zijn herderin te koozen Kn huppelt voor en achter uit.

\'t Pluimdragend gild met open gorgels Bedenkt der zon, die nu, gehuld.

Hun veeren en hun hof verguldt.

Op wilde maat van duizend orgels.

Wat kunst van zangerige veêl Kan dezen wildzang evenaren?

Wat hand met afgerichte snaren Haalt bij die ongeleerde keel?

Zijne ossen Melker drijft van binnen En spant ze voor den gladden ploeg.

Mooi Haasje, schoon \'t haar dunkt te vroeg. Begint een deuntjen onder \'t spinnen.

14\'

ocr page 224

21\'i

\'t Verward geluid en \'t licht verkracht De stilte en kreupel gaande droomen;

De zon begint alreê te komen En wekt den slaperigen nacht. — —

De sterke smid, met de armen bloot,

Is nijverig en druk aan \'t werken.

Hij hoort het gloeiend ijzer snerken En \'t borlend water in de goot.

Op, Roosje, laat ons \'t bedde ruimen,

De vlam van onze kaars is dood,

Beschaamd voor \'t purpren morgenrood;

De zon beschijnt ons op de pluimen.

Op, op, mijn hartje, laat ons gaan,

En zien, of onze hof kan roemen Op zooveel roze- en leliebloemen Als op uw blijde koontjes staan.

[Gedichten, hij M. Sweerts te Amsterdam). J. Van Broekhuizen. (1649—1707).

IN DE LENTE.

Als Natuur, ontwakend uit haren sluimer,

Zich versiert in jeugdigen, frisschen bruidstooi, Als uit bosch en haag millioenen stemmen Zingen: „\'t Is lente!quot;

Rijst de maagd al vroeg uit de blanke bedstee, Huppelt zorgloos rond door het druipend loover. Leest zij bloemen, geurige madeliefjes.

Vlecht er een kroon van.

Aan den boord des heldren vijvers ziet ze Heimlijk wenken blauwe vergeet-mij-nietjes;

Vaart omzichtig over den gladden spiegel,

Om ze te plukken.

ocr page 225

213

En jasmijnen, purperen trossen, hangen

Boven haar, doorkruidend de lucht met balsem .. .

— En ze zet zich, droomend, — ze weet niet waaraan —

Neer in het bootje.

— Weet de bloem, waarom ze den kelk ontsluit nu?

— Weet de wind, waarom hij ze kust en liefkoost?

— Weet de maagd, waarom ze bijna zou weenen?

Zeg het mij. Dichter!

{Nederdtiitsch letterkundig yaarboekje bij \'J. A. Van Droogenbroeck. (1834-I. S. van Doosselaere te Gent).

DE TOOVERWIJNSTOK.

Albertus Magnus — (was hij \'t niet Dan was \'t een ander, dien \'k zoo hiet: Oók Tooveraar van zijn bedrijf.

En óók dood, sinds eene eeuw, vier, vijf) — Albertus, of die andre, zat Eens mee aan, waar de Duitsche Keizer at.

Ter rechter zij\' van \'t eergestoelte praalt Hofmaarschalk Max, die naast zijn heer nooit faalt. Behalve daar, waar man staat tegen man. En \'t bloote zwaard moet toonen, wat men kan. Staag krom van rug, van hart en kuiten valsch, Groot in \'t salet, — in \'t raadsvertrek een hals.

Onrustig waart zijn oog thans om den disch:

Dat \'s Vorsten mond geen smaaklijk beetje miss\'! Het keuren valt hem zwaar! De tafel zucht,

Beladn met cijns van water, aarde en lucht.

Met wat Germanje uit zegenvollen schoot Van Maas tot Sau aan zijn beheerscher bood!

Toch flauwt \'s mans ijver niet, terwijl de vreugd\' Allengskens groeit, daar Bacchus \'t hart verheugt, De luitsnaar trilt, en \'t schaatren der trompet Heel d\' omtrek mee in vroolijk oproer zet.

ocr page 226

214

Nu treên de Spelers binnen; snaaaksche klucht Bereidt de schaar der gasten nieuw genucht.

Hun Heer alleen zit (al te vaak gestreeld!)

Aan \'t oor van lichaam en van geest vereelt, En smaakt geen vreugd.

Hofmaarschalk Max weet raad : Hij nikt, als \'t Kamerspel ten einde gaat,

Albertus toe: „Op, Meester! dat uw Kunst Den Keizer eer bewijze — ons allen gunst!quot;

Albertus is gereed. Hij zwaait den staf,

Dien eene onzichtbre hand hem vliegens gaf: Eén — tweemaal deed hij \'t; bij den derden keer Verscheen een wolk; gebloemte en loof zeeg neer; De balsemgeur der lente faalde niet;

En met geruisch, gelijk van wieglend riet.

Verzwond het dischsieraad in \'t glanzig blad,

Gehuwd aan keur uit Flora\'s bonten schat.

Een traliewerk van zilver sloeg een kring. Die, wijdgestrekt, het lustig perk omving; En harpklank jubelde, en door \'t schittrend blank Van \'t eêl metaal vlocht zich een Wijngaardrank;

Maar voor den Keizer breidde een Perzikspruit Op \'t maatgetoon haar purpren loten uit.

Niet lang, of bloeisel pronkt aan rank en lot;

\'t Wordt ooft; \'t wint verf! Mèt klinkt het luid gebod Des Meesters door de zaal; „Aan eiken gast Behoort een tros: al samen toegetast En \'t mes gevat! Doch wacht een nader woord, En blijft de druif verschoonen, tot gij \'t hoort!quot;

Hij sprak. Den steel van eiken tros bedreigt Het scherp, als, zie! de perzikspruit zich neigt,

En de appelvmcht, aan \'t buigend rijs gehecht,

Zich willig in de hand des Keizers legt.

Terwijl beloert de hoovling Max zijn tros:

„Waar wacht ik naar? hij heeft zijn vollen blos! Ik bie\' hem staandevoets den Keizer aan En laat den eersten dank mij niet ontgaan!quot;

ocr page 227

215

Hier snijdt hij toe . . . en schendt hij zijn gezicht! — Hoe? blijkt terstond! De zinsbegoochling zwicht:

Ver van den wijngaardrank houdt ieder gast Zijn eigen neus met spitse vingers vast,

En \'t mes daarop! — Max heeft verdiende straf;

De Keizer lacht hem uit, en hij trekt af.

^Gedichten, bij A. C. Aruscman A. C. IV. Staring. (1776—1840}.

te Haarlem}.

HONDEWAGEN.

„Hei, hort, zek, hort! vooruit, gezwind! ...

Wacht, luiaard! \'k zal je schalen raken;

Of moet mijn zweep je beenen maken En leeren vliegen als de wind?

Hê, die was raak! — vooruit, maak spoed,

Of \'k zal je ranslen op je snoet!quot;

Gij, trouw, geduldig, wakker dier!

Hoe is mijn hart met u bewogen.

Wanneer ge, amechtig voortgevlogen,

Uw spieren uitrekt bij \'t getier,

En toch, bij rust aan huis of kroeg,

De hand likt, die zoo wreed u sloeg!

Die vent is erger hond dan gij . . .

En \'k zag hem graag in uw gareelen Eens met een touwen kwispel streelen Ten draf, al hing zijn tong er bij: —

Gij, brave liên uit dorp en stad,

Ik smeek u: stuit dat plagen wat!

[Al de Volksdichten, bij G. L. Funke J. P. Ileye. (1809—1876).

te Amsterdam^.

ocr page 228

216

DE VERZOENING.

Grootmoeder zat in den wagen En al de kinders er bij;

„Ik moet er zelv\' naar toe gaan,

„Ik ben de jongste,quot; sprak zij.

Haar oudste broer kwam haar tegen Aan d\' ingang van zijne woon,

Het haar om den kalen schedel,

Gelijk eene zilveren kroon.

\'t Was de speelgenoot harer kindsheid; Zij zuchtte, en zij zei: „Och Heer!quot;

En hij hielp ze van den wagen.

En hij zette de kinderen neer.

Zij spraken van geen verzoening,

Noch lang verleden geschil;

„Hij hoort niet meer,quot; sprak zijne dochter,

„Maar hij ziet nog zonder bril.quot;

Zij zaten weder te .zamen Aan tafel, de oude liên;

Grootmoeder zei, dat ze elkander In geen dertig jaar hadden gezien.

Toen beefde er een traan in hare oogen; Maar zij was zoo in haar schik.

En zij sprak tot zijne dochter:

„Hij is zeven jaar ouder dan ik.quot;

Hij toonde haar \'t vee op de stallen.

En hij toonde den oogst op het land; „Ginds waren het vroeger al bosschen,quot; Dit wees hij haar met de hand.

„\'t Is vader, die ze uit heeft doen rotten, „Ge waart nog te klein,quot; zei hij,

„Ge kunt daar niet van weten;quot;

En toen knikte en toen glimlachte zij.

ocr page 229

217

Zoo zagen zij eikanderen In diepen ouderdom ,

De scheemring van het leven,

In \'t vaderlijk huis weerom.

De oude man zei niet veel, toen zij heen was,

Hij zat peinzend in den hoek,

Grootmoeder reed zwijgend huiswaarts:

Dat was haar laatste bezoek.

{Gedichten, bij J. B. Walters Rosalie hoveling. (1834—1875)

te Groningen),

GROOTMOEDERS PORTRET.

In Grootmoeders kamer daar hangt het beeld

Uit hare kinderjaren:

Een lachend mondje, peerlenoog En bruine kroezelharen.

De kinderen stonden en staarden \'t aan,

En \'t een zei aan het ander:

„Och, waar\' dat schoone kindjen hier.

Wij speelden met malkander.quot;

En d\' oude in haar leunstoel, met bril en toer.

Keek op bij deze rede:

„Wie zou dat schoone kindje zijn?....

Gij speelt er altijd mede.quot;

{Gedichten, bij J. /gt;\'. Wolters Virginie Leveling. (1836—)

te Groningen).

ocr page 230

218

DAGERAAD OP ZEE.

De dag brak aan. De keerkringsnacht Zag de ongelijkb\'re starrenpracht Verdwijnen in den schemerglans,

Die aan den grauwend\' ochtendtrans Met nevelige golven vloot Van flauw en smeltend morgenrood.

\'t Werd telkens lichter over \'t meer. Een purperwaas doordrong de sfeer En kaatste, spieglende in den vloed,

Terug in dieper rozengloed.

Het flauwe koeltje wakkerde aan En sierde op de effen waterbaan \'t Doorschijnend golfje met een pluim Van helder, lichtweerspieglend schuim.

Ginds schoot met ruischend wiekgerucht, Op zilvren vleugelvin verheven,

Het vliegend vischje in snelle vlucht Naar boven in de morgenlucht En bleef van golf op golftop zweven: De zwaluw van deez\' waterdreven,

De rijke dolfijn steeg omhoog Uit d\' afgrond van de heldre baren.

Om fier den blozend\' Etherboog In pracht van kleuren te evenaren En sprong de dagtoorts te gemoet. Als bracht zij \'t licht zijn morgengroet.

Daar rijst de zon! Hare eerste stralen Laat ze op het blanke zeildoek dalen,

Dat, als een witgetopte wolk,

Zweeft over de effen waterkolk.

Daaronder rijst met forschen boeg Het stoutst gewrocht van \'t menschlijk brein De ontzaggelijke golvenploeg,

De pelgrim van de zeewoestijn, Die, onverschrokken, vrij en vlug. Der golven ongebaanden rug Als welbekenden weg betreedt.

Waarop hij van geen dwalen weet;

ocr page 231

219

Die \'t stormgeloei, het golfgeklots, Der Polen berggelijke schots En \'t brandend keerkringsvuur ten trots, Des aardbols onbezochtste hoeken Langs \'t ongebakend spoor durft zoeken.

De zon verrees, en \'t nevelfloers

Trok op in hooger lucht,

En statig lag \'t fregat zijn koers,

Schoon nog de breede zeilenvlucht

Met zorg gekortwiekt was,

Uit vrees, dat onvoorziens de nacht Verraderlijke buien bracht

Langs d\' onbetrouwbren plas.

\'t Was dag. Een gonzend, blij gewoel. De klank van menschlijk stemgejoel, Die opwaarts klom door luik en poort, Verving de doodsche stilte aan boord. Het wachtvolk sprong van \'t harde dek; Zijn blik, die rondzwierf langs de kimmen.

Hing vorschend aan een grauwe plek. Die uit de baren scheen te klimmen: Een wolk voor \'t ongeoefend oog, Bewegingloos in vorm en stand, Een mistbank, die de kim betoog: Den zeeman, dien geen schijn bedroog.

Was \'t de eerste groet van \'t land!

Daar klonk van \'t breed halfdek een stem, Wier korte toon, vol kracht en klem, Aan menig rappen voet en hand Onzichtbre vleugels scheen te geven, En \'t tuig bevolking schonk en leven.

\'t Oog zag langs top en breede raas Gewiekte luchtgestalten zweven,

Terwijl, door \'t wakkrend Oost gesteven, Elk marszeil de uitgestoken reven

Weer opende aan het windgeblaas. Het bramzeil, van zijn boei ontslagen.

Liet, wapprend door den wind gedragen, Den nachtdauw uit zijn plooien vagen. En rees toen zwellende op, en bood Aan \'t koeltje d\' uitgespreiden schoot.

ocr page 232

220

En sneller brak de trotsche scheg \')

Door \'t woelend golvenpad

En liet den afgesnelden weg

Met blinkend schuim bespat;

De bruinvisch sprong haar dartiend voor,

Met dolfijn, kret en albikoor,

Als hielden, spelend voor den boeg.

Die \'t water spattend voor zich joeg.

De bontggeschubde waterscharen

Een wilden wedren langs de baren;

En als een schitterende wolk

Zwierf \'t blankgepluimde visschersvolk

Dier grenslooze eenzaamheid,

De vleugels uitgespreid,

Luid krijschend langs de zilvren voren,

Die \'t donker schip, dat hen kwam storen,

In \'t grijze zeeverschiet

Ver blinkend achterliet.

{De Boekanier, bij J. D. Sybrandi //. A. Meijer. (1810—1854).

te Amsterdam).

AAN BRUGGE.

„Wie ooit een doode maged zag Den eersten droeven stervensdag.

Eer nog de vinger der vernieling De lijnen heeft gekrenkt van schoonheid en bezieling, — Die ondervond, hoe zacht, hoe engelachtig schoon \'t Genot der eeuwge rust op \'t wezen ligt ten toon;

En ware \'t niet dat oog, verglaasd en onbewogen,

Rn ware \'t niet die wang, met lijkwade overtogen,

Waarop de aanschouwer staart, door weemoed overmand: — Hij twijfelde uren lang. Zoo kalm en boeiend tevens Is \'t aanzien van den dood, nog in den vorm des levens, — En zoo is \'t aanzien van dit strand!quot;

Dus zong de Bard van Albion \'),

Toen onder Hellas\' milde zon.

Daar hij om vroeger grootheid rouwde.

Hij \'t prachtig Griekenland, thans levenloos, beschouwde.

2) Byron.

\') Deel van den voorsteven.

ocr page 233

221

En zulk een sombre toon, en zulk een treurig lied Ontwelt mij, daar mijn oog op uwe muren ziet,

O lang gevierde Maagd der rijkste van de steden!

Nog draagt gij \'t kenmerk van den adel om de leden. Nog zweeft om u een straal des luisters van weleer;

Maar, ach! de hand des doods drukt loodzwaar op u neder: Wel vind ik nog in u het schoone Brugge weder,

Maar \'t levend Brugge, eilaas, niet meer!

Wat baat het, dat ge nog altijd In Vlaandrens tuin gezeteld zijt.

Als u de grafelijke krone Van \'t hoofd viel en u liet als een versmade schoone? Wat baat het, dat uw Hal op d\' Oceaan nog ziet.

Als haar geen vreemde vlag meer groet of schatting biedt? Wat baat het, dat gij praalt met ruime en weidsche straten, Wanneer het volksgewoel ze lang reeds heeft verlaten,

En \'t spichtig gras den grond bedekt van markt en wijk? Wat baat de heerlijkheid der woonsten uwer grooten,

Wanneer er deur en raam zorgvuldig blijft gesloten.

Als lag in elke woon een lijk?

Wat baat toch uwer templen pracht, Wen Vlaandrens vorstelijk geslacht Daar neerligt in zijn koopren graven.

Als waar\' \'t, om uw verval van grooter pracht te staven? Wat baat, dat gij een schat van kunstjuweelen toont. Wanneer de Kunste zelve uw grond niet meer bewoont? Wat baat nog de eeuwge roem der schoonheid uwer vrouwen. Wanneer ze in \'t spiegelglas van vreemde wuftheid schouwen

En wisslen vreemd gebaar voor eigen lief gelaat?

Wat baat, dat zij de taal der vaadren nog doen vloeien Als honig uit haar mond, wen zij die taal verfoeien Voor vreemd gekweel, dat haar misstaat?

O diepgezonken vorstenstad!

Eer ooit mijn voet uw grond betrad.

Kende ik alleen u in uw luister.

Gij scheent mij als een ster in \'t middeleeuwsche duister, Welhaast een dageraad, welhaast een helle zon,

Die daagde in \'t neevlig West en d\' ouden nacht verwon. Ik zag uit uwen wal de Christen ridderscharen Ten optocht naar het graf des Zaligmakers varen,

ocr page 234

222

En dragen er den roem van Vlaandrens krijgsbanier, En wijzen aan het Oost den weg naar uwe haven.

Ik hoorde gansch Euroop\' de faam uws handels staven En noemen u een ander Tyr!

Ik zag den glans der Oosterpracht In uwe muren aangebracht,

Te zamen met de kennisgaven,

Die \'t Oosten had bewaard van vroeger volksbeschaven.

Ik zag de Vlaamsche vlijt, waar nijverheid uit sproot.

Haar wondren en haar weelde ontwikklen in uw schoot. Ik zag de scheppingskracht, waarop de kunsten bogen, Die weelde en wondren met haar hemelglans verhoogen.

\'k Bewonderde in uw zoons, wat hun vernuft bestond; En \'k zag een koningin haar nijd niet wederhouên,

Omdat zij in den stoet van uw volschoone vrouwen Een stoet van koninginnen vond!

Maar \'t voorwerp mijner hoogste vreugd Was \'t schouwspel uwer mannendeugd,

Bij wie de vrijheid werd aanbeden Naast \'s lands aanbeden taal, den spiegel van \'s lands zeden, — Te zien, hoe elke hoon, dien beiden aangedaan,

Uit eiken uwer zoons een krijgsman deed ontstaan, — Te zien, hoe \'t krachtig sein van een paar Vlaamsche woorden, Die de overweldigers gelijk een donder hoorden.

Aan \'t glorierijkste feit van Vlaandren aanzijn gaf, —

Hoe, op het wraakgeroep van uwe burgerhelden,

De krijgsmoed van den lande ontblaakte in Kortrijks velden En schonk er Frankrijks macht een graf!

Ja dan, dan werdt gij hoog geroemd En Vlaandrens puiksieraad genoemd:

Dan hieft gij in de Westerwereld Uw kloeke stedekroon, met majesteit ompereld.

Als rijksvorstin omhoog, en niet éen handelssteê In \'t oude Euroop\', die u geen zusterhulde deê;

Alleen der dogen stad, verloofde van de baren,

Bestond misschien uw weelde en rijkdom te evenaren.

Dan vondt gij in u zelv\' de bron van macht en glans, Dan toondet gij aan de aard\', dat ook uit Vlaandrens beemden Verlichting op kan gaan, dan spraakt gij fier tot vreemden, Dan waart gij groot, o Brugge! . . . . en thans! ?

ocr page 235

223

O! thans, thans zijt gij waard beschreid!

\'k Herhaal het in de bitterheid Des harten: zonder zuchtend rouwen Kan geen gevoelig zoon van Vlaandren u beschouwen,

Daar gij, van wat gij waart, slechts schaduw zijt en spot. En wat \'s de reden toch van zulk een hachlijk lot?

Gij vielt niet door \'t geweld van brandende oorlogswoede; Gij vielt niet door een slag van \'s hemels geeselroede,

Maar, ach! het eergevoel van uw zelfstandigheid.

Uw eigen Vlaamschen aard hebt ge onbedacht vergeten.

Al wat gij dierbaarst hadt voor vreemden pronk versmeten: — En daarom zijt gij waard beschreid.

En daarom is uw rijk vergaan.

Gelijk een veld van vruchtbaar graan,

Waarover \'s hemels zegen dauwde,

Zoolang \'t de bouwheer zelf voor eigen teelt bebouwde.

En dat, wanneer \'t diens zorg en kunde ontberen moest, Met vreemd gewas bezaaid, door onkruid is verwoest! En daarom heeft de slaap der dooden u bevangen,

Gelijk de schuchtre maagd, wie vreemde tooisels prangen,

En rooven haar den bloei des levens van \'t gezicht.

OI waar\' de twijfling hier veroorloofd! Waar\' de naarheid Des grafs, die u omringt, slechts schijnbaar, — nog geen waarheid! Och! waar\' \'t een sluimer, daar ge in ligt!

Wellicht mag men dit hopen, want Een blijde maar\' ging over \'t land:

Zij meldde, dat ge op \'t hooren noemen Der namen uwer zoons, waarop gij fier moogt roemen.

Getrild hebt als een maagd, die uit den doodslaap schiet; Zij meldde, dat de galm van Vlaandrens bardenlied.

Dien zonen toegewijd, uw ziel heeft opgetogen En weer een levensstraal deed schittren in uwe oogen, —

Dat gij u thans in pracht tot feestgebaar bereidt,

Om lang verzuimde plicht en achtloosheid te boeten, —

Dat gij de schim van een dier zonen wilt begroeten Op de eerzuil der onsterflijkheid!

O! zulks verzoet mijn dichtersmart!

O! zulks verheugt mij \'t Vlaamsche hart!

Welaan, laat andermaal u tooien In d\' adelouden gloor! Laat u met bloemen strooien!

ocr page 236

224

Versier uw gevels met tapijtwerk, als gij placht!

Laat d\' achtbren gildenstoet heromgaan in zijn pracht Met al zijne eertropeên, banieren en blazoenen!

Gebied den zegetoon van harpen en klaroenen!

Gebied den klokkenklank van eiken torentrans,

En laat het krijgstuig die verzeilen met zijn donder!

Nood heel het land ter feest, opdat het u bewonder\' In \'t overschot van uwen glans!

Maar ga dit plechtig hooggetij Voor u niet zonder les voorbij,

O, uit den slaap ontwakend Brugge!

Zie op het roemrijk kroost, dat gij thans viert, terugge,

En denk, dat hem zijn Vlaamsche en onverbasterde aard Het spoor der glorie heeft gebaand en opgeklaard,

Dat nooit zijn grootsch vernuft bij vreemden heeft gebedeld, Dat Vlaamsch beschavingslicht het brein hem heeft veredeld,

En dat op Vlaamschen grond geen kunstbron hem ontbrak, — Dat steeds voor \'t Vlaamsche schoon zijne eedle ziel ontblaakte, En dat het nooit de taal der vaderen verzaakte.

Zelfs dan, als \'t tot de wereld sprak!

O! moest gij zulk een les versmaan,

Dan waar\' \'t alras met u gedaan;

Dan ware uw levensvonk van heden De laatste straal der zon, die wegzinkt naar beneden!

Dan wierdt ge in \'t vaderland den vaderlande vreemd,

Gelijk een dorre heide in Vlaandrens malsche beemd. —

Doch neen, bij \'t zien, wat eens uw vroeger zonen waren,

Zal uw vernieuwd geslacht hun grootheid evenaren,

En zoeken eigen heil in eigen deugd en eer.

En leenen u een glans, die nimmer zal verzwinden, —

Dan moge ons nakroost Brugge eens niet slechts schoon hervinden, Maar schoon en levend, als weleer!

{Dichtwerken, bij /. S. van Doosselaere K. L. Ledeganck. (1805—1847).

te Gent).

ocr page 237

225

TE VROEG.

Ken maagdelijn van zestien jaar

Met oogjes blauw en goudblond haar,

Met koontjes als een perzikbloem,

Dat is gewis des Huizes roem:

Als \'t hart zoo zacht is als de koon,

En quot;t zieltje \'t schoonst van al het schoon!

Maar toch — een knaap van zestien jaar Met zwarte kijkers, lichtbruin haar.

Met wangen als kastanjebloem,

Is haast nog meer des Huizes roem:

Als \'t hart zoo kloek is als de hand,

En Moed reeds luistert naar Verstand!

Doch ach! waarheen ik kijken mag,

Hoe zelden zie ik van dat slag, —

Meest nare bloeden, links en rechts,

Half rijp, half rot: vol zwaks en slechts!

Volk — dat verdronken is misschien.

Vóórdat het water heeft gezien.

(W/ de Volksdichten, bij G. L. Funke J. P. Heye. (1809—1876).

te Amsterdam).

GEMME VAN BURMANIA.

\'t Was stil aan vijfden Kareis hof, —

Hij, moé van onlust, zat van dagen,

Had lang genoeg voor roem en lof.

Voor ons te kort, de kroon gedragen, — Hij stond den gouden heerschersstaf Zijn zoon, den tweeden Filips, af.

Elk zweeg, als drukte op ieders borst

Een zware steen, — een vreeslijk teeken, Dat zelfs de hoop den nieuwen vorst

Geen vreugdevuren durfde ontsteken;

Elk las in \'t scheemren van zijn blik Slechts „vrijheidsmoordquot; en „ketterschrikquot;!

M. en L. LEOPOLD, Sleutel, II, 4e druk. 15

ocr page 238

226

Nog meer kromp ieders hart ineen,

Genepen door onzichtbre snoeren,

Toen de afgezanten, één voor één,

Hem knielend trouw en hulde zwoeren; De valsche lach op zijn gelaat Spelde onheil, bloeddorst en verraad.

Men komt, men knielt, men zweert; — weldra

Moet Frieslands eedle stoet verschijnen, En Frieslands zoon, Burmania,

Treedt statig nader met de zijnen;

Hij staat en heft zijn hand omhoog....

Mijn God! wat gloed in \'s vorsten oog!

„Knielt neer!quot; zoo klinkt ter zijde een stem.

Die \'s dwinglands eisch den slaaf verkondde; Maar de eedle Fries herneemt met klem En slaat zijne oogen fier in \'t ronde: „Wij knielen?.... bij den Hemel, neen! „De Fries knielt neer voor God alleen.quot;

Zoo spreekt hij trotsch. Op zijn gelaat

Blinkt met een gloed van hemelluister De weerschijn van den dageraad

Der vrijheid, die de Spaansche kluister In Nederland verbreken zou. —

Hij staat, en staande zweert hij trouw!

Door woede ontsteld, verbleekt van schrik,

Ziet Filips \'t schendig feit bedreven, De gloed der hel doorvlamt zijn blik,

Zijn tong blijft aan \'t verhemelt kleven. En, eer hij \'t „zwijg!quot; kan doen verstaan, Heeft Frieslands zoon zijn last voldaan.

Men beeft, — en elk verschiet van kleur,

Toen \'s vorsten krampig tandgekletter — Als \'t knarsen van een kerkerdeur,

Als dolkgescherp en mijtgeknetter, — De zaal doorklinkt: elk beeft als riet.

Maar onze Standfries siddert niet!

ocr page 239

227

Burmania, uw daad was schoon!

Wie vrij durft handlen, vrij durft spreken,

En als een vrije Friesche zoon

Het smetloos voorhoofd op durft steken Uit baat- en vleizuchts slavenslijk:

Hij is een Standfries, u gelijk.

O Friezen, God alleen is groot!

Hij schenkt u vrijheid, licht en leven.

Gij wint in vrede uw daaglijksch brood.

Welk vorst kan grooter weldadn geven?

O, strekt uw voorzaat niet ten spot:

Buigt, Friezen, buigt alleen voor God!

(Aurora, bij 4. C. Kruseman A. IVinkUr Prins (1817—).

te Haarlem\').

a

HET PAARDERIF. flp/Vk ^ \\ \'W

(702).

V jJiV\'

■ 1\' 1 De golfslag beukt het dreunend zand:

De branding kookt en raast. \' quot;\'J : gt;; i ^ v \'v15 \'■ ^ Het strand is wit van lillend schuim;

1 l/yv^ Maar \'t wolkjen wijkt aan \'t blauwe ruim

Den wind, die zuidwaarts blaast.

De wachter zag den toren uit

Van Rynegoms kasteel:

„Heer radbout , op! — Heer radbout , waak! „Ik speur op zee zoo menig draak \'),

En strandwaarts houdt een deel.quot; -hi \' .

De grijze radbout schoot vol vuur

I • \'

Het glmstrend pantser aan. 0 tlquot; ^

De Wachter stak den horen luid:

„De Noorman zet, om bloed en buit,

„Op onze stranden aan!quot; —

\') Oorlogsvaartuig der Noormannen, en dus genoemd naar den vorm.

\'5\'

ocr page 240

228

Een fier, maar luttel krijgrental

Stroomde op dien kreet bijeen;

Wat dorpers nog, met kodde en speer: (i Vii\' •\' Al leeuwen, nu hun grijze Heer Zelf aan hun hoofd verscheen.

Maar, nauw de woudbaan afgelegd

En \'t duinpad opgegaan —

Daar stormt een ijzren JVorensloet Hun tegen als een najaarsvloed, Die doorbarst uit zijn baan.

Het dorre duinzand walgt van \'t bloed.

Dat op de helling dauwt.

De Kenmer deinst voor de overmacht. Die voordringt met ontembre kracht. Maar kampt nog onverflauwd.

Terug — terug — altoos terug.

Steeds kleiner in getal;

Maar even woedend voortgestreön, En immer deinzend, valt niet één In ongewroken val. —

Nog hief Heer radbouts banderol 1 \' \'

Zijn kleuren hoog in top.

Stortte ook de drager neer in \'t zand. Zoo hief eens fleren makkers hand Weer \'t vaandel hooger op.

De laatste valt. De standerd zinkt . . . .

„Neen! dat niet voor mijn dood!quot; Heer radbout grijpt zijn banderol En strijdt nog immer, geestdrift-vol. Het grijze hoofd ontbloot.

Daar zwaait een Noor zijn gulden akst

En zwiert hem door de lucht.... De zilvren schedel buigt ter aard. En bloedend zinkt hij neer van \'t paard. En \'t leven is ontvlucht.

ocr page 241

229

En orm, de Noorman, springt op \'t ros

Met wilde vreugd in \'t oog:

„Zijn meester was een wakker held — „Des richt hem hier in \'t open veld „Zijn heuvel, breed en hoog.quot; —

En ORM, de Noorman, heerschte op \'t slot,

Maar met een ijzren hand.

En ORM, de Noorman, heerschte in \'t rond, En \'t jammer steeg met iedren stond, Die opging over \'t land.

Het was Sint-Jan om middernacht,

En \'t was een rustig uur.

De starren fonkten op hun baan.

En helder gleed de volle maan Langs \'t wolkenloos azuur.

En orm, .de Noorman, reed met haast

Naar \'t Huis te Rynegotn,

En reed langs radbouts heuvel heen. En waande: \'t was een blanke steen,

Die daar in \'t maanlicht glom.

Maar eensklaps stokte en stond het ros

En week niet van de plaats ....

En orm herkende radbouts leest:

Zoo was hij vóór zijn val geweest,

Z o o de uitdruk des gelaats. —

Hij stond daar, als in waas gehuld.

Door d\' avondmist verwekt.

Zijn slinke rustte op \'t zwaardgevest,

Zijn rechte hief hij op in \'t lest En hield den arm gestrekt.

— „Hoor, ORM, de Deen/quot; en\'t was, of\'toog

Een straal van vonken schoot:

„Hoor, orm! en beef: de wraak barst los, „En \'t is dat fier en edel ros,

„Dat voert u in uw dood!quot; —

ocr page 242

230

De Noorman rilde en sprak geen woord,

Maar sprong terstond van \'t paard, —

En plotslijk had zijn ijzren vuist Het edel dier den kop vergruisd,

En stortte \'t dood ter aard.

De zilvren hairlok trilde in \'t licht

Der onbewolkte maan;

De nevel dunde en smolt; maar dof Klonk nog de stem: „geen nietig stof „Zal ooit Gods macht weerstaan!quot;

\'t Was weer Sint-Jan, op \'t middaguur,

En \'t was een schoone dag.

En orm reed met zijn stoet van \'t klif En langs de plaats, waar \'t paarderif Op \'t veld te bleeken lag.

Een schampren hoonlach om den mond,

Sprong hij van \'t ros op \'t veld;

„Ei ziet — dal. rif, van vleesch ontbloot,

„Dat zal mij voeren in mijn dood:

„Zoo sufte de oude held!quot; —

Hij schopte \'t bleeke rif ter zij In schimpend\' overmoed —

Maar sprong ontzet en vloekend op:

Daar schoot een adder uit den kop En stak hem in den voet.

Zijn schaar verbleekte en sprong hem bij —

Maar \'t was voor orm te laat:

Van vreeze en doodsangst fel bestreên,

Kwam hij op \'t huis — en hem verscheen Geen nieuwe dageraad.

De Noren duchtten \'t grijze spook

En trokken ijlings af.

De dorpers zegenden den geest,

Die hun een engel was geweest.

En eerden rad bouts graf. —

{Kennemerkind: Balladen, bij l-V. y Hofdijk. (1816—1888).

J, v. d. Endt en Zn. te Maassluis).

ocr page 243

231

LEVEN ?

Leeft A r g a n t, die , grijs van zorgen, Van cien morgen tot den morgen

Slaaft en slooft om geld en goed,

Schoon \'t een vreemdeling moet erven, Schoon hij op zijn kruk loopt sterven?

Leeft de schrokker?. . . Neen — hij wroet.

Leeft Neraan, die in de kroegen Met een onbesuisd genoegen

Tot den dageraad rinkinkt.

Die zijn wijndorst niet kan lesschen Aan een dubble trits van flesschen?

Leeft de zwelger? . . . Neen — hij drinkt.

Leeft Geront, die te aller uren Trouwe vrienden, heusche buren

Door zijn norsche twistzucht kwelt En door schreeuwen, tieren, razen Vrouw en kinders kan verbazen?

Leeft de wargeest ? .. . Neen — hij scheldt.

Kunt ge in Damons duivenvlerken Of Soubize leven merken.

Schoon hij vleit en lacht en lonkt.

En door tabatière en ringen Elk tot achting waant te dwingen?

Leeft de pochhans? Neen — hij pronkt.

Als Baillart de zonnestralen In het zuiderpunt ziet pralen,

Daar hij op zijn bed nog gaapt,

Of, van \'t ledikant gekomen.

Tot den avond staat te droomen,

Leeft de domkop? . . . Neen — hij slaapt.

Leeft Leander, die op aarde Niets van ongemeene waarde

Dan zijn grauwe paarden kent,

En vóór \'t krieken van de dagen Rijdt en rost op zijnen wagen?

Leeft de voerman ?.. . . Neen — hij rent.

ocr page 244

232

Als Tartuuf met kromme klauwen De arme weduw durft benauwen,

Wie hij bijstand heeft beloofd,

Als hij veinst, haar te onderschragen,

Om haar tot op \'t been te knagen:

Leeft de woekraar ?... Neen — hij rooft.

Leeft Chrisip in stille hoeken,

Als hij in een schans van boeken

Zonder einde kladt en wrijft En onsterflijk waant te wezen,

Schoon geen mensch zijn schrift wil lezen?

Leeft dan \'t wijshoofd ?. .. Neen — hij schrijft. {Uit: Nut der Tegenspoeden en andere L. I-V. van Merken. (1721—1789).

Gedichten, te Amsterdam).

DE PHILOSOPHISCHE EIEREN.

Louw, die een rijke fokker was En in zijn echt door \'s hemels zegen Twee wakkre zonen had verkregen,

Waarin men \'s vaders beeltnis las.

Liet dus zich aan zijn wijfje hooren:

„Mijn Maartjelief! mijne uitverkoren! „Wat zullen wij met Krelis doen?

„Jij weet, wij hebben rijklijk poen,

„En, om van hem een boer te maken, „Dat zijn gewis te slechte zaken.quot; —

„Dat \'s waar,quot; zei Maartje, „hij is kangt „En heeft een overgroot verstangd.quot; —

Juist kwam, in \'t voeren van dees reden. De heer van \'t dorp naar binnen treden.

Dien vroegen zij terstond om raad.

Wat best te doen met Krelismaat?

Hij sprak: „Ik liet hem wis studeeren!quot; — „Fiat! studeeren,quot; zei de boer;

„Wie weet, wat hij kan worden, moêr!

„En hoe men hem zal rispecteeren!quot; — „Voorts,quot; zei het heerschap: „volgt mijn raad: „Indien gij hem studeeren laat.

ocr page 245

233

„Moet hij de wijsbegeerte kiezen,

„Daar kan men nooit iets bij verliezen.quot; — „Wat \'s dat?quot; vroeg Louw: „ei, zeg het mij! „Is dat niet, spreek, philosophij ?quot; —

„Ja, Louw! dat hebt gij net geraden,quot;

Was \'t antwoord: „\'k weet geen beter zaak,

„Noch die men leert met meer vermaak,

„En die den geest meer kan verzaden.quot; — Men zoekt straks naar een schrander man.

Daar Kees die kunst van leeren kan.

Hij gaat van huis, om in die zaken Zich kundig en beroemd te maken. —

Na één jaar afzijns komt hij weer.

Bezoekt zijn moeder en zijn vader ;

Elk op zijn beurt omhelst hem teer.

Louw zegt in \'t eind\'; „Mijn zoon, kom nader! „Zet u aan tafel naast mijn zij\'.

„Wat zijn wij thans vernoegd en blij!

„Laat ons wat van jouw wijsheid hooren,

„Het zal ons zekerlijk bekoren:

„Philosopheer wat met ons, Kees!

„Jij weet, dat ik al hiel veul lees.quot; —

„Dat \'s waar,quot; sprak Kees: „maar \'t u te zeggen, „En \'t philosophische uit te leggen,

„Daarin wordt nooit uw wensch vervuld,

„Dewijl gij \'t niet begrijpen zult.quot; —

„\'k Zal welzei Louw, „wil maar beginnen, „Ik luister toe met al mijn zinnen.quot;

Kees zag een bord met eiern staan,

(Drie was \'t getal) en ving dus aan:

„Ei, vader! wil mij eens ontvouwen „\'t Getal der eiern, die we aanschouwen ?quot; — „Wel, jongen!quot; sprak de boer, „wel, drie.quot; — „Abuis! want mijn philosophic „Ontdekt mij, dat er vijf zijn, vader.quot; —

„Loop, loop, verklaar mij dat wat nader,

„Want, of mijn oog bedriegt mij zeer,

„Of drie, drie zijn er, en niet meer.quot; — „O neen,quot; sprak Kees, „gij zijt bedrogen:

„Ik zie met philosophische oogen.

„Maar antwoord mij op mijne beé:

„Waar drie zijn, zijn er daar geen twee?

ocr page 246

234

„Wel vast,quot; zei Louw, „dat kan niet missen,

„Daar kan geen mensch zich in vergissen.quot; —

„Welnu, is drie en twee geen vijf?quot; —

„O ja, mijn zoon! dat \'s buiten kijf.

„Ik heb de philosoofsche knepen,

„Versta je \'t? nou al klaar begrepen.quot; —

Straks grijpt hij \'t bord met eiern aan En zegt: „Zie, of wij \'t ons verstaan.

„Dut ei is, vat je \'t? voor jouw moeder,

„Dut is voor mij, dut voor jouw broeder:

„Eet jij nou met jouw wijzen kop „De philosophische eiern op.quot;

[Vertelsels en Puntdichten te Amsterdam). II. Asschenberberg. (1726—1792).

VAN HET BLOEMENMEISJEN,

Fijne knopjens, reine knopjens, Bloemekens te kust en keur, Glinstrend van de hemeldropjens, Liefelijk van geur En kleur:

Roosjens, half in \'t mos verscholen.

Lelies op geknakten steel, Madeliefjens, veldviolen In heur paars en geel Fluweel:

— \'t Schoonste, wat uw ijvrig handjen. Eer de brand der zon Begon,

In den groene vinden kon — Prijken in uw bloemenmandjen!

\'k Wil ze prijzen, \'k wil ze roemen,

\'t Puik van lente\'s bloementroon. Toch, van al die schoone bloemen Spant er éene in schoon De kroon:

\'t Is — de Roos der Schuldeloosheid,

ocr page 247

235

U versierend, waar ge treedt, —

Die van al des werelds boosheid.

Al heur lust en leed Niets weet!

Vent uw bloemen, lieve kleene!

Maar wat duur kleinood

M\' u bood\'.

Houd dèt Roosjen tot uw dood:

\'t Is uw beste schat, dat ééne!

{Dichtwerken, A. W, Sijthojf J- ./\'■ L. ten Kate. (1818 1S89).

te Leiden).

DE NALATENSCHAP.

Nauw was de steeg der groote stad.

De schaamle huizing kleen,

Waarin het stokoud vrouwken zat, Gansch moederziel alleen.

Zij nam met sidderende hand

Het verfloos kevietje af.

Dat aan den ruwen kamerwand Ken sijsje woning gaf;

Ze schonk in \'t glas \'t kristallen vocht,

Ververschte zand en zaad. En, liefdewoordjes momplend, vlocht Ze een takje in \'t ijzerdraad.

Gedaan is de arbeid, en zij ligt

In d\' ouden armstoel weer,

De vogel, \'t kopje op zij gericht.

Ziet als aandachtig neer.

Zij denkt, hoe eens eene and\'re hand

Die kleine diensten bood.

En voelt niet, hoe de traandrup brandt, Die flus haar oog ontschoot.

ocr page 248

236

Het sijsje zingt uit al zijn macht,

Of \'t zijn bekrompen kouw Voor veld, noch woud in al de pracht Der lente ruilen zou.

Mozaïek, bij \'J■ L. Beijers te Utrecht). Soera Ka tui. [/. Esser Jr. \\ {1845-

SINT NIKLAAS.

Daar vonkelde licht noch laaie In \'t lage, vunzige kamerkijn;

Slechts door \'t bevrozene raamken Drong flauw de maneschijn.

De jonge, bleeke weduw Zat over klein Mieken heengebukt,

De bloote, ijskoude voetjes In beide heur handen gedrukt.

Al bedelend had klein Mieken De gansche stad, straat op, straat neer,

In sneeuw en hagel doorloopen, En keerde zoo even weer.

En, schoon ze van honger en koude Op moeders schoot te huiveren zat.

Toch wist ze zooveel te vertellen Van Sint Niklaas in de stad.

Van alle die schoone winkels.

Vol poppen met kleederen van satijn,

Vol suiker en speculatie En schepen van marsepein.

En „moederquot;, praatte zij, „moeder! „Dat alles wordt langs de schouw, te nacht,

„In \'t schoentje der brave kinderen „Door Sint Niklaas gebracht.

ocr page 249

237

„En, zoo \'k mijn hollebloksken „Eens stillekens zette in \'t hoeksken, daar, „Zou hij mij ook niet ewat brengen,

„Die zoo braaf was heel het jaar?quot;

„Och, Mieken,quot; zuchtte de moeder.

En moest, alvorens ze verder sprak.

Den krop wegslikken, die eensklaps Haar in den gorgel stak; —

„Och, Mieken, ja voorzeker!

„Gij waart steeds braaf, maar weet — de Sant „Komt enkel in langs schouwen.

Waar bij dag heeft vuur gebrand.

„En sedert hoe vele dagen „Glom in ons schouwken . . . och kind, kom aan. „Wat doet ge me toch voor vragen!

„Laat ons liever naar \'t beddeken gaan!quot;

Het beddeken stond op zolder:

— Een enkele stroozak op een plank! —-Daarheen droeg zij Mieken, en kuste \'t, En ging — en weende nog lang.

Reeds driemaal had de klokke Met heur hollen, plechtig-klinkenden mond Door den klaren, vinnigen hemel In het ronde de uur verkond.

En nog altijd lag klein Mieken Op heur strooi met opene oogen en dacht Aan Sint Niklaas en al \'t lekkers.

Dat hij thans den kinderen bracht.

Vlak boven haar, tusschen de pannen,

Was een reet in \'t dak, en juist daardoor Scheen er op haar een starre

Met zoo\'n zachten, betoovrenden gloor.

En zij had zoo\'n kou, zoo\'n honger;

Zij voelde in heure ooren zoo\'n wonder gebrom; Het was, of ze nu eens in \'t ijdel

Verzonk, — en dan langzaam weer klom.

ocr page 250

238

Maar — hoe zij omhoog werd getogen Of huiverend in de diepte zonk,

Daar boven stond immer de starre Met denzelfden betoovrenden lonk.

En zie! — daar was \'t op eenmaal, Als groeide de starre tot een zon.

Die, goud en purper stralend.

Steeds lager en lager klom.

Daar borst die zonne plots open Met hetnelsch en nooit gehoord geluid. En heel een leger van engeltjes Brak er blij-fladderend uit.

En alle die engeltjes droegen In konkens lekkers of speelgoed; — en Een man dreef traag en statig In lichtgloed midden van hen.

Hij droeg eenen gouden mantel;

Als \'t witste zilver blonk zijn baard; Hij daalde met alle zijne engeltjes Steeds nader en nader tot de aard\'.

En de zoldering was verdwenen;

Daar zweefde de man aan Miekens zij En kuste haar zacht op \'t voorhoofd En fluisterde: „Kom met mij!quot;

En hij stopte haar onder zijn mantel, Hij drukte haar tegen zijn hart, zoo teer: \'t Was Mieken, als vloog ze; —ze voelde Geen kou of honger meer!

En, toen de grauwe schemer Des morgens in het zolderken viel. Ontwaakte de arme weduw,

Doodsdroef in hare ziel.

„Nu,quot; dacht ze, „nu is \'t vreugde „Alom, waar kinderen zijn! — helaas! „Nu zingen ze en springen ze alomme „En danken Sint Niklaas.

ocr page 251

239

„En hier — wat zal \'t hier wezen,

„Wanneer gij straks ontwaakt, arm kind ?quot;

En zij boog zich, om Mieken te kussen,

Het oog van tranen verblind.

Maar plotselings week zij terugge En staarde een wijle, verstomd en dwaas,

En gilde: „Dood! versteven!

„Dat was haar Sint Niklaas!quot;

{Gedichten, bij Wed, C, Van Resteren y, Van Beers, (1821—1888).

en Zoon te Amsterdam^,

MORGENWANDELING.

Wie recht pleizierig wandlen wil,

Moet vroeg al uit de veeren;

\'t Is buiten rustig nog en stil,

Geen vogels kwinkeleeren.

De bloemetjes in woud en wei

Zijn alle nog gesloten.

En \'t herfstrag schijnt een zilvren sprei.

Zoo heeft de dauw \'t begoten.

Geen blaadje wiegelt in den wind.

Het woud staat nog te droomen.

Maar aan het lichtend Oost begint Een roode glans te komen.

En daar stijgt zingend uit het nest

De leeuwerik naar boven,

En heel het woudkoor gaat om \'t best Den nieuwen morgen loven.

{Handschrift\'). C. Honigh. (1845—;.

ocr page 252

240

GEVONDEN.

Een bloem stond op de dorre hei

Zoo eenzaam.

Een vlinder dartelde op de wei En zweefde, om wat de prille Mei Deed spruiten en deed opengaan, En kuste bloem en bloesembladn: Maar \'t arme bloempje van de hei Bleef treurend en verlaten staan, Zoo eenzaam !

Een Dichter dwaalde langs de hei

Zoo eenzaam.

Hij zag de rijke veldlivrei Der bonte bloemen op de wei

En \'t dartlen van den vlinder aan . . .

En is in haast voorbijgegaan;

Maar bij het bloempje van de hei Bleef hij in stil verrukken staan,

Zoo eenzaam!

(Al de Volksdichten, bij G. L. Funke J. P. //nr. (1809—1876).

te Amsterdam).

DE ZIGEUNERS.

Zeg, Lezer, kent gij Hongarijenï Waarschijnlijk wel, zij \'t ook door boek of blad;

Misschien hebt gij zijn bergen en valleien Doorschouwd, daar gij uw brein ten voertuig hadt En t\'huis gemaklijk in uw armstoel nederzat. Gij weet: het is het land der oude Magyaren, Waar slavenkreten zich aan vrijheidsliedren paren, Waar de edelknaap zijn wapenbord aanbidt En de uitgevaste boer bij bier en boonen zit.

ocr page 253

241

Dat voedsterland van wijn en mineralen,

Doch waar de Palatijn \') zich \'t beste deel van kiest,

Waar Turk, Bulgaar en Pool als buren loopen dwalen,

Maar \'t landvolk toch zijn grondtrek niet verliest, —

\'t Is ook het oord, waarin tal van Zigeunerbenden

Zijn tenten spant in woud en veld.

En \'t lot uit koffiedik aan vreemden en bekenden

Door hun preciosa\'s \') wordt voorspeld.

Genoeg: ge kent het land bij naam en uit verhalen,

En daarin staan we met elkaar gelijk;

Ge ontslaat me, bid ik u, het verder af te malen,

Wijl \'k op dit punt niet graag met mijn geleerdheid prijk.

Maar de Zigeuners met hun zwervend leven.

Waar \'k u zoo even Een woordje van in \'t midden bracht.

Van hen nog iets, — om \'t feit, dat ik te schetsen tracht.--

Een troep dier heidens had het oog geslagen

Op zeker jeugdig edelman.

Die op zijn aadlijk slot met visschen en met jagen

Zich \'t leven vroolijk maakte, in schaduw van kroes en kan. Hij was een jonkman, kloek van leden En welgezien bij \'t schoon geslacht,

Maar die zijn vrijheid en aanloklijkheden Nog aan geen maagd of vrouw ten offer had gebracht.

Veel dienaars vlogen op zijn wenken.

Hij kreeg de nieuwtjes uit de stad;

Wat vreemde snufjes ook Parijs mocht schenken — Hij zorgde steeds, dat hij ze \'t eerst bezat;

Als echte troetelzoon der weelde,

Werd alles nagejaagd, wat ze overdadig teelde.

\'k Weet echter niet, of, bij hetgeen hij ijvrig zocht,

Wel hoofd en hart voldoening vinden mocht;

Maar — als ik zei: het mocht den zwervers ras gelukken.

Hem uit te kippen tot hun prooi.

Ze scherpten zich \'t vernuft: een gans van dat allooi Viel niet zoo vaak voor hen te plukken.

De prima donna vroeg acces En kreeg het ook. „Hij \'s binnen!quot; riep de bes,

^ Palatijn, een Hongaarsche baron of magnaat.

2) Preciosa. Naam van een Spaansch heidinnetje, — o. a. de hoofdpersoon in IVeber\'s beroemde opera van denzclfden naam. (Verz.)

M. en l. leopüld, Sleutel, II, 4e druk. 16

ocr page 254

24\'2

Die \'t huishoudwerk van \'t heidental bestuurde.

„Die \'s binnen!quot; was de kreet van d\'afgerichten troep. De prima donna dan verscheen op \'s Jonkers roep,

Zij, de Cassandra, met haar rozelaren In \'t bonte keursje en door de ravenzwarte haren,

Met loovers door haar keurig kleed gestikt,

En \'t zwierig lint om arm en schouder heengestrikt, Met vuur en gloed in oogen en op wangen En met het waas der tooverkunst omhangen.

„Ik zal uw lot voorspellen, edel Heer!quot;

Dus sprak ze; „\'k weet, gij wilt naar onze orakels hooren.quot; Zijn blik getuigde van zijn gretige ooren,

\'t Zigeunerwicht vlijt zich vertrouwlijk naast hem neer En spelt aan hem een lot vol zoete hoop en weelde.

Wat wist ze goed, waarmee ze \'t ijdel harte streelde!

Ze prees zijn houding en gelaat,

Zijn goud en huis en hof, zijn aanzien, rang en staat;

Niets werd vergeten: ja, toch iets... hij had geluisterd, Of soms haar zoete taal hem hoop had ingefluisterd

Voor \'tgeen, waarnaar hij steeds verlangend had gestaard, Maar dat het spiegelglas hem nimmer toonde: — een baard. De baard, die oude dracht voor grooten en voor kleinen. De zichtbre leus des mans bij Grieken en Romeinen, Tot scipio, men kent hem, de Afrikaan,

In Rome voor het eerst het scheermes rond deed gaan. En daar barbierskunst steeg tot zoo gevierde waarde.

Dat nooit een ander volk er \'t zijne in evenaarde.

Schoon groote constantijn het kenmerk van de kracht En van de eerwaardigheid opnieuw in aanzien bracht; De baard, die, naar den tijd en wondre grilligheden Gevierd werd of gehaat, verknipt werd of versneden En weer in onzen tijd opnieuw vertooning maakt.

De Jonker had sinds lang naar zijn bezit gehaakt.

Wel zeiden hem zijn modeplaten.

Dat, als hij zijn toilet naar eisch te vormen zocht. Hem, wat hij deed of na wou laten.

Dat sieraad niet ontbreken mocht!

Eau de la Chine en Eau dAfrique Savon de lis, Tonique au rond,

Macassar oil, Gras d\'ours, Pomade de Lion En Nigritine, en Cosmétique

Had hij met taai geduld beproefd;

ocr page 255

248

Maar vruchtloos bleken alle zeepen en pomadeti;

Hij had door professeurs de l\'art zich laten raden:

Vergeefs! Ach, iedre kuur had hem opnieuw bedroefd; Vergeefs toch ging het staal hem daaglijks langs de koonen

En zeepte hij zich \'t vel volhardend in, —

Geen enkel document mocht \'s jonkmans ijver kronen:

Als donzig zij\' bleef koon en kin,

En, mocht hij hopend nog de toekomst tegenstaren,

Dan dacht hij angstig aan zijne acht en twintig jaren.

De deerne zag hem schalk in \'t oog En vroeg; of niet één wensch zijn hart bewoog? Hoe! ... zou hij \'t wagen, haar belijden,

Heur raad eens vragen, die zoo recht vertrouwlijk sprak? Hij kleurt en kucht en krabt zich \'t oor en, na lang strijden

Vertrouwt hij haar zijn manlijk zwak.

„O, daar is raad voor!quot; riep de listige heidinne,

„Geen baard! wie treurt om dat gemis,

Roept niet vergeefs de hulp van mij, Zigeunerinne;

Een middel bied ik u, dat nimmer feilbaar is;

De taak is licht en dra voltrokken;

Wilt gij de proef van onze kuur,

Dan siert u, binnen \'t uur,

Een jeune france, zwart, als \'t gitzwart van uw lokken!quot; Dat laat zich hooren, dacht sinjeur,

Zoo menig récipé stelde al mijn hoop te leur.

Maar dit — wie weet! kom aan! wat leed toch zou mij naken! Hij zendt zijn dienaars ver van huis. De huisbestuurderes incluis •.

Getuigen duldt men noó bij zulke intieme zaken.

Daar treedt de troep Zigeuners in;

Men eischt de badkuip, maakt een noest begin In \'t prepareeren van de vreemde kruiden,

In Noorderlucht geteeld, met planten van het Zuiden. Ze werpen ze in de kuip bij \'t kokend vocht. En \'t ongewoon tinctuur doorwasemt reeds de lucht. Men wenkt sinjeur: hij mag geen tijd verliezen;

Reeds wacht het bad, de Jonker moet er in:

Hij ziet — daar viel niet meer te dralen of te kiezen —

Neemt zijn besluit en duikt in \'t nat tot aan zijn kin;

Doch voor \'t vervliegen van de dampen moest men waken,

Wijl daarin juist de kracht der baardontkieming zat.

j6\'

ocr page 256

244

Men neemt een linnen beddelaken En spreidt dat over \'t geurig bad;

Men reikt hem zeepen toe, om kin en kaak te wrijven; Men bindt hem boven \'t hoofd het dekkleed stevig vast En \'t heerschap krijgt den strengen last,

Om, tot men \'t zeggen zou, stil in de kuip te blijven. Men prevelt woorden, die hij niet verstaat;

Maar dat \'s om \'t even, als de kuur slechts baat: — Dus denkt de Jonker, die zijn hart van hoop voelt blaken

\'k Word straks van \'t linnen dak bevrijd. En \'k heb een baard, die mijn toilet eerst zal volmaken En door elk\' edelman in d\' omtrek wordt benijd.

\'t Wordt stiller, en de tijd heeft vlerken;

Hij uit voor \'t eerst een vragend woord: —

Geen antwoord om zijn hoop te sterken;

Hij roept nog eens, maar . . . onverhoord. Het angstzweet gutst hem langs de kaken,

Hij bidt en vloekt, slaakt zucht op zucht, Hij klotst door \'t water, duwt op \'t laken. Schreeuwt, scheldt, schopt, smijt, maar . .. zonder vrucht. Een uur van woede is ras verstreken;

Daar lag hij spartlend, machtloos neer En zwoer het heidental, zich straks geducht te wreken,

Verwenschte bad en baard en modeplaat en meer. Een dienaar komt ten laatst zijn heer van \'t dek ontlasten Zijn blik schiet vonken, vliegt vol angst de kamer door Helaas! hij ziet het: leeg zijn kist en kasten.

Maar van \'t Zigeunerrot — geen spoor.

\'k Heb, Lezer, sedert niet vernomen,

Of ooit de vrucht is opgekomen;

Maar, zoo hij van de kuur de werking heeft ontwaard. Dan draagt de man een duren baard.

{Gedichten, bij Noothoven van Goor IV, y. van Zeggelen. (1Sï I

te Leiden).

ocr page 257

245

DE TWEEDE VADER,

Wij waren zoo gelukkig

En speelden heel den dag, En moeder lachte minzaam, Als zij ons bezig zag.

En vader, als hij \'s avonds Zijn werk had afgedaan.

Sprak één voor één ons allen Met zoete woorden aan.

Hij liet ons paardjerijden Op zijne breede knién En zei dan: als ge wijs zijt, Zal ik u gaarne zien.

Hij nam ons in zijne armen.

En wiegde ons op den schoot. En zegende ons en kuste ons — En nu is vader dood!

Dat hebben vreemde menschen

En moeder ons gezeid .... Wij zagen allen schreien En hebben meegeschreid.

Daar stonden wij te snikken —

Toen kwaamt en zeidet gij: Ik zal hun vader wezen;

Komt, kleinen lief, tot mij.

En sprakeloos zag moeder

Dan ons, dan u weer aan Kn blikte naar den hemel Met oogen vol getraan. —

Nu zijn we weer gelukkig En spelen als voorheen, Kn klauteren en rijden Te paardjen op uw been.

ocr page 258

\'246

En, eer we naar ons bod gaan,

Zet gij ons op den schoot En zegent ons en kust ons —

Och! vader is niet dood!

(Liederen , bij y. /i. IVollers te Groningen), Frans de Cort. (1S34 1S7X).

PROPER,

Gij 7.ijt wel proper in al uw dingen,

Proper in \'t spreken, proper in \'t zingen.

Proper van aanzicht, voeten en handen,

Proper van oogen, neus en tanden.

Proper van kleeren, kousen en kragen.

Proper van riem en ommeslagen,

Proper van schoenen, linten en kanten,

Proper van mantel, hoed en wanten.

Proper van haar, van baard en knevels.

Proper van sporen en van stevels.

Proper te paard en proper op schaatsen,

Proper in \'t kolven, proper in \'t kaatsen,

Proper in \'t wandelen over straten.

Proper in al uw doen en laten,

Oe handen in zij, als een koperen pot:

Voorwaar — gij zijt een propere zot.

{Tyt-Snippoyingtn , \'rondo \'Jonckheyl S. van Boauviont. (\'574—1 ^S-1)■

tot in den Ouderdom, te Rotterdam),

BRIEF VAN JAN DE RIJMER.

(aan de redactik van ben groningkr studentenalmanak.)

Mijnheeren!

\'k Heb uw brief ontvangen;

Gij vraagt wat rijms voor d\' Almanak,

En \'k wend me op dat geöerd verlangen Tot mijn bestoven doedelzak. —

ocr page 259

247

Welaan, mijn trouwe levensmakker!

Lang hongt gij windloos aan den wand,

Dreun op een deun naar d\' ouden trant Kn doedeldom de dooden wakker;

Galm d\'adem, dien mijn borst omsluit, Den luchtstroom, in mijn holle longen Als in een blaasbalg saamgedrongen, In Paganini-tonen uit!

Maar hemel.... hoe? Wat dof gegorgel,

Als van een half gekeelden os,

Wat wanklank, als van \'t kermisorgel Des dooven speelmans buldert los?

Ach , waarde heeren Redacteuren!

Ach, ziet mijn armen doedel aan:

De naden zijn vaneen gegaan,

Wis deed de droogte ze openscheuren!

Vergeefs, dat ik mijn adem spil:

Hij wordt gestaag al slap en slapper.

En \'t is een handig doedellapper,

Die in een week hem flikken wil.

Mijn speeltuig stuk! Ei, wat beginnen?

Waar\' slechts mijn vriend — gij weet wel — hier, Of leenden mij de Zanggodinnen

Eene aan den wilg gehangen lier!

Geen instrument! — Waar mij te wenden?

Ik sidder als het paardenhaar Eens strijkstoks op de vedelsnaar:

Hoe zal ik mijn karwei volenden?

Ach! baas Apol, sta gij mij bij,

Help mij voor \'t volgend jaar des Heeren Een schoft of wat poötiseeren.

En \'t arbeidsloon verdeelen wij!

Maar ach . .. dat de angst \'t mij deed vergeten!

\'t Is waar, \'t aanhoudend snaargedruisch Der duizend Citadel-poCten

Joeg immers Pol naar \'t gekkenhuis;

Ook de arme Muzendeernen sjokken

Sinds met. .. hoe heet hij ook de kwant ? Als liedjeszangsters door het land En zijn niet van hem af te lokken.

ocr page 260

248

Geene uitkomst dus! — tieck, schoon ge ook \'t leed Eens dichters roerend wist te malen,

Geen ramp kan bij zijn rampspoed halen,

Wiens doedel \'t noodlot barsten deed.

Geen uitkomst dus? — Ha, waarde vrinden,

Weest maar niet bang! \'k Nam u maar beet; Gij dacht al: waar nu hulp te vinden,

Nu onze Jan geen uitkomst weet?

Foei, meent gij, dat ik zulke prullen Als citer, lier of doedelzak Vandoen heb, om uw almanak Van voor tot achter op te vullen?

Ha, ha! Die zijn in \'t rijmersgild Sinds langen tijd glad overbodig.

En heel wat anders hebt ge noodig.

Wanneer ge uw broodjen winnen wilt.

Gij weet, voorheen vereischte ons ambacht

Dan weergaloos veel moeite en vlijt,

Tot zeker baas in Amsterdam dacht:

Men kon \'t wel af in minder tijd.

Hij wierp de vorige instrumenten.

Als Pol, Pegaas en Pindus, weg,

En vroeg, na grondig overleg.

Octrooi, om \'t zijne alom te venten. —

Hoezee! Vivat die nutte vond!

Mijnheeren, een minuut patiëntie:

De dankbaarheid voor de eedle inventie Perst mij dit hymnusje uit den mond.

O Witsen Geysbeek! inventeerder

Van \'t verslaptuig naar \'t nieuwe licht,

Versma niet, dichtrental-formeerder,

Mijn dankbaar galmend klinkgedicht!

Gij geeft mij lange en korte klanken.

Om voor den kunsthengst u te danken.

Die ons, als ging het hop, hop, hop!

In snellen, vliegenden galop.

Naar boven voert den Zangberg op.

Tot eindlijk, op den hoogsten top.

Waar de aarde is als een notedop.

De Muze ons uit heur gulden kop,

ocr page 261

249

Tot laving van den heeschen krop,

Doet zwelgen van het Hoefbronsop,

Tot we onder bonzend hartgeklop In doodsangst staamlen: Muze, ach! prop Ons niet te barsten! Stop, o stop!

Geloof ons, zoete suikerpop,

Wij zwellen als een damesmop.

En, gaaft gij ons ook schop op schop.

Ja, dreigdet zelfs met galg en strop,

Wij kunnen niet éen enklen drop Ter grootte van een speldeknop Van \'t kristallijnen vocht meer op!

Maar \'t Rijmboek sleurt mij mee! — Geen God, geen Muze is noodig: Pegasus, Parnassus, Hippócreen \'), overbodig

Is ons uw zwakke hulp! Geen harp, geen lier, geen luit,

Geen citer, geen schalmei, geen rieten herdersfluit.

Geen doedel smeeken we af! Neen, geen Daedalusvleugels,

Geen gloênde scheppingskracht, geen geestdrift zonder teugels, Geen phantasie, geen roes van duren Rijnschen wijn Behoeven we in dees tijd, om puikpoëet te zijn.

Dank \'t nieuwe werktuig, dank! Dat maakt ons \'t handwerk lichter. Maakt Jan-en-alle-man voor éen rijksdaalder dichter;

En heel het gilde juicht met daavrend kunstgeschreeuw :

Leev\' \'t Rijmboek, de eêlste vond van dees machineneeuw!

Wat stoft ge, o Griekenland, op Plato en Pindarus?

Gij Rome, op een Virgijl, Sophócles en Icarus?

Itaalje op CamoCns? Gij, Spanje, op Ariost?

Gij, man van \'t Brittenland, op \'t Paradijs Verlost?

Al nam ook vroeger tijd die meesters tot exempelen,

Wij kennen \'t Rijmboek slechts in onze Bardentempelen,

En zie, hoe — \'t boek zij dank! — ons ambacht bloeit en tiert; Hoe ieder zich het hoofd bewierookt en lauriert;

Hoe in zoo menig stad geen hond of kat kan jongen.

Of \'t luid Te Deum rijst uit twintig koopren longen;

Hoe \'t water zwoegt en kreunt, zich krommend onder \'t wicht Der pakschuit, driemaal \'s weeks tot zinkens vol gedicht; Hoe ieder hymnen zweet bij \'t wederzien der dappren,

\') „Autoriteit, altlmns voor Hip/ccrccn, Pim/^nis cn So/Z/ccles (zie verder beneden) gelijk mede voor Miltons bezingen van \'l Paradijs Verlost cn Itaaljes trotsch zijn op Camoöns (een Portugeeschen dichter!) laat zich met opgave van dichter en bladzijde aanwijzen.quot; (J. d. R.)

ocr page 262

250

Wier moed den kleumschen Gal zoo lang deed landeklappren; Hoe elk in dicht vivat, triomft, hoeraat, hoezeel, ,

löot, helaast, och-armt, ojerumt of oweet,

Hoe bundels poëzie bij grossen en dozijnen.

Als kikkers in de lente in elk formaat verschijnen.

En hoe hun toevloed Leip van uit zijn boekkraam dringt. Schoon hij het mager lijf in honderd bochten wringt.

Ach, hoe langzaam ging het oudtijds met dat verzenmaken toe! Bij den aanvang van den regel werd men reeds \'t gesukkel moe; Riep in\'al God Apollo-zaalger honderdmaal om \'t rijmwoord aan. Dikwijls duurde \'t wel een uur tijds, eer men \'t had en voort kon gaan; Tot het vullen van een boekdeel hoorde zulk een bang getob. Dat, wie dichtte, moest behept zijn met het taai geduld van Job.

Thans gaat het rijmen Afgedrieduivekaters snel,

Verzen te lijmen Is kinderspel.

Vindt m\' onder honderd Kén, die den slag er niet van vat.

Elk zegt verwonderd;

Wat sul is dat!

Kreeg hij maar even \'t Boek met de rijmen voor den dag,

\'t Vers waar\' geschreven Door tooverslag.

Nauw zijn de persen Koud van een bundel poözij,

Daar gaan weer verschen Ter drukkerij.

Zie zoo! — \'t Is uit, en \'k schenk \'t u gratis.

\'t Is maar een staaltjen van mijn kunst En toont, waartoe men thans in staat is

Ook zonder alle Muzengunst.

Maar, om weer tot de zaak te keeren,

Gij wilt wat rijms, weest dus zoo goeil Kn meldt, hoeveel ik zenden moet.

En in wat trant ge \'t zoudt begeeren;

ocr page 263

251

Mijn winkel is thans goed gevuld,

En, wat ik heb, rijmt extra zuiver.

Ook overvraag ik zelfs geen stuiver,

Zoodat gij wel niet dingen zult.

Legenden heb ik puik, mijnheeren!

Dat rijmwerk is thans zeer in zwang.

En \'k dicht ze, al naar de lui \'t begeeren.

Van éen tot twintig ellen lang.

Den prijs kan ik niet juist bepalen,

Want die, uit Stoke en Klaas Kol ij n, Vol ouderwetsche woorden zijn.

Dient gij me iets duurder te betalen.

Wilt ge er geleerde noten bij,

Die zaak is van zooveel gewicht niet.

Sinds Bilderdijks historie \'t licht ziet:

Geen schepsel merkt de dieverij.

\'k Heb twee Balladen slechts in voorraad;

In de eerste sterven hij en zij ,

In de andre, waar de stoot niet doorgaat.

Komt zij nog met een flauwte vrij.

Zoo gij ze van mij nemen wilt.

Druk — \'t is éen moeite voor de zetters —

Ze, in plaats van zwart, met roode letters, En \'k wed, dat gij er zelf van grilt.

Romancen maak ik om te stelen,

Waarin de kuische Luna schijnt.

En Laura onder donkre abeelen Met Filomeel een duo grijnt.

Voorts Minnedichtjes, die doen blozen.

En die mama niet lezen mag;

Of andre, met wat o! en ach ! En dood-onschuldig herders-koozen.

Naar Jaar-, Geboorte- en Huuwlijksdicht Is weinig aanvraag in mijn winkel,

Daar de allerdomste boerenkinkel Dat prullewerk thans zelf verricht.

Naar Hekelwerk moet gij niet vragen:

\'k Heb \'t eens, als knaap, daarmee verbruid. Thans, in mijn rijper levensdagen,

Schei ik er gansch en al mee uit;

ocr page 264

2.r)2

v . Maar Luimig goed... Verbeeld je, heeren!

\'k Laat Freia in een hoepelrok,

God Thor met pruik en wandelstok Langs \'s heeren straten patrouilleeren;

Lc dien des mcrs vertoont een visch,

\'1 hiasse een hond met zeven koppen,

Iduna vent haar Weesper moppen:

En \'k vraag, of dit niet luimig is?

Voorts ben ik van Bemoedigingen, Van Op-te-wapen\'s! Krijgsgeschreeuw, Lierzangen op Oud-Hollands leeuw.

Den Koning, Neerland, Bato\'s telgen.

Den Prins, van Speijk, Hobeijn, Chassé,

Van toasten op geheel de armee. Van Zegt-waarheens, ontzinde-Belgen?

Kn wat dies meer zij, zoo voorzien,

Dat, neemt ge een tachtig, honderd ellen.

Ik mij volgaarn tevree zal stellen.

Mocht gij voor de el een gulden bién.

i833-

{Geeamenlij/ie Gedichten en ft ij men , hij J. y, ,4, G oever neur. (1809—1889;.

y. /)\'. Woliers te Groningen).

RAP EN VROOM,

Wakkre harten, trouwe zielen.

Eerlijk dragen schot en lot,

Niet te bukken, niet te knielen.

Niet te buigen, dan voor God,

Rap van leden, vroom van zeden,

Dat was Hollandsch — king verleden!

Mannen-broeders, leert u tooien In den spiegel van dien tijd!

Vrouwtjes, leert uw hart te plooien.

Dat ge zóó te minnen zijt:

Rap van leden, vroom van zeden,

Dat zij Neerlandsch — ook op heden!

{Al de Volksdichten, bij G. L. Funkc y. p, j/eye. (1809—1876).

te Amsterdam).

ocr page 265

253

SCHITTERENDE STARRE.

Ik zag een starre scliittren,

Maar \'t was niet aan den trans;

\'t Was in twee dierbare oogen,

Ken starretje vol glans.

\'t Betooverde en bezielde

Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd,

\'t Spreidde in mijn blijde woning Gods licht en vrede en vreugd.

Het blonk op al mijn wegen Zoo vriendlijk en zoo zacht,

Een zonnetje van zegen,

Te morgen en te nacht.

Het blonk van heiige liefde Voor zooveel goeds en groots;

Het scheen een licht des levens.

Maar \'t bleek — een boó des doods!

Dat was het Teringstarretje —

Beware u Gods gend.

Dat gij het ooit ziet schittren In \'t oog van kind of gd!

[Dichtwerken, bij Gebr. Kraay P. A. de Génestet. (1829—1861).

te Amsterdam),

JONGENSBRIEVEN,

Neen! ik kan 11 maar niet schiften. Oude brieven: ik bewaar U nu, zonder u te ziften,

Al zoo menig, menig jaar!

\'k Mag u soms zoo graag herlezen, Gele blaadjes, mij zoo dier! Die herinn\'ring aan \'t voordezen Is te goed voor scheurpapier.

ocr page 266

254

/

In die oude, gele brieven Leeft mijn gansche blijde jeugd, Leven al mijn kleine grieven,

Leeft mijn gulle jongensvreugd. Sommige zijn nog geschreven Met een echte jongenshand: Aan den stijl is niet gewreven. De verhalen? \'t Droge zand Hangt nog meer te zamen. Kluchtig Denkt, gevoelt zoo\'n jongen toch! Zijn gemoed is los en luchtig En zijn stijl zoo zwaar en log. — Andre zijn er van mijn vrinden Uit den tijd der Fransche school. Nu — verstrooid in alle winden. Wat een levenslust en jool! \'t Is vacantie, en de bessen Zijn juist rijp, de kersen op.

Frans gaf Jacob van der Flessen Zoo geweldig op zijn kop!

\'t Is dan ook een flauwe rakker, Heel geen jongen, — lam en naar. Leendert Janssen, de oude stakker, Is gestorven .... tachtig jaar! — In de brieven, die nu komen Zijn wij op \'t Latijnsche school, \'t Stijltje wil wat beter stroomen, Maar — wat massa\'s apenkooi. Jongensstreken, groote woorden. Die wij hier of daar eens hoorden, Wiss\'len nu elkander af.

Vreeselijk klassieke moorden! Somtijds krijgen wij nog straf. Anders .... wij zijn heele heeren, Rooken somtijds een sigaar,

Meenen ons te moeten scheren. Doen \'t voorloopig met een schaar. Plato, Cicero zijn wijzen,

Eh de rector is geleerd.

Victor heeft vast alle prijzen; Nu, hij heeft zich ook geweerd! Somtijds gaan met heim\'lijk beven

ocr page 267

255

We in een herberg bij de stad

Eens biljarten. Wat een leven!

Zoo men altijd geld maar had

En .... de rector het niet merkte!

Waarom hij dat toch niet wil

En \'t genot ons wreed beperkte ?

Maar wij doen het toch wel.... stil.

Somtijds gaan wij wandlen, zwemmen,

Visschen: schoone zomertijd!

Als de schoenen maar niet klemmen:

\'k Heb ze liefst een beetje wijd. —

Maar de winter is niet minder:

Schaatsen, sleeën, — ijs en sneeuw!

Ik heb van de kou geen hinder,

En \'k heb honger als een leeuw. —

Later weer, als groote menschen,

Praten wij couranten na,

Lezen Coopers boeken, wenschen

Ver ons in Amerika.

Moesten wij het land regeeren.

Zie, wij deden zóo en zóo.

Die minister wil niet leeren,

En hij hoort niet naar De Roo.

Als er oorlog nu moest komen.

Dan was Nederland niet klaar!

Al dat aarz\'len, al dat droomen

Is ellendig toch, niet waar?

Die ministers! Het zijn lorren! —

Willem Franssen is student.

Hij heeft waarlijk een paar snorren;

Maar.... \'t is een pedante vent 1

Hij wil weinig van ons weten

En bezoekt de sociëteit.

Is hij dan geheel vergeten,

Dat hij nog vóór korten tijd

Met ons Grieksche thema\'s maakte,

Bij den rector Plato las,

Valckenaarsche noten kraakte ?

Welkt de vriendschap dan zoo ras? . ..

ocr page 268

256

Neen, gij blijft daar, oudgedienden,

In uw doos, mijn brievenschat!

Een herinn\'ring aan de vrienden.

Die ik eens heb liefgehad.

Die ik nog niet ben vergeten.

Vriendschap toch, oprecht en waar,

Is zoo gauw niet uitgesleten.

Schoon verwijderd van elkaar.

Blijf ik hen, zij mij gedenken!

Was de levensstorm soms ruw,

Vriendschap bleef haar troost ons schenken,

Waarde vrienden, mij en U.

Wijsheid valt er op te delven Uit die brieven. Ik herken (J daaruit en ook mij zeiven.

Wie ik was en wie ik ben.

Ja, een beeld van \'t jonge leven.

Van die dagen, vrij en blij,

Komt mij voor den geest gedreven Uit die jongensschrijverij.

Ongekunsteld zijn die stemmen Van het gulle jongenshart.

Hier geen vormen, die beklemmen,

Geen beleefdheid, die verwart.

Brieven zijn \'t, vol soloecismen;

Hier en daar een vlek, een klad —

Maar geen walglijke euphemismen En geen draaiend kronkelpad —

Vind ik op zoo menig blad;

Heel het kleine menschenleven,

Al ons streven, goed en slecht.

Staat hier duidelijk beschreven:

Daarom ben ik zoo gehecht Aan die brieven, zoo versleten,

Maar zoo gul, oprecht en waar!

Zou \'k mijn jongenstijd vergeten ?

Nooit! — al word ik honderd jaar.

{Handschrift). IV. Mallinckrodt (1844-

ocr page 269

257

HET KAMELEON.

„Think others see as well as yon.quot;

merrick.

Een vreemdling wandelde aan de kust,

Waar de asch van \'t groot Carthago rust;

Daar kwam een tweede hem te moet,

Als landsman kenlijk bij zijn groet.

Men zet zich neer, en \'t lijdt niet lang,

Of \'t reisverhaal is drok in gang:

Kik brengt wilvaardig voor den dag.

Wat raars of schoons hij, zwervend, zag,

Tot A. begint: „Het koddigst dier.

Mij ooit bejegend, huisvest hier:

Van maaksel schier een hagedis;

Zijn staart — lang tien duim, naar ik gis;

De tong voor mug en vlieg te gauw;

En nu de kleur? — denk! hemelsblauw!quot;

„Blauw! blauw!quot; smuilt B. „\'k Herken uw beest;

Maar, Vriend, dat is nooit blauw geweest.

Men biet het een Kameleon.

Ik vond het, schuilend voor de zon,

In \'t lommer van een dadelbosch;

Daar kroop het, net zoo groen als \'t mos!quot;

„Noch boom, noch struik, een mijl in \'t rond,

Waar ik het mijne kruipen vond,

Ginds, aan dien naakten puinhooptop;

Het volle daglicht scheen er op;

Geen mooglijkheid tot oogbedrog;

En \'t beest was blauw, dat zeg ik nog!quot;

„Groen! groen! geloof mij!quot; — „\'k Zeg u: blauw!quot; — „Groen!quot; „Blauw!quot; — Zoo gaat hel: snauw op snauw. Men stampvoet, blikoogt, vloekt en zweert:

De vriendschap was in gram verkeerd!

m, en i.. leopüi.d. Sleutel, II, 4e druk 17

ocr page 270

25«

Als, zie, een derde wandlaar kwam,

Die reeds van ver hun twist vernam!

Zijn woord is: „Heeren, kiest in mij Uw scheidsman! \'k Hoor tot geen partij.

Bij \'t lamplicht ving ik heden nacht Het dier, dat u aan \'t kijven bracht,

En draag \'t, in dit servet geknoopt,

Naar Tunis, of \'t er iemand koopt.

Ik weet nauwkeurig, wat ik ving:

Zwart! gitzwart is het leelijk Ding!

Is \'t blauw of groen, dan sta ik klaar,

En eet het op met huid en haar!quot;

Hier slaakt hij \'t, en, voor zwart als git.

Vertoont zich \'t arme schepsel wit! —

Gèèn sprak er, dan \'t Kameleon —

Juist van een ras, dat spreken kon —

Het sprak: „Goê luitjes, hoort, hoe \'t is:

Elk had gelijk en elk had mis!

De kleur, bij dieren van mijn slag.

Verwisselt zesmaal op een dag.

Doch laat mij nu in vrede gaan!

\'k Bied u een raad als losgeld aan:

Schijnt andren, wat u krom scheen, recht,

Heet niemand daadlijk dom of slecht.quot;

(Gedichten, bij A. C. Krusemnn /1. C. IV. Staring. (1776—1840).

te Haarlem).

DE POPEL VAN NOORDDORP.

(1335).

Wie Heemskercs oude heirbaan gaat

En heentrekt om tie Noord, Die kent het huis de Vlotter wel Met zijn ver wuifde poort, —

ocr page 271

259

Die kent het huis de Vlotter wel Met zijn begroeide gracht.

Daar woonde Jonker willem op, Uit Heemskercs oud geslacht.

Daar woonde Jonker willem op,

Heer willems koene zoon,

Die schonk hem Noorddorp tot een erf. De Vlotter tot een woon. —

Heer jan van oudtshoorn toog van daar En keerde weer naar \'t Zuid.

Zijn jongste zuster, hadewv,

Was Jonker willems bruid.

— „Ai, zeg mij toch, mijn broeder! zeg, „Wat brengt ge van de Noord?

„Toch wel een groete van mijn held: „Een kort, maar vurig woord?quot; —

— „Wel! bracht ik van het Noorden slechts „Een beetre nieuwmaar mee :

„Uw held ligt op de Vlotter krank, „Doodkrank en stervensreö.quot; —

— „Mijn moeder rust reeds lang in \'t graf, „Mijn vader sinds dit jaar;

„Zoo mij nu ook mijn held begeeft — „O God! dat valt te zwaar!quot;

„Mijn trouwe lijfknaap! spoed u voort „En rep uw vlugge león:

„Tuig mij mijn snelsten schimmel op — „Ik wil naar Noorddorp heen. —

Heur trouwe lijfknaap spoedde zich En repte fluks de leên.

Heur snelste schimmel stond gezadld — Zij reed naar Noorddorp heen.

Des Jonkers moeder stond aan \'t raam En tuurde langs de baan:

„Daar rijdt met onverpoosden draf „Een teedre jonkvrouw aan.

ocr page 272

260

„Het koeltjen waait met luchten tocht „Heur sluier aan een kant....

„Maar hemel! ze is de schoonste wel, „En van geheel het land 1quot; —

— „Is zij de schoonste wel van \'t land, „En teer een maagdelijn —

Zoo moet ze Jonkvrouw hadewy,

„Mijn bruid van oudtshoorn zijn.quot; —

De Jonkvrouw trad in \'t slaapsalet, De Burchtvrouw zag verstoord.

De Jonker kreet het uit van vreugd. De Burchtvrouw sprak geen woord.

— „Dat loone u God, gij teedre ziel! „Gij hart vol trouwe min!

„O! nu te sterven, aan uw borst, „Dat heeft den hemel in!

„Sa, gondebald, mijn Edelknaap!

„Lang mij mijn gulden schrijn:

„Mijn bruid, die weduwe achterblijft, „Moet niet verlaten zijn.quot; —

Hij nam een hairband van robijn, In blinkend goud gekast;

Een gulden beker bovendien,

Met rijders opgetast;

Een gordel nog van goudsmeêwerk, Doorflonkerd van juweel:

„Neem aan, neem aan, mijn hadewy! „Het is uw wettig deel.quot; —

Zij lette op goud noch flonkerbag,

Maar slechts op hem alleen.

En sloot zijn handen aan heur borst Met lang en diep geween.

Toen sprak de Burchtvrouw, gram te moö „Fij, willem! dat \'s mij leed,

„Dat gij een vreemde uw schatten deelt „En eigen bloed vergeet!quot; —

ocr page 273

261

— „Mijn moeder heeft heur echtgenoot,

„Mijn vader huis en land,

„Mijn zuster bel hare oudren nog: —

„Hier hoeft geen milde hand.

„Mijn hadewy is ouderloos „En heeft nauw hoeve of erf.

„Heur magen zijn van harden aard;

„Ik was heur hope — en \'k sterf. —

„Maar wilt ge, dat ik rusten zal -—

„Zoo leg me in deze streek,

„En sluimre ik aan den heuvelzoom,

„Die oprijst langs de beek.quot;

Aan haren boezem boog hij \'t hoofd Ter ruste, kalm en zacht.

Hij stierf nog lang vóór schemering.

Zij — lang vóór middernacht.

Aan \'t hellen van den heuvelzoom Daar groef men hem een graf.

Haar bracht m\' aan de eigen plek ter rust,

Twee schreden van hem af.

Men plantte een popel op de plaats,

Waar hij te sluimren lag;

Die sloeg de breede wortlen uit En wies met eiken dag.

Die sloeg de breede wortlen uit,

Maar boog zijn zwaarsten tak

Naar \'t plekjen, waar de Jonkvrouw sliep In \'t hellend heuvelvlak. —

Wie Noorddorps oude heirbaan gaat En zij waart wijkt naar \'t duin.

Die vindt den grijzen popel wel Met zijn bemoste kruin.

(Kennemerland: Balladen, bij IV. J. Hofdijk. (1816—1888).

J. Van der End! en Zn. te Maassluis).

ocr page 274

262

EEN ZOMERSCHE ZONDAG. I. OP HET LAND.

Een schoone, zonnige achtermiddag.

Zij wacht te huis, zij zit alleen. Een pachthoeve, eenzaam op den akker. En al het volk van \'t huis is heen.

De kat ligt aan den haard te slapen;

Het koper blinkt; het vuur is uit; De zonne schijnt; \'t is al zoo stille, En \'t uurwerk tikt zoo traag en luid.

Verloren uren in het leven!

Zij gaat op \'t hof: de luie hond Komt slaaprig uit zijn kot gekropen En sleept zijn keten langs den grond.

Aan \'t water bloeit de stille winde;

Een paard kijkt treurig uit den stal, De runders loopen in den boomgaard, En de eendjes drijven langs den wal.

De landweg zandig, lang en eenzaam.

Zij keek, of niemand komen zou; Zij staarde naar den blauwen hemel, Of niet de zon haast zinken wou.

Vóór haar de schooven op den akker, En op den boord van \'t stoppelland Een late, blauwe korenbloeme:

Zij plukte ze af en wierp ze in \'t zand.

O lange zondag, o verveling!

O dag, die traagzaam henengaat, Als moest hij duren zonder einde,

En die toch geen herinnring laat!

ocr page 275

263

2. IN DE STAD.

Een schoone, zonnige achtermiddag,

Zij wacht te huis, zij zit alleen.

Een groote woning in de hoofdstad,

En al het volk van \'t huis is heen.

De kat ligt slaaprig in den zetel;

De hond verveelt en rekt zich uit,

En \'t vogeltje, in de kooi gevangen,

Zingt onverdraaglijk schel en luid.

Verloren uren in het leven!

Zij legt haar leesboek geeuwend neer.

En de orgeldraaier in de buurte Begint zijn zelfde deuntje weer.

Zij ziet naar \'t uurwerk op de schouwplaat:

De wijzer gaat zoo traagzaam voort.

Zij zet aan haar klavier zich neder

En slaat misnoegd een valsch accoord.

De wijk is doodsch en afgezonderd.

Zij dacht, of niemand komen zou;

Zij wenschte, dat het avond ware,

Of dat men eenmaal klinken \') wou.

Vóór haar de stille burenhuizen,

De muren hoog, de deuren dicht,

En \'t album tienmaal reeds doorbladerd,

Dat op de tafel openligt.

O lange zondag, o verveling!

O dag, die traagzaam henen gaat.

Als moest hij duren zonder einde.

En die toch geen herinnring laat!

{Gedichten, bij J. B. Walters Virginie Love ling. (1836—).

te Groningen).

\') Bellen.

ocr page 276

264

NAPOLEON BONAPARTE.

(eerste consul).

DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN.

eerste bedrijf.

VIJFDE TOONEEL.

De receptiezaal der TuilerieCn. Op den achtergrond de hoofdingang; aan weerszijden deuren, waarvan éene leidt tot het kabinet van den Eersten Consul.

Talleyrand en fouche tredeji binnen.

{De eerste hinkt van nature, maar weet het te verbergen, zoodal zijn gang een zacht schuiven wordt).

talleyrand.

Wat zie \'k! Fouché bezoekt de Tuilerieën:

Ulysses keert terug naar Ithaka!

Een nieuwe zegepraal voor d\' Eersten Consul,

fouché.

Hoe zoo?

Talleyrand {glimlachend).

Een Jacobijn van d\' echten stempel Schijnt half bekeerd.

fouché.

Een Jacobijn?

talleyrand.

Nu ja,

Dat woord klinkt tegenwoordig hard, niet waar?

Want de Eerste Consul is geen Jacobijn.

fouché.

Ook menigeen was \'t niet, schoon hij het scheen.

ocr page 277

265

TALLEYRAND.

Bij voorbeeld gij? Maar neen, Fouché! dat niet. Gij waart wel, wat ge scheent. Dat is bewezen. Gij hadt beginslen: dat getuigt Lyon!

Daar draagt, zooals men zegt, de roode kleur Tot op dit oogenblik uw naam.

FOUCHÉ.

\'k Bewonder De Talleyrand .... De diplomaat-minister Versmaadt zelfs het Journaal der modes niet....

TALLEYRAND.

Gewis niet; dat Jour7iaal is leerzaam; \'t doet U zien, hoe stadg de snede en kleuren wisslen. \'k Beveel het elk, zelfs u ter lezing.

FOUCHÉ.

Toch?

TALLEYRAND.

\'k Bewees u, dat ge een man zijt van beginslen, Maar \'k sluit daarom niet alle ontwikkling uit.

Toen \'t Consulaat den grooten Bonaparte Voor \'t leven werd geschonken, was Fouché Te veel nog Jacobijn, om dit te dulden.

Het kostte u \'t ambt, nog wel dat van Minister. Dat noem ik man zijn van geweten, van Beginslen. \'t Heeft u wis veel strijds gekost.

Eer gij de nuttigheid van \'t nieuw systeem Begreept, eer gij kondt worden, wat ge nu zijt; \'t Is vaak gezegd: den schat waardeert men eerst, Als hij verloren is. Zou \'t u zoo gaan?

En zou het waar zijn, wat men stout beweert, Dat ge in de hofzaal van de TuilerieOn,

Wat gij verloren hebt, terug komt zoeken ?

FOUCHÉ.

Dat is niet juist.

(zacht).

Hij denkt me in ongenade.

Die man kroop eens voor mij. Altoos die glimlach

ocr page 278

266

talleyrand.

Zeg mij, zoo \'t geen geheim is der Politie,

Waarom gij juist dit uur gekozen hebt, —

\'t Receptie-uur van \'t Corps Diplomatiek?

fouché.

Zoo ik \'t behoefde, zou ik ü, mijn Vriend!

Wien ik in vroeger dagen minder vreemd was.

Tot wederdienst een vrijgeleide vragen.

talleyrand.

Waar denkt gij aan? Ik zou u uitgenoodigd . .. ?

fouché.

Bedaar! . . .. Ik zeide u straks, zoo ik \'t behoefde;

Maar ik behoef het niet, want de Eerste Consul Heeft herwaarts mij in dit uur opontboden.

talleyrand.

Zoo ....!

(zacht).

Dit verwachtte ik niet. Waarvoor zou \'t zijn?

fouché (staart hem scherp aan, maar het gelaat blijft onveranderd). Bevreemdt u dat?

tailleyrand.

\'k Bewonder weer den Consul,

Die altoos even juist zijn dienaars kiest.

Wien voegde \'t meer dan u, om plaats te nemen In zijn Ministerraad?

fouché (fijn).

\'k Begrijp u niet.

talleyrand.

Thans scherts op zij: \'t geschiedde ondanks mijn raad.

Dat u de Portefeuille werd ontnomen.

Bij \'t woelen der partijen is het noodig.

Dat Argus-oogen waken — die hebt gij.

fouché.

Gij zegt dit; maar, mijn Vriend! zoudt gij wel wenschen,

Dat ik ze had?

ocr page 279

\'267

talleyrand.

Waar\' \'t u voordeelig, zeker.

Réal, die thans belast is met uw ambt,

Heeft niet uw scherpen blik. Vandaar,

Zooals \'t gerucht wil, weer komplotten ....

Maar of dit waarheid zij.... ?

fouché.

\'t Is me onbekend,

\'k Ben geen Minister van Politie meer.

talleyrand {zacht).

Nog is hij ondoordringbaar.

fouché.

Naar men zegt,

Zijt gij met Josephine weer verzoend .. . ?

talleyrand.

Verzoend? Er was geen vijandschap.

fouché.

Ik heb

U wel gezegd, mijn Vriend! gij moest niet wenschen,

Dat \'k Argus-oogen had. Zooals\'t gerucht wil,

Hebt gij, zoodra de naam van Bonaparte

Beroemd begon te worden, Josephine

Het hof gemaakt als fijne diplomaat;

Maar toen men haar gemaal bedolven dacht

In \'t stuifzand der woestijnen van Egypte,

Hebt gij haar koel, met wederwil bejegend.

De vrouwlijke ijdelheid werd diep beleedigd,

En Josephine zal het nooit vergeten,

Al mag zij \'t u vergeven.

talleyrand.

Voor dat sprookjen Werd u een Portefeuille toegezegd?

Gij hebt in haar een machtige beschermster.

fouché, zich ?iaar Talleyrand heen buigende, zacht:

Niet meer.

Eene kleine pauze: beider oogen spreken.

ocr page 280

268

talleyrand.

Haar politiek was echter de uwe.

FOUCHÉ,

De mijne is thans de hare niet, zal \'t nooit Weer zijn. Ik heb den toestand van het Rijk,

Den wil van Bonaparte thans begrepen.

Ik volg dien. De gelijke werd een meester.

Moet hij het zijn, laat hem dan hooger stijgen.

Wat Franschman dient, zoo hij lakei moet zijn.

Niet eer een machtig Koning dan een burger.

De Consul moet nog meer zijn, Talleyrand!

Hoe meer hij heeft, hoe meer hij geven kan.

talleyrand.

Maar Josephine .. . . ? zij bekampt uw streven,....

Zij denkt bekrompen .... zij .. .

FOUCHÉ.

Moet vallen.\'

Talleyrand, Fouché een snuif jen biedend, met een glimlachjen :

Zoo?

zesde tooneel.

De vleugeldeuren op den achtergrond worden opengeworpen.

De vorigen.

De prefect der TnilerieCn, op den drempel aandienende: Het Corps Diplomatiek.

(Talleyrand en Fouché, op den voorgrond ter linkerzijde neergezeten, rijzen op. De eerste gaat de binnenkomenden te gemoet en ontvangt de Gezanten, waaronder men opmerkt: den Graaf de Markoff, Gezant van Rusland; Markies d\' Azara, van Spanje; Markies di Lucchesini, van Pruisen; Graaf van Cobentzcl, van Oostenrijk; Markies di Gallo, van Napels\').

fouché, ter zijde staande en allen beschouwende.

\'t Is reeds een hof!....

ocr page 281

269

Talleyrand , de gezante7i ontvangende.

Graaf de MarkofF,... d\'Azara,.. . Lucchesini, ...

Von Cobentzel,... di Gallo .... Mijne Heeren!

(ZV gezanten vormen verscheidene groepen. Talleyrand houdt zich bij voorkeur met d\' Azara en Lucchesini bezig).

von cobentzel, zacht tot di Gallo.

De fijnste vleierijen des Ministers Voor Pruisen en voor Spanje. Merkt gij \'t?

di gallo.

Ja-

de markoff , zich bij deze beiden voegende, zacht. Er dreigt een onweer.

von cobentzel, fluisterend.

Uit het Noorden?

di gallo.

Stil.

De Talleyrand hoort scherp. Hij ziet ons aan.

Verwijdren we ons een wijle van elkaar.

{Hij voegt zich bij eene andere groep). de markoff, hem nastarend.

Hoe Napels siddert voor den Eersten Consul!

von cobentzel, met beteekenis.

En Rusland dan?

de markoff.

Het schuwt de Republiek,

Gelijk de blanke steeds den roodhuid.

von cobentzel.

Zachter,

Ontzie des rooden kracht.

de markoff.

Hebt gij \'t vernomen ?

Een Zwitser, in mijn dienst, heeft men gevat.

Dat is een hoon.

{geheimzinnig).

Men mompelt van een aanslag.

von cobentzel, gesmoord.

Wat éen pistoolschot doen kon!

ocr page 282

270

(De Talleyrand nadert hen).

von coiientzkl, luid, zich tot dezen keer end.

Hoe mijn meester

Den jongen Caesar wenscht te zien!

Talleyrand , glimlachend.

In Weenen?

von cobentzel.

Of. . .. in Parijs.

rgt;e prefect der Tuilerieün, op den drempel van het kabinet. De burger Eerste Consul.

[Allen scharen zich).

zevende tooneel.

Napoleon bonaparte treedt binnen, begeleid van zijn\' staf en de twee Consuls, Cambacérès en Lebrun, beiden in het Consulscostuum, — rooden rok met goud geborduurd. Hij zelf is zeer eenvoudig, in Generaalsuniform. Bij het binnentreden neemt hij den hoed van het hoofd. Hij treedt de rijen langs en houdt bij den afgezant van Pruisen stil.

bonaparte.

Markies de Lucchesini! groet uw meester,

En breng Zijn Majesteit d\' oprechten dank Van d\' Eersten Consul voor zijn schoon geschenk.

lucchesini , zich buigend, fluisterend.

Maar, Generaal! Hannover ....

bonaparte, voortgaande, half luid.

Blijft bezet.

[Hij nadert di Gallo, Napels\' afgezant).

Ik heb bericht, dat Napels onderhandelt Met Eng\'land. Is dat waar?

dl gallo , stamerend.

\'t Is ine onbekend.

bonaparte.

Ik ken sinds lang het Napelsch kabinet.

Het is bevreesd, dat ik geheel Itaalje Mijn eigendom doe worden, — dat \'s geenszins

ocr page 283

271

Mijn wil. \'k Begeer uw Staten niet, maar wel,

Dat gij uw havens sluit voor Engeland.

Tot heden staat Saint-Cyr met zijn divisie Aan deze zijde van uw grenzen, — als \'t Gerucht, dat ge onderhandelt, zich bevestigt.

Dan trekt hij ze over. Meld dit.

{Bonaparte wendt zich naar een anderen kant). de markoff, voortredende.

Generaal!

Een Zwitser, in den dienst van d\'Afgezant Van Rusland, werd in dezen nacht gevat.

\'k Mag niet vermoeden, dat de last daartoe Door u werd uitgevaardigd; de Afgezant,

Zijn dienaars, waren door alle eeuwen heen Bij iedere beschaafde natie heilig.

bonaparte.

Ik hadd\' gewenscht, dat de Afgezant van Rusland Gelukkiger geweest ware in het kiezen Van dienaars en beambten; want die Zwitser Zweert samen met de vijanden van Frankrijk,

En ik vermoed, dat de Afgezant van Rusland Niet deze zal beschermen.

de markoef, hevig.

Generaal!

bonaparte.

Het goud van England heeft een bende roovers Ten tweeden maal gehuurd, \'k Heb hun carré Verbroken; in \'t gelid stond ook die Zwitser.

Ik deed hem vatten. Graaf! het hoofd van Frankrijk Weet wél, wat een beschaafde natie voegt.

En zou, wist hij het niet, gewis niet wenschen,

Van \'t Noorden het te leeren.

talleyrand , zacht.

Wil hij oorlog

Met Rusland? \'t Is te vroeg nog.

von cobentzel, voortredende.

Burger Consul!

Gij trekt een leger saam in Lombardijen ....

bonaparte.

Zij Oostenrijk niet ongerust, \'k Heb derwaarts Den Generaal Thureau gezonden, \'k Wil Een heirweg over de Alpen; \'k wil een korter,

ocr page 284

272

Een meer gebaanden weg naar Lombardijen,

Dan \'k eenmaal ben gegaan, \'k Slecht den Simplon.

\'t (iaat spoedig: vraag het slechts mijn twintig duizend Recruten, die er werken.

(///y gaat verder en staat stil bij d\' Azara, den Spaanschen gezant).

Welkom, Ridder!

{Hij neemt hem onder den arm en treedt ter zijde).

\'k Heb dezen ochtend het verdrag geteekend.

Het trouwe Spanje deelt thans in de grootheid Van \'t overwinnend Frankrijk, \'k Wacht u straks.

{Zich tot de anderen keer end).

Mijne echtgenoot kan u ontvangen, Heeren!

{liet Corps Diplomatiek verwijdert zich met De Talleyrand).

achtste toon eel. bonaparte, fouché.

fouché . ter zijde.

Dwaas! die nog heil zou wachten van partijen. Kan \'t ros nog steigren, als die sterke vuist De teugels grijpt ?

bonaparte.

Fouché!

{Deze nadert buigend). Ik heb uw brief Ontvangen. Gij hebt goed gezien. Ook ik Vermoedde lang reeds een komplot. Réal Beweerde stout het tegendeel, maar twee Vendeörs en die Zwitser....

fouché. Gij meent Troche

Bouvet, Picot... ?

bonaparte.

Gij kent hun namen? fouché.

Ja,

Sinds gister.

bonaparte.

\'k Moet erkennen, gij ziet scherp.

ocr page 285

273

fouché.

Moet ik den Eersten Consul nog herinn\'ren,

Dat ik z ij n dienaar eenmaal was ?

bonaparte.

Gij weet

Dan ook, dat deze zijn gevat.

fouché , toestemmend knikkend.

Ze ontdekten,

Dat Cadoudal en Pichegru zich hier Bevonden met een schaar VendeCrs, dat Die beiden in een brik van Englands kust Vervoerd zijn naar de rotsen van Bretagne En daar geland bij d\' inham van Biville;

Dat ook die brik nog andren, ja, de keur Der gansche bent moest overvoeren, en ... .

bonaparte.

Den Generaal en chef, — éen der Bourbons.

foughé.

En is hij aangekomen?

bonaparte.

Neen, Bourbon Moest landen, als het uur van d\' aanslag was Bepaald; dat werd verschoven door de weiding Van éen der Chefs in Frankrijk, — van Moreau.

fouché.

Moreau! . ... hij stond reeds lang in mijn register

Met roode letter aangeduid. Ik wist,

Dat hij omringd werd van VendeCrs, die

Hem vleiden en aanhitsten tegen u.

Hij is gestrikt, de dwaas! \'k Wensch u geluk:

Die mededinger zal u niet meer deren.

bonaparte.

Nog vraag ik uw gevoelen niet.

fouché, zich verbijtend.

Ik zwijg.

(Eene korte pauze\').

bonaparte.

Het eedgespan schijnt op Moreau verbitterd;

Zijn weiflen had hun arm verlamd; thans echter Heeft hij aan Pichegru een mondgesprek Beloofd, \'t Wanneer is me onbekend, en toch,

Het is mij noodig, dat te weten; gij

M. en L. LEOPOLD, Sleutel, II, 4e druk. 18

ocr page 286

274

Begrijpt mij .... als Moreau betrapt kon worden Op heeter daad ....

fouché.

Wat licht! Dat mondgesprek

Heeft plaats gehad.

bonaparte.

Wanneer ?

fouché.

Deez\' nacht.

bonaparte.

Hoe weet gij \'t?

fouché.

Eens was ik uw Minister van Politie.

\'k Lees nog de nachtrapporten vaak, en heden Ontwaarde ik , dat Moreau omstreeks halfvier Gezien was op de Boulevards, gekleed ....

eon ap arte , hem op den schouder kloppend.

Bravo!

fouché, ter zijde.

Ik zal Minister zijn.

de prefect der Tuilerieün. De burger

Réal . .

negende tooneel.

De vorig en, réal. bonaparte, hem ziende.

Wel?

réal, buigend.

Burger Consul!

bonaparte.

Brengt ge iets nieuws?

réal.

Ons meldt het nachtrapport . . .

{op Fouché wijzende).

Maar kan ik spreken?

ocr page 287

275

bonaparte.

Die man is doof en blind, als hij het zijn moet:

Spreek op.

réal.

Men heeft Moreau gezien.

bonaparte, zich driftig van hem af keer end.

Ik weet het.

{Een spotachtige glimlach vertoont zich op Fouché\'s gelaat. Réal is onthutst\').

Gij neemt, vóór de avond valt, Moreau gevangen.

\'t Besluit der Consuls, dat u daartoe machtigt.

Ontvangt ge straks.

(/lij geeft hem een wenk, te vertrekken; Réal af).

bonaparte tot Fouché.

Spiê rond, meld, wat ge ziet.

Gij kunt me dienen, dien me, en \'k zal beloonen.

Gij weet, — de burger Eerste Consul kan het.

fouché.

\'t Is glorie, u te dienen.

{Hij vertrekt).

tiende tooneel.

bonaparte, hein nastarend. Wolf in schaapsvacht! Hoe jammer, dat die man onmisbaar is.

de prefect.

De Kolonel de Savary.

elfde tooneel.

bonaparte, savary.

bonaparte tot den binnentredende :

Mijn vriend!

U wacht een werk, dat kracht en vlugheid vordert.

Gij hebt ze beide.

18*

ocr page 288

276

savary.

Generaal!

bonaparte.

Gij snelt

Aan \'t hoofd eens escadrons, vermomd, als gij, In burgerkleeding, heden nog, terstond Naar d\'inham van Biville. Gij zult daar Een brik zien kruisen, die de kust zal naadren En zijn bemanning zal doen landen. Deze Neemt gij gevangen; daadlijk zendt ge mij Bericht, geheim.

savary.

\'k Versta u, Generaal!

(«/)•

TWAALFDE TOONEEL.

bonaparte alleen. Hij kruist de armen en loopt heen en weder eindelijk blijft hij staan.

Wordt een Bourbon gevangen, wat te doen!

Mijn vijand van nature is dat geslacht.

Het wil mijn bloed, — dat is het hunne waard! —

En dan Moreau! . . . . Dien dwaas kan ik vergeven,

Hij heeft zich-zelv\' vernietigd.

DERTIENDE TOONEEL.

De vorige, Josephine.

Josephine, ongemerkt binnengetreden. Hem de hand op den schouder leggend.

Bonaparte!

(Hij ziet driftig om).

Ik stoor u immers niet?

bonaparte.

Wat voert u herwaarts?

Gij weet toch, dat dit uur. . . . ?

ocr page 289

277

josephine.

Niet mij behoort.

bonaparte.

\'k Heb bezigheden, maak het kort.

josephine.

Mijn vriend!

Dat \'k uitruste aan uw zij. Ik heb een uur In \'t keurs der etiquette doorgebracht.

\'t Scheen mij een dag.

bonaparte.

Gij toonde u echtgenoot

Van d\'Eersten Consul?

josephine.

\'k Wilde \'t, maar \'k geloot, Dat ik slechts Josephine, slechts de vrouw Van Bonaparte was.

bonaparte.

\'k Begrijp \'t. Gij gaaft Der spotternij weer voedsel voor een week.

Hoe de adel, dat skelet der vorige eeuw,

Weer rijk wordt in herinneringen, zich Verkneukelt bij \'t verhaal van d\' ouden tijd.

Toen \'t wellust was, een Koning te zien buigen!

O! zij, die siddren voor den Eersten Consul,

Ze wreken zich op de echtgenoot.

josephine.

Mijn vriend!

Het kost mij veel, om niet mij-zelv\' te zijn;

En stond ik nog naast u! Maar dan alleen In \'t midden dier verheevnen, die mij aanzien,

Die elk gebaar bespieden .. .. ! Als ik denk,

Dat vroeger Koninginnen daar regeerden.

Gij mij geboodt, een Koningin te zijn,

Dan vrees \'k een misstap, en ik doe er een.

bonaparte.

De bloode! Hoe zou \'t zijn, als gij in \'t aanzicht Van gansch Euroop moest zeetien op een troon!

josephine.

Een troon? Maar mijn gemaal is geen Bourbon.

bonaparte, ter zijde.

Zij kan mij niet begrijpen, mij niet volgen.

ocr page 290

278

josephine.

Wat zijt gij anders dan voorheen! Die klacht Verbaast u? Toch is \'t waar. Ik gaf mijn rijkst Kleinood, zoo \'k in dat hart, dat brein mocht lezen . . . Eén oogenblik, niet lang; want dan zou \'k duizlen Bij al die grootsche plannen; ja, beken \'t,

Gij zijt gansch anders dan voorheen.

bonaparte, lachend.

Ben ik

Gegroeid ?

josephine.

\'k Ben ernstig.

bonaparte.

Toch? De kleine is ernstig!

josephine.

Scherts niet. \'k Ben dikwerf ernstig thans. Ik ben Beklemd, ik vrees.....

bonaparte.

Welnu, gij vreest... . ?

josephine.

Zult gij

Niet toornig worden?

bonaparte.

Kind!

josephine.

Ik vrees uwe eerzucht. Zij is het schrikbeeld, dat me stadg doet huivren.

Ik stel \'t mij voor bijwijlen.als een monster.

Dat tusschen u en mij zich plaatst.

bonaparte.

Zottinne!

Gij minacht, wat gij achten moest. Die eerzucht Maakt uw gemaal tot d\' eerste in Frankrijk.

josephine.

En

Eerlang tot Koning.

bonaparte.

Wie heeft dat gezegd? Wie tooverde u die grillen in het hoofd?

Josephine, haastig.

Och, niemand!

ocr page 291

\'279

bonaparte, haar scherp aanziende.

Toch wel ....

Josephine, de oogen nederslaande.

\'t Is ... . een .... voorgevoel. bonaparte, {ter zijde)

Men heeft er van gesproken. Wie zou \'t zijn?

{luid.)

Wat dwaasheid! Maakte ik ook gebruik van mijn Vermogen, greep ik naar een kroon, die ik Zou kunnen grijpen, wettigt dat uw angst?

Voor u de glans, voor mij \'t gewicht.

josephine.

Die taal!

Vergrijp u niet aan \'t eigendom eens andren.

Die kroon behoort Bourbon. Gij kunt haar nemen En dus ook geven: geef haar aan Bourbon.

Gij zijt reeds grooter dan de grootste op aarde.

Stijg slechts niet hooger; iedre schrede voorwaarts Verwijdert u van mij. De liefde scherpt Het oog der vrouw; reeds anders zijt ge thans, —

Hoe zou het zijn, zoo gij een Koning waart!

bonaparte.

Niets meer daarvan. Doe spoedig mij vergeten.

Dat \'k Eerste Consul ben. Wist mijn politie,

Dat gij geheim agent waart van Bourbon . . . .!

josephine.

Wat meent ge?

bonaparte , schertsend.

Welk een angst! Ik zou haast wanen,

Dat ge in \'t gevoelen deeldet van Europa,

En me aanmerkte als barbaar, als Kannibaal,

Den schrik der kindren op Europa\'s tronen!

josephine.

Hebt gij mij lief zooals voorheen?

bonaparte.

Wat vraag!

josephine.

Geen antwoord?

bonaparte, {ziel op zijn horloge).

Hoe! \'t staat stil!

ocr page 292

\'280

josephine.

Toch wondt gij \'t op? Het is voor \'t eerst, sinds ik \'t u gaf. Slecht teeken!

Mijne oude negerin zei \'t immer.

bonaparte.

Kind!

{ter zijde).

\'t Is zonderling.

josephine.

Gij hebt mij niet meer lief!

\'t Was anders, toen ik u dat uurwerk schonk.

Herinnert gij \'t u nog? \'t Was nacht; gij gingt Naar \'t leger van Italië, onbekend . . .

Weet gij nog wel, wat gij toen zeidet?

bonaparte.

Zeker!

Bij iederen secondeslag zou \'k u

Gedenken; \'k deê \'t; — bij Arcole en bij Lodi,

In \'t midden van \'t gevecht, dacht ik aan u.

josephine.

Nu staat het stil. Gedenkt ge mijner nog?

bonaparte, gedwongen schertsend. Wat bijgeloovig kind!

josephine.

Laat me u eens aanzien.

Nu zijt gij de oude.

bonaparte.

Ik lees het in uwe oogen:

Gij hebt mij iets te vragen.

josephine.

Ja, zelfs veel.

Het geldt een uitgeweekne. Weiger niet.

Hij schreef me een brief; hij wilde herwaarts keeren. Gij hebt het velen reeds vergund: niet waar,

Ook dezen?

bonaparte.

Vrouw! gij weet niet, wat ge vraagt. Die uitgewekenen zijn dankbaar! Gij Kent niet de vrienden van Bourbon.

josephine.

Gij weigert?

ocr page 293

281

Maar hij, voor wien ik vraag, is ongelukkig. Hij wenscht te sterven in Parijs.

BONAPARTE.

Zijn naam?

JOSEPHINE.

Laroche-Jaquelin. Maar hij bestreed.

BONAPARTE.

Een oud geslacht!


JOSEPHINE.

Niet u, — de Republiek.

Hij heeft een dochter, die ....

BONAPARTE.

Een plaatsing zocht

Als dame van uw huis?

[Josephine knikt toestemmend). BONAPARTE.

Ik schenk haar vader

Verlof, terug te keeren.

JOSEPHINE.

Hart\'lijk dank! BONAPARTE.

Nog iets. De raad der Consuls heeft uw Huis Vergroot. Ge ontvangt vier Eeredames.

JOSEPHINE.

Ach!

\'k Had reeds te veel aan twee .... Bevrijd me er van.

BONAPARTE.

Gehoorzaam. Thans — vaarwel!

JOSEPHINE.

Nog éen verzoek.

BONAPARTE.

Straks, later.....

JOSEPHINE.

Hoor mij thans; het geldt mijzelve (aarzelend).

Mij drukt een schuld.

BONAPARTE.

Sluit weer uw budget niet? Hoe groot is uw tekort?

ocr page 294

\'282

Joseph INF,, fluisterend.

Drie duizend francs.

bonaparte.

Drie duizend francs! Drie duizend! .... Josephine!

Het is mij lichter, \'t budget van den Staat Dan \'t uwe te besturen .... Gij verspilt... .!

josephine.

Vergeef me. . . . Ja, \'t is veel, maar, weet ge, ik zag Een sjaal bij Brignolé, een cachemire!

bonaparte.

Daarvoor betaaldet gij.... ?

josephine.

Maar zij is heerlijk!

Mevrouw de Hertoginne de Chevreuse Was trotsch op \'t laatste bal, dat haar kostuum Het m ij n ver overtrof.

bonaparte.

Ik zal uw schuld

Betalen.

josephine.

Zult ge? Ik adem weder vrij.

de prefect der Tuilerieen op den drempel. De Staatsraad is bijeen.

bonaparte.

Ik kom.

{De prefect vertrekt).

Tot Josephine:

Vaarwel!

josephine.

Gij zult dus.....?

bonaparte.

Ja, maar zorg ook voor \'t vervolg.

Josephine keert halverwege.

Gij kunt het korten op mijn volgend maandgeld.

bonaparte, lachend haar heenwenkend.

Ik ken dat....

terwijl zij zich heenspoedt en het Kabinet nadert).

Goede vrouw! gaf zij me een zoon!

[Dmmntische Poëzie, bij J. C. Lokman Jr. H. J. Schimmel. (1824-

te Amsterdam).

ocr page 295

283

HET PLEEGKIND.

(eene rotterdamsche volksvertelling der xvi0 eeuw).

Weer spiegelde \'t ontloken groen

In \'t vloeiend Maaskristal;

Het vroolijk licht van \'t jong saizoen

Beglansde Rotte\'s wal;

De zoelte drong door raam en ruit En tooverde elk zijn woning uit;

Met weeldrige onrust in het bloed Werd de Eerste Mei begroet.

\'t Was hier een handdruk, daar een lach,

\'t Liep alles blij ter feest;

Doch, zoo men niet dan vreugde zag,

In d\'0 p p\'e r t blonk ze \'t meest:

Daar, voor een winkel, net gebouwd,

Lag palm gestrooid en klatergoud,

En kransen, rijk in kleur en geur,

Omslingerden de deur.

Een bonte schare woelde op straat

En groeide telkens aan:

Er werd gevraagd, gehoord, gepraat.

Wie kwam, die bleef er staan.

Dat ernst ook deel had in \'t gesprek.

Getuigden blik en wezenstrek.

En menig zachtbedauwde wang Verried een teer belang.

Daar klonk de klok. „Hoor! (riep men) hoor!

„\'t Is tijd, er wordt geluid! —

„Plaats! plaats!quot; Men schaarde zich op \'t woord

En keek verwachtend uit.

En eensklaps, onder \'t vreugdgedruisch, Ontstroomt een breede stoet het huis,

En bloemen sneeuwt het van rondom Op bruid en bruidegom.

ocr page 296

284

De buurschap groet met blij gebaar,

Men dringt vooruit, men staart;

Elk wil het zien, het jeugdig paar;

Wel zijn ze \'t beiden waard!

In heel de stad geen liever maagd Dan \'t weesje, dat het kransje draagt,

Mooi Geertje, Wouters voedsterkind, Van oud en jong bemind.

En hij, die fier zijn arm haar biedt

En fluistrend minnekoost.

Terwijl zij blozend voor zich ziet, Nog schooner, daar ze bloost... Hij, kloeke borst, wiens gul gelaat Hem vrienden wint, al eer hij \'t raadt, — Wat meisje, dat ter goeder trouw Zijn bruid niet wezen wou!

Is Geertje Wouters voedsterkind,

Hij is \'s mans eigen bloed;

Koen weet, wat hij bij vader wint,

En vader gaat het goed;

Geen rijker bakker aan de Maas (Dat \'s uitgemaakt) dan Wouter-baas;

Maar \'t heele land door voegt m\' er bij: Geen braver man dan hij.

Daar stapt hij, de eerste naast het paar 5

In \'t zondagskleed gehuld:

\'t Is hij, wien \'t halfverzilverd hair

Den breeden hoed ontkrult.

Gelukkig, ja, dat is hij wèl.

En echter schijnt zijn blik niet hel; \'t Is, als vergat hij \'t feestgetij,

Verdiept in mijmerij.

Hij buigt het hoofd, zijn kleur verschiet:

Wat overwolkt zijn vreugd?

O, \'t is de dag van heden niet:

Een dag is \'t, die hem heugt.

Die bonte volkshoop, hier bijeen.

Herriep op eens een zwart verlcén:

ocr page 297

285

Herinnring voerde toovervlug Hem veertien jaar terug.

Vóór veertien jaren (luistert wel!)

Was \'t hier een bange tijd:

Nog sprak Filips zijn moordbevel,

\'t Bezworen recht ten spijt.

Wie \'t Pauslijk woord geen hulde bood, Dien wachtte een wreede marteldood;

Nooit zag men erger dwinglandij:

Godlof! het is voorbij.

Vóór veertien jaar, vóór veertien jaar,

Bij d\' eigen lentegloor.

Trok \'s morgens ook een breede schaar

Dees zelfden Oppert door;

Doch \'t was, helaas! geen bruiloft; — neen Men leidde een vrouw ter straffe heen. Een vrouw, van ketterij beticht,

Gedoemd door \'t kerkgericht.

Een Judas, veil voor \'t klinkend bod.

Had lang haar huis bespied;

Hij luisterde eens: zij zong tot God!

Maar — \'t was een kettersch lied! Hij bracht het over; zij beleed;

De raad was doof, hoe bang ze kreet, Het vreeslijk vonnis ging er door:

„Dat ze in de waatren smóor\'!quot;

Zij had een kind, een eenig kind.

Een pand van teedre trouw.

Een troost, die haar verscheiden vrind

Haar naliet in haar rouw.

Toen nu de droeve strafwaarts ging,

Vroeg ze eens nog om de lieveling: „Eén nachtkus!quot; — \'t was heur laatste beó Dan was ze stervensreê.

Men stond het toe: het meisje kwam;

(Het telde vierd\'halfjaar)

Van blijdschap sprong het argloos lam.

ocr page 298

286

Toen \'t moeder werd gewaar.

Ze greep, ze kuste \'t wichtje teer En snikte luid en kuste \'t weer,

Haar smart was meer dan stervenssmart: üit scheiden viel zoo hard.

„Mijn dierbre, (klonk haar dof gekrijt)

„Wat wordt er thans van u!

„Reeds waart ge vroeg uw vader kwijt,

„Uw moeder derft ge nu!

„Wie zal u hoeden, weerloos kind? „Gij hebt noch bloedverwant, noch vrind „Neen, \'t is de dood niet, dien ik vrees: „Ik krijt om u, mijn wees!

„O burgers! (en rondom zich heen

Wierp ze een beschreiden blik) „O! schuilt er onder u niet één,

„Geroerd door mijn gesnik?

„Niet één, die meêlij heeft en moed, „Mijn moederwanhoop zwijgen doet... „Die, als ik onder de aarde slaap „Wil zorgen voor dit schaap?quot;

Ze staarde in \'t ronde, de arme vrouw.

Het oog vol smeekgebeên;

Maar niemand dorst, of niemand wou:

„Niet één! (riep ze uit) niet één!quot; Ze wrong de handen krampig saam; „Hebt derenis, in Jezus\' naam!

„Verhoort mijn beö; dat God omhoog . „Ook u verhoeren moog!quot;

Daar drong een man de drommen door.

Een schaamle bakkersknecht.

Hij gaf zijn hart-alleen gehoor

En stapte voor \'t gerecht:

„Dit bloedje heeft geen maag of vrind; „Ik ben niet rijk, maar geef me \'t kind: „Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij, „Daar kan een zesde bij.quot;

ocr page 299

287

De moeder sloeg hem vorschend gA,

Hij ried haar bang gemoed:

„Ja, \'k zal uw kind verzorgen, ja,

„Gelijk mijn eigen bloed!

„Zoo waar als God hierboven leeft, „\'t Za! deelen, wat Zijn gunst mij geeft: „Mijn vrouw zal \'t minnen als haar kroost; „Ga! smaak dien laatsten troost!quot;

Daar is een toon, die twijfel bant,

Die toon doorklonk zijn taal.

Ze nam — ze klemde hem de hand:

„Dank, brave! — duizendmaal!

„Nu kan ik sterven! — O! bij God,

„Daar zal ik bidden voor uw lot,

„U zegen smeeken van den Heer ...

„Daar zien we elkander weer!quot;

Toen kuste zij haar kind voor \'t lest.

Geruster, zoo het scheen;

De kleine hield haar hals omprest En schreide en wou niet heen: „Ga, lievling, ga!quot; — De doodsklok sloeg. Terwijl men \'t wormpje henendroeg;

Eéns zag ze \'t nog; — toen hief ze \'t oog In stil gebed omhoog.

En, los van de aard nu, trok ze voort;

(Al \'t volk was diep geroerd)

Men toog de stad uit — voor de poort,

Waar \'t vonnis moest volvoerd;

Daar bad ze God bij \'t watergraf — Vergeving voor haar beulen af En zonk gelaten in de gracht:

Haar overgang was zacht.

Terwijl dit somber bloedbedrijf

De harten hield vervaard.

Bood in de stad een laag verblijf Een schouwspel, englen waard; Een man, een dienstknecht, onverpoosd

ocr page 300

288

Aan \'t zwoegen voor zijn vrouw en kroost, Trad met een weesje, uit menschenmin Aanvaard, de huisdeur in.

„Mijn Machteld! dit komt ongenood,

„Hier hebt ge uw zesde spruit.quot; En, \'t bloedje plaatsend op heur schoot.

Lei hij ze \'t raadsel uit.

Haar vochtig oog zag teer hem aan:

„Dat \'s wél — mijn Wouter! — wél gedaan; \'k Heb u nog eens zoo lief er om: „Uw weesje is wellekom!quot;

Ze vleide \'t schaap, als moeders doen;

Haar kroost omgaf haar knién,

Elk kwam zijn speelgoed, elk zijn zoen

Aan \'t nieuwe zusje bién.

De schuwte week; het lachte, \'t wicht: Een kindertraantje droogt zoo licht!

Geen uur, of \'t liep met de andren mee. Volkomen t\'huis alreê.

In lieve, kromme kinderspraak

Zei \'t, ongevergd, weldra Heur makkertjes in \'t speelsch vermaak

Hun „vdquot; en „moêtjequot; na.

En d\' oudren klonk ze zoet, die taal: Ze kreeg haar kindsdeel ruim aan \'t maal. En van hun kusjes en gestreel Niet minder ruim haar deel.

En — wonder! — ja, van dag tot dag

Werd Wouter \'t meer gewaar —

Voorheen! wat hij te zwoegen plag.

Toch bleef zijn taak hem zwaar:

\'t Liep tegen, tegen, wat hij deê.

En thans — het loopt hem alles mee: \'t Is, of zijn lot, sinds \'t weesje kwam. Een milder wending nam.

Dra was hij de oude knecht niet meer, In stóge zorg verward;

ocr page 301

289

Hij werd in eigen winkel heer,

Maar hield zijn neerlrig hart.

Elk wou hem wél, men prees zijn brood:

Zijn bakkerij moest steeds vergroot;

Nooit klopte er de armoe, hongrend, aan, Om hongrend heen te gaan.

En (wat het zout van \'t leven is

En blijheid voert ten top)

Zijn gd zat blozend aan zijn disch,

Zijn kroost wies welig op;

\'t Wies welig op in eer en deugd,

Geen traan vergoot hij dan van vreugd;

Als hij de knieën \'s avonds boog,

Rees louter dank omhoog.

Wat ook — wat wil, wat wenscht hij nog.

Hij, rijkgezegend mensch?

Ja, \'t innigste zijns boezems toch

Verborg nog éénen wensch:

Als hij zijns pleegkinds lieven lach.

En Koen, zijn oudste, bij haar zag.

Dan voelde hij een zoete hoop,

Die stil zijn hart bekroop:

Dan kwam een droom, vol lieflijkheón,

En hield zijn geest geboeid;

Dat kinderpaar, zoo graag bijeen, —

Hij zag het schoon volgroeid.

Het minde elkander warm, oprecht;

Het vroeg zijn zegen op hun echt;

Hij schonk dien zegen, prees den Heer En had geen wenschen meer.

Die stonde, die hij hopend riep.

Ze kwam — o vreugd! — ze is daar! Wat blijden droom verbeelding schiep,

Het heden maakt hem waar.

Dadr gaan ze, in \'s levens reinsten glans. Die kindren, bruid en bruigom thans.

Met loof bestrooid van \'t lentgetij,

Dat de aarde siert, als zij.

M. en i.. l.Eci\'Oi.n, Sleutel, II, 4c druk. ip

ocr page 302

29ö

ÏDaar leidt hij hen ter kerke heeri

Met maag en feestgenoot:

Doch, waar zij over bloemen treón,

Wie trad eens daar ter dood?

Wat kreet doorgriefde hier zijn hart!

\'t Verleön herrijst in treurig zwart:

Hij ziet dien dag, die lang vervloog,

En \'t vocht ontvloeit zijn oog.

o Vloei\' het vrij! \'t is zoet, dat vocht!

De deugd is \'t, die het plengt:

Wat hij dien dag beloven mocht,

Hij hield het ongekrenkt.

Thans toeft zijn grijsheid nieuw genot:

Wie liefde plegen, zegent God,

En (heil, van alle heil het grootst!)

Hij zegent ze in hun kroost.

{Gezamenlijke Dichtwerken, bij Krnseman A. Sogaers. ^1795—1870).

en Tjeenk Willink te Uaarlem).

STOEIPARTIJ,

Stralenglans en Schemerschijn Stoeien door het loover! — Schuive \'t Duister zijn gordijn

Tak en blaadjes over, \'t Zonnestraaltje tilt, vol moed, Telkens weer de tippen .... Of het met zijn laatsten gloed, Of het met zijn laatsten groet Nog er door mocht glippen.

En de Vogels weten niet Bij dat stoeiend spelen: „Ts het tijd voor \'t avondlied

Of voor \'t ochtendkweelen ?quot; En ze mengen, wonderbaar, \'t Slepend lied der droomen

ocr page 303

2f)l

Tusschcn \'t schaatren hier en daar Van hun zingen, hel en klaar,

Wen ze \'t licht zien komen.

Doch zij neigen toch alvast

Al hun moede kopjes,

Gaan ze ook even nog te gast

Aan wat zilvren dropjes;

En nog eenmaal trilt hun zang

Krachtig door de twijgen ....

Dan versmelt hij... . zacht en lang —

Tot ze, in zoeten slapensdrang Ingesluimerd , .. . zwijgen.

En de zonnestraal ontvliedt Pruilend naar het westen.

Nu hij \'t Duister heerschen ziet

In zijn burcht en vesten!

Maar hij fluistert, naar ik gis.

Schoon hij is geweken:

„Wacht!.... Gij booze Duisternis!

\'k Zal u — als \'t weer ochtend is.

Nog wel nader spreken!quot;

{Al de Volksdichten, hij G. L. l\'unke J, ƒgt;, Ileyt. (1S09—1S76).

te Amsterdam\'),

OUDERS.

Kom, slaan wij \'t boek der tijden op,

Om in de bladen van \'t verleden Waarover dag en eeuwen gleden,

Te zien, wat eene Moeder waagt.

Wat zij bestaat, — en wat de Vaders deden,

Wanneer de liefde voor hun kind een offer vraagt.

Daar brandt een huis! — De vlammen blaken; De stikwalm en het flakkrend kraken Doen de bewoners nauw bijtijds ontwaken.

Om nog te ontsnappen aan den ijselijksten dood.

•9*

ocr page 304

\'202

Zij zoeken kermend in den nood Naar goud en schat en dierbre panden ..., Vergeefs!- de vlam omringt, omsluit Hun t\'allen kanten reeds, en hunne kleedren branden; Zij vluchten gillend en met opgeheven handen,

Tenhalve schier verstikt, den heeten vuurkolk uit.

Zij zijn gered....

Helaas! niet allen ...

Bij \'t knetteren des vuurs, dat dak en wand verslindt.

Bij \'t klaaggerocp des volks en \'t huilen van den wind

Hoort men \'t geschrei nog van een kind.

Vergeten in der haast, en . .. \'t huis dreigt in te vallen!

O God! daar kermt het weer!.....het is wellicht

Ook nog te redden. — Maar op ieders aangezicht Staat angst en bleeke schrik. Ze omringen Het ramptooneel met raadloos handenwringen: Och wie, wie redt het arme wicht?

Wie zal er door de vlam in \'t krakend huis weer dringen?

Wie?... ha! daar snelt een vrouw met losgeslingerd haar! Vergeefs is al \'t gesmeek der sidderende schaar.

Die door het toonen van \'t gevaar Haar \'t roekeloos besluit zoekt af te winnen .... Zij springt door vlam en gloed \'t verlaten woonhuis binnen. Wat was zij heerlijk om te aanschouwen! Zij geleek, Zoo onverzetbaar en zoo moedig en zoo bleek, Aan een der vroegre krijgsheldinnen.

Zij vliegt, zij ijlt. .. dra keert zij weder.

Ken ieder wacht... en zwijgt... en siddert; maar het huis Stort eensklaps met een daverend gedruisch Op vrouw en wicht, op beiden neder. Een pijnelijke gil komt uit het siddrend volk,

En uit de rosse, gloénde wolk Van \'t spranklend puin een doodskreet opgerezen.

Wie is zij, die zoo moedig en verblind Zich in de vlammen waagt, en zoo ontzind Den dood durft tarten?... Wie mag die heldinne wezen? Wie anders dan de moeder van het kind! ?

ocr page 305

293

Kom, — ginder op de wilde vloeden,

Waar de elementen razend woeden,

Biedt zich een ander schouwspel aan:

Een schip, ten speelbal van den teistrenden orkaan,

Wordt lek geslingerd op de rotsen.

Waar \'t gierend nat met hevig klotsen Het stampend vaartuig doet verbrijzlen en vergaan.

De laatste hoop is opgegeven In \'t dringen van den hoogsten nood;

Niets blijft hun over dan de kleine, ranke boot Voor \'t redden van hun leven.

Maar ach! de ranke boot alleen Is voor de manschap veel te kleen.

Ras is de lichte hulk tot zinkens toe geladen.

Daar zet zij af en steekt van boord.

De nood laat geenen tijd tot denken of beraden,

En huilend zweept de zee haar voort.

Daar zwalpen zij! Maar och! zij zinken.

Zoo niet een man de boot verlaat;

De holle zee, die over \'t ranke vaartuig slaat.

Dreigt allen te verzwelgen, te verdrinken.

„Een man er uit! Een man in zee!

Of wij verzinken allen mee ...quot;

Laat zich de bootsman brullend hooien.

„Een man er uit!quot; herhaalt de ruwe stem,

„Of alles is verloren!

Weg met dien zieke daar! — In zee, in zee met hem!quot;

Ras zijn er armen opgeheven.

Om dit bevel zijn\' eisch te geven;

Men grijpt een zieken knaap, die in het bootje lag

Naast zijnen grijzen vader. — „Ach!

„Ach neen!quot; smeekt deze en bidt met saamgevouwen handen, „Wij zinken immers thans nog niet?

God, die ons hoort. God, die ons ziet.

Zoolang er nog een straal van hoop ons overschiet.

Kan ons nog redden en behouden aan doen landen!quot;

„Kies!quot; klonk het weer, „of hij, of gij!

Of beiden ... kies! het staat u vrij. ..quot;

ocr page 306

294

— „Welaan, ik kies... dan treffe \'t noodlot mij!quot;

Herneemt de vader met een hemelsch vuur in de oogen,

Omhelst voor \'t laatst zijn zoon, zijn kind, zijn bloed.

Slaat biddend nog een blik ten hoogen En ploft zich in den wilden vloed!...

Is ieder vader in \'t bijzonder Voor zijne telgen dan geen wonder Van zelfverloochning?... ledre moeder geen heldin?

Een moeder!. .. O, dat beeld van onbegrensde min,

Schuilt daar voor \'t minst geen engel onder?

Ligt daar niets hemelsch... ja, niets onbegrijplijks in?

{Volledige Dichiwerken, bij y. van Rijswijck. (1818—1869).

J. E. Buschmatin te Atiiwerfen).

NAAR ZEE.

Wie gaat er met ons mee.

Wie gaat er met ons mee naar zee?

Hoor, hoor, de golven bruisen, Als riepen ze onder \'t ruischen:

Komt hier, gij wakkre, rappe maats. Aan zee, aan zee, daar is uw plaats.

Vooruit dan naar het duin,

Voort naar de hoogste kruin van \'t duin! De braambes is aan \'t rijpen,

Je hebt ze maar voor \'t grijpen. Wie moó is, rust in \'t zand zoo goed. Waar \'t windje \'t zweet weer drogen doet.

Dan zoeken we uitgerust.

Dan zoeken we uitgerust de kust. Hoe wieglen daar de pinken. De blanke zeilen blinken.

Komt, zien we, wien in \'t frissche bad Wel \'t eerst het schuim om de ooren spat.

ocr page 307

295

Waar heeft men zoo\'n plezier,

Waar heeft men zoo\'n plezier als hier?

In \'t worstlen met de golven,

Nu boven, dan bedolven,

Wordt iedre spier en pees verstaald En de eerste zege op zee behaald.

Ben ik wat ouder maar,

Ben ik wat ouder maar, zoo waar,

\'k Wil hier me niet verkniezen;

Ik zal de zee gaan kiezen En dobbren rond op \'t ruime sop:

Ik geef er nu mijn hand al op.

{Handschrift). C. //onigh, (1845

DE OUDE ZANGSTER.

Vol gedruisch en damp is de ruime zaal.

Slepend met een harp strompelt de oude binnen, \'t Hart van hoop vervuld op een goed onthaal. Want haar avondbrood moet ze hier nog winnen. Schor is hare stem, a!s een lijkzang klinkt \'t Lustig drinkrefrein, dat ze, och arme! zingt.

Hoe met de oude vrouw heel \'t gezelschap spot! Weg! zoo roept er een; weg! herhaalt een tweede;

Bij niet éenen wekt derenis haar lot.

Niet een enkel stuk krijgt de grijze mede.

Ach! en niemand ziet, hoe ze nederstort Aan de deur, die barsch haar gesloten wordt!

Hoor! daar zingt een lief, jeugdig meisje thans. Dat viool en stem heerlijk weet te paren.

Zoo is zij geweest: eenen gloriekrans Vlocht haar toen de kunst om de gulden haren. Als ze, schittrend schoon, op de planken stond, Hing de menigt haar hijgend aan den mond.

ocr page 308

290

Dat is nu voorbij ... Ach! ze lijdt zoo zeer;

Maar de hemel waakt op de zwaarbedrukte.

Zie, daar knielt bij haar de eedle zangster neer,

Die zoo even elk met haar lied verrukte:

U, zoo spreekt ze zacht, zij mijn loon gewijd, —

Eens word ik wellicht, zooals gij nu zijt!

{Liederen, bij J. IS. Walters Frans de Cort. (1834—1878).

ie Groningen\'.

KREPEL WIL ALTIJD VOORDANSEN.

Lestmaal kwam ik in een veld.

Daar een ieder was gesteld Tot een uitgelaten vreugd.

Naar de wijze van de jeugd.

Jonge lieden van het land Zongen, sprongen, hand aan hand, Ieder maakte groot geschal.

Ieder was er even mal.

Doch van allen was er éen Met een krom en krepel been. Met een plompen, stompen voet, — Die had veeren op den hoed.

Die was voren aan den dans,

Die was bij den rozenkrans,

Die was om en aan den mei.

Die was leider van den rei;

Wat men peep of wat men zong: Krepel had den eersten sprong!

Al is Fop een rap gezel.

Al doet Hein zijn dingen wel.

Al leidt Jorden mooie Trijn:

Krepel wil de voorste zijn.

Maar al was dit in het veld, \'t Is ook elders zoo gesteld;

ocr page 309

297

Want ook bij de steedsche Hén Wordt dit menigmaal gezien;

Veeltijds, wat er wordt gedaan:

Krepel maakt zich voren aan;

Krepel is een dapper man,

Schoon hij niet dan hinken kan.

Is het niet een zeldzaam ding,

Dat een losse jongeling,

Dat een onbedreven gast,

Wien het immers niet en past,

Veeltijds eerst zijn oordeel uit,

Schoon het dikmaals niet en sluit, —

Eerst van alle ding gewaagt.

Al en is hij niet gevraagd, —

Eerst zal brengen aan den dag.

Wat hem op de tonge lag?!

Vraagt er iemand, hoe dit koomt? —

Wijze lieden zijn beschroomd,

Dat er iets mocht zijn gezeid.

Dat niet recht en is beleid;

Daarom gaan ze traag te werk En al met een diep gemerk.

Maar een gek vol lossen waan Haast zich en wil voren gaan;

Daarom zegt men nog althans:

„Krepel wil eerst aan den dans.quot;

{Alle Je Werken , te Amsterdam), Jacob Cats. (1577—1660).

DE ISRAËLIETISCHE LOOVERHUT.

Wie smalend tot uw hutje kwam — Niet ik, gij kind van Abraham! Ik schenk uit een oprecht gemoed Den drempel mijnen vredegroet!

Gij viert uw feest en zit getroost Te midden van uw talrijk kroost

ocr page 310

298

In schaduw van uw loovertent, Als Mozes u heeft ingeprent.

Judea\'s wijnstok groent hier niet,

Olijf noch vijg teelt ons gebied; Gij gaardet hier, in rauwer lucht, Min weeldrig blad, min zoete vrucht; En toch, gij zit, uw lot getroost. Te midden van uw talrijk kroost; Uw feesthut staat bij ons geplant. Als eens in \'t Palestijnsche Land.

Drie duizend malen kwam de zon Terug, waar zij uw jaar begon.

En nog bouwt gij uw loovertent, Als Mozes u heeft ingeprent.

Jeruzalem ligt diep verneêrd,

Des tempels grondslag omgekeerd; Verduisterd blijft die gloriedag.

Toen Isrel beider grootheid zag;

Maar eeuwig jong herrijst uw tent, Bij aller volken tal gekend.

Zoo vaak de schaal aan \'s hemels boog Der dagen maat weer effen woog.

Wij — tasten rond, in \'t ongewiss\'; Op onze wieg ligt duisternis;

De stond, dat ons Gods wil hier bracht. Bleef ongevierd, werd niet gedacht!

Maar u heugt, dertig eeuwen door. Dat u Jehova uitverkoor;

Dat, als \'t geweld u vluchten deed, Een reddend spoor het diep doorsneed; Dat, zonder huisdak, levenslang, Uw schaar zwierf op haar kronkelgang. Waar vuur- en rookzuil voor haar toog. En \'t Mann\' haar spijsde van omhoog. Gij viert het tot op dezen tijd.

Dat zoo Gods arm u heeft bevrijd.

ocr page 311

299

Dies breng ik met oprecht gemoed

Uw hutje mijnen vredegroet.

Wie smalend tot den drempel kwam:

Niet ik, gij kind van Abraham!

[Gedichten, bij /1. C. Kntsemau A. C. IK Staying. (177Ö—1840).

te Haarlem),

VERHAAL VAN DEN ZWIJGER.

Streng was zijn duistre blik en stroef, En \'t voorhoofd droeg een diepe groef, Litteeken van geleden rampen;

Maar vlug was nog zijn voet in \'t want. En zwaar als lood zijn sterke hand. Gewoon met zee en wind te kampen.

Nog nooit had hij, in gul gesprek, Vertrouwlijk aan zijn tochtgenooten Het raadselvol gemoed ontsloten.

Wanneer de wacht hem boeide aan \'t dek; En om die ondoordringbre wolk. Die duister over \'s grijsaards leven

Gespreid lag, had het boertend volk Den naam van Zwijger hem gegeven.

Toen \'t nu de schaars gehoorde stem Des zwijgers plotseling vernam

Was alles stil als \'t graf.

Terwijl zij, in beschaafde taal,

Op \'t pas gehoorde krijgsverhaal. Het ernstige antwoord gaf.

„O, spreek mij niet van stedenbrand En al de gruw\'len, die de krijg Opeenhoopt over \'t bloedend land Ik bid u, jongling, zwijg!

Ik kan van stedenbrand verhalen

En van den roem, dien oorlogslión Op \'t rockend puin des lands behalen!

ocr page 312

300

Gij liet de schoone zijde ons zien:

\'k Wil u de zwarte keerzij malen!

\'k Was niet altoos, \'tgeen gij mij ziet, Een zwerver zonder haard of dak, Een arme loonknecht, wien \'t verdriet Verraderlijk naar \'t harte stak.

\'k Was in een kleine havenstad Een man, die have en huis bezat. Uit deftige ouders voortgesproten.

Die de achting van hun stand genoten.

\'k Heb reeds als knaap een schip gehad. Ik voer gelukkig; \'s Hemels zegen Was zichtbaar op mijn huis gelegen, En \'k had in menig zorgvol jaar Van zuren arbeid en gevaar Door vlijt een klein fortuin gekregen En dankbaar spaarzaam weggeleid Voor \'s levens grammen wintertijd,

Opdat het einde van mijn dagen. Verhelderd door de liefde en trouw Van bloeiend kroost en teedre vrouw, liens, als het Gode mocht behagen. Een wolklooze avond wezen zou. Een dochter bleef mij van al \'t kroost, Uit zestienjarige echt gesproten:

Der teedre moeder heul en troost. Die treurde om vijf verdorde loten;

Mijn afgod! schoon, zachtaardig, vroom.

Van oud en jong bemind. Der knapen stille , zoete droom

Was \'t vijftienjarig kind;

En, groeide ze op in deugd en eer. Was \'t bloeiend meisje eens achttien jaren, Dan, dacht ik, zou \'k niet langer varen, Maar afscheid nemen van het meir En aan den wakk\'ren schippersloot. Die naar Maria\'s hand zou streven, Het goede schip als bruidschat geven. Ik maakte plannen: — God besloot! De handel wenkte, en als weleer Spreidde ik mijn zeilen over \'t meir.

Naar Lisbon, stapelmarkt van \'t Oost,

ocr page 313

301

En Cadix\' handelrijke haven,

Waar \'t Mexikaansche berggoud bloost Bij Lima\'s bleeke zilverstaven,

Had mijne hand de kiel geloodst. Ik moest San Lucar binnenloopen En vreesde niets: sinds jaar en dag Stond, wat gebeurde, aan Hollands vlag In Spanje stroom en haven open.

Flips, die ons land naar \'t harte stiet

Met roode henkershand.

Weerde echter uit zijn wijd gebied Den rijken Duitschen handlaar niet, Die zegen bracht in \'t land; En veilig was ons gaan en komen Aan Spanje\'s handelrijke zoomen.

Filips de Tweede stierf. Zijn zoon Besteeg als knaap den weidschen troon Van Spanje\'s breede koninkrijken.

Zijn jeugd verwierp met dwaze spijt Des vaders schrander staatsbeleid En deed, door onverstand geleid. Den handel uit zijn staten wijken.

Ik wist het niet. \'k Was nauw geland. Of \'k zag mijn scheepsvolk overmand. Mijn schip geplunderd in de haven;

En de eerste bleeke morgenstond. Die me opging over Spanje\'s grond. Wierp door verroeste traliestaven

Haar scheemring in een kerkernacht, Waarin ik jaren heb gesmacht.

„Kent gij dit teeken der galei ? Dit schandlijk merk der slavernij?quot; Dus vroeg de grijze in arren moede,

lui toonde aan d\' ademloozen kring De onheelbare enkelwond, die bloedde,

Het teeken van den ketenring.

„Een jaar lang zwoegde ik op de riemen

Der krijgsbark, aan mijn bank geboeid, En \'t wondmerk van de geeselstriemen Is nog niet op mijn rug vergroeid, \'k Leed onbeschuldigd, onverhoord

ocr page 314

302

De straf van \'t vuigste boevensoort,

Alleen, omdat op Neerlands grond Het needrig huis mijns vaders stond; En duizend wakkre landgenooten,

Aan \'t hongrend huisgezin ontroofd,

Zijn nog, met kaalgeschoren hoofd,

Aan de eigen vloekbank vastgesloten, En zien, bij \'t snerpend zweepgefluit,

Wanhopig dag aan dag.

Naar \'t weerlicht onzer zeilen uit En naar de leeuwenvlag.

\'k Ben niet tot krijgsman opgevoed: — Maar om één broeder te bevrijden Uit dien ondraagbren hellegloed,

Wil \'k, trots den besten ridder, strijden En waden enkeldiep door \'t bloed!

„Een jaar roeide ik de krijgsgalei En woonde meen\'gen zeeslag bij;

Niet als de krijgsman, die, gedreven

Door zucht naar voordeel, roem of macht, Naar \'t zinnelijke doel van \'t leven, Met mannelijke daden tracht:

Neen! doelloos, hongrend, nauw gekleed. Onwetend zelf, waarom men streed. Tot stervens toe vermoeid, geslagen. Zoo vaak de vogelsnelle vaart Verminderde, als \'t mishandeld paard. Dat hijgt voor d\'overladen wagen!

O! \'t was een gruwlijk lot! en vaak Heb \'k om dien schrikbren dood gebeden.

Dien ik, met huivringvol vermaak. Verwoestende om mij heen zag treden;

Maar hij versmaadde me en ontzag Mijn slavenschedel in den slag,,

En koos zijne offers in de rijen Der levenslustigen en vrijen!

„Daar klonk in \'t eind de blijde maar

Van Nieuwpoorts heldenstrijd; En weegeklag en rouwmisbaar

ocr page 315

803

Vervulden \'t land, en doodsch en naar Lag over troon en hoogaltaar

Het floers der rouw gespreid! Die donderslag aan \'t Vlaamsche strand, Die zegen bracht aan \'t vaderland.

Deed onder zuider hemelstreken Ontelbre sla venboeien breken.

Ook mij trof \'t lot! Mijn keten viel!

Van \'t licht der hoop ombloosd.

Rees in mijne opgewonden ziel Het beeld van gade en kroost!

\'k Vloog met een wellusttraan in de oogen Terug naar d\'onvergeetbren grond.

Waar de ouderlijke woning stond!

\'t Verlies vergat ik van \'t vermogen. Mij wederrechtelijk ontroofd.

De zachte peul, waarop mijn hoofd. Van ouderdom bezwaard, zou rusten, \'k Vergat, dat mij de bedelstaf Wachtte op mijns vaders eerlijk graf: Ik droomde slechts van Hollands kusten! \'k Zou gade wederzien en kind. En \'k vloog in wedstrijd met den wind!

„Ik naderde in het eind het doel!

\'t Oord was mij nog niet vreemd; \'k Herkende elk boschje en elke poel

En wilgenrijke beemd!

\'k Zag zeilen spieglen in den stroom.

Wiens klare golfjes langs de muren Van mijn geliefde haven schuren,

\'k Herkende \'t landschap aan zijn zoom: \'k Herkende \'t, maar — het miste \'t leven!

\'t Was eenzaam, naar, een doode leest!... Waar was het landvolk dan gebleven En \'t loeiend vee, dat eens die dreven Bevolkte? Een licht rees in mijn geest. Een aaklig licht, dat mij deed beven:

Des vijands voet was daar geweest! —• \'k Betrad met angstig kloppend harte

De hoeve eens vriends; maar \'t huis was Ie Het hol gebas der honden zweeg.

ocr page 316

804

En, of hij \'t nutloos jachtroer tartte,

Speelde op de ruigbegroeide plaats En de open laan de schuchtre haas!

Geen toon vernam ik dan \'t geraas Van de oeverbranding in de verte, En \'t klokgebrom, dat eiken stond Mijn vaderstad mij tegenzond!

„Was dat mijn woonplaats, die \'k betrad? Die blijde, levendige stad,

Die ik zoo bloeiend had verlaten? Het ranke gras wuifde in de straten!

Ik zag vergeefs naar menschen uit:

Het stof alleen danste op de wegen.

\'k Vernam geen tnenschlijk stemgeluid.

Geen enkle stervling kwam mij tegen, \'t Gerucht der werkplaats was verdoofd. Stom was \'t veelstemmig koor aan \'t hoofd; De luide smidse zweeg!

De havenkaai scheen uitgestorven;

Geen visscher droeg de volle korven. De ruime markt was leeg!

En nergens zag ik, als voorheen, Die schaterende kindergroepen Rondweemlen over straat en stoepen.

De gevels knikten om mij heen En bogen \'t wagglend hoofd van steen. Als grijsaards, wanklende op hun staven. Die diep gebukt gaan naar hun graven! Het spoor des vuurs was overal En moedwils hand en diep verval. De zwartverkoolde sparren staken,

Ontbloot van pannen, uit de daken. De zeewind zong in kloof en scheur En holle gang en open deur.

Die niemand dacht meer toe te sluiten;

Zwart gaapten vensters zonder ruiten.

Van tijd tot tijd zag \'k van de straat Een ingevallen, bleek gelaat Rondgluren uit die bouwval-holen,

Of in een bedelaarsgewaad Bevreesd langs kade en marktplein dolen;

ocr page 317

305

Zwaar lag des oorlogs ijzrend hand Op de uitgestorven stad en \'t land!

„Ik zocht mijn huis .... Waar \'t eenmaal stond, Was puin en asch, al wat ik vond!

Het gruis van de omgevallen muren Bedekte heinde en ver den grond,

En vruchtloos zag ik rond naar buren.

In \'t eind ontmoette ik op de straat Een man, wiens kommervol gelaat Ik nog uit beter tijden kende.

Ja, eertijds was hij rijk geweest,

Maar \'t aaklig zegel van de ellende Stond nu op de uitgedorde leest;

De honger had zijn kaak ontvleesd!

Hij wees met de uitgevaste knokken Op de onherkenbre bouwvalbrokken,

En \'t was mij, toen hij eindlijk sprak.

Of raafgekras de stilte brak.

\'k Herhaal u niet, wat in dien stond Van nooit gevoelde smart zijn mond

Mij vreeslijks deed verstaan:

Het donker floers, met bloed bevlekt,

Dat al die gruwelen bedekt.

Roer ik niet strafloos aan!

Het brein, dat me in den schedel ziedt,

Weerstond\' den helschen aanblik niet Van \'tgeen er onder ligt!

Genoeg! — Het lijden was geleden,

De kamp, hoe eindloos zwaar, volstreden.

Reeds stonden voor Gods aangezicht De beul en de offers in \'t gericht, —

En ik stond op hun graf!

De hand, die alles had gegeven.

Nam alles weer, — en liet mij \'t leven,

De wanhoop en den bedelstaf!quot;

//. /1. Meijer C1810—1854).

M. en 1,. LEOPOLD, Sleutel, 11, 4c druk.

20

ocr page 318

306

OP EEN KIND, IN MEI GEBOREN.

I.

Er is een kind geboren, Ren jongentje in den Mei,

De feestmaand, de uitverkoren Der Liefde en Poözij.

Zijn wieg staat tusschen rozen En gouden regens in,

En bleeke wangen blozen Er bij — van moedermin!

De blonde zusjes staren

Verbaasd het broertjen aan;

Moet dat in later jaren

Met haar uit wandlen gaan?

Zijn vaders hart vloeit over Van weelde, liefde en dank;

De nachtegaal in \'t loover Zingt hem een wiegezank,

Zingt: „Welkom in dit leven. Zoo treurig en zoo blij!

Pluk bloemen in zijn dreven. Gij, knaapje van den Mei!

„Zie, aardig lentewichtje!

Lief kopje, fijn en blond.

Steeds met een schalk gezichtje Blijmoedig hier in \'t rond!

„Groei onder \'s Heeren zegen, Als \'t bloempje van \'t getij.

Voorspoedig in den regen, En \'t zonnetje van Mei!

ocr page 319

307

„Blik onder vreugd of smarte,

O frissche lenteknop,

Seeds met een open harte Ten hoogen hemel op!

„Doet ge ooit een liedje hooren,

Zoo klink\' het vroom en vrij,

Als \'t lied der lentekoren Vol zoete melodij!

„De God der lente spreide U rozen voor den voet,

De God der Liefde leide

U zachtkens, trouw en goed!

„Bloei in uw vaders gaarde,

Bloei aan uw moeders zij\',

Hun schoonste bloem op aarde,

Gij, knaapje van den Mei!quot;

II.

Een logen bleek u \'t lied van Mei,

Een droom — de beé der Poëzij.

De wind der duinen, klagend over Uw moeders graf, door \'t dorre loover.

Zong, kind der Lente, droef en bang U ras een andren wiegezang....

Toen vloodt gij zelf naar beter dreven En zijt geen tweeden Mei gebleven —

Wel mocht ge na dit wreed begin!

Ach toch, wat bloemen de aard kan geven,

Hij heeft geen Meimaand in het leven,

Die vroeg u derft, o moedermin!

[Dichtwerken, bij Gebr. Kraay /\'. A. de Génestet. (1829—1861).

te Amsterdam),

20

ocr page 320

308

DE TWEE PORTRETTEN.

Zijn glorie klonk de wereld rond

En duchtte geen beschaming;

De stem des nijds, ook hier gehoord, Was lang reeds in een kreet gesmoord

Tot lof van d\' eedlen Vlaming:

Zoo\'n heldre gloriezon verschiet Zelfs bij den glans van rubens niet.

„Van dijck!.. van dijck!quot; zoo ging de roep

Door Vlaamsche stad en vlekken: „Van Dijck I .. Van Dijck!quot; en feestlijk groen Versiert met vlag en bloemfestoen

Al, waar hij door moet trekken. De dorpsjeugd dartelt hem te moet En strooit hem rozen voor den voet.

En toch! hij was het niet alleen,

Die, \'t kunstpalet in handen,

Van eedlen, reinen scheppingsgloed Het beurtlings stout en teer gemoed

En rijzen voelde en branden:

Nog andren leefden met Van Dijck,

Schoon minder goud en lauwren rijk.

Nog andren wischten soms een traan

Uit vurig starende oogen,

Wanneer natuur in al haar schoon Betoovrend zich had aangeboón

En \'t kunstnaarshart bewogen,

En zij, verrijkt, vermenigvoud,

Aan \'t willig kunstdoek was betrouwd.

Nog andren kenden \'t hoogst genot.

Den mensch op aard gegeven,

Om in zijn kring het doode stof Een stem te leenen, God ten lof,

ocr page 321

309

De bron van alle leven, —

Eén onder hen, niet wijd befaamd,

Maar schilder! ., . schoon — trans hals genaamd.

Frans Hals!! — Dat was geen spadassijn,

En, zoo hij pronken wilde.

Hij droeg — en \'t was op zijn manier — Als Euverman den bandelier

Van \'t glazenmakersgilde.

Maar kunstnaar ?! — Zweeg der volken stem, God en zijn binnenst noemden \'t hem.

Tn Haarlems veste sleet hij stil,

Als burgerman, zijn dagen;

En, zoo hij in zijn schilderslot Bij \'t daaglijksch brood den goeden God

Nog iets voor zich mocht vragen,

\'t Was: „Heere, vóór mijn stervensdag,

„Och, dat ik dien Van Dijck eens zag!

Soms stond hij lang in stil gepeins

Voor éen van \'s meesters stukken En sprak dan met een diepen zucht;

„Wat kleur! . . wat toets! .. wat diepe lucht! . .

Zoo zal \'t mij nooit gelukken ...

Och! dat ik eens aanschouwen mocht Den maker van zoo\'n kunstgewrocht!quot;

En, als van werk- en besjeshuis

De waardige Regenten,

Wel deftig op een rij geschaard,

Met tabbaard, halskraag, hoed en baard

Vertrouwd aan Frans\' talenten —

Zich lieten schildren door zijn hand Op doek, ter breedte van den wand; —

En, als hij in den vriendenkring

Verzameld ter taveerne.

Zijn kruikje bier naar binnen sloeg Bij tafelkout, vaak luid genoeg, —

ocr page 322

310

Dan dacht hij: „\'k Mocht wel geerne Reis hooren, hoe der schildren held, Van Dijck, \'t al met de lieden stelt.quot;

Eens was Frans Hals, van \'s morgens vroeg

Bij \'t lieve zonnestralen,

Dat ginder op de huizen scheen,

Maar in zijn kluis den dag \') alleen,

Den heldren dag liet dalen, —

Eens — was hij vroeg aan \'t werk gegaan. En legde een Schuttersdoelen aan.

Hij werkte vlug en vroolijk door,

Volijvrig als de mieren;

Vlug was hij — want een flinken kop Begon hij soms en werkte \'m op

Desnoods in vijf kwartieren;

En dan nog floot hij tusschentijds Zijn vink in \'t raam een nieuwe wijs.

Op eens — daar wordt zijn werk gestoord:

De klopper dreunt van buiten Met dubblen weerslag op de plaat, Dat mops aan \'t brommig keffen slaat.

Aan \'t rammlen al de ruiten.

Frans vliegt; hij denkt: „een Regentes!quot; Doet op: — een vreemdling vraagt acces.

Een Heerschap was het, rijk gedost:

Een hoed met roode veder.

Een fulpen mantel, kanten kraag. Een gouden keten, en, omlaag,

Satijn in \'t gele leder;

Twee sporen, rinklend vol gezag —

Maar om den mond een heusche lach.

Twee lange knevels, hoofsch gekruld.

Bij \'t bruin der vriendlijke oogen, — Een teedre blos op \'t schoon gelaat.

Waar \'t blonde hoofdhaar wel bij staat:

*) Dag. Schildersterm voor: licht.

ocr page 323

311

Ziedaar het beeld voltogen Des mans, gelijk in halven schrik Frans Hals hem zag bij d\' eersten blik.

„Ei, meester!quot; sprak de vreemdling gul,

„Zoo vroeg reeds voor den ezel?

\'k Had, om \'t ontijdig uur, vertrouwd,

Dat gij nog ledig wezen zoudt.quot;

Frans trilde in elke vezel.

„Had soms het Heerschap ...quot; vroeg hij schuw, „Me iets op te dragen? ... \'k Zou voor u ...quot;

„Neen, niet voor mij den dag verschikt!

Gij wacht wellicht de Heeren Van dezen Doelen; — \'k zal veeleer Een ander uur .... een andren keer . ..quot;

— „Neen, neen!quot; sprak Frans, „zij keeren Niet vóór \'n Woensdag; zoo \'k dien tijd Wellicht. .. maar zet u neer; gij zijt...quot;

— „Ik dank je; maar het jammerst is.

Ik heb maar éene stonde Om u te geven, en ... \'k zou graag Mijn beeltnis hebben — nog vandaag!quot;

— „Een uur?quot; spreekt Frans, „\'tzou zonde, \'t Zou schande zijn, zoo kunst en vlijt

U niet kon schildren in dien tijd!quot;

Geheel oprecht is Frans hier niet;

Hij krabt zich achter de ooren.

Maar denkt: „Het splint is zoet verdiend Van dezen mooien, blonden vriend!

En \'t uur is nooit verloren.

Daarbij: een flink figuur! Ik wed —

Dat geeft niet eens zoo\'n kwaad portret!quot;

De vreemdling heeft zich neergezet;

Frans is aan \'t werk getegen!

Hij ziet, en schetst, en tempert snel.

En pakt de tonen \') straks zoo wel.

Tonen. Schildersterm voor: kleursrhakeeringen.

ocr page 324

312

Dat, na hun kant terdegen Ge/,acht te hebben ... hier ... en daar ... Hij luide roept: „Mijnheer, \'t is klaar!quot;

Hij steekt zijn kwastjens door \'t palet;

De Heer, met gapende oogen,

Ziet nu den man, dan \'t kunstwerk aan En roept: „Dat hebt ge wèl gedaan! —

En \'t uur is omgevlogen!

Maar hoe! daar slaat voor \'t eerst de kerk. Een klein half uur — voor meesterwerk!quot;

De vreemdling roemt in Frans\' talent.

De schilder schertst er onder En lacht, en huichelt: „dat er meer \'t Zoo zouden kunnen!quot; Maar de Meer

Noemt Frans het schilderwonder; „\'k Nam ook wel, maar ... als dilettant,quot; Zoo zegt de Heer, „\'t penseel ter hand;

\'t Is lang geleden; maar — ik zou...quot;

Vervolgt hij, en zijn handen Glijdt straks de witte handschoen af, „Zoo men mij verf en oorlof gaf.

Nog bijna watertanden,

Om eens een enklen streek of wat. ..quot; „Welnu!quot; riep Frans, „Mijnheer, fiat!

„Mier hebt ge verven en penseel...quot;

— „En gij, gij strekt,quot; sprak de ander, „Mij tot model! Vlug, op de bank! Ik schilder u op de eigen plank,

Ons beiden naast elkander.quot; Het Meerschap werkt een paar kwartier En roept: „\'t Is klaar, sinjeur! zie hier!quot;

Daar treedt de goede schilder toe

En staart zijn beeltnis tegen:

Mij ijst, hij trilt, hij kijkt alweer,

Blikt naar de handen van den Heer,

ocr page 325

313

En, totterdood verlegen,

Schreeuwt hij in \'t eind, bleek als een lijk:

„Gij zijt de duivel of — van dijck!quot;

Frans valt den Vlaming aan de borst,

Zijn vreugde kent geen palen:

Dat hij geen Duivel voor zich xiet,

Behoeft Van Dijck den kunstbroer niet

Te zeggen en herhalen,

Van Dijck, op weg naar Engeland,

Was Frans bezoeken in passant.

Hij stelde Frans\' verdiensten hoog;

En, of hij in zijn schatting Zich ook bedrogen heeft misschien.

Dat kunt gij op \'t Stadhuis gaan zien:

\'t Is knap 1 — naar mijn bevatting.

En, wie dees meening soms niet deel\'.

Hij laat\' zich overzetten Naar Londen; daar is nog \'t paneel (Het onwaardeerbaar kunstjuweel)

\'t Paneel der twee portretten.

{Het Voorgeborchte en andere Gedichten y. A. Alberdingk Thijm, (1820—1889). bij C. L. van Langenhuysen te Amsterdam).

HAMÉDY.

De roofzucht pionderde Enoz\' velden. En Cidy Moulou riep zijn helden.

En wees hun \'s vijands drommen aan: En Enoz zag die dappre scharen,

Door moed gehard in krijgsgevaren, Het dreigend roovrenrot verslaan.

En zij , die \'t bloeiende oord beroofden, Zien thans zich met hunne opperhoofden

ocr page 326

314

Geketend in \'s verwinnaars macht. Welhaast zal elk zijn vonnis hooren:

Geen hunner is gend beschoren,

Geen hunner die gend verwacht.

En zij — die woestaards, zoo vermetel — Verschijnen siddrend voor den zetel,

Waar zucht noch bede \'t recht verbidt; Zij naken — staan verstomd — en beven. Waar Cidy Moulou, hoog verheven, Als Enoz\' strenge wreker zit.

Hij heeft een drom van legerknapen,

Gedost in \'t vreeslijk heldenwapen,

Rondom zijn rechterstoel geschaard: H a m é d y staat aan \'t hoofd dier helden, En hoort zijn naam en roem vermelden Van elk, die pantser draagt en zwaard.

En zie! daar nadert de eerste roover En buigt de grijze kruin voorover.

Als bood hij \'t schuldig hoofd ter straf; üe last van vijf en tachtig jaren Rust op zijn witbesneeuwde haren;

En thans volgt hem de schande in \'t graf.

Hij treedt al dichter — komt al nader — En -— hemel!... \'t is Hamédy\'s vader! ...

Dit hoort de rechter, hoort en ziet Den grijsaard, en, in \'t hart bewogen. Gevoelt hij \'t innigst mededoogen :

Ter dood hem doemen kan hij niet.

„Dank, grijsaard! dank uw zoon het leven! Reeds was het zwaard der wraak geheven;

Zijn deugd heeft u aan \'t graf ontscheurd. In u wil ik zijn braafheid loonen,

In u zijn moed en trouw bekronen; Hem schenk ik, wat gij hadt verbeurd.

Maar, mocht ik u ook \'t leven schenken — \'t Zij ver van mij, het recht te krenken;

ocr page 327

315

\'t Beleedigd Enoz eischt uw strat.

\'k Wil hier genade en recht vereenen: Ga, krijgsknecht! leid den grijsaard henen, En houw de linkerhand hem af!quot; —

Dit vonnis hoort de grijze roover En geeft ter straf zich willig over:

Hier baat hem klacht noch tegenweer.

Maar ijlings treedt Hamédy nader En plaatst zich naast zijn grijzen vader En knielt voor Cidy Moulou neer.

„Laat,quot; — vraagt hij zonder zielsontroeren — „Laat, Rechter! mij de straf volvoeren!

Gun, dat ik u mijn ijver toon\'1quot; —

Maar Cidy voelt zijn boezem jagen En geeft ten antwoord op dat vragen:

„Hamédy ... Gij ? .. . Gij zijt zijn zoon!quot; —

„\'k Ben zoon! — Maar, wat doet helden zwichten ? ... De stem des bloeds ?.. . Neen, hooger plichten

Vervuil\' Hamédy in dit uur.

Ik zelf, ik wil de straf volbrengen.

Ik zelf het bloed des grijsaards plengen,

In spijt van maagschap en natuur!quot; —

Zoo spreekt Hamédy. In zijne oogen Blinkt zelfs geen traan van mededoogen;

En wat ook Cidy zegt, ja, smeekt,

En wat hij vrage en moog\' betuigen,

Het woeste krijgshoofd wil niet buigen,

Maar staat daar stout en onverbleekt.

Hij gaat, en gaat in koelen bloede.

Maar Cidy\'s oogblik rolt van woede.

En vreeslijk staart hij \'t monster aan: „Ja,quot; — zegt hij — „\'t ga mijn macht te buiten, Dien tijger in zijn vaart te stuiten;

Maar, snoode! \'k zweer: gij zult vergaan!quot; —

Een rilling jaagt hem door de leden;

Hij wenkt een krijger toe te treden.

ocr page 328

316

En geeft dit kort macir streng gebod:

„\'k Wil Enoz deugd en plicht doen eeren:

Zoodra het monster hier zal keeren,

Dan jage uw staal hem door den strot!quot; —

En \'t krijgsvolk, ver dat woord te wraken,

Doemt luid Hamédy\'s plichtverzaken,

En vloekt hem, straks nog hoog vereerd,

En acht zijn schuld die straf wel waardig.

En prijst een Rechter, zoo rechtvaardig,

En haakt slechts, dat de snoodaard keert.

En ziel bedaard en kalm van zinnen.

Treedt hij de aloude rechtszaal binnen,

En wenkt één uit den slavenstoet...

\'t Afschuwlijk feit is dan bedreven! ...

Daar houdt de slaaf een hand geheven,

Ken hand ... nog druipend van het bloed! —

De stoutste krijger wordt bewogen;

Hij wendt zich af en keert zijne oogen,

En vloekt Hamédy, dien barbaar.

Maar hij kent wroeging, vrees noch schrikken En vest op Cidy slechts zijn blikken.

En kalm en rustig staat hij daar.

En Cidy voelt zijn boezem jagen;

Hem klopt het hart met hoorbre slagen:

Neen, — geen genade is \'t monster waard!

En Cidy wil — maar kan niet spreken;

Hij wenkt; hij geeft het doodlijk teeken.

En zie! daar blinkt het vreeslijk zwaard!

Het blinkt en treft: — en treft niet weder;

Op éénmaal stort Hamédy neder;

Zij lijk valt naast het hoofd in \'t zand:

Maar zie! o wee, niet uit te spreken!

De Rechter voelt zich \'t harte breken;

Het lichaam mist. de linkerhand!...

{Gcdiclitcii y le Amsterdavï), IV. II. Warnsinckt Bz)i, (1782—1857^.

ocr page 329

1 N H O U 1).

nindz.

h. tollens , cz., De Noordamerikaansdic jager................i

w. bilderdijk, De wenschen..............4

heter rabus, Geveinsde heiligheid........................5

j. j. a. goeverneur, Het vliegend schip. (Vaderlandsche legende) . 6

j. van den vondel, Het graan.............14

h. tollens, cz., Goeden nacht van de armen aan de rijken ... 15

o. z. van haren. Moeder en zoon............18

j. westerbaen , Op de gestolen kat van Phyllis........19

g. j. dodd, Grootmoeder...............20

11. o. roodhuyzen, Weldadigheid............21

i\'Rans de gort, Moeder en kind............25

p. a. de génestet. De beste vriend............25

w. MALLINCKRODT, Afscheid van den zeeman........26

j, m. dautzenberg, Heimwee..............27

e. laurillard, Een vers, dat als een nachtkaars uitgaat .... 29

a. c. w. staring , Jaromir te Praag............32

c. p. TiELE, Zomeravond...............35

h. c. poot, Vroolijk leven...............36

k. l. ledeganck, Twee Oostersche zinnebeelden.......37

p. a. de génestet. De handdruk............38

rosalie loveling, De gouden bruiloft...........39

virginie loveling. Het liedje mijner kindsheid........41

h. j. schimmel, Vrijheid............... . 42

a. c. w. staring, Het genezend maal...........43

j. luyken. Buitenleven................45

j. p. heije, Een kunststukje...............47

. a. bogaers, Het geschenk...............48

11. tolllens, cz., Avondwandeling............56

T

ocr page 330

318 INHOUD.

nindz.

soera rana (i. esser, jquot;.), Lentemorgen..........57

jquot;. de vries, Invaliden der zee.............57

p. g. witsen geysbeek, Puntdichten...........58

j. van den vondel, De akkerman............59

p. a. de génestet, Jong-Hollandsch binnenhuisje.......61

o. z. van haren, Rozemond..............65

h. j. schimmel. Oude zeden ..............69

j. j. l. ten kaïe. Het moedertjen. (Schetsjen naar de natuur) . . 71

j. p. heve. Stuurlui.................72

w. mallinckrodt, Toen wij nog kinderen waren......72

j. j. a. goeverneur, Het kinderbal. (Eene tragische historie). . . 74

w. j. hofdijk. De reus van Spaernwoude. (1298).......76

willem rogghé, Het melkmeisje............79

krans de cort, Koffielied...............80

j. a. aliserdingk thijm, Willem van Oranje. A. D. 806 .... 82

b. ter haar. Elegie. (Aan een spelend kind)........go

j. de gevter, Vóór de terechtstelling...........92

j. de gevter. Heidebrand...............93

c. huvgens en a. c. w. staring. Puntdichten........98

TH. sevens, In de kamer...............100

p. a. de génestet, Turksche beeldspraak.........101

j. westerbaen, Arbeid................102

j. reefsen, Vrede..................102

j. reefsen, Tafelrecht................102

j. p. heve , Geen roosje zonder doornen..........103

j. van lennep. De aanhaling.............104

j. n. van hall, Twee vuurtjes.............105

j. j. l. ten kate, Chineesche wijsheid..........106

c. vosmaer. Zondagmorgen aan \'t strand..........106

w. j. hofdijk. De balling. (1310)............108

h. tollens, cz., De tempel van den roem.........111

w. l. welter jquot;. , Trollhetta..............113

j. p. heve. De kleinste................116

n. heets, Jan Janszen................116

th. sevens. Herinnering. (Aan mijnen vader)........121

h. j. schimmel. Oude Jans..............122

j. j. a. goeverneur, Nurk Nurksch in \'t voorjaar......124

rosalie loveling. Vader en moeder...........125

virginie loveling. De schoone reis...........126

^a. bogaers , Koning Knuts familiezwak..........129

soera rana (i. esser jr.), Liedje.............132

h. j. schimmel, Oud-Vaderken in het groen........133

p. langendijk, Krelis Louwen als Alexander de Groote . . . . 134

h. tollens, cz., De Hollanders op Nbva-Zembla. (1596 -1597) . 141

estella hijmans—hertzveld, De priesterzegen. (Twee beelden) , 148

ocr page 331

INHOUD. 319

Blndz.

w. messchert, Kijkjes op een „Gouden bruiloft.quot;......153

multatuli (e. douwes dekker), Ik weet niet, waar ik sterven zal.

(Lied van Saïdjah, den Javaan)..........160

j. p. heye, Moederliefde...............162

j. Bellamy, Roosje. (Eene vertelling)...........163

jan ferguut (j. a. van droogenbroeck) , Die ghazelen .... 167

Lelie, roze...................167

De wereld is zoo wild een woud...........168

De volle beker wijn...............169

jan ferguut (j. a. van droogenbroeck), Makame: Zoo spreekt

Jan Ferguut..................170

w. j. hofdijk, Proef van trouwe. (1362)..........176

w. mallinckrodt, Poëzie...............180

w. bilderdijk. Voorbereiding.............1S1

th. van rijswijck, De torenbrand............181

p. a. de génestet. Uit mijn dagboek..........191

hoffman von fallersleben en j. m. dautzenberg, LoverkeilS . 193

En ic moet altoos bliven out............193

Sint Jans gheleide................193

Mijn hoppelken.................194

Stil ende vreedsaem ist ghehucht...........194

Daer staet een bloemken in ghenen dal.........195

Een voghelken ende een bloemeken...........195

De berghwerker.................196

Tafereeltjens..................197

Sedicheit ende ledicheit..............198

j. j. a. goeverneur. De vrienden van den doode......199

p. a. de génestet. Spreekwoordjes...........199

a. modderman, Minerva...............201

k. l. ledeganck. Het graf mijner moeder.........202

j. van den vondel. De getrouwe hagedis.........204

th. van rijswijck , De oude schipper...........206

j. j. l. ten Kate, Moderne poëtrije...........207

w, bilderdijk, De vrouwen van Wijnsberg.........208

j. van broekhuizen, Morgenzang............211

j. a. van droogenbroeck, In de lente..........212

a. c. w. staring. De tooverwijnstok...........213

j. p. heye. Hondewagen...............215

rosalie loveling, De verzoening............216

virginie loveling. Grootmoeders portret.........217

h. a. meijer. Dageraad op zee.............218

k. l. ledeganck, Aan Brugge.............220

j. p. heye. Te vroeg................225

a Winkler prins, Gemme van Burmania.........225

w. j. hofdijk. Het paardenrif. (702)...........227

ocr page 332

I N PI O U D.

niiuiz.

l. w. van merken, Leven?..............231

h. asschknbergh , De philosophische eieren............232

j. j. L. ten Kate, Van het bloemenmeisjen.........234

soera rana (i. esser j«.). De nalatenschap.........235

j. van beers. Sint Niklaas...............236

c. honigh, Morgenwandeling..............239

j. p. heye , Gevonden................240

w. j, van zeggelen , De Zigeuners............240

Frans de cort. De tweede vader............245

s. van beaumont. Proper...............246

j. j. a. goeverneur, Een brief van Jan de Rijmer......246

j. p. heye, Rap en vroom...............252

p. a, de génestet , Schitterende starre..........253

w. MALLiNCKRODT, Jongensbrieven............253

a. c. w. staring. Het kameleon............257

w. j. hofdijk. De popel van Noorddorp. (1335).......258

virginie loveling, Een zomersche Zondag.........262

h. j. schimmel. Napoleon Bonaparte (Bedrijf uit een Drama) . . 264 a. bogaers, Het pleegkind. (Eene Rotterdamsche volksvertelling

der i6e eeuw).................283

j. p. heye. Stoeipartij................290

j. van RijswijCK, Ouders...............291

c. honigh, Naar zee.................294

Frans de cort. De oude zangster............295

Jacob cats, Krepel wil altijd voordansen.........296

a. c. w. staring. De IsraClietische looverhut........297

h. a. meijer. Verhaal van den Zwijger..........299

p. a. de génestet, Op een kind, in Mei geboren......306

j. a. alberdingk thijm, De twee portretten........308

w. h. warnsinck, bzn. , Hamédy............313

320

ocr page 333
ocr page 334
ocr page 335

■. ivtó iSW - -

\'

ocr page 336