Europeesche Kolonisatie
IN
suriname
EEN GESCHIEDKUNDIGE SCHETS
DOOR
H. PIJTTERSEN Tz.
Lid van de Tweede Kamer dor Staten-Generaal
\'s-G R AVENH AGE W. P. VAN STOCKUM amp; ZOON 1896
0435 5503
/y
EUROPEESCHE KOLONISATIE
IN
SURINAME.
t
â
Europeesche Kolonisatie
IN
SURINAME
EEN GESCHIEDKUNDIGE SCHETS
DOOR
H. PIJTTERSEN Tz.
Lid van dc Tweede Kamer der Staten-Generaal
quot;S-GRAVENHAGE
W. P. VAN STOCKUM amp; ZOON 1896
SNELPERSDRUK VAX H. C. A. TH I KM K TE NIJMEGEN.
INHOUD
HOOFDSTUK BLADZ,
I. INLEIDING....................................I
II. PLANNEN....................................8
III. PROEF AI ET DE PALTZERS......................l6
IV. DE ZAAK DER ZWITSERS........................20
V. HET PAD VAN RAMA..........................31
VI. DE DUITSCHE VOLKSPLANTING TE ALBINA .... 33
VII. DE HOLLANDSCHE BOEREN AAN DE SARAMACCA . 43
VIII. DE HOLLANDSCHE BOEREN NABIJ PARAMARIBO . . 120
IX. SLOTWOORD.................137
EUROPEESCHE KOLONISATIE IX SURINAME.
EENE GESCHIEDKUNDIGE SCHETS.
I.
Eenige weken geleden maakten de bladen gewag van het 50-jarig jubilé der Hollandsehe Boeren in Suriname, op 20 Juni jl. Onbewust van het bestaan dier lieden, zal deze tijding door velen met zekere verwondering zijn vernomen; anderen zullen haar ternauwernood hunne aandacht hebben waardig gekeurd en waarschijnlijk slechts enkelen zich rekenschap hebben gegeven van de beteekenis van dit herdenkingsfeest.
Toch geldt het hier eene hoogst belangrijke gebeurtenis, in hare gevolgen wellicht gewichtiger dan menig historisch feit in de leerboeken vermeld. In strijd toch met de uitspraken dergenen, die op wetenschappelijke gronden beweren, dat de Europeanen in een tropisch gewest op den duur niet kunnen arbeiden, allerminst zwaren veldarbeid verrichten, noch zich vermenigvuldigen kunnen, zeggen deze Boeren, die den 20 Juni
6
11. ten getale van ruim 200 feestelijk bijeenkwamen, waaronder 13 van dc 25 nog levende kolonisten in Nederland geboren: ons bestaan hier gedurende vijftig jaren bewijst het ongerijmde dier bewering. Wij bezitten tal van kinderen en kindskinderen, die als wij, eene goede gezondheid genieten; ondanks de meest ongunstige omstandigheden zijn wij tot zekeren welstand gekomen en leven hier in overvloed van de vruchten van onzen arbeid. Wij herhalen thans, wat wij 40 jaren geleden schreven \'): âWij hebben dus door ons voorbeeld bewezen, dat Suriname zeer goed door Nederlanders kan worden gekoloniseerd en bevestigen door onzen arbeid (gedurende een halve eeuw), dat men hier landbouwen kan en landbouwende zijn bestaan vinden. Dat alzoo de kolonisatie van Suriname door Nederlandsche landbouwers mogelijk en dit schoone land van zijnen ondergang te redden is.quot;
Ik wensch mij niet te mengen in den strijd tusschen de theorie en de feiten; waar nochtans, ondanks al wat er over gesproken en geschreven is, de uitslag der kolonisatieproeve van 1845 nog steeds wordt aangehaald tot staving der theorie, dat kolonisatie van Europeanen in Suriname onmogelijk is, achtte ik het nuttig hare geschiedenis aan een onpartijdig onderzoek te onderwerpen, met raadpleging van alle beschikbare bescheiden. De conclusie toch uit die proefneming te trekken is van het hoogste gewicht. Leert deze inder-
*) Adres der Kolonisten, Maart 1855.
7
daad, dat de kolonisatie is mislukt ten gevolge van klimatologische bezwaren, en niet geweten moet worden aan andere oorzaken, dan ware het onverantwoordelijk de gedachte aan kolonisatie door Europeesche landbouwers levendig te houden en tal van menschen-levens in de waagschaal te stellen.
Blijkt daarentegen op onweersprekelijke wijze, dat de aanvankelijke mislukking moet worden toegeschreven aan andere oorzaken; dat deze niets ter contrarie bewijst en het later verloop der kolonisatieproeve integendeel het bewijs heeft geleverd, dat de Europeaan zijne krachten aan den landbouw kan dienstbaar maken zonder schade voor zijne gezondheid, en daardoor tot zekeren welstand geraken, dan kan de beteekenis van het feest van 20 Juni 1895 niet te hoog worden geschat. Dan toch zal met gerustheid kunnen worden overwogen, wat behoort te geschieden om den stroom der Europeesche emigratie te leiden naar Suriname ; wat kan worden gedaan om aan tal van arme of verarmende landgenooten, die hier tevergeefs strijden tegen armoede en achteruitgang, daar de gelegenheid te openen om door hunnen arbeid te geraken tot een welstand, dien zij hier nooit zouden hebben gekend; om eindelijk het schoone, maar te zeer veronachtzaamde Suriname in den vollen zin te maken tot een Nieuw-Nederland.
Deze proeve evenwel stond niet alleen, andere zijn daaraan voorafgegaan, en ten einde haar goed te be-grijpen, zal het noodig zijn in het kort te schetsen wat reeds vroeger ten opzichte dier kolonisatie is
8
beproefd, welke plannen zijn beraamd en door welke oorzaken een en ander tot de bekende ongunstige uitkomsten heeft geleid.
II.
P L A N N E N.
Suriname maakt deel uit van dat fabelland Guyana, hetwelk in het laatst der 16e en het begin der 17e eeuw het aantrekkingspunt vormde der Europeesche fortuinzoekers; waarheen Spaansche en Engelsche avonturiers jarenlang koers zetten, om er de nimmer ontdekte Manao del Dorado te zoeken, de gouden stad aan het onbekende meer Parima gelegen, waar, volgens de legende, de daken der huizen met zuiver goud gedekt en de onnoemlijke schatten der Peruaansche Inca\'s verborgen waren. De verhalen van Don Berrejo en Sir Walter Raleigh, vooral de beschrijvingen des laatsten in zijne Discovery of Guiana, wekten anderen op tot het bezoeken van de De Wilde Kust-, bij het zoeken naar El Dorado beproefden Engelschen, Nederlanders en Franschen er beurtelings vasten voet te krijgen, tot het in 1650 aan Lord Willoughby Graaf Parham gelukte aan de rivier de Suriname eene volkplanting te stichten, welke in 1654 gezegd werd reeds 350 Europeesche inwoners te tellen.
De komst der uit Spanje en Italië afkomstige Joodsche
9
familiën, die zich in Brazilië hadden neergezet en vandaar verdreven werden, aan wie Graaf Parham dezelfde voorrechten toekende, welke zij eerst in Brazilië, later in Cayenne, onder de West-Indische Compagnie hadden genoten, verhoogde den bloei der kolonie dermate, dat, toen in 1667 de wakkere Zeeuw Abraham Crijnsen Suriname veroverde, het getal der uitwijkende Engelschen en Joden, allen planters, die zich elders, vooral op Jamaica, vestigden, niet minder dan 1200 bedroeg.
Van toen af bleef Suriname, bij den vrede van Breda, Juli 1667, aan de Republiek afgestaan, eene Neder-landsche bezitting, uitgezonderd gedurende het tijdperk der Fransche overheersching, doch het duurde geruimen tijd aleer de vroegere staat van bloei, ook wat de bevolking betreft, weder werd bereikt.
Onder het bestuur van Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, 1683â1688, begon de treurige toestand, waarin de kolonie zich na de definitieve overgave, in 1674, bevond, gaandeweg te verbeteren. Onder hem werd ook eene nieuwe proeve van kolonisatie genomen. Daartoe door hem aangemoedigd, vestigden honderde Fransche uitgewekenen zich aldaar, waaronder vele handwerkslieden en landbouwers. Sommelsdijk stond hun gronden af en weldra kwamen zij zoozeer tot welvaart, dat eerst in 1686 en nog lang daarna vele anderen hun voorbeeld volgden. De moesten hunner verkregen rijkdom en aanzien, en de namen van vele plantages herinneren nog altijd aan de voormalige Fransche eigenaren.
IO
Ook vele Labadisten, toen ter tijd gevestigd op de stins Thesinge bij Wieuwerd (Friesland), welke aan de zusters van Sommelsdijk in eigendom behoorde, kwamen naar Suriname over. De Gouverneur gaf hun den raad zich in de nabijheid van Paramaribo neder te zetten, doch het stelsel van strenge afsluiting willende handhaven, vestigden zij zich op Providence, ongeveer drie dagreizen van de hoofdplaats verwijderd. De aanvallen van de Indianen en weggeloopen slaven, verslapping van de tucht en onderlinge oneenigheid deden deze vestiging, na een kort tijdperk van bloei, te gronde gaan.
Uithoofde van de schaarschheid der bevolking bleef de aandacht der nieuwe bewindvoerders bij voortduring gevestigd op het vraagstuk der kolonisatie; in het 4e artikel der voorwaarden, op welke de Staten van Zeeland zich bereid verklaarden de kolonie in 1679 af te staan aan de West-Indische Compagnie, werd ook gewezen op kolonisatie, âwelke vermeerdering van opgezeetenen en coloniers het eenigste middel is om de gemelde Colonic ten voordeele van den Staat te doen opnemen en te réusseeren.quot; Eveneens werd in het Octrooi van 1682 door de Staten-Generaal aan de W.-I. Compagnie verleend, bepaald âdat dewijle tot den aenbouw der voorsz. Colonic mede ten hooghsten nootzakelyck is, dat het getal der blanke menschen aldaer, soveel en spoedigh mogelyck geaugmenteert werde, so sal de Compagnie besorgen, dat derwaerts uyt deze Landen so vele Persoenen mogen worden getransporteert, als
11
de voorsz. Compagnie sal konnen en bequaem wesen uyt te wercken;quot; daarom werd voorgeschreven, dat âalle schepen der Compagnie uyt deze Landen derwaerts aanliggende, gehouden sollen sijn (de Compagnie sulx begeerende) yder twaelf Persoonen over te voeren voor een somme van dertigh guldens voor yeder Persoon.quot;
Doch in weerwil van deze en andere maatregelen en de vele faciliteiten den kolonisten toegezegd, bleef eene vestiging op eenigszins uitgebreide schaal achterwege. De lijvige bundel in het Rijksarchief aanwezig, de stukken hierop betrekkelijk bevattende, waarin telkens weder het vraagstuk van de vermeerdering der bevolking door kolonisatie wordt besproken, bewijst dat het intusschen niet aan voorstellen en ontwerpen van dien aard ontbrak.
Een dier plannenmakers, Mr. Alexander Salonthay van Salontha, Hongaar van geboorte, die na in de rechten te hebben gestudeerd âden Koning van Pruissen in de roemrugtige campagnes A0 1747 â1755, en Haar Hoog Mogende bij het ie Regiment Oranje Nassau als officier gedient heeft, daarna Luitenant Colonel en Commis van Oorlog,quot; later planter op Nieuw-Java en Manheim in Suriname, houdt gedurende de jaren 1778 en \'79 van uit Nijmegen eene drukke briefwisseling met Mr. J. C. van der Hoop, Secretaris der Edele Geoctroyeerde Societeit van Suriname, over dit belangrijk vraagstuk. âDuisende van huijsgezinnen, die hier gebrek lijden, of met beedlen den borger of landman lastig vallen, kunnen in dat gewest overvloedig
12
bestaan, indien zij met goeden moed het land bouwen en nuttigen,quot; zoo schrijft hij, zich daarbij grondend op eigen ervaring. âIn \'t algemeen is het niet alleen mogelijk, maar selfs noodig, dat de Blanken self werken. Zulks vereijscht hun gezondheid. Ik heb geen eenigsten gekent, die van al te veel werken gestorven is, maar veelen die van \'t ledig zitten vergaan zijn.
âDie u geïnformeert heeft, dat de Blanken aldaar sonder slaaven niet werken kunnen, selfs niet voor hun eijge kost en onderhout, geeft middagklaar te kennen, dat hij sig over dit artikel geheel niet heeft bekommert.quot;
Tot die bestrijders schijnt voornamelijk behoord te hebben de voormalige Raad-fiskaal, latere Gouverneur van Suriname, Mr. Wichers, die den 14 Dec. 1784 aan den Secretaris Munter bericht: âWat ook een Salontha daarvan mag schrijven, het is onmogelijk dat een geregelde arbeid door blanken in die luchtstreken kan verricht worden.quot;
Aan de vele plannen van Salontha, die o.a. eene vestiging van blanken langs de rivier de Commewijne op ruime schaal aanbeval, werd dan ook nimmer uitvoering gegeven.
Hetzelfde lot der vergetelheid trof het uitvoerig Project 0711 de bevolking in de Colonic Suriname te bevorderen, waarschijnlijk van de hand van den Secretaris Gosenaar, doch zonder vermelding van jaartal. âDe heerlijckheid van een vorst bestaat in de veelheijt van onderdanen, is het zegge van een groot wijsgeer,quot;
13
zoo vangt dit Project aan, om vervolgens de noodzakelijkheid te betoogen om âonze Coloniën aan de vaste kust van America, die met een zeer vrugtbaare grond zijn gezeegent, van goede genoegzame bouwlieden te voorzien, dan daar ontbreekt het aan.quot;
Van den aanvang af is men er, zoo oordeelt de schrijver, niet genoeg op bedacht geweest de kolonie met Europeanen te bevolken, de vrees voor het ongezonde klimaat en de gedachte dat de Europeaan daar geen eenigszins zwaren arbeid kon verrichten, waren hiervan oorzaak. Intusschen was de gezondheidstoestand aldaar door het kappen van groote bosschen en het maken van vele opene en beplante velden zoozeer verbeterd, dat ook een matige arbeid niet alleen wèl kan verricht worden, maar deze tevens bevorderlijk is aan de gezondheid. Dientengevolge âeijscht alles, dat men eindelijk met ijver bedagt zij de bevolking te vermeerderen.quot;
De schrijver behandelt nu i0. âdie meerdere bevolking, welke uijt de tans in Suriname reeds zijnde, zoude kunnen worden geformeert,quot; en wat hij te dien opzichte âter consideratie ten papiere brengt,quot; werpt een eigenaardig licht op de inzichten van zijn tijd.
Het zoude z. i. noodig zijn âdat men in Suriname eds een Grondwet vaststelde, dat alle kinderen in onegt geboren uijt een blanke vader en zwarte moeder, aan het Land zoude behooren, zoodanig dat dezelve nadat de ouderdom van twee jaaren hadden bereijckt, moeste worden overgegeven,quot; om in etablissementen te worden
14
geplaatst, waar zij in het noodige werden onderwezen ; de jongens moesten na hun 18e jaar de kolonie gedurende vijf jaren als soldaat dienen. De vaders, op deze wijze van de zorg voor hunne onechte kinderen ontheven, betaalden daarvoor jaarlijks f 100. Van dit bevolkingsmiddel meende hij zich veel te mogen voorstellen.
In de 2e plaats handelt hij over de vermeerdering van bevolking, welke uit Europa zou kunnen geschieden: âMen zal aan Paramaribo koopen een bequaam Huijs en daertoe approprieeren om in te plaatsen 40 a 50 stuks arme Meisjes uijt de steede off dorpen alhier genomen, die tenminste leezen kunnen____quot; Deze zouden
in het Huis onderricht ontvangen en daarin verblijven tot haar 25e jaar, âoff zooveel korter als de omstandigheden van huwelijk zullen requireeren. Deeze meisjes zoude goede vrouwen uijtlevere voor de soldaten en andere blanken, die genegen zijn tot het huwelijk.quot;
De bedachtzame ontwerper stelt daarom tot in bijzonderheden vast welke uitzet aan deze meisjes zal worden verstrekt.
âVoorts zal men aan de planters faciliteeren om alhier uijt de Godshuijzen jongelingen te engageeren boven de 14 jaare oud en zulks voor den tijd van 7 jaaren welke zij de plantagiën zullen moeten dienen .... Uijt deeze en verder op dien voet te engageeren jongelieden zullen door den tijd een gepast aantal bequaame Directeurs geformeert worden, daar het nu bij continuatie aan ontbreekt.quot;
Dit alles werkte evenwel slechts voor de toekomst; âwijders en om al dadelijk een effect der bevolkinge te hebben, zoude ten uijterste dienstig zijn eenige Boerefamilien na de Colonie wierden getransporteerd,quot; waarna hij uitvoerig de voorwaarden vaststelt waarop deze lieden zouden behooren te worden aangenomen. âDog,quot; en hier blijkt wat vroegere ondervinding heeft geleerd, âdog de overvoering deeser lieden moet niet eerder geschieden dan wanneer de plaatsen tot hun verblijff geschikt, in die orde zijn gebragt welke nader zal worden opgegeven.quot;
Ook hij stelt voor vestiging aan de rivier de Com-mewijne; âvermoed deze streek gezonder, wijl het land er apparent hooger zal zijn,quot; en wijl âditquartier bevrijd is van musschieten, een ongemak, dat voor nieuw aangekomene Europeanen bijna ondragelijk is.quot;
Een ander ontwerp, mede zonder dagteekening, doch evenals het vorige afkomstig uit het laatst der vorige eeuw, âProject omme 20 a 25 familliën zeer voordeelig te plaatsen en te establisseeren in de Colonic Suriname,quot; is vooral merkwaardig omdat het wijst op eene der oorzaken van mislukking van vroegere proefnemingen.
âTot heden toe,quot; zegt de ontwerper, âzijn dergelijke Establissementen niet gereüsseerd, de Paltsersche en Zwitsersche familliën (waarover straks) zijn verdweenen. De reeden daarvan is, dat die Luijde in de bovcnlavdcn geplaatst zijn geworden, daer zij ontbloot van alle hulp, door de eerste ziektens, die de meeste nieuw-koomers in dit land onderheevig zijn, 1-ijn gestorven
6
en de andere uijt vreeze sig weg hebben gemaakt. Alle de inconvenienten die daaruijt ontstaan, souden gepraevenieert worden en ook genoegsaam met zeeker-heid van remboursement en succes die luijde kunnen geestablisseert worden, mits het digt aan Paramaribo besogt word.quot;
De schrijver eindigt met eene uitvoerige berekening van kosten, welke voor ieder huisgezin y 1250 zouden bedragen, welk voorschot in 8 jaren tijds zou kunnen worden afbetaald.
III.
DE PROEF MET DE PALTZERS.
Behalve uit de eerste inwoners, de Indianen, bestond de bevolking van Suriname tegen het midden der vorige eeuw, uit eenige honderdtallen Europeanen en Joden, (dit was de officieele benaming) en voorts uit eenige duizenden negerslaven. De eersten, voor zoover zij geene ambtelijke betrekking vervulden of handel dreven, leefden op plantages in het binnenland verspreid; dejodenhaddenhunne vestigingsplaats op of nabij de zg. Joden-Savanna, gelegen aan den bovenloop der Suriname, ruim een dagreis van Paramaribo verwijderd, waar zij uitgestrekte plantages bezaten, met kostbaar ingerichte woonhuizen, benevens eene fraaie Synagoge.
Dit Boven.and, zooals het werd genoemd, werd
7
voortdurend onveilig gemaakt door de Marrons of Boschnegers, weggeloopen slaven, die de dikwerf onmenschelijke wreedheid hunner meesters ontvluchtten en in de dichte bosschen van het binnenland een schuilplaats zochten.
Onder leiding hunner aanvoerders, waaronder de neger Baron en de mulat Bonni zich vooral bekend hebben gemaakt, verlieten zij van tijd tot tijd hunne sterkten in de wildernis, om schrik en verderf te verspreiden op de plantages; bovenal hadden zij hot gemunt op de Joden, die door hunne wreedheid tegenover de slaven het meest werden gehaat. Meermalen versloegen zij zelfs de tegen hen uitgezonden troepen, en de annalen der kolonie zijn vol van verhalen omtrent tochten en gevechten tegen de Wegloopers, zooals de algemeene naam luidde.
Als het beste middel om de plantages te beschermen, werd aanbevolen het bevolken der Bovenlanden met blanken, en wel, zooals door de âJoodsche Natiequot; uitdrukkelijk werd voorgesteld, uitsluitend met Christenen, daar de varkenskweek, de jacht en de visscherij, die daar met goed gevolg konden worden gedreven, voor Joodsche familien geenerlei nut hadden.
Dit denkbeeld, in de missives tusschen Directeuren cn Gouverneurs gewisseld, herhaaldelijk ter sprake gebracht, kwam in 1747 tot uitvoering. De toenmalige Gouverneur-Generaal, Mr. J. J. Mauricius, verkreeg van eenige planters schriftelijk de toezegging, dat zij bereid waren eene vestigingsplaats gereed te maken voor 6
8
of 7 gezinnen en deze tevens, âzoolang de kost niet boom-rijp was,quot; van het noodige te voorzien, in ruil voor eenige uren arbeids daags. Deze verklaring door 12 planters onderteekend, deed den Gouverneur den 7 December 1745 met gerustheid schrijven: âDus zouden, zoo men wil, zes of zeven familiën kunnen overgezonden worden, dat ze omtrent in Augustus des toekomenden jaars hier aankwamen. Zij zullen op geenen lossen voet komen, maar aanstonds op de Plantagiën verdeeld worden.quot;
Dientengevolge werden den 8 Februari 1747 door de Directeuren de conditiën vastgesteld, waarop de Societeit genegen zoude zijn eenige Europeesche familiën uit te zenden, en den 17 April d. a. v. bericht gezonden, dat met acht hoofden van gezinnen uit den Paltz afkomstig, eene overeenkomst was getroffen.
Doch in Suriname marcheerden de zaken minder goed dan de Gouverneur had verwacht. De Joodsche planters bleven in gebreke de verblijfplaatsen gereed te maken en alle aansporingen bleken vruchteloos: âmet de oneenigheid die sedert eenigen tijd onder die natie regeert, kan men op dezelve weinig rekenen,quot; schrijft de Gouverneur den 15 April 1747 en in Augustus; âOok heb nu weder voor de derde maal de noodige schikkingen gemaakt om boven den Blauwen-berg eene plaats te approprieeren voor de boerenfa-milien. Eenige weigeren slaven te geven, schoon ze over twee jaren geteekend hebben en in \'t geheel wordt de zaak gecontramineerd.quot;
9
Weinige dagen later, den 20 Augustus, arriveerde kapitein Claas Slot, aan boord hebbende 7 gezinnen van boeren, âvel quasi,\'quot; zoogenaamde boeren, noemt hen de Gouverneur, âwant,quot; zoo schrijft hij den 23 Augustus, âpermiteert mij met alle respect te remon-streeren twee omstandigheden die niet overeenkomen met het eerste concept. De eerste is het groote getal van kleine kinderen .... doch de tweede en voornaamste is, dat het geen boeren zijn, daar nogtans alles gedaan is in de suppositie, dat het menschen zouden wezen bekwaam om in \'t veld te werken, met vee om te gaan en hout te zagen.quot; Hij bekent met hen verlegen te zijn. âOm hen aanstonds boven te plaatsen, is absoluut onmogelijk, dewijl het aldaar op verre na niet gereed is .... Doch schoon alles gereed was, zou men tegenwoordig zwarigheid moeten maken voor de wegloopers,quot; wier âstoutheid op eene ijselijke wijzequot; toenam en die reeds voor de vierde maal gedurende vijf maanden plantages aangetast en blanken vermoord hadden.
Volgens afspraak werden de gezinnen voorloopig over verschillende plantages verdeeld, doch, zoo luidt het den 22 December, âdie hen op de plantagiën hebben, klagen zeer over derzelver luiheid en onbequaam-heid voor landwerk.... Ik hebbe gedacht opregte boeren te krijgen .... ik bidde dus zeer ernstig en ootmoedig, dat geen anderen dan dezulken mogen worden overgezonden en zelfs zal men met deze reeds moeite genoeg hebben.quot; Dezelfde klachten worden in het volgende jaar herhaald, eerst in 1749 verneemt men gun-
20
stiger berichten; 26 Mei: âDe zoogenaamde boeren schikken zich zeer wel,quot; en kenschetsend voegt hij er aan toe: âeen hunner, te voren met de vier kronen gereisd hebbende, heeft boven een poppespel gemaakt, hetwelk hij hier met permissie van het Hof is komen vertoonen.quot;
De âboerquot; bleek dus een kermisklant te zijn.
Daarna wordt er van deze âboerenquot; geen melding gemaakt vóór 1753; âop dien datum (12 Januari) werd hunne vestigingsplaats door de wegloopers overrompeld en alle goed en have geroofd.quot; Enkelen hunner werden daarop naar het Oranjepad gezonden, (waarover later) terwijl de anderen eene verblijfplaats vonden op de plantages, âterwille van de vrouwen en meisjes, die veel in den smaak vielen,quot; zooals het in een brief luidt.
IV.
DE ZAAK DER ZWITSERS.
âDe Zwitsers en boeren geven mij allen ruim zooveel occupatie en hoofdbreken, als alle andere zaken te zamen,quot; schreef Mauricius in Dec. 1748, en geen wonder, want ten gevolge van allerlei bij-omstandigheden heeft âde zaak der Zwitsers,quot; zooals zij in de officieele stukken luidt, eene zekere vermaardheid verkregen.
Tot goed begrip van hetgeen volgt, is eene ken-
2 I
nismaking met enkele hoofdpersonen niet overbodig.
Gouverneur-Generaal was op dat tijdstip de reeds genoemde Mr. J. J. Mauricius, die vóór hij in 1742 tot dezen post werd benoemd, den Lande in verschillende en voorname betrekkingen had gediend, o. a. als Resident te Hamburg en bij den Saksischen Kreisz. Hij had in zijn tijd eene zekere reputatie als dichter; het volgende pessimistische grafschrift rechtvaardigt dien roep minder, dan dat het blijk geeft van teleurstelling en ontgoocheling:
âSyn Roosen stonden stijf van doornen allerwegen, En \'t schijngeluk, dat hem zijn arbeid had verkreegen. Verstrekte alleen om \'t Niets van \'s waereld\'s hovaardij En grootheid hem te doen beschouwen van nabij.quot;
Ook was hij de hoofdpersoon van de volgende gebeurtenis: âIn 1699, den nen January, zijnde Zondag, predikte tot verwondering der geheele stad (Amsterdam), in deese kerk (de Gasthuiskerk), een kind dat naauwe-lijks ó\'/a jaar oud was, in de tegenwoordigheid van honderden van menschen; welk zulk eene schoone predikatie deedt, dat ieder die hem hoorde ten uiterste verwondert was...quot; l) Was het deze vroegtijdig ontwaakte liefde voor het predikambt, welke hem voortdurend in botsing bracht met de Surinaamsche predikanten, of lag de schuld alleen aan den geest die dezen bezielde en zich openbaarde in âzware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoover gingen, dat de eene
*) Kort Verhaal 1791.
22
dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl H.H. Predikanten zich niet ontzagen om door onbetamelijke uitdrukkingen enz. de hooge Regering te beleedigen.quot; \') Hoe dit zij, een feit is het, dat de Gouverneur voortdurend met de predikanten overhoop lag.
Do heftigste zijner tegenstanders was de Fransche predikant Duvoisin, van wien Mauricius de volgende beschrijving geeft; â\'t Is tegenwoordig niet meer die ootmoedige en nederige St. Pieter, dien men te Amsterdam bij gratie gefagotteerd heeft tot een Predikant, maar \'t is thans een hoogmoedige Paus geworden, die zekerlijk den Gouverneur verre beneden zich reken d, en aan welke van zijn vetula bcata ingeprent is, om de Societeit voor niets te rekenen.quot; (18 Febr. 1751).
Dit âoude wijfquot; was mevrouw Charlotte Duvoisin, geboren van der Lith, dochter van een Duitsch predikant, en weduwe van drie gouverneurs, daarna van den Waalschen predikant Audra, en nu de niet zeer gemakkelijke wederhelft van diens opvolger, met wien zij gezegd werd tijdens haren weduwenstaat een onbe-tamelijken omgang te hebben gehad. Zij stond aan het hoofd der âCabalequot;, wier toeleg het was Mauricius uit de kolonie te verwijderen en gebruikte daartoe den âwoesten en opvliegendenquot; predikant, alsmede een lid van diens gemeente, Duplessis, als hare voornaamste
*) Missive van de Eerwaarde Classis van Amsterdam, 14 April 1749-
23
werktuigen. Waarschijnlijk vermeerderde de opdracht vanwege de classis te Amsterdam den Gouverneur verstrekt, om Ds. Duvoisin, âden voornaamsten woelgeest, als een ontaarden zoon tot rede en een betamelijk gedrag te brengen,quot; niet weinig de reeds bestaande vijandschap, welke zich o. a. daarin openbaarde, dat mevrouw Duvoisin en hare vriendinnen de echtgenoote van den Gouverneur op straat nariepen en bespuwden en haar, de beschaafde jonk vrouwe J. M. Wreede, âTrijn van Hamburgquot; scholden.
Een andere persoonlijkheid, ten nauwste bij deze zaak betrokken, was Louis de Bussy, apotheker van het hospitaal, Piëmontees van geboorte en min of moer een landgenoot van Ds. Duvoisin, doch geenszins diens vriend. De oorzaak dezer min-vriendschappelijke verhouding deelt de Gouverneur mede: âDe waare oirsaak van alle deese commotie is de warsieke en inquitte geest van Madame Duvoisin .... Nog is er een Causa Proxima, die den heer Du Voisin raakt, nam. dat Bussy de onvoorzigtigheijd heeft gehad van veel te praaten van seekeren ouden heer du Voisin, dien hij in Zwitserland gekend heeft als een ambuleerend Doctor .... So deesen ouden du Voisin de vaader van deesen is, kan men begrijpen dat deese vertelling aan den Ds. en sijn tegenwoordige glorie geen plaisier doet.quot;
Al deze schijnbaar onbeteekenende bijzonderheden zouden later van invloed blijken op de âzaak der Zwitsers.quot;
24
Den 23 November 1747 werd door de Directeuren van de Ed. Societeit van Suriname met de Bussy, die zich toen in Europa bevond, eene overeenkomst gesloten tot het overbrengen van eenige Zwitsersche gezinnen naar Suriname. De Bussy sloot daarop een contract met 17 gezinnen uit Basel, hetwelk door het Baselsche Bestuur werd geregistreerd, en geleidde hen daarna naar Amsterdam.
De âconditiën door d\'Ed. Agtb. Magistraat der Stad Amsterdam en de Societeijd der Colonie Suriname voor die na Suriname gaande familiënquot; vastgesteld, luidden aanlokkend genoeg: aan ieder gezin werden 100 akkers land in eigendom toegezegd, gedeeltelijk gedefricheerd, met recht op nogmaals 100 akkers; voorts ontving ieder gezin 2 koeien, 6 geiten, 6 schapen, het noodige pluimvee, paarden, benevens 10 slaven, voor een heel jaar levensmiddelen, de noodige zaden en gewassen, landbouwgereedschappen enz., terwijl in het geregistreerde door de Bussy onderteekende contract de bepaling was opgenomen, dat âvrije retourpassage zoude worden verleend aan wie \'t begeeren mochten,quot; welke voorwaarde, evenmin als die betreffende de slaven, niet vermeld was in de resolutie aan den Gouverneur gezonden, wat dezen later deed klagen over het verschil tusschen het contract met de Zwitsers gesloten en de hem gezonden resolutie.
Bovendien schijnt de Bussy het contract mondeling nog te hebben opgeluisterd, althans âaan deese lieden veel saaken in \'t hoofd gebragt te sijn, zijnde selfs soo
25
\'t schijnt, in eene verbeelding- geweest, dat sij hier op hun aankomst een beboude buitenplaats zouden vinden, met slaaven tot hun dienst,quot; schrijft Mauricius.
In het bezit gesteld der resolutie, waarbij de komst der Zwitsers werd gemeld en de voorwaarden waarop zij waren aangenomen, schrijft de Gouverneur onmiddellijk aan de Directeuren: âIk moet bij avance betuigen, dat ik zeer verlegen ben rakende het project van den Heer Bussy. De Ed. Societeijt kan geen een neger missen .... Men gelieve daarbij te considereeren dat een kostgrond een jaar vooruit moet aangelegd worden... Hoe kan De Bussy, die dit land zoo goed kent, zulke dingen voorstellen?quot;
Toen daarop den ig October 1748 de beide schepen, die de Zwitsers vervoerden, te Paramaribo arriveerden, was er tot hunne ontvangst niets gereed en zag de Gouverneur zich genoodzaakt een ouden kostgrond in Para, waarop nog eenige gebouwen stonden, voor hen aan te koopen, waarheen zij den 7 November werden overgebracht. Tien dagen later schrijft de Gouverneur: âDe Zwitsers zijn geplaatst en beginnen braaf te werken. \'t Zal naar alle apparentie met hen beter gaan dan met de zoogenaamde boeren, die geen hand willen uitsteken;quot; den 3 December; âde Zwitsers werken meest allen vlijtig en braaf;quot; toch verneemt men reeds den eersten dissonant: âdoch daar zijn muiters onder, die met geen zoete woorden geregeerd kunnen worden,quot; terwijl 7 Dec. wordt vernomen: âde heer Bussy heeft 5 van de Zwitsers naar Paramaribo in arrest gezonden.quot;
26
Wat was er gebeurd?
Een der Zwitsers, een zekere Gisi, was naar Paramaribo geweest, voorzien van een brief van de Bussy aan Ds. Duvoisin, om zijn kind te laten doopen. Tus-schen do overdreven betuigingen van hoogachting en eerbied voor zijne christelijke gevoelens; uit het beroep op zijn bekenden milddadigheidszin en dien zijner zoo liefderijk-gezinde echtgenoote, las de predikant in dien brief den hoon en den spot van iemand, die wel beter weet. Hij ondervroeg Gisi, vernam de voorwaarden, waarop de Bussy hen had aangenomen, stookte Gisi op om volledige nakoming dezer voorwaarden te eischen, en toen deze op het etablissement was teruggekeerd, waren rust en vrede geweken. Zoodra de Bussy zich weder vertoonde, werd hij met bittere verwijten overstelpt, terwijl vijf hunner hem bedreigden en zelfs sloegen. Naar Paramaribo gezonden en aldaar door den Gouverneur ondervraagd, liet deze vier hunner weder in vrijheid stellen, doch den belhamel in fort Zelandia opsluiten.
De gevangene zond daarop een brief aan den hervormden predikant de Ronde, om zich te beklagen over de ondervonden behandeling en diens tusschen-komst te vragen; dit schrijven kwam in handen van Ds. Duvoisin, die er zich van bediende om zich namens den Kerkeraad tot den Gouverneur te wenden met eene aanklacht tegen de Bussy; deze werd beschuldigd de Zwitsers te hebben misleid, voorts van misbruik van macht enz.; zelfs beschuldigde hij den Doctor van doodslag op een der Zwitsers, welke beschuldiging hij
27
bleef volhouden, ook nadat de onjuistheid daarvan was gebleken.
De Gouverneur deed het uiterste om aan alle billijke klachten te gemoet te komen; de meeste Zwitsers verklaarden zich schriftelijk geheel tevreden gesteld, doch tevergeefs; 30 Juli 1749 schrijft hij; âonder een val-schen schijn van medelijden heeft men alles gedaan om de Zwitsers op te stooken en alle schikkingen te contramineeren.quot; âDe Zwitsers geven mij veel moeite en verdriet.... ik chagrineer mij gevoelig over den ongelukkigen uitslag,quot; dergelijke uitdrukkingen komen telkens voor. Telkens ondervond hij de gevolgen van het wroeten van Ds. Duvoisin; âdoch,quot; zoo schrijft hij, âde beweegreden van Ds. Duvoisin en zijne vrouw moet men geenszins zoeken in eenige christelijke liefde, dan so verre die gebruikt word tot een schaapskleed, om den wolfsklauw bedekt te houden.quot;
Intusschen ging de toestand op het etablissement steeds achteruit. Beroofd van de leiding van de Bussy en geheel aan hun lot overgelaten, door de omwonende planters gekweld, â die zelfs hun vee lieten doodschieten; â weldra door ziekten geteisterd, verlieten velen de vestigingsplaats en begaven zich naar Paramaribo; zich grondend op de bepaling in het contract betreffende vrije retour-passage, eischten zij weder naar Europa te worden overgebracht, wat de Gouverneur, op grond zijner instructie, niet kon toestaan, terwijl zij op hunne beurt, gesteund door de Cabale, weigerden naar de Bovenlanden terug te keeren.
28
De klachten der Cabale hadden evenwel den Raad van Directeuren bereikt; eene commissie van onderzoek, bestaande uit drie commissarissen door den Stadhouder aangewezen, werd benoemd en arriveerde in het begin van 1751 te Paramaribo. Krachtens de macht haar door den Stadhouder verleend, werd de Gouverneur, âbehoudens eer en gage,quot; naar Nederland opgezonden om zich te verantwoorden, en een hunner, de Generaal-Majoor van Sporcke, ad interim in zijne plaats aangesteld. Ds. Duvoisin en zijne vrienden zegevierden ; Mauricius, schoon dra van allen blaam gezuiverd, keerde niet weder naar Suriname terug en vóór hem was ook de Bussy reeds uit de kolonie verwijderd.
Deze schijnt reeds gedurende de reis in intieme verhouding te hebben gestaan tot de twintigjarige dochter van een der immigranten, Esther Pertschen; schijnt, want bij de uitvoerige instructie, die volgde, werd dit door Esther hardnekkig ontkend en noemde zij als vader van het onecht kind, waarvan zij ten huize van de Bussy beviel, en dat kort na de geboorte stierf, een harer reisgezellen, die zich intusschen uit de voeten had gemaakt.
Men weet, dat het verwekken van kinderen buiten echt, in Suriname iets ongehoords was, waartegen strenge straffen waren bedreigd. Ds. Duvoisin was dan ook diep verontwaardigd, toen hij kennis kreeg van het gebeurde; de zaak werd onderzocht en Esther op last van het Hof uit het huis van de Bussy gehaald en
29
naar Para opgezonden, vanwaar zij evenwel heimelijk terugkeerde.
Onder dagteekening van 2 Juni 1750 leest men dan ook in het Journaal van Mauricius: âDu Bussy\'t hoofd omloopende, omdat bij \'t Hof is geresolveerd een Zwitsersch meisje, \'t welk hij tegen de orders van \'t Hof bij zich blijft verbergen, bij den kop te vatten, en verder zich geëchaufeerd hebbende over een huur-slavin die naar de eigenaars was teruggeloopen, heeft verscheidene dolligheden gedaan, waarop hij door den fiskaal geapprehendeerd is.quot;
De Bussy werd op fort Zelandia gevangen gezet,
Esther Pertschen in verhoor genomen en nu bleek____
Wat bleek, leert het volgende uit de Memorie van Mauricius: âik wil Bussy nergens in verschoonen, dog tenminste heeft hij \'t vrouwmensch willen trouwen, het kind zelf openlijk ten doop gehouden.quot;
Maar was de Bussy niet alreeds gehuwd? Onder de soldaten, kort geleden in de kolonie gearriveerd, bevond zich ook een Zwitser, die, zooals Ds. Duvoisin al spoedig vernam, de Bussy vroeger had gekend. Deze verklaarde dat de Bussy in Zwitserland gehuwd was en zijne vrouw, althans in 1745, nog in leven was, wat door dezen niet werd ontkend. Kon hij bewijzen dat die vrouw overleden was? Neen, hij geloofde het, maar het âgehooptequot; ofRcieele bericht was nog niet ontvangen.
Ds. Duvoisin was diep verontwaardigd.
Het slot der geschiedenis vernemen wij weder uit
3°
het Journaal van Mauricius: âDe ongelukkige Bussy is totaal geruïneerd, gebannen uit het land, en eindelijk tot comble van miserie, onderweg naar Nieuw Engeland schipbreuk geleden hebbende, heeft hij eenige dagen op een barre rots moeten zitten, alwaar hem \'t eene been bevroren is, en apparent zal moeten afgezet worden, in welken staat hij tegenwoordig te New-York bedelt.quot;
En de ongelukkige Esther? Enkele weken na het vertrek van de Bussy werd haar huwelijk met iemand anders afgekondigd.
Onder van Sporcke wordt niets omtrent de verdere lotgevallen der Zwitsersche familiën vernomen, doch in het Journaal van diens opvolger, Mr. Crommelin, leest men onder dagteekening van 18 Nov. 1753: âDe tijding bekomen, dat de wegloopers op den isd. in Para het dorp van de Zwitsers, die meest in hunne verrigtingen absent waren, overvallen en alles wat ze uit de huizen medenemen konden, geplonderd hebben ... Hetgeen ten meeste te behartigen valt is, dat de ongelukkige Zwitsers van al haar goed, gereedschap en kleederen beroofd en in de uiterste nood en vreeze gebragt zijnde, zekerlijk allemaal haar toevlugt bij den G. G. a. i. zullen nemen en hulpe afsmeken.quot;
Het slot van deze treurige geschiedenis geeft het volgende uittreksel van het Journaal, dd. 6 Dec. 1753: âTwee Zwitsersche vrouwen van diegenen die wijlen de heer Generaal van Sporcke en de Colonel Bermont uit Para, naar het Pad van Rama hebben doen overgaan, zijn bij den interims Gouverneur eenig onder-
3i
houd komen afsmeken, omdat derzelver mannen in ziekten en armoede vervallen zijnde, niet in staat waren brood aan haar te geven.... De mannen van deze Zwitsersche vrouwen zijn door wijlen den Generaal Sporcke met prison en andere geweldzai?ie middelen gedwongen geweest, hunne woning in Para te verlaten en zich op het Pad van Rama neder te zetten.... Na zijn overlijden heeft niemand zich dezelve zonderling aangetrokken en op of bij het Pad is niets met eenige vrucht te doen; de valeien of lage landen in den regentijd verdronken zijnde en de hoogtens zoo bar, dat die op zijn best eens vivres geven.quot;
Dit was de afloop van de âzaak der Zwitsers.quot;
V.
HET PAD VAN RAMA.
In het Journaal van Mauricius leest men, dat in Februari 1751, op voorstel van Generaal van Sporcke, besloten werd tot het aanleggen van een weg, loopende van Rama aan de Suriname, tot de Saramacca, met het doel om aldaar posten te leggen tot dekking van de boven-plantages van Suriname en Para. Een commando van 50 slaven en eenige burgers, benevens 70 soldaten werd daartoe aangewezen.
De geschiedenis van dit Pad, mede bekend als het
32
Oranjepad, vult eenige der somberste bladzijden van de zoo donkere geschiedenis der kolonie.
Wij hebben reeds gezien dat de blanken daartoe gecommandeerd, met prison cn andere gewcldzame middelen gedwongen werden tot deelneming. Hoe het hen verging leeren de volgende uittreksels uit het dagboek der Gouverneurs.
â20 Junij 1752: Kapitein Herbert ziek van Rama gekomen, is overleden; 22 d. a. v.: Luit.-Col. Bermond, als boven; 30 Aug.; Generaal van Sporcke, waarn. Gouvern., als boven; 9 Aug. 1753: Kapit. Maccarey, als boven; 23 Mei 1754: Het getal der zieke militairen op gemeld pad is ongemeen; officieren, onderofficieren en gemeenen zijn meest allemaal ziek. Hot beklage-lijkste is, dat zeer weinige van die zieken hersteld kunnen worden.quot; In dier voege gaat het door, doch na eiken nieuwen aanval der Boschnegers moesten wederom versche manschappen naar deze âdesperate postquot; worden gezonden.
Na een nieuwen, driesten overval werd besloten âhet Oranjepad volkomen te peupleeren;quot; aan hen die zich daar wilden vestigen, onder verbintenis er 10 jaren te blijven wonen, werden tal van voordeden toegekend, terwijl aan den Duitschen Baron von Bulouw, met de betrekking van Burgemeester, eene gratificatie werd toegewezen voor ieder gezin, dat hij tot vestiging wist over te halen. De plaats der vestiging werd Carolinen-burg gedoopt en gedurende de eerste maanden van â Töó vestigden zich aldaar ongeveer 50 personen.
33
Aanvankelijk ging alles goed, doch weldra regende het klachten van alle zijden, eerst over von Bulouw, die in 1756 werd afgezet, daarna over het slecht gedrag der burgers, over dat der soldaten, zoodat men 17 Juli 1756 vindt aangeteekend: âDaar is een heel volumen brieven van het Oranjepad.... bevonden te continueeren klagten van alle de burgers.quot; âHet etablissement voldoet niet, het geeft geen nut tegen de wegloopers en veroorzaakt hard drukkende en ruineuse lasten voor de kolonie,quot; luidt het ten slotte, zoodat besloten werd opheffing te vragen.
VI.
DE DUITSCHE VOLKPLANTING TE ALBINA.
Had het aan projecten van allerlei aard niet ontbroken, eene eeuw zoude er verloopen aleer de g\'edachte aan eene Europeesche kolonisatie in Suriname dermate post vatte om tot nieuwe proefnemingen te leiden.
Eene derzelve, in chronologische volgorde de laatste, was die van den heer A. Kappler aan de Marowijne of Maroni, destijds nagenoeg onbekend, welke rivier, aan den bovenloop Lawa genoemd, de grensscheiding vormt tusschen Nederlandsch- en Franscli Guyana of Cayenne.
Tot 1840 lag aan den Hollandschen linkeroever dier rivier de post Armina, door eenige soldaten be-
3
34
zet, waaronder een jonge Duitscher, August Kappler, die voor den handel opgeleid, op negentienjarigen leeftijd naar Suriname was gekomen en thans als onderofficier dienst deed. Aan eenige kennis van de natuurlijke historie, door voortdurende studie en onderzoek aangevuld, paarde hij eene groote liefde voor de tropische natuur, waarom hij den vrijen tijd hem door den dienst gelaten, besteedde aan het doorkruisen der wildernis en het aanleggen van verzamelingen.
In 1841 naar Europa teruggekeerd, liet de herinnering aan Suriname\'s natuur hem geen rust en reeds het volgende jaar keerde hij weder daarheen; als âNaturaliensammlerquot; zwierf hij van 1842 tot 1846 in Suriname rond, legde verzamelingen aan, welke hij voor goeden prijs verkocht, tot zijne middelen hem veroorloofden zijn lievelingsdenkbeeld te verwezenlijken: zich aan de Marowijne te vestigen, en daar, door het drijven van handel met Indianen en Boschnegers, zich een onafhankelijk bestaan te gronden.
In 1846 werd dit plan uitgevoerd en vestigde hij zich op eene plaats gelegen tusschen den voormaligen post Armina en de monding der Marowijne, ter eere zijner toekomstige vrouw !) Albina gedoopt. De voorvallen van zijn avontuurlijk leven aldaar, aanvankelijk tusschen Indianen en Boschnegers g\'esleten, vindt men uitvoerig medegedeeld in zijn hoofdwerk: Hollandisch-Guiana. Erlebnisse und Erfalmcngen ivahrcnd eines
\') Almine Lezimaijer, thans nog op de lijst der gepensionneerden voorkomende; zij heeft nu den 8o-jarigen leeftijd bereikt.
35
IS-jahrigei1 Aufenthalts in der Kolonie Surinam (Stuttgart, 1881), hetwelk voor de kennis der kolonie veel belangrijks bevat. Terwijl de Indianen hem van wild en visch voorzagen, of behulpzaam waren bij het zoeken van hetgeen hij voor zijn verzamelingen behoefde, dreef hij handel met de Boschnegers, van wie, in ruil voor levensbehoeften en geweren, het door hen gevelde hout werd opgekocht. De emancipatie der slaven in Cayenne gaf den Gouverneur aanleiding hem tot assistent-posthouder te benoemen, op eene bezoldiging van /56 \'s maands.
Gelijktijdig vestigde zich aldaar met hetzelfde doel een zekere Monte Cattini, Corsicaan van geboorte, die door voldoende middelen gesteund, aanvankelijk een uitgebreiden handel dreef, doch na verloop van zeven jaren, ten gevolge van onvoldoend toezicht en slecht bestuur, Suriname moest verlaten.
Kapplcr had intusschen handelsrelatiën aangeknoopt met de Amstcrdamsche firma Kreglinger en Co., welker chef zich bereid verklaarde zich met hem te associeeren, ten einde den houthandel op grooter schaal te drijven, en de daartoe noodige fondsen verschafte. Dientengevolge vertrok Kappler naar Europa, vanwaar hij in Juli 1853 terugkeerde, vergezeld van zijne jonge vrouw en 15 Wurtembergers, waaronder 5 vrouwen en 2 kinderen, die zich voor den tijd van drie jaren als houtwerkers verbonden hadden; tevens waren maatregelen getroffen voor de uitzending van een tweede transport, hetwelk het volgende jaar, onder
36
geleide van een jongen houtvester, Bühler genaamd, zoude volgen.
Wijl er niets voor hunne ontvangst gereed was, moest allereerst worden begonnen met het kappen van hout, het bouwen van huizen en werkplaatsen en het aanleggen van kostgronden voor den verbouw van veldvruchten; gelukkig gaf de geschiktheid der werklieden alle reden tot. tevredenheid, terwijl ondanks den zwaron arbeid in de bosschen, de gezondheidstoestand van den aanvang af niets te wenschen overliet. Tot in 1856 heerschtc geene enkele ernstige ziekte en stierf slechts één arbeider, en wel aan de gevolgen van een verouderde kwaal. Minder gunstig evenwel was het gesteld met de stemming der kolonisten; weldra deden zich allerlei moeilijkheden voor, deels ten gevolge van de overdreven eischen der werklieden ten opzichte van de voeding, verergerd door de ophitsingen van het personeel op Monte Cattini\'s plaats, deels ook als gevolg van de positie waarin Kappler verkeerde, diens eigenaardigheden en karakter.
Het contract luidde, dat de werklieden voor een arbeidsdag van et/uren, zouden ontvangen/1 \'s daags, benevens voeding en wijn; de rantsoenen waren ruim berekend en meer dan voldoende, doch de Wurtem-bergers bleken moeilijk tevreden te stellen; in stede van gezouten of gerookt vleesch en visch, eischten zij versch vleesch, dat, zoolang geene weiden waren aangelegd, op deze afgelegen plaats bezwaarlijk was te krijgen ; ook met de andere levensbehoeften waren zij niet te-
37
vreden, zoodat telkens onaangenaamheden voorkwamen. Dat de schuld daarbij niet alleen aan hunne zijde lagen de uitdeeling wel eens aan aard en hoeveelheid te wenschen overliet, zal wel geen betoog behoeven.
Wat den toestand evenwel bovenal verergerde, was Kappler\'s heftig karakter en diens gemis aan menschen-kennis. Hij zelf erkent dit: âIn den eigenthümlichen Ver-haltnissen, in denen ich so viele Jahre gelebt hatte, schuf ich mir Ideen, die bei der Menschenklasse, mit der ich von nun ab umzugehen und die ik zu leiten hatte, nicht anzuwenden waren; dabei verdarb mcin heftiges Character vieles, was mit Gleichmut und Geduld vielleicht eine andere Wendung genommen hatte.... So nahm mein Wohlwollen ab... . Gleichgültigkeit und Wider-willen traten an dessen Stelle.quot;
Dat bij dergelijke verhouding de toestand veel te wenschen overliet, ligt voor de hand; eindelijk werd hij zoo gespannen, dat de tusschenkomst van den Gouverneur noodig was om den vrede te herstellen, wat dezen dan ook bij diens bezoek gelukte. Toen den 23 April 1854 het tweede transport aankwam, liet de verstandhouding weinig te wenschen over en alles zich vrij gunstig aanzien.
Dit transport bestond uit 20 Wurtembergers, waaronder 4 vrouwen en 5 kinderen. Ongelukkig bleek Bühler een zeer lastig mensch. âEr gehorte seiner Ge-sinnung nach zu den Rothradicalen, aller gesellschaft-lichen Ordnung feindlichen jungen Leute,quot; zoo beschrijft Kappler hem, iemand wien niets meer tegenstond dan
38
ondergeschikt te zijn aan anderen. Reeds aan boord had hij zich tegen het gezag van den kapitein verzet en heftige tooneelen uitgelokt. De oneenigheid, welke van den aanvang af tusschen Kappler en hem bestond, nam bij den dag toe, terwijl ten gevolge van zijn aanstoken ook de verhouding tot do andere werklieden, mede onderling, opnieuw alles te wenschen overliet. Heftige tooneelen kwamen telkens voor; een ooggetuige verhaalt, hoe \'s nachts elk onbestemd geluid in de duisternis vernomen, genoeg was om allen den schrik om het hart te doen slaan, daar men elk oogenblik moord en doodslag vreesde.
Nadat Bühler tijdens Kappler\'s afwezigheid diens vrouw beleedigd en zelfs geslagen had, diende deze een aanklacht tegen hem in. Wederom kwam de Gouverneur over; Bühler werd naar Paramaribo gezonden en daarna uit de kolonie gebannen, de vrede werd tijdelijk hersteld, al kon er ook van eene vriendschappelijke verhouding geen sprake zijn. Voor een deel was dit ten gevolge van de omstandigheid, dat er buiten Kappler geenerlei autoriteit op Albina aanwezig was, zoodat de werklieden bij geschil met den patroon geen recht konden vinden; voorts werkte de afgelegen ligging van Albina, ver van het bewoonde deel der kolonie, daartoe mede, alsmede het ontbreken van een geneesheer, een predikant en een schoolmeester. Het ondoenlijke om op zulk eene afgelegen plaats eene duurzame kolonie te vestigen, bleek meer en meer en hoewel de Gouverneur beloofde in alles zooveel
39
mogelijk te voorzien, bleef het bij plannen en voorstellen.
Den 2i December 1855 arriveerde een derde transport Wurtembergers, bestaande uit 8 mannen, 5 vrouwen en 3 kinderen, zoodat toen met inbegrip van twee visschersgezinnen, uit Egmond overgekomen om aan de monding van de Marowijne het visschersbedrijf uit te oefenen, welk plan evenwel niet tot uitvoering kwam, 71 Europeanen op Albina gevestigd waren.
Kort te voren, in den loop van 1855, was Albina bezocht door Dr. F. Voltz, lid eener Duitsche Commissie (waarover later), die aldaar eenigen tijd verbleef. Deze gaf als zijne bevinding te kennen:
1 e â dat de gezondheidstoestand der beide (het 1 e en 2e) transporten van arbeiders steeds voortreffelijk geweest is, en
2e âdat de geschiktheid tot den arbeid van de werklieden volkomen bevredigend te noemen is.quot;
âIk merk hierbij nog op,quot; zoo schrijft hij, âdat zoowel door de timmerlieden, als door de op den kost-grond werkende mannen, elf uur per dag gewerkt wordt, nl. van 6â12 en van 1â6 uur; dat zij dien tijd meest in de open lucht doorbrengen (alleen het zagen geschiedt onder dak,) en dat juist diegenen, die zich steeds in de open lucht ophouden, de gezondsten zijn. Zon en regen, het werken in het water, hetgeen dikwijls voorkomt, hebben geen nadeeligen invloed op de gezondheid teweeggebracht.quot; 1)
1
) De Duitsche volkplanting te Albina. (Handelingen v. h. Indisch Genootsch. 6e jaarg. bl. 145.)
4°
Ook het geneeskundig lid dier Commissie, Dr. Duttenhofer, verklaarde; âdat do gesteldheid van het klimaat van Suriname en de gezondheidstoestanden aldaar, zoodanig zijn, dat bij verstandige keus van de plaats dor nederzetting en zaakkundige leiding der akklimatisatie van Europeesche kolonisten, zooals te Albina, deze aldaar voorzeker gezond blijven en arbeiden kunnen.quot; 1)
In 1856 werd de gunstige gezondheidstoestand gestoord door eene hevige koorts-epidemie; het bezwaar der afgelegen ligging en het ontbreken van alle geneeskundige hulp deden zich vooral thans gevoelen: twee mannen en een meisje stierven, vóór nog de uit Paramaribo ontboden geneesheer ter plaatse was.
Intusschen deden zich thans nieuwe moeilijkheden voor; de houthandel had niet de voordeelen afgeworpen door de vennooten daarvan verwacht; de lage prijzen en de moeilijkheid om voor de nog niet bekende Surinaamsche soorten eene goede markt te vinden, werkten ongunstig op den uitslag, zoodat de medefirmanten van den heer Kreglinger, en na diens in 1856 gevolgd overlijden, diens weduwe, ongezind waren op den ouden voet voort te gaan, of nieuwe fondsen in eene onderneming te steken, waarvan het welslagen zoo onzeker was. Een ander lid der bovengenoemde Commissie, de heer Noack, die zwanger ging van het plan eener Duitsche kolonisatie op uit-
J) Bijlage bij het ontwerp van den heer Noack. (Min. v. Kolon.)
4i
gebreide schaal, verklaarde zich bereid het aandeel der Erven-K. over te nemen, indien hij daarbij op den geldelijken steun der Nederlandsche Regeering kon rekenen. Het gelukte Kappler dit hem dreigend gevaar af te wenden; de door den heer Noaek gevraagde concessie werd niet verleend, de Erven-K. werden door Kappler afgekocht en deze was voortaan volledig eigenaar, van Albina.
Aangemoedigd door de verkregen resultaten, welke de mogelijkheid eener Europeesche kolonisatie buiten allen twijfel schenen te stellen, had de Nederlandsche Regeering aan Kappler opgedragen een volledig plan van kolonisatie op uitgebreide schaal te ontwerpen. Hij had hieraan voldaan, doch een volgende Minister bleek weinig genegen de uitvoering van dit plan op spoedige en afdoende wijze te bevorderen. Deze voortdurende vertraging, welke zeer ten nadeele kwam van zijne eigene belangen, alsmede het weinige genoegen, dat hij van zijne Wurtembergers beleefde, deed Kappler ten slotte besluiten van zijne kolonisatieplannen af te zien, en in stede van in den houthandel en den landbouw, een bestaan te zoeken in den handel en de veeteelt, waartoe de vestiging der pcni-tenciers (strafkoloniën) aan den Franschen oever der Marowijne eene goede gelegenheid aanbood. De dure arbeidskracht der Wurtembergers werd daardoor overbodig, waarom hij deze na afloop van den con-tracttijd liet vertrekken; in hunne plaats werden Chineezen gehuurd, terwijl de houthandel weder op
42
den ouden voet met de Boschnegers werd gedreven.
Van de verdere lotgevallen zijner Europeesche werklieden kan alleen worden vermeld, dat enkelen hunner nog steeds in den omtrek van Paramaribo gevestigd zijn; voorts kan worden geconstateerd, dat van de 65 personen, die zich voor en na op Albina vestigden, bij den afloop van den contracttijd in het geheel vier waren overleden, een resultaat dat te meer moet verwonderen, wanneer men rekening houdt met de ongunstige omstandigheden waaronder deze kolonisa-tieproeve werd genomen.
Tot 1879 bleef Kappler op Albina; in dat jaar keerde hij naar Europa terug, âin het bezit van een matig vermogen,quot; zooals hijzelf betuigt, een neef als zijn opvolger achterlatende. Hij vestigde zich te Stuttgart en bleef tot aan zijn dood, (1894) zijn liefde voor Suriname getrouw en âeen zeker heimwee gevoelen naar het aangenaam klimaat en de prachtige natuur van dit schoone land.quot; \') Eveneens bleef hij steeds dc kolonisatie van Suriname door Europeanen voorstaan en droomen van een tijd âwaarin het bestaande vooroordeel overwonnen, en de kolonisatie door middel van landverhuizing verzekerd zijn zou, wanneer ieder gezin zich een aangenaam bestaan zou kunnen verzekeren, veel zorgenvrijer dan in Europa en, bij minder behoeften, ook met minder arbeid.quot;
Zal die droom eens worden vervuld?
Brief van 24 Mei 1887, aan Mr. A. C. Wesenhagen.
43
Qiiien sabe; Wie weet?
In ieder geval heeft hij, veel meer dan iemand anders, gedaan om don twijfel aan de mogelijkheid dier kolonisatie weg te nemen.
VII.
DE HOLLANDSCHE BOEREN AAN DE SARAMACCA.
De kolonisatieproeve van 1845 heeft deze eigenaardigheid, dat voor- en tegenstanders van kolonisatie beiden zich beroepen op den uitslag, om de juistheid hunner beweringen te staven.
Door de welwillendheid van Z. E. den Minister van Koloniën, Mr. J. H. Bergsma, in staat gesteld allo bij het Ministerie borustonde officioele bescheiden te raadplegen, heb ik getracht uit deze dikwerf togenstrijdigo gegevens, unc vcridique histoirc samen te stellen van eene der bolangTÃjkste ondernemingen van den nieuweren tijd, welke indertijd levendige belangstelling wekte, onk in hot buitonland.
De âVoordragt on Tooligting van een Plan eener vrije colonisatie in do Colonio Suriname,quot; den 26 Juni 1841 door drie predikanten den Koning aangeboden, was goen plan van eigen schepping alleen. Het meeste was ontleend aan hetgeen door Dr. Hostmann, geneesheer te Suriname, over dit onderwerp was ge-
44
schreven, o. a. in het tijdschrift de Kolonist van 1839.
Zij boden daarbij aan zich aan het hoofd te stellen eener onderneming, die ten doel had âvoorloopig 200 huisgezinnen, gekozen uit de klasse der verarmde landbouwers, naar Suriname over te brengen, ten einde aldaar eene vrije landbouwkolonie te vestigen.quot; Omtrent de hoofdvraag, of het klimaat daartoe geschikt was, werd het volgende vermeld: âOnder die classe van men-schen, welke onder de ongunstigste positie in Suriname leven, waarin met regt de soldaat kan gerangschikt worden, heeft sedert een reeks van 22 jaren de sterfte weinig meer dan 6 ten honderd bedragen.quot; Dit was alles wat over dit hoofdpunt gezegd werd. De uit te zenden personen moesten zijn âlandlieden van een ge-schikten leeftijd en onbesproken gedrag, bij voorkeur die gehuwd zijn en kinderen hebbendat zij aan zekere physieke eischen behoorden te voldoen, werd niet gezegd, terwijl het plan zich overigens bepaalde tot het volgende: het verleenen van eene premie voor uitrusting; vrije overtocht en vrij levensonderhoud tot aan de plaats van bestemming; eene temporaire woning, met de noodzakelijke huisraad- en veldgereedschappen ; verder dienden zij in het bezit gesteld te worden van eenige huisdieren en moesten de noodige kostgronden beplant en in cultuur zijn gebracht. Eindelijk de verzekering, dat de gecultiveerde gronden in eigendom zouden worden afgestaan en geene andere belasting geheven dan die de landbouwer in het Moederland had te dragen.
De voorwaarden, waarop de drie predikanten bereid
45
waren hunne diensten aan te bieden tot uitvoering van dit plan van kolonisatie waren de volgende: Zij vroegen i0. aanstelling als Bestuurders en Predikanten der op te richten vrije kolonie; 2°. eene gratificatie ter bekostiging hunner uitrusting en die van hun gezin ; 30. een provisioneel traktement; 40. dezelfde traktementen en emolumenten toen aan de standplaats van predikanten te Suriname verbonden, met verhooging- van traktement na 5 en 10 jaren dienst; 50. voor hunne vrouwen het vrouwengek! en aandeel in het Pensioenfonds voor Rijksambtenaren; 6°. voor hunne kinderen het genot van kinder-, school- en academiegelden. â Zonder dat,quot; zoo luidt het nadrukkelijk, âkunnen wij onze hand niet leenen ter aanvanging en voortzetting van het voorgestelde plan.quot;
Uit de bijgevoegde berekening van onkosten over de jaren 1S43-46 âvoor de opvolgelijk uit te zenden 200 huisgezinnen, bevattende ongeveer 1000 zielen,quot; welker raming _Æ 127 600 bedroeg, blijkt, dat daarbij voor traktementen, gratificatiën enz. ten dienste der drie predikanten, werd gerekend op /62 500, of nagenoeg de helft.
Het moge verwonderen dat een dergelijk plan bij de Regeering terstond in goede aarde viel, doch men vergete niet dat de kolonisatie onzer overzeesche bezittingen op dat tijdstip the topic of the day was en in invloedrijke kringen beschouwd werd als het aangewezen middel ter bestrijding van het toenemende pauperisme.
Het denkbeeld om aldaar strafkoloniën te vestigen, was meermalen overwogen, vooral nadat in 1828 door
46
de Saksische, in 1834 door de Pruisische Regeeringen inlichtingen waren gevraagd omtrent de voorwaarden waarop Nederland genegen was om gevangenen, boosdoeners en behoeftigen naar eene Nederlandsche volkplanting over te brengen.
Ook aan kolonisatieplannen had het in den laatsten tijd niet ontbroken; zoo diende de heer J. C. Muller te Amsterdam in 1836 eene uitvoerige âBeschouwing van den toestand der kolonie Surinamequot; in, waarin onder de middelen tot opbeuring der kolonie ook werd aanbevolen de kolonisatie door Europeanen. Hij bezigde daarbij het argument, later ook door den heer Vlier gebruikt: âof de stralen der middagzon in 1652, toen Graaf Parham zijne kolonisatieproeve met goed gevolg tot stand bracht, niet denzelfden graad van hitte hebben gehad, als in onze dagen?quot; De bewering, dat de Europeaan aldaar onmogelijk zwaren veldarbeid zou kunnen verrichten, noemde hij âeen dwaas vooroordeel en een machtspreuk.quot; Ook de heer A. G. A. van den Bergh vroeg in 1841 hulp van den Staat, ten einde met een dertigtal huisgezinnen naar Suriname te gaan, om zich toe te loggen op de cultuur van tabak, nagelen en rijst.
Een plan van dezelfde strekking, uitgaande van drie achtenswaardige mannen als deze predikanten, die zich bovendien wilden belasten met het aanwerven van de noodige gezinnen, kon uit don aard op dat tijdstip rekenen op bijval.
Bovendien vond het plan instemming van de
47
zijde van twee voorname Surinaamsche ambtenaren, tijdelijk hier te lande aanwezig, de heeren de Veer en Fiers Smeding, terwijl de nieuw benoemde Gouverneur-Generaal der West-Indische Bezittingen, de heer Burchard Jean Elias, na kennis te hebben genomen van het ontwerp, den 3 Sept. 1842 verklaarde âzich geheel onbezwaard te gevoelen den Minister in overweging te geven, om tot een proeve van eene Euro-peesche kolonisatie, voorloopig met een getal van 50 huisgezinnen, over te gaan.quot;
Dienovereenkomstig werd besloten. Het K. B. van 23 Januari 1843, no. 22, bepaalde dat aanvankelijk 50 huisgezinnen, zouden worden uitgezonden ; voorts werd voorloopig als algemeene maatregel van bestuur aangenomen, dat aan de kolonisten een handgeld van/70 zou worden uitgekeerd, alsmede vrij transport en koste-looze voeding tot aan de plaats van bestemming, terwijl dit laatste bij Kabinets-Rescript van 10 Dec. 1844 nog werd aangevuld in dien zin, dat tevens 40 jongelieden van beiderlei kunne aan de kolonisatie zouden deelnemen. Een der predikanten werd opgedragen zich zoo spoedig mogelijk naar Suriname te begeven, vergezeld van twee bekwame landbouwers, ten einde in overleg met den Gouverneur-Generaal een geschikt terrein te kiezen, terwijl den landvoogd werd gelast de noodige negerslaven beschikbaar te stellen, om onder eene bekwame leiding en het algemeen toezicht van genoemden predikant, eene toereikende uitgestrektheid grond te zuiveren, te ontginnen en te beplanten en om voorts
48
op te richten de vereischte voorloopigc woningen. âDit alles,quot; zoo luidt het in het K. B., âzal geschieden overeenkomstig een vooraf te beramen ontwerp, waaronder ook zal begrepen worden de aanschaffing van het noodige vee voor elk huisgezin.quot;
Ingevolge de hem verstrekte opdracht, scheepte de bedoelde predikant zich met zijn reisgezelschap in, bestaande, behalve uit den landbouwer L. van den Bovenkamp en den tuinmansknecht W, de Vries, uit het gezin van den 23-jarigen landbouwer J. Rijsdijk, eigenaar eener boerderij nabij Zevenhuizen, omtrent wien verklaard wordt: âdat geen knapper mensch zich nog voor de kolonisatie had aangemeld.quot; Den 22 Juni bereikte men Paramaribo, waar de ontvangst niets te wenschen overliet; do groote welwillendheid van den Gouverneur-Generaal, die zich bereid verklaarde persoonlijk aan het onderzoek deel te nemen, wordt voortdurend geroemd; âMeer kan men niet verlangen,quot; zoo schrijft de predikant den 2 Juli; âhet is een onweder-sprekelijk bewijs van de hooge belangstelling van onzen Gouverneur in deze zaak.quot;
Na verschillende tochten werd de keuze bepaald op den verlaten militairen post Groningen, aan een der talrijke kronkelingen der rivier de Saramacca gelegen, en werd dienovereenkomstig den 1 Sept. een rapport ingediend, dat, hoe gunstig het ook mocht luiden, toch reeds de blijken droeg, dat de werkelijkheid niet beantwoordde aan de hooggestemde verwachtingen. âTen aanzien van vruchtbare gronden is mij Suriname
49
zeer tegengevallen. Alleen het lage en aangeslibde gedeelte is by uitstek vruchtbaar. Het hooger gedeelte is in vruchtbaarheid beneden het middelmatige. Men heeft het aangeprezen, zonder het genoegzaam onderzocht te hebben .... Voor zoover ik nu alreeds kan oordeelen, denk ik dat de Europeeër hier gezond zal kunnen leven en werken; maar met dit al is en blijft het een proef, en wel eene proef die zekerlijk mislukken zou, wanneer Uwe Excellentie en de G ouverneur niet gezind waren om wat doenlijk is in het werk te doen stellen.quot;
Op grond van dit rapport werd bij Resolutie van 4 Sept. 1843 bepaald, dat de gronden in den omtrek van Groningen voor de kolonisatie zouden worden bestemd.
Bij de ontwerpers stond als eerste voorwaarde voor het welslagen dor onderneming op den voorgrond, dat de kolonisten verre van Paramaribo, buiten alle aanraking met de âdoor lepra en allerlei ondeugden besmette bevolkingquot; moesten worden gehouden. De keus werd daardoor bepaald; wel wordt erkend, dat de grond van Groningen âvoor een deel ongeschikt (was) om op den duur bebouwd te worden, als te ligt en te spoedig uitgeput,quot; doch de nabijgelegen gronden schonen vruchtbaar, terwijl de post door zijne hoogte eene gezonde ligging had; voorts vond men er nog verschillende uit schulpsteen opgetrokken gebouwen, in vrij goeden staat, welke den kolonisten van veel nut zouden kunnen zijn, terwijl het eindelijk geheel aan de eerste voorwaarde voldeed: op aanzienlijken afstand van Paramaribo g-elegen en daarvan door dichtc
4
5°
bosschen gescheiden, kon het verkeer alleen plaats hebben te water, langs de Wanika-kreek en verder door het Saramacca-kanaal, een tocht welke in gewone omstandigheden 6 a 8, dikwerf echter 10 en meer uren vorderde en waarbij men geheel afhankelijk was van het getij.
Doch deze afgelegen ligging had ook haar schaduwzijde, zooals weldra bleek, nadat men zich eenigen tijd aldaar had opgehouden; de eenzaamheid begon zwaar te drukken, vooral nadat het gezin van Rijsdijk naar Paramaribo was teruggekeerd, uit hoofde van den zwan-geren toestand der vrouw. Men begon in te zien hoe bezwaarlijk het voor de kolonisten zoude zijn om hunne produkten in de stad, de eenige marktplaats, ter markt te brengen; ook luidde het oordeel van Bovenkamp en de Vries over den te bewerken grond steeds ongunstiger, terwijl zij, onverwijld en zeer onoordeelkundig aan het werk gesteld, hoewel door ziekte verzwakt, ook de mogelijkheid van het verrichten van veldarbeid begonnen te betwijfelen. Hierbij kwam ten slotte nog de overtuiging, dat de beschikte slavenmacht ontoereikend was om de vestiging op tijd voor de ontvangst der eerste uitzending gereed te doen zijn.
Een gevoel van diepe moedeloosheid, welke de op hem rustende verantwoordelijkheid dubbel zwaar deed wegen, maakte zich thans van den predikant meester; in de brieven aan zijne medebestuurders spreekt hij herhaaldelijk zijn twijfel aan de mogelijkheid van welslagen uit; âde afstand van de hoofdplaats voor kleinhandel is te groot, de communicatie te moeijelijk en te kost-
51
baar,quot; schrijft hij in November en zonder hun antwoord af te wachten, dient hij den ió6quot; December bij den Gouverneur-Generaal een rapport in, waarin hij op grond van de opgedane ervaring, zijn twijfel aan de mogelijkheid der kolonisatie uitspreekt en adviseert om, alvorens de werkzaamheden tot ontvangst der eerste kolonisten voort te zetten, den Minister mededeeling te doen van zijne bezwaren en veranderde zienswijze, en diens nadere beslissing af te wachten.
De Gouverneur-Generaal vereenigde zich met het laatste deel van dit advies, doch stelde vooraf het rapport in handen eener commissie van onderzoek, bestaande uit plantage-directeuren, onder voorzitterschap van Mr. Vlier; deze commissie adviseerde eenstemmig tot voortzetting der onderneming, doch tevens tot ontslag van den predikant, die h. i. getoond had niet voor zijne taak geschikt en berekend te zijn. Aan deze stukken werd nog toegevoegd een contra-rapport van J. Rijsdijk, die op grond van zijne ondervinding het uitvoerbare der kolonisatie en âhet doenlijke van den arbeid van blanken in Surinamequot; meende te kunnen betoogen, wat den predikant aan den Minister schrijvende, de woorden in de pen gaf: âWelk een impudentie in een boerenmensch van 24 jaren, om te beweren, tegen mijn rapport in, men kan hier arbeiden!quot;
De verschillende rapporten werden door den Minister in handen gesteld van de medebestuurders in Nederland, doch alvorens deze hun advies hadden kunnen uitbrengen, werd den Gouverneur-Generaal een nieuw
52
voorstel gedaan, nl. om de in de nabijheid van Paramaribo gelegen plantage Beekhuizen ten behoeve der kolonisatie aan te koopen, omdat men, âhoezeer vroe-g-er het gevoelen omhelsd hebbende, dat de kolonisten mei in de nabijheid van de stad gevestigd moesten worden, thans overtuigd was, dat alleen de mogelijkheid, dat de kolonisten de vruchten van hunnen arbeid op eene gemakkelijke wijze in de stad ter markt zouden kunnen brengen, een goeden uitslag der onderneming konde doen verwachten.quot;
De Gouverneur-Generaal weigerde evenwel in dit voorstel te treden. Na zich voortdurend beijverd te hebben om den bestuurder ter wille te zijn; na overeenkomstig diens stellige verklaring, dat Groningen de eenige geschikte plaats voor eene vestiging was, de Resolutie van 4 Sept. jl. te hebben afgekondigd, terwijl hij hem eerst als \'t ware had moeten dwingen vooraf ook andere deelen der kolonie te bezoeken, en nadat hij daarna, ingevolge diens wensch, de beslissing des Ministers had gevraagd, kon hij thans niet op eigen autoriteit tot voortzetting der voorber eidende werkzaamheden besluiten, op eene geheel andere plaats, in strijd met alle vroegere adviezen gekozen, en de schuld voor de daaruit voortvloeiende vertraging der werkzaamheden op zijne schouders laden.
Het gevolg dezer weigering was, dat de predikant tot de diepste mismoedigheid verviel en door zijne prikkelbaarheid allen, ook den Gouverneur-Generaal, die met de grootste welwillendheid hem was te gemoet
53
gekomen en zijn huis voor hem had opengesteld, van zich vervreemdde.
Ook het advies der andere bestuurders luidde ten gunste der kolonisatie te Groningen en tot voortzetting der werkzaamheden aldaar. In hunnen brief van 30 Maart 1844 wordt met alle bezwaren den spot gedreven en worden deze voor ongegrond verklaard; âna de lezing van alle stukken konden wij alles beoordeelen, als waren wij zeiven ooggetuigen geweest, en, Gode zij dank! het heeft ons niet kunnen doen wankelen. â Alle die bezwaren tegen die onderneming, met zulke zwarte kleuren gerapporteerd, kenden \'vij reeds.quot; Zij drongen daarom aan op eene spoedige voortzetting der werkzaamheden en adviseerden voorts hunnen mede-bestuurder voorloopig te handhaven en met de leiding der werkzaamheden te blijven belasten.
Overeenkomstig dit advies werd bij Missive van 3 April 1844 den Gouverneur-Generaal opgedragen do gestaakte werkzaamheden te doen hervatten en met den meesten spoed, onder leiding van den predikant voort te zetten.
Doch nauwelijks was hiermede begonnen, of deze had nieuwe bezwaren; het was hem nl. gebleken, dat de hoogc gronden in de nabijheid van Groningen te schraal waren, om daarop den landbouw met vrucht uit te oefenen, terwijl de inpoldering der nabijgelegen lage en vruchtbare gronden te tijdroovend en te kostbaar werd geoordeeld. Mitsdien kwam hij thans met het voorstel om het aan den anderen oever der Sara-macca, tegenover Groningen geleg-en Voorzorg, voor-
54
heen tot afzonderingsoord voor door lepra (boassie) besmette slaven bestemd, daarna eene Gouvernementssuikerplantage, âalwaar 500 akkers grond waren ingepolderd en van goede loozing voorzien,quot; ten behoeve der kolonisatie aan te koopen.
Voor den Gouverneur-Generaal was de beslissing moeilijk; de vette kleigronden van Voorzorg waren bekend om hunne vruchtbaarheid en ontegenzeggelijk beter dan die van Groningen, doch het terrein was laag gelegen en door dichte bosschen omgeven, bovendien zouden alle tot heden verrichte werkzaamheden nutteloos worden. Andererzijds, uit Nederland aangespoord te zorgen dat alles tegen November gereed was voor de ontvangst der eerste gezinnen, duchtte hij van eene weigering nieuwe vertraging. Deze laatste overweging, gesteund door het gunstig advies van enkele deskundigen, deed hem tot den aankoop besluiten, terwijl hij bovendien de negermacht in dienst dor kolonisatie aanzienlijk uitbreidde.
Doch aan zijne verwachting, dat thans alles vóór November gereed zoude zijn, werd weldra weder de bodem ingeslagen; voortdurend rezen nieuwe bezwaren, zoodat hij zich verplicht zag don Minister te waarschuwen, die zijnerzijds den Bestuurders daarvan kennis gaf. Deze waren evenwel van eene andere meening : âHet bare Uwe Excellentie geene zorg,quot; zoo luidde het 6 Aug. 1844, âdat de middelen tot eene behoorlijke ontvangst van een vijftigtal gezinnen in de kolonie niet zouden voorhanden zijn .. . Mocht bij aankomst
55
in de kolonie aan den bouw der woningen, of aan de beplanting of bezaaijing hier en daar iets ontbreken, deze gebreken zullen het best verholpen worden door de kolonisten zeiven, die er geen bezwaar in zouden vinden al moesten zij bij aankomst met eigene handen nog een dak bouwen waaronder te verblijven, terwij 1 sommigen herhaaldelijk verklaard hebben, dat zij met minder zorg daar in de schaduw der bosschen, eeni-gen tijd zouden vernachten, dan hier den naderenden winter te verblijven . . . Geheel onbezorgd moge derhalve van U. E. het bevel uitgaan, dat men in November a. s. ter ontvangst gereed zij.quot;
De Minister oordeelde daarover anders en de adviezen van den Gouverneur-Generaal volgende, besloot hij diens nadere berichten af te wachten.
Deze lieten lang op zich wachten; eerst den 16 November 1844 durfde de Gouverneur-Generaal overeenkomstig het advies van den Bestuurder, het voorstel doen om de eerste uitzending in het begin van April d. a. v. te doen plaats hebben. Niet wijl alles toen behoorlijk voor de ontvangst gereed was; daaraan ontbrak nog veel. Ontslagen van het drukkende gevoel der verantwoordelijkheid en overtuigd zijn plicht te hebben gedaan door zijne waarschuwende stem te doen hooren, zoodat ânooit iemand mij nu kan verwijten: gij hadt ons uwe ervaringen en beschouwingen moeten mededeelen eer wij voortgingen,quot; toog de Suri-naamsche Bestuurder âmet opgeruimden zin en met meer moed en vertrouwenquot; aan den arbeid, doch hier-
56
door werd zijn gemis aan practische kennis niet vergoed. Terwijl hij klaagde, dat de negers traag en slecht werkten, en één op de tien doorgaans ongesteld was, klaagde de directeur der slavenmacht over het vele nuttelooze werk dat werd verricht, wijl op alle plaatsen te gelijk moest worden begonnen en niets behoorlijk afgemaakt werd. De inpoldering der gronden liet voorts alles te wenschen over; het terrein liep telkens onder, omdat de sluis, voor eene goede loozing onontbeerlijk, onbruikbaar bleek en vernieuwd moest worden en het daarvoor geschikte werkvolk ontbrak.
Had men aanvankelijk gemeend, dat oen deel der slavenmacht de vereischte woningen zou kunnen bouwen, zoodat daarvoor geen afzonderlijke post was uitgetrokken, ook deze verwachting verdween in rook; ten slotte moest worden besloten deze door een timmermansbaas te doen bouwen. De Bestuurder had daarvan eene ruwe schets vervaardigd, waarbij de kosten op f looo per stuk werden geraamd, doch de Gouverneur-Generaal maakte bezwaar tegen liet uitgeven eener som van f 50000 voor iets âwaarop bij de primitieve raming niet was gerekend, omdat men, afgaande op verkeerde inlichtingen, had verondersteld dat dit kosteloos zou geschieden.quot; Hoezeer de Bestuurder ook drong: âIndien men in deze iets ten halve doet, nl. om de kolonisten om dor goedkoopte wille in woningen te ontvang-en, die vanwege hare ongeschiktheid de gezondheid bedreigen, zou men de beschuldiging op zich ladpn, dat men de zaak juist zoo had aangelegd.
57
dat de onderneming wel moest mislukken,quot; de Gouverneur-Generaal weigerde de zoo enorm hooge kosten nog meer dan noodig te verhoogen, te meer daar de woningen volgens het ontwerp slechts temporair en provisioneel waren en de ontworpen woningen nimmer binnen den vereischten tijd gereed zouden kunnen zijn. De woonhuizen en bijgebouwen werden overeenkomstig zijn besluit aanbesteed en aangenomen voor ruimf 19000.
Zooals wij zagen, waren de kleigronden van Voorzorg laag gelegen en door dicht bosch omgeven, terwijl het terrein bovendien door tallooze kreekjes werd doorsneden. Van den aanvang af hadden sommige deskundigen om die reden de vestiging op deze plaats, als ongezond, afgeraden. Tot hen behoorde de officier v. gezondheid Tydeman, destijds aan de Saramacca gestationneerd. Toen tot aankoop van Voorzorg werd geadviseerd, had hij gewaarschuwd: âZorg dan ook voor een begraafplaats, groot genoeg voor de helft der kolonisten. Dominee.quot; Doch nu eenmaal het besluit genomen was en hij uit Nederland voortdurend tot spoed werd aangespoord, meende de predikant bij zijn besluit te moeten volharden, daarbij vertrouwende, dat het hem zou gelukken den grond voldoende op loozing te brengen, zoodat de woningen alsdan ten minste âhoog en droogquot; zouden staan.
Doch ook hierin werd hij teleurgesteld; had hij den if October 1844 bericht: âdat er tot heden toe met het bouwen der woningen nog geen aanvang is gemaakt,quot; den 11 Februari d. a. v. gevoelde hij zich gedrongen âzijne bekommering bloot te leggen over den gang
58
der voorbereidende werkzaamheden; zonder nadere voorziening staat het te vreezen, dat tegen den bepaalden tijd noch de huizen, noch de gronden gereed zullen zijn .... Ik zie geen raad, wanneer de 50 huisgezinnen aankomen en hunne huizen niet in gereedheid zijn. Dan begint hunne ellende reeds van den aanvang af!quot; In denzelfden geest had hij in November aan zijne medebestuurders geschreven, in ernstige bewoordingen waarschuwend, âdat het met de uiterste krachtsinspanning ondoenlijk was met alles op voldoende wijze gereed te komen,quot; en gewezen op de noodzakelijkheid om elke teleurstelling bij de kolonisten zooveel doenlijk te voorkomen, opdat deze niet den Bestuurder âzullen verwijten, dat hij hen heeft medegesleept en om zijn eigen belang opgeofferd. Komt gij te vallen, zullen zij zeggen, uwe vrouw en kinderen zijn bezorgd; maar waar blijven onze weduwen en kinderen, als wij sterven? Mislukt de zaak, gy behoudt uwe inkomsten, daarvoor zult gij wel gezorgd hebben, maar wat moeten wij aanvangen ? quot;
Als eenig antwoord hierop drongen de Bestuurders in Nederland bij den Minister aan op het ontslag van den predikant als Bestuurder en verzochten reeds thans in het genot te worden gesteld van de voordee-len aan de betrekking verbonden, met het oog op de niet geringe opofferingen, welke zij zich reeds hadden getroost.
De Bestuurder voorkwam dit ongevraagd ontslag, door zelf bij den Minister op zijne terugroeping aan te drin-
59
gen. Het desbetreffend Ministerieel besluit behelsde tevens de aanschrijving, dat hij vóór de aankomst der kolonisten aldaar, Voorzorg moest verlaten en naar Nederland terugkeeren. Ziek en gebroken, begaf hij zich in Juni naar Paramaribo, waar hij geruimen tijd bedlegerig bleef, terwijl hem in het vaderland, van de zijde der Regeering, eene onheusche ontvangst ten deel viel. Intusschen, hoe weinig gunstig ook over zijne geschiktheid als Bestuurder mag worden geoordeeld, hij handelde zooals een eerlijk man betaamt; zoodra hij erkende, dat de onderneming âop lichtvaardige wijze was aangevat en te ligt werd geteld,quot; zooals hij herhaaldelijk waarschuwde, had hij don moed, in strijd met zijn eigen belang, zijne waarschuwende stem te doen hooren. Bovendien, niets ware hem gemakkelijker geweest, dan een deel van de schuld op anderen te werpen, bij name op den toen reeds afgetreden en van alle zijden aangevallen Gouverneur-Generaal; doch in stede daarvan, erkende hij diens voortdurende medewerking en ijverige plichtsbetrachting. âAlleenlijk kon Z. E. niet besluiten,quot; zoo luidde het in zijn verweerschrift aan den Minister, âom voor eene onderneming die zoo onzeker was, grootere sommen te besteden, dan het provisionele, waarvan de Koninkl. Besluiten gewagen, scheen toe te laten. Dit principe moest ik eerbiedigen, maar het gedeeltelijk effect er van heb ik voorzien, voorzegd en diep betreurd, te meer nu het in handen van misnoegden tot middel dient, om het bestuur van den Gouverneur-Generaal in een minder
6o
gunstig licht te stellen.....De goede trouw, waarmede
het koloniaal Gouvernement naar mijn gevoelen heeft gehandeld, wordt over \'t hoofd gezien.quot; 1)
Waar zoovelen zich toen en later niet ontzien hebben alle schuld te laden op het hoofd van den Gouverneur-Generaal, die, als voorheen Mauricius, had moeten wijken voor het âKabaalquot;, en hem verantwoordelijk te stellen voor alle tekortkomingen, daar moet het onze sympathie wekken, dat deze Bestuurder althans niet beproefde zich zeiven schoon te wasschen ten koste van iemand, wien de gelegenheid benomen was de treurige gevolgen te voorkomen van de fouten door anderen begaan.
âBij missive van zo Junij 11. 2) heeft (een der Bestuurders) mij berigt gedaan van zijne aankomst met de eerste bezending kolonisten,quot; zoo bericht de Gou-verneur-Generaal.
Deze eerste bezending bestond uit 17 huisgezinnen en 13 vrije arbeidsters, te zamen 104 personen, overgevoerd door de Suzanna Maria; eene tweede bezending, bestaande uit 15 gezinnen, bevond zich onder leiding van den tweeden Bestuurder, aan boord van de Nonrd-Holland, terwijl de rest met twee andere schepen volgde. De overtocht was zeer gunstig geweest,
1) Missive a. d. Min. v. Kol. dd. 9 Sept. 1845.
9) Dit beslist de vraag of de datum van aankomst op den 20 of 21 Juni moet worden gesteld.
6i
slechts één sterfgeval, van een ziekelijk kind, had plaats gehad en allen waren vol goeden moed. De eerste ondervonden teleurstelling was het niet aanwezig zijn van het stoomschip Curacao, bestemd om de bodems de rivier op te sleepen, hetwelk, zooals later bleek, in beschadigden toestand te Georgetown was binnenge-loopen en daar eenigen tijd had moeten blijven liggen. Het gevolg hiervan was, dat de beide schepen beurtelings door schoeners stroomopwaarts moesten worden geloodst, zoodat de Suzantm Maria eerst na tien dagen Voorzorg bereikte, terwijl de Noord-Holland den 12 Juli arriveerde.
âHet doet mij leed,quot; zoo luidt het in bovengenoemde missive, âte moeten erkennen, dat het eerste gezigt van Voorzorg, met de daarop gebouwde huizen, 30 in getal, waarvan slechts 13 bewoonbaar zijn, geenen zeer aangenamen indruk op de kolonisten gemaakt heeft. Allen bijna beklaagden zich luide over hunnen gedanen stap. Zij hadden gemeend hier alles in gereedheid te vindon, zooals hun was toegezegd, maar dit alzoo niet vindende, weigerden zij in het eerst van boord te gaan, willende liever met hetzelfde schip naar het Vaderland terugkeeren, dan hier blijvende, misschien een erger lot te gemoet gaan. Met onbeschrijfelijk veel moeite is het mij echter gelukt, den bijna gezonken moed te doen herleven. Intusschen zal U.E. gevoelen hoe moeijelijk thans mijne positie is te midden van menschen, die met den besten geest en verwachtingen bezield, het Vaderland verlaten hebben, die welverre
62
van tot het uitschot, veeleer tot het beste deel der Hollandsche natie bohooren en waaronder er zeer weinigen zijn, die van alles beroofd hier een goed heenkomen behoeven te zoeken. Dat zulke menschen zich nu bij hunne aankomst in de kolonie zoo zeer zien teleurgesteld, niet vindende wat zij verwacht hadden, is te grievender voor mijn gevoel, omdat ik zeker meende hun een beter lot tegemoet te voeren.quot;
Deze op zoo waardige wijze geuite klacht, geeft slechts flauw den indruk weer, welke de van palissaden opgetrokken, met nipabladen bedekte hutten op de kolonisten maakten. âIjzingwekkende tooneelen hadden er aan boord van de Stizanna Maria plaats,quot; schrijft een ooggetuige. \') âVrouwen en kinderen jammerden en schreiden, de mannen liepen als wanhopenden en woedenden over het dek.quot; Zij vervloekten hunne woningen, eer derzelver bewoners ze betraden. Deze ellendige hutten, op tien passen van het donkere bosch, te midden van poelen gebouwd, waren dus de ânette, schoon eenvoudige landhuizen, te midden van tropisch groen, omringd van luchtige stallen,quot; waarvan een der Bestuurders gewaagd had!
Wat het troostelooze van den aanblik nog verhoogde was, dat er niemand van Gouvernementswege aanwezig was om hen te te ontvangen, een gevolg van het onzekere van den tijd hunner aankomst. Alleen de Directeur der negermacht, een kleurling, was aanwezig, benevens
\') A. Copijn, Schets van de lotgevallen enz.
63
de in Suriname achtergebleven J. Rijsdijk, die âaan eene sleepende ziekte laboreerende, ook geen behagelijk figuur maakte.quot;
âDeze eerste en groote teleurstelling maakte een zeer nadeeligen indruk. Veler moed werd onherstelbaar g\'eknakt; anderen zetten zich al spoedig in het hoofd, dat zij de slagtoffers waren eener persoonlijke speculatie, een denkbeeld dat bij velen nog bestaat.quot; !)
In zijne missive had de Bestuurder tevens aanvraag\' gedaan om verschillende levensbehoeften; reeds den volgenden dag, 21 Juni, werd door den Gouverneur-Generaal eene Resolutie genomen, waarbij de Administrateur van Financiën gemachtigd werd om alle verlangde artikelen te verstrekken, en hem werd opgedragen om zich persoonlijk met den Bestuurder in betrekking te stellen en âin overleg met denzelven at datgeen te verngten, wat strekken kan om de te nemen proeve van kolonisatie te bevorderen.quot; Dit bezoek en de ontvangst der levensmiddelen en andere benoodigdheden wekten den gezonken moed weder op; ook de woningen vielen ten slotte nog- iets mede; zij waren ruim genoog om voorloopig twee gezinnen te herbergen, en mag men enkele gelijktijdige berichten gelooven, dan had de eerste teleurstelling reeds spoedig plaats gemaakt voor opgewekt vertrouwen. Den 29 Juni toch schreef j. Rijsdijk aan den afgetreden Bestuurder, die zich ziek te Paramaribo ophield: âDe kolonisten zijn alle
\') Verslag eener Commissie van Kolonisten, 1848. (Min. v. Kol.)
64
uitmuntend schoon volk en lang niet uit de geringste klasse van den boerenstand; zij zijn vol moed, vrolijk en opgeruimd;quot; enkele dagen later deelde hij hem mondeling mede, dat vele kolonisten den aannemer der huizen reeds de behulpzame hand boden en het werk flink vooruitging. Ook een der Bestuurders schreef, âdat alle huisgezinnen gedurende de eerste veertien dagen de volmaakste gezondheid genoten. Ieder begon reeds zijn gelukkig lot te prijzen en meende in eene gelukkige toekomst te zien. Onbezorgde vroolijkheid beheerschte aller harten.quot;
Door de reeds genoemde commissie uit de kolonisten, in 1848 benoemd om verslag uit te brengen over het verloop der kolonisatieproeve, wordt daarentegen gewaagd van âeen zedelijken moord,quot; gepleegd door hen die in 1844 hadden geadviseerd tot uitzending van het eerste transport.
âWanneer nog,quot; zoo schrijft zij, âtoen in 1844 de werkzaamheden hervat werden, alles goed geleid ware geworden, dan was er slechts één jaar tijds en een betrekkelijk geringe som gelds verloren geweest. Maar wat gebeurde toen ? Wij mogen het niet zeggen, en het is ook niet te bewijzen, maar den gang der werkzaamheden nagaande, zou men tot het besluit komen, dat alles opzettelijk bedorven werd.... De woning-en werden op den lagen, vochtigen bodem van Voorzorgen vele wel op halfgedamde kreken en poelen opgeslagen. Van de zijde van het Koloniaal Bestuur werd ook alles tegengehouden.... Wij houden ons over-
05
tuigd, dat de ellendige wijze waarop zij ontvangen en gehuisvest werden, vooreerst den moed en het vertrouwen der kolonisten ternedergeslagen, uitgedoofd en vernietigd heeft, en tevens de vernielende epidemie, welke de bloem onzer kolonisten wegmaaide, haar vreeselijk werk nog gemakkelijker gemaakt heeft.quot;
Opmerking verdient het, dat dit verslag mede is onderteekend door J. Rijsdijk, dezelfde die den 29 Juni verklaarde, dat de kolonisten vol moed, vroolijk en opgeruimd waren.
In de derde week na aankomst brak de ziekte uit in het gezin van zekeren Gebly, wiens woning, volgens verklaring der Commissie, gebouwd was boven een halfafgedamde kreek; de vreeselijke epidemie, die weldra dit gezin, zooals zoovele anderen, geheel deed uitsterven. Toen den 12 Juli de Noord-Holland arriveerde, was âde onbezorgde vrolijkheidquot;, indien zij had ge-heerscht, uit aller harten geweken, en had deze plaats gemaakt voor diepe neerslachtigheid, want reeds telde de ziekte tien slachtoffers. De behoefte aan verplegers, die op Voorzorg bestond, deed den met het tweede transport belasten Bestuurder besluiten om slechts vijf van de zich aan boord bevindende gezinnen te ontschepen op de lager gelegen Gouvernementsplantage Mijn Vermaak, waar eene ruime, luchtige, drie ver-quot; diepingen hooge koffieloods aanwezig was, groot genoeg om vijftig huisgezinnen te bergen, en de overige tien op Voorzorg, waar de mecsten hunner weldra eveneens door de ziekte werden aangetast en velen bezweken.
5
66
Trouwens, ook de op Mijn Vermaak aanwezigen bleven niet gespaard; de ziekte werd door kolonisten van Voorzorg daarheen overgebracht.
Met voorbeeldelooze heftigheid greep de ziekte om zich heen; den 26 Juli telde zij reeds 40 slachtoffers, den 4 September waren van de 370 kolonisten 130 overleden; dagelijks stierven vier, vijf, zes, eenmaal zeven personen. âHet was een hoogst zeldzame dag als niet één, of slechts één doode ten grave werd gevoerd. Hoe ruim haalden wij dan adem !quot; luidt het in een der brieven. Of men zich toen de woorden herinnerde door den Surinaamschen Bestuurder in 1844 geuit: âik begin geene colonisatie; ik kan ze op mijne verantwoording niet nemen; wil een ander het doen, het zij zoo, maar ieder zie toe wat hij doet! Ik zal den bedrukten, den moedeloozen, den stervenden kunnen aanzien, omdat ik zal kunnen zeg\'gen: mij kunt gij het niet wijten; dat zult gij niet kunnen!quot;
Eén was er, die deze woorden gedacht, die van den aanvang af onvermoeid zijne zorgen aan allen had gewijd en nadat de ziekte was uitgebroken, de helper, redder, trooster voor velen werd, doch die moedelooze, teleurgestelde, door de muskieten als opgevreten zieken, die stervenden in de wildernis, die in hunne laatste ure hunne leiders vloekten, niet kon aanzien zonder zich veel te verwijten; het door overgroote inspanning\' verzwakt gestel van dezen Bestuurder werd ondermijnd door smart en toen de ziekte hem aantastte, bleek hij onmachtig haar weerstand te bieden. Zijn verlies was
6?
groot, onherstelbaar schier voor de onderneming, want van de drie Bestuurders bleek hij de meeste geschiktheid te bezitten om de werkzaamheden te leiden.
Toen de ziekte uitbrak, was op Voorzorg geen andere geneeskundige hulp aanwezig dan die verleend kon worden door een scheepsdokter, die voor het eerst do tropen bezocht en wiens scheeps-medicijnkist spoedig was uitgeput. Wel werden onverwijld de noodige geneesmiddelen gerequireerd, maar do verre afstand van Paramaribo en het ontbreken van voldoende middelen van gemeenschap, daar alles met ponten moest worden aangevoerd, die van stroom en getij afhankelijk waren, deden veel vertraging ontstaan. De genoemde commissie geeft in haar verslag als reden op, dat men âin Paramaribo op zoo iets buitengewoons door het Bestuur niet opmerkzaam gemaakt was, en schoon de Gouverneur-Generaal voor zijn vertrek met het uitbreken der ziekte en met den omvang der sterfg-evallen bekend was, werd dit door Z. E. geheim gehouden. zonder daarin eenige voorzieningen te maken.quot; Deze beschuldiging tegen den toen afgetreden Landvoogd is geheel ongegrond. In de eerste plaats toch was den reeds genoemden geneesheer F. W. J,. Tydeman opgedragen om de kolonisten op eerste aanvrage hulp te verleenen, waaraan door dezen terstond en met groote toewijding werd voldaan, maar bovendien droeg de Gouverneur-Generaal reeds 10 Juli het bestuur over aan den Procureur-Generaal, zoodat hij in geen geval voor het verzuim van het Bestuur aansprakelijk kan
68
worden gesteld, indien er werkelijk verzuim is gepleegd, wat evenwel uit niets blijkt; integendeel, in de verschillende missives, ook van den Bestuurder, wordt met erkenning gewaagd van de hulp en medewerking van alle zijden ondervonden. Alle beschikbare geneeskundigen in de kolonie werden door het Bestuur naar Voorzorg gezonden, doch deze hulp was, ondanks alle toewijding, onvoldoende tegenover eene zoo hevig optredende epidemie.
Over den aard en de oorzaken dezer ziekte, welke allen, uitgezonderd 11, aantastte, 184 personen ten grave sleepte en 30 kinderen tot weezen maakte, is veel geschreven. Nog altijd wordt zij door sommigen beschouwd als eene gelekoorts-epidemie, in strijd met de rapporten der geneesheeren, die haar, hetzij als de Offic. v. Gezondheid 2e kl. W. M. Smit, beschreven als eene maag-galkoorts, ontaard in eene besmettelijke zenuwrotkoorts, of haar als Dr. Tydeman, een typhus gas-tricus contagiosus noemden. De eerste berichtte in zijn verslag, dd. 15 Sept. 1845, dat velen kort na aankomst door maag-galkoorts werden aangetast, âeene ziekte welke onder de Europeanen, die voor de eerste maal de tropische gewesten bezoeken, vooral in den droogen tijd veelvuldig voorkomt; de spoedige uitbreiding-werd bevorderd doordat velen zich aan de brandende zonnehitte moesten blootstellen, bij gebreke van goede huisvesting. Teleurstelling en verslagenheid, het weinige en vooral ondoelmatige voedsel, de opeenhooping in onvoldoende woningen en gebouwen, droegen het meest
69
bij om de ziekte verderfelijk en contagieus te doen worden.
âHet eenparig gevoelen van zoovelen, die de woningen der kolonisten op Voorzorg hebben gezien, is; dat niemand zich kan begrijpen, hoe men eene dergelijke plaats heeft kunnen kiezen.quot;
Ongeveer in denzelfden geest oordeelde de heer Ty-deman; hij stelde als algemeene oorzaken voor het ontstaan der ziekte vast:
i0. het groot aantal personen in een te klein bestek aan boord opeengehoopt. Dit geldt vooral voor de reis op de Saramacca;
2°. de te overvloedige en onoordeelkundige voeding aan boord, zonder arbeid of beweging;
3°. de teleurstelling hunner verwachtingen;
4°. de verschillende ontberingen waaraan zij bij aankomen waren blootgesteld;
5°. het ongunstige tijdstip van aankomst;
6°. individueele voorbeschiktheid, onmatigheid, morsigheid enz., eindelijk besmetting door het verzuimen van voorzorgsmaatregelen.
Als bijzondere oorzaak noemt ook hij de lage ligging van Voorzorg, terwijl hij voorts nog wijst op het ontbreken van eenig onderzoek naar de physieke geschiktheid der kolonisten.
Dat het ontstaan der ziekte wellicht, hare spoedige verspreiding zeker, voor een deel geweten moet worden aan de keuze van het terrein, bleek reeds uit de omstandigheid, dat het overbrengen der zieken naar Gro-
7°
ningen, aan de ongesteldheid een gunstigen keer gaf, terwijl de op Voorzorg verblijvenden nagenoeg allen bezweken. Doch ook het tijdstip van aankomst werkte ongetwijfeld in hooge mate ongunstig. Herhaaldelijk was uit Suriname âin den breede aangetoond,quot; dat de Novembermaand de meest geschikte was en er op gewezen, dat gemeenlijk in Juni een groot deel der bevolking leed aan koortsen; zou, zoo vroeg men: âhet klimaat alsdan de hollandsche boeren meer ontzien als zij ten getale van 50 gezinnen kwamen, of dat wel \'t tegendeel bij vrouwen en kinderen stond te vreezen?quot; Het had hun intusschen niet mogen gelukken de leiders der onderneming te overtuigen; evenmin van de noodzakelijkheid, hun âals het ware ingestampt, om voorloopig geene andere kolonisten aan te nemen dan dezulken, voor wie elke verandering eene verbetering was, die arm waren en niets te verliezen hadden. Deze zouden ook met het mindere voorloopig tevreden zijn en zich gemakkelijk schikken.quot; Zooals uit de boven aangehaalde missive bleek, had men ook dezen raad niet gevolgd.
Tot recht verstand van hetgeen volgt, is een kort woord over de inrichting en het bestuur der kolonisatie-proeve van noode.
Bij K. B. van 24 Febr. 1845 was de aanstelling van een der Bestuurders ingetrokken en werden de beide anderen daarbij benoemd tot éénige Herders cn
7i
Bestuurders, terwijl Baron B. W. A. E. Sloet tot Olt-huijs te Zwolle werd aangewezen om na hun vertrek zich te belasten met de regeling der zaken, de kolonisatie betreffende, in het Moederland.
Na den dood van den tweeden Bestuurder bleef de derde alléén de genoemde betrekkingen vervullen, terwijl de heer J. van den Grampel tot adjunct-be-stuurder werd aangesteld, op eene bezoldiging van Æ1800, welke betrekking hij tot aan zijn spoedig daarna gevolgd overlijden bleef bekleeden.
Het bestuur over de vestiging werd gevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Reglement van Orde en Bestuur, vastgesteld bij K. B. van 22 Maart 1845; daarbij werd aan den Bestuurder, onder de bevelen van den Gouverneur, het onmiddellijk toezicht opgedragen, terwijl hem een Raad van Oudsten werd toegevoegd, door den Bestuurder uit de kolonisten gekozen, welke in allo gewichtige huishoudelijke aangelegenheden moest worden gehoord, doch geene stem had; ook de beslissing in alle burgerlijke geschillen verbleef bij den Bestuurder, die het gevoelen van den Raad moest hooren. Wanneer men hierbij in aanmerking neemt, dat de Bestuurder tevens als predikant de geestelijke leidsman der kolonisten was; dat deze verplicht waren, en zich daartoe schriftelijk hadden moeten verbinden, om gedurende twee jaren zich te onderwerpen aan de bepalingen en aanwijzigingen van den Bestuurder, ten aanzien van alles wat de bearbeiding van den grond en de regeling van den arbeid betrof;
72
dat zij zich niet tijdelijk mochten verwijderen zonder vergunning-, terwijl het verlaten der vestiging zonder toestemming, gestraft werd met het verlies van alle recht van eigendom; eindelijk, dat de Bestuurder bij den Minister in beroep kon komen van alle beslissingen van den Gouverneur, dan kan men nagaan welke onbeperkte macht hem was verleend, en hoe van zijne bekwaamheid, ijver en tact, het wel en wee der kolonisten afhankelijk was.
Twee bepalingen verdienen voorts nog vermelding, nl. art. n, luidende: âTer plaatse hunner vestiging zullen zij â de kolonisten â eene genoegzame uit-deeling van de voornaamste benoodigdheden tot levensonderhoud erlangen, tot dat ?Jjgeoordeeld zullen worden in staat te zijn, door eigen arbeid daarin te kunnen voorzien.quot; Voorts art. 12: âIeder huisgezin wordt in het bezit gesteld van ongeveer 4 akkers bouwland, gedeeltelijk bewerkt en beteeld. ... Aan hen zal worden verstrekt het vereischte veldgereedschap, het benoodigde vee en pluimgedierte, met hetgeen tot onderlwnd van hetzelve dient, benevens eene woning,quot; enz.
In de onbestemdheid dezer bepalingen lag de bron van groote moeilijkheden en de volgende geschiedenis dezer kolonisatieproeve werd goeddeels beheerscht door het antwoord, te geven op de vragen: wanneer moesten de kolonisten geacht worden in staat te zijn in eigen onderhoud te voorzien; ivat moest worden verstaan onder âhet benoodigde veequot; en onder hetgeen tot onderhoud daarvan dient; behoorde daaronder mede al
of niet begrepen te worden de zorg voor het aanleggen van goede en geschikte weigronden?
Terstond na de aankomst van Ae Noord-Holland \\va.s, de aanbouw van woningen op Voorzorg gestaakt en werd deze naar eene wat betere constructie, op Groningen hervat. Naar gelang zij gereed kwamen, werden die op Voorzorg verlaten en afgebroken en nog voor het einde van 1845 was de geheele bevolking naar de overzijde der rivier overgebracht, waar op oene terrasvormige hoogte zich de fraaie, uit Nederland aangevoerde woning van den Bestuurder verhief. De gebouwen. welke zich aldaar bevonden, werden tot verschillende doeleinden ingericht; zoo diende de voormalige commandantswoning tot Gemeentehuis; in de nabijheid werd het nette kerkgebouw geplaatst, terwijl de school, de woning van den onderwijzer en die van den geneesheer aan het geheel het aanzien van een dorp gaven.
Naarmate de krachten terugkeerden, begonnen de kolonisten hunne gronden te bearbeiden, terwijl de aanwezige slavenmacht gebruikt werd voor den bouw der huizen, het ontbosschen en op loozing brengen van het omliggende terrein, en voorts voor de voorbereidende werkzaamheden ter ontvangst van de nieuwe kolonisten, wier spoedige overkomst de Bestuurder meende te moeten verwachten. Daar het vee, uit het Moederland en van dc Kaap-Verdische eilanden
74
aangevoerd, voor een groot deel gestorven was, kon aan ieder der gezinnen niet meer dan één stuk worden verstrekt; voorts werd aan ieder gezin /quot;25 toegekend voor den aankoop van een varken en van het noodige pluimvee. Hoewel dit een en ander niet voldoende werd gerekend, troostten de kolonisten zich voorloopig met het vooruitzicht, dat zoodra de welgronden gereed waren, ook het benoodigde vee zoude volgen, en had men intusschen vrede met de tijdroovende en daardoor kostbare stalvoedering, waarvoor zij het gras op grooten afstand moesten zoeken, en welks transport dikwerf met velerlei bezwaren verbonden was en niet altijd zonder gevaar geschiedde.
Aan voorziening in eigen onderhoud viel intusschen nog niet te denken; door de ziekte verzwakt, was het uitoefenen van landbouw op eenigszins aanmerkelijke schaal aanvankelijk niet mogelijk en tot overmaat van ramp deed eene buitengewone droogte, welke in 1845 inviel en acht maanden duurde, de eerste pogingen geheel mislukken. Deze had intusschen het voor den gezondheidstoestand gunstige gevolg, dat onafzienbare uitgestrektheden bosch verbrandden, waardoor toegang aan de zeewinden werd verleend. Men bleef daarom voor het levensonderhoud aangewezen op het magazijn van levensmiddelen, waaruit aan ieder, naar gelang der behoefte, het noodige om niet en overvloedig werd verstrekt, terwijl, om in de behoefte aan gereede penningen eenigszins te voorzien, de kolonisten door den Bestuurder in dienst werden genomen voor f 1 daags
75
en in daghuur allerlei werkzaamheden verrichtten, die naar zijne meening noodig waren ter voorbereiding van de komst der nieuwe gezinnen. Gronden werden aangemaakt, wegen aangelegd, bosschen geveld en met eiken dag werd het den kolonisten duidelijker, dat de arbeid in de open lucht voor hen niet alleen geene nadeelige gevolgen had, maar veeleer bevorderlijk was aan hunne gezondheid.
Ondanks de ondervonden teleurstelling, werden de gronden voor de tweede maal bebouwd, en toen eindelijk de lang verbeide regen viel; de tropische natuur zich weldra in al hare weelderigheid openbaarde; een zeldzaam overvloedige oogst de inspanning loonde, terwijl de gezondheidstoestand uitmuntend bleef, werd het uitzicht op een goeden uitslag verhelderd en voelden de kolonisten hunnen moed herleven; had de nieuwe Gouverneur na zijn bezoek in Maart 1846 bericht, dat, hoewel hun toestand niet ongunstig was, er op den onder hen heerschenden geest niet bepaald viel te roemen, er weinig tevredenheid onder hen bestond en zich meer en meer een hevig verlangen naar den vader-landschen bodem openbaarde, in een rapport den 29 Sept. 1846 uitgebracht door eene Commissie vanwege den Gouverneur met een onderzoek belast, werd daarentegen over den op Groningen bestaanden toestand in zeer gunstige bewoordingen gesproken en de koloni-satieproeve als volkomen geslaagd voorgesteld.
Bij dit bezoek door den Gouverneur op 17 Maart 1846, aan Groningen gebracht, werd den Bestuurder
76
in eene plechtige bijeenkomst van alle kolonisten, het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw overhandigd, als erkenning van zijne verdiensten ten opzichte, der kolonisatie en als bewijs van Z. M.\'s belangstelling in deze onderneming.
Waarheen evenwel met hunne produkten ? Deze vraag rees weldra. Op de nederzetting zelve was voor melk, boter, eieren, bananen, pataten enz. geen voldoende afzet te vinden; de kolonisten moesten zich met hunne waren naar de eenige marktplaats der kolonie, Paramaribo, ter markt begeven, een afstand van 8, 10, i 2 uren, in open booten af te leggen, welke drie mannen behoefden ; om dien langen tocht niet tevergeefs te maken, werden zij dikwerf gedwongen zich te vergenoegen met de hun geboden lage prijzen, terwijl het bovendien meermalen gebeurde, dat ten gevolge van den langen tocht, de waren bij aankomst onverkoopbaar bleken. Wanneer zij dan na een afwezigheid van minstens 3, dikwerf 5 dagen, met schralen buidel op Groningen terugkeerden, vonden zij hunne velden met onkruid begroeid, het vee zonder voedsel en bleek het geleden nadeel soms veel grooter dan de vermeende winst.
Het nadeel door de verwijderde ligging van Groningen geleden, waarop van den aanvang was gewezen, welke den kolonisten belette voordeel te plukken van de bijverdiensten eener boerderij, deed zich eiken dag meer gevoelen. Hierbij kwam de behoefte aan vee, te grooter omdat de ervaring leerde, dat de hooger gelegen grond rondom Groningen, wel verre van vrucht-
77
baren bodem te zijn, zeer schraal, weinig vruchtbaar en spoedig uitgeput was, zoodat reeds na den eersten oogst bemesting noodig bleek, waarin door de ééne koe hun verstrekt, niet op voldoende wijze kon worden voorzien.
Wel waren aan ieder gezin bovendien nog twee akkers op Voorzorg toegewezen, maar deze, geheel onbewerkt en onbeteeld, loonden, hoe vruchtbaar ook, den zwaren arbeid op den vetten kleigrond niet, daar zij telkens onderliepen ten gevolge van onvoldoende loozing, waardoor dikwerf de arbeid van weken verloren ging. Ook hadden vele kolonisten er bezwaar tegen om telkens, bij het spoedig opgroeien van de kappewierie, naar de overzijde te gaan om in de zware klei te arbeiden, zonder eenige zekerheid omtrent het resultaat. Het gevolg was, dat velen, weldra de meesten, deze akkers verwaarloosden en nagenoeg onbebouwd lieten liggen.
Naar de meening der kolonisten behoorde in de behoefte aan mest te worden voorzien, door verstrekking- van het beiwodigdc vee en den aanleg van eene algemeene weide, daar de stalvoedering zoowel om het tijdverzuim tot het verzamelen van het voedsel, als voor de gezondheid van het vee, niet doelmatig was. De Bestuurder meende daartoe vooralsnog niet te moeten overgaan, doch ten einde de klagers eenigszins te bevredigen en tevens alles voor te bereiden voor de uitvoering zijner plannen tot uitbreiding der kolonisatie, nam hij hen telkens weder voor f i \'s daags als daglooners in dienst, te meer nadat gebleken was, dat zij in staat waren zware
78
delfwerken, die tot nog toe door negers werden verricht, met gemak uit te voeren in minder tijd.
Deze werkverschaffing werd bestendigd, nadat in October 1846, als maatregel van bezuiniging, de nog altijd aanwezige negermacht werd ingetrokken, en de vele werkzaamheden voor het verder ontbosschen van het terrein, tot verbetering en verfraaiing der inrichting, zooals het aanleggen van een tuin voor den Bestuurder, welke door de slaven onafgedaan waren gebleven, alleen door de kolonisten moesten worden voortgezet. Een uitgestrekt terrein in de nabijheid van Groningen, Columbia gedoopt, werd voor de steeds verwachte nieuwe gezinnen in orde gebracht; een park aangelegd, het van Raderspark genoemd, waar proeven werden gquot;enomen met verschillende cultures, o. a. met den aanplant van nopal, ten behoeve van de cochenilleteelt, waartoe een Spanjaard, Acenino, als leermeester werd aangesteld; cacao, tabak, katoen en andere gewassen werden geplant, doch, zooals de Bestuurder verklaarde: âhij had geene genoegzame ondervinding der cultuur in tropische gewesten,quot; terwijl de boeren daaromtrent geheel onkundigquot; waren, zoodat de verschillende proefnemingen mislukten. Door een en ander werd hot vertrouwen der kolonisten op hunnen Bestuurder verzwakt en de kiem gelegd voor den geest van ontevredenheid, die zich slechts al te spoedig zou openbaren door onverschilligheid, zorgeloosheid en een toenemend gebruik van sterken drank.
De groote fout der geheele onderneming, het ont-
79
breken nl. van een vast, weloverdacht plan. welks gevolgen waren nagegaan en waarvan de middelen waren berekend, trad telkens sterker aan het licht. Zooals reeds in 1844 werd geschreven; âmen meende dat alles goed zoude gaan, alles als vanzelf terecht zoude komen, als men maar eerst in Suriname was.quot; Deze fout werd door den nieuwen Gouverneur van den aanvang af gevoeld; reeds in 1845 had hij de onderneming gekenschetst als âeen kwalijk begonnen werk, dat niet zou kunnen gelukken.quot; âWas de kolonisatieproeve niet aan de Saramacca genomen, maar wel nabij Paramaribo,quot; zoo schreef hij g Juli 1846, âzie, ik verzeker Uwe Excellentie, zij zou goed zijn gegaan . . . .quot; Het voornaamste punt van bezwaar was z. i. hierin gelegen, dat er geen behoorlijk plan vooraf was gevormd, waarover hij meermalen zijne bekommering aan den Bestuurder openbaarde. Ter gedeeltelijke wegneming van het bezwaar, uit de afgelegen ligging voortvloeiende, overwoog hij het plan om een rijweg te laten maken naar de hoofdplaats, waarvan de kosten werden geraamd op ruim één ton; doch hij erkent zelf, dat de uitgaven, op 22 Sept. 184O reeds bij de 4 tonnen gouds bedragende, enorm hoog waren, terwijl het dan nog onzeker was of op een gunstig resultaat viel te rekenen.
De berichten van den Bestuurder luidden daarentegen voortdurend gunstig; hij roemt den ijver der kolonisten: âDe boeren,quot; zoo schrijft hij in Februari 1846, âzijn met lust aan den arbeid; zonder de minste schade voor hunne gezondheid werken zij het grootste gedeelte van
8o
den dag. Zij beschamen de Negers: ik heb het voorbeeld gezien, dat een kolonist in één dag meer werk deed en grond spitte, dan 2 Negers in 2 dagen.quot; Een geest van ontevredenheid bestond niet; hoogstens bij enkelen, âwier vertrek eene aanwinst zoude zijn.quot; Hij dringt voortdurend aan op spoedige uitzending der overige 150 gezinnen; had deze plaats, dan was de toekomst der kolonie verzekerd, wijl daardoor vertier en âvooral voor de daglooners werk zou geboren worden.quot; Reeds thans kon volgens hem met volle recht worden gezegd: âde kolonisatieproeve is gelukt!quot; Zij had immers het bewijs geleverd, dat de Europeaan in Suriname geregeld veldarbeid verrichten en door eigen arbeid in zijn onderhoud voorzien kon.
Dit laatste was evenwel niet de zienswijze van den Gouverneur; vooralsnog bestond er, naar zijne overtuiging, âvolstrekt geene aanleiding om een nieuwen toevoer van kolonisten aan te vragen en aan de proeve uitbreiding te geven, tenware zulks mocht geschieden onder opvolging van eenig weldoordacht planquot;; tevens was naar zijn oordeel, âeen tevreden geest onder de kolonisten verre te zoeken, terwijl de werklust vrij wat te wenschen overliet,quot; wat geweten moest worden âaan de gemelijkheid onder de bevinding, dat zij hunne pro-dukten niet met voordeel van de hand konden zetten.quot;
Ook de Minister J. C. Baud achtte voortzetting der proeve vooralsnog niet gerechtvaardigd. âIk zal de proeve met de reeds aanwezige kolonisten niet beschouwen als gelukt,quot; schrijft hij 6 November 1S46 aan den
8i
heer Sloet, âdan wanneer de Gouverneur mij zal aankondigen, dat zij gedurende 6 maanden zonder eenige verstrekking van rantsoenen, in hun eigen onderhoud hebben voorzien en dat men boven allen redelijken twijfel die rantsoenen zal kunnen beschouwen als definitief afgeschaft.quot; Nu de kolonisten evenwel, naar luid van de berichten van den Bestuurder, âin zulke gunstige omstandigheden verkeerden,quot; meende het Gouvernement, dat zij de kostbare magazijnvivres konden missen, en werd last gegeven het magazijn den i Juli 1847 te sluiten.
Op zich zelf genomen was deze maatregel alleszins gerechtvaardigd en in het belang der kolonisten noodig. âDe gemakkelijke manier van bestaan, om nl. iederen Zaterdagmorgen een kruiwagen vol levensmiddelen om niet te halen, heeft de massa bedorven,quot; schreef de Commissie van 1848, en geen wonder. Zouden zij leeren door eigen arbeid in eigen onderhoud te voorzien, dan moest de gratis verstrekking van levensmiddelen ophouden; want al mochten sommigen slechts noode daarvan gebruik maken, enkelen, nog in het bezit van eenige uit Nederland meegebrachte gelden, deze weigeren, de meesten begonnen daarop maar al te zeer te steunen.
Aanvankelijk werkte de maatregel van sluiting dan ook gunstig en had hij ten gevolge, dat er werkelijk vooruit-
6
82
gang was te bespeuren en de kracht en vlijt van de kolonisten zich toen op het voordeeligst vertoonden. De overkomst van eenige nieuwe kolonisten, waaronder de gebroeders van Brussel, J. Copijn en H. Tammenga, ten getale van 23, deed den moed bovendien voor een korte poos herleven, te meer wijl deze zich met ijver op het bebouwen van hunne akkers toelegden en aanvankelijk goede resultaten verkregen. Om op den duur goed te werken, had deze maatregel evenwel moeten samen gaan met de oprichting van een magazijn of winkel, waar de benoodigdheden voor billijken prijs konden worden gekocht en eigen produkten ingeruild; de hiertoe vereischte toestemming werd door den Bestuurder evenwel niet verleend.
Thans was het gevolg, dat men zich meer dan tot nu toe, naar Paramaribo begaf, er nieuwe kennissen aanknoopte, dikwerf van slecht allooi, uitspanning zocht, en met berooiden buidel, in ontevreden stemming naar Groningen terugkeerde.
Dat het niet altijd de beste elementen waren, die van deze gelegenheid tot ontspanning het meest gebruik maakten, behoeft wel niet gezegd. Onder de kolonisten bevonden zich enkele personen, voor wie de bestaande grieven slechts het gereede voorwendsel waran om de gevolgen van eigen luiheid en onwil te bedekken; teleurgesteld in hunne verwachtingen van in Suriname als in een luilekkerland te kunnen leven, waren zij steeds er op uit de tekortkomingen van het Bestuur breed uit te meten en dit verantwoordelijk te
83
stellen ook voor eigen fouten. Onder het voorwendsel van handel te drijven, bezochten deze lieden nu geregeld de hoofdplaats, waar zij een welkom onthaal vonden, zoolang zij nog beschikten over eenig geld. Intusschen waren zij niet de eenigen; onder hen, die Paramaribo bezochten, trof men ook velen aan, die tot op dat tijdstip onder de beste en ijverigste kolonisten werden gerekend en zich volgens den Bestuurder bij de bebouwing hunner akkers voortdurend hadden onderscheiden.
Voor dezen was de aantrekking gelegen in de aanwezigheid aldaar van den gepens. Luit. ter Zee J. H. Westphal, een bloedverwant van den Minister J. C. Baud, die in 1843 het plan had ontworpen eener kolonisatie en zich thans met zijn gezin te Paramaribo bevond, ten einde overeenkomstig hot advies van den Minister, âop de plaats zelve, in overeenstemming met den Gouverneur, die middelen te beramen, welke de plaatselijke gesteldheid aanbiedt,quot; waarbij tevens den Gouverneur werd opgedragen, den hoer Westphal de behulpzame hand te bieden bij de keuze van een terrein, en âhet door hem uitgezochte land aanvankelijk door Gouvernements-arbeiders te doen schoon maken en ten koste der onderneming van eenige huisjes te doen voorzien.quot;
Zijn uitgebreid âVerslag over den grond in Suriname en de geschiktheid dezer kolonie voor eene Europeesche kolonisatie,quot; gedateerd 25 Maart 1847, behelst veel wetenswaardigs en zou ook thans nog meerdere bekendheid verdienen.
84
Volgens het verslag der genoemde Commissie, dag-toekende van Westphal\'s bezoek aan Groningen, in Jul 1846, de ontevredenheid der kolonisten; roemend op zijne nauwe verwantschap met den Minister, had hij getracht een hoogen dunk van zijn persoon en invloed te geven en zich daarbij zeer ongunstig over den toestand te Groningen uitgelaten. De kolonisten waren, naar hij beweerde, niet goed gehuisvest, de gronden waren ongeschikt voor den landbouw, voorts zoude hun niet het hun toekomende uit het magazijn worden verstrekt. Ook de Bestuurder weet aan des heeren Westphal\'s beloften en voorspiegelingen, de toenemende ontevredenheid, welke voorts gevoed werd door onverstandige gesprekken van âaanzienlijkenquot;, en door de hoop der kolonisten om, nu het magazijn op Groningen voor hen gesloten was, bij eene nieuwe kolonisatie opnieuw te kunnen leven op kosten van het Gouvernement. In het verslag van den heer Westphal luidt inderdaad het oordeel over de kolonisatieproeve niet gunstig en worden daarin de klachten der kolonisten goeddeels herhaald. Intusschen, het bleek reeds boven, bestond de ontevredenheid ook voor diens komst en moet men in den bijval aan zijne plannen geschonken, veeleer een uitvloeisel zien van de heerschende ontevreden stemming, dan wel de oorzaak daarvan. Wie trouwens zijne âBeschrijving van de Coesewine-Rivier en de omliggende landenquot; leest, kan zich gemakkelijk voorstellen, dat de kolonisten van Groningen een open oor leenden aan zijne voorstellen tot vestiging
85
eener kolonisatie aldaar, en met verlangen het oogen-blik verbeidden, waarop zij dit land van belofte zouden betreden. \')
1) Uittreksel uit het verslag van den heer J. H. Westphal omtrent de Coesewine-rivier.
âIn den namiddag van den i5den October kwamen wij bij hoog land, liggende aan den linker oever der rivier, alwaar wij aanlegden. Uit de boot stappende moesten wij dadelijk 80 a 100 voeten tegen eene hoogte opklimmen, welke met hoog hout begroeid was; toen wij echter deze hoogte beklommen hadden, zagen wij een open en schoon veld voor ons, zonder eenige boomen of struikgewas, begroeid met schoon gras. Op de geheele oppervlakte van deze savanna bevinden zich afwisselend hoogten en laagten, waardoor dan ook de aardsoorten zich
op verschillende plaatsen werkelijk onderscheiden.....Zij bestaan uit
blaauwe klei met zand vermengd, op eenige hoogten ligte zwarte aarde en aan de afhellingen en in de valeien uit een vetten humus .... Bij het onderzoek der savanna bevonden wij, dat deze zich Oost- en Westwaarts in de lengte uitstrekt; er is geen twijfel aan, dat ook deze savanna met andere in verbinding staat, alleen door een streep hoog houtgewas van elkander gescheiden.
âMen vindt hier eene frissche, gezonde lucht, des morgens zelfs koud. Wij begrootten deze savanna op circa 2000 morgen en gaven haar den naam van Hartenkamp,
âDe nacht werd rustig in het bivak doorgebracht, zonder eenige stoornis van muskieten, maku\'s en dergelijke plagen van ongedierte.. . . Buiten de herten, welke zich hier bij troepen ophouden, vingen onze Indianen ook nog eenige visschen van ongeveer 12® zwaarte, genaamd anjoemera, 1) welke zich hier in de bovenrivieren in menigte bevinden en te Paramaribo, versch zijnde, met Æ6 tot f 10 per stuk worden verkochtquot; ....
De tocht werd daarna voortgezet.
1
) Waarschijnlijk de haimtira of macrodon aimara.
86
Volgens een geheim rapport van den politiebeambte J. Rijsdijk, bezochten de kolonisten den heer Westphal zeer druk; âom geen aanstoot te geven, gaat men niet bij dag bij hem, maar is de avond gevallen, dan trekt men naar Combé â een buurt van Paramaribo â en brengt daar halve nachten door; hij deelt hun zijne plannen mede en dit wordt door hen als stellige beloften aangemerkt.quot;
âDoch wie beschrijft onze verwondering en vreugde, toen wij ook hier weder een schoon en onafzienbaar veld, zonder boomen of struiken, voor ons zagen, hetwelk zich naar alle richtingen uitstrekte, afgewisseld door hoogten en laagten .... De geheele richting toonde genoegzaam aan, dat ook deze savanna met de vorige â de Hartenkamp â in verbinding moet staan. Dit schoone land kwam ons in allen deele zeer belangrijk voor, niet alleen wegens zijne schoone en gezonde ligging, maar ook omdat het gemakkelijk en met geringe kosten in cultuur te brengen is.
âIk gaf aan deze groote savanna, met hare schoone ligging en vruchtbaren bodem, ter herinnering aan den 24sten October â den verjaardag van den Minister J. C. Baud â den naam van Baiidsoord.quot;
Uittreksel uit een brief van den Gouverneur, 27 December 1847: âIk ben er in persoon heengegaan in gezelschap van de beide heeren Westphal.... Wat het terrein aan de Boven-Coesewine betreft, dit heb ik bevonden pm. 60 voeten boven den toenmaligen waterspiegel der rivier verheven te zijn; de aarde zag er goed uit en scheen vrij wat
humus te bevatten.....Overigens bestaan er uitgestrekte grasvlakten,
waar de ploeg zeer goed zou kunnen werken.quot;
Intusschen betwijfelde hij âof die hooge landstreek inderdaad de beste wezen zal voor eene Europeesche kolonisatie, zoolang niet voor betere en voldoende verbinding met Paramaribo is gezorgd,quot; en komt hij weder terug op zijn lievelingsdenkbeeld; âde kolonisatie kan vooralsnog niet gelukken dan in de lagere streken, in de nabijheid van de hoofdplaats.quot; (11 April 1847.)
07
Er bestond werkelijk grond te gelooven aan de verwezenlijking zijner plannen; uit eene mededeeling van den Gouverneur, dd. 27 December £847, blijkt toch, dat hij den heer Westphal had opgedragen een nader plan van vestiging uit te werken. âIk heb zijn Ed. daarbij doen verstaan, dat ik hem als bestuurder en zijn (aangenomen) zoon als deszelfs adjunct van de nieuwe vestiging aan U. Exc. zoude voordragen.quot;
Hieraan gevolg gevend, had de heer Westphal werkelijk eene concessie aangevraagd van 2000 morgen gronds aan de Coesewine, om daar voor eigen rekening met eenige Europeesche huisgezinnen te koloniseeren, daarbij als voorwaarde stellend, dat hem vrije geneeskundige hulp zou worden verstrekt, benevens een voorschot van f \\o 000. De Regeering had hierover het advies gevraagd van den Gouverneur en dezen een nader onderzoek opgedragen, waarmede geruime tijd verliep. Het aftreden van den heer J. C. Baud als Minister was oorzaak van nieuwe vertraging, zoodat men geruimen tijd niets meer van de zaak vernam.
Voor zeer vele kolonisten was deze vertraging eene groote teleurstelling; âongeveer de helft hunner was voornemens aan deze kolonisatieproeve deel te nemen en zorgde er voor niet meer kost te planten dan dat zij tot April 1848 konden uitkomen. Vele anderen, door de stelligheid dezer plannen in twijfel gebracht, lieten ook hunne gronden zoo ze waren en gingen, evenals de eersten, zes dagen \'s weeks op daghuren, ter-
88
wijl enkelen, reeds te zeer aan het goede leven gewoon, hunne koeien verkochten en slachtten. Slechts enkelen behielden hun vee en bleven hunne gronden beplanten. waarbij zij goede rekening maakten, daar de vele daghuurders weinig of niets hebbende, hun alles met graagte afkochten.quot; ^ Toen dan ook Mei aanbrak, zonder dat er uitvoering aan het plan was gegeven, verkeerden verscheidencn hunner, wier gronden schaars waren bebouwd, en wier eenig bestaansmiddel, nu het magazijn was gesloten, gevonden werd uit de daghuren, in een weinig gunstigen toestand, te meer daar, nu er geen vee meer was, ook geen mest kon worden gemaakt.
Den 15 Juni 184S richtten 24 kolonisten een verzoekschrift tot den Gouverneur, waarin zij, onder verwijzing naar hunnen toestand, aandrongen op heropening van het magazijn van levensmiddelen op den ouden voet, wat evenwel voorloopig werd geweigerd. Niet echter, omdat de noodzakelijkheid om te eeniger tijd tot dien maatregel over te gaan, werd betwijfeld. Nog den 3en Februari 11. schreef de Gouverneur aan den Bestuurder; âHet grieft mij zeer, Uw Eerwaarde eindelijk op eene ondubbelzinnige wijze te moeten te kennen geven, dat er dringende behoefte bestaat aan een meer vigilant Bestuur: wordt daarin voor
zien, dan kan de kolonisatieproeve zich wellicht nog opbeuren: blijft het daarmede zooals het tot nu toe
*) Verslag der Commissie van 1848.
Sg
geweest is, dan is het spoedig verval dier onderneming in mijn oog aan geen twijfel onderhevig, maar zeker.quot; Eveneens had hij, nadat door den Minister was aangedrongen op afschaffing der daghuren, en de Bestuurder de noodzakelijkheid betoogde om deze te bestendigen, diens zienswijze ondersteund (missive 25 Febr. 1848): âWat betreft de beschouwingen van den Bestuurder, dat het Gouvernement de kolonisten dagloonen moet laten verdienen, om te kunnen leven, hiermede kan ik mij geheel vereenigen. Het bevestigt hetgeen ik in strijd met zijne beweringen, geschreven heb over den toestand der kolonisten. De verafgelegenheid van de stad brengt te weeg dat zij van hunne voortge-bragte produkten niet kunnen bestaan.quot;
De Regeering was ten deele gezwicht voor dit argument; in stede van algeheele afschaffing, had zij vermindering der daghuren tot drie dagen in de week bevolen, van welk besluit de Bestuurder, bij Publicatie van 4 Juli 1848, den kolonisten kennis gaf.
Dus verstoken van de helft hunner inkomsten, nagenoeg zonder eenig ander middel van bestaan, zag de meerderheid der kolonisten de toekomst met zorg te gemoet. Nog dienzelfden 4611 Juli verschenen 30 hunner, allen hoofden van huisgezinnen, voor den Bestuurder en boden een verzoekschrift aan, waarbij op heropening van het magazijn werd aangedrongen. Tevens vroegen zij daarbij zijne tusschenkomst voor de indiening van een adres, bestemd voor den Minister, den 30 Juni door 30 hunner geteekend, waarbij gevoegd
go
waren eenige monsters van den grond te Groningen 1).
Do Bestuurder weigerde evenwel aan dit verzoek te voldoen en verwees hen naar den Gouverneur, waarop drie hunner zich den volgenden dag naar Paramaribo begaven, om na drie dagen van daar terug te keeren met de verzekering, dat het verzoek tot openstelling van het Magazijn gedeeltelijk was ingewilligd.
In zijn advies aan den Gouverneur, naar aanleiding van deze adressen, werpt de Bestuurder de schuld op de kolonisten, wier eenig streven volgens hem zoude zijn om voortdurend voor rekening van het Gouvernement onderhouden te worden. Al hunne klachten waren naar zijne meening ongegrond en hunne armoede slechts voorgewend; de toestand was, in strijd met hunne bewering, zoo gunstig mogelijk. De Gouverneur daarentegen oordeelde anders; âde voornaamste schuld van den verachterden toestand,quot; zoo schreef hij den 7 Juli in antwoord, âligt in de weinige be-moeijenis met en het gebrek aan bekwame voorlichting .... Men heeft hen in het Moederland te veel schoons voor gehouden en hier te weinig voor hen gedaan.quot;
Ingevolge zijn last werd het magazijn den 8 Juli 1848 opnieuw opengesteld ter verkrijging van enkele
1
) Bij scheikundig onderzoek door den Hoogleeraar G. J. Muller, werden de monsters aardsoorten, voor zoover de beste betrof, bevonden te zijn: âschraal, doch niet ondankbaar en door bemesting te verbeteren.quot;
9i
der noodzakelijkste levensbehoeften, doch werden de rantsoenen tot de helft beperkt.
âHet zal wel onnoodig zijn op te merken,quot; zoo teekent de Commissie aan, naar aanleiding van dit besluit, âdat de gronden meer en meer verwaarloosd werden en gevolgelijk de stand van zaken verachterde.quot;
Het adres der 30 kolonisten aan den Minister, is in velerlei opzichten belangrijk. Zij erkennen daarin met dankbaarheid de hulp en ondersteuning vanwege het Gouvernement genoten, hun innig leedwezen betuigend deze opnieuw te moeten vragen. Doch de ondervinding gedurende drie jaren opgedaan, had hen geleerd, dat de gronden waarop zij gevestigd waren hun nimmer een bestaan door landbouw konden opleveren.
âAl wat gunstigs aangaande de kolonisatie kan en mag gezegd worden, bestaat hierin, dat de kolonisten over het geheel eene bloeyende gezondheid genieten, bij een goed voedsel, met behoud hunner gezondheid, voortdurend den veldarbeid kunnen verrichten en men dus in zooverre de kolonisatie als gelukt kan beschouwen.quot;
Intusschen was het er nog verre van af, dat zij uit en door zich zeiven konden bestaan. Als redenen gaven zij op de slechte hoedanigheid van een deel der gronden, de lage ligging van de andere en voorts het ontbreken van het benoodigde vee, âzijnde sommigen hunner eerst een jaar na hunne aankomst in het bezit
92
gesteld van één koe en één varken, terwijl anderen nog in het geheel geen hoornvee hebben ontvangen.quot;
âAlles wat aan hen ten koste is gelegd, kan,quot; zoo betuigen zij, âals verloren beschouwd worden ; doch de schuld daarvan ligt niet bij ons, daar wij tot hiertoe in alles de leiding en aanwijzing van den Bestuurder gevolgd zijn.quot;
Zij eindigen met het verzoek betere gronden te mogen bekomen, overtuigd als zij zijn, âdat zij, die eenmaal aan het klimaat gewend zijn, en ondervonden hebben, dat zij hier bij een gezond en versterkend voedsel bijna even goed dan in het Vaderland veldarbeid kunnen verrigten, wanneer aan hun verzoek wordt voldaan, spoedig interesten zouden kunnen opbrengen. quot;
Waren de klachten der kolonisten gegrond, of deze werkelijk, zooals de Bestuurder beweerde, slechts denkbeeldig en uitgelokt door de inblazingen van den heer Westphal, en was hun min-gunstige toestand alleen te wijten aan luiheid en gemakzucht ?
De Commissie door den Bestuurder benoemd, van wier Verslag nu en dan melding werd gemaakt, bestaande uit vijf personen, van wie vier eene ambtelijke betrekking bekleedden, is deze meening toegedaan en werpt alle schuld op de kolonisten, âdie aan het gemakkelijke leven van bedeelden en daglooners, de voorkeur gaven boven het werken voor eigen brood;quot; toch kan zij niet ontkennen, dat de grond op vele plaatsen âschraal en onvruchtbaar is, voortdurend sterke
93
bemesting behoeft, terwijl de toezegging tot verstrekking van het noodige vee niet in allen deele is nagekomen.quot; Ook loochent zij niet, dat de moeilijkheid om de produkten met voordeel af te zetten, den ijver moest verlammen. Voorts erkent zij, dat de Bestuurder herhaaldelijk eene spoedige uitbreiding der kolonisatie had voorgespiegeld, om den moed der kolonisten op te beuren en hunnen ijver aan te wakkeren. âDat nu deze menschen zich in het hoofd hebben gezet, dat men hen zoekt te paaien, zal niet geheel onnatuurlijk voorkomen.quot; Eindelijk is ook zij van oordeel, dat geene nieuwe proefnemingen met allerlei cultures moeten worden genomen.
Anders oordeelde de Gouvernements-Secretaris, Mr. J. M. Lisman, door den Gouverneur met een onderzoek belast, wiens uitvoerig Verslag den 31 Juli 1848 te Paramaribo in druk verscheen. Deze bracht 5 dagen te Groningen door en hoorde alle kolonisten in het bijzijn van den Bestuurder, die dan ook in zijn missive van 20 Juli aan den Gouverneur hulde bracht voor âde meest voldoende wijze waarop door Mr. Lisman aan de hem verstrekte opdracht is voldaan, zoo zelfs, dat de tegenwoordige toestand der kolonisatie daardoor in een helder licht wordt gesteld.... Het onderzoek heeft zich gekenmerkt door nauwkeurigheid, onpartijdigheid, pligtmatighcid en volkomenheid: geen ander zou het beter hebben kunnen doen.quot; Toch luidde de inhoud van dit verslag zoo ongunstig, dat de Commissie aanleiding vond aan te teekenen:
94
âWij vinden ons verplicht te verklaren daarvan geen ander resultaat te kunnen opmerken, dan dat het wei-nigje moed op den goeden uitslag der onderneming, nog bij de kolonisten aanwezig, er geheel door werd uitgedoofd.quot;
Ook Mr. Lisman erkent, dat de gronden van Groningen âschraal, mager en ligt, eenige plekken zelfs volstrekt onvruchtbaarquot; waren; de ongunstige toestand te Voorzorg was âbepaaldelijk toe te schrijven aan de onvoldoende afwatering van het terrein.quot; Het gemis van weidegronden maakte het houden van vee kostbaar en nagenoeg ondoenlijk, terwijl hij voorts erkende, dat men den kolonisten âniet had gegeven wat aanvankelijk was toegezegd en de niet onmiddellijke vervulling dier toezegging bij aankomst moest als eene der oorzaken van den ongunstigen toestand w-orden aangemerkt.quot; Verder wees hij uitvoerig op de bezwaren, welke uit de afgelegen ligging van Groningen voortvloeiden, het ontbreken van een wankel of magazijn en de vereeniging van het ambt van Bestuurder met dat van Herder en Leeraar, als zijnde voor eene krachtvolle ontwikkeling der kolonisatie zeer weinig geschikt.
Dat er onder de kolonisten werkelijk armoede en achteruitgang zou zijn waar te nemen, werd door hem ontkend. âUit volle overtuiging (meende hij) de op-regte betuiging te moeten afleggen, dat de armoede, waarvan de zendelingen van eenige ontevredenen met zooveel ophef gewag hadden gemaakt, de woningen
95
der kolonisten nog niet is binneng-etreden.... met uitzondering wellicht van een paar, daar de bewoners dit of door verslaafdheid aan den drank, of wel door lui- en werkeloosheid, gebrek aan orde enz. zich zeiven te wijten hebben.quot;
Doch evenmin was er algemeene vooruitgang te bespeuren; veeleer stilstand, en âbijaldien aan deze proeve geene andere, meer doeltreffende rigting gegeven wordt, indien den kolonisten niet spoedig voldoende middelen worden verschaft om den landbouw doelmatiger en met meer voordeel uit te oefenen, dan zal do stilstand aldra achteruitgang worden.quot;
Als oorzaken van den bestaanden kwijnenden toestand noemt Mr. Lisman: i0. âde vorm der oorspronkelijke inrigting van de kolonisatie en het niet voldoen aan de toezegging van 4 akkers, gedeeltelijk bewerkt en beteeld; de niet onmiddelijke vervulling van die toezegging bij aankomst, is als eene oorzaak van den tegenwoordigen staat aan te merken.quot; 20. âde vorm en de wijze van beheer.quot; De zorg van het Bestuur had zich niet gekenmerkt door een aanhoudend werkdadig aandeel. De kolonisten schenen alle voorlichting omtrent de culturen, de wijze van behandeling der verkregen producten, de minst kostbare en meest gemakkelijke wijze van afzet te ontberen.quot;
Er was bij het voeren van het beheer niet stelselmatig te werk gegaan. Was dit geschied, dan betwijfelde hij zeer, âaangezien het reeds voldoende bewezen is, dat de Europeaan in dit elimaat veldarbeid kan
uitoefenen, of de weinig bemoedigende en achteruitgaande toestand ooit zou ontstaan zijn.quot;
âDat het Bestuur van zoodanig vast stelsel niet is uitgegaan, maar zich geheel door den loop der omstandigheden schijnt te hebben laten leiden, blijkt uit de weinige zorg om den kolonisten dadelijk na hunne vestiging van alles te doen voorzien wat hun was toegezegd.
âDe wijze waarop het beheer is gevoerd, moet als een hoofdoorzaak van den tegenwoordigen toestand worden aangemerkt.quot;
Dat de Bestuurder, âvoor zooveel zijne krachten en vermogens toelieten, steeds getracht heeft de belangen der kolonisten te bevorderen,quot; viel niet te betwijfelen, maar zooals hij zelf verklaarde, moest hij zich onthouden van het aanbevelen van bepaalde cultures, daar hij geene genoegzame ondervinding daarvan had. Ook erkende hij âin het bezoeken en aanhoudend persoonlijk gadeslaan der kolonisten en hunne werkzaamheden en het nauwkeurig voorlichten niet zoo te werk te zijn gegaan als hij zich had voorgesteld.quot; De ondergane schokken hadden zijne zedelijke kracht gebroken, terwijl hij door den dood van zijn twintigjarigen zoon, die hem als adjunct ter zijde stond, van zijn voornaamsten steun was beroofd. Hierbij kwamen zijn reeds gevorderde leeftijd, zijn bloedrijk gestel en de gewoonte om zich weinig te bewegen en eindelijk de gemelijkheid en wrevel van een deel der kolonisten, die den omgang met hen minder aangenaam maakten. Hij wist
97
toch uit de rapporten van den politiebeambte J. Rijsdijk, o.a. dat van 3 Augustus 1848, hoe er onder een deel hunner de meening heerschte, dat het hem eigenlijk weinig om het welvaren der kolonisten te doen was en hij de zaak slechts sleepende wilde houden, totdat zijne vijf jaren dienst vervuld waren. Het onzalige denkbeeld, hetwelk volgens Rijsdijk van den aanvang af bij sommigen had bestaan, dat de grond der gan-sche zaak eene particuliere speculatie was, hoe onjuist ook, bestond nog in volle kracht.
Dat er onder de kolonisten armoede zou bestaan, werd ook door den Bestuurder ontkend en âeen onbeschaamde leugenquot; genoemd. Met deze hunne bewering strijdt dan ook de omstandigheid, dat in het 2e kwartaal van 1848, bij weten van het Bestuur te Groningen werden ingevoerd 46 kelders jenever, tot een bedrag van /304. De ontevreden geest onder de boeren was naar de meening des Bestuurders veeleer aan hunne weelderige en kostbare leefwijze te wijten; volgens Mr. Lisman was hiervan evenwel al zeer weinig te bespeuren; hunne woningen hadden inwendig een vrij gunstig aanzien, terwijl sommige zich zelfs door netheid, zindelijkheid en eene gepaste weelde onderscheidden, maar nergens bestond overdaad en werd er werkelijk te veel drank aangevoerd en verbruikt, dan behoorde het Bestuur hierin te voorzien en daartegen te waken.
Volgens den heer Lisman moest âhet geheel werkzamer worden; er moet eene meer doelmatige richting
7
98
aan de werkzaamheden en aanplantingen gegeven, het overleg dor kolonisten geleid en hunne kennis van landbouw in de tropen vermeerderd worden. In één woord: er moet meer regel, meer eenheid, meer strenge orde en tucht worden ingevoerd.quot; Om daartoe te geraken, was naar zijne meening âde benoeming, zoo spoedig doenlijk, van eenen tweeden Bestuurder, met voldoende kennis toegerust, geschikt de werkzaamheden naar een vast stelsel te leiden, dringend noodig,quot; en voorts âde spoedige geheele voldoening van al wat den kolonisten is beloofd en toegezegd en waarop zij dus een recht kunnen laten gelden.quot;
Ook de Commissie uit de kolonisten is van meening, dat de kolonisatieproeve, âindien men haar laat zooals zij is, nooit meer dan eene middelmatige stoffelijke welvaart zal kunnen bereiken;quot; evenzeer oordeelt zij, dat âde landbouw zich moet bepalen tot groote geaccrediteerde artikelen en geene proeven van twijfel-achtigen aard deze in den weg mogen staan.quot; Goed aangevat, bevatte deze proeve h. i. evenwel nog âde kiem in zich voor de bereiking van het groote doel.quot; Zij zag daarbij intusschen over het hoofd, dat er gaandeweg verschil van inzicht was ontstaan tusschen het Bestuur en de boeren, ten aanzien van het te bereiken doel.
Dit doel was aanvankelijk geweest om in Suriname, mede ter voorbereiding van de geleidelijke emancipatie der slaven, een stand van vrije landbouwers te vestigen. De eerste uitzending moest beschouwd wor-
99
den in het licht eener voorloopige proefneming, welke door andere uitzendingen zou worden gevolgd, zoodra de uitslag had bewezen, dat het klimaat daartegen geen hinderpaal opleverde. Bestuur en boeren, beide, waren overtuigd dat in zooverre de proef als volkomen geslaagd was te beschouwen en niets de voortzetting en spoedige uitbreiding in den weg stond; evenzeer dat hiervan het herleven en de welvaart der kolonisatie afhankelijk was. Zij verschilden evenwel van meening over de wijze waarop deze uitbreiding moest plaats hebben.
Nog altijd stelde de Bestuurder zich het oorspronkelijke doel: het vestigen van een vrijen stand van landbouwers, voor oogen, doch hij wenschte dit niet meer te verwezenlijken met de thans aanwezige kolonisten, ten minste niet met de meesten hunner. Deze moesten slechts dienst doen om zijne toekomstige plannen voor te bereiden; daartoe had hij hen in dienst genomen en als daglooners gebruikt. Gezeten op de galerij van zijne fraaie en ruime, op eene terrasvormige verhevenheid gebouwde woning, âin verkwikkende koelte, door de zeewinden aangevoerd en daar de schoone, bloei-jende natuur voor oogen,quot; verdiepte hij zich gaarne in die toekomst, wanneer de weldra verwachte uitbreiding aan de kolonisatie te geven, het mogelijk zoude maken door de nieuwe kolonisten de vette gronden in den omtrek te doen bezetten, en Groningen als een dorp of stadje over te laten aan het Bestuur, den koopmans- en burgerstand. Alsdan zou hij zich ontdoen van de meesten der oude kolonisten, voor zoover deze
IOO
niet genegen waren als daglooners bij de nieuwe boeren in dienst te treden. Slechts enkelen, de besten hunner, zouden als âgrootboerenquot; zich in de nieuwe kolonie kunnen vestigen. De overigen hadden z. i. door hun gedrag, zich den verderen steun van het Bestuur onwaardig gemaakt. Bovendien verdiende dergelijke regeling aanbeveling in het belang der kolonisten zelf. âHet had toch,quot; naar hij aan den heer Sloet schreef, âzijne nuttige zijde, dat sommigen zich niet uit den arbeidenden stand verheffen, wanneer zij maar hun brood hebben;quot; voorts zouden de nieuwe kolonisten op die wijze terstond bij aankomst kunnen beschikken over de noodige arbeidskrachten. De meesten der oude kolonisten verdienden niet beter en waren niet anders gewoon.
âHun boersche eigenbaat met onverstand, hun trots met slinksche loosheid vereenigd, openbaart in al hunne handelingen dien onbeschaamden overmoed, welke aan slaven eigen is, wie eensklaps de boeijen van de handen zijn gevallen. In Nederland toch waren de meeste hunner, wegens hunnen afhankelijken staat als arbeiders, zulke geboeijde slaven.quot; \')
Hij zag daarbij evenwel over het hoofd, dat deze lieden, die volgens het oordeel van zijn Medebestuurder âver van tot het uitschot, veeleer tot het beste deel der Hollandsche natie behoorden,quot; gehuisvest in woningen, âwelke er niet zeer opwekkend uitzagen, en
1) Brief van 11 April 1849.
lOI
vooral voor nieuwelingen terugstootend waren; waaraan de leelijke grauwe kleur der palisaden, het stroodak-achtige der troelie, een armoedig, stuipachtig uiterlijk gaven,quot; l) dat zij het vaderland niet hadden verlaten, om aan de oevers der Saramacca een karig bestaan te vinden als daglooners. âAls landbouwers waren zij herwaarts geroepen, niet als daglooners, houtkappers of kolenbranders, en als landbouwers wilden en koudot zij werken.quot; 2) De groote verwachtingen gekoesterd bij het verlaten van den vaderlandschen bodem hadden zij reeds lang geleerd op te geven, doch bij ervaring overtuigd dat het klimaat geen hinderpaal was, verlangden zij in de gelegenheid te worden gesteld om zich door eigen en loonenden arbeid, een vrij en onafhankelijk bestaan, een bescheiden welvaart te verzekeren.
Zij erkenden dat de Regeering meer voor hen had gedaan, dan waarop zij aanspraak hadden volgens de bepalingen van het Reglement; doch zij wenschten die hulp niet in den vorm van daghuren en verstrekking uit het magazijn; zij wilden geen bedclbrood, wat ook de Bestuurder beweerde, die hen lui, zorgeloos en aan den drank verslaafd schold, zooals zij beweerden, omdat zij weigerden hunne krachten te verspillen aan niet-loonenden arbeid. Liever zochten velen hunner, bij gebrek aan beter, een middel van bestaan in de visch-vangst op de wijze der negers, hoe zwaar deze mocht zijn. âEen stuk van een kreek werd afgedamd en ledig
1) Verslag d. Commissie.
2) Antwoord der kolonisten aan den Bestuurder.
I 02
geschept, en zoo de visch op het drooge gebracht en opgeraapt; deze wijze van visschen eischte veei krachtsinspanning en noodzaakte hen den ganschen dag tot den hals in modder en water te staan. Wij stippen dit enkel aan om te doen zien waartoe zij in staat zijn wanneer zij slechts willen.quot; \').
Terwijl de Bestuurder voortging âhooge verwachtingen te koesteren, gedeeld door die hier komen en onbevooroordeeld dc zaken en omstandigheden beschouwen ;quot; in ieder die deze niet deelde en zich verklaarde tegen eene onvoorwaardelijke uitbreiding, een vijand zag èn van de kolonisatie èn van zijn Bestuur, zagen de kolonisten met iederen dag het doel, waarmede zij naar Suriname waren gekomen, onbereikbaarder worden. Noemde hij âde voorstelling hunner armoede een onbeschaamde logen,quot; zij boden hem, eerst den 15 November, daarna den 27 December 1848, opnieuw adressen aan, ditmaal door bijna alle kolonisten onderteekend, waaronder ook vier leden van den Raad van Otidstoi, waarin zij verklaarden, âdat de nood dringt en bij velen nijpend is; ja, er zijn er onder ons, die bijna niet meer hebben om hunne schaamte te bedekken;quot; bestempelde de Bestuurder hen met den naam van âbedelaarsquot;, zij achtten âdat dit woord niet cms tot schande strekt, maar dien die ons daartoe gebracht heeft. Drie en een half jaar lang hebben wij U. W. E.\'s aanwijzingen in alles, ook in planten gevolgd en zijn altijd bedrogen uitgekomen.quot;
\') Verslag der Commissie.
103
Eindelijk dienden, den 23 Nov., alle leden van den Raad van Oudsten hun beklag in bij den Gouverneur, wijl âzij nimmer door den Bestuurder werden geraadpleegd over huishoudelijke aangelegenheden der vestiging,quot; wat dezen zijn innig leedwezen doet betuigen âvan te hebben ontwaard dat ook dat ligchaam deelt in de algemeene misnoegdheid.quot;
De kolonisatieproeve had thans het punt bereikt, waarop haar voortbestaan afhankelijk was van de alsnog door de Regeering te nemen besluiten. âLiet men haar zooals zij was, dan was het hoogst waarschijnlijk, dat eindelijk de een na den ander naar een beter oord uitzien en zich dichter bij Paramaribo neerzetten zou.quot; \')
Dit was hetgeen bovenal door de kolonisten werd gewenscht; zij verlangden verplaatsing naar een ander oord, waar de bodem hunnen arbeid loonde en zij gelegenheid vonden hunne produkten met voordeel van de hand te zetten.
De Bestuurder zag slechts heil in âeene spoedige, krachtvolle en doelmatige uitbreiding der kolonisatiequot; op dezelfde plaats en beschouwde deze als âhet eenige plegtanker der aanstaande bloei.quot;
Do Gouverneur daarentegen oordeelde dergelijke uitbreiding als âgewaagd en ongeoorloofd, zoolang geene betere waarborgen voor een toekomstig bestaan en welvaart werden gegeven.quot; Aan de mogelijkheid van kolonisatie twijfelde hij geen oogenblik: âGeen
\') Verslag der Commissie.
i04
land ter wereld heeft in zich zelf meer geschiktheid om gekoloniseerd te worden door Europeesche Nederlanders dan Suriname; de mislukking der proeve te Groningen bewijst niets ter contrarie.quot; \') Als voorwaarde van welslagen achtte hij evenwel vestiging in de nabijheid der hoofdplaats vooralsnog noodig; wilde men haar echter te Groningen bestendigen, âen zal daarvan nog iets moeten gemaakt worden, dan dient er wel aan den Bestuurder, indien deze daar aan het hoofd blijven moet, een meer actieven en ïn den landbouw meer kundigen medebestuurder ter zijde gesteld te worden.quot;
Hierover waren allen het eens: bovenal was het noodig, dat de maatregelen door de Regeering te nemen, met spoed zouden worden beraamd en uitgevoerd.
Hoe oordeelde over dat alles de Regeering, en wel in de eerste plaats de Minister van Koloniën?
Twee omstandigheden waren den kolonisten ongunstig: de herhaalde veranderingen in de Regeering en de eenigszins gespannen verhouding tusschen het Opperbestuur en den Gouverneur bestaande, welke in 1852 zoude leiden tot diens ontslag.
Zooals uit het voorgaande is gebleken, bestond er groot verschil van inzichten tusschen den Gouverneur en den Bestuurder omtrent hetgeen de kolonisatie te
Brief 30 Dec. 1848.
05
Groningen betrof. De eerste had zijne ongunstige meening over het bestuur der onderneming niet verborgen en voorts door de openbaarmaking van het rapport van den heer Lisman, de gevoeligheid van den Bestuurder gewekt, die zijnerzijds aan de inmenging van den Gouverneur in de zaken der kolonisatieproeve voor een deel den ontevreden geest der kolonisten weet.
âDe goede ontvangst,quot; zoo schreef hij in Juli 1848, âbij Uwe Excellentie genoten, en de welwillendheid waarmede U. E. de klagten heeft aangenomen van de kolonisten in Commissie tot het indienen van het adres aan U. E. van 15 Junij, heeft de adressanten zeer stout, vermetel, zelfs dreigende gemaakt en hunne zaak bijna algemeenen bijval bij de overigen doen vinden.quot; In zijne brieven aan den heer Sloet, door dezen onder de oogen des Ministers gebracht, klaagt hij dan ook herhaaldelijk over de bemoeiingen van den Gouverneur, die gedreven door zijne vooropgezette meening, dat geene kolonisatie kans van slagen had, tenzij in de nabijheid van Paramaribo ondernomen, alles afkeurde wat op Groningen werd beproefd.
Uit de houding der Regeering bleek, dat ook zij deze zienswijze was toegedaan; zoo werd door Haar âhet in druk verschijnen op last van den Gouverneur, van het verslag van den heer Lisman, die beoordeelingen en stellingen te berde brengt, welke niet missen kunnen nadeelig op de kolonisatie te werken, onvoorwaardelijk afgekeurd.quot; Doch tevens bleek er uit dat de opvolgende Ministers omtrent de geschiedenis der kolonisatieproeve
io6
niet steeds nauwkeurig waren ingelicht. Zoo wordt in eene missive van den Minister dd. 31 October 1848, de houding des Gouverneurs scherp gelaakt, omdat hij het werken in daghuur wilde bestendigen. âHet Rapport van den Bestuurder stelt de zaak m. i. in het juiste licht en toont aan, dat juist het werken voor dagloon nadeelig was geweest voor de ontginning en beplanting der particuliere gronden,quot; terwijl het daarentegen juist de Bestuurder was die op bestendiging van dien maatregel aandrong âom de kolonisten te kunnen laten leven.quot;
Had de afgetreden Minister den Gouverneur dd. g Januari 1847 opgedragen âom geenszins het toezigt over de kolonisatie te verminderen of te verzwakken, maar integendeel dat toezigt met nauwgezetheid te blijven voeren,quot; thans wordt zijne bemoeiing met de kolonisten afgekeurd en hem aangeschreven: âIn het oog te willen houden, dat klagten van de kolonisten, in den regel, niet anders dan door tusschenkomst van den Bestuurder moeten worden ingediend,quot; waarbij uit het oog verloren werd, dat deze de kolonisten naar den Gouverneur verwees.
Deze zelfde meening, dat de min-gunstige toestand op Groningen moest worden geweten aan de bemoeiingen van den Gouverneur, blijkt herhaaldelijk, o. a. uit een schrijven aan den heer Sloet, dd. April 1S49: âIk erken de ondoelmatigheideener direkte bemoeijing van het Koloniaal Bestuur met de zaken der kolonisatie en heb deswege bepaalde voorschriften gegeven.
io7
strekkende om den Bestuurder te handhaven in de taak hem door het Opperbestuur toevertrouwd.quot;
Deze mocht zich dus voortaan ontslagen rekenen van het toezicht van den Gouverneur, aan wien voorts werd voorgeschreven;
i0. âZooveel levensmiddelen enz. ter beschikking van den Bestuurder te stellen, als deze zal aanvragen, ten einde tegen betaling van den inkoopsprijs aan de kolonisten te worden verkocht,quot; welke op zich zelf verstandige bepaling evenwel weder werd verzwakt door de volgende:
2°. âAan den Bestuurder vrij te laten om de kolonisten zooveel dagen voor loon te laten arbeiden, als hij zelf zal vermeenen te kunnen toelaten.quot;
De Gouverneur werd (ten onrechte) berispt wegens het bevorderen van een nadeclig geoordeelden maatregel, en daarentegen den Bestuurder daartoe vrijheid verleend! Geen wonder, dat er weldra vernomen wordt, âdat de groote massa der kolonisten bijna voortdurend in daghuur werkzaam is, er niets meer gedaan wordt aan de akkers en er spoedig een algemeen gebrek aan levensmiddelen zal ontstaan.quot;
Dat de minister G. L. Baud de kolonisatie niet ongezind was, blijkt uit zijn aangehaald schrijven aan den heer Sloet, waarin hij erkent dat er bij de uitvoering veel verkeerds is gedaan, âmaar dat zij desniettemin geleid heeft tot eene aanvankelijk bevredigende oplossing der vraag, omtrent de mogelijkheid voor den Europeaan om in het warme klimaat den veldarbeid
o8
te verrigten, zonder zijne gezondheid te benadeelen. De zekerheid hiervan, gepaard aan de vruchtbaarheid en de uitgestrektheid van den bodem in de West-Indien, is gewigtig, en levert een grondslag waarop verder kan worden voortgebouwd.
âThans blijft te onderzoeken over wat gedaan kan worden: i0. om de verkeerde richting die de Euro-peesche kolonisatie te Groningen heeft genomen, te wijzigen; 20. om dezelve te Suriname in het groot uit te breiden.\'
Wie echter op grond dezer inleiding belangrijke maatregelen mocht hebben verwacht, zag zich bedrogen. Alleen werd âovereenkomstig het advies van den Gouverneur, quot; overgegaan tot de aanstelling van een adjunctbestuurder en daartoe benoemd een Secretaris bij de Grieteri] te Lemmer, die zich bereid verklaarde met acht landbouwers naar Suriname te vertrekken. De Gouverneur, die aandrong op aanstelling van een medebestuurder, met voldoende landbouwkennis toegerust, had daarbij zeker niet het oog op den secretaris eener gemeente, waar visscherij en veenderij de hoofdbronnen van bestaan waren; hij schreef dan ook naar aanleiding dezer benoeming, âte vreezen dat deze nieuwe kolonisten de hoop der teleurgestelden slechts zouden vergrooten.quot;
De Regeering had intusschen groote plannen. Reeds onder dagteekening van 28 Dec. 1847 was aan den Koning een rapport ingediend, waarin het denkbeeld werd ontvouwd, dat het besluit tot voortzetting der kolonisatie afhankelijk zou moeten blijven van de nader
log
uit Suriname te ontvangen berichten; waren deze gunstig, dan meende men dat de voortzetting zou kunnen plaats hebben:
âa. bij voorkeur met Nederlanders, maar ook met vreemden;
âb. zonder rechtstreeksche bemoeijenis of geldelijke opofferingen van het Gouvernement;
âc. door eene op te richten Maatschappij van Kolonisatie, aan welke de te koloniseeren landstreek in eigendom zou worden afgestaan;
âd. onder krachtige ondersteuning van de provinciale en plaatselijke besturen, die zich van overbevolking willen ontdoen, en van de ingezetenen, die zich de zaak uit liefdadigheid willen aantrekken.quot;
Een en ander was onafgedaan gebleven. Wel hadden de Besturen van Utrecht en Friesland beproefd zich de zaak aan te trekken en had men op het initiatief van den heer Sloet getracht te Amsterdam eene Maatschappij van Kolonisatie op te richten, maar alles was tot hiertoe bij plannen gebleven. In April 1849 berichtte de heer Sloet evenwel, dat eene Maatschappij was geprojecteerd, die voornemens was eene rentegarantie te vragen voor een kapitaal van 1 \'/a millioen.
De Minister verzekerde, dat dit verzoek in ernstige overweging zou worden genomen, doch beaamde bovenal de meening des heeren Sloet omtrent de wen-schelijkheid om van de toenemende zucht tot landverhuizing in Duitschland partij te trekken voor de kolonisatie.
Hoe de Regeering zich voorstelde dit doel te bereiken, blijkt uit het Voorstel, den Koning den 23 April 1849 gedaan.
Op den voorgrond wordt gesteld, dat de kolonisatie-proeve nog niet geleid heeft tot een beslissend resultaat, wat eenerzijds moet worden toegeschreven aan de verkeerde maatregelen door het Bestuur van Suriname genomen, anderzijds voortvloeide uit haren aard, âals zijnde eene Gouvernements-onderneming.quot; Het niet beter gelukken wordt dan ook geacht niets te bewijzen tegen de mogelijkheid en de wenschelijkheid eener uitbreiding. Die proeve toch, hoe gebrekkig ook, âheelt integendeel het bewijs kunnen leveren, dat de Europeaan zïjne krachten aan den landbouiv in Suriname kan dienstbaar maken, zonder schade voor zijne gezondheid niet alleen, maar zelfs onder het verschijnsel van ecnen vergeleken met het Moeder-werelddeel zeer voldoenden toestand.\'quot;
Daarna wijzende op de wenschelijkheid om het Eu-ropeesche element te versterken door Duitschers, âdie in den regel door matigheid, spaarzaamheid en volharding uitmunten,quot; wordt het van belang geacht de aandacht der Duitsche landverhuizers te vestigen op Suriname. Als voorwaarden waarop de toelating zou kunnen geschieden, worden voorgesteld: 20-jarige vrijstelling van grond- en 1 o-jarige van personeele belasting; kos-telooze afstand van grond en eigen gekozen plaatselijk bestuur.
De gevraagde machtiging om de diplomatieke agen-
111
ten in Duitschland in dien geest van instructiën te voorzien, werd door den Koning verleend, doch daarbij bleef het voorloopig.
De opvolgende Minister E. van den Bosch toch, was een verklaard tegenstander van kolonisatie, zooals blijkt uit de volgende slotsom van zijn rapport van 31 October 1849: âDat de instandhouding der Europeesche kolonisatie, op grond der verkregen uitkomst, geenc aanbeveling verdient, en dat eene uitbreiding derzelve onraadzaam is, op grond van het beginsel, dat ecnc landbouiuende kolonie van Europeanen binnen de keerkringen door de vroegere ervaring en door de wetenschap om strijd wordt gewraakt, wanneer daarby de kolonist door den gewonen veldarbeid in zijne behoeften moet voorzien.quot;
Hij stelde diensvolgens voor de kolonisatieproeve aan de Saramacca hoe eer hoe beter op te ruimen en den Gouverneur op te dragen voorstellen te doen om daaraan gevolg te geven.
De daartoe gevraagde machtiging werd verleend en den 16 November 1849 de Gouverneur in dien geest aangeschreven.
Doch den 10 December d.a.v. werd deze ministerieele aanschrijving gevolgd door eene andere, waarbij bepaald werd, dat het onderzoek van den Gouverneur niet zou moeten loopen over de opheffing, maar over de mogelijkheid van de instandhouding der kolonisatie.
Tntusschen had de Gouverneur, de eerste aanschrij-
I 12
ving volgend, zich gehaast de spoedige ontbinding- der vestiging aan de Saramacca aan te kondigen.
De tweede dwong hem de zaak voorloopig te laten zooals zij was.
Naar men ziet, had de verwarring vrijwel haar toppunt bereikt.
De Minister Pahud was een voorstander van kolonisatie; de tenuitvoerlegging van het voorstel van 23 April 1849 maakte dientengevolge weder een punt van veelzijdig onderzoek uit. De diplomatieke Agenten in Duitschland werden aan het werk gesteld; commissies werden benoemd, zoowel hier als in de kolonie, en tal van personen en autoriteiten geraadpleegd. De uitkomst beantwoordde evenwel niet aan al deze bemoeiingen. De pogingen tot oprichting eener Maatschappij van Kolonisatie leden schipbreuk, terwijl de werkzaamheid onzer diplomatieke Agenten leidde tot de benoeming der Duitsche Commissie, waarvan reeds op pag. 39 gewag werd gemaakt, en waarover nog met een enkel woord dient gesproken.
Zij was samengesteld uit de heeren Professor Dr. Duttenhofer als geneeskundig lid, Schunck als landbouwkundige, Dr. Voltz als bergbouwkundige en Noack als practisch administrateur, tevens belast met het secretariaat, en vertrok na veel moeite en oponthoud in 1S53 naar Suriname.
Kappler, en na hem anderen, hebben het willen doen voorkomen afsof de ontvangst aan deze Commissie van de zijde van het Koloniaal Bestuur en den planters ten
ii3
deel gevallen, veel te wenschen overliet en oorzaak was, dat reeds spoedig twee harer leden, overtuigd dat eene Duitsche kolonisatie schipbreuk zoude moeten lijden op den onwil van Bestuur en bevolking-, zich hadden teruggetrokken.
Deze voorstelling is minder juist. De Commissie genoot bij aankomst alle mogelijke medewerking, zoowel van de zijde van don Gouverneur, als van de personen door dezen aangewezen om den leden bij het onderzoek behulpzaam te zijn. Doch, zooals uit de verschillende nota\'s blijkt, namen zij weldra een toon aan, welke de aanvankelijke sympathie verkoelde; zij keurden alle? af wat ten hunnen g\'erieve werd gedaan en stelden eischen verre boven hetgeen bij overeenkomst vóór hun vertrek uit Europa was bedongen, zoodat de uitgaven, voor een deel geheel van particulieren aard, de raming met duizenden guldens overschreden.
âNa eenige reizen in het binnenland te hebben gedaan,quot; zoo luidt het in het verslag van een der hen vergezellende officieren \'), waarop de Commissie telkens zich zeer ten gunste van land en klimaat uitliet, nam zij jegens den Gouverneur eenen min voegzamen toon aan.... De leden schijnen het bovendien spoedig onderling oneens te zijn geworden, en ofschoon dit aanvankelijk niet naar buiten werkte, gaven zij eindelijk lucht aan hunne onderlinge twisten door hevige beschuldigingen van den een jegens den ander, in die mate zelfs, dat zij op een binnenlandschen togt van 1) Nota v. cl. Min. v. Kol. 11 Sept. 1854.
8
ii4
elkander scheidden en weigerden voor het vervolg te zamen te reizen.quot;
De heer Noack maakte bij dit alles eene gunstige uitzondering. Door de verdeeldheid der Commissie tot werkeloosheid veroordeeld, meende hij de zaak der kolonisatie beter te kunnen dienen in Europa, en besloot daarom terug te keeren. Voor zijn vertrek uit Suriname had hij evenwel aan den Gouverneur het plan eener kolonisatieproeve met Duitschers ingediend, waarbij hij een groot terrein aanvroeg in de hooge landen gelegen tusschen Rama en Bergendaal, nabij de Maréchal-kreek, aan de Boven-Suriname. Daar hij genegen was gebleken dit ontwerp overeenkomstig de wenken der Regeering te wijzigen, bestond er naar het oordeel des Ministers geen bezwaar het in ernstige overweging te nemen.
âDe hoofdvraag toch,quot; zoo schrijft de Minister, âaan het onderzoek der Commissie onderworpen, of het klimaat van Suriname in die mate als gezond is te beschouwen, dat Europeanen zich daar kunnen vestigen, en zonder gevaar voor hunne gezondheid veldarbeid verrigten, is door het geneeskundig lid bevestigend beantwoord____ De heer Noack is die gunstige meening ook geheel toegedaan, en zegt in zijn adres, de bevestiging van de bedoelde vraag door de beide andere leden Voltz en Schunck te gemoet te zien, ofschoon deze zich dusver niet anders dan mondeling daarover hebben uitgelaten. \')
1) Het oordeel van Dr. Voltz is reeds vroeger medegedeeld. Zie pag. 39.
i\'ó
âMet deze solutie der hoofdvraag voor zich, is de ondergeteekende van meening, dat de Regering niet voorbarig zoude handelen, wanneer zij, in afwachting van het eindverslag der Commissie, zich inliet met het voorstel van een harer leden, strekkende om een begin van uitvoering aan de zaak te geven.quot; ^
Dit eindverslag is nimmer verschenen; de aanteeke-ningen van Dr. Voltz, die in 1855 te Paramaribo overleed, zijn voor een deel bekend geworden door de zorgen van de heeren W. C. H. Staring en Professor K. Martin, terwijl de uitvoering van het grootsche plan van den heer Noack afstuitte op allerlei moeilijkheden en bezwaren; ook zijne latere poging om op Albina een vestiging van Duitschers tot stand te brengen mislukte, zooals boven werd medegedeeld.
Ook het niet minder grootsche plan van de heeren Lullin en de Beauregard, cene kolonisatie met 5000 jeugdige Zwitsers beoogend, hetwelk mede allen steun vond van de zijde der Regeering, bleef onuitgevoerd.
De in Suriname ingestelde âCommissie tot Europeesche Kolonisatiequot; werd belast met het onderzoek naar een geschikt terrein en bracht den 13 Juni 1853 een hoogst belangrijk verslag uit, waarin de landstreek gelegen tusschen de Saramacca en de Coesewine als voor dat doel het meest geschikt w^erd aanbevolen. Doch nadat al deze onderzoekingen hadden plaats gehad, gaven de ontwerpers te kennen, dat zij van hun plan afzagen.
\'} Xota. a. b.
116
âuithoofde van later gebleken bezwaren,quot; waaronder o. a. de nabijheid van Fransch Guyana; waarschijnlijk evenwel, omdat de Zwitsersche kolonisatie in Algiers, aan welker hoofd zij mede stonden, en die op treurige wijze afliep, het vertrouwen op dergelijke onderneming had geschokt.
Dat een opvolgende Minister huiverig was om zich verder met kolonisatieplannen in te laten, is verklaarbaar.
Terwijl men zich in Nederland op de aangegeven wijze onledig hield met het bevordefen van de zaak der kolonisatie in Suriname, ging de ontbinding der kolonisatieproeve aan de Saramacca, door geene doeltreffende maatregelen tijdig gestuit, ongestoord haren onvermijdelijken loop.
De voorloopige tijding harer naderende opheffing was door vele kolonisten niet afgewacht. Hadden reeds enkelen vroeger verlof gevraagd en ontvangen om naar Nederland terug te keeren, thans verlieten voor en na tal van gezinnen Groningen, om zich te Paramaribo of elders te vestigen. Tot die vertrekkenden behoorde ook J. C. van Brussel, die den 6 Juni 1849 don Bestuurder zijn voornemen kenbaar maakte om zich met zijne beide broeders naar Paramaribo te begeven ; als reden gaf hij op door hot Bestuur te zijn teleurgesteld; hij meende elders met meer voordeel te kunnen werkzaam zijn. Hot heengaan van dezen ijverigen en dogelijken kolonist, die zich steeds buiten elke beweging
1 \'7
had gehouden, trof den Bestuurder pijnlijk, te meer daar van Brussel hem verliet zonder groet of afscheidswoord.
Weinige dagen later vertrokken weder anderen, met het voornemen om zich aan te sluiten bij den heer Westphal, die na het mislukken zijner concessie-aan-vrage, zich op Phaedra, aan de Boven-Suriname had gevestigd. Deze onderneming had een treurig verloop. Ziekten en sterfgevallen, onaangenaamheden met den heer Westphal en zooveel meer, maakten het verblijf in de Bovenlanden onverdragelijk, zoodat de overlevenden ziek en uitgeput naar Paramaribo terugkeerden.
Den 27 Juni vertrokken weder twee gezinnen, welker hoofden geplaatst waren als opzichters bij veekweeke-rijen; weinige dagen later waren het niet minder dan 28 personen, die zich met have en goed naar elders begaven.
Kenschetsend is hetgeen de Bestuurder schrijft naar aanleiding van het vertrek der kolonisten, dd. 23 Juli 1849: âIk betreur het vertrek van zoovele ontevredenen niet. De verderfelijke invloed dien zij op nieuwkomelin-gen oefenen is blijkbaar, zelfs op eenigen der door den adjunct-Bestuurder uitgebragte lieden, waarvan reeds één is vertrokken. Voor de te wachten uitbreiding der vestiging alhier is hot heengaan van vele, zelfs van nog meer dezer of alle oud-kolonisten en misnoegde Goiivernevieiits-kindcren geen verlies, ja! heilzaam.quot;
Tot de opheffing en ontbinding der kolonisatieproeve was intusschen besloten. In den voormiddag van den
118
24 Februari 1852 begaven de nog op Groningen aanwezige kolonisten zich onder het gebruikelijke klokge-klep naar de kerk, waar de Bestuurder voorlezing deed van het Besluit, waarbij de ontbinding op 31 December d. a. v. werd bepaald.
Doch de weifelende houding der Regeering ten opzichte van al wat de kolonisatie betrof, openbaarde zich ook in den inhoud van dit Besluit. Immers, terwijl het vaststond dat geene nieuwe aanspraken door de kolonisten te stellen, op steun van het Gouvernement, zouden worden ingewilligd, gaven de woorden; âdat het Gouvernement na dezen naderen proeftijd (van Februari tot einde December), zich ten eenenmale onverplicht acht, voor hunne terugvoer naar het Moederland te zorgen,quot; den indruk als zou die verplichting vóór den afloop van den proeftijd wel worden erkend, zoodat sommigen der kolonisten, echter tevergeefs, deze vermeende aanspraak deden gelden.
Evenzeer stond het bij de Regeering vast, dat de kolonisatieproeve, althans in den bestaanden vorm en onder het tegenwoordig Bestuur, na 31 December onherroepelijk zou worden opgeheven. De Bestuurder daarentegen las in het Besluit, en wellicht niet geheel ton onrechte, eene bevestiging zijner verwachting, dat de onderneming na afloop van den proeftijd opnieuw zou worden voortgezet, ditmaal met diegenen der oude kolonisten, die zich deze gunst door hun gedrag hadden waardig gemaakt, en voorts met nieuwe gezinnen, welker uitzending alsdan kon worden verwacht.
ng
Zijne toespraak, aan de mededeeling van het Besluit voorafgaande, gaf blijk van deze meening. âHet voorstel,quot; zoo luidt het daarin, âom de proeve van kolonisatie geheel te staken, wordt buiten gevolg gelaten. Men zal daarentegen trachten de aangevangen proeve voort
te zetten, evenwel niet op den tegenwoordigen voet____
Men zal nu tot de kolonisatie ook Duitsche landverhuizers toelaten____ Indien niet allen, dan zullen toch
sommigen uwer de gelegenheid, de opnieuw hun aangeboden gelegenheid, tot eene verstandige keus weten te gebruiken, en de belangen hunner gezinnen en kinderen behartigen....quot;, waartoe hij zijn tusschenkomst aanbood.
âDoch verstaat ons wel, wij zullen en willen dit alleen voor die van u doen, die aan des Ministers vermaningen gehoor verleenen en tot ondergeschiktheid, onderlinge eendragt, matigheid, spaarzaamheid, ook arbeidzaamheid zich willen en zullen vereenigen. Met dezulken zullen wij gaarne in overleg treden.... zoodra van hunne zijde daarvoor de bereidwilligheid aan ons zal te kennen gegeven zijn.... Ik wil u met geene beloften en toezeggingen dringen of verbinden. Doch ik mag u de verzekering niet onthouden, dat gij u op onzen raad, zoo welmeenend als goed, veilig kunt verlaten en geene teleurstelling zult te vreezen hebben.quot;
Slechts weinigen evenwel bleken vertrouwen te stellen in deze verzekering; voor de meesten âluidde deze eindbeschikking als een doodvonnisquot; en zij die, voldoende aan\'de tot hen gerichte uitnoodiging, zich met
120
den Bestuurder trachtten te verstaan, zagen in het door hem aanbevolene niet het middel âter verkrijging- van een onafhankelijk bestaan, hot zeven jaren lang gehoopte en gewenschte doel hunner komst in dit land en waarvoor zij armoede en ellende (hadden) geleden.quot; quot;)
De plannen, waarvan men in Europa zwanger ging, waaronder de oprichting eener Maatschappij van Kolonisatie en de uitzending van Duitsche kolonisten, bleven intusschen den Bestuurder met hoop vervullen; hij trachtte daarom den gestelden termijn te benuttigen om aan zijne plannen tot vestiging eener nieuwe kolonisatie op het bestaande terrein uitvoering te geven. Reeds in 1850 had hij daartoe den kolonist Tammenga, die, zooals hij schreef: âalles met een scherpen blik opneemt en grondig overtuigd is van het uitlokkende om naar herwaarts te emigreeren,quot; naar Nederland gezonden, om daar de kolonisatie te bevorderen. Zonder goeden uitslag evenwel; Tammenga keerde onverrichter zake naar Groningen terug en verliet kort daarna deze plaats om zich te Paramaribo als bakker te vestigen.
Terwijl intusschen alles om hem heen in puin viel, de woningen der kolonisten alle zonder uitzondering bouwvallig waren, vele op instorten stonden, de verlaten hutten reeds op den grond lagen, te midden van verwilderde, met kapewirie begroeide akkers, en telkens weder de besten onder de kolonisten Groningen ver-
\') Adres der kolonisten, 27 Februari 1S52.
I 2 I
lieten, zag hij in zijne verbeelding duizenden Duitschers en Zwitzers zich onder zijne leiding scharen en de nu tot een wildernis geworden vestiging opnieuw bevolken; kocht hij eigenmachtig, voor rekening der voorgenomen maatschappij, de plantage Morgenster, met de daarbij behoorende groote slavenmacht, en trachtte intusschen een deel der nog aanwezige kolonisten over te halen tot blijven, ten einde groote cacao-velden aan te legg-en, terwijl hij pogingen aanwendde om door het opperbestuur in het bezit gesteld te worden van alle gronden en gebouwen op Groningen.
Hoe het er intusschen in 1852 aldaar uitzag, leert het volgende uittreksel uit een schrijven van den Gouverneur, dd. 19 October 1852.
âVan al wat ik op mijne reis gezien heb, is mij niets zoo tegengevallen als Groningen; veel had ik dienaangaande reeds gehoord; ik had mij echter voorg\'enomen om geene opinie te vormen, vóór ik ter plaatse mij van den stand der zaken overtuigd had.
âAl wat men hier aantreft, met uitzondering van de woning van den dominé, de kerk, de doctorswoning en het huis dat tot apotheek en logies van den apotheker, tevens schoolmeester, dient is ellendig\'; de woningen der nog aanwezige kolonisten zijn letterlijk meest allen in eenen onbruikbaren en hoogst bouw-valligen toestand en gelijken meer op beestenschuren dan op woningen bestemd om menschen te huisvesten; door de meeste daken kon men zon en maan aanschouwen, zoodat bij de minste regen do bewoners nat
worden; in één woord, ik ken geene termen die met juistheid de ellende en do naarheid uitdrukken, die men allerwege ontmoet.
âOpvallend is de ontevredenheid, die men bij alle de kolonisten ontwaart.... Maar wat nog het ergste is, zagen meest allen er ongezond en ziekelijk uit; den Dominé dit opmerkende, vermeende hij dit te moeten wijten aan hunne levenswijze; in hoeverre deze veronderstelling waar is, kan ik niet beoordeelen, maar dat alles te zamen genomen, hem, die nog niet van alle menschelijkheid ontdaan is, innig aangrijpt, en onwillekeurig met een weemoedig gevoel vervult, zullen de meesten met mij moeten instemmen. Ook op de kinderen is dit slecht uitzien algemeen van toepassing: bleek, waterachtig, met dikke buiken dwalen die arme schepseltjes daar rond; de Bestuurder zeide dit veelal kwam door het eten van onrijpe vruchten!quot;
Door twee der nog aanwezige kolonisten, van Velt-huijzen en Woutersz, werd tot den Gouverneur het verzoek gericht om voor rekening van den lande naar Nederland te worden teruggezonden; deze meende hieraan niet te mogen voldoen, doch, terwijl hij hen aanmaande om door ijverige beplanting hunner tuinen voor hunne behoeften van het aanstaande jaar te zorgen, want dat zij er stellig op konden rekenen, dat hun na 1852 hoegenaamd niets meer van Landswege te wachten stond, wees hij toch op de dringende noodzakelijkheid om hen, van wie het duidelijk gebleken is dat zij niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, toch eeniger-
123
mate bij te springen, daar zij zonder dat, van armoede en gebrek zouden moeten omkomen. Vooral achtte hij het noodig âde weezen, die zich niemand aantrekt,quot; naar Nederland terug te zenden.
Tot nu toe had de Regeering zich ongeneigd betoond iets meer ten behoeve van de kolonisten te doen; afgaande op de Haar verstrekte berichten, was zij maar al te bereid geweest in de kolonisten lieden te zien, die hun ongeluk te wijten hadden aan âlediggang en zorgeloosheid. quot; De beschrijving evenwel door den Gouverneur van den toestand op Groningen gegeven; het feit, âdat de aanzienlijke posten tot onderhoud der gebouwen op de begrooting uitgetrokken, al zeer slecht klopten met den treurigen staat waarin de woningen der kolonisten zich bevonden;quot; de omstandigheid, dat âjuist diegenen hunner waarover de Bestuurder zich het hevigst had beklaagd, vol lust en ijver bij Paramaribo werkzaamquot; waren, zooals de Gouverneur aanteekende, dit alles stemde Haar oordeel gunstiger; zij besefte dat het plicht was âdeze ongelukkigen niet aan hun treurig lot over te laten,quot; en droeg daarom den Gouverneur op de daarvoor noodige voorzieningen te treffen.
Deze was zijnerzijds niet genegen aan het tot hem gerichte verzoek, om de plannen tot uitbreiding der kolonisatie te steunen, te voldoen.
Wel trachtte de Bestuurder den indruk door de ongunstige verklaringen van den Gouverneur en de uitlatingen der kolonisten gemaakt, in eene uitvoerige Memorie te wederleggen, een en ander toeschrijvende aan onvol-
124
ledige kennis van den toestand, vooringenomenheid en de ontevredenheid en baatzucht van âdie oude bedurven hoop,quot; wier grootste genot het was den Bestuurder te belasteren, terwijl deze âzich sterk maakte nog wel honderd gezinnen in Nederland te zullen vinden, die gehoor zouden willen geven aan zijn roepstem,quot; doch de Gouverneur had geen vertrouwen in den uitslag en bleef voortzetting der kolonisatie een onbegonnen werk achten, zoodat hij er zich toe bepaalde aan de kolonisten, die zulks behoefden en wenschten, de behulpzame hand te bieden en overigens tot handhaving van het besluit tot opheffing van het etablissement adviseerde, waartoe werd besloten.
Eene epidemie, de van elders aangebrachte gele koorts, welke van 1851 tot 52 in Suriname heerschte, dunde intusschen de rijen der nog aanwezige kolonisten ; anderen, aangelokt door de gunstige berichten omtrent hen die zich in den omtrek van Paramaribo hadden gevestigd, volgden hun voorbeeld, zoodat, toen op 31 Mei 1853 de eindelijke ontbinding plaats vond, buiten 28 personen behoorende tot de gezinnen dor ambtenaren, zich op Groningen nog slechts 14 weduwen en weezen en 1 ongehuwde kolonist, bevonden. De jaarlijksche bezoldiging door het aanwezige personeel genoten, bedroeg f 15000.
De kolonisatieproeve te Groningen a/d. Saramacca was afgeloopen, na aan het Rijk 6\'/2 ton gouds te hebben gekost.
Vraagt men welke resultaten daarvoor waren ver-
125
kregen, dan moet het antwoord luiden: schijnbaar geene, want al mocht men aanvankelijk hebben gemeend, dat zij had geleid tot eene bevredigende oplossing der vraag omtrent de mogelijkheid voor den Europeaan om in Suriname den veldarbeid te verrichten, zonder zijne gezondheid te benadeelen, na al wat omtrent het gedrag der kolonisten was medegedeeld, rees rechtmatige twijfel ook aan de juistheid dier vermeende oplossing; veeleer rees de vraag: of die gunstige gezondheidstoestand niet in verband stond met hunne werkeloosheid; niet een gevolg was van het luie, gemakkelijke leven, dat door hen heette geleid te zijn, en of bij meerdere inspanning de nadeelige invloed van het heete luchtgestel zich niet zou hebben doen gevoelen.
Deze vraag was gerechtvaardigd, nu men nog uit de laatste berichten van den Bestuurder kon vernemen, dat de kolonisten, die zich van Groningen hadden verwijderd, âverarmd en leegloopend, schaden aan ons moreel overwigt over de slavenbevolking en meer en meer ten laste komen der kolonie, wat evenwel door de mededeelingen van den Gouverneur werd weersproken.quot;
De mogelijkheid dat deze âsedert zes jaren aan lediggang, zorgeloosheid en jenever overgeg-even kolonisten,quot; zooals beweerd werd, door daden een ander antwoord zouden weten te geven, werd in Xederland niet verondersteld. Hoe zou âuit zulke bedorven hoofdstoffenquot; iets anders worden verkregen dan een met lepra en dronkenschap besmet proletariaat!
De Bestuurder keerde met de zijnen naar het Moeder-
126
land terug-, in het genot van een pensioen van/2964. De verdere beambten werden in andere betrekkingen geplaatst, gepensionneerd of op wachtgeld gesteld, en Nederland bekommerde zich niet meer om hen, die, zooals werd aangenomen, in de hoop een luilekkerland te vinden, naar Suriname waren getogen, doch nu naar men verwachtte, in armoede, gebrek en zedelijke ellende achterbleven.
Zij hadden dit immers te wijten aan eigen schuld!
VUL
DE HOLLANDSCHE BOEREN NABIJ PARAMARIBO.
In 1855 werd men weder voor een oogenblik aan het bestaan dier kolonisten herinnerd, door een Adres aan de Tweede Kamer, geplaatst in de Amsterdamschc Courant van 8 Augustus, gedateerd: Suriname, 31 Maart en onderteekend door A. en G. van Ravenswaaij, E. van der Klift en J. C. van Brussel.
Zij waren dus nog niet allen verdorven en gestorven ? zoo vroeg men verwonderd, en de verbazing steeg op het bericht, dat deze lieden, âlui, zorgeloos, ongeschikt, aan den jenever verslaafd,quot; beweerden niet alleen door eigen arbeid in hun onderhoud te voorzien, maar zelfs goed vooruit gingen en met hun lot tevreden waren; dat vijftien huisgezinnen reeds na verloop van weinig
127
tijds in het bezit waren van 194 stuks runderen en overvloed van ander klein vee.
Er werden vreemde dingen in dit Adres gezegd. Zoo verklaarden de adressanten met groote verwondering vernomen te hebben, dat er in de Tweede Kamer leden waren, die eiken gulden aan de kolonisatie in Suriname ten koste gelegd, als weggeworpen beschouwden. Maar die leden moesten omtrent hunne lotgevallen al zeer slecht op de hoogte zijn. âWat toch de ongezondheid van dit land en de sterfgevallen onder ons aanbelangt, daarvan hebben velen een duister begrip. ... De bijzonderheid, dat sedert onze vestiging in 1845, niemand der later aangekomen kolonisten overleden is, mogen wij niet verzuimen onder de aandacht te brengen.quot;
En het geld? Zeker, het smartte hun dat de proeve zooveel geld had gekost; maar wist men wel, dat het Bestuur en de bestuurskosten alleen 31/2 ton hadden verslonden? En het overige geld, och, âalles werd doelloos uitgegeven zonder eenig nut voor de kolonisatie, aanzienlijke sommen nutteloos verkwist en al de uit Holland voor duizenden guldens meegebrachte goederen, op weinige uitzonderingen na, verknoeid en verwaarloosd. quot;
En toch stond dit vele geld naar hunne meening, âniet in vergelijking met de waarde der uitkomsten, die wij thans leveren; deze zijn; dat wij door onze arbeidzaamheid bevestigen, dat men in Suriname land-bouwen kan en landbouwende zijn bestaan vinden en
128
dat alzoo de kolonisatie van Suriname door Hollanders mogelijk en dit schoone land van zijnen ondergang te redden is.quot; De woorden in de Tweede Kamer gesproken, getuigden âvan geen zaakkennis. Wij zeggen, dat de Nederlander in Suriname ïvcl werken kan en zijn brood vinden, want den staat waarin wij thans ver-keeren, hebben wij uitsluitend door eigen handenarbeid verkregen, en wij die zooveel hebben doorgestaan,
bevinden ons zeer goed bij dezen arbeid.....
âWij zeggen, dat het betreurenswaardig is, dat er in Holland zooveel ellende geleden wordt, terwijl hier zoovele menschen een onbezorgd bestaan konden vinden. Hoe verlangen wij naar een talrijk kroost, want wij zijn niet bezorgd wat zij eten zullen en hoe zij, wanneer zij groot zijn geworden, een bestaan vinden.
âNa eene tienjarige ondervinding zeggen wij, dat Suriname zeer goed door Nederlanders kan gekoloniseerd worden, maar de maatregelen moeten niet in Nederland genomen worden, op grond van gezegden van tweeden of derden. Geen kostbaar bestuur, want menschen die hun eigen belang kennen, weten zich zeiven te besturen. Met een kostbaar bestuur en diens aankleve, ging op Groningen alles achteruit. Hier worden wij aan ons zeiven overgelaten cn het belang van ieder persoon is zijn beste bestuurder^\'
Zonderlinge taal voorzeker voor hen, die de rapporten, voorheen over deze lieden uitgebracht, gelezen hadden, over hen, die men steeds had voorgesteld als alleen hunkerend naar hulp van het Gouvernement en
129
daarom âGouvernementskinderenquot;, âbedelaarsquot;, âeen bedurven hoopquot; had gescholden.
Zoo zouden zij dan ten slotte nog gelijk hebben gehad, toen zij schreven, dat de schuld dat zij bedelaars waren geworden, niet aan hen lag, maar aan hen, die hen daartoe hadden gemaakt!
Hunne woorden vonden evenwel geen geloof; de hoop, door hen uitgedrukt, âdat dit schrijven niet vruchteloos zal zijn .... en wij alzoo spoedig meerdere onzer landgenooten tot ons zien overkomen, om mis tegenwoordig genoegelijk lot te deelen,quot; werd niet verwezenlijkt.
Op dat tijdstip bevonden zich nabij Paramaribo 27 gezinnen van kolonisten, bestaande uit 73 personen; hun veestapel beliep 194 stuks hoornvee, voorts hadden zij 32 akkers in bebouwing en 144 tot weidegronden aangelegd. Wanneer men in aanmerking neemt, dat de massa hunner arm en berooid, velen ziek en uitgeput, zich daar hadden gevestigd, dan was dit resultaat, in zoo korten tijd verkregen, niet gering te noemen. Den gunstigen keer in hunnen toestand dankten zij, naast eigen vlijt en inspanning, aan de verstandige hulp der Gouverneurs Van Raders en von Schmidt auf Alten-stadt, die aan ieder gezinshoofd een paar koebeesten ter leen gaven en een planken huis voor hen lieten bouwen, terwijl aan de meest behoeftigen een voorschot voor leeftocht werd verstrekt. De uitgaven bedroegen niet meer dan y8oo per gezin, voor de 27 gezinnen in het geheel weinig meer dan te Groningen
9
3°
in één jaar aan bestuurskosten werd uitgegeven. In 185,5 hadden de meesten hunner het geleende rundvee reeds teruggegeven of vergoed en waren de voorschotten voor het grootste deel afbetaald.
De handelwijze van den Gouverneur Van Radars verdiende te meer erkenning, daar het Opperbestuur aanvankelijk ongenegen was daaraan hare goedkeuring te schenken, en geneigd was de gedane uitgaven voor zijne rekening te laten. Waren de kolonisten werkelijk de lieden geweest, zooals zij waren voorgesteld, dan zou hun dankbaarheid jegens dien Gouverneur, door hen âden Edelequot; genoemd, moeten verwonderen. Nu toonden zij ook daarin hoezeer zij miskend waren geworden.
Het was voor velen hunner een zware tijd, nadat zij, âuitgeput an Liggaam en Ziel, nies hebbende as een sobere Kleding,quot; zooals het in hun dank-adres dd. 15 Maart 1852 luidt, zich nabij het Kwatta-kanaal hadden neergezet, om de kolonisatieproeve opnieuw te beginnen ; ditmaal in vollen zin âaan zich zeiven overgelatenquot; ; immers na hot vertrek van den Gouverneur von Schmidt auf Altenstadt, duurde het tot i8go, aleer weder een Gouverneur zich persoonlijk omtrent hunnen toestand op de hoogte stelde. Stil en vergeten leefden zij voort, hunne akkers bebouwend met bananen, cacao, kost, hun vee weidend en de vruchten van hunnen arbeid op de markt te koop aanbiedend; doch de wensch: vele kinderen te mogen krijgen, werd vervuld; hun aantal nam toe, hun veestapel breidde zich
i3i
uit en slechts gebrek aan goede bouw- en weidegronden belemmerde de gewenschte uitbreiding hunner vestiging.
Nederland had hen intusschen vergeten: het herinnerde zich nog slechts de droevige voorvallen van 1845, het vele âverknoeide geldquot;, en in 1891 kon men bij monde der Regeering vernemen: âvroegere pogingen om West-Indië te kolontseeren door Europeanen, hebben ten gevolge van het klimaat, geen gunstige resultaten opgeleverd.\'quot; â )
Zoo was dan alles tevergeefs geweest. Vergeten; vergeten ook door het eigen Bestuur. Hunne weilanden bedierven door gebrekkige waterloozing, ofschoon het Bestuur de voorziening daarin bij ruiling van gronden, in i860 op zich genomen had, en deze met geringe kosten kon geschieden; malaria, gevolg van dien toestand, sleepte van 1865 tot 1870 vele krachtige men-schen ten grave; doch alles bleef bij het oude. âElke nieuwe Gouverneur gaf nieuwe beloften, maar van de uitvoering kwam niets; kortom, wij werden doodgezwegen.quot; 1) Hun vee verziekte op de vochtige weidegronden; eerst na jaren wachtens werd, in 1893, een veearts aangesteld. In 1884 verklaarden 25 hunner, waarvan 1 1 in Europa geboren, zich bereid om 3175 H.A. domeingrond te koopen of te pachten, wanneer van Bestuurswege gezorgd werd voor loozing en den aan-
1
a) Brief van J. C. van Brussel, Juli 1894.
132
leg van een weg; zij wachten nog steeds op antwoord.
Neen, deze voormalige âGouvernementskinderenquot; werden thans niet meer vertroeteld; geen magazijn van levensmiddelen stond meer voor hen open om daaruit een kruiwagen vol levensbehoeften om niet te ontvangen ; zij hebben zelf en zwaar moeten arbeiden. â Gedurende 36 jaren,quot; schreef in 1884 de toen 7ojarige J. C. van Brussel, âheb ik in de kolonie en dagelijks op het veld gewerkt.quot; En hoe er dikwijls gewerkt moest worden, blijkt uit het boven aangehaald schrijven van Juli 1894; âIn het afgeloopen jaar, toen door buitengewoon zware regens en daardoor veroorzaakten hoogen waterstand, de beplantingen van mijne zoons on neven onderliepen, zijn zij genoodzaakt geweest om 14 dagen achtereen, tot aan de heupen in het water, omgevallen boomen, paragras en andere moe-rasplanten op te ruimen, om het bovenwater schot te geven. Waren zij ten gevolge van dezen arbeid ziek geworden en bezweken, dan had men daaruit bewijzen kunnen trekken, om de onmogelijkheid van kolonisatie met Europeanen in Suriname te staven.quot;
Geen slag van lieden, geschikt om âin alles de leiding en voorlichting van den Herder en Bestuurder te volgen,quot; voorzeker. Het is waar, niet allen waren als hij, niet allen slaagden als hij; er schuilden ontegenzeggelijk verkeerde elementen onder de kolonisten ; maar deze uitzonderingen kunnen de beteekenis niet verminderen van hetgeen door de anderen werd verkregen, hierin bestaande, dat luidens het jongste
133
Koloniaal Verslag hun veestapel op 31 December 1893 bestond uit 769 runderen, 26 paarden, 53 ezels en eenig pluimvee, terwijl zij bovendien eigenaren zijn van uitgestrekte cacao-, bananen- en weidegronden.
En dat alles werd verkregen door eigen arbeid, aanvankelijk zonder eenige gehuurde hulp.
De wakkere grijsaard J. C. van Brussel mocht het feest niet beleven, den 20 Juni 1895 aan den Verlengden Gemeenen Landweg, nabij Paramaribo gevierd, den dag waarop vóór vijftig jaren de eerste kolonisten van de Susanne Maria de hutten op het moerassige Voorzorg aanschouwden.
Op het erf der boerderij van de wedwe. Tammenga kwamen zij bijeen in de fraai versierde feesttent, de meer dan 200 mannen, vrouwen en kinderen, wier tegenwoordigheid op die plaats zoowel als wier uiterlijk voorkomen, de waarheid aantoonde van hetgeen zij in 1855 het ongeloovige Nederland toeriepen: âdat wij door onze arbeidzaamheid bevestigen, dat men in Suriname landbouwen kan en landbouwende zijn bestaan vinden, en dat alzoo de kolonisatie door Hollanders mogelijk is.quot;
â\'t Was een aangenaam gezicht al die door de zon gebruinde boeren, gezond, welgemoed, opgeruimd en prettig gestemd, en niet minder hunne vrouwen, allen feestelijk bijeen te zien; maar wat nog meer bekoorde, was het groot aantal gezonde en flinke kinderen van eiken leeftijd, dat daar dooreen krioelde en eene afdoende verklaring aflegde, dat de kolonisatie van Hol-
134
landsche boeren er over 50 jaren nog anders zal uitzien.quot; \')
En toen de feestredenaar, de landbouwer Copijn Rijsdijk, in tegenwoordigheid van Z. E. den Gouverneur, diens echtgenoote en tal van genoodigden, de lotgevallen schetste van de kolonisten aan de Sara-macca, toen menig oog vochtig werd bij de herdenking van het groote leed, dat daar werd geleden, zal ook menige hand zich hebben gebald, bij de herinnering aan zooveel onverdiend geleden smaad en hoon.
Daar zaten zij, de overgeblevenen en afstammelingen van de als bedelaars en luiaards gescholdenen, dankbaar dat het hun gegeven was de onjuistheid dier woorden te staven, doch wellicht zich niet ten volle bewust van de grootschheid der door hen vervulde taak.
Daar zat G. Overeem, een der eersten die den voet aan wal zette te Voorzorg; zijne ouders zag hij ten offer vallen aan de epidemie; âzwak en ziekelijk van gestel,quot; zoo werd hij in 1847 gesignaleerd 1); in Rama zag hij zijn leven en dat zijner vrouw door ziekte bedreigd en lieten zij hun eenig kind; arm en uitgeput vestigden zij zich nabij Paramaribo en werkten als dag-looners. En nu klinkt het uit den mond van den tegen-woordigen eigenaar van 1\'Hermitage, die in 1865 voor korten tijd naar Nederland terugkeerde: âknap is hij, die mij hier weer vandaan krijgt! Wij hebben \'t volop
1
a) Verslag der Commissie 1848.
35
en zijn gezond en gelukkig. En dan,quot; wijzend op zijne 37 kinderen en kindskinderen: âte zeggen, dat een Hollander hier niet kan aarden!quot; \')
Daar zaten de van Brussel\'s, de Tammenga\'s, de Rijsdijk\'s, de Loor\'s en zoovele andere familiën, als zoovele getuigen, âdat de Hollandsche boer, indien de torreinkeuze goed is, het in de tropen best kan uithouden, mits hij sober leeft en zich weet te regelen naar het klimaat. Van ras-degeneratie is geen sprake. Het tegenwoordig geslacht moge niet zoo forsch gebouwd zijn als de Hollandsche boeren en boerinnen, het is niet minder gezond en taai bij den arbeid.quot; Dus oordeelen over hen onpartijdigen, die geene onvoorwaardelijke voorstanders zijn eener boerenkolonisatie. 1)
Zeker, het was en is ook voor hen niet alles boter tot den boom. Ook in de eenvoudige boerenwoningen, die de plaats vervangen der gedroomde, ânette landhuizen, quot; wordt de waarheid bevestigd, dat every house has its skeleton. Maar hoevele Hollandsche boerenvrouwen zouden, na een moeitevollen arbeid van een halve eeuw, het Vrouw Loor durven nazeggen: â Wij hebben \'t goed; imj leven hier ten minste van ons eigen en goed ook.quot; 2)
1
) Muller en Hoekstra, als boven.
2
) Als boven.
Mag thans g-erustelijk worden gezegd; de kolonisa-tieproeve van 1845 is gelukt, ook al zal de toekomst moeten leeren welke hare beteekenis zal blijken te zijn en welke schakel zij vormt in de geschiedenis der beschaving ?
Niet allen zullen die vraag onvoorwaardelijk bevestigend beantwoorden.
Zij is gelukt met de meest taaie en de krachtigste individuen, overgebleven nadat de zwakkeren zijn bezweken, en zij bewijst dus niet dat kolonisatie op uitgebreide schaal, als naar Noord-Amerika, mogelijk is, zoo zal men zeggen.
Maar G. Overeem dan, âziekelijk van gestel,quot; en die vele anderen wier gezondheid door de epidemie werd geknakt? Verdient zij voorts geene opmerkzaamheid, de omstandigheid dat van de van Brussel\'s, ïam-menga\'s enz., die na de epidemie van 1845 in Suriname arriveerden, en die van den aanvang af tot de beste kolonisten behoorden, er geen bezweken is ten gevolge van klimatologische invloeden ? Behoorden dan juist zij, bij uitzondering, tot die meest taaie en krachtige individuen, of zijn zij niet veeleer de typen van de gewone landverhuizers, die als regel, niet tot het minst veerkrachtige deel der bevolking behooren? Eene landverhuizing in massa, zonder rekening te houden met leeftijd en physieke en moreele eigenschappen, zal in elk land en onder elk klimaat moeten mislukken. En dan vrage men onze landgenooten in Kansas, Califor-nië enz. hoevelen dor duizenden, die jaarlijks in het
\'37
vorrc Westen en elders hunne blokhuizen en huizen bouwen, beter, neen, zoo goed slagen als de kolonisten in Suriname.
Aan welke eisehen behoort eene landbouw-kolonisa-tie te voldoen, zal men haar als geslaagd mogen beschouwen ?
i0. Dient boven allen twijfel verheven, dat de landbouwers geregeld en voortdurend veldarbeid kunnen verrichten, zonder nadeel voor hunne gezondheid.
Die twijfel kan, ten opzichte van Suriname, bezwaarlijk meer bestaan, na hetgeen hierboven is medegedeeld.
2°. Dit is evenwel niet voldoende. âDe vraag is,quot; zoo schreef de Minister J. C. Baud in 1846, âof zij dien arbeid in zulk eene mate kunnen verrichten, dat zij daarin voor zich en hun huisgezin een behoorlijk en duurzaam bestaan kunnen vinden.quot;
De kolonisten aan de Saramacca konden het antwoord op die vraag niet leveren; de hollandsche boeren nabij Paramaribo gevestigd, hebben daarentegen gedurende veertig jaren dat âbehoorlijk bestaanquot; door eigen arbeid verworven.
30. dient bewezen, dat de kolonisatie zich door voortteling en vermenigvuldiging kan staande houden en uitbreiden.
Hierop mogen de cijfers antwoorden: in 1855 telden de 27 gezinnen, die zich nabij Paramaribo hadden gevestigd, 73 zielen; in 1895 waren zij aangegroeid tot ruim 200, ongerekend zij, die het landbouwbedrijf met oen ander hebben verwisseld, of naar elders getrokken
138
zijn; de geboorten overtreffen geregeld het sterftecijfer; in 1893 werden elf geboren en stierven er geene. Wel is het Hollandsche bloed niet bij allen zuiver bewaard; er hebben gemengde huwelijken, er heeft erkenning van natuurlijke kinderen bij inlandsche moeders plaats gehad; deze gevallen zijn evenwel niet menigvuldig. Zij zullen talrijker worden naarmate het zielental toeneemt, zonder aanwas van buiten. De omstandigheid dat de meeste gezinnen onderling vermaagschapt zijn en het aantal vrouwen dat der mannen slechts weinig overtreft, moet op den duur een ongunstigen invloed uitoefenen, vooral in een land welks klimaat de vroegtijdige ontwikkeling van het sexueele leven bevordert, doch thans zijn deze ongunstige invloeden nog niet overheerschend.
Aan deze drie hoofdvereischten is dus tot heden voldaan. Den 5 September 1851 schreef de Oud-Minister J. C. Baud: âDe eenige gunstige omstandigheid die is blijven bestaan, is de gezondheidstoestand der kolonisten. Deze heeft zich na het uitwoeden der eerste epidemie staande gehouden; de geboorten overtreffen bestendig de sterfgevallen. Deze uitkomst is gewigtig; zij bewijst, dat zoo er vele keerkringslanden zijn, waar de Europeaan met behoud van zijne gezondheid geen veldarbeid kan verrigten, Nederlandsch Guyana ten deze eene uitzondering maakt.quot; Zou hij, die toen terecht de kolonisatieproeve onvoldoende oordeelde, wijl zij niet het bewijs had geleverd, dat door dien veldarbeid een behoorlijk en duurzaam bestaan kon worden gevonden,
139
thans aarzelen te erkennen: dc kolonisaticprocve is gelukt?
Zal de kolonisatie ook in de toekomst kunnen slagen ?
Ik wensch niet vooruit te loopen op de conclusiën der Commissie, in 1892 door den Gouverneur benoemd; met opdracht daaromtrent een onderzoek in te stellen. Eene grondige beantwoording dier vraag zou bovendien eene uitvoerige bespreking van Surinaamsche toestanden noodig maken, en ik heb reeds zooveel van het geduld des lezers geëischt! Slechts een paar opmerkingen voorkomen;
Sommigen gronden hun twijfel op Suriname\'s geringe bevolking van 60000 zielen en op de omstandigheid, dat ook de Britsch-Indische immigranten zich steeds meer op den kleinen landbouw toeleggen. Zoolang evenwel jaarlijks nog voor een bedrag van 3 \'/2 millioen wordt ingevoerd aan noodzakelijke levensbehoeften en artikelen, die in de kolonie zelve zouden kunnen worden geproduceerd, behoeft de vrees voor concurrentie niet af te schrikken, daar iedere producent ook nieuwe consumenten levert. Bovendien heeft het voorbeeld der Boeren voldoende geleerd, dat sommige stapelprodukten door hen met voordeel kunnen worden geteeld, terwijl aan deze teelt eene nog ongedachte uitbreiding kan worden gegeven.
Maar, zoo beweert men, de toekomstige kolonisatie zal afstuiten op gebrek aan geschikt en goed gelegen terrein. De ondervinding der Boeren schijnt toch de juistheid te bevestigen der bewering van den Gouver-
140
neur van Raders, dat de kolonisatie moet uitgaan van den omtrek van Paramaribo, terwijl het voldoende is gebleken, dat het daar aan geschikt terrein ontbreekt.
Daargelaten of de stelling van den heer van Raders nog thans in zóó letterlijken zin dient opgevat, dat bij verbeterde gemeenschapsmiddelen, kolonisatie elders, bv. op de gunstig gelegene, vruchtbare vlakten van Coronie, aan de Coesewine en elders volstrekt onmogelijk zoude zijn, zoo geldt deze opmerking toch slechts den bestaanden toestand. De werken door den Ingenieur v. d. I. W., D. H. Havelaar, ontworpen, endoor de Kol on. Staten goedgekeurd, bedoelen evenwel in dien toestand verbetering te brengen en door betere afwatering, uitgestrekte terreinen in den omtrek van Paramaribo geschikt te maken voor cultuur. Komen deze plannen tot uitvoering, dan zullen in de nabijheid van de vestigingsplaats der Hollandsche boeren, geschikte gronden beschikbaar komen, geschikt ook daardoor, wijl de nieuwe kolonisten aldaar gevestigd, hun voordeel zullen kunnen doen met de duur gekochte ervaring der ouderen, of wel uit die nabijheid het middel putten om gedurende hunnen eersten, onver-mijdelijken leertijd, door het verrichten van daglooners-diensten, in eigen behoeften te kunnen voorzien.
141
IX.
SLOTWOORD.
Wie het verloop der verschillende proefnemingen tot kolonisatie, welker geschiedenis ik getracht heb naar waarheid te schetsen, heeft willen volgen, zal getroffen zijn door het feit, dat zij alle mislukten door omstandigheden onafhankelijk van klimatologische invloeden en van de geschiktheid der kolonisten voor het verrichten van veldarbeid.
Men zal uit dien hoofde allicht geneigd zijn de schuld te zoeken bij personen, hetzij bij hen die aan het hoofd stonden als uitvoerende macht, als leiders en bestuurders, hetzij bij de kolonisten. Ten onrechte evenwel, naar ik meen. Hun invloed op den uitslag valt wel is waar niet te ontkennen, maar niet de personen alleen droegen schuld. Kappler, het werd herhaaldelijk erkend, leefde het contract met zijne werklieden gesloten, eerlijk na en hij zelf verklaart, dat deze hunnen plicht deden. De Bestuurders van Groningen, zij mochten op menigerlei wijze falen, beoogden ongetwijfeld naar de mate hunner krachten, het welzijn hunner geadministreerde!! te bevorderen, terwijl deze later voldoende bewezen den arbeid niet te schuwen.
Toch mislukten al deze proefnemingen, ondanks den steun van Societeit en Regeering, terwijl daarentegen
142
de individueele pogingen in meerdere of mindere mate met voldoenden uitslag werden bekroond.
De Labadisten faalden: de gelijktijdig gearriveerde Fransche uitgewekenen daarentegen kwamen tot voorspoed, evenals de Joodsche kolonisten. De Paltzers en Zwitsers gingen te gronde, ondanks den steun der Societeit; de Wurtembergers, hoewel de gezondheidstoestand niets te wenschen overliet en zij voor hun werk geschikt bleken, verlieten Albina en hunne vestiging ging te niet, ofschoon de bekwaamheid van het hoofd, Kappler, weinig te wenschen overliet. De kostbaar bestuurde onderneming te Groningen had een treurig verloop, hoewel beschikkende over ruime middelen en al den steun van Staat en Koloniaal Bestuur, terwijl daarentegen de op eigen krachten aangewezen Boeren nabij Paramaribo naar wensch slaagden. Evenzoo leverden alle kolonisatieplannen, waarvan het midden dezer eeuw zoo rijk was, gebaseerd op of gesteund door hulp van den Staat, in weerwil van de groote sommen daaraan besteed, geen enkel positief resultaat op en bleef het vraagstuk der kolonisatie onopgelost.
Wijst dit alles er niet op, dat niet de personen in de eerste plaats de schuld droegen der mislukking, zoomin als het klimaat en de ongeschiktheid van den kolonist voor veldarbeid, maar dat deze was gelegen in het stelsel, het stelsel waardoor de kolonist afhankelijk werd gemaakt van de inzichten, den wil van anderen ; dat hem zijne individueele zelfstandigheid
43
deed verliezen, eigen veerkracht uitdoofde? De vijfjarige ondervinding van de werking van een kostbaar Bestuur, en de eveneens vijfjarige ervaring van de gevolgen van het handelen onder eigen verantwoordelijkheid, deden den Surinaamschen boeren verklaren; âMenschen die hun eigen belang kennen, weten zich zeiven te besturen,quot; en de slotsom waartoe zij na harde leerjaren kwamen, was deze; âKet belang van ieder persoon is zijn beste bestuurder.\'quot;
Tot de talrijke lessen uit de geschiedenis der kolo-nisatieproeve van 1845 te trekken, behoort, naar het mij voorkomt, dan ook deze: dat de kolonisatie niet moet zijn eene Gouvernomenteele, op de Staatskas steunende, van boven af geleide onderneming, maar eene zelfstandige daad, waarvan men de gevolgen vooraf heeft berekend, die komen op eigen hoofd, wanneer de middelen tot den goeden uitslag benoo-digd, blijken te ontbreken.
Met het oog op toekomstige plannen zal het goed zijn deze les niet te vergeten.
Zij die gelooven aan de mogelijkheid eener maatschappelijke organisatie, op groote of kleine schaal, waarin de prikkel van het eigenbelang wordt gemist, zullen door dergelijke slotsom niet worden bevredigd. Evenmin zij, die zich geene kolonisatie op eenigszins uitgebreide schaal kunnen denken, zonder de directe hulp, inmenging en leiding van den Staat, of wel van eene indirecte door middel eener geoctrooieerde Maatschappij. Toch bevestigt de uitkomst van de kolonisatie-
144
proeve te Groningen, slechts die van alle gelijksoortige proefnemingen van vroegeren en lateren tijd. Wat is er geworden van de phalansteres, de Brookfarms en al dergelijke ondernemingen, bij welke de prikkel van het eigenbelang werd gemist? Te Groningen waren schijnbaar alle factoren tot welslagen noodig aanwezig: de beschikking over rijke hulpmiddelen; de krachtige steun van den Staat; eene âconstitutiequot; na rijp overleg door bekwame personen vastgesteld; kolonisten die tot het beste deel der bevolking geacht werden te behooren, en een eerlijk, welmeenend Bestuur; toch mislukte deze onderneming, omdat één factor ontbrak, welks gemis niet opwoog tegen het bezit van alle andere en welke voldoende bleek den Boeren later te doen slagen, toen alle andere factoren ontbraken. Zullen latere ondernemingen en organisaties over dezelfde gunstige factoren kunnen beschikken en zoo ja, zullen zij beter slagen en waarom ?
De les uit deze proefneming te leeren, komt mij voor deze te zijn: dat elke kolonisatie van Suriname, beproefd op den grondslag van en de wijze als die van 1845, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, zal moeten eindigen met mislukking.
Wil men de kolonie geven wat zij, naast andere en meerdere niet-Europeesche arbeidskrachten, behoeft: eene krachtige, energieke bevolking van landbouwers en boeren, dan zal men moeten trachten deze te verkrijgen door bevordering der individueele kolonisatie; op welke wijze deze zoude kunnen bevorderd worden
145
en moeten zijn ingericht, zal eerst met vrucht overwogen kunnen worden, wanneer de inhoud van het Verslag der Commissie van 1892 bekend zal zijn. Alsdan zal kunnen worden nagegaan welke medewerking van den Staat tot dat doel behoort te worden gevraagd, ook bij beperking van die Staatshulp binnen engere grenzen.
Mijn doel was alleen om door eene juiste voorstelling van feiten, te waarschuwen voor eene herhaling van gepleegde fouten en voorts ten duidelijkste aan te toonen, dat een beroep op vroegere mislukte proefnemingen niet houdbaar is, of om de woorden van den Gouverneur van Raders te gebruiken: te doen zien, âdat de proefnemingen te Groningen niets ter contrarie bewijzen.quot;
Mocht ik hierin zijn gcslaag-d, dan zal wellicht deze arbeid, door het wegnemen van bestaande vooroor-deelen, kunnen bijdragen tot bevordering van het doel, naar welks verwezenlijking eerst met ernst kan, maar dan ook zal behooren te worden gestreefd, wanneer zal blijken, dat ook de conclusie der Surinaamsche Commissie van 1892 ten opzichte van de mogelijkheid van kolonisatie even gunstig luidt als die harer voorgangsters van 1844 en 1852. Om het schoone, rijk gezegende Suriname, beschikkend over rijke bronnen van welvaart van onderscheiden aard, op te heffen uit den toestand van verval. Om te voorkomen, dat deze kolonie, bij gebreke aan eene voldoende, krachtige bevolking van Europeeschen oorsprong, het lot deelt
I4Ã
der Spaansch-West-Indische koloniën, onvatbaar zich op stoffelijk en zedelijk gebied op te heffen tot de hoogte waartoe zij vatbaar zoude zijn. Voorts, ten einde den band, welke de kolonie aan het Moederland verbindt, nauwer te maken, opdat niet te eeniger tijd, wellicht spoediger dan vermoed wordt, de slapheid van dien band leidt tot scheiding. En eindelijk, om aan de duizende sterke, krachtige mannen en vrouwen, die ofschoon willende en kunnende arbeiden; in Nederland dikwerf tevergeefs uitzien naar loonenden arbeid, of die ondanks sloven en werken, slechts een kommervol bestaan kunnen verwerven, de gelegenheid te openen om daarginds in de schoone Nederlandsche Kolonie Suriname eene betere toekomst te vinden, om daar, zooals Vrouw Loor zeide: Van hun eigen te leven, en goed ook!
Mocht het mij tevens zijn gelukt door de herinnering aan hen te verlevendigen, rechtmatige hulde te brengen aan de wakkere mannen en vrouwen, die daar ginder onder de tropische zon, het bewijs hebben geleverd, dat dezelfde eigenschappen, die oud-Holland hebben groot gemaakt, nog leven in ons volk.
Het hart moet ons warm kloppen bij de gedachte, dat deze eenvoudige, ongeletterde lieden, die een der belangrijkste vraagstukken van onzen tijd hebben beproefd op te lossen, deze echte pioniers der beschaving, Nederlanders zijn en zich voortdurend Nederlanders blijven gevoelen. De letters W en E, die op dien gedenkwaardigen 20 Juni 1895 de feesttent aan den
â 47
Gemeenen Landweg sierden, te midden van vlaggen en groen, zij vormen den band die hen en ons verbindt, en deze is er niet minder hecht om.
Geen ridderkruisen beloonden deze dapperen, die gedurende eene halve eeuw leden en streden; hunne namen, weldra vergeten, staan niet opgeteekend in een Livre d\'Or, doch hun voorbeeld, bewijs van hetgeen oud-Hollandsche coicrage vermag, blijft leven en prik-kele anderen tot navolging. Wellicht dat dan eenmaal door het kleine, door eigen kinderen te dikwerf ge-kleinachte Nederland, bij de vele lesson, der Beschaving voorheen geleerd, eene nieuwe wordt gevoegd.