\'i â 1 f \' t \'
ai«KA3quot;i lij;-!
Kast 228
PI. F N0A5
DE AARDE IS DES II BE REN.
a RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT ^
IIIH.................
0435 2351
De Aarde is des Heeren.
VEERTIEN\' VÃORDRACHTEN
DOOK
Dr. J. H. GUNNING J.Hz.
Predikant te Utrecht.
----------
Rotterdam. D. A. DAAMEN. 1898.
Stoomdrukkerij, D. van Sun amp; Zook. â Rotterdam.
EEN ENKEL WOORD VOORAF.
De welwillende lezer ontvangt hier, in een bundel vereenigd, een veertiental voordrachten, door mij oji verschillende plaatsen des lands gehouden. Men heeft ze gewoonlijk met een toegenegen oor aangehoord, en de uitgever meende dat zij ook gedrukt zich enkele vrienden konden verwerven.
Ik geef ze uit onder den titel: âDe aarde is des Hoerenquot;, omdat dit de grondgedachte is, die int elke lezing spreekt en die mij, hij veelsoortigen anderen arbeid, den hist geeft ook af en toe mei zulk een woord op te treden. Ik kan niet nalaten, zij het dan ook in anderen vorm dan bij de gewone verkondiging des Woords, het heerlijk Evangelie van mijnen Heiland aan te bevelen, en toen een bekende letterkundige kring mij eens op zeer aanlokkelijke voorwaarden om eene lezing vroeg, waarin mijn âeigenaardig geloovig standpuntquot; niet op den voorgrond trad, heb ik moeten weigeren, eenvoudig omdat zoo iets mij onmogelijk is. Maar dat dit âeigenaardig standpuntquot; een mensch niet belemmert in zijne levensvreugd, en in eene hartelijke blijdschap over al de werken Gods, loeet ieder, die de genade ontving zich voor Jezus Christus te buigen als voor de Bron van al wat schoon, liefelijk en heerlijk is, en heb ook ik in mijne lezingen altijd uitgesproken.
Deze voordrachten maken up geenerlei wetenschappelijke beteekenis aanspraak. Ook zijn ze voor zeer verschillende hoorders
gehouden, naar gehuig ik bijv. de eer had in Teyler\'s aanzienlijk Genootschap dan wel voor eene eenvoudige Jongelingsvereeniging up te treden, en vanzelf is dan ook de toon en de vlucht in de eene verschillend van die der andere. Een reisje of een mooi boek gaven gewoonlijk den eersten stout, en met de vrucht van verdere lectuur icerd mijne schets dan aangevidd. Om de lastige Aanteekeningen te vermijden, noem ik nergens mijne bronnen of citaten, maar wie in het onderwerp, dat ik behandel, tehuis is, zal spoedig bemerken wddtii.it ik putte en hoeveel ik daaraan soms ontleende.
Behalve hier en daar eene kleine schrapping, heb ik niets aan het eenmaal geschrevene veranderd. De eerste dezer lezingen is nog een vrucht uit mijn studententijd; zij komt dus om een heel zachtmoedige beoordeeling vragen. De andere zijn in de verschillende jaren mijner bediening ontstaan.
Moge dit boekske hier en daar eenige oogenblikken van aangename verpoosing bereiden en den lezer versterken in het blijmoedig en vertroostend geloof, dat, ondanks alle machten van zonde en van duisternis, die er zich openbaren, de aarde toch des Heeren is, mitsgaders al hare volheid!
J. H. GUNNING J.Hz.
Utrecht, Jidi 1898.
INIIOUDSÃPGAVK
Geschiedenis.
Blz.
I. De val eener Koningsstad............. 1
I[. Een held in pijn en banden...........35
lil. Een heilige uit de Middeleeuwen......... 65
IV. Een ketter uit de Middeleeuwen.......... 99
Kebk en Maatschappij.
V. Drie Kerken..................lol
VI. Eene Kerk onder het Kruis............167
VII, Rome en het Evangelie.............201
Reisbeschrijvingen.
V1U. Indrukken uit Beieren en Tyrol..........225
IX. Een kijkje in Londen...............255
X. Tien dagen in Rome................295
va peel a nd en kunst.
XI. Het Koningschap................829
XII. Do Vaderlandsche Vlag.............803
XIII. Do Christen en de Muziek.............889
XIV, Oude en nieuwe Kunst..............417
I.
DE VAL EENER KONINGSSTAD.
i ]
lt;
\\ ]
( ( 1
1
1
( ( ( i
i
i
\\ ]
lt;
Mijne Hoorders!
Ik heb te Eome gestaan onder den triomfboog van Titus, opgericht ter gedachtenis aan de verovering en verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus. Daar is geen monument in het aan monumenten en ruïnes zoo rijke Rome, dat dérmate de gedachten doet vermenigvuldigen als dit â geen welsprekender getuige van de waarheid van \'s Heeren Woord dan deze zwijgende massa van steenen, waaronder nog heden ten dage geen Israëliet wil doorgaan. Ge ziet nog duidelijk onder de gebeeldhouwde gewelven een stoet van overwonnen Joden, gelijk zij op den triomftocht naar het Forum heengeleid werden, en vóór hen uit worden gedragen de geroofde schatten uit Jeruzalem, waaronder men den zevenarmigen kandelaar, die in het heilige stond, nog kennelijk onderscheidt. Arm volk, uw eigen vreeselijke wensch is vervuld: âZijn bloed kome over ons en onze kinderen!quot;
Ik wensch u een blik te doen slaan op de laatste levensdagen van het Joodsche volk, onmiddellijk voorafgaande aan de verwoesting van Jeruzalem. Nieuws kan ik u niet mede-deelen. Flavius Josephus is in aller handen, en daaruit heb ook ik de bijzonderheden geput, waaruit ik mijn verhaal heb samengesteld. Ik geef het u in den vorm eener eenvoudige novelle, zoodat de hoofdpersonen kinderen mijner verbeelding zijn, doch, naar ik vertrouw, geheel geplaatst in de lijst van hunnen tijd. Wanneer ik u dan op deze wijze nog iets ter verfrissching uwer historische herinneringen kan bieden, zal mijne moeite rijkelijk beloond zijn. Schenkt mij dan een welwillend gehoor!
Op den morgen van een schoonen najaarsdag, anno 67 onzer tijdrekening, zat een achtbaar grijsaard, in diep gepeins
verzonken, in zijne opperzaal, wier dikgetralied venster hom wèl vergunde alles gade te slaan wat er op de straat, aan zijne voeten gebeurde, maar hemzelven voor eiken voorbijganger onzichtbaar maakte.
Hij, die nooit het voorrecht had, dit huis binnen te treden, zou niet hebben vermoed, dat het den rijken en in geheel Jeruzalem beminden priester Hanan tot woonplaats verstrekte, want uiterlijk onderscheidde het zich weinig of niet van de woningen der kleine stadsburgers. Een massief vierkant gebouw met witgepleisterde muren, die hier en daar de duidelijkste sporen vertoonden van in jaren niet te zijn nagezien; geen breede, luchtige vensters, maar een enkele kleine opening om versche lucht binnen te laten; slechts eéne verdieping, en een leelijke trap, die van de straat, naar Oostersche wijze, toegang tot het platte dak verleende â waarlijk, het verschil was groot met de marmeren paleizen der aanzienlijke Jeruzalemmers, die in hooge verdiepingen en met overvloed van vensters en zuilengangen hunne fraaie woonhuizen hadden opgetrokken naar Grieksch of Romeinsch model. En toch, â we zeiden het reeds â gij zoudt u vergissen, wanneer ge den eigenaar dezer woning voor een arme naar de wereld hadt gehouden. Treden wij naar binnen en gij zult het tegendeel zien!
De voordeur geeft op den bovensten balk naar oud-vaderlijke manier het Besjaloom, dat is: ivees welkom, te lezen, en nadat wij door den ijzeren ring, die als klopper fungeert, onze tegenwoordigheid verraden, en door den vriendelijken ouden slaaf, die eerst onzen naam moest weten, zijn binnengelaten, staan wij in de gang. Deze doorgaande komen wij aan de binnenplaats, en staren met verbazing naar al de schoonheid, die ons thans omringt. Zoo doodsch en dor het er van uitzag, zoo
liefelijk en fraai is het hier van binnen. In plaats van naakte, kale muren zien wij ons omringd door eene fraai geplaveide binnenplaats, die aan den schaduwkant eene prachtige open zuilengalerij heeft, waar het heerlijk moet zijn om uit te rusten of in vriendelijken kout heen en weer te wandelen. Op dezen hof komen allerlei deuren uit, die wij echter nu nog niet ont-
sluiten, daar wij eerst de treden van glndsche trap gaan beklimmen, die, evenals de reeds genoemde buitenshuis, naar het breeds, platte dak henenleldt. Wat bekoorlijke aanblik daarboven ! Een ruim voetpad, aan de straatzijde evenals naar binnen van stevige borstweringen voorzien, omsluit den geheel openen binnenhof, welks murmelend water en frissche boomen en bloemen ons bijna berouw zouden doen gevoelen dal. wij de zonnige trappen zijn opgeklommen, wanneer wij niet een onweerstaanbaren drang gevoelden, dat gindsche kleine kamertje gade te slaan. Dat is de opperzaal, een weinig buiten den muur en boven de voordeur uitgebouwd, aan weerskanten van eene overdekte galerij voorzien, en zóó goed tegen de brandende zonnestralen beschut, dat het er heerlijk frisch en koel is. En bovenal, hoe rustig is het daar! Van de beneden heen en weer loopende slaven en dienstmaagden, van de bevelen der huisvrouw, van het bereiden der spijzen, van dat alles merkt en hoort men niets dan een flauw gegons, dat eer tot mijmeren dringt dan de aandacht In beslag neemt. De kamer is hoogst eenvoudig gemeubeld. Een tafel op lage pooten, waarboven eene lamp, die nu natuurlijk niet brandt, en daar omheen in den vorm van een halven cirkel een divan, een soort canapé van donkere stof â zietdaar alles wat wij er vinden!
Met het hoofd op beide handen leunende zit daar een man van Israël in diep gepeins ter neder. Het haar begint Jaei»--reeds te grijzen en diepe voren zijn in dat voorhoofd ingegroefd, en als hij weldra uit zijne mijmering opwaakt, zeggen u de donkere grijze oogen, waar een onbeschrijfelijke smart zich in afspiegelt, dat hij niet met vr ooi ij Ie harte naar zijne opperzaal is henengegaan.
Gij zoudt hem anders zijne 70 jaren niet geven, zoo krachtig is nog die borst, zoo ongebogen die rug, zoo vastberaden die fijn besneden mond. Maar toch â zijne ziel is bekommerd en gedrukt, en met trillende stem roept hij uit, luider dan hij zichzelven bewust was;
âZou de Eeuwige werkelijk Zijne heilige Stad verlaten en Zijne erfenis overgeven in de handen der onbesnedenen ? Zou
- 6 -
Sions tempel zelfs betreden worden door die onreine voeten en Gods altaren ontwijd door schennende hand ? O Mattathias! zal dat het loon voor uw heldenmoed zijn?quot;
En de tranen vloeiden den krachtigen man over de wangen, die in vroeger jaren met onbevochtigd oog zijn innig geliefde vrouw en drie zijner kinderen den doodssnik had zien geven. De tempel zijns Gods â o, hetzelfde bloed stroomde ook in zijne aderen, dat Eli, den Hoogepriester, van schrik bleef stille staan, toen hij hoorde, dat Jehovah\'s arke was weggeroofd. Ook hij zou het niet overleven als de woning zijns Gods werd vernield. âMaar neen, dat kan niet!quot; zoo roept hij uit, opspringende van zijne rustplaats en schuchter rondziende, als vreesde hij, dat iemand hem bespied had â âneen, de God van Abraham zal Juda beschermen, en Hij zal zich erbarmen over Jeruzalem! Onze God heeft Sion gegrond, opdat de bedrukten Zijns volks eene toevlucht daarin zouden hebben!quot;
En met een gelaat van vreugde stralend nam hij de rolle van zijn lievelingsprofeet Jesaja in handen en las, terwijl hij zich ten teeken van eerbied het hoofd met den tulband bedekt hield, die heerlijke woorden met luider stemme voor:
âDan zal dit lied gezongen worden in het land van Juda: wij hebben eene sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen; doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga! Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten U, o Heere! verwacht. Tot Uwen naam en tot Uwe gedachtenis is onzer zielen begeerte âquot;
Toen hij eindelijk de boekrol ter zijde legde en zijne oogen ophief naar den binnenhof zijner woning, zag hij in de deur der opperzaal eene vrouwelijke gestalte. Een oogenblik betrok zijn gelaat, want ivie durfde hem ongeroepen in deze zijne eenzaamheid storen? Maar onmiddellijk verving een glimlach den stroeven blik, want zij, die voor hem stond, was Rebecca, zijn éénige dochter, zijn éénig kind. Drie zonen had hij gewonnen, maar God had ze met hunne moeder van zijne zijde weggerukt. De vreeselijke tering had eerst zijne vrouw en toen haar kroost ten grave gesleept, en twintig jaren lang had
Hanan eenzaam zijn somber levenspad bewandeld. Hij geloofde in een alwijzen en goeden God, al kostte het hem menige ure van twijfeling, wanneer hij zag op de graven zijner lieven, of op de talrijke herinneringen aan zijn vroeger geluk. Maaibij had het peinzen opgegeven en met een âGod is groot en wij begrijpen Hem nietquot; zich geheel en al geworpen op zijn priesterlijk werk, zijnen Gode welgevalligen tempelarbeid. Doch zie, reeds was hij de jaren voorbij, dat het bloed zoo vurig door de aderen golft en het hart zoo doet jagen met koortsigen gloed, toen eene schoone dochter van Bethlehem al de liefde zijner jeugd hem weer terugschonk in de ziel. Weder werd zijne woning eene liefelijke oase in de woestijn-reize, door God hem opgelegd â helaas, helaas, zijn Elim werd hem weer in een Mara veranderd, juist toen hij tot volle kennis van zijn onuitsprekelijk geluk was gekomen! Met innige vreugde had Mirjam â zoo heette zij â aan haren man het geheim barer toekomstige moedervreugde geopenbaard en samen hadden zij den God van Abraham, Izaak en Jakob gesmeekt zich te erbarmen over moeder en kind. Maar ach! toen hare ure kwam, ontvlood hare ziel aan hei felgeprangde lichaam, en met het hulpelooze wichtje in zijne armen stond Hanan bij het lijk zijner vrouw, die hij meer had bemind dan den tempel zijns Gods. Toen werd het nacht voor zijn oogen, en nacht ook in zijne ziel, en had niet het onwankelbaar geloof, dat alles door een zorgenden Vader besteld was, hem weerhouden , hij had de hand aan zijn leven geslagen. Men fluisterde zelfs in Jeruzalem, dat hij eenmaal met dat doel naar den donkeren hof des Olljfbergs gegaan was, maar dat een vogel daar zóó wonderschoon gezongen had, dat Hanan den gan-schen nacht geluisterd en eindelijk, toen het morgenrood aanlichtte, weder vrede gevonden had in Gods weg, zoodat hij geheel zijn boos opzet vergat. Wat hiervan ook zij: Hanan ivas teruggekeerd in meer dan éénen zin. Het lijden had zijn voorhoofd gerimpeld en zijn karakter ernstig en somber gemaakt, maar zijn hart ook gelouterd, zijn geloofsvertrouwen bekrachtigd, en voortaan kende hij maar één levensdoel: zijnen
God te dienen en zijn kind te verzorgen. Die twee vloeiden bij hem samen. In den tempel, onder al zijn ambtswerk, bleef zijne dochter hem in de gedachte, en als hij in zoete mijmering of leerrijk gesprek bij haar was nedergezeten, scheen het hem soms toe, dat hij den Heere het heilige reukwerk ontstak.
Wat liefelijke verschijning, die Rebecca, thans een volwassen maagd van achttien jaren! Het gitzwarte haar golfde over den marmeren schouder en omlijstte een hoofd, dat, ronder dan bij de meesten harer volksgenooten, als een lelie op haar stengel rustte op den fraaist gebouwden hals. Een sneeuwwit kleed omgaf hare schoone gestalte, terwijl geen enkel sieraad, product eener ijdelheid, die haar slechts misstaan zou hebben, aan oor of hals was aangebracht.
Een wereld van gedachten lag er in dien blik, waarmede zij, met lichten tred de trappen naar het platte dak opgegaan, haren vader aanzag, die langen tijd hare tegenwoordigheid niet bemerkte. Het was een blik vol liefde, maar ook van stille vreeze; een blik der hope, maar tevens van halve vertwijfeling. Zij zag wel aan het gebogen hoofd en de hijgende borst van den grijsaard, dat daar iets ongewoons in hem omging. Tegen zijne gewoonte had hij, van den tempel teruggekeerd, haar niet opgezocht en een kus gegeven, maar snel en sprakeloos was hij naar de opperzaal henengegaan. Lang had Rebecca hem met verlangen verbeid, doch eindelijk kon zij zich niet meer bedwingen, en toen zij ook nu nog haars vaders gelaat niet te zien kreeg, verried zij opzettelijk hare tegenwoordigheid door een diepen zucht. Onmiddellijk zag Hanan op naar de deur van zijn vertrek, en den blik zijner dochter ontmoetende, stond hij eerbiedig op â want Hanan eerde in haar de gedachtenis zijner vrouw en zijner moeder tevens â en vroeg haar met vriendelijken glimlach:
âWat voerde u herwaarts, mijne dochter?quot;
ââVergeef mij, zoo ik u opriep uit uw peinzen, lieve vader! maar gij toefdet zóó lang, dat ik eenig ongeval vreesde en het waagde u te storen. Ik hoorde u zoo pas luide spreken.
en wat ik verstond waren recht schoone woorden. Zijn ze niet van Jesaja ben-Amos?quot;quot;
âJa, mijn kind, dat zijn ze, wonderschoone woorden, die een treurende in Sion bovenmate vertroosten. Docli.... mijn hart is nu te vol, om er thans met u over te spreken. Ga met mij mede en geef mij eene teug waters, want de tong kleeft mij aan het verhemelte. Daarna zullen wij te zamen de gewijde taal van Gods profeet nog eens herlezen en overdenken.quot;
Hierop sloeg Hanan zijn bevenden arm om de ranke leest zijner dochter en daalde met haar in de binnenplaats af. Deze overgegaan zijnde, verdwenen zij weldra in eene der rijk gemeubelde woonkamers, waar Rebecca met vlugge hand haren vader een dronk waters met wijn vermengd toebereidde en zich daarna op een bankje aan zijne voeten neerzette.
Wat zij met elkander bespraken willen wij thans niet beluisteren, daar ik u eerst in breede trekken den toestand van het Judea en Jeruzalem dier dagen moet beschrijven.
Diegenen onder u, die de geschiedenis van het Joodsche volk kennen, herinneren zich hoe spoedig de blinkende zon der Makkabeeuwsche vorsten in nevelen was ondergegaan. Een veertigtal jaren vóór de geboorte van onzen Heiland was de toestand reeds ondraaglijk geworden en de harde overheersching der Romeinen nog een weldaad, vergeleken bij de stelselmatige onderdrukking der inlandsche vorsten. Weldra werd de laatste afstammeling van den edelen Mattathias, den grondvester der Hasmoneëndynastie, vermoord en kwam, onder Rome\'s heerschappij, het bestuur aan Antipaters zoon, den Edomiet Herodes, bijgenaamd den Grooten. Deze krachtige en, ondanks al zijn afschuwelijke eigenschappen, geniale en merkwaardige man liet, toen hij vier jaren vóór Christus\' geboorte stierf, aan zijne drie opvolgers niets dan een gevloekten naam en eene onhoudbare regeering na. Zijne zonen waren met elkander onophoudelijk in strijd, en brachten, daar zij elk in hun kleine gebied de pracht en weelde huns vaders wilden voortzetten,
- 10 -
door hunne uitpersingen en wreedheden de bevolking tot vertwijfeling. Eindelijk kwamen de Romeinen, maakten aan al de vorstendommetjes een einde en lijfden Palestina bij hunne provincie Syrië in, met een eigen onder-gouverneur, procurator geheeten. Van het jaar 44 tot 66 hadden de ongelukkige Joden zeven van zulke bestuurders, de een al harder en wreeder dan de ander. Blind voor het fanatisme der Israëlieten, die bij elke ontheiliging van hun tempel of hun godsdienst in woede ontstaken, onderdrukten Rome\'s legioenen eiken opstand in stroomen van bloed, totdat eindelijk onder Gessius Florus, die , van 64 â 66 het stadhouderschap bekleedde, het lijden ondraaglijk werd.
De uitbarsting greep plaats te Cesarea aan zee. Terwijl de Joden dier stad in hunne synagogen bijeen waren, stelde een of andere opruier een aarden pot vlak voor hunne vergaderplaats op, keerde dien ondersteboven en ging daarop eenige vogels offeren. Deze klaarblijkelüke bespotting hunner Wet, die in Leviticus XIV eene dergelijke plechtigheid bii het offer der melaatschen voorschrijft, bracht de Joden in de heftigste verontwaardiging. Slechts met groote moeite werd een bloedbad voorkomen, maar toen kort daarop de Romeinsche landvoogd te Jeruzalem met gruwzame willekeur aan het moorden toog en zelfs Romeinsche burgers aan het kruis liet slaan â toen was het vuur van den opstand onmogelijk meer te bedwingen. Gessius Florus moest voor de woedende volkshoopen de wijk uit Jeruzalem nemen, waar zelfs de gevreesde cohorten zijn persoon niet meer konden beschermen. Masada, eene bijkans onneembare vesting ten westen der Doode Zee, werd op de Romeinen veroverd, en eindelijk ook hunne bezetting in de stad van David tot overgave gedwongen en, nog wel op een Sabbat, tegen den gedanen eed, die haar lijfsbehoud toezegde, man voor man in de pan gehakt. De verbittering der Joden kende matiging noch grenzen. Overal, waar men ze grijpen kon, werden de heidenen van Tibers veste geslacht, en met barbaarsche vreugde trokken benden sicariërs (aldus noemt men de ijveraars, die eiken Romein poogden te vermoorden, naar sica, het Latljnsche
- 11 -
woord voor dolk), stad en land af, neervellende en verbrandende wat hun vernielenden gang durfde tegenstaan.
De machtige keizer der Eomeinen was op het hooren dezer voorvallen buiten zichzelven van woede. Vespasianua wordt met zijn zoon Titus aan het hoofd van 60,000 geoefende krijgers naar Syrië gezonden, om den radeloozen keizerlijken landvoogd te versterken, en weldra was in geheel Jeruzalem de ontzettende tijding aangebracht: âDe Romeinen zijn komende; zij zullen hunne wraak koelen aan de stad en den tempel des Heeren!quot;
Dit was juist het bericht, dat den priester Hanan in zoo heftige gemoedsbeweging gebracht had. Hoewel hij dien dag zelf geen dienst had gedaan, was hij toch naar zijn gewoonte bij het morgenoffer tegenwoordig geweest, en had bij het verlaten van het voorhof der heidenen een verren bloedverwant ontmoet, dien hij in jaren niet had gezien, doordat deze tegenwoordig metterwoon in Damascus gevestigd was. Doch een geheimzinnig verlangen had hem naar de stad Davids henengevoerd, om nog eens als in vroeger dagen zich op Slons tempelhoogte met Israels vromen te vereenigen. En van dezen man had Hanan dingen vernomen, die zijne ziel ten diepste bedroefden. Heel Syrië was in gisting en het leed geen twijfel of de Romeinen, die in Galilea de eene vesting na de andere veroverden, zouden spoedig voor de wallen van Jeruzalem zijn aangekomen.
âAch, mijne dochter!quot; zoo riep hij uit, nadat zij nog eens de profetie hadden gelezen, die hem zoo pas in zijne eenzaamheid had getroost â âhoe anders is nog altoos de werkelijkheid! Hoe weinig hope is er, dat ivi/j nog eens dat lied zullen zingen! Hoe zwaar wordt ons geloof op de proef gesteld!quot;
ââO,quot; antwoordde hier Rebecca met stralende oogen, âGods beloften falen niet. Ja, wij zullen gewis nog een nieuwen lofzang aanheffen, maar ... Isrel zal nimmer tot leven ontwaken, of eerst moet het sterven.quot;quot;
- 12 â
âJa, wij wetenquot; zoo ging Hanan voort, blijkbaar zonder op de woorden zijner dochter veel acht te slaan, âwij weten, dat geene belofte des Almachtigen ter aarde valt. Maar â hetgeen wij voor oogen zien is toch zoo geheel anders dan het harte begeert van degenen, die Jeruzalem beminnen. Het zijn toch zoo donkere wegen, die de God onzer vaderen met Zijn rampzalig nakroost houdt! En zag dit het gevaar nog maar in, erkende dit nog maar de straffende hand des vertoornden Verbondsgods! Maar, helaas, het snelt met open armen zijn verderf te gemoet. Nog hedenmorgen werd ik door een troep van die afvalligen bespot, zonen van Israël in Grieksche kleedij, en maar al te goed hoorde ik hen smalen: âZóó, vrome tempelganger, ga gij uwen dooden God maar aanbidden; hij zal u wel goed vechten mogen leeren, wanneer de legioenen onzer beschermers gekomen zi]n!quot; En voort snelden zij naar het amphitheater, om voor Augustus\' en Nero\'s beelden te wierooken. O, ik vreeze, dat de Eeuwige Zijne hand aftrekt van Zijn ontaarde erve . . .!quot;
ââDus gelooft gij thans óók, dat Jeruzalem vallen zal, mijn vader?quot; riep Rebecca uit met een onmiskenbaren toon van vreugde, die den ouden priester ten diepste bedroefde. âVroeger toch wildet gij daar nooit van hooren, toen ik u de woorden van den Gekruisten Nazarener verhaalde, die reeds vóór 30 jaren de overwinning der Eomeinen voorspelde!quot;quot;
âZwijg, mijne dochter, zwijg, zeg ik u,quot; antwoordde Hanan met eene ergernis en drift, die hij zelfs voor zijn aangebeden kind niet wist te verbergen. âHeb ik u niet verboden dien gehaten naam ooit in mijne tegenwoordigheid te noemen? Heb ik niet zelf met vreugde hem zien wegleiden naar Golgotha, zoo billijk en welverdiend veroordeeld door onze vrome Farizeën?quot;
â âMaar vader!quot; zoo sprak thans Rebecca met plechtigen ernst, terwijl een hooge blos hare wangen verfde, âindien eens Zijn woord vervuld stond te worden, indien eens de adelaars van Rome neerstreken op de verslagenen van Jeruzalem, indien eens Zijn bloed werd bezocht aan de kinderen van hen, die Hem kruisigden?quot;quot;
- 13 -
âNeen, neen.quot; antwoordde Hanan met^toorn in zijne stem en den gloed der verontwaardiging in het oog; âeen gehangen Koning kan Israels Messias niet wezen! Neen, die gekruisigde Eabbi heeft gelogen, gelogen zeg ik u, hoort gij mij? Het Woord onzes Gods blijft onveranderlijk, en geen steen van Zijn heiligen tempel zal worden geschonden! Ofschoon â (en hier verving een doffe nevel den glans van zijn schitterend oog) â ofschoon.... de God van Elia leeft wel, maar Hij zendt Zijn Elia\'s niet meer om tegen de Achabs en Izebels te getuigen! Daar zijn machtige wonderen en teekenen van noode om het ongeloovige Juda tot bezinning te brengen, en ach! geen wonder geschiedt, geen teèken wordt gegeven, Gods hemel is als gesloten boven onze hoofden!quot; ....
Juist wilde Rebecca antwoorden en haren vader een zachte heenwijzing geven naar de oplossing van al die raadselen, gelijk zij die steeds meer bij dien gekruisten Nazarener vond. Wiens naam zij zelfs niet mocht noemen, toen daar eene zonderlinge verschijning binnentrad, die aan Rebecca zoowel als aan Hanan een kreet van schrik en verbazing ontlokte. In hun levendig gesprek hadden zij den klopper op de voordeur niet vernomen, evenmin als de komst van een vreemdeling, en eer zich Rebecca sluieren of verwijderen kon, had hij hare hand gegrepen met den uitroep; âDochter van Israël! de schoonheid van uw gelaat zal vergaan, en asch zal komen op uw hoofd, tenzij ge u wreekt op de vijanden Gods!quot;
Had er niet zulk eene akelig-waanzinnige uitdrukking op het somber gezicht des sprekers gelegen, die met zijn verwilderde haren, zijn gescheurden mantel, bovenal doorzijn rollende, duivelsche oogen meer op een bewoner der hel dan der aarde geleek, Rebecca ware zeker niet in staat geweest een glimlach te bedwingen; nu echter trok zij zich sidderend los uit zijne met bloed bevlekte hand en leunde schuchter tegen haren vader aan, die aldus den woesteling aansprak:
âSimon bar-Goria, wie gaf u het recht aldus in mijn binnenvertrek door te dringen en voor mijne oogen mijne dochter te beleedigen?quot;
- 14 -
â âWee u, gij priester!quot; klonk het ten antwoord, âwee u, gij dienstknecht van Baill, die het kleed van Jehovah draagt, doch den naam van Jehovah bespot. Gij, die de vijanden onzes Gods hebt verdragen en samenspant tegen de vrienden van Sion. Zie, zie, de Romeinen rukken aan! Machtige ruiters op snelle rossen, gewapend met schild en werpspies, met slinger en boog, en hunne hand zal wezen tegen Jeruzalem en tegen den tempel, tegen de woning en tegen de altaren onzes Gods. Wee, wee u, gij hebt het gewild!quot;quot;
Ik voel hier eene enkele opheldering aan mijne hoorders schuldig te zijn, die waarschijnlijk minder goed dan Hanan weten wie deze Simon was, want hij, en allen, die in het Jeruzalem dier dagen geene vreemdelingen waren, wisten het maar al te wèl! Simon bar-Goria was het ultra-patriotisme in zijn waanzinnigste openbaring. Met eene bende uit de heffe des volks, die steeds aangroeide onder den druk der Romeinen, had hij stad en land in rep en roer gebracht, geheel Judea doorgetrokken, en niet alleen eiken onbesnedene, dien hij machtig kon worden, om hals gebracht, maar ook iederen Jood, die afvallig was geworden aan de strengste inzettingen der Farizeën, of die zelfs maar eenige neiging tot verdraagzaamheid toonde. Ontelbaar waren reeds de moorden, door hem en de zijnen bedreven, en dat alles ter eere van Israels God! Waar zij ook kwamen, verspreidden zij schrik en doodsangst, en eer hen de wettige Overheid bereiken kon, waren zij spoorloos verdwenen â spoorloos zeg ik, want geen enkele hunner slachtoffers overleefde een stoot hunner vergiftigde dolken. Zij kenden geene bemiddeling, zij gaven noch verwachtten genade â zij begeerden onvoorwaardelijke medewerking of â bloed.\'
Reeds lang was Hanan In de geheime bijeenkomsten dezer sicariërs ter dood veroordeeld. Zij wisten en ervoeren maar al te goed hoe groot zijn invloed op het volk van Jeruzalem was, dat door hem altoos tot onderwerping en gelatenheid was aangespoord, dewijl hij vast vertrouwde, dat er redding komen zou, daar de tempel niet verwoest worden kon!
1
- 15 -
Eindelijk had Simon bar-Goria zijne kans schoon gezien om zijn groeten vijand of tot de zijnen over te brengen, of hem het leven te benemen. Daar zij beiden wisten, dat de kansen voor het eerste vrijwel hopeloos stonden, verheelde de eerwaardige priester zich het ernstig levensgevaar niet, waarin zoowel hij als zijn beminde dochter verkeerden. Doch hij was vast besloten zijn leven zoo lang mogelijk te verdedigen, en zich tusschen Simon en Rebecca plaatsende, sprak hij op waardigen, kalmen toon, zijn hand afwerend naar den sicariër uitstrekkende:
âIk ben onschuldig, zoon van Goria! aan hetgeen gij mij verwijt. Ik heb den tempel mijns Gods boven alles lief, en geen onbesnedene zal er binnenkomen, tenzij dan over mijn lijk. Maar Hij, die den Midianlet versloeg door den adem Zijns monds, die Farao\'s heir verdronk in de zee op één wenk Zijner almacht. Hij heeft onsen arm niet noodig ter verdediging Zijner heilige woning. Zijn engel sal komen als Zijn tijd is aangebroken, en al de legioenen van Tibers stad zullen versmelten als sneeuw voor de zon, vergaan gelijk de benden van Sanherib. Doch Hem, en Hem alleen komt de wrake toe, wij moeten wachten en stille zijn. â Maar bovendien, (zoo ging hij op eenmaal in anderen toon voort, als bedacht hij zich, dat tegenover zulk een indringer geene zelfverdediging op haar plaats was) wie zijt gij, dat gij mij hier in de eigene woning om rekenschap vraagt? Vervoeg u tot het Sanhedrin en dien daar uwe aanklacht tegen mij in! Er zijn toch nog rechters in Israël, en ik weiger niet te antwoorden op wat zi) mij ook zullen voorleggen. Ik gebied u thans mij te verlaten, indien gij niet wilt, dat mijn slaaf u het huis uitwerpt!quot;
Deze laatste woorden, op bevelenden toon gesproken, misten ten eenenmale hunne uitwerking op den verharden booswicht. Zij dreven hem noch tot heengaan, noch lot verhaasting van zijn goddeloos plan. Met een Ijzingwekkende kalmte trok hij den dolk uit zijn boezem, speelde met het vergiftigde staal, dat reeds zoo menig, menig slachtoffer geveld had, en terwijl zijne oogen tintelden van duivelschen wellust, riep hij uit;
- 16 -
âAls gij dan geen vriend wilt wezen van Simon, weet dan, dat zijne vijandschap u het leven zal kosten, hond van een priester! Sterven zult gij, evenals uw langarmige slaaf, die voor uwe deur ligt te zieltogen. Ontkomen zult gij niet aan mijn wrekenden arm!quot; En met deze woorden stortte hij zich op den priester.
Deze ontweek met een behendigen sprong, zijne dochter vastgrijpende, en zijn éénen arm hoog boven haar uitbreidend. De dolk gleed langs den dikken knoop van Hanans gebedsriem af en sneed diens mantel een groot stuk open; doch daarmede boog zich de moordenaar juist zóóveel naar voren, dat de priester hem met een forschen ruk het giftige lemmet ontwringen en door het geopende venster wegwerpen kon. Toch was het wel te voorzien ivie in dezen wanhopigen strijd overwinnaar zou wezen! Weldra had Simon den grijsaard bij de borst en zou hem stellig de keel hebben toegeknepen, â juist slaakte Rebecca een hartverscheurenden kreet, toen ze haar vader voor haar oogen zag sterven, en dat op zulk een wijze â toen daar opeens eene kloeke mannelijke gestalte, van het hoofd tot de voeten gewapend, wiens binnenkomst door geen van drieën bemerkt was, den moordenaar zulk een heftigen slag met zijn schild tegen het lichaam gaf, dat de woesteling eerst ter aarde viel, en daarna in aller ijl zich uit de voeten maakte, nog eer de krijgsman zijn zwaard had kunnen trekken om hem voorgoed onschadelijk te maken.
âBij Zeus! ik moest niet veel later gekomen zijn, of ik had mijne zending gemist, eerwaarde priester!quot; zoo sprak zijn redder hem toe, âen u, schoone jonkvrouw! wensch ik van harte geluk aan dien man ontkomen te zijn â die toch stellig uw bruidegom niet is?quot; voegde hij half schertsend hieraan toe.
Hanan greep erkentelijk de hand van den jeugdigen soldaat, kuste die onder tranen van dank en zeide;
âGeprezen zij de Eeuwige, die Zijnen Engel gezonden heeft om mijn kind te bewaren. Heer, ik ben uw schuldenaar zoolang ik leef!quot;
Nadat de gemoederen een weinig tot kalmte gekomen
- 17 -
waren, en de nog altoos onbekende soldaat helm en zwaard had afgelegd en zich naast Hanan den priester had nedergezet, zeide deze:
âEn nu, edele krijgsman! verhaal ons wie gij zijt,enhoe gij, zoo juist ter rechter ure, hier binnen kwaamt?quot;
ââVolgaarne,quot; antwoordde deze, nadat hij zich door een lange teug wijns had versterkt. âIk heet Alexander Porphurios en ben geboortig uit Athene. Eeeds vroeg verliet ik mijne geboorteplaats, om als opvoeder van knapen mijn brood te verdienen. Want schoon mijne ouders en voorouders sinds onheuglijke jaren vrije burgers van Athene waren, de goden hadden hun wol een zevental kinderen geschonken, maarniet de middelen om hen groot te brengen naar hun stand en naar hunnen wensch. Ik zocht dus al vroeg op eigen wieken te drijven. Nadat een rijke bloedverwant mi] eene goede school had laten bezoeken, begon ik als paedagoog mijn weg door het leven, totdat ik, aangelokt door de schoone vooruitzichten op eer en promotie, mij als soldaat in het leger der Romeinen liet inschrijven.quot; quot;
âZoo hebt gij dan al uwe dapperheid tegen het ongelukkige Israël aangewend, heer Alexander!quot; zeide de priester met somberen blik, âen uwen arm enkel verheven om het bloed te zoeken van de kinderen mijns volks! Ik wenschte wel, dat gij in onze gelederen onzen bitteren vijand hadt bestreden!quot;
ââAch heer,quot; antwoordde de Griek met groote zachtmoedigheid, âmen moet den krijg nemen zooals hij is. Waar zijn bevelhebber gebiedt, gehoorzaamt de soldaat zonder-vragen, ook al bezielt hem geen oogenblik die grimmige haat, die hem doet dorsten naar der vijanden bloed. Geloof mij, waar ik kon heb ik uwe volksgeuooten gespaard en me-er dan ééns mijn beker water met een armen gewonde gedeeld. Ik wil zelfs verder gaan en u rondweg bekennen, dat deze oorlog mij met weerzin vervult. Uw volk is zoo andera dan alle natiën, die ik leerde kennen; daar is iets in hun gedrag, dat mij altoos eerbied inboezemt. Nooit zal ik bijvoorbeeld vergeten hoe wij hen op een Sabbatdag aanvielen en zij als
2
- 18 -
weerlooze lammeren zich lieten slachten, hoewel zij talrijker dan wij en van wapentuig ruimschoots voorzien waren. Doch wat helpen zulke gevoelens in den krijg? Ik moest wel mede met den stroom, die mij voortsleepte. Eerst heden heb ik mijn gelukkig gesternte leoren zegenen, nu het mij in het kamp der Romeinen deed aanlanden, want anders â (en hier gaf de hoffelijke Griek op eerifnafri eene welkome wending aan het gesprek) â zou mij toch waarschijnlijk het voorrecht ontgaan zijn, u van een moordenaarsdolk te bevrijden, en eene jonkvrouw te ontmoeten, die.....quot; quot;
âDie vurig verlangt het verder verhaal uwer lotgevallen te hooren,quot; zeide Rebecca ijlings met een hoogen blos.
ââWelnu dan,quot; hernam Alexander, âik lag te Alexandrië in garnizoen, toen de zoon van onzen veldheer Vespasianus, Titus, tot ons overkwam, om het 5de en 12d0 legioen naar Syrië over te brengen. Met versnelde marschen gingen wij op weg en vereenigden ons te Ptolemaïs met den opperbevelhebber, die al spoedig naar Galilea opbrak. Helaas, hoe veranderden die schoone streken door onze komst! Wij vervulden ze met vuur en bloed! De meeste steden vielen ons gemakkelijk in handen, maar Jotapata bood krachtigen weerstand. Dit moet ik openhartig bekennen, heer priester! uwe geloofs genooten hielden zich dapper en brachten ons meer dan éêne nederlaag toe. Maar de Romein wordt door tegenspoed nimmer gebogen, en had onze veldheer anders wellicht aan het bezit dezer kleine vesting zooveel niet gehecht, nu wij er eenmaal het hoofd voor hadden gestooten, nu moest zij bedwongen worden, het kostte wat het wilde. Van Mei tot Juli legerden wij ons om hare muren, en nimmer zal ik die laatste acht dagen vergeten, hoe wij dag en nacht in levensgevaar verkeerden. Gloeiende olie, brandende pijlen, reusachtige steenen â het regende als hagelbuien op onze troepen neer. Verschrikkelijk was het gedreun der machines en het snorrend gedruisch der katapulten. Onophoudelijk trilde de grond van de lijken, die het een na het ander van de muren afstortten, terwijl de vrouwen binnen in de stad haar gekerm vereenigden met het gejammer der ster-
- 19 â
veilden. De gansche muur droop van bloed, en wij zijn er â eerst over heengekomen, toen de stapel lijken hoog genoeg was om ons ten wal te verstrekken. Van nu af aan trokken wij zegevierend verder â de voorhoede van ons leger staat nog maar drie dagreizen verre van deze stad. Thans ligt Jeruzalem aan de beurt, en het is juist met het oog op hare overgave, dat ik met u in onderhandeling wensch te treden.quot;quot; âJlet mij?quot; riep Hanan, plotseling uit het diepste medelijden met zijne vervolgde landgenooten overgaande in de uiterste verbazing, waarmede zijne verontwaardiging gelijken tred hield; âheer, wat meent gij? Ik ben geen Hoogepriester of Vorst, en bovendien â (en hier richtte zich de grijsaard in zijne volle lengte op en zag met fonkelende oogen den Ro-meinschen krijgsman in het aangezicht) â al was ik het: nimmer zal Hanan de priester samenspannen met Israels - vijanden tegen den onschendbaren tempel zijns Gods!quot;
Daar lag zulk een verheven kalmte en toch tegelijk zulk een gloeiende overwinnings-gewisheid op het gelaat van den zoon van Aaron, dat Alexander onwillekeurig eene eerbiedige beweging achterwaarts maakte en een oogenblik sprakeloos van verbazing tot hem opzag. Op een woedenden uitval was hij bedacht geweest, een hoonend antwoord had hij half verwacht, maar tevens gehoopt den patriot door klem van redeneering te overtuigen, maar zulk een besliste, rustige taal, waaruit de onmogelijkheid van éénig vergelijk ten duidelijkste bleek, was al het minste, waar hij op gerekend had. Doch weldra maakte bij Alexander de verbazing plaats voor medelijden. Jeruzalem kon toch niet in ernst hopen op goeden afloop van een beleg, en juist maakte hij zich gereed den ouden man te wijzen op het volslagen ongerijmde van tegenstand, toen Rebecca, die met klimmenden angst haren vader had gadegeslagen, de eene hand op Hanans schouder, de andere op haren jagenden boezem leggende, uitriep met trillende stem:
âDe Messias is gekomen en Zijn woord wordt vervuld! Dus spreekt de Mond der waarheid: Ziet gij die groote tempel-
gebouwen? Er zal niet één steen op den anderen gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. Wanneer gij dan zien zult den gruwel der verwoesting, dat alsdan zij, die in Judea zijn, vlieden op de bergen. Vader, de gruwel der verwoesting is daar, Jeruzalem sal worden tot een puinhoop ... Vader, ik ben een discipel van dengekruistenNazarener, ikbeneen C/instöi!quot;
Wanneer daar plotseling op dezen helderen middag in Hanans woning een hevige donderslag was vernomen of een flikkerende bliksemstraal had geschenen, de oude priester had niet meer ontzet kunnen zijn dan bij het vernemen dezer woorden. Als had hem een giftige adder gebeten, schudde hij zich de hand zijner dochter van den schouder en ontzet week hij achterwaarts als stond een melaatsche in zijne onmiddellijke nabijheid. Beurtelings bleek en rood wordende van toorn, worstelde hij langen tijd met zichzelven, eer hij zijn gevoel onder woorden kon brengen. Eindelijk vloeide een stroom van tranen uit zijne oogen, die hij met onbeschrijfelijke smart op Rebecca richtte.... âOok gvj, mijn kind, ook gij voor Israël verloren? Mijn dierbaarste kleinood gestolen doordien gekruisigden man ?quot; . . . En zich het hoofd met zijn opperkleed omhullende, trok zich do oude priester met wankelende schreden in zijne opperzaal terug, waar hij langen, langen tijd zwijgend en peinzend nederzat.
Ook Rebecca was niet minder getroffen. Zij had haren vader onbeschrijfelijk lief, en al de jaren van haar leven was hem te bedroeven haar éénige vreeze geweest. Ook wist zij, dat het hem bijkans het harte breken zou, wanneer zij haar groote geheim openbaarde, dat zij, de priesterdochter, den Rabbi van Nazareth als haren Meester beleed, bij Wien alle anderen, ook haar eigen vader, minder waren dan de ijdelheid zelve. Daarom had zij van dag tot dag die voor hem zoo bitter smartelijke bekentenis verschoven, en telkens, wanneer zij heimelijk eene Christelijke vergadering had bijgewoond, Hanans vragen ontweken of slechts ten halve beantwoord.
- 21 -
Deze zag wel in, dat er iets met haar plaats had gegrepen, hij verdacht haar zelfs wel van eenige vèrverwijderde sympathie voor de Nazareners, maar de gedachte, dat zij, zijne éénige, dierbare, trouwe Rebecca, ontrouw kon worden aan den God harer moeder, aan den God harer vaderen, had hij als eene lastering van zijn aangebeden kind altoos verworpen. En daar moest hij de vreeselijke waarheid uit haren eigen mond hooren!
En toch, Rebecca kon niet anders. Het zwijgen werd haar op den duur onmogelijk, en toen zij haren vader nu zich met alle kracht tegen Alexanders voorstel hoorde verzetten, dat haar juist eene vingerwijzing Gods was; toen zij, die zeer wTel wist welk een invloed hij op Jeruzalem en liet Sanhedrin uitoefende, inzag, dat hij dien invloed gewisselijk tegen de Romeinen zou aanwenden, en dus zijn eigen ondergang met dien der stad zou verbinden â toen zonk het laatste beletsel, toen ook de laatste verontschuldiging weg, en sprak zij hare allengs gerijpte en welgegronde belijdenis uit, dat de gekruisigde Jezus ook haar hooger stond dan de tempelveste en al haar edele priesters.
Alexander was, ondanks het vertrek van Hanan, bij Rebecca gebleven. Het was hem onmogelijk dit meisje in deze omstandigheden alléén te laten. Reeds bij den eersten aanblik had zij hem geboeid, en hoe grooter hare smart werd, des te meer voelde hij zich geroepen te troosten. Daar is niets op aarde, dat zóózeer alle scheidsmuren van geslacht of gewoonte doet vallen, dan lijden en medelijden. Weldra was Alexander er in geslaagd haar tot kalmte te brengen en met haar een gesprek aan te knoopen, dat voor beider leven beslissend werd.
Zij was geene echte dochter van Israël meer. Haar overgang tot de Christengemeente had haar in zekeren zin ook van nationaliteit doen veranderen. Zij gevoelde zich niet meer één met dat volk, dat haren Heer had gekruist. Reeds als kind had zij haar vader eens in de heftigste verontwaardiging gebracht, door de toch immers niet geheel onverklaarbare vraag; âMaar waarom) mag toch geene vrouw, en waarom
geen Griek of Romein in onzen tempel komen; zijn dat dan geene schepselen, die onze God liefheeft?quot;
Voor den rechtzinnigen Jood was niets zoo natuurlijk dan dat alleen hij binnen de omheining des Voorhofs mocht treden, terwijl de toegang den heidenen op doodstraf verboden bleef. Dat waren immers slechts Gojim, die door God waren verworpen â Israël alléén had de Eeuwige liefgehad! Rebecca had zich daarin nooit kunnen vinden. Zij vond die leer hard. En begrijpelijkerwijze was haar afkeer van de overleveringen, waarin zij geboren en opgevoed was, er niet op verminderd, toen zij de vergaderingen der jeugdige Christengemeente begon te bezoeken, en daar hoorde welke vervolgingen die van de zijde der Joden ondervinden moest. Geen wonder dus, dat zij zich dadelijk tot dien open, rondborstigen Griek voelde aangetrokken, en terwijl Hanan hem alléén uit dankbaarheid voor zijne hulp tegen Simon bar-Goria niet de deur had gewezen, dat hij anders eiken onbesnedene deed, had Rebecca terstond in hem een afgedwaald schaap van Christus\' kudde gezien, welks terugbrenging haar hope en haar bede was. Zóó ontspon zich tusschen hen allengs een gesprek, dat eerst werd afgebroken, toen de zonne bijkans ter kimme gedaald was en de schaduwen van den nacht het heldere licht der binnenkamer hadden verdreven.
Alexander begon haar te verhalen hoe de machtige Romein-sche opperbevelhebber, het onophoudelijk bloedvergieten en verwoesten moede, ernstig er op bedacht was Jeruzalem bij verdrag [te verkrijgen, waarbij hij tot vele concessies geneigd was, als maar gehoorzaamheid aan Rome\'s keizer bezworen werd, en hoe hem door Joodsche gevangenen haar vader als een der [ invloedrijkste ingezetenen was aangewezen. Hoe hij zich op bevel van Vespasianus met de gevaarlijke, doch roemvolle taak had belast den priester Hanan, en nog enkele anderen, hierover te polsen, en (zoo mogelijk) met hen over de voorwaarden der capitulatie tot eenstemmigheid te geraken; en hoe het maar weinig had gescheeld of ook hij had dooide hand der sicariërs het leven verloren.
âWant,quot; zeide hij, ânauwelijks was ik, geleid door een
- 23 -
vriendelijken man, die zich, toen ik uws vaders naam noemde, dadelijk bereid verklaarde mij den weg te wijzen, hier voor deze woning aangekomen, of drie woest en gemeen uitziende mannen hielden mij tegen, zeggende, dat zij van den Hooge-priester in last hadden niemand binnen te laten. Ik antwoordde hun, dat als hun Hoogepriester door zitlke dienaars gehoorzaamd moest worden, ik het niet verkoos, en dreigde hun met mijn zwaard, waarop zij afdropen, die lafaards, als honden, die den stok zien! Daar hun verwilderde blikken mij slechte gedachten omtrent hunne plannen deden koesteren, drong ik de deur binnen, die trouwens openstond, en toen ik daar het bloedende lijk van een slaaf zag liggen, grendelde ik ijlings de voorpoort dicht en snelde naar de binnenplaats, daar ik een of andere misdaad vermoedde. Ik werd gelukkig door de stem van dien schurk naar u beiden heengelokt, en â schoone jonkvrouw, ik zegen mijn gelukkig gesternte, dat mij tot uwen beschermer gemaakt heeft!quot;
ââDe Heer loone u!quot;quot; antwoordde Rebecca, hem erkentelijk de hand toestekende, die hij eerbiedig aan zijne lippen bracht.
âEn nu, Rebecca! verhaal mij van dien gekruisigden Leeraar, Wiens naam uw vader niet hooren wilde. In het leger waren er enkelen van zijne sekte, maar ik heb mij niet met hen ingelaten. Zi] werden door allen als atheïsten verfoeid, en toen ik hoorde, dat zij in hunnen tempel geen enkel godenbeeld hadden, vond ik toch óók, dat zij dien scheldnaam verdienden. Hoe zou er een godsdienst zonder God kunnen bestaan? Later verhaalde men mij, dat zij toch een god aanbaden, maar dien ze niet mochten afbeelden. Het rechte van de zaak bleef mij tot dusver een raadsel, dat mij trouwens weinig belangstelling inboezemde. Doch nu gij dien Nazarener óók aanbidt, mi wil ik meer van Hem weten. Ik smeek u, verhaal mij iets meer van Hem!quot;
En nu vertelde de priesterdochter, eenvoudig en blijmoedig, alles wat zij wist van dien Jezus, dien de oversten van haar volk hadden gedood. Hem hangende aan een hout
â 24 -
maar die was opgestaan uit Zijn graf, en een broeder was voor de Zijnen â en alles, alles, wat zij in de stille vergaderingen der jeugdige gemeente had vernomen. Hoe meer zij vorderde, des te schooner werd zij. De bleekheid, die de doorgestane angsten haar hadden bezorgd, week voor een helderen blos, en het was alsof zij hare ziel nederlei in ieder woord, dat zij sprak. Alexander luisterde als een levend begravene, die eindelijk, eindelijk zijne redders hoort komen! Zóó iets had hij nooit vernomen. Een God, die menschen liefhad â o, geen priester van Athene noch Rome had het hem immer gezegd!
âO, verhaal mij nog meer, nog meer van dien Nazarener! Wat is dat schoon en heerli|k! Of â (zoo voegde hij op eenmaal met angstig gelaat hieraan toe) of geldt dit voor Joden alléén, maar niet ook voor den armen Griek?quot;
ââAlzoo lief heeft God de wereld gehad,quot; antwoordde Rebecca met eene van blijdschap trillende stem, âdat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat em iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot;quot;
O, dat was een liefelijk einde van zoo onrustig een dag, â jammer slechts, dat er een einde aan komen moest] Alexander zou stellig nog veel meer hebben willen luisteren, en aan geen vertrek hebben gedacht, hadde niet Rebecca eensklaps met schrik uitgeroepen: âZie toch hoe ver reeds de dag is gedaald; ga ijlings henen, opdat mijn vader u niet hier nog aantreffe!quot;
Zóó scheidden zij dan van elkander, en schoon geen woord hunne liefde verraden had, die warme handdruk der jonkvrouw gaf Alexander genoegzaam antwoord op den vragenden blik, waarmede hij haar aanzag, en Rebecca verstond hem, toen hij sprak: âUw God zij mijn God, en die moge ons beiden beschermen!quot;
ââDus tot wederziens, Alexander!quot;quot;
En daarop snelde zij, ijlings haar gelaat afwendende, naar hare kamer terug, om haar brandend voorhoofd te verkoelen,
en voor het eerst in haar leven ging 7,11 met neergeslagen oogen haren vader te gemoet, toen hij kort daarop het vrouwenvertrek binnentrad.
Sedert dien veelbewogen dag van zijn leven was daar een wolk op Hanans gelaat, die er niet meer van week tot aan zijnen dood toe. De illusie zijns harten was gestorven â het liefste, wat hij had, zijne dochter, had hij verloren, want zijn kind icas ze niet meer na haar afval. Dagelijks bad hij drie malen lang en vurig voor den terugkeer zijner Rebecca tot het geloof harer vaderen â maar tevergeefs.
Wat tragische aanblik, die grijze priester, zuchtende en kermende om het behoud van zijn éénig ooilam, uitgestrekt op den grond zijner opperzaal â en daar beneden in haar stille binnenvertrek die schoone Rebecca, met roodgekreten oogen, tot God roepende en smeekende om de terechtbrenging van haren vader!
Inmiddels gingen de weken en maanden voort, die in het stille huishouden van Hanan weinig verandering brachten, maar des te meer in de groote wereld daarbuiten. In Jeruzalem was de partij van Simon bar-Goria, bij wien zich steeds talrijker benden sicariërs gevoegd hadden, oppermachtig geworden. Tal van aanzienlijken vielen onder hunne handen, en Hanan was herhaaldelijk hot voorwerp hunner lagen, schoon de waakzaamheid zijner vrienden die nog steeds had weten te verijdelen. De wettige Hoogepriester werd afgezet on door een steenhouwer Pinehas vervangen; en de toestand werd wanhopig, toen niet minder dan 20,000 woeste Idumeërs in de stad zich kwamen nestelen, om te plunderen en te dooden. Simon bar-Goria werd het hoofd eener groep Zeloten, die, evenals eene andere onder zekeren Johannes Giscala, de straten van Jeruzalem rood verfden van burgerbloed en den goedgezinden duidelijk maakten, dat de ondergang der stad door haar eigen zonen nog zekerder was dan door het zwaard der Romeinen.
Doch ook dezen naderden! Nadat geheel Koord-Judea en Idumea door hunne legioenen bezet en grootendeels uitgemoord
waren, liet Vespasianus opzettelijk het tot stikkens toe opgepropte Jeruzalem aan zijn innerlijke veeten over en zorgde alleen, dat niemand de nauw-ingesloten stad meer verlaten kon. Toen liij, na Nero\'s dood en den onmiddellijk volgenden moord van Galba tot Keizer uitgeroepen, ijlings naar Rome terugkeerde, nam zijn zoon ïitus de onderwerping der ongelukkige hoofdstad op zich. Helaas! hi] vond geen eendrachtige samenwerking tegen zich over. Geen ellendiger schouwspel dan eene ten doode opgeschreven menigte, die zich het leven nog onderling betwist!
Behalve de twee reeds genoemde partijhoofden was er nog een derde opgestaan, zoodat dagelijks drieërlei legerbenden, broeders tegen broeders, elkander binnen dezelfde wallen bevochten en verzwakten. Kort vóór Paschen was de insluiting der stad door ïitus voltooid, zoodat al de honderd duizenden, die voor het feest naar Davids veste waren opgegaan, zich den terugtocht afgesneden zagen. Meer dan 1{- nüllioen menschen waren bijeen, en wanhoop of waanzinnige overmoed maakte zich gaandeweg van allen meester. Reeds jaren lang had zekere Jozua ben-Amam, die den storm had zien naderen, dagelijks door Jeruzalems straten geroepen: âEene stem van het oosten, eene stem van het westen, eene stem van de vier winden tegen Jeruzalem en tegen den tempel, tegen den bruidegom en tegen de bruid, wee, ivee, wee!quot; en ongehinderd ging hij daarmede voort, totdat een Romeinsche steenworp hem doodelljk trof, waarop hij nog stervende uitriep; âWee, wee ook over mij!quot; En huiverend vertelde men aan elkander, hoe de schitterende Oosterpoort van den tempel, wier kolossale deuren van Korinthisch koper in de avondschemeiing door twintig mannen gesloten werden, en \'s morgens met metalen hefboomen geopend moesten worden, te middernacht vanzelf waïen opengesprongen; en hoe op het Pinksterfeest, toen de priester tot den ochtenddienst in den tempel kwam, eene stem uit het Heilige der Heilige weerklonken had; âWij trekken uit, wij trekken uit!quot; Ja, waarlijk! de goede geesten hadden Jeruzalem verlaten â duivelen waren er binnen gekomen.
â 27 â
Hoe droevig stak daar die majesteitelijke tempel bij al de ellende aan zijne voeten het koninklijke hoofd omhoog! Het witte marmer, in reusachtige blokken gehouwen, blonk uren ver in het heldere zonnelicht; overal op het dak waren gouden spitsen aangebracht, opdat geen vogel het verontreinigen zou; en dan de fraaie poorten, die overal de hooge muren doorbraken, de driedubbele zuilengangen met 162 pilaren, elk zóó dik, dat drie mannen ze nauwelijks omvademen konden â neen, het verwondert ons niet, dat latere schriftgeleerden zeiden: âWie den tempel van Herodes niet gezien heeft, heeft nooit iets prachtigs gezien!quot; quot;Wanneer men den tempelberg beklom, kwam men, na door een der vele poorten van den sterken ringmuur te zijn heengegaan, eerst aan het Voorhof der Heidenen. Het had prachtige gaanderijen en was met veelkleurige steenen geplaveid. Hier was ook de tempelmarkt, die in Jezus\' dagen zoo schromelijk ontaardde en Gods huis tot een roovershol maakte. In dezen voorhof lag een steenen dam, aan welks buitenzijde een steenen traliewerk was bevestigd, waarop hier en daar opschriften aan de heidenen en ook aan de Levletisch-onreine Joden herinnerden, dat het hun op doodstraf verboden was de ruimte, binnen den dam gelegen, in te treden. Op verschillende plaatsen had deze dam een aantal trappen, en als men die beklom, stond men op eene 10 ellen breede strook gronds, die een muur van 40 ellen hoogte omgaf, door welken negen prachtige, rijk vergulde poorten ingang verleenden. Hier kwam men eerst aan de eigenlijke tempelruimte. Aan \'t oosten daarvan bevond zich het zoogenaamde voorhof der vrouwen, de uiterste grens tot welke de dochteren van Israël mochten naderen; hier stond o. a. de offerkist, waarin de arme weduwe uit het Evangelie haar penningske wierp. Weer hooger dan dit voorhof, door een trap van 15 treden te bereiken, lag het Voorhof der Israëlieten, en op gelijke hoogte, slechts door eene borstwering van ééne el er van gescheiden, het groote Voorhof, waar alleen de afstammelingen van den priester Levi mochten komen. Nóg hooger, en al die terrassen waardig bekronend.
â 28 -
lag de eigenlijke tempel, GO el breed, 100 el lang en hoog, met een voorportaal ook van 100 ellen breedte, alles rijk met goud versierd, en schitterend van kleuren. Onbeschrijfelijk waren de rijkdom en pracht, vóór en binnen in dit Heiligdom ten toon gespreid. Hier stegen dagelijks de rookwolken van het brandaltaar omhoog, vermengd met de lofliederen der priesterkoren. Hier wandelde de Hoogepriester in zijne âgouden kleederen,quot; hier concentreerden zich de vroomheid en de nationale trots van dat rampzalig Israël, in al zijne grootheid zoo klein, en zoo grootsch en verheven in zijn laatsten, ontzettenden doodsstrijd!
En nu â zie, heel Jeruzalem was aan één schuimenden, kokenden oceaan gelijk! Die prachtige tempel zelf zou weldra geverfd worden in purper door stroomen van het bloed zijner edelste zonen, om eindelijk in vlammenden gloed te vergaan. De sicariërs waren heer en meester in de rampzalige stad. Gcheele korenmagazijnen werden door hen in brand gestoken, en ieder, die maar verdacht werd van tot de Romeinen te willen oveiioopen, werd om hals gebracht. Met den honger nam de woede der roovers toe. Zij drongen de huizen binnen en folterden de inwoners, om te zien of zij nog spijze verborgen hadden. Schatten werden geboden voor één enkele maat tarwe, en in hunnen honger verteerden zij het ongemalen en ongebakken. Vrouwen rukten aan de mannen, kinderen aan hun ouders, moeders aan haar schreiend kroost het voedsel uit den mond. Alle natuurlijk gevoel was gestorven. De Romeinen, die de stad door honger wilden bedwingen, sloegen eerst alle overloopers aan het kruis, soms 2000 op één dag, totdat er voor de ongelukkigen geen kruisen en voor de kruisen geen hout meer was. Toen joegen ze hen verminkt, gewond, gemarteld naar de stadswallen terug, om daar den jammer nog te vermeerderen. Honderden werden van ellende krankzinnig. Eene moeder stak haar eenig kind met eigen hand aan het spit en verslond haar eigen vleesch met gulzigen mond. Als Titus bij gelegenheid Jeruzalems wallen eens omreed, en de kloven der muren met lijken gevuld, en
- 29 -
den bloedstroom zag, die uit de opgestapelde lichamen langzaam, langzaam voortvloeide, hief hij sidderend de handen ten hemel, uitroepende: âMijn werk, o goden! is dit niet!quot;
Eindelijk â daar brak de 10de Augustus van \'t jaar 70 aan, dezelfde noodlottige datum, waarop ook Salomo\'s tempel door de benden van Nebucadnezar verwoest was. Het woord des Nazareners kwam in vervulling â de arenden der Romeinen verzamelden zich om het doode aas te verslinden. Lang had Jeruzalem het fiere hoofd omhoog gehouden, meermalen den machtigen vijand teruggeslagen, maar eindelijk kwam de dag, dat ook hare kroon zou neerzinken in het stof.
Met vreeselijke woede stortten zich de Romeinsche legioenen op de vertwijfelde Joden: man tegen man, doode voor doode. Gelijk men in do harde rotsen een weg voor den tunnel moet houwen, zoo groeven zich de krijgers een voetpad in de samengepakte menschen massa, die geen voetbreed wijken wilde. Het aangebrachte vuur, dat door de belegeraars aan de poorten was ontstoken, werd letterlijk door den bloedstroom, die van de muren afvloeide, uitgebluscht. Juist wilden de woedende soldaten zich op den tempel zeiven storten, toen ïitus, de keizerlijke prins, te paard onder de zijnen springt, en hun beveelt terug te trekken. Begeerig den kostbaren tempel te sparen, beveelt hij zijn officieren de manschappen met knuppels naar het kamp terug te slaan. â âWij ivillen niet; bloed, bloed, bloed!quot; is hun eenig antwoord. Daar werpt een soldaat, door een venster van een der zijvertrekken, een brandende fakkel in het Heiligdom, en weldra verbreidt zich de laaie gloed in het licht ontvlambare cederhout. Onder daverend gekraak viel het eene deel van het gebouw na het andere in. De houten beschotten werden tot één vurig kleed, en de torens en kanteelen verhieven zich voor het laatst als zuilen van vuur boven de daken van den tempel â heel Sion was een oceaan van kokende vlammen! En tusschen die vurige tongen bliksemden de zwaarden der Romeinen, neervellende al wat leefde.
Zwijgend en stil hadden de Joden gestreden, maar toen zij hunnen tempel zagen opvlammen, toen hun gansche
- 30 -
wereld voor hunne oogen ter neder zonk, toen gloeide hunne ziel met die vlammen mede, en een ontzettende, een huiveringwekkende kreet werd door do bergen van Perea teruggekaatst, â de noodkreet van een stervend volk! Aran de meer dan 10-maal 100,000 mannen, wier ondergang de doodenfakkel des brandenden tempels verlichtte, viel nog geen tiende deel den overwinnaar levend in handen, de besten daarvan werden naar alle wereldstreken verkocht, anderen moesten in het worstelperk tegen leeuwen en tijgers vechten, en het verdere rampzalige overschot van dat volk, dat zich beroemde nooit iemands knecht te zijn geweest, maar desniettemin in den aanvang van zijn bestaan Egypte\'s schatsteden moest bouwen, hielp thans, aan het einde zijns levens, de trotsche muren oprijzen van Rome\'s Colosseum.
En nu ten slotte de lotgevallen van onze drie bekende vrienden! Het verwondert u niet, dat Hanan, de priester, in de ure des gevaars van den tempel niet week. Gij zoudt moeite hebben in dezen gebogen, gebroken man, wiens haren in korten tijd van angst en kommer geheel wit, wiens oogen diep ingezonken, wiens kleur en gezondheid verdwenen zijn, den krachtigen grijsaard van voor enkele maanden te herkennen. Toen de nood in Jeruzalem op zijn toppunt gekomen was, ongeveer een viertal weken vóór de verwoesting, die wij zoo pas verhaalden, had hij afscheid genomen van huis en kind.
Tot op het laatste oogenblik toe had Rebecca haren vader verzorgd met al de liefde van haar hart, maar de ontzettende druk der tijden, en bovenal haar afval, hadden zijn hart van haar vervreemd. Wanneer hij niet in den tempel was, sloot hij zich met zijne Wetsrol in zijne opperzaal weg, voor de wereld daarbuiten ontoegankelijk en onaandoenlijk. Zelf een ruïne, leefde hij nog enkel tusschen ruïnen.
Op zekeren dag riep hij zijne dochter en gebood haar, kalm en zonder tranen, met een zwijgend gebaar tegenover hem plaats te nemen. Rebecca gevoelde instinctmatig, dat dit
-Si
de laatste maal zou wezen, dat zij haren vader van aangezicht tot aangezicht zag, dat hl] haar nimmer meer omhelzen en toespreken zou. O, hoe grenzenloos had zij hem lief, hoe menige ure van dag en van nacht had zij voor hem biddende doorgebracht !
âO, mijn vader!quot; zoo riep zij uit, voor hem neervallende en zijn knieën vastklemmende, âverlaat mij toch niet, want gij snelt uw verderf tegemoet! Het uur is nabij, dat onze stad vertreden zal worden â ik bid u, blijf bij mij, en laat ons samen leven of samen sterven!quot;
ââMijn kind,quot; antwoordde Hanan met eene stem, die eerst nog een weinig beefde, maar weldra koel klonk en koud, âeen priester des Allerhoogsten laat zich door geene tranen eener afvallige van de altaren des levenden Gods afhouden â het zij uit tusschen ons, voor eeuwig! Gij hebt uwen plicht vergeten: ik ken den mijnen. Vaarwel, Rebecca! Indien nog uwe oogen vóór uwen dood open mogen gaan voor uwe schrikkelijke zonde, en de God van Israël zich uwer nog erbarmt, zal de prijs van mijn gebroken hart mij een vrijwillige offerande geweest zijn!quot;quot;
En na haar hierop een laatsten handdruk gegeven te hebben, â kussen wilde hij de afvallige niet meer â had hij te midden der moordende benden zijnen weg naar den tempel gevonden, had ook in het binnenste Voorhof weten door te dringen, en wachtte daar nu den dood in de vlammen of door het zwaard der Romeinen af. Voor zijn tempel had hij geleefd, met zijn tempel begeerde hij te sterven.
Eindelijk, daar breken de vlammen uit! Met somberen blik, doch vasten gang treedt hij het Heilige binnen, kust den gouden kandelaar, welks lampen hij zoo vaak had ontstoken, beweegt zijne handen wild over het reukaltaar henen, als strooide hij nog eenmaal de heilige wierookkorrelen op het geurende vuur. en stootte zich toen, zonder één enkelen kreet te slaken, den dolk in de levensmoede borst. Terwijl de Romeinsche legioenen, die vereenigd voorwaarts gingen, hun vroolijk krijgsgeschreeuw aanhieven, en het geknetter der
opstijgende vlammen zich vermengde met het doodskreunen der stervenden, zonk Hanan de priester dood ter aarde vóór het altaar zijns Gods, straks bedolven onder het puin van Jehovah\'s tempel â zijn ideaal, zijn leven, zijn graf!
Met den tempel was echter geheel Jeruzalem nog lang niet veroverd. Het den moed der wanhoop hielden de vertwijfelde Joden den ongelijken strijd nog weken lang vol, totdat eindelijk eerst de Bovenstad en daarna ook de andere deelen in der vijanden handen gevallen waren.
Op zekeren dag hield eene bende van twaalf ruiters voor het huis van Hanan den priester stil. Aan haar hoofd bevond zich Alexander de Griek, helm en schild met bloed en de sporen eener hevige worsteling overdekt. Het had den dapperen mannen moeite gekost den weg te vinden, want de verwoesting te vuur en te zwaard had alles veranderd. Met afgrijzen had de centurlo zijn paard tusschen de halfvergane lijken henen-gestuurd, somtijds tot over de enkels in het bloed wadend, dat overal in plassen bijeen lag. Eindelijk â daar stonden zij in de straat en voor liet huis van den priester, wiens lichaam reeds lang onder het puin van den tempel begraven lag! Alexander steeg ijlings af, beval den soldaten op hem te wachten, en inmiddels niemand in het huis toe te laten.
Helaas, hoe anders was alles sinds dien onvergetelijken najaarsdag geworden! De deur hing nog aan één scharnier, maar stond verder open. Geen deurwachter was te zien. De binnenhof was vertreden; de boomen, rustbanken, fonteinen â het was alles vernield. Een rilling voer den onverschrokken krijgsman door de leden. Doch zich vermannende, ontsloot hij de binnenzaal, hem zoo welbekend, want daar toch had hij met Eebecca gefluisterd in het vertrouwelijk schemerdonker, daar toch had zij hem âtot weerziens!quot; toegeroepen. Huiverend trad hij binnen. Geen meubel was ongeschonden; de tafel was stukgeslagen, de rustbedden waren opengesneden, ja, een fakkel smeulde nog in den hoek van \'t vertrek, klaarblijkelijk met opzet tegen het houten beschot geplaatst om brand te veroor-
zaken. Doch de wanden hadden geen vlam gevat. Ook deze kamer ging hij door, totdat hij voor de deur van het vrouwenvertrek kwam. Helaas, die was gesloten; de grendel was er aan den binnenkant voorgeschoven. Juist wilde Alexander teruggaan en van een andere zijde van den binnenhof beproeven in deze vertrekken te komen, toen zich plotseling een grenzenlooze angst van hem meester maakte, en het hem was alsof zijn leven gevaar liep, indien die deur vóór hern niet openkwam. In éene seconde was zij ingetrapt, en wie schetst zijne ontzetting, toen hij daar Rebecca, de doodsbleeke, in haar eigen woning bedreigd zag door haren doodvijand, toen hij tegenover dat marmerwitte, schoone gelaat den duivelschen blik ontmoette van Simon bar-Goria, den gevreesden bandiet! ....
Maar sneller dan de bliksemstraal flikkerde Alexanders degen in het heldere zonnelicht, en rasser dan wij het. beschrijven, lag Simons zieltogend lichaam te wentelen in zijn bloed, en was Rebecca van haren afgrijselijken belager bevrijd. Zoolang zij in doodsgevaar was, had zij haar zelfbeheersching weten te behouden en den moordenaar afgeweerd; doch nu zij gevoelde in veiligheid te zijn, begaven haar de krachten en zonk zij als een doode ineen. Zou haar redder nu waarlijk tóch nog te laat zijn gekomen, voor immer te laat? De donkere oogen zagen hem star en bewegingloos aan, doch bewogen zich niet, en het marmerbleeke gelaat geleek dat eener gestorvene. Maar zie, toen hij met forschen greep de teedere gestalte op zijne armen hief, en een kus van dankbaarheid drukte op den van doodsangst samengetrokken mond, toen plooiden de lippen zich weer tot den ouden bekoorlijken glimlach terug, en vloeiden de tranen van dank uit de van uitputting dicht vallende oogen. âGeloofd zij God, Rebecca, gij zljt veilig, gij zijt de mijne!quot; Met dezen uitroep droeg Alexander zijn kostbaren last door de woning haars vaders, en weldra reden zij stapvoets door de straten dei\' verwoeste stad. Yol eerbied ontblootten de Romeinen het hoofd, toen de bruid van den dapperen hoofdman door hunne voorposten werd heengebracht, en met goedgunstig verlof van
- 34 -
Titus, den opperbevelhebber, bracht Alexander zijn schoonsten buit, het éénige, wat hij uit Jeruzalems puinhoopen geroofd had, buiten het krijgsgewoel in veiligheid.
En nu het slot dezer historie?
Ik geloof, dat mijne hoorders het wel raden kunnen. Rebecca, de weeze, had zich niet lang meer te bedenken, toen hij, die haar nu twee malen het leven gered had, haar voorstelde thans voorgoed de verzorging van dat leven op zich te nemen. Alexander, die bij de bestorming van Giscala de eerste was geweest, die de vijandelijke muren beklom, ontving van Rome\'s keizer eene aanzienlijke belooning in geld en een landgoed niet ver van zijne geboortestad Athene. Daar trokken de jonggehuwden henen en vonden in een recht gezegend leven, besteed aan het weldoen van anderen en het drogen van tranen, waar en bij wie zij die ook aantroffen, eene heerlijke vergoeding voor al het leed en de onrust hunner vroegere jaren. Veel hadden zij verloren, en de ontzettende tragedie van Jeruzalems ondergang liet op hun beider leven een ernstigen indruk na â maar zij hadden ook uit den val dezer Koningsstad geleerd hunne hope te bouwen op eene Eeuwige Stad, die nimmer te niete gaat, en wie daarop vertrouwt wordt nimmer beschaamd.
II.
EEN MELD IN PIJN EN BANDEN.
Mijne Hoorders!
De Heere Jezus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld droeg, heeft het aan Zijne discipelen en volgelingen voorspeld: âIn de wereld zult gij verdrukking hebben,quot; en de geschiedenis Zijner Kerk is wel eene onafgebroken bevestiging dezer waarheid geworden. âDe ure komt,quot; zoo heeft het de Zoon des Menschen getuigd, toen Hij zich opmaakte tot Zijnen weg der smarte, âde ure komt, dat een iegelijk, die u zal dooden, zal meenen Gode een dienst te doen.quot;
Zou daar wel ééne kerkafdeeling op aarde geweest zijn, die ten dezen vrij uitgaat? Die zich niet met schaamte uit hare eigen historie van die bladzijden te binnen brengen moet, die zij, om al wat zij geven kon, onbeschreven zou wenschen? Ach, ook Genêve heeft zijn brandstapel van Servet; ook onze Vaderlandsche Gereformeerden noemen de Gorkumsche martelaren niet, zonder dat hun de wangen rood worden van schaamte en weedom de ziele vervult!
Toch kunnen wij als Hervormden dankbaar en blijmoedig getuigen; Als wij vervolgen, geschiedt het tegen ons beginsel, en vergeten wij de dure lessen van Schrift en geweten. Toch kunnen en moeten wij op dezen door het bloed onzer martelaren gedrenkten bodem het ons telkens weer opnieuw herinneren, dat geloof en vrijheid onafscheidelijk verbonden zijn, en dat wie strijdt voor het geloof, eenmaal den vaderen overgeleverd, ook gewis de beste en trouwste verdediger onzer nationale vrijheid heeten kan.
Ik wensch u iets te verhalen uit de lijdensgeschiedenis van een onzer broederen naar den geest, een burger van het heerlijk en zonnig Italië, waar de dageraad der vrijheid, die ook daar eenmaal scheen te zullen aanbreken, helaas! in som-
- 38 -
beren nacht is ondergegaan, en wekke zijn aandoenlijke en toch zoo verheffende figuur ons, Gereformeerden van Nederland, op, te âhouden wat wij hebben, opdat niemand onze kroon roove!quot;
Gij kent allen de âheilige Inquisitiequot; van Rome. Reeds haar naam doet ons rillen en beven, en elke bladzijde uit hare annalen, ook die, welke over ons vaderland handelen, is met bloed geschreven. Het is tegenwoordig in de mode, nu men de gruwelen van deze helsche congregatie niet meer ontkennen kan, haar als eene Staatsinstelling voor te stellen, met welke de Kerk van Rome niet anders dan toevallige en gewis niet officieel door haar goedgekeurde betrekking onderhield. âDe Kerk dorst immers niet naar bloed,quot; zoo luidt de gewone formule, en hoe zou nu de ware, alléénzaligmakende Kerk van Christus al die onloochenbare moorden en ongerechtigheden op haar geweten hebben ?
Hierop luidt het antwoord; InnocentiusIII, die zich âplaatsvervanger Godsquot; op aarde durfde noemen en naar veler oordeel de grootste paus is geweest, die ooit den Stoel van Petrus bekleedde, heeft als Hoofd der Kerk de âheilige Inquisitiequot; ingesteld. Tal van pausen hebben haar na hem bekrachtigd en goedgekeurd, tal van kerkvergaderingen haar op hun bevel ingevoerd en verdedigd, en nog heden ten dage neemt zij onder de dertig congregatiën van Rome de allereerste plaats in en is niemand minder dan Zijne Heiligheid zelf haar permanente voorzitter. Waren het niet geestelijke rechters, die aan den wereldlijken arm, hun willeloos werktuig, de gefolterde slachtoffers overleverden? Heeft niet Gregorius IX, ziende dat de bisschoppen niet ijverig genoeg waren in het opspeuren der ketters, de Dominikaner monniken tot lljf-inquisi-teurs van den Heiligen Stoel benoemd? Zijn het niet pausen geweest, die het bijwonen van auto-da-fés met aflaten, soms zelfs met een volkomen aflaat, hebben beloond? Heeft niet een hunner de schandelijke bepaling in een zijner bullen neergeschreven, dat een ter dood veroordeelde ketter nooit gratie mocht ontvangen, en hebben zij niet zeiven inde
- 39 -
âHeilige Stadquot; op fraai versierde tribunes herhaaldelijk het ontzettende schouwspel van ketterverbrandingen mede aangezien ?
Nu, wij zullen u heden met één enkel slachtoffer van deze âheilige Inquisitiequot; bekend maken, een man, op wien het woord uit den Hebreërbrief van toepassing is: âwelke de wereld niet waardig wasquot; â een edelen held uit de lijfgarde van Koning Jezus! Maar vooraf moeten wij een weinig van de tiidsomstandigheden, waarin wij u verplaatsen, verhalen.
Tegen het einde der 12(l0 en het begin der 13de eeuw waren overal in de Europeesche Christenheid, maar vooral ook in het Zuiden van Frankrijk, allerlei sekten ontstaan, die zich met de leer en vooral met het leven der geestelijkheid niet konden vereenigen. Onder tal van namen en leuzen traden zij op: Katharen, Lollarden, Flagellanten, Waldenzen, Albigenzen â en gewis sloten zich allerlei onedele, onzuivere, niet alleen anti-kerkelijke, maar zelfs wel anti-Christelijke elementen bij hen aan. Maar toch hadden deze bewegingen eene ernstige boetprediking tegen de Kerk van Rome in te brengen, die zij, helaas! weigerde ter harte te nemen. Het is een droevig teeken, wanneer zij, die naar licht en waarheid dorsten (en dit kan zonder vrees van de meesten hunner gezegd worden), het niet meer in de Kerk kunnen houden en tot de sekten hunne toevlucht moeten nemen; en dubbel droevig is het, wanneer de Kerk, in plaats van schuld te belijden,overgaat tot maatregelen van geweld. En, helaas! dat heeft de pauselijke Kerk gedaan.
Ten gevolge der verdrukkingen in Frankrijk den Waldenzen aangedaan, edelen, rustigen, vromen burgers, die niemand lastig vielen en de Schrift alléén tot regel van handel en wandel begeerden te stellen, trokken velen hunner eerst naar het Noorden van Italië en later ook naar een gedeelte naar Kalabrië, het meest zuidelijke stuk van dit rijk gezegende land, dat destijds onder een groot aantal vorsten verdeeld was. Het zal ongeveer in het jaar 1370 zijn geweest, dat zij daar aankwamen, en al spoedig had hun noeste vlijt, hun zedig, ingetogen leven en de zichtbare gunst des Heeren daar verschillende bloeiende koloniën doen ontstaan, die door de geheel-Roomsche bevolking.
- 40 -
die hen omringde, met bewondering, maar ook niet zonder nijd werden gadegeslagen. De koning van Napels, die over Kalabrie gebood, steunde en beschermde deze vreemdelingen zooveel hij kon. Wat kon hij ook anders dan dank gevoelen jegens deze lieden, die zijn schaars-bewoonden grond hielpen bevolken, die stipt hunne belastingen betaalden en allerwegen nieuwe steden en dorpen stichtten met vlijtige, rustige burgers? Het is waar: zij hadden hun eigen kerken en bedehuizen; zij lazen veel in het onbekende en verboden boek, dat zij âBijbelquot; noemden; en de priesters waren al spoedig begonnen tegen die goddeloozen te waarschuwen, die de Mis niet bezochten en de reliquieën niet vereerden â maar de groote landeigenaars hebben in alle eeuwen, behalve van de geestelijken, omdat die hun onderhoorigen gedwee hielden, toch ook heel veel van landlmur en tienden gehouden, en daarom duldden zij dan ook niet, dat de kettersche Waldenzen al te zeer werden bemoeielijkt. De welvaart van hun eigen landerijen en beurzen ging hun toch nog meer ter harte dan het zieleheil dier vreemdelingen, wier godsvrucht en ordelievendheid waarlijk niet ongunstig afstaken bij die der troUw-Katholieke landskinderen. Zóó leefden de kolonisten in Kalabrië rustig en ongehinderd voort en trokken weinig de aandacht der buitenwereld. Zij waren van hunne oorspronkelijke woonplaatsen honderden uren verwijderd en nog wel door allerlei vorstendommen, niet te vergeten door den Kerkelijken Staat, van hunne bloed- en geestverwanten gescheiden, zoodat zij vrijwel voor zichzelven moesten zorgen. Eigen leeraars hadden zij niet; zij kwamen maar in alle eenvoudigheid te zamen om de Schrift te lezen en onderling te bespreken, en gingen dan, na het zingen van een psalm, weer verkwikt en versterkt naar hunne woningen terug.
Maar op den duur werd toch het verlangen bij hen levendig, om zich door een eigen, geordend predikant in de waarheid te zien voorgelicht en opgebouwd, vooral toen de frissche adem der Hervorming ook over hunne schoone landouwen henen kwam strijken. Hoe stroomde hun het bloed sneller
â 41 -
door de aderen, als zij hoorden van de vervolgingen, hunnen broederen in de valleien der Alpen aangedaan, die, wel verre van daardoor afgeschrikt te worden, zich juist te blijmoediger van de Roorasche dwalingen hadden losgemaakt en zich nu op hunne Synoden onderling verbonden overal kerken te gaan bouwen en Gods Woord te gaan verbreiden! Ach, hadden ook si; een eigen leeraar, die de verspreide gemeenten zou kunnen bedienen met het Woord en verzorgen, wat nu kwijnde door gemis aan leiding en steun! Doch hoe daartoe te komen?
God gaf hun de juiste aanwijzing, toen een hunner voorstelde eene deputatie naar Genève te zenden. Daar toch, in die bakermat der vrijheid, bestond eene bloeiende Italiaansche kolonie, door vluchtelingen uit alle Italiaansche vorstendommen gevormd, en bij wie zij gewis niet tevergeefs om hulp zouden aankloppen. Zoo gezegd, zoo gedaan! Niet zonder bezwaren en met groote opofferingen kwamen de afgevaardigden der Kalabrische gemeenten in Genève aan, en eenparig werd hun de jonge candidaat in de godgeleerdheid Johannes Lodewijk Pasquale als herder en leeraar aanbevolen.
Deze edele man, van wien wij u in dit uur de aandoenlijke lijdensgeschiedenis gaan verhalen, was omstreeks het jaar 1530 in de vesting Cuneo, in Noord-Italië, geboren, dus in een tijd toen de Hervorming reeds eenige jaren haar licht had doen schijnen. Toch waren zijne ouders goede Katholieken gebleven, en hun zoon, die den krijgsdienst tot zijne levenstaak had gekozen, volgde aanvankelijk ook in den godsdienst de ouderlijke overlevering na. Doch als de Heere iemand tot Zijnen dienst bestemt, ontbreekt het Hem nooit aan middelen Zijne uitverkorenen te brengen waar Hij ze hebben wil. De jonge Pasquale komt op een van zijne veldtochten te Nizza, leert daar de Evangelische Christenen en hunne Kerk kennen, en weldra wordt de waarheid hem te machtig en belijdt hij met vurige oprechtheid den Heere Jezus te willen dienen naar het gezuiverde Evangelie.
Nu kon hij ook niet langer in zijn gewonen werkkring
i
- 42 -
blijven. Hoewel hij het reeds tot officier gebracht had en waarschijnlijk een eervolle militaire loopbaan voor hem was weggelegd, nam hij zijn ontslag uit den dienst en ging hij naar Genève, om zich daar te laten onderwijzen en voorlichten in de dingen van Gods Koninkrijk. Zijn hart werd verteerd door dorst naar waarheid, en dag en nacht onderzocht hij de Schriften, die hem wijs konden maken tot zaligheid. En hoewel het in die dagen bijna zeker was, dat een leeraar zijn leven onophoudelijk bedreigd zou zien, wanneer hij tegen de afgoderijen van Rome te velde trok, hij kwam hoe langer hoe meer tot het vaste besluit, niet slechts op den ingeslagen weg voort te gaan, maar ook anderen te helpen dien te vinden en te bewandelen. Zoowel te Genève als te Lausanne, waar kort geleden eene Protestantsche Hoogeschool was opgericht, studeerde hij in de theologie, vertaalde verscheiden gedeelten des Bijbels in het Italiaansch en arbeidde ook door goed geschreven traktaten aan het zieleheil zijner landgenooten. Juist had hij den graad van candidaat in de godgeleerdheid behaald; juist twee dagen geleden zich verloofd met eene edele jonkvrouw, Camilla Guarinagenaamd, toen hij, door bemiddeling van het Geneefsche consistorie, de beroeping naar de herderlooze gemeenten van Kalabrië ontving.
Geen oogenblik aarzelden de twee gelieven, die spoedig in het huwelijk hoopten te treden, daar Pasquale niet onbemiddeld was, weder afscheid van elkander te nemen â want dat deze roepstem alleszins gevaarlijk was en er voorshands geen sprake kon wezen met eene jonge echtgenoote haar op te volgen, zagen beiden klaar en duidelijk in. Een leven vol smart en vervolging teekende zich aanstonds voor het oog dezer jeugdige helden af; maar de discipel is niet meer dan zijn Heer en heeft geen krans van rozen te wachten, waar de Meester eene doornenkroon droeg. Terwijl allerwegen In Italië de brandstapels werden ontstoken om de Luthersche ketterij in vuur en bloed te smoren, kuste Pasquale zijne weenende bruid vaarwel, gaf zijn testament aan een zijner vrienden in handen en aanvaardde blijmoedig de reize naar zijn nieuwen werkkring, in gezelschap van een gewezen geestelijke en twee schoolmeesters.
i
- 43 -
Nauweiyks waren zij in Kalabrië aangekomen en hadden de Evangelische gemeenten haren langbegeerden herder ontvangen, of de gisting onder de Roomschen nam op eenmaal de hevigste vormen aan. De priesters hitsten de menigte op door de schrikkelijkste lasteringen omtrent de ongeloovigen, die vijanden van Christus en den paus, te verbreiden en steeds dreigender werd de houding der bevolking tegenover de vreemdelingen. Aan de rijke grondeigenaars was deze agitatie allesbehalve aangenaam. Niet gaarne zouden zij bij de almachtige Inquisitie in reuke van ketterij komen, door de Waldenzen ongestoord en veilig hunne onroomsche praktijken te laten vervolgen, en aan den anderen kant wisten zij te goed de bijkans tweehonderdjarige diensten dezer nijvere, eerlijke lieden te waardeeren, om hen op eenmaal kortweg te gaan verdrijven, waardoor zij natuurlijk een groot deel hunner inkomsten zouden verliezen. Zij beproefden, geheel naar hel recept hunner Kerk, de kolonisten door bedreiging te winnen voor het alléénzalig-makende Roomsche geloof. De rijke landheer, de markies Salvatore di Spinello, die als bijkans onbeperkt gebieder over deze landstreken te zeggen had, ontbood de hoofden der volksplantingen op zijn kasteel en legde hun in strenge bewoordingen den eisch voor, hun nieuwmodisch geloof met zijn dwaze ketterijen te laten varen en tot den schoot der Moederkerk weder te keeren. ïegen den raad, door vele vrienden hem gegeven, die, het onweder ziende aankomen, hem dringend hadden aangespoord te vluchten, ging ook Pasquale met hen mede, vergezeld van Stefanus Negrino, den gewezen misprlester, die van uit Genève met hem was meegekomen. En toen nu de markies zijne rede geëindigd had en met eene genadige buiging de verbaasde landlieden wilde doen terugkeeren, traden Pasquale en Negrino naar voren en verdedigden op schitterende wijze de vrijheid van een Christenmensch en de onmogelijkheid van terugkeer tot de pauselijke Kerk. Als éénig antwoord, dat bovendien gemakkelijker was dan hen te weerleggen, liet de slotvoogd hen binden en in zijne diepe, donkere gevangenis wegvoeren, innerlijk dankbaar, dat hij nu eens duidelijk had
- 44 -
kunnen toonen aan de speurhonden der Inquisitie, dat ook hvj allerminst den ketters genegen was, en hopende, dat, nu de leeraars gevangen waren, de kudde wel spoedig volgzaam en gedwee zijnen wil zou gehoorzamen. Maar . . . hoe had hij buiten zijne Kerk gerekend, die heilige Kerk, die immers nooit dorst heeft naar bloed en altoos het voorbeeld van den Heiland heeft nagevolgd, zachtmoedig te zi]n en nederig van harte!
Op zekeren dag verscheen de generaal-vicaris van Cosenza voor het kasteel van den markies di Spinello en eischte als pauselijk inquisiteur de gevangenen op om hen te ondervragen en te verhoeren. De oorspronkelijke akten van dit proces zijn uitgegeven, zoodat wij letterlijk weten hoe de dienaar van Zijne Heiligheid den goddeloozen ketter ondervraagd heeft.
Waar komt gy vandaan?
Uit Piémont.
Hebt gij niets beters te doen dan hier te komen, om de arme, eenvoudige menschen te verleiden?
Is de Heere Jezus een verleider, dan ben ik het ook; anders niet, want ik heb hun niets anders geleerd dan wat ik zelf in Zijne school geleerd heb.
Waar bevindt zich die school?
Te Genève, evenals overal, waar het Evangelie zuiver en onvervalscht gepredikt wordt.
Dus is de Kerk te Genève alleen de ware?
De ware Kerk van Christus is overal, waar men in Hem gelooft. Volgens Christus\' eigen woorden is zij arm, veracht en door de wereld vervolgd â juist het tegenovergestelde van de Roomsche Kerk, die rijk, machtig en aanzienlijk in de wereld is. Waar heeft Petrus ooit bevolen de Christenen te vervolgen? Of waar heeft Christus gezegd, dat men zich schatten moet toeëigenen en Zijne arme schaapkens te vuur en te zwaard moet vervolgen en vermoorden?
Gelooft gij aan den paus?
Mijne geloofsbelijdenis is, dat ik in God, den almachtigen Vader, geloof, maar niet aan den paus.
â iü â
Sedert hoe lang helt gij niet meer gebiecht?
Vandaag nog heb ik aan God mijne zonden beleden. Maar God beware mij voor de oorbiecht en de mis, want beide houd ik voor goddeloos, schandelijk, ja duivelsch.
Tot hiertoe gekomen, kon de vrome inquisiteur het niet langer uithouden. Hij richtte zich in heilige verontwaardiging tot degenen, die hem vergezelden, met de woorden: âIk kan hem niet verder verhooren; want voor ieder antwoord, dat hij mij geeft, zou hij verdienen dertigmaal verbrand te worden.quot;
Gij bemerkt het alweer: de Kerk dorst nooit naar bloed, en in plaats van eenige weerlegging uit de Heilige Schriften van Pasquale\'s vragen en bezwaren, beval de inquisiteur aan den cipier, dezen goddeloozen ketter goed te bewaken en hem slechts éénmaal \'s daags wat brood en water te geven. Nu, dat is óók een manier van weerleggen! En eene echt Boomsche is het zeker!
Zeven maanden bleef de getrouwe dienstknecht in don kerker van zijnen slotvoogd. Maar de âheilige Inquisitiequot; had in Cosenza een eigen gevangenis, en hare eerwaardige leden achtten het voor Pasquale\'s ziel heilzaam en nuttig, zijn afgemagerd lichaam daarheen over te brengen. In een afgrijselijk hol werden nu de beide beschuldigden zóó dicht aan elkander geketend, dat de een zich zonder den ander niet verroeren of bewegen kon. De cipier ontnam Pasquale zijn hemd, wambuis en schoenen, en toonde zijn geloofsmoed door de arme gevangenen onafgebroken voor âvervloekte hondenquot; en âvijanden van Christus en van alle menschenquot; uit te schelden. Pasquale\'s getrouwe metgezel in al deze smarten, Stefanus Negrino, bezweek weldra onder zijne martelingen en verkreeg de kroon der eere na korten strijd. Voor Pasquale was nog een langer lijdensweg bewaard, doch zijn vertrouwen bezweek niet, en de Heere maakte het alles door Zijne genade goed.
De hand, die nu door het sterven van zijn medegevangene
i
- 46 -
was vrijgekomen, gebruikte hij voor liet schrijven van brieven aan zijne gemeente en aan zijne bruid, modellen van Christelijke geloofsberusting en blijmoedige overgave aan Gods wil. Denkt u dat toch eens in, mijne Hoorders! Een jonge man van goeden huize, pas verbonden aan de vrouw van zijn hart, als een gemeene boef in een walgelijk kerkerhol opgesloten, en nochtans gelukkig in zijnen God en roemende in de liefde zijns Heeren! Ja, ja, paus Gregorius XVI mag de Protestanten wel âBelialskinderenquot; noemen, âhet vuil en de schande van het menschelijk geslacht\'\' â maar de Hemel noemt hen burgers en de Zone Gods noemt hen Zijne lieve broeders!
Laat mij een tweetal stukken uit die aandoenlijke brieven u mogen mededeelen, één tot zijne gemeente en één aan zijne bruid in de verte gericht.
âIk dank ulieden hartelijk (zoo schrijft hij aan zijne geliefde kudde) voor de gemeenschap, waarmede gij en alle andere geloofsgenooten deelneemt In mijne gevangenschap. Ik ben vast overtuigd, dat er onder u niemand is, die mij niet met zijn hartebloed zou willen bevrijden, indien het Gods wil was. Maar ik zou niet gaarne zien, dat de grens, die den Christen is aangewezen, door u overschreden werd. Wij moeten immers den wille Gods éénig en alléén tot richtsnoer van ons gevoel nemen en de smart over het verlies van een broeder laten verzoeten door de overwinning, die mij te wachten staat! Wat grooter eere kon God mij ten deele doen vallen dan dat Hij zich van dit vergankelijk, wegstervend lichaam wil bedienen, om mij van Zijne eeuwige en onfeilbare waarheid te doen getuigen? Welke betere Evangelieverkondiging kon mij worden opgedragen dan die, dat ik zal scheiden van de ellende van dezen tijd en met Jezus Christus de eeuwige heerlijkheid ingaan? Weet gij niet, dat de dood Zijner gunstgenooten kostelijk is in het oog des Heeren, en dat de dooden zalig zijn, die in den Heere sterven? Of benijdt gij mij de zaligheid, die aanstaande is? Zoo ja, laat dan eene heilige jaloerschheid u verteren , die in u onophoudelijk den vasten, bestendigen wensch
- 47 -
beware, mij te volgen op den weg ten Hemel, zonder te toeven in dit donkere dal der tranen.quot;
Om zulke brieven recht te waardeeren, moeten wij bedenken, waarde Hoorders! dat de arme Pasquale dag en nacht nooit met rust gelaten werd; dat hij van den eenen kerker naaiden anderen gesleept werd; dat hij onder het onafgebroken toezicht stond van een Spaanschen priester, die al zijn vragen steeds met ruwe scheldwoorden en gemeenheden beantwoordde; dat hij onophoudelijk gekweld werd door de bekeeringspogin-gen van twee, drie dweepzieke monniken, die hem dikwijls zelfs voor een stil gebed geen tijd lieten; dat zijn arm lichaam, zonder het noodigste voedsel en deksel, in de onreinste en walgelijkste omgeving, gaandeweg gesloopt werd â en dan geen enkele klacht in die brieven, geen enkele verwensching tegen die Christelijke beulen, geen enkele vervloeking voor dat afgrijselijke priestervolk, dat hem beurtelings met predikatiën en met de pijnbank kastijdde! Ach, hij had niet tevergeefs in zijn Bijbel gelezen, dat het lijden van den tegenwoordigen tijd niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden!
Op 14 April 1560, den eersten Paaschdag, schreef hij o.a. dit aan zijne bruid:
âIk wensch u toe, dat gij door Gods genade gestemd moogt zijn als ik het ben, namelijk, dat wij beiden in leven en in sterven den Heer mogen toebehooren en al onzen troost in het geloovig gebed mogen vinden, dat ons de zekerheid geeft, dat wij alles ontvangen zullen, wat tot de eere Gods en ons welzijn dient. Daarom, mijne innig geliefde Camilla! wees getroost in onzen Heer Jezus Christus; werp al uwe zorgen op God en verlaat u op Hem, die al uwe goede wenschen vervullen zal. quot;Verblijd u in den Heere; vrees God! Lees voortdurend in de Heilige Schrift; ga getrouw ter kerke. Help de armen, bezoek de kranken, troost de bedroefden! Houd aan in de gebeden, en maak, dat uw leven een spiegel zij van de leer, die gij belijdt. quot;Wat mij betreft â ik geef mij over en wijd mij toe aan mijn Heiland Jezus Christus, die
|
- 48 -
bij mij zijn en blijven zal, totdat ik in dezen heiligen strijd overwonnen heb. Bijna ben ik beschaamd over de hooge eere, die Hij mij schenkt, dat ik, die slechts een arm, onbeteekenend soldaat was, in open veldslag de eer van zulk een generaal, als Jezus Christus is, verdedigen mag!quot;
Nauwelijks had Pasquale deze woorden geschreven, of hij werd, dienzelfden Paaschdag, uit Cosenza weggevoerd en naar Xapels gezonden. Ach, dat was een moeitevolle tocht! Met twee en twintig galeiboeven werden hem de handboeien aangedaan, en met halsijzers, waardoor een stevig touw getrokken werd, zaten zij allen aan elkander vast. Viel er dan een van vermoeienis om, dan moesten de anderen hem, onder duldelooze pijnen, aan hun hals medesleepen. Terwijl de muildieren behoorlijk voedsel en stroo kregen om op te liggen, moesten syj des nachts eenvoudig op den harden, blooten grond slapen, en rauw gras met een stukje brood was hun voedsel. Nu, het waren dan ook maar ketters, en de heilige Moederkerk heeft voor dezulken haar eigenaardige manieren! De Spanjaard, die den troep begeleidde, wilde Pasquale zijn halsijzer afdoen, wanneer deze hem de twee dukaten, die hij nog van zijne gemeente ontvangen had, wilde afstaan, en toen hij dat weigerde, deed dit monster hem nóg twee handboeien aan, die zóó nauw waren, dat zij diep in het vleesch indrongen en hem dag noch nacht eenige rust meer lieten.
Toen de martelaar eindelijk te Napels aankwam, moest hij eene maand lang in eene gevangenis vol modder liggen, waar het water langs de muren afliep en de lucht geheel verpest was. Tevergeefs verzocht hij als burger van Genève, dat in vrede met het koninkrijk Napels verkeerde, voor den onderkoning zich te mogen verdedigen; het éénige antwoord was, dat hij naar Home zou worden gezonden. Nu, dat was dan toch eindelijk zijn doodvonnis] Welke stad is zóó vol van het bloed van Gods heiligen als dit Babyion? Vóór zijn vertrek schreef hij nog aan zijne vrienden te Genève: âBlijmoedig van geest en sterk in mijnen God, trek ik naar
}
Rome. Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig, zoodat wij om Zijnentwille bereid zijn, niet alleen vervolgingen, maar ook den dood te lijden, om getuigenis af te leggen voor Zijn heilig Evangelie.quot;
En zoo trok hij dan langs de aloude Via Appia, denzelfden weg, waarlangs ook de apostel Paulus in boeien was henen-geleid, naar de hoofdstad der Christenheid, naar de residentie der stedehouders van Christus. In de pauselijke gevangenis Tordinona, die als een der verschrikkelijkste van Rome bekend was, moest hij vier maanden lang zuchten. Met groote moeite, en van een rechter vergezeld, kreeg zijn broeder Bartholomeüs, die trouw Katholiek was gebleven, verlof om hem eens te bezoeken, en hoe trof hij zijn geliefden Lodewijk daar aan! Blootshoofds, op den harden, vochtigen grond liggende, aan handen en voeten met touwen, die hem overal in liet vleesch sneden, zóó vast gekneveld als moest hij ter slachtbank gesleept worden. Ja, ja, geliefden! dat zijn de Christelijke manieren der âheilige Inquisitiequot;! Zóó handelt Rome ter eere Gods!
Bartholomeüs viel bij het zien van dat jammerlijk schouwspel bijna in zwijm van ontsteltenis, en kon geen woord uitbrengen. Maar Lodewijk sprak hem vriendelijk toe en zeide; âLieve broeder! zoo gij een Christen zijt, bedroef u dan niet al te zeer! Weet gij niet, dat er geen blad ter aarde valt zonder Gods wil? Laat ons getroost zijn in onzen Heere Jezus Christus, daar wij weten, dat het lijden dezes tegen-woordigen tijds niet is te waardeeren tegen de oneindige heerlijkheid Daarboven!quot; Hier viel de begeleidende rechter den martelaar heftig in de rede, met de woorden; âGij lastert God!quot; Wat dunkt u, wordt gij hier niet onwillekeurig aan het volk herinnerd, dat aan Jezus\' kruishout al spottend en lasterend voorbijtrok?
Alle smeekingen van zijn broeder, alle vertoogen ook van een bevrienden geneesheer, om deze onafgebroken marteling wat te verzachten, stuitten af op de vrome Dominikanen, die
- 50 -
beweerden dat voov zulke ketters geen medelijden te pas kwam. En toen men eindelijk een ietwat gezonder verblijf aan hem toestond, bleek het slechts geschied te zijn, om hem te ernstiger tot afval te kunnen aanzoeken. Van alle kanten werd hij gesmeekt, door zijn broeder bovenal, om toch zijn Evangelisch geloof af te zweren, om tocli te denken aan zijne familie, aan zijne vrienden, aan zijne bruid â vrijheid, schatten, kasteelen werden hem aangeboden.... maar het was alles tevergeefs, en zelfs ontving zijn broeder Bartholomeüs den raad zich ijlings terug te trekken, daar zijne belangstelling voor Lodewijk hem verdacht begon te maken bij de âheiligeInquisitiequot;! Want voor deze hartelooze beulen was zelfs de stem der natuurlijke liefde, de stemme des bloeds, iets onbegrijpelijks. Zij kenden slechts ketterbloed â en dat zou vloeien! Want immers.... de heilige Moederkerk dorst niet naar bloed ?
Eindelijk bracht men Pasquale op Zondag den S8tim September 1560 naar het Dominikaner klooster Sopra Minerva, waar men hem, in het bijzijn eener talrijke schare, de akten van zijn proces voorlas. Alles, wat hij in den loop dier lange lijdens-maanden tot zijne verschillende rechters gezegd had, bevestigde hij nog eens punt voor punt. God dankende Zijne waarheid nogmaals, en nu voor zóóveel toehoorders, te mogen belijden. Hij wist, dat het nu ten doode ging en was bovenmate in zijnen Heiland getroost. Toch vermoedde hij niet, dat het zijn laatste levensdag was. Maar Rome had waarlijk al lang genoeg dien goddeloozen ketter op aarde geduld; het Gode welbehaaglijke werk van zijn doodmarteling zou spoedig volgen!
Des avonds, toen hij in zijn kerker was teruggebracht, schreef hij nog aan zijne vrienden te Genève: âMijn geloof wordt eiken dag sterker, hoe nader de ure komt, dat ik Gode tot een welbehaaglijk offer gesteld zal worden. Ja, mijne blijdschap is zóó onuitsprekelijk, dat ik mijne ketenen en banden reeds losgemaakt meen te zien en dat ik bereid zou zijn, indien het noodig was, duizendmaal voor de zaak der waarheid te sterven.quot; â Zijne laatste woorden, aan zijne bruid gericht, waren deze: âMijne liefde tot u wordt door de liefde mijns Gods
- 51 -
verhoogd. Hoe meer ik geleden heb, te meer ben ik ook toegenomen in het geloof, te meer heb ik u ook leeren beminnen.quot;
Den volgenden dag, den 9don September, had zijne opneming plaats in het glorieuze koor der martelaren. De Kerk dorst niet naar bloed â en daarom maakten de pausen het wurgen, radbraken en verbranden van ketters tot een soort van nationalen feestdag. Ook dezen 9\'Ion September 1560 was de strafplaats, bij de Engelenbrug op den linker-Tiberoever, door eene talrijke menigte bezet. Op prachtig versierde tribunes nam de stedehouder van Christus, omringd van zijne kardinalen, hovelingen, inquisiteurs en een groot getal priesters en monniken, plaats, om het verheven en edele schouwspel eener ketterverbranding bij te wonen. Nu, waar aldus de plaatsvervanger Gods op aarde voorgaat, verwondert het ons niet, dat een Karei II van Spanje, met zijn jonge gemalin, 14 uren lang een auto-da-fé bijwoonde, waarbij 21 ongelukkigen levend verbrand werden. Daar schijnt voor een goed-Boomsch hart iets onbeschrijfelijk verheffends in te liggen. Men moet trouwens niet vergeten, dat men vooraf eerst heel aandoenlijk voor de ziel dezer slachtoffers bad!
Met moeite sleepte Pasquale zijn afgemarteld lichaam onder den last zijner ketenen voort, maar niemand kon eenige vrees of ontroering op zijn aangezicht lezen. Kalm en met vasten tred betrad hij het schavot. Er ontstond onder de menigte eene diepe stilte, die hij zich aanstonds ten nutte maakte om nog voor het laatst blijmoedig van zijn geloof getuigenis af te leggen. Hij stierf niet, zoo sprak hij, voor een of andere misdaad, maar alleen, omdat hij Jezus Christus als zijnen Heiland beleed. âMaar allen, â ging hij voort - die den paus voor Christus\' stedehouder en voor een God op aarde houden, verkeeren in eene verderfelijke dwaling. Want werkelijk toont het opperhoofd der Eoomsche Kerk de ergste vijand van Christus\' leer en van het ware Evangelische geloof te wezen. Al zijne aanslagen en handelingen getuigen luide, dat hij de ware Antichrist is.quot;
Hij wilde nog verder spreken, maar op een wenk van
den inquisiteur trok de beul hem opwaarts aan de galg, en weldra was het lijden van dezen getrouwen getuige van Christus voltooid. Zijn lijk werd op den brandstapel geworpen en de asch in den Tiber gestrooid.
O, denkt u de blijdschap in van dezen vermoeiden strijder, toen hij eindelijk zijnen Jezus ontmoette! Toen die barmhartige en medelijdende Hoogepriester hem den laatsten traan van de oogen heeft afgewischt!
De âheilige Inquisitiequot; had evenwel haar doel met dezen moord nog niet bereikt.
De Kerk dorst niet naar bloed â en daarom moesten er nog stroomen bloeds vloeien.
Aan twee monniken werd door het heilig College de opdracht gegeven de ketters tot den schoot der Moederkerk terug te voeren. Nu de gevaarlijke herder uit den weg was geruimd, zouden de schapen wel volgen. Met beloften en bedreigingen zochten zij de kolonisten van San Xisto over te halen naar de Mis te gaan. Doch zij weigerden standvastig. Daarop lieten zij de klok luiden, maar de meeste inwoners vluchtten, niets goeds verwachtende, naar het gebergte. Ziende, dat zij hier niets uitrichten konden, trokken de vrome monniken naar la Guardia, een ander middelpunt der Waldenzische nederzettingen, lieten terstond de stadspoorten sluiten en verhaalden, dat al de Evangelischen van San Xisto de heilige Mis bezocht hadden. Door deze brutale leugen der godzalige monniken misleid, kwamen de meesten in de val, maar nauwelijks hadden zij vernomen, dat zij bedrogen waren, of zij grepen in hunne verontwaardiging naar de wapenen. Dit was een schoone gelegenheid om nu het gebruik van geweld te wettigen. IJlings wordt de onderkoning van Napels gewaarschuwd, dat de ketters oproer gemaakt hadden. Onmiddellijk zendt deze eene legermacht, die eerst de kinderen, grijsaards en vrouwen van het half verlaten San Xisto lafhartig vermoordden â het waren trouwens maar ketters! â en daarop werd
een ware kruistocht tegen de ontvluchten geopend. Alle gevangenen, alle misdadigers, die om hun misdrijf in de kerkers zaten, verkregen vergiffenis en kwijtschelding van straf, wanneer zl] tegen die ongeloovigen uittrokken; op elk hoofd werd een losprijs van dertig gulden gesteld, en met daartoe afgerichte speurhonden trok men het gebergte in. Wie door deze dieren niet verscheurd werd, of (wat nog erger was!) wie den dienaren niet levend in handen viel, stierf den hongerdood.
Even waardig en christelijk handelden de monniken met de overgebleven kolonisten van la Guardia. Zij gaven voor, spijt te hebben van de gepleegde wreedheden, zij konden ze niet langer aanzien; âGaat maar met ons mede â wij zullen u in veiligheid brengen!quot; Zeventig personen gingen met hen mede in goed vertrouwen â om weldra volgens gemaakte afspraak, in eene hinderlaag gelokt, als gevangenen van de ,, heilige Inquisitiequot; naar hare kerkers te worden weggevoerd. Langzamerhand werden daar van alle kanten tusschen de twee en drie duizend slachtoffers samengebracht, en nu kon het eerwaardig College zijne vurig gewenschte bekeerings-methode in toepassing brengen.
Men martelde en folterde de rampzaligen, tot hunne lichamen berstten. Acht uren van de onbeschrijfelijkste wreedheden waren soms noodig, eer zij beloofden naar de Mis te zullen gaan. Men zweepte hen soms met ijzeren roeden door de straten , om ze dan met brandende pikfakkels dood te slaan. Men wierp een jongen man van den toren, en toen hij den volgenden dag met verpletterden schedel nog leefde, gaf hem de onderkoning, die toevallig voorbijkwam, een schop, met de woorden: âHoe, leeft die hond nog?quot;
Doch.... zelfs den Inquisitie-mannen werd dit doodmartelen één voor één wat langdurig en langdradig. Het is voor den goeden Roomsche wel een genot dat dikwijls te doen, maar dag aan dag wordt het toch wat eentonig, vooral wanneer de voorraad ketters nog belangrijk is. Daarom besloot men de zaak wat meer in \'t groot aan te pakken. De getrouwe broeders konden ook bovendien elders nuttiger werkzaam wezen tot verbreiding der Katholieke waarheid. Den ll\'ien
â 54 â
Juni werden 88 ketters in een klein huisje samengedrongen en één voor één door één beul geslacht. Met het vuurroods mes en met bloed gedrenkte hemdsmouwen ging hij telkens naar binnen, nam een zijner slachtoffers bij de hand en sneed hem op het kleine pleintje vóór het huisje den hals af. Och, weet gij, de Kerk dorst niet naar bloed!
Toen dit beulswerk geëindigd was, werden al deze lijken gevierendeeld en op staken langs den weg tot aan de grens van Kalabrië gestoken, âden ketters (gelijk het in een offlciëei bericht uit die dagen luidt) tot een afschrikkend voorbeeld, maar voor de goede Katholieken een zeer vertroostend schouwspel.quot; Ja, dat geloof ik gaarne! Uitermate vertroostend!
Zóó ging het voort. Ruim vijf duizend broeders en zusters in onzen Heiland zijn binnen veertien dagen op deze wijze gedood. Soms werden zij, met pik bestreken, als levende fakkels aangestoken â nu, niet meer door heidensche beulsknechten, gelijk onder keizer Nero, maar door handen, die een crucifix en een rozenkrans hielden, door menschen, die zich noemden naar Jezus van Nazareth, meedoogenloozer dan de honden, die zij ophitsten tegen weerlooze vrouwen en kinderen. Geen pen kan beschrijven, wat laagheid en goddeloosheid aldaar is bedreven, want nog geen honderdste deel der gepleegde gruwelen heb ik u opgenoemd, maar ik moet ü en mijzelven sparen. En zóó zijn de dienaren der âheilige Inquisitiequot; er in geslaagd, ter eere Gods en van de allerzaligste Maagd, de bloeiendste koloniën van Italië, die driehonderd jaren lang in vrede en welvaart verkeerd hadden, te veranderen in eene woestenij, en een gezegend land tot eene schuilplaats te maken voor roovers en moordenaren. En over de velden, gedrenkt met het bloed dezer duizenden, trokken de priesters nu weer ongehinderd voort met het heilige Sacrament, op den bodem, die nu eindelijk gereinigd was van de vloekwaardige ketterij der Waldenzen.
O, mijne vrienden! wij leven in ons Protestantsche Nederland. Wat zijn onze voorrechten groot - hoe lang nog zullen ze duren? Zoudt gij waarlijk gelooven, dat ze ongedeerd zouden
â oo â
blijven, wanneer ons land niet langer eene Proteatantsche natie was? Daar ginds in Italië wordt nog altoos geleden, en al kan de vervolging niet meer zóó gruwelijk als in vroegere eeuwen geschieden, toch leven er in onze dagen nog vele getuigen van het bloedbad te Barletta, onder Pius IX aangericht, en nooit zijn de hemeltergende ongerechtigheden der Inquisitie offioiëel bestraft en veroordeeld. Geloof en vrijheid is onze leuze. Geen vrijheid buiten het geloof, geen vrijheid buiten Jezus Christus, die nog altoos aan eiken ketterjager, hij zij nu Eoomsch of Protestant, toeroept: âStaat dan in de vrijheid, waarmede de Zoon u vrijmaakt!quot; Laat ons, waar ook wij, als Gereformeerden, onze schuld hebben, die wij nooit moeten ontkennen of verbloemen, toch de lessen der historie niet vergeten, en onze heiligste bezitting, door het bloed van ons voorgeslacht verworven, niet in de waagschaal stellen!
In onze tegenwoordige dagen van algemeenen afval, van loswrikking van alle gezag, heeft Rome een toekomst gelijk nooit te voren, ontplooit het een ijver en machtsontwikkeling gelijk nimmer voorheen, en Rome (bedenkt het goed, het is haar eer en haar noodlot). Rome verandert nooit! Den levenden Christus en Zijn Woord bedekkende door de overlevering en haren verpersoonlijkten drager, den paus, moet het elke beweging tegenstaan, die haar oorsprong neemt in Gods Woord alléén en aan den levenden Heiland genoeg heeft. De tijden voor ons arme, verscheurde Protestantisme zijn onbeschrijfelijk ernstig, niet het minst door de lauwheid, de verborgen vijandschap van zijn eigen zonen. Wanneer daar uit ons midden een Pasquale gezocht werd, bereid om hetzelfde te dulden wat deze edele held om Christus\' wille verdragen heeft, â zoudt gij, zou ik zeggen; âHeere! zie hier ben ik?quot;
En toch, lieve vrienden! Rome heeft met wereldsche middelen, en daarom tevergeefs, een ideaal nagestreefd, dat heerlijk en schoon is, namelijk de Katholiciteit, dat wil zeggen, de algemeengeldigheid van het Christelijk geloof. Het heeft gepoogd, en dat is zijne ellende en zijne zonde, met geweld, met het zwaard de dwaling te vernietigen, die alleen voor
- 56 -
de kracht der waarheid wijkt, en de waarheid is geen stelsel en geene leer, maar de levende Christus, die getuigd heeft: âIk ben de waarheid.quot; Maar de gedachte, dat het Christelijk geloof onmogelijk over tien, twintig kerkgenootschappen verdeeld blijven kan; dat alle menschen er toe verplicht, dat alle menschen tot zijne belijdenis en erkentenis geroepen zijn, â die gedachte is volkomen juist, en wee ons, zoo wij haar uit het oog en uit het hart verliezen! Wee ons, wanneer wij binnen de muren onzer kerkafdeeling, de hand op onze wonder-schoone belijdenis leggende, ons nu tevreden zouden stellen met slechts de zonen van het huis rondom ons te vergaderen, onverschillig omtrent de anderen. Nooit vergeet ik het woord van den Protestantschen leeraar van Turijn, toen ik hem zeide; â\'t Is toch wel aangenaam, zulk eene kleine kudde te hebben.quot; â ââWat zegt gij? De gansche stad ligt voor mijne rekening!quot; quot; En ieder onzer kent het gezegde van den beroemden Wesley: âThe whole world is my parish,quot; de gansche wereld is mijne parochie. Wanneer dat niet in zekere heilslegerachtige opwinding gezegd wordt, wanneer daar geen owgeestelijke, d. i. ongeestelijke dweperij mee gepaard gaat, die vergeet dat God alléén Souverein is en dat Hij alléén ons den kring en de grenzen voor onzen arbeid aanwijst, dan ligt hier eene kostelijke waarheid in.
Neen, wij. Hervormden, wij houdenJwtsi de Katholiciteit, de voor allen geldigheid der Kerk vast, oneindig meer en beter dan onze Roomsche broeders. Wat God aan Luther heeft geschonken, gaf Hij niet voor een betrekkelijk kleinen kring, opdat die zich nu voortaan van de andere menschheid zou afzonderen, maar schonk Hij aan de geheele Kerk. De ware hervorming wil nooit scheuring, maar arbeidt voor den ganschen omkring der Christelijke belijders. Nooit is het Luthers begeerte geweest een nieuwe Kerk te stichten; óók niet (gellfk men het toch zoo vaak voorstelt) de bestaande Roomsch-Katholieke Kerk te âhervormenquot; naar het apostolische of eenig ander model â de Heilige Geest werkt nooit repristineerend, hetzelfde nóg eens scheppend, keert nooit onveranderd tot vervlogen toe-
standen terug â Hij is de Geest des levens, en al wat leeft, beweegt zich, ontwikkelt zich, groeit. Luther had, onder Gods aanbiddelijk bestel, eene geheel nieuwe, geheel onbekend geworden âontdekking,quot; of laat ik liever zeggen, eene nieuwe ervaring gemaakt van zonde en genade. Zijn âsola fidequot; (alleen door het geloof aan de voor ons verworven gerechtigheid van Christus worden wij voor God gerechtvaardigd) was â hoewel niets anders dan de zuivere leer der Heilige Schrift â toch in waarheid eene nieuwe ontdekking in de Christenheid. Geen der kerkvaders had ze geleerd, geene der bestaande belijdenissen had haar uitgesproken, al was zij ook de wettige, de noodzakelijke gevolgtrekking uit alles, wat de Heilige Geest, in den loop der eeuwen, over de Godheid des Zoons en des Geestes, over de twee naturen van Christus en over de beteekenis van Zijnen offerdood, aan de Gemeente had kenbaar gemaakt. Let wel: aan de Gemeente; aan de geheéle, algemeene Kerk. En tot die had ook Luther iets te zeggen; aan die geheele Kerk heeft hij zijne boodschap overgebracht, om het even, of zij die aan zou nemen of niet. Zijne ervaring van de goddelijke genade is, evenals die van de Godheid des Zoons, eene eminent-kathoüeke erkentenis, eene openbaring Gods niet voor een kringetje Lutheranen, maar voor het gansche Christelijke leven, dat wil dus zeggen voor de geheele menschheid bestemd. De rechtvaardiging door het geloof is geen dor, hoogvliegend leerstuk, door een spitsvondig theoloog op zijne studeerkamer uitgesponnen, maar de klare, duidelijke leer der Heilige Schrift, en de ervaring door elk geloovig kind van God gemaakt, wanneer de vrijmachtige God persoonlijk tot hem komt, en tevens eene les, waaraan hij zijn leven lang heeft te studeeren. Geene doctrinu (leerstelsel) dus, maar eene disciplina (onderwijzing), die de Heilige Geest, â die toch waarlijk niet de geest der Lutherschen alléén is! â aan alle waarlijk in Christus geloovenden doet kennen en beoefenen.
Ditzelfde geldt, maar in nóg hoogere mate, van ons. Gereformeerden. Reeds de omstandigheid, dat wij ons nimmer naar een persoon hebben genoemd (de benaming âCalvinistquot;
wijst veelmeer op maatschappelijke en politieke dan op kerkelijke verhoudingen), toont aan, dat de Gereformeerden zich eenvoudig tot hunne roeping wenschten te bepalen: Gods werk, in de zuiverintj Zijner Kerk begonnen, in Zijne kracht voort te zeiten. Zij erkenden ja, dankbaar en blijde, de uitnemende beteekenis van een Johannes Calvijn, maar volstrekt niet ten nadeele van Luther en Melanchthon en icie er ook verder eene roeping des Heeren tot Zijne algemeene Kerk op aarde toonde te bezitten. Zoowel met de Grieksch-Orthodoxe als met de Roomsch-Katholleke kerkafdeelingen knoopte zij herhaaldelijk pogingen tot toenadering en verbroedering aan, die tot haar diepe smart echter telkens mislukten. Een Gereformeerd Christen is van huis uit het ruimhartigste schepsel, dat er is, en als men God maar Zijne eere laat en Zijn heilig Woord als oppersten scheidsrechter erkent, kan hij met veel vrede hebben, waarbij een Luthersche reeds bedenkelijk het hoofd schudt. In de dagen der hevigste leerstellige geschillen tusschen de beide zusterkerken der Reformatie was dan ook doorgaans de waardige, verzoenende toon niet bij de zonen der Augsburgsche Confessie, de Lutherschen, maar bij de geesteskinderen van Calvijn en Guido de Bray te vinden. En bij hunne ware zonen verloochent zich die trek naar katholiciteit, naar algemeen-geldigheid hunner van God geschonken belijdenis, nooit. Daar kan wel, gelijk wij het, helaas! in de laatste jaren, die achter ons liggen, door onze gemeenschappelijke schuld, gezien hebben, tijdelijk eene zekere spanning, ja zelfs zekere verbittering komen tusschen de kinderen van hetzelfde huis; daar kan kerkyenootschappeljke hartstocht geboren worden, die van alle pasaiën de leelijkste en de venijnigste is; maar als de koorts wat heeft uitgewoed, kruipt toch het Gereformeerde bloed, waar het niet gaan kan, en openbaart het zijne oude begeerte tot verbroedering en aanknooping van vriendschapsbanden â mits de Heere Souverein blijve en Zijne geopenbaarde waarheid onaangetast.
Daarom breidt ook de ware Hervormde zijne liefde gaarne uit, ook tot hen, die niet met hem in één kerkelijken
- 59
tabernakel vertoeven, en heeft hij, juist omdat hij de heerlijkheid van Gods verkiezende genade als het middelpunt van al Zijne beloften heeft leeren kennen, er behoefte aan, eiken straal, mits hij uit dat middelpunt voortkomc, zoo ver mogelijk af te loopen, of hij ook broeders en zusters ontmoeten mocht, met wie hij de glorie van zijn Koning en Heere verhoogen mag. Daarom voelen wij ons, ondanks alles, wat ons van de pauselijke Kerk van Rome scheidt, die in het ïrentsche en Vatikaansche concilie de meest vijandige houding tegenover Gods reformatiewerk heeft ingenomen, nochtans met alle vrome Katholieken één en kunnen wij bijv. voor een Frans van Assisi, die deze idee der katholiciteit zoo diep gevoelde, ook de oprechtste bewondering koesteren.
En nu vraag ik u, broeders en zusters! in heiligen ernst als een geroepen dienaar van Jezus Christus af: Verstaan wij onze roeping in dezen? Hebben wij waarlijk een oog voor de schreiende nooden der Chustenheid? Wij belijden te gelooven; ééne heilige, algemeene, Christelijke Kerk. En God zij geloofd, dat die Kerk Zijn werk is, want als wij, arme knutselaars, haar met onze Synoden en Confessiën en Reglementen moesten opbouwen, lag zij al lang in puin! Maar laat ons dan ook bedenken, dat als die Kerk, gelijk wij dat toch gelooven, de wereld overwinnen zal, als zij voor de eeuwigheid bestemd is, dat wij dan ook, zullen wij hare levende steenen zijn, uit God geboren moeten zijn. Slechts als wedergeboren menschen behooren wij tot die ware Kerk, die Kerk des Heiligen Geestes, en alleen omdat en zoolang wij gelooven, dat onze Gereformeerde Kerk daarheen opleidt en de van God gestichte, meest zuivere openbaringsvorm van het leven Zijner kinderen is, mogen en kunnen wij haar dienen. O, wij moeten meer ernst maken met de nieuwe schepping, tot welke de Heere ons roept; wij moeten die vernieuwing, die verjonging dezer zwoegende, afgeleefde, zuchtende menschheid meer in het oog vatten en dragen op de vleugelen van ons biddend zielsverlangen! quot;VVij moeten, hetzij we nu strijden tegen dwalingen van gedoopte medechristenen, hetzij we opkomen voor het geloof, eenmaal den vaderen overgeleverd, altoos den strijd
- 60 -
heiligen, d. w. z. van de verwarrende bijkomstigheden tot de wave hoofdzaak terugleiden.
Dat vind ik altoos zoo schoon in de geschriften onzer vaderen, dat zij altoos van de Christelijke Kerk, de Christelijke leer, de Christelijke waarheid spreken als van iets hoogers, iets nog algemeeners dan zij beleden, al waren zij ook overtuigd de zuiverste uitdrukking dier waarheid te bezitten, omdat zij altoos beseften, dat zij nimmer het ideaal bereikt hadden. Nooit begingen zij de Godslastering te zeggen dat de uitdrukking hunner belijdenis volkomen éénzelvig was aan de waarheid zelve; altoos waren zij bereid, die uitdrukking, langs den wettigen weg, te toetsen aan de Bron aller kennis en te onderwerpen aan de voortgaande tucht en leiding des Heiligen Geestes. Ziet, wie zóó gelooven en belijden mag, die is verdraagzaam, omdat zijne overtuiging muurvast gegrond is, want alleen de vreeze vervolgt. Wie weet, dat zijn Christus alle macht heeft in hemel en op aarde, die vergenoegt zich hierbeneden met van Hem te getuigen, in afwachting dat hij daarboven met Hem heerschen zal.
O, wanneer wij waarlijk gereformeerd willen zijn, kinderen der Reformatie, laat ons dan onzen standaard heel, heel hoog houden! Hij loopt zoo gevaar, door het gewoel der partijen in het slijk te worden gesleurd. Willen wij den zegen der Reformatie waarlijk bezitten, dan moeten wij ook eene gemeente van heiligen zijn (heiligen in Bijbelschen, niet in Roomschen zin), een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk. Dan moeten wij door woord en werk verkondigers zijn van Hem, die ons uit de duisternis roept tot Zijn wonderbaar licht. Dan moeten wij ons door den Heiligen Geest in onderlinge liefde laten verbinden, en moet geheel ons leven één voortgezet dankoffer zijn, Hem ter eere, die ons heeft liefgehad en die ons de overwinning geeft in Christus Jezus, onzen Heer.
Dat heeft het arme Italië niet verstaan. Wat zijn daar geen martelaren op dien heerlijken grond gestorven! Pasquale is waarlijk één uit duizenden. Wat was er geen veelbelovend
- ül -
morgenrood eener ware Evangelische vrijheid! ... en toch heeft het Protestantisme er geen blijvende, kerkvormende macht verkregen. Tegenover de indrukwekkende, imposante éénheid van Rome\'s Kerk kon het verdeelde en verscheurde Protestantisme het slechts op een enkele plaats tot een bloeiend gemeentelijk leven brengen. Zou dat soms eene vingerwijzing zijn ook voor ons? Zijn niet aMepogingen van uitwendig kerkherstel, voor zoover ze niet de spontane uitingen van het eigen geestelijk leven zijn, ook ten onzent met machteloosheid geslagen ? Is er niet altoos iets kunstigs, iets gedwongens, iets gemaakts aan?
O, meent niet, dat wij het kerkelijk leven gering achten! Nooit staan wij voor eene breede schare in onze eerwaardige kathedralen, als \'t ware omringd door de schimmen onzer vaderen, wier stof daar sluimert onder onze voeten, of daar fonkelt een heilige gloed door onze aderen. Maar toch â wij kunnen het oog niet sluiten voor de teekenen der tijden; de groote volkskerken brokkelen af, het wordt een altoos vermeerderen van sekten en afdeeiingen, en het belieft den Heere blijkbaar niet, tegenover de wereldmacht van Rome, Calvinisten en Lutherschen en Doopsgezinden en hoe zij verder heeten mogen, saam te smelten tot eene tweede, gelijksoortige organisatie. Wij hebben te kiezen tusschen Roomsche veiligheid en Protes-tantsche zekerheid. Tusschen de veiligheid, die eene Kerk kan bieden, die zich de alleenzaligmakende noemt en die van de wieg tot het graf voor hare onmondige kinderen zorgt, of de zekerheid, die daar eenig en alleen in Gods verkiezende genade ligt, verbonden met al de smart, ook met al den twijfel en de beproeving, aan eene persoonlijke belijdenis verbonden. Wat mij betreft, de keuze is mij niet twijfelachtig â en God geve u óók niet, broeders en zusters!
Wie dat gelooft, kan verder gerust en getroost zijnen weg voortzetten. Die kan verzekerd zijn, dat ook in ons vaderland, hoe donker het er ook moge uitzien, de Heere nog wel Zijne 7000 bewaren zal, die de knieën voor Baal niet buigen. Die zal, wel niet zonder smart ongeloof èn bijgeloof op dezen onzen Protestantschen grond zien toenemen en menigen armen
- 62 -
twijfelaar, vermoeid van al het getwist over leerstukken en kerkregeering, zich blindelings in de armen van Rome zien storten, â maar die zal tóch kalm kunnen belijden: âEvenwel, het vaste fundament Gods staat â en de Heere kent de zijnen!quot; En het overige laat hij dan Hem maar over, die regeert, die de zeven sterren in Zijne rechterhand houdt en tusschen de zeven kandelaren wandelt.
Ook ten opzichte van dat Italië, waarop wij lieden een blik hebben geworpen, is er goede hope. Ook daar laat de Heere niet varen het werk Zijner handen! Nog maar even 20 jaren geleden moest elke reiziger het zich laten welgevallen, dat te Rome zijne bagage doorsnuffeld werd, om te zien of men ook Italiaansche bijbels binnensmokkelde. Die moesten ten koste van alles geweerd worden! Pius IX atelt in zijn Syllabus de Bijbelgenootschappen als eene pest (vergeeft mij deze pauselijke uitdrukking!) met socialisme en communisme op ééne lijn. Maar de 20\'\'ï September 187à brak aan! Van \'s morgens 5 uur af waren de muren der stad beschoten geworden en weldra reden de overwinnaars door de bres van de Porta Pia de stad binnen. Daar vertoonde zich voor de oogen der Romeinen, die hunne bevrijders met gejuich ontvingen, een zonderling schouwspel. Tusschen de kanonnen reed een kar, door een hond getrokken, en begeleid door twee jonge mannen. Het waren colporteurs van het Britsche en Buitenlandsche Bijbelgenootschap, die zoo spoedig mogelijk Gods Woord in Rome wilden binnenbrengen. Zij hadden van een herder zijn hond gekocht en van een ander een kar gehuurd, en trokken nu met hun met Bijbels beladen voertuig de stad der pausen binnen. En nu is Gods Woord uit Rome niet meer te verdrijven en de pauselijke vervloekingen dei-Bijbelgenootschappen gaan zonder schade haren nutteloozen weg. In het jaar 18S5 alleen werden meer dan 90,000 Bijbels of Bijbelboeken in Italië verbreid, en eerst de eeuwigheid zal openbaren /joevelen daar een blijvenden zegen uit ontvingen.
En nu Kalabrië, het door de Inquisitie uitgemoorde en verwoeste arbeidsveld van Pasquale? Ook daar wordt de predi-
- 63 -
king des Evangelies opnieuw vernomen. Hetzelfde Cosenza, waav de gruwelen, die wij u beschreven, aan hulpelooze Protestanten werden gepleegd, heeft thans weer een eigen bedehuis der Evangelischen in de âHeiligen-straat,quot; en mij dunkt, het kleine kuddeke zal menigmalen denken aan die eerwaardige martelaren van voorheen, op dezelfde pleinen geslacht als weerlooze schapen, waarover zij thans ongestoord hun weg mogen zoeken naar de prediking der waarheid. En bij den Engelenburg te Rome, dicht bij de plek, waar Lodovico Pasquale den laatsten adem uitblies, en waar zoovele honderden anderen de belijdenis van Jezus Christus met den marteldood hebben bezegeld, staat nu het schoone kerkgebouw der vrije Christelijke Kerk en eene leerschool voor predikers van het Evangelie. Zoo blijkt het Woord onzes Gods eene kracht tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft. Zóó overwint de Heer, ook al schijnt het vaak, dat de zaak van Zijn Koninkrijk door de machten der duisternis wordt vernietigd. Zóó loopen de smarten en de tranen van Zijn arm en ellendig volk toch uit op de verheerlijking van Zijn naam, wanneer eenmaal de vermoeide en vervolgde kudde in het nieuwe Jeruzalem te zamen komt, om dan voor eeuwig Loofhutten te vieren en het met de triomfeerende Kerk te belijden: âHem, die op den troon zit, en het Lam zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht, tot in alle eeuwigheid!quot;
III.
EEN HEILIGE UIT DE MIDDELEEUWEN.
Mijne Hoorders!
Ik wensch u in deze ure het leven en de beteekenis te schetsen van een groot en merkwaardig man. Een man, die, in de Roomsche Kerk geboren en opgevoed, een van hare meest beroemde en meest populaire heiligen geworden is â men vindt zijne beeltenis in bijkans alle Katholieke woningen â en die nochtans bij den overtuigden Protestant van de hartelijkste bewondering zeker is, ook al zal deze de leer en de grondbeginselen , waarvan ook hij uitging, ten nadrukkelijkste moeten bestrijden. Een man, die, gelijk wellicht geen tweede op aarde, ernst heeft gemaakt met de voorschriften van Christus, zooals hij die verstond, en wiens leven één onafgebroken toewijding aan zijn ideaal, ééne nimmer verflauwende uiting van liefde is geweest. Ik bedoel Pranciscus van Assisl, den troubadour des kruises, den ridder der heilige armoede en kuischheid.
Hoe weinig vermoedde de rijke koopman Pietro Bernardone van Assisi, eene stad in het Oosten der laagvlakte van IJmbrië in Italië gelegen, dat het kind, hetwelk hem in het jaar 1182 geboren werd, terwijl hij voor zijne uitgebreide handelszaken in Frankrijk vertoefde, eenmaal de gansche wereld met zijnen naam vervullen zoude! Zijne moeder had hem âJohannesquot; willen heeten, maar zijn vader noemde hem, ter eere van het Frankenland, waar hij de meeste zijner schatten verdiend had, Franciscus, Francesco Bernardone.
Zulke aanzienlijke handelsmannen waren in die eeuwen personen van groot gewicht. Zij zagen en hoorden op hunne uitgestrekte reizen van allerlei zaken, waar de ridder in zijn slot, de burger in zijne opbloeiende steden, om van de boeren en lijfeigenen maar in het geheel niet te spreken, geen flauw
- 68 -
denkbeeld van hadden. Zij waren het, die de zaden van kennis en wetenschap, vaak ook van twijfel en van ketterij, van hunne verre tochten medebrachten naar liet vaderland en op deze wijze nieuwe tijden hielpen vormen. Het ridderlijke, beschaafde Frankrijk dier dagen oefende een groote aantrekkingskracht op Noord-Italië uit, zoodat Fransche taal en zeden, Fransche minnezangers en kunstenaars gedurig de Alpen overtrokken en de zoo verbasterde en verwilderde Italianen hielpen beschaven. Ook in de woning van Bernardone werd de Fransche taal gesproken, zoodat deze den jongen Francois gaandeweg gemeenzaam werd. In het schrijven â destijds trouwens een heele kunst! â heeft hij het nooit ver gebracht.
Als zoon van een der rijkste ingezetenen van Assisi kon hij zich al de weelde en ook al de overmoedige streken veroorloven, waaraan de patriciërs der bloeiende Italiaansche steden gewoon waren. Dag en nacht weerklonken de straten van het vrooiyk gezang van hem en zijne vrienden, wanneer zij op hunne schitterend opgetuigde paarden en in de schilderachtige kleedij dier eeuw langs \'s Heeren wegen voorttogen. Gemeen en onzedelijk was hij echter nooit, al wierp hij het geld ook met handenvol weg, en reeds toen kwam zijne ingeschapen liefde voor armen en ellendigen soms recht eigenaardig voor den dag. Meer dan eens gaf hij aan een of anderen bedelaar zijne beurs, ja zijn fluweelen mantel en wambuis weg, om in hemdsmouwen en zonder één penning op zak naar het ouderlijke huis weder te keeren. Nu, vader Bernardone kon dat wel verdragen! Zijn handel in tapijten en zijden stoffen bracht hem meer dan genoeg op, en het streelde hem, dat zijn veelbelovende zoon bij rijk en arm gelijkelijk bemind en gezien was.
Ook aan persoonlijke dapperheid ontbrak het den jongen edelman niet. Geheel Italië was eigenlijk voortdurend in oorlog gewikkeld, ja de meeste steden waren in krijg met hare naast-bijgelegen zusters. Dat prachtige land was onafgebroken door den geesel des ooiiogs geteisterd. Toen men een aanval van het naburige Perusia duchtte, heeft Franciscus met ijver aan de stadsmuren medegemetseld (weinig vermoedende, hoe deze
- 09 -
oefening hem later bi] het herstellen van kerken en kapellen zou te stade komen!) en toen hij door de Perusiërs bij een hunner aanvallen gevangen was genomen, bracht hij het gansche jaar zijner gevangenschap schertsende en zingende door. De meest barsche cipier moest voor zijne onbedwingbare en aanstekelijke vroolljkheid zwichten; alle vijanden werden zijne vrienden; geen schepsel vermocht bitter gestemd te blijven tegenover dat zachtmoedige, allen genegene hart. Gij kunt begrijpen, met hoeveel blijdschap de Assisiërs hem na een jaar terug zagen komen!
Toch ging er meer om in zijn hart, dan men vermoedde, en toen hij, kort na zijne vrijlating uit Perusia, hoogst ernstig ziek werd, leerde hij tot God roepen om genade en om vergeving zijner zonden, gelijk hij nog nimmer gedaan had. Het ledige en onbevredigende van zijn leven woog hom zwaar op de ziel, en ach, hij vond nergens vervulling voor zijne diepere behoeften. Zijn vader had alleen oog voor zijn handel; zijne vrienden lachten hem uit en vroegen, of hij gek werd, wanneer hij over zijne zonden zuchtte; en de Kerk zijner dagen was ten éénen male onbekwaam hem te troosten. Het bederf der geestelijkheid, van den armsten pastoor af tot de bisschoppen en kardinalen toe, was zóó groot, dat de beste Christenen wanhoopten aan genezing. Het levende Woord van God was uit alle kerken en scholen geweken, en de godsdienst in een dooden, onbegrepen vormendienst versteend. Wat schoot den armen jongeling, bij het terugkeeren zijner krachten, anders over, dan, zij het ook met zuchtend hart, het oude leven weder opnieuw te hervatten en bij spel, luit en drank verstrooiing voor zijne onrustige gedachten te zoeken? Hij zou nogmaals op wapenroem uitgaan, en in gezelschap van eenige vroolijke ruiters ging hij naar Zuid-Italië op weg, om bij het gekletter van zwaarden en schilden den onvrede van zijn hart te vergeten.
Maar God liet hem niet los. Nauwelijks was hij te Spoleto aangekomen, of een hevige koorts scheidt hem van zijn gezelschap, en duidelijk daarin eene vingerwijzing des Heeren
erkennende, keert hij den volgenden dag naar Assisi terug, nu vast besloten met zijn oude leven te breken en zijne gansohe toekomst aan den Heiland en Zijne armen te wijden. Menigmaal lag hij uren lang in eene ver verwijderde grot of in eene eenzame kapel over zijne zonden te weenen, terwijl hij God smeekte, hem toch duidelijk den weg te wijzen, dien hij gaan moest.
Zijn hartstocht voor de eenzaamheid nam evenzeer toe als zijne liefde voor armen en ellendigen, die al spoedig, met het onbedrieglijk instinct des harten, gevoelden, dat deze rijke jongeling hun nog iets meer dan zijn zilver of goud, dat hij hun zijne liefde, zichzelven wilde schenken. Toch bleef hij nog voor het oog der wereld dezelfde. Hij hielp zijnen vader in den handel, hij maakte zelf, in zijne schitterende en rijke kleedij, bezoekreizen naar de afnemers van zijns vaders artikelen en zocht ook van tijd tot tijd den omgang met zijne vrienden nog op. Maar zijn hart dorstte naar vrede met God. Wellicht zou hij dien te Rome vinden, de stad, waar Christus\' stedehouder resideerde en waar, bij de graven der Apostelen en Martelaren, zoo rijke aflaat, ja vergiffenis van alle zonden te verkrijgen ware! Vol hope ving hij zijnen pelgrimstocht naar de âHeilige Stadquot; aan, maar ach! hoe zou hij in dit Babyion rust voor zijne ziel vinden?
Geen paus, ook al was hij zoo machtig en energiek als Innocentius IH, vermocht deze ellende te bezweren, en geheel de Kerk zuchtte, ja schreeuwde om redding. Allerwegen ontstonden kettersche sekten, die zich met verbazingwekkende snelheid over heel de Christenheid uitbreidden, nu eens zacht en ootmoedig gelijk de Waldenzen, dan weer gevaarlijk en omverwerpend gelijk de Katharen, dan weer in de buitenspo-rigste mystiek, gelijk die van een Joachim van Flore, zich verloopend â maar a/temaal stemmen, die de verbasterde Kerk van Rome tot de orde en tot hervorming riepen, tot hervorming bovenal naar het oude, apostolische model, waarvan zij zoo droevig was afgeweken.
Is het wonder, dat alle die stemmen weerklank vonden in
het harte van Francois Bernardone? Tot eene breukc met de Kerk zou hij nooit ofte nimmer komen; daartoe had hij zijne iloeder, de heilige Apostolische Roomsohe Kerk, te innig, te zelfverloochenend lief. Maar dat zij krank was en genezing behoefde, ja dat zag hij, dat zag hij te Rome-zelf gewisselijk niet het minst! Toen hij, vol ontroering bij het graf van Petrus en Paulus neergeknield, daar al het geld, dat hij bij zich droeg, op hun altaar had uitgestort, maakte hij aanstonds vrijwillig kennis met het leven der armen. Gehuld in de plunje van een bedelaar bleef hij een ganschen dag aan een der kerkdeuren liggen, de hand uitstekende om de aalmoezen der ge-loovigen te ontvangen, en toen hij te Assisi was wedergekeerd, waren de armen meer dan ooit de voorwerpen zijner liefde en toewijding. Op zekeren dag rijdt hij weer op zijn prachtig ros en in zijne schitterende kleeding door de velden, toen hem een melaatsche ontmoette. Nu was de melaatschheid de éénige ziekte geweest, die hem altijd een onoverwinnelijken afkeer had ingeboezemd; en toen hij nu dezen ongelukkige de met zweren en wonden bedekte handen naar zich zag uitstrekken, kon hij zich niet bedwingen, maar wendde den teugel en vlood van den lijder weg. Maar zie, reeds enkele oogen-blikken later stuurt hij zijn ros wederom terug, en de verbaasde kranke ziet den schitterenden ruiter afstijgen, hem zijne goedgevulde beurs overreiken, ja hem de afzichtelijke hand ten teeken van eerbied kussen. Een paar dagen later houdt Franciscus voor het leprozenhuis stil, waar tal van melaatschen hun rampzalig bestaan voortsleepten; hij komt bij hen binnen, wascht hun de wonden en kust hun de voeten, als een wonder Gods, als een engel uit den hemel door deze ellendigen aangestaard, die nog nimmer van hun leven den gloed der Christelijke liefde hadden gekend.
Het is niet te verwonderen, dat zulk een gedrag den vader van Franciscus geweldig verdroot. Zoolang zijn zoon het geld, dat hij verdiende, aan weelde en zingenot verbraste, had hij gezwegen, maar het aan armen en melaatschen met handen vol te zien weggeven, dat kon hij niet langer verdragen.
- 72 -
Beschuldigingen, bedreigingen en slagen werden den reeds volwassen Franciscus niet gespaard, maar nooit antwoordde deze met een driftig of oneerbiedig woord; hoe ruwer de bejegening werd, te meer zocht hij zijn troost in het gebed, te vuriger smeekte hij zijnen gedukligen Heiland hem geduld en ootmoed te schenken. Daar breekt hem eindelijk het volle zonlicht door de zwarte wolken henen! Op zekeren dag, toen hij in de kapel van Sint-Damianus, in den omtrek van Assisi, weder lag neergeknield, en met vurig verlangen het crucifix op het altaar gadesloeg, was het hem of de gekruiste Heiland zich tot hem nederboog en hem de blijde verzekering schonk, dat Hij zijn geringen dienst wilde aanvaarden. Dit was het beslissende oogenblik voor heel zijn verder leven. Hij was zijns Liefsten, en zijn Liefste was zijns. Hij keert naar het ouderlijke huis terug, pakt daar het weinige, dat zijn persoonlijk eigendom was, bijeen, en rijdt op zijn eigen paard naar Foligno, drie uren van Assisi verwijderd, waar hij paard, goederen en bezittingen op de markt verkoopt, om daarna naar de kapel van Sint-Damianus terug te wandelen, waar hij den verbaasden priester zijne laatste en eenige bezitting, het zoo pas verkregen geld, voor het heiligdom ter hand stelde. Nu had hij niets meer op de wereld, dat hij het zijne kon noemen, en van nu af aan wilde hij den Heere Christus in Zijne Kerk en Zijne armen dienen.
Natuurlijk kwam een en ander spoedig zijnen vader ter oore, die, toen hij de schuilplaats van zijnen zoon ontdekt had, zich woedend naar Sint-Damianus spoedde, maar Franciscus had zich zóó goed verborgen, dat zijn vader hem niet vangen kon. Na eenige weken keerde de zoon echter vrijwillig naar het vaderlijke huls terug, in de hoop met de goedkeuring zijner ouders het weer te zullen verlaten; maar toen hij, in lompen gehuld en door vasten, weenen en bidden vermagerd, zich in de straten van Assisi vertoonde, waar hij nog zoo kort geleden te paard en in weelde begroet was geworden, ontstond er dadelijk een geweldig rumoer. Ouden en jongen scholden hem voor een gek, wierpen hem met steenen en met vuil, en zijn vader.
half waanzinnig van ergernis en schaamte, greep hem met geweld vast, sleurde hem naar zijn huis en sloot hem daar in een donker hok op, vast besloten hem door de uiterste gestrengheid tot toegeven te dwingen. Daar zijne moeder deze mishandeling van haar kind niet verdragen kon, maakte zij van een oogenblik van afwezigheid haars mans gebruik om Franciscus te doen ontsnappen, die nu aanstonds tot den priester van Sint-Damianus terugkeerde, en van waar hem noch de bedreigingen zijns vaders noch die van den stedelijken raad van Assisi konden terugbrengen. âIk sta van nu af aan onder het gezag der Kerk,quot; was zijn antwoord, âen noch myn vader noch mijne vaderstad hebben iets meer over mij te zeggen.quot; Daar dit in zekeren zin waar was, omdat in die dagen de Kerk volkomen zelfstandig was van de burgerlijke Overheid, schoot den vertoornden Bernardone, die met alle geweld zijnen zoon terug wenschte te hebben, niets anders over dan de toevlucht tot de kerkelijke macht te nemen. Hij wist den Bisschop van Assisi te bewegen Franciscus voor zijne geestelijke rechtbank te dagen, en als een gehoorzame zoon der Kerk verscheen hij ook terstond en met vreugde. Ten aanhoore van eene talrijke menigte, die, zooals gij begrijpen kunt, met groote belangstelling deze zaak volgde, werd hem nu in een plechtig verhoor door den bisschop afgevraagd, of hij, Franciscus Bernardone, nu waarlijk geheel en al wenschte afstand te doen van al zijne goederen en beziltlngen. Als eénlg antwoord op deze vraag trok hij zich een oogenblik terug in een der zijkamertjes van de gerechtszaal, om na een paar minuten toevens moedernaakt voor den dag te komen, zijn bundeltje kleederen voor zijnen bisschop neerleggende, met de woorden: âDit is óók nog voor mijnen vader; van nu af aan wil ik alleen meer zeggen: Ome Vader, die in de Hemelen zljt!quot; De bisschop, onwillekeurig onder den indruk van dit zonderling, maar toch treffend tafereel, hing hem aanstonds een mantel over de bloote schouders, terwijl de vader, woedend, maar onmachtig, onder het luide gemor der menigte de schamele kleedij zijns zoons opnam en mede-voerde. De breuk tusschen hem en zijn kind was volkomen.
- 74 -
Van dit oogenblik evenwel had Franciscus eene groote plaats in veler hart. Zijne bekeering was blijkbaar te echt, te welgemeend om betwijfeld te kunnen worden, en hij, dankbaar de laatste banden, die hem aan het vleesch en de wereld bonden, te zien doorgesneden, ging van de rechtszaal linea recta naaide bosschen om met zijnen Heiland alléén te zl|n en in zalige overpeinzingen zich te verliezen in de liefde van Christus. Dag en nacht was hij in het gebed, of deed hij de wouden weergalmen van zijne vroolijke lofgezangen. Daar komt een troep roovers op hem af. âWie zijt gij?quot; vraagt men hem, teleurgesteld voor geen penning aan waarde bij hom te vinden. âDe heraut des grooten Konings,quot; luidt zijn blijmoedig antwoord. Men neemt hem zijn mantel af, het eenige bezit dat hij had, en werpt hem in eene sloot, die nog geheel met sneeuw bedekt was. Half bevroren en naakt kruipt hij er eindelijk weer uit, en zet onmiddellijk zijn loflied ter eere van Christus voort. Gelukkig ontving hij spoedig weer een kleed, dat hem dekken kon, en stralende van blijdschap kwam hij bij zijnen vriend den doodarmen priester van Sint-Damianus terug, na eerst nog een wijle onder zijne melaatsche brooders in het leprozenhuis vertoefd te hebben.
Zijne liefde was zonder grenzen. Nooit heeft een mensch op aarde de gekruiste liefde van Golgotha zóó met teederen hartstocht bemind als hij. Van het oogenblik af, dat hij, in die nederige kapel van Sint-Damiaan, zijne ziel voelde smelten dooide liefde van Christus, tot aan zijnen dood toe, heeft hij geene andere passie gekend dan den Gekruiste, begeerende â gelijk hij het eens uitdrukte â door de gansche wereld heen die liefde te gaan beweenen, alta voce ire plangendo per totum mundum. En al wat nu een kruis droeg, al wat gebukt ging onder lijden en smart, de gekruiste menschheid in haar zuchten en klagen had de volle liefde van zijn koninklijk hart, omdat hij er eene afschaduwing van het lijden van zijnen beminden Jezus in zag. Zoo vaak hij den naam zijns Heilands uitsprak, veranderde zijne stem op éénmaal; het was alsof hij dan de melodie van een inwendig gezongen lied vernam, welks tonen hij wilde vastgrijpen en dat zijn geheele wezen verheerlijkte.
Franciscus\' eerste werk was nu de herstelling der zeer vervallen kapel van Sint-Damianus. Hoe onverschillig hij omtrent zijne eigene kleeding ook was, eene kerk, immers het kleed, dat het allerheiligste Sacrament des Altaars omhulde, mocht er niet armelijk uitzien! Met eigene hand ging hij aan het bouwen en herstellen der gebrekkige muren, waartoe hij de steenen eerst zelf in den omtrek bijeen bedelde. Wat was hij gelukkig, wanneer hij met een zware vracht het steile bergpaadje opwandelde, dankbaar voor het broksken brood, door deze of gene godvruchtige ziel hem tot zijn levensonderhoud geschonken, gelukkig ook onder de vervloekingen van zijnen vader, die hem af en toe ontmoette en dan steeds met de bitterste scheldwoorden overlaadde.
Toen hij in het voorjaar van 1208 de kapel van Sint-Damiaan gerestaureerd had, zocht hij een ander gesloten en vervallen bedehuis op en vond dat in het kerkje Santa Maria della Portiuncula of Onze Lieve Vrouw der Engelen, waaraan geen vaste priester verbonden was, doch waar een Benedictijner monnik van tijd tot tijd de Mis kwam bedienen. Daar meende hij zich als kluizenaar neer te zetten en een stil, bespiegelend leven te gaan leiden. Doch de Heer had andere plannen met Zijnen 26-jarigen knecht. Terwijl hij in heilige aanbidding lag neergezonken, â \'t was op den 24sten Februari van het jaar 1209 â hoorde hij den priester het Evangelie van dien dag voorlezen, en als een onmiddellijke boodschap des Heilands klonk hem het Evangeliewoord tegen: âGaat henen en predikt, zeggende: Het koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen. Geneest de kranken, reinigt de melaatschen, wekt de dooden op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch kopergeld in uwe gordels, noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf, want de arbeider is zijn voedsel waardig.quot; Na het vernemen dezer woorden is Franciscus opgestaan, heeft zijnen staf en zijne schoenen, het éénige, wat hij nog missen kon, afgelegd, en van nu af aan weet hij zich tot den predikdienst des Evangelies bestemd. Christus heeft hem in
dat oogenblik geroepen en gewijd, en nooit heeft hij één oogenblik aan zijn goddelijke zending getwijfeld.
Ziet, mijne Hoorders! dat ia het geheim van den onmete-lijken invloed dezes mans: wat hij als den wil des Hoeren erkende, volgde hij onmiddellijk, zonder ooit te aarzelen, op. Liefhebben, gelooven en gehoorzamen zijn bij hem onafscheidelijk verbonden, niet - gelijk helaas! altijd bij ons - met elkander aan \'t redeneeren en conditionneeren; vandaar zijn bijkans onbegrijpelijke kracht. God beveelt hem lief te hebben. \\ an dat oogenblik af heeft hij alle menschen, ja alle schepselen lief; zijnen vervloekenden vader even innig als zijne trouwste volgelingen, zijnen broeder den Sultan van Egypte even ongeveinsd als zijnen broeder den wolf of zijne zusters de duiven. God beveelt hem te gelooven. Hij gelooft in zijne roeping en in de overwinning zijner liefde, en nooit is zijne ziele van twijfel verscheurd. God beveelt hem te prediken. Op \'tzelfde oogenblik staat hij op, hij, man zonder kennis, zonder ambt, zonder wijding, en duizenden bij duizenden worden bekeerd. Hoe vaak betreuren wij onzen verloren tijd, verloren door onze aarzeling en weigering Gods weg te bewandelen â die smart is hem bespaard gebleven; zijn leven was één onlosmakelijk, onscheidbaar geheel van geloof, van liefde en van gehoorzaamheid.
Nadat hij den 24st9n Februari, den dag zijner goddelijke roeping tot het predikambt, in vurige gebeden had doorgebracht, begon hij reeds den volgenden morgen zijne Evangelieboodschap te brengen. Nooit is daar eenvoudiger gepreekt. Waar do geestelijkheid zijner dagen in de officiëele Latijnsche kerktaal hare dorre, schoolsche stellingen verkondigde, even koud als de lippen, die ze deden hooren, daar trilde uit ieder woord van Franciscus eene met moeite bedwongen passie voor den Heiland en voor het heil der zielen, \'t Waren slechts korte vermaningen tot boete en bekeering, tot een leven van liefde en barmhartigheid, maar zij troffen de harten allerwegen. Nooit was een tijd zóó vol gisting en woeling als de zijne. Het schoonste land der aarde was een Hel, door de onafgebroken vechterijen en moordenarijen van vorsten en priesters, van
edelen en burgers, allen vijandig tegenover elkander, allen naijverig op hunne rechten of begeerig naar grooter gezag. En zie, daar treedt nu de zoon van een schatrijk handelaar op, vrijwillig armer geworden dan de armste bedelaar zijner dagen, en met eene liefde, die geen vreeze, geen wantrouwen en geene verkoeling kende, treedt hij allen te gemoet, kiemen en grooten, priesters en leeken, armen en rijken, en biedt hun den hemel op aarde, vrede en blijdschap der ziele als vrucht van zijne prediking aan. Is het wonder, dat de spottende lippen verstomden en dat de harten zich ontsloten?
Op zekeren dag gaat hij met een tweetal vrienden eene kerk binnen, leest hun diezelfde Evangeliewoorden voor, die ook hem den laatsten stoot hadden gegeven, en onmiddellijk geven ook zij met vreugde al hunne bezittingen aan de armen weg. De Orde der Franciscanen was gesticht, 16 April 1209. quot;Weldra voegde zich nog een derde, broeder Egidius, bij hen, en met hun vieren doorwandelden zij nu de schoone velden van Umbrië, overal getuigende en predikende van de liefde van Christus. De Portiunculakerk was hun liefste vereenigings-plek, en o, hoe vaak zijn ze daar in aanbidding voor het Sacrament des Altaars neergezonken; hoe menigmaal lagen ze daar op den harden grond als op een bed van rozen, vol van de zoetste en teederste blijdschap!
Het waren wel zeldzame, nog nooit aanschouwde zendelingen, die âfratres minoresquot;, die âmindere broedersquot;, gelijk zij zich noemden, ook door hunnen naam hunne begeerte openbarende als de minsten van Jezus\' getrouwen Hem in Zijne ellendigen te dienen. Zij werkten met de boeren mede op het veld of verhuurden zich als daglooners in de wijngaarden, nimmer één penning gelds aannemende, maar alleen voor een handvol broods den ganschen dag arbeidende, terwijl hunne lippen niet stil stonden van den lof des Zaligmakers. Den nacht sliepen ze in een hooischelf of onder het portaal van een kerk of bij de melaatschen in het leprozenhuis, om met het krieken van den dageraad weer te beginnen met hunne lofgezangen en de vroolijke prediking van Gods genade en liefde.
- 78 -
Wat den heiligen Franciscus in het bijzonder eigen was, Is zijne Innige liefde voor de schepping, voor de natuur. Ach ja, alle dichters bezingen de liefelijke lente en de schoone Meimaand, de ruischende watervallen en het lied der vogelen. Maar hoe vaak bespeurt men aan de altoos terugkeerende wendingen en uitdrukkingen, dat het ook bij hen eene conventioneele zaak is! In trouwe, het is nog zoo gemakkelijk niet de natuur waarlijk lief te hebben, haar met eerbied gade te slaan en er niet allereerst genot, maar wijze, goddelijke leering te zoeken! Dat verstond Frangois. Hij doorliep Gods rijke schepping, er overal de schreden van zijnen Meester zoekende, en \'t was bij hem geen kinderachtige weekelijkheid, maar de oprechte uiting van zijn liefdevol hart wanneer hij de dieren en planten zijne broeders en zustertjes noemde. In vrede levende met God en heel Zijne creatuur, vloeide zijn hart ook over van liefde voor al het geschapene, voor de bergen en de bosschen, de fonteinen en de beekjes, de lucht en den wind, de zon en de sterren. Waar anderen slechts vergankelijke schoonheid zagen, daar zag hij de eeuwige betrekking tusschen de zichtbare en de onzichtbare wereld, en hij was verzekerd, dat heide hem verstonden. Uren kon hij eenen bijenzwerm gadeslaan en terwijl hij se//\'aan alles gebrek leed, zorgde hij dat die nijvere diertjes in den winter honig en wijn hadden, opdat zij niet van kou zouden omkomen. Vooral voor lammeren was zijne teederheid onuit-puttelilk. Toen hij eens een boer tegenkwam, die twee kleine lammetjes, aan een touw om zijnen hals hangende, voortdroeg, werd hij door hun geblaat tot in het diepst zijner ziele bewogen. âWaarom martelt gij mijne broeders de lammeren aldus?quot; vroeg hij den verbaasden landman. âWel, ik heb geld noodig,quot; luidde het antwoord, âen nu breng ik ze naar de markt om ze te verkoopen aan een slager.quot; âDat verhoede God!quot; riep de heilige uit, en daar hij geenen penning aan geld bezat, schonk hij den ander zijnen fraaien mantel in ruil voor de blatende lammeren. Nu, de boer bedacht zich geen tweemaal en ging zijns weegs. Daar stond nu Franciscus met de beide beestjes in zijne armen, maar wist er geen raad mede! Weldra loopt hij
- 79 -
den vorigen eigenaar achterna en geeft ze hem terug, na hem de plechtige verzekering te hebben afgenomen, dat hij ze nooit zou verkoopen en altijd met liefde zou verzorgen. Kunt gij u iets schooners denken dan dat naïeve vertrouwen in dien onbekenden landman en deze teedere liefde voor een tweetal lammeren? En vroolljk, ofschoon bibberende van koude in zijn luchtig onderkleed, vervolgde Franciscus zijnen weg, zingende van het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.
In de steden was de ontvangst der âmindere broedersquot; gewoonlijk vrij wat minder welwillend dan op het platte land. De straatjeugd, altijd tot balddadigheid geneigd, bespotte hen; de burgers, aan wier huizen zij hun karig stuk brood bedelden, wierpen hun het noodeloos weggeven van hun geld voor de voeten; en de geestelijkheid, wier weelderige levenswijze o? te zeer afstak bij hunne soberheid, liet zich menigmaal scherp tegen hen uit. Maar zij gingen even vroolijk onder een hagelbui van steenen als in eenen blinkenden zonneschijn hunnen weg, en zagen tot hunne innige blijdschap overal uitdeelingen van geld en goed aan de armen plaats grijpen, een sprekend bewijs, dat hunne roepstem tot liefde en milddadigheid niet tevergeefs vernomen werd.
Ook bleek dit uit de uitbreiding van Franciscus\' eigen kring. Reeds zag hij zich van twaalf overgegeven geestverwanten omringd, die met blijdschap het leven der vrijwillige armoede gekozen hadden, toen hij inzag dat zijne Orde eenen vasten, kerkelijk goedgekeurden regel moest hebben, om te kunnen blijven voortbestaan. En na rijp beraad besloot hij de pauselijke bekrachtiging zijner beginselen in Rome zelf te gaan halen. Want al de innigheid van zijn geloof stond bij hem nooit kalm en ernstig beraad in den weg. Dat t\'enweeï\'deri juist do schoonheid dezer figuur. Deze heilige is geen dolle dweper, die zijne oogen sluit voor de werkelijkheid, maar een man, die met de toestanden gaarne rekening houdt en die gewoon is zijne plannen grondig te wikken en te wegen. En toen hij eenmaal begrepen had, dat de geestelijkheid in den lande nooit zijne ordebroeders zou dulden, wanneer zij niet de bekrachtiging van
- so -
het pauselijke gezag ontvingen, maakte hij zich ook mot vreugde naar Rome op weg.
Daar werd de Stoel van Petrus sedert 12 jaren bekleed door den krachtigen Innocentlus III, een man, dien vorsten en priesters gelijkelijk vreesden, en die met vaste hand zijne moeielijke taak opvatte en voortzette. Maar zelfs een zoo rechtschapen karakter als het zijne vermocht de wanhopig verwarde toestanden van land en Kerk niet te verbeteren, en voor de stille vroomheid, voor de heilige majesteit van eene ziel als van Franciscus van Assisi had deze Petrus met de ijzeren vuist niet het minste gevoel. Toen de heilige eindelijk, na lange voorafgaande ondervragingen door de kardinalen, die hem maar het liefst zich tot eene der reeds bestaande Orden zagen overgaan, tot Zijne Heiligheid toegelaten was, keek de paus zóó vreemd op van dien armoedig gekleeden man met zijn ruigen baard en ongeordende haren, dat hij hem toevoegde: âPak u weg, broeder! ga naar de zwijnen! predik 7iw« uwen regel en wentel u om in hun slijk!quot;
Onmiddellijk vertrok hij uit het Paleis, zocht een varkenshok op, wentelde zich in de modder en kwam toen, van het hoofd tot de voeten beslijkt, voor den kerkvorst terug, zijne aanvrage om goedkeuring zijner Orde herhalend. Eindelijk gaf de paus toe, met bevel steeds een ordenshoofd te benoemen, met wien de kerkelijke overheid kon correspondeeren; natuurlijk werd Franciscus zelf als zoodanig benoemd. Ook bepaalde de paus, dat alle broeders de tonsuur, het geestelijk onder-scheidingsteeken der priesters, moesten aannemen, waardoor zij ook uitwendig als dienaren der Kerk zouden kenbaar zijn. Zoo was dus de oorspronkelijk geheel van leeken uitgegane beweging in het kerkelijk gareel geperst â de profeet was priester geworden, en maar al te spoedig zou het blijken, dat de gulden vrijheid onder de gulden ketenen was ten onder gegaan.
Met innige dankbaarheid verlieten Franciscus en de zijnen nu de âEeuwige Stadquot; in den zomer van het jaar 1210, en onbekommerd om de ongezondheid der streek, doorwandelden zij
-Si
de lieete Campngna, zich en elkander verheugende in vrome gesprekken en blijde verwachtingen.
Maar de malaria achterhaalde ook hen, zoodat zij uitgeput en zwak in Orte aankwamen, waar zij zich een tijd lang in eene oude, eenzame grafspelonk neerlieten en daar in zalige overpeinzing van Jezus\' lijden eenigen tijd doorbrachten. Met de krachten der gezondheid keerde echter het besef hunner apostolische roeping óók terug, en hoe gaarne zij ook het bespiegelende leven hadden voortgezet, zij moesten de wereld weder in, om allerwegen hun Evangelie der vroolijke armoede te prediken.
Als zij konden, zochten zij gaarne voor een wijle de eenzaamheid op en verdroegen dan vaak het nijpondste gebrek met hemelsohe onverschilligheid, maar altijd keerden zij weer tot de zwoegende, vechtende wereld hunner dagen terug, om door woord en voorbeeld de zielen los te maken van al het zinnelijke en ze alleen te verbinden aan den Heer en den Heiland.
Welk een merkwaardige tijd is toch die dertiende eeuw! Geen toestand zóó zonderling, of hij moet er mogelijk heeten. Nu eens zag men gansche drommen van flagellanten, mannen, die zich op de markten en wegen der steden geeselden en pijnigden, totdat zij mot wonden overdekt en stroomende van bloed er bij neervielen; dan weer liepen mannen en vrouwen geheel ontkleed over de straten, verkondigende dat het Paradijs opnieuw was teruggekeerd. Met eene woede, die hare wedergade tevergeefs zoekt, bevochten adellijke familiën of stads-burgerljen elkander, totdat ook het laatste levende wezen vermoord was; dan weer brachten godsdienstige dwepers hun gehoor van 10-, 20-, Ja tot 60,000 menschen in eenen toestand van religieuze névrose, waarin zij tot alles bereid, tot alles in staat waren. Ook Franciscus telde zijne hoorders bij duizenden en beheerschte hen volkomen. Terwijl de offlciëele priesterschap in dorre, schoolsche taal de luttele kerkgangers verveelde,
stond hij op de markt, op de hoeken van een straat, op het open veld, en óók wel in de kathedralen der steden, voor eene dicht opééngepakte menschemnassa zijne doordringende, korte predikatiën te houden, en altoos met het treffendste gevolg. Midden onder zijne toespraken stonden de beleedigers op om vergiffenis te vragen aan hen, die zij miskend hadden; die gestolen had, kwam onmiddellijk met het ontvreemde bij den wettigen eigenaar terug. En wat hem bij enkele personen gelukte, dat gelukte hem ook bij eene gansche bevolking! Toen de partijschappen te Assisi haar toppunt bereikt hadden, wist hij de vechtersbazen, die elkander met eenen doodelijken haat jaren lang hadden bevochten, tot eene openlijke verzoening te bewegen, en plechtig beloofde men â de documenten zijn er nog, om te bewijzen, dat men niet fabelde! â schriftelijk en notariëel elkander tot in alle eeuwigheid lief te zullen hebben.
Ziet, mijne Hoorders! ook al mag men veel van zulk een succes op de eigenaardige predispositie dier tijden stellen, die inderdaad hemelsbreed met onze zooveel nuchterder, berekenender eeuw verschillen, ik vind er toch iets onbeschrijfelijk weemoedigs in, dat geen onzer leeraren, geen onzer sekten, dat geen enkele Christelijke Kerk ooit zelfs maar de schaduw van zulk eenen invloed meer uitoefenen kan. Waaraan hapert het toch? Aan kennis noch aan welsprekendheid; trouwens, beide ontbraken Franciscus bijna geheel. Waarom toch spreken wii week aan week, jaar in jaar uit, de meest ontzaglijke waarheden uit, waarheden die hemel en hel in beroering brengen, maar zonder dat ooit de spiegelgladheid des fatsoenli]ken levens bewogen wordt? Er zi/jn toch oprechte i/etoongren, zoowel onder de voorgangers als onder de leeken; en een dorst, een schreeuwen naar oplossing der raadselen is er toch waarlijk óók wel, misschien niet minder dringend dan in de dertiende eeuw; waarom dan blijft bij ons alles zoo koel, zoo kalm, zoo klam, zoo vreeselljk vredig? Ach. kwam er nog eens een Franciscus weer, om de duizenden tot tranen van rouw en tot de daad van een veranderd leven te brengen!
- 83
In menig opzicht doet mij de Generaal van het Heilsleger aan dezen Franciscaner denken. Die âGeneraal Boothquot;, met onbezweken moed de nooden van heel de wereld onder de oogen ziende, is werkelijk een soort repetitie, een Protestant-sche, negentiende-eeuwsche copie van Franciscus van Assisi. Ook bij hem staat vrijwillige armoede, blijmoedige loslating van alle levensgemak op den voorgrond. Zijne officieren baden waarlijk niet in weelde, en hunne vroolijkheid is spreekwoordelijk over de gansche wereld. Waar het Heilsleger komt, daar komen ook de tamboerijnen en de opwekkende liederen. Ik weet het: daar zijn ook vele punten van verschil. De stille, mystieke Assiser lijkt in zijn uitwendig optreden al heel weinig op den reclame-makenden zoon van Albion, die zich door eene vloot van enthousiaste volgelingen laat inhalen, als hij van zijne wereldreizen thuiskomt en die door oorverdoovende Halleluja\'s begroet wordt, wanneer hij een zijner tallooze kazernes en heilscitadels binnentreedt; maar toch doet hij in zijn gadeloozen invloed, zijne vertrouwen-wekkende persoonlijkheid, in de volkomen overgave aan zijn ideaal, die hij weet in te boezemen, aan den Generalissimus der Franciscaners denken, wiens verdere lotgevallen ik u thans nog kortelijks mededeel.
In het voorjaar van 1213 kregen de broeders, wier aantal gaandeweg aangroeide, eindelijk een vaster middelpunt voor hunnen arbeid, namelijk de reeds genoemde en aan Franciscus zoo dierbare kapel van Onze Lieve Vrouw der Engelen, ook wel âdella Portiunculaquot; genoemd, en voortaan zal de Portiun-cula in de Franciscanerorde eene onvergankelijke beteekenis hebben. Een Benedictijner abt, aan wiens Orde deze kerk toebehoorde, schonk haar aan de âmindere broedersquot;, en binnen enkele dagen was hier het eerste klooster der Franciscanen gesticht. Eenige hutten bij de kerk gebouwd en eene haag van doornstruiken er omheen geplant â zietdaar alles! Niets van die hooge muren en met ijzer beslagen deuren, die zoovele andere kloosters tot geestelijke gevangenissen hebben gemaakt â de blijmoedige vroolijkheid van den stichter verloochende
- 84 -
zich ook hier in geenen deele. Hier werd niet alleen gebeden, maar ook gewerkt. Ieder, die een ambacht verstond, zette het hier voort, en die er geen kende, moest er een leeren. Men gaf zijne werkkracht en talenten voor den dagelijkschen kost, want geld mochten de broeders onder geenerlei vorm en om geenerlei reden bezitten. Op dat punt was Franciscus onverbiddelijk. Het geld kon hij hartgrondig vervloeken, want, ach! hij ivist het maar al te goed, hoe het jagen naar stoffelijk bezit de menschen bij duizenden ongelukkig maakt, terwijl toch immers de natuur alles biedt, wat zij voor hun levensonderhoud noodig hebben. Hij had het woord van den Apostel goed verstaan: âAls wij voedsel en deksel hebben, zullen wij daarmede vergenoegd zijn; doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik en in vele dwaze en schandelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang.quot; Geene andere gelofte verlangde hij dan ook in dezen eersten, schoonsten tijd zijner Orde, dan dat de neophyten, de nieuwelingen, die zich bij hem voegen wilden, vrijwillige en blijmoedige echtgenooten der heilige Armoede werden en zich voornamen alle menschen lief te hebben.
Op zekeren dag treedt een jong edelman, die er teer en zwakjes uitzag, op Franciscus toe met de woorden: âVader! ik zou wel een van de uwen willen worden.quot; ââMijn zoon!quot; antwoordde deze, âgij zijt jong, zwak en van adel; ik vrees, dat gij niet zoo armelijk als wij zult kunnen leven.quot;quot; âMaar mijn vader! met de hulp van Jezus Christus zal ik het wèl kunnen.quot; Dit woord beviel Franciscus zóó, dat hij hem dadelijk opnam onder den naam van broeder Angelus. Hij gedroeg zich zoo uitnemend, dat de heilige hem weldra wachter of supérieur van den broederkring te Monte-Casale maakte. Op zekeren dag kwamen er aan zijne hermitage een drietal roovers aankloppen, die de geheele streek onrustig maakten, en die de onbeschaamdheid hadden bij de arme broeders om eten en drinken te komen vragen. Broeder Angelus opent de deur, maar zendt hen met eene duchtige strafpredikatie en hevig verontwaardigd
- 85 -
henen. Weldra komt Franciscus van zijnen bedeltocht thuis, een zak met brood en eene kruik wljns medebrengende, en de hongerige broeders verheugden zich, evenals vader Franciscus, op het eenvoudige maal. Doch toen broeder Angelus verteld had, hoe hij, barsch en ongetroost, de roovers had weggezonden, sprak Franciscus: âBroeder Angelus\' ik beveel u onmiddellijk die roovers op te gaan zoeken, totdat ge hen vindt, hun deze spijze aan te bieden, voor hen neer te knielen en ootmoedig hun vergiffenis te vragen voor uwe liefdeloosheid en hen dan voorts te smeeken een beter leven te gaan leiden en God te vreezen. En als zij dat doen willen, zal ik hun levenslang te eten en te drinken geven. Daarna moogt gij ootmoedig tot ons terug keeren.quot; Aldus is het geschied. Franciscus vergezelde den beschaamden broeder met zijne vurigste gebeden voor het zieleheil dezer roovers en hij heeft de vreugde gesmaakt hen als trouwe en vrome leden zijner Orde te mogen opnemen.
Eene even koninklijke ziel als hij was de heilige Clara, wier leven met het zijne ten innigste verbonden is. Geboren te Assisi in 1194, dus 12 jaar jonger dan Franciscus, had zij van zijn eerste optreden af aan in hem den Godsgezant erkend; en hij had haar ook onmiddellijk als zuster zijner Orde opgenomen. In den nacht van 18 op 19 Maart 1212 gaf hij aan de achttienjarige met twee gezellinnen den sluier en bracht het drietal in een nabij gelegen klooster van Benedictijner nonnen voorloopig onder dak. Weldra werd hem de kerk van Sint-Damiaan geschonken, en nu was het eerste zusterklooster, naar Santa Clara dat der Clarissen genoemd, gevestigd. De teederste liefde, nooit door éénigen zinne-lijken hartstocht, zelfs nooit door éénigen laster der wereld bezoedeld, verbond Franciscus aan Clara en Clara aan hem, en nooit hebben zij zich, ook niet toen het aantal broeders en zusters gestadig toenam en strengere afzondering vanzelf gebiedend noodzakelijk werd, het genot laten ontnemen te zamen te bidden, te zamen den Heiland te loven, en ook de trouwste metgezellen van den heilige bleven in dat nonnenklooster de gaarne ontvangen broeders en vrienden. In de armen van de broeders Egidius,
- 86 â
Leo en Angelus is de heilige Clara, 27 jaren na den dood van Franciscus, in vrede ontslapen.
De Clarissen hadden oorspronkelijk geen anderen ordens-regel dan de âmindere broeders.quot; Natuurlijk was het rondgaan om te prediken haar ontzegd, maar verder wijdden zij zich eveneens aan een leven van vroolijke, dankbare armoede en aan het verplegen van kranken en lijdenden. Tegen het Paasehfeest waren de verschillende broeders, wier aantal spoedig in de honderden liep, gewoon zich tot een kapittel in de Portiuncula te vereenigen, en dat waren recht gezegende dagen. Ieder bracht dan zijne ervaringen mede, in tal van landen bij het evangeliseeren opgedaan, en allen versterkten elkander, terwijl Franciscus met zijne onuitputtelijke liefde aller harten verheugde. Met apostolischen gloed trekt hij naar de verste oorden henen, lijdt schipbreuk, wordt geplunderd, bedreigd, geslagen, bespot, maar zijn nimmer te vernietigen blijdschap ontwapent alle vijanden. Een tocht naar de Saracenen en naar Marokko mislukt, omdat hij ernstig krank wordt, maar ook als zwakke en uitgeteerde pelgrim verovert hij duizenden harten. Niemand kon hem zien of hooren, zonder dat zijn harte in liefde voor Christus begon te ontgloeien. In Italië stroomden gansche steden leeg om hem te gemoet te gaan, wanneer hij naderde, en zelfs paus Honorius III, de opvolger van Innocentius, kwam geheel onder den indruk zijner heilige welsprekendheid.
Het Hof van Rome zag echter den geweldigen aanwas zijner Orde met leede oogen aan. Waar moest het toch heen met de officiëele, gestudeerde, wettige geestelijkheid, wanneer zulke leeken, zonder studie en zonder wijding, de gansche Christenheid mochten evangeliseeren? Daarom trachtte men Franciscus met alle mogelijke middelen te overreden zich bij een der reeds bestaande monnikenorden aan te sluiten; vooral zocht men hem aan Dominicus te verbinden, die juist toen eveneens te Rome zich bevond. Maar de nederige en ootmoedige Assiser was toch te zeer overtuigd van de bepaalde, goddelijke roeping hem aangewezen, dan dat hij in dezen kon toegeven.
- 87 -
Hij moest zichzelf blijven. Hij kon zich aan niets of niemand binden dan aan zijnen rijken Jezus en aan de Armoede, zijne teerbeminde bruid. Na elkander in den Paaschtijd in de Por-tiuncula te hebben versterkt en bemoedigd, trokken de broeders wederom de wereld in; naar Tunis, waar zij door de Christenen van dat land verjaagd werden; naar Marokko, waar zij den vurigbegeerden marteldood vonden, terwijl Franciscus zijn lang gekoesterden wensch eindelijk vervuld zag, het Evangelie aan de ongeloovigen van Egj\'pte en Palestina te mogen prediken. Te Arcona ging hij met elf zijner jongeren en met eene menigte kruisvaarders scheep, en te St.-Jean d\'Acre op llanailns grond aan wal gegaan, zond hij zijne broeders onmiddellijk uit om allerwegen de boodschap des Heils te brengen. Tot in de tegenwoordigheid des Sultans drong hij door en werd er, terwijl de kruisvaarders Damiëtte belegerden en overal den Chris-termaam vervloekt en gehaat maakten, nochtans met allen eerbied ontvangen. Zelfs de Mohammedanen kregen dezen man met zijn brandend hart lief, en nergens werd hom een haar gekrenkt. Maar hoe kon het anders, of hij bedroefde zich tot in het diepst zijner ziel over het gedrag der Christenen? Hij, die geen wormpje vertreden kon en die de lammetjes aan de hand van den slachter ontrukte, kon het eindelooze bloedvergieten door Christenhanden niet langer aanzien, en lange maanden trok hij zich bij de heilige plaatsen in Palestina terug, zonder-dat de wereld iets van hem vernam.
In zijne afwezigheid was er heel wat in de Orde veranderd. Ach, als de vrienden talrijk worden, gaat zoo licht de warmte van het eerste teedere leven verloren! Men achtte de volkomen armoede, die Franciscus zijnen jongeren oplei, te overdreven; en men wilde liever heilig worden door krachtige, luidklinkende daden en de aandacht trekkende zelfkastijdingen dan door zelfverloochenende navolging van Christus. De paus dwong letterlijk aan de âmindere broeders,quot; evenals aan de Clarissen, allerlei gunsten en voorrechten op, en toen Franciscus, door enkele getrouwen gewaarschuwd, uit Palestina terugkwam, werd hij naar Rome ontboden, met eerbewljzingcn
- 88 -
overladen, maar.....ook met vergulde ketenen omhangen. Zijne vrijheid was verloren. Hij moest eenen nieuwen regel ontwerpen, dien dan de kerkelijke overheid zou moeten goedkeuren, desnoods veranderen en uitbreiden â en met een gebroken hart keerde de alom bewonderde en reeds bij zijn leven als een heilige vereerde man naar zijne Portiuncula terug. Den 29stequot; September 1220 droeg hij het opperbestuur zijner Orde aan den jurist Pietro de Catane over. Wanneer wij nu nog eens ons herinneren, hoe innig bevreesd de stichter was voor de mannen der wetenschap, die met hunne koude formules en folianten zoo vaak het leven des harten doen verkwijnen; hoe vurig hij begeerde dat geen ander reglement dan het Evangelie, het Evangelie der vrijwillige armoede en zelfverloochening, de regel voor zijne broeders en zusters zou wezen, dan kunnen wij ons voorstellen met hoeveel tranen en gebeden hij den herdersstaf nederlei, om voortaan slechts als een der âmindere broeders,quot; zoo mogelijk als de minste van allen, zijnen weg te bewandelen. Hij was aan de Orde ontgroeid en zij aan hem.
Uitwendig nam haar bloei evenwel gestadig toe. Nu pauselijke bullen en decreten haar het eene privilege na het andere schonken, nu kardinalen als Ugolino hare warme vrienden en begunstigers werden, stroomden honderden en duizenden er naar henen, die allen met den diepsten eerbied zich aan de voeten van Franciscus nederbogen. Want al had hij ook de hoogste waardigheid neergelegd, geen zijner opvolgers waagde zich, zoolang hyj leefde, anders dan als âvicarius,quot; als zijn plaatsvervanger te betitelen, en op de jaarlijksche kapittels in de Portiuncula werd hij met steeds klimmenden eerbied, ja met bijna bovenmenschelijke vereering begroet. Zelfs kwam er nog een derde loot op den ouden stam te worden ingeënt, de zoogenaamde derde orde of de broederschap van de penitentie, een breedo kring van leeken, die, daar zij geen apostolische roeping ontvingen, ook de apostolische armoede niet behoefden aan te nemen, maar zich toch verbonden alleen dat van hunne bezittingen en inkomsten te gebruiken, wat zij waarlijk noodig
- 89 -
hadden, en het overige op gezette tijden aan de armen uit te deelen. Voorts beloofden zij elkander lief te hebben en alles, wat zij deden, in Staat of Kerk, te doen met een vroolijk gelaat en met een geloovig hart. Wilt gi) de geschiedenis van één hunner hooren ?
Lucchésio was een vermogend graanhandelaar, die, gelijk dat in die tijden van menigvuldigen hongersnood dikwijls voorkwam, uit zijnen rijken koren voorraad enorme winsten kon trekken. Maar op zekeren dag den heiligen Franclscus hoorende prediken, gaf hij alles aan de armen weg en hield voor zich-zeiven niets over dan zijn huis met eenen kleinen tuin en een ezel. Voortaan stond zijn huis voor alle kranken open, die hij dan met zijnen ezel ging halen en met zijne vrouw liefderijk verzorgde. Daar wordt zijne beminde echtgenoote, verteerd onder do aanhoudende zorg voor zooveel lijdenden, zelve ernstig ziek, en toen zij de sacramenten der stervenden ontvangen had, zeide Lucchésio: âGij weet, lieve! hoe wij altoos tezamewden Heer hebben gediend; waarom zouden wij ook niet vereenigd blijven, om te zamen de hemelsche vreugde te smaken ? Wacht even op mij. Ik wil ook de heilige sacramenten ontvangen en met u ten Hemel gaan!quot; Daarop riep hij den priester terug, werd eveneens bediend en nam de hand van zijne stervende echtgenoote in de zijne, haar vertroostende met de liefde des Heilands, en toen hij zag dat zij ontslapen was, maakte hij over zichzelven het teeken des kruises, strekte zich op zijn rustbed uit en sliep eveneens in voor de eeuwigheid.
De laatste vijf jaren zijns levens waren voor Franclscus jaren van veelvuldigen strijd. Ach, het ging alles zoo geheel anders dan hij het wenschte! Zijne Orde breidde zich uit; en kerken, kloosters en scholen verrezen allerwegen; het regende gunstbewijzen en voorrechten van uit Rome; doch waar was de oude liefde, eenvoud en toewijding? In plechtige audiëntie had de paus hem den sg5\'0quot; November 1223 in zijn paleis ontvangen, en uit zijne handen had Franciscus de bekrachtiging van den nieuwen Regel zijner Orde verkregen, maar zijn hart bleef
- 90 -
bekommerd, en als niet zijne kuische vriendin, de heilige Clara, hem met hare liefde en gebeden gesterkt had, hij zou wellicht aan zijne taak getwijfeld en zijne roeping verzaakt hebben. Nu overwon hij zijn twijfelingen en wijdde zich met vernieuwden gloed aan den dienst der gekruisigde Liefde. In den Paasehtijd van liet jaar 1224 woonde hij voor het laatst het jaarlijksche kapittel in de Portiuncula bij. Daarna trok hij zich op den berg Alvernus, eene granietmassa van bijkans 1300 Meter hoogte, in stille overpeinzingen terug. Op een steenworp van de hutten zijner vrienden, die hem in kleinen getale vergezelden, bouwde hij zit\'lr een eigen tent van sparren en van groen, en toen hij bemerkte, dat zij hem ook daar angstvallig bespiedden (het leven van een heilige heeft het meest van de onheilige nieuwsgierigheid te lijden!), trok hij zich in het diepste van het woud terug, dat den Alvernus bedekt. Daar was hij met zijne zustertjes, de vogelen, en met zijnen Heiland alleen. Het kruis, het kruislijden van Christus was zijne éénige gedachte, zijn éénig verlangen dag en nacht. O, mocht hij, die met zooveel liefde de armoede van Christus had nagevolgd, Hem nu ook in Zijn lijden gelijkvormig worden, nu ook de smarten en de wonden des kruises deelachtig zijn!
Zijne bede is vervuld. Toen hij in den vroegen morgen van den 14lt;len September de rijzende zonneschijf aanzag, bespeurde hij eenen seraf, met uitgespreide vleugelen op hem toe komende, genageld aan een kruis. Eene hemelsche vreugde vervulde hem, maar tevens eene brandende pijn, en toen hij tot zichzelven kwam, ontdekte hij in handen, voeten en zijde vijf wonden, de wonden van Christus, die in zijn lichaam waren ingedrukt. De wonde aan de zijde was min of meer open en scheidde ook van tijd tot tijd een weinig bloeds af; die aan handen en voeten echter bloedden niet; het waren vleezige, donkere uitwassen, van boven gelijkend op de koppen van spijkers, van binnen op spijkerpunten, die met hamers waren stomp geslagen.
Deze wonden of stigmata, gelijk men ze met een vreemd
â 91 -
woord noemt, zijn volkomen historisch bewezen. En ik voor mij twijfel geen oogenblik, of Franciscus heeft ze werkelijk aldus gehad en tot aan zijnen dood toe behouden. Ik zie daar echter volstrekt geen wonder in, maar een verschijnsel, dat door hypnose volkomen verklaarbaar is. Ik houd mij verzekerd dat daar krachten in den mensch zlin, die gewoonlijk sluimeren en niet ontwikkeld worden, maar die, in dienst gesteld hetzij van overheerschende personen, hetzij van een machtig, allesbe-heerschend denkbeeld of verlangen, de meest ongeloofelijke toestanden en verrichtingen mogelijk maken. Diegenen, die iets van de wonderen der Indische fakirs, der Mohammedaansche heiligen en andere hysterische, hypnotische, magnetische en somnambulistische slachtoffers afweten, hebben het wel afgeleerd zich over iets te verbazen en met een groot woord zoo iets als de stigmata voor âonmogelijkquot; te verklaren.
Het lijden van Christus óók in zijn lichaam door te maken, werd voor Franciscus het één en al, zijne idéé flxe, zijn verterend verlangen, en eindelijk, eindelijk objectiveert zich dat verlangen in zijn vleesch. De heilige teekenen verschijnen zonder dat hij het merkt, zonder dat hij het betwijfelt, en zóó weinig zijn zij bij hem iets bijzonders, om zijn gezag te verhoogen, dat, zoodra hij met de menschen in aanraking komt, hij er verlegen mede is en ze tracht te verbergen.
Den 80\'eu September 1224 verlaat hij den Al vermis, wetende dat zijn einde naderde. Door eenige broeders begeleid en door de toestroomende scharen met eerbied begroet, keert hij nog éénmaal tot de bewoonde wereld terug, overal predikende en van zijnen Heiland getuigende, met klimmende vreugde bij toenemende lichaamszwakte. Ook bij de heilige Clara, zijne trouwe vriendin, bracht hij een langdurig afscheidsbezoek en het was in hare nabijheid, dat hij het beroemde âLied der Zonquot; heeft gedicht, dat hij zich dagelijks door zijne broeders liet vóórzingen. Laat mij het u, in onze taal overgebracht, mogen voorlezen, al is, helaas! de wondervolle naïveteit van het oorspronkelijke er geheel door te loor gegaan!
1
- 92 -
Allerhoogste, almachtige, goede Heer!
aan U komen de lofzeggingen toe, de roem en de eer en alle dank.
Aan U, o Allerhoogste! betamen zij
en geen mensch is waardig U te noemen.
Wees geloofd, Heere! met al Uwe schepselen,
in \'t bijzonder voor monseigneur broeder de Zon,
die daar schijnt en door wie Gij Uw licht openbaart.
Hoe schoon is hij, stralende met grooten luister,
Van U, o Allerhoogste! is hij het zinnebeeld.
Wees geloofd, Heer! voor zuster Maan en de Sterren,
die Gij in den hemel geplant hebt, zoo helder, zoo kostbaar en schoon.
Wees geloofd. Heer! voor broeder Wind,
en voor de lucht en de wolken, voor den hemel en voor ieder weder,
waardoor Gij aan Uwe schepselen leven en onderhoud schenkt.
Wees geloofd. Heer! voor zuster Water,
dat zoo nuttig, nederig, kostbaar en kuisch is.
Wees geloofd. Heer! voor broeder Vuur,
door hetwelk Gij den nacht verlicht.
Hoe mooi en hoe vroolijk is het, hoe moedig en sterk!
Wees geloofd. Heer! voor onze moeder Aarde,
die ons onderhoudt en voedt, en die verschillende vruchten
met de kleurige bloemekens en het gras voortbrengt.
Looft en zegent mijnen Heer en zegt Hem dank
en dient Hem met grooten ootmoed!
Half September verliet hij Sint-üamianus en zijne geliefde Clarissen, om in de stad Rieti den kardinaal Ugolino nog eens te bezoeken. Onder de bijkans afgodische vereering der menigte, die zich zijne kleederen, zijne haren, ja de weggeworpen stukjes zijner nagels betwistte, kwam hij in het bisschoppelijk paleis, waar hij onder de handen van de beroemdste doctoren zijner dagen onnoemelijk veel smart leed, terwijl zijn lichaamslijden hoe langer hoe zwaarder werd. Maar zijn harte bleef vroolijk in den Heer en zijn kranken-leger weerklonk dag en nacht van zijne liederen. Na een korte vleug van beterschap, stortte hij weer in, en in \'t voorjaar van 1226 werd hij, bijkans stervende, naar Assisi vervoerd, waar men met brandend verlangen naar zijne kostbare reliquie uitzag.
Hier heeft hij nog zijne laatste beschikkingen gemaakt, en in roerende brieven, van zijn ziekbed gedicteerd, aan zijne
- 93 -
Orde boven alle dingen eene standvastige, onwrikbare liefde aanbevolen. ïoen de geneesheeren hem zeiden, dat hij hoogstens nog tot in den herfst zou kunnen leven, strekte hij de handen als ter lofzegging uit en riep hij met onuitsprekelijke blijdschap: âZuster dood, wees welkom, wees welkom!quot; En tot aan zijn dood toe heeft hij gezongen of zich door blijde zangers doen omringen.
Toen zijn hartewensch vervuld zou worden en hij reeds de gouden poorte des hemels zag opengaan, liet hij zich in een draagstoel naar de Portiuncula brengen. Halverwege, op een punt gekomen, dat hij de geheele stad Assisi kon overzien, liet hij stil houden, en stervende heeft hij toen zijn dierbare geboortestad gezegend. Den lstel1 October strekte hij zich, geheel ontkleed, eene wijle op den naakten grond uit, aldus zijne geliefde vrouw, de heilige Armoede, nog voor het laatst omhelzend; daarop legde men hem weder neer op zijn bed en zong hij met zijne broeders den 142s\'lt;:n Psalm: voce mea ad Dominum clamavi. Toen legde hij hun de handen op, zegende hen, vergiffenis gevende en vragende, at nog eens voor het laatst met hen, waarbij hij het brood zelf brak en uitdeelde, en gaf toen den S3611 October 1226, bij het vallen van den nacht, den laatsten snik. Onmiddellijk kwamen â zoo vertelt de legende â eene groote menigte vogelen een loflied zingen, omdat hun lieve vriend bevrijd was van zijne smarten, en onder het vroolijke opstandingslied zijner broederen, besproeid met de tranen zijner Clarissen, is hij in de kerk van den Heiligen George begraven. Nog geen twee jaren later, den 26ston Juli 1228, heeft paus Gregorius IX hem zelf te Assisi gecanoniseerd en den volgenden dag den eersten steen gelegd voor de prachtige kathedraal, aan Christus en aan den Gestigmatiseerde gewijd, Christo et Francisco utrique crucifixo.
Geëerde Hoorders! ik heb u als een goed Protestant de geschiedenis van dezen Pioomschen Heilige verhaald. Ik beken u gaarne met den diepsten eerbied voor dezen jonger van
- 94 -
Christus vervuld te zijn, al ben ik niet blind voor de eenzijdigheden van zijn karakter noch voor de dwalingen zijner kerkleer, gelijk ook hij die beleed. Maar hoeveel nader staat zulk een belijder des Heeren Jezus toch tot ons, dan velen, die, den naam van Protestant dragende, aan deze teedere mystiek, aan dit verborgen leven met Christus vreemd zijn geworden! Wie onzer zal het wagen dezen Franciscus geen broeder in Christus te noemen en zich door zijne dogmatiek de blijde hope laten ontnemen dezen âRidder van den Gekruiste,quot; dezen âMaarschalk van het heilige leger,quot; gelijk men hem wel genoemd heeft, onder de eeuwige palmen weer te vinden?
Wolk eene macht is toch de liefde! Ik heb mij nog nooit bij éénige levensgeschiedenis zoo beschaamd gevoeld als bij de zijne! Hoe gebrekkig en ten deele is onze toewijding aan den naam des Heeren! Hoe durven wij nog gewagen van ons kruis, wij, met onze vreedzame toestanden, met onze traktementen, met onze politie, met onze christelijke manieren en gewoonten â als wij zien op zulk een man, die letterlijk alles opgeeft: geld, genot, aanzien, toekomst, en verliefd wordt op de Armoede en haar trouw blijft tot aan zijn jongsten snik.
âO Heere Jezus! (zoo heeft hij eens gebeden) heb toch medeHjden met mi] en met Vrouwe Armoede. Want ach, zij, die toch de koningin der deugden is, zit thans op den aschhoop; zij beklaagt zich, dat hare vrienden haar verlaten hebben .... o Heer, herinner IJ toch dat Gij het verblijf der Engelen verlaten hebt, om haar tot Uwe vrouw te nemen, en met haar een groot getal kinderen te bobben. Zij heeft U ontvangen in de kribbe en in den stal, zij heeft U Uw leven lang vergezeld, zorg dragende dat Gij geene plaats hadt om Uw hoofd neder te leggen. Toen Gij den strijd onzer verlossing begont, heeft zij zich als een trouwe schildknaap bij U aangesloten; zij bleef U bij, ook toen al Uwe discipelen vloden . . . o, wie zou dan Vrouwe Armoede niet boven alles liefhebben?quot;
Welk eene wijsheid, ook welk eene staatkundige wijsheid, in dat leven van dien Troubadour des kruises, die Sultans en Keizers onverschrokken te gemoet treedt en met zijne liefde-
â 95 â
volle taal den bittersten haat weet te bezweren. En dat in een tijd, dat alle menschen vochten! Wat doen it;/?, Christenen? Stelt het u eens voor, dat In die gerechtszaal te Parijs, waar men zoogenaamd bezig was recht te spreken in de schaduw van het kruisbeeld, dat daar aan den wand hangt, doch dat niet verhinderen kon, dat de meest onloochenbare en brutale ongerechtigheid er gehandhaafd wordt, een Franciscus van Assisi binnenkwam! Gelooft gij niet, dat die getabberde partijdrijvers, die gegalonneerde en gedecoreerde leugenaars, die schaamte-looze rechtsverdraaiers, die laffe advocaten, die daar met hun veertigen een beschuldigde, wiens loyale bedoelingen zonneklaar zijn, staan uit te jouwen, achterwaarts zouden deinzen en verstommen? Gelooft gij niet, dat het ons allen diep, diep te beschamen heeft, dat in een Christenland zulke tooneelen, zulke manifeste onrechtvaardigheden mogelijk zijn? Gelooft gij niet, dat daar ook ten onzent tal van oneerlijke en onwaarachtige leuzen zijn, die onze kerkelijke en onze staatkundige atmosfeer vergiftigen ? Deze bijkans immateriëele man, levende van wat droog brood of boomwortelen, gaat in de nooden des volks in en â lost ze op; waarom brengen onze staathuishoudkundigen en staatslieden van professie het niet voor een honderdste deel zóó ver als hij? O, gij voelt het even goed als ik; ons leven, onze liefde is te verdeeld. Wij hebben onze idealen, nog juister gezegd: onze bevliegingen voor een of ander ideaal; maar wie onzer leeft en sterft voor het zijne? Dat was de kracht van een Zinzendorf, van een Luther, van een Calvijn
â dat was ook de kracht van dezen Godsman, dien ik gaarne in éénen adem met deze helden des geloofs noem. Even goed als een Zinzendorf, ja ook een Calvijn (om juist deze scherp-geteekende persoonlijkheid te noemen) óók iets tot de Eoornsche Kerk te zeggen hebben, al wil deze, helaas! zijne roepstem niet ter harte nemen, evenzoo reken ik dezen Franciscus met een Augustinus en een Savonarola en een Dante tot mijne Kerk, al wil ook de Gereformeerde Kerk hen als zoodanig niet erkennen
â ons alles beheerschend credo staat sinds eeuwen in deze heerlijke woorden uitgedrukt: âIk geloof ééne, heilige, alge-
- 96 -
meene, Christelijke Kerk,quot; en een leven als dat van dezen âRidder des Kruisesquot; is wèl geschikt ons dlf belijdenis te leeren liefhebben en hoog houden.
God geve, dat ook op u, waarde Hoorders! deze enkele trekken uit dit rijke leven dezen Indruk mogen gemaakt hebben! En â dat wij door Gods genade iets van de onweerstaanbare blijdschap van Franciscus mogen deelachtig worden. Niets heeft onze klagende, pessimistische, wanhopige eeuw meer noodig dan vrooüjke, blijmoedige Christenen!
Dat Franciscus eenzijdig was, dat hebt gij hedenavond wel zóó duidelijk vernomen, dat ik het u waarlijk niet nog afzonderlijk behoef te verzekeren. Maar vindt gij eene soortgelijke eenzijdigheid niet bi] allen, die in het Koninklijk Gods een belangrijke plaats hebben ingenomen ? Plaatst bijv. Luther eens naast Franciscus! Hoe veel heeft de groote Hervormer op hem voor! Hij kent de zuivere waarheid der Schrift, terwijl de Assiser gebonden was door de droevig verbasterde dogma\'s zijner Kerk. Maar heeft Luther nu weer zijne eigene beginselen zuiver gehandhaafd? Heeft hij de heerlijke waarheid, dat de rechtvaardige door het geloof alléén kan zalig worden, ook voor de praktijk laten gelden? Ach neen! Gij weet het even goed als ik, hoe de macht der vijanden hem den sterken arm der vorsten en der wapenen heeft doen aannemen, in stede dat hij aan de waarheid zelve genoeg had, en hoe de breeds, forsche stroom zijner heilige, vrije overtuiging spoedig is afgeleid geworden naar de beekjes van scholastiek en sj\'nodale godgeleerdheid. Hoe gaarne zouden wij aan den anderen kant aan Franciscus dien klaren, diepen blik in de Heilige Schriftuur gegund hebben, waardoor hem zoo menige eenzijdigheid bespaard ware gebleven en waardoor zijne vroomheid een zooveel steviger en betrouwbaarder grondslag had gevonden, dan hij nu slechts in zijn bewonderenswaardig exempel aan zijne Orde heeft kunnen nalaten.
Welnu, laat ons dan ook dezen man niet overschatten, en bedenken, dat ook hij zijnen schat in aarden vaten droeg. Maar bewonderen, maar liefhebben â ja, dat mogen wij hem
van heeler harte! Zijne liefde voor Christus en Zijne arme kudde is bijkans zonder wedergade â misschien kunnen wij, Protestanten, nog het best den heerlijken Zinzendorf in dit opzicht naast hem plaatsen. Franciscus had rjeloof in de realiteit van zijn ideaal, en al waven de voorwaarden, die er voor zijne verwezenlijking noodig waren, hem niet helder, hij heeft er al zijne liefde, al de passie van zijn priesterlijk hart aan gewijd. Hij was een drager van Christus\' geest, zoo geduldig, zoo zelfverloochenend, zoo nobel als de aarde na hem maar weinigen gezien heeft, en daarbij met een onverdoofbaren moed bezield, die in onze twijfelzieke, pessimistische eeuw bijkans ongeloofelijk schijnen moet. O, dat ook over ons die geest vaardig werd! Wat heeft onze arme, felgeslingerde tijd, met al zijn ellenden en raadselen, meer noodig dan de beademing der liefde van Christus? Waar hebben wij, tot genezing van de kwalen van volk en Kerk, van maatschappij en - van ons eigen arme, onrustige hart, meer noodig te vertoeven dan aan den voet van het kruis van Golgotha? Franciscus was een âRidder des Kruises.quot; Hij was een door Golgotha gewonnene en herborene, en sinds hij eenmaal die stralen had gezien, sinds de glans van dat kruis eenmaal in zijn donker hart was opgegaan, heeft hij ook niets, «/efe meer gekend, bemind, gepredikt en verwacht dan de liefde van den Man van Smarten, niets meer geweten dan Jezus Christus en Dien gekruist.
Nu, mijne Hoorders! een man, die zóó de kruisles geleerd heeft, dien wil ik gaarne de eerbiedige hulde geven van mijn hart. En gij?
Wij allen gevoelen het; gewichtige tijden zijn komende. Allerwegen is er een drang om het bestaande te veranderen, en dat op ieder gebied. Men heeft een nieuwe kunst, men zoekt een nieuwe taal â het kan zoo niet blijven. Tolstoï met zijn nieuwe Evangelie; de anarchisten met hunne gewelddadige vernieuwing der toestanden; de heilssoldaten met hunne breede hervormingen; ook de woelingen in ons Protestantisme, de congressen, de synoden van alle mogelijke Christelijke afdee-lingen, alles wijst overal op een hijgend verlangen naar iets
- 98 -
nieuws, naar waarheid en oprechtheid, want men voelt het: het kerk-Christendom onzer dagen is eene leugen, is eene fictie, is eene oude vrouw, die zich verbeeldt nog de bekoring dei-bloeiende lente te hebben. En ach, het is zoo herfst, zoo bittere, wintersche herfst geworden! Eén mensch althans (wellicht zijn er meerdéren geweest, maar één ten minste zeker, namelijk Franciscus van Assisi) heeft ten volle ernst gemaakt met de navolging van Christus, zooals hij die bij het licht zijner dagen kon verstaan. En daarom heeft die mensch ivonderen gedaan en duizenden tot zijnen Heiland gebracht. God geve ons genade, dat wij goed, zóó dat er geen ontkomen meer aan is, begrijpen, dat ook tot ons, tot ons persoonlijk, tot u en tot mij gezegd wordt: âZoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op en volge Mij.quot;
Maar als we dat goed begrepen hebben, dan komt ook de toepassing.
Daarbij helpe ons God Almachtig!
IV.
EEN KETTER UIT DE MIDDELEEUWEN.
I
Mijne Hoorders!
Ik verplaats u thans met uwe gedachten in het einde der twaalfde eeuw onzer jaartelling, dus in het hartje van de Middeleeuwen, in dien hoogst merkwaardigen tijd, dien men waarlijk niet zonder nadere verklaring de donkere Middeleeuwen kan noemen. Het zou mij toch even gemakkelijk vallen u in de warmste en dankbaarste tonen al het goede en schoone te noemen, dat wij in die hoogst belangrijke periode der wereldgeschiedenis kunnen opmerken, als u een donker tafereel op te hangen van de inderdaad onloochenbare zonden en ellenden, die zij gekend heeft. De Middeleeuwen zijn meer dan éénige andere periode de tijd der tegenstellingen en der schrille contrasten. De edelste toewijding naast het brutaalste egoïsme; de nobelste teederheid naast de ontzettendste wreedheid; de meest onbepaalde vroomheid naast de gruwelijkste spotternij; een Franciscus van Assisi naast een Frederik van Hohenstaufen.
Daar heb ik u tevens den man genoemd, dien ik hedenavond u een weinig nader wensch te brengen, hopende dat het u niet verdrieten zal uwe oude historische herinneringen een weinig te retoucheeren en op te frisschen. Er is gsen beter middel om eiken tijd, ook onzen tijd, goed te leeren kennen, dan de groote, kenmerkende figuren der wereldgeschiedenis te bestudeeren, zóó dat zij kleur en leven voor ons verkrijgen.
De groote macht, die de gansche Middeleeuwen beheerscht, is de Kerk van Kome. Ik ben haar zoon noch haar vriend, gelijk ook uit deze lezing u wel blijken zal, maar toch, den tol mijner bewondering voor alles, wat zij ten goede gewrocht heeft, wil ik haar gaarne betalen. Men kan het zich niet indenken, tcat er van Europa geworden zou zijn, wanneer zij
niet haren verzachtenden, beschavenden invloed over de diepgezonken volksmassa had uitgeoefend.
Nadat het wereldbeheerschende Keizerrijk van Rome gevallen was, gevallen ten gevolge van zijne hemeltergende ongerechtigheden, en het wel scheen, alsof alle menschen elkander zouden gaan vernielen en verdelgen; toen de volkeren-zee uit het verre Oosten land na land overstroomde en de verweekelijkte, verdierlijkte beschaving der Romeinen en Grieken vertrapt werd door de woeste horden van Germanen en Aziaten, heeft de Christelijke Kerk, het reuzenwaagstuk aangedurfd aan die barbaren het Evangelie te gaan brengen, en met dat Evangelie de kiem van alle waarachtige ontwikkeling en beschaving. Zij heeft hare afgezanten naar alle landen en volkeren henen-gezonden, die onder tranen en gebeden de kruisbanier plantten, onder welke velen hunner, de meesten hunner, den glorievollen marteldood hebben gevonden. Zij heeft kerken gebouwd op de plaats der verwoeste afgodsaltaren, wier klokgelui van vrede sprak te midden van het bloeddorstig krijgsgeschreeuw, wier torenspitsen als zoovele uitgestrekte handen ten hemel wezen. Zij heeft scholen gesticht, waar de jeugd werd onderwezen; kloosters waar de bedreigde onschuld veilig was en de vervolgde misdadiger eene schuilplaats vond tegen bloedwraak en willekeurig geweld. Zij heeft de ruwe zeden verzacht, zooveel in haar vermogen was, en in stede dor zinnelijke verwachtingen van een Walhalla met eindelooze drinkgelagen, de hope op een Hemel gewekt, waar God de quot;Vader met Zijn lieven Zoon de getrouwe vromen afwachtte, en waar de heilige Moedermaagd den moeden pelgrim met hare teederste liefde beloonen zou. Ja waarlijk, die vereering van Maria, hoe onbijbelsch en ongeoorloofd ook voor ons Protestantsch bewustzijn, is voor de ruwe zeden dier Middeleeuwen van onberekenbaren zegen geweest. Zij heeft den verwilderden harten een gevoel van ridderlijkheid en eerbied voor de vrouw ingestort, een trek naar het ideëele gewekt en daden van zelfopoffering en toewijding in het leven geroepen, die van den uitgebreidsten invloed zijn geweest op de omgeving, en die uiting hebben
- 103 -
verschaft van de schoonste aspiratiën van dicht-, beeld- en schilderkunst.
Maar dat alles had ook eene ontzaglijke en groote schadmc-zijde! Van den aanvang af is Rome, het heidensche zoowel als het Christelijke, aan zijne traditie getrouw gebleven, namelijk over de volkeren te heerschen. Gaat maar de gansche wereldgeschiedenis door! Onder haar oude, half-mj\'thologische koningen, onder de consuls, de dictatoren, de keizers, evengoed als onder de pausen, is Rome er altijd op bedacht geweest haren invloed uit te breiden, haar gezag en hare wetten op te leggen, in één woord te heerschen, niet door zedelijke macht en innerlijke toewijding, maar door haar wil en gebod den anderen natiën tot wet en tot regel te stellen. Vandaar dan ook dat Rome\'s geschiedenis altijd gekenschetst wordt door onophoudelijke opstanden, die slechts door geweld onderdrukt konden worden. Het heidensche Rome was altijd in oorlog, het Christelijke Rome voorwaar niet minder! Telkens, in alle eeuwen en in alle streken, waar zij hare kerken en wetten had, trachtten moedige geesten hare knellende boeien te breken. En dat kan ook niet anders! De mensch is tot vrijheid geschapen, en nu kan men wel de groote, onkundige massa door machtsvertoon, opvoeding en kerkceremoniëel in geestelijke banden houden, â als organisatie voor de groote menigte is Rome immer onovertroffen geweest â altiid zijn er uit haar midden ketters en afvalligen opgestaan, die haar de gehoorzaamheid opzeiden en hare eeuwenoude poorten rammeiden.
Zulk een was nu ook de krachtige man, wiens beeld ik u in dit uur wensch te schetsen.
In mijne schooljongensjaren had ik het voorrecht in het liefelijke Zwabenland bij de ruïnen van den Hohenstaufenburcht te staan. Veel kan ik er mij niet meer van herinneren, maar wél weet ik, dat er slechts weinig meer van de oude heerlijkheid over was gebleven, en dat wij er met ons gezelschap gezongen hebben:
Fürsten sind Menschen vom Weibe geboren Und kehren wieder zu ihren Staub.
- lU-i -
Voorwaar, indien ergens ter wereld, dan kan men op die plek van de vergankelijkheid en ongewisheid van alle aardsche macht en glorie overtuigd worden! Wat al herinneringen en glorieuze daden roept dat edele geslacht der Hohenstaufen niet voor het geestesoog op! Wie denkt niet allereerst aan Frederik Barbarossa, dien romantischen held, in wien al de gebreken en de deugden der Middeleeuwen zich vereenigden; die, nog op hoogen leeftijd naar Palestina ten kruistocht getogen, den dood vond in de golven van den Cydnus, maar die leven blijft in de harten der volkeren. De moedige keizer kan niet gestorven zijn. Hij leeft nog voort (zoo vermeldt de volkssage) in den Kijfhauserberg, en zijn geweldige baard is door de steenen tafel henengegroeid, op welke hij leunt met zijn arm. Eu van tijd tot tijd heft hij het hoofd omhoog, om te vragen of het heilige Roomsche Rijk nog niet hersteld is.
Zijn zoon Hendrik VI was een ontzagwekkend vorst, wreed, bloeddorstig en heerschzuchtig, maar die met ijzeren vuist de kleine dwingelanden, onder welke Duitschland zuchtte, wist te beteugelen. De tallooze koningen, prinsen, hertogen en graven, allen souverein in hun kring, allen naijverig op elkander, allen bedacht op vermeerdering van landbezit en invloed, zogen hunne onderdanen op de ongeloofelijkste manieren uit, en waarlijk, dan was het nog een zegen te noemen, wanneer een krachtig Opperbestuurder de keizerlijke macht bezat en geene andere macht nevens zich duldde. Hendrik VI joeg in den volsten zin des woords de alleenheerschappij in Europa na; hij wilde het Grieksche Keizerrijk veroveren, en als hij dan dit groote gebied bij zijne Duitsche en Siciliaansche landen gevoegd had, zou hij de keizerlijke waardigheid in zijn geslacht erfelijk laten verklaren. Doch de vroegtijdige dood van den eerst 32-jarigen vorst maakte aan al deze plannen een einde. Het onvoorzichtig gebruik van eene groote hoeveelheid koud water, na eene verhittende jacht, berokkende hem den dood, en zijne weduwe, de keizerin Constantia, bleef met een driejarig zoontje hulpeloos en naar het scheen hopeloos achter.
- 105 -
Dat zoontje is onze Frederik 11, een schoon kind met vurige blauwe oogen en blonde lokken. Terstond na den dood zijns vaders traden een tweetal pretendenten op naar de keizerskroon, namelijk Otto IV, zoon van Hendrik den Leeuw, en Philips van Zwaben, de eigen oom van Frederik, die zich aanstonds als Duitsch koning kronen liet, terwijl de keizerinweduwe Constantia, die voor haar kind als regentes over Napels en Sicilië regeerde, zich ook daar alléén wist te handhaven door de bescherming van den machtigen paus Innocentius III in te roepen en hem fds voogd over den driejarigen Frederik te benoemen. Zij stierf reeds in 1198, een jaar na den dood van haren echtgenoot, zoodat het weerlooze knaapje geheel onder de leiding kwam van den kerkvorst van Rome.
Innocentius III is stellig een der grootste pausen, die ooit op den Stoel van Petrus gezeteld hebben. E,eeds op 37-jarigen leeftijd tot zijne hooge waardigheid verkozen, omdat men in de benarde tijden, die de Kerk doorleefde, geen tweeden kende zóó vroom, zóó geleerd en zóó krachtig als hij, trad hij onmiclclellijk op in het volle bewustzijn zijner goddelijke roeping en macht. Reeds den dag na zijne kroning dwong hij den keizerlijken stadsprefect van Rome hem den leeneed te zweren, en aanstonds vatte hij het als zijne levenstaak op den keizerlijken invloed, althans in Italië, zooveel mogelijk te fnuiken. Gij weet het, hoe de groote partijen der Welfen en der Gibel-lljnen eeuwen lang tegenover elkander stonden. De Welfen verwachtten van den paus, de Gibellljnen van den keizer de redding der maatschappij, de verwezenlijking van hot Koninkrijk Gods op aarde. En nu heeft zich nooit meer in die mate, zelfs niet onder den geweldigen Gregorius VII, de macht der-pausen zóó volkomen zegevierende en alle andere heerlijkheid overtreffende getoond als onder Innocentius III. De gansche wereld lag aan zijne voeten; alle vorsten gehoorzaamden aan zijn bevel en sidderden voor zijn woord; zonder éénige tegenspraak werd het pausdom als de zon erkend, aan welke de macht der vorsten, als het maanlicht aan den zonneglans, ontleend was.
- 106 -
Onder de hoede van dezen geweldigen kerkvorst nu groeide de jeugdige Frederik op, in het weelderige Napels of op het nog half ongeloovige Sicilië, waar de Mohammedaansche wijsheid en zeden grooten invloed bezaten, en terwijl hij de eenig-wettige erfgenaam van de keizerskroon was, streden zijne beide mededingers met wisselend gevolg om haar bezit. Met weergalooze wreedheid bekamptenWelfcn en Gibellijnen elkander. Nonnen werden door de Gibellijnen naakt en met honig bestreken aan een bijenzwerm overgeleverd, krijgsgevangenen werden door de Welfen in ketels levend gekookt. Geheele steden werden uitgemoord, gansche landstreken leeggeplunderd en verwoest. Eindelijk werd één der pretendenten, Philips van Zwaben, vermoord, zoodat Otto vrij algemeen als Duitsch Koning erkend en den 27sten Sept. 1209 in de Pieterskerk te Kome als Duitsch Keizer gekroond werd.
Maar de sluwe man, die vóór zijne kroning alles beloofd had, wat paus en geestelijkheid hem maar geliefden af te eischen, verbrak eensklaps al zijne eeden, nadat hij het doel zijns levens bereikt had, en zeide aan Innocentius de gehoorzaamheid op. Reeds drong hij zegevierend in Napels binnen, om aan den jeugdigen Frederik, wiens aanspraak op zijnen titel nog door honderd duizenden erkend werd, land en kroon te ontnemen, toen de vertoornde en verontwaardigde paus hem den banbliksem naar het hoofd wierp, en daarmede al zijne onderdanen van den eed der getrouwheid en gehoorzaamheid ontsloeg. De uitwerking van deze kerkelijke straf was geweldig. In alle kerken werd de pauselijke banbul afgelezen, vorsten en priesters vielen openlijk van hem af, en allerwegen werd het geroep vernomen, dat nu dan toch Frederik, de kleinzoon van den onvergetelijken Barbarossa, den keizerstroon mocht beklimmen.
In allerijl verliet Keizer Otto de erflanden van Frederik en snelde naar Duitschland terug, waar hij zijne tegenstanders reeds bij honderd duizenden telde. Frederik van Hohenstaufen, de jeugdige, wonderschoone held, werd er met vurig verlangen door velen verbeid, en een vreeselijke burgeroorlog ontstond,
- 107 -
toen Frederik, op het dringend verzoek der Duitsche rijks-grooten, besloot naar Germanje over te komen om zijne rechten en aanspraken te verdedigen. Na zijne gemalin Constance als regentes over zijn koninkrijk Napels en Sicilië te hebben aangesteld, zeilde hij den IS11611 Maart 1212 van Palermo uit, om de fakkel des oorloga in Duitschland te gaan ontsteken.
De eerst achttienjarige ,â beeldschoone vorst was in ieder opzicht een hoogst merkwaardige gestalte. Bij zijne innemende verschijning, aan welke bijkans niemand weerstand kon bieden, bezat hij een buitengewoon verstand, wist hij van tal van zaken en kundigheden af, die slechts weinigen in die mate beheerschten, en sprak hij een groot aantal talen, zoodat hij zich met iedereen op de gemakkelijkste wijze kon inlaten. Opgevoed in het half Mohammedaansch Sicilië, en met de geleerdste mannen der Saracenen bevriend, had hij gaandeweg alle liefde voor de twistzieke kerkleeraars der Christenheid verloren, terwijl zijn natuurkundige studiën en wljsgeerige aanleg hem alles-behaive gunstig stemden voor de domme mirakelen- en reliquieën-vereering, die juist in deze eeuw der Kruistochten een verbazende vlucht had genomen. En wel inziende, dat hij tot bereiking van zijne staatkundige idealen, den steun der Kerk niet missen kon, nam hij zich voor alles aan paus en priesters te beloven, wat zij hem in hun belang maar zouden vragen, doch er zoo min mogelijk van te vervullen.
Men legge aan Frederik, bij de beoordeeling van deze en zoo menige andere houding, toch vooral onzen meer gerijpten maatstaf van zedelijkheid en waarheid niet aan! Goede trouw en eerlijke, oprechte vervulling van ééns gegeven beloften waren eigenlijk nergens te vinden, althans niet bij de grooten en machtigen der aarde. Ja, hier en daar in een vergeten klooster, of in eene eenzame hermitage, woonde wellicht een vrome monnik, of een vrome ketter, die zich nauwgezet hield aan Evangelie en Godsvrucht, maar bij paus en keizer, bij geestelijkheid en wereldlijke vorsten, beheerschten het egoïsme en de zucht naar macht en heerschappij eenvoudig het gansche
i
- 108 -
leven, en golden eeden en beloften slechts zóólang als het eigenbelang hare naleving eischte.
En zoo was clan Frederik, schijnbaar een recht geloovig Christen, gaandeweg tot een volslagen ongeloovige opgegroeid, die aan zijn weelderig hof nu eens de Oostersche sprookjes van de 1001 Nacht tot werkelijkheid maakte, als hij met danseressen en gunstelingen zich een Turkschen hemel veroorloofde , dan weer in de studie van Aristoteles en Mohamme-daansche wijsgeeren zich verdiepte; nu eens was hij van dichters en zangers omringd, gelijk het welluidende Italiaansche sonnet voor het eerst in zijne omgeving burgerrecht verkreeg, dan weer vermeide hij zich in ridderlijke tornooien of op de jacht, hij die een bewonderenswaardige verhandeling over de valkenjacht schreef, die ons toont hoe volkomen hij de gansche vogelenwereld kende. Een vijand van alle stiive étiquette, ging hij los en vrij met zijne vrienden en hovelingen om, maar bleef toch bij en ondanks alle toeschietelijkheid en gemakkelijkheid in den omgang een echte despoot, die de burgerlijke vrijheid, bijv. der opbloeiende Lombardijsche steden, doodelljk haatte, gelijk hij ze ook ten doode toe bestreden heeft. Geen wonder dat zulk een man met een paus als Innocentius, en met heel het heerschzuchtige kerksysteem van Rome, in botsing kwam!
Zegevierend trok hij in het jaar 1215 van Sicilië naar Duitschland, waar de eene landstreek na de andere hem huldigde, totdat hij 25 Juli van datzelfde jaar in Aken tot Duitsch Koning gekroond werd, de laatste trede vóór de keizerlijke waardigheid. Den dag daarop beloofde Frederik, uit dankbaarheid voor de pauselijke medewerking, een Kruistocht naar het Heilige Land te zullen ondernemen.
De pausen zagen in zulk een tocht niet alleen een vroom werk, tot meerdere glorie der Kerk, maar ook een welkom middel om hunne macht te versterken, want al wat der Kerk ten goede kwam, bevestigde ook het pauselijk gezag. Men kende in die dagen geen anderen vorm van godsdienst dan die te Rome geleerd werd, al kostte het ook moeite en strijd genoeg om de overal opduikende ketterijen te onderdrukken.
- 109 -
Want al iras ook, gelijk wij u reeds zeiden, de pauselijke macht allerwegen als de hoogste en direct-goddelijke autoriteit op aarde erkend, die erkenning geschiedde voorwaar niet zonder nadrukkelijke tegenspraak! Arnold van Brescia had zijne ketterijen als een welig onkruid aan de winden toevertrouwd, en overal waren de kiemen ontsproten; vooral in het Zuiden van Frankrijk, in de bloeiende landen van Provence en Lan-guedoc, hadden de republikeinsche ideeën wijd en zijd wortel geschoten, en de aanmatiging der geestelijken, die alleen nog door hunne grenzenlooze domheid overtroffen werd, was in spotdichten en minnezangen zóó algemeen aan de kaak gesteld, dat het alle inspanning kostte de telkens opkomende ketterij te verpletteren. Dit was het éénige dat Rome overbleef, en dat heeft het dan ook met meedoogenlooze wreedheid gedaan, niet zonder onophoudelijk te verzekeren, dat de Kerk nooit dorst naar bloed. De Katharen, eene geheimzinnige sekte, die de vereering der heiligen, het vagevuur en de heerschappij dei-priesters verwierp; de Waldenzen, stille, godvreezende lieden, die hun Bijbel lazen en daarom met de onzinnige vereering der reliquieën en velerlei andere Roomsche verzinselen niets ophaddon; de Albigenzen, in menig opzicht met de voorgaanden overeenstemmend, werden op last van Innocentius dan ook te vuur en te zwaard verdelgd, met eene zóó duivelsche wreedheid en zóó weergalooze trouweloosheid, dat onze pen weigert die gruwelen te beschrijven.
In zulke omstandigheden was een Kruistocht tegen de ongeloovigen eene schoone gelegenheid den echt Katholieken geest weder aan te vuren, en wanneer dan een zoo gevaarlijkvrijzinnig man als Frederik van Hohenstaufen zich aan het hoofd er van plaatste, kon het Pausdom er niet anders dan gewenschte vruchten van plukken. Vandaar dat toen Innocentius III den 16lt;len Juli 1216 gestorven was, zijn opvolger Honorius III met denzelfden nadruk bij Frederik op de nakoming zijner belofte aandrong. Maar deze, wien het ten eenenmale aan het heilige vuur voor zulk eene onderneming ontbrak, en wiens staatkundige belangen hem met zooveel klem in Europa terughielden, stelde
- 110 â
don beloofden Kruistocht van jaar tot jaar uit. Eerst wist hij de verkiezing van zijnen zoon tot Roomsch Koning door te drijven, waardoor dus de vereeniging van Napels en Sicilië met Duitschland bestendigd werd, en eindelijk werd hij zelf in het jaar 1220 te Eome tot Roomsch Keizer gekroond. Natuurlijk had hij het niet aan de schoonste en onderda-nigste verzekeringen en beloften laten ontbreken, waaronder de tocht naar het Heilige Land bovenaan stond.
Voorshands echter had Frederik het veel te druk met het dempen van een opstand in zijne Italiaansche Staten, om aan de vervulling dezer belofte te denken; maar wèl nam hl) den titel van âKoning van Jeruzalemquot; aan, waarop hij aanspraak maakte door zijn huwelijk met Jolanthe, dochter van den ridderlijken Jan van Brienne, die zich als Koning van Jeruzalem in de Heilige Stad had laten kronen. Eindelijk bedreigde de paus hem met den kerkelijken ban, wanneer hij in 1227 den Kruistocht niet aanvaard had, maar allerlei opstanden in Italië en Duitschland maakten, dat ook die termijn verstreek, zonder dat hij het zwaard tegen de Saracenen had aangegord. Paus Honorius stierf in \'t voorjaar van 1227, doch zijn opvolger, de reeds 80-jarige, maar onverzettelijke Gregorius IX, neef en geestverwant van Innocentius, herinnerde den Keizer nog eens voor het laatst aan zijn plicht. Schoorvoetend bracht Frederik een leger bijeen, en feitelijk ging hij ook scheep, maar-toen hij, na enkele dagen, door eene hevige koorts overvallen werd, greep hij de gelegenheid aan ijlings naar Italië terug te keeren. De paus, misschien niet ten onrechte, den goeden wil des Keizers verdenkende, maakte nu de bedreiging van Honorius tot waarheid en deed den Hohenstaufer in den ban.
Met schrik en verbazing zag het Christelijk Europa, dat Frederik zich niet alleen om den bliksem uit Rome niet bekommerde, maar den geheiligden persoon des pausen met ruwe scheldwoorden overlaadde. Hij riep geheel Europa tegen de aanmatigingen van Gregorius te wapen en liet door zijnen keizerlijken commissaris binnen de stad Rome een keizerlijk manifest tegen den Heiligen Vader aflezen. Daar ook deze paus,
- Ill â
gelijk verreweg de meesten, bij zijne naaste omgeving het minst bemind was {want een slechter gouvernement dan het pauselijke is er nooit ter wereld geweest!), stonden zijne eigen onderdanen tegen hem op, zoodat hij de stad moest verlaten. Inmiddels ging Frederik, als om zijne goede. Christelijke gezindheid tegenover de pauselijke aantijgingen te bewijzen, den lOaen Aug. 1228 werkelijk scheep en 8 September zette hij te St.-Jean d\'Acre in het Heilige Land voet aan wal.
Welk eene merkwaardige beweging zijn toch die Kruistochten geweest! Gij herinnert u wellicht uit eigen aanschouwing of uit eenige reproductie het beroemde tafereel van quot;Willi, von Kaulbach, in het Treppenhaus van Berlijn aangebracht. Door de opgaande zon beschenen, ziet men in de verte het Heilig Jeruzalem liggen, het groote doel dezer tochten. Over een heuvelachtig terrein trekt de lange stoet der kruisvaarders voort. Sommigen toonen elkander vol heilige verrukking de Stad, die zij naderen; anderen zinken in eerbiedige verwondering op de knie, weer anderen wijzen elkaar op de hemelsche glorie, waarin Christus met Maria en de Heiligen zichtbaar is, als om de aankomenden welkom te heeten. Op een verhoogd terrein zien wij priesters, van welke één den gouden Monstrans met het Hoogwaardige draagt, en achter hen aan den ridderlijken Godfried van Bouillon, den man die geen gouden kroon wilde dragen waar zijn Heiland een doornenkroon droeg, die zijne kroon in de hand houdt en ze tot Christus opheft â een wonderschoone figuur. En achter hen, zeer ver, een schilderachtige groep strijders met tropeeën op de Mohammedanen behaald, en weer wat ter zijde Peter van Amiëns, met eene schare geeselaars (flagellanten) en andere boetedoeners, om den oorsprong dezer enthousiaste ondernemingen aan te toonen. Het geheel is van eene onbeschrijfelijke poëzie en wondervolle aantrekkelijkheid.
En waarlijk, men kan ze ook, na behoorlijke kennisname der nuchtere feiten, in zulk een poëtisch licht beschouwen, die wonderlijke opwellingen van geestdrift en geloof, al weten wij zeer wel dat ook deze penning zijne keerzijde heeft, en dat er
- 112 -
heel wat onheilig vuur onder dat enthousiasme dóórliep. De tijden zijn gelukkig voorbij, dat men van de Middeleeuwen niets anders dan zwarte, sombere voorstellingen had; daar hebben niet alleen de historische onderzoekingen der geschiedschrijvers, maar waarlijk niet minder mannen als Walter Scott, Alberdingk Thijm en Hofdijk het hunne toe gedaan! Welke figuren, zoo\'n Richard Leeuwenhart en zoo\'n Sultan Saladijn ! Welk een gloed, welk een élan in die Christenheid, als duizenden bij duizenden de dierbaarste banden losmaken, om met het kruis op schoudermantel en banier, bloed en leven te gaan wagen voor de bedreigde zaak der Christenheid! En of zo bedreigd was! In SO jaren hadden die Arabieren, met hun vuur in de aderen en hun gloeienden haat tegen het Christendom, grooter gebied dan de Romeinen oudtijds in 800 jaren veroverd. Jeruzalem was reeds gevallen, Afrika reeds genomen, Spanje reeds bezweken, en had Karei Martel niet geleefd, ook het overige van Europa had voor die dweepzieke benden gezwicht. En toen heeft Rome het gewaagd in de mogendheid des Heeren te zeggen: Tot hiertoe en niet verder! En de paus reikte den bedelmonnik de hand, de ridder aan den lijfeigene, de machtigste aan den zwakste, en samen togen ze uit naar het Heilige Graf, om den aartsvijand der Christenheid te bedwingen.
Helaas! al spoedig was het met As edele zijde dezer Kruistochten gedaan. De krijgers, van welke althans veten met de beste en vroomste bedoelingen waren uitgetrokken, verwilderden door al de ellende, die zij moesten doorstaan, op schrikverwekkende wijze. Het gemeenste rapaille van alle Christenlanden voegde zich bij hen; wreedheid, roofzucht, onderlinge twisten, jagen om den voorrang en eereposten in do nieuwgestichte rijken en bisdommen, maakten den Christennaam voor vriend en vijand tot eene bespotting, en elke nieuwe Kruistocht daalde in gehalte en in eerbiedwaardigheid. In de dagen van Keizer Frederik was alle heilig vuur vrijwel uitgebluscht. Na het vertrek van Richard Leeuwenhart waren de geloovigen in Palestina in deerniswaardigen toestand geraakt; slechts een bitter klein stukje land was hun overgebleven. Maar ook de
- 113 -
Sultan was den krijg moede. Al spoedig na den dood van den genialen Saladijn was het rijk der Saraeenen verzwakt en versnipperd, en het was vooral cfoe omstandigheid, die Innocentius met zooveel nadruk naar een nieuwen Kruistocht had doen verlangen. De kansen het verloren terrein te heroveren stonden thans schooner dan ooit. Maar, nog eens, het oude vuur was weg. De zonderlinge Kinderkruistocht van het jaar 1212, met zijne belachelijke en tevens diep-onzedelijke tooneelen, had volkomen fiasco gemaakt. Ook de volgende, van \'tjaar 1217, waaraan de naam van onzen Graaf Willem I van Holland met het beleg van Damiate roemvol, maar zonder veel succes verbonden is, was op teleurstelling uitgeloopen. Egj\'pte moest weer worden prijsgegeven, en toen eindelijk Frederik II er toe overging, beleefde men het zonderlinge schouwspel, dat een Christelijk Keizer, die om het Christendom bitter weinig gaf, en die in zijn leger tal van Mohammedaansche onderdanen (uit Sicilië) had, die hij rustig hunne eigene godsdienstplechtigheden verrichten liet â als kampioen tegen de Saraeenen moest optreden! Geen wonder, dat het weinig of niet tot vechten kwam. Sultan Kamel en Keizer Frederik waren beiden veel te verlichte vorsten, om behagen te scheppen in het eindelooze bloedvergieten, door hetwelk zich de Kruistochten tot dusverre hadden onderscheiden. Maar geen wonder dan ook, dat de Roomsche geestelijkheid met zeer weinig vertrouwen den man te gemoet kwam, van wien men allerlei gruwelijks verhaalde, zelfs dat hij in het geheim den Islam aanhing, en van wien het althans zeker was, dat hij onder den banvloek lag van het hoofd der Christenheid. En toen de paus hem nog afgezanten achterna zond met brieven voor den patriarch van Jeruzalem en de hoofden der geestelijke ridderorden, om zooveel mogelijk den ketterschen Keizer te vermijden en tegen te werken, werd zijn toestand hoe langer hoe moeilijker. Hij was van verraders omringd, tegen welke hem de nobele Sultan zelfs liet waarschuwen, toen ze hem eens hadden medegedeeld waar hij zijn vijand gemakkelijk zou kunnen overvallen. Wij begrijpen dus, dat hij verheugd was den 18dequot; Februari 1292
s
- 114 -
een wapenstilstand voor 10 jaren te kunnen sluiten, waarbij de Sultan Jeruzalem, Betlileliera en eene strook lands aan de Christenen afstond. Zoo had Keizer Frederik waarlijk zonder bloedvergieten nog veel meer verkregen dan menig legeroverste vóór hem ten koste van stroomen bloeds! De kruisvaarders konden dus de Heilige Stad en het Heilige Graf als hun eigendom beschouwen, maar tevens het stichtelijke schouwspel aan de Mohammedanen bieden van hunne hooggaande onderlinge twisten. De patriarch weigerde niet alleen den Keizer als Koning van Jeruzalem te kronen, waarop Frederik zichzelven de kroon op het hoofd zette, maar hij sprak ook het interdict over Jeruzalem uit, waardoor nagenoeg elke godsdienstige plechtigheid onmogelijk werd. Men kan zich voorstellen, met hoeveel vreugde de Keizer in Mei 1229 het Heilige Land weer verliet!
Inmiddels had de paus, die Frederiks onverzoenlijke vijand was geworden, in het koninkrijk Napels door zijne eigene en door gehuurde soldaten allerlei balddadigheden laten plegen, waaraan de terugkeer des Keizers echter spoedig een einde maakte. Maar nog bitterder leed wachtte hem. Zijn eigen zoon Hendrik, dien hij in Duitschland als regent had achtergelaten, stond tegen hem op, terwijl de paus met duivelsche wreedheid allen, die hij van ketterij verdacht, gelijk de onschuldige Stadingers, die geheel uitgemoord werden, vervolgde en verdelgde. Is het wonder, dat een man als Frederik van Hohenstaufen, die met ruimen blik al dat ellendig kerkgetwist aanzag, en in geen enkel opzicht de Roomsche priesters hooger kon stellen dan de nobele Saracenen, die hij kende, met steeds klimmenden afkeer tegen den Stedehouder van Christus bezield werd? Nadat hij zijnen wederspannigen zoon bedwongen en gevangen had gezet, en zijnen tweeden zoon, Koenraad, tot Roomsen Koning verkozen had gezien, brak de strijd met den Pauselijken Stoel opnieuw uit, nu heviger dan ooit te voren.
Nadat er in het jaar 1230 eene kortstondige verzoening tusschen Gregorius en Frederik was ontstaan, die de opheffing van den banvloek ten gevolge had, werd de pauselijke banbliksem in 1239 opnieuw naar het hoofd des Keizers geslingerd.
- 115 -
met de allerhevigste vervloekingen van den Heiligen Vader er bij, die Frederik met gloeiende verontwaardiging beantwoordde. Geheel Europa luisterde met schrik en ontzetting toe, wanneer de paus den Keizer beschuldigde van een Turkschen harem te onderhouden, priesters te mishandelen, of hem betitelde als: het beest uit den afgrond, een koning der pestilentie, die leerde dat er drie bedriegers geweest zijn op aarde: Mozes, Mohammed en Christus, en dergelijke meer, terwijl Frederik op zijne beurt den paus uitmaakte voor een dwaalprofeet, leugenaar, den grooten draak, den aartsvijand van Christus, den met de olie der schelmerij meer dan zijne tijdgenooten gezalfden Farizeër, enz., enz. De paus ging werkelijk in zijne woede alle palen en perken te buiten en had de beschaming te dragen, dat Koning Lodewljk de Heilige, wien hij de keizerskroon van Frederik aanbood, met verontwaardiging hem antwoorden liet, dat niet de paus, des Keizers persoonlijke vijand, maar alleen eene wettige Kerkvergadering den Hohenstaufer af kon zetten. Tot zijnen laatsten snik toe bleef de paus den Keizer vervloeken en vervolgen, totdat hij, bijkans 100 jaren oud, van ergernis stierf, 21 Augustus 1241. Zijn opvolger, Coelestinus IV, regeerde slechts 16 dagen, maar Innocentius IV, die hem verving, zette den strijd met dezelfde bitterheid voort. Hij vluchtte uit Kome, zeggende dat hij voor de aanslagen van den aartsketter niet veilig was, en liet hem op eene Kerkvergadering te Lyon van alle rechten vervallen verklaren, terwijl hij tevens de Duitschers opriep een nieuwen Keizer te kiezen. Het wederzijdsche uitschelden van Keizer en paus werd in grooten stijl voortgezet, maar de Keizer had toch de voldoening te zien hoe geen enkele dor vele vorsten, wien men zijne kroon aanbood, haar durfde aanvaarden. Ja, de landgraaf van Thuringen waagde het, maar onder algemeene bespotting, zoodat deze âpapen-koning,quot; gelijk men hem noemde, onbetreurd ten grave daalde (1247), terwijl Graaf Willem van Holland, die zich er ten slotte toe vinden liet, en 4 October 1247 tot Roomsch Koning benoemd werd, er eveneens waarlijk geene eer mede behaalde.
Maar eindelijk moest ook de sterke Frederik het trotsche
- 116 -
hoofd buigen. Het krijgsgeluk, dat hem tot dusverre bijkans immer gunstig geweest was, keerde zich van hem af. Verraad, zelfs van mannen, die hij meende volkomen te kunnen vertrouwen, griefde en wondde hem tot in het diepst zijner ziel. Velen verlieten zijne zaak en werden hem ontrouw, en toen hij den 19ael1 Nov. 1230 plotseling ziek werd, bespeurde men al spoedig dat zijn einde naderde. Den 13den December van dat jaar is hij reeds gestorven, nadat de aartsbisschop van Palermo hem weder in den schoot der Kerk had opgenomen. Na gebiecht te hebben, ontving hij nog de laatste Sacramenten der stervenden , en is toen heengegaan, pas 56 jaren oud. Aan zijnen terugkeer tot de Kerk als eene daad des harten is zeker niet te gelooven; hij haatte het Christendom, omdat het hem levenslang met haat en vijandschap was te gemoet getreden. De Roomsche geestelijkheid heeft dan ook eeuwen lang de meest onzinnige vertelselen over zijn uiteinde rondgestrooid; zijn lijk zou dooiden Satan medegenomen zijn; zijn graf zou ledig zijn gebleven, en dergelijke meer. Toen men echter in den jare 1788 de koninklijke grafkelders te Palermo opende, vond men het lijk des Keizers nog volkomen gaaf en ongeschonden, in de keizerlijke pracht-kleederen gehuld, met het mannelijk-strenge gelaat de eerbiedige toeschouwers aanziende.
Zoo eindigde deze machtige, wereldbeheerschende vorst zijn veelbewogen leven. _
Hoe hebben wij nu over den persoon van Frederik II te oordeelen ?
Wij zien in hem den krachtigen en beslisten handhaver der vrijheid tegenover de aanmatiging eener Kerk, die geene vrijheid duldt onder welken vorm dan ook, en als zoodanig heeft hij onze hartelijke sympathie. De mensch is tot vrijheid en zelfstandigheid geschapen, en met elke organisatie, wier uitgesproken bedoeling het is den mensch onvrij te houden, behoort een mensch, die nog gevoel voor zijnen oorspronkelijken adel heeft, den strijd aan te binden. âDer Gott der Eisen wachsen liess, der tcollte keine Knechte,quot; en Rome maakt slechts âKnechte,quot;
- 117 -
het kan niet anders krachtens zijne eigen, onveranderlijke beginselen. Daarom kan ook een mensch, wien eenmaal de oogen voor den absoluten eisch der vrijheid zijn opengegaan, niet anders doen dan Kome ten nadrukkelijkste bekampen.
Voor velen is vanzelf deze onze tegenstelling ten eenenmale onjuist. Al wie zich een getrouwen zoon der Moederkerk weet, voelt van deze drukkende banden niet met al, en zingt van Wijder harte op zijne wijze zijn vrijheidslied. Dat hij het zinge, zoolang God het hem toelaat! Ik gun der Eoomsche Kerk haren bloei, zij het ook met bekommerd harte , omdat ik niet voorbij mag zien, dat zij, naast en met hare in mijn oog hoogst gevaarlijke beginselen, toch ook veel handhaaft en predikt, dat de ontbinding der maatschappij tegenhoudt. Hoe verdonkerd on verbasterd ook, Rome predikt toch het Kruis van Golgotha als het anker der ziel, als de hope der zaligheid, en wanneer ik de hand mag drukken van een waarlijk geloovigen Katholiek, die niet door de consequentie van de leerstellingen zijner Kerk, maar door de liefde tot God en den Heiland gedreven wordt, dan voel ik mij één met hem in de groote hoofdzaak, dat wij beiden ons heil verwachten van het bloed van Calvariên, dat reinigt van alle zonden.
Maar zoodra wij het groote systeem der Eoomsche loeren Kerkontwikkeling gadeslaan, die weergalooze organisatie, die met ijzeren consequentie op de vergoddelijking van den paus uitloopt, wiens onfeilbaarheid waarlijk geene nieuwigheid van het jaar 1870 is, maar feitelijk reeds door Gregorius en Innocentius ten volle beleden werd; zoodra wij een oog hebben gekregen voor het gevaarlijke, ja in den diepsten grond anti-goddelijke van dat pauselijk systeem, dat absolute gehoorzaamheid afelscht van eiken gedoopte, en dat zich de opperheerschappij aanmatigt over de regeering der Staten evengoed als over ieders persoonlijk geweten; ja, dan kunnen wij in een Frederik ook niet anders dan een gewettigde, verklaarbare, prijzenswaardige openbaring zien van den ingeschapen trek naar vrijheid, gelijk die zelfs in die slaafsehe en onderworpen Middeleeuwen zich niet onderdrukken liet.
- 118 -
Zeker, Keizer Frederik is veel te ruw opgetreden. Daar was in de Middeleeuwsche Christenheld ook een schat van teedere godsvrucht, en do Kerk heeft ook onnoemelijk veel goeds verricht, gelijk wij blijmoedig en openhartig erkennen. Ik heb u slechts de namen te noemen van Franciscus van Assisi, den troubadour des kruises, van Bonaventura, den dichter wiens stem als een nachtegaal klinkt te midden van al de donkerheid rondom, van Dante, den grootsten poëet der wereld, die met zijn gansche hart aan de Kerk getrouw bleef, al geeselt hij ook onbarmhartig hare zonden; en eene Kerk, uit wier midden het âStabat Materquot; en het âDies iraequot; konden voortkomen, verdiende nog wat anders dan de felle, ongematigde bestrijding van den Hohenstaufer.
Maar veel, zeer veel is er tot verklaring, ja tot verontschuldiging van zijne handelwijze bij te brengen. Zulke figuren als de zijne zijn trouwens geene éénlingen, maar product en uiting tevens van eene machtige strooming des geestes, die bij duizenden weerklank vindt. Bij al die schijnbaar zoo indrukwekkende eenheid van geloof en belijdenis ivaa er toch feitelijk een wijd en zijd verspreid ongeloof in de Christenheid der Middeleeuwen. De wereld was niet gekerstend, maar de wereld was, met een weinig Christelijk vernis versierd, ongehinderd uit het Heidendom in de Kerk binnengekomen. Karei de Groote, die met de macht des zwaards en zijn gevreesden naam geheele volksstammen van heidenen tot het Christelijk geloof had gedwongen, had op deze wijze een verbond gemaakt, dat zich vroeger of later wreken moest. Alle belijdenis, die niet op hartgrondige, eerlijke overtuiging berust, komt te eeniger tijd als een onbetaalbare wissel tot hem die ze opdrong terug. De Roomsche Kerk smaalt altijd op ons Protestantisme als een bron van twijfel en materialisme, maar nooit zijn de twijfelaars zóó sterk en zóó beslist geweest als in de tijden harer opperheerschappij; in geene landen heerscht zulk een onverbloemd materialisme als in de streken, waar zij onbelemmerd gebiedt, gelijk de Voltaires gewoonlijk afvallige zonen uit haren schoot zijn geweest.
- 119 -
Welk nadenkend mensch â ik weet het, zij waren er in die eeuwen niet vele, maar zij waren er toch! â kon vrede hebben met eene geestelijkheid, die te vuur en te zwaard alles verdelgde, wat niet sprak, dacht en leerde als zij, maar die zelve het toonbeeld van ongeestellikheid en onkunde was? Welk een onzin werd er, nog wel op de groote hoogtliden der Christenheid, en dat in de kerken, en dat Juist door de geestelijkheid, tot spot der leeken vertoond! Zoo\'n comedie als op het Kerstfeest werd afgespeeld, dat bijv. monniken den os en den ezel aan de kribbe, den haan van Petrus en het lam van Johannes den Dooper in tableaus vivants voorstelden, en de heilige teksten kraaiende als een haan, loeiende als een os, balkende als een ezel, blatende als een schaap voordroegen! Of het ezelsfeest, tot in de 17ae eeuw gevierd, dat men een ezel in de kerk bracht, met de zotste liederen, afgewisseld door Amens en Halleluja\'s, verheerlijkte, terwijl de sacristie in een danszaal en het altaar in een buffet, met wijnen en worsten versierd, veranderd was, en de heilige gewelven onophoudelijk van de echte en nagemaakte hi-ha\'s der ezels weerklonken. In Lyon kregen de kanunniken bij elk feest 4 a 5 liters wijn per persoon en per dag, en geen stad waar niet de naamdag der bijzondere heiligen met onheilige slemppartijen en orgiën gevierd werd, waarbij de geestelijken onveranderlijk de eerste en de treurigste rol vervulden. Endje geestelijkheid nu heeft de heiligste, reinste, soberste, vroomste en godzaligste mannen en vrouwen, in elk opzicht hunne meerderen, als ketters en verdoemens-waardige booswichten geradbraakt, gehangen en verbrand, jaar in jaar uit, eeuw in eeuw uit, zoolang ze het kon en.... als zij het weer kan, zal zij het iveer doen! Rome verandert nooit.
De Kruistochten deden eene geheel nieuwe wereld van gedachten voor de Christenheid opgaan. De zaden van kennis en wetenschap, van twijfel en scepticisme kwamen even goed uit het verre Oosten mede, als de scheepsladingen reliquieën, die men met kinderlijke goedgeloovigheid als de kostbaarste schatten medevoerde. En juist omdat men deze Kruistochten geheel en al met de zaak der Kerk vereenzelvigd had, zoodat
- 120 -
de verovering van Jeruzalem allermeest der Kerk ten goede kwam, begrijpt gij, hoe de val van Jeruzalem, en de gestadige tegenspoed der kruisridders, ook aan het Christelijk geloof en aan het gezag van den paus onberekenbaar nadeel berokkende. Men ging vragen: Is die paus wel het orgaan des Heiligen Geestes, wanneer hij telkens als Gods wil verkondigt, wat ons nederlaag op nederlaag, en schatten van goed en bloed kost\'? Men leerde de Arabieren en Saracenen kennen in hun wijsheid en godsdienst, in dat rustige en toch ook zoo gloeiende geloof in den éénen God, en men ging zich afvragen: Heeft die Mariadienst en die vereering van tallooze heiligen wel recht van bestaan ? De ketterijen staken allerwegen het hoofd omhoog, en de Kerk kreeg vijanden in allerlei vorm en gedaante. Toen heeft Innocentius III die vloekwaardigste van alle Roomsche instellingen in het leven geroepen, de Heilige Inquisitie, die grooter wreedheid, gruwelijker onrecht en satanischer dwang zou gaan uitoefenen dan ooit de heidensche Keizers van Rome met al hunne vervolgingen hebben gewrocht. De jaarboeken van dat vervloekte College, waarvan nog altijd de paus zelf de voorzitter is, zijn met bloed en tranen geschreven, en wat er in zijn kelders en gewelven, in zijn gevangenissen en martelkamers geschied is, ik geloof dat een eeuwigheid te kort zou wezen om dat alles naar waarde te beschrijven.
Al die twijfelingen en ketterijen nu vonden in Frederik van Hohenstaufen een middelpunt van bescherming en ontwikkeling. Hij zag in de Kerk zijner dagen de groote vijandin der vrijheid, en voor de verdediging der vrijheid had hij alles over. Hij was in en door zijn godsdienst bedrogen, en wanneer men het heiligste wat er is leert haten, waarlijk, dan haat men niet ten halve! Hij vond geen geloof bij de handhavers en de predikers van het geloof, wèl heerschzucht en egoïsme, en heerschen wilde ook hij, hij bovenal. Hij was een geboren despoot, die allerminst de vrijheid, die hij se?/\'begeerde, tegen zich wenschte gekeerd te zien door een paus, die zich den knecht der knechten Gods noemde, maar ondertusschen de gansche wereld tot zijne gehoorzaamheid opriep en alle vorsten der
- 121 -
aarde als zijne dienaren beschouwde. Bovendien had de studie der wijsbegeerte, en vooral ook der natuur, die hij met zijn scherpen blik en door den bril der geheel-naturalistische Arabische geleerden, die altijd aan zijn hof waren, zoo nauwkeurig had bekeken, hem eene diepe verachting gegeven voor de sma-kelooze en onzinnige mirakelen en legenden, waarmede de monniken en priesters zijner dagen de onkundige menigte voedden. En zóó was hij meer en meer in onverholen strijd geraakt met het hoofd der Kerk, en al is het niet heivezen, dat hij de gruwelijke woorden gesproken heeft, dat er drie bedriegers op aarde geweest zijn: Mozes, Christus en Mohammed, uit zijnen geest zijn ze toch zeker, evenals het âEcrasez Flnfamequot; van Voltaire, dat men nergens in zijne geschriften vindt, maar dat toch inderdaad de juiste uitdrukking moet heeten van zijn denken en willen. Bovendien had hij zeer openbare zonden, met name eene toomelooze zinnelijkheid, zoodat de beschuldiging van den paus, dat hij een Turkschen harem onderhield, door hartstocht overdreven mag heeten, maar geheel omoaar was zij niet. Zijne betooverende schoonheid, en vooral zijne onwederstaanbare persoonlijkheid, is voor hemzelven een valstrik te meer geweest.
Hoe moeielijk is het toch, geëerde Hoorders! een mensch hilli/jk te beoordeelen. Wanneer wij de woorden herlezen, die de paus den Keizer naar het hoofd werpt, zouden we haast geneigd zijn in dezen Frederik de vleeschwording van alle ongerechtigheid te gaan zoeken; en omgekeerd als wij de klachten en beschuldigingen van den Keizer tegen het Hoofd der Christenheid overdenken, zouden wij kunnen vragen: Maar was die paus dan enkel zonde en goddeloosheid? En toch, neen, ook Innocentius mogen wij niet te hard beoordeelen. Ook hij, en zijne opvolgers, hadden hunne groote gebreken, óók als menschen, maar toch moeten wij hen zachter beoordeelen, wanneer wij hunnen tijd leeren kennen. Dan verliezen die vreeselijke woorden en verwenschingen reeds veel van hun schrik, wanneer wij bedenken hoe ruw en geweldig men zijne overtuiging uitsprak. Trouwens, de kanselarijstijl der Heilige quot;Vaders is altijd bijzonder
- 122 -
gepeperd geweest, en hoe ook Pius IX en Leo XIII over Bijbelgenootschappen, Protestantisme en de Hervormers als over pesten, gedrochten uit den afgrond, beestelijke of helsche machinaties en dergelijke spreken, is algemeen bekend. Dat hoort nu eenmaal bij de positie van een Jupiter, die zijne bliksems uitzendt ! Maar laat ons toch erkennen, dat deze pausen meenden, dat hunne positie van Godswege zulk een optreden noodig en plichtmatig maakte. Wanneer men eenmaal in den Stoel van Petrus de hoogste goddelijke autoriteit heeft leeren zien, die met onfeilbare gewisheid alle waarheid en niete dan de waarheid kennen leert, dan ligt de gevolgtrekking ook voor de hand, dat alle menschelijk schepsel aan den Boomschen Opperpriester onderworpen moet zijn. Wanneer men eenmaal de, in myn oog volkomen ongeoorloofde en onbijbelsche, maar zuiver-Eoomsche stelling aanvaardt, dat de waarheid aan haar eigen zedelijk gezag niet genoeg heeft, maar ook bovendien macht, uitwendig zicht- en tastbare macht, behoeft, dan zijn dergelijke eischen als de pausen ze in alle eeuwen doen hooren, niet langer als onduldbare arrogantie, maar als wettige gevolgtrekking van hun eigen stelsel, te beschouwen. Innocentius meende en geloofde met volkomen goede trouw, dat met zijn zetel de Christelijke waarheid stond of viel, en dat dus alles wat zijne opperhoogheid te na kwam, de majesteit van God en van Christus aanrandde. âDas ist der Fluch der bösen That, dass sie fortwilhrend Böses muss gebierenquot; zingt Schiller, en zóó leeren wij in de toestanden, die geheele tijden beheerschen, allereerst en allermeest het treurig gevolg der menschelijke zonde zien, der gemeenschappelijke zonde, die, doordat men eenmaal van den klaren, rechten weg der Schrift is afgedwaald, ook met innerlijke noodzakelijkheid van kwaad tot erger vervallen moet.
Ook het Middeleeuwsche Katholicisme leert men door een onbevangen onderzoek der geschiedenis billijker beoordeelen, dan wanneer men alleen op de beklagenswaardige uitwassen en woekerplanten, die het ontsieren, gaat wijzen. Zeker, van geenen tijd kan men haast gemakkelijker eene schandaleuze kroniek schrijven dan van de Kerk dezer eeuwen, want de
- 123 -
domheid der geestelijken, de verdorvenheid der kloosters en de heerschzucht der prelaten waren tot eene bedenkelijke hoogte gestegen. Maar toch, ook desu penning heeft zijne keerzijde! Welk eene reuzentaak zag de Kerk zich voor oogen gesteld, en hoeveel troost en beschaving heeft zij niet aangebracht! Het Christelijk geloof was nog veel minder als eene zaak, die verstand en wil moest beheerschen, erkend, dan wel als eene zaak der phantasie, die hoog en dichterlijk boven de mensch-heid zweefde. De tijd voor het persoonlijk geloof was nog niet daar; de Kerk zorgde voor de onmondige kudde, en al ia het onloochenbaar, dat zij daarbij ook voor hare eigen belangen zorgde, daar ligt toch iets treffends in de wijze, waarop zij die ruwe, heidensche volkeren tot zachter zeden en waardiger levensbeschouwing opkweekte. Zonder voorafgaand Eoomsch-Katholicisme is het Protestantisme onverklaarbaar, ja onmogelijk. Het is niet waar, wat men vaak vertelt, dat het Protestantisme niet anders is dan een terugkeer tot de oude. Apostolische Christenheid; wij zijn uit de Eoomsche Kerk voortgekomen, en onze kerkformatie moge zuiverder en beter, en onze kerkbelijdenis schriftuurlijker en dieper zijn, â ik wil het van harte erkennen â toch hebben wij in de Kerk van Rome onze Koeder te zien, die wij verlaten hebben, verworpen, verstoeten, omdat wij niet anders konden, maar wier arbeid en historie wij onmogelijk ongedaan kunnen maken. Niets is zóó onverbiddelijk als de logica van een feit, en een feit is het, dat wij, het moederlijke Huis verlaten hebbende, met onze eigene woning nooit recht gereed zijn gekomen. Zal dat nog ooit geschieden?
Het Protestantisme is eigenlijk een godsdienst voor helden. Ha, dat was een heerlijke tijd, toen men om der consciëntie wille goed en bloed overhad, en bereid was alles te verlaten, als men maar God naar Zijn Woord mocht dienen! Toen de hagepreekers voor duizenden en tien duizenden van hongerige en dorstige zielen hunne toespraken hielden, staande op een omgekeerde ton of een boerenwagen, en men zijn leven over had voor de zaak des Evangelies. Dat waren heerlijke tijden, toen de oudste Sj\'noden bij elkander kwamen, om bij
- 124 -
den rossen gloed der brandstapels hunne eerste, eenvoudige kerkregeling te ontwerpen, en men met ruimen, wijden blik de geheele Christenheid nog overzag en aanzag als het groote arbeidsveld, met het eenige wapen van woord en getuigenis te bewerken. Maar later . . . maar later . . . toen de vervolging week, en men macht kreeg en invloed; toen de Politieke Heeren zich met de religie gingen bemoeien en de commissarissen der Eegeering in Kerk en Kerkbestuur hun gewichtig woord mee gingen spreken, ach! toen week de bezieling zoo spoedig, om plaats te maken voor wet op wet, gebod op gebod, regel op regel. Toen ging men zich â en het kon ook niet anders â als eene afzonderlijke Kerk naast Rome en tegenover Rome organiseeren, een klein Rome naast het groote Rome, met dezelfde pretensies vaak als zij, maar, ach! zooveel zwakker, zooveel kleiner!
Ik zeg deze dingen met innerlijke droefheid, en waarlijk niet, gelijk men mij wel eens verweten heeft, onder zekere bekoring van de Roomscli-Katholieke macht. Werkelijk, men moest mij zoo iets niet verwijten, die immers ten nadrukke-lijkste tegen Rome ben opgetreden, zóó zelfs, dat niemand minder dan de groote Dr. Schaepman het noodig achtte mij met zijn geweldig slagzwaard te keer te gaan. Rome heeft voor mij niet de allergeringste bekoring, en met ontzetting zie ik haar juist den hellenden weg van het anti-Christendom gedurig verder afgaan. Maar ik heb geen geloof in het Protestantisme, zoolang het zich als de Kerk, Rome nabootsende, poogt te doen gelden. Wij gelooven ééne, heilige, algemeene (d. i. Katholieke), Christelijke Kerk, oneindig verre boven alle nadere bepalingen verheven. Protestantsche Kerk, Luthersche Kerk, Calvijnsche Kerk is eigenlijk even onzinnig als Neder-landsche aardbol, Utrechtsche sterrenhemel of dergelijke. Dat wij. Protestanten, Gereformeerd of Luthersch of hoe dan ook bijgenaamd, ons kerkelijk inrichten, het is noodig en nuttig; wij hebben plichten in onze naaste omgeving ten opzichte van de zielen en kunnen die zeker het best en volledigst vervullen door eene of andere kerkelijke organisatie. Maar ons
â 125 â
doel ligt oneindig hooger en is oneindig voller en breeder dan éene der vele kerkafdeelingen der Christenheid te wezen en ons binnen de eigen muren veilig en wel te verschansen tegenover allen, die niet met ons willen samenwonen. Wij hebben het groote Geheel in het oog te vaiieri en ruimhartig onze hand aan een iegelijk toe te steken, die den Heere Jezus liefheeft en de eere van Gods Koninkrijk wenscht te bevorderen. Het streven van Rome: de gansche wereld te beheerschen, is kostelijk, maar de weg, waarop zij dat reuzendoel najaagt, is verkeerd. Inderdaad, het Christendom is of de volle waarheid, en dan is het ook voor alle menschelijk schepsel bestemd, of het is eene der tallooze openbaringen vdi het godsdienstig gevoel, bestemd om als zooveel ander bijgeloof voor de rijzende zon der wetenschap te verdwijnen. Doch er behoort geloof toe, echt, ootmoedig, goddelijk geloof, dat zóó vast is, dat het kan blijven gelooven, ook als alles er tegen in schijnt te druischen, om de belijdenis van den Christus los te maken van eiken menschelijken vorm, waarin wij haar prediken of brengen, en tevreden te zijn met het zedelijk gezag, dat zij uitoefent, zonder te hunkeren naar de macht, die zij aanbiedt, zoodra men haar met wereldsche motieven verbindt. Niets heeft op aarde grooter macht en invloed dan een wereldsch Christendom, want het streelt die heide factoren, die de gevallen mensch met zich omdraagt: de behoefte aan heerschappij en de behoefte aan gehoorzaamheid. O, hoe zwaar valt het af te zien van alle succes, van alle schittering en invloed die men behalen kan, door het ideaal een weinig te doen dalen, en aan de gemeenschap des Heeren en aan de belijdenis van Zijnen Naam waarlijk genoeg te hebben!
Maar . . . wie dat eerlijk wil doen, gaat hier beneden gewoonlijk een weg der smarte. Rome belooft eer en glorie aan allen, dio haar trouw blijven, en zij kan die belofte gemakkelijk vervullen. De vorsten der aarde ontzien haar en overladen den paus, die koningen en vorsten als zijne slaven behandelt, of als hij het niet doen kan ze toch als zoodanig leschomct, met eerbiedige onderdanigheid. Rome zal gewisselijk nog eene groote
- 120 -
rol op aarde spelen, voordat do nieuwe aarde komt, waarop gerechtigheid woont, en al wat zich niet aan haar schepter onderwerpen wil, zal zij vervolgen ten doode toe.
Gij weet uit de historie, hoe zij het edele geslacht der Hohenstaufen vernietigd heeft. Terwijl het volksgeloof van Keizer Frederik niet wilde gelooven, dat hij gestorven was, maar vertelde, dat hij eerlang zou wederkeeren, om aan het rijk van den paus een einde te maken, heeft de Roomsche hiërarchie zijn geslacht met doodelijlcen haat achtervolgd, en eindelijk den ridderlijken, heerlijken Conradino, pas 15 jaren oud, op het schavot doen sterven. Maar het bloed, dat, toen zijn jeugdig hoofd was gevallen, op de omstanders spatte, was het zaad eener keurbende van moedige strijders, die niet rusten zou, eer de pauselijke tyrannie hare rechtmatige straf had ontvangen. Wie, die hare wereldbeheerschende aanmatiging kent, ziet er geen goddelijk strafgericht in, dat hij, die eenmaal als wereldlijk vorst in de stad der zeven heuvelen resideerde, telkens in den loop der tijden zijn grondgebied inkrimpen zag, totdat hem eindelijk slechts een paleis met zijn tuinen, al is het dan ook een paleis met 10,000 kamers en al zijn die tuinen ook de wonderschoone tuinen van het Vatikaan, zijn overgebleven?
En wie ook, die de geschiedenis van het worstelend Protestantisme gadeslaat, ziet niet in die historie het doorgaand en steeds machtiger wordend protest tegen die verwereldlijkte Kerk, die altijd Gods liefste en teederste kinderen, die de vrijheid des gewetens boven hare vergulde slavernij verkozen, heeft vervolgd en vermoord als zij kon? Daar rijst voor mijn oog de Kerkvergadering van Constanz, twee eeuwen ongeveer na den dood van Keizer Frederik, nadat de Kerk ook die twee eeuwen geweigerd had de nadrukkelijke roepstem tot bekeering, ook door den Hohenstaufer haar gepredikt, ter harte te nemen. Behalve de paus zijn er 22 kardinalen, 20 aartsbisschoppen, 150 bisschoppen, 150 andere prelaten, 200 doctoren in de theologie, benevens de Keizer en tal van vorsten, in \'t geheel een 18,000 priesters en 80,000 voorname leeken te zamen ge-
- 127 -
komen. Welk een machtsvertoon! Welk een schitterende glans! En voo]- die blinkende vergadering, samengeroepen (maar zonder ernstigen wil) om eindelijk de diepgezonken Kerk te hervormen, wordt een kettersch leeraar uit Bohemen ontboden, Johannes Huss. Van een voorbeeldig leven, met grondige geleerdheid en innige vroomheid toegerust, had hij het zedenbederf der priesters en de vele dwalingen zijner Kerk manmoedig bestreden â geen wonder, dat hij reeds ten doode gewijd was, nog eer zijne zaak voor dit Concilie in behandeling kwam. En toen hij er verscheen, en onmogelijk zijne innerlijkste, heiligste overtuiging geweld aandoen kon, sprak men spoedig het vonnis over hem uit. Een schavot met eene galg er naast werd in de kerk opgericht. Aan de galg had men de priesterkleeding van te voren opgehangen, als om reeds van den aanvang af aan te duiden, welk lot haar drager verdiende. Daarna trok men ze hem nog eenmaal aan en gaf men hem de priesterlijke altaarstukken in de hand, om ze daarna, onder allerlei vervloekingen, hem weer uit te trekken en te ontnemen. âO, gij vervloekte Judas!quot; riep hem een aartsbisschop toe, die hem den kelk ontnam. âGij hebt met de Joden samengespannen; daarom wordt u de kelk-der verlossing ontnomen.quot; Maar blijmoedig antwoordt hem de martelaar; âIk vertrouw van de barmhartigheid Gods, dat ik dien nog heden in Zijn Koninkrijk drinken zal.quot; Zoo ging het bij ieder stuk, en toen men hem eindelijk de groote spotmuts opzette, waarmede de Roómsche Moloch al zijne brandoffers versierde, zeide hij: âUit liefde voor mij heeft onze Heere Jezus Christus eene kroon van doornen gedragen, waarom zoude ik mij om Zijnentwil deze smadelijke kroon niet getroosten? Heere Christus, die mij verlost hebt, ik beveel mijne ziel in Uwe handen!quot;
En daarop begeleidde men hem naar de strafplaats, waar hij glimlachende de toebereidselen tot zijnen marteldood maken zag, en weldra hadden de vlammen al wat er sterfelijk aan hem was verteerd, en vlood zijne ziel opwaarts tot Hem, dien hij levenslang had beleden, terwijl diens plaatsvervanger op aarde zijnen goddeloozen weg verder bewandelen ging. Welnu,
- 128 -
dit raartelaarsbloed is vruchtbaar zaad gebleken! En al zijn er ook nog duizenden en honderd duizenden dezen edelen bloedgetuige in zijnen doodsgang nagevolgd, al heeft ook de Inquisitie nog tallooze offers voor haren onverzadigbaren bloeddorst opgeëischt, daar zijn nu toch honderden millioenen op deze arme aarde, die ontkomen zijn aan Rome\'s strikken en wederom God naar hun geweten in vrijheid mogen dienen.
Handhaven wij die vrijheid, geëerde Hoorders! en vergeten wij nooit, tot welJceit prijs zij verworven werd. Laat in het beginsel, dat hij hooghield, Frederik van Hohenstaufen ons ten voorbeeld strekken, maar niet in de wijze, waarop hij het verdedigde. Strijden moeten wij, al was het maar alleen uit zelfbehoud â doch neen, dat zou toch geen zuivers bron zijn ! Strijden moeten wij, ook tegen Rome, omdat, wij tot vrijheid geroepen zijn, omdat Gods eere het eischt, omdat het de wil des Heeren is door een vrij volk gediend te worden. Maar die strijd worde door liefde geadeld. Alleen een waarachtig geloof is kalm en rustig; lamhartigheid en flauwzieligheid heeft geen kracht, en kan het hoogstens een enkel oogenblik tot opgeblazen hartstocht brengen, waarover Rome met souvereine minachting glimlacht. Dat genoegen kan een Kerk van achttien eeuwen zich wel tegenover holle schreeuwers veroorloven!
Handhaven wij onze vrijheid, óók door de Kerk, waartoe wij door keuze en opvoeding, door vrijwillige belijdenis behooren, te steunen. Zij is nog eene gezegende macht, zij is, ook naar mijne overtuiging, het middel bij uitnemendheid om de majesteit des Drieëenigen te doen uitschitteren over de beschaduwde velden dezer wereld. O, dat zij vele levende zonen en dochteren mocht winnen! Het grootste gevaar dreigt niet van het wereldsch Katholicisme, maar van het wereldsch-wordend Protestantisme. Een Roomsche, die innerlijk aan zijne belijdenis ontgroeid is, heeft dan toch nog zijne grandieuze Kerk, met hare groote en grootsche instellingen, maar de Protestant, die niet waarachtig bekeerd is, die niet leeft uit de volheid van zijnen Heiland, is een laf en smakeloos wezen, een schande voor zijne Kerk, een schande voor zijnen hemelschen Koning bovenal.
- 129 â
Wij spraken veel over de Kerk van Rome, en het kon niet anders, of wij moesten veel in haar afkeuren. Laat mij thans mogen eindigen met een kostelijk woord van een harer heiligen, wien ook een goedgeloovig Protestant van harte den tol zijner bewondering kan betalen. Lodewijk IX, de Heilige bijgenaamd, een tijdgenoot van Frederik van Hohenstaufen, even innig aan de Kerk gehecht als de Hohenstaufer haar bestreed, lag, naar men meende, op zijn sterfbed. Reeds spreidde een der aanwezige rijksgrooten het doodsgewaad over hem uit, toen plotseling de levensgeesten terugkeerden en de schijndoode ontwaakte. Het eerste woord, dat hij daarop hooren deed, was dit: âHet licht is uit het Oosten voor mij opgegaan; die genade Gods, die mij uit de dooden heeft opgewekt;quot; en het tweede woord, dat hij sprak, was de plechtige gelofte het kruis op te nemen en het Heilige Graf aan de Saracenen te gaan ontweldigen. Nu dan, God schenke ons genade, dat ook wij, na het licht uit het Oosten, na de sterre van Bethlehem als ook onze pool- en leidsster te hebben leeren kennen, ootmoedig en blijmoedig het kruis mogen opnemen, niet om een ledig graf hier op aarde te zoeken, maar de Eeuwige Stad, die Boven is â in de kracht van Hem, die het kruis heeft verdragen en de schande veracht, en nu is gezeten in de Hemelen, waar Hij voor al de Zijnen eene plaats bereidt. En zoo besluit ik dan als een echt Protestant deze voordracht met een echt Katholiek kerklied, het aloude âLauda Sion Salvatorem,quot; mij verheugende in het zalig vooruitzicht, de vervulling van die bede eenmaal met alle verlosten uit alle kerkafdeelingen in het nieuwe Jeruzalem te zullen aanschouwen:
Goede Herder, rijk in zegen,
Wees ons allen steeds genegen!
Zend Uw vriend\'lijk licht ons tegen,
Voer ons, leid ons op üw wegen;
Dat Uw heil ons steeds bestraal\'!
Gij, die ons met zorg wilt leiden.
Die Uw schapen trouw wilt weiden,
Wil ons eenmaal, na ons scheiden,
Naast Uw Eng\'len plaats bereiden Aan Uw eeuwig vreugdemaal!
9
V.
DRIE KERKEN.
t* if5 i\'i iff ï«ïi«f i^ iff iff i^iff « i\'f i\'f iff iff iff iff iff H
Mijne Hoorders!
Wanneer wij een of ander gewichtig vraagstuk, van welken aard het ook zij, eenigszins aandachtig van naderbij beschouwen, vinden wij altoos de religie, de godsdienstige belangen en quaestiën, er op eene of andere wijze mede verbonden, indien al niet als den allergewichtigsten factor op den bodem er van liggen. Geen tijd, die minder met den godsdienst zich schijnt in te laten dan de onze â en toch, geen tijd, die er meer mede te rekenen heeft! Wie uwer weet het niet, geachte Hoorders! dat wat men gewoon is de âOostersche quaestiequot; te noemen, de toestand en de staatkundige verhoudingen van het Balkan-schiereiland, van Turkije en van Rusland, ten allernauwste samenhangt met de belangen en de eischen der Orthodoxe Grieksche Kerk? Wie moet het niet erkennen, dat met de beslissingen van het Vatikaan, den zetel des pausen, de hoogste en gewichtigste vragen op staatkundig en sociaal gebied te zamen hangen? En is ook niet in ons vaderland elke wet van eenig aanbelang, elk probleem, dat aller gemoederen in beweging brengt, door duizend onzichtbare draden met de godsdienstige begrippen van onze natie ten innigste, ja onlosmakelijk verbonden?
Deze overweging bracht mij onwillekeurig tot mijn onderwerp voor deze voordracht. De naaste aanleiding was mij de gruwelijke vervolging der Christen-Armeniërs door die wreede, ellendige Turken, wier gedachtenis reeds lang van den aardbodem moest zijn uitgewlscht. (Ik geloof niet, dat er een tweede natie op aarde leeft, die zóó onafgebroken de bewijzen harer onwaardigheid en verachtelijkheid heeft gegeven als deze!) Van de Armeniërs dwaalden mijne gedachten vanzelf af naar al de andere belijders van den Griekschen godsdienst,
- 134 -
dien men zoo vaak hoort afschilderen als een ouden, dooden, versleten »ormendienst, maar die toch telkens blijkt, ook onder de onafgebroken vervolgingen der Mohammedanen, nog allesbehalve verstorven en levenloos te zijn. Onwillekeurig ging ik eens aan liet vergelijken met de Roomsch-Katholieke en de Protestantsche groepen â en ziet, zoo kwam ik gaandeweg tot deze lezing, waarboven ik als opschrift geplaatst heb:
DRIE KERKEN.
Ik wensch u eenige beschouwingen te geven over de drie groote Hoofdafdeelingen der Christenheid, en hartelijk hoop ik, dat deze gedachte ons aller slotsom moge zijn: âWat zijn onze voorrechten groot als zonen en dochteren der Hervorming, maar wat is ook onze verantwoordelijkheid zwaar!quot; Want, gelijk de Duitscher zoo schoon zegt: âJede Gabe ist eine Auf-gabe.quot; Wien veel gegeven is, van dien zal ook veel geêischt worden!
Wie ééns, gelijk ook ik dat voorrecht gehad heb, de machtige St.-Pieterskerk te Rome gezien heeft, heeft voorgoed den indruk medegenomen van Rome\'s imposante, alles beheerschende, alles overweldigende macht. Dat is geen kerk om te bidden, en in het geheimzinnig schemerdonker te naderen tot de Godheid, die er zich openbaart â dat is een tempel tot verheerlijking van het Pausdom, een tempel zóó weergaloos groot en in al zijne verhoudingen zóó verre, verre boven de gewone afmetingen verheven, dat gij geen gelegenheid hebt van uwe verbazing en bewondering te bekomen. En de Pieterskerk is, in goud en in marmer afgedrukt, een getrouw beeld van de gansche Roomsch-Katholieke Kerk. Zij heerscht en gebiedt. Zij is de wettige en onbetwistbare erfgename van het oude Romeinsche Rijk, welks adelaar zijne vlerken over de gansche wereld poogde uit te breiden en geen andere bestemming kende dan alle volkeren te vereenigen tot gehoorzaamheid en ontzag.
Wij kunnen de vraag thans laten rusten of de Apostel Petrus werkelijk de eerste bisschop van Rome geweest is, en öf reeds
â 135 â
spoedig na hem de bisschoppen der âHeilige Stadquot; de allures van beheerschers der gansche Christenheid hebben aangenomen. Maar zeker ia het, dat reeds in de tweedu eeuw onzer jaartelling de hoofden dezer Gemeente- een macht en aanzien hadden, die verre van klein moeten heeten.
Reeds toen bedreigde Rome\'s bisschop de Kerken van Klein-Azië met uitsluiting uit de Christelijke gemeenschap, wanneer zij zekere praktijken in de Avondmaalsviering niet achterwege lieten, terwijl bisschop Julius in het jaar 341, den waardigen Athanasius, die in het Oosten vervolgd werd en van zijn bisdom vervallen verklaard was, krachtens zijne autoriteit, eenvoudig in zijne waardigheid en op zijnen zetel herstelde.
Reeds toen, en met steeds klimmende beslistheid, verklaarden de opvolgers op den Stoel van Petrus, dat zij gezag hadden over de gansche Kerk, over de gansche Christenheid op aarde. Toen de glans van het keizerlijke Hof den patriarch van Constantinopel met hen op gelijke lijn, zooal niet boven hen trachtte te plaatsen, wezen zij deze aanmatiging met verontwaardiging af, en gaandeweg kreeg hunne beslissing in zaken van gewicht het karakter van een eind-oordeel, van een goddelijk gericht, waarop geen hooger beroep meer denkbaar was.
Mijne Hoorders! ik ben geen vriend van de Roomsch-Katholieke Kerk, zooals zij zich in den loop der eeuwen ontwikkeld heeft, maar ik zeg u, daar ligt toch iets verhevens in die onafgebroken rij van kerkvorsten, waarop de Stoel van Petrus zich beroemen kan. Ook al waren er velen onder, die, gelijk zelfs een Dr. Schaepman erkennen moet, door hun leven de Wet van Christus te schande hebben gemaakt, en al mogen ook van de aHeroudsten namen en successie een weinig betwistbaar zijn â allen eerbied voor eene instelling, die zich aldus achttien eeuwen wist te handhaven, en die, naast ontzaglijk veel kwaads, toch ook onnoemelijk veel schoons en goeds heeft tot stand gebracht. Vooral in de eerste zes, zeven, acht eeuwen der Christenheid, heeft die kerkelijke organisatie, opgetreden te midden van een oppermachtig Heidendom, niet alleen, na lange, bange worsteling het ontzenuwde en verrotte Heidendom doen vallen, maar licht
- 13(3 -
en hope, beschaving en troost gebracht tot aan de verste einden der aarde. Het zijn de zendelingen van Bome geweest, die ook in ons vaderland de blijmare des Kruises gebracht hebben, en allerwegen onzen grond met kerken en godshuizen overdekten, op wier grondslagen en waarin icij thans nog onze psalmen zingen en de gezuiverde waarheid hooren verkondigen. Men spreekt van de âdonkerequot; Middeleeuwen, en tot op zekere hoogte terecht! Het ia in menig opzicht een donker tafereel, dat de pen der historieschrijvers ons ontrolt, maar toch, ook hier wachte men zich voor overdrijving! Vindt gij niet iets schoons en verheffends in dien gloed, in dat élan, waarmede gansch Europa tegen de Saracenen ten strijde toog ? Ik weet het wel, daar liep heelwat onheilig vuur in dit enthousiasme mede door! Het gistte en kookte in die dagen in alle landen en alle rangen der maatschappij, en met genialen blik wist Rome die onstuimige hartstochten te leiden en te gebruiken tot een lofwaardig doel. Aan de Kerk, en haar alléén, hebben wi] het te danken, dat Europa niet geheel en al in den nacht der barbaarschheid verzonken is. Zij was het, die de overblijfselen der Grieksche en Romeinsche beschaving bewaarde in hare kloosters, en wier priesters de ruwe zeden verzachtten door onderwijzing en wetten. Tallooze scholen overdekten het land, waar zij eenmaal de banier des Kruises geplant had, en terwijl de ridders en edelen in stroomen van bloed hunne veeten beslechtten, en door hunne onafgebroken twisten geheele streken verarmden en verwoestten, bouwde de Kerk allerwegen hare eigendommen, aan den God des vredes en der liefde gewijd. Ik weet het, ik weet het, dat alles had zijne schaduwzijde; hoe meer de Kerk aan invloed won, te sterker werd ook hare heerschzucht en onverdraagzaamheid; maar het is toch onloochenbaar, dat cd wat er in deze donkere eeuwen moedgevend en schoon is geweest; al wat de mensch-heid tot rijper ontwikkeling en grooter zelfstandigheid heeft gebracht, bewust of onbewust, gewild of ondanks haar zelve, door de Roomsche Kerk is tot stand gebracht, en dat Europa tot eene woestenij zou geworden zijn, wanneer zij niet haren vruchtbaren, rijk-gezegenden arbeid verricht had. Is dit niet
reeds op zichzelf iets schoons? Was het gevaar niet inderdaad dreigend, dat die woeste Muzelmannen, die in 80 jaren grooter gebied wisten te veroveren dan de oude Romeinen in 800 jaren hadden verkregen, heel het Christendom zouden verpletteren? En ziet, terwijl in de dagen van Troje een bloedige oorlog ondernomen werd, alléén om de schoone oogen van Helena, de vrouw van Menelaos, sloegen nu wereldlijke en geestelijke machten de handen inéén om het Heilige Graf aan de schennende handen der vijanden Christi te ontrukken.
En wanneer straks, na veel lijden en ontgoocheling, nochtans een rijke oogst aan frissche, nieuwe denkbeelden uit het Oosten naar het Westen werd medegevoerd, hoe heerlijk ontloken toen kunsten en wetenschappen onder het patronaat der machtige Moederkerk! De kathedralen rezen als bloemen van steen en marmer uit den grond, en strekten hare slanke torens als zoovele smeekende armen ten hemel. De schilders grepen naar penseel en palet, en maalden hunne liefelijke Madonna\'s of ontzagbre oordeelen op muren en doeken af, boeken in kleuren voor een volk, dat nog in boeken van tetfers niet lezen kon. Welk een figuren, die Franciscus van Assisi, kuische minnaar van Christus, door niemand in heilige teederheid overtroffen; die Jacopone da Todi, de zanger van het Stahat Mater, dat al de innigheid der moederliefde in de zoetvloeiendste klanken van Latium omsluit; Dante bovenal, de grootste dichter der wereld, die de geheimenissen van Hel, Vagevuur en Paradijs in zijne wondervol-melodieuze terzinen ontraadselt, en die ons. Protestanten, even goed toebehoort als zijnen geloofsgenooten in engeren zin.
âDe menschheid, op haar beevaart voortgetogen,
âBidt niet alleen in zijnen vorm meer aan;
âOok ongezien gaat de offerand ten hoogen;
âMaar als weleer bezielt zijn vrome gloed!
âWerd ooit een vorst zóó blijd door .aller oogen,
âZóó innig ooit door aller hart begroet ?
âOnsterflijk is op aarde slechts het schoone,
âVermaagschapt zijn alle een wen in gemoed!
- 138 -
âEn toch, wat dank ons handen-beuren toone,
âWat paarlend vocht langs donzen wangen vliet\',
âHij heft den blik, ten blijk dat hij de krone âVoor alle gave alleen den Gever biedt!
âIn schoonheid zal het heilige overwinnen!
âDus zegent hij ons uit het hoog verschiet.quot;
Zóó tintelde het alles in die Middeleeuwen van leven, van leven, dat zich aan de windselen had losgewrongen, en nu naar zijnen aard wilde groeien en bloeien. Edoch, ook hier wilde Rome, gelijk het immer gedaan had, regeeren en gebieden! Vrijheid heeft Rome, het heidensche evenmin als het christelijke, nooit in hare banieren geschreven. Haar onveranderlijke grond-taak was heerschen, zij het dan ook met het lofwaardigst doel. Bonifacius gaat uit om de Evangelie-boodschap te brengen, uit liefde tot de zielen, gewis, maar even zeker ook om de macht des Pausdoms uit te breiden; en wanneer straks geloovigen zullen opstaan, die, onderwezen door de Schrift en bestuurd door den Heiligen Geest, een onberispelijk leven gaan leiden, een leven zóó teeder en rein, dat het schijnt alsof de eerste dagen der Apostolische Kerk zijn teruggekeerd, dan zal Rome zich niet ontzien deze quot;Waldenzen te vuur en te zwaard te vervolgen, want ongehoorzaamheid aan Rome is afval van Christus; buiten Rome geen zaligheid!
Zóó werd helaas met klimmenden nadruk de macht der Kerk tot de hoogste zorge van hare pausen en bisschoppen verklaard. Niet tevreden met het gezag der waarheid, die immers op Gods tijd en langs den weg der zedelijke overtuiging altoos de gewetens verovert, zocht Rome in geweld en machtsbetoon zijn sterkte.
Toen de blonde Germanen als een dreigende bergstroom de vermolmde Romeinsche beschaving overgolfden, is de Kerk niet teruggeschrikt voor de reuzentaak, die onbekende volken (en dat is haar onvergankelijke eer!) te beschaven, maar ach! met hoeveel bloed en geweld werd dat heilige Doopsel gekocht, met hoeveel verwenschingen werd de naam van den Vredevorst begroet, die toch tot Zijne volgelingen gezegd had: âSteekt het zwaard in de scheede, .prerfjW het Evangelie aan alle creaturen.quot;
- ]39 -
Zóó werd gaandeweg het juk der Kerk ondraaglijk. Waaide leer des Evangelies onder duizend en nog eens duizend menschelijke vondsten begraven was geworden; waar de hoofden en leidslieden zich in weelde en wellust baadden, terwijl den armen leek ook de laatste penning werd afgeëischt; waar kerker en schavot elke uiting van vrijheid en zelfstandigheid onderdrukten, daar kon de reactie niet uitblijven.
En die openbaarde zich dan ook op tallooze manieren! Ondanks de bloedige vervolging der Inquisitie, die eeuwen lang hare Molochoffers eischte, staken de ketterijen in alle landen het hoofd op. Katharen, Albigenzen, Lollharden, Flagellanten; koele twijfelaars en gloeiende mystieken; verachtelijke geestdrijvers en heldhaftige vromen â van alle kanten traden de boetgezanten op, die de gezonken en verwereldlijkte Kerk tot verbetering en bekeering riepen. Helaas! het mocht mX baten. Rome wilde niet luisteren. En toen eindelijk, en nu voor het laatst, geweldiger en nadrukkelijker dan immer te voren, de waarheid naar de Schriften om handhaving vroeg van haar gehoond gezag; toen de stemmen der Hervormers, die heel Europa deden trillen en beven van blijde hope, tevergeefs afstootten op de vergulde deuren van Quirinaal en Vatikaan, toen is het goddelijk oordeel dan ook voltrokken, gelijk dat komt over een ieder, die het getuigenis der waarheid moedwillig verwerpt â toen heeft de Kerk van Rome zich tegen den Heer en Zijnen Gezalfde verklaard, en op het Concilie van Trente, als eene verdoemelijke dwaalleer de klare en onloochenbare leering des Bijbels veroordeeld, dat een zondaar zalig wordt door het geloof alléén. Gods dringende waarschuwing is tevergeefs geweest, en nu werd ook de anti-goddelijke weg ten einde toe afgeloopen. Den Middelaar Gods en der menschen, den Mensch Jezus Christus, hoe langer zoo meer op een onbereikbaren afstand plaatsende, werd Maria, zondaresse gelijk elk ander Adamskind, met afgodische eere begroet, tot eene onbevlekt-ontvangen Hemelkoninginne verklaard, en als Moeder Gods in de praktijk naast, ja boven den Almachtige geplaatst, terwijl de paus, ondanks de lessen der historie, die van pausen
- 140 -
gewagen, die alle denkbare misdaden en godslasteringen met onbeschrijfelijke vermetelheid pleegden, als Hoofd der Kerk o)ifeilbaar verklaard werd, die, naar eigen wil en krachtens eigen gezag, zóóveel nieuwe leerstukken vast kan stellen, als in den loop der eeuwen noodig of wenschelijk blijken zal.
En nu â deze Kerk, die zich de alleenzaligmakende noemt, en die geen enkden harer eischen, geen enkele harer vervloekingen tegen allen, die buiten haar om leven, ooit heeft herroepen â deze Kerk wint gestadig aan macht! Van tijd tot tijd leest men van die statistieken, door sommige Protestantsche bladen met zekeren wéllust opgenomen, waaruit dan blijken moet hoeveel sterker de aanwas der niet-Katholieken is dan die der Roomschen. Nu, ik gun hun die cijfers, die ach! zoo weinig beteekenen. Rome voelt zich sterk door zijne organisatie, door zijne eenheid, door de macht en den luister, die het ontvouwen kan, sterk ook door de verdeeldheid van liet Protestantisme, welks aanhangers, in tallooze sekten gescheiden, voor een groot deel volkomen onverschillig zijn geworden voor aHiethoogere, en voor een ander deel in hopelooze twisten elkanders levenskracht vernietigen. Nooit is een tijd zóó gunstig geweest voor Rome als de onze; zelden nog heeft Rome zooveel voortreffelijke, kundige, enthousiaste verdedigers gehad als in onze dagen. Welk een gloed en overtuiging spreken er uit die verzen van een Dr. Schaepman, als hij den paus bezingt!
âWij behooren,
âWij zonen dezer aard\', of vóór óf tegen hem âTe staan. Wie hoort het niet, hoe nog de reuzenstem âVan gansch het wereldrond, van welken kant zij kome, âVan vijand olquot; van vriend, vergaat in \'t ééne Rome!
âHij is de bode Gods! Wie leven wil en licht,
âHij houde op hèm alléén het zoekend oog gericht.
âHij staat voor de eeuwigheid! De waarheid der historie âVlecht om des Pausen hoofd den stralenkrans der glorie. âTe midden van d\'orkaan staat onverwrikt de rots:
âDe Stoel van Petrus! Buigt, hier is de vinger Gods.quot;
En met een ijver, die onze oprechte bewondering wekt, gordt zich de altoos strijdvaardige Kerk van Rome aan tot
- 141 -
herovering van het door de Hervorming verloren terrein. Nu niet meer, dewijl haar de macht vooralsnog er toe ontbreekt, (want, gelooft mij, bezat zij haar, zij zou ze ook gebruiken!) door folterpaal en inquisitie, maar door hare bewonderenswaardige philanthropie, door hare wondervol geleide werken der barmhartigheid. Nooit zijn er zóóveel stichtingen, en daaronder voortreffelijke stichtingen, tot leniging van alle denkbare nooden verrezen als thans; en zou er wel één middel geschikter zijn dan dit, om onze zenuwachtige, sentimenteele, lijdende, ongelukkige , aan niets meer geloovende en toch op de eeuwigheid /aangelegde\'tijdgenooten te boeien en te winnen? Denkt gij, dat die prachtige kathedralen, die ge overal ziet verrijzen; die hospitalen, die scholen, die kunstwerken, alles met Eoomschen stempel en met Eoomschen invloed, niet langzaam, maar zeker onze toestanden veranderen en beheerschen zullen? Ik geloof het zeker, en te laat zal het nageslacht der Geuzen het bespeuren hoe groot en hoe machtig de bekoring is van een godsdienst, die, bij al hare dwalingen, toch het kruis van Golgotha eert en de verzoening door het bloed des Gekruisten, vooreen volk, dat de Schrift heeft vergeten en de oude, beproefde paden heeft verlaten, en dat nochtans niet leven kan bij de ontkenningen dezer eeuw. Want duizendmaal liever wendt zich een arm, geslingerd menschenhart tot Rome met al zijne dwalingen, dan tot de koude, kille wijsheid van den god dezer eeuw,
âdie ons geen troost in \'tleven geeft,
âen hooploos weg doet sterven!quot;
Richten wij ons nu tot die andere groote en machtige Afdeeling der Christenheid, die zich âde orthodoxequot;, de rechtzinnige bij uitnemendheid noemt, en die, naar de taal, waarin haar eeredienst gehouden wordt, de Grieksche heet.
Hoe schoon en liefelijk was in de eerste eeuwen de eenheid der Christelijke Kerk! Nog nooit had men op aarde iets zóó harmonieus aanschouwd, als die godsdienst van den Gekruiste, waarin alle tegenstellingen zich in heerlijke samensmelting
- 142 -
schenen op te lossen. Van alle wereldstreken vloeiden de denkbeelden samen. De Joden vonden er hunnen godsdienst in terug, de Grieken de leer van den Logos, het eeuwige, ongeschapen Woord, waarvan hun diepzinnige Philo gesproken had. Het Monotheïsme van Jeruzalem reikte de hand aan de trinitarische bespiegeling der Alexandrijnen; de innige, dichterlijke verbeelding der Oosterlingen vond evenzeer bevrediging als het practische besef der Latijnen; en door de geheele beschaafde wereld, van Antiochië en Jeruzalem tot aan de uiterste grenzen van Afrika en Spanje toe trokken ze rond, apostelen en evangelisten, zendelingen en apologeten, verkondigers van het ééne, heerlijke, eeuwige Evangelie der Zaligheid, dat alle volkeren tot broeders kwam maken, en alle geloovigen zou brengen onder den zachten, heilzamen schepter van Jezus Christus.
Helaas! al spoedig werd de eenheid verbroken, en dat onherstelbaar! Van zijne stichting af is Constantinopel één doorloopende reactie tegen Rome geweest, eene machtige rivale, met welke het een strijd op leven en dood heeft moeten voeren. Het Oostersch-Eomeinsche keizerrijk, bij de toenemende verzwakking van het Westersch-Latijnsche, met zijne prachtige hoofdstad en wonderschoone kathedraal, werd al spoedig het zwaartepunt voor de vroegste ontwikkeling van Kerk en Theologie. In Byzantium zetelde de Keizer, in Byzantium vergaderden de groote theologen, die de diepste mysteriën des geloofs met stoute denkkracht poogden te peilen, en al wat destijds beschaving, kunst en kennis liefhad, maakte eeno bedevaart naar Byzantium. Bekend zijn de schoono woorden, met welke de dichter der Aya Sofia den Keizer Justinianus toespreekt:
âNu staat Gij op uw hoogen dag,
âEen wolk van glorie wemelt om uw slapen;
âGij hebt het rijk herschapen,
âDe majesteit hersteld van \'t oud Romeinsch gezag.
âNu draagt uw rijk zijn krone!
âDe tempe! rees uit puin, in glorie ongekend,
âDes Vaders levend Woord, den ongeschapen Zone, âDer Wijsheid monument.
- 143 -
âEen visioen van licht, een wereldrijk van kleuren, âVan vormen reuzig stout,
âVan koepels, die elkaar vermetel hooger beuren,
âTot ééne koepel \'t al dekt met zijn hemelgoud.
âHoog wolkt de wierook op langs wondere gewelven,
âHoog stijgt der psalmen toon den eeuw\'gen God ter eer.
âMaar hooger klinkt de stem des Caesars: âEer mijzelven! ââ0 Salomon, ik triomfeer!quot;quot;
Deze prachtige kerk, nu helaas eene Turksche moskee, werd als een wereldwonder beschouwd; vandaar het trotsche woord van den keizerlijken bouwheer: âIk heb u, o Salomo, overtroffen!quot; Geen wonder ook, dat de patriarch van Constan-tinopel, gelijk de bisschop dezer stad al spoedig genoemd werd, met deze trotsche kathedraal als zijne kerk, omringd door de geleerdste en diepzinnigste godgeleerden des Rijks, en zich badende in den glans der keizerlijke gunst, in stijgende eere kwam, en op een daarmee overeenkomstige macht en voorrang aanspraak maakte! Op het Concilie van Chalcedon (451) werd het primaat van den Constantinopolitaanschen patriarch met nadruk uitgesproken, maar niet zonder het besliste protest der afgevaardigden van Rome, die voor hunnen bisschop de eereplaats onder alle voorgangers der Christenheld opeischten. En sedert bleef de spanning tusschen de beide Hoofden der Kerk bestaan, hoewel bij toeneming ten gunste van Rome beslist. Daar teas dan ook inderdaad meer veerkracht en Inzicht in de eischen der tijden! Terwijl de bisschoppen van Bj\'zantium zich in slaafsche onderworpenheid aan hunne keizers vernederden, en in splinterige godgeleerde quaes-tiën hunne levenskracht verteerden, begreep Rome met genialen blik wat de omstandigheden vorderden: een strijdbare keurbende te hebben, die de geheele wereld voor Christus en Zijnen stedehouder opelschte. Terwijl in het Oosten de monniken in hunne cellen baden en speculeerden over de twee naturen en de twee willen van Christus, traden ze in het T7estei met de majesteit der oude Volkstribunen op, onderwezen het onkundige volk en trokken tot in de verste streken, om allerwegen de gehoorzaamheid aan God en den paus te planten. De verdreven Caesars zag
Eome in de pausen herleven, en met steeds meer welbcwust-heid en klimmenden nadruk noemden zij don Stoel van Petrus als het hoogste gezag, ja spoedig genoeg ook als den regel en de kenbron van alle waarheid. Tegen dezen machtigen stroom kon Byzantium niet oproeien. Ãteeds zwakker werd haar tegenweer tegen de eischen van Rome, bij klimmenden haat en wederzijdschen afkeer, en eindelijk werd de breuke volkomen en de eenheid der Kerk voor immer verbroken. Allerlei op zichzelf kleine geschilpunten werden, gelijk dat altijd bij strijdende partijen gaat, aan beide kanten met hartstocht verdedigd of verworpen; zoo kibbelde men over den aard van het Avondmaalsbrood, over de straffen van het Vagevuur, over den uitgang des H. Geestes, over de beelden in de kerken en dergelijke dingen meer; maar de rechte grond der scheiding zat diaper: in het verreikend verschil tusschen den Griekschen en den Laiijnschen geest. In \'t Westen was alles vooruitstrevend, zoekend naar steeds nieuwe vormen, om het wassende leven te leiden; in \'t Oosten lei men zich traag en rustig bij de eenmaal verkregen orthodoxie ter neder, allengs tevreden met de heerschende Kerk in het Oosten te zijn, en zich om wat daarbuiten lag hoe langer zoo minder bekommerend. En zoo bleef dan ook de klove bestaan, ondanks de telkens door Rome beproefde pogingen tot hereeniging steeds dieper en breeder geworden, en nóch de verovering van Constantinopel door de Latijnen in de noch die door de Turken in de lö11quot; eeuw, vermocht de vijandelijke kampen te verzoenen. Liever dan zich met Rome te vereenigen en de hand aan den priester van Rome te reiken, lieten Byzantiums geestelijken zich aan hunne altaren door de Turken neersabelen; en nog in 1870, toen Pius IX, aan de traditiên zijner Kerk getrouw, ook de patriarchen der Grieksche Kerk tot het bijeenkomen ten Vatikane samenriep, bleek do oude haat onmachtig om zelfs de gedachte aan samenwerking in overweging te kunnen nemen.
En toch is het in hoofdzaak éene leer, die beide Kerk-afdeelingen belijden! Voor beide is de Mis, in welke het ge-
- 145 -
zegende brood en de heilige wijn als liet wezenlijke lichaam en bloed des Heeren worden aangebeden, het middelpunt van den eeredienst; voor beide is de apostolische traditie even onmisbaar; in beide bekleeden Maria en de heiligen eene even gewichtige plaats. Maar de latere ontwikkeling van het dogma, gelijk Rome die kent, heeft de Grieksche Kerk niet medegemaakt, en zij stelt er hare eer in. Zi] is boven alles âorthodox,quot; conservatief, onveranderlijk, en in het onwankelbaar geloof dat zij de apostolische leer het zuiverst bewaard heeft, viert zij hare schoone godsdienstoefeningen, die nimmer nalaten vooral op den Westerling, een diepen indruk te maken, en wier overrijke, haast al te menigvuldige symbolen, voor wie ze verstaat, werkelijk van treffende schoonheid en diepzinnige beteekenis zijn. Tegenover de centraliseerende neiging-van Rome, die alle gezag in de handen van den onfeil-baren paus heeft gelegd, kent de Oostersche Kerk zulk een allesbeheerschend middelpunt niet. De patriarch van Constan-tinopel heeft niet meer dan eene eereplaats onder zijne medebroederen, en ieder land heeft zijn eigen bisschoppen en synoden, zoodat de zelfstandigheid der verschillende volkeren volkomen ongeschonden blijft. Juist in dit eeren en handhaven dei-verschillende nationaliteiten ligt een merkwaardige trek der Grieksche Kerk, in onderscheiding der Roomsche, die veel meer internationaal van aard is. Hun geestelijke eenheid hebben de Grieken in hunne oude, onveranderlijke cou-fessiën â en in hun gemeenschappelijk heimwee-smachten naar de ure, dat hun patriarch weder in de kerk der-Heilige Sophia het plechtig Misoffer op zal dragen. Aan dat Heiligdom hangt het hart van den Griek met onuitroeibare hope. Met vlammend schrift staat die 29ste Mei van het Jaar 1453 voor zijn verbeelding afgeteekend, die rampspoedige dag, dat de laatste Keizer, Constantijn Paleologus, als een echte held op de wallen zijner redde-looze stad is gevallen, en Sultan Mahomed, onder den gillenden kreet zijner Janitsaren: âLa Allah illahla,quot; Byzantium binnenkwam.
10
- 146 -
âGelijk een wolk van uitgevaste gieren,
âGebroken door der tralies stalen rij,
âMet schellen kreet de ruimten in gaat zwieren,
âHel vlammend oog vol hongerrazernij,
âZoo stormen tot den dood of \'t zegevieren
âDer Janitsaren duizenden voorbij,
âDen Sultan volgend, neen, met felle sprongen âDen Sultan vóór, door hooger macht gedrongen.
âDat is de storm, de stormwind van den dood!
âByzantium! uw laatste helden vallen,
âDe vlammen rijzen uit der aarde schoot,
âDe steenen worst\'len met de duizendtallen.
âTe laat! te laat! daar jubelt, bloedig rood,
âHassan de reus op uw gebroken wallen;
âEen stortvloed springt hem onweerstaanbaar na, âDe juichkreet schalt; âLa Allah illahla!quot; quot;
En sedert is deze heerlijke kathedraal in een ïurksch bedehuis veranderd. Hare wonderschoone mozaïeken zijn door eene dunne kalk- en verflaag overdekt, en hier en daar schemeren de figuren van Christus en de Heiligen nog door. Aan de verrukkelijke zuilen, uit de kostbaarste marmersoorten vervaardigd, zijn de smakelooze Turksche borden met. Koranspreuken opgehangen â inwendig is het eene treurige ruïne van vroegere majesteit, ellendig en dood als de godsdienst, die er verbreid wordt. Maar nog altoos heft zich de majesteitelijke koepel, die nergens ter wereld zijn wedergade vindt, hoog, hoog in de lucht, en de verbeelding der Christenen ziet reeds het gehate teeken der Mohammedaansche verdrukking, de Halve Maan, die nu nog den koepel ontsiert, wijken voor het kruisteeken der verlossing; en in stille hope vertelt men elkander de legende van de komende bevrijding, die met onwankelbaar vertrouwen wordt afgewacht. Laat mij ii haar mogen verhalen!
De vreeselijke dag van Byzantiums ondergang was aangebroken. De geloovigen, die niet naar de muren konden gaan, om met den laatsten der Constantijnen den heldendood te sterven, hadden zich in hunnen tempel bijeenvergaderd om Gods barmhartigheid in te roepen. De priesters bedienden
de Mis alsof daar buiten niets geschiedde. De wierookgeur der offerschalen vermengde zich met de zware dampen van het bloed; het gezang der priesteren met de kreten der gewonden en stervenden; het geruisch der gebeden met het gekletter der wapenen. En zie, juist op het plechtigste oogen-blik der Mis, toen het gewijde brood onder de gebeden der dienaren Gods in het waarachtige lichaam des Heeren veranderen zou, daar verschijnt de Overwinnaar in het heiligdom, als gezeten op het vale paard uit de Apocalypse, het bloedende zwaard in de hand en zijne oogen als gloeiende fakkelen vuurs. De priester brak den offerdienst af en vluchtte met zijne geloovigen door eene deur, die onmiddellijk gesloten werd en door een wonder voor allo naspeuring onvindbaar bleef. Maar straks (zoo verhaalt men elkander), wanneer de Halve Maan eindelijk vallen zal, dan zal die deur weder opengaan, de priester verrijzen uit zijn graf, en op datzelfde oogenblik zal het Heilig Misoffer worden hervat door den dienaar, die zoovele eeuwen daarop gewacht heeft. Dan zal Aya Sofia uit hare vernedering oprijzen, schooner en heerlijker dan in de tijden van Constantijn en Justinianus, gelijk Christus blinkende was op de berghoogte van Tabor....
âDan zal hij blijde zingen
âIn vrijheids morgenrood:
â âDe Christus is verrezen,
âVerrezen van den dood!quot;quot;
âDan zingen uwe hallen,
âAya Sofia, \'t na;
âDan jubelen uw zuilen
âHun blij Alleluja!
âDan breken ook de spitsen
âDer stomme Minaret,
âNaast uwe koepelkronen âAls wachters neergezet:
âDan komen weer de volken
âMet klinkend feestgeruisch,
âDan straalt weer op uw heuv\'len ..liet zegepralend Kruis/\'
- US -
Toen de scheiding met Rome een voldongen feit was, trad voor de Grieksche Kerk een tijdperk van langdurige verdoo-ving in. De hand der Turken drukte zwaar op de eenmaal zoo machtige Kerk en gaandeweg scheen zij den doodsslaap tegen te gaan. Dat komt er van, wanneer men eeuwen lang op den arm van den Staat heeft geleund! Terwijl de Koomsche pausen het soms met alle vorsten te kwaad kregen, en niet rustten voor zij, theoretisch en practisch, de leer hadden ontwikkeld, dat alle menschelljk schepsel onvoorwaardelijk der Kerke dienaar moet zijn, zoodat zelfs een Keizer den pauselijken stijgbeugel had vast te houden, of in zijn hemd voorde slotpoort van Canossa moest bedelen om opheffing van den ban, waren de Byzantijnsche patriarchen de willige slaven van hunne Keizers, en werd de godsdienst geheel en al eene Staatszaak, naar politiek belang of naar de luim der vorsten geregeld. En dan moet de religie er haar levenskracht bij inboeten! Miskenning kan zij verdragen; vervolging is haar zelfs heilzaam en nuttig; maar de vrijheid kan zij onmogelijk missen! Niets ter wereld heeft daaraan grooter behoefte dan zij. Dit heeft de Grieksche Kerk niet verstaan; zij heeft haar vleugelslag ingekort, en in stede van hare kinderen op te voeren naar den troon des Al machtigen, aan Wiens hart toch alleen de zondaar rust en vrede vindt, heeft ze hun ketenen aangelegd, vergulde ketenen, nu ja, maar niet te minder drukkend, en thans is geene afdeeling der Christenheid geestelijk zóó jammerlijk gezonken als zij.
Een groote achteruitgang was voorts de overheerschende invloed van het despotische Rusland.
Tot aan Peter den Grooten was de oude traditie nog levendig, dat de gezamenlijke bisschoppen de Kerk regeerden. De oude Moscovietische vroomheid leefde nog geheel uit den geest van Constantinopel. Maar met den machtigen Tsaar, die alles aandurfde en de geheiligde overtuigingen van zijn mil-lioenen onderdanen geen oogenblik ontzag, veranderde ook dit. Toen men hem eens smeekte zijne hervormingsplannen te matigen en het oude, geliefde Patriarchaat te herstellen.
- 149 -
antwoordde hij met vlammende oogen; âWat? In hebt gij den waren Patriarch!quot; â En hij ia er in geslaagd dit denkbeeld in merg en bloed zijner Russen te doen overgaan.
Mèt Napoleon vind ik Peter den Grooten het verwonderlijkste karakter der wereldgeschiedenis. Opgevoed onder de voogdij van eene eerzuchtige vorstin, vertoont hij op eerè al de energie van een onbuigzamen wil. Onmatig op zijne feesten tot de walgelijkste bestialüeit toe, is hij te velde een toonbeeld van landelyken eenvoud en van Spartaansche matigheid. Ontrouw echtgenoot, wreed vader, schrikverwekkend rechter en beul tegelijk, heeft hij toch zijn volk als een vader liefgehad. Geboren in volslagen barbaarschheid, verheft hij zich tot de fijnste Europeesche beschaving; opgevoed door domme monniken, bemint hij de philosophie; gedrenkt met de traditiën van zijn conservatief land, werpt hij het in den stroom van het moderne leven; en nadat hij al zijne vijanden overwonnen heeft. Zweden, Polen, Turken, Perzen, vereenigt hij al die uitéénloopende rassen en natiën tot een reusachtig despotenrijk, en ontziet hij zich niet, om zelfs den schijn van een mededinger te ontgaan, den eerwaardigen patriarch van Constantinopel af te zetten en te vervangen door een Synode, die als zijn creatuur ook geen anderen regel mocht kennen dan zijn wil en gebod! En waarlijk, zóó spoedig is deze diep-ingrij-pende verandering door alle leden der Griekache Kerk aanvaard, dat gam van Peters opvolgers het ook maar éénmaal heeft noodig gekeurd uitdrukkelijk te verklaren, dat zij nu voortaan als de opperhoofden der Kerk moesten gelden; zij zijn onmiddellijk , en zonder noemenswaardigen tegenstand, door alle Russen, en eigenliik ook door alle leden der Grieksche Kerk, als zóódanig erkend.
Want al staan ook de patriarchen of bisschoppen der Kerken van Servië, van Montenegro, van Griekenland, van Bulgarije, altemaal âautocephalequot; (d. w. z. geheel zelfstandige) Kerken van Grieksche belijdenis, onder geenerlei directe jurisdictie van den Tsaar, allen zien zij toch met eerbied en godsdienstig ontzag tot den Heerscher aan de Newa op, allen kennen zij hem, min
- 150 -
of meer, de eereplaats toe, ciie in vroeger eeuwen door den Patriarch van Byzantium werd ingenomen.
Het episcopaat is tot eene beklagenswaardige onbeteekenend-heid verzonken. De bisschop, door den wil des Keizers alléén gekozen, somtijds uit een of ander onbekend klooster te voorschijn geroepen, dankt zijne benoeming menigmaal meer aan zijn schoone gestalte dan aan de gaven zijns geestes, meer aan den weelderigen dos van hoofdhaar en baard dan aan zijn verdiensten, en vaak schijnt hij geen ander doel te hebben dan op hooge feestdagen in zijn bontgestikte kleederen en zijn met edelgesteenten rijk versierde kroon te schitteren, en den luister der Kerk, d. w. z. van den Tsaar, te verhoogen. Er bestaat geenerlei verband tusschen de lagere en de hoogere geestelijkheid; de eerste is gewoonlijk van eene ongeëvenaarde stompzinnigheid, en maar al te dikwijls ontzaglijk verslaafd aan den drank; de laatste bestaat uitsluitend uit keizerlijke gunstelingen, wier eenig doel het moet zijn, den Tsaar te behagen.
Toch meene niemand daarom, dat deze aldus georganiseerde Kerk buiten het volksleven zou staan; integendeel, zij is er volkomen mede samengegroeid.
Voor het Russisch besef zijn liefde tot de Kerk en liefde tot den Tsaar (of tot het vaderland) volkomen gelijkluidende begrippen. En vraag nu slechts uzelven af welk een onmetelijk gebruik eene verstandige Regeering van zulk een toestand kan maken! In ruil voor de persoonlijke zelfstandigheid en originaliteit, die men den Russischen burger ontnomen heeft, heeft men hem een ontzaglijken impuls tot gemeenschappelijk optreden geschonken. Allen weten in dat reusachtige rijk, klein of groot, rijk of arm, ontwikkeld of onkundig, dat zij eene geweldige taak in het Oosten te vervullen hebben. Moskou krijgt meer en meer de oude beteekenis terug, want onder de laatste Keizers heeft zich (almede uit reactie tegen de nihilistische komplotten) bij hoog en laag de meening ingeworteld, dat alleen door strenge handhaving van het oud-Russische geloof, vrede en rust in het geteisterde Rijk zullen wederkeoren. En als gij nu bedenkt, dat het daarenboven bij alle leden van den
- 151 -
Slavischen stam, voor zooverre zij den Griekschen godsdienst belijden, gaandeweg het karakter van een dogma verkrijgt, zoodat men het steeds openlijker verkondigt, dat er nog eens één groot, heilig Russenrijk komen zal van Archangel tot aan de Adriatische Zee, en van Lapland tot Constantinopel, in trouwe, wie durft dan nog gewagen van de Grieksche Kerk als eene ten doode opgeschrevene? Integendeel, zij rust zich ten strijde tegen de vijanden van binnen en van buiten; zij woedt met gelijken hartstocht tegen Joden als tegen Protestanten en Katholieken, en wanneer God het niet verhoedt, en de roede des drijvers niet verbreekt, dan staan nog vervolgingen voor de deur, bij welke alles, wat tot dusverre geleden werd, nog maar kinderspel wezen zal! Rusland is machtiger dan ooit. Zijn crediet op de geldmarkt is onbeperkt; zijn eigen hulpbronnen zijn onmetelijk en onuitputtelijk; zijn reusachtig rijk is reeds door de telegraaf, en nu spoedig ook door den Trans-Siberischen spoorweg in al zijn deelen onderling verbonden en vereenigd â wee, wee den vijand, tegen wien deze ontelbare drommen, gloeiende van godsdienstijver en keizerver-goding, als een vernielende bergstroom zich uit zullen storten!
En tusschen die twee machtige Kerken, de Roomsche en de Grieksche, elk met de rijkste en schijnbaar onwederstaan-baarste hulpmiddelen toegerust, staat nu die derde Afdeeling der Christenheid, de Protestantsche, in, en wellicht gevoelt zich deze of gene uwer de borst beklemmen door de angstige vragen; Wat zal toch wel haar toekomst wezen\'? Hoe zal zij, de felbesprongene, de jammerlijk verdeelde, aan twee zulke geweldige mededingsters het hoofd kunnen bieden? ....
Vóór ik die vragen beantwoord, een enkele opmerking over dien naam âProtestanten 1quot; Het is tegenwoordig weer in de mode de benaming âGereformeerdquot; te verheffen, en op die van âProtestantquot; met minachting neer te zien. âProtestant,quot; zegt men, âkomt van protesteeren, dit is dus iets geheel negatiefs. Iets wezenlijks drukt deze naam dus niet uit.quot; Maar werkelijk, wie zoo spreekt, geeft van weinig historischen
zin blijk. Wij dragen dien naam niet, omdat wij protesteeren tegen Rome alleen, maar tegen de zonde en alles, wat de souvereine vrijmacht des H. Geestes kan belemmeren. Zóó is liet op den Rijksdag van Spiers bedoeld, en waarlijk, dan is deze eeretitel niet minder begeerlijk dan de andere!
Nu dan, wat zal de vermoedelijke toekomst van het Protestantisme wezen ?
Geëerde Hoorders! ik ben geen profeet, en ik wil er ook niet naar streven ook maar iets van de toekomst van het Protestantisme te voorspellen.
âDe toekomst is voor \'t oog verborgen;
âOns deel op aarde is kamp en strijd.
âOp \'t blijde heden volgt een morgen âVan angst en worst\'ling, nood en zorgen â
âMaar God is Koning van den tijd!quot;
Op berekening van cijfers kunnen wij niet bouwen, want ten eerste weet een ieder hoe men de cijfers groepeeren kan naar eigen lust en voordeel; en ten andere is de toeneming of daling van het aantal leden eener Kerk volstrekt niet aan vaste wetten onderhevig. Men heeft tijden van opwekking, waarin, bijv. in de heiden wereld, de bekeeringen in massa plaats grijpen, of waar (gelijk bijv. in Italië en Hongarije geschied is) gansche Gemeenten van het Katholicisme tot het Protestantisme overgingen; maar men kent óók, gelijk het arme China thans, tijden van plotselingen stilstand of achteruitgang, waar een veelbelovende oogst gaandeweg verkwijnt, nog eer hij tot inzameling gekomen is.
Maar wèl kan ik u van mijn geloof in de toekomst van het Protestantisme spreken, omdat ik vast verzekerd ben, dat deze beweging uit God is geweest, en omdat God de Heere niet laat varen het werk Zijner handen. Dat was toch waarlijk een schoone tijd, dat begin der zestiende eeuw! Ik kan het â¢tóij begrijpen, dat een Ulrich von Hutten uitriep: âHet is een lust om thans te leven!quot; Ik heb u zoo straks de Middeleeuwen afgeschilderd als een periode van leven en van bloei.
- 153 â
maar in nog veel hooger mate geldt dat van haar einde, van haar overgangsperiode tot den nfeuweren tijd. De letterkunde ontwaakte uit haren doodsslaap, nu de zwoegende drukpersen den onverzadigbaren honger naar kennis kwamen stillen. Men doorvorschte de geheimen der natuur, nu niet langer in de donkere, mysterieuze kelders der alchimisten, maar in de gehoorzalen der academiën en langs den koninklijken weg der wetenschap. Aan de hoven van pausen en bisschoppen niet alleen, maar ook van edele en rijke burgers, werden de fraaie kunsten beoefend â alles dorstte naar leven, naar verbreking van knellende banden, naar vrijheid. En boven alle andere vraagstukken had men hart en oog voor den godsdienst. Al te lang had men den religieuzen mensch verwaarloosd en hem met de onbetrouwbare spijze der Kerke gevoed â hij ivas niet gevoed, en hij schreeuwde om waarachtige spijze, om voedzaam brood! Het was een tijd van onbarmhartige critiek, eene critiek, die niets of niemand spaarde, en die al het overgeleverde in den smeltkroes wierp; maar uit al die gisting en koking en wieling steeg met klimmende welbewustheid de wensch, de brandende begeerte opwaarts om waarlijk met God te doen te krijgen, en om alleenlijk aan God verantwoordelijk te zijn. De Heer schept geene behoeften, die recht en billijk zijn, of Hij wijst ook den weg aan, of geeft de middelen, die tot hare vervulling leiden kunnen. Daarom verwekte Hij de Luthers, Melanchthons, Calvijns, en hoe zij verder mogen heeten, hoogbegenadigde mannen, die het verlangen hunner eeuw verstonden en Gods antwoord er op in verstaanbare taal den volke verkondigden. Zij wisten zich door God geroepen. Zij wisten, dat wat de Heer aan hunne ziel geopenbaard had, voor allen bestemd was en dat het hunne heilige, heerlijke taak was dat mede te deelen. Hoe dichter bij de bron, te heftiger bruist en borrelt het water! Daarom is het zoo kostelijk dien Luther in zijn eerste optreden gade te slaan. Welk eene heilige naïveteit, neen, meer dan dat! welk een kostelijk besef van zijn goddelijke zending spreekt er uit zijn woord, dat Doctor
- 154 -
Maarten Luther in hemel en hel zeer goed bekend was, of uit zijn antwoord aan den Keurvorst, die, beangst voor zijn bedreigd leven, hem beloofde goed voor hom te zullen zorgen: âIk denk, dat ik uwe Keurvorstelijke Genade met mijne gebeden veel heter zal kunnen beschermen, dan zij het mij kan doen met haar zwaard.quot;
Hoe waagde hij het alles, de Kerk, de Schrift, zijner ziele zaligheid, éénig en alleen op Christus te gronden, en als onverschillig alles te verwerpen, wat zijns inziens niet noodzakelijk met Christus in verband stond!
Zeker, hij heeft toen wel eens onvoorzichtige dingen gezegd, beoovdeelingen en veroordeelingen uitgesproken, waar hij later spijt van had, en die hij terugnemen moest, maar ik zeg u: allen eerbied voor zulk eene vrijzinnigheid, die het eenig en alleen met den Heere Christus waagt, omdat men ondertonden heeft, in nood en doodsangst, dat die Christus een levende Heiland en een machtige Zaligmaker is!
Dat is ook de oorsprong der Protestantsche Kerk geweest. Waarlijk, het was Luther niet te doen om maar zoo spoedig mogelijk een eigen kerkje te stichten! Met hoe innige teeder-heid hing hij aan zijne Moeder, de heilige Katholieke Kerk, en hoe lang heeft hij niet gehoopt en gebeden, dat zij zich nog bekeeren mocht van hare zonden! Maar toen hij inzag, en wel met steeds toenemende klaarheid, dat zij, in plaats van Christus te eeren, Hem in de practijk verloochende en verwierp, ja, toen heeft hij het gewaagd met hnamp;x te breken, en opnieuw de geloovigen te vergaderen rondom den Heer en Zijn Woord.
O, spreken wij toch niet met minachting van de Kerk! Dat is tegenwoordig bij vele Christenen, en daaronder recht vrome en ernstige belijders, maar al te veel gebruikelijk. De vele scheuringen en verdeeldheden, de hartstochtelijkheid en de onheilige gloed, waarmede velen voor hunne partijschappen en vechterijen opkomen (dat alles âijverquot; noemende voor Gods Kerke), hebben anderen er toe verleid met zeker schouderophalen over de Kerk te gaan oordeelen, zeggende: âOp den levenden Heiland komt het toch maar aan, die Kerk is geheel bijkomstig!quot;
â 156 â
Geachte Hoorders! die tegenstelling is dóór en Aööx valsch en onwaar! Juist om den Christus in al Zijne volheid en dierbaarheid te kunnen genieten, juist om Hem de eere te kunnen toebrengen, die Hem toekomt, heeft het Protestantisme zich als Kerk gereorganiseerd, zich grondende op den Heiland en zich gebonden wetende aan het Woord. Dat is juist zijn hooge voorrang boven de beide hoofdgroepen, die wij bespraken, dat de Protestantsche Kerk geen andere bedoeling heeft dan de eere van Gods Naam te doen uitschitteren. Zij streeft naar geen wereldsche macht, gelijk Rome het immer gedaan heeft; zij heeft niet de pretensie; de onmisbare voorwaarde tot zaligheid te zijn â maar zij wil in belijdenis en Kerkregeering de grootheid van haren Zaligmaker en de universaliteit van Zijn verlossingswerk openbaren en verbreiden tot aan de einden der aarde.
Tegenover de fictieve éénheid der Roomsche Kerk, die niet dan door geweld en list hare leden bijeen wist te houden, eene éénheid, van buiten opgelegd en met de wapenen van den Staat gehandhaafd, verkondigden de Hervormers dat de ware Kerk overal was, waar Gods Woord zuiver gepredikt werd en de Sacramenten naar de instelling van Christus bediend werden. Elke Gemeente, die zich rondom Woord en Sacrament vergaderde, was dan eene wettige openbaring der ééne, heilige, Katholieke Kerk, en krachtens innerlijken drang, evenzeer als naar de eischen der Schrift, vereenigden zich de verschillende Kerken of Gemeenten tot grootere groepen, voor welke dan vanzelf de grenzen van taal en landstreek ook de natuurlijke grenslijnen vormden. Maar ook daarbij bleef men niet staan, en in den besten tijd sloeg men den blik verre, verre buiten de eigen landskerken uit, de éénheid der geheele Kerk als het, ja nog zeer verre, maar toch naderende en nimmer te vergeten einddoel vasthoudende. De Nationale Synode van Dordrecht bijv. heeft ook een zeer internationaal, ja een bepaald-oecumenisch karakter, daar deze kundige en vrome mannen het uitnemend begrepen, dat wat voor hen waarheid was, toch ook voor allen waarheid behoorde te zijn, dat wat de Heer hun naar Zijn
- 156 -
Woord had geopenbaard, ook tot al Zijne belijders iets te zeggen had.
Maar hoe hoog ook de Protestant zijne Kerk moge achten, nooit kan hij van haar zeggen: âBuiten haar geene zaligheid.quot; Dat is zijn eigen verleden in het aangezicht slaan. Wij kennen geene zaligmakende Kerk, maar alleen een machtigen Zaligmaker, Jezus Christus, den Middelaar Gods en der menschen. Zalig wordt alléén, zalig wordt een ieder, die in Christus gelooft, waar hij dan ook kerkelijk zij ingedeeld, al zal ook gewisselijk de vraag hoe hij zich nu voortaan kerkelijk zal hebben te gedragen, voor hem van groote, vèrreikende betcekenis worden. Maar de uitwendige Kerk is voor den Protestant nooit anders dan het middel, het van God verordende middel, om tot de kennisse des heils te komen, en wel allermeest door de prediking des Woords. Deze neemt in de Protestantsche Kerk ten allen tijde de eereplaats in, eene plaats, die wij haar nimmer mogen doen ontrooven. Waar het Woord zuiver gebracht wordt, daar is de Heer, en waar de Heer is, daar heeft men in beginsel alles.
O, mijne Hoorders! hoe wenschte ik dat velen onzer met den ruimen blik onzer vroegste Hervormers dezen hoogst belangrijken, maar ook zoo hoogst gevaarlijken tijd leerden bezien! Het conservatisme zit in de lucht, vooral op kerkelijk gebied. Men is bevreesd geworden door de ontzettende machten der duisternis, die onder allerlei leuzen ons volksbestaan evenals onze Kerken bedreigen, en meent nu door herstel van het oude, zoo mogelijk nog verscherpt en gekrassiflceerd, die gevaren te kunnen bezweren.
IJdel werk! God doet nooit iets twee malen hetzelfde. Hij, die altijd alle dingen nieuw maakt. Erkennen wij, dat het Protestantisme, juist omdat het een werk Gods is, nooit af is, maar altijd weer nieuwe vormen zoekt voor zijn eeuwige beginselen, die het naar het licht, dat de Heer voortgaat te ontsteken, altoos zuiverder heeft te ontwikkelen en toe te passen. Zóó heeft de Kerk de heilige taak ontvangen steeds meer de maatschappij, het groote leven der menschheid, te
vervullen met den H. Geest. Waartoe is Christus op aarde gekomen? Om den mensch, den gevallen, verloren mensch, terecht te brengen, om de menschheid weer op te leiden tot het Koninkrijk Gods. âUw koninkrijk kome toch, o Heer!quot; zoo bidden wij in het Onze A\'ader, en dat koninkrijk is de zalige, heerlijke toestand, waarin men niet meer spreken zal van Kerk en Staat, elk met hun eigen sferen en rechten en wetten, maar waar wij allen den Heer zullen kennen, van den kleinste tot den grootste, en waar de vrede van Zijne kinderen groot zal zijn. Dat koninkrijk nader bij te brengen, door de steenen weg te ruimen, die daar liggen op \'s Konings weg, zietdaar onze eigenlijke, onze éénige taak. Al het andere is daaraan ondergeschikt. Is iemand nu in eenig kerkelijk ambt, of voelt iemand zich als lidmaat zijner Kerk geroepen en gedrongen die Kerk te vermanen, te versterken, te verdedigen â hij doe het, als hij maar altoos doordrongen blijft van het voorloopige en gebrekkige, aan allen Kerkvorm eigen, als hij maar nimmer vergeet uit te zien naar den Bruidegom der Gemeente, die komt, om alles, alles goed te maken.
Daarom is dit in onze dagen meer dan iets anders noodig, dat wij persoonlijk levende, waarachtig bekeerde menschen zijn. De Eoomsche en de Grieksche Kerk streven boven alles naar uitwendige Katholiciteit, en trachten op alle mogelijke manieren haar kader te vullen of uit te breiden. Het âzieltjes-winnenquot; in den ongunstigen zin des woord is daar een staande bezigheid geworden. In Rusland heeft men zelfs Luthersche boeren (nog wel nota bene door priesters!) opzettelijk laten dronken maken, om ze daarna gemakkelijk tot den overgang naar de Orthodoxe Kerk te doen besluiten. En ook in Protes-tantsche kringen was het werven op groote schaal, door ruime bedeelingen of anderszins, geen onbekend, maar daarom niet minder verwerpelijk verschijnsel. De Katholiek en de Griek hebben dan nog altoos hunne machtige Kerk, met hare onveranderlijke waarheden en haar eerwaardige gebruiken; maar een Protestantisme, dat niet zuiver is, dat niet de
- 158 -
uiting is van waarachtige vroomheid en oprechte bekeering â dat is een walgelijk ding, dat is de ongerijmdheid zelve!
Handhaven wij onze vrijheid! Waarlijk, onze vaderen hebben geen 80 jaren gestreden tegen den Spaanschen Koning en den Roomschen paus, opdat hun nageslacht weer voor een anderen paus zou gaan knielen, die heete nu Synode, Confessie of Voetius. Vrijheid, onbelemmerd en onverkort, maar dan ook de ware vrijheid, met welke de Zoon alleen vrij maakt. De vrijheid, gebonden aan het Woord, gelijk onze oude Neder-landsche Maagd den vrljheidshoed draagt en dragen mag, omdat zij hare hand legt op het onfeilbare Woord van God. Vrijheid en gezag, omdat alleen het geloof den blik scherpt en verheldert, maar dan ook vrijheid zoo onbegrensd mogelijk, omdat er geen enkel levensterrein bestaat, dat afgesloten zou wezen voor de werking van Gods Geest. Wij, Protestanten; wij. Gereformeerden, bovenal, zijn de ruimhartigste menschen ter wereld, omdat ons beginsel ons nergens een afgesloten, bekrompen kader afpaalt, waarbuiten we niet zouden mogen gaan, maar een oneindig perspectief voor onzen bevenden blik komt ontrollen.
Maar dan ook het Woord onzes Gods, het geschreven, heilige Bijbelwoord, gevreesd en gehoorzaamd! AVij vreezen geenerlei wetenschap, mits zij eerlijk zij en blijve binnen hare bevoegdheid, maar het Woord onzes Gods laten wij ons niet onzeker maken, noch in naam der wetenschap, noch in dien des geloofs. Wij zullen niet dadelijk alarm slaan wanneer de Luthers, in de bruisende wildheid hunner eerste liefde, van den âstrooien briefquot; van Jakobus spreken, of de Openbaring van Johannes verwerpen, dewijl zij meenen, dat Christus er niet in geleerd word â omdat wij weten, dat zij op zulk een oordeel toch op Gods tijd weer terugkeeren, gelijk Luther het later dan ook anders heeft ingezien. Maar wij zullen niet gedoogen zonder protest, dat men ons de Heilige Schriftuur tot een onbetrouwbaar samenvoegsel van mensche-lijke dwaasheid maakt, en ons kinderlijk-blijmoedig gevangen geven aan het Woord onzes Gods, dat nog wel zwaarder
- 159 â
stormen dan de critisohe ziftingen onzer dagen doorstaan heeft, en waarvan wij weten, dat het blijven zal tot in eeuwigheid. En voorts gaan wij blijmoedig voort, niet allereerst vragende: âWat moeten wij nu toch wel doen?quot; maar eerbiedig de teekenen der tijden aanschouwende, en vragende: âWat doet de Heer?quot; En om dat recht te verstaan, moet men alle illusie laten varen om hierbeneden eenig succes met zijne belijdenis te behalen. Succes, zichtbare en tastbare vorderingen, kan Rome maken en de Grieksche Kerk eveneens, omdat beide toch eigenlijk hierbeneden hun levensideaal bereiken. De Kerk is hun de Arke Noachs, en wie in haar schoot geborgen is, waarom zou die eigenlijk nog eene andere rustplaats begeeren? Maar de Protestant blijft hierbeneden een vreemdeling, en zijne Kerk is, ach! zulk een broos en gebrekkig hulpmiddel â hij verbeidt het Koninkrijk Gods, hij wacht een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, hij ziet uit naar het ware Vaderland daarboven, waar hij eerst in waarheid zijnen God zal kunnen dienen; en daarom geldt het van hem, ook als lid zijner Kerkgemeenschap: âIk zal hem toonen hoeveel hij Zi/Am moet om Mijnen naam.quot; Ik zeg u: daar hoort zelfverloochening toe, want o, de verleiding is zoo groot, (gelijk er dan ook duizenden voor haar bezwijken!) het toch weer eens te beproeven door een stevige organisatie en uitwendige machtsver-tooning eene rol hierbeneden te spelen, vooral, wanneer men de staatkunde mot de religie samenkoppelt, en heerschappij en aanzien zoekt op grond van Bijbelteksten en oud vaderlijke stellingen. Gewoonlijk brengt men het dan ook een heel eind ver, want niets is machtiger in deze leugenachtige wereld dan een gedeeltelijke waarheid, die zich schikt naar de heerschzuchtige wenschen van den hoogmoedigen mensch. Maar eene Protes-tantsche Kerk, die geheel en al met de waarheid tevreden is, ach, die blijft zoo klein en zoo gering naar de wereld! Er behoort werkelijk zekere moed toe, wanneer de Roomsche u smalend toevoegt: âWelk een armelijke Kerk is toch de uwe!quot; daar niet geraakt en toornig om te worden, maar integendeel zich te verblijden en te zeggen: âJa, zoo is het! Vergeleken
â 160 -
met uwe kardinalen, maken onze predikanten een armzalige figuur, en onze synoden verzinken naast uwe glanzende concilies volkomen in het niet, maar â wij zijn ook niet zoo rampzalig als gij, ons onfeilbaar te moeten noemen! Wij mogen heeten wat we zijn: arme, ellendige zondaren, die slechts ten deeZe kennen en ten deele profeteeren, en die éénig en alleen in Christus onze vastigheid hebben!quot;
En wie dat eenmaal door genade heeft geleerd, die is ruim van hart, omdat hij de Rots kent, waarop hi] bouwt. Onze arme Protestantsche Kerk moet door vele smaadheden heen. Wiens hart krimpt niet inéén van beschaming, wanneer hij eene Hessische prinses haar Evangelisch geloof ziet verloochenen, alleen om Tsarin van Rusland te worden, en van dat oogenblik af medeplichtig aan de gruwelijke vervolgingen, waaraan haar eigen Luthersche geloofsgenooten van dag tot dag blootstaan ? Wie verootmoedigt zich niet, wanneer hij ziet hoe de zoon van Luxemburgs Groothertog, zoo nauw aan ons eigen Vorstenhuis verwant, zijn huwelijk door een Roomschen priester laat inzegenen, na de belofte te hebben afgelegd voor zijn kinderen zijn eigen geloof te zullen verloochenen, en dat er dan nog een Protestantscli leeraar gevonden wordt, lafhartig en kruipend genoeg om na de Roomsche plechtigheid nog een goed woordje te komen spreken, opdat ook de Protestantsche consciëntie zoo wat bevredigd moge zijn? Wie bedroeft zich niet, wanneer hij zoo menig lid zijner Kerk, wiens twijfelingen niet begrepen werden, wiens hart dorstte naar herderlijke leiding, maar ach, hij vond ze niet, wiens ziele niet verzadigd werd door het koude ongeloof, hem van zoo menigen kansel geleeraard, de toevlucht ziet nemen tot haar, die onze vaderen bij duizenden heeft gemarteld en ten doode toe vervolgd?
En nochtans hebben wij goeden moed, mijne Hoorders! En nochtans arbeiden wij blijmoedig voort aan den bouw van de groote Kerk der toekomst, waar eindelijk, eindelijk deze nu nog schijnbaar onoverkomelijke muren alle gevallen zullen zijn, en
- 161 -
het wezen zal: eene kudde onder éénen Herder. Het lijkt haast eene dwaasheid daar nog in onze dagen aan te gelooven, waar alles ons het tegendeel schijnt te prediken; maar wij laten ons het ideaal niet ontrooven, want God Zelf houdt het ons voor, en het is onmogelijk dat (rodliegen zoude! Wij erkennen de Katholiciteit des geloofs en de éénheid der Christelijke Kerk. Daartoe behoort óók Rome, en óók de Orthodoxe Grieksche Kerk, ook al doen zij wederkeerig elkander en gezamenlijk ons. Protestanten, in den ban. Wij, bekrompen Gereformeerden, gelijk men ons scheldt, wij hebben de woorden van Calvijn gelezen en beamen ze van harte, wanneer hij zoo heerlijk zegt: âDe leden der Kerke zijn verscheurd en haar lichaam bloedt. Wat mij betreft, ik lijde daaronder zooals wellicht niemand, en zou gaarne tien zeeën doorkruisen, kon ik er iets aan veranderen. O, hoe wenschte ik, dat alle Kerken van Christus door zóó groote éénheid verbonden waren, dat de engelen van den hemel af hun harpliederen daarbij zingen konden!quot;
Wie zóó spreekt, is geen sektemaker; wie zóó gelooft, is geen kerkjestichter, maar heeft een open oog voor de kosmische, de wereldomvattende beteekenis van het Evangelie. Dat moeten wij bovenal hoog houden, waarde Vrienden! ook voor de frischheid van ons eigen geestelijk en kerkelijk leven, daar moeten wij met klimmenden nadruk op wijzen. De menschheid is tot den dienst en de belijdenis van den naam des Heeren geroepen. God wil, dat alle menschen zalig worden, en daarom is ons bevolen het Evangelie te prediken aan alle schepsel!
Ziet, dat geeft ruimte van blik, en dat richt den blik vanzelf naar boven. Wie in deze koninklijke beschouwing leeft, die kan geen enghartig partijdrijver worden, maar die ziet er de wolken op aan, of zij zich nog niet schikken tot Jezus\' zegekoets. âDaarom, (zoo besluit onze heerlijke Martelaars-belijdenis haar 37ste en laatste artikel, nadat al de vervolging en het lijden der getrouwe belijders geschilderd is) daarom verwachten wij dien grooten dag (van Jezus\' wederkomst) met
ii
- 162 -
een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onzen Heere.quot;
quot;VVie de Protestantsche Kerken er op aanziet, en ze beoordeelt naar confessioneelen maatstaf, die vindt stoffe te over tot treuren. Want het is onloochenbaar: de belijdenskerken bloeien niet meer als voorheen. De wereld, de twijfel, de scheuring, de onverschilligheid â ze hebben hunne duizenden en tien duizenden verslagen. Tegenover de streng aaneengesloten massa\'s der beide hoofdgroepen der Christenheid, van welke wij spraken, gelijken wij op een dijk, die aan alle kanten is doorgestoken. Welnu, laat mij dat beeld mogen vasthouden! Door het doorsteken der dijken is het benarde Leiden ten slotte gered. De drabbige golven, die veld na veld overstroomden, zijn toch het middel geweest om de prinselijke vloot met al hare voedzame schatten tot de belegerde veste te brengen. Laat dan de golven , als God het zoo gehengt, maar komen; laat dan menige schans, die wij met o zulke goede bedoelingen hebben opgericht ter verdediging van Gods waarheid en Gods zake, maar inéénatorten:
âGod zal Zijn waarheid nimmer krenken,
âMaar eeuwig Zijn verbond gedenken.quot;
Als de crisis komt, is ook de redding nabij. Onze belijdenis, dat het alles hoe langer hoe slechter zal worden, vindt tegenwoordig zelfs weerklank bij de ivereld. Het oppervlakkig gedweep met verlichting en beschaving, zoodat de mensch-heid gestadig hare zedelijke volmaking te gemoet gaat, is vervangen door het sombere pessimisme van de wijzen dezer eeuw, die, omdat ze zonder God zijn, ook zonder hojie zijn in dit leven. De letterkunde buiten het geloof om is volmaakt troosteloos. Of ge nu den gevoelvollen Pierre Loti leest, den in het slijk zich wentelenden Zola, of den met satanischen wellust allen adel ontkennenden Ibsen â de slotsom van allen is, dat er weinig of niets meer van deze wereld te verwachten is, en het hangt nu maar alleen van den aanleg en de oppervlakkigheid dezer lieden af, of zij den besten troost vinden in
- 163 -
een zoetelijk droomen, In een cynisch genieten of in een moedigen zelfmoord. Maar uit Is het met alle lllusiën omtrent de toekomst der menschheld! Alles loopt zich dood. De tronen waggelen; de wapeningen der volkeren maken de natiën arm en de oorlogen tot slachtingen zonder grenzen; de phllosofen geven het op nog langer naar een oplossing der raadselen te zoeken, en de verbitterde lagere standen maken zich gereed tot eenen laatsten, vertwijfelden, alles vernietigenden kamp ....
âAls nu deze dingen beginnen te geschieden, zoo heft uwe hoofden omhoog, wetende dat uwe verlossing nabij is!quot;
âOp \'s Hemels wolken zal Hij komen,
âDie aan dien nacht een einde maakt;
âDie, in Zijn Heem\'len opgenomen,
âHet troostwoord uitsprak: âWacht Mij! Waakt!quot;
âHij komt, naar Wien Gods scheps\'len smachtten,
âWien \'s werelds eeuwen tweemaal wachtten,
âWien de aard reeds eenmaal heeft gebaard!
âHet Lam, Wiens bloed hier heelt gevloten,
âDe Leeuw, uit Isaï gesproten,
âDe Man der smart, de God der aard.quot;
En nadat wij dan met deze wereld onze instemming betuigd hebben, dat inderdaad alles hoe langer hoe slechter gaat, en dat de crisis waarlijk onvermijdelijk wordt, zien wij, die den Heiland liefhebben, met blijmoedige hope naar Boven, biddende: âKom, o kom, Heere Jezus!quot; en daarna met kalme verzekerdheid rondom ons, en vatten onze levenstaak met vroolijke veerkracht weer op. Hij komt, Wien deze gansche wereld toebehoort. De aarde is des Heeren, en niet des Boozen, met al hare volheid.
Geen Paus en geen Tsaar zal het laatste woord behouden, maar Jezus Christus. Bat is de belijdenis van het Protestantisme, en daarom heeft het de toekomst. Een Protestant is een kind der eeuwigheid, en daarom juist de meest bruikbare mensch voor onzen felbewogen tijd. quot;Waardeert dus uw voorrecht, en houdt uwe banier hoog, gij, zonen en dochteren der Hervorming! Gij zijt tot groote dingen geroepen, tot eene
- 104 -
heerschappij, veel hooger en schooner, dan waarvan de beide door ons besproken Kerken in haar stoutste verwachtingen droomen. Want heerschen moet de mensch. Dat is zijn adel, en al is zijn adelbrief aan flarden gescheurd door zijnen val, hij heeft het besef van dien adel toch nog uit het verloren Paradijs meegenomen. De mensch is een geboren heerscher.
Komt, zeggen de Geleerden, laat ons de wereld beheerschen! En zij maken hunne stelselen, en bouwen hunne plannen, maar ach, zij worden topzwaar en vallen. Icarus, die de zon te gemoet vliegt, maar het was van zijn vleugelen smelt, en hij ploft naar omlaag!
Komt, zeggen de Vorsten, laat ons de wereld beheerschen! En de Caesars, de Alexanders, de Carolussen, de Napoleons verrijzen, vergieten stroomen van bloed, brengen de gansche aarde in beroering â en het einde is een moordenaarsdolk, of een vergeten graf, of een marmeren mausoleum, maar in elk geval teleurstelling en ijdelheid.
Komt, zeggen de Philanthropen, laat ons de wereld beheerschen! En zij trekken uit naar alle landen, en drogen vele tranen, maar de tranen blijven vloeien, en het raadsel des levens blijft onopgelost staan.
Komt, zegt de Gemeente van Jezus Christus, laat ons de â wereld beheerschen! En â zij laat zich verwerpen, ontkennen, bespotten, vervolgen. Vat is haar aard. Dat is haar kracht. Want als het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo brengt het geen vrucht voort. Maar uit dat zaad van lijden en zelfverloochening kiemt leven. En van geslacht tot geslacht zet zij haren pelgrimsweg voort, volk na volk, land na land de boodschap van den Vredevorst brengende, nimmer moedeloos, want Hij is haar kracht; nimmer vertwijfelend, want zij kent de kracht van Zijn Woord, en is van de uitkomst volkomen verzekerd, want dit is de overwinning, die de wereld overwint, haar geloof.
Waarde Toehoorders! Acht gij het geen hoog en heerlijk voorrecht door Doop en Belijdenis lid te zijn van deze koninklijke garde? Ik bid u: laat ons het nimmer vergeten!
En waar, bij voortgaande zelfkennis, ook bij toeneming een gevoel van drukkende verantwoordelijkheid, bij zooveel zwakheid in ons en rondom ons, niet uitblijven kan, daar rljze maar gedurig de bede om hulp en bijstand tot den Heer omhoog, gelijk ik thans met zulk eene bede, in Da Costa\'s bekende verzen, deze voordracht besluit:
Schenk ons, onmachtigen, o God van Alvermogen!
De krachten des geloofs, Uw Geest van uit den lioogen,
Bij \'t daav\'ren van de stem, terwijl uw Kijk genaakt:
Ontwaakt, gij, slapenden! en reeds ontwaakten. Waakt!
VI.
EENE KERK ONDER HET KRUIS.
xtxllllIIlllxxxxxXlllllxIlJllxxlxxlxxlxxxl
Mijne Hoorders!
Het onmetelijke Russische Rijk trekt in onze dagen in steeds toenemende mate de aandacht. En geen wonder! Hetgeen wij daar toch zien geschieden, is bijkans in elk opzicht belangrijk en buitengewoon. Terwijl alle Christelijke volken of in republieken veranderd zijn of als constitutioneele monarchieën de meest mogelijke vrijheid genieten, is hier nog een alleenheerscher op den troon, wiens wil voor al zijne onderdanen de hoogste, ja bijkans de éénige wet is. Terwijl men allerwegen, zelfs in de meest Katholieke landen, eene beweging ten gunste van godsdienstvrijheid en wegneming van alle belemmering voor andersdenkenden kan opmerken, ook daar waar men nog een offlciëelen Staatsgodsdienst erkent, toont het Rusland onzer dagen de geloofsvervolgingen der Middeleeuwen te willen hernieuwen. Allereerst denken wij natuurlijk hierbij aan de barbaarsche behandeling der Israëlieten, wier gewelddadige uitdrijving voor heel Europa en Amerika van de vèrstreikende gevolgen is. Terwijl in alle landen, na eeuwenlange onderdrukking, de Joden burgerrecht en bescherming ontvangen hebben, treedt hier de regeering met de meest onmenschelijke uitzonderingswetten op, en legt zij het er op toe millioenen onderdanen eenvoudig te verbannen, alleen omdat zij zonen Abrahams zijn, en weigeren zich in de Orthodoxe Kerk te laten inlijven. (Wilt dit voor het vervolg dezer lezing bedenken, dat als wij spreken van de âOrthodoxe\'\'\' Kerk, wij daarmede de Staatskerk van Rusland bedoelen, die zichzelve als de orthodoxe bij uitnemendheid betitelt.)
\'t Is een merkwaardige aanblik, dien het Rijk van den Tsaar den opmerkzamen toeschouwer aanbiedt. Alles woelt en kookt er, en niemand kan zelfs maar gissen, wat de
- 170 -
naaste toekomst brengen zal. De scherpste tegenstellingen wisselen elkander zonder éénige verzachting af. Rijken, wier millioenen haast niet te berekenen zijn, die goederen bezitten van de grootte onzer provinciën en in wier paleizen zich de meest verfijnde weelde van \'t Oosten en Westen vereenigt, naast eene armoede zóó groot en zóó schreiend, dat zij aan de ellendigste toestanden van Turkije herinnert. Eene beschaving zóó grondig en veelomvattend, dat de grootste geleerden van het verdere Europa zeggen hier hunne meesters te vinden, naast eene onkunde, die aan het ongeloofelljke grenst en u zou doen denken midden onder heidenen te verkeeren. Kerkvorsten met wijden blik en breede, grondige studie, naast geestelijken, wier domheid bijkans even groot is als hunne verslaafdheid aan den drank en wier leven zich verdeelt tusschen het verrichten van onbegrepen ceremoniën en het drinken van brandewijn.
Geen land is zoo onbekend, en tevens zoo waardig gekend te worden als Rusland. Door de ijzeren vuist, waarmede al wat niet in het offloiëele gareel loopt, tot zwijgen wordt gebracht; door de bezwaren, die eiken vreemdeling in den weg worden gelegd en die nauwkeurige en langdurige bestudeering der binnenlandsche toestanden bijkans onmogelijk maken, terwijl de censuur, die alles moet nazien eer het gedrukt raag worden, wel zorgt, dat er niets ten nadeele der Eegeering In het licht komt, is het zeer moeielijk zich over velerlei eene juiste voorstelling te vormen, dat toch de oprechte belangstelling van duizenden verdient. Ook is het Rijk zoo onmetelijk groot en wordt het door zulke uiteenloopende volken bewoond, dat er waarlijk een geheel menschenleven zou noodig zijn, om van die verschillende toestanden volledig op de hoogte te komen.
Zoo is het onder anderen ook ten opzichte van het godsdienstig leven der Russen gesteld! Wellicht is het bijv. den meesten onzer niet bekend, dat er nog eenige millioenen Protestanten, Lutherschen en Gereformeerden, in dit reusachtige keizerrijk wonen, en hoe droevig de toestand der meeste
gemeenten is. Laat mij, aan de hand van Ds. Dalton, die er jaren lang vertoefd heeft als gereformeerd predikant in St.-Petersburg, er een en ander van mogen verhalen! Wij richten ons oog ditmaal niet allereerst op de Oostzeeprovinciën, Koerland en; Lijfland, waarover het tweede doel onzer lezing handelen zal, maar eerst op het binnenland van het Tsarenrijk.
Terwijl in Frankrijk Lodewljk XIV, door priesters en bijzitten geregeerd, het beste deel zijner onderdanen vervolgde en vermoordde; terwijl zijne dragonders, onder toejuiching van Rome, en onder het afgrijzen van heel de beschaafde wereld rondom, met bajonetten en foltertuig hun bekeerings-werk voortzetten, opende Peter de Groote zijn onmetelijk gebied voor alle vervolgde Hugenoten, die aan de Fransche inquisitie wisten te ontkomen, en zeide hun voor alle tijden vrijheid van religie en bescherming onder de landswetten toe. Onder Keizerin Katharina II en Alexander I, geniale vorsten met ruimen blik, werd de toevloed van buitenlandsche, vooral ook van Duitsche kolonisten, met alle krachten bevorderd, zoodat in ongeveer een honderdtal jaren vele tien duizenden van Protestanten, bouwende op het keizerlijk woord, hunne schamele woonplaatsen verlieten, om in het dunbevolkte Rusland overvloed van land, en bij vlijtige bearbeiding ook overvloed van brood te vinden. Dit moeten wij altoos goed in het oog houden, â en dat maakt het gedrag der tegenwoordige Regeering des te schandelijker â deze vreemdelingen kwamen niet ongenoodigd, maar opzettelijk daartoe aangezocht. Terwijl de Joden altoos min of meer zijn tegengestaan en als onwelkome gasten beschouwd werden â alleen geschikt om de altoos ledige buidels der vorsten te vullen â zijn deze Christenen uit den vreemde, alleen op het keizerlijk woord afgaande, en vertrouwende op de heilige eeden der Tsaren, naar hun nieuwe vaderland heengegaan.
Katharina II wees hun bij voorkeur de grensstreken van de Wolga aan, die reusachtige rivier, in de Kaspische Zee uitstroomendo, aan wier boorden eenmaal het machtige Mon-
- 172 â
goolsch-Tartaarsche rijk had gebloeid. Door de kracht der wapenen was dit vernietigd, en honderden platgetreden velden en verwoeste steden waren de vrucht van dezen oorlog geweest. De weinige inwoners, die er nog waren, werden onophoudelijk door roofzuchtige nomaden uitgeplunderd en verjaagd â kortom, hot was een tooneel van ellende zonder wederga, dat deze eenmaal zoo bloeiende streken vertoonden.
Hier zetten de vreemdelingen zich neder, en al werd de grond ook menigmaal bevochtigd met hunne tranen, ja niet zelden ook door hun bloed, wanneer de invallen der roofzuchtige nomaden aan sommigen hunner het leven gekost hadden; zij staken de spade in den grond, werkten met alle kracht, en vertrouwden op God. En waarlijk, hun arbeid bleef niet ongezegend! De eeuwenlang braak liggende bodem bleek uitermate vruchtbaar te zijn; het eene korenveld verrees na het andere; de rijkdom kwam, na harde ontbering, en thans is er geen bloeiender streek in gansch Rusland dan de Duitsche Kolonie aan de Wolga, in 33 kerspelen verdeeld; en waar bij de omwonende Russen onzedelijkheid en bijgeloof op den troon zitten, gaat hier van de Duitsch-Protestantsche moederkerk een allergezegendste invloed uit, op de tot vele duizenden aangegroeide kolonisten, die de oud vaderlijke Belijdenis ook in hun nieuwe Vaderland getrouw zijn gebleven en sedert meer dan 100 jaren voor hunne Keizers hebben gebeden.
Alexander I, die in \'t begin dezer eeuw regeerde, trok eveneens tal van vreemdelingen naar zijn Rijk en wees hun de onmetelijke steppen aan de oevers der Zwarte Zee tot woonplaats aan. Wat is hier een ellende geleden! De grond was daar lang niet zoo vruchtbaar als aan de Wolga, en eerst na jarenlange, onafgebroken verzorging geeft hij zijne opbrengsten. Maar de taaie volharding der Duitschers gaf het niet op, en zie, nu is er overvloed van koren, en overvloed van welig gras voor tallooze kudden, en een lange rij van bloeiende steden en dorpen, die door hun namen (Worms, Stuttgart) nog de herinnering aan het land hunner stichters levendig houden, maakt het voor den vreemdeling tot een lust deze
streek te doorreizen. Hoe vriendelijk steken de torens der kerken, waarnaast altoos een schoone en goed ingerichte school zich bevindt, uit het welige groen naar boven! Welk een gezond, frisch kerkelijk leven vertoonen deze Protestanten, vergeleken bij het doodige, vormelijke bestaan der orthodox-Grieksche Kerk! Al zijn ze niet meer dan kleine oasen in de woestijn, deze beide groepen van Kerken vormen toch nog eene zekere eenheid. De verschillende gemeenten liggen bij elkander, men kan dagen lang reizen en trekken, en nog altoos is men onder geloofsgenooten, en kan men over de gemeenschappelijke belangen spreken.
Maar behalve deze min of meer bij elkaar gelegen kerk-groepen, zijn er nog wel een vijftigtal geheel afgezonderde, verlaten posten, die officieel tot deze of gene moederkerk behooren, maar menigmaal op wijder afstand van haar liggen dan ons geheele Vaderland groot is. En toch heeft de leeraar van die hoofdstad zulke vérgelegen dochterkerken te bezoeken, en kan er geen doop bediend, geen huwelijk gesloten worden zonder zijne tusschenkomst! Het zijn stellig meer dan een millioen Protestanten, die op deze wijze over het onmetelijke Rijk verspreid wonen, en wier geestelijke verzorging dan toch maar evengoed den leeraren op de zielen gebonden wordt, als ik bijv. voor mijne Utrechtsche wijk mij aansprakelijk heb te weten. Alles gaat daar in Rusland in het groot, maar wellicht zult gij toch over deze cijfers verbaasd staan! Al deze Protestanten zijn onder het toezicht van twee Generaal-Superintendenten geplaatst, die van St.-Petersburg en van Moskou. Het kennisnemen door eigen aanschouwing, het bezoeken hunner gemeenten, is dezen broederen uitdrukkelijk bevolen. En wat zegt gij nu wel van zulk een arbeid, wanneer gij bedenkt, dat het Moskousche kerspel 400,000 gemeenteleden omvat, die op eene oppervlakte van ruim 16 millioen vierkante kilometer wonen â eene uitgestrektheid bijkans 6000-maal zoo groot als ons vaderland! Is het wonder, dat de weinige leeraren, die er zijn, bij hunne vaak wekenlange reizen, nu eens in do verzengendste hitte, dan bij eene koude die de steenen doet
â 174 -
springen, en den adem als sneeuwvlokken doet neervallen, vroegtijdig geestelijk en lichamelijk op zijn? Is het wonder, dat zij, slechts één geloofsgenoot op de 500 andersdenkenden hebbende, somtijds den moed verliezen, bij het neerdrukkend besef eene geheel verloren zaak te dienen? De wetten ten gunste der Staatskerk â wij komen er zoo aanstonds nog op terug â zijn meedoogenloos streng, en worden met ijzeren vuist gehandhaafd. Zoodra een Protestant met een lid der Grieksch-Orthodoxe Kerk huwt, moeten de kinderen in deze Kerk worden opgenomen; een predikant, die zulk een kind in zijne Kerk zou doopen, wordt onmiddelliik naar Siberië verbannen. Wat moeten de leden van zulk een verstrooid, vergeten gezin doen? Komen ze er niet vanzelf toe den Russischen priester (pope) om den Doop te vragen, wanneer de eigen leeraar 10,000 mijlen ver af woont? Geen arme krijgt één penning onderstand, of hij moot tot de Orthodoxe Kerk overkomen; geen huwelijk kan worden gesloten, of de kinderen moeten Grieksch gedoopt en opgevoed worden. O, wat een bange zielestrijd wordt daar menigmaal weken, maanden, jarenlang geleden, maar is het wonder dat de meesten bezwijken, en de Grieksche Kerk verkiezen boven hoererij of hongerdood?
quot;Waarlijk, de arbeid der zendelingen in de heidenwereld is in menig opzicht gemakkelijker dan die van deze arme, eenzame ambtgenooten in Rusland! Het moet al een erg afgelegen zendingspost zijn, bijv. in de pas ontgonnen Afri-kaansche territoriën, waar niet ten minste twee-, driemaal in het jaar een medebroeder komt, om te midden van den stnjd elkander eens te sterken door omgang en gebed. Hier arbeiden Protestantsche leeraren, die in gansche jaren geen ambtgenoot ontmoeten, die geenerlei steun noch van de Regeering nóch van hun bijkans geheel weggezonken kuddeke ontvangen, ja die onder het geringste voorwendsel uit huis en werkkring kunnen verbannen worden! Elke poging tot bekeering van andersdenkenden is hun verboden; wanneer iemand komt, en den leeraar smeekt het Avondmaal te mogen ontvangen, omdat hij zich met de opvatting der Mis niet ver-
- 175 -
f
eenigen kan, moet hij den armen, heilbegeerigen mensch wegzenden, omdat hij nu eenmaal in de Grieksehe Kerk gedoopt is; en waagt hij het zijn plicht voor God en zijn geweten te doen, dan gaat hij in den kerker of naar Siberië! Terwijl de Grieksehe pope, met geld en invloed toegerust, zooveel Evangelische leden verlokken en verleiden mag als hij kan, en de Lutherschen en Gereformeerden als ketters, duivelaanbidders en Godloochenaars brandmerken mag, zooveel hij wil, wordt elk woord, tegen den Mariadienst of de beelden vereering gericht, als Godslastering en landverraad gestraft, en tal van leeraars zuchten reeds in gevangenisholen of mijnen, alleen omdat zij naar den Woordo Gods getuigd hebben tegen de afgoderij van de meest onchristelijke aller Christelijke kerkgenootschappen. Hoeveel genade is er noodig onder zulke omstandigheden trouw te blijven aan plicht en geweten! Het zij mij vergund, uit het Dagboek van zulk een Kolonistenleeraar u een en ander mede te deelen! Ik laat hem in hetgeen nu volgt zelf aan het woord.
\' âDe vèrstafwonende Gereformeerden, die ik ambtshalve
te bezoeken had, waren meer dan 2000 Kilometer van mijne standplaats verwijderd. Thans kan men in 60 uren met den spoortrein van St.-Petersburg naar Odessa komen, maar destijds was voor mij de naaste weg â over Berlijn en Weenen, door Hongarije langs den Donau, en eindelijk de onmetelijke steppe in. Eindelijk mag ik dan, na dagenlang verblijf in den spoorwagen, het laatste station verlaten! Hoe schoon ligt zij daar voor mij in hare eindelooze uitgestrektheid, eenzaam en verlaten, maar van eene onbeschrijfelijke majesteit, die met bloemen bestrooide vlakte, door welke mij een ouderling der gemeente in zijn eenvoudig wagentje heenleidde! Gaarne had ik een groot
â¢t gedeelte van onzen rit, die twaalf volle uren moest duren,
in stille overpeinzingen en in de aanschouwing van Gods heerlijke natuur doorgebracht, maar jawel, de goede man was veel te blijde weer eens een leeraar bij zich te hebben, aan wien hij zijn sinds i jaren opgezamelden theologischen schat kon kwijt raken! Van Genesis tot Openbaring werden al de
problemen der Schrift, vaak met eene spitsvondigheid die mij prikkelde, maar ook met eene innerlijke belangstelling die mij verblijdde, besproken â en het vooruitzicht was niet aanlokkelijk, straks in de sedert geruimen tijd vacante gemeenle, van alle kanten op deze wijze theologisch uitgepompt te zullen worden!
âToen ik aankwam, doodmoe en afgereisd, moest ik dadelijk op den preekstoel, en voor de van alle kanten saamgestroomde menigte het Woord des levens verkondigen, nog wel met de eigenaardige vermaning, die een leeraar maar zelden hoort: âAls \'t u blieft, maak het maar heel lang! Wij hebben in zóó langen tijd niets gehoord!quot; Nu, ik preekte zoo lang ik maar kon, maar viel toen dan ook in de school, waar ik na de predikatie werd heengevoerd, haast van uitputting omver. Toch hield men mij nog li uur met tallooze vragen bezig, ja vervolgde mij tot in mijne slaapkamer, ook achter mijne bedgordijnen met de belangen der gemeente, maar weldra verzekerde een diep snurken van den armen patiënt, dat verdere informatiën voorloopig zonder antwoord moesten blijven.
âDen volgenden morgen moest ik wederom preeken, en daarna ging de gansche gemeente aan het Heilig Avondmaal. Welk een treffend gezicht die ouden en jongen, velen met tranen in de oogen, die daar do teekenen van Jezus\' lichaam en bloed ontvingen, waarvan zij (God alleen weet voor hoe lang!) weder verstoken zouden moeten blijven!
âNa den dienst een kleine lichaamsversterking in de school, en daarop terstond weer tusschen de wielen, om in eene verafgelegen flliaalgemeente opnieuw te prediken. Onderweg rustten wij een weinig uit bij een rijken grondbezitter, die zelf, omringd van al zijne knechten en dienstmaagden, de godsdienstoefening leidde, en bij wien ik met Innige blijdschap de macht van Gods Woord kon bespeuren. Hoe vormt de H. Schrift, zelfs bij jarenlange kerkelijke verwaarloozing, een band om de leden des gezins, hoe adelt zij den huisvader tot priesterlijken arbeid aan de zielen!
âSpoedig waren wij weer op weg; ik, in mijn wagen met
- 177 -
r
vier paarden bespannen voorop, en achter mij aan een groot getal karretjes en rijtuigen, want wie maar éénigszins mede kon gaan, wilde ook de samenkomst in de zusterkerk bijwonen. Ook hier weer predikatie, ook hier weer dezelfde smeekende vraag: âtoch vooral recht lang te preeken,quot; ook hier eene Avondmaalsviering, waaraan honderden deelnamen, en ten slotte nog eene kerkeraadszitting, die verscheiden uren duurde; want tal van vragen en quaesties, in de laatste jaren gerezen, wachtten op mijne beslissing. De zon ging reeds onder, toen wij in ons hoofddorp terugkeerden, maar .... nog niet om uit te rusten! De lieve menschen wisten van geen medelijden, en voor een propvolle kerk, slechts zeer gebrekkig verlicht door de kaarsen, die de boeren hadden meegebracht, moest ik ten derden male preeken, â alweer âvooral niet te kort!quot; â om daarna, zóó moede dat ik nauwelijks op mijne beenen staan kon, een paar uren te slapen, \'s Nachts te twee uur moest ik weer vertrekken, en ik troostte mij met de hoop dim toch ten minste alleen te zullen reizen, en in den rit van 12 uren nog eenige ⢠vergoeding voor de mislukte nachtrust te zullen vinden â
maar jawel, onmiddellijk na mij stapte een slapelooze ouderling bij mij in den wagen, en tot Odessa toe bleven we in een theologisch gesprek, dat zelfs den vurigsten candidaat op het examen van streek zou gebracht hebben. Waarlijk, op zulke tochten slijt men af! En toch â hoe verkwikkend is liet op te merken hoe groot het verlangen naar Gods Woord is, en hoe wordt men uitgedreven ten gebede, dat toch de Heere ook hier vele arbeiders in Zijnen wijngaard mocht uitstooten! De oogst is zoo groot, maar hoe weinigen zijn de arbeiders!quot;
Laat mij u thans, waarde Hoorders! naar een ander gedeelte van Rusland mogen heenvoeren, naar de Krim, waar in deze eeuw zoo verwoed door Franschen en Engelschen gevochten werd. Hier heeft één enkel predikant niet minder dan 110 gemeenten met ruim 12,000 leden te verzorgen, waarvan 10,000 Duitschers, terwijl de overigen Esthen, Letten, Czechen, Franschen, Engelschen, Polen, Armeniërs, Finnen,
12
â 178 -
Italianen, Zweden en Tartaren zijn, die elk in hun eigen taal wenschen te worden toegesproken. Mi) dunkt, een leeraar die dat verstaat, verdient met Professor Kern in één adem genoemd te worden!
Naar gelang van den afstand en de grootte dezer gemeenten zijn ze in drie klassen verdeeld; de eerste waarin de predikant tusschen 6 en 15 keeren in het jaar komt prediken, de tweede, die slechts 2 a 3 maal \'s jaars bezocht worden, de derde, waar slechts enkele Protestanten wonen, die alleen bij zeer bijzondere gelegenheden eene beurt\'krijgen. Laat mij u zulk een preek-reis van dezen herder uit de Krim mogen beschrijven!
Nadat de zes, zeven uur sporens in een rookerigen derde-klasse-waggon zijn afgelegd, gedurende welken tijd de in een schaapsvel gehulde pastor heel wat menschenkennis heeft opgedaan, stapt hij aan het eindstation uit om den eenzamen weg naar het vergelegen steppendorp in te slaan. In het gunstige seizoen doen de vlugge, wel doorvoede paarden, die hem verder moeten brengen, een goede 15 kilometer per uur, maar als de regen den leemigen bodem doorweekt heeft, vordert hij soms op een gansclien dag nauwelijks zooveel, en zoo komt hij dan na een uur of wat rljdens, bij zijn eerste rustpunt, een groote boerenhofstede, aan. Want menig-malen is de afstand te groot, of het aantal geloovigen te klein, om een eigen kerkgebouw te kunnen bouwen; dan worden bijv. om de vijf, zes uren, enkele hofsteden aangewezen als vereenigingsplaatsen voor den omtrek, en daar stroomt dan alles heen wat de hulp van den leeraar behoeft: ouders met hun kind dat gedoopt, verloofden die getrouwd moeten worden, rouwdragenden die hunne dooden moeten doen opteekenen in het kerkboek, en vooral ook belangstellenden , die hunne gaven voor alle mogelijke vrome doeleinden aan hunnen zieleherder willen ter hand stellen. Het is ongeloofelijk, hoe veel deze meestal recht arme Protestanten voor Christelijke instellingen en kerkelijke belangen over hebben! Het is alsof hun eigen nood hen slechts te gewilliger maakt om anderer leed te verzachten. Natuurlijk wil ieder
bij zijn gave toch ook een âenkel woordjequot; aan zijn predikant toevoegen, die soms niet weet hoe hij zich door alles heen moet slaan. Vaak moet hij met de eene hand zijn dunue kippensoep eten, terwijl de andere de ontvangen gaven op-teekent, want dienzelfden dag moet wellicht nog een andere gemeente óók bezocht, die nog vijf, zes, acht uur rijdens verwijderd ligt!
Natuurlijk moet er overal gepredikt worden; gewoonlijk twee, soms drie malen op één dag, nu eens in ijskoude schuren, dan weer onder verzengende hitte. Nu eens gaat de reis onder de brandende zonnestralen, dan worstelende tegen sneeuw en hageljachten, kortom eene herhaling van hetgeen de Apostel aan de Corinthiërs schrijft: âIn arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid, en zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de gemeenten.quot; Is het wonder, dat ook de krachtigste naturen hier spoedig geknakt worden, dat ook de vurigste toewijding vaak met moedeloosheid te kampen heeft? Is hot geen bewijs van Gods wonderbare zorg, dat zulke gemeenten, die vaak slechts twee, drie malen \'sjaars bezocht worden, en al dien anderen tijd geheel aan zichzelf zijn overgelaten, zonder godsdienstoefening (want prediken mag in Rusland alléén een geordend en van Staatswege erkend leeraar), zonder Doop, zonder Avondmaal, zonder huis- en ziekenbezoek, en dat alles omringd door een fanatieke, domme, gewelddadige menigte van Grieksch-ortho-doxen, die de ketters op alle mogelijke wijze tegenstaan en kwellen â is het geen bewijs van Gods genade, dat zulke gemeenten nochtans in stand en in wezen blijven?
En toch, meent niet, dat ik u tot dusverre de donkerste en moeielijkste toestanden uit liet leven van een Russisch predikant heb geschilderd! Integendeel, evenals de Krim tot de schoonste en zonnigste gedeelten van het reusachtige Tzarenrijk behoort, zijn ook de verhoudingen daar nog het beat â al doen zij ook den slechtst-bezoldigden en ongunstigst-gelegen dorpspredikant van Nederland haast de haren te berge
â ISO -
rijzen! Neen, volgt mij dan nog eens naar het hooge Noorden van Rusland, en gij zult nog andere dingen vernemen! Daar woont een leeraar op zijn eenzamen wachtpost, die zich een arbeidsveld toevertrouwd ziet, grooter tlan Spanje in zijn hoogsten bloeitijd was! Weken lang gaat daar des zomers de zon niet onder, om des winters evenveel weken in het geheel niet op te gaan. Op een terrein anderhalf maal zoo groot als geheel Oostenrijk en Hongarije, heeft hij nauwelijks 4000 zielen voor zijne rekening, maar om die te bezoeken moet hij jaarlijks 12,000 kilometer afleggen. En dan hoe! De wegen zijn meestal erbarmelijk slecht. Nu eens tracht hij in een houten kar, zonder veeren, voort te komen, dan op een vlot de rivier af te zakken, dan weer op een ongezadeld paard de bosschen of moerassen te doorkruisen. Wanneer het niet meer mogelijk is een of andere hut te bereiken, moet hij eenvoudig op den grond slapen, vaak bij 40 graden koude, vaak bij eene ondraaglijke hitte, en steeds door onnoemelijk ongedierte gekweld. Is hij eindelijk zoo gelukkig een eenzame woning te ontdekken, dan gebeurt het vaak dat de fanatieke bewoner, in hem den ketter bespeurende, de deur voor hem gesloten houdt, en als hij beproeft in het hooi een. onderkomerf te zoeken, de wilde honden op hem loslaat. Zoo moet hij dikwijls twee, drie dagen zonder warm eten, menigmaal acht dagen en langer in de kleeren blijven â en kan hij, die altoos een goedgestudeerd, beschaafd man is, en die geheel vrijwillig deze ontzaglijke taak op zich genomen heeft, eens proefondervindelijk leeren, wat het zegt, zijnen Heiland het kruis na te dragen en aan den Heere waarlijk genoeg te hebben.
Denkt u zulke tochten eens in van een man, die vrouw en kind op duizenden uren afstands achterlaat, vaak 400 en 500 kilometer van den naastbij wonenden geneesheer of het eerste postkantoor verwijderd, geheel alléén in de meest onherbergzame natuur die er bestaat, en altoos door bekrompen orthodoxen omringd, die in hem niets dan een Godloochenaar en landsvijand zien ! En toch ontbreekt het ook op zulke tochten niet aan verblijdende en verkwikkende ontmoetingen. Daar de politie
- 181 -
in last heeft van dorp tot dorp bekend te maken, wanneer de Protestantsche leeraar in die en die plaats te wachten is, komen op den bestemden dag de geloovigen van alle kanten derwaarts samen. Menigmalen hebben zij van 50 tot 100 kilometer af te leggen, maar geen koude of hitte houdt hen terug. Vaak ontbreekt er op zulke bijeenkomsten niet één enkel gemeentelid â zij laten zich de vreugde niet rooven Gods Woord te hooren, de Sacramenten te ontvangen, en hun zieleherder eens de hand te drukken.
Meestal zijn er slechts weinigen. Het komt voor dat de gansche vergadering uit tien personen bestaat, en dan nog vaak geheel verschillend van taal, zoodat zij elkander absoluut niet begrijpen. Onlangs moest deze predikant, na een reis van 20 uren, voor zes personen preeken .in ... vijf talen: Finsch, Zweedsch, Duitsch, Esthnisch en Russisch. In twee, drie dagen moeten vaak de leerlingen onderwezen en aangenomen worden, en dan zijn de candidaten soms zóó onwetend, dat zij den naam âJezusquot; niet eens kennen! Denk u nu maar in, welke zielenooden een nauwgezet leeraar daar dóórmaken moet, en hoe zulke toestanden niet alleen lichamelijk, maar vooral ook geestelijk ondermijnen!
En dan de voortdurende angst wellicht aan een of ander dooplid der Grieksche Kerk, die dit misschien evenmin zelf weet als de leeraar, eenige kerkelijke plechtigheid te verrichten, waardoor men onmiddellijk aan de barbaarsche straffen der Russische Rijkswet blootstaat! Op zekeren dag is de predikant gereed weder zulk eene vooraf aangekondigde bezoekreis te ondernemen, toen hem een ijlbode bereikt, met dringend verzoek onmiddellijk aan eene doodkranke vrouw â 650 kilometer van daar â het Heilig Avondmaal te komen uitreiken. Hij zegt te zullen komen, zoodra hij kan-, doch eerst moet hij zilne afgesproken rondreize maken, waartoe hij wist dat men van alle kanten bezig was op te trekken. Eerst na eene maand komt hij ter bepaalder plaatse, en vindt buiten verwachting die vrouw nog levend; maar in den hevigsten zielenood! Haar einde voelende naderen, en door een brandend
- 182 -
verlangen naar \'t Heilig Avondmaal verteerd, had zij uit de handen van den Eussischen priester het Sacrament ontvangen, maar was daardoor ook voor altoos aan de Grieksche Kerk verbonden geworden; wanneer de leeraar haar nü nog de heilige teekenen had durven uitreiken, zou hij terstond in de gevangenis geworpen zijn; en nu meende de arme vrouw, dat zij haren Heer verloochend had, en dat er voor haar geene hoop meer was. Dag noch nacht had zij rust. Haar vurig verlangen haar nog vóór haren dood weer in den schoot der Evangelische Kerk op te nemen, mocht de leeraar niet inwilligen; maar hij weck niet van haar sterfbed, en in vrede is zij ontslapen.
Doch ook deze toestanden uit het hooge Noorden van Europeesch Rusland zijn nog rooskleurig en gemakkelijk, vergeleken bi] die van Siberië, zooals gij weet het gedeelte van Rusland, dat in Azië ligt. Hier worden de cijfers zóó ontzettend, dat gij aan phantastische droomerijen zoudt gaan denken, indien gij niet wist, dat zij slechts de kalme, eenvoudige waarheid uitdrukten. In het jaar 1850 zag zich een waardig, jong predikant de taak van herder van Oost-Siberië toevertrouwd, waardoor hij zich opeens geplaatst zag voor een kerspel van 9 millioen vierkante kilometer, dus heel wat grooter dan gansch Europa. En op die oppervlakte, uitgestrekter dan ons geheele werelddeel, woonden elfhonderd Protestanten, nog tot zes verschillende volken, elk met zijn eigen taal, behoorende. Nergens waren zij tot kleine gemeenten vereenigd; zij waren letterlijk allen over dit bijkans onafzienbare gebied uitgestrooid. Hier een enkele beambte, daar een of meer handwerkslieden, en verder voor \'t meerendeel verbannenen, die naar gelang van hunne straf, in de zout-, ijzer-, zilver- of goudmijnen moeten werken; dit laatste is zóó ontzettend, dat het met een langzamen, jaren gerekten marteldood gelijk is te stellen. De toestanden in de Siberische gevangenissen spotten met elke beschrijving, en de behandeling der rampzalige bannelingen, waarvan honderden jaarlijks op de meest willekeurige wijze, zonder vorm van proces, aan huis en kroost ontscheurd worden, zou iemand reeds door het lezen alléén nihilist kunnen
- 183 -
maken. En voegt daar nu nog bij, dat zelfs onder deze bannelingen de Protestant een voorwerp van afschuw is; dat de Siberische boer hem als een âongedoopten hondquot; beschouwt, met wien hij als orthodox geloovige niet den minsten omgang hebben wil, â dan kunt gij u het lijden onzer Gereformeerde of Luthersche medebroeders indenken, die, zij het nu schuldig of onschuldig, naar deze ontzettende wildernissen verbannen worden. Laat mij u nog een en ander uit het dagboek van den reeds genoemden Siberischen leeraar mogen mededeelen!
Ongeveer einde Maart liet deze krachtige, gezonde broeder zijn jonge vrouw met hun lief kind in de stad Irkutsk achter, om een van zijne gewone rondreizen te ondernemen. Hij moest beginnen met het Baikalmeer over te trekken, dat nog geheel en al met een dikke ijskorst bedekt was. Met paard en slede ging het den 70 kilometer langen weg op, maar halverwege gekomen, bleek het, dat er geweldige spleten en scheuren in het ijs gekomen waren. Er zat niets anders op dan langs een paar meegenomen ladders het sidderende paard en de zware slede telkens over den gapenden afgrond heen te brengen, wat vaak niet zonder levensgevaar gelukte. Op die plaatsen is het Baikalmeer onmetelijk diep; men heeft er nog nooit den bodem kunnen peilen! Gelukkig bereikte hij des avonds den anderen oever, en nu ging het acht dagen lang door onafzienbare sneeuwvelden voort, totdat de rivier de Schilka bereikt was, waar het ijs reeds gesmolten was. De gouverneur van dit district verschafte den leeraar eene boot, en onder bescherming van drie Kozakken ging het nu eerst de Schilka en daarop de Amoer af, eene ontzaglijk groote rivier, die in den Stillen Oceaan uitloopt. Het zijn bijkans geheel en al onbewoonde streken, die men hier doortrekt, zoodat men voor verscheidene weken levensmiddelen meenemen moet. Na vijf weken raakten die op, en nu kwamen de reizigers in de grootste verlegenheid, daar hun het meegebrachte geld hier van geenerlei nut meer was. Zij bevonden zich te midden van reusachtige vlakten, die af en toe door nomaden bezocht worden, die geheel en al het gebruik van geld missen, omdat
- 18i -
ze er niets aan hebben. Geld is alleen onder eene beschaafde, gezeten bevolking bruikbaar, en die ontbreekt hier.
Negen dagen lang hadden zij niets te eten dan de visch die zij vingen; \'s morgens visch en \'s middags visch en \'s avonds visch â en dat nog vaak onder de grootste gevaren. Somtijds dreigde een woeste storm het ranke vaartuig in de bruisende golven te verslinden, dan weer hadden zij met volkomen windstilte te kampen, en moesten zij uren lang machteloos en doelloos blijven liggen. Eindelijk, eindelijk werd Nikolajewsk, aan de kust des Oceaans bereikt â en de leeraar kon zijn kuddeke gaan opzoeken. Drie volle maanden had hij, onder tallooze bezwaren, doorgebracht om zijne schapen te vinden, en toen hij er was, bleek het, dat de 25 zoogenaamde Protestanten geheel en al aan hun geloof vervreemd waren geworden, ten deele overgegaan tot de Grieksche Kerk, ten deele door jarenlange verwaarloozing opgegaan in zonde en werelddienst.
Nauwelijks begon, door trouwe zielzorg, dit kleine troepje een weinig te herleven, toen een juist vertrekkend zeilschip den trouwen herder weer meenam. Door de aan rotsen en klippen zoo gevaarlijke straat van Sachalin, waar drie weken op de onstuimige golven werden gesleten, kwam hij te Ajan, in het gebied der Jakoeten aan, waar zeven geloofsgenooten woonden. Onder hen bevond zich een Duitsche dokter, die reeds twee jaren met zijne bruid op een leeraar wachtte, en zich niet door een pope wilde laten inzegenen, omdat dan de kinderen onfeilbaar aan de Grieksche Kerk moesten vervallen. Juist stonden de twee gelieven, die niet, gelijk velen dan maar doen, ongehuwd met elkaar wilden leven, op het punt met een bloedend hart afscheid van elkander te nemen, toen God hun den predikant toezond en daardoor hun lang begeerd huwelijk mogelijk werd.
Van Ajan ging de tocht naar Jakoets, 1000 kilometer verder, een reis, die bijkans ongeloofelijk klinkt, ware het niet dat de vrome dienstknecht des Heeren haar zelf in alle eenvoudigheid beschreven had. Vierhonderd kilometer moesten te
- 185 -
paard worden afgelegd door woeste, onbewoonde bergstreken, nu eens langs gapende afgronden, dan weer over steile rotsgevaarten; nu eens door moerassen, waar men het paard tot aan den buik in de modder zag wegzinken, dan weer door hooggezwollen, woeste rivieren. Wekenlang in stroomenden regen, zonder ééne hut tot schuilplaats, zonder één menschelijk gelaat tot vertroosting. In Jakoets werden slechts vijf Protestanten aangetroffen; een godsdienstoefening, eene Avondmaalsviering â en weer snelt de leeraar verder naar de mijnen, om ook dilar aan een enkelen banneling, of eenzamen ambtenaar, de blijmare des Evangelies te brengen. Na zes maanden onafgebroken reizen, onder de ongehoordste vermoeienissen doorgebracht, werd het heimwee naar vrouw en kind zóó machtig, dat hij de terugreis aanvaardde. Door Gods goedheid kwam hij behouden in Irkoetsk terug. Nog geen honderd geloofsgenooten waren op dezen tocht bezocht geworden! En tot welken prijs! Is het wonder, dat onze arme broeders op zulke tochten vroegtijdig verslijten en verkwijnen?
Een geheel anderen aanblik vertoonen de Russische Oostzee-provinciën Lijfland, Esthland en Koerland, waarheen ik u thans ga verplaatsen, om ook van hare lijdensgeschiedenis u nog een en ander mede te deelen. Bijkans 1700 vierkante mijlen groot, dus ruim 2K maal zoo uitgestrekt als ons Vaderland, worden deze provinciën bijkans uitsluitend door Protestanten bewoond, waarvan verreweg de meesten tot de Luthersche Kerk behooren. Reeds vroeg heeft de Hervorming hier wortel geschoten, en bijkans zonder strijd ging nagenoeg de gansche bevolking tot de gezuiverde leer over. De twee meest gesproken talen zijn het Esthisch in hot Noorden, het Letthisch in het Zuiden; de Duitschers maken nauwelijks Vio deel der bevolking uit, maar al is hunne taal niet de heerschende, hun geest is het wel. En het is vooral de Duitsche adel, aan wien het grootste deel des lands toebehoort, en die dus vanzelf een overwegenden invloed uitoefent.
- 186 -
Nu ongeveer honderd jaren zijn deze streken bij het machtige Russische Rijk ingelijfd, dat thans â gelijk wij u weldra verhalen zullen â ook hier met geweld zijn geest wil opdringen en opdwingen; maar tot dusverre draagt alles een Germaanschen karaktertrek.
Vooral in het kerkelijk leven. Het zijn de oude, schoone Duitsche liederen, die gij, ofschoon in vreemde taal, in de bedehuizen hoort aanheffen; het is de Duitsche inrichting van den cultus, die u dadelijk in deze streken den invloed der Hervorming doet bespeuren. En welk een bloeiend kerkelijk leven treft gij er aan! Bijbel, Catechismus en Gezangboek zijn niet alleen kerk-, maar ook school- en huisboeken; eiken dag verzamelt zich het gansche huisgezin, zoowel bij den edelman als bij den daglooner, rondom Gods Woord, en acht dagen lang worden, bij het naderen des Fleiligen Avondmaals, korte avondgodsdienstoefeningen gehouden, waarbij de ouderlingen der Gemeente voorgaan.
Liefelijk is ook de gewoonte des volks, bij de lijken hunner afgestorvenen te waken en opstandingsliederen rondom hun stoffelijk overschot aan te heffen, totdat zij het in de blijde hope des eeuwigen levens ten grave brengen.
Nu is het toch verschrikkelijk te vernemen hoe deze bloeiende Kerken, die met zeldzamen ijver haar kudde naar den Woorde Gods besturen, door de Russen verdrukt worden, die nog geen twee percent der gansche bevolking uitmaken! Deze liefelijke planting des Heeren heeft thans een strijd op leven en dood te doorstaan tegen de verbonden kerkelijke en staatkundige machten van het overheerschende Rusland, dat in elk opzicht heneden zijn slachtoffer staat. Geen dommer geestelijken dan de popen, geen doodiger eeredienst dan die der Grieksche Kerk, geen tyrannischer lichaam dan haar zoogenaamde âHeilige Synodequot;, in alles gesteund door eene even willekeurige als hardvochtige Regeering.
Toen Peter de Groote, van Zweden en Polen, deze bloeiende provinciën overnam en bij zijn machtig Rijk voegde, werden de oude privilegiën, met name de onbe-
- 187 -
perkte en onbelemmerde uitoefening der Luthersche en Gereformeerde Religie, uitdrukkelijk herhaald en bevestigd; alléén werd ook vrijheid voor de Grieksche belijdenis gestipuleerd. Nu, dat was bij den overwinnaar begrijpelijk, en daar hadden de nieuwe onderdanen ook niets tegen. Een Protestant is van huis uit verdraagzaam. In onderscheiding met het overige Rusland, waar elke andere godsdienst naast de Orthodoxe Staatskerk slechts geduld wordt, had hier in de Baltische provinciën dus het Protestantisme van den beginne af aan, volkomen gelijke rechten met de Grieksche Kerk. De plechtigste eeden en de meest duidelijke bevelen der Tzaren hebben dit bekrachtigd.
En wat doet nu de Regeering?
Beginnen wij met de materiëéle, stoffelijke plagerijen. Eene rijkswet maakt op éénmaal aan alle pastorie- en kerkegoe-deren een einde. De Tzaar beveelt, dat alle land verkocht en de opbrengst in Russische papieren moet belegd worden. Wie de willekeur der Russische ministers van financiën, hun onbegrensde willekeur kent, weet, dat dit reeds een zware slag moet heeten.
Daarop komt een bevel, dat de stichting van elke nieuwe Protestantsche Kerk, ja zelfs maar de reparatie van bestaande gebouwen, voortaan af zou hangen van de toestemming der Grieksche geestelijkheid! Verbeeld u, een handjevol onverdraagzame priesters kunnen nu eeno vijftigmaal sterkere bevolking, die hen in alles overtreft, naar willekeur ringelooren!
Daarop wordt een decreet uitgevaardigd, dat elk stuk lands, aan wien ook toebehoorende, waar men eene orthodoxe kerk wil bouwen, onmiddellijk onteigend moet worden, en dat een ieder die aan de Luthersche Kerk grondrente schuldig is, daarvan dadelijk vrij komt, zoodra hij tot de Staatskerk overtreedt â een premie dus op den overgang, die maar al te zeer achterstallige of luie betalers aan moest trekken.
Maar nog veel meer dan deze stoffelijke verliezen, die ten deele nog door verhoogde offervaardigheid zijn goed te maken, moet men de dwangmaatregelen noemen, die sedert
- 188 -
het begin dezer eeuw hoe langer hoe meer in het innerlijk leven der gemeenten ingrijpen. ïot aan het jaar 1825 was een ieder volkomen vrij geweest zijne kinderen te laten doopen waar men wilde; bij een gemengd huwelijk moesten en mochten de ouders zeiven beslissen, tot welke Kerk hun kroost zou behooren. Maar toen in het genoemde jaar Keizer Nicolaas II den troon besteeg, begon de Eegeering zijn lieve-lingswensch met alle macht na te streven: âEén geloof, ée\'ne icet, eene taal voor \'t geheele Eijk,quot; en of men nu te doen had met de oproerige, Roomsche Polen of met de altoos vreedzame, rustige inwoners der Oostzee-provinciën â het keizerlijk fanatisme woedde met gelijke kracht tegen allen, die het waagden iets anders te gelooven of te wenschen dan Zijne Majesteit. En de eerste daad des Keizers was dan ook, met vertrapping van alle wettige rechten en plechtige eeden zijner voorvaderen, aan de Protestantsche Kerk in Koerland, Lijfland en Esthland met één pennestreek hare zelfstandigheid te ontnemen en haar tot eene gedulde en gesmade sekte te verlagen. De eenige weWig-bestaande Kerk was voortaan de Grieksche. De dwingeland gaf bovendien bevel, dat alle tegenstrevende Luthersche predikanten âzonder gerechtszitting tot zwijgen gebracht moesten worden,quot; iets waar men door levenslange opsluiting in een afgelegen kerkerhol, of door verbanning naar Siberië, wel aan wist te voldoen. Tot in \'t jaar 1870 kon een ieder die door woord of geschrift poogde een lid der Grieksche Kerk tot overgang te bewegen, met den knoet gegeeseld worden, en in elk geval werd hij â en wordt hij nóg â naar den kerker of naar de mijnen gezonden. Wie een kind, waarvan één der ouders Grieksch is, doopt, gaat in de gevangenis, ook al kan hij bewijzen het niet geweten te hebben. quot;Wanneer orthodoxe ouders hun kind bij een Protestantsch geestelijke laten leeren, gaan zij 1K jaar in den kerker en wordt hun kind hun ontnomen. Een gemengd huwelijk heet âhoererijquot;, wanneer het niet in de Grieksche Kerk gesloten wordt, wat vanzelf in zich sluic, dat alle kinderen Grieksch gedoopt moeten worden.
- 189 -
Tegenover de onwetendheid der Russische jeugd, die met een weinig lezen en veel kerkelijke ceremoniën (waaronder het vereeren der heiligenbeelden eene eerste plaats inneemt) volleerd is, steekt het voortreffelijk onderwijs der Duitsch-Russische onderdanen allergunstigst af. Een eigen goede school te onderhouden, was hun nooit te kostbaar. En wat doet nu de Regeering? Zij beveelt op eiken schooltijd door een Russischen pope in de school eene godsdienstles te laten geven, ook al is er niet één dooplid der Grieksche Kerk aanwezig, en geen leerling mag deze lessen verzuimen. En bij het examen, zonder hetwelk geen kind de school mag verlaten, bekleedt het onderzoek in den Griekschen godsdienst eene voorname plaats, zoodat Lutherschen en Gereformeerden gedicongen worden al die bijgeloovigheden en dwaasheden aan hun kroost te laten inprenten, al verfoeien zij die ook in het diepst hunner ziel!
Op de z. g. âkroonfeestdagenquot;, de geboorte- en doopfeest-dagen van de leden van het Keizerlijke Huis, worden de leeraars van alle scholen verplicht de kerkelijke viering in de Russische Kerk bij te wonen, al stuit hun ook alles wat daar plaats heeft, vooral de Mis en de Mariavereering, onuitstaanbaar tegen de borst. Voor gemoedsbezwaren heeft Rusland drie heerlijke geneesmiddelen: geldboete, kerkerstraf en Siberië.
Maar niet alleen door zulke âindirectequot; lokstemmen tot de Orthodoxe Kerk, ook door directe bekeeringsmiddelen poogt de Staatskerk haar ledental in de Oostzee-provinciën uit te breiden. Bij de herhaaldelijk heerschende hongersnooden werd overvloed van koren aan allen, maar aan die ook alleen gegeven, die . . . zich bekeerden, en zóó groot was de toevloed der arme verhongerden, dat allerwegen de herbergen tot zoogenaamde âvliegende kerkenquot; werden ingericht, om de be-klagenswaardigen door de âheilige zalvingquot; in den schoot der Orthodoxe Kerk op te nemen. Als overmaat van gemeenheid lieten de priesters hun nog eerst zweren, dat zij geheel vrijwillig en zonder e\'énige hijgedachte aan aardsche voordeelen hunne Luthersche dwaalleer verlieten â om hun menigmaal, als
1
- 190 -
zij eenmaal gevangen waren, het beloofde niet eens te schenken!
Om er nog meeréleren te lokken, gaf men den lieden verlof, hunne oude bijbels en gezangboeken te behouden, hield een poos de heiligenbeelden en reliquieën terug, om zoodoende den indruk te wekken {die ook officieel door de geestelijken gevoed werd), dat er bijna geen verschil was tusschen de oud-vaderlijke en de Grieksche religie. Maar weldra kwam de rechte tijgeraard te voorschijn! Wie eens gezalfd was (het middel van opneming in den orthodoxen godsdienst) blijft met zijn gansche gezin tot in eeuwigheid bij de Staatskerk, en met ijzeren vuist wordt elke poging tot terugkeer door gevangenis, boete en ballingschap volkomen onmogelijk gemaakt.
Welk eene smart wordt daar in tien duizenden harten geleden! Waarlijk, indien ergens, dan kan men hier van eene âKerk onder het kruisquot; spreken! Men is niet voor niets drie eeuwen onder de beademing van het Evangelie, en gij kunt u begrijpen, hoe velen weldra innig berouw hadden van hun overgang, onder de bedreigingen van honger en kerkerstraf gedaan! Hoe menige moeder, kraamvrouw vaak met haar kind van drie, vier dagen, wier man destijds uit honger, of in dronkenschap, of hoe dan ook verleid, was âovergegaan,quot;
is uren ver over sneeuw en ijs gevlucht, om haar zuigeling aan den Doop des priesters te onttrekken, â de arme, die niet begreep dat geen predikant haar lieveling doopen mocht, op straffe van verbanning, en dat zij eveneens geeseling en kerkerstraf beliep, door het kind aan den pope te onthouden!
Welk een onmogelijke toestand voor getrouwe leeraren, die toch óók in hun Bijbel lezen: âMen moet Gode meer gehoorzamen dan menschen,quot; en telkens gevaar loopen door hun eenvou-digen plicht te doen, van huisgezin en werkkring te worden weggerukt!
Denkt u zulk een berouwhebbenden bekeerling eens in!
Daar komt hij met de smeekende bede tot zijn leeraar (want zoo is hij hem Wijven beschouwen!), hem tot het Heilig Avondmaal toe te laten; hij gruwt van de bijgeloovigheden der Mis en van het komediespel der priesters; hij weet, dat
- 191 -
hij zonde doet haar bij te wonen, hij vreest zich een oordeel te zullen eten .... maar de leeraar wijst hem terug. Hij mag het hem niet geven! De ander blijft echter aanhouden, telkens en telkens weer! âAch/\' roept hij uit, âzijt gij een herder? Gij zijt een huurling! Waarom laat gij mij, arme, versmachten? Zijn wij dan slechter dan de heidenen, aan wie gij toch Woord en Sacrament brengt? Slechter dan de moordenaar aan het kruis? Kunt gij het voor God verantwoorden, dat gij mij blijft weigeren?quot; â Of daar gaat een overgetreden Luthersche (men noemt dezulken reconvertiten), den leeraar onbekend, met de andere gemeenteleden aan het Avondmaal. Daarna treedt hij op den dienaar toe en zegt; âIk kwam tot den Disch des Heeren met vreezen en beven, ik had mijn Heiland verloochend, maar nü voel ik mij begenadigd, en dank den Heere!quot; Wat moet de predikant dan doen? Dien broeder aangeven bij de rechtbank als een misdadiger, want hij heeft tegen de Staatswet gezondigd, en zoo niet, dan komt hij zelf in de gevangenis! O vrienden! bidt ook eens voor die arme, verdrukte leeraren, wien altoos het Damocles-zwaard boven het hoofd hangt, en die waarlijk in toestanden verkeeren, die ons hart kunnen doen breken van medelijden en ontzetting.
Onder de regeering van den milden en zachtmoedigen ïzaar Alexander II werd de hardheid dezer bepalingen nog zooveel mogelijk verzacht; de herhaalde vertoogen van de Evangelische Alliantie, evenals van den ouden Keizer Wilhelm van Duitschland, bleven niet zonder uitwerking. Maar sedert deze Vorst in 1881 door de nihilisten vermoord werd, en in zijn zoon Alexander III een even dom als fanatiek regent op den troon is gekomen, gaat de vervolging onafgebroken haren gang. Zoo heeft deze Tzaar eenvoudig alle gemengde huwelijken, door Luthersche geestelijken ingezegend, voor onwettig en dus alle daaruit geboren kinderen voor onecht verklaard, tenzij de echtelieden (die soms hun zilveren, ja gouden bruiloft reeds gevierd hadden!) zich opnieuw door den pope lieten overtrouwen!
Offlciüel, met medeweten en goedkeuring der keizerlijke
- 192 -
beambten, wordt het aan visch- en wilddieven vergund met hunne strooperijen voort te gaan, wanneer zij orthodox worden, terwijl Luthersche stroopers, tegelijkertijd met hen gepakt, openlijk gegwsM worden, wanneer zij niet willen overtreden. Brutaalweg leert men op de scholen, dat de Tzaar weldra aan al zijne onderdanen land ten geschenke zal geven, mits zij met hem van één geloof zijn.
Een gunsteling der regeering, een zekere Kolning, mag straffeloos hot volgende verkondigen; âDe Protestanten zijn zielemoorders. Satanskinderen zonder Heiland, wier God â wij schromen zijne woorden uit te spreken! â een oud Jodenpaard en wier Jezus een kat is; honden zijn ze, die geen deel hebben aan het heiligdom; Luther was vader van zes onechte kinderen, en wie aan zijn Bijbel gelooft, is vervloekt.quot; Terwijl deze laaghartige lasteraar, toen hij om deze in \'t publiek gesproken woorden, voor de rechtbank gedaagd werd, vrij werd gesproken, werden arme Lutherschen, die binnenshuis zich over de vervolging der Grieksche Kerk beklaagd hadden, op de aanklacht van een dronken orthodoxe, die dit gesprek had afgeluisterd, tot zware straffen veroordeeld. Wat dunkt u, mijne Hoorders, is het wonder, dat er in Rusland nihilisten zijn?
Van welk gehalte vele, zeer vele popen zijn, is algemeen bekend. Er zijn geen grooter brandewijndrinkers dan zij, en een spreekwoord, waarin het arme uitgezogen volk uitdrukt hoe machteloos het is, luidt: âVadertje (dat is dan de priester) is dronken, en de Tzaar woont ver weg.quot; Een klein staaltje van hunne waarheidsliefde! Een Luthersch soldaat komt met zijn meisje bij den predikant, met verzoek hun huwelijk te willen inzegenen. De leeraar zegt, dat hij dit niet doen mag, daar de andere eerst zijn dienstjaren vervullen moet. Verdrietig gaan de jongelieden naar den pope, met de vraag, âof/»}\'hen niet helpen kan?quot; âZeker,quot; luidt het antwoord, âdie Luthersche ketters plagen een mensch ook met allerlei formaliteiten! Maar eerst moet gij overkomen tot onze Kerk.quot; De soldaat, verlokt door de spaarduiten van zijn meisje, het meisje misschien niet afkeerig van het huwelijksleven, stemmen toe; zij worden
- 193 -
gezalfd, en in de Orthodoxe Kerk opgenomen â maar nü zegt de pope: âTrouwen mag ik u eerst, als gij soldaat-af zijt. Eerst uw dienstjaren uitdienen!quot; Op deze wijze had de vrome schurk weer twee zieltjes voor zijne Kerk gewonnen.
En zulke praktijken worden niet alleen van hooger hand niet veroordeeld, neen aangemoedigd en geprezen! Op alle mogelijke wijzen wordt den rustigen, eerlijken burger liet leven verbitterd, alleen omdat hij niet Grieksch-Orthodox wil zijn! Een bevel van den Minister van Binnenlandsche Zaken verbood in 1886 aan allen, die niet den Griekschen godsdienst belijden, kransen bij de begrafenis hunner afgestorvenen te gebruiken â een bevel te harder, omdat het daar te lande algemeen gebruikelijk is, en het nalaten er van als oneerbiedigheid jegens de dooden wordt beschouwd. De Minister zeide, dat de openbare meening (N.B. in een overwegend Protestantsche streek!) bij de leden der Staatskerk dit dragen van kransen door ketters niet gedoogde. Ten gevolge van dit voorschrift heeft men dan ook reeds in den grafkuil neergelaten doodkisten weer opgetrokken, om er eerst door een politieagent de kransen te laten afrukken!
Een rijk grondeigenaar laat op een hem toebehoorenden heuvel, voor de talrijke, onverzorgde geloofsgenooten uit dien omtrek, een Luthersch bedehuis neerzetten. Toen men tot op het dak na gereed is, komt er een bevel den bouw te staken, omdat de orthodoxe geestelijkheid dien grond noodig heeft. De eerwaardige priesters begrepen, dat het verstandiger was een heuvel met dan zonder een kerk te stelen. Een onderteekenaar van een ernstig protest tegen deze onrechtvaardigheid wordt in den kerker geworpen, en hoewel er slechts zeven Grieksch-Orthodoxen in die plaats wonen, wordt hun de met Protestantsch gold, op Protestantschen grond, voor Protestanten gebouwde kerk, toegewezen! Nog eens, is het wonder, dat er in Rusland nihilisten gevonden worden? En wat dunkt u, zou het zoo onbegrijpelijk zijn, ja zou het niet door de Christelijke liefde geboden zijn, wanneer, gelijk in vorige eeuwen geregeld gebeden werd voor allen die âonder den Paus en den Turkquot;
13
- 194 -
moesten zuchten, in onze dagen smeekingen werden opgezonden voor de verdrukte broeders in Rusland?
Laat mij u nog ten slotte eene kleine geschiedenis mogen verhalen, die nog maar enkele jaren geleden heeft plaats gegrepen. Zij toont u de gevolgen in het dagelljksche leven van die verschillende harde wetsbepalingen, van welke wij u melding hebben gemaakt. Toen de Grieksch-Orthodoxe bisschop Donat in \'t jaar 1885 op eene offidëele rondreis ook de stad Palzmar in Lijfland bezocht, werd hij door een groot getal boeren, altemaal zoogenaamde âreconvertiten,quot; bekeerlingen tot de Russische Kerk, bestormd, die zeiven, of wier ouders indertijd, door den nood gedrongen, of dooide fraaie en leugenachtige beloften der priesters verlokt, tot de Staatskerk waren overgegaan, maar die allen ten innigste aan hunne Luthersche moederkerk gehecht gebleven waren. Hun dringend verzoek, dat zij daartoe mochten wederkeeren, werd niet alleen beslist afgeivezen, maar hun geantwoord, dat als zij niet bij het geloof van den Tzaar bleven, deze hun leeraar Brandt, een herder dien zij innig liefhadden, hun ontnemen zou. âIn dit geval,quot; zeiden zij, âhebben wij Gods Woord nog, en dan zal de Heer ook verder zorgen.quot;
Onder de smeekelingen, die met dit verzoek tot den bisschop gekomen waren, bevond zich ook een 22-jarig Lettisch boerenmeisje, Anna Kurksemneeks genaamd, die Luthersch gedoopt en opgevoed was, maar door den dood van haar vader, die zich in dronkenschap had laten zalven, nu ook voor altoos aan de Russische Kerk was vastgeketend. Als eenig antwoord op hare smeekingen zond haar de bisschop een heiligenbeeld, met bevel maar veel tot de maagd Maria te bidden. Zij weigerde echter dat beeld aan te nemen, zeggende, dat zij elk oogenblik toegang had tot God in den hemel, en dan met Maria niets te maken had. Daarop zei de bisschop, dat hij haar de zonden vergeven wilde, als zij maar toegaf, maar zij antwoordde dat haar genadige Heiland haar al hare schulden kwijtgescholden had. Toen dreigden de priesters haar met de ongenade des Keizers, waarop zy antwoordde, dat de Keizer haar wèl haar
leven, maar niet haar geloof ontnemen kon. En daarop joegen de popen haar de deur uit.
Vernemende dat de Keizer juist strenge strafbepalingen tegenover zulke afvalligen als zij, had uitgevaardigd, schreef zij hem den volgenden smeekbrief, dien zij geheel uit zich-zelve en alléén heeft opgesteld, en dien ook hare zuster mede onderteekende.
âMachtige, allergenadigste Heer en Keizer!
âIn diepen ootmoed vallen wij Uwe Majesteit te voet. Zie ons aan in onze nederigheid, en laat een straal uwer genade ons beschijnen!
âOnze vader heeft in een ongelukkig oogenblik zijn geloof verzaakt, wat hij later onder diepe smart betreurd heeft. Daarom houden wij het voor onzen duren plicht aan ons Luthersch geloof trouw te blijven, omdat wij daarin alleen vrede voor onze ziel kunnen vinden. Maar de Russische priesters willen ons met geweld tot hun geloof dwingen, hoewel wij van kindsbeen af tot de Luthersche Kerk behoord hebben. Zij willen niet hooren naar het smeeken van onze bedroefde harten, maar bedreigen ons met strenge straf. Erbarm u daarom over ons, machtige Heer en Keizer! en vergun ons bij de belijdenis onzer vaderen te blijven. Indien gij ons dat verbiedt, moeten wij zonder Kerk, zonder onderwijzing uit Gods quot;Woord, zonder Sacrament leven, want wij hebben voor Gods aangezicht gezworen ons geloof nooit op te geven. God heeft dat gehoord, o hoor ook gij het, genadige Vorst! Van uwe machtige lippen een vreugdewekkend woordje afwachtend, blijven wij van Uwe Majesteit de aller-onderdanigste dienaressen
Anna Kurksemneeks en Sanne Eudvik
geb. Kurksemneeks.quot;
Wat was nu het antwoord op deze waarlijk aandoenlijke smeekstem van twee eenvoudige Lijflandsche vrouwen?
Een officier der gendarmerie neemt onverwijld den leeraar
- 196 -
Brandt â die met dit request niets te maken heeft gehad â uit huis en gemeente weg; op persoonlijk bevel van den Keizer wordt hij van ziin ambt ontzet, en naar Smolensk verbannen. Schoolmeester Abel, die een vriend en verdediger van Brandt had durven zijn, en de ongerechtigheid van deze maatregelen had uitgesproken, wordt als staatkundig misdadiger in de gevangenis van Riga gestopt, en na vele weken onder het gemeenste geboefte te hebben gezeten, ongeschikt verklaard ooit weer een school te besturen. Anna Kurksemneeks werd ernstig bestraft voor hare brutaliteit aan den Keizer te schrijven, maar voor de rechtbank had zij niets anders te betuigen dan dit eene: âIk ben bereid den Tzaar alles te geven wat ik heb, ook mijn leven\\ maar mijn hart en mijn rjeloof niet, want die hooren mijnen Grod toe.quot; Wat er verder met haar gebeurd is, weet ik niet, maar dat zij verder geen gemakkelijken weg heeft gehad, mag men wèl veronderstellen!
En hiermede nemen wij afscheid van de Protestantsche Kerken in Rusland. Ontzaglijk veel is er uit dit alles te leeren. Ook voor het reusachtig Tzarenrijk zelf! Want een kind kan het zien, en alleen de opzettelijke blindheid der Russische regeering kan het nog voorbijgaan, dat al deze dwangmaatregelen aan Slaat en Staatskerk slechts schade berokkenen. Geloofsvervolging leidt altoos tot versterking der bedrukten, en tot verzwakking der verdrukkers. Spanje, eenmaal het machtigste Rijk van Europa, heeft zichzelf tot een zwakken, innerlijk krachteloozen Staat gemaakt, door de Evangelischen te vuur en te zwaard te vervolgen, terwijl het kleine, verdrukte hoopke Gereformeerden tot de bloeiendste Republiek is geworden, die er ooit heeft bestaan. Terwijl de Baltische provinciën op alle mogelijke wijzen vervolgd worden, bloeit er de Luthersche Kerk onder den druk, terwijl 10 maal zooveel onderdanen van den Tzaar, als er met geweld tot de Grieksche Kerk bekeerd worden, van die Kerk afvallen om tot de Stundisten (eene zeer talrijke sekte) of tot de Mohammedanen over te gaan. En niet te berekenen is de schade, die
het toch reeds zoo felbesprongen Keizerrijk zichzelf berokkent, door zijn trouwste en beste onderdanen, aldus in het heiligste wat zij hebben, te kwetsen en noodeloos te verbitteren. Wanneer straks eene Revolutie uitbreekt, die door geen miliioenen soldaten meer te bedwingen zal zijn, waarbij alle opstanden van Polen, en alle aanslagen van nihilisten slechts kinderspel zijn zullen, zal de Regoering het zichzelve te wijten hebben. Wie het kruit in altoos grooter hoeveelheden opstapelt, en nochtans voortgaat zijn vredespijp te rooken, zij niet verbaasd als eenmaal alles uit elkander spat. Nu, voor den vrede van Europa, evenals voor het geluk der onderdanen, zou het een zegen zijn, wanneer dat barbaarsche despotenrijk in een twintigtal koninkrijken werd opgelost!
Maar ook voor ons, Protestanten, is het leerrijk op deze droevige vervolgingen te letten, en op te merken, wat zij ons te zeggen hebben. De Grieksche Kerk kent evenmin als de Roomsche de vrijheid, en de historie leert altoos en overal, dat waar de vrijheid vertreden wordt, de eeuwige beginselen van Gods ordeningen zich slechts door vreeselljke schuddingen en katastrophen baan breken. Tegenover deze beide Kerken, die elk op hare wijze, maar toch in menig opzicht langs denzelfden weg, n.1. dien van dwang en gewéld, hare Katholiciteit, hare algemeengoldigheid trachten op te leggen, brengt de Hervorming geene andere, even sterke organisatie, maar slechts een beginsel, namelijk de macht des Woords, van dat Woord, dat de wereld geschapen heeft, en haar nu verder ordent en beheerscht. En tegenover elke poging de waarheid door middelen van aardsche willekeur, met het oog op wereldsch succes te doen groot en machtig worden, stelt de Bijbelsche, de Protestantsche, de Gereformeerde opvatting, altoos weer als alles beheerschende voorwaarde: persoonlijke bekeering, zonder welke ook de schoonste Belijdenis een ijdele klank, en de voortreffelijkste Kerkinrichting een ledig kader is.
O, mijne Hoorders! mogen wij onze hooge verantwoordelijkheid als Protestantsche Christenen beseffen! Vergeleken bij onze broeders in Rusland, hebben wij onmetelijke voordeelen.
- 198 -
Geen vorstenwil drukt als een looden juk op onze kerkelijke vrijheid; integendeel, wij zien onze Koninginnen voorgaan in het eeren onzer kerkelijke tradition. Geen lichaam als de âallerheiligste Synodequot; van Rusland grijpt in ons maatschappelijk en huiselijk leven met schennende hand in. En toch dreigen ons groote gevaren! Dezelfde vrees, die in het Rijk van den Tzaar alle heil doet verwachten van ééne machtige, alles omvattende Staatskerk, de vrees voor revolutie en socialisme, begint ook ten onzent naar eene soortgelijke macht te doen omzien. Voor den één schijnt die bij Rome te vinden, dat met zijn fictieve eenheid aan velen eene reddende arke Noachs belooft te zullen zijn, voor den ander de alles regelende, alles besturende, alles verzorgende neutrale Staat, die met zijn âChristendom boven geloofsverdeeldheidquot;, en zijne âChristelijke en maatschappelijke deugdenquot;, evengoed pauselijk en dwingend te werk zal gaan, als de Kerk van Rome, wanneer gij, o Gereformeerden! niet tegen beide gevaren uw waarlijk proefhoudend beginsel stelt en beoefent: steunende op Gods Woord de vrijheid te verdedigen. Zoodra wij dit ons hoogheilig beginsel verlaten, zijn we zwak en machteloos tegenover eiken vijand. Wat van God afvalt, moet zelf óók vallen, maar wie op Hem betrouwt, heeft ook de toekomst.
Ik zeg niet de naaste toekomst! Wellicht zullen wij, na eene mislukte poging van Staatsalmacht en sociale hervorming, eerst nog eene nieuwe overheersching van het Katholicisme tegengaan, dat juist, omdat het nog altoos enkele elementen des geloofs in zich bevat, oneindig krachtiger is dan de macht van bajonet en gelooflooze wetenschap. Maar ten slotte moet en zal zich de vrijheid van een Christenmensch weer baan breken, omdat zij gegrond is in Christus, die toch voor alle raadselen en voor alle verwarring, de eenige ontknooping en oplossing is. Dit gaat echter alléén door lijden en smart. Dat ondervinden onze Russische geloofsgenooten, en, niet waar? wij nemen ons voor ook hen in onze voorbede op te nemen. Waarlijk, zij hebben het noodig, en zij smeeken er om. Maar dat ondervinden ook wij, vooral als wij wat dieper hebben
- 199 -
leeren zien, dan cle vaak zoo bedrieglijke schijn ons de dingen leert kennen, wanneer wij vaak met zuchten en innerlijke bekommernis onzen Heiland navolgen.
Nu, dan troosten wij ons met het woord uit Maleachi 3 : âJehovah is als het vuur van een goudsmid, en Hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende.quot; Onze God acht het noodig Zijne kinderen in den smeltoven binnen te leiden, maar Hii zit daarbij, toeziende, dat het geen oogenblik langer duurt dan het noodig is. En wanneer is de vrucht van dat lijden daar? Vraag het aan eiken goudsmid: zoodra alle onreinheid is weggedaan, en de kunstenaar zijne eigen beeltenis zuiver in de vloeiende massa weerspiegelen ziet. O, wanneer Christus Zijn beeld weer in Zijn lijdend volk mag aanschouwen, rekent er op, dan is ook het einde der beproeving gekomen, en dan gaat het kruis van den schouder af, dan gaat de gouden poort open, dan wordt de strijdende Kerk hierbeneden opgenomen in de triumfeerende Gemeente daarboven. En wie nu deze hoop heeft, reinigt zich en gordt zich de lendenen en bidt; Kom, ja kom, Heere Jezus! Dat zij door genade uw en mijn levensbede, en straks ook onze stervenstroost!
VII.
ROME EN HET EVANGELIE.
Mijne Hoorders /
Xlitgenoodigd om in dezen hooggeschatten kring een enkel woord te spreken, gelijk het geëerde Bestuur mij schreef, âover iets dat voor ons als Protestanten en als Nederlanders van belang is,quot; dacht het mij goed uit de historie en uit mijn eigen herinnering het een en ander mede te deelen over Rome en het Evangelie. Ik behoor namelijk, mijne Hoorders! tot de gelukkige stervelingen, die Rome hebben gezien, maar niet den paus; en laat mij er dadelijk aan toevoegen, dat ik over dat laatste geenerlei spijt gevoel. De gelegenheid werd mij wèl aangeboden, want Zijne vermeende Heiligheid gaf juist eene audiëntie aan ettelijke duizenden pelgrims , bij wie ik mij had kunnen aansluiten. Maar als gij wTeet dat men niet anders dan knielende voor dezen Kerkvorst verschijnen mag, en het als een bijzonder hooge eer wordt beschouwd \'s mans pantoffel te kussen, dan zal het u niet langer verwonderen dat ik als Protestant, nog wel als leeraar, allerminst behoefte gevoelde hem mijne opwachting te maken. Maar wèl beschouw ik het als een der grootste voorrechten mijns levens die oude, heilige stad te hebben betreden, en behalve naar Jeruzalem, dat mij boven alles waard zou zijn te aanschouwen, heb ik naar geene plaats zulk een vurig heimwee dan naar de hoofdstad van Italië.
Geen stad ter wereld waar zóó het antieke leven van twintig eeuwen hèr, dwars door het moderne leven van onzen tijd henengaat en henenloopt, dan in Rome. Gij staat bijv. op een tram â en gaat over eene brug henen, die wellicht door de voeten van den apostel Paulus betreden werd. Gij ziet u door eene electrische lamp beschenen â en leunt middelerwijl tegen eene zuil, die een der heidensche Keizers heeft opgericht. Gij wordt
- 204 -
liaast omvergeloopen door Ijsverkoopers, courantenjongens, karren en postwagens â en vijf schreden verder daalt ge in een onderaardschen kerker af, waar de eerste getuigen van Christus hun geloof hebben betuigd en bezegeld. Wat al veranderingen zijn er over deze eerwaardige wallen gekomen! In den nacht dei- sage verdwijnen figuren als Romulus en Remus, stichters der stad, de tweelingzonen van Rhea Sylvia, door eene wolvin gezoogd, en door een aantal koningen opgevolgd, wier fabelachtige daden even aantrekkelijk als ongeloofwaardig zijn. Daarna komen de Consuls, de Senaat, de Volkstribunen, en heel het bonte tafereel van een volk, dat zich gaandeweg ontwikkelt en tot vastheid van wetten en zeden geraakt.
Door machtige vijanden besprongen, werd de stad menig-malen ingenomen, verwoest, schijnbaar vernietigd, maar neen, altoos rijst zij weer machtiger en schooner uit hare puinhoopen op, altoos wijder spreidt zij hare vlerken uit, en steeds breeder wordt de kring, waar men siddert voor haren adelaar. De Aequiërs, Volsken, Etruskers en Galliërs worden onderworpen en cijnsbaar gemaakt, en hoog op het Kapitool, den schoonen berg waar nu het Paleis der Romeinsche Burgerij zich verheft, en waar nog altoos eene levende wolvin als stadswapen op stadskosten onderhouden wordt, zetelen de Senatoren, die straks aan heel de wereld bevelen geven. En als eindelijk de republikeinsche Staatsinrichting wijkt voor het Keizerrijk, en Augustus, en Tiberius, en Nero, en Vespasianus hunne reusachtige macht ontplooien, breidt Rome zich uit als het middelpunt der aarde en noemt het zich reeds âRoma aeterna,quot; het eeuwige Rome, bestemd alle tijden door te heerschen. Daarop komen de volksverhuizers, de Galliërs en de Germanen, de Hunnen en de Gothen â Rome wordt overstroomd door plunderende horden, verbrand, uitgemoord, en toch altoos komt het uit de hevigste stormen weer boven. Het Christendom heeft de banier des kruises geplant op de zeven heuvelen, waar eertijds de offers rookten ter eere van Mars en van Jupiter, en kerk na kerk verrijst op de grondslagen der oude heidensche tempels. De pausen worden meester van Rome
- 205 -
en vervullen de stad met palelzen en Godshuizen. Eeuwen lang zijn zi] de beheerschers van een aanzienlijk gebied, maar dat zij uitmergelen en verdrukken, alleen om hunne residentie groot te maken. De schatten van heel de wereld worden naar Rome gebracht, om de eere van Petrus\' gewaande opvolgers te verhoogen, en van uit hun Vatikaan met zijne 10,000 zalen zonden zij hunne bevelen aan heel de Christenheid. Zoo rollen de eeuwen voort, totdat eindelijk in \'t jaar 1870 de Italiaansche soldaten, onder aanvoering van Koning Victor Immanuël, den paus zijne wereldheerschappij ontnemen en hem alleen het Vatikaan met zijne tuinen en paleizen overlaten. Sedert dat oogenblik nam de bloei der stad een ongekende vlucht. Terwijl onder het pauselijk wanbestuur slechts voor den hoogen adel en de geestelijkheid werd gezorgd, terwijl het arme volk in ellendige krotten verkwijnde, werden sedert 1870 breede straten aangelegd, geheele stadswijken afgebroken en weder opgebouwd, en de reiziger, die nu aan het groote Centraalstation aankomt en zich van de drukte en het lawaai, aan alle groote steden eigen, omringd ziet, krijgt allerminst den indruk van in de hoofdstad der Katholieke wereld te zijn, in eene stad met over de 865 kerken, en met vele duizenden van monniken en geestelijken.
En toch â bij elke kennismaking, bij iedere wandeling door deze wondervolle residentie, valt het u op, dat gij hier in de bakermat van het Katholicisme zijt, en hoe meer gij het kerkelijke Rome leert kennen, hoe sterker het u opvalt hoe consequent het de oude heidensche traditiën heeft doorgetrokken. O mijne vrienden, welk een zegen, welk een voorrecht als Protestant dat heidensche Rome te mogen doorwandelen, en haast bij elke schrede het beklagenswaardigste bijgeloof aanschouwende, uwen God te mogen danken, dat gij Zijn heilig Woord moogt kennen en gehoorzamen! Onder de kostbaarste reliciuieën, die ik uit Rome heb medegebracht, behoort een Nieuw-Testamentje, door mij op de âPiazza di Spagnaquot; gekocht â op dat plein, waar de pausen zoo gaarne de âongeloovigenquot; lieten
â 206 -
terechtstellen, en met hun weelderigen hofstoet het voor een Eoomsch hart zoo stichtelijk schouwspel eener ketterverbranding kwamen gadeslaan.
Rome is zich van zijne slichting af alle eeuwen door gelijk gebleven in zijne onveranderlijke, onbedwingbare heerschzucht. Het heeft ten allen tijde willen gebieden. Sparta zocht zijne kracht in den fleren moed zijner zonen, en was tevreden met zijn eigen terrein te verdedigen. Athene verlangde slechts de heerschappij van den geest, en droomde van verovering noch wapenroem. Jeruzalem wilde het middelpunt zijn van den godsdienst en de natiën zien opgaan naar zijnen tempel om Jehovah te prijzen. Maar Rome heeft nooit anders gezocht dan geweld, dan heerschen door onderdrukken, gelijk zijn zinnebeeld, de adelaar, geen minderen vogel op zijne bergen naast zich duldt. Ik wil het u aantoonen met een voorbeeld uit het heidensche en een voorbeeld uit het Christelijke Eome, hoe de éöne historische lijn van geweld en verdrukking altijd door deze zoogenaamde âHeilige Stad\'\' is vastgehouden, om dan eindelijk te vragen; Wat staat ons nu als Protestanten tegenover deze vreeselijke, zichzelf altoos gelijkblijvende macht te doen?
Nooit vergeet ik den indruk, dien ik ontving, toen op eenS maal-, na eene wandeling door drukke en armoedige straten, de reusachtige bouwval van het Colosseum voor mij lag. Het valt moeielijk u een denkbeeld van de verbazende grootheid van dit theater te geven, maar gij zult er iets van vermoeden, als ik u zeg dat er ongeveer 100,000 toeschouwers een plaats konden vinden. Begonnen onder Keizer Vespasianus (69 - 79 na dir.), is het in \'t jaar SO onzer jaartelling door Keizer Titus voltooid, denzelfden heerscher, onder wien de stad Jeruzalem werd ingenomen en verwoest. Het heeft den vorm van eene ellips, eenen in de lengte uitgerekten cirkel, en de plaats, voor het worstelperk bestemd, is 82 Meter lang en 48 Meter breed. Daaromheen verhieven zich de eindelooze rijen zitplaatsen voor de toeschouwers, in vier verdiepingen met zuilengangen, zonder dak, maar door een reusachtig net van touwen overspannen , waarop men dan zeilen uitspreidde om de brandende
- 207 -
â¢zonnestralen af te weren. Soms ook liet men, bij groote hitte, welriekend water op de toeschouwers afdruppelen. Alles was met marmer ingelegd. De loges, de vertrekken der rijken, bovenal die voor den Keizer en zijne gunstelingen, waren met de prachtigste tapijten bevloerd en versierd. Kostbare beelden stonden op porfieren zuilen, en al wat de verfijnde weelde dier dagen had uitgedacht, was met kwistige hand daar aangebracht, zoodat dan ook het Colosseum te Rome, van al de duizenden circussen en theaters destijds over heel de beschaafde wereld verspreid, verreweg het schoonste en het meest bewonderde was.
Nog zag ik de groote gang, die, nadat men de arkaden der eerste verdieping doorgaat, langs den middelmuur henen-loopt, en die, van eene hooge balustrade voorzien, de toeschouwers tegen den tand der tijgers en leeuwen beschermde; nog zag ik de getraliede hokken, waarin deze woeste dieren bewaard werden, om dan door onderaardsche gangen in het striidperk gebracht, elkander te verscheuren, of de rampzalige slaven te verslinden, die daartoe in de arena gebracht werden. En hier zijn honderden, en nogmaals honderden, van onze broeders en zusters, om den naam en de belijdenis van Jezus Christus, ten aanschouwe van duizenden verdierlijkte âfeestvierendenquot;, door het zinkend heidendom vermoord. In netten genaaid op de horens van een dollen stier geworpen; door uitgehongerde hyena\'s en wolven verscheurd; door het zwaard van laaghartige slaven gemarteld, door de tanden van leeuwen en tijgers vermorzeld. O daar ging mij een rilling door de leden, ja ik wil het wel weten, de tranen liepen mij over de wangen, toen ik mijne voeten zette in dat worstelperk, en rondom mij de hooge muren, en gedeeltelijk nog de banken aanschouwde, van waaruit Keizers en Senatoren, met heel den verdierlijkten troep van een zinkend heidendom, neerzagen op den marteldood van Christus\' jongeren. Een gevoel van brandende schaamte overviel mij bij de gedachte: âAls gij eens geroepen werdt alzóó voor uwen Heiland te lijden, zoudt gij getrouw bevonden worden?quot; Maar ook een gevoel van haat, ja waarlijk van haat, tegenover dat gruwelijk ongeloof
- 208 -
dat daar tien duizenden van Jezus\' broeders en zusters aan de onmenschelijkste martelingen prijs heeft gegeven. O Rome, Rome, wat al ten hemel schreiende ongerechtigheid, wat al onuitsprekelijke Godslastering is er door uwe heidensche Keizers gewrocht en bevolen! Hoe heeft de Heere Christus de Zijnen gesterkt, en hun bloed gemaakt tot het zaad der Kerk! âWilt gij dan geene genade?quot; vroeg een heidensch rechter aan een aantal Christenen, die hij gaarne wilde redden. âIn een eerlijken strijd verlangt men geene genade,quot; was het antwoord, âwij sterven met vreugde voor onzen Heiland.quot; âIk dank U, Heere!quot; sprak bisschop Ignatius van Antiochië, toen hij zijn doodsbevel vernomen had, âik dank U, dat het U behaagt, mij te verwaardigen dit bewijs Uwer volkomene liefde te ontvangen,quot; en met een heilig verlangen snelde hij naar Rome om door de wilde dieren verscheurd te worden. Toen Polycarpus voor den stadhouder kwam, en deze hem toeriep; âVloek Christus, en gij zijt vrij!quot; antwoordde de grijsaard: âZes en tachtig jaren heb ik Hem gediend, en nooit heeft Hij mij eenig kwaad gedaan; hoe zou ik dan mijnen Koning en Heiland kunnen vloeken ?quot; En op den brandstapel, te midden der vlammen, hoorde men hem bidden: âO Vader van Uwen geliefden en hooggeloofden Zoon! ik dank U, dat Gij mij dezen dag en dit uur hebt waardig gekeurd, om deel te nemen aan het getal der martelaren, en aan den lijdensbeker Christi, tot opstanding van ziel en lichaam ten eeuwigen leven, in hetwelk ik heden worde opgenomen tot eene U welgevallige offerande.quot; Cyprianus, die zich eerst tot heil zijner gemeente aan de vervolging onttrokken had, gaf zich later vrijwillig gevangen, en ontving het bevel van zijnen dood met de woorden: âGeloofdzij God!quot; En terwijl de Romeinsche Keizers, die zich als God lieten aanbidden , omstuwd door schaamtelooze lichtekooien en bedrijvers van ontucht, die men zelfs met name niet kan noemen, naar de rampzalige martelaars kwamen zien in het worstelperk van het Colosseum, gingen zij met psalmen en liederen den hemel in, juichende in het vooruitzicht op de eeuwige kroon, die zij uit de hand van hunnen Heiland gingen ontvangen.
- 209 -
En zie â eindelijk, eindelijk viel het Heidendom inéén, en toen ook de kortstondige regeering van Juliaan den Afvallige in bloed was ondergegaan, had het Kruis overwonnen en werd het in Rome als middelpunt der Christenheid opgericht. Hoe meer de zedelijke macht der Romeinsche keizers, nu Christelijk geworden in naam, en thans evenzeer het heidendom vervolgend als zij het vroeger de Nazareners hadden gedaan â hoe meer hunne macht daalde, des te hooger rees die der pausen, oorspronkelijk niet meer dan bisschoppen der gemeente van Rome, volkomen gelijk met hunne ambtgenooten te Constantinopel, Antiochië en vele andere steden, maar gaandeweg met taaie volharding zich boven de anderen plaatsende, hun eigen gezag verhoogende, dat van anderen verkleinende, totdat zij reeds in het begin der Middeleeuwen de onzinnigste eischen onbeschaamd, ja als goddelijke bevelen, konden doen hooren. In het jaar 1870 werd slechts officiéél bevestigd en tot een leerstuk gestempeld, wat reeds eeuwenlang in de praktijk had gegolden; dat de paus, wanneer hij als hoofd der Kerk spreekt, onfeilbaar is, en zijne uitspraak met een bevel des almachtigen Gods eensluidend is.
Denkt u eens goed in, mijne vrienden, wat deze stelling eigenlijk in zich houdt\' Het bevel over al de legers van Europa schijnt van weinig beteekenis, bij hetgeen de paus over 180 a 200 millioen gewetens te zeggen heeft. Wat de grijsaard in het Vatikaan uitspreekt, is voor alle Katholieken eene levenswet. In de paleizen van Europa evenals in de hutten van Zuid-Amerika, in Senegal, Achter-Indië, IJsland of aan de Zuidpool, overal waar Katholieke zendelingen zijn uitgetrokken, beheerscht hij aller geweten! En zooals ik reeds zeide, dit is niet iets nieuws, eerst in 1870 uitgevonden, maar eeuwenlang is het de volkomen uitdrukking geweest van handel en wandel der pausen. Ofschoon er onder hen geweest zijn, die kinderen hadden in massa\'s, zoodat maltressen en lichtekooien alle pauselijke paleizen vulden, en heel de beschaafde wereld erkende, dat Rome door hoeren werd beheerscht en geregeerd, eischten zij voor hunne uitspraken een goddelijk gezag en voor hunne personen
14
- 210 -
een goddelijken eerbied. Innocentius III zag allo koninkrijken der aarde aan zijne voeten liggen en meende den levenden Christus te kunnen vervangen (1247), en Bonifacius VIII (1294-1303) sprak het in de bul âunam sanctamquot; uil, dat alle menschelljk schepsel den Roomschen paus onderworpen is.
En niet slechts bij groots woorden bepaalden zich deze gt;
gewaande opvolgers van Petrus! Deden zij iemand in den han, onmiddellijk verloor de zoodanige zijne burgerlijke rechten, en met de schijnheilige zinspreuk: âde Kerk vergiet geen bloedquot;
droegen de pausen de uitvoering hunner bloedige vonnissen over aan den maar al te gehoorzamen arm der burgerlijke Overheid. En wanneer â bijv. tegenover vorsten en geheele steden of staten â de ban niet hielp, dan was het zoogenaamde interdict een laatste middel, nooit falend in zijne werking; alsdan werd alle godsdienstige plechtigheid verboden, totdat vorst en volk deemoedig gehoorzaamheid beloofden. Dan werd geen klokgelui vernomen, geen sacrament bediend, geen zegen aan het graf door den priester gegeven, en weldra zag zich de weerspannige ^
vorst van al zijne onderdanen verlaten, zoodat hem niets anders overbleef dan als een deemoedig zondaar zich aan de genade Zijner Heiligheid over te geven. En alsof dit alles nog niet genoeg was, zetten de pausen aan hunne tirannie over de gewetens de kroon op door de instelling der Inquisitie, eene geloofsrechtbank, die eeuwenlang bestaan heeft, ja die nog bestaat, die nog den paus als haren voorzitter heeft, en naar wier brandstapels en kerkers het goed-Roomsche hart met weemoedig heimwee terugziet, en welk vervloekt college duizenden, tien duizenden,
honderd duizenden heeft geradbraakt, gehangen, gevierendeeld en gemarteld met martelingen, door Satan ingegeven en met satanischen wellust uitgevoerd. Voorwaar, het verwondert ons niet, dat onze vaderen, bij het licht der rookende brandstapels ?
en de verkoolde asch van hunne vrouwen en kinderen, den paus verklaarden tot het Beest uit de Openbaring en de zichtbaarwording op aarde van den Antichrist!
Behoef ik in dezen kring nog voorbeelden aan te halen,
uit onze eigen roemrijke historie ontleend? Denkt aan Jan den
- 211 -
Bakker uit Woerden, die, verdacht van ketterij, voor dit âheilig gerichtquot; niets anders te verklaren had dan deze woorden: âIk belijd dat ik een ellendig zondaar ben en daarom den eeuwigen dood waardig; maar ik hoop en vertrouw, dat ik door Jezus Christus, mijn Heer en Heiland, de eeuwige zaligheid gewis zal verkrijgen.quot; Zijn loon was de dood in de vlammen, en zijn laatste woord: âO Jezus Christus, Zoon van God! gedenk mijner, ontferm U mijner!quot; â en toen verstikte zijne stem in den rook. Denkt aan .... doch waar zou de tijd blijven, wanneer ik de namen wilde noemen van die allen, de edelsten van ons volk, die door het Roomsche geweld zijn verminkt, gekerkerd, gemarteld en gedood ? Gij kent onze martelaarsboeken. Protestanten ! en zoolang die nog gelezen worden, zal het niet worden vergeten, welk doorluchtig bloed hier gevloeid heeft, en hoe bijkans overal de grond, waarop wij gaan, en waarin men ons eenmaal ten grave zal nederleggen, gedrenkt is en geheiligd met het bloed on de tranen onzer voorvaderen, aan wie wel waarlijk het heilig bijbelwoord is vervuld: âZij hebben bespottingen en geeselen geproefd, en ook banden en gevangenissen ; zijn gesteenigd geworden, door het zwaard ter dood gebracht; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; welker de wereld niet waardig was; hebben in woestijnen gedoold, en opbergen, en in spelonken, en in de holen der aarde; en deze allen hebben door het geloof getuigenis gehad.quot;
Waarom nu zeggen wij deze dingen? Om haat en vijandschap te kweeken tegen onze Roomsche medeburgers? Xeen, maar om aan de waarheid getrouw te zijn! En terwijl wij niet vergeten, dat menige Katholiek ondanks de leer zijner Kerk een edel en humaan mensch is, ja dat er priesters zijn, die aan tal van orthodoxe leeraren ten voorbeeld gesteld kunnen worden in menig opzicht, ik zeg u, zij zijn dat alles ondanks hunne leer, want Rome verandert nooit, en blijft het als haar begeerlijkst ideaal beschouwen over de gewetens te heerschen. Hoe zij in Spanje huishouden, weet ieder, die het Evangelisatiewerk aldaar met aandacht volgt; kerkerstraf wacht nog een iegelijk die den Broodgod, als hij op straat voorbij wordt gedragen,
â 212 â
do goddelijke eer niet bewijst, en even onvoorzichtig als onbeschaamd zijn daar reeds herhaaldelijk stemmen opgegaan, die aandrongen op wederinvoering der Inquisitie. En hoe zij ook ten onzent winnen en het land met kloosters, en kerken, en scholen overdekken; hoe zij door elkander geld te verschaffen tegen geringe rente, magazijn aan magazijn trekken, en overal de beste waar tegen den geringsten prijs kunnen verkoopen, gesteund door de duizenden leegloopers, die hunne kloostermuren vullen; hoe wij gaandeweg Roomsche rechters, en Roomsche inspecteurs, en Roomsche notarissen krijgen; kortom hoe Rome met ieder jaar in ons Protestantsche Nederland aan invloed wint, kan ieder zien, die niet willens blind is, of die uit partijbelang zijne oogen niet gebruiken durft.
Rome is naar mijne innige overtuiging geene openharing, zij het ook eene zwakke en onzuivere, maar eene verbastering, eene verandering van het Evangelie. Rome en Evangelie zijn absolute tegenstellingen! In plaats van den hemelschen Koning der Kerk â een aardsche paus, met onfeilbare macht bekleed. In plaats van dienaren der gemeente, door haar verkozen, en met haar in alles onderworpen aan Gods Woord â kerkvorsten, kardinalen met koninklijk purper, bisschoppen en prelaten met prinselijke titels en voorrechten, ongenaakbaar hoog boven den nietigen leek verheven. In plaats van het tweetal Sacramenten, in de Schrift verordend en voorgeschreven â een zevental eigengemaakte: de priesterwijding, waardoor de macht wordt verkregen een stukjen ouwel in het waarachtig lichaam en bloed van Christus te veranderen; een doop, onmisbaar tot zaligheid; een vormsel, waardoor de geestelijke mensch gemaakt wordt door de hand van een bisschop; een avondmaal, zóó werktuiglijk dat zelfs een hond, die de heilige hostie opeet, moot worden aangebeden, want de Heere Christus zit nu in zijn lijf; een boete, die allesbehalve het bijbelsch begrip van boete heeft; het laatste oliesel, zonder hetwelk geen sterveling in den hemel komt; en eindelijk het huwelijk, dat den priesters als hoererij verboden wordt, nochtans als een sacrament verheerlijkt. In plaats van de Heilige Schrift, algenoegzaam
en onfeilbaar den weg des behouds aanwijzende â de kerkelijke overlevering, en de pauselijke uitspraken; en aan het volk feitelijk de Bijbel ontnomen, en in stede daarvan een Catechismus ingeprent, die de dierbaarste heilswaarheden vervalscht. In plaats van de Schriftuurlijke leer, dat de mensch van nature dood is in de zonden en misdaden â het gedrochtelijk stelsel, dat wij ons in den hemel kunnen bidden, en kunnen koopen door aflaten, en processies, geholpen door Maria en een ontel-baren drom heiligen. Het. huwelijk bespot, niet alleen door het gedwongen coelibaat der priesters, zoodat iemand, die den heiligen staat van dienstknecht Gods bereikt heeft, te hoog is voor dien staat, door God in het Paradijs ingesteld en door Jezus te Kana in Galilea geëerd, maar zoodat ook het kloosterleven, met al zijne onnoembare gruwelen, achter hooge muren straffeloos gepleegd, als het toppunt van Godewelgevalligheid wordt aangezien. In plaats van de aanbidding Gods in geest en in waarheid â een lange misdienst in eene onverstaanbare taal, een knielen voor houten en steenon poppen, en heel de onheilige bedriegerij met lachende, huilende, zegenende, bloedende en andere mirakelen verrichtende beelden. Honderd duizenden knielen neer voor een der talrijke rokken van Jezus, alle even âechtquot; en even âheiligquot;; voor een tand van Petrus, voor de schedels der Drie Koningen; de melk van Maria wordt vertoond, het haar van Maria Magdalena, ja zelfs het zwaard, dat Bileam wenschte te hebben, om de ezelin te kunnen dooden, wordt ergens in Spanje aan de godvruchtige scharen tentoongesteld. Ik heb met mijn eigen oogen in Rome altaren gezien, waarboven met groote letters te lezen stond, dat zóó- en zóóveel Onze Vaders en Ave Maria\'s honderd jaren afkorting van de pijnen des Vagevuurs bewerkten, en terwijl ik de priesters er bij scharen aan voorbij zag gaan, zonder hunne eerwaardige knieën er aan te wagen, zag ik tal van arme zielen de trap van Pilatus opkruipen â dezelfde, waarop ook Luther tevergeefs vrede zocht voor zijn hart â om eene goede provisie aflaat voor zichzelf en zijne gestorven verwanten te koopen.
En nog altoos staat de weg open voor nieuwe, gedrochte-
- 214 -
lijke leerstellingen. Reeds heeft men de hemelvaart van Maria, die elk jaar in de Roomsche Kerk gevierd wordt, tot een dogma willen stempelen, onmisbaar voor de zaligheid; en daarna zal de heilige Jozef aan de beurt komen, die meer en meer de mode-heilige wordt, en wiens onbevlekte ontvangenis reeds door velen wordt aangenomen. Daarop kan dan Jozefs glorierijke opstanding en hemelvaart volgen, van welke een bisschop getuigt, dat zi] reeds algemeen in de Kerk verbreid is. Xaast do vereering van het heilige hart van Jezus bloeit i\'eeds eene van het heilige hart van Jozef evenals van het heilige hart van Maria. Reeds heeft men de stelling verdedigd, dat de paus van ongerechtigheid vrij is, en staat misschien spoediger dan wij denken het dogma zijner zondeloosheid te wachten. Hierop zou dan de leerstelling kunnen volgen, dat men noodzakelijk voor den paus als voor Christus te Rome moet knielen en hem aanbidden - en daarmede zou dan ook het Roomsche Antichristendom afgewerkt en in zijne duivelsche ontwikkeling voltooid wezen.
Deze dingen zijn ontzaglijk ernstig, mijne Hoorders! en wij doen goed ze mannelijk onder de oogen te zien. Voor alle staten en landen is het gevaar niet gering te achten eene steeds toenemende en wondervol gedisciplineerde menigte van burgers onder zijne zonen té tellen, die, hoe ook met liefde en aanhankelijkheid aan hun Vaderland verbonden, toch allen hunne imiM/.sie liefde en toewijding niet schenken aan den vorst, die hen regeert, maar aan den Opperpriester in het Vatikaan. Gehoorzaamheid aan de landswetten is voor den Katholiek slechts in zóóverre mogelijk en geboden , als de paus zich er niet tegen verklaart. Het is voor het heil van alle menschen noodig den paus onderdanig te zijn, en deze onderdanigheid is eene onbepaalde. Zij heeft niet alleen op datgene betrekking, wat de pausen als onfeilbare geloofsateUingcn hebben uitgesproken of zullen uitspreken, maar op elke uitspraak, die op het algemeene welzijn der Kerk, hare rechten en hare tucht, betrekking heeft. Het geheele Staatsleven behoort daartoe. Bij den mensch, die tegelijk Katholiek en Staatsburger is, staat de plicht om de Kerk te gehoorzamen bovenaan. Pius IX heeft herhaaldelijk Staatswetten van Piëmont, Sardinië, Spanje,
- 215 -
Mexico, Oostenrijk en tal van andere regeeringen voor onwettig verklaard, en daarmede de trouw der onderdanen aan hunne regeering geheel en al wankelend gemaakt. âOok de wereldlijke vorst â leert een der Jezuïetenpriesters â houdt ais vorst nooit op onderdaan van den paus te zijn.quot; De paus heeft dan ook volkomen het recht lederen vorst af te zetten, van wien hij gelooft, dat zijn bestuur voor het geestelijk welzijn des lands nadeelig is. Gabriël Vasquez, een der meest gezaghebbende kerkleeraars, spreekt het zonder blikken of blozen uit: âWanneer alle leden van een regeerend huis ketters zijn, kan de paus hun de heerschappij ontnemen, daar het geloof gewichtiger is dan het erfrecht. Het land zou dan een nieuwen koning moeten kiezen. Ook wanneer het land door ketterij bevlekt is, zoude paus eenen Katholieken vorst kunnen benoemen, en dezen ingeval van nood met geweld van wapenen op den troon kunnen verheffen.quot; Wanneer het den man in het Vatikaan beliefde onze geëerbiedigde Koningin voor afgezet te verklaren, geen enkele Katholiek, die haar nog houw en trouw zou mogen zweren. En meent niet, dat dit verouderde stellingen zijn; want ten eerste zijn de heilige Vaders onfeilbaar en heeft nog nooit één enkele paus de uitspraken van een zijner voorgangers te niete gedaan, en ten andere handelen de pausen, overal waar zij oppermachtig zijn, geheel naar dit beginsel. De paus behandelt alia vorsten als zijne kinderen; hij spreekt hen aan als âfiiii,quot; zonen, want hij is de vader der vorsten en koningen, en de bestuurder van heel de aarde. Wanneer zij hem te Eome een officiéél bezoek brengen, beantwoordt hij dat bezoek nooit, maar zendt zijn eersten dienaar in zijne plaats. En als zij dan komen in dat Vatikaan, die gekroonde hoofden, dan kunnen zij, evengoed als ik, gewone burgerman, met hunne eigen oogen zien, hoe schaamteloos de Bartholomeüsnacht in dat paleis wordt verheerlijkt door reusachtige schilderijen, waarlangs zij op de eeretrap henengaan. Verbeeldt u, de gruwelijkste en laaghar-tigste moord, die ooit bedreven werd, tot op den huldigen dag door de pausen gebillijkt en geprezen! En dan noemen zij zich servi servorum Dei, knechten der knechten Gods!
- 216 -
Zoo zagen wij dan, mijne Hoorders! hoe Rome van den aanvang af zichzelf steeds gelijk is gebleven. Van heidensch Christelijk geworden, bleef het zijn ouden karaktertrek bewaren,
en nimmer hield het op do gewetens te bevelen en te beheerschen.
Vrijheid is onbekend, waar Rome gebiedt, en zelfs de pausen zijn machteloos tegenover den machtigen historischen stroom,
die hen steeds verder medesleept van het Evangelie af naar dat inderdaad monsterachtig geheel der Roomsche Curie.
Daartegenover staat nu het Protestantisme schijnbaar volkomen machteloos. Verdeeld in tallooze sekten en Kerken, millioenen ongeloovigen, onverschilligen en vijanden in zijnen schoot tellende en duldende, gelijkt het op eene bonte menigte volks, die zich in slagorde stelt tegen eene Romeinsche cohorte, waar ieder soldaat aan tucht en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gewend was. Tegenover het wachtwoord der Jezuïeten, die de zuiverste Katholieken zijn, âperinde ac cadaverquot; (tegenover onze superieuren willoos als een lijk) heeft menige Protestant de vrijheid der Heilige Schrift ingeruild voor eene toomelooze losbandigheid, en meent nu zijne âverlichtingquot; en âonbekrompenheidquot; te moeten toonen door eene volkomen minachting van ** alle geloof, vaak ook door een luidruchtig geschetter tegen Rome. Geen heviger vijanden van den paus dan zulke onpro-testantsche Protestanten. Mijne Hoorders! om zidke bestrijding lacht Rome! Het liberalisme staat er volkomen machteloos tegenover, ja heeft de zaak van Rome meer gediend dan geschaad. De mensch heeft behoefte aan gezag. De arme, zondige,
zwakke mensch beseft het, dat hij tegen den strijd des levens,
met al zijne smarten en teleurstellingen, niet is opgewassen, en verlangt een trooster, een raadsman, een leider. Vandaar, dat hierbeneden een ieder, die een vasten wil heeft en zonder aarzelen losgaat op zijn doel, eene dankbare schare rondom zich vergadert, want de meesten, verreweg de meesten, laten y
liever het denken en het handelen aan een ander over, en Mezen voor zich de rol van het schaap, dat henengaat waar de herdershond het henendrijft. En waar nu een zoogenaamd Protes- r
tantisme aan de menschen den eenen grondslag na den anderen
J
- 217 -
ontnomen heeft; geen Koningen meer bij de gratie Gods; geen Bijbel meer als richtsnoer voor handel en wandel; geen Zondag meer als den Heere geheiligde dag; geen Overheid meer als aan Gods wil en gebod gebonden â daar kan het niet anders, of Rome moest winnen; Rome, dat zichzelf altoos gelijk blijft, en altoos weet te plooien en te schikken; Rome, dat plaats heeft voor heiligen, maar ook voor geheel- of drie-kwart-ongeloovigen, als zij zich uitwendig maar schikken naar zijne wetten; Rome, dat als de alleenzaligmakende Kerk tot al die zoekende, twijfelende zielen zegt: âKomt tot mij, gij die belast en beladen zijt, en ik zal u ruste geven!quot;
Wat hebben wij nu, die door Gods genade in waarheid Protestanten mogen zijn, tegenover dat sirenengeküd te zeggen? Dit â en wij hebben het niet slechts te zeggen, maar bovenal met \'s Heeren hulpe te toonen! â dat ook wij een gezag erkennen, en ons willig daarvoor buigen. Een gezag niet maar van een zondig en nietig mensch, wiens adem in zijne neusgaten is, maar van den almachtigen God, wiens Woord wij hebben, geloo ven en gehoorzamen. Gewis, de tegenwerping der Roomschen is ten deele gegrond: âIeder uwer interpreteert dat Woord op zijne wijze, en daarom houden wij ons aan de verklaring der Kerk!quot; en het valt niet te ontkennen, dat ons groote, heerlijke Protestantsche beginsel van vrijheid zijne groote gevaren heeft. Alleen wie dicht bij den Heere leeft, kan het aanvaarden zonder innerlijke schade. Het Protestantisme is dan ook een geloof eigenlijk voor helden, voor strijdbare kinderen Gods, die liet geleerd hebben met het Woord, en het Woord alléén, tegenover al de machten der zonde en des doods op te treden. En het is onvermijdelijk, dat er verschil overblijft ook tusschen heilbegeerige kinderen des Heeren. Het is onmogelijk, dat daar eene voor allen geldende, alles verklarende, alle bezwaren oplossende uitspraak over elke Bijbelplaats worde gegeven. Maar toch, Goddank! daar zijn van die groote, heilige waarheden, die, onder de leiding des H. Geestes, gemeengoed, gemeenschappelijk bezit der Kerk van Christus geworden zijn, waaraan niet meer te wrikken of te tornen valt. Het behoeft voor geen
- 2J8 -
enkelen eerlijken mensch twijfelachtig te zijn, wie God Almachtig is in Zijne openbaring aan arme verloren zondaren. Het is geene vraag voor geleerden, hoe de Heere Jezus Christus moet worden beschouwd, maar elk ernstig Christen kan dat met volkomen gewisheid uit do Heilige Schrift vernemen. En daarom is dit mijne eerste en voornaamste vermaning, die ik u en mijzelven geef ten opzichte onzer verhouding tegenover Rome: Laat ons ons houden aan de Schrift als Gods heilig en onveranderlijk Woord! Een ieder onzer is van nature Eoomsch, in dezen zin, dat wij o, zoo gaarne menschen en menschelijke stelselen volgen, in plaats van ons te houden aan dien onfeilbaren gids naar de eeuwigheid. Wij willen allen van nature Gods Woord verzwakken en krachteloos maken door onze eigen wijsheid, critiek en geleerdheid. En toch, de hoogste wijsheid, voor ons, zonen der Reformatie, is den Heere te gelooven op Zijn Woord, op Zijn Woord alléén.
Daarom, laat ons den Bijbel weer de eereplaats geven, die hem toekomt! Geene bijbel vergoding, dat weten we wel. âGij zult geene afgoden voor Mijn aangezicht hebben,quot; kan in zoover ook op den Bijbel van toepassing zijn, dat wie bij het Boek-alléén blijft staan, het Boek wellicht van buiten kent, het Boek verdedigt en verheerlijkt, zonder dat de Heilige Geest het aan zijne ziele toepast, er niets aan heeft. Maar toch, naast het gebed geen machtiger wapen tegen Satan dan dat: âDaar staat geschreven!quot; In den weg der middelen staat de Bijbel numero één, en daarom, lieve vrienden! geeft hem uwen kinderen vroegtijdig in handen, en steunt elke poging hem meer bij hen bekend en toegankelijk te maken. Laat er geen dag voorbijgaan, zonder dat gij het oor leent aan dien ouden, trouwen Bijbel, waaruit moeder ons voorlas, toen wij kinderen waren, waaruit vader nog getroost werd, toen hij stierf, en waarin ook voor ons en de onzen wordt aangewezen, hoe wij godzalig kunnen leven en in vrede kunnen sterven.
En hierin ligt ook onze kracht tegenover Rome. Als Rome niet wist, dat zijne leer tegen Gods Woord inging, dan zou het dat Woord niet zoo bitterlijk hebben vervolgd, en met galeien
en boeien en brandstapels gestraft hebben, allen die het lazen. Als Rome de macht van dat Woord niet vreesde, zou Pius IX de Bijbelgenootschappen niet met de pest en de schurft hebben vergeleken, maar ze hebben gesteund en begunstigd met alle kracht. Toch hebben al zijne vervloekingen niet kunnen verhinderen, dat den 20tlt;iu September 1870, toen de overwinnende Italiaansche troepen door de bres der Porta Pia Rome binnentrokken, aan de spits van de colonne eene bijbelkar van datzelfde genootschap binnendrong, waarop de pauselijke vloek was neergedaald, en dat door Zijne Heiligheid met het socialisme en communisme op ééne lijn was gesteld. En daarom, mijne vrienden, ziet gij het gevaar in, dat van Rome ook uwe heiligste voorrechten bedreigt â en gelooft mij, ik overdrijf niet! als God het niet verhoedt , speelt eerlang ook in ons Nederland de Roomsche priester den baas! â houdt vast aan uwen Bijbel, en laat geene valsche wijsheid dezer eeuw u schokken in het vertrouwen op den Heere en Zijn Woord. Tot de Wet en de Getuigenis! Zoo zij niet hooren naar dit Woord, het zal zijn dat zij geenon dageraad hebben zullen!
En dan ook â leest en bestudeert de historie. Zoowel de geschiedenis der wereld, als van ons eigen dierbaar vaderland. Ziet het, hoe de Roomsche volkeren er aan toe zijn, en hoe men daar de vrijheid van geweten opvat. Roept u te binnen, hoe onze vaderen hebben geleden en geworsteld, om God te mogen dienen naar de uitspraken van Zijn Woord en van hun geweten, en laat u beschamen door hunne trouw en toewijding aan de zaak des Heeren! Verbreidt de kennis van\'s lands wondervolle en glorierijke geschiedenis, en zoekt de gelegenheden op er veel van te hooren, opdat gij ten allen tijde het voorrecht waardeeren en verdedigen moogt nog tot eene Protestantsche natie te behooren, wier vaderen goed en bloed hebben overgehad voor hetgeen wij vaak zoo lauw en zoo flauw handhaven!
En voorts, laat ons toonen, dat wij een heilig beginsel hebben, waarvoor wij opkomen! Laat ons onze Kerk in eere houden. Wij zullen ons hier niet begeven op het doornig terrein der kerkelijke twisten; gij kent mij, hoop ik, genoeg om te weten, dat ik
- 220 -
goen verdediger ben van eenigen kerkvorm met absolute uitsluiting van andere. Ik houd het voor onmogelijk, dat alle Protestanten kerkelijk één worden. Maar in elk geval, laat ons toonen onze Kerken hoog te waardeeren, en de prediking des Woords niet te veronachtzamen. Laat het ons een lust, een heilig voorrecht zijn de zuivere verkondiging des Woords te mogen hooren, en dat ia onze schoone, ruime kerkgebouwen, waar onze vaderen naar heide of veld ter hagepreek optrokken, om wellicht spoedig daarop dien âkerkgangquot; met het schavot te bekoopen. En waar Rome zijne kinderen weet te dwingen zijne ceremoniën bij te wonen, en zijne schulden te dekken, laat ons daar toch de vrijheid niet misbruiken tot losbandigheid, en Gods huis en Gods dienaar om Gods wil in eere houden!
Ook in onze burgerlijke verhouding â laat ons voorzichtig wezen. Hoevele Protestanten vinden er geenerlei bezwaar in hunne zonen of dochteren aan dochters en zonen der Roomsche Kerk uit te huwelijken. Zij ziet dat gaarne, en geen wonder; zij zorgt wel, dat de kinderen in haren schoot worden opgenomen, blijde dat telkens de vermenigvuldiging van het kettersch geslacht wordt tegengehouden. Hoe werken zij overal om hunne trawanten in posten van vertrouwen geplaatst te krijgen; hoe staan zij pal voor elkanders belangen; hoe bedekken zij elkanders zonden en gebreken! O, wie daar eenmaal een oog voor ontvangen heeft, die verbaast en bedroeft zich over de grenzenlooze onverschilligheid der Protestanten, en die acht het zijne roeping te waarschuwen, waar het noodig is en pas geeft. Geen kruistocht tegen de afzonderlijke personen, die menigmaal in trouwe toewijding, hulpvaardigheid en menschlievend-heid tal van de onzen beschamen. Een Christen mag nooit hard zijn tegen de volgers van een beginsel, ook al acht hij zich geroepen dat beginsel te bestrijden. Maar met dat zondig en onheilig beginsel-zelf dan ook geene gemeenschap in eeuwigheid!
Mijne vrienden! ik ga eindigen, maar toch niet zonder u als uw broeder en als dienstknecht van Christus toe te hebben
- 221 -
geroepen; Laat ons ernst maken met onze persoonlijke bekeering, met de wedergeboorte uit den Heiligen Geest! Tegenover het Roomsch-Katholicisme, dat boven alles op macht en uitbreiding bedacht is, baat geenc enkele organisatie onzerzijds. Daarin zijn zij ons onmetelijk ver vooruit, en elke poging, van Protestantsche zijde beproefd hen hierin na te volgen, is een jammerlijke caricatuur. Zoolang wij als Kerk met Rome willen wedijveren, behoeft Rome niets te vreezen. Slechts op het terrein van het persoonlijk geloof beteekenen wij iets, en veel ook. Tegenover den wil der wereldbeheersching door de macht der organisatie, hebben wij den wil te stellen met Christus te sterven, en Hem Zijn werk aan de zielen te laten voltooien. Sedert Christus is de vrijheid in de wereld gekomen, en hoe vaak ook veracht en vertrapt, door groote katastrophen en lijdenswegen komt men weer tot haar terug. De Hervorming sprak het, na vele ten deele mislukte, ten deele gezegende voorafgaande pogingen uit, en handhaafde de vrijheid van den enkelen geloovige tegenover de verpletterende organisatie van Rome, waarin de enkele onmogelijk tot zijn recht kon komen. De Hervorming begon weer een nieuwen bouw op den grondslag des Woords, des eeuwigen Woords, dat de wereld geschapen heeft, en haar nu ook verder ordent, en daaraan is nu elke ontwikkeling te toetsen. Hier is het wapenhuis voor onzen strijd met Rome. Dit is allereerst onze taak: niet de afzonderlijke dogma\'s van Rome te bekampen, want alles hangt in dat wondervolle geheel der Roomsche kerkleer ten innigste samen, maar: onszelven te herzien, ons hoogheerlijk Protestantsch beginsel hoog te houden, en met eerlijken ernst schuld te belijden over alles, en te breken met alles, wat met dit beginsel niet te vereenigen is. Dat kan Rome niet, dat zich onfeilbaar noemt; de weg der bekeering is Rome afgesneden; en daarom moet het zich ook consequent tot het volledige Anti-Christendom ontwikkelen.
O, laat ons waken en bidden. De geest, die van God afvalt, valt ook van zichzelf af, vernietigt zichzelven. De hoogere wereld als de eenig-ware te beschouwen, dat is de hooge.
heilige taak van het Protestantisme. Het Evangelie leert ons een Koning kennen, die spreekt; âMijn Koninkrijk is niei van deze aarde.quot; Ook dka Protestant is in beginsel Eoomsch, die handelt alsof wij ons ooit hierbeneden vaste tabernakelen mogen bouwen. Rome en het Evangelie heb ik in deze ure tegenover elkander gesteld, en niet waar? gij hebt met mij den indruk ontvangen, dat de dagen ernstig zijn en boos, en dat de machten der duisternis zich vereenigen tegen den Heer en Zijnen Gezalfde. Toch hebben wij goeden moed, moed ook voor de zaak des Evangelies, want wi] dienen een Koning, wien aUe macht is gegeven in hemel en op aarde. Zoo kan dus ons heilig beginsel nimmer ondergaan. Ja, al zou het door de macht van het ongeloof, en onze onderlinge verdeeldheden verdwijnen, dan zou er nog uit den schoot van het zegevierend Katholicisme eene nieuwe Eeformatie ontstaan. De Hoer is getrouw! Maar voor ons, lieve vrienden! blijft de dure verantwoordelijkheid. Een volk, dat beneden zijn ideaal blijft, gaat te gronde. Denkt aan Judea en Jeruzalem, en tot op den huldigen dag is Israël eene levende prediking, hoe het dengene vergaan zal, die Jehovah\'s woorden verwerpt. Ik heb gestaan onder den triumfboog van Titus, waar nog heden ten dage de zilveren trompetten der priesters, en de gouden kandelaar uit den tempel staan afgebeeld, en toen ik met eerbied mijne hand legde op die oude steenen, waaronder de zegevierende Keizer zijnen intocht hield, waaronder ook het gevangen Jeruzalem moest henentrekken, was het mij, of eene stem mij toeriep: âWee, wee den mensch, die de trekking van Christus\' liefde versmaadt!quot; En als mijn slot-indruk van heel dat machtige, goddelooze, en toch met satanische aantrekkingskracht u betooverende Rome, heb ik dit medegenomen: Waakt dan en bidt! De geest der verleiding waait van uit Rome door heel de Protestantsche Christenheid, en groot is het gevaar zelfs voor hen, die meenen er niets van te vreezen te hebben. Alleen wie in Christus is, is veilig. Alleen wie door genade mag weten, dat zijne zonden vergeven zijn door het bloed des Kruises, die zoekt het niet met Rome in zijn werken en kerken, maar die zingt hot, gelijk wij het zoo straks ook nog willen doen:
- 223 -
Wij steken \'l hoofd omhoog, en /.uilen de eerkroon dragen,
Door U. door U alleen, om \'l eeuwig welbehagen.
En die kan dan ook met onzen Da Costa zeggen â niet in de opgewondenheid, waarmede dat schoone lied wel eens wordt âgedeclameerd,quot; want waarlijk, onze dagen zijn er niet naar om zoo luidkeels te jubelen! â maar die kan het, ook tegenover de dreigende macht van Kome, wagen met het eeuwig Evangelie, en zeggen:
Zij zullen het n\\el hebben,
Ons oude Nederland!
Hel bleef hij alle ellenden Gods en der vaad\'ren pand.
Met al hun schoone woorden.
Met al hun stout geschreeuw.
Zij zullen het niet hebben,
De goden dezer eeuw!
Want de Heere, de Almachtige God, heerscht als Koning, en Zijns Koninklijks zal geen einde zijn. En als eenmaal van den machtigen koepel van Sint-Pieter het gouden kruis ter aarde valt, en do onmetelijke schatten van het Vatikaan weder-keeren tot stof, zal het Woord Gods blijken alle stormen te hebben overleefd, en allen, die er op vertrouwd hebben, zullen niet beschaamd worden.
Patrimonium! verdedig het vaderlijk erfgoed, want wien veel gegeven is, van dien zal ook veel geëischt worden 1 God zegene Oranje en Nederland!
VIII.
INDRUKKEN UIT BEIEREN EN TYROL.
15
Mijne Hoorders!
Er is geene deugd in ons Nederlandsche volk, die ik zóó hoog acht, als onze Hollandsche huiselijkheid. Als men maar eens even de grenzen overgaat, en ziet hoe bijv. onze Belgische naburen, met vrouw en kroost, avond aan avond, naar een café trekken, dan leert men de vaderlandsche zeden al spoedig hoogelijk waardeeren. Het behoort gelukkig ten onzent nog tot de uitzonderingen, dat eene fatsoenlijke vrouw in hare woonplaats in een koffiehuis haar twaalf-uurtje of haar middagmaal gaat nemen, en waar zijne vrouw eet, daar eet een goede, solide Hollandsche man toch óók! Al neemt, helaas! het verslappende, beurs en gezondheid bedervende kofflehuisleven ook ten onzent gedurig toe, wij hebben toch nog overvloedige oorzaak tot dank, wanneer wij op de uithuizigheid van andere volkeren zien.
Maar toch wenschte ik wel om wat liefs, dat ik eiken burger van ons lieve vaderland ééns om de twee, drie jaren een kijkje buitenslands kon bezorgen! Want ontegenzeggelijk verruimt niets zóózeer den blik als een uitstapje over de grenzen. De mensch is nu eenmaal conservatief, behoudend van aard, vooral de Nederlandsche mensch, die graag maar alles bij het oude laat, en zelfs de beste en noodigste verbeteringen tegenstaat, omdat zijn vader of zijn grootvader ze niet gekend heeft. Zoudt gij denken, dat onze goede, vrome Gereformeerden zoo bang zouden blijven bijv. voor een gezang versje, of voor eens een keer staande te zingen, of eens knielende te bidden, wanneer zij bijv. met eigen oogen en ooren eens zagen en hoorden, hoe het in andere landen gesteld is, waar toch waarlijk óók wel goede, geloovige kinderen Gods wonen? In Duitschland lacht men u uit, als gij vertelt, dat onze Hollandsche vrouwen bij het gebed blijven zitten; dat vinden zij daar eene
- 228 -
ongepaste en oneerbiedige zaak! In Engeland staan mannen en vrouwen gelijkelijk op bij het lied, omdat zij het eene zonderlinge houding vinden, zittende zijn longen te gebruiken voor den zang! En zoo is er zoo talloos veel meer, dat een mensch wat gemakkelijker leert verdragen en beschouwen, wanneer hij eens een keertje van moeders pappot vandaan komt, en dat hem wat frisscher en ruimer de dingen leert bezien. Ik voor mij zou gaarne een goeden penning willen afzon-deren, om alle kerkeraadsleden (ik zeg nu niet van Utrecht, want wij hebben daar /.ioraisie öeste/), maar in\'t algemeen âdequot; kerkeraadsleden van Nederland eens wat in Duitschland en Engeland te laten zien; ik geloof, dat menige predikant dan na zoo\'n reisje heelwat vrijer zou ademhalen!
Doch â ik ben hier voor u opgetreden niet om u eens wat over het nut van reizen te verhalen (iets wat velen uwer wellicht nooit te beurt valt), maar om u een en ander over mijne eigene reizen te vertellen. Ik heb in mijn leven al betrekkelijk heel wat gezien, en â gij kent het versje â âwanneer men verre reizen doet, dan kan men wat verhalen.quot; Schenkt mij dan eenige oogenblikken uwe aandacht, wanneer ik u met uwe gedachten naar Beieren en Tyrol verplaats, dat ik eenigen tijd geleden met een geliefden bloedverwant heb mogen bezoeken.
Wat heerlijke streken vliegt men toch met het ijzeren stoompaard door! Wat zou men gaarne eens een rustig kijkje nemen op die meren, die men daar als een zilveren, of smaragdgroene, of hemelsblauwe watermassa ziet glinsteren in het zonnelicht! O, wij zullen met dankbaarheid onze Noordzee roemen en prijzen, en ik kan het mij begrijpen, dat vreemdelingen somtiids met open mond, sprakeloos van bewondering en ontroering, op onze duinen staan, wanneer zij voor het eerst den machtigen oceaan voor zich ontdekken, en de majestueuze golven zien breken op onze wonderschoone stranden. Maar toch: een Zwitsersch meergezicht, een avond aan den oever van een dier verrukkelijke wateren van Beieren doorgebracht â dat zijn toch óók onvergetelijke oogenblikken!
- 229 -
Wat kalme majesteit op die reusachtige bergen, die hen omzoomen, nu eens vriendelijk begroeid van den voet tot de kruin, dan weer in trotsche onvruchtbaarheid hunne machtige koppen omhoog heffende, of de hoofden bedekt met maagdelijke sneeuw, glinsterend in de gouden morgenzon, of blozend van \'t purperen avondrood. Wat wondervolle speling in kleuren en schakeeringen, waar ge het water nu eens donkergroen, dan weer helderwit, ginds in alle tinten van blauw en bruin ziet glanzen, vaak zoo bedrieglijk helder, dat gij meent den bodem te kunnen zien, terwijl die toch somtijds honderden en duizenden voeten van u af ligt. En nu â langs die verrukkelijke watervlakte snelt ge meêdoogenloos voort, terwijl ge wel honderdmaal den trein zoudt willen doen stilstaan, om u toch een weinig kalmer die heerlijke tooneelen te laten bewonderen! Doch wees ook wéér niet al te poëtisch, en buig u niet al te smachtend uit de breede vensterramen naar buiten! Want af en toe komt u een vieze zware rookwolk uit de machine op eenmaal uit die overpeinzingen op de lastigste wijze verdrijven. Wee den armen reiziger, die, wanneer men een der lange tunnels doorgaat, die onze niets ontziende eeuw midden door het hart der rotsen gegraven heeft, verzuimt zijn raampje te sluiten! Als hij straks weder van uit de Egyptische duisternis tot het glanzende zonlicht terugkeert, is zijn gelaat met dikke roetvlekken versierd, en is zijne stemming misschien voor een half uur bedorven. Gelukkig de toerist, die meestal een goed humeur heeft en zich door dergelijke kleine tegenspoeden niet laat ontmoedigen!
Ik heb er ten minste naar gestreefd, en ik geloof op de heele reis slechts eenmaal waarlijk boos te zijn geweest. Het was toen men in mijne presentie durfde vertollen, dat Holland niets dan één groot moeras was, waar de eenige beesten â kikkers, en alle menschen â jeneverdrinkers waren. Ik verzeker u: toen ben ik behoorlijk uit den hoek gekomen, en heb ik de eer van mijn vaderland hoog gehouden. âWij beiden,quot; zeide ik, â op mijn reisgenoot en mijzelven wijzende â âzijn twee van de duizenden Geheelonthouders in Nederland; en
- 230 -
zulke heerlijke nachtegalen als icij in onze bosschen hebben, vindt men in heel Europa niet terug.quot; En toen zwegen ze als Moffen!
Wij spoorden den eersten dag en nacht onzer reis achter elkander, van Arnhem tot Tyrol door â en ik verzeker u, dat het een Jieele rit is! Maar welk een schoone weg! Dien prach-tigen Arlberg-spoorweg vergeet ik niet licht. Hij is niet zoo grootsch en stout als de Gotthaidtbahn, die over Lucern en Lugano naar Italië leidt, maar toch verrukkelijk mooi, en uitnemend geschikt om iemand, die reeds 24 uur sporens achter den rug heeft, te boeien. Hijgend en stampend trekken de locomotieven, die hier van het zwaarste en sterkste model zijn, hare lange en zware lasten bergopwaarts, ruim 750 Meter op de 30 Mijl stijgende. Hoe schilderachtig kronkelt de weg langs de machtige bergwanden heen, vaak juist genoeg ruimte overlatend voor het smalle paar rails, zoodat ge ijst bij de gedachte aan eene ontsporing of verzakking van den weg. En dan in den winter de lawinen, de geweldige sneeuvvstortingen, of in het voorjaar de aardschuivingen, na langdurigen regen! Wij passeerden de plek, waar een jaar geleden zulk eene aardstorting had plaats gevonden, en nog altoos waren honderden arbeiders aan het werk, om de reusachtige rotsblokken, die tot ver in het dal waren neergeploft, op te ruimen, en den weg voor de dalbewoners weder vry te maken. De menschen leken ons als Lilliputters zoo klein, toen wij uit onze hooge zitplaatsen op hen neerzagen, en onwillekeurig rees toch de bede op in mijn hart: âO Heere! bewaar ons! Alleen Uwe hand kan ons veilig langs deze afgronden henenvoeren!quot;
De spoortrein volgt alle kronkelingen van het dal, steeds hoog boven de chaussée blijvende, die, op den bodem des dals, als een witte streep beneden ons lag. Elk oogenblik verwisselt het tooneel. Nu eens bruisende watervallen, die van de bergen afspringen in zilveren schuim, dan weer naakte rotsen, waarboven een eenzame adelaar zweeft of waarop eene klipgeit hare ongenaakbare paden zoekt. Overal werkt men aan den weg, die alleen bij onafgebroken onderzoek veilig bereden
- 231 -
kan worden, want gij hebt geen begrip van de macht van het water. Nu eens blijkt hier, en dan weer ginds, een gedeelte ondermijnd te zijn door beekjes en regenbuien, die soms op eenmaal voor den dag springen, en van de bouwkundigen het uiterste aan waakzaamheid en bekwaamheid vergen.
De vraag naar een goed hotel Is voor een reiziger numero één. Met een slecht maal kan men \'t nog wel eens stellen, maar wie een slechten nacht heeft, is den volgenden dag óók niets waard. Nu, ik heb dan ook wel allerlei hotels leeren kennen, van de moderne paleizen van Innsbruck en München af, waar we zelfs met een kroonprins onder één dak vertoefden, maar dan ook een ongemakkelijk hooge nota kregen, tot aan de primitieve hut van een Alpenboer toe, waar we met ons beiden één handdoek en één waschkommetje kregen, en waar de vensters, als ze dicht waren, nog wel eene handbreedte open stonden. Maar zeker heb ik het wel nergens eigenaardiger getroffen dan den tweeden nacht mijner reize in het dorpje Nassereit. Een hevige brand had bijkans het gansche oord in de asch gelegd, en geen enkel hotel was blijven staan. Toch zagen wij, nèt van den trein gekomen, er tegen op, nog drie uren verder te trekken, en toen mijn reisgenoot een redelijk onderkomen gevonden had in een der weinige overeind gebleven huizen, trok ik â gij raadt het in geen tienen! â naar den ultra-Katholieken pastoor van het dorp, en vroeg hem, tegen billijke vergoeding natuurlijk, om een kamertje in zijne pastorie, âdas Widungquot;, gelijk men in Tyrol de woning van Zijne Hoogwaardigheid noemt. Hij had het eens moeten weten, die sterk gebouwde pater, die mij met zijn gebedenboek in de hand ontving, dat niemand minder dan Dr. Schaepman tegen dien ketter te velde was getrokken! Ik vrees, dat hij mij dan niet zoo vriendelijk als nu een bed had aangewezen, waarboven de Maagd van Lourdes hing te midden van smaakvolle klimopplanten, terwijl rechts een wijwaterbakje en links eene afbeelding van het heilige Hart er mij aan herinnerden, dat ik in een goed-Roomsch land ver-
toefde. Nu, ik sliep allerheerlijkst, betaalde met blijdschap mijne 80 pfennig voor \'t logies, en hing met vreugd den ransel om mijn rug, die slechts het allernoodigste bevatte, terwijl onze koffers telkens vooruit werden gezonden naar de plaats, waar wij vijf, zes dagen later hoopten aan te komen.
Zoo\'n wandeling In de bergen is toch iets éénigs! Men moet eigenlijk een ambt hebben als ik, om het heerlijke van zulke berglucht goed te waardeeren. Nog zoo pas had ik in een der sloppen van mijne woonplaats een bezoek gebracht bij een armen koortslijder, wien het klamme zweet langs de slapen liep, en dat in een hokje van 3 Meter in \'t vierkant, hetwelk in geen dagen gelucht was, â en nu die reine, versterkende, doorbalsemde atmosfeer, die van de natbedauwde dennen-bosschen afstroomde! Welk eene weelde zijn mond te kunnen openen onder een kristalhelder straaltje, dat uit de bergen voor den dag springt, of â gelijk wij meermalen deden â in een dier verrukkelijke meren te baden naar hartelust, en als gestaald en als met nieuwe spieren en zenuwen uit de golven op te stijgen! Men kent geene vermoeienis in de bergen. Ik ben -volstrekt geen wandelaar, en in onze logge, trage lucht is mij anderhalf uur al meer dan genoeg â hier marcheerde ik aanstonds drie, vier en vijf uren, en wist van uitputting noch vermoeidheid.
En dan die bosschen, die uitgestrekte, bijna nog maagdelijke wouden! Wij hebben er uren in gewandeld. Geene gemakkelijke paden wijzen u vanzelf don weg â gij moet dien vaak zoeken uit uw Baedeker, het roodgekafte reisboek, dat met zijne uitnemende kaartjes een altijd betrouwbare gids is. Gelukkig dat de Alpenclubs de prijzenswaardige gewoonte hebben, om de 20 a 30 boomen, een dikke, roode streep op den stam aan te brengen, zoodat men slechts goed op die teekenen acht heeft te geven om niet te verdwalen. Dat zijn eerst echte wandelingen! Over omgevallen boomstammen, over moeielijke en glibberige rotspaadjes, soms ook langs steile en gevaarlijke wegen, waar iemand die last heeft van duizeligheid het aanstonds te kwaad krijgt, moet men voorwaarts,
- 233 -
en zelden of nooit ontmoet men een mensch, wlen men om raad of uitslag kan vragen. Wel ziet men soms op behoorUiken afstand een fraaien reebok, die met zijn statig gewei u een oogenblik aanstaart, als ergerde hij zich aan uwe stoutmoedigheid hem hier in deze grootsche eenzaamheid te komen storen; maar al spoedig neemt hij, met zijn bevallig wijfje, de vlucht, en verdwijnt in het ondoordringbare groen.
Eene echte bergbeklimrning blijft onvergetelijk. Wij zijn een paar malen vrij hoog geklommen, terwijl mijn reisgenoot nog veel verder ging; die is bijv. met twee gidsen de steile Zug-spitze opgeklauterd, waarbij ze midden in de sneeuw terecht kwamen, en terwijl het in het dal waar ik vertoefde bij de 90° hitte was, waren zij dankbaar in eene Alpenhut daarboven een gloeiende kachel en dikke dekens te vinden. Voor zulke tochten â ik wil het wel weten â ontbreekt mij de moed en de kracht. En als men nagaat hoevele reizigers en gidsen er jaarlijks bij omkomen, omdat plotseling-opstekende stormen of hevige onweders hen overvallen, dan vraagt een bange thuisblijver zich wel eens af: Mag dat ? Is dat niet zijn leven noodeloos wagen? Moest men zulke paden niet aan de gemzen, en hoogstens aan de alles ondernemende gemzenjagers overlaten?
Maar als men er zonder levensgevaar komen kan, ja, dan ligt er toch een onbeschrijfelijk genot in het vertoeven op een van die toppen der aarde. Hoe levendig staat mij de bestijging van de Hohe Salve, en een andermaal van de Schmittenhöhe voor den geest. Dat zijn beide respectabele reuzen van over de 1900 Meter, die u menigen zweetdroppel uitpersen, eer gij op hun kalen schedel zijt aangekomen! Hoe interessant is die verandering van plantengroei, die gij gaandeweg ziet intreden! Eerst wandelt gij door weelderige bosschen henen en bloeien de bloemekens aan uwe voeten, maar allengs verdwijnen de beuken en linden en krijgen de pijn- en denneboomen eerst den voorrang, dan de alleenheerschappij, totdat ook zij schaarscher en dunner worden, om weldra in nietig struikgewas over te gaan, totdat ge eindelijk niets anders dan kale rotsen meer overhoudt. Welk een panorama daar op die
- 234 -
Schmittenhöhe! Eechts en links, aan alle kanten omringen u de majestueuze berggevaarten, hier en daar met eeuwigdurende sneeuw bedekt, ginds met een breeden gletscher in de diepe kloven, en wanneer de ondergaande zon ze verlicht, of de eerste stralen van het morgenlicht ze beschijnen, van onbeschrijfelijke majesteit. Het was des morgens heel vroeg, half-vier, toen ik daar huiverend van de kille nachtlucht, op het kale plateau van de Schmittenhöhe naar buiten trad, om den zonsopgang te zien. Wij troffen het niet bijzonder, er was veel nevel. Maar toch hier en daar zag ik op éénmaal de zwarte wolken scheuren, en twee, drie toppen zich verveningouden en purperen gloed, terwijl ginds één enkele zonnestraal heel een donker dal voor een oogenblik deed oprijzen uit zijne sluimering â en onwillekeurig kwamen mij de versregels van Ten Kate voor den geest:
O, hoe zalig, hoe zoet,
Met een vroolijken groet Naar de wieg van den morgen te stijgen I \'s Heeren glimlach te zien.
En Hem quot;t welkom te bièn,
Als andere stemmen nog zwijgen!
Wat het schepsel geniet,
Alle licht, alle lied,
Allo veerkracht tot lieven en loven.
Daalt ter neèr van den Heer;
Tot den Heer keert het weer. â
Sursum corda! Van Boven, naar Boven!
Xiets echter is te vergelijken bij een omveer in het gebergte. Dat heb ik herhaaldelijk bijgewoond, maar ééns was ik er midden in. Op een muildier gezeten, dat met zijn slanke pooten met volkomen zekerheid tegen de steile rotspaden opging, al is het voor een zenuwachtig rijder allergriezeligst dat deze dieren bij voorkeur vlak langs de afgronden heenstappen, trok ik de Hohe Salve op, genietende van het wonderschoone panorama, dat zich gaandeweg voor onze oogen ontrolde. Nooit is de aanblik dezelfde. Telkens, bij iedere wending van het
- 233 -
pad, weer nieuwe vèrgezichten, die u onwillekeurig doen uitroepen: âO God! wat is Uw schepping toch schoon!quot; Maar zie, daar komen op éénmaal donkere wolken op â \'t wordt plotseling drukkend heet â reeds hooren wij liet rommelen van den donder. De lucht wordt akelig zwart, en zware druppelen, die weldra in een stroomenden regen overgaan, vertellen ons op welsprekende wijze, dat niets hier op aarde betrouwbaar is. Nog geen uur onderweg, en met het schoonste weder van de wereld opgetrokken, of we zijn midden in eene onweersbui van de zwaarste soort. Twee donderbuien dreven tegen elkaar in. Rechts en links zagen wij den flikkerenden bliksem, onmiddellijk gevolgd door slagen, gelijk ik ze nog nooit had vernomen, en die op de kale rotswanden eindeloos schenen weerkaatst te worden. Druipnat vonden we eindelijk in een zeer primitief logementje, halverwege den berg, eene rustplaats, en vernamen daar dat geen vijf minuten van ons af, precies op den weg dien ook wij moesten gaan, een ezeldrijver door het hemelvuur was getroffen. Van eene verdere bestijging, ook den volgenden dag, kon niets meer komen; alle paden waren in bruisende beken veranderd, en wij hadden werk genoeg des anderen morgens de glibberige steenen en modderige rotsen af te komen, om het stationnetje Hopf-garten te bereiken, van waar wij kwamen in het bekoorlijke Zeil am See.
In prachtigen zonneschijn daarentegen heb ik de reis gemaakt van Salzburg naar Ischl, en dus het hartje van Salzkammergut, dat juweel der Oostenrijksche kroon, althans oppervlakkig leeren kennen. Welk eene verrukkelijke streek! Hoe wonderschoon is die Wolfgangsee, waarover eene altoos volle stoomboot met de bewonderende reizigers rondvaart, en hoe verwisselt elk oogenblik het tooneel, als gij langs steile afgronden, over kunstmatig-versterkte bergpaadjes, over hooggebouwde ijzeren bruggen, of door lange tunnels uwen weg vervolgt, \'t Is maar een geluk, dat de aldoor draaiende, nu eens stijgende en dan weer dalende, als een zilveren lint zich over berg en dal uitbreidende rails den machinist dwingen, hier
- 236 -
langzaam en voorzichtig te rijden; nu kunt gij ten minste enkele van deze heeriyke vèrgoziohten een weinigje indrinken en trachten vast te houden! Nog zie ik ons daar aan de bijna loodrechte diepte aan den Brandlberg bij Schafling voorbijkomen, of den kalen Drac,hen\\vand_ aan de Jlondsee voor mijn oog verrijzen â en opgetogen over zooveel heerlijks als we zagen, bereikten wij Ischl, de geliefkoosde zomerresidentie van den Oostenrijkschen keizer.
Van nog éénen bergtoer moet ik u iets verhalen, waar-wij bijna een groot ongeluk hadden beloopen. Na Ischl met zijne modebadplaats, vol Joden en poehaai, te hebben bezocht, gingen wij van uit het dorpje St.-quot;Wolfgang, met den pas geopenden tandrad-spoor den steilen Schafsberg, den âRigi van Oostenrijkquot; op. Zij, die in Zwitserland den Rigi of Pilatus, of in Duitschland ook lagere bergen op deze manier zijn opgegaan, weten er van mede te spreken, hoe griezelig het soms toegaat. Een lange waggon op smal spoor wordt door eene locomotief van bijzonder sterken adom naar boven geduwd (meegetrokken), en telkens grijpt dan een ijzeren haak in den getanden middelbout, die langs den geheelen weg op metalen dwarsliggers is vastgeklonken. Wanneer dan eens de stoom mocht begeven, of iets anders aan de machine haperen zou, moeten die ijzeren haken en oogen het geheel voor afglijden en dus voor onvermijdelijk te pletter stooten, bewaren. Niet zonder diepe bewondering over de kunstvaardigheid des menschen, maar toch ook met een weinig inwendig beven, lieten wij met ons zestigen ons opwaarts duwen door het ijzeren stoompaard, dat waarlijk als een menschelijk wezen zuchtte. Men rijdt niet meer, men wordt gestooten, telkens hooger op, en hier op den Schafsberg gaat het zelfs angstig-steil naar boven. Men ziet letterlijk de rails vlak vóór zich omhoog gaan, en onwillekeurig deed ik een paar malen de oogen toe, om niet te zien, hoe gevaarlijk het was, of liever â scheen\'. Want voor deskundigen is zulk een angst niets dan pure dwaasheid.
Nu, wij kwamen dan in een uur naar boven, waar wij een waarlijk grootsch en verheven panorama voor ons zagen:
bergen, meren, steden aan onzen voet, en dat alles beschenen door eenen zóó praclitigen zonneschijn, als men maar zelden aantreft. Maar al dadelijk hinderde mij die groote en luidruchtige menigte! Die spoorwegen profaneeren toch alles. Zoo kan men nu ook al naar Jeruzalem sporen, en in zijn Baedeker lezen, hoeveel een kop koffie in Bethlehem kost! In zulke plaatsen, door traditie of eenzame majesteit eerwaardig, moest men alleen te voel, en niet zonder zekere inspanning kunnen komen. Dan bleef het gemakzuchtige reisplebs weg, dat hier, als in de onmiddellijke nabijheid Gods, terwijl de geheels aarde aan onze voeten lag, en slechts de hemel nabij scheen, zijne zoute-looze aardigheden verkocht, en zich in eene volgepropte restauratiezaal door giegelende kellnerinnen bedienen liet! Ach, dat de hooge bergen verder verschoond mochten blijven van dien onbeschaamden, genotzieken geest dezer eeuw, die alles met ijzer en stoom wil beheerschen, en dat het zenuwachtige, gejaagde kind dezes tijds daar nog dikwijls alléén moge zijn met zijne gedachten, en zich verheffe tot zijnen Schepper!
De God des hemels mint de bergen dezer aarde,
En wijdde hen vanonds, als beider verste grens,
Tot heil\'ge outers, waar Hij neerdaalt tot den mensch,
Die tot Hem opklimt....
Bij het terugkeeren van dezen Schafsberg hadden wij een eigenaardig ongeval, dat gelukkig goed afliep, maar kwade gevolgen had kunnen hebben. Wij waren nog maar kort onderweg, toen de machine op eenmaal met een luiden knal stilstond. Gij kunt u voorstellen, welk eene sensatie dat gaf onder onze medereizigers, want de weg ging steil naar beneden, en de gedachte, dat zoo aanstonds het gansche gevaarte zou gaan rollen, was verre van aangenaam! Elkander vermanende toch heel kalm te blijven, en vooral niet te dringen, omdat wij elkaar dan stellig in den afgrond zouden helpen, kropen wij, vlak langs de machine, het steile paadjen af, en kwamen met ons zestigen achter den wagen te staan. Toen de conducteurs ons na eenigen tijd verzekerden, dat alles in orde
- 238 -
was, gingen wij allen er weer in, maar jawel, na 5 minuten weerklonk een nog harder slag, en nu waren ook allen besloten te voet hunnen weg voort te zetten. Dat was echter geene kleinigheid, want de spoorbaan was ontzaglijk steil, en de gemoederen waren ten zeerste verontrust. Elk van ons, heeren, ontfermde zich over eene dame, die hij dan, over booni-stammen en rotsblokken heen, moest trachten op het oude bergpaadje der dalbewoners te brengen, dat een heel eind lager lag en van uit onze gedwongen halteplaats heel moeilijk te bereiken was. Wel, wel, wat had ik eene taak met mijne dikke, hoogbejaarde gezellin, die mij al hijgende en weenende â want zij was danig van streek geraakt door den schrik â vertelde dat zij een broer had die predikant, een oom die advocaat en een nichtje dat krankzinnig was, terwijl ze mij als een klit op \'t lijf hing, en ik haar bijna niet tegen de hoogten op en van de hoogten naar beneden kon krijgen. Na twee uren dalens kwamen we eindelijk aan den voet des bergs; de treinen en booten waren alle reeds weg, zoodat wij een dagje hadden, dat ons heugen zal, en overvloedige aanleiding tevens om God te danken voor Zijne bescherming. Want waarlijk, wanneer zulk een waggon met locomotief en al naar beneden glijdt, komt er geen enkel reiziger levend af!
Tyrol is een ultra-Katholiek land, en dat gedeelte van Beieren, dat er aan grenst, eveneens. Kruisen en prentjes, met afbeeldingen van eene of andere heiligen-geschiedenis, ziet men overal aan de wegen, en kerken treft men alom aan. Wat mij bijzonder trof was de wijze, echt-menschkundige manier, waarop Eome met hare kinderen weet om te gaan. Ten platten lande, waar slechts het onontwikkelde boerenvolk woont, zijn de kerken kakelbont versierd, en zijn de pastoors weinig beschaafder dan hunne kudde; daar wordt louter op de zinnen gewerkt, en dat op eene waarlijk soms belachelijke wijze. Zoo zag ik bijv. in de kerk van \'t dorp Ettal tal van heiligen, die niets dan geraamten waren, maar geheel in purper en zijde gekleed en met edelgesteenten mildelijk versierd. Denkt u zoo\'n grijnzenden doodskop eens in met een kroon van diamanten er bovenop, of
- 289 -
met juweelen ringen aan de beenderen der vingers! Maar in de steden hebben zij blijkbaar, evenals ten onzent, hoogst bekwame woordvoerders. Ik hoorde o. a. te Innsbruck eene preek, zoo echt-Evangelisch, zoo waarlljk-Bijbelsch dat ik mijne ooren niet geloofde. En hoe meesterlijk is de scènerie bij hunne hoogdiensten in elkander gezet! Die sohoone, warme tint over alles, die wegsleepende muziek, die degelijke prediking â wat wil men meer om in eene stad vol vreemdelingen de twijfelaars en de zoekenden te trekken?
Ach, hoe poover stak daarbij de Protestantsohe kerk af! Natuurlijk mag en wil Ik niet naar de enkele diensten, die ik bijwoonde, alle beoordeelen. Maar waarom in eene badplaats als Reichenhall, die door duizenden vreemdelingen bezocht wordt, zulk eene armzalige preek? Het kerkje was fraai, het altaar, naar streng-Lutherschen trant, met brandende kaarsen en een groot crucifix versierd; de liturgie werd kunstig gezongen, en alles was even âmooiquot; â maar ach! toen dan eindelijk de kansel bestegen werd, en aan dat grootendeels hoogst beschaafd en aanzienlijk gehoor de blijde boodschap des heils gebracht werd â hoe koud, hoe onbeteekenend, hoe gelljkvloersch was dat woord! O, de Roomsche heeft nog altijd zijne Kerk, met hare centrale heilswaarheden, bij al zijn bijgeloof en dwaling; â maar wat is een Protestant zonder een levend, schriftuurlijk geloof? Een bloem zonder geur, een herfst zonder vruchten, een leven zonder levenskracht en levenspit!
Wie in München, de hoofdstad van Beieren, komt â en ik had dat voorrecht â leeft eenige dagen geheel en al in de wereld der kunst. Ik weet niet, of er, na Rome, een tweede stad is met deze koninklijke residentie te vergelijken, die met hare breede straten en monumentale gebouwen, eene stad van musea en van kunstwerken heeten kan. Over den laatsten koning, den ongelukkigen Lodewijk II, spreek ik u zoo aanstonds nog, wanneer ik u iets van zijne tooverpaleizen verhalen ga. Maar onder zijne voorgangers, de koningen Max Jozef, Lodewijk en Maximiliaan II, werd al wat uit de oud-
- 240 -
heid, de Grieksche oudheid, nog te verkrijgen was, naar München gebracht en in kostbare museums, in oud-Griekschen stijl gebouwd, ten toon gesteld. Wat daar In de oude en de nieuwe Pinakotheek â zoo noemt men in klassieken term eene schilderijen verzameling van oude en moderne schilderkunst; in de Glyptotheek aan oude beeldhouwwerken voorhanden is, grenst aan het ongeloofelijke. Romeinsche vazen bij honderden, uiterst leerrijk voor het leven en de godenleer der ouden; afbeeldingen van de beroemdste monumenten, afgietsels van de fraaiste gedenkteekenen â ja, wat vindt men hier niet, om de Grieksche en Romeinsche wereld zich aanschouwelijk voor oogen te stellen I
Hoe gaarne zoude ik nog uitvoerig bij de rijke kunstschatten van München stille staan, doch de kortheid des tijds verbiedt het mij. Wellicht vertel ik u bij eene andere gelegenheid daar wel eens wat van!\') Maar dit kan ik u wel als mijnen totaal-indruk, uit al die museums meegebracht, noemen: hoe arm was toch het Heidendom, óók in zijne krachtsontplooiing, en hoe rijk en hoe fKep is het leven door den Gekruiste van Golgotha geworden!
Laat mij u thans nog een en ander van de paleizen âde Prachtbautequot;, gelijk de Duitschers ze noemen, van den overleden koning van Beieren mogen verhalen. Ze zijn werkelijk eenig, en doen uit de gansche wereld een stroom van bewonderaars naar de eenzame bergstreken henen vloeien, waar de geniale, maar toch zoo ongelukkige monarch zijn tooverkas-teelen gebouwd heeft.
Beieren â laat mij dit weinige ter orienteering mogen opmerken â is na Pruisen de grootste staat van het Duitsche Keizerrijk, en telt ongeveer 5 millioen inwoners. In 1806 werd het tot een koninkrijk verheven, en tevens door allerlei toevoegingen van land, vergroot. Napoleon ging met de landen
\') Zie de XXVde lezing: Oude en Nieuwe Kunst.
- 241 -
om als een kind met zijn speelgoed: verdeelde, verspreidde, vereenigde zijne schatten, precies zooals hij het goedvond. Het Noordelijk gedeelte des lands is vlak, en rijk aan weiden, Zuid-Beieren daarentegen heeft prachtige bergen, wouden en meren, onder welke de heerlijke Königssee wel de eereplaats inneemt.
Toen de laatste Keurvorst Max Jozef in 1816 door Napoleon tot Koning verheven werd, gaf hij als Maximiliaan I al spoedig aan zijn volk eene grondwet, en daardoor brak een tijdperk van rust en vrede aan, gelijk de altoos met willekeur geregeerde natie nog maar zelden in den loop der eeuwen gekend had. De edele vorst stierf in 1825, door allen betreurd, en nog altijd wordt op zijn geboortedag zijn fraai standbeeld in München met bloemen versierd, als teeken eener nimmer eindigende dankbaarheid des volks.
Zijn oudste zoon Ludwig I volgde hem op, terwijl een jongere zoon als Otto 1 naar Griekenland ging, om over de wispelturige Hollenen te heerschen, die hem al spoedig het leven zóó moeielljk maakten, dat hij troon en land verliet, en naar München terugkeerde â slechts één dag nadat men aldaar een triomfboog had ingewijd, die zijne beklimming van den Griekschen troon moest vereeuwigen! Lodewijk 1 nu, zijn oudere broeder, regeerde over Beieren van 1825 tot 1848, toen hij vrijwillig afstand deed van de koninklijke waardigheid, die hij met absolutische begrippen bekleed had. quot;Wie zijne edele, maar trotsche beeltenis in de Pinakotheek gezien heeft, begrijpt al spoedig, dat deze man in botsing komen moest met den revolutionnairen geest van zijn tijd. Zijn opvolger Maximiliaan H, goedhartig en meegaand, wist beter zich te schikken naar de omstandigheden, en besteedde, evenals zijn vader ook gedaan had, groote schatten aan de verfraaiing zijner residentie en aan de bljeenbrenging van kunstvoorwerpen van allerlei aard. Onder hem werd München de kunstenaarsstad bij uitnemendheid, het Eome van het Noorden.
De verschillende eigenschappen zijner drie voorgangers op den troon waren vereenigd in Lodewijk II, die in het jaar
16
- 242 -
1863 zijnen vader kwam op te volgen, nauwelijks 18 jaren oud. Schoon van gestalte en vurig van geest, verbond hij een volmaakt kunstenaarsgevoel aan de overdrevenste opvatting zijner eigen waardigheid, zoodat zich al spoedig ontoombare heerschersgedachten bij hem openbaarden, die in een constitutioneel vorst allerbedenkelijkst moeten heeten. Terwijl zijne voorgangers betrekkelijk eenvoudig geleefd hadden, richtte hij aanstonds zijne hofhouding met schitterenden luister in, daarin niet alleen door het volk, dat gaarne zich aan den schijn vergaapt, luide toegejuicht, maar ook door gewetenlooze intriganten, die op zijne vrijgevigheid speculeerden, daarin versterkt. Allerlei kunstenaars, van hooger en lager allooi, kwamen aan het hof, en deden in het jeugdig brein des konings de hoogst strevende plannen ontkiemen, terwijl Richard Wagner, de groote musicus, zijne phantasie voor de oude Duitsche sagen en legenden dermate ontvlamde, dat hij geheel en al in Lohengrin en Tannhauser opging. In het gezelschap van een vleugeladjudant, ging de koning des nachts op de Schwan- en Alpsee, twee liefelijke meren bij het stamslot Hohenschwangau, in kleine bootjes varen, die den vorm van zwanen hadden, en daar verhaalden ze dan elkander van de oude legenden, of mijmerde Lodewijk in het holle van den nacht, omringd door de kunstmatig verlichte bergen.
Het behoeft niet verzekerd te worden, dat de ernstig-gezinde vaderlanders met smart hunnen jongen, veelbelovenden koning op deze wijze zijne regeeringstaak vervullen zagen, maar voorloopig ging alles toch geregeld voort. De vorst vertoonde zich af en toe in zijne residentie, arbeidde met zijne ministers â en liet ved geld verdienen, eene omstandigheid, die altijd ten gunste van hooggeplaatsten wordt opgevat.
Bij toeneming echter zocht Lodewijk de eenzaamheid, en dagen lang vertoefde hij, slechts van één stalknecht uit de verte gevolgd, in het hooggebergte, waar hij stoute jachttoeren uitvoerde, en in grootere en kleinere sloten, die hij bouwen en verfraaien liet, vertoefde. De eerste strepen van het morgenrood te zien glanzen op de met sneeuw bedekte bergen, of
- 243 -
langs gapende afgronden in snellen draf voort te rennen, had eene groote bekoorlijkheid voor hem, en vaak vertoefde hij weken lang, volkomen afgezonderd, op het hooggelegen lustslot âZum Schachen,quot; in eene woeste, onherbergzame, koude rotsomgeving, waarheen men dan de regeeringsstukken opstuurde, en van waaruit hij zijne bevelen naar de wereld omlaag henenzond.
Al spoedig echter begon hij zich geheel en al aan zijne plichten te onttrekken, en alleen voor zijne lusten te leven. Had hij nog in 1870 en \'71 den oorlog tegen Frankrijk medegemaakt, ja persoonlijk het sein gegeven den Koning van Pruisen tot Duitsch Keizer te verheffen, daarna ging hij met weinigen meer om, en verdiepte hij zich geheel en al in zijne kunst. In prachtig ingerichte theaters liet hij voor zich geheel alléén, in de volkomen duister gelaten zalen, kostbare voorstellingen geven. Denkt nu eens in, hoe,unheimisch\' dat voor de artisten geweest moet zijn, op een prachtig tooneel, electrisch verlicht en van goud stralende, voor een onzichtbaren, in de duisternis zijner loge wegschuilenden koning te moeten spelen, die elke beweging, elk woord, eiken klank, met eene volkomen, ja hartstochtelijke toewijding bestudeerde, en die, als hij tevreden was, de kunstenaars letterlijk met een goudregen overdekte.
En dan zijne lustsloten! Geen pen kan volledig beschrijven welke schatten, en ivelke weelde hij daaraan besteed en ten koste gelegd heeft. Ik heb ze doorgewandeld, maar het is werkelijk alsof men de sprookjes van de duizend-en-êén-nacht verwerkelijkt ziet. Nu, als gij bedenkt, dat Lodewijk een staats-inkomen van 5 millioen gulden 22 jaren achtereen genoten heeft, dat hij een zeer aanzienlijk vermogen van zijn vader geërfd had, dat het kroondomein óók eenige millioenen \'sjaars opbracht, en dat hij dan nog een 480 millioen aan schulden heeft nagelaten, dan kunt gij u zoo eenigszins eene voorstelling maken van de ongeloofelijke uitgaven, door dezen pracht- en kunstlievenden monarch gemaakt.
Laat mij u althans een weinig van deze burchten verhalen, al gevoel ik dat ik gevaar loop eentonig te worden, want wat
,v
\', V\'Ti \'â V
w;\'\' Iâ
/ ^:lv lij £! CF 35\'S\' ml jjâ , -
y
CVs
^4
â¢V V
!\'
\'li
\' v .
quot;*â -X lt;?, ⢠lt;
â¢-gt;:gt;
y
«4
lt;
5^
5?
â âN
Xi
\\J
r9 -j
â¢5
SvO S. s\'.
â ér;-\'
â¦.-J
. v. â V vix J\'N) SV^gt; quot;\'-â %.? quot;\' quot;â O
C^1
^S, ⢠-. âgt;-gt;
â¢â¢y r\\)
v
vi
*vgt;
\'sLN!
M
-/
Xi
A\'hU.-â â /.-£ c â t/t-t tr tt. amp; ,A. i\'r-jv.atïquot;
55
\' ?
â¢\'\'â amp;⢠Aamp;-K: â s.j\'hx.-iil.
râ\'/ 4
J
â -fv
--4
- 244 â
kan men van al deze heerlijkheid anders zeggen, dan dat ze éénig, onvergelijkelijk, onmetelijk en onbeschrijfelijk is? Men raakt spoedig aan superlatieven uitgeput, die men hier wel in den rijksten voorraad zou wenschen te bezitten!
Het eerste slot, dat ik gezien heb, is Neuschwanstein, een machtige Duitsche burcht, naar dien van Neurenberg, van den Wartburg en andere dergelijke overblijfselen der oude Ger-maansche bouwkunst ontworpen, maar ontzaglijk veel grooter dan eenige andere. De streek is zoo wild-romantlsch mogelijk, en met sagen als doorweven. Hier woonden oudtijds de Schwangauer riddergeslachten; hier stonden eenmaal hunne trotsche kasteelen, en de kale rotsen, de bijkans ontoegankelijke bergspitsen hebben in den grijzen voortijd weerklonken van het gedreun der zwaarden of het geklank der minneliederen. En hier heeft Lodewijk op eene steil opgaande rotspunt, na onnoemelijke zwarigheden van het terrein overwonnen te hebben, een kasteel van vijf verdiepingen opgericht, waarin alle sagen en legenden haar wedergeboorte en herleving schijnenquot; te vinden.
Door een machtige poort betreden wij den hof, en van daar het parterre, dat geheel voor het dienstpersoneel is ingericht. Lange rijen van kamers, met splinternieuwe ameublementen, reusachtige keukens, waar voor driehonderd personen tegelijk gekookt en gebraden kan worden; alles door heete lucht verwarmd, en van heerlijke waterleidingswerken voorzien, (denkt u alléén daarvan de kosten in! op een kale rotspunt eene waterleiding, die 3- a 400 kamers en zalen voorzien kan!) â alles in marmer en graniet opgetrokken. Muren en trappen zijn ongeloofelijk breed, zwaar en massief, en reeds deze eerste verdieping moet millioenen gekost hebben. De tweede étage is nog onvoltooid. Het was de gewoonte van den koninklijken bouwheer, alles eerst in \'t ruw af te maken, en dat ging dan als met stoom â soms werkten 1500 arbeiders tegelijk aan één slot - om dan terstond met de versiering zijner eigen vertrekken te beginnen, terwijl de andere verdiepingen gaandeweg zouden voltooid worden. Veel daarvan
- 245 -
zal het nu wel nooit worden, want welk verstandig vorst zal zulke schatten kunnen en willen besteden aan waarlijk krankzinnige weelde?
Wij klommen dus terstond naar de derde verdieping op, waar Zijne Majesteit in ongenaakbare eenzaamheid resideerde gedurende de 2 a 3 maanden \'s jaars, die hij hier doorbracht. Want zijn leven verdeelde zich vanzelf tusschen de verschillende sloten, die hij bouwde. Door een rljkvergulde gang, met meesterlijke fresco\'s uit de Sigurdsage versierd, met banken, die met zilver beslagen, en portieres, die zwaar met goud belegd zijn, komen we, na eene adjudantenkamer te zijn doorgegaan, in \'s konings werkkamer, geheel in groen gemeubileerd en met de weelderigste pracht ingericht. Inktkoker, lampen, schrijfcassette, ja zelfs de marmeren kolommen, zijn met kostbare steenen versierd. Eene kunstmatig aangebrachte druipsteengrot, met waterval en wintertuin, volgt hierop, zoodat de ongelukkige vorst, zoodra hem de werkelijkheid zijner plichten verveelde, terstond in eene onwezenlijke tooverwereld zich verplaatsen kon.
Wat zal ik u alle zalen beschrijven? \'t Is ondoenlijk! Men komt van de eene pracht in de andere, alles met eene veelzijdigheid van motieven en afwisseling bewerkt, die u, bij het gevoel van onvoldaanheid, dat u in klimmende mate bevangt, toch een hoog denkbeeld geven van den volmaakten kunstzin des vorston. Want alios werd op zijn eigen aanwijzingen gemaakt, en soms, als het hem niet beviel, drie, zes, ja tien malen veranderd! Spiegels, die 40,000 mark kostten, werden tot drie malen toe door andere vervangen, omdat er in het glas of in een der ornamenten iets was, dat Zijne Majesteit niet aanstond.
Alle andere zalen echter overtreft in luister het slaapvertrek des konings. Zijn bed op Neuschwanstein, trouwens evenzoo in de verschillende paleizen, is een kunstvoorwerp zonder wederga. Eene Madonna, naar Byzantljnsch model vervaardigd, hangt boven het hoofdeinde; eene zijden deken, geheel met goudbrocaat overdekt, en gordijnen, zóó zwaar
- 246 â
met goud behangen, dat men ze nauwelijks bewegen kan, versieren het reusachtige ledikant, dat van het prachtigst snijwerk vervaardigd is, terwijl kronen van Meissner porselein er een licht verspreidden, dat in de helderheid des daags de duisternis van den nacht veranderde.
Stemt dit alles reeds diep weemoedig, want dit paleis is toch de verpersoonlijking van het egoïsme â geen enkel vrouwenvertrek, geen enkele logeerkamer in het gansche gebouw; het is alles voor dien éénen ongelukkige bestemd, die er in rustelooze eenzaamheid vertoefde â ten diepste werd ik getroffen door de troonzaal, in wier bouw de krankzinnige zelfvergoding van den vorst haar toppunt bereikte. Stelt u voor eene kerk, geheel in Byzantijnschen stijl opgetrokken, 20 Meter lang, 12 Meter breed en 13 Meter hoog, in wier nis de uit goud en elpenbeen vervaardigde troonzetel moest komen. Achter op den muur dezer nis zijn de zes koningen afgebeeld, die door den paus heilig zijn verklaard, en daarboven ziet men Christus op een regenboog zittende, met Jozef en Maria en engelengestalten, die allen als het ware den levenden koning zouden moeten huldigen, die daar in volmaakte afzondering tronen wilde. Een eveneens nog onvoltooide luchter uit goud en ivoor zou deze troonzaal verlichten, welks bodem uit stralend marmer bestaat, met mozaïekwerk ingelegd, en wier zuilen, uit porfier en lapus lazuli, een wondervol effect teweeg brengen. Negen treden van Carrarisch marmer met vergulde leuningen voeren naar den troon. O, toen ik daar de wit-marmeren plaat zag, waarop de gouden troonzetel had moeten komen, en er aan dacht, hoe Lodewijk hier, gansch alleen, zich door de onzichtbare wereld, die zijn kranke brein er bij tooverde, als een God had laten aanbidden, toen voelde ik: Hier heeft de Heere ingegrepen, en den overmoedigen heerscher toegeroepen: Tot hiertoe en niet verder!
Het is dan ook op dit slot Neuschwanstein, dat den Hden juni 1884 de staatscommissie, tot deze droevige taak afgevaardigd, den Koning kwam aanzeggen, dat hij niet langer
- 247 -
regeeren kon, dat een regentschap was ingesteld, en dat men hem op het slot Berg in geneeskundige behandeling zou nemen. En nü, nu wandelen duizenden vreemdelingen door deze zalen, voor hem alléén gebouwd, en bewonderen zijn smaak, zijn stoute verbeelding, zijn ongeëvenaarde prachtlievendheid â maar in veler harte rijst ook de gedachte op, die mij geen oogenblik verliet: âHoe arm is toch een mensch zonder God! De minste in het Koninkrijk der Hemelen is rijker dan hij!quot;
Ik schenk u thans de beschrijving der vierde verdieping van Neuschwanstein, met hare groote zangerszaal, waar de Koning menigmalen, te midden eener oogverblindende pracht, voor zich alleen muziekuitvoeringen of tooneelvoorstellingen houden liet; met hare rijke portalen en tribunes, alles vol van de heerlijkste fresco\'s, meubelen en â niet het minst â onvergelijkelijke vergezichten op de grootsche natuur â hoe zou ik u ooit alles kunnen verhalen? Men zou een vol jaar, dag aan dag, de kunstschatten dezer paleizen moeten bestu-deeren, eer men alles goed genoten en verstaan. Elke deur (om slechts één détail te noemen) â en er zijn er vele honderden - heeft een eigen slot, in oud-Duitschen stijl, geheel uit de hand gewerkt, met smeedwerk in ijzer of zilver, naar de schoonste modellen uit heel de wereld vervaardigd. Geld was den Koning volmaakt onverschillig, en evenals hij eenige jaren lang een troep arbeiders naar Siberië zond, om daar in de keizerlijke groeven twee schoorsteenen geheel uit lapus lazuli te laten bewerken, zoo stuurde hij even gaarne naar Rome als naar Madrid, naar St.-Petersburg als naar Londen, wanneer hij vernam, dat een of ander fraai model voor een deurslot daar voorhanden was.
Alle vloeren zijn van verschillend hout: mahonie-, eiken-, palissander-, ja rozen- en ebbenhout; alle vensters met gordijnen behangen, die soms een centenaar (honderd Kilo!) aan goud op zich bevestigd zagen, of van de kostbaarste Brusselsche kant vervaardigd, die met duizenden guldens per el betaald werd. Waarlijk, zulk een man zou het vermogen van een Rothschild met dat van alle Amerikaansche millionnairs te zamen opgemaakt hebben!
- 362 -
Moeder zoo goed en zoo verstandig met haar volk werd in kennis gesteld, het maar bemerken, hoe de polsslag van het nationale leven slaat â zij zal er, bij alle vrijmoedigheid en ongeveinsdheid, die den rechten Nederlander eigen is, de warmte en de toewijding van het Oranjebloed niet in missen.
Wat ons betreft â nietwaar, geëerde Hoorders! ik mag mij van uw aller instemming verzekerd houden? â wij zullen ons scharen rondom den troon onzer jonge, veelbeminde Majesteit, en zonder. valsche opwinding, waarin nooit kracht ligt, maar met kalme, dankbare blijdschap haar in het lief gelaat ziende, willen wij het haar toeroepen: âReken op ons, Koningin! wij blijven u getrouw!quot;
God zegene Oranje en Nederland!
XII.
DE VADERLANDSCHE VLAG.
à â mm
11.. ____________________________
mmm
mBBr!
mmÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃm
mÃÃÃÃÃÃÃÃm
.
Mijne Hoorders!
Wij zijn het Kroningsjaar van onze teerbeminde blond-lokkige Koningin ingetreden, en de commissiën, die haar inhuldigingsfeest met schitterenden luister wenschen te vieren, zijn alom in den lande gevormd. God geve, dat niets de nationale vreugde kome verstoren, en dat hare jonge Majesteit, omringd door een gelukkig en dankbaar volk, de teugels van het bewind aanvaarden moge!
Het is eene goede gedachte, dat men overal in iedere kerkafdeeling eene godsdienstige plechtigheid wenscht te houden. Voorwaar, daar is wel goede oorzake den Heer te danken en te bidden, wanneer de jeugdige hand onzer Vorstin den schepter zal omklemmen!
Het zal wel eene geheele loeek van feestvreugde zijn, die er dan voor Nederland aanbreekt â moge er voor afwisseling en degelijken inhoud gezorgd worden! Hoe vroolijk zullen de tonen onzer carillons van de transen der torens weerklinken! Hoe van heeler harte zullen de oude en de nieuwe volksliederen, zeker door een stortvloed van gelegenheidsgedichten vermeerderd, uit de zanggrage kelen onzer vaderlandslievende burgers worden aangestemd, waarbij men den hartgrondigen wensch niet onderdrukken kan, dat zij zoo min mogelijk door het onvaderlandslievende Schiedammernat zullen bevochtigd worden. O, dat het mogelijk ware, in die feestweek eens alle herbergiers te doen treuren over hun volblijvende jenevervaten!
Hoe heerlijk een gezicht zal het zijn onze dierbare driekleur van huis tot huis en van schip tot schip te zien wapperen!
- 366 -
O, schilt\'rende kleuren van Nederlands vlag.
Wat wappert gij fier langs den vloed!
Hoe klopt ons het harte van vreugde en ontzag,
Wanneer het uw banen begroet!
Ontplooi u, waai uit nu, bij nacht en bij dag,
Gij zijt ons ten teeken, o, heilige vlag!
Van trouw en van vroomheid, van vroomheid en moed. Van trouw en van vroomheid en moed!
Misschien dat er,onder u, geëerde Hoorders! nog wel een enkele is, die nog nimmer eens opzettelijk over onze vader-landsche driekleur heeft nagedacht. Ook zij behoort tot die zaken, waaraan wij zoo gewoon zijn geworden, waarmee wij zoo als het ware van kindsbeen af zijn vertrouwd geraakt, dat wij ons wellicht nooit hebben rekenschap gegeven van de vragen: âHoe zija wij aan die vlag gekomen? Waarom juist die kleuren? Wat hebben zij ons te zeggen?quot; Staat mij toe u daarvan in dit avonduur naar mijne geringe krachten wat te verhalen! De eerste helft mijner lezing is wat historisch van aard, en ik hoop, dat gij mijne mededeelingen niet al te droog zult vinden, maar al heb ik het nu over de kleuren, kleuren mag ik toch de nuchtere feiten niet! Ik wil u zoo objectief mogelijk mededeelen, wat ik omtrent onze volksvlag heb kunnen naspeuren â en hoort gij misschien dingen, die u heel bekend en gewoon voorkomen, weest dan niet toornig op mij âen rekent d\' uitkomst niet, maar telt het doel alleen!quot;
Men heeft lang en breed over de vraag gehandeld: hoe toch onze driekleur ontstaan is? Sommige geleerden hebben het rood, wit en blauw in verband gebracht met de kleuren van het Beiersche Huis; daarvan zou het dan op de Bourgondische Hertogen zijn overgegaan, en die zouden het dan weer aan de Oostenrijksche vorsten hebben overgegeven. In dat geval zou dus reeds in de 14ao eeuw onze driekleur ontstaan zijn.
Maar heel deze gissing lijkt ons volkomen onaannemelijk. De kleuren der Oostenrijksche landheeren waren geel en rood, of geel, rood en wit, aan het Spaansche Hof ontleend. De
- 367 -
Bourgondische vlag was ook heelwat anders als onze driekleur, die juist altijd in den strijd met de Bourgondiërs, maar nooit als hun eigen teeken ontplooid werd.
Eene andere gissing schrijft ons rood, wit en blauw aan Hendrik IV van Frankrijk toe. Hen verhaalt dan dat deze vorst, uit sympathie voor de Nederlanders, hun deze vlag heeft geschonken, toen zij den Spaanschen tyran hadden afgezworen. Wanneer men nu echter bedenkt dat dit in 1581 plaats greep, terwijl Hendrik van Navarre eerst acht jaren later tot den Franschen troon verheven werd, nog wel na eerst tot den Roomschen godsdienst te zijn overgegaan, dan kunt gij u voorstellen, hoe onmogelijk het moet heeten, dat hij aan de kettersche Hollanders hunne vlag zou hebben gegeven. Als Koning van Navarre kon hij dit al evenmin gedaan hebben, terwijl de kleuren van dat rijk, een gouden keten in een rood schild, ook zoowat niets met onze driekleur gemeen hebben.
Neen, de éénig-mogelijke opvatting omtrent haren oorsprong is deze, dat zij de vlag van den Prins van Oranje, van Willem I, den Vader des Vaderlands is geweest, waarom zij dan ook gewoonlijk de Prinsenvlag of de Oranjevlag heette, dit laatste niet allereerst omdat zij geheel en al van Oranje was (al kwam dit óók voor), noch ook omdat de eerste van de drie banen oranje was in plaats van rood (al was dit ook vaak het geval), maar omdat de naam en het prinsdom van Oranje vanzelf deze betiteling aan de hand deden.
Vóór het optreden van Prins Willem vinden wij nergens van de driekleur als onze nationale vlag gewag gemaakt; maar nauwelijks is hij als de helper der verdrukte Nederlanden opgetreden, of wij vinden ook deze banier ontplooid. Op de beroemde tapijtbehangselen, die nog altijd de Statenzaal van Middelburg versieren, en die tusschen de jaren 1591 en 1599 vervaardigd zijn, zijn diverse heldenfeiten ter zee afgebeeld, blijkbaar door een tijdgenoot met de uiterste nauwgezetheid en historische nauwkeurigheid afgewerkt; het zijn afbeeldingen van de gevechten in de jaren 1573 en 157-4 geleverd, en overal ziet gij de Hollandsche vlag, orange, blanche ende bleu, gelijk men diezelfde
- 368 -
benaming of kleuren in tal van gelijktijdige charters, lastbrieven, penningen en bekers aantreft. En die Hullandsche vlag was geen andere dan de primelijke, gelijk -wl) dat o. a. weten uit eene zeer zeldzame, maar toch gelukkig ons bewaard geblevene beschrijving van Willems inhuldiging te Gent in den jare 1577, waar wij lezen, dat diverse allegorische figuren, die (naar den smaak dier dagen) in hoogdravende verzen den Prins allerlei fraais vóórdeclameerden, gestoken waren in zijne couleuren, orange, blanche ende bleu. Het ivit was ontleend aan de prinselijke kwartieren Vianden en Bueren, het blamo was de wapenkieur der Nassau\'s, en het oranje was, gelijk wij reeds hebben opgemerkt, vanzelf de aangewezen kleur om bij de twee andere gevoegd te worden.
Tot aan den opstand tegen Filips was er geen sprake van onze drie/deur, maar is de Bourgondische vlag, rood of wit met het Bourgondische kruis, de gewone vlag der zeelieden geweest. Maar nauwelijks had men den Spaanschen tyran de gehoorzaamheid opgezegd, of men koos zich eene eigene vlag, welke geene andere dan de prinselijlce was. Toen de Hertog van Anjou in het jaar 1582 te Antwerpen als souvereine Vorst werd ingehaald, werden tweeërlei vlaggen gezien; die van Anjou en (gelijk het uitdrukkelijk vermeld wordt) de driekleur van den Prins van Oranje, die dus blijkbaar als de volksvlag tegenover die van den vreemdeling optrad. Hoogstwaarschijnlijk hebben wij het aan de Watergeuzen te danken, dat de driekleur van den Prins weldra als de nationale werd erkend. De matrozen toch voerden, naar oud-Hollandsch gebruik, de kleuren van den admiraal, die hun commissie gegeven had, en dat was juist de Prins van Oranje, en van onze matrozen, de meest Hollandsche van alle Hollanders, van onze janmaats, die alle eeuwen door de zuiverste kern van ons volk hebben uitgemaakt, hebben wij onze banier gekregen. De zeelieden, die het allereerst den strijd tegen Spanje hebben aangebonden, zijn de eerste Oranjeklanten geweest, gelijk wij in een aardig Geuzenliedje dan ook lezen:
- 369 -
Roemt nu vive Orangien,
Roemt nu vive le Geus,
En draeght tot spijt van Spangien Orangie, Blangie, Bleus.
Laat nu de wimpels streven,
Schippers, matroosen goet,
Ter eer ons Prins verheven,
Dat reyn Orangie bleet.
Toen dus de Watergeuzen in 1572 den opstand begonnen, en nog geen drie maanden na de inneming van Den Briel ook te land de strijd werd gevoerd en den 23s\'en Juni de stad Gouda door Van Swieten bezet werd, geschiedde dit onder den kreet van âvive le Prince d\'Orangienquot; en onder het zwaaien van âvendelen orangien, wit ende blau,quot; gelijk een tijdgenoot het ons bericht. Toen Enkhuizen den Mei 1572 de zijde van den Prins koos, werd ook aanstonds de âOranjevlagquot; uitgestoken, dat wil zeggen niet eene geheele oranjevlag, maar oranje, wit en blauw. Den 24s\'egt;i Juli van datzelfde jaar meldt Robles aan den Hertog van Alva, dat hij bij Sloten eene afdeeling opstandelingen verslagen heeft, die vlaggen voerden âdes cou-leurs du prince d\'Orange.quot; Bewijzen dus te over, waarde Hoorders! om het aannemelijk te maken, dat Willem van Oranje zijne eigene kleuren, zijne livrei of paluere (gelijk men het noemde), die eerst door de leden zijner hofhouding gedragen werd, straks ook aan zijne krijgslieden gaf, toen zij zich opmaakten de verdrukte Nederlanders te redden, en dat zij ook door hem tot de nationale vlag- werd gemaakt. Hij gaf ze dus als Souverein van het Prinsdom Oranje, hij gaf ze als Stadhouder en Kapitein-Generaal, en als de vlag van den Prins, den grondvester onzer vrijheid, is zij terstond door het volk als het plechtanker zijner hope en zijner toekomst begroet. Zóó werd zij de vlag van het volk, omdat de natie, in hare edelste en beste zonen, begreep dat de zaak van den Prins de hare was, zoodat zij door hem te steunen, zichzelve hielp en haar eigen toekomst verzekerde, üit dezelfde bron, waaruit het âWilhelmusquot; als volkslied is voortgekomen, is ook de driekleur als volksvlag ontstaan, namelijk de volkomen
31
- 370 -
éénheid tusschen volk en vorst. Dat âWilhelmusquot; is één doorloopende verheerlijking van den Prins; hoe zou dat ooit door het volk als zijn lijflied in nood en dood zijn aangenomen, zoodat nu nog, na meer dan 300 jaren, dat lied de nationale hymne bij uitnemendheid is, wanneer men niet gevoeld had: in dezen Prins eeren wij onszelven; zijne glorie is de onze, zijn lof onze hoogste eere?
Ha, daarom kan ik het niet verdragen, dat men de nagedachtenis van den Prins van Oranje in onze dagen weder met voorliefde door het slijk haalt, en van de doorluchtige heldenschaar, die hem volgde, zijne broeders, zijne getrouwen uit de hooge en lagere kringen des volks, durft gewagen als van een martelaarscanaille! Zeker, Willem I had zijne groote gebreken; wie kon er in dien tijd aan de Eoomsche hoven vertoeven, en omgaan met karakters als Karei V, Filips II en soortgelijke allerchristelijkste vorsten, zonder zijn eigen hart en leven in gevaar te brengen? Wij, Protestanten, kennen geene heiligen, en gevoelen de noodzakelijkheid niet onze groote mannen schoon te wasschen van smetten, die een eerlijk historie-onderzoek ons leert kennen. Maar hoog boven de meeste karakters van zijn tijd, hoog boven de lage zelfzucht en de trotsche, brutale zelfverheffing van de meeste vorsten zijner eeuw, staat ons de gestalte van den Vader des Vaderlands voor oogen, den edelen bloedgetuige, die alles wat hij had en wat hij was heeft gegeven aan de bedreigde zaak onzer vrijheid.
Standvastig, moedig, vroom, doordringend, ondoordringbaar. Beleidvol in den raad, beleidvol in het veld,
Door list, noch nood, noch ramp in zijn besluit verwringbaar, Tot wijken onbekwaam voor de almacht van \'t geweld;
Het oog met kalme hoop op God den Heer geslagen.
Met de eene hand aan \'t zwaard, met de and\'re aan \'t roer van Staat,
Dorst hij den stoutsten kamp, dien ooit Euroop zag, wagen, En temde uitheemsch geweld en binnenlandschen haat.
En zoo heeft ook ons vrije volk het begrepen dat het, door de livrei, de paluere, de driekleur van den Prins aan te nemen, zich geen nieuwe slavenketen koos in de plaats
van de verworpene Spaansche, maar dat het geen beter symbool voor zijne vrijheid en zelfstandigheid aannemen kon, dan het oranje, wit en blauw, de wapenkleuren van Willem van Oranje. En evenals thans kon men het ook voor driehonderd jaren zingen:
Waai uit van onze stengen,
Gewenschte Prinsenvlag,
En ga de blij maar brengen Aan d\'ongeboren dag!
En donders van kartouwen!
Bromt uit door lucht en zee;
Wilhelmus van Nassauen Biengt Hollands redding mee!
Het is onder die Prinsenvlag, dat onze vrijheid bevochten en onze zelfstandigheid en grootheid gevestigd werd. Het is onder haar, dat mannen als Cornelis Diericx, Ewout Pieterse Worst, Boudewijn Ewoutz, de beide De Mooren, Louis Boisot, Willem Bloijs van Treslong hunne heldendaden verricht hebben; het is onder die vlag, dat de kloeke redders het uitgehongerde Leiden ter hulpe kwamen; dat Maurits en Frederik Hendrik, De Ruyter en Tromp, kortom al onze helden en heerlijken ter victorie gegaan zijn â het is onder de schaduw dezer vlag, dat zoo menig heldenleven voor het dierbare Vaderland in den dood is gegaan.
O welk een heerlijke tijd is dat toch geweest, die eeuw onzer nationale geboorte in den worstelstrijd met een honderdmaal machtiger vijand. Wanneer het zelfs nu nog, ruim driehonderd jaren later, onze borst doet gloeien, dat oude Wilhelmus (zelfs wanneer wij het door onze afgrijselijke straatorgels, door die gepatenteerde stadsbedelaars hooren afdraaien\') hoe moet het dan ons voorgeslacht niet in de ooren hebben geklonken, toen het nog nieuw was, en men onder het wapperen der nieuwe driekleur blijmoedig den dood te gemoet ging, strijdende voor vrijheid van land en geweten! Als elegie van het lijdend, als krijgszang van het strijdend, als dithyrambe van het triumfeerend Nederland is dat Wilhelmus van Kassouwe een
- 372 -
historisch volkslied, zooals geen andere natie er een bezit â even oud en even eerwaardig als onze vlag, die wij â God geve het! â met den ouden moed der Geuzen weer zullen verdedigen, wanneer iemand hare eere te na komt!
Die vlag hadden onze kloeke matrozen, de schrik van heel Europa en van half Afrika in het oog, wanneer zij riepen: Oranje Boven! Kent gij den oorsprong van dien kreet? Hij dagteekent uit de langdurige worstelingen met de Duinkerker kapei\'S, in hunnen tijd even gevreesd als de Noormannen van weleer. Wanneer deze zeeschuimers dan ook eens een HoUandsch schip hadden buitgemaakt, hingen zij tot bespotting en smaad onzer natie de vaderlandsche driekleur onderstboven, dus het oranje benedenwaarts. Ha, met welk een woede zagen onze Janmaats dan zulk een schip te heroveren! Die geliefde vlag aldus gesmaad? Er op los, er op los, op leven en dood. Oranje boven! Oranje boven.\' En zij rustten niet, voordat de glorieuze banier haren natuurlijken stand had herkregen, en de geliefde kleur van Nassau\'s vorstenhuis weder boven aan was gehangen.
Nu moeten wij, geëerde Hoorders! nog ééne belangrijke vraag onder de oogen zien, die wellicht hier en daar zekere gevoeligheid opwekken kan, maar die wij toch niet voorbij mogen gaan, in dit meer historisch gedeelte onzer lezing. Gij hebt wel eens bij gelegenheid van een of anderen feestdag in het Koninklijke Huis aan deze of gene woning eene vlag met oraw?ebaan in plaats van het rood, wit en blauw zien uitsteken. Is dat te prijzen of af te keuren, aan te moedigen of moet men integendeel met beleid en zachtheid dat zien afgeschaft te krijgen? Ik verklaar mij zonder aarzelen voor dit laatste, en zal u gaan vertellen waarom.
Ongetwijfeld is oranje, wit en blauw de oorspronkelijke driekleur geweest, gelijk reeds uit het aandeel, dat de Prins van Oranje bij zijn samenstelling gehad heeft, vanzelf spreekt. Tot aan de Fransche Revolutie toe vindt men in officiëele stukken en bij officiëele gelegenheden het oranje, wit en blauw
- 373 -
als de kleuren der nationale vlag vermeld en gebezigd. Maar al heel spoedig ziet men op oude platen naast het oranje ook vlaggen met roode banen, welke kleur eveneens in \'s Prinsen kwartieren voorkomt. Wanneer men nu ten overvloede bedenkt, iets wat men op oude prenten en schilderijen onloochenbaar kan aantoonen, dat eertijds het oranje niet zoo geel was, maar meer hoog-rood van kleur, zoodat de kleuren somtijds in elkaar vloeiden, en men waarlijk niet met zekerheid weet wat men heeft willen schilderen: rood of oranje, dan geloof ik, dat men verkeerd doet met het aldus voor te stellen, dat men later van de zijde der z. g. Staatsgezinden, opzettelijk om het Stadhouderlijke Huis te grieven, het oranje uit de vlag heeft iveggenomen en door het rood vervangen. Een sterk bewijs voor mijne opvatting kan ik nog bijbrengen, en wel uit een bevelschrift in \'t jaar 1684 door den Gouverneur-Generaal Brouwer uitgevaardigd (dus 16 jaren vóór den aanvang van het stadhouderlooze tijdperk, toen Frederik Hendrik nog aller liefde en achting genoot); daarin bestelt deze bewindsman eene groote hoeveelheid vlaggendoek, en wel 10 corgie blauw, 10 corgie wit en (let nu wèl op) 10 corgie ârood of oranjequot;, zoodat deze beide kleuren dus klaarblijkelijk volkomen op ééne lijn gesteld zijn. Er bestaan dan ook tal van oude platen, op welke de vlaggen duidelijk rood, wit en blauw gekleurd zijn, terwijl de bijbehoorende beschrijving spreekt van: oranje, wit en blauw.
Neen, de Staatsche partij had een ander middel om den Prins te grieven, namelijk: het weglaten van zijn wapen uit de vlag. Gewoonlijk vertoonde de driekleur óók nog het wapen der Nassau\'s op de middelste, witte baan vastgehecht, en toen Willem II en Holland met elkander op zulk een gespannen voet geraakten, dat de Staten den Prins op alle mogelijke manieren zijne afhankelijkheid van de HoogJIogende Heeren wilden doen gevoelen, vervingen zij het Prinselijke wapen dooiden Hollandschen Leeuw, en dat was natuurlijk eene grievende beleediging voor Oranje. Hierin ligt nu het onderscheid tusschen Staatsche, en Prinselijke of Oranjevlaggen, welke laatste óók
- 374 -
vaak, en zelfs hoe langer hoe meer, het rood, wit en blauw vertoonden, maar met het stadhouderlijke wapen er in, terwijl de Staatsche vlag of de vlag van de Generaliteit den Holland-schen leeinv of enkel het rood, wit en blauw vertoonde.
In Bogaers\' âTocht naar Gibraltarquot; worden beide vlaggen aldus geschetst;
Te midden van de Prinsevlaggen,
Die \'t helle oranje, wit en blauw.
Te schooner thans bij \'t Maartsche grauw.
Om stengen slingerden en staggen.
Rees aan den top van \'t hoofd der vloot De Staatsbanier, uit goud geweven.
Waarop een leeuw van bloedig rood.
Wiens klauw om zeven pijlen sloot,
liet sein tot heirvaart scheen te geven.
En dan was er nog iets, dat de roede baan gestadig meer in de hand werkte. Vergeet niet, dat een allereerste vereischte bij een vlag de helderheid der kleuren is. Hoe duidelijker zij tegen elkaar uitkomen, des te frisscher en levendiger wordt de vlag. En waar nu het oranje al spoedig verbleekte tot een leelijk geel, terwijl het rood veel langer zijn gloed en frischheid behield, dan kunt gil u reeds uit deze omstandigheid het toenemend gebruik van het rood verklaren, al bleef men ook gedurig van oranje, wit en blauw spreken, wanneer men in oude beschrijvingen van de Statenvlag of de Prinsenvlag gewag vindtgemaakt.
Meer en meer verdwijnt de oranjekleur uit de banier, en al hebben de Staten er zeker niet naar verlangd, dat zij er in terugkwam, zij hebben er nooit offlciëel tegen geageerd, en ook de Prinsen van Oranje zeiven hebben geenerlei bezwaar tegen het rood, wit en blauw getoond. Sedert ongeveer het jaar 1G50 zijn de meeste vlaggen in deze schakeering gebleven, en dat bleef zoo, óók met de omwenteling van 1672. Ja, Prins Willem IH zelf voerde in 1G88, bij zijn overtocht naar Engeland, boven zijn eigen grooten standaard, een wimpel van rood, wit en blauw. Wèl een bewijs, dat toen alle gedachte aan oppositie en onvriendelijkheid jegens het Oranjehuis, indien ze zich al
- 375 -
vroeger in dat rood geopenbaard had, ten eenenmale verdwenen was. Men had die rood-wit-en-blauwe vlag nu eenmaal lief gekregen. Onder haar waren de schitterende overwinningen door Wassenaar, de Evertsens, Van Galen, De Ruyter behaald, en het volk noemde haar met evenveel liefde zijne âOranjevlagquot; of âPrinsenvlagquot;, al was er ook de oranjekleur niet meer in, als vóór honderd en honderd vijftig jaren. En zóó is het gebleven tot aan de Fransche Omwenteling toe.
Toen werd de meer dan twee eeuwen oude, doorluchtige vlag vanzelf veranderd. De Bataafsche Republiek behield wèl het rood, wit en blauw, maar bovenaan, op eenige duimen van den vlaggestok verwijderd, kreeg zij, althans voor de Marine, een wit vierkant, waar men eene vrijheidsmaagd met speer en pijlbundel benevens een grimmigen leeuw in afbeeldde. De oude zeerobben hadden niets met deze zoogenaamd Uatoa/scAe banier op, en in den jare 1806 werd de oude Oranjevlag, d.i. het gewone rood, wit en blauw, onder eindeloozen jubel weder hersteld. Koning Lodewijk Napoleon beval, dat zij voortaan als de Koninklijke Bollandsche vlag door alle zeeschepen gevoerd zou worden; alleen de Zeeuwen bleven, wonderlijk genoeg, nog geruimen tijd de afgeschafte Bataafsche vlag, met de Vrijheidsmaagd, handhaven. Met de inlijving bij het Keizerrijk Frankrijk werd de driekleur natuurlijk geheel en al afgeschaft, en door de keizerlijke standaards vervangen, en toen was het vergeten eilandje Decima in Japan de eenige plek ter wereld, waar het roemrijke rood-wit-en-blauw nog wapperde. Met den val van Napoleon en den terugkeer van het Huis van Oranje, keerde ook de geliefde driekleur terug, die nu, Goddank! bijkans weder eene eeuw lang ongestoord en onbesmet hare heerlijke kleuren ontrold heeft.
O, moog\' zij immer wapp\'ren,
Die vlag, ons alles waard,
Beschut door Neérlands dapp\'ren,
En door Oranje\'s zwaard!
Waar gij haar doek ziet zwieren
Zit recht en vrijheid voor â
O, moog\' zij zegevieren De went\'lende eeuwen door!
- 376 -
AVat dunkt u thans, geëerde Hoorders! van de vraag, of het nu nog aanbeveling verdient het rood onzer vlag door oranje te vervangen? Ik ben er haast zeker van, dat gij allen haar met mij ontkennend beantwoordt. Afgezien van het onjuiste der bewering, dat men liet oranje opzettelijk en uit haat tegen het Stamhuis van Oranje zou hebben verwijderd, heeft het rood in onze driekleur thans een historisch recht verkregen, dat men niet meer kan aantasten. Dat zou werkelijk thans, natuurlijk met de bedoeling van het tegendeel, een revolutionaire daad wezen, een oprakelen van langvervlogen partijtwisten. Er zijn van die dingen, die men gaarne behouden zou hebben gezien, maar die men, als ze eenmaal afgeschaft zijn, niet meer kan doen herleven zonder heftigen strijd. En zoo hoop ik ook voortaan als een echte Oranjeklant onze dierbare vader-landsche vlag, rood, wit en blauw, uit mijne woning te doen wapperen, als het teeken van onze door Oranje gegrondveste en door Oranje verdedigde nationale vrijheid, en in de trilling van die vlag trillen alle vaderlandsche harten mede en zwijgen de partijen, om eendrachtelijk samen te smelten in den ouden, maar nimmer verouderden kreet: Oranje Boven!
O Nederland, mijn Vaderland! Eén naam, één roem, één eendraclitsband Omsnoert uw burgers hand aan hand, Bij vrije vaart en volle schooven: Ilollandia, Zeeland ia. Met Frisia, Brabantia,
Sticht, Oversticht en Gelria â Oranje Boven!
O Nederland, mijn Vaderland! Doe Nassau\'s oud verbond gestand.
En stel uw lot in Godes hand, Wien, als de Vaad\'ren, \'t kroost moet loven; Blijf trouw en edel, vroed en vroom, Bust waakzaam, zonder blaam ofschroom, Bij uw Oianje- en Vrijheidsboom â Oranje Boven!
Gij kent, geëerde Hoorders! de gespierde verzen, waarmede onze groote Potgieter zijn gedicht op âBronbeekquot; opent:
Waar ooit, o vaderlandsche vlag!
In volle zee, op vreemde reede.
Mijn blik uw banen wapp\'ren zag,
Daar bracht gij -oete droomen mede,
Daar werd een droeve een blijde dag!
- 377 -
Ja waarlijk, zoo is het! Dat heb ook ik vaak in den vreemde ondervonden, wanneer ik van den mast onzer schepen, of van het dak eener tijdelijke woning, die men ter eere onzer verjarende Vorstinnen versierde, het geliefde dundoek zag wapperen. Aanstonds schiet de verbeelding vleugelen aan, en voert u met vluggen wiek boven het wemelende stof â en ook Ik deelde des dichters ervaring;
Mijn mijm\'ring smaakte in \'t opwaarts staren De ruste van een lief tehuis.
Gij roept ons oor, de weelde moe Des wond\'ren rijkdoms van geluiden Vol ernst van \'t Noord, vol ijcesl van \'t Zuiden, Ons Hollandsch welkom hart\'lijk toe.
Gevoelt gij iets, mijne Hoorders! voor de symboliek der kleuren? O, de kleuren hebben haar eigene taal, evenals ook de tonen dat hebben. Wat kan een ervaren musicus u vaak een kijkje geven in zijn gemoedsleven! Hoe kan hij u soms dwingen met hem mede te leven, in jubel of in droefenis, wanneer hij de veelzijdigheid zijner passiën en indrukken terneer legt in zijn spel. Niet een ieder kan dat terstond verslaan; zelfs zijn er harten, tot wie de muziek in \'t geheel niet spreekt. Ik herinner mij nog, hoe het mij als een koud waterbad op het lijf viel, toen mij een eenvoudig dienstmeisje zeide: âWat heefl die organist van morgen een leven gemaakt; ik vond er niets aan!quot; â en dat was na een der heerlijkste voorspelen, die ik ooit van onzen eenigen Wagenaar heb gehoord. Het was een praeludium op het bekende gezangvers; âRuwe stormen mogen woeden,quot; en waarlijk, ik hoorde den storm, ik zag hem, dien dikken, zwarten nacht, en onwillekeurig rilde ik van huivering over do eenzame, donkere verlatenheid, die mij omringde, totdat er gaandeweg harmonie kwam in de dissonanten, licht in de donkerheid, en de psalmtoon des vertrouwens ging klinken in de ziel: âGod, mijn God, zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht.quot; Derhalve â niet aan allen kan de muziek hare teerste geheimenissen kwijt raken.
- 378 â
maar voor wie hare sprake verstaat, is zij vaak van oneindige zoetheid en diepte.
En zoo hebben ook de kleuren hare eigene sprake. Laat dat u de schilders verhalen, wanneer ze hun innerlijk leven in kleurenpracht en vervenschakeering ontvouwen! Ik betreed nimmer het atelier van een schilder, zonder een kleinen aanval van jaloerschheid. O, hoe gaarne zoude ik zijne oogen hebben! Hoe zou ik genieten van zonneschijn en maanglans, van licht en van donker, van.herfst- en zomertinten, van al die einde-looze variëteiten en afwisseling, die, helaas! voor mijn leeken-oog zoo menigmaal verloren gaan! Ik ken geen grooter genot dan met een waarachtigen artist een paar schilderijen te bezien. Dan holt ge de zalen niet door, vijf, vijftien, vijf en twintig op één morgen, â een der tallooze pygmeën, die aan die reuzen voorbij drentelen! â maar drinkt de frischheid, den gloed, de passie dier verven en tinten met wellust in, en uw ziel begint te leven â het is, of uw oog een andere wereld aanschouwt!
De kleuren zijn niet iets toevalligs of willekeurigs, neen, zij komen uit het ivezen der dingen voort. De wereld is niet met kleuren beplakt; de hand des Scheppers heeft niet als met een onzichtbaar penseel, willekeurig hier wat groen en daar weer zwart of rood aangebracht â de kleuren zijn de zichtbaarwording van het innerlijke leven, gelijk de gestalte de objectiveering van den inhoud is. Wat is een mensch? Niet een klomp vleesch met een geest er in, maar de geest zoekt zich een vorm, en fatsoeneert dien naar innerlijken aandrang. Het leven is altijd antérieur aan de gedaante, waaronder zich dat leven zoekt te openbaren. En zoo is daar een eeuwig. Goddelijk scheppingslicht (God ia licht, zegt de Heilige Schrift zoo rijk en zoo heerlijk), en als dat licht zich objectiveert, zich wil uiten voor het menschelijk oog, verdeelt en verspreidt het zich in kleuren, de afstralingen van den eenen, ondeelbaren centraalglans des Almachtigen.
Daarom zijn de verschillende kleuren dan ook bij de Ouden gewoonlijk symbolen van de openbaringen der goden, van hunne verhouding tot de wereld. Dit is ook de reden, waarom
- 379 -
hunne beelden zoo dikwijls in bonte en veelvervige gewaden gestoken zijn; men voelde het: hoe veelkleuriger het kleed, des te veelzijdiger werd de relatie tot het geschapene aangeduid.
Daarom heeft men ook reeds in de vroegste tijden beseft, dat de kleuren eene diepe, symbolische beduidenis hadden. Het zioart, dat sombere, duistere zwart, dat de ondergang is van alle kleuren, dat de zon niet weerkaatst en de ziele onwillekeurig droevig en klaaglijk stemt, werd vanzelf het symbool van rouw en van dood, en alles wat daarmede samenhangt. En omgekeerd was het wit, waaruit al de andere kleuren te voorschijn komen, vanzelf aangewezen, om leven, vreugde, heiligheid en ovei\'winning te vertolken. De rouwdragenden hullen zich in het zwart, terwijl men zich eene bruid, het jonge, hoopvolle leven, en ook de gezaligden, die de doodssmarten achter zich hebben, onwillekeurig in witte kleederen voorstelt. Blauw is als de kleur des hemels, de kleur der goden bij uitnemendheid. De Indische Krishna wordt, evenals Kneph en Osiris van Egj\'pte, niet alleen in een blauw kleed, maar zelfs met blauwe lichamen afgebeeld, terwijl de Perzische Soil\'s blauwe gewaden droegen, om aan te duiden dat zij zich met goddelijke zaken bezig hielden. Het groen is algemeen als het symbool der hope beschouwd. Wanneer eindelijk, eindelijk de dikke l]skorst smelt, en de hardbevroren aarde weer ontdooit, dan zwellen ook de takken der boomen, de knoppen breken uit in het eerste groen â ja, dan zien we dat de hope ons niet heeft bedrogen, wanneer wij ook midden in den winter zongen:
Het zal weer lente worden! Mijn ziele, zucht niet meer!
De bloemen, die verdorden, wij zien ze bloeiend weer!
Weer zal de lente ons laven met al haar overvloed,
En \'t aan ons harte staven: God is getrouw en goed!
Onze tijd â wij wezen er reeds met een enkel woord op â is boven alles de tijd der eenvormigheid. Gielijk onze nieuwer-wetsche straten het toppunt van bouwkundige vervelendheid zijn â lange, kazerneachtige, eentonige steenenmassa\'s, bij
- 380 -
welke gij aan de schilderachtige, bonte ongelijkheid van Oud-Holland, met zijn karakteristieke gevels en luifels en puien niet zonder diepen weemoed kunt denken â zoo zijn ook zin en beoefening van kleuren in deze droefgeestige stemming des tijds zooveel mogelijk op den index geplaatst. Wat noemt men boven alles een deftig ameublement? Wat stemmig van kleur is. Want al wat bont is en afwisselend, is niet gedistingeerd. Wat is de mode onzer dames, de eenigen die nog wat toon en gloed. in onze samenleving kunnen brengen, waar wij, mannen, bijkans immer gedoemd zijn in onze akelige, sombere kleedij aan het lied der raven uit Ten Kate\'s âScheppingquot; te herinneren: âEen mistroostig geslacht in \'t livrei van den nacht, arme stiefkinderen zijn wij der modequot;...
Hoeveel bonter en warmer van toon waren de oude kostu-mes, gelijk ons Rijksmuseum daar zulke sprekende bewijzen van heeft! Ja zelfs de schilders, de priesters der kleuren, zinken zij niet mede af op dezen stroom der eenvormigheid, zoodat zij in plaats van hun palet te dompelen in de stralen van den regenboog, wel schijnen te verven met het bezinksel van een regenton, en hun penseel te doopen in de modder van de straat? Ach, ik begrijp wel wat die nieuwere school bedoelt; ik vermeet mij niet het werk van een Toorop e tutti quanti op hoogen toon te veroordeelen; maar dat wazige, dat onzekere, mystieke, dat onitreklooze is toch niet de eigen, de natuurlijke taal der kleuren. Zij doen mij altijd denken, die zonderlinge schilderijen, aan de slechte gewoonten van vele voorname familiën, die in haar eigen woning haast geen Hollandsch meer spreken, zoodat een onharmonisch mengsel van Fransch en Engelsch u onafgebroken in de ooren gonst: âGood morning, my darling! Tu as bien dormi, chérie? Oh yea, dank je wel, maar nu heb ik een affreuse migraine. Wel, kom dan van middag op m\'n afternoon-tea. Je t\'assure, dan word je heele-maal beter!quot; Weest toch natuurlijk in uw spreken en denken! Weest toch helder en waar in uw kleuren, en laat de liefelijke stralen, waarin zich de blinkende zonne verdeelt, onvervalsoht en onverminderd ons leven beschijnen. Heusch, het is door
- 381 -
de zonde en de ellende al winter genoeg! Gij behoeft het niet nog kunstmatig en opzettelijk met wasem en damp te omkleeden!
En daarom heb ik die schitterende kleuren van Nederlands vlag zoo hartelijk lief, omdat dat rood en wit en blauw zulk een klare, rondborstige taal tot mij spreken. De menschen zijn lang niet altijd zoo rond en zoo open, foei neen! Hoe bedriegen zij elkander in hunne conventioneele gebruiken, waar de leugen en nog eens de leugen zoo menigmaal schering en inslag vormen van heel de samenleving! Wie durft het nog gelooven, dat ieder die zegt blijde te zijn u te zien, dat ook meent? Dat elk die zich uw gehoorzamen dienaar betitelt, u ook maar één wezenlijken dienst zou willen bewijzen? Dat ieder bezoek, dat men u brengt, uit de oprechte begeerte voortkomt uw aangezicht te zien? Dat iedere kus, dat iedere handdruk de uiting is van een eerlijke liefde?
Maar die oude, reine, heerlijke vlag â die heeft nog nooit gelogen! Het heldere, frissche rood, als de kleur des levens, de kleur van het bloed en van kracht, aan het koninklijke purper verwant, roept ons toe, dat wij een krachtige, moedige natie moeten wezen, die met ernst en beslistheid elk gevaar dat ons dreigt onder do oogen hebben te zien. Maar het zij een reine, binnen de perken gehouden moed 1 Geen oi-wmoed! Het rood kan ook prikkelen en verbitteren, geiijk de Spaansche toreadores weten â er moet iets kloeks, maar ook een element van heiligen afkeer van het kwade in onze volksstemming zijn, een afkeer van de zonde, die in de H. Schrift met het rood van scharlaken vergeleken wordt. Ziet dus de roode baan onzer vlag nimmer aan, zonder u te wapenen met frisschen, mannelijken moed!
Ze is rood gelijk de gloed, die aan den vuurmond schittert, Die wond en dood verspreidt in \'s vijands legermacht,
En aan den vreemd\'ling toont, dat wie den leeuw verbittert, Verpletterd wordt door hem, die \'s vijands trots veracht.
Zóó toont ons \'t rood der vaan met schitterenden gloed Een eeuwig zinnebeeld van Nederlandschen moed.
- 382 -
Hoe liefelijk en aanlokkend blinkt die tweede baan onzer driekleur, dat reine, heldere wit ons tegen! Zij is het symbool van ons tot overwinning en zelfbewuste kracht geraakte volksleven. Doet het rood ons allereerst denken aan den strijd, de witte banier herinnert aan de overwinning. Niet de witte vlag alléén, want die is het teeken der overgave, het bewijs dat men bukt voor den vijand â neen, ons wit ligt tusschen het rood en blauw in kalme majesteit in; het is het symbool dei-overwinning, óók op den hartstocht van het rood, het teeken van reine, deugdzame zelfstandigheid. In Israël was wit de kleedi] der priesteren, die den vrede Gods aan de menschheid verkondigden.
Ze is wit. Nooit werd één smet op onze vlag gevonden,
Gelijk het reine kleed, waarin de deugd zich hult;
De deugd, die vorst en volk in Neerland houdt verbonden,
En vriend en vijand steeds met eerbied heeft vervuld.
Zoo prijkt het wit der vaan op \'t feest dat ons verheugt,
Als \'t heilig zinnebeeld van Nederlandsche deugd.
En eindelijk dat liefelijke blauw, welk een rijke sprake brengt het tot ons! Hoe roept het ons telkens weer toe: Zie toch opwaarts, naar den blauwen hemel, o volk van Nederland! en vergeet het nooit, dat alle zegen van Boven afdaalt! Het kleed van den Hoogepriester in Israel, die den Almachtige op aarde vertegenwoordigde, was purperrood en blauw, de majesteit en de verbondstrouw des Heeren afschaduwend. Blauw is de kleur des hemels, die, al omfloerst hij zich bijwijlen met wolken en nevelen, toch altijd weer zijn Uefelijken glans aan de zuchtende en woelige aarde toekeert. En daarom, ziet ze telkens met blijde hope aan, die blauwe baan uwer vlag, en laat ze in uw harte de gedachte aan vastheid en trouw verlevendigen!
Ze is blauw gelijk \'t azuur, dat aan des hemels bogen Weerkaatst wordt in het nat van \'t spiegelgladde meer;
Geen wolkje heelt zich ooit aan \'s hemels trans bewogen, Of \'t held\'re watervlak gaf \'t rein en zuiver weer;
Zóó is ook \'t Hollandsch hart, waar elk gerust op bouw\'. En \'t blauw van onze vaan een zinnebeeld van Trouw.
- 383 -
En vraagt gij mij nu, wat dit drietal kleuren te zamen bindt, ivat haar voor ons besef tot de eene, ondeelbare driekleur maaktquot;? Dan heb ik slechts één woord, namelijk: Oranje. quot;Wilt gij dat nu nog afzonderlijk door een oranjewimpel aanduiden â uitnemend; hang hem aan den vlaggestok. Maar noodig is het niet! Heel de driekleur is het werk van Oranje, en van Oranje getuigt zij, zoolang zij wapperen zal van schip en toren, van hut of paleis. Geen scheiding dus, nog eenmaal, tusschen rood en oranje; zij behooren te zamen, zij vloeien inéén. Het belang van Oranje is ook het belang des volks; het belang des volks is onafscheidelijk aan dat onzer vorsten verbonden. En laat mij aldus ten slotte mogen uitdrukken, wat ik u over deze beide kleuren, of liever deze beide schakeeringen van ééne kleur heb gezegd: âals gij het rood onzer vlag beziet in het zonnelicht onzer historie, denkende aan het aandeel door de Nassau\'s in die historie vervuld, dan kleurt de zon dat rood tot oranje-, en als gij het oranje onzer vorsten besproeid ziet met het bloed onzer martelaren, dan kleurt de zon der historie het oranje tot rood.quot;
Wie zal dan immer scheiden Oranje en Nederland?
God-zelf verbond die beiden met onverbreekbren band;
Dies vloeien zacht harmonisch oranje en rood te zaam,
En sieren onvergankelijk den Nederlandschen naam!
O, mijne Hoorders! hoe vurig wensch ik, dat wij aan ons roemrijk verleden getrouw zullen blijven! Daar is zooveel in ons volk, dat stofte biedt tot angstige vreeze, wanneer wij letten op al die ontbindende en verwoestende machten, die daar onbeteugeld over onze natie heengaan. Indien één volk èn door aanleg èn door zijn historie geroepen is iets goeds en iets groots te worden of te blijven, dan zijn wij het. Weet gij wel, dat reeds Karei V van ons getuigde, dat wij zeer goede onderdanen, maar slechte slaven waren? Dat Cartesius, de philosoof, moest getuigen, dat er nergens in Europa vollediger gewetensvrijheid bestond dan in Nederland? Dat Lodewijk Napoleon gezegd heeft, dat geen volk ter wereld zóóveel
- 384 -
gezond verstand en vooral zóóveel gevoel voor recht en waarheid bezat als het Hollandsche ? Noblesse oblige. Wie zulk een verleden bezit, streeft altijd naar hooger en beter. Ook de vrijheid is een goed, dat telkens opnieuw moet verworven worden; anders ontglipt zij ons.
Moge ons volk daarom rijk zijn en steeds rijker worden aan echte, trouwe vaderlandslievende zonen en dochteren! Ach, daar is zooveel valsche opwinding. Hoevelen van de door pret en drank opgewonden Oranje-boven-roepers, die het rijtuig onzer Koningin bij feestelijke intochten omstuwen, zouden bereid zijn één druppel bloed voor haar te storten? Kent gij het oude Nibelungenlied ? Daar lezen wij van Gunther, een koning van Bourgondië, een laf en onbeduidend man, die de schoone en sterke prinses van Isenland, Brunhilde, tot vrouw begeert. Hij krijgt haar ook, maar slechts door bedrog. Want de edele Siegfried, zijn bloedverwant, die de wondergave heeft zich onzichtbaar te kunnen maken, grijpt hem vast en stelt hem zóó in staat den reuzensprong te. maken, dien de schoone Brunhilde tot voorwaarde van hare hand had gesteld. Maar zie, zij komt het bedrog te weten, en als Gunther zich als haar echtgenoot wil doen gelden, bindt zi] hem handen en voeten vast, en stoot hem smadelijk van zich. Wee, wee den Nederland-schen Gunther, die voor Siegfried wil spelen! Wee den burger, wiens heldenmoed en vaderlandsliefde niet echt en nietSMwer zijn! j Op het beslissende oogenblik zullen zij vol schande bezwijken!
De rechte patriot zal niet aarzelen, als het niet anders kan, ook impopulair te wezen, en tegen de publieke opinie in te gaan. Wij gaan, gelijk schier overal in Europa, dagen van bijkans onbeteugelde democratie te gemoet. Wie het volk vleit en streelt, wordt âdequot; man! De âkleine luydenquot; zijn nu al zóó herhaaldelijk in het zonnetje gezet, en als de pit en de fleur en de kern onzer natie verheerlijkt, dat het al spoedig genoeg eene schande zal wezen twee namen te dragen, en waarlijk, het zullen niet meer alléén de onschuldige Jan Adam Kegge\'s zijn, die foeteren tegen âgroote hanzen en adellijke heeren!quot; Welnu, wie het goed meent met Oranje en Nederland, waarschuwe tegen alle
- 385 -
valsche leuzen, om \'t even of zij komen van een minister of van een socialist, van een liberaal of van een antirevolutionair, onverschillig of zij een tekst of een vloek als etiquet ter begeleiding meekrijgen. Ik voor mij laat mij met de staatkunde weinig of niet in; mijne roeping ligt elders en hooger; maar dit hoop ik, dat onze toekomstige volksleiders en volksraadgevers mannen zullen zijn, die met den gloed van het rood en de tromv van het blauw, ook de eerlijkheid en de reinheid van het wit onzer roemrijke vlag zullen handhaven.
De ware vaderlander zij een aristocraat, in den hoogsten eu besten zin van het woord. Juist nu het een weinigje eer aanbrengt op hem te schimpen en te smalen, willen wij dezen naam aanvaarden en waardeeren. Een aristocraat is een man die hoog staat, en zulke menschen hebben wij tegenwoordig zoo noodig als brood, nu allerwegen het niveau wordt verlaagd, en de alledaagsche gelijkvloersheid den toon aangeeft. Wat ik aan ons lieve Vaderland van harte toewensch, is nobele geesten, hoogstrevende gemoederen, mannen en vrouwen wier adeldom niet allereerst zit in hun overgeërfden naam (al is die ook, als hij waardig gedragen wordt, eene dubbele aanbeveling), maar in hun hart, in de elevatie waarmede zij hunne levenstaak aanvatten en vervullen. Menschen, die een oog hebben voor de geestelijke zijde der dingen, waar de materie, geld-verdienen, lui en lekker leven, bluf slaan en vertooning maken op zoo bedenkelijke wijze de overhand krijgen. Laat uwe vlag u dat leeren, burgers en burgeressen van Nederland! En gelijk hare fiere banen onbesmet en koninklijk over uwe hoofden henengolven, wanneer het Vaderland feestviert, zoo hoop ik dat gij den standaard van een rein en edel idealisme hoog zult houden, en als aristocraten, d. i. als de besten des volks, eene keurbende zult vormen tegen al wat ons naar omlaag trekt, en wat Nederland van zijne glorieuze tradition zou kunnen vervreemden.
Boven alles, laat ons het geloof vasthouden, het geloof onzer vaderen, het geloof dat ons Vaderland groot, machtig en vrij heeft gemaakt! Het geloof in den Onzienlijke, Wiens wil gehoorzaamd en Wiens Naam gevreesd moet worden
I
- 386 -
door groot en klein, door Vorst en onderdaan. Ik haat alle confessioneel exclusivisme; het is altijd een ramp en eene ellende geweest in onze historie, wanneer ketterjacht en letter-dienerij de vrije uiting van het persoonlijk gelooven zochten te belemmeren. Maar het ongeloof is de grootste vijand van ons volksbestaan, het materialisme is de kanker onzer maatschappij. Alleen een eerlijk, overtuigd geloof brengt ons voorwaarts; geene vage, omtreklooze âgodsdienstigheidquot;, maar het dienen van den-levenden God, naar Zijn Woord en Gebod. Alleen wie gelooft kan vertrouwen hebben in de toekomst. Hoe gelooviger hoe kalmer. Vergeten wij het niet, dat ons Hollandsche wapen alleen daarom een vrijheidsmaagd wezen kan, die de speer tot verdediging harer rechten omklemt, omdat zij de andere hand op den Bijbel legt!
Wij spraken u dan over onze geliefde vaderlandsche vlag. Vergeet het niet, mijne Hoorders! dat een vlag op zichzelve een krachteloos en wezenloos ding is. Haar stamwoord beteekent; los, slap nederhangen; het hangt samen met vlaggeren en fladderen, woorden, die allereerst aan iets onzekers en onzelfstandigs denken doen. Hare vastheid en haar ontzag ontleent eene vlag aan de hand, die haar opheft en verdedigt. Nederlanders, bedenkt het dat het niet genoeg Is in enthousiaste klanken te zingen van do schitterende kleuren van Nederlands vlag, maar dat het er op aankomt hare beteekenis te ver-hoogen door innerlijke kracht, door persoonlijke toewijding, door warme, warmblijvende en verwarmende vaderlandsliefde. Mogen wij het verstaan, en moge ook dit ons samenzijn iets hebben bijgedragen om dat vuur in ons te verwakkeren!
Wie mag Oranje\'s beste vrind En zijner waardig heeten?
Die, daar hij \'t Vaderland bemint,
Zichzelven kan vergeten.
Wie mint zijn land? Hij die \'t betoont,
Met woorden en met werken.
Zijn eer door geen moedloosheid hoont,
Zijn moed door hoop wil sterken.
- 387 -
Wie is geen vriend zijns volks in schijn,
Maar waar, en hoog te schatten?
Die \'t oude twistvuur uit laat zijn,
En \'t nieuwe niet laat vatten.
Wie twijfelt aan de toekomst niet?
Wie ziet niet laag op \'t heden?
Die liefderijk rondom zich ziet,
En opziet met gebeden.
En zóó willen wij dan ook voortaan onze sclioone driekleur er op aanzien, als een roepstem tot hooge en nobele vaderlandsliefde! Zoo willen wij ons sterken met en «oor onze geliefde jonge Koningin tot de taak, die haar en ons gezamenlijk wacht. Zij regeert ons, niet als de Tsaar van Rusland zijne onmondige millioenen, noch ook gelij k een President van Frankrijk, zonder historische traditie noch plichten, maar als een stuk van ons eigen leven, als het hoofd van het organisme, welks vrije en willige leden wij zijn; als de handhaafster en verdedigster van al wat ons heilig is en schoon.
Scharen wij ons allen te zamen onder de oude, doorluchtige banier onzer vaderen! Dat ons leger en onze vloot mogen bloeien en groeien, vroolijk en gerust opziende tot haar onbesmette kleuren! Een eeresaluut voor onze dapperen in West en Oost, waar nog eiken dag onder doodsgevaren en doodsverachting de eer van onzen standaard wordt hooggehouden â een eeresaluut ook voor ons leger hier te lande, verdediger van onze vrijheid en veiligheid, ontoegankelijk voor alles wat den Nederlandschen naam vernederen zou of beleedigen.
Dien naam hoog te houden, tegenover vriend en vijand, zietdaar onze taak als burgers van ons vrije Nederland. De almachtige God schenke ons daartoe Zijnen zegen, en zoolang in dese bedeeling, (want immers wij wachten nog het eeuwig, onvergankelijk Koninkrijk!) zoolang in deze bedeeling ons Vaderland zijne plaats mag bekleeden in de rij der volkeren, wappere frank en vrij onze Koninklijke, heerlijke Prinsenvlag, het rood, wit en blauw, door Oranje gegrond en beveiligd, en zoolang icyj den adem nog hebben, hopen wij te roepen â en ik weet het, gij stemt allen met mij in: Lang leve ons dierbaar Vaderland! Lang leve de Koningin! Oranje boven!
XHi.
DE CHRISTEN EN DE MUZIEK.
i* v; vt v: vï v\'t v: i* ï.f ï!ï ïu- Ãf « iquot;? ;gt;J i\'ï i\'»
3fj}\'ne Hoorders.\'
De vraag, die ik in uw midden wensch te bespreken, is deze: Welke houding heeft een Christen tegenover de Muziek in te nemen\'?
Om gelijk alle solide bouwmeesters doen met het fundament te beginnen, moet ik u eene korte les in de Grieksche mythologie of fabelleer geven. Muziek komt van het Grieksche woord mousikè en mousikè technè wordt in het Hollandsch weergegeven door âkunst der Muzen.quot;
In de oude godenleer vinden wij vaak gewag gemaakt van de negen Muzen, godinnen die elk een bepaalden tak van wetenschap en kennis onder hare hooge bescherming hadden. Gij herinnert u wellicht hare namen nog wel, al was het maar uit onze oude dichters, die ze vaak in hunne verzen laten optreden. Kalliope was de godin van het epische lied, Euterpe van het lyrische, Melpomene van de tragedie, Erato van de erotische poëzie, Polyhymnia van de lofliederen, Thalia van de comedie, Terpsichore van den dans, Klio van de geschiedenis, en Urania van de sterrenkunde. Te zamen omvatten zij dus alle die kunsten en wetenschappen die, met de gymnastiek als even onmisbaar element, de opvoeding van den beschaafden Griek voltooiden. Gaandeweg echter veranderde het spraakgebruik, en werd de mousikè, de musica gelijk de Latijnen haar noemden, alleen voor de poëzie en de toonkunst, en eindelijk uitsluitend voor deze laatste gebezigd, gelijk wij thans nog gewoon zijn haar alleen als zóódanig te beschouwen.
Er zijn hoofdzakelijk een viertal kunsten die de mensche-lijke geest beoefent: bouwkunst, beeldhouwkunst, schilderkunst en toonkunst, en aan elke daarvan mag een Christen zijne krachten beproeven. Geen enkele tak van kunst of
- 392 -
wetenschap is op zichzelf slecht te noemen, want âde aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid,quot; en van die aarde heeft God tot Zijn stedehouder, den mensch, gezegd: âVervult en onderwerpt haar!quot; Vervult haar, d. w. z. maakt haar ledig kader, welks lijnen Ik heb getrokken, vol naar de gaven en krachten die Ik u verleende; onderwerpt haar, d. w. z. houdt ze in afhankelijkheid van u, die uwe hoogste wijsheid hierin te zoeken hebt, dat gij ten nauwste met Mij verbonden blijft.
Kunst is niet anders dan het streven naar het Ideaal, het pogen, de dingen in hun volmaaktheid te zien en te toonen â en wie zou daar beter toe in staat zijn dan de volgeling, de discipel van Hem, die het afschijnsel is van Gods heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid?
Deze redeneering schijnt zeer logisch, en in hoogeren zin is zij het ook, is zij ook de volle waarheid, gelijk wij zoo aanstonds hopen uiteen te zetten. Maar toch is het een feit, dat de hoogste openbaringen der menschelijke kunst vóór en onafhankelijk van het Christendom verschenen zijn. De tempels van Athene en Rome zijn voor de bouwkunst evenzeer onovertroffen, als op het gebied der beeldhouwkunst de friezen van het Pantheon, of de Venus van Milo, of de onsterfelijke groep van Niobé. En kunnen wij al ten opzichte van schilder- en toonkunst geen namen meer noemen, wier kunststukken den tand des tijds hebben weerstaan, en tot op onze eeuw zijn overgebleven, toch weet de grijze Oudheid ook hier van meesters te gewagen, die het, wanneer wij letten op de onvolkomen hulpmiddelen, die hun ten dienste stonden, tot eene ongeëvenaarde hoogte hebben gebracht. Nooit kon de mythe van een Orpheus zijn ontstaan, die door de macht van zijn lied zelfs boomen en rotsen bewoog, en wilde dieren bedwong , wanneer niet de beoefening der muziek tot een verbazende hoogte geklommen was, en van Apelles, den tijdgenoot van Alexander den Grooten, verhaalt men dat zijne geschilderde vruchten zóó wondervol-natuurlijk waren, dat zelfs de vogelen des hemels er door misleid werden, en er op los vlogen om ze te eten. De kunst is dus iets algemeen-mensche-
- 393 -
lijks, die als zóódanig met de goddelijke Openbaring niets te maken heeft, en dan ook buiten haar de schitterendste triomfen gevierd heeft.
Ja, wij moeten nog eene schrede verder gaan en erkennen, dat het Geloof de kunst tot op zekere hoogte beperkt, haren vleugelslag ingekort, hare veelzijdige ontwikkeling tegengegaan heeft. Want de goddelijke openbaring leert ons rekenen met de zonde, die de heidensche levensbeschouwing niet kent. Wanneer een Grieksche dichter of denker het heelal aanschouwt, geeft het hem niet anders te bewonderen dan de harmonie der sferen, en spreekt hij in hooggestemde klanken van de sterren en planeten, die aan den onmetelijken hemel ten reidans trekken. Heel de schepping is hem een vlekkelooze spiegel, waarin zich het beeld zijner goden, of van zijn eigen deugden en glorie weerkaatst. Maar de apostel Paulus verneemt een anderen toon, een klaagzang, een âde profundisquot; der lijdende creatuur: âWant het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft, want wij weten dat het gansche schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.quot;
quot;Vandaar dan ook dat die kunstenaars, die aan het Christelijk geloof den rug hebben toegekeerd, en dus in zekeren zin tot het heidendom zijn teruggevallen, meestal eene veel grootere veelzijdigheid openbaren dan zij, die den Man van smarten huldigen als hun Heer en hun God. Goethe schijnt wel duizend snaren op zijn harp te hebben. Da Costa slechts ééne, die hij altoos en altoos weer stemt tot eere van Immanuël. Plaats een Hogarth of een Jan Steen naast Ary Scheffer, een Schadow en Rauch naast een Mlchel-Angelo, en gij gevoelt terstond wat ik bedoel. Het ideaal der wereld is elndelooze breedte, zoo veel mogelijk omvatten, opdat het gevoel zijner macht en heerschappij den ijdelen mensch streele en verblijde â het ideaal des Christens is de weg naar Omhoog, de weg die uit deze gevallen en klagende wereld terugvoert naar het hart van den Schepper.
Verstaat gij het, mijne Hoorders! dat wij hier twee radicaal-verschillende wereldbeschouwingen hebben, zoodat het
- 394 -
niet anders kan, of de vruchten van zoo onderscheiden grond zijn ook verschillend in voorkomen en inhoud ? Gewisselijk, het geloof is niet tegen de kunst, zelfs met het Protestantisme fat, oneindig meer dan het half-heidensche Katholicisme, de diepte der zonde gepeild, en den vloek der zonde gekend en ervaren heeft. Men heeft zelfs over âhet Calvinisme en de kunstquot; eene schitterende oratie kunnen houden, en tal van voorbeelden bijgebracht ten bewijze dat de Gereformeerde waarheid recht gezegend op de ontwikkeling der Muzen gewerkt heeft. Maar toch drukt het Geloof ongetwijfeld aan de kunst ziin bepaalden, merkbaren stempel op. De oud-heidensche tempels, geheel voor den mensch ingericht, de z. g. basilieken met hare lange zuilengangen en vierkante verhoudingen, maken onder den invloed van het Christendom plaats voor de\' hemelstrevende Gothiek, met haar geheimzinnig schemerdonker, dat tot eerbiedigen ernst en heilige aanbidding stemt. De nu eerst in zijn volle diepte gepeilde afstand tusschen den Schepper en het schepsel drukt zich onwillekeurig in \'s menschen bouwwerken af. De beeldhouwkunst verheerlijkt niet meer den zinnelijken mensch, wiens naakte vormen zoowel aanstootelijk voor hot zedelijk besef, als een herinnering aan den vloek der zonde gaan worden, maar de kruisgedachte doet allengs haren invloed bespeuren, en het menschelijk lijden spiegelt zich meer en meer in het marmer der kunstenaars af. Over het algemeen is de kunst door het Christendom tot kennis van hare gebondenheid en hare grenzen gebracht, zoodat zij niet langer als heerscheresse, maar slechts als dienaresse in de nieuw gegrondveste wereldorde heeft mede te spreken. Zij is niet meer dan een straal van het goddelijk licht, een afschijnsel van Gods heerlijkheid, en zoodra zij dat afschijnsel voorliet oorspronkelijke houdt, wordt zij in beginsel weer heidensch.
Van alle vier deze kunsten nu droeg de muziek nog het minst de sporen van dezen geweldigen overgang uit de heidensche in de Christelijke atmosfeer. En geen wonder ook! De muziek toch is de voorstelling van het schoone in den tijd, gelijk de beeldende kunsten het in de ruimte voorstellen; zij staat als
- 395 -
do hoogste der kunsten het verst buiten het bereik der zinnelijkheid en dus ook der zonde in hare grofste openbaring. Maar wie nu daaruit de gevolgtrekking maken zou, dat dan ook de muziek het meest goddelijke op aarde is, en meer dan iets anders ter wereld geschikt om den mensch te veredelen en te verheffen, dien antwoorden wij: het omgekeerde is waar! Zij is eenvoudig heidensch gebleven, en heeft thans, evenmin als vóór twintig, dertig eeuwen, het vermogen in zichzelve den mensch ook maar één stap dichter tot God, ook maar ééne schrede verder op den weg der ware zedelijkheid te brengen. Joachim en Beethoven zijn in zichzelven evenmin bekwaam tot éénig goed als gij en ik, en hun heerlijkste scheppingen zli\'n ten éénenmale onmachtig ook maar ééne daad, die voor God bestaan kan, tot aanzijn te brengen.
Geen bijgeloof is zóó diep ingeworteld, geene dwaling is zóó algemeen verbreid, ja bijkans als een dogma aangenomen, dan dat de muziek op zichzelve eene ethische, zedelijke be-teekenis hebben zou. Wat kunnen sommige gemeenteraadsleden niet welsprekend over de âvolkverheffendequot; en âvolkbescha-vendequot; kracht der muziek uitweiden, wanneer zij een of anderen post op de begrooting voor dit doel er door willen sleepen! âRicht maar muziektempels op, dan zullen de kroegen wel leegloopen, en laat maar lieflijke tonen ruischen over de hoofden, dan zullen ook de harten wel anders worden.quot; Ik weet het niet, mijne Hoorders! maar ik heb nooit gehoord, dat bijv. de schoone muziekuitvoeringen in het Haagsche bosch zoo bijzonder aan de zedelijkheid ten goede komen, of dat een volksconcert, waar dan ook gegeven, de menigte zoo eerbiedig en afkeerig van lagere genietingen maakt. Wèl weet ik, dat de herbergiers uit den omtrek er altoos zeer op gesteld zijn, toch zeker wel niet uit pure liefde voor de toonkunst?
Neen, veeleer geloof ik dat niet alleen de muziek als zoodanig niet in den allergeringsten samenhang met zedelijkheid staat, maar dat de hoogste ontwikkeling der muziek met ontplooiing der laagste hartstochten en met de volkomenste onzedelijkheid gepaard kan gaan. De geschiedenis kent geen
â 396 -
hartstochtelijker, onbetrouwbaarder, zedeloozer, met allen godsdienst meer spottend, bijgelooviger, inhumaner volk, dan de Atheners van Sophocles\', Euripides\' en Plato\'s dagen â en tevens geen geestiger, kunstvaardiger, fijner ontwikkeld, vooral in de muziek meer gevorderd volk, dan diezelfde Atheners! En gaat nu maar de historie door, welke eeuw gij ook maar wilt, en gij zult zien, dat de bevorderaars der kunsten, bijv. die Italiaansche vorsten uit de Middeleeuwen, met hun schitterende en kunstlievende hoven, waar de tonen van harp en viool, van zang en snaren bijkans dag en nacht weerklonken, vaak de meest gewetenlooze en goddelooze schurken waren, die Gods aardbodem heeft gedragen, die in het vergieten van mensehenbloed even weinig bezwaar hadden als in het vereeren van kunstenaars en musici. Is er over het algemeen zedeloozer wereld dan die der artisten? Kan men de waarliik moreele kunstenaars niet als met den vinger aanwijzen? Wat was de Keurvorst die met Bach dweepte, wat was de publieke moraliteit in de dagen van Beethoven en Schubert? Wat is zij thans bij diegenen, die altoos den mond vol hebben van don lof der âheilige, kuische Muziekquot;?
Neen, slechts dan is er werking ten goede van deze heerlijke, maar, ach! zoo vaak misbruikte gave Gods te verwachten, wanneer een edel hart zich stelt onder de macht van reine muziek. Daar slaapt een lied in alle dingen, daar is nog, diep, diep verborgen op den bodem van het menschelijk hart, iets overgebleven van dien ouden adel dien God er in het Paradijs in gelegd heeft, al is dat ook alleen op natuurlijk gebied, en zonder den Heiligen Geest nooit tot waarachtig geestelijk leven te brengen.
Ook de muziek kan dat niet doen; dat is het werk van den souvereinen God alléén. Maar wèl kan zij iets van een heimwee wekken, wèl kan zij het gevoel van iets onbevredigds, het verlangen naar iets anders doen geboren worden, gelijk gij somtijds het vogeltje in de kooi zijn vleugeltjes uit ziet slaan, wanneer het op een zonnigen lentemorgen aan het open venster gezet wordt, en de andere vogels aan zijn kerker voorbij ziet snellen. Hoe gaarne zou het óók eens zijn wiekjes
- 397 -
ontplooien, hoe gaarne zich óók, evenals zij daar, hoog, hoog
in de lucht opheffen, het blinkende zonnelicht tegen____Gelijk
een hert dorst naar de waterstroomen, alzoo dorst het hart van den mensch naar den levenden God!
O, meent niet, dat wij de grenzen tnsschen Openbaring en natuurlijken Godsdienst hier uit willen wisschen! Wij belijden het van harte, dat alléén bij Israël, het volk der bijzondere Openbaring, het volle besef aanwezig was, dat slechts bij den levenden, persoonlijken God het menschelijk harte rust en vrede kan vinden. Bij alle andere natiën was deze wetenschap verbasterd en tot onkenbaar-wordens toe verdwenen. Maar toch ook bij hen spreekt men van een âLogos spermatikosquot;, een zaadkorrel uit het verloren Paradijs, meegenomen door iedere menschenziel, gelijk de Apostel Johannes het in zijn onpeilbaar-diepen Proloog getuigt: âDeze Logos, dit Woord, was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld.quot; Daar leeft toch in het menschelijk hart, hoe aanvankelijk, hoe gebrekkig dan ook, een gevoel van onvoldaanheid met het heden, een smachten naar iets anders, iets beters, iets hoogers dan de wereld rondom ons kan schenken. En dat gevoel uit zich in tonen, en vandaar de toonkunst met haar tweetal openbaringen van poëzie en muziek.
Die twee gaan samen, zij hoeren bijéén, zij ziin de onmiddellijke, natuurlijke uitingen van het menschelijk hart. Waar de ééne te kort schiet, helpt de andere. Niet het proza, maar de dichtkunst is het oorspronkelijke, gelijk de alleroudste gedenkstukken der volkeren altoos gedichten zijn. Denk aan Homerus bij de Grieken, aan Ennius bij de Latijnen, en -om op Bijbelsch terrein te komen â aan Lamech\'s zwaardgezang, aan Israels bronnenlied in de woestijn, aan Mozes\' bevrijdingspsalm, of aan het lied van Debora. En wat de muziek aangaat: zij is wel de meest menschelyke van alle kunsten, de meest rechtstreeksche taal des harten. Een ieder draagt in borst en keel het zuiverste instrument met zich om, en geen wonder dan ook dat reeds op de eerste bladzijde der Heilige Schrift een Jubal genoemd wordt âde vader van allen
- 398 -
die in harpen en orgelen handelen.quot; Geen volk of het zingt, en hoe beter het zingt, en hoe dieper gevoel het bezit voor muziek, te ontvankelijker zal het zijn voor alles wat edel en goed is.
Hoe staat het nu te dezen opzichte met Nederland, waarde Hoorders? In het buitenland maakt men zich menigmaal vroolijk over onzen weinig-muzikalen aanleg, en waarlijk, wanneer men bijv. het kerkelijk gezang in Duitschland kent, kan men vaak niet zonder zekere smart aan onze Hollandsche toestanden denken. De machtige Calvijn heeft eens in Genëve een jong meisje op de markt laten geeselen, omdat zij het psalmgezang der Gereformeerden bi] het gebalk van ezels had vergeleken. Nu was dit zeker van dat meisje niet voorzichtig gezegd, vooral niet in die dagen, en onder het bereik van dien grooten doch wel wat hardhandigen Hervormer. Maar kunt ge toch, zelfs uit ons hedendaagsch kerkgezang, niet bijwijze van analogie opmaken, dat deze gegeeselde jonge dame het misschien wel eenigszins aan \'t rechte eind had? Lieve tijd, het is nu nog soms om er wee om \'t hart van te worden, als men op onze dorpen het gemartel van een onkundigen organist met een valsch orgel en een kiijschende schare moet aanhooren, en zich dan te binnen brengt, dat dit chaotisch geschreeuw eene lofprijzing des Allerhoogsten beteekenen moet! Ja, zelfs in onze âbeschaafdequot; stadsgemeenten, waar de menschen immers zooveel ontwikkelder en juister van gevoel zijn dan op het platteland â wie beseft daar de hooge beteekenis van het gemeentelijk lied? Wie bekommert zich om den organist, wie waardeert zijn spel als het goed is, wie wijst hem eens op zijn fouten wanneer het slecht is? Misschien denken er geen tien over na, van heel de breede schare die enkel oogen en ooren heeft voor den dominee op den stoel, bij wien al het andere, heel de eeredienst der gemeente, als in het niet verzinkt.
De muziek, geëerde Hoorders! is eene Goddelijke gave, en wij mogen ze ons niet laten ontrooven. Helaas, ook zij is door de onreine handen der wereld aangeraakt, ook zij, gelijk alles, is door den verpestenden adem der zonde bedorven. Wij behoeven onze ooren maar te luisteren te leggen, wanneer het
- 399 â
volk op de straten zijne liederen zingt, of in de herbergen aan zijne vroolijkheid uiting geeft, om te vernemen hoe diep wij ook hierin gezonken zijn. Ik ken niets ellendigers dan een zingenden Hollandschen straatjongen! Ik heb ze in Londen, in Parijs, in Rome gehoord, en overal, vooral in Italië en Dultschland, hoort gij ze met zeker genoegen aan. \'t Is lang niet altoos fijn noch verheven, maar gij kunt er toch om glimlachen, en er spreekt vaak een zekere gezonde humor uit die twee-, driestemmig gezongen deuntjes. Maar wat zingen ze ten onzent? Wie kan een troep soldaten buiten op marsch, wie kan onze fabrieks- of boerenjongens, als ze eens âeen dagje uitquot; zijn, met hun gillende, stampende meisjes en hun eigen schorre jeneverkelen, anders dan met walging en medelijden aanhooren?
En ook waar hooger beschaving de wildste loten dezer ontaarding heeft weggesneden, daar blijkt toch de oude waarheid lt;Jer Heilige Schrift niet verouderd: dat wat uit het natuurlijke leven voortkomt, niet anders dan vleeschelijk zijn kan, en aan het troostbehoevend harte geen lafenis en vrede schenkt. Het behoort tegenwoordig tot den goeden toon van muziek te houden en met muziek te dwepen. Wanneer een eerzame winkelier genoeg geld verdiend heeft om van zijn renten te kunnen gaan leven, en hij het groote aantal Haagsche nietsdoeners is komen vermeerderen, trekt hij glacé-handschoenen aan, en gaat met zijne echtgenoote naar het Kurhaus, en vindt het philharmonisch concert âallerheerlijkst!quot; Zóó sterk is de macht dei\' mode, dat men, zelfs zonder éénige muzikale kennis en zonder éénig muzikaal gevoel, liever twee, drie uren bij tropische hitte zich des zomers in eene zaal als haringen laat samenpakken, dan de frissche zeelucht in te ademen, waar men duizendmaal meer lust in zou hebben. Maar â het is nu eenmaal een eisch van fatsoen voor muziek alles over te hebben, en hoe zou men fatsoenlijk mensch kunnen zijn zonder de publieke opinie te deelen? Drie-vierde van de ambtenaarswereld, binnenshuis vaak met honger en koude bezocht, vertoont zich op gezette tijden in de tempels der muziek, zij het dan
- 400 -
ook in onbetaalde kleeding en met een leege maag. Lieve Vrienden! wat is er toch een comedie in de wereld, en wat bedriegt men elkander met open oogen!
Ja, wij moeten nog een stap verder gaan: voor velen die den levenden God hebben verlaten, wordt de muziek werkelijk eene afgoderij. Vooral onder de hoogore standen (de âmindere manquot; is, ook al door de zorgen voor het dagelijksche brood, en door zijn verstandiger opvoeding, meestal wat nuchterder), vooral onder de hoogere standen is menigmaal de muziek de éénige godsdienst geworden, die denken en handelen beheerscht. Ach, het is zoo tragisch! De mensch moet aanbidden, getuige ook het steeds veldwinnend Buddhisme in Frankrijk, maar den eeuwigen, levenden God versmaadt hij! In tal van huizen is de Bijbel, dat oude en verouderde Boek, geheel en al onbekend geworden, maar staat de piano geen oogenblik stil, tot smart van alle rustige buren en tot schade der zenuwachtige, overprikkelde klavier virtuozen, wier arme, onrustige hart door geen oceanen van klanken tot vrede komt.
Maar des te hooger staat dan ook die kunstenaar, wiens ziel voor het waarachtig-Goddelijke ontvonkt is, en die u dan ook weet op te heffen, weet mede te voeren naar Boven, ja waarlijk naar Boven! O, wij hebben in onze dorre, prozaïsche dagen behoefte aan schoone muziek, behoefte aan poëzie, waarvan de muziek eene der edelste openbaringen is. âIn ieder onzer ligt een hof. Verkleumd is de grond, ingeplooid, ingezonken zijn de bloemen en plantingen â het is alles een verdord, levenloos, een ontkleurd, een vertrapt, een verloren Paradijs. Maar eene hoogere macht komt, een Zuidenwind waait door dien hof, eene bevrijding van dien ban der verstorvenheid, een nieuw leven van zoo teere en heerlijke beteekenis, dat ik mij onthouden moet er hier over uit te weiden, omdat ik dan onwillekeurig tot de verkondiging des Evangelies zou komen.quot; Dan komt er levenslust, dan komt er behoefte dien hof wijd open te zetten, de frissche lentelucht van Gods genade van alle kanten er in te laten stroomen, en te ervaren dat zij over de bloemen strijkt, en een geur daaruit opwasemt
- 401 -
van onuitsprekelijke heerlijkheid. Die geur is de poëzie, en een vorm dier poëzie is de muziek. 0, elk mensch is naar zijn aanleg een poëet, en dus ook een musicus, en de gansche wereld, die vol is van Gods goedertierenheid, is ook vol van krachten om in ons die bedekte, die sluimerende muziek op te wekken. Doch nu zijn daar helpers, bevoorrechte geesten, die u den staf telkens opnieuw in de handen geven, men noemt ze dichters, men noemt ze toonkunstenaars â den tooverstaf die uit de rots onzer alledaagschheid het frissche water der verkwikking doet ontspringen.
Ja, dat zijn feestelijke uren, als gij u eens kunt laten opvoeren naar omhoog, door zuivere, reine, harmonische muziek! Zij vermag u geen blijvenden troost te bieden, o neen. Zij is slechts een der vele hulpmiddelen die onze God kan gebruiken, en die ook niet voor allen passen, want al erkennen wij ook dat een ieder oorspronkelijk den aanleg ook voor deze gave Gods had, thans, in onze door de zonde verscheurde toestanden, waar alles uit elkaar is gerukt, zijn er ook velen die met deze gave niet zijn bedoeld. Doet zij hen die haar verstaan opzweven tot de hemelpoort, die poort voor ons openen kan zij niet â maar toch, zij geeft u een voorsmaak van wat gij gevoelt dat eigenlijk ons ware element wezen moest, en waarvan elk geloovig Christen mag zeggen, dat het eenmaal zijn ware levensbodem wezen zal.
Wat toch doet de muziek? Zij doet ons gevoelen wat eigenlijk onze rechte bestemming is: te leven in een toestand waar het ideaal werkelijkheid is. Het is niet alzóó, gelijk men vaak zegt; âHier heneden, die donkere grond onder onze voeten, waar al die graven en smarten en raadselen zijn, dat is de ware wereld, maar dan kan men zich wel eens een oogenblik daarbuiten tooveren, in het gebied der droomen en onwezenlijkheden, en dat is dan de muziekquot; â neen, neen, omgekeerd! De ware levensgrond is het rijk der volmaaktheid, der harmonie; het eenig reëele is het ideaal, en wat wij hier rondom ons zien, ach, dat is de gevallen, de bedorven, de om de zonde door God vervloekte en zuchtende creatuur.
20
- 402 -
Waarlijk schoone muziek kan slechts uit een ernstig gemoed voortkomen, en alleen door ernstige zielen met vrucht beoefend of genoten worden. Een Palestrina, een Stradella, een Bach, een Beethoven, om slechts enkelen te noemen, maar die almede de heerlijkste kunstgewrochten op muzikaal gebied hebben gemaakt, waren ernstige gemoederen.
Ik zeg niet dat men, om muzikaal talent te hebben, ge-loovig Christen moet wezen, veeleer ziet men het tegendeel bij een Offenbach, een Halévy, een Strauss â kunstenaars die met de tonen weten te too veren, en ze als blinkende zonnestralen aan uw oog doen voorbijgaan â maar ze brengen u dan ook niet verder. Ze verblinden een oogenblik uw gezicht, doen u duizelen, doen u trillen van waarlijk niet enkel heiligen gloed â en voorbij is het, en gij klapt in de handen, en daarbinnen is het lediger dan ooit! Gewis daar is eene muziek die gedachten en beelden wekt, die de phantasie bederven, en de wereld der phantasie, de ervaring leert liet onwedersprekelijk, is slechts door een dunnen wand van die der werkelijkheid gescheiden. Maar icie luisterde ooit zonder kloppen des harten naar den heerlijken âEliasquot; van Mendelssohn, naar de altoos-frissche âSchöpfungquot; van Haydn, of naar een dier koninklijke symphonieën van dien vorst aller toondichters, Ludwig von Beethoven? En wie gevoelt het niet: mannen die zulke tonen uit hunne ziel doen vloeien, die zóó het edelste, het hoogste, het reinste in den mensch aan het woord kunnen brengen, zij zijn â althans in zulke oogenblikken, wanneer deze poëzie aan hun harte ontstroomt â niet ver van den Heer? Ja, daar is ook in hunne ziel nog een vonkske van het oude Paradijsvuur, dat opflikkert en weer begint te gloren, wanneer de adem des levenden Gods er over henen gaat.
Nog eens, verstaat mij niet verkeerd, geëerde Hoorders! Geen muziek brengt iemand tot God, en geene harmonie van nog zoo zoete en streelende tonen verzoent het schuldig geweten met den Heer. Maar toch wanneer de mensch, gelijk wij volmondig belijden, van nature onbekwaam is tot éénig goed, dan is toch zeker het âbedenken van al wat rein is, al wat
- 403 -
liefelijk is, al wat welluidt,quot; eene gift van God, en niet van den Booze, en waartoe schenkt Hij Zijne gaven dan om de zielen tot Hem op te leiden, die de Gever is van alle yoede gave en elke volmaakte gift? Indien de musici ons iets heerlijks te genieten geven, iets dat ons harte verruimt en verkwikt, is dat dan geen bewijs dat de Heer hun naderbij is gekomen ? Zi] putten toch niet uit het ledige? Zij scheppen toch niet? Dat is en diit blijft het heilig, onaantastbaar privilege van den Schepper alléén. De poëzie, de muziek zijn slechts openbaringen van hetgeen werkelijk bestaat, van hetgeen er reeds is, maar nog niet tot gemeengoed, tot bezit van allen geworden is. Wij, gewone, alledaagsche menschen, wij zien de dingen alle los, onsamenhangend, en de onmetelijkheid dor verschijnselen verbijstert en verwart ons vaak â de toondichter ziet reeds iets van den gouden band, die dat alles vereenigt, en tot één groot geheel van goddelijke schoonheid samenbindt. En al verstaat hij, helaas! menigmalen de rechte diepte zijner eigen gedachten niet, daar hij die groote en heerlijke lijnen van Gods vrederaad zoo vaak miskent, die den ouden Psalmdichter zingen doet:
Ik weet hoe \'t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen
Naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen â
een wegwijzer is er niet minder bruikbaar om, al verstaat hij zelf niet wat hij aanwijst!
Laat ons dan ook door den toonkunstenaar ons laten geven wat hij te geven heeft, ons laten verlichten zoo ver zlin licht reiken kan! Laat ons behoedzaam, voorzichtig, met oordeel des onderscheids, gedachtig aan het koninklijke woord: âAlles is het uwe, maar gij zvjt van Christus,quot; maar toch ook dankbaar en onbekrompen genieten van hetgeen zij van de eeuwige harmonie der Schepping hebben mogen opvangen, doch vergeten wij ook dit niet daarbij: dat de minste in het Koninkrijk der Hemelen meer is dan de koning aller toonkunstenaars die den Heer nog niet kent, â meer in genade, maar ook in heilige roeping!
- 404 -
Kent gij de kostelijke woorden van De Liefde over de eenzijdigheden van ons Protestantisme? Laat mij u een paar bladzijden uit zijn âZekerheid en Twijfelquot; mogen voorlezen!
âHet is openbaar (zoo zegt hij) dat het Protestantisme, uit reactie tegen den Eoomsch-Katholieken zinnen^ienst, en gedreven door zucht tot övergeestelijkheid, zijn standpunt te ver buiten den omtrek van het waar en zuiver menschelijke geplaatst heeft. Deze Puriteinsche richting heeft inzonderheid bij het Calvinisme vaak sympathie gevonden en mitsdien ook in den geest onzer vaderlandsche orthodoxen diepe wortels geschoten. De hoofdbron barer dwalingen ligt hierin, dat zij het onderscheid tusschen het menschelijke en cluivelsche, tusschen lichaam en vleesch, tusschen aarde en wereld voorbijziet. Beide tegenstellingen voor eensluidend houdend, heeft zij het menschelijke, het lichamelijke, het aardsche als het tegenovergestelde van het goddelijke, geestelijke en hemelsche opgevat, en mitsdien gemeend het laatste niet beter te kunnen verheerlijken, dan door het eerste te verachten en te bestrijden; geheel in tegenspraak voorzeker met de overvloedige verklaringen van het Evangelie, dat God mensch geworden is, dat onze lichamen tempelen, des Heiligen Geestes zijn en dat de heiligen als koningen op aarde heerschen zullen. Vanhier de angstvallige beschroomdheid, ja weerzin der orthodoxen, over het geheel, om deel te nemen aan \'tgeen tot de ontwikkeling en de volmaking der maatschappij, van hare zuiver menschelijke zijde opgevat, behoort. Poëzie, kunst en wetenschap zijn steeds met mistrouwen aangezien geworden. Een dichtstuk, hoe uitnemend ook van vorm en hoe rein ook van inhoud, wordt, op zijn zachtst genomen, als onbeduidend ter zijde gelegd, zoo het geen godsdienstig onderwerp behandelt. Een schilderstuk heet alleen belangrijk, als het een of ander bijbelsch of kerkelijk tafereel of persoon voorstelt. Van de muziek wordt erkend dat ze âmooi klinktquot;, maar als kunst beoefend wordt ze niet. Men heeft een piano of orgel, maar men is reeds tevreden als men een godsdienstig lied of eenen psalm met een akkoord of wat begeleiden kan. Eene andere uitspanning dan een vriend-
â 405 â
schappelijk gesprek in den huiselijken kring, of eene wandeling, of een uitstapje naar eene schoone landstreek, of een feestavond met de kinderen eener Christelijke school, is er binnen den kring onzer rechtzinnigen onbekend.
Eenige weinige jongelieden van rechtzinnigen huize vereenigen zich nog somtijds om een godsdienstig zang gezelschap te vormen, maar een rechtzinnig huisgezin, waarvan de ouders of de kinderen eenig blaas- of strijkinstrument bespelen, of u eene portefeuille met teekeningen en schetsen van eigen hand kunnen laten zien, is eene hooge zeldzaamheid. Men ziet niet in, hoe dit tot verheerlijking van God strekken kan. Een vioolspelend Christen schijnt een tegenspraak met zichzelven te zijn. Al speelt die man zijne variation ook nog zoo meesterlijk, men kan niet beseffen hoe dit iets hoegenaamd met de eere Gods kan te doen hebben. Een nachtegaal, dit stemt men toe, kan wel ter eere Gods fluiten, en een bloem kan ter eere Gods bloeien, maar een mensch kan niet ter eere Gods een instrument bespelen, noch een lied zingen, of de naam van God moet er wel bepaald in voorkomen. Dat God den mensch zoo voortreffelijk geschapen heeft, dat hij in staat is een menigte zaken te doen, die een dier niet doen kan, kan niet ontkend worden. Maar als de mensch dit dan nu ook eens gaat toonen door op de viool te spelen, of een zeegezicht, te schilderen, of een standbeeld uit een blok marmer te voorschijn te roepen â dan, ja, bewijst, hij wel dat God hem met verwonderlijke gaven heeft toegerust, maar hoe dat vioolspel, dat schilderstuk, dat standbeeld nu ter eere Gods zijn kan â dat kan men maar niet vatten. Alsof, ter verheerlijking van God, alleen het feit-zelf niet reeds voldoende ware, dat hier voortbrengselen voor onze oogen staan, die stilzwijgend roepen: âHoe groot moet Hij niet zijn, die de werkmeesters dezer werken geschapen heeft!quot;
Zóó wordt het zuiver-menschelijke niet eens zoo hoog geschat als het rein-dierlijke! Het gekras van een raaf wordt nog als een geluid ter eere Gods erkend, maar eene symphonie van Beethoven heeft met Gods eer niets uit te staan. Deze
- 406 -
miskenning van het menschelijke, alsof het het tegenovergestelde van het Godcielijke ware, kan niet anders clan eenen onzedelijken toestand te voorschijn roepen.
Het is eene droevige waarheid dat de meeste menschen onchristelijk zijn. Maar hoeveel hebben de Christenen zelven hiertoe niet bijgedragen, door hun Christendom onmensehelijk te maken! De scherpe beschuldiging der Moderne Theologie, dat het Christendom der rechtzinnigen onbruikbaar is voor de maatschappij, behoort ons, helaas! meer te beschamen dan te verontwaardigen. De ontwikkeling van het rein-menschelijke is overgelaten geworden aan de wereld- Hierdoor heeft zich de vrome Christenheid menige schrikbarende ergernis berokkend. Hoe menigeen harer leden zou wellicht nooit een wereldling geworden zijn, zoo \'t hem in de vrome kringen vergund geweest ware mensch te zijn!quot;
Hot komt mij voor dat wij als Protestanten, d. w. z. als menschen, die het voorloopige van heel deze bedeeling hebben ingezien (want een Protestantsch Christen, die zich aanstelt als had hij hier beneden zijn ideaal ooit bereikt, slaat zijne belijdenis in het aangezicht), ons tegen beide uitersten hebben in acht te nemen: de muziek te minachten en te overschatten. Het is niet geloovig voor haar de schouders op te halen, en te zeggen: âAltemaal ijdelheid! Het is vrij wat gewichtiger over de Waarheid te spreken, of in zijn Bijbel te lezen!quot; In dien Bijbel staat óók: âEr is een tijd om te fac/zen, en een tijd om te weenen,quot; en als de Heilige Geest zelfs voor het Nieuwe Jeruzalem ons het gebruik van allerlei muziekinstrumenten toezegt, en ons het leven der heerlijkheid als een jubelend feestlied voorstelt, geloof ik niet dat het naar de Schrift is, wanneer wij gaan zuchten en jeremiëeren, wanneer men u zegt genoten te hebben van eene orgelsonate van Bach, of een vioolsolo van Brahms.
Maar aan den anderen kant: meer dan een hulpmiddel, een gebrekkig hulpmiddel zelfs, om aan sommige ontvankelijke gemoederen een stoot, een indruk van eene hoogere wereld te
- 407 -
geven, is zij niet. De tegenwoordige muziekvergoding heeft geen zedelijk, laat staan een godsdienstig doel, zij is veeleer een der gevaarlijkste opwindingsraiddelen in onzen aan nuchterheid toch reeds zoo armen tijd. Zij is voor de meesten een amusement, een tijdpasseering, een gemakkelijk middel om met elkander in aanraking te komen, en veeleer eene laffe, futiele manier met zijne heele of halve talenten te schitteren, dan een priesterlijke dienst van het schoone en goddelijke, waarvoor men haar toch zoo gaarne wil laten doorgaan.
En daarom moeten wij, als Christenen, beproeven haar weer van de markt des publieken levens, waar ze niet thuis hoort, waar ze wel veel applaus, maar weinig oprechte Ucfde oogsten kan, naar het heiligdom van ons eigen huis terug te brengen.
Geen valsch puritanisme bedoel ikl Weg met alle schijnheiligheid of bekrompenheid, die in een concertzaal op zichzelf iets zondigs ziet, en reeds een religieuze rilling krijgt bij het noemen van een trompet of contrabas! Den reinen is alles rein, en ik kan Goddank zonder blozen aan menigen genotvollen avond denken, dien ik in mijne studentenjaren bij schoone muziek heb doorgebracht, wanneer de verrukkelijke zevende symphonie van Beethoven, of Schumann\'s âParadies und die Periquot; gegeven werden. Maar â dat ook hier naast de hoogste bergtoppen de diepste afgronden liggen, en dat, naar de oude spreuk, het bederf van \'t beste ook het allerergste is, kan, dunkt mij, alleen blinde vooringenomenheid ontkennen. En vooral in onze dagen van geestelijke krankheid, van vromen wereldlust en van wereldsche vroomheid, moet een Christen dubbel voorzichtig wezen, en tegen alle schijnwezen op zijne hoede zijn. De ernst des Evangelies wijkt zoo, zelfs bij hen die nog meenen zuilen en pilaren te zijn. De wereld komt zoo met pak en zak onze kerken in, er kan zoo akelig veel mee door bij hen, die zich noemen naar den verrezen Christus, die toch aan Zijne volgelingen toeroept: âWie zijn kruis niet op zich neemt, en het Mij nadraagt, die kan Mijn discipel niet zijn.quot;
- 408 -
En als men dan opmerkt, hoe het roepon om kerkelijke concerten, om kerkelijke muziek, om muzikale kerkdiensten, om kerkelijke zangvereenigingen, grootendeels uitgaat van hen, die de klare, zuivere verkondiging des Evangelies niet meer hooren willen, nog eens, dan behoeven wij dat alles niet te gaan afkeuren, nog minder heftig te gaan bestrijden, maar dan is het ons toch niet mogelijk daar nu zoo heel veel van te verwachten, vooral niet voor het godsdienstig leven der Gemeente, waarvoor het juist als geneesmiddel wordt aangeprezen. Daartoe is het leven ons te ernstig, en vooral de zonde ons te vreeselijk-reëel. Slechts wanneer de muziek binnen de grenzen blijft, die haar gesteld zijn; wanneer zij als eene goede gave Gods, als eene openbaring van lust tot het schoone en harmonische, zonder tendenz, zonder opzettelijke bijbedoeling, hoe verheven dan ook, zonder ostentatie, maar eenvoudig en natuurlijk genomen en genoten wordt, kan zij haar doel bereiken: den mensch iets te ontsluieren van de harmonie der hoogere wereld, en de realiteit der geestelijke dingen ons eenigszins naderbij brengen.
Ziet, mijne Hoorders! wij aMen zijn geroepen âtoonkunstenaars bij de gratie Godsquot; te wezen. Niet om dan aan het eind van ons leven met den Moedigen Nero uit te roepen: âWelk een kunstenaar gaat in mij verloren!quot; maar om onzen God te verheerlijken, die ons uit de duisternis roept tot Zijn wonderbaar licht. De apostel Paulus spreekt van eene bazuin, die een helder geluid moet geven, en zonder ons nu verder met dit beeld in te laten, mogen wij onszei ven wel eens afvragen (en die vraag is toch immers ook aan deze plaats niet ongepast?): Is het een heldere, zuivere, melodische toon die van ons leven uitgaat?
De Heilige Schrift leert ons de muziek liefhebben; wat al instrumenten noemt zij ons op, wat al teedere beeldspraak ontleent zij er aan â maar alles wordt gesteld in den dienst van God. Niet in dien laffen, ongeestelijken zin, als zou de Israëliet niets anders mogen doen dan psalmen zingen bij zijn
- 409 -
Tempel â neen, het geheele rijke leven, met zijn lief en zijn leed, zijn somberen ernst en zijn dartele blijdschap, hij stelt het alles onder de hoede van dien God, dien hij wil loven met de luit en de harp, met trommel en fluit, met snarenspel en orgel, met helklinkende cimbalen, cimbalen van vreugdegeluid. Hem ter eere slaat Mirjam den trommel, en zingt zij aan het hoofd eener schare van maagden een feestelijk lied, en met de harp in de hand, en jubelend van blijdschap, gaat Israels koning voor de arke van Jehovah henen.
Vrienden! welke klank gaat er nu van ons leven uit, en op welken grondtoon is die gestemd? Niet alle tonen zijn in een orkest even sterk; daar zijn eerste violen en tweede, daar zijn forsche, krachtige geluiden die als het ware de andere beheerschen, en die toch o zoo hard en onwelluidend zouden klinken, als niet vele andere zachte, bescheiden klanken ze steunden en vól maakten. Maar .... ze zijn alle op éénen grondtoon gestemd, ze zijn alle met elkander in harmonie, en zoodra zij dien gemeenschappelijken bodem verlaten, worden zij valsch. Nog eens, vragen wij het onszei ven af: Is ons leven zulk een zuivere toon, medespelende in de groote wereld-symphonie ter eere Gods?
Over het geheel is de menschheid niet vroolijk, en dus ook tot het voortbrengen van waarlijk schoone muziek niet geschikt, vooral onze vaderlandsche. Gereformeerde menschheid niet. Wij houden meer van een dogmatische verhandeling dan van een gemeenschappelijk lied, en zijn al spoedig geneigd elke muzikale uitvoering met den grooten ban te bedreigen. Hoe komt dat? Omdat de frissche, blijde geloofsmoed zoo-velen ontbreekt. Men is heimelijk tevreden met zijn toestand, hoe somber, hoe gedrukt die ook is, en gelooft niet dat er een andere, ruime baan door den Heer is geopend. De menschen gelijken op dezulken, â het beeld is van den ouden Griekschen wijze Plato â die van \'t begin huns levens af gevangen zaten in een donker hol. Boven, bij den ingang, valt het licht, en als dan menschen, dieren, wagens daarlangs henen trekken, werpen zij in het voorbijgaan hunne schaduwen in dat hol.
- 410 -
Deze schaduwbeelden zijn al wat de rampzalige gevangenen kunnen zien. En wanneer het dan eens gebeurt, dat een dier ongelukkigen ontkomt naar het vrije zonnelicht daarboven, en dan tot zijne lotgenooten terugkeert om te verhalen wat hij gezien heeft â dan noemen ze hem overspannen, en bespotten hem als een krankzinnige! Zij houden hun toestand voor normaal, want ach, zij kennen het hoogere pad niet, waarop de vrijgemaakte menschheid wandelt!
Van die hoogere wereld getuigen alle ware zangers, noem ze nu poëten of toonkunstenaars, wanneer God persoonlijk tot hunne ziel heeft gesproken, en hun een oog heeft geschonken voor Zijne nieuwe wereld, voor de nieuwe orde van zaken in Zijne genade gegrondvest. Vandaar die stille melancholie, die heilige opgehevenheid, die als met kracht u van de aarde opheffende gloed, die uit sommige toonwerken van een Bach, van een Palestrina, ja vooral van die oude, mystieke, innig-vrome musici, u zoo wondervol toespreken kan, zoodat gij soms onwillekeurig herinnerd wordt aan het woord van den psalmist:
.la, mijn ziel dorst naar den Heer,
God des levens! ach, wanneer Zal ik naad\'ren voor Uw oogen,
In Uw huis Uw naam verhoogen?
âAlles Vergangliche ist nur ein Gleichnissquot;, al het zinnelijke, vergankelijke heeft slechts beteekenis als vingerwijzing naar, als profetie van het eeuwige, dat wij wachten. Daarvan is ook de waarlijk schoone muziek eene profetie, maar gelijk aWe profetie, een zwakke en onvolkomene uitdrukking van wat zij aanvankelijk ziet. Ik heb nooit een dier verrukkelijke oratoria van Bach of Mendelssohn gehoord, zonder een gevoel van bittere teleurstelling wanneer het einde daar was. En als ik dan in de stilte van mijn kamer was wedergekeerd, en nog eens poogde het gehoorde en genotene mij terug te roepen in de herinnering, ach! hoeveel was mij dan al weer ontgaan, hoe spoedig week de bekoring, en de gedachte drong zich steeds weer aan mij op: zelfs iets zóó wegsleependè als deze harmonie der verrukkelijkste
- 411 -
tonen kan toch het hart niet waarlijk verzadigen, want . . . dan mocht er geen eivcle aan komen! De wereld, ook in hare edelste vormen, ook in haar verhevenste kunstschatten, biedt toch slechts een eindigen beker voor een oneindigen dorst â de ware wereld ligt hooger; die Is slechts daar, waar de volle aanschouwing te vinden is van wat de zoetste melodie slechts als een onbevredigd heimweesmachten kan wekken.
Niets, o Jezus! dan Uw bloed,
Geelt voldoening aan \'t gemoed.
Wat wij lieven in dit leven,
Kan ons nooit voldoening geven!
En als men dan weer met het leven in aanraking komt zooals het is, met het leven zoo rol zorgen en zonden, zoo vol raadselen en bittere teleurstellingen, en als men dan ook gaandeweg zijn eigen hart beter leert kennen, en den onwil van dat hart om zich onder het zachte juk van Immanuël te buigen, dan gevoelt men; de muziek kan hierbeneden toch ons ware element niet wezen. Zij staalt onzen wil niet, maar wiegelt ons op de golven der verbeelding, om ons straks bij de golven der werkelijkheid slechts te krachteloozer en machte-loozer alléén te laten. Het is goed, het is heerlijk dat God ons ook deze gave geschonken heeft, opdat wij ons somwijlen zouden verkwikken aan den voorsmaak der eeuwigheid, waar het alles enkel, zalig Lied zal wezen . . , maar ons eigenlijke element hier op aarde is toch strijd en lijden. Het kan niet anders, zegt de Apostel, of wij moeten â niet door zoete, melodische tonen, maar â door de dissonanten der smart, door vele verdrukkingen ingaan. Het Grieksche ideaal is een Apollo, een wonderschoone jongeling met een lier in de hand, of een Orpheus, zóó boven alle beschrijving heerlijk zingend, dat zelfs de stcenen zich bewegen â maar Hij, die de waarheid zelve is, draagt geen lier, maar een kruis, en komt niet op den Zangberg, maar op Golgotha. Dat is de roode draad der smarte, die hierbeneden door eiken kunstenaarsarbeid henengaat, wanneer de kunstenaar zelf iets leerde verstaan van de diepte der zonde. Zalig hij.
- 412 -
die het gevaarlijke talent der kunst bezittende, met onzen éénigen Ten Kate, die zoo getrouwelijk al zijne tropeeën wist neer te leggen aan den voet van het kruis, heeft leeren bidden:
O Heer! Gij kent ons tegenstreven,
Ons Saulushart, onze euveldaan.
Breng door een straal van \'t eeuwig leven Ook óns op \'t pad des doods tot staan!
Opdat ook wij vernieuwd herrijzen,
Om eeuwig Uw gena te prijzen,
Die opzoekt wat verloren is!
Welzalig die aan U zich wijden;
Gij geelt hun, na kortstondig lijden,
Uw heerlijkheid tot erfenis!
En zoo willen wij clan voortgaan te musiceereninden heiligen, rijken zin van GodsWoord, âpsalmen zingende in den nacht,quot; er ons wèl voor wachtende zelfs de schoonste schemering der muziek voor den waren morgenstond te houden, maar tevens den dissonant dezer wereld erkennende als door (Jliristus overwonnen.
Zij zal ons niet berouwen.
De keus van \'t smalle pad:
Wij kennen den Getrouwen,
Die ons heeft liefgehad.
De heilige opgehevenheid der muziek, des lieds is het beste antwoord op de twijfelende vragen des Satans: âIs het ook, dat God gezegd heeft? Zou die toekomst u wel zijn weggelegd? Is er wel eene hoogere wereld, en zijt gij daar wel toe bestemd?quot;
ïoen men in de stad Brunswijk de Reformatie wilde tegengaan, die er met den dag aan invloed won, werd een welsprekend mispriester aangewezen om tegen de nieuwe leer te komen prediken. Nauwelijks had hij zijne rede aangevangen, of eene stem riep: âGij liegt, heer doctor! in mijn bijbel staat liet anders.quot; De redenaar antwoordde: âBeste man! gij hebt misschien eene verkeerde vertaling!quot; . . . Doch daar opeens begon een ander burger met luider stem te zingen: âAch, Gott vom Himrael, sieh dareinquot;, eene vrije bewerking van den 12,lel\' Psalm, en terstond zong de gansche gemeente mede!
- 4quot;. 3 -
De geleerde doctor moest van den predikstoel af, en de Hervorming werd in geheel Brunswijk ingevoerd.
O, gij Kerk des Nieuwen Verbonds, gij hoort allerlei stemmen, die u van het éénige fundament willen aftrekken. Allerlei wijsheid, die dwaasheid is bij God, wordt u aangeboden. Allerlei redders treden op om de kwalen onzer maatschappij of onzer Kerk te genezen. Vertrouw ze niet te veel! De beste hunner is nog minder dan de ijdelheid zelve. Maar verhef uwe stem en zing in deze troostelooze wereld het rijkslied van uwen Koning, en laat uwe feestelijke klanken oprijzen over de beschaduwde velden dezer aarde, want ziet, het daagt in het Oosten!
Zonder einde geeft Uiv lof
Jezus! ons de rijkste stof.
Dit geldt voor u allen die door genade aan uzelven ontdekt zijt. Voor hen, die hoog zijn geplaatst en aanzienlijk naar de wereld, en die in hunnen kring ach zoo weinig âaanklangquot;, zoo weinig gevoel vinden voor de heiligheid des geloofs. Voorde armen, wier leven zoo eentonig daarhenen gaat, en zoo afmattend is, door den strijd om het bestaan, die in onze dagen al zwaarder en zwaarder wordt. Dit geldt voor allen, die iets ledigs, iets droevigs gevoelen ook bij alle zegeningen en goedertierenheden Gods â een profetie van de volkomen vervulling van alle aspiration en behoeften in Sion!
Vergunt mij hiermede te eindigen, waarde Hoorders! Moge mijn eenvoudig woord niet in al te schrillen wanklank geweest zijn met het schoone onderwerp, waarover ik tot u spreken mocht! God geve, dat wij de kracht en de beteekenis der muziek en der toonkunst goed mogen verstaan! Laat allen, die dit talent ontvingen, het toch aankweeken, en laat vooral het Christelijk lied in onze huizen gehoord worden! Geen dag zonder gebed, maar ook geen dag zonder lied. En bovenal, laat ons leven meer en meer één voortgezette lofzang worden, gestemd op den grondtoon van ons 3Ss\'e Gezang: âAlle roem is uitgeslotenquot;, Hem verheerlijkende, die over Efrata\'s velden Zijne Engelen liet zingen van het heil aan arme zondaars bereid!
- 414 -
Laat mij nu nog ten slotte eene ware geschiedenis mogen verhalen!
Richard Leeuwenhart, de ridderlijke koning der kruistochten, was door de vijandelijke Saracenen overwonnen, en in een onbekend slot der Mooren gevangen gezet. Diepe rouw en verslagenheid onder zijn volk, maar geen zijner onderdanen kon hem redden, hoe gaarne hij ook zijn leven voor hem gesteld had â want niemand wist, waar de edele vorst was gekerkerd.
Doch zie, zijn beste, zijn trouwste vriend waagt het â hij waagt het alléén met zijn lied! Aan alle burchten van het Moorenland bracht hij een bezoek als zanger verkleed, en toen hij eindelijk, eindelijk aan het kasteel kwam, waar Eichard gevangen zat, en ook daar in het schemerdonker van den vroegen morgenstond, de oude liederen van zijn vaderland aanstemde â toen klonk daar opeens, hoog uit den toren, van achter de traliën, dezelfde melodie terug, als echo op het bekende en nimmer vergeten lied der liefde, en nu wist ook de trouwe vriend, waar zijn broeder gevangen zat, dien hij zoo lang had gezocht!
Mijne Hoorders! daar is een gevangen koningskind; menschmziel is haar naam. Gij zijt er een, ik ben er een. En nu klinkt daar in de verte het lied der liefde van Christus â het ruischt aan de traliën ook van uwen kerker voorbij. Wekt dat lied ook in uw harte een echo, een weerklank op? Begint bij het hooren van dat lied ook uw ziele te leven?
Houdt dan goeden moed, want zij die dezen toon eenmaal vernamen, het zijn de uitverkoren gasten tot de Bruiloft, en die Bruiloft wordt niet gehouden, voordat ook de laatste gast in de feestzaal is binnengekomen. Inmiddels stamelen zij vast, want zij kunnen er niet van zwijgen, zoo goed als liet gaat, hunne liederen van dank en van hope. Ach, het is nog zoo gebrekkig, vaak nog even weinig harmonieus als het verwarde geluid der verschillende instrumenten kort vóór de groote opvoering aanvangt, maar ze zijn dan ook de onmiddellijke voorboden der groote, der heerlijke symphonie. Zalig zij, die
- 415 â
daarvan de eerste tonen mogen opvangen! Hoe zal \'t mij dan, ja dan eens zijn? . . .
Vrienden! van dat Hemelsche Feest wordt de muziek ons aldus beschreven: âEn ik hoorde eene stem van citerspelers, spelende op hunne citers, en zij zongen een nieuw gezang voor den troon van God.quot; â De Heere God geve ons uit genade dat lied eenmaal te hooren, en dan zullen wij ook de beteekenis der muziek eerst ten volle verstaan!
XIV.
OUDE EN NIEUWE KUNST.
Mijne Hoorders!
Vergunt mij aan een uitstapje naar Beieren, dat ik eenigen tijd geleden mocht maken, eenige opmerkingen over antieke en moderne kunst vast te knoopen, en u in eene ongedwongen causerie enkele oogenblikken te bepalen bij hetgeen ik in en buiten München heb mogen zien en gevoelen. Meer dan enkele losse grepen kan ik niet doen, ook al bepaal ik mij hoofdzakelijk tot de beeldhouwkunst en de schilderkunst. Niemand verwijte mij straks eene onvolledigheid, die ikzelf ten zeerste gevoel, maar die bij zulk een onmetelijk onderwerp, en dat in het korte kader eener lezing behandeld, vanzelf eene gebiedende noodzakelijkheid wordt.
Allereerst raad ik aan alle door arbeid of studie vermoeide hoofden, die zich deze weelde veroorloven kunnen, de kemüs-making met het heerlijke Zuid-Beieren van harte aan. Welk een prachtige meren, welk een majestueuze bergen, welk een verrukkelijke bosschen! Wie, die Zwitserland â het in menig opzicht onvergelijkelijke Zwitserland â kont, heeft niet menigmaal gezucht onder den grooten toevloed van reizigers, die u met hun egoïstische drukte het kalme genieten onmogelijk maken? In Zuid-Beieren reist men betrekkelijk eenzaam, de hotels zijn er eenvoudig, de bezitters er van óók, en gij kunt daar in die heerlijke wouden nog eens waarlijk tot uzelf komen, en de woorden des dichters herhalen:
De boomen menglen tot een woud,
En strenglen welf en boog.
En bouwen hemelhoog Een kerk van ongekorven hout,
Waar Englen op den drempel staan En luistrend gadeslaan.
Maar behalve door zijne wonderschoone natuur, over welke ik thans slechts noode kan zwijgen, is Beieren om zijne kunst-
â 420 -
schatten een bezoek overwaardig. Ik heb ook het voorrecht gehad Rome te zien, waar ongetwijfeld duizendmaal meer te bewonderen is; doch daar bestormen zóóveel gewaarwordingen uwe ziel, dat gij eerst bij een tweede en derde bezoek, en na uitgebreide vóórstudiën, daar ten volle genieten kunt. Wie kan voor de eerste maal van zijn leven Forum of Colosseum betreden, en terstond in den geest aan het reconstrueeren gaan, naar de aanwijzingen van archaeologen en historici? Maar in München leidt u geen machtig verleden de aandacht af. Het betrekkelijk jeugdige Koninklijk Beieren, door den alles veranderenden Napoleon uit de brokstukken van verschillende staten gevormd, heeft geene historie, die u boeit, en gij kunt u onverdeeld wijden aan de beschouwing der rijke kunstschatten, door een viertal vorsten naar hunne residentie saamgebracht. Vooral uit Griekenland, waar een Beiersche prins een korte poos regeerde, heeft de koninklijke vrijgevigheid alles wat nog te koop was aangeschaft, zoodat men maar weinig musea zal aantreffen waar de klassieke wereld, hetzij door originalen, hetzij door uitnemende kopieën, zóó goed bestudeerd kan worden als in de Glyptotheek van München. Dit in Jonischen stijl opgetrokken Museum dat, naar de opgeschroefdheid dei-veertiger jaren, die met al wat Grieksch was dweepten, ook een Griekschen naam moest dragen (evenals de schilderijenverzameling met den Griekschen term âPinakotheekquot; werd gedoodverfd) â dit museum dan bergt in zijne dertien zalen een onmetelijken schat aan oude beeldhouwwerken, op uitnemende wijze gerangschikt en tentoongesteld.
quot;Welk een merkwaardig volk toch dat Grieksche, gelijk het in zijne literatuur en in zijne kunstvoortbrengselen, van jaar tot jaar beter gekend en begrepen, voor onzen geest verrijst! Het is, gelijk geen ander, het volk der anticipatie, of wilt gij, der profetie, wijzende op hetgeen het najaagt zonder het te weten, wijzende op een Ideaal dat het nimmer vervullen kan. Geen volk heeft het in de kunst zoo ver gebracht als de Grieken; geene zaak die zij aanvatten, of zij hebben er het meesterschap in bereikt. Vooral geldt dit van de plastiek; hunne stand-
- 421 -
beelden zijn, als voorstellingen van den mensch in zijn natuurlijke, lichamelijke verschijning, onovertroffen, en het hoogste wat men van een ThorwaMsen, een Canova, of welken beeldhouwer ge maar wilt, kan zeggen, is dat zij de antieke modellen in dit opzicht eenigszins nabij komen. Hoe wondervol zijn die Grieksche beelden! Het ideale is hier volkomen aan het stoffelijke gehuwd, en dat ideale is boven alles de mensch. Geene spreuk is zóó op en top Helleensch als die van Protagoras dat âde mensch de maat is voor alle dingen.quot; Alles hult zich voor het oog van den Griek in eene menschelijke gedaante; goden, bosschen, beken, zeeën â ze krijgen eene gestalte, eene spraak, waardoor ze met de stervelingen volkomen op ééne lijn geraken. Hunne kunst is die der lichamelijkheid in haren bevalligsten, onberispelijksten vorm, de evenmaat tot den hoogsten trap van volmaaktheid gestegen.
Geen krachtiger volk dan deze Grieken in hunnen bloei. Terwijl het lagere, afmattende werk door slaven verricht werd, waakten de Hellenen met teedere zorg voor de ontwikkeling van hun lichaam, hielden het door de gymnastiek lenig, terwijl de muziek de ziel moest zuiveren en opheffen, en zóó werd de strijd der onderling uiteenloopende begeerten tot schoone harmonie opgeleid. Het gansche leven was één voortgezette kampstrijd om deze evenmaat van ziel en lichaam te bewaren, te versterken en te verdedigen tegen alles wat haar verstoren kon. Wat zulk eene uitgelezen keurbende vermocht tegen de ruwe, ongeregelde massa, bleek schitterend te Salamis en Marathon, waar eene honderdmaal talrijker macht, maar grooton-deels uit slaven en machines bestaande, voor de wèlbewuste, offervaardige, mannelijke vaderlandsliefde der Grieken bezweek. Altoos zijn zij in een of anderen strijd, met. de wapenen of met de pen, met de lier of met den discus, en altoos is het om de veelzijdige ontwikkeling der gaven en talenten te doen, aan deze edele natie zoo kwistig toebedeeld. Eerst zijn het de stammen onderling die elkander bevechten, totdat enkele de suprematie behouden; dan komt in Athene de democratie in verzet tegen de oligarchie; nu eens breekt hier, dan weer ginds
- 422 -
het bruisende leven zich baan, en altijd gaat de dapperheid met de hoogste beschaving samen. Wanneer Aeschylus zijn eigen grafschrift maakt, roemt hij niet op zijne onsterfelijke tragediën, maar op zijn geweldigen arm, dien de Perzen maar al te zeer hebben leeren kennen; Sofocles kan onmiddellijk tot een hoogen veldheerspost geroepen worden, omdat hij in zijne verzen zoo kostelijk het wezen van recht en van liefde bezongen had; en wanneer Aeschylus en Sofocles om den eereprijs dingen, roept men tien generaals, zoo pas van het bloedige slagveld teruggekeerd, om als letterkundige jury hun oordeel over deze beide corypheeën uit te spreken. Wat al verscheidenheid in die kleine landschapjes, soms nauwelijks zoo groot als het tiende deel onzer provinciën; wat al rijkdom van leven en krachtsopenbaring, vergeleken bij de alles nivelleerende middelmaatsbeschaving der Oostersche monarchieën! Trouwens â de omstandigheden waren voor dit volk ook zoo gunstig mogelijk. Welk een heerlijk land, dat Hellas der Oudheid! Daar waren geene wouden te overwinnen als in Indië, waar de reusachtige baobabs één voor één als \'t ware een volledig beleg moeten doorstaan, eer ze vallen; waar te midden van giftige planten, geweldige monsters henenschuifelen, welke alleen door olifanten, die levende bergen, vertreden kunnen worden. Geen rivieren als die onmeetbare stroomen van het Oosten, die aan hunne uitmonding zoo breed zijn als eene gansche Republiek van Griekenland; geen bergen als de Himalaya, wier grondvlak geheel Hellas zou beslaan. Neen, om zulk eene natuur te beheerschen, zouden dertig en meer eeuwen eerst nog het materiaal moeten leveren; voor de Grieken waren de bezwaren juist geëvenredigd aan hunne nog jeugdige kracht, en alles werkte samen om hier de mensclielijke persoonlijkheid tot het hoogtepunt van vrijheid en ontwikkeling te brengen.
Laat ons dit nu vooral ten opzichte der plastiek wat uitvoeriger mogen aantoonen!
Verplaatst u met mij in uwe gedachten in de vierde zaal van Münchens Glyptotheek! Daar treffen wij de zoogenaamde Aegineten aan, de marmeren figuren, die eenmaal de beide
- 423 -
gevels van den tempel van Athene op het eiland Aegina versierden. Zij stellen Telamon en zijne zonen Ajax en Teucer voor, in hun strijd met de Trojanen. De godin Athene staat in het midden, met schild en speer gewapend, en aan hare voeten ligt het lijk van Patroclus. Links stormen de Grieken aan, rechts de Trojanen, allen in hun lichaamsbouw reeds volmaakte figuren, vol kracht en leven, maar in de gelaatstrekken nog koud en wezenloos. Men voelt: hier wordt gestreefd naar een ideaal, dat men nog niet bereikte; maar welk eene symmetrie reeds in de groepeering, welke verrukkelijke lijnen in die staande, knielende of ter aarde zinkende gestalten! En nu ziet gij die beelden daar, alle los van elkander, in een koude vierkante zaal, op den goed aangeveegden grond van een modern museum neergezet en bewasemd door den mistigen adem van een kijklustig plebs, dat over deze naakte helden heengebogen zijne zoutelooze aardigheden debiteert â maar hoe moet de aanblik niet geweest zijn, toen deze wondervolle groep de gevels van Athene\'s tempel versierde, beschenen door een gouden zonneglans, weerkaatst door de melodieuze golven der zee, betreden door eene feestelijke priesterschaar en omringd van eene juichende menigte!
Da ihr noch die schone Welt regieret,
An der Freude leichtem Gangelband Selige Geschlechter noch geführet,
Schone Wesen aus dem Fabelland!
Ach, da ener Wonnedienst noch glanzte,
Wie ganz anders, anders war es da,
Da man deine Tempel noch bekrünzte,
Venus Amathusia!
Eure Tempel lachten gleich Palasten,
Euch verherrlichte das Heldenspiel An des Isthmus kronenreichen Festen,
Und die Wagen donnerten zum Ziel.
Schön geschlungne, seelenvolle Tanze Kreisten um den prangenden Altar;
Eure Schlafe schmückten Siegeskranze,
Krone ener duftend Haar.
- 424 -
En toch behooren deze Aegineten nog volstrekt niet tot de hoogste en beste producten der Helleensche kunst. Wie uwer die in liet Britsch Museum vertoefd heeft, stond niet sprakeloos van bewondering stil in de Elgin Room voor de overblijfselen van Phidias\' meesterwerk, de friezen van het Parthenon, dat eenmaal den Acropolis van Athene versierde? Kent gij iets gracieuzers dan de plooien der gewaden van die geweldige torso\'s, eenmaal godinnen voorstellende, nu zonder hoofd en armen daar neergezet, en toch nog van zoo onweerstaanbare bekoorlijkheid? En dan die 160 Meter lange fries, die eertijds de buitenzijde der Cella omgaf â welke levendige, harmonische gestalten! \'t Is of gij de borst ziet bewegen onder die doorzichtige sluiers en mantels, zoo bevallig om hals en schouder geworpen; \'t is of gij het hinniken der paarden hoort, dooide flere jongelingen, die ze berijden, slechts met moeite bedwongen!
En toch â geëerde Hoorders! zoodra de eerste bekoring van zulke meesterstukken geweken is, en de kalme overdenking van het genotene de opgetogen bewondering vervangt, voelt gij iets onbevredigds, iets ledigs, al moet gij ook worstelen met de taal om het duidelijk onder woorden te brengen. Gij mist toch in heel deze Grieksche kunst de vrije persoonlijkheid, het waarlijk-individueele, gelijk u dat in de Christelijke kunst in haren bloeitijd dadelijk treft. De abstract-menschelijke schoonheid geeft de Griek u op onovertroffen wijze te aanschouwen; maar de schoonheid die er ligt in eene persoonlijkheid, die door den geest beheerscht wordt, waar â gelijk onze Vondel het zoo sierlijk uitdrukt â âde menschelijke ziel komt op zijn tronie zweven,quot; die bleef hem onbekend. Let er maar op dat de hoofden van deze beelden gewoonlijk het wwsi voltooid zijn; al die Grieksche koppen hebben iets monotoons en typisch. De gloed der ziel, het leven des harten ligt er niet, als reflex van het innerlijk bestaan, op uitgebreid, terwijl een kunstenaar als Rauch zelfs de marmeren trekken der doode koningin Louise met een hemelschen glans der verheerlijking weet te bestralen. Het verrukkelijke Parthenon, dat wij ons, sedert
â 425 -
de geleerden het in hoofdzaak met elkander eens zijn, weder vrij historisch-juist kunnen voorstellen, heeft alle schoonheden, behalve die van het leven; orde, regelmaat, gratie, vastheid, ernst, harmonie, maar er spreekt geen zedelijke ivil uit, en dat gemis kon ook de schoonste buste van Zeus of Athene niet vergoeden. De harmonie, welke in alles wat de Grieken voortbrengen zich vertoont, zweeft meer als eene wet boven de kunstenaars, dan dat zijzelven als harmonische geesten haar uit den eigen schat des harten te aanschouwen geven. Ik weet niet of ik duidelijk ben. De Griek heeft slechts oog voor de Geheelheid, en niet voor den individu. Zoo is het in den Staat, in de Literatuur, in de Wijsbegeerte, zoo is het ook in de Kunst. Wanneer Plato of Aristoteles hunne denkbeelden omtrent de Maatschappij verkondigen, gaat de mensch geheel en al op in den burger, en de burger in den Staat. In de Letterkunde hetzelfde verschijnsel. De dichter geeft zich niet allereerst zooals hij is, stort zijn hart, zijn innerlijk gemoedsleven niet uit in zijne verzen, maar verplaatst zich geheel in het genre dat hij vertegenwoordigt. De tongval, dien hij bezigt, hangt niet af van zijn geboorteland, maar van het soort van lied dat hij dicht. Is dat een epos, dan schrijft hij in het Jonisch, is het een leerdicht, dan kiest hij het Dorisch, al is ook zijne vaderstad aan beide taalvormen vreemd. De Philosophie is hem alweer niet eene abstracte wetenschap, zich op een of ander probleem werpend en trachtende dat te verklaren, maar de eenheid aller kennis, een middel om de natuur te begrijpen en daardoor te beheerschen. Wonderschoon heeft Eafaël dat voorgesteld in zijne School van Athene, die men nooit meer vergeet, wanneer men ze ééns in de Camera della Segnatura van het Vaticaan genoten heeft. Gij ziet een breede trap, waarop tal van figuren meesterlijk gegroepeerd zijn. Plato en Aristoteles in het midden, de eerste naar boven wijzend, de andere naar de aarde, als de éénig-betrouwbare grond voor alle speculatie. Denkers, geometers, aardrijkskundigen, poëten â altemaal waardige, schoone gestalten, die te zamen het streven der menschheid naar licht, naar klaar inzicht in de dingen
- 426 -
moeten symboliseeren. De Grieksche geest duldt geen verbrokkeling noch gaping in zijne kennis; lachende trekt hij de al te Iiooge en pijnlijke vragen tot zich naar omlaag, om ze dan met zijn harmonieuzen, dichterlijken volksgeest te verklaren. En zoo is het nu ook met de kunst. De kunstenaar gaat volkomen er in op. Zie ze maar aandachtig aan, die talrijke busten en standbeelden van Phidias, Praxiteles, Polycletes of wien ge maar wilt: ze hebben niets individueels in hun gelaatstrekken; ze zijn Grieken, ziedaar alles! En indien zij al, gelijk bij Plato het geval is, het merk eener persoonlijke eigenaardigheid dragen, dan is het wel dat der onvoldaanheid en onbevrediging.
Wanneer de Griek zijn ideaal bereikt heeft, en zijn bloeiend land overziet, bedekt met kunstwerken zonder tal, terwijl het geklank van citers en harpenaren hem omgeeft, blijft hij onvoldaan. Zijn ideaal staat vóór hem, maar bevredigt hem niet. Want of men den hemel al op aarde toovert, de icare hemel blijft verre van dezen grond, met bloed en tranen gedrenkt, en of men zich al vroolijke goden schept, het hart blijft roepen, gelijk in den ouden psalm van Israël staat geschreven, naar God, naar den levenden God. Ziet er dien ganschen Olympus op aan! Welk een onheilige vertooning! Wie kon er eerbied hebben voor een Zeus, die als een Don Juan zijne liefjes bedriegt en verleidt, en de woning der goden maakt tot een brandpunt van amouretten? Hij is de personi-fleering van den nuchteren Griek, wiens zinnelijke ruwheid even groot was als zijne aangeboren genialiteit. Vandaar dan ook het nuchter-verstandelijke van deze goden. Zeus beveelt minder dan dat hij beraadslaagt, en de meeste zijner epitetha wijzen dan ook op zijn wijsheid, raadgeving en kloek doorzicht in de dingen. Een Aristophanes kan, zonder dat hij voor de beschuldiging van godslastering heeft te vreezen, in zijne comedies de goden laten hongerlijden; hij laat den god Dionysos een pak slaag krijgen ter oorzake van zijne domheden, ja spreekt van het sterven van Zeus, den oppersten God! Zooals de Griek was, maakte hü zijne goden. Zoo is Odysseus, die wel
- 427 -
de zuiverste representant van den Helleenschen geest kan heeten, bovenal de man der verstandige wijsheid, die zich uit de moeielijkste toestanden weet te redden. Maar van eerbied, van heilige vreeze voor ai die heele en halfgoden is geen sprake\' Het vroolijk besef dat zij eigenlijk niets anders zijn dan voortbrengselen van zijn eigen vernuft, tintelt uit alles wat de Griek omtrent hen gelooft of beweert.... maar zoo wordt dan ook de waarheid opgeofferd aan de opzettelljk-gewilde en kunstmatig in het leven geroepen harmonie. Want deze wereld is niet een kosmos, waar alles beschenen wordt door een onverstoorbaren zonneglans, en waar eene gelukkige menschheid als met bloemen getooid ten feestelijken reidans gaat â daar is een zuchtend schepsel, dat klagend het hoofd ten hemel beurt, en dat de raadselen des levens al weenende torst. Men kan dat alles wel wegdenken, wegtooveren, maar het blijft er niet te minder reëel om! Ach, waren er dan in Griekenland óók geene rouwkleederen, geene weduwen, geene graven? Men mocht den Dood al dichterlijk voorstellen als een engel, die de levenslamp uitbluscht; een Schiller moge er in zijn onhistorische stanzen van zingen:
Damals trat kein grassliches Gerippe Vor das Bett der Sterbenden. Ein Kuss
Nahm das letzte Leben von der Lippe,
Seine Fackel senkt\'.ein Genius....
dat âgrassliches Gerippequot; vertoonde zich ook op dien dichterlijken bodem van Hellas, en verbijsterde den blik der eerlijke denkers, die zonder God en zonder hope in dit leven waren. O, de éénige die op het heerlijke fresco van Eafaël, dat ik u reeds noemde, op zijne âSchool van Athenequot; met de hand naar Boven wijst, en die de realiteit der geestelijke dingen poogt aan te duiden, is juist daardoor geen echte, klassieke Griek meer. Dat is Plato, wiens naam wel voor immer onafscheidelijk aan zijnen leermeester Socrates is verbonden. Toen de Sofisten, met hunne alles ontledende, spitsvondige verstandscritiek alles, alles op losse schroeven hadden gezet, en Protagoras\'
- 428 -
beginsel, dat âde mensch de maat van alle dingenquot; is, op kunst en wetenschap, op godsdienst en maatschappij toepassende, dat alles vlottend en onzeker hadden gemaakt, zoodat niets meer houdbaar, niets meer geloofwaardig, niets meer aannemelijk scheen in dezen Oceaan van onzekerheden, dien men het âlevenquot; noemt â toen is Socrates opgestaan om der wanhopige menschheid weer vasten grond onder de voeten te geven. In zijn uiterlijk optreden niet van de gewone Sofisten onderscheiden, gaf en bestreed ook hij de wisselende meeningen en stemmingen der wijzen, maar bij hem was dit alles slechts middel om tot zijn doel te geraken: het redelijke zelfbewustzijn in den mensch te doen ontwaken, waarin hij de Godheid ontmoeten kon, en de eeuwige Waarheid kon leeren kennen. Hier wordt de Grieksche bodem verlaten. Zoodra de realiteit der geestelijke dingen, de zelfstandigheid van het geestelijke leven erkend wordt, en wel als eene oppermachtige, gebiedende, hoogere Macht die hoven den mensch staat en zijne gehoorzaamheid eischt, valt de éénheid van geest en natuur, die het fundamenteele Credo van den Helleen is, onherroepelijk uit elkaar.
AVas die Macht voor Socrates nog niet eene heilige, teedere Waarheid, maar meer nog eene allesbeheerschende, overweldigende Majesteit, voor den heerlijken Plato wordt zij de reinigende, louterende Macht der Ideeën, die de vormlooze stof beheerschen en ordenen. Eene gestadige opklimming van lager tot hooger, van onvolledige tot vollediger kennis, doet eindelijk op de hoogste trede het goddelijke bereiken, waar de ideeën van het goede en schoone, die voor den Griek altoos identisch waren, in de Godheid opgaan en samenvloeien. En hier is het nu voorgoed met de eenheid van geest en natuur, dat Grieksche urdogma, gedaan. Die volmaakte harmonie, waar eenmaal iedere Griek in geloofde, omdat hij ze in alles kon zien, tasten en gevoelen, nu werd ze een voorwerp van geloof, van bevende hope, slechts voor de stoutste denkers bereikbaar, indien ook maar bereikbaar ... en sedert daalt eene diepe melancholie op heel de Grieksche beschaving ter neder. Zie het reeds op
- 429 -
Plato\'s edel gelaat, hoe het dualisme zijne koninklijke ziel verteert, en zie het in zoo menige groep, waarvan het stomme marmer den schreienden dissonant des harten verraadt! Met diepe genialiteit heeft dan ook Wilhelm von Kaulbach in zijn beroemden cyclus, die het Nieuwe Museum te Berlijn versiert, op zijn heerlijk tafereel, den âBloei van Griekenlandquot; voorstellende, de Sybille van Cumae, wier gestalte achter die van Homerus zich vertoont, en die als \'t ware den genius der natie moet verbeelden, met somber en droef gelaat afgeschilderd. Als een toonbeeld van smart staat zij daar te midden van al deze lachende blijdschap. Zij voelt de vergankelijkheid van dit alles, en ziet hare, nog zoo jonge, natie reeds verkwijnen. Hoe kort heeft eigenlijk die heerlijke, rijke bloei geduurd, vergeleken bij het leven van Indiërs, Egyptenaren en Chineezen! Het is als Achilles, die wild en opbruisend als een bergstroom daarhenen snelt, maar ook spoedig voorbij is, zonder iets blijvends te kunnen worden. Er ligt een diepe melancholie ten grondslag aan dien schijnbaar onuitputtelljken levenslust.
Dat blijkt boven alles uit de Grleksche tragedie. O leest, geëerde Hoorders! van tijd tot tijd een dier verrukkelijke treurspelen; ze zijn in de uitnemendste vertalingen immers onder ieders bereik? Hoe leerrijk zijn ze om den mensch te leeren kennen gelijk hij is in zichzelven, buiten het licht eener hoogere Openbaring! Is niet de troosteloosheid der wanhoop de slotsom van al deze poëzie? Is zij niet als een doorloopende commentaar op het sombere refrein: âHet ware beter nimmer geboren te zijnquot;? Die keuvelende of kibbelende goden, die daarop hun Olympus troonden en zich zoo bitter weinig om de menschen bekommerden, ze konden toch een ernstig gemoed niet bevredigen. Is het toevallig, dat juist de beste producten der latere beeldhouwkunst den mensch voorstellen met het hoofd vragend naar boven gericht? Kent gij de groep van Niobé? Ik heb ze te Florence gezien, en ze was mij eene paraphrase in steen van het oude woord des profeten: âOch, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten!quot;.. . .
430 -
Niobé, eene gelukkige moeder van eene bloeiende schaar zonen en dochteren, heeft zich, door het geluk overmoedig geworden, zelfs boven de goden verheven, en de gemalin van den zonnegod bespot, die slechts een tweetal kinderen baarde. Maar zie, daar treffen haar de slagen der vertoornde godheid. Het eene kind na het andere ziet zij door Apollo\'s pijlen getroffen ter aarde zinken, en van smart is zij versteend, als in eene rots veranderd. Welk een edel gelaat, die fèlgeteisterde moeder, die daar voor het laatste harer kinderen eene machtelooze beschermster is ... . ook dat wordt haar ontnomen, en met haar strakke aangezicht, dat zelfs den troost der tranen moet missen, ziet zij zwijgend naar den gesloten hemel op â een eeuwig waarom\'? op de lippen van den tot een bittere klacht halfgeopenden mond.
Ook Laökoön, oen dier hoofdsieraden van het Vaticaan, drukt met zijn ten hemel gericht hoofd het onbegrijpelijke van zijn noodlot uit, waaronder hij met zoo mannelijke zelfbeheersching zich buigt. Gij kent de sage. De Trojaansche priester Laökoön heeft tegen Apollo gezondigd, en wordt aan het altaar van Poseidon, waaraan hij met zijne zonen juist den dienst verrichtte, door vergiftige slangen gedood. De jongste zoon is reeds bezwijkend, de oudere ziet zijn lot naderen, de vader tracht zich met de inspanning zijner laatste krachten aan de doodelijke omhelzing te onttrekken, de kracht zijner ziel worstelt nog met de smart des lichaams â men vodl letterlijk den doodsangst, die aan den dreigenden beet voorafgaat â eene groep van onbeschrijfelijk dramatische kracht, mij thans vooral ook leerrijk als symbool van de machteloosheid van den Griekschen geest, om het raadsel des levens te verklaren. Ook deze bittere smart wordt zonder troost gedragen, en geen antwoord daalt uit den hooge op de klacht dezer saamgewrongen lippen.
Ach, is niet de wonderschoone Venus van Milo, die velen onzer gewis in het Parijsche Louvre bewonderd hebben, en voor wie men onwillekeurig het hoofd ontbloot, wanneer men de zaal binnentreedt, waar zij in eenzame majesteit troont
- 431 -
â is zij niet in hare actueele verminking de welsprekendste vertolking van hetgeen de geheele Antike ons biedt? Een nobele, reine, verheven mensehelijkheid, de idee van het vUesch zoo volkomen mogelijk gerealiseerd, maagd en vrouw, kloekheid en teederheid wondervol door elkaar gevlochten, maar toch de godin geheel verdringende door de vrouw; wel eene kuische vrouw, bij wier bloeiende, ontsluierde vormen geen enkele onreine gedachte bij u post kan vatten, maar die u toch niet nader treedt, met een onbepaalden, niets-zekers voorspellenden glimlach op de half-geopende lippen .... en zonder armen! Niet in staat u te omhelzen, te omvatten, te schragen . . . geen kracht bezittend om u te vergezellen op de moeielijke levensreize, maar slechts een oase midden in de woestijn, dubbel gevaarlijk omdat zij in haar verleidende bekoorlijkheid den kloeken moed verderop te trekken, en te jagen naar het ware Ideaal, doet versterven.
Neen, Schiller heeft niet recht in zijn aandoenlijk, maar toch onwaar gedicht âdie Gutter Griechenlandsquot; te zeggen;
Alle jene RliUlien sind getallen Von des Nordens schauerlicheu Wehn;
Einen zu bereichern unter allen,
Musste diese Gölterwelt vergehn....
want die goden zijn gevallen, omdat zij ijdelheid en leugen waren, en geen beitel van een Praxiteles, geen lier van een Pindarus, geen penseel van Apelles, kan leven schenken aan wat doodgeboren is, kan de klove dempen die het gevallene schepsel van den Heiligen Schepper afscheidt. Hier is het einde der Grieksche kunst, en hier komt die Eéne, dien Schiller beschuldigt de droeve oorzaak te zijn van den ondergang der Antike, om leven te wekken uit de dooden, en der menschheid, en ook der kunst, een stoot te geven tot eene eeuwige beweging. Over de Christelijke kunst ga ik thans tot u spreken, mijne gedachten over de Grieksche, gelijk wij die thans in enkele trekken elkander voor oogen stelden, samenvattende in Lenau\'s kostelijke verzen:
- 432 -
Der Grieche hat nicht Gott gefunden Mit seiner Andacht höchstem Schwung.
Die Blüthe seiner schönstem Standen Was war sie? Nur Vergötterung!
Die Künste der Hellenen kannten Nicht den Erlöser und sein Licht.
Drum scherzten sie so gern, und nannten Des Uebels tiefsten Abgrund nicht.
Dass sie am Schmerz, den sie zu trosten Nicht wusste, wild vorüberführt,
Dass nenne ich der Zauber grössten Womit uns die Antike rührt.
Nein, Abend ist\'s und Ernst geworden.
Der Abgrund klafft, der Heiland ruft.
Der heit\'re Walm, die Götterhorden Zerstieben in der Wetterluft.
Welk eene geheel andere wereld is het, in welke ons de Christelijke, de nieuwere kunst, inleidt! En nu ik u een en ander van de Glyptotheek te München, het Museum van Oudheden, heb verhaald, vergunt gij het mij wel u thans in de Pinakotheek, de schilderijenverzameling dezer Koninklijke Residentie, binnen te leiden, en sommige opmerkingen over Christelijke kunst aan enkele doeken te verbinden, gelijk ik dit voor de oude wereld aan eenige beeldhouwiverken gedaan heb. Meer dan rust- en aanknoopingspunten voor onze gedachten zijn trouwens die kunstwerken ook thans voor ons niet.
In tegenstelling met de oude, heidensche kunst, wier ideaal het was de menschelijkheid zoo warm en zoo getrouw mogelijk te laten zien, richt zich de nieuwe. Christelijke kunst bij voorkeur op het innerlijke leven. Daarom is het niet alleen de toevallige omstandigheid dat Glyptotheek en Pinakotheek zoo dicht bij elkander liggen, die ons als openbaring van de Grieksche kunst naar eenige beelden en voor de Christelijke kunst naar eenige doeken verwijzen doet â daar is ook een innerlijke drangreden toe. Omdat het heidendom zich richt op
- 433 -
de buitenwereld in de objectieve wedergave der natuur, is zijn kracht veel meer in de plastiek dan in de schilderkunst gelegen, die juist voor het Christendom, met zijne liefde voor het innerlijke, verborgen leven des geestes, de liefste der kunsten is, omdat zij vermag uit te drukken wat der sculptuur onmogelijk blijft. Zien wij eerst in de allerlaatste openbaringen der Grieksche beeldhouwkunst het streven naar effect, naar de belichaming eener idee tot gelding komen, waar anders uitsluitend de tastbare, zichtbare werkelykheid werd nagestreefd, bovenal de mensch in zijn schoonsten en aantrekke-lijksten vorm â in het Christendom, met zijn verwachting der hemelsche heerlijkheid, werd dit aanstonds anders. De Gemeente had haar onzichtbaar Hoofd leeren kennen, en naar Hem ging haar verlangen uit, zich openbarende in gebed en homilie, in lied en muziek, niet het minst ook in de schilderkunst. De cultus werd de vruchtbare vader der Christelijke kunst, van den eeredienst gingen de eerste en machtigste impulsen uit tot herleving der zoo langen tijd verwaarloosde Muzen.
Voor die verwaarloozing was â vyaarlijk wel eenige verontschuldiging. Vervolging en strijd waren nimmer bevorderlijk aan de beoefening van deze werken des vredes, en hoe lang was niet de jeugdige Kerk aan eene hinde gelijk, door woedende honden achtervolgd? En was het wonder dat zij, waar zij de Kunst uitsluitend in handen harer doodvijanden zag, voor wier afgodsbeelden de Christenen moesten wierooken, of anders â ad leones, voor de leeuwen met hen! waar zij theaters en basilieken gebezigd zag om de trouwe belijders te martelen en te hoonen, dat zij in het eerst meer afkeer dan liefde voorde voortbrengselen van beitel en penseel gevoelde?
Maar toch, reeds spoedig ontwaakte bij deze ecclesia militans, deze lijdende en strijdende keurbende, het besef, dat wat de wereld misbruikte, ten dienste des Heeren moest worden gebruikt. En zoo ontstonden de eerste Christelijke schilderstukken, die aandoenlijke fresco\'s in de onderaardsche catacomben, die ik in Eome bij tientallen gezien heb, even
28
- 434 -
$envoudig als zinrijk de vaste hope der arme vervolgden uitdrukkend; den goeden Herder die een lammetje draagt, Jonas door den visch op het droge geworpen, Noach met zijne reddende ark, een schip als het zinnebeeld der Kerk â dezelfde typen die men nog heden in de oudste mozaïeken van het Lateraan en de Sophiakerk terugvindt. De basilica\'s, eerst zoo nauw zich aan de klassieke modellen aansluitend, maakten in de 6lie en 7dl! eeuw plaats voor den schoonen Romaanschen bouw, met al zijne reminiscenzen aan de heidensche Oudheid, toch zoo oorspronkelijk, zoo frisch en zoo vrij. De Kerk van Rome, nu niet langer vervolgde, maar heerscheresse, en met bewustheid de verovering der gansche wereld in hare banier schrijvende; met haar bewonderenswaardigen tact, en haar ^ist gevoel steeds aan te grijpen wat voor eene bepaalde periode noodzakelijk is, voedde hare vaak zoo onbeschaafde en onverstandige kinderen tot rijper ontwikkeling op, en nam de kunst, in al hare vertakkingen, geheel in haren dienst. Gelijk de kloosters de middelpunten voor studie en theologie werden, waren de hoven van bisschoppen en pausen de vruchtbare kweekplaatsen voor beeldhouw- en schilderkunst, en werden de wanden der kerken, de zolderingen, de koepels, de koren, de altaren, even zoovele sursum corda\'s voor de nog zoo weinig beseffende leeken. In steenen gedichten beeldde men, boven de machtige portieken der kathedralen, de levens- en lijdensgeschiedenis van Christus en Zijne heiligen af, of gaf de zaligheid der geloovigen naast de ellende dor verworpenen in sprekende kleuren aan de muren te lezen, ook voor hen die geen letterschrift verstonden. En toen de Kruistochten kwamen, en de volkeren mondig werden, kreeg met de opkomst van den derden stand, ook de kunst een nieuwen prikkel tot uitbreiding harer grenzen. De welvarende burgers versierden hunne woningen met kunstig smids- en snijwerk; de kasteelen der baronnen niet alleen, maar ook de paleizen van stedelijke grooten werden van schilderijen en muurschilderingen voorzien, terwijl de Kerk in hare ten hemel strevende Gothische kathedralen zich monumenten stichtte, die de eeuwen verduren.
- 435 -
Ja waarlijk, men klage niet over het verval der oude beschaving, maar herhale de zoetvloeiende woorden van den dichter:
Regrettez-vous le temps oü d\'un siècle barbare Naquit im siècle d\'or, plus fertile et plus beau?
Oü le vieil univers i\'endit avec Lazare De sou frout rajeuni la pierre du tombeau?
Regrettez-vous le temps oü nos vieil les romances Ouvraient leurs ailes d\'or vers leur monde enchanté?
Oü tons uos monuments et toutes nos croyances Portaient le manteau blanc de leur virginité?
Oü, sous la main du Christ, tout venait de renaitre,
Oü le palais du prince et la rnaison du prètre,
Portant la mème croix sur leur front radieux,
Sortaient de la montagne en regardant les cieux;
Oü Cologne et Strasbourg, Notre-Dame et Saint-Pierre, S\'agenouillant au loin dans leurs robes de pierre,
Sur l\'orgue universel des peuples prosternés,
Entonnaient rhosanna des siècles nouveau-nés?
Le temps oü se faisait tout ce qu\'a dit l\'histoire;
Oü sur les saints autels les crucifix d\'ivoire Ouvraient des bras saus tache et blancs comme le lait â
Oü la vie était jeune, oü la mort espérait____
Nu, dat moge wat al te dichterlijk wezen, dat zelfs de dood in die Middeleeuwen dreigde zijnen schrik te verliezen ... (er was ook nacht en schaduw te over!) â toch is het een tijd van sluimerend leven, dat met ieder jaar tot frisscher kracht ontwaakte.
Vooral ook de schilderkunst begon hare wieken te ontplooien. Zij is toch eene recht eigenaardige kunst. quot;Waarin ligt wel het bekoorlijke van eene schilderij, die tot ons hart spreekt? Toch niet alleen in de getrouwe reproductie der natuur; dan zou een stereoscopisch photogram het ideaal van den schilder zijn, en het tegendeel is waar. Waarom zijn wij zoo recht blijde, als we eens een echt-schoone zee van onzen Mesdag, of een van die verrukkelijke tafereeltjes van Israels voor ons hebben? Ik weet het niet, en ik kan mijzelven, en nog veel minder andere menschen, niet zoo physiologisch ontleden, dat ik al hun beweegredenen kan uit elkander rafelen. Maar een deel
- 436 -
egoïsme is er toch zeker bij! Het doet ons genoegen, dat het een mensch is die dat gemaakt heeft, een menschelrjke hand die dat kleine stukje natuur daar op het doek tooverde, terwijl wij tegenover de groote, onmetelijke Natuur rondom ons vaak zoo machteloos zijn, en haar niet omvatten kunnen. En dat is een vergefelijk egoïsme; het brengt den Prometheus in ons aan het werk, die altoos naar het hoogere streeft, die niet tevreden is met een stuk levenlooze natuur, maar die de natuur met de fantaisie op het innigst verbindt. Hoe vaak ziet men ook in onze musea stadsgezichten van Den Haag, van Amsterdam; of van die kleurige, wazige kijkjes op onze kalme, en toch zoo poëtische rivieren; of van die eenige kerktafereeltjes van onzen heerlijken Bosboom â waarvan ge bij elke beschouwing opnieuw zegt; âWat heeft die kunstenaar er toch veel in gezien, dat ik er nog nooit in had opgemerkt, maar waarlijk het ligt er toch In!quot; Wat heb ik mij vaak geërgerd over de opmerkingen van een of ander luidruchtig gezelschap, dat als een vorst die zijn eere-compagnie afmarcheert, langs de wanden van een museum heenliep, en dan bij een bekend torentje of brugje aangekomen, eenstemmig verklaarde dat het âniets leekquot; of dat het er in de werkelijkheid ânooit zoo mooiquot; uitzag! Alsof niet de indruk, eindelijk door den kunstenaar op het doek gepenseeld, de vrucht was van tien-, â vijftig-, honderdmaal oplettend aanzien van zijn model, zoodat al die eindelooze afwisseling haar reflex in zijn verven heeft achtergelaten! De ware kunstenaar ziet alles dubbel; hij ziet niet alleen de momenteele, actueele werkelijkheid, maar ook de gereinigde, gelouterde gestalte, die deze werkelijkheid gaandeweg voor zijn inwendigst leven verkregen heeft. Een Bosboom ging daar maar niet eens een kort poosje in den schoonen St.-Bavo zitten, om binnen enkele uren zijne schets gereed te maken, maar in een mistigen morgen, in een zonnigen middag, in een donkeren avond, zijn diezelfde muren en bogen alle aan zijn geestesoog voorbijgegaan, en uit de mengeling dier kleuren en schakeeringen werden eindelijk zijn wondervolle kerkstudiën geboren.
- 437 -
âDe kunstenaars zeiven weten niet wat er met hen gebeurt. Hun zweeft iets voor de ziel, dat zij willen grijpen en vasthouden; telkens ontsnapt het hun weer, of het vertoont zich fletser, matter, minder zeggend, dan toen zij het \'t eerst aanschouwden. En zonder te weten, wat zij eigenlijk met hun geest aanvangen, spannen zij zich in en rusten niet, voordat zij dat schoone zoo krachtig hebben uitgedrukt als zij vermogen. Er ligt in hun geduldig, belangeloos zoeken iets onbeschrijfelijk treffends en verheffends.quot; Welk een philosophie, hoeveel boeken vol gedachten en gewaarwordingen liggen er niet in dat beeld van Karei V door Titiaan geschilderd, en eveneens in München bewaard! Gij kent het zeker wel uit een of andere reproductie, indien gl] niet zoo gelukkig waart het in de Pinakotheek te zien. Zou de groote historicus Mommsen wel ooit zóó volledig de slotsom van dit keizerlijke leven in woorden hebben kunnen weergeven, als deze groote Venetlër op zijn machtig doek? Daar zit dan die arme Heerscher, in wiens Kijk de zon nooit onderging, bibberend van de koude, ondanks den dikken pels die hem vruchteloos poogt te verwarmen, en dat in den bloeienden zomer die hem omringt.... een gebroken lichaam, een gebroken geest, voor de wereld en voor zichzelven een walging! De geheele levensgeschiedenis van dezen vorst, met zijn duizelingwekkend succes en zijn bittere teleurstelling, staat op dit doek te lezen, welsprekender dan in de schoonste historische verhandeling! Ziet, zóó iets vermag alleen de schilderkunst, wanneer ze waarlijk natuurlijk is, en dat is ze juist dan, wanneer voor haar de tastbare, zinnelijke natuur niet de hoogste en de éénige waarheid is, maar wanneer de geest, de gedachte haar bezielt en dooradelt.
Ik ken geen juister beschrijving van de verhouding tusschen kunst en natuur, dan de klassieke woorden van Albrecht Dürer: âWahrhaftig steekt die Kunst in der Natur; wer sie heraus kann reissen, der hat sie. Je genauer dein quot;Werk dem Leben gemass ist in seiner Gestalt, Je besser es erscheint. Daraus ist beschlossen, dass kein Mensch aus eigenen Sinnen nimmer-mehr kein schón Bildniss kónne machen, es sei denn, dass
- 438 -
er davon durch vieles Nachbilden sein Gemüth vollgefasst habe; das ist dann aber nicht mehr Eigenes genannt, sondern überkommene und (von der Natur) gelernte Kunst geworden, die sich besamet, erwachst und ihres Geschlechtes Früchte bringt. Daraus wird der versammelte heimliche Schatz des Herzens offenbar durch das Werk und die neue Kreatur, die einer in seinem Herzen schafft in der Gestalt eines Dinges.quot; Hoe schoon is dat gezegd, en hoe waar! Ja gewis, bij een waarlijk goede, schoone schilderij, trouwens evenzoo bij de symphonie van Beethoven, bij een gedicht van Dante, bij een beeldhouwwerk van Michel-Angelo, bij alle hooge, reine kunst, voelen wij den glans van zulk eene âneue Kreaturquot; op ons afstralen, en zoo zijn ons de groote meesters lichtdragers van Gods genade, die ook het pad van eenvoudige, kunstlooze leeken verhelderen en verblijden.
Wat rijkdom van conceptie bij die oude Vlaamsche, Duitsche en Italiaansche meesters! Wat al diepte van gevoel en gedachte bij die in het eerst nog zoo stijve tafereelen, die meer en meer zich aan de versteende trekken der Byzantijnsche mozaïeken weten te ontworstelen, en waar al de tonen, die het menschelijk harte kent, van het diepe âmiserere meiquot; af tot aan het bruisende Hallelujah toe, in vormen en kleuren zijn afgemaald. Hoe rijk is de taal des gemoeds geworden, zoodat zij aan icoorden niet genoeg had, maar grijpen moest naar penseel, beitel en harp om uiting te geven aan de volheid van haar leven! Welk een innige vroomheid in die dertiende en veertiende eeuw, bij en naast de toenemende verbastering van kerk en clerus! Fra Fiesole, van wien men verhaalt dat hij zijne innige tafereelen alle op de knieën geschilderd heeft, maar die dan ook letterlijk zijne gebeden op het doek heeft vereeuwigd, is in zekeren zin het type van al die oude, eerwaardige kleurenmengers, voor wie het schilderen eene daad van piëteit, van liefde voor God en de Heiligen was. Men is zoo gewoon eigenlijk eerst met Rafaël en Michel-Angelo, met Rubens en Rembrandt, kortom met die bijkans volmaakte toovenaars met het palet te rekenen, en
- 439 -
zeker niets ter wereld gaat er boven de Madonna Sixtina, oi de Transfiguratie, of de grandieuze tragedie in de Sixtrjnsche Kapel. Maar o hoe leerrijk is het â ik denk nu alweer aan de Münchener Pinakotheek, waar zij in zoo grooten getale voorhanden zijn â óók eens die oudere Keulsche en Vlamingsche kunst aandachtig gade te slaan. Alles is daar gedragen dooi de begeerte het geopenbaarde Heil te doen lezen in kleuren, aan een geslacht dat grootendeels nog niet lezen kon in hoeken. Waarom zijn die figuren veelal zoo mager, zoo spichtig, zoo omtrekloos? Omdat men nog alleen óóg had voor het lichaam als drager, zooal niet als kerker der ziel, en het ideaal was: het verlangen dier ziel naar haren Verlosser en Zaligmaker tot uitdrukking te brengen. Vandaar die bleeke, ovale gezichten, die tengere, sierlijke handen, die fijne mond, die gouden achtergrond, als om de afgebeelden in de hemelsche sfeer over te zetten, bevrijd van de zonde en do smetten dezer aarde. Hoe teeder-mystiek is bijv. die heilige Veronica van Meester Willem van Keulen, en zoovele andere Madonna\'s en Heiligen uit zijne school. Welk een rein en diep gevoel ademen die oude doeken, ook al moeten wij protesteeren tegen zulk een wereldontvliedend Christendom als daaruit spreekt.
In de Nederlanden kwam men, vroeger dan ergens elders, tot een gezonder weergeven der natuur. De onnatuurlijke goudgrond was hier reeds lang verdwenen, toen men hem in Duitschland nog overal gebruikte. De godsdienstige tendenz bleef, maar men had toch in het weelderige Vlaanderen de levende modellen te goed bestudeerd, om ook den Heiligen niet wat meer vleesch en bloed te gaan schenken. Ik denk nu aan het doek van Rogier van der Weljden, den Evangelist Lukas voorstellende Maria met haar Kindeke schilderend, waar evenzeer religieuze eerbied als gezond realisme uit spreken. Dirk Bouts waagt zich reeds aan meer profane tafereelen, die eenigszins aan de fijne bewerking van Gerard Don doen denken. Met Lucas van Leijden en Quentin Massys wordt de behandeling hoe langer hoe vrijer en natuurlijker, en in de beide Holbeins
- 440 -
en in Albrecht Dürer bereikt de Germaansche kunst dier tijden haar hoogtepunt, gelijk de Italiaansche in Rafaël.
Rafaël! Die naam is zoo machtig als Rome zelf, de stad waar zijne onsterfelijke meesterstukken voor een goed deel ontworpen en uitgevoerd werden. Is hij niet een der liefelijkste verschijningen van alle stervelingen, die heerlijke jongeling, reeds op 37-jarigen leeftijd gestorven, maar met een onvergankelijke glorie gekroond? Niemand benijdende, al wat schoon was bewonderend, allen overtreffende; schilder, beeldhouwer, bouwmeester, archeoloog en dichter van Gods genade â eene vroolijke, zonnige ziel, een koninklijke geest die met bijkans scheppende majesteit de heerlijkste kunstwerken in het aanzijn riep. Zijne Madonna\'s zijn zoo op en top menschelijk, bij al haar verhevenheid! Wat rijke moederweelde spreekt er uit die zielvolle oogen, wat innig-frisch, dartel leven uit die talrijke voorstellingen van het Jezus-kindeke. Zou in dit opzicht de Madonna della Sedia niet onovertroffen zijn? Daar hebt gij geene Hemelkoningin met kronen en juweelen, maar eene stille majesteit, voor welke ook een goed Protestant als ik van harte het hoofd wil nijgen. En wat een heerlijk Kindeke is de Bambino van de Madonna Tempi, die men in München kan bewonderen. Welk een verrukkelijk kind! Ziet, hier is eene geheel andere wereld dan de oud-Grieksche! Plaatst de Venus van Milo naast de koninklijke Madonna van Dresden â voelt gij niet haast iets van schaamte tegenover die edele, naakte godin, die niets meer is en niets meer zijn wil dan het zuiver-menschelijke ideaal, wanneer gij haar in éénen adem noemt met deze goddelijke Moedermaagd, die den geopenden hemel met al zijne glorie schijnt te openbaren?
Van Rafaël op Dürer is de overgang groot â en toch ook weer niet groot. Wat verschillende karakters, die vrome Katholiek en die overtuigde Protestant, die door weelde en zonneschijn omringde Pauselijke gunsteling, en die stille burger eener Diütsche stad, zoon van een Neurenberger goudsmid! Maar toch welk een genie! Ja waarlijk, Albrecht Dürer is óök een schilder bij de gratie Gods! Ge kunt zijn fraai en edel
- Ill -
gelaat, door hemzelven geteekend, in de Pinakotheek niet aanzien zonder hem lief te krijgen. Wat edele trekken, omgeven door die lange, bruine lokken, en met dien ernstigen blik, die u zoo doorvorschend gadeslaat, als wilde hij u afvragen: Kent gij uzelven reeds? Want deze artist is niet maar een groot genie, hij is ook een groot mensch, een geloovig Christen, een nobel karakter. En welk eene veelzijdigheid! Hij heeft zich niet, gelijk zijne Italiaansche tljdgenooten, aan beroemde meesters kunnen aansluiten en zich naar beroemde modellen kunnen vormen, en daardoor overtreffen hem een Rafaël in glansrijke compositie, Titlaan in coloriet, Correggio in de afwisseling van licht en donker; maar toch niemand minder dan Rafaël zelf getuigde van hem: âWanneer deze Duitscher, evenals wij, te midden van zoovele kunstschatten was opgegroeid, zou hij ons allen voorbij zijn gesneld.quot;
Dürers kracht ligt in zijne karakterteekening. Gelijk hij zelf een groot karakter, eene machtige persoonlijkheid was, zoo wilde hij geene schoonheid, die niet in ieder opzicht aan de waarheid gehuwd was. Als Christen zag hij in het eenvoudig geloof der Schriften het eenige redmiddel voor zijn diepgezonken Vaderland, en zijne bijbelsche prenten hebben niet minder dan Luther\'s Bijhélvertalmg de harten ontsloten voor den zegen dei-Hervorming. Hij doorleefde de heilige geschiedenissen, die hij op doek of koper afbeeldde, en daardoor zijn ze zoo innig waar. Een zijner rijmen drukt zoo treffend uit Vvat er in zijn hart omging:
Du, aller Engel Spiegel, Erlöser der Wei-Dein\' Marter sei für meina Simden Entgell!
Ja, stilk een hart kon eerst de lijdensgeschiedenis des Heeren Jezus verstaan, en in zijne onvergelijkelijke etsen en gravuren aanschouwelijk voorstellen. Wat rijkdom in die verschillende cyclen, die nog geheel Roomsch-Katholieke illu-stratiën van de Apocalypse, die Idyllische voorstellingen van het leven van Maria, die grootsche Passieboeken, waaronder ook de wereldberoemde Christuskop, die wellicht het best van
alle voortbrengselen der Christelijke kunst naast den Zeus van Otricoli, naar men zegt een arbeid van Phidias, geplaatst kan worden, om de antieke en de Christelijke wereldbeschouwing met elkander te kunnen vergelijken. Wilt gij eene verklaring in tonen van deze wondervolle conceptie op het hout? Beluistert dan de Mattheus- of de Johannes-Passion van öebastiaau Bach. In onze arme taal zijn zulke kunstwei keu onmogelijk naar waarde te beschrijven! Dat kan alleen de muziek e\\\\ het (jebed.
Van eene overweldigende majesteit zijn de âvier Apostelenquot;, die in de Pinakotheek terstond uwe aandacht trekken, hoewel zij te midden van vele andere schilderstukken geplaatst zijn. Het zijn de Apostelen Johannes en Petrus, Markus en Paulus, die met evenveel zielkundige juistheid als scheppende genialiteit daar op hot hout zijn afgemaald, zóó friscli en harmonisch alsof ze zoo pas het atelier van den kunstenaar verlaten hebben - toch waren ze reeds in het jaar 1520 voltooid! De door Dürer zelf er bijgevoegde bijschriften, waarin hij met dringenden ernst vermaant toch vooral bij het Woord Gods te blijven, zijn weggenomen en weggeborgen; maar de machtige figuren zeiven wijzen onafgebroken op de Heilige Schrift, die zij in de hand hebben, en zijn daar, te midden van allerlei andere stemmen en indrukken, vanzelf door eene bonte schilderijenverzameling gewekt, als onafgebroken Evangeliepredikers op hun post. Wanneer men ooit spreken wil van speciflek-Protestontec/je kunst, dan is zij hier! Geen kerkvaders, maar de mannen des Nieuwen Testaments, de vier die door Luther als de grondzuilen der Evangelieboodschap gekenmerkt zijn, maalt hij ten voeten uit, als zijn blijvend testament aan zijne vaderstad, wier Raad dit wondervol kunstwerk van hem ten geschenke ontving.
Eene oude traditie, die tot op Dürers dagen terugloopt, brengt hen met de vier temperamenten in verband, en waarlijk de overeenkomst is ie treffend om louter toevallig te wezen. Ik acht het veeleer waarschijnlijk, dat de groote kunstenaar aldus heeft willen aantoonen dat alle menschen, hoe ook geaard en geneigd, zich kunnen en moeten stellen in den dienst des
- 448 -
Heeren en onder de gehoorzaamheid van Zijn Woord. O, kon ik u iets doen gevoelen van de heerlijkheid dezer vier gestalten! Johannes, met zijn hoog en breed voorhoofd, houdt den Bijbel geopend vóór zich, dien hij blijkbaar met heiligen ernst bestudeert; de melancholicus, die ook het diepste en pijnlijkste onderzoek niet schroomt. Petrus, die achter hem staat, bukt zich eerbiedig over het Boek, als om aan te toonen dat de sleutelmacht der Kerk alléén op het Woord berusten moet, oen edele grijsaard, wien de kalme overpeinzing op het gelaat te lezen is; de phlegmaticus, die zijne gedachten rustig en nauwgezet verwerken wil. Deze beide figuren, op de eerste tafel geschilderd, drukken dus de meer op \'t inwendige gerichte werkzaamheid des geestes uit; de beide anderen. Markus en Paulus, willen de verhouding des geloofs tot het leven daarbuiten aanschouwelijk maken. Markus, op den achtergrond staande, is de cholericus, die bleek en zenuwachtig rondziet, of ook ergens eenig gevaar de Goddelijke Waarheid bedreigt, terwijl Paulus, de sanguinicus, wiens kale schedel, wiens geweldige gestalte u zoo imponeerend aanziet, met Bijbel en zwaard gewapend, in vast vertrouwen opwaarts blikt, dat hij eiken vijand in \'s Heeren kracht zal kunnen staan en wederstaan. Even oorspronkelijk als deze conceptie is ook de uitvoering. Welk een waardigheid en hoogheid in deze zoo geheel-verschillende koppen! Niets conventioneels. Geen heiligen-nimbus, geen sj\'mbolen zijn noodig, om terstond deze mannen als hoogbegenadigde Afgezanten van Christus te herkennen: die Johannes met zijn reinen, heiligen ernst; die Petrus met zijn trouwe eerlijkheid; die Markus met zijne twijfellooze zekerheid; die Paulus met zijn niets ontziende waarachtigheid â het zijn koninklijke gestalten, bij wie ge klein, beschaamd en toch ook weer zoo bemoedigd wordt. Het is een prediking in kleuren, een Evangelieboodschap in licht en glans! Waarlijk, de groote Meester kon kort na de voltooiing van dit kunstwerk gerust zijne oogen sluiten â hij had zijn Ideaal bereikt, voor zoover dit voor een Christen mogelijk is.
Geëerde Hoorders! hoe wenschto ik, dat wij allen den
U4 -
kunstenaar, die in ons slaapt, tot leven en zelfbewustzijn brachten! Dat oude Boek, dat Dürer aan twee zijner Apostelen in handen geeft, getuigt van den mensch dat hij geschapen is naar Gods Beeld en Gelijkenis, als een beheerscher der schepping die hij ordenen en leiden moet. En waarlijk, nu is het geen theologisch stelsel, geen dogma alléén dat ons spreekt van een val, van eene verwijdering, van een verlies van dat Ideaal, de ervaring drukt er maar al te onloochenbaar haar zegel op â maar iets, iets is er toch van dien eersten adel overgebleven, en dat is: het verlangen, het streven, het jagen, het smachten naar dat verloren Ideaal! En nu is het de Kunst, in al hare openbaringen, nu is het de Christelijke kunst bovenal, die daaraan uiting geeft. Indien wij de lessen verstaan, die de eenmaal zoo bloeiende Antike van Griekenland ons geeft; indien wij de prediking ter harte nemen, die alle Musea van Oudheden tot ons richten, dan zullen wij met te grooter blijdschap het licht begroeten dat met de kribbe van Bethlehem over geheel den omkring des levens, en niet het minst over het leven der Kunst is opgegaan. Voortaan is de realiteit der geestelijke dingen bewezen-, een beginsel dat de Rafaëls en de Murillo\'s, de Dürers en de Kaulbachs tot zulke scheppingen in staat heeft gesteld, kan onmogelijk eene leugen zijn.
En wanneer ik nu aan u en mljzelven toewensch dat wij den kunstenaar, die in ons allen slaapt, tot leven en zelfbewustzijn mogen brengen, bedoel ik daarmede niet dat wij allen penseel of beitel, piano of viool zullen gaan hanteeren ... ach, onze tijd heeft mislukte genieën genoeg, teleurgesteld door het leven, allermeest omdat zi) zichzelven niet hebben leeren kennen. Maar dit is ons aller plicht: de natuur rondom ons, èn onszelven, met aandacht gade te slaan en te bestudeeren. Het ontbreekt zoovelen onzer tijdgenooten aan hart voor de schepping, en wie dat niet heeft, kan ook geen hart hebben voor de kunst. Be gevoelige menschenziel vindt in de natuur eene zuster (geen Moeder, geen Vader; eene leidende, gebiedende macht zoeke zij elders!), maar toch eene zuster, bij wie zij nu eens vrijheid en frischheid, dan weder eenzaamheid en stilte,
- 445 -
vrede en rust komt zoeken. De mensch leeft in deze gejaagde eeuw zoo vaak huilen zichzelven; in de kunst, wanneer zij waarlijk natuurlijk is, komen wij tot onszelven, ontmoeten wij onszelven. Trachten wij toch die harmonische stemming bij ons en onze tijdgenooten aan te kweeken, die ons het leven met het oog van den kunstenaar doet beschouwen; dan zien wij overal nieuwe schoonheden, dan hebben wij telkens nieuwe verrassingen.
Want op de innerlijke stemming komt het aan. Van het hart zijn de uitgangen des levens, en de kaars des lichaams is het oog; d. w. z. zooals het oog ziet denkt en gevoelt het geheele zijn van den mensch, en slaat zijn hart harmonisch, dan zullen hand en voet ook deelen in dien vrede. Eén voorbeeld! Wij gaan op een vroegen lentemorgen naar buiten; de hemel is blauw, de zon schittert in de dauwdroppelen; de leeuwerik klimt langs zijn bonte liederen naar boven; de lucht is zoo koel, zoo frisch, zoo rein â âwelk een schoone morgen!quot; roepen wij dan uit. En toch weten wij zeer goed dat de morgen geen Genius, geen persoon, zelfs niet eens een ding, maar slechts eene tijdsbepaling is! Waarom spreken wij dan van een schoonen morgen? Omdat het ons, na een verkwikkenden slaap, onder zulke omstandigheden aangenaam te moede is; omdat wij dan genieten van het leven. Ach, wanneer ge daar rondliept met een diepe wonde in de ziel, treurende over het pas geleden verlies van uw kind, van uw vrouw, ge zoudt die zon niet zien, dien leeuwerik niet hooren, van al die schoonheid niets bemerken!
Ik wensch dus u en mijzelven den rechten blik op de wereld toe, en wederom â dien blik leert ons het geloof alleen. Door het geloof is de kunst tot bloei, tot zelfstandigheid gekomen, en waar deze hoogere macht ontbreekt, daar kwijnt ook de kunst. Daar kan nog wel virtuositeit zijn, zelfs verbazingwekkende techniek en hooge kunstvaardigheid, maar icaarachtige, heilige, heiligende kunst is slechts daar, waar de geest wordt erkend als de hoogste werkelijkheid. Ziet het maar aan wat men dan tegenwoordig âde nieuwere kunstquot; gelieft
- 446 -
te noemen, die richting die in de taal dat onuitsprekelijk en onverstaanbaar patois te voorschijn roept, dat alleen voor de diep innige vertrouwelingen zijne diepzinnigheden ontsluiert, dat met kleuren en klanken toovert, als een kind met zijn caleidoscoopglaasjes, maar waarvan dan ook bijna niemand den zin kan begrijpen. Ziet het ook in de Schilderkunst, waar ge zoo vaak verbijsterd staat, en van links naar rechts, en van voren naar achteren wandelt, of het u toch gelukken mocht te ontcijferen wat daar op het doek als met modder en bloed gepenseeld staat: een vrouw of een brug, een huis of een zee .... een bonte, verwarde chaos van strepen en lichteffecten, waarin de totale absentie van orde en beheerschende gedachte de eenige gedachte schijnt te zijn. Dat is de vrucht van het verlaten van het geloof. Dat komt er van wanneer men liet stoffeliik-zinnelijke alléén wenscht weer te geven, en geen hoogere macht kent die deze materie ordent. De Griek anticipeerde, en nam eene harmonie vooruit die er nog niet was. Onze tijd is daarvoor te eerlijk. Onze tijd is door en door pessimistisch, en dat moet hij ook zijn â de oude Schrift zegt het zoo treffend: indien wij alleen in dit leven op Christus hopen, zijn wii de ellendigsten van alle schepselen! â en daarom brengen ons deze realisten, gelijk zij zich noemen, van de eene narigheid tot de andere. Ik heb ook de Sezessionisten in München gezien, de jongste schilderschool die zich met welbewustheid van de oudere, in haar oog conventioneele en verouderde richting afwendt, maar \'t is merkwaardig hoe weinig verheffends daarin is! Een scrophuleuze courantenjongen, een teringachtig meisje, een zelfmoordenaar, een duel, een ontuchtige deerne, een dronkemanstroep .... tal van zulke tafereelen, zonder éénige diepere gedachte, zonder éénigen humor, zonder éénigen troost!
Wat dunkt u bijv. â opzettelijk noem ik geen Hollandsche namen â van die voorstellingen van Uhle, die o.a. de zalving van Jezus door de zondares geschilderd heeft? Gij ziet daar de gasten van den Farizeër in frak en witte das, met echte roués-gezichten op die Magdalena neerzien, met den wellust
_ 447 -
op het zinnelijk gelaat, elkander als toefluisterend: âWat een knappe vrouw!quot; Is \'t niet walglijk\'? Kent gij het Laatste Avondmaal van dienzelfden kunstenaar? Echte boeventronies omringen den Heiland, figuren niet alleen aan alle idealisme gespeend, maar met opzet uit plaatsen als den Duivelshoek te Amsterdam of van de binnenplaats eener strafgevangenis als ontleend. Een fijn criticus maakte van dit stuk de juiste opmerking dat men bij zulk een gezelschap, als cluze Avondmaalsgangers, niet gaarne zijne portemonnaie op de tafel zou laten liggen! Nog eens, is dat kunst? Is dat niet erger dan heidensch? Er zijn dingen, die men slechts dan verstaat, als men er voor beeft.
Neen, wij moeten weer tot de oudere Meesters terug, en van hen geleerd hoe wij de wereld rondom ons moeten bekijken. Een paar oogen als Van der Helst, als Gerard Dou, als Rubens, als Dürer ze had wensch ik u eu mijzelven toe, ook al ontbreekt ons hunne vaardige hand en hunne diepe genialiteit. Een extra bezoek aan het Rijks-Museum, of welke goede verzameling dan ook, is een heilzame medicijn voor onze overprikkelde, senti-monteele tijdgenooten. Treft het u niet, hoe vaak in onze dagen de avond wordt bezongen en afgeschilderd? En let er dan eens op, hoeveel menigvuldiger in de dagen van de bloeiperiode der kunst de morgen verheerlijkt werd. De avond met zijn nevelen, met zijn duisternis, met zijne sombere schaduwen; de avond met zijn naderenden nacht waarin zooveel zondigs wordt bedreven, zooveel zelfmoorden, zooveel wanhoop, zooveel tranen zich verbergen, past veel meer bij ons sombere, pessimistische, overgevoelige geslacht dan de blijde morgenstond met zijn goud in den mond. Maar Homerus bezingt boven alles den morgen, de goudtronende, saffraankleurige, rozenvingere Eos; evenzoo de Israëlietische en de Indische zangers. Ook Shakespeare is veel meer een morgenmensch dan een avond-zanger, en ontleent tienmaal meer vergelijkingen aan den ochtend dan aan de schemering die den nacht voorafgaat. Mogen ook wij rechte morgenmenschen, menschen van den frisschen, vroolijken dageraad worden, die het Lied van Ten Kate\'s leeuwerik voelen natrillen in hun hart;
- 448 -
O hoe zalig, hoe zoet, met een vroolijken groet
Naar de wieg van den morgen te stijgen,
\'s Heeren glimlach te zien, en Hem \'t welkom te biên Als andere stemmen nog zwijgen!
Wat het schepsel geniet\', alle licht, alle lied,
Alle veerkracht tot lieven en loven,
Daalt ter neer van den Heer, tot den Heer keert het weer, Sursum corda! van Boven, naar Boven!
Geëerde Hoorders! Ik schik mij om te gaan eindigen, en ik dank u dat gij zoo lang en zoo geduldig naar mijne leeken-gedachten over kunst hebt willen luisteren. Wanneer ik nog eens, om tot een slotindruk te geraken, die twee Musea naast elkander plaats: de Glyptotheek en de Pinakotheek, de Oude en de Nieuwe, de Heidensohe en de Christelijke kunst, dan moet ik onwillekeurig telkens denken: hoe volkomen ontbrak aan die klassieke wereld het bewustzijn van zonde en van schuld. Deze Grieken waren geheel met deze aarde verzadigd, zij zochten en vonden hier hun ideaal. De Romein was gelukkig wanneer hij slechts kon heerschen, en den adelaar zijner doorluchtige stad tot op de einden der aarde kon planten. De Griek vond zijn wellust in den dienst van het schoone, dat hem identiek was met het goede (-/.«Aszayafoy luidt zijn eigenaardige term, die beide begrippen vereenigt) â maar van dat heimwee naar een beter vaderland, dat het Christendom bezielt en dooradelt, hadden Griek noch Romein ook maar éénig besef. Wanneer het raadsel des levens eindelijk, eindelijk gevoeld wordt, is de natie haar einde nabij, en de oplossing die hare wijzen dan nog geven, staat met een zelfmoord gelijk. De Epicureërs verliezen zichzelven in levensgenot, de Stoïcijnen trekken zich van het leven terug, en de Sceptici verklaren het leven zelf voor even dwaas als elke verklaring daarvan.
Is er dan geene oplossing? Is er dan geen doel voor dit leven?
O ja, maar zij komt niet van den Acropolis met zijne marmeren paleizen, noch van het Kapitool met zijn wereld-
- 449 -
beheerschende macht â zij komt uit Judea, dat vergeten hoekje land, waar een overwonnen volk zijne verloren grootheid beweent. En te midden der kunstlievende Atheners verschijnt daar op den Areopagus, waar eenmaal de groote redenaars van Attika hunne schitterende bewijsvoeringen hielden, een man met vereelte vingers, een ten ten we ver van beroep, een Jood uit Jeruzalem. Het is dezelfde man, dien Dürer ons met het zwaard heeft afgebeeld, het zwaard des geestes dat de gansche vermolmde beschaving der Antike zal doen vallen. Paulus, de Apostel van den gekruisten Nazarener, verkondigt aan de Atheners den onbekenden God, die niet in tempelen woont, met handen gemaakt, maar in het hart der geloovigen, maar die dan nu ook allen menschen alom doet aanzeggen dat zij zich moeten bekeeren van de stomme afgoden, tot den levenden God.
Hier hebt gij het keerpunt, het kruispunt, het scheidings-punt tusschen de oude en de nieuwe wereld. Doorwandelt bijv. die lange zalen der Glyptotheek, met hare imperatoren en philo-sofen, met hunne helden en goden: al die fraaie, welgevormde, edele hoofden stralen van volkomen tevredenheid. Of daar al millioenen slaven zuchten en wegkwijnen â wat deert het hun? Of daar drie-kwart van de wereld in onwetendheid voortleeft â wat raakt het hun? Het zijn immers slechts barbaren? Maar wij {zoo schijnen ze u toe te roepen), welbehaaglijk op hun zwaard leunende of met de hand op hunne boekrollen, wij zijn de gelukkige Hellenen, en de wereld kan met ons tevreden zijn!
Hoe anders wordt alles, zoodra het Kruis zijnen invloed gevoelen doet! De blik richt zich naar Boven, de gansche houding der in marmer of op het doek afgemaalden wordt anders - de hope treedt onder allerlei gestalten naar voren, de hope op eene betere wereld dan de aarde onder onze voeten, de hope dat de klove eenmaal verzoend wordt tusschen geest en natuur, die de kunstlievende, boven alles harmonie eischende Griek niet eens besefte. Hoe leerrijk is in dit opzicht niet het minst een bezoek aan de oude Pinakotheek, en wel verre
van met Schiller te klagen over de eentonigheid en eenvormigheid van het Christendom, verkrijgt daar juist de Antike, met hare onafgebroken verheerlijking van den mensch, iets wee-moedig-eentonigs vergeleken met de oneindige verscheidenheid van tonen en kleuren, van wenschen en strevingen, van tranen en jubelklanken in deze nieuwere kunst, door deze nieuwe bedeeling tot aanzijn geroepen. Bovenal hoe wordt de Dood, dat raadsel bij uitnemendheid voor den Griek, door de Christelijke kunst als een doorgang tot de Opstanding begroet, en daardoor met een straal van licht omgeven, omdat deze kunst niet allereerst de geanticipeerde schoonheid, maar boven alles de werkelijkheid, tie waarheid zoekt en weergeeft. En de waarheid, geeerde Hoorders! is alleen te vinden bij het Kruis van Golgotha. Ziet, dat gevoelde ik telkens bij het genieten van die heerlijke Murillo\'s en Eafaëls, die kostelijke stukken ook van Eubens en Van Dijck, en hoe ze verder mogen heeten die prinsen van het palet, die toovenaars met verven en zonnestralen: Gij zyjt nog wel niet waar gij wezen moet, en gij zidt uw ideaal ook wel niet volkomen bereiken, maar gij zijt toch op den goeden weg. Gij dient niet meer een abstract idee, maar een feit â het feit dat de klove tusschen Schepper en schepsel gedempt, en dat de ban dezer zuchtende creatuur verbroken is voor eeuwig.
En zóó doorliep ik die tallooze zalen met kunstschatten uit de Oude en de Nieuwe wereld, telkens vol bewondering over de ongeëvenaarde harmonie en de volmaakte verhoudingen der klassieken, en toch onvoldaan en onbevredigd. Maar stond ik met dankbare blijdschap stil bij zoo menigen Christus Consolator of Remunerator of hoe men dien Eénige ook voor heeft gestold â en in mijn harte klonk het oude Schriftwoord na: âDe wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheid, maar het Woord des Heeren blijft tot in eeuwigheid.quot;
Geëerde Hoorders! Ik had mij voorgenomen in deze ure uitsluitend over de kunst te spreken. Maar het zal u evenwel niet verborgen zijn gebleven dat de kunst, die ik innig en hartelijk liefheb, voor mij niet de moeder is van den godsdienst,
en evenmin zijn tweelingzuster. De verhouding is omgekeerd. De ware religiositeit, die ik, Goddank! zeer goed van eenige Kerk of eenig dogma kan onderschelden, is omgekeerd de moeder der Kunst. Hartelijk wensch ik dat velen onzer, juist omdat zij de moeder liefhebben, de dochter zullen beminnen. Ik kan daarover thans niet uitweiden, â de tijd is reeds meer dan verstreken â maar ik had behoefte het toch even ook in wv midden uit te spreken, dat de vreeze des Heeren het beginsel Is van alle wijsheid, en zoo ook van alle kunst, die immers de wijsheid, de waarheid, de waarachtige werkelijkheid zoekt en vindt!
Nu dan â laat ons de Kunst liefhebben, welke harer talrijke openbaringen ons dan ook het meest moge aantrekken. Niets houdt zoo frisch en zoo blijvend jong, als een bad in deze reine, versterkende atmosfeer. Dat kan ook het leven van vele artisten bewijzen. Cornelius heeft zijne heerlijkste kunstwerken tusschen zijn 70ste en 80ste jaar voltooid; Aeschylus, Sofocles, Calderon waren in hunne grijsheid het vruchtbaarst. Zoo zij ons leven geen cirkelgang, en nog minder een nedergang, maar een opgang! Een leven in die werkelijke, reëele wereld, wier krachten ons reeds hier doorstroomen, en wier glans ons de ware kunst bij aanvang leert kennen, maar wier volle ontplooiing nog voor de toekomst is weggelegd. Gelukkig zij, die dat Idealisme kennen, die het in hun eigen leven laten zien, en het ook anderen pogen te schenken. Dat zijn de ware kunstenaars, ook al kent de wereld hunne namen niet, die aan de zwoegende, klagende menschheid telkens weer lafenis bieden en troost. Kent de verschroeiende roze den naam en den oorsprong van elk droppeltjen dat op haar neervalt? Immers neen! En toch wordt zij er door verkwikt en ver-frischt. Mogen wij aldus onze roeping vervullen! En nu â genoeg in onze arme woorden over deze dingen gezegd! Ik dank u voor uwe welwillende aandacht, en met den hartelijken wensch dat wij allen onze roeping tegenover de Kunst meer en meer mogen leeren verstaan, en met de bescheiden hope dat mijne eenvoudige voordracht bij enkelen uwer een klein
- 452 -
vonkske liefde voor al wat edel en schoon is moge gewekt hebben, neem ik thans afscheid van u met de woorden van Sully Prudhomme:
Nous naissons pour règner, et n\'abdiquons jamais.
Du serf, ancien vaincu, rèvant les parts égales,
Au seigneur, indigné des barrières légales,
Nul homme de plein gré ne dit: âJe me soumets.quot;
Hé bien! tous compagnons d\'une même infortune,
Tous prétendants captifs, dans la chaine commune Pour nos titres gardons un amour mutuel.
Vivons sur terre en rois, dont n\'a pas sonné l\'heure, Qui, par grace accueillis dans quelque humble demeure, Respectent leur couronne qui les attend au Ciel!
gt;â¢
Don is moge gewekt met de woorden van
fes®
SM
. A
......,:L.. . ...........^
»\' -UiM